-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

DE

m

1196 5302

-ocr page 7-

/

RAPPORT

OVER

)E VIOARIEaOEDEREJST,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

UTRECHT.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

InctHutit Rechttgfeschtódenls

v ? K) ■ C W Or *6^1^

DE VICiVRIEGOËDEREN IN UTRECHT.

§ 1. Inleiding.

De R. C. Kerk der middeneeuwen met hare vaste en sterke organisatie, die haar als eene eenheid, als een heilsinrichting voor alle volken en voor ieder individu deed optreden, liet en kon laten eene groote vrijheid aan het individu om binnen hare grenzen aan zijne godsdienstige behoeften en wenschen te voldoen. Zij vond in hare hierarchie, in hare ordeningen fen instellingen waarborgen genoeg om aan bijzondere instellingen en stichtingen in haar midden eene plaats te verleenen, die bijzondere personen uit drang des harten, in het leven wilden roepen en liet aan hen, die ze oprichtten, al do vrijheid in het kiezen van den vorm, die met hare instellingen bestaanbaar was.

Vandaar die talrijke, veelsoortige stichtingen van verschillenden vorm die wij, vooral in de 15e eeuw, bij een opgewekt geestelijk leven, allerwegen in ons vaderland zien ontstaan, en die alle ten doel hadden ten behoeve dor stichters, hunner ouders, naast-bestaandon of opvolgers vaste kerkelijke diensten in het loven te roepen en te bestendigen. Zij namen den vorm aan hetzij van broederschappen, hetzij van memoriën, vicariën of dergelijke, bestemd om door onderlinge bijdragen of door vaste stichtingen bepaalde diensten voor levenden en dooden te doen houden zooals de oprichters zich die wenschten.

Hierin ligt dus de oorsprong dier vicariën, die vooral in de 15e eeuw, bij uitzondering reeds vroeger, allerwegen in elke kerk, groot of klein, hetzij dan kapittel- of parochiekerk, hetzij

-ocr page 10-

4

klooster- of gasthuiskerk, hetzij slechts kapel werden gesticht.

Een soort van vicariën was echter van oudere dagteekeuing, het waren die welke in de kapittelkerken waren gesticht om in de koor- en feestdiensten te helpen voorzien en de hooge geestelijkheid daarbij ter zijde te staan.

De oorsprong der overige vicariën bracht derhalve reeds mede dat zij onderling zeer verschilden, zoowel naar het doel en de diensten, waarvoor zij gesticht als naar do wijze, waarop hunne inkomsten verzekerd waren en de regelen waarnaar zij beheerd werden. Zij stonden buiten de hierarchie der Kerk, zij waren bijzondere instellingen, door bijzondere personen opgericht, naar den wil en do beschikkingen der stichters beheerd en slechts aan een kerkelijk toezicht in zoover onderworpen, als dit waken moest, dat de wil der stichters werd nagekomen en de kerkelijke verordeningen bleven geeerbiedigd.

§ 2. Kapittel-vicariën.

Ik begin met de kapittel-vicariën, die uitsluitend in de kapittelkerken voorkomen en gesticht en vermeerderd werden, niet alleen om de vicarissen op bepaalde altaren diensten te laten verrichten , maar ook opdat zij als chori socii den luister der feesten verhoogen zouden. Op die wijze werd in die kerken eene lagere geestelijkheid onderhouden, die, naast de canonici en onder hun toezicht, bij de hoogdiensten moest medewerken, die de plaats der afwezigen kon vervullen en tevens de diensten in de talrijke choor- en zijdkapellen kon verrichten. Zij was ondergeschikt aan het kapittel en deze vicarissen werden door het kapittel, veelal door den Decanus, aangesteld en ontvingen hunne bclooning uit de inkomsten van goederen of kapitalen, daartoe aan het kapittel geschonken, en door of namens het kapittel beheerd. Zij worden ook capellani genoemd, als capellanias in ecclesiis cathedralibus deservientes, van hen heet het: in choro adesse tenentur, sunt fere famuli canonicorum. (1) Zij woonden soms met de

(4) van Espen. Jus ecclesiast. I, blz. 782.

-ocr page 11-

5

capitulares in de kapittelhuizen of anders in de stad en werkten mede op de kapittelschool, zij noemden zich naar do kerk waarbij zij behoorden, b. v. vicaris ten Dom. Na do laatste vergrooting van den Dom werden twaalf zulke nieuwe vicariac in novo opere voor do koorkapellen door den eanoniens Johannes van Westendc gesticht (1). De stichtingbrief van zulk eerie vicarie in den Dom, van 1447, door den canonicus Johannes i;ten Elsweert gedoteerd, door hot Domkapittel opgericht op bet altaar van Maria Magdalena, zegt uitdrukkelijk dat de vicaris ad obedientiam et reverentiam et ad quotidianum servitium in choro ecclesiae nostrae in divinis sit adstrictus; en dat de inkomsten der aangewezen goederen door den Kameraar des Kapittels zouden worden ontvangen (2). Zulk eene vicarie eischte, zou de vicaris tot den dienst op het koor toegelaten worden, de toestemming dos kapittels, blijkens den stichtingbrief van 1454 van de vicarie met twee priesters en vier choralen door Bisschop Kudolf van Diepholt, ter begeving der drie oudste canonici of, bij verzuim dezer, van den oudsten Burgemeester der stad onder goedkeuring van Deken en Kapittel (3). Zulke vicariën worden gezegd 50 in den Dom geweest te zijn (4).

In den St. Salvator waren er ten minste 27 en in 1326 regelde reeds het kapittel hun diensten (5) en bepaalde dat de vicarissen geen landen behoorende tot hunne altaren mochten verhuren, zonder voorkennis van den Decanus of van den The-saurarius der Kerk. Stichtingbrieven vinden wij van zulke vicariën sints 1267 (6).

In de St. Marie-kerk waren 25 vicarissen (7). Eene vicarie

(1) Beschr. v. h. ütr. bisdom, blz. 95.

(2) Matthaeus, fundationes, blz. 28—29.

(3) Matthaeus, fundaft., blz. 30—31.

(4) Hlst. v. b. Utr. Bisdom, 1, blz. 95.

(5) t. a. pl. blz. 181.

(6) Matthaeus, fundalt., blz. 66, 67. Analecta lil, blz. 465. Hist. ütr. Bisd. I, blz. 183, 185, 207.

(7) Hist. Utr. Bisd. I, blz. 215.

-ocr page 12-

6

was daar gcsticht door Anselmus den kapellaan van graaf Floris Til van Holland en werd door graaf Dirk VII in 1198 begiftigd, die daarbij de begeving, met goedkeuring des kapittels, aan de gravelijkheid van Holland behield (1). Eene vicarie op het H. Kruis-altaar werd in 1293 gesticht, door het kapittel te begeven (2), oenc andere in 1433 (3). In de St. Pieters-kerk bestonden 20 vicariën, en daar vinden wij ook voor het eerst een voorbeeld dat de gezamenlijke vicarissen, onder goedkeuring van den Decanus, zich tot bepaalde diensten verbonden tegen genot van voordeden, hun bij testament van een canonicus verzekerd, in 1524 en 1530 (4). In de St. Jans-kerk werden in 1346 do vicarii canonicorum St. Johannis genoemd, (5) waarschijnlijk waren er 20, van welke eene in 1380 op bevel van den bisschop werd gesticht aan een altaar door hen, die een der canonici hadden gedood, als zoen voor dien doodslag, te begeven door den bisschop en het capittel bij beurten (6).

Bij de kleinere kapittelen te Wijk bij Duurstede, Rhenen (ter Horst), IJsselstein, Montfoort blijkt van kapittel-vicarissen niet, al waren in de kerken verschillende gewone vicariën gesticht.

Uit het voorgaande, hoe weinig het ook is, blijkt dat in de Utrechtsche Kapittelkerken

1°. Ook vicariën door bijzondere personen somtijds werden gesticht.

2°. Dat daartoe echter de goedkeuring en medewerking des kapittels werd vereischt.

3°. Dat deze vicarissen aan het kapittel onderworpen waren.

4U. Dat zij, behalve de bijzondere diensten, ook chori socii waren.

(1) Heda, blz. 211. Matthaeus, fund. 149. Kluit, hist. Critica, 11,1, blz. 221. Hist. Utr. Bisd., 1, blz. 211.

(2) Matthaeus, fund., blz. 151. Hist. Utr. Bisd., I, blz. 213.

(3) Hist Utr. Bisd., I, p. 601.

(4) Matthaeus, fund., p. 113. Hist. Utr. bisd., I, blz. 251—255.

(5) Matthaeus, de Nobilit, blad. 754.

(6)\' Hist. Utr. Bisd., I, blz. 262.

-ocr page 13-

7

5quot;. Dat later bij enkele vicariën door particulieren gesticht, het beheer der goederen, onder toezigt van den Decanus of het kapittel, aan den vicaris was toegestaan.

6°. Dat door de stichting van vicariën door particulieren, naast de eigenlijke vicarii capitulorum, in later tijd misschien ook daar vicarii ontstonden, die weinig van de gewone vicarii verschilden, ofschoon die zeker weinig in getal waren.

Dat overigens uit de vicarii capitulorum de zielpriesters genomen werden, door het kapittel aangesteld ad curam animarum van hen, die tot het kapittel behoorden en op zijn gebied woondcL, spreekt van zelf.

§ 3. Vicariën cum cur a aximarum.

Deze waren beneficia curata, quae habcnt curam animarum adjectam, waar de bedoeling der stichters was een geestelijke tot hulp en bijstand van don Parochiepriester, den curatus, eene voortdurende en vaste inkomst te verschaffen, opdat deze hetzij met en benevens den parochiepriester de dienst in de parochiekerk en de zielszorg der gemeente zou waarnemen, hetzij een afzonderlijke kapel zou bedienen en in de behoeften, vooral voor den H. doop en de sacramenten der stervenden, van de omwonende bevolking zou voorzien.

Van het eerste vinden wij een voorbeeld te Jutfaas, toon daar in 1407, met bevestiging des bisschops, een tweede pastoors-plaats werd gesticht door Henric van den Rijn, en deze gedoteerd (1) waarvan deze de praesentatie zich cn zijne erven voorbehield. In Mijdrecht stichtte Johan Ingenwinckel, proost van St. Jan, in 1506 een dienst op twee altaren, met bepaling dat de vicaris moest schoolhouden en den parochiepriester helpen, zoover deze het verlangen zou, (2) doch niet tegen diens wil, als capellaen. Te Montfoort stichtte de bisschop in 1331 op

(1) Zie de stichting bij Matthaeus, fund., blz. 509. Over de geschiedenis dezer stichting I. I. de Geer, Bijdragen, blz. 339.

(2) Hist. Utr. Bisd., III, blz. 430.

-ocr page 14-

8

verzoek van den parochiaan eene vicarie voor een onderpastoor (1).

Vicariën ter bediening eener afzonderlijke kapel treffen wij in grooter getal aan. Hiertoe behoorden in de eerste plaats de gasthuis-vicariën, ten dienste van hen die daar verpleegd werden, en die onder toezicht stonden van den Parochiepriester, in wiens parochie zij gelegen waren. Zulk eene vicarie vinden wij in het St. Bartolomaei-gasthuis, (2) in het St. Barbara-gasthuis, gesticht in 1375 beheerd en te vergeven door de Procnratores van de St. Barbarenbroederschap (3), in het H. Kruis-gasthuis, in 1440 gesticht, (4) in het St. Jacobs-gasthuis, (5) in het St. Laurens-gasthuis, (6) in het St. Meertens-gasthuis buiten de Waart kort na 1472 (7), alle te Utrecht. Te Montfoort behoort daartoe do vicarie binnen liet manshuis, (8) te Amersfoort die in St. Pieters-gasthuis, (9) te Wijk bij Duurstede de vicarie in St. Ewonts en Elisabeth\'s-gasthuis (10) en te Ehcnen ook die in het gasthals. In de meeste gevallen zal do praesentatie en het beheer der goederen wel bij do hoofden der broederschap geweest zijn die het gasthuis beheerden.

In de tweede plaats behoorden hiertoe de vicariën in kapellen, capellaniae, wij treffen zulk een kapel te Utrecht buiten de Waart, in St. Jacobsparochie aan, die de bisschop in 1470 tot eene eigene parochiekerk wilde maken, maar op zoo sterken tegenstand der Utrechtschen stootte dat hy het plan schijnt te hebben opgegeven, althans do Waart bleef tot St. Jacobsparochie behooren (11). In do parochie van Westbrook vond men de

(1) Hist. ütr. Bisd., II, blz. 258.

(2) Hist. Utr. Bisd., I, blz. 475.

(3) Matthaeus, fundat., blz. 304. Hist. Utr. Bisd., I, blz. 486.

(4) Hist. Utr. Bisd., I, blz. 582.

(5) t. a. pl., blz. 583.

(6) t. a. pl., blz. 584.

(7) Matthaeus, fundat., blz. 506. Hist. Utr. Bisb., I, blz. 631.

(8) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 256.

(9) van Bemmel, beschr. v. Amersf., I, blz. 318.

(10) Beschr. Utr. Bisd., 11, blz. 178.

(11) Matthaeus, fundat., blz. 500.

-ocr page 15-

blaauwe kapel, waarvan de vicarie tot patronus had den eigenaar van het huis ter Veen. In de parochie Nodcrlangbroek was eene vicarie tot de kapel van Stoutenburg behoorcnde, (1) ondtr Neder-horstcnberg behoorde de kapel van Kortenhoef met eene vicarie op O. L. V. altaar, waarvan de heer van Jaarsveld patronus was. In Amersfoort was in de St. Annakapel een eeuwige vicarie ofte godlichen dienst in 1542 gesticht, (2) en ook de II. Geestkapel bevatte zulk eene vicarie (3). In de parochie Doorn had men twee kapellen, door vicarissen bediend, eeno te Darthuizen die in 1585 stond ter begeving van den heer van Amstel en Mijnden, (4) eene te Driebergen (5). Onder Hoogland* stond de kapel van Coelhorst, (6) onder Leusden die van Isselt en die van Hoevelaken, welke laatste later tot een parochiekerk is verheven (7). Onder Wostbrock behoorde ook nog de kapel met vicarie te Zuilen (8). Te Wijk bij Duurstede had men eene kapel met vicarie op het oude kerkhof, (9) onder Werkhoven behoorde een kapel, (10) onder Odijk vond men eene vicarie in de kapel van Beverweert, (11) onder Schalkwijk de kapel aan den Dwarsdijk, (12) met eene vicarie waarvan in 1593 de nominatie stond bij de buren, de collatie bij den heer van den lande, toen was er een vervallen kapelletje met een paep. Onder IJs-selstein behoorde de kapel en vicarie van Eiteren, te begeven door het kapittel van St. Marie te Utrecht, (13) onder Loenen stond

(1) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 100.

(2) Van Bemmel, beschr. v. Amersf., I, blz. 310.

(3) Van Bemmel, t. a. pi., I, blz. 382.

(4) Hist. Utr. Bisd., II, p. 103.

(5) t. a. pi., II, blz. 104.

(6) t. a. pi., II, p. 122.

(7) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 124—125.

(8) t. a. pi., II, blz. 169.

(9) t. a. pi., II, blz. 181 waar zij de afgebrande kapel heet, blz. 177.

(10) t. a. pi., II, blz. 19?.

(11) Matthaeus, de jure gladii, blz. 347. Hist. Utr. Bisd., II, blz. 193.

(12) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 198.

(13) t. a. pi., I, blz. 214, II, blz. 247. Vgl. I. I. de Geer, Bijdragen.

-ocr page 16-

10

de kapel met vicarie van Loendersloot ter begeving der van •Arastels (1). In de parochie Abcoude werd in 1545 te Baam-brug cene kapel met vicarie gesticht (2). In de parochie Brcukolen had men eene kapel met vicarie op het huis Syenrode en cene op het huis Ruwiel (3), in de parochie Harmeien was eene kapel met vicarie aan de Meern, te vergeven door den heer van Bredcrode, in 1593 was er een school aan verbonden en werden er ook uitkeeringen aan de armen uit gedaan (4). Deze vicariën hadden veelal wereldlijke patronen, wier recht aan eigendommen of\' heerlijkheden geknoopt was.

§ 4. Altaar-vicariën.

Eene andere soort van vicariën waren diegene wier stichting het gevolg was van het oprichten en doteren van een altaar, onder invocatie van bepaalde patronen, terwijl de inkomsten dier altaargoederen bestemd waren, om een priester te onderhouden, die op dit altaar den dienst verrichten moest, door de stichters bepaald. In de kapittelkerken te Utrecht vinden wij er enkele voorbeelden van, zooals de stichting van bisschop Rudolf van Diepholt van twee vicariën in den dom in 1454 met twee priesters en vier choralen. In de St. Salvator stichtte Willem van Montfoort een kapel en altaar met dagelijksche mis in 1511. In 1198 stichtte Anselmus, kapellaan van graaf Floris III, zulk een altaar met vicarie in de St. Mariakerk en zoo werd in 1330 in de St. Janskerk een altaar mot vicarie gesticht tot zoening van een moord.

Talrijk waren echter vooral zulke stichtingen in de parochiekerken, enkele treffen wij ook in kloosterkerken aan. Zoo hadden broederschappen en gilden hunne altaren en priesters, die daarop de diensten deden, in de Buur- en Jacobskerken. In do Buur-

(1) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 417,

(2) t, a. pi., II, blz. 417.

(3) t. a. pi,, II, blz. 420—421.

(4) t. a. pl., 1, blz. 573, II, blz. 488.

-ocr page 17-

n

kerk was ook de raadskapel, met het altaar, waarvan de begeving aan de Burgemeesters en de twee overste oudermannen stond (1). In de Nicolaikerk waren ook zulke altaren gesticht (2), de stichtingbrief van een altaar van de H. Maagd aldaar, met vicarie van 1315 leert ons, hoe dat zulk eene stichting niet tot stand kon komen, zonder toestemming van den parochiaan en bevestiging van de hoogere geestelijkheid (3). Deze vicarie stond ter begeving van pastoors en kerkmeesters. Eene vermeerdering der inkomsten van een altaar en vicarie in do kerk te Eemnes in 1480, door eene broederschap is ons elders medegedeeld (4). In de kerk te Maarsen was een altaar met vicarie ter eere van St. Michiel gesticht (5), ook waren er zulke altaarstichtingen te quot;VVijk bij Duurstede en op vele andere plaatsen, en zoo wij de stichtingsbrieven van meer vicariën nog bezaten, zouden er zeker nog meer blijken tot deze soort te behooren. Nu is het dikwijls onzeker of wij mot eene altaar-stichting of met de oprichting eener vicarie op een reeds bestaand altaar tc doen hebben.

§ 5. Vicariën op bestaande altaren.

De meest gewone wijze toch, waarop vicariën tot stand kwamen, was dat men op een reeds bestaand altaar diensten wenschtc verricht te zien en daarvoor inkomsten aanwees, waaruit een priester om die diensten te doen, zijne belooning zou kunnen trekken. Naarmate die diensten meer of minder groot in getal waren, en naarmate de inkomsten grooter of kleiner waren, werden die vicariën hetzij door afzonderlijke priesters bediend of wel verschillende aan denzelfden priester

(1) Matthaeus, fundat., blz. 160, 1G-2, 173. Hist. Utr. Bisd., I, blz.\'283— 301. Vgl. I, blz. 299, 686.

(2) Matthaeus, fundat., blz. 179. Hist. Utr. Bisd., 1, blz. 310.

(3) Hist. Utr. Bisd., I, blz. 311.

(4) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 154.

(5) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 171.

-ocr page 18-

12

opgedrageE, en hem uiet zelden toegestaan, zoo hij zelf die diensten niet kon waarnomen, te zorgen dat zij door eenen anderen bekwamen priester werden verricht. Hoofdzakelijk waren het meer bepaald zielmissen voor de gestorvenen, ten behoeve van den stichter en zijne familie, verbonden met de verplichting tot het begaan van het graf, die bedoeld werden. Zelfs vinden wij voorbeelden, dat voor die diensten geen afzonderlijke vicaris werd aangewezen waar de stichter, bij het vestigen dier diensten cn het aanwijzen der goederen en inkomsten daarvoor bestemd, tevens bepaalde, dat die inkomsten zouden genoten en do diensten verricht worden door de gezamenlijke vicarissen der kerk. Zoo was in de St. Pieterskerk te Utrecht op het altaar der H. Petronella in 1524 en 1530 eene vicarie gesticht die door do vicarissen der kerk moest bediend worden (1).

Hier naderen de vicariestichtingen tot de memoriestichtingen (2), waarbij inkomsten verzekerd werden, niet voor bijzondere te verrichten diensten of bijzondere priesters, maar ten einde de memorie van overledenen bij de zielmissen te doen vermeld worden of op bepaalde tijden hen te doen herdenken en hunne graven te doen begaan.

§ 6. Inkomsten.

De inkomsten, die bij elke vicariestichting voor de diensten verzekerd werden, waren van verschillenden aard. Vooreerst werden daarvoor landerijen afgestaan, met opgaaf van ligging, belending en waarde, die bestemd waren om in langdurige huur, erfhuur of erfpacht uitgegeven te worden, een enkele maal, maar zelden, ook wel een huis. Maar ten anderen waren het vaste renten, die op landerijen of huizen werden gevestigd in dien zin, dat die als een reëele last daarop gevestigd werden, cn ten eeuwigen dage door den eigenaar moesten worden

(1) Matthaeus, fundat., blz. 113, Hist. Utr. Bisd. I, blz. 254.

(2) Zie de stichting eener memorie in het minnenbroederklooster te Utrecht. Matthaeus, fund., blz. 248. Eene andere Hist. Utr. Bisd. I, blz. 183.

-ocr page 19-

13

voldaan (census, thins, erfrente), hetzij dan dat de stichter zelf die vaste renten reeds in zijn vermogen als zoodanig bezat, hetzij hij die bij de stichting op zijne eigene eigendommen vestigde, en deze daarmede bezwaarde. Eindelijk vinden wij somtijds kapitalen gegeven, opdat daarmede zulke renten of landen zouden kunnen gekocht worden. Zulke vaste uitgangen toch en cynsen werden beschouwd als een soort van medeeigendom aan den grond en vielen daardoor niet in het verbod van usura volgens het canonieke recht, terwijl voor de betaling niet de eigenaar, maar het land of erf zelf aansprakelijk was. Elke stichting eener vicarie eischtte natuurlijk eene dotatie, in vaste en er aan verzekerde eigendommen of inkomsten, waaruit de priester zijn onderhoud en de belooning zijner diensten moest putten; wie diensten vorderde moest daartoe de middelen aanwijzen; ook konden de inkomsten van reeds gestichte vicariën vergroot of vermeerderd worden, wat vooral gebeurde door dat de stichter bij zijn dood de stichting uitbreidde, die hij reeds bij zijn leven had gevestigd.

Waar nu door den bisschop eene stichting tot een beneficium ecclesiasticum gemaakt werd onder een bepaalden titel, daar werden de daartoe behoorende inkomsten bona ecclesiastica, (1) zij kwamen onder beheer en toezicht der geestelijken en werden onvervreemdbaar. Dat dit veelal plaats had, waar met de vicarie eene cura animarum verbonden was of hare stichting met do oprichting van een kapel of altaar gepaard ging of in de kapittelkerken zij tevens tot verhooging van de dienst bestemd was of wel eindelijk het patronaatrecht aan geestelijke corporation of waardigheden was verbonden (vicariae juris ecclesiastici), spreekt van zelf. De wijding eener kapel of van een altaar, de opdracht eener vicarie aan den Deken, den proost, de oudste kanunniken, het collegie, maakte die tot eene geestelijke stichting en bracht de goederen onder geestelijk beheer, vooral daar zulks zonder

(1) Vicaria ut sit beneficium, debet per Episcopum erigi in perpetuum titulum beneficii. van Espen, I, blz. 772. Vgl. Verloren, blz. 105.

-ocr page 20-

14

medewerking der geestelijke overheid niet kon geschieden, die door er in toe te stemmen, de kapel of het altaar sub invo-catione te wijden, de diensten aan te nemen, de aan het altaar verbonden goederen tevens tot geestelijke goederen maakte, die voor altijd en onvervreemdbaar daaraan verbonden bleven. Zulke goederen werden dan gezegd gemortifieeerd te zijn, (1) zij moesten altijddurend voor de aangewezen kerkelijke diensten worden gebruikt en tot geen ander doel worden aangewend.

Anders was het bij die talrijke vicariën, die op bestaande altaren gesticht, hetzij voor den dienst een afzonderlijk Priester was aangewezen of niet, oen meer bijzonder privaat karakter droegen. Hier hing het van de stichters af of zij bepaalde goederen, rechten of inkomsten er voor aanwijzende, het beheer daarvan aan den telkens aan te wijzen vicaris zeiven wilden opgedragen zien of wel dit beheer aan zich zeiven en hunne opvolgers voorbehielden. Hier had men wel te doen met goederen en inkomsten door den eigenaar tot een bepaald voortdurend doel aangewezen en aan welke eene vaste bestemming was gegeven, maar de goederen zeiven bleven de natuur behouden van bona laicalia, wier eigendom bij de stichters en hunne opvolgers verbleef en wier opbrengsten en renten slechts tot dat doel en die bestemming moesten worden besteed. Hiervan gelden de woorden van van Espen (Jus ecclesiast, I, blz. 783, 784) Si laici missas aliquas fundaverunt, etiam cum onere sanctiones hieraticas obeuudi, si huiusmodi fundationes auctoritate Episcopi in titulum beneficii erectae non fuerint, nequaquam reputabantur beneficia, sed rc-manebant in terminis laicalis fundationis, poterantque sine episcopi institutione presbytero alicui fundationes hae ad tempus aut in perpetuum, secundum tenorem fundationis conferri. Bona quoque similis fundationis non ecclesiastica sed laicalia cense-bantur, et juxta conditionem talium bonorum ad heredes devol-ventur cum onere a fundatoribus imposito, publicis quoque oneribus non secus ac laicalia bona erunt subjecta.

(1) Zie de slichting bij Matthaeus, de fund., blz. 104. Hist. Utr. Bisdom, II, blz. 408.

-ocr page 21-

15

Het blijkt dus dat de goederen, waaruit eene vicarie hare inkomsten trok, in dit geval geene geestelijke goederen waren en dat zij niet aan het gewone beheer en de beschikking onttrokken waren, maar wel waren zij- belast met eene voortdurende uit-keering tot een bepaald doel.

§ 7. Patronen.

Wie eene vicarie stichtte, van welke soort ook, ontleende aan de dotatie daarvan de bevoegdheid liet jus patronatus van deze vicarie uit te oefenen. Dit recht omvatte de bevoegdheid om dengenen aan te wijzen bij het openvallen van eene vicarie, die de diensten waarnemen en de inkomsten genieten zou (1). De uitoefening van dit recht was de praesentatio, terwijl de prae-sentatus, de aan do geestelijke overheid voorgestelde, dan door deze moest ingeleid en in het bezit der vicarie gesteld worden. Het sprak tocli van zelf dat de kerk waken moest, dat gcene ongequalificecrden of onwaardigen met kerkelijke diensten belast werden.

Dit jus patronatus of praesentationis kon de stichter voor zich en zijne erfgenamen houden, waarbij liet opmerking verdient , dat dan do erfopvolging in dit recht als een erfopvolging in leenrecht werd gerekend te zijn bedoeld (2), of wel hij kon het terstond of na zijn dood aan anderen opdragen en schenken. Dit laatste geschiedde op verschillende wijzen. Veelal knoopte de stichter dan het jus patronatus of aan eene geestelijke of aan eene wereldlijke waardigheid of wel aan beide vereenigd. Zoo vinden wij in de kapittelkerken te Utrecht vicariën te begeven door deken en kapittel (3), door den deken alleen (4)

(1) Est itaque jus patronatus, potestas praesentandi institupiirlura ad beneficium vacans. Lancelottus, Inst, h. Tit. Canisius, Summa juris canonici. Tit. XIX, b!z. 235.

(2) Ver Loren. blz. 108 sq.

(3) St. Mariekerk, Beschr. Utr. Bisd. 1, blz. 213. Matth., fund., blz.131.

(4) Dom, Matthaeus, fund., blz. 28, I, blz. 95 Hist. Utr. Bisd.

-ocr page 22-

16

door den proost (1), door de drie oudste kanunniken (2). Ook buiten de kapittelkerken zelve hadden deze collegiën talrijke beneficia van verschillenden aard, ook vicariën, te vergeven waarbij deken of proost of collegie het jus patronatus uitoefende, waarmede van zelf een toezicht op het beheer der goederen verbonden was. Wijders vinden wij dit recht gegeven aan den pastoor der kerk (3), aan de kerkmeesters, soms aan pastoor en kerkmeesters te zamen (4) waarbij do kerkmeesters het beheer der goederen schijnen gevoerd te hebben, althans in de Buurkerk te Utrecht was eene vicarie, die uitbetaald werd door de kerkmeesters (5). Ook was het patroonaatregt aan kloosters soms gegeven. Eene vicarie te Abcoude begaf het regulierenklooster te Amsterdam, dat de goederen beheerde (6), eene te Rhenen begaven de conventen van St. Caecilia te Utrecht en St. Jan te Amersfoort (7) eene te Westbroek begaf de abdis van vrouwenklooster, eene te Baarn was ter begeving van den paus en van den abt van St. Paulus (8). Zulke vicariën, waaraan geestelijken het jus patronatus, als een gevolg van hunne geestelijke waardigheid toekwam, werden vicariae juris ecclesiastici genoemd. Wereldlijke patronen vinden wij ook van verschillenden oorsprong. Te Woerden was eene vicarie ter begeving der stedelingen (9). Te Utrecht was de begeving der vicarie in de Raadskapel in de Buurkerk aan Burgemeesters der stad opgedragen, met de twee overste oudermannen (10). In Eemnes begaven Burgemeesters met de Kerkmeesters die de

(1) Hist. Utr. Bisd. I, blz. 249. Matth, fund., biz. 1H.

(2) Matthaeus, fund., blz. *25.

(3) Htst. Utr. Bisd. I, blz. 287.

(4) Hisl. Utr. Bisd. 1, blz. 3H.

(5) Hist. Utr. Bisd. I, biz. 284.

(6) Hist. Utr. Bisd. II, blz. 425.

(7) van Bemmel, Amersf. I, blz. 195,

(8) Hist. Utr. Bisd, II, blz. 132.

(9) Hist. Utr. Bisd. II, blz: 348.

(10) Matthaeus, fund., blz. 1G2—163, Hist. Utr. Risd. I, 299, C86.

-ocr page 23-

17

goederen beheerden, eene vicarie, (1) ditzelfde was ook zoo te Rhenen, (2) te Breukelen begaven de Burgemeesters van Utrecht met den heer van yenrode eene vicarie (3). Waar broederschappen vicariën gesticht hadden waren de broeders veelal ook de patroni, en even zoo waar dit door gilden was geschied, en ontvang de vicaris uit handen der overlieden of hoofden zijne inkomsten. Ook bijzondere personen droegen soms het patronaat-recht van door hen gestichte vicariën aan zulke collegiën, aan Kerkmeesters of Burgemeesters op. Bij andere was het jus pa-tronatus verbonden aan bezit van goederen of heerlijkheden, zoo behoorde liet patronaat der vicarie aan de Blaauwe Kapel aan het huis ter Veen, van die te Zuylen aan den heer, van die van St. Christophorus en St. Martinus aan den heer van Duurstede, van eene te Schalkwijk aan don heer van Rhijnauwen, van eene te IJsselstein aan don heer van den lande, in 1544 Keizer Karei V en namens hem Maximiliaan van Egmond, van eene andere aldaar aan don heer van Montfoort, ook van die te Woerden hadden de Burggraven van Montfoort de begeving, van de vicarie of cappellanie te Weesp had de graaf van Holland het patronaatrecht even als van die in 1198 inde St. Mariekerk te Utrecht gesticht. Eindelijk waren er vele vicariën waar het jus patronatus aan de afstammelingen of erfgenamen van den stichter behoorde, zoogenaamde bloed-vicariën.

Zooals reeds uit de opgaven blijkt, was het beheer der vicarie-goederen somtijds in handen van den patronus (4) en keerde deze alleen de jaarlijksche inkomsten aan den vicaris uit, somtijds echter beheerde do vicaris als vruchtgebruiker de goederen zelf zonder die te mogen vervreemden of er over beschikken. Dat echter dit tot misbruiken aanleiding kon geven, spreekt van zelf; reeds in het begin der 16e eeuw schijnen sommige vicariën verloren te zijn gegaan, wier goederen als bona laicalia

(1) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 154.

(2) Vicarie St. Maria-altaar. Hist. Utr. Bisd., III, blz. 107—125.

(3) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 422.

(4) Ver Loren, blz. 107.

-ocr page 24-

18

door (leu patrouus beheerd, door liet onbezet lateu der diensten, met zijne eigen goederen werden versmolten, of wel waar het beheer van den vicaris zelf de eigendommen en rechten, de inkomsten en voordeelen deed verloren gaan of verminderen, vooral ook doordien vaak dezelfde persoon meerdere vicariën bezat, die hij door anderen liet bedienen of, elders zich ophoudende, de diensten of verzuimde of door anderen deed waarnemen. Met altijd toch waakte de kerkelijke overheid streng genoeg voor de nakoming der fundatie en liet zij of het onbezet blijven der vicariën toe of verleende somtijds zelve de toestemming om vicariën te vereenigen en zaam te smelten, terwijl de patroni allicht voor zich er voordeelen uit zochten te trekken en weinig eerbied voor de oorspronkelijke stichting toonden.

§ 8. Vicarissen.

Voor eene vicarie was de fundatiebrief, de oorkonde waarbij die was gesticht, de grondslag en regel. Daarin waren de diensten aangewezen die de vicaris te doen, do plichten die liij te vervullen had, als hij met die vicarie zou worden begunstigd. Werden somtijds later, bij vermeerdering van inkomsten, de diensten vermeerderd (men noemde dit de vicarie verbeteren) steeds werd nauwkeurig voorgeschreven wat men van den vicaris verlangde, soms werd uitdrukkelijk het niet nakomen der opgelegde verplichtingen met verlies of inhouden der inkomsten bedreigd. In den fundatiebrief werden wijders de goederen en inkomsten aangewezen, die aan de vicarie geschonken de vergoeding voor den vicaris zouden opleveren voor zijne diensten. Zij werden daarbij geschonken aan het altaar of de stichting als eene altijddurende bezitting, om de voortzetting der diensten te verzekeren en somtijds, zoo de vicarie bij uitersten wil werd gesticht, uitvoerders benoemd, die voor de tot stand koming moesten zorgen. Eindelijk bevatte de stichtingbrief de aanwijzing, wie het patronaatrecht of het collatorschap der vicarie zou uitoefenen en de wijze waarop dit moest uitgeoefend worden. Meestal was een tijd bepaald.

