-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

5~LIM

,£ «

f-

717

V\\

1 1

I

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

iniM

1196 5294

-ocr page 7-

R A P P O E T

OVDR

VICARIEGOEDEREN,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

FRIESLAND.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Instituut voor Rechtsgeschiedenis, dkr Eijksuniv trsltelt te UtreCwp»

DE VICAR1EG0EDEREN IN FRIESLAND.

Do Vicaricgoedercn werden in Friesland, vóór 1580 , in hot statutair spraakgebruik begrepen onder de algemeene benaming van heneficien of leenen.

Dat is b. v. het geval in het Mandement of de Ordonnantie van de Landvoogdes Maria, dd. 25 Augustus 1542, rakende de kerkelijke goederen (Chhk. II, 864), waar de plaatselijke bona ecclesiastica aangeduid worden met de woorden, „die goeden van den kercken ende beuefieien ofte leenen.quot;

De inventarissen, welke ingevolge die Ordonnantie door de beheerders zijn opgemaakt en aan den Hove opgezonden (uitgegeven onder den titel Beneficiaal Boehen van Friesland, Leeuw. 1850), onderscheiden die goederen naauwkeurig naar hunnen aard en hunne bestemming, in dier voege , dat, ten aanzien van elke plaatselijke gemeente in den regel voorafgaat de inventaris der bezittingen, die aan het kerkgebouw verbonden waren, gewoonlijk naar den beschermheilige der kerk, dien men zich dacht als eigenaar, Patroonsgoederen genaamd ; daarna volgen de Pastoriegoederen, vervolgens de Vicariegoederen, de Coster leg oeder en en Sacristieleenen, ten laatste de Pre-henden.

Ongeacht de omstandigheid, dat door enkele beheerders geene inventarissen zijn ingeleverd of sommige inventarissen verloren

-ocr page 10-

4

zijn gegaan, geven die Bouoficiaalboeken dus ook een volledig overzigt van de vicarie-stichtingen en hare goederen in Friesland, in liet midden der zestiende eeuw. Daar de Vicarie-yoederen eene plaats innemen tussehcn de overige kerkelijke goederen en niet deze grootendeels dezelfde regtsgeschiedenis hebben , behooren zij ook in onderling verband beschouwd te worden. Gelijk reeds met een enkel woord is aangestipt, noemde men in Friesland de goederen, die aan het kerkgebouw (fabricae ecclesiae) verbonden waren, P a t r o o n s g o e d e r e n, omdat men zich den beschermheilige der kerk dacht als het subject, aan wien het kerkgebouw toebehoorde. Dit denkbeeld vindt men dikwerf in fundatiebrieven en testamenten neergelegd. Zoo leest men in het testament van Duco Onnama, van 27 Mei 1423 : Inprimis siquidem dictus testator volons respicere suam Ecclesiam, legavit, dedit ac deputavit suo Patrono Sancto Benedicto ad

edificationem Ecclesie in Dotinwald.......; in dat van Andlef

Abbengha, van 1438; Item so hatter to leydt da Patroen to Blya Sunte Nycolaes, alwa ansa Seedland, lidzende by da tzerek-wey; in dat van ïitardus Carpentator van 1442 : In primis legavit Michaeli Patrono suo in Almenum duo talentata terrae.... (Schotanus, üe geschiedenissen kerckelyck en wereldlyck van Friesland, Tablin., blz. 130, 123, Chbk. I, 458, Telting, in het Tijdsch. voor het Nederl. Reyt, II, 266 en volg.) Van daar dat men aan het hoofd van de inventarissen der kerkegoedeven in de Beneficiaalboeken zonder uitzondering in deze of dergelijke bewoordingen leest: „Dit zijn die landen ende jaerlixe inkompsten des Ileyligen Patroons .... thoequot; ....

De pastorie-beneficien leverden het inkomen op voor de Pastoors of do Persona\'s. Zij behoeven hier niet bespvoken te worden.

Uit de Beneficiaalboeken blijkt tevens, dat in bijna alle gemeenten naast den Pastoor een Vicaris was, die ook wel „Jungher Presterquot; of „Bepresterquot; genoemd werd. Zijn officium heet daarom meermalen „het Jongerschipquot;. Deze Vicarissen waren adjuncten vau de Pastoors en als zoodanig gemeentegeestelijken.

-ocr page 11-

5

die dikwerf in ééu adem met den Pastoor genoemd worden, b. v. „de Pastorie, myt zijn Vicariusquot; of „myt sijn twee Vioarisenquot;. Terwijl de Pastoor de pastorie bewoonde, had de Vicaris doorgaands ook eene afzonderlijke vrije woning (Beneficiaalboeken, bh. 229, 231, 356, 111, 122, 216, 229, 435, 438, 439), en een van de pastoralia afgescheiden, geheel op zich zelf staand fonds tot zijn onderhoud.

Die fondsen zijn in den regel, op het initiatief van vermogende gemeenteleden , ouder medewerking niet zelden van do geheelc gemeente, tot dat doel gesticht en later door legaten en giften gestadig vermeerderd.

Voorbeelden: 1°. De Pastoor Hendrik van Dyl of de Dyla, en de Hoofdeling Epo Harinxma, mitsgaders de gansche gemeente van Ylst, stichtten in 1437 eeu altoosdurend vicarisschap. De Vicaris, op wettige wijze gekozen, zou bevoegd zijn om de Missen en kerkelijke Diensten aan \'t hooge altaar te doen, Gods woord aan de Christen-geloovigen te verkondigen , het Sacrament des Altaars en de andere Sacramenten te bedienen, de kinderen te doopen, bij begrafenissen te fungeren, voorts om alles in de parochie te vemgten, wat den Pastoor van regtswoge, krachtens privilegie of ordonnantie, toekwam; eindelijk zou deze Vicaris zijn Pastoor, zoo binnen als buiten de kerk, gelijk zijn in alle voorgemelde bedieningen en in alles wat den Pastoor mogt toekomen. Rudolf van Diepholt, verkozen Bisschop van Utrecht, heeft deze fundatie en dotatie met zijne goedkeuring bekrachtigd (Oudh. en Gest. van Friesland, II, 72, 73);

2°. Sytze Martena, Hoofdeling te Cornjum , en zijne zonen Doeke en Hessel, fundeerden ten jare 1482, in overleg en met toestemming van den Persona of hoofdpriester, van de kerkvoogden en de geheele gemeente aldaar, een „Jongher Leenquot; of Vicarie , waarvoor zij een zeker onroerend goed bestemden; de Persona voegde er eenig land van de Pastorie bij; de kerkvoogden stonden tot hetzelfde doel eenig Patroonsland („ws Patroens fenna , der bieten is toleft\' poudamataquot;) en het kos-teriegoed af, na daartoe door den Deken te Stiens gemagtigd

-ocr page 12-

6

te zijn. De gemeente beloofde „den Jonger Prester six offer thoe brengen, als op dae fyouwer Hachtida , vp den Patroens dey , ende Tzierckwynglia deijquot; , en andere offergaven. Des Jonger Priesters taak zou het zijn „den Persinna help ende bystandt toe dwaen in need ende in nioed, als dat dy Persenna byorret, ende byhoeff is in redelieke secken , als in missen toe dwaen , bicht toe heren, sacramenten to ministrieryenquot;. Zóó kwam door veler handen hulp in de gemeente die vicarie tot stand {Chbk. i, 708, 709).

De koster was belast met „\'t clockluiden ende clockreepenquot;, of — zoo als het op andere plaatsen in de Beneficiaalboeken heet, met „die clocken te luyden, wyn en oblaten te beschicken, soe vele die kercke behoertquot;, — of „die clocken luyden, schueren ende wasschen die kercke, wyn ende misbroot te haelen voor twee Priesters ende te koer te syngenquot;. Het was alzoo ook do taak des kosters om de kinderen voor het kerkelijk zangkoor op te leiden, en als zoodanig werden zij dan ook wel schoolmeesters genoemd. Zoo wordt b. v. ten aanzien van zekere prebende te Hommerts gezegd.: „ende wantet toe cleyn is een Priester op thoe houden, zoo hebben die Poeghden (kerkvoogden) — want ivij quaetyt Sangers hebben, die Schoolmeester een ghulden, ofte twee ofte drie affgegevenquot;; te Hijlaard verlangden de gemeenteleden , hangende een proces over het confereren van de kosterie, „dat zy gemeene Meent een goet bequaem man moegen winnen, die de Costerie in choersanck, clocke te luyden, ende de kinderen te leeren ende in guede discipline te helden.quot; In de steden treft men reeds in de 15e eeuw kosters aan, die tevens schoolmeesters waren , doch deze schoolmeesters waren die der Latijnsche scholen. In de Instructie van den Rector van een der Latijnsche scholen te Groningen, dd. 8 Dec. 1567 (Bijdr. tot de Gesch. en Oudh. der prov. Groningen, VI, 79) leest men: „dat D. Ludouicus ijn den eersten sal verblinden sijn de catolische ende christelycke religie toe onderholden ende nae sijn vermoegen voertoestaan, alle voirnemeste festdaegen als veer hoochtijden, dedicationis sacramenti,

-ocr page 13-

7

syck solues presenteren ijn sijn egener persoen op het koer ende om het kercklioff in de statie meede toegaen, ende de solue ioecht myt alle vlijt vermaenen ende onderholden toe koere gaen, want principael de sckoele om het koer (jefundeert ende gestjjchtiget is.quot;

In de Instructie voor den Rector der Latijnsche Scholen te Leeuwarden van 7 December 1558 werd bepaald „dat alle last van Tchoere, zoe wel van Nyehoof als van Oldehooff, van singen ende diergelycke, zal leggen op d\'ondermeesters der voerschr. schoeien alleen, die daertoe gehuyrt zyn ofte gewonnen zullen wordenquot; (Boot, de Historici Gymn. Leovardiensis, p. 80.)

De bijgebragte voorbeelden bewijzen, dat het oorspronkebjk verband tusschen het kosterschap en den schooldienst uit de opleiding van koorzangers is ontstaan. Geen ander verband ver-eenigde „die Costerie ende Scole van Staverenquot; reeds in den aanvang der 15e eeuw; — de schoolmeesters te Bolsward en te Sneek, in het midden van dezelfde eeuw — mede door Mr. Telting t. a. p. blz. 289, 290, besproken — waren docenten aan de Latijnsche scholen aldaar, evenzeer als die te Staveren, en te Leeuwarden evenvermeld; zij allen namen eene plaats in in het kerkwezen.

Evenals de Pastoors en Vicarissen hadden ook de Kosters, of wil men de Kosters-schoolmeesters, het genot van een ten hunnen behoeve gesticht of aangewezen beneficie , soms „ Sacrista prouequot; genoemd (Beneficiaalboeken, blz. 281, 320). Vele gemeenten hadden in het midden der 16e eeuw geen kosterie-goed, doch, waar dit niet gevonden werd, kwam de kosters-dienst gewoonlijk ten laste van den Vicaris of van een praeben-darius, zooals Mr. Telting met voorbeelden uit de Beneficiaalboeken heeft gestaafd {blz. 251 en volg.) De vereeniging van de kosterieopkomsten te Cornjum met de vicarie, door de Mar-tena\'s gesticht, leidde noodzakelijk tot de bepaling in den bovenvermelden fundatiebrief: „hyr for soe schil dy Jonger Prester den hlest van dae clocken habba, ende all dat dwaen, der een koster schieldich is tho dwaenquot;.

-ocr page 14-

8

Na die der patroons-, pastorie-, vicarie- en kosteriegoederen volgen in de Beneficiaalboeken doorgaans de inventarissen van de praebendegoederen.

Deze fondsen schijnen hunnen oorsprong verschuldigd te zijn aan de zucht om door afzonderlijke geestelijken zielmissen te laten doen voor de stichters en hunne nazaten of verwanten. Tot dat doel werden somtijds afzonderlijke altaren voor die geestelijken opgerigt. Bestond eenmaal zulk een praebendaat, dan lieten andere geloovigen niet na, om de praebende te begiftigen en den praebendarius daarvoor met missen voor hunne zielen te belasten. Zoo bepaalde Gerrijt van Belcum, eerbaar Burger in Leeuwarden, bij testament van 12 Febr. 1480, ondermeer, dat men in St. Vituskerk te Leeuwarden „ sal make een Nieuw Altaar, daer Sinte Christoffel sal op staan, ende buiten aen de Kercke wil hy hebbe een figure van ons Lieve Here Godt, dragende syn heilige Cruys. Dit voorschreven altaar met syn toebehooren, mette figure ende Glasvenster als voorss. hadde Wyttie, syn huisvrouw, hem onthieten, ende al aengenomen te bekostigen tot der Eere Godts ende om haer lieve zielen zalig-heit.quot; Vijftig „klinckarden renthequot; verbond hij aan dat altaar „ tot een Prijsters Proue, welke Proue heeft Gerrijt voorge-noemt bezwaart met drie of vier missen ende gelyke veel vigiliën daertoe des weeks ten aider minsten.quot; (Zie dat testament als Bijlage A, achter W. Eekhoft\', Beknopte Gesch. van het voormalige St. Anna-Leen te Leeuwarden. Leeuw. 1860).

Niet zelden wezen vrome erflaters een deel hunner nalatenschap aan om iemand uit de revenuen daarvan tot Priester te laten opleiden, ten einde de verlangde zielmissen voortaan te laten doen doorhem, die op het leen gestudeerd had. Het verschil tusscheneene vicarie en eene praebende bestond in \'t algemeen in Friesland daarin, dat aan praebenden geene cura pastoralis verbonden was. Zelden vindt men dan ook de benamingen vicarie en prebende promiscue gebruikt. Dit gebeurde b. v. wel, wanneer de fundatiebrief in \'t ongereede was geraakt. Zoo spreekt de Pastoor van Scharnegoutum {Beneficiaalboeken, 410,411) over landen

-ocr page 15-

9

en renten, die voorheen tot eene vicarie zouden zijn besproken en waaromtrent hij het testament van de donatrice had opgespoord.

Uit hetgeen hij daaruit mededeelt blijkt duidelijk, dat het geene vicarie, maar eene prebende was („ een nye Leen ende Proouenquot;). Ten aanzien van het St. Nicolaas leen te Olde-tryïie {Beneficiaalhoeken, Stellingwerf, blz. 55) wordt de uitdrukking „ Prebende ofte Vicariequot; gebezigd.

Het officium , waaraan het beneficium verbonden was, moest natuurlijk verrigt of waargenomen worden in het kerkgebouw. Met het oog daarop beschouwde men het kerkgebouw dan ook als het domicilie of de residentie der geestelijke officianten. Zoo leest men b. v. in den fundatiebrief van twee vicarien te Groningen in 1483 {Gron. Arch. 1483, n0. 17), dat devicariipro tempore residentes de voorgeschreven missen hadden te doen „ secundum ritum et voluntatem pastorum dictarum ecclesiarum, personalemque facient residentiam in eisdem et singulis horis et cotidianis divinis officiis, dictis ecclesiis fideliter destinatisquot;; en in het testament van den Groninger burger Hopper „dat do vicarius seluen sal resideren in onser lener Vrouwen kerekequot;. Daar het beneficium, naar den kanonieken regel beneficium datur propter officium, het officium onafscheidelijk volgde, werd het vermogensdomicilie van het beneficium eveneens beschouwd als te zijn gelegen in of binnen het kerkgebouw. Dit denkbeeld vindt men neergelegd in de breve van den Officiaal van Friesland (voor zoover dit tot het Bisdom Munster behoorde), waarbij de kanonische unie tot stand wordt gebragt van beneficien te Twijzel in 1547, met de woorden: ut cum in eadem villaesset parochialis ecclesia, quae fundationem haberet pastorie, vicarie et prebende; in twee gelijke breves van den Bisschop van Utrecht, ook in 1547 afgegeven, in de woorden; quum itaque in Paro-chiali ecclesia de Pietersbierum — duo sint antiquitus fuudata beneficia ecclesiastica, una videlicet Prebenda et una vicaria, en: quum itaque in Parochiali ecclesia villagii de Coudum — tenuis importantie Prebende siue Vicarie fundate existunt.

-ocr page 16-

10

{Beneficiaalboelcen, hlz. 224, 228, 447), — uitdrukkingen , die men steeds terugvindt in de onuitgegeven breves, na 1547 tot het zelfde doel afgegeven, en opgenomen in het beneden nader te vermelden origineel protocol van de Unio Beneficiorum in Friesland.

Heeft men nu die fondsen (pastorie-, viearie- en kosterie-goederen, praebenden) te beschouwen als stichtingen, gelijk uitvoerig en overtuigend is aangetoond door Mr. Telting t. a. p. — dan mag men toch niet aannemen, dat die stichtingen een geheel onafhankelijk en zelfstandig bestaan hebben gehad, maar dat zij, als behoorende tot de dos ecclesiae, waren onderdcelen of onder-fundatien van het groote geheel, de fundatio ecclesiae parocliialis, evenzeer als do kapellen en altaren, die materieel met het kerkgebouw verbonden waren.

Zij die dergelijke fundatiën in het leven riepen of begiftigden deden onherroepelijk afstand van de daarvoor bestemde goederen — behoudens uitzonderingen, die men enkel bij prebenden aantreft, en welke beneden nader zullen besproken worden. — De fundatiën waren voortaan subjecten van regt; de beneficianten hadden het vnj gebruik en de dagelijksche administratie der goederen, met rade van kerkvoogden.

Voor den eigendom, en in zaken het gewoon beheer te bovengaande, traden de kerkvoogden op, althans mede op (Vgl. de Ordonnantie van 29 Maart 1542, Chhk. II, 847).

Door den afstand van de bezitters-donateurs kwamen de goederen in de doode hand, m. a. w. zij werden gemortificeerd. Vond de stichting plaats bij eene afzonderlijke daartoe betrekkelijke akte, dan werd de mortificatie gewoonlijk uitgesproken in hot formulier, dat de goedkeuring of bevestiging van den Bisschop of diens Vicaris behelsde. In den fundatiebrief van de viearie te Cornjum, bovenvermeld, verklaren de Martena\'s: „Wij dragget wr, ende reket God Almachtich, ende den hillige Patroen Sincte Nicolaus, den fulla aendoem van disse vorz. landen, ende den Jonger Prester dae brukenisse van disse landen vorszquot;. De Deken en het Kapittel te Stiens verklaren daarop:

-ocr page 17-

11

„wij habbet disse punten forsz. ratificcorct, fulbordet endc con-senteret, yn dat ewich thoe durien , zonder jenstsidsen^jeff tveer-roepen etnmens

Men kan met Karei V {Ckbk. II, 763) het er gerust voor houden, dat in don regel de beneficien zijn „ gesticht by d\'In-gesetenen van den Steeden, Dorpe off Dorpen des voerseide onses landts van Vrieslaudt, daer denselven beneficie of\'beneficien gelegen zolden zijn

Waar de beneficien door vereende krachten uit den boezem der gemeente en ten behoeve der gemeente werden gesticht, en allengs door de opvolgende loden der gemeente begiftigd en mitsdien verrijkt, daar was voor een patronaat- of collatieregt van derden geene plaats. Dit kon alleen ontstaan, wanneer kerken of kapellen geheel voor rekening van bijzondere personen gesticht werden, en deze zich — volgens den regel: patronum faciunt dos, aedificatio, fundus — het regt van collatie voorbehielden. Van daar, dat de gemeenteleden zelve de beneficien begaven, d. i. hunne geestelijken kozen, en zich dat regt niet lieten ontnemen (Zie daarover uitvoerig Upeij, Patronaatregt II, hlz. 470 en volg.). De Beneficiaalboeken leveren slechts een paar voorbeelden op van derden, die het patronaatregt ten aanzien van Gamp;a.pastorie-beneficie uitoefenden. Van Vicarien, die juris patronatus waren, vermeldt de inventaris {Beneficiaalhoelcen, Stellingwerf hlz. 89): „Onser Lieuer Vrouwen altaer ende Vicarien binnen \'t kerspel van Blesdyck, ende is jus patronatus, ende die collatie hoirt tot die erffgenaemen van salige Meyster Boldewyn ter Stegen , binnen Steenwyck woenaehtig.quot; Doch ten aanzien van deze vicario zal ook wel gegolden hebben wat t. a. p. hlz. 86 gezegd wordt van eene zoogenaamde vicarie in Steggerda: „Dese voorss. Vicaria est libera ab omni onere sine (lees; siue) cura pastorali, ende is gefundeert van twee paer volcks in Gode verstoruen, geheeten Baerte Sybens ende Styne zijn huysfrou, ende Claes Ilynkens ende Syuwe zijn huysfrou; ende,naeluyt zekere scriften ende fundatie, zyn hoer voorss. erffgenaemen int eeuwich Electoiren van den voorss. Vicaria.quot; Eene vicarie,

-ocr page 18-

12

vrij van cura pastoralis, behoort dus tot de prebenden bovenomschreven.

Kan men dus evenzeer aannemen, dat de vicarien, als fundatiën met cura pastoralis belast, zooals die der Martena\'s te Cornjum , door de gemeenteleden zelve begeven werden; met de coster ij en vond hetzelfde plaats.

Bij gevolg had de unio van vicarien, die te geringe opkomsten boden voor een Vicaris, met andere beneficien, plaats op verzoek van de gemeente. Zoo zegt de Bisschop van Utrecht b. v., in de reeds aangehaalde litterae unionis van eene vicarie en eene prebende te Pietersbierum, dat hij daartoe overging „ad humilem supplicationem Domini Sitthie Pastoris et Sybrandi quot;Wybrandi Pretoris totiusque communitatis dicti villagii de Pietersbierumquot; ; en in die van eene vicarie te Koudum , dat hij dat deed „ad humilem incolarum supradicti villagii de Coudum supplicationemquot; (Beneficiaalboeken, hlz. 328 , 447). In het Beneficiaalboek van het kwartier Zevenwouden staat herhaaldelijk aan het hoofd dei-inventarissen van pastorien en vicarien: „de gemeente vergeeft etquot; (hlz. 37, 38, 39, 40).

De Prebenden waren ten deele juris patronatus, tendeele stonden zij ter begeving van de gemeenten.

Beide soorten waren dikwerf gefundeerd tot opleiding van een priester. Zoolang de adspirant-priester (clerck) nog ter school was, werd het officie door een ander, een Vicaris of een praebendarius , bediend voor eene congrua portio uit de opkomsten van het leen.

De prebenden, die ter begeving van Collatoren stonden, werden doorgaands vrije leenen genoemd.

Onjuist schijnt de opvatting, dat door die benaming enkel wordt uitgedrukt, dat zulke praebenden vrij waren van cura pastoralis. De benaming schijnt tevens aanteduiden, dat het niet in eene bepaalde parochiekerk gesticht was; dat de instellers bij gevolg de vrije beschikking over de goederen en over het officium aan zich hebben behouden en de kerkelijke overheid geen directen invloed konde uitoefenen op de bestemming en het gebruik dier leenen.

-ocr page 19-

13

Dat leeuen , die juris patronatus wareu, vrije leenen genoemd werden, blijkt uit de volgende voorbeelden in de Beneficiaalboeken te vinden;

1°. „Inventarys ende bescriuinge by Jouffrou Rynts Kam-minga, vuyt den naeme ende van weegen Haye Camrainga , overgeuen, van de goeden, beboerende tot dat vry leen toe Goutum. — Dit voersz. leen wordt bedient door eenen Cappellaen by Haye Kamminga die Jongequot;. Frans Cammingha en Georgien van Roorda hebben den inventaris mede geteckend. Het vrij leen was dus juris patronatus van de Cammingba\'s. Haye Cammingba, de Jonge, was er mode beleend; een Kappellaan nam tijdens diens studietijd het officie waar {hh. 85).

2°. „Dyt zyn de landen ende renten, hoerende die tot Meekema prouen ofte fry Len als naescreuenquot; {blz. 237). In een proces, getermineerd bij Sententie van den 27 Oct. 1593, komt Scipio Meekema, Grietman van Kollumerland, voor als Patroon van dit leen {Aantt. van E. M. van Burmanid).

3o. „Dese voorsz. landen , liggende te Fyrdghum, behoiren tot dat Jus Patronatus, genoemt dat Capelle fry leen, te Myn-nertsgaequot; {blz. 321).

4°. „Dese naebeschreven syn de landen, daer tho Gala Galama Fryleen tho Coldum hoeren, ende Aesgha Galama op geïnstitueerd is, ende waert mit een genochsaem Cappellaen bedientquot; {hlz. 456). Seerp en Meynert Lycklama, wier moeder Foek Galama was, waren in 1638 collatoren {Aantt. van Bur mania, blz. 78).

Er zijn ook voorbeelden, die aantoonen, dat de instellers van leenen of prebenden de collatie opdroegen aan het burgerlijk Bestuur der gemeente. Dr. Douwe, die bij testament van 11 Oct. 1528 een leen instelde, wees de Burgemeesters van Leeuwarden aan als collatoren en beheerders {Analecta of enige oude ongedrukte schriften —tot Friesland alleen spederende, Leeuw. 1750, hlz. 43 en volg). Zoo ontmoet men de „Edelinge, Olderman, Burgemeesteren, Schepenen ende Raeden, sampt de sesendartich der stadt Sneeckquot; in 1543 als begevers van „dat heylige weer-

-ocr page 20-

14

dige Sacraments Prouen binnen der stadt Sneeckquot;. Zij hadden het „gegundt Harmen IJmez. Orgelist, dewelcke de voorsz. Prouen laet bedienen met missen ende andere diensten, van olts daertoe beboerendequot; (Beneficiaalboeken, blz. 273).

Het karakter van een vrij leen vindt men het duidelijkst uitgedrukt door de aanteekeningen op de inventarissen van het „Capellaenschap van Donyehuys binnen Sneeck , by Joncvrouwe Tyaert Doenglie als Erffpatronesse van dien — ouergegeuen.quot; en van het „Officie, gesticht bij Tete Hommema op Dronrijpquot; (t. a. p. hlz. 272 eu 333), te weten, bij het eerste:

„Dit voorsz. Cappellaenschap wordt nu bedient van eenen Heer Dirck Dircksz., ende is nyet (jernortificeert, dan wordt alleen gepossideert van weeghen die voorsz. Jouffrou , dye t selffde tot hoer ghelieuen totter eeren Goods mach laeten gebruycken, oft anderszins als erffgenamen van t voorsz. huys daerinne, soe hoeren goeden raedt gedraegen sal.quot; Bij het tweede:

„Dit voorsz. Officie en es noeijt gemortificeert, dan wordt die dienste van dieu tot reuocatie van den Patroon van t selue officie, ter plaetse daer hem gelieft, bewaert, ende es voor dese reys eenen Goffe Scheltesz Roorda , studerende binnen Loeuen , geconsenteert.quot;

Mag men, met het oog op deze aanteekeningen, het er voor houden , dat de goederen, behoorende tot de leenen, die juris patro-natus waren bij de stichters en hunne nazaten, dus de goederen van alle vrije leenen , niet gemortificeerd zijn, dan volgt daaruit noodzakelijk, dat vrije leenen een familiegoed vormden met eene bepaalde bestemming.

Ofschoon meer prebenden ter begeving stonden van de nazaten der stichters, dan men uit de altoos niet even volledige inventarissen van 1543 kan opmaken, schijnt toch het grootste aantal van deze leenen tot de gemeenten in dezelfde regtsverhouding te hebben gestaan, als de pastorien, vicarien en costerien. Wanneer de bezittingen tot deze leenen behoorende (het prebende-goed) gedurende de vacature niet door collatoren, maar door de gewone kerkvoogden werden aangegeven, dan volgt daaruit, dat zij met de andere beneficien op hetzelfde terrein stonden.

-ocr page 21-

15

Voorbeelden hiervan leveren 1°. de „Aenbrecgh van der groetheyt der landen ende renten van de Prebende in Optwijse! , ouer-gegeuen by Wata Herkema ende Romme Papema, Kerck-voechden aldaar, soc do Prebende dyt voorleden Jaer vaceert heeft, ende nu ter tyt vergouen by Heer Harst genoemt, by alsoe dat hy coomptquot;; 2quot;. de Anbrengh van de landen ende renten van dat Heylige Sacraments in Optwysel , ouergegeuen by Wata Herekema, nu ter tyt Voecht van dat Sacrament voorsz.quot;; 3°. dc „Aenbrengh van de groetheyt van do Prebende, gelegen te Suycrhuysim, ouergegeven by Folke Groetinge ende Peter Kistemaccker, Voechden aldaer, soe de Prebende nu ter tyt vaceert.quot; Bij de opgave der „Prebende landen van Oosterzee, welcke Heer Jan Nollezoon possideertquot; staat uitdrukkelijk vermeld : „de gemeente heeft et te vergeuen.quot;

Aan de wijze, waarop do gemeenten hare geestelijkon kozen, was een vaste vorm gegeven bij het Plakkaat van Karei.V, van 31 Octobcr 1539 (Chbk. II, 769 en voir/.)- in verbis: „Ten anderen, dat wy den gemeyne Ingesetenen des lants van Vricslant zullen toelaten ende consenteren de vrye nominatie ende electie, koer ende presentacie van alle Pastorien, Vicarien , Leenen ende Beneficien, binnen onsen lande van Vrieslant wesende, nyet staende tot speciale presentacie van eenygo Personen, oft wesende van oudts de Jure Patronatus, die welcke hun Jus Patronatus ende recht van presentacie, gelyck zy dat van oudts geuseert hebben, behouden sullen, behoude-lyck oick, dat zoe wanneer eenich Pastorie, Vicaerie of eenich ander Beneficie, nyet wesende de Jure Patronatus, voirtaen vaceren zal, dat alle de luwocnders van der Kerspel, Prochie of Dorp, daerondcr alsulcken beneficie liggende is, gebruyekende schotschietende huysen off ploechgangen, ende nyement anders, by \'t luyden van den cloecken aldaer vergaderende, zullen binnen der kerken kiesen ende nomineren, by don meesten voysen van den genen, die aldaer present wesen sullen, een nyewen Pastoer, Vicaris oft andere Beneficiaet — welverstaende dat onse steden van Vrieslant, int kiesen ende nomineren van

-ocr page 22-

16

huer Pastors, Vicarissen oft andere Beneficiaten, vseren ende gebruycken zullen znlcke manieren, als zy gewoontlyck zyn van doene, t\' zy by accordt onderling gemaickt, oft by ge-woenten wel onderhouden.quot;

Do gekozen geestelijken waren gehouden om hun beroepsbrief „te presenteerne onsen Stadholdre, President ende Raidt van Vrieslant, present wesende, ende te versoecken ende te nemene in de Cancellarie brieuen van placet in behoirlyck formen, onder den zegel, berustende by onsen Houe van Vrieslant,quot; enz.

Ziedaar in algemeene trekken den oorsprong, den aard en de bestemming der verschillende kerkelijke fondsen in Friesland, aangegeven, zooals die voortduurde tot 1580. Iedere soort van die fondsen strekte tot een bepaald doel. Onderling mogten zij niet worden vereenigd of geamalgameerd door de ingezetenen van de parochie naar hun welbehagen; de unio, zelfs van twee kleine prebenden, geschiedde op der parochianen voordragt door den Bisschop of den Officiaal {Beneficiaalboeken, bh. 224, 328, 447); wanneer de gemeente soms het eene fonds ten behoeve van een ander aanwendde, dan had die handeling altoos een tijdelijk karakter, zooals met menige plaats uit de Beneficiaalboeken kan worden bewezen. Kleine leenen, die vaceerden, en te weinig opleverden om er een geestelijke op te krijgen, werden gedurende de vacature wel stilletjes tot andere kerkelijke einden gebezigd, doch het was ook juist om dergelijke onregelmatigheden te verhoeden of weg te nemen, dat de Landvoogdes bij het Mandement van 1542 de tusschenkomst van het Hof inriep ter bevordering van de kanonische unie van zulke leenen, „om dair op by myn Heer don Bisschop van Vuytrecht te laten disponeren, zoet behooren zalquot; 1). De fondsen waren in beheer

1

Dat daaraan gevolg is gegeven bewijst het origineel protocol, geinti-tuleerd: Unio Beneficiorum., of Register der Appoinctenienten bij den Hove gevallen op de Rekwesten tot vereeniging van Prebenden en die daartoe betrekkelijke acten van approbatie der Bisschoppen van Utrecht of derzelver vicarissen enz. van 1544 tot-1565 incl., nu voorhanden in de Bibliotheek van het Fr. Gen.

-ocr page 23-

17

en gebruik bij de beneficianten zelve; gedurende de vacature werd het beheer gevoerd door de kerkvoogden, die te rade gingen met den hoofdpriester; de gemeente beriep de geestelijken ; die beroepingen werden geapprobeerd door het wereldlijk gezag; de geestelijken werden in hun ambt geïnstitueerd door hoogere kerkelijke officianten. De éénheid van godsdienst in den Staat bragt mode, dat Staat en Kerk zamengingen en elkander de hand boden; het burgerlijk dorp was in den regel tevens eene kerkelijke parochie; de woorden kerspel, parochie en dorp werden promiscue gebruikt, de parochianen en de meene Meen te waren dezelfde individuen, doch — dit vergete men niet — de Staat was niet de Kerk, en de Kerk was niet de Staat. Beide vormden afzonderlijke organismen; liet eeue met den Paus, het andere met den Keizer of den Koning aan het hoofd. Moge de tegenstelling van kerkelijke gemeente en burgerlijk dorp praktisch minder waarneembaar zijn, waar beide door dezelfde individuen gevormd werden, do tegenstelling bestond niettemin in de organismen. En daarom achten wij de leer, nog onlangs verkondigd door Mr. Ph. van Blom, in diens doorwrochte verhandeling over „ de dorpsgemeenten in Frieslandquot; {de Vrije Fries, D. XIV, 4e Aflev.) geheel onjuist, wanneer hij zegt: „ dat hier de meest volstrekte eenheid van Kerk en Staat in de dorpsgemeenten bestond en het hem niet mogelijk schijnt de kerkelijke goederen van die eenheid af te zonderen en hij ze dus meeut te moeten beschouwen als eigendom der gemeente, met bepaalde bestemming, gelijk alle openbare gemeente-eigendommen eene bepaalde bestemming-hebben, en dat men de dorpsgemeente hebbe te beschouwen zooals zij destijds bestond, noch enkel staatsregtelijk, noch enkel kerkelijk, maar in haar gemengd kerkelijk-staatsregtelijk karakter quot;.

De geachte schrijver verloor bij die beschouwing te veel uit het oog, dat het woord „dorpsgeraeentequot; in de taal of het spraakgebruik dier dagen geheel onbekend was, en door hem zeiven aldus is zamengesteld. Wel werden do gezamenlijke in-

-ocr page 24-

18

woners van ceu dorp, of de hen vertegenwoordigende stemgerechtigden, door „meene meentequot; uitgedrukt, doch die B meene meentoquot; vormde geene burgerlijke „gemeentequot; in de heden-daagsche beteekenis van dat woord. Do burgerlijke gemeente, als staatsrogtelijk ligchaam, was do Grietenij , gevormd door verscheidene dorpen te zamen, bestuurd door den Grrictman.

Men late zich dus door een woordenspel niet verleiden om een dorp identiek te beschouwen met eene burgerlijke gemeente. Mot liet oog op een tlovp kan men niet spreken van openbare r/eweeJife-cigendommen.

Wanneer zijne leer juist ware, dan zou men wederkeerig de gemeente in hare betrekking tot wereldlijke eigendommen, b. v. tot een raad- of regthuis, tot kanalen en andere openbare oigen-dommen, immers ook moeten beschouwen in een gemengd staatsregtclijk-kerkelijk karakter, zoodat bij eene praktische scheiding van die gemengde karakters de vereenigde massa van openbare eigendommen gelijkelijk te verdeden zou zijn! Neen, goederen van eer gemengd karakter vindt men onder de kerke-goederen en de beneficien niet, in Friesland evenmin als in naburige provinciën. Dezelfde persoon nam eene plaats iu in beide organismen; het karakter waarin hij optrad spiegelde zich af, en wel onvermengd of uitsluitend, in de bestemming, waaraan hij een deel van zijn vermogen dienstbaar maakte.

In 1580 heeft het Staatsbestuur zijne tusschenkomst verleend om de kerke- en beneficiale goederen voor den veranderden godsdienstvorm te doen strekken. Dit geschiedde bij Resolutie der Staten van 31 Maart v. d. j., bepalende ten aanzien van de beneficianten o. a. het volgende:

II.

„ Dat oock........ die institutien ende placetten van den Pastoren , Vicarissen , Prebendarissen , ende allen anderen beneficien ende leenen, sonder eenige distinctie, daetlicken sullen worden gerevoceert, gecasseert ende to nyete gedaen, hieronder begrepen

-ocr page 25-

19

die Costerien, ende dat zij luyden die huyzen, belioerende aen den leenen, daetlycken sullen veiiaetenquot;.

III.

„ Dat die Bedienaers van dien sal worden geordineert die selue in continenii over te leueren, elex in lianden van haeren Grietman , die welcke hy mitterdaet ouerscliicken sal

IV.

„Ende by fanlte van dien zy die seluiglie nyet ouerleueren , sullen die Grietsluyden daetlicken den omvilligen affnemen eude oeck meede die seluige tot haeren oosten binnen Leeuwarden ouerseyndenquot;\'.

VIII.

„ Dat die profytcn ende opcomsten van die voorsz. leengue-deren sullen worden geconfereert ende gckeert tot onderhoudinge van eerlicke ende degelicke Predicanten, Schoelmeesters ende alimentation ende onderhoudenisse vau den Nootdrufftigen, ende ad alias pias eausas, sender dat die seluige in priuatiun eude secularem usum sullen worden gedistribueertquot;.

Nadat in de artt. IX, X en XI bepaald was, dat de beneficiale goederen geadministreerd zouden worden door notabele vertegenwoordigers van de gemeente, „welcke die Grietsluyden sullen syn agreabell;quot; dat die administrateurs jaarlijks rekenscliap hadden te doen in bijzijn van den Grietman en den Secretaris; dat de Grietman die rekening en verantwoording in afschrift moest opzenden aan Gedep. Staten en het Hof, bepaalden do artikelen:

XII.

„Salff nochtans den gheenen, die rechtelyck hebben jus patronatus, noepende die seluige opcomsten, ende die te distribueren ten fyne voors., zoo zy \'t zeluige voor Godt ende hare conscientie ende tor eere van de gemeene saecken, sullen hebben te defenderen ende te verantwoorden, docli in cas van

-ocr page 26-

20

discorclie cnde misbruick, dat die saccko sal staoa tot kennisse vau de Hooge Ouericheyt van den laudo vau Vrieslandt.quot;

XIV.

„Dat oick oen yegelyck gemeente in haer Dorpe zal worden gcordonneert te procederen tot nieuwe electie van bequaeme ecrlicke gereformeerde Predicanten, Leeraers oude Schoclmeestcrs.quot;

XXII.

„Sullen oick die voors. gemeenten eenige Clercken, hebbende vrye leeneu ofte prebenden, die zeluige moegen continueren ofte oick daeraff eenige temolicke pensie jaerlix accorderen, zoe verre die possesseurs zulx weerdicli ende noodich bevonden worden, ende geensins anders, doch in alle gevalle nyet langer dan toth hun olderdom van Vijff ende twintich jaeren.quot;

In de aanschrijving van Gedep. Staten van 13 April 1580, die de aangehaalde Staatsresolutie begeleidde, werd de uitvoering nog nader aangedrongen en de bedoeling meer ontwikkeld, in de volgende zinsnede: „naedien men nyet uodiger beuint, dan dat overalle guede Predicanten ende Schoel-meesteren op den voorsz. Geestelicke guederen onderholden worden; dat daeromme oock geensins de voorsz. Yolmachtigen (Prov. Staten nl.), nochte wy van meeninge zyn geweest, nochte zyn als noch, zoe verre guede clercken ende jonghe gesellen, weesende van cleen vermogen, op eenige vrie leenen te scholen gaen studeren, dat men denselven, naedien uyt alsulcke naemaels goede Dienaren der Kereken ende scholen moeten comen, den proffiten van die voorsz. beneficien solden cnttrecken, maer dat zy allenthalven die selve sullen beholden tot hun olderdom van vyff ende twintich jaerenquot; ... . {Chhk. IV, 144, 145, 148, 149; Eekboff, Gesch. van het St. Annaleen, Bijlage B.)

Uit deze statuten verneemt men, dat ook, toen de Gereformeerde Godsdienst die van den Staat was geworden, Staat en Kerk,

-ocr page 27-

21

even als vóór 1580, zamengingen en elkander de hand Loden. De overheid zou geene kerkelijke goederen naasten en in secularem usura aanwenden, noen, zij leende de hand om de bestemming in overeenstemming te brengen met de eischon van den veranderden eeredienst. Volgens art. 18 van de Sraats-resolutie, zouden de kerken ingerigt worden voor den Gereformeerden eeredienst. Daar hot kerkgebouw de vertegenwoordiger was van zijn Patroon en als svw/ipioc hxo? — zooals 1. 26 Cod. de SS. Eed. het uitdrukt — subject van regten was, bragt art. 18 als van zelf mede, dat de patroonsgoederen de bestemming van het kerkgebouw volgden. Dat deze bedoeling in dat art. was neergelegd, blijkt uit de aangehaalde aanschrijving van Gcdep. Staten, waar zij zeggen, dat het der Staten en hunne meening en wil nooit geweest is, noch is, „dat die landen, huysen, renthen van Kercken ofte henefecien, eenichsins by

priuate luydeu tot hun proffyt gekeert......sullen moegen

worden.quot; Minder juist is dus de algemeene opvatting, dat de S. R. alleen de beneficiale en niet de kerke- of patroonsgoederen ten onderwerp zou hebben. De beneficiale goederen (ons bekend als pastorie-, vicarie- en prebende goederen, deze laatsten voor zoover zjj geene vrije leenen waren) bleven bestemd ten behoeve van predikers en schoolmeesters, te kiezen door de gemeenten, d. z. Gereformeerde gemeenten, want dissenters hadden geen stemregt hoegenaamd. Leverden die leenen tot dat doel niet genoeg op , dan mogten volgens art. 15 verscheidene dorpen gecombineerd worden.

De vicariegoederen — die ons in hoofdzaak bezig moeten houden , — verloren dus met hunne oorspronkelijke bestemming-tevens hun eigen bestaan. Zij werden of mot de pastoriegoederen geünieerd of met do kosteriegoederen, waar die bestonden. Waaide kostersdienst ten laste van vicarissen of praebendaten was , gelijk boven aangetoond, zullen de vicarie-goederen en prebenden den schoolmeester-koster, als kerkedienaar, in die beide hoedanigheden zijn aangewezen. Dat ligt onzes inziens voor de hand. De wijziging van bestemming kon ten opzigte van de vicarie-

-ocr page 28-

22

goederen dos te beter uitgevoerd worden , omdat deze leenen niet juris patronatus waren. Na 1580 zijn ons dan ook geene vicarien, als op zicli zelve staande fondsen, weer voorgekomen, evenmin prebenden , ten zij die juris patronatus waren , of die, welke, ter begeving van de gemeenten staande, tot studieleenen waren bestemd. Beide werden immers bij de artt. 13 en 22 in hunne bestemming gehandhaafd, mits gewijzigd naar de gewijzigde religie.

Hebben wij dus de regtsgeschiedenis der vicariegoederen niet verder te vervolgen , als geincorporcerd bij andere beneficien, vreemd aan liet doel van dit rapport, — do zoogenaamde vrije leenen, die niet door de gemeenten, maar door derden vergeven werden, dienen echter onze aandacht nog bezig te houden. Den patronen was — gelijk wij zagen — bij art. 12 de beschikking over die leenen „ten fijne voorsz.quot; d. w. z. in overeenstemming met do eischen der Gereformeerde Kerk, aanbevolen, zooals zij liet voor God on hun geweten ter eere van de gemeene zaak zouden kunnen verantwoorden. Wanbeheer en misbruik van die leenen werden gesteld ter cognitie van de Hooge Overheid. Op de klagten van „den Dienaers ende Leeracrs der Kerckenquot; over „het schendtlijck misbruyck ende dissiperen der Ecclesiasticque Goederenquot; besloten de Staten reeds den 14 April 1584 (niet den 8 April, zooals het stuk gedagteekend is bij Winsemius, Chronique van Vrieslant, h/z. 74G, 747), ten aanzien van de hier door ons bedoelde leenen: „Ende so vele aengaet den ghenen, die rechtelijck hebben Jus Patronatus van eenighe Leenen, nopende dcwelcke althans groote misbruyck ghepleecht wordt, sullen daeromme eenen yedereen sulck recht hebbende, ghchouden wesen binnen twee Maenden na de Publicatie van desen, te eligeren op sulcken Leen een bequaem Scholier, om daer op te leeren, ende die selve continueren op de Schole na ouder ghewoonte , tot dat hij vijf- ende twintich jaren sal oudt wesen, ofte t\'elckens weder een ander in de plaetse te kiesen , ende daervan jaerlijcx aen den Officier behoorlycke Attestatie leveren, waer hy ter Schooien gaet, by pene, dat die Gedeputeerden

-ocr page 29-

23

dan op \'t solve Leen een bequaem Scholier sullen moghen stellen, na behooren. En de sal het twaelfste Articule van de Besolutien des Jaers van 1580 in voeg hen voorsz. verstaen worden gheinter-preteert te wesenP

Die bepaling werd woordelijk overgenomen in de Statuten , Ordonnantiën en de Costumen van Frieslandt, van 1602, JF, Tit. 2. Als eene „nieuwe ordonnantiequot; op alle leenen toepasselijk, werd (/F, 3, II) quot; verstaan dat de brieven van Placet, van Beneficicn ende Lecnon bij don Staten deser lande ofte hun Ghedeputeerden verleent cnde ghegheven zullen worden.quot;

Hadden de Gcdcp. Staten nu maar dadelijk een Register van die studieleenen aangelegd en daarbij steeds de door hen verleende brieven van placet ingeschreven, dan zouden zij zich zelve de gegevens voor een behoorlijk toezigt hebben geschapen. Met do inventarissen van 1543 in de hand kon het werkelijk niet zoo moeijelijk zijn om die fondsen en hunne patronen — voor zoover deze zich schuil hielden — op te sporen. Doch van dat alles is niets gebeurd en zoodoende had en kroes

o O

men geen middel van contrainte. Bedenkt men daarbij, dat de Beneficiant van zijn zevende tot zijn vijfentwintigste jaar hot genot van een studioleon mogt hebben, dan ligt hot voor de hand, dat bij \'t gemis van registratiebooken van loonon, gepaard met do afwisseling dor loden in \'t collogio van Godop. Staten, op hot openvallon dor leonen geen oog koude worde gehouden. De brieven van placet worden in originali uitgereikt. Van \'t verleonon van placet vindt men in do Rosolutiobookon — zooals de tegenwoordige archivaris ons verzekerde — slechts sporadisch eeno aanteekoning. En wij willen hot ook niet ontveinzen, dat — waar do rogtvorkrijgondon van de instellers van hot leen patronen waren bij erfopvolging, hun regtsgovool niet zoo zwaar kon beloodigd worden, wanneer zij do fondsen gingen scheiden en doelen als vrij en eigen goed. Voor \'tmoorondool toch hadden de instellers bij testament bepaalde goederen uit hun vermogen aangewezen, van welker revenuen oen lid der familie zou studeren tot priester, om daarna voor don erflater

-ocr page 30-

24

ea diens nazaten zielmissen te doen, waarvoor hij bij voortduring de prebende genoot. Ka 1580 was het rationeel, dat het leen strekte voor iemand uit de familie, die in de theologie studeerde, zooals do S. R. van 1580 bedoelde. Doch hoe dikwijls ontbraken iu de, veelal aanzienlijke, waaronder Katholiek gebleven , familien, die zulke leenen ter begeving hadden, ads-pirant-theologen ? Ging men jongelingen buiten de familie be-leenen, dan geraakte het familiebelang, dat de instellers beoogden, geheel op den achtergrond. Zonder dat een formeel Besluit der Staten — voor zoover ons bleek — daartoe de bevoegdheid gaf, hebben de Gedep. Staten dan ook geene zwarigheid gemaakt om brieven van placet aftegeven op beleeningen aan studenten, die niet in de theologie studeerden. Ongetwijfeld is dat geschied om de collatoren voor het behoud der leenen te stemmen. quot;Wat de Gedep. Staten in 1580 nog wel met goed succes hadden kunnen doen, beproefden zij eerst den 11 April 1679, dus nagenoeg honderd jaren later, door te resolveren : ( Chbk. F, 1167).

„Alsoo ons in ervaringe gecomen is , dat omtrent de Leengoederen in dese Provincie groote misbruiken gepleegd worden, niet allene in \'t veralieneren van deselve goederen, maar oock, dat de provenier van dien niet worden bekeert, so des behoort, tegens de ernstige ende salutaire meninge van de Fundateurs, is \'t dat wij, immer willende voorsien, hebben gestatueerd ende geordonneerd, gelyck wy ordonneren ende statueren by desen: dat alle die gene, welcke recht van collatie over Leengoederen syn hebbende , voor \'t uytgaen van de maend Augustus toecomstigen , ter Secretarie van onsen collegie sullen hebben overteleveren een pertinente descriptie ende staedt der landen en huisen onder derselver Leenen behorende, als mede de lasten, die by de Fundateurs daerop mogen syn gelecht, mitsgaders wien de beneficien van dien tegenwoordich syn gauderende, by poene , dat andersins in reguarde van de gebreckige in \'t toecomende de collatie van sodanige Leenen by ons sal worden gedaen ende geeffectueert, ende opdat niemant hieraf eenige ignorantie en hebbe te pretenderen , ordonneren wy hiermede

-ocr page 31-

25

alle Grietslicden ende Magistraten desen alomme in haeren bedryve naer gewoonte te doen publiceren ende affigeren.quot;

Het was te laat. Alle patronen lieten zich nu niet meer aan banden leggen, zoodat er tengevolge van die Publicatie geen volledig registratieboek is aangelegd.

In de vorige eeuw heeft een ijverig navorscher, de Raadsheer Eduard Marius van Bumiania, alles omtrent deze leenen bijeen verzameld, wat hij uit mondelinge overleveringen, schenkingsbrieven , testamenten, scheidingen, inventarissen, instructieboeken,\'sHofs Sententieboeken enz. onvermoeid had opgedolven 1). Zijn HS., of een afschrift daarvan, berustende op de Prov. Bibliotheek van Friesland, levert het meest overtuigend bewijs, dat een beduidend aantal studieleencn successivehjk spoorloos is verdwenen, zonder dat hij in zijn tijd het einde van hun loopbaan met naauwkeurigheid konde bepalen. Eekhoff leverde in de aangehaalde Gesch. van het voormalige St. Anna-leen het bewijs, dat de laatste bezitting van dat fonds den 2 Febr. 1814 bij notarieele akte als vrij en eigen goed werd verkocht. Eene andere prebende — wij meenen dat het de Aytta vrije prebende gold — heeft nog in de laatste jaren het onderworp uitgemaakt van een uitvoerig onderzoek door of op last van Gedep. Staten, mot dit gevolg — naar ons mondeling is medegedeeld — dat ook de Minister van Binnenl. Zaken de zaak heeft laten rusten, daar de tegenwoordige bezitters der van dat leen afkomstige onroerende goederen deze reeds langer dan den termijn voor verjaring vereischt als eigenaren zouden hebben bezeten krachtens formele titels.

Uit de schipbreuk der prebenden van vóór 1580 zijn niettemin nog vijftien studieleenen behouden gebleven, welke allen thans overeenkomstig het Kon. Besluit van 1829 (Stbl. n-. 3)

1

Na hom heeft de voormalige President van het Provinciaal Geregtshnf in Friesland Mr. W. W. Buma eene verzameling aangelegd van afschriften van Friesche testamenten, waarbij Leenen zijn ingesteld of begiftigd, 1204—1803. Dit HS. is door een zijner zoneu geschonken aan het Geregtshof te Leeuwarden.

-ocr page 32-

26

onder toezigt van het openbaar gezag beheerd worden naar de Kon. Besluiten van 1818 (Stbl. n0. 48), 1823 (Stbl. n0. 29), 1837 (Stbl. n». 70) en 1873 (Stbl. n0. 44). Van deze leenen is dan ook na 1823 ter griffie van Gedep. Staten van Friesland het Eegistratiebook vervolgd. Ter voldoening aan een verzoek van den Minister van Binnenl. Zaken, heeft de Hoer Commissaris des Konings in Friesland door den archivaris der provincie onlangs een rapport over de thans bestaande studieleenen, zóó voor als na 1580 in \'tleven geroepen, doen bewerken. Aan dezen arbeid, ons door den archivaris welwillend ter lezing verstrekt, zijn wij in hoofdzaak de volgende verkorte opgaven betrekkelijk de vóór 1580 gefundeerde leenen verschuldigd.

Te Leeuwarden:

1. Het St. Christophori-leen in de kerk te Oldehove (eender drie dorpen, waaruit Leeuwarden is zaamgesteld) gesticht door Gerrit van Belcum in 1480 (Zie boven, blz. 8). Gelijk wij reeds zagen zou volgens des erflaters testamentaire beschikking in genoemde kerk een nieuw altaar opgerigt worden, waaraan de prebende ten behoeve van een afzonderlijken geestelijke verbonden werd. De begeving van die „ Prijsters Provequot; droeg hij op aan zijn zoon Pieter en zijn zwager Simon en zijne overige kinderen en zwagers („ sal Pytter ende Symen, met syn andere kinderen of swageren kiese moge een goed man ten allen tyden by des Opperpriesters raad, opperpriester na opperpriester, wanneer dat ledigh is, die trouwelyk voor syn lieve ziele en al syn lieve vrinden zielen mede sal bidde; en isser emant van sjm geslaghte of bloede , die dat voor een vreemden te gunnen, als dat behoortquot;).

Overeenkomstig de S.E. van 1580 zijn de opkomsten, thans voortvloeijende uit landbezit en uit eene inschrijving op het grootboek der 2^ 0/o N.S., aangewend tot opleiding van jongelieden voor den H.D. in de Hervormde Kerk.

Collatoren zijn de afstammelingen van den stichter; Provisoren B. en W. der gemeente Leeuwarden; Bestuurders de heeren

-ocr page 33-

H. Beekkerk te Leeuwarden, en C. F. F. Rinia van Nauta, te Hindeloopen.

2. Het St. Jacobs of St. Jobs leen te Oldehove, gesticht door Jellc Juwsma, overleden in 1497. De fundatiebrief is niet bekend. Uit de Benefiet aal boeken, bh. 65, blijkt, dat de prebende in 1543 genoten werd door Aosge Gerritszoon, „clerck.quot; Volgens de aantt. van Van Burmania is hot gefundeerd „tot derkerken-diensten en tot afbiddinge der overledene vrienden (verwanten) haar schuit aan God.quot; Twee halfbroeders en ecne halfzuster van den stichter waren primitief tot „opsichtersquot; aangesteld. Een zoon van een dier halfbroeders, Pieter Jans Auckema, overleden 1 Nov. 1534, heeft de inkomsten van dit leen vermeerderd. Na 1580 zijn do inkomsten besteed tot ondersteuning, aanvankelijk van onbemiddelde, jongelingen in hunne studiën, zoowel in de regten als in de theologie.

Collatoren zijn de afstammelingen des stichters; Provisoren B. en W. van Leeuwarden.

Bestuurders, overeenkomstig een goedgekeurd Reglement van 9 Julij 1878, Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga en Mr. J. Minnema Buma, te Leeuwarden.

3. Het Douire Tietema leen, in 1528 gesticht door Dr. Douwe Tetema of Tietema, te Leeuwarden, blijkens diens testament in de door van Burmania uitgegeven Analecta, bh. 43 , en in het Chbk. II, 548, en wel om te voorzien in de studiekosten van twee jongelingen, één uit zijn broederlijken, één uit zijn zusterlijken stam, gedurende 16 jaren. Gelijk wij boven blz. 13 reeds vermeldden, wees hij de Burgemeesters van Leeuwarden aan als Collatoren en Beheerders.

Do fondsen bestaan in inschrijvingen op het grootboek der 2^ pet. N. S. ad /quot;32,200. Dc Comm. des Ivonings in Friesland is provisor; B. en W. van Leeuwarden zijn Collatoren en Bestuurders.

-ocr page 34-

28

Te Franeker.

4. a. Het St. Jans leen, ingesteld bij testament van Focko Hummama en Tet van Indyck, en van Picter Aesunga en Femck Hummama, eclitelieden, welk testament in de afschriften, opgenomen in liet Registratieboek der leenen, liet jaartal 1204 draagt. Het doel van de St. Jansprebende was de opleiding-van jongelieden voor den geestelijken stand, zooveel mogelijk uit de nakomelingen der instellers te kiezen, met begeerte, dat door de priesters-beneficianten eene jaarmis zou gehouden worden op twee St. Jansdagen.

Naar een van de nazaten der stichters, Haije Groeffrunt — wiens zoon Groeffrunt Hayes in 1523 collator was (Fran. Arch. m°. 21), verkreeg dit leen tevens den naam van Haije Gods-vriends-leen. Het komt mede voor onder den naam St. Jansprebende te Bied, en wel omdat eene zathe en landerijen onder het dorp Ried reeds volgens de Beneficiaalboeken (blz. 314) de hoefbron is van de inkomsten, die aan hetzelve zijn verbonden.

4. h. Heer G er rits-leen, gesticht in 1509 bij testament van Heer Gerrit, pastoor te Bozum. De Beneficiaalboeken noemen het „een Leen van twee missen, te doen waer men will,quot; en voegen er bij, dat het toen (1543) werd bezeten door een zoon van Claes Jansz., burger te Leeuwarden, Eede geheten, „die tot t selve Leen bij die erffgenamen van Heer Gerrit daertoe nomineert is.quot;

In eene Sententie van 27 Oct. 1659 wordt dit Leen omschreven als „een Bencfitie ofte Proeuen, waaraf syn nacome-lingen en erven solden holden uit sijn fundateurs genealogie als daar iemant idoneus was, ofte anders een idoneum, waar \'t hen beliefde — als des noods uit de fundatie-brieven konde geblijken.quot; Tot deze fundatie behoort eene zathe en landen onder Burgwerd gedeeltelijk.

Beide, het St. Jans-leen en het Heer Gerrits-leen, waren in het begin der vorige eeuw reeds in dien zin vereenigd, dat zij

-ocr page 35-

29

sedert dien tijd te gelijk door één beneficiant — en wel door een student in de theologie — zijn genoten.

Het jongste statuut voor deze lecneu is het Reglement, betrekkelijk het Heere Godfrieds- of St. Jans- en daarmede verhonden Heere Gerrits of Klein leen, onder Burg werd, dd. 5 Febr. 1882.

Provisoren zijn 13. on W. van Franekeradeel, Bestuurders: Mr. C. quot;Wybenga, te Franeker, en H. Wigersma Tz. te Leeuwarden.

5. Onze Lieve Vromven ter Nood-leen. In een zoenbrief van 1501 {Chbk. II, 217) blijkt, dat dit leen toon reeds bestond en gesticht was door een zekeren quot;Wijger Sytgisz., wiens broeder Ulboth partij was bij die akte, welke o. a. inhoudt, dat een der descendenten van dien Ulboth, die tot Priester mogt worden opgeleid, de eerste keuze van do proue zou hebben, zoodra zij zou komen te vacéren. Indien er niemand was van zijn bloed, dan zouden Ulbeth of diens nakomelingen met de voogden van de Broederschap van O. L. V. een ander goed man kiezen („ende \'Vlbeth voorsz. zijn kinderen, kinders kynderen, ofte yemant van zijn naeste bloet Prister waer, off te schoei gingh om Prister te worden, van den voorsz. Prouen die eerste kuer te hebben, wanneer zy vry wart, ende is daer nyemant van syn bloet, zoe sal Ulbeth voorsz., off zyn naecommelingen, myt die Voechden ende Broederschap van ons lieue Vrouwe voorsz., off yemant anders, die daer seggen in hoert te hebben, ordineren ende kiesen een guet man, die hem best dunckt, ende die zielen, daer die landen ofte renten van common zyn, ende die diensten in die kerek best mede bewaert zyn.quot;)

Na 1580 zijn de revenuen genoten bij afwisseling door studenten in de theologie, de regten en in de literatuur.

Provisoren zijn B. en W. van Franeker, Bestuurders zijn de heeren C. Bakker en J. Dirks, te Franeker.

6. Sjaardema-leen komt als reeds bestaande voor in het testament van Edwar Zijarda van 27 Mei 1510 (in originali in de Friesche taal

-ocr page 36-

30

op het Franeker archief, n0. 13). Het was gefundeerd op het O. L. V. altaar in St. Maartenskerk te Franeker, en werd daarom aanvankelijk O. L. V. prebende genoemd [Chhk. II, 401). Het patronaatregt werd in 1539 door de Landvoogdes Maria erkend als toetekomen aan de erfgenamen van Sj aard erna en hunne regt-verkrijgenden, welke dan ook dat regt steeds hebben uitgeoefend — blijkens de dertien tot Sjaardemaleen betrekkelijke stukken van 1539 — 1623, welke de Raadsheer van Burmania in de meergenoemde Ancdecta heeft uitgegeven. Uit die stukken vernamen wij tevens, dat de prebende in 1584, door resignatie van Hero van Hottingha, een tijd lang gevaceerd had, en de Collatoren naar aanleiding daarvan den 21 December v. d. j. een reglement vaststelden op de begeving, o. a. inhoudende , „dat by d\'voorsz. Collatoers nu en ook namaals een ofte twee prebenden sondcr wyder ofte meerder tot hot voorsz. beneficie — alles tot hun vrije gelieven, gecosen en genomineert zullen mogen worden; dat den een ofte twee daor toe verkoren zijnde d\'profyten met de lasten van t selvige beneficie naer behoiren zal en zullen hebben en genieten; dat dgene ofte genigen \'t voorsz. beneficie geconfereerd zijnde d proffyten en lasten niet langer zullen heb oen, genieten, holden en dragen, dan tot dselve 25 jaren zullen old zijn; dat daer nae die Collatoers een ander in zijn ofte hun plaetze sullen mogen verkiesen, sonder daertoe eenige resignatie ofte andere directe ofte indirecte middelen van opposition wyder nodich te verwachten, ofte behoeven in eeniger manieren.

In gelicke fuegen die Collatoers oock sullen mogen doen tegens den beneficiant ofte beneficianten, tot wat tijden dselve beuonden wordt oft worden hun niet in studiis (waer toe de proffyten gegeven zijn) te holden, om op d\'overtreders plaetse datelyk een ander te mogen verkiesen in een fuegen als bouen verhaelt.quot;

Den 28 February 1585 is het leen geconfereerd op twee jongelingen, Georg van Calanchi en Benno Meynsma, „ten fine zy beyde daer oppe zullen studeren, en d\' proffyten, mette lasten \'t samen en elck voor d\'helfte hebben hoeden ende dragen,

-ocr page 37-

31

soo des behoort.quot; Van deze twee heeft Meynsma althans in de rcgten gestudeerd. Uit beloenbrieven van 1595 en 1611 blijkt, dat er nu eens twee, dan weder drie beneficianten waren, die ongelijke pensiën trokken; tevens, dat de Collatoren er niet naar streefden om onbemiddelde jongelingen, doch integendeel hunne familieleden met het beneficie te begunstigen.

In volgende tijden werd dit niet anders. Do uitgever der meergemelde Analecta toekende nl. aan: „Omtrent dit Leen is bekent, dat Ockinga\'s van Burgwert lang, te weten, de een voor, de ander na, zonder interruptie, do bladen daarvan hebben getrokken. Immers 16G9 was daarvan al Beneficiant Jarich van Ockinga, na hem syn Broeders Bocke en Lollo, die dese vette Prebende hebben overgelaten aan haar suster Sophia Amelia Maria, welke A0. 1731, den 20 October, te Oosterlittens in hoogen ouderdom overleed.quot; Het blijkt dus uit een en ander, dat de Sjaardema prebende na 1580 is bestemd en gebruikt ten behoeve van studenten, vooral uit het geslacht der collatoren, zonder dat zij aan een bepaald studievak gebonden waren. De Ockinga\'s studeerden nl. in de regten.

In de Beneficiaalboeken vindt men blz. 255 den inventaris harer bezittingen in \'t midden der 16e eeuw; op het Franeker archief, n0. 3289, berust de inventaris van 1833.

Volgens het den 21 Maart 1867 door Gedep. Staten goedgekeurd reglement op dit leen, is het getal beneficianten afhankelijk gesteld van het bedrag der inkomsten. Dat getal is thans vijf.

Provisoren zijn B. en W. van Franeker; Bestuurder is Mr. H. Beekkerk, te Leeuwarden.

Te Bolsward.

7. W/jhenr/a-leen, ten jare 1452 bij testament ingesteld door „Bauck Hessels wijff,quot; was eene prebende in St. Maartenskerk te Bolsward, tot voorziening in het onderhoud van een Priester, te kiezen uit haren bloede, zoo lang er een in leven is. Dat testament is ingeschreven in \'t Eegistratieboek der leenen.

-ocr page 38-

32

Na 1580 is liet begeven aan jongelingen, die tot den predikdienst werden opgeleid, bij voorkeur uit de familie van de testatrice. Daar liet leen niet gereglementeerd is, worden de noodige bepalingen in de akte van begeving opgenomen.

De landen en renten komen geïnventariseerd voor in de Beneficiacdboeken , bh. 280, en spruiten nog heden ten dage voort uit daar vermelde landerijen onder liet dorp Nijland, en voorts uit inschrijvingen op het grootboek der 21/3 °/o N. S. groot f 45000.

Dit leen, thans door twee beneficianten genoten, wordt beheerd door de beide Hervormde predikanten te Bolsward, die tevens als collatoren de voormalige hoofdpriesters vertegenwoordigen. B. en W. van Bolsward zijn provisoren,

8. Houckama-leen, in 1478 gefundeerd door Altger Douwesz. Houckema, te Bolsward (Registratieboek der leenen, II, 101, III, 269), strekte tot onderhoud van een Priester aan het H. Kruisaltaar in de kerk van Oldehove (St. Maartenskerk) te Bolsward, tot zoolang er een altaar zou komen van het H. Sacrament, als wanneer de prebende daarop zou overgaan. Tot beneficiant had men te kiezen „een van \'s stichters bloed, indien dat sy nut ende bekwaam daartoe zijn.quot;

Na 1580 is het begeven aan jongelingen, die zich aan de Godgeleerdheid wijdden. Thans zijn er twee beneficianten. Provisoren zijn B. en W. te Bolsward; Bestuurders; de twee Hervormde predikanten aldaar, eene commissie uit den Raad der gemeente, en de eigenaar van Jongamahuis.

9. Hendrik Nannesz. en Katrijn Epes-leen, ingesteld door deze echtelieden bij testament van 16 October 1511, ingeschrevn in het Registratieboek der leenen, II, 45, III, 297. Hot diende tot onderhoud van een priester aan het St. Crispinus- of een ander altaar in St. Maartenskerk te Bolsward. Bij codicil van 23 January 1524 (t. a. p. III, 245) heeft Hk. Nannesz. daarvoor het St. Jacobsaltaar aangewezen. Bekwame personen van den

-ocr page 39-

33

bloede der stichters zouden er bij voorkeur mede gebeneficieerd worden. De inventaris der fondsen in de Beneficiaalboeken blz. 279 is geintituleerd: „Die landen ende renthen, behorende tot sal. Hendrick Nannes ende sal. Aucke Lolckuma benefitium,quot; waaruit men zal mogen afleiden, dat het later begiftigd is door Aucke Loickuma, of geünieerd met een ander leen.

Sedert 1580 strekte het ter opleiding van theologanten; thans levert het drie pensiën op; eene is verpligtend voor de theologie, do twee anderen zijn vrij ten aanzien van het studievak. Het leen is onder goedkeuring van Gredep. Staten in 1876 gereglementeerd.

Provisoren zijn de Gedep. Staten; Collatoren-Bestuurders: een lid van Gedep. Staten, representerende don Prior van ïhabor; de Burgemeester en de beide predikanten, te Bolsward.

10. Hettema en Heerema leen, ook wel St. Pieter en Pcmlus-prehende genaamd. De stichtingsbrief is niet bekend, doch uit eene akte van begeving van 4 Maart 1675 blijkt, dat de toenmalige Collatoren de fundatie toeschreven aan Taebe Intes Hettema, die gehuwd was met Rienck Lieuwesd. Heerma; tevens, dat het verbonden was aan een altaar in de Oldehoof of St. Maartenskerk. Op blz. 280 van de Beneficiaalboeken vindt men den inventaris, met vermelding, dat het toen genoten werd door „Bernardus Tabbezoon, clerck.quot; Een en ander bewijst, dat het strekte tot opleiding van een Priester, die voor de stichters en hunne nazaten zielmissen had te lezen.

Na 1580 werd het — ongetwijfeld ter opvolging van het voorschrift in den toen nog wel bekenden fundatiebrief, — beurtelings vergeven door Hettema\'s en Heerma\'s. In den be-gevingsbrief van 1675 werd den zesjarigen beneficiant opgelegd om „ Je opcomsten van \'t solve Leen tot behulp syner studiequot; te genieten, en wel gedurende zijne minderjarigheid, mits „dat hij in middelen tijde in studie continuere;quot; terwijl voor \'t vervolg werd bepaald, dat de beneficiant den ouderdom van zeven jaren moest hebben bereikt en hij „bij uitgang van \'t 25 jaar weder zal moeten resigneren.quot;

3f

-ocr page 40-

34

De boueficiauteu waren vrij iu de keuze van hun studievak. Pamilieledeu schijnen de voorkeur gehad te hebben boven vreemden.

Provisoren zijn B. en W. van Bolsward; Bestuurders de twee Hervormde predikanten aldaar, representerende de voormalige hoofdpriesters.

Op het archief te Bolsward is in afschrift neergelegd eene opgave van .11 u\'. M. Hettema, als Collator, omtrent den oorsprong cn de latere begeving van dit leen, benevens een staat der landerijen en steedpachten, daartoe behoorende.

Te Dronrijp (gem. Menaldumadeel).

11. Douwe Pyhesz-leen, in 1511 gesticht door Heer Douwe Pybesz., Pastoor te Dronrijp, als een „ leen of proeve in het eeuwig voor zijne ziel en zijner vrindenquot;, verpligtende den daarmede gebeneficicerden geestelijke tot het doen van diie missen en drie vigiliën elke week (lie\'jistroticboek, VI, 29).

Volgens den inventaris van de opkomsten in de Beneficiaal-boeken, waren ten jare 1543 Collatoren de Pastoor te Dronrijp, de bezitters van Hobbema-state aldaar, van Hermana-state te Minnertsga, en die van Pleringa-state te Menaldum.

De fondsen van dit leen schijnen in beheer onder verschillende Collatoren verdeeld te zijn geraakt, doch weder vereenigd, met gedeeltelijke wijziging van de bestemming , in dien zin, dat — onder goedkeuring des Konings, bij Besl. van 10 Pebruarij 1858, n0. 49,— de opkomsten thans voor V4 worden besteed ten behoeve van den predikant te Dronrijp ; voor V* ten behoeve van het Boshuizer Gasthuis, Haersoltekant, te Leeuwarden, en voor 2U ad studia, onverschillig in welk vak. Het Boshuizer Gasthuis behoort nl. voor de AVestzijde aan de familie Lycklama a Nyeholt, voor de Oostzijde aan de familie van Haersolte (Zie Eekhoff, Beschr. van Leeuwarden, II, 126, noot).

Voor zoover de opkomsten ad studia worden besteed, zijn de eigenaren van Hobbema-state en van Fleringa-state voornoemd.

-ocr page 41-

35

nog heden Collatoren. Provisoren zijn de kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Dronnjp ; administrateur is een der kerkvoogden aldaar.

Te Poppingawier (gem. Ramverderhem).

12. Het Lieve Vrouwen- of AJhada leen. Op grond van verschillende geschiedkundige aanteekeningon, door den raadsheer E. M. van Burmania gemaakt, in verband met een berigt in den Tegemv. Staat van Friesland en met genealogische opgaven in het Stamboek van den Frieschen Adel, is het — bij het ontbreken van den fundatiebrief — aannemelijk dat dit leen in de 16e eeuw is gesticht, hetzij dan door een zekeren Rienck Sijthiema, of door Hette Bottes Heslinga, wiens kinderen, bepaaldelijk zijn zoon Lieuwe Ilettes, den toenaam van Albada hebben aangenomen.

Volgens den inventaris van 1543 {Beneficiaalboeken, bh. 138) was „Lyeuwe Hottezquot;, dien men voor denzelfden Lieuwe Ilettes van Albada mag houden , Patroon van deze prebende, die daar echter geen bepaalden naam draagt.

Bij eene decisie van Gedep. Staten van 15 Julij 1618 zijn de Albada\'s verklaard „veros patronosquot; daarvan te zijn. Een Andries van Albada, die volgens het Stamboek, ƒ/, 17, een zoon was van een Albada, welke priester te Poppingawier, vervolgens praebendarius te Bozum, deken en archidiaconus van quot;Westergoo is geweest, bestemde bij testament van 3 September 1618 cenige goederen voor „eerlijken, vroome studenten uit Frieslandquot;. Deze beschikking schijnt aan het Lieve Vrouwen-of Albadaleen te goede te zijn gekomen.

De oorspronkelijke bestemming laat zich bepalen door de aan-teekening bij den inventaris van 1543 , dat „daer is een clerck mede versien, die tot Pinxter hoept priester toe wordenquot;. Andries van Albada verlangde, dat de Priesche student, die het genot van zijne making zou hebben, te Leuven of te Keulen moest studeren; in welk vak bepaalde hij niet uitdrukkelijk.

In den aanvang der 17e eeuw ontmoet men als beneficiant

-ocr page 42-

36

Pieter Albada , studerende te Leuven ; tegen het einde dier eeuw Oene Andries Albada, Pibezoon; in de 18e zijn Albada\'s, of hunne afstammelingen in do vrouwelijke linie, er mee begiftigd.

Zij waren katholiek, doch zulks leverde geen bezwaar op, omdat zij niet tot den geestelijken stand werden opgeleid. Door de Gedcp. Staten was immers den 23 Maart 1729 verstaan, dat de beneficiant — een zoon van Oene Andries van Albada — „niet sal moogen syn studiën aanleggen tot priester, maar wel tot eenige andere wetenschappen, \'t sy in jure, \'t sy in mathesi.quot;

Collatoren zijn de nazaten dor Albada\'s, provisoren B. enW. van Rauwerderhem; Bestuurder is de ZeerEerw. heer Pastoor te Irnsum.

Te Oldeboorn (gem. Utingeradeel).

13. Het Kruis- of Bouw a-leen, waarschijnlijk ingesteld door den bekenden edelman Jancko Douwema (1482—1530). In de Beneficiaalboeken, Uiting eradeel (blz. 28) wordt het eene prebende genoemd, van welke Jancko Douwema\'s Erven patronen waren. Na 1580 is het uitsluitend genoten door jongelingen, di\'3 voor het predikambt werden opgeleid.

Hot Collatieregt berust bij de eigenaren van Douma-statc te Oldeboorn.

Provisoren zijn B. en W. van Utingeradeel; Bestuurder is de heer A. W. Stam, te Sneek.

Tc Makkum (gem. Wonseradeel).

14. St. Anna-leen, gefundeerd op St. Annadag 1479 {Registratie-hoek , 777, 309) door Trijn Fedderiks Meinsma, huisvrouw van Benedictus Idzert Tibbinga, te Hydaard, ton einde iemand uit de nabestaanden van haar of van haren man tot zijn 25e jaar uit do opkomsten te laten studeeren. Men vindt den inventaris van 1543 in de Beneficiaalboeken, blz. 245.

Na 1580 is het ad studia besteed, zonder dat een bepaald vak blijkt te zijn voorgeschreven. Landen, eigen aan dit leen, zijn bij het kadaster promiscue ten name van Si. Anna-leen te Makhum en St. Anna-leen te Hydaard geboekt.

-ocr page 43-

37

Collatoren zijn de nazaten van de fundatrice; Provisoren B. en W. van Wonseradeel; Bestuurders: H. Kingma Mz. en L. Britzei Lz. te Makkum.

Tc Abbega (gem. quot;Wymbritseradeel).

15. St. Geertruicis-, ook wel genoemd Heer Gaffes- of St. Anm-leen, gesticht door Heer Groffe Holkes Attama, priester te Oosterend (van daar de kadastrale benaming Attama-leeri) bij testament van 9 Julij (St. Geertruidsdag) 1508, opgenomen in liet Registratiebock. Het strekte, evenals zoovele anderen, tot opleiding en verder tot onderhoud van een priester uit zijnen bloede, indien die er zou zijn, onder verplichting van den beneficiant elke week drie zielmissen enz. voor den stichter te doen.

Na 1580 aangewend ad studia, vooral ten behoeve van familieleden des stichters, is dit leen eerst gereglementeerd in 1869, laatstelijk den 2 February 1882.

Het getal beneficianten regelt zich naar het bedrag der inkomsten, in dier voege, dat dc eerste tot Hervormd predikant moet worden opgeleid, terwijl de volgenden vrije keuze van studie hebben. Thans zijn er drie.

Collatoren zijn do nazaten uit het geslacht des stichters; Provisoren B. en W. van Wymbritzeradeel; Bestuurders dc kervoogden der Herv. gemeente te Abbcga.

Op den staat van onroerende goederen in de doode hand, in 1876 door de ontvangers der registratie opgemaakt, volgens de gegevens, voorkomende in de kadastrale liggers, bij uittreksel door den Minister van Justitie ter beschikking van onze commissie gesteld, komt o. a. voor het Haersolte-Leen te Oldeboorn.

In de Beneficiaalboeken vindt men enkel het boven sub n0. 13 genoemde Douma-leen te Oldeboorn vermeld, zoodat het voorshands niet aannemelijk is, dat er vóór 1580 een Haersolte-

-ocr page 44-

38

leen zou zijn ingesteld. Ook Burmania gewaagt niet van een leen onder dien naam ; bij Gedep. Staten van Friesland is het dan ook niet als een studieleen geregistreerd.

Ten kantore van hypotheken en het kadaster is ons gebleken, dat de perceelen weiland te Tzum, Sectie C. nummers 1141, 1142 en 1143, te zamen groot 2,38,15 Cent., staan ten name van Haersolte-leen, administrateur Martinus Lycklama a Nye-holt, te Oldeboorn, die sedert jaren reeds is overleden. Wijders zijn wij in \'t zekere geinformeerd, dat die landen thans door Jhr. J. A. Lycklama a Nyeholt aldaar worden verhuurd aan den heer Draisma de Vries, te Achlum. Of de huurpenningen besteed worden tot het een of ander liefdadig doel — ik weet het niet. Daar ik geene enkele aanwijzing vond, dat het zoogenaamd Haersolte-leen van vóór 1580 dagteekent, en er verscheidene studiebeurzen in latere jaren zijn ingesteld, meende ik te kunnen volstaan met de mededeeling van bovenstaande gegevens aan het lid van Gedeputeerde Staten, dat zich in \'t bijzonder voor dit onderwerp interesseert. Evenzoo is gehandeld ten aanzien van een tot dusver onbekend Eysingaleen, waartoe eene boerenplaats behoort, in administratie bij Jhr. Lycklama a Nyeholt voornoemd.

W. B. S. Boeles.

-ocr page 45-

E A P P O B T

OVER

DE VIOARIBGOEDERBN,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

JN

GRONINGEN.

-ocr page 46-
-ocr page 47-

DE VICARIEGOEDEREN IN GRONINGEN.

I.

VÓÓR de Redittie ix 1504.

Wat Karei de vijfde bij het plakkaat van den 30 October 1539 voor Friesland als regel erkende, dat namelijk de plaatselijke kerkelijke goederen daar hun oorsprong dankten aan den vromen zin der ingezetenen zelve, mag men ook als regel aannemen voor de tegenwoordige provincie Groningen, vroeger de stad Groningen 1), de Priesche Ommelanden tusschen de Lauwers en de Eems f), en Westerwolde §).

Kerk, pastorie en kostorswoniug zullen uit don aard der zaak meestal gelijktijdig zijn gesticht, overoenkonistig het voorschrift van het Capitnlare de partibus Saxoniae C. 15 : Ad unumquamque ecclesiam curtem et duos mansos terrae pagenses ad ecclesiam condonent, in verband met de bepaling in een ander Capitnlare: Nemo ecclesiam aedificet, antequam civitatis Episcopus veniat, et ibidem crucem figat publice. Et ante praefiniat, qui aedifieare vult, quid ad luminaria et ad eustodiam et stipendia custodum sufficiat. Et facta donatione sic domum aedificet.

Voor zoover die kerkstichting zich verliest in de dagen der vestiging van den Christelijken godsdienst in het noorden des lands, zijn de geschreven titels daarvan bijna alle voor liet nageslacht verloren gegaan. Uit de dertiende eeuw zijn er nog

1

Onder het bisdom van Utrecht.

-{■) Onder het bisdom van Munster.

tj) Onder het bisdom van Osnahrug.

-ocr page 48-

4

enkelen bewaard, die het gezegde bevestigen. Eenige geloovigen te Maarhuizen stichtten bij voorbeeld op hun eigen grond een kerk en voorzagen haar van eene dotatie (cum fideles quidam de Marahuson, pro remuneratione dominica, in suo predio ecclesiam novam fundassent et pro modulo sue facultatis dotassent), welke kerk in 1211 tot parochiekerk werd verheven 1). Groninger ingezetenen stichtten de kapel ter A, die in 1240 insgelijks door den bisschop tot parochiekerk werd bestemd (quod, cum novam plantationem capelle in Groninge a civibus de

Groninge olim laudabiliter inchoatam, ad petitionem ipsorum civium bone memorie Predecessor noster, loei Diocesanus O., Traiectensis Episcopus, approbans, eisdem indulserit, ut ipsa Capella Ecclesia sit parochialis f).

Sommige kerken zijn hare stichting verschuldigd aan kloosterlingen, die daarmede voorzagen in de behoefte aan een bedehuis op de dikwerf ver van hun gesticht verwijderde woeste gronden, met welker ontginning zij zich bezig hielden. Wij wijzen ten dezen aanzien b. v. op de kapel te Wolfsbergen, door Aduarder kloosterlingen gebouwd, en in 1282 van de parochiekerk te Noordlaren gescheiden (Exigente inevitabili necessitate civium de Vlesberge, colonorum Monasterii de sancto Bernardo, cum iidem cives, per consensum — capellam, habentem sepulturam, edificassent.. §), en op de stichting van kapellen en kerken door den Aduarder abt Frederik, in do 14e eeuw (capellamque juxta portam aedificavit propter muliercs et pauperes, nee non cappeilam in Laryerwert, et in Holmis, et Ecclesiam in Medis 2). Niet zonder voorbeeld is het, dat vermogende geloovigen een bedehuis voor eigen rekening stichtten (Puit quaedam vidua nomine Tyadeka in Erewerth, nobilis et diues et discreta, vnicum habens filium nomine Menconem, qui cum in pueritia sua infirmari coepissit

1

Driessen, Mon. Gron. Gron. 18^2 —1830. p. 541.

-{■) Ibidem, p. 544.

§; Ibidem, p. 559.

2

Vitae ac gesta abhatum Adwerdensium, c. Fr. Koppius, Gron. 1850. p. dB.

-ocr page 49-

5

ad mortem, vouit pio filio — quod construerct capellam in propriis bonis et in tantum eam dotaret de proprio fundo, quod sufficeret vni sacerdoti. Et quamvis quibusdam nou plaeeret, tamen suam obtinuit voluntatcm 1). Daarentegen heeft men geene geschiedkundige waarde meer te hechten aan hetgeen een tweetal charters, met dagteekeningen uit de 13e eeuw, inhouden, als zouden de Eipperda\'s van Farmsum niet minder dan elf kerken in de omstreken van Appingadam, daarbij met name vermeld en nog heden bestaande, hebben gesticht en gedoteerd, daar immers die charters, door het van elkander onafhankelijk, doch gelijktijdig, onderzoek van een Duitsch en van een Ncderlandsch geleerde — specialiteiten op dat gebied — merkwaardig genoeg op dezelfde gronden, afdoende zijn gebleken stukken te wezen, die in de 15c eeuw werden ondergeschoven f).

Overeenkomstig den kanonicken regtsregel: patronum faciunt dos, aedificatio, fundus, behielden of verkregen de stichters van kerk, pastorie en kosterie het patronaatregt, d. i. de bevoegdheid om de geestelijke beneficianten aan de kerkelijke overheden voor te dragen. De geloovigen te Maarhuizen hadden dan ook, blijkens het vermelde charter van 1211, zelve hun priester gekozen (Gylwardus sacerdos, quem in illa ecclesia a fundatoribus invenimus electum); bij de verheffing van do Akerk te Groningen tot parochiekerk, erkende de bisschop het recht van de cives om den pastoor te kiezen (salvo iurc eligendi et presentandi personam ydoneam loci Diocesauo, qui pro tempore fucrit eis-dem parochianus).

In de oudste tijden, toen het platte land nog geene andere bewoners kende, dan de geestelijkheid, de eigenaars van landhoeven of heerden, en hunne meijers, vestigde zich reeds het regt, dat de eigenaar van eene zoodanige heerd, die gewoonlijk don naam des eigenaars droeg (namen, die haar eigen bleven

1

Kronyken van Emo en Menko, d. Feith en Stratingh, Utr. 1866, blz. 274—274

quot;iquot;) Von Richthofen, Unlersuchimgcn über Friesische Rechtsgesch., Berlin, -1882, II, 2. S. 877, 981, Aem. W. Wybrands, De abdij Bloemhof te Wittewierum in de dertiende eeuw. Amst. 1883, blz. 204 en volg.

-ocr page 50-
-ocr page 51-

DE VICARIEGOEDEREN IN GRONINGEN.

I.

Vóór pk Reductie in 1504.

Wat Karei de vijfde bij het plakkaat van den 30 October 1539 voor Friesland als regel erkende, dat namelijk de plaatselijke kerkelijke goederen daar hun oorsprong dankton aan den vromen zin der ingezetenen zelve, raag men ook als regel aannemen voor de tegenwoordige provincie Groningen, vroeger de stad Groningen *), do Friosche Ommelanden tusschen de Lauwers en de Eems f), eu Westerwolde §).

Kerk, pastorie en kosterswoning zullen uit den aard der zaak meestal gelijktijdig zijn gesticht, overeenkomstig hot voorschrift van liet Capitulare de partibus Saxoniae C. 15: Ad unumquamque ecelesiam curtem et duos mansos terrae pagenses ad ecclesiam eondonent, in verband met de bepaling in een ander Capitulare: Nemo ecclesiam aedificot, antequam civitatis Episcopus veniat, et ibidem erucem figat publico. Et ante praofiniat, qui aedificare vult, quid ad luminaria et ad custodiam et stipendia custodum sufficiat. Et faeta donatione sic domum aedificet.

Voor zoover die kerkstichting zich verliest in de dagen der vestiging van den Christelijken godsdienst in liet noorden des lands, zijn de geschreven titels daarvan bijna alle voor het nageslacht verloren gegaan. Uit de dertiende eeuw zijn er nog

*) Onder het bisdom van Utrecht.

f) Onder het bisdom van Munster.

§) Onder het bisdom van Osnabruc/.

-ocr page 52-

I

4

enkelen bewaard, die het gezegde bevestigen. Eenige geloovigen »

te Maarhuizen stichtten bij voorbeeld op hun eigen grond een

kerk en voorzagen haar van eene dotatie (cum fideles quidam

de Marahuson, pro remuneratione dominica, in suo predio

ecclesiam novam fundassent ct pro modulo sue facultatis dotassent),

welke kerk in 1211 tot parochiekerk werd verheven 1). Groninger

ingezetenen stichtten de kapel ter A, die in 1240 insgelijks

door den bisschop tot parochiekerk werd bestemd (quod, cum

novam plantationein capelle in Groninge — a civibus de

Gronings olim laudabiliter inchoatam, ad petitionem ipsorum

civium bone memorie Predecessor noster, loei Diocesanus O.,

Traiectensis Episcopus , approbans , eisdem indulserit, ut ipsa

Capella Ecclesia sit parochialis f).

Sommige kerken zijn hare stichting verschuldigd aan kloosterlingen, die daarmede voorzagen in de behoefte aan een bedehuis op de dikwerf ver van hun gesticht verwijderde woeste gronden,

met welker ontginning zij zich bezig hielden. Wij wijzen ten dezen »

aanzien b. v. op de kapel te Wolfsbergen, door Aduarder kloosterlingen gebouwd, en in 1282 van de parochiekerk te Noordlaren gescheiden (Exigente inevitabili necessitate civium de Vlesberge,

colonorum Monasterii de sancto Bernardo, cum iidem cives, per consensum — capellam, habentem sepulturam, edificassent.. §),

en op de stichting van kapellen en kerken door den Aduarder abt Frederik, in de 14e eeuw (capellamque juxta portam aedificavit propter mulieres ct pauperes, nee non cappellam in Largerwert, et in Holmis, et Ecclesiam in Meelis 2). Niet zonder voorbeeld is het, dat vermogende geloovigen een bedehuis voor eigen rekening stichtten (F uit quaedam vidua nomine Tyadeka in Erewerth, nobilis et diues et discreta, vnicum habens filium nomine Menconem, qui cum in pueritia sua infirmari coepissit

1

Driessen, Mon. Gron. Gron. 18^2—1830. p. 541.

-f) Ibidem, p. 544.

§; Ibidem, p. 559.

2

Vitae ac gesta abhatum Adwerdensium, c. Fr. Koppius, Gron.

1850. p. IG.

-ocr page 53-

5

ad mortem, vouit pio filio — quod construerct capcllam in propriis bonis et in tantum earn dotaret de proprio fundo, quod sufficeret vni saccrdoti. Et quamvis quibusdam non plaecret, tamen suam obtinuit voluntatcm 1). Daarentegen heeft men geene geschiedkundige waarde meer te hechten aan hetgeen een tweetal charters, met dagteekcningen uit de 13e eeuw, inhouden, als zouden de lïipperda\'s van Farmsum niet minder dan elf kerken in de omstreken van Appingadam, daarbij met name vermeld en nog heden bestaande, hebben gesticht en gedoteerd, daar immers die charters, door het van elkander onafhankelijk, doch gelijktijdig, onderzoek van een Duitsch cn van een Nedorlandsch geleerde — specialiteiten op dat gebied — merkwaardig genoeg op dezelfde gronden, afdoende zijn gebleken stukken te wezen, die in de 15e eeuw werden ondergeschoven f).

Overeenkomstig den kanonieken regtsregel; patronum faciunt dos, aedificatio, fundus, behielden of verkregen de stichters van kerk, pastorie en kosterie liet patronaatregt, d. i. de bevoegdheid om do geestelijke beneficianten aan de kerkelijke overheden voor te dragen. De gcloovigen te Maarhuizen hadden dan ook, blijkens het vermelde charter van 1211, zelve hun priester gekozen (Gylwardus sacerdos, quem in illa ecclesia a fundatoribus invenimus electum); bij de verheffing van de Akerk te Groningen tot parochiekerk, erkende do bisschop het recht van de cives om den pastoor te kiezen (salvo iure eligendi et presentandi personam ydoneam loei Diocesane, qui pro tempore fuerit eis-dem parochianus).

In de oudste tijden, toen het platte land nog geene andere bewoners kende, dan de geestelijkheid, de eigenaars van landhoeven of heerden, en hunne meijers, vestigde zich reeds het regt, dat de eigenaar van eene zoodanige heerd, die gewoonlijk den naam des eigenaars droeg (namen, die haar eigen bleven

1

Kronyken van Emo en Menko, d. Feith en Stratingli, Utr. 18G0, blz. 271-274.

-f) Von Richthofen, Unlersuchungen über Fritsische Rechtsyesch., BeiJin, 1882, II, 2. S. 877, 981, Aem. W. Wybrands, De abdij Bloemhof te Wütewierum in de dertiende eeuw, Amst. 1883, blz. 204 en volg.

-ocr page 54-

6

tot op onzen tijd) en ten minste dertig grazen groot was, alle openbare bevoegdheden, alzoo ook het patronaat- of stemregt uitoefenden. In dien oorspronkehjken vorm ontmoeten wij het patronaatregt o. a. in een charter van 1282, waarbij de abt van Werden zijn grondbezit in de tegenwoordige provincie Groningen verkocht aan den bisschop van Munster, te weten: bona nostra in Holtgeist et Astereide, in Winsum, in Stiewarth et in Federwart, cum iure patronatus Ecclesiarum et omnibus suis attinenciis, ac omnia et universa bona nostra mobilia et immobilia sita in partibus Frisie, item sita ab ilia parte Kovorde in Drenthia versus Frisiam, — sive consistant in curtibus, villioationibus, pensionibus, hospitiis, patronatus Ecclesiarum iure, ad nostram presentationem pertinentium 1). Duidelijker blijkt het uit het charter, waarbij die bisschop kort daarna dezelfde onroerende goederen overdroeg aan den balijer te Steinvord, en wel uit de woorden : Jus patronatus ecclesiarum omnium diet is prediis, curtibus d\' possessmiibus annexmn f). Op zulke heerden viel ook bij toerbeurten het regterambt; immers werden bij akte van 1381 aan don proost of deken te Leens landhoeven verkocht, met de daarop vallende jurisdictiën (nouem et dimidium iugera terrae una cum areis fori Lidensis, cum omnibus jurisdictionibus, dictis Retschap Scheltodomi, cadentibus super praedietis areis, nee non et aliis, quocunque nomine sentiantur.... nee non et dimidictatem areae Sydesma, ac jurisdictiones omnes cadentes super areis Sydesma et Sibrandae §).

Het patronaatregt volgde mitsdien den overgang van het onroerend goed van de eene hand in de andere. G ene eg ten bewijze van de stelling, dat in de Groninger Ommelanden (het Friesland tusschen de Eems en de Lauwers) primitief hetzelfde systeem werd toegepast, hetwelk ook in het tegenwoordige Friesland, tusschen de Lauwers en het Flie, gold, — dat name-

1

Driessen, p. 442.

-ocr page 55-

7

lijk de gegoeden in grondbezit (eigenerfden) het jus patronatus of praesentandi uitoefenden.

Dat regtssysteem is in de Groninger Ommelanden echter niet zuiver gehandhaafd. Men stond het patronaatregt, het bij toerbeurten op de heerden vallend regterambt en waterschapsbestuur, en alle dergelijke qualiteiten, gescheiden van het grondbezit (den census) als een afzonderlijk object af. De fideles te Maarhuizen deden, toen hunne kapel of kerk in 1211 tot parochiekerk verheven werd, afstand van hun patronaatregt en schonken het den bisschop (omne ius patronatus, quod habebant, nobis et successoribus nostris, perpetuo iure contulerunt). Yerscheidene kerken zag men met hare goederen, het beneficium pastorale daaronder begrepen, overgedragen en geincorporeerd bij kloosters en gasthuizen, welke handeling de benaming droeg van over-dragt van het jus patronatus cum omnibus suis attinenciis, of eenvoudig van donatio, collatio ecclesiae *). Op voorbeelden van verkoop van omgaande regterstoelen zullen wij beneden wijzen f).

Toon dat misbruik eenmaal zijne voorbeelden had, kochten de meer en meer opkomende „Jonkeren en Hovelingen,quot; de landadelijken, die bevoegdheden gescheiden van den grond gretig op, zoodat een enkel persoon meermalen van de meeste, ja soms van alle stemmen van heerden meester werd, en zich dan qualificeerde als primarius collator, als eigenaar van eene staande, d. i. niet meer bij toerbeurten omgaande, jurisdictie.

De patronaatregten, die langs den aangegeven weg aan kloosters waren gekomen, en do stemmen, die de kloosters voor hunne eigene heerden konden uitbrengen, werden na 1594, door de Gedeputeerde Staten, als beheerders van het fonds der provinciale kloostergoederen, publiek onder den hamer gebragt, bepaaaldelijk den 16 Junij 1656, 15 Januarij 1657, 12 December 1659, 12 en 19 February 1694.

\') Zie De bijzondere fmant. regtsbetrekkinij tusschen een aantal kerkel. gem. in de prov. Groningen en den Staat, in 1806 door ons uitregeven, blz. 2—2-2.

-{-) Zie hlz. 17.

-ocr page 56-

8

Voor zoover alle stemmen aan kloosters waren overgegaan, werden zij te gelde gemaakt als unieke collatiën, onder welken naam ook een patronaatregt geschapen en verkocht werd- van die kerken, welke een integrerend deel van de kloostergebouwen hadden uitgemaakt en niet zelden tevens voor de parochie hadden gediend, en, na do Hervorming, toen de kloosters werden afgebroken, tot dorpskerken zijn bestemd.

Zóó heeft de oorspronkelijke regtstoestand zijn karakter allengs geheel verloren. Eerst in 1749 werd het separeren dor gcregtig-hedon van het grondbezit bij het Reglement Eeformatoir door Prins Willem IV verboden voor het vervolg. Stemrcgt van grondbezitters was dus do oorspronkelijke, primair en uniek collatieregt de ontaarde vorm der begeving van het beneficium pastorale. Dat ook de begeving der kosterie geschiedde door hen, die de begeving van het beneficium pastorale hadden, mag men veilig aannemen op grond van de daadzaak, dat het tot in onzen leeftijd op vele plaatsen geschiedde, ofschoon noch het geschreven regt, noch titels het uitdrukkelijk verleenden. Irrationeel was het niet, wanneer men aanneemt dat kerk, pastorie en kosterie primitief óéne fundatie waren, wier dos eene drieledige bestemming had, doch welker éénheid zich nog afspiegelt in het steeds geldende regt, dat de kerkvoogden optreden niet enkel voor de eigendommen der kerk alleen, maar ook voor die, welke aan het pastoraal- en kostersambt zijn verbonden.

Waren kerkgebouw, pastorie en kosterie eenmaal gesticht en van de noodige dotatie voorzien, dan openbaarde de vroomheid der parochianen zich weldra in het vermeerderen van die fondsen door legaten en donationes pias. Deze volgden dan natuurlijk den regtstoestand van de fundatie.

In hot voorbijgaan moet hierbij opgemerkt worden, dat, terwijl in het tegenwoordige Friesland de patroon der kerk de persona ficta was, dien men zich als het subject van regten ten opzichte van de kerkegoederen voorstelde, in Groningen en de Ommelanden ons daarvan schaars een voorbeeld is bekend geworden, zoodat de benaming patroonsgoederen, in Friesland zoo algemeen,

-ocr page 57-

9

aan gene zijde van de Lanwers nagenoeg onbekend is.

In de tegenwoordige provincie Groningen was het getimmerte of hèt kerkgebouw de gefingeerde regtspersoon.

Voorbeelden: in een testament van 1360: do et lego moneta terre fahrice Ecclesie beati Martini Trajcctensis octo scudatos; in een testament van 1372: Vortmer gaf Frederic vors. to sunte Mertins kerken to timmere III scilde 1); in het testament van Harm Hopper : Item ick ghene onss. lener vrouwen kercke ter Ae mync veer grase landcs in den Hoen f); een onuitgegeven transportbriof van 1521, vangt aan: Ick Gherardus Allardi, cureyttoWerem,

bekenne......dat yck hebbe vercoft, vpghedraghen ende ouer-

gheuen ewelyck ende arffelyck den voyheden van Werem .... to der kercken hehoeff to Werem, veertyn grase landes, enz.

Afgescheiden van de voor eene kerkstichting onmisbaar ver-eischte dotatie voor de fabrica ecclesiae, voor het officium pastorale en de custodia, stichtten de geloovigen weldra ook andere fondsen met eene bepaalde kerkelijke bestemming. En zoo komen wij, na de voorgaande inleiding over den oorsprong, den aard en do bestemming van de principale kerkelijke goederen in eene parochie, geleidelijk tot de neven-stichtingen en fondsen, de vicarien en de prebenden.

Vicariën.

Het denkbeeld, dat zich in de kerk ontwikkelde, van het nut der zielmissen voor afgestorvenen , en over de uitdelging van eigene zonden door het verrigten van goede werken, begunstigde het stichten van kapellen, die als kleine nevengebouwen met het kerkgebouw werden verbonden; — van altaren naast het hoofdaltaar of aan een pilaar, zoowel in parochie- als in

1

Driessen, p. 666 , 690.

f) Roeles, De geestel. goederen in de provincie Groningen, Gron. 1860, blz. 185.

-ocr page 58-

10

gestichts-kerkcn, gedoteerd ton behoeve van een bijzonderen geestelijke of vicaris, die de kerkelijke diensten , hom bij den fundatiebrief opgedragen , bad te verrigten.

Die vicarien droegen eveneens het karakter van kerkelijke fundatiën, want zij werden door de geestelijke overheden geap-probeerd , met onttrekking van de dotatie aan elke wereldlijke bestemming.

Ofschoon de zeer uiteenloopende inhoud der fundatiebrieven daaromtrent niet altoos eene voldoende opheldering geeft, mag men toch , naar het mij is voorgekomen, in \'t algemeen aannemen , dat de geestelijke, \' die tot de bediening der vicarie geroepen werd, ook gehouden was de cura past oralis mede waartenemen. Wanneer hij al niet met den pastoor do wedem of pastorie bewoonde, had de vicaris het genot van een vicariehuis, of „\'t huis des altaars.quot;

Tot voorbeelden nemen wij 1°. den fundatiebrief van eene vicarie in de Akerk te Groningen , van S. Thomasdag 1408 , o. a. houdende „ . . . ghemakot een altare ende ene vicarie tot

enes preijsters behoef in onss. Yrouwenkerke te der Ae......

bijzundcrlinghe in de ere Santé Andreas, sente Thomas ende

sente Marie Magdalene....... ende dat vm zalichheyt wille

hore zielen ende hore vrende zielen............to bruken ende

to besitten jn maneren als hyr na ghescreuen staet. In den eerste dat de prester de to dessen vicarie ghekoren wort sal daghelikes zinc misse lezen vp den voorss. altaer, als he dat van conscientie weghen doen mach , of daer to zaten, dat he ten minster vyer daghe in de weke misse doet holden, ten zie sake , aat hem dat ziikedaghe of ander kenlike noodzaken afnemen. Ende de voorss. prester sal deghelikes mede te koor gaen ende ziine tyden singhen ende lezen mit den anderen presteren in der voorss. kerke als daer woenlich is, ende zal deghelikes bidden in sinen misse vor Sweder ende Ancken vorss. ende voer al hore leveu vrenden zielen , daer se........ende gued van ontfanghen hebben.quot; 1)

1

Onuitgegeven, op het Gron. Archief, 1408, n0. 1.

-ocr page 59-

11

2°. den fundatiebrief van twee vicarien in dezelfde stad bij testament van 29 September 1483 , luidende :

„erigo et fundo duas vicarias seu capellanias, imam ii) ecclesia beati martini ad altare sanctorum Cosmc et Damiani martirum, aliam in ecclesia beati Walburgis ad altare ejusdem Walburgia virginis opidi Groningensis nondum dotata, ita videlicet quod dictarum vicariarum cappellani sen vicarii pro tempore residcutes sint vita sancta et moribus approbati, judice (?) sobrie et honeste conversationis; tres ad minus in septimana, legitime ccssanto impedimento celcbrabuut aut celebrari facient missas, unam de tempore, secundam pro defunctis, tertiam de passione domini, secundum ritum et voluntatem pastorum dictarum ecclesiarum , personalemque facient rcsidentiam in eisdem et singulis horis et cotidianis divinis officiis dictis ecclesiis fideliter destinatisquot;.....1)

quot;Wat de aangegeven verhouding van de vicarissen tot de eura des pastoors betreft, wijzen wij op de voorwaarde in de akte van begeving der vicarie van den Rozenkrans in de meergenoemde Akerk, mits „dienst doende in het zingen , prediken, kinder kersten, krenken visiteren, de weke houden en alle andere godsdienst te verrigtenquot; f); en op den reeds vermelden schenkingsbrief van Harm Hopper: „tot ener vicarien in onser leuer Vrouwen Kercke ter Ae, daer men een Altacr toe stichten sal onder de orgelequot;, met bepaling, „dat de vicarius seinen sal resideren in onser leuer Vrouwen Kercke ende sal allen deenst mede doen , gelyck andere gemene preesters.quot;

Wanneer het enkel en alleen de kanonische fundatie ccner vicarie gold , gebruikten de bisschoppen van Utrecht — tot wier diocese de stad Groningen behoorde — in het bevestigingsformulier de eene fundatie karakteriserende woorden :. . pront pie , rite et canonice facte sunt, ratificamus, approhamus et in Dei nomine, auctoritate nostra ordinaria, hiis presentibus con-firmamus, decernentes predia, fructus et alia quevis bona in

1

Onuitgegeven, aldaar, -1483, n0. 17. f) Gron. Arch. ■1543, n0. 1.

-ocr page 60-

12

dotem d cte capellanie assignata, fore ecclesiastica, ipsaque debere d cetero ecclesiastica libertate gaudere, iure cum matricis ecclesia i omnibus semper salvo, nostrarum testimonio litterarum 1).

Testamunten, houdende de fundatie van eene vicarie, en tevens Ie aten tot verschillende kerkelijke doeleinden en aan reeds bestaande fundatiën, werden in \'t algemeen door den bisschop bevestigd en goedgekeurd, b. v. het wijdloopig testament van Harm Hopper meergenoemd, door David van Bourgondie: Et cum omnia et singula, in hujusmodi instruments descripta, pia et devota intentione per ipsum Harmannum Hopper et in augmentationem divini cultus summamque peccatorum remissionem donata sint, pariter et legata; et ex pastorali nobis iniuncto officio astringimur et tenemur res et bona sic donata et legata, quantum in nobis est, defendcre , et ab omnibus molestiis et tribulationibus indebitis preseruarc ipsommque decedentium vltimas voluntates ad verum effectum deducere, idcirco.... etc.

De stichting van vicaiien is posterieur aan de stichting van kerken. Men ontmoet zo in do provincie Groningen dan ook vooral sedert den aanvang der 15e eeuw, toen het bovenvermeld misbruik ten opzigte van de scheiding dor stommen van het radicaal van grondbezitter en daarmede het vormen van collation en andere op zich zelve staande publiekregtelijke bevoegdheden reeds in vollen gang was. Verwonderen wij ons derhalve niet, dat — in tegenstelling van \'t geen daaromtrent in Friesland valt optemerken — ten platten lande in Groningerland zoowel als in de stad schaars vicarien voorkomen, van welke de begeving aan de parochianen was overgelaten. De stichters behielden het patronaatregt gewoonlijk voor zich zelve, of droegen het aan andoren op.

Jacob Grovens en Eteke zijne huisvrouw stichtten ten jare 1488 b.v. eene vicarie in vrouw Siewema convent te Groningen, en in 1494 eene in de Akerk en eene in St. Jacobsgasthuis, telkens met benoeming van den Abt van Aduard, den Prior van Essen

1

Driessen , p. 200 , 201.

-ocr page 61-

13

en den oudsten Burgemeester van Groningen tot coüatoreu *); Harm Hopper bepaalde: „Ende nae mynen dode, offt nae dode der gheener, de ick off\'te myne executores die vorss. Vicarien geuen, als se vaceert, soe sullen de kerckheren in der tijt van onser louer Vrouwen Kercken ter Ae, ende de Borgemeester in der tijt, des het syn pant is, de voorss. vicarien altyches vorgheuen, ist dat se vordragen mogen; mochten se nicht vor-dragen, soe sal de oldste borger in der Ae kerspel oer ouerman wesen.quot; Eene vicarie te Noordbroek stond daarentegen ter begeving van de kerkvoogden en twee volmagten uit de gemeente yj. Bij de reformatie waren talrijke vicarien in handen van landedelen, als collatoren §).

Praebenden.

De benaming praebende omvat, in algemeenen zin, elk beneficium, zoowel dat van den pastoor, den vicaris als van andere kerkelijke officianten. In denzelfden zin bezigde men ook het woord leen. In 1554 verdeelden b.v. Johan en Christoffer van Ewssum alle „rechtinge, heerlyckheydenn, collation der geest-lycke leenen, soe wol van pastorien als ander prebendenn ende vicarienn, gelegenn tusschenn denn Reijtdeepe ende den Damme 1).

Zoo ontmoet men in 1576 heer Bolten-leen, in 1578 het „leen of de vicariequot; te Winschoten, voorts bij de Martinikerk te Groningen Hendrik Focking-leen, Arnoldus-leen, Heer Boijen-leen en Heer Pouwel-leen ff).

In eene meer beperkte beteekenis, tegenover pastorien en vicarien, verstond men onder praebenden die fondsen, geschonken of opgerigt ten voordeele van hen, die eene reeds bestaande kerkelijke bediening vervulden, welke met het daaraan verbonden

1

Gron. Archief, 1554, n0 108.

ff) Feith, a. w. blz. 496.

-ocr page 62-

14

beneficium feitelijk niet zamengesmolten werden , èn fondsen , eveneens bestemd tot kerkelijke diensten , doch met de begeving waarvan men niet gebonden was aan een bepaald officiant op dezelfde plaats. De eerste soort van praebenden konde mitsdien een afzonderlijk fonds blijven, geadministreerd en te begeven door oen collator, doch het konde niet gescheiden worden van het eenmaal aangewezen officium. Bij voorbeeld , de St. Annen praebende te Uithuizen , eene schenking van Wibbo Almersma en Menneka, zijne vrouw, bevatte: in subsidium rectoris pro tempore beate Anno et Marie virginum nouiter erigende prebende in Vthusum quoddam praedium etc., voor de opkomsten waarvan de beneficiant op bepaalde dagen eenige missen had te lezen. Dc rector of pastoor te Uithuizen, die dus als zoodanig een beneficium genoot, verkreeg alzoo tevens de St. Aunen praebende, die als een tweede beneficium aan het bestaande juridiek werd verbonden door den Officiaal van Friesland, den vertegenwoordiger van den Munsterschen bisschop in spiritualibus, met de formule: ecclesiastice vniendo et adscribendo libortati vsuique protacto vnimus, incorporamus et mortifieamus, decretum nostrum et authoritatem ordinariam desuper iuterponentes 1).

Zoo stichtte Dodoko Grevinck, J. U. D. Curatus et Rector, te Middelstum, den 16 Augustus 1510 een beneficium ccclesia-sticum, te weten de „praebenda sou vicaria ad altaro divae et intemeratae Dei Genitricis Mariae, in ecclesia Parochiali S. S. Donati, Pabiani et Sebastiani in Leermense,quot; ten voordeele van den tijdehjken pastoor dier kerk, die daarvoor verscheidene missen moest lezen en andere kerkelijke diensten doen. De begeving of „het regt van collatie, nominatie en presentatie,quot; werd toegekend aan den bloedverwant des stichters, qui pro tempore verum et directum dominium praedii, domus et domi-stadii Grevingeheerd in die Lutke Zijpe in dicta villa Leermens sita, habuerit vel habuerint, cum consilio tamen venerabilis

1

Föith, t. a. p. blz. 045. Het collatieregt werd toegekend aan den pastoor te Uithuizen en de heredes van Almersmaheerd.

-ocr page 63-

15

patris Abbatis in Felwerdt et supradicti curati in Leermense, doch, bij gebreke van zoodanigen bloedverwant op Grevinge-heerd, van den Abt en Cureet te zamen. Na des stichters dood bevestigde de Officiaal den 30 Juli] 1522 den fundatiebrief *).

Ten opzigte van de begeviug dezer beneficia waren de colla-toren dus gebonden aan den titularis, die een aangewezen officium bekleedde.

Een voorbeeld, dat men vrij was in de keuze van den geestelijke , wien meu met de praebende begiftigde, meen ik te hebben gevonden in eene notarieele acte van den 25 Maart 1360, waarbij de erfgenamen of regtverkrjjgenden van Remoldus, dictus quot;Worst, eene kleine praebende begeven (redditus trium marcarum cum dimidia, prout et quos bone memorie quondam Remoldus, dictus Worst, civis in Groninghen, pro salute animo sue et parentum suorum, dedit et assignavit et perpetuo donavit ad opus unius pres-byteri in Ecclesia beati Martini pro eo celebrantis, et quos Dominus Eudolphus, dictus Pape, in omni forma et modo tenuit et sibi collati sunt, contulcrunt et dederunt Uhere Domino Godefrido de Hammone, presbitero, quamdiu temporum in Ecclesia beati Martini celebrare contingat, quantum ad cos pertinet et con-tingit f).

Ofschoon ik geene fundatiebrieven van die soort heb aangetroffen, geven verscheidene praebenden, die men ten tijde van de Hervorming ontmoet, toch den indruk, dat zij oorspronkelijk gefundeerd waren ten behoeve van clerken of studenten, die tot priester werden opgeleid, onder de verpligting om dit of dat altaar te bedienen tot het doen van zielmissen, die tijdens de studie van den beneficiant voor eene congrua portio aan een anderen titularis opgedragen werden. Dergelijke praebenden waren alzoo evenmin aan een perpetuum officium verbonden. Wanneer er dus sprake is van vrije leenen, dan schijnt men zulke praebenden bedoeld te hebben. quot;VVij meenen ook ten zeerste in

\') Feith, a. w. I, 330 en volg. -{■) Driessen, p. 223.

-ocr page 64-

1G

twijfel te mogen trekken of de daartoe aangewezen dotatien gemortificeerd werden.

Ten dezen aanzien kan men wijzen op hetgeen de provinciale Synode in 1604 aan den Stadhouder rapporteerde 1): „1°. Tyamsweer, is een praebende, waerop Herman Ripperda einen studenten soil holden; 2°. Delfzyll, meidot de Pastor, dat Redger van Rensens soene, woe oeck Mensenborchs soene, sollen praebenden genieten; 3°. Loppersum is ... . St. Annen praebende, daervan des wedmans soene een deel genietet; 4°. Pastor to Stedum vermeynet, dat oock to Stedum een praebende sy, de een student to Collen genieten solle; 5°. V t h u s e r-meden, een praebende, daerop Schafferi soene studeret; 6°. W arffum buren, een praebende, welcher Peter Sickinga aen sijne nichte to Embden vergeven hefft; de student, so daerop geholden, werdt nicht geëxamineret, mach to Munster offte to Collen vellichte to vinden zijn.quot;

De aangehaalde voorbeelden zullen voldoende zijn om het kanonieke verschil tusschen vicarien en praebenden te doen uitkomen. Ik merk daarbij alleen nog op, dat wat werkelijk eene praebende was, promiscue soms eene vicarie werd genoemd. Dit laat zich verklaren uit de omstandigheid, dat een praeben-darius wel eens verpligt werd om den curatus als vicaris ter zijde te staan. De praebendarius altaris beate Marie Virginis te Eenrum werd b. v. in 1553 door de regeering van Groningen, de collatrice, verpligt om voor den pastoor „aldaer de sermoenen tho bewaeren ende de crancken de sacramenten tho administreren, so langhe als he leeft.quot;

In de eeuwen der Christelijke\'Kerk, anterieur aan de Hervorming, bragt het staatsregtelijk beginsel van éénheid van religie mede, dat de juridieke begrenzing tusschen do burgerlijke en de kerkelijke gemeente niet zoo scherp op den voorgrond trad, als in onzen tijd. Het burgerlijk dorp was meesttijds tevens do kerkelijke

1

Boeles, de geestel. goederen enz. blz. \'200, \'201.

-ocr page 65-

17

parochie; in de steden waren de cives tevens parochiani. Van daar, dat de ingezetenen, zoowel in hunne wereldlijke als kerkelijke aangelegenheden, gewoonlijk optraden onder den naam van kerspellieden of parochiani; in akten van verkoop van het naar der,\' grond of de heerden omgaand regterambt te Oldenzijl, in 1358, traden de verkoopers-grondeigenaren b.v. aldus op:

„Hereko Emumma, parochianus in Oldasile, et nos fratres Eppemamorii, parochiani ibidem, cupimus fore notum preseii-tibus, publico protestando, quod ius nostrum seculare, vulgariter ac usualiter dictum retscip, Alrico Scelteckumma, Capitali yn Soudwere, bono favore ac libera voluntate resignavimus, dedimus ac tradidimus, eternaliter et porpetualitor possidendum ac fruen-

dum....., en in 1397: Nos Thammo et Tetta, coniuges et

parochiani in Spyhe, facimus manifestum, quod consulatum et omnem iurisdictionem do area Aylbadismanorum, parochie Aldasile, damus et assignamus Abeloni Skeltkema in Sondwere, suisque succcssoribus, perpetue gubernandum, optinendum et possidendumquot; *).

Evenals in Friesland, waren die kerspellieden onderworpen èn aan de hierarchie van hot wereldlijk en aan die van het kerkelijk bestuur en regtswezen. Eu hoe zjj dat begrepen en gevoelden blijkt ten duidelijkste uit den evenvermelden koopbrief van 1858 : ita quod uoque nos prenarrati sou aliquis nomine

nostro..... in foro civili vel ecclesiastico, ratione qua supra,

impetere possimus quovis modo, vel molestare.

Wanneer bezittingen der ingezetenen dus bestemd werden tot een godsdienstig doel, tot stichting of verbetering van beneficia, dan had daarvan een overgang plaats van het burgerlijk naar liet kerkelijk gebied der parochiani. Die overgang werd derhalve aanvaard, goedgekeurd en bevestigd, door de kerkelijke overheid, den bisschop, diens offiuiaal of archidiaken, gelijk uit de bovenvermelde formulieren reeds is gebleken.

De regtsvorm, dien zij op het kerkelijk gebied aannamen,

\') Driessen, 200. 293, 492.

2n

-ocr page 66-

18

was gewoonlijk — van liet standpunt van eigendom gesproken — de verheffing van een begrip tot een regtsvatbaar wezen, dat is eene stichting of universitas rerum, waarbij dat begrip gelegen is in het doel. De zigtbare of raaterieele uitdrukking van dat doel, als subject van regten, vond hot Romeiusche rogt , in het Christelijk tijdperk, in een gewijd gebouw (L. 26, God. de S.S. Eccles.); hot middeleeuwsche kerkregt handhaafde en ontwikkelde do stichtingen op dien grondslag, zoodat men vóór de Hervorming geen plaats vindt voor een eigendom of mede-eigendom van do burgerlijke gemeentenaren als zoodanig aan kerkelijke goederen. Het regtsinstituut van stichting sluit, als zelfstandig subject van regten, dien gedachten mede-eigendom uit, en hare bestemming reikt niet verder dan hot kerkelijk gebied. Tot aan den tijd dor Hervorming gold ook in de provincie Groningen ton aanzien van den eigendom der kerkelijke goederen de regtstocstaud, dien Dr. J. B. Braun 1), van hot standpunt van \'t Romeinscho rogt, zamenvat in de volgende bewoordingen: „Betrachten wir die einzelnen Complexe Kirchlichen Vermogens vou der fabrica ecclesiae zu den piis causis aerunter, so fiuden wir bei allen einen uud denselben Gesichtspunkt, bei den einen mehr, bei den andoren weniger bestimmt und scharf ausgepragt. quot;Wahrend wir Giiter zur Bestreitung von Kirchenlasten und zum Unterhalte des Gottesdienstes bestimmt fiuden — fabrica ecclesiae — sind andere dem Unterhalte der Geistlichkeit — Pfriindengiitor, bona benoficialia — zugowiesen, an welche sich wieder andere in mannichfacher Gestaltung anreihon, als: Gütor der Stiftcr, Klöster, Corporationen etc. und gloichfalls als für sich bestehende Vermögenscomplexe be-trachtet worden. Bei allen abor ist das leitende Princip die Idee der Verherrlichung und Peier Gottos, Roalisirung und Fordcrung der Religion Zwock dieser Idee. Nicht aber Gott als Idee ist Subjekt des Kirchenvermögens, sondern die

1

In het gulden werkje; Das kirchliche Vermogen von der altesten Zeit his auf Justinian I, Giessen 1860, S. 39.

-ocr page 67-

19

einzelnen Kirchlicheii Institute, die einzelnen Kirchlichen Anstalten, — fabrica ecclesiae, bona beneficialia, — welche als partes ecclesiae, als Theile der sichtbaren Kirche, keiuen von dein der allgemeinen Kirche verschiedenen Zweck baben, sondern als Bestandtlieile derselben diese Zwecke in boscbrankteren Kreisen verfolgon. Seben wir z. B. das Bencfi-cialgut. Ursprünglicb wusste man von ibm, als eineni für sich abgesclilossenen Grute nicbts; erst allmalig bat sicb, wie bereita gezoigt worden, dasselbe aus der Gresammtmasse des Kircben-gutes lierausgebildet und zu einom für ein bestimmtes Kirchcn-amt abgesclilossenen Vcrmögenscomplexo abgezweigt.quot;

II.

NA DE REnucTiE ix 1594.

Bij bet Tractaat van Reductie, dd. 22 Julij 1594, art. 6, werd onder meer overeengekomen: „dat binnen der stadt Groningen endc Landen gbeen ander Religie geexerceert sal wordden dan die gereformeerde Religie, zulex als die jegenwoordelick in de geünieerde Provinciën openbaerlick geexerceert wordt.quot;

Die bepaling bragt als van zelve mede, dat de kerkelijke goederen, die tot dusver dienstbaar waren aan de uitoefening van den afgescbafteu eeredienst, voortaan dienstbaar zouden gemaakt worden ten beboeve van de gereformeerde religie.

Bij de maatregelen, die vervolgens strekten tot de invoering van den gereformeerden eeredienst en do bestemming van de kerkelijke goederen, bebbe men voor oogen te bonden, dat — overeenkomstig verscbillende uitspraken der Staten-Greneraal — de Souvereiniteit werd verdeeld, zóó, dat de beide leden van het gewest, de stad Groningen en de Ommelanden, te zamen of vereenigd, in zaken, die hen gelijkelijk aangingen, Souvereiniteit uitoefenden, docb dat voor \'t overige ieder Lid af-

-ocr page 68-

I

20

zonderlijk Souverein bleef in zija regtsgebied. Vooral in staatszorg omtrent den Godsdienst bewandelde ieder lid van Staat voortaan zijn eigen weg. Van daar, dat do regelingen ten aanzien van de kerkelijke goederen waren drieërlei, te weten die 1quot;. in do stad Groningen; 2°. in de stadsjurisdictiën; 3quot;. in de Ommelanden.

1°. In de stad Groningen.

Do Kerkorde van Groningen van 16 Sopt. 1594 schafte hot patroonaatregt af, uitgezonderd van „ Praebenden ofte vrije Lehnen, die bishero to niet to den dienst der kereken ge-bruickct syn.quot; Die vrije leenen mogteu door de patronen geconfereerd worden aan arme studenten, „omme die daervan in studio Theolocjiae te onderholden.quot;

Had de regeering door dien maatregel ten opzichte van de patronen van pastoriën, vicariën en costeriën, tabula rasa gemaakt en zoodoende de handen vrij gekregen, wat de regeling van de kerkelijke goederen betreft, — in die regeling streefde zij ook naar uniformiteit, immers :

„Om alle oncnicheit en afgonst te schuwen, willen wy, dat alle Prediger binnen der Stadt Groningen al lijeke goet onder-holt en besoldinge hebben, ende willen eene yederen buiten die vrye huisinge met vyfhondert Embder Gulden, so verre onser Stadt goederen het vermogen, vorsien, het were dan, dat ons deso besoldinge om wichtige oorsaken yomant beliefte te verbeteren.quot;

Om tot de uitvoering van die bepaling der Groninger kerkorde van 1594 te geraken, werden bij Stadsres. van den 1 Maart 1595 de fondsen, wier renten en huren tot dusver door de stedelijke geestelijken genoten waren, tot één fonds ver-eenigd, en gebragt onder beheer van wege do stad. Namens de regéering werden aanvankelijk de diakenen met de administratie belast, doch in 1599 ontmoet men reeds een rentmeester van dat fonds.

I

-ocr page 69-

2!

In het archief van dcii rentmeester bevonden zich nog in deze eeuw de oorspronkelijke titels en fundatiebrieven van die goederen, met name ook die der vicariën en kalenden, doch te eeniger tijd zijn zij — nadat zij ten behoeve van des rentmeesters archief waren afgeschreven — overgebragt naar het Groninger archief.

Do vicariën, welke in de stad bestonden, zijn alzoo reeds in 1595 geamalgameerd met de pastoralia en praebenden (vrije leenen uitgezonderd) om te strekken tot onderhoud der stadspredikanten.

Dat fonds der predikantengoederen, zooals het genoemd werd, is altoos op de aangegeven wijze, nl. door ecu rentmeester van wege de stedelijke regeering, beheerd. Deliberatiën over de vraag of het viel ouder bereik van het Decreet van 2 Augustus 1808 hebben gedurende het bewind vau Koning Lodewijk en in den Franschen tijd geeue verandering in den feitelijken stand der zaak gebragt. Ter uitvoering van dat Decreet is eerst bij Besluit van den Souv. Vorst dd. 17 Augustus 1814, n0. 6, beslist, dat het bedoelde fonds een bijzonder eigendom was van de Hervormde gemeente te Groningen; voorts, dat het bij voortduring zou worden geadministreerd onder opzigt van de stedelijke regeering, immers provisioneel en tot dat ten dezen, ingevolge algemeene beschikkingen over onderwerpen van gelijken aard, nader eu anders gedisponeerd zou worden.

Die gedachte definitieve dispositie vond plaats bij het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen enz. in de provincie Groningen, van den 2 Julij 1820, dat geene andere beheerders van plaatselijke kerkelijke goederen erkende, dan kerkvoogden.

Krachtens Resol. van B. en W. dd. 11 April 1822 is het kantoor der predikantengoederen, waarin do vicariën versmolten waren, mitsdien in beheer aan de kerkvoogden der Nederduitsche Hervormde gemeente overgedragen en de rentmeester van zijne verantwoordelijkheid aan de stedelijke regeering ontslagen.

-ocr page 70-

2

2o. In de stads-jurisdictien.

{Hel Goor echt, het Oldamht en Wssterwolde)

De afschaffing van het patronaatregt had ten gevolge, gelijk de artt. 55 en 56 der Groninger Kerkorde bepalen, dat in de stads-jurisdietie „die gantze Pastorye,quot; d. i. het beneficium pastorale, in ieder dorp ter beschikking van den predikant moest gesteld worden, met de bevoegdheid om de pastorielanden in eigen gebruik te nemen. Voor het geval, dat de leeraar „door die gewalt des vyants odcr om anderen nootdringenden oorsaeken willen, die lauden selvest niet bruicken konde, willen wy, dat hij van dem Dorpe, in welcken hie dienet, mot 350 Embder Gulden, beneven huisinge, versien worden. Ende so die Pastorye in den verdorvenon quartieren so veel niet en vermochte, moste men die anderen Lehnen van den .Dorpe daer by doen, oder twee negest liggende dorpen by een ander voegen, opdat hy also tot syn nootwendige onderholt komen mochte.quot;

Toen men de handen aan \'t werk sloeg om die bepalingen in werking te brengen, bleek het, dat nagenoeg nergens, zelfs niet door vereeniging van alle leenen of beneficia, die in eene gemeente gevonden werden, een tractement van 350 Einder guldens was bijeen te brengen. Gesteund door de regeering, deden de Classes en dc Synode haar best om de kerkelijke goederen, met name ook de vieariën, op te sporen. Daar het patronaatregt was afgeschaft, ondervond men op dien weg niet zoovele bezwaren als in de Ommelanden. Toen toch op den Landdag in 1604 het verdonkeren van kerkelijke goederen in de Ommelanden een punt van ernstige bespreking uitmaakte, verklaarden „de Heeren van een Eerbaren Raedtquot; der stad dan ook niet zonder zelfvoldoening, dat „dewijle het Jv.s Patronatus et Collationis (daervth dese abusen merendeel errijsende bint) voer langes in des stadts jurisdictie ende Oldenampten all opgehouden, ende alle de goederen, idt sij Pastorijen, Vicarijen, Praebenden, Manualen, Galenden etc. tsaemen den Praedicanten, Consistorio ende gantsen kerekenraedt ter handen sijn gestellet.

-ocr page 71-

23

alsoe daervan, tot dessen tjjt toe, geene klaclitcn sijn gevnllen, ende soe verno eenige misbruijeken, offtc clachteu door den Classes, Synodos, offte eemant anders, diesaongaende angedient moegen worden, sullen sonder conniventie van den Mfgistraet behoorlicken geremedieert worden.quot;

Uit dit weinige blijkt reeds voldoende, dat do vicariegoeieren in dat gedeelte dor provincie Groningen, \'t wolk voorheen liet regtsgebied der stad uitmaakte, mot de pastoralia zijn vereenigd. De doortastende maatregelen der stedelijke overheid, haar zorgvuldig toezigt op de administratie, hebben ten gevolge gehad, dat, bij de toegenomen ontwikkeling van den landbouw, vooral in het Oldambt, vervolgens betrekkelijk hooge prcdikantstracte-menten gevonden werden, al waarom een Rudolf Pabus, in zijn dichterlijken „Lof der Stad Groningen,quot; in de vorige eeuw die streek reeds het „Kanaan der Pastorenquot; noemde.

3°. In de Ommelanden.

Ter uitvoering van het Tractaat van Reductie, rigtte Graaf quot;Willem Lodewijk als Stadhouder den 20 December 1594 een bevelschrift aan „ allen Kerkvoogden van do Kerspelen der Omlanden,quot; houdende de opzegging van alle huurovereenkomsten, pastorie-, vicarie- en costeriegoederen betreffende, met aanzegging, dat de belanghebbenden zich tot het sluiten van nieuwe huurcontracten hadden aan te melden bij do gecommitteerden tot het ontwerpen der Kerkorde. Tevens worden de huurders gelast om de pachtsommen dadelijk op te brengen aan die gecommitteerden, terwijl den patronen en eollatoron van vrije prebenden en vicariën werd bevolen om de fundatiebrieven in originali of in copie in te leveren bij Jonker Johan van Starckenborch, en zulks binnen vier weken, bij gebreke waarvan de vicariën en prebenden, „tot collacie van die ongehoersame staende,quot; van overheidswege zouden worden aangetast en ad pios usus gebruikt.

Do Stadhouder beoogde daarmede „om eene gemene ordnungh

-ocr page 72-

24

auer diergelicke bcnificicu gesteld to worden, tut meesten. wel-staudt van kercken endo schoeien, ende sender prejudice van jemants recht, begerende eenen jderen in syn hebbende recht patronatus te handthaven, mits dat hy sich der generale ordnuugh ende reformatie gemehss holde.quot;

De aangekondigde „gemene ordnunghquot; ontmoeten wij in de kerkorde voor de Ommelanden, op den Landdag goedgekeurd, door den Stadhouder bekrachtigd, en den 28 February 1595 door de Gedeputeerde Staten afgekondigd. Op deuzelfden dag is de Instructie voor Gedep. Staten vastgesteld, welke de op-dragt inhield; „Sullen mede alle vlyt ende diligentie doen, dat die gereformeerde Religie ende gemeene kerckorduinghe mit goede middelen in treyn gebracht ende gehandhaeft mach worden.quot;

Op ons onderwerp hebben de artt. 55, 56 en 58 der kerkorde betrekking, luidende :

„Ende op dat au nootwendigen onderholt van goede lehrers, schoelmeisters, studenten, ende andere pios nsus geen gebreck voorvalle, sullen alle prebenden, vicarien, prostijen, ofïicien, ende andere geestelicke benoficien, hoe die namen hebben mogen, neerstich waergenomen by die daer toe verordeatc, wel geadministroert, ende mit ernst daer op ghesicn worden, dat niemant, van wat qualiteit off standt die sijn mogen, d\' opcomsten van de voornaamste beneficiën tot synen privaten nut trecke ende gebruicke, het sy onder decsel van Jus patronatus, ofte andere praetexten.quot;

„Dien volghende sullen een yder denaer in een Dorp alle de goederen ende landen van de pastorie toe gestelt worden, undo sal he sich oock daermede genoegen laten, — weiverstaende zo eenige leenen niet ghenoegsaem weeren om een dienaer to onderholden, sail mit .believen der Collatoren wt den vicarien ervollet, edder sunst twee off drie dorpen to samen gelecht worden.quot;

Voorts werden (art. 58) de vrije leenen, die „bissher to nittho

-ocr page 73-

25

den dienst der kercken gebruyct sindt,quot; aan de Collatoren gelaten, ten einde die te confereren aan onbemiddelde studenten.

Do vicarien zouden dus „mit believen der Collatorenquot; tot aanvulling van de pastoralia, do vrije probenden ad studia besteed worden.

Daarna hebben Stadhouder en Hoofdmannen (het Hof van Justitie), op verzoek van Gedeputeerde Staten, wederom een bevelschrift laten uitgaan (26 December 1595), waarbij de gebruikers en pachters van ,,pastoriën, vicarie, prebende end costerie landenquot; werden gelast om de landen vóór Ludgorie.k. te verlaten en te ontruimen en over te geven aan het daartoe gecommitteerd lid van Gedep. Staten Doode van Amsweer.

De uitvoering van die maatregelen vormt oene lijdensgeschiedenis van bijna twee eeuwen. Welke moeite de Stadhouder en Gedep. Staten zich ook gegeven hebben, om de kerkelijke goederen op de aangegeven wijze ad pios usus te trekken, het beliefde de Collatoren niet om daartoe mede te werken 1). quot;Wettelijke bepalingen, die der Overheid het middel konden geven om het verdonkeren, vooral van vicariën en prebenden, te koeren, konden niet tot stand komen, daar die Collatoren juist Jonkeren en Hovelingen waren, die de Ommelanden op den Landdag vertegenwoordigden, en tegen stemden of in deliberatie hielden, terwijl de stad, het tweede lid van Staat, voor stemde, zoodat er geen conclusum van den Souvercin verkregen werd. Men handelde met de beneficien naar welgevallen, zoo schandelijk, dat do Stadhouder op den Landdag in 1604 verklaarde, dat „daer door Godt Almachtich bewogen solde worden, omme van dese Landtsehap afftewenden alle goede segeninghe, de Godt do Heere anders over dselve rijeke-lick solde laoten bhjeken.quot; Het Collatieregt openbaarde zich — zoo schreef in 1604 de Groninger predikant Acronius, — in

1

Men houde hierbij in \'t oog, dat de Collatoren van dergelijke beneficia, al waren die ook canonice met het beneficium pastorale verbonden (zie boven blz. 14, 15), de goederen administreerden en dus onder zich hadden.

-ocr page 74-

26

dezen „als ein archlistige vos ende oick mede als ein. wild ommewroetend swyn (gelyck de Psalmista secht) in des Heren wijnberch.quot;

Doede van Amsweer heeft in verschillende werkjes geconstateerd, hoe hij in don hem opgedragen administratieven werkkring overal onwil en tegenkanting ontmoette. De bekwame jurist Dr. Mello Brunsema, die door den Stadhouder was aangesteld om de rekeningen der beheerders op te nemen en inventarissen der kerkelijke goederen op te maken, werd zóó ontvangen, dat hij zijn ontslag moest nemen 1).

Na in onze geschiedenis van de geestelijke goederen in de provincie Groningen, blz. 76 en volg., vele bijzonderheden over deze aangelegenheid te hebben medegedeeld, kunnen wij hier volstaan met in \'t algemeen daarnaar te verwijzen. Eéne sterk sprekende transactie moeten wij er nog bijvoegen. 2iij wordt medegedeeld naar authentieke stukken, vermoedelijk in het archief dor Heeren van Farmsum berustende, door Mr. H. O. Feith {Hef Groninger Beklemregt, II, 506 en volg.), woordelijk aldus;

„De Roberspraebende, waarvan ik den fundatiebrief nog niet gevonden heb, is ingesteld door zekeren Hero Rocbers. Naar aanleiding van een huurcontract van den 1 Maart 1665, waarin zich de verhuurders noemen Collatoren van die praebende tot Uithuister Meeden, vermoede ik, dat de Roberspraebende vroeger aldus genoemd werd. Deze verhuurders waren Baudewyna Coenders, weduwe Clant van Nyenstein, voor één zesde; Wille-

1

Ds. Acronius schreef in 1G05 aan Conr. Vorstius; Est etiam hic quidam Juris Doctor Mellaeus Brunsema, excellente ce.rte doctrina et donis in sua facultate praestantissimis, testibus omnibus, qui eum hic norunt, praeditus. Is ab Illustr. D. Proprincipe nostro per totam hanc regionem emissus, ut bonorum Ecclesiasticorum rationes ;.nquireret et Catalog ex iis conficeret, tandem inde nostrorum Harpyarum in se conci-tavit invidiam, ut, a publico, quo hic laudabiliter fungebatur, munere sit dejectus, a que omni spe occupandi novi plane exclusus, ociosam hic vitam trahat. Praest. et crudit. virr. epistolae. Amst. 1704, Ep. /h.

-ocr page 75-

27

mina Polman, weduwe Rengers ten Post, voor twee zesden; Abele Gruijs, weduwe Schaft\'ers, voor één zesde, en Abel Coenders van Helpen, als aan zich hebbende bekomon het één zesde van de erven van wijlen Wobbe Lewe.

Deze geslachten en derzelver erfgenamen hebben zich, in latere stukken, Collatoren van de Eooberspraebende genoemd, doch desniettemin verdeelden zij jaarlijks al de mkomsteü dier praebende ouder eikanderen, tot dat zij eindelijk bij eeueu openen verzegelden brieve, beleden voor Dr. Arius Adriani, «Is Kedger van het Platvoetshuis, op den 21 Maart en 13 April 1720, de goederen zelve bij het lot hebben verdeeld, en daarbij verklaard: „malckanderen in de waare eigendom van ieder „toegedeeld porceel te hebben bevestigt, om hetselvc voortaen „te houden, hebben en besitten, met sijn gerechtigheden en „heerlykheden, lasten en servituiten, soo als haar in de mande „heeft toebehoort. Samen an ieders toegedeelde te hoeden, „wagten en waaren voor alle evictie en namaeninge.quot;

De goederen werden gelegd in drie deelen. Zoover ik kan nagaan behoorde één derde aan Berend Coenders van Ludema, één derde aan Egbert Rengers van Farmsum en één derde aan Gerold Feytsema Gruys voor de helft, aan Onno Tamminga van Alberda voor één vierde, en aan na te melden Starcken-borghs voor één vierde. Deze drie gemelden hadden consorten. In deze volledige toeeigening ligt eene openlijke tegenstrijdigheid met het regtsbegrip van collatie, en desniettemin ontmoet ik nog eene verzegeling van den 11 April 1725 door Coppen Tiarda van Starckenborch verzegeld en afgegeven, en mede-beleden door zijne vrouw Iliddina Anna Tiarda van Starken-borch, alsmede door Anna Tiarda van Starkenborch, weduwe Lewe, en Juffr. Elisabet Tiarda v. Starckenborch, waarbij zij aan Maurits Clant van Hankema verkoopen hun regt van collatie in Roeberspraebende, bestaande in één 8e van een derde deel der geheele praebende. In de verzegeling worden dezelfde vaste goederen opgenoemd, welke bij don gemelden scheidbrief aan dit derde deel waren toegescheiden.

-ocr page 76-

28

Eon der deelgenooten heeft zich echter met die goederen niet willen verrijken.

Egbert Rengors tot Tirwinga, Oldenhuis, ten Post, Heer van Farmsum, Siddebniren en onderhoorige dorpen enz., maakte bij openen verzegelden brieve, afgegeven te Farmsum den 1 January 1732, van alle landerijen of de collatie van dien, invoege (dus schrijft hij) ik dezelve door scheidinge van de andere medc-consorton of eigenaren van Roberspraebende, alsmede van don heer .T. A. Coenders en Mevrouw van Bur-mania, vrouw van Bellingeweer, respective door verzegelingen hebbe bekomen, met het capitaal enz., eene donatie aan de kerk te Farmsum, doch onder verscheidene voorwaarden, waarvan de voornaamste deze zijn; 1quot;. dat de inkomsten zoo lang tot kapitaal, vooral in landerijen, met geene zeedijken belast, te beleggen, zullen worden gebragt, tot dat de praebende goederen jaarlijks eene som van 525 Gl. opbrengen; 2°. dat de administratie zal verblijven aan de beide kerkvoogden van Farmsum, onder het opzigt van don tijdolijken bezitter van het Huis van Farmsum; 3U. dat do Collator in der tijd wegens het Huis van Farmsum zal aanstellen oenen organist, mede ervaren en geoefend op musicale instrumenten en walthorens, en denselven zal besoldigen met 225 Gl. in het jaar; 4°. dat de bezitter van het Huis van Farmsum, zoolang dezelve een van testators descendenten zal zijn, voor zijn leven en zoo lang hij bezitter is en blijft van gemeld Huis, do vrije beschikking zal hebben over de overschietende 300 Gl.; hetzij om dezelve tot kapitaal te beleggen, hetzij om dezelve aan de kerk van Farmsum, zulks van nooden hebbende, to laten verblijven; hetzij om eene of andere kerk of arm predikant, in gemelde jurisdictiën, voor het geheel of ten deele, daarmede een tijd lang te begiftigen; hetzij om, zoo dezelve bloedvrienden heeft, die arm en behoeftig zijn, dezelve daaruit jaarlijks te begiftigen; 5°, dat. overmits deze penningen niet anders mogen worden geëmploijeert, volgens de oude constitutie van Roberspraebende, als ad pios usus, geen ander gebruik daarvan zal mogen worden gemaakt, dan aan

-ocr page 77-

29

kerken, arme predikanten, of nabestaande bloedvrienden, zulks van nooden hebbende tot hun fatsoenlijk en ordentelijk onderhoud, des dat, wanneer binnen het jaar daarover niet wordt beschikt, de overschietende 300 Gl. zullen behooien aan de kerk van Farmsum, ten voordeele en diensten van net orgel, zooveel noodig, en het overige ten profijte en eigendom van de kerk; 6°. dat, zoo het Huis van Farmsum geraakte buiten de familie Rengers of des donateurs descendenteu, diens bezitter niet zal hebben het regt van distributie van gemelde 300 Gl., als welk regt dan zal behooren aan bet naaste bloed van don donateur, die boven alle anderen daarmede zullen begunstigen de familie Rengers en hen, welke dien naam voeren, zoo zij dezen onderstand van nooden hebben; en eindelijk 7°. dat do bezitters in der tijd van liet Huis van Farmsum, en wel bijzonder de heereu Gedeputeerde Staten dezer provincie, en verder allo regters worden verzocht en gebeden, door hun hoog gezag, aan don ganschen inhoud dezes en aan diens executie hunne hand te willen leenen.quot; Zoover Mr. Feith.

Het Huis te Farmsum bestaat niet meer, de Rengerssen van Farmsum leven nog voort in den vrouwelijken tak in het geslacht Siecama, nl. bij Jhr. Mr. Rengers Hora Siccama van Farmsum tot Oosterbroek, op de Ridderhofstad Oosterbroek onder Eelde, in Drenthe. Deze hoogbejaarde beer voert, naar mij van eene welingelichte zijde is verzekerd, de beschikking van zijn voorzaat trouw uit.

Zóó is liet gegaan met een groot, zoo niet met het grootste getal vicariën en prebenden, die door de collatoren geadministreerd werden. Daar zij zelve houders waren van de fundatiebrieven en alle opening van zaken weigerden, bleef het administratief gezag magteloos om iets met vrucht te kunuen ondernemen. Gevoelende, dat er een openbaar ambtenaar diende te zijn, die tegen hen koude optreden, drongen de Stadhouder en Gedep. Staten reeds in 1604 er bij de Staten op aan, om „tot aff-schaffinge van alle alsulcke abuseu, een bequaem persoen tot Procureur Generaal te committeren,quot; doch vruchteloos.

-ocr page 78-

30

Eerst den 11 February 1773, toen het te laat was, hebben de Staten op voordragt van Prins Willem V een statuut gearresteerd , niet den weidschen titel: lief)lenient op de administratie der kerke, pastorie, kosterie, v kar ie, praehende en andere, ad pios usus gedestineerde ejoederen in de Ommelanden, waarbij in de eerste plaats het opmaken van inventarissen, in te leveren ter Secretarie der provincie, bevolen werd. Daaraan is gevolg gegeven, zoodat die inventarissen nog zorgvuldig bewaard voorhanden zijn.

Ik ben door den griffier der Staten in de gelegenheid gesteld om die collectie aan huis te raadplegen. Naar den titel van het Reglement te oordeelen, was de verwachting niet ongegrond, dat daaronder inventarissen van afzonderlijk beheerde vicarie- en praebende goederen zouden gevonden worden, doch ik vond mij daarin te leur gesteld. Geen enkele was er bij. Daarentegen vond ik nog eenige sporen van vereeniging van vicarien en praebenden met de pastoralia.

Zoo komt op den inventaris van Zeerijp voor:

„31 Grasen Land, de zo genaamde Vicarieplaats, gelegen onder de Zeerijp, in huir gebruikt wordende bij Harm Harkens en Martjen Arents Echtelieden, jaarlijks voor f 105.quot;

Op die der pastoralia, a. te Holwierde, eene vaste bijdrage uit de kerkefondseu, ad ƒ 18, onder den naam „Vicariequot;; b. te War ff tan, als „Vicariegeldquot; drie pachten van heemsteden, c. te We/te „uyt de Galende inkomsten jaarlijks ƒ 3,15,2; e. te Oosterwijtwerd, „uit do Praebende plaats tot Tjamsweer, in huir gebruikt wordende bij Kornellis Hindriks en Aaltje Eppes, Egtelieden, trekt de Praedicant jaarlijks zonder meer/quot;48.

Uit de praebendeplaats tot Tjamsweer, in huir gebruikt wordende bij Driewes Pieters en Elske Jans, Egtelieden, trekt de predicant voor tegenswoordig tot hiertoe jaarlijks zonder meer f 29.quot;

Met de vicarien en praebenden, als zelfstandig bestaande fondsen, was in 1773 dus ook hare benaming nagenoeg verdwenen.

De vicariegoederen, zoo ook de praebenden, welke geacht

-ocr page 79-

31

werden niet tot de vrije praebeuden te behooren, zijn, overeenkomstig verbindende statuten, door tusschenkomst der overheid, mitsdien bestemd tot het aan \'t oorspronkelijke naastbijkomende doel, namelijk tot bezoldiging der Hervormde predikanten — altoos voor zoover zij, door gemis van wettelijke middelen van contrainte, niet als eigen goed door de eollatoren zijn tot zich genomen. Door die vereeniging mot de pastoralia hield hun eigen bestaan op. Daarentegen moesten naar art. 58 der Omnie-lander Kerkorde „sodane prebenden of vrie leenen de bissher tho uit tho den dienst der kereken gebruyet sindt, van den patroon ofte Collator, daer toe uae olden heercompste gerechtiget zijnde, aen een ofte twee armen studenten confereert worden, omme de daer van in studio Theologiae vel alterius facultatis tho onderholden.quot;

Van deze laatsten heeft geene enkele onzen leeftijd bereikt, en bij gevolg is er dan ook geene praebende ad studia bij Gedeputeerde Staten van Groningen geregistreerd.

W. B. S. liOELES.

-ocr page 80-
-ocr page 81-

R A P P O K T

OVER

DE VIOARIEGOEDEREJST,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

DRENTHE.

-ocr page 82-
-ocr page 83-

DE VICARIEGOEDEREN IN DRENTHE.

In Drenthe ontmoet men vicarissen, wier officium aan een altaar in de parochie- of iu eenc kloosterkerk was verbonden, voorts vicarissen, die enkel eene afzonderlijk staande kapel of een oratorium bedienden; de meeste vicarissen droegen er het karakter van een geestelijke, die in de parochie don Pastoor in alles ter zijde stond en aan het gezag van dezen geheel was onderworpen.

Wat den oorsprong en het kanoniek karakter van de beneficia der vicarissen aangaat, vernamen wij, dat men volledige kanonische fundatiën ontmoet, waarbij aan het officium eene voldoende dotatie verzekerd werd, die, na door het bisschoppelijk gezag te zijn onderzocht, door mortificatie van het wereldlijk naar het kerkelijk gebied overging, doch dat in don regel de capellaniën opgericht zijn bij akten onder de levenden of krachtens testamenten, die somtijds, doch niet altoos, door den Bisschop eenvoudig werden geapproboerd, zonder mortificatie. Ofschoon deze beneficia ecclesiastica in Drenthe vicariën werden genoemd, komen zij toch in der daad racer overeen met de praebenden in Groningen en in Friesland.

Wij meenen het verschil door voorbeelden te moeten toelichten. En dan wijzen, wij in de eerste plaats op de fundatie der St. Catharineu-vicarie door en ten behoeve van den Heer van Ruinen, in zijne kapel in de kerk aldaar, geschied ten jare 1375, bij welke fundatie aan de kanonische vereischten werd voldaan.

-ocr page 84-

4

I. Heverendo in Christo patri ac Domino , Domino Bpiscopo Trajectensi, Johannes, Domiims de Runen, Miles, ac Zwederis, eius conthoralis, cum prompta ad beneplacita voluntate , reverenciam in omnibus et honorem ac rei geste noscere veritatera. Quia salvator noster dicit in Euangelio, thezaurisate vobis thezauros in celis, ubi nec erugo nec tinea demolitur, et ue de tam preciosis et eternis thezauris optinendis desperemus, alia scriptura consolauda loquitur : regnum celorum tantum valet quantum habes. Huiusmodi igitur saore scripture eloquiis oonfisi, sperantes cum istis bonis terrenis et transitoriis nos posse mercari eterna, diligenti tractatu ac matura deliberaoione preliabitis, sani corpore ac mente conpotes, quoddam Allure, ad honorem sancte Ivaterine virginis constructum, in capella Ecclesie de Iluneu, ad honorem Dei et eius gloriose Genitricis, nec non eiusdem beate Katerine virginis, in remissionem nostrorum peccaminum, ac pro salute animarum nostrarum, ac tam antecessorum nostrorum quam successorum, dotare decrevimus, dantes et confcrentes sacerdoti, cui de eodem Altari provisum fuerit, de bonis noslris sitis in Runen, quadra-ginta octo modios siliginis hiemalis et viginti quatuor modios avene Groningensis mensure, persolvendos eidem sacerdoti singulis annis per-petuis temporibus, de bonis infra scriptis, videlicet Luggeringhe, Wul-verdinghe, Westebriughe, Oldelausinghe, Hadeboldinghe ac Nyenhave, ita quod quelibet domus predictarum persolvet octo modios siliginis et quatuor modios avene, ita cum, si aliqua domus in solvendo deficeret, ub aliis domibus predictis sub equali porcione poterit extorqueri. Insuper dediinus eidem sacerdoti area in dictam Ludgeringe. Et ne predicta dotatio seu donacio in posterum possit calumpniari, ad maiorem oertitudinem rogavimus religiosos viros Dominum Abbatem in Dickeninghe, patronura Ecclesie in Runen, ac fratrem Egbertum, pro nunc Ecclesie predicle

Curatum, ut suum, ad dictam ordinacionem, benivolum et pium adhibeant consensum. Et nos Johannes, Dei patiencia Abbas Monasterii beate Marie virginis in Dickeninghe, ac Egbertus, Curatus in Rune, predict!, ad pieces strenui Militis, Domini Johannis de Runen, ac Domine Zwederis, eius conthoralis, dicte ordinacioni seu dotacioni, dummodo per ipsos Dominum vel Dominam de Runen, seu eorum successores, aut per sacerdotem, cui de altari predicto provisum fuerit, nichil in detrimentum seu preiudicium parochialis Ecclesie de Runen fuerit fittemptatum, ita tamen quod predictus sacerdos singulis festivis diebus divinis conventibus intersit, nisi eum causa racionabilis excusaret, nostrum benivolum assen-sum adhibuimus et presentibus adhibemus. In quorum premissomm

-ocr page 85-

5

festimonium sigilla nostra, videlicet Johannis, Militis de Runen, ac Zwederis, nostre conthoralis, ac Domini Abbatis, et Domini Egberti, predictorum , in signum consensus eorum, presentibus sunt appensa. Que omnia et singula, ut prescrinta sunt, vobis reverendo patri ac Domino, Domino Episcopo Traiectensi, innotesciraus et declaramus, humiliter supplicantes, quatenus amore Dei et nostrorum interventu peccaminum hanc prelatam ordinacionem, dotacionem sen donacionem ad cultum Divinnm augmentandum velitis auctoritate ordinaria confirmare. Datum Anno Domini inillesimo, trecentesimo, septuagesimo quinto, ipso die beati Martini Episcopi hieraalis.

Arnoldus de Huern, Dei gracia Episcopus Traiectensis, notum facimns universis, quod nos fundacionem et dotacionem capellanie de novo per probas personas et cireunispectos patronos, Johannem Dominum de Runen, Militem, et Zwederim eius conthoralem, nobiles Trajectensis Diocesis, in honorem omnipotentis Dei, beate ac gloriose eius matris virginis Marie, nee non beate Katerine, in Capella Ecclesie parochialis de Runen, fundate, dotate et ereete, de qua quidcm capellania fit mentio in htteris exinde confectis, quibus bec presens nostra cedula est transfixa, prout pie, rite et c.mo-nice facta sunt, ratificair.us, approbamus et in Dei nomine, auctoritate nostra ordinaria, hiis presentibus confirmamus, decernentes predia, fructus et alia quevis bona in dotem dicte capellanie assignata, fore ecclesias-tica, ipsaque debere de cefero ecclesiastica libertate gaudcre, lure cum malricis Kcclesie in omnibus semper salvo, nostrarum testimouio litterarum. Datum anno Domini millesimo, trecentesimo, septuagesimo sexto, mensis Novembris die decima. *)

II. Minder formcele vicariën trefFon wij aan in eene acte van den 5 Mei 13G2, waarbij de erven van AVarmold van Gasselte erkenden diens testamentaire schenking: „in der kereken tot Gasselt, tot enen outaer, dat glieconsecreert is in Sinte Xyclays eren end Sente Katherinen,quot; welke erkenning geschiedde onder reserve van het regt van begeving, met de woorden: „So doe wy Arnoud, Lamme ende Wibbe, erffname quot;Wermoldes voerseit, onse consent daertoe end onsen vriën wille, ewelieken durende,

*) Beide deze charters, in 1379 gevidimeerd door deu Deken van Drenthe, zijn uit het Chartularium van het convent Dlekeninghen afgedrukt bij Driessen, Monumenla Cironingana, p. 199, sq.

-ocr page 86-

6

voer ons end voer onse nakomelinghe, behoudelic ons end onsen nakomelingen die gifte des voirseyden outaers.quot; Den 15 September dv. — nu die erkenning dus — schonk de Bisschop Jan van Arkel zijne goedkeuring aan de fundatie.

Die akte van erkenning — alleen bewaard in een transsumpt van den 28 November 1G00, afgegeven door „Schultz en Koer-notenquot; te Ruinen, die de stichting qualificeeiden als „die fon-datie vnd gerechticheit der vicarien,quot; — levert een merkwaardig bewijs van de toepassing van het toen reeds geldend costumier regt; „Soo is Landtrecht ende Costuimen in den Lande van Drenthe dat een man sijnen aerfgenaemen geen aerfgoedt mach ontmaeken bij testamente, buyten consente der aerfgenaemenquot;.....1)

Hetzelfde regtsbeginsel paste de Etstoel van Drenthe toe, eerst:

Int Jatr van 57 (1457) to pinxteren to Rolde.

„Tiisschen heer Jolian Altinc-k ende Johan Coepman is gewijst, dat de twe mudden roggen ende acker landes, de Lubbe Campinghe in de vicarie gegeuen liadde, in oer craneheit als oer bichtvader sede, dat de gifftinge van geenre weerden wesen soil. want se niet gesehien is bij weten der erffgenaraen, want onse olde gewoenten ende rechten mit-brengen, dat men glicen testament maecken, ten sij by consente der erffgenaemen.quot;

Voorts

Int yaer van (14)83 toe pinxteren :

«Tusschen llindrick Witten ende heer Johan Lull, als van den 11 mudden roggen jaerliche renthe, is gewijst nha den olden lantrechten, want Alffert Brandes IIindricx moeije dese mudden gegeuen heft bueten consent der arffgenaemen, want de loeze mudden sint niet gemortificeert, ende oick een onredelich testament is, so sol do gifftiniie van geenre weerden wesen, angesien sie voele in dat testament van hoeren guede gemaecket hefft, — ende weert dat dese mudden vorder met geestelijeken brieuen angesproecken worden in den lande, dat sol men holden vohr vtheeiüsche brieuen.quot; f)

1

Costumen, Ordonnancièn van prcccducrcn ende. rechten so in den Lande van Drente worden geholden, floor Mr. L. Olderhuis Gratama, Arast. 1872, blz. 36.

ff ï Mr. H. O. Fcith, Orde/boek vnn den Efxtoel van Drenthe (Verhand, vau Pro Excol. jure patrio, VII, 2e stuk), blz 33 eu 61. Vgl. blz. 133, 152 en 169.

-ocr page 87-

7

Een andere fundatiebrief betreft de oprichting van het pastoraat en de capellanie te Ruinen, in 1377, door de kloosterlingen van Dickenynghen, bij de volgende akte:

«In nomine Domini Amen. Nos Johannes, Dei patientia, Abbas Monaster^ beate Marie virginis in Dickenynghen, Prior, Priorissa, totusque Conventus Monasterij prelibati, vniversis Christi fidelibus tam presentibus ([uara posteris cum sincera caritate rei geste noscere veri-tatera. Cum es officij nostri debito nobis iniunota, nos admonet et so!-licitat, ut diebus ac noctibus vtilitati et profeetui nostri Monasterij ac personarum eiusdem morumnue reformationi vigilantibus animis inten-damus. Attendentes igitur que in iure canonico extra de statu regularium cautum est, quod singuli Monachi in singulis pastoratibus nel ecclesiis parochialibus non sunt instituendi, tam pro eo, ut segregati a tumultibus mundanis solatium inter se habeant, quam ex eo, ut si quem eudere contingeret habeat apud se subleuunten sicut seriptum est, ve soli qui cum ceciderit non habet qui subleuet eum. Hijs igitur rationibus etalijs animum nostrum mouentibus prouide decreuimus, a communi consensu nostre congregationis, diligenti tractatu, ac matura dcliberatione pre-missis, duximus statuendum, vt in ecclesia de liunen, per nostras confratres solita gubernari perpetuis futuris teraporibus duo Monachi, vnus videlicet Curatus et alter Gapellanus eidem Curato, per Abbatem, qui pro tempore fuerit, addendus et pro eiusdem Abbatis libitu, cura res postulauerit, revocandus, instituantur. Ita videlicet ut predicti Monachi omnes redditus, obuentiones, ac quascumque donationes inter se equaliter diuidant, et pront Abbas ordinauerit ac sibi visum fuerit ex-pedire recipiant, ut sicut sunt eonsortes in onere et labore, sic sint participes premij et honoris. Hoc addito, quod dictns Cappellanus sit Curato in omnibus subditus, obediens et intendens. Vt ergo hoe salubre stalutum perpetuo in suo robore et inconunlsum permaneat, nos presens seriptum super hoe confectum fecimus nostri Abbatis predicti, Egberti, Arnoldi, Gherardi, Hermann!, in Rune, Beylen, Bork et in Blyden-steden ecclesiarum Curatorum, nee non Peregrini\', Arnoldi ac Johannis, nostrorum confratrum, ac nostri conuentns sigillorum munimine roborari, que singula, predictorum in euidens et perpetuum testimonium in suo ordine hijs presentibus simt appensa. Datum Anno Domini Mquot; CCO septuagesimo septimo, ipso die translacionis beati Martini.

-ocr page 88-

8

De in dezen brief geconstateerde handeling werd door den Bisschop goedgekeurd bij de volgende breve:

„Florencius, Dei gratia Episcopus ïraiectensis Abbatiin Dickenynghen ac suis confratribus salutem in Domino sempiternam. Exhibita nobis ex parte vestra petitie, que continebat, quatenus quoddam salubre statutum pro vtilitate ac congruo regitnine, ecclesia de Runen, satis decenter or-dinatum, confirmare velleraus, vnde nos iustis vestris precibus inclinati, dicti statuti ac literas super hoc confectas, quibus hec litere nostre sunt transfixe, in omni sui forma, mode et tenore, prout conscnptum est, auctoritate ordinaria in Dei nomine confirmamus, saluo iure nostro et cuiuslibet alterius. Inhibentes in virtute sancte obedientie et sub pena excommunicationis, ne quisquam vestri Conuentus seu quilibet alius dictis Uteris contradicere seu ea presumat infringere quoquo modo. Datum Vullenho sub sigillo nostro, Anno Domini M0 C0Go LXXX0 primo, ipso die beati Benedicti, Abbatis. 1)

IV. Het pastoraat te Blydensteden (nu Ruinerwold) werd eveneens door een regulier geestelijke uit het convent Dycke-nynghen bediend, en wel in 1419 door Johan Hyddyng, die in dat jaar ter voormelder plaatse eene capellanie stichtte by eene akte, waarin hij beloofde: „mit ons in de quot;Wodeme te holden tot ewighen daghen enen onghenoemden Preestor, die ons ende onsen nacomen kerekeren vorser, preesterlye were, hulpe ende dienst in der kereken ende den kerspeluden vorser, by onsen rade ende consent doen sal, alst preesters tobehoert. Sunder arghelist. Weert sake, dat wi oft onsen nacomen kerc-heren vorser, enen preester in den dienst vorser, hadden, die der hilliger kereken, ons oft den kerspeluden vorser, in preester-licken saken nyet hoersam, onderdanich, orbar of nufee en ware, oft die ons nyet ghenogede to holden in den dienst vorser., den solen wi ende al onsen nacomen kereheren der kereken vorser, van ons ende van der kereken dienst vorser, setten ofte verlaten ende enen anderen onghenoemden Preester vorser, weder annemen, ende voert tot allen tyden denseluen preester oft enen anderen aannemen oft weder ofsetten, mit ons in de wedeme

1

I. S. Magnin, de Voorm. Kloosters in 2e dr. Hcerenv. 1846, blz. 82, 83.

-ocr page 89-

9

ende to den dienst vorser., ho vake dat ons ende onsen nacomen kercheren vorser, ghenoget ende orbar duncket wesen. Sunder arghelist. Mer wi ende onsen nacomen kercheren vorser., vor die cost ende loen des preesters vorser., solen weder hebben tot ewighen daghen, jaerlix vry ophoren ende scadeloes ghebmken, ghelyc onser wedemegued, renthe en onsor preesterliker proaende, al dat gued ende renthen, alst van gneden luden, om salicheit arer sielen, tot Sancta Katherinen altaer in onser kereken vorser, ghegheuen hebben, mit al sinen tobehoren, waert ghe-leghen is, ende dat men daer noch to gheuen sal, wellyc gued ende renthe vorser, hierna ghenomet stacn.quot; enz.

De abt en kloosterlingen van Dyckeninghen, de verwaarders van St. Catharinon altaar, de kerkvoogden en de kerspellieden hechtten hun zegel aan die beschikking dos pastoors. De nog voorhanden oorspronkelijke fundatiebrief *) is niet getransfigeerd met eene breve van goedkeuring door den Bisschop of den Deken afgegeven, zoodat de handeling bij die akte als voldongen is te beschouwen.

V. In 1481 stichtte en doteerde Johan van den Clooster, op de Havixhorst, met medewerking en goedkeuring van „Roloff Hylberdynck, Monick van Sunte Benedictusorden, in der tyt van Sunte Mcolauskorck toe Yewehorstf) Pastoer,quot; een officium op het II. Kruis-altaar in de kerk te Yhorst, te bedienen door een wereldlijk priester, die tevens verpligt zou zijn om den Pastoor: „trowe ende hoersam in allen gotlicken ende eerlicken saeken ende tot Goedts dynst helpen, in synghen ende lesen, daer hy can ende mach; ende oeck soe ende sal he syck gheen dynck onderwynden toe doen, hcymeliek ofte oponbaer, dat der curen ende my ende mynen nacoemelinghe in onsen rechte hynderlic wesen machquot;, enz.

Bij den zeer uitvoerigen notarieelen titel §) werden den titularis

*) Magnin, a. tv. biz. 275 en volg.

f) Yhorst, op de grenzen van Drenthe en Overijssel. §) Magnin, a. w., blz. 127 en volg.

-ocr page 90-

10

verscheidene missen op aangewezen dagen op dat altaar aanbevolen en hem voorts eene naamvkenrige instructie gegeven. Het collatieregt werd voor den sticliter en diens regtsverknjgenden gereserveerd; van de approbatie des Bisschops blijkt echter niet.

De sub II tot en met V vermelde capellaniën missen, wat den vorm betreft, het kenmerk van eene kanonisch gefundeerde vicarie, als die sub I vermeld. Wat er in dien zin aan ontbrak wist men destijds ook zeer goed, want in het laatstvermelde stuk, betrekkelijk de capellanie te Yhorst, bezigde de abt van Dyck-nynglien, die de fundacie aanvaardde, immers de merkwaardige zinsnede: „Ende voert ofte dat sake were, dat y Johan vurscr. ofte u eerfgen., van desen dynst wolden maeken een vicary, ende u ordinanci, in desen Instrumente begrepen, wolden veranderen ende die gueden laten mortificeren ende een nye fundaci maken, soe sullen alsdan die fundaci maken als myt naeme die erwerdighe vaders, die dan in der tyd synt die erwerdighe Abt van Dicknynghe, die erwerdighe Proost van Swarte water, die eerber Pastoer van Hasselt ende die Pastoer van Meppolen, belioldelick doch in den seluea u Johan ende uwen erfgen. ten ewyglien dagen die collaci ofte presentaci, ende my ende myne naecoemelynghe onses rechten, gelyck vurscr. ys.quot;

Op grond van de omstandigheid, dat de vicarissen in Drenthe — gelijk Magnin dit in zijne Kerkelijke Gesch. van Drenthe nagenoeg van ieder hunner speciaal vermeldt — dorpsgeestelijken waren, die den Pastoor in alles ter zijde stonden en dezen geheel onderhoorig waren, achten wij het aannemelijk, dat hunne beneficien oorspronkelijk in soortgelijken vorm zijn gesticht, en al werden die ook vicariën genoemd, dikwijls niet aan do formeele eiscben voldeden.

Ter kenschetsing van den oorsprong, den vorm en de bestemming der beneficia ecclesiastica, die in Drenthe vicariën genoemd werden, zijn de opgegeven voorbeelden voldoende.

In de eerste helft van de 16e eeuw vond de nieuwe leer ook haren weg naar Drenthe. De conventualen van het Bernar-

-ocr page 91-

11

dijner nonnenklooster te Assen klaagden immers aan den maarschalk Jolian van Selbach, die van wege den Geidersclien Hertog gedurende 1522—153G Kastelein van Coevordén en Drost van Drenthe was, dat sedert de „Luetteriaenscher ketterye alle Geestelycheyden verdrukt end vernedertquot; werden.

Do openbare uiting van dien steeds in stilte toenemenden geest werd evenwel onderdrukt tot dat de stadhouder Rennenberg de zijde der Algemeene Staten koos en Hendrik de Vos van Steenwijk ten jare 1580 als Drost van Drenthe optrad. Het is gebleken, dat de laatstgenoemde Edelman met anderen de handen aan het werk heeft geslagen om in hun Landschap de kerkhervorming in te voeren en de kloosters op te heffen. Met de conventualen te Assen word een accoord getroffen, waarbij deze zich verbonden om het klooster te ontruimen en afstand te doen van hare aanspraken op des convents goederen,, tegen het genot van eene bepaalde som golds, aan ieder van haar naar haren stand uit te koeren. Uitvoering weid er aan deze en verder voorgenomen maatregelen echter niet gegeven, daar de afval van Rennenberg weldra de oorzaak is geworden, dat de Spaansche scepter wederom in Groningen en Drenthe gevoerd werd *).

Eerst in 1592 werd Coevorden, in 1594 Groningen aan der Staten zijde gebracht. Graaf Willem Lodewijk van Nassau aanvaardde daarop het stadhouderschap van Groningen en de Ommelanden; ten jare 1596 werd Inj tevens tot stadhouder van Drenthe aangesteld. In deze hoedanigheid zag hij zich door de Generale Staten belast — gelijk hij het zelf in een na te molden mandement van don 10 Mei 1598 uitdrukte — „om die reformatie ende Christelicke bestollinge van Kercken ende Schoeien in die landtschap Drente, die dus lang, niet uit geringe ergernis van veele vroemc ende goethertige luyden, verwylt is, eerstes daeges by die hand toe nemen.quot;

\') Eerste doch mislukte pogingen om in Drenthe de kloosters op te heffen en de kerkhervorming in le\\oeren,\\n de Lossebladen uit Drenthe\'s geschiedenis, door J S. Magnin. Assen 1856, blz. 20 en volg.

-ocr page 92-

12

Reeds in 1594 had hij den geleerden Menso Alting, een Drenthenaar van geboorte, uit Einden laten overkomen om hem bij de invoering van den Hervormden Eeredienst in Groningen en de Ommelanden te helpen. Tot dezen wendde hij zich ook nu, om in gelijken geest hem in Drenthe ter zijde te staan, en wel bij de volgende missive *):

Weerdige, welgeleerde ende discrete lieve besondere.

Alsoo het Land van Drenthe nu gantschelik door Gods zegen bevryd is, ende why daeromme araptshalven, ende uit ene dankbare genegenheid tegen God Almachtig, voor alle saeken geerne bemiddelen souden, dat de suivere en pnure Leere des Goddeliken woords aldaar mag ingevoert en geplantet worden, waartoe zig naar \'t exempel van den Ommelanden verscheide difficulteiten opdoen: Ende dit nochthans een werk is van sulcker gewichtigheid, dat \'t selve met aller ernst behertigt en alle mogelicke middelen behoort gevordert te worden, soo is \'t, dat wy u seer gunstiglyk versoeken, dieselve wille t\' syner eerster gelegenheid een reise herwaarts maaken, omme met ons en onsen raedt Everhard van Beidt, die wy dag tot dag alhier syn verwagtende, te delibereeren, met wat middelen men bequaamlykst tot al sulken goddelyken en heiligen werk sal connen geraaken; sal derhalven UE. gelieven ons datelyk over te schryven, of dieselve daartoe sal vaceeren mogen. In welken gevalle wy UE. van Reydts comste tydelick sullen advertieren, ten einde de saeke des te meer voortgang mag gewinnen, daerentussen soo UE. ons om enig advys tot dese saaeke dienende deelachtig maaken, sal ons daarinne geschieden ene seer aangename saake, Ende desen hier toe alleenlik dienende, bevelen why UE. hier mede Godt Almachtig.

Datum Groningen den 11 Nov. 1597.

UE seer goede vriendt, Wilhelm Lidwig.

Graf zn Nassau.

Vier weken later, den 12 December 1597, werd een aanvang gemaakt met het inventariseren der plaatselijke kerkelijke goederen.

quot;) Brieven van Willem Lodewijk aan M. Ailing, achter df! Levensbeschr. van Jhr. A. Koenders en Jhr. Fred. Koenders. Gron. 1775, blz. 88 89.

-ocr page 93-

13

Het blijkt, dat eene commissie van wege den stadhouder van dorp tot dorp is rondgereisd met een nog in het archief van Drenthe voorhanden, ook door ons geraadpleegd, provocol, tot het daarin opnemen van de: „Verclaeringe by die Carspelen ende Ingesetenen der Lantschap Drente op die last ende bevel van S. Genaden den Heren Stadtholder Generael over Frieslandt, Groningen ende Omblanden, Drente amp;c., van alle haere kercken goederen, pastorien, viearien, costericn, ofte andere, hoe sie oock genaemt moegen worden, dij in jeder carspel gelegen en tot die voerss. kercken, pastorien, provenden, costerien ge-hoerende,quot; enz.

Nadat die inventarisatie in het begin van 1598 was afgeloopen, gelastte de stadhouder bij eene aanschrijving van den 10 Mei 1598, „allen Pastoren, Priesters, Vicarissen, Schoelmeesters ende andere Geestelicke, die duslang in den pawsdom den kercken-dienst in der landschap Drente voorn, versorcht hebben, — dat sie sich nu datelich des kerckendiensts onthelden ende sich deselven gans und gar niet meer aennemen noch onderwinden. Oock voorts haere saecken daernae stellen, dat sie binnen drie weken die woeningen ende goederen van den pastorien ende kercken moegen ruymen ende daervan aftrecken, ende over-leueren aen die kerckvoegden ende oldsten van den kerspel. Des sullen wy, ter eerster bequaemer gelegenheit, gemelden Pastoren ende Geestelicken eenen eigcntlicken dach ende plaets bestemmen, alwaer die geenige, die geneigt mochten syn sich tot die reine bekentenis ende leer des Euangelii toe begeuen, sullen ver-schynen, om verhoort ende op hare gaeuen, lenen ende geschiktheid gelet toe worden. — Ende sullen wy soedaene, als tot bekentenis der waarheid van herten geneigt ende tot den ge-reformierden kerckendienst bequaem sullen benouden worden, daertoe in eenige kerspelen van Drente nieuwe beroepinge ver-leenen ende beneffons andere gereformiorde gebruycken.quot;

Met het voornemen om de demissionaire geestelijkheid in Augustus 1598 te Assen bijeen te roepen, ten einde haar te hooren over de gedragslijn, die zij wilden volgen, gaf de stad-

-ocr page 94-

14

houder bij missive van 15 Mei 1598 aan Alting het volgende verslag van \'t geen reeds door hem was ondernomen en van \'t geen hij verder dacht te doen *):

Weer dig e ende hoochgeleerde hesonders lieve ende goede vriend t.

Wij mogen u gunstelick niet bergen, wie dat wy die Reformation van Kerken en Schooien in der Landtschap Drente deze weeke in Godes naemen hebben aengefangen, wesende daarthoe geauthoriseert durch die Heeren Generaal Staten, om met raad en bystand eniger voornemer personen derseWer landschap, die wy selfs uit den becpiaamsten daartoe kiesen solden, dat werk toe verrichten, opdat die bestalling uit eener hand met des te beter oruunng geschieden mochte; In meining wanneer sulks eens gedaan is, hernaemaals die beroepinge nae die gebruickelyke forme der Gereformeerde Kercken in den anderen provinciën, durch die christelyke gemeente selfs, und die examina durch den xlassen geschieden te laten.

Wy hebben denrgaans in allen kerspelen informatien op de iucomsten ende vermogens der Kerckengoederen nemen laten, ende bevinden vast allenthalven temelicke competents, und werden van den rentmeister in Drente soo deses werkshalven in alle kerspelen omgereist is, starck ver-troostet, dat die Imyslieden willig sindt, waer enig mangel an noht-wendigen onderholt is, denselven te snpplieeren Seyt ook. dat met den eersten navragen niet alles heeft connen uitgevorscht worden, ende dat hier en daer allerlei verswegen is, \'t welk durch personlicke residents der predicanten metter tyd aen den dag gebracht sal connen werden.

Hierop hebben wy met raad en gedachten van vyf voorneme by ons gecorene personen uit Drente, voor drie dagen met opentlyken placaat , allen pastoren, vicarien ende geestelicken, niemants uitgenomen, soo dus lang onder den pausdom die Kerken bedient, eernstelick geboden, sich des kerkemliensts alsoo baldt t\' ontholden, ende deselven gants und gaer niet meer t\' onderwinden, ook ihre saeken daarnae te schikken , omme binnen drie weken die woningen ende goederen te ruymen ende r,verteleveren aen de Kerkvoogden ende Oldsten yedes oorts, — die eerste predigers (deren wy albereets drie hebben ende noch vyf of ses in korts verwachten) laten wy durch twee kerkendienaars te Groningen examineeren, ende bevlytigen ons, dat die eerste altesaemen veterani in

\') Brieven, t. a. p. blz. 90 en volg.

-ocr page 95-

15

der reinen leere und kerkenregiraent geoeffende mannen syn mogen, opdat dieselve, soo haast sy sas of seven stark syn, een Classara for-maeran, ende die volgende ministers mogen examinaeren ende beproeven. Sindt ook des voorhebbens, soo haast diergelykan Classis van een klein getal aangevangen worden aan, den afgedankten pastoren ende geeste-lieken eanen eüjentlickan dag ende plaats te bestemmen, om sich antegeven und axamini te sistaeren, im val eni^e ter reiner leere aich begeren te begeven, ende reformieran te laten, ende die hetselve niet hypocritice , sonder van herten, meynen, ende tot den pradigampt dienstich bevonden werden, denen sullen wy nieuwe beroepinge verleenen , verstaan avers albereit soveal, dat ihrar seer wenig wesen sullen

By dasen eersten classieali conventu und examine solden wy saer geern uwe persoon sahen, und willen ons getroosten, gy suit des daags ver-standigt synde (die ten minsten nog drie weken varwylen sal) u daartoe willen laten vinden.

By desar eerster beroeping gaan wy alle collatores stilswygend voorby, op dat subscriptiones en intrusiones van quot;onbequarae, wie sy dan oft durch imponuniteit van reeommandatien durehgadrongen werden, in \'t begin sal geweert worden. Im val sich enige baclagen, sullen wy hun tot antwoord geven, dat deze actus niet sal consequents getrokken, sondern eenes iaderen recht hernamaals gahandhaaft werden, verhopende, sie sullen sich daaraan sedigen laten.

Maer metten patronen ener vicaryen, die wij (jeern tot verheteringh der pasloryen, of tot onderkolt van nchoohneesters solden amcenden, sullen we veellicht meer te schaf en hebben, dit is \'t (jene wat noch Ier hjt in gedachten Reformations werk gehandelt is, daarcan wy een nooddruft geagt u te verstendigen, sintamal ons bewust, dat u die saak van wegen natur-licken affection tot uwen Vadarlandt hoog angelegen is, en wy uwes raadts hoe \'t gehele werk best mochte gedirigeert ende belaidt werden mochte, noch verder darin begeren te gebruiken. Indien u enige bequame ministri mochten voorcommen, die wyst herwaarts, ende in afvvesen van ons an Herman Harkes, Rentmeester in Drente, daarby wy allen bescheid agterlaten sullen. Ende bevelen u hier mede den Almogenden.

Datum Groningen den 15 May 1598,

U seer goede vrnndt,

Wjlhem Lüdwjg,

Graf zu Nassau.

-ocr page 96-

16

Wilt ons antwoord weten laten of gy suit een classical convent connen bvwonen, wanneer wy u by tyds den dag sullen anmelden, ende of gy nog enig olde geoeffende predigers aan die hand hebt.

Voorbijgaande hetgeen den 12 Augustus 1598 op de eerste classicale vergadering, gehouden te Rolde, in tegenwoordigheid van des stadhouders secretaris van Reyd en van den Drost van Drenthe, is verhandeld — als meer het examineren en toelaten van predikers rakende —, willen wij er voorts op wijzen, dat de ontruiming der pastoriën en de overgave van de kerkelijke goederen aan de kerkvoogden hier en daar met moeijelijkheden gepaard ging, weshalve de stadhouder den 17 Maart 1599 op nieuw een mandement liet uitgaan, waarbij de betrokken personen, — geestelijken, schuiten en kerkvoogden ernstig werden aangemaand om gevolg te geven aan t geen hun reeds bij de aanschrijving van den 10 Mei 1598 gelast was 1).

Tegen de onwilligen kon eerst met meer nadruk en veerkracht opgetreden worden sedert het Landschapsbestuur op een vasteren

voet georganiseerd was.

Op herhaalden aandrang van de Algemeene Staten was namelijk den 29 October 1600 in eene vergadering van Drost, Ridderschap en Eigenerfden besloten tot het instellen van een Collegie van Gedeputeerde Staten, hetwelk in 1603 is vervangen door het Collegie van Drost en Gedeputeerden, en zulks nadat de Staten-Generaal, ter beslissing van verschillende punten van geschil over de zamenstelling van het vertegenwoordigend gezag en zijne attributen, den 13 September 1603 eene ordonnantie op de regeering, d. i. eene constitutie, hadden vastgesteld, welke ten aanzien van ons onderwerp het volgende inhoudt (art. 6):

„T\'gene by de Drost ende Gedeputeerden, ofte het meerendeel van hen luyden, int stuck van de gemeene middelen, den opheve ende voert-ganck der contributien ende van de geestelicke goederen, geygent tot onderhoudt van de giestelicke personen ende Pastoren (sonder daer onder te begrypen de kerckengoederen, beneficien juris patronatus laicaüs, niet

1

üagnin, Kerkel. gesch. van Drenthe, Bijl. 14.

-ocr page 97-

17

hebbende curam animarum, ofte dier gelyeke) ende de Domeynen, sal geordonneert ende tusschen partyen gesententieert worden, tselve sail effect sorteren ende (ist noet) geexecuteert worden, behondelick dat de gene die hem wil beclaegen tselve an de Landtscap ten principale sal mogen doen.quot;

Als wij die bepaling wel begrijpen, dan werd daarbjj — behoudens appèl op de Staten van Drenthe — aan Drost en Gedeputeerden do judicature toegekend over de beneficiën, uitgezonderd die, aan welke geene cura animarum verbonden was.

In overeenstemming met hetgeen reeds voorkwam in de Instructie voor de Gedeputeerde Staten van den 8 December 1601, hield de eveneens op 13 September 1603 door de Staten-Generaal vastgestelde Instructie voor Drost en Gedeputeerden in (artt. 7, 8):

u\'T voors. Collegie sal vooreerst zorge dragen, dat de waere christelyke Religie ende gheen andere overal in de landschap Drenthe ingevoert ende geëxerceert werde, ende dat tot dien einde in de Carspelen, daar dien dienst ledig staet, bequaeme goede mannen tot Predikanten, Schoolmeesters ende Costers beroepen\'ende gestelt worden.quot;

,/Sullen voorts besorgen, dat de voorss. Predikanten, Schoolmeesters ende Costers versien werden ende mogen genieten nootdruftig onderholdt, ende tot dien eynde vorderen, zo dickwils nodig wesen sal, die reke-ninge van kerckvoogden, voor zovele als angaet die goederen gedesti-neert tot onderholt van dieselve Predikanten, Schoolmeesters ende Costers ; nemende voorts ook opsigte dat de geestelycke goederen tot Godzalige zaken, ende geensints tot private nutte misbruyckt werden; beholdende nogtans, in beide voors. poincten, een iegelyck zyn regt van Collatie, ende wel verstaende, dat beyde Jufferen-stiften sullen blyven ende geholden werden in wesen, ende dat uit die voors. geestelycke goederen betaelt sullen moeten worden de Alimentatien van de Conventualenquot; *).

Opvallend is het dat èn in de Ordonnantie op de regeering, èn in de Instructie voor Drost en Gedeputeerden, geen woord

*) Maguin, Geschiedk. Overzigt van de Besturen in Drenthe, III, 2e blz. 100—168, passim.

2d

-ocr page 98-

18

voorkomt over de behandeling van geschillen ten aanzien van de bezittingen der kerken, en er uitsluitend gesproken wordt over de beneficiën. Het gezag over die fondsen bleef mitsdien rechtens bij de Staten van het Landschap. Op den eersten Landsdag, die op het emaneren der voorgaande statuten volgde, namelijk den 23 September 1603, is de werkkring van Drost en Gedeputeerden dan ook uitgestrekt tot de kerkegoederen, bjj de volgende onuiUjegeven resolutie:

„Is mede geresolueert, dat de quaestien vallende ouer de goederen tntte fabriqne der Kercken gedestineert, mitsgaeders ouer de versettede, veraliëneerde ende verdonckerde goederen van deselve, bi de Hoeren Drost ende Gedeputeerden sullen worden gedecideert;

Sullen oick volgens de Heeren Gedeputeerden opsiclit neemen ende hoiclistes vlytes bearbeiden, dat alsulcke veraliëneerde, versettede ende ondergeslaegene ofte verdonckerde kerckengoederen, mitsgaeders anders Vicaryen ende Praebendeu, niet wesende Jura Patronatus, wedderom bi der Kercken ende totten godtsdienst ende onderholt der predicanten, daer tho deselue voermaels gedestineert, gebracht moegen wordenquot;

Ziedaar de constitutieve bepalingen, op welke de maatregelen steunden, die voortaan door Drost en Gedeputeerden zijn genomen om — terwijl de pastoralia en de bezittingen tot de fdbrica ecclesiae behoorende niet van bestemming veranderden — de vicarien en praehenden met de pastoralia en de kosterie-goederen, al naar dit noodig bleek te zijn, te vereenigen, en daardoor aan de nieuwe titularissen een behoorlijk inkomen te verzekeren. De daartoe strekkende maatregelen zijn dadelijk na de voormelde Staten-vergadering in 1603 aangevangen en ia de volgende jaren met klem voortgezet.