-ocr page 25-

19

binnen welken, zoo de vicarie door den dood of door afstand, de resignatie, van den vicaris was opengevallen, de patroon een nieuwen vicaris zou moeten aanwijzen, en wij vinden er do bepaling soms bijgevoegd, dat zoo de patroon dien tijd ongebruikt liet verloopen, een ander alsdan tot de aanwijzing zou geroepen worden. Toen Rudolph van üiepholt in den Dom te Utrecht twee vicariën stichtte in 1454, benoemde hij de drie oudste kanonikkon tot collatoren, maar voor het geval dat zij niet eens konden worden of het verzuimden, zoo zouden zij hun presentatie voor dien tijd verbeuren en de oudste Burgemeester van Utrecht zou die dan uitoefenen (1). Ook vinden wij in de stichtingsbrieven de bepalingen wie tot vicarissen konden worden benoemd. Het spreekt van zelf dat zoover de diensten bijna altijd in missen bestonden, die slechts door een Priester konden worden verricht, en \'dus de vicaris de priesterwijding moest hebben ontvangen. Daar evenwel dikwijls de inkomsten niet groot waren of men de ruimte der benoeming wilde uitbreiden, werd meestal bepaald, dat ook zij, die nog niet de priesterwijding ontvangen hadden, zouden kunnen worden benoemd zoo zij zich verplichten wilden binnen s\'jaars Priester te worden. Somtijds echter werd de keus van den vicaris nauwer bepaald door de bijvoeging dat die bij voorkeur uit de bloedverwanten van den stichter of van den Patronus moest gekozen worden, zoo onder deze een Priester gevonden werd of iemand die zich te bekwamer leeftijd tot Priester zou laten wijden, (2) waardoor dus zulk eene vicarie lang kon openstaan en misbruiken gemakkelijk konden insluipen.

De vicaris, door den patronus aangewezen aan de kerkelijke overheid, moest door deze worden aangenomen en in het bezit zijner vicarie gesteld. In de kapittelkerken waren het de Deken en het kapittel, die den vicaris moesten aannemen en inleiden, in de parochiekerken, klooster-en gasthuiskerken en kapellen geschiedde

(1) Hist. Utr. Bisdom, I, blz. 102.

(2) Een voorbeeld bij Ver Loren, blz. 108.

-ocr page 26-

20

dit door een door den bisschop daartoe aangewezen Priester, (1) waarbij de vicaris den eed moest afleggen van getrouwheid en gehoorzaamheid on van de goederen der vicarie niet te zullen vervreemden. Waar evenwel de goederen bona laicalia waren gebleven, schijnt zulk eene inleiding niet te hebben plaats gevonden , maar was het genoeg als de patronus laicalis de diensten aan een priester opdroeg en hem de inkomsten toezegde, zoo dat daar het verleenen eener vicarie den vorm aannam van een overeenkomst tusschen den patronus en een priester, die slechts van zijne bevoegdheid tot de diensten aan den Parochiepriester had te doen blijken (2).

Overigens kon do gewone vicaris de diensten of zelf verrichten of door een ander, daartoe bevoegd doen verrichten, althans zoo met zijne diensten geen koordiensten waren verbonden of hij geen cura animarum had, zoodat dezelfde Priester meerdere vicaricn, op verscheiden plaatsen, somtijds bezat, waarvan hij afwezig zijnde de diensten overdeed.

Ook kon de vicaris zijne vicarie opgeven, resigneren. Somtijds schijnt dit geschied te zijn ten behoeve van een bepaald persoon, dien hij met de inkomsten wilde begiftigen; wellicht was dit dan mogelijk, als de patronus niet meer bekend was en de vicarie daardoor eene dusgenaamde vrije vicarie was geworden. Dat toch werkelijk, bij familie-vicariën, de gerechtigde onzeker kon worden of wel geheel verdwijnen, zoodat men niet meer wist, wie patronus was blijkt uit verschillende voorbeelden.

Zooals de patronus ook collator heette, zoo werd de met de vicarie begiftigde gewoonlijk possesseur genoemd, en het is deze naam die na de veranderde orde van zaken in 1580 de gewone wordt.

§ 9. Overgaxg in 1580.

De vicariën, zoover de goederen bona ecclesiastica waren

(1) Zie de acte van inleiding in Hist. Utr. Bisd., I, bh. 416.

(2) Poterant sine ppiscopi institutione Pi osbytero alicui fundationes hae ad tempus aut in perpetuum conferri. van Espen, I, blz. 783.

-ocr page 27-

21

geworden, d. i. aan de algomeene regelen voor geestelijke goederen geldende waren onderworpen en daarom onvervreemdbaar en onbelastbaar waren geworden, waren stichtingen d. i. goederencomplexen, tot een bepaald omschreven eeuwigdurend doel bestemd, afzonderlijk beheerd en afgescheiden van alle andere geestelijke goederen, stichtingen binnen het gebied der kerk en onder haar toezicht geplaatst en door haar beschermd, maar met een zelfstandig karakter.

Toen, in 1580, de Tv. C. kerk, naar het gevoelen der Staten, opgehouden had in Utrecht te bestaan, en dus ook over de stichtingen, van welken aard ook, binnen het gebied dier kerk ontstaan geen toezicht langer kon uitoefenen, niet langer kon waken, dat die stichtingen aan haar doel beantwoordden, terwijl dat doel zelf vervallen was, ontleenden de Staten aan Art. 13 der Unie van Utrecht de bevoegdheid voor zich, om zich in de plaats der R. C. kerk te stellen en zoowel toezicht als bestemming dier stichtingen en harer goederen zich aan te trekken, terwijl de vraag: wie nu verder eigenaar dier goederen was, niet bij hen opkwam, omdat zij vooreerst die stichtingen, als zoodanig lieten voortbestaan. Het was den Staten te doen om tot conservatie van de goederen der geestelijkheid ordre te stellen op dezelve geestelijkheid en hare goederen. Daarom besloten zij reeds 6 Mei 1580 om te verbieden dat geestelijke goederen zouden worden vervreemd, belast of bezwaard en om te eischen opgaaf van de daartoe behoorende goederen, met overlegging van de registers en de rekeningen, wat op G Juni 1580 werd bevestigd. In de „Memorie om te stellen ordre op de geestelijkheid ende hare goederenquot; van hetzelfde jaar stellen de Staten zich dan ook geheel op het standpunt van toezicht en regeling van bestemming. Zij willen geen vervreemding of belasting van geestelijke goederen dan met hunne toestemming (zoo als die vroeger door den bisschop moest gegeven worden), geen verleening van eenige inkomsten uit geestelijke goederen, dan aan personen hun aangenaam en door hen goedgekeurd, (zooals vroeger dit recht den bisschop toekwam) en zij bepalen,

-ocr page 28-

22

dat men die vicariën zal appliceren tot ministers en dienaars van Gods woord of ad studia op te richten Seminaria, terwijl de inkomsten van de openvallende vicariën in de parochiekerken van Utrecht zullen gebruikt worden tot onderstand der Predikanten aldaar.

Om nu tot kennis te komen van do in de steden en op het platte land bestaande beneficia en vicariën zou men de schouten en gerechten, de collateurs en de possesseurs op boete van 25 gulden bevelen aan de Staten opgaaf te doen van al zulke beneficiën en van de daartoe behoorende goederen en inkomsten, ook waar de bona zelf laicalia gebleven waren, zoo op het platte land als in de steden. Daar vele vicariën gesupprimeerd en verdonkerd waren en de goederen tot wereldlijke zaken en particulier profijt waren gebruikt of de renten niet meer waren uitgekeerd, zou men onderzoek er naar doen en de goederen weder te voorschijn zoeken te brengen om die, onder goedkeuring der Staten, tot Godvruchtige zaken te gebruiken. Men wilde dat de stichtingsbrieven zouden worden overgelegd. Het was te doen om tot volledige kennis te komen van het bestaande, van de goederen, van de collateurs en possesscuis die ze op dat oogenblik beheerden, niet om hun iets te ontnemen, men wilde den patronen of collateurs hun recht doen behouden, maar om toezicht te kunnen houden en de bestemming, naar de veranderde omstandigheden, te regelen ten bate der nu heerschendo kerk. Daartoe behoorde ook de bepaling dat ■/» der inkomsten van de vicariae laicales, die wereldlijke collators te vergeven hadden, zouden moeten gebruikt worden tot onderhoud der Predikanten en andere kerkedienaren, de overige Vj door de collateurs zouden moeten gegeven worden, onder goedkeuring der Staten, aan personen, bekwaam, ad studia.

Hadden de Staten in 1580 hun plan kunnen uitvoeren, zij zouden in het bezit zijn gekomen van een volledigen staat van alle geestelijke goederen en van de inkomsten der geestelijke en andere stichtingen, van welken aard of oorsprong ook, maar zij ondervonden weldra bij de uitvoering van alle zijden tegen-

-ocr page 29-

23

stand. De kapittelen te Utrecht wisten er zich aan te onttrekken, behielden het beheer en de beschikking over hunne goederen en inkomsten, waartoe ook de vicariën in de kapittelkerken behoorden, en onttrokken die tegen eene vaste jaarlijksche bijdrage tot de tractementon der Utrechtsche Predikanten aan den invloed en het toezicht der Staten. De stad Utrecht en op haar voorbeeld de overige kleine steden, heweerende dat zij over de binnen hare muren gelegen geestelijke gestichten en hunne goederen en inkomsten uitsluitend moesten beschikken, wilden van een toezicht of beheer der Staten niets weten en regelden zelve de bestemming dier goederen ten bate der Predikanten, Kosters en Schoolmeesters, en stonden den Staten hoogstens slechts de goedkeuring hunner rekeningen toe (1). De collateurs en possesseurs van vicariën onttrokken zich zooveel zij konden aan de opgaaf die van hen geeiseht werd en zochten daardoor zich eene van de Staten vrije beschikking tc bewaren, zich aan uitkeeringen te onttrekken of meester te blijven van de bestemming, waarbij nog kwam dat die collateurs en possesseurs, die R. C. waren gebleven, natuurlijk de maatregelen der Staten zochten te ontduiken en de goederen zochten te onttrekken aan hun inmenging. De strijd en de tegenstand openbaarde zich niet alleen buiten de Staten, maar tüsschen do verschillende leden, de geëligeerden (uit de kapittelen) de Ridderschap en dc steden.

Bij het Redressement van 1586 verklaarden die van Amersfoort, Rhenen en Wijck dat zij geresolveerd waren d\'administratie van de geestelijke goederen in haar steden thuis behoorende zelfs aan zich te behouden, mogende lijden dat die van do stad Utrecht van gelijken deden (Art. 4), en aan die verklaring hebben zij zich gehouden, alleen eene jaarlijksche rekening overzendende om door do Staten geëxamineerd te worden, opdat deze zich zouden mogen overtuigen dat die inkomsten overeen-

(1) Reeds in 1582 schreven de heeren van Wijck aan de Staten, dat zij zelf het klooster aldaar administreerden. Het werd hun toen wel verboden, doch vruchteloos.

-ocr page 30-

24

komstig de bestemming door de Staten bedoeld, besteed werden. De zelfstandigheid en het eigen beheer door de kapittelen van Utrecht over hun goederen te voeren, werd daarbij ook uitdrukkelijk erkend, en er bleef dus voor de Staten alleen over, dat alle de goederen van pastorijen en vicariën, kapellen, broederschappen, kerken- en kosterygoedoren en voorts alle andere beneficiën in de kerken ten platten lande, mitsgaders de penningen die de vijf kapittelen zouden contribueeren tot onderhoud der ministers, zouden worden gebracht onder hun toezicht en beheer en door een rentmeester van hunnentwege worden geadministreerd.

Het gevolg van dien toestand was dus, dat de vicariën in de Kapittelkerken van Utrecht bleven onder beheer en toezicht van de kapittelen dier kerken, dat de vicariën in de parochiekerken van Utrecht, van Amersfoort, Rhenen en Wijck kwamen onder beheer en toezicht der regeering dier steden, dat de vicariën in de parochiekerken ten platten lande kwamen onder toezicht en beheer der Staten.

Nu is het wel waar dat de Staten bij de aanstelling van den eersten rentmeester der geestelijke goederen, van dit zelfstandig beheer der geestelijke goederen in de steden nog niets weten wilden, en hem aanstelden in 1587 „tot den ontfang van alle pastoriën, vicariën, capellaniën en andere gebeneficeerde goederen, mitsgaders van alle goederen van alle broederschappen in de stad, steden en Landen van Utrecht gelegen,quot; maar de steden hielden vast aan hare verklaring en de Staten hebben er feitelijk eindelijk in berust (1).

Wij beginnen dus met het bestuur en toezicht der Staten.

§ 10. Beheer der Staten.

Gedurig en met aandrang en bedreiging hadden de Staten op de aangifte van alle geestelijke goederen aangedrongen, zij wilden weten welke stichtingen bestonden, welke goederen die

(1) Ver Loren, blz. 165, -168, 198. De stukken, in dit werk uitgegeven, onderstel ik genoeg bekend.

-ocr page 31-

25

bezaten, zij -wilden, voor zoover aan bijzondere personen of familiën daarop patronaatsrecliten toekwamen, die onder hun toezicht plaatsende toch eerbiedigen en verlangden slechts een derde der inkomsten voor de behoeften der nu heerschende kerk, terwijl waar geen bijzondere personen collateursrechten hadden, de Staten zich zeiven de beschikking er over voorbehielden (1). Floris van quot;Weede door de Staten tot rentmeester benoemd,

(1) Van de moeiten die de Staten zich hierbij gaven, vinden wij nog de bewijzen op het Provinciaal archief. Daar treffen wij aan: 13 Maart 1582 een bevel om op te leveren staat van alle vicariën en derzelver goederen, possesseurs en collateurs in de parochie-kerken van Utrecht en in hetzelfde jaar een algemeene aanschrijving ter inlevering van die gelegenheid van alle geestelijke goederen in alle kerken « soe collegiale als parochiale ende capellen in der steden ende lande van Utrecht gelegen.» Den 6 April\'1584 riepen Gedep. Staten persoonlijk op die kerkmeesters om te declareren alle possesseurs van pastoriën , vicariën , beneficiën en offlciën in eenige kerken ofte capellen ten platten lande

Ook met enkele weigerachtige personen correspondeerde men. Toen men geene opgaven van Maarssen ontving, deden Gedeput. ter directie van de geestelijke goederen insinueeren, om als nog binnen drie dagen opgaaf te doen, dit geschiedde in Maart 1583, maar dit schijnt nog niet genoeg voldaan te hebben, want 22 Maart 1584 schreven zij Jan van Osch pro-sesseur van de vioarie op St. Nicolaasaltaar te Maarssen aan om persoonlijk voor hen te compareren. Later vroeg Maarssen remissie van de uitkeering der tertiën.

Even zoo schreven zij den 5 April 1584 den possesseur van de vicarie te Driebergen, Thomas van Hoern aan om opgaaf der inkomsten te doen. Karakteristiek voor den toestand toen is de briefwisseling met Heer Joost van Mijnden over de vicarie op den huize Loenersloot. In 1585 schreven Gedep. hem aan als patronus, om over te leveren die fundatie van die vicarie op ten huize Loenersloot ende daer beneffens pertinente inventaris van allen den goederen tot deselve vicarie behoorende «ook dat de possesseur daarvan het derde deel der inkomsten zou betalen. » Zijn antwoord is, dat de fundatiebrieven weg zijn en verloren, dat in 1571 zijn bastaard-oom, die bezitter der vicarie was geweest ,■ was overleden, dat diens zoon , daarna possesseur, te jong was geweest om de goederen te beboeren, dat diens mombers de vruchten hadden genoten, dat hij er verder niets meer van wist , maar het berichten zou als hij er iets van vernam. Dit schijnt echter nooit gebeurd te zijn.

-ocr page 32-

26

deed de eerste rekening over 1586—1587 geheel ingericht naar een gelijktijdig opgemaakten staat.

Uit deze rekening blijkt ons dat do kapittelen te Utrecht door hun secretarissen opgaaf hadden gedaan van de in de kapittelkerken bestaande vicariën, die ter begeving en onder beheer des kapittels stonden en waarvan dan ook slechts de goederen en de possesseurs worden aangewezen (1). Alleen bij ééne vicarie in Oude Munster worden als collators genoemd de Deken en de Schout van Utrecht. In St. Pieter vinden wij eene familie-vicarie vermeld, maar alle schijnen door het kapittel of den Deken of den Scolaster vergeven te zijn. In St. Jan waren er drie vicariën juris patronatus, met eigen goed eren , niet bij de kapittelgoederen gerekend. In St. Marie was eene stichting ad studia, wier bezitting toen door den vader des possesseurs beheerd en verhuurd werd. Een quota der opbrengsten had Floris van Weede slechts van een paar possesseurs ontvangen. Van de overige ontving hij niets.

Ook de vicariën in de Utrechtsche parochiekerken vermeldt hij in zijne rekening, (2) maar hoogst onvolkomen. Klaarblijkelijk is Floris van Weede van deze vicariën slechts de possesseurs en de collateurs te weten gekomen en bij sommige slechts is het hem gelukt ook meer of min volledig de goederen op te sporen. Zoo geeft hij bij zes vicariën der Buurkerk goederen op, maar zegt dan bij de vicarie op Vredenborghs altaar: „Do goederen behoorende aen dese vicaiye en syn alsnoch niet aengebracht, sullen oversulks myn Ed. Heeren den possesseur belasten dieselve aenbrenginge als noch te doen, waeromme desen rendant alhier plaets heeft gelaten, om deselve goederen in toecomende tyden aldaer te mogen stellen, gelyck oock gedaen wort opte naevolgende vicaryen daervan geene aenbrenginge gedaen en is waerdoor dit voors generael gestelt wortquot;. En werkelijk nu volgen van de meeste vicariën in de parochiekerken bloote vermel-

(1) Ver Loren, blz. 223.

(2) Ver Loren, blz. 228.

-ocr page 33-

27

dingen met bijvoeging alleen van collator en possesseur. Bij eene in de St. Jacobskerk voegt hy nog de opmerking bij: „ heeft desen rendant vernomen door syn neerstige ondersoekinge, dat aen dese vicaiye bebooren xnu merges landt gelegen tot Abcoude, zonder te weten wie deselve althans syn gebruickcnde ende wat deselve jaers syn goedendequot; (p. 282 verso). Ook van de gastliuis-vicariën in Utrecht had van Weede geene opgaaf verkregen en dit verwondert ons niet bij het verzet dor stedelijke regeering om den Staten inzage of invloed op het beheer der geestelijke goederen in de stad te geven. Vollediger zijn de opgaven der vieariegoederen te quot;Wijk bij Duurstede (p. 172 verso) te Rhenen (p. 179 recto), Montfoort (p. 159 verso), maar van die te Amersfoort (p. 192 verso) was volstrekt geene aanbrenging gedaan. In de rekening van 1618 (1) komen dan ook in het geheel geene vicariën of ontvangsten daaruit in de steden meer voor.

Ook van het platte land was de aanbreng der geestelijke goederen ver van volledig en geen wonder, want ook hier vond men op vele plaatsen nog Koomsche geestelijken of vicarissen, die weinig genegen waren tot opgaaf of betaling van tertiën, en vooral bij vicariën wier bona laicalia waren schijnt de meening bestaan te hebben, dat of de verplichtingen vervallen waren door het ophouden der diensten of do patroon alleen met den vicaris, niets met de Staten te doen had. Opmerking verdient het dat de Staten nimmer op de inkomsten of bezittingen der vicariën aanspraak maakten, maar alleen gekend wilden zijn hij de vergeving, bij den verkoop dor daartoe behooronde goederen en een gedeelte der opbrengst verlangden uitsluitend voor de behoeften der Predikanten en aanvulling der opkomsten uit de pastory-goederen, daarvoor geheel bestemd.

Te Amerongen vond van Weede pastorie en vieariegoederen gein-

(1) Deze rekening, op het Provinciaal archief eerst na de uitgaaf van het werk van den Heer Ver Leren gevonden, werd mij door de goedheid van den Archivaris, Mr. L. Muller, bekend.

-ocr page 34-

28

corporcord bij het Kapittel van St. Pieter te Utrecht on weigerde dit elke opgaaf. Van Leusden ontving hij de opgaaf en inkomsten der pastorygoederen, niet die der Kostery en de daar bestaande viearie van Onze Lieve Vrouw (1) bleef verzwegen, even als nog in 1618. Lambertus Brinxius was er toon Predikant. Van Leersum kreeg hij alleen opgaaf der pastorij en kosterijgoederen. Eerst in 1614 kwam te Leersum een Hervormd predikant en met deze gemeente bleef Amerongen tot 1699 gecombineerd. Te Overlangbroek waren alleen twee pereeelen land aan de pastorij beboorende Floris vau Weede bekend. De viearie daar van St. Thomas en St. Laurentius (2) was hem verzwegen. Trouwens nog in 1593 was Steven de Kruyff daar pastoor die als possesseur ééner viearie te Doorn in de kapel te Darthuizen dan ook in de rekening van 1587 vermeld wordt, wier inkomsten niet worden opgegeven. In de rekening van 1618 wordt wel Ploos van Arnstel als collator en Steven Gijsberts als possesseur genoemd maar ook toen zonder opgaaf van inkomsten. In Neder-langbroek stond de Predikant Anthonis van Bommel, die toen de opbrengsten der pastonjgoederen en do tertiën der daar gevestigde viearie in mindering van gagie ontving (wellicht was luj er vroeger pastoor geweest). In de rekening van 1618 wordt hij, Antonis, als possesseur genoemd en de Domproost als collator. Daar zijn ook de goederen opgegeven. De viearie echter aan de Kapel van Stoutenberg, wier goederen wel bona laicalia waren „ als waer men plach in voir tyden een capellaen te houdenquot; was niet aangebracht. Te Doorn was Antoni Daniels eerst pastoor geweest en nu Predikant, en was do inkomsten dor pastorijgoederen blijven genieten in mindering van gagie. Er was ook nog eene viearie, wier goederen worden opgegeven, waarvan toen patronus was Bartolomaeus van dor Waell, heer van Moersbergen , van wien mon echter beweerde, dat hjj eerst omstreeks 1567 het patronaatsrecht had gekocht of aan zich gebracht, terwijl

(1) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 516.

(2) T. a. pi., II, blz. 200.

-ocr page 35-

29

hij vroeger daarop geenerlei recht had, en wel onder belofte, dat hij een huis voor een kapellaen schoolmeester zou laten bouwen, posses-seur was intusschen Jan van der Waell, een zoon of bloedverwant waarschijnlijk, die geen uitkeering van tertiëa had gedaan. In 1618 werden echter de tertiën ontvangen. Van de vicarie te Drieborgen worden ook wel de goederen maar geen uitkeer] ngon vermeld, zij werden in 1618 ontvangen, toen was de stadhouder collator en Hendrik Ewoudsz. possesseur, eerst in 1651 kwam daar een hervormd Predikant. In 1597 trok ook de Predikant van Zeist daaruit, wegens het mis-brood, eenig onderhoud. Die Predikant van Zeist was in 1587 Cornelius Anthonii, vroeger pastoor, die de pastorijgoederen gebruikte als gagie. Eene vicarie op St. Petronella-altaar was in de kerk aldaar ter begeving van Jonkh. Maximiliaen van Ziericzee Maerschalk ter Eem, in 1618 van Frederik van Berghen, heer van Coninxvnj, en waarvan tot 1588 possesseur was de zoon van Jasper van Teylingen binnen Utrecht „sonder eenigen dienst daervan te doen ofte laten geschieden.quot; AVio er later possesseur van was, blijkt niet, goederen bleven onbekend. Van de vicarie te Blauwkapel, behoorende aan het huis ter Veen aldaar, was geen opgaaf geschied. Van deze vicarie weten wij echter dat reeds in 1593 landerijen verkocht zijn voor f 400, en dat die bleef voortbestaan tot 1777, toen bij besluit der Staten van Utrecht van 4 Maart en 18 April die is gemortificeort en de goederen door de erfgenamen van Mevrouw Meerman, geboren Hope, zijn verkocht en de prijs geeigend is. Er was te Blauwkapel in 1640 een Predikant gekomen, die echter uit deze vicarie nooit iets genoot. Te Cothen vinden wij alleen pastorygoederen, die dienden tot alimentatie van den vroegeren pastoor (een Predikant was er niet) en kosterijgoederen. Te Odijk was een schaemele pastoor, die bij anticipatie reeds de inkomsten der pastorijgoederen had opgebeurd tot 1588 en zelf die goederen opgaf. Ook was er een kosterij, waarvan de collatie behoorde aan het huis Beverweerd en waarvan de goederen worden vermeld met bijvoeging „Vicaryen ende Broederschappen zyn aldaer niet.quot; Ook

-ocr page 36-

30

te Bunnik had de schaemel pastoor de inkomsten der pastorijgoederen al vooruit genoten en men liet uit commiseratie die der kosterygoederen aan de weduwe van den koster. Predikanten waren te Odijk, Cothen en Bunnik nog niet. Ook te Werkhoven was het nog de pastoor die de pastorijgoederen benuttigde, maar in 1618 werden de tertiön van eene capellanie of vicarie verantwoord. Van de vicarie op den huize Beverweert (1), waarvan in 1587 possesseur was Hendrik Rousing, wonende te Luik en organist aldaar, worden de goederen en inkomsten, zoover de possesseur die niet geïnd had, verantwoord, trouwens die possesseur bevond zich in s\' vijands land en had daardoor alle recht op de inkomsten verbeurd. De opgaaf der goederen schijnt echter onvolledig geweest te zijn, want in 1618 wordt gezegd in de rekening dat de goederen niet aangebracht waren. Van de kapel aan den Dwarsdijk en de vicarie aldaar werden goederen vermeld en inkomsten ontvangen, in 1588 was er possesseur van Evert van Cordescoort en Collatrix de vrouwe van St. Servaas te Utrecht. In 1593 vinden wij aldaar een vervallen kapelletje met een paep als vicaris, en stond de denominatie aan de omwonenden en de collatie aan den heer van den lande (de Staten?). Die opgaaf schijnt echter onjuist, want in 1618 wordt weder de Abdis van St. Servaas als collatrice vermeld bij de verantwoording der tertiën. Te Schalkwijk was de graaf van Kuilenburg collator van de pastorij en was de pastoor tevens vicaris, koster en secretaris nog in 1593, het was dus natuurlijk dat die graaf van Kuilenburg er de inkomsten der pastorij-goederen opbeurde, voor Ploris van Weede was daaruit en uit de goederen der drie vicariën niets te ontvangen (2) evenmin als hij in tGroy, waar ook een arm pastoor de inkomsten schijnt genoten te hebben, uit de pastorijgoederen en andere iets kon verantwoorden. In de rekening van 1618 worden echter de tertiën verantwoord van eene vicarie te Schalkwijk, waarvan

(1) Matthaeus, de jure gladii, blz. 347, hist. Utr. bisdom, II, blz. 193.

(2) Vgl. Ver Loren, blz. 171.

-ocr page 37-

31

de collatie behoorde aan den jonkheer van Schonauwen. Ook te Houten waren de inkomsten der pastorijgoederen door den pastoor, die der kosterij door den koster genoten. Eene vicarie wordt daar in 1587 niet vernield, ofschoon in 1593 vermeld wordt, dat toen eene vicarie was aangeslagen om de kerk te herstellen. Van Hondswijk was aan Floris van Wcede niets bekend geworden, als dat er ook eene vicarie was. In l\'jlS betaalde de gewezen Pastoor als vicaris het \'/j vai1 opbrengst van 8 mergons land. Te Tul ende tWael beurde een oud schamel pastoor, die niets anders had om van te leven, de inkomsten der pastorijgoederen. To Vreeswijk was Evert Tonisz. pastoor geweest. Petrus Berck was cr nu do eerste Predikant, beide hadden opvolgelijk de inkomsten der pastorijgoederen genoten , de laatste komt ook voor onder de Predikanten aan wie tractement was uitbetaald. Van Eemnes buitendijks worden drie vicariën zonder opgaaf van goederen vermeld. Te Eemnes binnendijks was nog een pastoor Jacob Gysbertsz. „ende heeft een huerling genaemt heer Jan Lenardus van Leendt ende wordt betaelt by den Kerkmeesters ende die colator is mijn heer die Proost van St. Paulus t Utrecht.quot; Hij genoot nog de inkomsten der pastorijgoederen even als de koster die der kosterijgoederen. Er was eene vicarie „daer jaers niet meer toe en staet dan ij Philips guldens als den dienst gedaen wort ende anders niet.quot; Te Soest was Christianus Lennepeus Predikant, maar de pastorijgoederen waren vereend en werden niet ge-specificeert, vicariën waren er niet, alleen twee broederschappen, die arm waren. Te Baarn was nog pastoor Gecrloff Hendriksz., eu eene vicarie waarin noch collator noch possesseur vermeld worden. Ia 1G18 betaalde de Burgemeester 2 pond als tertie.

Tc Woudenberg gebruikte de pastoor nog de pastorijlanden en van de vicarie was possesseur Juriaan van Hollant te Wijk ad usum filii Cornelii de Moolre. In 1618 worden de tertiën verantwoord. Te Bunschoten was nog een pastoor, die door de gemeente onderhouden werd, en er waren daar in de kerk drie vicariën, van de eerste was alleen de possesseur Rylo van Byler

-ocr page 38-

32

bekend, van de tweede en derde worden de patronen opgegeven maar de possesseur Lambert van Zijll was weggegaan, men wist niet waarheen, en de possesseur van de andere was Jacob Moy pastoor te Laren in Goyland. Er werd van deze in 1588 nog niets ontvangen. In 1593 was er te Bunschoten een predikant, die de inkomsten van drie vicariën in mindering van gagie trok (al de inkomsten of slechts de tertiën, blijkt niet) van twee andere vicariën die er geweest waren blijkt niets (1). In de rekening van 1618 vinden wij daar eene vicarie op het H. Sacraments-altaar, patronus Gcrrit Goes, eene vicarie op St. Michiels-altaar, patronus Jan Lonarts, en eene vicarie op O. L. V.-altaar, patronus Volkerts Goes. Van deze drie vicariën werden in 1618 de tertiën der inkomsten uit landerijen betaald, of de Predikant toen de overige Vs trok blijkt niet, ook wordt van geene andere vicariën gesproken. Eene kapel of vicarie bestond te Isselt, waarvan de heer van Isselt patroon was. Deze had eene som betaald „ter goeder rekeninge van de onbetaelde darde portion van vruchten van de voorz. vicarye.quot; In 1618 worden de tertiën verantwoord. Te Abcoude waren vier vicariën. Van de eerste waren collators de regeerders van Haarlem (2) en was possesseur Jacob Aertsz. te Vreeland. De regeerders van Haarlem hadden de inkomsten ten dcele door eenen bevolmachtigden doen ontvangen, maar Floris van quot;VVeede kreeg van enkele pachters toch nog zijn derde part binnen. Van de tweede, waarvan Frederik van Renesse possesseur was, kreeg hij niets. De derde, ter collatie van den heer van den lande, werd bezeten door den voormaligen pastoor van Abcoude Geert Schijfï, die uit de inkomsten het derde deel uitkeerde, de vierde eindelijk ter collatie van Mechteld, Gijsberts dochter te Rotterdam, werd door een Jacob Willems bezeten. Aan de

(1) Hist. ütr. Bisdom, II, blz. 127.

(2) Hoe deze aan de collatie kwamen weet ik niet, want die stond vroeger aan het regulieren klooster te Amsterdam dat de goederen beheerde. Hist. Utr. Bisdom, II, blz. 425. waar de fundatiebrief van 1506 voorkomt.

-ocr page 39-

33

collatrice was toegestaan twee derden te ontvangen ad usum Jacobi quot;Wilhelmi. Een derde part was gekomen en betaald aan Joriaan Petersen, eertijds Predikant te Abcoude. Deze schijnt er niet lang gebleven te zijn, evenals zijn opvolger Jacobus Hardenborch, die uitgekocht van daar naar Harmeien vertrokken was. In 1618 worden drie vicariën vermeld, die op St. Mcolaas-altaar, collator van Renesse, die op O. L. V.-altaar, collator de Stadhouder, possesseur toen Daniel Nants, wien het Va was geremitteerd en die op St. Andries-altaar, waarvan collator en possesseur was Dirk Andreasz. die de tertiën betaalde. Van de vicaric of kapellanie te Bambrug (waar geen parochiekerk en geeno pastorijgoederen waren), waar eerst in 1633 een predikant kwam, had Joriaan Petersen ook de inkomsten geïnd. Den 8 April 1592 is bij do Staten van Utrecht geconsenteerd dat de inkomsten dezer vicarie zouden gebruikt worden ten behoeve der kapel en tot onderhoud van een schoolmeester aldaar. Te Loenen dienden de pastorijgocderen tot onderhoud van den Predikant, van de vicaric of capellanie te Loendersloot had Floris van ~Weede niet kunnen ontdekken en na hem ontdekte ook niemand er iets van. Te Ovormoer en Nederhorst stond de pastorij ter collatie van zeeckere convente in Holland, de possesseur was Jan Hermansz. een oud man, die veertig gulden uitkeerde. In 1618 stond de vicarie te Kederhorst ter collatie van den heer van Nederhorst en was possesseur Folkert van Baern, wien de Staten toen op verzoek van den heer van Bredcrode do uitkeering der tertiën remitteerden. Van de vicarie, ter begeving van Jonker Evert van Rhcede, kreeg van Woede het derde part, dat bij den Griffier van den hove van Utrecht was geconsigneerd. Te Nichtovecht had de pastoor de inkomsten der pastorijgoederen tot 1587 genoten, maar van de vicarie-goederen had men niets kunnen te weten komen. Te Westbroek stond de pastorij ter collatie van den heer van Zuylen, de pastoor aldaar had de inkomsten over 1587 nog ontvangen even als die van de om een doodslag gestichte zingende mis, van do vicarie waren de goederen en collator onbekend gebleven.