Een bevredigenden uitslag had men inzonderheid te danken aan de omstandigheid, dat Ridderschap en Eigenerfden (de Staten), bereids den 24 Augustus 1603, in den advocaat Hermannus van Worms, te Groningen, een advocaat-fiscaal hadden aangenomen, wiens taak zoude zfn: „de Vicaryen-, Prebenden-ende andere Giestelicke Goederen, so bi seeckere persoenen, onder t\' praetext van jus patronatus amp;c., ad priuatos usus ge-

-ocr page 99-

19

conuerteert, midtsgaders so bi stuckou van de respective kercken veraliëneert, vcrsettet, verkoft ende oiidergesiaegeu. werden , wedderom werden gclecht l)i der kercken, om deselue tot gieste-licken gebruick ende onderliolt der Pastoeren te bekeeren.quot;

Na Hermannus van quot;Worms ontmoeten wij in liet begin van 1607 als zijn opvolger den Groninger advocaat Mello Brunsema, reeds bekend uit ons rapport over de vicariegoederen in de provincie Groningen. Nadat deze was overleden, werd op den Landdag van 8 Februarij 1611 bepaald, dat de door zijnen dood opengevallen betrekking niet weder zou vervuld worden *).

Uit dat alles blijkt, dat do Landsregeering haar gezag en haar arm verleende om do vicariën en praebenden te doen strekken ten behoeve van kerkelijke doeleinden in de gemeenten, waai zij werden gevonden, ten zij mogt blijken, dat er geene cura animarum aan verbonden was geweest. Bij administratieve regt-spraak werden zij, zoo noodig, tot dat doel aangewezen. Eigenlijke civielregtelijke geschillen, betrekkelijk de eenmaal tol kerkelijke einden bestemde of dienende onroerende goederen, en tussdien kerkelijke titularissen, die volgens den Drentschen Zeend-brief van Bisschop Rudolph van Diepholt, van 1451, tot dusver ook door den Deken berecht werden, zijn op den Landdag van 25 Junij 1602 bij provisie ter beslissing aan Gedep. Staten, doch den 23 September 1603 definitief aan den gewonen burgerlijken regter, d. i. aan den Etstoel, opgedragen.

Hiermede kunnen wij het overzicht van de algemeene geschiedenis van ons onderwerp besluiten.

Wat de bijzondere geschiedenis van elke vicarie in ieder dorp betreft, heeft de voormalige archivaris van Drenthe, de thans hoogbejaarde Magnin, het resultaat van zijn onderzoek summier-lijk medegedeeld in zijne verdienstelijke kerkelijke geschiedenis var Drenthe, ten deele met verwijzing naar oorspronkelijke stukken in andere werken van hem afgedrukt. De regtspraak van Drost en Gedeputeerden, voor zoover die na 1603 noodig werd, ten

) Magnin, Overzigt der Kerkelijke geschiedenis van Drenthe, blz. 234, 235.

-ocr page 100-

20

aanzien van vicariën, die verdonkerd werden, heeft hij in afschrift uit de Sententieboeken in der tijd verschaft aan ons geacht medelid Mr. Koker, toen deze zijne Verhandeling over de Vicariegoederen bewerkte. Do heer Koker heeft ze motu proprio ter onzer beschikking gesteld, en wij voegen ze hierbij als Bijlage B. Geheel volledig is die verzameling niet, doch zij wordt aangevuld door hetgeen de heer T. A. Romein vond, toen Z.Eerw. het Drentsche archief daaromtrent naauwkeurig raadpleegde voor zijn werk over de predikanten in Drenthe. Naar de mededeeling van den tegenwoordigen archivaris, heeft dat archief sedert geene belangrijke bronnen voor ons onderwerp verkregen.

De werken van Magnin en Romein werden, in verband met sententiën in Bijlage B vervat, door ons dan ook voldoende bevonden, om de korte geschiedenis van elke vicarie te kunnen zamenstellen, gelijk die is vervat in de hierbij gevoegde Bijlage A.

W. B. S. Boeles.

-ocr page 101-

B IJ L A. G E A..

VICARIEN IN DRENTHE VOORKOMENDE.

A N L O.

Eene vicarie, wier naam niet blijkt. De inkomsten werden in het laatst der 16e eeuw door den Pastoor genoten; de tot haar behoorende fondsen zijn in 1597 door den rentmeester Herman Harkens geïnventariseerd. Sommige landen schijnen verpand te zijn geweest door de vicarievoogden, weshalve de Advocaat-Fiscaal démarches deed om hen tot rekening en verantwoording te noodzaken.

Zie Magnin, KerkeL. Gesa//., blz. 84, en de Sententie van Drost en Gedep. Bijl. B. n0. 2.

B E I L E N.

Eene vicarie, verbonden aan het altaar van den H. Stephanus, werd in het laatst der 16e eeuw genoten door den Pastoor, die reeds sedert 1206 een monnik was uit het klooster te Ruinen of te Dickningen. Tijdens de inventarisatie in 1597 was de pastorie — staande ter collatie van gemeld klooster — vacant; de vicariegoederen zijn niettemin zooveel mogelijk geinventariseerd.

Zie Magnin, a. w. blz. 91.

CoEV ORDEN.

St. Odulphiis vicarie. Hiertoe betrekkelijk op het prov. archief eene Copia vicariatus Odulphi aquot;. 1517; waarin o. a. als opkomst vermeld; «Toe Wachtmen fuer Schottinge goedt 3 Zuitfeltsche mudden Rogge.quot; Daar de oudste pastorie te Coevorden nog heden 5 schepel 1 spint roggepacht uit Schotinge erve heeft te beuren, is daarin eenig bewijs gelegen , dat die vicarie met de pastorie is vereenigd.

St. Sylvester vicarie. Op het prov. archief eene Copia Registri vicariatus Sylvestri, a0. 1516, waarin als opkomst vermeld; „Toe Holthoenn 11 schepel rogge ende 4 mudden gerste ut Hindrick Coendera Erve,

-ocr page 102-

22

Swolsche maete.quot; Op den inventaris van 1598 ontmoet men als inkomst van de pastorie: «Uit Koenders erve te ültlioon gaan jaarlyks aan de

Pastory elf schepels rog\'ge , zestien schepels gerste en ] 0 olde Vleemschen,quot;

terwijl op den inventaris der pastoralia van 1821 is vermeld: /,üe

eigenaars van de sroote Scheer, in Overijssel (destijds de gouverneur

Jhr. Sandberg) betalen uit Koenders erve en Schonebrink 11 schepel

rogge en 16 schepel garste.quot; Ongetwijfeld was de vicarie derhalve vóór

1598 reeds geünieerd met de pastorie.

t

St. Antonim vicarie. Op het prov. archief eene Copia vicarialus Anlonij regiüri, vermeldende „Toe Exloo wt Wiltinge en Schaynge 12 grong. mudden rogge.,, Bij vergelijking der inventarissen der pastoralia van 1598, 1831 en 1829 blijkt, dat die opkomst aan de pastorie is overgegaan, zoodat ook deze vicarie in 1598 niet meer bestond.

St. Maria vicarie komt in 1515 voor.

De 11. Sacraments-vicarie komt in 1515 voor.

De 11. Geest vicarie. De kapel van het H. Geest gasthuis werd bediend door een aan den kerspelpriester ondergeschikten vicaris. In 141.1 werd dat officium tot eene vicarie gemaakt, blijkens den nog aanwezigen fundatiebrief, voorzien van brieven van approbatie, afgegeven door den Cureyt te Coevorden en bisschop Fred, van Blankeaheim, afgedrukt bij Magnin, Orerz. der Bedaren in Drenthe, II, 2e blz. 8 en volg. Bij akte van 2 April 1614 is deze vicarie door de collatoren Unico van den Rutenborgh, Drost van Genemuiden, en zijne vrouw Jonfcvr. Johanna Mulert van den Cranenbnrgh, aan de stad Coevorden geschonken, „tot dienst ende behoeft\' van den hertlyken noo llydenden armen aldaar ter plaatsen,quot; enz. Aan die belangrijke schenking heeft het H. Geest Gasthuis tot heden zijn bestaan te danken.

Deze vicarie zal de eenige zijn, die ten tijde der inventarisatie in 1597/98 nog bestond, daar zij steeds door des patroons Kapellaan bediend werd en alzoo-bedoeld zal zijn. waar in dien inventaris enkel sprake is van „Dero vicarien aufkumbste so Schyrbecke besittet.quot; Zie verder Magnin , Kerkel. Gesch., blz. 95 en volg.

D A L IC N.

Sint Anna vicarie, genoten door een vicaris, die tevens Kapellaan van den parochiepriester was. liij de inventarisatie in 1597/98 is daarvan

-ocr page 103-

23

geboekt: //Sunt Annen viearie heft hem Albert Pieters Vlecamp ange-nomen. Hieraf zeggen die buiren gheen wetenschap.... daeroffhebben.quot; Nog in 16£-t werd bij de Kerkvisitatie geklaagd dat de St. Anna en de H. Sacraments vicarien verdonkerd werden. Later heeft Heino Bollinck, predikant te Dalen (1610 —1658) den Fiscaal (bij den Etstoel?) Johannes Krythe in den arm genomen en de bezitters gedaagd voor Drost en Gedeputeerden, of voor Ridderschap en Eigenerfden, met dit gevolg, dat, na eene schriftelijke procedure, over de St. Anna en de Catharinn of Sacraments-vicarie tusschen partijen eene transactie werd gesloten, die den 17 Febr. 1648 door Eidderschap en Eigenerfden is goedgekeurd. De transactie met het Besluit tot goedkeuring vindt men in Bijlage B 2 , ii0. 51.

Sint Maarlens vicarie werd voor \'Z, genoten door den Pastoor, voor J/j door een student, die tot het priesterambt werd opgeleid. Bij de inventarisatie in 1597/98 is daaromtrent geboekt: «Sunte Martens viccarie hebben zich angenomen die arffgenaraen van Bartold van Beilen. Ende zin die voochden ooek meest buten t\' Carspel.quot; Volgens contract van den 18 Sept. 1614 was de predikant verpligt een schoolmeester te houden ten genoege van de gemeente, waarvoor hij zou ontvangen van ieder kind, dat ter school ging, een halven daalder en de halve St. Martens vicarie, waarvan de andere helft toen getrokken werd door den zoon des collators Roelof Hendriks, student. Eene latere procedure leidde tot de overeenkomst van den 7 Nov. 1623, houdende, dat Ds. Bollinck alle inkomsten dezer vicarie zou ontvangen, onder verpligting om aan Roelot Leving, zoon van Lambertus, gewezen priester te Anlo, jaarlijks tien mudden winterrogge te leveren. Die Leving was ongetwijfeld een student, want Drost en Gedeputeerden verbonden den 21 Nov. dv. aan de goedkeuring van die transactie de voorwaarde, dat de beneficiant jaarlijks een bewijs van de voortzetting zijner studiën, afgegeven door een hoog-leeraar, aan hen moest vertoonen.

Zie over de drie genoemde vicariën Alagnin, a. w. blz. 98, en T. A. Romein, De Hervormde predikanten van Brenthe, Gron. 1861, blz. 265.

D i e v E R.

St. l\'ancras-alluar

Het H. Kruis-altaar.

Het H. Sacraments-altaar.

-ocr page 104-

24

Het O. L. Vrouwen-altaar.

Het St. Maartens-altaar.

Het St. Antonie-allaar.

Het St. Stephanus-altaar.

Aan alle deze altaren waren vicariën verbonden. Bij de inventarisatie in 1597/98 wordt alleen nog gewaagd van de St. Stephani-vicarie, St. Anthonie-vicarie en de TI. Krnis-vicarie, wier bezittingen zooveel mogelijk zijn geboekt. Misschien bestonden de overigen toen niet meer. De Schulte te Diever schijnt de pastorie- en vicariegoederen onder zijne administratie te hebben gehouden, tegen eene tractements-uitkeering van ƒ 400 en \'/» boter aan den predikant, en ƒ25 aan den schoolmeester, en zulks volgens een contract van 1619. Zie Magnin, a. w. blz. 100, 101. Eomein, a. w. blz. 159, en onze Bijlage B 1, n®. 1.

Dwjngelo.

Bivae Mariae Virginis-uicarie, wier opkomsten ongeveer 12 mudden rogge bedroegen, werd, namens de collatoren door een rentmeester beheerd, althans in 1604. Ten einde die opkomsten ten behoeve van den predikant te verkrijgen, ondernam de Fiscaal eene procedure tegen de collatoren Joachim van den Boetzelaer tot Tautenberg en Batinge en Rurchard van Westerholl, waaromtrent wij verwijzen naar onze Bijlage B 1, nrs 13, 28, 33, 34, 44, 46, en naar de transactie van 19 December 1699, Bijlage B 2, n°. 53.

H. Kruis-vicarie. Deze stond volgens Magnin ter begeving voor de eene helft aan de Heeren van het Huis Batinge, voor de andere helft van die van \'t Huis Bntinge, beide te Dwingelo. De vicaris was ver-pligt tot het doen van den Dienst op het Huis Entinge. Bij de inventarisatie in 1597/98 is geboekt; „Hillich Cruis viccarie is al an de Kercke gebrachtquot; ; met de bijvoeging, dat het Huis Batinge alleen de collatie zou hebben, doch dat de Huizen Batinge en Entinge het jus patronatus van „onse leefvrouwen viccariequot; te zamen uitoefenden. Magnin zal zich misschien ten aanzien van de H. Kruis-vicarie vergist hebben.

St. Catharina-vicarie werd door den vicaris van de H. Maria-vicarie bediend, die tevens Kapellaan was van den Pastoor. Het collatieregt behoorde aan de Heeren van Batinge.

-ocr page 105-

25

St. Maartens-vicarie werd genoten door den vicaris van de H. Kmis-vicarie. Bij de inventarisatie in 1597/98 wisten de kerspellieden niet op te geven wat er toe behoorde. Deze viearie is door de kerkvoogden van Dwingelo opgevorderd van de Heeren van Batinge en Entinge, die beweerden, dat er geene cura animnrum aan verbonden was. Na exami-natie van ds betrekkelijke bescheiden zijn de kerkvoogden ongegrond verklaard in hunne vordering, in zooverre door Drost en Gedeputeerden is beslist, dat deze viearie voor 2/j geconfereerd mogt worden ten behoeve van een student in de Theologie , en voor \'/3 aan den predikant, wegens de „diensten, die den Priester derselver Vicarye geholden is gewest hyrbevoerens te presteeren quot; Zie onze Bijlage B l, n0. 30, 45, 47.

St. Antonius-viearie, bij de inventarisatie in 1597/98 niet vermeld,

werd voor een gedeelte genoten door den vicaris van de II. Kruis-

vicarie. Van deze viearie is afkomstig de thans nog te Dwingelo bestaande armeninrichting het St. Antonius gilde.

De St. Stephanus-vicarie werd genoten door den vicaris van de H. Kruis-vicarie. Wat er van dit fonds geworden is, bleek ons niet zeker.

Wanneer men bedenkt, dat de vicaris der H. Kruis-vicarie tevens de St. Maartens, St. Antonius en St. Stephanus vicariën genoot, en men daarbij weet, dat de H. Kruis-vicarie 12 goudguldens en twee mudden rogge opleverde, dan mag men het zeer aannemelijk achten, dat die kleine fondsen tijdens de Hervorming onder één naam zijn versmolten.

E E L D E.

St. Gangol/s-vicarie, in 1512 gesticht door Jhr. Steven ter Borch, die een jaarlijksch inkomen van 100 goudgl. daaraan verzekerde, onder voorbehoud van het regt van collatie voor zich en zijne erfgenamen. Ten tijde van de inventarisatie in 1597/98 werd zij „gebruikt door Arend van Duimenquot;, die collator was, op het Huis Lemferdinge aldaar woonde, en de viearie ad privates usus gebruikte. De Avocaat-Fiscaal heeft dien collator tot afgifte aangesproken, met dit gevolg, dat na veel gehaspel eerst een provisioneel accoord en ten laatste met zijn zoon Jr. Johan van Duimen een definitief accoord is gesloten, waarbij van Duimen zich verbond om aan den tijdelijken predikant te Eelde jaarlijks 50 Emder guldens te zullen uitkeeren. Zie onze Bijlage B 1, a01. 8, 25, 27, 31, 36, 40, 41; £ 2, n°». 48, 49.

-ocr page 106-

26

Si. Catherinen-vicarie was tegen het einde der 16e eeuw in handen van den edelman Onno Boltlia, van wien zij door den Advocaat-Fiscaal is opgevorderd, met dit gevolg, dat Clueuinge-goed, tot deze vicarie 1)6-hoorende, tot den kerkendienst te Eelde is aangewezen, doch het collatie-regt aan Boltha werd gelaten. Zie Bijlage B l, n09. 6, 9, 12, 13, 16, 17 en IS. Van elders vernemen wij, dat eene herhaalde procedure den uitslag heeft gehad, dat de pastorie len jare 1637 in het vol bezit der vicarie is gekomen. Zie Romein, a. w. hlz. 41.

E M M E N.

De Nemans-vicarie, in 1597 geinventariseerd, tad tot collator Jlir. Johan de Vos van Steenwijk. De vicaris was tevens Kapellaan cl adjunct van den Pastoor te Emmeu. Ook deze vicarie is door den Advocaat-Iquot; iscaal opgevorderd, en wel van Hendrik van Selbach, te Eramen, «als gebruikerquot;. Uaar deze op herhaalde dagvaardingen niet verschenen is, werd de eisch bij contumacie toegewezen (13 April 1608, 34 Juni 1608), met bevel aan van Selbach om haar te verlaten, //Sullende d\' opkomsten van deselve wederom tot proufïyt der kercken worden geappliceertquot;. Vgl. Magnin, a, w. blz. 109, en onze Bijlage B 1, nos. 37, 33, 35, 37, 39.

St. Anna-, gemeenlijk, naar de stichters, Camper\'s-vicarie genoemd, stond in 1597 ter begeving van Const van Selbach („daeroff Gonst van Selbach Collatoer isquot; — staat in den inventaris). Volgens Magnin stond zij ter begeving van de kerspelpriesters van Emmen, en deze zouden haar reeds in 1594 geconfereerd hebben op dien van Selbach, ten behoeve van zijn zoon, die tot priester werd opgeleid. In 1607 heeft de Advocaat-Fiscaal deze vicarie opgevorderd, doch van die procedure is ons alleen gebleken, dat eene door den collator opgeworpen disquali-ficatoire exceptie werd verworpen. Magnin deelt nog mede, dat Jhr. Johan de Vos van Steenwijk het jus collationis pretendeerde, doch dat hij niet als collator is erkend. Wanneer de kerspelpriesters reeds in 1594 de vicarie aan arme studenten confereerden, dan moet zij ook in hunne macht zijn gefeest, zoodat, toen Jhr. de Vos succumbeerde in het bewijs voor zijn regt van begeving, de vicarie van zelve zal zijn gebleven bij de pastoralia. Daaraan achten wij het toe te schrijven dat er geene sententie ten principale door Magnin is gevonden. Vgl. Magnin, a. w. blz. 109, en onze Bijlage B 1, nos. 25, 27.

-ocr page 107-

27

Gasselte.

St. Caiharinen-vicarie, opgericht krachtens het testament van Warmold van Gasselte, in 1362 goedgekeurd, eerst door diens erfgenamen, daarna door den Bisschop, is in dit rapport, boven sub II, reeds vermeld. Over de fundatie en verdere begiftiging van deze vicarie, die oorspronkelijk St. Nicolaas en St. Catharinen-vicarie heette, verwijzen wij naar Magnin, Geschiedk. Overzigt der Besturen in Drenthe, II, blz. 145 en volg., en De voormalirje Kloosters in Drenthe, 2e dr., blz. 88, 89.

De vicarie werd bediend door een wereldlijk priester, die tevens den Pastoor als Kapellaan was toegevoegd. Het collatieregt is bij erfopvolging overgegaan aan de Heeren van Ruinen. Bij de inventarisatie op 19 December 1597 is van deze fundatie alleen geboekt: //Heer Jacob die vicarius toe gestelt, heft iaerlix incomen tot sin vicarie aldaer tusschen t soeventich en tachtentich mudde rogge met een staetlicke behuisinge. Eefereert hem tot die heer van Euine daeropp bescheet te vertoenen.quot; Uit onze Bijlage B 1, nos. 24 en 29, blijkt alleen, dat de Advocaat-Fiscaal de vicarie opvorderde uit handen van den genoemden vicaris Heer Jacob, nl. Jacobus van den Utlo, meer niet. Uitvoeriger bespreekt Magnin het lot dezer vicarie in de volgende jaren in zijne aangehaalde geschiedenis der Kloosters, op blz. 89; naauwkeuriger worden wij daaromtrent ingelicht door Üs. Romein, a. w., blz. 51, 52, en wel aldus:

//Hendrik van Munster van Ruinen was collator der vicarij van het Catharinen-altaar, en had de inkomsten daarvan voor een gedeelte gegeven aan den zoon van Gerrit Evers, schulte hier (te Gassselte nl.) en te Borger, terwijl de onderwijzer er 16 mudde rogge uit genoot, hetwelk door Drost en Gedep. den 30 Junij 1602 werd goedgekeurd. G. Evers verbond zich den 30 Nov. 1604 om zijnen zoon in het Fraterhuis te Groningen te laten , ten einde daar in artibus liberal ibus van wege Burgemr. en Raad van Gron. te worden onderwezen. (Prov. Arch, van Gron. 1604, nc. 34). Jac. van Utlo, gewezen vicaris, berigtte aan Drost en Gedeputeerden den 4 Sept. 1602, dat de Hr. van Ruinen de vicarij, behalve de 16 mudde rogge,, had gegeven aan zijnen, buiten huwelijk verwekten, zoon Gerardus ab Utlo om daarop te studeeren. In 1603 werd hij door denzelfden met nog een gedeelte eener vicarij te Ruinen en Zuidwolde begiftigd. Hij regterlijke uitspraak van den 1 Aug. 1611 hebben Drost en Gedep. de vicarij, uitgezonderd 13 mudden rogge voor school- en kostersdienst, voor de helft aan Joh. Cuperus, predt. hier, en

-ocr page 108-

28

voor de andere helft aan Jac. van Utlo voor de studie van zijnen zoon toegewezen , met last aan laatstgenoemde om een inventaris van de bezittingen der vicarij over te geven; den 29 Aug. daaraanvolgende gelastten zij van Utlo om binnen zes dagen, na insinuatie, aan Cuperus het inventaris over te geven; bij gebreke van dien werd Cuperus gemagtigd van Utlo met soldaten in te legeren; den 14 Nov. klaagde Cuperus, dat van Utlo meer pachten ontving, dan hij hem had opgegeven. Drost en Gedep. besloten den 23 Jan. 1612 aan van Utlo de vicarij op te zeggen, daar zijn zoon van de studie af was en geene verwachting bestond, dat hij in den kerkdienst zou komen, te meer daar, volgens advies der regtsgel. hoogleeraren van Franeker, de vicarij was ingesteld ad ciiram animarum, waarom zij geheel aan Cuperus werd toegewezen, met schriftelijk verbod aan de pachtschuldigen om iets aan van Utlo te betalen, welke uitspraak zij in 1617 vernieuwden en waartegen de Hr. van lluinen zich telkens vruchteloos verzet heeft.quot;

Gieten.

Maria Magdalena-vicarie, verbonden aan het altaar van dien naam, bediend door een wereldlijk priester, die tevens Kapellaan van den Pastoor was en als vicaris een eigen huis met erf en tuin in gebruik had. De „Vpcomsten so tot die vicarie gehoerenquot; zijn in 1597 door de kerkvoogden en ingezetenen ter inventarisatie opgegeven. Drost en Gedep. stonden den 23 Oct. 1606 aan den predikant op zijn verzoek bij provisie de opkomsten dezer vicarie toe, mits zulks geinsinueerd werd aan de gebruikers. De predikant beweerde namelijk, dat die opkomsten vervreemd werden. Meer vernemen wij er niet van.

Zie Magnin, Kerlcel. Gesch. blz. 114; Romein, blz. 66.

H A v E L T E.

St. Clemeni-vicarie werd bij de inventarisatie in 1597 reeds door den Pastoor genoten, en is alzoo met de pastoralia gecombineerd gebleven. Immers werd toen geboekt; „Syn 2 vicarien, vicaria S. Clementis et Mariae Virginis vicaria. Illam pastor, atque hanc Herman Bentem obtinet, cum agello ant fundi parte ad pastoratum aut vicarial urn.quot;

O. L. Vrouwen-vicarie werd bezeten door een wereldlijk Priester, tevens de Kapellaan des Pastoors, hoedanige titularis aldaar in de 16e eeuw niet meer voorkomt. Drost en Gedep. besloten den 9 Maart 1602

-ocr page 109-

29

de eene vicarie te gebruiken ten behoeve van den onderwijzer en andere pios usus, later werd zij aan een student gegeven , doch in December 1609 door \'t collegie ingetrokken. Wij meenen, dat dit berigt van Ds. Romein (blz. 178) slaat op deze vicarie. Evenwel meldt Magnin, dat de opkomsten van de St. Clemens-vicarie gedeeltelijk ten behoeve van den Koster zijn aangewend. In allen gevalle blijkt niet van verduistering der vicarien.

Zie ook Bij!. l( 2, n0. 52.

Koekange.

St. Jnna-Vicarie, bediend door een vicaris, die tevens de Kapellaan des Pastoors was. liet laatste berigt, dat Magnin omtrent haar ontmoette, dagteekent reeds van 1533.

O. L. Vroutcen-vicarie. Op den vicaris rustte de verpligting tot het doen van den Dienst in de Kapel op het Huis te Echten.

In het protocol der inventarisatien van 1597/98 is met eene andere hand aangeteekend, dat de (niet met name genoemde) vicarie was verzwegen en er deswege in 1605 eene citatie was uitgegaan. Van die verduistering hield men de ingezetenen verdacht, want op de bedoelde citatie hebben Drost en Gedep. den 14 Junij 1605 aan vier Eigen-erfden, die er van wisten, opgelegd, dat zij: „tegen den naesten Recht-dach de persoenen naemhaftig maeken sullen, bi wien de Landeryen van de voern. Vicarye gebruickt ende d\'opkomsten van deselve genoeten wordden, op poene, dat elcke huis op Coekange voor een pondt groot geexeeuteert sail wordden, ende volgens so mennigen Eechtdach als si daervan in gebreke blijven.quot; Om te vernemen hoe krachtig de Drost en Gedep. die ingezetenen tot hun pligt hebben weten te brengen, leze men hun bevel van den 27 Mei 1608, waarbij de erfgenamen van Lentengoed aldaar genoodzaakt werden om twee koeweiden, die Arent Lenten tot O. L. Vr. altaar gegeven had en die in 1551 door de ingezetenen weder aan Andries Lenten verkocht waren, weder met de vruchten en renten opteleveren aan de kerk, met last aan de ingezetenen om de kooppenningen te restitueren, ten zij zij konden bewijzen, dat de kooppenningen in der tijd „tot prouffijt der kercken wederom hebben ingelecht.quot;

Zie Bijlage B, 1 ns. 15 en 38.

Ridderschap en Eigenerfden bevestigden den 21 Febr. 1637 in appel de uitspraak van Drost en Gedep., waarbij ieder vol huis te Koekange

-ocr page 110-

30

veroordeeld was, jaarlijks Va mudde rogge, Groninger maat, aan de kerk tot redemtie van zekere geestelijke opkomsten te betalen , de mindere naar advenant. Volgens eene den 24 Febr. 1640 bevestigde uitspraak is verstaan, dat alle 12 akkers bier voor een vol huis gerekend zouden worden, ten einde daarvan Va mudde rogge aan den predikant te betalen. Voor ket verduisteren van O. L. Vr. viearie is die gemeente mitsdien op eene andere wijze in bare beurs getroffen. Vgl. Eomein, a. ic. blz. 194, 195.

Kolderveen.

Onze Lieve Vrouwen of Heer Bartels-vicarie werd bezeten door den Kapellaan en in 1597 geïnventariseerd. Daar van geene opvordering blijkt, mag men het er voor houden, dat hare overdracht geene moeijelijkheden heeft opgeleverd, gelijk ook bevestigd wordt door eene Eesol. van Drost en Gedep., dd. 5 Nov 1602, om uit de opkomsten dezer viearie /100 jaarlijks ten behoeve van den schoolmeester te besteden Vgl Magnin, blz. 121; Romein, blz. 201.

St. Antonius-vicarie. In de 16e eeuw werden de opkomsten genoten ten deele door den Pastoor, ten deele door een student, die tot Priester werd opgeleid. Bij de inventarisatie in 1597 werd zij aangeduid als een fonds, dat de Pastoor genoot. Van verduistering is geen sprake geweest.

M e p p e l.

Hier werden in 1597/98 de volgende vicarien geinventariseerd \\n St.Jacobs of 0. L. Vroulcen•vicarie•, 2°. Redditns altaris D. Virginü; 3J. Sunte Cycylene-altare ■, 4°. S. Anne et Nicolay-vicarie.

Verder wordt van eene vijfde, de St Antonius-vicarie, alleen vermeld, dat de kerkvoogden, volgens testament, daarvan eenige profijten genoten , meer niet.

Uit een collatiebrief van den 15 Mei 1559 leert men nog een zesde viearie kennen, namelijk die van \'t Heilige Kruis-altaar, staande ter begeving van Roelof en darmen van den Clooster, op liet Huis Vledderinge, in\'lateren tijd ook Rechteren geheten. De vicaris was , volgens dat stuk, ook gehouden „den dienst thoe Medderinge \'tdone, als dye \\icarius voor hem gedaan hebben.quot;

Sedert de inventarisatie van de vier eerstvermelde vicarien vernemen

-ocr page 111-

31

wij van geeue procedure of verduistering, evenmin iets omtrent de beide laatstgenoemden.

Vgl. Magnin, KerJcel Gesch., blz, 124 en vuig., Klooster», 2t dr. blz. 150, 151.

N O R G.

Si. Nicolaas en St. Maartens-vicarie werd bediend door den Kapellaan , die tevens den dienst moest verrigten in de Kapel te Veenliuizen. Zij stond ter begeving van het geslacht Lunsche, blijkens vijf akten van presentatie en investiture uit de laatste helft der 1 tie eeuw, medegedeeld door Magnin, Kloosters, 2e dr. blz 293, noot 152, waaruit o. a. blijkt, dat de collatoren haar soms lang lieten vaceren, ten einde den beneficiant eerst in de gelegenheid te stellen om uit de opkomsten zijne studiën tot priester te bestrijden. Zelfs heeft de Bisschop Fred, van Tauten-bureh eens van het jus devolutionis gebruik moeten maken om een vicaris of Kapellaan te benoemen. Na de Hervorming, nl. den S Junij 1604, hebben Drost en Gedeputeerden op de vordering van den Advocaat-Fiscaal „ deselve Vicarije iure deuoluto an de Landtschap Drente voor deze reise vervallenquot; verklaard, met bevel aan den collator Lunsche om rekening te doen van de vruchten en inkomsten, die hij van haar had genoten sedert hare vacature. Den 22 Junij dv. is het genot dier vicarie bij provisie aan den toenmaligen predikant toegekend. Na diens dood hebben Drost en Gedeputeerden verklaard, en wel den I Nov. 1621, dat de gemeente 73 der opkomsten en Lunsche \'/, daarvan zoude trekken, \'de gemeente ten behoeve van den predikant, Lunsche tot onderhoud van een student in de theologie of vau den predikant, naar zijne keuze, des dat het vicariehuis door Lunsche of den gedachten student ook pro rata parte mede moest worden onderhouden. Bij die beslissing liet men partijen onverkort in haar regt van collatie ten principale, eene clausule, die bij latere benoemingen van predikanten aanleiding heeft gegeven tot veel geharrewar tussehen de Eigenerfden en de Lunsche\'s. Zie Romein, blz. 78, in verband met onze Bijlage B 1, n0. 5.

N IJ E V E E N

St. Teunis- of St. Antonie-ticarie en eene tweede, wier naam niet blijkt, in 1597 geiuventariseerd, werden geiTolen, de eerste ten deele, de tweede geheel door den Pastoor, terwijl een deel van de eerste tot

-ocr page 112-

32

ondersteuning van de armen gebruikt werd. De inkomsten van beide zijn dadelijk ten behoeve van den predikant bestemd. Magnin, Kerkel. Gesc/i., blz. 129 ; Romein, blz. 206.

Roden.

St. Cat/iarinen-vicarie, gesticht door een der van Eussum s op het Huis te Roden De inkomsten werden genoten door den Pastoor voor 1/4, door een arm student voor , door ,/seecker Gasthuus tot behoeff van den wechveerdigen armen , mit bibehoerendeu eoelgaerden, to Roedenquot; voor \'/i-

In 1602 door Urost en Gedep. gedagvaard om rekening te doen, verklaarden de kerkvoogden, dat zij niets hadden te administreren en alles nog was in handen en onder het beheer van Joost van Eussum. üaarop heeft de Adv.-Fiscaal ten jare 1607 eene procudure op touw gezet tegen de gebruikers der vicarie, die echter hel bewijs leverden, dat zij de pacht hadden betaald aan zekeren Jochum Belholdt, die waarschijnlijk de rentmeester der collatrice is geweest. Kort daarna is de Adv.-Fiscaal ten minste tegen Anna van Ockinga, wed. van Eussum, opgetreden, naar het schijnt met den eisch tot het doen van rekening, zooals valt af te leiden uit de daadzaak dat zij „haer angeevenquot; be-ëedigd heeft en toen van de instantie werd ontslagen, onverkort der partijen regt ten principale. Dientengevolge is aan de vertegenwoordigers der gemeente het bewijs opgelegd, «dat S. Catharynen-Vicarije, die se tot onderholt van haeren Pastoer versochten, curam animarum iss hebbende,quot; tot welk einde de wede. van Eussum tegen den e. k. regtdag zou worden gedagvaard. Zie onze Biflagt B, n08 . 22, 23, 26, 35, 42, 43. Vooralsnog is ons van die voorgenomen procedure niets gebleken; in 1624 werd zelfs nog geklaagd, dat de predikant niets van de vicarie genoot, ten gevolge van het misbruik, dat de meergenoemde collatrice er van maakte. Het verdient opmerking, dat Caspar van Eussum, een bloedverwant van de collatrice, toen Drost van Drenthe was, en dat de voormalige Adv.—Fiscaal van Worms voor haar optrad. Vgl. Romein, blz. 93.

RüDERWOhDE.

St. Jacobs-vicarie, in 1538 met eenige schenkingen verbeterd, werd door de Pastoors genoten. De laatste Pastoor is, toen de Spanjaarden m\'oesten wijken, gevlucht; alle boeken, registers en verdere stukken tot

-ocr page 113-

33

de pastorie en vicarie behoorende zijn door hem medegenomen. Van daar misschien, dat Rodervvolde in het protocol van inventarisatiön ten jare 1598 oningevuld is gebleven. Aannemelijk is het dus, damp;t de pastorie- en vicariegoederen, voor zoover ilie waren op te sporen, zijn vereenigd.

Rolde.

Eene kleine vicarie, wier naam onbekend is, werd aanvankelijk door een afzonderlijken vicaris, nl. den Kapellaan des Pastoors, bediend; later werden de vicarie- en kosteriegoederen door den Pastoor, die toen geen Kapellaan meer had, genoten, weshalve de Pastoor ook met het onderwijs der jeugd belast was.

In 1598 waren de vicariegoederen voor ƒ 1500 verpand en bij den geldschieter in gebruik. Ten gevolge van het afbranden der pastorie, woonde de predikant ten jare 1605 in de kosterie, waarin hij ook school hield. Aan Drost en Gedep. klaagde hij over haren onbewooubaren toestand, alsmede dat het pastorie-erf onbevredigd liggen bleef, dat een schoolmeester hoog noodig was, enz.

Als er van de vicariegoederen nog iets teregt is gekomen, dan zijn zij ongetwijfeld ad pios usus aangewend. Vgl. Magnin, blz. 136, llomein, blz. 112.

R ü [ N E N.

St. Cat/mrinen-vicarie, in de kapel der Heeren van Ruinen, gesticht in 1375, blijkens den in ons rapport, boven sub I, medegedeelden fundatiebrief, werd nog in 1547 door een afzonderlijken vicaris bediend. Tijdens de l-Iervorming stond Hendrik van Munster aan het hoofd van de Heerlijkheid Ruinen. Hij was Sj-aanschgezind en weigerde omtrent de bezittingen der vicarie eenige opening van zaken te geven.

De kerk te Ruinen was eene bezitting van het Convent Diokeninghen, gelijk o. a. ook volgt uit den fudatiebrief van de pastorie en capellanie, in ons rapport boven sub III vermeld. Behalve de vicarie der Heeren van Ruinen, waren de capellanie en de overige prebenden aldaar geene zelfstandige gemortificeerde beneficien, inaar afdeelingeu van de klooster-fondsen, die, na de opheffing van de abdij in 1603, van wege de Landschap door een rentmeester beheerd werden. Ten jare 1629 genoot de predikant te Ruinen nog niets van een en ander, want den 16 Pebr. van dat jaar besloten Ridderschap en Eigenerfden „bij den rentmeester

3d

-ocr page 114-

34

van Dickninge alle moegelicke diligentie ende debuoiren aeutevvenden, ten eijnde die voerscr. Vicarye ende andere verdonckerde goederen endo opkomsten, totte pastorije gelioerich, wederom daerbij gebracht ende ge-reduoeert moegeu worden.quot; Van de St. Catharinen-vicarie der Heeren van Ruinen is ad pios usus ook niets teregt gekomen. In 1047 zou er eene. Latijusehe school zijn geweest, met twee of drie leerlingen die door een predik,int van Meppel onderwezen werden , aan wicn het inkomen van eene vicarie daarvoor was toegestaan. Dit zal wel eene particuliere inrichting ziin geweest onder de vleugelen van den Heer van Ruinen.

Toen de Marquis van iloensbroeek den 13 November 1765 de leenheerlij kheid Ruinen aan zekeren Coert Winkel c. s. had verkocht, werden de vaste goederen door die koopers verder versnipperd aan den man gebracht en daaronder landerijen, die onder den naam van vicarielanden bekend stonden. De koopers verlangden deswege door de verkoopers gewaarborgd te zijn, doch die vordering is hun ontzegd door Drost en Gedeputeerden, den 30 Julij 1767. Geen twijfel dus aan de daadzaak, dat de Heeren van Ruinen de Catharinen-vicarie als hun goed hebben beschouwd.

Zie Magnin, Kloosters, 3« dr. blz. 77 en volg., Kerkel. Gesch., blz. 139 en volg. üverzigt der Besturen, III, 3e ged. blz. 269 en volg. Romein, blz. 213, in verband met onze Bijlage B 2, nos. 49 311 54.

R u 1N k r w o L 1).

Be St. Cat/iarina-vicarie in 1419 gesticht ten behoeve van den Kapellaan des Pastoors, blijkens den sub IV in ons rapport vermelden fundatiebrief. Sedert 1560 is er te Ruinerwold geen Kapellaan meer in functie geweest; in 1597/98 werden te Ruinerwold noch pastorie- noch viearie-goederen geïnventariseerd. Deze gemeente behoorde tot de Heerlijkheid Ruinen ; het pastoraat werd door reguliere geestelijken van Dickeninghen bediend, zoodat het zeer aannemelijk is, dat de plaatselijke kerkelijke goederen zijn beschouwd als te behooren tot het corpus der kloostergoederen.

S L i5 E N.

Eene vicarie, wier naam wij niet vonden vermeld, werd genoten door den Kapellaan. Hetgeen ,,tot de vicarjequot; geacht werd te behooren, is in 1597/98 geïnventariseerd, doch de ingezetenen schijnen toen niet alles te liebhen opgegeven, zoodat do laatste Pastoor Joh. Steenbergen ten

-ocr page 115-

35

jare 1603 nog door Drost en (jedep. daaromtrent is gehoord. Zij is mitsdien tot den Kerkendienst bestemd geworden. Vgl. Magnin, Kerkel. GescJi., blz. 146.

V L E D JJ E R.

Onze Lieve Vromcen-vicarie werd genoten voor \'/j door den Pastoor, voor 2/j door diens Kapellaan. Zij is in 1597/98 geinventariseerd.

De U. Kruis-vicarie werd genoten door den Kerspelpriester. De geringe opkomsten zijn eveneens in gemelden tijd geinventariseerd, met de opmerking, dat zij door de Kerk genoten werden.

Bij de Kerkvisitatie in 1624 klaagde de predikant, dat hij niet het geheele inkomen der vicarien trok. Hieruit blijkt dus, dat zij rechtens met de pastoralia gecombineerd waren.

Magnin, a. w 147. liomeiu, blz. ^26.

V tt i e s.

St. Stephauns-vicarie, aanvankelijk bediend door des Pastoors Kapellaan , werd sedert 1550, terwijl er geen vicaris in functie was, door den Pastoor genoten. In 1598 werd zij geinventariseerd. Ten jare 1605 heeft de Adv. Fiscaal eeue roggepacht met goed gevolg opgevorderd van zekeren Oostenbrink, wiens goed te Taarlo daarmede bezwaard was, ten behoeve van genoemde vicarie. Daar het blijkt, dat Ds. K, Meijer (1610—1631) de opkomsten der voormalige vicarie trok, is het tevens uitgemaakt, dat zij met de pastoralia is zaamgesmolten. Vgl. Magnin, a. w., blz. 150; ome Bijlade ö,n°.14, in verband met Eomein, blz. 127.

Wapserveen.

Ome Lieve Vrouwen-vicarie, oorspronkelijk ten behoeve van den Kapellaan, werd, bij ontstentenis van dezen titularis, sedert ongeveer het midden der 16e eeuw, door den Pastoor gebruikt. Het vicarie-huis is in het laatst dier eeuw verkocht. De opbrengst werd besteed tot verbetering van het kerkgebouw. lu 1598 is de kleine vicarie geinventariseerd. Hoe de Advocaat-Fiscaal zich beijverde om een verpand stuk grond weder tot zijne bestemming te brengen, vernemen wij uit onze Bijlatje m, no. n.Vgi. voorts Magnin, a. w. blz. 151, 152 , en Romein, blz. 233.

W ESTERBOB K.

St. Slephanus-vicarie, gesticht in de 14e eeuw door leden van het

-ocr page 116-

36

geslacht Poppinge, ten behoeve van een Kapellaan, goedgekeurd in 1362 door Bisschop Jan van Arkel. De collatie werd gereserveerd 1/2 voor de erfgenamen der stichters, V2 voor den Abt van Dickeninghen. Omstreeks het midden der 16e eeuw werd de vicaris Ludolph Cock door dien Abt, welke ook de collatie der pastorie had, tevens tot Pastoor benoemd, zoodat die titularis voortaan beide beneficien genoot. De vicarie is in 1598 volgens de opgave der ingezetenen geinventariseerd, doch het schijnt dat een gedeelte verzwegen en alzoo voor den Kerkdienst verloren is gegaan. Vgl. Magnin, blz. 153, Romein blz. 511, 512.

Z ü 1 d l a r en.

Onze Lieve Vrouwen-vicarie, die genoten werd door den Kapellaan des Pastoors en waarbij een eigen huis en erve behoorde , komt in en na 1598 niet meer voor.

Hoylinge-vicarie, laatstelijk genoten door Johan Laxsteen, sedert 1582 Pastoor te Zuidlaren, werd door den Deken van Drenthe, na het vertrek van dien Pastoor, begeven aan Ludolf lloytinge, tot een studieleen. De Advocaat Fiscaal heeft haar opgevorderd, het debat is door Drost en Gedeputeerden gesloten verklaard, doch onze Bijlagen vermelden de eindbeslissing niet. Vgl. Magnin, blz. 156, en onze Bijlage BI, ns. 4, 7 , 20, 25, 27 , 35.

Zuid vv old e.

Eene vicarie, wier naam wij niet vonden, werd door den Pastoor genoten, onder verpligting om daarvoor schoolonderwijs te geven aan de kinderen uit zijn Kerspel. In 1598 is zij dan ook geinventariseerd als „ üye vycarieje, nu een schoolmeesterschap.quot;

Eene studiebeurs, omstreeks het midden der 15e eeuw gesticht door Rudolph ten ütloë , een vermogend man te Zuidwolde, die eenige jaar-lijksche uitkeeringen uit zijne goederen aanwees, om te strekken tot beneficium voor een behoeftig jongeling, die te Erfurt in de Godgeleerdheid wilde studeren. Bij de instelling werd bepaald, dat de tijdelijke Pastoor te Zuidwolde het regt van begeving zoude hebben, bij voorkeur ten behoeve van een lid der familie van den stichter, gelijk dan ook tot aan de Hervorming is geschied. In 1603 maakten de Drost van Drenthe en de predikant te Ruinen gemeenschappelijk aanspraak op het regt van collatie en schonken de beurs aan zekeren Fredericus

-ocr page 117-

37

Giltius. De predikant te Zuidwolde begaf liet beneficie daarentegen aan Gerrit van Utlo, den bastaard-zoon van den gewezen Pastoor te Gatselte (zie boven, aldaar). Deze laatste begeving is, na kennisneming van de gesuppediteerde bescheiden, door Drost en Gedep. Staten den 20 April 1609 geliandhaafd. In stukken van lateren tijd — zegt Magnin, blz. 159 — is ons betrekkelijk dit stipendium niets meer voorgekomen.

Z w e E L o,

S(. Stejihanvs vicarie, genoten aanvankelijk door den Kapellaan, is in 1B86 reeds geïncorporeerd bij de pastorie, terwijl — volgens opgave der kerkvoogden — bij de inventarisatie ten jare 1597 zestien mudden bouwland, aan de Kerk behoorende, oorspronkelijk vicarieland was geweest. Vgl. Magnin, blz. 101.

-ocr page 118-

36

geslacht Poppinge, ten behoeve van een Kapellaan, goedgekeurd in 1362 door Bisschop Jan van Arkel. De collatie werd gereserveerd i/2 voor de erfgenamen der stichters, V2 VOOT den Abt van Dickeninghen. Omstreeks het midden der 16e eeuw werd de vicaris Ludolph Cock door dien Abt, welke ook de collatie der pastorie had, tevens tot Pastoor benoemd, zoodat die titularis voortaan beide beneficien genoot. De vicarie is in 1598 volgens de opgave der ingezetenen geinventariseerd, doch het schijnt dat een gedeelte verzwegen en alzoo voor den Kerkdienst verloren is gegaan. Vgl. Magnin, blz. 153, Romein blz. 511, 512.

Z u 1 d l a r ek.

Onse Line Vronwen-vicarie, die genoten werd door den Kapellaan des Pastoors en waarbij een eigen huis en erve behoorde , komt in en na 1598 niet meer voor.

Hoylinge-vicarie, laatstelijk genoten door Johan Laxsteen, sedert 1582 Pastoor te Zuidlaren, werd door den Deken van Drenthe, na het vertrek van dien Pastoor, begeven aan Ludolf lloytinge, tot een studieleen. De Advocaat Fiscaal heeft haar opgevorderd, het debat is door Drost en Gedeputeerden gesloten verklaard, doch onze Bijlagen vermelden de eindbeslissing niet. Vgl. Magnin, blz. 156, en onze Bijlage B 1, ns. 4, 7 , 20, 25, 27 , 35.

Zuid w old e.

Eene vicarie, wier naam wij niet vonden, werd door den Pastoor genoten, onder verpligting om daarvoor schoolonderwijs te geven aan de kinderen uit zijn Kerspel. In 1598 is zij dan ook geinventariseerd als „Dye vycarieje, nu een schoolmeesterschap.quot;

Eene studiebeurs, omstreeks het midden der 15e eeuw gesticht door Rudolph ten Utloë, een vermogend man te Zuidwolde, die eemge jaar-lijksche uitkeeringen uit zijne goederen aanwees, om te strekken tot beneticium voor een behoeftig jongeling, die te Erfurt in de Godgeleerdheid wilde studeren. Bij de instelling werd bepaald, dat de tijdelijke Pastoor te Zuidwolde het regt van begeving zoude hebben, bij voorkeur ten behoeve van een lid der familie van den stichter, gelijk dan ook tot aan de Hervorming is geschied. In 1603 maakten de Drost van Drenthe en de prediicant te Ruinen gemeenschappelijk aanspraak op het regt van collatie en schonken de beurs aan zekeren Predericus

-ocr page 119-

37

Giltius. De predikant te ZnidvvoWe begaf het beneficie daarentegen aan Gerrit van Utlo, den bnstaard-zoon van den gewezen Pastoor te Gasselte (zie boven, aldaar). Deze laatste begeving is, na kennisneming van de gesuppediteerde bescheiden, door Drost en Gedep. Staten den 20 April 1609 gehandhaafd. In stukken van lateren tijd — zegt Magnin, blz. 159 — is Dns betrekkelijk dit stipendium niets meer voorgekomen.

Z TV E E L O.

St. StepMnus viearie, genoten aanvankelijk door den Kapellaan, is in 1586 reeds geïncorporeerd bij de pastorie, terwijl — volgens opgave der kerkvoogden — bij de inventarisatie ten jare 1597 zestien mudden bouwland, aan de Kerk behoorende, oorspronkelijk mcariclund was geweest. Vgl. Magnin, blz. 161.

-ocr page 120-

tï I.J L yv O 10 BI.

Veneris — la Octobuis — 1603.

1. In saeken Ilarmannm van Wormhs, in plaetss van Aduocaet Fiscaell van wegen de giestelicke goederen ter eenre, ende Berent Beicesten tot Emshoern 1) ter andere syden, questioes wesende ouer t\' gebruick van dree schepell Landts op Eemser Esch f) midtsgaeders vier Eoede Hoeilandts op het Laer gelegen, totte Kereke tot Bieueren beboerende, de voersz: Berent Bewesten sustineert hem van de voersz; Carspels Volmacliten voer —40— goldtgl: in Anno 1568— versett te wesen.

Verolaeren de Heeren Drost eude Gedeputeerden der Landtschap Drenthe, dat Berent Bewesten tusschen dit ende den naesten Reclitdage lolïwserdioh sail bewisen dat de voorn: —60— goldtgl: tot defensie van de priui-legien van de Vicarye tot Beueren, gelick in de versettbreef onder de handt van Cornelis Trumper in der tijtt Schults tot Dieueren inden gerichte vertoent, syn angelecht ende tot hoesulcken defensie van ge-rechticheijden deselue geemploijeert syn: Ende dat do kereke tot Dieueren doemaels geene andere middelen heft geliadt, om de gemelte gerechticheideu t\'defendeeren: Om, sulx bi Haer Ed. gesien wesende, alsdan daerinne t\' disponeeren naer beboeren.

Venebis —24— Februari,) — 1604.

2. In saeken van Hermannus van Wormhs in plaatse amp;c. ter eenre, ende d\'olde ende nije Kerckvoegden tot Anloe ter andere siden, questioes wesende ouer eenige versettede Pastorijen-, Viearyen-, Costeryen- ende andere giestelicke Landen, van dewelcke Hermannus versoehte rekenschap

1

Hamster. Destijds onder Diever, thans onder Dwingelo kerkhoorig. f) De i\'sch van Eernst er.

-ocr page 121-

39

encle reliquu, om t\'strecken naer behoeren. Verclaeren de Heeren I). eiicle Ged.. dewile de olde ende nye Iverckvoechden alhyr in den Gerichte verclaeren, dat niet si, maer de Vicaryenvoecliden t\' ondenvindt van alsulcke versette goederen gehadt hebben, dat de voersz. olde Kerck-voechden 1), midtsgaeders de Vicarijenvoechden, als van dage ouer —14— daegen coniunctim sullen verandtwoerden van alsulcke versettede, so well Pastoryen-, Vicaryen-, Costeryen als andere giestelicke Landen, als hir bevorens den Rentemeyster Eerman Harekens f) bi de Kerck- ofte Vecarivoechden aldaer syn ouergegeeuen ende ten tide van haere bedieninge versett syn, op poene van —10— goldfgl: ende vordere schaede op haer t\' verhaelen, om, sulx gesien, henverners daer inne te laeten geschieden naer behoeren.

Veneris -13— Aprilis 1604.

3. In saeken Harmannm van Jf\'ormLs ter eenre, ende de Collatoeren van Hoijtinge-Vicarije tot SidÜaeren ter andere syden, Verclaeren (l\'I Ieereu 1). ende G.: dat de gemelte Collatoeren ten naesten Eechtdaege iiaere fundatie-breefT van de questioese prebende sullen inbrengen, midtsgaeders andere stucken daer mede si staende willen holden, dat deselue praebende voirmaels geen curam animarum gehndt salde hebben, om, sulx gesien, henverners daer inne geschieden t\' laeten naer behoeren.

Venebis —S— Junij 1604.

4. De Collatoeren van Hoitinge Vicarije tot Suitlaeren gedaeget wesende van Hermanno van Wormhs, Fiscaell. Is deselue opgelecht sieh t.\' be-vlytigen in den tytt van een maeudt t\' voersehine t\' brengen de fundatie-breeff, ofte Copy autentique van dien, volgens de sententie van —13— Aprilis lestleden, ende in handen van Rermannus van Wormhs te stellen de getuiehnissen bi gemelte Collatoeren in den Gerichte geexhibeert, om sijne noetdruft daer en tegens in t\' brengen.

5. In saeken Hermanms van Wormhs aa de hunschen j) tot Norch, als Collatoeren ouer S: Nielaes ende Martens Vicarije aldaer ter andere

1

1 De oude Kerkvoogden waren de Roonisch-Calholieke, de nieuwe ue llervonnde.

f) Hij was Outvanger-Generaal en lientmeester van het Landschap Drenthe.

j) Eigenlijk Luniingh : de familie Lunsingh Zie omtrent, deze Vicarie dc Khju^tcrs in Drenthe, 2e druk, blz. 293 en volg.

-ocr page 122-

40

syden. Verclaeren cle Heeren 1). en G. deselue Vicarije iure deuoluto an de Landtschap Drente voer dese reise vervallen, ende ordonneeren dat de Lumchen met llermanno van Wormhs in rekeninge sullen treden van de vruchten, die hi van gemelte Vicarije, van den tytt aft dat deselue sender begiftinge gewest ende bi gemelte Lumchen gebniickt is, ontfangen heft, waer van bi llermanno an de lleerer. D. ende G. voerz; sal wordden gereporteert, ora, bi kentenisse van de Heeren voersz., ad pios u s u s , daer t\' beboeren sail, geappliceert t\' wordden. Eeserveerende inmiddelst de Heeren voerscr. an sicb de vergiftinge 1) van de voerz. Vicarije, om t\'eerster gelegentheit daer inne t\'disponeeren naer beboeren.

Veneris —33— Junij IfiO-l.

6. De Ed. Erentf: Onno Bol Ilia, geciteert van den Fiscaell H/irmanno van Wormhs, is erscheenen ende Hermannus geabsenteert, versoeekende dat men sulx wilde anteeckeneu, om t\' strecken naer beboeren.

Veneris —30— Julij 1604.

7. In saeken Hermannus van Wormhs cquot; de Collatoeren van Hoi tinge Vicarije tot Suidtlaeren, Verclaeren de Heeren D. en G.; dewile de gemelte Collatoren geen fundatiebreeff weeten t\' becoemen, gelick deselue bij attestatie bewisen, dat Hermannus van Wormhs sine noetdruft, debat ende tegenbericht opte getuichnissen bi de voerscr: Collatoeren iegen-woerdich in den gerichte vertoent t\' eerster gelegentheit sail inbrengen, om, sulx gesien, daer inne gedisponeert t\' wordden naer behoeren.

8. De Ed. Erentf. Aerendt van Duhnan geciteert weseude van lltrmanno van Wormhs Aduocaet fiscaell, om t\' anhoeren seeckeren eisch ende conclusie als deselue Hennannns, van wegen seeckere Vicarije tot Polter-woldt ende Etlde, tegens I) nil man voersz. sulde hebben t\' proponeeren. Ende also gemelten Bnllman tot dree verscheiden maelen geabsenteert, is synen meijer Tine Cleis (voer gemelten UvJlman erschinende) opgelecht, hem Bnllman hiervan te doen aduerteeren, met last, van dat hi als van daege in een maendt, wesende den —17--— Augusti eerstoompsticb, alhijr in persoene sail ersehinen ende sich den Gerichte sisteeren, bi versteek der saeken.

1

Begeving.

-ocr page 123-

41

9. In saeken Hermannns van Wormhs ca den E: Eremf: Onno Boltha, questieus wesende ouer seecker giestelioke Vicarije, S; Caiharinen Vicarije genoempt, tot Eelde gelegen, die den Claeger sustineercie, dat tot belioeff der Predigers geappliceert ende niet ad priuatos as us belioerde geconverteert t\' wordden. Ende bi de Heeren I), ende G. gelett wesende opte Exceptie bi den Verweerder tegens gemelte propositie ingebroclit; Is verstaen: Dat Hermann us niet geholden is eenigen publi-quen persoen copie van sine Commissie t\' verleenen, ten ansiene gemelte Hermannus deselue sine commissie, bi de lleeren voorsor:, van wegen de Landtschap is gepasseert, ende ouersulx voer gequalificeert geholden wordt deselue te bedienen, ende tegens den Verweerder de gemelte Actie van wegen de kereke te institueeren, te meer, so tegens sinen persoen tot noclitho niet beuonden is, daer doer hi in sine bedieninge geturbeertt ofte belettet can wordden. Ende verclaren verners dat de Verweerder geholden sal wesen ten naest anstaenden Eechtdaege opte schriftelicke propositie, bi Rermanno in den gerichte vertoont, t\' ant-woerden, om hen verners f strecken naer behoeren.

Veneris —3— Aügusti 1604.

10. In saeken Hermannus van Wormbs C Paulm van Nuis, als Eentemeyster van L: Vrouwen Vicarije tot Dwingeloe, questioes wesende ouer d\' exhibitie van de fundatiebreeff van de gemelte vienrije, ende dat de Memoriaell pachten van de questioese vicarije tot onderholt van den Prediger geappliceert behoeren te wordden. Veclaeren de Heeren D. ende G.: dewile voerscr: Paulus als Rentemr. sich excuseert van sine princi-paelen, als sustineerende jus collationis ouer gemelte viearye, geen last t\' hebben, om opte praetensie van llermannm ingebracht te antwoorden, dat Paulus de voersz. Collatoeren metten eersten sa) andienen, dat si als van daege in een maendt, wesende den —31— Augusti, alhijr in persoene sullen erschinen, ofte daer einen genoechsaemen Volmacht in de Collegie vertoenen so well de fundatiebreeff van dè questioese vicarye als het Eegister van de Memoriaell pachten, om, sulx gesien, daerinne gedisponeert t\' wordden naer behoeren.

11. In saeken Hermannus van Wormhs cquot; Peter Geerts op Wapster-vee.n, questioes wesende ouer drie Roeden hoeilandt achter JVittelte gelegen, d\' eine helfte totte pastorye op Wapsterveen ende d\' andere helfte

-ocr page 124-

42

totte vicarije aldaer geboerende, die Peter GeerU sustineert hem in anno —80— 1), den 18 Junij, voer —81— goldtgl: van de Volmachten van Wapderteen versettet t\' wesen; Verclaeren de lleeren D. ende G.: dewile Peeter Geerts sustineert dat de penningen, bi hem op het questioese hoeilandt verschooten, totte reparatie van den Kerektoeren op JVap ster veen syn angeleebt, daer van nochtans in den versettbreef geen mentie gemaeckt wordt, dat gemelte Johan Peeters f) geholden sal wesen syne praetensie ten naesten Hechtdaege loffweerdich t\' bewisen, om, sulx gesien, daer inne gedaen t\' wordden naer beboeren.

Veneris —21— Decembris 1604.

12. In saeken Hermannus van Warmis contra den Ed. Erentf. Onno Polilta, questioes wesende oner seeckere q;iestelicke Vicarije S; Catharinen Vicarye genoempt, tot Helde gelegen, die den Claeger sustineerde, dat lot behoeft\' des Predigers geappliceert ende niet ad priuatos nsus beboert geconuerteert te wordden. Ende bi de Heeren D. ende G. geletth wesende opte exceptie, bi den Verweerder tegens gemelte propositie ingebroeht; Verclaeren St. Ed. alnoch te persisteeren bi de sententie den —20— July lestleeden in partyen saeken gepasseert. Ordonneerende den Verweerder alnoch ten ouervloedt, dat hi ten naesten Rechtdaege op ten eisch ende propositie van den Fiscaell entlick ende sonder vorderen wtthvluchten sal antwoerden ende alsulcke loffweerdighe documenten ende bewysstucken inbrengen, daermede hi sine praetensie, van dat de questioese S: Catharinen Vicarye geen curam animarum hebbe, staende will holden, om, sulx gesien, daer inne gedisponeert t\' wordden naer beboeren.

Veneris —1 Febrüakij 1605.

13. Jn saeken Hermannus van Wormhs oa den E: Er: Onno Bollha, questioes wesende ouer seeckere vicarye, S: Catharinen Vicarye aenaempt, tot Pelde gelegen, die de Claeger sustineerde, dat tot behodt\' des Predigers geappliceert endeniet ad priuatos usus beheerde geconuerteert t\' wordden ; — Verclaeren de Heeren D. ende G. dewile de Verweerder den eisch van den Claeger, ende reciproce de Claeger des Ver-

1

1580.

-J-) Peeter Geerts?

-ocr page 125-

43

werders defensie genouch verstaen heft, dat. Partyen an wecïersyden tusschen dato deses ende den —I— Marty ankompstich, so well den Claeger in synen eiseh als de Verweerder in syne defensie, entlick ende scliriftliek concluderen sullen ende haere stucken, daer mede elck eine syne praetensie staende wilde holden, copielick ofte in originali in handen van de Heeren voerscr; ouergeeuen, om tselue t\' strecken naer beboeren.

14. Jn saeken Hermannvs van Wortnbs C Reinier Oeslehrinck tot Tarell 1), questioes wesende ouer een mudde rogge ende twee spint, twelck Oestehrincks goet tot Taerell yaerlis in de Vicarye tot Vrees f) schuldich sulde weesen t\' betaelen, volgens den inhouden vant kercken-register, bi den Fiscaell in den Gerichte vertoent; Verclaeren de Heeren D. en de G. bet gemelte kerckenregister van weerden, daernae Oestebrinck gebolden sail wesen de questioese rogge t\' betaelen.

Veneris —14— Jünij 1(505.

15. Jn saeken Hermamus van Wormbs Aduocaet Fiscael nontra Albert Meuwes, Olde Jan Steenens, Johan luichiens ende Tonnis Clnes, als Volmachten van CoeJcange, questioes wesende ouer seeckere Vicarye, de op Coehange voermaels in vigeur gewest ende nu tegenwoerdicb ver-alieneert ende verdonckert solde wordden; Verclaeren de Heeren D. ende G. dewile gemelte Olde Johan Steenens met Johan Luichiens vry oepentlick bekennen, dat voermaels op Coehange een Vicarye ende een Vicaris, die daerop geleeft heeft, gewest is, ende Albert Meuwes ende Tonnis Claes mede verclaeren sulx wel gehoert t\' bebben — dat de voorn: Volmachten, ofte de Eigenerfïden op Coehange, tegens den naesten Rechtdaoh de persoenen naerabaftig maeken sullen §), bi wien de Lande-ryen van de voern: Vicarye gebruickt ende d\' opkompsten van deselue genaeten wordden, op poene dat eleke huis op Coehange voor een pondt groot geexecuteert sail wordden, ende volgens so mennigen llechtdach als si daervan in cebreke blyuen.

1

To ar In.

t) Tries.

§) de namen der personen zullen opgeven.

-ocr page 126-

44

16. Jn de stridige questie Hermanni van Wormh, Fiscaels, ca den E. Er. Onno Boltha geresen, ouer S: Catharinen-Vicarye, tot Edde gelegen; Verclaeren de Ileeren D. ende G., alnocli t persisteeren bi den tpneur van de voergaende sententie van dato den —l— February lestleden, midts dat den Fiscaell geordonneerdt wordt an voern. Boltha te Lieten volgen copie van syn libell, tegenwoerdicb in den gerichte vertoent. onder suleken conditie, dat Boltha geholden sail wesen ten naesten Rechtdaege daerop te repliceren, ende neffens ouergeeuinge van alle syne raunementen entlick t.\' conoludeeren.

Veneris —18— Julij 1606.

17. Jn saeken Hermanni van Wornibs, Aduocaet Fiscael, ter eenre, ende de E: Er: Onno Boltha ter anderen syden , questioes wesende oeuer Clueuinge ende andere goederen, tot S: Catliarinen Altaer in de Kercke tot \'Edde srehoerende, sustineerende gemelten Fiscaell, dat deselue niet ad prinatos usus geconuerteert, maer totten Kerckendienst geredu-ceert, ende tot onderlioldt des l\'redigers geappliceert beboeren te werdden; Verclaeren de Ileeren D. ende Gr. (bevoerens daerop gehudt hebbende t\'aduies van dree Eechtsgeleerden, bi syne Gen: 1) daer tho gerequi-reert), dat de voerscr. goederen van Clniuinge met allen toebchoeren van dien , totteu Kerckendienst van helde geemployeert sullen werdden. Ende alhoewell voern: Boltha billick van synen Jure Patronatus vervallen is, so wordt niet te min voern: Boltha om sonderlinga con-sideratien siin Jus Patronatus voorbeholden. Belangende des Fiscaels vorderen eisch (angesien hi denseluen tegen Boltha niet bewesen heft) wordt hem ontsecht, midts nochtans dat den Aduocaet Fiscaell gereser-ueert wordt syne Actie opte genigen dewelcke de gemelte goederen mochten verargert ofte misbruicket hebben, om mouecrende redenen de costen ten wedersyden compenseerende.

Sabathi —26a— Julij 1606.

18. Erscheen de E: Er: Onno Boltha , versoeckende dat hem vergunt meuge wordden appell ende interpraetatie van dc sententie, tusschen den Fiscaell ter eenre , ende Syn Ed. ter andere syden , den —18— July lestleeden gepronuntieert, ende dat sulx ad n o t a m mochte ge-noemen wordden.

1

De Stadhouder Graaf Willem lodi\'.wrJK van Nassau

-ocr page 127-

45

Anno 1607.

19. Doctor Meileus Brumema oatfangen hebbende syne Commissie ende Instructie de dato den —3— February lestleden, opte bedieninge der Aduocaetschaps Fiscaell, syn op syns anclachten alsulcke sententien ge-passeert, als byr na volget :

Veneris —37— Febrüaeij 1607.

20. In saeken Doctoris Mellei Bnmserfia Advocaet Fiscaell, Claeger ter eenre, contra Berent Ranniuck ende Ilenrick Hem-icks, als gebruickers van Hoitinge Vicarye tot Suiüaeren, Verweerders ter andere syden; Verclaeren de Heeren D. ende (1 : dat de Verweerders geholden sullen wesen, den glienen die haer Hoitinge Vicarye verhuirt heft, soe dickwils als si gedaeget worden, daar van te doen verwittigen, ten einde deselue met alle haer betvys ende munimenten, daer mede si hun pretensie Juris Patronatus oeuer de questioese vicarije willen staende holden, togens eleken llechtdach paraet erscliynen raeugen, om daer inne gedisponeert te wordden naer beboeren, op poene dat de Meijers selffs daer voer ver-antwoerden ende de gedaene coaten betaelen sullen.

Veneris —10— Aprilis 1607.

21. Jacobo van den Vlloe (gedaeget wesende van Doctore Mellen Bnmsema) is op syn versoeck vergunt den tytt van —1— weecken, om opt ingeeuen des Doctoris libell alsdan te repliceeren ende instruct t\' erscliynen.

22. In saeken Doctoris Mellei Brumema Adv. Fisci, ter eenre, ende Kerckvoechden van Roeden 1), midtsgaeders de gebruickers van S: Catharinen Vicarye aldaar, ter andere syden; Verclaeren de Heeren Ü. ende G. dewile de Gedaechden verclaeren eenige jaeren hervvarts geene Kerckvoechden binnen Roeden gewest te syn, ende dat sich voor alsnoch niemant onderstaen wil de voogdye derseluer kereken aentenemen, dat de Ingesetenen tegens van daege oeuer —14— daegen wtth het gemeene Carspell sullen nornineeren ende schriftelick ouergeeuen sess gequalifi-ceerde persoenen, wtth dewelcke de voersz, Heeren twee tot Kerck-

1

Roden.

-ocr page 128-

40

voeclulcn erwelen sullen, die alsdan liaer werck van der kercken saecken maeoken ende volgens daerinne sullen handelen, gelyck deselue bi Instructie sail worden belast. Noepende de gebruickers van S: Gatharinen Viearye : dewile deselue bevvijsen bi quitantien, haere pachten an handen van ■Toclmm Belholdt betaelt te hebben, wordt daerom den gemelten Fiscaell belast, syne Actie des angaende tegens denseluen t\' institueeren.

Venebis —34— Apkilis lfi07.

33. In sacken Doctoris Meilei Brunsema, Aduocatus Pisci, ter eenre, ende Joclium Belholdt tot Roeden, ter andere syden, questioes wesende oeuer den eisch van seeckere pachten van S: Gatharinen Vicarije tot Roeden, die gemelte Joclimn Belholdt ontfangen solde hebben. Verclaren de Heeren D. ende G., dat den Fiscael synen eisch in den tytt van sess daegen Jodium Belholdt schriftelick ten handen sal stellen, midts dat hi Joclium tegens den naestanstaenden Eechtdach daer op ten princi-paele sail antwoerden. Lastende den Fiscael ondertusschen binnen Roeden anpleckinge te doen, dat niemant van de gebruickers van S: Gatharinen Vicaryen goederen au eemants handen eenige Pachten sonder naerdere Ordonnantie betaele, op poene van dubbele pacht.

Veneuis —15— Mau 1607.

24. In saeken Doctoris Meilei Brunsema, Adv. Pisci, ter eenre, ende Jacobi van den Vtloe tot Gasselte, voer den welcken der E: Henrick van Monster, Heere tot Runen, by syn E; schrijuens van den —2— May 1607 verclaerde t\' intervenieeren, ter andere syden, questioes wesende oeuer seeckere Viearye, S: Gatharinen Vicarije genoerapt, tot Gasselte gelegen, die de Glaeger sustincerde dat tot behoeff des Predigers ge-appliceert ende niet ad priuatos Vsus geconverteert behoerde te werden. L)e Heeren D. ende G., ripelick gelett hebbende op des gemelten Piscaels eisch, mitsgaeders op het schrijuens ende replycq van den voersz. Heere van Rune, verclaeren, dat den voern; Heere van Rune, als interventeur volgens syne verclaeringe, sich dem Gerichte alhijr sail sisteeren; bi verweigeringe van welckes sail Jacobus van den Vtloe als gebruieker der voerscr; Vicarije van Eechtdach tot Rechtdach, ten einde van t\' Process, op des Piscaels citatien geholden wesen t\' erschynen ende

-ocr page 129-

47

oeuersuk prociireeren, dat de fundatiebreeff van de ([uestioese Vioarye 1) ten naasten Eechtdaege in den gerichte worde oeuergtlecht, om, deselue gesien, daar inne volgens gedisponeert te werden naer Ijehoeren.

35. Drost en Gedeputeerden van het Landtschap Drenthe, Geexami-neert hebbende de questien tusschen Üoctorem Melleum Bransema Advocatum Fisci ter aanra, ende de gabruiekaren van floitinge Vicarije tot Suitlaereu, Gangolffs Vicarye tot l\'oüerwoldt f) ende Camper Vicarye tot Erumen, daer voor Johannes Belida als volmacht compareerde, ter andera syden, verclaeren opten aisch ende varsouok van gemalten Belida, dat d\' Adv. Fisci, als ia naeme van de kareken agaarende, ongehouden is eenige borge ofte cautie de Jutlicio sisti ofta andarsints te sLellan. Ordouneeran oeuarsulx da gebruickers van de voerscr: vicaryan, ofte de genige die voer desalua souden willen intervenieeren, ten naesten Eechtdaege ten principaele t\' antwoerden, bi verstack heuer saecken.

Veneris —21)— Maij 1G07.

26. Hermannus van Wormbs heft in den Gerichte angenoeraen voer de Vrouw Anna Ockinga weduwe van Euwssum te intarcadearan ande t\' antwoerden op den eisch, die Dr. Melleus Bransema, Advocatus fisci, tegens gamelte Vrouw, oeuer seeckera vicarye, S: Catharinen Vicary ganoempt, tot Roeden, sal willen institueren, volgens twelcke den ga-maltan Fisco gelast is, an Herman van Wormbs §) te geuen synen Eisch schriftelick, om daerop te seggen tgene synen Raadt sal gedraegen 2). Hebben de voersc: Hermannus angenoemen van Eechtdach tot Rechtdaquot; ongeciteert te erschijnen.

Veneris —10— Julij 1607.

27. Opta exceptie van Johannes Belida, als Aduocaet van lloytinge Vicarye, Nenaans ende Camper Vicaryen tot Emmen, ende S: Gangolffs Vicarye tot Helde, gedaegt wesende van Doctore Melleo Brunsema ; Is

1

Zie Kloosters in Drenthe, 2e druk, bladz. 88 en volg. cn Gesehiedk. Overzigt van de Besturm in Drenthe, Jle Stuk, Ie ged., bladz. 144—U9.

t) Palerswotde.

«) Na zijn ontslag als provinciaal Advocaat-Fiscaal, teu gevolge van ouecuig-liedeu met D. cu 0., trail hij in onderscheidene zaken als advocaat op.

2

Hetgeen hij zal vemeenen te behooren.

-ocr page 130-

48

verclaert, dat gliene partyen gedaeget sallen worden , vermits d\' onlege tytt van de bouw , als op van daege in een maendt, houdeude onder-tusschen den tytt als vacantie 1).

Veneris —7— Augüsti 1607.

28. ,)n saeken Üoctoris M. B. amp;c. ter eenre, en faulus van Nuis als Volmacht van de Collatoren van onser L: Vrouwen Vicary tot Dioii/ffeloe Ier andere syden; Is bi de Heeren D. ende G. verclaert, dat den Fiscael opten inhouden van den fundatiebreeff, daer van Copie autenticq in den Gerichte vertoent is , ten naesten Rechtdaege schriftelick sail antwoorden ende in synen eisch eintelick concludeeren ; midts dat I\'auhis van Nuis alsdan ongeciteert sal erschynen.

29. Gelyckfals is gesententieert tusschen den gemelten Adu. Fisc. ende Jamhum van den Utloe, compareerende van weegen den Ileere van Runen , als Collateur van S: Niclaes en L: Vrouwen Vicarye tot Gasselte.

30. Berent Ketel, Schults tot Dieneren, van wegen Burchardt van WesterTiolt als Collateur van S: Martens Vicarye tot Dwingeloe van Dr. M. B., A. F, gedaeget wesende , erscheen met hem JVolter Hermans, Schults tot Dwingeloe, praesenteerende seeekere francynen Jnstrumenten, daerbi allegeerende, bi aldien deselve Jnstrumenten tol verificatie van syne praetensie van dat deselue Vicarye geen curam ani m a r um hebbe, niet mochten bestaan, dat men alsdan gemelten TFederliolt wtthstel van een hal ff jaer wilde verleenen , om ondertusschen syne principale documenten ende andere stucken, die hi binnen Munster hebbe vorgevlucht f) bi der handt te krygen, om alsdan amp;c. — Js nae genoemen deliberatie gemelten Berent Ketel ende TVolter Hermans ten antwoordt verclaert, dat hy synen principaell sal andienen, dat hem den tytt van 8 weecken wtthstel vergunt wordt, midts dat hi alsdan instruct ende paraat sail erschynen, ende ten principale antwoerden.

81. Johauni Belida, als Aduocaet ende Volmacht van wegen den E: Arendt van Bidman , als Collateur van S: Gangoltfs vicarye tot Eeldt; ,1 s op syne ingebrachte exceptie ten antwoert verclaert, dat hy syne

1

Gelijke beslissing viel omtrent de vicarieu te Dwingelo en te Gastelte.

f) Dit is bijna onleesbaar. Borchard van Westerholt vlugtte met de Ver dug o en zijn leger naar Munsterland, van waar hij later naar Overijssel terugkeerde.

-ocr page 131-

49

principale sail anmelden, tegens den aaesten Reohtdach paraet t\' ersohynen, bi versteek syner saeken.

32. Van gelycken is Johan Belida opgelecht den Eentemr. Herman Harekens, als Jnterventeur van Nemans Vicarye tot Em-men, an te melden, dat hi in den tytt van een maendt instruct ende paraet sail verschynen, bi versteek.

(N.B. den 31 Aug., 4 September en 18 Sept. 1607 werden weder nieuwe termijnen verleend ann J. van den Utloo, A. van Bulman, P. van Nuiss qq. , H. van Wormbs qq. en Vrouwe Anna Ockinga.)

Veneris —3— Octobris 1607.

33. Jn saeken Drs. M. B., A. F., claeger ter eenre, c. a., Paul van Nuis, als bediender ende volmacht van L; Vrouwen Vicarye tot Dicinyeloe , verweerder ter andere syden , — Verclaeren ende ordonneeren de Heeren Drost ende Gedep. alnocli oeuermaels (bevoeren s gelesen wesende t\' antwoordt van den E: Joachim van den Boetzelaer tot Toutenborg en Baeünge, gepretendeerde Colïateur, bi maniere van exceptie van sich den gerichte niet te willen sisteren an voersc. Paidum van Nuis geschreeuen) dat gemelte Boetzelaer geholden sail wesen ten naesten Rechtdaege op ten Eisch van den voersc. Eiscael ten principale t\' andtwoerden, bi versteek syner saeken, ende dat bi gebreke van sulx de voersc. Vicarye tot behoeff der kerken ofte pastoeren geapplieeert sail worden , sonder dat daer nae eenige vordere appellatie ofte provocatie dien angaende sail worden geadmitteert.

Veneris —16— Octobris 1607.

34. Jn saeken Dris M. B., A. F., contra Paidum van Nuis, als bediender ende volmacht van L. Vrouwen Vicarye tot Dtcingeloe, geab-senteerde Verweerder , sustineerende den Claeger , dat de voerscr. Vicarye niet ad privates vsus geconverteert, maer tot behoeff der kereken geredueeert behoere te worden; — Verclaeren de Heeren D. ende G. (bevoerens gelesen wesende seeekeren breef van den E: Burcliardt van Westerholt, gepraetendeerde mede Colïateur, desen angaende an Paidum van Nuis geschreeuen) dewile de Ed. Joachim van den Boetzelaer als mede-Collateur by sententie van den —2— Octobris lestleden is opgelecht , op desen Rechtdach op des Eiscaels eisch ten principale t\' ant-

4d

-ocr page 132-

50

woerden, bi versteek der saeken, sonder dat daer nae eenige verdere appellatie offte provocatie dienaengaende geadmitteert soude worden — Dat de opkompsteu van de voerscr. Viearye tot behoeft\' der Kercken sullen worden geapplieeert. Lastende den Claeger de vruchten ende op-kompsten tot naerdere dispositie in arreste te leggen.quot;

35. „Veneris —20— Novembris 1607

concludeerde de Advokaat-Fiscaal in Zaken van de Vicariën te Gasselte, Zuidlaaren, Enmen en Roden , „syude (van alle) de stucken ten beiden syden ingelechtquot;.

Veneris —11— Martij 1608.

36. Gehoert d\'exceptie van Johannes Belida , Aduocaat, enschynende voer den Ed; Aerendt van Bulman, gedaeget van ür. Melleo Brunmna; Is ten respecte van syne gevangenis hem alnoch wtthstell vergunt, tot syne relaxatie 1).

Veneris —15— Aprilis 1608.

37. Jn saeken van Dr. M. B., Claeger ter eenre, contra Hendrik van Selhach tot Emmen, als gebruicker van Nemants Viearye, dickwils ge-absenteerde Verweerder ter andere syden, questioes wesende oeuer d\' op-kompsten van de voerscr. viearye, die de Claeger sustineerde , dat tot prouffyt ende behoeft\' van de kereke ofte des pastoers gereduceert, ende niet ad priuatos vsus geconverteert beboert te worden. — Verclaeren de Heeren D. ende G., dat de Verweerder, vermidts syne contumacie, tgebruick van de voerscr. questioese viearye daetelick sal abandonneeren ende veriaeten. Sullende d\' opkompsten van deselue wedderom tot prouffyt der kercken worden geapplieeert; ten waere gemelte üelhach genoechsame redenen syner absentie ten naesten Reehtdaege conde inbrengen, sal hi hebben te genieten, mits dat hem deses in tytts sal worden geïnsinueert.

1

Jhr. Ar ent van Hulman, die een admiulstratieve betrekking bij \'t krijgswezen te Coevorden had, was betrokken in een manslag aldaar. Eenige jaren later werd hij door eeu Bentheemschen ouderofficier doodgestoken.

-ocr page 133-

51

Venehis —27— Mau 1608.

38. Jn saeken Dr. M. B., A. P., C, de erfgenaemen van Lenten-goet op Coekange, questioes wesende oeuer twee koeweijden, die voer-maels bi Aerent Lenten tot L. Vrouwen Altaer op Coekange gegeeuen ende bi de Gemeente aldaer an Andries Lenten in anno 1551 vercoft syn gewest. — Verclaeren de Heeren D. ende G., dat de Verweerders soe daetelick tgebmick van de questioese koevveyden sullen veriaeten ende de vrucliten van deselue, sedert den dacli van verkoepinge, an de kercke betaelen. Sullende de Gemeente geholden wesen an de Verweerders schadeloes te restitueeren de coepschatspenningen, ten ware deselue Gemeente loffweerdich bewysen conde, dat si de voern; penningen tot prouffyt der Kercken wedderom hebben ingelecht.

Veneris —24— Jünij 1G08.

39. Eenrick van Selbach, als gebruicker van Nemaats vicarye tot Emmen, van Dr. M. B. oeuermaels gedaeget wesende , omme sich van de contumaeie ende absentie te purgeeren, daer inne hy bi sententie van den —15— Aprilis lestleden was gecondemneert, ende niet ersehynende ; Is de voerscr. sententie van contumacie in weerden verelaert.

Veneris —8— Julij 1608.

40. De E: Aerent van Bulman, van wegen S; Gangolffs vicarye tot Eelde, van Dr. M. B., A. I1., gedaeget wesende, beklaechde sich by absentie van synen Aduocaat de pampieren tot syne defensie dienlick 1) niet machtich te wesen. Versochte oeuersulx dat men hem tot opten naesten Eechtdach dilay wilde vergunnen , ofte consenteeren, dat hy met den Pastoer van Eelde sonde meugen accordeeren, om seecker gênants f) ende portie wtth de voersz. Vicarye jaerlix te genieten, om alsoe voertan dess angaende ongemolesteert te meugen blyuen. Daerop wesende naer behoeren gedelibereert; Js voern; Bidman voer antwoerde verelaert, dat men hem sijne exceptie ende dilay tot op naesten Ileehtdaege vergunt, midts dat hi alsdan paraet ende instruct met syne stucken sal erschynen. Doch connen wel lydea, indien hi sich met den Pastoer tot Eelde, oeuer eene seeckern portie jaerlix wtth de voersz. Vicarye te genieten, sie te ver-

1

dienstig.

t) aandeel.

-ocr page 134-

52

accordeeren, midts dat hi mede gehouden sal wesen den Aduocaet fiscaal van syne vacatiën ende moite te contenteeren.

„Venebis —30— Septembbis 1608

werd gepasseerd de navolgende akte:

41. „Drost ende Gedep. amp;c., Gesien hebbende de conditiën ende verdrach

tusschen den E: Aerendt van Dulman ende Johannes de Bruin, in der tytt Prediger tot Eelde , oeuer Gangolphi Vicarye tot Pottencolde, onder den Clockenslach van Eelde gelegen, bi voerweten van Heeren D. ende G. voerscr. opgericht ende gemaeckt. Hebben tselue verdrach geratificeert, geapprobeert ende geconfirmeert, rateficeren , approberen ende confirmeren bi desen, in sulcker vongen, dat, als wanneer bi voern: Edelman ofte synen Erffgen: an den voern: Pastoer ende synen Successoren, Predigern tot Eelde, jaerlix op Michaëlis ter cause van voerscr. Gangolphi Vicarye betaelt werdt dartieh Embd. Gulden, vry, schaedeloes gelt, elcken gl. van dien tot dartich Gron: Stuv: ofte blancken gereeckent, den voern: Pastoer ofte syne Successoren Predigern, ofte eenige Giestelicke ofte Wertlicke oeuericheiden geene Actie ofte anspraecke, onder wat titel dcselue oiek mach syn, op der voerscr. Gangolphi Vicarije behouden ofte institueeren sullen. Maer indien de voerscr; dertich Emd: Guld: jaerlix. ende alle jaeren promptelick niet en mochten werden betaelt, sal deselue Pastoer ofte syne Suceessoeren (ende bi vacatie van den kerckendienst bi den Kerckvoegden) deselue wtth de voerscr: vicarije meugen vorderen, inmaenen, ende van den gebruicker van deselue, doen executeeren sonder argelist. In kennisse amp;c. amp;c.

Veneris —I2— Septembris 1609.

42. Gesien by de Heeren Drost ende Gedeputeerden amp;c. de procecluiren voer deselue gemoueert ende beleidet, noepende d\' opkompsten van seeckere Prasbende ofte Vicarye tot Hoeden, S: Catharinen Vicarye ge-noempt, tusschen wylen Bquot;r. Hellens Brunsema, Advocaet Eiscael der Landtschap voerscr., in syne qualiteit Claeger ter eenre, ende Hermannm van tVormls, geoccupeert hebbende voer Vrouw Anne Ockinga weduwe van Euwnsum, beclaegede ter andere syden. De Heeren voerscr., op alles rypelick gelet hebbende ende gehoer! t aduis van de Eechtsgeleerden 1),

1

NB. Deze zijn geweest de Professoren in de Regten te Franeker.

-ocr page 135-

53

roerbygaende de geproposeerde exceptie, ende gehoert den Eetth bi de beclaegede tot versterckinge van haar angeeven gepraesteert, — Absol-veeren de beclaegede van den Eiscb ende conclusie, bi den Kscael voerscr: noepende d\' exhibitie tegens haer gedaen ende genoemen, Onvercort Partjen Eecht ten principale, soe ende daer t\' bevonden sail worden te beboeren, ende om redenen compenseerende de kosten van den jJrocesse.

43. Nae t\' verlesen 1) van deze voern: Sententie, syn die van Roeden gecompareert, vertoenende een Apostille de dato den —4— July lest-leden, daer by haer geordonneert worde te bewysen, dat S; Catharynen Vicarye, die se tot onderholt van haeren Pastoer versochten, curam a n i m a r u m iss hebbende, twelck sy anneemen te willen bewysen. Ten welcken eende haer opgelecht iss de vjèduwe van Euwssum ten naesten rechtdaege te laeten daegen.

Jouis —10— Decembbis 1612.

44. d\'H. Drost ende Gedep4™. amp;c., Gehoert hebbende den eisch van Geert Lussinge ende Henrick Johan Alberts, als Volmachten van Dwingeloe c0 de Collatoren van L: Vrouwen Vicarye aldaer, van dat d\' opkompsten van deselve, in conformiteit van de sententie de dato den 16 Octobris 1607 f), lot onderholt van den Prediger geappliceert ende geensints ad privatos usus geconverteert mochten worden. Daer en tegens gelesen t\' schrijvens van den E: Westerholt in dato den —5— Decemb. lestleden, ende gehoert d\' allegaten by de Volmachten van de E. Boetzelaer (als respective Collatoren) gedaen, van dat die van Bioingeloe gehouden souden syn haeren eisch by geschrift te stellen, ende haerluiden in handen oever te geeven, om daerop ten naesten Rechtdaege te andtwoerden .... Is, nae dat by Heeren D. ende G. voerscr: op alles rypelick was gelet, verclaert, dat de voerscr; geallegeerde sententie by provisie sorteeren sail volcoemen effect; doch soe, dat den Collatoren haere actie ten petitoire, teegens dien van Dwingeloe noepende di voerscr. L: Vrouwen Vicarye t\' institueeren, voerbeholden wordt.

1

Voorlezen, t) Zie bladz. 49.

-ocr page 136-

54

Jouis —7quot;— Januartj 1613.

45. Hendriclc Jan Alhertss ende Gheert Lumnge, als Volmachten ende Kerckvoechden van Iwingeloe, gedaeget liebbende Berent Ketel Schults tot Dieueren, als gebruicker van de S: Martens Vioarije, ende absen-teerende, versochten, dat sy van wegen de kercke tot Bwingeloe in de possessie van de voorsor. Vicarije gestelt mochten wordden. Ende daerop gehoert d\' exceptie dilatoire, by den Rentemr. van IFederlwlt 1), als mede-Collateur van de voerscr. Viearye, ingebraelit, van dat gemelte WesterJiollt doer \'t quaede weder verhindert sy gewest alhyr te compa-reeren, — Is by de Heeren l). ende Gr. d\' ingebrachte exceptie voer dese maele angenoemen, doch soe, dat syn E; ten naesten lleclitdaege instruct erschynen, ofte synen genouchsaeraen vulmacht seinden sail, op poene van gecontumaceert, ende dat de kercke in possessie gestelt sal werden, sonder eenige vordere wtthvluchten dess angaende t\' admitteeren.

Jouis —21— Jandarij 1613.

46. D\'H: Drost ende Gedeputeerde amp;c.

Gesien hebbende copie van seeckeren fundatienbreeff van de L: Vrouwen Viearye tot Dwingeloe, gepresenteert by den E: Herrrannus ter Maeth, mede Gedeputeerde , als volmacht van wegen Wester holt amp; Boetzelaer, respective Collatoren der voersz. Viearye, allegeerende vuith den inhouden van dien te blycken , deselve questioese Viearye volcoementlick niet te hebben curam anima rum. Ende volgens daer en tegens gehoert

t\' debat van de Volmachten van de Kerckvoegden tot Dwingeloe;.....

Iss by d\' Heeren voerscr: verclaert, dat de Collatoren, volgens de sententie van den —10— üeeemb. 1612 , alnoch heure Actie ten petitoire sullen instellen , met last, van by libel, andtwoerdt, replycq, duplycq amp;c. de saecke te volschryven, om , eintelick geconcludeert syncle . sulx daerinne te laeten geschieden als nae rechte bevonden sal worden te beboeren; midts nochtans dat ondertusschen de voersz. sententie van den —10— üeeemb. lestleden, als oick den —16 — Octob. 1607 blyven sullen in vigeur ende weerden.

Meecüuij —5— Maij 1613 47. Drost ende Gedeputeerde amp;c. Gesien hebbende de proceduiren voer deselve gemoveert ende beleidet, noepende d\'opkompsten van seekere

1

Hij was Rentmeester in Overijssel.

-ocr page 137-

55

Praebende ofte Vicarye tot Bwingeloe, S: Martens Vicarye genoempt, tusschen Geert Lussinge ende Hen rick Jan Alberts, als Volmachten van de Kerckvoechden tot Bwingeloe, Claegers ter eenre , ende den Ed: Erentv. Burchard van Westerholt ende Ruiger van den Boetzelaer, respective Collatoren der voerscr. Vicarye, beclaechden ter andere syden , contendeerende de voersz Kerekvoegden deselve Vicarye te hebben curam animarum, ende dat oeuersulx d\' opkompsten van deselve niet ad privatos nsus geconverteert, maer tot behoeft\' des Predigers geappliceert beboeren te wordden. — ü\'Heeren Drost ende Gedeputeerden op alles ripelick hebbende gelet ende hyroeuer gehoert t\' ndvis van

verscheiden Eechtsgeleerden...... verclaereu den Kerekvoegden van

Bwingloe in haeren eisch, invougen gelyck deselve geinstitueert iss, ongefondeert; Sulx dat by de voersz. Collatoeren de questioese Vicarye an eenen studeerenden persoen sal moegen worden geconfereert: midts dat deselve persoen geholden sal wesen , syne s t u d i a niet anders dan ad sacrum Theologiam et Ecclesiasticos usus te dirigeeren, ende daer van alle jaeren behoirlick bewyss , des versocht synde , in handen van de H; Drost ende Gedeputeerde voerscr. oever te brengen: Welverstaende nochtans, dat den Prediger tot Dicingeloe wtth d\' opkompsten van deselve Vicarye sal hebben te genieten een gerecht derden deel, ten ansiene van de diensten die den Priester derselver Vicarye geholden is geweest hyrbevoereus te presteeren.

-ocr page 138-

quot;B IJ L A. G E lï i.

LANDS DAG S-KESOLUTIËN.

16 February 1629.

48. Ridderschap ende Eygenerffden, Staten van het Landtschap Drenthe Geinformeert synde, van dat de Ed. Johan van Dulman seeckere Vicarije tot Eelde gelegen tot syn particulier profyt is employeere;ade, ende daervan aen den Predicant ter plaetse niet als eene seeckere geringe portie laet volgen, liem fundeerende op seecker Accordt tusschen syn Vaeder wylen A er ent van Dvlmun ende den Predicant in der tydt voer tem ende syue Successeuren opgericht en by de Heeren Drost ende Gedeputeerden geconfirmeert;. ... Verstaen, dat het voersz. Accordt ende daerop gevolgde confirmatie wyders ende vorders niet can ofte mach opereeren als geduijrende het leeven van den Predicant in derselver tydt; Ende dat oeversuls die voersz. Vicarye, niettegenstaende het ge-melte accordt, tot onderhoudinge van den Prediger ter plaetse ofte tot andere Godtsaelige gebruicken gereduceert sal worden. Lastende de Heeren Drost ende Gedep3™, alle moegelicke diligentie aentew enden, ten eynde dese resolutie ten effeote gebracht werde.quot;

16 February 1629.

49. ,/E. amp; E. enz. bericht synde, dat de Predicant tot Ruinen Johannes Rusius beswaert wordt met d\' onderhoudinge van een Schoelmeester aldaar, ende dat oock seeckere Vicarije, ende andere totte pastorije ge-

-ocr page 139-

57

hoerige goederen, by hem niet genoeten worden, — Hebben goetgevonden den voerscr: Rusiuni te lasten, tem intcompstieh met het onderhouden van den Schoelmeester niet te moeien, Verstaende, dat hetselve, volgens s Landts Eesolutie ende den gewoenlicken voet allomme in de Landt-schap geobserveert, by de Ingesetenen van t\' Carspell Ruinen selfs gedaan behoert te worden; — Hebben oeversulx de Heeren D. amp; G. geerden-neert hyr van d\' anschrijvinge aen den gemelten Rusium te doen, Ende byaldien deselve by den Heere van Ruinen ofte Jngesetenen aldaer daer en tegens mochte worden beswaert, daerin met behoerlyke iriddelen te versien; Oock nevens de Eentemeester van Dickninge alle moegelicke diligentie ende debuoiren aen te wenden, ten eynde die voerscr: Vicarije ende andere verdonckerde goederen ende opkompsten, totte pastorye gehoerich, wederom daerby gebracht ende gereduceert moegen worden. quot;

5 Maart 1639.

50. R. amp; E. gevisiteert ende geexamineert hebbende seecker Accoord, den —5— Maji 1638 by de Heeren D. amp; G. bemiddelt tusschen Johannem Hoppenhroimer, Prediger tot Belde, ter eenre, ende Jhr. Johan van Hulman tot Lemferinge, ter andere syden, nopende St. Gangolphi Vicarye tot Belde, waerby de Predicant ende desselfs Successeuren belooft syn vyftich Emder Gulden, jaerlix op Martini te betaelen, ende

vyftich daeler eens van wege de pleitcosten,..... Hebben hetselve

Accord geapprobeert ende geconfirmeert.

17 February 1646.

51. R. amp;. E, gesien hebbende seeckere uytspraeeke ofte accord, by de Heeren D. ende G. den —ln— ende —2n— Octob. 1645 gedaen ende opgericht tusschen D». Eeinonem Boüinck, Pastor tot Daelen, geassisteert met den Fiscael ioJianne Krythe, Anlegger ter eenre, ende de Erff-genaemen van wylen Roelef van Lennep ende de Schinkels, verweerderen ter andere zyde, nopende seeckere twee Vicaryen van Ste. Anna ende Catharina ofte Sacramenti tot Daelen, waerover een geruymen tyt van jaeren twee schriftelvcke processen zyn geventileert geweest, hebben hetselve accordt ofte uijtspraecke mits desen geapprobeert ende geconfirmeert, luidende hetselve als hier nae volgt:

-ocr page 140-

58

„ „Js in der schelinge ende questien over twee Vicaryen van Ste. Anna ende Catharina ofte Sacramenti tot Daelen, tusschen den Prediger Bollinck, geassisteert met den Fiseael Krythe, Aen-legger ten eenre ende de Erffgenamen van Lennep ende de SchinclceU, Verweerderen ter andere zj\' !e, geaccordeert of uytgesproocken, dat de Verweerders vooreerst sullen uytkeeren de summe van twee duysent Carolus guldens, dewelcke op de Landtschap belegt sullen worden — waervan de Renthe tegens vyf ten hondert tot proufijt van den Prediger in der tyt tot Daden jaerlix genoten sullen worden, ende daer en bovens nocli de summe van vyfhondert Carolus gulden, dewelcke geemployeert sullen werden tot vervall van de costen, ende wyders daer ende soo als de Hn. D. amp; G. sullen goetvinden, Ende noch betaelen de vacatiën, waegenvrachten ende costen over dese tegenwoordige comparitie gedaeu, ende ten huyse van de Sclmlts Krall verteert, Waermede dese saecke t\' eenetnael geassopieert sal syn ende blijven. Alles nochtans op approbatie ende aggreatie van Ridderschap ende Eygenerfïden.

Actum Daelen, den —ln— ende —2n— Octob. 1645.

14 Maart 1671.

52. Op de reqte. van de Jngesetenen van Havelte, versoeckende tot betalinge van haere nodige gedane costen, tot reparatie van de pastorijen behuisinge, consent om eenige Vicarien goederen te mogen vercopen: Hebben de Heeren R. amp; E. dit gedaene versoeck aflfgeslagen.

19 December 1699.

58. Gesien en gelesen de Requeste van Willem ivryaans Backheryen, en voor wien mede intercedeerden de andere Jnteressenten, te samen plichtige geweest tot de Vicarije van vyftien Mudden Rogge en 2gtien Mudden Garste, alles Groninger mate. — Versoekende alhier approbatie van zodanig contract, als deselve daarover den 1311 April jongst met de Heere Drost Baron van Pallant, als Besitter van den Huise en Havesate Bating en, hadden ingegaan, en waarover zy jngevolge diens continue den 21n ejusdem by de Heeren D. amp; G. prsevie approbatie hadden geobtineert, en dat haar alhier daarbij mogte worden geaccordeert dese extensie, dat die rogge- en garstenpacht, en de goederen waaruit die zyn betaalt geworden, met derselver aankleven ten opzigte van alle en een jeder mogten worden verklaart voor vry allodiael goet, sonder eeniger-

-ocr page 141-

59

hande opsprake, hetzy van Leenroerigheid, of dat. jeraant Theologise daarop soude moeten studeren, of uit wat anderen hoofde dat sonde mogen zyn.

Luidende dat Contract van woorde tot woorde:

(:jn margine stont:) ! lieren Drost en Gedepden. ipproberen en confirmeren pit accoord. Actum Assen den 21 April 1699.

(: gett:)

Corn: van Dongen ten Oldengaerden. Ter Ordonnantie van de welgeni: Heeren L. Nysingh.

1699.

h Alsoo questie over Leenroeriglieit ware geresen tusschen de HoogWelGeb: Heere Drost en Baron tmn Valiant, als besitter van den Huise Satinge, en Mr. Willem. Jnrriem liackbergen, en voor wien mede jntereedeerden de andere Jnteressenten, t\'saemen pligtige geweest tot betalinge van vyftien Mudden rogge en agtien mudden garste, alles Groninger mate, zoo dese jnteressenten jaarlyx uit hare goederen of uit eenige van deselve plagten te betalen aan — of ten behoeve van — L; Vrouwen Vicarije, in de kercke tot Dvïingeloo gestigt geweest. En gevolglyk ook quaestio in de deure stont of de Besitteren van dese Vicarije Eoggo ende Garstenpacht daarover alleen souden hebben jus collationis om jemant te nomineren en dien op dese Vica-ryen opkomsten Theologife laten studeren, dan of haar recht zig verder extenteerde, en ook meerder andere geschillen daarover souden konneu spruiten. Zoo hooggem. Heere Drost en Baron van Pallant en voorgedagte Willem Jurriem Back-hergen en zyne consorten, tot wegneminge van die in revisie nog hangende quasstie van Leenroerigheit en voorkominge van alle verdere dispuiten, die hier over eeniger maten konden ontstaen, in deser voegen verdragen; dat nog de Heere Drost en Baron van Pallant, nog zyn HoogWelGeb. universele of singuliere successeuren en besitteren van Batinge ten eenigen tyden eenig recht, actie of prsetensie van Leenroerigheit, of vau jemant uit die Vicarye Theologi® te laten studeren, of uit eenig anderen hoofde, sal of suilen reserveren of hebben, maar dese rogge- en garstenpagt, en de goederen waer uit die syn betaelt geworden, met derselver aankleven, Zyn HoogWelGeb: en Zyn HoogWelgeb: successeuren houden en erkennen als een vrij allodiael goet, sonder eenigerhande opsprake.

Waarby de Heere Drost en Baron van Pallant uit goede genegentheit heeft believen te verklaren, dat Zyn HoogWelGeb: na vermogen wil secunderen dat dese rogge- en garsten-pacht.

-ocr page 142-

60

en die goederen waaruit die zyn betaalt geworden, met derselver aankleven, ook ten opzigte van alle en een jeder, voor vry ende allodiael goet sonder eenigerhande opsprake by de Staten deser Landschap mogen worden verklaart, \'t zij van Leenroerig-heit, of dat jemant Theologife daerop soude moeten studeren, of uit eenigen anderen hoofde.

Waartegens Willem Jurriens Badcheryen en zyne consorten eens voor al sullen betalen eerstkomende Martini 1699 de sorame van driehonderd en twintig Gar: gl:, welcke penningen sullen geëmployeert worden tot dienst en beneficie van de pastorye tot Dwingéloo.

En op dat dese conventie volkomen effect sal komen te sorteren, en zooveel mogelijk geamplieert ten opzigte van de gerustheid van Willem Jurriens Dackhergen en zyne consorten, is tusschen respective partijen en contrahenten verdragen, dat ter eerster Vergaderinge van de Heeren Drost en Gedeputeerden daarvan provisionele approbatie, met ampliatie van de vorige extensie, sal worden versogt, en de volkomene approbatie, met gemelte ampliatie, op de eerste Vergaderinge van de Heeren Eidderschap en Eygen Erfden.

Des ten oirkonde en vestenisse deses zoo hebben respective Contrahenten desen wedersyts getekent, en twee alleensluidenden gedaan verveerdigen, waarvan by eleke partije eene is genoten.

Actum op den Huise Batingen den 13n April 1699.

(: was geteikent met verscheyden handen :) E. A. B. de Pallandt. Willem Jükriens Back berg en

Luitjen Weees. -Tan Hendricks Scuuiiunü.

Luijckes Mensen.

(; Onder stont nog :)

Dese drie Hondert en twintig Car: gl: zyn my voldaan Assen den 5 December 1699.

(: en geteikent:) E. A. B. de Pallandt.quot;

Hebben de Heeren Ridderschap en Eygen Erfden de Ecmonstranten Haar versoek, zoo als ten requeste gedaan, eenparig geaccordeert.

-ocr page 143-

B IJ L A. O E B 3.

R EGT D AGS-SENT ENT IE.

Jovis d\' 30 Julij 1767. P. M.

54. Tussclien de Sclioltes van Ruinen H. TT. CamerlingJt 1), Impetrant ter eenre, en Coert Winkel, voor hem en consorten, koperen van de liuisen en goederen van de fleer van Runen f), en Jan Jacobs in Geusinge, voor hem selve en mede in naeme van Hendrik Jam Coelingh en verdere aankoperen van de vicarielanden, Gerequireerdens ter andere zyde, contenderende Impetr*., ten einde Gereqquot;3. onder zig zullen uit-vondig maken, wie van dezelve aan den Impetrt. het volle stuivergeld §) en eerste termyn kooppenningen. Mei 176? verschenen geweest, zal voldoen, cum expensis.

Ten dien .einde poserende, dat door Geciteerdens enige vicarielanden zyn verkogt en aangekogt.

Uit naame van Jan. Jacobs, voor hem en verdere aankoperen van de vicariegoederen, wierde gecontendeert, tegens Coert Winkel en verdere verkoperen van die goederen, ten einde dezelve mogen worden gecondem-neert, om de aankoperen volkomene versekeringe te geven, dat die aan-gekogte landeryen als vrye goederen, en niet verder beswaart met jaar-

1

Ten zijnen overstaan waren de nagemelde goederen publiek verkocht. De Schout

-ocr page 144-

62

lykse uitgangen of andersins, als by de opslagscedulle 1) woordelyk uitgedrukt staan, mogen ontvangen.

Ten dien einde-allegerende, dat Coert Winkel en Consn. aan Geciteerdens verscheidene vicarie-landeryen hadden verkogt, zonder dat gemeld hebben dat het vicarie-landeryen waaren, of de uitgangen gespecificeert, waarmede die goederen beswaart waaren, gelyk verkoperen verpligt waren, omdat in consideratie zoude kunnen komen, of dese goederen wel mogten worden verkogt, om dat tot pios usus of andersins waeren gecon-stitueert.

Uit naam van Coert Winkel en Const11, wierde gecontendeert, ten einde ian Jacobs en verdere consorten in den eisch van den Impetraut mogen worden gecondemneert, en aan haar haare conclusie ontsegt: tot diens adstructie poserende, dat zy de goederen hadden verkogt zoo als de Heer Marquis f) daar toe geregtigt is, behalven dat de goederen gelevert waeren zo als naar regte daar toe verpligt; dat ook by de conditiën der myncedulle niet zynde bedongen, dat by de betaalinge der kooppenn: diergelyke cautie, als nu geeischt, zoude moeten worden gesteld; dat de koperen wel hadden geweeten, dat zy kogten goederen die de naam hadden van vicariegoederen; dat ook dese goederen niet zouden konnen worden gereclameert op een sustenu even als of dese goederen ad pios usus waaren gedestineert, omdat er twee Vicarien waaren die de Heer van Ruinen zelvs hadde gefundeert §); dat het in de keur van de eigenaar zoude staan, van dese goederen ten faveure van een ander te disponeren, of niet; dat ingeval de geeischte cautie zoude moeten gestelt worden, de koop nul zoude zyn.

Jan Jacobs en consorten repliceerden, dat deze goederen niet mogten verkogt worden dan met consent van de Staten.

1

Myncedul = Conditiën vau verkoop. Bene verkooping werd door de oude

-ocr page 145-

63

Coert Winkel en consn. dupliceerden, dat aan zyde der koperen niet was be\'.veesen, dat dese goederen met eenige andere lasten of uitgangen waeren beswaert, als die in de conditiën gemeld waeren, zodat het consent van de Staten alhyr niet te pas zoude komen.

KENNEN en VERKIAEREN de Heeren Drost en Gedeputeerden en condemneren -Jtiii Jacobs en consorten, om het geeyschte stuyvergeld en eerste termyn kooppenningen. Mei 1767 verscbeenen, an Impten. te betaelen, alsmede de kosten van de Impett., de overige kosten tusschen parthyen compenserende.»

-ocr page 146-
-ocr page 147-

E A P P O E T

OVER

DE VIOARIEGOEDÏÏRBNquot;

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

i?f

O V E R IJ S 8 E L.

-ocr page 148-
-ocr page 149-

DE VICARIEGOEDEREN IN OVERIJSSEL.

Naar aanleiding van de bekende kwestie over de betaling der tractementen der predikanten bij de Hervormde gemeente te Kampen is de geschiedenis der geestelijke goederen in Overijssel breedvoerig en uit verschillende oogpunten onderzocht en is omtrent den rechtstoestand dier goederen in dat gewest meer licht opgegaan dan in eene der andere provinciën het geval was (1).

Wat evenwel de vicariegoederen meer in het bijzonder betreft, is door dat onderzoek niet veel meer dan vroeger bekend geworden, vooral is echter daardoor gebleken, dat men in Overijssel veel minder belang in die stichtingen heeft gesteld dan in Gelderland, zoodat ook de wetgeving zich daarmede minder heeft ingelaten en het toezicht op de eigendommen der vicariën, zoo het al in werkelijkheid bestond, zeker niet zeer streng was.

Misschien is dit wel daaraan toe te schrijven, dat de vicariën in Overijssel niet alleen veel minder in aantal waren, maar ook van geringere beteekenis dan in Gelderland. Het gevolg van een en ander is dan ook, dat de geschiedenis dier stichtingen in deze provincie meestal in het geheel niet is na te gaan en dat slechts weinige vicariën de XVIII eeuw hebben overleefd.

(1) De volledige verzameling der stukkon, rapporten en besluiten omtrent die kwestie is mij welwillend ter hand gesteld door ons geacht medelid Mr. W. B. S. Boeles, die door den gemeenteraad van Kampen met Mr. B. J. Lintelo Baron de Geer van Jutfaas on Mr. G. Diephuis was verzocht een advies daaromtrent te willen indienen, waaraan door die heeren is voldaan. Van al die bescheiden is door mij niet alleen dankbaar, maar ook ruimschoots gebruik gemaakt voor het opmaken van dit rapport.

-ocr page 150-

4

Ten tijde der Hervorming behoorde Overijssel tot liet in 1559 opgerichte Bisdom Deventer en aan de door den bisschop in 1571 gehouden kerkvisitatiën danken wij de kennis van de eigendommen en inkomsten van de kerken en vicariën in vele gemeenten van Overijssel, benevens verschillende daarop betrekking hebbende niet onbelangrijke bijzonderheden. Daaronder ontbreken ook niet de bewijzen, dat de eerbied voor de R. C. kerk en hare instellingen toen reeds zeer was verminderd (1).

In Kampen word dan ook al in 1566 door Caspar Holstech, als geestelijke ouder den naam van rector dienstdoende in het gasthuis aldaar het Sacrament des altaars onder twee gedaanten uitgedeeld en zulks op verzoek van den magistraat, die hem voor alle schade, die daaruit kou voortvloeien, vrijwaarde. Wel moest hij in 1567 reeds die stad ontvluchten, doch hij keerde in 1578 als predikant daar terug.

Ook in Deventer gaf de pastoor der L. V. kerk C. Gallus in zijne predicatiën en verdere handelingen de duidelijkste bewijzen van overhelling tot de Hervorming en ofschoon dit door het bestuur werd goedgekeurd en hij door hetzelve werd gesteund, moest hij op sterk aandringen van den Graaf van Arenberg in 1561 Deventer verlaten. Na de overgave van Deventer aan den Graaf van Rennenberg kwam Gallus terug en stelde een geschrift op onder den titel van: „Discours ende bericht op die administratie der Geestelicher ofte kerekengueder der Stadtt Deventer vann die Olderlingen unndt Diaconen der Kerckengeraeinten daerselffst Eijn Erbar Raedt to bedenckenn voirgestelltquot; (2). Dit stuk, hetgeen 27 April 1581 bij den Raad werd ingediend, komt in vele opzichten overeen met het Geldersch discours van dienzelfden schrijver , hetwelk den grond legde voor het Geldersch

(1) Acta visitationis Jioeeesis Daventriensis per Episoopum Daventriensem cum suis factae anno Domini 1571, of het zoogenaamd visitatieboek, hetwelk wordt uitgegeven door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch recht en geschiedenis en waarvan de afgedrukte vellen mij welwillend door den heer Gemeente-archivaris van Zwolle Mr. A. Telting zijn medegedeeld. Bladz. 3, 4, 5, 6, 7, 19, 68, 99, 111, e. o. a. p. m.

(2) Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, III bladz. 169.

-ocr page 151-

5

plakkaat van 31 Mei 1580, waarbij de oprichting van eene rekenkamer voor de geestelijke goederen in Gelderland en Zntphen werd gelast.

Het stuk te Deventer door Gallus ingeleverd, bevatte nog een hoofdstuk meer dan het Gelderscho, inhoudende de wederlegging der deductie van het Kapittel, waarmede dit zijne administratie verdedigde en de reformatie trachtte te beletten. Een groot deel toch zijner leden was in die stad gebleven en bleef de goederen beheeren, zoo zelfs, dat zij weigerden aan den magistraat een inventaris van de door hen bestuurde goederen te geven en eerst op het sterk aandringen van den Raad daartoe overgingen.

Omtrent de vicariën schreef Gallus in dit discours „de vacerende vicariën (1) up den Barchquot; zullen alleen aan hen geconferiert worden, die sich tot de dienst der kerken of scholen begeven, wel verstaande alleen, wanneer de prior of andere particuliere personen het jus patronatus hebben en niet, wanneer dat toekomt aan het kerspel of de Ecclesia: in het laatste geval zal het in communi masse komen en ten moesten profijt der kerken tot de punten hierboven opgegeven, kerk en school, worden gebruikt (2).

Door de Deventersche regeering werd Gallus 8 Augustus 1583 aangesteld tot ontvanger der geestelijke goederen, om te ontvangen wat te ontvangen was, en deze betrekking heeft hij ongeveer 3 jaar vervuld.

Ofschoon nu aan de denkbeelden van Gallus wel niet dadelijk te Deventer geheel gevolg is gegeven, misschien ook wel, omdat die stad weinig jaren daarna weder onder de macht van Spanje kwam, vindt men ten opzichte der vicariën bij de resolutie van

(1) Reeds in 1571 werd bij de tweede kerkvisitatie in de Bergkerk te Deventer door den Bisschop gelast de goederen van twee vicariën in beslag te nemen, omdat de vicarissen niet aan hunne verplichtingen voldeden en werden twee andere vicarissen daarmede bedreigd, wanneer zij in het vervolg niet zorgden voor het volbrengen der hun opgelegde kerkelijke diensten, hetzij in eigen persoon, hetzij door een ander daartoe bevoegd en geschikt geestelijke. Acta visitationis, bladz. 5.

(2) Bijdragen geschiedenis van Overijssel, deel 111, bladz. 1G9.

-ocr page 152-

6

Ridderschap en Steden die denkbeelden volledig gehuldigd, terwijl ook te Deventer in dien geest, nadat in 1591 die stad door Maurits aan de Staatsche zijde terug was gebracht, bij resolutie van 27 Mei 1592, werd besloten de geestelijke goederen te gebruiken tot onderhoud van predikant en scholen „daertoe sie gegeven sijnnenquot;. Hetzelfde vindt men in de resolutie van 17 October 1609 (1).

In Zwolle was reeds vroeger en wel in 1580 eene commissie benoemd uit de „Gezworen Gemeentequot; om de middelen te beramen tot onderhoud der predikanten en werden bij resolutie van 25 Juli 1580 (2) de inkomsten van de goederen van het klooster der Predikheeren (gewoonlijk het Broederenklooster genaamd) en van drie vicariën in de St. Michaels kerk, ter begeving staande van den magistraat, aangewezen, om gebruikt te worden voor het onderhoud van de predikanten eu kerke-dienaars. Tevens werden twee personen uit den Raad en twee uit de gemeente gekozen, om die goederen te beheeren, de renten in te vorderen en te ontvangen en de roerende goederen van dat klooster te verkoopen.

Brachten die goederen meer op dan noodig was voor het onderhoud der kerke-dienaars dan moest het meerdere gebruikt worden voor de reparatie van de L. Vrouwen en Broederen kerk en verder ter beschikking gesteld worden van den Raad.

In Kampen werd in 1579 door de Hervormden om trac-tement voor twee predikanten verzocht, waarop een weigerend antwoord volgde (3). In October van het volgende jaar had de stad echter reeds de grootste kerken aan de Hervormden overgedragen , inventarissen der vicariegoederen doen opmaken, en ook een deel der pastoriegelden ontvangen, welke de pastoor Havens bij zijn vertrek niet had geïnd, en daaronder

(1) De kwestie Tan de betaling der tractementen der predikanten te Kampen. Nader rapport van den Kerkeraad, bladz. 20.

(2) De kwestie enz. Nader rapport, bladz. 17.

(3) De kwestie van de betaling der tractementen der predikanten te Kampen. Nader rapport van den Kerkeraad, bladz. 12,

-ocr page 153-

7

ook de inkomsten der St. Barbara en H. Kruis vicariën, welke in 1578 door den Raad, ten wiens begeving zij stonden, toen Havens naar Kampen beroepen was, hem waren toegezegd.

In 1581 werd aan de predikanten het eerst tractement van stadswege toegekend en van af dit jaar werden niet alleen de inkomsten der pastorie, maar ook van vele vicariën, waarvan de magistraat collator was, of welke vrij vielen, omdat hare collatie aan geestelijke of niet meer bekende besturen of collegiën behoorde, verantwoord in de stadsrekening. Ten einde beter te zorgen, dat de openvallende vicariën niet verduisterd werden, werd in 1585 aan drie gedeputeerden uit den Raad opgedragen, daarop toe te zien. Twee jaren later werd A. Kallenbach tot ontvanger van geestelijke goederen aangesteld en daarover eene afzonderlijke administratie, gescheiden van de stads finantiën ingevoerd, onder toezicht van drie gedeputeerden. Het schijnt echter dat dit slechts een voorloopige maatregel is geweest en niet alle geestelijke goederen te hebben omvat. Eerst in 1592 is dit beheer geheel geregeld en gesteld onder vier gedeputeerden. Hun beheer betrof niet alleen de goederen der verschillende kloosters in Kampen gesticht, maar ook de zoogenaamde Sacramentsmemorie, de vicariën en pastoriën. Daaronder waren niet begrepen de kosteriën en het eigenlijke kerkegoed, dat tot onderhoud der kerk besteed werd en gewoonlijk door twee kerkmeesters werd bestuurd onder toezicht van provisoren.

Deze geheel afgescheidene administratie der geestelijke goederen is tot 1811 in wezen gebleven; toen zijn bij besluit van den Prefect der Monden van den IJssel de goederen van het geestelijk comptoir mede op het stedelijk budget gebracht. Geheel op dezelfde wijze is ook te Zwolle en te Deventer in het beheer over de geestelijke goederen voorzien.

Zoo als in Gelderland de drie hoofdsteden Arnhem, Zutphen en Nijmegen de geestelijke goederen in bezit hadden genomen en het gebruik hunner inkomsten hadden geregeld, zonder zich veel te bekommeren over de bepalingen door den Landdag gemaakt, geschiedde dit ook in Overijssel. In Deventer, Zwolle

-ocr page 154-

8

en Kampen werd de bovenvermelde regeling gemaakt in ieder dier drie steden onafhankelijk van de andere, zonder eenige inmenging van het collegie van Ridderschap en Steden, aan hetwelk de souvereiniteit werd gerekend vervallen te zijn, nadat Overijssel zich aan de Spaansche heerschappij had onttrokken.

De Ridderschap nam hiermede in het hegin genoegen en de eerste resolutie van Ridderschap en Steden gezamenlijk genomen ten opzichte der geestelijke goederen van 13 April 1584 houdt dan ook alleen in, dat de pastorie- en vicariegoederen en de inkomsten der kerken en kosteriën , „alomme in den Lande en de cleijnen stedenquot; zullen worden geïnventariseerd door eiken drost in zijn ambt, om ze tot „godtlicken dienst tdoen gebruiken.quot; Ook in de instructie der Gedeputeerden van 1593 werd aan hen opgedragen al de geestelijke goederen op te schrijven, ten einde het beheer en het gebruik daarvan door de Staten te kunnen regelen, doch alleen voor zooverre die goederen buiten het gebied der drie steden lagen, zoodat de overige ter har er eigenmachtige beschikking werden gelaten (1).

Spoedig veranderde evenwel de Ridderschap van inzicht, eu reeds in 1603 verklaarde zij, dat dit nooit hare meening was geweest en moest veranderd worden, daar op Ridderschap en Steden gezamenlijk , als in de plaats getreden van de vroegere regeering, de souvereiniteit èn in het wereldlijke èn in het geestelijke was vervallen, zoowel in de steden als ten platten lande.

Over het verder beloop dier twisten tusschen Ridderschap en Steden, waarin de Staten-Generaal herhaaldelijk hebben getracht als bemiddelaars op te treden en ook zelfs eene beslissing hebben genomen, welke evenwel door geene der beide partijen is opgevolgd , is het onnoodig verder uit te weiden als voor ons onderwerp van minder belang. Alleen moet vermeld worden, dat aan die twisten een einde is gemaakt door een verdrag in 1363 tusschen de Ridderschap en Steden gesloten (2). Bij die overeen-

(1) Tegenwoordige staat van Overijssel, II bladz. 78. I bladz. 482.

(2) Tegenwoordige staat van Overijssel, I bladz. 204. II bladz. 80.

-ocr page 155-

9

komst werd de toenmalige staat tot grondslag genomen en de souvereiniteit, die ten opzichte van het politieke onverdeeld bleef, in \'t Ecclesiastique, zoo als men het toen noemde, voor de daarbij aangewezen geestelijke goederen gedeeld tusschen de Kidderschap en de Steden.

De Ridderschap ontving daarbij, „tot haeren besonderen nut en privative absolute dispositie erflick en eijgendoemlickenquot; verschillende adelijke goederen en stiften van ter Hunnepe, Weerseloo en Zwarte Water, de goederen behoorende tot de commanderie van Ootmarsum , voorts de kloosters van Olden-zaal en Almelo, de proosdij en het kapittel te Oldenzaal met al de vicariën tot die verschillende gestichten behoorende, onder de bij die overeenkomst gemaakte bepalingen. Bijna al deze goederen waren reeds in het bezit der Ridderschap.

De Heeren van de steden Deventer, Kampen en Zwolle verkregen daarbij even zoo „tot haeren respectiven besonderen uut en privative absolute dispositie erflick en eijgendoemlickquot;, alle geeste-lijke goederen en kloosters, als zij thans ieder reeds bezitten. Ofschoon men nu wel uit sommige bewoordingen dier overeenkomst zoude kunnen afleiden, dat tusschen Ridderschap en Steden een privaatrechtelijk contract werd gesloten en een gemeenschappelijk eigendom verdeeld en dat de daarbij vermelde geestelijke goederen aan elkander in eigendom werden overgedragen, is het uit de aanleiding en den geheelen loop van het geschil duidelijk, dat het hier alleen eene publiekrechtelijke kwestie gold.

Het verdient daarbij opmerking, dat in die overeenkomst volstrekt geen melding wordt gemaakt van de eigenlijke kerkelijke goederen onder beheer der drie steden staande, en dat aan deze geenerlei verplichting ter dier zake is opgelegd, terwijl van de Ridderschap, aan welke in de vicariën te Oldenzaal kerkelijke goederen werden toegekend, de betaling van de predika ntstracte-menten aldaar wordt bedongen, gelijk mede het gewone onderhoud en de herstelling van de kerk, voor zoo verre het kapittel daartoe vroeger ook is verplicht geweest.

-ocr page 156-

10

Uit het opleggen dier verplichting bij de overeenkomst alleen aan de Ridderschap blijkt, dat beide partijen er van overtuigd waren, dat, al werd het niet bepaald, die verplichting toe op de steden rustte. Aan deze toch werden die goederen als souverein toegekend en volgens de denkbeelden dier (lagen e hoorde het tot de plichten van den souverein den godsdienst te bevorderen, en te zorgen, als in de plaats getreden van de vroegere geestelijkheid, dat de inkomsten der goederen voor den godsdienst bestemd, waaronder na de omkeering alleen de Hervormde godsdienst werd bedoeld, ook werkelijk daar voor werden gebruikt. Het was daarom onnoodig zulks bij de overeenkomst

te bedingen, en geenzins kan uit de weglating dezer verplichting

worden afgeleid, dat de geestelijke goederen ter geheel vrije beschikking aan die drie steden waren overgelaten , zoo als dit ook trouwens door die steden nooit, dan alleen in deze eeuw is beweerd, zonder ook toen zich geheel te onttrekken aan de, zoo al niet wettelijke bewijsbare, dan toch stellig zedelijke verplichting, die zij bij het tot zich nemen en onder zich houden der geestelijke en kerkelijke goederen op zich hadden genomen.

Aan Ridderschap en Steden bleef de beschikking over al de geestelijke goederen ten platten lande en in de kleine steden , voor zooverre zij niet ter beschikking waren gesteld van de Ridderschap alleen.

Deze goederen waren, wat de kloostergoederen betre , ijna allen reeds vroeg onder beheer van de provinciale kantoren gebracht. Niettemin was er veel verduisterd en werden telkens door de tijdelijke bezitters geestelijke goederen vervreemd waartegen herhaaldelijk bij resolutiën van Ridderschap en Steden werd gewaarschuwd. In 1595 werd om dit nog meer te voorkomen, door de Staten de verkoop van zulk goed zonder voorafgaande vergunning van Gedeputeerden nietig verklaard. Omtrent de pastorie- en vicariegoederen was er meer verschil. In den reo-el waren deze onder beheer gebleven van de pastoren ot de hun opgevolgd hebbende predikanten, menigmaal echter oo in andere handen gekomen.

-ocr page 157-

11

Ontstond daarover twist, dan gelastten Gedeputeerde Staten gewoonlijk\', dat de schouten dit beheer op zich namen.

Opmerking verdient het, dat in den regel daarbij de pastorie en vicariegoederen gelijktijdig worden genoemd als te zameL bestemd voor het onderhoud van de predikanten en schoolmeesters ; het blijkt daaruit, dat men hier onder den naam van vicaris gewoonlijk den hulppriester of kapellaan verstond of althans alleen de vicariën juris patronatus ecclesiastici bedoelde.

In Salland werd door Gedeputeerden in 1613 (1), in de plaats van de afzonderlijke beheerders, in elke gemeente een ontvanger aangesteld voor de goederen „van de vicariën en de pastoriën ten behoeve van de predicanten ende dienaren des Godtlicken wordts.quot; Zij deden dit, zooals men in die resolutie leest, omdat de pastorie- en vicariegoederen ten platten lande in Salland hier en daar zeer zijn „veralieneert, versplittet en-de verdonkert, daardoir de predicanten alomme qualicker worden onderholden. Clagende ook deselve , dat sie, bij het invorderen van dien bij oire kerspelluider sich gants exeus maicken ende groeten ongonste laden (2).

Deze wijze van beheer is telkens uitgebreid zooals in het Hasselterambt en Vollenhove, en meermalen werd door de Kerk verzocht om de inning en uitbetaling der tractementen door tusschenkomst van den ontvanger te doen geschieden (3).

Bij besluit van 21 Maart 1621 van de Staten van Overijssel werden vervolgens Gedeputeerde Staten gelast te bevorderen , dat even als in Salland ook in Twenthe de pastorie- en vicariegoederen werden opgeschreven en beheerd, om tot onderhoud van de

(1) Nader Eapport, bladz. 51.

(2) Tegenwoordige staat van Overijasel, 11 bladz. 104.

(3) In 1619 verzochten de Gredeputeerden van de Sijnode aan de Staten o. a. dat door den Generalen Rentmeester in elk Drost-ambt de dienaren des woords uit de opbrengsten der pastoriën mochten betaald worden en zij niet langer noodig zouden hebben van do „ Richteren Schuiten ende Volmachten der Kerspelen, die aen vele plaetsen geen vrunden van de Kercken en sijn, tselve to verwachten quot;. Nader Rapport, bladz. 54.

-ocr page 158-

12

predikanten en schoolmeesters gebruikt to worden. Door den hevigen tegenstand van de R. C. geestelijkheid in Ootmaisnm en Oldenzaal is dit echter daar niet tot stand gekomen en is het beheer bij de richters, schouten en gewone rentmeesters gebleven.

Wanneer wij nu na deze meer algemeene beschouwingen over de geestelijke goederen overgaan tot de geschiedenis der vicariën, waarvan derden, geene geestelijken zijnde of geestelijke collegiën, het recht van collatie bezaten (beneficia juris patro-natus laïcalis), dan vinden wij de eerste algemeene resolutie van de Staten van Overijssel na de Hervorming in het jaar 1583. Bij dat besluit van 10 October werd bepaald, dat ieder zijn patronaatrecht over de vicariën zoude behouden, mits dat niemand de vruchten der daartoe behoorende goederen zelf zou genieten, maar aan een geschikt persoon geven, „die sich entweder ad studia (1) offte in chrigesdienst voor den gemenen Lande be-begheeft end erholdet, daervan die presentatie geschien zall voer die officianten jnden lande end voer die Magistraten jn den steden daer onder die vicariën gelegenquot;. Tevens werd aan dien zelfden ambtenaar opgedragen de geschillen over het collaüe-recht dier stichtingen te beslissen. Het schijnt wel, dat ook aan dat besluit niet algemeen is gehoorzaamd en men het daarom noodig achtte te gelasten bij besluit van 18 Juni 1608, dat allen, die beweerden jus patronatus van eenige geestelijke goederen te bezitten, authentieke afschriften van hunne titels en bewijzen aan de drosten zouden overleggen.

Nadat men eerst aan de collatoren der vicariën de beschikking over de geheele opbrengst der daaraan verbondene goederen had overgelaten, kwam men in 1602 (2) daarop terug en be-

(1) Dit was geheel in overeenstemming met den toestand vóór de Hervoi-ming. In het bovengenoemde visitatieboek vindt men dit herhaaldelijk achter den naam van den vicaris vermeld met het enkele woord: „Studet oi met de bijvoeging van den naam van de plaats, aan welker hoogeschool de vioaiis studeerde, bladz. 7, 25, 29, 94 e. a. p.

(2) Res. 25 April 1602. N. Rapport, bladz. 28.

-ocr page 159-

13

sloten de Staten op het voorbeeld van andere provinciën, dat in het vervolg de eollatoren van vicariën een deel der inkomsten tot onderhoud van predikanten en schoolmeesters zouden uit-keeren. De Staten bepaalden dit deel op de helft, ofschoon dit in de andere gewesten, waar ook een deel voor kerk en school werd gevorderd, niet hooger dan op een derde was vastgesteld; en zij bleven daarbij volharden, niettegenstaande den tegenstand van sommige eollatoren, vooral onder de Edelen. In Salland werd deze resolutie evenwel niet opgevolgd en dit geschiedde eerst in 1659, nadat de Staten bij eene nieuwe resolutie van dat jaar de geldigheid der resolutie van 1602 ook voor die streek nogmaals hadden uitgesproken. Later en wel bij resolutie van 18 April 1660 werd gelast, dat de inkomsten der vicariën alleen ad pios usus aan Gereformeerden mochten gegeven worden, waaruit volgt, dat men toen niet langer de bestemming aan die inkomsten te geven tot de studie beperkte en dat ze niet meer ten behoeve van den krijgsdienst mochten worden gebruikt.

Aan dit besluit heeft men zich later ook gehouden en toen door den collator de inkomsten eener vicarie te Denekamp aan zÜn jaoer waren gegeven, werd deze begeving vernietigd als strijdende tegen de intentie en resolutie van Ridderschap en Steden (besluit van 6 April 1775). Tevens werd den collator gelast, om de vicariën te geven aan een geschikt persoon en hem, ten fine van approbatie, te presenteeren aan den drost van Twen the (1).

Deze approbatie schjjnt in den regel niet te zijn gevraagd en daardoor bleven begevingen in strijd met de resolutie zeer dikwijls onbekend. Om daartegen beter te kunnen waken, is bij publicatie van 10 April 1775 door de Staten bevolen, dat voortaan alle collatiën en begevingen van vicariën ter goed-

(1) Almelo heeft zich steeds weinig aan de besluiten der Staten gestoord en nog in deze eeuw, zoo als bij de opgave der vicariën beneden is aangetee-kend, werd dit laatste besluit door den Heer dier plaats bij de begeving zijner vicariën telkens overtreden.

-ocr page 160-

14

keuring aan de heeren drosten en hoofd-officieren en aan de magistraten in de kleine steden moeten worden gepresenteerd en zulks op eene boete van f 50, met verderen last aan de ambtenaren, om van dergelijke verzuimen op de eerstvolgende vergadering van Ridderschap en Steden kennis te geven.

In de archieven in Overijssel zijn, ook zelfs na een daartoe bepaaldelijk gedaan onderzoek, geene registers van de confir-matiën der vicariën in dit gewest gevonden. Het is daardoor zeer moeiehjk, ja van de meeste vicariën onmogelijk, om na te gaan, welke en hoelang zij na de Hervorming nog in wezen zijn gebleven en waartoe hare inkomsten en hare eigendommen zijn besteed.

De voornaamste bron, waaruit men nog het een en ander daaromtreat kan putten, is het Rapport van de Extra-ordinaris Gedeputeerden tot de Recherche der Domeinen den 18 April 1659 in de vergadering der Staten uitgebracht, ingevolge eene publicatie van het jaar te voren, toen hun gelast werd te onderzoeken naar alle geestelijke, kerkelijke en ad pios usus bestemde goederen en aan de collatoren, predikanten enz. bevolen, om binnen zes weken aan Gedeputeerden inlichtingen te geven, registers en verdere bescheiden en als die goederen verkocht of verhuurd zijn, tevens de koop en pachtprijzen mede te deelen. In Vollenhoven en in bijna geheel Salland is hieraan geen gehoor gegeven 5 van daar, dat in 1681 eene nieuwe commissie is benoemd, welke van hare bevinding ook rapport

heeft uitgebracht.

In de hier achtergeplaatste lijst zijn door mij opgenomen die vicariën, waarvan mij uit die rapporten der Extraordinaris Gedeputeerden en uit enkele andere stukken bijzonderheden, die van eenig belang toeschenen, zijn bekend geworden, waarbij door mij zyn gevoegd de zeer luttele mededeelingen omtrent enkele vicariën, welke na 1795 nog in wezen waren, of welker vroeger bestaan nog in de herinnering leefde, of bij geruchte bekend was.

-ocr page 161-

15

Almelo. — In de kerk aldaar -waren acht vicariën, allen ter begeving staande van den Heer van Almelo, gewijd d0. 1, aan de H. Drie koningen; n0. 2, H. Anna;n0. 3, H. Georgius; n0. 4, H. Maria Magdalena; n0. 5, H. Antonius;n0. 6, O. L. Vrouw; n0. 7, H. Antonius en Andreas; n0. 8, O. L. Vrouw en H. Mcolaas. Volgens het rapport van 1659 was die Heer weigerachtig eenige inlichtingen te geven aan de Gedeputeerden en bleef dit niettegenstaande aanmaning van de Staten. Er blijkt niet, dat later door de opvolgende Hoeren aan de resolutiën van Ridderschap en Steden eeuig gevolg is gegeven, noch dat door hen ooit goedkeuring op de door hen gedane begevingen is gevraagd of uitkeering van de helft der inkomsten voor predikanten en schoolmeesters is geschied. Evenmin was dit het geval met de inkomsten der vicariën te Almelooveer of, zooals het dorp tegenwoordig wordt genoemd, to Vriezenveen, wier collatie mede aan die Heeren toebehoorde en welke gewijd waren n0. 1, aan het H. Kruis; n0. 2 aan den H. Antonius en n0. 3 aan de H. Anna. Toch zijn deze vicariën nog lang in wezen gebleven en werden zij geheel naar willekeur door die Heeren begeven, die even als vroeger geenerlei inmenging van de regeering ten opzichte dier stichtingen toelieten. Zoo leest men, dat den 10 Augustus 1798 de muiiicipaliteit van Almelo bericht had gezonden aan het Staatsbewind, dat de toenmalige collatrice had geweigerd opgave der\' fundatiebrieven dier vicariën. te doen, met verzoek krachtige maatregelen daartegen te nemen, waarop wordt besloten den agent van inwendige politie te gelasten, zorg te dragen, dat de publicatie van 12 Juli te voren, waarbij die mededeeling was bevolen, stipt worde nagekomen.

Volgens opgaven van do administratie der domeinen in het lste ressort van Overijssel van 9 October 1826, waren al die vicariën toen begeven en wel n0. 1, aan den jager op den huize Almelo en beliep de vermoedelijke jaarlijksche opbrengst aan landpacht ongeveer ƒ 90; n0. 2, aan den rentmeester op dat huis en de vermoedelijke opbrengst ongeveer f 220; n0 3, aan eene vroegere kamenier, /quot;126 opbrengst; n0. 4, aaneen

-ocr page 162-

16

scliilder en ontvanger der directe belastingen, ƒ 130 opbrengst; n0. 5, aan een oud koetsier en oud gerechtsdienaar, opbrengst onbekend; nquot;. 6, aan een vroegeren lijfknecht; n0. 7 en 8, aan een schilder en den rector der latijnsche school te Almelo, yermoedelijke opbrengst f 165. Van de vicariën te Vriezenveen was n0. 1 vergeven aan voormelden schilder en ontvanger met eene vermoedelijke jaarlijksche opbrengst van ƒ 257.50. Van n0. 2 was onbekend aan wien zij vergeven was, evenzeer als het bedrag harer inkomsten; n0. 3 was voor Vs vergeven aan de kerk te Almelo en voor Vs aan weduwe van Dr. Swam. De inkomsten bestonden uit verschillende uitgangen, waarvan het bedrag onbekend was.

Te Wierden was eene vicarie gewijd aan O. L. Vrouw,van welke de Heer van Almelo de collatie bezat. Toen in 1659 de Gedeputeerden inlichtingen omtrent die vicarie verzochten, verklaarde de predikant aldaar, dat de Heer van Almelo hem verboden had eenige inlichtingen aan hen te geven. Volgens de bovengenoemde opgave van de administratie der Domeinen was deze vicarie in 1826 begeven aan den reeds meer genoemden schilder en ontvanger en werd de opbrengst op /quot;77 geschat.

Bij acte van 29 Augustus 1826 werd door wijlen A. F. L. Graaf van Rechteren Limpurg een fonds gesticht ten behoeve van het Rectoraat der latijnsche school. De baten van dit fonds bestaande uit uitgangen van huizen en erven en uit huren van landerijen werden begroot op ƒ 178.735 \'sjaars. Enkele uitgangen zijn afgekocht en de opbrengst is belegd op het 2I/2 0 0 Grootboek, terwijl de koopprijs der verkochte landerijen bedragende ƒ 2453 in schuldbrieven der gemeente Almelo is belegd. Sommige dier uitgangen zijn volgens de acte van fundatie afkomstig van de vicarie gewijd aan den H. Georgius te Almelo en van die gewijd aan het H. Kruis te Vriezenveen.

Verder zijn in 1827 door den collator de landerijen toebehoo-rende aan de bedoelde vicarie te Vriezenveen geheel of gedeeltelijk verkocht ten gezamentlijken bedrage van f 7262.50.

-ocr page 163-

17

Welke bestemming aan die gelden of aan de inkomsten der andere vicariën door den collator is gegeven, is geheel onbekend. Zeker is het, dat eene begeving overeenkomstig de wettelijke bepalingen niet heeft plaats gehad.

Na de opheffing van de latijnsche school in 1874 is het bedoelde fonds vereenigd met de bezittingen der gemeente Almelo.

A ver eest. — St. Catharinae en St. Antonii vicarie. Van deze beide vicariën is niets naders bekend dan alleen, dat eene dezer vicariën tot de school aldaar was vergeven en dat de ingezetenen aan de Staten 11 October 1631 hebben verzocht, dat zij aan hen zouden worden gelaten tot onderhoud van den schoolmeester. De beslissing hierover is aan Gedeputeerde Staten opgedragen. Waarschijnlijk is dit toegestaan en zijn daardoor de goederen dezer vicarie aan het burgerlijk bestuur gekomen en verklaart zich hierdoor, hetgeen vermeld wordt in de Synodale handelingen der Hervormde kerk 1852, bladz. 82, dat voor eenige jaren aldaar door den Burgemeester kosterie? of vicarie goederen zijn verkocht, zonder schadevergoeding en zonder de kerkvoogden gehoord te hebben.

Blankenham. — O. L. Vrouw en St. Antonii vicarie. De inkomsten dezer vicarie waren in 1659 aan den schoolmeester aldaar gegeven.

Borne. — Beatae Mariae Virginis was gesticht in 1420 en daarvan was collatrice de kloostervoogdesse van Almelo. De inkomsten waren in 1659 op den schoolmeester en organist door de Staten geconfereerd en de inkomsten van St. Nicolaas vicarie aldaar op een Luthersch predikant.

Dalfsen. — In de kerk dezer gemeente waren vijf vicariën. Bij het onderzoek der Gredeputeerden in 1659 worden er nog vier opgenoemd, doch niet met den naam van de Heiligen, aan wie zij gewijd waren, maar waarschijnlijk bij den naam van den toenmaligen collator of bezitter. De inkomsten van eene dezer vicariën was door de erfgenamen des kerspels gegeven aan eene weduwe voor haar zoon, mits hij „in studiis erholdenquot; en in de ware Christelijke Religie opgetogen werd en

2 o

-ocr page 164-

18

alleen (1) voor zooverre de inkomsten van de kerkedienst en school gemist konden worden, hetwelk was goedgekeurd door Gedeputeerden bij resolutie van 29 Juli 1G09, en bevestigd door Ridderschap en Steden, nadat kerkemeesters daaromtrent voor den Landdrost van Sallandt eeiie verklaring hadden afgelegd, dat er genoegzame inkomsten voor school en kerk waren. De inkomsten van eene andere vicarie werden genoten door A. Arents, die beweerde daartoe de naaste te zijn en dat hare voorouders die vicarie gesticht zouden hebben. Zij Irid daarop haar recht op de vicarie en liet goed zelf verkocht. In den stichtingbrief stond vermeld dat de inkomsten moesten gebruikt worden voor de afstammelingen van den stichter, om daarop te studeeren of anders voor iemand uit Dalfsen tot de studie bekwaam. Op authorisatie van Ridderschap en Steden met advies van kerkmeesters hebben Gedeputeerden de inkomsten dezer vicarie begeven en den kooper aangeschreven om de besvijzen van zijn recht over te leggen (1659). Onder de parochie van Dalfsen behoorde de kapel te Rechteren, waarvan de Heer van het huis Rechteren collator was, evenals van de daarin gestichte vicariën. Volgens hot rapport van Gedeputeerden van 1659 waren tien jaar vroeger de goederen dier vicarie voor het grootste gedeelte door de collators verkocht voor ongeveer f 20000 en was de koopsom door hen ten eigen behoeve gebruikt.

Del den. — In de kerk aldaar waren vele vicariën, de meesten ter begeving van den Heer van Twickel. Eene dezer gewijd aan St. Johannes Evangelist was begeven aan een predikant te Deventer en bij resolutiën van 27 Maart en 12 April 1622 besloten Gedeputeerden algemeen bekend te maken , dat de renten voortaan alleen aan dezen mochten betaald worden, waarschijnlijk, omdat de burgemeesters van Delden zich daarover hadden beklaagd, omdat vroeger uit die inkomsten de schoolmeester werd betaald.

(1) De kwestie der betaling van de predikanten te Kampen. Nader rapport, bladz. 80.

-ocr page 165-

19

Nadat bij resolutie van 1602 bepaald was, dat de lielft der inkomsten van de vieariën tot onderhoud vau predikanten en scholen moest worden gebruikt en te Delden op verzoek der inwoners tot herstel van hun vervallen kerkgebouw de rechter aldaar door de Staten was belast, om de helft van de inkomsten aller vieariën tot de kerk van Delden behoorende tot reparatie van de kerk te gebruiken, verzocht de Heer van Twickel in 1614, dat de inkomsten van zekere vicarie door zijne voorouders in de kerk te Delden gesticht en hem jure patronatus toekomende in hun geheel tot behoef van degenen, die hij daarmede zoude willen begunstigen , zouden worden uitgekeerd. Bij resolutie van 18 September werd dit verzoek afgewezen en toen de bezitters der vieariën weigerden den predikaut die helft uit te keeren, hebben Gedeputeerden bepaald, dat bij publicatie aan de gebruikers en huurders der goederen dier vieariën tot nader order zoude worden verboden aan de vicarissen pachten, tienden of tijnsen te betalen. Eesolutie 14 October 1625. Toen ook dit niet hielp, werden de vicarissen gedreigd door middel van executie tot betaling te zullen worden genoodzaakt. Eesolutie 13 December 1626 (1).

Denekamp. — St. Catharinae, Agnetis et Barbarae vicarie stond ter begeving van den pastoor, den Graaf van Bentheim en van kerkmeesters. Aan deze vicarie was reeds vóór de Hervorming het kostersambt verbonden. In de plaats van den graaf van Bentheim trad de Heer van Singraven, in wiens kapel de vicaris verplicht was wekelijks eens den dienst te verrichten, als collator op, en werd als zoodanig erkend bij sententie van 1754. Blijkens de notulen der vergadering van Ridderschap en Steden van 7 April 1775 had de collator de inkomsten dier vicarie vergeven aan een jager. Deze collatie werd als strijdende tegen de intentie en resolutie van Ridderschap en Steden vernietigd , waarop de collator 20 October 1775 ten behoeve van de kerk te Denekamp afstand heeft

(1) Kwestie. Nader rapport, bladz. 28.

-ocr page 166-

20

gedaan van zijn recht, „zoodat deze of wel hare bestuurders dezelve \' kunnen geven of besteden tot zoodanige pios usua als zij zullen vermeenen te behoorenOok na de Hervorming werden de inkomsten door den koster genoten, die door de collatoren aan den drost werd voorgedragen.

St. Anton li vicario ter begeving van den pastoor en de twee oudste kerkmeesters was gesticht in 1506. Behalve tot het lezen van drie missen per week was de vicaris ook verplicht tot het bespelen van het orgel. Bij de opneming van 1659 bestonden de inkomsten uit de huren van versohillende stukjes grond van weinig waarde en van een bouwkamp, die in gebruik was bij den predikant en van eenige uitgangen, die slecht betaald werden. Er was veel van die inkomsten verloren gegaan en op de klacht van kerkmeesters en het verzoek, om daartegen maatregelen te nemen werd de drost door Gredeputeerden belast daarnaar onderzoek te doen. — 21 April 1699.

De inkomsten werden genoten door den organist, die door de collatoren daarmede werd begeven na bekrachtiging van den drost (1).

Geregeld is men voortgegaan de inkomsten van de eerste vicarie te vergeven aan den koster, die van de tweede aan

(1) Eene dergelijke begeving geschiedde in 1709, die wij hebben opgenomen, vooral om er op te wijzen, dat meu zelfs nog in de XVIII eeuw bij de goedkeuring eener dergelijke begeving liet oog bleef houden op de toestanden voor de Hervorming, toen elke begeving van een beneficie door den bisschop of den arohi-diaken moest worden goedgekeurd, daar in dat stuk van den drost „als archi-diakenquot; ambtshalve optredende die bevestiging wordt verzocht. Het is een nieuw bewijs, hoezeer men den Hervormden godsdieast als de voortzetting vun den vroegere beschouwde.

In het request verklaren de tegenwoordige leden van den Eerw. Kerkeraad van Denekamp, pastoor, ouderlingen en diaconen als tijdelijke collatoren van de vicarie St. Antonie , dat zij goedgevonden hebben te beroepen A. Palthe tot organist en schoolmeester te Denekamp en „ als tot bekrachtiginge deeses UEd. HoogWelGeb.Uestr. Consent, approbatie en ratificatie volgeus de fundatie vereijscht word, soo versoeken Remonstranten U onderdaniglijk en instandelijk, dat liet U gelieve moge amptshalve als Archidiacou of Officiaal

-ocr page 167-

21

den tijdelijken onderwijzer en organist. Na den dood van den laatsten onderwijzer en organist, ongeveer in 1830, is over de inkomsten van St. Antonii vicarie twist ontstaan tusschen het gemeentebestuur en het collegie van kerkvoogden, waarna de betrekkingen van organist en schoolmeester werden gescheiden.

Er bleek toen, dat de inkomsten dier vicariegoederen niet slechts door den tijdelijken koster en organist werden genoten, maar tevens dat de vaste goederen daartoe behoorende op de kadastrale leggers ten name van den koster en organist waren gebracht. Ten einde nu te voorkomen, dat die goederen verduisterd werden, heeft het Domeinbestuur 24 September 1834 die goederen in beslag genomen en collatoren opgeroepen. De kerkeraad meldde zich aan als collator van St. Antonii vicarie doch niemand als collator van Catharinae vicarie.

Op voorstel van den Gouverneur van Overijssel 8 Mei 1835, waarmede de Minister van Biunenlandsche Zaken zich vereenigde, werden de opkomsten van St. Antonii vicarie zoodanig verdeeld, dat na aftrek van Vs voor het Domein en 5 pet. administratiekosten de predikant daaruit eene toelage ontving van ƒ 100, de organist van ƒ50 en het overblijvende of/quot;27.34 aan de kerkvoogden werd gegeven voor onderhoud van het orgel. De inkomsten van de Catharinae vicarie bleven geheel aan den daarop beroepen koster.

Deze regeling hield echter niet langer stand dan tot 1842, toen alle uitkeeringen door het Domeinbestuur werden gestaakt. Dit geschiedde op grond, dat vele schuldenaars der vicarie weigerden hunne uitgangen aan het Domein te betalen, zoodat het Domeinbestuur reeds meer had betaald, dan het had ontvangen. Er werd dan ook besloten tegen de nalatige debiteuren

deese acte van praesentatie ofte beroepinge te consenteren , approberen, ratificeren en convirmerenquot;. \'t quot;Welk doende enz.

Daarop volgt de beschikking van den Drost des Landschaps Twenthe, waarbij de „ praesentatie ofte beroepingequot; door hem wordt geconsenteerd , geappro-beerd, geratificeerd en geconfirmeerd.

-ocr page 168-

22

oene rechtsvordering in te stellen. Reeds in Augustus 1837 werd op dien grond de heer Roesink TJdink voor de rechtbank te Almelo gedagvaard; telkens werd die zaak uitgesteld, herhaaldelijk werden de verschillende rechtsgeleerden, aan wie de behandeling der zaak achtereenvolgens werd opgedragen, tot spoed aangemaand, doch het einde van het geheele proces was, dat in 1856 na de bekende arresten door den Hoogen Raad in de vicariezaken gewezen, ten verzoeke van het Domeinbestuur de vordering werd geroijeerd.

Omtrent de geheele zaak dezer vicariën is van af de in beslag name harer goederen door hot Domeinbestuur eene zeer uitvoerige correspondentie tusschen de betrokkene Ministers en den Gouverneur van Overijssel gevoerd; allerlei voorstellen werden gedaan en schikkingen voorgesteld op gronden van recht en billijkheid, doch telkens verrezen weder bezwaren, zoo dat aan geen van allen gevolg is gegeven.

De Gouverneur van Overijssel vooral heeft telkens getracht de Regeering tot meerdere toegevendheid te bewegen, doch vergeefs. Hij wees er in zijne missive van 2 December 1850 nogmaals op, dat door de Hervorming de vicariegoederen niet aan den Staat waren vervallen en dat de resolutie van 24 April 1602 niets anders bedoelde dan te voorkomen, dat de patronen zich de geheele inkomsten toeëigenden en te zorgen, dat de helft voor predikant en scholen zoude worden uitgekeerd. Er is echter geenerlei bewijs in de archieven te vinden, dat de provincie ooit iets van de inkomsten heeft genoten. Ridderschapen Steden zijn alleen tnsschenbeide gekomen, om te voorkomen, dat die goederen geheel zouden verloren gaan, geenszins omdat zij ze als provinciaal eigendom hebben beschouwd. Daarenboven zijn in Twenthe, dat lang in handen der Spanjaarden is gebleven , de resolution der Staten ten opzichte der geestelijke goederen niet nagekomen. Do kerkvoogden, van wie men bewijs vraagt, leveren dat bewijs zoo goed zij kunnen, door aan te toonen, dat zij reeds zoo lang hot bezit hebben gehad, hetgeen zeker een beter grond is, dan die, waarop de Staat zich in het bezit heeft gesteld.

-ocr page 169-

23

De geheele zaak maakt een slechten indruk ; vele debiteuren weigeren verder, hetgeen zij aan de vicarie verschuldigd waren, te betalen en daarom is het in het algemeen belang die zaak zoo spoedig mogelijk af te doen. Doch het mocht niet baten, ofschoon de Denekampsche gemeente tot opoffering bereid was; eene schikking kwam niet tot stand, en de inkomsten, die hot Domein ontving, verminderden steeds. Volgens eene opgave van 1850 werd in 1848 als huur van zeventien perceelen land be-hoorende aan St. Antonii vicarie / 168.16 betaald, van de twaalf uitgangen te zamen beloopende in geld / 79.70 werd haar slechts uitgekeerd f 4.40 on van de uitgangen in koren te zamen op f 32.89 geschat werd niets betaald. Evenzoo was het met de uitgangen van St. Catharinae vicarie, van do 65 uitgangen in koren werden slechts 4 betaald.

Toen nu alle pogingen tot een minnelijk vergelijk schipbreuk hadden geleden, heeft de Hervormde gemeente 27 November 1856 een verzoek ingediend bij de rechtbank te Almelo, om gratis te mogen procedeeren tot teruggave van de bedoelde goederen. Namens den Minister van Finantiën werd dit verzoek bestreden en beweerd, dat vóór de Hervorming de collatie dier vicariën behoorde aan den R. C. pastoor te Denekamp en dat na de vernietiging der R. C. instellingen dat recht is vervallen aan den Staat. Dat het jus pairouatus daarenboven wel bij resolutie van 1602 is gehandhaafd, doch onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de Vj der inkomsten tot onderhoud van predikant en scholen moest worden uitgekeerd, terwijl de gemeente van Denekamp gedurende haar vroeger onrechtmatig bezit geene uitkeering hoegenaamd aan de geestelijke of landskantoren heeft gedaan, hoewel de Staat met de bezoldiging der predikanten en onderhoud der scholen was belast.

Niettegenstaande deze bestrijding werd liet verzoek tot gratis procedeeren evenwel door de rechtbank toegestaan, doch bij vonnis van 3 October 1860 is de vordering der gemeente Denekamp tot veroordeeling van het Domeinbestuur, om als bezitter ter kwader trouw die vicariegoederen met kosten,

-ocr page 170-

24

schaden en interessen terug te geven, haar ontzegd, opgrond, dat zij niet het bewijs had geleverd, eigenaresse dier goederen te zijn. Do Hervormde gemeente heeft in dat vonnis berust en de goederen dier vicarie zijn door het Domeinbestuur eenige jaren daarna publiek verkocht.

Deventer. — In de kerken dezer stad waren zeer vele vicariën. Het is niet twijfelachtig, dat ten opzichte der goederen van deze stichtingen ook het bestuur als souverein is opgetreden en de begevingen door derden als collatoren gedaan heeft goedgekeurd en bevestigd, wanneer dit door hen werd verzocht. Van al die vroegere vicariën is echter thans, voor zooverre mij bekend, niets meer overig, zoodat men tevens mag aannemen, dat van gemeentewege geen zeer krachtig toezicht is gehouden, om verduisteringen te beletten.

Diepenheim. — In de kerk aldaar waren twee vicariën. Jor. Ripperda op ten Weldam had zich eene dezer „tot voorsz. kereke genoemendequot; aangematigd onder voorwendsel van patro-naatrecht, de andore evenzoo de rechter van Almelo, tengevolge waarvan de predikant „sijne behoorlicke alimentatie niet kon genieten.quot; Gedeputeerde Staten besloten daarop 29 Juni 1605, dat beiden die vicarie moesten verlaten en „totter kereken-dienst laten volgen. Nisi causam daervan hij sal doen blijcken1quot; (1).

Enschede — had vijf vicariën; Burgemeesteren hadden het recht van begeving van drie dezer. De inkomsten van twee werden genoten door twee schoolmeesters, de derde was begeven aan den zoon van een burger uit die plaats ten behoeve zijner studiën (1659).

Goor. — St. Antonii vicarie stond ter begeving van Borgman en Burgemeesters en hare inkomsten worden aangewend tot onderhoud van den schoolmeester (1659).

O. L. Vrouw of Beatae Mariae Virginis. In 1659 bestonden de daartoe behoorende goederen uit zes tuinen, een daghuur hooiland en een zaaikamp van ongeveer 3 schepels.

1

Nader rapport, bladz. 40.

-ocr page 171-

25

De Heer van Almelo, die beweerde daarvan collator te zijn, had die vicarie begeven aan een Schout in de Betuwe, die gezegd wordt van „de Papiste gelove\'1 te zijn en de inkomsten voor zijn huishouden te gebruiken. Door Gedeputeerden werd daarom voorgesteld die inkomsten voor den tweeden predikant te gebruiken.

Grramsbergen had vijf vicariën. — In 1610 klaagde de predikant aldaar aan Gedeputeerde Staten over zijn gering tractement en verzocht, dat hij tot vermeerdering daarvan een deel der inkomsten van de drie vicariën, tot de kerk behoo-rende, zoude mogen ontvangen. Gedeputeerde Staten belastten daarop de kerkmeesters van Gramsbergen en den schout van Hardenberg om de drie vicariën „jn datelicken toeslach toe nemen ende die halve Opcompsten tott des predicants onderholt mede te emploijeeren.quot;

Een der collators verzette zich daartegen, doch de Staten bleven bij hun besluit. Op verzoek van een ander, die beweerde collator te zijn, dat de helft der inkomsten hem „tott behulp van seeckere Arme persoenen gevolcht mogen wordenwordt dit toegestaan, mits hij vooraf het bewijs van zijn recht zal hebben overgeleverd en mits dat de wederhelft der inkomsten door den schout en kerkmeesters van de gebruikers en erfpachters der goederen zal worden ontvangen en tot onderhoud van den predikant gebruikt (1). Ook hier werd door Gedeputeerden niet de hand gehouden aan de bepaling, dat de begiftigde zich aan de studie of aan den krijgsdienst zou wijden.

Van eene vicarie werd door Gedeputeerden in 1659 aange-teekend, dat de predikant de helft harer inkomsten ontving. Volgens de opgave van den burgemeester liggen in die gemeente 36 hectaren land, zijnde vicariegoederen toebehoorende aan de pastorie van Dalen.

Hei no. — In de kerk aldaar waren twee vicariën. Op het

1

Xmlor rapport, bkdz. öl\'.

-ocr page 172-

26

verzoek van den predikant in 1609 gedaan, dat zijn traetement uit de inkomsten der vicarie tot die kerk behoorende, doch vervreemd en verduisterd, zoude worden vermeerderd, werd door Gedeputeerden besloten te doen onderzoeken, welke vica-riën tot die kerk behoorden en hoeveel zij opbrachten en dan ten beste van den verzoeker dit te regelen. In 1612 verzette zich de collator tegen de uitkeering der vruchten door de pachters aan den predikant en werd de schout van Heino aangeschreven den pachter tegen zulke aanvallen te vrijwaren en anders al de vruchten der vicarie gerechtelijk te doen aantasten en ouder goede bewaring te houden, ten einde te zorgen dat deze „Opcompsten tott onderholt des Predicants, gelijck elders, bekeert mogen wordenquot; (1). Deze inkomsten bestonden uit eene pachtsom van ongeveer 40 ggld. van een hooiland, vicarieland genaamd en van 20 of 22 ggld. pachi van twee katersteden.

Niettegenstaande deze besluiten verklaren Gedeputeerde Staten in hun rapport van 1659, dat die goederen met den Breden-horst, waarvan de eigenaar ook collator der vicariën schijnt te zijn geweest, zijn verkocht.

Kampen. •— In de Nicolaaskerk waren 23 en in de O. L. Vrouwekerk 5 vicariën; ook in het H. Geest gasthuis en in dat gewijd aan St. Geertruida bevonden zich dergelijke stichtingen. Ook ten opzichte dezer goederen achtte die stad zich souverein te zijn in haar eigen gebied, gelijk dit dan ook erkend werd bij de voorvermelde resolutie van Ridderschap en Steden van 10 October 1583. Te Kampen werd ingevolge dat besluit een register aangelegd, waarin de beschikkingen omtrent de vicariën zouden worden aangeteekend en dit ook ten deele zijn; doch niet langer dan tot 1585.

Men hield zich echter niet getrouw aan de bepaling bij die resolutie tegelijkertijd gemaakt, dat de begiftigde de inkomsten zoude gebruiken om daarop te studeeren of zich in krijgsdienst

(1) Nader rapport, bladz. 47.

-ocr page 173-

27

zoude begeven (1). Het sclujnt ook, dat in het algemeen weinig toezicht werd gehouden op die goederen, zoo dat men mag aannemen , dat voor zooveel zij niet verduisterd zijn geworden, zij met de overige geestelijke goederen zijn vermengd en de begevingen langzamerhand zijn achterwege gebleven.

01 s t. — Onder deze gemeente bevonden zich de kapel te quot;Wilsum en die te Hengforden. Bij besluit van Ridderschap en Steden van 2 Juni 1620 werden op verzoek van kerkmeesters en erfgenamen van het kerspel Olst, die beweerden nog geld schuldig te zijn aan hun predikant wegens achterstallig tracte-ment en dit wenschten te betalen en hun kerk te herstellen, de inkomsten dier kapellen daartoe gegeven, benevens de gelden, die zouden overblijven van de inkomsten der pastorie- en vicarie-goederen, nadat daarvan de gewone betaling aan den predikant en schoolmeester was geschied (2).

De burgemeester van Olst deelde in 1880 mede dat volgens loopende geruchten door den Staat de aldaar vroeger bestaan hebbende vicariegoederen zouden zijn verkocht.

Ootmarsum. — In de kerk aldaar waren vijf vicariën. De St. Antonii vicarie stond ter begeving van het convent Albergen. In 1647 werden de inkomsten door Ridderschap en Steden begeven aan de zonen van den predikant Erkelins. Die van Oot-

(1) Bij besluit van Burgemeesteren en Schepenen en Raad der stad Kampen van 21 November 1601 werd op verzoek dor „ Sambtlieke vnmden collatorenquot; van eeno vicarie in de St. lucolaaskerk aldaar genaamd St. Salvatoris (O. L. Vrouwe, St. Mathijs Apostel en Maria Magdalena vicarie) om de opkomsten van die vicariën tot voordeel en profijt van H. de Wolft\' te laten komen, dit toegestaan „sijn leven lanckquot;, mits dat dc goederen tot die vicarie behoorende dadelijk bij de Gedeputeerden van den Raad zullen worden geregistreerd en telkens in het openbaar met de andere „deser Stadts Eccle-siastijcke goederen van deser Stadts wegen opgeslagenquot; zullen worden verpacht en dat H. de Wolff jaarlijks in vier gelijke termijnen uit handen van genoemde Gedeputeerden die pachten en profijten zal ontvangen „ En de sal dese hem sijn leven lanck voor ordinantie dienenquot;. Er blijkt uit dit stuk dat de goederen der vicariën, waarvan derden de collatie hadden, toch van stadswege te Kampen werden beheerd.

(2) Nader rapport, bladz. 62.

-ocr page 174-

28

marsum verzochten in het vervolg de inkomsten voor den rector te mogen ontvangen, aan wien reeds door burgemeester en schepenen de inkomsten van St. Crucis vicarie waren gegeven, welke vicarie vroeger ter begeving had gestaan van den pastoor, den prior van het klooster Sibbekeloo en van schepenen van Oot-marsum. De inkomsten van de vicariën van St. Jan Evangelist en van St. Anna werden volgens het rapport van Gedeputeerden van 1659 voor den tweeden predikant gebruikt. Deze beiden hadden ter begeving gestaan van den pastoor met schepenen. De helft der inkomsten van St. Catliarinae vicarie was toen door de zich noemende collatoren begeven terwijl het onbekend was, waartoe de andere helft werd gebruikt. Eindelijk waren de inkomsten van het H. Geest gasthuis aan den Duitschen schoolmeester gegeven.

R a al t e. — In het werk van Lindebom worden geene vicariën in de kerk aldaar vermeld. Volgens bericht door den burgemeester in 1880 gegeven, zouden daar door het Domeinbestuur vicariegoederen zijn verkocht en voor een gedeelte aangekocht door de Hervormde gemeente aldaar, die ze nog in haar bezit zoude hebben.

Schier wol de. — St. Antouii vicarie staande ter begeving van den pastoor en de broederschap van St. Antonius. Bij resolutie van Ridderschap en Steden waren in 1591 de goederen daartoe en tot de pastorie behoorende aan den hopman Coen in pand gegeven, om ze zoo lang te behouden en te gebruiken, tot dat hij de gelden, die hij voor zijne diensten bij het beleg van Steenwijk te vorderen had, van Ridderschap en Steden zoude hebben ontvangen.

In 1617 werden de erfgenamen van hopman Coen in rechten aangesproken tot teruggave dier goederen. De zoon van dien hopman verzocht toen aan de Staten in dat bezit te worden gehandhaafd, doch verklaarde zich bereid tot dadelijke teruggave, wanneer de gelden zouden zijn betaald, waarvoor die goederen aan zijn vader waren verpand. De Staten verklaren, dat er voor alsnog geene gelden zijn, om dien achterstand te betalen en

-ocr page 175-

29

bepalen, dat de zaken nog twee of drie jaar in dien zelfden staat moeten verblijven, zonder nadeel van die van Sehienvolde en schorsen do procedure.

De inwoners van Schierwolde wendden zich, nadat in plaats van twee of drie jaar reeds zes jaren verloopen waren, zonder dat de landerijen uit het verband waren ontslagen, op nieuw tot de Staten. Drie jaar later was nog geene beslissing gevolgd en daarom in 162G weder een request uit Schierwolde, doch ook nog te vergeefs. Eindelijk besluiten Gedeputeerde Staten na een nieuw verzoek in 1631 aan hen ingediend, om beide partijen voor zich te laten komen, beider recht te onderzoeken en daarnaar te beslissen. Drie jaren later en wel bij beschikking van 25 November 1634 werd besloten aan de erfgenamen van den hopman de aan hen verschuldigd geweest zijnde gelden uit te betalen tegen overgift van de bewijzen van hun pandrecht (1).

Staphorst. — Do St. Catharinae vicarie vroeger ter begeving gestaan hebbende van het Deventer kapittel werd in 1597 aan den zoon van den predikant aldaar gegeven, onder voorwaarde dat hij niet langer te Keulen , maar aan eene binnen-landsche universiteit zoude studeeren.

Steen wijk. — Volgens Lindebom (2) zijn de goederen van beide kerken te Steenwijk in de stadskas gestort. Het is onbekend of tusschen die goederen en die der aan die kerken verbondene vicariën en de te Steenwijk vroeger bestaan hebbende memorie-of Swindermausgoederen eenig verband bestaat. Volgens het bericht van den burgemeester van 1880 waren die goederen hun oorsprong verschuldigd aan een legaat van Mr. Harm van Swinderen canonnik te Steenwijk en pastoor te Vledder. Reeds in vorige eeuwen werden de inkomsten daarvan grootendeels gebruikt ten behoeve der stadsfinanciën en in het begin dezer eeuw zijn de goederen en pachten van de fundatie geheel aan de stad overgegaan. Alleen is daarvan nog overgebleven, dat

(1) Nader rapport, bladz. 64.

(2) Lindebom 11. bladz. 242.

-ocr page 176-

30

uit de gemeentefondsen eene jaarlijksche gratificatie, proeve genaamd, bestaande uit fl.— in geld en in den marktprijs van acht oude schepels rogge aan acht personen, welke werkelijke burgers, burgeressen of burgerlijke lieden zijn en die nooddruft vereischen en hulpe of aalmoesen behoeven, worden geschonken.

Tubbergen. — In de kerk aldaar was eene vicarie ter begeving staande van den pastoor. Bij resolutie van de Staten van Overijssel van 17 Maart 1638 zijn de inkomsten dier vicarie genaamd Beatae Mariae Virginis aan H. Berdanis ad studia gegeven. De inschrijving van f 5000 thans nog op het 272 % Grootboek zich bevindende ten behoeve eener fundatie met last van kerkelijke diensten te verrichten door den tijdelijken E. C. pastoor dier gemeente zal wel van lateren tijd zijn en geene betrekking hebben op de vroegere vicarie.

Weerseloo. — Bij dit dorp was een klooster, dat met zijne goederen bij het convenant van 1663 aan de Ridderschap was overgelaten. Uit de inkomsten dier landerijen werden nog tot in het begin der XIX eeuw aan adelijke jonkvrouwen van den Hervormden godsdienst, zoo lang zij ongehuwd bleven, praebenden uitgereikt.

Wij he. — Op verzoek van de inwoners, dat de geestelijke goederen tot de kerk behoorende ook tot onderhoud van hun predikant zouden worden gebruikt, besloten de Staten 13 Februari 1601, dat de goederen en opkomsten, zoo wel van de pastorie als van de vicarie te Wijhe tot onderhoud van den predikant moesten gebruikt worden tot zoo lang iemand zal hebben bewezen daarop jus patronatus of ander recht te hebben. Den daarop volgenden 8 November werd de schout van Wijhe, omdat aan het eerste besluit geen gevolg was gegeven, gelast en gemachtigd alle opbrengsten der goederen van de kerk te ontvangen en in te vorderen en eerstdaags het land publiek te verpachten, alles tot onderhoud van den predikant, met aanzegging aan de pachters, dat zij hunne pachtsommen alleen aan dien schout moeten betalen en dat betaling aan anderen niet geldig zal zijn. Dit is alles geschied; de schout ontving dus

-ocr page 177-

31

het beheer dier kerke- en vieariegoederen. Eindelijk werd bij resolutie van 24 April 1602 toegestaan alle opkomsten dier vicarie te gebruiken ook tot het achterstallige tractement van den predikant nog over het vorig jaar verschuldigd (1).

Volgens het rapport van Gedeputeerden van 1659 was alles toen nog niet geheel geregeld en genoot Jo. v. G. van Laar de helft der inkomsten van St. Crucis vicarie tot zijne eigene bate, de andere helft ontving de predikant en evenzoo was het met de goederen van St. Annae vicarie, waarvan de inkomsten ook gedeeltelijk door den zicli noemenden collator werden ontvangen.

Wanneer men bovenstaande lijst der vicariën vergelijkt met die, welke in het vroeger vermeld visitatieboek van 1571 en in het werk van Lindebom worden opgenoemd, zal blijken, dat slechts van een klein gedeelte dier vroeger bestaan hebbende stichtingen bijzonderheden worden medegedeeld; terwijl het ons ook niet heeft mogen gelukken meerdere gegevens te verkrijgen omtrent het nog aanwezig zijn van vicariën in Overijssel dan het zeer weinige door de burgemeesters der verschillende gemeenten in die provincie medegedeelde, dat in de vorenstaande lijst is opgenomen.

Eene nieuwe wettelijke regeling der vicariestichtingen zal daarom voor dit gewest geenerlei of hoogstens een zeer gering praktisch belang hebben.

F. C. W. Koker.

(1) Nader rapport, bladz. 41.

-ocr page 178-
-ocr page 179-

R A P P O E T

OVER

Dïï VICAEIEGOEDÏÏREN,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

GELDERLAND.

-ocr page 180-
-ocr page 181-

DE VICARIEGOEDEREN IN GELDERLAND.

Ten tijde der Hervorming waren ook in Gelderland, het toenmalige Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, geestelijke goederen van allerlei aard en bestemming. En gelijk in de andere gewesten heerschte ook daar groote wanorde in het bestuur dier belangrijke eigendommen en groot misbruik in het besteden hunner inkomsten. Gedeeltelijk werden zij in allerlei overdadigheid verteerd, gedeeltelijk aan de Spanjaarden verstrekt. Niet weinige dier goederen werden zelfs verkocht, verpand of bezwaard door de geestelijken, welke ze in bezit hadden en met het daarvoor bekomen geld dikwijls buiten \'s lands vluchtten.

Graaf Jan van Nassau in 1578 tot Stadhouder van Gelderland benoemd, een ijverig; voorvechter der Hervorming, wilde dadelijk verbetering in dien toestand brengen. Hij werd daarin ter zijde gestaan door Carolus Gallus, vroeger pastoor aan de L. V. Kerk te Deventer, doch van daar wegens overhelling tot de kettersche gevoelens verdreven. Deze Gallus had een Discours von der administration der geistlicher cjuederen in het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen opgesteld. Dit geschrift, hetwelk van veel zaakkennis getuigt, behelsde een vertoog over liet doel, waartoe de geestelijke goederen door de voorouders waren gesticht en gebruikt, hoe daartegen later werd gehandeld en die inkomsten verkwist en misbruikt werden en welke ellende daaruit voor het gansche landschap zoude voortvloeien.

-ocr page 182-
-ocr page 183-

R A P P O E T

f

OVER

DE VIOAKIEGOEDEEEJST,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

GELDERLAND.

i

-ocr page 184-
-ocr page 185-

DE VICARIEGOEDEREN IN GELDERLAND.

Ten tijde der Hervorming waren ook in Gelderland, het toenmalige Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, geestelijke goederen van allerlei aard en bestemming. En gelijk in de andere gewesten heerschte ook daar groote wanorde in het bestuur dier belangrijke eigendommen en groot misbruik in het besteden hunner inkomsten. Gedeeltelijk werden zij in allerlei overdadigheid verteerd, gedeeltelijk aan de Spanjaarden verstrekt. Niet weinige dier goederen werden zelfs verkocht, verpand of bezwaard door de geestelijken , welke ze in bezit haddon en met het daarvoor bekomen geld dikwijls buiten \'s lands vluchtten.

Graaf Jan van Nassau in 1578 tot Stadhouder van Gelderland benoemd, een ijverig voorvechter der Hervorming, wilde dadelijk verbetering in dien toestand brengen. Hij werd daarin ter zijde gestaan door Carolus Gallus, vroeger pastoor aan de L. V. Kerk te Deventer, doch van daar wegens overhelling tot de kettersche gevoelens verdreven. Deze Gallus had een Discours von der administration der geistlicher gliederen in het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen opgesteld. Dit geschrift, hetwelk van veel zaakkennis getuigt, behelsde een vertoog over liet doel, waartoe de geestelijke goederen door do voorouders waren gesticht en gebruikt, hoe daartegen later werd gehandeld en die inkomsten verkwist en misbruikt werden en welke ellende daaruit voor het gansche landschap zoude voortvloeien.

-ocr page 186-

4

Vervolgens wees Gallus aan, waartoe die goederen moesten worden gebruikt en hoe zulks moest worden ingericht.

Vooreerst moesten volgens zijne denkbeelden uit die inkomsten, kerkendienaars, rectoren, schoolmeesters en kosters worden onderhouden; verder zoude het zeer nuttig zijn, om in ieder kwartier een Collegium op te richten voor het onderwijs van jonge gezellen, zoowel van adel als anderen, waar dezen konden worden verpleegd, tot dat zij geschikt waren, om kerk of vaderland in een eerlijk ambt of bgroep te dienen. Zulk een Collegium moest ook voor jongejuffrouwen en dochters worden opgericht, welke zonder verandering van kleeding daarin onderhouden werden en onderwijs ontvangen zouden in lezen, schrijven, spinnen, naaien, weven, strijken, breien en ander vrouwelijk handwerk, vooral in de ware godzaligheid, tot dat zij in het huwelijk traden. In deze Collegia moesten ook arme jonge gezellen en meisjes worden opgenomen, doch die van adel moesten er eerlijker in onderhouden worden.

Behalve dit Collegie in ieder der vier kwartieren, moest op eene geschikte plaats eene universiteit worden opgericht, voorzien van geleerde en beroemde professoren. Naar deze universiteit moesten uit de bedoelde Collegiën of uit andere scholen jonge gezellen worden gezonden, die in staat waren dat onderwijs te volgen en de geschiktsten van hen moesten mede op kosten dier goederen naar vreemde universiteiten gaan, ten einde vreemde talen te leeren, waardoor zij het vaderland beter konden dienen. Kinderen van adel moesten, wanneer zij daartoe geschikt waren, bij voorkeur worden gekozen. Op deze wijze handelende zoude niemand kunnen voorwenden, dat hij canonisiën, pastoriën, vicariën of andere geestelijke praebenden begeerde of behield, om daarop zijn zoon te laten studeeren.

Eindelijk moesten van de inkomsten der geestelijke goederen, de kerken , scholen en de woningen der predikanten, professoren, schoolmeesters enz. onderhouden worden, de armen en de verschillende gestichten daarbij niet worden vergeten en zoo mogelijk ook eene bibliotheek worden opgericht. Om evenwel

-ocr page 187-

5

tot dit alles to kunnen komen, moest vooraf een staat worden opgemaakt van de geestelijke goederen, met dwang voor de onwilligcn , om daartoe mede te werken en met straf voor hen, welke goederen verzwegen of verdonkerden. Deze staat moest te Arnhem aan de kanselarij worden bewaard en tot do administratie eene afzonderlijke rekenkamer worden benoemd, terwijl in ieder kwartier een afzonderlijke bestuurder was, die weder anderen onder zich had (1).

Het plakkaat van 31 Mei 1580 (2) komt grootendeels met deze besehouwingen overeen eu is kennelijk een uitvloeisel van dit Discours: „Nademaalquot;, zoo leest men aldaar, „men van vele jaren her motterdaet bevonden und gespeurt, oock nogh dagelicks speurt und vor ogen siet, dat die geestlijke und cloostergoederen tho dem einde daer tho sie aenfcnklick van onser vorelteren loflijckcn gedachtenis ut Grodsaligcr Christlicher affection und iver gestiftet und verordent sindt nu vortaen und so langhor so weiniger niet alleen niet angewendt und gebruijket, sondern oock in eenen gants wederwerdigen und unchristlichen misbruijck getogen und datgenige, wat tot Godtes eher gegeven und gestiftet ist,.... opgebracht, verteert, vernielt und verswendet wordtquot;. Die wanorde, dat misbruik en die vernieling der geestelijke goederen is zoo zeer toegenomen, dat wanneer daaraan geen einde wordt gemaakt „ten leste alles in fremde handen solde sijn geraden , die kerken gantz und gaer ontbloettet und spolyeert und der ersten fundatoren lofflijck und Christlijck intent eludiert worden mit unwederbrenglijchen schade, nadeel und mercklichen verwijt der gantzen Lantschapquot;.

Om dit te voorkomen, was reeds in den landdag besloten; dat daarop beter toezicht zoude worden gehouden en gezorgd, dat de geestelijke goederen wederom „ad pios nsus und Godts eher angeleght, insonderheyt averst tot onderholt Godtsaliger, ervarener und gelehrter kerkendiener, wtspanding der almissen,

(1) ÏTijhoff. Bijdragen, VT, lilz. 125.

(2) Geld. Placactboek, I, blz. 754.

-ocr page 188-

6

stiftung , opcrbouwing und verbetcrung der scholen und tho conservation der verarmtcn, eerlichen und adelicher geslaghten angewendet nnd cmploijeert werden mochtenquot;.

Met dit doel werd besloten tot oprichting eener afzonderlijke rekenkamer, door welke de geestelijke goederen in het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen gelegen zouden worden bestuurd, terwijl aan alle rentmeesters, kerkmeesters en administrateurs van kerken en kloostergoederen, pachters of wie ook eenige geestelijke goederen onder zich heeft, of verplicht is tjjnseu, tienden of renten aan kerken of kloosters te geven, werd gelast daarvan opgave te doen aan die rekenkamer op straffe vau arbitraire correctie. Verder werd een ieder verboden voortaan eenige betaling te dier zake te doen dan aan den rentmeester, die daartoe in ieder kwartier zal worden aangewezen , op straffe van later nog eens te zullen moeten betalen.

Bij eene latere ordonnantie en instructie voor de lieden van dé kerke-rekenkamer werd dit beheer verder geheel geregeld en eenige beambten benoemd; doch hierbij bleef de geheele zaak rusten. Reeds op den volgenden landdag ontstond hierover groot verschil en velen wilden geheel anders handelen dan bij het plakkaat was gelast. Arnhem wilde alleen nog het plakkaat opvolgen. Nijmegen verklaarde zelf rentmeesters te zullen aanstellen en de geestelijke goederen overeenkomstig zijn welbehagen te zullen gebruiken, terwijl Zutphen had toegelaten, dat geestelijken van Emmerik en andere plaatsen de oogsten der landerijen hadden weggehaald (1).

In het volgende jaar leverden ook de Arnhemsche Gedeputeerden aan het kwartier verschillende bezwaren in tegen de icerken-rekenkamer en het voorgesteld beheer der geestelijke goederen, en zoo is het niet te verwonderen, dat op den landdag in Juni 1581 te Zutphen gehouden werd besloten tot de opheffing der kerken-rekenkamer, die nog niet eens in werking was getreden (2).

(1) Groen van Prinsterer. Archives, VI, blz. 394 en 397.

(2) Nijhoff. Archief Arnhem, blz. 337 en 342.

-ocr page 189-

7

De noodzakelijkheid, dat er eenige bepalingen en regeïen omtrent de geestelijke goederen werden gemaakt, werd toch gevoeld en daarom werd te gelijker tijd aan liet Hof opgedragen een reglement te maken op het beheer der geestelijke goederen en bepaald, dat de bijzondere rentmeesters een staat der kloostergoederen zullen inzenden.

In September daaraanvolgende werd het ontworpen reglement reeds aan het onderzoek eener commissie uit den landdag onderworpen en in het laatst van November in beraadslaging gebracht en met eenige wijziging aangenomen (1).

Niettegenstaande het besluit der Staten-Generaal, waardoor alle gewesten gemachtigd werden voortaan ieder voor zich zelve over de geestelijke goederen te beschikken, volhardde de landdag bij het vroeger aangenomen beginsel, om de inkomsten der geestelijke goederen ad pios usus te besteden. In dat opzicht bleef het plakkaat van 1581 ongeschonden; daartegen werd in plaats van een gemeenschappelijk bestuur over de geestelijke goederen in het geheele gewest, nu bepaald, dat in ieder kwartier één of meer rentmeesters zouden worden aangesteld en boven deze een landrentmeester, die te Arnhem zoude resideeren. Alle die beambten werden uit eene voordracht der kwartieren door den landdag gekozen. Zij moesten elk een inventaris maken van al de geestelijke goederen onder hun beheer en eene lijst van al de lasten, welke daarop drukten, zooals de alimentatiën der geestelijken, het onderhoud der kerken en hare dienaren, de schoolmeesters, het spinde der armen en dergelijke, welke vóór alle andere buitengewone uitgaven uit die inkomsten moesten worden betaald. Het overschot zoude gebruikt worden, gelijk de gelegenheid en meeste nooddruft der landen bevorderen zal; doch hiervan moest aan den landdag altijd verslag worden gedaan. Eens in het jaar zouden de kwartierrentmeesters op een bepaalden dag te Arnhem bijeenkomen en voor de rekenkamer rekening en verantwoording

(1) X ij li o ff. Archief Arnhem, blz. 347 en 34!).

-ocr page 190-

8

afleggen, welke rekening zoude worden gesloten door eene commissie bestaande uit twee gedeputeerden van ieder kwartier, één gekozen uit de Ridderschap en één uit de steden.

De afgevaardigden van Zutphen wilden, dat die rekening alleen kwartiersgewijze zoude worden opgenomen, doch werden overstemd. Het was een bewijs, hoe naijverig de kwartieren op hunne macht waren en hoe zij vooral ten opzichte van de geestelijke goederen geheel vrij wilden blijven en over de inkomsten naar eigen goeddunken beschikken, zoo als trouwens door de besturen van verschillende steden in strijd met de plakkaten gewoonlijk ook geschiedde.

De geestelijken, welke in het bezit der goederen waren gelaten, moesten behalve eene behoorlijke lijst dier bezittingen authentieke afschriften van alle stukken daarop betrekking hebbende inzenden met verbod die goederen te verkoopen, verzetten of bezwaren; terwijl zij, die alleen alimentatie genoten, hunne oorspronkelijke zegels en brieven moesten inleveren.

Het salaris der rentmeesters zoude bepaald worden, nadat het bestuur één jaar in werking was geweest „daar men nu de moeite en last daaraan verbonden niet kent.quot;

De rentmeesters waren verplicht, alle moeite te doen, om inventaris van de goederen der Kerken, Broederschappen, Gilden, Vicariën en andere dergelijke stichtingen te verkrijgen, vooral ook van die, welker collatie aan collegiën „gemeenten of sunstige patronen thogehorig isten einde te voorkomen dat de inkomsten dier goederen verloren gaan, in plaats van gebruikt te worden tot de gewone aalmoesen en andere doeleinden, waarvoor die stichtingen zijn in het leven geroepen. Opmerking verdient, dat de geheele bepaling omtrent de goederen, welker begeving aan collegiën enz. stond, in het oorspronkelijk ontwerp niet werd gevonden, maar bij de beraadslaging er aan is toegevoegd. Misschien is dit te verklaren uit het denkbeeld door velen toen aangekleefd, dat die goederen, dewijl aan de voorwaarden der stichting, waaraan zij waren verbonden, niet langer konde worden voldaan, nu weder vrij en zonder eenigen

\\

-ocr page 191-

9

last aan de collatoren, die ze gewoonlijk bestuurden als opgevolgd in de rechten der oorspronkelijke stichters, terug vielea.

Voorts werden verschillende bepalingen gemaakt omtrent de commanderiën; doch deze gaan wij voorbij als voor ons onderwerp van minder belang. Alleen zij omtrent deze opgeteekend, dat aan de bewoners evenzeer als aan de bewoners der verschillende kloosters, zoo lang zij leefden, de hun toegekende voordeden en alimentatie bleven verzekerd.

Do rekeningen eindelijk en andere stukken, welke op het beheer der geestelijke goederen betrekking hadden, moesten op eene bijzondere plaats bewaard worden. De Rentmeester Generaal zoude alle stukken mogen inzien en verplicht zijn de geheele administratie te leiden en de particuliere rentmeesters „vhjtich op de handen tho sienquot;. Het patronaatrecht werd, niettegenstaande den tegenstand van velen, die krachtig voorde vrijheid der kerk ijverden, erkend.

Pastoren, die pastoriegoed onder zich hielden, zonder kerke-dienst te verrichten, moesten door de patronen daarvan ontzet worden en de inkomsten onder goedkeuring van het Hof aan een ander gegeven worden, onder verplichting van zelf den dienst te verrichten en niet aan anderen over te laten.

De overige beneficiën mochten door de collatoren gegeven worden aan hun zoons, naaste bloedverwanten of anderen daartoe geschikt; doch vooraf moest de gekozene gepresenteerd worden aan het Hof, en wanneer dit de keuze bevestigde, zoude de aangewezene de inkomsten der goederen na aftrek der lasten genieten; — om daarop te studeeren in scholen en universiteiten, „gereformeerd wesende, waardoor alzoo de kinderen, zoo wel adelijk als niet adelijk in die vreese Gottes tot alle eerbaarheit und erfarenheit opgethogen und geleert mogen worden.quot; Xa afloop der studiën zullen de goederen in denzelfden toestand, waarin zij waren verkregen, aan den collator moeten worden terug gegeven.

Bij de beraadslagingen werd hieraan toegevoegd. dat de confirmatie door het Hof kosteloos zoude geschieden en dat dit

-ocr page 192-

10

niemand mocht afwijzen dan om zeer gewichtige redenen, welke schriftelijk aan den collator moesten worden medegedeeld, waarop deze dan een ander mocht voorstellen. De voorgestelde moest minstens zes jaar oud zijn, doch zou de inkomsten ad vitam mogen behouden, voor zooverre zij „eerlijk en wel naar hun beroepquot; leefde. Deze laatste bepaliug is evenwel spoedig, zoo het schijnt, weder ingetrokken en vervangen door de vroegere, waarbij het genot der beneficiën was beperkt tot don tijd der studie, aan welk laatste men zich in den regel daarna steeds in Gelderland heeft gehouden. De goederen behoorende tot die beneficiën zullen bij de rentmeesters in ieder kwartier worden aangeteekend en voor memorie in hunne rekening geboekt. De registers zullen even als die der andere geestelijke goederen afzonderlijk worden bewaard.

De goederen behoorende aan pastoriën, hetzij deze zijn. juris patronatus of wel vrij, zullen geheel besteed worden tot het onderhoud van predikanten, kerkedienaars en schoolmeesters. Zijn er van die goederen weggegeven, verkocht of verpand, door wien ook, hetzij zelfs door de Hooge Overheid, geestelijke of wereldlijke collegiën, zij, aan wie ze gegeven, verkocht of verpand zijn, zullen daarvan niet in het bezit of genot mogen komen.

Op de vordering der rentmeesters zullen dergelijke vervreemdingen door Cantzler en Eaden worden vernietigd en wel zoodanig, dat de kooppenningen niet behoeven terug gegeven te worden.

Eindelijk werd nog aan den rentmeester opgedragen, om scherpelijk toe te zien, dat alle rechten en gerechtigheden, welke de verschillende geestelijke gestichten bezaten, niet verloren gingen of verminderden.

Het ontwerp van Gedeputeerden was dus zonder groote wijzigingen aangenomen. De afgevaardigde van Bommelerwaard verklaarde echter zich te houden aan het accoord door hem met zijne Excellentie den Prins van Oranje gemaakt en het genomen besluit alleen verbindende te rekenen, voor zoo verre

-ocr page 193-

11

het daarmede overeenkwam. Niettegenstaande deze vrij groote éénstemmigheid is dit besluit nooit geheel uitgevoerd en duurde het zelfs eenige jaren, eer dat \'t gedeeltelijk werd opgevolgd, daar de geestelijke goederen, zoo als wij later zien zullen, een twistappel bleven tusschen de kwartieren. Opmerking verdient het ook, dat, terwijl het besluit van 1581 aanleiding heeft gegeven tot het uitvaardigen van een plakkaat in het Gelderseh plakkaatboek opgenomen, omtrent het besluit van 1582 daarin niets wordt gevonden en in het plakkaat van 22 October 1595 (1) wordt ook erkend, dat „deur allerleiver-hinderinge de zaak der geestelijke goederen noch niet is geregeldquot;.

Telkens toch schijnt men moeite gedaan te hebben, om op het genomen besluit terug te komen en de uitvoering daarvan op allerlei wijzen tegen te houden. Zoo werd in den landdag 27 December 1593 (2) besloten, om alle Officieren en Magistraten , welke in verzuim waren, aan te schrijven op een bepaalden dag staat der geestelijke goederen in de steden en ambten aan de rekenkamer in te zenden en overal te publi-ceeren, dat ieder, die eenige rente of andere jaarhjksche inkomsten uit zoodanige goederen geniet ze zal kenbaar maken en dat daarna door de rekenkamer een staat daarvan zal opgemaakt worden en ter naaste vergadering ingebracht, om vervolgens over de administratie te beschikken.

Nijmegen en Zutphen wilden, dat men vóór alles zou moeten besluiten tot de gemeenschap dier goederen. Arnhem daarentegen wilde, dat men eerst door de overgave van den staat dier goederen een vasten grond zoude leggen, om te weten, waarop te bouwen en waarvan men gemeenschap zou hebben. Hierop viel toen geen besluit.

Twee jaren later werd door de Staten Generaal aan den

(1) Geld. Plakb., II, blz. 48.

(2) Hetzelfde was reeds geschied bij plakkaat van 5 Juli 1593. G Plb., II, blz. 39.

-ocr page 194-

12

landdag in bedenking gegeven, om als bijdrage in de schulden door Willem I nagelaten, de abdij en goederen van Mariëmveerd of anders jaarlijks tien duizend gulden uit de opbrengst dier goederen af te staan. Weder was het dezelfde vraag. Nijmegen en Zutphen verlangden eerst een besluit omtrent de gemeenschap der geestelijke goederen. Arnhem was hier tegen en wilde de Mariënweerdsche goederen tot betaling dier schulden in pand geven. Toen Nijmegen echter bij hare meening van gemeenschap bleef volharden en Arnhem daarop voorstelde eene zekere som uit te keeren, tusschen de kwartieren op den ouden voet te verdeelen, verklaarde Nijmegen dit niet te vermogen en dat het, daar Arnhem zich niet uitdrukkelijk wilde verbinden de geestelijke goederen gemeen temaken, zich genoodzaakt achtte uit de geestelijke goederen in zijn kwartier dat geld te betalen en daartoe wenschte die goederen te laten administreren ten nutte van het kwartier. Arnhem waarschuwde Nijmegen dit niet te doen, waarop ten laatste is bepaald, dat de gevraagde som zou worden gegeven, maar zonder eenige vermelding, waaruit die zoude gevonden worden.

Telkens vindt men dat Zutphen en Nijmegen terug komen op de gewenschte gemeenschap der geestelijke goederen, waartoe Arnhem niet wil besluiten, zoo lang de staat niet is opgemaakt, terwijl de rekenkamer, aan welke verzocht was de administratie tijdelijk op zich te nemen, zoo lang geene afzonderlijke rentmeesters waren aangesteld, elk jaar verzocht daarvan ontslagen te worden. Toen haar eene belooning daarvoor werd toegezegd, bleef zij volharden bij haar verzoek, om daarmede niet verder belast te worden, daar zij niet „umb loon maer umb eehrquot; diende, begeerende alleen het te verlaten „umb der groten unordnung wil, die se van tijt tho tijt in \'t stuk van de Geestelike goederen bevonden und to moegen ontgaan alle senistre opspraeke daarmede sij \'t oehrer ontscholt belaeden werdenquot;. Toch nam de rekenkamer weder voor één jaar, dit gebeurde in 1598, het bestuur op zich.

In 1599 verklaren Nijmegen en Zutphen dat, wanneer op

-ocr page 195-

13

dien landdag de gemeenschap niet tot stand werd gebracht, zij op de geestelijke goederen orde zullen stellen naar hun believe.

Arnhem blijft volhouden bij het vroeger gezegde, waarop de afgevaardigden der stad Nijmegen verklaren, dat zij bij langer vertragen zich wel genoodzaakt zullen zien om de geestelijke goederen binnen hunne stad of haar gebied gelegen te aanvaarden tot onderhoud hunner kerk- en schooldienaren.

Zutphen wil, dat reeds gedurende het maken ■ van den staat de gemeenschap worde vastgesteld en bepalingen omtrent de administratie gemaakt.

De rekenkamer bleef nu weigeren langer zich met het beheer dier goederen te belasten en aan de Gedeputeerden, die met twee leden werden versterkt, werd het bewind overgedragen en tevens het opmaken van den staat, die nog niet was voltooid.

In 1600 besloot eindelijk de landdag tot de gemeenschap dei-geestelijke goederen, doch onder voorbehoud, dat het bestuur en het gebruik dier goederen tot den volgenden landdag onveranderd zoude blijven.

Tiel verklaarde hierop geen besluit te kunnen nemen, Bommel evenmin, doch meende te mogen toestemmen, wanneer het onderhoud zijner predikanten, schoolmeesters, kosters, organisten en wat daarvan afhing, werd verzekerd. En op den volgenden landdag in dit jaar gehouden breidde Tiel zijne vorderingen nog verder uit dan Bommel reeds gedaan had. Bij de redactie van Bommel in 1602 werd door den landdag toegestemd in de eischen door Bommel gedaan (1), en ook aan Tiel schijnt het verlangde te zijn toegestaan.

Het besluit van den landdag van 1600 vond echter evenmin volledige uitvoering als dat van 1582. Twee jaar later moest de landdag het Hof aansporen, om spoed te maken met de samenstelling van de staten der geestelijke goederen en het

(1) G. PI. boek. Praeliminaire punten , blz. 115.

-ocr page 196-

14

ontwerpen van bepalingen op het bestuur dier goederen (1). Door bet ontbreken van behoorlijke registers en het slechte toezicht op die goederen, werden vooral in de Tieler- en Bom-melerwaard vele dier goederen verduisterd, zoodat de landdag besloot, zoowel den amptman van Bommel, Tieler en Bommeler-waard als den magistraat van Tiel aan te schrijven daar beter het oog op te houden en te zorgen, dat de goederen, die waren weggemaakt of misbruikt, weder geheel werden besteed tot het onderhoud van predikanten (2) enz. Dit scheen ook weinig te baten, althans in 1605 (3) werden Gredeputeerde Staten gelast toe te zien op de goederen aldaar gelegen, de overtreders bij het Hof aan te geven en gestrengelijk te vervolgen en tevens de kerkmeesters tot rekening en verantwoording te dwingen, terwijl verder het beheer zou geschieden door een of meer rentmeesters door het kwartier te benoemen.

Eindelijk in 1606 schijnen door de drie kwartieren de staten bij het Hof te zijn ingeleverd. Zutphen had daarbij de ontvreemde en aan hunne bestemming onttrokkene goederen opgenomen, hetgeen nu mede wordt verzocht aan de kwartieren Arnhem en Nijmegen (4). Het blijkt niet dat hieraan gevolg is gegeven.

In 1609 werd door den landdag bepaald dat de geestelijke goederen landelijk zullen worden beheerd (5); kennelijk wordt hiermede bedoeld, dat de administratie namens het gewestelijk bestuur en niet door de Heeren der dorpen enz. zoude gevoerd worden. Dit blijkt ook uit het verzoek der Heeren van Haaften

(1) Landdagrec. 24 Maart 1602. De instructie daarop gevolgd is opgenomen in Sohrasserts Codex Gelro Zutphan. Stucken en Documenten, blz. 163. volgg.

(2) Landdagrec. 15 Februari en 1G Mei 1602.

(3) Landdagrec. 12 Februari 1G05 en Gr. Geld. pl. boek, II, blz. IC4.

In voldoening aan deze besluiten is de Heer van Haaften, die weigerde daaraan te gehoorzamen, door het Hof veroordeeld als verbreker van\'slands ordonnantiën en zijne inhechtenisneming gelast. P. Nijhoff. Kegisters op het Archief Hof. Gelr. en Zutphen, blz. 26.

(4) Landdagrec. 19 December 1606.

(5) Landdagrec. 24 April en 3 Juni 1609.

-ocr page 197-

15

en Rossum, om het beheer over de canonisiën-, vicarién-en gasthuisgoederen in hunne heerlijkheden en te Herwijnen en Heilouw uit kracht van hun collatierecht te mogen voeren. Dit werd geweigerd en door de Staten besloten, dat het geheele inkomen der canonisiën en pastoriën curam animarum annexam hebbende zouden gebruikt worden voor den kerkdienst en wat daartoe behoort, vooreerst ter plaatse van de fundatie, en wat er mocht overschieten, ter naaster plaatse, daar gebrek is, overmits die voorschreven goederen niet ten deele, maar in het geheel gemortificeerd zijn en daarom tot den dienst Godes hehooren bestemd te blijven, en dat zij met de vicariën in het openbaar zouden verhuurd worden door den rentmeester ten overstaan van den patroon of vicaris (1).

quot;VYel protesteerde de Ridderschap van de Ticier- en Bommeler-waard tegen deze resolutie en werd aan Nijmegen toegestaan een reglement op het beheer te maken, doch altijd onder de voorwaarde van zich aan dit besluit te houden. Evenmin vond een verzoek van dezelfde Ridderschap iu 1619 gehoor, om het bewind bij den patroon te laten berusten tegen uitkeering van het derde deel der zuivere inkomsten, docli de landdag voegde er bij, als om de weigering minder stuitend te maken „dat indien die van het Quartier van Nijmegen daarop nadere Ordre zouden weten te stellen zonder afbreuk de voorschrevene resolutie, kunnen die van de Landschap hetselve lijden (2).

(1) Landdagr. 19. Deo. IfiOO. Mr. Philips. Overeenkomst, kapittelgoederen van Haaften, II, blz. 2.

(2) Landdagr. 3 Juli 1619.

Aan den Heer van Haaften, zijnde toen de Heer van Brederode was op aandrang der Staten Generaal door den landdag „ten respecte van sijner persoon en cock de goede dienste l)ij denselven den lande van joncks att\'mitt die wapeno gedaanquot; do administratie van de canonisiën van Haaften en pastorie van Herwijnen gelaten; doch onder voorwaarde, dat al de inkomsten zouden worden gebruikt tot onderhoud van de Predikanten van Haaften en Herwijnen en de Schoolmeesters van Haaften en Herwijnen en verder voor Studenten in de Theologie. „Ende dit alles sonder getrocken te worden in consequentie en blijvende dit Landschaps gemeine resolutie voer diesen genaemen ongede-rogeert.quot; Landdagr. 29 Mei 1Ü13. Mr. Philips. 1. 1. 1, blz. 9.

-ocr page 198-

16

Het bovenstaande betrof grootendeels alleen de geestelijke goederen in engeren zin, en dan nog met uitzondering der vicariegoederen, die, voor zooverre derden daarvan het recht van begeving bezaten, eene bijna geheel verschillende geschiedenis hebben. Ook de geestelijke goederen in de steden zijn voor een groot deel anders behandeld, dewijl de magistraten meestal dadelijk die goederen aan zich hebben getrokken en het bestuur geregeld. Dikwijls waren deze ook zóó naijverig op hunne macht ten opzichte dier goederen, dat zij in het geheel niet of althans slechts noode konden dulden, dat het kwartier of de landdag zich daarmede bemoeide. Vooral de kloosters en hunne eigendommen werden gewoonlijk reeds spoedig door de steden gebruikt; de afbraak der gebouwen dikwijls voor de vestingwerken en overigens voor kerk en school, evenzeer als de inkomsten, die door den nood der tijden gedrongen ook wel ten behoeve van geheel andere doeleinden werden besteed.

Zoo leest men, dat in 1580 door den Magistraat is bepaald, dat het afbreken dor kloosters ouder Arnhem zoude geschieden onder toezicht van den Raad en ten behoeve der stadswerken. Vóór dien tijd geschiedde dit door de buitenlieden zonder orde en ten eigen behoeve, terwijl het Hof in hetzelfde jaar aan die stad ook vergunning gaf, om al het houtgewas rondom de kloosters buiten de stad te gebruiken voor de fortificatiën (1).

Het verwoeste klooster „Sionquot; onder Doctinchem is evenzoo met goedvinden van den Stadhouder voor de versterking dier stad gebruikt.

In Zutphen weigerde de Magistraat in 1591 de geestelijke goederen door den rentmeester namens de rekenkamer te doen verpachten, zoolang niet vooraf was uitgemaakt, waaruit onder meerder het onderhoud van predikanten, schoolmeesters en de alimentatie der geestelijken zouden worden gevonden; en het blijkt uit latere bescheiden, dat het bestuur der convent- en kloostergoederen in Zutphen aan den magistraat is verbleven

(1) Nijhoff. Arch. Arnhem. Biz. 32S. 333.

-ocr page 199-

17

met autliorisatie van Gedeputeerde Staten onder voorwaarde echter, van ze niet te vervreemden (1).

In Harderwijk ging de magistraat nog verder en besloot, niettegenstaande de tegenbevelen van liet Hof en Gedeputeerden van liet kwartier, tot verkoop van geestelijke goederen en wel tot een bedrag van f 14000 in verhouding van de geestelijke goederen te Elburg, die zoo het schijnt, aldaar ook verkocht waren. Het bestuur der kerkelijke goederen (pastorie- en kosteriegoederen) en van de goederen dor vicariën, voor zooverre de begeving aan het Landschap, een der kwartieren of steden of wel vroeger aan de geestelijkheid toebehoorde en aan het Landschap was vervallen, werd blijkens art. 19 der Instructie van Gedeputeerden van 1602 door Gedeputeerde Staten gevoerd. Hierop waren echter zeer vele uitzonderingen. In Arnhem werden de geestelijke en kerkelijke goederen onder verschillende rentmeesters door het geestelijk rentambt aldaar beheerd. Aan dit rentambt werden door het kwartier bijdragen verleend uit de inkomsten van de elders gelegen goederen van verschillende kloosters in Arnhem gesticht. Oorspronkelijk en wel in 1587 zijn door den raad de vicariegoederen in drie deelen verdeeld. De inkomsten van een deel waren voor de toen nog in leven zijnde vicarissen; die van het tweede deel werden aan de stad gegeven voor het onderhoud van behoeftige kerk- en schooldienaren; terwijl die van het laatste deel bestemd waren voor do arme weezen en de diaconie. In hetzelfde jaar werd aan de weesmeesters toegestaan dat laatste derde tot zich te nemen; vermoedelijk zijn die goederen met die van het weeshuis vereenigd.

Uit de rekening der inkomsten van de vicariegoederen over 1752 blijkt, dat zij toen door een rentmeester werden beheerd en bestonden uit huren, pachten, renten van vaste goederen in

(1) In 1616 is echter besloten de kloosters binnen Zutphon, Doesburg en Lochem onder de administratie der Gedeputeerden te stellen, doch onder de door die steden gestelde voorwaarden, dat zij de volkomene dispositie zouden behouden over predikanten, schoolmeesters en hunne tractementen enz. en dat de reparatien der geestelijke goederen ten laste der Gedeputeerden zouden zijn.

2a

-ocr page 200-

18

en buiten Arnhem en voorts uit de tertiën van vicariën in kerken te Arnhem gesticht (1). De geheele ontvangst bedroeg in dat jaar f 1346—19—1. De uitgaven zijnde kosten van beheer, vaste uitkeeringen of „spindinge\'\' van levensmiddelen aan do armen en eene vaste bijdrage van f 40 aan de diaconie, beliepen te zamen f 521—3—3. — Het overschot ontving het geestelijk rentambt der stad, dat dit gebruikte met zijne overige inkomsten tot bezoldiging van kerk- en schooldienaren. — Ingevolge convenant tusschen de stedelijke regeering en gecommitteerden der Nederl. Hervormde Gemeente, goedgekeurd bij Kon. Besluit van 8 Juni 1820, no. 4, zijn bijna al die goederen aan de Hervormde Gemeente gegeven.

Het recht van begeving van twee praebenden is echter aan de stad voorbehouden. — De eene bestaat uit eene grondrente uit de Talholts waarden (2) en renten van belegde gelden. — De andere uit de vicariegoederen met eene jaarlijksche opbrengst van ongeveer f 125 per jaar (3).

In Eek en Wiel beheerden de predikanten de pastoriegoederen en genoten zij al de inkomsten, doch gaven dit beheer over aan den Heer der plaats tegen belofte van uitkeering der con-gruportie of ƒ 500 (4). Hetzelfde geschiedde te Millingen, waar de predikant al de pastorie- en vicariegoederen onder gelijke belofte aan de gemeente overgaf (5).

(1) Het verdient opmerking, hoe -weinig in de hoofdstad de hand is gehouden aan de opvolging der plakaten op de vicariën. In de rekeningen dier ontvangers van ITüO—1795 worden zestien vicariën met name genoemd, en met uitzondering van drie wordt achter elk vermeld -de tertiën worden niet betaald.quot; De opbrengst der tertiën bedraagt in die jaren niet meer dan f 56.16.

(2) quot;Waarschijnlijk wordt deze bedoeld bij Nijhoil\'. Arnh. Arch., blz. 108 en 467.

(3) Deze staan echter in geen verband met de vicariën. De laatste wordt wel de praebende uit de vicariën genoemd, maar alleen omdat 2 ij beheerd werd door den ontvanger der vicariegoederen. Beiden zijn beurzenstichtingen ten behoeve van studenten, de eerste gesticht in 1452 door Johannes van Huenen kanonnik te Luik, de tweede door F redelik van Remagen, pedel aan de hoogeschool te Heidelberg in 1594.

(4) Nijlioli\'. Arch. Hof. blz. 322.

(5) Nijhoif. Arch. Hof. blz. 250.

-ocr page 201-

19

De kerkegoederen van Hal werden beheerd door markrecliter en erfgenamen van de zich daar bevindende marken (1). Dergelijke voorbeelden zouden er nog velen kunnen worden bijgebracht. Alleen willen wij om niet te wijdloopig te worden nog mededeelen, hoe in Tieler- en Bommelerwaard dat beheer is geregeld. Zoo als boven is vermeld, werden daar zeer vele geestelijke goederen aan hunne bestemming onttrokken en verduisterd, tengevolge waarvan, toen door misgewas en hoog water de inkomsten nog waren verminderd, de tractementen van kerk- en schooldienaren daaruit niet konden worden betaald, en met goedvinden van den landdag geestelijke goederen in 1G30 en 1632 zijn verkocht, om uit de koopprijzen de tractementen te voldoen (2).

Al de pastorie- en vicariegoederen aldaar mot uitzondering van die van enkele dorpen werden omstreeks denzelfden tijd beheerd door een rentmeester onder toezicht van den Amptman en twee leden uit de Ridderschap van Tieler- eu twee uit de Ridderschap van Bommelerwaard. Do inkomsten der pastorie- en vicariegoederen en de tertiën der vicariën, waarvan de begeving bij derden berustte, werden aangewend tot betaling van een gelijk tractement aan ieder der zestien zoogenaamde Bursale Predikanten der Bommelsche Classis. De opbrengsten waren echter somtijds zóó gering, dat in 1678 werd besloten de bedoelde pastoriegoederen te verkoopen en zoo als wij later zien zullen, ook do overige | der inkomsten van de vicariegoederen tot betaling der predikanten te gebruiken. In 1685 heeft men inderdaad getracht ze te verkoopen, doch zij moesten worden opgehouden, omdat de opbrengst minder was „als ze voor deseu in pagt golden.quot; Uit de kas van het kwartier is toen in do behoefte voorzien; doch slechts tijdelijk en niet langer dan twaalf jaar.

Na dien tijd werden de predikanten in de gelegenheid gesteld in plaats van hun tractement de pastoriegoederen en vicarie-

(1) Kijhoff. Arch. Hof. blz. 275.

(2) Landd; ree. 29 Mei 1630 eu 26 Nov. 1632.

-ocr page 202-

20

goederen (1) hunner gemeente zelve te beheeren. Sommigen hebben hiervan gebruik gemaakt en, waar dit geschied is, zijn die goederen nog aanwezig, terwijl zij in dc anderè gemeenten, waar de predikanten weigerden, zijn verkocht, en het vaste tractement verder door den rentmeester dor geestelijke goederen of het kwartier aan hen is betaald (2).

In het algemeen was het bestuur dier rentmeesters niet voor-deelig, dikwijls zelfs overtroffen de uitgaven de ontvangsten en werden dc goederen tegen te geringe pachten uit de hand verpacht om zich daarmede vrienden te maken, inplaats van ze aan de meestbiedenden in het openbaar te verhuren (3).

Zooals wij boven reeds opmerkten, werden voor de vicariën, waarvan derden de begeving hadden, geheel andere bepalingen gemaakt dan voor de andere geestelijke goederen.

Het aantal dier vicariën moet vóór de Hervorming zeer belangrijk zijn geweest, want nog in dc zoogenaamde Institutie-boeken van liet Hof, waarin alle vicariën zijn opgeteekend, welke door de collatoren zijn aangegeven en voor welke vicarissen zijn benoemd, worden er 363 vermeld, ofschoon die boeken eerst aanvangen met 1609, toen reeds vele vicariën waren verduisterd en aan hare bestemming onttrokken.

Door den landdag te Arnhem in 1581 gehouden, werd het recht der collatoren tot praesentatie van een geschikt persoon

(1) De vicariegoederen, waarvan derden de begeving hadden, waren in het begin daaronder begrepen. De predikanten moesten toen | der inkomsten aan de daartoe gerechtigden uitkeeren. Op aandrang der collators is echter dat beheer dier laatste goederen weder aan de predikanten ontnomen on aan den rentmeester der geestelijke goederen overgedragen.

De inkomsten der vicariën, waarvan de collator onbekend was, werden geheel door den predikant genoten; doch deze moest daarvan aan de kosterie ten behoeve van den schoolmeester f 50 of f 60 geven.

(2) v. Beuningen. Brieven geestelijke goederen, blz. 19, 38 en volgg. Dez. Geestelijk kantoor v. Delft, blz. 327.

(3) v. d. Capelle. Gedenkschriften, I, blz. 130, deelt mede, dat d? Burgemeester van Doetinchem een geestelijk goed gepacht had voor ƒ 53, en dat hij daarvan maakte 5 k G00 gulden. Een ander had gepacht voor f 300 en maakte daarvan f 1000. Men zie aldaar blz. 358, 374, 388, 420.

-ocr page 203-

21

erkend, mits vooraf het bewijs van zijn recht door den collator werd overgelegd, waarna het Hof zijne goedkeuring aan de begeving zoude verleenen.

In het volgende jaar (1) werd hot eerste plakkaat op de vicariën uitgevaardigd, hetwelk van groot gewicht is, om daaruit de rechtsbeschouwingen te loeren kennen, waarvan do landdag uitging bij het maken van bepalingen op dio stichtingen en waaraan men met enkele uitzonderingen steeds is getrouw gebleven. Do landdag beval namelijk, dat de goederen „tho wahren Christlichen gebruijck angelecht vind conserviert worden sollenquot;, en dat de patronen , na het bewijs van hun recht te hebben gegeven, die goederen daartoe zouden geven „aan duchtige personen, die daervan, naer voergaender Confirmation dieses Haefss in studiis sullen onderholden worden, op dat sie hier namaels dem Vaterland in Kerken und politischen Officiën des to beter vacieren und dienen muchtenquot; (2). Bleven de patronen daarin nalatig en gebruikten zij die goederen „tlio oerer taftclen oder sunst oeres gofallensquot;, dan zouden zij als usurpatores honor mi Ecclesiasticorum worden vervolgd niet slechts tot teruggave van de genotene vruchten en inkomsten, maar ook veroordeeld „ad penam arbitrariam nha gelegentheit der overtredingquot;.

En wanneer de patronen het bewijs van hun recht niet leverden, of daarin te kort schoten, dan werden zij veroordeeld ad perpetuum silentium en het Hof had het recht, om die goederen tot het onderhoud van kerken, scholen en uitreiking van aalmoezen to gebruiken.

-ocr page 204-

22

Er blijkt hieruit, hoe weinig bij de Staten van Gelderland het denkbeeld ingang had gevonden, dat die goederen als heerlooze goederen aan het gewest warén vervallen, of als eene soort van familiegoederen aan het geslacht der oorspronkelijke stichters behoorden, wier nakomelingen daarop een bijzonder, zoo al niet het uitsluitend recht hadden, gelijk in Holland vrij algemeen door do Edelen werd beweerd.

Dit plakaat werd echter op verre na niet algemeen gehoorzaamd en in 1593 werd een nieuw uitgevaardigd (1) en daarbij aan allen, die eenig bestuur over geestelijke goederen voerden, bevolen, om binnen twee maanden aan het Hof schriftelijk in te zenden lijsten van alle vicariën, officiën en dergelijke geestelijke beneficiën, die in hunne kerken zijn geweest met de stichtingbrieven en eene volledige opgave van de goederen en inkomsten, die daaraan behoord hebben en wat daarvan tot „den Godes ofte kerken-dienst als tot aelmissenquot; gewoonlijk werd besteed. Doch ook hieraan werd weinig gevolg gegeven; daarenboven waren reeds de meeste stichtingbrieven en andere stukken op de geestelijke goederen betrekking hebbende door den ontrouw der bestuurders verduisterd of op andere wijze verloren gegaan. Yerder werd nog tegelijkertijd aan de patronen gelast het bewijs van hun recht aan het Hof te vertoonen en verboden eenige goederen tot de vicariën of andere geestelijke beneficiën behoorende te verkoopen, verpanden of op eenige wijze in waarde te verminderen.

In het najaar van hetzelfde jaar werden door den landdag al de bepalingen reeds vroeger op de vicariën gemaakt ver-eenigd en daarbjj eenige nieuwe gevoegd , waardoor een volledig reglement op die beneficiën werd tot stand gebracht, hetwelk later steeds is gevolgd. Volgens dit besluit behielden alk privaatpersonen het recht van presentatie. Cantzler en Raden zouden kosteloos den voorgestelde bevestigen. Alleen ontving de griffier voor de registratie en het schrijven van de acte eene belooning,

(1) Geld. Plak.b., II, blz. 39.

-ocr page 205-

23

welke door het Hof zoude worden vastgesteld. De voorgestelde moest minstens tien jaar oud zijn, vroeger schijnt slechts de leeftijd van zes jaren te zijn gevorderd; hij kon do inkomsten dan zeven jaar genieten, om daarop te studeren en bleek na verloop van dien tijd, dat hij met vrucht had gestudeerd, dan kon de collator hem op nieuw voor zeven jaar presenteeren, alzoo tot zijn vierentwintigste jaar, docli niet langer. Ter voorkoming van bedrog moest de voorgestelde elk jaar aan den Cantzler het bewijs van den Rector of Meester van de Gereformeerde Latijnsche school, waar hij studeerde, overzenden. Deed hij dit niet, dan verloor hij van elk jaar, waarin hij dat verzuimd had, de inkomsten der vicarie. Het bewijs van den vader, die predikant was, en van wien de vicaris onderwijs ontving of van den schoolmeester van het dorp of van eene andere „duijtsche scholequot; was niet voldoende (1).

Wanneer de collator niet binnen zes maanden een geschikt persoon voordroeg, werden de vruchten van dat half jaar besteed door het Hof ad pios usus. Bleef hij langer dan een jaar daarmede in gebreke, dan verloor hij daarbij zijn recht van begeving voor dien keer ten voordeele van het Hof, hetwelk de inkomsten dan als collator ex jure devoluto, zoo als men dit noemde, vergaf. Eindelijk werd vergunning gegeven een derde van de zuivere inkomsten der vicariën tot de kerkediensten te gebruiken.

In Juni 1594 werd deze laatste vergunning in eene verplichting veranderd en moest het derde der inkomsten of de zoogenaamde tertie worden gegeven ten behoeve van de kerk en school der gemeente, waar de vicarie was gesticht en wanneer daar reeds genoegzame inkomsten waren, voor de kerk en school van naburige plaatsen, waar daaraan behoefte was. Doch niet alleen werd dit besluit van den landdag niet geregeld opgevolgd, maar werden zelfs de geheele inkomsten door de patronen gebruikt en de goederen zelve verduisterd; „alles tegen

(1) Schrassert. Cod. Gelr. 7utph. in voce, blz. 493.

-ocr page 206-

24

don eersten Foudateuren wille en waertoe zij aenfenckelijck sijn gestichtzoo als men leest in liet plakkaat van 22 October 1595 (1), waarbij behalve de verplichting tot het betalen der tertiën nogmaals de andere bepalingen op de vicariën gemaakt werden herhaald. Hetzelfde geschiedde in 1604 (2) en daarna nogmaals op verzoek van de Geldersche sijnode in het volgende jaar (3), alles ten bhjkc, hoe weinig nog die besluiten werden gehoorzaamd. Voornamelijk was dit het geval in Bommel en Bommelerwaard en in Tielerwaard. Bij de reductie van de Tielerwaard aan Gelderland werd , even als by de latere van Bommel en Bommelerwaard, toegestaan, dat de begeving der geestelijke beneficiën „juris patronatusquot; zoude geschieden door den adel of anderen, aan wien dit recht bewijsbaar toebehoorde en dat zij die begeving zouden mogen doen, zoo wel aan hunne kinderen en vrienden, als aan andoren naar goeddunken (4). Hieruit schijnt men te moeten opmaken, dat in 1593 en 1602 bij het sluiten dier verdragen niet tegelijkertijd de voorwaarde daaraan is toegevoegd, dat de begeving moest geschieden aan jongelieden, teneinde op de inkomsten te studeeren. Dit gaf later aanleiding tot den tegenstand van vele collatoren in die streken.

Bij de reductie van Bommel en Bommel er waavd kon men het niet eens worden over de betaling der tertiën ten behoeve der kerkdienaars. Men kwam toen overeen de beslissing uit te stellen tot de eerste vergadering van het kwartier en daar schijnen de bezwaren uit den weg te zijn geruimd, want uit latere resolution blijkt, dat de tertiën ook in Bommel en Bommelerwaard zijn betaald.

In de Tieler- en Bommelerwaard schijnen de bepalingen op de geestelijke goederen en daaronder ook de vicariegoederen steeds zeer weinig te zijn opgevolgd en zijn deze daarom onder beheer

(1) Gr. Geld. Plkb., II, blz. 48.

(2) Gr. Geld. Plkb., II, blz. 97.

(3) Landdag ree. 21 December 1605.

(4) Gr. Geld. Plkb. Preliminaire puneten , blz. 113 en 115.

-ocr page 207-

25

vari rentmeesters gebracht in 1605 , gelijk wij boven reeds hebben aangetcekend. Alleen werd omtrent do inkomsten dor vicarie-goederen daarbij bepaald, dat do patroon het recht behield om iemand aan te wijzen , dio na institutie van het Hof uit handen van den rentmeester | der inkomsten zoude genieten en de landdag bleef bij deze bepaling, niettegenstaande de Ridderschap herhaalde malen nog verzocht het geheele bewind en de beschikking over do inkomsten der vicariegoederen te mogen behouden en aanbood hot zuiver derde deel dier inkomsten dan te zullen uitkeeren.

In 1635 werd bij de boven reeds vermelde overeenkomst tnsschen Amptman en Ridderschap en de predikanten van Tiel en Bom-melerwaard ook het bewind over de goederen der vicariën, waarvan derden de collatie hadden, tijdelijk van de rentmeesters aan de predikanten overgedragen, die daarvan registers moesten maken en alle geschillen, die daarover ontstonden, aan het oordeel van Amptman en Ridderschap onderwerpen. In 1678 is echter dat bewind weder aan de predikanten ontnomen en aan den rentmeester terug gegeven.

Na de laatste resolutie van 1604 en 1605 voor het geheele Vorstendom Greire en Graafschap Zutphen geldende bleven nog vele collatoren nalatig de bepalingen op de vicariën op to volgen, deels ter kwader trouw, deels ook uit vrees, dat het Hof de begeving aan zich zoude houden of de goederen in beslag zoude nemen. Bij een plakkaat van 26 October 1615 (1) werden daarom zij, die zich aan de plakkaten hielden, gerustgesteld en verzekerd, dat hun patronaatrecht zoude worden gehandhaafd, terwijl verder al de reeds vroeger gemaakte bepalingen nogmaals werden herhaald. Er werd nu bijgevoegd, dat wanneer vicariegoederen niet werden begeven, zij in beslag zouden worden genomen , al waren de bezitters ook de collators zelve, en dat wanneer die goederen gedurende vier maanden niet waren vergeven, zij door het Hof konden gegeven worden aan personen, die geschikt

(1) Geld. Plkb., II, blz. 142.

-ocr page 208-

26

en bekwaam waren, om daarop te studeeren en dit hadden verzocht. Toch bleek ook dit niet afdoende en in 1635 (1) werd het plakkaat nogmaals afgekondigd, hoewel het Hof, althans wat de begeving der vicariën betrof, waarin de collators nalatig waren, van zijn recht ex jure devolufo gebruik maakte, zoodanig dat vele collators daardoor zich van hun recht beroofd zagen en zich daarover beklaagden bij den landdag, welke echter het Hof in het golijk stelde (2).

Eerst in 1662 is deze groote gestrengheid gematigd op verzoek van de Sijnode en bepaald, dat de collator zoude worden gewaarschuwd en dat eerst dan, bij verzuim na zes weken, het Hof zoude vergeven, mits dat nog middelijk, noch onmiddelijk daarmede Roomschgezinden zouden worden begunstigd (3). Deze laatste bepaling was kennelijk van de Sijnode afkomstig, welke herhaalde malen zich omtrent de vicariën tot den landdag wendde , om te klagen over misbruiken, die daarbij plaats grepen. In 1653 werd door den landdag aan de predikanten en Inspecteren der Classis verzocht, om er op te letten , dat er geene vicariën zouden worden vergeven dan op de kinderen van de Gereformeerde religie in de theologie of gereformeerde scholen studerende (4).

De Sijnode was met dit laatste niet tevreden en verlangde , dat de vicariën, die zij beweerde, dat slechts ten nutte van kerk en school mochten gebruikt worden, alleen zouden gegeven worden aan hen, die in de theologie studeerden. Zij verzocht tevens, dat aan een persoon niet meer dan ééne vicarie zoude worden gegeven ; doch de landdag verklaarde zich ongenegen aan dat verzoek te voldoen. Alleen verklaarden de kwartieren Zutphen en Vcluwe, dat niet meer dan /quot;150 of uiterlijk 300 gulden aan een persoon zal mogen worden vergeven, terwijl het kwartier van Nijmegen bij zijn vroeger genomen besluit volhardde (5).

(1) Geld. Plkb., 11, blz. 273.

(2) Landdagrec. 19 November 1633. Geld. Plakb., 11, blz. 266.

(3) Geld. Plkb., II, blz. 394.

(4) Landdagrec. 15 September 1653.

(5) Geld. Plkb., II, blz. 532.

-ocr page 209-

27

Behalve aan jongelieden ten belioevo hunner studiën ■werden ook wel do inkomsten der vicariegoederen op plaatsen , waar de tractementen der predikanten gering waren, aan deze gegeven. De landdag (1) keurde dit goed en bepaalde, dat zoolang de predikanten met goedvinden van het Hof die inkomsten genoten, geene vergeving ex jure devoluto zoude plaats hebben, eu dat de collatoren \'ten allen tijde bevoegd waren door de begeving aan een ander persoon overeenkomstig de plakkaten te doen, deze inkomsten weder aan de predikanten te ontnemen.

Geschiedde eene dergelijke begeving door de collatoren aan de predikanten geheel vrijwillig, in 1679 verklaarde het kwartier van Nijmegen in den landdag, dat er geen ander middel was in dezen pressanten nood om de predikanten te betalen, dan om gedurende twaalf jaren de geheele inkomsten der vicariegoederen in dat kwartier te gebruiken voor de betaling-der predikants-tractementen en alzoo gedurende dien tijd het recht van begeving te schorsen.

De kwartieren van Zutphen en Veluwe keurden dit goed zonder prejudicie voor hunne ingezetenen. Nijmegen verklaarde, dat het alleen geen praejudicie zal zijn voor de kwartieren, wèl voor de personen, dewijl er alleen gelet zal worden op de plaats, waar de vicarie is gesticht; wanneer dit niet geschiedde, zoude dit besluit van geenerlei nut zijn. Do beide andere kwartieren blevf n bij hunne meening, dat het voor hunne ingezetenen geen gevolg zoude hebben (2).

Bij den landdag van 1683 werd door verschillende collatoren over bovenstaand besluit geklaagd, omdat het Nijmeogschc kwartier aan de bevestigde vicarissen de inkomsten onthield en alzoo de geheele begeving nietig maakte. Vooral is dat onbillijk, beweerden zij, dewijl sommige klagers hun collatierecht titulo oneroso door koop hebben verkregen, waarom zij verzoeken, dat de landdag hen in hun recht zal handhaven, te meer daar

(1) Landdag ree. 4 September 1618.

(2) Landdagrec. 24 Januari en 9 April 1679.

-ocr page 210-

26

en bekwaam waren, om daarop te studeeren en dit hadden verzocht. Toch bleek ook dit niet afdoende en in 1635 (1) werd het plakkaat nogmaals afgekondigd , hoewel het Hof, althans wat de begeving der vicariën betrof, waarin de collators nalatig waren, van zijn recht ex jure devoluto gebruik maakte, zoodanig dat vele collators daardoor zich van hun recht beroofd zagen en zich daarover beklaagden bij den landdag, welke echter het Hof in het gelijk stelde (2).

Eerst in 1662 is deze groote gestrengheid gematigd op verzoek van de Sijnode en bepaald, dat de collator zoude worden gewaarschuwd en dat eerst dan, bij verzuim na zes weken, het Hof zoude vergeven, mits dat nog middelijk, noch onmiddelijk daarmede Roomschgezinden zouden worden begunstigd (3). Deze laatste bepaling was kennelijk van de Sijnode afkomstig, welke herhaalde malen zich omtrent de vicariën tot den landdag wendde , om te klagen over misbruiken, die daarbij plaats grepen. In 1653 werd door den landdag aan de predikanten en Inspecteren der Classis verzocht, om er op te letton , dat er geeue vicariën zouden worden vergeven dan op de kinderen van de Gereformeerde religie in de theologie of gereformeerde scholen studerende (4).

De Sijnode was met dit laatste niet tevreden en verlangde , dat de vicariën , die zij beweerde, dat slechts ten nutte van kerk en school mochten gebruikt worden, alleen zouden gegeven worden aan hen, die in de theologie studeerden. Zij verzocht tevens, dat aan een persoon niet meer dan ééne vicarie zoude worden gegeven ; doch de landdag verklaarde zich ongenegen aan dat verzoek te voldoen. Alleen verklaarden de kwartieren Zutphen en Veluwe, dat niet meer dan /\'ISO of uiterlijk 300 gulden aan een persoon zal mogen worden vergeven, terwijl het kwartier van Nijmegen bij zijn vroeger genomen besluit volhardde (5).

(1) Geld. Plkb., 11, blz. 273.

(2) Landdagreo. 19 November 1633. Geld. Plakb., 11, blz. 266.

(3) Geld. Plkb., II, blz. 394.

(4) Landdagreo. 15 September 1653.

(5) Geld. Plkb., U, blz. 532.

-ocr page 211-

27

Behalve aan jongelieden ten behoeve hunner studiën werden ook wel de inkomsten der vicariegoederen op plaatsen , waar de tractcmenten der predikanten gering waren, aan deze gegeven. De landdag (1) keurde dit goed en bepaalde, dat zoolang de predikanten met goedvinden van het Hof die inkomsten genoten, geene vergeving ex jure devoluto zoude plaats hebben, en dat de collatoren \'ten allen tijde bevoogd waren door de begeving aan een ander persoon overeenkomstig de plakkaten te doen, deze inkomsten weder aan de predikanten te ontnemen.

Geschiedde eene dergelijke begeving door de collatoren aan de predikanten geheel vrijwillig, in 1679 verklaarde het kwartier van Nijmegen in den landdag, dat er geen ander middel was in dezen pressanten nood om do predikanten te betalen, dan om gedurende twaalf jaren de geheele inkomsten der vicariegoederen in dat kwartier te gebruiken voor de betaling der predikants-tractementen en alzoo gedurende dien tijd het recht van begeving te schorsen.

De kwartieren van Zutphen en Veluwe keurden dit goed zonder prejudicie voor hunne ingezetenen. Nijmegen verklaarde , dat het alleen geen praejudicie zal zijn voor de kwartieren, wèl voor de personen, dewijl er alleen gelet zal worden op de plaats, waar de vicarie is gesticht; wanneer dit niet geschiedde, zoude dit besluit van geenerlei nut zijn. De beide andere kwartieren bleven bij hunne meening, dat het voor hunne ingezetenen geen gevolg zoude hebben (2).

Bij den landdag van 1683 werd door verschillende collatoren over bovenstaand besluit geklaagd, omdat het Nijmeegschc kwartier aan de bevestigde vicarissen de inkomsten onthield en alzoo de geheele begeving nietig maakte. Vooral is dat onbillijk, beweerden zij, dewijl sommige klagers hun collatierecht tit ulo oneroso door koop hebben verkregen. waarom zij verzoeken, dat de landdag hen in hun recht zal handhaven, te meer daar

(1) Landdag ree. 4 September 1618.

(2) Landdagrec. 24 Januari en 9 April 1679.

-ocr page 212-

28

do congrue portie der predikanten, zijnde f 600 in gemeenten, waar geene combinatie, en ƒ 750, waar die wel bestond, gemakkelijk uit de tertiën en de belasting kan worden gevonden. Niettegenstaande protest van Nijmegen verklaren Arnhem en Zntplien de collatoren gerechtigd tot de twee derden dei-inkomsten en dat, zoo Nijmegen dit niet erkent, zij dan bij het Hof recht moeten zoeken (1).

In het volgend jaar kwam bij den landdag opnieuw een dergelijk verzoek in. De moeder van een minderjarigen vicaris, wonende in \'s Gravenhage beklaagde zich, dat haar zoon, die begiftigd was met de inkomsten eener vicarie te Driel, daarvan was ontzet en deze waren gegeven aan den predikant van Elden. Zij verzocht voor haar zoon herstelling in het bezit dier vicarie en dat do reeds door de predikanten genoten vruchten zouden worden teruggegeven.

Zutphen en Veluwe staan dit toe overeenkomstig het besluit van het vorig jaar. Nijmegen volhardt bij zijne vroegere beweringen en bij het besluit van 1679. Volgons dit kwartier kon het Hof in deze niet beslissen, het was geen particulier differend tusschen het kwartier en den vicaris. Het was eene zaak van hot kwartier en van politie, waaromtrent aan het Hof nooit jurisdictie is gegeven of competeert. Nijmegen verklaarde verder, dat, indien het Hof wilde ondernemen over deze zaak of andere van gelijke natuur te disponeeren, dit zoude zijn van nul en onwaarde en dat het van nu af order gegeven had, dat eene dergelijke dispositie niet zoude worden gepareerd of nagekomen.

Veluwe en Zutphen verstaan daarentegen , dat het is eene landelijke resolutie naar ordre der regeering genomen (2).

Het blijkt niet, dat het Hof iu deze zaak is gekend en evenmin. dat Nijmegen zich aan de beslissing der beide andere kwartieren heeft onderworpen, zoo dat wel waarschijnlijk in

(1) Landdagrec. 2 April 1683.

(2) Landdagrec, 30 April 1684.

-ocr page 213-

29

het Nijmoegsche kwartier gedurende de bedoelde twaalf jaren het collatierecht is geschorst gebleven en de vicarie-inkomsten in haar geheel aan de predikanten zijn gegeven.

Levert het bovenstaande het bewijs, hoe het kwartier Jïijmegon, zooals ook in andere opzichten liet geval was , zelfstandig optrad en zelfs niet schroomde zich tegen de meerderheid in den landdag te verzetten, van diezelfde zelfstandigheid gaf het kwartier Zutphen proeven in zijne regeling van de zaak dor vicariën , die in vele opzichten afweek van die, welke in de andere kwartieren is gevolgd.

Reeds in 1600 (1) werd bevolen aan alle collatoren, om binnen drie maanden hun recht van begeving aan Gedeputeerden van het kwartier te bewijzen door overlegging van alle daarop betrekking hebbende stukken met een nauwkeurigen staat van al de goederen aan de vicariën behooreude, alles op straffe van verlies van hun recht van begeving. Van dat recht zullen zij verder geen gebruik mogen maken dan met voorkennis van Gedeputeerden; zij moeten zich daarbij gedragen naar de gemaakte bepalingen, dat de begiftigden minstens twaalf jaar oud moeten zijn en verplicht daarop te studeeren uiterlijk tot hun vierentwintigste jaar, terwijl het derde deel der inkomsten moet uitgekeerd worden tot onderhoud van kerk- en schooldienaren. Beneficiën ter begeving van steden en dorpen zullen geheel moeten gebruikt worden voor kerk en school, zoo lang die niet door andere middelen kunnen worden onderhouden.

Uit dit besluit namen de Gedeputeerden van Zutphen aanleiding, om, daar zij met het bestuur der geestelijke goederen waren belast, ook do confirmatie der begeving van vicariën te verleeneu, in plaats van het Hof. Doch in 1622 (2) werd dooiden landdag besloten, dat dit bij het Hof moest blijven overeenkomstig vele vroeger genomene besluiten. Tevens werd goedgevonden, om eenige leden van den landdag te belasten mot

(1) Geld. Plkb., H, blz. 79.

(2) Geld. Plkb., 11, blz. 199.

-ocr page 214-

30

het ontwerpen eener verordening, waar naar de patronen zich in het begeven, en hot Hof zich in liet bevestigen der vicarissen in het vervolg zouden moeten houden , ten einde die dan door den landdag te doen goedkeuren en vaststellen.

Deze commissie uit den landdag maakte met die opdracht geenerlei voortgang, want op den landdag van 10 Juni 1646 verzocht Zutphen, dat door daartoe te benoemen gecomitteerden eene dergelijke verordening zoude worden opgemaakt en ingediend. De landdag zeker uit vrees, dat eene nieuwe commissie evenmin tot hot beoogde doel zou leiden, gelastte hot Hof, om tegen den volgenden landdag over dit onderwerp te dienen van bericht. Toch schijnt hot dat ook daaraan geen gevolg is gegeven. Eerst in 1661 (1), nadat de Synode weder bij den landdag over het misbruik der vicariën had geklaagd en vooral, dat deze vergeven werden zonder onderscheid van jaren of personen, werd door het Hof, aan wien was opgedragen van daarin te voorzien (2), eene ontwerp-verordening ingediend en besloot de landdag die te stellen in handen van Gecommitteerden ten fine van rapport, waardoor weder de zaak in het vergeetboek werd ingeschreven. Althans daarna vinden we niet meer van eene algemeene verordening op de vicariën in de landdagrecessen gerept.

Het Graafschap, waarin steeds voor het behoud der vicariën en het richtig gebruik der inkomsten het best was zorg ge-dagen , nam, toen de landdag nalatig bleef in het maken eener meer afdoende regeling, zelf de zaak ter hand en stelde op den kwartiersdag van Mei 1685 een nieuwe Ordre ende Keglcment op de vicariën voor dat kwartier vast, welke ontworpen was door de gecommitteerden, die weinige dagen te voren door het kwartier waren benoemd.

Volgens dat besluit moest de vicaris uit gereformeerde ouders zijn geboren en studeeren op gereformeerde scholen en academiën,

(1) Landdagrec. 11 Oct. 1661.

(2) Landdagrec. 27 Sept. 1600.

-ocr page 215-

31

binnenslands. Was een dor ouders van een anderen godsdienst, dan moest borg worden gesteld, dat de vicaris bij de gereformeerde religie zoude verblijven en ingeval van verandering van belijdenis al de genotene inkomsten zoude terug geven.

Om tot vicaris te worden benoemd moest de voorgedragene minstens 12 jaar oud zijn, en voorzien van een bewijs van den rector zijner school, dat hij tot de studie geschikt was en van goede verwachting, eer dat hij tot het genot der vicarie werd toegelaten, hetgeen hij in geen geval langer mocht behoudeu dan tot het einde van zijn vierentwintigste jaar. Zoodra de voorgestelde de vicarie door de bevestiging van de collatie van het Hof had verkregen moest hij zich vertoonen aan Gedeputeerden en van hen de „registraturequot; van de vicarie verzoeken.

Verder moesten de vicarissen alle twee of drie jaren aan Gedeputeerden overleggen getuigschriften van goed gedrag-afgegeven door hunne professoren of rectoren en zich op last der Gedeputeerden door een bevoegd persoon doen examineeren naar hunne vorderingen en onderzoeken of ook in het vervolg die inkomsten kunnen geacht worden aan hen wel besteed te zijn.

De studiën der vicarissen moesten voornamelijk daartoe strekken, dat zij na afloop daarvan de kerk en school in dat Graafschap konden dienen, hetwelk hun onderhoud had geschonken. Zij mochten dan ook aan niemand buiten het Landschap en in de eerste plaats buiten het Graafschap hunne diensten aanbieden. Alleen wanneer daar geene plaatsen open waren , waar men hunne personen konde gebruiken , was het hun geoorloofd op andere plaatsen zich aan te bieden, doch dan moesten zij bedingen , dat, wanneer zij in dat Graafschap werden beroepen, zij die stem mochten volgen. Doden zij dit niet, dan zouden zij alles moeten teruggeven, wat zij van het Graafschap, waaronder dan wel zal moeten verstaan worden uit de inkomsten der vicarie , hadden genoten.

Ter voorkoming van het misbruik, hetgeen vrij algemeen schijnt geweest te zijn, dat do vicarissen de inkomsten bleven behouden, ook indien zij de studie vaarwel hadden gezegd, en zich of voor

-ocr page 216-

32

een handwerk of voor den krijgsdienst bekwaamden, werd bepaald, dat voortaan ieder vicaris borg moest stellen of beloven , dat „wanneer hij komende onvruchtbaar de Academie of scholen te „verlaten zonder tot kerk, schooldienst of andere politique chargiën capabel te zijn al het genotene zoude worden terug gegeven. Uit do inkomsten zoude voortaan niemand meer dan honderd rijksdaalders genieten, terwijl die alleen mochten gegeven worden aan hen , wier ouders niet in staat waren, hunne kinderen uit eigen middelen te laten studeeren.

De collatoren mochten noch middellijk, noch onmiddellijk van de inkomsten der vicariën genieten op straffe, dat zij bij overtreding dier bepaling godnrcnde twaalf jaren het recht van begeving zullen verliezen, terwijl de aanbrenger zal genieten wat door don collator in strijd daarmede zal zijn ontvangen.

De collatoren zullen verder de vicarie bij de acte van collatie op gecne andere namen mogen stellen, dan op die van personen bij het reglement daartoe bevoegd verklaard, tenzij met goedvinden van Gedeputeerden. Kennelijk doelt dit op het geven der inkomsten aan kerken, gemeenten, predikanten of dergelijken.

Aan de rentmeesters, die hetzij reeds vroeger, hetzij ook naar aanleiding van dit reglement de vicariën beheerden, werd gelast volledige lijsten der vicariën te maken met de namen der vicarissen, den tijd der begeving en de inkomsten en die overleggen aan Gedeputeerden.

Alle inkomsten, welke ia strijd met dit reglement waren vergeven of die meer bedroegen, dan daarbij was toegestaan, moesten door de ontvangers worden behouden en met de andere inkomsten van het kwartier worden verrekend.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, waren de bepalingen en het toezicht op do vicariën en het gebruik harer inkomsten veel strenger in het Graafschap Zutphen dan in de overige kwartieren, en zijn dientengevolge daar de vicariën in grooter getale in wezen gebleven dan elders.

Allo vicariegoederen, zoowel die, waarvan derden de collatie hadden, als die, welke op verschillende wijze ter beschikking

-ocr page 217-

33

van liet kwartier stonden en later werden gebracht (1) stonden onder beheer van de drie rentambten, die zich in dat kwartier bevonden, naar gelang van de ligging dor hoofdplaats van htt rentambt en der kerk, waarin de vicarie was gesticht.

Deze drie rentambten het Zutphensche , Doetinchemsche en Borculoosche zijn blijven bestaan, tot dat zij bij Koninklijk Besluit van 6 April 1808 feitelijk zijn opgeheven.

De vicariën in de stad Zutphen zijn echter niet onder het beheer der rentambten gebracht en zijn met slechts enkele uitzonderingen verloren gegaan.

Andere algemeen werkende besluiten van den landdag of de kwartieren zijn niet bekend, zoodat het schijnt, dat geene nadere resolutiën op de vicariën voor de omwenteling van 1795 in Gelderland zijn gemaakt.

Aan het Hof was, zoo als we reeds hebben gezien, de zorg voor het nakomen dor plakkaten opgedragen, en bij landdag reces van 29 April 1G80 werd het nogmaals aanbevolen nauwkeurig acht te geven op het misbruik der vicariën. Toch blijkt uit verscliillendo stukken, dat het toezicht van het Hof veel te wenschen overliet, en in vele opzichten de bepalingen op de vicariën werden overtreden. Zoo lezen wij o. a. dat Constantijn Huijgens in 1648 als collator eener vicarie te Zuilichem, van welke plaats hij Heer was, die vicarie heeft vergeven aan zijn neef en op die begeving ook de bevestiging van het Hof heeft verkregen, doch zoo als Huijgens schrijft: „simpelick „pro forma, sonder dat mijne neven, die dit onbekent is, „sich daaruit eenig recht tot de vicarie hebben aan te meten, „als sijnde inderdaed mijne oprechte intentie dat inkommen „neffens al het andere Geestelicke, ten dienste van Kercke,

(1) Bij kwartierbesluit van 26 Mei 1685 is een accoord goedgekeurd, gesloten niet den Graaf van Bergh, waarbij deze aan liet kwartier afstand deed van zijne rechten als collator van alle vicariën, die liij in het Graafschap bezat, tegen overgifte van twee obligation, welke liet kwartier had ten laste van dien Graaf. Op dezelfde wijze ontving het kwartier beschikking over vicariën ter begeving staande van den Graaf van Stijrum in 1688 en van de stad Groenlo in 1699.

3g

-ocr page 218-

34

„schole ea de armen te laten strecken, gelijk tot nu toe geschiet is . Hieruit blijkt dus, dat het bewijs van studie nimmer door het Hof is gevraagd, daar anders dat vroom bedrog zoude zijn uitgekomen (1).

Vooral in de XVIII eeuw is dit toezicht zeer verslapt, met uitzondering evenwel van liet kwartier Zutphen. Daar bleef men steeds aan die bepalingen de hand houden, hetgeen daar ook gemakkelijker was dan elders door de instelling der rentambten, welke alle vicariegoederen beheerden. In Neder-Betuwe was dit laatste ook wel het geval, doch niettemin hadden daar toch wel overtredingen plaats. In Echteld bijv. zijn de vicariën het laatst onder goedkeuring van het Hof begeven in 1667. Daarna zijn de goederen nog wel meermalen vergeven, doch zonder dat die bevestiging werd gevraagd, misschien wel, omdat de persoon, die daarmede begiftigd was, niet alleen de jaren nog niet had bereikt, bij de plakkaten voorgeschreven of ongeschikt was tot studie. Het doel der begiftiging werd dan ook in de aanstelling omschreven, om daarvoor onderwezen te worden in alle goede kunsten on wetenschappen en voornamelijk in de gronden der Gereformeerde religie. Desniettegenstaande werden de inkomsten door den ontvanger der Heder-Betuwscho vicariegoederen uitbetaald en hij deed dat ook, wanneer de vicarie in het geheel niet vergeven werd.

(1) V. Dam van Brakel. De eer van Constantijn Huijgens gehandhaafd tegen liet vermoeden van oneerlijke dijkverlalmg te Zuilichem in 1G79. Uit deze brochure blijkt ook, dat de Heeren van Zuilichem het beheer voerden der geestelijke goederen in die gemeente, doch dat dit beheer door den voorganger van Huijgens zoo slordig werd gevoerd, dat de Ridderschap die eigendommen te samen bedragende 44 morgen 1 hont lands hem had ontnomen.

In 1634 werd op verzoek van Huijgens door Gedeputeerden van het Kijmeegsche kwartier hem het bestuur daarover teruggegeven. In 1679 stond dezelfde vicarie op naam van een anderen neef van Huijgens, zijnde Maurits Le Leu de quot;Wilhem, Raad van den Prins van Oranje en Ambassadeur aan het Hof van Zweden.

Ook deze heeft waarschijnlijk er geene kennis van gedragen en er gewis geene voordeden van genoten.

-ocr page 219-

35

Dergelijke voorbeelden zouden er nog velen kunnen worden bijgebracht, zoowel uit het kwartier Nijmegen als uit dat van Arnhem (1).

(1) Op welke wijze dikwijls, in strijd met do wettelijke bepalingen, met de vicariegoederen werd gehandeld en hoe door de uitgifte in erfpacht de inkomsten menigmaal verminderden, ja ook wel geheel verloren gingen, kan blijken uit onderstaanden brief, geschreven 25 Augustus 1767 aan een collator en waarin wij alleen de namen hebben weggelaten op verzoek van den bezitter van dat schrijven, die het welwillend ons heeft medegedeeld.

„In de toekomende maand zullen do vicariën en alzoo ook de St.......

vicarie opnieuw worden verpacht, waarvan U Collator is. Do groote vraag is, of P. die nog eens krijgt. Ik meen, dat die vroeger door wijlen den collator is gecedeerd quasi aan zjjn zoon. Als UEd. hem dat verder conce-deerde, zoo dient daarop een middel beraamt, dat niet kan missen en dat tellens niet aan \'t ligt brengt, hoedanig de J door den collator worden ge-employeert Om rede, dat een collator (stricfo jure) is gehouden zijn J te moeten geven aan een vicaris, om voor te studeeren en welke vicaris op request van den Collator aan \'t Hof door hetzelve ontvangen moet een brief van investiture voor den tijdt van G jaaren en niet langer. Dit is eijgenlijk de natuur en de behoorlijke handelingen, welke een Collator verpligt is \'t observeren, maar behalve IJ zijn er zoo veele Collatores die sulx niet ge-observeert hebben, dat het haast niet meer waar is. Hoewel ik onlangs door \'t Hof als Collator daartoe gesommeert ben; waar de J blijven. Gebeurt dit mij, \'t kan ook TJ voorkomen, dus de gunst aan P. zoude vervallen, want die arme Drommel sekerlijk geen zoon heeft, die ter schole van Rectoren eene studie kan entameren; maar opdat die vicarie niet allo ses jaaren weder in geheugen gebragt word en dus alle naspeuringen bij deese en geenen worden weggenomen, soo dunkt mij het raadsaamste, egter geve het TJ beter oordeel over. „Dat ik do vicanj nam in eeuwigdurende erfpagt en U als Collator, sulx agreëerende bij Request aan de Landschap , door mij daartoe consent en approbatie versogt zijnde en geobtineert, transport in forma, die vicanj bij aparte acte voor altoos overdeed aan P.; dat hij aan mij daervoor de jaarlijkse Canon, daer ik voor te boek sta, moest betalen; dat ik dan vervolgens op mijn naam betaalde aan don Rentmeester der g. goederen deeses ampts, die daarvan alle jaar J aan U als Collator betaalde, welke U dan aan hem P. alle jaar kon laten genieten als het oud douceur. Hierdoor behield P., wat hij mi geniet. Hierdoor raakte de vicarij agter de bank en in \'t vergeetboek van \'t publiecq. Hierdoor kan U de | onderhoud aan Peter laten, ook kon de Canon \'s jaarlijks op een zekere mindere som, als nu opbrengt, gefixeerd worden. Dat casu quo het Hof al eens van U als Collator de § wilde requireren dat montant so gering kon weesen, dat TJ daarop

-ocr page 220-

36

Aan het Hof was ook opgedragen het verleenen van de brieven van institutie aan de door de collatoren voorgestelde vicarissen (1), en de uitspraak in alle geschillen omtrent de vicariën, die telkens zich voordeden, zoo als blijkt uit de talrijke vonnissen door het Hof in dergelijke zaken gewezen. Evenzoo moesten allo schikkingen en overeenkomsten omtrent de vicariën aan het Hof ter goedkeuring worden medegedeeld (2).

Aan de Staten bleef daarentegen het recht, om te vergunnen, dat vicariegoederen werden verkocht onder de voorwaarden door hen te bepalen , gewoonlijk dat de opbrengst op een der kwartieren werd belegd, óf dat daarvoor landerijen van gelijke waarde werden verbonden.

Ook de uitgiften in erfpacht, die zeer gewoon waren, moesten door de Staten worden goedgekeurd (3).

Het belieer der vicariegoederen werd op de Veluwe in den

ligtelijk kon dienen, sulk een bagatel geen vicaris kon helpen en bereid was dat te geven; welk | portie dan al eens gegeven wordende, soo kan P. ligt die Canon geheel opbrengen; terwijl hij toch voor altoos van het Land en de provenues van dien bleef versekert.quot;

Op die voorgestelde wijze is inderdaad gehandeld. Met authorisatie der Edel Mogende Heeren Staten dezer provincie zijn lOJ morgen in een vruchtbare streek gelegen voor 27 gulden in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven. Dezelfde grond was vóór dien tijd verpacht voor 18 jaren tegen /\' 30 \'s jaars.

(1) Schrassert. Stucken behoorende tot de Codex Grelr. Zutph., blz. 102.

(2) Kanselarij ordonnantie 10 Juli 1622. Schrassert 1.1., blz. 90. P. Nijhofi. Registers op het archief van het Hoi van Gelre passim.

(3) Landdagrec. 19 .Nov. 1637; 11 Oct. 1660; 18 Januari 1682; 1 April 1707; 19 October 1709 en a. m. Geld. Plakb. III, blz. 2 en 585.

In 1670 zijn de eigendommen der vicarie vau Herwen in erfpacht uitgegeven voor f 18. Vóór dien tijd was de grond verhuurd voor f 100. De predikant, welke vroeger als tortie daarvan ruim f 30 genoot, ontving toen slechts f 6. De Classis van Kijmegen besloot „om den Edelen Hovo daarover te begroeten en de herstelling der vicarie te verzoeken.quot; Het schijnt echter geenerlei resultaat te hebben opgeleverd.

De goederen van de St. Catharina-vicarie te Ermelo, welke ruim 220 L. opbrachten, zijn in 1777 in erfpacht uitgegeven en als canon werd later niet meer dan f 108 betaald.

-ocr page 221-

37

regel door de vicarissen zelve gevoerd (1). In Over- en Keder-Betuwe door Amptman en Jonkers, evenzoo in Maas en Waal door Amptman en Ridderschap. In Tieler- en Bommelerwaard beheerde een rentmeester onder toezicht van het kwartier tn in het Graafschap Zutphen deden het de onderscheidene geestelijke rentambten.

Aan de verschillende rentmeesters was het recht van parate executie voor de invordering van pachten en dergelijke toegestaan (2), en tevens, om als de oorspronkelijke stukken ontbraken , zoo als dikwijls het geval was, deugdelijke legerboeken, registers en rekeningen in rechten als bewijzen over te leggen (3).

(1) Schrassert. Codex Gelr. Zutph., blz. 500 en 501. Stucken enz., blz. 551. De Ticarie Setae Agathae gevestigd in de kerk te Harderwijk schijnt echter door een rentmeester beheerd te zijn geweest. Schrassert. Stucken, blz. 102.

(2) Geld. Plakkb. II, blz. 467.

(3) Schrassert 1.1., blz. 330.

-ocr page 222-

LUST DER VICARIEN NA 1609 IN GELDERLAND NOG AANWEZIG.

Wanneer men de reeds vroeger vermelde Institutie-boeken van het Hof nagaat, kan men de daarin vermelde vieariën verdeden in dezulken, welker begeving ouder goedkeuring van het Hof geregeld tot aan de laatste jaren der vorige eeuw is voortgezet en anderen, van welke men reeds vroeger niets meer vindt opgeteekeud.

Deze verdeeling is ook in de volgende bladzijden door ons gevolgd ; in de eerste plaats worden de vieariën vermeld, waarvan geene of slechts eene enkele begeving in de tweede heltt dier eeuw is opgeteekend en voor het grootste deel ook geene goederen meer bekend zijn; terwijl in de tweede lijst de anderen zijn opgenoemd met bijvoeging van alle bijzonderheden, die ons bekend zijn geworden, en waarvoor de „registers der resolutiën, in zake prebenden, vieariën en soortgelijke beneficiënquot; van af 16 Juni 1807 tot op heden, welke aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken berusten, eene rijke bron opleveren. Van deze registers zijn door ons geacht medelid den steeds volijverigen Heer W. van Beuningen, emeritus predikant van Ameide en Tienhoven, uitvoerige en nauwkeurige uittrekseis gemaakt, die door ons bij het schrijven van de volgende bladzijden zijn gebruikt.

Ieder dezer resolutiën eindigt in den regel met de volgende woorden „geschiedende deze confirmatie (gerechtigd verklaring)

-ocr page 223-

39

behoudens Zijner Majesteits en een ieders recht en onder gehoudenheid van de zijde der belanghebbenden, om zich te gedragen naar de bepalingen en verordeningen, welke op het stuk der vieariën reeds bestaan of later zullen worden uitgevaardigd.quot; Gewoonlijk is er ook nog bijgevoegd: „mits dt begiftigde bij elke ontvangst dier inkomsten van de voortzetting zijner studiën doe blijken.quot;

I.

Appeltern. — De beide vieariën ter eere van O. L. Vrouw en van St. Jan zijn het laatst begeven in 1664 door C. J. van Bommel.

Aalst. — St. Catharinae-vicarie. De Heer van dat dorp was collator en heeft in 1657 de inkomsten begeven aan den predikant en schoolmeester; waarschijnlijk zullen de daartoe behoorende goederen met de pastorie- en kosteriegoederen zijn vereenigd.

Barneveld. — St. Antonii- en Sebastiani-vicarie. In 1658 het laatst begeven door de collators, zijnde de Amptsjonkers van Barneveld; de jaarlijksche opbrengst was toen 40 L.

St. Crucis-vicarie. In 1619 hebben de collatoren erfgenooten des Kerpels Barneveld de inkomsten begeven aan den schoolmeester, deze werden toen geschat op 43 L.

Vermoedelijk zijn de goederen van beide vieariën daarna ingelijfd bij de goederen der kerk zooals op de Veluwe dikwijls het geval was.

Beest. — Grasthuis-vicarie is in 1676 door het kwartier van Nijmegen aan den predikant gegeven en daarna waarschijnlijk evenals St. Sacramenti-vicarie of St. Annae-vicarie , welke in 1655 aan kerkmeesters van Beest is afgestaan met St. Antonii-vicarie, waarvan burgemeesters en kerkmeesters als vertegenwoordigende de gildemeesters van St. Antonius collatoren waren , met de kerkegoederen vereenigd. Van St. Adriaui-

-ocr page 224-

40

vicarie in 141S gesticht en in 170G het laatst begeven, van St. Barbarae-vicarie en St. Crucis-vicarie in 1662 en van St. Catha-rinae-vicarie in 1616 het laatst vermeld, zijn geene sporen meer over.

Bennek om. — O. L. Vrouw, St. Annae- en St. Antonii-vicarie respectievelijk het laatst begeven in 1659, 1666 en 1621. Allen zijn vermoedelijk bij de kerkegoederen ingelijfd.

Zalt-Bommel. — De vicarie ter eere van St. Barbara et Ursula wordt alleen uit deze stad vermeld, het laatst in 1665. Men mag aannemen dat daar veel meer vicariën zijn geweest, doch allen verduisterd.

Borculo. — Vicariën gewijd aan de 11000 martelaren, St. Maria, St. Barbara, H. Kruis, St. Anna en eene in de gerfkamer. Alle dezen stonden ter begeving van den Graaf van Styrum en werden volgens de institutieboeken omstreeks de helft der XVIIe eeuw het laatst door dezen begeven.

In 1688 heeft de collator ter gedeeltelijke betaling zijner schulden het collatierecht van die vicariën aan het kwartier Zutphen afgestaan met dat van de vicariën Mariae Virginis te Geesteren en St. Antonii en St. Catharinae te Eijbergen.

De goederen dezer vicariën werden allen beheerd door het Borculoosch geestelijk rentambt en volgens de laatste rekening van 1808 genoot het kwartier de geheele inkomsten dier goederen.

De eigendommen dier vicariën zijn vervolgens met het Rijksdomein vereenigd, zoodat daarvan thans geene sporen meer worden gevonden.

Brake 1. — De Heer dier plaats vergaf het laatst in 1703 de vier zich in de kerk aldaar bevindende vicariën zijnde O. L. Vrouw in de Son, O. L. Vrouw in den Hoek, St. Johannis en St. Antonii.

Brummen. — De vicarie 12 Apostolorum stond ter begeving van den pastoor, en is door Bisschop David van Bourgondiën ingelijfd bij de Proostdij te Zutphen. De goederen (inkomsten 240 L.) der vicarie St. Mariae Virginis ter begeving van Pastor en Kerkmeesters zijn waarschijnlijk onder het kerkegoed opgenomen.

-ocr page 225-

41

Cul en borg. — St. Jans of Lanksmeersvicario stond ter begeving van het kwartier van Nymegen, dat in 1667 ze het laatst vergaf. Over het recht op de inkomsten is in 1650 en 1668 geprocedeerd (1).

Del wijnen en Kerkwijk. — Van de verschillende vica-riën zich in de kerk aldaar en in de kapel van het huis Del-wijnen bevindende, was de Heer collator. In 1670 vindt men de laatste begevins.

o o

Dieren. — 0. L. Vrouwe vicarie stond ter begeving van den commandeiu1 van Dieren. De inkomsten worden in het laatst der vorige eeuw niet meer vergeven, maar door het geestelijk rentambt van Zutphen, welke de daartoe beboerende goederen bestuurde, aan het kwartier van Zutphen verantwoord.

Die ten. — St. Laurens vicarie begeven het laatst in 1666.

Dinxperlo. — St. Antonii vicarie. De landheer was collator. In 1627 is zij begeven door den Prins van Oranje. Later vindt men ze nog vermeld op do rekeningen van het Doetinchemsch rentambt. Op die van 1806 met vermelding „vacerendequot;. De goederen zijn waarschijnlijk mot het Rijksdomein vereenigd.

Doornenburg. — L. Vrouw of St. Thomas vicarie in 1670 het laatst begeven.

Dreumel. — L. Vrouw en St. Jan vicarie in 1659 het laatst begeven.

Driel. {Bommelerwaard). — St. Catharinae vicarie. In 1622 behoorde daartoe elf morgen en anderhalf bont bouwland te Driel, het laatst begeven in 1671, evenzeer als Beatae virginis et Johannis Baptist en St. Crucis vicariën.

Ede. — St. Barbarae et Nicolai, St. Jan, St. Crucis en O. L. Vrouw vicarie zijn in 1672 aan den custos en kerkmeesters begeven en waarschijnlijk met de kerkgoederen vermengd. — In 1726 schijnt evenwel een deel dier goederen in andere handen te zijn gekomen en zijn de erven van den Berg

1

P. Kijhoff. Registers op het Archief van het Hof van Gelre enz., blz. 152 en 206.

-ocr page 226-

42

bij vonnis bevolen zes morgen land tot de vicariën St. Mariae et Nicolai en St. Barbarae beboerende ten behoeve van. den collator in te ruimen (1); wat toen met die goederen is gebeurd, is onbekend. — Grocdkcuring op eene begeving is niet gevraagd.

El den. — St. Nicolai vicarie het laatst in 1640 begeven, waarschijnlijk even als de beide volgenden onder beheer van het geestelijk rentambt van Over-Betuwe.

Eist. — St. Fedao en St. Catharinae vicarie gesticht in 1444, de vier canonisiën gesticht in 1402, het laatst begeven in 1677, 1661 en 1648.

Ellecom. — St. Nicolai vicarie. De heer van den Swanen-burg was collator. — De laatste begeving is van 1752. De koster zoude in 1811 nog jaarlijks ƒ9 uit de inkomsten genoten hebben.

St. Annae vicarie ter begeving van don heer van Middachten werd het laatst in 1685 begeven.

Elspeet. — De vicarie waarschijnlijk aan St. Antonius gewijd werd door de collatoreu, geërfden van Elspeet in 1712 en later bij vernieuwing in 1725 aan predikant en schoolmeester begeven.

Gameren. — St. Nicolai en O. L. Vrouw, St. Jacob en St. Johannes vicarie stonden allen ter begeving van den Heer dier plaats. De laatste begevingen zijn van 1698, 1670 en 1650. Door de collatrice is in 1640 bepaald onder goedkeuring van het Hof, dat van de der jaarlijksche inkomsten der beide eerste vicariën ƒ75 aan den predikant moest worden uitgekeerd.

Gard er en. — O. L. Vrouw vicarie het laatst begeven in 1715. Bij de voormelde kerkvisitatie van 1571 bleek, dat de begiftigde met deze vicarie niet te Garderen woonde en de hem opgelegde diensten niet waarnam. Door den bisschop werd toen gelast de goederen dezer vicarie in beslag te nemen en de inkomsten tot herstelling der kerk te gebruiken (2).

(1) Nijhoff. Registers op het archief van het Hof van Gelre enz. blz. 275.

(2) Visitationes etc. pag. 20.

-ocr page 227-

43

Gelder malsen. — St. Mcolaas vicarie het laatst begeven in 1670.

O. L. Vrouw vicarie in 16G7 begeven aan den predikant. De goederen zullen daarna ■waarschijnlijk onder do pastorie- of kerkegoederen zijn opgenomen even als te

Gr e n t. — die van de St. Mcolai en St. Catharinae vicarie, welke in 1677 door Rechter, Burgemeester en Kersspe]lieden als collators aan den predikant zijn begeven en te

Groesbeek. — waar de goederen van de vicarie St. Mariae in 1679 aan den predikant zijn geconfereerd.

Haaften. — St. Jan, O. L. vrouw en St. Catharinae vicariën allen gestaan hebbende ter begeving van het kapittel van Haaften. Na de Hervorming zijn de Heeren van Haaften als collatoren opgetreden en hebben het laatst in 1659 goedkeuring op hunne begeving ontvangen. De goederen tot deze vicarie behoord hebbende zullen wel het lot hebben gedeeld der overige geestelijke goederen van Haaften, die bij de beruchte overeenkomst met den Staat in 1849 aan den Heer dier plaats zijn overgegeven.

H a r t e n. —• In een kapel aldaar St. Willebrords vicarie ter begeving van de heeren van Doorwerth. Zij is het laatst begeven in 1631. De daartoe behoord hebbende goederen zijn vermoedelijk gevoegd bij die der kerk van Eenkum.

Hat tem. — St. Jurriaans en St. Crucis vicarie, het laatst begeven in 1664.

Hengelo. — Vicarie 3. Regum stond ter begeving van Gedeputeerde Staten van Zutphen, die het laatst in 1666 daarop goedkeuring hebben gevraagd en waarschijnlijk vervolgens de inkomsten niet meer aan een vicaris hebben gegeven, maar ze gebruikt voor kerk en school. Dit blijkt ook uit de rekening over 1808 van het Doetinchems geestelijk rentambt, hetwelk de goederen dezer vicarie beheerde, waarin men leest „geen-possesseur, de inkomsten worden geheel door het Kwartier genotenquot;. Deze goederen zijn na de opheffing der rentambten met \'s Rijksdomeinen vereenigd.

-ocr page 228-

44

Herwijnen. — St. Jan en O. L. Vrouw vicarie, begeven het laatst in 1660.

Herwaarden. — L. Vrouw, St. Jan Baptist en St. Brigittae vicarie allen ter begeving van de Vrouwe van Varik het laatst in 1691.

Het er en. — St. Catharinae vicarie, het laatst begeven in 1652. L. Vrouw vicarie. Collator de Heer van Doorwerth, het laatst in 1665.

Hoevelake. — L. Vrouw vicarie. Collator de Heer van Hoevelaken, het laatst in 1637.

Ingen. — De naam van den Heilige, aan wien de vicarie was gewijd, wordt niet genoemd. De eigendommen bestonden uit dertien morgen land. In 1650 is zij het laatst begeven.

Kerkwijk. — L. Vrouw vicarie. Door den collator Heer dezer plaats het laatst in 1670.

Me ter en. — St. Jan vicarie, het laatst in 1650.

Neder-Asselt. — L. Vrouw vicarie. Collator de Heer van den huize Sleeborg. In 1713 is zij het laatst vergeven door den Momboir dezer landschap als verwinhebber van den huize Sleeborg.

^Tetterden. — Volgens het meergenoemde visitatieboek waren in de kerk dezer plaats in 1574 nog vier vicariën, waarvan de collatie aan leeken behoorde. Zij waren gewijd aan de B. V. Maria, aan het H. Kruis, aan de H. Maria ad nives en aan de H. Anna. In de institutieboeken worden zij niet genoemd en schijnen dus reeds spoedig verduisterd te zijn.

Oo ster beek. — St. Peter en St. Anna vicarie stonden ter begeving van de heeren van Doorwerth, het laatst begeven in 1657. O. L. V. vicarie het laatst in 1675.

Oosterholt. — St. Lambert vicarie, het laatst in 1635.

Oosterwolde. — St. Antonii Huberti, Cornelii Theobaldi vicarie, het laatst in 1687.

O pijn en. — St. Jan en St. Catharinae vicarie, in 1698 het

laatst begeven.

Otterloo. — St. Antonii vicarie, het laatst begeven in

-ocr page 229-

45

1780. Tot deze ■vicarie belioordc de zoogenaamde Ploegmaat. Het stuk land onder dien naam reeds van onds bekend behoort thans tot de pastoralia dier gemeente. St. Annae vicarie, het laatst begeven in 1632.

Over hagen. — Overhagensche vicarie, het laatst begeven in 1632.

Ooy. — De naam der vicarie wordt niet genoemd. In 1679 is zij begeven aan den predikant van Ooy en Persingen en daardoor waarschijnlijk met de kerk- of pastorie-goederen vermengd, zoo als wellicht ook do St. Catharinae vicarie in 1656 het laatst begeven. Nog behoort tot do goederen der kerk de Catharina kamp. L. Vrouw en St. Greorgii vicarie zijn in 1628 het laatst begeven.

Pan n er den. — De daar gestichte vicarie is in 1620 het laatst hegeven door het Hof ex jure devoluto. Do daartoe be-hoorende goederen zijn, naar men met zekerheid meent, thans vereenigd met de kerke-goederen der R. K. gemeente aldaar.

Randwijk. — St. Antonie en L. Vrouw vicariën. Van beiden was de heer van Doorwerth collator, die er echter weinig belang in scheen te stellen, althans in 1659 , 1064 cn 1666 werden zij en, wel voor het laatst, ex jure devoluto door het Hof vergeven.

Renkum. — L. Vrouw St. en Annae vicarie het laatst begeven in 1649.

Roode Toren. — St. Catharinae vicarie het laatst in 1666, Rumpt. — L. Vrouw vicarie gesticht in 1568 door den collator, heer van Rumpt, het laatst in 1661 ; en te Seddam. — St. Nicolai vicarie het laatst in 1663; te Scherpen zeel. — St. Barbarae en St. Annae vicarie iu 1626 en te

Ter wol de. — St. Antonie vicarie in 1649.

ïwello. — St. Sebastiani et Fabiani vicarie stond ter begeving van den pastoor. In 1609 bepaalde het Hof, dat jonkeren, schout en kerkmeesteren van Twello de goederen der pastorie en van deze vicarie voortaan zouden gebruiken en

-ocr page 230-

46

beheeren, waartegen zij den pastoor jaarlijks ƒ 350 moesten uitkeeren (1).

St. Antonii vicarie gesticht in 1431 is het laatst begeven in 1656.

Voorthuizen. — O. L. vrouw vicarie. Door erfgenamen en ingezetenen van Voorthuizen als collatoren het laatst begeven in 1656.

AVadenoijen. — O. L. vrouw vicarie liet laatst begeven in 1659.

Wag en in gen. — St. Cosmi et Damiani vicarie gesticht in 1521, het laatst begeven in 1675; St. Annae vicarie gesticht in 1509, begeven het laatst in 1705; Maria Magdelenae vicarie in 1691 liet laatst begeven; St. Catharinae vicarie in 1677 ; St. Eochus vicarie in 1719. De vaste goederen tot deze laatste vicarie behoorende zijn in 1698 door den magistraat met goedkeuring van den Landdag en collatoren verkocht en de opbrengst belegd in obligatiën op het kwartier.

AYamel. —• St. Andreae vicarie in 1787 en St. Sevirini

vicarie in 1661 het laatst begeven.

We ster voort. — St. Annae en St. Antonii vicarie ter collatie van Gravinne van den Berg, het laatst in 1671 bege\\en.

_ Capel-vicarie gestaan hebbende ter begeving van

de Staten van Utrecht. In 1682 begeven door Willem III. Zij bestond toen uit een kapitaal van f 8850.

Zandwijk. — St. Mariae en St. Sebastiani vicarie het laatst in 1744; Petri en Pauli vicarie het laatst in 1648 begeven door schepenen, gasthuismeesters en die van den gerichte van

Zandwijk als collatoren.

Zuilichem. — L. Vrouw en St. Jan vicarie in 1657 en

1648 voor het laatst begeven.

(1) Kijhoff. Registers op het archief van het Hof van Gelre enz. biz. 37G. Onder de eigendommen der Hervormde pastorie (1870) komt voor 4,-1340 Heet. onder den naam van vicarie met eene opbrengst van f 100.

-ocr page 231-

47

II.

Aal ten. — St. Helenae vicarie staande ter begeving van de Heeren van Anliolt. — De laatste begeving, waarop volgens de institutieboeken goedkeuring is gevraagd, dagteekent van 1611. Toch scbijnt deze vicaric in wezen te zijn gebleven, ofschoon ze niet voorkomt onder de vicariën, welke even als de andere Aaltensche vicariën onder beheer stonden van het Doetinchemsche geestelijk rentambt. Althans blijkens de opgave van den Maire, ingevolge besluit van dcu prefect van den Ouden IJssel van 24 Juni 1811 bestond zij toen nog en was ter begeving van het Keizerlijk domein. Daarna wordt ze niet meer vermeld.

St. Antonii vicarie. De laatste begeving in de institutie-boeken vermeld is van 1685. Toch wordt zij nog gevonden in de laatste rekening van het Doetiuchcmsch rentambt van 1808 en daarbij zoo wel de collator als de possesseur (vicaris) genoemd. In het kwartier Zutphen schijnt in het algemeen zeer dikwijls de approbatie van het Hof niet te zijn gevraagd, terwijl de inkomsten toch aan den aangewezene werden uitbetaald.

De vaste goederen tot deze vicarie behoorende schijnen reeds in de vorige eeuw te zijn verkocht en in 1808 waren alleen nog tienden overgebleven.

Tot 1812 zijn de inkomsten geregeld uitbetaald aan den dooiden collator aangewezen persoon , en welke collatie was aangenaam verklaard bij resolutie van den Eaad van Financiën in het Departement Gelderland, van 18 Juni 1806, die alzoo in de plaats van het Hof, aan wiens werkkring in 1795 alles wat het politieke betrof was ontnomen, optrad.

In 1817 verzocht de toenmalige collatrice, dat aan haar de achterstallige inkomsten van af 1812 zouden worden uitgekeerd.

De Minister van Justitie die, nadat bij Koninklijk besluit van 8 Mei 1814 nquot;. 147 dit eerst aan den Minister van Binnen-landsche Zaken was opgedragen, bij Koninklijk besluit van 3 November 1815 n0. 25 was belast om te beschikken over alles wat de begeving van prebenden, canonasiën en dergelijke

-ocr page 232-

•18

beneficiën betreft op dezelfde wijze als dit had plaats gehad tot op de inlijving dezer landen in Frankrijk, verklaarde bij resolutie van 21 November 1817, dat de collatrice de inkomsten dier goederen op wettige wijze aan een jongeling ten behoeve zijner studie had gegeven, dit niet had ingetrokken, noch de inkomsten aan een ander gegeven en dat zij alzoo geenerlei aanspraak op die inkomsten had, maar dat deze onder goedkeuring van het Gouvernement moesten worden aangewend tot voortzetting van studie.

Aan het verzoek van de collatrice, om de achterstallige inkomsten zelve te mogen genieten, kon op dien grond niet worden voldaan.

In het volgend jaar een nieuw verzoek, waarbij de collatrice verklaarde, dat de vorige vicaris zijne studiën had voleindigd en verzocht goedkeuring op eene nieuwe door • haar gedane begeving aan een student ten behoeve zijner studiën. Hierop wordt de goedkeuring verleend, doch niet op haar verzoek van goedkeuring der overdracht van haar collatierecht op haar zoon. Dit werd door den Minister geweigerd bij resolutie van 13 September 1818 en wel op de navolgende gronden: „dat de vicarijen uit derzelver aard en oorsprong zijn gewijde goederen en mitsdien nimmer als eigendom van bijzondere personen kunnen worden beschouwd, terwijl de verandering van bestemming der daaraan verbondene vruchten, welke tijdens de reformatie hier te lande heeft plaats gehad, niettemin geene verandering in den aard der instelling heeft teweeg gebracht, zulks dat het recht van patronaat en collatie dezer goederen als niet zijnde in commercie door verkoop, donatie of andere daad onder de levenden niet vermogen overgedragen te worden, terwijl, zoo er al voorbeelden gevonden worden, dat dit wel eens te voren beeft plaats gehad, die daden of by sub- en obreptie buiten weten van het oppergezag zijn gepleegd, of bij wege van bijzondere gratie of dispensatie van den tijdebjken souverein zijn toegelaten.quot;

De inkomsten zijn daarna geregeld uitgekeerd aan studenten

-ocr page 233-

49

ten behoeve hunner studiën, na vooraf verkregen goedkeuring van den Minister op de gedane begeving, en wel sedert 1826 van den Minister van Binnen],indsche Zaken, aan wien dit bij Koninklijk besluit van 30 Maart 1826 no. j01 weder was opgedragen, uit overweging , dat de zaken van het onderwijs thans weder bij dit Departement worden bestuurd. Bij Ministe-riëele resolutie van 31 Mei daaraanvolgende word daarop dit onderwerp overgedragen ann den administrateur vau het onderwijs, „zullende echter omtrent zoodanige zaken en punten, welke eene hoogere beslissing mochten noodzakelijk maken, de voorstellen van don administrateur bij den Minister worden tegemoet gezienquot;. In 1832 werd deze laatste resolutie weder ingetrokken en werden allo beschikkingen weder als vroeger bij Ministeriëele resolutiën genomen.

De laatste resolutie omtrent deze vicarie genomen is van 4 December 1884 en daarbij is de nieuwe collator, neef van den vorige , door wien hem het collatierecht was gelegateerd, door den Minister erkend en zijne gedane begeving goedgekeurd. De inkomstem bedragen ongeveer zeventig gulden.

Setae Crucis et Helenae. Volgens de institutieboeken waren collatoren de oudste burgemeester en de tijdelijke vicaris van St. Crucis altaar te Bockholt en is de laatste begeving in 1647 geschied.

In de voormelde rekening van het Doetichemsch rentambt wordt als collator de heer van Breedevoort genoemd, zijnde sedert 1697 , toen die heerlijkheid aan Willem III voor een pandbrief van f 5000 is overgedragen, de opvolgende Stadhouders en daarna de landsregeering, zooals ook in 1811 het Keizerlijk domein als zoodanig wordt genoemd.

Geregeld schijnen de inkomsten dezer vicarie te zijn vergeven.

In 1808 was zekere Knikkink vicaris, die daarbij de inkomsten van St. Antonius vicarie in de kerk te Breevoort genoot. Bij resolutie van den Minister van Justitie van 24 December 1816 werden met authorisatie des Konings de inkomsten aan dezen weder verzekerd.

Bij resolutie van 10 December 1820 zijn de inkomsten

4g

-ocr page 234-

50

van de beide vicariëu door den Minister met Koninklijke machtiging aan een ander student gegeven. Daarna is dit nog driemaal gebeurd en aan de begunstigde studenten tevens de opbrengst der vicarie St. Anuae in de kerk te Breevoort toegelegd. De laatste begeving in 1840 gedaan gold slechts voor twee jaar; bij de inkomsten der voormelde vieariën waren toen ook nog gevoegd die van twee beneficiën in de gasthuiskerk te Breda.

Sedert dien tijd en na het Koninklijk besluit van 15 Februari 1843 , waarbij de rijksbeurzen aan de hoogescholen zijn opgeheven en ter gedeeltelijke vervanging de inkomsten dor vieariën en beneficiën ad studia ter begeving des Konings staande daarvoor werden aangewezen, is deze vicarie en de andere ter begeving des Konings staande, niet meer begeven en is dit besluit alzoo zonder gevolg gebleven. Alleen zijn ingevolge latere Koninklijke besluiten de goederen van de meeste dei-bovenbedoelde vieariën verkocht tot een gezamenlijk bedrag van f 64765, en welke jaarlijks zuiver opbrachten f 1762.965.

Daaronder bevonden zich de bovenstaande vieariën St. Crucis en Antonii (Helenae?) te Aalten voor een bedrag van /\'3090, St. Annae te Breevoort f 6160, St. Antonii aldaar / 15100, St. Catharinae te quot;Winterswijk f 13 550 en St. Matthijs te Buren f 18 265.

Almen. — Lieve Vrouwe vicarie. Deze komt niet voor in de institutieboeken, maar wel in de rekeningen van het Zutphensche Geestelijke rentambt. Collatoren waren de Heeren van Keppel. De vaste goederen daartoe behoorende zijn in 1699 en 1711 verkocht en de opbrengst is op het Kwartier belegd. Behalve deze renten had do vicarie nog enkele inkomsten, bestaande in uitgangen, zoowel in koren als in geld. Op de laatste rekening van het rentambt van November 1806 tot November 1807 komt J. Gr. Becking als vicaris voor en Baron van Pallandt tot Keppel als collator.

De inkomsten dezer vicarie werden geregeld door den collator, met de inkomsten der vieariën te Keppel en van St. Willebrord te Ilummeloo, aan een student vergeven en van af 1821 ia

-ocr page 235-

51

daarop geregeld ook approbatie verzocht, het laatst in 1878.

De inkomsten der vicarie te Almen bedragen volgens opgave gedaan bij de staatsbegrooting van 1851 / 33.28 , welke door het Domein worden outvangen en aan den vicaris uitgekeerd, terwijl mede nog tot deze vicarie behoort een kapitaal van f 400, ingeschreven in het Grootboek 21/, pet. en waarbij als collator wordt genoemd Mr. P. quot;W. J. Baron van Pallandt van Barlham te Keppel.

A c q u o i. — In 1521 is door den Roomsch katholieken priester Mr. D. Tolpaert in de kerk aldaar cene vicarie gesticht en zijn daaraan zestien morgen land verbonden. Deze vicarie, waarbij niet is vermeld aan welken Heilige zij was toegewijd, wordt niet vermeld in de iustitutieboeken, daar Acquoi tijdens do Republiek niet tot Gelderland behoorde.

Bij resolutie van 5 Mei 1807 opgenomen in het meergenoemd Register der resolutiën in zake praebenden enz. is aan de heeren van Zijl de Jong, vader en zoon, het bezit dier vicarie toegestaan te zamen of bij overlijden aan den langstlevende alleen. Na het overlijden van den vader droeg de grootmoeder echter nog als tweeden vicaris een ander zoon van haar voor. Ook dit werd goedgekeurd bij resolutie van 19 Maart 1810. Daarna werd de begeving goedgekeurd aan een ander zoon van de collatrice, zijnde Schout bij Nacht (res. 8 Maart 1816), vervolgens die aan een rechter-plaatsvervanger in de rechtbank te Zutphen (res. 14 Augustus 1855) en eindelijk bij resolutie van 3 Februari 1873 aan een Rijksbetaalmeester, die thans nog de inkomsten geniet. Opmerking verdient het, dat al deze begevingen zijn goedgekeurd ofschoon zo niet geschiedden aan studenten ten behoeve hunner studiën , waaraan overal elders in het begin trouw de hand is gehouden , zooals uit later te vermelden resolutiën zal blijken.

Waarschijnlijk is dit toe te schrijven aan het feit, dat Acquoi oorspronkelijk tot Holland behoorde, waar minder dan in Gelderland er op gelet werd, dat de inkomsten ten behoeve van studie werden gebruikt.

-ocr page 236-

52

Nog behooren tot deze vicarie 13,6240 hectaren land gelegen onder Acquoi.

Ammerzoden. — St. Quirijn en St. Nicolaas. De Heeren van Ammerzoden waren collatoren dezer vicarie. De laatste begeving dezer vicariën, waarvan de eerste te Ammerzoden en de tweede to Well in de kerk was gesticht, van welke in de institutieboeken wordt melding gemaakt, is van 1705. Ofschoon er niet blijkt, dat na dien tijd ooit goedkeuring op de gedane begevingen is gevraagd, schijnen toch geregeld tot 1869 twee derden der inkomsten gebruikt tc zijn tot bevordering van studie; een derde is uitgekeerd voor den kerkdienst aan kerkvoogden en kerkeraad van Ammerzoden en Well en aan de burgerlijke gemeente voor den schooldienst.

Het beheer der goederen tot deze vicarie behoorende werd bij resolutie van het Nijmeegsche Kwartier van 7 Juni 1719 aan de Vrouwe van Ammerzoden op haar verzoek toegestaan, en sedert dien tijd heeft het steeds bij de Heeren dier plaats berust. In 1852 heeft het Domeinbestuur in rechten van den Heer van Ammerzoden als collator overgave dier goederen met rekening en verantwoording van het gehouden beheer geeischt. De collator bood toen rekening en verantwoording over het derde gedeelte aan en verklaarde zich bereid tot afgifte en uitkeering van dit derde ad pios usus.

Het Domeinbestuur nam daarmede geen genoegen; bij vonnis van de rechtbank te ïiel van 24 September 1852 werd de vordering van dat bestuur toegewezen en alzoo de collator tot afgifte dier goederen en tot het doen van rekening en verantwoording van zijn beheer veroordeeld.

Nadat vervolgens in hooger beroep door het Provinciaal Gerechtshof van Gelderland dit vonnis was bevestigd, werd door den Hoogen Raad bij arrest van 7 Maart 1856 in cassatie het arrest van het Hof vernietigd en de vordering van het Domeinbestuur afgewezen.

Tot 1869 genoot de collator, die alzoo het beheer behield, geen voordeel daarvan, doch daarna werden niet langer de

-ocr page 237-

53

inkomsten door hem als vroeger besteed, maar geheel ten eigen bate gebruikt.

Burgemeester en Wethouders van Ammerzoden wendden zich daarop met kerkvoogden en den kerkeraad der Hervormde gemeente van Ammerzoden en quot;Well tot den Minister van Binnen-landsche Zaken met verzoek, om den collator Baron de Woel-mont te doen aanzeggen, om overeenkomstig de bestaande plakkaten der voormalige Staten van Gelderland de inkomsten dier goederen te besteden en indien hij daaraan geen gevolg gaf, die goederen te doen sequestreren mede volgens die plakkaten , öf wel om zoodanige andere maatregelen te nemen, als meest dienstig zullen voorkomen, „om den eigendom en de vruchten dier vicariegoederen overeenkomstig haar aard en bestemming aan de kerkelijke en burgerlijke gemeente Ammerzoden en Well te verzekeren.quot;

Vóórdat op dit verzoek eene beslissing was genomen , had de collator, die bijna al zijne goederen reeds had te gelde gemaakt, bij akte van 27 Maart 1872, voor notaris Bolsius te \'s Hertogenbosch gepasseerd, aan de Eooinsch katholieke kerk te Ammerzoden „gecedeerd en overgedragen alle rechten van welken aard ook en in den uitgebreidsten zin, welke do verkooper, hetzij in zijn privé, hetzjj als Heer van Ammerzoden, Well en Wordragen, hetzij als collator unicus der vicariegoederen van Ammerzoden en Well, of in welke andere hoedanigheid het zijn mocht, heeft of bezit, of uitoefent of kan uitoefenen, of doen gelden, nu of in \'t vervolg op of omtrent de goederen der vicarie van Ammerzoden en Well, genaamd de vicarie van St. Quiryn en St. Nicolai onder voormelde Heerlijkheid van Ammerzoden, Well en Wordragen, mitsgaders Hedel, Delwijnen en Kerkwijk gelegen, speciaal op of omtrent de navolgende goederen, zooals die thans op de kadastrale leggers ten name der vicaryen van Ammerzoden en Well bekend zijn.quot;

Daarop volgde een nieuw request van kerkvoogden en kerkeraden van Ammerzoden en Well aan den Minister, doch het antwoord der Regeering luidde: „dat zij de overtuiging niet had

-ocr page 238-

54

verkregen geroepen te zijn, om in de vertraagde benoeming van een vicaris, de uitkeering dor tertiën en dc in 1872 tot stand gebrachte overdracht tusschen beide te komen, maar aan de adressanten moest overlaten zoodanige middelen aan te wenden tot verzekering hunner regten of aanspraken, als zij zullen geraden oordeelen.quot;

Een adres daarop door liet Provinciaal collegio van toezicht op het beheer der goederen van de Hervormde gemeenten in Gelderland aan den Minister van Binnenlandsche Zaken gezonden , waarin uitvoerig werd betoogd, dat de Hooge Regeering „als geroepen, om al die wetten ten uitvoer te leggen, welke rechtsgeldig en verbindend zijn, zoo als met de plakkaten op de vicariën het geval is, die uitgegaan van de Hoogste Wetgevende Macht niet anders kunnen worden gewijzigd of ingetrokken dan door de Wet, de eenige is, die kan en naar de meening van het collegie tusschenbeide moet komenquot; vermocht den Minister niet van zijne lijdelijke houding terug brengen. Deze voegde er echter thans bij, dat het ontwerpen van eene wet tot het verzekeren van het behoud van stichtingen, als de hier bedoelde een onderwerp van overweging bij de Regeering uitmaakte (13 April 1876.)

Ten name der vicariën van Ammerzoden en Well staan nog op de kadastrale leggers vermeld onder Ammerzoden 18.3130 hectaren weiland, belastbare opbrengst f 319.30, onder Kerkwijk 2.4310 hectaren bouwland, belastbare opbrengst f 65.10. onder Nedor-Hemert 0.0070 hectaren dijkhelling, belastbare opbrengst / 0.15, en ten name der vicarie van Ammerzoden onder Hedel 1.4020 hectaren bouw- en weiland, belastbare opbrengst ƒ 35.71.

Andelst. — St. Anthonii vicarie is het laatst in 1701 begeven door C. D. I. A. de Ridder tot Vronestein.

In 1811 was collator C. I. Spijart van Woerden en weiden de inkomsten der eene helft door den predikant genoten en die der andere helft voor den Roomsch katholieken eeredienst gebezigd.

In 1835 berichten kerkvoogden dier gemeente aan het Provinciaal collegie van toezicht: „de vicarie in deze gemeente

-ocr page 239-

55

gelegen behoort onder de eigendommen van den huize Andelst, krachtens verkoopbrieven en transport.quot;

In 1845 en do twee volgende jaren is bij schikking aan den predikant, nadat eerst elke toelage geweigerd was, f 42 per jaar betaald uit de inkomsten, doch sedert dien tijd niet meer.

In 1lt;S49 was C. Taats, Burgemeester van Hien, collator; deze beweerde blijkens zijn koopcontract eigenaar te zijn en dat bij zijn contract alleen was vermeld, dat de tijdelijke predikant tot dusverre de helft der zuivere opbrengst der vicarie, ofschoon geheel onverplicht, genoten had.

In het oude leggerboek der classis Nijmegen staat onder de goederen en inkomsten dezer gemeente vermeld \'/a van St. An-touii vicarie, zijnde twee morgen wei- en twee morgen bouwland.

\'/, van de hofstede aan de Leigraaf te Andelst, zijnde vicarie-land, terwijl op den kant staat: volgens accoord met het Kwartier V, deel.

Van eene andere vicarie gewijd aan St. Ludovicus, het laatst begeven in 1636, wordt niets meer gevonden.

Angerlo. — St. Theobaldi, Antouii, Cornelii et Appolloniae virginis vicarie. Deze vicarie wordt geregeld vergeven. Zij stond onder het beheer van hot Zutphensch Geestelijk rentambt. Van 1730—1783 zjjn de tot deze vicarie bohoorende vaste goederen verkocht en de opbrengst tegen 3 0/o op het Kwartier belegd. Er staat thans ten name dezer vicarie f 1800.— op het 2l/j 0/o Grootboek. Rentheffer C. W. F. Baerken te Tilburg als collator en beheerder. De laatste begeving, waarop goedkeuring werd verkregen, is van 10 November 1879 en geschiedde aan I. P. C. van Hert, student te St. Michiels-Gestel, van af 1 Januari 1880 tot aan de voleinding zijner studiën.

Deze vicarie werd tegelijk begeven met do St. Annae vicarie te Zelhem door denzelfden collator aan denzelfdon vicaris.

Kelsche of Broekhuizensche vicarie stond onder beheer van hetzelfde rentambt en bestond volgens de rekening van 1806 uit eene obligatie van f 5902.—.

-ocr page 240-

56

Thans staat op het Groothoek 2\'/2 0/o ten name dezer viearie ƒ 240(1.—. Collator W. Baron van Heeckeren van Keil te VGravenhage. De laatste begeving is van 7 April 1851 aan een student voor zes jaar. Latere begevingen hebben niet plaats gehad, of daarop is althans geene goedkeuring gevraagd. Wel is in 1869 bij Ministeriëele resolutie de tegenwoordige rent-hetfer na overlegging der acte van boedelscheiding zijner ouderlijke nalatenschap als collator erkend. Kennelijk geschiedde het verzoek tot erkenning alleen, om de renten op het Grootboek te ontvangen.

Apeldoorn. — St. Catharinae viearie stond ter begeving van pastoor en kerkmeesters en later van Jonkereu, Scholtis, predikant en kerkmeesters. In IGOs werd besloten de inkomsten voortaan voor het onderhoud der kerk te gebruiken en werden zij daarom geconfereerd aan kerkmeesters, hetgeen in 1669 is verlengd.

Thans worden do goederen dezer viearie met de goederen dei-kerk door kerkvoogden der nederduitsche Hervormde gemeente beheerd. Zij bestaan uit eene inschrijving op het 21/j 0/o Grootboek van f 19800.— ten name „Apeldoorn (de Hervormde gemeente te), tot welker goederen de St. Catharinae viearie behoortquot;, en een huis, erf en tuin groot 0.15.50 hectaren.

Lieve Vrouwe viearie had denzelfden collator en schijnt evenzoo behandeld te zijn, doch is nu geheel versmolten onder de kerkgoederen, gelijk waarschijnlijk ook de St. Antonii viearie

St. Annae viearie in 1550 gesticht is het laatst begeven in 177S. Na dien tijd wordt ze niet meer vermeld.

Arnhem. — In de institutieboeken worden negentien vica-riën vermeld. Gelijk we reeds boven opmerkten omtrent de betaling der tertiën te Arnhem, dat namelijk deze zeer dikwijls niet geschiedde en dat de plakkaten juist op de plaats, waar het Hof was gevestigd, zeer slecht werden nagekomen, was het ook met het vragen van goedkeuring op de begevingen, wanneer die althans nog plaats hadden en niet geheel werden verzuimd.

-ocr page 241-

57

Na 1700 is toch alleen bevestiging gevraagd op begevingen van de Lieve Vrouwe en St. Catharinae vicarie in de kerk van St. Walburg en van St Laurentii vicarie in de Moederkerk , ofschoon van meerderen nog tertiën werden betaald en deze dus nog niet waren verduisterd. Van ééne dezer was in 1760, zoo als ik vond aangeteekend, de secretaris Tulleken collator, doch ook door hem werd de wet niet nageleefd.

Volgens de opgave in 1811 door den maire aan den prefect van den Ouden IJssel gedaan bestond toen nog Lieve Vrouwe en St. Catharinae vicarie, die 2 Juni 1790 onder goedkeuring van het Hof waren vergeven aan M. v. Rijswijk.

In 1824 werd goedkeuring gevraagd op eene begeving van eene vicarie in St. Walburg zonder nadere opgave aan weikeu Heilige zij was gewijd. Bij Ministeriëele resolutie van 20 September werd deze geweigerd, tot dat nader het recht van do patronesse zoude gebleken zijn. Daarna vindt men niets meer omtrent de vicariën in Arnhem opgeteekend, dan hetgeen wij reeds hebben vermeld; waarschijnlijk zijn goederen daartoe behoorende bij de kerkeigendommen gevoegd. Van eene vicarie gesticht in hi t gasthuis wordt vermeld, dat zij aan het Catharinae gasthuis is geconfereerd, tot betaling van den gasthuispredikant en van eene andere, dat zij door den collator, zijnde de magistraat, aan de beide oudste predikanten is geconfereerd.

In de kadastrale leggers der gemeente Groessen vindt men ten name der vicarie van Koningsfeit te Arnhem drie perceelen land te zamen ter grootte van ongeveer twee hectaren „behoorende in erfpacht aan het Roomsch katholiek armbestuur van Groessen en het annenfonds dier gemeentequot;, zoo als word opgegeven.

Het Roomsch katholiek parochiaal armbestuur heeft dien grond publiek verpacht. — Het is mij niet mogen gelukken te ontdekken, in welke kerk deze vicarie is gesticht en evenmin om andere bijzonderheden daaromtrent te vernemen.

Bahr en Lathum. — St. Elisabeth vicarie in hot slot aldaar stond ter begeving van den Baanderheer van Wisch en

-ocr page 242-

58

in dc institutiebockcn is als laatste begeving opgoteekend die van 1611 door den Heer van Anholt. In 1735 is de Baronnie van Bahr on Lathum door de Staten van Gelderland in eigendom verkregen en sedert dien tijd liebbon deze de inkomsten der vicarie Beatae Mariae Virginis, welke wel waarschijnlijk dezelfde is als de bovengenoemde, vergeven. De goederen daartoe be-hoorende stonden onder beheer van het Zutphensch rentambt en zijn in de tweede helft der XVIII6 eeuw verkocht. Volgens de rekening van dat rentambt van 1806 was er toen geen vicaris en worden de inkomsten in de kas van het Kwartier als buitengewone ontvangsten gestort.

Daarna is het beheer dor inkomsten overgegaan op het Domein en heeft de Koning als collator geregeld de inkomsten aan studenten voor hunne studiën toegekend, het laatst in 1847. Volgens opgave van het Domeinbestuur in 1851 bedroegen de inkomsten /\'9.42. Waarschijnlijk werden wegens dit geringe bedrag daaraan mede toegevoegd de inkomsten der vicarie St. Catharinae te Winterswijk, welke ook ter begeving des Konings stond en welker beide inkomsten bij Ministeriëele resolutie van 21 Februari 1835 toen op f 175 worden geschat.

Batenburg. — Onder deze gemeente liggen de zoogenaamde vieariegoederen van Dieden, bestaande uit bouw- en weiland groot 5.0710 hectaren, belastbare opbrengst ƒ 65.50 en waarvan de inkomsten worden genoten door den koster der Hervormde gemeente te Dieden.

Beekbergen. — St. Anthonii vicarie ook wol genoemd St. Huberts-vicarie is in 1737 het laatst begeven. — Van deze vindt men geen sporen meer over.

St Catharinae vicarie. De priester, welke met dit beneficie was begiftigd, was verplicht, om op eiken Zondag en zoovele werkdagen, als de godvruchtigheid hem ingaf, dc priesterlijke bediening aan het altaar te verrichten. Later traden de kerkmeesters als collators op en ontstond er geschil over de inkomsten en met goedvinden van het Hof is in 1622 overeengekomen, dat de inkomsten zouden worden aangewend tot onderhoud van

-ocr page 243-

59

den predikant en den schoolmeester (1) De goederen zullen dientengevolge wel mot de kerkgoederen zjjn vermengd.

Lieve Vrouwe vicarie werd gesticht in 1458. Erfschout, Regters en Voorzitters van de Lierder en Speuldermark waren collatoren.

De inkomsten bestaan uit ongeveer 10 hectoliter rogge en worden ontvangen door het bestuur der Lierdermark, hetgeen 3 daarvan behoudt en ^ uitkeert aan den predikant. In 1870 bedroeg dat f 8.25. Het is onbekend, of het overige tot een bepaald doel wordt gebruikt.

Bommel. — St. Catharinae vicarie. Van deze staat opge-teekend, dat zij in 1593 door den Landcommandeur (der Duitsche orde?) ter leen is gegeven aan A. vau Boekholt. Volgens do institutieboeken is in 1692 het laatst bij liet Hof goedkeuring op de gedane begeving gevraagd door Loth. Steph. van Quadt tot Wikradt.

Hoewel daarna van geene begevingen blijkt, is echter het bestaan eener vicarie in het geheugen levendig gebleven door den naam van een stuk bouwland, dat nog St Catharina vicarij wordt genoemd. Volgens bericht van kerkvoogden behoorde tot de kerkegoederen Va deel der goederen dezer vicarie groot 11.2180 hectaren land, terwijl de overige Vj behoorden aan Baron Sloet van Tengnagel (1835) en later aan Baron Sloet van Tweenijenhuizon (1849), welke mede het collatierecht bezaten voor het beroep van een predikant te Bemmel.

Deze goederen werden namens den collator door een rentmeester beheerd, die ook aan kerkvoogden rekening deed en het \'/, deel der zuivere inkomsten aan hen uitkeerde. Er blijkt niet, dat de collatoren de aan hen uitgekeerde twee dorden ad pios usus gebruikten; zeker is het, dat zij die niet op de wettelijke wijze hebben besteed voor studenten en daarop de Ministeriëele goedkeuring hebben gevraagd. Meest waarschijnlijk is het, dat zij, in de overtuiging, dat die twee

(1) Nijhoff. Registers Hof pag. 62.

-ocr page 244-

60

deelcn aan hen als eigenaars toebehoorden, de inkomsten steeds ten eigen bate hebben gebruikt, gelijk dan ook de erfgenamen van den laatsten collator iu 1860 aan kerkvoogden hebben verklaard, dat zij dat gemeenschappelijk eigendom wilden doen eindigen en daarom wilden doen overgaan tot puhlieken verkoop. Kerkvoogden hebben daarop vergunning gevraagd tot aankoop der onverdeelde il3 in die gronden, welke by Kou. Besluit van 16 Juli 1860 nquot;. 86 is verleend, waarop kerkvoogden in publieke veiling ze hebben verkregen, en daardoor deze vicarie als zoodanig is te niet gegaan. Opmerkelijk is het, dat kerkvoogden met geen enkel woord er op hebben gewezen, dat bet hier betrof vicariegocd en dat zij zonder eenige tegenspraak hebben erkend het door de familie Sloot beweerde eigendomsrecht.

Beuningen en Ewijk. — St Annae vicarie, ook wel genaamd Kortendaal In 1753 was F. II. van Wassenaar, Heer van Blankenberg, Katwijk enz. collator en genoot de predikant van Beuningen de inkomsten.

In 18B9 werden de inkomsten vergeven door S A. Vermeulen als collator onder goedkeuring van den Minister aan een student te St. Michiels Gestel voor \'!,, terwijl de predikant van Beuningen \'/s daarvan genoot.

Van eene latere begeving eu goedkeuring na 1839 is uiet gebleken. Tot deze vicarie behooren ruim 4 hectaren land, welke door den collator worden beheerd. Nog wordt aan den predikant \'/j der inkomsten uitbetaald ten bedrage van ongeveer f 150 Het overige wordt gebruikt voor de R. C. gemeente of kerk te Beuningen.

St. Stephani of Steveus vicarie, gewoonlijk genaamd Doddecdaal. In 1679 is deze aan den predikant van Beuningen en Ewijk beat;ven door den collator, Heer van het huis Doddendaa.l.

O 7

In 1835 zijn de ~!3 der inkomsten begeven door Vrijheer van Nagell Doornick te Munster aan een student in het seminarie van het vicariaat van Breda. Deze begeving is door den Minister goedgekeurd na overlegging van eene verklaring van den Vicaris-Generaal te Grave wegens de studiën van den begiftigde. Ook

-ocr page 245-

61

bij deze vicarie blijkt van geene latere door den Minister goedgekeurde begeving.

Tot de goederen dezer vicarie behooren 7.1766 hectaren bouwen weiland, die voor het meerendeel nog daarnaar genoemd worden, zoo als het vicarie-land, vicarie-akker, vicarie-kampje en namens den collator Vrijheer van Nagell Doornick wox\'den bestuurd. Aan den predikant wordt lls der inkomsten gegeven; het overige wordt waarschijnlijk aan de Roomschkatholieke kerk te Beuningen uitgekeerd. De gemiddelde opbrengst van het i/3 voor den predikant beloopt f 100.

B r e e v o o r t. — St. Annae of Petri et Pauli vicarie is het laatst begeven volgens de institutioboekon in 1685.

Van St. Antonii wordt dit niet vermeld. Beiden stonden ter begeving van de Heeren van Breevoort. In 1697 is die Heerlijkheid overgedragen aan Willem III en sedert dien tijd schijnen de inkomsten door de opvolgende besturen steeds aan studenten te zijn vergeven; het laatst in 1840 voor twee jaren. De eigendommen dezer vicarie bestonden vooral in vaste goederen; tot de St. Antonii vicarie behoorden 26.9480 hectaron met eene belastbare opbrengst van f 269.975 en tot St, Annac vicarie 12.3150 hectaren, belastbare opbrengst f 76.71. Alles is verkocht.

Meerdere bijzonderheden zijn reeds hierboven vermeld onder Aalten, bij de vicarie Sctae Crucis et Helenae.

Buren. — St. Matthijs vicarie stond ter begeving van den Graaf van Buren. Deze vicarie is, naar het schijnt, steeds geregeld begeven aan studenten. De laatste begeving, welke dooiden Koning als collator is geschied, is van 1844. Daarna zijn de eigendommen, die voornamelijk bestonden uit landerijen gelegen ouder Buren en ougeveer f 640 jaarlijks zuiver opbrachten , publiek verkocht, evenals te Breevoort en Aalten , zoo als reeds bij die plaatsen is opgeteekend.

Burgharen. — St. Petri et Pauli vicarie gesticht 17 November 1835. Collator de heer van Hernen, welke volgens de institutieboeken ze het laatst in 1710 begaf.

-ocr page 246-

62

St. Antonii vicarie is het laatst begeven in 1632 en had denzelfden collator.

Tot deze beide vicariën behooren ongeveer 20 bunders land, gedeeltelijk onder Burgharen en gedeeltelijk onder Winsen gelegen. Belastbare opbrengst /quot;205.82. Het beheer over die goederen wordt gevoerd door een rentmeester namens den heer van Hernen. De predikant ontvangt J van de zuivere opbrengst uit handen van den rentmeester, hetgeen in 1876 f 250 bedroeg. Het is onbekend, tot welke doeleinden de overige f deelen worden bestemd. In de registers berustende bij het Ministerie van Bin-nenlandsche Zaken worden zij niet vermeld, waaruit blijkt, dat zij althans niet op wettige wijze zijn vergeven.

Did am. — In de institutieboeken worden geene vicariën aldaar vermeld.

In de rekening van het Doetichemsch Geestelijk rentambt van 1807 worden als vicariën in die gemeente opgenoemd de St. Annae en L. Vrouwe vicarie, waarvan geene collatoren zijn bekend, en de St. Johaunis Baptistae vicarie, collator Rcnesse van de Poll, doch van geene dezer worden eenige meerdere bijzonderheden medegedeeld

Later komen zij ook niet meer voor.

In dezelfde rekening komt ook voor de heer Rabens of Raebens-vicarie, ook wel genaamd Doctor Joost Schomakers vicarie, waarvan toen collator was N. van Hamel, welke in 1805 |-harer inkomsten had begeven aan H. J. Broeker, en daarop de confirmatie had verzocht en verkregen van het collegie van Financiën in het Kwartier Zutphen.

Sedert is deze vicarie geregeld vergeven aan jongelieden ter bevordering of voortzetting hunner studie, het laatst in 1879 aan een leerling op het Gymnasium te Deventer tot wederopzegging toe.

Op het 2^ % Grootboek staat een kapitaal van f 9600, ten name van den collator en beheerder dezer vicarie Mr. H. J. Ardesch van Hamel, terwijl nog/quot;381.60 op hetzelfde Grootboek is ingeschreven als behoorende tot deze vicarie in een kapitaal

-ocr page 247-

63

voor het geheel groot f 7200, ingeschreven ten name van vicariën in het arrondissement Zutphen onder beheer van den Staat ter collatie van derden.

Eindelijk staan nog eenige gronden en een huis en erf op de kadastrale leggers der gemeente Didam teu name van de St. Autonii vicarie van Pabst, waaromtrent mij gcene bijzonderheden meer bekend zijn. Op de kadastrale leggers staan ten name van de St. Petri et Pauli vicarie van Elten 1.1810 hectare bouwland. Belastbare opbrengst f 16.53.

Doesburg. — lu deze gemeente waren zeer vele vicariën. De zes volgende stonden tor begeving van den magistraat, zijnde de vicarie ter eere der 11000 martelaren, van Onze L. Vrouw ter Noot en St. Jacobus en Nicolaas, van St. Anna eu Onconmere (1) (Liberatus) St. Antouius in honorem Omnipot. Dei, Mariae, Stephani, Laurentii et Autonii gesticht in 1410 en in 1621 het laatst begeven aan den schoolmeester, ter eere Gods en Zijner H. Moeder gesticht iu de nieuwe kapel en Scti Antonii vicarie gesticht in het gasthuis. Geeue dezer vicariën wordt na 1680 meer in de iustitutieboeken vermeld. Goedkeuring op de begeving is na dien tijd niet meer bij het Hof gevraagd.

Scti Sebastiani vicarie is het laatst door den collator onder goedkeuring van het Hof in 1666 begeven. Ook deze stond, even als al de andere vicariën in Doesburg, onder beheer van het Zutphensche rentambt.

St. Galli vicarie, gesticht in 1447, is het laatst begeven volgens de iustitutieboeken in 1670. Zij wordt daarna in het geheel niet meer vermeld. Hetzelfde is het geval met de St. Mariae vicarie, die het laatst is begeven in 1648 door den commandeur van Diereu als collator.

Scti Johannis Baptistae et Evangelistae vicarie is in 1621 ex jure devoluto vergeven en schijnt daarua aan het Kwartier te ziju gekomen; althans in de laatste rekening van het rentambt

(1) Lindebom. Historia Episcopatus Daventriensis blz. 468 noemt deze Ö. Uucommerae. In het visitatioboek blz. 58 vindt men S. Ontcommetae.

-ocr page 248-

64

vindt men bij deze aangeteekend, dat de inkomsten ad/quot; 139 —16 geheel door het Kwartier worden genoten.

Volgens de rekening van het Zutphensch rentambt over 1806 waren al de vaste goederen der vicariën ter begeving staande van den Magistraat, ingevolge resolutie van het Kwartier verkocht en de koopsom op hot Kwartier belegd. Hoe slordig ook zelfs bij do rentambten liet beheer werd gevoerd, kan blijken uit de aanteekening, dat de koopprijs mot ruim f 400 moest verminderd worden, „wegens verkocht stuk land, dat niet te vinden isquot;.

Deze vicariën waren niet vergeven en van het bestaan dier vicariën blijkt thans niets; waarschijnlijk zijn de schuldbrieven bij de opheffing der rentambten in de Staatskas gestort, mogelijk ook aan de gemeente Doesborg daarvoor vergoeding geschonken.

Scti Sebastiani vicarie was in 1806 begeven en is ook sedert dien tijd geregeld begeven.

In 1815 verzocht de toenmalige collatrice niet alleen goedkeuring op hare begeving aan een student tot voortzetting zijner studiën en uitkeering van de inkomsten, maar ook betaling van de vroegere jaren, waarin dit was achtergebleven. Aan requestrante werd het eerste deel van haar verzoek toegestaan, doch zij werd ten opzichte van het niet genotene gedurende de Fransche administratie, als ze oordeelde daarop aanspraak te hebben, naar het Fransche Gouvernement verwezen, zooals gewoonlijk geschiedde, wanneer dergelijke verzoeken werden gedaan.

In 1843 werd namens den Minister van Financiën aan de collatoren van vicariën en dergelijke beneficiën, waarvan de inkomsten geheel of gedeeltelijk bestonden in de opbrengst van vaste goederen, grondrenten of dergelijken en die door de agenten van het Domein worden ontvangen, voorgesteld. die te doen verkoopen en de koopsommen weder te beleggen in inschrijvingen op het Grootboek ten name van de betrokkene vicarie, met aanwijzing van het doelmatige en voordeelige, hetgeen volgons het oordeel van den Minister die vervreemding en belegging op het Grootboek aahbovolingswaardig maakte.

-ocr page 249-

65

Onder de zeer weinige collatoren, die in die vervreemding toestemden, bevend zich de collator dezer vicarie. De goederen daartoe behoorende zijn dientengevolge publiek verkocht en 2/, van de zuivere opbrengst, uitmakende een nominaal kapitaal van f 10900, op het 2\'/, 0/o Grootboek ingeschreven ten name van den collator en beheerder dezer vicarie Jhr. Mr. S. J. T. H. Ridder Nedermeijer van Rosenthal.

Bij Ministeriëele resolutie van 25 Januari 1886 is de zoon van den vorigen collator, die bij olographisch testament tot zijn opvolger was benoemd, als collator erkend, en zulks op verzoek van diens voogd, welke daarop ook in dezelfde hoedanigheid eene begeving heeft gedaan , die bij resolutie van 10 Mei 1886 is bevestigd.

Op de rekening van het Zutphensch rentambt komt verder nog voor de St. Antonii vicarie, welke niet of althans niet onder dien naam in de institutieboeken wordt vermeld. Volgens die rekening over 1806 bestonden de inkomsten in landhuur, toen bedragende f 270 en werden daarvan genoten dooreen student.

In 1818 werd op de begeving door den collator goedkeuring gevraagd, met verzoek van uitbetaling aan den begiftigde, ook van de reeds verschenene inkomsten van af 1814.

Na overlegging van een bewijs, dat reeds in 1815 de begiftigde in het register der Latijnsche school was ingeschreven, werd het toegestaan van af dat jaar. Op een later verzoek om ook de achterstallige renten over 1814 te mogen ontvangen, werd de overlegging van een behoorlijk bewijs zijner studie ook in dat jaar geeischt en in dat geval de uitkeering over dat jaar toegezegd bij Ministeriëele resolutie 6 Juli 1820.

Bij resolutie van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 18 Augustus 1838 is de tweede dochter van den vorigen collator als collatrice erkend, omdat de oudste dochter van haar recht had afstand gedaan, hetgeen geheel in strijd is met vroeger genomene resolutiën.

De inkomsten dezer vicariën zijn verder geregeld begeven en

5u

-ocr page 250-

66

op de begevingen is telkens de goedkeuring van den Minister gevraagd en verkregen. — Het laatst geschiedde dit bij Minis-teriëele resolutie van 17 November 1880. — Daarbij werd tevens door den Minister aan de collatrice bericht, dat, wanneer eenc begeving van vicarie-inkomsten geschiedde binnen zes maanden, nadat het genot van den laatsten vicaris had opgehouden, het genot van den nieuw begiftigde begint met den dag, waarop dat van zijn voorganger eindigde, doch dat, indien de begeving later geschiedde, het genot eerst kon ingaan met de dagteekening der akte van begeving, gelijk met deze begeving het geval was. Hieruit blijkt dus, dat de inkomsten dezer vicarie van af het eindigen van het genot van den vorigen vicaris tot aan de dagteekening der nieuwe acte van begeving als toevallige bate in de schatkist zijn gestort.

Volgens opgave van den burgemeester in 1880 behooren tot deze vicarie landerijen onder Angerlo en een winkel. Alles wordt beheerd door het Domein.

Doetichem. — De vicariën Scti Stephani en Omnium Sanctorum stonden ter begeving van de stad en waren onder het beheer van het Doetichemsch rentambt. De inkomsten werden aan de kerk gegeven met uitzondering der tertiën. Volgens de rekening van dat rentambt over 1808 waren al de daartoe behoord hebbende goederen verkocht en verwisseld in obligatiën op het Kwartier. In 1811 werden \'i der inkomsten ten beloope van ongeveer /\' 150 aan de stad gegeven ten behoeve van den rector der Latijnsche scholen. In 1816 is bij Ministeriëele resolutie dit weder voor twaalf jaren goedgekeurd en herhaald in 1828; in 1841 voor twee jaren en daarna nogmaals voor twaalf jaren, eindigende in 1853. Op het 2h0lo Grootboek staat nog ten name en onder beheer van het gemeentebestuur van Doetichem als collator van St. Stephani vicarie f 4600 en als collator van Omnium Sanctorum f 2800. Bij die inschrijvingen is aangeteekend, dat bij acte van deeling van 26 April 1861 te Doesburg onder de hand geteekend en goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 12 Mei d. a. v. n0. 49 is

-ocr page 251-

67

bepaald, dat die kapitalen op naam der vicarie en onder hetzelfde hoofd zullen belegd blijven en de inkomsten overeenkomstig do tegenwoordige bestemming moeten gebruikt worden.

Seti Georgii et Mattheaivicarie is volgens de institutieboeken het laatst in 1659 begeven. Zij stond evenzeer onder het beheer van het Doetichemsch rentambt. Volgens de rekening van 1808 waren al de vaste goederen verkocht en op het Kwartier belegd. Collator was toen de Heer van Baarlham, en Theod. ten Bokkel genoot als possessor (vicaris) § der rente.

In 1820 is de begeving door de toenmalige collatrice aan een student bij Ministeriëele resolutie goedgekeurd en daarna herhaalde malen, het laatst in 1882 aan een jongeling voor den duur zijner studie en tot wederopzegging toe. Ten name van het Amortisatie Syndicaat als beheerende de fondsen dezer vicarie staat ƒ 1200 op het 4% Grootboek en nog f 787 is begrepen in de gezamenlijke inschrijving in het 2 i % Grootboek reeds vermeld bij Didam.

D o o r n s p ij k. — O. L. Vrouw ter Noot vicarie. Aan de met de inkomsten dezer vicarie begiftigde priesters was de verplichting opgelegd, om te bidden voor de zielen van hen, die in de kerk begraven werden en te danken met de kraamvrouwen, die haren kerkgang deden.

Volgens de institutieboeken werd zij het laatst in 1787 begeven en was toen collator R. O. ten Holthe, van welke familie reeds een lid als collator voorkomt bij een proces voor het Hof van Gelre in 1616 gevoerd (1).

Tot 1849 werden de inkomsten volgens de opgave der kerkvoogdij verdeeld en genoot de Hervormde kerk van Doornspijk i der inkomsten, terwijl de familie van Holthe f behield. Dit derde werd op f 60 en later op /quot;57 berekend. Daarna zijn de goederen tot die vicarie behoorende publiek verhuurd en werd aangenomen, dat de kerk eigenaar was van J en Freule van Holthe van §. De kerk ontving voor haar deel toen /quot;180. Het overige is niet volgens de wet vergeven.

(1) Nijhoft\'. Registers Hof pag. 51.

-ocr page 252-

68

Op de kadastrale leggers dier gemeente staan nog ten name der vicarie van Doornspijk 0.9162 hectaren weiland, waarvan de inkomsten door de Hervormde diakonie te Doornspijk worden genoten. Deze gronden schijnen behoord te hebben aan eene vicarie aan St. Jacob gewijd, mede in de kerk aldaar gesticht, doch waarvan verder niets is bekend.

Driel {Overbeiuue). — St. Christoffels vicarie, gesticht den 4den September 1460 door Willem van Egmond, is het laatst begeven volgens de institutieboeken in 1740 door den Graaf van den Berg als collator. Ook in 1811 waren de inkomsten vergeven; daarna schijnt dit niet meer het geval te zijn geweest.

Ten name van de vicarie der Hervormde pastorie van Driel staan op de kadastrale leggers dier gemeente 6.71.710 hectaren weiland; belastbare opbrengst f 213.27. Deze grond wordt bestuurd door den administrateur van den Huize Bergh. ^ an de inkomsten wordt Vs aan de pastorie en lj6 aan de kosterie te zamen ongeveer / 140 bedragende uitgekeerd. Volgens opgaven van 1877 was dit bedrag iets grooter.

In 1839 werden door den collator dezer vicarie Vorst van Hohenzollern Sigmaringen, Graaf van en tot den Bergh, de overige \'/s met % van de inkomsten der vicarie van St. Catharinae te Millingen, waarvan hij ook collator was, afgestaan met goedkeuring van den Minister voor den tijd van 25 jaar ten behoeve der kosten van eene bijzondere school voor lager onderwijs te \'s Heerenberg „ alles behoudens zijner Majesteits en ieders rechtquot; en mits gehandeld werd volgens de bepalingen, welke op het stuk der vicariën bestaan of in het vervolg zullen

worden ingevoerd.

Er blijkt niet, dat na afloop van dien termijn eene nieuwe

begeving is geschied.

Duiven. St. Antonii vicarie is niet bekend in de institutie-boeken. Ten name der vicarie van St. Antonius van Duiven staan op de kadastrale liggers dier gemeente 9.8040 hectaren bouw- en weiland en een tiend gaande uit ongeveer 22 hectaren

-ocr page 253-

69

liggende onder Duiven. De predikant geniet i/3 der inkomsten dezer vicarie. Begevingen dezer vicarie zijn blijkens de registers aan het Ministerie vaü Binnenlandsche Zaken niet gedaan, althans is daarop geene goedkeuring of bevestiging gevraagd. Ook wordt in die liggers nog vermeld de Hervormde predikants-vicarie met een grondbezit van ongeveer 15 hectaren. Inlieh-tingen omtrent het beheer en het gebruik van de goederen dezer vicarie heb ik te vergeefs getracht te bekomen.

Eiber gen. — De vicariën St. Catharinae en St. Antonii beiden ter begeving gestaan hebbende van den Graaf van Stijrum zijn met die van Borculo onder het beheer van het Kwartier gekomen.

Vicarie Beatae Virginis stond mede ter begeving van den Graaf van Stijrum, die volgens do institutieboeken het laatst ze in 1658 heeft begeven. In de rekening van het Borculoosch rentambt van 1808 worden de erfgenamen van den rentmeester Worms als eollatoren genoemd. Er blijkt niet, hoe het collatie-recht door de familie van Stijrum is verloren. Thans is deze vicarie onder het beheer van hot Domein. Collator is sedert 1815 de familie ten Gate; geregeld is zij vergeven ad studio, en op de begeving bevestiging van don Minister verzocht, het laatst in 1879.

In 1849 bestonden de eigendommen dezer stichting uit 25.1623 hectaren. Thans staat ten name dezer vicarie onder beheer van den Staat f 62.800 op hot 2 0/o Grootboek waarvan V, der rente aan den begiftigde werden uitgekeerd; zoo mede die van ƒ3090 in de gemeenschappelijke meermalen reeds vermelde inschrijving op het 2\'/s 0/o Grootboek.

Elburg. — Scti Jacobi of Luttekonsvicarie was in 1484 door Berend Luttcken priester gesticht. Zij stond ter begeving van de naaste bloedverwanten van den stichter. Later en wel in 1724 werd zij vergeven door de stad Elburg en hot Kwartier van Veluwe. Over dit recht van begeving is meermalen getwist, reeds in 1596 beweerde de stad daartoe gerechtigd te zijn, doch werd in het ongelijk gesteld, terwijl in 1668 liet Hof nogmaals

-ocr page 254-

70

geroepen werd, om daarin uitspraak te doen, doch nu tusschen de leden der familie onderling (1). Het blijkt echter niet, op welke wijze de familie van dat recht afstand heeft gedaan.

In 1811 werden de inkomsten geschat op ongeveer ƒ300 en was de stad voor en het collegie van Gedeputeerden van het Kwartier voor Vs collator.

Van 1815 tot 1884 zijn de inkomsten geregeld op wettelijke wijze vergeven en wel V-, ter begeving staande van het Gouvernement, door den Koning en 2/i, ter begeving van de gemeente Elburg, door den gemeenteraad.

Gewoonlijk wordt door de beide collatoren dezelfde persoon aangewezen , zoodat deze dan de geheele inkomsten geniet. Bij de begeving in 1815 gedaan was tevens bepaald, dat de inkomsten dezer vicarie bij voorkeur zijn bestemd voor afstammelingen van den stichter, die de academische lessen volgen.

Ten name dezer vicariën staan 27.9020 hectaren bouw- en weiland en hakhout met een belastbaar inkomen van f 494.23 op de kadastrale leggers ingeschreven.

Scti Joannis Baptistae vicarie stond ter begeving van den magistraat van Elburg en werd het laatst in de institutieboeken vermeld in 1670. De inkomsten werden in 1811 op ongeveer ƒ 110 geschat en zijn geregeld begeven met goedkeuring van den Minister, het laatst in 18S5 voor vijfjaar aan een jongeling, onder voorwaarde, dat hij blijken zoude te zijn toegelaten voor den volgenden cursus der Academische lessen. Ten name dezer vicarie, welke onder beheer is van den Staat, staan 5.3097 hectaren met eene belastbare opbrengst van gebouwd f 40, ongebouwd f 104.16.

Epe. — Sanctae Crucis vicarie is volgens de institutieboeken in 1634 het laatst begeven door kerkmeesters en collatoren aan den predikant. Waarschijnlijk zijn daarna de goederen dezer vicarie wel met die der pastorie vereenigd.

Sctae Catharinae vicarie is het laatst in 1747 vergeven aan

(1) Nijhoff. Registers blz. 21 en 206.

-ocr page 255-

71

den predikant te Drempt door den collator Baron van Pallandt van Keppel. Ook in 1811 wordt Baron van Pallandt van Keppel als collator opgegeven.

In 1821 daarentegen heeft deze confirmatie verzocht op de begeving door hem gedaan van elf vicariën te Oldenkeppel, eene te Almen, St. Willebrord te Hummeloo en St. Catharinae te Epe. De gevraagde confirmatie werd voor allen verleend met uitzondering van die van St. Catharinae te Epe, waaromtrent nadere bewijzen van het recht van patronaatschap werden verlangd. De familie van Pallandt schijnt hieraan niet te hebben voldaan. Er blijkt althans niet, dat zij op de weigering is teruggekomen (1).

Ten name dezer vicarie staan volgens de opgave in 1880 gedaan 16.72.70 hectaren, belastbare opbrengst gebouwd f 15, ongebouwd f 228. De inkomsten worden voor \'/j genoten door de pastorie van Epe en voor J/, door de familie van Pallandt (2).

In de institutieboeken worden verder nog vermeld L. Vrouwe vicarie, St. Antonius en St. Marten vicarie, allen het laatst in 1675 vergeven.

In 1659 is over de inkomsten van St. Antonii vicarie een proces gevoerd tusschen den predikant en de gildemeesters en zijn de laatsten veroordeeld om den predikant \'/a uit te keeren, ofschoon gildemeesters beweerden, dat de geheele inkomsten aan de armen toebehoorden.

Nog bestaat in Epe het St. Antoniusgild met een grondbezit van 28.9212 hectaren, waarvan een deel is verkocht. Verder heeft het nog gelden uitstaan en heeft eene groote som geschonken ten behoeve van den kerkbouw te Ernst, daaren-

(1) Lindebom 11., blz. 304 vermeldt bij deze vicarie, dat in 1571 de heer van Keppel daarvan reeds het patronaatschap bezat.

(2) Deze vicarie wordt in onderscheiding van de St. Joris of kleine vicarie de groote genaamd. De opbrengst van het J hetgeen de pastorie geniet was in 1854, 1855 en 185() respectievelijk f 146.44, f 199.54 en f 120.97.

(3) Nijhoti\'. Register blz. 183.

-ocr page 256-

72

boven heeft het. eene naai- en breischool gesticht en gebruikt do verdere inkomsten tot uitoefening van liefdadigheid. Het bestuur herkiest zich zelf, doet aan niemand rekening en verantwoording, zoodat het bestuur dezer stichting in geen enkel opzicht verzekerd is. Wellicht zijn onder hare goederen die van de St. Antouii vicarie begrepen of wel behooren zij geheel daaraan (1). Onder het Fransch bewind is deze. stichting onder den naam van eene familie-stichting aan de confiscatie ontkomen en waarschijnlijk is daardoor de grond gelegd voor het tegenwoordig beheer, zonder eenige controle. Vroeger werd steeds de rekening gedaan ten overstaan van ambtsjonkers, schout en predikant, later nog wel eens van den burgemeester en don predikant, doch in den laatsten tijd niet meer.

Nog wordt te Epe het St. Martensgild van Zuuk vermeld. Ook dit wordt beheerd zonder eenig toezicht. De inkomsten worden met uitzondering van 1/4 mud rogge voor de armen en /10 aan den predikant onder de leden van het gild verdeeld.

Er blijkt echter niet, dat dit gild in eenig verband staat met de St. Marten vicarie.

Eindelijk staan nog op de kadastrale leggers dier gemeente ten name van St. Jorisvicarie 0.3460 hectaren wei- en bouwland, welke vicarie in 1811 ter collatie stond van de juffrouwen Broekhuizen te Halle. Thans geniet de Hervormde kerk en pastorie te Epe daarvan de inkomsten, beloopende in 1856 f 56.08.

Ermelo. — St. Catharinae vicarie stond ter begeving bij beurten van den abt van St. Paulus en den Hertog van Gelre. Na de Hervorming heeft het Hof van Gelre steeds alleen de begeving gedaan, het laatst in December 1794 aan Anthonie Kist. Oorspronkelijk schijnt deze vicarie belangrijke inkomsten te hebben gehad namelijk L. 221—8 (2). In 1777 zijn de

1

(\'2) Volgens bet meergenoemde visitaticboek bedroegen die in 1571 öOflor. aur.

-ocr page 257-

73

daartoe behoorende landerijen in erfpacht uitgegeven en in 1828 wordt de opbrengst dezer vicario opgegeven alleen te bestaan in eene erfpacht f 80. Bij eene latere Ministeriele beschikking werden de inkomsten op f 108 begroot.

Na 1815 is deze vicarie geregeld ten behoeve der studio aan jongelingen vergeven door den Koning als collator tot aan 1841, waarna geene begevingen meer hebben plaats gehad.

St. Sebastiani et Nieolai vicarie is in 1550 gesticht en het laatst in 1710 volgens de institutieboeken vergeven; van deze vindt men geene sporen meer over.

Etten. — L. Vrouwe vicarie is volgens do institutieboeken het laatst in 1681 begeven door Maurits, Vorst van Nassau. Zij stond onder het beheer van het Doetichemsch rentambt.

In de laatste rekening (1808) wordt de Prins van Nassau, waarschijnlijk in zijne betrekking van Heer van quot;VVisch, als collator genoemd en L G. Gr. de Wolf als vicaris.

In 1816 werd Baron van Nagell, Heer van quot;Wisch, door den Minister van Justitie erkend als collator van de vicarie Beatae Mariae Virginis in de kerk te Etten, waarmede kennelijk de bovenstaande wordt bedoeld. De door hom gedane begeving benevens die van Sctae Annae vicarie, in de kerk te Varsseveld, van 8 Regum en Mattheai in de kerk tc Terborg, waarvan hij mede collator was , werd tevens goedgekeurd,

In 1841 zijn de inkomsten dierzelfde vicariën met goedkeuring van den Minister begeven aan de Hervormde diaconie te Terborg „ ten einde daarmede tc bevorderen de oprichting eener bewaarschool voor jonge kinderen en voorts te strekken tot instandhouding dier bewaarschool, zoolang het diaconie bestuur overeenkomstig de tegenwoordige voorschriften op het schoolwezen voor de toelating op die school (tegen te betalen retributie) geen verschil maakt, van welke godsdienstige gezindheid de ouders der kinderen mogen wezen en zoo lang tevens in die bewaarschool niets wordt bedreven, dat voor de ouders der kinderen, hetzij dezelve tot anders denkende Christenen, hetzij dezelve tot Israëlieten behooren, aanstootelijk zou kunnen wezen.\'quot;

-ocr page 258-

74

Ten name dezer vicaric staat op het 2^1, 0/o Grootboek f 5600 en ten name der drie bovuugenoemde vicariëu nog gezamenlijk f 1900; deze inschrijving luidt, zeker onjuist: „Terborg (de vicaric Boatac Virginia gevestigd in de kerk te Etten onder beheer van den collator het diaconie bestuur der Hervormde gemeente te)quot;, daar het duidelijk is, dat in plaats van collator, begiftigde moet worden gelezen. Bij deze inschrijving is eene aanteekening gevoegd geheel overeenkomende met die, welke bij Doetichem is vermeld.

Ge es te ren. — St. Antonii vicaric. In 1676 het laatst begeven door het Hof ex jure devoluto; zij stond onder beheer van het Borculoosch rentambt.

Van af 1815 is zij geregeld vergeven met Ministeriëele goedkeuring tot 1857. Van begevingen na dien tijd blijkt niets.

Thans staat op het Grootboek 21/, o/o ingeschreven f 2000 ten name van Jhr Lodewijk Stern als collator en beheerder dezer vicarie.

St. Catharinae vicaric is in 1654 het laatst begeven door den collator Graaf van Limburg tot Bronkhorst.

Later is volgen» do rekening van het Borculoosch rentambt het patroonaatschap aan het Kwartier van Zutphen gekomen, dat de inkomsten dezer vicarie geheel genoot. Bij de ophef fing der rentambten zullen de bezittingen dezer vicarie waarschijnlijk met het Staatsdomein zijn vereenigd.

Gendringen. — Scti Joan. Baptistae vicarie. In 1765 is hot laatst goedkeuring op eene begeving gevraagd.

In 1811 wordt als collator de eigenaar van den Wesenhorst genoemd.

In 1820 werd bij Ministeriëele resolutie mr. S. A. Gaijmaus „aangenaam verklaardquot; als collator en tevens zijne begeving der inkomsten aan zijn zoon tot voorzetting zijner studiën goedgekeurd, mits daarvan jaarlijks het bewijs leverende.

In 1843 heeft de toenmalige collator overeenkomstig dispositie van den Minister van Justitie van 15 September 1843 bewilligd in den verkoop van het tot de vicarie behoorende vast goed, hetwelk door het Domein werd beheerd. De koopprijs is daarop

-ocr page 259-

75

voor § op het Grootboek 2 Vso % geplaatst ten bedrage van f 13500 ten name van A. A. Gaijmans als collator en beheerder dezer vicarie. Verder behoort daaraan nog / 1038.60 inschrijving in hetzelfde Grootboek, en een deel uitmakende van het kapitaal reeds onder Didam vroeger vermeld. Deze vicarie is hot laatst begeven volgens do registers in 1871.

Sctae Mariae et Aunae vicarie komt in de institutieboeken voor als in 1654 door don Grave tot den Bergh begeven; daarna niet meer. In 1811 wordt als collatrico Baronnesse Douairière Nagell vermeld en worden do jaarlijksche opbrengsten op ƒ 159 geschat. Na dien tijd vindt men van deze vicarie geen spoor meer over.

Groenlo. — Scti Antonii, Sctae Crucis et Mariae, Sctae Annae en Scti Sacramenti vicariën zijn allen volgens de institutie-boeken het laatst begeven in de twoede helft der XVIIde eeuw Zij stonden onder het beheer van het Borculoosch rentambt.

Bij Kwartiers reces van 2 October 1699 is aan Gedeputeerde Staten machtiging verleend tot den verkoop van vaste goederen der vicarie, waarvan de magistraat de begeving had , om uit de kooppenningen de obligatiën en renten af te lossen, welke Groenlo aan het Kwartier schuldig was.

Aan het Kwartier zijn toen afgestaan de St. Annae en St. Sacra-mentivicariën, waarvan de inkomsten daarna geheel aan het Kwartier zijn gekomen, en later met het Rijksdomein zijn ver-eenigd. Verder kwam men overeen, dat de inkomsten der vicarie St. Antonii aan don tegenwoordigen vicaris zouden worden uitgekeerd; maar daarna slechts de helft, welke ter begeving van den magistraat bleef, terwijl de andere helft aan het Kwartier kwam.

Sctae Crucis et Mariae vicarie bleef aan de kerk, aan wie ze door den magistraat als collator was gegeven.

Uit de rekening van het Borculoosch rentambt van 1808 blijkt, dat werkelijk op deze wijze is gehandeld en dat § van de helft der inkomsten van St. Antonie-vicarie aan kerkmeesters is gegeven ter reparatie der kerk.

-ocr page 260-

76

In 1880 stonden op dc kadastrale leggers ten name van Seti Antonii vicarie 13.2720 hectaren bouwland en heide. Verder behoorde daartoe f 299.60 2^ 0/o Grootboek in dc meer genoemde gemeenschappelijke inschrijving benevens nog eene inschrijving in hetzelfde Grootboek ten name dier vicarie tot oen bedrag van f 300, en eene perpetueële uitkeering van f 72.01.

Ten name van Sctao Crucis stonden 1.6030 hectaren tuingrond, twee grondrenten te zamen van 72 liter rogge en eene vaste uitkeering van f 69.561 met een kapitaal van f 156.40 2| 0/o Grootboek in de gemeenschappelijke inschrijving. Ten name van St. Mariae vicarie 0.9230 hectaren bouwland en eene vaste jaarlijksehe uitkeering van f 11.24. Allen staan onder het beheer van het Domein. Aan dc kerk wordt na aftrek van 50/o administratiekosten | der inkomsten uitgekeerd.

Harderwijk. — Sctorum Apostolorum vicarie. Deze vicarie is het laatst in 1798 begeven. Daarna vindt mon geen gewag gemaakt van nieuwe begevingen Zij wordt thans beheerd door Mr. AV. Baron van Golstein, die i der inkomsten bedragende ƒ 161 67 (1880) aan de gemeente Harderwijk uitkeert, terwijl het onbekend is, welke bestemming aan de overige ^ wordt gegeven. Tot deze vicarie behoort een stuk grond onder Harderwijk groot 0.8530 hectaren.

Abels of St. Theobaldi vicarie. Over het recht van begeving dezer vicarie is in 1602 (1) een proces gevoerd tusschen twee leden dor familie Voet en daarbij bepaald, dat beide partijen tot de collatie waren gerechtigd (2). De laatste bekende be-

1

Theobaldus wordt vermeld.

-ocr page 261-

77

geving is van ]786. Van latere begevingen blijkt niets. De collatie zoude volgens bekomen inlichtingen thans behooren aan de erven Wolfsen en van Ehemen en Ehemenhuizen telkens voor een tijd van zeven jaren en de inkomsten zouden nu genoten worden voor de helft door den heer Sleet van Siaderen gehuwd met eene afstammelinge uit het geslacht van Rhemen tot Ehemenhuizen of diens erven, en voor de andere helft door de erven de Wolff van Westerode. Onbekend is, welke bestemming aan die inkomsten wordt gegeven. Zij zouden bestaan in de opbrengst van houtgewas, zijnde ongeveer ƒ325 elke zeven jaar, verder nog uit een stuk grond gelegen op de Zoom en eene grondpacht gaande uit drie huizen.

Ten name der vicarie te Harderwijk, waaronder waarschijnlijk de bovenstaande wordt bedoeld, staat 1.06 hectare bouwland , belastbare opbrengst /\'26.41. Deze vicarie is waarschijnlijk dezelfde als de L. Vrouwe vicarie en O. L. Vrouw ter Noot en St. Theobaldi (1).

Nog worden vermeld te Harderwijk de navolgende vicariën van St. Jan Evangelist en Gregorius martelaar, St. Margaretha, Golt-smits, L. Vrouwe, H. Drievuldigheid of Bartholomeus, St. Agatha, St. Laurentius en Petrus, Herberts-vicarie; doch van deze allen, die met uitzondering van St. Agatha, welke in 1736 het laatst is begeven, na de tweede helft der XVIIe eeuw niet meer worden genoemd, zijn geene bijzonderheden bekend.

He er de.— L. Vrouwe vicarie. Over de begeving dezer vicarie was in 1622 verschil ontstaan, hetwelk werd beeindigd met een door het Hof goedgekeurd verdrag (2), dat de zich noemende collator Va en de kerkmeesters 1/3 der collatie zouden genieten. Het eerste derde werd daarop geregeld vergeven, de beide andere derden werden voor den kerkdienst gebruikt. Na 1811 werd i der inkomsten aan den predikant, J aan den schoolmeester uitgekeerd.

1

ifijhott\' 1. 1. blz. 63.

-ocr page 262-

78

De tegenwoordige beheerder (1880) is mr. Jhr. J. E. Godin de Pesters, en het dorde, dat niet aan de kerk wordt gegeven, wordt ten bate van studeerende jongelieden benut.

Goedkeuring op de begeving dier inkomsten wordt echter niet gevraagd. Plet geheele bedrag der inkomsten wordt geraamd op f 180. Tot deze stichting behooren 5.14.60 hectaren land.

Deze vicarie zoude vroeger bij het landgoed „ de Bonenburgquot; hebben behoord, doch is bij oen verkoop vóór ongeveer 30 jaar door de toenmalige bezitters, de familie op ten Noort, daarvan afgescheiden en van deze overgegaan op den tegenwoordigen collator.

St. Catharinae vicarie is het laatst begeven in 1765.

De inkomsten werden voor J genoten door den predikant, terwijl het overige aan studenten werd gegeven. In 1832 behoorden nog tot deze vicarie 7.4150 hectaren. Het werd beheerd door de familie van quot;Werven, die in 1810 een bouwhof en landerijen had gekocht van C. A. J. van Boecop, mede erfgenaam van Baron van Rheden tot de Parkelen, voor f 32.900 en waarbij het, collatierecht dezer vicarie behoorde. Ofschoon geene goedkeuringen op de begevingen werd gevraagd, zijn de inkomsten toch aan studenten in de Theologie uitgekeerd, het laatst aan don zoon van den predikant Botichius Meurs, destijds te Twello. Daarna zijn de inkomsten door J. van Werven zeiven behouden en in 1851 en 1852 de landerijen door hem verhuurd en sedert dien tijd langzamerhand verkocht. In 1880 stonden op de kadastrale leggers ten name dier vicarie slechts 0.2780 hectaren, belastbare opbrengst / 3.89.

In honorem St. Antonii vicarie is sedert 1717 bij vernieuwing aan predikant en schoolmeesters gegeven. Ten name dezer vicarie staan nog op het kadaster 1.0460 hectaren bouw- en weiland, belastbare opbrengst f 6.09.

De inkomsten worden door de kerk genoten.

\'sHeerenborg. — Volgens de institutieboeken waren aldaar zes vicariën, allen ter begeving staande van do Graven van Berg.

In 1685 heeft deze ten behoeve van het Kwartier afstand gedaan van zijne rechten als collator, zoo als boven reeds is ver-

-ocr page 263-

79

meld, ter geheele vernietiging van de vordering van /quot;11.433, welke het Kwartier op hem had, met de achterstallige renten en proceskosten benevens „van alle rechten, stedigheden en uitgangen , waarvan in de rekening van het Doetichemsch rentambt ten laste van den Graaf wordt melding gemaakt.quot; Sedert dien tijd werden al de inkomsten dier vicariën door dat rentambt geheel aan het Kwartier verantwoord.

Volgens de kadastrale leggers in de gemeente Bergh staan ten name der St. Nicolaas vicarie te Emmerik 0.1460 hectaren en ten name der St. Gregorius vicarie aldaar 3.3720 hectaren.

Her veld. — St. Catharinae en L. Vrouwe vicarie. Collator was de Heer van Loenen. Do laatste begeving in de in-stitutieboeken vermeld is van 1609. Ten name dezer vicarie met bijvoeging (adm. Mr. W. F. Kopp te Nijmegen) staan nog op de kadastrale leggers 11.5760 hectaren, belastbare opbrengst f 269.46.

Gedeelten dier goederen zijn door den toenmaligen collator jhr. PabriciuH van Leijenburg, heer van Loenen en Wolveren, aan de pastorie, kosterie en diakonie der Hervormde gemeente te Loenen afgestaan. De administratie der eigendommen van de vicarie geschiedt namens den collator. Er blijkt niets van be-gevingen en het is ook onbekend, waartoe de inkomsten door den collator werden besteed.

He rwen. — Rossums-vicarie is het laatst in 1784 begeven. Ten name dezer vicarie staan nu nog 2.5570 hectaren, de opbrengst wordt geheel door den predikant genoten. Volgens verschillende aanteekeningen is het waarschijnlijk , dat dit alleen de tertio is en dat de beide andere deelen verduisterd zijn geworden.

Horsen. — St. Antonii vicarie ter begeving van de Heeren van Horsen, het laatst in 1651.

De daartoe behooreude goederen zijn bij de invoering van het kadaster allen op naam gesteld van den toenmaligen collator jhr. P. Bouwens. Algemeen zijn die goederen nog daar bekend als vicarie-goederen en daaronder worden nog de Teunishof,de Teuniskamp en de vicarie-akker aangewezen. Te zameu bedragen

-ocr page 264-

80

die goederen ongeveer 7.66 hectaren. Alle voordeelen daarvan worden genoten door den collator; vroeger werd nog aan de kerk eene uitkeering gedaan.

Huissen. — In deze gemeente, welke eerst sedert 1815 een deel van Nederland uitmaakt, had de burgerlijke gemeente het recht van collatie of benoeming van een stadskapelaan of vicaris. Deze had het gebruik en genot van een huis en grond aldaar gelegen te zamen 0.2730 hectaren. Over dit recht was geschil ontstaan tusschen de kerkelijke en de burgerlijke gemeente. Ter voorkoming van een daarover dreigend proces, is 15 Maart 1880 onder goedkeuring van de hoogere burgerlijke en geestelijke autoriteiten overeengekomen, dat de burgerlijke gemeente afstand deed van hare rechten op voormelde vicarie en den aankleve van dien ten behoeve der kerkelijke gemeente, welke als schadeloosstelling aan de eerste f 6000 betaalde. Volledigheidshalve wordt dit hier vermeld, ofschoon waarschijnlijk het hier juist niet eene vicarie betreft, zooals bij dit onderzoek voornamelijk wordt bedoeld.

Hummel o. — St. Willebrords vicarie. Volgens de institutie-boeken het laatst begeven in 1664. De begeving stond aan den Heer van Keppel en in 1821 is zij tegelijk met de Keppelsche vicariën en die van Almen onder goedkeuring van den Minister vergeven. De laatste begeving is van 1850. In 1875 is op verzoek van den toenmaligen eigenaar der heerlijkheid Keppel, Baron van Pallandt van Keppel, deze gerechtigd verklaard tot vergeving van de\' inkomsten; doch van eene begeving door dezen daarna gedaan blijkt niet uit de registers. Ten name van Mr. P. J. W. Baron van Pallandt van Bartham als collator dezer vicarie staat thans f 1600 op het 2\'/s % Grootboek.

Scti Antonii vicarie het laatst in 1622 ex jure devoluto door het Hof begeven stond onder beheer van het Doetichemsch rentambt. In 1808 wordt de Heer van het goed Enghuizen als collator genoemd en A. van Vloten als vicaris. De daartoe behoord hebbende vaste goederen waren allen verkocht en de koopprijs f 1439 is op het Kwartier belegd.

-ocr page 265-

81

Volgens de opgave bij de Staatsbegrooting gedaan waren de zuivere inkomsten dezer vicarie, bij het Domein in beheer, f 44.57s, welke aan den daarop rechthebbende werden uitgekeerd.

De laatste door den Minister goedgekeurde en in de registers opgenomene begeving is van 1844.

Hu r wen en. — L. Vrouwe vicarie wordt in de institutie-boeken niet genoemd. De eigendommen staan onder liet beheer van het Domeinbestuur en de zuivere opbrengst geniet de predikant der Hervormde gemeente. In 1863 zijn twee stukken grond, tot die vicarie behoorende en gelegen onder de gemeente Rossum, door dit bestuur verkocht voor f 2060.

Onder de gemeente Hurwenen staan nog ter naam der vicarie van Hurwenen op de kadastrale leggers 5.8040 hectaren weiland , belastbarequot; opbrengst f 58.07, onder beheer van don Staat. Het plan tot verkoop ook van deze gronden werd bij besluit van den Minister van Financiën van 12 Juni 1864 voorloopig uitgesteld.

Keenth. — St. Antonii et Catharinae vicarie, waarschijnlijk ook wel de capellanie genoemd, stond ter begeving van de Heeren van Balgoij en Keenth. Ofschoon in 1650 aan dezen dit recht werd betwist (1), schijnt het blijkens de later door hen gedane begevingen, volgens de institutieboeken het laatst in 1782, daarna steeds te zijn erkend. Volgons de oude legger-boeken der classis van Nijmegen werden -| der inkomsten steeds aan studenten in de Grodgeleerdheid begeven en genoot de predikant van Balgoij het overige, tot dat in 1810 de toenmalige administrateur en collator de goederen der vicarie heeft gevoegd bij die der burgerlijke gemeente, uit vrees, dat zij anders als geestelijke goederen zouden worden aangetast.

Na dien tijd heeft er geene begeving meer plaats gehad en hebben de predikanten ook niets meer ontvangen. In 1819 heeft de predikant zich tot Gedeputeerde Staten van Gelderland gewend en is de heer van Rechteren gecommitteerd, om te

(1) Kijhoff. Registers, pag. 150.

6g

-ocr page 266-

82

trachten ten deze tot eene minnelijke schikking te komen, doch dit schijnt vergeefs te zijn geweest.

In 1827 is aan de kerkvoogdij van Neerbosch, waaronder Balgoij en Keenth behooren, machtiging verleend tot het voeren van een proces te dier zake, doch ook daaraan is geen gevolg gegeven.

Volgens de kadastrale leggers staat echter de bedoelde grond groot 2.0980 hectaren uiterwaard nög steeds ten name der vicarie van Keenth, belastbare opbrengst f 104.90. De burgerlijke gemeente verpacht dit land jaarlijks en geniet de pacht geheel.

Keppel. — In deze gemeente zijn vele vicariën geweest. Behalve St. Jurrien, Matthaeus en Andreas vicarie, die liet laatst in 1628 is begeven, doch van welker bestaan verder niet blijkt, stonden al de andere vicariën ter begeving van de Heeren van Keppel en waren onder administratie van het Zutphensoh rentambt. De laatste bogevingen in de institutieboeken vermeld dao-teekenen allen van de tweede helft der XVII eeuw.

o

Volgens de rekening van het Zutphensch rentambt van 1806 waren de meeste goederen, welke tot die vicariën behoorden, verkocht en was de koopprijs in obligatiën op het Kwartier belegd. In 1806 waren de inkomsten vergeven aan G. H. en P. Becking met uitzondering van die van St. Thomas, welke door den organist werden geuoten.

In 1821 zijn de inkomsten van elf vicariën te Keppel met die van Hummeloo, waarvan de Heer van Keppel ook collator was, onder Ministeriëele goedkeuring vergeven; daarna is dit nog eenige malen geschied, het laatst in 1850. Alleen is in 1875 de toenmalige eigenaar der Heerlijkheid Keppel als collator door don Minister erkend, doch deze heeft daarna geene goedkeuring meer op bogevingen gevraagd.

De inkomsten dor vicarie St. Thomae zijn in 1832 voor 12 jaar, ingaande 1830, aan den organist gegeven „mits hij over-legge een attest nopens do behoorlijke waarneming zijner bediening als organist in de kerk te Oldeu Keppel en Keppel,quot;

-ocr page 267-

83

welke begeving mede door den Minister is goedgekeurd. Ook bij deze vicarie blijkt van geen nadere begeving.

Ten name der hierbij bedoelde vicariën staat voor ieder afzonderlijk een kapitaal op het Grootboek 2| % ingeschreven en als rentheffer de heer mr. F. J. W. baron van Pallandt van Barl-ham collator dier vicarie; het gezamenlijk bedrag dier inschrijvingen is /quot;8700.

Ook staan nog op het kadaster 14.5322 hectaren ten name der vicarie San Aae (sic), waarschijnlijk St. Jan en Anna, St. Thomas Antonius, Philippus en Jacobus, collator baron van Pallandt voornoemd.

Laren. — In de kerk aldaar was gesticht eene vicarie, gewijd aan St. Georgius, waarvan de Heer van Verwolde het beschermheerschap uitoefent. Deze vicarie, welko alzoo wordt vermeld in het werk van Lindebom, is niet in de institutie-boeken opgenomen en evenmin in de rekeningen van een der geestelijke rentambten, zoodat men mag aannemen, dat de daaraan behoorende goederen onder beheer en tor vrije beschikking van de Heeren van Verwolde zijn gebleven. Van 1837 tot 1845 heeft de toenmalige Heer dier Heerlijkheid Mr. W. P. E. Baron van der Borch van Verwolde de opbrengsten dier vicarie ongeveer f 40 \'sjaars bedragende, aan de Hervormde kerk te Laren geschonken. Na diens dood zijn de goederen dier vicarie, met diens andere nagelaten bezittingen verdeeld onder zijne erfgenamen, welke verklaarden niets van het bestaan dier vicarie te weten en daarom weigerden daarvoor iets uit te keeren.

Lochem. — De twee vromissen of vroemissen ook wel de Corpusvicarie genoemd (1). Collatoren waren het kapittel van Zutphen en schepenen van Lochem, welke laatsten later alleen het collatiereeht uitoefenden, evenzeer als van de vicarie Philippi et Jacobi, die ter begeving had gestaan van de heeren van het Fraterhuis te Deventer. Volgens de institutieboeken heeft de

(1) Prima et secunda Promissarii. Lindebom, blz. 537.

-ocr page 268-

84

mngistraat, het laatst in 1610 en 1658, goedkeuring op de begeving harer inkomsten bij het Hof gevraagd.

Mariae Magdalenae vicarie staat voor de eene helft ter collatie vau de stad Lochem, voor de andore helft van den Heer van het Huis Verwolden.

Alle deze vicariën werden beheerd door het Zutphensch rentambt, dat de inkomsten aan de daarop rechthebbenden na aftrek der tertiën uitkeerde.

Ofschoon nu de goedkeuring op de begevingen niet door den magistraat is gevraagd, bleef de begeving echter niet achterwege. Althans in 1691 zijn de inkomsten dier vicariën bovengenoemd door den magistraat als collator gegeven aan L. te Wiuckel, zoon van den Burgemeester, ten behoeve zijner studiën.

Daarna en althans reeds in 1730 werden die inkomsten aan de kerk te Lochem „tot desselfs onderhalt om hare sobere en zeer schaarse inkomstenquot;, gegeven voor don tijd van zes jaren. Dit schijnt telkens hernieuwd te zijn. Op de laatste rekening van het Zutphensche rentambt van 1806 vindt men dit ook aange-teokend, en met deze uitkeering aan de kerk is men voortgegaan, tot dat in 1866 de onroerende goederen tot die vicarie behoorende, welke met de overige bezittingeu door het Domein werden beheerd, zijn verkocht. Do opbrengst is, na aftrek van een derde voor den Staat in de plaats van de vroegere tertiën , op het Grootboek geplaatst. Dientengevolge werd toen ingeschreven op hot 2^ % Grootboek ƒ 1300 op naam van Lochem (de gemeente Lochem als collatrice en beheerderesse van de vicarie genaamd de corpus vicarie of inkomsten der twee vroemissen in de kerk te) ƒ 27100 op hetzelfde Grootboek en naam, doch van de vicarie Philippi et Jacobi (1), en ƒ 3200 evenzoo, als voor de helft, collator en beheerderesse van de vicarie Mariae Magdalenae.

(1) Het verdient opmerking, dat, ofschoon bij deze beide vicariën evenzeer eene deeling niet het Domeinbestuur is tot stand gekomen als te Doetichem, bij deze inschrijving in het Grootboek geene aanteekening is geplaatst, zooals boven bij Doetichem is vermeld.

-ocr page 269-

85

De renten dezer inschrijvingen beliepen meer dan de gemiddelde opbrengst der verkochte vaste goederen en daarom besloot de gemeenteraad aan de kerk niet meer uit te keeren dan de gemiddelde opbrengst gedurende de laatste twaalf jaar, beloopende ƒ 360 en het overige ad ƒ 430 te besteden voor het onderwijs.

Dit is geregeld geschied tot 1883, toen de Kaad op voorstel van den heer Dijckmeester, die beweerde, dat de gemeente Lochem thans geheel vrij zonder eenig staatstoezicht over die inkomsten kon beschikken, besloot niet langer aan de kerk die uitkeering te doen. Sedert dien tijd worden die inkomsten voor de gewone uitgaven der gemeente gebruikt. Van ecne wettelijke begeving is geene sprake. De helft der inkomsten van do vicarie Mariae Magdaleuae, ter begeving staande van den eigenaar van het Huis Verwolde, is door dezen steeds aan studenten begeven, zooals blijkt uit de voormelde rekening van het rentambt en ook later uit de registers, berustende bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken. Van 1837 heeft de collator mede onder goedkeuring van den Minister do inkomsten gegeven aan de gecombineerde kerkelijke gemeente van Verwolde, Laren en Ooiden ten behoeve van de nieuwgebouwde kerk aldaar. Dit is meermalen herhaald tot 1845.

In 1847 zijn weder de inkomsten door den collator begeven aan een student. Dit is daarna telkens geschied, he t laatst in 1875.

Ondertusschen waren de vaste goederen daartoe behoorende bij onderhandsche akte goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 6 Juni 1866 verkocht en de opbrengst verdeeld, zoo als boven reeds is vermeld en is ook ƒ 3200 in het 2^ % Grootboek ingeschreven ten name van A. P. R. C. Baron van der Borch als collator en beheerder voor de helft van bovengenoemde vicarie. •

Na 1847 hebben de kerkvoogden van Laren c. a. wel getracht den collator er toe te brengen, weder de inkomsten aan de kerk te geven, doch deze heeft dit slechts van 1875 tot 1877 gedaan en het is onbekend, wat verder met dio inkomsten is geschied.

-ocr page 270-

86

Petri en Pauli vicarie. Collator is de Heer van Ampsen. Ook van deze vicarie, die onder beheer was van het rentambt, zijn in de vorige eeuw de vaste goederen verkocht.

Deze vicarie is geregeld vergeven onder de vereischte goedkeuring, het laatst in 1861. Het is onbekend, waartoe daarna de inkomsten zijn gebruikt. Bij Ministeriëele beschikking van 22 Februari 1884 is Mr. I. L. H. Baron van Nagell van Ampsen als collator erkend, inplaats van zijn overleden vader, doch door dezen is nog geene wettelijke begeving gedaan. Ten name dezer vicarie staat in het 2| 0/o Grootboek ƒ 2528.40 ingeschreven als deel van het gemeenschappelijk kapitaal ter collatie van derden onder beheer van den Staat, hetgeen reeds meermalen is vermeld.

Maasbommel. — Sctae Crucis vicarie is volgens de insti-tutieboeken het laatst in 1662 begeven. Ofschoon de collator onbekend was, zijn evenwel de goederen dezer vicarie afzonderlijk geadministreerd. In 1849 was volgens den kerkvoogd, die het beheer daarover had, de opbrengst ongeveer ƒ 120. De kerk genoot van dat bedrag 2I3, het overige ontving de predikant.

Volgens opgave van den Burgemeester stonden in 1880 nog 8.4310 hectaren bouw- en weiland onder Maasbommel bekend als vicariegoederen.

M i 11 i n g e n. — St. Catherinae vicarie. Volgens de institutie-boeken het laatst in 1711 door den Graaf van Bergh, Heer dier Heerlijkheid, als collator vergeven.

Sedert 1795 behoort \'/s der inkomsten tot de pastoralia der Roomsch Catholieke kerk aldaar. In 1839 werden met goedkeuring van den Minister door den toenmaligen collator de inkomsten dezer vicarie met die van Driel, zoo als reeds door ons onder die gemeente breeder is medegedeeld, bestemd voor eene te \'s Heerenberg te vestigen bijzondere school.

In 1854 heeft echter het Domeinbestuur in rechten de overgave van het beheer dier goederen gevorderd en wel het eerst voor de rechtbank te Nijmegen, welke de vordering bij vonnis

-ocr page 271-

87

van 5 Septembor 1854 hoeft afgewezen, op grond, dat liet eischend bestuur niet beweert eigenaar te zijn en dat zoo üe Staat eigenaar dier goederen was, deze alleen het recht had ze terug te vorderen.

In appèl wees het Hof van Gelderland bij arrest van 30 Januari 1856 de vordering aan den Staat toe, op grond, dat vicariegoederen na de Hervorming als bona vacantia eigendom werden van den Staat, welke door het Domeinbestuur die goederen laat beheeren. Eindelijk in cassatie werd door den Hoogen Raad dit arrest vernietigd en de vordering van het Domeinbestuur afgewezen, op grond, dat het eigendomsrecht van den Staat aan die goederen niet was bewezen.

De begeving in 1839 gedaan verviel in 1864.

Na dien tijd is geene goedkeuring meer op begevingen gevraagd en is het onbekend, wat met die inkomsten is geschied. Volgens loopende geruchten zouden ze daarna gebruikt worden voor de stichting van een nonnenklooster te \'s Heerenberg. Hierover is eene breedvoerige correspondentie tusschen verschillende regeringsambtenaren gevoerd en zijn ook de landsadvocaten gehoord, doch dit schijnt geene nadere gevolgen te hebben gehad.

Gedeeltelijk zouden daarna de inkomsten zijn gebruikt voor studiebeurzen en voor eene school te \'s Heerenberg, gedeeltelijk worden opgelegd, om daarvan later eene nieuwe Roomsch Cath. kerk aldaar te bouwen.

Ten name dezer vicarie stonden op de leggers der kadastrale gemeente Leuth 7.9290 Hectaren met eene belastbare opbrengst van ƒ170.73. Het beheer geschiedt door de administratie van het Huis Bergh.

St Antonii vicarie. Het collatierecht dezer vicarie is in 1699 aangekocht door W. van Loon, raad in het Hof van Gelderland, met goedvinden van den Landdag (1).

Volgens de institutieboeken is zij in 1740 het laatst begeven. Daarna schijnt het beheer der tot deze vicarie behooreude

(I) Geld. Plakk b. III blz. •_gt;.

-ocr page 272-

88

goederen en de collatie zelve aan de Heeren van Bergh te zijn gekomen. Thans behoort 3 harer inkomsten tot de pastoralia der E. Cath. kerk te \'s Heerenberg, en worden hare overige inkomsten geheel op dezelfde wijze gebruikt en behandeld als die van de vorige vicarie.

Need e. St. Joannis Bapt. et Mariae Virginis vicarie. Volgens de institutieboeken was de Graaf van Limburg en Bronkhorst collator, welke het laatst in 1675 de inkomsten heeft vergeven aan B. Wentholt.

De daartoe behoorende goederen waren onder het beheer van het Borculoosch geestelijk rentambt en in 1786 was bij dat bestuur Mr. ten Behm Wentholt als collator bekend. Ook in de laatste rekening van 1808 worden als collatoren opgegeven de erven van den secretaris Wentholt en als vicaris M. D. Bruins.

Het schijnt dus, dat de Graaf van Stijrum Limburg en Bronkhorst, die in 1G88 hot collatierecht van verscheidene vicariën aan het Kwartier had afgestaan, ook in het collatierecht dezer vicarie weinig belang heeft gesteld, en dat het zoo heeft kunnen gebeuren, dat de erven van een vicaris, als collatoren opgetreden , als zoodanig zijn erkend.

Na de opheffing van het rentambt ziju ook de goederen tot deze vicarie behoorende onder beheer van het Domein gekomen. In 1811 is de vicarie weder begeven door mr. P. Wentholt, doch bij diens dood was het onbekend, of de toenmalige vicaris nog leefde, en werden sedert eenige jaren geene aanvragen gedaan tot uitbetaling der inkomsten. Het verzoek van een der erven, om eenig uitstel te verleenen, om het noodige onderzoek te kunnen doen, vóór dat men overging tot eene nieuwe begeving, werd door den Minister (Resolutie 25 November 1830) toegestaan, onder opmerking evenwel, dat de begeving binnen den gestelden termijn zoude moeten zijn gedaan, „zullende anders gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid, welke wegens de verordeningen op de Geldersche vicariën toekomt, om de inkomsten te begeven aan iemand ter keuze van het Gouvernement.quot;

-ocr page 273-

89

Deze verklaring toen door het Gouvernement gegeven is echter nooit tot paden overgegaan, noch bij deze noch bij andere vicariën. De Regeering schijnt later getwijfeld te hebben aan haar recht en heeft althans niettegenstaande herhaalden aandrang, om daarvan gebruik te maken, waardoor het behoud van vele vicariën zoude zijn verzekerd geworden, dat nimmer gedaan. Uit deze lijst blijkt het herhaaldelijk, dat zeer vele collatoren nalatig zijn gebleven de vicarie te begeven overeenkomstig de wettelijke bepalingen en dat de Regeering stilzwijgend heeft toegezien en niets gedaan tot bestrijding daarvan.

Een verzoek door eene andere der erven gedaan ,• om bevestiging van hare begeving voor der inkomsten van die vicarie in hare betrekking van erfgenaam voor j van den vorigen collator , werd bij dezelfde resolutie afgewezen, op grond, „dat het regt van begeving van vicariën ingevolge bestaande verordeningen en usantiën bij overlijden van den collator in deszelfs geheel overgaat op het oudste mannelijk oir of den daartoe meest gerechtigden persoon, en dat aan gezegd regt geene splitsing, als aanleiding moetende geven tot eene oneindige onderverdeeling, kan worden toegelaten.quot;

In het volgende jaar hebben weder twee heeren Wentholt gevraagd, om als collator te worden erkend; aan deze werd daarop een termijn van vier maanden gegeven, om zich te verstaan omtrent den persoon, die als collator zoude optreden of wel om zulks door den rechter te doen uitmaken.

Toen deze termijn verloopen was, zonder dat die heeren zich weder tot den Minister hadden gewend is eindelijk de heer Mr. ten Behm quot;Wentholt, die bewees de oudste zoon te zijn van den vorigen collator, Mr. P Wentholt, als gerechtigd tot het uitoefenen van het collatierecht erkend, zoolang het tegendeel niet is bewezen en zonder dat deze beslissing de tegenpartij zal verhinderen, ze te betwisten onder bijvoeging dat „bij soortgelijke verschillen over het collatorschap bij de stichtingen van beurzen, evenzoo het nemen van eene voorloopige beschikking is voorgeschreven bij artikel 24 van het Koninklijk besluit

-ocr page 274-

90

van 2 December 1823, Staatsblad n0. 49quot;. Dit recht schijnt verder niet aan dezen collator te zijn betwist. Na diens dood zonder kinderen na te laten is do oudste zoon van ziju oudsten reeds overleden broeder als collator erkend.

Greregeld hebben de begevingen verder plaats gehad, het laatst in 1883 aan een leerling op het gymnasium te Arnhem voor den duur van zijn studietijd en onder voorwaarde, om bij elke ontvangst der inkomsten het bewijs van de voortzetting zijner studiën over te leggen.

In 1843 had de collator geweigerd, om toe te stemmen in den door den Minister voorgestelden verkoop der vaste goederen tot die vicarie behoorende en plaatsing van i van den koopprijs op het 2^ o/o Grootboek ten name van den collator. Later heeft hij echter daartoe zijne bewilliging gegeven en thans staat op dat Grootboek eene som van ƒ 13900 ten name van L. R. quot;Wentholt te Gouda als collator en beheerder dezer vicarie, benevens eene som van ƒ 1767.40 ten name dezer vicarie als gedeelte van het reeds herhaaldelijk genoemde kapitaal onder beheer van den Staat en ter collatie van derden.

Neder-Betuwsche vicariegoede ren. — Reeds in de XVIIde eeuw werden in de Neder-Betuwe de vicariegoederen door een rentmeester bestuurd, welke jaarlijks rekening en verantwoording deed aan ambtman en ambtsjonkeren van Neder-Betuwe, doch zoo het schijnt alleen van de tertiën, terwijl hij het overige uitkeerde aan de collatoren of de door hen aangewezen vicarissen. Uit verschillende stukken blijkt, dat dit beheer, waarop geenerlei toezicht schijnt te zijn geweest, nog al eens wat te wenschen overliet, en dat de uitkeeringen zeer ongeregeld geschiedden, zelfs zoodanig, dat dikwijls de afrekening jaren achterwege bleef. Daarenboven bekommerde de rentmeester zich er ook weinig om, of bij de begevingen wel de plakkaten op de vicariën werden nageleefd.

In 1795 werd bij de grondwet voor Neder-Betuwe, gearresteerd 28 November van dat jaar, bepaald in afdeeling 1, art. 6, dat het collegie van algemeen welzijn het bestuur zal hebben „over

-ocr page 275-

91

de ambtsfinantiën, over de geestelijke en andere ambtsgoederen, de nmbtszetting doen en het gebruik van alle penningen na eene tijdige bekendmaking openlijk verrekenenquot;, terwijl vervolgens bij art. 116 van het Reglement van het Departement Gelderland aan het ambtsbestuur, hetwelk met al de werkzaamheden, die vroeger tot de ambtsvergadering behoorden, was belast, het toezicht op het beheer der vicariegoederen en het opnemen der rekening en verantwoording werd opgedragen.