3u

-ocr page 40-

34

In 1C18 was als collator bekend Frederik van Baern, wiens zoon toon possessenr was en de tertiën voldeed. ïe Maarssen woonde de pastoor nog iu de pastorij, ofschoon er Geerardt Sceperns predikant was (1). Van de inkomsten der Broederschap, der pastorij en der vicarie aldaar had Floris van Weede eerst bij het einde zijns bestuurs eenige kennis kunnen krijgen. Van de vicarie op St. Mcolaas-altaar werden in 1618 de tertiën verantwoord. Do kapellanie tot ïienhoven, die een oud arm man bediende liet men aan hem. In 1618 waren de inkomsten er van geremitteerd aan de inwoners om de kapel te herstellen. Nog in 1593 had de pastoor van Westbroek brieven van fundatiën onder zich behouden, en waren, naar men zeide, goederen der kerk ontnomen. In 1593 vernemen wij ook dat eene vicarie te Westbroek was in het bezit van een Pieter Vereem, en stond ter collatie van de abdis van Vrouwenklooster te Utrecht, terwijl toon van eeno vicarie te Maarssen de begeving stond aan den heer van Opdam en bezeten werd door Jan van Osch. De kapellanie te Zuylen was in het bezit van Gerrits, wonende in den Haag, de goederen waren door schout en gerecht aangegeven. Bij de opgaaf der goederen van de pastorij te Breukelen vinden wij „sestien merghen lands lanck synde verduystert, daervan men bescheyt zoude mogen vinden int out scilt bouck van Caspar den Swartquot;. Van de drie vicariën aldaar worden alleen de goederen opgegeven, en hoe het Floris van Weede ging toen hij kwam om daarvan iets te innen, verhaalt hij zelf (2). Van de vicarie op den huize Ruwiel vinden wij de goederen opgegeven, maar slechts een huurder had hem

(•]) Daarmede hangt zamen de aanschrijving der Staten aan Schout en naburen te Zuylen, waarbij zij gelast worden om den predikant (van Maarssen) te openen die huisinge en hofstede aan de voors. kapelle behoo-rende om daerinne sijn verblijf ter woninge te mogen hebben ende daer beneffens denselven Predikant te betalen ofte doen betalen in mindering van sijn onderhout, het incomen van deselve Capelle so en gelijck de voors. heer Jan Jobs genoot ende ontfangen heeft.

(2) Ver Loren, blz. 172.

-ocr page 41-

35

i der huur betaald. Er schijnt toen geen possesseu.quot; te zijn geweest, want Jan Uitenbongaert wordt als leste possesseur genoemd. Ook van de vicarie van Nyenrodes Kapelle kwam hij niets te weten. Omtrent de vicariën te Breukelen bevat de rekening van 1618 nadere opgaven. Daar worden vermeld: eene vicarie of broederschap op O. L. V.-altaar, maar „ alzoo de Predikant en de Kerckmeesters verclaren dit gheen vicarye, maer een broederscap te zijn, niets ontfangenquot; — eene vicarie op St. Andries-altaar, gebruikt tot bedieninge van \'t orgel in de kerk, organist Mr. Adriaans — eene vicarie op St. Peters-aliaar, waarvan do Predikant een derde der inkomsten uitkeerde en dus 2/3 genoot — eene andere vicarie op St. Peters-altaar, waarvan possesseur was do zoon van Jan Uitenbongaert, die \'/a der inkomsten uitkeerde. Ook toen waren de goederen van de vicarie op don huize Ruwiel, die ter collatie stond van den heer van Ruwiel en bezeten werd door denzelfden zoon van Jan Uitenbongaerd, niet aangegeven even als ook de goederen van de vicarie op Nyenrodes Kapel. Te Lopick schijnt een oud pastoor de pastorijgoederen te hebben gebruikt, er was echter twist over twee kleine tientjes, die de heeren van St. Marie te Utrecht beweerden aan hunne kapelle te behooren. De pastoor bezat ook nog de inkomsten eener vicarie aldaar, van eene andere vicarie, waarvan patronus en possesseur niet opgegeven worden, vinden wij alleen goederen opgegeven. In 1593 vermeldde men dat er eene vicarie verduisterd was en dat op het patronaatschap der andere zekere van Buchel aanspraak maakte, zonder zijn recht te kunnen bewijzen. Van de Kapelle bij Lopik (Lopikker-kapel) ontbreken alle opgaven „so den rendant verstaet, dat den possesseur hem onthoudende is bij den vijandquot;. In 1618 werden al de inkomsten ontvangen door de Staten, die ook de renten beurden van een som gegeven door den heer van Sevenaer voor de school on kerkedienst, die er toen wel niet waren. De goederen behoord hebbende aan de parochiekerk in t\' Geyn beweerde het kapittel van St. Marie in dat kapittel geïncorporeerd te zijn. Te Vleuten had de pastoor de pastorij-

-ocr page 42-

36

inkomsten tot 1587 zelf ontvangen, er was echter toen een predikant gekomen Greswiuus Picardus. Ook van do broederschap aldaar was om des gevaarswille niets ontvangen, quia fera pessima venter, en van de goederen der vicarie evenmin. In 1618 wordt wel vermeld do vicarie op St. Nicolaas-altaar, collator Joh. van Wanroy heer van den Ham, maar ook toen nog waren de goederen niet opgegeven. De vicarie in de kapelle van de Haer, zijnde juris caustralis, gedoteerd en begeven door den hoer van de Haer, ten dienste van zijn huispriester, had ook niets opgebracht. Te Jutphaas was wel een predikant Joannes Antonio, maar de pastorijgoederen waren gedeeltelijk door den heer van Grend, als collator der tweede pastoorsplaats, in beheer genomen, gedeeltelijk waren, wat wij hier voor het eerst vinden, uitkeeringen geweigerd omdat de missen niet meer bediend werden en op de Aposteldagen niet meer gepredikt werd. Als possesseur wordt in 1618 genoemd Peter Harmanssoon entoen werd Va van do opbrengst van 6 morgen land verantwoord. Te Harmeien was eene commanderij of pastorij behoorendc aan de Orde van St. Jan van Jerusalem, en had de commandeur eenige penningen uitgereikt tot onderhoud van een predikant; van vicariën vinden wij geen melding, ofschoon die or schijnen geweest te zijn (1). Te Kamerik was heer Nicolaes eerst pastoor geweest en nu predikant en genoot de inkomsten der pastorijgoederen. Van de vicarie bezeten door Jan van Osch waren de goederen onbekend. In 1618 was er geen possesseur en werden alle inkomsten verantwoord. Die waren dus toen aan de Staten vervallen. De pastorijgoederen te Zegveld waren verhuurd en de pachten genoten door Anthonis Buter, kanonniek van St. Marie, als collator. Te Kockengen had Jan Poth, de laatste pastoor, de inkomsten der pastorijgoederen tot 1587 genoten, van deze en van de goederen der capellanie of diensten van O. L. V. altaar en broederschap kon Floris van Weede niet veel ontvangen.

(1) Hist. Utr. Bisd. II, blz. 487.

-ocr page 43-

37

Toch waren de Staten met den ontvang van die capellanie te vreden „als byna den darden penninek ontfangen.quot; Yan eene tweede capellanie ontving hij nog minder „door oorsake de partyen alle te samen omvillich waren om te betalen en \'t selve zeer excessive eosten zouden geweest zijn, in den recht te innen.quot; In de rekening van 1618 komt alleen voor eene vicarie, w aarvan Johan van Suylen, heer van Sevender, schout der sl:ad Utrecht, patronus was en waarvan de goederen niet waren aangegeven. Te ter Aa onderhield de jonkheer van ter Aa op eigen kosten een Predikant en gebruikte daarvoor de inkomsten der pastorijgoederen. Van Mydrecht, Thamen, C\'udelsteert vinden wij alleen eenige pastorijgoederen opgegeven, daar de Proost van St. Jan in wiens jurisdictie die dorpen gelegen waren, geene vervolging der pachters, bruikers en schuldenaren wilde toelaten. Ook van Yinkeveen vernemen wij niet meer. Te Yreeland waren de pastorijinkomsten met den Predikant quot;Wilhelmus Xegidii verrekend. De vicarie aldaar, ter collatie van den heer van Jaarsveld, bezat vele hier vermelde inkomsten, waaromtrent in 1618 de collator en possesseur Daden Grorssoon met de Staten had getransigeerd en jaarlijks betaalde. De kosterijgoederen werden door den koster gebruikt, die „van \'t begin der reformatie den Predikant aldacr geassisteerd int Psalmen te zingen en andere kerken diensten.quot; Yan Kortenhoef, Anckeveen, Willige Langerak waren geenerlei opgaven van goederen gedaan. Te Montfoort waren de inkomsten der pastorijgoederen eensdeels bij den Predikant en eensdeels by de regeerders der stad ontvangen. Do goederen van de koorheeren te Montfoort worden enkel vermeld , — van de elf vicariën aldaar waren de goederen öf niet of slechts zeer summarisch aangegeven, van drie wist Floris van Weede niets „deur oorsake mijn Ed.-Heeren de Staten doen ter tyd als noch geen sekere resolutie genomen hadden, nopende \'t gene men\' soude moeten betaelen uytte voorz. vicariën.quot; In de rekening van 1618 is Montfoort geheel weggelaten. Yan de vicarie te Linsehoten worden slechts enkele inkomsten vermeld, van de capellanie aan de Meern, waarvan collator was de heer van

-ocr page 44-

38

Bredorode melden de Staten dat „liet derden part geintquot; zou worden van den possosseiir heer quot;Willem Abrynsz.

Deze rekeningen van 1587 en 1618 doen ons derhalve een blik werpen op den toestand ten platten lande in Utrecht en toonen tevens zeer duidelijk dat de Staten van Utrecht toen volstrekt geen aanspraak maakten op den eigendom der vicarie-goederen, maar alleen op een derde der inkomsten, door collator of possesseur uit te keeren, overigens slechts de goederen er toe behoorende wilden weten om toezicht er op, zoowel wat vervreemding als beheer betrof, te kunnen oefenen, maar overigens de rechten van patronen en bezitters volkomen eerbiedigden en in stand hielden. In zoover maakten ook de Staten geen onderscheid tusschen de verschillende soorten van vicariën, maar eischten van alle opgaaf der goederen en een derde der inkomsten.

Uit beide rekeningen van 1587 en 1618 blijkt daarenboven, dat daar waar de bona laiealia waren, de patronen reeds trachtten de uitkeeringen als vervallen voor zich te behouden of er althans vrij ten behoeve van familieleden over te beschikken, en zeer noode opgaven en uitkeeringen aan de Staten deden.

§ 11. Beschikkingen der Staten.

Zoo zag het er met die opgaaf en die ontvangst der tertiën in 1587 en 1618 nog zeer onvolledig uit. Toch deden de Staten wat zij konden om de opgaven dor goederen te verkrijgen en van de eollateurs (zoo als nu de patronen genoemd worden) of van de possesseurs de tertiën te ontvangen. De toenemende behoeften voor kerken en predikanten ten platten lande, die uit deze inkomsten moesten voldaan worden, klommen gedurig en de pastorie-goederen leverden op onderscheiden plaatsen ten platten lande minder op, dan het toen aangenomen normaal-tractement van f 400. Volgens de rekening van 1618 werd dit tractement betaald aan de Predikanten van Nederlangbroek, Doorn, Cothen, Houten, Vreeswijk, Bunschoten, Soest, Breu-

-ocr page 45-

39

kelen, Lopik, Kockengen, Kudelsteert, Vreeland, Kcrtenhoef, die van Amerongen en Leersnm genoot f 4G0 even ak die van Ecmnes binnen en buiten en die van Wilnis en Vinkeveen had f 500, daarenboven hadden de predikanten die drie of meer kinderen hadden eene toelage van f 50 \'sjaars. Eene gelijke toelage van f 50 werd gegeven aan do weduwen van negen overleden predikanten, de gewezen predikant van Vreeswijk ontving /quot;200. Aan vroegere R. C. pastoors weid als alimentatie \'sjaars betaald aan dien van Overlangbroek / 07, aan dien van Honswijk f 200, aan dien van Lopikkerkapel f 75. Aan den schoolmeester aldaar werd f 127 gegeven, benevens de renten van de som van don heer van Sevender, aan den sclioolmeester en voorlezer te Zuylen werd ƒ 75 gegeven. quot;Waar derhalve de pastoriegoederen onvoldoende waren of Imlp noodig was, werden daarvoor de opbrengsten der tertiën der vicariën bestemd. Maar dit niet alleen, ook andere bijzondere uitgaven ten behoeve dei-Kerk , die nu de heerschende was geworden, vinden wij op de rekening van 1618 vermeld. De kerk te Bunschoten ontving een glas, dat f 112.50 kostte, voor Werkhoven, Schalkwijken Bunschoten wordt proponentsgagie verantwoord, waarschijnlijk voor tijdelijke hulppredikers. Aan de regeering van Amersfoort werd f 40 uitgekeerd als huishuur voor den derden predikant, die ook Leusden bediende. De predikant van Langerak over de Lek ontving alleen f 30 voor huishuur, ook do predikant van Linschoten ontving alleen huishuur ƒ 56. Gelden uit de pastoriegoederen van Kamerik en van de vicariën op St. Jans- en Agnieten-altaar aldaar werden gebruikt tot aankoop van de huizinge van den predikant van Eedcrlangbroek, wiens pastorie daarvan renten zon betalen, gelden uit landen van de pastorie te Wilnis dienden tot aankoop eener pastorie te Kockengen , onder verplichting tot rentenvergoeding. Ook beschikten de Staten in 1618 nog over de praebende claustralis van het huis ter Horst, staande ter collatie van den Stadhouder, waarvan zij de \'/j den 15 Augustus 1592 confereerden ten behoeve van den kerkendienaar te Veenendaal. Van Jonkh. Gijsbert van Harden-

-ocr page 46-

40

broiick, die zelf het recht van Dekenie genoot, ontvingen zij ook V4 van jaarpacht der landen, die hij van de Dekenie en praebendaten van het huis ter Horst gebruikte, even als zij \'/4 ontvingen van de inkomsten van dit kapittel uit landen, gebruikt door Claes Janssen op Hulshorst en Jan Jansz. op Kleyn Muers en Cornelis van Drongen buiten Zwolle. Eindelijk betaalde men ook daarentegen uit deze fondsen die uitkeeringen aan anderen, waarmede enkele vicariën of pastoriën belast waren, zoo werden aan den possesseur der vicarie te Driebergen Hendrick Ewoutssoon / 5 uitgekeerd uit de inkomsten der pastorie te Nederlangbroek en ontving Dirk Andriess. als possesseur van de vicarie op St. Andrics-altaar te Abcoude fö uit de pastorie te Westbroek. Voor de pastorie van Zeist werden gelden uitgekeerd uit Wilnis.

Deze opgaven doen ons zien hoe de Staten in 1618 over de gelden beschikten, die zij uit de vicariën trokken. De opgaven der bestaande vicariën schijnen daarna nog eenigzins vollediger geworden te zijn en „ liet kantoor der gebeneficeerde goederenquot;, zooals dit door do Staten ingesteld beheer der pastorie- en vicarie-goederen heette, ontving uit de tertiën der vicariën ten platten lande meer geregelde bijdragen. Alle bijzonderheden zijn echter onbekend, omdat de volgende rekeningen na 1618 ontbreken en wij er eerst weder eene in 1669 aantreffen. Uit deze blijkt dat toen reeds goederen aan vicariën behoorende met goedvinden der Staten verkocht waren en de gelden belegd op landskantoren, wier renten voor 2/. aan den possesseur, voor \'/3 aan den rentmeester der gebeneficeerde goederen verantwoord werden, terwijl men elders afspraken en schikkingen met de possesseurs had getroffen over de uit-keering der tertiën. Evenwel ook nog in 1669 waren er vicariën waarvan de goederen niet waren aangebracht en die dus onbekend gebleven waren en waarvan niets kon worden verantwoord. Bij andere vicariën schijnt door hot verloren gaan, hoe dan ook, der patronaatsrechten de begeving achterwege ge-

(1) VerLoren, bladz. 586 volg.

-ocr page 47-

41

bleven en de geheele inkomsten ten bate van het kantoor gekomen te zijn, daar de Staten, zoo het geen familie-vicariën waren, waarop iemand recht kon doen gelden, dan maar de begeving nalieten. Daarentegen schijnen particulieren bij de begeving van vicariën niet altijd dor Staten goedkeuring gevraagd te hebben maar daarover willekeurig te hebben beschikt; nog in 1615, 1623 en 1626 moesten de Staten het begeven van vicariën aan niet-gereformeerden verbicdeu en het resigneren er van beperken (1).

Vergelijken wij nu de rekening van 1669 met die van 1587 en 1618 dan zien wij dat te Amerongen het kapittel van St. Pieter nu eene vaste bijdrage schonk van ƒ300 voor het Predikantstrac-tement. De goederen van de viearie te Neerlangbroek waren verkocht, de prijs f 2028 belegd op hot Staten kantoor: „het ander deel van de generale middelen quot; en \'/3 der renten werd verantwoord, de 1/3 werden den possesseur Gerrit van Rhoon uitbetaald. Van de viearie op den huize Sterkenburg was ook in 1669 niets bekend geworden. Waarschijnlijk hield de heer dier goederen de inkomsten voor zijn vicaris en huispriester bestemd , nu eenvoudig in den zak. Te Doorn wordt nu de 1/3 verantwoord der viearie ter collatie van den heer van Moersbergen, de possesseur, als er een was, was onbekend. Van de viearie tot Darthuizen was ook nog niet veel bekend geworden, de Leenvolger van Joost van Amstel van Mijnden was er „collecteurquot; van. Men schijnt niet geweten te hebben, wie het was, want deze Joost van Amstel van Mijnden was de patronus van 1585, (2) en de possesseur Steven Gijsbertz was ook onbekend, er waren dan ook geen tertiën ontvangen en het ging er mede als met die op Sterkenburg. Tc Driebergen waren de goederen der viearie verkocht en de opbrengst gedeeltelijk gebruikt tot optimmering van de kerk, nieuw aldaar gebouwd, gedeeltelijk (/\' 2400) belegd op het kantoor der gorecde middelen, waarvan een derde der renten verantwoord wordt, maar na doode van den possesseur

1

Hist. Utr.-Bisd., II, bladz. 163.

-ocr page 48-

42

zon dit kapitaal gemortificcerd worden. Wie die possesseur was, wordt niet gezegd, waarschijnlijk was hij door de Staten er mede begiftigd, want noch in 1588 noch nn was eon collator bekend. Van de vicarie te Zeist op St. Petronella altaar had men alleen vernomen dat de heer van Kersbergen collateur was, inkomsten of possesseur waren in 1669 nog onbekend, misschien droeg do heer van Kersbergen die in den zak. Ook met de vicarie of kapellanie van Blaauwkapel was het even zoo. Van de vicarie te Werkhoven was men nog geen collator of possesseur te weten gekomen, de Staten ontvingen dus de inkomsten zoover ze bekend waren, geheel. Daarentegen ging het met de vicarie gefundeerd op den huizo Beverweerd, als met die op Sterkenburg, Darthuisen en andere, men wist er niets van en ontving er niets uit. De vicarie aan den Dwarsdijk was opgeruimd en de possesseur Horbrand van Schagen ontving nog slechts J/3 van een uitgang of erfpacht te betalen door den molenaar van Cothen. De landerijen waren verkocht en daarvoor betaalden die van den gerechte van den Dwarsdijk ƒ16 aan het kantoor jaarlijks, terwijl dc koopsom der andere landen tot aflossing van schuld was gebezigd. Daar de collatie aan de vrouw van St. Servaas had behoord beschouwden de Staten als hare opvolgers, zich wel gerechtigd tot zoodanige beschikking. Van de drie vicariën te Schalkwijk vinden wij er slechts twee terug, van de eerste, collator de heer van Gysenborg, werd een derde der inkomsten ontvangen, een possesseur was onbekend, van de andere, ter begeving van Jacob van Wassenaar heer van Schonauwen, gold hetzelfde. Van dc vicarie te Hondswijk wordt geen melding meer gemaakt. Te Eemnes wordt nu slechts van eene vicarie melding gemaakt, waarvan echter alles onbekend was gebleven, dc beide andere komen niet meer voor en wellicht waren die reeds gemortificeerd. In Baarn vinden wij de drie vicariën terug, van die op het Sacramentsaltaar was collator en possesseur bekend, van die op O. L. V. altaar wordt alleen de possesseur genoemd, de goederen waren verkocht, de prijs belegd tot /quot;2689 en het \'j3 der renten was ontvangen, van die van

-ocr page 49-

43

St. Micliiel waren ook do goederen verkocht en het kapitaal belegd op het kantoor, het\'ander deel der gereede middelen en \'/3 der renten werd ontvangen van het kapitaal groot /\'6927. Wie als possesseur do andere 2/3 ontving wordt niet gemeld. De vicarie of kapellanie van Isselt wordt zonder melding van patroon of possesseur vermeld, \'/a was ontvangen van Beernt Uyten Engh die dus possesseur of collator toen schijnt geweest te zijn. Er was echter ook een kapitaal van /quot;250 belegd op het kantoor van quotisatie, wellicht waren dus enkele percelen land verkocht.

Te Abcoude waren van de vicarie op St. Jacobs-altaar sommige goederen verkocht en do kapitalen belegd, waarvan de renten, zoo het schijnt, geheel door het kantoor der gebenef. goederen werden ontvangen, terwijl van de onverkochte landen Vs dor pacht werd voldaan, zonder dat blijkt wie de 2/s ontving. Hetzelfde vinden wij ook bij andere vicariën. Van die op St. An dries-altaar waren ook de goederen verkocht, maar genoot de possesseur bij speciale concessie de geheele renten van het belegde kapitaal. Ook waren de goederen van O. L. V. vicarie verkocht waarvan de geheele renten verantwoord worden, daar er noch collator, noch possesseur worden vermeld. De kapellanie te Baambrug was door de Staten reeds voor 1669 afgestaan aan den kapelmeester om uit de inkomsten de oude kapel, als kerk, te onderhouden, nadat daar in 1633 een Predikant was gekomen. Van de inkomsten der vicarie te Nederhorst was den patroon, den heer van Nederhorst, toegestaan hot derde gedeelte der inkomsten zelf te behouden ad pi os usus. Te Loendersloot was van de vicarie op het huis gevestigd niets bekend geworden. Van die op St. Anna-altaar te Nichtevecht wordt geen melding meer gemaakt. Van de vicarie te Westbroek werden nu de tertiën van den collator Jeronymus van Buyren ontvangen. Te Maarssen vinden wij alleen melding gemaakt van de vicarie van St. Mcolaas, waarvan sommige eigendommen verkocht en het geld belegd was. Hiervan ontving het kantoor de geheele renten, maar van de erfpachten, die er toe behoorden, slechts een derde. Van de kapellanie of vicarie te Tienhoven

-ocr page 50-

44

stonden de Staten van Utrecht in 1595 do iukomstei; af tot onderhoud der kapelle. Nadat er een Predikant was gekomen, bleef dit in 1669 nog zoo voortduren. Te Zuilen waren de goederen der kapellanie of vicarie verkocht en genoot het kantoor de geheele rente van het belegd kapitaal, er was dan ook geen collator of possesseur vermeld. ïe Breukelen was gebleken dat de vicarie van O. L. V. altaar eene broederschap was en op de goederen der broederschappen maakten de Staten nu geeu aanspraak meer, waarom wij die ook nergens in de rekening van 1669 terug vinden. De vicarie op St. Andries-altaar was voor het orgel en den organist gebruikt. Van de vicariën op St. Peter-altaar en door den zoon van Jan Uytenbongaert bezeten (was hij verwant aan Jan Uyten Bongaert, die in 1587 possesseur was of was de naam eenvoudig in de rekeningen gebleven ?) waren de tcrtiën ontvangen, maar van de vicariën op het huis JNyenrode en op het huis Euwiel was ook in 1669 nog niets bekend en niets ontvangen en het schijnt wol, dat de Staten bij zulke vicariën juris castralis, zooals het heet, waar do bona laicalia waren, daarin berustten. Van de kapellanie te Lopik (Lopikkorkapel) waren de goederen gedeeltelijk verkocht en alle inkomsten aan het kantoor gekomen. Van de beide vicariën te Lopik vindt men in de rekening van 1669 geen melding meer, zij waren toen wel gemortificeert. Van die te Vleuten op St. Nicolaas-altaar was niets ontvangen, waarom wordt er niet bijgevoegd. De goederen van de vicarie te Jutfaas ter collatie van den heer van Gent waren verkocht en \'/3 der renten van de belegde koopsom werd verantwoord. Te Kamerik werden alle inkomsten, huren en renten der vicarie door het kantoor genoten, er was dus geen possesseur of collator meer. Ook van de vicarie te Kockengen, ter collatie van van Zuylen van de Haar was niets ontvangen, daarentegen waren alle goederen der vicarie te Vreeland verkocht en genoot het kantoor alle renten der gekapitaliseerde koopsom. Van de vicarie op O. L. V. altaar te • Linschoten waren de inkomsten nu ontvangen. Van die aan

-ocr page 51-

45

de Meem waren de goederen verkocht en werden slechts de renten van kapitalen verantwoord.

Uit deze rekening vergeleken met de vroegere blijkt ons, dat reeds veel veranderd is. Van verschillende vicariën zijn de goederen verkocht en de kapitalen belegd op kantoren der provincie. Dat de Staten zich den eigendom der goederen zouden toeschrijven blijkt nergens, zij stellen zich met de tertiën der inkomsten te vrede en laten aan de possesseurs en de col-lateurs de beschikking over het overige. Zelfs de verkoop der goederen en de belegging der gelden hadden veelal op verzoek van deze plaats. De goederen van de vicarie van St. Pieter en St. Paulas te Breukelen waren verkocht op verzoek van Hendrik Verodeus in 1693, die van Vreeland in 1644 op verzoek van den collateur en poss. van der Muelen. Alleen waar geen patronus meer bekend was grepen de Staten in en beschikten over de goederen hetzij door de vicarie zelve te mortificeren of door te bepalen dat bij den dood van den tegenwoordigen possesseur, die aan de Staten zou vervallen, b. v. bij den verkoop der goederen van de vicarie te Abcoude consenteerden zij dat de possesseur Francoys van der Lee ook het \'j3 der inkomsten zou mogen genieten, „mits dat nae syn doot het geheel incomen ten proffyte van deesen comptoir ontfangen zal worden.quot; Trouwens waar geen patronaatrechten meer bekend waren, konden de Staten, zonder iemands recht te kwetsen, de verdere begeving doen ophouden. Bij de vicariën , waar patronen waren, schijnt het soms tot eene verdeeling gekomen, zoodat bepaalde inkomsten ter voldoening der tertiën afgestaan werden, en de patronus daardoor de vrije beschikking over de overige inkomsten behield; zelfs de kapitalen van verkochte goederen werden soms op verzoek der patronen, niet op landskantoren maar bij uitzondci\'ing op hypotheek belegd, zoo was b. v. het kapitaal der verkochte goederen der vicarie te Breukelen belegd op eene huizinge, ge-approprieerd tot twee quot;woningen in de Romerborgerstraat te Utrecht, en meermalen wordt gezegd dat de gelden belegd zijn ten behoeve van den possesseur op renten en wordt van plechtbrieven mei-

-ocr page 52-

44

stonden de Staten van Utrecht in 1595 de inkomsten af tot onderhoud der kapelle. Nadat er een Predikant was gekomen, bleef dit in 1669 nog zoo voortduren. Te Zuilen waren de goederen der kapellanie of vicarie verkocht en genoot het kantoor de geheele rente van het belegd kapitaal, er was dan ook geen collator of possesseur vermeld. Te Breukelen was gebleken dat de vicarie van O. L. V. altaar eene broederschap was en op de goederen der broederschappen maakten de Staten nu geen aanspraak meer, waarom wij die ook nergens in de rekening van 1669 terug vindon. De vicarie op St. Andries-altaar was voor het orgel en den organist gebruikt. Van de vieariën op St. Peter-altaar en door den zoon van Jan Uytenbongaert bezeten (was hij verwant aan Jan üyten Bongaert, die in 1587 possesseur was of was de naam eenvoudig in de rekeningen gebleven ?) waren de tertiën ontvangen, maar van de vieariën op het huis Nyenrode en op het huis Ruwiel was ook in 1669 nog niets bekend en niets ontvangen en het schijnt wei, dat do Staten bij zulke vieariën juris castralis, zooals het heet, waar de bona laicalia waren, daarin berustten. Van de kapellanie te Lopik (Lopikkerkapel) waren de goederen gedeeltelijk verkocht en alle inkomsten aan hot kantoor gekomen. Van de beide vieariën te Lopik vindt men in de rekening van 1669 geen melding meer, zij waren toen wel gemortificeert. Van die te Vleuten op St. Nicolaas-altaar was niets ontvangen, waarom wordt er niet bijgevoegd. De goederen van de vicarie te Jutfaas ter collatie van den heer van Gent waren verkocht en Vs dor renten van de belegde koopsom werd verantwoord. Te Kamerik worden alle inkomsten, huren en renten der vicarie door het kantoor genoten, er was dus geen possesseur of collator meer. Ook van de vicarie te Kockengen, ter collatie van van Zuylen van de Haar was niets ontvangen, daarentegen waren alle goederen der vicarie te Vreeland verkocht en genoot het kantoor allo renten der gekapitaliseerde koopsom. Van de vicarie op O. L. V. altaar te ■ Linschoten waren de inkomsten nu ontvangen. Van die aan

-ocr page 53-

45

de Meern waren de goederen verkocht en werden slechts de renten van kapitalen verantwoord.

Uit deze rekening vergeleken met de vroegere blijkt ons, dat reeds veel veranderd is. Van verschillende vicariön zijn de goederen verkocht en de kapitalen belegd op kantoren der provincie. Dat de Staten zich den eigendom der goederen zouden toeschrijven blijkt nergens, zij stellen zich met de tertiën der inkomsten te vrede en laten aan de possesseurs en de col-lateurs de beschikking over het overige. Zelfs do verkoop der goederen on de belegging der gelden hadden veelal op verzoek van deze plaats. De goederen van de vicarie van St. Pieter en St. Paulus te Breukelen waren verkocht op verzoek van Hendrik Verodeus in 1693, die van Vreeland in 1644 op verzoek van den collateur en poss. van der Muelen. Alleen waar geen patronus meer bekend was grepen de Staten in on beschikten over de goederen hetzij door do vicarie zelve te mortificeren of door te bepalen dat bij den dood van den tegenwoordigen possesseur, die aan de Staten zou vervallen, b. v. bij den verkoop der goederen van de vicarie te Abcoude consenteerden zij dat de possesseur Francoys van der Lee ook het \'/3 der inkomsten zou mogen genieten, „mits dat nae syn doot het geheel incomen ten proffyte van deesen comptoir ontfangen zal worden.quot; Trouwens waar geen patronaatrechten meer bekend waren , konden de Staten, zonder iemands recht te kwetsen, de verdere begeving doen ophouden. Bij de vicariën , waar patronen waren, schijnt het soms tot ceue verdeeling gekomen, zoodat bepaalde inkomsten ter voldoening der tertiën afgestaan werden, en de patronus daardoor de vrije beschikking over de overige inkomsten behield; zelfs de kapitalen van verkochte goederen werden soms op verzoek der patronen, niet op landskantoren maar bij uitzondering op hypotheek belegd, zoo was b. v. het kapitaal der verkochte goederen der vicarie te Breukelen belegd op eene huizinge, ge-approprieerd tot twee woningen in de Romerborgerstraat te Utrecht, en meermalen wordt gezegd dat de gelden belegd zijn ten behoeve van den possesseur op renten en wordt van plechtbrieven mei-

-ocr page 54-

46

ding gemaakt. Al de kapitalen van verkochte goederen werden echter belegd met goedvinden en onder toezicht der Staten en de renten namens hen den possesseur uitgekeerd. Minder zorg werd echter nu gedragen om patronen en possesseurs in de rekening te vermelden, do hoofdzaak was de ontvangen inkomsten en de belegde kapitalen te verantwoorden, zelfs blijkt niet dat men op het behoorlijk vergeven der opengevallen vicariën altijd naauw toezag. Waar patronen waren liet men de V3 ter hunner beschikking of van de possesseurs cu verantwoordde aan hen do 2/3 renten der belegde kapitalen, waar patronus en possesseur dezelfde was, genoot deze de ?/3, waar geen van beiden bekend waren, behielden de Staten de gchecle opbrengst voor hun kantoor. Omtrent do vicariën juris eastralis, die in de huiskapellen van Loendersloot, Sterkenburg, Ruwiel, de Haer, Nyenroden, Darthuizen, schijnt men er zich bij nedergelegd te hebben dat de hoeren dier huizen geen tertiën gaven, maar eenvoudig de goederen , bij het wegvallen dor diensten, als bona laicalia zich toeëigeuden terwijl men den heer van Nederhorst zelfs uitdrukkelijk do V3 liet behouden ad pios usus, zoo het heette.

Daarenboven ontbreken in de rekeningen van 1586/7, 1618 en 1669 de van elders bekende vicariën 1°. te Overlangbroek, van St. Thomas en St. Laurentius. 2°. Eene vicarie te Korteuhoef van O. L. V. altaar ter collatie van den heer van Jaersveld, waarvan reeds 1593 de inkomsten aan do armen gegeven waren. 3°. Eene vicarie van O. L. V. te Leusden . 4°. Eene to Hoevelaken, misschien juris eastralis. 5°. Eene te Houten, gebruikt in 1593 om de kerk te horstellen. 6°. Eene te Mydrecht, waarvan do goederen wellicht onder do pastorijgoederen zijn opgenomen, (1) even als dat bij Jutphaas is geschied.

De inkomsten van het „Kantoor der gebeneficeerde goederen,quot; bleven intusschen hoofdzakelijk bestemd om de Predikants-tractementen ten platten lande te betalen en in de behoeften van den Hervormden eeredienst te voorzien.

(1) Hist. Utr.-Eisdom, II, blz. 100, blz. 11(5, blz. 125, biz. 43G.

-ocr page 55-

47

§ 12. VliUA.NUKKD BliIIEEK.