Bij Koninklijk besluit van 28 April 1825 is dat ambtsbestuur weder opgeheven. Door den rentmeester is, daar er geen col-legie in de plaats gekomen was, aan wien hij rekening en verantwoording konde doen, geene verantwoording gedaan tot aan 1830. Toen diende hij die in bij het collegie van Hoofdingelanden van Neder-Betuwe, die erkenden geenerlei bevoegdheid te bezitten tot het afhooren dier rekening, maar tevens dat er noodzakelijkheid bestond, om daarin te voorzien, vooral omdat een deel dier goederen tot de vicariën behoorende op nieuw moest worden verpacht. Het collegie verklaarde zich daarom bereid, om die verpachting voorloopig ten zijnen overstaan te doen plaats hebben door den rentmeester. Dit aanbod werd door den Gouverneur van Gelderland aangenomen , waarop die verpachting ten overstaan van den Hoogen Dijkstoel van Neder-Betuwe heeft plaats gehad.

Ondertusschen was reeds door den administrateur van het Domein lste ressort op last van de Permanente Commissie van het Amortisatie Syndicaat bepaald, dat het beheer dier goederen onder Domeinbeambten zoude worden gebracht, behoudens de bepaling, dat de collatoren hun recht van collatie zouden behouden „speciaal om de inkomsten der vicariën te doen strekken, tot de einden, waartoe die bij de bestaande verordeningen zijn bestemdquot;. De Gouverneur van Gelderland gaf echter zijnen twijfel te kennen, of niet vooraf bij Koninklijk besluit dit moest worden bepaald. De administrateur der Domeinen achtte dit onnoodig, daar die maatregel geheel berustte op de verordeningen nopens dat onderwerp in Gelderland uitgevaardigd, welke

-ocr page 276-

92

echter alleen in Zutphen getrouw zijn opgevolgd en niet in de andere Kwartieren. Daarvan is dan ook het gevolg, „dat in deze laatste een aantal vicariegooderen zijn verduisterd; terwijl de overigen door uitgifte in erfpacht, als anderszins zoodanig in quot;waarde zijn verminderd, dat de inkomsten meerendeels onbeduidend zijn gewordenquot;. De administrateur achtte het doelmatig te zijn, om „de collatoren op te roepen, om binnen eenen zekeren te bepalen termijn opgave te doen van de goederen en inkomsten der vicariën, waarvan de begeving hun competeert\'1. Eene breedvoerige correspondentie volgde over deze zaak, waarbij door den Minister van Binnenlandsche Zaken (1 Maart 1833) aan de Permanente Commissie van het Amortisatie Syndicaat werd bericht, dat aan die voorstellen geen gevolg zoude worden gegeven, o. a. op grond, dat van de 350 vicariën, die op een staat der vicariën in Gelderland opgemaakt uit de in-stitutieboeken van het Hof voorkwamen, 38 nog bestelden onder beheer van het Domein, dat van de 312 overige slechts van 19 begevingen zijn gedaan en sedert 1753 van 293 niets was gehoord en er alzoo weinig was te verwachten van pogingen, die zouden worden aangewend, om bedoelde vicariën te doen herleven. Ook onder het Fransche beheer had de oproepi.ig, waarvan de bescheiden niet waren terug te vinden, geene resultaten opgeleverd. Het werd daarom meer raadzaam geacht, zich toe te leggen op het behoud van hetgeen van de vicariegoederen nog aanwezig is dan te trachten terug te bekomen wat sedert geruimen tijd reeds is verloren gegaan, terwijl omtrent de Neder-Betuwsche vicariegoederen weldra eene nadere beslissing zoude volgen. Het duurde echter nog twee jaar, voor dat bij Koninklijk besluit van 21 Juli 1835 die zaak werd geregeld. Daarbij werd toen bepaald in artikel 1, dat de binnen het district Neder-Betuwe aanwezige vicariegoederen, op den bijgevoegden staat vermeld, zullen worden beheerd door het Domein; in artikel 2, dat zij, die bevoegd zijn om te beschikken over f der inkomsten, dat recht zullen behouden, doch dat zij daaraan de bestemming moeten geven, welke bij de algemeene verorde-

-ocr page 277-

93

ningen aan vicarie-inkomsten is toegekend. Bij artikel 3 werd bepaald, dat, wanneer de collator onbekend was, voorloopig door den Koning, als tijdelijk collator, de begeving zoude geschieden, en bij artikel 4, dat met de uitkeeringen, welke uit de tertiën tot dien tijd toe aan schoolmeesters, kosters enz. waren geschied, door het Domeinbestuur zoude worden voortgegaan, doch alleen tot aan het overlijden of de vervanging dier personen, behoudens nadere voorziening ten behoeve van hunne opvolgers.

Hiermede was echter het beheer dier goederen nog niet dadelijk geregeld, want eerst in 1843 werd door den rentmeester geheele overgifte van zijn beheer aan het Domein-bestuur gedaan. De rentmeester betwistte toch het recht van dat bestuur, om ook van de f ter begeving van collatoren staande, rekening en verantwoording te vragen.

Het Domeinbestuur daarentegen meende, dat de rentmeester, die aan collatoren nooit geene rekening deed, verplicht was , dit aan hem te doen. Kennelijk wantrouwde het den rentmeester en verdacht hem, dat dikwijls die gelden, wanneer geene collatoren bekend waren, onder hem verbleven. Eerst nadat besloten was, den rentmeester tot rekening en verantwoording van zijn geheele beheer en overgifte van zijn archief door eene rechtsvordering te dwingen, is hij daartoe overgegaan, ofschoon later bleek, dat dit archief zeer onvolledig was.

Nadat de rentmeester op die wijze eindelijk rekening van zijn geheele beheer gedaan had, bleven evenwel vele pachters dier vicariegoederen nalatig aan het Domeinbestuur de geheele pachtsom te betalen en gaven daarvan slechts een derde deel, bewerende, dat dit bestuur niet tot meer gerechtigd was. Bij vonnis der rechtbank te Tiel van 25 Februari 1846, bevestigd bij arrest van het provinciaal gerechtshof van Gelderland van 14 October daaraanvolgende, werden echter de pachters in het ongelijk gesteld en veroordeeld de geheele pachtsom te betalen. (1)

(1) Staats Evers. Cunclusiün 1 blz. 1.

-ocr page 278-

94

Toch hield daarmede de vroegere tegenkanting niet op; vele erfpachters bleven weigeren den verschuldigden canon uit te keeren en het Domeinbestnur kon bij gebreke van bescheiden, die niettegenstaande alle moeite niet weder werden gevonden, daartegen niet altijd krachtig optreden, terwijl de rekeningen van den rentmeester dikwijls onjuist en onnauwkeurig waren, zoo als beneden bij de behandeling der afzonderlijke vicariën zal blijken.

De toelagen aan kosters, schoolmeesters enz. waren, nadat het beheer in handen van het Domeinbestuur was overgebracht, sedert 1841 niet meer uitbetaald.

Op verzoek van belanghebbenden werd bij Ministeriëele resolutie 1 November 1844 besloten, om aan die kosters, schoolmeesters enz., welke reeds sedert 1835 die betrekkingen bekleedden, die toelage voortaan weder uit te keeren, zijnde aan de kosters van Hien en Doodewaard, Ochten, Echteld, Avezaath, Ravens-waaij, Rijswijk, Maurik . Eek en Wiel, Ingeu, Ommen, Kesteren, Opheusdeu ieder ƒ 25; aan dien van Lienden en aan den predikant aldaar ieder ƒ 10, te zamen /320.

Aan de kerk te Ochten werd de vroegere uitkeering geweigerd, daar niet bleek, dat zij daarop recht had en zij wel als collator van vier vicariën, maar niet als gebenificieerde bekend staat. De inkomsten dier vicarie beliepen ƒ 64.

In de verschillende dorpen van Neder-Eetuwe waren de volgende vicariën bekend en, voor zoo verre nog bestaande , onder beheer van den rentmeester en later van bet Domeinbestuur.

Avezaath. — L. Vrouwe of St. Maria vicarie. De magistraat van Tiel had de goederen daartoe behoorende verkocht en werd veroordeeld in 1652, door het liof, om aan den ambtman en ridderschap van Neder-Betuwe in te leveren de juiste opgave van hetgeen de door hen verkochte landerijen dier vicarie hadden opgebracht en te betalen het derde deel met de renten sedert de verkooping van dien koopprijs genoten, welk bedrag op een goed kantoor of vast onderpand moest worden belegd, en de inkomsten daarvan ten behoeve van kerk- en school-

-ocr page 279-

95

dienaren te Avesaath gebruikt (1). Van deze vicarie vindt men geen spoor meer over.

St. Agathae vicarie is volgens de institutieboeken in 1735 door kerkmeesters en kerkeraad als collatoren begeven aan de kerk.

Kerkmeesters bezaten reeds sedert 1730 met goedkeuring van het Hof de landerijen daartoe belioorende in erfpacht (2).

Volgens de rekening van den rentmeester over 1815 is de kerk van Avezaath erfpachter en beloopt do jaarlijksche canon /40, terwijl op de rekening van dien rentmeester over 1885 de kerk als collator wordt vermeld.

St. Crucis en Capellanie van Venhuizen. In 1675 zijn de inkomsten van deze vicarie en van St. Nicolai vicarie in de kerk te Lienden met goedvinden van het Hof door den collator gegeven aan de pastorie te Eek (3).

Eene vicarie in de kapel te Avezaath is het laatst in 1697 begeven. De goederen daartoe behoord hebbende zijn aan de kerk gekomen, zoo als waarschijnlijk ook het geval is met de goederen der andere bovengenoemde vicariën, voor zoo verre die niet ingevolge het Kon. besluit van 1835 in handen van het Domein zijn overgegaan, evenzeer als de inkomsten der St. Antonii vicarie, welke op de rekening van den rentmeester over 1835 voorkomen tot een bedrag van ƒ 20 als canon van eene erfpacht.

Van geene dezer vicariën wordt een collator of vicaris verdelgen oemd.

Echt el d. — St. Antonii et Cumerae vicarie zijn het laatst in 1690 begeven. In 1729 zijn de landerijen dezer vicariën in erfpacht uitgegeven, waarvan de canon nog aan het Domein-bestuur wordt betaald en in de schatkist gestort, daar geen collator bekend is en deze vicarie niet is vei\'geven.

St. Nicolai en St. Catharinae vicarie. Beiden stonden ter begeving van de Heeren van Echteld. Het laatst is goedkeuring op de begeving verzocht in 1667. Het blijkt echter, dat althans

(1) Sijhoff. Registers Hof blz. 165.

(2) Geldl. Plak. boek III. blz. 585. (B) Nijhoff. Registers Hof. blz. 393.

-ocr page 280-

96

St. Catharinae vicarie meermalen daarna is vergeven, al is daarop geene goedkeuring bij het Hof gevraagd.

Misschien was de oorzaak, dat geene approbatie werd gevraagd, hierin gelegen, dat niet volgens de plakaten de inkomsten waren gegeven aan een student, om daarop te studeeren, maar aan een kind voor de kosten van het eerste onderwijs.

Desniettegenstaande werden door den ontvanger de inkomsten uitgekeerd, evenzeer als wanneer de vicariën in het geheel niet waren vergeven, in welk geval ze aan den collator werden afgedragen. Dit geschiedde echter zeer ongeregeld en men vindt opgeteekend, dat die rentmeester aan den collator van de St. Nicolai vicarie over tien, zes en eindelijk zelfs over zestien jaren tegelijk rekening gedaan heeft en toen eerst die gelden heeft uitgekeerd.

Later schijnen de inkomsten dier vicarie en wellicht ook van anderen, waarvan de Ileeren van Echteld collatoren warén, niet meer te zijn begeven, maar voor de versiering en het onderhoud der kerk te Echteld te zijn gebruikt. Zoo vindt men opgeteekend, dat in 1724 eene som van ƒ150 uitdeinkomsten dier vicariën is besteed tot het maken van een nieuwen predikstoel met koperen lessenaar en zandlooper; in het volgend jaar werden de psalmborden met al de plankjes, waarop de nommers „ver guit niet fijn goutquot; uit de dezelfde inkomsten, en in 1727 werd ƒ 100, mede daaruit gesproten, gebruikt voor het maken van het „doophuijsken met de kosten van het wapen aan den beeldhouwerquot;.

Volgens de rekening van den rentmeester in 1815 waren de goederen van de St. Nicolai vicarie in erfpacht bij den collator, den Heer van Echteld, voor ƒ 22. Volgens de laatste afrekening in 1846 waren de inkomsten van St. Catharinae vicarie ƒ 32.50. Van St. Mariae vicarie in de kerk te Medel mede onder Echteld gelegen ƒ 14 en van de Capel vicarie ook aldaar ƒ 7. Van deze vicariën worden de Heeren van Echteld zoowel erfpachters als collatoren genoemd.

Vóór 1846 is door den collator geene approbatie gevraagd

-ocr page 281-

97

op de begevingen, indien zij althans geschied zijn. Nadal echter het beheer door het Domeinbestuur is overgenomen, heeft de collator onder goedkeuring van den Minister | der inkomsten der vicariën St. Catharinae en St. Nicolai en Capel vicarie te Echteld, van St. Catharinae vicarie te Ommeren en St. Nicolai te Doodewaard (de laatste is niet hekend in de institutieboeken) over de drie laatstverloopen jaren, gegeven aan de kerk te Echteld.

Opmerking verdient het, dat, niettegenstaande bjj vroegere resolutiën telkens werd geweigerd de vergeving van inkomsten van vroegere jaren, welke werden gerekend aan den Staat te zijn vervallen, goed te keuren, het in dit geval is toegestaan, waarschijnlijk wegens den verwarden, toestand van het beheer in die jaren. Do collator had er de voorwaarde aan verbonden, welke ook door don Minister is goedgekeurd en door kerkvoogden aangenomen, dat aan Baron van Balveten als collator en tevens in hoedanigheid van opperkerkvoogd voorbehouden blijft: „om te bepalen het gebruik, waartoe in het bijzonder de gelden in het uitsluitend belang der kerk voornoemd zullen aangewend wordeu en verder onder gehoudenheid dier gezegde gemeente, om zich te gedragen naar de bepalingen, welke op het stuk der vicariën reeds bestaan of verder zullen worden uitsrevaardig-d.quot;

O O

Deze begeving is later meermalen herhaald. In 1869 zijn die inkomsten begeven aan de kerk te Eek; in 1875 aan de Hervormde gemeente van Ochten; in 1881 voor drie jaren weder aan de kerk te Echteld en in 1884 is dit herhaald. In de beschikking van 1875 wordt nevens de andere vicariën melding gemaakt van de inkomsten eener vicarie zonder titel en ook deze vergeven; waarschijnlijk hoeft dit geeue andere beteekenis dan dat de naam van den Heilige, aan wien ze gewijd was, niet meer bekend was. De Minister vond daarin toen geen bezwaar. Bij de beschikking van 1884 echter is de Minister daar op terug gekomen en is de begeving goedgekeurd met uitzondering echter van die der vicarie zonder titel, waaromtrent geene nadere inlichting is verkregen, en waarvan de inkomsten alzoo aan den Staat zijn vervallen.

-ocr page 282-

98

Nog staan ten name van de St. Bastiaans vicarie te Echteld op de kadastrale leggers dier gemeente 2.69.64 hectaren, belastbare opbrengst f 43.94. Van deze vicarie zijn geene verdere bijzonderheden mij bekend, zij komt noch in do institutieboeken van het Hof\', noch in de rekeningen van den rentmeester der Neder-Betuwsche vicarie goederen voor.

Eek. _ St. Jan of L. Vrouwe vicarie is volgens de institutieboeken het laatst in 1792 begeven. Met goedvinden van het Hof zijn de landerijen aan deze vicarie behoorende in 1766 door den collator als allodiale goederen gebruikt tegen eene jaarlijksche som van f 230, waarvan nog de tertiën in de rekening van den rentmeester over 1815 zijn opgenomen. In de rekening\' van 1835 wordt B. van Ginkel pJs collator genoemd , waarschijnlijk moet dit zijn erfpachter. Hetzelfde is het geval bij de St. Antonii vicarie aldaar, die mede in erf-pacht is uitgegeven voor een canon van / 39, waarbij D. J. Hermsen collator wordt genoemd, en hetwelk waarschijnlijk erfpachter moest zijn. Vicarissen of begiftigden dezer vicariën zijn niet bekend, ook is van deze vicarie geene begeving gedaan.

De St. Antonii vicarie wordt niet in de institutieboeken vermeld, wel de St. Mariae, Barbarae et Nicolai en de St. Annae vicarie, die het laatst in 1722 en 1775 zijn begeven, doch niet voorkomen in de latere rekeningen van den rentmeester.

H i e u en D o o d e w a ar d. — St. Mcolai vicarie te Doode-waard. He inkomsten waren reeds sedert 1699 met vergunning der Staten van Gelderland gebruikt voor de kerk te Echteld.-

St. Mariae vicarie te Hien is het laatst begeven in 1653. Zij bezit volgens de rekening van den rentmeester over 1815 een erfpacht van / 4.00 gaande uit 4.0540 hectaren gelegen ouder Hoodewaard, welke erfpacht de pachter in 1843 tegen den penning 20 wilde afkoopon, hetgeen echter toen voorloopig is geweigerd.

Verder werd nog in de rekening van den rentmeester over 1835 eene vicarie te Hoodewaard, de St. Mariae vicarie genoemd , waarvan collator zonde zijn de Heer van Echteld en do

-ocr page 283-

99

inkomsten zouden bestaan in eene erfpacht van / 14, doeh daar die rekening wat de namen enz. betrof\', zeer weinig nauwkeurig is en er geene bescheiden door den rentmeester zijn overgelegd en deze ook elders niet zijn te vinden , kan men aan die opgaven weinig vertrouwen schenken. In 1835 was 1\', morgen weiland uitgegeven voor dijk- en ongelden. Thans staan nog ten name der vicarie van Hien 0.2730 hectaren, belastbare opbrengst f 11.45, op de kadastrale leggers dier gemeente.

Resteren. — Beatae Virginia Mariae vicarie is liet laatst begeven in 1710. Volgens de rekeningen over 1815 en 1835 bestonden de inkomsten alleen uit eene erfpacht gaande uit ruim 5 hectaren land tot een bedrag van ƒ 3. De erfpachter wordt, zooals herhaaldeljjk in die rekening het geval is, collator genoemd, zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat de collator in vele gevallen tegelijk erfpachter zocht te worden en wanneer dit werd goedgekeurd, slechts het derde van den canon aan den ontvanger betaalde. En daar deze volstrekt niet lette op hetgeen met de overige twee derden gebeurde , werden deze door den collator erfpachter niet vergeven en kon hij alzoo de goederen der vicarie tegen een zeer geringen prijs als eigene goederen gebruiken. Dit verklaart ook , waarom de erfpachtscanon in de Neder-Betuwe dikwijls zoo uiterst gering is, daar het zeer goed aan te nemen is, dat men wel eens vergat, dat hetgeen aan den rentmeester werd betaald, slechts een derde bedroeg van hetgeen als erfpachtscanon verschuldigd was. Tevens verklaart het, waarom bij al die vicariën bijna geen enkel vicaris met de !/3 was begiftigd.

Nog wordt in de rekeningen van 1815 en 1835 genoemd de St. Sebastiaan\'s vicarie, die niet bekend is in de institutie-boeken. Zij bestond alleen uit eene erfpacht van ƒ 39. Ook van deze is geen collator noch vicaris bekend.

Lienden. — L. Vrouw vicarie is in 1482 gesticht. —In 1671 is zij het laatst begeven. Volgens de rekening van 1815 bestonden de inkomsten alleen uit een erfpachtscanon van f 0 en was erfpachter G. van Wijk. In de rekening van 1835

-ocr page 284-

100

wordt de erfpacht opgegeven te bedragen f 8 en worden als collatoren de erven van G. van Wijk genoemd, hetgeen dus weder kennelijk moet zijn erfpachters.

St. jSicolai vicarie. De inkomsten zijn in 1675 door den collator geschonken aan de kerk te Eek met goedkeuring van het Hof; ambtman en ridderschap hebben later ook de tertiën dezer vicarie aan die kerk afgestaan. Bij de rekening van 1815 is dit erkend en op die van 1835 vindt men vermeld 7 bunders 66 roeden 40 el land geheel aan de pastorie van Eek.

St. Annae vicarie in 1738 het laatst begeven. Volgens de rekeningen van 1815 en 1835 bestonden de inkomsten alleen uit een erfpachtscanon van f 1.

St. Antonii vicarie. Het laatst begeven in 1731 door den collator Prins van Saxen-Grulik. De eigendommen dezer vicarie bepaalden zich slechts tot twee erfpachten, eene van f20 en eene van f 6.

St. Orucis, Salvatoris et Mariae vicarie in 1415 gesticht, het laatst in 1722 begeven. In de rekening van 1815 is aan-geteekend, dat de inkomsten sedert jaren door onbekendheid der schuldenaars niet zijn ingevorderd. In 1835 schijnt de schuldenaar erfpachter ontdekt te zijn, doch deze wordt daarbij . zooals telkens het geval is, in die rekening collator genoemd.

Ook wordt in die rekening nog eene vicarie St. Mariae genoemd met een landbezit van 1.70 hectaren, in 1815 verpacht voor /quot;24, in 1835 voor /\'53. Deze vicarie wordt niet in de

institutieboeken vermeld.

Man rik. — St. Antonii vicarie in 1503 gesticht, is het laatst in 1730 begeven. Volgens de rekeningen van 1815 en 1835 bestonden de inkomsten alleen uit eene erfpacht van ƒ 15. R. v. Maurik wordt in de rekening van 1815 als erfpachter en in die van 1835 als collator vermeld.

Van eene vicarie gewijd aan de H. Catharina vermeld in de institutieboeken van 1667 door het Hof vergeven „vermits de balmoedigheid (van den collator) H. v. Maurik aan de Hoogheit van \'t Laat vervallenquot; vindt men niets naders vermeld.

-ocr page 285-

101

Och ten. — St. Mariae vicarie. Predikant en kerkmeesters worden in de iiistitutieboeken als collatoren vermeld. Van af 1754 en waarschijnlijk zelfs reeds van 1688 zijn 2 ;l der inkomsten dezer vicarie aan de kerk door den rentmeester uitbetaald tot 1842 toe. Het beliep toen ongeveer /\'40.10.— Het Domein-bestuur, dat vervolgens het beheer voerde, weigerde verder die uitkeering met uitzondering alleen vau de toelage van f 25 aan den toenmaligen koster. Deze heeft dit daarna genoten tot aan zijn ontslag in 1871, waarop alle verdere uitkeering is geweigerd.

Deze weigering berustte op de overweging, dat de kerkelijke gemeente van Ochten (ook die van Rijswijk en Raveswaaij, welke in hetzelfde geval verkeerden) als collatoren zich het 2 3 niet toe mochten eigenen, maar wel derden onder goedkeuring van don Minister van Binnenlandsehe Zaken daarmede mochten begunstigen en dat, zoo lang deze confirmatie niet heeft plaats gehad, de 2;1 niet kunnen worden uitgekeerd, omdat geene wettig erkende titularissen bekend zijn.

Inderdaad werd op de rekening van 1835 de kerk van Ochten als collator vermeld, ook zoo als uit het bovenstaande blijkt verkeerdelijk, daar zij begiftigde was. Het blijkt echter niet, dat zij als collator is opgetreden en, zoo als kerkvoogden vau Rijswijk en Ravenswaaij, van wie dit ook verkeerdelijk werd aan-geteekend, daarvan gebruik heeft gemaakt, gelijk hieronder is vermeld.

Ommeren. — St. Catharinae vicarie is niet opgenomen in de institutieboeken. Collator was de Heer van Echteld. Zij werd beheerd door den rentmeester der vicariegoederen en komt op de rekening van 1815 en 1835 voor met een inkomen van/3. Volgens latere opgaven van het Domeinbestuur waren de inkomsten grooter.

Deze vicarie is in 1846 begeven met andere vicariën door den collator, zooals reeds onder Echteld is vermeld.

Opheusden. — St. Antonii of L. Vrouwe vicarie is in 1788 het laatst begeven door H. Tollius als collator. Op de rekening

-ocr page 286-

102

van 1815 komt ze voor; doch zonder naam van collator of vicaris. In 1822 werd het beheer ingevolge Koninklijk Besluit van 5 Mei door het toenmalige ambtsbestuur aan het Domein overgelaten. Er bleek toen, dat door den rentmeester wel het derde was verantwoord, doch dat het overige sedert 1792 in bet bezit van den rentmeester was gelaten tot een bedrag van ƒ2551.89.

Door den Koning werd vervolgens in 1827 een student voor drie jaren of zoo veel korter, nis zijne studién zouden duren, tot het genot dier inkomsten gerechtigd verklaard en nogmaals in 1829 een ander voor drie jaren, met bepaling, dat na dien tijd de begeving dezer inkomsten ten behoeve der studiën zouden ophouden. Daarop zijn ze dan ook in de schatkist gestort.

St. Trinitatis vicarie is in 1789 het laatst begeven. In de rekening van 1815 werd vermeld, dat het land was verpacht, doch de huur niet betaald, terwijl volgens die van 1835 de huur van f 36 is ontvangen eu do pachter tegelijk als collator wordt opgegeven.

Ravenswaaij. — St. Antonii vicarie is in 1527 gesticht en in 1667 het laatst begeven door E. Ram, heer van Schalkwijk. Rij de rekening van 1815 wordt geen collator genoemd, volgens die van 1835 was die vicarie in het bezit van ongeveer 4 hectaren bouwland en behoorde aan de kerk te Rijswijk het collatierecht; waarschijnlijk moet dit zijn kerk van Ravenswaaij. Er blijkt niet, dat die kerk van haar recht van collatie gebruik heeft gemaakt.

St. Mariae vicarie is in 1712 het laatst begeven door predikant en kerkmeesters aan de kerk. Ongeveer 5è hectaren bouw- en weiland behoorden tot hare eigendommen en de \'/3 werden voornamelijk gebruikt voor het onderhoud der kerkelijke gebouwen.

Bij de rekening van 1835 wordt de kerk te Ravenswaaij collator dezer vicarie genoemd en bij ministeriëele resolutie van 15 Februari 1848 is de begeving van 2/3 der inkomsten door kerkvoogden als collators aan de kerk voor 12 jaar goedgekeurd.

-ocr page 287-

103

van af 1843, tot welk jaar de rentmeester reeds aan de kerk afgifte dier inkomsten had gedaan. Volgens de bijlage der Staats-begrooting van 1851 keerde het Domein ƒ 119.52 als opbrengst dier 2/a aan de kerk nit. Greene latere begeving wordt in de registers vermeld.

R ij s w ij k. St. Crucis vicarie is in 1743 door kerkmeesters als collatoren aan de kerk aldaar beo-even.

O

St. Antonii vicarie is liet Inatst in 1694 begeven door Baron van Weideren tot Valburg.

St. Sebastiani, Cathariuae et Margaretliae Martyrum vicarie. —-De begeving werd in 1751 gedaan door W. H. Piek tot Soelen, terwijl in 1776 het collatiereclit aan A. Verstolk, Heer tot Soelen, werd overgedragen.

In de rekening over 1815 worden de inkomsten dezer verschillende vicariën allen te zamen verantwoord, met uitzondering van eene erfpacht, welke tot St. Antonii vicarie behoort, waarvan de canon / 15 bedraagt en Baron van Brakel als erfpachter voorkomt.

Op de rekening van 1835 zijn weder al de vicariën vereenigd evenals of zij slechts eene enkele uitmaakten. Als collator wordt de kerk van Rijswijk genoemd en de eigendommen worden opgegeven te bestaan in 5, 40 hectaren bouw- en weiland met een opbrengst van ƒ 41 en ongeveer 12 bunders met een opbrengst van f 19.5, terwijl dan verder nog staat aangeteekend „Collator Baron van Brakel erfpachter. Ink. /15quot;, hetgeen natuurlijk weder foutief is.

Voordat in 1846 door den rentmeester aan het Domein-bestuur overgifte vau zijn beheer is gedaan, schijnt er echter eene scheiding te zijn tot stand gekomen en heeft de heer I. A. Völcker als collator der laatstgenoemde aan St. Sebastiaan, Catharina en Margaretha gewijde vicariën het beheer van 2dei-goederen daartoe behoorende tot zich genomen. Eene rechtsvordering tot afgifte van de administratie dier goederen tegen den collator door het Domeinbestuur voor de rechtbank te Tiel ingesteld werd bij vonnis van 6 October 1854 op geheel formeele gronden

-ocr page 288-

104

afgewezen en dit bij arrest van het provinciaal gerechtshof van Gelderland van 21 Maart 1855 bevestigd.

Het Domeinbestuur heeft waarschijnlijk op grond van de spoedig daarop gevolgde arresten van den Hoogen Raad in de verschillende vicarie-processon, waarbij dat bestuur in het ongelijk werd gesteld, daarin berust en thans staan nog ten name van Mej. M. E. Volcker te Zoelen als eigenaresse (sic) der vicarie gefundeerd in de kerk te Rijswijk, genaamd Sanctorum Sebastiaui en Catharinae Margarethae Martijrum op den kadastralen legger der gemeente Maurik verschillende perceelen land , te zamen bedragende 18.17.28 hectaren uiterwaard en weiland. De inkomsten werden volgens bekomen inlichtingen door den Heer I. A. Völcker even als later door Mej. M. E. Volcker besteed, om jongelieden aan eene der academiën tot predikanten bij de Hervormde kerk op te leiden. Op de begeving wordt geene confirmatie gevraagd (1).

Even als boven bij Ravenswaaij werd vermeld, is bij Ministeriëelt resolutie van 15 Februari 1848 de begeving aan de kerk te Rijswijk door kerkvoogden der Hervormde gemeente te Rjjswijk, optredende als collatoren der in die kerk gevestigde vicariën St. Anthonij , St. Crucis, St. Sebastiaan eu Catharinae eu Maria (2) gewoonlijk te zamen begrepen wordende in de benaming van vicanj St. Crucis te Rijswijk, zoo als dit in die resolutie is omschreven van 1 :i der inkomsten bevestigd. Ook deze begeving geschiedde slechts voor 12 jaren eu het genot der inkomsten werd gerekend te zijn ingegaan met 1843 (3).

Bij de omschrijving dezer vicarie heeft men kennelijk wegens het ontbreken van bescheiden, welke of verloren waren gegaan,

1

Mej. Volcker is onlangs overleden zonder uitersten wil. Hetcollutierecht vervalt nu in de zijlinie. Er bestaat eenige hoop, dat thans liet beheer en het gebruik der inkomsten op geheel wettelijke wijze zal worden geregeld.

-ocr page 289-

105

of ten minste niet door den rentmeester opgeleverd, alleen de rekeningen gevolgd, hoewel daarop verkeerdelijk de kerk van Rijswijk ook als collator der viearie St. Sebastiani, Catlia-rinae et Margarethae wordt vermeld.

Het heeft ons niet mogen gelukken meerdere bijzonderheden der vermelding waardig omtrent de Neder-Betuwsche vicarie-goederen te vernemen, wij keeren daarom tot de overige Geldersclie gemeenten terug.

Nun speet. — St. Theobaldi viearie is het laatst begeven in 1778 althans daarop volgens de institutieboeken goedkeuring gevraagd. Toch blijkt, dat ook nog in 1803 door de toenmalige collatrice, weduwe de Wolf van Westenrode, eene begeving is gedaan aan II. A. en J. J. Kleijnpeunink.

Volgens opgave vau den inspecteur van de registratie in Gelderland behoorden in 1851 nog tot deze viearie en stonden nog ten haren name 34.7910 hectaren met eene belastbare opbrengst van / 312.43. Volgens mededeeliug van den burgemeester dier gemeente was dit in 1880 niet meer het geval. Ook op de lijsten der goederen in de doode hand bij het Ministerie berustende, komt dit niet voor. Verder is omtrent deze viearie niets bekend, zoodat ze waarschijnlijk tot de geheel verduisterden behoort.

Nij kerk — St. Crucis et Christophori viearie is het laatst begeven in 1767. Over de collatie dezer viearie is meermalen getwist; eindelijk is in 1648 bij vergelijk de zaak beëindigd en zijn beide partijen gerechtigd verklaard tot de collatie, ieder voor de helft; daarbij is bepaald, dat zij bij beurten telkens voor den tijd van acht jaren dat recht zouden uitoefenen. In 1811 behoorden volgens opgave van den Maire zeven bunders land tot de eigendommen dezer viearie en waren collatoren het Kwartier van Veluwe, M. Vlug te Rotterdam en Mej. Pott te Zwolle bij tourbeurten en genoten zij zelve de inkomsten.

In 1826 is de collatie van de viearie St. Crucis in de kerk te Nijkerk door G. Prins als collator op zijn zoon C. Prins, leerling aan het Gymnasium te Arnhem, door den Minister

-ocr page 290-

106

goedgekeurd. Na dien tijd vindt men in de registers geene begeving meer vermeld.

Volgens opgave van den burgemeester in 1880 staan ten name der vicarie te Nijkerk 2.92 hectaren hooi- en weiland onder Nijkerk, belastbare opbrengst ƒ 67.66, zoomede gronden onder de kadastrale gemeente Ermeloo. Zij wordt geadministreerd door Baron van Golsteiu van Oldenaller en door de familie van Zuijlen van Nievelt van dn Schaffelaar. Er blijkt niet aan welken Heilige deze vicarie was gewijd , doch zeer waarschijnlijk is het, dat deze vicarie dezelfde is als do bovengenoemde, gewijd aan liet 11. Kruis en den 11. Christophorus. Het is onbekend, welke bestemmir.y; door de beheerders aan do inkomsten dezer vicarie wordt gegeven. Zeker is het, dat dit niet geschiedt op wettelijke wijze met .Ministeriëele goedkeuring.

Verder waren nog in diezelfde kerk eene vicarie gewijd aan St. Anna en St. Catharina, die het laatst in 1712 is begeven, eene gewijd aan St. Sevenjn liet laatst in 1677 begeven, verder de St. Mariae vicarie in 1645 door de toenmalige collatoren Jonker, Scholtis en kerkmeesters aan den tweeden predikant vergeven, tengevolge waarvan de goederen dier vicarie wel met die der kerk zullen zijn vermengd.

Van deze 3 vicariën zijn geene sporen meer over.

Nijmegen. — St. Joseph vicarie is het laatst in 1667 begeven. Collatoren waren de Heeren van Echteld en van Zoelen bij beurten.

Dei Omnipotentis, Gloriosissimae Virginis Mariae et aliorum Sanctorum vicarie, gewoonlijk genaamd de Gulden Gamer, was gesticht in de St. Geertruida Gapel en is in 1794 begeven door A. in de Betouw. In 1807 is eene nieuwe begeving door den Hove Provinciaal van Gelderland goedgekeurd. In 1821 en 1824 heeft weder eene begeving plaats gehad, goedgekeurd door den Minister. Daarna, althans in 1849 waren de % der inkomsten niet vergeven en het blijkt ook niet, dat zij ad pios usus zijn gebruikt, fn 1852 was Mejuffrouw Muller, aan wier familie de collatie was overgegaan, collatrice dezer vicarie en

-ocr page 291-

107

beheerde als zoodanig de daartoe behoorende goederen. Na een proces met het Domeinbestuur heeft zij het beheer aan dit bestuur overgegeven en zijn de 1niet meer vergeven.

Vóór 1726 genoot de koster der Waalsehe gemeente te Nijmegen de tertiën dezer viearie. Daarna werden deze bij besluit van de Landschap toegekend aan den predikant van Malden en Heumen. Deze genoot die inkomsten nog in 1835, volgens den inventaris der pastoriegoederen dier gemeente, waarbij ze geschat werden op een bedrag van /\' 33 \'s jaars.

Nadat hot beheer in handen van het Domeinbestuur was overgebracht, weigerde dit de uitkeering der tertiën, doch is later eene som van f 25, volgens overeenkomst met den Minister van Pinantiën van 15 Juni 1855 goedgekeurd door het classikaal bestuur van Nijmegen, daarvoor in de plaats getreden.

O e u e. — St. Antonii viearie. Oorspronkelijk stond de begeving dezer viearie aan pastoor en kerkmeesters, na de Hervorming aan Jonkers en Scholtis des Ampts Epe en kerkmeesters van Oene, welke het laatst in 1732 onder approbatie van het Hof de inkomsten aan de kerk te Oene hebben gegeven — Bij dergelijke begevingen aan de kerk werden gewoonlijk de goederen der viearie spoedig met de goederen der kerk vermengd en ook weldra geheel als zoodanig beschouwd. Zoo vindt men ook op den inventaris door kerkvoogden te Oene in 1835 opgemaakt de goederen der St. Antonii viearie vermeld als „behoorende aan de kerk te Oene \'. Zij bestonden geheel uit landerijen en de opbrengst werd op ± ƒ 401.— begroot.

Bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 13 October 1857 is aan kerkvoogden op hun verzoek machtiging verleend, om een deel dier goederen groot 2.21.90 hectaren publiek te verkoopen, onder voorwaarde, dat de opbrengst op het Grootboek werd belegd en wel voor de kerk, V, voor de diakonie en 1 „ voor de kosterie, op dezelfde wijze , als de inkomsten steeds werden verdeeld

Hieraan is gevolg gegeven en alzoo is op liet 2\' , quot; „ Grootboek ingeschreven ten name der kerk f 3000.— teu name der

-ocr page 292-

108

diaconie ƒ 2000.— en ten name der kosterie f 1000.—. Er blijkt niet, dat tegen deze beschikking van Gedeputeerde Staten, waartoe deze alle bevoegdheid misten, eenig verzet is geschied. Zij is een nieuw bewijs, hoe noodzakelijk het is, dat de zaak der vicariën eu hare goederen behoorlijk op nieuw worde geregeld.

St. Joris vicarie stond ter begeving van do familie Dibbets en het kapittel van St. Maria te Utrecht bjj beurten telkens van zes jaren. In 1810 waren de inkomsten begeven door dat kapittel aan den predikant te Oene, welke de daartoe behoo-rende landerijen ook beheerde. Dat beheer is althans tot 1834 bij den predikant gebleven , ofschoon bij beschikking van den Minister van Justitie van 30 September 1818 aan den predikant is geweigerd langer de vruchten te mogen genieten en de Minister namens de Regeering als collator optredende in de plaats van het niet meer bestaand kapittel, de -, heeft vergeven aan den zoon van de collatrice, wier beurt van vergeving het toen niet was. Ook op een later verzoek van den predikant om begeving der inkomsten op zijn zoon werd afwijzend beschikt. In 1827 is de termijn van zes jaar veranderd in een van 12 jaar en bepaald, dat beurtelings de familie Dibbets en het Gouvernement gedurende dien tijd liet recht van begeving zouden hebben. Deze regeling is verder steeds gevolgd. Van at 1 Januari 1883 tot uit0. December 1894 komt de begeving aan de Regeeriug toe. In 1883 werd de begeving gedaan voor één jaar, in 1884 is dit herhaald onder voorwaarde, dat de begiftigde zich uitsluitend voorbereidde voor het leeraarsambt in de Hervormde kerk en bij elke ontvangst van de voortzetting zijner studiën deed blijken. Evenzoo is in 1885 en 1886 gehandeld.

Volgens opgave van 1876 behoorden tot deze vicarie 14.90.40 hectaren land. Belastbare opbr. J 231.05.

O p h e m e r t. — St. Bartholomaei, Crucis , Catharinae en O. li. Vrouw vicarie stonden ter begeving van de Heeren van Ophemert en zijn het laatst in 1670 en 1692 begeven.

In 1851 is het beheer dier vicarie-goederen door het Domein-

-ocr page 293-

109

bestuur overgenomen van den collator. Do eigendommen bestonden toen in eenig land en tienden en eene obligatie ten bedrage van f 2400.— , welke in het Grootboek is ingeschreven ten name van het bestuur der Rijksdomeinen als beheerende de vicarijon te Ophemert.

De jaarlijksche inkomsten beliepen toen ruim f 600—. Het Rijkspredikantstractement werd daaruit met/quot;345.— vermeerderd en do onderwijzer ontving f 36.— meer.

Daarenboven staan nog teu name van Mr. D. J. Baron Mackaij van Ophemert en Zennenwijne als collator en beheerder der vicarie te Ophemert ƒ 21 400— op het 2\'., quot;o Grootboek Het is onbekend , waarom deze niet mede, zoo als al het overige , onder beheer van het Domein is gebracht.

Van eene begeving door deu collator van de inkomsten op wettelijke wijze blijkt uit de registers niets. Alleen blijkt daaruit, dat bij Ministeriëele resolutie van 18 Juni 1876 bovengenoemde collator op diens verzoek als collator is erkend in de plaats van zijn overleden vader en welk verzoek zeer waarschijnlijk alleen geschiedde , om de renten van gemelde inschrijving op het Grootboek te kunnen ontvangen.

Overasselt. — St. Antonii vicarie werd in 1693 begeven aan den predikant aldaar; waarschijnlijk zijn de goederen daartoe behoorende en waarvan later geeue melding meer wordt gemaakt vereenigd met de goederen der kerk. Ook in de kapel van het huis Slee borg was eene vicarie ter begeving staande van den eigenaar van dit huis, vermoedelijk gewijd aan O. L. Vrouw. Volgens de institutieboeken is deze het laatst in 1697 begeven. Op het kadaster stonden in 1851 nog ten name der vicarie van Overasselt 2.36.90 hectaren, welke door den collator aan een protestansch lidmaat in vrij gebruik waren afgestaan, dewijl er in die gemeente geen persoon was geschikt voor de studie der godgeleerdheid.

Ecnige jaren later heeft de toenmalige collator Jh. Munter van Sleeburg de vele vaste goederen, welke hij in die gemeente bezat, verkocht en afstand gedaan van het collatorschap dier

-ocr page 294-

110

vicarie eu dit met de daaraan verbonden goederen overgedragen aan den Staat der Nederlanden, die ze eeuige jaren heeft verpacht, maar later publiek verkocht. De inkomsten dier goederen zijn niet vergeven, noch zijn daaruit aan kerk of school uit-keeringen gedaan.

Overbetuwsche vicarie-goederen. — In Over-Betuwe was, even als in de Nedei-Betuwe, het beheer der geestelijke goederen, waaronder vele vicarie-goederen zich bevonden, geregeld. In 1795 was Gr. P. Hugeupoth tot Aerdt ambtman , rechter en dijk-president en als zoodanig bleef hij bijna als vroeger de geestelijke goederen beheeren Bij de Staatsregeling van 1798 waren de geestelijke goederen wel nationaal verklaard, maar bij publicatie van het Uitvoerend Bewind van 10 October 1798 werd bepaald, dat de administratieve besturen van goederen en fondsen, waaruit tractementen, pensioenen, enz. der leeraars van de voormaals heerschende kerk werden betaald, voorloopig met dat beheer zouden voortgaan, tot dat de schattingen bij artikel 4 der additioneele artikelen der Staatsregeling gelast zouden afgeloopen zijn.

Door de staatsregeling van 1801 en het regeerings-reglement van 29 April 1802 keerde men bijna geheel terug tot den vroegeren toestand van vóór 1795 en aan den nieuwen ambtman, rechter en dijkgraaf werd eene instructie gegeven als van ouds. Zoo bleef de ambtman het beheer behouden der geestelijke goederen. De staatsregelingen van 1805 en 1806 duurden te kort, om daarin verandering te brengen.

In 1810 werd de betrekking van ambtman opgeheven, doch de dijkgraaf bleef en zoo kwam bij het dijksbestuur wat bij den ambtman alleen behoorde. Toch heeft dat bestuur de goederen van het geestelijk rentambt niet vermengd met die van den polder, maar over de geestelijke goederen een afzonderlijken rentmeester aangesteld. Zoo als uit de rekeningen van het polderdistrict blijkt, heeft dit wèl gelden geleend van liet geestelijk rentambt en daarvan rente en aflossing betaald.

Tot de goedereu van dit rentambt behooren ouder meerderen

-ocr page 295-

Ill

de eigendommen der Putters vicarie eu Gasthuis vicarie te Eist, doch door het ontbreken van bescheiden of rekeningen van het beheer dier goederen is het onmogelijk daaromtrent juiste opgaven te verkrijgen; terwijl daarenboven het archief van het polderdistrict Over-Betnwe, voor zooveel dit nog aanwezig is, niet toegankelijk is eu ook nu uog het beheer van de inkomsten dier goederen, die vrij aamerkeljjk moeten zijn, geheim wordt gehouden.

Alleen is het bekend, dat daaruit dikwijls belangrijke toelagen aau behoeftige Hervormde gemeenten in Neder-Betuwe of voor hare kerken eu bijzondere scholen worden gegeveu.

In 1851 werd de waarde der bedoelde geestelijke goederen op ƒ 150,00ü geraamd.

Ook tegen dat polderbestuur heeft het Domeinbestuur eene vordering ingesteld tot afgifte der geestelijke goederen, rekening en verantwoording. De rechtbank te Nijmegen wees 1 (5 Augustus 1853 dien eisch toe, even zoo het provinciaal gerechtshof van Gelderland, 29 December 1854, doch do Hooge Raad wees dien af bij arrest van 6 Juni 1856.

Putten. — St. Andreae vicarie gesticht in 1512 is volgens

O O

de institutieboeken het laatst begeven in 1600, evenzoo de vicarie in honorem Beatae Mariae ter begeving staande vóór de Hervorming van den abt van Paderborn en daarna begeven door predikant en kerkmeesters. Waarschijnlijk zijn de daartoe behoorende goederen ook met dc kerkegoederen vereenigd. Verder waren in die gemeente nog de St. Crucis vicarie in 1710 het laatst begeven, en de St. Antoniivicaric , over welke begeving in 1649 verschil bestond; doch van beiden ziju geeuc sporen meer over. In die gemeente waren in 1880 volgens opgave van den burgemeester uog landerijen, die den naam dragen van vicariön cu in eigendom toebehooreu aan wijlen de erfgeuamen van Baron van Pallandt van Eerde eu Baron E. E. A. van Golstein.

Rh eden. — In 1669 hebben geërfden van Rheden als collatoreu met goedkeuring van het Hof de inkomsten eener vicarie in de kerk aldaar, Joch waarvan de naam niet is op-

-ocr page 296-

112

gegeven, aan den schoolmeester begeven. Vennoedelijk zijn de daartoe behoorende goederen op die wijze aan de kosterie gekomen.

St. Mariae vicarie stond ter begeving van den Bannerheer van Bahr en Lathum. Nadat diens rechten door de Staten van Gelderland zijn gekocht, werden de inkomsten ook door deze begeven.

In 1811 stond eene vicarie te Rh eden , mede zonder opgave van den Heilige , aan wien ze gewijd was, onder beheer van het Domein ; waarschijnlijk is dit dezelfde en ziju hare goederen later met de goederen van den Staat vereenigd.

Bij de opgave der inkomsten van den predikant te Rheden vindt men : rijkstraetement ƒ 30.— voor Vs van de vicarie van Bahr en Lathum; waarschijnlijk wordt hiermede ook weder bovenstaande vicarie bedoeld ; misschien ook de verder in die opgave voorkomende / 60.— , omschreven als „schadeloostelling voor verlies van inkomsten vroeger genoten uit vicarie-goederen onder Eerbeek en Wilp tot het Rijksdomein behoorende en in 1827 op \'s lands kas overgebracht.quot;

Steen deren. — Heer Graas vicarie, waarvan Gedeputeerden van Zutphen collatoren waren , is het laatst in 1660 begeven. De goederen stonden even als dc goederen der andere vicariën aldaar onder het beheer van het Zutphensche rentambt. Volgens de rekening van 1806 werden de inkomsten geheel door het Kwartier genoten en zijn daarna in de schatkist gestort.

St. Cruets vicarie stond ter begeving van den Graaf van Limburg en Bronkhorst,, die ze het laatst in 1657 heeft begeven met goedkeuring van het Hof. Op dc rekening over 1806 van het Zutphensch rentambt, dat de goederen der vicariën onder Steenderen beheerde , wordt C. van Lochteren Stakebrand als collator en L. W. de Grient Drcux als vicaris genoemd. Ei blijkt niet, op welke wijze het recht van begeving door den Graaf van Limburg en Bronkhorst is verloren. Niet onwaarschijnlijk is het, dat deze collatoren weinig belang in dat recht hebben gesteld en dat daardoor mogelijk de erven van een vicaris later als patroon zijn opgetreden en erkend.

-ocr page 297-

113

Deze viearie is geregeld onder goedkeuring van den Minister begeven; het laatst in 1885 aan een student tot wederopzegging toe, uiterlijk tot aan de voltooiing zijner studiën.

In 1806 behoorde tot de goederen dezer viearie wei- en hooiland en eene obligatie, waarvan de jaarlij ksche opbrengst van de % ongeveer ƒ 150.— bedroeg. Het vaste goed is nu verkocht , en thans staat ten name van P. H. Queijsen als collator en beheerder dier viearie een som van f 12,100 op het 27» % Grrootboek.

St. Catharinae viearie wordt niet in de institutieboeken vermeld. — In de voormelde rekening van 1806 wordt de heer van Brantsenburg als collator vermeld en als collator D. Serrurier. Verder vindt men daarin aangeteekend, dat eene huisplaats bij de kerk te Steenderen en een hofken tot die viearie behoorende door den schoolmeester aldaar worden gebruikt.

Tot 1845 is geregeld de begeving gedaan en daarop de Ministeriëele bevestiging verkregen. Daarna worden geene begevingen in de registers gevonden.

Omtrent het recht van collatie bestond in 1840 verschil tus-schen den nieuwen eigenaar van den Brandsenburg en de familie Ileeckeren van Brandsenburg. Do Minister, aan wien beiden een verzoek indienden tot bevestiging van hunne begeving, koos de partij van de familie van Heeckeren, dewijl Baron van der Heijden, de nieuwe eigenaar van den Brandsenburg, het bewijs van zijn recht niet had geleverd en de laatst voorgaande begeving in 1820 ook door iemand uit het geslacht van van Heeckeren was geschied.

Ten name dezer viearie staat een bedrag van f 543.80 op het 2^ pet. Grootboek in het reeds meergenoemd gemeenschappelijk kapitaal ten name van vicariën in het arrondissement Zutphen.

Ter borg. — Trium regum et St. Matthaei viearie zijn even als de L. Vrouwe viearie te Etten in 1681 het laatst begeven door Prins Willem Maurits van Nassau, als Heer van Wisch. De lotgevallen der vicariën zijn geheel dezelfde als van die te Etten, om welke reden zij hier niet worden herhaald.

8o

-ocr page 298-

114

Aan deze vieariën behoorden belangrijke vaste goederen, die echter zijn verkocht. Thans staat behalve de reeds onder Etten vermelde gemeenschappelijke inschrijving ingeschreven ten name van de vicarie Trium regum f 17500.— en van de vicarie St. Matthaeï ƒ 8200.— op het 24 pet. Grootboek, beiden even als de inschrijvingen der Ettensche vieariën onder bestuur van den collator de diakonie der Hervormde gemeente te Terborg. Ook ten opzichte van deze vicarie geldt dezelfde opmerking betreffende de inschrijving en daarbij gevoegde aanteekening.

Ti el. — St. Joseph, Mariae Magdalenae, Crispini, Ursulae, L. Vrouw in het Choorken, St. Jan Evangelist, \'t Heilige Kruis, St. Eloy, Antonii et Trium regum, St. Catharinae, Brigittae, Mcolai en Ecks vicariiin stonden allen ter begeving van don landcommandeur der Duitsche Orde onder de Balije van Utrecht. De inkomsten werden, met uitzondering van die der St. Brigittae vicarie, welker collatierecht in 1648 door den landcommandeur met goedkeuring van het Hof aan den magistraat van Tiel is verkocht, in 1794 door den landcommandeur begeven aan J. O. van Nes. Daarna zijn geene be-gevingen meer gedaan, althans geene goedkeuring daarop meer gevraagd.

Uit verschillende opgaven blijkt, dat de Duitsche Orde collator was van verschillende vieariën iu Gelderland gesticht; van lieverlede zijn de daartoe behoord hebbende vaste goederen verkocht en de opbrengst belegd op het 2^ pet. Grootboek. Thans staat daarop een kapitaal van f 17 600 ten name der Vicarije van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht. Het is onbekend, tot welk doel de rente dier inschrijving wordt gebruikt; een deel daarvan zoude aan eenige studenten jaarlijks worden gegeven , doch goedkeuring van die begevingen of eenige rekening of verantwoording daarvan heeft niet plaats.

In de gemeente Maurik alleen staan nog landerijen van vieariën afkomstig ten name dier Orde tot eene gezamenlijke grootte van 5.47.70 hectaren. Belastbare opbrengst f 97.72. De opbrengst van dat land wordt door den landcommandeur, zoo

-ocr page 299-

115

als wordt gezegd, aan een student begeven, en als deze zijne studiën heeft voleindigd, aan een ander. Vroeger verhuurde de begiftigde zelf dat land, doch thans beheert het do rentmeester der Orde en keert de pacht aan hem uit. Ministeriëele goedkeuring wordt op deze begevingen niet gevraagd. De naam der vicarie, aan welke dit tand heeft behoord, en de kerk, waarin zij was gesticht, worden niet genoemd.

Tuil. — O. L. Vrouw, St. Catharinae en Antonii et Mariae Magdalenae vicariëu zijn volgens de institutieboeken het laatst in 1694 begeven. St. Johan het laatst in 1659. De goederen daartoe behoorende waren onder beheer van den rentmeester der geestelijke goederen in Tielor- en Bommelerwaard.

In 1714 echter werd door Gedeputeerden van het Kwartier van Nijmegen de toenmalige Heer van Tuil in de plaats van den rentmeester belast met de admiuistratie der vicarie. Na diens dood is geen ander rentmeester benoemd, maar is het beheer telkens stilzwijgend overgegaan op den nieuwen Heer van het dorp, tot dat in 1795 door art. 18 van het reglement tot bestuur van het ambt van Tielerwaard, daarin verandering werd gebracht. Daarbij werd bepaald: „dat vermits in verschelde dorpen veele fondsen of verdonkert gehouden of tot andere eindens, als bij derselver oprigting bepaald, gebruikt worden, de inwoonders van die dorpen alwaar gasthuis en andere geestelijke alsmede vicariegoederen en andere fondsen voorhanden zijn, zullen aanstellen een rentmeester over die goederen, die rekening zal moeten vorderen van de oude beheerschers derzelven en hunne inkomsten employeeren, waartoe zij van ouds gedestineerd zijn, of tot zulke eindens als van deszelfs aanstellers ten beste nutte zal geoordeeld worden, zullende aan derzelver aanstellers rekening en verantwoording schuldig zijn.quot;

Op grond van dit artikel hebben zich de ingezetenen van Tuil in het bezit dier goederen gesteld en den 30 Maart 1797 een rentmeester daarover benoemd, niettegenstaande het protest van den Heer van het dorp, hetwelk in liet volgende jaar werd herhaald.

-ocr page 300-

11«

In 1818 werd de rentmeester door de erfgenamen van den toen overleden Heer gedagvaard tot het doen van rekening van zijn beheer van af 30 Maart 1797 en overgifte van de goederen. Deze vordering werd echter bij vonnis van de rechtbank te Tiel van 19 Januari 1819 aan hen ontzegd, op grond, dat de eischers niet hadden bewezen een collatie of patronaatrecht op die goederen te bezitten, waarop zij zich tot bewijs van hun recht bij deze vordering hadden beroepen. Vóór 1797 werd aan de kerk geregeld één derde en misschien ook wel meer van de inkomsten gegeven, doch de nieuwe rentmeester achtte zich daartoe niet gerechtigd, zoo dat de kerkmeester, die gerekend had als van ouds eene toelage uit de vicariegoederen te zullen ontvangen, zich in 1801 tot den kerkeraad wendde met het bericht, dat hij geen geld had, om het werkvolk te voldoen De rentmeester verklaarde zich bereid, om als van ouds de gelden benoodigd voor de gedane reparatiën te geven, doch onder voorwaarde , dat de kerkeraad voor de gevolgen instond. Deze weigerde, maar drong op nieuw aan op betaling „van dejaar-lijksche Tertie uit de Revenuen zeedert den jaare 1595 en vervolgens gedestineerd ter reparatie van Kerk, Pastorije en Custonje en tot den tijd van deze fungeerende Administrateurs onafgebroken daartoe geëmploijeert.quot; Aan dit verzoek is toen gevolg gegeven en in 1803 aan den Kerkeraad f 656,13.2 ter hand gesteld, hetgeen verder geregeld heeft plaats gehad,.zooals blijkt uit de rekening in 1817 afgelegd, en wel tot een gezamenlijk bedrag van ongeveer f 4000.

De rentmeesters, die volgens hunne aanstelling ieder jaar rekening en verantwoording moesten doen, voldeden geenszins aan die verplichting en eerst in 1817 geschiedde dit over de jaren 1797—1815 na publicatie in eene vergadering van inwoners gehouden in de kerk te Tuil. Deze rekening sloot met eene bate van / 5807.9.12, waarvan ƒ 2640 aan kerkvoogden werd gegeven in mindering van door hen voorgescliotene gelden. De administratie werd vervolgens alleen door een rentmeester gevoerd tot in het jaar 1835.

-ocr page 301-

nr

Toen werd in overleg met ingezetenen van Tuil aan den Gouverneur van Gelderland verzocht, om eenige nadere bepalingen omtrent dat beheer vast te stellen. Aan dit verlangen is voldaan. Eerst werd bepaald, dat de rekening over de vicarie-goederen van Tuil zoude geschieden voor den gemeenteraad vat Haaften, tot welke gemeente Tuil behoorde, en tengevolge dezer bepaling is dan ook de rekening over de jaren 1816—1833, gedurende welke jaren de rentmeester, even als de vorige, na-, latig was geweest die af te leggen, in 1835, voor den gemeenteraad van Haaften afgelegd. In het volgende jaar by besluit van 22 November van den Gouverneur van Gelderland is, op voor-dragt van den burgemeester van Haaften, aan het gemeentebestuur overgelaten die goederen te doen beheeren door eene commissie van drie leden, bijgestaan door een rentmeester, allen ingezetenen van Tuil voor den eersten keer te kiezen uit eene voordracht van Burgemeester en Assessoren en later van de commissie zelve. Deze besluiten werden door den rentmeester aan de ingezetenen medegedeeld, die besloten zich daar naar te zullen gedragen. Het duurde echter tot 1844, nadat de toenmalige rentmeester overleden was, eer dat overeenkomstig het besluit van 1836 eene commissie van beheer werd benoemd.

In de daarop volgende jaren werd nu geregeld de rekening door den rentmeester gedaan aan de commissie, die haar overlegde aan bet gemeentebestuur van Haaften, waarna zij door den raad werd vastgesteld en medegedeeld aan den Gouverneur van Gelderland.

Deze regeling werd gevolgd tot 1851, toen bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland de bevoegdheid der commissie , die ingevolge het besluit van den Gouverneur van Gelderland van 22 November 1836 het beheer voerde, werd opgeheven en aan haar gelast, om alle stukken tot dat beheer betrekkelijk over te geven. Hieraan is niet voldaan; alleen verklaarde de commissie namens de ingezetenen van Tuil te zullen berusten in eene schikking, volgens welke twee derden der vicariegoederen aan de ingezetenen zouden ver-

-ocr page 302-

118

blijven en een derde ter beschikking van den Staat worden gesteld.

De eiscb vervolgens door bet Domeinbestuur tegen de commissie tot afgifte van de door haar beheerde vicariogoederen gedaan werd door de rechtbank te Tiel bij vonnis van 12 November 1852 toegewezen; dit werd bevestigd bij arrest van het provinciaal gerechtshof van Gelderland van 21 September 1853, doch deze beslissing op hare beurt vernietigd door den Hoogen Raad bij arrest van 13 April 1855. Na dit arrest is de coramissie heer en meester gebleven. De leden der commissie werden daarna niet moer door den gemeenteraad gekozen, maar bij vacaturen werd do commissie aangevuld door eene benoeming van de beide overblijvenden.

In 1872 werd op deze wijze mr. T. Hooft gekozen, doch deze heeft het eerst aangenomen, nadat eenige ï uilenaars hem hadden verzocht als beheerder op te treden. In 1877 is door de mannelijke ingezetenen van Tuil met meerderheid van stemmen H. L. C. \'t Hoen in de plaats van don toon overleden en nog vóór 1851 door den gemeenteraad benoemden H. Kandel gekozen.

De inkomsten worden gebruikt, zoo wel ten behoeve van de kerk té Tuil als voor de behoeften der burgerlijke gemeente, voor zoo veel het dorp Tuil betreft.

Ten behoeve der kerk worden uit de vicarie-inkomsten de reparatiekosten van de kerk, pastorie en kosterie betaald, zoo mede sedert 1837 de klassikale kosten, die vroeger uit de diaconiefondsen werden gekweten. Somtijds o. a. in 1873 en ook later werden de werkzaamheden aan de pastorie, kerk en kosterie, zonder dat de kerkvoogd daarin eenigszins werd gekend, door de beheerders der vicarie aanbesteed en betaald.

Ten name der commissie tot beheer der vicariegoederen te Tuil, rentheffer M. L. la Rivière, rentmeester te Ubbergen, staat op het 3 0/o Grootboek een kapitaal van ƒ 4000 en daarbij is vermeld, dat ingevolge resolutie van den directeur der Grootboeken der nationale schuld van 12 Mei 1865 tot afschrijving van die inschrijving niet kon worden overgegaan zonder beschikking van den Minister van Financiën.

-ocr page 303-

119

Verder staan nog ten name van de vicarie van Tuil op de kadastrale leggers der gemeente Haaften 22.47.55 hectaren, een ander deel dier goederen ligt onder de gemeente Waardenburg ten bedrage vau ongeveer 11 hectaren. Volgens opgave der Kegeering beliep het geheele grondbezit dier vicariën onder beheer dor commissie 34.63.17 heet. belastbare opbrengst ƒ 963.21.

Vaassen. — St. Antonii vicarie is in 1793 vergeven volgens de institutiebooken door den collator H. van Isendoorn a Blois tot Cannenburg, die ook nog in 1811 als collator voorkomt. Daarna is zij niet meer vergeven, althans niet meer bevestiging gevraagd.

St. Annae vicarie ter begeving staande van den Heer van Cannenburg, Scholtis van Epe en predikant te Vaassen is in 1650 het laatst begeven (1).

In de kadastrale leggers staan ten name der vicarie van Vaassen, waaronder waarschijnlijk alleen de St. Antonii vicarie wordt verstaan, 10.95.78 hectaren hakhout, bouw- en weiland, huis en erf met een belastbare opbrengst voor gebouwd ƒ 30, voor ongebouwd ƒ 123.92.

Volgens bekomene inlichtingen ontvangt de predikant der Hervormde gemeente aldaar \'/3 van de jaarlijksche opbrengst van het hakhout op die gronden groeiend, terwijl het overige althans vóór ongeveer 30 jaren, gedeeltelijk werd gebruikt, om personen bij hunne studiën te ondersteunen, zonder onderscheid van godsdienst, doch ook zonder dat de collator, die de tot de vicarie behoorende goederen bestuurde, rekening en verantwoording deed. Daarna schijnt slechts weinig voor dit doel meer te zijn gebezigd, alleen is bekend, dat een deel der kosten van verpleging van een doofstom meisje op het instituut te Groningen en het leergeld van een jongen, om opgeleid te worden tot schoenmaker, daaruit zijn betaald.

(1) Volgens Lindebom pag. 507, geeft de stichtingbrief het patronaatrecht dezer vicarie „Parocho et Pago et a Ministro requirit, quod sit Sacerdotali charactere, actu insignitus, intra Paroeciaui resideat, scholam moderetur et Organistam agat.quot;

-ocr page 304-

120

Na den dood van den laatsten der Heeren van Isendoorn in 1865 hebben de koopers van zijne met den last van vruchtgebruik bezwaarde nalatenschap getracht de goederen der vicario als daartoe behoorende in bezit te nemen, doch dit is hun in rechten ontzegd. Zijne weduwe, de vruchtgebruikster, heeft jaarlijks het zuiver saldo van de inkomsten dier vicarie tot een bedrag van drie of vierhonderd gulden ontvangen. Welke bestemming door haar aan die gelden is gegeven, bleef onbekend. Na haar dood in 1881 is de administratie dier inkomsten overgenomen door haar erfgenaam den heer W. Baron van Oldeneel tot Oldeneel te Oosterhout, die niet beweert collator te zijn , maar alleen als negotiorum gestor het beheer op zich te hebben genomen. Verdere bijzonderheden omtrent deze vicarie, welker vaste goederen thans voor den heer van Oldeneel door D. Westhof te Vaassen worden beheerd en wier inkomsten geregeld door den beheerder aan dien heer worden toegezonden, zijn ons niet medegedeeld, zoodat het tegenwoordig gebruik dier inkomsten met uitzondering echter van het reeds vermelde i der opbrengst van het hakhout onbekend is gebleven.

Valburg. — St. Ohristoffel vicarie is in 1700 het laatst begeven. In 1690 was aan den toenmaligen collator bij Landdag reces van 21 Juli toegestaan de helft van twee morgen vicarie-land tegen eene jaarlijksche erfpacht van zeven gulden in eigendom te mogen hebben.

In die gemeente zijn nog drie perceelen bouwland en eenige uitgangen of tijnsen bekend als te behooren tot die vicarie. De grootte der landerjjen is bijna 4J hectaren. Zij stond bij het kadaster ten name van den heer AV. Lammeree en van den tijdelijken predikant van Valburg. De opbrengst der tijnsen beloopt (1879) f 59.—.

Volgens opgave der kerkvoogden had de heer Lammeree het beheer dier goederen niet als predikant, maar ontving dit bij erfenis van zijn schoonvader G. van Trigt te Valburg, die in het laatst der vorige of begin dezer eeuw dit verkreeg uit do nalatenschap van den heer Haverman, wiens executeur hij was.

-ocr page 305-

121

Het is onbekend , onder welken titel deze die goederen bezat. Een derde der inkomsten wordt genoten door den predikant, het overige door de erven van den heer W. Lammeree, namens wien ook de administratie geschiedt. Het gebruik, dat van die inkomsten wordt gemaakt, is onbekend.

V a r s e v e 1 d. — St. Annae vicarie het laatst begeven volgens de - institutieboeken in 1688, door de eollatrice Gravinne tot Limborg en Bronkhorst.

Hare goederen werden beheerd even als die der volgende vicarie door het Doetichemsch rentambt. Op zijne laatste rekening (1808) komt als collator voor de Prins van Nassau en als vicaris L. G. Gr. de Wolff. Bij Ministeriëele resolutie van 21 Februari 1816 werd Baron van Nagell, heer van Wisch, als collator erkend en werden de inkomsten dezer vicarie met die van Etten en Terborg gezamenlijk begeven aan een student. Dit werd meermalen herhaald, tot dat in 1842 onder goedkeuring van den Minister de collator die inkomsten heeft begeven aan het college van kerkvoogden en notabelen der Hervormde gemeente van Varsseveld, zoodra ze zullen opgehouden hebben te loopen ten voordeele van den daarmede nog begiftigde. Dit geschiedde onder de navolgende bewoordingen:

„ verklarende hiermede de inkomsten van gemelde vicarie toe te staan (en onder goedkeuring van het hooger bestuur onherroepelijk te begeven) aan de Hervormde gemeente van Varseveld onder het bestuur van het gecombineerd college van kerkvoogden en notabelen dier gemeente en wel voor eenen onbepaalden tijd, opdat het door de kerk te negociëeren kapitaal tot opbouw eener tweede pastorie of predikantswoniug onder anderen uit deze inkomsten kan worden verrent en afgelost, terwijl deze inkomsten, nadat het voormelde kapitaal zal zijn afgelost ter beschikking van het college van kerkvoogden en notabelen zullen verblijven, om dezelve tot een of ander nuttig einde voor de kerk of voor het onderwijs te doen verstrekken.quot;

Na den dood van den collator Baron van Nagell in 1853 is het collatierecht dezer vicarie bij wege van dading door de

-ocr page 306-

122

erfgenamen van dien Heer aan kerkvoogden overgedragen. Tegen de acte, waarbij deze overeenkomst werd beschreven, werden bij liet provinciaal college van toezicht op de kerkelijke administratie bij de Hervormden in Gelderland vele bedenkingen gemaakt en dientengevolge is deze overeenkomst niet tot stand gekomen. Het beheer der daartoe behoorende goederen geschiedt door het Domeinbestunr. In 1854 was de zuivere jaarlijksche opbrengst ƒ 107.— . Eene som van ƒ 1842.20, een deel uitmakende van de meermalen vermelde gemeenschappelijke inschrijving in het 2è pet. Grootboek behoort tot deze vicane.

Beatae Mariae Virginia vulgo St. Antonii vicarie wordt niet in de institntieboeken genoemd, doch wel vermeld op do rekeningen van het Doetichemsch rentambt. Volgens die van 1808 was de kerkeraad collator en G. J. Beeking vicaris. In het volgende jaar heeft het kerkbestuur als collator die inkomsten vergeven aan H. G. A. Beeking tot voortzetting zijner studiën, welke begeving door den Landdrost van Gelderland 6 Februari 1810 werd geconfirmeerd. Zoo lang de inlijving bij Frankrijk duurde, zijn echter de inkomsten niet uitbetaald, doch in 1815 is op verzoek van S. G. Beeking, als opperkerkmeesternamens het kerkbestuur van Varsseveld optredende, het recht van den begiftigde -tot ontvangst der inkomsten, welke zich toen onder beheer van het Domeinbestunr bevonden, met ingang van het herstel van \'s Lands onafhankelijkheid erkend.

Geregeld zijn vervolgens telkens, wanneer de begiftigde zijne studiën had voleindigd, die inkomsten opnieuw begeven tot voortzetting van studiën, tot dat in 1842 de inkomsten dezer vicarie met goedkeuring van den Minister op aanvrage van de leden van den toenmaligen kerkeraad en oud kerkeraadsleden met gecommitteerden uit het collegie van kerkvoogden en notabelen tot hetzelfde doel zijn bestemd, als die van de vicarie St. Annae volgens de begeving van hetzelfde jaar 1842 boven

vermeld.

Deze vicarie bezit verschillende onroerende goederen.

Bij de vcrdeeliug der mark van Aalten zijn aan de vicarie

-ocr page 307-

123

vijftien hectaren in de onverdeelde markegronden toebedeeld, geschat op eene waarde van f 1900. Het Domeinbestuur als beheerder had de kosten op die verdeeling en toeschatting gevallen, voorgeschoten j tot een bedrag van f 532.52 Vj, en verlangde daarvan in 1852 teruggave. Toen het deze niet dadelijk van kerkvoogden ontving, heeft het de inkomsten der vicarie geheel behouden, tot dat eindelijk in 1857 eene afrekening tusschen kerkvoogden en het Domeinbestuur heeft plaats gegrepen en, zoo het schijnt, het Domeinbestuur, dat beweerde recht te hebben op een derde dier eigendommen, geheel is afgekocht en daarna het beheer der vicarie aan kerkvoogden opgedragen.

Ten name der Hervormde gemeente van Varsseveld als colla-trice en beheerderesse dezer vicarie staat thans op het 2l/2 o/0 Grootboek eene som van /\'22900, terwijl haar verder nog toebehoort eene som van ƒ378.40 in de inschrijving 2\'/j % Grootboek even als de vicarie St. Annac te Varseveld.

Veessen. — In deze gemeente was eene vicarie, die in Juli 1647 ex jure devoluto door kerkmeesters is begeven. Daarna wordt ze niet meer vermeld, doch in 1849 was er nog een stuk grond van 0.62.7(J hectaren over, terwijl 2.26 80 hectaren waren verkocht. Collator en administrateur dezer vicarie, waarvan niet is opgeteekend, aan welken Heilige zij bij hare oprichting gewijd werd, was Baron Sloot tot Hagensdorp, welke over Vs der inkomsten beschikte. Het is onbekend, waartoe hij ze gebruikte. De predikant ontving het overige deel. De jaarlijksche opbrengst werd geschat op ongeveer ƒ 20.

Voorst. — St. Antonii vicarie stond ter begeving van pastoor en kerkmeesters en is het laatst in 1689 begeven. Waarschijnlijk zullen hare bezittingen wel met die der kerk zijn verecnigd.

Nienenbeeksche (Nyenbeoksehe) vicarie, het laatst begeven in 1656 door den Heer van Mjenbeek volgens de institutie-boeken. Toch is zij nog na dien tijd in wezen gebleven; althans in 1811 wordt door den Maire Baron Schimmelpenninck van der Oije als collator en W. F. Veldman als vicaris opgegeven en

-ocr page 308-

124

zoude het eigendom dier vicarie bestaan in eene obligatie van ƒ 1000 3 0/o op de Bataafsche Republiek. Latere sporen van het bestaan dezer vicarie zijn ons niet bekend geworden dan alleen, dat op den inventaris der kerkgoederen van Wilp onder de inkomsteu voorkomen twee uitgangen uit vicane-

goederen van Nijenbeek. _

Vorchten — St. Catharinae vicarie is gesticht door H. van Essen, Heer van Zwanenburg; in 1447 zijn hare inkomsten vcro-root. Zij is het laatst in 1752 begeven met goedkeuring van het Hof. Uit processen in 1725 en 1731 voor het Hof gevoerd blijkt, dat eene hofstede tot de goederen dezer vicarie be-hoorende voor ^ door den vicaris, voor Vs door den predikant was verpacht. In 1811 genoot de predikant volgens de opgave van den Maire nog \'/3, ^ de collator de Heer van den Zwanenburg het overige. _ , . ^ ,

Blijkens een staat van den inspecteur der registratie in Gelderland quot;stond in 1851 nog 1.53.10 hectaren, belastbare opbrengst f 13.48 , ten name van de vicarie van Vorchten.

V or den. — De Capellanie ook wel Dekanie genaamd was gevestigd in de kapel op het huis te Vorden of Mort ? waarschijnlijk was zij gewijd aan de Heilige Maagd en de martelaren. Volgens de institutieboeken het laatst begeven in 1655, waren de inkomsten blijkens de rekening van het Zut-phensche rentambt van 1808, hetwelk de daartoe behoorende goederen beheerde, door de collatoren, de heeren van Hakfor en van Vorden begeven aan L. Gr. de Wolf. In 1797 was het daartoe behoord hebbend huis en erf genaamd de Dekanie met

bijhoorenden grond verkocht voor ƒ 5925.—Daarvan is ƒ 4447.

of 3/4 in contant geld betaald en ter publieke kantore gebracht, het overige in recepissen tegen 4 0 o- Ook in 1811 was deze vicarie vergeven. Geregeld is dit verder geschied en daarop telkens de Ministeriëele goedkeuring gevraagd. Gewoonlijk geschiedde die begeving voor drie jaar; de laatste begeving is m 1884 gedaan door vrouwe A. W. Witsen Elias, Douainere van quot;Westerholt te Warnsveld, in hoedanigheid van voogdesse over

-ocr page 309-

126

haar minderjarigen zoon B. F. W. Baron van Westerholt, lieer van Hackfort, en door P. A. Baron van den Borch , Heer van Vorden te Vorden als gezamenlijke collators aan W. 13. H. v;,u Linschoten voor drie jaar ten behoeve van de studie aan eene der Hooge scholen binnen het Rijk.

Ten name der vicarie te Vorden, onder beheer van den Staat, staat ƒ 10,400.— op het 2V2 0/o Grootboek ingeschreven. •

quot;Waardenburg en Neerijnen. — St. Jan, St. Peter en O. L. Vrouw en St. Barbara vicarie, allen staande ter begeving van de Heeren van Waardenburg. In 1678 en 1702 zijn de laatste begevingen goedgekeurd. In 1811 was collator A. W. Baron van Aijlva van Waardenburg en vicaris S. Gr. Jorissen.

Later is geene begeving meer gedaan en ofschoon de inkomsten tot nuttige doeleinden, zoo als wordt verzekerd, worden gebruikt, geschiedt dit niet op de wijze bij de wet bepaald. Op het Grootboek 27» 0/0 staat ten name der vicarie van Waardenburg en Neerijncn een kapitaal van f 28,000.— onder beheer van een rentmeester en 41.25.92 hectaren bouw- en weiland, belastbare opbrengst ƒ 971.82.

Ook over deze vicarie heeft de Hooge Eaad uitspraak gedaan op de vordering van het Domeinbestuur tot overgave van het beheer harer goederen en dien eisch afgewezen bij arrest van 7 Maart 1856 (1).

W e h 1. — Ten name der Roomsch Catholieke vicarie van Wehl staan op de leggers dier gemeente 4.76.60 hectaren bouw-, weiland en houtgewas. De inkomsten worden door de R. C. kerk aldaar genoten.

Wichmond. — In honorem beatae Mariae Virginis vicarie is het laatst begeven volgons de institutieboeken in 1660 en stond onder beheer van het Zutphenscli geestelijk rentambt. In den loop der XVIII eeuw zijn de gronden en tienden tot deze vicarie beboerende verkocht en de opbrengst op het Kwartier

(1) Regtsgel. Bijblad 1850, pag. 230.

-ocr page 310-

126

belegd. Verder bestonden de inkomsten uit enkele uitgangen ongeveer bedragende ƒ 25.—.

Blijkens de rekening van dit rentambt over 1806 was toen collator Baron van Dorth tot Medler en W. H. Knikkink vicaris. In 1811 werden de inkomsten geschat op ƒ 39—9. Volgens de registers is deze vicarie daarna geregeld begeven, doch het laatst in 1831. Na dien tijd is geene goedkeuring meer in de registers opgeteekend.

Volgens de opgave van 1850, koerde het Domeinbestuur, dat de inkomsten dezer vicarie toen nog beheerde, aan den vicaris jaarlijks ƒ 29.65 uit. Bij eone door den Koning goedgekeurde overeenkomst van 24 October 1859 is door het Domeinbestuur aan den collator het 1 3 gedeelte der eigendommen dezer vicarie, welke uit enkele uitgangen en eene inschrijving op het Grootboek bestonden, in beheer overgedragen, evenwel onder ge-houdenheid van den collator, om overeenkomstig de van oudsher bestaande verplichtingen de inkomsten der vicarie ad pios usus ten behoeve van derden te begeven. Dientengevolge staat thans een kapitaal van ƒ 500 op het Grootboek 2\' j0 5 ten name dezer vicarie met Mr. J. PI. quot;W, L. Baron van Dorth tot ^Medler als collator (1).

Wil p. — Div.VirginisMariae, Agnetis et Antonii en O. L.Vrouw vicarie zijn beiden het laatst begeven in 1666 en 1668. Misschien zijn deze vicariën dezelfde als de beide Wilpsche mede in de institutieboeken vermeld als het laatst begeven in 1770 en 1796; doch zonder opgave aan welke Heiligen zij zijn gewijd.

De eerste gesticht in 1429 is het laatst begeven in 1770 door A. Schimmelpenninck van der Oije tot beide de Pollen. Thans staat nog op het Grootboek 20/o ƒ600 ten name van W. A. Schimmelpenninck tot beide de Pollen, als

1

werden de renten nog steeds aan zijn gemachtigde uitbetaald. Onlangs is ook deze overleden en mag men verwachten, dat bij eene nieuwe regeling de inkomsten voortaan ook op wettelijke wijze zullen worden begeven.

-ocr page 311-

127

curator (sic) dier vicarie. De inkomsten worden door den predikant aldaar genoten.

De tweede is het laatst begeven in 1796 door J. J. Baronesse van Heeckeren, geboren van Wassenaer, aan G. Gr. C. Grumelius.

In 1852 verzocht de toenmalige collatrice Baronesse Gr. S. A. van Pabst van Bingerden, douairière W. H. A. C. Baron van Heeckeren van Ruurloo en Keil, om gerechtigd te worden verklaard tot de ontvangst der inkomsten „ten einde die te bestepen ad pios usus, zoo als tot dusverre is geschied in overeenstemming met de instelling dier vicariequot;. De Minister verklaart, dat er zwarigheid bestond, om aan dit verzoek te voldoen, zoo lang niet is aangetoond, dat de inkomsten werkelijk volgens de instelling, door den tijdelijken collator kunnen worden genoten, om ad pios usus te worden besteed. Is dit niet het geval, dan zal adressant moeten aanwijzen, aan welken persoon zij de inkomsten wenscht toe te kennen, welken de Minister dan zal confirm eeren.

Daarna is evenwel het gedane verzoek toegestaan, op grond van een brief van Gedeputeerden van Ridderschap en Steden van het Kwartier van Arnhem van 1 April 1659 en is bij Ministeriëel besluit van 28 Augustus 1852 de verzoekster gerechtigd verklaard tot ontvangst der inkomsten, om ze ad pios usus aan te wenden, van af het tijdstip, dat ze door deu vorigen collator niet meer waren ontvangen en nog ontvangbaar zijn. Deze beslissing is zeker vreemd, als geheel in strijd met de wettelijke bepalingen, terwijl de overlegging van een brief van 1059 het maken van die uitzondering al zeer weinig verdedigt. Evenzeer is met de wettelijke en overigens gewoonlijk gevolgde handelwijze in strijd een Ministeriëel besluit den 18 Augustus 1869 ten opzichte van deze zelfde vicarie genomen, waarbij W. M. Baron van Heeckeren van Keil als collator wordt erkend, daartoe benoemd door de gezamenlijke erfgenamen van den vroegeren collator.

Op het 2V2 0,\'o Grootboek staat nog ingeschreven een kapitaal van f 1000 ten name van W. H. C. A. van Heeckeren tot Keil

-ocr page 312-

128

als tegenwoordige collator van eene Wilpsche vicarie gevestigd in de kerk te Wilp in den jare 1796 geregistreerd.

Winsen. — L. Vrouwe vicarie is liet laatst volgens de in-stitutieboeken in 1697 begeven. Van latere begevingen blijkt niets. Alleen wordt opgegeven, dat althans in 1849 door den collator 1i3 der inkomsten aan de Roomsch Catholieke kerk te Winsen wordt gegeven. Ook tegen den collator dezer vicarie, den Vrijheer van Hcrtefeld, is door het Domeinbestuur eene rechtsvordering ingesteld tot afgifte der tot die vicarie behoorende onroerende goederen te zamon 7.29.20 hectaren en tot rekening en verantwoording van het gehouden beheer enz. Doch ook deze vordering werd bij arrest van den I loogeu üaad aan het Domein-

bestuur ontzegd (1).

Volgens opgave van 1880 staan die goederen nog ten name van de vicarie te Wiason op de kadastrale leggers vermeld. Bijzonderheden omtrent het tegenwoordig gebruik der inkomsten, of de wijze van beheer zijn mij onbekend.

St. Antonii vicarie is in 1632 aan kerkmeesters van Winsen geconfereerd en zal alzoo wel met de kerkegoederen zijn vereenigd.

Wiuterswijk. — St. Mauritii en St. Annae vicariën, die het laatst in 1664 en 1679 zijn begeven, worden daarna niet meer vermeld.

St. Nicolai vicarie wordt in 1657 in de institutieboeken het laatst als begeven vermeld. Zij stond even als de volgende onder beheer van het Doetichemsch rentambt en was volgens de rekening van 1806 aan een student vergeven. Het beheer geschiedt thans door het Domein.

In 1815 is de toenmalige vicaris H. A. van Basten Batenburg door den Minister als zoodanig erkend. De begevingen zijn verder geregeld geschied, het laatst in 1883 aan een student in de medicijnen aan de Hooge school te Utrecht van af 1 Januanj 1883 tot uit. December 1889 of zoo veel vroeger, als zijne studiën zijn geëindigd.

1

Rogtsgel. Bijlad 1856, nquot;. 211.

-ocr page 313-

129

In 1880 werd het grondbezit dezer vicarie opgegeven 28.4774 hectaren te bedragen, terwijl daaraan verder nog behoort eene inschrijving van f 1400.— in het 21/2 % Grootboek onder beheer van den Staat en ƒ 219.40 in meergemelde geraeen-Bchappelijke inschrijving.

St. Catharinae vicarie stond oudtijds ter begeving van den Graaf van Zutphen. In 1805 wordt de Heer van Breevoort, in wiens plaats de Staten optraden, als collator genoemd. De inkomsten werden toen door een daarmede begiftigde ten behoeve zijner studiën genoten.

Na dien tijd is deze vicarie geregeld door den Koning als collator vergeven, het laatst in 1847, De opbrengst was toen f 180. De tot deze vicarie behoorende vaste goederen zijn daarna publiek verkocht voor / 15.100.— en deze opbrengst is in de schatkist gestort.

St. Antonii vicarie is in 1715 het laatst in de institutie-boeken vermeld. In 1806 was zij volgens de rekening van het rentambt evenzeer begeven; dit is later ook geregeld geschied. De laatste begeving, welke door den Minister is goedgekeurd, is van 28 Juli 1884. Omtrent die begeving is nog het volgende mede te deelen:

In 1839 verzocht de weduwe van den hoogleeraar Enschut, die collator dezer vicarie was geweest, confirmatie op\'eene door haar als collatrice gedane begeving.

De Minister weigerde dit en wel op grond , dat bij overlijden het recht van begeving overgaat op het oudste mannelijk oir of op den daartoe meest gerechtigden persoon, en de weduwe niet heeft aangetoond meer dan de mannelijke afstammelingen van den vorigen collator daartoe gerechtigd te zijn. Tengevolge dezer beslissing heeft daarop de oudste zoon de begeving gedaan, welke door don Minister is goedgekeurd.

Bij notariëele acte van 30 Juni 1862 heeft vervolgens deze collator het recht van collatie overgedragen aan den heerHols-boer; deze overleed in 1872, waarop zijne weduwe bij haar overlijden in 1881 dat recht heeft gepraelegateerd aan hare

9g

-ocr page 314-

130

dochter mejuffrouw M. A. Holsboer, hetgeen door de gezamenlijke erven aan haar is afgestaan.

Al deze overgangen zijn door den Minister goedgekeurd en bij resolutie van 28 Jul ij 1884 is zij als collatrice erkend, doch met bepaling, dat uit de erkenning van het recht van collatie niet volgt het recht, om de bezittingen der vicarie, die behooren te zijn gesteld ten name dier vicarie op het Grootboek der 2 è % renten der Nationale Schuld, te doen overschrijven ten name

van de tegenwoordige collatrice.quot;

Thans staat alzoo ten name dier vicarie / 12.800 op het voormeld Grootboek, waaronder ecue aanteekening gelijk aan die hierboven bij Doetichem vermeld.

IJzendoorn. - St. Ewaldi, Johannis et Matthaei vicarie volgens de institutieboeken het laatst in 1749 begeven. Volgens opgave van den Maire in 1811 was van deze vicarie collator

A. D. van Omphal van Uzendoorn.

Uit een proces in 1668 (1) voor het Hof van Gelre gevoerd blijkt, dat de vicaris verplicht was honderd gulden uit de inkomsten der vicarie uit te keeren aan den predikant, welke uitkeering later tot twee honderd gulden is verhoogd. Volgens een bericht van kerkvoogden van 1849 ontving toen de predikant reeds lang niets meer. De Douairière Tuijll van Seroos-kerken. Vrouwe van Uzendoorn, beweerde, dat zij tegelijk met hare heerlijkheid die vicarie heeft gekocht en geenerlei verantwoording van het gebruik dier goederen en hunne inkomsten verschuldigd is. Bij de bedoelde koopacte is echter, zoo als blijkt bij de overlegging der stukken tijdens de rechtsvordering door het Domeinbestuur ook tegen deze collatrice ingesteld, aan haar alleen overgedragen het recht van collatie en de administratie der vicariegoederen. (2) De bedoelde rechtsvordering was eenigzins anders dan de andere vorderingen door het Domeinbestuur, ter zake dier goederen ingesteld en strekte daartoe, dat zoude

(1) Nijhoff Registers op het archief van het Hof, pag. 20(.

(2) Reehtsgel. Bijblad 1S5C pag. 240.

-ocr page 315-

131

worden verklaard, dat do bedoelde goederen zijn vicariegoeieren en dat aan gedaagde niet toekomt het recht en de bevoegdheid om ze voortdurend te blijven bezitten en te administreeren en dat gedaagde zoude worden veroordeeld, om aan het Domein-bestuur te doea rekening en verantwoording van het gehouden, beheer en de opkomsten der gemelde vicariogoederen van af den jare 1815 tot 1850. Bij arrest van den Hoogen Raad van 7 Maart 1856 werd ook deze vordering aan het Domeinbestuur ontzegd.

In 1864 zijn van de gronden aan de vicarie behoorende 12.9158 hectaren publiek verkocht aau den heer A. S. Visser te Gorinchem en een deel daarvan is later weder van eigenaar verwisseld.

Er blijkt niet dat de inkomsten dier goederen of de renten der verkregen kooppenningen ad pios usus worden besteed.

Zelhem. — St. Annae vicarie het laatst in 1682 met goedkeuring van het hof begeven. Do daartoe behoorende goederen stonden onder beheer van het Doetichemsch rentambt, hetwelk in 1783 het grootste gedeelte der daartoe behoorende vaste goederen publiek heeft verkocht en den koopprijs op het Kwartier belegd. Thans staat op het 2| 0/o Grootboek eene som van f 6600, ten name van C. W. F. Baerken te Tilburg als collator en belieerder dezer vicarie.

Deze vicarie is geregeld vergeven, vereenigd met de St. Theo-baldi, Antonii. Cornelii et Apolloniae Yirginis vicarie te Angerlo, die ter begeving staat van denzelfden collator, zoo als reeds onder Angerlo is opgeteekend.

Ze ven aar. — In deze gemeente, die eerst in 1815 van Pruissen tot Nederland is overgegaan en vroeger behoorde tot het Hertogdom Kleef, bevinden zich nog vele vaste goederen, welke op de kadastrale leggers worden vermeld te behooren tot verschillende vicariën. Het is echter zeer onwaarschijnlijk, dat de stichtingen, ten wier name zij vermeld staan, werkelijk alle vicariën zijn en zeer inoeiolijk, om don oorsprong daarvan na te gaan. Zeer wel is het aan te nemen, dat velen dier zoo-

-ocr page 316-

132

genaamde vicariën eerst in de latere tijden en althans na de Hervorming zijn gesticht.

Zoo vindt men aldaar;

lo. de Hervormde predikants vicarie bestaande uit een tuin be-hoorende bij de pastorie der Hervormde gemeente en een bouwland, van welker inkomsten de predikant een deel, en het kerken armenfonds dier gemeente het overige genieten. Het beheer dier goederen behoort bij den kerkeraad;

2o. de St. Antonii vicarie van Bodelschwingh bestaande uit het zoogenaamde Loogasthuis, waarover beheerder is Carl Vrijheer van Bodelschwingh Plattenberg;

3o. de St. Annae, St. Greorgii en St. Antonu vicarie be-hooren even als de R. C. vicarie aan do Roomsch Catholieke

gemeente te Zevenaar;

40. de St. Antonii vicarie van Pabst wordt opgegeven te zijn

eene stichting van de familie van Pabst van Bingerden.

De tegenwoordige beheerder is jhr. A. van Lawick van Pabst te Arnhem, door wien de inkomsten worden genoten.

Ten name dezer vicarie staan 3.3446 hectaren bouwland op de kadastrale leggers van Zevenaar vermeld

50. de St. Petri vicarie, denkelijk wordt daaronder vei staan de Peters vicarie, zijnde eene stichting van de familie Peters ten behoeve van diensten in de R. Cath. kerk te Zevenaar.

6°. de Hardenbergsche vicarie; van deze, welke een vrij belangrijk grondbezit heeft, is het mij niet mogen gelukken eemge bijzonderheden te vernemen.

7o. Rectoraats vicarie heeft onder Zevenaar ongeveer 6\'/2 hectaren en onder Duiven nog ruim 3 hectaren grond in eigendom. Ook deze goederen staan onder beheer van den kerkeraad der Hervormde gemeente te Zevenaar, terwijl nog op het 2\'/, quot;/0 Grootboek f 2700 en even zooveel op het 4 0 0 Grootboek stonden ingeschreven ten name dier vicarie, waarvan kerkmeesters der

Herv. gemeente de renten ontvingen.

Verder liggen ; onder Zevenaar nog gronden van vicariën in

de kerk te Emmerik gesticht.

-ocr page 317-

133

Ook ondor Duiven worden belangrijke vaste goederen gevonden bchooreude aan de voormelde te Zevenaar bestaande stichtingen en daarenboven nog ruim 5 hectaren wei en bouwland van de Hervormde predikants en schoolmeesters vicarie van Zevenaar, mede beheerd door den kerkenraad aldaar en ruim 4 hectaren bouw en weiland, behoorende aan de bloedvicarie van St. Anna et Lucia te Zevenaar, waaromtrent geene nadere bijzonderheden bekend zijn.

Zutphen. — St. Mariae Virginis vicarie gevestigd in de Nieuwe Stads of St. Janskerk. Collator was de Heer van het huis Voorst. Deze vicarie is tot 1863 geregeld op wettelijke wijze begeven. Ten name van H. G. J. Völcker te Grorssel, eigenaar van hot huis de Voorst onder Grorssel en als zoodanig collator en beheerder dezer vicarie, is f 300 op het 2 \'/a 0/o Grootboek ingeschreven en verder behoort nog /quot;334.80 in de meergemelde gemeenschappelijke inschrijving op het 2V} 0/o Grootboek tot deze vicarie.

De drie doctorale prebenden. Het is zeer te betwijfelen of deze onder de eigenlijke vicariën kunnen worden gebracht. Zij zijn in 1468 gesticht door Hertog Adolf van Gelre in de St. Walburgskerk en de begeving daarvan is opgedragen aan den Magistraat van Zutphen, mits dat de benoemde ten minste meester of baccalaurens in de zeven vrije kunsten was

De gemeenteraad geeft nog deze prebenden geregeld aan studenten telkens voor drie jaar en vraagt daarop de goedkeuring van den Minister.

De inkomsten van iedere prebende beloopen jaarlijks ƒ 150 en worden uit de Domeinkas betaald, zonder dat daarvoor bepaalde inkomsten zijn verbonden.

Zo el en. — St. Annae vicarie is het laatst begeven in 1683. Nadere bijzonderheden van deze vicarie zijn niet bekend.

L. Vrouw en St. Mcolai vicarie ter begeving van den Heer van Zoelen. Volgens opgave van den Maire waren de inkomsten in 1811 begeven aan S. S. Post door de collatrice mevrouw Verstolk van Soelen.

-ocr page 318-

134

Er blijkt niet, dat latere begevingen hebben plaats gehad en op de registers bij het Departement van Binnenlandsche Zaken berustende komt deze vicarie niet voor. Misschien dankt de uitkeering van f 350.— \'sjaars, welke nog door den tijdelijken Heer en collator in de heerlijkheid Zoelen ten behoeve van den predikant, uit de heerlijkheid Zoelen geschiedt, daaraan zijn oorsprong.

Bovenstaande lijst der vicariegoederen in Gelderland met de daarbij gevoegde bijzonderheden toont ten duidelijkste aan, hoe wenschelijk, ja noodig het is, dat eerlang eene wettelijke regeling omtrent die stichtingen worde tot stand gebracht, ter voorkoming van verdere verduistering barer goederen en ter verzekering van het richtig gebruik barer inkomsten.

Wel zal bij nader onderzoek blijken, dat er in die lijst onjuistheden en onnauwkeurigheden voorkomen, daar het zoo hoogst moeielijk is, steeds volkomen vertrouwbare inlichtingen omtrent de vicariën te verkrijgen. Aan de eene zijde toch is men huiverig die te geven, uit vrees, dat de Staat daarin aanleiding zoude kunnen vinden , om de daartoe beboerende goederen tot zich te nemen en dan deze, even als met meerdere vicariën reeds is geschied , wier inkomsten ad pios usus werden gebruikt, aan die bestemming te onttrekken en ten bate van de schatkist te verkoopen; terwijl aan de andere zijde onwettige bezitters of collatoren , welke de inkomsten ten eigen bate of niet volgens de wettelijke bepalingen gebruiken , weigeren bijzonderheden mede te deelen , of door verkeerde opgaven trachten den onderzoeker op den dwaalweg te brengen. Doch ook zelfs, wanneer daardoor belangrijke fouten in die opgaven zijn gekomen, blijft de zaak der vicariën van genoegzaam gewicht, om maatregelen te nemen, ten einde niet langer den in vele opzichten onregelmatigen en onwettigen toestand, waarin zij verkeeron, te doen voortduren.

F. C. quot;W. Koker.

-ocr page 319-

BIJVOiCQ-STSL

BEHOORENDE

bij liet rapport over de yicariegoederen in Gelderland.

Na het afdrukken van dit rapport zjjn inij verschillende stukken in handen gekomen, wier inhoud mij belangrijk genoeg toescheen , om ze bij het rapport nog te vermelden, die deels tot aanvulling of opheldering, deels ook tot verbetering van het vroeger geschrevene kunnen strekken.

Daarenboven kwam het mij zeer wenschelijk voor ten opzichte van de geschiedenis der vicariën en hare goederen na 1795 nog het een en ander, hetgeen meer bepaald Gelderland aangaat, tot aanvulling te voegen bij hetgeen daaromtrent reeds is opgenomen in de rapporten der andere leden van de Staatscommissie. Hetgeen hieronder volgt moet daarom ia verband met die rapporten, vooral met het zeer uitvoerig rapport van den heer van Beuningen, worden gelezen en geacht worden te volgen aan het slot van het eerste gedeelte van mijn rapport op bladz. 37.

Nadat in 1795 op den landdag in dat jaar te Nijmegen gehouden door de provisioneele representanten van hot vrije volk van Gelderland bij de afkondiging van de rechten van den mensch was verklaard: dat daarmede ten eenenmale onbestaanbaar was het gezach aan het Hof van tijd tot tijd gegeven of door dat Hof geusurpeerd, bleef het Hof alleen als rechtsprekend collegie in wezen en werd al het overige opgedragen aan eene commissie van negen leden tot de administratie der zaken van provinciale politie en finantiën.

10 G

-ocr page 320-

136

De beschikkingen ten opzichte der vicariën en hare begeving werden alzoo aan liet Hof door dezen maatregel ontnomen en door de eerste Nationale vergadering aan het bestuur in ieder gewest overgelaten. In Gelderland schijnt toen de bevestiging der begevingen gewoonlijk door de besturen of gedeputeeiden van de kwartieren to zijn geschied. Na de constitutie van 23 April 1798 meende het Vertegenwoordigend Lichaam, dat niet langer aan de gewestelijke besturen, welke slechts administratieve collegiën uitmaakten, de begeving koude worden ovei-gelaten, en gelastte aan het Uitvoerend Bewind om een bericht in te leveren wegens alle vicariën en prebenden, die door particulieren werden begeven en voorstellen te doen, op welke wijze met die goederen volgens billijkheid en ter voorkoming van alle misbruik moest worden gehandeld. Do bevestiging der gedane begevingen werd uitgesteld , totdat dit bericht was ingekomen. Dit is evenwel niet geschied en weldra werden de bevestigingen toch verleend onder beding, tot zoo lang het Wetgevend Lichaam uitspraak zoude hebben gedaan over het in werking brengen van art. 4 en 5 der staatsiegeliug.

Voor Gelderland brachten deze maatregelen weinig verandering. De bevestigingen werden zonder zich aan die wijzigingen te storen óf niet gevraagd of wel als vroeger door de regeering van het kwartier verleend. Alleen wendde de ridderschap van Neder-betuwe, die de geestelijke goederen, waaronder vele vicariegoederen zich bevonden, had bestuurd, doch ze had moeten afgeven aan het collegie van Algemeen welzijn, zich tot de Eerste Kamer met verzoek, om in dat bestuur te worden hersteld. Dat collegie weigerde evenwel dit verzoek toe te staan met het oog op h^t reglement tot bestuur des Ambts-Nederbetuwe door den landdag 28 November 1795 gearresteerd (rapport bladz. 90.) Bij de staatsregeling van 1801 werd beloofd, dat men den status quo der geestelijke goederen zoude handhaven, terwijl daarbij tevens het zelfbestuur der gewesten grootendeels werd hersteld. Het Staatsbewind bevestigde toen wel de begevingen, wier goedkeuring werd gevraagd, doch gewoonlijk en vooral in de volgende jaren

-ocr page 321-

137

werd die bevestiging verleend door of van wege het gewestelijk bestuur: zoo ais in Gelderland door het collegie van Finantiën

8 3Iei 1804 en door het Departementaal bestuur 31 Januari 180G,

9 Augustus 1805 e. a. m. Zelf begaf het Staatsbewind de vica-riën ter beschikking gestaan hebbende van den stadhouder. Niet onbelangrijk is het hierbij aan te teekenen, dat, niettegenstaande de groote omwenteling in den regeeringsvorm toch de oude plakkaten door dit bewind werden geëerbiedigd en als nog geldende opgevolgd.

Te meer verdient dit opmerking, daar liet in het hier bedoelde geval niet betrof een plakkaat voor geheel Gelderland, maar alleen voor het kwartier Zutphen geldende. Bij besluit namelijk van het Staatsbewind van 2 September 1803 was aan P. Hickart Marinus en Albert Jan Verbeek, het genot verleend van de inkomsten der St. Catharinae vicarie te Winterswijk en van St. Annae te Breevoort. ïen fine van registratie en ter bckoming van ordonnantie van betaling vervoegden hunne ouders zich vervolgens tot het collegie des kwartiers van Zutphen, doch dit maakte bezwaar, om dit verzoek toe te staan uithoofde „ dat „ het reglement op het stuk der vicarijen aldaar exteerende behaalde, dat de vicaris moest zijn twaalf jaren oud en uit de , overgelegde doopcedullen was gebleken, dat hunne zoenen „dien ouderdom niet volkomen hadden bereiktquot;.

Na deze beslissing wendden de ouders zich weder tot het Staatsbewind met verzoek om dispensatie van deze bepaling van het reglement en dat dit collegie zoude verklaren „ dat het defect „van legalen ouderdom niet zoude obsteren in het dadelijk genot „van \'t beneficiequot;. Het Staatsbewind wees echter dit verzoek van de hand en bepaalde, dat de begiftigden in het genot der inkomsten zouden treden , zoodra zij den vereischten ouderdom van twaalf jaren zullen bereikt hebben. Besluit 25 Juni 1804.

Gedurende het bestuur van den Raadpensionaris werden geene nieuwe bepalingen omtrent de vicariën gemaakt.

Bij decreet van den Koning van Holland van 9 Mei 1807 werd de Minister van Binnenlandsche Zaken belast, om voortaan

-ocr page 322-

138

op den gebruikehjken voet bevestiging te verleenen van alle collation der vifariën en andere beneficiën, in strijd niet het advies van den Minister van Financiën, die bad voorgesteld dit op te dragen aan het Nationaal gerechtshof. Verder werd daarbij bepaald , dat een register zoude worden aangelegd, waarin iedere begeving moest worden aangeteekend „ om event ueel liet belang „van het Land waar te nemen, op zulke vicariën en andere „ beneficiën, welke door het uitsterven der familie van de la-n troonen zouden komen te vaceoren en aan den Lande als vei-„ vallen zouden moeten worden beschouwdquot;. Dit register aangevangen 16 Juni 1807 wordt steeds voortgezet (blz. 38).

In Gelderland zijn evenwel ook in dien tijd de begevingen door den landdrost goedgekeurd. Voor 1815 vindt men in het register geene andere Geldersche vicariën vermeld dan alleen die van Acquoi, hetgeen toen trouwens ook nog tot Holland behoorde. en waarvan de begevingen zijn vermeld op 5 Mei 1809 en 19 Maart 1810 goedgekeurd.

Volgens een vroeger besluit van den Koning van 6 April 1808 moesten alle effecten ten laste van de publieke schatkist, welke zich nog onder de geestelijke rentambten bevonden, als eigendommen van het Rijk aan de amortisatiekas worden toegevoegd.

Tengevolge daarvan hebben de drie geestelijke rentambten in het kwartier Zutphen de nationale schuldbrieven moeten overgeven, welke zij in de plaats van de vroegere gewestelijke hadden ontvangen, die zelve aangekocht waren voor de verkoopprijzen der meestal in het midden en het laatste der vorige eeuw vervreemde onroerende goederen, die grootendeels aan vicariën behoorden.

Het bedrag dier schuldbrieven beliep voor liet Zutphensch geestelijk rentambt ƒ 186.300, voor het Borculooscli ƒ 88.400 en voor het Doetinchemsche ƒ 173.175; terwijl het gezamenlijk bedrag der jaarhjksche rente dier schuld bedroeg ƒ13.478.

In 1811 zijn die rentambten geheel opgeheven en is al hetgeen er nog over was aan het bestuur der Domeinen in beheer overgegaan.

-ocr page 323-

139

Tijdens het Fransche bewind schijnen er geene goedkeuringen op de begevingon te zijn verleend. Op een daartoe gedaan verzoek werd door don Staatsraad Intendant-Generaal van Finantiën 12 Februari 1813 bericht, dat daarop nog geene beschikking kon worden genomen en vooraf het Keizerlijk decreet van 15 November 1811 betreffende eene nieuwe organisatie van do universiteit ten opzichte dier stichtingen moest worden afgedaan. In art. 170 van dat decreet leest men: „ les fondations et dotations de bourses „ creees pour l\'instruction d\'élèvos dans les universités, académies „ et autres établissements d\'instruction publiquos suppriraes r tant de l\'ancien que du nouveau territoire, dont les rovonus „n\'ont point eté porgus jusqu\'a présent par la regie des domaines, „par la caisse d\'araortissoment on par aucun etablissement „concessionnaire pourront être recouvrés par l\'université imperiale, „lui appartiendront, pour être par elle appliqués a leur destination „conformément aux autres.quot;

Verder word daarbij vastgesteld, dat alle bepalingen bij de stichting gemaakt, wie zal vergeven en aan wie, leden van eene familie, stad of streek zullen blijven bestaan. Kan daaraan niet worden voldaan, of is er niemand aangewezen, om de begeving te doen, dan zal door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan den Keizer eene voordracht worden gedaan van drie personen, bij voorkeur uit leden van do familie des stichters te kiezen, en zal aan een van hen de beurs worden toegekend. Dit decreet is echter in ons land niet in werking getreden.

Behalve de bekende oproeping van den Staatsraad Intendant van Financiën van 19 November 1812, in haar geheel opgenomen in het rapport van den heer van Beuningen, waren reeds bij besluit van 24 Juni 1811 door den Prefect van den Ouden IJssel aan de gemeentebesturen opgaven gevraagd, betreffende de vicariën , enz.

De daarop ontvangen berichten zijn in het Rijksarchief te Arnhem aanwezig, doch zijn in den regel zeer kort en behelzen weinig bijzonderheden van ecnig belang. Daarentegen zijn de opgaven tor voldoening aan de oproeping van den Intendant

-ocr page 324-

140

van Finantiën geheel verloren gegaan en slechts zeer weinige ongeteekencle en blijkbaar onvolledige afschriften van enkele opgaven worden daar gevonden.

Ofschoon men uit deze oproepingen en uit andere stukken kan opmaken, dat de vicariegoederen niet werden geacht te vallen onder het Decreet van 27 Februari 1811 , vindt men daarop evenwel uitzonderingen: zoo zijn bijvoorbeeld de goederen toebehoorende aan de St. Stephani vicarie te Elten, welke gelegen waren onder Zevenaar en \'s Heerenberg bij Keizerlijk decreet van 21 Maart 1812 aan de amortisatiekas gebracht. Te vergeefs verzocht de Maire van Elten, dat niet langer de pachten door den ontvanger zouden worden ingevorderd, op grond dat het een beneficie was curam animarum habens, dat niet viel onder de goederen van kapittels en andere corporatiën bedoeld bij Keizerlijk decreet van 14 November 1811. De goederen werden niet terug gegeven.

Na de herstelling onzer onafhankelijkheid zijn er verschillende Koninklijke besluiten uitgevaardigd, waarbij de bevestiging der begevingen van vicariën, enz. werd geregeld, doch deze zijn reeds in verschillende rapporten vermeld, o. a. in dat van Gelderland op bladz. 47 en 49 en het is daarom onnoodig er hier op terug te komen. Evenzeer is dit het geval met de verschillende Koninklijke besluiten, betreffende de administratie der goederen toebehoorende aan de stichtingen van beurzen of van collegiën, welke toepasselijk zijn verklaard op de Friesche leenen en bij besluit van 27 Mei 1839 ook op de Amerfoortsche vicariën en misschien ook nog wel op andere vicariën.

Deze besluiten, wier rechtsgeldigheid mijns inziens vrij onzeker is, zijn behandeld door den lieer van Beuningen in zijn rapport bladz. 86 en volgg., terwijl op de daarop volgende bladzijden door dien heer de latere geschiedenis van de vicariegoederen in het algemeen en van enkelen meer bijzonder en meer uitgebreid is medegedeeld.

Het komt mij daarom voor, dat het geheel overbodig is dit alles hier te herhalen. Alleen wensch ik nog met enkele

-ocr page 325-

141

woorden hot Koninklijk besluit van 15 Februari 1843 n0. 67 te bespreken.

Bij dit besluit worden de beurzen, die bij besluit van 2 Augustus 1815 aan de Hoogescholen waren ingesteld, opgeheven en bepaald „dat ter gedeeltelijke vervanging dier beurzen „aan de Hoogescholen ieder voor een gedeelte en op zoodanigen „voet en wijze als nader zal worden bepaald , worden toegevoegd „en verbonden de inkomsten dor vicariën en beneficiën ad studia, „welke ter Onzer begeving staau.quot; Tengevolge van dit besluit heeft eene zeer uitvoerige en langdurige correspondentie plaats gehad tusschen de verschillende bij die zaak betrokken Ministers over het recht van den Staat op de vicariegoederen. Terwijl door dezen Minister werd betoogd, dat de eigendom daarvan was vervallen bij de secularisatie van de geestelijke goederen tijdens de Hervorming aau den Staat en dit later bij de staatsregeling van 1798 en verschillende Keizerlijke decreten was bevestigd, wedersprak de andere dat eveu sterk en hield vol, dat die goederen nooit het eigendom der R. C. Kerk waren geweest en dat die Kerk daarvan alleen het vruchtgebruik had gehad en dat zij daarom ook niet het eigendom van deu Staat hebben kunnen worden door de secularisatie of door de wet van 1798 of door de Fransche wetten. Even groot verschil was er over de vraag: zal er een afzonderlijk fonds worden opgericht uit de opbrengst van den verkoop van de goederen der in deze bedoelde vicariën of wel, zal de opbrengst in de schatkist worden gestort en een met de renten daarvan overeenkomstig bedrag op de Staatsbegrooting worden geplaatst ten behoeve van de studiebeurzen. Overeenstemming omtrent deze en andere vragen was niet te verkrijgen; zoodat toen werd besloten een advies van den Raad van State te vragen.

Dit collegie deelde zijn gevoelen bij missive van 26 October 1849 mede, welk stuk zeer omzichtig is gesteld. De Raad van State geeft daarin te kennen, dat het schijnt, dat de eigendom der vicariegoederen tijdeus de Hervorming aau den Staat is gekomen met de algemeene secularisatie van de eigendommen

-ocr page 326-

142

der Iv. C. Kerk en van do tot die Kerk bchooreado stichtingen op grond van den toen geldenden regel, dat de bona vacantia aan den Staat beliooren. Tevens scliijnt de meening te hebben bestaan, dat de Staat den eigendom der inkomsten bezat, blijkens zijne beschikking daarover. Intusschen schijnt de Staat toch de verplichting gevoeld te hebben daaraan eene bepaalde bestemming te verbinden. Behoudens de verplichting van den Sonverein, om het gebruik dier inkomsten te regelen, is dus het recht op den eigendom en de inkomsten van de ter begeving des Konings staande vicariën en beneficiën ad studia op den Staat bij de Hervorming: overiroiraan. Dat collesne hield het er verder voor,

O O O O /

dat meer op den tijd na 1S13 moest worden gezien en dat die toestand door verloop van meer dan 30 jaren als de wettige moest worden beschouwd; men vermeed dan tevens alle geschillen over hetgeen vóór 1795 wettig is geweest. Het was dan zeker, dat de vicariegoederen door het Domeinbestuur zijn beheerd, dat uit de inkomsten ondersteuningen of beurzen zijn uitgekeerd, terwijl niemand daarop een verkregen recht bezat. In de regeling daarvan en het beheer dier goederen is men dus geheel vrij; alleen heeft men te zorgen, dat geene rechten van derden worden geschonden.

De Kaad zoude er voor zijn, om, daar de opbrengsten der vicariën steeds in meerdere of mindere mate hebben gestrekt tot ondersteuning van studenten, alle vicariën te verkoopen en de opbrengst te beleggen in inschrijvingen op het Grootboek en de renten tot dit doel te gebruiken. Met het oog echter op het streven, om alles wat naar bijzondere fondsen zweemt, af te schaffen, dringt zij daarop niet aan, maar adviseert tot verkoop der goederen als gewone domeinen en daartegen tot plaatsing op de Staatsbegrooting van eenen post voor beurzen ad studia ter begeving des Konings staande. De Koning vereenigde zich met dit advies den 31 October 1849 en daardoor kon toen eerst gehandeld worden tot voorbereiding van de geheele uitvoering van het besluit van 1843.

Reeds dadelijk toch na dit besluit waren de vrijkomende

-ocr page 327-

143

vicariën ter begeving des Konings staande niet meer vergeven en daarom wendde zich in 1850 de Hervormde Synode tot den Koning, om weder te voorzien in de uitreiking der beurzen. Het antwoord daarop van den Minister van Binnenlandsche Zaken was niet gunstig en wees er op, dat die zaak reeds ge-ruimen tijd een punt van overweging uitmaakte, doch dat er nog groote bezwaren waren en dat men bij de regeling van het Hoog er onderwijs ook op het verleenen van beurzen bepalingen zoude maken. De Synode verzocht het volgende jaar, om de zaak der beurzen niet langer uit te stellen of ten minste zoo lang er geene nieuwe regeling van het Hooger onderwijs was ingevoerd voorloopig de beurzen te herstellen. De Minister antwoordde weder, dat eerst al de goederen dier beneficiën en vicariën moesten zijn verkocht en daarna zoude worden beraadslaagd , in hoeverre de koopprijzen ter vervanging der beurzen aan de Hoogescholeu konden worden besteed.

Ondertusschen hadden de verkoopingen plaats en 31 Augustus 1852 berichtte de Minister van Financiën, dat er verkocht was voor f 64765, terwijl de verkochte goederen jaarlijks zuiver hadden opgebracht f 1762.965.

Op de Staatsbegrooting van 1853 van hoofdstuk V Binnenlandsche zaken is toen uitgetrokken een post „ Beurzen voor „ studerenden aan de instellingen voor hooger onderwijsquot; vau / 2000.— cn door de Staten-Generaal goedgekeurd en daarmede eindelijk gevolg gegeven aan een besluit ruim negen jaren vroeger genomen. Deze post is tot 1876 onveranderd op de volgende staatsbegrootingen opgenomen, op die van 1877 verhoogd tot /6800.— en daarna tot nu toe gebracht op / 14.400.— \'sjaars.

De namen der vicariën, welke op grond van het besluit van 1843 niet meer zijn vergeven en wier goederen daarna zijn verkocht, zijn in de lijst der vicariën opgenomen.

Blz. 41. Culenborg.

Bij besluit van den landdag van 12 Jnni 1667 te Nijmegen gehouden is besloten, om de vicariën behoorende tot de abdij

-ocr page 328-

144

van Mariëuweei\'d tcu dienste van het kwartier te verkoopen en den koopprijs te gebruiken, om de genegocieerde penningen ten bedrage van f 4000.— en de andere kwartiers lasten af te lossen en het overige te gebruiken, ora de 16 Bursale Predikanten (blz. 19) daarmede te subsidieeren. — Onder die vicariën bevond zich de Lanxmeer vicarie, welke met inbegrip der tertiëa werd gerekend /325.— \'sjaars op te brengen.

Blz. 43. Gent.

ïe Gent bestaan nog twee fondsen, het eerste bekend als fonds gesticht door wijlen vrouwe Elisabeth van der Mieden, waarvan de inkomsten strekken om jonge lieden op te leiden voor predikant bij liet Hervormd kerkgenootschap en het tweede bekend als do Beurs van Dr. Burghard van den Bergh te Xijmegeu tot opleiding van geestelijken bij het R. C. kerkgenootschap; het eerste bezit 18.64.83 H. bouwland onder die gemeente, het tweede 1.65.20 H. Beiden zijn waarschijnlijk van lateren tijd en oorspronkelijk geene vicariestichtingen.

Blz. 44. Heteren, St. Catharinae vicarie.

Gronden tot deze vicarie behoorende waren reeds in 1669 in erfpacht uitgegeven. In 1717 waren Pieter Hendriks en Tijtien Rutgers erfpachters en deze hebben hun recht bezwaard ten behoeve van Otto van Herwaarden wegens van dezen geleende geldsommen, üeze heeft zijn recht van verwin op bedoelden grond overgedragen aan den Scholtns Rutger Swaan en echtge-noote. Daardoor zal wel waarschijnlijk die grond voor de vicarie geheel zijn verloren gegaan. — Protocol vau bezwaren Heteren I fol. 156 Product A in de procedure Lammert van Klinkenberg en Otto van Herwaarden voor do bank van Eist. 1710 ,, beide stukken in het oud Geldersch archief.

Blz. 45. Pannerden.

In Pannerden is in 1795 de kerk met al hare goederen overgegaan aan de Roomsch-Catholieken. Tengevolge eener procedure

-ocr page 329-

145

geeindigd bij arrest van hot Hoog gerechtshof te \'s Qravenhage 1 Juni 1829 uitsluitend betreffende de pastorialia zijn deze weder aan de Hervormden gekomen, doch onder voorwaarde gesteld bij Koninklijk besluit van 17 Juli 1830 n0. 137, dat de Kerke-raad van Herwen, Aerdt en Pannerden eene verklaring zoude onderteekenen, gelijk zij die ook onderteekend heeft, dat die gemeente „ zich met het ongestoord bezit dor pastorie goederen „ van Pannerden zal te vreden stollen en dus afzien van zoodanig „ regt van uitwinning, als der Hervormde gemeente op de eigen-„ dommen der R. C. gemeente van Pannerden, welke dan ook, „ mogt toekomen

Op de kadastrale leggers staat ten name der Roomsch Catho-lieke vicarie te Pannerden een huis en erf, bouwland en wilgepas ter gezamenthjke grootte van 0.G8.40 H. bol. opbrengst; ongebouwd /17.67, gebouwd /160.—

Blz. 45. Seddam.

Ten name van St. Greorgii vicarie te Emmerik staat een huis, erf-, bouw- en weiland te zamen groot 3.3720 H. in de kadastrale leggers dier gemeente.

Blz. 52. Acquoi.

Volgens latere opgaven staan die gronden op het kadaster ten name van erven Verzijl (sic) te Acquoi en bedraagt de oppervlakte thans (1886) 12.8771 hectaren. Zij wordeu voor den vicaris beheerd door notaris van Kessel te Rumpt. — Tertiën of uitkeeringen aan de kerk worden niet betaald.

Bij ministerieele resolutie van 28 Juli 1887 is op verzoek van den collator de door hem gedane benoeming van zijn oudsten zoon C. A. de Jong van Rodenburg tot tweeden of medevicaris goedgekeurd en bepaald, dat de inkomsten door den in 1873 benoemden vicaris jhr. A. C. P. Quarles van Ufford te Rotterdam en C. A. de Jong van Rodenburg gezamenlijk en bij overlijden van een hunner door den langstlevende zullen worden genoten.

-ocr page 330-

146

Biz. 55. Angerlo, Kelsche vicarie.

Visitat. biz. 54. Officium divae Virginis Mariae spectans ad castrum Tilloe (Kell) valet annuo XXX daler Missae leguntur ad placitum collatoris.

Biz. 56. Apeldoorn, St. Catharinae vicarie en St. Antonii vicarie.

Bij besluit van bet departementaal bestuur van Gelderland van 9 Augustus 1805 is aan den predikant het „ toevoorzicbtquot; op bet beheer dezer vicarie opgedragen en bepaald, dat daarvan jaarlijks bij liet doen der kerkrekening mede rekeniug en verantwoording moet geschieden.

De gronden dezer vicarie zijn volgens de opgave op de kadastrale leggers geplaatst ten name van de St. Catharinae vicarie te Apeldoorn. Daarbij staat vermeld, dat deze beboeren tot de goederen bedoeld bij art. 25 der wet van 26 Mei 1870 Staatsblad 82 betrekkelijk de grondbelasting.

Capella St. Anthonii prope parochialem ecclesiam: Visitat. blz. 23.

Blz. 57. Arnhem, L. Vrouwe en St. Catharinae vicarie.

Den 18 Februari 1808 is door den landdrost van het departement Arnhem op verzoek van Mr. Gr. Brantsen als collator dc begeving van Vj der inkomsten dezer vicarie tot voortzetting der studiën van den begiftigde (P. H. de Lange) goedgekeurd.

Blz, 57. Arnhem, vicarie in de St. quot;VValburgskerk.

In 1824 was collatrice dezer vicarie de Vrouwe van Xagell.

Misschien is deze vicarie wel dezelfde als de bovengenoemde St. Laurentii vicarie en is bij vergissing deze opgegeven als gesticht in St. quot;VValburgskerk in plaats van in de Moederkerk te Arnhem, dewijl bij besluit van den landdrost te Arnhem van 4 Februari 1808 de begeving van */3 der inkomsten dezer vicarie ook bekend als vicarie van Indoornik aan A. A. Gerrits studerende te Uden voor 6 jaar eindigende Petri 1814 is goed-

-ocr page 331-

147

gekeurd , wordende hij „ geautlioriseerd tot het ontvangen der „ inkomsten uit handen der ontvangers of bij assignatie derzelve „uit handen van de pachters dier goederen voor 2/3; blijvende \';3 „ ingevolge resolutie van de landschap ten behoeve van kerk en „ schooldienarenquot; enz. De besluiten der landdrosten omtrent de vicariën waren gewoonlijk hiermede gelijkluidende.

Blz. 59. Beekbergen , L. Vrouwe vicarie.

Visitat. blz. 22. Collator pastor cum pago corpus circiter xxxii] modii siliginis.

Blz. 60. Beuningen, St. Annae vicarie.

De predikant had zich in het bezit dier goederen gesteld zonder acte van collatie of investiture. Het Hof gelastte in 1753 op klachte van den collator verschijning van beide partijen. Hot bleek toen, dat de predikant dit gedaan had uit vrees, dat de collator anders do inkomsten zoude gebruiken voor de pastoriegoederen van IJzendoorn, die zich in ollendigen staat bevonden.

De collator verzocht van het Hof, machtiging om dit te doen. Dit besliste, dat aan den predikant te Beuningen blijft, maar dat de collator niet verplicht is het overige aan dezen te laten, en dat het hem vrij staat dit aan een vicaris of predikant speciaal ook aan dien van IJzendoorn te geven, 26 Januari 1754. Zie ook Nijhoff Reg. hof blz. 308.

Blz. 61. Buren, St. Matthijs vicarie.

In 1754 waren aan Elisabeth van Schuilenburgh bij acte van de Princesse douairière van Oranje Nassau moeder en voogdesse over hare kinderen de inkomsten dezer vicarie gegeven, en den 22 Februari 1791 door Willem V aan Maria Elisabeth Guicherit met last aan den rentmeester der geestelijke goederen in het graafschap Buren, om die inkomsten aan haar jaarlijks af te geven op quitantie en attestatie de vita.

-ocr page 332-

148

Biz. 61 en 62. Burgharen, St. Petri et Pauli en St. Antonii vicarie.

Deze vieariën scliijnen eeliter later nog vergeven te zijn, althans in de landdagrecessen vau 14 Juli 1796 leest men, dat eene klachte is ingekomen van Iteshusins, dat een zich noemende gevolmachtigde des vrijen volks van Hernen 29 Maart te voren zich niet ontzien had de vicariegoederen, welke aan suppliants pupil tot voortzetting zijner studiën voor een zeker aantal jaren waren verleend, zonder zijne toestemming te verpachten , verzoekende dat geeiie gelden aan anderen zouden worden uitgekeerd. De landdag gelastte, dat inlichtingen zouden worden gevraagd en dat alles inmiddels in. denzelfden staat zoude blijven. — Er blijkt niet, dat op het verzoek eene beslissing is genomen.

Blz. 6 9. De woorden in de vijfden en zesden regel van

boven van af: „Ook wordt......15 hectarenquot; moeten

vervallen, terwijl na den achtsten regel moet volgen:

Verder worden in de kadastrale leggers dezer gemeente nog vele gronden gevonden ten name staande van vieariën ondsr Zevenaar gesticht, later bij Zevenaar te noemen, benevens van de vicarie van Koningsveld te Arnhem.

Blz. 69. Elburg, St. Jacobi of Luttikens vicarie.

Deze is gesticht bij testament voor Notaris en getuigen verleden 22 Maart 1484 en waarvan verschillende afschriften bestaan. Volgens dat stuk wenschte Bernard Lutteken, Prior te Elburg „cupiens diviuum cultum semper augere praesertim „illud, in quo pro peccatis et offensis nostris unigenitus Dei „filius, Dominus noster Jhesus Christus hostia placabilis in altaris „ministerio Omnipotenti Deo Patri offertum digaum sacrificium, „apud quem et ipse sit oblatus benignius pro nobis existit „intercessorquot; voor het welzijn van zijne ziel en van die zijner ouders, voorouders, gelijk ook van zijn opvolgers in de hoofdkerk te Elburg een altaar te stichten en bij hetzelve zekere „perpetuam

-ocr page 333-

149

„vicariam sen cappellaniam in honorem Omnipotentis Dei, „Sanctorumque Jacobi Majoris Apostoli et Sanctae Annae matris, „virginis gloriosae, et unclecim millium virginumquot;, en dat wel hij zelf onder begunstiging van don Allerhoogste of de uitvoerders van zijn testament binnen het eerste jaar, nadat de genoemde heer Bernard, „naturae debitum persolvens in viam universe „carnis migratus eritquot;.

Hij schonk aan die stichting zijn huis en erf met al de zich daarin bevindende „cleinodiis utensilibus, ollis amphoris, lectis, „leeticis, sedilibas et sedibus, quoad duraverunt ad dictam „vicariam perpetuam seu cappellaniamquot;, ten behoeve van den priester, welke de daaraan verbondene diensten zoude waarnemen en verder nog verschillende andere vaste goederen.

Plij bepaalde verder, dat, wanneer hij zelf het gezegde altaar oprichtte en de voorschreven goederen door liet gewoon gezag „in de doode handquot; werden verklaard (et bona pronotata aucto-ritate ordinaria mortificari contigerit) hij patroon zoude zijn en de dienst zelf zoude waarnemen loffelijk (laudabiliter) of doen waarnemen met zijn broeder Hendrik mede priester en dan ook al do voordeelen daarvan zal genieten en tot zijn eigen gebruik geheel naar willekeur aanwenden. Na zijn dood zou zijn broeder Hendrik alleen hetzelfde recht hebben. Wanneer luj zelf de vicarie niet tot stand bracht, maar zijne executeurs, dan zal de vicaris den last hebben , om iedere weck op het gezegde altaar vijf missen te celebreren, of bij wettige verhindering zulks door een a7ider priester te doen verrichten voor de zielen van den genoemden Bernard, zijn ouders, voorouders, opvolgers en vrienden en van alle overige geloovige Christenen.

De vicarie moest verder worden opgericht „in titulum perpetui „benificii ecclesiastici;, en gegeven worden aan een wereldlijk priester of aan een klerk bekwaam, om binnen het jaar tot wereldlijk en niet regulier priester to promoveren. Collatoren zullen zijn de priors in het klooster op den berg van den H. Ilieronymus te Hattem en in dat van de H. Agues te Elburg met de tijdelijke Burgemeesters dier stad. Na het over-

-ocr page 334-

150

lijden van den vorigen vicaris zullen zij binnen eene maand éénstemmig een wereldlijk priester of bekwaam wereldlijken klerk, die binnen liet jaar priester zal worden, aanwijzen (presenteren) aan den Proost van St. Pieter te Utrecht, diens officiaal of aan wien diens function wettig zijn opgedragen tot het verkrijgen van den „institutio canonicaquot;. Gaat er eene maand voorbij na het overlijden van den vorigen vicaris zonder nieuwe begeving, dan heeft voor dien keer de naaste uit het bloed des stichters het recht van begeving.

De vicarissen zullen moeten worden gekozen uit de naasten en oudsten in het bloed van den stichter, die goed ter naam en faam staan. Is er niemand daartoe geschikt uit het bloed des stichters, dan iemand uit Elburg geboortig of anders van de Veluwe. Is hij nog geen priester, dan moet hij de missen ten zijnen koste door con ander laten vieren, op verbeurte \\an 3 Vlaamsche schellingen voor iedere verzuimde mis door hem te betalen aan de collatoreu. l)e helft dier boete zal worden genoten door do fabriek der hoofdkerk van Elburg, en de andere helft zal worden gebruikt door de collatoren, om ten behoeve van het altaar, sieraden, boeken en bekers aan te koopen.

Voordat de vicaris zijne bediening aanvaardt, zal hij door het lichamelijk aanraken van het H. Evangelie moeten zweeren, dat hij geen ander kerkelijk officie of beniticie bezit en ook zoo lang hij deze vicarie geniet, zal hebben of bezitten en dat anders dadelijk do vicarie vacant zal zijn, verder dat hij altijd persoonlijk het altaar zal bedienen en niet langer dar ééne maand afwezig zal zijn zonder uitdrukkelijke en schriftelijke vergunning der collatoren op strafte van geheel verlies der vicarie. Ook bij niet-betaling der voormelde boete binnen ééne maand of wanneer door hem niet binnen drie maanden de verzuimde missen worden ingehaald, verloor hij zijn recht. Collatoren zullen eindelijk een ander geschikt persoon presenteeren, wanneer de vicaris een onkuisch eu schandelijk leven leidt door gemeenschap te houden met bijzitten, huishoudsters

-ocr page 335-

151

of bij haar kinderen te verwekken en daarmede na de derde vermaning niet ophoudt.

Uit deze uittrekaels blijkt, dat de stichter bepaaldelijk wenseht eene vicarie op te richten en niet slechts een lega-tum pium of donatio ad piaa causas, waarbij het eigendom der aangewezen goederen aan den stichter en zijne erven verbleef.

Hoewel tot nog toe de confirmatie van den bisschop of anderen hoogen geestelijke daarmede belast niet is gevonden, volgt uit de vermelding van deze vicarie in de Acta visitationis van den bisschop van Deventer in 1571 (blz. 10), dat ze als een beneficium ecclesiasticum werd beschouwd en hare goederen alzoo waren gemortificeerd en niet als eigendom eeuer familiestichting mochten worden behandeld.

Tijdens het Fransch bewind trachtte men uit vrees voor confiscatie dit denkbeeld ingang te doen vinden.

Een der afstammelingen van den stichter dezer vicarie berichtte bij brief van 25 December 1812 waarschijnlijk ingevolge de bekende aanschrijving van deu Intendant-Generaal van Finantiën en van de Keizerlijke schatkist van 19 November

1812 aan den Maire van Elburg, dat tot die vicarie behoorden „13 Morgen zeer mediocer landquot;. De stichter heeft als particulier persoon, hoofd eener familie „ten behoeve zijner studerende „Nageslagt over zijne eigene private goederen in optima forma „getesteerd. Zij kunnen met geene mogelijkheid als Geestelijke, „Klooster of Gilde-goederen beschouwd of met de Domeinen „van den Staat vereenigd wordenquot;. De eigenaars van die goederen zijn de afstammelingen van den gemeldeu Bernard Lutteken.

In denzelfden geest was ook het request aan den prefect ingediend ten behoeve van Egbert Heijmerich vau Hoeclom zijnde „ Meer, bet, bet, over, oud, na, agter broerskindskind van „ den testateur

Dit blijkt uit de daarop gegevene beschikking van 15 October

1813 luidende:

De Prefect.

11 Gr

-ocr page 336-

152

Gelezen hebbende de requeste van Egbert Heimenck van Hoeclom, meerderjarigen zoon van wijlen Mr. Derk Gerrit van Hoeclom en Barta Vos, in studiis Theologicis verserende, daarbij te kennen gevende, dat de studie van den jongen heer Johan Nieolaas Bougard Luttekeu, door deszelfs vrijwillig engagement als Garde d\'Honneur was komen te cesseren en daardoor de jouissance had doen openvallen der revenuen van de voorouderlijke familiefundatie door den heer Bernard Lutteken in het jaar 1484 bij notariële testamentaire dispositie te Elburg gesticht, enz. enz. zijne filiatie bewijzende.

Verzoekende derhalve de prefect als temporair collator van een derde gedeelte der opkomsten zijner voorvaderlijke Luttekens familiefundatie dezelve volgens eijnosure en aloud bestaan op hem suppliant te confereren.

Besluit:

des suppliants verzoek te accorderen en E. H. van Hoeclom alzoo te benificeren met het een derde der voorz. vicarie te beginnen met het tijdstip, waarop de vorige vicaris opgehouden heeft hetzelve te genieten.

Blz. 69. vijfde regel van onderen. In de plaats van de naaste bloedverwanten van den stichter te lezen;

de Priors van de kloosters op den berg van den H. Hieronijmus te Hattem en van de H. Agnes te Elburg met de burgemeesters van Elburg.

Blz. 70. Elburg.... Jacobi vicarie. Bij te voegen na den tienden regel van boven.

De gemeenteraad van Elburg heeft 3 Mei 1887 /3 der inkomsten begeven aan den heer J. Esser, candidaat in de rechten aan de universiteit te Amsterdam van 1 Juli 1887 tot 31 Juni 1889. Het overige \'/3 is door den Koning op denzelfden geconfereerd en de goedkeuring is verkregen bij ministerieele beschikking van 25 Mei 1887.

-ocr page 337-

153

Biz. 70. Elburg, aan het einde.

Volgens de staten van onroerende goederen in de doode hand in 1876 opgemaakt door de ontvangers der registratie stonden in den kadastralen legger der gemeente Doornspijk 4.78.23 H. ten name der St Antonij of Aanstoots vicarie van Elbura;. Door de burgemeesters van Wburg en Doornspijk is die vicarie niet vermeld bij hunne opgaven daaromtrent in 1880 gedaan. Nadere bijzonderheden ontbreken geheel.

Blz, 71. Epe, L. Vrouwe vicarie.

In 1756 verzocht de collator dezer vicarie zijn collatierecht voor Vs te mogen verkoopen met al zijne rechten en gerechtigheden. De landdrost van Veluwe daarover gehoord adviseerde tot toestemming, mits dat 1°. de lasten ongekrenkt moeten blijven voor den predikant 2°. de reeds gedane begevingen moeten blijven bestaan 3\'\'. verzoeker moet zijn recht van eigendom bewijzen en 4°. dat het geene bloedvicarie is d. i. zoodanig eenc , waarvan de collatie moet komen aan de naaste bloedverwanten.

Bij besluit van 17 Maart 1756 is dit verzoek toegestaan.

Blz. 71. Epe, St Antonii vicarie.

Visitat. hlz. 148. Collatores fraternitas St. Antlionii cum pastore ibidem. Onus feriis 2, 4 et sabatho celebrare.

Blz. 72. Ermelo, St. Catharinae vicarie.

Over de begeving rees meermalen verschil onder de leden van het Hof. Den 28 November 1782 is dit zoodanig geregeld, dat de drie oudste leden van het Hof gedurende de drie eerstkomende jaren en vervolgens telkens drie andere leden gedurende de volgende drie jaren, de begeving zouden doen, door aan het Hof den persoon bij gemeen overleg of anders bij loting bepaald te presenteeren, die de inkomsten zoude genieten, hetgeen alles zeer breedvoerig bij de gesloten overeenkomst werd omschreven.

Tot de bezittingen dezer vicarie behoorde volgens schrijven van den Intendant-Generaal van Finantiën van 20 Juli 1813,

-ocr page 338-

154

een losrentebrief groot f 3000 op het voormalig quartier van Veluwe, welke was gedeponeerd bij den griffier van het tribunaal ter eerster instantie te A.riihem, aan wien zij werd opgevraagd.

Deze voldeed echter daaraan niet, maar zond alleen een afschrift. Tot in 1822 toe werd telkens op last van den Minister door den Directeur der registratie in Gelderland daarnaar gevraagd, doch steeds te vergeefs, zoodat waarschijnlijk die schuldbekentenis verloren is gegaan.

Blz. 74. Gendriugen , St. Joannis Baptistae vicarie.

De begeving 10 Februari 1813 door den collator gedaan voor 5 jaar aan zijn zoon ter bevordering zijner studiën en waarop deze goedkeuring had verzocht, werd blijkens schrijven van den Intendant-Generaal van Finantiën (Gogel) geweigerd en bericht, dat zoo lang dit gedeelte van het Keizerlijk decreet van 15 November 1811 betreffende de vicariën niet definitief zal zijn afgedaan, op verzoeken van dien aard niet kan worden beschikt.

Blz. 79. \'s Heerenberg.

De goederen der St. Gregorius vicarie te Emmerik liggen in de kadastrale gemeente Seddam.

Blz. 80. Huissen.

Volgens medcdeeling van den burgemeester van Bemmel liggen nog onder die gemeente twee stukken land bekend onder den naam van vicariegoed, hetwelk zoude toebehooren aan de R. C. gemeente te Huissen.

Blz. 80. Hummelo, St. Antonii vicarie.

Yolgens het voormelde visitatieboek 1.1. pag. 60, was de vicaris belast met het doen van twee missen per week, eene in de kerk, de andere op het kasteel Enghuijsen.

Blz. 81. Hurwenen, L. Vrouwe vicarie.

Do inkomsten van dat land, dat onder beheer is van den Staat,

-ocr page 339-

155

worden geheel door den predikant te Hnrwenen genoten. Dit is in de plaats getreden van de tertiën vroeger door den predikant verkregen uit de opbrengst van ruim 15 bunders tot die vicarle behoorende, en waarvan het voormelde land een deel uitmaakt. Nadere bijzonderheden omtrent deze geheele zaak worden medegedeeld in het rapport over de Yieariegoederen in Holland van den heer W. van Beuningen, blz. 105 en volgg.

Blz. 86. Millingen, St. Catharinae vicarie.

Zonder goedkeuring van het Hof zijn evenwel tot 1815 toe de inkomsten vergeven. Van 1815—1832 heeft de pastoor van de gemeente Bimmer (Pruissen) 2/3 der inkomsten getrokken en van dien tijd tot 1839 ontving de rentmeester van het huis Bergh de vruchten.

Blz. 90. Neede, St. Joannis Bapt. et Maria Virg. vicarie. Den 14 Februari 1887 is eene nieuwe begeving goedgekeurd en wel aan een student in de rechten te Leiden.

Blz. 97. Echteld.

Door den Minister is 4 Augustus 1887 goedgekeurd eene nieuwe begeving van 1/3 der inkomsten van de voormelde vicariën door den collator aan de Hervormde gemeente te Echteld over de jaren 1887, 1888 en 1889, onder de door den collator gestelde voorwaarde, dat de inkomsten eenig en alleen in het belang der kerk van de Hervormde gemeente te Echteld zullen mogen gebruikt worden.

Blz. 101. Opheusden, St. Antonii vicarie,

Van 1727—1736 en van 1741 —1761 was de vicarie niet begeven en de inkomsten waren onder den rentmeester blijven berusten. Het Hof kende evenwel, geheel in strijd met de plakkaten, de inkomsten ook over die jaren beide keeren aan de daarna benoemde vicarissen toe.

-ocr page 340-

1S6

biz. 103. Rijswijk, St. Sebastian!, Catharinae et Margaretliae Martyrum vicarie.

„Deze vicarie is op St Victor\'s dag 1472 gesticht ter eere „Godts, sijnre gebenedide moeder, die suijver reijne maeget „Maria, St. Sebastiaan, Sinte Catarinen ende St. Margriet.quot; Over de begeving van die vicarie schijnt spoedig verschil te zijn ontstaan en bij overeenkomst van 1585 is bepaald, dat de begeving zoude geschieden bij beurten. Dit schijnt daarna ook geregeld te zijn geschied blijkens de opgave in de institutie-boeken. Uit de bevestiging in 1611 door het Hof verleend, blijkt verder, dat de daartoe behoorende goederen werden beheerd door den ontvanger van het kwartier, welke werd belast met de afgifte van twee derden der inkomsten aan den vicaris. Het collatierecht is bij erfopvolging gekomen aan de familie Vijgh , die in 1633 het eerst heeft begeven. In 1653 deed Arent Vijgh eene nieuwe begeving, hij werd daarbij nader aangeduid als: „heer tot Soelenquot;. Sedert dien tijd schijnt, hoewel verkeerdelijk, de begeving dezer vicarie als een recht van den Heer van Zoelen te zijn beschouwd en is het als zoodanig tegelijk met die heerlijkheid overgedragen.

Het vermoeden in het rapport geopperd, dat eerst in 1846 of eenige jaren vroeger 1/3 der goederen der vicarie aan den collator in beheer zijn overgedragen, is gebleken onjuist te zijn, want reeds in 1812 waren die goederen niet meer onder bestuur van den rentmeester, blijkens het bericht ter voldoening aan de meergenoemde oproeping van den Intendant-Generaal van Finantiën door de toenmalige collatrice M. E. Hoffman, weduwe Verstolk van Soelen, 29 December 1812 ingeleverd, waarin zij verklaarde dat zij is: „eigenaresse van de vicarie bekend onder den „titel „vicarie S. S. C. et M. M. gefundeert in de kerk te Rijswijk, „voormalig ambt JSTeder Betuwequot;, „dat de goederen door den „gebenificieerde zeiven worden gebruikt en de jaarlijksche revenuen daarvan door denselven zijn getaxeerd op eene somma „van drie honderd en zestig guldenquot; en „dat de ondergeteekende ,.de acte van collatie van wijlen haren echtgenoot op 6 Maart 1776

-ocr page 341-

157

„op den Heer Arie Hanegmft Post sedert deszelfs afwesendheid „provisioneel iu werking heeft gelaten op deszelfs Broeder den „Heer Isaac Jan Post als destijds studeerende in de Theologie „te Utrechtquot;. Volgens eene nadere bijvoeging behoorden tot deze vicarie ook nog eeuige erfpachten uit huisjes onder Rijswijk te te zamen 14 gl. 5 st.

De voormelde acte van aanstelling, waarop echter geen bevestiging van het Hof is gevraagd, luidt: „Ik A. I. Verstolk Heer „van Soelen doe cond en certificeere bij dese, dat ik als collator „van de vicarije Sanctorum S. C. et M. M. gefundeert in de „kerk te Rijswijk hebbe geconfereert, gelijk ik confereere bij „ende in kracht deses op Arie Hanegraft Post, zoon van den „Heer Gr. J. Post, ten eynde, om de jaarlijkschc inkomsten, vrugten, „baten en profijten van dien te ontvangen en genieten tot subsidie „en voltrekking van sijne studie.

„Uitgegeven in oirconde der waarheid, hebben dese eijgen-„handig geteekend op 6 Maart 1776 A. I. Verstolk Heer van „Soelenquot;.

Na den dood van Mejufvrouw M. E. Völcker in 1887 is hare nalatenschap ab intestato vervallen aan haren neef en nicht de Heer H. G. I. Völcker te Warnsveld en A. H. E. Völcker Douairière Jhr. I. T. van Vredenburg te Rijswijk.

Blz. 104 aan het eind. Rijswijk.

Op het 2\'/o pet. grootboek staat ten name van Rijswijk (kerkvoogden der Hervormde kerk te) als administrerende het fonds geprovenieerd uit de verkaveling van het vicarieland ƒ 300, waarschijnlijk ook afkomstig van voormelde vicarie.

Blz. 105 Nijkerk, St. Crucis et Christophori vicarie.

Ingevolge de oproeping van den Intendant-Generaal van Pinantiën in het Peuille Politique de Rotterdam van 29 December 1812 heeft de toenmalige collator M. E. Vlug te Rotterdam opgave gedaan van deze vicarie bij brief, gericht aan den Prefect de 1\'Yssel Superieur van 11 Juni 1813 luideiide: M. S. Vlug te Rotterdam

-ocr page 342-

158

„proprietaire d\' un tiers dea Biens portant le nom de honnorem „Sanctae Crucis a Nijkerk, dont les reyenus des deux autres „tiers ont été regus, savoir un tiers par l\'Etat et le tiers restant „par la Demoiselle Pot, demeurantc a Zwol eomme collatrice „de l\'église a Nijkerk a cru de ses devoirs de donner connais-„sance a monsieur le conseiller d\' état de sa proprieté, comrae „elle portoit le nom des Biens viearies et que son tiers est encore „indivis avec \'1 état et l\'églisequot;.

Hij geeft verder op, dat de familie Vlug in de XVII eeuw katholiek was, zooals toen nog, en dat: „lareligion dominante „s\' empara des biens appartenants aux Catholiques, les partagea „et distribua a sa volonté, cependant par grace speciale, elle „laissa encore un tiers a la dite familie Vlug, qui succèda de ,,père en fils, qu\'aujourdhui le dit M. E. Vlug se trouve seul „héritier et proprietaire, des biens, dont est quaestionquot;.

Schrijver deelde verder mede, dat hij eene vrouw en vijf kinderen heeft en niet in staat is hen te onderhouden uit de inkomsten der goederen en vraagt, op welke wijze hij tot eene verdeeling van zijne gezegde goederen kan komen.

De prefect van den Boven Yssel verklaarde bij brief van 15 Juni 1813 en evenzoo de onderprefect van het arrondissement Arnhem bij brief van 6 Juli 1813, zich onbevoegd op dit verzoek te beslissen en zij verwezen hem als zijne beweeringen gegrond zijn op de wet van 9 Frimaire an VII.

Blz. 108 Oene, St. Joris vicarie.

Den 16 December 1887 heeft de Minister daartoe door den Koning gemachtigd ^ dor inkomsten over het jaar 1888 begeven aan ÜT. L. Burger, student in de godgeleerdheid te Utrecht, onder dezelfde voorwaarde van zich uitsluitend voor te bereiden tot het leeraarsambt in de Hervormde Kerk.

Blz. 112 Steenderen, Heer Graas vicarie.

Visitat. blz. 79. De Heer Graas vicarie was waarschijnlijk gewijd aan den H. Radboud.

-ocr page 343-

159

Biz. 113 Terborg, St. Matthaei Vicarie.

Visitat. biz. 62. Vicaria St. Matthaei Collatrix Regia Majestas et comitissa de Stijront (Stijrone). Van de vicarie Trium regum is geen collator vermeld.

Biz. 119. Vaassen, St. Antonii vicarie.

Visitat. biz. 172. Daarin wordt geene vicarie vermeld aan den H. Antonius gewijd, wel eene S. Spiritus, waarvan collator was domicellus Isendoorn ; misschien is deze dezelfde als de St. Antonius vicarie.

Blz. 125 \\ orden, Dekanie.

Door den Minister is bij beschikking van 31 Mei 1887 goedgekeurd de begeving door de beide collatoren gezamenlijk gedaan aan Jhr. B. H. van Linschoten tot voortzetting zijner studie voor drie jaar.

blz. 126 quot;Wichmond, Mariae Virg. vicarie.

De vicarie wordt vermeld in het meer aangehaalde Visitatie-boek blz. 48

De verwachting in de noot op blz 126 van het rapport uitgesproken is vervuld.

De Ministerieele beschikking, waarbij dit geschiedde, is belangrijk vooral om het beginsel daarin gehuldigd betreffende de opvolging in het collatierecht. Ik rekende het daarom van gewicht dit bes.gt;uit dd. 25 Augustus 188v eenigszins uitvoeriger mede te deelen.

In dat stuk verklaart de Minister van Binnenlandsche Zaken op adres van P. J. M. Baron van Voorst tot Voorst, in hoedanigheid van vader en zoon over zijn minderjarigen zoon L. P. J. M. Baron van Voorst tot Voorst, als collator confirmatie vragende op de door hem gedane begeving van de inkomsten der voormelde vicarie, gelet op de begeving gedaan door R. E. Baron van Dorth tot Medler, welke het laatste is geconfirmeerd, overwegende, dat deze collator is gestorven in 1847,

-ocr page 344-

160

dat diens oudste wettige zoon Mr. I. H. W. L. Baron van Dorth tot Medler is overleden te Arnhem in 1875 en geen zoon heeft nagelaten, dat zijne oudste wettige dochter is gehuwd geweest met adressant en in 1878 is overleden, nalatende als haren oudsten wettigen zoon den voornoemden minderjarige; dezen L. T. J. M. Baron van Voorst tot Voorst als tegenwoordig collator der vicarie te erkennen en mitsdien te confirmeren de begeving door zijn vader en voogd gedaan op F. Bculink, student op het Groot Seminarie te Rijsenburg, en dezen gerechtigd te verklaren tot het bezit en genot der inkomsten van die vicarie tot voortzetting zijner studiën.

Blz. 132. Zevenaar, Hervormde Predikantsvicarie.

Behalve deze goederen onder Zevenaar gelegen 0.61.90 Heet. groot, staan op de kadastrale leggers van Duiven nog 0.48.20 ten name van diezelfde vicarie en op die te Groessen en Loo nog 16.31.50 Heet. zijnde wei- en bouwland en huizen met eene belastbare opbrengst van f 354.94 ongebouwd en/\'552.50 gebouwd.

Blz. 132. Zevenaar, St. Georgii vicarie is gesticht in de kerk te Oud Zevenaar.

Het Departementaal bestuur keurde 7 Februari 1810 de uitgifte in erfpacht tegen een jaarlijkschen canon van ƒ 12 goed van een stukje grond genaamd de Griet-akker gelegen in Ooij, toebehoorende aan de St. Georgii vicarie.

Blz. 132. Zevenaar, St. Petri vicarie.

Bij Koninklijk Besluit van 1809 of 1810 (de datum is niet vermeld) was bepaald, dat de collatoren der vicarie van de familie Peters, wanneer zij het over de verdeeling der inkomsten niet eens konden worden, ieder ze voor de helft zouden genieten, mits naar inhoud van den fundatiebrief en onder verplichting van jaarlijks rekening en verantwoording te doen aan den Burgemeester van Zevenaar. Op de daartegen gemaakte

-ocr page 345-

161

bezwaren ook van den landdrost is aan dit besluit geen gevolg gegeven en zijn nadere inlichtingen gevraagd.

Blz. 133. Zutplien, Doctorale prebenden.

Bij besluit van 7 Februari 1808 van Burgemeester en Wethouders van 2iutplien zijn met goedkeuring van den landdrost van het Departement Grelderland prebenden aan studenten vergeven, „mits echter geen Hoge school buiten dit Departe-„ment frequenteerendequot;, welke voorwaarde er toen steeds werd bijgevoegd.

Tijdens het 1 ransch bewind geschiedden de begevingen door den Maire van Zutphen met approbatie van den Prefect van den Ouden IJssel, o. a. bij besluit van 28 November 1810 aan do Grient Dreux goedgekeurd bij besluit van 26 Maart 1811.

Blz. 133. Zoelen, L. Vrouw en St. Nicolai vicarie.

Zeer waarschijnlijk is dit eene vergissing van den Maire en bedoelde hij de vicarie gesticht in de kerk te Rijswijk, welke ter begeving stond der collatrice, die Vrouwe was van Zoelen en in 1811 aan den Heer Isaac Jan Post destijds studerende te Utrecht in de Theologie was toegekend. Zie blz. 157.

Blz. 134 Zoelen.

Bij de acte van overdracht der heerlijkheid Zoelen van Baron Piek aan A. I. Verstolk verleden voor geërfden des Ambts Neder Betuwe naar aanleiding eener acte van koop van 22 Juni 1775 wordt vermeld, dat de Heer van Zoelen verplicht is aan den predikant aldaar een tractement van f 300 gulden \'s jaars te betalen, zonder eenige bijvoeging, waaruit die verplichting is ontstaan.

F. C. W. Koker.

-ocr page 346-
-ocr page 347-

BLADWIJZER.

A-

Aalst 39.

Aalten 47.

Acquoi 145. Almen 50. Ammersoden 52. Andelst 54.

Angerloo 55, quot;146. Apeldoorn 50, 14G. Appeltern 39.

Arnhem 18, 56, 146. Avesaal h 94.

B.

Gahr en Lathum 57. Barneveld 39. Batenburg 58. Beinrael 59.

Bennekom 40. Beuningen CO, 147. Bommel 40.

Boreulo 40.

Brakel 40.

Brevoort 61.

Brammen 40.

Buren 61, 147. Burgharen 61, 148.

C.

Culenborg 41, 143.

D.

Delwijnen en Kerkwijk 41.

Üidam 62 Dieren 41.

Dieten 41.

Dinxperlo 41, Doesborg 63. Doetinchem 66. Doornenburg 41. Doornspijk 67. Dreumel 41.

Driel (Bommelerwaard) 41.

Driel (Over Betuwe) 28, 68.

Duiven 68.

K.

Echteld 95, 155. Eek 18, 98.

Ede 41.

Eibergen 69.

Elburg 69, 148 Elden 42.

Ellecom 42.

Elspeet 42.

Eist 42.

Epe 70. 153.

Ermelo 72, 153.

Etten 73.

Gameren 42. Geesteren 74. Geldermalsen 43. Genderingen 74.

Gent 43, 144. Groenlo 75. G roesbeek 43.

II.

Haaflen 15, 43. Hal 19.

Harderwijk 76. Harten 43.

Hattem 43.

Heerde 77. \'s Heerenberg 78,154. Hengelo 43.

Her veld 79. Herwaarden 44. Herwen 79.

Herwijnen 15, 44. Heteren 44, 144.

Hien en Doodewaard 98.

Hoevelaken 4i. Horssen 79.

Huissen 80, 154. Hummelo 80, 154. Hurwenen 81, 154.


-ocr page 348-

164

I.

Ingen 44.

H.

Keenth 81.

Kerkwijk 44.

Keppel 82.

Kesteren 99

L..

Laren 83.

Lienden 99.

Lochem 83.

M.

Maasbommel 86. Maurik 100.

Meteren 44.

Millingtn 18,86,155.

ar.

Neder-Asselt 44.

Nederbetuwsche Vi-

cariegoederen 90. Neede 88, 155. Netterden 44. Nunspeet 105, Nijkerk 105, 157. Nijmegen 106.

O.

Ochten 101.

Oene 107, 158. Ommeren 101. Oosterbeek 44.

Oosterholt 44. Oosterwolde 44.

Ooij 45.

Opheusden 101, 155. Ophemert 108.

Opijnen 44.

Otterloo 44.

Overasselt 109. Overbetuwsche Vica-

riegoederen 110. Overhagen 45.

P.

Pannerden 45, 144 Putten 111.

Ro

Ravenswaaij 102. Randwijk 45.

Rlieden 111.

Renkum 45.

Roode toren 45. Rumpt 45.

Rijswijk 102, 156.

i.

Scherpenzeel 45. Seddam 45, 145. Steenderen 112, 158. T.

Terborg 113, 159. Terwolde 45.

Tiel 114.

Tuil 115.

Twello 45.

V,

Vaassen 119, 159. Valburg 120. Varsseveld 121. Veessen 123.

Voorst 123. Voorthuizen 46. Vorchten 124.

Vorden 124, 159.

W.

Waardenburg en Nee-

rijnen 125. Wadenoijen 46. Wageniugen 46. Wamel 46.

Wehl 125. Westervoort 46. Wichmond 125, 159. Wiel 46.

Wilp 126.

Winsen 128. Winterswijk 128.

U.

Uzendoorn 130.

Z.

Zandwijk 46.

Zelhem 131. Zevenaar 131, 160. Zoelen 133, 161. Zuilichem 46. Zutpben 133, 161.


-ocr page 349-

RAPPORT

OVER

DE VIOARIEGOEDEREN

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN DE PROVINCIE

UTRECHT.

-ocr page 350-
-ocr page 351-

Door de Staatscommissie ter voorbereiding van eene wettelijke regeling der vicariestichtingen met Mr. Baron de Geer van Jutphaas uitgenoodigd zijnde, om een rapport uit te brengen over de vicariën in der tijd gefundeerd in de provincie Utrecht, zijn wij, na de zaak besproken te hebben, tot de ervaring gekomen , dat onze inzichten daarover op eenige punten, en wel hoofdpunten, verschillen, zoodat wij het beter oordeelden, om liever ieder een afzonderlijk en zelfstandig rapport uit te brengen, dan een rapport rustende op heterogene inzichten of een dat zich zelf gedurig bestrijdt en vernietigt.

Het hoofdpunt van verschil tusschen ons beiden was de vraag , of de Staten \'s Lands van Utrecht in 1580 en 1586 zijn geworden of liever zich hebben gemaakt eigenaars der geestelijke goederen en speciaal van die, behoord hebbende tot de voormalige vicariestichtingen en zich ook als zoodanig hebben beschouwd, zooals de ondergeteekende vermeent. Mr. de Geer ontkent dat (blz. 21, 27 en 38 van diens rapport) en beweert, dat de Staten nooit op iets anders dan op Va der inkomsten, uit de vicariegoederen voortkomende, hebben aanspraak gemaakt (blz. 25, 27 en 38) en dat de in 1799 vernietigde 12 obligation op de provincie te zamen groot f 187.398-3-, staande ten name van Mr. J. G. Looten , als ontvanger der gebeneficieerde goederen ten behoeve van deszelfs comptoir, zouden zijn voortgesproten, niet uit de volle belegde koopprijzen van goederen, behoord hebbende tot die yebeneficieerde goederen, maar slechts zouden bevatten, ten minste voor zooveel betreft de verkochte vicarie-

-ocr page 352-
-ocr page 353-

Door de Staatscommissie ter voorbereiding van eene wettelijke regeling der vicariestichtingen met Mr. Baron de Geer van Jutphaas uitgenoodigd zijnde, om een rapport uit te brengen over de vicariën in der tijd gefundeerd in de provincie Utrecht, ZIJn wij) na de zaak besproken te hebben, tot de ervaring gekomen , dat onze inzichten daarover op eenige punten, en wel hoofdpunten, verschillen, zoodat wij het beter oordeelden, om liever ieder een afzonderlijk en zelfstandig rapport uit te brengen, dan een rapport rustende op heterogene inzichten of een dat zich zelf gedurig bestrijdt en vernietigt.

Het hoofdpunt van verschil tusschen ons beiden was de vraag, of de Staten \'s Lands van Utrecht in 1580 en 1586 zijn geworden of liever zich hebben gemaakt eigenaars der geestelijke goederen en speciaal van die, behoord hebbende tot de voormalige vicariestichtingen en zich ook als zoodanig hebben beschouwd, zooals de ondergeteekende vermeent. Mr. de Geer ontkent dat (blz. 21, 27 en 38 van diens rapport) en beweert, dat de Staten nooit op iets anders dan op V, der inkomsten, uit de vieariegoederen voortkomende , hebben aanspraak gemaakt (blz. 25, 27 en 38) eu dat de in 1799 vernietigde 12 obligatiën op de provincie te zamen groot / 187.398-3-, staande teu name van Mr. J. G. Looten, als ontvanger der gebeueficieerde goederen ten behoeve van deszelfs comptoir, zouden zijn voortgesproten, niet uit de volle belegde koopprijzen van goederen, behoord hebbende tot die yebeneficieerde goederen, maar slechts zouden bevatten, ten minste voor zooveel betreft de verkochte vicarie-

-ocr page 354-

4

goederen, lls van den koopprijs; doch voor zooveel betreft de pastoriegoederen, den vollen koopprijs, ten minste dit laatste schijnt zijne meening te zjjn ofschoon hij zich met de pastoriegoederen weinig bemoeit, niettegenstaande deze mede een deel uitmaakten van de gebeneficieerde goederen en wel het voornaamste.

Over andere punten van verschil van meer ondergeschikten aard zal uit de vergelijking der beide rapporten genoegzaam blijken, zoodat ik het niet noodig acht die hier reeds te releveeren.

De Staatscommissie zal dus in de gelegenheid gesteld zijn, na van onze afzonderlijke rapporten kennis genomen te hebben, te beslissen aan welke zijde zij zich voegt voor zooveel betreft de provincie Utrecht, dau wel of zij zich met geen der beide rapporten geheel of gedeeltelijk kan vereenigen.

In mijn rapport zal ik mij, kortheidshalve, bepalen tot c.e vraas, wat er thans nog over is gebleven van de goederen behoord hebbende tot voormalige Utrechtsche vicariën, — doch welke vicariegoederen in 1586 zijn gemaakt tot gebeneficieerde goederen en iu 1799 gedeeltelijk vereenigd met het algemeen domeiufonds der Bataafsche Republiek, en welke rechten de Staat thans nog op dat gedeelte der gebeneficieerde goederen kan uitoefenen.

Onderscheidene punten in het rapport de Geer uitvoerig behandeld, zal ik dus met stilzwijgen voorbijgaan, niet omdat ik die uit een wetenschappelijk oogpunt onbelangrijk acht, maar omdat zij bij de thans hangende practische quaestie over de vicariën, minder in aanmerking komen, die zich ten slotte toch eigenlijk oplost iu eene geldquaestie en in de vraag wat er voor den Staat nog te profiteeren valt uit de vicariegoederen en hoe die uit handen van onrechtmatige bezitters of usurpateurs gered kunnen worden voor den Staat, of tenminste kunnen bestemd worden tot het doel, daaraan in der tijd door de Staten gegeven.

In mijne verhandeling over de Geschiedenis der vicariën en het vicarierecht in de provincie Utrecht, opgenomen in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap te Utrecht over 1881, deel IV, blz. 98—664 (waarvan een exem-

-ocr page 355-

5

plaar met eenige kantteokeningen van verbeteringen, wijzigingen en bijvoegingen bij dit rapport als bijlage XIII is gevoegd), heb ik getracht een volledig en wetenschappelijk overzicht van de geschiedenis der geestelijke goederen in \'t algemeen eu der vicariën en vicariegoederen in \'t bijzonder te leveren, waarnaar ik alzoo de vrijheid zal nemen den lezer in dit rapport te verwijzen , doch mij thans meer bepalen tot de finantiëele quaestie over eigendom, beheer, vruchten en inkomsten. Ook zal ik mij bij sommige punten, die ofschoon van meer wetenschappelijkeu aard, echter van belang kunnen zijn ter beoordeeling der geld-quaestie, alsook bjj de détails van enkele rekeningen of\' documenten , die een en ander meer uitvoerig in het uitgebrachte rapport de Geer zijn behandeld, daaraan refereeren, ten einde de lezer niet noodeloos tweemaal hetzelfde behoeft te zien uiteenzetten.

In dit rapport heb ik zooveel mogelijk getracht alles wat ik zeg of stel ook te bewijzen, niet met allerlei citaten uit vroegere schrijvers, die dikwijls niet goed op de hoogte der zaak waren, doordien zij verzuimden de archieven hunner provinciën, toen slecht geordend en bovendien moeielijk toegangbaar, behoorlijk te raadplegen. Veel minder zal ik mij inlaten met theoriën of raisonnementen, waardoor velen donken hun gemis aan een behoorlijk en dikwijls moeielijk historisch onderzoek te kunnen suppleeren, maar zooveel doenlijk is, alles staven met officiëele stukken in mijne verhandeling aangehaald en grootendeels medegedeeld onder de bijlagen daarbij behoorende. Tevens heb ik in dit rapport nog eenige nieuwe bijlagen gevoegd, bevattende documenten, die mij eerst later zijn ter hand gekomen of als zijnde meer van finantieelen dan van wetenschappelijken aard, in mijne gezegde verhandeling, minder te pas kwamen.

Mijne zucht, om alles wat ik in dit rapport zeg en beweer, van stuk tot stuk met documenten en stukken te bewijzen (want zonder dat heeft liet eigenlijk weinig te beduiden), zonder mij met theoriën of meeningen cn gissingen bezig te houden, is echter zeer bemoeielijkt door het heilloos besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht in of omstreeks 1816 genomen, om een

-ocr page 356-

6

groot deel van het toenmalige provinciaal archief voor schuurpapier te verkoopen, naar men zegt twee schietschuiten vol, die naar Amsterdam zijn gegaan en aldaar tot diverse doeleinden zijn verbruikt en vernietigd.

Wel is waar is toen door Gedeputeerden aan den boekhandelaar Altheer, prof. Heringa en enkele oudheidminnaars, die luide tegen dit wandalisme hadden geprotesteerd, verlof verleend, om als er onder den paperassen boel nog iets mocht zijn dat hun interesseerde en van hunne gading was, dit er uit te mogen nemen en voor zich te behouden, doch daarvan is toen niet zeer ruim gebruik gemaakt, uit gebrek aan tijd, om den ordeloozen hoop geregeld te doorzoeken, zoodat slechts hetgeen wetenschappelijke en historische waarde had, is gered geworden, gedeeltelijk althans, doch het grootste gedeelte der stukken is onherstelbaar verloren geraakt en vernietigd. Onder anderen alle rekeningen de fiuantiëele administratie der provincie vóór het midden der vorige eeuw betreffende en speciaal alle de rekeningen over de gebeneficieerde goederen van 1586/8 tor. 1770. Veel wat uit die vroegere rekeningen rechtstreeks en duidelijk had kunnen bewezen worden, moet nu met veel omhaal van woorden uit andere documenten en uitingen door de Staten of hunne Gedeputeerden of rentmeesters hier en daar voorkomende, afgeleid en als \'t ware gereconstrueerd worden, waaraan de uitvoerigheid van dit rapport dus ook gedeeltelijk is te wijten, niettegenstaande ik getracht heb mij zooveel mogelijk te bekorten.

Wil men hetgeen met de vicariën en de vicariegoederen is gebeurd na de reformatie goed begrijpen en beoordeelen, dan moet men beginnen met na te gaau, wat er achtereenvolgens in de provincie Utrecht en de diverse steden daarin gelegen, met de geestelijke goederen in \'t algemeen (waarvan de vicariegoederen slechts een onderdeel uitmaakten) , voorgevallen is.

Zonder eene dusdanige, geleidelijke en historische beschouwing

-ocr page 357-

7

moet men noodwendig tot onjuiste begrippen en opvattingen komen, zoowel ten aanzien der geestelijke goederen in \'t algemeen, als van do vicariegoederen in \'t bijzonder.

Om de publicatiën en ordonnantiën der Staten van Utrecht en hunne Gedeputeerden, als ook om de vroedschapsresolutiën in de verschillende steden genomen, goed te kunnen begrijpen, moet men weten wat daaraan is voorafgegaan en hoe de zaak in 1580 een aanvang heeft genomen. De documenten daarop betrekkelijk, zijn tot nu toe steeds onbekend gebleven en nu voor het eerst medegedeeld in mijne verhandeling (1) onder bijlagen A, C en D.

Geen wonder dus, dat men het begin niet kennende, dikwijls heeft misgetast in de beoordeeling van hetgeen daarop later gevolgd is.

Ten anderen is het een onmisbaar vereischte, dat men bekend is met de zonderlinge en omslachtige wijze der financiëele administratie in de provincie Utrecht, (die gedeeltelijk ook in de steden plaats greep) waarbij, zooals Gogel zich op \'t einde der vorige eeuw zeer eigenaardig in zijne na te melden missive van 30 November 1798 (VerLorex blz. 195) uitdrukt: „het Land „aan het Land interest betaalt van kapitalen, welke alle eigendom van den Lande zijn,quot; zoodat de Staat beurtelings als crediteur en debiteur van zich zelf optreedt. De Staten gaven, hoe vreemd het ook schijnen moge, obligatiën op zich zeiven uit aan zich zeiven, zooals hierachter in § 1 breeder zal worden aangetoond.

(1) Geschiedenis der vicarim en het vicarierechf in de provincie Utrecht en der geestelijke of geheneficieerde goederen in het algemeen, na de reformatie, door Mr. H. VerLoren vas Themaat , Utrecht 1881, (overgedrukt uit de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, gevestigd aldaar.)

-ocr page 358-

§ 1-

Geestelijke goederen in \'t algemeen.

Eer wij nu overgaan tot do behandeling van de geschiedenis der geestelijke goederen in H algemeen in de provincie Utrecht, (waartoe zooals nader zal worden aangetoond, ook de gebene-fieieerde goederen en de daartoe behoorende vicarie- en memoriegoederen hebben behoord) en hetgeen daarmede is voorgevallen na de reformatie, moeten wij waarschuwen tegen eene opvatting die men zich vroeger vooral, wel heeft gemaakt, namentlijk dat de bevolking in de provincie Utrecht reeds in de 16eeeuw zoo maar op eens en als het ware met een too verslag van katholiek protestantsch is geworden.

In eene contra-memorie door de Gedeputeerden der Staten uitgebracht (in 1580), tegen eene memorie van grieven door het le Lid der Staten (de geestelijkheid) ingediend tegen het ontwerp van die Gedeputeerden op de Ordre op de geestelijkheid en hare goederen wordt wel gezegd, dat de gemeente op \'t punt van religie, zich had veranderd en de roomsche religie cesseerde (VerLoren blz. 122), maar dit was overdrijving.

De protestantsche partij was wel is waar de bovendrijvende partij geworden, zoowel in de Staten als in de Vroedschappen der steden, vooral te Utrecht, (zie VerLoren Bijl. C, blz. 556) alwaar zij met onstuimigheid de katholieken en katholieke partij trachtte ten onder te brengen, maar de bevolking zelve in de provincie Utrecht was iri de steden, vooral te Amersfoort en

-ocr page 359-

9

Montfoort voor een goed deel katholiek gebleven, en is zulks gedeeltelijk ook nog.

Ten plattelande was de bevolking, op eenige uitzondering na, nog katholiek, zooals blijkt uit art. XXIX der Ordre op de geestelickheyt ende hare (joederen van 1580 (VerLoren, blz. 501), en werden de pastoors daarbij ook gehandhaafd, doch hun verboden voortaan missen te mogen celebreeren (dit is de strekking-der voorafgaande woorden: Jiet cesseren H exercicie van de „Boomsche rel Ui iequot;) en wijders geboden „dat zij Grodts woordt vuyt „den nijeuwen ende oude testamente zullen moegen prediken sonder „eenige scheldinge te doen op de gereformeerde religie ofte „eenighe seditieuse woorden te gebruycken.quot;

Het was in 1580 dus nog niet de bedoeling, om de pastoors af te zetten en de algeheele uitoefening van den katholieken eere-dienst te beletten, maar alleen, om die in zooverre onschadelijk te maken, dat de missen, of zooals het toen heette, de Paapsche afgoderije , werden geweerd en daardoor Gods toorn over zijn volk werd voorkomen.

In de ontworpen instructie voor de aan te stellen extra-ordinaris Gedeputeerden voor de regeling der geestelijke zaken en goederen (1580) wordt dan ook in art. 37 gezegd: dat er ten plattelande geen pastoors noch predikanten (opmerkelijk is het dat deze laatsten a la suite komen) mochten gesteld worden, dan die door hen (Gedeputeerden) geadmitteerd en bekwaam gerekend waren (VerLorex blz. 506).

Nog opmerkelijker is, dat in het evengemelde art. XXIX der Ordre aan \'t slot wordt gezegd: „dat men voortsaen gheen pastorenquot; (van predikanten wordt niet gewaagd) „over de platte „Landen sail moegen stellen dan die den Staten aangenaem „zullen zijn, hetzij dezelve zijn juris patronatus laicalis ofte „ecclesiasticiquot;.

In het na te melden placaat van den Stadhouder van 26 Augustus 1581 (ütrbchtsch Placb. I blz. 350) wordt wel is waar gezegd, dat de Staten van Utrecht zich beklaagden, dat, niettegenstaande zij door de maarschalken der 4 quartieren, de

-ocr page 360-

10

schouten en gerechten van de dorpen in Utrecht gelegen, hunne resolutie, waarbij de exercitie van de roomsche religie op de poene daarbij bedreigd, was verboden, hadden doen afkondigen en gelast hadden, dat de maarschalken , jegeus de contraventeurs zouden procedeeren, niettemin de roomsche religie nog in velo plaatsen van den Lande van Utrecht, zoo in \'t heimelijk als in

Hopenbaar, geëxerceerd werd.....en wijders, dat in geen

der provinciën, behoorende tot de Unie, de exercitie van de roomsche religie gedoogd werd, doch dit moet noodwendig verstaan worden in den zin als boven, dat is, dat de godsdienstoefeningen, ook als die door pastoors geleid of gehouden werden, moesten plaats grijpen zonder missen of andere roomsche ceremoniën. Dit blijkt dan ook uit het slot van het placaat, waarbij aan de pastoors vrijgelaten bleef, om do kinderen te mogen blijven doopen, doch zonder daarbij de ceremoniën der roomsche kerk (dat is het gebruiken van zout, smout of exorcisme, zooals in de na te melden kerkvisitatie van 1593, voce Westbroek gezegd wordt) ofte andere ceremoniën te mogen gebruiken, dan bij onsen Heere Jesu Christi ingesteld zijn.

De protestantsche religie maakte echter steeds vorderingen, na 1580 ook ten plattelande en werd dan ook in 1586, toen liet na te melden Redressement op de geestelijke goederen tot stand kwam (zie dit stuk bij VerLoren blz. 522 e. v.), door de staten meer doorgedreven.

In art. I heet het: „Ende eerstelyck is goet gevonden dat men „volgende voorgaende (dat is vroegere) Resolutie d\'openbare exer-„citie van de gereformeerde Religie in de Stadt, Steden ende „Landen van Utrecht alomme in trayn doen brengen zall ende „besonder ojj plaetzen daer d\'zelve als noch nyel en isquot;, en werd in datzelfde artikel tevens bepaald: „dat men allen Pastooren „ende Predikanten, schoolmeesters ende costers, die zich nyet „geconformeert hebben mette kercken van dandere geuniëerde „provinciën off hen nog (niet) en willen mette zelve conformeren, dadelijk destitueeren zall ende andere van de gereformeerde religie in beur plaetzen stellen.quot;

-ocr page 361-

11

Bij de aanneming van dit artikel werd echter tevens bepaald, dat aan de pastoors, die zich wel hadden vereenigd met de begrippen der gereformeerde religie, doch niet wilden overgaan tot het protestantisme en zich stellen onder de kerkelijke discipline , door de directie-kamer eene toelage zou kunnen toegekend worden, doch nadat eerst de predikanten van behoorlijk tracte-ment waren voorzien.

Een amendement van het 2e lid, om, hun in ieder geval alimentatie te verleenen, werd door de beide andere leden verworpen, alzoo afgestemd (VerI oren, blz. 52i).

Het ligt voor de hand, dat vele pastoors, om niet broodeloos te zijn, zich in predikanten transformeerden, en voor de leus althans protestantsch werden, zooals dan ook in het na te melden adres van den Kerkeraad van Utrecht aan de Staten van 13 Maart 1593 gezegd wordt.

Het schijnt echter, dat deze kunstmatige protestantiseering van het platteland niet hest vlotte of ten minste niet al die gunstige resulto.ten opleverde, die men er zich van voorstelde. Ook kon men geen genoegzaam aantal predikanten of evangelisten bekomen en bezoldigen, om al de pastoors te vervangen.

In de le rekening van den Rentmeester der gebenificieerde goederen over 1586/8, van Floris van Weede, vindt men dan ook vermeld, dat hij toen op vele plaatsen ten plattelande nog pastoors in functie vond o a. te Odjjk, Bunnik, Werkhoven, Dwarsdijk, \'t Goy, Houten, Tuil en \'t Waal, Eemnes binnen, Baarn , Woudenberg, Bunschoten, Nichtevecht, Maarssen, Lopik (Zie hierover uitvoeriger het rapport de Geer, bl. 29—85).

Onder de uitgaven vindt men fol. 336—343 slechts 14 predikanten vermeld, aan wie hij toen tractement heeft uitbetaald, t. z. f 2080—5—6.

In 1593, dus 5 a 6 jaar later, was het getal predikanten ten plattelande wel gebracht tot 20, maar er waren zelfs toen, behalve eenige rondzwervende paters, nog 22 pastoors in functie, die facto dienst deden, waarvan de moesten weigerden zich naar de gereformeerde religie te schikken of zich te onder-

-ocr page 362-

12

werpen aan een kerkelijk onderzoek te Utrecht, opdat men zou weten, wat men aan hen had, en dan ook door de visitatoren als totaal onbekwaam verklaard werden. Bovendien waren er op eenige plaatsen, waar reeds een predikant was aangesteld door de Staten, ook nog pastoors of papen , die hun gang gingen en met den predikant in concurrentie traden, om de gemeente te exploiteeren. Een en ander blijkt uit eene kerkvisitatie, die de Staten, op een daartoe strekkend adres van den kerkenraad van Utrecht van 13 Maart 1593, in hunne vergadering van 30 Juli 1593, (deze notulen ontbreken op\'s rijks archief) hadden gelast, dat ten plattelande zou gehouden worden (even als dergelijke kerkvisitatiën vóór de Reformatie door den Bisschop of namens hem door andere hoogere geestelijken van tijd tot tijd gehouden werden), ten einde den verwarden toestand eens op te nemen en te onderzoeken hoe het aldaar gesteld was.

Tot visitatoren benoemden zij toen Jonkheer Frederijck van Zuylen van Nyvelt, Johannes Grerobulus en Gerrit van Block-hoven, beiden predikanten te Utrecht en Hendrich Buth, ouderling aldaar, met last om van hunne bevinding een verslag en rapport uit te brengen aan de Staten.

Deze commissie van visitatoren heeft daarop het geheele platteland van Utrecht afgereisd en persoonlijk een onderzoek in loco gedaan en vervolgens van hunne bevinding een zeer uitvoerig en hoogst belangrijk rapport uitgebracht aan de Staten in September 1593, of, zooals uit eene kantteekening aan het hoofd schijnt te kunnen opgemaakt worden, den 8sten October en Isten November van dat jaar ingeleverd.

Dit belangrijk document, zijnde een officieel stuk, is echter niet meer voorhanden op het rijksarchief te Utrecht, als zijnde bij de bovengemelde groote opruiming in 1816 mede onder de nuttelooze paperassen gevoegd of geraakt, die (naar het oordeel van Gedeputeerden) het bewaren niet waard waren en gevoeglijk voor scheurpapier konden verkocht worden. Gelukkig echter is het toen door professor Heringa opgemerkt, die het gered en

-ocr page 363-

13

voor zich gehouden heeft, krachtens het hem verleend verlof, om uit dien ouden paperassen-roramel te mogen nemen wat hem interesseerde. Na zijn overlijden is het uit diens bibliotheek aangekocht door wijlen professor H. J. Royaards, wiens uitgebreide bibliotheek nog geheel intact wordt geconserveerd door zijne erfgenamen, die mij het document bereidvaardig ter inzage hebben afgestaan en tevens verlof hebben gegeven aan het Historisch Genootschap te Utrecht, om het met bovengemeld adres van den Kerkenraad op te nemen in het VTIe deel der Bijdragen en Mededeelingen van dat Genootschap (blz. 186—267) meteen vrij peremptoir en aanmatigend schrijven van den Kerkenraad daaraan voorafgegaan. Dit stuk wordt onder bijlage XIV overgelegd bij dit Rapport.

Het stuk voert tot opschrift; „Staet ende Gelegenheyt van „de Kercken ten platten Lande in \'t Sticht van Utrecht, Ende „hoe men de volle en behoorlycke Bedieninge derselver bequa-„melyck zoude connen aenstellen.quot;

Na eene uitvoerige vermelding van hunne bevinding van de 54 kerken en kapellen, die zij bezochten en de opgaaf hoe droevig het in de meeste gemeenten gesteld was, volgt (fol. 52) „Recapitulatie van \'t voorgaande Verhael Tot openinge van „den tegenwoordigeq Staet der Kercken van Sticht en platten „Lande gezien; Item van de besettinge van dien en de gelegen-„heyt van dezen tijt; mitsgaders van de middelen (omme als „gemeynd) sulks (zo vele mogelyck is) te verbeterenquot;.

„1°. van den tegenwoordigen staet\'\'.

bevat de namen, het gedrag en verdere mededeelingen over de bedienaars zoo pastoors als predikanten.

In dien aanhef is vermeld dat er toen waren 20 predikanten, die voor „gereformeerd gehouden werdenquot;, 8 „apparente ende „beregt tot de reformatiequot; en 14 „noch in actuelen ende ordi-„naris dienst staende, maer alle t\'zamen onbequaem, edoch „onder de welcke eenige lijdelyek ende zommige zodanich zijn, „dat op haere zaecke (onder correctie) naerder gelet, ende „anders zal moeten gedisponeert wesen, ten eynde alle verder

-ocr page 364-

14

„schandalen van den waren Godsdienst, mogen voorgecomen „werdenquot;.

2 . Fol. 57. „Van de volle aanstellinge des Kerkendienst, in „elck quartierquot;. Loopt over de combinatiën van gemeenten, die de commissie van visitatoren wenschelijk acht en het aanstellen van meerdere predikanten.

3°. Fol. 61. „Middelen omme alle gemeyne fouten in\'t verbael „aangewesen (zoo vele mogelyck is) te verbeteren, ende den „kercken-dienst tot eenen nodigen welstaet te brengenquot;.

Het slot (fol. 64) luidt: „Aldusgerapporteerd ende overgegeven „in de vergaderingen van de Staten desen . . . Septembris A». 1593quot;.

Uit dit verslag blijkt ten volle, dat de bevolking ten platte-lande toen nog grootendeels roomsch was. In bijna alle kerken (voor zoover die niet door den vijand verwoest en verbrand waren), ook zelfs op plaatsen waar reeds predikanten waren, waren nog altaren, waarop te Abcoude nog dagelijks kaarsen onstoken werden, in sommige kerken ook nog beelden aanwezig , te Cothen zelfs nog eene sacristie en te Camerik ook reliquiën. Te Bunnik werd nog op Paschen het paapsche sacrament uitgedeeld en wijwater verkocht door den pastoor, tevens schoolmeester. Te Segvelt predikte de pastoor hier en daar op Paschen de passie voor geld en te Cockengen stond op het kerkhof nog een kruis, behangen met kransen en andere ornamenten, waarhenen zich toen nog bedevaarten richtten.

De visitatoren stellen dan ook in hun rapport onder de middelen van verbetering in de eerste plaats voor:

„dat alle kerekmeesters bij placaet ofte andersins geboden ,wierden, haere kereken van d\'over gebleven outaren ende „andere Reliquiën ende vuylnissen der papisterie, mettere eersten „ende binnen zeeckere praefixen tyt, te doen zuyveren; Item „het superstitieus clockcleppen \'s middachs ende \'s avonts ingelyk „af te schaffen.quot;

Van de pastoors of papen, die nog dienst deden, werden de meesten ongeneigd bevonden, om zich te conformeeren naar

-ocr page 365-

15

de gereformeerde religie en zich te onderwerpen aan het onderzoek en kerkelijk examen, waartoe zij opgeroepen waren. Velen hunner werden door de visitatoren daartoe dan ook gansch onbekwaam geacht. Een hunner, die te Westbroek (alwaar reeds een predikant aanwezig was) dienst deed in \'t geheim, had er zeer op tegen, zeggende in geen drie jaren een boek in handen gehad te hebben. Zij die zeiden, zich te hebben geconformeerd naar de gereformeerde religie waren niet erg te vertrouwen op dit punt en deden het slechts oogenschijnlijk om niet broodeloos te zijn.

De predikanten, eigenlijk slechts evangelisten, door de Staten aangesteld, ter voldoening aan de bepaling van art. 1 van het Redressement, vonden niet altijd bijval bij de bevolking, die aan het oude geloof gehecht bleef. Te Amerongen had de gemeente geen contentement met den nieuw benoemden predikant. Ook op andere plaatsen hadden de predikanten veel moeite om de protestantsche leer en ritus in te voeren, zoodat op onderscheidene plaatsen zij het nog niet tot avondmaals-viering en psalmen zingen hadden kunnen brengen.

ïe Meern, alwaar de gemeente zelf een predikant had beroepen, bleek het, dat deze de roomsche religie was toegedaan (tevens duivelsbezweerder), waarom de onder-maarschalk van het kwartier hem verboden had langer te mogen prediken.