De nu eerstvolgende rekening is van 1770, wij vinden in dien tusselientijd de vicariön verminderd. Van die te Sederlangbroek had de possesscur quot;Wernard Barbé in 1756 het \'/s afgekocht, wie nu pos-sosseur was, was onbekend. Die op Sterkenburg en Darthuizen waren onbekend gebleven, maar van eene vicarie te Doom had in 1697 do heer van Sterkenburg als collator land verkocht met goedvinden dor Staten en do penningen waren belegd en de renten daarvan door liet kantoor ontvangen (of dit tot afkoop van het l/3 diende blijkt niet). Van de vicarie te Zeist, collator de heer van Kersbergen, was nog niets bekend geworden. Te Blauwkapel wordt nu voor het eerst eene kapellanie en vicarie onderscheiden , wel ten onrechte, trouwens bij besluiten der Staten van 4 Maart en 15 April 1777 zijn deze gemortificeert op verzoek en ten behoeve van de wed. van Gent Meerman; onderWerk-hoven wordt nu alleen vermeld de vicarie op den huize Bever-weerd, waar nu possesseur van was de Graaf van Nassau en van wien ook eindelijk hetwas ontvangen. Ook aan den Dwars-dijk vinden wij hier nu voor het eerst twee vicariën, waarvan de eene tot patroon had de vrouwe van St. Servaas en tot poss. den zoon van Gerbrand van Schage (die NB. in 1669 possesseur was), van do andere wordt geen patroon of possesseur vermeld. Van de vicariën te Schalkwijk schijnt alles geliquideerd, zij komen slechts voor memorie, die te Baarn werd door de kerkmeesters genoten ten bedrage van f 2. Van die te quot;Woudenberg waren de goederen verkocht en zij komt voor memorie, even als die te Bunschoten op het St. Sacraments-altaar. Van die van O. L. V., waarvan de Domheer van Weedo collator was, waren de goederen ook verkocht en waren de renten ontvangen, de derde van St. Michiel had uog renten opgeleverd, even als die te Isselt. Te Abcoude bestond nog de vicarie op St. Jacobs altaar, waarvan possesseur was Willem Craayvanger en \'/s ontvangen werd. De overige vicariën waren , naar het schijnt, geheel aan het kantoor vervallen. De heer van Nederhorst behield nog altijd de geheele

-ocr page 56-

48

opbrengst der vicarie ad pios usus, die te Loendersloot was nog onbekend gebleven en die te Baambrug wordt niet meer vermeld, evenmin als die te Nichtevecht. Die te Westbroek, waarvan alleen een vroegere collator en possesseur wordt opgegeven (waren de tegenwoordigen onbekend ?) had nog een derde van een landhunr opgeleverd, andere bezitting was verkocht in 1704, ook van de hier alleen vermelde vicarie van Maarssen op St. Nicolaas-altaar werden alleen nog renten van een kapitaal groot f 500 verantwoord, over de kapellanie van Tienhoven waren „ver-scheide disputenquot; aanhangig, en was niets ontvangen, van de vicarie of capellanie te Zuilen werden slechts weder renten verantwoord. Te Breukelen was nu meer bekend geworden. De vicarie van O. L. V. altaar was als broederschap erkend, die van St. Anna werd nu als ter collatie van den heer van Nyenrode opgegeven en die collator keerde een derde der inkomsten uit, omtrent die op St. Pieters altaar was alles verkocht en vinden wij alleen pro memorie. De vicarie op den huize Ruwiel had nu tot possesseur Mr. Godard van Oudenaller en de heer van Ruwiel had eindelijk in 1769 bij memorie opgaaf der goederen gedaan en keerde i/j der opbrengst uit. De tweede vicarie op St. Pieter-altaar en die op den huize Nyenrode worden alleen als memorie vermeld. De kapellanie te Lopik is nu eene pastorie geworden en de inkomsten zijn ontvangen, van die van Vleuten was niets ontvangen en kwam voor memorie, van die te Jutphaas ter collatie van den heer van Gent waren de renten van 1 \'3 der prijzen der verkochte goederen verantwoord, van die te Kamerik waren in 1680 alle goederen verkocht en werden alleen de renten verantwoord. Van die te Kockcngen was de eene gemortificeert in 1736, van de andere ter collatie van den heer van Kockcngen waren in 1737 de goederen verkocht en een derde der kooppenningen ten behoeve van het kantoor belegd, ook te Vreeland en aan de Meern waren alle goederen verkocht en werden alleen renten door het kantoor genoten.

Uit deze opgaven blijkt dus dat toen de bezittingen der meeste vicariën waren verkocht met toestemming der Staten, die de

-ocr page 57-

49

renten ontvingen van alle of van eeu derde der kooppenningen, namens hen belegd voor zoover niet de gelieele koopprijs aan hen was vervallen. quot;Waar dit het geval is geweest blijkt niet, daar de Staten, in het bezit gekomen van \'/a van het kapitaal, zich nu met hetgeen de collator of possesseur met de overige 2/s deed niet bemoeiden, althans in de rekening worden slechts bij uitzondering nog collators en possesseurs vermeld, en de ontvanger had dan ook met hen slechts noodig, in zooverre zij zooals de heer van Beverweerd, van Kuwiel, van Xyenrode nog jaarlijks uitkeeringen deden. Van de onvermeld gebleven vicariën zullen wel enkele gemortificeert zijn geweest, waarvan wij vroeger, 1669, nog ontvangsten vinden en die nu voor memorie zijn uitgetrokken, andere zijn waarschijnlijk met de Staten geliquideerd, zooals wij lezen dat in 1756 de tertiën der vicarie te Neder-langbroek waren afgekocht.

Het gevolg van dit alles was dat het kantoor der gebeneficeerde goederen hoofdzakelijk nu zijne inkomsten uit kapitalen trok van de vicariën afkomstig, maar daarvan losgemaakt en onafhankelijk van collators en possesseurs, zoodat de boeking onder de verschillende vicariën meer een behoud van de orde en wijze van boeking dan een gevolg van den aard der inkomsten was, die voor verre weg het grootste gedeelte uit renten, betaald door andere landskantoren bestonden.

Volgens resolutie van Gredep. Staten van 15 Julij 1774 en 16 October 1778 werden dan ook de verschillende kapitalen op \'s lands kantoren belegd en vroeger onder de verschillende posten verantwoord, gebracht op twaalf obligatiën ten laste der provincie, wier gezamenlijke rente bedroeg /\' 4747—9— en overeenkwam met het bedrag dor vroegere verschillende posten. Deze rente werd nu op de rekening van 1795 in eens verantwoord. Het gevolg is dat wij hier nog slechts inkomsten vermeld vinden van die vicariën, die nog landerijen bezaten of eigen inkomsten, namelijk van die van Beverweerd, waar nog de graaf van Nassau possesseur was, van die aan den Dwarsdijk, waar de gadermeesters van het gerecht /\'12 betaalden, van die

4u

-ocr page 58-

50

op St. Jacobs-altaar te Abcoude waar de possesseur quot;Willem Craaijvanger renten van een kapitaal verantwoordde, van de vicarie te Westbroek, waar aan erfpachten werd verantwoord, van de vicarie op St. Anna-altaar te Breukelen, waar de heer van Nyenrode \'/, der inkomsten uitkeerde; van de vicarie op den huize Ru wiel, waar ook \'/3 der inkomsten werd verantwoord.

Ingevolge publicatie van het provinciaal bestuur \'s lands van Utrecht van 5 Augustus 1797 werden de erfpachten, uitgangen enz. tegen den penning 25 bijna alle afgekocht, die het kantoor der gebeneficoerde goederen placht te ontvangen, wier afkoopsom blijkens afzonderlijke rekening van 22 April 1799 bedroeg /quot;22525.— zoodat nu nog alleen ontvangsten werden verantwoord van de vicarie van Beverweerd, die Willem van Dam voor den graaf van Nassau beheerde, van die aan den Dwars-dijk, waar do gadermeesters niet hadden afgekocht, van die te Abcoude op St. Jacobs-altaar, waar de possesseur de \'/3 uit-keerde, van de vicarie te Westbroek, waar de heer van Nes een derde uitkeerde, van die op St. Anna-altaar te Breukelen, waar de heer van Nyenrode \'/3 uitkeerde, en van de vicarie op Ruwiel, waar ook \'/3 werd verantwoord.

De toestand in 1799 was dus:

dat enkele vicariën op al de rekeningen bleven ontbreken, wier bestaan slechts uit andere opgaven blijkt;

dat andere vicariën op enkele of al de rekeningen vermeld werden als niet aangegeven of zonder bekende goederen, of zonder inkomsten:

vicarie St. Cathariua te Doorn;

vicarie te Doorn op Darthuizen;

vicarie te Zeist, waarvan in 1587 coll. was Maximiliaan van Zierikzee;

vicarie te Schalkwijk, waarvan in 1587 Johan Taets van Amerongen collator en Corn, van Eek possesseur was;

vicarie te Honswijk;

drie vicariën te Eemnes;

vicarie te Loendersloot;

-ocr page 59-

51

vicarie op St. Anaa-altaar te Nichtevecht;

vicarie op den huize Nyenrode te Breukeleu ;

twee vicariën te Lopik;

vicarie te Vleuten;

vicarie van de Haer te Vleuten;

dat van andere vicariën nog liet \'/, door den administrateur (van Dam, van Nes) of den possesseur (Craayvanger) werd verantwoord , dat van de meeste vicariën het \'h der goederen of het geheel aan de Staten was gekomen en door hen in kapitaal verkregen;

dat het niet uit de rekeniugeu blijkt van welke vicariën slechts \'/3, van welke het geheel door de Staten was verkregen, door dat het er veelal niet bijstaat;

dat het uit de rekeningen niet blijkt waar, na den verkoop der goederen, de andere -j3 der koopprijzen zijn gebleven, zooverre die de Staten niet ontvingen, maar deze schijnen gevloeid te zijn in de beurs der collateurs, althans zoo op hun verzoek de verkoop plaats vond, of der possesseurs, als er deze alleen waren;

dat het in 1799 bij de Staten grootendeels reeds onbekend was, wie die possesseurs of collateurs waren, daar men zich met oude opgaven behielp of de opgaven geheel wegliet.

§ 13. VlCAKIËN IN DE STEDEN. — AVlJK BIJ DUURSTEDE.

De vicariën in de steden waren door de Staten feitelijk aan het beheer der stedelijke regeeringen overgelaten en slechts als het den verkoop van vicariegoederen betrof werd der Staten goedkeuring vereischt, zooals zij ook de jaarhjksche rekeningen moesten opnemen. Hierdoor oefenden zij althans eenig toezicht op het beheer uit.

Wij beginnen met de vicariën te Wijk bij Duurstede. In de rekening van 1587 van Floris van Weede vinden wij (fol. 172 verso) (1) de goederen opgegeven van de vicarie van St. Maria Magdalena;

(1) Afgedrukt bij Ver Loren , blz. 262.

-ocr page 60-

52

vicarie van Vorsselaar, waarvan laatste possesseur is geweest Johan Taets van Amerongen Kanonik en Thesaurier van St. Marie te Utrecht;

vicarie St. Crucis, poss. Gerrit van Heeckeren op collatie van den stadhouder Graaf van Meurs ;

vicarie St. Elisabeth, coll. de stadhouder, poss. Hendrik Pieck; vicarie op St. Thomas altaar, poss. Lodewijk Venoort; vicarie van St. Agatha, poss. Lambert van der Burch, deken van St. Marie te Utrecht;

vicarie van St. Jan Baptist, gesticht door bisschop David, poss. Dirk van Zuilen van Natewisch;

vicarie van de afgebroken kapelle, poss. Rataller, deken totWyck. Deze opgaaf was echter niet volledig, want er waren nog : vicarie van St. Christoforus eu St. Martinus, coll. de heer van Duurstede en Gaesbeek; zoo deze niet was de vicarie van Vorsselaar , wat wel ziju kan, even zeer als deze vicarie dezelfde kan zijn als de vicarie van St. Catharina altaar ,

vicarie St. Joseph,

vicarie St. Ewaldi in het gasthuis, door de Staten van Utrecht in 1661 begeven (1).

Reeds in 1583 was te quot;Wijk ook de administratie der vicariën met die der geestelijke goederen geregeld. Naar eene quotisatie moesten de bezitters der vicariën een gedeelte der inkomsten (waarschijnlijk 1I3) afstaan ten behoeve van de werkelijke behoeften der hervormde gemeente, welke quotisatie de Staten van Utrecht hadden toegestaan. Eene verantwoording van het uit de vicariën dientengevolge ontvangene van den rentmeester Gerrit van den Eobbaert over 1583/4 geeft ons een overzicht van de toen bestaande vicariën en van hun opbrengst (2) in die quotisatie. In 1606 verkreeg die administrateur den titel van Eenxmeester der geestelijke goederen, eu voerde dit beheer afgescheiden van de kerkvoogden, onder toezicht en goedkeuring van het stads-

1

Hist. Utr. Bisd., 11, blz. 177.

-ocr page 61-

53

bestuur. Dit duurde tot 1820 , toeu het beheer vau het overschot der vicariën weder is gekomen ouder kerkmeesters eu sints 1823 van kerkvoogden der hervormde gemeente.

Uit do opvolgende rekeningen blijkt dat do tertiën, later zoo uitdrukkelijk genoemd, der vicariën voortdurend werden genoten en verantwoord. Zij werden meestal voldaan door de bruikers der goederen, naar het schijnt ten gevolge van overeenkomsten of schikkingen met de possesseurs. Uit de inrichting der rekeningen blijkt echter niet duidelijk uit welke vicarie elke post afkomstig was, daar men de vicariën niet uit een hield en ook de colla-teurs en possesseurs niet meer nauwkeurig vermeldde of onderscheidde. In de rekening reeds van 1604/5 worden vermeld: vicarie daer possesseur af is de soon van den Griffier tot Utrecht; vicarie van Willem Cooll;

vicarie van den soon van Willem Pelgromsz. gekomen van Heyndrik Pieck (derhalve de vicarie van St. Elisabeth);

vicarie staende ten name van Straetman;

vicarie daer possesseur af is de soon van Willem van Noort; dus waarschijnlijk die op St. Thomas altaar;

vicarie daer possesseur af is Philippus de Bije;

vicarie van Hend. van Duynen;

vicarie die de soon van Renekum besit;

vicarie van Eobert de Swart;

vicarie van heer Willem uit den Gheyne;

vicarie van Oostrum.

Uit het gasthuis (voor de vicarie ?) werd toen jaarlijks ƒ 12 ontvangen.

Het kapittel te Wyck moest toen de cjeheele opbrengst van de vicarie van Rataller (d. i. de vicarie van de afgebroken kapel op het kerkhof) uitkeeren „also by myne heeren van den gerechte geordonneert is te betalen, door dien die selvige vicarie geheel ende samentlicke ten behoeve van Predikant ende schoolmeysters word geappliceert.quot;

In 1605 verhoogden de Staten van Utrecht de quotisatiën der vicariën ieder met f\\. Waarschijnlijk betaalden de vicariën ter

-ocr page 62-

54

begeving des kapittels van Wyck toen geeno quotisatie daar die onder de quotisatie van het kapittel was begrepen. Wij vinden die vieariën eerst in 1683 vermeld, als toen ten gevolge van het regeeringsreglement van 1674 ter begeving des stadhouders staande. (1) Dit zou vorklaren waarom in 1604/5 slechts 12 vieariën worden opgegeven, welke ook voorkomen op een „staet van \'t comptoir der gebeneficeerde goederen tot Wyckquot; zonder dagteekening, doch uit het midden der 17e eeuw.

Op denzelfden staat komen onder het opschrift „Ander incomenquot; renten voor van gelden uit verkochte landerijen afkomstig, door de stad Wyck en door particulieren verschuldigd, benevens erfpachten, of deze ook van vieariën afkomstig zijn blijkt niet. Opmerking verdient echter dat onder een afzonderljjk hoofd; „Incompsten der twee vieariën van Barbara en Johan Baptista en XIM martelaren altaar in den kerke gefundeertquot; verschillende erfpachten en uitgangen worden vermeld, die dus toen afgescheiden werden gehouden van de overige vieariën, zonder dat de reden daarvan blijkt.

In 1701 waren reeds met toestemming der Staten vele vicarie-eigendommen verkocht en de kapitalen belegd op de lands kantoren. Dit blijkt uit de vermelding in de rekening van den rentm. der gebenof. goederen, die nu de ontvangen Va der renten verantwoordt. Tot die verkochte goederen behoorden die van bisschop David van Bourgondie; bij de stad Wyck schijnen belegd de goederen van de vicarie van Jan van Drunen, waarvan \'/3 der renten betaald was door den cameraer van Wyck, ook kapitalen van de vicarie van bisschop David, waarvan Schagen possesseur was geweest. Daarenboven worden V, ontvangen van den possesseur der vicarie van Gent , en uit de renten van de vicarie van Taurinus, inkomsten van den possesseur van Vos-selaers vicarie en andere. Afzonderlijk worden de inkomsten uit de vicarie van St. Barbara en St. Jan Baptisten en de elf duizend martelaren verantwoord.

(1) Ver Loren, blz. 266.

(I) De rekening van quot;1702 bij VerLoren, blz. 268.

-ocr page 63-

55

De rentmeester ontving dus de tertiën hetzij van renten, van pachten, van uitgangen, de Vs hieven aan de possesseurs. Wie die waren hlijkt niet. De rentm. kende ze niet, hij noemt slechts enkele vroegere namen , van gewezen possesseurs.

In deze rekening komt nu een nieuw hoofdstuk voor: „In-comen van de vicariën van Zyne Excellentie.quot; Het bevat gedeeltelijk renten verschuldigd door de stad Wyck van hij haar belegde kapitalen, van twee particulieren die ook renten van kapitalen betaalden, en wijders uitgangen uit huizen en landerijen; nergens staat er bij dat het slechts \'/, waren en het bedrag was /\'345—14—4. Had de Prins toen de inkomsten zijner vicariën aan de stad quot;Wyck afgestaan? Dit blijft nu zoo in de volgende rekeningen, die denzelfden vorm bewaren , alleen schijnen nu en dan nog goederen verkocht te zijn, want de belegde kapitalen werden grooter. In 1744 komen weder meer possesseurs voor, en schijnt men later mot deze bekend geworden. Jan vanLienden, Borgem. van Sandick, Joris vanDidam, Jeremias Thiens, Cornelis van Berchem, Jan Seveyn, worden als zoodanig genoemd en uit de door hen bezeten vicariën worden de Va verantwoord. De inkomsten vermeerderden door die ver-koopen en reductiën der renten niet. De \'/s bedroegen/quot;270—8, vroeger /\'284—6—8. Die der vicariën van zijne Excellentie waren nu maar ƒ 284—14, alleen de opbrengst van de vicarie van St. Barbara, vroeger reeds ƒ 12-—19, was op dit bedrag gebleven.

In de rekening des rentm.\'s der gebenef. goederen van 1808 vinden wij nog altijd dezelfde inrichting, het kantoor der ge-meene middelen te Utrecht betaalde het \'/s der renten, komende uit kapitalen van verkochte goederen; de raad der Domeinen van het Departement Utrecht betaalde de tertiën uit eene hofstede met 24 morgen iand op het Leuterveld, die vroeger aan andere personen, laatst aan den Prins van Oranje had behoord, (1) de andere renten, huren en uitgangen, werden nog altijd ontvangen. Onder de possesseurs worden nu genoemd Christiaan

(I) quot;Ver Loren, blz. 280.

-ocr page 64-

56

Sanderson en Andreas Sijbrand Abbema en Cornelis Keer (vicarie Vosselaer) bij andere tertiën komen geen namen voor. Onder het hoofd der vicariën voor deze genoemd Zijner Excellentie vicariën, wordt nu ook verantwoord eene som van f 1129 van wegen den Lande tot het betalen der Predikants tractementen toegestaan. De inkomsten der vicarie van St. Barbara nog altijd afzonderlijk geplaatst waren tot een uitgang van f 8—5 ingekrompen.

In 1820 waren de vroegere renten op het kantoor der ge-meene middelen vervangen door eene inschrijving groot /quot;2200 op het grootboek der 2Vb pet. en werden overigens door den ontvanger van liet domein en door de overige vroegere schuld-plichtigen hunne opbrengsten betaald. Eene enkele maal is nog van tertiën sprake, meestal worden de posten eenvoudig opgegeven, zonder vermelding van herkomst. De vicariën van Zijne Excellentie zijn uit de rekening verdwenen, de vicarie van St. Barbara komt nog als vroeger voor. (1) In de latere kerkmeesters rekeningen komen de opbrengsten der tertiën der vicariën onder de gewone, vaste inkomsten der kerk voor en wordt nog slechts aan de herkomst herinnerd, om verband met de vroegere rekeningen te houden en de oorzaak der schuldplichtigheid te doen blijken. (2) Van hoeveel belang dit kon zijn, bleek uit het proces in 1844 door de kerkmeeslers van quot;Wijk gevoerd tegen den heer Robert te Jutfaas, als eigenaar van Ehijnenburgh en in deze opgevolgd aan de wed. Kippersluis, den heer van Nagell, de vrouwe van Gent, welke laatste als patronesse der St. Catarine vicarie te Wijk, de daartoe behoorende goederen verkocht en op die hofstede gevestigd had, zoodat de eigenaars voortdurend de tertiën hadden betaald, als uit de vicarie van de vrouwe van Gent, of uit de goederen van de vrouwe van Genï, die dan ook werkelijk alzoo op de rekeningen van 1701 en volgende jaren worden verantwoord. (3)

Wel blijkt dus dat er steeds tertiën te Wijk wegens de vicariën

(1) Ver Loren, blz. 275.

(2) Ver Loren, blz. 278.

(3) Rechtsgel. Bijbl., VI, 1844, blz. 592.

-ocr page 65-

57

zijn ontvangen, hetzij van de possesseurs, hetzij van de collatenrs, dat als er goederen zijn verkocht, oen gedeelte vnn don koopprijs is belegd om de renten in de plaats der tertiën te doen treden, dat huren , uitgangen, erfpachten, in voldoening dier tcvtiën zijn verantwoord, maar dat de overige J/3 den posseseurs gelaten , langzamerhand in handen van de collatenrs, die geen possesseurs meer aanwezen, of in handen der laatste possesseurs zijn verbleven.

Hieruit schijnt ook zijn oorsprong tc ontleenen het kapitaal groot /quot;1900 ingeschreven op het Grootboek der Nationale schuld, rentende 2i/2 pet. ontvangen wordende door den heer J. A. de Ridder te Grebbe, gem. Elienen, als vicaris, d. i. possesseur der St. Barbara vicarie te Wijk. (1) Deze St. Barbara vicarie was, zoo als wij reeds opmerkten, steeds onder een afzonderlijk hoofdstuk in de rekeningen vermeld en in 1 702 betaalden de kinderen van A. J. Vernoy uit zijn land in den Eng ƒ 8.—5. Professor Leusden uit zeven hond land op de No ord er weert f 4—10, en Antony van Dieden uit zijn huis in de Peperstraat /quot;4; in 1743 was de eigendom en de schuldplichtigheid van Prof. Lensden overgegaan op den schepen Pronckert, maar in 1784 werd alleen nog maar verantwoord de eerste post, nu verschuldigd door de kinderen van Hermanns van Achthoven en sints heeft de familie van Achthoven voortdurend de /quot;8.—5 betaald, en in de kerkvoogden rekening van 1870 komt nog de post voor: Jasper van Achthoven en Maria van Litsenburg, uit het land in den Eng, sectie E, no. 225, 226, 347 tot en met 350 ■— ƒ 8.25. quot;Waarschijnlijk waren dus de andere erfpachten voor 1784 afgekocht. Deze waren wel oorspronkelijk afgestaan in voldoening der tertiën en waren de overige goederen aan den possesseur of vicaris verbleven, ten wiens name die verkocht en later belegd zijn. Wellicht is die schikking, waardoor het rentmeesterschap der geben. goederen die erfpachten en die uitgang voor zich verkreeg en dus met den possesseur niets meer noodig had, de reden dat zij onder een afzonderlijk hoofd zijn begonnen vermeld te worden.

(1) Ver Loren, blz. 282.

-ocr page 66-

58

§ 14. VlCARIËN TE RHENEN.

Reeds de vraag welke vicariën bestonden te Rhenen, is moeielijk te beantwoorden, daar de opgaven uiteenloopen. Wij vinden vermeld:

1. vicarie St. Anna en St. Eligins, patr. familie Liefdael;

2. vicarie St. Helena altaar;

3. vicarie St. Marie altaar, patr. Burgemeester en kerkmeesters;

4. vicarie St. Nicolaas altaar;

5. vicarie St. Maarten altaar;

6. vicarie St. Sebastiaan altaar;

7. vicarie van Kerkmeesters;

8. vicarie St. Cunera;

9. vicarie in de Kloosterkerk, patr. St. Caecilia klooster te Utrecht en St. Jan te Amersfoort;

10. vicarie in het gasthuis. (1)

In eene rekening der kerk, van de jaren 1570—1574, toen de Hervorming er nog niet was ingevoerd, komen onder het hoofdstuk: „Ander uytgaven van presentiën van die heeren vicariën, scholares, custos ende choralenquot;, voor.

H. Sebastiaen; cappellaen, in 1574 is het Heer Jasper.

H. Henricus van Wijck vicaris St. Heienen.

H. Steven IJssenbrantz.

H. Anselsm Danielse, in 1574 verdwenen.

H. Cornells Gerritse, in 1573 Antonius Gerritse, in 1574 Claes Lijster, die evenwel in dat jaar reeds verdwijnt; het schijnt de vicarie St. Martini geweest.

H. Jan Lulofs (in 1574 weggelaten).

Mr. Geert schoolm. Wouter Hendriks custos, 4 choralen. Er waren dus toen hoogstens zeven vicarissen die praesentiën genoten. (2)

(1) Het Utr. Bisdom, I, blz. 195, III. blz. -107—125.

(2) De praesentiën hadden niets met de vicariegoederen gemeen, het waren belooningen voor kerkdiensten; en zeker beheerden kerkmeesters toen de vicariegoederen niet.

-ocr page 67-

59

In de rekening van Floris van Weorle van 1586\'8, werden te Rhenen vermeld de eerste, de tweede (poss. Hendrik van Wijk) de negende (poss. deselfde) de vijfde, de vierde, de zesde, de tiende, de cista, een fonds om memoriën te houden; weggelaten waren dus hier de derde van St. Marie, de zevende en aclnste (1) de laatste komt echter voor onder de benaming van St. Cunera-gilde. In de rekeningen van de rentmeesters van St. Agnes-convent te Rhenen, dat een kantoor der Staten was, komen op de jaren 1634, 1640 en 1657, uitkeeringen voor aan de pos-sesseurs der vicarie van St. Nicolaas en van de H. Drievuldigheid, zonder dat echter blijkt, welke der boven genoemde daarmede bedoeld worden. Nog in 1650 wordt deze vicarie en die van St. Barbara, ook even onbekend, aan jonkheer Carel Valcenaer gegeven.

quot;W at van de vicariën te Rhenen ontvangen werd en door wien, blijkt niet. Men zou de vermelding daarvan op de rekeningen van den Cameraer der stad verwachten, maar voor 1663 komt er niets van voor. Op do rekeningen van den gasthuismeester komen alleen voor twee uitkeeringen jaarlijks aan den vicarius van St. Nicolaas aldaar en aan den vicarius van St. Looyen vicarie. Op de rekeningen der kerkmeesters, die van [1591 — 1819 doorloopen komen nu wel huisrenten, erfpachten en pachten voor, maar zonder dat de oorsprong wordt opgegeven en nergens zijn vicariën vermeld behalve in die van 1612 waar wij een nieuw hoofd aantreffen. „Ander ontfanck van pachtgoederen, behoorende onder die vicarie.quot; (2) Welke vicarie dit was blijkt niet duidelijk , maar het schijnt die in het gasthuis gevestigd te zijn, daar \'t Landt onder die gasthuis vicarie genoemd wordt. Hoe evenwel de kerk in het bezit der goederen dezer vicarie gekomen was , blijkt niet. Ook verdwijnt het afzonderlijk hoofd weldra weder in de rekeningen der kerkmeesters en worden dezelfde goederen eenvoudig fonder de kerkegoederen venneld ,

(1) Ver Loren, blz. 283.

(2) Ver Loren, blz. 291.

-ocr page 68-

60

althans als de zeven mergen landts in de Mars en het Mo-lenstap, dezelfde zijn die in de kerkerekening van 1696 als het land in de Marsch genoemt het Molenstap, dat toen verhuurd was voor f 30 \'s jaars, genoemd worden. Ook schijnen de goederen, behoorende aan de cista, waaruit vroeger de vicarissen, de koster en de schoolmeester inkomsten genoten voor memoriën en kerkediensten, aan de kerk gekomen te zijn, want do bouwinge gelegen aan den Achterberg te Laer in het Kerspel van 111 ionen vinden wij in de kerkerekeningen terug waar verantwoord wordt de pacht „van de bouwinge Achterberg Griftaquot; en „van de paepencamp behoorende aen Giftaquot;, welke naam Gifta wel eene corruptie is van Cista, waarvan de beteekenis verloren was gegaan. Trouwens dat de kerk in het bezit van het vermogen dezer Cista kwam, die geen quot;collator of possesseur had en wel altijd door kerkmeesters was beheerd geweest, is vrij natuurlijk.

Overigens is van inkomsten uit vicariegoederen of van tertiën geen spoor te ontdekken en schijnt dus geenerlei quotisatie voor 1660 bestaan te hebben, maar de possesseurs of collateurs zijn in het bezit van al de inkomsten gebleven. Dit doet ons begrijpen waarom voor Ehenen , niet voor Wijk bij Duurstede , de ordonnantie der Staten noodig was van 5 Julij 1670 (1) waarbij Ehenen tot ontvang der tertiën van de vicariën en tot vervolging der possesseurs gemachtigd werd.

Het schijnt echter dat toen men aan het zoeken der possesseurs ging, men bevond dat verschillende vicariën geen te vinden possesseur meer hadden, dat zij reeds verdwenen waren en de goederen waren verkocht. Althans in de rekeningen van de stadt Cameraers komen siuts slechts tertiën van drie vicariën voor en nergens ontdekt men eenig spoor van tertiën uit andere vicariën dan uit deze drie. En de tertiën van deze vicariën werden betaald bij accoord met den possesseur aangegaan, namelijk met den heer Quaade, met den heer van Emminkhuisen, met den heer van Brederode voor de St. Eloyen vicarie en met den majoor Quint.

(1) Placaatb., II, blz. 452.

-ocr page 69-

61

Bij deze accoordon werden aan de stad Rhenen vaste inkomsten afgestaan ter voldoening der tertiën en behielden do possesseurs voor zich de overige goederen en beschikten daar vrijelijk over.

Met den heer Quaade was het accoord in Februari 1680 gesloten als possesseur van de St. Nicolaas vioarie; alle inkomsten daarbij afgestaan komen nog voor op het manuaal der stads eigendommen van 1812—1813 — en worden nog door de gemeente bezeten en als ontvang van de tertiën onder de ontvangsten verantwoord, behalve enkele uitgangen, die sints afgekocht zijn. Met den heer van Emminkhuisen als possesseur van een ongenoemde vioarie (St. Sebastiaan ?) werd het accoord den 24 Mei 1684 gesloten en de stad verkreeg „3,\'4 van de pacht van zekere kamp tot Liendenquot;, wat do graaf van Bylandt, zich beschouwende als eigenaar van dit land, heeft afgekocht (raadsbesluit der Gem. Rhenen van 17 Dec. 1867) tegen den penning 25 voor f 168.

Omtrent de derde vioarie van St. Eloyen was het accoord aangegaan den 18 Sept. 1680 en waren aan de stad afgestaan eene reeks uitgangen uit het gasthuis en uit huizen, alle nog in het manuaal van 1813 vermeld en deze worden nog betaald.

Het accoord van 20 Augustus 1680 betreffende de vierde vioarie van majoor Quint als possesseur van eene onbekende vicarie bepaalde dat de stad een gerecht derde part zou genieten van een zeker stuk land in de Marsch hetwelk jaarlijks door den Cameraar zou worden verpacht in zijn geheel, die Va van de pacht zou uitkeeren. Op het Manuaal van 1813 heet het „De geheele pacht moet door den Cameraar geheel worden ontvangen , doch de overige Va aan den heer van Renswoude worden uitbetaald, mits deselve 1l.i in alle de lasten moet dragen.quot; Ook nu nog geschiedt dit als van ouds en ontvangt de heer ïaets van Amerongen van Renswoude de 2/3 der pacht van den stedelijken ontvanger.

De slotsom is dus dat de gemeente Rhenen sints 1688 de tertiën van vier vicariën heelt genoten, zooals daarvoor door de toenmalige possesseurs goederen waren afgestaan bij accoord,

-ocr page 70-

62

welke goederen de gemeente llhenen sints als haar eigendom heeft beschouwd, terwijl de possesseurs de overige goederen dier vicariën als huu eigendom schijneii beschouwd te hebben.

Overigens betaalde de stad het tractement van den oudsten Predikant, de kerkmeesters betaalden den jongsten Predikant, waarschijnlijk deden zij dit als hebbende de goederen der cista en der gasthuis-vicarie, misschien ook nog van andere vicariën gekregen , ook de voorlezer en de koster werden daaruit door hen betaald. ïen einde den kerkmeesters die uitgaaf gemakkelijk te maken was aan de Kerk de praebende uit liet St. Agnieten klooster door de Staten geschonken, die jSeeltje van Amele vroeger had genoten, wat vóór 1687 plaats vond, ten bedrage van /\' 175, want in dat jaar wordt die ontvang reeds vermeld. De betaling dier praebende door het kantoor der Domeinen te Utrecht hield echter sedert het jaar 1807 op.

De stad llhenen maakte na 1680 ten behoeve der Predikanten ook aanspraak op \'l3 der praebenden van dat convent, welke praebenden ten getale van zeven, in 1688 aan zeven vrouwen waren gegeven , die echter een verschillend bedrag ontvingen, maar wier gezamenlijk bedrag f 1100 beliep.

De heeren Superintendenten van de conventen (van den stadhouder) waren daarmede niet te vrede en hoewel in 1688 werkelijk f 366—16—lö1/^ (dus \'/» van f 1100) aan de stad was betaald, kwam reeds in 1687 een aceoord tot stand (26 Sept. 1687) waarbij bepaald werd, dat de stad llhenen jaarlijks uit het St. Agnieten klooster zou genieten /\'75 en een gerechte derde part van wat jaarlijks zou overschieten , dat toen f 300 bedroeg. Dat derde part in liet overschot en de /\'75 worden dan ook sints 1689 in twee posten afzonderlijk verantwoord en deze zijn aan de gemeente betaald tot 31 Dee. 1863, toen de beide uitkeeringen door het rijk zijn afgekocht.

Daarenboven trok do kerk uit het St. Agnieten klooster de jaarhjksche renten van drie honderd gulden, zonder dat blijkt of de kerkmeesters dit kapitaal aan dit klooster geleend hadden, of wel die schuld een andere oorzaak had. In 1695 bestond

-ocr page 71-

63

die schuld al en werden, de renten verantwoord. Zij zijn door het kantoor der domeinen te Utrecht betaald, toen berekend tegen 5 pet. (vroeger 5i/2 pet.) tot het jaar 1807, toen men daarmede heeft opgehouden.