Onder de nog aanwezige pastoors waren slechts enkele eerlijke lieden te vinden, die passabel (lijdehjck) waren, doch de meerderheid der pastoors of die zich als pastoors uitgaven en als zoodanig in de gemeenten doopten, trouwden en andere kerkelijke functiën geregeld of tersluik verrichtten, waren domme, onbeschaafde lieden, deels dronkaards en niet geneigd om de vrouwen, waarmede zij leefden en kinderen bij verwekt hadden te huwen. Die te Lopik-Capel leefde met eene vrouw, die Bagijne was geweest in een convent, waar hij pater was geweest; alles met consent van de mater van het convent; hij weigerde eerst protestantsch te worden, doch verzocht later dit nog in deliberatie te mogen houden. De pastoor te Cockengen werd beschuldigd een doodslag in Groningerland te hebben begaan,

-ocr page 366-

16

terwijl omtrent Maartensdijk in de visitatie gezegd wordt: „ De „Predikant, Schout ende Kerck-meester deden groote dachten „over eenen paep genaemt Willem Laurensz geboren van der „Gouwe, alhier gecomen over 16 jaeren. De welcke eertijds te „Utrecht bordeel opgehouden heeft ende noch dansserijen op-„houdt, en die hem oock onder staet opentlijck duyvelen uit „te jagen ende \'t ontoveren.quot;

Hoewel de visitatoren alleen in last hadden, om het platteland op te nemen, zoo achtten zij zich echter in gemoede verplicht eene mededeeling aan de Staten te doen over den allertreurigsten toestand en het groot schandaal in de bediening der kerk te Montfoort „die bezwaert is met een persoon niet „alleen openbaarlijck als een verrot lidtmaet van \'t Lichaem „Christi sijne Gemeynte alhier binnen Utrecht om sijn conti-„nueel godtloos ongeneeslijk quaet leven afgesneden (wegens „een zaecke die noyt in eenige kercke geleden en is geweest, „self niet in den paeusdom) maar oock hem noch dagelijcks „draegt erger als een openbaer potteboef tot groot schandael „ende cleynachting van de hooge overheyt dezer provincie.quot;

Tevens bidden zij ootmoedelijk en dringend, dat de Staten daarop order zullen stellen.

Doch genoeg hierover. Er blijkt voldoende uit, dat zelfs in 1593 de gereformeerde religie ten plattelande nog lang niet algemeen was aangenomen. Ook in de steden, met namen te Amersfoort en te Montfoort, was de bevolking toen nog voor een goed deel katholiek. Geen wonder dus, dat het le lid der Staten, representeerende de geestelijkheid in \'t algemeen en daarvoor optredende, in 1580, toen de reformatie nog minder was doorgedrongen, dezelve niet als een zoo serieus feiü beschouwde , of de zaken konden mutatis mutandis nog wel blijven op den ouden voet, en volhield, dat het oppergezag over de 2e clergie (parochiekerken), kloosters, abdijen, konventen , enz. even als ook het beheer over de goederen daartoe behoorende, aan de Kapittelen, als representeerende de geestelijkheid, kon en behoorde te blijven.

-ocr page 367-

17

Wij zullen nu overgaan tot de behandeling van hetgeen in de Staten van Utrecht is voorgevallen kort na het sluiten der Unie van Utrecht in 1579.

De geschiedenis der geestelijke goederen na de reformatie in de provincie Utrecht heeft dit belangrijk voordeel, boven die in andere provinciën, dat de Staten \'s Lands van Utrecht van den aanvang af dadelijk den os vierkant bij de horens hebben gevat, door de geestelijke goederen in eens en te zamen in behandeling te nemen; niet successievelijk en bij stukken en brokken, zooals in andere provinciën het geval schijnt geweest te zijn. Zij heeft ook dit voor, dat de Staten te Utrecht dadelijk hun standpunt blootlegden, waarvan zij uitgingen en waarop zij zich baseerden, t. w. de bevoegdheid hun verleend krachtens de Unie van Utrecht, om over de geestelijke goederen te mogen beschikken. Dus niet de theorie van bona vacantia, die de raisonneurs over geestelijke goederen gewoonlijk den Staten toedichten.

In do eerste vergadering der Staten, over de geestelijke zaken en goederen gehouden, op 4 Mei 1580, luidde het Vlo punt van beschrijving aldus: „om te hooren\'t gene die Gedeputeerden van de Staten geadvijseert hebben omme ordre te stellen op de Geestelickeyt en hare goederen.quot; (VerLoren, blz. 496.)

De drie leden der Staten (Geestelijkheid, Ridderschap en Stad en Steden) waren het toen al dadelijk oneens over deze zaak, zoodat er besloten werd, dat ieder der drie leden daarover zijne committenten nader zou raadplegen, ten einde in eene volgende vergadering gezamenlijk daarover te kunnen delibereeren.

Het gerelateerde in de notulen luidt als volgt: (VerLoren, blz. 495.)

„VIe punt: Om te hooren \'t gene die Gedeputeerden van de „Staten geadvyseert hebben omme ordre te stellen op de geeste-„lickheyt ende hare goederen.

„Op \'tVIc; Alsoe die opinien van de drie Staten elcx divers „ende bysonder waeren, zulex dat d\'een mit d\'andere geenssins

-ocr page 368-

18

„en accordeerdou, te weten dat die van do geestelickeyt persis-„teerden bij de pacificatie van Gendt, satisfactie, naarder Unie, „Religionsfrede ende andere solemnele acton ende eeden. Item „dat die Ridderschap het geadvysecrdo goot ende notelyck hervonden , zulkx dat men mitten eersten tot publicatie van „\'t selve zoude procederen. Ende dat die van de Stadt Utrecht, „persisteerden bij zeeckere publicatie desen aengaende van stadts-„wegen gedaen conform zeecker overdracht de anno 1446 op „St. Servaes dach (1) sustinerende daeromme dat hemluyden „conform \'t selve overdracht alleen toequam die kennisse van „de geestelycke goederen ende conventen binnen deze stadt ende „stadts vrijheyt gelegen enz., hebben die Staten reciproce elcx van „de voorschreven opinion begeert copie te hebben, om elcx mitte „zijnen die te communiceren ende daarop een eenparige resolutie te „nemen, continuerende over sulcx dit articule tot op een ander tijt.\'

(Notulen der Staten.)

Tot beter verstand dezer Notulen merken wij aan, dat in het concept der orclre , even als ook in de daarbij behoorende Instructie voor de Gedeputeerden tot de geestelijke zaken (VerLoren blz. 497 en 503), was bepaald, dat de 5 Kapittelen te Utrecht niet zouden zijn begrepen onder de bepalingen daarin vervat en dus vrij bleven, zoodat het alleen de quaestie gold of de mindere geestelijkheid, de zoogenaamde 2e clergie, de kloosterorden en verdere geestelijke corporatiën hunne goederen en het beheer over dezelve zouden behouden. De Kapittelen, als 1ste Lid representeerende de geestelijkheid in \'t algemeen, verzette zich toen en later met groote hardnekkigheid tegen dit laatste.

Daarentegen hield de stad Utrecht, die zich al dadelijk bij den aanvang der Reformatie te Utrecht alle gezag en beheer over de geestelijke goederen had toegekend of toegeëigend, zelfs de Kapittelen te Utrecht had opgeheven, de uitoefening der

(1) Zie lol. 10 van hot Raetsdayelicks bouck van 1446—51, aanwezig op het stadsarchief.

-ocr page 369-

19

roomsche religie had verboden en allerlei diergelijke resolatiën had genomen (zie VerLoren bijlage C, blz. 556 en v.), ook nu vol, dat zij was heer en meester der geestelijke goederen op haar territoir, en dit, in haar oogen ten minste, ook reeds vóór de Reformatie geweest was, blijkens de door haar aangevoerde resolutie van den Eaad van Utrecht, van 1446 St. Servaasdag (Roetsdagelicks-houck van 1446—51 fol. 10, op \'t stadsarchief aanwezig), waarin echter niets anders staat, dan dat het verboden was voortaan eenige wereldlijke goederen tot geestelijke te maken, tenzij met consent van den magistraat.

Het le Lid wilde van het concept der Ordre niets weten , niettegenstaande de Kapittelen en hunne goederen daarbij waren geëxcipiëerd, evenmin als van de daarbij behoorende conceptinstructie voor de Gedeputeerden tot de geestelijke goederen, doch de beide andere leden verklaarden, ter vergadering van 6 Mei 1580 (VerLoren, blz. 426), dat zij een en ander goedkeurden, edoch onder restrictie, aan zijde der stad Utrecht, dat het niet zou gelden voor de goederen gelegen binnen haar territoir, bewerende dat de Staten alleen te zeggen hadden over de goederen en de geestelijkheid daarbuiten. Dit laatste werd echter door het le en 2e lid ontkend.

Na lange deliberatie hierover, verzochten de gecommitteerden voor de stad Utrecht uitstel om met hunne principalen daarover te spreken, en rapporteerden daags daarop, dat de stad wel geneigd was voorshands toe te staan, dat de ordonnantie der gezamenlijke Staten, houdende verbod van aliënatie der geestelijke goederen en gebod tot het inleveren van staten dei-goederen enz., ook binnen de stad Utrecht werd gepubliceerd, maar onder uitdrukkelijk protest en daarvan acte verzoekende, waartegen de Staten hunnerzijds eveneens protest aanteekenden, tegen de bewering der stad Utrecht, sustinerende dat hun riVuyt crachte van der naerder ünie en andersins de dispositie „over die goederen toekwamquot;

quot;Wij vestigen op dit beroep op de Unie van Utrecht, dat ook in \'t hoofd dier resolutie van 6 Mei voorkomt; verbis: „vuijl

-ocr page 370-

20

„craehte van H XITTe artinule van de naerder Uniequot;, in \'t voorbijgaan de aandacht en komen er nader op terug.

De magistraat van Utrecht hield alzoo zijn streng niet al te vast, ten einde met de ridderschap aan de geestelijkheid het hoofd te kunnen bieden en haar het bewind over de goederen der kloosters enz. te kunnen ontnemen. quot;Waarschijnlijk mot de nevengedachte, dat hij, als dit maar eenmaal gebeurd was, later wel zou zorgen te Utrecht de zaken klaar te spelen en het beheer over de geestelijke goederen, in die stad gelegen, aan zich te houden, zooals dan ook facto het geval is geweest, niettegenstaande bij het Redressement van 1586 bepaald was besloten, dat ook de geestelijke goederen in de steden gelegen en gefundeerd onder beheer der Staten zouden komen.

De Staten waren het alzoo onderling oneens, zoodat er in de gemelde vergadering van 6 Mei 1580 eigenlijk niet definitief besloten werd, daar er geene eenstemmigheid was.

Het 2e lid (ridderschap) bracht zijne stem uit ten voordeele van de ontworpen Ordre en vond goed, dat er al dadelijk eene publicatie zou worden afgekondigd, waarbij aan de geestelijkheid werd geïnterdiceerd de aliënatie van hare goederen, tenzij met consent der Staten en voorts, dat er van die goederen rekening aan de Staten zou gedaan worden met opgaaf der goederen, enz. (VekLoken, blz. 496.)

Het 3e lid keurde de Ordre ook goed, doch was tegen de publicatie, in zoover die liep over goederen en orden binnen de stad Utrecht.

Het le lid keurde de Ordre af, doch verstond zich subordinaat met het 2e lid, in zoover, dat het in ieder geval de restrictie van de stad Utrecht verwierp, „seggende in \'ï ver-„mogen van één stadt ofte litmaet alleen nyet te wesen sich „de dispositie van eenighe geestelijcke goederen te onderwijnden, „maer die Staten \'t zamentelijck te competeren.quot;

Het 3e lid maakte daags daaraan, als gezegd, een bijdraaier en gedoogde, dat die publicatie dan maar voorloopig ook in de stad Utrecht zou mogen gepubliceerd worden, doch onder protest.

-ocr page 371-

21

Vergelijk hiermede de vroedschapsresolutiën van Utrecht van 16 Juni 1580. (VerLoren, blz. 558.)

De zaak kwam alzoo in die vergadering var; 6 Mei 1580 niet tot een beslissing, evenmin als in die van 14 Juni 1580, waarin een concept van Gedeputeerden werd ingebracht en gelezen op „de conservatie van de geestelijckheyt ende hare goederen mitsgaders de reformatie die men deshal een in de landen „van Utrecht sail stellenmet daarbij behoorende instructie, voor de meergemelde Gedeputeerden tot de geestelijke goederen, (vermeld bij VerLoren, blz. 503 en volg.).

Het 2e en 3e lid konden zich daarmede toen vereenigen, doch het le lid was en bleef er tegen, om redenen, vervat in eene memorie door hetzelve ingediend (hoofdzakelijk medegedeeld bij VerLoren, blz. 513.).

Nu volgde er een oorlog van memoriën en contra-memoriën tusschen het 2e en 3e lid en het le lid, gewisseld over de gecon-cipieërde Ordre en de gemelde Instructie, plus memoriën door de Gedeputeerden ingeleverd, ter verdediging hunner concepten, waarin men elkander allerlei naar \'t hoofd wierp, doch het le lid stijf op zijn stuk bleef staan, om alles te verwerpen.

Men kan deze memoriën en contra-memoriën, die zeer goed aangeven het standpunt waarop partijen zich plaatsten, in extenso vinden in een register aanwezig op het rijksarchief in de provincie Utrecht nquot;. 186, ten titel hebbende: Register van de Staten van Utrecht, nopende de geestelijkheid en hare goederen, loopende van 6 Mei 1580—21 Augustus 1581 fol. 46 en volg. (gedrukte inventaris blz, 48.) De hoofdinhoud is medegedeeld in mijne verhandeling over de Utrechtsche vicariën onder bijlage XTJI hiernevens gaande, blz. 121 —129.

De slotsom was echter, dat het le lid (de kapittelen), zijne oppositie niet liet varen en ter vergadering van 24 October 1580, zijnerzijds verklaarde, dat zij „d\'Ordre van de geestelickheyt „ende hacren goeden gemaeckt, houden voor nul ende van onweerderC en ingeval de Staten daarbij bleven persistceren, zjj alsdan verzochten „dezelve te doen approberen bjj\'t collegia van de naerder

-ocr page 372-

22

„Unie, zoo syn Excellentie dye saeeke aan hem luyden schijnt „geremitteerd te hebben.quot;

De ridderschap en de steden verklaarden daarop „dat zij van „intentie zijn dye ordinantie in dit artikel (n0. VII der beschreven „punten) geroerd, staende te houden, ende dat men dye zal doen „approberen by de Unie en hebben omme dye approbatie te ver-„volgen gedeputeert Frederick Vuyten Engh ende Maximiliaen „Baecx. (VerLoren, blz. 517.)

Zoo liep het dan af omtrent de Ordre.

Met de Instructie voor de Gedeputeerden tot de geestelijke zaken (die de Ordre zouden uitvoeren), vlotte het evenmin. Een jaar later, op 31 Mei 1581, waren de drie Staten ter vergadering beschreven en vergadert „omme eyntelijck tapproberen dinstructie „gemaeckt voor de Gedeputeerden, die opsicht zullen hebben „op de goederen van de conventenquot; — doch werd „na lange „communicatie daerop gehad deze zaecke gecontinueerd, en dat „de steden copie dier Instructie zouden bekomen.quot; Inmiddels echter werd wegens het urgente der zaak goedgevonden, dat de Gedeputeerden Mr. Johan van Schade, Claes van Oostrum en Peter Poeyt order zouden stellen op de conventen van Oostbroek en de Regulieren „endequot;, wegens \'t verloop dier conventen, „met „den eersten zouden disponeren op de alimentatie als andersins.quot; (VekLoren , blz. 517.)

Op 10 Augustus 1581 was het met die Instructie nog niet in \'t gereede en werd daarover nog geene stemming gehouden, doch werden alstoen gemelde Mr. Johan van Schade, Nyclaes van Oostrum ende Peter Poeyt gecommitteerd, om daarover te hesoiyneeren.

Er werd nu eene memorie ingeleverd „van \'t gheene die van „de Ridderschap, Stadt en de Steden van den Lande van Utrecht „versoecken dat die van de geestelickheyt gencraelijck ende „particulierlijck sullen voorcommen, volgende dordinantie ende „resolutie vande Staten tot meermael ende merckelijck op den „11 (10?) Augusti anno (15)81 genomen.quot; (VerLoren, blz. 518.)

-ocr page 373-

23

De inhoud komt nagenoeg geheel overeen met de voorgestelde Instructie.

Wat daarop verder gevolgd is, blijkt niet recht, doch de geestelijkheid werkte in zoover mede tot de uitvoering derzelve, dat er ook voor het le lid iemand zitting nam in die commissie van Gedeputeerden voor de geestelijke zaken, die dan ook hangend? de verdere deli oeratiön maar voortging met de zaken der geestelijke goederen in coucreto te regelen naar advenant van zaken.

Do regeeringen der steden gingen echter ook haar gang met over de geestelijke goederen, binnen hun ressort gelegen , te disponeereii, zooveel zij slechts konden. Van ocne approbatie der Ordre op de Geestelijkheid en hare (jocderen door de Unie van Utrecht, hoorde men niets, zoodat die in dc schoenen schijnt gezakt te zijn. ïen minste de Gedeputeerden tot de geestelijke zaken en goederen (de latere Directiekamer), waarin als gezegd ook één Gedeputeerde was uit de geestelijkheid , (zie art. 1 der Instructie : VeuLorex, blz. 504) ging haar gang, alsof de approbatie ingekomen of wel niet noodig bevonden was. De geestelijkheid, ziende, dat het protestantisme gaandeweg veld won en dat zij terrein begon te verliezen, schijnt langzamerhand haren tegenstand te hebben laten rusten en zich in het onvermijdelijke te hebben geschikt. Althans in 1586, bij de debatten over het Redressement, kwam zij niet meer voor den dag met hare vroegere sustenuen (doch de steden waren toen nog even onhandelbaar in hun verzot). De zaak marcheerde alzoo en de stadhouder liet bij placaat van 26 Augustus 1581 (Utrechtsch Placaathoek I blz. 350) de exercitie der roomsche religie provisioneel verbieden, invoege als zulks bij art. XXIXvan de Ordre was verboden, met bijvoeging echter, dat de pastoors ook de kinderen zouden mogen doopen: „sondor nogtans eenige „ceremoniën van de Roomsche kerke, ofte andere ceremoniën „te mogen gebruyken, dan bij onsen Heere Jesu Christo ingesteld zijn , alles op peyne ende privatie als boven.quot; Met dit verbod van exercitie der roomsche religie werd niet bedoeld, dat de pastoors geen dienst meer mochten doen en de roomschen

-ocr page 374-

24

in het geheel geen godsdienst mochten houden, maar alleen , dat daarbij geene missen meer muehten gohouden worden of andere paapsche ceremoniën en superstitiën, zooals blijkt uit bovenbedoeld art. XXIX der Ordre op de geestelijkheid v. 1580 (VerLorex, blz. 501). Bij de bovengemelde visitatie der kerken ten plattelande, in 1593 gehouden, vonden de visitatoren dan ook op een groot aantal dorpen nog steeds pastoors in functie. De stadhouder beschouwde dus, evenals ook de Staten ia \'t algemeen, de Ordre als geldig en vatbaar om ten uitvoer gelegd te kunnen worden, niettegenstaande het protest aan zijde van het 1ste lid, en het gedeeltelijk protest van den kant van het 3de lid. Of nu die Ordre, ingevolge hetgeen ter vergadering der Staten van 24 October 1580 (VerLoren blz. 516) was besloten, werkelijk aan de approbatie der Unie is onderworpen en of dit collegie die werkelijk heeft geapprobeerd, dan wel zich daartoe onbevoegd rekende, of misschien de zaak maar stil heeft laten rusten, zonder er iets aan te doen, — is onbekend. Doch zooveel is zeker, dat uit het gemelde placaat van 26 Augustus 1581 blijkt, dat althans de Stadhouder die Ordre toen reeds als wettig en geldig beschouwde. De oppositie van het 1ste lid zou dan ook misschien wel dood gebloed zijn en de zaak met de particularisten (de steden) misschien ook wel bij transactie gevonden zijn, indien de Synode-nationaal in 1586 er zich niet mede had gaan bemoeien, door aan den stadhouder te verzoeken, dat er ordre gesteld zou worden op de geestelijke goederen „ende insonderheyt „opte alimentatie van de Predicanten des goddelycke woorts, „schoolmeesters ende costers van de Stadt, Steden ende Landen „van Utrecht.quot; (VerLoreït, blz. 523.)

De predikanten door de Staten aangesteld leden dan ook gebrek en hadden een karig inkomen , daar zij de inkomsten van biecht, doopen, trouwen, laatst oliesel, zielmissen, enz. misten, eu bovendien aldaar nog de concurrentie der overgebleven pastoors en hunnen aanhang hadden te verduren, doordien het protestantisme ten plattelande geen algemeen bijval vond bij het volk.

-ocr page 375-

25

Deze onvoldoende toestand blijkt behalve uit de gemelde rekening van Ploris van Weede over 1586/8, ook uit de reeds aangehaalde Kerkvisitatie ten plattclande in 1593 gehouden, nadat het liedressement van 1586 reeds was aangenomen en in werking gebracht. Vele predikanten hadden zelfs ook toen nog een kommervol bestaan en beklaagden zich over geringe inkomsten. Onderscheidene hunner waren tevens koster en schoolmeester; te Maartensdijk moest de predikant zelf de klok luiden vóór den aanvang der predikatie, bij gebreke van klokkeluider. Met de schoolmeesters en kosters was het eveneens gesteld, voor zoover er die waren. De meeste pastoors waren toen ook tevens schoolmeester; die te Eembrugge ontving daarvoor 8 stuivers \'sjaars per kind.

De kerkfondsen (kerkfabrieken) waren gering en op vele plaatsen in de war, bovendien de opbrengst der landerijen, ten gevolge van den oorlog, op sommige plaatsen zeer gering. Te Leersum bedroegen de inkomsten ƒ 2 \'s jaars en te Amerongen leverde de kerkfabriek nog geen f 1 op. Een aantal kerken waren in den oorlog verwoest en verbrand, zoodat er geen dienst in kon gehouden worden. Tijdens de visitatie in 1593 lagen er onderscheidene nog steeds verwoest en andere waren slechts onvoldoende gerepareerd, zoodat er nauwelijks dienst in kon gehouden worden.

Er bestond dus voor de Synode in 1586 alle reden, om zich te beklagen over den geheel onvoldoenden toestand, waarin destijds de protestantsehe eeredienst en hare bedienaars, kosters en schoolmeesters verkeerden.

De stadhouder stelde dit verzoek der Synode in handen van den Raad van Staten binnen Utrecht (voortgesproten uit de Unie van Utrecht) „ten eijndo dezelve eenen goeden voet ramen „ende zekere instructie instellen souden, nade welcke dvoorz. „geestelijcke goederen ende den aenhanck vandijen souden mogen „worden geregeert bij sekere personen tot de directie van dezelve „goederen te committeren.quot;

De opdracht was dus niet om te beslissen op het different

-ocr page 376-

26

tusachen de drie leden der Staten gerezen en de approbatie van de Ordre op de geestelijkheid, zooals ter vergadering van de Staten van 24 October 1580 was besloten, — maar om eene regeling daarover te maken, onafhankelijk van de Ordre en met het oog op het verlangen van de Synode.

De Staten betoonden zich alleszins geneigd, om aan dit verlangen en het schrijven van den stadhouder te voldoen (zooals in den aanhef van het Redressement door hen wordt gezegd) en om met de heereu van Meetkercken, Raad van Staten en van Brakel, hoofd van finantiën, door middel van hunne Gedeputeerden, in overleg te treden, tot het opmaken van een concept te dier zake.

Zij merkten daarbij tevens aan, dat zij Staten daarin bereids hadden voorzien „maer dat d\'executie van dien deur gebreke „van behoorlycke auctoritejjt achterwegen gebleven is.quot; Zij verlangden dus thans eene ordonnantie of document te bekomen, dat den vuurproef kon doorstaan en waarmede men iets kon uitrichten tegen onwilligen in of buiten de Staten.

Het concept door deze commissie of gedelegeerden opgemaakt, onder den titel van Redressement op de geestelijke goederen, kwam als 2de punt van beschrijving, in de vergadering der drie leden van de Staten van 18 October 1586 ter tafel en in behandeling, welke vergadering gecontinueerd werd op 28 October, waarbij de artikelen een voor een werden behandeld, zooals zij waren voorgesteld. Zij zijn vermeld in de notulen, met de discussiën en de beslissing daarover in margine, naar de toenmalige wijze van notulering, die vrij wat beknopter was dan tegenwoordig.

Het concept werd dus behoorlijk behandeld en afgehaadeld en later op 27 November 1586 door Leycester bekrachtigd en geteekend. Het is dus een authentiek stuk, dat op wettige wijze is gearresteerd door de toenmalige souvereine Staten, kracht van wet heeft bekomen en ook thans nog heeft, voor zoover daarvan door latere wetten of wettelijke verordeningen niet is afgeweken.

-ocr page 377-

27

Dat de Staten het niet in allen deele feitelijk hebben kunnen ten uitvoer leggen, door den tegenstand der stedelijke regeeringen collators of anderen, kan de verbindbaarheid daarvan niet opheffen. Evenmin is die verbindbaarheid twijfelachtig, omdat bij de behandeling van artt. 3, 4, 5, 6 en 7 de steden weder opkwamen met ie vroegere bewering, door de stad Utrecht bij de Ordre in 1580 gedaan: dat het bewind en beheer over de geestelijke goederen, gelegen respectievelijk binnen haar ressort, niet aan de Staten maar aan haar respectievelijk toekwam. De beide andere leden der Staten (le en 2e lid) toch, verklaarden bij de behandeling van art. IV (zie VerLoken, blz. 526), dat zij bleven persisteeren bij het artikel zooals het was ontworpen en dit aannamen, of anders de steden het different aan den stadhouder zouden onderwerpen ter decisie. De steden verklaarden daartoe geen last te hebben, maar dat zjj hunne principalen zulks zouden communi-ceeren en in de daarop volgende week of op de naaste beschrijving daarvan rapport zouden inbrengen.

Dit rapport is echter nooit ingekomen, noch in de naastvol-gende beschrijving (28 October), noch ook later, zooals mij gebleken is uit een nauwkeurig onderzoek der Staten notulen, op mijn verzoek door den rijksarchivaris gedaan, waarvan het resultaat was, dat van af 18 October 1586—4 Februari 1587 niets naders daaromtrent is te vinden. Men moet het er dus voor houden, dat de steden hun protest in den steek hebben gelaten, misschien wel in de overtuiging, dat zij facto wel zouden zorgen, dat de Staten het artikel binnen het territoir der respectieve steden niet ten uitvoer legden, zooals ook later gebeurd is.

Bij de behandeling van art. Vil, toen het 3e lid nogmaals het protest herhaalde, verklaarden de Staten; „ als hoven (te weten dat zij het artikel goedkeurden) en „ dat die steden de „meeste opinien (meerderheid) volgen moetend Ditzelfde beginsel, dat de minderheid in de Staten niet kon beletten, dat de meerderheid haar overstemde, was ook reeds bij de deliberatie over art. I aangenomen (VerLoren, blz, 524) en dan ook vroeger, in 1580. door de steden zeiven gehuldigd (zie VerLoren, blz. 123).

-ocr page 378-

28

Van een protest van het le lid, op de gronden, die het tijdens de beraadslagingen over de Ordre en de Instructie in 1580 te berde bracht, is in de beraadslagingen over het Redressement niets tc vinden. Het schijnt alzoo, dat het le lid, ziende dat het door don vooruitgang die de Reformatie steeds maakte, dc mindere geestelijkheid, kloosters en conventen toch niet konde redden, noch tegen den stroom opzeilen, zich verder niet heeft geroerd, maar geschikt in het onvermijdelijke, tevreden zijnde, dat ten minste zij zeiven in hunne kapittel-goederen buiten schot bleven. Het zorgde echter (bij art. \\ II), dat ten minste de kerkgoederen en armengoederen er buiten bleven en bestreed nu met hot 2e lid de pretension van het 3e lid, dat voor de respectieve steden het beheer en de beschikking dor aldaar gelegen geestelijke goederen verlangde — door art. VII gaaf aan te nemen en het 3e lid te overstemmen, dat in 1580 bij de Ordre haar had overstemd met het 2e lid

Het is onverklaarbaar, dat dit gewichtige document, dat als het ware als de grondwet voor do gewezen geestelijke goederen is te beschouwen, geheel in vergetelheid geraakt en tot nu toe totaal onbekend gebleven is, niettegenstaande het toch in zijn geheel is opgenomen in de Notulen der Staten, als ook in het reeds gemelde register nü. 186 van het rijksarchief te Utrecht (gedr. Inventaris blz. 48). Eerst in 1881 is het met de bovengemelde Ordre op de geestelijkheid en hare goederen gepubliceerd, onder de bijlagen behoorende bij mijne verhandeling (onder bijlage XIH bij dit rapport gevoegd), nadat mr. Koker in zijne bekende dissertatie over dc vicariegoederen in Nederland, 1857 , voor het eerst daarvan gewag gemaakt had.

In het Utrechtsch Placaatboek van van de Water komt het niet voor, misschien omdat het toen reeds in vergetelheid was geraakt of wel omdat het niet bij Placaat of Ordonnantie was afgekondigd, zoodat het alleen in de Notulen der Staten was te vinden en in originali berustte ter Griffie der Staten. Do ijverige Matthaeus maakt er nergens eenig gewag van, zoodat hij het niet schijnt gekend te hebben. Natuurlijk wordt het ook

-ocr page 379-

29

niet vermeld in het arrest van het Provinciaal Grerechtshof in Utrecht van 6 December 1858 {Weekblad van het liegt nu. 2024), waaraan het ook geheel onbekend was.

Daar het document (nauwkeurig gecollationeerd door den rijksarchivaris te Utrecht) in zijn geheel met de beraadslagingen is opgenomen in de bijlagen mijner verhandeling, pag. 522—533. vermeen ik kortheidshalve naar den inhoud van het stuk zelf te kunnen verwijzen. Op de hoofdstrekking, die, even als de inhoud, nagenoeg overeenkomt met de Orr/re, kom ik zoo dadelijk nader terug.

Het Redresaement werd alzoo aangenomen en de diverse rentmeesters daarbij bedoeld zijn door de Staten benoemd en aangesteld, daaronder ook een voor de gebenificieerde goederen, dat zijn de gecombineerde pastorie- en vieariegoederen en die der broederschappen.

Het kwam er nu maar op aan, om het redressement ter uitvoering te leggen. Dit laatste viel erg tegen, ten minste in de steden. De steden waren wel overstemd door het le en 2e lid, maar werkten facto tegen, zooveel zij slechts konden, ten aanzien der goederen in hunne respectieve territoiren gelegen, door geene opgaven te doen, geene inlichtingen te geven, en steeds te blijven protesteeren tegen het aangenomen beginsel, dat het beheer over de geestelijke goederen, ook die welke in steden waren gelegen en gefundeerd, aan de Staten toekwam, en in \'t algemeen door te handelen, alsof het redressement voor haar en voor haar territoiren niet bestond. Ook ten platte-lande vond de rentmeestei\' der gebenificieerde goederen hier en daar tegenstand, zooals hierna zal blijken bij de afzonderlijke behandeling der vicariën.

De Staten deden wel hun best, om zooveel mogelijk de bepalingen op het redressement in werking te brengen en lieten die niet los, als zijnde wettig daargesteld. Zij konden echter den grooten feitelijken tegenstand in de steden slechts gedeeltelijk overwinnen.

Dit heft echter de wettigheid en verbindbaarheid van hot

-ocr page 380-

30

Redressement, zoowel toen als ook thans, niet op. Al hebben de steden geprotesteerd tegen de ten uitvoerlegging van sommige artikelen vau het Redressement (die bij meerheid van stemmen waren aangenomen) en al hebben de Staten die bepalingen in de diverse steden niet volledig kunnen ten uitvoerleggen, dan hief die tegenstand hunne bevoegdheid niet op, om over de geestelijke goederen te beschikken krachtens de bepalingen der Unie en hot wettig tot stand gekomen Redressement , veel minder hunne eigendomsrechten of andere rechten op de geestelijke goederen.

Ditzelfde principe, dat het protesteeren tegen eene wettig daar-gestelde ordonnantie of resolutie der Staten die niet opheft, vindt men ook gehuldigd door den Advocaat-Fiscaal bij den Hove van Holland (W. van Strijen) in zijne consideratiën, overgegeven aan den Hove van Holland ter wederlegging van de deductie der ridderschap in Holland (medegedeeld bij Koker, Vicariegoederen in Nederland, blz. 9 en volg.), als hij zegt, dat de bewering van de ridderschap, dat de resolutie der Staten van Holland zoude zijn vervallen door de oppositie daartegen gevallen, erroneus is „dewijl de oppositien niet alleen niet en „hebben connen veranderen de meriten van de saeck selfs, maer „omdat oock deselve bij Haer Ed. Gr. Mo. noyt voor gefondeert „sijn aangenomen.quot; (ibid. blz. 18)

De Staten hebben dan ook nooit het Redressement ingetrokken of de bepalingen daarvan gewijzigd of veranderd, maar alleen op sommige punten daaraan later eenige toevoegingen en uitbreidingen bij afzonderlijke ordonnantiën en placaten gegeven.

Het redressement bleef gelden en geldt nog steeds, zoodat waar de Staat thans bij machte is bepalingen te handhaven, die de Staten indertijd onmachtig waren uit te voeren, hem zulks vrijstaat, tenzij zijne rechten door verjaring zijn te niet gegaan of wel de rechtsvordering is verjaard.

Het zou ons te ver voeren, indien wij ons begaven in eene opsomming van al de geschillen, onaangenaamheden en twisten, die er successievelijk tusschen de Staten en de afzonderlijke steden over de (gewezen) geestelijke goederen in de ten uitvoer-

-ocr page 381-

31

legging van het Redressement zijn gerezen of ontstanu. Het weerbarstige Amersfoort, gesteund door een advies van Jan van Oldenbarneveld van 13 December 1509 en 19 Februari 1C02 (zie bijlage VTI behoorende bij dit rapport litt. D, blz. 2 en E, blz. 27), roerde zicli (als gewoonlijk) in de voornaamste plaats. Nu het zijn zin niet had kunnen krijgen, om de bepalingen van art. 3 — 7 uit het redressement te lichten, en er van eene beslissing door de Unie op het protest der steden daartegen gericht, niets gebeurde, zocht het heil in feitelijkcn wederstand.

In het advies van Oldenbarneveld (geboren Amersfoorter) over de remonstrantiën hem medegedeeld, die de magistraat te Amersfoort voornemens was aan de Staten te doen, beweert hij, dat de gemeene Staten van Utrecht nooit de dispositie hebben gehad over de geestelijke goederen gelegen binnen de steden \'s lands van Utrecht, maar de superintendentie daarover steeds heeft toegekomen aan de regeerders der respectieve steden. Verder raadt hij aan, dat de regeering van Amersfoort bij de Staten moet aandringen, om de zaak in suspens te houden, op de verleende surcheantie (vergelijk art. 26 der instructie van den ontvanger der gebenificieerde goederen, VerLoreu, blz. 541) en de regeering van Amersfoort moet blijven volhouden, dat de Staten niet bevoegd zijn, deze zaak zeiven te beslissen en de ordinaris justitie ten deze ook niet competent is, doch dat het geschil zou moeten uitgemaakt worden „na de naerdere Unie Vvan Utrecht, ofte het tract net mïtte Coninklijche Mat(jesteit) Vvav Eng elan t, op welcke gesustineerde apparentelick verstaen „zal worden, best te wesen de saecke te laten als die nu is.quot;

Dit huismiddeltje van van Oldenbarneveld, om het different zooveel mogelijk in den doofpot te doen smoren, werd dan ook aangewend, toen de Staten iu 1588 Anselmus Ruysch benoemden, om te Amersfoort de pachten en inkomsten der geestelijke goederen aldaar gelegen te gaan invorderen. Daartegen zond nu de magistraat van Amersfoort een hevig protest aan de Staten, eindigende met het dreigement dat „ingevalle mijn Here State „die geestelickc goederen alliijer souden datelicke en buyten

-ocr page 382-

32

„formen van Recht aenveerden (als \'t is verstaen) verclarea die „van magistraet dat zyluyden geauctoriseert sullen worden van „gelyeken te doen aen geestelicke goderen te Utrecht thuys „behorende.quot; Zij doelden in \'t bijzonder, zooals uit voorafgaande woorden blijkt op de abdij goederen van St. Paulus, zoover deze op Amersfoortsch grondgebied lagen. (Zie VerLoren, blz. 564).

Deze bedreiging schijnt geholpen te hebben, ten minste de magistraat te Amersfoort bleef zich handhaven in de administratie en hot beheer der kloostergoederen, dat hij dadelijk na de reformatie zich had aangematigd en stelde die onder beheer van een rentmeester der mansconveaten en een over de vrouwenconventen , die rekening deden aan den magistraat van Amersfoort.

Het batig slot der rekening (zoo er een was) werd jaarlijks opgenomen in de rekening van den cameraar-thesaurier. In 1807 echter werden deze beide rentmeesters, met den cameraar van het trekpad en eenige andere afzonderlijke ontvangers of rentmeesters opgeruimd, zoodat de thesaurier, ook wel cameraar genaamd, nu zelf die gelden en goederen administreerde ec in het nieuwe model zijner rekening aüe ontvangsten en uitgaven, ook der voormalige geestelijke goederen, rechtstreeks werden opgenomen en verantwoord en niet bloot als slot van rekening dier onder-rentmeesters.

Alleen de rentmeester van de tertiën der vicariën bleef bestaan, zooals hieronder in § 6, geheneficieerde goederen te Amersfoort, nader zal uiteengezet worden. Wat er verder is geworden van de kloosters, conventen enz. te Amersfoort kan men vinden bij VerLoren, blz. 142 noot

De Staten zagen er tegen op, om geweld te gebruiken en begonnen water in hun wijn te doen en hun beheer over de geestelijke goederen gedeeltelijk prijs te geven, waaruit echter nog niet volgt, dat zij ook hun eigendom dier goederen afstonden aan de stad Amersfoort. Aanvankelijk schijnen dan ook de regeerders van Amersfoort, bij vervreemding dier goederen, daarvoor consent aan de Staten gevraagd te hebben. (Zie VerLoren, blz. 142 noot), doch van lieverlede werd dit ook al achterwege gelaten.

-ocr page 383-

33

In Utrecht en in de overige steden ging het evenzoo toe en konden de Staten zich niet ten volle handhaven. zonder echter hunne rechten bepaald op te geven.

Men moet daarbij niet vergeten, dat de Stad en Steden altijd uitmaakten en bleven uitmaken het 3« lid der Staten, zoodat * tegen dezen vijand in eigen boezem met omzichtigheid diende te werk gegaan te worden.

Bovendien moet men in \'t oog houden, dat de gemeene Staten, door in 1580 en 1586 de goederen van het le lid (kapittelen) te excipieeren van de bepalingen der Ordre en het Redressement, en het beheer en bestuur daarvan te laten aan de respectieve kapittelen te Utrecht, in eene eenigszins valsche positie waren geraakt. Nu de steden als 3e lid hetzelfde vroegen voor hunne stedelijke geestelijke goederen, kon men de steden dat eigenlijk ook niet weigeren.

Dit was dan ook waarschijnlijk de reden, dat niettegenstaande de steden bij de stemming over art. Ill—VII van het Redressement waren overstemd en er besloten was, dat de meeste opiniën moesten gelden, — (VerLüren, blzz. 524 en 527) — desniettemin de uitvoering van deze artikelen tegen de steden met moderatie geschiedde en het ten slotte bij die ten uitvoerlegging tot een compromis kwam en tot een modus vivendi, waarbij de Staten, dat is, de gemeene Staten toch een deel der geestelijke goederen in de steden gelegen voor zich wisten te behouden.

Aan de gemeene Staten, dat is de 3 leden te zamen, verbleven de goederen en het beheer door rentmeesters van hunnentwege aangesteld, van de abdij van St. Paulus, de conventen der Carthuysers, en dat van Oostbroek, benevens de Ordre van St. Jan met het convent van St. Catharijne, allen te Utrecht, St. Marienburg te Soest, St. Agatha te Rhenen en Maria Mag-dalena te Wijk bij Duurstede. Later echter werden de goederen der Ordre van St. Jan en de administratie daarover, voor zooveel betreft de commandeur ij en , tusschen de drie leden verdeeld bij loting.

De stad Utrecht ontving onder haar beheer de goederen der

3L

-ocr page 384-

34

coinmanfleurijcn van Ingen en die van \'s Heerenloo, onder voorwaarde nochtans van de revenuen te moeten bezigen tot oprichting eener illustre school of tot andere pios usus.

Het beheer over de vijf bovengemelde jufferen-conventen te Utrecht kwam aan het 2e lid, dat daarover twee rentmeesters aanstelde.

Van de overige kloostergoederen is het beheer fado gebleven aan de regeeringen der respectieve steden, die zich vóór 1586 van dat beheer reeds hadden meester gemaakt en daarover rentmeesters hadden aangesteld.

De opbrengsten daarvan werden, gedeeltelijk althans, in iedere stad besteed, om de predikanten aldaar te onderhouden. (Zie daarover uitvoeriger bij VerLoren, blz. 141.)

Over de pastorie- en vicarie-goederen, dat is de geheneficieerde goederen in de steden zal in § 4—9 afzonderlijk gehandeld worden.

Met het Redressement der geestelijke goederen van 1586 is de rij der algemeene bepalingen over de geestelijke goederen gesloten. Het is nimmer gewijzigd of herroepen. Later vindt men slechts resolutiën, placaten en ordonnantiën over afzonderlijke soorten van geestelijke goederen. Meestal echter, en vooral in later tijd, deden de ordinaris Gedeputeerden of wel de speciale Gedeputeerden tot de geestelijke goederen (Directie Kamer) de zaken af, zonder de Staten er in te moeien. De goederen die de gemeene Staten voor zich hadden weten te behouden, zoo onder Utrecht als ten plattelande, werden door hunne rentmeesters beheerd. Natuurlijk bleef de eigendom dier goederen aan de gemeene Staten Maar ook de eigendom der overige goederen, die aan afzonderlijke leden der Staten in beheer waren gegeven of door de steden facto in beheer waren genomen, bleef aan de Staten, zoodat de vervreemding alleen met consent der Staten kon geschieden. Zoo werd b. v. het mannenklooster van Marienhof te Amersfoort door de regeering aldaar ingericht tot een weeshuis met consent der Staten, waaraan deze toevoegden ƒ 400.— \'sjaars uit het convent van St. Jan, mannenklooster te Amersfoort. (Zie Ver-Lorex blz. 142 noot.)

-ocr page 385-

35

Langzamerhand schijnt echter dit vragen van consent aan de Staten te zijn veronachtzaamd, toen de kloosters meestal afgebroken waren of tot andere doeleinden ingericht, de goederen vervreemd waren en de koopprijzen belegd. Zoo is het te Utrecht ook gegaan met de goederen der broederschappen, welke de stad zich toegeëigend heeft, nadat die (godsdienstige) vereenigingen door de stad opgeheven en uit elkander gegaan waren.

Het nieuwe Eegerings-Reglement in de provincie Utrecht van 16 April 1674 (Utrechtsch Placaathoek I, blz. 169) was echter in zekeren zin weder een algemeene regeling de (gewezen) geestelijke goederen betreffende. Het is evenwel voor de quaestie van den eigendom dier goederen van weinig of liever geen invloed geweest. Het betrof eigenlijk slechts de begeving der voordeelen en ambten van sommige geestelijke goederen, in \'t bijzonder van de vijf kapittelen, wier gedelegeerden of zoogenaamde geëligeerden het le lid der Staten uitmaakten.

Het le lid was daarover natuurlijk zeer verbolgen, protesteerde en roerde zich heftig in de vergaderingen der Staten, doch werd even als in 1580. weder overstemd door het 2e en 3e lid, die het ter vergadering van 24 September 1678 deden weten „dat „Haar Ed. Mog. hadden verstaen dat sonder langere tergiver-„satie door de capittelen behoorde nagekomen te worden hetgeen „de instructie van den Rentmeester der pieuse zaken betrekkelijk „hen inhield.quot;

Bij eene rescriptie van 5 December 1678 zeiden de staten „dat zij de Capittelen nu andermael gansch ernstig lasten en „ordonneren, om binnen zes weken daaraan te voldoen, ten „einde niet te worden genecessiteert soodanige andere middelen „van contrainte in \'t werck te stellen, als zij zullen goedvinden „dat bij de hand genomen moeten worden.quot;

De zaak werd ten slotte door eene transactie en conventie, tusschen den stadhouder en de kapittelen, den 4 Mei 1684 aangegaan, gevonden. (Zie VerLorex, blz. 151.)

Zooals gezegd is waren bij het Ecdressement en de Ordre de kapittelen te Utrecht en hare goedereu bepaald vrijgesteld, doch

-ocr page 386-

36

was er in het rcgeerings-reglement bepaald, dat de begeving der proostdijen (preposituren) alsook der canouisiën (kanunikken-plaatsen) in de zoogenaamde staten-maanden openvallende en verder de voordracht van vicarissen in do vicariën, vroeger aan de respectieve proosten, dekens of kapittelen gecompeteerd hebbende en de aanstelling van een caraeraar of rentmeester over die kapittel-vicariën, voortaan zou overgaan op den stadhouder.

Voor zooveel betreft de staten-conventen in Utrecht en andere steden, hield het rcgeerings-reglement alleen in, dat voortaan de stadhouder de prebendarissen, de conventualen benevens de rentmeesters derzelve zou benoemen en dat, zoo er na aftrek der uitgaven zoo voor de goederen zelve als voor de piëteiten, die gewoonlijk uit ieder dier comptoiren betaald werden, nog iets overschoot uit de respectieve inkomsten dier (gewezen) conventen, dat niet bestenul was voor de piibliecqne zaken, doch door de Staten gebruikt was om dquot;1 een of d^under familie te beneficieeren, de stadhouder daarover dan de dispositie zou hebben. (Zie VerLoren, blz. 147.) Aan dit laatste had echter de stadhouder niet veel, want de Staten zorgden wel, dat er niets overschoot.

De opnoeming van dit een en ander kan men vinden in een Blaffert der beneficiën staande ter begeving van den stadhouder Willem III en behoorende tot het comptoir der pieuse zaken, berustende op het stadsarchief te Utrecht. (Voorl. n0. 524. Zie VerLoren, blz, 149.)

Over dit een en ander dat den stadhouder toeviel, werd een nieuw comptoir opgericht, onder den naam van Comptoir der pieuse zaken, waarover alleen de stadhouder te zeggen had en welks rentmeester (A. Gentman), die tevens was rentmeester der stadhouderlijke vicariën (waarover nader), door hem werd aangesteld en aan hem rekening deed.

Wat er van dit comptoir der pieuse zaken na het overlijden van Willem III geworden is, blijkt niet, evenmin waar de archieven van hetzelve zijn gebleven.

-ocr page 387-

37

De grootste invloed, die het regeerings-reglement van 1674 nog gehad heeft, was, dat daarbij bepaald was, dat de stadhouder twee sur-intendenten zou instellen, die in alles wat de gewezen geestelijke goederen betrof, buiten en behalve de directie kamer, moesten gehoord worden.

Deze sur-intendenten treft men dan ook nog in de vorige eeuw aan. In de resolutiëa der Gedeputeerde Staten, betreffende afzonderlijke vicariën of andere geestelijke goederen, vindt men dan ook meestal in het hoofd vermeld, dat hun advies en dat der Gedeputeerden tot de geestelijke zaken (dat is directiekamer) gehoord was. Deze directiekamer was toen echter langzamerhand tot een dood lichaam geworden, nadat de Gedeputeerden zelven van lieverlede de behandeling en afdoening van zaken tot zich getrokken hadden.

Na alzoo den algemeenen gang van zaken na 1580 te hebben vermeld, zullen wij nader stilstaan bij het Bedressement zelf en den inhoud van dien.

quot;Welke is nu de hoofdstrekking van de Ordre op de geestelijkheid en hare cjoederen van 1580 (Ver-Loren, blz. 497 en v.) en van het latere Bedressement op de geestelijke goederen van 1586 (YerLorex, blz. 522 en v.) met de daarbij respectievelijk behoorende instructiën (VerLoren, blz. 503 en v. en blz, 536 en v.) ?

Wanneer men de Ordre van 1580 en de Instructie daarbij behoorende in zijn geheel leest en in verband beschouwt met de aangehaalde memoriën en de notulen der Staten, dan is het duidelijk, voor ieder wiens blik niet is beneveld door een systeem , dat hij zich vooraf gemaakt en in \'t hoofd heeft gezet zonder voorafgaand historisch onderzoek, dat, als historisch vaststaande is aan te nemen:

1° dat reeds in 1580 de strekking niet was, om bloot eenige bepalingen van toezicht te maken op het beheer der geestelijkheid over die goederen, maar dat het toen reeds te doen was, om haar het beheer daarover te ontnemen, evenals ook de macht

-ocr page 388-

38

tot vervreemding, tenzij met uitdrukkelijk consent der Staten en dat de daarover gestelde rentmeesters en beheerders voortaan niet meer aan de geestelijken, maar aan de Staten of hunne Gedeputeerden ondergeschikt waren en verantwoording moesten doen. Met der daad gingen dus de goederen van de kerk of zoo men wil van de geestelijkheid over in handen van de Staten, al werd dit niet met zoovele woorden gezegd. Van daar dan ook die hevige tegenstand van het le lid der Staten, niettegenstaande de kapittelen zeiven en hunne goederen er buiten bleven;

2° dat de goederen en de inkomsten derzelve door de Staten en onder hun beheer, in \'t algemeen zouden aangewend worden tot godvruchtige doeleinden, zonder dat echter de Staten zich ten opzichte van iemand of eenige stichting, corporatie of wat dan ook, speciaal daartoe verbonden ;

3° dat een en ander wel is waar voorloopig werd bepaald, maar toch geldig bleef, totdat het door nadere bepalingen zou zijn uitgebreid, gewijzigd of afgeschaft en dat de Staten of hunne gecommitteerden tot de geestelijke zaken en goederen voor ieder bijzonder geval ex plenitudine potestatis en zonder iemands welbehagen te moeten vragen of vernemen, zoodanig konden handelen en beslissen als pro re nata noodig en nuttig zou bevonden worden.

(Zie o. a. artt. 63 en 65 der Instructie van 1580, VebLoeen, blz. 512.)

40 dat men zich met de quaestie wie eigenaar dier goederen was, bleef of werd, toen niet bemoeide.

Deze zelfde strekking heeft ook het Eedressement van 1586, doch meer geprononceerd. Het gold toen niet meer voo?:loopige doch definitieve maatregelen, waarbij hetgeen de Ordre voorloopig had vastgesteld, nu voor goed werd gehomologeerd, voor zoover het niet in strijd was met het Eedressement. De kloosters, conventen en abdijen blijven opgeheven en de kloosterlingen zullen uit elkander gaan. De Orde van St. Jan te Jerusalem is mede opgeheven, de goederen van een en ander worden aan

-ocr page 389-

39

de vroegere eigenaren voor goed ontnomen en zij komen aan de Staten, die daarover heer en meester worden tengevolge der Reformatie en krachtens art. 13 der Unie van Utreclit.

De pastorie- en vicariegoederen — (vroeger aan de katholieke kerk behoorende) — vervallen mede aan de Staten en worden door hen met de goederen der broederschappen geamalgameerd tot een speciaal fonds, genaamd de Geheneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht aan de Staten competeerende, doch waaraan zij eene bepaalde destinatie geven, te weten tot onderhoud van predikanten, kosters en schoolmeesters, terwijl de vicarissen voortaan zullen moeten zijn toekomstige predikanten of gestudeerden. De kerken- en armengoederen blijven er echter buiten, (art. VII. VerLoren , blz. 526.)

Evenzeer zijn uitgezonderd, worden althans niet genoemd ouder de opheffingen, de goederen van gods- en gasthuizen, die dan ook, even als vroeger, door hunne respectieve besturen of regenten bestuurd worden.

Van de duitsche orde, balije van Utrecht, wordt niet gesproken, doch alleen van de orde van St. Jan te Jerusalem, die als gezegd, daarbij is opgeheven.

quot;Waarom de duitsche orde, die toch bepaald een geestelijke orde was en geheel gelijk stond met die van St. Jan te Jerusalem, (de Matheser orde) niet tevens is opgeheven, is niet duidelijk. Misschien wel omdat vele voorname en machtige edellieden, o. a. ook leden uit het Huis van Nassau, daarin opgenomen waren, zoodat later dan ook twee Landcommandeurs daaruit zijn voortgesproten. Ofschoon nu deze orde bleef bestaan en het beheer over hare goederen behield, zoo moest zij als gewezen geestelijke orde een deel barer inkomsten afstaan tot onderhoud der predikanten te Utrecht (VerLorex, blz. 144 en v.) en verbleef de benoeming of agreatie barer leden aan de Staten.

De kapittelen te Utrecht waren bij de Ordre reeds uitgezonderd, volgens begeerte van den stadhouder, bij schrijven van 20 Augustus 1580, waarbij geinterdiceerd was „die vijff

-ocr page 390-

40

„Gotshuijsen te molesteren ofte hemluyden (dat is de regeering „van de Stad Utrecht) die goederen van dien te ondermijnden,\' (YerLoren, blz. 518). Ook bij het Redressement bleven zij uitgezonderd. Deze kapittelen behielden alzoo het beheer en bewind over hunne goederen, doch mochten die niet vervreemden zonder consent der Staten De vrijstelling betrof alleen het beheer der kapittelgoederen; daaruit volgt dus nog niet dat zij en niet de Staten eigenaars der goederen waren. Die theoretische eigen-domsquaestie is in de vergadering der Staten nooit geventileerd, maar \'t schijnt wel, dat de Staten zich toen en later als eigenaars beschouwd hebben, even als van de overige geestelijke goederen, zoodat de exemtie alleen betrof het beheer.

Van de kapittelen te Amersfoort, Wijk bij Duurstede en Montfoort is toen niet gehandeld, maar de Staten hebben die corporatiën ongemoeid gelaten in hun bewind en beheer. Zij zijn dus als (wereldlijke) stichtingen blijven voortbestaan, even als de gods- en gasthuizen. Te Amersfoort echter nam de stedelijke regeering de zaak der kapittelen ter hand en nam diverse reso-lutiën over het kapittel van St. Joris aldaar, dat daar stsedsis blijven bestaan, ook zelfs nog na 1811, toen de kapittelen te Utrecht en Wijk bij Duurstede door Napoleon werden opge-heven. Het bestaat zelf thans nog, maar zoodat het nauwelijks te herkennen is en heeft ook nog steeds eigen onroerende goederen. Deken is, per se, de burgemeester en capitulairen twee gedelegeerden uit den kerkeraad der hervormde gemeente en twee gedelegeerde regenten uit het burger weeshuis aldaar. Do opbrengst der goederen wordt verdeeld tusschen de hervormde gemeente en het weeshuis, zooals dit ook reeds tijdens de republiek plaats greep.

Het kapittel van St. Jan te Wijk bij Duurstede bleef ook bestaan, doch het verloor zijne goederen tegelijk met de vijf kapittelen te Utrecht door het bekende decreet van 21 Februari 1811 van Napoleon I, waarbij de goederen aan de schatkist vervielen en waardoor de collegiën zelven, bij gemis van goederen, opdroogden en verstierven.

-ocr page 391-

41

Wat er van het kapittel van St. Jan te Montfoort is geworden en hoe het eigenlijk verdwenen is, kunnen wij niet opgeven.

In 1667 bestond het nog en keurden toen de Gecommitteerden van het Kappittel de rekening van den rentmeester der pastoriegoederen over dat jaar mede goed (VekLorex, blz. 318 in fine), maar wat er sedert van geworden is, ligt in het duister, daar men er later geen gewag meer van gemaakt vindt en het archief van dat collegie spoorloos is verdwenen. Zie verder § 9 gebenefi-cieerde goederen te Montfoort over dit kapittel.

Bij het Redressement in 1586, was het, even als bij de Ordre in 1580, niet bloot te doen, om eenige bepalingen te maken over het beheer der geestelijke goederen en de inrichting der besturen van de kloosters, conventen, geestelijke orden, broederschappen , pastoriën , vicariën enz. in voege, dat die inrichtingen bleven bestaan, doch slechts gereglementeerd werden en alzoo ook de vroegere eigenaars gehandhaafd bleven in hun eigendomsrecht der goederen aan die stichtingen, instellingen of de kerk (Ecclesia) verbonden. Neen, de strekking ging verder, de Staten trokken het beheer geheel aan zich, omdat die goederen ophielden te zijn geestelijke goederen (bona ecclesiae) en bovendien de instellingen zeiven werden opgeheven en uit elkander gingen en mitsdien ook hunne goederen, nu geworden wereldlijke goederen, aan de Staten vervielen. De geestelijkheid begreep dan ook zeer goed reeds in 1580, dat het dien kant uitging. Vandaar die hevige tegenstand van het 1ste lid namens de geestelijkheid en zijn beroep op de Vergadering der Unie van Utrecht., om de nulliteit uit te spreken van hetgeen door de beide andere leden der Staten was besloten, iets dat ongerijmd ware geweest, als het bloot had gegolden eenige reglementaire bepalingen.

Om diezelfde reden, moest dan ook het latere Redressement de goedkeuring van Leycester erlangen , dewijl het een diep ingrijpende maatregel was van Staatsrecht, waardoor de geestelijkheid hare goederen verloor.

Wanneer men het Redressement aandachtig leest en overziet,

-ocr page 392-

42

dan is dat vrij duidelijk, ofschoon het er wel niet met ronde woorden instaat, dat de abdijen, kloosters, conventen, orden enz., werden opgeheven en dat men de kloosterlingen zou separeren en scheyden, dat is uit elkander zou doen gaan (art. XII tot XVI. Zie VerLoren, blz. 529 en volg.), dat men hun de administratie harer goederen benemen zall en die goederen ofte den inconien van dien zal brengen in eene massa en daarover een rentmeester zal aanstellen, die de Staten of namens hen hunne Gedeputeerden zullen benoemen op eene instructie door de Directiekamer onder goedkeuring der Staten te maken, — welke rentmeester rekening en verantwoording deed aan de Finantickamer der Staten, (art. XII.)

Dergelijke bepalingen toch staan, quoad effect urn, geheel gelijk met eene opheffing der kloosters, die dan ook sedert zijn verdwenen en de gebouwen verkocht of tot andere doeleinden gebezigd.

Ditzelfde werd ook bepaald ten aanzien van de pastorie- en vicarie-, kosterie- en scholasteriegoederen en die der broederschappen. De afzonderlijke goederen verdwenen, zij werden tot ééne massa samengesmolten (art. V zie VerLoren, blz. 52.6) en gesteld onder een rentmeester der zoogenaamde G eb enef,deerde goederen \'s Lands van Utrecht door de Staten benoemd en verantwoordelijk aan de Directiekamer.

W at blijft er, mag men vragen, dan nog over van eigendomsrechten bij anderen dan de Staten (of Steden) of van zelfstandige stichtingen of corporatiën , die men zich droomt, dat uit de opgeheven kloosters, pastoriën, vicariën enz. zouden verrezen zijn en eigenaars dier respectieve voormalige geestelijke, nu wereldlijke goederen zouden geworden zijn. Als er na deKeformatie zoodanige stichtingen of wat dan ook uit zijn ontstaan of zijn aangebleven uit den roomschen tijd, dan moesten die toch een bestuur, directie of opperhoofd hebben, om hen te vertegenwoordigen en de goederen te beheeren. Waar noch het een, noch het ander aanwezig is, daar kan men zich, ja zoodanige stichtingen denken, maar in de werkelijkheid hebben zij na de Reformatie nooit bestaan, en het is zelfs zeer problematiek of die instellingen vroeger, vóór de Reformatie wel geweest zijn stichtingen

-ocr page 393-

43

in den juridischen zin van het woord. Doch dit laatste laten wij geheel in \'t midden voor dit rapport. Die qnasi-stichtingen hebben geen historischen grond, doch zijn niets anders dan producten eener spitsvondige verbeeldingskracht en fantasiën, die men zich schept, om toch ergens een presentabelen eigenaar dier goederen na de Reformatie op te schommelen, nu men ontkent, dat de Staat na de Reformatie er eigenaar van geworden en nog is. (Over den nevelachtigen quasi-eigenaar van den Hoogen Raad, de Christenheid of Christenkerk op aarde, zal in § 11 nader gesproken worden.)

Waar daarentegen de Staten de geheele administratie aan zich trekken en de vervreemding der goederen alleen door hen of met hun consent kon geschieden, daar ligt het voor de hand, dat zij alle elementen van eigendom bezittende en uitoefenende, dan ook werkelijk eigenaars waren, al hebben zij dit niet met zooveel woorden gezegd in het Redressenient zelf.

Bij de behandeling der processen over de vicariën in Gelderland, werd er vooral op gedrukt, dat de Staten van Grelderland zich nooit formeel eigenaars dier goederen hadden verklaard. De Staten van Grelderland, zoo zeide de Procureur-Generaal van Maanen in zijne bekende conclusiën over de Geldersche vicarie-quaestiën, hebben nooit gedecreteerd, dat zij de geestelijke goederen seculariseerden en dat zij Staats-eigendom of Staatsdomein van geestelijken oorsprong waren geworden. (Zie Eegtsgeleerd Bijblad 1856, VI, blz. 221 en 222.) Ditzelfde kan men ook van het Redressement zeggen, waarin men dergelijke stadhuiswoorden ook niet aantreft, daar die toen niet in zwang waren en die toenmalige wetten en ordonnantiën zich ook niet bezig hielden met, zooals thans, definition te geven of theoretische beschouwingen daarin op te nemen.

Maar omdat de Staten dit niet rechtstreeks gezegd hebben, vloeit daaruit nog niet per se voort, dat zij inderdaad geen eigenaars icaren en zich ook niet als zoodanig beschouwden, veel minder, dat oen ander of iets anders daarvan eigenaar was geworden ot gebleven. Men kan daar dan ook tegen over stellen.

-ocr page 394-

44

dat de Staten van Gelderland, evenmin als die van Utrecht nimmer gezegd hebben, dat zij geen eigenaars waren van de geestelijke goederen, veel minder dat anderen dan zij daarvan den eigendom hadden. Uit dit stilzwijgen over of laten rusten van de eigendoms-quaestie zou men dus alleen kunnen afleiden, dat het daardoor onzeker is, of zij zich al dan niet als eigenaars beschouwen. Maar die onzekerheid houdt op, waar de Staten alle macht en gezag over die goederen aan zich trokken, geheel en al als eigenaars handelden, en hen die ze vroeger toekwamen en bestuurden de deui uitwierpen, zonder anderen in hunne plaats ecnig gezag of aanspraak op die goederen toe te kennen. Wij vragen met nadruk: Kan men een enkel voorbeeld aanwijzen , dat de Staten ooit als zij (gewezen) geestelijke goederen verkochten, daarvoor eenig verlof van iemand of van eenige corporatie, bestuur, of wat het ook zij, hebben aangevraagd? Of wel, dat de Steden (die zich via facti het beheer dier goederen hadden aangematigd) ditzelfde doende, of over de gebouwen en goederen der kloosters enz. op hun territoir gelegen beschikkende , daarover ooit aan iemand anders permissie of agreatie vroegen dan aan de Staten?

Wanneer men de Orel re en het Redressement legt naast het Keizerlijk Decreet van 21 Februari 1811 (Fortuyx , III, blz. 283), waarbij de goederen der kapittelen te Utrecht werden vereenigd met die van de domeinen, dan zal men zien, dat in beide stukken bijna woordelijk hetzelfde is bepaald, te weten: last tot het doen van rekening en verantwoording der vroegere administratie en last tot opgaaf van alle goederen en derzelver revenuën (art. 4). Alleen ligt het verschil daarin, dat da Keizer in art. 1 bepaald zegt, dat hij dit alles doet en gelast, omdat de geestelijke goederen in Holland Staatseigendom waren (of werden ?).

Het ligt dus voor de hand, dat de Staten in 1580 en in 1586 hetzelfde doende als keizer Napoleon, ook hetzelfde principe tot basis namen, te weten, dat dc geestelijke goederen (waaronder men altijd te verstaan heeft de gewezen geestelijke

-ocr page 395-

45

goederen) eigendom van den Staat, dat is der Souvereine Staten, waren geworden.

In de vergadering der Staten van 12 Februari 1613 (VeeLoren, blz. 544) is het dan ook met ronde woorden gezegd, dat de geestelijke goederen waren gemortific.eerd (hetgeen toch wel niet anders zal beduiden, dan dat die geen geestelijke goederen meer waren en ook niet meer aan de geestelijkheid of do kerk toebehoorden) en dat de Staten (natuurlijk als eigenaars derzelve) uyt dezelve geestelijke goederen de stad Utrecht zal snhvenieren, tot onderhoud van de predikanten en scholen aldaar.

Nog duidelijker en nadrukkelijker wordt dit gezegd in de Deductie der Staten van Utrecht^ in of omstreeks 1664 opgemaakt en aan de Staten Generaal ingediend, tot wederlegging-van de remonstrantie door den Franschen Gezant aan hun Edel Hoog Mogenden ingediend, namens de ridders van Maltha, tegen de opheffing der Balije dier Orde en de secularisatie dei-goederen, daartoe behoord hebbende.

Dit document is te vinden in het reeds vermelde Register n0. 190 op het rijksarchief in de provincie Utrecht (blz. 40 van den gedrukten inventaris) fol. 476—495. Het is ook afgedrukt bij MatthaeüS: Veteris aevi analecta, le edit., X, blz. 479 sqq. en 2e edit. V, blz. 952 sqq.

In dit belangrijke document zeggen de Staten o. a,. het volgende, dat naar wij vertrouwen den meest verstokten loochenaar van den Staatseigendom der (gewezen) geestelijke goederen zal overtuigen van de onhoudbaarheid zijner twijfelingen.

„Dat daarop (t. w. de resolutie der Staten-Generaal van 1 Juli ,1581, bij VerLorex, blz. 137 vermeld) gevolgt is degemeene „Praetijcke, daarbij de Provintiën respective de goederen van „die nature aengeslagen ende de vrije dispositie daaroverquot; (nam. der geestelijke goederen) „behouden hebben; onder anderen „specialijck mede die van de Provincie van Utrecht over de „voorsz. Balije van St. Catharijnen binnen de Stadt Utrecht ende „Commandurijen ende goederen daer onder resorterende , die daer „over oock het employ ende vrije dispositie tot noch toe be-

-ocr page 396-

46

„houden hebben , onaengesieu de instantiën daertegens bij die van „voersz. Orde (van St. Jan te Jerusalem of Johanniten Orde) „annia 1603 en 1624 gedaenquot; .... enz.

„Dat daeromme hare Ed. Mog., als souveraine Heeren ende „ Hooge Overheden van den Lande te meer bevoeght syn gedweest, nae de Reductie van den Staet ende reformatie van „de Religie, volgens de fondamenten, ordren ende maximen „van de regeeringe, de vrije dispositie over dese goederen „absolutelyck aan haer te trekken, so wel als over andere „Geestelijke of pscmlo-Ecdesiastica ende ad pios usus sensu „Pontificio geconsacreerde goederen, om deselve in Reipuhlicae „aerarium te infereren, daermede het Land te benificieren, ende „tot lantweer ende andere nootsaeclijckheden die te gebruycken, „alsmede de goederen, sub priscis nominibus, so verre te secu-„lariseren, et ah onini spiritualitate Fontificia te defieeren, dat „die geemployeert worden om eenige Adelycke ende andere „Familien van de Gereformeerde Religie, na haere qualiteyten „ende meriten van haer ende hare voorouders, tot conservatie „derselver, daermede te vorderen ende benificieren ; alle \'t welcke „so kennelyck ende indisputablement waer is, dat \'t selve sine „sacrilegii-crimine by niemant in twyfel of in enich dispuyt kan „worden getrokkenquot;, (ibid blz. 960). In het Rapport de Geer wordt dan ook over dit document een diep stilzwijgen in acht genomen.

De Staten hebben na 1586 met deze (gewezen) geestelijke goederen of pseudo-Ecclesiastica altijd als heer en meester gehandeld en daarover beschikt, zonder daarbij iemands welbehagen te vernemen. Alleen hebben zij zich bij de aanwending der revenuen dier goederen steeds gehouden aan den regel, dien zij zich zeiven hadden gesteld, dat het behoorlijk en passend was, niet als kerkroovers of beroovers te werk te gaan, doch de vruchten dier goederen aan te wenden ad pios usus, voornamelijk tot onderhoud van predikanten en scholen, en dat het ook betamelijk was, om de lasten, op die goederen drukkende en hetgeen daaruit vroeger werd voldaan of verricht, gestand

-ocr page 397-

47

te blijven en te laten voortduren, voor zoover het niet was in strijd met de gereformeerde religie.

Zoo werd bijvoorbeeld uit de goederen en fondsen, behoord hebbende tot de opgeheven balye en convente van St. Catharijne te Utrecht (de orde van St. Jan te Jerusalem) onderhouden en bekostigd het hospitaal van St. Catharijne, dat de ridders van St. Jan, ook wel genaamd Hospitaliers, in hun convent hadden ingericht (1). Evenzoo werd eene brooduitdeeling aan behoefdgen, uit de inkomsten der memorie-goederen van Montfoort, door de Staten aangehouden tot in het jaar 1807 (zie § 8) en werden de uitkeeringen of prebenden te Wijk bij Duurstede aan behoeftige weduwen {conventualen) uit de goederen, afkomstig uit het voormalige Maria Magdalena convent aldaar, mede in stand gehouden (zie § 6) en zoo zouden wij nog een aantal zaken kunnen opnoemen, die de Staten bleveu continueeren uit de opbrengsten dier gewezen geestelijke goederen, die door hunne rentmeesters werden geadministreerd.

Aan deze neiging, om zooveel mogelijk in het oude zog te blijven voortgaan, is het ook toe te schijven, dat men na de Reformatie in plaats van de vroegere nonnen der opgeheven vijf adelijke kloosters (Wittevrouwen, Oudwijk, St. Servaas, Vrouwenklooster en Mariendaal) te Utrecht, een gelijk aantal geprotes-tantiseerde adelijke ongehuwde nonnen creërdo en protestantsche abdissen wist te fabriceeren, wier eenige functie was, dat zij de prebenden uit de inkomsten dier vijf voormalige gestichten (sedert onder administratie van het 2e lid der Staten) genoten en jaarlijks opstaken. Zoo werden ook de prebenden, die de vroegere ridders van St. Jan genoten, ook na de Reformatie

(1) Dit hospitaal werd niet, even als het Hiobs-, Martini-Barbarae en Laurentiae, Kruis- en andere gasthuizen bestuurd door regenten, maar de Staten bestuurden het hospitaal of gasthuis van St. Catharijne rechtstreeks, zonder eenige medehulp of inmenging van regenten, provisoren of dergelijken. De Staten of hunne Gedeputeerden stelden den doctor, chirurgijn, econoom on verdere bedienden, tot zelfs do keukenmeid toe ,r echtstreeks aan en pasten, als de revenuen (zooals gewoonlijk) ontoereikend waren, het deficit bij.

-ocr page 398-

48

nog steeds uitbetaald, natuurlijk niet meer aan den balyer en de ridders, die er niet meer waren, maar aan zoogenaamde Prchendarissen, wier eenige functie was, even als bij de Jouf-frouwen of Jonkvrouwen der adelijke conventen, dat zij jaarlijks hunne prebende (die zij in den regel gekocht hadden), opstaken.

Aan deze zelfde zucht tot behoud en gevoel van betamelijkheid is het dan ook toe te schrijven, dat de Staten het collatierecht voor pastoriën of vicariën, zoover dit tijdens de reformatie bestond, handhaafden, met dien verstande echter, dat de collator eener kerk of kapel in plaats van een pastoor of capellanus, nu een predikant, en de collator eener vicarie, in plaats van een vicaris, die zielmissen deed, nu een gepro-testantiseerden vicaris, te weten een jong mensch, die zou studeeren (en predikant worden), moest voordragen en benoemen, en wel aan de Staten, in plaats van zooals vroeger aan den Bisschop, omdat de Staten het billijk achtten, dat de nazaten der stichters van kerken of altaren, die dezelve met goederen in der tijd hadden gebeneficieerd, doch afgestaan aan de kerk (dat is de ecclesia), voortdurend de hun toegestane gunst van voordracht konden blijven uitoefenen, nu niet meer de ecclesia, maar de Staten eigenaars waren en de pastoor of kapellaan in een predikant en de vicaris in een proponent in spe was getransformeerd. In § 10 zal dit laatste nader worden betoogd en uitgewerkt.

De Staten lieten, als gezegd, de goederen der opgeheven kloosters enz. even als ook die der gecombineerde pastorie- en vica-rie-goederen (dat is de gebeneficieerde goederen) administreeren door hunne rentmeesters, die ieder afzonderlijk rekening deden aan de finantiekamer der Staten. Ieder dezer rentmeesters of comptoiren had zijn eigen jaarlijksche inkomsten, alsook uitgaven, voor bepaald aangewezen piëteiten, dat pios u$us en verder voor hetgeen wat de Staten goed vonden er bovendien uit te betalen. Schoot er geld over bij het doen der rekening van den rentmeester van zoodanig comptoir, dan disponeerden de Staten of hunne Gedeputeerden daarover, maar was er een te kort, dan

-ocr page 399-

49

pasten zij bij uit een hunner audere kassen of zoogenaamde comptoiren. Niet zelden deed zich ook het geval voor, dat een comptoir reeds in den loop van het dienstjaar geldgebrek Lad, Het werd dan op order der Staten, dat is van hunne Gedeputeerden of hunne finantiekamer bijgesprongen, of, zooals het toen heette, gesubsidieerd door een of meer der overige comptoiren of kassen, meestal uit de kas van den ontvanger van het eene deel der gemeene middelen of van het andere deel of van hef oudschildgeld of andere ontvangers der middelen, omdat die kassen gewoonlijk het best voorzien waren. Zoo was liet een voortdurend heen en weder gaan van hot geld uit de eene kas of comptoir naar eene andere, want een generale kas of een algemeene betaalmeester of thesaurier bestond er destijds niet in de provincie.

Werden er op order der Staten goederen verkocht, behoo-rende tot een der comptoiren, hetzij gewezen geestelijke goederen, hetzij domeingoederen, ressorteerende onder het comptoir der domeinen, dan werd de koopprijs op last der Staten belegd, opdat het comptoir behoorlijk de betalingen en lasten op hetzelve rustende zou kunnen blijven voldoen. Die belegging geschiedde dan ook ten name van den rentmeester van het comptoir waarvan goederen verkocht waren en tot een gelijk rentebedrag als die verkochte goederen vroeger gemiddeld jaarlijks rendeerden. Voor dat bedrag werd dan eene obligatie op de provincie of liever eene inschrijving afgegeven, betaalbaar aan een der audere comptoiren of kassen der provincie, alwaar alsdan de rentmeester of ontvanger yau het comptoir, welks goederen verkocht waren, die som jaarlijks kwam ontvangen. Als voorbeeld zie men het verhandelde in de Staten-vergadering van 19 Juli 1699 (Ver-Loren, blz. 553), waarin besloten werd, dat op die wijze ter zake van verkochte goederen, het comptoir van de domeinen door de Staten zou worden gesubsidieerd met f 2000 \'sjaars, gebeneficieerde goederen met f 1000, do Carthuijsers met f674, het comptoir van Catharijne met ƒ 7570, Oostbroek met ƒ 1675, en het comptoir van St. Paulus met J\' 2000.

4u

-ocr page 400-

50

Oppervlakkig zou meu geneigd zijn te gelooven, dat uit het bezigen van het woord subsidie toch zou af te leiden zijn, dat die gesubsidieerde comptoiren waren zelfstandige en van de Staten onafhankelijke instellingen , want men subsidieert toch met zich zeiven. Deze redenering, ofschoon thans in onze 19de eeuwscbc begrippen alleszins gegrond, gaat echter niet op voor de vroegere tijden en de finantieele administratie tijdens de Republiek, want onder die gesubsieerd wordende comptoiren behoorde, als gezegd, ook het comptoir der domeinen van de Staten, dat toch niemand zal houden voor eene zelfstandige en van de Staten onafhankelijke instelling, noch destijds, noch thans. Het woord subsidie moge ons thans vreemd klinken, die gewoon zijn zulks overschrijvingen of overstortingen van het eene kantoor op het andere of wel van de ecnc post der begrooting op eene andere te noemen, doch bet toenmalige spraakgebruik bracht die benaming mede.

In de steden ging men evenzoo te werk. Zoo vindt men bijvoorbeeld in de rekening van den Ontvanger van de rertiën der vicariën te Amersfoort onder de Uitgaven:

Extra ordinaris uitgaaf

„den 23 Juny 1800, volgens ordonnantie van het Gemeente-„bestuur, aan den Cameraar van \'t Trekpad G. Gybels f 800, „en den 1 December 1800 volgens als boven aan denzelven ƒ 200quot;, en in de rekening over 1790 van den Cameraar riiesaurier

aldaar onder de Uitgaven :

„den ... May 1790 betaalt aan den heer Mr. G. van Bemmel „als Cameraar van \'t trekpad de somma van f 1000 den 25 April „sijnEd. tot subventie van desselfs comptoir toegevoegd [/ 1000.—], „Den 1 Augustus betaalt aan den heer Mr. G. van Bemmel „als Cameraar van \'t trekpad Paal- en Baggerwerk de somma van „3000 gulden, den 5 July sijn Ed. tot subsidie toegevoegd [ƒ 3000J.quot;

Wil men nn nog nader bewijs hebben , dat deze gang van administratie bij de provincie werkelijk was, zooals wij die voorstelden en niet is eene meening en spitsvondigheid door ons

-ocr page 401-

uitgedacht, om de schijnbare tegenstrijdigheden met den door ons vooropgezetten eigendom der geestelijke goederen bij de Staten, alsook der obligatiën op de provincie, die den verkoopprijs derzelve vertegenwoordigden , te vereenigen , men hoore wat de Agent van finantiën der Bataafsche Republiek Goyel (een man die toch wel wist hoe de finantieele administratie in Ütrecht in elkander zat) daarvan zegt.

In eene missive van 30 November 1798 aan hem gericht door het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalig Gewest Utrecht, zegt dit bestuur: dat het volkomen deelt de reflectie, door dien Agent gemaakt, over de omslachtige finantieele administratie in de voormalige provincie Utrecht, en „dat het „eene incongruïteit is, dat nog voortaan het eene kantoor aan „het andere en dus het Land aan het Land interest betalen „zoude van kapitalen, welke alle eigendom van den Lande zijn,

))etc.....„En zouden wij derhalve met U (Agent) volkomen

„van oordeel zijn , dat al die obligatiën konden worden geroyeerd

„en gedeponeerd.......terwijl zulks te noodzakelijker is ,

„omdat van alle de posten van renten , op die onderscheidene „kantoren ontvangen wordende, niet eens obligatiën voorhanden „zijn, vermits ten tijde van don verkoop der goederen van die „kantoren, voor de daaruit geproflueerde penningen geene „obligatiën zijn uitgegeven, maar zij alleen voor het montant „der renten van die kapitalen op de manualen zijn gecrediteerd „geworden, zoodat dan ook die posten op de manualen van de „kantoren, alwaar die renten jaarlijks betaald worden, eenvoudig „kunnen worden geroyeerd.quot;

Dit laatste is dan ook gebeurd, toen op 3 September 1799 de obligatiën der gemortificeerde conventen van St. Servaes, Vrouwenklooster, het Convent van Oudwijk, de abdij van St. Paulus, allen te Utrecht, van Marienburg te Soest, St. Agneta te Rhenen, Maria Magdalena te Wijk bij Duurstede en het comptoir der gebeneficieerde goederen, benevens dat der Domeinen (men lette wel op deze gelijkstelling van laatstgemeld fonds of comptoir met de overige) met de manualen daarvan zijnde en

-ocr page 402-

52

het manuaal van het convent van Ooatbroek en dat van de Balije en convente van St. Catharijne te Utrecht, door een lid van de commissie tot administratie vau liet voormalig gewest te Utrecht, namens die commissie, tegen quitantie zijn overgegeven aan den Chef van het Bureau van Expeditie van het Departement van Finantiën te \'s Hage , als zijnde door den Agent van Finantiën der Bataafschc republiek gemachtigd, die namens

hem in ontvang te nemen.

Behalve de opgenoemde conventen zijn, blijkens de 2de rekening van den Rentmeester Generaal (Mr. A. J. van Mansveld), loopende van 1 Mei 1799—uit0. April 1800 (VerLoren, biz. 622), toen ook nog opgeheven de comptoiren der Ridderschap, van Witte-vrouwen, Carthuysers, en Mariendaal en mede gebracht onder administratie van het nieuwe algemeene kantoor der domeinen van de Bataafsche republiek. Alleen het comptoir der Convente en Balije van Utrecht, is in stand gebonden, naar aanleiding eener missive van het Intermediair Administratief Bestuur, vau 11 April 1798, dewijl daaruit het hospitaal of gasthuis van St. Catharyne, dat mede diende voor academisch onderwijs, werd bekostigd, zoodat het ouder opzicht van den Agent van Opvoeding diende gesteld te worden Zie over de verdere lotgevallen van dit niet gemortificeerde comptoir en de fondsen van dien, die ten slotte bij Kon. Besl. van 27 Maart 1817 nquot;. 9 aan de vereenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht zijn cadeau gedaan, onder de daarbij vermelde conditiën YerLüren , blz. 153.

Bovendien waren daaronder ook niet begrepen de administratiën der Gebeneficieerde goederen in de steden gefundeerd, die toen zijn gebleven onder de administratiën der ontvangers van de tertiën der vicariën in de respectieve steden, daarover onder diverse benamingen aangesteld, met goedvinden of acquiescement der Gedeputeerde Staten van Utrecht, zooals nader zal worden behandeld in § 4—8. Die stedelijke administratiën heeft men toen ongemoeid gelaten en op den ouden voet laten voortduren, doch eerst later na 1814 is de Staat zich ook met die administration gaan bemoeien, ouder anderen ook met de administratie der

-ocr page 403-

53

zoofjenammle Memoriegoederen te Montfoort, die onder administratie bleven van eenen spccialen rentmeester daarover aangesteld door de Staten en later door het Departement van Finantiën, waaronder dit rijksfonds nog ressorteert, zooals hierna in § 8, handelende over de vicariën en memoriegoederen te Montfoort, nader zal uiteengezet worden.

Onder de afzonderlijke comptoiren, die in 1799 werden opgeheven, was ook begrepen het domeinfonds der Staten van Utrecht, dat natuurlijk niet behoorde tot de geestelijke goederen.

Dit fonds of comptoir der Domeinen was tijdens de republiek en vroeger van andereu en in zekeren zin van uitgebreider aard, dan het later tijdens do Bataafsche republiek en het Koningrijk Holland was. De rekeningen over 1798 tot 30 April 1805 zijn nog ingericht volgens het oude model, bevattende o. a. ook de opbrengst van de biergruit, de tollen, het paardengeld, de verbeurdverklaarde goederen enz., doch in de laatstgemelde rekening vindt men eene resolutie vermeld, waarbij de Eentmeester Generaal gemachtigd wordt, voortaan zijne rekening op korter wijze in te richten, zoodat die alleen de onroerende goederen en rechten betroffen. Die latere rekeningen zijn echter niet aanwezig op het rijksarchief in de provincie Utrecht, maar zullen vermoedelijk wel aan het Departement van Financiën of op het rijksarchief te\'s Hage voorhanden zijn, ofschoon (mirabile dictu) niemand weet op te geven, waar die thans liggen. Kortheidshalve verwijzen wij omtrent dit latere algemeene rijksfonds dor Bataafsche republiek en de wijze van administratie der daartoe behoorende goederen in hot (gewezen) gewest Utrecht, onder eenen rentmeester-generaal voor die provincie (die aan zijn superieur te \'s Hage verantwoordelijk was), naar hetgeen daarover meer uitvoerig is vermeld bij VerLoreït, blz. 618—622 en blz. 647 en volg., alsook naar de 2e rekening zelve van dien rentmeester-generaal over 1 Mei 1799—uit0 April 1800, die aldaar blz. 622 en volg. in extenso is medegedeeld, met eenige uittreksels uit de volgende rekeningen.

De lezing dier rekeningen zei ven zal bet bestaan wijzen, hoe

-ocr page 404-

54

de zaak na 1799 geregeld was en werd. Wij vestigen echter in \'t bijzonder de aandacht op de volgende punten, die wij liefst woordelijk willen mededeelen, als kunnende daaruit blijken, hoe destijds de Staat die (gewezen) geestelijke goederen nog steeds als Staatseigendom bleef beschouwen en die van lieverlede verder te gelde gemaakt en verkocht heeft, zonder toen een aeqni-valent der vroegere jaarlijksche opbrengst dier verkochte goe deren ten behoeve van dit algemeene domeinfonds te creëeren, door uitgifte van inschrijvingen op het grootboek, ofschoon eigenlijk de vaste goederen reeds lang vóór dien tijd verkocht en in obligatiën op de provincie geconverteerd waren.

2e Rekening 1799/1800 (VerLoren, blz. 623).

fol. 21v. „Anderen Ontvang van Renten van ten comptoire „gebrachte en gedeponeerde Obligatiën.1\'

„(10B Summa 5e Summetta.)quot;

„Alle de obligatiën, ten laste van tvoormalige Gewest Utrecht „en behoorende aan de geweezene Conventen van de Carthuisers, „St. Servaas. Vrouwenklooster, Wittevrouwen en Mariendaal, quot;door den Eendant (ingevolge extract uit de besluiten van het „Intermediair Administratief bestuur van dit voormalige Gewest ^in dato 8 December 1798) aan de Commissie van Finantie quot;uit voorn, bestuur op den 25 January 1799, zijnde overgegeven en vervolgens ter Secretarye van \'t Agentschap van quot;Finantien der Bataafsche Republiecq geroyeerd en gecancelleerd, tot eene eventucele verbranding zijnde gedeponeerd, dient zulks

quot;„alhier maar voor............Memorie.quot;

Voorts worden alhier in ontvang gebracht de volgende

renten, alsse:

(fol. 22) „Wegens \'t convent van H Vrouwenklooster „den Cameraar van den Leckendijk Bovendams heeft betaald „aan den Kendant 1 jaar renten eener Obligatie, groot in capitaal

J 1200, versch. den 12 Jan. 1800 ......ƒ 30- „ - „

„Wegens \'t convent van Oudwijk van den Cameraar van den Lekkendijk Bovendams, 1 jaar

-ocr page 405-

55

„ ronton eener Obligatie, groot in capitaal ƒ 1500, versch. 12

„Jan. 1799 ...............ƒ 37-10-

„Wegens \'t convent van St. Aynieten te Rheenen „den Rendant heeft ontvangen de renten van eene Obligatie „ten laste van de kerk te Rheenen, groot in capitaal ƒ550.—,

„versch. uitquot; Dec. 1799 a 5 pGt........f 27-10- „

„Idem de Renten van eene Obligatie ten lasten van de Burgemeesters en Regeerders der stad Rheenen onder verband der „Kerkengoederen aldaar, groot in capitaal ƒ 1000, versch. 24

„Aug. 1799 a 3 pCt............/\' 39- „ - „

„5e Summetta (van de 10e Summa) van Renten van Gedeponeerde Obligation bedraagt ƒ 125- „ -

7e Bekening 1804/5 (VehLorex, blz. 636/7).

„Ontfang — 5e Summa — Anderen ontvang van ten kantore „gebrachte en gedeponeerde Obligation. (5e Summa.)quot;

Het hoofd van deze rekening is gelijkluidend met dat van van de 2e rekening, maar hierop volgt (VerLorex, blz. 637);

„De renten van de obligatien specterende tot de vicarye ge-„fundeerd in der kerke van quot;Woudenberg en de Prebende Clau-„straal in het capittel ter Horst in de Reekeningen der geestelijke „goederen verantwoord zijnde dient alhier voor. . Memorie.quot; „(5e Summa van reuten van gedeponeerde Obligatien Mhil.)quot; Wijders vestigen wij de aandacht op het volgende:

„Extra Ordinaris ontvangquot; (VerLorex, blz. 633/4). fol. 34. „Tot verstande van de alsnu volgende Posten dient „vooraf gepraemitteerd, — dat bij den Rendant is ontvangen „het hieropvoigende Extract uit de besluiten van de Commis-„sarissen tot de Administratie dei- finantien over liet voormalig „gewest Utrecht dd. 20 Januari 1800.

„Zijn geleezen: Extract uit het Register der resolution van „den Agent van Finantien der Bataafsche Republicq in dato „15 January 1800, houdende antwoord op de missive deezer „Vergadering van den 14 deezer, daarbij deeze Commissie „autboriseerende, omme zodanige Personen, welke tot noch toe „het doen der aflossinge van hunne Oudoigens, Erfpachten en

-ocr page 406-

56

^Thinsen, gearresteerd bij het Provinciaal Bestuur iu dato 5 „Augustus 1797 nalatig zijn gebleven, daartoe te constrin-„geeren\'1......enz.

„En daarop gedelibereerd, is goedgevonden den Rentmeester „Generaal der Domainen van Mans velt, bij Extract deezer, aan-„teschrijven en te gelasten , omme te deezer vergadering praecise „Opgave te doen, van alle zodanige Erfpachten, Oudeygen, „Thinsen en Uitgangen, welke noch ten zijnen comptoire onaf-„gelost zijn gebleven, tevens met opgave der Personen, welke „deoze Aflossingen verschuldigd zijn.

„dat ter voldoening aan welgemelde Resolutie bij den Rendant „zoodanige opgave is gemaakt en gebleeken, dat onder dcszelvs „administratie zig als nog bevonden de navolgende Fhinsen, „Erfpachten, etc. alsse:

fol. 35» — „wegens \'t Comptoir der Domainenquot; (volgt de opnoeming.)

fol. 36 _ „wegens St. Servaas-quot;Wittevrouwen-de Carthuisers-„Oudwijk-abdije van St. Pauls te Utrecht —- Marienburg te Zoest — „Oostbroek — Maria Magdalena te Wijk bij Duurstedequot; (volgt de opnoeming) en (fol 37) — „wegens \'t Comptoir der Gebe-„neficieerde Goederen: 14 Uitgangen uit diverse vicaryen, mits-„gaders commanderye van Harmeien en pastorijlanden te Vree-„land — te zaamen in vorige reekeningen verandwoord onder „de 16e Summaquot; (zie blz. 625.)

„Dat vervolgens den Rendant bij Besluit van Commissarissen „tot de Administratie der Financien van tvoormalige Gewest „Utrecht van den 12 May 1800 is aangeschreven en gelast, „omme alle de houders der Erfpachten, Thinsen, Uitgangenen „Oudeygens, echter met uitzondering van de Canons der uit-„ges-eevene Heylanden, te doen aanschrijven, ten eynde alsnog, „ter voldoeninge aan de Publicatie gearresteerd bij het Geweeze „Provintiaal Bestuur \'s Lands van Utrecht op den 5 Augustus „1797 binnen den tijd van 3 maanden die Erfpachten etc. ten „Comptoire van hem Rendant te lossen en af te koopen tegens „den Penning 25, terwijl omtrent de zodanige, welke hieraan

-ocr page 407-

57

„nalatig mogten blijven, zal worden gedisponeerd, als bij de „gemelde Publicatie is vastgesteld, — dan welke vorenstaande „Resolutie bij besluit van den 12 Juny daaraanvolgende, in zo „verre is gealtereerd, dat den Rendant is geauthoriseerd omme „buiten den hiervoron vermelde afkoop te houden:

„alle de Hofgoederen te Bnnnik, de Pachtgoederen in de Lange „Weyde, de Erfpachten hehoo rende aan de Vicarye van Ru wiel „en van St. Anna autaar te Breukelen, de parmyen te Zegveld „en Zegvelderbroek, het lootsje aan do Eembrug. enz.

fol. 38. — „Ingevolge van alle het hiervooren gepraemitteerde, „aan den Rendant zijn afgelost en alhier in ontvang worden „gebracht, de volgende Posten, alse:

„wegens \'t Comptoir der Domainenquot;, (volgt de opnoeming) — „wegens \'t Convent van St. Servaasquot; (volgt de opnoeming) „id. „Wittevrouwen — Carthuisers — Oudwijk — St. Pauls — Marien-„burg te Zoest — Oostbroek — Maria Magdalena te Wijk bij „Duurstede — en eindelijk fol. Alv — „wegens\'t Comptoir der „Gebeneficieerde Goederen : Kerkmeesteren van Vreesland wegens „den afkoop der uitgang a ƒ 57, gaande uit de Pastorylanden „te Vreesland, ingevolge \'t gerelateerde van den Exploiteur D. „de Ridder, surcheance van betaling hebbende bekoomen, dient

„zulks alhier voor........Memorie.quot;

Wanneer wij alzoo samenvatten al hetgeen blijkens deze domeinrekeningen van het algemeen domeinfonds der Bataafscho republiek, sedert de opheffing der afzonderlijke comptoiren en rentmeesters of ontvangers der (gewezen) geestelijke goederen met die goederen is gebeurd, — dim blijkt, dat do obligatiën ten laste der provincie Utrecht destijds (tengevolge van de successieve rente rcductiën) slechts 2I/2 percent rentende, staande ten name der vroegere rentmeesters der respective geestelijke goederen (zie VerLoren, blz. 616 en 617), eenvoudig zijn doorgehaald (gecancnlleerd) en verbrand, als zijnde noodelooze omhaal en betreffende pretensiën van het Rijk op het Rijk. Dat in de domeinrekeningen dan ook geene renten voorkomen, ontvangen uit die vernietigde obligatiën of inscriptiën, doch dat het schijnt, dat

\\

-ocr page 408-

58

daarvoor later inschrijvingen op het 2\'/2 pCts. Grootboek zijn in de plaats gekomen, waarvan echter de renten niet door het Bestuur der Domeinen, maar door dat van finantiën werden ontvangen en uitbetaald aan de predikanten. Zie hierover van Beuxingen , geestelijk kantoor van Delft, blz. 301 en volg. en de Decreten en Besluiten aldaar medegedeeld, waaruit ook blijkt, dat die als een eigendom van het Rijk werden beschouwd (blz. 303).

De overige obligatiën dier comptoiren, loopende ten laste van particulieren, even als ook de erfpachten, oudeijgens en derge-Ijjke, aan die opgeheven comptoiren gecompeteerd hebbende, zijn toen opgezegd, afgelost en gevloeid in s rijkskas dooi gedwongen aflossing tegen den penning 25. De landerijen daartoe behoord hebbende, voor zoover er nog enkele onverkochte waren overgebleven, zijn geadministreerd door den Ontvangei-Generaal in de provincie Utrecht. Van dit alles werd in het gewest Utrecht van toen af slechts ééne rekening gehouden, die alles omvatte, met inbegrip ook van de goederen en obligatiën van het vroegere comptoir der domeinen, ofschoon er, waarom blijkt echter niet, gedurende de jaren 1802 1804 eene afzonderlijke boeking of zoogenaamde separate administratie van de (gewezen) geestelijke goederen werd gehouden, die echtei later als noodelooze en nuttelooze omhaal weder is achterwege gelaten, zoodat alles onder een is gemengd onder het domein-bestuur, dat die goederen (zoover er nog iets van is overgebleven) thans nog administreert of laat administreeren door afzonderlijke rentmeesters (Amersfoort en Montfoort), terwijl de renten der inschrijvingen op het Grootboek direct in \'s lands kas vloeien, (alles natuurlijk voor zooveel betreft de gewezen provincie Utrecht, want over de andere provinciën handelen wij niet.)

Hoe is nu, vraag ik, bij zoodanige handelingen van Staatswege nog vol te houden, dat de Staat zich in de provincie Utrecht geen eigendom der gewezen geestelijke goederen heeft toegekend, doch slechts toezicht, superintendentie, of zoo iets

-ocr page 409-

59

dergelijks daarover zou gehad hebben en dat die geestelijke goederen of comptoiren aldaar niet als speciale rijks fondsen, doch als zelfstandige eu autonome stichtingen (edoch zonder eenig bestuur of regenten) zouden te beschouwen zijn?

Of wel, dat zooals in de 17e eeuw door een deel der theologen onder aanvoering van professor Gijsbertüs Voet in zijn theulogiesch ad vijs en andere twistschriften te berde is gebracht, niet als iets dat werkelijk bestond, doch bloot als theorie, zooals het naar hunne meening behoorde te wezen, maar facto niet was, dat namelijk de kerk nog steeds die goederen bezat of ten minste behoorde te hebben. De Staten wilden van die leer echter niets weten eu toen daarover te veel geschrijf en beroering ontstond, verboden zy eenvoudig om daarover langer te schrijven of te handelen. (VerLoren, blz. 436 en volg.)

De Hooge Raad heeft echter deze lang vergeten theorie der Voetianen weder opgewarmd in zijne arresten van 29 Februari en 7 Maart 1856 (van den Honert, Gem. Zaken XIII, blz. 263 en volg. en Regtsgeleerd Bijblad 1856 VI, blz. 228 en volg.) waarbij is aangenomen, dat niet de Staten door of tengevolge der Hervorming in de 16e eeuw eigenaars zijn geworden der geestelijke goederen, maar: de kerk, ofschoon onder anderen vorm, als christelijke kerk, die als zoodanig, als eene persona nioralis hare bezittingen heeft behouden, zoolang hare instellingen als personae morales door den summus imperans werden erkend.

De theorie van den Hoogen Raad, als zoude de Roomsche Ecclesia als persona moralis niet verdwenen zijn, maar zich hebben uitgebreid en gemetamorfoseerd in eene Christelijke kerk, omvattende alle Christenen (in Nederland? of in de ge-heele wereld ?) geeft ons den indruk, als beweerde men dat eene zeepbel, die uiteen barst niet verdwijnt, maar zich slechts uitbreidt tot heelal.

quot;Wij laten in het midden in hoever deze leer opgaat voor andere provinciën, ofschoon we zulks ten sterkste betwijfelen, maar voor Utrecht is zij ten eenenmie verwerpelijk en in strijd met alles wat de geschiedenis leert.

-ocr page 410-

60

Van een voortbestaan blijven der kerk, dat is der katholieke kerk, de Ecclesia (want eene andere was vroeger niet bekend), is er nooit eenige sprake geweest in 1580 en volgende jaren.

Men vindt dan ook herhaaldelijk vermeld, dat niet alleen de kloosters, conventen enz. cesseerden, maar ook dat de rooinsche religie cesseerde, gelijk dan ook de excerci tie dei zelve was verboden.

Iedereen begreep destijds zeer goed, dat het van zelf sprak, dat de kerk (dat is de katholieke kerk) wier zichtbaar opperhoofd op aarde was de Paus, geen eigendommen meer kon bezitten, nu de Paus van Rome en sijnen aenhanyh waren verklaard te zijn ca pita el vijand van den Staet. (Zie de Deductie van 1664

blz. 43 hierboven).

Dat er uit de asch van de gewezen roomsche kerk, na de Reformatie, eene andere algemeene Christelijke kerk of pro-tcstantsche kerk of welke kerk dan ook, met filiaal instellingen of zoo iets dergelijks zou verrezen zijn, heeft in 1580 nooit iemand beweerd, en men vindt daarvan dan ook geen spoor in de memorien of contra-memoriën tusschen het le lid der Staten en de beide anderen gewisseld.

De heftige quaestie in 1580 gevoerd in de Staten liep dan ook niet daarover, of er in de plaats van do roomsche kerk nu eene andere zou komen als eigenares der geestelijke goederen of reeds was gekomen, die mutatis mutandis de roomsche kerk de Ecclesia zou vervangen, — maar daarover, of de geestelijkheid , hetzij dan roomsch hetzij onroomsch, zou blijven te zeggen hebben cn beheer voeren over die geestelijke goederen, dan wel de Staten. Het 1* lid verloor het pleit doordien het werd overstemd door de beide anderen en het Hedressement van 1586 gaf hun voor goed den nekslag.

De Staten grondden in 1580 en later dan ook hunne rechten op de geestelijke goederen, niet op het ophouden en ineenvallen van de roomsche kerk, waardoor hun die goederen als \'tware in den schoot waren gevallen, als h^na vacantia, maar op een veel degelijker en krachtiger grondslag, die niet alleen voor

-ocr page 411-

61

Utrecht, maar ook voor de andere provinciën gold, doch die men in later tijd geheel over \'t hoofd gezien heeft. Zij beriepen zich, zooals wij hierboven reeds gezegd hebben, op art. XIII der Unie van Utrecht en de daarop gegronde resolutie der Staten-Greneraal van 1 Juli 1581 , waardoor zij „als Souveraine „Heeren ende Hooge Overheden van den Lande te meer be-„voeght zijn geweest, nae de reductie van den Staet ende refor-„matie van de Religie .... de vrije dispositie over dese goederen „absolutelyck aan haer te trekken .... om deselve in Reipublicae „aerarium te infererenquot; enz. (Deductie van 1664, VerLorex, blz. 413 en 137). In de resolutie der Staten van 12 Februari 1611 (VekLorex, blz. 544) worden die dan ook gezegd gemor-tificeerd te zijn.

Eene meer uitvoerige bestrijding der gemelde arresten van den Hoogen Raad is te vinden bij Mr. VerLoren 1. c. 436—442.

Hiermede vermeenen wij nu voor goed afscheid te kunnen nemen van de eigendom squaestie der (gewezen) geestelijke goederen in het algemeen en zullen ons bij de behandeling der vicariegoederen, daartoe mede behoorende, bepalen tot het betoog, dat alles wat de Staten later over die goederen meer in het bijzonder bepaald hebben, geheel overeenstemt met en een gevolg was van het principe, dat zij en niemand anders ook van de vicariegoederen eigenaars waren, zooals in § 11 breeder zal worden uiteengezet, zoodat wij nu kunnen overgaan tot de afzonderlijke behandeling van dat deel der geestelijke goederen, dat gebeneficieerde goederen werd genoemd.

-ocr page 412-

§ 2.

Gebeneficieerde goederen in \'t algemeen.

(PASTORIE-, VICARIE- EN MEMORIEGOEDEREN ENZ.)

In de vorige p.n.gnmf *.ge« wij. ^

in do provineie Utrecht, Zoo ten plattelande nis m do sle in 1580 en 1586 door de Staten staatseigendom zijn gewoide en als zoodanig ook zijn beschouwd en beheerd door de Staten Dat echter toen die goederen niet dadelijk zijn gebracht onder de administratie van den rentmeester van het van ouds reed bestaande fonds of zoogenaamde comptoir der ^

bij rubrieken aan afzonderlijke rentmeesters door de Stoten b -noemd en aangesteld, zijn toevertrouwd, totdat m 1799 a deze afzonderlijke comptoiren zijn opgeruimd en vereemgd me een nieuw opgericht, domeinfonds der Bataafsche Republiek dat

namens die Republiek wetd beheerd door een hoofdadmimstrateai

of hoofddirectie en een aantal onder-rentmeesters m de dive.se

^ W^hebbon echter tevens ook vermeld, dat door de feitelijke onnositie van de diverse steden tegen de bepalingen van het Zressement, de Staten, voor zooveel betreft de gewezen geestelijke goederen in steden gefundeerd, hun beheei ce pectievelijk aldaar gelegen goederen facto (niet rechtens) hebben moeten prijsgeven en hebben moeten gedogen, dat de respectieve steden ieder op haar grondgebied, het beheer over die goedeien,

-ocr page 413-

63

waarvan zij zich dadelijk na de reformatie reeds hadden meester gemaakt, bleven voeren, gedeeltelijk althans en dat zij ofschoon aanvankelijk erkennende, dat de Staten daarvan eigenaars waren en zij slechts beheer voerden, echter langzamerhand zich de goederen gedeeltelijk hebben toegeeigend door die te verkoopen of tot eigen gebruik aan te wenden en de afzonderlijke rentmeesters daarover door hen gesteld te ontslaan en de geheele administratie te vereenigen met die der gemeente ontvangsten en uitgaven; zoodat in 1799 die stedelijke rentmeesters en administration niet mede zijn opgeheven met de overige comp-toiren der Staten, doch zijn blijven hangen bij de stedelijke administratiën en eerst later in 1807 of omstreeks dien tijd, bij de reorganisatie door de oprichting van het Koninkrijk Holland onder Koning Lodewijk Napoleon, zijn opgeheven en vereenigd met de algemeene administratie der gemeente-eigendommen en inkomsten.

Deze zelfde loop van zaken, die de gewezen geestelijke goederen in \'t algemeen na de reformatie hebben gehad en genomen, vindt men in \'t klein en in \'t particulier terug in het onderdeel derzelve, dat bij art. V van het liedressement bijeengevoegd en tot ééne massa was gebracht, ouder de collective benaming van gebeneficieerde goederen; waarover alstoen één ontvanger of rentmeester door de Staten is aangesteld, die dan ook in 1586 die gebeneficieerde goederen namens de Staten is gaan be-heeren, ook in de steden, zoo goed en zoo kwaad hij kon en zulks dan ook een tijd lang heeft volgehouden, onder allerlei hindernissen en obstakelen. Hoe lang dit heeft voortgeduurd, weet men niet recht, daar alleen zijue eerste rekeniug bekend is, doch in 1669 had de toenmalige rentmeester der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht alleen nog maar beheer over die goederen, welke ten plattelande waren gefundeerd, doch niet meer over die in de steden.

Van daar dan ook, dat in 1799, toen het comptoir der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, tegelijk met de overige comptoiren der Staten is opgeheven en gebracht onder

-ocr page 414-

64

het algemeen domeinfonds der Bataafsche Republiek, alleen de gebcnoficieerde goederen ten plattelande zijn vereenigd met de domeingoederen, doch die in de steden gefundeerd zijn blijven hangen onder het beheer en de administratie der respectieve stedelijke besturen, die zich daarover het beheer hadden toegekend en aangematigd tijdens de Reformatie, zonder dat de Staten bij machte zijn geweest hun dit te ontweldigen en dit ten slotte als een fait accompli beschouwd hebben, waaraan toch niet meer te veranderen viel.

Zooveel echter hebben de Staten, bij de gebeneficieerde goederen in de steden gefundeerd weten te redden en behouden van hunne bevoegdheid en hun eigendomsrecht op de goederen, dat ook in de steden geene gebeneficieerde goederen (met name pastorie- en vicariegoodercn) mochten vervreemd of bezwaard worden , dan door hen of met hun consent en dat de uitoefening van het collatierecht, drukkende op sommige der gebeneficieerde goederen (pastoriën en vicariën), dat de Staten goedgunstig lieten bestaan, ook na de Reformatie, door hen en niet door do stedelijke besturen werd uitgeoefend, t. w. de agreatie of goedkeuring der predikanten (loco-pastoors) en der possesseurs van vicariën (loco-vicarissen) door de collators voorgedragen.

Dit is nu in algemeene trekken het historisch beloop der gebeneficieerde goederen in de provincie Utrecht, die wij thans historisch in de details zullen nagaan, want juist daarop komt het aan, bij de vraag wie eigenaar der gebeneficieerde goederen

is geweest en gebleven.

Wij herhalen: een historisch onderzoek waarbij alleen wordt gevraagd: wat is er gebeurd en bepaald na de Reformatie? en: heeft men de bepalingen al of niet kunnen handhaven?

Dus niet systematisch onderzoek, wat de Staten hadden mogen, kunnen of moeten vaststellen. Zij waren in hunne beschouwing althans Souverein van den lande, en kouden uit dien hoofde, ook krachtens art. XIII der Unie, met de geestelijke goederen in \'t algemeen en de gebeneficieerde goederen in \'t bijzonder handelen, zooals zij wilden, al hadden zij die alle dadelijk willen

-ocr page 415-

65

vei\'koopen en de opbrengst besteden, om den oorlog tegen Spanje vol te kunnen houden.

De Koning van Spanje en de Paus hadden niets meer te zeggen, Bisschoppen waren er niet meer, de roomsche kerk, de Ecclesia was eeu cadaver en van het canonieke recht en de P apistische privilegiën en cost urnen, strijdende tegen het woord Gods, wilden de Staten ook niets meer weten (Zie VerLorejj, blz. 351). Hechten van de oorspronkelijke stichters van kerken, pastoriën, altaren, vicariën of soortgelijke beneficiën op de goederen, daartoe behoorende of behoord hebbende, werden door de Staten niet erkend, gelijk de stichters dan ook vóór de Reformatie daarop geen eigendomsrechten gehad hadden, maar daarvan bij de fundatie bepaald afstand hadden gedaan ten behoeve der kerk (Ecclesia), die door de confirmatie van den Bisschop waren geworden bona Ecclesiae, en nu die Ecclesia van het tooneel was verdwenen, waren geworden bona Reipublicae, die waren geïncorporeerd in aerarium Beipuhlicae, zooals in de bovengemelde Deductie van 1664 gezegd wordt. (VerLoreu, blz. 413.)

Alleen het patronaat- of collatierecht, verbonden aan die gebeneficieerde goederen, die daaraan vroeger subject waren, dat is pastoriën , vicariën, capellaniën, kosteriën en scholasteriën, lieten de Staten goedgunstig in stand, voor hen die zulks vroeger, vóór de Reformatie hadden uitgeoefend en op de wijze, zooals zij dit toen uitoefenden. Echter met dien verstande, dat de voordracht door den collator niet meer aan den Bisschop, maar aan de Staten of hunne Gedeputeerden moest gedaan worden en dat voor pastoriën geen pastoors, maar predikanten van de zuivere en ware gereformeerde religie (geen dissenters) konden voorgedragen worden en voor possesseurs van vicariegoederen, de vicarissen vaa vroeger, niet anders dan personen daartoe gekwalificeerd (waarover nader) en bovendien mede professie doende van de ware gereformeerde religie , in voege als zulks hierna in § 10 nader zal uiteengezet worden. Rees er over dit collatierecht geschil tusschen diverse personen, dan bemoeiden de Staten zich daamede niet, mxar lietea dit de belanghebbenden

-ocr page 416-

66

zeiven, evenals vóór de Reformatie, uitvechten voor den rechter. Zij benoemden den vicaris of possesseur alleen met de clausula salutaris, voorbehoudens ieders goed recht, zoodat indien het later bleek, dat een onbevoegde de voordracht aan hen had gedaan, zij die eenvoudig introkken. Hun toch was het onvei-schillig of de predikant of vicaris hun door A dan wel door B of C werd gepresenteerd. Kwam er bij vacature binnen den daartoe gestelden tijd niemand op, om als collator hun iemand te presenteeren ter benoeming of waren de collatoren uitgestorven, dan benoemden zij zonder eenige voordracht ex plemtudine potestatis een predikant, vicaris, koster of schoolmeester.

Ziedaar in korte trekken uiteengezet wat na de Reformatie rechtens was ten aanzien van dat deel der (gewezen) geestelijke goederen, dat bij art. V van het Redressement werd samengesmolten tot een nova species, genaamd de gebeneficieerde goederen, of zooals de benaming voluit was: de Gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht (VerLoren onder anderen blzz. 193, 582, 587, 588, 59G), bestaande uit de goederen behoord hebbende tot pastoriën, vicariën, capellaniën, kosteriën, beneficiën en broederschappen. De kerkgoederen mede in dat artikel genoemd, zijn bij de beraadslaging en aanneming van het artikel er uitgelicht. (Zie deliberatie over art. VII. VerLoren, blz. 526.)

Pastorie-, vicarie-, kostericgoederen, beneficie- en broederschapsgoederen bestonden er dus niet meer, maar alleen gebeneficieerde goederen, ofschoon men ook na 1586 ter aanduiding van ile diverse onderdeelen , waaruit dit fonds of comptoir dei gebeneficieerde goederen bestond, bleef spreken van pastoiie-, vicarie-, capellanie-, memoricgoederen enz., die eigenlijk slechts waren gewezen pastorie- vicarie enz. en diverse species van het genus gebeneficieerde goederen , waarin zij opgingen.

Hoe men aan de collective benaming van Gebeneficieerde goederen, ter samenvatting dier verschillende onderdeelen is gekomen, blijkt niet met juistheid, doch in art. V komt die reeds voor, verbis „ende allen andere beneficiën in de

-ocr page 417-

67

kerckenquot; — en wordt gebezigd, als omvattende ook de pastorie-, vicarie-, capellanie- en broederschapsgoederen. Het zijn dus alle goederen verbonden aan of strekkende tot eenige dienst- of godsdienstoefening van de vroegere pastoors, kapellaans, vicarissen en andere geordende of niet geordende geestelijken, benevens kosters {tevens schoolraeosters) enz.

Welke pastorie-, vicarie- enz. goederen vielen nu in art, V van het Redressement ?

Men zou bij de beantwoording dezer vraag eigenlijk de toestand en aard der pastoriën, vicariën, capellaniën en costeriën en de daartoe behoorende goederen vóór de Reformatie buiten alle beschouwing kunnen laten, want toen de Staten in 1580 aan de geestelijkheid het beheer en de macht tot vervreemding der klooster-, abdij-, pastorie-, vicariegoederen enz. ontnamen en aan zich trokken, gelastten zij tevens, dat hunne gecommitteerden tot de zaken der (gewezen) geestelijke goederen eene lijst daarvan zouden opmaken, die dan ook werkelijk is opgemaakt en nog aanwezig is op het rijksarchief in de provincie Utrecht, voor zooveel betreft de pastorie-, vicarie- en memoriegoederen in de provincie. Wat door deze gecommitteerden op die lijst of Inventaris van de gheestelijcken goederen in den steden ende ten platte Lande van Utrecht (van 1583) werd gebracht, als pastorie-, vicarie-, kosterie- of memoriegoederen, was dus daardoor per se als zoodanig te beschouwen. Bij het latere Redressement vau 1586 en de daarbij behoorende instructie van den nieuw benoemden rentmeester der gebeneficieerde goederen van 10 Juli 1587 (VerLorex, blz. 536 en volg.), werd in art. I dier instructie verwezen naar dien Staat of Inventaris, waarvan toen een exemplaar berustte op de Directiekamer en werd bij art. VIII tevens bepaald, dat indien er later alsnog eenige goederen mochten ontdekt worden, die daarmede toebehoorden, die alsdan in gemelden staat of inventaris ter directiekamer alsnog zouden worden bijgevoegd en geregistreerd.

De toenmalige wetgever zelf heeft dus uitgemaakt welke goederen al dan niet als vicariegoederen enz. zouden beschouwd

-ocr page 418-

68

worden cn behoorden tot de gebeneficieerde goederen bij art. Y F egt;lr esse inent bedoeld, door daarvan eene officieele lijst te laten opmaken.

Wat op die lijst is geplaatst als vicarie-, memorie-, pastorie-of kosteriegoederen, is eo ipso en ex voluntate legislatoris als zoodanig te beschouwen, en daarmede is het uit cn beslist, al mocht er daarbij zijn misgetast.

De zaak is dus doodeenvoudig, nu die lijst gelukkig nog aanwezig is, als ook een officieel afschrift van de le rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen, Floris van Weede van 1586/8, waarin die lijst goilmplieerd en vermeerderd met de sedert door hem nog ontdekte goederen in extenso is opgenomen. Alle verdere beschouwingen over den aard, den oorsprong, de bestemming en de verschillende soorten van goederen in art. V vermeld, vóór de Reformatie, zijn dus, ofschoon uit een wetenschappelijk oogpunt zeer belangrijk, evenals alle geleerde definitiën van pastoriëu en vicariën en wat daaronder al dan niet te verstaan is, als overbodig te beschouwen, om te weten wat al dan niet viel onder art. V. Wij merken ook nog op, dat er bij meergemeld artikel V en de instructie van den rentmeester, voor zooveel de rechten en bevoegdheden der Staten op die goederen betrof, geen onderscheid hoegenaamd wordt gemaakt tusschen de verschillende onderdoelen te zamen uitmakende de geb. goederen, zoodat zij bijvoorbeeld op de gewezen pastorie-, capellanie- eu kosteriegoederen meerdere of andere rechten van eigendom of beheer zouden hebben, dan bijvoorbeeld op de gewezen vicariegoederen. Evenmin blijkt het, dat zij op de goederen van de eene soort van vicariën, bijvoorbeeld juris ecclesiastic!, eenig ander of meer recht zouden gehad hebber, dan bijvoorbeeld op die welke waren juris laïcalis. Daarvoor is nergens eenig bewijs te vinden, zoodat ik moet tegenspreken wat daaromtrent in het rapport de Greer gezegd wordt. Alleen voor kapittelgoederen en vicariën was er onderscheid, zooals art. Y zelf zegt. Wij geven echter toe, dat de Staten of liever hunne Gedeputeerden, als zij in vicariezaken te doen hadden

-ocr page 419-

69

met den stadhouder, den magistraat in een der steden, den heer van Nederhorst (VekLorex, blz. 479), de familie Meerman en andere groote heeren, veel door do vingors zagen en facielder waren dan bij andere vicariën, bijvoorbeeld remissie van de tertiën gaven of afstand van eeu deel der koopprijzen van verkochte vicariegoederen deden.

Wanneer men de eveugemelde lijst der vicariegoederen in ziet, dan blijkt het dadelijk, dat de Staten of liever hunne gecommitteerden tot de geesteljjke goederen en de rentmeester der gebeneficieerde goederen het woord vicarie- en vicariegoed, dat in de middeleeuwen nu eens eenc engere, dan weder eene zeer ruime beteekenis en omvang heeft, in den ruimsten zin des woords namen en op die lijst brachten, alles wat vicarie was, of er eenigszins naar geleek, doch eigenlijk meer als heneficiegoed was te beschouwen, welke beneficiën trouwens ook vielen onder art. V van het Redressement.

De benaming vicarie was iets nevelachtigs en onbestemds van cameleontischen aard. Zoo leest men b. v. in een notarieele akte van 6 Juli 1627 opgemaakt door den notaris Xicolaas van Lostadt (bijlage VI belioorende bij dit rapport) van eene vicarie ofte prebende Animarum in de kerk van St. Marie te Utrecht gefundeerd, — vicarie of officie (YerLorex, blz. 161), vicarie of beneficie (VerLorex, blz. 161), vicarie of memorie (VerLorex, blz. 304), vicarie of zielprove (VerLorex , blz. 227), vicarie of dienste (VerLorex, blz. 227/8), vicarie of broederschap (vax IIedssex en vax Rux, (resell. van het Utr. Bisdom, III blz. 107 en v).

Zij redeneerden eenvoudig: eene vicarie is eene vicarie en het doet er niets toe, waartoe die precies strekt, noch ook of die indertijd is gefundeerd in eene kapittel- dan wel parochiekerk, in eene kapel, klooster, convent of ander gewijd gebouw, noch ook of die is juris laïcalis dan ecclesiastici, juris patronatus dan wel non patronatus, of die behoort tot eene heerlijkheid, ridderhofstad of kasteel en wat dies meer zij. Immers er blijkt nergens uit, dat er tusschen deze diverse, soorten van de gewezen vicariën eenig onderscheid door de Staten is gemaakt,

-ocr page 420-

70

ten aanzien hunner rechten op de goederen daartoe behooreade en het beheer over dezelve, dan alleen ten aanzien van de vicariegoederen, die moesten beschouwd worden te behooren tot de kapittelgoederen, te weten de zoogenaamde gemeene vicariën in de respectieve kapittelkerken gefundeerd, omdat die bij art. VI van het Redressement waren uitgezonderd.

Er werd wel onderscheid gemaakt ingeval er collatierecht der vicarie bestond, doch ook alleen maar voor zooveel die begeving betrof, niet de rechten op de goederen zeiven, waarover de collator niets te zeggen had, veel minder daarvan eigenaar was. Later bestond er ook verschil, indien de vicarie in eene stad was gefundeerd, doch alleen voor zooveel het beheer (niet r;en eigendom) der goederen betrof, dat de magistraat in die steden zich had aangematigd en de Staten hem niet uit de handen konden breken.

Onder dien collectieven naam van vicariën begrepen de Staten dan ook vicariën, die niet strekten om zielmissen voor afgestorvenen te lezen of te zingen, maar ook zoodanige, die, ofschoon met name vicariën geheeten, echter strekten, om een geestelijke te onderhouden, die dienst deed op het altaar of een der altaren in eenige kerk, convent of kapel, bloot door missen te lezen, biecht af te nemen, sermoenen te houden enz. voor de nog levenden. Zie bijvoorbeeld de vicarie op het altaar van het Heilige Kruis, in het St. Bartholomaei gasthuis te Utrecht, vermeld bij YerLoren, blz. 479, waarvan de vicaris wekelijks drie missen moest doen in de kapel van het gasthuis, iederen Zondag een sermoen moest houden in die kapel en de aldaar verpleegd wordende armen en huisbedienden de biecht moest afnemen en de sacramenten ministreren. Desniettemin waren er voor deze vicarie ook collators, te weten de huismeesters van het gasthuis.

Van gelijken aard en ook mot collatierecht is de vicarie te Montfoort, gesticht door Bisschop Johannes, teneinde den regent of persona behulpzaam te zijn in zijn geestelijk of wereldlijk officie:

„Soo is het dan, dat wij, Godts naame aangeroepen hebbende, uijt kragte van ons ordinaris gesach, een Kerckelijk

-ocr page 421-

71

„Benefitie, \'t welck gemeenlijk eene Eeuwigduurende Vicarije „genoemt werdt, in de gemelde Kerk van Montfoort door den „inhoudt dezes oprechten en instellen; soodanig, dat de Clerk, „die gemelde Vicarije bekleeden sal, tot deselve Vicarije be-„ noemt moet worden door den voornaamsten Regent derselver „Kerke, anders Persoon genoemt; dat hij de Geestelijcke sorge „over de gemelde Kerke hebbe, dat hij deselve Kerke, en het „Volk tot de Kerk bchoorende, in de Goddelijke Saaken be-„diene, dat hij de Pastoreele Rechten derselve Kerke sal genieten, „en de lasten draagen, en dat hij, voor het draagen van die „lasten, alle de vervallen der gemelde Kerke sal genieten, en „verders voor sijn Beneficie tevreede sal sijii met de Landerijen, „die wij hem toeleggen. Doch dat de voornaamste Regent der „gemelde Kercke deselve Kercke sal bedienen en het tijdelijke „dat hij de seeckere Inkomsten en Renten derselver Kercke voor „sijn Beneficie, \'t welke voor een Persoonschap gehouden sal „worden, sal trekken. Verder dat hei gemelde Patroonschap, „soo wel als de Persoonen selfs en de gemelde Vicarije soowel „als de Vicarissen ten eeuwigen daagen sullen behooren tot ons „Bisdom. Gegeven in \'tjaar 1331quot;, (Le Loxg, A7^. en iTfet\'/sc/je oudheden V, blz. 22 en Heussex en vax Rijs , Hist. Utrechtsch Bisdom II, blz. 258.) Zie ook VerLoren, blz. 480 over de vicarie op het altaar van het Heilige Kruis in de kapel van het St. Bartholomaei Gasthuis te Utrecht, gefundeerd in 1415 en nader bevestigd door den Bisschop den 101\'611 Mei 1440.

Omgekeerd zijn ook wel goederen aangewezen om zielmissen te houden, zonder dat die den naam droegen van vicarie-goederen en vicariën, doch geheeten werden memoriën en memoriegoederen, of getijdegoederen, zooals bijvoorbeeld de memoriegoederen te Montfoort, die in den verkoopbrief van het Burggraafschap Montfoort van 11 Augustus 1648 (Matthaeus, de nobilitale blz. 809) afzonderlijk genoemd worden , behalve de 14 vicariën. Ook in de bij dit rapport onder bijlage V gevoegde resolutie van den raad te Utrecht, van 8 Januari 1593, wordt van goederen behoorende tot de memoriën gewaagd, als iets dat

-ocr page 422-

72

niet per se begrepen was onder vicariën. (Vergelijk ook de aanhalingen bij VerLoeen, blz. 288.) Het onderscheid tusschen beide schijnt wellicht daarin te hebben bestaan, dat er voor vicariën een afzonderlijke geestelijke was aangewezen, om de missen te doen, doch voor de memoriën niet, die gehouden of\' gezongen werden door de yemeene vicarissen of zoogenaamde choorheeren en waarvan de opbrengsten werden verdeeld onder hen gezamenlijk, in tegenoverstelling der simpele vicariën en vicarissen, waarvoor een bepaalde geestelijke als vicaris was gesteld.

Het is dus schier ondoenlijk, om eene definitie te geven van vicariën, die alles omvat hetgeen men in de provincie Utrecht (en elders) onder vicariën verstond vóór de reformatie, vooral indien men bedenkt, dat er ook makingen zijn gedaan voor de zangers of choralen, die bij het celebreren van de missen of van zielmissen den vicaris accompagneerden, welke makingen in Noord Brabant cantor ij en genaamd werden.

Nog bezwaarlijker is het zoodanige definitie te geven van hetgeen men na de Reformatie onder vicariegoederen en vicariën verstond, en herhaaldelijk leest men van een beneficie of vicarie of wel van een vicarie of officie als synonima, zoodat men allerlei namen en benamingen aantreft. De eenige mogelijke en steekhoudende definitie is, dat daaronder is te begrijpen, alles wat de Gedeputeerden der Staten tot de geestelijke goederen en later de ontvanger der gebeneficieerde goederen facto onder de gebeneficieerde goederen hebben gebracht, hetzij als vicariën , hetzij als memoriën, hetzij als beneficiën, hetzij als officiën of andere namen.

Eigenlijk gezegd bestonden er na de Reformatie in de provincie Utrecht jure geene vicariën of vicariegoederen meer, evenmin als pastoriegoederen, want er waren toen slechts gebeneficieerde c/oederen, behoorende tot het comptoir der gebeneficieerde goederen. Wanneer dus de Staten na 1586 in hunne resolutiën, ordonnantiën enz. spreken van de vicariën en vicariegoederen,

-ocr page 423-

73

dan heeft men daaronder altijd te verstaan de gewezen vicariën en vicariegoederen, evenals wanneer zij handelen over het convent van Oud wijk, Wittevrouwen, St. Servaas enz. te Utrecht, ilaria Magdalena te Wijk bij Duurstede eu audere conventen, de Balije der Orde van St. Jan te Utrecht en anderen, men daaronder altijd te verstaan heeft de gewezen en opgeheven conventen, balye enz. Men bleef die zaken uit gewoonte en kortheidshalve bij hunne vroegere namen noemen, even als ook in \'t algemeen wanneer er sprake is van de geestelijke goederen, daarmede bedoeld worden de gewezen geestelijke goederen, die geen geestelijke goederen meer waren, maar, zooals de Staten zeiven zeggen in de reeds gemelde Deductie van 1664 (VerLorex , blz. 414), de goederen die sub p ris cis nominibus waren geseculariseerd. Iu de resolutie vau Gedeputeerde Staten van 25 April 1587 wordt dan ook gezegd „vicarissen {zoo men die noemty VerLoren, blz. 350.

Zoo leest men in de rekeningen van de rentmeesters der gebeneficieerde goederen en zelfs iu de latere van den rentmeestergeneraal der domeinen over 1800—4 onder de ontvangsten geregeld:

„De commandeur van Harmelen betaald \'sjaars f 300quot;.

en in de Uitgaven:

„aan den sacrist van St. Maria/14quot; (YerLoren, blz. 628 cn 644) ofschoon er destijds geen sacrist was of sacristie meer was in de gereformeerde Maria-kerk te Utrecht, noch ook een commandeur van Harmelen, daar de Orde van St. Jan te Jerusalem Balye van Utrecht reeds twee eeuwen vroeger (in 1602) door de Staten was opgeheven, hetgeen echter niet belette, dat in 1817 de rentmeester Jhr. Beelaerts zich nog steeds in zijne rekeningen aan de vereenigde gods- en gasthuizen als van ouds bleef betitelen als rentmeester van de Convente en Balije van St. Cathanjne te Utrecht.

Op gelijke wijze spreekt men zelfs heden ten dage nog van allerlei zaken, die eigenlijk niet moer bestaan, bijvoorbeeld van den Prins van Oranje, ofschoon dit prinsdom niet meer bestaat

-ocr page 424-

74

en in ieder geval de Kroonprins daarop geene rechten meer zou kunnen uitoefenen.

De afzonderlijke vicariën en vicariegoederen zijn verdwenen en opgegaan in het fonds van de gebeneficieerdi goederen, welk rijksfonds op zijne beurt is opgegaan in het algemeen domeinfonds in 1799, onder directie van Gogel opgericht, zooals hierboven bereids is uiteengezet. Alleen het collatierecht der afzonderlijke vicariën is blijven bestaan, als eene bevoegdheid of recht, drukkende op afzonderlijke goederen of daaraan verknocht, zonder echter de goederen zelven te raken.

Strikt genomen was het eene anomalie, dat men na de Reformatie nog sprak van de mortificatie van de vicariën zelven, want na 1586 bestonden zij reeds niet meer. Het was slechts de opheffing van het collatierecht, drukkende op de gewezen vicarie, somtijds ook met het prijsgeven van het eigendomsrecht van den Staat op de goederen dier vicarie, hetzij voor het geheel, hetzij voor 2/= en de cessie daarvan aan den collator of wel aan deze of gene liefdadige instelling, waardoor die goederen voor \'t vervolg ophielden deel uit te maken van het fonds der gebeneficieerde goederen en bijgevolg ook de inkomsten daarvan niet meer werden aangewend tot onderhoud van predikanten, schoolmeesters en kosters. Hieronder zal dit nader worden betoogd.

Alvorens over te gaan tot de behandeling van de geschiedenis der vicariën in Utrecht, vermeenen wij op den voorgrond te moeten stellen, dat reeds vóór de Reformatie de toestand der vicariën en vicariegoederen, evenals ook die der pastoriën en pastoriegoederen op onderscheidene plaatsen en bij diverse vicariën niet meer was, zooals die volgens de stichtingsbrieven en het canonieke recht behoorde te zijn, namelijk dat de collator slechts had een recht van presentatie van den vicaris (ook wel possesseur genoemd) aan den bisschop, doch geen beheer over dc goederen zelven of derzelver inkomsten, daar zulks aan den vicaris toekwam, die de vruchten er van genoot voor zijne

-ocr page 425-

75

diensten als vicaris te presteeren, evenals de pastoor de pastoriegoederen hem tot onderhoud geschonken zelf administreerde of ten minste die administratie in handen behoorde te hebben, niet de collator.

Maar evenals de vorsten en koningen in \'t algemeen en in \'t groot zich, zoowel vóór als na de Reformatie, allerlei inbreuken en willekeurigheden veroorloofden op de geestelijke goederen en rechten, zoo treft men ook toen reeds bij de collators van pastoriën en vicariën dergelijke willekeurigheden aan. Zij konden of wilden niet begrijpen, dat zij over die goederen, indertijd door hunne voorvaderen aan de kerk, kapel of altaar in dezelve geschonken, niets meer tc zeggen hadden, doch alle rechten danrop onherroepelijk aan God of de kerk waren afgestaan, maar zij matigden zich het beheer over dezelve aan en gaven aan den pastoor of den vicaris zooveel als zij goedvonden, of wel eene vaste som en behielden de rest voor zich. Zelfs begonnen sommige collators, zooals onder anderen de Burggraven van Montfoort te begrijpen, dat die goederen hun toebehoorden, zooals blijkt uit de evengemelde koopacte van 11 Augustus 1648, waarbij de toenmalige Burggraaf de heerlijkheid (burggraafschap) Montfoort aan de Staten verkocht, met de 14 vicariën en de goederen daartoe behoorende „ende „sonderling oock de memoriegoederen.quot;

Van andere vicariën waren zelfs de goederen verdwenen, verduisterd en zoek geraakt, zooals blijkt uit art. XXX der reeds gemelde Ordre op de Geestelijckheid ende have goederen van 1580 (VerLoren, blz. 501) waarin geklaagd wordt „dat „er veel beneficien ende officien, zoo op de platte Landen als „in de Steden gesupprimeert, verdonkert ende die goeden daertoe „behoorende tot weerlycke zaken ende particulier profyt ge-„appliceert zynquot; en uit art. 52 der Instructie (zie VerLoren, blz. 510), waardoor de predikanten en gemeenten in noodlijdenden toestand verkeerden.

In de reeds gemolde kerkvisitatie, anno 1593 op last der Staten van Utrecht gehouden, tot onderzoek van den toestand

-ocr page 426-

76

der kerkelijke gemeenten ten plattelande, wordt ook al gewaagd van de vicariën Lopik die verduisterd waren, als ook eene te Westbroek, geschat op f 60 \'sjaars, die verduisterd was en onwettig gepossideerd werd door zekeren Peter Vereem. In de na te melden le rekening van don ontvanger der gebeneficieerde goederen Floris van Weede, 1586/8 , vindt men dan ook een aantal vicariën vermeld, waarvan de goederen onbekend en niet te vinden waren.

Zooals reeds in § 1 van dit rapport is gezegd, worden de vicariegoederen in de Ordre van 1580 en het Redressement van 1586 en de daarmede in verband staande Instmctiën en documenten steeds in eenen adem genoemd met de (gewezen) geestelijke goederen en tegelijk met deze behandeld, zonder dat er eenig spoor is te vinden, dat de Staten, voor zooveel den eigendom betreft, daarop eenig ander of minder recht zouden hebben, dan op de overige (gewezen) geestelijke goederen.

Het is dus aan geen redelijken twijfel onderhevig of zij destijds wel geacht werden daartoe mede te behooren, zoodat alles wat van de geestelijke goederen in \'t algemeen geldt, evenzeer past op de vicariegoederen, in den uitgebreidsten zin van het woord.

Dat die goederen niet alleen wettig daartoe behooren , maar ook in de schatting van het publiek, zelfs nog in 1744, als geestelijke goederen (dat .is (jewezen geestelijke goederen) beschouwd werden , blijkt uit hetgeen daartomtrent voorkomt in de eigenhandige aanteekeningen van den Vroedschap te Utrecht Mr. Dirk Woertman (Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap te Utrecht, Deel V, blz. 253 en 256).

Nadat hij verhaald heeft, hoe hij eindelijk door de toen gebruikelijke combinatiën en machinatiën (die uitvoerig door hem beschreven worden, als gansch gewone en natuurlijke zaken) de zekerheid had verkregen, dat hij in plaats van Boudaan, die overleden vvas, tot Vroedschap van Utrecht zou gekozen worden, vervolgt hij aldus: „des namiddags (13 October 1774) „hebbe ik, omme gerust te kunnen antwoorden, dat ik geene geeste-„hjke goederen besat, mijne derde portie in de Vicarye staende

-ocr page 427-

77

„ten lijve van Jacob van Helsdingen, overgegeven aan mijn „zwager Viauen, die hetsclve derde part ook heeft geaccepteerd, „volgens de onderhandsche acte daarvan tusschen ons beijde „gepasseert\'

Blz. 256. „Dinsdag morgen den 20 aldaer (ten stadhuize) „gekomen synde .... ahvaer by my quam den Secretaris „Baerlé en seyde dat de heren Borgemeesteren en Vroedschap „eenparig mij haddeu verkozen tot haer Mede Kaed en derhalve „hem haddeu gelast, alvorens mij binnen te laten komen, af „te vragen, of ik ook besat eenige geestelijke goederen, of ik „ook was in dienst en eed voor eenig ander Heer of Vrouw...

„enz., op welke twee eerste poincten ik resolutelijk neen.....

„geantwoord hebbe,.....soo ging gemelde Secretaris daervan

„aen de Vroedschap rapport doen .... enzquot;.

Zoodra de Reformatie in de stad Utrecht haar beslag had bekomen, begon de Raad aldaar dadelijk allerlei bepalingen te maken over de geestelijke goederen, alsook over de vicariën.

Den 13 April 1579 ordineerde de Raad aldaar, dat de kerkmeesters van St. Jacob de goederen der broederschappen en vicariën in die kerk gefundeerd tot zich zouden nemen: „tot „behoutf der kercken, daer of betalende den predicanten ende „andere dienres van den kercken luier gagie ende de jegen-„woordige vicariën eenige pensie haer leven lang.quot; (VkeLoren, blz. 556.)

Op 29 December 1579 committeerde de Raad eenigen uitzijn midden, om van de broederschappen, in de Buur-, St. Jacobs-, St. Nicolaas-, St. Geert- en in de Predikers en Minnebroeders kerken gefundeerd, „mitsgaders van de genen die hewynt hebben ■„van de memorien die men in deselve kercken plach te honden, „te eysschen, nemen ende ontfangen bij goede ende pertinente „inventaris alle de goederen so mobile als immobile met die „originele brieven, rekeningen, munimenten ende ander bescheyt „dairtoe dienende, die tot deselve broederschappen ende niemo-„rien toebehoorende zijn. Auctoriserende ende ernstlick ordon-„nerende den voors. gecommitteerden hiermede sommierlick in

-ocr page 428-

78

„alder diligentie te procederen ende dengenen die onwillich ende „ongelioirsaeni zullen zijn, in gijselinge te doen brengen op „Hasenberch tot dat zij \'t gunt voirs. is geefectueert zullen „hebbenquot;.

Verder werden alstoen Willem van Biler, schepen en Adriaan van Rhenen, raad, gecommitteerd, om de goederen op die inventarissen vermeld onder zich te nemen q\\\\ „te verkopen ende „te gelde te maken hij kennisse van de kerekmeesters tot behou/f „van deselve kerekequot;. (VerLorf.n , blz. 557.)

Hoezeer nu dit laatste niet schijnt geeffectueerd te zijn, doordien in 1580 de Staten zich de regeling der voormalige geestelijke goederen, vicariën, broederschappen en memoriën aanttrokken, zoo blijkt er toch uit, waar dat doen van opgaven en staat der goederen ten slotte op uitliep of zou uitloopen, te weten dat die verkocht en te gelde zouden gemaakt worden.

Dit begreep het le Lid der Staten in 1580 ook zeer goed. Van daar die hevige oppositie zijnerzijds.

In Amersfoort ging het evenzoo toe. De Raad aldaar besloot in 1580 maar kortweg, om de vicarie aldaar gefundeerd door Goert van der Eem te supprimeeren en aan te wenden tot onderhoud van een predikant aldaar. (VerLoren , blz. 562.)

Toen echter de Staten zich de zaak aantrokken, verviel dit alles natuurlijk, daar art. 13 der Unie van Utrecht, het fundament waarop de Staten zich beriepen, aan de Staten en niet aan de respectieve Steden bevoegdheid gaf, om over de geestelijke goederen te beschikken. De steden echter bleven, als reeds gezegd is, streng volhouden, ook zelfs na het Redressement, en facto verordeningen over de vicariën en het patronaat over dezelve uitvaardigen.

Of deze resolutiën dus wettig en geldig zijn te beschouwen, waar zij in strijd zijn met de Ordre en het Redressement en de latere ordonnantiën der Staten is zeer te betwijfelen. In ieder geval golden zij slechts binnen het territoir van ieder der respectieve steden, niet daarbuiten. Wij hebben vermeend daarop het oog te moeten vestigen en voor zoover zij niet reeds bij VerLosen

-ocr page 429-

79

biz. 556 en volg. en 562 en volg. zijn opgenomen, te moeten aanvullen in de bijlagen V en VII tot dit rapport behoorende, daar zij in ieder geval tot inlichting kunnen strekken, omtrent den aard van het vicarierecht en het collatierecht over dezelve.

De algemeene strekking van de Ordre van 1580 en hot Bedressement van 1586 hebben wij hierboven in § 1 reeds medegedeeld.

Wij zullen nu nader beschouwen wat daarin en in de daarbij behoorende instructiën in \'t bijzonder is bepaald, ten opzichte der vicariën en vicariegoederen met of zonder jus patronatus.

In de eerste plaats alzoo de Ordre, waarvan de artikelen 4, 5, 6 en 30 betrokking hebben op de vicariën en de daarmede gelijk gestelde beneficiën, waaronder zijn te verstaan o. a de memoriën, cantorijen en dergelijke, die in de engere beteekenis niet onder vicariën te begrijpen waren.

De woordelijke inhoud dier artikelen, zooals zij, gedeeltelijk gewijzigd, door de Staten ziju aangenomen, kan men vinden bij VerLoeen, blz. 497—502, alwaar bet stuk in zijn geheel is opgenomen.

Art. IV bepaalt, dat vicariën zullen strekken tot onderhoud van „ministers ende dienaers van Goodts Woordt ofte tot eenige „andere diergelijke professie, daer door \'t landt ende die ge-„meente gedient mag wezenquot;, dat zij alleen aan personen zullen mogen gegeven worden „die den Staten aengenaem zullen zijnquot; en die „in studio ten fijne voorsz. zullen onderhouden werdenquot;, in een seminarium op te richten binnen Utrecht, alsook in de andere kleine steden, waarin een zeker getal jongens zullen onderhouden worden aan welke men vicariën zal kunnen eonfereeren.

Wijders, dat dit seminarium zal bekostigd worden uit de goederen bestemd voor de choralen (koorknapen) in de respectieve kapittelkerken en, zoo die daartoe niet voldoende mochten bevonden worden, dat men daartoe alsdan ook nog zal incor-pereeren eenige vicarie in die kerken gefundeerd.

-ocr page 430-

80

Artikel V. Dat de predikauteu van de gereformeerde religie te Utreclit zullen worden onderhouden uit de inkomsten van de broederschappen en de vicariën gefundeerd in de parochiekerken, de laatstgemelde echter eerst nadat die vacant geworden zullen z|jn en dat inmiddels, totdat er genoeg vicariën in de parochiekerken zouden disponibel geworden zijn , daartoe tijdelijk zouden gebruikt worden eenige inkomsten van de Kapittelen aldaar nader omschreven.

Artikel VI. Dat de schouten en gerechten alsook do collators en de possesseurs van eenige beneficiën, geestelijke officiën of vicariën ten plattelande aan de gecommitteerden tot de geestelijke zaken en goederen opgaaf moesten doen der goederen daartoe behoorende in de respectieve dorpen en gerechten gefundeerd, op de boete aldaar vermeld.

Artikel XXIX. Verbod van het houden van missen.

Artikel XXX. Dat er eene commissie uit de Staten zal benoemd worden, om de verduisterde goederen behoorende tot vicariën, beneficiën en diergelijke uit te vorschen en te zorgen, dat die „tot godtvruchtige zaecken geappliceert ende gebruijcr „werden.quot;

Tot deze commissie werden , ter vergadering van 6 Juni 1580 gecommitteerd uit de Staten Willem Taets van Amerongen , deken van Oud Munster, van wege de geestelijkheid ; — Frederik Uit den Eng van wege de ridderschap; — en Beernd van Jaersfelt van wege de stad Utrecht, zoowel voor \'t platteland, als in de steden, alsook om de conventen, kloosters, pastorijen en vicarijen in den stichte van Utrecht gelegen te interdiceren eenige alienatie of bezwaring hunner goederen te doen, zonder consent der Staten en binnen 14 dagen ecne opgaaf van hunne goederen en de lasten daaruit gaande aan hunne handen te doen (VerLorex, blz. 502).

Opmerkelijk is het, dat in de Ordre nergens wordt gesproken van de tertiën, en dat terwijl in den aanhef van art. 4 wordt gezegd, de inkomsten der vicariën voortaan zouden strekken ten behoeve van de Ministers en dienaers van (xoods woordt

-ocr page 431-

81

(dit ia de predikanten\\ onmiddellijk daarop volgt eeno phrase, waaruit volgt, dat niet de predikanten, maar de jongens, die in het seminarium opgenomen zouden worden, de inkomsten zouden genieten, zij het dan ook met de restrictie dat de hona choralium in de eerste plaats daartoe zouden strekken.

Dit is alzoo eene onduidelijkheid, die echter eenigszins is opgehelderd door art. 43 der Instructie van 1580 voor de meergemelde drie Gedeputeerden uit do Staten van Utrecht „om „ordre te stellen ende toesicht te nemen op de cloosteren ende „conventen, zoo van mans als vrouwen in den Lande van Utrecht

„geleghen mitsgaders op haere goeden.....ende voorts op

„zulcke verdere poincten, die geestelijke goeden, beneficien en „officien, zoo ten platten Lande als iu de steden etc. (ende buy ten „die vijff Godtshuysea) gelegen concernerende zijn — waern-ier „zij hem zullen hebben te draegen ende reguleren.quot;

Omtrent de vicariën en andere cl.eyne beneficien ende officien (art. 58), alsook over de pastoriegoederen bevat deze Instructie vrij uitvoerige bepalingen, waarin de denkbeelden in de Ordre neergelegd nader worden uitgewerkt, ook ten aanzien van het collatierecht.

Wij vestigen daarom zeer de aandacht op dit stuk, omdat het als gezegd met de Ordre als \'t ware een geheel uitmaakt en ook thans nog geldig is, voor zoover het niet bepaald is ingetrokken door latere bepalingen. Het is eigenlijk het eenige stuk, waarin men bepaalde voorschriften betreffende de vicariën en het collatierecht, zoo van de pastoriën als vicariën en daarmede gelijkstaande beneficiën aantreft, want het Eedressement van 1586 is veel minder uitvoerig en behelst over het collatierecht eigenlijk niets, terwijl de latere placaten, ordonnantiën en resolutiën der Staten of hunner Gedeputeerden (VerLoeex, blz. 541-553), zooals wij zien zullen, eigenlijk niets nieuws inhouden, doch bloot herhalen en nader omschrijven hetgeen reeds bestond en vroeger was vastgesteld.

Artikel I bepaalt: „dat de Staten jaerhjks drie uit hun midden „zullen committeren nam. uit ieder Lid één, die opsichtzullen

6

-ocr page 432-

82

„hebben op de cloosteren enz. . . tot zulcke fundatie als daer „nu es, off bij de Staten gemaect zall werden naer gelegenheid „van do zaecke.quot;

Uit deze laatste woorden blijkt dus, dat de Staten zich het recht toekenden , om in de oorspronkelijke stichtingsbrieven, fundatiën of do toenmalige inrichting zoodanige veranderingen te kunnen maken als zij goedvonden Dus niet een bloot toezicht en opzicht over die stichtingen, maar, zooals in de reeds aangehaalde Deductie van omstreeks 1664 gezegd wordt (VerLoren, blz. 414), do absolute vrije dispositie over die tjcederen.

De artikelen 38—53, 58, 59 en 60 der Instructie loopen geheel of gedeeltelijk over de vicariën in den ruimsten zin van het woord en de pastoriegoederen. Van costeriegoederen of scholasterie-goederen wordt in\'t geheel niet gesproken. De artikelen kan men in hun geheel vinden bij VerLoren, blz. 504—513.

Wij resumeeren den inhoud derzelve aldus:

Do pastoors en anderen, die oenige vicariën, beneficiën of geestelijke officiën te plattelande bezitten, zullen een staat of inventaris der goederen tot die pastoriën, vicariën, beneficiën, officiën bchoorendo moeten inleveren, met opgaaf van de ligging, huurders en bedrag der huurpenningen en wie daarvan zijn collators of dc begeving hebben (art. 38). Voor zoover deze collators zijn wereldlijke personen, zullen zij gelijken inventaris moeten inleveren aan de gecommitteerden tot de geestelijke zaken en goederen (art. 39) als ook van de fundatiebrieven, die zij moeten laten inschrijven en registreeren in een register door den secretaris van liet collcgie te houden (art. 40), aan welke bepaling ook de possesscurs van vicariën moeten voldoen. (Ook de Broederschappen zijn daaronder begrepen.) Alles met bedreiging van gijzeling, arrest van personen ende goederen, en andere convenabele dwangmiddelen tegen de nalatigen (art. 41).

Ten einde des te beter te weten te komen welke vicariën, beneficiën, officiën en pastoriën juris patronatus ecclesiastici er zijn, zullen de Domproost en de ArcMdiakenen der vier overige kapittelen te Utrecht, als ook de Choorbisschop moeten over-

-ocr page 433-

83

leggen aan de gecommitteerden de registers, die zij onder zich hebben, bevattende de pastoriën, beneficiën en officiën in den Lande van Utrecht gelegen, tijdens de laatst gehouden kerkvisitatie, opdat de gecommitteerden daaruit kunnen afsclirijven en overnemen al hetgeen zij noodig vinden (art. 42).

De gecommitteerden zullen eveneens zoodanigen staat opmaken van de pastoriën. vicariën, beneficiën en officiën gefundeerd in de kerken der stad Utrecht en de overige steden (art. 51), als ook van de vicariën en andere kleine beneficiën gefundeerd in de Kapittelkerken te Utrecht met derzelver tegenwoordige pos-sesseurs en de goederen daartoe behoorende.

Indien de Kapittelen mochten weigeren zoodanige opgaven te doen, dan kunnen de gecommitteerden de opgaven eischen van de possesseurs en deze daartoe desnoods constringeeren (door gijzeling enz.) art. 59.

Het register, manuaal of staat, waarin deze gezamenlijke opgaven zijn samengevat, opgemaakt door gemelde gecommitteerden (in 1583?) is nog aanwezig in het rijksarchief te Utrecht, zijnde n0. 191 (zie gedrukten Inventaris, blz. 49) hebbende tot opschrift „Inventaris van de yh eestelij eken goederen in de Steden ende „ten platte Lande van Utrechtquot;. Het bevat echter (behalve ettelijke uitzonderingen) bloot opgaven van vicariën met enkele fundatiebrieven derzelve, als ook van de goederen cu inkomsten zoover zij die te weten zijn gekomen, zoowel ten plattelande, als in de steden, behalve Utrecht, waarvan niets vermeld is.

Artikel 43 betreft de tertiën en bepaalt, dat van do simpele vicariën, beneficiën of officiën, d. i. de afzonderlijke vicariën met eonen afzonderlijken vicaris, en een wereldlijk persoon als collator of wel een geestelijke collator, die in qualitei/t als weerlijche de voordracht doet (in tegenoverstelling van de gemeene vicarie, waarvan de gc-meenc, dat is gezamenlijke vicarissen eener kerk de inkomsten genoten en onder zich verdeelden (1), een derde deel der inkomsten

(1) Vergelijk over deze uitdrukking simpele vicarie in tegenoverstolling van yemcvnc vicariën of benificiën VkuLorkx, blz. 351 en hierna § 9, Montfoort.

-ocr page 434-

84

zou afgezonderd on uitgekeerd worden tot onderhoud van predikanten of andere kerkdienaars (kosters?), buiten en behalve en onverminderd hetgeen deze reeds trokken uit de pastoriegoederen , zoodat de vicarissen of possesseurs voortaan slechts % dier inkomsten zouden genieten.

Voorts dat die possesseurs door de collators aan de gecommitteerden moesten voorgedragen en door deze goedgekeurd en geadmitteerd worden (de aanstelling berustte dus bij de gecommitteerden , niet bij de collators), dat die voorgedragen vicarissen minstens 7 jaar oud moesten zijn (art. 45), en bekwaam om te kunnen studeeren (art. 43), dat die geadmitteerde personen, dat is vicarissen of possesseurs, slechts | der vruchten en inkomsten zouden genieten en alleen gedurenden den tjjd dat zij in studio waren (art. 43) en „Opdat hier inne gheen fraude en gebeure, zal „alzulcke gepresenteerde gehouden wesen alle jaer aan \'t Col-elegie van do voorsz. Gedeputeerden over te senden certificatie „van de plaetse, stadt ofte Universiteyt, daer hij in studio es, „inhoudende den tijt wanneer hij daer gecommen es, hoe langhe „hij daer gewoent heeft ende in wat faculteyt (dus niet bloot „theologie) hij aldaer studeert, op peyne dat bij gebreke van „dien die vruchten voor den jaer dat hij zulck nyet gedaen en „heeft verbeurt zullen wesen ende bij de voorsz. Gedeputeerden „geappliceert werden daer ende zoo zij dat ordonneren zullenquot; (dus geheel naar hun goedvindeu en behagen), (art. 48.)

Artt. 46 en 47 bevat bepalingen ter voorkoming, dat de collators om particuliere redenen hunne voordrachten uitstellen of wel doordien zij zijn uitgestorven, niet bekend, enz. er geen voordracht inkomt van een nieuwen vicaris, daarin bestaande, dat de presentatie van een nieuwen vicaris moet geschieden binnen 6 maanden nadat de vorige is overleden, afgetreden of afgezet. Indien die tijd verloopt, zonder dat er eenige presentatie is gedaan, dan zijn de vruchten der goederen gedurende die 6 maanden verbeurd en vervallen, en zal het collegie van gecommitteerden daarover beschikken, „om geëmployeert te werden „daer zij des ordineren zullen.quot; Laat de voordracht zich langer

-ocr page 435-

85

dan een jaar wachten, dan zullen de gecommitteerden niet alleen beschikken over de vruchten van dat jaar, maar ook in de benoeming en aanstelling van een nieuwen vicaris of posses-seur voorzien, zonder eenige voorafgaande presentatie en de vicarie geven aan iemand, die bekwaam is tot studeeren „om „in studio daerop onderhouden te worden ende dzelve dvoorsz. „twee (derde) deelen van de vruchten responderen ter tijt toe „boven verhaelt.quot;

Art. 60 draagt aan de gecommitteerden op, om zich te in-formeeren naar de vele vicariën, beneficiën en officiën, die in de 5 kapittelkerken vacant geworden waren, „sedert date dat „die Staeten haer ordinantie op de geestelijckheyt ende hacre „goeden gearresteerd hebbenquot; (1580) en naar de personen aan wie die gegeven waren „om, die informatie gesien, daerinne „gedaen te worden, volgende \'tgheene die Staten airede daer „op geordonneert hebben ende noch voorts ordonneren zullen.quot;

Uit dit artikel blijkt alzoo: 1°. dat de Ordre op de geestelijkheid en hare goederen van 1580 als gearresteerd en executabel beschouwd werd, niettegenstaande het protest van het le Lid en niettegenstaande de begeerde nadere confirmatie door de Unie nog niet was ingekomen en trouwens nooit is verschenen. Zie notulen van 24 October 1580, VerLorex, blz. 516 en hierboven in § 1.

Eindelijk wordt in art. 63 en 65 bepaald, dat deze gecommitteerden in alle zwarigheden hun recours mogen nemen tot de Staten of haerlyden (ordinaris) Gedeputeerden en dat ieder die zich bezwaard mocht rekenen met de besluiten dezer gecommitteerden , daarvan in beroep kon komen aan de Staten, doch hangende het beroep daaraan, bij provisie moest voldoen en gehoorzamen, totdat de Staten beslist zouden hebben, die daarbij, indien deze bevonden dat de remonstrantiën „frivoelyck „ende sonder redenen\'\'\'\' waren gedaan, de klagers „m eene „amende zou slaen naer gdegentheyt van de zaeke.quot;

De notulen en het register, die de gecommitteerden volgens art. 64 moesten houden, zijn gedeeltelijk nog aanwezig op het

-ocr page 436-

86

Rijksarchief to Utrecht, loopende van 13 September lo81 23 Februari 1592. (Register n°. 187. Zie gedrukte inventaris, blz. 48.)

Men vergelijke verder met de bepalingen van deze Instructie en de Ordre de punten V, VI, IX en XI van de Memorie door hot 2c en 3e lid der Staten ingediend (in extenso medegedeeld bij VerLoren, blz. 518—521), loopende over de vicariën en vicarissen.

Er zijn dus over de vicariën en vicariegocderen wel bepalingen gemaakt door de Staten, maar men moet die niet zoeken in het Utrechtsch Placaatboek en de ordonnantiën, placaten enz. daarin vermeld, maar in het tijdvak van 1580— 86 waarover het Placaatboek niets bevat en men zich tot nu toe nooit mede bemoeid heeft, omdat men er niets van afwist.

Het liedressement van 1586 zelf bevat weinig bepalingen over de vicariën, doch zeer gewichtige en diep ingrijpende. Voor de détails wordt in art. XVII alles overgelaten aan de instructiën der diverse rentmeesters, die nader zouden opgemaakt worden, in overeenstemming met de resolutiën van het Redressement zelf, „ende zal men daerop approbatie versoecken van Zijne „Excellentie, ten eijnde dselve deur zijn aucthoriteyt, istnoot, „deste beter ter executie geleyt mogen worden.quot;

Deze instructiën alzoo, o. a. ook die van den rentmeester der gebeneficieerdc goederen Floris van Weede, don 28 October 1580 benoemd, zijn dus iets meer dan bloot reglementaire bepalingen en maken een gelieel uit met het Redressement.

Het Redressement gaat uit van het principe, dat de inkomsten der respective predikanten in liet algemeen te gering waren en bovendien te ongelijk verdeeld, als zijnde geheel afhankelijk van liet bedrag der revenuen van de pastorie- en vicariegoederen , die op sommige plaatsen veel of redelijk waren, doch op andere zeer min en onbeduidend. Dat daarom verkieslijker was, alle deze goederen zoo in de steden, als ten plattelande bij elkander te voegen en tot één fonds te brengen, waaruit dan een uniform-

-ocr page 437-

87

tractement aan iedereu predikant zou betaald worden, t. w. te Utrecht f 400 \'sjaars, in de overige steden f 300 en ten plattelande f 200. Hetgeen die gezamenlijke tractementen der predikanten plus die der schoolmeesters en kosters meer zouden bedragen dan de jaarljjksche baten van dit op te richten fonds der (jebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, zouden dan de Staten suppleeren uit de inkomsten van de overige hun mede competeerende geestelijke goederen, speciaal uit de kloostergoederen (art. YI).

Dit stelsel nu is nedergelegd in de bepaling van art. V luidende: „Dat allo de goederen van pastoryen ende vicaryen, „capcllen, broederschappen, kercken ende costerye-goederen, „eude voorts allen anderen benificien ende kercken, soe wel „in de stadt, steden, als ten platten lande (alleen vujjtgesondert „die vijff collegien), mitsgaders die penningen, die voorsz. vijff „collegien contribueren tot onderhoudt van de ministers inde „staet, achtervolgende taecort znllen gebracht worden in eene „masse, doch distinctelijck ende onder verscheyden capittelen „van ontfanck, daervan die ministers, schoolmeesters ende costers „onderhouden zullen worden.quot;

Met het beheer en de administratie van dit nieuwe fonds zou volgens art. VII, belast worden een enkele rentmeester, die alle die goederen te zamen, zoo ten plattelande als in do steden zou beheeren en van zijne administratie jaarlijks rekening zou doen aan eene commissie uit de Staten, bestaande uit 3 leden, onder do benaming van Directie-kamer (art. IX), waarvan de Instructie door de Staten zou vastgesteld worden. (Deze instructie van de Directie-kamer is te vinden vooraan in het register n0. 188 van het rijksarchief te Utrecht, bevattende de prothocollen der Directie-kamer van 21 Pebr. 1587—24 Sept. 1588, gedrukten inventaris bladz. 48).

Art. VIII. Bevat de vaststelling der vaste tractementen voor de predikanten, respectievelijk te Utrecht, in de kleinere steden en ten plattelande ter somma als voormeld, met bepaling, dat de predikanten ten plattelande de voorkeur zouden hebben boven

-ocr page 438-

88

andere huurders van landerijen, behoorende tot de pastoriën en alsdan de huur zou afgehouden worden van hun tractement.

Van de schoolmeesters en kosters wordt in deze artikelen niets gezegd, doch uit art. II blijkt, dat zij er mede onder begrepen waren. Uit de aanstelling van den rentmeester over dit nieuwe fonds van gebeneficieerde goederen en diens instructie blijkt zulks nog duidelijker.

Verder bevat het Redressement niets omtrent het onderdeel der gebeneficieerde goederen: vicariën en de vicarissen, behalve dat ten aanzien van deze laatsten bij art. IV was bepaald, dat zij konden opgenomen worden in het op te richten seminarium bij art III vermeld , waarin aanvankelijk 24, later 48 jongelieden, tegen betaling zouden opgenomen worden en dat alsdan , hetgeen hun moest uitgekeerd worden als vruchten der goederen hunner vicariën, zou verrekend worden met het schoolgeld door hunne ouders en vrienden te betalen, dat daarmede alzoo zou verminderd worden.

Uit de aanstelling van Floris van Weede van 28 October 1586 (VekLoren, blz. 533) blijkt ten duidelijkste: 1°. dat het fonds in art. V van het Redressement bedoeld en krachtens die bepaling opgericht, bevatte de goederen van alle pastoriën, vicariën, capellariën, costeriën, broederschappen en voorts alle andere beneficiën in kerken gefundeerd, in de geheele provincie, met inbegrip der stad Utrecht en de vier kleine steden Amersfoort, Wijk bij Duurstede, Montfoort en Rhenen (IJsselstein behoorde destijds niet tot het Sticht), terwijl alleen uitgezonderd waren de goederen der 5 kapittelen te Utrecht; 2°. dat de uitgaven daaruit te doen , zouden strekken om te voorzien in het onderhoud van de predikanten, schoolmeesters en kosters in de geheele provincie. Wijders, dat hij en niemand anders de pachten der verhuurde gebeneficieerde goederen zou ontvangen (dus ook van de vicarie-goederen) en hij die ook voortaan zou verhuren of verpachten met assistentie ofte advijs van de Gedeputeerden gestelt tot conservatie van de Geestelijcke goederen. (Directiekamer.)

-ocr page 439-

89

Ditzelfde vindt men nog nader en uitvoeriger bepaald in de Instructie van 10 Juli 1587 voor den rentmeester of ontvanger der gebenelicieerde goederen (in extenso te vinden bij VerLoren, blz. 536—41).

Art. 1 houdt in, dat hij eeu register of staat zal maken van alle de gemelde goederen op den voet en de wijze als het bovengemelde register dat bereids door de gecommitteerden (in 1583?) was opgemaakt, doch dit nader zou aanvullen en completeeren, in voege als bij art. 2 is vermeld, aangezien „te „presumeren is, dat die voorsz. aanbrenginge niet al te perfect „en is,quot; terwijl in art. 8 wordt voorgeschreven, dat hij het nader ontdekte ook op het register (in duplo te houden) zal brengen.

Artikel 3 zegt, dat hij terstond in de possessie van den ontvang en het beheer dier goederen zal geraken en mitsdien, om te beginnen „doen gebieden, alle pachters, rentmeesters, „schuldenaers ende debiteurs die eenige goederen van pastoryen, „vicaryen, etc. gebruycken, ofte daeraen int kleen ofte groot „gehouden sijn, dat zij aen zijn handen betalen \'t gunt sij „aireede schuldig sijn ofte nog schuldigh zullen mogen worden, „op poene van andermael te betalenquot; en dat hij (art. 5) ten dien einde „de pachters ende andere crediteuren voor hem sal „ontbieden, ende ordonneren \'t exhiberen haer huijrbrieven „ende alle haer bescheyt uyt crachte van \'t welcke zij die „goederen gebruyckende zijn, oock doen haer betalinghe bij „quitantie ende solemnele eede verifieren, ende haer tot betalinge „van haer achterwesen constringeren, sulck de sake uyteyschen „sal.quot; Daartoe wordt hem bij art. 6 de assistentie van een pander toegezegd, wiens attributen bij art. 7 worden geregeld.

Art. 20 bepaalt, dat de verhuringen van landen, huizen, erven en tienden zullen geschieden door de Gedeputeerden, (dat is de Directiekamer), met adsistentie van den rentmeester, welke huurcontracten door den secretaris in duplo zullen opgemaakt , het eene te bewaren ter secretarie van de Directiekamer en het andere door den rentmeester.

Art. 9 schrijft voor, dat bij de boeking dier ontvangsten

-ocr page 440-

90

niet alles door elkander mag gesteld worden, maar „van „partije tot partije onder verseheyde capittelenquot;, d. w. z. onder diverse hoofdstukken en rubrieken.

Wijders, dat liij jaarlijks rekening zal doen van zijn geheele ontvang (art. 15) cn dat hij ook zal „deligentefeu ende ver-„volgen alle die pastoryen, vicaryen etc. processen, actiën ende „crediten, midtsgaders allen anderen voorvallende saken, zij „zijn hoe die zijnquot; (art. 18), doch ingeval van zwarigheden „zijn recours hebben aen de voorsz. Gredeputeerden, die hem „ordre stellen ende de voet geven sullen, hoe ende in wat „maniere bij hom daerinne dragen ende die zwarigheden uytte „wech nemen salquot; (art. 19).

Met betrekking tot de uitgaven wordt in artt. 23 en 13 voorgeschreven, dat hij geene betalingen mag doen, dan op schriftelijke ordre van de Directiekamer.

Dat hij voor allen eerst de predikanten zal uitbetalen, zooals de Directiekamer hem zal gelasten, t. w. f 240 per kwartaal, volgens do resolutie der Staten van 27 Juli 1587 (dus de kosters en schoolmeesters in de 2e plaats) en als de ontvangsten daartoe niet voldoende waren (zooals geregeld liet geval was), hij alsdan de Directiekamer zou verzoeken, die te suppleeren

De verdere bepalingen zijner instructie gaan wij met stilzwijgen voorbij, als zijnde meer van huishoudelijken aard.

Opmerkelijk is het, dat er in deze Instructie, evenals in \'t Redressement zelf, bijna niets te vinden is over het collatie-recht. Vermoedelijk achtte men dat reeds genoegzaam geregeld door de Ordre van 1580 en de daarbij behoorende instructie.

Merkwaardig is de bepaling van art. 26, die hem gelast dat hÜ „soo veel belangt van te doen d\'overbrenginge van de „goederen behorende aan pastoryen, vicaryen ende broeder-„schappen in de stadt Utrecht, ende d\'andere kleene steden, „alvorens daertoe te procederen, sail hij sulck die Gedeputeerden „te kennen geven, die hem bij geschrifte telckens particuliere-„lyck belasten sullen, wat ordre hij daeriu houden ende hoe „hij daerin procederen sal.quot;

-ocr page 441-

91

Deze bepaling doelt blijkbaar op het protest door de steden gemaakt bij de behandeling van art. 3—7 van het Redresse-ment, waaraan het 1® en 2e lid zich toen wel is waar niet stoorden en persisteerden bij de artikelen, zooals die ontworpen waren, doch later schijnen begrepen te hebben, dat het 3e lid toch geen kat was om zonder handschoenen aan te pakken, zoodat zij hun rentmeester voorschreven, om ten opzichte der steden niet al te onbesuisd te werk te gaan en de voorschriften zijner instructie op die steden met bedachtzaamheid en beleid toe te passen en ten haren opzichte eerst het welmeenen van de Directiekamer af te wachten.

De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat de toepassing der bepalingen over de vicarie- en pastoriegoederen (even als die der overige geestelijke goederen) in de steden niet ten volle kon geëffectueerd worden, waarover nader.

Wanneer men deze instructie in zijn geheel beschouwt en nagaat, dan blijkt er ten duidelijkste uit, zooals reeds hierboven is betoogd en vooropgezet bij de geestelijke goederen in \'t algemeen, dat het beheer en bestuur der gecommitteerden uit de Staten door middel van hun Rentmeester niet bloor betrof een zeker toezicht op het bestuur en beheer der gebeneficieerde goederen, dat is de pastorie- en vicarie-goederen, maar dat de Staten zelve het rechtstreeksch en onmiddellijk beheer uitoefenden en niemand anders over zich of nevens zich duldden, die daarin iets te zeggen had, ook met de collators van pastoriën of vicariën, noch ook de possesseurs of zoogenaamde vicarissen.

Van een zelfstandig autonoom fonds of van bestuurders, provisoren of dergelijken van zoodanig fonds, is volstrekt geen sprake. Het fonds der gebeneficieerde goederen was niets anders dan een rijksfonds met speciale bestemming, evenals dat van St. Catharijne, St. Paulus en de andere Staten-conventen te Utrecht, Soest, Rhonen en Wijk bij Duurstede zulks waren, zooals nader ook in § 12 meer uitvoerig zal uiteengezet worden.

-ocr page 442-

92

Ten einde echter den gang van ons betoog niet af te breken, wenschen wij eerst na te gaan de bepalingen door de Staten op de (gewezen) vicariën eu vicariegoederen na het Eedressement gemaakt, die men bij VerLoren, blz. 541—54 naar tijdsorde vermeld vindt. Nieuwe bepalingen zijn er slechts weinige gemaakt; meestal slechts herhaling cn uitbreiding van hetgeen reeds bij de Orclre en het Redressement met de daarbij behoorende Instructiën bepaald was. De verordeningen bloot van tijdelijken aard, evenals die welke slechts zijn huishoudelijke bepalingen, niet van organieken aard, gaan wij met stilzwijgen voorbij, om niet in al te groote uitvoerigheid te vervallen, evenals ook de herhaalde oproepingen, om opgaaf te doen van nog verzwegen vicariën en vicariegoederen.

In de eerste plaats noemen wij de Resolutie der Staten van 4 Julij 1588 inhoudende, dat van alle vicariën, beneficiën ea officiën zonder onderscheid, zoo ten plattelande als in de steden gefundeerd, zijnde juris patronatus ecclesiastici of laïcalis, die sedert 1581 zijn gemortificeerd of geconfereerd, het derde deel der vruchten zal worden afgegeven en besteed tot onderhoud der predikanten — doch van de vicariën en beneficiën vóór de Ordonnantie van 1581 geconfereerd, zal dit \'/s slechts gegeven worden van hetgeen dezelve meer dan f 50 \'sjaars opbrengen. (VerLoren, blz. 542.)

Resolutiën der Staten van 8 Juni 1615 en 14-FeèrftaW 1623, dat niemand o. a. eene vicarie of diergelijke beneficie binnen de stad, steden of lande van Utrecht zal mogen aanvaarden en hem ook niet zal mogen geconfereerd of geagreëerd worden, hetzij hij bij behoorlijke acte de belofte aflegt, dat hij professie doet van de ware Christelijke gereformeerde religie; voor on-mundigen zal deze belofte door de ouders of voogden afgelegd worden.

Resolutie van Gedeputeerde Staten van 23 April 1612, houdende verbod aan de Dekens en Kapitulairen van de kapittelen te Utrecht om te staan over eenige collatiën, resignatiën.

-ocr page 443-

93

permutatiën of verbintenissen (bezwaring en verhypothekering) van canonisiën, vieariën en andere geestelijke beneficiën of daarvan eenige vruchten te laten genieten door de respectieve titularissen, vóór dat daarop verkregen is consent en agreatie der Staten of hunne Gedeputeerden, met last aan de Secretarissen der kapittelen tot opgaaf van de namen der kanunnikken, vicarissen en andere beneficianten of officianten, die sedert de publicatie van het Placaat der Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal van 26 Maart 1612 zijn benoemd of voorgedragen. (Utrechtsch Plac. I, blz. 218.)

Deze resolutie is later (datum onbekend) door Gedeputeerde Staten ook toepasselijk verklaard op de vieariën enz. in de overige steden, dorpen en heerlijkheden in de provincie Utrecht. (VerLoren , blz. 546.)

De lijst of opgaaf der namen schijnt echter achterwege te zijn gebleven, zoodat de Staten bij resolutie van 20 September 1622 (VerLorex , blz. 548) do kapittelen nogmaals ordonneerden, om die lijst binnen vier dagen na insiuuatie alsnog in te zenden op sekere groote pene teyens den heere van den Lande te verbeuren.

De resolutie van 31 Januari 1626 en art. 18 der Ordonnantie Decisoir van 14 April 1650 (1659?) vermeld Utrechtsch Plac. 1, blz. 217 gaan wij met stilzwijgen voorbij, als zijnde alleen toepasselijk op de vieariën dor kapittelen te Utrecht, die thans geen interesse meer hebben, als zijnde de goederen daartoe behoord hebbende met de overige kapittelgoederen, door het Decreet van Napoleon I van 1811 vereenigdmet \'s rijks-schatkist en verkocht.

Besolutie der Staten van 23 April 1656 , inhoudende, dat de kapittelen te Utrecht jaarlijks f 1000 zullen geven, buiten hetgeen zij nu reeds eontribueeren, tot het onderhoud der predikanten en scholen te Utrecht en zulks zullen mogen vinden uit de opbrengst der goederen van de beneficiën, prebenden en vieariën in hunne respectieve kapittelkerken gefundeerd of tot dezelve beboerende.

-ocr page 444-

94

Wijders, dat de stad Utrecht uit de inkomsten der vicariën gefundeerd in de parochiekerken aldaar zal genieten \'/j van zoogenaamde tertiën en dat op de wijze van invordering daarvan door de Staten nader orde zal worden gesteld (VekLoren, blz. 550). Deze nadere regeling geschiedde bij Resolutie der Staten hij Publicatie van 5 December 1661 (VerLoren, blz. 551) en later bij resolutie van 15 Augustus 1666 (Utrechtsch I\'lncaat-hoek II, blz. 451), waarbij de Thesaurier der stad Utrecht gemachtigd wordt, om de tertiën aldaar de fado (dus nict^re) te innen, sedert 1656 verschuldigd, op de wijze zooals die door den Rentmeester der gebeneficieerde goederen worden geïnd, met faculteit, om daartoe des noods te mogen employeren de hulp van de suppoosten der Staten (1).

Resolutie van 23 April 1666, inhoudende gelijke bevoegdheid voor de stad Amersfoort, ingaande met 1660 en machtiging, om de inning de facto op te dragen aan een collecteur der tertiën aldaar. {Utrechtsch J\'lac. II, blz. 451.)

Resolutie van 5 Juli 1670, bepalende hetzelfde voor de stad Rhenen, ingaande met 1670. [Utrechtsch Plac. II, blz. 451.)

In de gemelde resolutiën, alsook in eene van 5 Dec. 1661 betreffende de stad Utrecht, worden de possesseurs van vicariën nogmaals gelast opgaaf te doen ter stedelijke secretarie, binnen 3 maanden op poene van verval van hunne vicariën, die alsdan door de Gedeputeerde Staten (niet door de stedelijke regeringen) dadelijk aan een ander cjequal!ficeerd persoon zullen gegeven worden, onder den last van betaling der tertie. Voelde stad Rhenen echter was de poenaliteit op het niet aanbrengen

(1) Vergelijk hiermede de Resolutie der Vroedscliap van Utrecht van 20 Dec. 1697 (VerLoren, blz. 560) verbis „nogte de tertiën van dezelve haar „Ed. Achtbare geaccordeerd volgens Resolutie van Haar Ed. Mog. van den „15 Augustus 1666 relatief tot die van den 23 April 1656, zijnde nu 41 jaaren „niet betaaldquot;... enz. — en blz. 561 verbis „lasten haar Ed. N. van Rnee, „tegenwoordige rentmeester van de gebeneficieerde goederen aan niemand anders „als aan den Heere Thesaurier in der tijd de Renthen van do voorz. obligatie „van f 600.— te betaalen, die daartoe mede geauthoriseerd wordt bij deesen.quot;

-ocr page 445-

95

der vicarie door den poasesseur, dat deze 3 jaar renten of revenuen zou moeten missen ten bate der stad.

Resolutie van I\'d Juni 1663, van Gedeputeerde Staten, inhoudende: dat zij die door Gedeputeerden gratis zijn of zullen begiftigd worden met eene prebende, vicarie of diergelijke beneficie dezelve niet zullen mogen verhandelen (verkoopen) aan anderen of voor den afstand (resignatie) van dien iets znllen mogen bedingen of genieten, directelijk of indirectelijk, en dat degeen aan wie de vaceerende vicarie door Gedeputeerde Staten zal worden geconfereerd, zal gehouden zijn bij eede te verklaren, dat hij daarvoor niets heeft gegeven of zal geven, op poene van verval zijner vicarie, indien eventueel mocht blijken, dat hij zulks valschelijk had verklaard.

Het is zeer mogelijk, dat cr nog eenige meerdere resolutiën der Staten of hunner Gedeputeerden zijn, dan die vermeld door Mr. VerLorex, daar er geen behoorlijk register op do notulen der Staten en hunne Gedeputeerden op het rijksarchief te Utrecht aanwezig is. Er zijn daar wel een paar registers voorhanden, doch die zijn zoo beknopt en onvolledig, dat ze eigenlijk niets te beduiden hebben, vooral in voce vicariën, terwijl het een onbegonnen werk zou zijn, een onafzienbare reeks van notulenboeken van het begin tot het einde na te lezen.

Wanneer wij nu de organieke bepalingen door de Staten en hunne Gedeputeerden, nopens de gebeneficieerde goederen succes-sivelijk gemaakt en vastgesteld, ten gerieve van den lezer kortelijk resumeeren, dan komen wij tot de volgende hoofdpunten.

Alle goederen van pastoriën, vicariën, beneficiën, scholasteriën en kosteriën (benevens die der broederschappen), waar ook gelegen of gefundeerd in de provincie Utrecht, zijn tot één geheel of één fonds gebracht, onder de benaming van gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, zonder dat zij echter ophielden tevens te zijn hetgeen men toen noemde geestelijke goederen, dat is de gewezen geestelijke goederen, die geseculariseerd en tot staatseigendom gemaakt waren.

-ocr page 446-

96

Het beheer en bestuur over dit fonds geschiedt rechtstreeks en onmiddellijk door de Staten en de Directiekamer uit hun midden gekozen, en wel door een rentmeester door de Staten aangesteld, rekening en verantwoording doende aan de Finantie-kamer der Staten. De vervreemding of bezwaring van de vicarie-goederen kan slechts geschieden door of met consent der Staten of hunne Gedeputeerden.

Alle houders van vicariegoederen, collators en possesseurs van vicariën zijn, ieder voor zich, verplicht opgaaf te doen van die goederen en de fundatiebrieven , alsook der bestaande huren, inkomsten enz. ten einde dezelve te doen opnemen in het daartoe bestemde register, berustende ter Secretarie van de Directiekamer en verder het beheer over die goederen over te geven aan den Ontvanger der gebeneficieerde goederen.

Het collatierecht, rustende op pastorie- en op vicariegoederen blijft gehandhaafd als van ouds, echter met die wijziging, 1°. dat de collators de presentatie niet meer aan den Bisschop, doch aan de Staten moeten doen, die de benoeming of zoogenaamde agreatie van den predikant of vicaris zullen doen; 2°. dat de zielmissen verboden zijn; 3°. dat de vicarissen moeten zijn protcstantsch, niet jonger dan 7 jaar, bekwaam om te studeeren en hunne il3 der inkomsten van de respective vicariegoederen alleen kunnen genieten, indien en zoolang zij studeeren aan eene Universiteit of Illustre school. Bij gebreke van dien of wel van eene tijdige voordracht van een nieuwen vicaris aan de Gedeputeerde Staten binnen een jaar, zullen Gedeputeerden de vicarie begeven aan een ander gequalificeerd persoon, dat is iemand die de evengemelde vereischten bezit, om vicaris te kunnen zijn.

Memand mag eenige vicarie genieten, hetzij juris patronatus laïcalis, hetzij ecclesiastici, zoolang hy niet door. de Staten of hunne G edeputeerden daarmede is begiftigd, onverschillig of de vicarie is gefundeerd in eene kapittelkerk dan wel in eene parochiekerk of eenige kapel, convent, klooster, gasthuis of iets dergelijks gelegen onder die parochie.

-ocr page 447-

97

De vicaris of possesseur der vicarie mag geen geld geven of beloven te geven voor den afstand of de resignatie der vicarie en de benoeming op hem door Gedeputeerden uit te brengen, indien indertjjd die benoeming gratis was geschied.

Van de bovenvermelde bepalingen, (behalve die der benoeming der vicarissen door do Gedeputeerde Staten en de verplichting tot opgaaf der goederen ter inventarisatie) zijn vrijgesteld de {gemeené) vicariën gefundeerd in kapittelkerken te Utrecht, waarvan ook geene tertiën zullen geheven worden, doch inplaats daarvan zal door de 5 kapittelen aldaar een som in eens (/\'1000) betaald worden aan de stad Utrecht, tot onderhoud van hare predikanten en scholen en zulks buiten en behalve liet bedrag, dat do gezamenlijke kapittelen teu dienzelfde einde reeds betaalden uit hunne kapittelgoederen.

De steden wisten zich echter, ton gevolge van hun tegenstreven en protest in 1580 en 1586 feitelijk in het beheer der geestelijke goederen in het algemeen en der vicariegoederen in hun territoir gelegen te handhaven, zoodat de Staten het eindelijk moesten opgeven haar dit te ontnemen en na langdurige twisten het als een fait accompli aannamen, dat de steden zeiven de tertiën invorderden de facto (niet jure), en toestonden , dat daartoe door de regeeringen dier steden , ieder voor zich een collecteur of ontvanger werd aangesteld, zonder nochthans het eigendomsrecht der Staten op die goederen of de aanstelling der vicarissen prijs te geven en af te staan.

De resolutiën door de Vroedschappen in de steden genomen, ten opzichte der vicariën en vicariegoederen, zoo vóór als na het Redressement, gaan wij met stilzwijgen voorbij. Voor zoover die voor 1586 zijn genomen, zijn zij vervallen door het Tiedres-sement, ten minste voor zooveel zij daarmede in strijd waren; de latere zijn onbevoegdelijk genomen door de regeeringen der steden, terwijl alleen de Staten daarover te beschikken hadden, maar de Staten zagen dit door de vingers. Bovendien houden die latere vroedschapsresolutiën ten aanzien der vicariën slechts bepalingen in van huishoudelijken aard, niet in strijd met die

7 u

-ocr page 448-

98

der Staten en in ieder geval niet van al^emeenen aard , maar bloot geldende in het territoir der stad.

Wanneer men daarin herhaaldelijk leest, dat de Regcering der stad over deze of gene vicarie zal beschikken (als zijnde verduisterd of om andere reden), de goederen onder zich zal nemen en meer dergelijke, dan wordt daarbij alleen bedoeld, dat de stad als collator de begeving, dat is de nominatie of voordracht zal doen aan de Staten, die dan de agreatie, dat is de eigenlijke begeving deden. Als er bijvoorbeeld staat, dat de verzwegen goederen van de St. Agatha-vicarie, gefundeerd in de St. Jacobkerk te Utrecht, door de regeering van Utrecht waren geëvinceerd en geadministreerd zouden worden door den rentmeester van het Abramdoly convent tot stads profijte (VerLoren, blz. 559), dan doelt dit alleen op het beheer en genot der vruchten en inkomsten en het recht der stad, om daarvan bet i voor zich te behouden, maar niet, dat daardoor de eigendom dier goederen niet meer aan de Staten , maar aan de stad Utrecht zou behooren.

De Staten schijnen dan ook niet te hebben betwist, dat ingeval vicariegoed verduisterd of verzwegen was, alsdan het patronaat of collatierecht aan de stad Utrecht verviel, die dan een vicaris kon presenteeren aan de Staten. Zie het reeds gemelde geval met de vicarie van St. Jans-altaar in de kerk van St. Jacob te Utrecht, vermeld bij VerLoren, blz. 561.

Hetzelfde geldt ook van de provisionele Instructie door den stadhouder \'Willem III) den 13 Maart 1675 gearresteerd en door zijn rentmeester van het stadhouderlijk comptoir der Pie use Sa aken bij wege van notificatie ter ken nis van het publ\'ek gebracht (ütrechtsch Placcmtboek II, blz. 452). Die instructie loopt niet en kon ook niet loopen over de vicariën in \'t algemeen en de organieke bepalingen daarop gemaakt door de Staten; immers de stadhouder was uiet bevoegd daarin verandering te brengen, maar hij kon alleen bepalingen maken over de regeling van het patronaat of collatorschap, dat hem bij het regee-ringsreglement in de provincie Utrecht van 16 April 1674 [Ütrechtsch Plamathoek I, blz. 171) was afgestaan, o. a. ook over

-ocr page 449-

99

de inkomsten van alle vicariën, dependeerende van de proost en dekens en de vijf kapittelen te Utrecht, echter met dien verstande, dat de inkomsten dier vicariën even als vroeger moesten strekken tot onderhoud van predikanten, predikantsweduwen of andere pieuse zaken binnen de provincie Utrecht.

Over de zaak in \'t algemeen en de oprichting van het stadhouderlijk comptoir der pieuse zaken is bereids in § 1 gehandeld.

Wij bepalen ons alzoo tot de opmerking, dat men zich niet moet verbeelden, dat de stadhouder toen voor het eerst het col-latierecht of de nominatie van vicarissen verkreeg. De stadhouder Willem III en zijn voorgangers haddon reeds de collatie, dat is de voordracht of nominatie van vicarissen aan de Staten van een aantal vicariën, waarvan de collatie in vroeger tijden, krachtens den stichtingsbrief of ten gevolge van andere latere eventualiteiten, had gecompeteerd aan den heer van den Lande, aan de regeerders der Stadt van Haerlem, aan die van Wijck (dat is de ingezetenen of poorters van Wijk bij Duurstede) enz. (Zie VebLoren , blz. 102 Noot ) Dit blijkt uit een zeker register, opgemaakt den 4 September 1628 (dus vóór het regee-ringsreglement), waarvan de titel luidt: Register van de cjeeste-lijlce Beneficiën met de inkomsten van dien (jefundeert in de stad, steden en de Lande van Utrecht, staende ter collatie ende electie van Sijne Excellentie als stadhouder van den selve Lande waarvan het slot luidt: „Al \'t geene vooren verhaeld is, ik „onderschreeven als last ende commissie hebbende van Sijne „Princelijke Excellentiequot; (den stadhouder Frederik Hendrik) ,omme te inquireeren op alle geestelijke Benefitiën met de in-//comsten, bruykers ende possesseurs van dien, gefundeert in de „stad, steden ende Lande van Utrecht, die soude mogen staan „tot de collatie van Sijne Excellentie als stadhouder van de s selve Lande, na waarheyd hebbe bevonden sijne Excellentie „collatie ende gifte subject te zijn, oversulkx ten waren oirconde „desen met mijn eygen hand ondertekent hebbende is dit voor-„schreeve Register bij mij overgelevert aan den Heere Verdoes, „Griffier van sijne Hooggemelde Excellentie. Actum in den

-ocr page 450-

100

„Hage desen 4e Sept. 1628 ende was ondertekent: Marten van „Henierden.„

De daarin opgenoemde vicariën zijn vermeld bij VerLoren, blz. 182 sub III en IV en nog andere vermeld op blz. 185.

Hetgeen de stadhouder er dus nog bij ontving bestond enkel in het patronaat der vicariën, behoorende tot de proostdijen, de-kanaten en de cjemeene vicariën, (niet de simpele vicariën) der kapittelen te Utrecht, want de vicariën in de kapittelkerken juris patronatus laïcalis of, zooals zij in den aanhef der instructie van den rentmeester der pieuse zaken [Utrechtsch Plac. II, blz. 452) worden bestempeld, „die tot onderhout van eenige „particuliere familiën zijn ingesteltquot; waren er buiten.

Zooals wij hierboven reeds vermeld hebben, was er hevige tegenkanting der kapittelen tegen de bepalingen van het regee-ringsreglement, waardoor het niet onmiddellijk in werking kon gebracht worden en eerst later bij accoord of conventie van 4 Mei 1684 tusschen den stadhouder en de kapittelen aangegaan (Utr. Plac. I, blz. 216), in werking werd gebracht, waarbij bepaald was, dat „alle vicaryen tot deselve praelatuurschappen (te weten „Proostdijen, Scholastenjen en Thesaunjen) specterende of daarvan „depeuderende aan de dispositie ende collatie van Hooggemelte „sijne Hoogheyd sullen staan, ende dat de collatie en dispositie „van de andere vicarijen, tot voorz. vijf capittelen specterende, „sal sijn ende blijven aan de voorzegde vijf capittelen respectivequot;. (VerLoren, blz. 151) De slotsom van al deze controversie was alzoo, voor zooveel betreft de vicariën en derzelver collatie, dat de stadhouder, behalve de collatie der vicariën, die hij reeds had, er nog 27 bij kreeg, van welke er 11 waren gefundeerd in kapittelkerken te Utrecht, 5 in die te Wijk bij Duurstede, 6 in de parochiekerken te Utrecht en 5 in kerken ten platte-laade, te weten: Driebergen, Nederlangbroek, Abcoude, Camerik en Woudenberg. De nadere vermelding is te vinden bij VerLoren , blz. 178—182. Tot beter verstand der zaak merken wij op, dat de proosten enz. collatierechten hadden, ook van vicariën, die niet in hunne kapittelkerken waren gefundeerd,

-ocr page 451-

101

maar in andere kerken der steden of ten plattelande gefundeerd, indien hun de collatie bij den stichtingsbrief was opgedragen , direct of wel in geval de familie-collator mocht komen te ontbreken, — iets dat niet zelden gebeurde — of wel op andere wijze „wettig of onwettigquot; in hun handen was geraakt reeds vóór de Reformatie.

Bij de lezing van de gemelde Instructie des stadhouders van 16 Maart 1675 moet dus wel in \'t oog gehouden worden, dat die is uitgevaardigd zeer kort na het regeeriugsreglement van 1674, toen de stadhouder en zijn rentmeester der pieuse zaken in de meening verkeerden, dat zjj zoo maar klakkeloos zouden kunnen aanvaarden alles wat o. a. ook van vicariën aan den stadhouder gegund was.

De oproeping door den rentmeester der pieuse zaken, A. Grent-man, aan alle possesseurs van vicariën gedaan, om opgaven te doen, bleef dan ook zonder gevolg ten aanzien der vicariën, zooals blijkt uit eene op 28 Januari 1681 door de Staten van Utrecht opgemaakte begroeting of omslag der opbrengsten van de verschillende beneficiën, die bij het regeeringsreglement aan den stadhouder waren gegeven, waarin ten aanzien der vicariën vermeld wordt; „De vicariën behoorende tot het comptoir der „pieuse saken, hebben tot nog toe niet konnen begroot worden... „memoriequot;. (VerLoren, blz. 150.)

Ook vindt men in een register n0 524 op het stadsarchief te Utrecht aanwezig, zijnde een Manuaal of Blafferd der beneficiën, staande ter begeving van den stadhouder Willem III (opgemaakt in of na 1683) fol. 216 , het volgende vermeld omtrent de vicariën van de preposituren, thesaurien, scholasterijen, proosten en decanen der vijf kapittelen van Utrecht, welke bij versterf staen geaffecteerd tot het comptoir van de pieuse saken en conforraité van de instructie d. d. 13 Meert 1675 aan Adriaen Gentman als rentmeester van het selve comptoir by sijne Hoog-heyd gegeven.

„Ende alsoo de respective capittelen tot nogh toe weygerich „geweest sijn daervan te geven specifique kennisse, soo werd

-ocr page 452-

102

„alhier geintendeert den Staet van de voorsz. vicaryen, soo de-„selve bekent is bij de Reeckeninge van Flo ris van Weede, als „bij de Ed. Mog. Heeren Staten \'s Lands van Utrecht gecom-„mitteerd tot den ontfang endo administratie van de goederen „\'sLlands van Utrecht over de jaren 1586 en 1587quot;. Met dezen Floris vau Weede, den eersten rentmeester der gebeneficieerde goederen en zijne le rekening zullen wij straks nader kennis maken. (YerLoren, blz. 186.)

Er blijkt alzoo uit dit alles dat dio Instructie voor Adriaen Gentman niet volledig, misschien wel in \'t geheel niet is ten uitvoer kunnen gelegd worden. Zooveel is althans zeker, dat art. V betreffende verbod der resignatiën van vicariën en het uitsterven derzelve, ten profijte van het stadhouderlijk comptoir der pieuse zaken niet is opgevolgd, daar bij de latere conventie van 4 Mei 1684 tusschen den stadhouder en de kapittelen gesloten, do stadhouder dit punt heeft laten varen.

Het is uit dien hoofde ook twijfelachtig, of de bepaling van art. XI, dat de verhuringen der landerijen en verdere onroerende goederen, tot die vicariën behoorende, zou geschieden door den rentmeester der pieuse zaken, even als ook de weder-belegging van afgeloste kapitalen (op een van de comptoiren der provincie van Utrecht), wel ooit tot uitvoering is gekomen. In de rekeningen van de successieve rentmeesters van de gebeneficieerde goederen, zoo ver die aanwezig zijn, is daarin ten minste geen spoor te vinden (die vóór 1770 ontbreken), daar die geheel overeenkomen met de rekening over 1669, die ante-rieur was aan het regeeringsreglement.

Wat er verder van dit stadhouderlijk comptoir der pieuse zaken en den rentmeester daarover is geworden, ligt in het onzekere, maar de collatie over gemelde vicariën is steeds aan de opvolgende stadhouders verbleven en door hen uitgeoefend, tot op het einde der vorige eeuw. Als voorbeeld daarvan noemen wij o. a. de benoeming van den notaris Nicolaas de Graaf (met wien wij nader zullen kennis maken) in 1793 oud 8 jaar, tot vicaris van de vicarie op het St Nicolaas altaar te Abcoude

-ocr page 453-

103

door Gedeputeerde Staten, op voordracht of nominatie van den stadhouder Willem V. Wie nu na de vervallenverklaring des stadhouders de collatie dezer stadhouderlijke vicariën heeft gehad, is onzeker, maar kort daarop is het begeven van vicariën in het algemeen door de Gedeputeerde Staten \'s lands van Utrecht en hunne opvolgers in het gewestelijk bestuur iu Utrecht in de war geraakt en gestaakt, zonder dat met juistheid bekend is hoe en wanneer. (Zie hieronder nader in § 11.) Hierdoor verviel van zelf het effect van het collatierecht, want een vicaris of posses-seur die voorgedragen of genomineerd was, was nog niets, zoolang hij niet als zoodanig geagreëerd, dat is aangesteld en he-noemd was.

-ocr page 454-

§ 3.

Glebeuelicieerde goederen ten plattelaude.

In de beide vorige paragrafen is reeds uiteengezet, dat hoezeer alle gewezen geestelijke goederen, na de Reformatie, in eigendom, zoowel als in beheer, aan de Staten hadden behooren te komen, echter facto oen deel dier goederen in beheer zijn gekomen der steden, waarin die gelegen waren, en dat zulks bepaald ook het geval is geweest met dat gedeelte der gewezen goederen, dat (ouder de benaming van c/ebeneficieerde goederen) bij art. 5 van het redressement was bijeengevoegd.

De eerste rentmeester van dit fonds, Floris van Weedc , ondervond dan ook grooten tegenstand en onwil tot medewerken , toen hij in 1586, volgons zijne instructie, de pastorie-, vicarie-, scholasterie-, kosteric- en broederschapsgoederen, bij gemeld art. 5 tot één fonds samengesmolten, onder beheer wilde nomon en de tertiën zou gaan innen der vicarie-inkomsten.

Die tegenstand greep echter niet alleen plaats in de steden, toen hij met zijn panders aan het werk toog, om de pachten en inkomsten dier goederen te gaan innen en zich als administrateur derzelve te installeeren, maar ook gedeeltelijk ten plattelande.

JSTiettegonstaande hem bij zijne aanstelling alle hulp en bijstand van wege de Staten was toegezegd en daarbij aan alle officieren, justicieron, magistraten en alle anderen, die dit eenigszins aangaan mogt, gelast was hem te verleenen alle behulp, faveur ende bijstand tot het volbrengen van zijne com-

-ocr page 455-

105

missie en instructie (VkrLoken, biz. 535) en hem bovendien nog bij artt. 6 en 7 dier instructie (VerLoren, blz. 538) een speciale pander voor ziju comptoir der gebeneficieerde goederen was toegevoegd, die hij zou kunnen bezigen „in alle tgunt hii „hem in \'t exerceren van zijnen outvangh van noode sail hebben, „oock door hem doen manen, vorderen ende innen heeft ende „te doen executeeren \'t gunt executabel isquot;, zoo ondervond hij toch de grootste moeilijkheden, om zijne taak te volbrengen, die zelfs met levensgevaar gepaard ging. Niet alleen doordien het land gedeeltelijk nog door den vijand bezet was of\' onveilig gemaakt werd (Zie VerLoren, blz. 171, Eemnes buitendijks), maar ook door gewapenden tegenstand van huysluyden, die te Breukelen Nijenrode zóó erg was, dat hij op 9 Mei 1588 met zijn pander Jan Jacobse van Selniont aldaar aangekomen zijnde, liet geraden vond de vicariën, pastoriën enz. voorloopig in den steek te laten en zich maar hoe eer hoe beter met zijn pander uit de voeten te maken, toen eenige lieden, gewapend „met „lange kaetsballigers ende ander geweerquot; ^voor de herberg verschenen, waarin zij hun intrek hadden genomen. Hij reserveerde zich echter, om daarvan, zooals men thans zou zeggen, procesverbaal op te maken aan de Directiekamer.

Bij Mr. VerLoren vindt men blz. 170 en volgende eene bloemlezing uit al de klachten en jeremiaden, in zijne rekening voorkomende, wegens den tegenstand en het gebrek aan medewerking dat hij ondervond, waarvan eenige hieronder worden medegedeeld. Hij besluit dan ook zijne rekening over 1586/8 met de opmerking, dat zijne rekening zeer onvolledig is „dat „zijnne commissie notoirlijck seer lastig ende odieus is geweest, „lijdende daerentusschen veel spijts ende smaets van verschey-„den persoonen, soo binnen der Stadt als in \'d andere Steden, „ende ten platten Lande van Utrechtquot;.

Het is natuurlijk, dat hij in de steden, diequot; tijdens de deliberatie over het redressement reeds zich er tegen verzet hadden, dat de vicarie- en pastoriegoederen op hun territoir gelegen, door den rentmeester der gebeneficieerde goederen zonden in beheer ge-

-ocr page 456-

106

nomen worden, overal aan een doovemansdeur aanklopte, als hij nadere inlichtingen vroeg of huren en pachten trachtte in te vorderen, zoodat die posten in de steden steeds sluiten met de droevige woorden „Dus daervan tijde dezer rckeninge „ontvang...........................Niet.quot;

In marginé staat (door de opnemers van de rekening) vermeld:

„Lor. (loquatur?) met den Heeren Staten om hierop te dis-„ponerenquot; en daaronder (van wege de Staten?) „Sij de aanbren-„ginge met alle bequarae middelen gevordert.quot;

Do Staten of Gedeputeerde Staten maakten er zich dus maar van af, blijkbaar om te temporiseeren hangende de quaestie tusschen de Staten en de steden over de (gewezen) geestelijke goederen, welke geschillen, zooals in § 1 gezegd is, met een modus vivendi zijn geeindigd.

Doch niet alleen in de steden, maar ook ten plattelar.de vond hij, als gezegd^ tegenstand, doordien aldaar een deel der pastorie- en vicariegoederen in handen van eigenaars van Heerlijkheden was geraakt of anderen, zooals de Proost van St. Jan, die de deurwaarders en panders der Staten of der Directiekamer in hunne jurisdictie niet toestonden te fungeeren.

„Itemquot; — zoo luidt het fol 333 verso zijner rekening — „sal mijn Ed. heeren gelieven te considereren, dat all ist (dat) „den rendant van alle de goederen behorende aen de pastoryen, „vicaryen, cappellaryen, costeryen , ende andere gebeneficieerde „goederen, gelegen in de Stadt, Steden, ende platten Landen „van Utrecht hier vorens in den ontfanck dezes gementioneert, „niet meer in zuyvere ontfanck en is brengende, dan \'t geone „voorschreven ende uytgetogen is, — soo sjjn nochthans bij „hem Rendant uytgetogen uit den blaffaert, hem van de Gecommitteerden tot directie der geestelijke goederen gelevert, „alle de parthijen van goederen daerinne gestelt ende daerbij „gevoecht \'t gene den rendant middelre tijt van verscheyde „personen aengebracht is geweest ende hij selfst door neerstich „ondersoeck vernomen ende te weege gebracht heeft gehadt,

-ocr page 457-

107

„ende zijn de voorsz. partijen al te samen den Rendant alsoo „gelevert bij Jan van Selmont, pander van deu hovc, mitsgaders „Willem van Rijswijk, daertoe b|j den Staten geauthoriseert, „de welcke daarmede deur bevel van den Rendant gegaen aiju „deur \'t geheele platte Landt van Utrecht, omme bjj executie „den onwilliger/ nae voorgaende sommatie tot betalinge te „constringeren, maer en hebben \'tselve overal niet te wege „connen brengen, als eensdeels deur vreese van den vijandt, „als int Quartier van Amersfoort ende Rhenen, ende mode „eensdeel deur seecker obstakel, haer ton platten Lande bejegent „soo door den Grave van Culenborch in Schalckwijk ende daer „omtrent, als insgelijck mede deur eenige vant Ridderschap, „als namentlijk tot Breuckelen, Vleuten etc. gelijck hiervorens „mede verhaelt is, deur dewelcke haer beleth is de vorder pen-„ninghen bij executie te innen, ende ten Comptoire van den „Rendant te doen brengen.quot;

Zie voor het verder relaas van dergelijke gevallen bij Ver-Lorest, blz. 172 en 173 verbis:

„folio 101 verso Vicarye van Nyenrodesquot;. .. . etc,

„folio 141vei\'so Van welcke voorsz. goederenquot; .... etc. De geheele ordinaris ontvangst over die 2 of 3 eerste jaren bedroeg dan ook niet meer dan f 1902-B-B en met inbegrip van den extraordinaris ontvang wegens geleende en opgenomen gelden te zamen f 2501-3-6. Daarentegen bedroegen de gezamenlijke uitgaven f 3203-12-19, zoodat de rekening sluit met een nadeelig slot van f 501-9-3. Op de details der uitgaven en ontvangsten komen wij nader terug.

Hoe deze eerste rentmeester in volgende jaren is gevaren met zijne administratie en inning dor revenuen van pastorie-, vicarie-, kosterie- enz, goederen en die der broederschappen, is onbekend, doordien zijne rekeningen en die zijner opvolgers ontbreken. Echter kan men als zeker aannemen, dat hij ook in volgende jaren, van de pastorie-, vicarie- etc. goederen in de steden niets zal ontvangen of geïnd hebben, evenmin als van die der broederschappen. Deze goederen z.ij11 feitelijk gebleven onder beheer

-ocr page 458-

108

der respectieve steden. Daarentegen zijn door hem en de latere rentmeesters der gebeneficieerde goederen dan ook nooit eenige betalingen uit de kas van dat comptoir (te weten ten plattelande) gedaan voor tractementen van predikanten, hunne weduwen of kosters en schoolmeesters in die steden.

Alleen Montfoort maakte daarop eene uitzondering, alwaar aan een der predikanten (waarom blijkt niet) tractement werd uitbetaald door den rentmeester der gebeneficieerde goederen (Zie § 8). Ook te Amersfoort werd aan den Cameraar-Thesaurier dier stad door den rentmeester der gebeneficieerde goederen f 40 uitbetaald voor huishuur van een dier predikanten, doch dit was, omdat de dienst der kerk te Leusden door de predikanten te Amersfoort of een hunner tevens werd waargenomen, die daarvoor uit het comptoir Oostbroek bovendien nog / 500 ontving als tractement.

Zie bijvoorbeeld de Caraeraar-Thesoriers rekening over 1806 (10e Summa yan ontvangst) luidende:

„De Rentmeester van Oostbroek betaalt aan deze stad jaar-olijks voor den Predikant, die Leusden mede bedient f 500.—quot;, — „waarvan \'t jaar uit0. October 1806 .... f 500.—quot; — „De „Rentmeester der Gebeneficieerde goederen betaalt jaarlijks tot „Huishuur van denzelven Predikant f 40.— waarvan \'t jaare „22 October 1806............f 40.—quot;.

(Zie hierover nader in § 6.)

Hoelang de pastorie- en vicariegoederen in de steden door de rentmeesters der gebeneficieerde goederen voor memorie en nihil zijn vermeld en uitgetrokken is onbekend, daar wij die rekeningen na 1586 8 niet bezitten; doch later heeft men die posten maar laten wegvallen, naar \'t schijnt begrijpende, dat er toch nooit iets van terecht zou komen.

In de rekening van D. de Leeuw over 1669 vindt men dan ook geene vermelding hoegenaamd meer van ontvangsten in de steden, evenmin als in het Manuaal of de Blafferd van 1627—30, doch daarentegen ook geene uitgaven van tractementen aan predikanten, schoolmeesters of kosters aldaar.

-ocr page 459-

109

Men kan dus aannemen, dat ofschoon alle de vieariegoederen in de geheele provincie deel uitmakten en ook zijn blijven uitmaken van het fonds of comptoir zelf der geboneficieerde goederen, echter de administratie derzelve, voor zoover die waren gelegen in de steden, nooit is gekomen onder die dor successieve rentmeesters van dit comptoir, niettegenstaande als gezegd bij het Redresse-ment bepaald was, dat zij ook daarover de administratie zouden voeren. Men moet zich dus niet in de war laten brengen door de benoeming van gemelden de Leeuw in 1664 door de Staten gedaan (vermeld in \'t hoofd zijner rekeningen), waarin het nog altijd heet, als van ouds, dat hij benoemd wordt tot de ontvangst van de pastorijen, vicarijen, cappellarijen, costerijen en andere diergelijke goederen, mitsgaders van alle broederschappen in de Stadt, Steeden en landen van Utrecht gelegen en daaruit afleiden, dat die ontvanger toen met der daad ook in de steden ontvangsten te dier zaken heeft gehad en uitgaven gedaan. Het waa toen geworden eene benoeming in partïbus infidelium, die de Staten volhielden, om te toonen dat zij hun recht niet prijs gaven. Desniettemin lieten de Staten de goederen zeiven niet los, zoodat, indien eenige goederen in de steden gefundeerd werden verkocht, dit alleen kon geschieden met hun consent, en de koopprijs daarvan moest belegd worden ten name van hun rentmeester van \'t comptoir , doch ten hate of faveure van den possesseur in der tijd dier vicarie (als er namelijk een possesseur bestond). Daarvan werd alsdan in de rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen vermelding gedaan, pro memorie in den extra-ordinaris ontvang, ook zelfs al gold het vicariegoed, gefundeerd in een der steden, ja zelfs van kapittel-vicariën te Utrecht, die niet behoorden tot de gemeene vicariën in \'t kapittel. In de reeds gemelde rekening van D. de Leeuw over 1669 vindt men hiervan overvloedige bewijzen in den extra-ordinaris ontfang. (Zie VerLoren, blz. 595 en volgg.)

Hoelang dit vermelden jWO memorie is gecontinueerd geweest, is onzeker, alweder door het vernietigen der vroegere rekeningen, doch in die van 1770 en volgende komt zulks niet meer voor.

-ocr page 460-

110

De meeste vaste goederen, tot de (gewezen) afzonderlijke vicariën behoord hebbende, wareu toen echter ook in de steden (behalve Amersfoort) reeds verkocht en geconverteerd in obligatiën op de provincie of in hypotheken en wel met voorgaande goedkeuring en consent der Gedeputeerde Staten, zooals hierna iu § 5 en volg. nader zal worden aangetoond.

Konden de Staten zich in de steden niet ten volle handhaven, in het beheer over de vicariegoederen ten plattelande ging het beter en wisten de Staten den tegenstand, die in 1588 hier en daar bestond, te overwinnen en de bepalingen van het redressement en de instructie van den rentmeester der gebeneficieerde goederen te handhaven. In de rekening van 1669 vindt men geregeld van alle dorpen in de provincie (behalve Maartensdijk) de pastoriegoederen en vicariegoederen vermeld, met de opbrengsten, ook zelfs van Schalkwijk, Breukelen, Vleuten, Mijdrecht, Wilnis, Thamen, Cudelsteert, enz., waar Floris van Weede in 1587 en \'88 moeielijkheden werden in den weg gelegd. Waarom St. Maartensdijk (alwaar reeds in 1593 bij de kerkvisitatie een predikant aanwezig was) er niet in voorkomt, is een raadsel. Misschien omdat het aan het kapittel van St. Maarten of ten Dom behoorde ?

Na deze beschouwingen zal het den lezer duidelijk zijn, dat hoezeer liet fonds der gebeneficieerde goederen oorspronkelijk was bestemd, om alle de gebeneficieerde goederen te omvatten, het spoedig, facto ten minste, is ingekrompen tot de goederen ten plattelande gelegen , en dus de rekeningen dier gebeneficieerde goederen zich ook bepalen tot ontvangsten en uitgaven ten plattelande.

Wy gaan nu die rekeningen nader beschouwen in de onder-deelen en strekking.

Daarbij doet zich echter eene groote zwarigheid voor, dat wy die niet hebben vóór 1770.

Alle vroegere met en benevens de rekeningen der overige rentmeesters, ontvangers in de provincie enz. en eefie massa andere stukken zijn in 1815 of omstreeks dien tijd, bij de ge-

-ocr page 461-

Ill

melde groote opruiming in het Staten-archief voor scheurpapier verkocht on onherroepelijk verloren gegaan. (VerLoren, blz. 165.)

Wij zouden dus van de vroegere administratie der vicariën en het gemelde fonds niets afweten, indien niet het stadsarchief te Utrecht ons daarbij, ten minste eenigermate, te hulp kwam. Bij de regeling van dit archief, door den kundigen en ijverigen stadsarchivaris, thaus tevens archivaris van het rijksarchief te Utrecht, zijn aldaar gevonden:

1°. een afschrift der eerste rekening van gemelden Floris van Weede, loopende over 1586 8 ten behoeve der stad Utrecht, destijds vervaardigd; een lijvige foliant, waarin vóóraan zijne benoeming en instructie (VerLoeen, blz. 513—52) is opgenomen. (Stadsarchief te Utrecht, Reg. E. voorl. n0. 394);

2°. de oorspronkelijke rekening van den rentmeester D. de Leeuw over het jaar 1669, die toevallig naar het stadsarchief is verdwaald van de protocollenkamer der provincie en daar is blijven liggen en zoodoende aan den papiermolen is ontkomen. (Stadsarchief te Utrecht, Reg. E. voorl. n0. 406);

So. een klad afschrift van het Manuael ofte Blafferd der geestelijke goederen (vicarie- en pastoriegoederen), die de rentmeester der gebeneficieerde goederen volgens art. 22 zijner instructie (YerLoren, blz. 540), moest aanhouden.

Deze Blaffert loopt over de jaren 1627—30. (Stadsarchief te Utrecht. Reg. E. voorl. n0. 1139).

Met deze weinige gegevens zullen wij ons dus, zoo goed en zoo kwaad het kan, moeten behelpen, onder opmerking nochtans, dat hut vernietigen dier vroegere rekeningen een onherstelbaar verlies is, waardoor men nooit met zekerheid zal kunnen aangeven, hoe de zaak in elkander zat. Van 1586 toch springen wij in eens over op 1669 en van 1669 op 1770, dus telkens met eene tusschenruimte van bijkans eene eeuw.

Aan den Blaffert van 1627—30 heeft men niet veel, als zijnde slechts eene opsomming der diverse pastorie-, vicarie-en kosteriegoederen, met of zonder korte annotation vnn ontvangsten in de gemelde jaren. Het register heeft blijkbaar gediend voor

-ocr page 462-

no

De meeste vasto goederen, tot de (gewezen) afzonderlijke vicariën behoord hebbende, waren toen echcer ook in de steden (behalve Amersfoort) reeds verkocht en geconverteerd in obligatiën op de provincie of in hypotheken en wel met voorgaande goedkeuring en consent der Gedeputeerde Staten, zooals hierna in § 5 en volg. nader zal worden aangetoond.

Konden de Staten zich in de steden niet ten volle handhaven, in het beheer over de vicariegoederen ten plattelande ging het beter en wisten de Staten den tegenstand, die in 1588 hier en daar bestond, te overwinnen en de bepalingen van het redressement en de instructie van den rentmeester der gebeneficieerde goederen te handhaven. In de rekening van 1669 vindt men geregeld van alle dorpen in de provincie (behalve Maartensdijk) de pastorie-goederen en vicariegoederen vermeld, met de opbrengsten, ook zelfs van Schalkwijk, Breukelen, Vleuten, Mijdrecht, Wilnis, Thamen, Cudelsteert, enz., waar Floris van Weede in 1587 en \'88 moeielijkheden werden in den weg gelegd. Waarom St. Maartensdijk (alwaar reeds in 1593 bij de kerkvisitatie een predikart aanwezig was) er niet in voorkomt, is een raadsel. Misschien omdat het aan het kapittel van St. Maarten of ten Dom behoorde ?

.Na deze beschouwingen zal het den lezer duidelijk zijn, dat hoezeer het fonds der gebeneficieerde goederen oorspronkelijk was bestemd, om alle de gebeneficieerde goederen te omvatten, het spoedig, facto ten minste, is ingekrompen tot de goederen ten plattelande gelegen , en dus de rekeningen dier gebeneficieerde goederen zich ook bepalen tot ontvangsten en uitgaven ten plattelande.

quot;Wij gaan nu die rekeningen nader beschouwen in de onder-deelen en strekking.

Daarbij doet zich echter eene groote zwarigheid voor, dat wij die niet hebben vóór 1770.

Alle vroegere met en benevens de rekeningen der overige rentmeesters, ontvangers in de provincie enz. en eeile massa andere stukken zijn in 1S15 of omstreeks dien tijd, bij de ge-

-ocr page 463-

Ill

melde groote opruiming in het Stateii-arcbiof voor scheurpapier verkocht en onherroepelijk verloren gegaan. (VerLoken, blz. 165.)

Wij zouden dus van de vroegere administratie der vicarien en liet gemelde fonds uiets afweten, indien niet het stadsarchief te Utrecht ons daarbij, ten minste eenigermate, te hulp kwam. Bij de regeling van dit archief, door den kundigen en ijverigen stadsarchivaris, thaus tevens archivaris van het rijksarchief te Utrecht, zijn aldaar gevonden:

1°. een, afschrift der eerste rekening van gemelden Flo ris van JVeede, loopeude over 15868 ten behoeve der stad Utrecht, destijds vervaardigd; een lijvige foliant, waarin vóóraan zijne benoeming en instructie (VerLoren, blz. 513—52) is opgenomen. (Stadsarchief te Utrecht, Reg. E. voorl. n0. 394);

2°. de oorspronkelijke rekening van den rentmeester Zgt;. de Leeuw over het jaar 1669, die toevallig naar het stadsarchief is verdwaald van de protocollenkamer der provincie en daar is blijven liggen en zoodoende aan den papiermolen is ontkomen. (Stadsarchief te Utrecht, Reg. E. voorl. nü. 406);

3°. een klad afschrift van het Manmei ofte Blafferd dei-geestelijke goederen (vicarie- en pastoriegoederen), die de rentmeester der gebeneficieerde goederen volgons art. 22 zijner instructie (VerLoren , blz. 540), moest aanhouden.

Deze Blaffert loopt over de jaren 1627—30. (Stadsarchief te Utrecht. Reg. E. voorl. n0. 1139).

Met deze weinige gegevens zullen wij ons dus, zoo goed en zoo kwaad het kan, moeten behelpen, onder opmerking nochtans, dat het vernietigen dier vroegere rekeningen een onher-stelbaar verlies is, waardoor men nooit mot zekerheid zal kunnen aangeven, hoe de zaak in elkander zat. Van 1586 toch springen wij in eens over op 1669 en van 1669 op 1770, dus telkens met eene tusschenruimte van bijkans eene eeuw.

Aan den Blaffert van 1627—30 heeft men niet veel, als zijnde slechts eene opsomming der diverse pastorie-, vicarie-en kosteriegoederen, met of zonder korte annotatien vnn ontvangsten in de gemelde jaren. Het register heefc blykbaar gediend voor

-ocr page 464-

112

kantoordienst van den rentmeester der gebenefieieerde goederen. Hoe het onder de papieren ten stadhuize te Utrecht is verzeild geraakt, blijkt niet.

Uit deze rekeningen blijkt, hetgeen wij reeds in den aanvang van ons rapport mededeelden, dat de toestand der pastorie-, en in \'t bijzonder der vicariegoederen, reeds tijdens de Reformatie nog al verward was en ook later is gebleven , zooals o. a. ook blijkt uit de in § 1 reeds vermelde kerkvisitatie in 1593. Daarin worden ook eenige bijzonderheden medegedeeld over vicariën te Doorn , Amerongen, Eemnes binnendijks , Westbroek, de Meern, Vreeland en Lopik. Over de eerstgemelde was dispuut met den heer van Maarsbergen, die daarop rechten pretendeerde, zonder echter zelfs het jus patronatus te hebben en werd die bezeten door D. van der Wael, procureur voor de Magistraat te Utrecht, terwijl te Lopik twee vicariën waren, behoorendc tot het kerspel, van welke de eene werd gezegd „gestaen te hebben op eenen „Buchel, zonder dat hij zijn jus Patronatus zoude conen belwijzen, ende d\'andere verduystert te zijn bij Straetman, by „wiens soons sone dezelve zoude verbruyekt werden.quot;

Reeds in de le rekening (over 158G) vinden wij onderscheid3ne vicariën, waarvan noch de collator, noch de possesseur, noch de goederen bekend waren, waarvan men dus eigenlijk niets anders wist, dan dat zij bestaan hadden. Niettemin paradeeren die drie eeuwen lang in de rekeningen onder de ontvangsten, doch steeds met de stereotype bijvoeging: de goederen dezer vicarie vooralsnog niet bekend zijnde zoo wordt die gebragt voor Memorie.

Zoo worden er in de laatste rekening van den ontvanger der gebenefieieerde goederen over 1798 onder de 37 vicariën en 5 kapellariën, die toen nog overgebleven waren, niet minder dan 17 vermeld, waarvan de goederen ook toen nog niet bekend waren en vermoedelijk nu wel ten eeuwigen dage onbekend zullen blijven. (VerLorex, blz. 221.) Van andere waren wel de collators, doch niet de possesseurs bekend of ook omgekeerd of wel geen van beiden, hetgeen daaraan is toe te schrijven, dat de rentmeester dier gebenefieieerde goederen niet behoorlijk

-ocr page 465-

113

op de hoogte werd gehouden vau de perrautatiën, die daarin plaats grepen, of verzuimde daarnaar te informeeren. Daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat men in do rekeningen niet zelden eenige jaren lang ten achteren was met de opgaaf van collator of possesseur en personen vermeldde, die reeds lang overleden waren. (Zie b. v. VerLorex, blz. 218 : verbis Grerbrand Schagen.) Van daar dat men in afzonderlijke documenten hier en daar actueeJe possessears vermeld vindende en men de rekeningen opslaande, aldaar op dien tijd niet die personen worden genoemd, doch andere namen, meestal de voorgangers, die voor 20 of 50 jaar of nog vroeger vicarissen waren.

In het algemeen zijn de rekeningen op dit punt niet veel te vertrouwen en slordig. Van de 42 vicariën of kapellariëu, in de laatste rekening (1798) vermeld, zijn er slechts drie t. w. te Werkhoven, (huize Beverweerd), IVestbroek en Run:iel, waarvan de collator en de possesseur bekend waren en vermeld worden (VerLorex , blz. 222), van de overige wordt alleen de possesseur of de collator of wel geen van beiden opgegeven. Men moet hierbij echter opmerken, dat, zooals later zal aangetoond worden, de collators of collatrices langzamerhand zich zeiven begonnen voor te dragen als possesseurs en de Gedeputeerde Staten dit en zoovele andere misbruiken door de vingers zagen en gewillig slikten, door hen als zoodanig te benoemen. Collator en possesseur was toen bij vele vicariën synoniem geworden.

De rentmeesters der gebeneficieerde goederen bemoeiden zich uit den aard der zaak meest met het finantiëele punt en waren content, als zij de tertiën hadden geïnd en verantwoord in hunne rekeningen. De rest ging hun minder aan \'t hart, als het geld er maar was. In de rekeningen is het een blind overnemen en naschrijven der posten uit de vorige rekening en dan nog ging zelfs dit slordig in zijn werk. (Zie o. a. VerLoren, bl. 218.) Bovendien zijn de rekeningen ook in andere opzichten onnauwkeurig. Er komen niet alle vicariën in voor, niet alleen in de le rekening van 1586. 8, maar ook in die van 1669 en de latere na 1770. Men vindt namelijk in diverse stukken gewag

8u

-ocr page 466-

114

gemaakt van vicariën en possosseurs derzelven in de 17de en 18de eeuw, die men te vergeefs in die rekeningen zal zoeken, bijvoorbeeld de vicarie van Bloemestein, gefundeerd in de kerk te Tuil en \'t Waal, waarover in § 11 zal gehandeld worden.

Waaraan zulks is toe te schrijven, is niet wel uit temaken. Men dient hierbij echter in \'t oog te houden, den zoo even reeds vermelden toestand, waarin de vicariën en vicariegoederen reeds verkeerden vóór de Reformatie. Van onderscheidene waren toen reeds de fundatiën onbekend of de brieven zoek geraakt, van anderen waren de goederen verdwenen of vermengd geraakt met die van andere vicariën, weder andere vicariën waren samengesmolten met eenige kleinere en onder nieuwe benamingen te voorschijn getreden enz.

Wij gaan nu over tot den inhoud der rekeningen.

De ontvangsten daarin voorkomende spruiten voort uit de inkomsten der pastorie- en wcam-goederen ten plattelande. Van kosterie-goederen wordt in de rekening over 1586, 8 hier en daar wel eenige vermelding gedaan, namelijk achter de pastorie-goederen op de diverse plaatsen, dat er ook een kosterie bestaat, doch zonder vermelding welke goederen daartoe speciaal behooren. Slechts bij een 14-tal, te weten: Odijk, Bunnik, Schalkwijk, Breukelen, \'t Groy, Houten, Tuil en\'t Waal, Leusden, Eemnes, Woudenberg, Maarssen, Lopik, Cockengen en Thamen worden eenige speciale daartoe behoorende goederen vermeld, zoover de rentmeester die heeft gevonden in den Inventaris der geestelijke goederen van 1583 (?) en daaruit overgenomen, doch steeds met de ontmoedigende bijvoeging: „waarvan de Rendant heeft ont-

Nietquot;

„vangen ................

Alleen te Odijk en te Bunnik had hij toen respectievelijk

nog ƒ 2 en ƒ 4 weten te innen.

In de rekening over 1669 wordt echter van de kosterie-goederen niets meer vermeld, evenmin als in die van 1770 en later.

Volgens artikel V van het redressement en de instructie van den rentmeester der gebeneficieerde goederen zou aan het fonds

-ocr page 467-

115

der gebeneficieerde goederen ook komen de retributie, die de 5 kapittelen te Utrecht moesten uitkeeren uit hunne kapittelgoederen tot onderhoud der predikanten.

Hiervan vindt men echter in de rekeningen niets geene melding gedaan, ook zelfs niet in die van 1586 8. Waarschijnlijk omdat het beheer over de gebeneficieerde goederen te Utrecht ia blijven hangen bij den magistraat, die zelf de predikanten in zijne stad uitbetaalde. Om geljjke reden vindt men er ook geene vermelding in gedaan van de goederen der Broederschappen te Utrecht, die de regeering aldaar zicli dan ook later geheel heeft toegeëigend en vermengd met de overige goederen aan de stad toebehoorende.

In de rekening over 1586/8 vindt meo alleen inkomsten van landerijen, grondrenten, oudeigens en erfpachten, behoorende tot de pastorie- of wel tot de vicariegoederen, die toen allo nog in natura aanwezig schijnen geweest te zijn.

Spoedig echter schijnen de Staten een aanvang te hebben gemaakt met die onroerende goederen van lieverlede te verkoopen en den koopprijs te beleggen in obligatiën of liever in inschrijvingen op de provincie, betaalbaar aan een hunner comptoiren, zooals het comptoir der quotisatie, dat van de domeinen\'s Lants van Utrecht, dat van het oudschildgeld, het huisgeld, dat dei-Generale middelen, het zegel enz.

In de rekening over 1669 vindt men reeds renten vermeld van dergeljjke kapitalen, voortgesproten uit successivelijk verkochte landerijen. In de latere van 1770 en volg. is het getal daarvan reeds aanmerkelijk aangegroeid, terwijl er in de laatste, over 1798, bijna in \'t geheel geen goederen in natura meer voorkomen.

Telkens als er eenig pastorie- of vicariegoed was verkocht, werd voor die afzonderlijke pastorie of vicarie de koopprijs geheel belegd of ten minste tot zoodanig bedrag, dat de (toenmalige) renten gelijkstonden aan dat der huren en pachten van het verkochte goed. Door de successive rente-reductiën, door de Staten gedecreteerd, waardoor die ten slotte tot op 2^ pet. is

-ocr page 468-

116

gedaald, zijn echter die posten beneden het cijfer der vroegere

pachten geraakt.

Vandaar dat men in de rekeningen achter ieder dorp, bij de afzonderlijke vermelding der pastorie- of vicariegoederen aldaar, meestal een of meer dier kleinere obligatiën of inschrijvingen op de provincie vermeld vindt, namelijk de renten die daarvan

in dat jaar waren ontvangen.

Bij resolutie der Gedeputeerde Staten van 15 Juli 1774 en hunne nadere resolutie van 16 October 1778 werd echter bepaald, dat al deze afzonderlijke kleine obligatiën of inschrijvingen

op de provincie, betaalbaar gesteld aan diverse comptoiren, ter vereenvoudiging der administratie van het fonds der gebene-ficieerde goederen, zouden worden vereenigd in 12 nieuwe obligatiën op de provincie, alle betaalbaar ten comptoire der Generale Middelen, en staande, evenals vroeger, ten name van den Ontvanger der geheneficieerde goederen. (Zie VeeLoren , blz. 203, 608, fol 18 en blz. 617.) Deze ] 2 obligatiën rentende 2è pet. bedroegen te zamen een kapitaal van ƒ 187.398-3 te weten: 10 ad f 15000, 1 ad f 25000 en een ad/quot;12.398-3 waarvan de gezamenlijke renten ad/quot;4747-9 toen in eens weiden verantwoord onder de 7e Ontvang van Renten van Obligatiën op de provincie Utrecht, terwijl in de vroegere rekeningen post voor post bij iedere pastorie of vicarie die afzonderlijke kleine obligatiën vermeld werden. In plaats van dit laatste, vindt men nu onder de ontvangsten der goederen van de afzonderlijke pastoriën of vicariën vermeld, dat de pastorie of vicarie voor

een bedrag van f.....aan kapitaal en van /quot;.....aan rente

was begrepen in dat kapitaal van f 187.398-3. Hierdoor bleef men dus op de hoogte, hoeveel het rentebedrag voor iedere pastorie of vicarie was, ter berekening voor zooveel de vicariën betrof, van hetgeen iederen possesseur toekwam, onder korting van het ^ of tertie voor het fonds, zooals dan ook reeds bij artikel V van het Redressement was voorgeschreven.

Behalve deze ontvangsten uit de goederen zeiven, of de obligatiën in de plaats der verkochte goederen getreden, vindt men

-ocr page 469-

117

in de rekening over 1669 onder de Extra or dinar is ontvangsten een bedrag van f 2000-,- wegens do Verhoogingh van de rantsoenen op de generale middelen gestelt ende tot hetalinge can de predikanten ten platte lande gedevfine\'-rd. zijnde een favour waarmede de Staten het fonds der gobeneficieerde goederen begiftigden.

In de rekening over 1770 en volgende luidt dit anders, t. \\v. „Vierde Ontvangquot;. Van hefgeene door haar Ed. Mog. wegens de verandering in het heffen der middelen bij de ordonnantie over den jaere 1770 is geaccordeerd, in plaatse van de Bandsoenen of oortjens, komende uit de verpagtinge der generale

middelen...............f 4000.-,-

Eindelijk komt er in do rekening over 1669, even als ook in alle latere, onder do extra-ordinaris ontvangsten een post voor van subsidiën door de Staten geaccordeerd ten bate van het fonds. Deze subsidiën, waarvan het bedrag telkens varieerde, waren eigenlijk bijpassing door de Staten en afbetaling van hetgeen de uitgaven meer bedroegen dan de inkomsten, welke laatste steeds ontoereikend waren om de predikanten, kosters en schoolmeesters uit te betalen en daarenboven de administratiekosten en verdere uitgaven te kunnen dekken. Deze subsidiën varieerden natuurlijk al naarmate het te kort grooter of kleiner was. In 1669 bedroeg de subsidie niet minder dan f 15,500 die toen genomen werd uit de kas van den ontvanger van het oudschildgeld. In 1770 daarentegen was het slechts f 2000. (1) In de le rekening over 1586/8 vindt men in de ontvangsten noch de gemelde rantsoenen, noch subsidiën, doch in plaats van deze laatste een bedrag van f 200, dat de Rendant „deur

(1) Met deze subsidiën als ontvangsten schijnt kwalijk te rijmen, dat men somtijds ook subsidiën onder de uitgaven aantreft, d. i. gelden, die het comptoir van de gebeneficieerde goederen uitbetaalde aan andere comptoiren der Staten, om die kassen te stijven. Dit is daaraan te wijten, dat zooals hierboven gezegd is. er geen algemeene kas of\' betaalmeester der provincie ■\\vas, zoodat als er tijdelijk te kort kwam op een dier comptoiren, alsdan de Staten maar een mandaat afgaven, op het eerste het beste comptoir dat tijdelijk iets in kas had.

-ocr page 470-

118

„expres bevel van dfi Staten \'s Lands van Utrecht.....had

„opgenomen op lyfrenten tot behoeff van de predikanten staende „ten platte lande onder dewelcke hij deselve gedistribueert heeft.quot;

Uitgaven van het fonds.

Behalve de tractementen, administratie-kosten, de verponding der vaste goederen en de uitgangen, losrenten enz. waarmede die bezwaard waren, werden daaruit betaald 1°. de predikanten ten plattelande (en een te Montfoort); 2°. de weduwen van predikanten; 3°. de kosters en schoolmeesters, en 4°. eenige uitbetalingen van diversen aard, wegens verplichtingen van ouds op sommige dier goederen berustende en daaraan verbonden of wel later door de Staten aan het comptoir der gebeneficieerde goederen op den hals geschoven, in de rekeningen vermeld onder de rubriek Uitgaven van allerhande zaken of in 1669 als Extra-ordinaris uitgave.

De betaling aan de predikanten bedroeg:

in 1588 f 2800- 5-6 (14 predikanten),

in 1669 „ 17037-18- (25 predikanten met inbegrip van \'t

kindergeld en augmentatie),

in 1770 „ 10308-10- (15 predikanten met idem),

in 1798 „ 9593-14- (15 predikanten met idem); aan predikants iveduiven:

in 1588 nihil.

in 1669 f 1025-,-,

in 1770 „ 400-,-,

in 1798 „ 359-18;

aan kosters en schoolmeesters:

in 1588 nihil.

in 1669 (12 stuks) / 458-13-5,

in 1770 (14 stuks) „ 556-19-8,

in 1798 (11 stuks) „ 534-11, (waaronder de schoolmeester te Blaauwcapel voor f 20).

In de rekening over 1669 komen onder de extraordiuaris

-ocr page 471-

119

uitgaven (bclulve de gemelde augmentatie) ook nog voor betalingen aan drie proponenten, terwijl onder deze uitgaven van allerhande zaken men in de diverse rekeningen der ge-beneficieerde goederen onder anderen ook vermeld vindt;

a. „wegens haar Ed. Mo. quoote (aandeel) in de somme van „800 of (gulden) tot liet licht in den Dom (te Utrecht) het „schoonmaken van do kroonen aldaar over \'t jaer verschenen

„Maria Magdalena 1G69.........f 150-„-„

(rekening 1669 fol. 218T)

Deze post, waarvan de oorsprong onbekend is, doch vermoedelijk bij eenige gift of making was beschreven, is steeds uitbetaald tot op het jaar 1802, toen die verdwijnt. Zie de Domeinrekening over 1800 alwaar vermeld wordt: „De post van f 150 „aan den Deurwaarder van den Domskamer niet meer betaald

„wordende, dient alhier voor.........Memoriequot;

(VerLokex , blz. 629 en 645.)

h. „aan het convent van Marienhury te Soest, een jaar renten „van f2300.- capitaal tegens 2$ pc. haar competerende/quot;62-5-quot; (rekening 1770 fol. 61r)

De oorsprong dezer post, die steeds betaald is aan den rentmeester van dit Staten-convent tot aan 1798, blijkt uit de rekeningen van dien rentmeester van Marienburg, alwaar die onder de ontvangsten wordt opgenomen, onder anderen in de rekening over 1776 fol. 31 (VerLoren, blz. 193) „De ontvanger „der gebeneficieerde goederen des Lands van Utrecht betaald „jaarlijks van eene obligatie groot in capitaal 2300 guldens, „belegt ten comptoire van den Heer Henrich van Wijckersloot, „ontvanger der gebeneficieerde goederen des Lands van Utrecht „ten behoeve den convente van Marienburg te Zoest, gedateerd „den 9en November 1658 en dat tegen den penning 25 jaar-

olijks verschijnende den 6 October dus enz....../quot; 92-„-„quot;

Dit kapitaal van f 2300 spruit voort uit belegde kooppenningen. (Zie VerLorex, blz. 193.)

In de rekening van den rentmeester de Leeuw over 1669 staat die post van uitgaaf fol. 229 aldus:

-ocr page 472-

120

„Het convent van Marieuburg tot Soest trekt jaorlijcks eene „losrente uyt desen Comptoire van 2300 ponden capitaels, monsterende jaerlijcks 92 ponden jegens den penning 25 verschij-„nende jaerlijcks den 6 October, dus alliier enz. . . f 92-n-Bquot;

(Het mindere in 1770 was een gevolg der renterednctie.)

Deze uitgaaf komt niet meer voor op de Domeinrekeningen 1799/1800 en volgende jaren.

c. „Ingevolge haar Ed. Mog. Resolutie van den 20 May „1738 betaald aan Christiaan Sanderson, als Rentmeester van „het Capittel van St. Marie binnen Utrecht de somme van „ƒ 53-16-8 in voldoening van een capitaal van ƒ 1348 verschenen „24 Maart 1770 ............ƒ 53-16-8.quot;

(Rekening 1770 fol. 62v.)

Deze post werd in 1809 nog betaald volgens een Manuaal van Ontfang van het Comptoir fier Geheneficieerde goederen, beginnende met den Jaare 1799, aanwezig op het rijksarchief te Utrecht, blz. 46, luidende:

„Het Capittel van St. Marie competeerd ten behoeve der „armen en ten laste der Thesaurie van het Capittel de renten „van f 1348 .............f 53-16-8.quot;

(VeeLoeen , blz. 211 en 645.)

d. „Betaald aan C. Sanderson als rentmeester van het Capittel „van St. Marie binnen Utrecht ingevolge Resolutie van den „20 Augustus 1738 de somma van /quot;45-8-12 in voldoening van „een jaar subsidie tot onderhoud van Predikanten en schooien „(te Utrecht?) over den jaare 1770 verschenen den 10 Januari „1771...............f 45-8-12.quot;

Deze post komt insgelijks voor in hot evengemeld Manuaal als in 1809 nog betaald zijnde. (VeeLoeen, blz. 211 en 645.)

e. „Betaald aan C. Sanderson als Rentmeester van St. Marie „binnen Utrecht de somme van /\'14-specterende tot het yacmi-„ainpt van Sancta Maria Major binnen Utrecht, gaande uit de „Thesaurie-goederen van voornoemde kerke versch. Corsmis .1770 ................/\' 14-„-„quot;

iRekening 1770 fol 62r)

-ocr page 473-

121

Deze post is volgons meergemeld Manuaal betaald tot 1807. (VerLokejj , blz. 212.)

f. „Betaald aan den Heer Jacob van Dam, als Thesaurier „der stad Utrecht, de somma van f 600. deselve compotorende „voor het houden van een Professor juris Publici volgens de „resolutie van den 9 Maart 1708 ......f 600-„-„quot;

(Rekening 1770 fol. 66.)

(Zie over den oorsprong van dezen post VerLorex, blz. 196t. lu do generale domeinrekening over 1800 komt deze post ook voor als betaald op 18 November 1799 (VerLoren, blz. 630) terwijl in de le, 2e en 3e separate domeinrekening, als ook in het meergemelde Manuaal, staat aangeteekend, dat die ook in 1802 is betaald (VerLorex, blz. 212), zooals ook blijkt uit de separate domeinrekeningen over 1802, 1803 \'en 1804, ahvaar die als betaald vermeld staat iVerLoren, blz. 645) doch in de generale domeinrekening van 1806 komt die niet meer voor.) (VerLoren, blz. 657 noot.)

g. In de rekening over 1770 (fol. 63v) komt ook nog voor de volgende post onder de uitgaven;

„Ingevolge de Resolutie van haar Ed. Mog. de Heeren Ge-„deputeerden Staten \'s Lands van Utrecht van don 1 Juni 1759 „relatief tot haar Ed. Mog. Resolutie van den 11 May desselven „jaars heeft de Rendant het Capitaal van/\'3621-10-„ belioorende „aan de Yicarye Scti Nicolai in do kerke van Abcoude bij af-„lossinge ontvangen en wederom aangelegd in ubligatien, als te „zien in fol. G7Vquot;S0 et seqq. van sijne Elfde Rekening en com-„peteeren den Vicaris Johan Reyuhard Meynertzhagen f van „de renten van bet voornoemde Capitaal van f 3G21-10-„ en „het ander derde Deel aan dit Comptoir der Grebeneficieerde „goederen, dus betaald aan den Vicaris de som van f 66-8-, „verschenen den 12 Juli 1770 .......f 66-8-„,\'

Vergelijk hiermede hetgeen in deze zelfde rekening over 1770 onder de Ontvangsten wordt gezegd fol. 25v.

„ Vicarye op Nicolai aataar te Abcoude door den Ontvanger „van de Generale middelen wierd eertijds betaald de somme

-ocr page 474-

122

„van f 33 „-B voor een derde portie van de renten van een „Capitaal groot f3620-„-B (sic) op den 12 July 1759 zijnde „afgelost op eene enkele quitantie van den Rendant, alzoo de „obligatie niet gevonden wierd, volgens Resolutie vau haar Ed. „Mog. in dato 1 Juny relatief tot die van den 11 May 1759 „waar bij haar Ed. quot;Mog. hebben goedgevonden dat het gansche „Capitaal bij den Rendant zoude worden ontvangen, wederom „aangelegd en jaarlijks in de Rekening gebragt, zoo heeft de „Rendant daarvoor aangekocht verschelde obligation als volgt: „Ontvangen van den ontvanger der Generale middelen de „renten van f 1000 capitaal a 2j pc. versch. 25 Juli 17 lt;0. / 27-10-„ Ontvangen van den ontvanger van de Gen. middelen de renten „van /quot; 1300 Capitaal a 23 pc. versch. 26 Januari 1770.. ./ 35-lo-„ „Nog van denselven ontvanger van de Generale middelen „ontvangen de renten van f 1300 Capitaal a 2.x pc. veisch. 3

„Maart 1770..............f 35-15-n

„Ontvangen van den ontvanger van de Generale middelen de „renten van /\'lOO capitaala 2jpc. versch. 15 May 1lt;70. . . / 2-15„ „En dan nog ontvangen van den ontvanger der generale mid-ndelen de renten van / 100 capitaal tot 2J pc. versch. 26 Maart

„1770 ................ƒ 2-15-„quot;

Wanneer men deze 5 obligatiën te zamen telt dan bekomt men ƒ 3800 aan kapitaal en fl04-„-„ aan renten, waarvan dus de f der renten zouden bedragen f 70-6-11 en niet f 66-8-„ zooals in de uitgaaf gezegd wordt. Doch daar wordt het kapitaal der obligatiën op f 3621-10-„ gesteld, terwijl het in werkelijkheid was ƒ 3800-

In de rekening over 1798 komt deze zelfde post ook nog voor (Zie VerLoren, blz. 611), doch daar wordt den toenmaligen vicaris dezer vicarie Nicolaas de Graaf slechts f 63-6-10 voor rente der f toegelegd in het kapitaal van f 3621-10-„ met de opmerking dat dit kapitaal bedrag van ƒ 3621-10-„ mWer was dan dat der aangekochte obligatiën, die te zamen f 3300 bedroegen.

Waarom echter in 1798 slechts f 63-6-10 voor de rente der

-ocr page 475-

123

I wordt, uitgetrokken, terwijl die in 1770 op / 6G-8-„ worden gesteld, is niet duidelijk. Mogelijk is dit daaraan te wijten, dat de renten in 1798 niet meer 2j pc. bedroegen doch gereduceerd waren (op 2|?).

Hoe liet zij, liet is niet duidelijk waarom deze post anders is behandeld dan bij al de andere vicarissen, waarbij in de hun specteerende vicarie of kapellarie de ontvanger rendant slechts i in de ontvangsten uittrekt voor hetgeen hot comptoir competeert wegens de tertiën, zoodat hij de | voor den vicaris laat loopen en daarvan dus geen contrapost in de ontvangsten behoeft te stellen. In deze post der vicarie van St. Nicolaas echter is in de ontvangsten het volle rentebedrag in rekening gebracht als ontvangst, zoodat er noodwendig een contrapost in de uitgaven moest komen ad. f 66-8•„ voor de § voor den vicaris.

Het verschil tusschen deze vicarie en de overige lag dus niet in het bedrag zelf, dat het comptoir ^ en de vicaris f ontving, maar slechts in de wijze van boeking en verrekening.

In de evengemelde rekening van 1770 wordt gezegd, dat de behandeling aldus werd gedaan, omdat de obligatie niet te vinden was, toen de ontvanger der gebeneficieerde goederen de aflossing ontving op 12 Juli 1795 en daarom het \'janscJie afgeloste kapitaal door dien ontvanger zou gebeurd en weder aangelegd worden. Maar ditzelfde geschiedde eveneens bij de andere beleggingen of wederbelegging in geval van aflossing, waarbij het kapitaal eveneens ten nam\'} van den ontvanger der gebeneficieerde goederen werd gesteld, edoch ten behoeve van den vicaris voor zijne f.

Hoe het zij, wij constateeren hier alleen dat de behandeling en boeking dezer post, specteerende Xicolaas de Graaf en zijn voorganger Meynertzhagen, was exceptioneel, en het daaraan te wijten is, dat deze post in de latere domeinrekeningen over 1800—1806 steeds voorkomt als uitbetaald. (VerLoreu, blz. 629 en 645). In het bovengemelde Manuaal van Ontfang van het Comptoir der Gebeneficieerde goederen beginnende met den

-ocr page 476-

124

jaare 1799 staat vermeld, dat het bedrag is f 63-6-10 verschijnende 12 July en daaronder. „Betaalt 13 July 1799—

12 July 1809quot;.

Wij kunnen er nog bijvoegen, dat aan den Notaris N. de Graaf te Utrecht gemold bedrag van Staatswege steeds is uitbetaald geworden tot aan zijn overlijden in 1871 , waarschijnlijk op mandaat van den Minister van Finantiën en uit het Domoiufonds.

Vergelijk hiermede hetgeen in § 11 zal zal behandeld worden over de uitbetaling dor renten dier obligation in \'t algemeen.

De overige posten in deze 4e summa van Uitgaven van allerhande zaken in do rekening voorkomende, gaan wij met stilzwijgen voorbij, als zijnde van tijdelijken of huishoudelijken aard. Men kan die, voor zooveel betreft de rekening over 1798 vinden in het uitvoerig uittreksel uit die rekening bij VerLoreit, blz 002—615 medegedeeld, terwijl men aldaar onder Bijlage K. blz. 586—602 een korte vermelding kan vinden der voornaamste en meest belangrijke posten uit de rekening van 1669.

De rekeningen zelf zijn te uitvoerig om in haar geheel mede te deeleu en al de details na te gaan. Die van 1669 af tot 1798 zijn alle geheel op dezelfde leest geschoeid en ingedeeld, zoodat men uit die van 1798, zijnde de laatste, inrichting en verdeeling van al de overige kan kennen.

Wij bepalen ons alzoo tot eene generale opgaaf der inkomsten en uitgaven, onder opmerking, dat de Staten, als gezegd is, behalve de jaarlijksche subsidiën tot dekking der tekorten, ook nog jaarlijks eene vaste som aan het fonds of comptoir gaven in plaats van het opgeld of rantsoen, dat de pachter van het comptoir der generale middelen onder benaming van oortjes moest betalen boven en behalve zijne pachtsom, welk rantsoen in der tijd door de Staten als een beneficie was afgestaan aan het comptoir der gebeneficieerde goederen.

-ocr page 477-

125

Rekening Inkomsten, waaronder subsidiën der

over de Staten en rantsoeugelden. Uitgaven. Saldo.

jaren.

subsidie.

rantsoen-geld.

1586/8

. f 2501- 3-6

f

geen

f geen

f 3200-12- 9

f 699- 9-3

1669 . .

„ 34847-10-,,

n

15500-„-„

„ 2000.—

„ 22233- 6- 9

-4-

„ 12613-13-3

1770 . .

. „ 14495-19-3

2000-„-„

„ 4000.—

„ 14052-13-12

„ 443- 5-7

1794 . ,

, „ 13948- „ -1

71

1000-„-,,

„ 4000. -

„ 13412- 1- 6

„ 535-18-,,

1798 . .

„ 19653-10-„

V

6000-„-,

„ 4000,-

„ 12892-13- „

(1)

„ 6760-17-,,

Do batige saldo\'s, waarmede de rekening van 1669 en volgende sloten, waren das slechts schijnbaar, omdat de ontvangsten uit de vaste goederen en de obligatiën van het fonds of comptoir werden verhoogd door de subsidiën en gemelde rantsoengelden, die de Staten aan dit comptoir jaarlijks gaven, om te kunnen rondkomen.

Met der daad was er niet alleen in 1586 8, maar altijd een te kort.

Het blijkt alzoo, zooals wij reeds hierboven aangaven, dat de Staten nooit eenig voordeel uit dit fonds of comptoir der gebeneficieerde goederen, dat is do geconsolideerde pastorie- en vicariegoederen hebben getrokken, zooals men veelal denkt, maar dat hot voor hen eene lastpost was, die duizenden verslonden heeft.

Het zou voor de Staten oneindig voordeeliger geweest zijn, indien zij de pastorie-goederen (wel te ouderscheiden van de kerkgoederen en kerkfabriek, die altijd aan de kerkelijke gemeenten zijn verbleven) niet tot zich genomen hadden,

(1) De uitgaaf was volgens de rekening f 40.992-13-, omdat daaronder in dat jaar, bij uitzondering, was begrepen een bedrag van / 28.100 aan zoogen. subsidiën die hier in de 5de summa van uitgaven worden vermeld en als betaald aan de Staten, d. i. aan hunne comptoiren, en voortgesproten uit do gedwongen afkoop tegen den penning 25 der erfpachten, oudeigens, uitgangen enz. aan het comptoir der gebeneficieerde goederen verschuldigd, welke te gelde-making volgens eene daarvan opgemaakte extraordinaris rekening had opgebracht bruto f 22525 en (na aftrek der kosten van inning ad f 766-4-) netto f 21.758-16-.

Dientengevolge is hot batig slot in de rekeningen vermeld op ƒ 21.339-12-10.

-ocr page 478-

126

maar die aan de predikanten hadden gelaten, om zich uit de opbrengst der respective goederen vau iedere pastorie zelf te onderhouden. Maar dan zouden de predikanten verhongerd zijn nu het vagevuur, de biecht, enz. hun niet meer ter hulp kwam in hunne finantiën, zooals vroeger aan de pastoors, hunne voorgangers. Het was dan ook op dringend verzoek van de Synode zelve, aangedrongen en doorgedreven door den Stadhouder, dat de Staten in 1586 dit Trojaansche paard binnen haalden door het Redressement aan te nemen en liet beheer over de pastorie-en vicariegoederen op zich te nemen.

De goederen en baten van het fonds of coraptoir der gebene-ficieerde goederen bestonden aanvankelijk, zoowel over de gewezen pastorie- als vicarie- en memoriegoederen, uit landerijen, tienden, erfpachten, grondrenten , losrenten, oudeigeus en dergelijke reëele rechten. Al spoedig echter, gelijk wij zagen, vingen de Skaten aan, de landerijen der voormalige pastoriegoederen te gelde te maken en daarvoor in de plaats te geven , obligatiën of inschrijvingen op de provincie, betaalbaar op een hunner comptoiren, doch de tienden (1), erfpachten en verdere reëele rechten der gewezen pastoriegoederen, bleven in natura aanwezig.

De reëele rechten van losrenten, uitgangen enz. echter bleven aanwezig, doch in 1797 vaardigde hot toenmalig Provinciaal Bestuur \'s Lands van Utrecht (vervangende de vroegere Staten \'s Lands van Utrecht en hunne Gedeputeerde Staten) eene publicatie uit dd. 5 Augustus 1797, waarbij de erfpachters en de eigenaars der met uitgangen etc. bezwaarde landerijen werden gelast die af te lossen tegen den penning XXV, ten kantore van den ontvanger der gebeneficieerde goederen (2). Van deze gedwongen aflossing deed de ontvanger der gebeneficieerde goe-

(1) Dezo pastorietienden in de Generale Domeinrekening over ]799/lSOO vermeld (VekLoren, blz. 625) en in de speciale van 1802 (VerLoren, blz. 641 vermeld), waren onder Doorn, Nederlangbroek, Co then, quot;Werkhoven, Schalkwijk, Yleuten, Leusden en Hag-cstein gelegen.

(2) Ook voor de overige geestelijke comptoiren der Staten werd een dergelijk bevel uitgevaardigd, alsook voor het coraptoir der domeinen.

-ocr page 479-

127

deren eene afzonderlijke en extraordinaire rekening en verantwoording aan de Staten op 22 April 1799, blijkens welke Mj daarvan had geïnd f 22525, doch een deel derzelve was toen nog niet afgelost en bijgevolg nog niet ontvangen door den ontvanger der gebeneficieerde goederen. (YerLoren, blz. 603.) Het restant werd later geïnd door den Eentmeester Generaal der Nationale Domeinen in Utrecht Mr. A. J. van Mansvelt, nadat het comptoir der gebeneficieerde goederen in 1799 reeds was opgeheven en saamgesniolten met hot Generaal domeinfonds der Bataafsche Republiek. Zie hierboven § 1.

Deze restant opruiming betreffende alle de voormalige geestelijke comptoiren, geschiedde ten gevolge eener resolutie van den agent vau Finantiën der Bataafsche Republiek (Gogel), van 15 Januari 1800, waarbij de toenmalige Commissie tot de administratie der finantiën van het voormalig Gewest van Utrecht werd geauthoriseerd „omme zodanige Personen welke „tot noch toe het doen der aflossinge van hunne Oudeigens, „Erfpachten en Thinsen, gearresteerd bij het Provinciaal Bestuur „in dato 5 Augustus 1797 nalatig zijn gebleven daartoe te „constringerenquot; enz. (VERLoEEif, blz. G38.)

Ten gevolge dezer Resolutie werd de ontvanger van Mansvelt door do Commissie gelast om: „praecise opgave te doen, van „alle zoodanige Erfpachten, Oudeygen, Thinsen en Uitgangen, „welke noch ten zijnen comptoire onafgelost zijn gebleven, tevens „met opgave dor personen, welke doeze Aflossingen verschuldigd zijn —quot;, terwijl hij vervolgens bij besluit van gemelde commissie van 12 Mei 1800 werd gelast, om alle houders en debiteuren van erfpachten, thinsen en oudeigens, die de aflossing nog niet hadden gedaan aan te schrijven, zulks alsnog ten zijnen kantore te bewerkstelligen binnen 3 maanden, op poene van te worden behandeld als in de publicatie van 5 Augustus 1797 was bepaald. (VerLoren, ibid.) Deze opgaaf van de nog onaf-geloste erfpachten enz. kan men vinden in zijne 3e generale of ordinarisrekening der domeinen, loopende van 1 Mei 1800 tot uit0 April 1801 (VerLokex, blz. 622 en volgende) ouder het

-ocr page 480-

128

hoofd Extra Ordinaris ontvang (ibid blz. 633), waarin lüj mededeelt, dat hem is gebleken, dat nog onafgelost waren de aldaar vermelde Thinsen, Erfpachten, enz. behoord hebbende tot de voormalige Comptoiren der Domeinen, en die van St. Servaas, quot;Wittevronwen, de Carthuisers, Ondwijk, abdije van St. Pauls te Utrecht, — Marienbnrg te Zoest, — Oostbroek, — Maria Magda-lena te Wijk bij Dtuirstede en de Grebeneficieerde goederen van welk laatste comptoir staat vermeld „dat er nog waren over-„gebleven 14 uitgangen uit diverse vicaryen, mitsgaders com-„manderye van Harmelen (1) en pastorylanden te Vreeland te „zamen verantwoord in vorige rekeningen onder de 16e summaquot;. (VerLoren, ibidem.)

In die vorige, dat is 2» rekening, loopende van 1 Mei 1799— uit0 April 1800 , vindt men dan ook die opnoeming in de 16e summa van ontvang vermeld, luidende: „Anderen ontvang van „Erfpachten, Losrenten als anders behoorende aan de voormalige „Ridderschap, Conventen, etc. alsmede van \'t inkomen van Vka-„rijen, geaffecteerd aan \'t Comptoir der Grebeneficieerde goederen1\'. (VerLoren, blz. 625.)

De v kar ij en werden dus, omdat men er geen andere plaats voor wist, maar opgenomen onder de erfpachten en losrenten der gebeneficieerde en der overige (gewezen) geestelijke goederen , zonder regard te slaan, waarin of waaruit die inkomsten van voormalige vicariegoederen bestonden of sproten, — \'t zij uit erfpachten, losrenten, enz., dan wel uit renten van obligatiën, \'t zij uit huren van pachters van landerijen.

In diezelfde 2e rekening, waarnaar de 3e rekening over 1800/1 verwijst, vindt men dan ook onder gemelde 16e summa van anderen ontvang van Erfrenten etc. op fol. 58v vermeld, als afkomstig van het comptoir der gebeneficieerde goederen, de inkomsten der vicariën 1° op den huize van Beverwaard, 2° van den Dwarsdijk, 3° in de kerk te Westbroek, 4° op St. Anna

1

Afkomstig van de opgeheven orde van St. Jan te Jerusalem balye van St. Catharyne te Utrecht.

-ocr page 481-

129

autaar te Br enkelen, 5° op den huize Buwiel, de Commandeury van Harmeien en 7° de pastorie te Vreeland (pastorieland) alles zonder onderscheid of de baten daarvan voortsproten uit huren, losrenten, renten van kapitalen, enz. De gespecifieerde woordelijke vermelding is te vinden bij VerLorejt, blz. 62Cgt;—628.

In de le Separate domeinrekening over 1802 (vermeld bij VerLoren, blz. 639 en volgende), die volgens besluit van het Departementaal Bestuur \'sLands van Utrecht, dd. 4 Augustus 1802 (vermeld bij VerLorex, blz. 640) was opgemaakt, vindt men onder deze zelfde Ontvang van Erfpachten, Losrenten als-meede van Inkomen van Vicaryen, fol. 22, weder deze zelfde inkomsten van de vicariën van Bevervveerd, Dwarsdijk, Westbroek, Breukelen en Ru wiel, benevens ook nog van eene vicarie op St. Jacobs-autaar te Abcoude met en benevens de (gewezen) commandeury van Harmeien en het pastorieland te Vreeland vermeld (VerLoren, blz. 643 en volgende), evenals ook in de daarop volgende 2e en 3a sppara^rekeningen over 1808 en 1804.

De uitgaven voor ongelden dezer gewezen vicarie- en pastorie-landen, komen in die separaterekeningen, als ook in de gemelde generale rekening over 1800 1 voor iu de uitgaven in de 2e summa-en die voor de verpachtingen (der tienden) in de 3e summa van uitgaven: „Uitgave van onkosten van verpachting van thienden „en daartoe behoorende contributionquot;. (VerLorex, blz. 646.) Evenzoo komen die voor in de 9e en laatste generale rekening, die op het rijksarchief te Utrecht aanwezig is, loopende van 1 Januari—ultimo December 1806, (de 8e over 1805 ontbreekt).

De landerijen en erfpachten dezer bovengemelde zes vicariën, voor zoover er namelijk nog vaste goederen van aanwezig waren, werden van een deel derzelve, te weten van do vicariën op den huize Beverweerd, te Westbroek, 11 inviel en Breukelen, niet door den rentmeester-generaal der domeinen van Mansvelt geadministreerd, maar door administrateurs, die door de collators waren aangesteld (ten minste zoo heette het, ofschoon sommigen

9 u

-ocr page 482-

130

hunner eigenlijk niet wisten op te geven hoe zij administrateurs geworden waren) en jaarlijks Va dor revenuen aan het domein-fonds, dat is aan den rentmeester-generaal te Utrecht, in eene nota verantsvoordden, dio dan ook in de ongelden betaalde en een en ander in zijne rekening verantwoordde onder de ontvangsten en uitgaven. Ditzelfde voud ook reeds plaats in de 17e en lSe eeuw, toen do vicarie- en pastoriegoederen nog waren ouder beheer van den rentmeester der gebeneficieerde goederen. (Zie VerLoren, blz. 604 en 606 en bijlage VI) De resterende 2 ;i verantwoordde de administrateur aan den posses-seur of collator-possesseur (of stak die in zijn zak, VerLoren, blz. 656).

In 1806 waren administrateurs: van de vicarie van Bever-weer d Willem van Dam, van den Dwarsdijk, do gadermeester van het gerecht aldaar, van Westbroek wijlen (sic) mr. W. GK van Nes(l), van Kuiviel A. Hogeveen, van Brei\'kelen J. Ort van Nijenrode (zie VerLürex, blz. 643), terwijl de f 300 gaande uit de commaudeury van Harmeien door de Duitsche orde balije van Utrecht betaald werd.

Omtrent den inhoud en inrichting dezer generale- of ordinaris-en die der separate domeinrekening, verwijzen wij naar de opgaven daarover bij VerLorex, bladz. 618—658.

Ten einde echter het geheugen van den lezer eenigszins te gemoet te komen en de lezing dier rekening gemakkelijker te maken, deelen wTij hiernevens de jaren dier generale rekeningen en der separaterekeningen mede, daar, zooals vroeger reeds gezegd is, de generale rekeningen een tijd lang zijn geflankeerd geweest door speciale rekeningen of sub-rekeningen, betreffende alleen de gewezen geestelijke goederen, van welke sub-reke-ningen, het batig slot werd opgenomen in de generale rekening van dat jaar.

(1) Zie over deze doodenadministratie VbrLoeen, blz. 656.

-ocr page 483-

131

Generale rekeningen le Mei—Mei 1798 9.

Separate rekeningen.

le Jau,—uit0. Dec.

2« „ „ 1799/1800.

Be „ „ 1800/1.

4e „ n 1801/2.

5® „ n 1802/3.

6e „ „ 1803/4.

7ev 1804/5.

I6 Jan.—ultn. Dec. 1802.

„ „ 1803. „ v v 1804 (laatste).


8e ontbreekt.

9e 1 Jan. tot uit0. Dec. 1806 (gecombineerde rekening), zijnde de laatst aanwezige op het Rijksarchief te Utrecht.

De 9e generale (dat is gecombineerde) rekening wijkt eeniger-mate af van de vroegere, daar er vóór 1806, behalve de gezegde generale domeinrekeningen, ook nog rekeningen van het kantoor der verhypotliequeerde nationale domainen te Utrecht werden opgemaakt, door denzelfden mr. A. J. van Mansvelt, doch beide rekeningen in 1805 vereenigd zijn, ingevolge de voorschriften vau den toenmaligen secretaris van Staat voor de finantiën der Bataafsche republiek van 19 Februari 1806, vermeld in de generale (gecombineerde) domeinrekening over 1806, fol. 1 verso, luidende:

„ Is besloten den Rentmeester Generaal der nationale domainen „Mr. A. J. van Mansfeit aan te schrijven en to autoriseren zo „als geschied bij dezen omme tot hiertoe bij hem afzonderlijk „gehouden Administratie ouder de benaming vau het Kantoor „der Domainen in het Departement Utrecht en het Kantoor der „verhijpotheqKeerde nationale Domainen te Utrecht, in een te „smelten tot eene administratie van Rationale Domaingoederen „en rechten over te brengen , en wel deze toteenbrenging le „considereren als te hebben plaats gehad en aanvang genomen „met 1 January dezes jaars. (1)

„Zullende voorn. Rentmeester Generaal dau ook ter zake

(1) Van dit kantoor der gehypothequeerde domeinen wordt in de 5Je generale domeinrekening over 1S02/3 fol. 66 v. gewag gemaakt. (VeeLorex, blz. 636.)

-ocr page 484-

132

„voorschreeve thans gecombineerde Administratiën bij vervolg „telken reize slechts ééne maand- en ééne weekstaat, verdeeld „in behoorlijke respecten aan dit Ministerie hebben in te zenden , „zoomede aanvankelijk mot den jare 1806 wegens gedachte „administratie slechts ééne rekening en verantwoording behooren „te doen.quot;\'

De volgende aldus gecombineerde domeinrekeningen over 1807 en volgende jaren zijn niet aanwezig op het Rijksarchief te Utrecht en volgens bekomen informatiën ook niet op het generale Rijksarchief te \'s-Gravenhage. Aan het Ministerie van Finantiën schijnen zij ook niet te zijn, of ton minste niet vindbaar te zijn, terwijl de ontvanger der registratie en domeinen te Utrecht zegt, ze ook niet te hebben.

Waar dus deze rekeningen ergens berusten of rondzwerven, is ons na vele aangewende pogingen niet mogen gelukken te ontdekken. Het zou echter zeer wenschelijk zijn, indien daarover officieel en direct aan het Departement van Finantiën werd geschreven, daar het kwalijk te begrijpen is, dat deze rekeningen en die van 1815 en volgende jaren, die ook al niet vindbaar schijnen te zijn, verscheurd of in \'t ongereede geraakt zijn.

Voor hetgeen na 1800 verder is gebeurd, met de gewezen gebeneficieerde goederen, dat is pastorie- en vicariegoederen, moeten wij ons dus behelpen met het hierboven reeds vermelde Manuaal van Ontfavy van het Comptoir der Gebeneficieerde goederen beginnende met den jaare 1799 (YrrLoken, blz. 207 en volgende), zijnde door jhr. mr. Gr. A. van Doorn (zoon van jhr. E. C. U. van Doorn, van 1828—1853 agent der domeinen te Utrecht, later Minister van Finantiën, vervolgens Commissaris des Konings in Utrecht) voor eenige jaren aan het Rijksarchief te Utrecht ten geschenke aangeboden. In dat stuk worden ontvangsten der gebeneficieerde goederen vermeld, loopende gedeeltelijk tot 1810, dat is tot op de inlijving in Frankrijk (VerLoren, blz. 208 en volgende), zoodat tot op dien tijd do administratie dezer gewezen vicariegoederen bij

-ocr page 485-

133

het domeinbestuur op dezelfde wijze als vroeger schijnt te zijn gecontinueerd.

Dit bljjkt ook uit een pakket stukken over de vicarie van Westbroek, aanwezig op liet stadsarchief te Utrecht, onder de groote massa papieren en stukken, afkomstig van het archief der momboirkamer te Utrecht, waaronder het bij vergissing geraakt schijnt te zijn (zie VerLoren, blz. 650 noot), waaruil men de fata dezer vicarie (te uitvoerig om hier mede te deelen) kan nagaan van 1766 tot 1807, zooals die bij VerLoren, blz. 651 — 6 in extenso zijn vermeld. Wij bevelen echter de lezing zeer aan, opdat men zich overtuige van de verwarde en ellendige administratie in het begin dezer eeuw en eigenlijk reeds vroeger, ten aanzien van het overschot der gewezen vicariegoederen en welk geknoei daarmede plaats greep en hoe de rentmeester-generaal, uit onbekeEdheid met de vicariezaken, zich rechts en links liet bedotten door die administrateurs.

Wij bepalen er ons toe te constateeren, dat men tot op 1810 op den ouden voet is blijven voortwerken en voortsukkelen, doch onder het Fransclie bestuur dien Augiasstal eens schoon geveegd schijnt te zijn en het rijk alstoen die soit-disant administrateurs, daaronder ook Mr. J. C. Pronckert, voor de vicarie van Westbroek, hunne administratie over de vicariegoederen heeft afgenomen en die zelve heeft gevoerd, zonder J van de revenuen aan den possesseur of zijn administrateur uit te keeren. Ook de domein-administratie en de domein-rekening, die reeds in 1807 onder Koning Lodewijk Napoleon was gewijzigd, werd toen geheel veranderd. Nadere bijzonderheden kunnen wij niet opgeven, daar die rekeningen op \'t rijksarchief te Utrecht niet aanwezig zijn.

Uit een verzoekschrift van gemeldeu heer Pronkert, in 1816 of 1817 ingediend aan de toenmalige IIoofd-Administrateurs der domeinen (VerLorex, blz. 208), blijkt echter, dat hij zooal niet vroeger, althans sedert 1814, niets meer had ontvangen uit die vicarie en dus verzoekt, dat de hem competeerende | over 1814—15 zouden uitbetaald worden en daarmede voortaan van

-ocr page 486-

134

jaar tot jaar weder geregeld zou worden voortgegaan. In dat verzoekschrift noemt hij zich niet meer administrateur der vica-rie (waartoe hij in 1805 zich zelf had aangesteld) doch brutaalweg possesseur.

De Hoofd-Admiuistratie niet wetende hoe het met die vicarie eigenlijk zat, schoof de zaak van zich af en droeg den toen-maligen rentmeester der domeinen te Utrecht op, om te handelen, zooals liij zou vermeenen te behooren, conform zijne bevinding ten aanzien der deugdelijkheid der pretensie. (Yer-Lorex, ibid.) Wat het resultaat is geweest, kunnen wij niet opgeven, daar de domeinrekeningen van dien rentmeester ons onbekend zijn, zoodat wij niet kunnen opgeven of daarin na 1816 een post voorkomt van uitbetaling aan J. C. Pronckert.

Wat er verder na 1815 van de gewezen gebeueflcieerde goederen is geworden, alsook van de daartoe behoorende pastorie-tienden , of die later door den Staat, dat is, het domeinbestuur te gelde zijn gemaakt, dan wel thans nog voorhanden zijn, kan uit de latere domeinrekeningen blijken, doch gaat ons voor dit rapport niet aan, nu het blijkt, dat de vaste goederen van dit comptoir der gebeueflcieerde goederen (daaronder begrepen de gewezen vicariegoederen voor zoover die in het begin dezer eeuw nog aanwezig waren) alle aan het rijk zijn gekomen.

De erfpachten, oudeigens en verdere reëele rechten, waren als gezegd op \'t einde der vorige en in \'t begin dezer eeuw door gedwongen aflossing door de Staten van Utrecht en het restant door het Rijk, mede te gelde gemaakt, en het kapitaal gevloeid in \'s Rijks kas, zonder dat het weder belegd is öeu name van gebeueflcieerde goederen of van het Rijk.

Van de vaste goederen, die reeds vroeger door de Staten successievelijk waren verkocht, zoowel pastorie- als vicariegoederen , hebben de Staten, dat is het Rijk, in der tijd mede de koopprijs opgestoken, doch daarvoor obligatiën op de provincie afgegeven tot een gezamentlijk bedrag van f 187.398-3-„.

Deze obligatiën zijn echter in 1799 of 1800 vernietigd en verbrand, waardoor de Staat op eene zeer gemakkelijke en

-ocr page 487-

135

eenvoudige wijze van de rentebetaling en eventueele mogelijke aflossing van het kapitaal bevrijd werd. Of daarvoor later (vóór 1807) inschrijvingen op het Grootboek der nationale schuld zijn in de plaats gekomen en zoo ja, ten wiens name diestonden, is onzeker.

De Staat heeft dus van de gewezen pastorie- en vicarie-goederen ten pldttelandë alles genoten en die goederen (die, zooals hierboven reeds betoogd is, eigendom der Staten waren) in zijn eigen profijt geconsumeerd, doch is blijven voortgaan met de lasten en verplichtingen daarop rustende uit te betalen en te voldoen.

Zij die zich, uit onbekendheid met den historischen gang verbeelden, dat die goederen grootendeels zijn verduisterd en de Staat voor duizenden is bestolen, kunnen zich gerust stellen als zij weten, dat alle die goederen of de belegde koopsommen derzelve, voor zoover die waren gefundeerd ten plattelande, ten slotte in \'sRijks schatkist zjjn terecht gekomen.

Daarentegen heeft de Staat (volgens Koninklijk Decreet van 2 Augustus 1808, ter regeling van do uitoefening van den godsdienst enz. Yajt de Poll, blz. 419) blijven uitbetalen de predikanten en gedeclteljjk ook de schoolmeesters ten plattelande, wel niet uit de renten der 12 obligatiën op de provincie ad f 187.398-3-, die in 1799 of 1800 zijn vernietigd, maar uit andere rijksfondsen (1), zoodat geen hunner bij de samensmelting van het fonds der gobcneficieerde goederen met het generaaldomeinfonds der Eataafsche Republiek iets te kort gekomen is. Misschien zijn ook nog wel aan de possesseurs der vicariën ten plattelande uitkeering van de § der renten dier vroegere 12 obligatiën gedaan, want zij sproten voort niet bloot uit belegde koopprijzen van pastorie-, maar ook van vicarie-goederen. Of er toen of later voor dat bedrag van f 187.398-3-

(1) Op de bogrooting over 1809 was voor het Hervormd Kerkgenootschap daarvoor uitgetrokken ƒ 819.377-13-10, waaronder / 698.76-17-8. voor Utrecht. Van Beusingen, Geestelijk kantoor te Delft, blz. 317,

-ocr page 488-

186

inschrijvingen op het 2\', percent nationale grootboek zijn in de plaats gekomen en of die mede zijn begrepen in het be-brag van ƒ5.545.959-,,-,,, vermeld in de decisie van Koning Lode-wijk Napoleon van 6 April 1808 (1), dat volgens de decisie was voortgesproten uit effecten ten laste van de publieke schat-kist, aanwezig ter comptoiren van de ontvangers en rentmeesters der zoogenaamde geestelijke en kerkelijke goederen, —die als eigendom van het rijk zouden worden geconcentreerd en toegevoegd aan de amortisatie kas, — is onzeker, doch zeer waarschijnlijk (2). Echter vestigen wij de aandacht op hetgeen bij VerLoren, blz. 211 vermeld staat omtrent de vicarie op St. Jacobs-altaar te Abcoude, betreffende aandeelen in 4 obligatiën ten laste van het voormalig gewest Utrecht, die waren ingeschreven in het grootboek der publieke schuld, doorloopende schuld 2h pet., op naam van ^Ir. Antony Jan van Mansvelt, Rentmeester Generaal der nationale domainen, als administrerende de vicarye in de kerk van Abcoude, lit. A deel 3, fol. 100, te zamen /\'2350. De renten daarvan op 22 September 1810 en 22 Maart 1811 ontvangen (ad. /33-15-4 te zamen), worden daarbij verantwoord.

quot;Wat voor vier obligatiën dit geweest zijn en hoe die op het

(1) Zie deze decisie en de daarop betrekkelijke resolutie van den Minister van Financiën van den 12 April 1808 bij Van bernlngegt;quot;, Geestelijk kantoor te Delft, blz. 303.

(2) De opheffing van het comptoir der Geheneficieerde goedere)i\'t Lands van Utrecht en dat der overige comptoiren met de overbrenging der manualen en obligatiën daartoe behoorende, is in de provincie Utrecht geschied op 3 September 1799, tegen quitantie van den Chef van het Bureau van Expeditie van het Departement van Financiën te \'sHage, als zijnde door den Agent van Financiën der Bat. Republiek gemachtigd die namens hem in ontvang te nemen. (VekLoren, blz. 195.)

In Holland en andere gewezen provinciën heeft echter die opheffing en afgifte eerst later plaats gegrepen, met name het Geestelijk kantoor te Delft, dat nog tijdens het Koningrijk Holland bestond en zelfs nog onder het Fransch bewind, doch de kapitalen waren overgegaan aan het Amortisatie-fonds. (Zie hierover Van Beüningen, Geestelijk kantoor te Delft, blz. 311 en volg. 317 enz.)

-ocr page 489-

137

toenmalige grootboek voorkwamen, is mij onbekend en zou ook alleen kunnen blijken, indien men inzage kon bekomen uit de boeken van het primitieve grootboek in 1809 opgericht.

Zooveel is iu ieder geval zeker, dat in de domeinrekeningen en separate domeinrekeningen (behalve in die van 1798\'9 zijnde de lste en overgangsmaatregel), geene venten dier vernietigde

12 obligatiën meer voorkomen en daarentegen ook geene betalingen van tractementen aan predikanten, kosters en schoolmeesters.

quot;Wel worden er in de rekeningen over 1802 nog enkele obligatiën vermeld, waarvan de renten als ontvangen verantwoord worden, maar dat waren niet de gemelde 12 obligatiën op de provincie, maar andere obligatiën, competeerende aan de pastorie te Woud- nberg en behoorende tot de prebenden Claustraal van hot voormalig Capittel Terhorst (bij Rhenen), vermeld in do Ordi-naris of generale domeinrekening over 1802 3. (YerLoren, blz 635) en in de separate domeinrekeningen van 1802—4. (ibid. blz. 640.) Tot de ontvangst der renten dier obligatiën was de Rentmeester Generaal gemachtigd geworden door Commissarissen tot de administratie van Financiën voor \'t voormalig gewest Utrecht van

13 April 1802. (ibid, blz. 635.) Deze obligatiën waren schuldbrieven van particuliere collegiën en andere crediteuren, die echter successivelijk door het domeinfonds afgelost schijnen te te zijn, ten minste uit de latere rekeningen verdwijnen. (Zie VerLoren blz. 623; 635, 640 en 643.)

Blijkens de domeinrekeningen van 1799—1806 zijn er aan de predikanten en schoolmeesters ten plattelande uit de domeinadministratie geene uitbetalingen gedaan, evenmin als aan de possesseurs of collators-possesseurs van vicariëu ten plattelande voor hunne f, die zij uit de gecancelleerde en verbrande 12 obligatiën genoten.

De predikanten zoo ten plattelande als in de steden bleven echter tractement ontvangen, maar niet van den Rentmeester Generaal der domeinen en uit diens administratie. Uit welke andere rijkskas of rijksfonds de uitbetaling geschiedde, heb ik

-ocr page 490-

138

niet kunnen opsporen, doch zal waarschijnlijk aan het Departement van Financiën niet onbekend zijn.

Dat ook de predikanten ten plattelande of zij, die als zoodanig dienst deden (te Leusden), ook na 1799 tracteraent ontvingen, blijkt uit de Cameraar-Thesoriers rekening van Amersfoort over 1806, waarin, in de lüe summa van ontvangst, de ontvangst van f 540 wegens tractement en huishuur voor oen der Amersfoortsche predikanten, belast met den dienst te Leusden, nog steeds voorkomt evenals vroeger, te weten: „De Rentmeester van Oostbroek „\'Staten convent) betaalt aan deze stad jaarlijks voor den Predi-„kant, die Lensden medobedient f 500-waarvan \'t jaarulto

„October 1806 ............./ 500-„-;j

„De Rentmeester der Gebeneficieerde Goederen betaalt jaarlijks „tot huishuur van denzelven Predikant f 40-„-„ waarvan \'t

„jaar 22 October 1806 ..........f 40-.,-„quot;

Daarentegen in de rekening over 1807 vindt men onder het hoofd Anderen Ontvang uit het kantoor der Imposten:

„Voorheen door den Rentmeester van Oostbroek en die van „de Gebeneficieerde Goederen, thans door het Bestuur der Pinan-„tiën van \'t departement Utrecht, word betaalt voor den predikant die Lensden mede bediend 540 guide jaarlijks. quot;Welke

„alhier komt over 1807 dus......../540-„-„quot;

In de rekening over 1808:

„Van \'s Rijkswegen werd voor den Predikant, die den dienst „te Leusden waarneemt zoo voor Tractement als huishuur be-

„taalt f 540-„-„ komt alhier over 1808.....f 540-„-„quot;

Rekening over 1809:

Ontvang van subsidiën aan het kantoor van den Thesaurier. „Ontvangen van den Lande de gewone subsidie ter betaling „van het Tractement aan de drie Predikanten waarnemende „don Predikdienst te Leusden over den Jare 1809 .

In de rekening over 1810 en volgende jaren komt deze post van ontvang niet meer voor.

Ten aanzien van uitbetalingen voor tractementen aan schoolmeesters en kosters na 1798, kunnen wij niets anders mede-

-ocr page 491-

139

deelen, dan dat van do 9 schoolmeesters en 2 kosters, vermeld in de rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen over 1798 fol. 25; Derde JJif ff ave aan Costers en Schoolmeesters ten platten Lande (zie VerLoeen, blz. 610), er ten minste één (zoo niet meer) ook nog na dien tijd zijn tractement van ƒ 20 is blijven ontvangen van rijkswege, te weten die te Blaauwcapel. Ook aan den tegemvoordigen onderwijzer aldaar, is het steeds uitbetaald van rijkswege tot aan de invoering van de Wet op het Lager Onderwijs van 13 Augustus 1857 (Staatsblad n0. 103) en vervolgens aan de gemeente Maartensdijk (waaronder Blaauwcapel ressorteert), op een mandaat geteekend van wege het Departement van Financiën. In de rekeningen en begrootingen dier gemeente komt dan ook onder de inkomsten Hoofdstuk V, art. 6, steeds een post voor: „Bijdrage van het Rijk „ter vervanging van de vroegere rij ksj aar wedde der onderwijzers ................f 20.quot;

Misschien komen er in andere gemeenten der provincie Utrecht thans ook nog dergelijke posten van ontvang voor in de begrootingen en rekeningen.

Do vraag rijst alzoo, of wellicht de possesseurs van vicariën na de vernietiging dor meer gemelde 12 obligation op de provincie in 1799, uit andere staatskassen of staatsfondsen het hun toekomende tantième, dat hun door den ontvanger der gebeneficieerde goederen eertijds werd uitbetaald uit de renten dier obligation op de provincie, ten kantore der Generale middelen hebben ontvangen.

Deze vraag is niet met zekerheid te beantwoorden, doch uit het zooeven vermelde, omtrent de vicarie op St. Jacobsaltaar te Abcoude is er wel eenige aanleiding, om dit te vermoeden, ofschoon wij nergens eenig spoor hebben kunnen ontdokken, dat er thans nog possesseurs zijn van vroegere vicariën ten platte-lande gefundeerd, die iets trekken of zelfs in den loop van deze eeuw getrokken hebben, behalve de reeds meermalen gemelde notaris Xicolaas de Graaf, als vicaris der viearie op St. Nicolaas altaar te Abcoude, overleden in 1871. Doch dit was. als gezeed

\' \' O D

is, een exceptioneel geval.

-ocr page 492-

140

Op do vicario op St. Jacobsaltaar tG A.bcoude komen wij straks blz. 148 nader terug.

Zooals in § 2 is medegedeeld, was aan den rentmeester of ontvanger der gebeneficieerde goederen bij zijne benoeming en instructie van 1587 (art. 3) opgedragen, om zelf die goederen te administreeren en te beboeren, (VerLoren , blz. 537), in strijd dus met hetgeen vroeger met de pastorie- en vicariegoederen volgens canoniek recht plaats greep voor de reformatie, toen de pastoors en do vicarissen zelf hunne respectieve pastorie- of vicariegoederen beheerden, en zich daaruit onderhielden. (Zie

O \'

onder anderen VerLoren, blz. 106.)

Dit laatste was echter alleen doenlijk, toon er nog afzonderlijke pastorie- en vicariegoederen bestonden, maar verviel, toen de Staten bij art. V vau hot redressement bepaalden, dat alle die goederen tot ééno massa moesten gebracht worden, en daaruit een uniform tractement aan de predikanten zoo ten plattelande als in do steden zou betaald worden. Er moest alzoo een enkel persoon zijn, die het beheer over de massa voerde en daarvan ééne rekening en verantwoording deed aan de Staten, doch om administratieve redenen, de goederen der pastoriën, en die der vicariën, memoriën en beneficiën daarin afzonderlijk boekte en de diverse posten specificeerde, naar gelang van hun oorsprong.

Na 1586, dit vergete men niet, bestonden er dus geene pastorie- en geen vicariegoederen meer, maar alleen cjehenefi-cieerde goederen \'s Lands van Utrecht.

Zooals reeds vroeger gezegd is, gold voor deze gebeneficieerde goederen en de diverse onderdeelen of bestanddeelen derzelve een en hetzelfde recht en wijze van beheer, onverschillig of zij waren gewezen pastoriegoederen, dan wel gewezen vicariegoederen, want het blijkt nergens uit, dat de Staten in 1586 en later op de goederen, afkomstig uit de gewezen doch opgeheven vicariën , eenig ander of minder recht zouden gepretendeerd hebben, dan op die, welke vroeger pastoriegoederen geweest waren en dat het daarbij iets afdeed of de individueele pastorie-of vicarie-

-ocr page 493-

141

goederen al dan niet niet collatioreeht waren bezwaard. Alleen dit onderscheid bestond er tusschen de pastoriën en de vicariën, dat aan de predikanten een vast traetement werd uitbetaald door den rentmeester, onverschillig het bedrag der revenuen, dat de gewezen pastoriegoederen hunner respectieve standplaatsen opleverde, terwijl bij de vicarissen dit bedrag, t. w. de Vs die zij genoten, afhankelijk was van de jaarlijksche opbrengst der goederen li miner vicario (dat is gesupprimeerde vicarie) of de renten van obligatiën, die die goederen representeerden.

Het is eene dwaling als men beweert, dat de vicarissen ook na de Reformatie zeiven liet beheer over die goederen hebben gehad, omdat zij jure canonico en volgens den stichtingsbrief en de confirmatie derzelve door den Bisschop hot beheer moesten hebben. De Staten hebben op die punt in 1586 en eigenlijk reeds in 1580 verandering gebracht, door te bepalen, dat alle de gebeneficieerde goederen, dus ook de onderdeeleu, pastorie-of vicariegoed, door een rentmeester door hen aangesteld zouden geadministreerd worden, waardoor dus de afzonderlijke admini-stratiën der predikanten of der vicarissen kwamen te vervallen. Zij waren bevoegd zulks te bepalen, krachtens de Unie van Utrecht, die hun vrijheid gaf, om met do gewezen geestelijke goederen en bet beheer derzelve geheel naar eigen goedvinden te handelen, zonder zich te behoeven te storen aan het canonieke recht.

Dit gaven de Gedeputeerde Staten van Utrecht bjj resolutie van 25 April 1587 (medegedeeld bij VerLoren, blz. 350) dan ook aan de Kapittelheeren, Choorheeren of Greineene Vicarissen te Montfoort krachtig te kennen, als zij daarin zeggen: „inter-„dicerende de voornoemden (zoo men die noemt) Vicarissen „denzelfden ter Spil in geener maniere af te vorderen de vinalia „of maaltijd .... daar alle die papistische privilegiën en costumen „strijdende tegen het woord Gods, bij ordonnantie van de Staten „voor lang geaboleerd en gecasseerd zijn.quot;

Nieuwe heeren nieuwe wetten. Zoo was het ook hier. De Kerk en de Bisschop hadden uitgediend, alsook het canonieke

-ocr page 494-

142

recht, ten minste voor zoover liet was in strijd met de ordonnantiën en resolutiën der Staten of hunne Gedeputeerden. Het beheer en bestuur over de goederen der diverse vicariën kwam toen rechtens toe aan den rentmeester door de Staten over de ge-beneficieerde goederen gesteld, ofschoon facto sommige collators en hunne possesseurs dit hebben blijven voeren. Dit was echter eene usurpatie, die nochtans door Gedeputeerde Staten door de vingers werd gezien, even als zoo vele andere kwade practijkeu en inkruipselen.

Wat omtrent het beheer en de administratie geldt, geldt evenzeer omtrent den verkoop en belegging der kooppenningou. Er heeft jure nooit verschil bestaan in dit opzicht tusschen de gebeueficieerde goederen, afkomstig uit voormalige pastoriegoederen en die gesproten uit gewezen vicariegoederen, omdat de Staten eigenaars van beide waren. Do Staten, dat is hunne Gedeputeerden, verkochten zoowel de voormalige pastorie- als de gewezen vicariegoederen door het intermediair van hunnen rentmeester der gebeueficieerde goederen. Zij genoten den koopprijs, doordien die zoowel van \'t een als van \'t andere bij hen werd belegd, tegen afgifte eener obligatie of inschrijving op een hunner andere coniptoiren, doch ten name van hun rentmeester van hun comptoir der gebcneficieerde goederen, die ook de renten daarvan ontving en de obligatie onder zich nam. (Zio VeeLoren , blz. 598 (fol. 173)). Voor zooveel het gewezen vicariegoed was en voorzoover dit laatste was juris patronatus, dat is, dat er een possesseur of zoogenaamde vicaris was, sïond de rentmeester aan dezen ziju Vs der inkomsten in de renie af. Ingeval de kooppenningen in hypotheek belegd werden, nam de rentmeester den plichtbrief onder zich. (VeuLokex, blz. 595 (fol. 167) en 596 (fol. 169v)). Op dit verkoopen en beleggen der kooppenningen door de Staten komen wij nader terug in § 11, loopeude over eigendom en verkoop der vicariegoederen.

Niet alleen jure maar ook fado, ging het, zelfs voor de gewezen pastorie- en vicariegoederen ten plattelande, die als geheneficieerde goederen zijn gekomen en gebleven onder admini-

-ocr page 495-

143

stratie van dien i\'Oütmeestev , niet gelicel on al zooais \'t behoorde. Bij onderscheidene vicariegoederen toch vindt men in de rekening van den rentmeester de Leeuw over 1669 reeds vermeldingen van posten, waaruit blijkt, dat toen reeds bij eenige dier gewezen pastorie- of vicariegoederen de administratie gevoerd werd door den possesseur of collator der vicarie van wien de rentmeester het ^ der inkomsten of revenuen ontving.

De Staten stonden nu en dan ook wel, als gunst aan den collator toe, dat hij de goederen zelf mocht administreeren. Als voorbeeld noemen wij op, hetgeen in die zelfde rekening over 1669 vermeld staat, fol. 79quot;, op den post Nederhorst pastory en Vicarye tot Neclerhors!. (VeeLorex , blz. 588.)

Ook bij pastoriogoederen werd nu en dan door de Staten bij uitzondering toegestaan, dat de goederen aan de pastorie of kapel toebchoorende, buiten de administratie van den rentmeester bleven. Zie in die rekening folio 91T Tienhoven Capellanye verbis: „het innekomen van de goederen aen desc Capellanye „behoorende selfs te mogen ontvangen\'\'\' enz. (VekLoren, blz. 589), als ook fol. 78v, luidende: „Alsoo de Gedeputeerdens van de „Ed. Mo. Ileeren Staten \'s Lants van Utrecht op de requeste „bij de Capelmeester tot Bambrugh gepresenteert hebben ver-„staen dat deselve het innekomen van de Capel selver sullen „mogen ontvangen en emplojeeren tot onderhout van de voorsz. „capelle en eenen bequamen schoolmeester breeder vermogens „de memorie van Simon van Blaauwendaels eerste rekening „uitgedruckt te sien is, dient daarom \'t selve in voorgaende „rekeninge en alhier voor memorie dus .... Memorie.quot;

Uit de latere rekeningen van 1770 en volgende jaren (de tusschenliggende zijn niet meer aanwezig) blijkt, dat er toen bij een deel der gewezen vicariën eu wel die, waarbij nog vaste goederen aanwezig waren, de administratie werd gevoerd door een onzijdig persoon of zoogenaamd administrateur, die naar \'t schijnt door den possesseur als gemachtigde was aangesteld en die aan dien possesseur der vicarie zijn Vs en aan den ontvanger der gebeneficieerde goederen het 73 der inkomsten verantwoordde.

-ocr page 496-

144

Het is zeer te betreuren, dat wij van 1586,8 tot 1770 slechts eene enkele rekening, de gemelde over 1669 bezitten, zoodat ouze keunis omtrent den gang der administratie hoogst onvolledig is. In \'t bijzonder is dit zeer belemmerend over liet tijdvak 1588—1669, toeu het nog meer ging volgens de iustructie van den rentmeester van 1587 dan wel later, toen de zaak al meer en meer was gedegenereerd door allerlei inkruipselen, die de Gedeputeerden tolereerden, om dezen of genen voornamen collator of possesseur, dien zij niet aandorsten, te believen of hunne vrienden en bekenden een dienst te doen.

De regel echter was en is ook gebleven, dat de rentmeester of ontvanger dor gcbeneficieerde goederen de inkomsten ontving en daarvan, voor zoover er een possesseur bestond, de 2/3 uitkeerde aan dien vicaris of lateren collator-vicaris. Hij bracht onder zijne ontvangsten slechts in rekening liet \'/\';l of de tertie aan het comptoir competeerende, niet de volle ontvangst, zoodat hij onder de uitgaven geen contrapost behoefde te vermelden van de 2/3 aan don vicaris uitbetaald.

In de rekening over 1770 en de volgende rekeningen vindt men echter eene post van uitbetaling der 2/3 aan den vicaris onder de uitgaven van Allerhande saaken (4e summa) te weten f 66-8-„ betaald aan don toenmaligea possesseur der vicarie op St. Ni colaas-altaar te Abcoude J. R. Meynertzhage (later N. de Graaf). Dit was echter eene uitzondering op den regel eu van exceptioneelen aard, zooals hiervoren blz. 125 reeds is gezegd. (Zie deze post in de rekening over 1798, fol. 26v, VerLoren, blz. 611 en noot 2 aldaar.)

De berekening der ontvangst der revenuen ad \'/s komt natuurlijk alleen dan voor, wanneer het gewezen vicariën goldt, die met patronaat of collatorschap bezwaard waren, met andere woorden, bij welke een possesseur of vicaris was.

Daar waar het collatorschap was vervallen of uitgestorven, en bijgevolg ook geen vicaris meer bestond, of van den aanvang af nooit bestaan had, of waar de vicarie (dat is het collatie-recht) was gemortificeerd, bracht de rentmeester niet \'/3, maar

-ocr page 497-

145

het volle bedrag der inkomsten in zijne rekening in ontvang. Zoo vindt men in de rekening over 1669 en die van 1798, bij VerLoren medegedeeld, onderscheidene vicarien, waarvan de volle opbrengst onder de ontvangsten wordt gebracht. Zie daarover de rekening van 1669, fol. 90, 93\', 116quot;, 155, 159\', (VerLoren, blz. 589, 590, 592 en 593).

Van de goederen, afkomstig van pastoriën, werd natuurlijk altijd de volle opbrengst verantwoord, want er is nergens eenig spoor te vinden , dat daarvan iets werd uitgekeerd aan den collator, die den predikant aan de Staten voordroeg, noch ook dat zoodanige collator na de Reformatie eenig beheer over die goederen gevoerd of gehad heeft. Het gansche en volledige beheer over die goederen en de obligatiën op de provincie afkomstig van die verkochte goederen, is altijd geweest bij en gevoerd door de rentmeesters der gebeneficieerde goederen en na 1798 door den rentmeester-generaal der domeinen van Utrecht.

Overigens ging het met de inning der inkomsten van de gebeneficieerde goederen, ten plattelande gefundeerd, niet altijd precies op dezelfde wijze toe. Er bestond daarin nog al eenige variatie.

In den regel verhuurde de rentmeester de landerijen en verantwoordde de Vs der huurpenningen aan den possesseur der vicarie, maar omgekeerd vindt men ook wel, dat deze laatste (of de collator) verhuurde en dan het Vs aan den rentmeester verantwoordde. Of wel, dat de possesseur een derde van de landerijen der vicarie huurde van den rentmeester en daardoor de vrije beschikking over de geheele huur verkreeg. Overigens verwijzen wij ten dien opzichte naar de uittreksels uit de rekeningen over 1669 en 1798, medegedeeld bij VerLoren, blz. 586 en volgende en 602 en volgende.

Indien de possesseur der vicarie de administratie voerde, stelde hij meestal een gemachtigde aan, die zulks voor hem deed en hem dan de 2/, verantwoordde of wel aan den collator, indien de possesseur, zooals meest het geval was, slechts een

lOü

-ocr page 498-

146

strooman was, die zich bij afzonderlijk contract had verbonden, de vruchten aan den collator uit te keeren.

In \'t algemeen was het de rentmeesters der gebeneficieerde goederen meer te doen om, voor zooveel betreft de goederen en renten behoord hebbende aan gewezen vicariën juris patro-natus, het \'/3 aan \'1UU comptoir competeerende maar te innen, dan wel om te waken, dat de rechten der Staten op die goederen intact bleven; zij waren al zeer content, als zij de tertiën in hunne rekening konden opnemen en verantwoorden.

Hoe en van wien zij die tertiën ontvingen, kon hun weinig verschelen, noch ook of zij behoorlijk op de hoogte van zaken waren en of de vicarie niet reeds uitgestorven was, in welk geval de geheele ontvangst aan het comptoir moest komen, doch niet zelden in plaats daarvan door onbevoegden genoten werd, die den rentmeester maar paaiden, door hem trouw de tertie uit te betalen.

Men moet evenwel tot hunne verschooning zeggen, dat zij niet eigenmachtig konden handelen, doch alleen door het kanaal van Gedeputeerde Staten of van de Directie-kamer, en dat deze de klachten en aanmerkingen, die zij in hunne rekeningen vermeldden , wegens ongeregelden gang van zaken, die correctie en verandering behoefden, maar van zich afschoven en er niets aan deden. Zie 0. a. de rekening over 1669, fol. 11quot;, (VerLoren, blz. 586 en noot), fol. 100, (ibid 590), als ook die van 1798 fol. llr, (VerLoben , blz. 606):

„Over de goederen dezer Cappellanye (van Tienhoven) verscheidene disputen zijnde, die al indenjare 1695 in commissie „gelegd, dog tot nu toe geen rapport daarvan gedaan zijnde,

„komt voor.............Memoriequot;.

fol. 12. Vicarije op Lieve Vrouwe Autaar in de Kerke van JB reukelen.

„De Predikant en Kerkmeesteren hebben al in den jaare 1593 „verklaard dat dit geen vicarye maar een Broederschap is, „wanneer reeds een Memorie is gepresenteerd, zonder dat ooyt „op dezelve is rapport gedaan, dus diend dit voor . Memoriequot;.

-ocr page 499-

147

(Zie VerLoren, blz. 606, doch de noot (2) aldaar moet vervallen, omdat de separate rekening over 1802 doelt op eene vicarie op St. ^wwa-autaar.)

Het was voor Gedeputeerde Staten dikwerf ook zeer moeielijk, dergelijke kwestiën te decideeren en zaken, die reeds vóór de Reformatie duister en in de war waren, weder in orde te brengen.

Bovendien was het met de vele resignatiën, cessiën en ver-koopen van vicariën zulk een geknoei en gescharrel tusschen collator, possesseur, geresigneerde enz., dat er bijna niet uit wijs te worden was, wie eigenlijk de vruchten genoot.

De zaak geraakte alzoo voortdurend meer in de war, en verbeterde er ook niet op toen na 1798 de administratie was gekomen in handen van den rentmeester-generaal der domeinen van het voormalig gewest Utrecht. (Zie VerLoren, blz. 656.)

Wel is waar was toen de administratie der gewezen gebene-ficieerde goederen beperkt tot eenige pastorie-tienden en de 4 gewezen vicariën, waarbij nog vaste goederen aanwezig waren, t. w. te Werkhoven op Beverweerd, — te Westbroek, — op den huize Ruwiel onder Breukelen (zie VerLorex, blz. 221), die door administrateurs en te Breukelen op St. Anna-altaar, welke door den heer Ort heer van Mjenrode werd geadministreerd, voorts nog eene vicarie op St. Jacobs-altaar te Abcoude, waarvan de goederen niet bestonden in landerijen, doch in een zeker kapitaal van f 1500 waarvan de tertie, competeerende aan het comptoir der voormelde gebeneficieerde goederen, bedroeg f 12-10-„ , en nog een ander kapitaal van f 600, dat in de 12 obligatiën ad f 187398-3-, was begrepen. (Zie VerLoren, blz 210.) Landerijen of andere vaste goederen schijnen er bij deze vicarie niet geweest te zijn. Na het overlijden van den possesseur Craeyevanger, werd die vicarie, ingevolge dispositie van den Landdrost van 14 Juli 1810, overgebracht op het kantoor dor domeinen, om aldaar te worden geadministreerd en de geheele ontvangsten tot nader order te worden verantwoord aan de domeinkas.

-ocr page 500-

148

Deze (gewezen) vicarie geeft ons eenigermate den sleutel op de hierboven bladz. 139 aangehouden vraag of er aan de possesseurs der vicariën, waarvan de inkomsten bestonden uit obligatiën op de provincie, t. w. de 12 obligatiën te zamen groot f 187.398-3-„, die in 1799 vernietigd zijn, na dat jaar nog uitbetalingen zijn gedaan uit een of ander rijksfonds of uit inschrijvingen op het Grootboek der nationale schuld, die dan geheel of gedeeltelijk zouden zijn in de plaats gekomen dier vroegere 12 obligatiën of andere obligatiën, op de provincie Utrecht in der tijd gecreëerd, ter vervanging van de opbrengst der verkochte vicariegoederen. Dit punt vereischt echter eene eenigszins omslachtige en historische toelichting.

De vermelding dezer vicarie in de rekening van 1669 (fol. 72 en volgende der Ontvangsten) gaan wij kortheidshalve met stilzwijgen voorbij, doch vangen aan met die van 1770.

Ontvangsten, fol. 24 v. Vicarye op St. Jacobsautaar in de Kerk

van Abcoude, waarvan Collateuren zijn geweest de Heer en van Haarlem en possesseur is Willem Craeyevanger.

„Door den Ontvanger van de Generale middelen zijl „betaald de renten van / 220-1-0 tot /\' 6-1-,, versch. „15 April 1770 .........../ 6-1-,,.

„Nog wegens deze vicarye ontvangen van den ontvanger „van het Oudschildgeld de renten van een derde van/12800 „tegens 2:i/4 percent tot f 25-13-„ verschenen 1 Januarij „1770 ..............f 25-13-„.

„Willem Craeyevanger in plaatse van Johannes Vosch „betaalt de renten van f 1500-„-„ tegens 23/4 pc. voor „haar Ed. Mog. derde portie bedragende ƒ 13-15-,, versch. „12 Januarij 1776 ..........f lB-15-„.

„Door den Ontvanger der Generale middelen zijn betaald „de renten van \'/s in f C00-„-„ tegens 23/,1 pc. vermits de „reductie, tot f 5-10-„ versch. 3 Aug. 1770 . f 5-10-„.

„Nog van denselven de renten van f 250-„-„ tegens

-ocr page 501-

149

„23/4 pc. vermits de reductie, tot f 6-17-, verach. den 27

„Juli 1770 ..............ƒ 6-17-,,

„Nog van denselven ontvangen de renten van ƒ 110-r-„ „tegens 23/4 pc. zijnde een derde portie in ƒ 330, makende „/quot; 3-l-„ verschenen 1 Maart 1770 .....ƒ 3-l-„.

In de rekening over 1798 ontvangsten fol. 10T. luidt het aldus — (Het hoofd precies als boven):

„Do posten van /5-10-„ —/23-6-„ — ƒ 5-„-„ —/6-5-„ „en f 2-15-„ (1) onder de renten als voren (d. i. der „12 nieuwe obligatiën) begrepen zijnde komen voor memorie.

„De heer Willem Craeyevanger (d. i. de possesseur) plagt „te betalen ƒ 12-10-„ voor \'/3 der rente van een kapitaal „van ƒ 1500-„-„ doch dewijl aan Denzelven moet goedgedaan „worden \'/s der renten vin f 600-„-„ tot f 10-„-n, welke „1/3 onder de renten der 12 nieuwe obligatiën begrepen zijn, „word nu alleen in ontvang gebragt de somma van ƒ 2-10-„quot;.

(De vroeger rentepost ad / 13-15-„ door Craeyevanger betaald wordende, was tengevolge van de rentereductie op 2Vj pc. geworden ƒ 12-10-„ waarvan afgetrokken ƒ 10-„-„ die hij moest ontvangen, alzoo overbleef f 2-10-„.)

In de generale rekening van den rentmeester-generaal van Mansvelt over 1799/1800 staat deze post precies even zoo onder de ontvangsten fol. 50 (zie VerLoren, blz. 627), even als ook in de separate domeinrekening van den zelfden over 1802 fol. 23 (VerLoren, blz. 643) en in de volgende separate rekeningen over 1803 en 1804.

In het Manuaal van Ontfang van het Compfoir der Gebenefi-cieerde goederen beginnende met den jaare 1799 (VerLoren, blz. 207) vindt men echter, na de vermelding van den post, zooals die in de rekening van 1798 voorkomt (hierboven vermeld) het volgende:

1

renten intusscheii van 2| waren gereduceerd op pot.

-ocr page 502-

150

„Ontvangen versch. 8 Oct. 1802 verrekend.

\' * 8 „ 1803 „ 8 „ 1804

„De voorschreve vicarye, thans vacerende door het overlijden „van den heer quot;Willem Craeyevanger, is, ingevolge dispositie van „den heer Landdrost in het Departement Utrecht van den 14en „van Hooimaand 1810, overgebracht op het kantoor der Domeinen, „ten einde dezelve aldaar te administreren en de revenuen tot „nader order aan de domaincassa te verantwoorden.

„Nota. Tot welke vicarye behoren de navolgende Effecten, „alsse een capitaal van.... (sic), bestaande in onderscheidene „aandeelen in 4 obligatiën, ten laste van \'t voormalig gewest „Utrecht.

„18jll op deze gedeeltens is, bij aanzuivering, tot deze „1° July 1809 van den Ontvanger-Generaalquot; (van het Domeinfonds?) „Visscher on tv. f 17-2-10.

„Deze Effecten zijn ingeschreven in \'t Grootboek der publieke „schuld, doorlopende schuld 2l/2 pCt., op naam van Mr. Antony „Jan van Mansvelt, Rentm.-Gen. der Nationale Domainen in \'t De-„partement Utrecht, als administrerende de vicarye in de kerk „van Abcoude L. A Deel 3 fol. 100. — L. A. Deel 3 fol. 100. „t. z. / 2350.quot;

Tot beter verstand dezer vrij ingewikkelde zaak zij opgemerkt, dat aan deze vicarie o. a. competeerde een zeker kapitaal van ƒ 1500, „behoorende ami de vicariequot; (uaar \'t schijnt niet begrepen onder de 12 obligatiën ad f 187.398-3-„), rentende in 1770 23/4 pCt. dus f 41-5-„, doch later in 1798 slechts 2l/spCt. dus ƒ 37-10-„. Deze renten ontving de toenmalige vicaris ofposses-seur Craeyevanger, doch verantwoordde het Vj (de tertie), daarvan, vroeger f 13-15-„ , later slechts / 12-10-„ aan den ontvanger der gebeneficieerde goederen.

Bovendien competeerde aan deze vicarie (behalve andere kapitalen belegd op de provincie) ook nog een kapitaal van ƒ 600-„-„ , dat als gezegd wel behoorende onder de 12 obligatiën, waarvan de renten in 1798 ad 2quot;2 pOt. = ƒ 15 niet door Craeyevanger

-ocr page 503-

151

werden ontvangen, maar door den rentmeester, die echter de J/j daarvan ad ƒ 10 aan hem als possesseur uitkeerde.

Waarom nu de renten der ƒ 1500 door Craeyevanger als possesseur werden ontvangen en die van de ƒ 600 door den rentmeester, is niet duidelijk. Misschien lag het daaraan, dat het kapitaal van f 1500 niet behoorde onder de 12 obligatiën, of wel dat dit kapitaal stond ten name van den possesseur der vicarie en het andere ten name van den rentmeester der gebe-neficieerde goederen.

Hoe het zij, het blijkt dat in 1802 tot 1804 er nog eene verrekening plaats greep tusschen de f 12-10-„ en de f 10-„-,, rente, zoodat die toen op de een of andere wijze nog steeds door het Rijk schijnen uitbetaald te zijn geweest. Immers, verrekening van gelden, die niet ontvangen zjjn, zou onzin zijn. Nadat de possesseur Craeyevanger overleden was (wanneer zulks plaats greep is onbekend) en er in zijne plaats geen nieuwe possesseur was benoemd, verviel dus deze verrekening voor \'t vervolg en werd door den Landdrost in het departement Utrecht, bij dispositie van 14 Hooimaand 1810, bepaald, dat deze vicarie zou worden overgebracht op het kantoor der domeinen , ten einde aldaar te worden geadministreerd en dat de revenuen voorloopig en tot nader order zouden worden uitgekeerd aan de domaincassa.

De effecten dezer vicarie, toen bestaande in inschrijvingen op het 21/j pCt. grootboek, werden alsnu gesteld ten name van Mr. A. J. van Mansvelt, in qualiteit als rentmeester-generaal der Nationale Domainen in het Departement Utrecht, als admi-nistreerende do vicarye in de kerk van Abcoude of waren misschien reeds vóór 1810 ten zijnen name gesteld.

De renten tot aanzuivering tot 1 Juli 1809 ad f 17-2-10 werden uitbetaald door den ontvanger-generaal Visscher en zijn op 4 Februari 1811 ontvangen door den re«^wfesfe/-generaal van Mansvelt, die later nog aan renten ontving ƒ 23-19-12 versch. 22 Sept. 1810 en ƒ 9-15-18 versch. 22 Maart 1811.

Hoe deze zaak, die wij slechts kennen uit eene onvolledige

-ocr page 504-

152

kladaanteekening in dat Manuaal voorkomende, eigenlijk in elkander zit, is duister. Ook de vraag rijst: is alleen deze vicarie ten plattelande, waarbij geene vaste goederen waren, overgebracht naar het kantoor der domeinen van het departement Utrecht, toen de possesseur Craeyevanger was overleden, óf gold het besluit van den Landdrost van 14 Juli 1810 ook alle de overige vicariën, die renten moesten beuren van gewezen obligatiën op de provincie, indien de collator ontbrak? Alsook de vraag of er bij de andere vicariën ten plattelande na 1799 nog uitbetaling van renten heeft plaats gegrepen?

Hoe het zij, deze aanteekening in het Manuaal van 1798 is ons erachtens eene vingerwijzing, dat er voor de 12 gecancel-leerde of verbrande obligatiën, toch iets anders is in de plaats gekomen.

Deze onderstelling wordt mede aannemelijk gemaakt, doordien bij de vicariën te Amersfoort (waarover nader in § 5 zal gehandeld worden) in de rekening over 1823/5 ontvangsten voorkomen, wegens renten van inschrijvingen op het 2^^ pCt. grootboek nat. schuld, die blijkbaar afkomstig zijn van kapitalen of obligatiën op de provincie Utrecht vóór 1798 gevestigd , en niet van inschrijvingen van kooppenningen van goederen, die eerst in later tijd verkocht zijn, zooals blijkt uit eene vergelijking van de onderstaande rekeningen.

Rekening van O. Scheltus van de tertiën der vicariën over 1798—1800.

Ontvangsten.

IXe Vicarie (van Snijder St. Nicolaas-altaar.)

„Een obligatie ten last van den lande van Utrecht groot „ ƒ 900 capitaal, komt volgens gemaakt accoord van den 24 Maart ,1690 de tertien in het geheel, dus alhier de 3 jaaren, versch. „den 31 Oct. 1798, 1799 en 1800 a 2«/, pet. . f 67-10-10.

„Item eene obligatie a f 1000 ten laste voorschreven, dan „alzoo dezelve onder \'t capittel van St. Jan te Utrecht berus-„tende is, welke de renten zelfs ontvangen, — geen diend „voor................Memorie.

-ocr page 505-

153

„Een obligatie ten laste van den Lande van Utrecht, ter „somma van f 550 komt de Tertien als voren 3 jaaren, versch.

„den 26 Nov. 1798, 1799 en 1800 ......f 41-5-„

„Nog een obligatie ten laste voorschreven van ƒ 450 a 2 V2 pet. „komt als voren 3 jaaren renten versch. den 14 Junij 1798,

„1799 en 1800.............f 33-15-„

XIVe Vicarie (gefundeerd door Alyd Both op St. Johannes en Andreas, St. Barbara, Catharina, etc. altaar.)

„Tot deze vicarye hebben behoord 12 dammaten lands gelegen „ter Eem welke met approbatie van haar Ed. Mog. zijn verkocht „voor eene obligatie van f 800 ten laste van \'t comptoir van „Utrecht, komt daarvan \'/3 over de jaaren 1798, 1799 en

„iSOO................/ 20-„-„

XXIIIe Vicarie (St. Petrus en St. Paulus altaar) post alia; „Item op \'t Comptoir \'s Lands van Utrecht is beleid eene „obligatie groot in capitaal /\' 1750 waarvoor jaarlijks betaald „wordt voor renten f 43-15-„.

„Comt voor 1 3 voor de jaaren versch. 19 Augustus 1795,

„1796 en 1797 ............f 43-15-„.

XXIV® Vicarie (in de Kapel van de Armen de Poth gefundeerd door Greurt Vlug).

„Het erfje in de Birkt onder den Gerechte van Zoest is „ingevolge Resolutie van de Heeren Regeerders der stad Amers-„foort in dato 7 December 1789 en appointement van de Ed. „Mog. Heeren Gedeputeerden Staten \'s Lands van Utrecht op „den 19 Maart 1790 publicq verkocht aan Goossen Jansen van „den Berg en voor welke geprovenieerde kooppenningen is „aangekocht etme Obligatie in Capitaal/650 staande ten Naame „van Marretje Thoen wed. van Arie IJsseldijk ten laste der „Provincie Utrecht, gedateerd 15 Juny 1692 cn geagreëerd „23 September daaraanvolgende onder aan fol. 229 breeder bij „Rendants le rekening omschreven, rentende voorschreve Obligatie „jaarlijks 21/J pet. en word alhier gebragt 1/3 van dezelve verschenen 16 Juny 1795, 1796 en 1797 ... f 16-5-5.

-ocr page 506-

154

De rekeningen van af 1801 tot en met 1822 zijn niet aanwezig op het stadsarchief te Amersfoort, zoodat niet is na te gaan wat er na 1800 met de renten dier obligatiën is gebeurd en of die betaald zijn en door wie, — doch in de rekening over 1823/5 (als ook in volgende jaren) lezen wij onder de Ontvangsten.

bladz. 12. IXe Vicarie.

„Bewijs van primitive Inschrijving in het grootboek der „Nationale Werkelijke Schuld, rentende 2,/i pet. van eene „kapitale somma van f 700 op den 10ei1 April onder n0. 8559 „la A Deel n0. 385 ingeschreven op de naam van Superinten-„rlenten van de 9e vikary der stad Amersfoort.

„Item van een bewijs als voren uitgestelde schuld van eene „kapitale somma van f 1400, ingeschreven ten name als boven „n0. 7331 la A 2e Deel n0. 362, waarbij afgegeven een kans-killet groot ƒ 1000 n0. 718827 en een groot/400 n0. 797970 „D. E. komt over de jaren verschenen 31 December 1828, 1824

„en 1825 ...............f 52.50.

bladz. 16. XIVe Vicarij.

„Ontvang van de goederen behorende tot de vikary van Sc. „Jan en Andreas Apostelen en St. Barbara en St. Catharina „in de Noordzijde van de Groote kerk gefundeerd bij Alyd Both , „Herman Jans dochter wed6 van Hendrick Both in den Jare „1448 op St. Pontiaans avond.quot;

post alia;

„Bewijs van primitive Inschrijving in het Grootboek van Nat. „W. Schuld rentende 2i pc. van een kapitale som van ƒ300 „op den 10 April 1815 onder n0 8603 la A, Deel 2 n0 394 „ingeschreven ten name van Superintendenten der 14e vicary „der stad Amersfoort.

„Item een bewijs als voren der uitgestelde schuld van een „kapitale somma van ƒ 600 ingeschreven ten name etc. (als „boven) waarbij afgegeven drie kansbilletten elk groot ƒ200 „n0. 797970 ABC, komt over de jare 1823 voor Vj • ƒ7.50. pag. 23. XXIII® vicarie.

-ocr page 507-

155

„Eene primitieve inschrijving in het Grootboek der Nationale „werkelijke schuld, rentende 2,/j pc. van eene kapitale somma „van ƒ 600, op den 10 April 1815 onder n0. 8602 la A, Deel „2 nquot;. 293 ingeschreven ten name van superintendenten van „Schoormans Vicary der stad Amersfoort.quot;

„Item eene inschrijving als voren der Nationale uitgestelde „schuld van eene kapitale somma van ƒ 1200, ingeschreven als „voren onder n0. 7374 la A, Deel 2 n0. 370 ten name als voren; „zijnde hierbij afgegeven een kansbiljet groot f 1000, n0. 718826 „en een dito groot ƒ 200, n0. 797969 E.

„Komt voor \'/s over de jaren verschenen 31 December 1823,

„1824 en 1825 .............f 15.00.

pag. 25. XXrV6 vicarie.

„Eene primitieve inschrijving in het Grootboek der Nationale „Werkelijke Schuld, rentende 2\', pc. van een kapitale somma „van f 200, op den 10 April 1815 onder n0. 8558 la A, Deel „2 n0. 384 ingeschreven ten name van superintendenten van „de 24e vicarie der stad Amersfoort.quot;

„Item eene inschrijving als voren der uitgestelde schuld van „eene kapitale somma van ƒ 400, onder n0. 7330 la A, Deel 2 „n0. 361, ingeschreven ten name als voren, zijnde hierbij afgegeven een kansbiljet groot f 400, no. 797971 A B.

„Komt over de jaren verschenen 31 December 1823, 1824 „en 1825...............f 15.00.quot;

Indien de vicarie-rekeningen te Amersfoort na 1800 nog aanwezig en vindbaar waren, zou men daaruit natuurlijk dadelijk kunnen nagaan of er na de opruiming en vernietiging der meer gemelde vroegere 12 obligatiën op de provincie, nog gelden wegens rente te dier zake zijn uitbetaald en op welke wijzen.

Men moet echter hierbij steeds onder \'t oog houden, dat deze obligatiën op de provincie aan de steden afgegeven \\oor aldaar verkochte vicariegoederen, vermoedelijk andere obligatiën zijn geweest, dan de 12 obligatiën ad /\'187B98-3-„ in 1799 vernietigd.

Verder moeten wij ook nog wijzen op de rekeningen van de rentmeesters der gebenelicieerde goederen tot Wijck (wel te

-ocr page 508-

156

ouderseheiden van de rentmeesters der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht hierboven vermeld), waarin wij ook nog rentebetaling uit dergelijke vroegere obligatiën op de provincie vinden tot in 1808.

In de rekening van J. A. Coll, rentmeester van de gebeneficieerde goederen tot Wijck, loopende van Paesschen 1702 tot 1703 (VerLoren, blz. 268 en volgende) onder de ontvangsten: „Ontfangen op \'t comptoir der generale middelen tot Utrecht „het darde part van de renten van een kapitaal van ƒ 8315-15-6 „geproccdeert uyt do verkochte goederen van Bisschop David „van Bourgondien (dat is der vicariën door hem gefundeerd) ge-plegen aan de Wyckersloot, verschenen den 12 Junij 1702, „beloopende f 130-11-10, doch vermits reductie a 4 pet. maer „ontvangen f 96-19-14, nog bij nader cortinge maer ontvangen „ƒ 90-1-4 en nog bij nader cortinge maer ontvangen f 83-2-„ „en nu nog bij nadere cortinge.......f 69-5-8.-

„Nog ontvangen opt voorz. comptoir het \'/s part van de „renten van twee capitaelen van / 3795-„-„ geprocedeert uyt „de vercogte goederen van Bisschop Davidt, die den vicaris „Dix bezeten heeft verschenen 6 Martii 1703, vermits reductie „is ontfangen ƒ 39-7-8 en nogh bij nader reductie f B3-15-„ „en nog bij nader reductie........ƒ 31-21-8.

„Nogh ontfangen op \'t zelve comptoir het darde part van de „renten van ƒ 400 capitael, geprocedeert uit de vercogte goederen „van de voorz. vicarie verschenen 26 Mey 1703, vermits „reductie enz..............,/ 10-8-8.

„Het comptoir van \'t ander deel van de generale middelen „een darde part van een jaer rente van f 400 capitael, doch „alsoo deze post tot uogh toe niet is uitgevonden, dient „voor................Memorie.

In de latere rekeningen tot 1808 vindt men deze renten (toen nogmaals gereduceerd, tot 21/2) ook nog vermeld, doch in die van 1810 voor memorie uitgetrokken.

In de laatste rekening van dien Wyckschen rentmeester der gebeneficieerde goederen over 1819, evenals ook reeds in

-ocr page 509-

157

vroegere treft men onder de ontvangsten aan „een jaar rente „van / 2200 2,/2 pet. Groot Nat. schuld . ... f 55-t-„

Of nu deze post representeert de vroegere kapitalen op de provincie, die later ten gevolge der tierceering onder bet Franscl; bestuur zoo zeer verminderd zijn, dan wel of die uit latere geldbeleggingen, verkoopingen of iets anders zijn voortgesproten , durven wij niet beslissen.

Daartegenover staat echter dat van de vicarie gefundeerd in de St. Jacobskerk te Utrecht, waarvan eene obligatie groot /\' 600 op het kantoor van het eene deel der generale middelen was verbonden, de renten in deze eeuw niet meer zijn uitbetaald (VerLoren, blz. 235), zooals in § 4 nader zal uiteengezet worden.

Op het Departement van Financiën te \'s Hage zal men echter deze zaak waarschijnlijk wel weten en kunnen ophelderen, als ook uit welke bestanddeelen tijdens de regeering van Koning Lode wijk Napoleon het grootboek der nationale schuld was samengesteld en in welk verband het stond met vroegere obligatiën op voormalige provinciën.

Uit de bijlage X behoorende tot dit rapport zou men kunnen afleiden, dat er in Februari 1810 nog uitbetalingen van renten of andere inkomsten aan possesseurs zijn gedaan van rijkswege.

Indien men aanteekeningen had van een der possesseuren van eene vicarie ten plattelande of wel in een der steden gefundeerd, waaraan obligatiën op de provincie behoorden, die liepen tot na 1800, dan zou men daaruit kunnen zien of die possesseur, collator-possesseur of zijn administrateur toen en later nog renten heeft ontvangen te dier zake.

Zoodanige aanteekeningen hebben wij echter niet kunnen opsporen of machtig worden, behalve alleen die betrekkelijk de vicarie van Westhroel-, zooals hierboven reeds met een woord is vermeld en uitvoerig is beschreven bij YerLoren, blz. 650 en volgende. Mr. W. Gr. van Nes, die administrateur dier vicarie was van 1766 tot 1801, en ook nog na zijn overlijden bleef door administreeren tot 1804 (VerLorex, blz. 656), heeft

-ocr page 510-

158

steeds de renten van drie obligatiën op de provincie, ten kantore van het Eene deel der Generale middelen \'s Lands van Utrecht, te zamen jaarlijks bedragende f 30-5-„ verantwoord aan den rentmeester der gebeneficieerde goederen en later aan den rent-meester-generaal der domeinen Mr. van Mansvelt, wel te verstaan de tertie van dien. (Zie deze vicarie in de rekening over 1798, fol. 11quot;. VerLoren, biz. 606.)

Hieruit zou men dus kunnen afleiden, dat de renten ook na 1799 zijn betaald, docli Mr. van Nes zegt zelf in 1781 en 1783 (toen hij dus nog in leven was), dat hij die nooit heeft ontvangen , doch die ter berekening en voldoening van de tertie er uit zijn zak bijlag, en dat hij de obligatiën ook nooit in zijn bezit gehad heeft. (VerLoren, blz. 655.)

Zijn opvolger, administrateur Mr. J. C. Pronckert (van wien niemand weet, hoe hij administrateur is geworden), was echter minder royaal cn verantwoordde alleen hot t/3 van de landpacht en de erfpacht zonder de renten van obligatiën. Waar de overige J/3 der revenuen blijven is niet te zeggen, maar wel te raden.

Dit brengt ons dus niets verder tot oplossing der vraag, of er renten door den Staat zijn uitbetaald na 1799.

In \'t voorbijgaan merken wij op, dat deze vicarie op nieuw bewijst, hoe slordig het ook reeds voor 1798 met de administratie der gebeneficieerde goederen toeging en de rentmeester volstrekt niet naging of de possesseur of wel de collator-posses-seur nog bestond en bijgevolg nog een gemachtigde of administrateur kon hebben.

Immers als de vicarie was uitgestorven, dan moest het comptoir niet slechts het l/3 maar de volle inkomsten genieten.

Hoe was nu van Nes administrateur geworden of liever gebleven? Hij zelf zegt; de administratie van dese vicarye is mij vaan de hand blijven hangen sonder dat de Heer Camminga sig „verder daarmede bemoeyt heeftquot;. Zijn quasi-opvolger Mr. Pronckert had in het geheel geen mandaat, doch was een indringer, die zich zelf had opgeworpen en aangesteld als administrateur of negotioruin gestor. Indien de rentmeester-generaal zijn plicht had

-ocr page 511-

159

gedaan, zou hij hebben moeten rapporteeren, dat deze vicarie was uitgestorven en dus de geheele revenuen der goederen, alsook de administratie over dezelve, alsnu aan den Lande was vervallen. Maar men wist destijds reeds niet meer hoe Let eigenlijk met de vieariën en de gebeneficieerde goederen zat, men schoof het zich daarom van de hand en liet alles maar passeeren, ten einde er geen last en moeite van te hebben.

Ten slotte nog een enkel woord over de toestand van dit fonds tijdens de opheffing in 1799. Zooals wij reeds zagen, was dit fonds of comptoir, ofschoon aanvankelijk en rechtens omvattende alle pastorie- en vicariegoederen, facto beperkt tot die gefundeerd ten plattelande, daar de steden de administratie der goederen op haar territoir gelegen niet hebben willen afstaan.

Van deze pastorie- en vicariegoederen worden er in den ge-melden Inventaris van de gheestelijcken goederen in den Steden ende ten platte Lande van Utrecht van 1583 (?), in de rekening van F. van Weede over 1586/8 en in die van D. de Leeuw over 1669 de volgende vermeld, gelegen in het Overkwartier, Eemland en het Nedcrkwartier, als volgt;

(De gecursiveerde zijn dorpen alwaar behalve pastorie- ook vicarie- of cappellariegoederen bestonden.)

Abcoude (4 vic.), Amerongen, Ankeveen, Baamhrug (1 cap.), later tot pastoriegoed gemaakt, Baarn (l vic.), BI au cap el (1 cap.), Br enkelen (6 vic.), Bunnik, Bunschoten (3 vie.). Came rik (1 vic.), Cockengen (1 vic.), Cortenhoef, Cothen, Cuydelstaart, Darthuyzen (1 vie.). Doorn (1 vic.), Driebergen d vic.), Dwarsdijk (1 vic.), Eembrugge, Eemnes binnen, Eemnes huiten (1 vic.), \'t Gooi, Hagestein, Honswijk, Houten, Isselt (1 cap.), Jutphaas (l vic.), Langerak en Willigen Langerak over Leek, Leersum, Leusden, Linschoten (1 vic.), Loenen, Looidersloot (1 vic.), Lopik, Lopik-capel, Maarssen (1 vic.), Meern (1 cap.), Mijdrecht, 2sederlangbroek (1 vic.), Nederhorst (1 vic.), Mchtevecht, Odijk, Over-langbroek. Schalkwijk (2 vic.), Segvelt, Soest, Ïer-Aa, Thamen, Tienhoven (1 cap.), Tuil in \'t Waal, Vinkeveen, Vleuten (1 vic), Vreeland (1 vic.), Vreeswijk, Werkhoven (2 vic.). Westbroek

-ocr page 512-

160

(1 vie.), Wilnis en Oudhuizen, Woudenberg (1 vie.), Zeist (1 vie.), Zuilen (1 eap).

Bovendien betaalde de Duitsehe orde, dat is haar commandeur van Harmeien, aan den rentmeester der gebeneficieerde goederen jaarlijks f 300, verschuldigd aan de pastorie aldaar (die geene pastoriegoederen bezat), waarschijnlijk voor de pastoriegoederen, die reeds van vroeger tijd af onder beheer van dien commandeur waren gekomen. Deze / 300 is de commandeur ook na 1768 blijven betalen (zie VerLoren, blz. 628 en 644), als ook van de prebenden claustraal van het gewezen kapittel Ter Horst (bij Rliencn), die niet tot pastorie-of vicariegoed behoorden, maar als zoogenaamde Beneficiën mede onder de gebeneficieerde goederen waren gekomen en in 1804 en later nog aan den rentmeester-generaal der domeinen werd uitbetaald.

In 1798 vindt men in de rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen Loten over dat jaar vermeld:

Pastoriën...........51

. 38 . 5

Vicariën . Capellaniën

Van deze 38 vicariën waren er 17 waarvan de goederen onbekend waren of vervreemd, zonder wederbelegging, 17 waarvan de vaste goederen waren verkocht en geconverteerd in obligatiën op de provincie en 4 waarvan nog landerijen of erfpachten aanwezig waren, te weten Werkhoven (Beverweerd), Westbroek, Breukelen (St. Anna-altaar) en Br enkelen (Ru wiel).

Van de 5 capellaniën waren te Blaauwcapel en Tienhoven geen goederen bekend en van die te Isselt, Meern en Zuilen bestonden de inkomsten in renten van obligatiën op de provincie.

Van deze 42 vicariën of capellaniën vindt men daarin slechts drie, waarvan de collator en de possesseur vermeld wordt reukelen, huize Ruwiel, Werkhoven, huize Beverweerd en Westbroek), van de overigen alleen de collator of alleen de possesseur en van een niet onbeduidend aantal geen van beiden. Wat er geworden is van de 4 gemelde vicariën en de posses-

-ocr page 513-

161

seurs derzelven, waaraan in 1798 nog goederen verbonden waren, hebben wij reeds gezien.

Maar wat is er geworden van de possesseurs der plattelands-vicariën, waarvan de goederen bestonden in inschrijvingen of obligatiën op de provincie Utrecht en die hunne % trokken uit de renten dier 12 obligatiën ten name van den rentmeester der gebeneficieerde goederen?

Die obligatiën zijn in 1799 vernietigd en de rentmeester is naar huis gezonden, terwijl zijn opvolger de rentmeester-generaal der domeinen nooit iets aan hen voor rente hunner J/3 heeft uitbetaald, behalve aan den possesseur N. de Graaf bij exceptie. quot;Waar moesten zij hun geld beuren? Of hebben zij na 1798 niets meer ontvangen?

Op deze vragen kunnen wij geen antwoord geven.

Het eenige wat nog eenig licht ten deze kan geven is, hetgeen in het meergemelde Manuaal der geestelijke goederen na 1799 en de nota staat aangeteekend over de vicarie St. Jacobs autaar te Abcoude, waarover hierboven blz. 154 reeds is gehandeld,

Hoe en wanneer de uitbetaling der renten aan de possesseurs van vicariën ten plattelande (behalve de Graaf) is gestaakt, als ook de begeving dier vicariën, hebben wij ondanks alle aangewende moeite niet kunnen uitvorschen. Men meent dat in \'t begin dezer eeuw de toen nog aanwezige possesseurs gedurende hun leven nog rentebetaling zouden hebben bekomen of wel zijn uitgekocht door de regeering, doch voor de juistheid dier meening durven wij niet in te staan. Alle tijdgenooten, die ten deze eenig naricht zouden kunnen geven, zijn overleden. Dit alleen meen ik stellig te kunnen zeggen, dat de notaris de Graaf, overleden in 1871, de laatst overgebleven possesseur was, dien nog gelden van rijkswege zijn uitbetaald, en dat ook aan hem meermalen van rijkswege propositiën zijn gedaan, om zich naar gelang van zijn leeftijd te laten uitkoopen, waarin hij echter niet wilde treden, zoodat er thans niemand meer is die ter zake der gewezen vicariën, ten plattelande gefundeerd, iets trekt van het

llü

-ocr page 514-

162

rijk of van anderen en dat er ook niemand is, die beweert, daarop nog recht te hebben of pretontiën te kunnen maken. Over de begevingen en latere uitbetalingen der vicariën ia de steden zal hierna in § § 4—9 gehandeld worden.

Hiermede is nu ten einde hetgeen wij omtrent de wijze van administratie, het beheer en de opheffing en de liquidatie van het fonds der Gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, zooals het primitief was en later is gesmaldeeld en gereduceerd tot de gebeneficieerde goederen bloot ten plattelande gefundeerd, als algemeene gang van zaken in grove trekken bobben vermeend te moeten mededeelen.

Men zal echter de diverse stukken en resolutiën van Gedeputeerde Staten nauwkeurig nagaande, allerlei afwijkingen vinden , die de Gedeputeerden zich veroorloofden op den algemeenen regel en zelfs op het redressement en de instructie van den rentmeester der gebeneficieerde goederen na 1587, zooals b. v. vrijstelling van de betaling der tertie voor vicariën, waarvan de stadhouder of de heer van Nederhorst de collatie had (YerLoren, blz. 587 fol. 75 en blz. 588 fol. 80); vrijstelling om de opbrengst van verkocht vicariegoed weder te beleggen (ibid. blz. 583), ja zelfs opheffing van de vicarie, dat is van het collatierecht ten pleiziere van particulieren (ibid. blz. 588 fol. 80l\', blz. 590 fol. 100, blz. 600 en 479) en meer dergelijke onregelmatigheden en willekeurige handelingen, die echter den algemeenen regel en usantie niet wegnemen, veel minder konden opheffen, hetgeen bij het redressement en latere resolutiën en ordonnantiën dar Staten wettig was bepaald en gedecreteerd. Alleen valt daaruit af te leiden, dat de Gedeputeerden zich niet veel stoorden aan die verordeningen of wel dat het nepotisme en egoïsme dier tijden hun te machtig werd, om daaraan voortdurend en altijd het hoofd te kunnen bieden.

Men moet hierbij ook niet vergeten, dat de Staten krachtens art. 13 der Unie van Utrecht met de gebeneficieerde goederen en de daartoe beboerende gewezen pastorie- en vicariegoederen,

-ocr page 515-

163

als zijnde (gewezen) geestelijke goederen , die hun nu als eigenaars toebehoorden, konden leven zooals zij goedvonden en dat de bepalingen, die zij zeiven zich gesteld hadden, niet bij wege van contract en verbindtenis maar enkel uit een oogpunt van billijkheid en betamelijkheid, ook telkens als zij dit noodig of oorbaar vonden, zoo in genere als in specie, door hen of hunne gedeputeerden, namens hen konden buiten werking gelaten worden.

Een en ander in de geheele gang van zaken toont ons erachtens ten duidelijkste aan, dat ook dit fonds of comptoir der gebene-ficieerde goederen, evenals de overige comptoiren der voormalige geestelijke goederen, reeds vóór dat het in 1799 met het algemeen domeinfonds der Bataafsche Republiek werd saamgesmolten, nooit is geweest of beschouwd als eene zelfstandige instelling of zoogenaamde stichting, doch als een rijksfonds, toebehoorende aan de Staten \'s Lands van Utrecht als souverein, waaraan deze eene bepaalde destinatie hadden gegeven, voor zoolang en zooveel als hun zulks goeddacht.

Hiermede is nu het fonds of Comptoir der geheneficieerde goederen, voor zooveel betreft de goederen afkomstig van voormalige pastoriën, vicariën, capellaniën, memoriën en andere dergelijke beneficiën, alsook van kosteriën, scholasteriën en broederschappen , gelegen ten plattelande, afgehandeld.

De slotsom voor dit rapport is, dat er daarvan niets meer over is, doch dat het Rijk reeds alles heeft genoten wat er van over was.

Tot dit comptoir der geheneficieerde goederen behoorden, als gezegd, ook diezelfde goederen, gefundeerd in de steden, doch waarvan de administratie en het beheer door de Staten, na lange twisten, eindelijk aan de respectieve regeeringen dier steden was gelaten en later (in 1799) is blijven hangen, zoodat zij ten slotte zich veelal, edoch ten onrechte, als eigenaars zijn gaan beschouwen.

quot;Wij zullen nu achtereenvolgens nagaan, wat er in ieder dezer steden geworden is van de geheneficieerde goederen, aldaar gefundeerd.

-ocr page 516-

§ 4.

Gebeneficieerde goederen (vicariën) te Utrecht.

Zooals reeds in de inleiding betoogd is, bestonden er na 1586 ook in de steden rechtens geene vicariën meer, maar alleen gebeneficieerde goederen, waaronder ook de gewezen vicariën en vicariegoederen behoorden, die men echter bij verkorting en als onderdeel in den waudel nog steeds vicariën en vicariegoederen bleef noemen. Evenals men b. v. in 1799 en later nog steeds van den commandeur van Harmeien bleef spreken (VerLore»\', blz. 628 en 644), ofschoon die commandeury der Orde van St. Jan sedert een paar eeuwen reeds was opgeheven met do Orde zelve en er nog slechts goederen bestonden behoord hebbende aan dezelve.

De bedoeling van art. 5 van het Redressement was kennelijk, dat alle vicariën, ook in de steden gefundeerd, daaronder zouden vallen. De reserve, die de steden daarbij maakten voor de geestelijke goederen, daaronder begrepen de vicariegoederen in hunne respectieve steden gelegen, werd niet aangenomen, zooals wij zagen, want de meerderheid der Staten verlangde, dat zij als minderheid zich daaraan zouden onderwerpen, hetgeen de steden echter facto niet deden.

Er bestond dan ook voor de steden eene bijzondere reden ten aanzien der vicariegoederen, waarom zij met dio unificatie der goederen en inkomsten in de geheele provincie en de vaste tractementen der predikanten weinig instemden. De steden toch waren rijk bedeeld met vicariën, beneficiën en broederschappen, doch het platteland slechts spaarzaam, zoodat de steden er altijd

-ocr page 517-

165

bij moesten verliezen, indien alles tot ééne massa werd gemaakt. Het was voor haar dus wenschelijker, dat iedere stad hare eigen predikanten betaalde uit de pastorie- en vicariegoederen aldaar gefundeerd en verder uit de overige geestelijke goederen in die stad gelegen. De meerderheid in de Staten (geestelijkheid en ridderschap) dreven echter hun zin door en hun rentmeester der gebeneficieerde goederen Floris van Weede werd dus ook naar Utrecht gezonden, om aldaar de vicariegoederen te gaan inventariseeren en de tertiën te heffen van af 1580. (VerLuren, blz. 329.)

Het is bevreemdend, dat terwijl art. 5 van het redressement goederen der vicariën in de kapittelkerken te Utrecht gefundeerd bepaald uitzondert, echter uit do le rekening van Floris van Weede over 1586/8 blijkt, dat hij de vicariën in de kapittelkerken gefundeerd mede op zijne rekening bracht en wel zooals die door de secretarissen der respectieve kapittelen waren aan-gebracht, dat is aangegeven. De kapittelen zeiven beschouwden dus, dat ook hunne vicariën daaronder vielen, wat meer is, het is een feit, dat van Weede daarvan zelfs eenige tertiën in 1588 heeft geïnd en wel van eigenlijk gezegde kapittel-vicariën, die aan het kapittel stonden en door den Turnarius, die aan de beurt van begeving was, begeven werden, dat is de zoogenaamde yemeene vicariën van het kapittel. Van Johan de Castroe, als possesseur der vicarie van St. Nicolaas, gefundeerd in de Oudmunster of St. Salvator, beurde hij / 40 ter goeder rekening op de halve vruchten (VerLorex, blz. 224) en van de Ziel-provens praebendae animarum, in de kapittelkerk van St. Jan gefundeerd, staande ad presentationem Turnarii „van den Heer „Adriaen van Oerschoten voorsz. als possesseur van een der „voorsz. zielprovens ter goeder reeckening \'t gene hij gehouden „was te responderen uytte vruchten der voorsz. vicarye ofte „zielproven, volgende de resolutie van mijn E. heeren de , Staten...............ƒ 10-15-,

„Ende alsoo de goederen behoorende aen de respective vicaryen „van St. Jans voorsz. eerst aangebrocht syn in Augusto 1588, „als blijekt bij do date van de aenbrenginge hier vertoont, soo

-ocr page 518-

166

„en heeft desen Rendant (te quot;weten van Weede) daervan niet „ontvangen dan \'t geene, volgende de resolutie bij mijn E. heeren „de Staten daerop gemaeckt, t\'ontfangen stond boven \'t geene „partije hadden betaelt aen handen Francisei Rody vorige ontvanger als voorsz. ende zulcx hiervooren in ontfanck gebracht „ende uytgetogen staet.quot; (VeeLoren, blz. 227.)

Men zou hieruit dus afleiden, dat destijds ook de eigenlijk gezegde en gemeene kapittel-vicariën, dat is die waren juris ecclesiastici en aan het kapittel behoorden, mede werden geacht te vallen onder art. 5 van het redressement, (even goed als die aldaar gefundeerd, welke waren patronatus laïcalis) en dat daarvan in ISSS\'S zelfs enkele posten zijn betaald. Tegenover deze gemeene vicariën, begeven wordende door den Turnarius, stonden de simpele of separate vicariën in kapittelkerken gefundeerd , staande ter presentatie van den patronus laïcalis, zooals de vicariën Jacobi et Augustini en die van St. Anthonii in de kapittelkerk van St. Jan te Utrecht „niets gemeens hebbende „met \'t capittel, als daeromme niet participerende inde presentie „ende van syne eyge patrimoniale goederen gedoteerd, als die „fundatie medebrengt.quot; (VerLoren, blz. 225.) Uit de verdere opgaven in die rekening voorkomende en vermeld (VerLoren. blz. 223—228) blijkt, dat niet alleen vicariën, maar ook beneficiën geacht werden daaronder te vallen, „alleenlyck „gefundeert tot behulp van daerop een klerck ter schooien te „houden sonder dienst.quot; (VerLoren, blz. 228.)

Hoe het zij de Staten begrepen destijds, dat ook de gemeene vicariën en beneficiën in de 5 kapittelkerken te Utrecht gefundeerd, waarvan de goederen door het kapittel zelf beheerd werden, mede moesten contribueeren op de eene of andere wijze, tot onderhoud der predikanten.

De Staten lieten dus deze kapittel-vicariën niet geheel en al los, hoewel daarvan geene tertiën geheven werden, maar eene som in eens, die mede was begrepen in de contributie, die de gezamenlijke kapittelen te Utrecht tot onderhoud der predikanten en scholen aldaar moesten leveren — en wel „uyt do benefi-

-ocr page 519-

167

„ciëa, prebenden en vicaryen aldaer (dat is in de kapittelkerken) „gefundeert ofte behorendequot;. — Het bedrag daarvan weri bij resolutie der Staten van 23 April 1656 (YerLorex, blz. 551) bepaald in eens af op eene som van ƒ 6000, ingang nemetde ] Januarij 1656 en te voldoen aan de regeering te Utrecht, die de predikanten en scholen aldaar bekostigde. Daarentegen werd bij diezelfde resolutie bepaald, dat van de vicariën in de parochiekerken te Utrecht gefundeerd, niet eene som in eens zou bijgedragen worden, maar dat ieder possesseur van eene vicarie \'/j deel of de zoogenaamde tertie uit de inkomsten zijner vicarie moest missen en betalen aan de stad tot hetzelfde doeleinde.

In die resolutie wordt dus voor Utrecht eene bepaalde tegenstelling gemaakt tusschen de kapittel- en parochievicariën, die voor Amersfoort en Rhenen niet gemaakt wordt, bij de omstreeks dienzelfden tijd genomen resolutiën der Staten van 12 April 1660 en 15 Augustus 1666 (VerLorex, blz. 551 en 552 en Bijl. VII van dit rapport, alsook Utr. Placb. II, blz. 451) voor Amersfoort en 5 Juli 1670 voor Rhenen (Utr. Placb. II, blz. 451), waarbij eenvoudig wordt gesproken „van alle de vicaryen „binnen voorsz. stad gefundeertquot;.

Het beheer en de administratie dor goederen, behoorende tot de gemeene vicariën der kapittelkerken, werd gevoerd door het kapittel zelf, en wel door een cameraar voor de vicariën, uit hun midden gekozen, gelijk dan ook op de rekeningen der respectieve kapittelen eene afzonderlijke rubriek voorkwam, bestemd voor do vicariën. (Zie VerLorex, blz. 156 en 306 noot.) Het schijnt dus dat de possesseurs dier vicariën niet zelve die goederen beheerden, doch de cameraar zulks deed en hun daarvan een zeker bedrag uitkeerde, dat voor elke vicarie afzonderlijk als vast bedrag per jaar was bepaald (zie VerLorex, blz. 158), ofschoon daarop ook uitzonderingen schijnen te hebben bestaan. (1)

(1) Zie de rekening van Floris van Weede, fol. 250 v. (VerLoren, blz. 230 en fol. 259) (VerLoren, blz. 228) en de notariëele procuratie gepasseerd 27 Juni 1617. O. S. door W. van Portengen voor den Notaris N\'. van Lostadt. Bijl. VI.)

-ocr page 520-

168

De vicariën en kapittelkerken waren dus vrij van de tertiën, doch het kapittel indemniseerde zich op de possesseurs voor gemelde vrijstelling der tertiën, als begrepen in de f 6000 bovenvermeld, door de vicarissen zekere quota aan het kapittel daarvoor te laten betalen. (Zie VerLorex, blz. 157.)

De goederen en kapitalen behoorende tot deze kapittel-vicariën en beneficiën zijn dus gebleven onder beheer en administratie der kapittelen en vermengd onder die overige bezittingen. In hoever nu het bovenstaande ook betrekking heeft op de vicariën juris laïcalis, durf ik niet beslissen.

Wel is waar zou men van de reeds gemelde vicarie van St. Jacob en St. Augustinus (VerLoren, blz. 225) moeten veronderstellen, dat die niet onder de administratie der kanunniken was als niets gemeen hebbende met H kapittel, doch het is mogelijk dat die was in exceptioneelen toestand, zooals men herhaaldelijk in de materie van vicariën allerlei abberratiën aantreft; bovendien wordt er gezegd, dat de fundatiebrieven zulks medebrachten.

Hoe het zij: hebben de kapitalen en goederen tot die zoogenaamde familie-vicariën en kapittelkerken gefundeerd, mede deel uitgemaakt van de goederen en bezittingen van het kapittel der kerk, dan zijn zij met de overige goederen en kapitalen van het kapittel volgens het Keizerlijk besluit van 21 Febr. 1811 in de schatkist van het Keizerrijk gevloeid. Behoorden zij er niet toe, dan hebben zij het lot gedeeld der overige (gewezen) vicariegoederen in andere kerken of kloosters te Utrecht gefundeerd, t. w. dat niemand weet waar ze gebleven zijn.

Omtrent de verdere details van de 97 vicariën in de 5 kapittelkerken te Utrecht gefundeerd, vermeld in de rekening van Floris van Weede (die er nog verscheidene overgeslagen heeft), verwijs ik naar hetgeen daarover is te vinden bij VerLorsn, blz. 223 en volgende en naar het rapport van Mr. de Geer.

Over den invloed van het regeeringsreglement in de provincie Utrecht van 16 April 1674 op de benoeming der possesseurs van de kapittelvicariën te Utrecht is bereids hierboven in § 2 in fine gehandeld en betoogd, dat het alleen betrof het collatie-

-ocr page 521-

169

recht van de proosten en dekens dier kapittelen, doch niet de goederen en het beheer der kapittelgoederen. (Zie verder hierover VerLoren, blz. 147 en volg.)

Thans overgaande tot de 48 vicariën in de 4 parochiekerken te Utrecht gefundeerd, en de 10 in gasthuiskerken en kapellen aldaar, in gemelde rekening opgenoemd (VerLoren, blz. 229), merken wij al dadelijk op, dat de vermelding der goederen zeer spaarzamelijk is, omdat, zooals hij fol. 271 mededeelt, de goederen meestendeels niet waren aangebracht, weshalve hij de Edele Heeren (gedeputeerden) verzoekt daarop order te stellen Hij ontving daarvan dan ook geen enkele penning voor de tertiën, evenmin als van de broederschappen te Utrecht, wier goederen volgens art. 5 van het Redressement mede vielen in de massa, doch in 1770 (?) door de regeering der stad zonder vorm van proces eenvoudig zijn geannexeerd.

Van pastoriegoederen vindt men daarin niets, zoodat deze te Utrecht niet schijnen bestaan te hebben.

Hoe het hem later gegaan is met het ontvangen der tertiën te Utrecht en of de Gedeputeerde Staten er iets aan gedaan hebben, om order op de zaak te stellen, weten wij niet, daar zijne 2« en volgende rekeningen helaas voor scheurpapier zijn verkocht in 1816. Het is en blijft alzoo onzeker of er na de Eeformatie ooit tertiën zijn betaald aan het fonds of comptoir der gebene-ficieerde goederen \'s Lands van Utrecht. Daarentegen schijnt de stad Utrecht in den aanvang de tertiën zelve en voor zich te hebben geheven, blijkens resolutie van 19 Nov. 1582, vermeld in het Raadsdagelijksch boek (N-0. 1), op het stadsarchief aanwezig, waarin men leest „Upt versoekquot;.....etc. (Zie Bijl. V

van dit rapport.)

Zooals reeds in de inleiding gezegd is, de regeering van Utrecht had zich reeds in 1578 de geestelijke goederen aangetrokken en daarover bepalingen gemaakt (zie VerLoren, blz. 556), in \'t bijzonder ook over de vicariën en memoriën, alsook over de broederschappen en ging daarmede voort ook na 1580 tn 1586, zonder zich te storen aan het Redressement.

-ocr page 522-

170

Men vindt doze resolutiën bij Mr. VerLoren, biz. 556—561 en eenige andere en latere in Bijl. V, behoorende bij dit rapport.

De regeering van Utrecht maakte zich in later tjjd bijzonder druk met jacht te maken op uitgestorven, verzwegen en verduisterde vicariën (zie de resolutiën van 23 Dec. 1583, 22 September 1634, 14 November 1636 en 28 Juny 1669 bij VerLoren, blz. 558 en v.), en vermeende, dat daarvan het collatierecht alsdan aan haar was vervallen, (altijd echter behoudens agreatie van den door haar benoemden possesseur door de Gedeputeerde Staten).

De feitelijke tegenstand der regeering te Utrecht, even als ook in de overige steden tegen de bepaling van het art. 5 van het Eedressement is steeds blijven voortduren, niettegenstaande de Staten hun recht op de administratie der vicariegoederen en de inning der tertiën door hunnen rentmeester der gebenefici-eerde goederen niet wilden opgeven, evenmin als hun eigendomsrecht op dezelven en de benoeming der vicarissen op voordracht der collators.

Ten slotte echter is het te Utrecht tusschen hen en de stad (evenals ten aanzien der overige geestelijke goederen aldaar), tot een compromis of modus vivendi gekomen, waarbij de Staten de stad Utrecht machtigden, om zelve de tertiën der vicariën in de parochiekerken aldaar gefundeerd te mogen innen „tot uytvindinge van welke bij haer Ed. Mog. behoorlijke „order gesteld zal worden,quot; — mits dat de stad dan ook zelve hare predikanten en scholen zouden onderhouden, zoodat het fonds der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht daarmede niet belast bleef. (Resolutie van 23 April 1656, bij VerLoren, blz. 550.)

Deze regeling werd later geamplieerd bij publicatie van 5 December 1661 en gerenoveerd bij publicatie van 15 Augustus 1666 (JJtr, Placb. II, blz. 451), waarbij alle possesseurs van vicariën binnen Utrecht werden gelast, hunne vicariën en de goederen daartoe behoorende binnen 3 maanden aan te brengen ter secretarie der stad, „op poene van te vervallen van hare

-ocr page 523-

171

„respective viearyen, ende dat deselve aanstonts door onse „Gedeputeerden (dus niet door de stedelijke regering) op een „ander gequalificeert (1) persoon, onder de voorsz. belastinge „van de Tertiën, sullen worden geconfereerd, authoriserende „den Thesaurier der selver stad, naar \'t exempel van den „Rentmeester der gebeneficieerde goederen, het voorsz. derden „deel, \'t sedert den jare 1656 de factoquot; (dus niet jure) t\'ont-„fangen, ende desnoods daartoe t\'employeren \'t behulp van „Hare Ed. Mog. suppoosten, die daartoe sonder verder versoek „hier mede worden gelast.quot;

Men ziet uit den inhoud, dat de Staten geheel bij hun stelsel bleven, dat de vicariegoederen aan hen en aan niemand anders toebehoorden, dat zij de begeving daarvan hadden en behielden en niemand dan zij of hun rentmeester der gebeneficieerde goederen de tertiën rechtens konden heffen, of wel zij, die tot die heffing van hunnentwege speciaal waren gevolmachtigd en daartoe zoo nocdig de hulp van hunne suppoosten (panders) konden gebruiken.

Men zou denken, dat nu er door de Staten eindelijk order was gesteld op het ontvangen en innen der tertiën te Utrecht, de post in de 27ste summa van ontvangsten in de Thesausiers-rekening aldaar. Ontvangst van Vicaryen, luidende: „De Ed. „Mog. Heeren Staten \'s Lands van Utrecht hebben den 23 April „1656 tot subsidie van \'t onderhout van de Predicanten en „scholen alhier, boven de 6000 gulden hiervoren geroert „jaarlyks uit de Capittelen, de Stadt toegestaen de tertiën van „de vicaryen in de parochiekerken gefundeerd,quot; niet meer voor Memorie zou worden uitgetrokken in de Thesauriers-rekeningen , doch daarvoor alsnu een bedrag als geïnd en ontvangen zou voorkomen. Doch niet alzoo. Het luidt ook na de publicatie der Staten van 5 December 1661 nog altijd — „dan, want

(1) Men hield dus toen, schijnbaar althans, dat met vioarien alleen gekwalificeerde personen, dat is bekwaam om te studeeren konden begiftigd worden.

-ocr page 524-

172

„op het ontfangen van dien nog geen ordre is gestelt,

„comt...............Memoriequot;,

even alsof er niets gebeurd ware.

Zoo gaat het nu eene eeuw lang voort in precies dezelfde bewoordingen: altoos memorie en nogmaals memorie, tot dat ten slotte in of omstreeks 1770 die post geheel verdwijnt in de Thesauriers-rekeningen. (VerLoken, blz. 561.)

De vraag rijst, waarom stelde de stad Utrecht er geen order op door daarvoor een rentmeester of ontvanger aan te stellen, zooals te Amersfoort, Wijk bij Duurstede en Rhenen plaats vond, die met de ontvangst der tertiën werd belast en de possesseurs van vicariën nareed, terwijl zij in de vergadering der Staten altijd klachten aanhief, dat de predikanten en scholen te Utrecht zooveel geld kostten aan de stad en steeds aandrong op verhooging der subsidie, die de Staten uit hunne comptoiren St. Catharyne, St. Paulus en de Carthuysers (VerLoren, blz. 144) aan de stad deden toevloeien.

Het schijnt wel, dat de Vroedschap der stad, waarin vele collators en possesseurs dier vicariën zitting hadden, er niet erg op gesteld was, om die tertiën te laten innen en tevens aan de possesseurs dier vicariën te gelasten, opgaaf te doen der goederen, waardoor misschien vele verduisteringen dier goederen aan den dag zouden gekomen zijn. Daarom zal zij de zaak liefst ongeregeld gelaten hebben. De vicariën toch waren te Utrecht meest in handen van voorname en aanzienlijke geslachten aldaar, wier invloed zich, zoowel in de stedelijke regeering, als in de Statenvergadering, waarin zij meestal zitting-hadden, deed kennen.

Het gevolg was alzoo, dat de tertiën der vicariën te Utrecht nooit zijn ingevorderd, en daardoor ook de controle verviel, die men in het comptoir der gebeneficieerde goederen had, doordien de ontvanger jaarlijks de vruchten als ook de renten der belegde kapitalen moest verantwoorden, zoodat het dadelijk in het oog viel als er goederen verduisterd werden.

De opgaaf der goederen in de le rekeuing van Floris van

-ocr page 525-

173

Weede is, als gezegd, zeer onvolledig ten aanzien van Utrecht en later ook nooit bijgewerkt, omdat er niemand was die opzicht hield. De Staten hadden er geen bijzonder belang bij of de tertiëa der vicariën te Utrecht al dan niet betaald werden, daar de predikanten aldaar niet uit eenig Landscomptoir, maar door de stad Utrecht betaald werden. Zij hadden er alleen belang bij, dat de goederen die, als gezegd, eigeodom der Staten waren en waarvan slechts het genot der inkomsten aan de possesseurs der vicariën gegund werd, niet werden verduisterd, en dat, bij verkoop, de koopprijs behoorlijk belegd werd, liefst op een hunner comptoiren.

Aan dit laatste werd dan ook, in den aanvang althans, behoorlijk de hand gehouden, als mot hunne toestemming of op hun initiatief goederen, behooreade aan vicariën in parochie-ot kapittelkerken, werden te gelde gemaakt, waarvan alsdan de opbrengst in den post van Extra-ordinaris ontvang, zie VerLoken, Bijl. K. (rekening over 1669) fol. 166, 166 v., 171, 171 v. en 173 v. pro memorie werd gebracht, en aldus niet alleen aan de vergetelheid werd onttrokken, maar ook, doordien de inschrijvingen werden gesteld ten name van den ontvanger van het comptoir der gebeneficieerde goederen, behoorlijk voor alle wegmaking en verduistering was verzekerd. Deze nuttige aanteeke-ning treft men echter in de latere rekeningen over 1770 en volgende jaren (de vroegere zijn verloren gegaan) niet aan, zoodat daaruit geen licht meer te scheppen is over de Utrechtsche vicariegoederen, die verkocht zijn en over de wijze waarop de kooppenningen zijn belegd. De Memorialen van verkochte geestelijke goederen (Reg. 192 prov. archief, blz. 49 gedr. Inventaris) loopen niet verder dan tot 1632, en de Lijst of Memorie der possesseurs van vicariën (Reg. 322 prov. archief, blz. 85 gedr. Inventaris) slechts tot 1680. Alleen kan men in de zeer lijvige reeks van notulen der Gedeputeerde Staten de benoemingen van possesseurs der Utrechtsche en andere vicariën opdelven, doch bepaalde lijsten van benoemden zijn er niet, noch ook van de goederen der vicariën of de kapitalen behoorende aan vicariën.

-ocr page 526-

174

quot;Wat er van de vaste goederen der vicariën in Utrecht sedert geworden is, is totaal onbekend, doch waarschijnlijk zullen er in den aanvang dezer eeuw weinige meer overgebleven zijn. Meest alles was verkocht door of met goedvinden der Staten en de gelden belegd, in voege als reeds gemeld is, op obligatiën of inschrijvingen op een der comptoiren van de Staten.

quot;Wat er van deze obligatiën later geworden is, voor zooveel betreft vicariën in Utrecht gefundeerd, is almede onbekend. Van een dezer Utrechtsche vicariën, t. w. de vicarie op het altaar van St. Jan Evangelist en St. Jan Baptist en alle Gods Heiligen, in 1495 door Johanna van Weelden, wed. Hamerstein, gevestigd, weten wij, dat daartoe behoorde eene obligatie ten laste der provincie, betaalbaar ten comptoire van het Eene deel der Generale middelen groot ƒ 600, zijnde het eenige dat van de goederen dezer vicarie was overgebleven, nadat de twee plechtbrieven, t. z. groot f 2000, waren afgelost. Van deze vicarie zijn de papieren en documenten nog overgebleven en gevonden in den boedel van Mr. Rudolph Hendrik Nahuys, Raad der stad Utrecht enz. (overleden in 1831), die de laatste possesseur derzelve is geweest, nadat de vorige vicaris Willem Adriaan jSahuys, luit.-kolonel, later generaal in franschen dienst, op 29 Dec. 1815 was overleden. Gemelde Mr. R. H. Nahuys heeft echter, zoover bekend, nooit die renten ontvangen, zoodat die toen niet meer uitbetaald werden en de vicarie dus niets meer rendeerde. Na diens overlijden heeft dan ook geen der andere leden uit het geslacht Xahuys eenige moeite gedaan, om daarmede begiftigd te worden als possesseur. In § 11 komen wij nader op deze zaak terug.

Er is ook nog eene andere vicarie te Utrecht gefundeerd, waarvan men toevallig iets omtrent de latere fata afweet, namelijk de vicarie in 1476 en 1478 door zekere Margriet, wed. Jan Dirkszoon, gefundeerd in St. Jacobs kerk, doch die in later tijd, uit onwetendheid werd versleten, als te zijn gefundeerd in St. Catharyne-kerk te Utrecht.

-ocr page 527-

175

De successieve begevingen dezer vicarie door de Gedeputeerde Staten zijn te vinden bij VekLoren, blz. 571—575.

De laatste was gedaan aan Maria Rombout, 31 Maart 1786 (VerLoren, blz. 574), die in October 1794 overleed, waarna de vicarie vacant bleef, totdat die in 1819 op eenmaal weder werd begeven aan haar zoon J. Beekwilder, en wel bij Resolutie van burgemeesteren van Utrecht van 12 Jan. 1819. Na diena overlijden werd zijn zoon daarmede begiftigd door Regenten der Vereenigdo Gods- en Gasthuizen te Utrecht en toen deze door hen vervallen was verklaard van de vicarie, geweigerd om zijn ouderen broeder als zoodanig te benoemen, die zich daarop aan den Koning heeft gewend, in voege als in § 10 nader zal uiteengezet worden. (Zie VkrLorex, blz. 236 en Bijl. XI, behoorende bij dit rapport.)

Behalve dit weinige weet men van de latere fata der vicariën in Utrecht gefundeerd letterlijk niets af, dan alleen dat eene vicarie, gefundeerd in de kapel van St. Bartholomaei gasthuis aldaar, ten faveure van dat gesticht op 22 April 1643, door de Staten is gemortificeerd. (VerLoren-, blz. 584.) Waarschijnlijk zullen er wel meer dergelijke vicariën in gast- of godshuizen-kapellen gefundeerd, op deze wijze ten behoeve dier gestichten gemortificeerd zijn door Gedeputeerde Staten. Men vindt ten minste in lateren tijd nergens meer gewag gemaakt van posses-seurs derzelve.

De slotsom is alzoo, dat de vicariën in Utrecht, even als de goederen daartoe behoord hebbende, zijn verdwenen, zonder dat men weet hoe en dat er thans niemand meer is die daarvan of daaruit iets trekt en er dus voor den Staat ook niets meer te pretendeeren is, doch misschien nog te betalen zal vallen, indien aan evengemelden Beekwilder zijn verzoek tot agreatie der benoeming op zich zeiven als collator wordt ingewilligd.

-ocr page 528-

§ 5.

Gebeneflcieerde goederen (vicariën) te Amersfoort.

Te Amersfoort was eene collegiale of kapittelkerk, die tevens was parochiekerk, even als te quot;Wijk bij Duurstede, gewijd aan St. Joris, met een kapittel van dien naam, wijders een parochiekerk, gewijd aan Onze Lieve Vrouwe, en verder een aantal kloosters en conventen, in welke, even als in de kerken, ook eenige vicariën gesticht waren, t. w. in dat van St. Agatha, Mariënhof, het Gasthuis en de Kapel van de Poth (de Armen de Poth).

Op het gemeente-archief te Amersfoort is aanwezig een Pro-thocolboek van dit kapittel, loopende van 1471—1503, waarin aanteekeningen over de vicariën en ook de meeste fundatiebrieven, gedeeltelijk in het latijn, gedeeltelijk in oud-hollandsch, zijn vermeld. [Bij v. Rootselaae, Amersfoort 777—1586, II, blz. 356—404 en 469, vindt men nadere en uitvoerige mede-deelingen, uit dit register getrokken, over 26 vicariën. Indertijd zijn er in de St. Joriskerk omstreeks 50 geweest (ibid. blz. 355), die wel niet alle zullen gevtevit juris patronahis, dat is een collator zullen gehad hebben, zooals de 26 overgeblevenen. Van Bemmel, Beschr. van Amersfoort, I, blz. 12 v., geeft er slechts 21 op, zijnde het getal na de Reformatie, dat ook thans nog aanwezig is.

In de Lieve Vrouwe kerk waren ook onderscheidene vicariën gevestigd, vermeld bij v. Bemmel, Beschr. v. Amersfoort], I, blz. 138. Zie ook v. Rootselaar, II, blz. 188.

In de rekening van Floris van Weede (over 1586/8) der

-ocr page 529-

177

gebeneficieerde goederen, wordt, fol. 192 v., over „de Goederen „van de vicaryen ende geestclyeke officien binnen Amersfoortquot;, niets anders gezegd, dan „Alsoo de goederen van de vicaryen „en andere geestelijeke goederen aldaer nog niet aengebracbt „en zijn. — Dus daervan tijde deser rekeninge ontfangen ... Metquot;, (in margine):

„Loqnatur met den Heeren Staten om hierop te disponeeren.quot;

„Sy de aenbrenginge met alle bequame middelen gevordert.quot;

In den meergemelden Inventaris van de geestelijke goederen etc. van 1583 (?) (Reg. 191, prov. archief) vindt men, fol. 203—224, wel eeue uitvoerige opgaaf der goederen en inkomsten van de conventen St. Barbara, Marienhoeff, St. Achten en St. Agnieten, doch over do kapittelgoederen of vicariegoederen, in de kerken te Amersfoort gefundeerd, ook niets hoegenaamd.

Het schijnt wel, dat men destijds met liet kapittel van St. Joris niet uit den weg kon en geen kans zag, om van elders de noodige opgaven te bekomen. Dat kapittel was dan ook niet zeer meegaande en zeer Katholiek gezind, zooals blijkt uit de resolutie der Staten van 4 Augustus 1578, aangaande den Religions-vrede en de Pacificatie van Gent. (Vervolg ütrechtsch Plac. I bl. 18 en v.) Toen de Ridderschap en Steden van meening waren, dat men den Gereformeerden kon toestaan, hunne religie te mogen uitoefenen, evenals de Roomschen , was alleen de stad Amersfoort daartegen, en legde daarbij over eene heftige memorie van het kapittel aldaar, waarbij het protesteerde tegen het toelaten van „de openbare exercitie van de gepretendeerde ge-„reformeerde religie, oft oeck eenige andere religiën (die Godt „betert in grooten getal sijn), noch oeck haer eenige kercken „te admitterenquot;, enz.

Later was dit weerbarstige kapittel, bij het doordringen der Reformatie, wel genoodzaakt een anderen toon aan te slaan en vrij wat water in zijn wijn te doen, wilde het niet opgeheven worden. Daaraan had het zijn behoud en dat zijner goederen te danken, en is het, terwijl alle andere kapittelen in de Stad en Provincie Utrecht zijn opgeruimd of verdwenen, het eenige

12u

-ocr page 530-

178

kapittel, dat, zelfs met behoud van goederen of ten minste van een deel daarvan, ten huidigen dage nog bestaat, gelijk dan ook de namen van don Deken en de 4 Capitularen steeds in den Amerfoortschen almanak vermeld worden.

Maar behalve den naam en een deel der goederen, is er toch eigenlijk niets overgebleven van het eertijds machtige en hooghartige kapittel van St. Joris. Deken is thans, per se, de Burgemeester, en capitularen voor de helft de kerkvoogden (gerepresenteerd door twee gedelegeerden uit hun midden), en voor de wederhelft hot Burgerweeshuis, (1) insgelijks gerepre-seutreerd door 2 Regenten. De inkomsten der goederen, bestaande in eenige vaste goederen en eene inschrijving op het 2\' 2 pCt. Grootboek ad f 5500, worden verdeeld tusschen kerkvoogden voor 1/s en regenten thans voor \'/s-

Zooals hierboven, bij de behandeling der vicariën in de stad Utrecht, is aangegeven, bestoud er verband tusschen de vijf kapittelen te Utrecht en de vicariën in die kapittelkerken gefundeerd, zelfs zoodanig, dat de goederen der vicariën in die kerken gefundeerd, bleven ouder beheer en administratie, en als men wil ook in eigendom aan die respective kapittelen, omdat die in 1580 en 1586 (Redressement) bepaald waren uitgezonderd van hetgeen omtrent de geesteljjke goederen (de vicariën incluis) was bepaald.

Zoodanige restrictie was echter omtrent do kapittelen in de overige steden (de kleine steden, zooals ze veelal genoemd werden) niet gemaakt. Deze kapittelen vielen dus, als behoorende onder de geestelijke goederen, in de algiïmeene bepalingen over de geestelijke goederen, waarover de art. 5, 6 en 7 van het Redressement loopen, doch waarbij toen door Amersfoort en de andere kleine steden de reserve was gemaakt, dat zij begeerden

1

R. Catholieke weezen; het wordt bestuurd door Protestantsohe en Catholieke Regenten en Regentessen, benoemd door den Gemeenteraad, en gesubsidieerd door het Gemeentebestuur.

-ocr page 531-

179

de administratie te voereu over de geestelijke goederen, in hare respectieve steden gelegen — (zie VerLores, Bijl. A 12 art. V en III,) — hetgeen echter de Staten toen niet wilden toestaan. Dit different is toen blijven aanstaan en ook later scliijnen de Staten die administratie niet te hebben willen overlaten aan de respectieve steden, totdat Amersfoort begonnen is met dreigementen, dat liet beslag zou leggen op de goederen der abdij van St. Paulus enz. onder Amersfoort gelegen, als het zijn zin niet kreeg. (Zie aid. Bijl. D 29 Febr. 13S8.) De Staten hebben toen toegegeven en die administratie (wel te onderscheiden van den eigendom) der geestelijke goederen aan de Regeeriugen van Amersfoort en de verdere kleine steden, alsook aan Utrecht, gedeeltelijk althans overgelaten, alsook de benoeming der rentmeesters over die goederen.

Op grond hiervan, of misschien op andere gronden, heeft de Regeering van Amersfoort zich die administratie of snperinten-dentie over de klooster- en kapittelgoederen aldaar toegekend en, op 22 November 1658, de navolgende resolutie genomen, te vinden in het Politkboeck van Bargemeesteren op het stadsarchief aldaar:

„A-lsoo door \'t overlijden van Frederik van Ruytenhuys „vacant geworden is de Decanie en Praebende in St. Joris „Capittel alhier, — soo is bij Regeerders verstaen, dat het „provenue van dien voortsaen geëmployeert sal worden ad pios „usus, ende dat dien ten gevolge het tractament van de wed. „van Dominus Bergman, in sijn leven V. D. M., in den toe-„komende jaere ende vervolge te verschijnen, daer uijt sail „worden betaelt, en de rest bij ïhonis Lambertz ontfangen, „om, op ordre van de Regeerders, ad pios usus in zijn dagehjcks „occurentiën geëmployeert te wordenquot;.

„Ende dat bij provisie de administratie van de Capittel-„goederen, in plaetse van den Dekan, bij den eersten Borge-„meester indertijd successivelyk mede sail worden waargenomenquot;.

Tengevolge dezer resolutie zijn de goederen en inkomsten van het kapittel beheerd door eenen rentmeester, die rekenplichtig

-ocr page 532-

180

was aan het kapittel, doch tevens aan de stedelijke Regeering, waaraan het is toe te schrijven, dat die rekeningen, van af 1659—1808 (de ontbrekende niet medegerekend), op het Gemeentearchief aldaar voorhanden zijn. De oudste dezer rekeningen luidt:

„Reekeninche, bewijs ende reliqua van alsulcken Ontfangh „ende Utgevea, als Reynier van Ingen, als Rentmeester van „den Capittule van St. Joris Kerk binnen Amersfoort, gehadt „ende gedaan heeft van \'t incommen ende lasten van denselven „Capittule, verschenen ende vervallen tusschen Remigii 1658 „ende Remigii 1659quot; — terwijl het slot luidt:

„Ende alsulcx daer mede voor de voornoemde Capitularen, „voor soo veel de selve dees aangaet, effen ende quitte.

„Aldus gehoort, gerekent, gesloten op den Stadhuyse binnen „Amersfoort, in absentie van den heer Officier (1) (Hoofd-Officier) „bij de Heeren Mr. Johan van Bildenberg en Gerard ïhienes, „Borgemeesteren, liiertoe versocht op den 30en December 1659\'.