§ 15. Vicariën te Amersfoort.

Over de vicariën in Amersfoort bevat de rekening van Floris van quot;Weede van 1587 geenerlei opgaaf. (1) Van elders blijkt het dat er oorspronkelijk vele waren. Alleen in de St. Joriskerk zouden er 50 geweest zijn, van welke nog 26 bekend zijn. Van Bemmel in zijne beschrijving van Amersfoort, geeft van deze 21 op, (2) waaronder de vicarie van St. Nicolaasaltaar, gesticht 1397, de vicarie van O. L. V., de vicarie van St. Andries, gesticht in 1448, (3) de vicarie van St. Paulns en Petrus, welker goederen in 1644 verkocht zijn met goedkeuring der Staten, op verzoek en ten behoeve van den possesseur en collator Gerrit van Amerongen, en de St. Jans vicarie, wier goederen evenzoo verkocht zijn in 1644, op verzoek van Arent van West-reenen ea de kapitalen belegd ten behoeve van den possesseur. In de Kleine Kerk aan O. L. V. gewijd, waren ook verschillende vicariën, (4) wijders was eene vicarie, in 1417 gesticht in het klooster van St. Jan baptist, (5) twee vicariën waren gesticht in 1511 en 1514 in het klooster van Marienhof der Cellezusters, (6) wijders bestond een eeuwige vicarie ofte godtlicken dienst in 1542 gesticht in de St. Anna Kapel en was er nog eene vicarie in de H. Geest Kapel. (7) Waarschijnlijk waren van de 50 vicariën in de St. Joris Kerk verschillende aan het Kapittel dier kerk behoorende en vroeger door dit kapittel of den Decanus

(1) Ver Leren, blz. 238.

(2) Van Bemmel, I, blz. 113, vgl. blz. 103.

(3) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 25. v. Bemmel, 1, blz. 103.

(4) Van Bemmel, I, blz. 138.

(5) Van Bemmel, I, blz. 190.

(6) Van Bemmel, I. blz. 198. Hist. Utr. Bisd., II, blz. 43.

(7) Van Bemmel, I, blz. 310, 313.

-ocr page 72-

ö4

vergeven. Toen hot kapittel geen. vicarissen er moer voor benoemde , zijn de goederen wel mot dio des kapittels zamenge-smolteu, en toen do regeering der stad zieli hot beheer der kapittelgoederen toeeigende in 1658 en er oen rentmeester over beuoemde, bestond er van dio kapittelvicariën geen afzonderlijk bolleer meer en kwamen zij op do rekeningen dier rentmeesters niet meer voor.

De regeerders van Amersfoort, die zoo vast loeiden aan het beginsel dat Iiunuo stad ou de kleine steden zouden hebben de administratie van de kleine inkomsten hunner geestelijke goederen, spraken zich duidelijk uit in hun protest van 1588,(1) „datzjj susteneereude zijn, dat die administratie van conventen en geestelijke goederen alhier te huis bohooreudo, alleen behoort te blijven tot dispositie van don magistraat alhier.quot; De Staten van Utrecht hebben daarin in zoover berust, dat zij ook later do collatie van vicariën goedkeurden en vrijheid tot verkoop der vicariegoederen gaven, als dit verlangd werd.

Reeds in 1589 bevolen de rogeorders van Amersfoort dio vicarissen, die waren juris patronatus, derhalve van do vicariën die wereldlijke patronen hadden, om een staat van de inkomsten hunner vicariën in te leveren, maar over de goederen of inkomsten dier vicariën beschikte de regeoring niet, dan voor zoover de patronaatsrechten aan haar vervallen waren, zooals van de viearie in het klooster van Marienhof, dor cellezusters, welke vicaiie de regeering in 1596 reeds vergaf, even als zij in 1658 ook de viearie in het St. Agatha klooster tor harer begeving had. Tertiën van vicariën worden er overigens niot ontvangen en de collators boschikton vrij over de vicariën, terwijl slechts enkele malen de begeving aan de goedkeuring der regeering werd onderworpen.

In 1660 verzochten echter de regeerders van Amersfoort dat de Staten hun de tortiën dor vicariën zouden geven en dit geschiedde dan ook bij Publicatie der Staten van Utrecht van

(1) Yer Leren, blz. 564.

-ocr page 73-

65

15 Augustus 1660. (1) Trouwens het onderLoud dei-Predikanten vereischte meerdere uitgaven en over verschillende geestelijke goederen was reeds beschikt. Zoo waren reeds in 1611 de huren en inkomsten van de kloosters ilarienhof en St. Jan aan het weeshuis afgestaan. (2) Er werd nu in 1660 een ontvanger der tertiën of collecteur benoemd, die tot 1750 door de regeering van Amersfoort , later door den stadhouder werd benoemd en die zijne rekening jaarlijks aan de Burgemeesters deed. De vicariën ten getale van 26 komen daarop onder nummers voor, (3) van eene, de 5e, werden de inkomsten aan het weeshuis verantwoord. Alle worden als in de St. Joris kerk gefundeerd opgegeven behalve de 17e in het St. Aagten klooster en de 24e in de kapel der armen van de Poth, zoodat toen reeds de overige verdwenen schijnen te zijn of over de goederen door de regeering was beschikt. Ook hier ging het als elders, de possesseurs waren niet terstond en altijd genegen de tertiën uit te keeren. Bij sommige vicariën schijnt men een accoord te hebben aangegaan of tegen onwilligen de goederen te hebben aangeslagen. 1 Juni 1677 werd de vicarie op het altaar der H. Maagd in de St. Joris kapel gemortificeerd ten behoeve der tertiën en 7 Mei 1679 werden goederen van Schuurmans vicarie verkocht ten behoeve der tertiën. Bij andere vicariën betaalden de possesseurs jaarlijks h der inkomsten of werden de inkomsten door den collecteur geind en aan den possesseur uitgekeerd voor f. Langzamerhand werden echter de ontvangsten en inkomsten der tertiën vaste posten uit bezittingen of kapitalen, die uit verkochte goederen voortvloeiden en die geheel onder beheer van den ontvanger der tertiën kwamen. Ook thans nog zijn die goederen en renten onder beheer van den rentmeester der vicariën en betaalt het rijk de renten die onder het opschrift „de tertiën der vicariënquot; op de gemeenterekening voorkomen. Uit de opbrengsten dier goederen en renten geschieden nog

(1) Utr. Placaatb. II, blz. 451. Vgl. Ver Loren, blz. 244.

(2) Van Bemmel, I, blz. 350.

(3) Zie de lijst bij Ver Loren, blz. 24S.

51\'

-ocr page 74-

66

uitkeeringen aaa enkele possesseurs van familievicariën ea wijders dienen die om vijf studenten eene kleine tegemoetkoming ad studia te verschaffen. Uit deu tegenwoordigen toestand der administratie blijkt, dat er nu maar 25 vicariën verantwoord worden, onder welke de 8e , 11e, 15e, 16e, als geheel ontbrekend worden opgegeven, wellicht gemortificeerd of nimmer aangebracht, zoodat er nog uit 21 vicariën grootere of kleinere inkomsten door de gemeente Amersfoort worden getrokken (1) en grootendeels ad studia gebruikt; trouwens de Predikanten ontvangen nu huu traktement van het rijk. Zeker hebben tot deze vicariën, althans tot sommigen, oorspronkelijk ook nog andere goederen behoord, die onder de vroegere possesseurs of collateurs zijn verbleven, zoover deze slechts i afstonden of daarover accordeerden, maar van die goederen is geen spoor meer te vinden en zij zijn als eigen goederen beschouwd of daaronder verdwenen. Alleen blijkt dit, dat als de Staten den verkoop der goederen der vicarie aan den possesseur toestonden (natuurlijk voor de hem behoorende f) zij soms bepaalden dat de brieven van de belegde penningen zouden blijven berusten onder den ontvanger der gebeneficeerde goederen , zooals dit gebeurde toen Gerrit van Amerongen de goederen der St. Petrus en St. Paulus vicarie had verkocht. (2) en dat zij daardoor die kapitalen onder hun toezicht behielden. Toch schijnen te Amersfoort betrekkelijk vele vicariën geheel onder beheer der stedelijke regoering gekomen, want er zijn nog zes vicariën overgebleven, die door den Koning op voordracht der eollatoren, zoo zij hun recht daartoe door afstamming kunnen bewijzen, worden vergeven, namelijk de le , 2 , 4e, 12e, 13e en 18e. Van deze vicariën zijn op dit oogen-blik van de le en 2e geene eollatoren bekend en is dus geen presentatie geschied, zoodat de intusschen vervallen inkomsten zijn belegd. Deze vicariën zijn dus met al hunne goe-

(1) Zie den staat, behoorende bij de Missive van den Burgemeester van Amersfoort van 28 Juli 1880 n0. 167—B.

(2) Zie de nadere bijzonderheden bij Ver Leren, blz 247 volgg.

-ocr page 75-

67

deren waarschijnlijk onder beheer van de collateurs dertertiën gekomen. De inkomsten der overige 15, zoogenaamde vrije vicariën , worden namens den Koning, als beursen ad studia aan 5 studenten gegeven en deze inkomsten zullen wei oorspronkelijk , althans gedeeltelijk, tertiën geweest zijn, waarom het vreemd is dat men van de inkomsten dezer vicariën, vóór die onder de vijf studenten worden verdeeld , nog weder tertiën ten behoeve der gemeente aftrekt.

§ 16. VlCAEIËN TE MONTFOORT.

Eigenaardig is de toestand der beide steden Montfoort en IJsselstein, die hooge heerlijkheden waren en die daardoor tegenover de Staten geene zelfstandige rechten vorderen konden, maar waar daarentegen de Staten tegenover de Heeren stonden, die bezitters dier heerlijkheden waren en voor hunne heerlijke rechten opkwamen. Montfoort had daarbij tot 1648 een R. C. heer, die al moest hij veel van zijne rechten afstaan, aan den anderen kant toch ook zich niet alles wilde laten ontnemen, vooral niet wat hij zelf of zijne voorgangers hadden gesticht en waarvan hem de collatierechten toekwamen.

Oorspronkelijk bestond te Montfoort eene parochiekerk, waarvan de collatie den Heer van Montfoort toekwam en bezat die kerk zoowel hare eigene goederen , de fabrica, die door de fabrieks-heeren, later kerkmeesters, werden beheerd, als hare pastoriegoederen , waaruit de Parochiepriester zijn onderhoud trok. In 1399 werd op verzoek van den Heer van Montfoort door den Paus Bonifacius IX aan den parochiepriester een kapittel van 7 kanonikken toegevoegd, van hetwelk de parochiepriester decanus zou zijn en die met hem de koordiensten in de kerk zouden waarnemen, waarvan zij ook koorheeren genoemd werden. Die kapitularen of koorheeren zouden door den Heer worden voorgedragen die ook de verschillende bezittingen schonk, waaruit zij hunne inkomsten zouden trekken. De latere heeren van Montfoort en de leden van hun geslacht hebben gedurig die

-ocr page 76-

68

bezittingen vermeerderd door nieuwe giften, maar onder voorwaarden dat op hunne memoriedagen of andere aangewezen tijden missen gezongen , diensten gedaan , hunne graven begaan zouden worden door die kapitularen (1) en vandaar kregen zij den naam van inemorieheeren en heetten de goederen memoriegoederen. Bleek het toch dat de geheele instelling vooral strekte om de memoriën der Heeren van Montfoort en die hunner bloedverwanten door die koor- en andere diensten plechtiger te vieren en in stand te houden. Deze goederen schijnen door een rentmeester onder toezicht van den Heer beheerd te zijn , die den kapitularen daaruit het hun toekomende betaalde.

Men had dus hier een kerk, die parochiekerk was, met een pastoor, en daar nevens in die kerk een kapittel. Het gevolg was dat kerkegoederen en pastoriegoederen afgescheiden bleven van de goederen des kapittels (memoriegoederen) en dat de laatste tot het onderhoud der kerk niets bijdroegen. Maar hiervan was ook liet gevolg dat de kapitulares of koorheeren konden beschouwd worden als een collegie van vicarissen, dat verschillende vicariën in de kerk waarnam en daarom worden zij ook soms de vicarissen der kerk van Montfoort genoemd.

Behalve dat bestonden er nu ook in die zelfde kerk en elders te Montfoort gewone vicariën door afzonderlijke vicarissen bediend en met eigen goederen voorzien , ook deze grootendeeis door de Heeren van Montfoort gesticht en ter hunner collatie staande.

Zoo vonden de Staten van Utrecht den toestand in 1580. Zij gingen toen uit van de beschouwing dat Montfoort evenals het platte land en de steden zijne geestelijke goederen moest aanbrengen, en wij vinden dan ook in de rekening van Ploris van Weede van 1587 vermeld afzonderlijk de goederen behoorende aan de pastorij , — aan de kosterij — aan de koorheeren en aan de vicariën. Wij vinden daar vermeld de St. Joosten vicarie, de St. Joris vicarie, die van Maria Magdalena, die van St. Jacob, die van St. Antoniusaltaar, twee vicariën van zielpriesters op

(1) Zie de lijst bij Ver Loren bh. 302.

-ocr page 77-

69

het hoogaltaar (1) eene vicarie van O. L. V. altaar, vicarie van \'t heiligkruisaltaar, die van St. Jan Baptist, die van St. Nicolaasaltaar en eene vicarie van het h. graf (elders van den Heiligen Geest) en eindelijk eene vicarie in liet gasthuis en eene in het manshuis (oudemannenhuis) (2). Later evenwel toen er een hervormd Predikant te Montfoort was, waarschijnlijk sints 1594) stelden de Staten de pastoriegoederen onder beheer van den Burgemeester als zoodanig en werd daaruit het tractement van den Predikant en het onderhoud van do pastorie betaald, (3) benevens het tractement van den Koster. De memoriegoederen en vicariën bleven onder het beheer en toezicht van den heer van Montfoort, die zijn kapittel in stand hield. Toch schijnen de Staten hem niet geheel vrije hand daarmede gelaten te hebben, de vicarie in het manshuis werd door de Staten gemortificeerd en de goederen aan het oude vrouwenhuis gegeven (4) en den vicaris van St. Nicolaas ontsloegen zij van den verplichten maaltijd, (5) terwijl zij de agreatie van de door don Heer van Montfoort voorgedragen vicarissen en het toezicht op het verkoopen van vicariegoederen aan zich behielden. Ook schijnt het dat zij bijdragen van de memoriegoederen vorderden voor het predikants-tractement, voor dat van den Latijnschen en Duitschen schoolmeester en voor het onderhoud der kerk (6). Of do tertiën der vicariën ook werden uitgekeerd blijft onzeker, althans zij worden op geene enkele rekening vermeld.

In 1648 kochten de Staten van Utrecht de heerlijkheid Montfoort van den toenmaligen heer, met alle daaraan ver-

(1) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 258 vgl. blz. 300.

(2) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 256. — Ver Loren, blz. 324

(3) Zie de rekening van 1647 — bij Ver Loron, blz. 315.

(4) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 256, die goederen waren echter onder afzonderlijke administratie van den rentmeester der memoiiegoederen. — Ver Loren, blz. 330.

(5) Ver Loren, blz. 351.

(6) Ver Loren, blz. 358, volgens accoord van 1594 betaalde het kapittel jaarlijks /224. Zie dit accoord blz. 360, zie ook blz, 368.

-ocr page 78-

70

bonden rechten. Daartoe behoorden ook de collatierechten der vicariën , en daar zij geld noodig hadden om de koopsom te betalen besloten zij de goederen dier vicariën te verkoopen, die te mortificeren en aan de tegenwoordige possesseurs lijfrente brieven te geven om hun voor hun leven het inkomen te verzekeren (1). Men ziet er uit dat de Staten ook hier weder het beginsel huldigden, dat beschikking over vicariegoed en morti-ficering alleen door den patronus of met zijne toestemming kon geschieden.

Door de uitvoering van dit besluit vervielen dus alle vicariën te Montfoort en hielden op te bestaan, er bleef alleen eene herinneriug aan bestaan in de uitkeering later jaarlijks uit de memoriegoederen gedaan aan het oude-vrouwenhuis te Montfoort van /\'400 volgens resolutie der Staten van 21 December 1669 als vergoeding voor het gemis der vicarie in het manshuis, (2) die echter sinds 1808 niet meer is uitbetaald (3).

De memoriegoederen kwamen nu ook onder het beheer der Staten, die een rentmeester er voor aanstelden en hem eene instructie gaven in 1666. Later werd het beheer der pastoriegoederen met dat der memoriegoederen vereenigd en door een rentmeester gevoerd, wiens instructie in 1765 werd vastgesteld, in 1818 door Gedeputeerde Staten van Utrecht gewijzigd en laatstelijk in 1866 bij besluit van Gredep. Staten vernieuwd.

De Staten besloten al spoedig om ook de landen aan de memoriegoederen behoorende te verkoopen, en waarschijnlijk geschiedde dat ook omstreeks 1650. Daardoor verloor natuurlijk dit fonds een zeer aanzienlijk deel zijner inkomsten, en kon noch in de uitkeeringen aan de nog overige kapitularen (die langzamerhand zouden uitsterven) noch in de uitgaven, waartoe het volgens vroegere accoorden verplicht was, voorzien. Van

(1) Besluit van 7 Aug. -1649. Ver Loren , biz. 358.

(2) Oorspronkelijk had men daarvoor ook lijfrentebrieven gegeven. Ver Loren, blz. 354.

(3) Ver Loren, blz. 344.

-ocr page 79-

71

daar het verzoek aan de Staten om vergoeding voor de verloren inkomsten, die dan ook eene jaarlijksclie vergoeding daarvoor van f2016.—4—4 uit het kantoor van den 30e en 40e penning verleenden. (1) De lasten die op de memoriegoederen toen lagen, waren de uitkeering van /quot;224 ten behoeve van den Predikant, den koster en den duitschen schoolmeester (een La-tijnsche was er niet meer) volgens accoord van 1594, eene bijdrage tot het Predikantstractement van /quot;300, eene uitkeering van ƒ400 aan het Oudevrouwenhuis, uitdeelingen vier maal \'sjaars aan de armen en verder renten en aflossingen van opgenomen kapitalen. Daarbij worden later nog uitgaven vermeld voor het opwinden en schoonhouden van het horloge op den toren, aan den doodgraver, voor brood en wijn bij het h. avondmaal, en voor herstellingen en onderhoud aan de kerk en den toren en de pastorie. Nadat toch de administratie van pastorie- en memoriegoederen vereenigd was, verviel natuurlijk de uitkeering van f224 ten behoeve van den Predikant, koster en schoolmeester en werd het geheele tractement tot ƒ 850 van den eenen Predikant op de rekening gebracht, (2) (de andere Predikant werd uit het kantoor der gebeneficeerde goederen der Staten betaald, even als de fransche Predikant, zoo die er was) en trok de schoolmeester-koster ook zijn geheele tractement uit deze goederen, terwijl, bij het gering bedrag der kerkegoederen, ook het grootste deel van het onderhoud van toren, kerk en pastorie voor rekening dezer goederen geschiedde. Geen wonder dat het fonds meestal voor zijne uitgaven te kort kwam en subsidiën vroeg van de Staten, of gelden moest opnemen. Tot 1806 is het vast subsidie, of liever de vergoeding van f2076—44, aan dat fonds uitbetaald. In 1807 werd volgens besluit van den Minister van Binnenl. zaken van 16 Juni 1807 nog het tractement van den Predikant en volgens aanschrijving van den Land-

(1)\' Ver Loren, blz. 372.

(2) Zie de opgaaf bij Ver Loren. blz. 332 en de rekening van 17G4 aldaar, blz. 333.

-ocr page 80-

72

drost van 9 December 1807, het tracteraent van den schoolmeester voor \'s lands rekening genomen; ook vervielen bij resolutie van 13 November 1807 de uitkeering der ƒ 400 aan het oudevrouwenhuis en de uitdeelingen aan de armen. Het was dus nu het onderhoud der kerk, der pastorie en der schoolgebouwen, die de belangrijkste uitgaaf van het fonds uitmaakte, waarbij de renten van opgenomen kapitalen kwamen.

Tengevolge van Art. 3, al. 2, van het Decreet van Koning Lodewijk Napoleon van 2 Augustus 1808, deed de Minister van Binnenlaudsche zaken onderzoek bij den Landdrost, of het fonds der Memoriegocderen niet viel in de termen om opgeheven te worden. Het slot van liet onderzoek was echter, dat de Minister bij aanschrijving van 6 Februari 1810 verklaarde, dat het fonds veeleer een eigendom der kerkelijke gemeente van Montfoort was en dus niet aan hot rijk behoorde, maar dat het rijk verplicht was om aan die gemeente te betalen het subsidie als vergoeding voor de inkomsten der verkochte goederen. Dit subsidie werd dan ook, maar nu verminderd tot een bedrag van/quot;740—4—8, wegens de verminderde uitgaven, uitbetaald over de jaren 1808—1809. Na dien tijd hield de betaling der subsidie weder op en dientengevolge wendde de kerkeraad der hervormde gemeente, als die gemeente vertegenwoordigende, zich in 1819 tot den Koning, met verzoek om het jaarlijksch subsidie van /quot;740,225 weder te verkrijgen, als vergoeding voor de opbrengst der verkochte landen, die toebehoord hadden aan de kerkelijke gemeente te Montfoort. Dit laatste was onjuist, want die landen hadden nooit aan de gemeente, maar aan de Koorheeren (het kapittel) behoord, maar wel hadden de Staten die als een zelfstandig fonds, als eene stichting, laten bestaan tot onderhoud der kerk en verzorging van den eeredienst. Bij besluit van 16 Juli 1819 stond de Koning het verzoek des kerkeraads toe, met bepaling dat het subsidie van /quot;740.225 jaarlijks aan den kerkeraad zou worden uitbetaald, die het weder terstond aan den Rentmeester der memoriegoederen moest uitkeeren, opdat de Gedep. Staten bij het goedkeuren der rekening, een toezicht op

-ocr page 81-

73

het gebruik zouden kunnen houden. Zoo bestaat dit fonds tot nu toe voort, het heeft nu zijne schulden kunnen aflossen en zelfs overschotten op de grootboeken der 2Vs en 3 pet. Hederl. Schuld beleggen, om in buitengewone herstellingen van kerk, toren en pastorie te voorzien.

Regelmatiger zoude het zijn indien dit afzonderlijk fonds, dat nu eene door do provincie Utrecht beheerde stichting is, wier doel opgehouden heeft, werd afgestaan aan de hervormde gemeente van Montfoort, om door kerkvoogden beheerd te worden en gebruikt tot het doel, dat de Staten van Utrecht er reeds sints 1660 aan gegeven hebben, nadat zij er in 1648 de dispositie over hadden verkregen. Daar het bona ecclesiastica waren, kon toch de toenmalige heer van Montfoort niet den eigendom der goederen, die hij niet had, overdragen, maar slechts de beschikking over de inkomsten, en zoo hebben ook de Staten, blijkens hunne handelingen , het opgevat, toen zij er een bestemming aan gaven, zooveel mogelijk overeenkomende met de oorspronkelijke.

§ 17. VlCAEIËN TE IJSSELSTEIN.

Omtrent IJsselstcin is weinig mede te deelen. Het behoorde niet tot Utrecht en vormde een afzonderlijke Baronie, met hooge gerichtsbaarheid, toekomende aan de Prinsen van Oranje, aan wie het door het huwelijk van Prins Willem I met de erfdochter Anna van Egmond in 1551 was gekomen. (1) Er bestond toen in de St. Nicolai-kerk eene vicarie, gesticht in 1293, ter begeving in 1544, van Keizer Karei V en van zijnentwege van Maximiliaan van Egmond, (2) ook was in die kerk een kapittel, waarvan ons echter niets bekend is. (8)

Toen in 1578 IJsselstein een eigen hervormd leeraar bekwam

(1) De Geer, Bijdragen, blz. 17i.

(2) Hist. Utr. Bisd., II, blz. 247.

(3) De Geer, Bijdragen, blz. 135. Matthaeus, de jure gladii, blz. 444—446. In dit kapittel waren de vroeger bestaan hebbende zeven vicariën opgenomen. Het stond geheel ter collatie van den Heer der plaats.

-ocr page 82-

74

met goedkeuring van den Baron van IJsselstein en de kerken aan de hervormden waren ingeruimd, schijnen de pastorie- en vicariegoederen, en zoo er nog andere geestelijke goederen waren, evenals die van het klooster van Onzer-lieven-Vrouwenberg door den Baron van IJsselstein in bezit genomen en met zijne overige inkomsten vereenigd te zijn, en onder het beheer van zijn raden en rentmeester te zijn gebracht. Daar evenwel geenerlei rekeningen van dien rentmeester in het archief te IJsselstein aanwezig zijn, kan hier niets aangewezen worden omtrent dit beheer. quot;Wel blijkt het dat het kapittel en de viearie in de St. Nicolai kerk en de pastorie-goederen die er geweest zijn, zeer spoedig verdwenen zijn, terwijl de agreatie van den Predikant aan den heer van IJsselstein stond en deze ook het tractement a,an hem deed uitbetalen. Ook over het klooster en de kloostergoederen beschikte alleen de heer, die in 1697 het kloostergebouw en de kerk deed afbreken en de gronden voor woonhuizen verkocht, niet tegenstaande de hervormde gemeente op het behoud dsr kerk had aangedrongen. De St. Mcolai kerk behield echter hare eigene kerkegoedéren, die door kerkmeesters, onder toezicht van den heer, werden beheerd en die reeds in 1590 van den rentmeester der domaniale en geestelijke goederen van den heer eene bijdrage ontvingen van f 90 voor het onderhoud der kerk, welke bijdrage den 3 Juni 1689 tot/■ 100 werd verhoogd, welke som ook sints voortdurend is betaald tot het jaar 1814, laatstelijk door den administrateur der domeinen, nadat de goederen van het huis van Oranje met het domein waren vereenigd. De kerkeraad van IJsselstein adresseerde zich toen aan den heer hoofdadministrateur der domeinen om weder uitbetaling der f 100 voor de kerk te verkrijgen, die dan ook, na een ingesteld onderzoek bij resolutie van dien hoofdadministrateur van 11 Maart 1816, n0. 28 weder werd verleend met aanvulling van de beide onbetaald gebleven jaren. Uit het stuk van 1590 blijkt dat de heer toen had een rentmeester van de domaniale en geestelijke goederen, later is alleen van een rentmeester der domeinen sprake en waren dus in de 17e eeuw reeds de

-ocr page 83-

75

geestelijke goederen met de domeinen samengesmolten, waarover namens den heer de Drossart, schout en raden het beheer voerden. Waren de rekeningen nog te vinden dier administratie wij zouden daaruit waarschijnlijk meer bijzonderheden kennen. Deze rekeningen zijn echter in het archief te IJsselstein niet aanwezig. Zij moeten een afzonderlijk hoofdstuk van ontvangst hebben bevat „Uit de goederen van onser Lieve Vrouwe gild van Eiterenwant op dit hoofdstuk werd steeds de betaling der f 90 en /quot;100 aan do kerk aangewezen en dit bewijst op nieuw dat vicariën en andere geestelijke goederen aldaar door den rentmeester des heeren van IJsselstein als zijn domeinen werden beheerd, waarmede ook wellicht de afkoop van f 3000 samenhangt, die jaarlijks uit dezelfde goederen van den heer aan de kas der Unie oorspronkelijk werd betaald (1).

Maar wij vragen: wat was dat fonds der gilde van O. L. V. van Eiteren ? Over den oorsprong spreken wij niet, (2) het was eene kapel en eene vicarie daarin gesticht, welke later binnen IJsselstein werd overgebracht, en vrij aanzienlijke goederen bezat, waaruit later de leprozen of melaatschen werden onderhouden. Die goederen gingen met de domeinen van het huis van Nassau aan den Staat over en zijn dan ook in 1850 en 1851 door het staatsdomein ten behoeve van \'s Rijks schatkist verkocht. De opbrengsten dier goederen waren echter in het bijzonder door de heeren van IJsselstein besteed geworden ad pios usus en, behalve de /■ 100 die aan de kerk daaruit werd gegeven, werden die tot ondersteuning van studenten in de Theologie door den heer van IJstelstein aangewend, zoover en toen die niet meer voor de melaatschen noodig waren. Zij vormden dus een afzonderlijk fonds, dat wel met en evenals de domeinen van het huis van Nassau te IJsselstein werd beheerd , maar welks inkomsten door den heer van IJsselstein als tot een bepaald doel geaffecteerd werden beschouwd. Na

(1) Kronijk hist. Gen. 1849, blz. 374, de Geer, Bijdrage, blz. 176.

(2) Zie daarvoor uitvoerig de Geer, Bijdrage, blz. 29—32, 123.

-ocr page 84-

76

den verkoop der goederen echter in 1850 en 1853 heeft dit afzonderlijk fonds opgehouden te bestaan en is de nitkeering van ƒ 100 aan de kerk namens het rijk de eenige herinnering daaraan gebleven, want de pogingen om de opbrengsten voor studenten in de theologie te behouden door de Synodale commissie namens het Provinciaal kerkbestuur van Utrecht gedaan schijnen geen gevolg gehad te hebben.

§ 18. Vicakiën te Utrecht.

In Utrecht bestonden vooreerst de vicariën, die aan de kapittels der vijf kapittelkerken verbonden waren, door of van wege die kapittels werden vergeven, wier goederen door het kapittel werden beheerd zoo dat de inkomsten door den beheerder aan den possesseur werden uitgekeerd al schijnen veelal huren en erfpachten door de vicarissen zelve te zijn ontvangen, en ten tweede de gewone vicariën , juris patronatus, die een patronus hadden en wier bezittingen door den possesseur zeiven of den collateur werden bestuurd. Deze laatste waren wel niet uitsluitend maar toch vooral in de parochiekerken gesticht, waar ook gilden en broederschappen hunne altaren hadden. Eindelijk had men er de vicariën in de kloosterkerken, gasthuizenen kapellen. In 1586, toen Floris van Weede het beheer der gebeneficeerde goederen als rentmeester voerde, was het den Staten te doen om zooveel mogelijk eene opgave van alle dergelijke stichtingen, pastorie en kosteriegoederen te verkrijgen in de Provincie aanwezig, om die onder hun toezicht te brengen en een gedeelte der inkomsten van de vicariën tot onderhoud der predikanten te kunnen ontvangen. Wij merkten reeds op hoeveel tegenstand die poging bij de steden ontmoette en ook te Utrecht waren de verkregen opgaven hoogst onvolledig.

Voor de kapittelkerken vroeg men die aan de secretarissen der collegiën en kreeg van hen eene lijst der vicariën, die van quot;Weede in zijne rekening opnam. Men ziet er uit dat de kapi-tularen met de kapittel-vieariën vrij eigenmachtig handelden. Zij verdeelden die somtijds tusschen twee possesseurs en de be-

-ocr page 85-

77

geving geschiedde veelal door resignatie van den possesseur ten behoeve van een ander of van anderen onder goedkeuring des kapittels, anders door den deken of den turnurius (die aan de beurt was). De secretaris van den Dom gaf 27 kapittel-vicariën en hare possesseurs op , die van St. Salvator of Oudemunster gaf er 25 op (waaronder eene ter begeving van den Deken en den schout van Utrecht) (1), die van St. Pieter (die zijn opgaven in het latijn deed, voor een gedeelte) noemde er 17, waaronder eene „zijnde juris patronatus sulx dat die gegeven moet worden een van den bloede.quot; De secretaris van St. Jan gaf 13 vicariën op, daaronder eene, die ter collatie van patroni, niets gemeen had met het kapittel, en nog eene en een halve vicarie, die ter collatie van patronen stonden, wijders waren in deze kerk twee officia, en vier praebenden voor ziel-priesters. In St. Marie worden 17 vicariën opgegeven, waaronder eene basterd-vicarie alleenlijk gefundeerd om daarop een klerk ter schole te zenden.

Na de opnoeming dezer vicariën der Kapittelkerken volgen die in de Parochiekerken, met opgaaf van de posseseurs en ook soms van de collatoren, naarmate Floris van Weede die te weten was gekomen. (2) Wij vinden er 15 in de Buurkerk, 18 in St. Jacobskerk, 6 in St. Mcolaaskerk en 9 in St. Greertruikerk vermeld. Goederen worden slechts bij zeer enkelen opgegeven.

Eindelijk treffen wij de vicariën in de gasthuizen gevestigd aan ten getale van 10; daarna volgen de broederschappen, in de parochiekerken, gasthuizen en kloosters gevestigd. Twee vicariën, eene te Wittevrouwen, eene te St. Servaaskerke worden daaronder genoemd.

Dat deze opgaven van Floris van quot;Weede volledig zouden zijn, is niet te denken. Hij gaf wat hij had kunnen bijeenbrengen, maar vele vicariën juris patronatus laicalis waren ongetwijfeld verzwegen, en sommige misschien reeds verdwenen. In de kloosterkerken vooral bleven vele verzwegen.

(1) De stichtingsbrief staat in het liber catenatus op het Provinciaal Archief.

(2) Ver Loren, blz. 223—229, Vgl. blz. 169.

-ocr page 86-

78

De vicariën in de Kapittelkerken voor het oogenblik daarlatende, zoo bleven die in de paroohiekerkon en gasthuizen gefundeerd, daar de stad hare rechten daarop uitdrukkelijk voorbehield, buiten de bemoeiing van het Statenkantoor, en hoewel de Staten het recht van agreatie der gepresenteerde possesseurs en het toezicht op het vervreemden der goederen bleven behouden, zij trokken er gecne tertiën of\' inkomsten van, daar ook de stad Utrecht de predikanten en scholen voor zich betaalde. Ook de stad schijnt die vicariën geheel gelaten te hebben aan de possesseurs, die de collatoren aan de Staten hadden aangewezen, zonder er zich over te bekommeren, terwijl de vicariën in de gasthuizen met de inkomsten dier gasthuizen samenvloeiden en de kloos-ter-vicariën waarschijnlijk onder de kloostergoederen verdwenen.