Het batig slot dier rekening bedroeg, over dat jaar ƒ 676-5-2, hetwelk daarbij wordt verdeeld als volgt:

Portio Decani voor dubbelt.......f 270-10-,,

Hessel Breecker Capitulair........ 135- 5-„

St. Joris kerk op den naem van Steven van

Es velt Capitulair............ 135- 5-„

Johan van Deverden van Voorst, Capitulair . „ 135- 5-„ Pro cassa.............. » - »-2

f 676- 5-2

In de (op het archief) laatst aanwezige rekening van Mr. Jan van Goudoever „van de lasten van het Capittel der Joriskerk „binnen Amersfoort over 1808quot;, afgesloten door Burgemees^eren van Amersfoort den 29en van Zomermaand 1810, is de verdeeling

(1) In latere rekeningen vindt men van de presentie van den Hoofd-Officier geen gewag gemaakt.

-ocr page 533-

181

van het zuiver batig slot echter anders dan vroeger en dan

thans, nam.:

De Noodhulp als Deean Vs.......f 36-9- 6

Als Capittulair \'/s..........„ 36-9- 6

Nog eens als Capitulair in plaatse van wijlen den

heer W. Pannekoek Az. Vs........» 36-9- 6

De Kerk van St. Joris Vs..........36-9- 6

De Heer Mr. G. P. Meihorst Vs.....„ 36-9- 6

f 182-6-12

In de eerstgemelde rekening over 1659 is de volgende post, op fol. 20 vermelding waardig.

„Betaelt aan Mr. Dijrck de Leeuw, als Ontfanger van de „cleyne Clargye, ses gulden vijfthyen stuivers over een jaer „quotisatie tot laste van desen Capittule, verschenen den „1 Martii 1659 volgens quitantiënquot;.

Met deze kleine clergie zijn waarschijnlijk bedoeld de kerkmeesters of regenten van de Lieve Vrouwe Kerk, een college, dat in 1634 door de Regeering van Amersfoort was benoemd en sedert in functie is gebleven. Ziev. Bemmel, t. a. p. blz. 147.

In deze rekeningen wordt alleen van de goederen van het kapittel gehandeld; van vicariën en vicariegoederen staat daarin niets, zoodat het kapittel, na de Reformatie ten minste, niets meer met de vicariegoederen uitstaande heeft gehad.

De gang van zaken te Amersfoort met de vicariën heeft zich, zooals uit Bijlage D (bij VerLoren t. a. p.) kan worden afgeleid, volgender wijze toegedragen.

In Mei 1582 werd door de Regeering te Amersfoort eene voordracht opgemaakt, ter benoeming van een ontvanger-generaal der geestelijke goederen aldaar, en werd eene commissie ingesteld tot conservatie van de geestelijke goederen te Amersfoort, die aan den stadhouder ter confirmatie werd voorgedragen, welke commissarissen, in 1586, conform het Bedressement op de geestelijke goederen van 1586, nader werden bevestigd.

-ocr page 534-

182

Spoedig daarop, 22 September 1587, volgde een verbod aan alle vicarissen, collateurs en andere geestelijke personen, als-ook ui. de Broederschappen, om goederen daartoe beboorende te vervreemden of te bezwaren, op poene van nulliteit, en, 25 Februari 1589, eene ordonnantie der stedelijke Regoering aan alle vicarissen zijnde juris patronatus, om aan de daarbij aangewezen commissarissen in te leveren een staat der goederen en inkomsten hunner respective vicariën. In 1660 deed de Regeering van Amersfoort aan de Staten verzoek, om de tertiën der vicariën te mogen hebben tot subsidie der predikanten aldaar, hetwelk door de Staten werd toegestaan, den 12en April 1660, die vervolgens, bij Resolutie van 15 Augustus 1666, vermeld in het Utrechtsch Placaathoek II, blz. 451, evenals bij gelijkluidende resolutie voor de stad Utrecht was bepaald, den collecteur van de tertiën der vicariën te Amersfoort machtigden: „die tertiën, sedert 1660, de fado te ontvangen ende ..des noods daartoe te employeren het behulp van Haar Ei. „Mog. Suppoosten.quot; Wijders werden daarbij door de Staten nogmaals alle possesseurs van vicariën gelast zich binnen 3 maanden aan te geven ter secretarie van Amersfoort en opgaaf te doen van de goederen der vicarie, op poene van verval van hun genot en possessie der vicariegoederen. Dit bevel werd 10 Augustus 1668 ook door de Regeering van Amersfoort weder herhaald.

De rekeningen dezer ontvangers of collecteurs der tertiën zijn op het stadsarchief te Amersfoort aanwezig, van af 1660 tot 1716, en vervolgens van 1744—1767,1780—1788,1792—1800, acquiten over 1801—1803, 1823—1834. Die van den laatsten tijd, van af 1847, berusten ter secretarie der provincie en onder de heide provisoren. De vicariën worden daarin bij nommers aangeduid, als 1°., 2°. enz. vicarie, doch, in de vroegere rekeningen, worden tevens de altaren vermeld, alsook de fundateurs, collateurs en possesseurs. De collecteur of ontvanger der tertiën, die zich tusschen beide ook wel eens noemt ontvanger van het comptoir der tertiën, werd benoemd door de

-ocr page 535-

183

Eegeering van Amersfoort (1), doch na 175Ö door den stadhouder. Hij deed zijne rekening aan burgemeesteren en verantwoordde het derde deel der netto-inkomsten van de vicariën aan de stad, die, evenals in de overige kleine sleden, de predikanten bezoldigde. Yan de 5de vicarie echter werden de tertiën verantwoord aan het Burger quot;Weeshuis te Amersfoort, aan hetwelk zij nog worden uitgekeerd. In de thesauriers rekeningen te Amersfoort vindt men steeds een post als ontvangst der tertiën van de vicariën vermeld. Nog ten huidigen dage komt die post steeds voor in de gemeenterekening als ontvangst van Eijkswege: de tertiën van de vicariën, over 1881 tot een bedrag van /,870.66. Het is echter eenigszins bevreemdend, dat, nu de predikanten niet meer door de Stad, maar door het Kijk worden bezoldigd (sedert 180G?), desniettemin de tertiën nog steeds aan de Stad zijn verbleven. De administratie te Amersfoort was, zoover uit de rekeningen der collecteurs is op te maken, ingericht op den voet als bij de vicariën ten plattelande, t. w. dat de possesseurs de goederen verhuurden en daarvan 1/3 aan den Ontvanger uitkeerden; soms ook wel omgekeerd; of wel, dat er met den vicaris of met den collator een accoord was gesloten, dat hun eene vaste som per jaar zou worden uitbetaald voor de vicarie. In later tijd echter zijn de goederen van alle de vicariën geheel onder beheer van den ontvanger gekomen Thans zijn zij onder dat van den rentmeester der vicariën, die daarvan rekening doet, waarna aan de possesseurs, zoover er die nog zijn, en aan 5 studenten hun aandeel in het batig slot wordt uitgekeerd.

Bij van Bemmel is omtrent de wijze van beheer niets te vinden. Na eene breedvoerige beschrijving van den vroegeren tijd en de opneming der 21 vicariën in de St. Joris-kerk gefundeerd (blz. 111 —116), maakt hij zich (blz. 122) van den tegenwoordigen tijd zeer kort af met de laconieke opgaaf, „naar „het veranderen dei Laudsregeeringe zijn de inkomsten van het

1

Zie Van Bemmel. Beschr. van Amersfoort. II blz 534.

-ocr page 536-

184

„voorsz. Capittel, Vicariën en Broederschappen tot andere ge-„bruiken aangelegdquot;.

Het ia met hem, evenals bij de meeste schrijvers; over den vroegeren toestand wordt veel, over den lateren weinig, en over den toestand in der tijd toen zij schreven, dien men juist het liefst zou weten, niets gezegd.

In het handschrift, (VerLorex, blz. 142 noot): Beschrijving der stad Amersfoort, treft men over de vicariën ook niets anders aan dan het volgende: „In 1579 werden de altaren in „de St. Joris-kerk afgebroken en het inkomen der vicarie-„goederen geprofiteerd en getrokken bij verscheydene collators, „uitgenomen een derde dat men noemt de tertien, \'t welk door „een persoon, door de stad daartoe genomineerd, werd ont-„fangen en geëmployeerd tot godsdienstig gebruikquot;. Welk gebruik, wordt niet gezegd.

In de aanteekeningen van den archivaris te Amersfoort over de vicariën en geestelijke goederen, na 1580, in Bijl. D (bij VerLoeen) vermeld, die ons bereidwillig ter inzage en mede-deeling zijn afgestaan, zal men echter omtrent de détails eenige mededeelingen betreffende de vicariën vinden, waarnaar wij kortheidshalve den lezer verwijzen. Zooals men daaruit zien zal, ontbrak het te Amersfoort, evenals in de andere steden, geenszins aan allerlei differenten en moeiölijkheden desaangaande.

Uit de rekening van den ontvanger der gebeneficieerde goederen over 1669, D. de Leeuw, (Bijl. K bij VerLoren), zal men ontwaren, dat in den post van extra ordinaris ontvangsten, fol. 173, wordt vermeld, dat door de Staten aan Gerrit van Amerongen, als collator en possesseur der vicarie, gefundeerd op St. Petri en Pauli altaar in de St. Joris-kerk te Amersfoort (1), was toegestaan om al de goederen dier vicarie te mogen ver-koopen, waarvan de penningen ten behoeve van den possesseur waren belegd en de brieven daarvan overgegeven aan- en he

il) Zie den fundatiebrief dezer vicarie bij v. Rootselaar , Amersfoort 777— 1580, I, blz. 399.

-ocr page 537-

185

rustende onder den rendant, als ontvanger der gebeneficieerde goederen.

In diezelfde rekening wordt, in den post van Ontvang, op fol. 27, gewag gemaakt van de aflossing van een kapitaal van / 4000, waarmede het comptoir van de gebeneficieerde goederen was bezwaard ten behoeve van Mr. Aernt van Westrenen, als patroon van de vicarie, gefundeerd in St. Joriskerk te Amersfoort.

Deze vermeldingen toonen genoegzaam aan, dat, hoezeer de inning der tertiën te Amersfoort met den verderen aankleve van dien, was afgestaan aan eenen specialen ontvanger aldaar, er echter verband bleef bestaan, tusschen de vicariën en het comptoir der gebeneficieerde goederen, alsook, dat de Staten steeds volhielden, dat alle vicariën en de goederen daartoe behoorende nog steeds deel bleven uitmaken van dit comptoir en het tot ééne massa gebrachte fonds van pastorie-, kosterie-, scholasterie-vicarie- en capellariegoederen in de stad, steden en ten platte-lande, uit welk fonds aan de predikanten, kosters en schoolmeesters ten plattelande en in de steden hunne tractementen zouden uitbetaald worden, welk fonds of comptoir was, zooals bij VerLoren, blz. 190 en volgg. is aangetoond, een Rjjksfonda den Staten in eigendom toekomende. Later is zulks alleen in zooverre gewijzigd, dat de betaling der predikanten en scholen geschiedde door de steden, die dan ook de tertiën in compensatie genoten. Nog stelliger blijkt dit verband uit hetgeen in de rekening van den collecteur over 1765—67, onder het hoofdstuk Extraordinaris uitgave van kapitalen die afgelost zijn , vermeld staat, t. w. „Opden 2en Junij 1770 betaald aan Samuel Greysbeek, exploiteur van Hun Ed. Mogende, de somma van ƒ 600 in vol-„doeningeder cooppenningen van 2/3 portien van het vicarie erff het „ Vliet, hierboven gemeld, en bij Decreet verkocht, dus ƒ 600.—.quot;

De begeving der vicarie te Amersfoort, is ook steeds geweest bij de Staten, zooals blijkt uit een register der begevingen van vicariën in de stad, steden en ten platte lande door de Staten gedaan, loopende (met ontbrekende jaren) van 1630—1680, ten opschrift voerende; Memorie van de namen dergenen die

-ocr page 538-

186

vkariën heihen bezeten af nog bezitten (prov. arch. Reg. n0. 322 gedr. Invent, bk 85), wnarin o. a. vermeld zijn 31 begevingen in de St. Joriskerk, ééne begeving op 29 November 1632, luidende: „Rutger Ellens eene vicarye gefundeerd in de Capelle „van Oase Lieve Vrouwe kerk t\' Amersfoort,quot; — en wijders nog 3 begevingen van vicariën gefundeerd in St. Agatliaklooster.

Begevingen of presentatiën door den stadhouder wegens vicariën, behoorende tot het comptoir der pieuse zakeu zijn er, voor zoover bekend, te Amersfoort nimmer gedaan, (verg. bladz 178—184 en 186 bij VerLorex.)

In de rekeningen van den ontvanger der tertiën te Amersfoort van 1660—62 worden 22 vicariën vermeld, doch later zijn er nog 3 bijgekomen, t. w. de 28e, 24e en 25e. Alle deze vicariën waren gefundeerd in de St. Joriskerk, behalve de 17e, die in het St. Aachten-klooster en de 24e, die in de kapel van de Armen de Poth waren gesticht. Men treft hier een ongekende volledigheid aan, want niet alleen de altaren, maar ook de fundateurs en datums der fundatie en de toenmalige collators en possesseurs worden in het hoofd vermeld en verder de goederen. Van de 5e, 8e, 9e, 11e, 12e, 14e, 15e en 16e wTorden de opbrengsten, in 1660 voor Memorie uitgetrokken. In latere rekeningen is daarvan echter eene opbrengst vermeld, behalve alleen van de 8e, 11e, 15e en 16e, waarvan nooit iets is ontvangen, zoodat die thans worden weggelaten, waardoor het getal op 21 is ingekrompen.

De vermelding der vicariën is als volgt: (bij van Bemmel I, biz. Ill en volgg. is de nommering onjuist. Hij noemt ook slechts 21 vicariën.)

1°. Gefundeerd door Herman Bot, 8 November 1374, op het altaar van St. Petrus en St. Andreas. Collator de naa-te mannelijke erfgenaam van vaders- en moederszijde, bij toerbeurt. (Zie van Rootselaar I, blz. 377.)

2°. Gefundeerd door denzelfden, 23 Maart 1390, op het altiar van St. Stephanus, St. Lauren tins en Innocentius en St. Cecilia. Collator dezelfde als boven. (v. Rootselaar I, blz. 261.)

-ocr page 539-

187

3°. Gefundeerd 13 July 1390 door Ahjdis wed. Goswinus Wz. op \'t Altaar der li. Maayd Maria. Van Bkmmel, I, blz. 138 zegt abusievelijk, dat zij in de O. L. Vrouwe kerk was gefundeerd. Het was op liet O. L. Vrouwe altaar in de St. Joris-kerk. (Zie Bijl, VII, La P.) Collator de naaste mannelijke bloedverwant van vaderszijde, genaamd Setelenbergh. (v. Rootselaar, I, blz. 362.)

4°. Gefundeerd anno 1461 door Jacob Henrick Gijsbert scons wijf, op het altaar van St. Jacobus Bartholomeus en Thomas van Aqtdnen. Collator de naaste en oudste mannelijke bloedverwant. (Zie v. Rootselaar, I, blz. 370.)

5°. Gefundeerd op St. Martijnsavond 1476 door Rutger Jacob Gerritsz. op het altaar van St. Jacobus en Anthonius (genaamd het Bruine of zwarte Kruis). Collator de naaste bloedverwant in den bloede, (v. Rootselaar ib., I, blz. 372.)

6°. De vicarie der Calancje-broeders of Calanderhrceders. Gefundeerd 21 Januari 1390 door Herman Jan Carmanszoon en Johan Carmans Woutersz. medebroeders van de H. Maagd Maria. Collators de broeders der Broederschap en de nakomelingen der fundateurs, bij toerbeurten. Vicaris in 1660: Dirck Breecker. (v. Rootselaar, I, blz. 356.)

7°. Gefundeerd den lle11 Mei 1407 door Theodoricns Coninck op het altaar van St. Jan {Baptist). Collator de rechte leen-volger van den fundateur. (v. Rootselaar, I, blz. 364.)

8°. Gefundeerd 8 September 1420 door Reynerus Poyet Petersz. op het altaar St. Jan {Evangelist). Collators, drie aangeduide staken van de naaste familie, te zamen. (v. Rootselaar, I, blz. 359.)

9°. Gefundeerd 13 Juni 1397 door Hermanns Snijder, op het altaar van St. Nkolaas. Collator de oudste mannelijke nazaat van den fundateur. (v. Rootselaar, I, blz. 378.)

10°. Gefundeerd op St. Valentijnsdag 1436 door de Schipluy ofte Broeders van der Bolijn op het Schipluy den altaar (St. Mcolaas?). (v. Rootselaar I, blz. 401.)

11°. Gefundeerd 1 Sept. 1475 door Herman Bot Andiiesz.

-ocr page 540-

188

en Bartha, wed. Lambert Pijl, op St. Andreas en Agnes altaar. Collator de rechte leenvolger van Herman Bot. (v. Rootselaak, I, blz. 398.)

12°. Gefundeerd Anno 1452 door Peter van Hamertvelt, op het altaar van St. Petrus en Jacobus en St. Margaretha. Collator de oudste en naaste uit zijnen bloede, (v. Rootselaar, I, blz. 369.)

13°. Gefundeerd door Hendrik van Rijn en Beatrix, sijn suster, Anno 1447, op het altaar van St. Petrus en Ste. Barbara. Collator de Prior van het klooster der Regulieren in de Birkt bij Amersfoort, de Rector van het St. Agatha klooster (te Amersfoort) en de naaste bloedverwant van vaderszijde, (v. Rootselaak, I, blz. 383.)

14°. Gefundeerd op Pontiaansavond 1448, door Alyd Both, op het altaar van St. Peter, Johannes en Andreas benevens Ste.

Barbara, Catharina enz. — Collators.....? (v. Rootselaar, I,

blz. 385; v Bemmel, Beschrijving van Amersfoort, I, blz. 103. Hist. JJtr. Bisdom , II. blz. 25.)

15° Gefundeerd op St. Victorsavond 1550, door Jan Pijl en Ermgard Harmen van Ringen, op St. Pieter en St. Jans altaa,r in de Kapel van Onze Lieve Vrouwe vóór de oxale.

16n. Gefundeerd den 25en October 1552, door Barth. Outger en zijne vrouw Margriet, op het altaar van de H. Drie Koningen St. Cornel, enz. Collators de 3 oudste en naaste magen (manspersonen) van de beide fundateurs. (v. Rootselaar, I, blz 402.)

17°. Gefundeerd 3 Maart 1517 door Jan Brand van de Wetering, in de capel van het St. Aagten klooster te Amersfoort. Collator de twee naaste mannelijke afstammelingen van den fundateur en de pater van St. Aagten convent met den prior in de Birkt. (v. Rootselaar, II, blz. 188.)

18°. Gefundeerd door Alyd Bot, Hermans dochter, doch later verbeterd door Christina, dochter van Willem Bosch, 18 September 1533. Deze vicarie was gesticht op een altaar in het noordelijk deel van de St. Joriskerk, gewijd aan St. Peter, St. Jan, enz. — Collator de twee naaste bloedverwanten van de fundatrice (gaande in gelijken graad de oudste en naaste

-ocr page 541-

189

vóór jongeren en mannen vóór vrouwen) — en de overste Burgemeester van Amersfoort indeitijd.

19°. Gefundeerd 1 Febr. 1445 door Lijsbeth van Donckeler op liet altaar van St. Walburg ia etc. Collators de 4 naaste magen van den zoon der fundatrice, nam. 2 van vaders- en 2 van moederszijde, (v. Rootselaar, I, blz. 366.)

20°. Gefundeerd 16 April 1515 (of 1516?) door Lubbert Jansse Pothof, op het altaar van Onze Lieve Vrouwe in de Zonne. Collator de oudste leenvolger van den fundateur. (v. Rootselaar, I, blz. 375.)

21°. Gefundeerd op St. Cliemensdag 1464 door Cornelis Everardus en zijne vrouw Margriet Stiers, op St. Peters en St. Mattheus enz. altaar (genaamd IJsbrand Paeuwen altaar). Collator de naaste rechte leenvolger van een der beide fuudateurs, bij toerbeurten, (v. Rootselaar , I, blz. 392.)

22°. Gefundeerd 21 Maart 1466 door Jacob Fetel en zijne vrouw Rijckland, op het H. Sacramenfe-altaar (genaamd de Raadinis-vicarye). Collators de naaste erfgenaam, manspersoon, en rechte leenhouder der beide fur.dateurs, op de wijze bij den fundatiebrief breeder omschreven, (v. Rootselaar, I, blz. 380.)

23°. Gefundeerd, vóór 1484, door Wendelmoet Schuurman op het altaar van St. Petrus en St. Paulus genaamd de Schoer-mans-vicarie. Collator.....? (v. Rootselaar , I, blz. 399.)

24°. Gefundeerd 31 Dec. 1535 door Geurt Vlug Geurtsz in de Kapel van de Armen de Poth of H. Geesthuis te Amersfoort. Collators: de Pothbroeders 2 stemmen en de 2 naaste magen van den fundateur. (v. Rootselaar , II, Register blz. XI noot.)

25°. Gefundeerd in 1495 door Alijd Ivairmans en Griet Willas op het altaar der H. Drievuldigheid, genaamd het altaar der Weduwen. Collators .... ? (t. Rootselaar, I, blz. 403; v. Bemmel, I, blz. 116, n0. XXI.)

Van alle deze vicariën zijn de stichtingsbrieven opgenomen in het gemelde Prothocolboek van het Kapittel, van 1471—1503, op het stadsarchief te Amersfoort aanwezig, op de folio\'s bij v. Rootselaar, t. a. pl. aangeduid.

-ocr page 542-

190

Behalve deze vicariën viudt men nog vermeld:

Vicariën in de O. L. V. kerk:

St. Mnria is dezelfde als die sub 3 hierboven.

St. Sebastiaan en St. Matthaeus en St. Catharina, 28 Jan. 1410 gesticht door O. L. V. Broederschap te Amersfoort, (v. Bemmel , blz. 138.)

St. Bartholomeus, St. Jeronimus, St. Sebastiaan en St. Barbara gesticht door idem.

St. Peter, St. Jan Evang. St. Catharina en St. Barbara gesticht 1500 op Victorisavond door Jan Pijl eu Ermgard Horm. van Euigen\'s dochter. (Zie de fuud. brief v. Bemmel, I, blz. 139.)

In het Klooster van St. Jan Baptist:

St. Maria, St. Petrus en St. Paulus enz. altaar in 1417 gesticht door de Broederschap de Conventualen van St. Jan de Dooper en St. Jan de Evangelist (v. Bemmel, I, blz. 190.)

In het klooster of convent van Marieuhof of der Cellenzusters:

St. Jan Baptist altaar gefnndeerd 28 Juny 1511 door Jan van Amerongen ter eere dor H. Patriarchen en Propheten, St. Jan Baptist, O. L. V. en de Moeder, St. Anna en alle Gods Heyligen gefundeerd 19 Aug. 1514 door idem. (v. Bemmel, I, blz. 198, XJtr. Bisdom, II, blz. 43.)

In de St. Anna Capel:

(O. L. Vrouwe?) St. Anna autaar, gesticht 8 Juny 1545 door Ermgert Meyns Peters weduwe, Elyas van Weede en Gijsbert, Jan Spruyt en zoon hare neven als rechte naaste Maagen en Erfgenamen van zal. Goort Claasz. door bevel en wille van denzelve. (v. Bemmel, I, blz. 311.)

Heilige Geest of Armen de Poth, dit is de 24e vicarie.

Deze vicariën zij n vroeger steeds begeven door de Staten, op voordracht der collators, somtijds ook wel op presentatie der Regeering van de stad (zie YerLoken, Bijl. D), waarschijnlijk wegens vicariën, waarvan de collators waren uitgestorven, of die, om de eeue of andere thans onbekende reden, niet meer in aanmerking werden genomen. Zij worden thans door den Koning begeven, voor zoo ver er geen collators meer zijn,

-ocr page 543-

191

zonder eenige voorafgaande presentatie. Het getal dezer zoogen. vrije vieariiin is successievelijk aangegroeid tot 15. Thans zijn er nog slechts zes overgebleven, waarvan de begeving door den Koning geschiedt, op voordracht van den collator, de 1®, 2°, 4e, 12e, 13e eu 18® vicarie hierboven vermeld. De le en 2e vicarie, beide gefundeerd door Herman Bot, zijn sedert eenige jaren vacant gebleven, doordien zich geen collator heeft aangemeld tot presentatie van een possesseur, en de Koning, voor alsnog, geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om alsüu, buiten den collator om, iemand te benoemen tot possesseur.

Volgens de tegenwoordige regeling echter zijn er, behalve den rentmeester der vicariën, ook twee provisoren, van welke de Burgemeester thans met den collator der niet vrije vicariën de] presentatie van een possesseur aan den Koning indient. Deze benoeming van 2 provisoren, zijnde de Burgemeester en de jongste quot;Wethouder, is, ongeveer 5 jaren geleden, ingevoerd, om reden de opbrengst der 15 vrije vicariën thans strekt (na aftrek der tertiën) ten bate van 5 studenten, begiftigd met beurzen voor hunne studiën, welke door den Minister van Biunenlandsche Zaken, namens den Koning, worden begeven, zoodat men daarom meende aanleiding te hebben om art. 4 van

zeker Kon. Besluit van 15 Februari 1843 n0.....(Bijv.

Staatsblad XXX, 117) toe te passen, waarbij was bepaald, dat, ter gedeeltelijke vervanging der beurzen, aan ieder der Hoogescholen voor een gedeelte en op zoodanige wijze als nader zou worden bepaald, zouden worden toegevoegd eu verbonden de inkomsten der vicariën en beneficia ad stadia „welke ter Onzer begeving staanquot;. Zie hierover en over de onderhandeling deswege door de Regeering met de synode gevoerd, uitvoeriger bij Koker, Geschiedenis der vicariën, blz. 115. Het beheer en bestuur over de goederen van de 21 vicariën is thans volgens Kon. Besluiten van 27 Mei 1839, nquot;. 78 eu 14 Januari 1876 n0. 5 en resolutie van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 17 Maart 1876 (VerLoren, Bijl. O) ingericht en geschoeid op de leest van het Kon. Besl. van 2 Dec. 1822, St bi. n0. 49, over het beheer

-ocr page 544-

192

der goederen, hehoorende aan stichtingen der beurzen of van kollegiën, niettegenstaande die goederen, onzes erachtens, slechts gedeeltelijk kunnen gerangschikt worden onder de stichtingen, die, wel niet primitief tot beurzen waren bestemd, maar facto door de Regeering thans die bestemming hebben bekomen; t. w. voor zoover betreft de goederen der 15 zoogenaamde vrije vicariën, die strekken ad studia. De overige zes vicariën hebben zoodanige bestemming tot nu toe nog niet, en hebben daarom niets gemeen met beurzen tot studiën, daar de possesseurs (in strijd met de oorspronkelijke bepaling) niets anders te doen hebben dan de 2/3 der zuivere inkomsten te ontvangen en op te steken, evenals tijdens de Republiek de overige vicarissen in de provincie Utrecht. Later is de begeving, waarschijnlijk om die reden, door het Rijk gestaakt geworden. (1)

Wat de Regeering bewogen heeft, om alleen te Amersfoort daarmede voort te gaan, is niet wel te bevroeden, daar men op de tegenwoordige possesseurs van vicariën, evenals ook reeds in de beide vorige eeuwen, gerustelijk kan toepassen, wat de Gedeputeerden uit de Staten reeds in 1580 van do toenma\'ige Broederschappen getuigden, daar ze hen noemden „een deel „leechgangers, die noch tot goidtsdienst noch tot werelt ofte „republicque nut en sijnquot; — er bijvoegende, dat het veel beter en nutter was om, in plaats van de geestelijke goederen te doen strekken, om daaruit dergelijke personen te onderhouden, die opbrengsten te bezigen „tot godtfruchtige diensten, daer deur „goidtsdienst gevordert ende goede luyden kijnderen ter schole „ende tot studeren gehouden moegen werden , om in tijden ende „wijlen bequaem te moegen wesen met deen of dander maniere „die republicque te dienen off die Landen eenichsins anders nut „oft profijt te doenquot;. Zie VerLoren, blz. 122. Het lag echter niet aan de bepalingen op de vicariën, want bij art. 43 der Instructie voor de Gedeputeerden uit de Staten voor de geestelijke goederen, van 10 Augustus 1580 (VerLorex, Bijl. A 8), was uitdrukkelijk

(1) Zie hierover nader in § 7. Utrechtsch vicarierecht.

-ocr page 545-

193

bepaald, dat de collators alleen koaden voordragen en de Staten alleen mocliten benoemen tot vicarissen, personen die bekwaam waren om te studeeren, en dat de vicarissen ook alleen zoolang zij in studie waren, de vicarie konden genieten. Doch niemand stoorde zich aan deze bepaling, en de Staten namen maar alles aan wat de collators goedvonden hun te presenteeren, tot zelfs vrouwen en zuigelingen. De tegenwoordige Regeering schijnt er zich ook niet aan te storen.

Dit fonds, stichting, administratie of hoe men het ook noemen wil, der vicariën van St. Joris te Amersfoort, bestaat dus eigenlijk uit tweeslachtige bestanddeelen: 1°. uit 15 gemortifi-ceerde vicariën, waarvan de goederen thans door het daartoe bevoegde staatsgezag zijn bestemd tot beurzen voor studeerenden, en 2°. uit 6 nog bestaande vicariën, juris patronatus laïcalis, van welke de Staat liet daaraan verbonden collatorschap handhaaft, als van ouds, doch met eenige wijziging, door toevoeging van een vreemd element van provisoren in dit collatierecht.

Beide bestanddeelen zijn echter, wat de goederen betreft, behoorlijk gescheiden, in dier voege dat de kapitalen op het Grootboek staan, ten name der afzonderlijke vicariën en evenzoo de onroerende goederen kadastraal staan ten name hunner respectieve vicariën. Van ieder dezer vicariën worden, ook thans nog, de inkomsten en uitgaven afzonderlijk vermeld, evenals vroeger ook plaats vond. Omtrent die vroegere administratie merken wij nog op, dat in de rekening van den collecteur, over 1660—2, meest vaste goederen en grondrenten voorkomen, doch in latere rekeningen ook van verkochte landerijen gr .ag gemaakt wordt, waarvan de koopprijs belegd was, meesti.l in obligatiën op de provincie of bij de Armen Noodhulp en andere debiteuren, waarvan de renten dan alleen voor die vicarie onder de inkomsten voorkomen.

Onder de uitgaven worden, na vermelding der verponding en verdere lasten der goederen van iedere afzonderlijke vicarie, in rekening gebracht de algemeene uitgaven van tractement van den collecteur, het doen en opnemen der rekening enz.,

13TJ

-ocr page 546-

194

en verder de renteu van de kapitalen geneyotieerd ten laste van de tertiën, bij de Armen Noodhulp enz. In 1765 bedroeg zulks f 600 geleend kapitaal. Ook leende dit comptoir der tertiën tijdelijk wel eens geld bij de afzonderlijke vicariën, tegen eene bepaalde rente. In liet algemeen was het te Amersfoort, evenals met de comptoiren der Staten: de eene rentmeester of ontvanger leende bij den anderen of gaf aan een der anderen. Zoo vindt men in de rekening over 1765—7 een buitengewonen post van overstorting van gelden door den collecteur der tertiën op het comptoir van het trekpad, luidende: „Extra or dinar is Uitgaaf „van subsidie hij de Heer en Regeerders ten laste van het Comptoir „van de Tertiën geslagen.quot;

„Betaald aan den heer E. J. Montauban de somme van ƒ 1000 „tot subsidie van Z. E. comptoir als Cameraar van het Trekpad „met den aankleve van dien, volgens ordonnantie van den Raad „in dato 1 February 1768, ƒ 1000.—quot;

Het batig of nadeelig slot der rekening van de tertiën werd overgebracht onder de ontvangsten of uitgaven van de volgende rekening, die steeds om de 3 jaren werd gedaan en meestal sloot met een overschot.

Onder de algemeene uitgaven treft men, in den aanvang, steeds eenen post aan voor tractementen van twee der predikanten, later eene uitgaaf voor een proponent te Amersfoort en, ten laatste, betalingen aan weduwen van predikanten te Amersfoort. In later tijd werden de tractementen der predikanten niet meer uit dit Comptoir der Tertiën betaald, maar uit het Comptoir der Mansconventen en dat der Vrouwenconventen voldaan door de stedelijke rentmeesters der comptoiren. Bovendien werd een der vicariën een tijdlang aan een der predikanten gegeven.

Wat er na 1767 met deze vicariën gebeurd is, ligt in het duistere, daar de rekeningen ontbreken. Evenzoo is het vreemd, dat er zoovele vicariën sedert dien tijd zijn uitgestorven en opgeruimd.

-ocr page 547-

§ 6

Gebenelicieerde goederen (vicariën) te Wijk bij Duurstede.

Te Wijk bij Duurstede wareu evenals overal elders natuurlijk ook eenige vicariën gesticht, grootendeels in de kapittelkerk van St. Jan Baptist aldaar, maar ook in de (afgebroken) kapel en in het gasthuis aldaar.

De opnoeming derzelve vindt men, ofschoon niet geheel volledig, in de rekening van Gerrit van den Eobbaert aldaar over 1583/4 tot behoef van de kerken-dienaers der stadt Wijck bij Duurstede, met vermelding der toenmalige possesseurs en gedeeltelijk ook van de collators, doch zonder opnoeming van goederen. Deze rekening aanwezig op het stadsarchief te Wijk bij Duurstede is in haar geheel medegedeeld bij VerLoren, blz. 259.

In de rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, Floris van Weede fol. 112quot;—178\'r over 1586/8, aanwezig op het stadsarchief te Utrecht, worden die vicariën eveneens opgenoemd, met bijvoeging bovendien der goederen en van de inkomsten daarvan ontvangen. Zie de mede-deeling daarvan bij VerLoren, blz. 262—266.

In beide stukken zijn echter niet alle vicariën vermeld, die in der tijd te Wijk bij Duurstede gefundeerd zijn geweest, zooals in het rapport van Mr. de Geer uitvoeriger is medegedeeld, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen, als ook ten aanzien der nadere détails, betreffende de wijzigingen der vicariën en de vermindering van het getal sedert dien tijd.

Een latere vermelding dier vicariën treft men aan in een Manuaal of Blafferd der beneficiën, staande ter begeving van

-ocr page 548-

196

den stadhouder, opgemaakt in of na 1683 (aanwezig in het stadsarchief te Utrecht, register E. voorl. n0 524), waarin echter alleen de vicarien zijn vermeld, die de stadhouder had te begeven als collator (zie de mededeeling bij VerLoren, blz. 266—268) met bijvoeging der goederen of wol der kapitalen van de toen reeds verkochte goederen, waarvan de koopprijzen in obligatiën op de provincie belegd waren.

Eene latere vermelding is te vinden in de rekeningen van den Rentmeester der fjeheneficieerde goederen te Wijk hij Duurstede, wel te onderscheiden van de Rentmeesters der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht in §§ 2 en 3 vernield. Deze zijn echter niet vroeger dan van 1701/2 voorhanden, te weten die van J. A. Coll over 1702/3 en eene nog latere van zijn collega D. Bonebakker over 1819 (zijnde de laatste rentmeester der gebeneficieerde goederen aldaar) beide opgenomen bij VerLorex , blz. 268 en volgende en 274 en volgende. In do laatstgemelde rekening komen echter de oicariën van Zijne Excellentie (stadhouder) niet meer voor. Deze rekeningen van 1702—1319 bevinden zich in het archief der kerkvoogdij te Wijk bij Duurstede. De vroegere zijn verloren geraakt.

Na dien tijd, toen de administratie dezer quot;Wijksche ontvangers der gebeneficieerde goederen aldaar is overgegaan in handen van kerkvoogden, wordt in de rekeningen dezer laatsten over 1820 en volgende jaren geene afzonderlijke vermelding meer gedaan der goederen afkomstig van vicariën, doch is alles door-eengemengd met de kerkgoederen, waarover zij en vroeger de kerkmeesters van ouds hun beheer hebben gehad, zoodat het moeilijk is uit te maken wat kerkgoederen en wat vicariegoederen zijn; waarover straks nader.

In het stadsarchief te Wijk bij Duurstede is ook nog aanwezig een Staet van \'£ Comptoir der gebeneficieerde goederen tot Wijck, opgemaakt op het einde der 16e eeuw, en in het kerkarchief aldaar een Manuaal van ontvang en uitgaven betrekkelijk het kerkgebouw en fondsen van de Hervormde gemeente te Wijk hij Buurstede, opgemaakt in 1824, waarin in het 9® kapittel.

-ocr page 549-

197

worden vermeld: Ontvangst wegens de voormalige geheneficieerde goederen, terwijl in de uitgaven aan het slot, ook de uitgaven te dier zake zijn vermeld. De daarin vermelde posten zijn echter niets anders, dan die in de bovengemelde laatste rekening (1819) van den rentmeester der Wijksche gebeneficieerde goederen vermeld staan.

Gaan wij nu nader den stand van zaken te Wijk bij Duurstede tijdens de reformatie na en het verloop van dien.

quot;Wij vinden dan in 1583 de vicariën aldaar onder beheer van een der kerkmeesters daartoe belast, ontvangende zeker bedrag uit de inkomsten dier goederen van de possesseurs of vicarissen, die dezelve als zoodanig in gebruik hadden en de vruchten trokken. De rekening over ]5S;3 en de latere zijn aanwezig op het stadsarchief te Wijk bij Duurstede. Vroegere kerkmeesters-rekeningen vóór de reformatie zijn daar niet aanwezig.

Het hoofd der le (aanwezige) rekening luidt: Rekening heicijs ven reliqua van Gerrit van den Fiohhaert tot lel toef van de „kerkendieneiers der Stadf Wijck tot Duurstede van deszelfs beheer „tot het jaer beginnende Si. Victoris 83 tot Victoris 84quot;.

Zoowel uit het hoofd als uit den inhoud dier rekening blijkt dat wij hier te doen hebben met eene nieuwe instelling, die na de reformatie in \'t leven is geroepen, of ten minste eene speciale rekening, opgemaakt door een van de kerkmeesters aan wien het beheer der vicariegoederen en wat daarmede in verband stond was opgedragen. Dus niet met de rekening der gezamenlijke kerkmeesters loopende over de kerkfabriek of kerkuit-gaven, want in de gezegde rekeningen komen geene uitgaven voor van onderhoud en reparatie der kerk enz., maar alleen voor het tractement van den predikant, den rector van de latijnsche school en den conrector, of zooals hij daar zeer beschei-delijk genoemd wordt, de ondermeester (ad f 10 \'s jaars) en geene andere of meerdere uitgaven.

De ontvangsten bestaan dan ook alleen uit een aandeel of zoogenaamd quotum, dat uit de opbrengst der vicariegoederen waarschijnlijk door de possesseurs der vicariën werd uitgekeerd

-ocr page 550-

198

aan dien rentmeester; wijders uit eene bijdrage uit kapittelgoederen , betaald wordende door de kapittelheeren, ter somma als door de Staten werd bepaald (zie resolutiën der Gedeputeerde Staten van 10 December 1614 en 10 September 1621 , VerLoken , blz. 548), en eene uit de kloostergoederen van Maria Magdalena, betaald wordende door de klooster-jonkvrouwen en conventualen. Van ontvangsten der kerkgoederen wordt niets gemeld. Er moet dus destijds ook nog eene andere rekening betreffende de kerkgoederen hebben bestaan, die echter verloren is gegaan en eerst over latere jaren voorhanden is.

Wie nu in 1583 dezen specialen kerkmeester, rentmeester, ontvanger, of\' hoe hij ook heeten mag, der vicariën had aangesteld is onzeker. Waarschijnlijk hebben de regeerders van Wijk bij Duurstede of misschien de Staten of hunne Gecommitteerden tot de geestelijke goederen (Directiekamer) hem benoemd. Het is evenzeer onzeker aan wien hij rekening deed, maar waarschijnlijk zal hij die aan de regeerders van Wijk hebben gedaan, evenals de gezamenlijke kerkmeesters toen ter tijd en ook later hunne rekeningen over de kerkgoederen aan den Magistraat aflegden. Men moet niet vergeten, dat de kerkmeesters toen ter tijd en ook vóór de reformatie niet werden gekozen door de kerkelijke gemeenten, maar door den Magistraat, den Maarschalk van het kwartier of ander publiek persoon. Deze kerkmeesters waren dus publieke personen.

Volgens de bepalingen van art. V van het redressement en de aanstelling van Floris van Weede tot rentmeester der gebe-neficieerde goederen in 1586, zou hij toen door dezen moeten vervangen z|jn, die volgens instructie alle vicariën in de provincie zou administi eeren. Deze begaf zich dan ook te dien einde naar Wijk bij Duurstede, doch kon daar niets uitrichten. In diens rekening over 1586/8 vindt men wel goederen der vicariën te Wijk bij Duurstede opgegeven, maar geene ontvangsten, zoodat zijne zending in Wijk, evenals in de overige steden geen resultaten schijnt opgeleverd te hebben, zoodat gemelde Robbaert en zijne successeuren hun gang zijn gegaan.

-ocr page 551-

199

totdat in 1606 een speciale ontvanger of rentmeester uitsluitend voor de gebenefieieerde goederen te Wijk bij Duurstede optreedt.

In de rekeningen der (gezamenlijke) kerkmeesters te Wijk bij Duurstede van later, viudt men dan ook geene vermelding meer van inkomsten uit de vicariegoedcren, maar daarentegen ook geene uitbetalingen van tractementen aan predikanten, schoolmeesters of kosters, die nu door den nieuwen rentmeester der Wijksche gebenefieieerde goederen worden betaald en vroeger door den specialen kerkmeester over de vicariegoederen en inkomsten.

Wie dezen nieuwen rentmeester, (als gezegd wel te onderscheiden van den rentmeester der gebenefieieerde goederen \'s Lands van Utrecht ten plattelande) had aangesteld, blijkt almede niet, doch waarschijnlijk is hij en zijne opvolgers door den Magistraat te Wijk bij Duurstede aangesteld, omdat zij aan dezen met den Hoofd-Officier rekening deden. Opmerkelijk echter is het, dat tegelijk met dien rentmeester ook de tertiën komen in de plaats der vroegere quotisatiön, die de possesseurs der vicariën moesten missen. Het verlof om tertiën te mogen innen te W\'ijk bij Duurstede, gepaard met liet gebod aan de possesseurs der vicariën om die te moeten geven aan den rentmeester, zal zeker wel door de Staten verleend zijn, omdat de tertiën in de plaats traden der quotisatiën, die door de Staten bepaald werden, zooals wij leeren uit de rekening van Floris van Weede, fol. 178 verbis: „Item geeft noch den possesseur „jaerlick van dese voors. incompstquot; (der vicarie gesticht door Bisschop David van Bourgondië) „tot onderhoudinge van den „predikant deur ordonnantie van de Staten de aoiiime van achttien guldensquot;. (VerLoren , blz. 265.)

en fol. 178\' Vicarie aan de afgebroken Capelle bij Wijck.

„Van welcke voorsz. Vicarye, gelegen binnen den voorsz. stede „van Wijck, dese rendantquot; (FU ris van Weede) „tijde deser reke-„ninge niet heeft connen ontfangen, deurdien mijn E. heer en „Staten doen ter tijt alsnoch geen sekere resolutie genomen „en hadden, wat ende hoeveel men uytte voorsz. Vicarye aen

-ocr page 552-

200

„hem Rendant soude betalen, mitsgaders deur faulte van debit „is, die hem seer laet verleent is geweest, ende noch laeter ter „executie is geleyt, deur verscheyden obstaoulen, hier te lang „te verhalenquot;. (Ibid. blz. 266.)

Waarom er te quot;Wijk zooveel vroeger als te Utrecht, Amersfoort en te Rhenen verlof is gegeven tot hot facto heffen van terticn door de stedelijke regeering, in plaats van door den rent-mer er der gebeueficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, blijkt niet, maar het ligt voor de hand, dat ook te Wijk bij Duurstede dit verlof is uitgegaan van de Staten (als eigenaars der vicariegoederen) evenals in 1660, 1661 en 1670 voor de gemelde steden. (VerLoken, blz. 551.)

Deze Wijksche rentmeesters der gebeneficieerde goederen aldaar zijn in functie gebleven tot in 1820. Hunne rekeningen bestonden uit dezelfde bestanddeelen van ontvangsten en uitgaven als de vroegere van den specialen kerkmeester voor de vicariën, te weten de ontvangsten uit de tertiën der vicariën, de uitkeering (quotisatie) van het Kapittel, van het Vrouwen convent en kleine bijdragen voor den kerkmeester van het gasthuis en van de Pothmeesters — en de C itgaven in betalingen, van tractementen aan predikanten, later ook aan den koster en organist. De scholen waren er toen buiten.

De tertie van de renten op de provincie wegens kapitalen van verkochte vicariegoederen schijnen die rentmeesters niet van de vicarissen te hebben gebeurd, doch die zeiven te hebben ingevorderd en ontvangen op het comptoir der generale middelen , alwaar die renten betaalbaar gesteld waren. Dit is op te maken uit de posten in de rekening van 1702 (VerLorek, blz. 268) verbis „ontfangen op \'t comptoir der generale middelen „tot Utrecht het darde part van de renten van een kapitaal „van etc.quot; In latere rekeningen o. a. 1743/4 staat ook nog steeds op het comptoir, doch in de nog latere van het comptoir, in die van 1806 en volgende jaren uit of van het comptoir.

De tertiën van de vruchten en inkomsten der goederen echter schijnt de rentmeester, zoover uit de rekeningen is op te maken

-ocr page 553-

201

van de possesseurs der vicariën te hebben bekomen, zoodat hij die goederen niet zelf moet geadministreerd hebben met uit-keering van de f aan den vicaris.

Deze ontvangsten van renten, op, van, of uit het coinptoir der generale middelen, loepen door tot op 1808, doch in de rekening over 1810 worden die voor memorie uitgetrokken, zoodat er toen verandering is gekomen en zij later verdwijnen.

Onder de ontvangsten komt in de rekeningen over 1807 tot en met 1810 in het 2e kapittel van ontvangst van de vicaryen vonr deeze genaamd Zijn Excellentiën Vicaryen een nieuwe post voor, luidende: „Van weegens den Lande wordt tot betalinge „van predikaats tractementen jaarlijks betaalt f 1129-16-, bij „quitantiën van drie maanden tot drie maandenquot; enz.

Later echter verdwijnt deze post weder en zelfs het geheele kapittel van Zijne Excellenties vicariën, zooals o. a. blijkt uit de laatste rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen over 1819 (VerLoren, blz. 274), waarin echter toen eene nieuwe post voorkomt van rente van een kapitaal van /2200 op het 2i % Grootboek der Nat. Schuld.

Op wiens naam die inschrijving op het Grootboek staat, wordt er niet bijgevoegd.

Onder de uitgaven komen in die latere rekeningen de tractementen der predikanten niet meer voor, doch alleen die van den koster, organist en verdere huishoudelijke uitgaven.

De rekeningen dezer rentmeesters der gebeneficieerde goederen te quot;Wijk van 1703 tot 1819 zijn aanwezig in het archief der kerkelijke gemeente aldaar, waarvan ons welwillend inzage is verleend. De vroegere ontbreken. Na 1795 worden zij niet meer, als vroeger, gedaan aan en opgenomen door den magistraat te quot;Wijk bij Duurstede, maar aan en door gecommitteerden tot de finantieele belangen der Hervormde Gemeente aldaar. De rentmeester had dus toen reeds een kerkelijk karakter verkregen.

Dit werd kort daarop bevestigd bij een reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van den eere-dienst bij de Hervormde Gemeente in de provincie Utrecht,

-ocr page 554-

202

goedgekeurd bij Kon. besluit van 14 Maart 1823 , n0 95, waarbij de kerkvoogden der Hervormde Gemeente te quot;Wijk bij Duurstede bevoegd zijn verklaard, de functiën van den vroegerea ontvanger der gebeneficieerde goederen aldaar uit te oefenen.

Waar dit Koninklijk besluit ergens te vinden of vermeld is, hebben wij niet kunnen ontdekken. De kerkvoogden te Wijk bij Duurstede verklaarden ons, er niet van af te weten. Het wordt echter aangehaald in een vonnis der rechtbank te Utrecht van 26 Juni 1844 in zake kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Wijk bij Duurstede tegen den heer Th. W. J. Robert, grondeigenaar te Jutphaas (1). Op grond daarvan werden dan ook de kerkvoogden bevoegd verklaard, de tertie der vicarie uit het inkomen van de Vrouwe van Gent, gevestigd op de ridderhofstad Rhijnenburg en bijbehoorende landerijen onder Jutphaas op te vorderen, ten behoeve der Hervormde kerk te Wijk bij Duurstede en werd de gedaagde als eigenaar derzelve huizinge en gronden veroordeeld om aan die kerk te betalen de som van f 24.33 jaarlijks voor de tertia uit die vicarie, verschenen geweest den 25 September 1842. Deze vicarie is waarschijnlijk gevestigd geweest op St. Catharina altaar en wordt in de rekening van J. A. Coll over 1702/8 (VerLoren, blz. 268) vermeld als „de vicarye van Petrus Taurinus uyt het incomen van de „vrouwe van Gent, verschenen25 September 1703 .. . ƒ 24-6-10.quot;

In latere rekeningen staat: „Ontvangen van de heer van „Rhynenborgh wegens de tertia van de vicarye gepossedeert „bij Joris van Didenhoven uyt het incomen van de Vrouwe „van Gent.....quot; etc.

In die van 1819 heet het: „Ontvangen van Catharina van „Benschop wed. Arie Kippesluis de tertia uit de vicarye voor-„heen bezeten bij de heer Abbema uyt het inkomen van de „Vrouwe van Gent geaffecteerd op de huisingen en landerijen „van Ehynenburg te Jutphaas, verschenen den 25® September „1819................/24-6-10.quot;

(1) Eechtsgel. Bijblad, VI, blz. 592.

-ocr page 555-

203

Er schijnt dus toen geen possesseur der vicarie meer geweest te zijn of ten minste niet bekend geweest te zijn, die de restee-rende f ontving, terwijl uit de procedure blijkt, dat het 5 als tertia door de kerkvoogden rechtstreeks van den eigenaar van Rhijnenburg werd ontvangen en niet van den possesseur dier vicarie, die toen niet meer bestond. Het is echter onzeker of die ƒ 24-6-10 slechts was een derde van de verschuldigde losrente of grondrente gaande uit Rhijnenburg, dan wel het ge-heele verschuldigde bedrag, want de goederen van vicariën zelven werden ook wel eens gedeeld tusschen den vicaris en den tertie-heffer, zoodat ieder zijn eigen part daarvan ontving en beheerde.

Het komt mij voor, dat de Hervormde Gemeente te quot;Wijk bij Duurstede in dit reglement van 14 Maart 1823 een titel heeft, waarop zij eene verjaring kan bouwen, tot verkrijging van eigendom der onroerende zaken en rechten, die vroeger door den ontvanger der gebeneficieerde goederen te Wijk bij Duurstede werden beheerd, doch in 1820 op haar zijn overgegaan en beheerd zijn geworden door hare kerkvoogden. De strekking toch van dit reglement en Koninklijk Besluit is blijkbaar geene andere, dan dat de goederen en inkomsten dier voormalige vicariën aan de Gereformeerde Gemeente te Wijk bij Duurstede voor goed werden afgestaan, zoodat die gemeente in ieder geval door 20 jarig en zelfs 30 jarig bezit reeds lang en breed daarvan eigenares is geworden en zich bovendien op prescriptie zou kunnen beroepen, indien de Staat tegen haar eene actie tot revindicatie zou willen instellen. Alleen zou er nog twijfel kunnen bestaan over de inschrijving van /quot;2200 in het 2| 0/o Grootboek der Nationale Schuld, vermeld in de rekening van den rentmeester der gebeneficieerde goederen te Wijk over 1819, indien die was ingeschreven, als hehoorende aan een of meer vicariën aldaar. Daar zulks echter onbekend is en niet blijkt, noch ook of de tegenwoordige inschrijving van Zquot; 6000 in gemeld Grootboek, voorkomende in de tegenwoordige rekeningen der kerkvoogdij, staat ten name van vicariën, kan het Rijk daarvan niets pretendeeren ter zake van vicariën.

-ocr page 556-

204

Evenmin zou het Rijk mijns erachtena met vrucht eene actie tot revindicatie der gronden en erven, waaruit de tertie betaald wordt kunnen instellen, daar liet Rijk dan zou moeten bewijzen: 1° dat die gronden in der tijd hebben behoord tot deze of geene vicarie, \'t welk de gedaagde natuurlijk zal ontkennen, en 2° dat de tegenwoordige bezitter die bezit of daarvan de vruchten trekt, als possesseur vau eene vicarie en niet animo sibi habendi, als eigenaar.

Dit bewijs zal uiterst moeielijk te leveren zijn, daar in de rekeningen van de ontvangers van de gebeneficieerde goederen te Wijk bij Duurstede wel de vicariën worden vermeld met de possesseurs en het bedrag van het i der inkomsten der respectieve goederen, dat als tertie werd ontvangen, maar (behalve enkele uitzonderingen), niet de goederen zeiven, waarvan de respectieve possesseurs de vruchten trokken.

Bovendien heeft hot Rijk geen enkel stuk in handen, dat tot de bewijslevering noodig is, want de gemelde rekeningen van de successieve rentmeesters der gebeneficieerde goederen te quot;Wijk bij Duurstede zijn in handen van de Hervormde Gemeente aldaar.

Ten andere is het, voor zooveel betreft de uitgangen uit de huizen in die rekeningen vermeld, de vraag of niet liet geheele bedrag daarvan was begrepen in de tertie, die de rentmeester en latere kerkvoogden ontvingen. Immers bij vele vicariën was dit, als gezegd, het geval, waarbij niet de inkomsten, maar de goederen tusschen den possesseur der vicarie en den heffer der tertiën verdeeld waren.

Voor de uitgangen uit de huizen te Wijk bij Duurstede kan men welhaast met zekerheid aannemen, dat hetgeen de rentmeester ontving, was het volle bedrag, niet j gedeelte. Ook zelfs van de grondrente, die uit Rhijnenburg te Jutphaas betaald werd, achten wij het als gezegd waarschijnlijk, dat de /quot;24-6-10 was alles wat er uitbetaald werd. In ieder geval zou het Rijk moeten beginnen met te bewijzen, dat er behalve die som bovendien nog /quot;49-13-4 aan den possesseur werd voldaan,

-ocr page 557-

205

dus in het geheel /74-9-14. Dit bewijs is nooit te leveren en al kon het geleverd worden, dan zou de eigenaar zich nog op prescriptie kunnen beroepen, omdat hij in de laatst verloopen 30 jaren geen /\'49-13-4 betaald heeft, maar slechts /24-6-10.

De slotsom waartoe ik kom ten aanzien der vicariegoederen te Wijk bij Duurstede indertijd gefundeerd, is, dat niettegenstaande de Staat krachtens art. 5 van het redressement eigenaar is geworden en gebleven ook van de goederen tot die vicariën behoord hebbende, echter die eigendom reeds sedert lang door verjaring of prescriptie is verloren, zoodat het zeer is af te raden, daarover procedures tot opvordering in te stellen.

Het is nu te laat, om met eenig uitzicht op goed gevolg daaraan nog te beginnen.

Hiermede zouden wij nu van de Wijksche gebeneficieerde goederen met inbegrip der (gewezen) vicariegoederen kunnen afstappen, indien niet onder de opgaaf der inschrijvingen op het Grootboek der Nat. Schuld, wegens vicariën in de provincie Utrecht aan ons toegezonden (zie Bijl. I en II behoorende bij dit rapport) voorkwam in het 2.^ quot;/o Grootboek (Bijl. I) eene inschrijving, luidende: „litt. W, Deel 18, No. 5330. Wijk bij ,Duurstede (Jan Albertus de Ridder te Grebbe, gemeente Rhenen „als vicaris van zekere familie-vicary in de kerk van St. Jan „Baplistte) op St. Maria en Barbara altaar, gefundeerd bij Gerrit „Jacobse in den Eng, ten behoeve van gemelde vicary /1900 „(laatste rentheffer) I. A. de Ridder te Grebbe. Rhenen 1 „Jan narij 1880.quot;

Er blijkt dus uit de inschrijving zelve, dat de heer de Ridder die rente geniet in hcaliteit en wel als vicaris, dus niet als eigenaar. Hij is dus slechts vruchttrekker, kan zich dus nimmer op verjaring beroepen (art. 1906 B. quot;W.) door te beweren, dat hij suo nomine heeft bezeten, want de inschrijving wijst het tegendeel aan.

Als vicaris of possesseur is hij ook onderworpen aan alle wetten en ordonnantiën op het stuk van vicariën reeds gemaakt

-ocr page 558-

206

of nog te maken, zooals in de benoemingeD der Staten er uitdrukkelijk steeds werd bijgevoegd. (VeeLoren, blz. 570)

Welke vicarie hier bedoeld wordt is onzeker. De beschrijving is wel duidelijk, maar in de vroegere rekeningen is die vicarie niet te vinden.

Wel is waar komt in de bovengemelde rekening van G. van den Robbaert over 1583/4 voor eene vicarie van Maria Mayda-lenae en St. Barbara, 3 misse ten week, waarvan toen possesseur was de zoon van Mr. Johan van Oostrum gequotiseerd op /quot;5, maar er wordt bijgevoegd: „gefundeert hij die van Driebergen, (VerLorex, blz. 261) terwijl in de Inschrijving op\'t Grootboek staat: „gefundeerd bij Gerrit in den Eng.quot; Dit komt alzoo niet overeen, tenzij die Gr. in den Eng namens de inwoners van Driebergen of in eenige andere qualiteit die gefundeerd heeft.

Onmiddellijk daarop volgt dan in die rekening „de vicarie „van St. Barbara, waarvan de collatie competeert den Deken „eu Capittel daarvan Christiaan Coell possesseur is — voor „als nog ongequoteerd.quot;

De vicarie van Maria Magdalena en Barbara en — die van Barbara waren dus naar \'t schijnt twee afzonderlijke vicariën , die niets met elkander gemeen hadden.

In de rekening van Floris van Weede 1586/8 le rentmeester der gebeneficieerde goederen, komt wel voor eene vicarie van St. Maria Magdalene „gedoteerd St. Josephs altaar, possesseur onbekendquot; ( VerLorex, blz. 2G21, maar niet van Maria Magdalena en St. Barbara. Het is echter blijkbaar dezelfde vicarie, omdat in het slot der opnoeming van de goederen ook wordt gewag gemaakt van dienzelfden Johan van Oostrum, als volgt:

„Aengaende die fundatie heeft voornoemden Johan van Oost-„rum verclaert dselve, en mits zeecker proces eerijds ter cause „van dese vicarie verresen, vermist te sijn. Ende heeft in plaetse „van dijen geexhibeert sekere sententie voor den Officiael van „Oude munster op deselve vicarie geobtineert voor den heer „Alphert van Oostrum, laetste possesseur.quot;

De fundatiebrief was dus destijds reeds zoek, zoodat daarin

-ocr page 559-

207

wellicht de verklaring kan liggen van het verschil in de opgaaf van den fundateur te weten Gerrit Jacobse in den Engh of die van Driebergen.

Verder vindt men van deze vicarie niets in later tijden, noch in den Blafïert der beneficiën, staande ter begeving van den stadhouder in of na 1683 opgemaakt (VerLoren, blz. 266), noch in de rekeningen der rentmeesters van de Wijksclie gebene-ficieerde goederen (VekLoren, blz. 268 — 77), want de vicarie van Barbara en Jan Baptista en dartigh duysent Martelaeren (ibid blz. 273 en blz. 296) in de rekeningen over 1702 en 1819 is ons erachtens eene andere dan die vermeld in het Grootboek.

Overigens doet liet bij deze vicarie en de rechten van den Staat op het kapitaal van f 1900, 2 J 0/o) wimg fif»\'wi^e vicarie het eigenlijk is en op welk altaar die indertijd was gevestigd. De Staat behoeft hier niet meer te bewijzen, zooals bij landerijen, erfpachters, uitgangen, enz. dat het vicariegoed is en daarvoor in vroeger tijd ook steeds heeft bekend gestaan, want de inschrijving zelve bewijst dit reeds.

Bovendien blijkt uit de stukken in bijlage IX behoorende bij dit rapport en wel uit een register berustende op het Departement van Biunenlandsche Zaken, inhoudende alle de resolutiën in zake praebenden, vicaryen en soortgelijke beneficiën, genomen van af 16 Juny 1807 tot op heden (No. 810 van het register), dat gemelde tegenwoordige possesseur Jan A\'bert us de Ridder, bij resolutie van den Minister van Biunenlandsche Zaken van 13 Sept. 1865 als zoodanig is toegelaten, op voordracht van den toenmaligen collator D. L. de Bidder.

Aan ontkenning van een en ander door den possesseur, valt dus voor hem niet te denken. Vreemd is het, dat deze vicarie niet onder beheer is geweest van de successieve rentmeesters der quot;Wijksclie gebeneficieerde goederen en vervolgens van kerkvoogden, doch na jaren lang verdwenen en onzichtbaar te zijn geweest, in 1843 op eenmaal weder is komen opdoemen, als een komeet, die plotseling aan den horizon verschijnt. In dat jaar heeft de heer Jan de Bidder, rentenier woonachtig te

-ocr page 560-

208

Schalkwijk, als collator der vicarie, aan den Minister yan Binnenlandsche Zaken aanvraag gedaan tot confirmatie der benoeming van Godert de Ridder te quot;Wijk bij Duurstede, door hem gedaan tot possesseur dier vicarie, welke confirmatie als-toen op 20 October 1813 door dien Minister is verleend. (N0. 526 van het Register.) De benoeming zelve ligt mede onder de stukken van Bijlage IX.

Later is die vicarie begeven aan Gr. de Ridder, landbouwer aan de Grebbe, bij confirmatie door den Minister dd. 30 Juli 1853 (N0. 061 van het Register) en vervolgens op den tegen-woordigen possesseur.

Wanneer de inschrijving op het Grootboek is genomen en door wien, is mij onbekend, doch zou bij de Directie van het Grootboek te informeren zijn.

De familie de Ridder zal zeker ook wel weten waar deze vicarie van daan komt en wat er vroeger mede gebeurd is.

Uit do missive van 7 Augustus 1843 van den Minister van Binnenlandsche Zaken aan den Gouverneur der provincie Utrecht (mede aanwezig onder Bijlage IX,) schijnt te moeten opgemaakt worden, dat Jan de Ridder toen voor het eerst optrad als collator der vicarie, omdat hij blijkens die missive had aangevraagd , om erkend te worden als patroon derzelve, iets dat wel niet noodig ware geweest, indien hij reeds een voorganger van patroon of collator had gehad. Hij schijnt dus van meening te zijn geweest, dat de vicariën niet waren een luilekkerland, waar men zoo maar kon binnenstappen en zich dadelijk te goed doen, maar dat men zich vooraf op de eene of andere wijze, diende te legitimeeren als collator. Doch de Minister achtte zulks onnoodig en liet hem melden, dat hij maar dadelijk als patroon aan den gang kon gaan en een possesseur voordragen.

Of er in het gemelde Register nu ook vroegere benoemingen door andere collators gedaan en door den Minister geconfirmeerd voorkomen, is mij onbekend. Hetgeen ik daaromtrent mededeel, zijn, zooals uit de onderteekening blijkt, aanteekeningen door het geachte lid onzer commissie Ds. van Beuningen in der tijd

-ocr page 561-

209

uit dit register genomen, van wien ik hij toeval vernam, dat er een dergelijk register bestond.

Ik veroorloof mij hier in het voorbijgaan op te merken, dat het mij verwondert, dat onze commissie van het bestaan van dit gewichtig document geheel onkundig is gelaten. Indien het der Regeering werkelijk ernst is, om eene wet op de vicariëi; te maken, zou naar mijne bescheiden meening, het eerste werk ter voorbereiding daarvan moeten zijn, dat er aan het Departement van Binnenlandsche Zaken een behoorlijk register werd gemaakt van de daarin successievelijk vermelde vicariën, die in iedere provincie zijn begeven , opdat men ten minste wete welke facto begeven zijn.

De slotsom onzer beschouwing is, dat er van de goederen der vicariën indertijd te quot;Wijk bij Duurstede gefundeerd, behoorende tot de gebeneticieerde goederen aldaar, waarvan de Staat, bewijsbaar , thans nog steeds eigenaar is, niets anders is overgebleven, dan de evengemelde inschrijving op het 2^ percent Grootboek der nationale schuld, groot nominaal f 1,900.

14u

-ocr page 562-

§ 7-

Gebeneficieerde goederen (vicariën) te Rhenen.

Behalve ia de St. Cunerakerk, die geen kapittelkerk was, doordien er te Rhenen geen kapittel is geweest, waren er ook in de kerk van het klooster en die van het Gasthuis aldaar eenige vicariën gefundeerd. Kapittelvicariën waren er dus niet en zoover bekend is, had de Ridderlijke Duitsche Orde balye van Utrecht, hier ook geene vicariën te begeven als collator, ofschoon Rhenen een der commandeurijen dier Orde was.

In den Inventaris van de gheestelijcken goederen en den Steden ende ten platte Lande van Utrecht (van 1583?) fol. 147—155, als ook in de rekening van Floris van Weede 1586/8, fol. 179—187, worden 8 vicariën vermeld met de goederen en inkomsten. (Zie VerLoren, blz. 283—89), (men vindt die ook bij van Heussen en van Rhi.in , Beschrijving van het Utrechtse he Bisdom, III, blz. 107—125) en bovendien nog eene op het altaar van Ste. Maria, en de vicarie of Broederschap van Ste. Cunera. Deze laatste komt ook voor in gemelden Inventaris, fol. 157, en in de Rekening, fol. 188 v., doch niet als vicarie, maar als „goederen behorende aen St. Cunera Gilde tot Rhenen.quot; Niettemin neemt Floris van Weede die op onder de goederen behoorende tot de gebeneficieerde goederen, en wel onder de vicariën. Buitendien vindt men iu de rekeningen van den rentmeester (der Staten) van het St. Agniete Convent te Rhenen gewaagd van eene vicarie van de Heilige Drievuldigheid, waarvan ook gewag gemaakt wordt in de Lijst der begevingen van vicariën door de Staten van 163U—1680 (Rijks-archie fte Utrecht, Register,

-ocr page 563-

211

ii0. 322, gedrukte Inventaris, blz. 85), als zijnde op 20 Juli 1650 tegelijk met die van Ste. Barbara (ook eene onbekende vicarie) gegeven aan Jonkheer Carel Valcenaer. Yan deze nea-riën wordt echter nergens elders eenige melding gemaakt.

Wie de goederen dier vicariën te Bhenen beheerde vóór de Reformatie, is onzeker. Waarschijnlijk zullen de vicarissen die onder zich gehad hebben, zooals ten minste behoorde en de regel was. Docli reeds vóór de Reformatie schijnen de kerkmeesters over de inkomsten der vicariegoederen eenig beheer en gezag te hebben gehad, zooals valt op te maken uit de rekeningen dier kerkmeesters of cameraar-kerkmeesters, aanwezig op het stadsarchief te Rhenen van 1570—1819. Na 1819 zijn die rekeningen niet meer aanwezig in het gemeente-archief aldaar, omdat er toen eene andere regeling schijnt plaats gegrepen te hebben, waarbij de kerkgoederen onder beheer dei-kerkvoogden zijn gebracht, even als te Wijk bij Duurstede, alwaar, zooals wij in § 6 gezegd hebben, ook in 1819 de rentmeester der gebeneficieerde goederen defungeerde en vervangen werd door kerkvoogden. (Zie VerLoren, blz. 257). In die van 1570 2 komt voor een caput, luidende: „ander uitgeven van „presentiën der Heeren Vicaren, Scholaren, Custos ende Cho-„ralenquot;, waarna alsdan volgen de namen der personen, aan wie de presentiegelden werden uitbetaald door de kerkmeesters. In de rekening van 1583/4 en de latere komen deze uitbetaalde presentiegelden echter niet meer voor, ten minste niet bij name. Mogelijk is het echter, dat de inkomsten dier goederen schuilen onder de ontvangsten en wel ouder die van thinsen, renten of wel van pachten, doordien er in die rekeningen geene aanduiding wordt aangetroffen vanwaar de diverse posten van ontvang herkomstig waren.

In de rekening van den Cameraer-kerkmeester over 1612 vindt men echter onder de ontvangsten eeu afzonderlijk kapittel of somma luidende: Ander ontfanck van pachtgoederen behoor ende onder die vicarie (te weten: de Gusthuis-vicarie). Daarin worden dan eenige landerijen vermeld, zooals te zien

-ocr page 564-

212

is bij VerLoren, biz. 291, alwaar de posten, worden medegedeeld. Het is echter niet duidelijk of die posten toen werkelijk waren ontvangen, of wel of het bloot is eene aanduiding van de gewone opbrengst. Evenmin is het duidelijk of die opgaven alleen betreffen de Gasthuisvicarie, dan wel ook nog andere vicariën. In de latere rekeningen der kerkmeesters vervalt dit kapittel weder, zoodat men daarin dan even als vroeger niets anders vindt dan opgaven van ontvangen pachten, zonder eenige nadere uitduiding.

Het is alzoo onzeker, hoe het eigenlijk gelegen was met de administratie der vicariegoederen aldaar, alsook of van de revenuen op de eene of andere wijze door de vicarissen iets werd betaald ten behoeve der predikanten of wel werd ingehouden te dien einde door de kerkmeesters. De rekeningen wegens ontvangsten en uitgaven van vicariegoederen, werden alzoo te Rhenen gedaan door de kerkmeesters, zooals ook in den aanvang te quot;Wijk bij Duurstede het geval was, doch niet zooals daar (zie § 6) door een kerkvoogd ad hoc, die alleen de vicariegoederen beheerde en administrateerde, maar door de gezamenlijke kerkmeesters en vermengd met andere goederen der kerk. Zooveel is zeker, dat de rentmeester der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht Floris van Weede te Rhenen niets heeft kunnen ontvangen in 1586/8. Hij geeft in zijne 1ste rekening wel op welke goederen tot ieder dezer vicariën behoorden en hoeveel die plachten te rendeeren destijds (zie VerLoren, blz. 283 en volg.), doch daaruit volgt echter nog niet stellig, dat het aangeduide bedrag ook werkelijk is betaald door de huurders of andere debiteuren. In ieder geval heeft hij het niet ontvangen, daar hij aan het slot zijner rekening fol. 192 zegt:

„ van welcke voorsz. vicarijen ende gilde-goederen gelegen „ binnen Rhenen voorsz. desen Rendant tijde deser rekeninghe „ niet en heeft counen ontvangen ter oorsake dat hij aldaar geen „pander en beeft connen verwilligen omme aldaer eenige Exploic-„ ten te doen door peryckel van den vijand. Mitsgaders deur

-ocr page 565-

213

„ audere redeueu hierboven op Montfoort eude Wijck verhaelt „ dus daervan ontfangen................. Niet.quot;

Dit ueemt echter niet weg, dat iu zijne 2e en volgende rekeningen, (die verloren zijn gegaan), toen de zaken wellicht beter geregeld waren, ontvangsten kunnen vermeld geweest zijn door hem genoten voor het comptoir der gebeneficieerde goederen. Waarschijnlijk is zulks echter niet.

Ten aanzien der kerkmeesters en hun beheer merken wij op, dat dit collegie, ook na de reformatie, niet bloot een kerkelijk karakter had maar eigenlijk was een onderdeel van het gemeentebestuur of\' de regeering van Rhenen.

In de kerkmeesters rekening over 1696/7 vindt men aange-teekend: „ Alsoo met goedvinden van sijne Konincklijke Majesteyt „ (Willem III.) en approbatie van haer Ed. Mog. de Staten deser „ Provintie, in plaets van Kerkmeester en Cameraer, tot de admini-„ stratie van de Ivercke- en Stadsgoederen gecommitteerd en „ aengestelt sijn de beere Hooft-Officier, beyde de Regerende „ Borgemeesters, Schepen van Dolder, den Raedt van Wijck en „Secretaris, breeder volgens de instructie daerop gemaeckt en „vastgesteld en bij de notulen van den 15 February en 29 May „ 1694.quot; (VerLorex, blz. 300.) De rekeningen werden dan ook gedaan aan en opgenomen door den Magistraat te Rhenen, niet aan de kerkmeesters.

Men lette wel op de woorden: „ tot de administratie van de „ Kercke en Stadts goederen. quot;

Dit heldert op hoe en waarom de vicarie-inkomsten en de tertiën van dien, later in de stadsrekeningen vermengd zijn met de overige inkomsten en uitgaven der stad en waarom die inkomsten, na 1694 niet meer werden geind en verantwoord door den cameraar- (ontvanger) Kerkmeester, maar door den cameraar (thesaurier of ontvanger) der stad Rhenen (VerLorex , blz. 293) en waarom alzoo ook het tractement van den oudsten predikant ad f 350 (wie den anderen predikant betaalde blijkt niet) ook door dien thesaurier - cameraar der stad werd uitbetaald en verantwoord in zijne stadsrekening.

-ocr page 566-

214

In 1819 echter greep er, als gezegd, eene uieuwe regeling en scheiding der vicarie- en kerkgoederen plaats.

In 1670 verzocht de regeering van Rhenen aan de Staten, om ch- tertiën of een derden deel van alle vicaryen hinnen de voorsz. stede gejiindeert te mogen heffen. Dit verzoek is nog geen voldingend bewijs, dat er vóór dien tijd geen tertiën geheven zijn, door wie dan ook, maar er blijkt in ieder geval uit, dat de regeering van Rhenen, qua talis, zich niet bevoegd rekende die te mogen heffen, doch daartoe eene vergunning noodig had en dat zij de Staten beschouwden, als degenen die (als eigenaars) over de vicariegoederen en de inkomsten daarvan te beschikken hadden. De collators werden daarin toen volstrekt niet gekend of gemoeid, veel minder de possesseurs der vicariëu.

De Staten stonden het verzoek toe en machtigden de regeering van Rhenen, om fado de tertiën te mogen innen tot subsidie der predikanten te Rhenen, naar V exempel van den Rentmeester der yeheneiicieerde goederen (\'s Lands van Utrecht) en gelastten mitsdien bij publicatie van 5 Juli 1670 (JJtrechtscJi Plac. hoek, II, blz. 451) aan alle possesseurs van vicariën te Rhenen gefundeerd, om binnen drie maanden ter secretarie te Rhenen opgaaf te doen van hun naam en der goederen „ op poene van „te verbeuren drie jaren inkomen van hare respective vicaryen, „ ten behoeve van de voorsz. stede ingaande met dezen jare 1670.quot;

Omtrent dit afstaan der tertiën herinneren wij aan hetgeen hierboven reeds bij Utrecht, Amersfoort en Wijk bij Duurstede is gezegd in § § 4, 5 en 6.

De Staten stonden een deel der inkomsten van de hun toebe-hoorende (gewezen) geestelijke goederen, gelegen in loco, af aan de stad, omdat deze hare predikanten of ten minste den oudsten predikant (vroeger schijnt er echter maar één te zijn geweest) zelve betaalde. Daarom werd er ook een deel der inkomsten van de hun toebehoorende goederen van het St. Agniete convente (die door een rentmeester der Staten werden beheerd) ad ƒ 75 uitgekeerd aan den collecteur der tertiën, voor den predikant aldaar, volgens eene regeling den 26 September 1687, door de

-ocr page 567-

21 fgt;

Staten goedgekeurd (VerLoren, blz. 296), buiten en behalve hetgeen de Staten aan de kerk eu kerkmeesters uit die goederen uitkeerden, t. w. ƒ 175 \'sjaars, welk bedrag tot in 1807 door het domein aan de Hervormde gemeente te Rhenen is uitbetaald. (VerLoren, ibid noot.) Bovendien keerden de Staten nog een derde van het batig alot der revenuen van dit convent uit ten behoeve der predikanten. In 1767/8 bedroeg dit /\' 300. De laatste retributie, alsook die van f\' 75, is in 1864 door het Rijk afgekocht, zoodat die ontvangsten thans niet meer op de stedelijke begrootingen der stad Rhenen voorkomen, doch evenmin de uitbetaling van tractement aan den oudsten predikant

Na den afstand der tertiën door de Staten werden nu de vicariën en derzelver inkomsten, benevens de bovengemelde uitkeeringen der Staten, geregeld vermeld eu opgenomen in de rekeningen van den cameraar (thesaurier) der stad. De publicatie der Staten spreekt we] van een collecteur der tertiëu . die dezelve zou innen naar \'t exempel, dat is op de w ijze als de rentmeester dor gebe-neficieerde goederen (\'s Lands van Utrecht), maar, zoover bekend is, heeft de regeering te Rhenen daarvoor geen afzonderlijken titularis aangesteld, doch zulks opgedragen aau den thesaurier der stad of, zooals hij te Rhenen heette, den cameraar. Trouwens het luttel aantal vicariën, dat toen nog over was gebleven, maakte het bijna ondoenlijk, om er een afzonderlijken ontvanger of collecteur op na te houden en te bekostigen, zooals te Amersfoort en Wijk bij Duurstede. (VerLoren, blz. 292.).

Uit deze cameraars-rekeningen nu van 1680 eu volgende jaren verneemt men meer nauwkeurige en omstandige opgaven omtrent die vicariën cn vicariegoederen.

In vorm en inhoud zijn die alle gelijk. Eene dier rekeningen loopende over 1767/8 is in haar geheel opgenomen bij VerLoren, blz. 293—5, wel te verstaan voor zooveel betreft de vicariën, want ook de overige inkomsten en uitgaven betreffende de stad, komen in die stadsrekeningen voor.

Uit die rekeningen nu blijkt, dat er slechts 4 vicariën waren overgebleven, waarvan de stad Rhenen de tertiën ontving, te weten:

-ocr page 568-

216

1°. de St. Nicolaas vicarie, poasesseur, in 1768, de heer Quaade.

2°. de.....vicarie, poasesseur de heer van Emminkhuysen.

3°. de St. Eloyen vicarie, possesseur de heer van Brederode, (eigenlijk Heilige Kruis, St. Anna en St. Eloy).

4°. de . . . (St. Sebastiaans?) vicarie, possesseur de majoor Quint.

Wat er van de rest der vicariën geworden was ligt in het duister. De vicarie in de Kloosterkerk te Rheneu was op 3 Juli 1635 en 19 October 1642 nog begeven door Gedeputeerde Staten (zie folio 6 en 14 der vroeger reeds gemelde lijst va11 de begevingen der vicariën, loopende van 1630—1680, op het rijksarchief in de provincie Utrecht aanwezig).

De goederen dezer vier vicariën zijn in die rekening opgenomen , alsook de inkomsten, wel te verstaan van een derde gedeelte dier goederen en de inkomsten van dat \'/3 gedeelte.

De stad namelijk had de goederen zeiven met de possesseurs gedeeld, in voege dat de stad \'/j daarvan verkreeg en de possesseur 1/3, zoodat men verder niet met elkander noodig had en ieder rustig zijne vruchten trok uit het hem toegewezen deel.

Bij deze verdeeling der goederen waren die toen alle nog in natura aanwezig ea niet te gelde gemaakt, zoodat er van een belegging der kooppenningen geen sprake kon zijn, zooals in de overige steden en ten plattelande met een groot deel dier goederen heeft plaats gegrepen. Deze verdeeling der goederen zeiven tusschen possesseurs der vicariën en de stad is gedaan bij zekere accoorden daaromtrent met elkander aangegaan. Voor de le vicarie in Februari 1683, — de 2e den 24sten Mei 1683 (1684 ?), — de 3e den 18en (16en?)September 1680en de 4e don 20sten Augustus 1681 (?), alzoo nagenoeg gelijktijdig. Men vindt deze accoorden vermeld in de raadsnotulen, doch zonder eenige verdere opgaaf van den inhoud, alsook in een manuaal der ontvangsten en uitgaven der stad Ehenen van 1812, eveneens zonder den inhoud zelf. Of de Gedeputeerde Staten daarin zijn gekend en toegestemd hebben, blijkt niet. Immers de Staten waren eigenaars der goederen, zoodat zonder

-ocr page 569-

217

hun consent daarover niet had mogen getransigeerd worden, evenmin als die zonder hunne toestemming konden vervreemd worden.

In ieder geval, die accoorden liepen alleen over de vruchten en inkomsten en de verdeeliag dier inkomsten tusschen de stad en den posse3seur (of collator?) indertijd, doch niet over den eigendom. Dit blijkt duidelijk uit hetgeen vermeld staat bij de 4e vicarie (Majoor Quint), waarbij in liet aecoord was bepaald, dat het daartoe behoorende land in de Marsch door den cameraar zou verpacht en de pacht geïnd worden, die daarvan \'/s v00r de stad zou houden (f 13-6-,) en de overige 2/3 zou uitkeeren aan den possesseur Quint (later de heer Taets van Amerongen van Renswoude), die voor gelijke % zou deelen in de on-gelden en lasten dier goederen. l)eze regeling bestaat ook thans nog. De heer Taets van Amerongen van Renswoude laat zich echter niet meer benoemen als possesseur der vicarie, doch gaat ook zonder eenige benoeming eenvoudig als medeëi-genaar zijn gang.

De Staten, als eigenaar van den blooten eigendom , hadden met deze verdeeling tusschen de vruchttrekkers niet te maken en bleven dus onverkort in hunne rechten. Maar het ging hier, zooals het veelal gaat en ook bij de andere vicariegoederen in de steden gegaan is, de vruchttrekkers begonnen zich van lieverlede , misschien door onwetendheid, te beschouwen en te gedragen als eigenaars. Zoo beschouwde de stad Rhenen zich dan ook reeds in 1815 als eigenares van dat stuk land en de heer van Amerongen als medeeigenaar voor J/.,.

Zij zullen zich dus waarschijnlijk wel op verjaring beroepen , indien de Staat te eenigertijd eene actie tot revindicatie tegen hen mocht instellen.

De stad trok alzoo het 1/3 der vruchten als tertie en bovendien nog f 375 wegens uitkeering uit St. Agniete-convent. Daarentegen vindt men onder de uitgaven in de rekeningen der cameraars van de stad vermeld het tractement van den oudsten der predikanten (de jongste werd door de kerkelijke

-ocr page 570-

218

gemeente betaald), dat van den Latijnscheii meester (dat echter later vervalt) en de verponding met de molengelden voor de landerijen.

Deze toestand is verder zoo gebleven. De goederen komen nog steeds in de stadsrekeningen onder de andere stadsgoederen voor, doch de 2e vicarie (van Emminkhuysen) is bij Raadsbesluit van 17 December 1867 , door den debiteur der tertiën, Graaf\'van Bylandt, afgekocht tegen den penning 25, voor /\' 168, zoodat die is vervallen.

Na 1819 is er verandering gekomen in de rekeningen, doordien de cameraar toen niet meer de kerkgoederen beheerde, doch die onder administratie van kerkvoogden zijn gekomen. Na dien tijd komen als gezegd de vicariegoedereu niet meer afzonderlijk voor in de stadsrekeningen, doch vermengd onder de overige goederen, oudeigens, enz., aan de stad toebehoorende. Ook het tractement van den (oudsten) predikant wordt niet meer onder de uitgaven vermeld, zoodat dit thans door het Rijk schijnt uitbetaald te worden, terwijl de kerkelijke gemeente den 2en predikant aldaar ! volgens ons gedane verzekering) uitbetaalt.

Onze slotsom, ten aanzien der (gewezen) vicariegoederen te Rhenen is alzoo, dat de Staat onmiskenbaar ook van die goederen eigenaar is geweest en gebleven, doch dat de opvordering derzelve. omdat die uit onroerende goederen in natura bestaan, aan groote zwarigheden zou onderworpen zijn, zoowel ten aanzien van de stad Rhenen, alsook ten aanzien van anderen, die dezelve thans bezitten.

Niet alleen dat het van de meeste dier goederen onbekend is, welke die zijn, zoo zal het bewijs, dat diegene, welke bekend zijn, werkelijk vicariegoed waren en nog zijn, bezwaarlijk te leveren zijn, doordien ook hier evenals te Wijk bij Duurstede alle bewijsstukken (de rekeningen) in handen van de tegenpartij zijn, die niet gedwongen kan worden ze over te leggen. De Staat heeft geen enkel stuk in handen om te bewijzen.

-ocr page 571-

219

Bovendien zal de tegenpartij natuurlijk de exceptie van praes-criptie der actie opwerpen en mocht die verworpen worden, zich op de acquisitieve verjaring beroepen.

Het is dus hier, naar mijne meening althans, ook weder .... nihil.

De Staat wachte er zich voor, om er nog wat geld bij toe te loggen, door eene condemnatie in de kosten te beloopen.

-ocr page 572-

§ 8.

Gebeneflcieerde goederen (vicariëu en memoriën) te Montfoort.

Zooals reeds gezegd en in § 2 uitvoerig betoogd is, werden alle pastorie- en vieariegoederen en beneficiën , daaronder begrepen de zoogenaamde memoriën en memoriegoederen, door artikel 5 van het Itedressement van 1586 getroffen, en tot eigendom der Staten gemaakt, ofsclioon daaraan een bepaalde bestemming tot onderhoud van predikanten en scholen gegeven werd. Dus ook die te Montfoort vielen er onder, niettegenstaande daar een eenigszins andere toestand bestond, dan in de andere steden, doordien Montfoort eene heerlijkheid was, waaraan collatierechten op de kerk en het kapittel waren verbonden en waarvan de eigenaar, de Burggraaf van ilontfoort, ook zeker gezag en invloed had op de aanstelling der regeering en het bestuur aldaar.

Dit is misschien de reden, dat men in 1586 bij de beraadslaging over het Redressement, Montfoort niet vindt genoemd onder de protesteerende steden (VerLoren, blz. 525), ofschoon in de Staten-vergadering Montfoort niet werd gerepresenteerd door den Burggraaf als heer van Montfoort, maar door de regeering dier stad.

Ofschoon nu Montfoort destijds niet mede protesteerde tegen de bepalingen van het Redressement, voor zoover die golden de geestelijke goederen te Montfoort gefundeerd, zoo deed die stad, wakker geworden door het kabaal der andere steden, naar \'t schijnt later toch mede met zich te opponeeren, o. a. tegen de

-ocr page 573-

221

inning der tertiën van de vicariën en de inkomsten der pastoriegoederen , toen in 1587 Floris van quot;Weede, krachtens het Re-dressement en zijne instructie, die kwam invorderen.

De toestand te Montfoort was, als gezegd, eenigszins anders dan in de overige steden. De kerk was, evenals te Amersfoort en Wijk bij Duurstede, tegelijk kapittel- en parochiekerk, terwijl te Utrecht de kerken gescheiden waren in afzonderlijke kappittel-en parochiekerken. Te Montfoort waren, evenals te Amersfoort en Wijk bij Duurstede, behalve de kapittelgoederen ook de armengoederen en kerkgoederen onder beheer van armmeesters en kerkmeesters. Maar bovendien waren er te Montfoort ook nog pastoriegoederen, die men in de andere steden niet aantreft of waarvan men ten minste geen gewag gemaakt vindt, doch alleen ten plattelande. De vicariegoederen te Montfoort (in 1586 gemaakt tot gebeneficieerde goederen) bestonden deels uit eigenlijk gezegde vicariegoederen, waarvoor slechts één vicaris was aangewezen , die alleen de zielmissen las voor het aangewezen altaar en op het graf van den overledene en dan ook alleen de vruchten trok der goederen, deels uit zoogenaamde memoriegoederen, die wel is waar ook strekten, om missen te celebreeren voor de zielen van afgestorvenen , doch waarvoor geen bepaalde en afzonderlijke vicaris was aangewezen, zoodat die door de gezamenlijke geestelijken, dat zijn de gemeene vicarissen werden gelezen en gezongen. De inkomsten der goederen, tot die respectieve memo-riën behoorende, werden gedeeld tusschen de gezamenlijke of zoogenaamde gemeene vicarissen, gemeenlijk choorheeren, me-morieheeren of wel capitulairen geheeten. Deze gemeene vicarissen en vicariën worden tegenover de simpele, dat zijn de bovengemelde afzonderlijke vicarissen en vicariegoederen gesteld, waarvan alleen de vicaris van het altaar, waarop de vicai ie was gefundeerd de vruchten trok. Zie VerLoren blz. 350 en 360 verbis: „Alzoo die vicarissen . . . belast zijn vuijt heure memoriegoeden jsLerUjk. . . . te betalen enz.quot; Zie verder ook de verklaring in 1594 gedaan door den vicaris J. Roest, bijlage X van dit rapport.

In andere steden, mot name te Utrecht (VerLoren, blz. 557

-ocr page 574-

222

en bijlage V van dit rapport) en te Rhenen (VerLoren, blz. 288) wordt ook wel van dergelijke mentoriën gewag gemaakt , maar te Montfoort waren die op meer luxuense wijze ingesteld, gedeeltelijk door de vroegere burggraven of leden uit hun geslacht, ten einde by het vieren der hoogmis door de gemelde gemeene vicarissen, choorheeren of memorieheeren, meer luister bij te zetten, door middel van een of meer zangers of extra gebeden en ceremoniën. Bij of op het graf van den overledene werd dan het Libera me Domme, of de Profundis en Miserere cum colleeta gezongen „met alsulcker solempniteiten ende manieren, als men die in de „kercke ten Doem \'t Utrecht houdende en singende isquot;. (Ver-Loren, blz. 301.)

Voor deze extra plechtigheden (die ook te Utrecht wel plaats grepen in de kapittelkerken, doch daar niet memoriën werden geheeten,) waren door de fundateurs (even als bij vicariën) bepaalde goederen aangewezen, die te Montfoort (evenals te IJsel-stein) bij voorkeur memoriegoederen genoemd worden (in onderscheiding van de afzonderlijke vicariegoederen), gedeeltelijk ook met het privilegie van collatierecht voor de stichters. (Zie fundatiebrieven dier stichtingen, vermeld bij van Heuss en en van Rijn ütrechtsch Bisdom II, blz. 397 , 2e editie blz. 255 en VerLoren, blz. 302 enz.) Op het rijksarchief te Utrecht (Reg. n0 326 gedr. Invent, blz. 86) is aanwezig een latijnsch memorieboek of necro-logium (van 1555?) waarin de dagen en goederen van ieder dier memoriën vermeld staan, steeds aanvangende met de woorden: „Memoria nostra habef .... of „Item habemusquot; . . . . etc. (VerLoren, blz. 303), waaruit blijkt, dat die goederen vóór de reformatie werden beschouwd te behooren aan het kapittel en onder beheer waren van de kapittel- of zoogenaamde choorheeren. (Vergelijk hiermede VerLoren, blz. 306 noot, over het kapittel ten Dom te Utrecht en de bona Choralium aldaar vermeld.)

De Kerk van St. Jan Baptist te Montfoort was in 1399, bij bnlle van Paus Bonifacius IX, op verzoek van den toenmaligen burggraaf Hendrik van Montfoort, met een kappittel van 8 canonici begiftigd, waarvan hij de presentatie had als collator,

-ocr page 575-

223

maar was als kapittelkerk teyens ook parochiekerk gebleven, op gelijke wijze als de St. Joriskerk te Amersfoort, zoodat er even als daar, behalve het kapittel en den cameraar van het kapittel, administreerende de kapittel-goederen met die der kapittel-viea-riën (of gemeene vicariën en memoriën), de groote kamer en de kleine kamer en verdere dignitarissen van een kapittel, ook nog waren kerkmeesters, die de parochie-goederen der kerk beheerden. Het kapittel droeg echter ook een deel van het onderhoud der kerk en de kosten van den eeredienst, zoodat de administratie nog al ingewikkeld was.

Hierbij kwamen nu nog de rechten van den Burggraaf als collator der pastoriën , vicariën en memoriën en zijne overige rechten op het bestuur der stedelijke zaken (waaraan echter ook zekere verplichtingen verbonden waren tot onderhoud, of mede-onderhoud van het kerkgebouw en de pastorie, die evenwel niet duidelijk zijn) (1), die den toestand nog ingewikkelder maakten. Over dit een en ander ging nu de kerkhervorming heen, met de rechten der Staten, vastgesteld bij de Ordre op de geestelichei/t en hare goederen van 1580 en Redressement van 1586, metbij-behoorende Instructie voor den rentmeester der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, van 1587, die den toestand nog veel ingewikkelder maakten, te meer daar de Burggraaf en de capitulairen Roomsch waren en bleven, en de (Protestantsche) Staten \'s Lands van Utrecht, als souverein van den Lande, zich

(1) Dergelijke verplichtingen van den collator tot onderhoud van de pastorie of de kerk vindt men niet alleen te Montfoort, maar ook in andere steden.

Zoo was te Leiden de Commandeurij van de Duitsche Orde, die de St. Pieterskerk aldaar had voltooid en in 1268 het patronaatrecht dier kerk (met eenige huizen en goederen) had ontvangen van Graaf Floris V. belast met het onderhoud der beide pastoors en de pastoriën dier kerk en het Commandeurshof naast dezelve. Zie Bots: De oude kloosters en abdijen in het Bisdom van Haarlem (1883), blz. 287.

Evenzoo was te Utreoht de Balye en Orde van St. Jan belast met het onderhoud der St. Catharinakerk aldaar (thans Cathedraal) en bovendien met de kosten van den eeredienst in dezelve, welk een en ander later door de Staten werd gecontinueerd. (Zie YekLoken, blz. 152.)

-ocr page 576-

224

boven hen allen verheven achtten en bevoegd tot alles, wat zij mochten goedvinden en noodig achten. Het behoeft dan ook geen betoog, dat de toestand van zaken te Montfoort en het verloop vau dien na de reformatie, niet met een paar woorden is uiteen te zetten, maar een zeer uitvoerig historisch betoog vereischt, dat ik getracht heb in mijne Geschiedenis der vicariën in Utrecht, blz. 301—397 in hoofdzaak te leveren. De lezer, die zich op de hoogte van de zaak wil stellen, zal zich moeten getroosten die bladzijden na te lezen. Met vrucht kan ook geraadpleegd worden een zeer belangrijk rapport door den rijksarchivaris in de provincie Utrecht, mr. S. Muller, den 1 September 1883 onder n0 189 , over het archief der memoriegoederen te Montfoort, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgebracht. Het zal mij ten goede gehouden worden, als ik in dit rapport duidelijkheidshalve, nu en dan in enkele herhalingen treed van hetgeen reeds hierboven gezegd was.

Daar echter de strekking van dit rapport, zooals reeds in den aanvang gezegd is, niet zoozeer is, eene verhandeling ever de Utrechtsche vicariën en memoriën te leveren en de goederen die er geweest zijn, dan wel een onderzoek naar hetgeen er thans is en de rechten, die de Staat daarop kan uitoefenen, zoo wensch ik mij hoofdzakelijk te bepalen, tot de pastorie-, vicarie- en memoriegoederen vallende onder het bereik van art. 5 van het Re-dressement en daardoor geworden rijkseigendom, zooals reeds in §§ 1 en 2 hierbov en is betoogd en in § 11 nader zal bewezen worden, ook ten aanzien der pastorie-, vicarie- en memorie- of liever der geheneficieerde goederen, te Montfoort gefundeerd.

Behalve deze drie soorten van goederen waren er te Montfoort, even als overal elders ook nog kerkgoederen, die de kerk had qua parochiekerk en die onder beheer der kerkmeesters en later der kerkvoogden waren. Wijders kapittelgoederen, behoorende aan de kerk als kapittelkerk of aan het collegie zelf, te weten het kapittel, onder beheer geweest vóór de Reformatie van het kapittel aldaar met den Burggraaf, doch sedert onder een afzonderlijken rentmeester der Staten, totdat het kapittel zelf is ver-

-ocr page 577-

225

dwenen. Verder ook nog domeingoederen, onder beheer van een afzonderlijken rentmeester der Staten (in 1653 Dirk van Erckel, VebLoren blz. 373 noot) en thans van den ontvanger der registratie en domeinen, voor zoover er nog iets van overgebleven is, en ten slotte leengoederen onder beheer van de Leenkamer van Montfoort en den Stadhouder der Montfoortsche leenen, namens de Staten der provincie, later door de Staatsregeling van 1801 geallodialiseerd.

De Staten hebben zich reeds dadelijk na de Reformatie, toen er nog een Burggraaf en kapittel bestond, boven deze gesteld, ofschoon met eerbiediging van de bestaande collatie. Er zijn door de Staten of met hunne medewerking afzonderlijke rentmeesters aangesteld (reeds voor den koop en verkoop der heerlijkheid in 1648) voor de memorie-, pastorie-, kapittel- en domeingoederen (VerLoren, blz. 816) waarover nader.

Natuurlijk waren er voortdurend oneenigheden over deze diverse soorten van goederen, tusschen de Staten, den Burggraaf, het kapittel en de kerkmeesters, die door de Staten als opperste macht in deze, bij accoorden, resolutiën en ordonnantiën zooveel mogelijk geregeld en uit den weg geruimd werden; niettemin het was en bleef steeds een ingewikkelde toestand en is dit eigenlijk ook thans nog. De Burggraaf en het kapittel met zijn memorieheeren of choorheeren, maakten het hun lastig, doch de Staten wisten zich van den Burggraaf te ontdoen, niet door geweld, maar door zijne heerlijkheid en rechten in 1648 (VerLoren, blz. 353) aan te koopen, (de acte is te vinden bij Matthaeus de nobilitate blz. 809 en Strooband blz. 75), daaronder begrepen zijne rechten als collator op de vicariën en memoriën, alsook tot benoeming der predikanten. (Zie resolutiën der Staten van 7 en 26 October 1652, 20 Juli 1688, 18 April 1689, 5 Januari 1693 en 15 Juli 1723.)

Ook het kapittel, dat aanvankelijk na dien verkoop nog bleef bestaan en goederen bezat, wisten de Staten zich later van den hals te schuiven. Hoe en wanneer blijkt niet recht, daar het archief van het kapittel spoorloos is verdwenen. In 1660 bestond

15u

-ocr page 578-

226

het nog (YerLoren, blz. 374) alsook in 1667 (VerLoren, blz. 318) verbis „de Gecommittoerdens van het Capittel compt mede „het hooren en sluyten deser rekeninge f 6„—„ —maar in 1764 wordt er reeds van gesproken als van een cadaver (YerLoren, blz. 339), zonder dat men er verder eenig gewag van gemaakt vindt, ten minste als in eenige linantieële relatie, staande tot de Staten. Kerkelijk is het echter blijvea bestaan als katholiek lichaam, (zie van Heussen en van IUiijn, TJtr. Bisdom blz.

) doch er werd geen notitie meer van genomen door de Staten, die, als collators geworden, geene capitulairen meer aanstelden. quot;VVat er van de eigenlijk gezegde kapittelgoederen geworden is, blijkt ook niet, doch die waren reeds in 1653 (dat is nadat de vicarie- en memoriegoederen, behalve eenige losrenten en uitgangen, door de Staten waren verkocht) slechts weinige en bestonden toen voornamelijk uit eene uitkeering van f 2076—4—4, die de Staten lieten doen door hunnen rentmeester voor de verkochte landerijen, behoorende tot de memorie-goederen. (VerLoren, blz. 372 en 375.)

Toen het kappittel verdwenen was, werd natuurlijk deze uitkeering niet meer aan het kapittel uitbetaald, doch bleef in kas, zooals blijkt uit de rekeningen van de gecombineerde memorie- en pastoriegoederen over 1764 (VerLoren, blz. 333) en volgende jaren, waarover straks nader.

De regeering te Montfoort konden de Staten echter niet op zijde zetten, evenmin als de kerkmeesters, xoodat deze belemmerende en obstructionistische elementen bleven bestaan.

De Staten en hunne Gedeputeerden tot de geestelijke zaken (Directiekamer) deden reeds dadelijk na de Reformatie en lang voordat zij de heerlijkheid Montfoort in 1648 hadden aangekocht, hunne rechten op de geestelijke goederen te Montfoort gelden. Later werden er afzonderlijke Gecommitteerden tot de regeling der Memorie te Montfoort door de Staten uit hun midden benoemd. (VerLoren, blz. 368.) De pastorie-, vicarie- en memoriegoedereu werden op den inventaris van geestelijke goederen geplaatst door

-ocr page 579-

227

Gedeputeerden tot de geestelijke goederen en zijn vervolgens ook opgenomen in de le rekening van Floris van Weede over ISSB\'S, die er dan ook heen reisde met zijn pander van Causteren, op bevel van de Directiekamer. (VebLoren, blz, 328.) Hij vond hier dezelfde tegenwerking als in de andere steden. Echter kon hij van de tiendverpachting der pastoriegoederen over 1587 en 1588 (die door de Directiekamer verpacht waren) toch nog / 236-10-,, en f 100-B-„ binnen krijgen. De rest was door den predikant (Abraham Jansse) of de regeerders van Montfoort reeds gebeurd, „die daarvan voor mijn Ed. Heeren de Staten hebben te verantwoordenquot;. (VerLoren, blz. 321 en 349.) Van de tertiën der vicariën, loopende vau af 1580, kon hij niets ontvangen. (Ibid blz. 328, 329 en 349.) De Staten hebben, als gezegd, reeds dadelijk na de Reformatie zich laten gelden, ook te Montfoort, en lieten zich niet afschrikken door den tegenstand die hun rentmeester van Weede ondervond, noch zich wegcijferen door den Burggraaf, het kapittel of de regeering, maarstelden successievelijk afzonderlijke rentmeesters aan voor de pastorie-, de memorie-, de vicariegoederen enz. en deden hun gezag en rechten zooveel doenlijk gelden. Zij dwongen o. a. in 1594 nog het kapittel tot het doen van opgaven en inlichtingen. (Zie Bijlage X) en zijn steeds twistende en accoorden makende gebleven. Nimmer hebben zij hun eigendomsrechten op de pastorie-, vica-rie- en memoriegoederen opgegeven , maar op de (parochie) kerkgoederen hebben zij nooit aanspraak gemaakt noch daarvan iets verkocht of vervreemd, noch zich ingelaten met de administratie, die altijd bij de kerkmeesters en de latere kerkvoogden is gebleven, ofschoon vroeger onder zekere superintendentie van de stads-regeeriug. De begevingen der vicariën (zoo lang die hebben bestaan), zijn steeds door de Staten gedaan, blijkens de meergemelde lijst der begevingen van vicariën over 1630—1680 (VerLoren, blz. 350), terwijl de pastorie- en memoriegoederen, als gezegd, door hunne rentmeesters werden geadministreerd en zij zich possesseurs der memoriegoederen noemden (VekLoren, blz. 370 en 334) en eigenaars van de pastorie.

-ocr page 580-

228

Wij zullen nu de afzonderlijke goederen meer speciaal nagaan.

Kerkgoederen.

Onze kennis omtrent de administratie der kerkgoederen te Montfoort is hoogst beperkt, daar er slechts drie vroegere rekeningen van kerkmeesters voorhanden zijn, namelijk twee loo-pende over do jaren 1549 50 en 1550/51, van de kerkmeesters J)irk Obijn en C. Fo.9c/lt; (VerLoren, blz. 307), beide berustende in het archief van den tegenwoordigen rentmeester der memorie-goederen, den notaris de Gelder te Montfoort, en wijders eene rekening over 1609 (dus na de Reformatie) van Cornells Cohijn en Cornells van Hoof, kerkmeesters der kerekefabryeke tot Montfoort, berustende in het rijksarchief te Utrecht: Register n0 313 gedrukt inverse blz. 82. (VerLoren, blz. 310). Alle deze rekeningen zijn gedaan aan deu opper-officier van den Burggraaf en de Burgemeesters tevens kerkmeesters.

Uit de gemelde rekeningen dier goederen over 1549/50 en 1550 51 blijkt, dat de kerkgoederen toen bestonden uit landerijen , die verpacht waren, thinsen, huisrenten en landrenten, doch geeu tienden, die evenmin voorkomen in de rekening over 1G09. Uit laatstgemelde rekening blijkt, dat er eenige kerkgoederen waren verkocht (door de kerkmeesters?) en do koopprijs was belegd bij de stad Montfoort, waarvan de kerkmeesters de jaarlijksche rente ad f 15-12-„ ontvingen (VerLoren, blz. 311), doch de moeste landerijen waren toen nog aanwezig en bestonden, blijkens die rekening (ibid , blz. 312), uit 641 morgen land, 10 morgen in erfpacht, 6 luiisjes, het schoolhuis mot woning daarnaast (1), een aantal renten of uitgangen uit diverse huizen , boomgaarden of landerijen gaande, een kapitaal groot/\'200 verschuldigd door de stad Montfoort en twee anderen, te zamen ad f 150 door particulieren verschuldigd.

(1) Latei- vindt men echter dit schoolhuis genoemd, als behoorende onder de vereenigde memorie- en pastoriegoederen, waarvan het onderhoud werd betaald uit dat fonds. (VeuLoben, blz. 3-11, 7de uitgaaf.)

-ocr page 581-

229

Het kerkgebouw behoorde te Montfoort niet tot de kerkgoederen, evenmin als de pastorie, die dan ook niet onderhouden werden uit de kerkinkomsten doch uit die der raemoriegoederen en pastoriegoederen, ofschoon de kerkmeesters nu en dan ook wel iets aan de kerk lieten doen, en daartoe zelfs naar luid van de hierca onder de Mernorieyoederen en de Pastoriegoederen te vermelden accoorden van 12 Juni 1594 enz. (VerLoken, blz. 360 en 370) verplicht waren, doch alleen voor zoover de inkomsten der kerkgoederen dit toelieten. (Zie ook VerLoeen, blz. 366.) Men houde hierbij in \'t oog, dat de St. Jans- (Bapt.) kerk te Montfoort was tegelijk kapittel- en parochiekerk, zoodat ook het onderhoud verdeeld was.

Latere kerkenrekeningen, na 1609, zijn niet aanwezig op het rijksarchief te Utrecht of onder den tegenwoordigen rentmeester der memoriegoederen, doch vermoedelijk in het archief dor kerkvoogdij.

Onze kennis is dus zeer beperkt. Uit de gemelde rekeningen zou men kunnen afleiden, dat de administratie toen werd gevoerd door kerkmeesters, gelijk die ook thans nog door kerkvoogden wordt gevoerd. In do rekening der memoriegoederen (toen gecombineerd met de pastoriegoederen), over 1764, afgelegd door den rentmeester der memoriegoodercn (VerLorex, blz. 333), komt echter onder de uitgaven voor ecne vermelding, waaruit men zou kunnen afleiden, dat toen de rekening over die kerkgoederen niet meer voor den Magistraat der stad Montfoort werd gedaan, maar voor Hun Ed. Mog. Staten, volgens daartoe strekkende resolutie en aanschrijving (VerLoren, blz. 339 in fin.), waarvan echter ongelukkig geen datum wordt opgegeven, zoodat men hier in het duister rondtast.

Vicariegoederen.

De vicariën te Montfoort, ook de gemeene vicariën, zijn na de Reformatie steeds begeven door de Staten, op voordracht nochtans van den collator, den Burggraaf. (VerLoren, blz. 350 en 351. j De vervreemding der vicariegoederen kon ook te Mont-

-ocr page 582-

230

foort niet anders geschieden, dan met consent der Staten, zooals blijkt uit de rekening van den ontvanger der gebeneficieerde goederen D. de Leeuw over 1669 , fol. 168 (VerLoren, blz. 595).

Deze vicariën stonden dus geheel gelijk met alle andere, elders gefundeerd, waarvan de eigendom behoorde aan de Staten en ook het beheer door hunnen rentmeester der gebeneficieerde goederen, volgens diens instructie van 1587 (VerLoren, blz. 536), had behooren te geschieden. Floris van Weede kon echter ook te Montfoort, als gezegd, niets innen van de possesseurs der vicariën (meestal capitulairen) evenals van de memoriegoederen, doch van de inkomsten der pastoriegoederen kon hij nog iets machtig worden. (VerLoren, blz. 349.)

Hij vermeldt de vicariën en de daartoe behoorende goederen in zijne rekening, en wel, afzonderlijk van de memoriegoederen en van de pastoriegoederen.

De kapittel-vicariën juris ecclesiastic^ behoorende tot de zoogenaamde gemeene vicariën, schijnen daaronder niet begrepen te zijn, doch gevoegd onder de memoriegoederen der memorie- of choorheeren. Hoe de administratie over die gemeene en niet gemeene viuariegoederen geregeld was na de Reformatie, is niet zeker en doet ook thans uit een praktisch oogpunt beschouwd, minder ter zake. Alleen merken wij op, dat in de na te melden acte van koop en verkoop van 1648 Dirk van Erckel wordt genoemd, als rentmeester der memoriegoederen en der vicarie-goederen. Door wien hij was aangesteld is onzeker.

Nadat alle de vicariegoederen te Montfoort, den 11 Augustus 1648, door den toenmaligen Burggraaf, mot het collatierecht der vicariën waren verkocht aan de Staten (Matthaeus, de Nobilitate, blz. 809 en Strooband , blz. 75), (zie echter Bijlage X van dit rapport; Verklaring van J. Roest 1594), hebben deze die goederen als eigenaars verkocht, volgens resolutie van 11 Juni 1649 (VerLoren, blz. 853), tegelijk met nog eenige andere geestelijke goederen, onder anderen die, behoorende tot het Comptoir van de Balije en Convente van St. Catharyne te Utrecht en vervolgens deze 14 vicariën (juris

-ocr page 583-

231

laïcalis?) gemortificeerd, dat wil zeggen, het collatorsckap opgeheven en gemortificeerd (want de goederen waren reeds in 1580 immers in 1586 gemortificeerd, dat is geseculariseerd en tot Staatseigendom gemaakt), waardoor verder geene vicarissen meer werden benoemd of geagreëerd. De toen aanwezige vicarissen bleven echter de inkomsten genieten, zoolang zij leefden. (VerLoren, blz. 354.) (1)

Het onderscheid tusschen dezen verkoop van vicariegoederen te Montfoort gefundeerd en die van vicariëa elders, welke vroeger en ook later plaats grepen, was dus daarin gelegen, dat terwijl anders en in den regel de koopprijs werd belegd ten behoeve van den possesseur der vicarie indertijd (doch ten name van den Ontvanger der gebeneficieerde goederen) — opdat de collator niet in zijn collatierecht zou gefrustreerd worden door den verkoop — nu de goederen geheel verdwenen, zonder eenige belegging van de koopprijzen, terwijl die kooppenningen, evenals die der tegelijkertijd verkochte memoriegoederen, door de Staten gebezigd werden, om daaruit mede te betalen de /\' 225.000 voor de aangekochte heerlijkheid Montfoort cum annexis et dependentiis, door hen verschuldigd.

De Staten konden dit collatierecht toen opheffen zonder iemand te benadcelen of voor \'t hoofd te stooten, daar zij zeiven collators waren geworden door den verkoop. Men kan echter uit dezen verkoop der goederen niet afleiden, zooals in het rapport van Mr. de Geer wordt gedaan, dat de Staten eerst nu bevoegd waren geworden om te verkoopen, omdat zij collators waren geworden maar alleen, dat zij er geen bezwaar in zagen om hun collatierecht nu prijs te geven en ten gevolge daarvan den koopprijs niet meer te beleggen, zooals hierna in § 11 breeder zal worden uiteengezet, alwaar wij op deze zaak nader terugkomen.

Overigens zal het niet noodig zijn in dit rapport in nadere details te treden over de vicariën zeiven en de goederen daartoe

(1) Zie ook resolution der Staten van 12!) Decembei-11351 en 23 September Hi52.

-ocr page 584-

232

behoord hebbende of over de verhouding der vicarissen en de gemeene vicarissen tot het kapittel.

Alles is verkocht en te gelde gemaakt door de Staten zeiven, waardoor alle pecunieel interesse voor den Staat reeds voor lang is te niet gegaan, doch er alleen wetenscliappelijk-historisch belang overblijft, waaruit voor den Staat geen geld te slaan is.

Memoriegoederen.

Het specifiek onderscheid tusschen eigenlijk gezegde vicariën en memoriën en de daartoe respectievelijk behoorende goederen, ofschoon beide behoorende tot het genus van vicariën, is vroeger reeds behandeld. De benamingen vicarissen en memorieheeren worden echter dikwijls promiscue en als synoniem gebezigd (zie onder anderen VerLorex , blz. 360), daar het waren dezelfde personen, doch in diverse kwaliteiten.

In de genoemde koopakte van 11 Augustus 1684 worden beide goederen dan ook als diverse zaken genoemd vende sonder-Jing oock de memoriegoederen.quot;

Evenzoo worden, zoowel in den meergemelden Inventaris van de gheestelijeken goederen enz., alsook in de 1ste rekening van Floris van Weede 1586/8, de goederen behoorende tot de Memoriën, of zooals het daar heet der Choorheeren, en die der vicariën afzonderlijk opgenoemd, alsmede die der pastorie en costerie te Montfoort. Vergelijk ook Bijlage X van dit rapport. Daar de memoriegoederen en de pastoriegoederen later (tusschen 1663 en 1763) bijeengevoegd, thans nog aanwezig zijn en nog steeds van rijkswege beheerd worden, is het van belang de geschiedenis daarvan en de goederen zei ven meer in \'t bijzonder na te gaan.

De oudste opnoeming der goederen, behoorende tot iedere memorie afzonderlijk, vindt men in het reeds vermelde Necro-logicum, opgemaakt omstreeks 1555 of vroeger en later met eenige bijvoegingen van eene andere hand vermeerderd. (Ver-Loren, blz. 329.)

-ocr page 585-

233

In den ovengemelden Inventaris van 1583 ? worden de memoriegoederen vermeld, fel. 271—5, even als en in de rekening van Ploris van Weede, fol. 152 —159 opgesomd en vermeld als goederen hehoorende aan de Choorheeren in de kereke tot Montfoort, in tegenoverstelling van de daarin mede afzonderlijk vermelde goederen hehoorende aen de pa do rij e Vinnen Montfoort, fol. 150 en volg. en de goederen der Vicarijen, fol. 189r. en volg.

De memoriegoederen bestaan in losrenten, grondrenten of uitgangen, of zooals het daar heet, uit: huysr enten, hof renten en landrenten en vorder uit hmdpachten, voortspruitende van landerijen, die verhuurd waren.

De kerk en pastorie worden daar niet onder de memorie-goederen, doch onder de pastoriegoederen genoemd, ten minste de pastorie, want van het kerkgebouw wordt in het geheel niets gezegd.

De opnoeming der goederen in die rekening is afgedrukt bij VerLoren, blz. 322 en volg. en komt in hoofdzaak overeen met die van het Aecrologinm en de opgaaf te vinden bij van Heussen en van Rijn, Utrechtsch Bisdom, II, blz. 257, ofschoon daar eenig gering verschil is.

Wanneer men de uitgestrektheid der verhuurde landerijen, opgenomen in de rekening van van Weede, bij elkander trekt, dan maakt zulks voor de memoriegoederen 167 morgen en 400 roeden, en 4| morgen in erfpacht. (VerLoren, blz. 324.) Verder bestonden de bezittingen der memoriegoederen uit huys-renten en hof renten van gering bedrag ieder (ibid. blz. 322), — te zamen ook niet veel — en uit landrenten.

Na den aankoop der heerlijkheid en van het burggraafschap van Montfoort in 1648, zijn deze landerijen, evenals die behoorende tot de vicariën te Montfoort, door de Staten spoedig te gelde gemaakt. De juiste datum dier veiling is echter niet bekend, daar de Memorialen der geestelijke goederen, die door de Staten of met hun consent verkocht zijn (Rijksarchief te Utrecht, register n0. 192, gedrukte inventaris, blz. 49), niet verder loopen dan

-ocr page 586-

234

tot 1632, doch in ieder geval heeft die plaats gehad vóór 1653, omdat de toenmalige rentmeester der memoriegoederen Dirk van Erckel in zijn rekwest aan Gedeputeerde Statea in dat jaar ingediend (VerLoren, blz. 372), reeds spreekt van de landerijen behoord hebbende tot de memoriegoederen, terwijl in de resolutie van Gedeputeerde Staten van 11 Januari 1660 op het rekwest van de eapitulairen te Montfoort genomen (VerLoren, blz. 375), ook wordt gesproken van de verkochte landen (der memoriegoederen;. Door dien verkoop vervielen natuurlijk de land/wic/iiew (wel te onderscheiden van de landmz^en) doch de huisrenten, hof rotten eu landrenten zijn toen niet verkocht, doch aanwezig gebleven, althans gedeeltelijk, en komen nog steeds voor in de latere rekeningen der vereeuigde memorie- en pastoriegoederen, waarvan de oudste die aanwezig is, loopt over 1764 (medegedeeld bij VerLoren, blz. 333) en de laatste over 1882. Indien dit de le rekening is na de combinatie, dan moet deze ver-eeniging in 1763 hebben plaats gegrepen. Het is echter mogelijk, ofschoon niet waarschijnlijk, dat die reeds vroeger heeft plaats gegrepen, want er is geen enkele rekening van den afzonderlijken rentmeester der rnemoriegoederen Dirk van Erckel of diens opvolgers bewaard gebleven eu tot ons gekomen. In ieder geval kan deze combinatie eerst na 1666 plaats gegrepen hebben, omdat er in dat jaar nog was een afzonderlijke rentmeester en een afzonderlijke rekening over de pastoriegoederen, zooals straks nader zal uiteengezet worden, bij de behandeling der gecombineerde memorie- en pastoriegoederen.

Het beheer over de rnemoriegoederen is, evenals dat der kapittelvicariën, of zoogenaamde in \'t gemeen gebleven vicariën (in onderscheiding der simpele of particuliere vicariën, waarvoor afzonderlijke vicarissen waren, VerLoren, blz. 351), vóór de Reformatie onmiskenbaar gevoerd door of van wege het Kapittel te Montfoort, door een of meer der eapitulairen, choorheeren of gemeene vicarissen daarvoor aangewezen.

De memoriegoederen en kapittelgoederen waren echter niet synoniem, want er waren daarvoor afzonderlijke administrateuren.

-ocr page 587-

235

zelfs na de Reformatie (in 1648 en later) was Dirk van Erckel rentmeester der memoriegoederen en in 16Ö7 Hendrik van Erckel rentmeester der kapittelgoederen.

Na de Reformatie en het Redressement hebben do Staten niet alleen de benoeming der vicarissen geagreëerd, maar zich ook reeds dadelijk in het beheer der vicarie-en memoriegoederen gaan mengen en zich daarmede bemoeid, zooals blijkt uit diverse documenten:

1°. Eene verklaring der vicarissen aan de Staten gedaan 3 en 8 Februari 1594.

2°. Accoord den 12 Juli 1594 door de Staten goedgekeurd, vermeld in de notulen van dien dag (VerLoren, blz. 360), waarin echter het accoord zelf niet is opgenomen. Het komt voor in de Registers of prothocollen van beschrijving der Staten \'s Lands van Utrecht, berustende op het rijks-archief te Utrecht in Register n0. 44 (7de boek) fol. 344v (gedrukten inventaris, bl. 16) en is in zijn geheel afgedrukt bij VerLoren, blz. 360—5. (1)

Dit belangrijke stuk, dat een inzicht geeft in den toenmaligen toestand en wijze van administratie der memoriegoederen, kort na de Reformatie, is een accoord, aangegaan tusschen de Reg ierder s van Montfoort ende de Vicarissen ende Memorie-heer en aldaer, ten einde „alle querelen ende onlusten sedert „eeiughen tijdt herwaerts binnen eenighe jaeren herwaerts ver-kresen, terneder te leggen, ende daarbij ten beyden zijden „ontledicht te zijn.\'1 Het toenmalige dispuut betrof het onderhoud en de gagie van de twee schoolmeesters, te weten de Latijnsche en Hollandsche, laatstgemelde tevens de Koster te Montfoort, die, zooals daaruit blijkt, uit de opbrengsten der Memoriegoederen betaald werden „deur ordonnantiën van de Ed. Heere Statenquot; (ib. blz. 361) en, zooals werd overeen-

1

Dit accoord is een ander, dan dat hetwelk ook op 12 Juli 1594 door de Staten is in \'t leven geroepen over de pastoriegoederen, hierna te vermelden onder de pastoriegoederen. (VekLoeen, blz. 379.)

-ocr page 588-

236

gekomen, ook verder zouden betaald worden door de ge-meene vicarissen, tevens memorie- of choorheeren, op de wijze zooals daarin wordt bepaald. De koster zou onder anderen eene gelijke portie hebben als de gemeene vicarissen.

Voor de schoolmeesters en koster traden op Johan Schilt-houwer en Berend Pas, burgemeesters te Montfoort, ter eenre en ter andere zijde W. Wolfert Gz., C. van Oudewater Cz. en J. Bonst Jz., „als die drye oudste capitularen cnde resi-,derende vicarissen der kercke van Montfoort.quot;

Uit dit accoord blijkt tevens, dat de Memorieheeren of gemeene vicarissen toen die goederen administreerden en de landerijen verhuurden, terwijl zij in het algemeen over die goederen spreken, als behoorende aan het kapittel, dat daarover zelfs voor het gerecht te Montfoort een acte van condemnatie had verkregen (of gepasseerd), waarbij aan den Latijnschen schoolmeester /\' 100 was geassigneert op de memoriegoederen. Tevens werd in dit accoord bepaald, dat de commissarissen voorz., waarmede schijnen bedoeld te zijn de drie voormelde contractanten ter andere zijde, optredende namens het kapittel (1), zullen „gehouden wesen den predikant tot Montfoort te laeten „volarhen al sulcke hondert gulden jaerlick, als hij tot nogh „toe van jaere tot jaere vuyt de memoriegoederen gehadt ende „genooten heeft. Alle welcke conditiën en voorwaerden, hier-„voren gestelt, geaccordeért ende besloten sijn op behagen ende „believen van de Ed. Heeren Staten, denwelcken mede gelieven „sall denselve te approberen ende te ratificeeren, mitsgaders „deselve oock te corrigeren ende te altereren sulck hem luiden „Edele goeden Raidt goet ende geraiden vinden sailquot;.

De resolutie der Staten op dit verzoek voorgesteld en aangenomen, luidt: „Do Staten begeerende vreede ende eenigheyt „tusschen die voorsz. Regierders ende vicarissen te vorderen,

(1) In de resolutie van Gedeputeerde Staten van 26 Mei 1653 (VerLoren, blz. 367) worden zij genoemd Gecommitteerden uijthetcapittel^eneuaXsookin de rekening van de pastoriegoederen over 1667 in het slot. (VerLoren, blz. 319.)

-ocr page 589-

237

„hebbeode voorsz. accoorde geapprobeert ende geratificeert, „gelijk zij \'t selve approbeeren ende ratificeeren bij dese bij „provisie ende ter tijde toe anders geordonneert sail zijn.quot; enz.

Wij merken hierbij op, dat zoowel in dit document, alsook in latere stukken en resolutiën, de vicarissen of liever de (al)gemeene vicarissen en memorieheeren steeds als synoniem genoemd worden. Het waren dezelfde personen, doch in diverse kwaliteiten.

Dit accoord is gevolgd door andere latere accoorden en resolutiën, over de memoriegoederen en de verhouding der kapittel- of choorheeren tot de kerkmeesters en de pastoriegoederen: van 20 Januari 1626 (VkrLokes , blz. 368), — 26 Mei 1653 (VerLoren, blz. 367), — 4 November 1653 (VerLoren, blz. 372), — 17 Februari 1658 (verloreif, blz. 366) en 11 Januari 1660 (VerLorex, blz. 374). Ook schijnt er nog een accoord te hebben bestaan, waarbij het kapittel (of wel de Burggraaf als collator?) het ouderhoud voor de kerk en toren, benevens ook het schoolgebouw en de pastorie, op zich heeft genomen voor zoover namelijk de pastoriegoederen daartoe ontoereikend werden bevonden, of althans daartoe mede contribueerde. De inhoud er van is echter niet bekend.

De Staten hebben, als gezegd, ook reeds vóór den aankoop der heerlijkheid Montfoort in 1648, zich steeds ingelaten met de memoriegoederen. Zij ontleenden hunne rechten op die goederen, dus niet aan dien koop, maar aau artikel 13 der Unie van Utrecht, in verband met de resolutie der Staten Generaal van 1 Juni 1581. Reeds in 1626, alzoo lang voor dien aankoop, vindt men in de resolutie der Staten van 20 Januari 1626 gewag gemaakt van Gecommitteerden (der Staten) tot de regelinge der Memorie te Montfoort, die niet identiek schijnen te zijn met de iJirediekcmer, dat is de gecommitteerden tot de geestelijke goederen in \'t algemeen.

Wanneer en waartoe deze afzonderlijke gecommitteerden eigenlijk benoemd zijn, ligt in het duister, doch zij werden gehoord over do ingekomen rekwesten betrekkelijk de memorie-

-ocr page 590-

238

goederen. (Zie VerLoeen, blz. 868.) Later worden zij in de resolutie van Gedeputeerde Staten van 26 Mei 1653 (VerLoren, blz. 367) genoemd Gecommitteerden in de saecken van het Burg-graafschap van Montfoort.

Ook was er reeds vóór den aankoop in 1648 een afzonderlijke ontvanger of rentmeester der memoriegoederen door de Staten aangesteld, of misschien door den Burggraaf, doch met goedkeuring en agreatie der Staten of hunne ordinaris Gedeputeerden.

Dezen rentmeester Dirk van Erclcel (niet te verwarren met Hendrik van Erckel, rentmeester der kapittelgoederen in 1667) vindt men in de koopaete van 1648 vermeld als toenmalige rentmeester der memoriegoederen en der vicariegoederen, en was door den verkooper onder de conditiën van verkoop bedongen, dat hij als zoodanig moest blijven fungeeren, zoolang hij leefde. Na den verkoop werd hij in ieder geval rentmeester c?e/-/Stotew, want de Burggraaf bestond niet meer.

Rekeningen van do rentmeesters der memoriegoederen vóór de combinatie der memorie- en pastoriegoederen, zijn echter niet aanwezig.

quot;Wij zullen nu naar tijdsorde nagaan den hoofdinhoud der genoemde resolutiën, die gevolgd zijn op de beide door de Staten goedgekeurde accoorden van 12 Juli 1594, daarbij aanvangende met de resolutie van 20 Januari 1626 (VerLoken, blz. 368).

Deze resolutie is genomen op een verzoekschrift van de straks reeds vermelde Gecommitteerden (uit de Staten) tot de regelinge der Memorie te Montfoort, of, zooals zij veelal bij verkorting genoemd worden Gecommitteerden der memoriegoederen en loopt over de reparatie der pastorie.

Daarbij is aan die Gecommitteerden door de Ordinaris Gedeputeerden der Staten toegestaan, om de memoriegoederen te mogen bezwaren, tot een bedrag van hoogstens f 900.—, af te lossen binnen 6 jaren, en zulks, omdat die som benoodigd was tot betaling der reparatiën aan de pastorie.

-ocr page 591-

239

quot;Wie die reparatiekosten eigenlijk moest dragen en bijgevolg de aflossing van het hypotheek moest doen, wordt niet gezegd. Alleen staat er vermeld: „dat de posten der reparatiën bij „eenige daertoe bij d\'Borgemeesters en Gecommitteerden der „memoriegoederen geauthoriseert, naer behooren zuilen worden „gesuyvert bij aldien \'t zelve noch niet gedaen en is quot;

Over dit rekwest waren door Gedeputeerden vooraf gehoord de Raden van den Burggraaf (die absent was), die daarover een advies hadden uitgebracht, alsook de Regeering van Mont-foort — „voor zoovele als hun aengaetquot;.

Uit deze resolutie vloeit alzoo voort, dat het opperbestuur over de Montfoortschc geestelijke goederen en memoriegoederen toch berustte bij de Staten en hunne ordinaris Gedeputeerden; niet bij den Burggraaf of de Regeering te Montfoort, die slechts gehoord werden, en dat er geene bezwaring dier goederen kon plaats grijpen, dan met consent der Staten (als eigenaars dier goederen) terwijl de Burggraaf daartoe onbevoegd was.

Ue latere resolutie van Gedeputeerde Staten, dd. 26 Mei 1653 (VeeLokex , blz. 367), loopt ook over de reparatiën aan de pastorie. Zij werd genomen op een rekwest van het kapittel te Montfoort. Daarin zeggen de kapitulairen, dat het kapittel wel gehouden was uit de inkomsten der memoriecjoederen te moeten bijspringen voor betalingen wegens reparatiën aan de kerk en de pastorie der kerk, indien de kosten daarvan niet konden komen uit het inkomen der kerkegoederen of uit dat der pastoriegoederen, — maar dat dan ook, volgens de (zooevengcmelde) resolutie van Gedeputeerde Staten van 20 Januari 1626, die reparatiën aan de kerk of de pastorie moesten plaats grijpen na voorafgaande inspectie en authorisatie van den Officier te Montfoort en de gecommitteerden uit het kapittel, mede volgens uitspraak van den Burggraaf van 7 Juli 1624. Uit dien hoofde beklagen zij zich, dat er aan de pastorie gerepareerd was, zonder dat het kapittel daarin gekend was.

Het appointement van Gedeputeerden, — na gehoord hot mondeling bericht en advies van de Gecommitteerden uit de

-ocr page 592-

240

Staten in de saeken van het Burg graafschap van Montfoort — luidde, dat aan den opzichter van de pastorie werd verboden eenige reparatiën daaraan te doen of te beginnen, anders dan na voorafgaande communicatie aan en ten overstaan van den Officier der Stad Montfoort en de gecommitteerden uit liet kapittel, in voege als bij resolutie der Gedeputeerde Staten van 20 Januari 1626 was bepaald.

Wij merken hierbij op, dat de reparatiën aan de kerk en de pastorie, dus niet per se en altijd uit de opbrengsten der memoriegoederen moesten gevonden worden, maar alleen indien de kerkgoederen en de pastoriegoederen ontoereikend werden bevonden, de kosten respectievelijk daarop vallende te kunnen dragen.

Dit blijkt ook nog uit eene latere resolutie van Gedeputeerde Staten van 17 Februari 1658 (VeeLoren, blz. 366), ter beslissing van een geschil tusschen het kapittel en de kerkmeesters over het repareeren van den vloer en zerken in de kerk. (1)

Ue resolutie der Gedeputeerde Staten van 4 November 1653 (VerLoren, blz. 372) en die van 11 Januari 1660 (ibid, blz. 374) loopen over een geheel ander onderwerp. De eerstge-melde werd genomen op een rekwest of te kennen geven van den rentmeester Dirk van Erckel der memoriegoederen (die in 1648 met het quot;Burggraafschap en de heerlijkheid van Montfoort door de Staten waren aangekocht), dat hij in zijae 3e rekening aan de Staten over het jaar 1652, in plaats der huren van de verkochte landerijen der memoriegoederen (of zooals het daar luidt: der goederen in H gemeen aan de memoriegoederen, waarmede bedoeld worden, de memoriën en de goederen, waarvan de inkomsten onder de gezamenlijke choorheeren werden verdeeld , in tegenoverstelling van de zoogenaamde simpele vicariën

(1) Zie verder over de verplichtingen tot onderhoud van de kerk en toren, de resolution van 27 en 28 Maart en 12 April 1632, 4 Juli en 27 Sept. 1633, 25 en 27 Juni 1634, 3 en 11 Juli 1649 en 6 Nov. 1737.

-ocr page 593-

241

of beneficiën) onder de ontvangsten dier goederen had gebracht-een bedrag van f 207G-4-4, dat hem door de Staten was toegelegd, zoodat hij verzocht, dat de Staten nu over 1653 weder f 2076-4-4 subsidie aan de memoriegoederen zouden toeleggen, opdat de revenuen dier goederen toereikend zouden zijn, om daaruit onder anderen diverse ordinaire en extra-ordinaire lasten aan het kapittel te betalen, alsook een bedrag van f 295 tot aflossing en interest van een kapitaal, waarmede de memorie-goederen waren belast; — dat de kapittelheeren in geldnood verkeerden en hem reeds dikwijls hadden aangesproken, om uitbetaling van het hun of het kapittel corapeteerende, uit de revenuen der memoriegoederen en zij ook noodig hadden het batig saldo uit de memoriegoederen, na afbetaling der uitgaven overschietende, hun competeerende; weshalve hjj verzoekt de genoemde som van ƒ 2076-4-4 weder te ontvangen van de Staten, als een subsidie aan de administratie der memoriegoederen , op de wijze, zooals hij daarbij voorslaat.

Dat verzoek werd door Gedeputeerden toegestaan en de gevraagde machtiging verleend.

Uit deze resolutie blijkt:

1°. dat na den aankoop in 1648 (en zelfs reeds vroeger), de choorheeren of capitulairen niet meer de gemeene memoriegoederen administreerden, maar dat toen de administratie gevoerd werd door een rentmeester dier memoriegoederen, aangesteld door de Staten en rekenplichtig aan de Staten en hunne Gedeputeerden, die autorisatie moesten geven, om daaruit betalingen te doen;

2°. dat het bedrag, dat de verkochte landerijen vroeger aan landpachten opleverden, jaarlijks niet werd uitbetaald aan de capitulairen, ook wel choorheeren of gemeene vicarissen genoemd, maar aan den rentmeester, die daaruit echter aan hen uitkeerde, wat hun competeerde en door de Staten was toegelegd;

3°. dat om deze en andere uitbetalingen behoorlijk te kunnen blijven doen, liet noodig was, dat de kas van het comptoir

IRu

-ocr page 594-

242

der memoriegoederen -werd gestijfd met een vast jaarlijksche subsidie van f 2076-4 4 in de plaats tredende van de pachten der verkochte landerijen (behalve de extraordinaris subsidie),

40. dat ook de choorheeren belang er bij hadden, dat de Staten dit vaste subsidie jaarlijks verleenden, daar zij anders geheel of gedeeltelijk zouden moeten derven, wat zij uit de kas der memoriegoederen trokken. De choorheeren werden alzoo schadeloos gesteld door de Staten, wegens de verkochte memone-goederen, op dezelfde wijze als de vicarissen der afzonderlijke 14 vicariën, waarvan de goederen ook verkocht waren, te weten; dat zij bleven genieten gedurende hun leven, wat zij vroeger uit die verkochte landerijen trokken.

Uit dien hoofde adresseerden zij zich in 1660 aan de Staten of hunne Gedeputeerden met verzoek, dat de ordonnande ter somma van ƒ 2076-4-4, door de Staten verleend op Dirk van Erckel, als rentmeester van haar Ed. domeinen van Montfoort ad / 600, en de resteerende/\'1476-4-4 op een ander comptoir der Staten, ook dat jaar weder zou verleend worden, doch in dier voege, dat de ƒ 600 zouden worden teruggebracht op / 200 en de ƒ 1476-4-4 op een ander comptoir zou worden verhoogd tot ƒ 1876-4-4, alzoo te zameu / 2076-4-4. Bij dispositie van 11 Januari 1660 (VerLoren, blz. 375) werd dat toegestaan. In dit rekwest (dat wij alleen kennen uit de dispositie daarop gevallen), wordt wel in den aanhef gezegd, dat de Staten aan de supplianten hadden toegelegd, ƒ 2076-4-5 in plaats van de landpachten van de verkochte landen, maar dit moet niet letterlijk opgevat worden, alsof die som geheel en direct aan de capitu-lairen werd uitbetaald, daar uit de resolutie van 4 November 1653 (VerLoren, blz. 372) blijkt, dat dit bedrag was aangevraagd door den rentmeester en niet door de capitulairen of choorheeren en ook niet om aan hen, maar aan den rentmeester te worden uitbetaald; eindelijk ook niet, om dat bedrag voluit en in allen geval niet meer dan dat bedrag, aan hen uit te keeren, maar alleen opdat hij in staat zou zijn, ook aan het kapittel en de choorheeren te kunnen voldoen, al da.tgene wat

-ocr page 595-

243

hij gewoon en verplicht was aan hen te betalen uit diversen hoofde. Kwam er na afbetaling der uitgaven toch nog tokort, dan suppleerden de Staten dat tekort door buitengewone sub-sidiën, dat is aanwijzingen tot betaling voor den rentmeester op een hunner andere comptoiren. Het was alzoo een gewoon subsidie, dat door de Staten verleend werd van het eene comptoir aan het andere, op de wijze zooals bij de overige comptoiren van (gewezen) geestelijke goederen , als er geld tekort kwam, eveneens plaats greep, invoege als bij de inleiding reeds is uiteengezet.

Er schijnt echter voor de uitbetaling van dit vaste jaarlijksch subsidie aan de memoriegoederen geen vast comptoir der Staten aangewezen te zijn geweest, zoodat het nu eens uit dat, dan weder uit een ander comptoir werd voldaan. Deze post van ƒ 2076-4-4 komt in de latere rekeningen, toen de memoriegoederen administratief reeds vereenigd waren met de pastoriegoederen en gebracht onder een en denzelfden rentmeester, ook nog steeds voor onder de ontvangsten (zie de rekening over 1764, VekLorex, blz. 333), als eene betaling of subsidie, die de Staten gaven aan de memoriegoederen, in plaats van de vroegere landpachten, even als zulks bij de gobeneficieerde goederen, het comptoire van St. Catharyne en andere comptoiren plaats greep. Daaruit volgt echter nog niet, dat toen nog zulks aan de kapittelheeren betaald werd.

In de rekeningen van den rentmeester Dirk van Erckel over de memoriegoederen zal natuurlijk een of meer posten onder de uitgaven vermeld zijn, van betalingen aan het kapittel of de choorheeren, dat is, memorieheeren gedaan, maar daar die rekeningen niet meer aanwezig waren, valt daarvan met zekerheid niets te zeggen. In de latere rekeningen van de vereenigde memorie- en pastoriegoederen van 1764 en volgende jaren, komt wel de post voor als ontvangen, maar onder de uitgaven komt niet voor eenige uitbetaling aan het kapittel of de memorieheeren. Het kapittel was toen ook reeds verdwenen, omdat de Staten als collators geworden, door den aankoop der heerlijk-

-ocr page 596-

244

held, geene nieuwe capitulairen aanstelden. Ten minste de Staten lieten het links liggen, indien het nog kerkelijk heeft bestaan.

Ei1 wordt in die rekening dan ook van het kapittel gesproken, zooals wij vroeger reeds zeiden, als iets dat niet meer bestond, ten minste ten opzichte van de Staten. Wij doelen op den post van uitgaaf ad f 6-14-,, verschuldigd door het hapittel, als een uitgang uit de kerk te Montfoort, welke post aldaar „^{j verhaal\'quot;\' in uitgave wordt gebracht, „vermits Haar Ed. Mo. „ Heer en vein Montfoort zijnquot;, hetgeen naar onze opvatting beduidt : vermits het kapittel waarvan de Staten als heeren van Montfoort het collatierecht hebben, niet meer bestaat, zoodat de post, die onder de ontvangsten als ontvangen is in rekening gebracht ad f 6-14-r inderdaad niet is ontvangen en dus alhier onder de uitgaven door een contrapost moet gedekt worden, ofschoon de uitgaaf zelve niet is gedaan.

Welke de ontvangsten en uitgaven der memoriegoederen waren is niet bekend, omdat er geen enkele rekening van den rentmeester der memoriegoederen voor de combinatie met de pastoriegoederen) tot ons is gekomen. Alleen weten wij iets van de uitgaven, die uit de inkomsten der (afzonderlijke) memoriegoederen werden gedaan door den rentmeester, daar die zijn omschreven in een Manuaal van de Or dinar is kisten elie uijt het innekomen der voorsz. memoriegoederen tot noch toe syn ende moeten worden betaalt (vermeld bij VerLorfs , blz. 332), gevoegd achter de Instructie van den rentmeester der memoriegoederen (fol. 71). Daarin komt niets voor aangaande betalingen aan het kapittel of choorheeren te doen. maar alleen aan den predikant, koster en Duitschen schoolmeester, te zamen f 224 en gagie aan den predikant ƒ 300.

Deze instructie voor den rentmeester der memoriegoederen te Montfoort werd den 18den Mei 1666 gearresteerd door de Gedeputeerde Staten en den 25sten Mei daaraanvolgende door de Staten geapprobeerd. (VerLoreiï, blz. 368.) Zij is te vinden in de acten, commissiën en instructïèn van de Staten en Ge-

-ocr page 597-

245

deputeerde Staten \'s Lands van Utrecht, aanwezig op het Rijksarchief te Utrecht: Register 92. Zie gedrukte Inventaris, hh. 24 — en wel in deel 36 fol. 69. (Zie VerLorex , blz. 369). Toen die werd gearresteerd was Dirk van Erckel (die volgens de conditiën van den verkoop in 1648 moest aanblijven als rentmeester der memoriegoederen tot aan zijn dood), overleden tn was er een andere rentmeester der memoriën aangesteld. Of nu deze nieuwe rentmeester toen reeds dadelijk ook de pastoriegoederen onder zijne administratie kreeg, is onzeker, doch niet waarschijnlijk, daar er in die instructie niets voorkomt, dat betrekking heeft op de pastoriegoederen, terwijl er in 1667 nog een afzonderlijke rentmeester of administrateur der pastoriegoederen bestond, te weten Jan van Overmeer, wiens rekening over 1667 is vermeld bij VerLorex, blz. 315 en volg.

Bij gemelde instructie van 18 Mei 166\'! werd die rentmeester der memoriegoederen (nu men den Burggraaf kwijt was) geheel en al geplaatst onder de bevelen der Staten of hunne Gedeputeerden en wordt daarin met ronde woorden gezegd , dat de Edel Mogenden waren possesseurs der voornoemde memoriegoederen (ibid, blz. 370) en dat hij alzoo jaarlijks eene opgaaf (recueil) van zijne uitgaven uit de inkomsten der memoriegoederen, gedaan wegens reparation aan het kerkgebouw te Montfoort, moest overleveren aan de Ordinaris Gedeputeerden der Staten, die de betaling daarvan alsdan zouden ordonnan-ceeren na ingewonnen advies van de Pinantiekamer der Staten.

Omtrent de reparatiën zeiven werd daarin bepaald, dat als die noodig mochten bevonden worden, de rentmeester die zou opnemen met den kerkmeester en als zij een bedrag van ƒ 10.— te boven gingen, alsdan eene schriftelijke authorisatie noodig was van de gecommitteerden uit de Staten, waarmede bedoeld schijnen de bovengemelde Gecommitteerden tot de memoriegoederen.

Na de vereeniging der administratie van de memoriegoederen (die in of omstreeks 1764 schijnt plaats gegrepen te hebben), bleef de rentmeester van die gecombineerde administratie de

-ocr page 598-

24«

benaming van Rentmeester der memoriegoederen hehouden, zonder bijvoeging\' en der pastoriegoederen, doch hij ontving toen eene nieuwe instructie, gearresteerd door Gedeputeerde Staten den 17 Mei 1765, die de vroegere van 18 Mei 1666 verving en nader zal besproken worden bij de behandeling der vereenigde memorie- en pastoriegoederen. Uit deze nieuwe instructie van den nieuwen rentmeester der memoriegoederen blijkt, dat bij toen ook de pastoriegoederen moest beheeren.

Pastoriegoederen.

Omtrent de pastoriegoederen is in zoover meer zekerheid, dan bij de memoriegoederen, doordien er behalve de vermelding in den inventaris der geestelijke goederen van 1583, en behalve de rekening van Floris van Weede 1586/8, nog eene :atere rekening daarvan (vóór de combinatie met de memoriegoederen) tot ons gekomen is. Het is de reeds vermelde rekening over het jaar 1667 van Johan van Overmeer, Burgemeester van Montfoort, gehad hebbende de administratie van de Pastonje goederen van Montfoort, en daartoe (let wel!) gecommitteerd door de Heeren Staten \'sLands van Utrecht, volgens acte in dato 12en Juli 1594, — zooals het hoofd dier rekening luidt. Dit stuk, hetwelk in zijn geheel is medegedeeld bij VerLoren, blz. 315, berust in het archief van den tegenwoordigen rentmeester der memoriegoederen te Montfoort, notaris de Gelder.

Uit dit hoofd moet men niet afleiden, dat die rentmeester in 1594 was aangesteld door de Staten, maar alleen, dat hij was aangesteld door de Staten volgens eene acte, dat is conform het na te melden accoord van 12 Juli 1594, dat door de Staten was getroffen en gearresteerd, om de on-eenigheden tusschen de regeering van Montfoort, de kerkmeesters, burggraaf, enz. te regelen en te beslissen. Hij deed die rekening toen in 1667, ook niet aan de Gedeputeerde Staten zeiven of aan de Directiekamer of andere Gecoinmit-mitteerden uit de Staten, maar, zooals uit het slot dier rekening

-ocr page 599-

247

blijkt, werd die gedaan aan den Maarschalk eu Schout van Montfoort (die zich echter iu dat jaar liet vertegenwoordigen door den Hoofdofficier te Montfoort) in bijzijn van burgemeester en schepenen als gecommitteerden uit de Magistraat en van Gedeputeerden van Hollant als gecommitteerde van het kapittel te Montfoort. Van Gecommitteerden uit de Staten of Gedeputeerde Staten wordt daarbij geen gewag gemaakt. Eerst later , nadat de pastoriegoederen waren gevoegd bij de memoriegoederen, werd de rekening daarvan (in 1764 en volgende jaren) opgenomen en gesloten door Gecommitteerden uit de Rekenkamer der provincie, zonder adsistentie van ceuige andere authoriteiten of gecommitteerden.

Uit de evengemelde resolutie der Staten van 12 Juli 1594, bevattende het accoord over de pastoriegoederen (Rijksarchiefte Utrecht, Register nquot;. 44, 7de boek, fol. 343), gedrukte Inventaris, blz. 16: Registers of prothocollen van beschrijving der Staten ,sLands van Utrecht, niet te verwarren met het accoord van dienzelfden datum , dat aldaar, fol. 344 v. voorkomt, loopende over de Memoriegoederen en hierboven vermeld (Ver-Loren , blz. 360), blijkt dan ook volledig, dat ook vroeger de pastoriegoederen zijn geadministreerd door den Magistraat te te Montfoort, doordien de Staten, bij wijze van accoord, voor-loopig de administratie der goederen hadden overgelaten aan de regeerders der stad Montfoort, onder voorwaarde, dat zij aan den predikant (er was er toen maar één) uit het inkomen dier pastoriegoederen, jaarlijks f 200 zouden uitbetalen, boven de ƒ 100, die hem uit de memoriegoederen waren toegevoegd; dat zij geen predikant mochten beroepen of afzetten, dan met goedvinden van de Staten of hunne Gedeputeerden ; dat zij de overschietende penningen van het inkomen der pastorie zouden mogen gebruiken tot onderhoud van een Latijnschen en Duitschen schoolmeester, van den koster en tot reparatie van het pastorie-huis en hofstede te Montfoort — „ende dat zij van het inkomen „der pastorygoederen gehouden zullen wesen , tot vermaninge „te doen rekeningh, bewijs en reliqua voor de Staten of

-ocr page 600-

248

„hunne Gedeputeerden, eu dat all hij provisie ende ter tijde „toe anders geordonneert zal zijn.quot;

Er blijkt dus uit dit accoord over de pastoriegoederen, dat de Staten zich ook over de pastoriegoederen het oppergezag toekenden, even als over de memoriegoederen, als aan hen toebehoorende. In de notulen der Staten van 12 Juni 1587 en 3 Juni 1588 wordt dan ook vermeld, dat Gedeputeerde Staten de pastorietienden te Montfoort zullen verpachten, zonder prejudicie van het jus patronatus den heer van Montfoort competeerende. (Vergelijk hiermede do rekening van Floris van Weede over 1586/8, VerLoren, blz. 820 en 321.)

Later hebben de Staten verandering gebracht in dit provisioneel accoord en de administratie over de pastoriegoederen aan zich getrokken, door er een rentmeester voor aan te stellen, die rekening deed, niet meer aan de regeerders van de stad Montfoort, maar, zooals het in het slot der zooeven gemelde rekening dei-pastori egoederen over 1667 vermeld staat, aan hunnen Maarschalk en Schout van het Land en de Stad van Montfoort, doch in presentie van den Magistraat en van een gedelegeerde uit het kapittel, dat toen nog schijnt bestaan te hebben.

Hiermede stemt dan ook overeen, dat in de rekening van de gecombineerde memorie- en pastoriegoederen van lateren datum (over 1764) in de uitgaven en wel in de 6de uitgave wordt gezegd over den vroegeren toestand en wijze van administratie, te weten: „Uitgave van de pastorye goederen tegens „den vorenstaenden ontfang, daarvan voor desen is rekening „gedaen voor de Magistraat der stad Montfoort en (doch) vol-„gens resolutie en aanschrijving van Haar Ed. Mog. dat die „voortaan voor Welgemelde Haar Ed. Mog. moet werden gedaan1\'. (VerLorex, blz. 340.) Er staat echter niet bij, wanneer die resolutie en aanschrijving is gedaan, doch vermoedelijk heeft deze innovatie eerst plaats gegrepen tijdens of tegelijk met de vereeniging der administratie van de pastoriegoederen met die der memoriegoederen in of omstreeks 1764, gelijk dan ook de (eerste Y] rekening dier gecombineerde administratiën over 1764

-ocr page 601-

249

niet meer werd gedaan aan den Maarschalk, ten overstaan van de Burgemeesters van Montfoort en den gedelegeerde uit het kapittel aldaar, maar aan de Gecommitteerden van de Rekenkamer der Staten (VerLoken, blz. 342), zonder dat er , als gezegd, oenige andere authoriteiten of collegiën bij vertegenwoordigd waren.

Uit de rekening zelve van de pastoriegoederen over 1667 blijkt, dat toen de pastoriegoederen bestonden uit de grove-, smalle- en krijtende tienden onder Heeswijk (niet te verwarren met de tienden uit Kort-Heeswijk, thans toebehoorende aan liet Diaconie-Oude-Mannen- en Vrouwenhuis te Utrecht). Wijders worden onder de ontvangsten genoemd:

a. de uitkeering uit de memoriegoederen ten behoeve van de beide schoolmeesters, koster en den predikant door de regeering van Montfoort (met goedkeuring der Staten) bedongen bij accoord van 12 Juni 1594, hierboven medegedeeld, onder de memoriegoederen (VerLoeen, bb:. 360), bedragende over het jaar 1667 de som van f 224-;

b. eene uitkeering van het kapittel te Montfoort (betaald door den rentmeester van hetzelve Hendrik van Erckel (1), voor bijdrage in de reparatiën van de pastoriewoning ad/quot; 105-„-„ , en

c. renten van een kapitaal, behoorende aan de pastoriegoederen , uitgezet bij een particulier (G. Bastiaanse), welk kapitaal, blijkens latere rekeningen der gecombineerde memorie-en pastoriegoederen later is afgelost.

Ontvangsten van losrenten, uitgangen, huisrenteu, landrenten, thinsen en andere soortgelijke zaken komen er niet in voor, zoodat alles wat daarvan in de latere rekeningen der gecombineerde memorie- en pastoriegoederen over 1764 en volgende jaren voorkomt, afkomstig is uit de memoriegoederen.

Evenmin komen er in voor eenige huren, ontvangen van landerijen of huizen, behoorende tot de pastoriegoederen, zoodat

(1) Er was dus toen reeds een rentmeester aangesteld over de kapittelgoederen.

-ocr page 602-

250

de pastoriegoedereu geen landerijen bezaten. Er waren echter wel huizen, namelijk de kerk, pastorie, schoolhuis en kosters-woning, maar die rendeerden niets, kostten zelfs geld voor reparatiën en renten of uitgangen daaruit gaande, zoodat men in de ontvangsten daarvan niets vindt, maar alleen in de uitgaven.

Deze uitgaven bestonden: vooreerst in hetgeen bij het even-gemelde accoord van 12 Juli 1594 over de pastoriegoederen (VerLoren, blz. 379) moest betaald worden, te weten: het tractement van dominé Matthias Neeff, als pastoor deser stede, (zonderling adjectum) ad f 490.— \'sjaars.

Idem aan den Duitschen schoolmeester J. van Zoelen ƒ 180.—, idem aan den koster J. van Zoelen f 70.— en / 16-7-,, voor werkloonen van den boekbinder ten behoeve der Latijnsche school.

2«. uit de kosten vallende op de tiendverpachtingen;

3°. uit eene thins van 14 stuivers, gaande uit de pastoriegoederen en verschuldigd aan de domeinen \'s Lands van Utrecht;

dito van 14 stuivers, gaande uit het pastoriehuis, verschuldigd aan de memoriegoederen;

4°. uit renten van een kapitaal van ƒ 225 en van / 125 door de pastoriegoederen, opgenomen bij de aldaar genoemde personen (later afgelost);

5°. uit rekeningen der werkbazen en leveranciers over 1667, wegens reparatiën aan de pastorie en verdere gebouwen, be-hoorende tot de pastoriegooderen;

6°. uit het tractement en de administratiekosten vs.n den rentmeester der pastoriegoederen en de vacatiën verschuldigd voor het opnemen der rekening door den IToofd-officier loco den Maarschalk, ad f 6.— en het bijwonen van dien door den Magistraat, en de Gecommitteerden van het kapittel, te zamen f 12-6-„ den Stads-secretaris f 4-10-,, en den Stadsbode / 12-„-„.

Zooals hierboven reeds gezegd is werd in of omstreeks 1764

-ocr page 603-

251

het afzonderlijk rentmeestersambt over de pastoriegoederen opgeheven en gevoegd by dat der memoriegoederen.

Veeeenigde memorie- en pastoriegoederef.

Tot beter verstand van hetgeen nu volgt is het niet overbodig te herinneren, als resumé van het hierboven vermelde, dat tijdens de reformatie de Staten de memoriegoederen vonden in handen van en geadministreerd wordende door het kapittel (als kapittelkerk) en de pastoriegoederen in handen van de kerkmeesters (als parochiekerk), die tevens waren leden der regeering te Montfoort; een en ander met zekere bevoegdheden en inmenging van den Burggraaf, als Heer van Montfoort en tevens collator der pastoors van het kapittel en van de vicariëu en memoriën, gevestigd iu de St. Janskerk aldaar.

Daarin hebben de Staten toen voorloopig berust, nadat hun rentmeester der gebeneficieerde goederen, Floris van Weede, in 1587 te vergeefs had getracht zich ook te Montfoort te doen gelden, zonder echter hun oppergezag prijs te geven, zoodat bij de goedkeuring van de accoorden l». over de memoriegoe-deren en 2°. over de pastoriegoederen , beide door hen bekrachtigd op 12 Juli 1594, en misschien ook bij een dergelijk accoord of iets dergelijks getroffen over de kerkgoederen, reeds eenige wijzigingen zijn gebracht in dit zelfbeheer der Montfoorters. Later hebben echter de Staten hun die administratie respectievelijk afgenomen en zijn daarover successievelijk rentmeesters aangesteld, reeds vóór den aankoop der heerlijkheid van Montfoort in 1648, te weten: een voor do memoriegoederen en een voor de pastoriegoederen. In 1667 (dus na den aankoop) treffen wij zelfs een rentmeester van dat kapittel, mr. Hendrik van Erckel aan (VerLorex, blz. 316), niettegenstaande er toen nog kapitularissen bestonden, (ibid blz. 318.) Aan wie deze rentmeesters respectievelijk hunne rekeningen deden, is niet bekend, daar er behalve de evengemelde pastorie-rekening over 1667, geene meer voorhanden zijn.

-ocr page 604-

252

Uit deze laatste blijkt, dat die rekening toen werd gedaan aan den maarschalk van \'t Land van Montfoort, doch in hijzijn van de diverse authoriteiten daarin opgenoemd.

Het is dus waarschijnlijk, dat ook de rekening der memo-riegoederen en later ook die der kapittelgoederen aan dezelfde personen werd gedaan of door hen aangehoord.

Na de vereeniging der heide administratiën onder een rentmeester, genaamd rentmeester der memoriegoederen, die in of kort voor 1764 schijnt te hebben plaats gegrepen, is daarin echter verandering gebracht door de Staten, doordien toen en later, zooals reeds gezegd is, de rekening niet meer werd gedaan aan den Maarschalk of diens plaatsvervanger, den Hoofdofficier te Montfoort, namens de Staten, maar rechtstreeks aan de Gecommitteerden van de Rekenkamer der provincie, terwijl de verdere autoriteiten , die vroeger de rekening mede aanhoorden, nu maar te huis gelaten werden.

Wat de eigenlijke reden is geweest, waarom de beide rentmeesterschappen (waarschijnlijk bij vacature van een hunner) toen vereenigd zijn, is onbekend. Mogelijk kan die daarin gelegen zijn, dat de rentmeester der memoriegoederen eigenlijk weinig meer te doen had, nu de landerijen, beboerende tot dezelve, alle verkocht waren en er niets was overgebleven dan eenige losrenten, huisrenten, grondrenten enz., alle van gering bedrag.

Er is toen ook door Gedeputeerde Staten eene nieuwe instructie gemaakt voor dien geamplieerden Rentmeester der memoriegoederen, den 17den Mei 1765, te vinden even als de vroegere van 1666 (VerLoren, blz. 369) in de acten, commission en instructiën voor de Staten en Gedeputeerde Staten \'s Lands van Utrecht (Rijksarchief te Utrecht, Register 92, (gedrukte inventaris, blz. 24), deel 84, fol. 198 en volg.), waarin zijne werkzaamheden nader worden omschreven en waarachter volgt een Mammal van de uitgaven, die hij alsnu te doen had, onder het opschrift: „ Or dinar is lasten die uijt het vinnekomen der voorsz. memoriegoederen tot noch toe zijn ende „moeten worden betaalt.quot; De uitgaven aldaar speciaal opgenoemd,

-ocr page 605-

253

bevatten onder anderen de eventueele reparatiën aan het kerkgebouw, den toren, de pastorie en het schoolhuis, de Jracte-menten van den opwinder van het uurwerk, den hondenslager in de Kerk, de kaarsen en olie voor de godsdienstoefeningen, brandhout ten dienste van den kerkeraad, alle welke uitgaven men dan ook terugvindt in de (eerste?) rekening na de combinatie en uitbreiding van 1764 (zie VerLoren, blz. 341), met een extra-ordinaris uitgaaf voor een nieuw gordijn aan den stoel van den Maarschalk.

Deze instructie is later vervangen door eene andere, den 23 Juli 1818, door Gedeputeerde Staten dor provincie Utrecht vastgesteld en door hen den 22sten Maart 1866 gewijzigd (onder goedkeuring van den Minister van Finantiën), zijnde dc thans nog geldende instructie, waarnaar de rentmeester der memoriegoederen te Montfoort (notaris de Gelder) zich hoeft te gedragen.

Door de uitbreiding der functiën van den rentmeester der memoriegoederen moest natuurlijk ook zijne rekening uitbreiding en verandering ondergaan, daar hij slechts ééne rekening deed en niet eene afzonderlijke der memoriegoederen en eene andere der pastoriegoederen. Alle de uitgaven werden bijeengevoegd, alsook alle inkomsten, doch in diverse capita of rubrieken en zóó dat die toch nog goed te onderkennen zijn in hunnen oorsprong, hetzij van de memoriegoederen of wel van de pastoriegoederen. Echter werd die rekening meer geschoeid op de wijze als de domeinrekening der Staten, dat is, niet alles door elkander zooals vroeger, maar bij diverse rubrieken van landpachten, huishuren, erfpachten, tienden , uitgangen , losrenten, enz.

De eerste (?) dezer rekeningen der vereeuigde memorie- en pastoriegoederen, loopende over het jaar 1764, is in zijn geheel medegedeeld bij VerLoren, blz. 833 en volg., waarnaar wij alzoo kortheidshalve verwijzen.

De latere rekeningen, tot op die van 1882, zijn nagenoeg gelijkluidend, natuurlijk met andere cijfers, en met eenige later plaats gegrepen veranderingen, die wij nu zullen behandelen.

-ocr page 606-

254

Deze rekeningen zijn echter niet alle aanwezig, doch slechts gedeeltelijk, te weten over de jaren /76\'4, 1770, /7#4, /7lt;¥5, 1791—95, 1W5, 1797, 1799, 1800, 12, 1813—17,

1819 tot op 1882. De cursief gedrukten bevinden zich op het rijksarchief in de provincie Utrecht en de overigen in het archief van den tegenwoordigen rentmeester der memoriegoederen.

Van 1872 af is daarvan ook een duplicaat aanwezig ter Griffie der Gedeputeerde Staten van Utrecht.

Wij zullen nu eenige hoofdpunten uit die rekeniDgen bespreken en nagaan.

Daar er geene rekeningen der memoriegoederen en der speciale rentmeesters van de memoriegoederen vóór de combinatie (in 1764) aanwezig zijn, moeten wij ons, voor zooveel die goederen betreft, met de rekening van Floris van Weede den rentmeester der gebeneficieerde goederen der Staten \'s Lands van Utrecht, over 1586/8, waarin men do goederen, zoowel de pastorie- als de memoriegoederen (benevens de vicariegoecleren) ieder afzonderlijk omschreven vindt, tevreden stellen. Do uitgaven zijn niet omschreven, behalve eenige betalingen van trac-tement aan den toenmaligen predikant aldaar Abraham Jaasse, gedaan op order van de Gedeputeerden tot directie der Kercke-goederen (Directie Kamer?) volgens hunne ordonnantiën van 2 Augustus, 27 Augustus, 12 October 1587 en 2 Februari 1588, te zamen ƒ 136-12-„ en aan zijne vrouw Jannetje Teunis/15, volgens gelijke ordonnantie van 4 Mei 1590.

De landpachten in gemelde rekening van F. van Weede vermeld, als behoorende aan de Choorheeren (VerLoren, blz. 323), vindt men in deze rekening over 1764 natuurlijk niet terug, want de landerijen waren verkocht, maar wel de huys-renten, hof renten en landrenten (ibid. blz. 322) die echter in de rekening van 1764 beter en naauwkeuriger worden omschreven (VerLoren , blz. 334). Verder vindt men daarin onder de inkomsten de opbrengst der verpachte tienden onder Heeswijk, die in de rekening van Floris van Weede, alsook in de rekening van de pastoriegoederen over 1667 als pastoriegoeder en voor-

-ocr page 607-

255

komen. Wijders het bedrag van f 2076-4-4 jaarlijks door de Staten in 1652 (of iets vroeger) toegestaan aan de memoriegoederen, ter vervanging der XanApachten van de verkochte landerijen behoord hebbende tot de memoriegoederen (VerLoeen , blz. 372 en 374), te voldoen uit de kas van een der comptoiren van de Staten, welk bedrag toen in 1764 is betaald door het comptoir van den 20(!n en 40en penning.

De ontvangst van f 224, in de rekening der pastoriegoederen over 1667 vermeld, aan de pastoriegoederen betaald wordende door de memoriegoederen, voor tractement va.n den predikant, schoolmeester en koster volgens \'t accoord van 12 Juli 1594 (VerLoren, blz. 316) vindt men niet terug, omdat die post door de vereeniging van de memoriegoederen met de pastorie-goederen was te niet gegaan door schuldvermenging.

Eveneens vindt men niet terug onder de ontvangsten een extra ordinaris ontfunck, wegens betalingen door het kapittel (te weten door den rentmeester van \'t kapittel) gedaan, wegens te gemoet koming in de reparatiën der pastorie (VerLorek, blz. 316), om reden het kapittel en de rentmeester van hetzelve niet meer bestonden en de administratie was ineengesmolten met de gecombineerde memorie- en pastoriegoederen.

Verder komen onder inkomsten voor: begraafnisregten f 300-1 S-„ , verhuurde en verkochte grafsteden / 20-Totaal der ontvangsten f 2538-„-4.

Onder de uitgaven vindt men: tractement van den predikant J. van der Voort f 870.~ en eene gratificatie van f 116.- aan den predikant Moltzer voor het waarnemen van den dienst van J. van der Voort gedurende diens leven, volgens resolutie der Staten van 18 April 1764.

Tractement van den schoolmeester en koster te Montfoort f 250.-, idem klokkenist f 44.- en den boode f 18.- en voor geleverde kaarsen, als van ouds f 75.—.

Subsidie van f 400 \'sjaars door de Staten bij resolutie van 21 December 1669 verleend aan het Oude Vrouwenhuis te Montfoort.

Uitdeeling van brood aan de armen te Montfoort ƒ 147-1-14.

-ocr page 608-

256

Verder diverse uitgangen: als een gaande uit de herk te Montfoort f 6-14-„ en klepgeld f 2.- voor de kerk verschuldigd volgens resolutie van den Magistraat te Montfoort, benevens andere uitgaven.

De kosten vallende op de tieudverpachtiugen, eindelijk een aantal posten voor uitgaven en leverantiën aan het kerkgebouw, den toren, de pastorie en het schoolhuis, voor wijn en brood bij het avondmaal, olie, kaarsen, brandhout voor den kerkeraad enz. (vermeld in het bovengemelde Manuaal van de uitgaven, gevoegd achter do instructie van 17 Mei 1765 voor den rentmeester dér gecombineerde memorie- en pastoriegoederen).

Wijders de administratie-kosten en het tractement van den rentmeester, in voege als een en ander in de rekening zelve voorkomt en gespecificeerd is.

Het totaal der uitgaven was f 3038-2-4 en ging, zooals ook later gewoonlijk het geval was, de ontvangsten te hoven, ditmaal met eene som van f 500-2-„.

Dit comptoir was dus ook al een lastpost voor de Staten.

Eer wij van deze rekening afstappen, willen wij nog speciaal de aandacht vestigen op een post onder de ontvangsten vermeld, en wel in den 2en ontvang uytgangen en huysrenten luidende: „Uyt Haer Ed. Mogende Pastoryhuysingebinnen Montfoort, „word jaarlijks betaalt f „-14-„quot; (VerLoren , blz. 3;i4), waaruit alzoo blijkt, dat de Staten eigenaars waren van de pastorie en verdere pastoriegoederen, gelijk zij zich, als boven is gezegd, in de instructie van 25 Mei 1666 voor den rentmeester der memoriegoederen, noemen possesseurs der memoriegoederen (VerLokeu, blz. 370).

De latere rekeningen der gecombineerde memoriegoederen, komen in hoofdzaak en inrichting overeen met die van 1764, behoudens de volgende veranderingen.

Ontvangsten.

lo. Behalve de ontvangst van het vaste en gewone subsidie van f 2076-4-4 voor verkochte landerijen, komen er in latere

-ocr page 609-

257

rekeningen ook nog buitengewone extra-subsidiën voor tot afwisselend bedrag, om het te kort in de administratie te dekken, als het nadeelig saldo der rekeningen te zeer was aangegroeid, zoodat het niet meer door een batig slot van vroegere jaren of door een tijdelijk voorschot van den rentmeester te stoppen was. Zoo vindt men onder anderen in de rekening over 1770 een dergelijk excra-ordinaris subsidie van f 1125.- in die over 1791 een ad f 1400.- in 1792 een ad f 1000.- enz.

Het ging met die memoriegoederen evenals met de gebenefici-eerde goederen van St. Catharyne en andere (gewezen) geestelijke goederen. Het waren, zooals wij reeds vroeger opmerkten, lastposten voor de Staten, die duizenden verslonden. Niettegenstaande de Staten telkens als er goederen verkocht waren een vast subsidie of obligatie op de provincie gaven, gelijkstaande met de revenuen dier goederen, zoodat de inkomsten gelijk bleven, moest er toch nog altijd geld bijgelegd worden, omdat die inkomsten per se onvoldoende waren, om de vele uitgaven te kunnen bestrijden.

2°. De ontvangst wegens erfpachten, losrenten of oudeigens, huisrenten en hofrenten vermindert gaandeweg in de volgende rekeningen.

Waarschijnlijk is zulks een gevolg geweest van eene resolutie der Staten van 21 Mei 1661 (vermeld bij VekLoeex blz. 343), waarbij zij hunne Gedeputeerden authoriseeren om „ten ineesteu „oorbaar en minsten koste te procedeeren tot afkooping van al „die uitgangen, huisrenten, hofrenten , landrenten en erfpachten.quot;

3°. De ontvangst wegens begravingsregten en huur van grafsteden komt na 1830 niet meer voor, tengevolge van het verbod van het begraven in de kerken.

4°. Komen in de latere rekeningen voor: renten van inschrijvingen in het 2^ 0/o en 3 Grootboek der nationale schuld (thans geklommen tot f 8600 en f 10500 nominaal), die in vroegere rekeningen ontbreken. Deze inschrijvingen zijn een gevolg van overschotten, verkregen door een ordelijk en zuinig beheer, na afbetaling der vroegere schulden van het fonds der memoriegoederen.

17 u

-ocr page 610-

258

Uitgaven.

5°. De posten wegens tractementen van den schoolmeester en koster zijn vervallen, wegens een verbod aan den rentmeester gedaan door den Landdrost en Assessoren van het Departement Utrecht, dd. 19 Juni en 9 December 1807, om langer die uitbetalingen te doen.

6quot;. De uitkeering van f 400 aan het Oude Vrouwenhuis te Montfoort en de uitdeeling van brood aan de armen, verdwijnen insgelijks wegens gelijk verbod en resolutie van 13 November 1807.

7°. Na 1830 vervalt ook het tractement van den doodgraver, zoodat thans geene andere tractementen uit de memoriegoederen worden betaald, dan aan den persoon, die het uurwerk in den toren opwindt en smeert.

8quot;. Daarentegen komt in de laatste jaren een nieuwe post van uitgaaf voor, wegens brandwaarborg van de kerk en toren, de pastorie en het schoolhuis.

De wijze van beheer is na 1764 ook dezelfde gebleven, dat is door één rentmeester, aangesteld door Gedeputeerde Staten en rekening doende aan de Finantiekamer der provincie, later aan het gewestelijk bestuur der voormalige provincie Utrecht. Het comptoir, de administratie, of hoe men het ook noemen wil, der memoriegoederen, was dus eigenlijk geworden een rijksfonds der Staten, daar van lieverlede de Staten de stedelijke regeering, alsook den kerkmeester van alle medebemoeiingen, adsistentie en medeaanhooren der rekeningen hadden weten te verdringen. In dit opzicht was alzoo de toestand te Montfoort anders dan in de overige steden, alwaar, zooals wr gezien hebben, de regeeringen der steden, hoewel in strijd met de bepaling van art. 5 van het redressement, facto de administratie over de geestelijke goederen, (de vicariën daaronder begrepen) hadden geusurpeerd, grootendeels ten minste.

De ontvangers of collecteurs der tertiën van de vicariën aldaar, werden niet door do Staten of hunne Gedeputeerden

-ocr page 611-

259

aangesteld, doch door de respectieve regeeringen dier steden, zoodat hunne administration daarover niet werden geacht comp-toiren der Staten te zijn. Zij zijn in 1799 dan ook niet opgeruimd tegelijk met de andere comptoiren der Staten, maar gebleven in deu toestand, waarin zij toen waren en weggebracht onder het algemeen domeinfonds der Bataafsche Republiek.

Dit is misschien de reden, waarom ook te Montfoort in 1799 de rentmeester der memoriegoederen niet mede is opgeruimd, ofschoon daartoe overigens wel termen bestonden. Immers de toestand aldaar was, per varios casus et tot discrimina rerum, in 1764 geheel gelijk geworden aan die der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht (dat is ten plattelande), doordien te Montfoort het overschot der (gewezen) vicariegoederen, en memoriegoederen, dat niet verkocht was, vereenigd met de pastoriegoederen, was gekomen onder beheer van eenen rentmeester , rekenplichtig aan de Staten, die zich, zooals wij zagen , eigenaars dier beide soorten van goederen noemen, terwijl ook de tractementen der predikanten, schoolmeesters en kosters, even als bij de gebeneficieerde goederen, uit de inkomsten dier goederen werden betaald. Echter was er verschil in zoo verre, dat uit de gebeneficieerde goederen geene betalingen voor kerkgebouwen, pastoriën en den kerkdienst (fabriek) werden gedaan, doch te Montfoort wel, dewijl aldaar de St. Janskerk tevens was kapittelkerk, iets dat ten plattelande nergens het geval was.

Dit is misschien mede een reden geweest, waarom de gecom-bineerde memorie- en pastoriegoederen te Montfoort in 1799 niet mede zijn opgeheven, als zijnde bezwaard met dat onderhoud. Hoe het zij, men leest nergens in stukken van een cornpfoir der memoriegoederen te Montfoort, zoodat de Staten, ofschoon de rentmeester door hen werd aangesteld en aan hen zijne rekening deed, daar toch iets anders in schijnen gezien te hebben. Opmerkelijk is het, dat het comptoir der Balye en convente van St. Catharijne, dat, als gezegd is, ook bezwaard was met het onderhoud van een kerk, te weten de Catharijne-kerk te Utrecht, met de tractementen van den voorlezer, koster, doodgraver,

-ocr page 612-

260

en met de kosten voor kaarsen, brood en wijn voor het avondmaal enz., in 1799 ook niet is opgeheven, niettegenstaande het was een comptoir der Staten. De reden daarvan werd toen echter niet daaraan geweten, maar omdat de Ac/ent van opvoeding dit noodig keurde. (VerLorex, blz. 153.)

Het beheer der vicarie- en memoriegoederen bleef alzoo, ook te Montfoort, evenals in de andere steden na 1799 voortduren, zooals dat toen was. De rekeningen der memoriegoederen te Montfoort werden na dien tijd gedaan aan de gewestelijke authoriteit (den Landdrost) en na 1815 aan Gedeputeerde Staten der provincie Utrecht of gedelegeerden uit hun midden, die ook den tegenwoordigen rentmeester over de goederen W. de Gelder hebben aangesteld en diens instructie (onder goedkeuring van den Minister van Finantiën hebben geregeld, bij resolutie van 23 Juli 1819 en later gewijzigd bij resolutie van 22 Maart

1866, waarbij is bepaald , dat de rentmeester behalve de uitgaven

voor onderhoud dier goederen, ook moet doen de lasten van ouds daartoe behoord hebbende en nog behoorende.

Het schijnt echter bij dien Minister een punt van overweging uit te maken, om dit fonds, dat naar zijn inzien een rijksfonds is, behoorende tot de domeinen, rechtstreeks door het Departement van Finantiën te laten beheeren, door den ontvanger der

registratie en domeinen.

Het subsidie van f 2076-4-4, bij Resolutie der Staten van 1653 toegestaan (VerLoren, blz. 372) en bij die van 11 Januari 1660 (ibid, blz. 374) nader bevestigd, doch waarvoor geene bepaalde obligatie of inschrijving was verleend door de Staten, moest naar \'t schijnt ieder jaar op nieuw aangevraagd en verleend worden aan het fonds der memoriegoederen (niet aan de kapitteldat is memorie-heeren) en werd dan toegestaan, meestal uit de kas van bet comptoir van den 20en en 40en penning.

In 1795 werd de ordonnantie tot uitbetaling daarvan gegeven door het Comité van algemeen welzijn op den ontvanger van den 20en en 40en penning, en in 1798 bij dispositie van het Administratief Bestuur van het voormalige gewest Utrecht, van den

-ocr page 613-

261

28sten December, op het daartoe strekkend verzoek van den administrateur P. Nooteboom, na gehoord het advies ter Financie, op hetzelfde comptoir van den 20en en 40en penning. Gedurende de Bataafsche republiek is die vaste subsidie uit \'sRijkskas uitbetaald, tot in 1806, toen daartegen zwarigheid is gemaakt door het toenmalige gouvernement en de uitbetaling is gestaakt. Vandaar dat men in de volgende rekeningen, tot aan die van 1820 (zoover die aanwezig zijn), dit subsidie steeds voor memorie vindt uitgetrokken.

Tengevolge dezer staking van het subsidie in 1807, werd nu ook het tractement van f 920.— aan den oudsten- en de toelage van f 10.— aan den jongsten predikant door den ontvanger der memoriegoederen gestaakt, doch is dit tractement toen uit \'s Rijks algemeene kas betaald, ingevolge missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 16 Juni 1807, n0. 19 en een aanschrijving van den Landdrost van 19 Juni 1807. Ook het tractement en de emolumenten van den schoolmeester te Mont-foort zijn toen, volgens resolutie van den Landdrost van 9 December 1807 uit \'sRijks algemeene kas betaald, ingaande met 1 Januari 1808. Het onderhoud van de kerk en verdere gebouwen , behoorende tot de memoriegoederen, is echter daaruit blijven betaald worden door den rentmeester der memoriegoederen. De zaak begon wel min of meer spaak te loopen, zoodat zelfs de opheffing van het fonds der memoriegoederen en de ver-eeniging van hetzelve met liet algemeen domeinfonds en\'sRijks-schatkist ter sprake kwam. Tengevolge evenwel van eene aanschrijving van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 6 Februari 1810 aan den Landdrost te Utrecht meldende, dat het fonds der memoriegoederen niet viel onder artikel 3 alinea 2 van het Decreet van Koning Lodewijk Napoleon van 2 Augustus 1808 (waarop men zich beriep), doch dat het veeleer was te beschouwen, als een eigendom der kerkelijke gemeente te Montfoort en het Rijk verplicht was haar schadeloos te stellen voor de goederen in dor tijd door den Souverein genaast (1),

(1) Dit rapport was gebaseerd op geheel verkeerde en onjuiste inlichtingen

-ocr page 614-

262

werd het subsidie over de achterstallige jaren 1808 en 1809 weder uitbetaald, doch tot een verminderd bedrag van f 740-4-8, dat is onder aftrek van het tractement, dat het Rijk toen aan den predikant en schoolmeester betaalde en bleef betalen. Bovendien werden er toen onderhandelingen geopend, om aan den abnormalen toestand te Montfoort een einde te maken, tusschen den Minister van Binnenlandsche Zaken en de Hervormde gemeente aldaar, op grond van artikel 9 van het Decreet van Koning Lodewijk Napoleon van 2 Augustus 1808, inhoudende, dat ten aanzien van kerken en gebouwen tot den openbaren eeredienst bestemd en de fondsen daaraan behoorende, schikkingen zouden worden gemaakt met de betrokken kerkbesturen en van artikel 6 van een Besluit van 2 Augustus 1810 door den Koning genomen, inhoudende, dat de publieke kassen zoudeu worden ontlast van de betaling aan kerkelijke bedienden, als kosters, voorlezers enz. De schikking kwam zelfs tot stand, doch de inlijving bij Frankrijk deed de zaak in duigen vallen. De verdere uitbetaling, ook der nog niet betaalde achterstallige jaren, werd toen ook gestaakt, daa;\'.quot; het Fransche bewind zich met de memoriegoederen in het geheel niet inliet, misschien omdat men het bestaan derzelve ex pia fraude voor de roofzuchtige Fransche schatkist zooveel mogelijk verborgen hield. De rekeningen .over 1809 en volgende jaren zijn dan ook eerst in 1817 en 1818 opgenomen en goedgekeurd door Gecommitteerden uit de Staten van Utrecht, die daartoe waren geauthoriseerd bij besluit van 3 October 1816, n0. 13 en bij resolutie van 31 Januari 1817, n0. 18.

Na de herstelling van zaken in 1814 werd echter de uitbetaling van het subsidie van f 740-4-8 niet hervat, dewijl het bestuur der domeinen, waaronder de memoriegoederen toen gebracht waren, daartegen bezwaar maakte. De kerkeraad te Montfoort wist echter buiten de administratieve authoriteiten

aan den Minister verstrekt door den Landdrost, waarvan de wederlegging is te vinden bij VerLoeen, blz. 385.

-ocr page 615-

263

om, dit subsidie weder te verkrijgen door zich regelrecht tot den Koning te wenden met een rekwest, waarin eene geheel scheeve voordracht der zaak werd gegeven (zie VerLoren, blz. 387). Niettemin vond zijn rekwest ingang bij den Koning, dank zij de onkunde, die toen overal heerschte ten aanzien van den aard en oorsprong der memoriegoederen. Bij Kon. besluit van 16 Juli 1819 n0. 2 werd de wederuitbetaling van het jaarlijksch subsidie van f 740.225 aan de Hervormde gemeente te Montfoort toegestaan ook voor de achterstallige jaren 1814 tot en met 1817 en werd de Minister van Finantiën gemachtigd het subsidie aan den kerkeraad te Montfoort uit te betalen uit de registratie en domeinen.

De kerkeraad meende nu dat de zaak gewonnen was en de f 740 in den zak te kunnen steken, doch hjj had buiten den waard gerekend, en het hinkende paard kwam achteraan, want hij ontving spoedig daarna een missive van Gedeputeerde Staten van Utrecht, waarin hom het bij Koninklijk besluit verduidelijkt werd, en wel zoo dat de kerkeraad er uit vernam, dat hij er niets van mocht houden en per slot van rekening er dus niets van kreeg.

De Gedeputeerden namelijk zeiden, dat wel is waar de uitbetaling van het subsidie nu zou herleven als van ouds, maar dat dan ook tevens de conditiën en de strekking en doeleinde, waaronder en waarvoor het indertijd gegeven was, mede herleefden , namelijk: dat het moest worden aangewend, tot onderhoud van kerk, pastorie, toren en schoolhuis en zulks met voorkennis van Gedeputeerden, zoodat het moest worden gestort in de kas van den rentmeester der momoriegoederen en verantwoord worden in diens rekeningen, door Gedeputeerde Staten of hunne Gecommitteerden goed te keuren. (VerLoren, blz. 388.) Dientengevolge werd dan ook de f 740.225 wel uitbetaald door het rijk aan den kerkeraad of kerkvoogden (?) te Montfoort, maar moest door hem onmiddellijk weder afgegeven worden aan den rentmeester der memoriegoederen aldaar, welke gang van zaken ook thans nog plaats grijpt. De bewering van Gedeputeerden

-ocr page 616-

262

werd het subsidie over de achterstallige jaren 1808 en 1809 weder uitbetaald, doch tot een verminderd bedrag van f 7 40-4-8, dat is onder aftrek van het tractement, dat het Rijk toen aan den predikant en schoolmeester betaalde en bleef betalen. Bovendien werden er toen onderhandelingen geopend, om aan den abnormalen toestand te Montfoort een einde te maken, tusschen den Minister van Binnenlandsche Zaken en de Hervormde gemeente aldaar, op grond van artikel 9 van het Decreet van Koning Lodewijk Napoleon van 2 Augustus 1808, inhoudende, dat ten aanzien van kerken en gebouwen tot den openbaren eeredienst bestemd en de fondsen daaraan behoorende, schikkingen zouden worden gemaakt met de betrokken kerkbesturen en van artikel 6 van een Besluit van 2 Augustus 1810 door den Koning genomen, inhoudende., dat de publieke kassen zoudeu worden ontlast van de betaling aan kerkelijke bedienden, als kosters, voorlezers enz. De schikking kwam zelfs tot stand, doch de inlijving bij Frankrijk deed de zaak in duigen vallen. De verdere uitbetaling, ook der nog niet betaalde achterstallige jaren, werd toen ook gestaakt, daar het Fransche bewind zich met de memoriegoederen in het geheel niet inliet, misschien omdat men het bestaan derzelve ex pia fraude voor de roofzuchtige Fransche schatkist zooveel mogelijk verborgen hield. De rekeningen .over 1809 en volgende jaren zijn dan ook eerst in 1817 en 1818 opgenomen en goedgekeurd door Gecommitteerden uit de Staten van Utrecht, die daartoe waren geauthoriseerd bij besluit van 3 October 1816, n:\'. 13 en bij resolutie van 31 Januari 1817, n0. 18.

Na de herstelling van zaken in 1814 werd echter de uitbetaling van het subsidie van f 740-4-8 niet hervat, dewijl het bestuur der domeinen, waaronder de memoriegoederen toen gebracht waren, daartegen bezwaar maakte. De kerkeraad te Montfoort wist echter buiten de administratieve authoriteiten

aan den Minister verstrekt door den Landdrost, waarvan de wederlegging is te vinden bij VerLores, blz. 885.

-ocr page 617-

263

om, dit subsidie weder te verkrijgen door zich regelrecht tot den Koning te ■wenden met een rekwest, waarin eene geheel scheevo voordracht der zaak werd gegeven (zie VerLoeen, hlz. 387). Niettemin vond zijn rekwest ingang bij den Koning, dank zij de onkunde, die toen overal heerschte teu aanzien van den aard en oorsprong der memoriegoederen. Bij Kon. besluit van 16 Juli 1819 n0. 2 werd de wederuitbetaling van het jaarlijksch subsidie van f 740.225 aan de Hervormde gemeente te Montfoort toegestaan ook voor de achterstallige jaren 1814 tot en met 1817 en werd de Minister van Finanticn gemachtigd het subsidie aan den kerkeraad te Montfoort uit te betalen uit de registratie en domeinen.

De kerkeraad meende nu dat de zaak gewonnen was en de f 740 in den zak te kunnen steken, doch hij had buiten den waard gerekend, en het hinkende paard kwam achteraan, want hij ontving spoedig daarna een missive van Gredoputeerde Staten van Utrecht, waarin hem het bij Koninklijk besluit werd, en wel zoo dat de kerkeraad er uit vernam, dat hjj er niets van mocht houden en per slot van rekening er dus niets van kreeg.

De Gedeputeerden namelijk zeiden, dat wel is waar de uitbetaling van het subsidie nu zou herleven als van ouds, maar dat dan ook tevens de conditiën en de strekking en doeleinde, waaronder en waarvoor het indertijd gegeven was, mede herleefden, namelijk: dat het moest worden aangewend, tot onderhoud van kerk, pastorie, toren en schoolhuis en zulks met voorkennis van Gedeputeerden, zoodat het moest worden gestort in do kas van den rentmeester der memoriegoederen en verantwoord worden in diens rekeningen, door Gedeputeerde Staten of hunne Gecommitteerden goed te keuren. (VerLoren, blz. 388.) Dientengevolge werd dan ook de f 740.22s wel uitbetaald door het rijk aan den kerkeraad of kerkvoogden (?) te Montfoort, maar moest door hem onmiddellijk weder afgegeven worden aan den rentmeester der memoriegoederen aldaar, welke gang van zaken ook thans nog plaats grijpt. De bewering van Gedeputeerden

-ocr page 618-

264

is volkomen juist. De toestand van vroeger was, dat de Staten uit hun comptoir van den 20en en 40en penning de/quot;2076-4-4 betaalden, niet aan den kerkeraad of de kerkmeesters, maar aan hun comptoir der memoriegoederen te Montfoort, dat is aan zich zeiven, even als zij aan de gebeneficieerde goederen St. Catha-njne, St. Paulus, de Oarthuiser en zoo vele andere eomptoiren der Staten subsidiën betaalden uit de kassen van deze eomptoiren der Staten, dat is van zich zeiven aan zich zeiven, zooals Gogel zeide.

Zoo betaalt dan ook nu de Staat de ƒ 740.225 uit de ontvangsten der registratie en domeinen aan zijne memoriegoederen, dat is aan zich zelf. Echter met dit onderscheid bij vroeger, dat thans het geld eerst nog even halt maakt op een tusschen-station, den kerkeraad, eer dat het als vroeger, in de kas van den rentmeester der memoriegoederen aanbelandt.

Of echter het Koninklijk besluit van 16 Juli 1819, nquot; 2, dit bedoeld had, is een andere vraag.

De kerkeraad schijnt dan ook begrepen te hebben, dat hij zich met een doode muscb had verblijd en dat het Koninklijk besluit zooals het door Gedeputeerde Staten werd uitgelegd, eigenlijk niets gaf, zoodat hij zich in 1873 bij rekwest van 2 Augustus opnieuw aanmeldde en het nu probeerde met den Minister van Binnenland-sche Zaken, die hun in 1810 zoo goed gezind was geweest en toen verklaard had, dat de memoriegoederen waren eigendom der kerkelijke gemeente van Montfoort. (VerLorex, blz. 384.) De kerkeraad vroeg dan ook, ten einde niet weder met een kluitje in \'t riet te worden afgescheept, niet een subsidie, maar, dat de memorie-goederen zeiven en bloc aan haar zouden worden afgegeven, als zijnde eigendom der Hervormde gemeente te Montfoort. en bovendien ook nog een subsidie van f 740.225 \'s jaars voor schadevergoeding der goederen, die daarvan in der tijd door de Staten \'s Lands van Utrecht waren verkocht en eindelijk nog f 406 zijnde het tractement, dat de Staat thans aan den onderwijzer te Montfoort (tevens voorlezer en koster) uitbetaalt, dat echter do kerkeraad beloofde aan dien titularis te zullen uitbe-

-ocr page 619-

260

talen. (VerLorejst, blz. 389.) De eischen van den kerkeraad waren dus niet gering.

De Minister van Binnenlandsche Zaken schoof de zaak van zich af en droeg de beantwoording van het rekwest op aan zijn collega van Pinantiën, die bij dispositie van 22 Maart 1876 het verzoek van den kerkeraad, zooals het daar lag, van de hand wees, doch zich bereid verklaarde, om overeenkomstig art. 9 van het gemelde Koninklijk decreet van 2 Augustus 1808 het kerkgebouw en de pastorie aan de Hervormde gemeente af te staan, zelfs met bijvoeging van een jaarlijks subsidie door het rijk te verleenen, gelijkstaande met het gemiddeld bedrag van het onderhoud, dat daarvoor uit de inkomsten der memoriegoederen wordt betaald.

De gronden door den kerkeraad toen aangevoerd, kan men vermeld vinden bij VerLoken , blz. 389 en volg. met de wederlegging derzelve.

De Minister hield in zijn antwoord vol (mijns erachtens zeer terecht), dat de memoriegoederen te Montfoort aan het rijk in eigendom toebehooren, krachtens art. 4 der additioneele artikelen der staatsregeling van 1798, waarbij alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren de tractementen of pensioenen van leeraren of hoogleeraren der voormalige heerschende kerk betaald werden, nationaal zijn verklaard.

Art. 13 der Staatsregeling van 1801 achtte de Minister niet toepasselijk op de memoriegoederen, daar het kerkbestuur destijds niet was in het bezit dier goederen, zoodat dit bestuur zich alleen kon beroepen op art. 194 der Grondwet van 1815 en art. 168 der tegenwoordige, waarbij echter op de bepaling van art. 6 van het meergemelde decreet van Koning Lode wijk Napoleon van 2 Augustus 1808 moest gelet worden.

Deze zienswijze van den Minister acht ik volkomen juist. Alleen meen ik, dat de memoriegoederen gelijkstaande met vicariegoederen, als zijnde (gewezen) geestelijke goederen in de provincie Utrecht, reeds lang voor 1798 waren goederen van den Staat en zulks reeds in 1596 zijn geworden door art. 5

-ocr page 620-

266

van het redressement, dat minstens met eene wet gelijk staat.

De kerkeraad is toen op dit aanbod van den Minister niet ingegaan, doch liet de zaak rusten, totdat die voor een paar jaren weder is opgevat en nu eindelijk eene schikking daarover is getroffen tussehen het Rijk, de Hervormde gemeente en het Gemeentebestuur, waarbij volgens geruchten, de Hervormde gemeente te Montfoort de kerk en pastorie-woning zal bekomen met een doel der fondsen, het Gemeentebestuur te Montfoort den toren met eenige dier fondsen en de rest der fondsen met het schoolgebouw zal verblijven aan de memoriegoederen, dat is aan het Rijk. Waarschijnlijk zal dan ook het fonds als zijnde een rijksfonds, onder rechtstreeksch en onmiddellijk beheer van het Departement van Financiën komen.

j- Zoo zal dan nu eindelijk deze zaak, waarover drie eeuwen \\X lang getwist is, waarschijnlijk in \'t gereede komen. Wij zeggen waarschijnlijk, want de transactie moet, als loopenóe over Staatseigendom, nog door de Staten Generaal goedgekeurd worden en het wetsontwerp daartoe is nog niet ingediend, veel min goedgekeurd.

Te hopen is het, dat nu niet weder, evenals in 1811, het accoord in duigen zal vallen.

De slotsom van al het bovenstaande, waarop het voor dit rapport eigenlijk aankomt, is, dat van de gebeneficieerde goederen te Montfoort, thans bekend onder de benaming van Memoriegoederen te Montfoort, thans nog over zijn en aan het Rijk in eigendom toebehooren de volgende goederen en gelden, blijkens de rekening over het laatst afgesloten jaar 1881 en andere documenten.

10, de St. Janskerk te Montfoort, thans in gebruik bij de Hervormde Gemeente aldaar;

2°. de pastorie, gratis bewoond wordende door den predikant aldaar;

3°. de kosterswoning;

4°. het (vroegere) schoolgebouw;

-ocr page 621-

267

5°. 2 hectaren, 72 aren en 58 centiaren wei-, hooi- en bouwland, gelegen te Heeswijk;

6°. de grove, smalle en krijtende pastorie-tienden onder den gerechte van Heeswijk;

7°. 7 aren, 80 centiaren bouwland, gelegen op Heeswijk, in voortdurende erfpacht uitgegeven aan A. Jongeling, bij acte vtvn 9 October 1844, verleden te Montfoort voor den Notaris Nagt-glas Versteeg, tegen f 5 \'sjaars, volgens authorisatie van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 31 Mei 1844, n0. 22, Gr. S.;

8°. 25 diverse erfpachten en huisrenten van vroegeren datum, te zamen bedragende ƒ 8.51 quot;sjaars, in de rekening nader gespecificeerd ;

9°. drie hof renten, te zamen ƒ 1.865, mede aldaar nader gespecificeerd ;

10°, ééne landrente ad ƒ 7 \'sjaars;

11°. vijf land- en huisrenten, te zamen ƒ 8.06 \'s jaars;

12°. drie en twintig kerlihinsen of huisrenten, te zamen f8.213 \'s jaars;

13°. eene herh-erfpacht, verschijnende 6 Januari, zijnde eene jaarlijksche erfpacht gaande uit 99 aren en 27 centiaren land, gelegen in den gerechte van den Engh, ad / 2.50 \'sjaars;

14°. negen inschrijvingen op het 2tli0/0 Grootboek der Nationale Schuld, ingeschreven onder N0. 2797 1quot; M. deel 10, — No. 4726 la R. deel 16,— No. 7904 la H. deel 27, —No. 4818 la R. deel 17, — No. 9508 la B. deel 82, — No. 2788 la J. deel 10, — No. 10089 la S. deel 34, — No. 5454 la R. deel 19, —- N0. 12328 la B. deel 42, — alles te zamen bedragende een kapitaal van f 8600 staande ten name van . ?

15°. tien inschrijvingen op het 3 0/0 Grootboek der Nationale Schuld, ingeschreven onder N0. 54 la M. deel 1, — N0. 906 la S. deel 4, — No. 858 1» B. deel 3, — N0. 410 la R. deel 2, — Nquot;. 1224 la S. deel 5, — N0. 339 la J. deel 2,— N°. 361 la I. deel 2, — N0. 381 la J. deel 2, — Nquot;. 457 la F. deel 2, — N0. 598 la G. deel 2, alles te zamen groot ƒ 10500, staande evenals de voorgaande ten name van . . . . ?

-ocr page 622-

§ 9-

Vicarie- en Memoriegoederen te IJsselstein.

De Baronnie van IJsselstein heeft, zooals in den aanvang van dit rapport reeds gezegd is, vroeger niet behoord tot de provincie Utrecht. Bij artikel 21 der Staatsregeling van 1801 werd zij onder de provincie Holland gebracht, doch later onder Utrecht.

Het Redressement van 1586 en alle overige bepalingen en ordonnantiën der Staten \'s Lands van Utrecht hebben dus nooit gegolden voor de vicariën en inemoriën, gefundeerd in de St. Nicolaas-kerk te IJsselstein.

Die goederen zijn met de overige goederen, beboerende tot het domein IJsselstein, steeds in beheer en bezit geweest van de heeren van IJsselstein , laatstelijk van de Prinsen van Oranje en niet gekomen onder liet geestelijk kantoor te Delft. Zij lieten de goederen door eenen rentmeester van hunnentwege administreeren in voege als uitvoeriger is behandeld in het rapport van Mr. de Geer, waaraan ik mij overigens refereer, temeer daar er toch niets van die goederen is overgebleven, doch alles is te gelde gemaakt.

De possessiën van den Stadhouder Willem V, daaronder begrepen die te IJ sselstein, waren echter niet zoo geheel privaat eigendom, doch erfgoederen als Stadhouder en het collegie van Raden en Rekenmeesters over die erfgoederen was rekenplichtig aan de Generaliteits Rekenkamer.

Dit collegie is dan ook blijven fungeeren, voorloopig althans, nadat het land in 1795, na voorafgaande oorlogsverklaring aan

-ocr page 623-

dev Stadhouder (niet aan do Republiek der Vereenigde Nederlanden) door de Fransclien was bezet [Jaarh. der Bat. Republiek, II, blz. 56.) De goederen van den Stadhouder jure belli aan den overwinnaar vervallen, zijn vervolgens, bij Tractaat der Fransche Republiek, met die der Yereenigde Provinciën gesloten den 16den Mei 1795, geahandonneerd ten behoeve dier Republiek (Koch, Hist, des Traités de paix, IV, blz. 164), waarna die door de Algemeenê Staten onder zich zijn genomen, die het beheer derzelve voorloopig lieten voeren door de gemelde Raden en Rekenmeesters, tot dat later door de Algemeene Staatsvergadering een algemeen bestuur over die goederen is benoemd, resideerende te \'s-Gravenhage, bestaande uit 7 leden, ten einde daarover het toezicht te houden , terwijl in de verschillende provinciën administrateurs zijn aangesteld, om de administratie te voeren. (Zie van Lijnden , Het inkomen der Kroon, blz. 16.)

Vervolgens is door eene Commissie van Superintendentie over het Collegie van Administratie der door de Fransche geabandonneerde goederen, in 1798, voorgesteld, om die erfgoederen nationaal te verklaren, waartoe op 20 Aril 1798 is besloten, terwijl die nationaaiverklaring bij artikel 35 der Staatsregeling van 1798 nader is gesanctioneerd.

Tengevolge daarvan zijn die goederen, daaronder begrepen de IJsselsteinsche, met name ook de landerijen behoord hebbende tot de vicarie van Eitercn, gekomen onder beheer van het algemeen domeinbestuur der Bataafsche Republiek en de regeeringen, die haar successievelijk zijn opgevolgd.

In deze nationaal-verklaring is later door den Stadhouder berust bij het Tractaat van 24 Mei 1802, door Pruisen gesloten met Bonaparte, als eersten Consul der Fransche Republiek, — alsook bij de nadere conventie op 1 Augustus 1804, tusschen de Bataafsche Republiek en deu gewezen Stadhouder aangegaan, die bij artikel 2 van hetzelve, zijne goederen heeft aangestaan aan die Republiek. Sedert dien zijn die steeds geweest en gebleven onder beheer van liet Domeinbestuur, ook

-ocr page 624-

270

na 1813, terwijl de opbrengst der goederen, behoord hebbende tot de vicarie van Eiteren, bestaande in landerijen, grootendeels gelegen onder IJsselstein, opleverende een jaarlijksch revenu van plus minus f 500.—, volgens Koninklijk besluit van 29 Mei 1837, Nquot;. 7, is gebruikt voor beurzen aan studenten inde theologie, (later bekrachtigd door een Koninklijk besluit van 15 Februari 1843, N0. 67.) In 1850 en 1853 zijn deze landerijen evenwel door het Domeinbestuur in veiling gebracht te Utrecht en verkocht, te weten, op 12 October 1850, ten overstaan van den notaris J. H. van Schermbeek en het restant den 22 October 1853, ten overstaan van den notaris R. Vosmaer, zoodat er van die goederen en landerijen niets meer over is.

Sedert dien zijn dan ook de uitkeeringen of beurzen aan studerenden gestaakt.

De slotsom is alzoo, dat alle goederen hiertoe behoord hebbende, reeds door den Staat zijn verkocht, zoodat er thans niets meer van over is.

-ocr page 625-

§ 10.

Patronaat en begeving der (gewezen) vicariën, belioorende tot de gebeneflcieerde goederen.

De begeving der vicariën, die vroeger uitsluitend stond aan den Bisschop, toen de vicariegoederen behoorden aan de kerk, was, na de Reformatie, in de provincie Utrecht uitsluitend in handen van de Staten (die de begeving deden door hunne Gedeputeerden) , uit hoofde de Staten door de secularisatie dier goederen per se daarvan eigenaars geworden waren.

Dit gold voor alle vicariën zonder onderscheid, ook zelfs voor die, gefundeerd in een der vijf Kapittelkerken te Utrecht, ot-schoon overigens de goederen der vijf kapittelen te Utrecht en bij artikel 5 van het redressement, ook zelfs hunne vicariegoederen , waren uitgezonderd. Die begeving van vicariën in Kapittelkerken te Utrecht gefundeerd door de Staten, dat is door hunne Gedeputeerden, blijkt uit een aantal dergelijke begevingen, in hunne resolutiën voorkomende en vermeld in eene lijst of „Memorie van de namen dergenen die vicarijen hebben bezeten „of noch bezittende sijnquot; — loopende over de jaren 1630— 1680 (Provinciaal Archief, Register n0. 322, gedrukte inventaris, blz. 85.) Zie ook bijlage VI, not. acte van 6 Juli 1627.

In de provincie Utrecht kan alzoo niemand in het genot of bezit zijn van vicariegoederen, tenzij hij door de Gedeputeerden tot vicaris of, zooals het toen meest heette , tot possesseur der vicarie was benoemd, hetzij rauwelings, zonder eeuige voordracht.

-ocr page 626-

272

hetzij, voor zooveel betrof vieariën juris patronatus, op voor-dracht van den collator, in welk geval do benoeming der Ge deputeerden veelal agreatie werd gelieeten. Doch ook in dit geval ging de eigenlijke benoeming uit van de Staten, niet van den collator, die slechts eene presentatie of voordracht deed aan Gedeputeerden, evenals vóór de Reformatie de collator ook slechts eene presentatie van den vicaris aan den Bisschop kon doen, die bevoegd was den voorgestelden persoon te weigeren.

Bjj vieariën in kapittelkerken gefundeerd was het bovendien noodig of ten minste gewoonte, dat de vicaris, nadat hij door Gedeputeerden was geagreëerd of benoemd zich liet installeeren bij het kapittel, evenals vóór de Reformatie. Zie de bovenaangehaald acte alsook Montfoort en Wijk bij Duurstede en in de St. Pieterskerk te Utrecht.

Wel is waar spraken de collators, onder anderen ook de Stadhouders, uit ijdelheid en grootheidszucht, dikwijls van benoemingen, van vicarissen, die zij deden, en vergaten dan ook wel eens, zooals ook de Burggraaf van Montfoort, die zoogenaamde benoeming te laten admitteeren door de Gedeputeerden, maar de Staten hebben deze usurpatiën nooit erkend. Zij beschouwen in zoodanig geval den vicaris als onwettig in functie zijnde. Als voorbeeld daarvan wijzen wij op de Resolutie van Gedeputeerde Staten van 4 November 1653 iblz. 354 bij Ver-Loeen vermeld), waaruit blijkt, dat zekere C. Clement door den Burggraaf, zonder nadere agreatie tot vicaris was benoemd, voor en namens het Oudevrouwenhuis te Montfoort, aan welk gesticht die vicarie was geconcedeerd, doch welk vicarisschap (evenals bij leengoederen het geval was, indien het leen aan eene corporatie werd gegeven) door het gesticht op een sterfelijk persoon moest gesteld worden. De Staten erkenden dien zoo-genaamden sterfman van het Gesticht niet „overmits niet en „was blijckende van Haere Ed. Mog. agreatie dienaengaende „gegeven, volgens d\'ordre op de collatie. —quot; Zulks werd echter toen door Gedeputeerden goedgunstig geremedieerd,

-ocr page 627-

273

doordien zij dezen Clement alsnocj tot vicaris benoemden in debit a forma, en wel, krachtens de voordracht, die zij, als zijnde in 1648 zeiven collators geworden, alsnu aan zich zeiven deden en dadelijk agreëerden. Daar echter do goederen iier vicarie verkocht waren, kreeg het oude vrouwenhuis eene lijfrente, ten lijve van gemelden Clement, evenals de overige vicarissen der gemortificieerde vicariën te Montfoort hadden ontvangen. (Zie VerLoren blz. 354.)

In de ordre op de geestelickheyt ende hare goederen van 1580, werd, in art. 4, dadelijk bepaald „dat men, als noch, „die vicaryen niemand confereren zal, dan die den Staten aan-„genaem zullen zijn.quot; Deze voorloopige bepaling, onmiddellijk na de Reformatie genomen , is later voor goed vastgesteld en bij een aantal publicatiën en ordonnantiën (vermeld bij VerLoren onder Bijlage A) steeds herhaald.

De Staten en hunne Gedeputeerden liebben, ofschoon zij zich op andere punten al eens afwijkingen en excentriciteiten veroorloofden , echter steeds vastgehouden, dat, ook zelfs bij vicariën juris patronatus laïcalis, niemand possesseur eener vicarie kon worden dan door hen, zelfs al was hij ook tevens collator. Zij stemden er wel in toe, dat de collator zich zelf voordroeg als

\' o

possesseur, maar vorderden, dat hij toch altijd zijne benoeming als zoodanig eerst moest verzoeken aan Gedeputeerden, of, zooals het destijds werd ingekleed, aan hen verzocht om tot het genot der vicarie en daartoe behoorende goederen en kapitalen te worden geadmitteerd. De collator kon dus zoo maar niet, zonder eenige formaliteit en buiten Gedeputeerden om, zich in het bezit stellen der inkomsten van de goederen en bij zijn overlijden moest ook altijd de volgende collator opnieuw als possesseur toegelaten worden.

In de patriotsche tijden en gedurende de Fransche over-heersching, toen het met de vicariën in \'t honderd begon te loopen, hield men niet meer zoo streng vast aan dien regel, dat alleen de Staat vicariën kon begeven. De aanvraag werd dikwijls verzuimd of de aanstelling door onbevoegden gegeven.

18u

-ocr page 628-

274

(Zie VerLoren blz. 236 en Koker t. a. p. blz. 97 en v.)

Men zal wellicht vragen, waarom hebben de Staten van Utrecht in 1580 of ten minste in 1586, toen de opheffing der afzonderlijke pastorie- en vicariegoederen bij art. V van het Redyessement werd vastgesteld en het fonds der gebeneficieerde goederen werd opgericht, ook maar niet tevens het patronaat of collatierecht over de gewezen afzonderlijke pastoriën of vicariën opgeheven ?

Dit was immers voordeeliger geweest voor het nieuwe opgerichte fonds, want dan had het van alle vicariën, ook van die, welke waren juris patronatus, de geheele opbrengst kunnen genieten, even als bij de (gewezen) pastoriegoederen en die (gewezen) vicariegoederen, welke niet waren bezwaard met patronaat.

Men moet, om dit te kunnen begrijpen, zich stellen in den toestand van dien tijd, toen de bevolking, zooals wij hierboven in de inleiding betoogd hebben, nog slechts ten deele de Gereformeerde religie omhelsd had, en niet redeneeren zooals een Minister van Finantiën in de 19e eeuw zou gedaan hebben.

Het was den Staten destijds niet te doen om uit de gewezen geestelijke goederen, die nu wereldlijke en domaniale goederen waren geworden, zooveel te trekken als er maar uit te halen was voor de schatkist, maar veeleer, om die goederen zooveel doenlijk een bestemming te geven, overeenstemmende met de vroegere. In allen geval wilden zij de lasten en verplichtingen daaraan verbonden en daarop rustende gestand blijven, evenals dit zelfs bij geconfisceerde — onbeheerde — en andere goederen plaats greep, die aan den Staat vervielen of vervallen waren.

Als voorbeeld hiervan willen wij aanvoeren het comptoirvan St. Catharyne, zooals het bij verkorting genoemd werd.

Men weet, dav dit convent (vroeger op het St. Catharijne veld, thans Vreeburg, gestaan hebbende, doch later in 1528 verplaatst naar de Langenieuwstraat) aan de orde van 8t. Jan of de hospitallers „Balije van Utrecht\' (later Malth eser-Orde) toebehoorde, die daarin eene kerk en hospitaal hadden.

-ocr page 629-

275

Toen nu de goederen van deze orde en dit convent in 1580 en 1586 werden geseculariseerd en de orde zelve door de Staten in 1602 werd opgeheven, bleven de Staten het hospitaal voor hunne rekening aanhouden en droegen alle koeten, op de kranken-verpleging vallende. Maar bovendien bleven zij ook de kerk onderhouden , als vroeger en zelfs den dienst daarin bekostigen, zoodat de koster, voorlezer , stoelenzetter, doodgraver, de kaarsen voor de verlichting en zelfs het brood eu de wijn voor het cele-breeren van het avondmaal door de Staten werden bekostigd, in één woord, alles wat vroeger vóór de Reformatie door de Orde werd betaald, zooals een jaarlijksche subsidie van/SCO.— aan het dolhuis, — dito van f 533-6-8 aan de aalmoezenierskamer tot onderhoud der armen, — de giften in de schaal-collecten door de aalmoezenierskamer, het Hiobs gasthuis en het weeshuis jaarlijks gehouden wordende, benevens ƒ 5-5-„ voor nieuwjaarsgift aan diverse armelieden, — aan de vischgromraers f 5.— in plaats van een maaltijd, die zij jaarlijks op vastenavond plachten te hebben, — aan de zakkendragers van het boveneinde van de stad op vastenavond / 3.—, nieuwjaar aan den portier van de Catharijue- en Tolsteegpoort, enz.

Men kan dit vinden in de rekening van St. Catharijne over 1770 en volgende jaren, aanwezig op het rijksarchief in de provincie Utrecht (de vroegere zijn als gezegd alle voor scheurpapier verkocht), ofschoon later onderscheidene dier uitgaven zijn achterwege gebleven.

Is het nu wonder, dat de Staten ook het collatierecht, verbonden aan of drukkende op een deel der gebeneficieerde goederen, afkomstig van de vroegere pastoriën en vicariën juris patronatus, in stand hielden, ofschoon zij daartoe niet meer verplicht waren, even als zij ook in stand hielden de uitkeering aan den sacrist van de St. Mariakerk te Utrecht ad f 14.— eu een aan den cameraar dier kerk? (VerLoren, blz. 611 en 612. 645.)

De voorzaten der collators, die de Staten tijdens de Reformatie aanwezig vonden, hadden de kerk of het altaar, waarop de vicarie was gevestigd, gesticht en met de goederen begiftigd;

-ocr page 630-

276

het zou dus niet zeer Waal gehandeld zijn, deze bevoegdheid der collators tot voordracht zoo voor pastoriën als van vicariën, zoo maar in eens op te heffen. De Staten wilden dus ook hier alles zooveel mogelijk in stand houden, als van ouds, op gelijke wijze als een erfgenaam die niet schriel is, ook nog wel eens liberaliteiten of giften van zijn erflater blijft continueeren als van ouds, al is hij er voor zich zelf niet erg mede ingenomen of gediend.

De Staten lieten evenzoo het patronaat bestaan, omdat het er nu eenmaal was, doch bloot als liberaliteit, niet omdat zij er toe verplicht wareo. De collators hadden evenmin recht, om hunne bevoegdheid als zoodanig te blijven uitoefenen als de vischgrommers, de zakkendragers, de portiers van de Catharijne-en Tolsteegpoort, het dolhuis, weeshuis en de aalmoesenierskamer eenig recht hadden op het voortdurend blijven uitkeeren door het comptoir van St. Catharijne van hetgeen hun vóór de Reformatie werd betaald of uitgekeerd.

Zij leefden, even als deze, slechts bij de gratie der Staten en hunne Gedeputeerden. Deze hebben zich dan ook nooit ontzien, om voor zooveel betreft de gebeneficieerde goederen, bij afzonderlijke vicariën kortweg het collatierecht op te heffen, zonder eenige formaliteit, of zoo als men het toen noemde te mortificeeren. (zie hierover bij Mr. VerLoren, blz. 473 en v. en de voorbeelden aldaar, alsook blz. 584 opgenoemd en vooral hetgeen op blz. 353 gezegd wordt omtrent het en bloc verkoopen van al de 14 vicariën gevestigd in de kerk te Montfoort.)

Bij dergelijke mortificatiën werd echter bepaald, dat de tegenwoordige titularis gedurende zijn leven het Vs der revenuen zou blijven genieten.

De Staten handhaafden de collators in hun collatierecht zóó en in dier voege als het van ouds was en jure canonico geweest was, toen de kerk {de Ecclesia) nog eigenaar was der pastorie- en vicariegoederen en de bisschop de aanstelling van den pastoor en den vicaris deed.

Men moet hierbij bedenken, dat het voor de collators niet

-ocr page 631-

277

bloot gold de eer eu liet genoegen om een persoon voor te dragen ter benoeming tot vicaris, ten einde dezen de vruchten der goederen te laten genieten, maar dat de collator, ook rééds vóór de Reformatie, een deel dier vruchten zich toeëigende en dat na de Reformatie het eigenlijk regel werd, dat de vicaris of posaesseur slechts was een strooman, die er niets van genoot en wien men procuratie liet passeeren op den collator of op een derde (1), die de voordeden aan den collator uitkeerde, zooals straks nader zal blijken. Deze misbruiken vonden de Staten aanwezig eu moesten daarmede rekening houden , om de collators niet al te veel voor het hoofd te stooten.

Alles bleef dus zooveel mogelijk bij het oude, alleen die wijzigingen werden door de Staten aangebracht, die de Reformatie noodig maakte, ten aanzien der voor te dragen predikanten en vicarissen en de invoering der tertiën, zooals hierboven blz. 87 v. reeds uitvoerig is beschreven.

De zucht of hebbelijkheid, om ook na de Reformatie, alles te laten en na te leven als van nuch, ging zelfs zoover, dat men toen ook nog de presentatie of installatie van den benoemden vicaris aan het kapittel bleef aanhouden, ten minste in den aanvang. In de confirmatie van den stichtingsbrief en de begeving door den bisschop werd dan ook aan de universi et singuli Presbiteri, capellani et clerici gelast als volgt — „mandamus, quatenus eundem (vicarium) vel procuratoren! „ suum pro eo et eius nomine, in et ad corporalem, realem et „ actualem possessionem dicte capellanie sive perpetue vicarie „juriumque et pertinentiarum eiusdem ponant, recipiant, ad-„ mittant, et inducant, ac quilibet vestrum ponat, recipiat,

„admittat, inducat cum solemnitatibus et consuetis.......de

„omnibus et singulis fructibus, redditibus, juribus et obventibus „ plenarie et integre respondeantquot;.....eet.

(1) Dergelijke procuration vindt men reeds aangehaald in de rekening van Robbart te Wijk b/D. over 1583/4., VehLoren, blz. 2(50 en v. Zie ook Bijl. V behoorende bij dit rapport, Sohepensacte te Utrecht van 30 Jan. 1619 en notariëele acte voor X. van Lostadt gepasseerd den 13 en 14 Februari 1623.

-ocr page 632-

278

(Confirmatie van den fundatiebrief der vicarie in 1495 door Johanna van Weelden wed. Hamerstein in de St. .Tacobskcrk te Utrecht gefundeerd; VerLoren, blz. lOfi).

Tot deze solemnitates behoorde ook, dat de vicaris den eed aflegde, dat hij de missen en verdere voorschriften in den fundatiebrief vermeld, getrouw zou volbrengen en naleven.

In liet stadsarchief te Wijk bij Duurstede berust, onder pakket n0. 103, eene dergelijke installatie van oen vicaris door het kapittel van St. Jan-Baptist-Kerk aldaar van 31 Maart 1624, die wij belangrijk genoeg achten, om hier in haar geheel mede te deelen:

„Op huijden compareerde voor den Capitule van deSt. Johan „Babtisten Kercke binnen Wijck bij Duyrstadt Jacob van Duijnen, „wonende in \'s Oravenhage, en vertoonde bij acte van S. fursth „gen. den Erfprince van Orangiën dat David Collier gewesene „possesseur van seekere vicarie bij wijlen Bisschop David „van Borgundien in de Kercke tot Wijk gefundeert, deselve „vicarie geresigneert hadde ten behoeve van Johan van Duijnen „sijns compt. soon, ende dat sijne furst gen. deselve resignatie „hadde geapprobeert, en de eenen ijder geordonneert denvooru. „Johan van Duijnen te stellen in possessie van voorsch. vicarie, „breder vermogens de voorn, acte bij sijn furst gen. ond1. amp; bij „desselve sigule gecachetteerd in dato den 4°. Marty 1624. „Versoeckende den voorn. Jacob van Duijnen daerop ten benhoeve sijns soon institutie, investiture, en introductie mitsg8. „corporele reele eu actuele possessie van selve vicarie. Grehoort „welck versoeck hebben Deken en Capitularen \'t selve door „Compt. geaccordeert en accorderen bij desen. Verleenende hem „oversulks ten behoeve en in den name van sijnen soon de „corporele, reele amp; actuele possessie van voorsch. vicarie met „allen emolumenten, vruchten, profyten, ineomsten amp; aancleven „van dien. En heeft den Compt. in den name van sijnen soon „gedaan den gewoonlijcken eedt daartoe staeude in alles „salvis fundationibus, legibus juribus et statibus capitularibus.

-ocr page 633-

279

„Actum den lesten Marty 1624. Presentibus Holland, deken „ Oestrum , Bemin el en Ommeren, capitularen :

„was onderteekent,

„J. Verspüel, cap1.quot;

Evenzoo vindt men in de bij dit rapport behoorende Bijlage VU, blz. 63, K Gr, in het accoord aldaar vermeld dd. 22 October 1616, dat de posseaseur of vicaris der Schuermans-vicarie in de St. Joris-kerk te Amersfoort gevestigd, (zijnde de 23e, Ver-Loren, blz. 251): „bij den Capitule van St. Joris-kerck allhyer, „dienvolgensquot; (dat is ingevolge zijne benoeming tot [jossesseur), „gestelt wesende inde reele en actuccle possessie van de goederen „tot de voors. Vicarye behorende.quot;

Vergelijk hiermede de resolutie van (Jredeputeerde Staten van 25 April 1587, betrekkelijk de weigering van de gemeene vicarissen in het kapittel tc Montfoort, om Jan ter Spil als possesseur der St. Nicolaas-vicarie aldaar aan te nemen.

In later tijd schijnt echter deze komedievertooning van admissie van een quasi-vicaris door een quasi-kapittel, dat na de Reformatie waarschijnlijk meer om de leges, daaraan verbonden, dan wel om de zaak zelve werd in stand gehouden, in onbruik te zijn geraakt. Of het te Utrecht ook in zwang is geweest, is zeer te betwijfelen, ten minste voor de vicariën aldaar, die niet waren juris ecclesiastici en gefundeerd in een der kapittelkerken.

Met quaestiën tusschen diverse personen over het collatierecht zelf en de al of niet bevoegdheid tot het uitoefenen daarvan, lieten de Staten zich niet in. Die geschillen werden, evenals ook reeds vóór de Reformatie plaats greep (zie VehLorex, blz. 107), aan deu rechter overgelaten. (Zie dergelijke quaestiën en beslissingen in de ütrechtsche Consultatiën, III, blz. 298, 400, 444, uquot;. 13 en 481 en de Vroedschaps-Resolutiën van Amersfoort onder Bijlage VII bij dit Rapport overgelegd, litt. O.T. Q. R. S. en H. blz. 69, 73, 71 , 72 en 65. Zie verder ook Nieuws fad en Koor en,

-ocr page 634-

2*0

HoU. Fraktijk: Observautie 33 iu zake van Oyen c,. Taets van Amerongen Aquot; 1625 en decisiones LV, blz. 137.)

Vau daar dan ook, dat de Staten, bij de benoeming van possesseurs van vicariën er steeds de clausula salutaris bijvoegden, dat de begeving werd gedaan, coorhehoudens ende onvermindert een yder sijns rechts ende geregtigheid — of zooals het later luidde; tot zoo lange iemand anders inogte opkomen die nader en heter recht tot dezelve Vicarye zoude kunnen tonen te hebben (VerLoren, blz. 572 en 575.) De Staten gaven hiermede niet te kennen, dat de collator een bepaald recht had, om bon te noodzaken eene benoeming te doen, doch alleen dat het hun onverschillig was, wie het recht van voordracht had en dat indien de collator, die de voordracht aan hen had gedaan later mocht blijken daartoe onbevoegd geweest te zijn en een ander daarop jure canonico recht had, dat alsdan hunne benoeming van den possesseur als vervallen zou beschouwd worden en zij eene nadere benoeming op voordracht van den wettigen collator zouden doen.

Omtrent de bepalingen van het canonieke recht betreffende vicariën (zooals die ten minste hier te lande terecht of verkeerdelijk werden opgevat), kan men raadplegen Voet ad pandectas lib. 37 tit. 14, die daarvan een beknopt overzicht geeft, als toevoegsel achter den titel uit de Digesten: de jure patronatus (die natuurlijk op vicariën geheel niet toepasselijk was) en S. van Leeuwen censura forensis lib. II cap. 25 de jure patronatus sive vicariatus et praehendis eet. en ook zijn Roomsch Hollandsch recht, 2e boek, 10e deel, n0. 3 en volg.

Wij gaan die bepalingen verder met stilzwijgen voorbij, daar ons rapport, zooals wij reeds in den aanhef te kennen gaven, niet de strekking heeft, om eene verhandeling over de vicariën te leveren, maar voornamelijk ten doel heeft na te gaan, welke rechten de Staat thans nog op de gewezen vicariegoederen in de provincie Utrecht kan doen gelden, voor zoover die goederen te vinden zijn.

Een korte aanstipping der voornaamste punten, in zake

-ocr page 635-

2«1

collatierecht is ook te vinden bij VerLorek blz. 462 en volg., waarnaar wij kortheidshalve mede verwijzeu.

Alleen moeten wij een enkel punt releveereu, betreffende de wettelijke erfopvolging van het recht van patronaat. Deze erfopvolging krachtens de wet, want testamentaire erfopvolging schijnt bij vicariën nooit te hebben bestaan, (niettegenstaande die bij leengoederen was geoorloofd, mits de testateur vooraf octrooi had verkregen van den leenman om te mogen testeeren, werd beheerscht door hetgeen de stichtingsbrief daaromtrent inhield. In die stichtingsbrieven nu werd in den regel verwezen naar de erfopvolging, zooals die was bij leengoederen, volgens de oude paroemia juris:

„Het naeste lijf

De man voor \'t wijf

De oudste op der straaten.quot;

(Matthaeus, Paroemiae 8e paroemia, blz. 88 nquot; 40, Hollandsche editie)

of wel

„d\'Oudste op straat

De naast in graad

De mans voor vrouwen

Altijd een Hollands leen behouwen.quot;

(van Leeuwen, Roomsch Holl. Reyt, blz. 177.)

Deze erfopvolging had dit eigenaardige, dat het goed, dat is het collatioirecht, onsplitsbaar was en alzoo slechts op één persoon verstierf; dat de zoons gingen voor de dochters, terwijl do volgende graad eerst erfde wanneer de 1ste of vroegere graad was uitgestorven en dan weder de mannen gaande voor de vrouwen. In de giftbrieven werd zulks, nu eens min of meer uitvoerig beschreven of\' wel eenvoudig gezegd, dat de naaste leenvolger zou opvolgen als collator. (VerLoren, blz. 109 en v.)

In \'t algemeen hield men zich tijdens de republiek ook nog steeds bij deze erfopvolging, zooals o. a. blijkt uit hetgeen ver-

-ocr page 636-

282

meld staat iu het Raets dagelix boek van Amersfoort-Policie 26 Mey 1607 S. V. (zie Bijlage VU van dit rapport, blz. 62 F.) over de begeving van de 13e vicarie, gefundeerd door Hendrik van Rijn en zijne zuster Beatris Aquot; 1447 op het altaar van St. Petrus en St. Barbara in de St. Joriskerk te Amersfoort, luidende:

„Compareerde voor mij ouderscreve Secretaris der Stadt Amersfoort Jacob Theusz. borger alhyer en verclaerde dat hij tegeu-„woordich die naeste is van de blode en ouste op ter strate en „alsuclx gerechtigbt tot die collatie van seeckere vicarie lest „gepossideert bij Clemens, soen van Lodewijk Jaus, eertijds ge-„fundeert bij henrick van rijn en beatris sijn suster, en alsulcx „verklaarde de voorsz. Jacob Theusz deselve vicarie te confereren „bij deze aan Dirck Matheusz wel dirck Matheusz. mede van „den bloede is als wesen syn compt soeus soen en ter selver „tjjt compareerde Jo: Willem van Doornick en barmen van „dompselaer, borgemr. inder tijt en vclaerde dat soeveel haer „aangaat dese collatie mede bij haer advys geschyede nochtans „op behagen en agreatie van de Heere Staten vsoeckende Matheus „Jacobs van wegen dirck Matheusz. syn soen hyer van acte en „is deze Actum den 26 may 1607 stylo veteri.quot;

Hiermede stemt dan ook overeen zekere aanteekening in de 17e eeuw gemaakt (medegedeeld bij VerLoren, blz. 469) over de personen, die successievelijk als collator zouden moeten opvolgen in de vicarie anno 1495 door Johanna van Weeldeu wed. Hamerstein gefundeerd in de St. Jacobskerk te Utrecht, op het altaar van St. Jan Evangelist, St. Jan Baptist en alle Gods Heiligen, aan welke opvolging men zich in die vicarie steeds stipt heeft gehouden. Zie verder over deze erfopvolging de schrijvers aangehaald bij VerLoren, blz. 109.

In Holland gold bij erfopvolging van het patronaatrecht eveneens het leenrecht (zie Voet en van Leeuwen ter plaatse bij VerLoren, blz. 462 aangehaald).

Mon hield zich echter in Utrecht in later tijd niet altijd aan deze erfopvolging, maar begon van lieverlede ook al de gewone

-ocr page 637-

283

erfopvolging\' toe te passen eu te spreken van erfelijke vicariën (VerLoren, blz. 573), zelfs toe te laten dat er bij testament over het collatorseliap werd beschikt, zoo(ils te zien is uit de Resolutie van Gedeputeerde Staten dd. Marti s 4 Mn art 1777 bij VerLoren, blz. 581 vernield, waarbij beschikt wordt op liet request van Geertruid Lestevenon, als eeniye erfgename van Mr. JacopHop, ter zake der vicarie aldaar vermeld. Het canonieke recht liet dan ook de gewone erfopvolging toe voor liet patronaatschap, tenzij de fundatiebrief anders bepaalde. Nu was zulks in de meeste fundatiebrieven wel anders bepaald, maar daar die van lieverlede meestal zoek geraakt waren en nergens te vinden, zoo was dit bewijs van andere bepaling in den regel niet te leveren. De Gedeputeerde Staten waren dan ook meestal zeer faciei, om iemand als collator aan te nemen en zijn dit ook thans nog. (Zie Bijl. IX behoorende tot dit rapport.) Het kon hun dan ook weinig verscheden of A dan wel B. de voordracht van een possesseur deed of wel, zooals later ook al werd toegelaten, zich zelf voordroeg als possesseur. Zij waren content als zij maar de tertie ontvingen voor hun comptoir der gebeneficieerde goederen. In ieder geval zij konden er zich nooit aan branden, want bij de begeving werd steeds de bepaling gevoegd, dat als het later bleek, dat een ander beter recht daarop had, alsdan hunne benoeming verviel en die ander zich dan bij hen kon aanmelden, om alsnog eene voordracht van possesseur te doen.

Men moet hierbij ook niet vergeten, dat de Staten in 1580 en 1586, als gezegd, de benoemingen van vicarissen slechts behielden ter wille van het collatierecht en, opdat dit niet zou gefrustreed zijn, den vicarissen iets lieten genieten der inkomsten, ofschoon men toen de vicarissen best had kunnen missen, want zij waren door het wegvallen der missen eigenlijk geworden het vijfde rad aan den wagen.

De Staten beproefden wel van die vicarissen nog iets presentabels te maken en die te utiliseeren als toekomstige predikanten, maar de proef mislukte, tengevolge van de hebzucht der collators, omdat niet de hand gehouden werd aan art. 43 der Instructie

-ocr page 638-

284

van 1581 (VerLorEiN , biz. 507), inhoudende dat alleen tot vicarissen konden voorgedragen worden aan de Staten , personen bekwaam om te studeren en die door de Staten benoemd zijnde, dan ook werkelijk gingen studeeren. In den aanvang geschiedde dit nog wel en benoemde de collator tot vicaris (dat is: droeg hem als zoodanig voor aan de Gedeputeerde Staten) onder belofte en conditie, dat hij zou studeeren en deze verbond zich, daartoe aan den collator (ten minste te Amersfoort) bij eene acte voor schout en schepenen.

Eene dergelijke acte dd. 14 December 1596 en nog eene van 6 September 1597 zal men vinden in Bijlage VII behoorende tot dit rapport, blz. 59. Maar het bleef later veelal bij de belofte om te zullen gaan studeeren, daar niemand er naar omzag of zulks werkelijk plaats greep. De collators kregen daardoor vrij spel om rijp en rot als vicarissen aan de Staten voor te dragen, zoontjes, neefjes, een eerzame timmerman (VerLoeen, blz. 577) en dergelijke stroomannen, waarvan geen quaesne was, dat zij ooit aan eene Universiteit zouden kunnen of willen studeeren. Ten slotte droegen de collators maar zich zeiven voor als vicarissen. De Gedeputeerden slikten alles en volgden steeds de voordracht. Wat ging het hun dan ook aan wie vicaris was ? Immers het was een nonens, die niets anders te doen had, dan de Va der vruchten en inkomsten der vicariegoederen op te steken en in luiheid en lediggang te verteren, of zooals het gewoonlijk ging, die deelde met den collator, ook wel alles aan dezen verantwoordde, of aan iemand door hem aangewezen. (Zie Bijlage VI behoorende bij dit rapport, Schepens acte te Utrecht van 30 Januari 1619, als ook in de acten van 13 en 14 Februari 1623. O. S. voor notaris N. van Lostadt gepasseerd), zoodat de vicaris eigenlijk niets anders was dan een prêtenom van den collator. Dergelijke zaken gebeurden veelvuldig en dat nog wel met zeer voorname edellieden, zooals wij hierboven reeds hebben aangetoond. (Zie VerLoren, blz. 577 verbis. NB. de naem is maer geleent enz.)

De Gedeputeerde Staten zagen dan ook ten slotte in, dat

-ocr page 639-

285

de voordracht, die hun gedaan werd, was een wassen neus en zij dan ook wel den collator maar tevens tot possesseur of vicaris konden maken, zoodat al die omhaal van een strooman voor te dragen, kon vermeden worden en de collator dan regelrecht het geld in zijn zak kon steken. Gewoonlijk droeg de collator een zijner kinderen (liefst het jongste) of kleinkinderen voor. (Zie Bijlage VII van dit rapport lit. 11. blz. 65), waarvoor hij dan als zijnde het vicarisje nog onmundig, het geld ontving. Had de collator geen kinderen, dan werd iemand anders uit de familie voorgedragen, met wien hij vooraf zijne conditiën had gemaakt.

De samensmelting van collator en possesseur heeft echter niet op eenmaal plaats gegrepen, maar dit misbruik is langzamerhand ingeslopen en toegenomen. Er zijn dan ook steeds nog eenige vicariën geweest en gebleven, waarbij collator en possesseur afgescheiden waren. Er waren collators, zooals b. v. de stadhouder en andere aanzienlijken, die kwalijk zich zeiven aan de Gedeputeerde Staten als vicarissen konden voordragen. In bijlage IX behoorende bij dit rapport, zal men zien dat de Minister van Binneulandsche Zaken althans dit misbruik heeft gekeerd, door bij resolutie van 7 Juli 1853 den heer D. L. de Ridder te weigeren, zich zelf te mogen voordragen als possesseur der vicarie gefundeerd op St Maria en Barbara altaar in de St. Jans-kerk te Wijk bij Duurstede.

De vereeniging der attributen van collator en possesseur had ook nog eene andere onregelmatigheid ten gevolge.

Het collatierecht, ofschoon verstervende volgens het leenrecht, kon ook geraken in handen van vrouwen, als er namelijk in gelijken graad geen mannen meer aanwezig waren.

Er waren dus niet alleen collators maar ook collatrices, zelfs reeds vóór de Reformatie.

Toen men nu eenmaal had toegelaten, dat de collator zich zelf voordroeg als vicaris, kon men zulks ook niet weigeren aan de collatrice en zoodoende kreeg men ook vrouwelijke vicarissen, geheel in strijd met het canonieke recht, maar de Staten

-ocr page 640-

286

stoorden zich niet daaraan. Waarom zouden er geen vrouwelijke vicarissen kunnen zijn? Immers zielmissen behoefden zij niet meer te lezen en van het studeeren tot predikant gebeurde in den regel toch ook niets, maar het geld der revenuen opstrijken konden zij evengoed doen als mannen. Het hek was nu eenmaal van den dam, waarom zou men ze niet toelaten?

Als vicaressen vinden wij dan ook ouder anderen vermeld Maria Rombnut (VerLorent, blz. 574), juffrouw Taurinis (ibid., blz. 597) en Dorothea Emond (ibid., blz. 182).

Eene tweede onregelmatigheid uit die samensmelting voortvloeiende, was, dat men ook Roomsche vicarissen of vicaressen bekwam, in strijd met de Kesolutie der Staten van 1623, indien namelijk de collator-possesseur Roomsch was, zooals Gijsbert Rombout en zijne kinderen na hem. (Veb:Loren , blz. 571 en volg.)

Evenmin als de bepaling werd nageleefd, dat de vicaris moest studeeren, werd ook die nageleefd, dat hij slechts tijdelijk het genot der vicariegoederen trok, te weten gedurende den tijd dat hij in studie was. Al zeer spoedig werd aan de vicarissen toegestaan, om gedurende hun geheele leven die vruchten te genieten en ten laatste begon men zich zelfs in het hoofd te zetten, dat het zoo hoorde. De Staten zagen daar evenmin naar om. Immers wat deed het er toe of de vicaris A. dan B. de vruchten genoot en hoe lang hij die trok, want er werd door den collator toch steeds een ander in zijne plaats voorgedragen, zoodra als de vorige vicaris stierf of op de eene of andere wijze defungeerde.

Als een zeer notabel voorbeeld van dit vicarisschap ad vitam noemen wij den notaris N. de Graaf te Utrecht, die in 1793 op 8-jarigen leeftijd door den Stadhouder Willem V (onder agreatie der Gedeputeerde Staten) werd begiftigd metdevicarie van St. Mcolaas-altaar te Abcoude en de f 63-6-10 daaraan verbonden tot aan zijn overlijden in 1871, dus gedurende 78 jaren heeft genoten, zonder te hebben gestudeerd of er iets hoegenaamd ooit voor te hebben verricht.

-ocr page 641-

287

Bij artikel 46 en 47 der Instructie van 1580 voor de Gecommitteerden uit de Staten tot de geestelijke goederen (Ver-Lor en , blz. 509), waren bepalingen gemaakt voor liet geval, dat de collator verzuimde binnen 6 maanden of binnen een jaar, nadat de vicarie , zooals men dit noemde, vacant was geworden, eene voordracht van possesseur of vicaris aan de Gedeputeerde Staten te doen, alsook voor het geval, dat de collator was overleden , zonder dat er een opvolger was te vinden of zich opdeed.

Het canonieke recht hield daarom ook bepalingen in, namelijk dat alsdan de Bisschop een vicaris benoemde, zonder voordracht, tenzij de fundatiebrief er in voorzien had, dat er bij onstentenis van den collator of als deze geen voordracht deed, een ander persoon, meestal een geestelijk persoon, zooals de Proost van St. Jan, de Prior van een of ander klooster of de kerkmeester enz. zou zorgen, dat er eene voordracht en benoeming van vicaris gedaan werd. Den fundateur toch lag er zeer aangelegen, dat de zielmissen voor hem of zijne voorvaderen te houden, werkelijk gedaan werden , opdat hij niet in zijne zielrust zou gestoord worden.

Ook voor de vicariën, die niet bepaald tot zielmissen , doch tot andere missen of kerkelijke functiën (cum cura animarum) strekten en alzoo meer als beneficiën waren te beschouwen; konden die kerkelijke plechtigheden door den vicaris te verrichten niet achterwege blijven.

Dit motief tot vervulling van vacaturen verviel natuurlijk na de Reformatie, maar de zaak zelve bleef bestaan als van ouds, alleen met dit onderscheid, dat bij niet tijdige voordracht door den collator, alsnu de Staten in de plaats kwamen van den Bisschop en de benoeming van een possesseur der vicarie , die men nog altijd vicaris geliefde te noemen, zonder eenige voordracht deden. Gewoonlijk noemde men dit jure devoluto (dat is jure collationis devoluto.) Ook wel doden zij in het geheel geene benoeming meer, zoodat daardoor de geheele inkomsten kwamen aan het comptoir der gebeneficieerde goederen. Dit laatste zou.

-ocr page 642-

288

na de Reformatie zeker wel het meest rationeele en nuttigste geweest zijn, maar de Gedeputeerden hadden gaarne iets te begeven , om dezen of genen van hunne vrienden en magen daarmede te kunnen bevoordeelen.

Ditzelfde gold ook voor het geval, dat de collator opzettelijk geen voordracht deed, omdat hij de vicarie (dat is de goederen) niet had aangegeven en alzoo verduisterd, iu welk geval hij onherroepelijk van zijn collatierecht was vervallen. In het eerste geval t. w. dat de collator bloot in verzuim of nalatig was, om eene voordracht te doen, kon hij of zijne opvolgers zich latei-bij een volgende vacature, nog weder aanmelden bij de Staten tot het doen der voordracht. Als voorbeeld strekke hetgeen bij VerLokex, blz. 469 is vermeld, ten aanzien der vicarie in de St. Jacobskerk te Utrecht, op het altaar van St. Jan etc. gefundeerd in 1495.

Het collatierecht verviel in de beide bovengemelde gevallen aan de Staten. Doch in de steden, ten minste in Utrecht en Amersfoort, begrepen de regeeringen, dat wel de goederen der vicarie waren en bleven eigendom der Staten en dus ook de benoeming van een nieuwen vicaris door hen of hunne Gedeputeerden moest gedaan worden , doch dat aan de Regeerders dei-stad alsdan jure devoiuto de voordracht aan Gedeputeerden toekwam.

Omtrent dit punt leest men in Bijl. VII bij dit Rapport overgelegd, lit. P. blz. 70 „dat die Vicaryequot; (van O. L. Vrouwe altaar in de St. Joris-kerk te Amersfoort, zijnde de 3e vicarie) jure devoiuto wallen soude wesen ad Episcopum, hebben goedgevonden te authoriseren......de Hn van Schaak en van Dam

„ Borgerman om tot intentie van haar Ed. requeste te praesenteren „soo en ter plaetse daer het behoortquot; enz. Actum 10 Martii 1662.

Verder leest men blz. 15 in dezelfde Raadsnotulen : „Politie den XXI Aprill 1662quot; , omtrent deze zelfde vicarie nog het volgende:

„dat denselven Priester Dirck van Baern een gedeelte van „deselve landerijen vcoft en in erfpacht uytgeslagen heeft, en „alsoo niets anders voor en hadde als de geheele vicarye mette

-ocr page 643-

289

„aenhoorige landen te vduysteren en als syn eygendom te in-„corporeren , waerdoor deselve vicarie jure devoluto geacquireert „en wallen was aen de Hr van den Lande, dewelcke be roegh „syn de voorz. vicarye int geheele aen te slaen, en op een „bequaera persoon te confereren, ott\' deselve te employeren tot „behoeff van den godtsdienst off ad alios usus pios pariles.

„Soo ist, dat de Regeerders der stad Amersfoort goetgevonden „hebben de voorz. Vicarye te confereren ghel. haer Ed. confereren „bij dezen op de persoon van Ds. Henricus Tekraannus Bedienaer „des Goddelijcken Woorts alhier, alles op approbatie en aggreatie „van de Ed. Mo. Hen. Staten slants van Utrecht — Actum den „XXIen Aprill 1662.quot;

In dezelfde notulen op XX July 1663 vindt men: „endat „bij haer Ed.quot; (Regeerders van Amersfoort) „deselve vicarye „alreeds was geconfereert en daarop approbatie en aggreatie „van haar Ed. Mo. vsocht hadde den Patroon van deselve Vicarye, „off soo hij hem sigh qualificeert, hem vvoeght bij de Heeren „Borgermr van Damquot; ... etc. om deze zaak in der minne te vereffenen. Het gevolg hiervan was, dat de kwestie bij een accoord op 21 Sept. 1663 door den Raad goedgekeurd (vermeld als boven, lit. U blz. 16) werd beslecht.

Omtrent dit punt zal men in de Bijl. V behoorende bij dit rapport, betreffende de stad Utrecht eene Vroedschaps-resolutie vinden van den 8 Jan. 1593 (Stads-archief aldaar Raadsdage-lijksch boek n0. 1) luidende:

„In den eersten dat alle goederen van de vicariën staende „ofte gestaen hebbende tot de collatie so wel van de kerckmeesters „(der Buurtkerk) alleen als van de kerkmeesters en de Cureeten „conjunctim of gesamenderhand, die nu verstorven sijn ofte nog „versterven sullen, bij don kerckmeesters tot behoeff van de „aelmissen ende reparation der kercken aengeslagen ende de „possessie van dien aengevoerd ende ter kercken behoef veriu-„corporeerd sullen worden.

„Dat desgelijcken deselve kerckmeesters mede bij provisie „aenslaen eude incorporeren sullen de goederen van de vicariën

19 u

-ocr page 644-

290

„daer of de fundateurs ende haer geslachten ofte descendenten „geheellicken verstorven zijn, enz.

„Item dat de kerckmeesters aen sich ook medenemen sullen „d\'administratie van de goederen tot de memoriën behoorende „ende gefondeert, doende daerop distributie aan de participanten „daartoe geregtigt elck pro rato, mits dat die portie van den-„genen die verstorven zijn ende nog versterven sullen accresseren „ende commen sal aen de Buerkerck, gelyck als in St. Jacobs „gedaen wordt, sonder dat iemants daertoe de novo geadmitteert „sal werden.quot;

Zie verder ook nog meer bepaald omtrent de verzwegen vicariën de Vroedschaps Resolutiën van Utrecht van 22 September 1(334, 14 November 1636 en 28 Juny 1669 (VerLoren, blz. 558 en v.), waaruit voortvloeit, dat de Magistraat te Utrecht, evenals re Amersfoort, zich de bevoegdheid toekende, om van de verzwegen vicariën en verduisterde vicariegoederen de presentatie van een\' nieuwen vicaris aan de Gedeputeerde Staten te mogen doen, waartoe hij dan meestal den verklikker (ter aanmoediging van anderen) voordroeg als vicaris.

De Staten hebben echter steeds en altijd blijven volhouden, dat niemand vicaris of possesseur kon worden buiten hen om. Dit gold ook voor de kapittelvicariën en zelfs voor de gemeene kapittelvicariën. (Zie Bijl. VI). En niet alleen voor de personen, die de collator aan hen voordroeg , maar ook voor die, welke de possesseur hun aanbood, door afstand te doen van zijn genot der vicariegoederen, ten behoeve van een ander, aan wien hij dit genot afstond of zoogenaamd verkocht.

Dit noemde men resignatie.

Er kwam alsdan een andere vicaris in de plaats van den tegenwoordigen, die defungeerde, doch meestal bedong de resignant, dat de nieuwe vicaris, dat is de geresigneerde aan hem, zoolang hij leefde, een bedrag zou uitkeeren gelijkstaande met het provenu der vruchten van de goederen tot de vicarie behoorende. Natuurlijk kon dit niet geschieden, buiten de Staten om, die don nieuwen vicaris als zoodanig moesten benoemen

-ocr page 645-

291

of zooals het gewoonlijk heette moesten aangenaam houden of agreëeren. Maar ook de collator moest daartoe medewerken en zijne toestemming geven. Anders toch zou het collatierecht illusoir gemaakt worden door een vicaris, die zich tot in eeuwigheid steeds perpetueerde.

Eene dergelijke resignatie van 5 September 1G69 kan men vinden bij VerLorex, blz. 575, alsook eene van 16 Mei 1664, vermeld onder Bijlage VII, blz. 75 en volg. behoorende bij dilt;quot; Rapport en nog eene gepasseerd voor den notaris N. van Lostadt te Utrecht, den 13den en I4den Februari 1623, Bijlage VI van dit rapport, benevens een aantal andere.

Vorder verwijzen wij, kortheidshalve, met betrekking tot dit resigneeren naar hetgeen daaromtrent wordt medegedeeld bij Mr. VkkLorex , blz. 476 en volg. terwijl dergelijke resignatiën thans in onbruik zijn geraakt.

Ofschoon in den aanvang de Staten zeiven wel begevingen van vieariën deden, lieten zij dit spoedig over aan Gedeputeerde Staten, die tot aan de Bataafsche Republiek de possesseurs der (gewezen) vieariën aanstelden op voordracht van de collators, zoo er die waren, en voor de vieariën in de steden, gedeeltelijk ook wel op voordracht der regeeringen in die steden. Na 1798 tot aan de vestiging van het Koningrijk Holland onder Lodewijk Napoleon , werden de benoemingen gedaan door het Gewestelijk Bestuur van de voormalige provincie Utrecht.

Of er echter tijdens de Bataafsche Republiek ook in de provincie Utrecht werkelijk nog benoemingen van possesseurs van vieariën zijn geagreëerd of gedaan door het Administratief Bestuur van dat voormalig gewest Utrecht, durven wij niet beslissen. Voorbeelden daarvan hebben wij niet kunnen vinden, doch het is mogelijk dat zij bestaan.

In 1807 kwam er, even als in vele andere zaken van administratieven aard, eene andere en nieuwe regeling tot stand, terwijl men gedurende de Bataafsche Republiek, administratief, meest in den ouden sleur was blijven voortwerken. Bij Decreet

-ocr page 646-

292

vau Koning Lodewijk Napoleon, van 9 Mei 1807, no. 10, vermeld bij Mr. Koker, Geschiedenis der vicariegoederen in Nederland, blz. 103, werd de Minister van Binnenlandsche Zaken gelast, om op den gebruikelijken voet bevestiging te verleenen van alle collatiën der vicariën en andere beneficiën in het geheele Koninkrijk en daarvan alsdan kennis te geven aan den Minister van Finaatiën „om eventueel het belang van „het land waar te nemen op zulke vicariën eu andere beneficiën, „welke door het uitsterven der familie van de patronen zouden „komen te vaceren en aan den Lande als vervallen zouden „moeten worden beschouwd.\'quot;

Uit dit Decreet zou men dus moeten afleiden, dat de benoeming der possesseurs of vicarissen, die door de collators waren voorgedragen, of, zooals men het toen veelal noemde, de confirmatie of agreatie dier voordracht, stond aan den Minister van Binnenlandsche Zaken namens den Koning, in plaats van aan de vroegere Staten \'s Lands van Utrecht of hunne Gedeputeerden en in de overige voormalige provinciën evenzoo.

Er is dan ook aan het Departement van Binnenlandsche Zaken een register dier confirmatiën of agreatiën van vicariën aanwezig, aanvangende met het jaar 1807 en doorloopende tot op den tegenwoordigen tijd , waarin die benoemingen naar volgorde van tijd en onder een dooi\'loopend volgnommer werden ingeschreven.

Van dergelijke benoemingen of confirmatiën van benoemingen, die voor 1814 reeds gedaan waren, doch nu moesten erkend en geratificeerd worden , werd dan een certificaat of bewijs op perkament aan den possesseur uitgereikt, waarvan er aog onderscheidene voorhanden zijn.

Uit een dezer documenten van den 24sten Mei 1815, medegedeeld onder Bijlage XII, behoorende tot dit rapport, zijnde eene verklaring van gerechtigheid tot het blijven genieten der vruchten en inkomsten der vicarie van St. Anthonius, gefundeerd in de kerk te Winterswijk, blijkt echter, dat die vicarie, beuevens eene andere van St. Sebastiaan in de kerk te Doesburg,

-ocr page 647-

293

was geconfirmeerd niet door den Minister van Biunenlandsche Zaken, maar door den Landdrost van Grelderlaud, bij dispositie van 30 Aug. 1808 en 19 Juni 1810 en wel aan den student in de theologie te Leiden Gr. Kool, aan wien de patroon of patronesse die had gegeven.

In dit document wordt tevens medegedeeld. dat gemelde Kool sedert 22 Februari 1810 niets uit de inkomsten der goederen, die onder administratie van het Doraeinbestuur waren, had genoten, waarom hij verzoekt, dat hem die alsnog worden uitgekeerd. Uit deze vermelding blijkt alzoo, dat gedurende het Fransche bewind de uitbetaling van de vruchten der vicariegoe-deren, voor zoover die door liet Bestuur der domeinen werden geadministreerd, is gestaakt geworden. De .rekwestrant wordt echter ten aanzien der dier vruchten verwezen naar de Commissie tot vereffening der wederkeerige schulden en pretensiën tusschen Frankrijk en het Koninkrijk der Vereenigde Nederlanden, als zijnde een reclame op het Fransche gouvernement, doch ten aanzien van de inkomsten na de herstelde Nederlandsche orde van Zaken, wordt hij door den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken (Roëll) geregtigd verklaard tot de 1 dier vruchten zich fltan* onder adminisfratie der Domeinen bevindende, tot voortzetting zijner studiën en tot zoolang zijn studiën zullen duren, mits bij iedere ontvangst derzelve daarvan door een behoorlijk attest doende blijken. De Secretaris van Staat verklaart daarbij, tot een en ander gerechtigd te zijn, uit krachte der algemeene authorisatie daartoe op hem verleend bij Z. M. Besluit van 8 Mei 1814 No. 147.

Dit Besluit is later vervangen door een Kon. Besluit van 3 November 1815 No. 2ö en vervolgens door dat van 30 Maart 1826 No. 101 (zie Koker, Vicariegoederen, blz. 109 en volg.), waarbij die bevoegdheid weder aan den Minister van Binnenlandsche Zaken wordt gegeven, die dan ook thans nog die begevingen, door de patronen gedaan, confirmeert, zoo in de provincie Utrecht als elders, en niet alleen van de vicariën, die als de Amersfoortsche worden beschouwd en behandeld al?

-ocr page 648-

294

stichtingen van beurzen voor studiën (Kon. Besluit van 2 December 1823, Staatsblad, No. 49 zie § 5), maar ook van afzonderlijke zoogenaamde familie-vicariën, zooals bljjkt uit Bijlagen IX behoorende bij dit rapport (zie § 6).

Uit dit algemeene register kan men dus zien, welkevicariën sedert 1807 zijn geagreëerd geworden door of vnn wege den Koning, zoo in de provincie Utrecht als elders.

Het is echter een bekend feit, dat er een aantal vicariën zijn, waarvan de collators de begeving doen, of ten minste beweren, dat zjj die doen, zonder dat er ooit eenige agreatie of confirmatie voor gevraagd wordt en zonder dat er eenige controle op is of die inkomsten werkelijk aan studeerenden of anderen worden uitgekeerd, dan wel of de collator, voor zoover deze de goederen zelf beheert, eenvoudig voor zich houdt en in den zak steekt.

quot;Wil men dus eene geregelde en volledige behandeling der vicariegoederen hebben en verkrijgen, dan zou aan de Staatscommissie, behalve de verstrekte lijst der inschrijvingen op de Grootboeken ten name van vicariën, ook in de eerste en voornaamste plaats behoorcn afgegeven worden een lijst der in gemeld register voorkomende begevingen van vicariën in iedere provincie afzonderlijk, waaruit men ten minste kan weten, welke vicariën in den laatsten tijd (b.v. de laatste 80 jaren) nog zijn begeven geworden door de regeering.

Volgens mededeeling van het geachte medelid onzer Commissie D. vak Beukixgen , die het voorrecht genoten heeft dit register aan het Departement van Binnenlandsche Zaken te mogen inzien en zich de moeite getroost heeft, daarop een register te maken, komen er, behalve de evengemelde vicariën geene andere in de provincie Utrecht gefundeerd in voor.

Dat er ook in deze provincie een aantal vicariën en vicariegoederen spoorloos verdwenen zijn, waarvan thans geene begeving meer gedaan wordt, in \'t bijzonder die te Utrecht waren gefundeerd, is hierboven in § 4 in fine reeds besproken.

quot;VVij hebben daar verwezen naar deze § 10 voor uitvoeriger

-ocr page 649-

295

inededeeling over de seeckere vicarye yef iindeerd in de Cathuryn-Kerk (lees Jaeobie-kerk) alhier, laatstelijk door Gedeputeerde Stateu \'s Lands van Utrecht, den 30 Maart 1786, begeven aan Maria Rombout ( VerLoren, biz. 574) en sedert haar oveihjdcn in October 1794 vacant gebleven, doch waaromtrent zekere Franciscus Marfhius Beehcilder, zich bij rekwest van 25 Juni 1881 (Bijl. XI behoorende tot dit rapport) heeft gewend rot den Koning, om met die viearie te worden begiftigd.

Men kan de geschiedenis dezer viearie uitvoerig behandeld vinden bij VerLoren , biz. 2H6 en de daartoe betrekkelijke stukken op blz. 571—5, waaruit tevens te zien is, hoe er in der tijd al gesold is met de vicariën.

De zaak komt kortelijk op het volgende neder.

Door Gedeputeerde Staten \'s Lands van Utrecht was op 31 Maart 178(5 Maria Bombont, gehuwd met J. B. Beekwilder gekwalificeerd geworden: „omme de inkomsten van zekere verffelijke vicarye in de kerke va» St. Catharyne binnen deze „stad te genieten en was de Rentmeester van Ste Catharine „geauthoriseerd om deselve inkomste aan de Suppliante te „extraderen tot zoolange iemand anders mogte opkomen die „nader en beter recht tot deselve vicarye zoude kunnen tonen „te hebben. (VerLoren, blz. 574.)

Zij overleed in October 1794 en na haar overlijden werden de papieren, betreffende de viearie, volgens zeggen der familie, opgezonden aan den notaris Meelboom te Utrecht, om te bewerken, dat die aan een barer kinderen zou gegeven worden. Dit schijnt echter toen niet gelukt te zijn. Waarom blijkt niet, doch do familie lieeft er nooit meer iets van gehoord, de papieren zijn, zooals zij beweert, onder dien notaris verbleven en zoek geraakt.

In 1818 werd de zaak weder opgerakeld door haar zoon Joseph Beekwilder, die zich per rekwest wendde tot het Col-legie van Burgemeesteren te Utrecht, om in het genot dier viearie gesteld te worden. Dezen (met de zaak verlegen zijnde) stelden het verzoekschrift in handen van den heer P. A.

-ocr page 650-

296

Beelaerts, als rentmeester der goederen van de Balye en Con-vente van St. Catharyne te Utrecht, die in 1812 door den Maire van Utrecht (onbevoegdelijk ?) als provisioneel administrateur der goederen van liet convent van St. Catharyne was aangesteld en zich iu zijne rekeningen ook steeds zoodauig is blijven kwalificeereu, tot in 1852, toen hij is afgetreden.

Deze adviseerde tot toelating van den rekwestrant, zoodat J. Beekwilder op 12 Januari 1819 door Burgemeesteren werd toegelaten. Deze admissie luidt, volgens notulen van H.H. Burgemeesteren van Utrecht, nldus :

„Op advies van den Rentmeester van het fonds van Catha-„ryne wordt besloten aan Joseph Beekwilder, als eenige zoon „van Maria Rombout uit te keeren jaarlijks eene som van „/\' 55, wegens eene vicarie, met bijbetaling telkens van drie „achterstallige jaren, aanvankelijk verschenen 13 December 1795, „zullende echter gemelde Joseph Beekwilder aan zijn vader en „zuster zoodanige verrekening of nitkeering moeten doen als „waartoe hij als erfgenaam zijner moeder ex testamento of ab ,,intestate mogt gehouden zijn en deze betaling jaarlijks te „mogen voortzetten aan gemelden persoon tot zoolang iemand „anders mogt opkomen, die nader en beter regt tot dezelve „vicarie, zoude kunnen toonen te hebben.quot;

Op grond dezer beschikking van Burgemeesteren is door den beer P. A. Beelaerts van Oosterwijk, als Rentmeester van het Fonds van St. Catharyne, na 1817 steeds een bedrag van f 55 aan gemelden Joseph Beekwilder uitgekeerd, met de 23 achterstallige jaren van 1795 tot en met 1817, in payementen van 3 jaren, zoodat in 1825 deze achterstand ad / 1265 totaal was aangezuiverd.

De Rentmeester Beelaerts deed echter toen zijne rekening niet meer aan den Maire of de latere Burgemeesteren van Utrecht, zooals na 1812 door hem was gedaan, maar aan de Regenten van de Vereenigde Gods- of Gasthuizen te Utrecht, eene stichting die bij Koninklijk Besluit van 27 Maart 1817 nquot;. 9 was in \'t leven geroepen, waarbij in artikel 5 tevens was

-ocr page 651-

297

liepaald. dat tot ouderlioud van liet door die stichtir.g op to richten algemeen Hospitaal of Ziekenhuis (dat tevens moest strekken als clinicnm academicum) onder anderen ook zou strekken het fonds van St. Catharyne Gasthuis, onder aftrek van \'t geen tot onderhoud van de Catharyne kerk jaarlijks zou benoodigd zijn (1).

De Regenten namen genoegen met deze beschikking van Burgemeesteren, zoodat uit de baten van dat fonds het bovengemeld bedrag steeds is afgehouden en uitbetaald aan gezegden Joseph Beekwilder, tot dat deze op 15 Februari 1830 overleed.

Zijne weduwe wendde zich toen tot de Regenten van de Vereenigde Grods- en Gasthuizen te Utrecht met verzoek, dat alsnu haar jongste kind Joannes Andreas Beekwilder gerechtigd zou verklaar l worden tot het genot dier vicarie.

Dit verzoek werd door Regenten gesteld in handen van ge-melden heer Beelaerts, die natuurlijk weder gunstig daarop adviseerde, evenals vroeger. — Conform hiermede besloten dan ook Regenten — „om de persoon van Joannes Andreas Beek-„ wilder als wettige bezitter der voorschreve Erfvicarye te „erkennen en zulks tot zoo lange iemand anders mogt op-„ kom en, die nader en beter regt tot deselve zou kunnen „bewijzen.quot; — Tevens werd daarbij besloten, om een extract uit de resolutie van Regenten, genomen den 2fi Juli 1830, aan den Rentmeester van St. Catharyne uit te reiken, ten fine van informatie en naricht.

Dienovereenkomstig is dan ook aan de moeder van Joannes Andreas Beekwilder, als wettige voogdes, en later aan hem zelf de som van ƒ 55 jaarlijks uitbetaald, tot aan 1878, toen hem de verdere uitbetaling is geweigerd, dewijl gebleken was, dat er een ander was, die beter recht had op de vicarie dan hij.

(1) Deze kerk werd later bij Koninklijk Besluit van 24 October 1840, nquot;. 17, afgestaan aan de Koomsoh-Katholieke gemeente in de Catharvnesteeg te Utrecht, met f2000 inschrijving op het Grootboek, uit gemeld fonds van St. Catharyne, die daarop die kerk (thans Cathedraal) aan de noordzijde verwisselde tegen het huis, waarin zij destijds aan de zuidzijde dienst hield.

-ocr page 652-

208

Op 10 Decembei\' 1877 namelijk wendde ziju oudere broeder Franciscus Martinus Beehwilder zicli tot Regenten 7net te kennengeving , dat hij als oudere zoon van Joseph Beekwilder vermeende tot de bewuste vicarie gerechtigd of ten minste medegerechtigd te zijn , zich daarbij beklagende, dat zijn jongere broeder alleen de f 55 jaarlijks trok.

Toen nu Regenten op grond daarvan dezen de vicarie often minste de uitbetaliny dier som hadden ontnomen, wendde gemelde Franciscus Martinus Beekwilder zich onmiddellijk tot regenten met verzoek, dat hij alsnu daarmede begunstigd zou worden.

Regeuten, die inmiddels de zaak hadden onderzocht, waren door hunne nasporingen tot de ervaring gekomen, dat de bewuste vicarie, waarvan geene nadere omschrijving werd gegeven, eigenlijk niet bestoud. Dat toch uit de rekeningen van het voor nialig comptoir van St. Catharyne (die niet hooger opklimmen dan 1770) bleek, dat de /\' 55 werd betaald voor eene (eigenlijk twee) vicariën in de St. Jacobskerk te Utrecht in der tjjd gefundeerd , dus niet voor eene vicarie ia St. Catharynekerk of convent gesticht, zooals in de begevingen van 29 November 1768, 25 April 1769, 20 September 1774 en 31 Maart 1786 door Gedeputeerde Staten wordt gezegd. (VerLoren, blz. 571 en volgende.)

Bovendien waren regenten door hun onderzoek tot het inzicht gekomen, dat het collegie van Burgemeesteren te Utrecht in 1819 geene bevoegdheid had en vroeger ook nooit gehad had, om vicariën te kunnen begeven, daar zulks alleen stond aan de Staten \'s Lands van Utrecht en hunne Gedeputeerden namens hen, — en na 1798 aan de macht, die hen was opgevolgd, waartoe zeer zeker de Burgemeesters niet konden gerekend worden. Dat zij zeiven evenzeer in 1830 onbevoegd waren geweest, om de pretense vicarie aan Johannes Andreas Beekwilder te begeven.

Dat de vereenigde Gods- en Gasthuizen dan ook niet zijn geweest de opvolgers of representanten van het gewezen of nog bestaande rijksfonds of njkscomptoir der Bnhje en Convente van

-ocr page 653-

29ft

St. Catharyne te Utrecht dat in 1799 niet was opgeheven, met de overige rijkscomptoiren. (Zie VerLoken\', biz. 153.)

Dat in 1817 die instelling wel een deel der goederen en gelden aan dit comptoir behoorende heeft ontvangen van den Koning, doch daarbij niet op zich genomen heeft, de verplichting, om alle schulden op dit bestaande of bestaan hebbende comptoir gevestigd geweest of betaalbaar gesteld te voldoen, doch alleen, om een ziekenhuis op te richten. Zij verinoenen alzoo (naar wij vernemen), dat hot door hen betaalde of van de rekening van St. Catharyne afgehouden bedrag (in \'t geheel f 4565) indebite was uitbetaald of afgehouden en ;ils onverschuldigd door hen zou kunnen teruggeëischt worden viin gezegden Joannes Andreas Beekwilder en zijne predecesseuren.

Üp grond van een en ander hebben regenten aan gezegden Franciscus Martinus Beekwilder in antwoord op zijn verzoek te kennen gegeven, dat daargelaten of de bewuste vicarie kan geacht worden immer te hebben bestaan en nog te bestaan , de begeving derzelve niet staat aan regenten , doch liij zich ten dien einde zal dienen te wenden tot den Minister van Binnenlandsche Zaken, maar dat regenten in ieder geval zich niet gehouden achten en ook niet voornemens zijn, om aan hem eventueel de / 55 \'sjaars uit te keeren, als possesseur der bewuste vicarie.

Na het ontvangen van dit antwoord heeft gemelde Beekwilder zich gewend tot het Bureau van consultatie te Utrecht die hem Mr. A. J. Royaards als advocaat heeft toegevoegd, die het hiernevens onder Bijlage XI bij dit rapport gevoegde rekwest aan den Koning voor hem heeft ingediend (1).

Naar onze meening heeft deze zijn raadsman zeer terecht ingezien, dat zijn cliënt niets kon uitrichten , zoolang hij niet op legale en wettige wijze was benoemd tot possesseur der pretense vicarie en deze dus vóór alles moest trachten eene benoeming als zoodanig

(1) Het rekwest had o. e. eigenlijk aan den Minister van Binnenlandsche Zaken moeten ingediend zijn, als zijnde deze bij het bovengemelde Kon. Besluit van 30 Maart 1826, nquot;. !0!, gemachtigd, om o. a. de begevingen van vicariën namens den Koning te doen.

-ocr page 654-

300

te zien te verkrijgen. Wanneer dit gelukt was, kon hij nader zien, wien men in rechten daarover zou aanspreken.

Wij hebben vermeend, deze zaak eenigszins breedvoerig te moeten uiteenzetten, ter waarschuwing, dat er meer achter zit dan oppervlakkig schijnt en ter voorkoming, dat wellicht in een onbewaakt oogenblik de Minister van Binnenlandsche Zaken den rekwestrant als possesseur mocht benoemen, vermeenende, dat men hem wel het onschuldig genoegen kon verschaffen, om zich met eene doode musch te verblijden, door liem te benoemen tot possesseur eener vicarie, die niet bestaat en in allen geval geen goederen meer bezit.

Ook zou het niet zeer wenachelijk zijn dat, nu er bij de Regeering voornemen bestaat, om de zaak der viearie-stichtingen bij de wet te regelen , eeu antecedent werd daargesteld door een der sinds jaren niet meer van rijkswege begeven vicariën, die als stilzwijgend gemortificeerd te beschouwen is, weder in \'t leven te gaan roepen. Een antecedent, dat bovendien van bedenke-lijken aard is to acliten en veruitziende gevolgen voor \'s lands finantiën kan hebben, ja zelfs (evenals bij de beruchte zevenkinderen wet) het soin zou kunnen geven, tot eene generale ■wederopstanding van sedert jaren ingesluimerde en doodgewaande vicariën, die hunne aanspraken op de obligatiën en inschrijvingen van de voormalige provincie, op diverse comptoiren der Staten betaalbaar gesteld, ten behoeve der respectieve possesseurs zouden kunnen doen gelden.

In de benoeming of erkenning toch van Gr. Kool, als possesseur eener vicarie te Winterswijk, ad informandum overgelegd onder Bijlage Xlf van dit rapport, wordt het denkbeeld niet geheel weggeworpen, dat ook op vergoedingen, dateerende van vóór de Fransche administratie, aanspraken zouden kunnen gelden, doch wordt daaromtrent verwezen. naar de ten opzichte nader te maken bepalingen.

Wat er verder van dit verzoekschrift geworden is, nadat het door den Minister van Binnenlandsche Zaken was gesteld in handen van Gedeputeerde Staten van Utrecht ten fine van

-ocr page 655-

301

advies (1) is niet bekend; tot nu toe is er, zoover bekend , nooit eene beschikking op genomen of ten minste aan den rekwestrant kenbaar gemaakt.

De zaak dient rijpelijk overwogen te worden, want het is te voorzien, dat de rekwestrant, als hjj eenmaal tot possesseur is benoemd, het daarbij niet zal laten, maar een verzoek zal doen, om kosteloos tegen den Staat dcrNederlanden te mogen procedeeron, ten einde in het genot te worden gesteld van de/■ 55 jaarlijks, dio liet voormalig comptoir van St. Catharyne placht te betalen aan den possesseur dier vicarie.

(1) Volgens geruchten zouden Gedeputeerde Staten ongunstig hebben geadviseerd o. a. op grond, dat niet behoorljjk bleek welke vicarie heteigenljjk gold.

-ocr page 656-

§ li-

Eigendom en vervreemding der gebeneficieerde goederen.

In § 1 in fine is reeds uitvoerig betoogd, dat alle gewezen geestelijke goederen in liet algemeen, in of na 1586 zijn geworden Staatseigendom en wel ex jure publico, niet volgens privaat recht, of als bona vacantia; — dat het beheer daarover is gevoerd door de Sïaten of wel door stedelijke regeeringen, die zich onmiddellijk na de Reformatie feitelijk in het beheer hadden gesteld, aan wie de Staten dit beheer gunden, omdat zij niet bij machte waren het huu te ontnemen.

Wij iiebben daarbij beloofd later meer speciaal in bijzonderheden te zullen aantoonen, dat de Staten ook omtrent het onderdeel der (gewezen) geestelijke goederen, genaamd de r/ebenefi-cieerde goederen \'s Lands van Utrecht, dat is de vroegere pastorie-, vicarie-, kosterie- en scholasteriegoederen, steeds hebben gehandeld als eigenaars] niet bloot als superintendenten of als slechts toezicht hebbenden op de administratie van anderen, die daarvan eigenaars waren of als eigenaars beschouwd werden.

Ter voldoening hieraan (daar de eigendomskwestie hec cardinale punt van dit geheele rapport is), vestigen wij in de eerste plaats de aandacht op den naam van dit fonds of comptoir der c/ebeneficieerde goederen \'sLands can Utrecht, of ook wel de gebeneficieerde goederen dezer Provincie. (VerLoren , blz. 582.) Deze bijvoeging \'s Lands van Utrecht zou dus al zeer zonderling zijn, indien die goederen niet aan de Staten toebehoorden, maar

-ocr page 657-

303

aan een ander of aan iets anders. Rn liet is niet eene enkele maal, dat wij die bijvoeging \'.s Lands van Utrecht aantreffen, maar herhaaldelijk. Zie onder anderen de rekening van het coniptoir van Marienbury te Zoest over 1776 (Rijksarchief te Utrecht, n». 311, gedrukten inventaris, blz. 82, fol. 31 (Ver-Lorkn, blz. 193) verbis „De ontvanger van de gebenefieieerdo „goederen des Lands van Utrecht betaald jaarlijks van eene „obligatie, groot in capitaal 2300 guldens belegt ten comptoire „van de Heer Henrick van Wijckeialoot ontvanger van de ge-„beneficieerde goederen des Lands van Utrecht, ten behoeve „van den convente van Marienburg te Zoest enz.quot; Zie dergelijke vermelding ook in de stukken vermeld bij VerLoeen, blz. 193, 587 (fol. 75), 588 (fol. 79), 594 (fol. 165 v.) en 596 (fol 168 v.) enz.

De Staten spreken dan ook niet alleen van het coniptoir der gebenelicieerde goederen, maar tusschenbeide ook van hun coniptoir, en noemen den rentmeester over de memoriegoederen te Moutfoort, in diens instructie gearresteerd door Gedeputeerde Staten den 18deu Mei 1866 en geapprobeerd door de Staten den 25sten Mei daaraanvolgende, hunnen rentmeester en zich zeiven posseaseurs der voornoemde memoriegoederen. (VerLoren , blz. 369.) Deze instructie is te vinden in een Register (n0. 92), inhoudende: acten, com missiën en instruct iën van de Staten en Gedeputeerde Staten \'s Lands ran Utrecht (uit vele deelen bestaande) , vernield in den gedrukten inventaris van het Rijks-archicf te Utrecht (zie blz. 24) in deel 36, fol. 69 en volg.

Wij herhalen nogmaals wat reeds vroeger in § 1 gezegd is; het fonds der gebeneficieerde goederen bestond uit de combinatie en amalgamering der afzonderlijke pastorie- en vicariegoedereu enz, die daardoor verdwenen en daarin opgingen. Het is dus ongerijmd te meenen, dat do Staten van een gedeelte der goederen waaruit dit fonds bestond , te weten die, welke waren voortgesproten uit gewezen pastorie-, kosterie- en seholasteriegoedereii, wel eigenaars zouden geweest zijn, maar niet van dat gedeelte, dat herkomstig was van de gewezen vioarie- en memoriegoederen,

-ocr page 658-

304

met andere woorden dat de Staten tegelijk eigenaars eu geen eigenaars zouden geweest zijn.

Er is geene aannemelijke reden voor te vinden , waarom de Staten na 1580 de aanstelling van predikanten en vicarissen (die vroeger de Bisschop had) aan zich hielden, als dit niet was gelegen daarin , dat de pastorie- en vicariegoederen toen niet meer aan de kerk, maar aan de Staten behoorden. Zooals iu hunne vergadering van 12 Februari 1611, (VerLoren, blz. 544) werd gezegd, waren de geestelijke goederen geiiiortificeerd, dat is geseculariseerd. Daarom werd aan de geestelijkheid, dat is de vroegere beheerders of eigenaars dier goederen bij artikel 1 der ordre op de geestelicheyteMrfe hare goederen van 1580, (VerLoren, blz. 497) verboden, die langer te mogen vervreemden of bezwaren, tenzij met consent der Staten (als zijnde geworden eigenaars) en werd later bij het Redressement van 1586, evenals voor de overige geestelijke goederen, door de Staten een Rentmeester aangesteld, om die te admiuistreeren, namens de Staten, als eigenaars, en aan de Staten, te weten de Directiekamer, rekening en verantwoording van zijn beheer te doen.

De Staten hebben zich dan ook bij de gebeneficieerde goederen evenals bij de overige geestelijke goederen en coinptoiren, (1) steeds de bevoegdheid toegekend, om de goederen behoorende tot het comptoir of fonds der gebeneficieerde goederen, te vervreemden , welke goederen dan ook grootendeels alle zijn vervreemd door en de koopprijzen gevloeid in handen der Staten, die daarvoor wel is waar, evenals bij de overige geestelijke comptoiren, obligatiën of inschrijvingen afgaven aan ditzelfde comptoir tot een bedrag in kapitaal, waarvan de rente gelijk stond met de opbrengst der jaarlijksche revenuen van de verkochte goederen en die obligatiën stelden ten name van hun

(1) Zoo blijkt o. a. uit de rekening van het comptoir van St. Catharyne over 1770 eti die van het comptoir van Marienburg te Zoest over 1776, dat (oen reeds alle vaste goederen waren vervreemd op last der Staten en geconverteerd in obligatiën op de provincie.

-ocr page 659-

805

rentmeester der gcbeiicficieerde goederen, doch niettemin de kooppenningen zeiven opstaken. Deze obligation zijn echter in 1799 weder ingetrokken en vernietigd door en op last der Staten, dat is het provisioneel gewestelijk bestuur der voormalige provincie Utrecht, toen het comptoir der gebeneficieerde goederen met de overige comptoiren der (gewezen) geestelijke goederen door hen werd opgeheven. Daarvoor zijn toen inschrijvingen op het Grootboek in de plaats gekomen, die als eigendom van den Staat steeds zijn beschouwd, zooals reeds in §§ 1 en 8 is betoogd, kortom alles geschiedde bij dit comptoir evenals bij de andere comptoiren en zelfs bij het comptoir van do domeinen der Staten. Nergens is eenig onderscheid te bespeuren. Op het rijksarchief in de provincie Utrecht is een register of memoriaal (nquot;. 192) aanwezig der geestelijke goederen, die door of met consent der Staten zijn vervreemd of bezwaard. (Zie gedrukte Inventaris, blz. 49.) Het loopt echter niet verder dan van 1591 — 1632, zijnde een later memoriaal verloren geraakt. Hetgeen daarin voorkomt strekt insgelijks tot bevestiging onzer stelling, dat de Staten eigenaars waren.

Bij den verkoop dier goederen achten wij het uoodig hier nader stil te staan, omdat .daarbij, voor zooveel betreft de sre-wezen vicariegoederen juris patronatus, eenige afwijking plaats greep, die door de tegenstanders der leer, dat de Staten eigenaars waren ook der vicariegoederen, gewoonlijk wordt aangegrepen, als een wapen ter bestrijding dier stelling. Zoo onder anderen door den Procureur-Generaal van Maanen in zijne bekende conclusiën over vicariezakon, in 185G voor don Hoogen Kaad aanhangig geweest. (Van den Honert G. Z. XIII, blz. 238—263 en Rechtsgéleerd Bijblad 1856 VI, blz. 213 en v.)

Wanneer de Staten goederen lieten verkoopen aan oen hunner geestelijke comptoiren bchoorende, dan deden zij dit niet zeiven en compareerden ook niet zeiven in de acte, maar droegen dit op aan den rentmeester van dat comptoir, die de kooppenningen inde en voor bet transport aan de koopers zorgde. Somtijds droegen zij zulks ook wel op aan eene speciale commissie uit

20 u

-ocr page 660-

306

luiD midden, zooals in 1649 bij den verkoop der memoriegoederen en der 14vicariën, behoord hebbende bij het voormalig Burggraafschap Montfoort, welke commissie toen de goederen ook heeft getransporteerd. ingevolge de opdracht hun daartoe gedaan bij resolutie der Staten van 11 Juli 1049. Zie VerLoren, blz. 353 en volgende en hetgeen hierboven in § 8 is vermeld omtrent de Montfoortsohe vicarie- en memoriegoederen.

Met de gebeneficieerde goederen, die afkomstig waren van gewezen pastoriegoed of van vicariën, waarbij geen collators waren of wel de collators waren uitgestorven of niet bekend waren, ging de verkoop natuurlijk geheel en al uit van de Staten, dat is hunne Gedeputeerden. Immers er was niemand anders, die den verkoop kon gelasten of effectueeren. Dit blijkt dan ook uit diverse posten, voorkomende in de rekeningen der Rentmeesters over 1770, als ook in die van de Leeuw over 1669. Uit deze laatste rekening halen wij onder anderen aan de posten, vermeld bij VerLoren , blz. 594, folio 165 verso, luidende :

„Fn den eersten heeft des Rendants antepredecesseur in sijn „reeckeningh in ontfangh gebracht alle de penningen geprocedeert *van de vercofte Landerijen behoort hebbende aen de capelle ^van der Horst, dewelcke uyt-cra-chte van de appointemente van \'„de Edele Mogende heer en Staten \'s Lants van Utrecht vercoft ^sijn ende de cooppeuningen van dien wederomme ten behoeve quot;van de prebendaten sijn beleijt op \'t comptoir vac degenerate ^middelen \'sLands van Utrecht, breder vermogens de requeste „endo appointemente van date den lesten January 1644, op de quot;reeckening van den Heere Martens, ontvanger in der tijt [verthoont, ende aldaar gebleken is dat de prebendaten daaruyt „souden worden onderhouden, soo dient quot;t selve alhier voor

„memorie.quot; blz. 596, fol. 168 v.

„Item alsoo de ontfanger van de gebeneficieerde goederen Js Lants van Utrecht op den 24en en 9en (November) ge-„authoriseerd is de huysinge tot het hospitael gasthuys, binnen „ Wijck gefundeert, ten behoeve van Anthonis Hageuauen te

-ocr page 661-

BOT

„transporteeren met een rentebrief van twee hondert ponden ten „behoeve van den possesseur van de viearyoquot; (1) enz.

Tot beter verstand van dit laatste merken wij op, dat in vroeger tijd de landerijen of huizen niet alleen voor eene bepaalde som, maar veelvuldig tegen eene altijddurende rente of grondrente of losrente (dat is losbare rente) van een zeker bedrag verkocht werden. In dat geval bleef deze rentebrief onder handen van den rentmeester der gebenoficieerde goederen. (Zie Ver-Loren, blz. 592, fol. 116 v., blz. 595, fol. 16T, blz. 596, fol. 169 v.), „omme in toekommende tijden sijn regres daartoe „te hebben ende niet verduystert soude worden.quot;

Zie ook blz. 59T en 598 (fol. ITO v., 1T1, IT1 v.), alwaar steeds wordt vermeld, dat de landerijen zijn verkocht volgens

haar Ed. Mog, appointement van den....., zonder dat er

bijgevoegd wordt, dat zulks was geschied op verzoek van den collator.

In de rekeningen over IT TO en later vindt men gelijke vermeldingen , niet alleen van de goederen behoord hebbende tot pastoriën (die toen reeds bijna alle verkocht waren, behalve eenige tienden), doch ook van verkochte vicariegoederen, insgelijks zonder bijvoeging, dat die op verzoek van den collator waren verkocht, zooals bijvoorbeeld rekening 1TT0 (fol. 12 v.) en die van 1T98. (VeeLoeen, blz. 605 (fol. 5 v.).)

„Het land, aan deze Vicarye (te Schalkwijk) behoord heb-„bende, verkogt zijnde, dient dit voor memorie.quot;

„De 3 mergen land aan deze Vicarye (te Breukelen St. Pieters „Autaar) behoord hebbende verkocht en de penningen ver-

„antwoord zijnde, dient die voor......Memorie.quot;

(Rekening 1TT0, fol. 34 en 1T98 fol. 12 v. VeeLoren, blz. 607.)

Deze kooppenningen schijnen dus niet belegd te zijn geweest, maar tot andere doeleinden verbruikt, zooals wel meer gebeurde, zie het vermelde in de rekening over 1G69, fol. 27 (VeeLoren, blz. 587) omtrent de kooppenningen der goederen

(1) Dat is de vicarie van \'t Gasthuis. Zie VerLoren, blz. 260 en 2(57.

-ocr page 662-

308

van de vicarie aan den Dwarsdijk, die gebezigd waren, om daarmede een kapitaal van f 4000 af te lossen, waarmede het comptoir der gebeneficieerde goederen was bezwaard.

In de gemelde rekening van 1770, fel. 21 v. en 1798, fol. 10 (VerLoren, blz. 605) staat echter uitdrukkelijk, dat de landerijen aldaar vermeld op order der Staten waren verkocht, zonder dat er daar van eenige medewerking of verzoek van den collator of van eene wederbelegging wordt gewaagd, gelijk er dan ook niets wordt verantwoord, als ontvangen.

„De Landerijen tot deze vicarye behoord hebbende op „Haar Edel Mogende ordre verkocht zijnde, dient dit voor „Memorie.quot;

Dergelijke vermelding van vicariegoederen verkocht op appoin-tement der Staten, zonder vermelding van medewerking van den collator, vindt men ook in de hierboven (in § 5) medegedeelde vermelding van de rekening over 179S—1800 van den Ontvanger van do tertiën der vicariën te Amersfoort der XXIV Vicarie wegens het verkochte erfje aan de Birkt onder Zoest. Daarentegen heet het in die rekening bij de XIV vicarie, dat liet land is verkocht met approbatie van Haar Edel Mogende, wederom zonder vermelding van den collator.

Er heerscht omtrent dit verkoopen van landerijen nog al variatie van uitdrukkingen. Het ligt dan ook in den aard der zaak, dat gedurende de twee eeuwen die het comptoir der gebeneficieerde goederen heeft bestaan, zoowel het verkoopen als het beleggen van de kooppenningen (voor zoover die met tot andere doeleinden verbruikt werden) niet altijd precies op

dezelfde wijze is geschied.

Zoo leest men in de rekening over 1669 folio 27 (VerLoren, blz. 587), dat liet vicariegoed was verkocht met approbatie van de Staten. Evenzoo folio 110 (VerLoren, blz. 591), folio 166 VerLoren, blz. 595), folio 166 v. (VerLoren, blz. 595), folio 168 (VerLoren, blz. 595), folio 170 (VerLoren, blz. 596), doch folio 169 v. (VerLoren, blz. 596) met consent van Haar Edel Mogende, alsook folio 171 v. in die van 1770 folio 21 v. en

-ocr page 663-

309

van 1798 folio 10 (VerLorex, biz. 605) op order van Haar Edel Mogende.

In de rekening van den Ontvanger der tertiëu te Amersfoort over 1669/1701 leest men, dat het goed (behoorende tot de 18e viearie aldaar) is verkocht met consent des collators — ter-vijl het in de reeds aangehaalde rekening over 1669 folio 166 v. (VeeLoren, blz. 595) heet, dat het goed behoorende tot de viearie op St. Andries altaar in de St. Jacobskork to Utrecht met approbatie van haar Edel Mogende ten overstaan van Jonkheer Dirck Rhuys als patroon was verkocht voor /\'8000, doch met de droevige bijvoeging „deweleke hij in syn eygen „oirbair hoeft gebeurt ende dese vicarye door synen insolventen „boedel gefrusteert.quot;

Het was dus buiten den regel, dat de collator de kooppenningen beurde en voor zich hield.

Hoe het mot die verkoopen van (gewezen) vicariegoed eigenlijk in zijn werk ging, is niet recht duidelijk en er bestond daaromtrent ook al variatie.

De regel schijnt geweest te zijn, dat de rentmeester der gebeüefi-cieerde goederen de goederen verkocht en de kooppenningen belegde ten behoeve der possesseurs (niet ten name der possesseurs) en wel tot het volle bedrag van dien. Dit blijkt uit de resolutie van Gedeputeerde Staten van 21 Doe. 1623, medegedeeld bij VerLoren, blz. 580, waarbij als uitzondering en „wu\'fe dat „zulck hij anderen niet en sal worden get rocken in consequentie\'\'\' aan den aldaar suppliant gratieuselijk werd vergund, slechts een deel der kooppenningen productief te beleggen ten behoeve der viearie (in de Buurkerk te Utrecht), op goede en vaste hypotheken tegen 5 percent en tegen een renteopbrengst, gelijkstaande aan het bedrag der vroegere vruchten en inkomsten van het land. De rest der kooppenningen mocht hij zelf behouden en bezigen tot afbetaling der kosten eener procedure over de viearie gevoerd door zijn vader.

Ik kan mij niet vereenigen met de bewering in het rapport de Geer geuit, dat de kooppenningen van verkochte viearie-

-ocr page 664-

HI O

jsroederen slechts voor ^ werden belegd ten behoeve der Staten en ten name van hunnen rentmeester der gebeneficieerde goederen en dat de 12 obligatiën ad f 187.398-3-„ behoorende aan \'t comptoir der gebeneficieerde goederen (VerLoreis , blz. 617), representeereude de verkochte pastorie- en vicarie-goederen, slechts dit i zouden vertegenwoordigen van den koopprijs uit vicariegoed voortgesproten.

Nergens is er eenig spoor te vinden, dat ingeval van verkoop van vicariegoed niet dti i/eheele koopprijs werd belegd, In de rekening der gebenehcieerde goederen over 1770 wordt dan ook folio 25 v. er van gewaagd, dat het gansch Capitaal weder aangelegd en jiuirljjks in de rekening zou gebracht worden. (Ver-Loren, blz. 611 noot.) Wel is waar wordt er in de rekening over 1799 folio 26 v. van dit zelfde kapitaal gezegd, dat den vicaris in der tijd competeeren § der renten en het ander £ aan dit comptoir (der gebeneficieerde goederen), maar dit gold alleen de renten, niet het kapitaal zelf, waarvan bet comptoir of de vicarie, dat is de Staten eigenaars waren en bleven. (VerLoren, blz. 612).

Omdat de vicaris in der tijd § trok der renten, daarom was hij (of de collator) nog geen eigenaar voor | van het kapitaal, evenmin als de praebendarissen. en convontualen van Marien-burg te Zoest eigenaars waren van het kapitaal van /\'2300, omdat zij de renten er van genoten, doordien dit kapitaal ten behoeve van het convent was belegd door de Staten op hun comptoir der gebeneficeerde goederen.

Als de Staten aan den collator gratieuselijck verlof gaven, dat het vicariegoed verkocht zou worden, dan werd er in het appointement op het request meestal over de wijze waarop de verkoop zou plaats hebben niets naders gezegd, te weten of zulks op de gewone wijze, dat is door den Rentmeester zon moeten geschieden, dan wel of de collator iu persoon de verknoping zou kunnen houden. In het laatste geval zou dit ver-koopen dan toch altijd moeten geacht worden te zijn geschied, als lasthebber der Gedeputeerde Staten en namens hen, (even

-ocr page 665-

811

als bijvoorbeeld een hypotheekhouder verkoopt, als onherroepelijk gevolmachtigde van den debiteur, niet proprio nomine.

Het komt er bij deze kwestie over deu verkoop van gebene-ficieerde goederen — onderdeel vicariegoederen — ons er-

CJ ~

achtens, niet zoozeer op aan wie den verkoop deed en op welke wijze die geschiedde, als wel waar de kooppenningen bleven en wie de renten beurde der obligatiën op de provincie, waarin de koopprijs was belegd. Die obligatiën stonden ten name van den rentmeester, doch ten behoeve, als het gewezen vicariegoed wns, van den possesseur der vicarie iti der tijd (VerLoren, onder anderen blz. 612). Was het gew ezen pastorie-goed (waarvan geen collator was), dan verviel natuurlijk deze bijvoeging. Voor deze geldbelegging werden dan door de Staten obligatiën afgegeven aan den actuëelen possesseur der vicarie, die echter naar \'t schijnt gedeponeerd werden ten kantore vau den rentmeester der gebeneficieerde goederen, die dan ook de renten daarvan ontving ten kantore van den ontvanger (of rentmeester), alwaar de obligatie betaalbaar was gesteld, doch aan den possesseur zijne ij uitkeerde. Dit ontvangen der rente door den Rentmeester der gebeneficieerde goederen blijkt voor zooveel betreft pastoriegoed, onder anderen uit de rekening der gebeneficieerde goederen over 1770 folio 8 v., alwaar wij lezen: „Aan deze pastorve (te Nederlaugbroek) hebben nog behoord „8 morgen zoo Bouw- als Weyland gelegen te Nederlaugbroek, „welke volgens Resolutie van haar Ed. Mog. in dato 15 „december 1698 verkogt zijn, en de penningen onder meer „andere cooppenningen van landerijen op den \'24 en 25 Mey „verkogt en ten comptoire yebrayt, (dat is ten comptoire der gebene-„ficieerde goederen) en hebben haarEd. Mog. bij resolutie vau 16 „July 1699 verstaan, dat de ontvanger der Gebeneficieerde goederen „op het Comptoir der generale middelen zonde ontvangen een „somme van een duysend gulden, zijnde vier percent interest „van 25000 gulden, doch welke vermits de reductie tegen 2J „pet. betaald worden met 687 gulden en 10 stuyvers verschenen „den 12 July 1770 .... ƒ 687-10-„quot;.

-ocr page 666-

312

JN\'u zal men zeggen — ja, maar dat was gewezen pastorie-goed; maar bij vicariegoed juris patronatus laïcalis kan het anders toegegaan zijn. Neen, daarbij ging liet evenzoo en ontving ook de rentmeester (niet de possesseur) de renten. Als de rekeningen der gebcneficieerde goederen vóór 1770 niet voor scheurpapier van de hand waren gedaan, dan zouden er onderscheidene bewijzen voor kunnen aangevoerd worden. Nu kan ik er maar een enkel bewijs voor aanvoeren uit de rekening over lül7, die te loor is gegaan, doch waarvan een notarieël extract voorkomt in de boedelpapieren van Mr. R. H. Nahuys, overleden 4 Jnny 1831, laatste possesseur der vroeger reeds gemelde vicarie op St. Jans altaar in de St. Jacobskerk, in 1495 gefundeerd door Johanna van Weelden wedquot; Hamerstein luidende:

„Extract uytte 26e Reeckeuinge Simons van Blancken-„dael Ontfanger van de gebeneficieerde goederen van den „jare 1617 staende aldaer fol. 176 verso.

„Item heeft den rendant wt het incomen van de pastorye „in de westbroeck betaelt zoo aen Cornelis Jans van Zoester-„dijck als aen henricks en thomas knijffven dochter ende dat „ten behoeve van de possesseur van de vicarye op St. Jans „Autaer In Sint Jacobs Kercke binnen Utrecht de somme van „dartich ponden voor een jaer Losrenthen van 600 ponden „hooftsoms verschenen den 25 January ende don 15 July 1617 „vermogens twee quitantiën alhier overgelevert als in voor-„gaande Rekeningen............30 £.

„Geextraheert uytte voorsz. Rekeninge ons is daerinne „accorderende bevonden. Bij mij onderschr. notars shooffs „van Utrecht op den 18 May 1654.

„H. Schaep, not. „1654quot;.

-ocr page 667-

313

Voeg hier au bij de volgende notarieelo eopie mede onder die papieren aanwezig:

„1648 copye.

„ Erken tie ontfangen te hebben uit handen van mijn Heer „Martens (l) de somme van 33 guldens ende 6 stuyvers, mijn „eompeterende als possesseur van de vicary gefondeert op St. „Jans Altaar, beleyt op hot cantoor van mijn heer Wijck, „zijnde een jaer rhenten verschenen den 23 Mey 1648 „geteekent Cornelius Bosch.quot;

„Gecollationneert jegens de principale quitantie geda-„ teert ende onderteekent als boven en is daer mede accor-„derende bevonden. Bij mijn onderschreve notaris\'s Hooffs „van Utrecht op den 18 May 1654.

„H. Schaap, not.

„1654.quot;

De bovengemelde notarieele copiën hebben waarschijnlijk gediend als bijlagen van onderstaand rekwest aan Gedeputeerde Staten tot het bekomen van machtiging tot betaling in voege als daarbij vermeld, mede aanwezig onder gezegde boedel-papieren.

vAan de Edel Moy. Heeren Staten \'s Lands „van Utrecht, off Ha er Ed. Moy Heeren „ Or dinar is Gedeputeerden.quot;

„Geeft oitmoedelijck te kennen Johan van Dompselaer, „collator van sekere Yicarye, gesticht op St. Jans Autaer inde „Jacobi Kerck binnen Utrecht, üat ten behoeve van deselve „Vicarye, ten laste vant comptoir vant Teene deele der Generale „Middelen deser Provincie bij de Heer Carel Martens als Rent-„meester van de Gcbeneficieerde Goederen op den 23 Mey 1644

(1) Destijds rentmeester der gebeneficieerde goederen.

-ocr page 668-

314

„belegt is seeckere Obligatie van ses hondert gulden eapitaels, „staende in den Blaffaert, tol. 161, wel eke Obligatie niet voor-„handen is. — Ende want ingevolge van UEd. Mog. ordre „geeno renten sonder exhibitie van de Obligatie worden betaelt, Bsoo versoekt den suppliant UEd. Mog. concent bij \'t welcke ,den Heer Mansvelt Ontfanger in der tijd, en de volgende „Outtangers gepermitteert syn de renten van do voorsz. Obligatie „sonder exhibitie van de selve te betalen.

„Dit doende etc.quot;

(In margine.) „De Gedeputeerden van de Staten\'s Lands van „Utrecht permitteren den ontvanger Mansvelt om bij provisie „de renten van de sonnne hierinne geroert, sonder exhibitie „van de origineelc obligatie te mogen betaelen.

„Gedaan t Utrecht desen 15eii Maart 1689.

„Ter ordonnatie als boven.

„C. Voet van Winssen.

„fol. 16d, A. B. G. D. F. G. A. J. L. m. n. o. p. (j. R. (?) „Fiat bij provisie continuatie van betalinge 89.

„Beright ontfe. 19/2 89.quot;

Het zoek raken van dergelijke obligatiën schijnt nog al dikwijls gebeurd te zijn (zie VerLoren, blz. 655) en daaraan toe te schrijven, dat de papieren der vicariën steeds van deneenen collator (of possesseur) op den anderen overgingen, die de naaste mannelijke afstammeling in dezelfde graad was, of wel dat die obligatiën nooit bestaan hadden, maar er bloot inschrijvingen waren gedaan in de registers der comptoiren, alwaar de rentebetaling moest geschieden, zooals ook bij de andere geestelijke goederen niet altijd obligatiën uitgegeven waren, doch bloot inschrijvingen, zooals gezegd wordt in de vroeger reeds vermelde missive van Gogel van 30 November 1798. (VerLoren, blz. 195.)

Dat het later, in 1697, met de uitbetaling der renten van de bewuste f 600 voor de vicarie op St. Jansaltaar in de Jacobiekerk nog evenzoo toeging, blijkt uit de resolutie der Staten van 20 December 1697 (VerLoren, blz. 561), waarbij

-ocr page 669-

315

de Staten aan hunnen toenmaligen rentmeester der gebeneficieerde goederen N. van Rhee gelastten, de renten dier obligatie van f 600 voortaan niet meer aan den possesseur dier ^icarie N. Bosch, predikant te Hagestein uit te keeren, maar aan den Thesaurier der stad Utrecht, aan welke stad de goederen dier vicarie, als zijnde verzwegen en niet aangebracht, vervallen waren. Later echter zijn die renten, weder aan den possesseur uitgekeerd. (Zie § 3).

(N.B. Zie ook hetgeen over de vicarie van notaris de Graaf vermeld staat in § 3, blz. 122.)

In eene dispositie van Gedeputeerde Staten van 4 Maart 1777, op een rekwest van Geertruid Lestevenon Douairière Mr. J. Hop in zijn leven collator eener vicarie aan Blaauw Capel, als zijnde zijne universeele erfgename, werd de vergunning tot verkoop gegeven in dier voege, dat de supplianten het laud publiek aan de meestbiedenden zouden mogen verkoopen met en henevens Mr. Gijsbert Craaivanger ontvanger van de gebeneficieerde goederen dezer Provincie, als vrij en allodiaal (dat is niet als vicarieland of quasi leenroerig land), mits dat 3 der kooppenningen zou komen aan het comptoir en voor de overige g zouden worden aangekocht obligatiën ten laste der provincie , die zouden worden gebrandmerkt en (jeaffecteerd worden aan de vicarie in plaats van de verkochte landerijen, „en deselve „vicarye dus in wezen bhjve, zo nochtans dat daarvan in \'t vervolg „gene Terne behoeve betaald te worden als waaraan mits dezen „op heden is voldaan.quot;

Wat deze laatste woorden beduiden is niet duidelijk. Had de rekwestante eene som betaald aan de Staten tot uitkoop der tertie ? Of hielden de Staten 3 der kooppenningen om zich zelven daaruit de tertie te betalen ? Of deze wijze van verlof geven tot verkoop de toen gebruikelijke was, is onzeker, maar in ieder geval blijkt er uit, dat de Gedeputeerde Staten wel consent verleenden tot verkoop, doch ook toen nog steeds zorgden, dat de kooppenningen behoorlijk belegd werden en dus de vicarie (dat is de eigendom der Staten) in stand bleef.

-ocr page 670-

31G

Dan de rekwestranten waren hiermede niet tevreden; zij verzochten, dat de Gedeputeerden nader op hunne dispositie zouden terugkomen, in dier voege, dat do vicarie zou worden gemortificeerd, zoodat zij zouden kunnen volstaan met 3 der kooppenningen aan het comptoir uit te keeren en de rest voor zich te houden, zonder dat die belegd werd ten name van het fonds der gebenefieieerde goederen, ten behoeve van latere pos-sesseurs dier vicarie. Zij beriepen zich daarbij op een antecedent, dat 41 jaar te voren had plaats gegrepen, waarbij soortgelijk verzoek als zij nu deden was toegestaan aan Vrouwe Maiia Elisabeth van Bergen, Douairière van Anthony Godin heer van Cockengen.

De Gedeputeerden waren zwak genoeg dit nader verzoek toe te staan. (VerLoren , blz. 581—3). Het is echter als eene uitzondering te beschouwen, die bevestigt den regel, dat de Staten en alléén de Staten (of hunne Gedeputeerden) te zeggen hadden over den verkoop van vieariegoederen, (omdat zij de eigenaars waren) en de collators niets konden doen buiten hen om, omdat deze geen eigenaars waren. (1) Mogelijk hebben de Gedeputeerden in dat speciaal geval eene uitzondering gemaakt, omdat de Blaauwe Capel (waarin de vicarie gefundeerd was), had behoord tot de onmiddellijk daarnaast gelegen ridderhofstad het huis te Veen en de rekwestranten te kennen geven, dat zij dit riddermatig goed (waartoe die vicarie mede behoorde) wenschten te ver-koopen.

Indien men dus, zooals hierboven vermeld is, in de rekeningen, dispositiën of andere officieele stukken leest, dat de Gedeputeerden door verkoop, door den collator ootmoedig verzocht, hadden geconsenteerd, gepermitteerd of geapprobeerd, en deze daarop den verkoop had gedaan, dan beduidt zulks niet, of ten minste behoeft niet noodwendig te beteekenen, dat de collator eigenlijk

(1) Dit laatste wordt ook volgehouden in de Utrechtsche Consultation, III, cons. 100, blz. 440 en v., April 1608. Salmius beweert zelfs, dat de collators ook door verjaring er geen eigenaars van konden worden.

-ocr page 671-

317

do verkooper was en de Ueucputeerden slechts toeschouwers waren, wier conseut bloot als maatregel van suporinteudentie of\' toezicht noodig was.

liet denkbeeld van approbatie van een verkoop door dm Staat is onvereenigbaar, met dat van eigendom van den Staat, zegt de Procureur-Generaal van Maanen in zijne boven reeds aangehaalde conclusie.

Hoe kan — gaat hij voort — de Staat ooit approbeeren een verkoop, dien hij zelf\' doet? En, zijn vicariegoederen Staatseigendom, dan kan alleen de Staat ze verkoopen.

Het laatste is volkomen waar. De Staten van Utrecht of hunne Gedeputeerden waren dan ook steeds de verkoopers, maar zij verkochten niet zelf, doch gebruikten daarvoor het intermediair van hun rentmeester der gebeneficieerde goederen of wel van den collator {ten wiens overstaan de verkooping werd gehouden, VerLoeen, blz. 595), en die persoon verkocht dan als (jemach-tigde der Staten — niet ex propria auctoritate.

Do misvatting ligt alleen daarin, dat de Gedeputeerden als zij op het verzoek van den collator of anderen toestonden, dat het goed verkocht zou worden, in plaats van te zeggen, dat zij den verkoop aiithoriwerden, spraken van consent of approbatie. Zij approheerden dus als men zoo wil den verkoop, dien zij zelven deden of lieten doen en den verkoop van hun eigen goed.

Dat is nu in den tegenwoordigen tijd en vooral in de ooren van een Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad, juridische onzin, maar destijds zag men zoo nauw niet en hadden de woorden een ruimeren en meer wankelenden zin dan thans.

Immers gelijk wij hierboven in § 1 zagen: de Staren subsidieerden zich zelven (VerLoeen, blz. 554), gaven obligatiën uit op hun eigen comptoiren, dat is op zich zelven (ibid.), iets dat Go ff el als financier voor eene groote incong ruiteit uitkreet, „daar alzoo het Land aan het Land interest betaalde van „kapitalen, welke alle eigendom van den Lande zijn\'\'\'\' (Ver-Loeen, blz. 195.) Den 2den Maart agreëerden de Staten de 12 obligatiën, die zij op 1 Maart 1779 zelven hadden uitge-

-ocr page 672-

318

geven (ibid., biz. 617). quot;Waarom zouden zij dus ook niet kunneu approbeeren, de verkoopingen, die met hun consent als eigenaars zouden geschieden of reeds geschied waren.

Men moet de zaken en woorden nemen , zooals ze toen waren en golden en niet zooals eeu kitteloorig jurist of financier uit de 19de eeuw die met een juridischen of finantieelen bril beziet.

Men moet in zijne beschouwingen niet aan een enkel woord blijven hangen, maar die weten te verklaren en op te vatten, uit de tijden, zooals die toen waren.

Evenzoo werd het woord vicariën in diversen zin destijds gebezigd. Nu eens voor de goederen, dan weder voor het patronaat daarop rustende of wel voor beide te zamen, zooals in de acte van verkoop van het Burggraafschap van Montfoort van 11 Augustus 1648. (Matthaeus de nob. blz. 809.)

Tegenover deze en andere ondoordachte uitdrukkingen door de Staten van Utrecht nu en dan gebezigd, stellen wij dan ook over, niet alleen dat de Staten in de reeds gemelde deductie van 1664 (die in het rapport de Geer eenvoudig wordt geïgnoreerd), totidem verbis zeggen: „dat de geestelijke goederen in „\'t algemeen in Reipublicae aerarium waren geinfereerd om „daarmede het Land te heneficieren.\'\' (VerLoren, blz. 414), maar ook, dat zij speciaal het fonds of comptoir der gebenefi-cieerde goederen, als gezegd betitelen, als het comptoir der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht of deser Provincie. (VerLoren , onder anderen blz. 193, 582, 587, 588, 594 en 596) en zich zeiven possesseurs (dat is eigenaars) noemen der goederen daartoe behoorende. (VerLoren, blz. 370.)

Dat is toch kwalijk te rijmen (ten minste voor zooveel betreft de Utrechtsche vicariën) met hetgeen de Procureur-Generaal aan het eiud zijner conclusie zegt, dat de (Geldersche ?) vicariën zijn stichtingen en als op zich zelve staande lichamen moeten beschouwd worden. (V. d. Honert , Gem. Zaken, t. a. pl., blz. 261 en R. Bijdr. VI, blz. 226.)

In Utrecht heeft dan ook steeds als vaste regel gegolden, dat zoowel pastorie- als vicariegoed, behoorende tot de gebene-

-ocr page 673-

319

ficieerde goederen (de gemeene kapittelvicariën te Utrecht waren daar buiten), niet anders mocht vervreemd of bezwaard worden, dan door de Staten of hunne Gedeputeerden, dat is door hunnen Rentmeester of wel dengenen, die zij daartoe machtiging hadden verleend, doch steeds onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de kooppenningen niet door hem, maar door de Staten zouden genoten worden , en voor zoover die niet door de Staten tot andere doeleinden werden gebezigd, zouden komen ten bate van hun eomptoir, hetzij door daarvoor obligatiën af te geven ten name van dat eomptoir, dat is ten name van zich zeiven, hetzij door plechtbrieven te nemen, die door hunnen Rentmeester moesten bewaard worden. (VerLoren, blz. 592, folio 116 v. en v. 126 v. blz. 595, folio 167 en blz. 596, folio 196 v. (1) en ingeval van aflossing door dienzelfden Rentmeester werden ontvangen, (ibid, blz. 592.)

Wij kunnen ons in dit rapport niet verder begeven in eene uitvoerige wederlegging van al de gronden, die in de meergemelde conclusiën van den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad, in diverse rechterlijke uitspraken en door verschillende schrijvers en rechtsdoctoren in der tijd zijn aangevoerd tegen de stelling, dat na de Reformatie de Staat is geweest en nog steeds is eigenaar, niet alleen der gewezen pastorie- maar ook der vicarie- en memoriegoederen en verwijzen kortheidshalve naar hetgeen bij Mr. VerLoren daarover is te vinden, blz. 423 en v.

Bovendien moet men niet vergeten , dat iedere provincie volgens artikel 13 der Unie en de resolutie der Staten-Generaai van 1 Juni 1581, gerechtigd was met de geestelijke goederen te handelen naar goedvinden en feitelijk daarover dan ook op diverse wijze bepalingen hebben gemaakt, zoodat men , zooals veelal geschiedt, zoo maar niet in \'t blinde kan rondschermen met citaten uit allerlei schrijvers uit diverse provinciën door

(1) Zie deze pleohtbrief\' van Adriaen Aelbei-tsz. Bongers en Adriaen Claesz. Vinck in de registers van transporten voor Schepenen te Utrecht onder Bijl. VI, behoorende bij dit Rapport, medegedeeld.

-ocr page 674-

320

elkander te haspelen, daargelaten nog dat die schrijvers dikwijls niet op de hoogte der zaken waren, of zooals bijvoorbeeld G-roexewegex in zijne nooten op de Groot\'s Inleiding, zeer geneigd er overal liet Romeinsche recht, dat de vicariën niet kende, bij te halen en te sleepen.

Men zou zich dus voor de Utrechtsche vicariën eigenlijk dienen te bepalen tot Mathaeus (die vrij verward is op \'t stuk van vicariën en de weinige adviezen in de Utrechtsche consultatiëu vermeld Ille Deel, blz. 298 (n0. 66), blz. 302 (n0. 67), blz. 440 (n0. 100), en blz. 482 (nquot;. 113), alle loopende over het collatie-recht , niet over het eigendomsrecht van vicariogoed, behalve die blz. 440 vermeld, over de door Salmius ontkend wordende verkrijging door verjaring.

Alleen vermeenen wij, volledigheidshalve niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan eene beslissing over eene Utrechtsche vicarie of ten minste over Utrechtsch vicarierecht, gevallen in 1856 en 1858; in eerste instantie bij vonnis der Rechtbank te Amersfoort van 22 October 1856 en in appel, bij arrest van het Gerechtshof in Utrecht van 6 December 185S beide vermeld in het Weekblad van het Jieijt, n0. 2024.

De eisch was ingesteld door het Domeinbestuur tegen W. van Wijk en strekte tot opvordering van den eigendom van eenige perceelen land, gelegen onder Schalkwijk, groot 3 bunders 29 ellen, bezeten wordende door den gedaagde en volgens den eischer behoorende tot de aldus genaamde vicarie van Bloenie-stein, eertijds gesticht in de parochiekerk te Honswijk op het altaar van Onze Lieve Vrouwe, benevens tot eene vicarie in 1362 door den heer van Cuylenburg, gesticht in de kerk van Tuil (en \'t Waal) ter eere van God Almachtig, van zijne Lieve Moeder, van alle Gods Heiligen en van St. Andriessens en St. Barbara — welke beide vicariën tot eene waren vereenigd, die gemeenlijk werd geheten de vicarie van Bloemestein en volgens een verdrag van den Vrijheer van Vianen en de Vrouwe van Cuilenburg, als collators dezer respectieve vicariën, van 16 December 1544, in verband met een vroegere overeenkomst

-ocr page 675-

32J

van 1475 aangegaan; werden begeven bij toerbeurten, namelijk tweemaal door de Graven van Kuilenburg, tegen eenmaal door de Vnjheeren van Vianen.

Vreemd is het, dat men in de rekeningen der Rentmeesters van de gebeneficieerde goederen van 1586/8, 1669, 1770 en volgende jaren en in het bovengemelde Manuaal dier goederen van 1627 wel vermeld vindt de inkomsten van pastoriegoederen van Honswijk, alsook van Tuil en \'t Waal, maar geene vicariegoederen. Alleen vindt men in de eerstgemelde rekening, behalve de pastorie en de kosterije, ook nog vermeld vicanje, doch bij dat alles luidt het: ontvangen Niet, als zijnde de goederen daarvan toen nog niet aangebracht, hetgeen echter later met de pastoriegoederen wel schijnt te zijn geschied, ten minste de inkomsten daarvan worden in de latere rekeningen vermeld als ontvangen. Land onder Schalkwijk gelegen wordt echter daarin niet vermeld, wel andere landerijen.

Dit doet ons betwijfelen of wij hier wel te doen hebben met eene Utrechtsche vicarie en niet veeleer met eene Geldersche, daar uit de destijds overgelegde stukken schijnt voort te vloeien, dat de Staten van Gelderland, of wel die van het kwartier van Nijmegen, en die van Holland de agreatie van de vicarissen hadden. Te meer, daar in het arrest vermeld staat, dat de vicarissen de inkomsten trokken gedurende den tijd hunner studiën en de laatste vicaris J. I. R. Tichler dan ook student was geweest en het land (in 1840?) verhuurd had aan P. Verhaar, terwijl wij hierboven zagen, dat in Utrecht, reeds in de vorige eeuw de bepalingen van de Ordre op de Geestelijkheid van 1580 en de Instructie van de Gecommitteerden tot de geestelijke goederen betreffende de verplichting van den vicaris om te moeten studeeren, geheel en al in den wind werden geslagen. Daar de toen door den eischer overgelegde stukken nergens meer te vinden zijn , valt daarover weinig met zekerheid te zeggen.

Hoe het zij, wij behandelen de overwegingen van het vonnis en het arrest alleen daarom, dewijl die gegrond zijn op het

21 u

-ocr page 676-

322

Utrechtsch vicarierecht, waarvan de aard en strekking (naar onze meening) verkeerd is opgevat. Wij moeten daarbij echter op den voorgrond stellen, dat destijds noch de rechtbank, noch het hof, noch iemand anders in de provincie bekend was met het bestaan van het Redressement op de geestelijke goederen van 27/8 October 1586.

De eischer grondde zich niet daarop, dat de Staat was eigenaar geworden der goederen dier vicarie , als bona vacantia, maar omdat het Rijk was geworden collator der vicarie en daarom, volgens hem bevoegd was die goederen te revindiceeren of ten minste het beheer daarover op te vorderen van den tegenwoordigen onwettigen bezitter.

De rechtbank nam als bewezen aan, dat de Staat, op de wijze bij het vonnis omschreven, was getreden in de rechten van de Graven van Knylenburg en de Viyheeren van lianen, dus thans was collator der vicarie.

De overwegingen van het vonnis laten wij voor wat ze zijn. Wij kunnen er ons niet mede vereenigen , allerminst met hetgeen daarbij is aangenomen.

a. dat de vicarie van Bloemestein nog bestaat en nog steeds is eigenares der goederen daaraan verbonden ;

h. dat vicariegoederen niet op eene lijn kunnen gesteld worden met de geestelijke goederen;

c. dat bij de stichting eener vicarie, de goederen door den fundateur werden overgedragen op de vicarie als stichting, zoodat de vicarie van Bloemestein steeds is geweest en nog is eigenares dier goederen.

d. dat de Staat als collator wel niet is eigenaar der goederen, doch de vicarie als stichting in rechten vertegenwoordigt en voor haar kan optreden, daar er niemand anders en beters voor te vinden is, dan de collator en iedere stichting toch iemand moet hebben, die voor haar kan opkomen en hare rechten kan handhaven;

e. dat mitsdien de Staat qua collator en optredende voor de vicarie, bevoegd is het beheer en bezit op te vorderen van onwettige bezitters.

-ocr page 677-

323

Wij beweren onzerzijds, dat zelfs vóór de Reformatie en jure eanonieo bij de stichting eecer vicarie niet de vicarie, maar de Ecclesia., de Kerk, eigenaar werd der gcederen, waarmede de fundateur het altaar der vicarie begiftigde;

dat het ook niet de fundateur, maar de Bisschop was, die die goederen tot bona Ecclesiae en eigendom der Kerk maakte, door de confirmatie van den fundatiebrief, welke laatste alleen strekte daartoe, dat de fundateur, zoo voor zich als voor de collators, die na hem zouden optreden, afstand deed van allen eigendom (zie VerLorex , blz. 105) en alleen voor zich behield en verzocht de bevoegdheid, om een vicaris aan den Bisschop te mogen aanbieden, zonder dat nochtans deze gehouden was dien als zoodanig te moeten aannemen;

dat na de Reformatie de vicariën ook geen eigenaars zijn geweest of geworden der goederen daaraan verbonden en ook nooit zijn beschouwd als stichtingen of zelfstandige instellingen, doch integendeel niet alleen de vicariën als zoodanig, maar ook de vicariegoederen bij art. 5 van het Redressement van 1586 zijn verdwenen en geworden gebeneficieerde goederen, waarvan de toenmalige Staten eigenaars zijn geworden en steeds zijn gebleven en ook thans nog de Staat eigenaar is, voor zoover deze die goederen niet heeft verkocht, weggeschonken of op andere wijze vervreemd;

dat wel is waar het collatierecht van de voormalige vicariën en pastoriën, ook na 1586 is blijven bestaan en door do Staten is in stand gehouden, doch dit recht toen en ook vroeger rechtens zich nooit heeft uitgestrekt tot eenig beheer en gezag over de goederen der vicarie en ook de Staten nooit hebben erkend, dat dit collatierecht eeiiige verdere strekking had, dun de voordracht van een vicaris, die door hen en niet door deu collator werd benoemd;

dat ofschoon de collators, ook in het Sticht, zich allerlei aanmatigingen hebben veroorloofd, ook op de goeIeren behoord hebbende tot de opgeheven vicariën, en de Staten ook wel uit gunst au en dan concessiëu hebbuu toegestaan , echter zoowel

-ocr page 678-

324

het een als het ander zijn te beschouwen, als usurpatiën en zwakheden, die geen inbreuk kunnen maken op den regel.

Dit alles vermeenen wij hierboven luce clarius te hebben bewezen, niet door citaten uit diverse schrijvers of door rechtskundige heschouicinrjen, maar met acten, documenten en offi-cieele stukken.

En nu het Arrest.

Het Hof vereenigt zich met de Rechtbank in zoover, dat het eveneens aanneemt, dat de fundateur zijue goederen afstond aan\' de vicarie als stichting, terwijl wij als gezegd, beweren, dat de fundateur die afstond aan de Kerk, de Ecclesia, wel te onderscheiden van het kerkgebouw of het altaar der vicarie.

Wijders zegt het Hof, dat na de Kerkhervorming de vicarie-goederen niet zijn geworden of verklaard Staats-eigendom, doch alleen eene andere en meer gewijzigde bestemming er aan gegeven ia.

Wij daarentegen beweren, dat bij art. 5 van het Redressement, niet alleen eene andere bestemming aan die goederen is gegeven , dan die welke zij vroeger hadden, t. w. tot onderhoud van predikanten en scholen, in plaats van, zooals vroeger, tot onderhoud van den vicarius, maar dat bovendien de vicarie-goederen, evenals de pastoriegoederen, die der beneficia en der broederschappen, met elkander zijn vermengd en geworaen gebeneficieerde goederen, die herhaaldelijk en uitdrukkelijk door de Staten worden genoemd \'s Lands van Utrecht of wel deser Provincie.

Dat voorts bij de opheffing van dit comptoir m 1799, de toenmalige agent van Finantiën der Bataafschs Republiek (Gogel), en het Intermediair Administratief Bestuur van het voormalig gewest Utrecht, dit comptoir en de overige geestelijke comptoiren, als Staatsfondsen beschouwden, die dan ook toen onder administratie der domeinen zijn gekomen.

Dat een deel der gebeneficieerde goederen (t. w. sommige pastoriegoederen en de meeste der vicariegoederen) was bezwaard met collatierecht en dat de Staten deze last daarop drukkende, ook na de

-ocr page 679-

325

Reformatie vermeenden gestand te moeten blijven, doet niets af bij de quaestie van den eigendom dier goederen, zooals wij vroeger reeds betoogden.

Evenzeer als vroeger de Ecclesia was eigenares van vicarie-

O O

en andere geestelijke goederen, niettegenstaande er was een collator en een vicaris, die de vruchten trok, zoo was en bleef later, na de Reformatie, de Staat (ten minste in het Sticbt) eigenaar, niettegenstaande er een collator en een vicaris bleven bestaan, want noch de collator noch de vicaris of possesseur waren eigenaars na of vóór de Reformatie.

Ten slotte neemt het arrest aan, dat de vicariegoederen ook niet krachtens art. 4 der additioneele artikelen van de Staatsregeling van 1798 Staatseigendom zijn geworden, daar dit artikel slechts slaat op geestelijke goederen en fondsen, waaruit de tractementen of pensioenen van leeraren of hoogleeraren der voormaals heerschende Kerk betaald werden , hetgeen naar \'s Hofs oordeel met de goederen behoorende aan vicariën niet het geval was.

Nu heeft men slechts artikel 5 van het Redressement op do geestelijke goederen te lezen, om te zien , dat o a. alle goederen van vicariën en pastoriën, zoowel in de stad, steden, als ten plattelande (behalve die der vijf kapittelen te Utrecht) zullen worden gebracht tot ééne massa „daervan die ministers {predi-„ kanten) schoolmeesters ende costers onderhonden zullen wordenquot; om zich te overtuigen, dat de vicariegoederen (krachtens dat artikel saamgesmolten met de pastoriegoederen en gemaakt tot gebeneficieerde goederen), uitsluitend bestemd waren tot onderhoud van predikanten en kosters, tevens schoolmeesters en dat de opbrengst dier goederen tot aan 1798, en zelfs later nog, met der daad ook steeds zijn aangewend tot betaling van tractementen der predikanten of hunne weduwen en voor een klein gedeelte ook tot betaling van eenige der kosters en schoolmeesters ten plattelande. Te dien einde, werden, zoo ten plattelande, als in de steden, die goederen geadministreerd door afzonderlijke rentmeesters of ontvangers, die de Staten of

-ocr page 680-

326

de stedelijke regeeringen, later de stadhouders, (namens de Staten) aanstelden, en die rekenplichtig waren aan hunne committenten, doch Vs der inkomsten van de voormalige afzonderlijke vicariën en vicariegoederen uitkeerden aan de possesseurs dier (gewezen) vicariën, voor zoover er possesseurs waren. Bovendien werden na 1708 ook de hoogleeraren in het publieke recht uit dat fonds der gebeneficieerde goederen betaald. (Ver-Lores, blz. 196.)

Er valt naar onze meening niet aan te twijfelen, of het fonds der gebeneficieerde goederen, waaronder toen de voormalige vicariegoederen mede ressorteerden, viel in de termen van gemeld art. 4 der additioneele artikelen en zou toen Staatseigendom geworden zijn, indien het niet reeds in 1586 tot Staatseigendom was gemaakt.

De slotsom van het arrest was, dat de eischer niet had bewezen wat hij stelde en moest bewijzen, t. w. dat de staat was eigenaar der gerevindiceerde goederen, zoodat de eisch werd ontzegd. In dit arrest heeft het Domeinbestuur berust, zonder zich daartegen in cassatie te voorzien.

Had men toen geweten, wat men thans weet en de eischer zich beroepen op gemeld art. 5 van het Redressement, de beslissing zou, naar wij vertrouwen, anders geweest zijn, ofschoon de uitslag van het proces, naar wij mecnen, toch evenzeer zou geweest zijn, dat aan het Domeinbestuur de eisch zou ontzegd zijn, doch op geheel andere gronden. De gedaagde toch had zich o. a. ook beroepen op acquisitieve verjaring der perceelen en kon die zeer gemakkelijk bewijzen.

De slotsom onzer beschouwingen over den eigendom der gebeneficieerde goederen, daaronder o. a. ook speciaal begrepen die der (voormalige) vicariegoederen, hetzij met hetzij zonder collatierecht, is alzoo geene andere, dan dat die sedert 1586 zijn geweest en ook nog zijn eigendom van den Staat.

-ocr page 681-

AANHANGSEL,

Vicariën staande ter collatie en begeving der Ridderlijke Uuitsehe Orde, Balye van Utrecht.

Onder de opgaven der inschrijvingen op het Grootboek der 2 72 0/o Nationale schuld en die van de onroerende goederen in de doode hand (Bijlage I en III van dit rapport), die verondersteld worden in de provincie Utrecht te huis te behooren en ons van Eegeeringswege zijii toegezonden ter informatie, komen ook voor betreffende vicariën van de Duitsche Orde Balye van Utrecht, als volgt:

In Bijlage I:

„Litt. U. Deel 2 n0 385. De vicarie van de Ridderlijke ,Duitsche Orde Balye van Utrecht f 17600.,quot; rentheffer Mr. P. VerLoeex van Themaat als rentmeester-generaal. 1)

In Bijlage III:

Kadastrale legger. Gemeente Maurik, artikel 70. De Ridderlijke Duitsche Orde Balye van Utrecht — bouwland, weiland 5 H. 47 A. 70 C. Ongebouwd f 97.72.

ld. Vicarie van Tiel. (zonder nadere opgave van grootte.)

Waarschijnlijk is men, afgaande op de omstandigheid, dat de residentie der Balye is gevestigd in de stad Utrecht, van meening geweest, dat een en ander betrof vicariën in der tijd in de provincie Utrecht gefundeerd.

1) Deze opgaven zijn van Juni 1880.

-ocr page 682-

328

Dit is echter niet het geval, zoodat zulks ligt buiten den kring van ons rapport over de Utrechtsche vicariën.

Het land onder Maurik heeft behoord tot de goederen eener vicarie vroeger gesticht in eene kerk te Tiel, en behoort alzoo tot de Geldersche vicariën. Op welk altaar en in welke kerk die aldaar gesticht is, is in het vergeetboek geraakt, evenals ook van de vicariën, waaruit de evengemelde inschrijving ad f 17600 ontsproten is, welke blijkbaar representeert de kooppenningen van verkochte landerijen, erfpachten, grondrenten of tienden behoord hebbende tot vicariegoederen.

De post van /\' 17000 bestaat echter uit inschrijvingen successievelijk op het 2\'/j 7o Grootboek genomen, t. w.

Letter U. deel 2. Grootboek 2\'/2 0/o Ned. schuld n0 385.

Utrecht (de Vicarye van de Ridderlijke Duitsche Orde Balye van — )

biljet van overschrijving.

1838

3

Juli n0 24 Kantoor

van

Dam

f 4300

7)

75 52

j)

7f

Ketwich amp; Voombergh „ 200

1843

1

Juli „140

7)

V

H. Keyser

„ 200

•n

30

Nov. „ 86

»

V

Chemet

, 200

1844

21

Nov. „ 31

n

V

J. Weetjen

, 200

1848

1

Maart „41

7)

V

idem.

, 200

1878

11

Juli „ 71

V

n

idem.

„ 300

7)

26

Juli „ 77

V

idem.

„ 12000

f 17600

De inschrijvingen hebben dus een vrij reeenten datum.

Het land onder Maurik staat op den tegenwoordigen kadas-tralen ligger eenigszins anders vermeld, dan volgens de opgaaf in Bijlage III, die volgens de daarbij behoorende mededeeling in 1876 op verzoek van het Departement van Financiën door de respectieve ontvangers der registratie zijn opgemaakt, ter constateering der goederen in de doode hand.

-ocr page 683-

329

In den tegenwoordigen kadastralen ligger der gemeente Maurik, staat het land vermeld als volgt:

Gemeente Maurik. — Ridderlijke Duitsche Orde.

polder Neder Perzik sectie K. n0 206 weiland groot 2 B. 61 R. 00 El.

// in \'t Broek u D. n 2 bouwland 1 B. 54-00|

„ D. „ 3 id. 1 B. 32-7oi3 B. 61 R. 90E1 „ D. „ 273 id. 0 B. 75-20)

6 B. 22 R.90E!.

Zooals gezegd, weet men niet meer uit welke vicariegoederen die inschrijvingen herkomstig zijn, doch er bestaat nog een flauwe herinnering, dat die voornamelijk in kerken te Leiden waren gefundeerd, alwaar eene commandeury der Orde bestond.

In het onlangs verschenen werk van Bots : de oude kloosters en abdijen in het Bisdom van Haarlem, 1883 blz. 287, vind ik vermeld, dat de Duitsche Orde onder den 2en Land-Commandeur Zeger van der Sluis, in 1268, van Graaf Floris V het patronaatrecht over de St. Pieterskerk te Leiden met eenige huizen en goederen heeft ontvangen en aldaar eene commandeury heeft gesticht, met commandeurshof naast die kerk en 2 pastoriën voor de beide pastoors aldaar, die werden onderhouden door de Orde.

Hoe het zij, in de provincie Utrecht, noch ook in de stad Utrecht heeft de Duitsche Orde, zoover is na te speuren, nimmer eenig patronaat van vicarie, aldaar gefundeerd, gehad. quot;Wel is waar, was er behalve te Utrecht, ook te Rhenen eene commandeury dier orde, doch nergens vindt men eenig spoor, dat de Orde daar vicariën had. (Zie § 7 van dit Rapport.)

Verder had de Duitsche Orde geen commandeuryen in de provincie Utrecht, want de commandeury te Harmeien was niet van deze Orde, maar van die van St. Jan te Jerusalem, die als boven reeds is gezegd, door de Staten kort na de Reformatie werd opgeheven.

Ten aanzien van het tegenwoordig beheer, wensch ik nog mede te deelen, dat de inkomsten van bovengemeld land onder Maurik en van de bewuste inschrijvingen op het Grootboek,

-ocr page 684-

330

steeds afzonderlijk worden gehouden en niet worden verdeeld onder den Land-commandeur en verdere Commandeurs, doch geheel en al worden uitgekeerd aan een of meer studenten aan een der Universiteiten in Nederland studeerende, terwijl de Orde bovendien jaarlijks uit de revenuen der andere er eene dotatie aan toevoegt, al naar mate de inkomsten dier goederen zijn. Meestal f 500 a f 600.

De begeving dier vicariën wordt gedaan door den Landcommandeur der Orde zonder dat daarvoor echter eenige confirmatie aan de regeoring wordt gevraagd. Zoodra de begiftigde zijne studiën heeft voleind, wordt de vicarie aan een ander student gegeven.

Alles gaat dus in den haak, zelfs op zeer vrijgevige wijze. De eenige aanmerking, die men zou kunnen maken is, dat het geheel buiten de Regeering omgaat en er ook geen andere waarborg bestaat, dat dit in \'t vervolg zoo zal blijven, dan dat de Orde steeds op zoo royale wijze het noblesse oblige zal gedachtig blijven.

-ocr page 685-

CONCLUSIE.

Als slotsom van het geteele en uitvoerige rapport komt de ondergeteekende, ten aanzien van het hoofdpunt: welke goederen er thans nog aanwezig zijn van de gewezen vicarie-, memorie-en soortgelijke goederen in de provincie Utrecht gefundeerd, en welke rechten de Staat daarop heeft? — tot de volgende resultaten:

1. Van de goederen gefundeerd in de voormalige baronnie IJsselstein (eerst in deze eeuw deel uitmakende der provincie Utrecht) is niets meer aanwezig, doch alles door den Staat vervreomd en te gelde gemaakt, zoodat het noodeloos is daarover iets te zeggen.

2. Van de overige goederen in deze provincie gelegen, zoowel in de stad Utrecht en de overige steden als ten plattelande, staat het vast, dat die goederen, vroeger geestelijke goederen, tegelijk met die der pastorie-, kosterie- en scholasteriegoederen, bij art. V van het Redressement op de geestelijke goederen, gearresteerd door de Staten \'s Lands van Utrecht, in hunne vergadering van 18 en 28 October 1586, krachtens de macht en bevoegdheid hun (evenals aan de overige provinciën) verleend bij art. XIII der Unie van X\'trecht, en overeenkomstig de vroegere door dezelve Staten in 1580 gearresteerde Ordreop dé geestelicheyt ende hare goederen, met daarbij behoorende „Instructie voor de Gedeputeerden van de Staten van den Lande „van Utrecht die gecommitteert zijn om te besoigneren, ordre „te stellen ende toesicht te nemen op de cloosteren ende conventen ,zoo van mans als vrouwen in den Lande van Utrecht ge-„leghen metgaeders op hare goedenquot; .... etc. (alle in originali

-ocr page 686-

332

vermeld in de notulen der Staten \'s Lands van Utrecht, aanwezig op het Rijks-archief in de provincie Utrecht,) — zijn gemaakt wereldlijke goederen en wel Staatseigendom en zijn samengesmolten tot één fonds of comptoir, onder beheer der Staten, genaamd de Gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, dienende tot een bepaald aangewezen doeleinde, welk fonds, tegelijk met de overige speciale rijksfondsen of comptoiren mede van geestelijken oorsprong, doch wereldlijk gemaakt, alsook met het toenmalige rijksfonds der domeinen van Utrecht, dat altijd wereldlijk is geweest, in 1799 als afzonderlijk rijksfonds is opgeheven en met de gemelde is geconsolideerd en samengesmolten tot één generaal domeinfonds voor de geheele Bataafsche Republiek, waarvan de hoofdadministratie resideerde te \'s Gravenhage, doch verder was verdeeld in diverse provinciale onder-administratiën.

Een gedeelte echter der goederen, behoorende tot de toen opgeheven Gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, is, voor zoo veel de administratie betreft, op den ouden voet blijven hangen in de respectieve steden der provincie, die zich daarover reeds vroeger het beheer en de administratie hadden aangematigd , zonder dat echter de Staten hunne eigendomsrechten op die goederen hadden prijsgegeven.

Na 1814 is daarin bij diverse afzonderlijke Kon. Besluiten voorzien op zeer uiteenloopende en vrij verwarde wijze.

Gemelde gebeneficieerde goederen zijn voor het grootste gedeelte successievelijk door de Staten \'s Lands van Utrecht of met hun goedvinden verkocht, gedeeltelijk echter verduisterd of door verjaring gekomen in handen van derden, zoodat er thans van de voormalige Gebeneficieerde goederen \'c Lands van Utrecht, in de stad, steden en ten plattelande van Utrecht, of van de inschrijvingen op het tegenwoordige Grootboek der Natonale schuld, voortgesproten uit belegde koopprijzen der verkochte goederen, bewijsbaar, niet meer over is dan: A. Van de goederen der vioariën indertijd te Amersfoort gefundeerd :

-ocr page 687-

333

De landerijen, oudeigens, uitgangen en andere onroerende rechten, benevens de inschrijvingen op het Grootboek vermeld in Bijlage IV van dit rapport.

B. Van de memorie- en pastoriegoederen vroeger gefundeerd

te Montfoort.

De huizen, kerk, landerijen, uitgangen, oudeigens, tienden en andere onroerende rechten, alsmede de inschrijvingen op het Grootboek vermeld in het slot van § 8 van dit rapport.

C. Van vicariegoederen te Wijk bij Duurstede gefundeerd.

Eene inschrijving iu het 21li 0I0 Grootboek der Nationale

schuld groot f 1900, nominaal la W. Deel 18 n0 530 ten name van Jan Albertus de Ridder te Grebbe, als vicaris van zekere familie-vicarie in de kerk van St. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede, op St. Mariae en Barbarae altaar, gefundeerd bij Gerrit Jacobse in den Eng, ten behoeve van gemelde vicarie.

3, Als quaestieus en moeielijk bewijsbaar zijn te beschouwen:

a. Het overschot der goederen behoord hebbende tot de gebeneficieerde goederen te Wijk bij Duurstede (behalve de evengemelde vicarie aldaar), thans in handen van kerkvoogden der Hervormde gemeente aldaar, welke goederen of ten minste het beheer en de administratie daarover zijn afgestaan bij Koninklijk Besluit van 14 Maart 1823, n0. 95, houdende; Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van den Eeredienst bij de Hervormde gemeente te quot;Wijk bij Duurstede. (Zie § 6 van dit rapport.)

h. Het voorschot der vicariegoederen indertijd gefundeerd in de St. Cunera kerk te Rhenen, thans in bezit der burgerlijke gemeente aldaar, doch vermengd met de andere goederen aan die gemeente in eigendom toekomende. (Zie § 7 van \'t rapport.)

Van welke goederen sub a en 6 vermeld, in ieder geval de verjaring, zoo acquisitieve als praescriptieve door gemelde bezitters casu quo kan ingeroepen worden.

4. Van de voormalige vicariën indertijd te Amersfoort

-ocr page 688-

334

gefundeerd, is het collatierecht grootendeels vervallen, uitgestorven of op andere onbekende wijze te niet gegaan, zoodat de benoeming van possesseurs dier vicariën , die vroeger werd gedaan door Gedeputeerden der Staten \'s Lands van Utrecht op voordracht der collators of van den magistraat der stad Amersfoort, thans onmiddellijk en zonder eenige voordracht geschiedt door den Minister van Binnenlandsche Zaken namens den Koning, en wel aan ■ studenten studeerende aan een der Universiteiten hier te lande — zoodat er thans nog slechts vier voormalige vicariën zijn, waarvan de benoeming (of agreatie) door gemelden Minister geschiedt, op voordracht van den collator ofdengene, die zich daarvoor terecht of ten onrechte uitgeeft; t. w.

a. de IVe vicarie — gefundeerd in de St. Joriskerk aldaar, anno 1461 door Jacob Henrick Gijsbert soons wijf, op het altaar van St. Jacobus, Bartholomeus en Thomas van Aquinen — Collator de naaste en oudste mannelijke bloedverwant. (Zie van Rootselaar: Amersfoort 777—-1580, Deel I, blz. 370.)

Tegenwoordige possesseurs P. Vlug te Overschie en Dr. H. C. Dibbits te Utrecht.

h. de XIIe vicarie — gefundeerd als boven, anno 1452 door Peter van Hamertsvelt op het altaar van St. Petrus en Jacobus en Ste Margaretha — Collalor de oudste en naaste uit zijnen bloede, {van Rootselaar I, blz. 369.)

Thans possesseur J. van Hamersveld te Haarlem.

c. de XIIIe vicarie — gefundeerd als boven, anno 1447 door Hendrik van Rijn en Beatris, sijn suster-Collator de Prior van het klooster der Regulieren in de Birkt te Amersfoort; de Rector van St. Agatha klooster te Amersfoort en de naaste bloedverwant van vaderszijde, (van Rootselaar I, blz. 383.)

Thans possesseur K. J. Heeck te Amsterdam.

d. de XVIII® vicarie — gefundeerd als boven door Alyd Bot, Hermans dochter, doch later, 18 September 1533, verbeterd door Christina, dochter van Willem Bosch.

-ocr page 689-

335

Deze vicarie waa gesticht op een altaar in het noordelijk deel van de St. Joriskerk, gewijd aan St. Peter, St. Jan . . . enz.— Collator de twee naaste bloedverwanten van de fundatrice (gaande in gelijken graad de oudsten en naasten vóór de jongeren en mannen vóór vrouwen) en de overste Burgemeester van Amersfoort in der tijd.

Tegenwoordige possesseurs Hendrik van Goudoever en Nicolaas van Snellenburg, beiden te Amersfoort.

De Ie en IIe vicarie, beide gefundeerd als boven door Herman Bot, op 8 November 1374 en 23 Maart 1390, zijn sedert verscheiden jaren vacant en zonder possesseurs, sedert het overlijden van den heer Pronckert te Londen, daar de rechten zijner dochter op dezelve vicariën niet worden erkend.

5. Tegenwoordige possesseur van de bovengemelde vicarie op Ste Maria en Barbara altaar te Wijk hij Duurstede gefundeerd, is de heer Jan Albertus de Ridder, als zoodanig geadmitteerd bij resolutie van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 13 September 1865, op voordracht van den toenmaligen collator D. L. de Ridder, ingeschreven als zoodanig in het daartoe bestemde Register van begevingen van vicarie, berustende aan het Departement van Binnenlandsche Zaken, waarin ook de bovengemelde possesseurs zijn ingeschreven.

Omtrent al de bovengemelde tegenwoordige possesseurs van vicariën, geadmitteerd op voordracht van collators, valt op te merken, dat zij niet studeeren aan eenige Universiteit en alzoo missen het radicaal om possesseur eener vicarie te kunnen zijn, in voege als bepaald is bij art. 43 en 44 van de bovengemelde Instructie voor de Gedeputeerden van de Staten van den Lande van Utrecht van 1580 (in verband met art IV der Ordre op de geestelickheyt en hare goederen van 1580), inhoudende dat tot possesseurs van vicariën alleen konden voorgedragen en benoemd worden, personen hequaem om te studeren, die bovendien gehouden waren — „alle jaer aan \'t Collegie van de „voorsz. Gedeputeerden over te senden certificatie van de plaetze , „stadt ofte Universiteyt daer hij in studio es, inhoudende den

-ocr page 690-

336

„tijt wanneer bij daer gecommen es, hoe lange hij daer gewoent „heeft, ende in wat faculteyt hij aldaer studeert, op peyne dat „hij gehreke van dien die vruchten voor den jaer dat hij zulck „nyet gedaen en heeft verhuert zullen wesen.quot; (Zie VerLoren , Utr. vicariën , blz. 508.)

Deze bepaling is nimmer ingetrokken of gewijzigd, doch reeds tijdens de republiek en ook later werd daaraan de hand niet gehouden, en uit onkunde of opzettelijk geignoreerd, ten believe der collators, die personen voordroegen, als possesseurs met wie zij in conniventie stonden, om de vruchten der vicarie niet zeiven te gebruiken en voor studiën, maar die geheel of ten deele uit te keeren.

Het zou wenschelijk zijn, dat er voortaan bij de begeving van vicariën door de regeering nauwkeurig werd toegezien of de personen , door de collators voorgedragen , werkelijk aan een der Universiteiten studeerden en deze ergelijke misbruiken, hoe verouderd ook, eindelijk eens werden gekeerd.

Tevens wordt in bedenking gegeven, of het raadzaam is de vrijgevigheid zoo ver te drijven, dat ieder die goedvindt zich te kwalificeeren collator der vicarie en op grond daarvan eene voordracht te doen, zoo maar dadelijk en zonder eenig bewijs hoegenaamd als zoodanig moet erkend worden?

7. Zou het zeer wenschelijk zijn, ten einde een geregeld overzicht te hebben van de begevingen van vicariën hier te lande gedaan wordende, dat er, behalve de opgaven door de administratie van het Grootboek der Nationale schuld over de inschrijvingen ten name van vicariën en de opgaven der vicariegoederen staande kadastraal ten name van vicariën, door de respectieve ontvangers der registratie en domeinen gedaan, — beide aan de commissie toegezonden, — ook nog aan het Departement van Binnenlandsche Zaken een index werd gemaakt op de begevingen der vicariën, in het aldaar bewaard wordend register van die begevingen, loopende van af 1807, vermeld, houdende vermelding der vicariën of memoriën in iedere provincie voorkomende, met opgaaf van den naam der laatst benoemde possesseurs.

-ocr page 691-

337

Hierdoor zou men in iedere provincie kunnen nagaan of zij, die thans in het bezit zijn van vicariegoederen en daarvan de revenuen trekken, op wettige wijze daarvan possesseurs zijn geworden, dan wel of zij slechts onbevoegde detenteurs zijn.

In het laatste geval zou het recht van collatie, jure devoluto, zooals men dit noemde, vervallen zijn en de Kegeering bevoegd zijn, die vicarie zonder eenige voordracht aan andere personen te geven, om in studio daerop onderhouden te worden, zooals artikel 47 der bovengemelde instructie voor de Gedeputeerden van de Staten van den Lande van Utrecht van 1580 voorschrijft.

En resumé, meent ondergeteekende, dat voor de Utrechtsche vicariën eene wet eigenlijk niet noodig is. De bestaande bepalingen zijn voldoende, als ze maar werden nageleefd. Maar dit gebeurt niet, ja wat nog erger is, men weet niet eens dat ze bestaan. Uit dien hoofde zou liet niet ondienstig zijn, die nogmaals te hernieuwen en bijeen te voegen in eene wet.

H. VERLOREN VAN THEMA AT.

4«f üM]ku;!iiv iquot;: u\'it te Utrecht

22ü

-ocr page 692-
-ocr page 693-

BLADWIJZER OP HET RAPPORT.

Bladz.

Voorwoord...................3

ft 1. GEESTELIJKE GOEDEREN IN \'T ALGEMEEN.

Stand der Reformatie op \'t einde der 16e eeuw.......8

Kerkenvisitatie in 1593 op last der Staten........11

Eerste vergadering der Staten over de geestelijke goederen . . 17 Verdere debatten; over do Ordrt op de geestelijkheid en hare goederen

van 1580....... ......................19

Einduitslag dier debatten, 24 October 1580................21

Debatten over de Instructie van de Directiekamer.....,22

Modus vivendi van 1580—8(5..........................23

Redressement op de geestelijke goederen van 1586......26

Debatten daarover in de Staten........ ... 27

Verbindende kracht van hetzelve ook nog ten huidigen dage 27. 30 Twisten tusschen de Staten en de stad (Utrecht) en steden over

de ten uitvoerlegging van het Redressement en modus vivendi. 30

Eegeerings-reglement van 16 April 1674.........35

Doel en strekking van de Ordre en het Redressement.....37

Kerkgoederen. — Armengoederen. — Kapittelgoederen. — Duitsche

Orde....................37

Eigendom der gewezen geestelijke goederen in \'t algemeen... 41 Deductie der Staten over hunne rechten op de geestelijke goederen

in 1664 ...................45

Beheer en administratie dier goederen tijdens de Republiek . . 46 Opheffing der diverse comptoiren van geestelijke goederen en dat der domeinen in 1799; samensmelting van allen tot één algemeen domeinfonds der Bataafsche Republiek.......51

Vernietiging der vroegere obligatiën op de provincie door de Staten uitgegeven en betaalbaar gesteld geweest op gemelde comptoiren in 1799 .................57

-ocr page 694-

336

„tijt wanneer hij daer gecommen es, hoe lange hij daer gevvoent „heeft, ende in wat faculteyt hij aldaer studeert, op peyne dat „bij gebreke van dien die vruchten voor den jaer dat hij zulek „nyet gedaen en heeft verbuert zullen wesen.quot; (Zie VerLoren , Utr. vicariën , blz. 508.)

Deze bepaling is nimmer ingetrokken of gewijzigd, doch reeds tijdens de republiek en ook later werd daaraan de hand niet gehouden, en uit onkunde of opzettelijk geïgnoreerd, ten believe der collators, die personen voordroegen, als possesseurs met wie zij in conniventie stonden, om de vruchten der vicarie niet zeiven te gebruiken en voor studiën, maar die geheel of ten deele uit te keeren.

Het zou wenscheljjk zijn, dat er voortaan bij de begeving van vicariën door de regeering nauwkeurig werd toegezien of de personen, door de collators voorgedragen, werkelijk aan een der Universiteiten studeerden en deze ergelijke misbruiken, hoe verouderd ook, eindelijk eens werden gekeerd.

Tevens wordt in bedenking gegeven, of het raadzaam is de vrijgevigheid zoo ver te drijven, dat ieder die goedvindt zich te kwalificeeren collator der vicarie en op grond daarvan eene voordracht te doen, zoo maar dadelijk en zonder eenig bewijs hoegenaamd als zoodanig moet erkend worden?

7. Zou het zeer wenschelijk zijn, ten einde een geregeld overzicht te hebben van de begevingen van vicariën hier te lande gedaan wordende, dat er, behalve de opgaven door de administratie van het Grootboek der Nationale schuld over de inschrijvingen ten name van vicariën en de opgaven der vicaiiegoederen staande kadastraal ten name van vicariën, door de respectieve ontvangers der registratie en domeinen gedaan, — beide aan de commissie toegezonden, — ook nog aan het Departement van Binnenlandsche Zaken een index werd gemaakt op de begevingen der vicariën, in het aldaar bewaard wordend register van die begevingen, loopende van af 1807, vermeld, houdende vermelding der vicariën of memoriën in iedere provincie voorkomende, met opgaaf van den naam der laatst benoemde possesseurs.

-ocr page 695-

»37

Hierdoor zou men in iedere provincie kunnen nagaan of zij, die thans in het bezit zijn van vicariegoederen en daarvan de revenuen trekken, op wettige wijze daarvan possesseurs zijn geworden, dan wel of zij slechts onbevoegde detenteurs zijn.

In het laatste geval zou het recht van collatie, jure devolato, zooals men dit noemde, vervallen zijn en de Regeering bevoegd zijn, die vicarie zonder eenige voordracht aan andere personen te geven, om in studio daerop onderhouden te worden, zuoals artikel 47 der bovengemelde instructie voor de Gedeputeerden van de Staten van den Lande van Utrecht van 1580 voorschrijft.

En resumé, meent ondergeteekende, dat voor de Utrechtsche vicariën eene wet eigenlijk niet noodig is. De bestaande bepalingen zijn voldoende, als ze maar werden harjeleefd. Maar dit gebeurt niet, ja wat nog erger is, men weet niet eens dat ze bestaan. Uit dien hoofde zou het niet ondienstig zijn, die nogmaals te hernieuwen en bijeen te voegen in eene wet.

H. VERLOREN VAN THEMA iT.

4«r Rijksuniversiteit te Utrecht

22ü

-ocr page 696-
-ocr page 697-

BLADWIJZER OP HET RAPPORT.

Blauz.

Voorwoord...................3

§ 1. GEESTELIJKE GOEDEREN JN \'l ALGEMEEN.

Stand der Reformatie op \'t einde der 16e eeuw.......8

Kerkenvisitatie in 1593 op last der Staten........11

Eerste vergadering der Staten over de geestelijke goederen . . 17 Verdere debatten; over do Ordre op de geestelijkheid en hare goederen

van 1580....... ......................19

Einduitslag dier debatten, 34 October 1580................21

Debatten over de Instructie van de Directiekamer.....,22

Modus vivendi van 1580—86..........................23

Redressement op de geestelijke goederen van 1586 ..............26

Debatten daarover in de Staten........ ... 27

Verbindende kracht van hetzelve ook nog ten huidigen dage 27. 30 Twisten tusschen de Staten en de stad (Utrecht) en steden over

de ten uitvoerlegging van het Redressement en modus vivendi. 30

Eegeerings-reglement van 16 April 1674 .........35

Doel en strekking van de Ordre en het Bedremment.....37

Kerkgoederen. — Arrnengoederen. — Kapittelgoederen. — Duitsche

Orde....................37

Eigendom der gewezen geestelijke goederen in \'t algemeen. . . 41 Deductie der Staten over hunne rechten op de geestelijke goederen

in 1664 ...................45

Beheer en administratie dier goederen tijdens de Republiek . . 46 Opheffing der diverse comptoiren van geestelijke goederen en dat der domeinen in 1799; samensmelting van allen tot één algemeen domeinfonds der Bataafsche Republiek.......51

Vernietiging der vroegere obligatiën op de provincie door de Staten uitgegeven en betaalbaar gesteld geweest op gemelde comptoiren in 1799 ................ . 57

-ocr page 698-

340

BlnAz.

Realiseering der daartoe behoord hebbende vaste goederen en wat ^

er verder van geworden is..........

Slotsom cn bestrijding der tegenstanders van den Staatseigendom ^

der gewezen geestelijke goederen...........

Theorie der Voetsianen cn van den Hoogen Raad......

g 2. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN IN \'T ALGEMEEN.

{Pastorie-, vicaris-, koüerie, scholader ie- en hroederschapsgoederen.)

Kort overzicht van den loop van zaken der gebeneficieerde goederen

in \'t algemeen................ \'

Renaming en diverse bestanddeelen van het fonds der gebeneficieerde goederen .............

Welke goederen van pastoriën en vicariën daaronder vielen . .

Of er Ten opzichte van den eigendom eenig verschil bestond ten

aanzien der onderdeden van het fonds.........

Diverse soorten van vicariën vroeger; unificatie derzelven na de Reformatie als onderdeel der gebeneficieerde goederen onder de

vroegere benaming van vicariegoederen........

Inmenging der regeeringen te Utrecht en te Amersfoort ia vicane-

zaken vóór en na 1580 .............

Repalingen in de Ordre op de geestelijkheid en hare goederen van 158U en de Instructie voor de Directiekamer over de (gewezen)

vicariën...............

Idem van het Redressement van 1586 en de Instructie van den

Rentmeester der gebeneficieerde goederen van 10 Juli 1587. .

Latere resolutiën, ordonnantiën en placaten der Staten en hunne

Gedeputeerden over de (gewezen) vicariën en vicariegoederen .

Resumé der verordeningen en bepalingen over vicariën van 1580

1795 .....................

Vroedschapsresolutiën te Utrecht en Amersfoort over dezelve Stadhouderlijke vicariën...............

§ 3. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN TEN PLATTELANDE.

Strekking en primitieve omvang van het fonds of comptoir der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht bij de oprichting in

1586 .................... 104

01

66 67

69

69 77

79

86

95 98

-ocr page 699-

341

Bladz.

Tegenstand in de steden en gedeeltelijk ook ten plattelande tegen het ten uitvoerleggen van de bepalingen der Instructie van den

rentmeester van het fonds in 1586 .......... 104

Inkrimping van het fonds tot de goederen ten plattelande en

loslating van die in de steden voor zooveel althans het utheer betrof. 107 Rekeningen van het fonds, — welke er nog aanwezig zijn? . .110 Onvolledigheid derzelven en verwarde toestand der vicariegoederen reeds vóór de Reformatie, blijkens die rekeningen en de kerkvisitatie in 1593 ................ 112

Nadere beschouwing dier rekeningen..........112

Baten en ontvangsten...............11-i

Uitgaven....................118

Batige sloten..................125

Wat er later is geworden van de bezittingen van het fonds op

\'t einde der vorige eeuw.............126

Heheer van het overschot derzelven (behalve de obligatiën op de voormalige provincie) door het algemeen domeinfonds der

Bataafsche Republiek...............127

Inhoud dier domeinrekeningen en verdeeling derzelven in Generale-of ordinaris-rekeningen en Separate-rekeningen van 1798/9 tot op

1 Jan. 1806 ................. 130

Gecombineerde domeinrekeningen over 1806 en volgende jaren. Die

over 1807 en later ontbreken............132

Later beheer van dit Domeinfonds onder het Koninkrijk Holland

en het Fransch bewind. Totaal onbekend........132

Manuaal van Ontvang van het Comptoir der Geheneficieerde goederen,

beginnende met den jaare 1799 ............ 132

Papieren betreffende de administratie der vicarie van Westhroek

ter inlichting van den verwarden toestand der vicariegoederen. 133 Beheer van het overschot der voormalige geb. goederen (ten plattelande) na 1814 door het domeinbestuur.........133

Nadere opgaaf omtrent het realiseeren van het voorn, comptoir der geb. goederen in 1798 en de 12 obligatiën daartoe beboerende en hetgeen later werd uitbetaald aan predikanten of schoolmeesters. 134 Zijn er na 1814 nog betalingen van renten wegens de in 1799 vernietigde 12 obligatiën aan de possesseurs of collators van vicariën gedaan?................135

-ocr page 700-

342

Bladz.

Nadere beschouwing der wijze van beheer der geb. goederen door

den rentmeester dier goederen in iriSt» en later.....140

Nadere opgaven omtrent de vicarie-goederen die in 1799 nog in natura aanwezig waren en speciaal der vicarie op St. Jacobs altaar

te Abcoude..................144

Idem betreffende de vernietigde 1^ obligatiën en betalingen daaruit

of te dier zake gedaan..............148

Vergelijking met rentebetalingen te Amersfoort en Wijkbij Duurstede. 15quot;.2

Toestand van het fonds tijdens de opheffing in 1799..... 159

Zijn er thans nog personen, die uit de vicariën ten plattelande

indertijd gefundeerd iets trekken?....... . . Kil

Afwijkingen en dispensatiën van den algemeenen gang der administratie van de gebeneficieerde goederen ten plattelande . .162 Slotsom....................103

§ 4. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN TE UTRECHT.

Algemeene beschouwing...............164

Kapittel-vicariën aldaar, a. gemeene, b simpele, d i. afzonderlijke. 1(36

Stadhouderlijke vicariën der Kapittelen..........168

Vicariën in de parochiekerken, conventen en kapellen . . .169

Tertiën der vicariën................170

Wal er van de Utrechtsche vicariën en daartoe behoorende goederen

of obligatiën later geworden is...........174

Slotsom............ .......175

g 5. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN TE AMERSFOORT.

Opnoeming en opgave van de vicariën in de kerken etc te Amersfoort

gefundeerd..................176

Het Kapittel van St Joris en de strijd over de administratie. . 177

Üekeningen van den rentmeester........ ... 180

Overzicht van den gang van zaken ten opzichte der vicariën en

der tertiën..................18!

Begeving der vicariën te Amersfoort..........185

Vermelding der 25 vicariën.............186

Tegenwoordige begeving, beheer en bestuur namens den Koning. 190

Fonds van de vicariën van St. Joris-bestanddeelen.....193

-ocr page 701-

343

§ 6. GEBENEFIC1EERDE GOEDEREN TE WIJK BIJ DUURSTEDE.

Blaclz.

Opnoeming en vermelding der vicariën aldaar in oudere documenten. 195 Rekening van den kerkmeester voor de vicariën over 1583 . .197 Vergeefsche pogingen door den Rentmeester der gebeneficieerde goederen :\'s Lands van Utrecht, Fl. van Weede, in 1Ö8Ö aldaar aangewend, tot inning der inkomsten van pastorie- en vicarie-

goederen .... ..............198

Rekeningen van de Wijksche on\'vangers der gebeneficieerde goederen

van 1606—18-20 ................199

Heffing van terticn in plaats van de vroegere quotisatiën . . . \'200 Uitbetaling van de renten van vroegere obligatiën op de provincie

wegens belegde koopprijzen tot in 1808........S01

Opheffing der functiën van den Wijkschen Ontvanger der gebeneficieerde goederen en vereeniging van het beheer dier goederen, met dat der kerkgoederen in 1820 onder kerkvoogden aldaar . 201 Welke rechten heeft de Staat op de vicarie-goederen te Wijk bij

Duurstede?..................204

Verdwaalde en raadselachtige vicarie op Si. Maria en Barbara

altaar, waarvan thans is possesseur J. A. de Ridder .... 201 Slotsom....................209

§ 7. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN TE RHENEN.

Vicariën in de St. Cunera kerk aldaar.........210

Beheer der vicariegoederen aldaar. — Rekeningen der kerkmeesters van 1570—1819 ............... 211

.

Mislukte pogingen van den rentmeester der gebeneficieerde goederen \'s Lands van Utrecht, Fl. van Weede, om in 1586 iets te innen wegens vicariegoederen...........212

I

De kerkmeesters te Rhenen hadden een administratief karakter, als zijnde aangesteld en benoemd door of van wege den Stadhouder, volgens de Instructie van 15 Februari en 29 Mei lO\'.U. 213 Vermenging dien ten gevolge der vicariegoederen met de stede

lijke goederen.................213

Heffing van tertiën in en na 1670 ........... 2 l i

Hoe en door wien de prediknnten aldaar betaald werden . . . 21-i Inning der tertiëa door den Cameraar (Thesaurier) der stad . .215

-ocr page 702-

344

Bladz.

Cameraarsrekentngen over 16^0 en volgende jaren......215

Verdeeling dei- vicariegoederen zeiven tusschen de stad en de collators in plaals van de lerliën bij diverse accoorden van 1080—1683, 216 Betalingen uit de Cameraarsrekeningen gedaan wordende . . .217

Wijziging der rekeningen in 1819...........218

Slotsom....................218

§ 8. GEBENEFICIEERDE GOEDEREN TE MONTFOORT.

Eigenaardige toestand te Montfoort. — Collatierecht.....220

Herkomst der memoriegoederen. — Necrologium van 1555 f?). . 222 Verhouding van het Kapittel tot de kerkmeesters, arraenmeesters, pastoors later predikanten, kosters, schoolmeesters, den Burggraaf, de Stalen enz. — Verwarde toestand aldaar.....323

Aankoop der heerlijkheid van Montfoort door de Staten (11 Aug.

1648) en gevolgen van dien. — Verdwijning van het Kapittel. 225 Bemoeiingen der Staten te Montfoort onmiddellijk na de Reformatie en later na het Redressement van 1586. — Mislukte pogingen van den rentmeester der gebeneficieerde goederen (Fl. van V/eede). quot;226 Successieve aanstelling door de Staten van afzonderlijke rentmeesters over de pastorie-, vicarie- en memoriegoederen, alsook over de

Kapittelgoederen................227

Kerkgoederen. — Thans onder beheer van kerkvoogden .... 228

Vicariegoederen. — Alle verkocht door de Staten......229

Memoriegoederen. — Herkomst.............232

Opnoeming derzelve in den Inventaris der geestelijke goederen van

1583 (?) en in de rekening van Fl. van Weede 1586/8 . . . 232 Verkoop der landerijen daartoe behoorende omstreeks 1653 . . 233 Niet verkochte huisrenten, Jiofrenten en landrenten thans nog aanwezig...................234

Diverse bepalingen door de Staten gemaakt betreffende de vicarie- en memoriegoederen.

1°. 3 en 18 Febr. 1594. Verklaring aan de Staten gedaan door

den vicaris J Roest...............235

2°. 12 Juli 1594. Accoord over de memoriegoederen en den schoolmeester (niet Ie verwarren met een dito accoord van denzelfden datum over pastoriegoederen)............235

-ocr page 703-

345

Bladz.

3°. 20 Jan. tö^ö. Res. der Staten; Verlof tot het bezwaren der

uiemoriegoederen . ,...........238

4°. 26 Mei 1653. Res. der Staten over reparatiën ten laste der

memoriegoederen................239

5quot;. 4 Nov. 1653. Res. der Staten, over de f 2076-4-4 jaarlijks uit de kooppenningen der verkochte memoriegoederen toegelegd

aan \'t Kapittel.................240

6°. 17 Pebr. 1658. Res. der Staten over reparatiën gebracht ten

laste der memorie goederen.............240

7°. 11 Jan. 1660. Res. der Staten over de gemelde subsidie van

ƒ 2074-4-4 \'s jaars...............240

Instructie van 25 Mei 1666 door de Staten gearresteerd voor den

rentmeester der memoriegoederen...........244

Manuaal der uitgaven door hem te doen.........245

Vereeniging van de administratie van \'t overschot der memoriegoederen met de (niet verkochte) pastoriegoederen in 1764. . 245 Pastoriegoederen. — Opnoeming derzelve in den bovengemelden Inventaris der geest, goederen van 1583 (?) en de rekening van

Fl. van Weede.................246

12 Juli 1594 Accoord over de pastoriegoederen......246

Aanstelling door de Staten van een rentmeester over dezelven

volgens \'t accoord................248

Rekening van dezen over 1667 aan den Maarschalk van\'t Kwartier, den Schout en den Magistraat te Montfoort gedaan .... 249

Inhoud dier rekening...............249

Samenstelling der administratie der pastoriegoederen met het restant der metnoriegoederen onder éénen rentmeester der Staten . . 250

Fereenigde memorie- en pa-doriegoederen.

Algemeene beschouwingen..............251

Rekeningen van 1764—1883 ............. 252

Voortzetting van dit beheer en rekening ook na 1799 .... 258 Instructie van den tegenwoordigen rentmeester der memorie- en

pastoriegoederen................260

üneenigheden tusschen het Rijk en Kerkenraad te Montfoort over dezelven...................261

1

-ocr page 704-

346

Bladz.

Intrekking van het subsidie van ƒ 2076-4-1 in 1806 .... 261 Herstelling van hetzelve in 18\'20 tot een verminderd hedrag van

f 74ü.\'2üs...................262

Beëindiging dier geschillen in I8S2 bij wege van transactie, behoudens goedkeuring derzeive bij eene wet .... . . \'266 Slotsom....................266

g 9. VICARIE- EN MEMORIEGOEDEREN TE I.ISSEL3TEIN.

Hebben nooit behoord tot de provincie Utrecht.......268

Hoe die aan het Kijk zijn gekomen en vervolgens verkocht zijn , zoodat er niets meer van over is...........269

^ 10. PATRONAAT EN BEGEVING DER (GEWEZEN) VICARIËN EN V1CAR1E-GOEDEREN BEHOORENDE TOT DE GEBENEFICIF.ERDE GOEDEREN.

Niemand kon vicaris of possessenr worden buiten de Staten om. 271 Waarom is het patronaat of collatierecht in 1Ö80 of later niet

opgeheven voor de pastorie- of vieariegoederen?.....274

Kwestiën ontstaande over collatiorechlen. — Erfopvolging enz. . 279 Veronachtzaming van de bepaling, dat de vicaris moest studeren en knoeierijen tusschen collator en possesseur en ten laatste samensmelting van den collator met den vicaris-possesseur . . 284

Vrouwelijke vicarissen — Hoomsch Catholieke.......285

Vicarissen ad vilam (N. de Graaf)...........286

Verzuim van voordracht aan Gedeput. Staten door den Collator . 287 Verduistering van vicarièa en goederen daartoe behoorende . . 290 Resignatiën van vicariën en andere knoeierijen ...... 290

Wie na I 798 gedurende de Bat. Republiek en later de agreatie

der voorgedragen possesseurs deden..........291

Begister dier agreatiën of confirmatiën aan het Departement van Binnenlandsche Zaken aanwezig, loopende van 1807—1883. . 292

Model eener confirmatie dd. 24 Mei 1815.........292

Verzoekschrift door TP. M. Beekwüder, als collator eener vicarie te Utrecht aan den Koning ingediend den 25 Juni 188I, waarbij hij zich zelf als possesseur voordraagt.........295

-ocr page 705-

347

Bladz.

§11. EIGENDOM EN VERVREEMDING DER GEBENEFICIEERDE GOEDEREN. Nader en speciaal bewijs, dat ook de gebeneficieerde goederen

steeds zijn geweest Staatseigendom..........30:2

10. de benaming van liet comptoir...........302

2°. het beheer als eigenaars.............303

3°. vervreemding door de Staten zeiven.........304

Nergens is eenig onderscheid te bespeuren tusschen de behandeling der gebeneficieerde goederen en die der overige geestelijke

goederen...................305

Wijze van verkoop der gebeneficieerde goederen, zoowel pastorieals vicariegoederen................305

Belegging van den koopprijs.............309

Wie de renten ontving der obligatiën daarvoor afgegeven . . .311 Afwijking van den gewonen regel bij verkoop en belegging ten opzichte van vicariegoederen te Blauw Capel in 1777. . . 315

Bestrijding der conclusie van den Procureur-Generaal van Maanen. 317 Utrechtsch vicarie-recht ten aanzien van het r-igendomsrecht op het

onderdeel der gebeneficieerde goederen, bestaande uit vicariegoed 318 Vonnis der Rechtbank te Amersfoort van quot;li October 1856 en vernietigend arrest van het Provinciaal Gerechtshof in Utrecht van 6 Dec. 1858 over de vicarie van Bloemestein te Tuil en *t Waal. 320

Wederlegging van beide uitspraken...........322

Slotsom....................326

Toevoegsel.

Vicariën en vicariegoederen der Ridderlijke Üuitsche Orde, Balye

van Utrecht, gelegen buiten de provincie Utrecht.....327

Slotsom van het Rapport..............331

-ocr page 706-

INHOUD VAN HET RAPPORT.

Inleiding....................^

| 1. Gceslelijkf! goederen in \'t algemeen.........8

g 2. Gebeneficieerde goederen in \'t algemeen (pastorie-, vicarie- en

memoriegoederen enz.)..............62

§ 3. Gebeneficieerde goederen ten plattelande.......10i

g 4. gt;\' i\' te Utrecht.........16^

g 5. )\' quot; gt;■ Amersfoort........170

g 6. « » • Wijk bij Duurstede .... 195

g 7. » » • Rhenen.........210

g 8. » i\' quot; Montfoort........220

a. kerkgoederen............. . . 228

h. vicariegoederen ... ..........229

c. memoriegoederen.............232

d. pastoriegoederen.............246

e. vereenigde memorie- en pastoriegoederen.....251

g 9. Vicarie- en memoriegoederen te IJsselstein......268

g 10. Patronaat en begeving van gewezen vicariën.....271

§ 11 Eigendom en vervreemding der gebeneficieerde goederen . 302 Aanhangsel. Vicariën behoorende aan de Ridderlijke Duitsche Orde. 327

Conclusie...................331

Bladwijzer op het rapport..............339

-ocr page 707-

BIJLAGEN BEHOORENDE BIJ HET RAPPORT.

I. Inschrijvingen op het 21/J % Grootboek der Nat. Schuld, ten name van vicariën. — 1 bin idem. (Duitsehe Orde.)

II. Dito op het 4 0/o Grootboek.

JI1. Onroereiide goederen in de doode hand, ten name van vicariën.

IV. Onroerende goederen en inschrijvingen in het Grootboek ten name van vicariën gefundeerd te Amersfoort.

V. Vervolg op de Vroedschapsresolutiën te Utrecht betreffende vicariën bij VerLoren, bladz. 550 — (31 te vinden, doch aldaar niet vermeld.

VI. Copieën van nolarieele acten en van transporten of bezwaringen van vicariegoederen, cessiën van vicarierechten enz. gepasseerd te Utrecht.

Vil. Vervolg op de Vroedschapsresolutiën te Amersfoort, niet vermeld bij VerLoren, bladz. 5ü2—570.

Vlll. Extract uit de Catneraar-ïhesauriersrekening te Amersfoort van 1790—187*2, betreffende de tertiën der vicariën aldaar.

IX. Begeving der vicarie gefundeerd op St. Maria en Barbara altaar in de Janskerk te Wijk bij Duurstede, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan G. de Hiddtr (1843), C. de Ridder (1853) en J. A. de Ridder (18Ü5).

X. Verklaringen van den vicaris Jan Jansz. Roest te Monlfoort op 3 en 8 februari 1594.

XI. Verzoekschrift door F. M. Beekwiller te Utrecht als collator eener zekere vicarie, volgens beweren gefundeerd in de St. Catharina kerk te Utrecht, aan den Koning ingediend, tot benoeming tot possesseur, met de daarop gevallen afwijzende beschikking van 29 Januari 1884.

XII. Confirmatie eener vicarie in Gelderland (Winterswijk) door den Secretaris van Staat van Binnenlandsche Zaken op 24 Mei 1815 gedaan.

-ocr page 708-

350

XIII. Een exemplaar der verhandeling van Mr. H. Verloren van T/iemaat over de geschiedenis der vicariën en het vicarierecht in de provincie Utrecht (Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap te Utrecht, 1881, IVe deel) met bijvoegingen en correctiën.

XIV. Een overdruk uit de bijdragen en mededeelingen van het Historisch .Genootschap te Utrecht, Vlle deel: Visitatie der kerken ten platten

Lande in het Sticht van Utrecht ten jare 1593.

-ocr page 709-
-ocr page 710-
-ocr page 711-
-ocr page 712-