Eerst in 1656 en 1666 verkreeg de stad Utrecht van de Staten een besluit, dat de possesseurs verplicht zouden zijn de tertiën der inkomsten aan de stad te voldoen, terwijl op nieuw op den aanbreng der goederen werd aangedrongen. (2) Dit alles bleef echter zonder gevolg. Van ontvangen opgaven vinden wij nergens melding en van ontvangen tertiën evenmin, en de stedelijke regeering schijnt ook niets verder gedaan te hebben om er order op te stellen. Hebben nu de Staten er voor gezorgd dat er steeds bij het openvallen van vicariën, nieuwe possesseurs werden aangeboden? Ook dit blijkt niet, al werden van tijd tot tijd zulke agreatien gevraagd, want als zij niet gevraagd werden, schijnen de Staten er zich niet mede bemoeid te hebben. Alleen als er goederen verkocht werden zorgden zij, althans aanvankelijk, dat de daarvan komende gelden kwamen ten name van het kantoor der gebeneficeerde goederen, dat dan de renten er vaa ontving en aan den possesseur der vicarie uitkeerde. Zij deden dit, niet omdat zij zich als eigenaren dier goederen beschouwden, waaruit zij zelfs geen tertiën of eenigerlei voordeel trokken, maar om te waken dat die kapitalen niet aan hun bestemming onttrokken zouden worden en wegvloeien. Na 1770 komen zulke

(2) Utr. Placaatb., II, blz. 451. Ver Loren, blz. 231.

-ocr page 87-

79

belegde kapitalen van Utrechtsche vicariën niet moer op de rekeningen voor en wellicht was men reeds veel vroeger van dien regel afgeweken en had de kapitalen aan de possesseurs of collateurs overgelaten, even als de onverkochte goederen en hunne inkomsten.

Deze belegging op het Statenkantoor scliijnt evenwel de reden te zijn, dat nog tot het einde dor vorige of tot het begin dezer eeuw uitkeeringen betaald zijn door de regeering aan enkele personen als possesseurs van vicariën. Deze kapitalen zijn met het geheele kantoor der gebenef. goederen aan het rijk gekomen, maar waar de overige onverkochte goederen gebleven zijn, blijkt niet, terwijl ook, door het ontbreken van alle rekeningen, onzeker is wat al of niet daarvan verkocht was.

§ 19. Kapittel-Vicariën te Utrecht.

Over de Kapittel-vicariën kunnen wij kort zijn, daar zij alle langs den eenen of anderen weg in \'s lands kas gekomen zijn.

De kapittelen te Utrecht, die als zelfstandige lichamen bleven voortbestaan en hunne inkomsten beheerden en behielden, betaalden een vaste, telkens verhoogde som aan de stad als bijdrage tot onderhoud der predikanten en bleven met het onderhoud der kapittelkerken belast. Daarentegen lieten de Staten en de stad hun de beschikking over de kapittelvicariën in hunne kerken, die daarom als geacquireerde vicariën in de rekeningen voorkomen , terwijl de vicariën, waarvan door de stichtingbrieven het patronaatsrecht aan het kapittel, den deken, den scolaster of den proost toekwam, ook aan dezen verbleven en door hen vergeven werden, onder goedkeuring der Staten, hetzij die in de kapittelkerken of in de parochiekerken van Utrecht of elders gevestigd waren, en daarvan ook geen tertiën aan het kantoor der gebeneficeerde goederen werden betaald, daar de uitkeering in eens door het kapittel gedaan gold in de plaats van alle andere uitkeeringen en alle aan het kapittel toekomende goederen en rechten als eene daardoor gevrijde bezitting. Zelfs alle aan bijzondere collatoren behoorende vicariën in de kapittelkerken,

-ocr page 88-

80

schijnen aan de kapittels gekomen te zijn, althans wij vinden er geen melding meer ergens van. Daarentegen waar het kapittel of zijne hoofden nog vicarissen aanstelden, ontvingen zij van deze eene bijdrage in de lasten, die het kapittel te dragen had ten behoeve van Staten en stad, en die het kapittel zelf schijnt bepaald te hebben. (1)

Het regeeringsreglement van 16 April 1674 (2) bracht hierin verandering. Het gaf aan den Stadhouder de begeving der prae-positieven of proosdijen der vijf kapittelen te Utrecht, alsook der canouisiën, die in de zes Staten-maanden (de oude zes maanden van den Paus) zouden openvallen en de dispositie over alle vicariën dependorende van de kapittelen. De daarover ontstane moeielijkhe-den met de kapittelen, het oprichten van een eigen kantoor der pieuse zaken, de aanstelling der superintendenten over de gebenefi-ceerde goederen, behoeven hier niet verder vermeld. (3) Welver-dient het opmerking, dat reeds vroeger in 1628 verschillende vicariën ter collatie van den Stadhouder stonden, als zoodanig opgegeven in een Manuaal van dat jaar. quot;Waarschijnlijk waren het vicariën die vroeger ter begeving van den heer dezer landen stonden, althans de vicarie te Abcoude op St. Nicolaas en O. L. V. altaar komt bij Floris van Weede voor als ter begeving van den heer dezer landen, bij de overige is geen collator door hem opgegeven, maar de vicarie in het gasthuis te Rhenen wordt in de stukken aldaar ook opgegeven als ter collatie van den stadhouder van Utrecht. Na 1674 verkreeg natuurlijk de stadhouder nu de collatie van die vicariën, die tot de kapittelen behoorden en wel in den Dom twee, in St. Salvator, in St. Pieter geene, in St. Jan twee, in St. Marie zeven, wijders 10 of 11 in de Parochiekerken te Utrecht, waarvan echter maar vijf bekend waren, 5 vicariën te Wijk bij Duurstede, wier collatie de stadhouders reeds vroeger schijnen gehad te hebben. Van de geacqui-

(1) VerLoren, blz. 157.

(2) Utr. Placaatb., I, blz. 171.

(3) VerLoren, blz. 147—152.

-ocr page 89-

81

reerde vicariën is hier dus geen sprake, die bleven den kapittelen geacquireerd en werden niet meer vergeven, evenmin va.i vicariën ten platte lande, die stonden reeds vroeger ter vergeving des stadhouders zoover zij ook na 1674 hem als collator toek wamen. Inkomsten trok de stadhouder uit deze vicariën niet, (1) en zijn recht bepaalde zich tot de collatie onder goedkeuring der Staten, soms wellicht ook zonder die; ook schijnen de possesseurs de tertiën te hebben moeten missen, althans van die ten platte lande, evenals alle overige possesseurs. quot;VVat er met de aan die vicariën toekomende landen en erfpachten gebeurd is weten wij niet, waarschijnlijk zijn zij wel verkocht en de kapitalen ot aan den stadhouder of aan het kantoor der gebeneficeerde goederen gekomen en langs dien weg aan den Staat, even als de geacqui-reerde vicariën met de eigendommen der kapittelen, bij de opheffing dier collegiën in 1811 aan den Staat vervielen.

§ 21. Kapittel-vicariën elders.

Het kapittel van Amersfoort in de St. Joriskerk behield wel zijne goederen , maar dat het vicariën zou hebben verkregen of vicariegoedercn beheerd, blijkt niet, althans na 1658 toen het beheer der kapittelgoederen onder een rentmeester, ook aan de stedelijke regeering rekenplichtig, kwam , komen geene vicariën of inkomsten daaruit op zijne rekeningen voor, en thans, nu de Burgemeester als deken fungeert en twee kerkvoogden en twee regenten van het weeshuis als kapitularen, komen de goederen van dit kapittel, zoover die nog bestaan, voor de helft ten bate der kerk, voor de wederhelft ten bate van het weeshuis (2); vicariegoederen behooren er niet onder, deze vormen eene afzonderlijke administratie waarover wij vroeger spraken.

Te Wijk bij Duurstede was ook een kapittel, dat tot 1810

(1) Zie de opgaven van 1680 bij Ver Loren, blz. 178 volgg. (\'2) Ver Loren, blz. 241.

6u

-ocr page 90-

«2

rigeu goederen had en ƒ 297 uitkeerde aau den reutmeester der gebeueficcerde goederen aldaar als eene quotisatie in de betaling van Predikanten en kosters. Xa dien tijd vindt men die uitkeering niet meer vermeld. De goederen schijnen aan den Staat gekomen, maar er zijn in het archief te Wijk van dit kapittel zelf geen rekeningen of bescheiden meer te vinden; alleen in de vermelding van de ontvangst der jaarlijksche bijdrage in de rekeningen van den rentmeester der gebenef. goederen blijkt zijn voortbestaan. De collatie in dit kapittel schijnt evenmin als in dat van Amersfoort in 1674 aan den stadhouder gekomen, althans van begeving door den stadhouder blijkt niet , vicariën heeft het niet onder zijn beheer gehad; de vicariën te Wijk bij Duursteden stonden reeds in 1G28 ter collatie des stadhouders, al worden zij vermeld als behoorende tot hot kapittel van St. Jan te Wijk bij Duurstede, en waren er toen reeds in beheer van gescheiden.

Het kapittel gefundeerd in het bisschoppelijk kasteel ter Horst, later naar Ivhenen overgebracht, heeft in het archief aldaar geen sporen nagelaten. De Prins van Oranje schijnt uit de goederen praebenden verleend te hebben, althans in de rekening-der gebeneficeerde goederen van 1669 vindt ik onder de ontvangsten (fol. 164) „Praebeude claustraal vant capittel van der Horst, gestaen hebbende eertyts buyteu Rhenen ende tot collatie van syn hoogheyt des Princen van Orangien als stadthouder

waervan possesseur is................Also Jhr. (iodart van

Ehede heere tot Amerongen saliger gedachtenisse by syn hoogheyt den Prince van Orangien hoogh. lof-memorie met de vier pre-peudaten van der Horst in den jaere 1628 is gebeneficicerd waervan het incomcn by desen comptoire placht te worden ontfangen ende wederom in rekeninghe verantwoort soo dient tselve alhier voor memorie. Op de kant staat: dient opgezocht wie van deze en andere praebendens van ter Horst possesseurs syn ende wat goederen daertoe specteeren.quot; Op do eerstvolgende bewaarde rekening der gebeneficeerde goederen van 1770 komen nu voor onder de ontvangsten pro memorie de: „Praebeude claustraal van het capittel ter Horst bij Khenen, gestaan hebbende

-ocr page 91-

83

ter collatie van zijno Koninklijke Majesteit van Groot Britanniën als stadhonder dezer Provincie.quot;

Er waren echter toen slechts twee praebendon in 1754, vergeven door Mevrouwe de Princease gouvernante, de eene aan Abraham Eenand, de andere aan Louis de Saumarese. Dit wordt in de rekening van 1798 nog even zoo vermeld; wat later met deze goederen geschied is bljjkt niet, waarschijnlijk zijn zij ook wel aan den Staat gekomen met de goederen van het huis van Oranje.

Wat is nu de slotsom van ons onderzoek ?

Vooreerst dat reeds in de 16e eeuw vicariën verdwenen zijn, de telkens herhaalde aanschrijving der Staten, der steden , dei-stadhouders, de moeielijkheden die Flo vis van AYeede in 1587 ondervond om tot de kennis der vicariën te komen, een kennis die in 1618 en 1669 niet vollediger was geworden, bewijzen dit. Het zou een doelloos werk zijn nu nog zulke vicariën te willen opsporen.

Ten anderen , dat de Staten van Utrecht zich nimmer het eisrendom der vicariën hebben toegekend , maar die als sfcich-

O O

tingen hebben laten voortbestaan ten platte lande , alleen zich de rechten des bisschops op do agreatio der possesseurs, op de toestemming bij verkoop van goederen, op do tertiën behoudende.

Ten derde dat enkele vicariën door de Staten zijn gemorti-ïiceerd en te niet gedaan. Dat van de overige do goederen gedeeltelijk zijn verkocht en de koopprijzen onder beheer van het kantoor der gebeneficeerde goederen zijn gekomen, oorspronkelijk ten behoeve der possesseurs, maar dat die kapitalen met dat kantoor zijn gekomen aan deu Staat. Dat zoover er nog onverkochte goederen over waren, die gebleven zijn in handen der possesseurs of collators en sints 1795 zijn verdwenen en geene goederen ten name van plattelands-vicariën op het kadaster bekend zijn, of kunnen aangewezen worden.

Ten vierde dat de vicariën behoorende tot de kapittels dei-vijf collegiale kerken in Utrecht (de geacqnireerde vicariën)

-ocr page 92-

84

waarschijnlijk met de overige goederen dier kapittelen aan den Staat gekomen zijn.

Ten vijfde dat de vicariën in de parochie-kerken te Utrecht, waarop de Staten ook de agreatie en het toezicht op verkoop zich behielden, nimmer iets aan de stad hebben uitgekeerd, dat de kapitalen voor verkochte eigendommen aan het kantoor der gebeneficeerde goederen zijn gekomen, en daardoor aan den Staat, maar dat de onverkocht gebleven goederen en rechten zoover die nog in 1795 bestonden, zijn verdwenen onder de handen van do possesseurs of collatenrs.

Dat de vicariën in quot;Wijk bij Duurstede ter begeving des stadhouders evenals de goederen des kapittels zijn verdwenen en waarschijnlijk aan den Staat gekomen, van de overige ontvingen de kerkmeesters oorspronkelijk quotisatiën, na 1606 ontving die do rentmeester aldaar der gebeneficeerde goederen, na 1820 ontvangen die weder de kerkmeesters of kerkvoogden , die nog altijd inkomsten ontvangen als tertiën der vicariën, maar die nu vermengd zijn met de overige inkomsten der hervormde kerk. De twee derden oorspronkelijk door de possesseurs genoten zijn bij hen of de collateurs verbleven. Yan eene vicarie, waarvan het kapitaal afkomstig uit verkochte goederen gevestigd was op de hofstede Eijnenburg te Jutphaas werden de tertiën nog bij vonnis der rechtbank van Utrecht van 26 Juni 1844 den kerkvoogden toegewezen, het kapitaal zelf was bij gebreke van een possesseur dus overigens ten bate van den eigenaar dier hofstede gebleven en de uitkeering der tertiën had de natuur van een erfpacht aangenomen. Alleen voor zoover goederen der vicariën te Wijk verkocht en op het kantoor der gebeneficeerde goederen gekomen waren, kwamen die kapitalen aan den Staat. Deze schijnt echter ter voldoening der tertiën aan Wijk eene inschrijving van /\'2200 a 2,/2 pCt. gegeven te hebben.

Uit de bij den possesseur verbleven kapitalen schijnt ook de f 1900 ingeschreven op het grootboek der 21 pCt. atkomstig te zijn, waarvan de renten ontvangen worden door den heer de Ridder als poss. der St. Barbara-vicarie.

-ocr page 93-

85

In Rhenen beurt de gemeente nog inkomsten uit afkoop van tertiën afkomstig; de overige goederen der vicariën zijn lang verdwenen, slechts blijkt nog dat de heer Taets van Amcrongen van Renswoude een stuk vicarieland als eigendom bezit, waarvan een derde der pacht als tertie aan de gemeente wordt betaald.

In Amersfoort bestaan nog vicariegocderen als een afzonderlijk fonds beheerd en waaruit nog aan possesseurs uitkeeringen geschieden of wier inkomsten voor studiën gebruikt worden etquot; die nog eigendommen en inschrijvingen op grootboeken van 4 en van 2i pet. hebben.

Te Montfoort zijn alle vicariën door de Staten gemortificeerd en de goederen verkocht.

Te IJsselstein zijn do vicariegocderen aan den stadhouder en later aan den Staat gekomen.

Er zouden dus in Utrecht bij eene wettelijke regeling alleen in aanmerking kunnen komen :

do vicariën te Amersfoort;

de memoriegoederen te Montfoort;

de vicarie bezeten door den heer de Ridder; het vicarieland bezeten door den heer Taets van Amerongen van Renswoude ;

het kapitaal gevestigd op Rijnenburg te Jutfaas;

wat zich als afkomstig van vicariën bevindt onder de goederen der gemeente Rhenen en der kerkvoogdij te Wijk bij Duurstede.

Waarbij echter op te merken valt dat de rechten der tegenwoordige bezitters niet alle van dezelfde natuur zijn.

1!. J. L. de (Ieek van Jutfaas.

-ocr page 94-
-ocr page 95-

R A P F O E T

OVER

DE VICARIEÜOEDÏÏREN,

in verband met andere geestelijke goederen

IN

HOLLAND,

met eenige bijzonderheden hetzelfde onderwerp betreffende

IN

GELDERLAND EN OVERIJSSEL.

-ocr page 96-
-ocr page 97-

I N H O u n

Blz.

VKHDEELINQ

INLEIDING.

KERSTE GEDEELTE.

UE GEESTELIJKE EN KEHKKLIJKE GOEDEREN.

g 1. De geestelijke goederen $ 2. De kerkelijke goederen ji 8. De vicariën ....

j? i. Het vroegere Holland; de eerste voorziening aldaar in de

(inancieele behoeften door kerkleeraars na de Hervorming lü

TWEEDE GEDEELTE.

GESCHIEDENIS DEK VICARIËN IN HOLLAND.

Eerste Afdeeling.

f^a/i het jaar 15T8—1795.

(J I. F.erste besluit en uitvoering in het Zuider- en Noorderkwartier .................^5

£ 2. Tegenstand, vooral der Edelen in Holland; en houding

van het Staatsgezag.............29

$ II Eerste verkoopingen.............33

fi -4 Patronaat-recht. Judicature...........30

^ ó. Vicariën in enkele gemeenten, die wel vroeger, maar later niet meer onder het Souverein gezag van Holland hebben

behoord.................4J2

ji 6. Plakaat van lquot;2 Dec. 1658 en gevoljien.......46

§ 7. Verder verkocht en onverkocht gebleven geestelijke goederen 51

§ 8. Holland, Gelderland, Overijssel, overeenkomst en verschil. 55

i

8 10

-ocr page 98-

Blz.

Tweede Afdeeling.

I\'an het jaar 1795—1813.

ji 1. [Ie vicariën tijdens de Bataafsche Republiek 1795—1806. 59

A. 1795—1801 ........... . . 60

B. 1801—1806 ............................64

J! 2. Verdere lotgevallen, gedurende de regeering van Koning

Lodewijk, en de inlijving van ons land bij het Fransche Keizerrijk 1806—1813.............^

A. 1806—1810 ............................70

B. 1810-1813..............78

Derde Afdeeling.

Na de omwenteling in het jaar 1813 tot heden.

g 1. Aanvankelijke werkeloosheid der Kegeering.....83

\'2. Resultaten van twee onderzoekingen........89

\'i 3. Een feit, dat in booge mate de aandacht heett getrokken 93

^ 4. Ernstige en herhaalde bestrijding van kerkelijken en politieken 98 jj 5. Gevolgen, waardoor aanvankelijk eenig licht wordt verspreid, op eene wettelijke regeling der vicariën aangedrongen, en daartoe besloten wordt........102

L) E R D E O EDE F. L T E.

afzonderlijke behandeling van eenige vicariën ik holland,

meer bepaald van nog bestaande.

Een woord vooraf................112

Behandeling in alphahetische orde.

Alkmaar...................\'\'5

Amsterdam..................\'^0

Rrielle....................\'26

üelfsbaven..................1^6

Delft....................

Dordrecht...................152

-ocr page 99-

Y

Biz.

Graft....................

\'s Gravenhage.................

Haarlem...................

Hoorn....................189

Katwijk a/d Rijn en Katwijk aan Zee.........1^5

Leiden....................

Maasland...................

Oestgeest...................

Ouddorp...................

Rotterdam..................

Rijswijk...................

Stompwijk..................

Sloten....................

Velzen....................

Voorburg...................

Voorhout. — Noordwijk..............

Vit berichten van Burgemeester* ran niet behandelde gemeenten.

Schiedam...................

Goedereede..................^57

Oude Toiige..................^51

ISieuwe Tonge.................

Heemskerk..................^^8

Castricum...................

Slot.

B IJ L A Gr E N.

.4. Extract uit het Francijne Register der Privilegiën aan

\'s Gravenhage verleend.............^05

B. Transport brief van vier vicariën. 21 November 1539 . . 267 C\'. Bijzonderheden, betreffende de vicarie op St. Jan Baptist Altaar, in de St. Pieterskerk te Leiden, medegedeeld door den lieer S. Koopmans, notaris te VVarga, thans vicaris . 271

-ocr page 100-
-ocr page 101-

INLEIDING.

VERDEELING.

Een onderzoek omtrent de vicariegoederen zou weinig resultaten geven, als zij niet in verband werden beschouwd met andere goederen. Dit gevoelen is dan ook gedeeld door geachte leden onzer commissie, die vóór mij hunne verslagen hebben uitgebracht.

Ik meen echter, zooals reeds uit den titel blijkt voor: de andere kerkelijke goederen te moeten schrijven: andere geestelijke goederen. Later zal blijken om welke reden.

In dit verslag zijn de vicariën in het voormalig gewest Holland hoofdzaak; en wel van geheel Holland, zooals het vroeger als één gewest verdeeld was in het Zuider- en Noorderkwartier. Als ter geschikte plaats in dit verslag aan dien voor-maligen topographischen en politieken toestand met een woord is herinnerd, zal het wel duidelijk wezen, dat eene afzonderlijke behandeling van ieder der twee tegenwoordige provinciën Zuid-Holland en Noord-Holland niet aangewezen is.

Enkele bijzonderheden zullen in dit verslag worden aangetroffen betrekkelijk Gelderland en Overijssel. Het onderzoek in die provinciën is opgedragen aan ons geacht medelid Mr. Koker; — in betere handen dan in de zijne kon het niet — en ook aan mij.

Ofschoon nu Holland met zijne weinig gebaande wegen, mij meer dan overvloedig werk gaf, en dc heer Koker tot mijn

lii

-ocr page 102-

genoegen op zich nam , om het verslag omtrent Gelderland en Overijssel uit te brengen, was ik door een vroeger onderzoek, waarvan zooals zal blijken, het tegenwoordige een gevolg is, nog al in de gelegenheid, een en ander uit Gelderland bijeen te garen. In dit verslag heb ik van de resultaten van dat vroeger onderzoek, waar het mij geschikt voorkwam, gebruik gemaakt, en, daar ik getracht heb de feiten zooveel mogelijk in oorzaak en gevolg voor te stellen, bracht die voorstelling ook mede, om de geschiedenis der geestelijke goederen van het eene gewest in verband met die van het andere te beschouwen, waartoe de geschiedenis der geestelijke goederen van de drie genoemde gewesten Holland, Gelderland en Overijssel my soms heeft in staat gesteld. Het was daarbij zeker niet ongeschikt, op de overeenkomst en het verschil te wijzen, na den veranderden toestand door de Hervorming, in deze drie verschillende souvereine gewesten, in zaken betrekkelijk geestelijke goederen.

Het verslag is historisch. De rechtstoestand der vicariën zal er uit blijken. Ik onthield mij zorgvuldig van rechtskundige beschouwingen en aanmerkingen, die in zake gaarne aan heeren rechtsdoctoren overlatende.

Zoo worden dan ettelijke resultaten medegedeeld van het onderzoek in Holland naar den oorsprong, den vroegeren en den tegenwoordigen staat der vicarie goederen, en dat wel in verband met andere geestelijke goederen, in de volgende orde:

Eerste gedeelte: de geestelijke en kerkelijke goederen.

Tweede „ geschiedenis der vicariën in Holland

afzonderlijke behandeling van eenige vicariën in Holland, Meer bepaald van nog bestaande.

Derde

T)

-ocr page 103-

EERSTE GEDEELTE.

De geestelijke en kerkelijke goederen.

Vooraf het volgende:

1. De geschiedenis der vicarie goederen maakt slechts een gering deel uit van die der geestelijke goederen. Ik rangschik de vicariën onder de geestelijke goederen, voor welk gevoelen de gronden later zullen hijgebrachi worden, evenals daaronder die der kapittels, kloosters, abdijen , ■ pastoriën , custoriën en andere behooren. Ofschoon nu al die onder verschillende benamingen voorkomende goederen ten gevolge hunner stichting eene religieuse strekking hadden, moeten ze echter met elkander niet worden verward. Dat gedoogde het kanonieke recht niet, en mag bij eene ordelijke behandeling van welke geestelijke goederen ook , nog niet.

2. Elk soort van geestelijke goederen — ook van andere inkomsten door geestelijken genoten — heeft eene afzonderlijke geschiedenis. Als de geschiedenis van het eene gewest met die van het andere wordt vergeleken, valt er in dit opzicht nog al een in het oogloopend verschil op te merken, dat een verklaarbaar gevolg is van den verschillenden toestand van ieder gewest; ofschoon er bij verschil ook dikwijls veel overeenkomst is. En wat zoo in verschillende gewesten wordt opgemerkt is vaak even zoo in de afdeelingen, districten of kwartieren van een zelfde gewest.

-ocr page 104-

4

3. Om den lateren toestand te begrijpen, wordt er kennis gevorderd van de geschiedenis der geestelijke goederen, en zeker niet \'t minst van die der vicariën, toen ze beheersclit werden door het kanonieke recht. Maar het is niet noodig over dien vroegeren toestand in dit verslag afzonderlijk te handelen met gedurige verwijzing naar de bekende schrijvers, die daarvan hebben gewaagd. Zonder opzettelijke vermelding zal het den lezer wel blijken, dat, ofschoon in dit verslag vooral latere toestanden en de tegenwoordige toestand der vicariën behandeld worden, ook aan dien vroegeren tijd is gedacht.

§ I-

De geestelijke goederen.

Het zal niet noodig zijn over alle instellingen te spreken, die al spoedig na de invoering des Christendoms in ons land ontstonden, die geestelijke instellingen werden genoemd, en de goederen er aan verbonden geestelijke goederen. Die daarin eenig officie als geestelijken bekleedden, genoten eerst alleen de inkomsten, die bij de stichting er aan verbonden waren, bij welke inkomsten al vroeg vrij willige offers der geloovigen kwamen, terwijl zij op velerlei wijzen later zeer werden vermeerderd , o. a voor velen door een deel der inkomsten van de geestelijke tienden, waarvan hier — hoe belangrijk ook de geschiedenis der geestelijke tienden zij — verder niet behoeft te worden gesproken, en waarvan dan ook hoogst zeldzaam een vicaris eenig voordeel had. Wel zijn de voorbeelden menigvuldig dat de inkomsten van een vicaris werden verbeterd, maar niet uit of door de tienden. Het zou dan ook in strijd zijn geweest met de kanonieke bepalingen omtrent de verdeeling van de opbrengst der tienden, als daarbij een vicaris als wettig participant was erkend (1),

(1) Zie over die verdeeliug G. Beschrijving der aloude regerings

vorm van Holland ? d. U bladz. 106.

-ocr page 105-

5

Dc geestelijke instellingen vermeerderden telkens, en met de officiën, de beneficiën die er aan verbonden waren. Nu bezaten de geestelijken al die goederen in eigendom, zoover zulks naar het jus canonicum denkbaar was. Zij hadden ze in gebruik, genoten er de vruchten van, op voorwaarde dat zij de diensten zouden verrichten naar den wil van schenkers of stichters, en overeenkorastig de bepalingen der kerkordening (1). Er zal in dit verslag gelegenheid zijn, om op eenige dier geestelijke goederen terug te komen, en die afzonderlijk te bespreken.

De massa dier goederen en fondsen aan religieuse instellingen verbonden was aanzienlijk. Uit het plakaat van Philips vuu 28 October 1446 blijkt, hoe toen reeds de verdere vermeerdering-voor \'s lands welvaren schadelijk geacht werd, aan welk plakaat Keizer Karei, die krachtiger maatregelen nam, A0 1531, herinnerde. Deze plakaten zien wel meer op het zoo sterk toenemen van kloosters en geestelijke broederschappen en de goederen die daaraan werden geschonken, dan op de vicariën; maar ook deze namen evenals andere stichtingen gedurig toe.

Het was lang voor de hervorming al niet vreemd, dat er gees-

(I) Tusschen de jaren 1795 en 1810 zijn vele stukken gewisseld, die thans in het Rijksarchief berusten, met die geestelijke en kerkelijke goederen in verband, welke stukken minder bekend schijnen, en toch ter raadpleging zeer geschikt zijn, ook om de bronnen waarnaar verwezen wordt, en om vele aanhalingen die ei\' in worden aangetroffen uit het vroegere kanonieke recht. Ik bedoel o. a. stukken uit de jaren 1804 en 1805 tusschen J. J. Havermans en Gr. Buijsen , gequaliflceerdeu der Hoomsch Catholieke gemeente van Stad en Lande van Breda enz. „over het recht op de geestelijke en kerkelijke goederenquot;, en het rapport daarop uitgebracht door „de commissie van admini-„stratie over alle de goederen en domeinen door de Fransche aan de Bataafsche „Republiek bij Transactie van 5 Januarij 1800 afgestaan, residerende te Breda „aan Thesaurier generaal en Raden van Financien der Bataafsche republiekquot; In wier handen door het Staatsbewind het stuk van J. J. Havermans en G. Buijsen was gesteld. Deze stukken zijn gedrukt, evenals twee vroegere, die ook om dezelfde reden ter raadpleging zeer geschikt zijn. Het eerste is een bezwaarschrift door Roomsgezinden in het jaar 1S00 gericht aan het vertegenwoordigend lichaam des Bataafschen volks, tegen een request van gemachtigden van ettelijke Ned. Herv. Gemeenten. Het tweede behelst de aanmerkingen , die tegen dat bezwaarschrift door een anonymus zijn gemaakt.

-ocr page 106-

6

telijke goederen werden verduisterd of geroofd, en dat sommige personen wederrechtelijk; zich titels toeeigenden tot uitoefening van eenig kerkelijk of geestelijk gezag. Dit blijkt o. a. uit een plakaat A0 1524 van Keizer Karei. Hoe dat kwaad toenam, toen die goederen niet meer tot die doeleinden, waartoe zij oorspronkelijk bestemd waren, konden aangewend worden, is duidelijk door deu brief A0 1563 van de landvoogdes Margaretha aan den Graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, om alle verkoop van geestelijke goederen te verbieden, buiten consent des Konings ; en door zeker plakaat van 6 October 1572 , waarin gesproken wordt over occupeeren en plunderen vau kloostergoederen, behoorende aan de geésteljjken , en de bezittingen dier plundenaars werden ge-confisceerd. Maar, welke resolutiën tegen dat kwaad ook later door de Staten als souvereinen der gewesten zijn genomen, het rooven, verduisteren of veralieneeren van geestelijke goederen heeft niet opgehouden. Bij de verdere behandeling van ons onderwerp zal \'t waarschijnlijk zonder aanwijzing wel in \'\'t oog vallen , waarom dat zoo vreemd niet was, en van waar \'t geschieden kon, en nog geschiedt, dat sommigen, die voorwaardelijk eenig geestelijk goed in bezit of onder hun beheer gekregen hebben, zoo achterlijk zijn of waren om aar- die gestelde voorwaarden te voldoen.

De wijze, waarop na de hervorming door de souvereinen van sommige gewesten over vele geestelijke goederen is beschikt, levert het bewijs, dat dikwijls de vroegere bestemming niet vergeten is; maar wel getracht, overeenkomstig de gewrzigde omstandigheden er zooveel mogelijk aan te blijven voldoen. Dat is echter niet overal en in alles geschied; en dat ken ook niet; maar dan werden er maatregelen genomen om vrat tot geestelijke stichtingen of goederen had behoord ten bate van het algemeen, of ad pios usus aan te wenden. Zoo werden op last der Staten van Holland al vroeg vele goederen van geestelijke corporatiën afkomstig, maar die niet ten voordeele van den kerkdienst eener bepaalde gemeente waren geweest, en rijke kerksieraden (a0. 1572) verkocht, en zulks tot algemeen

-ocr page 107-

7

nut, ter voorziening in de geldelijke verlocenheid, waarin het land zich tijdens den oorlog bevond. Enkele jaren later (a0. 1577) werd door de Staten bepaald, dat: „de conventen „en cloosteren binnen de steden , met eijgendommeii van dien „sullen blijven tot behoef, gebruijck ende profijt van elcken „stede, omme deselfde bij hun in eigendomme aengevaart ende „behoudeu te mogen werden , ende geëmployeert tot haren bestequot;.

In Gelderland werd (a0. 1580) bij plakaat bepaald, dat de inkomsten van kloosters etc. ad pios usus moesten gebruikt worden, terwijl de Landdag (a0. 1582) besloot, de kerken met godzalige en geleerde predikanten en schoolmeesters te voorzien, die „met uottruftigen onderholt uth den geistlichen gudernquot; moesten verzorgd worden. Bij de reductie van Bommel en Bommelerwaard aan het Vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen, werd bij Reces des Landdags (Maart 1602) te Zutphen gehouden o. a. bepaald, dat de geestelijke huizen en erven binnen de stad Bommel (als in zoovele andere steden) ter dispositie bleven ad pios usus bij het stadsbestuur; terwijl toen ook voor die streken bepaald werd , waartoe de inkomsten der overige geestelijke goederen strekken moesten, en voor wie rekening geschieden moest.

A0. 1581 werd door de Staten van Overijssel goedgevonden, de kloosters Ter Hunnepe, Diepenveen enz. af te breken, en de materialen te laten ten voordeele der steden, waar ze gelegen zijn, „mits de jufferen of conventiculen wederom met „huizen in hunne steden te voorzien en van die in de landschap afgebroken wordende materialen ten meesten profijt te verkoopenquot;.

Sommige resolutiën getuigen voor het verlangen der besturen, om de nakomelingen van hen, die veel hadden ten offer gebracht tot daarstelling van aanzienlijke en rijke stichtingen, daarvan zoo mogelijk nog eenig geldelijk voordeel te doen trekken, of op het beheer en de aanwending der inkomsten van sommige stichtingen invloed te doen uitoefenen. Vrij algemeen moest voor de conventualen hun leven lang gezorgd worden, mits ze niet „met den vijand hadden geheuldquot;.

-ocr page 108-

8

§ 2.

Dp. kerkelijke goederen.

De geschiedenis van de kerkelijke goederen, vau de bona ecclesiae of ecclesiastica, — van die goederen en inkomsten, waartoe het kerkgebouw en alles wat strekte tot onderhoud van dat gebouw behoorde; — dquot; geschiedenis van de oude zoogenaamde kerkfabriek verschilt naar gelang van den rang, die de kerken als parochie-kerken, kloosters, collegiale of kapittel-kerken in het kerkwezen bekleedden. De kloosters, collegiale of kapittelkerken stonden met die stichtingen in zoodanig verband, dat hare geschiedeuis kon gezegd worden tot die der geestelijke goederen te behooren. Toen vroeger sommige kapittel-kerken nog niet tot dien rang verheven waren, maar als andere kerken, parochiale kerken waren, was dat zoo niet; en toen later de kappittel goederen werden geconfisceerd, of een geheel andere bestemming er aan gegeven werd, in die vroegere kapittelkerken de hervormde eeredienst werd uitgeoefend, was er tusschen deze en andere kerken en hare goederen ook geen onderscheid meer.

De kerkelijke goederen zijn van geheel anderen oorsprong dan de geestelijke goederen. Over den oorsprong en de oorspronkelijke bestemming van enkele geestelijke goederen, voor zoover ze kerkelijke diensten betroffen en daardoor met ons onderwerp in verband staan, zal later nog gesproken worden; maar wat den oorsprong van afzonderlijke kerkelijke goederen betreft, zij opgemerkt, dat onder het oud Frankisch recht geene kapel, hoe gering ook, mocht gebouwd worden, of eerst moest worden aangewezen op welke wijze voor het onderhoud zou worden gezorgd, als de kapel gebouwd was. Even zooniet de kerken. Geen kerk mocht gebouwd worden, zonder dat nevens de kerk de goederen geschonken waren, waaruit in het onderhoud van het gebouw zou worden voorzien, of van de inkomsten daartoe verzekering gegeven was. Zoo waren dan ook de vijf eerste parochiekerken in den tijd van Karei Martel

-ocr page 109-

9

in Holland gebouwd aanstonds met landerijen begiftigd. Die goederen waren kerkelijke goederen.

Kerkelijke goederen werden al zeer vroeg door kerkmeesters beheerd, waarvan reeds in de 13e eeuw in Holland gesproken wordt (1). De kerkmeesters kregen hunne aanstelling, niet van de geestelijken der parochie, maar van de burgerlijke overheid, van kerkpatronen of anderen. Zij waren aangesteld voor iedere kerk afzonderlijk. Al spoedig was er meer dan één kerkmeester in ééne kerk; soms waren er, zooals in Leiden, vier in iedere kerk. Die kerkmeesters beheerden de goederen en ontvingen de gelden, die door de parochianen voor de kerk en voor den geestelijke werden opgebracht. Zij legden rekening af voor de autoriteit die hen had aangesteld, in tegenwoordigheid van den pastoor.

Zoo bleef het na den veranderden toestand in de 16e eeuw in Holland en ook in Gelderland. Van die vroegere kerkmeesters waren waarschijnlijk nog eenigen in functie gebleven; althans in Holland werden er onder hen gevonden, die blijkbaar de nieuwe leer of hare leeraars niet genegen waren: „vijanden „van de Religie die weijgerden een Bibel te beschicken voor de „kerckquot;, waarover herhaaldelijk in de provinciale Synoden te Leiden, Gouda en Rotterdam werd geklaagd (2). De Staten van

(1) Hieromtrent wordt een en ander medegedeeld door P. S. Blok, leeraar aan het Gymnasium te Leiden, in een werk: Eene Hollandsche stad in de Middeleeuiven. \'sGravenhage 188ü, 1ste deel, bladz. 184.

(2) Tan deze en vele andere bijzonderheden vond ik melding gemaakt in een geschreven: „Repertorium over de Synodale acten tot gebruyck vour Sy-„noden van Zuijd-Hollant.quot;

Nog een Repertorium is er betreffende Noord-Holland, waarin evenals in het bovenaangehaalde vrij uitvoerig met verwijzing van tijd en plaats de hoofdinhoud der Resolutiën of van het verhandelde in de Synodale vergaderingen wordt opgegeven: Repertorium ofte Register van alle Acten der Particuliere Noord-Hollandsche Synoden, beybinende van \'/jaar löH; mitsgaders van Seker Provinciaal Sgnodus van Zuijd en Noord Holland, gehondeti binnen Haarlem, aquot; 1782.

Het eerste Repertorium is door mij geraadpleegd op het Rijks-archief te \'sHage, het tweede op de Koninklijke Bibliotheek.

-ocr page 110-

10

Holland werden dan ook al vroeg verzocht (a0. 1600) om de predikanten toe te laten tot het hooren van de rekening der kerkmeesters ten platten lande, „om fraude te beter te verhoeden.quot; Die kerkmeesters, fabriekmeesters, kerkvoogden waren aan eene strenge controle onderworpen. Zij moesten ieder jaar rekening doen; niet zooals de rentmeesters en ontvangers der geestelijke goederen, — waarover in het vervolg zal worden gehandeld, — voor gedeputeerden of daartoe aangewezene uit liet gewestelijk bestuur; maar volgens Staats resolutiën voor regenten, schout, schepenen van het plaatselijk bestuur, bij welke rekening in Holland de predikant tegenwoordig was, terwijl in Gelderland, wanneer een Ambachtsheer als opper-kerkmeester fungeerde, ook de predikant mede als opperkerk-meester moest beschouwd worden. De gemeenteleden werden drie weken te voren opgeroepen, om bij het afleggen der rekening tegenwoordig te zijn.

De kerkelijke goederen schijnen door deze maatregelen beter tegen verduistering en roof te zijn beveiligd gewordeu, dan de geestelijke goederen door de besluiten daar omtrent genomen.

§ 3-

De vicariën.

Ik meen eene vicarie te mogen omschrijven als zijnde: eene stichting tot het doen van missen voor het zieleheil van den stichter of andere in den stichtingbrief aangewezene personen, van welke stichting de daaraan verbonden goederen (na voorafgaande mortificatie door den Bisschop) werden beheerd en de inkomsten genoten door hem, die daartoe mede overeenkomstig den stichtingbrief, aan de geestelijke overheid, ter benoeming voor zijn leven, was voorgedragen.

Vicariën werden gesticht in kloosters, in kerken van alle rangen, in kapellen, gasthuizen, adelijke burchten , in kasteelen etc. Yerschillende gildebroeders richtten dikwijls voor een af-

-ocr page 111-

11

zonderlijk gild, en — dit geschiedde dan meestal gezamenlijk door al de broeders van datzelfde gild, — eene vicarie op aan een der pilaren van de kerk.

In de kerken werden de vicariën gesticht op reeds bestaande altaren, of er werden nieuwe altaren opgericht, gewijd aan een patroon of beschermheilige, waarop de vicaris de diensten moest doen. Verreweg het aanzienlijkst getal, althans in Holland, bestond uit vicariën op reeds in de kerk gevestigde altaren; terwijl vaak onderscheidene vicariën op een en hetzelfde altaar gevestigd waren.

De vicariën werden dikwijls verplaatst of overgebracht van het altaar, waarop zij gefundeerd waren , naar een ander altaar, ook uit de eene kerk naar de andere kerk, niet alleen in dezelfde maar ook in eene andere gemeente. Later zullen hiervan de voorbeelden worden aangetroffen.

.De vicariën waren door de stichters begiftigd met inkomsten van meerder of minder bedrag naar gelang de stichtingen waren: bijvoorbeeld op afzonderlijke, nieuw daargestelde altaren of op reeds bestaande. Die inkomsten werden in den regel getrokken uit landerijen, en bestonden daarbij vaak uit renten, gaande uit huizen en landen, en uit erfpachten. De inkomsten van eene vicarie werden soms al spoedig na de fundatie vermeerderd, of, zooals het genoemd werd, verbeterd.

De instelling was van kracht als zij door den Bisschop was bevestigd. De goederen hielden dan op wereldlijke goederen te zijn en waren buiten den handel geraakt (1).

De gifter had het recht van presentatie (2) aan den Bisschop

(1) Zie hierover Mr. H. Verloren van Themaat: Geschiedenis der Vicariën en het Vicarierecht in de Prov. Utrecht. —- Utrecht 1881, bladz. 101 etc., alsook het Onderzoek naar den aard en de geschiedenis der Vicariegoederen in Nederland van Mr. F. C. W. Koker, Utrecht 1857, bladz. 4; en over vele bijzonderheden de vicariën betreffende , de plaatsen uit van Espen; jus Eccle-siasticum, waarnaar door laatstgenoemde verwezen is.

(2) Die dat recht hadden, werden geheel verkeerd, en nog wel zooals blijken zal, in officieele stukken uit lateren tijd, collatoren genoemd, terwijl vele heeren van heerlijkheden die dat recht uitoefenden zich den titel van patronen

-ocr page 112-

12

van hein, dien hij met de vicarie begunstigen wilde ; terwijl de Bisschop, als de voordracht niet in strijd met de bestaande verordeningen was, haar confirmeerde of bevestigde. Er waren termijnen, binnen welke de voordracht geschieden moest. Werd nu bij vacature binnen die gestelde termijnen geen voordracht gedaan aan den Bisschop, dan benoemde hij ex jure devoluto rechtstreeks den vicaris en begiftigde hem met de inkomsten der vicarie. Doorgaans bepaalde de Schenker in den stichtingbrief of bij wilsbeschikking, wie het presentatierecht verder zouden uitoefenen. Had hij dat verzuimd — en, zoo was ook in den regel de beschikking van den gifter of schenker, — dan kwam het aan zijn naasten maunelijken bloedverwant, al stond ook eene vrouwelijke bloedverwante tot den stichter in nadere betrekking. Soms mocht ook bij onbekendheid van hem, die het presentatie recht had, de vicaris de vicarie resigneeren: d. i. aan een derde schenken.

Die het recht van presentatie eener vicarie bezat, had geen recht op het beheer der aan de vicarie behoorende goederen of inkomsten. Dat recht had de begiftigde, de vicaris. Bij vicariën, gefundeerd in kapittelkerken, was eene uitzondering. Zij werden door den daartoe aangewezen kameraar beheerd, en van de inkomsten, zooveel als noodig was, aan den in de kapittelkerk dienstdoenden vicaris uitgekeerd.

Als door den stichter was bepaald — en dat komt dikwijls in de brieven voor — dat de inkomsten der vicarie bij voorkeur moesten verstrekt worden aan iemand uit zijn geslacht, die priester was of tot die waardigheid werd opgeleid, zijn die vicariën soms geslachts- of bloedvicariën genoemd.

Vicariënjim\'s ecclesiastici en juris laicalis worden onderscheiden. De stichting der eerste soort bracht mede, dat de geestelijkheid

toeeigenden. Benamingen wel toepasselijk op hen, die in vroegeren oflateren tijd andere betrekkingen ook van kerkelijken aard, meest op voordracht van anderen hadden te begeven of te confirmeeren, of die ook den grond, waarop een kapel of kerk gebouwd was, met andere zaken hadden geschonken; maar niet op stichters van vicariën of hunne successeurs.

-ocr page 113-

13

op de benoemng van den vicaris rechtstreekschen invloed uitoefende , terwijl de voordracht van don vicaris, als de vicarie was juris laicalis door een leek plaats had , of door een wereldlijke autoriteit, of door heeren van heerlijkheden, als hij de stichting der vicarie dat recht aan de heerlijkheid verbonden was

Vicarissen, begiftigd met beneficien, waaraan de cura ani-marurn was verbonden, hadden ook sommige pastorale bezigheden, moesten den geestelijke of pastoor der parochie in vele zaken behulpzaam zijn, en bij uitgestrekte parochiën soms de dienst doen in een kapel, en hadden dan de zielszorg, ook door de bediening van sommige sacramenten, van de in de nabijheid wonende parochianen.

Vele andere goederen en inkomsten in verschillende gewesten onder verschillende benamingen voorkomende, oorspronkelijk bestemd tot kerkelijke diensten, en die door het kanonieke recht daarvoor waren erkend, behooren, als met de vicariën in nauw verband staande, bij de behandeling der vicariegoederen en inkomsten , de aandacht niet te ontgaan, als bijvoorbeeld die vrij algemeen werden aangetroffen: de gilde goederen van de verschillende gilden afkomstig tot het doen van kerkelijke diensten : de memorie goederen , waarvan de inkomsten niet als die der vicariën door één persoon werden getrokken, maar door de onderscheidene personen, die in dezelfde kerk naar den wil van den gever op bepaalde tijden openlijk onder zeker kerkelijk ceremonieel , aan den gever moesten gedenken, en die dan de inkomsten ontvingen, de een iets meer, de ander iets minder, zooals door den stichter was bepaald. Andere geestelijke goederen, waarvan na de Hervorming, de geschiedenis althans in Holland onafscheidelijk verbonden is met die der vicariën, worden later in dit verslag besproken.

Bij het groot verschil dat is opgemerkt, tusschen geestelijke en kerkelijke goederen, acht ik de vicariegoederen te behooren onder de geestelijke goederen, ofschoon dikwijls, zoo vroeger als later, en ook heden nog, aan dezelfde goederen geheel ad

-ocr page 114-

14

libitum, promiscue, nu eens het predicaat gegeven wordt van kerkelijke, dan weer van geestelijke goederen (1). Voor zoover de vicariën gefundeerd waren in de kerken en met andere res sacrae deel waren van het geheel, dat tot de kerk behoorde, is het verklaarbaar dat de vicariën vroeger kerkelijke stichtingen en hare goederen, kerkelijke goederen genoemd werden. Het is even zoo verklaarbaar, als vroeger dan eens van alle goederen die deel waren van dat geheel, als van kerkelijke, dan weder als van geestelijke goederen gesproken werd; want de kerkgebouwen, waarin ze waren gefundeerd, waren met alle goederen, die tot derzelver onderhoud strekten, ook res sacrae.

De kerkelijke goederen echter, waarvan in een voorgaande paragraaf gesproken is — dit zij hier nog opgemerkt — staan geheel op zich zelve. Zij hebben eene afzonderlijke geschiedenis, die afzonderlijk behoort behandeld te worden. Met de geestelijke goederen, die met elkander in nauw verband staan, is dat evenzoo. In Holland althans komen de vicariën met andere geestelijke goederen, allermeest met die der pastoriën, zooals weldra blijken zal, steeds in aanraking, en staan daarmede na de hervorming in zoodanig verband, dat daarop behoort gelet te worden om den rechtstoestand der vicariën juist te leeren kennen. Met de goederen onder beheer van kerkmeesters komen ze in Holland, nadat door de Staten een bijzondere bestemming aan derzelver inkomen gegeven was, nooit in aanraking.

Om deze en andere redenen, die bij de latere behandeling blijken zullen, rangschik ik in Holland de vicariën onder de

(1) In twee geschriften over kerkrecht: Hedendaagsclt kerkrecht bij de Hervormden in Nederland, door H. J. Royaards, Utrecht 1837, dl. EI, „bladz. 200quot;; en kerkelijke wetten voor de Hervorming in her Koninkrijk der Nederlanden door C. Hooijer, Zalt-Bommel 1846, bladz. 145quot;, wordt ook gewaagd van een onderscheid tusschen kloostergoederen, — geestelijke goederen en kerkelijke goederen. Volgens die schrijvers zijn de kloostergoederen later vervallen aan den Staat, — de geestelijke goederen tot bezoldiging der predikanten aangewezen, en de kerkelijke goederen onder afzonderlijk beheer van kerkmeesters gebleven.

-ocr page 115-

15

geestelijke goederen, terwijl ik oordeel dat ze verder niet als een afzonderlijk geheel maar in verband met andere geestelijke goederen, als een deel daarvan, moeten behandeld worden.

§ 4.

Het vroegere Holland; en de eerste voorziening aldaar in de financieele behoeften der kerkleeraars na de Hervorming.

Om nn geregeld, in chronologische orde, de geschiedenis der vicariën in Holland, in het tweede deel van dit verslag te kunnen behandelen, komt het mij voor, dat het volgende moet voorafgaan.

Het is wel niet noodig, hier eene geographische beschrijving te geven van het vroegere Holland en West-Friesland; maar er moet toch aan herinnerd worden, dat dit gewest tijdens de voormalige republiek uitgestrekter was dan de tegenwoordige twee provinciën Zuid- en Noord-Holland te zamen. Holland werd weldra na den opstand tegen Spanje verdeeld in twee deelen; het Zuider kwartier en het Nborder kwartier. Het eene gedeelte was veel aanzienlijker dan het andere. Het Zuider kwartier had twaalf stemhebbende steden, en het Noorder kwartier had er maar zeven.

De Souvereiniteitsrechten over de geheele provincie, zoo over het Zuider als over het Noorder kwartier, berustten bij de Algemeene Staten , die in het Jaar 1586 twee collegiën van gecommitteerde Raden hebben ingesteld, en wel over ieder kwartier een afzonderlijk college, waarvan dat over het Zuider kwartier resideerde in den Haag, en dat over het Noorder kwartier in Hoorn. Die collegiën waren belast met de behandeling en afdoening van vele belangrijke zaken, dikwijls ook die de vicariën in de verschillende kwartieren betroffen.

Gedurende de republiek strekte het Souverein gezag der Staten zich uit over streken, die tot het tegenwoordige Zuid-of Noord-

-ocr page 116-

16

holland niet behooren, terwijl over enkele andere streken, die daar nu wel onder behooren, anderen dat gezag hebben uitgeoefend.

Terwijl ik het kort herinnerde aan den vroegeren topogra-phischen en politieken toestand van Holland voldoende acht, zal het wel duidelijk wezen, dat eene gelyke behandeling van de geschiedenis der vicariën in de thans twee verschillende provinciën: Zuid- en Noordholland, vroeger één gewest, onder hetzelfde Souverein gezag, is aangewezen.

Tijdens, of weldra na de groote verandering, die door de hervorming in de kerk plaats had, hebben, althans in Holland, de kerkleeraars zich niet rechtstreeks gemengd in de financieele kerkelijke aangelegenheden, of het beheer uitgeoefend over fondsen, waaruit vroegere dienstdoende geestelijken werden gesalarieerd. Het klagen en twisten ook over goederen en inkomsten de vroegere kerkdienst betreffende kwam later.

In de bepalingen der eerste provinciale Synode der kerken van Holland en Zeeland, gehouden a0 1574 te Dordrecht, vindt men, even min als in „de vragen en questien, in \'t Synodus „beantwoort,quot; iets, betrekking hebbende op de goederen of op het beheer der goederen, waaruit de predikanten werden betaald, of die de in de kerk dienst doenden zouden toebehooren. Ettelijke jaren later (1598) werd in toen gehouden provinciale Synoden, zooals uit de daarvan nog bestaande aanteekeningen blijkt, wel besloten: „om in het algemeen vermeerdering van gagiequot; aan het Staatsgezag te vragen; maar, als er ergens behoefte aan predikanten was, dan werd in den regel eerst verzocht in hunne tijdelijke behoeften te voorzien uit de inkomsten der kerkelijke goederen, en zoodat niet kon, of niet voldoende kon geschieden, dat alsdan de gemeenteleden zouden bijdragen. In eene der oudste synodale bepalingen wordt omtrent der predikanten gagie nog hot volgende gelezen : „geen predikant magh „kerkelijke goederen, beneffens en buijten sijn plaets voor hem „en sijne kinderen gebruijeken, dogh wel een eerlijke Recog-

-ocr page 117-

17

„nitie van sulke plaatsen die hij oaderwijleE bedient, ende die „geen Dienaar hebben.

quot;Wat omtrent de religie en de geestelijke goederen in de vroegste Uniën, van die van Dordrecht 11 Juli 1575 af tot de Unie van Utrecht 23 Januari 1579, bepaald werd, bewijst dat steeds het Staatsgezag daarin als machthebbende, optrad.

De Stai;en van Holland hadden reeds vroeger in bijzonderheden ten opzichte der kerkelijke en geestelijke goederen als inachthebbende gehandeld. Dat was gebleken in de eerste zelfstandige Statenvergadering van Holland in het jaar 1572 te Dordrecht gehouden, en dat bleek niet minder in de resolutie der Staten van Holland van 26 November 1574: „Ordre op de „betaliuge der Predikanten in de Steden en Dorpenquot; en in de „acte en ordre nopens de Regeering der kercken goederen etc „2 Maart 1575,quot; dus geruimen tijd voor de laatst genoemde Unie, en voor dat de Staten Greneraal 1 Juli 1581 de reso-lutiën namen, die wel als de rechtsgrond is beschouwd, waarop latere bepalingen zijn gebouwd, en die volgens een manuscript daarvan op het Rijks archief te \'s Gravenhage, in haar geheel luidt als volgt (1):

„Mijne heeren de Generaele Staten hebben op huiden een „ yder provincie in besunder ende particulier geautoriseert, gelick „ si mits dese auctorisoren te mogen disponeren van de geeste-„ licke goederen in hun quartier gelegen, gelick si naer allo „ redelicheijt sullen bevinden te behooren, mits ook accordeerende „ bij dese dat die van Bruessel sullen mogen verkoopen van de „ geestelicka goederen in hun quartier gelegen, ter somme van „ hoüdert duijsent guldens, auctoriseerende den Staeten van Brabant „ daerinne te vorsien, gelick si sullen vinden te behooren.quot; „den ersten Juli 1581.quot;

Matthaeus (2) geeft den hoofdinhoud van dit stuk ook op, en voegt daarbij:

(1) W. van Beunitijen. Het geestelijk kantoor van Delft. Arnhem 1870, bladz. 14.

(2) In zijn werk: Anal. vet. aevi t. t. bladz. 956.

2

-ocr page 118-

18

„ hoewel ook buyten die resolutie ende authorisatie yder pro-„vincie autocratice volgens hare Souvereine macht sulks vrij „staat te doen.quot;

De evengenoemde resolutie der Staten van Holland van 26 November 1574 is zeer merkwaardig. Zij behelst eene eerste wettelijke regeling der predikantstractementen in Holland. De tractemeuten moesten betaald worden „ uit de gereedste inkom-„ sten van de goederen tot den kerkerdienst binnen de steden „ of vlekken haarluider woonplaats specteerende of toebehoo-„ ronde.1\' Die goederen moesten beheerd worden door plaatselijke ontvangers. — In deze resolutiën wordt niet gesproken van vicariën.

Bij besluit der Staten van Holland van 2 Maart 1575 werd dat beheer veranderd. De Staten begeerden, dat de regeerders van steden en dorpen alle jaar weder kerkmeesters en regenten, zooals van oude tijden af was gebruikelijk geweest, zouden aanstellen, die „ alle de pastorijen , commanderijen, canonisien, vicarijen , memo-„ rien, getijden, heilige geest, weesen, arme huyssittingen, oude „ mannen en wijven, ende andere arme landenquot;, zouden beheeren, die de kerken en pastoriën die verbrand waren zouden laten opbouwen, en de armen zouden verzorgen, terwijl het overschot moest strekken ten voordeele van schoolmeesters en predikanten „behoudelijck de pastoeren, commandeuren, canonieken, vicarissen, „memorie en getijde heeren, hen onder de gehoorsaamheijt van „den Prince van Oranje, als stadhouder ende Capiteijn Generael „van de Koninghlijcke Majesteit, als Grave van Hollandt, „Zeelandt en West vriesland, onthoudende, haer toegevoeghde „alimentatie mede bij de voorschreve kerkmeesters ende regenten „respectivelijk te betalen.quot; Naar goede oude gewoonte] moesten deze nu weder aangesteld wordende kerkmeesters, heilige geesten weesmeesteren en regenten, „elck in sijn regaard,quot;jaarlijks behoorlijke rekening doen, daar waar dat behoort. In deze resolutie is nu wel sprake van vicariën; maar eene afzonderlijke bestemming aan derzei ver inkomsten, is ook daarin niet aangewezen.

Aan de bepalingen der resolutie van 2 Maart 1575 werd

-ocr page 119-

19

blijkbaar niet naar behooren voldaan. Zes maanden later, 12 September 1575, werd eene commissie benoemd om de registers der rekenkamer, die toen te Delft bewaard werden, aldaar na te zien. De ontvangers die hunne stukken nog niet hadden overgegeven, moesten gedwongen worden om het te doen. Commissarissen moesten vervolgens een staat opmaken, en dien aan de Staten overleveren „ten eijnde al \'t selve gesien, op den veraderen ontfangh der voorz. geestelijeke geannoteerde goederen, „ende de combinatie van dien goede ordre gestelt ende gehouden mach worden, sulcks tot onderhoud van alle conven-„tualen, predikanten ende den armen, met vorderinge der „gemeene saecke bevonden sal worden gevoeglijkst ende oirbaer-„lijckst te zijn.quot;

Na dit onderzoek hebben de Staten, toen ook de klachten vermeerderden van dorpspredikanten in het zuider-kwartier, dat „doer quaade ordre ende kleine toesigt die daar op werd ge-„nomen,quot; de hun toegevoegde alimentatie niet werd voldaan, getracht de zaken op beteren voet te regelen, en wel door die vereeniging van zoovele verschillende geestelijke goederen onder één beheer te verbreken. Ze hebben toen aanvankelijk de pastoriegoederen en inkomsten uit die gemeenschap verwijderd, om van de verschillende gemeenten te zamen door één ontvanger beheerd te worden. In hun besluit van 10 Januari 1577 werd bepaald „dat alle de inkomsten van de pastorien binnen elks quartieren „van Holland ten platten lande, als Zuid Holland, Rijnland, „Delftland, Schieland en de Landen van Overmase, te samen „onder eenen ontvanger, sullen werden gebracht, en daaruit in „het gemeen, alle de predicanten binnen denselven quartier ten „gestelden termijne betalinge sal werden gedaan, sulks in Noord-„holland werd geobserveerd, ende soo verre den selven ontvang „daartoe niet en sal moogen strekken, dat het restant van dien „in het gemeen over de Morgentaaien binnen denselven quartier, „tot laste van de bruikers sal gevonden en gedraagen werden, „of dat alle de inkomsten van de pastorije van den dorpe „daar af de ingeseetencnquot; onder elks predicant werden ge-

-ocr page 120-

20

„dient, tot onderhoud van denselven predikant sullen werden „uitgereikt en belieert; en soo verre daaraan meede iets sal mogen „gebreeken; dat het restant van dien, insgelijks over deselve „ingezetenen gevonden sal mogen werden, en ommeslagen als „voeren.quot; — In deze resolutie wordt evenmin als in die van 26 November 1574 en van 2 Maart 1573 van eene afzonderlijke bestemming gesproken, die aan de inkomsten der vicariën moest gegeven worden, of eenige beslissing omtrent deze goederen genomen.

Als nu gelet wordt op vele souvereine bepalingen in Gelderland en Overijssel, betrekkelijk de goederen de kerkdienst spec-teerende, die weldra na de hervorming genomen zijn, dan is daarin veel overeenkomst met die in Holland zijn genomen, altoos met wijziging, ten gevolge ook van vroegere gebruiken.

In Overijssel bijvoorbeeld werden vele uitkeeringen van landbouwproducten onder de Roomsche hierarchie door de geestelijken der parochie genoten, later getrokken door de predikanten. Zoo werd ook, als het bedrag der predikantstractementen niet voldoende geacht werd, in de drie verschillende gewesten op dikwijls van elkander verschillende wijze, daarin voorzien. Maar, ofschoon in de oudste resolutiën der Staten van Gelderland en Overijssel, die van iets latereu datum zijn, dan de oudste van Holland, de vicariën ook mede voorkomen, vinden wij daarin aan de inkomsten dezer en andere soortgelijke stichtingen evenmin een afzonderlijke bestemming aangewezen.

Met pastorie-goederen en inkomsten, zooals is opgemerkt, en ook met custorie-inkomsten, waar ze waren, was dat weldra anders.

Geen wonder. Ofschoon toch van eene eigenlijk gezegde kerkelijke organisatie bij de Hervormden in dezen tijd, in om land nog geen sprake zijn kon, brachten blijkbaar de begrippen van hen, die daartoe later hebben medegewerkt, — hoe velerlei denkbeelden er ook weldra waren over de geestelijke goederen, eu twisten daardoor later ontstonden, — aanstonds mede, om

-ocr page 121-

21

de eeredienst in de kerken, en dus de kerken met de pastoors-woningen en de custoriën. zooverre die afzonderlijk aanwezig waren, met de goederen en inkomsten er aan verbonden, te behouden. Veel wat in die kerken was, of wat vroeger een integreerend deel der kerkedienst had uitgemaakt, was met die gewijzigde religieuse denkbeelden geheel in strijd, en daaronder het behoud der vicariën en wat daarmede en soortgelijke officiën in verband stond. Yoor een vicaris, kapelaan en andere titularissen, die vroeger ook kerkelijke diensten hadden verricht, was bij de nieuwe ordening van zaken, geene plaats meer.\'Die goederen en inkomsten specteerden dan nu ook de kerkdienst niet langer. Zij werden door de Staten van Holland daarvoor dan ook niet erkend, maar zooals we zagen aanstonds ingedeeld bij het kader van zeer van elkander verschillende geestelijke goederen.

Spoedig echter werden nu, zooals we zien zullen, de vicariën ten gevolge van souvereine besluiten vereenigd juist met die geestelijke goederen, die gedestineerd waren voor de kerkdienst, o. a. ten bate der kerkdienaren; ze raken daarmede en met nog andere goederen uit hetzelfde kader ten nauwste verbonden en behouden toch hare afzonderlijke geschiedenis, die, in verband beschouwd met die van andere geestelijke goederen, zeker voor onzen tijd, daarvan niet de minst belangrijke is.

Aan het slot nog het volgende. Reeds in 1573 was door Philips een plakaat uitgevaardigd, om alle goederen van pasto-riën etc. op te schrijven, opdat zij ten gemeenen bate en tot onderhoud der predikanten, andere kerkdienaren en schoolmeesters zouden worden aangewend. Daaraan niet voldaan zijnde, beval hij bij „advise van den Prins van Oranje, Graaf van Nassauquot; bij plakaat van 1577 alle autoriteiten om bij Gecommitteerden der Staten aan te brengen en bij Staat over te leveren „allo die „goederen, Landen, Renten, Actiën , Crediten ende Inkomsten „van alle pastoriën, vicariën, getijden ende andere inkomsten

-ocr page 122-

22

„van de kerekequot;, — met de grootte en waarde, om zoo in het onderhoud van schoolmeesters en kerkendienaars te kunnen voorzien, en van de armen en „fabrijcken der kerckenquot; en zulks op zware straffen bij verzuim. Maar ook toen dat stuk in het jaar 1577 werd uitgevaardigd, was er nog geeno afzonderlijke bestemming aan de vioariën gegeven, zooals te voren met do pastorie-goederen was geschied.

De eerste Resolutie hieromtrent, wordt een volgend jaar in Holland aangetroffen, en daarmede vangt in dit verslag de behandeling van de geschiedenis der vicariën in Holland aan.

-ocr page 123-

TWEEDE GEDEELTE.

GescMedenis der vicariën in • Holland.

Het schijnt mij het ordelijkste toe om de behandeling in twee afdeelingen te verdeden.

I. Van het jaar 1578 tot 1795.

II. „ „ „ 1795 „ tot op onzen tijd.

Alles latende rusten wat niet van ingrijpend belang is, zal getracht worden, om zoo beknopt mogelijk een pragmatische beschrijving te geven van de geschiedenis der vicariën in Holland. Bij zoodanige behandeling moet soms een en ander worden besproken dat bij eene bloote behandeling van feiten het onderwerp betreffende kan worden verzwegen.

Wat de bronnen betreft, die tot de samenstelling van dit rapport, zoo voor dit gedeelte, als voor het volgende hebben gediend, moet ik in de eerste plaats van het Rijksarchief te \'s Hage melding maken. Van de verschillende aldaar berustende verzamelingen raadpleegde ik voor mijn doel:

uit het archief van de Staten van Holland en West-Friesland: de Resolutiön van de Staten en die van Gecommitteerde

Raden, loopende van 1524—1795;

de Registers van minuten van Confirmatiën van vicariën 1601—1797.

Uit het archief van het kantoor der geestelijke goederen in Holland, gevestigd geweest te Delft:

Blaffert van de vicariën, beneficiën en diergelijke gefundeerd in de kerken van de steden en dorpen in Holland

-ocr page 124-

24

en Westfriesland, staande zoo ter collatie van de Edele Groot Mogende heeren Staten als van particulieren, opgemaakt op last en authorisatie van de Gecommitteerde Raden van 22 Augustus 1653.

Portefeuilles, bevattende verschillende stukken betreffende vica-riën, alphabetiscli op de plaatsnamen gerangschikt.

Voor den lateren tijd: do besluiten van het uitvoerend bewind , van het Staatsbewind en van don Koning van Holland. 1798—1810.

Verder raadpleegde ik enkele stukken uit de archieven der Departementen van algemeen bestuur en onder deze de bij het Departement van Binnenlandsche Zaken berustende registers der resolutiën in zake praebenden, vieariën en soortgelijke, beginnende 16 Juni 1807 tot lieden. En ten slotte eenige berichten, welke ik van hoofden van plaatselijke besturen ontving.

Ook werd een en ander geput uit gedrukte bronnen, ofschoon schrijvers, die de vieariën in Holland afzondorljjk hebben behandeld , niet konden geraadpleegd worden, om de eenvoudige reden, dat \'ze er niet zijn. Met uitzondering van Mr. Koker, die, in zijn reeds aangehaalde dissertatie, in \'t kort ook van deze vieariën op zeer juiste wijze afzonderlijk heeft bericht, is mij althans geen schrijver bekend, die de geschiedenis der vieariën in Holland heeft behandeld.

Vele bijzonderheden omtrent vieariën worden daarentegen in de verschillende stedebeschrijvingen van Holland gevonden, waarvan ik herhaaldelijk gebruik maakte, zooals in het laatste deel zal blijken. Voorts raadpleegde ik het Groot Hollandsche placaatboek en het kerkelijk placaatboek van Wiltens.

-ocr page 125-

25

EERSTE APDEELETO.

van het jaar 1578 tot 179 5.

§ 1-

Eerste besluit en uitvoering in het Zuid er en Noorder kwartier.

Dit besluit „rankende de beneficiën, vicariën en Canonisyen, de jure Patropatus Laicalquot; is van 5 September 1578 (1).

Het is hot fundament, waarop latere bepalingen zijn gebouwd. Het bepaalt de bestemming aan de inkomsten der vicariën voortaan te geven; en wel vóór zulks door de Souvereinenvan andere gewesten, althans door die van Gelderland en Overijssel was gedaan. De korte inhoud is als volgt; de inkomsten van alle beneficiën, vicariën on canonisien de jure Patronatus Laical, die vroeger tot eenigen kerkdienst of misse hadden gestrekt, zouden voor twee derde deelen blijven ter dispositie van patronen of collatoren, voor jongens en scholieren, of anders ad pios ustis. Op de begeving moest van de Staten of\' hare gedeputeerden, confirmatie worden gevraagd. Een derde deel der inkomsten, was voor de predikanten. Eenige collaties vroeger gedaan, werden van geener waarde verklaard; maar de possesseurs, die de collatie der beneficien reeds vóór den oorlog ontvangen hadden, zouden de inkomsten hun leven lang behouden „mits daaraf meede uit-„keerende en respondeerende een derde part tot onderhoud van „de predikanten\', aan te benoemen ontvangers; aan wie ook de inkomsten en de landen en goederen van deze verschillende beneficiën binnen zes maanden moesten worden opgegeven. De inkomsten der beneficiën annex hebbende curam animarum bleven geheel voor de predikanten.

(1) Het is in zijn geheel afgedrukt en te vinden in het Kerkelijk Placaat\' boek, d. II. blz. 7.

-ocr page 126-

26

In deze resolutie wordt gesproken van ontvangers der inkomsten van verschillende beneficiën. Zij bestonden, zooals gebleken is, ook toen reeds in het Zuider-kwartier van Holland, en al vroeger in het Noorder. Maar die ontvangsten of rentmeesterschappen in het Zuider-kwartior waren toen zeer beperkt.

Ettelijke dagen na het besluit van 5 September 1578 werden de magistraten der steden aangeschreven, om door een bekwaam persoon te doen onderzoeken of de inkomsten der beneficiën hebbende annex curam animarum voldoende waren ter voorziening in de tractementen der predikanten, of dat er subsidie zou moeten verstrekt worden. Gelijk werd bepaald, dat op dg dorpen, waar het nog niet was geschied, een staat van inkomsten der beneficiën proven en pastoriën moest worden opgemaakt en overgeleverd „ende voorts de penningen aan deselve inkomsten en goederen „binnen de dorpen, vlecken ende ten platten lande \'t ontvangen, te innen ende \'t executeeren als des gemeene landtspen-„ningen, deselve overteleveren of daaraf te verantwoorden in „handen van Cornells van Coolwijk, als ontfanger generael „derselver goederen, die daer af met de andere penningen „van sijnen ontfangh, procederende uyt het derde pa.rt van „d\'inkomsten van alle beneficiën, vicanjen ende canonisyen „niet annex hebbende curam animarum, gehouden sal zijn te ver-„antwoorden, ende te maeken en te onderhouden een Staet „Generael, naer breder inhoudt der brieven, daer bij de steden „hiervan zijn geadverteert. Die van Noord-Holland sullen hierin „hebben te voorsien naar haren gelievenquot;.

In het No or der-kwartier was, zooals reeds gebleken is, bij de aanhaling der resolutie van 10 Januari 1577, het beheer geheel anders. Het werd toen al door eenen ontvanger gevoerd over onderscheidene gecombineerde geestelijke goederen. Maar zulk een titularis, die er in den tijd van Leicester, in het Noorderkwartier nog was, werd daar later niet meer aangetroffen. Weldra had daar ieder der zeven stemhebbende steden een afzonderlijken ontvanger, en bleven er over sommige districten en heerlijkheden, evenals ook wel het geval was in het Zuider-kwartier,

-ocr page 127-

27

bijzondere rentmeesters; maar overigens quot;^vas de administratie van meergenoemde goederen op de dorpen vnj algemeen bij de „respective geregten.quot;

Die evengenoenide ontvanger van Coolwijk, en zijne opvolgers, resideerden te Delft. Het kantoor droeg den naam van groot geestelijk kantoor. Andere ontvangers waren dien ontvanger-generaal rekenplichtig. Een ander geestelijk kantoor, dat van den Briel, stond meer op zich zelf. Het was er reeds voor dat van Delft. De tertiën der vicariën en verdere inkomsten gedea-tineerd tot de betaling der predikanten in de stad Brielle en in den lande van Voorne cn Putten werden daar ontvangen. Het kwam echter ook telkens in aanraking met het groot geestelijk kantoor; want het overschot van de inkomsten der goederen binnen den Briel en den lande van Voorne en Putten moest, als er dat was, daaraan worden overgemaakt, terwijl uit de rekeningen van het geestelijk kantoor van Delft blijkt, dat dikwijls dat van den Briel, op last van de Staten, er krachtig uit werd ondersteund.

Het geestelijk kantoor van den Briel had al aanstonds het beheer over eenige goederen of inkomsten van vroegere Capittels en Conventen; maar die werden niet in massa met de inkomsten der andere goederen, maar in eene afzonderlijke rekening verantwoord, terwijl op last der Staten uit die inkomsten dikwijls belangrijke subsidiën tot kerkelijk voordeel zijn verstrekt. Ook aan het geestelijk kantoor van Delft is het beheer van eenige klooster- en abdije, ook van Capittel goederen toevertrouwd, of liever de inkomsten die ze nog afwierpen, zoo verre ze niet aan de steden waren overgegeven, verkocht of veralieneerd waren, werden ook wel in de kas van dat kantoor gestort en in dezelfde rekening met de inkomsten van andere geestelijke goederen, met die van pastoriën en vicariën, verantwoord.

Op verre na zijn echter aan deze kantoren niet alle goederen de curam anima rum hebbende overgegeven en alle tertiën van vicariën daar verantwoord en voldaan. Het zal blijken door welken invloed en om welke redenen het niet is geschied, waar

-ocr page 128-

28

hot hnd moeten gesohioden. Ook zijn tengevolge van bijzondere toestanden sommige stroken, die tot het Zuider-kwartier van Holland behoorden, buiten eenige gemeenschap met deze kantoren gebleven.

De bestemming, A0 1578 in Holland aan de inkomsten der vicariön geheel afzonderlijk gegeven, is om vele redenen belangrijk. Gedurende het bestaan der republiek is daarin, hoe wel er telkens tegen deze wettelijke regeling gehandeld is, wel velerlei wijziging gekomen, maar zelfs na 1795 geene ingrijpende verandering gemaakt.

In Gelderland is het eerste besluit omtrent de administratie der geestelijke goederen met eenige aanwijzing omtrent het gebruik der inkomsten van 31 Mei 1581. Weldra is daarna bepaald, welke bestemming gegeven moest worden aan de inkomsten der vicariön aldaar. Veel is hier wat met de bepalingen in Holland genomen overeenkomt. Spoediger echter dan in Holland, werden in Gelderland bepalingen gemaakt omtrent zoogenaamde patronen of collatoren van vicariën, die gedwongen werden hunne rechten voor het hof te bewijzen, terwijl het toezicht op de vicariën ook aan het hof was opgedragen. De resolutiën omtrent de vicariën gingen uit van den Landdag; en verder maakten de Gedeputeerden der drie verschillende kwartieren bijzondere bepalingen. Het beheer in deze kwartieren was verschillend, naar omstandigheden en inzichten. Yan ontvangers en \'rentmeester van geestelijke goederen is ook in Gelderland weldra sprake.

In Overijssel hadden de Staten blijkbaar vroeger tegen vervreemding van geestelijke goederen gewaakt; maar de eerste bekende resolutie, waarin van eene bestemming aan de inkomsten der vicariën to geven, gesproken wordt, is van 13 April 1581 (1), „dat men der pastoriën, vicariën, costeriën, kerken-B goederen en inkompsten durch elcken Drost in sijn bevolen „ambt zal doen gebruijcken tot Godtlieken dienst, als bevonden „zal worden tot erhaldinge godtlichen woerts te behoeren.quot;

(1) Zie de kwestie van de betaling der traktementen der predikanten bij de Hervormde gemeente te Kampen. Historisch onderzoek. Kampen lb69, blz. 62.

-ocr page 129-

29

Deze resolutie betrof het platte land. De stedelijke regeering zoo te Zwolle als te Deventer en te Kampen stelde zich spoedig ia het bezit der geestelijke goederen. De inkomsten werden aangewend tot verschillende ■wereldlijke doeleinden, en ook ter voorziening in do tractementen der predikanten. Rentmeesters waren in bijzondere kwartieren aangesteld over pastorie- en vicariegoederen. In het kwartier van Salland was er in het jaar 1581 al een benoemd, terwijl aldaar de inkomsten der pastorie- en vicariegoederen moesten worden gebruikt „tot dei; „goddehjken dienstquot;, en wel tot betaling van predikanten, predikantsweduwen en schoolmeesters. Hierin , ook in de erkenning van liet jus patronatus en de uitkeering, zooals 11 \'October 1583 werd bepaald, van de helft der inkomsten van de vicariën ad studio,, is veel overeenkomst met Holland en Gelderland. Verschil was er in het uitoefenen van toezicht eu het beslechten van geschillen.

§ 2.

Tegenstand vooral der Edelen in Holland; en houding van het Staatsgezag.

Drie jaren na de straks aangehaalde resolutie van 5 September 1578 „rakende de Vicaryen en Canonisyen de juris Patronatus „Laicalquot; besloten de Staten van Holland de inkomsten van alle kerkelijke beneficiën „die vroeger ter collatie van geestelijke „personen als Patronen, ook van Zijne Majesteit en den „Stadhouder van Holland gestaan haddenquot;, opdat ze niet verminderd zouden worden, maar ten voordeele der predikanten wezen zouden, gelijk met de andere goederen te doen beheeren. Zij besloten nu gelijk, dat ieder „opening van „zakenquot; zou geven, en naar de verduisterde geestelijke goederen zou worden onderzocht. De ontvanger-generaal werd daarbij aangespoord „mit alle devoir te onderzoeken de goederen van beneficien „ter collatie van geestelijken als Patronen, en die onder zijn „ontfang voor de predikanten te brengen.quot;

Toen de Staten deze bepaling maakten, was al gebleken,

-ocr page 130-

30

welk een tegenstand de uitkeering van de tertiën der vicariën, zooals die geschieden moest volgens resolutie van 5 September 1578 in de steden en vooral bij de Edelen ontmoette. Opmerkelijk is het, wat hieromtrent wordt aangetroffen. De Staten namen in 1581 het besluit om over de zaak in \\\\ct vriendelijke met de Edelen te onderhandelen. Maar die vriendelijke onderhandelingen hebben weinig of niets gebaat. Immers 4 Juni 1584 herinnerden do Staten in eene toen genomen resolutie, hoe edelen en steden bij gemeene bewilliging hot derde part der beneficiën juris patronatus laicalis tot voordeel der predikanten mede hadden bestemd, hoe vaak de edelen tot naleving dier verbinténis waren opgewekt, en besluiten zij iemand uit Uordt, Delft en Leiden te committeeren „omme neerstelijk „met alle weegen on middelen tc besorgen, dat deselve Edelen „den eersten bij Sijne Excelleatie tot dien einde moogen herschreven werden en allo weegen van inductie met goede onder-„regtinge voorgehouden en daarop aangehouden dat sijlnidden de „voorgaande resolutiën alsbooven nakoemen willen, of andersints „de Saake aan Sijne Excellentie of die van den Raade Provin-„ciaal submitteeren doende rapport aan de Staatenquot;.

De ontvanger klaagde telkens en gedurig weer. Tengevolge hiervan richtten de Staten 1 Jnli 1586 tot hem eene aanschrijving, dat nu eens blijken moest welke middelen hij wel had aangewend om de „voorschreeve Beneficiën onder sijn administratie „te brengen en dat alle hetgeen daar aan soude mogen ge-„gebreeken, eerstdaags sal worden gevordert; dat oversulks aan „de E,entmeesteren van den Heere van Wassenaar en Vrouwe „van Arenberg; en alle andere, desnoods zijnde, geschreven, „en ook tegen deselve bij executie geprocedeert sal worden, om „te hebben pertinente verklaaringe, wat Beneficiën vau dezelve „Huizen gehouden werden, wie daar van Possesseurs zijn, en wat „goederen daar zijn toegehoorende, ten einde alle deselve onder „den voorschreve ontfanger gebragt, en tot onderhoud van de „kerkelijke saaken verstrekt mogen werden, conform meeninge „en instructie van de Staatenquot;.

-ocr page 131-

31

In Gelderland en Overijssel ging \'t niet anders. Ook in Gelderland waren, na de bepaling omtrent de aanwending der inkomsten van de vicariën, herhaalde herinneringen en bedreigingen noodig; maar ze hebben weinig of niets gebaat, \'t Had in Gelderland nog eenigszins anders kunnen verwacht worden, althans, dat de overtreders zouden worden gestraft, omdat het beheer er geschiedde onder do oogen van het oude hof, dat daarop steeds moest toezien , terwijl niet bij de gedeputeerden der verschillende kwartieren , maar ook bij het hof, do investituren der vicariën waren.

In Overijssel was de oppositie zoo heftig dat de resolutie van April 1581 met krachtige bedreiging eonige jaren daarna nog eens moest worden vernieuwd. Die overal op te merken, zoo verkeerde handelingen, die al zoo spoedig na eene wettelijke regeling der geestelijke goederen plaats grepen , zijn , hoe ernstig de bedreigingen soms klonken, oogluikend vaak toegelaten, door hen aan wie niet alleen het uitvaardigen, maar ook het handhaven van wetten wTas toevertrouwd, zoo ze zeiven al niet in de overtreding er van zijn voorgegaan. Om uit tal van voorbeelden uit dien eersten tijd één te kiezen, neem ik de tegenwoordige hoofdstad des rijks: Amsterdam. In de oudste rekening van den ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft, die op het Rijksarchief in deu Haag in haar geheel aanwezig is, en daar met onderscheidene andere rekeningen van dit kantoor kan worden geraadpleegd, in de rekening over het jaar 1579, beklaagt de ontvanger zich op ernstige wijze over hetgeen hij ,• — geheel handelende overeenkomstig zijne instructie, — o. a. van Amsterdam ondervonden had (1). Hij schrijft, dat welke moeite hij had aangewend om maar een staat te krijgen van de goederen gedestineerd tot onderhoud der predikanten aldaar, en welke toezessiuïen de burgemeester Mr. Willem Bardesius hem

O O O O

gedaan had, hij niets ontvangen had; dat al zijn pogingen vruchteloos geweest waren, „gevendequot; zoo eindigt hij zijn ampel bericht, „de magistraet ten laesten naer veel achteraen lopens

(1) Geestelijk kantoor van Delft, bladz. 61.

-ocr page 132-

32

„desen rendant door Barthelmeus Van der Weijere, anders gheen „andtwoordt dan dat hij zijn mooijten wel spaeren mochte, wandt „die voorn: van Amstelrcdam nyet van meeninglie waeren te „gedoeglien dat yemandt in heurluijder potte zoude commen „kijken, „maer metten voornoemde incomsten handelen naar „haerluijder believenquot;.

Hoe schandelijk onverschillig de Staten van Holland, niet alleen omtrent Amsterdam, maar in liet algemeen waren in liet doen handhaven hunner verordeningen, blijkt, als dezelfde ontvanger in dezelfde rekening omtrent de ontvangst Vvan den derden „penning van allen den incommen der beneficiën, vicarijen, „canonisiön die jure patrouatus gepossideert ende geheven werdenquot; het volgende schrijft:

„Alhoewel bij resolutie der Staten in dato den 6 September „1578 verstaen was, dat bij den patronen ofte possesseursvan „vicarijen, beneficiën ofte canonisijen een gerecht derdepart in „handen van desen rendant betaelt zoude worden tot onder-„houdt van do dienaeren des Gootlijcken woordts op peene als „gepubliceert was, soo en heeft desen rendant daervan nijet „altoos ontfanghen, overmits doppositie van de eedelen, ende „andere obstacel, daarop gevallen \'t welk desen rendant omme „hem behoorl: te qujjten tot meermael aen de heeren Staten „geremonstreert ende evenwel geene vruchtbaere resolutie ofte „assistentie verkregen heeft geliadt.quot;

In de aangehaalde resolutie van Juli 15S6 werden onder de beneficiën, die tot onderhoud dor predikanten moesten worden aangewend, ook genoemd, die gestaan hadden ter collatie van de grafelijkheid van Holland, met die van „Heeren of andere „personen, wier goederen zyn geconfisceerd quot; In een resolutie van 29 Juni 1591 hebben de Staten hieromtrent niet alleen ernstige bepalingen gemaakt, maar er bij exceptie beter de hand aan gehouden. Dat uitvoerig placaat „nopens \'t aanbrengen van „de Prebende Canonicael, Officien, Beneficien , Scholasterien, „Vicarijen en Kosterijen, staande ter collatie van de Graeffe-„liekheidquot;, komt hoofdzakelijk hierop neer: Aan de graaflijkheid

-ocr page 133-

33

van Holland en Westfriesland was van oudsher opgedragen \'t recht van patroonschap en collatie van vele prebenden canonical , officiën, scholasteriën, vicariën en kostericn. Ook waren aan de graaflijkheid gekomen en gedovolveerd do goederen en rechten van verscheidene geestelijke lichamen en collegiën, en van hen die zich hij de vijanden begeven hadden; dus ook \'t recht van patronaatschap er van. Verscheidene personen hadden dat patronaatschap sedert den oorlog aan zich getrokken, naar goeddunken er mede gehandeld, en wat erger was, de goederen zich toegeëigend, waardoor „de geregtigheden der voorz. lan-„den grootelijks souden worden vermindert, ten ware bij ons „daerinne werden voorsien.quot; Allen, die zulke goederen bezaten, waarvan de collatie aan de graaflijkheid toekwam, moesten ze binnen vier maanden aanbrengen bij een aangewezen advokaat van het Hof van Holland. De inkomsten dezer vicariën, die niet waren juris patronatus laicalis, moesten, zooals reeds vroeger was bepaald omtrent de vicariën hebbende curam animarum, geheel ten bate der predikanten worden aangewend. Werkelijk was dan ook reeds 9 October 1588 geweigerd om de begeving eener vicarie , gestaan hebbende ter collatie van den Abt van Egmont, die door het overlijden van iemand , die vroeger met de inkomsten begiftigd was, vaceerde, en nu door Burgemeesters en Regeerders van Haarlem begeven was, te confirmeeren, omdat de inkomsten van deze vicarie en van andere diergelijke vicariën voortaan geheel ten bate der predikanten moesten worden aangewend.

§ 3-

Eerste verkoopingen.

Om verschillende redenen hadden in Holland, al zeer vroeg, na den veranderden kerkelijken toestand in de 16lls eeuw, verkoopingen plaats van geestelijke eigendommen (1). Onder die

(1) Zie bladz. G.

311

-ocr page 134-

34

verkoopingen komen nu in de allereerste plaats wel niet voor die goederen en eigendommen, die ten bate der kerkdienst van afzonderlijke gemeenten hadden gestrekt, en dus ook niet die van vicariën; maar toch zijn al spoedig met toestemming of op last der Staten vicarie-goederen verkocht.

Er is veel verschil van gevoelen in dien tijd geweest, en dat juist onder hen, bij wie de souvereiniteit over het gewest Holland berustte, omtrent de verkooping der geestelijke goederen en wat daarmede in verband stond. Verkoopingen op groote schaal schijnen Avel spoedig dringend noodzakelijk te zijn geweest, o. a. om de conventualen te kunnen uitbetalen en schulden van geheel anderen aard te kunnen afdoen. Ofschoon om die redenen de noodzakelijkheid eener verkooping algemeen werd erkend, openbaarde zich dat verschil onder hen, die in 15S2 bepaald hadden, dat de verkooping, „generalij ck , alommequot; zou geschieden, toen het tot uitvoering van dat besluit kwam, en werden er vrij wat exceptiën op dat besluit gemaakt. De Edelen verklaarden, dat zij niet zouden toestemmen om de goederen van de abdijen in Holland te ver-koopen, omdat die bestemd waren tot onderhoud van verarmde edellieden. De gedeputeerden uit het noorder-kwartier waren ook niet voor de verkooping van alle geestelijke goederen, omdat volgens overeenkomst uit de opbrengst vele oude schulden in het noorder-kwartier moesten worden voldaan. Eerst moest dus volgens hun verlangen bepaald-worden, dat dit ook gebeuren zou uit de penningen, die de verkochte landen afwierpen, en dan moesten in elk geval de goederen, die nu ten behoeve van gasthuizen of stichtingen voor behoeftigen waren, onverkocht blijven. De leden uit de steden Leiden en Amsterdam warer. alleen voor de verkooping, als alle goederen behoorende aan het convent binnen Leiden en die van de regulieren buiten die stad er vooreerst van uitgezonderd bleven, met die goederen, die ten voordeele der Universiteit aldaar waren aangewezen, en als het accoord met die van Amsterdam aangegaan stipt werd nage-

-ocr page 135-

:sn

komen (1). Die van den Briel beweerden , dat uit de opbrengst der verkochte landen vooral in de betaling der predikanten en van schoolmeesters zou moeten worden voorzien.

Na 1583 is toen met den verkoop van sommige geestelijke goederen voortgegaan, en waren onder die verkoopingen aanvankelijk ook enkele goederen begrepen, die tot kerkelijke beneficiën hadden behoord. Later hebben, zooals we zien zullen, wol verkoopingen van pastorie- en vicariegoederen meer in het groot plaats gehad; maar al spoedig kwamen er afzonderlijke verkoopingen van enkele vicariegoederen voor.

Het is duidelijk dat sommige possesseurs van vicarién er toen reeds niet tegen waren, om de vaste eigendommen der vicariën maar liever weg te doen. In lateren tijd blijken zelfs velen op verkooping zeer gesteld te zijn geweest. En geen wonder. De vervreemding is er des te gemakkelijker door gegaan!

Dat sommige possesseurs er al vroeg niet tegen waren, om de vicariegoederen te doen verkoopen, blijkt uit de permissie, die ze daartoe verzochten aan de Staten. Die permissie werd soms gegeven, soms ook geweigerd, of voorwaardelijk toegestaan. Zoo werd 1595, op verzoek, consent en octrooi verleend aan den possesseur eener vicarie op St. Antonis altaar in de kerk van Noordwijk tot verkoop van een stuk weiland dier vicarie. In hetzelfde jaar werd aan E. van Leeuwen te Yoorschoten vnjheid gegeven, om landen te verkoopen van eene vicarie, gefundeerd op St. Anna altaar in de Hooglandsche kerk te Leiden, „mits op de landen houdende f 50.— \'sjaars onlosbare renten.quot; Een jaar vroeger was een verzoek afgeslagen, om landen behoorende tot eene vicarie, die ook gefundeerd was in eene kerk te Leiden, te mogen verkoopen. Bij consent tot verkoop van vicarielanden werd daar dikwijls bijgevoegd „mits daarop „gereserveerd in rente de tegenwoordige huur der landen.quot;

De ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft werd ook

(1) Op dit niet onbelangrijk verdrag door de Staten van Holland met Amsterdam , 20 Dec. 1581 gesloten, wordt later teruggekomen.

-ocr page 136-

34

verkoopingon komen nu in de allereerste plaats wel niet voor die goederen en eigendommen, die ten bate der kerkdienst van afzonderlijke gemeenten hadden gestrekt, en dus ook niet die van vicariën; maar toch zijn al spoedig met toestemming of op last der Staten vicarie-goederen verkocht.

Er is veel verschil van gevoelen in dien tijd geweest, en dat juist onder hen, bij wie de souvereiniteit over het gewest Holland berustte, omtrent de verkooping der geestelijke goederen en wat daarmede in verband stond. Verkoopingen op groote schaal schijnen wel spoedig dringend noodzakelijk te zijn geweest, o. a. om de conventualen te kunnen uitbetalen en schulden van geheel anderen aard te kunnen afdoen. Ofschoon om die redenen de noodzakelijkheid eener verkooping algemeen werd erkend, openbaarde zich dat verschil onder hen, die in 1582 bepaald hadden, dat de verkooping, „gene-ralijck, alommequot; zou geschieden, toen het tot uitvoering van dat besluit kwam, en werden er vrij wat exceptiën op dat besluit gemaakt. De Edelen verklaarden, dat zij niet zouden toestemmen om de goederen van de abdijen in Holland te ver-koopen, omdat die bestemd waren tot onderhoud van verarmde edellieden. De gedeputeerden uit het noorder-kwartier waren ook niet voor de verkooping van alle geestelijke goederen, omdat volgens overeenkomst uit de opbrengst vele oude schulden in het noorder-kwartier moesten worden voldaan. Eerst moest dus volgens hun verlangen bepaald worden, dat dit ook gebeuren zou uit de penningen, die de verkochte landen afwierpen, en dan moesten in elk geval de goederen, die nu ten behoeve van gasthuizen of stichtingen voor behoeftigen waren, onverkocht blijven. De leden uit de steden Leiden en Amsterdam waren alleen voor de verkooping, als alle goederen behoorende aan het convent binnen Leiden en die van de regulieren buiten die stad er vooreerst van uitgezonderd bleven, met die goederen, die ten voordeele der Universiteit aldaar waren aangewezen, en als het accoord met die van Amsterdnm aangegaan stipt werd nage-

-ocr page 137-

:J5

komen (1). Die van den Briel beweerden , dat uit de opbrengst der verkochte landen vooral in de betaling der predikanten en van schoolmeesters zou moeten worden voorzien.

Na 1583 is toen met den verkoop van sommige geestelijke goederen voortgegaan, en waren onder die verkoopingen aanvankelijk ook enkele goederen begrepen, die tot kerkelijke beneficiën hadden behoord. Later hebben , zooals we zien zullen, wel verkoopingen van pastorie- en vicariegoederen meer in het groot plaats gehad; maar al spoedig kwamen er afzonderlijke verkoopingen van enkele vicariegoederen voor.

Het is duidelijk dat sommige possesseurs van vicarién er toen reeds niet tegen waren, om de vaste eigendommen der vicariën maar liever weg te doen. In lateren tijd blijken zelfs velen op verkooping zeer gesteld te zijn geweest. En geen wonder. De vervreemding is er des te gemakkelijker door gegaan!

Dat sommige possesseurs er al vroeg niet tegen waren, om de vicariegoederen te doen verkoopen, blijkt uit de permissie, die ze daartoe verzochten aan de Staten. Die permissie werd soms gegeven, soms ook geweigerd , of voorwaardelijk toegestaan. Zoo werd 1595, op verzoek, consent en octrooi verleend aan den possesseur eener vicarie op St. Antonis altaar in de kerk van Noordwijk tot verkoop van een stuk weiland dier vicarie. In hetzelfde jaar werd aan E. van Leeuwen te Voorschoten vrijheid gegeven, om landen te verkoopen van eene vicarie, gefundeerd op St. Anna altaar in de Hooglandsche kerk te Leiden, „mits op de landen houdende f 50.— \'sjaars onlosbare renten.quot; Een jaar vroeger was een verzoek afgeslagen, om landen behoorende tot eene vicarie, die ook gefundeerd was in eene kerk te Leiden, te mogen verkoopen. Bij consent tot verkoop van vicarielanden werd daar dikwijls bijgevoegd „mits daarop „gereserveerd in rente de tegenwoordige huur der landen.quot;

De ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft werd ook

(1) Op dit niet onbelangrijk verdrag door de Staten van Holland met Amsterdam , 20 Dec. 1581 gesloten, wordt later teruggekomen.

-ocr page 138-

m

omstreeks dien tijd gelast, om pastorielanden onder zijn beheer te verkoopen en de penningen te beleggen in losrenten.

27 Mei 1595 werden de conditiën gearresteerd, tot verkoop van onderscheidene geestelijke goederen, gelegen in „Putten, „Heenvliet, Abbenbroek, Middelharnis, ende Overflacqné.quot; A0 1608 en 1609 zijn met toestemming der Staten onderscheidene lande te \'s Gravesande, Wateringe, Soeterwoude en Oestgeest van vicariën, gevestigd in kerken dier gemeenten, of in kerken van andere gemeenten, maar daar gelegen, publiek verkocht, met last om de kooppenningen te beleggen. Sommige vicarie-landen van Gildebroeders en Zusters, als die van Brandwijk en Gijbeland, werden door den ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft op dezelfde wijze als de pastorielanden beheerd, en in het jaar 1610 werd last gegeven om ook die vicarie-landen te verkoopen.

Evenals in Holland, hadden in Gelderland successievelijk ver-koopingen plaats van vicarie-landen, die later ook in vereeniging met pastorie-goederen gehouden werden. In Overijssel waren in het jaar 1596 reeds onderscheidene geestelijke goederen verkocht, tegen een hieromtrent door de Staten gedaan verbod, althans in dat jaar wordt gelast, dat de verkoopingen of aliënatien die „gedurende de heden naast verloopen zestien jaareu geschied „waren, of nog geschieden mogten, van nul en geener waarde „zullen worden gehouden.quot;

§ 4.

Patronaatrecht; Judicature.

Het zal wel opgemerkt zijn, even als het later blijken zal, dat in dit verslag van de menigte Staatsresolutiën slechts die worden besproken, en dan nog wel zoo kort mogelijk, die voor de kennis der geschiedenis onmisbaar en op den rechtstoestand der vicariën van invloed zijn geweest.

In het laatste gedeelte zal nog moeten herinnerd worden aan

-ocr page 139-

37

eenige bepalingen, die om herhaling te vermijden nu verzwegen worden. Ten einde te kunnen beoordeelen, hoe vele vicariën in den toestand zijn geraakt, waarin ze in dat laatste gedeelte zullen worden aangetroffen, van waar zooveel verkeerds als wordt opgemerkt , mogelijk was, vorderen waarheid en onpartijdigheid, het bij de behandeling der geschiedenis niet te bedekken; maar te doen uitkomen, als het hoogste gezag in het gewest er voor een groot deel zelf de schuld van draagt. Het volgende het jus jtatro-natus betreffende wordt om die reden hier medegedeeld (1).

In strijd met de Souvereine bepalingen, bleven nog steeds velen in Holland, die zich op onwettige wijze het beheer over geestelijke en kerkelijke goederen hadden toegeeigend, of het volgens de laatste besluiten niet meer voeren mochten, zich in dat beheer handhaven. In eene resolutie der Staten van Holland, d0. 12 Dec. 1625, verklaarden nu de Heeren van de Ridderschap, Edelen en Steden representeerende de Staten van den voorz. lande; „dat niemand in derzelven Lande recht heeft „over de geestelijke-, kerkelijke-, pastonje- en kosterije-goederen „der Dorpen, daar geen Heeren of Ambachtsheeren zijn (die „giften van de Kerken hebben) te disponeeren, als Haar Ed: „Mog: alleen, aan wien het recht van dien is gedevolveert aut „jure Fatronatus, aut jure confiscation is, zonder dat eenige „Dorpen of Magistraten van dien of Kerkmeesteren, die voor „den tijd li aarder bedieninge dezelve alleen administreerden, „eenig verder gezag daar over hebben; dan haar na gelegenheid „van tijd bij de hoog gemelde Heeren Edele Mog: is geconsen-„teert, die ook vrijstaat dezelve consenten te veranderen en „interpreteeren, ten meesten oirbaar van den Lande en van den , Kerkendienst.quot; Ettelijke dagen later (20 December 1625) ver-

(1) Een zeer belangrijk opstel over: „collatierecht en incorporatie van kerkenquot; van Mr. S. Muller Jz. is onlangs opgenomen in het Archief coor Neilerlandsche kerkgeschiedenis, dl. 11, afl. 2, blz. 199. \'s-Gravenhage 1887. — Ik meen hierop zeer de aandacht te moeten vestigen, ook, en vooral, omdat de schrijver daarin een en ander bespreekt, dat hij terecht van het allergrootste belang acht voor de regeling der vicarie-goederen.

-ocr page 140-

38

scheen een „Reglement en ordre op het beheer van alle Kerken, „Kosterien en andere geestelijke goederen van de dorpen daar „de Heeren of Ambachtsheeren het jus Patronatus in de Kerke „hebben.quot; — De kerkelijke goederen zijn in dit stuk wel hoofdzaak, en daarover behoeft hier niet gesproken te worden; maar ook van geestelijke goederen wordt er gesproken, al worden de vieariën er niet in genoemd, en het trekt de aandacht, dat het motief voor hetgeen het behelst uitsluitend lag in een geschrift overgegeven „van weegen de Heeren Edelen.quot;

Blijkbaar is toen na deliberatie dat reglement alleen uitgevaardigd , om (wat toch niet heeft mogen baten, want zij zijn er niet door te vrede gesteld) tegemoet te komen aan de bezwaren der malcontenten, en wel onder deze vreemde reserve „dat de geenen „ die daar iets tegen hebben, of meenen tot beter ordre te „dienen, hetzelve sullen mogen vertoonen aan de Heeren „ Staaten, omme daarop gedaan te worden na behooren.quot;

Art. XII van dat reglement handelt over de inkomsten van de memoriën, pastoriën, kosteriën en andere geestelijke goederen, die moesten ontvangen worden „ bij een ontfanger bij den heer „ daartoe te committeeren, in voege als van de kerkegoederen „ is verhaald,quot; en die ontvanger moest jaarlijks rekening doen in tegenwoordigheid van den heer en van eenige magistraten. Uit de inkomsten moesten betaald worden de predikant, schoolmeester , koster, terwijl het overige moest gebruikt worden voor de armen en andere pieuse officiën. Al heeft dit reglement de edelen niet kunnen contenteeren, en zijn ook daarom wellicht nimmer alle bepalingen er van nageleefd, het levert een krachtig bewijs, hoe de Staten van Holland, door toe te geven aan eischen, in strijd met vroeger gemaakte bepalingen . al deden zij het onder reserve, toch aan het verlangen dier invloedrijke ontevredenen hebben voldaan, dat zeker niet bevorderlijk was om de bestaande verwarring te verminderen, of eigen gezag naar eisch te doen handhaven.

Reeds is opgemerkt, ia welko betrokking het Hof in Gelder-

-ocr page 141-

39

land tot de vicariën stond (1). Het had de judicature, confirmeerde de begevingen, maakte bepalingen. In Holland was dat geheel anders. De Staten of hunne gecommitteerde raden hadden zich alles voorbehouden wat niet alleen de bepalingen omtrent de kerkelijke en geestelijke goederen betrof; maar ook de handhaving er van, de beslissing over geschillen, die omtrent een of ander voorkwamen. Alleen waren uitgezonderd quaestiën omtrent het kerkelijk patronaatrecht. De beslissing daarover was door de Staten overgelaten aan de justitie.

Zeer vele belangrijke stukken, waaronder verschillende corres-pondentiën de judicature betreffende in zake van vicariën en andere geestelijke goederen, gevoerd tusschen de Staten van Holland en hunne gecommitteerde Raden, onderling of met ambtenaren en belanghebbenden, zijn op het Rijksarchief te \'sGra-venhage aanwezig en geraadpleegd. Ofschoon eene meer breede mededeeling van hetgeen in onderscheidene dier zeker weinig bekende stukken voorkomt niet onbelangrijk wezen zou, moge het volgende voldoende wezen.

Bij gelegenheid eener quaestie omtrent uitbetaling van gelden uit vicarieland gelegen onder „Hendrik IJdenambagtquot; , gedaan door eene weduwe over de jaren 1559 tot 1571 aan kerkmeesters van Swijndrecht of Schobbelands-ambacht, waarin het Hof was betrokken, en waarover de ontvanger zich had beklaagd , schrijven de Staten van Holland, dato 18 December 1585, te verstaan: „dat agtervolgende haarluyden voorgaande Resolutie van deeze „nogte geljjke zaken, bij die van den Hoogen uogte provincialen „Raden, geene kennisse en zal genomen werden, alzoo de Staten „dezelve aan hen luijden hebben gereserveert.quot; Zij keuren goed wat door den ontvanger is gedaan, en zenden hier van een officieel bericht met bovenstaande „aan de Raden provinciaalquot;.

In het jaar 1623 werd de judicature uitgeoefend door het collegie van gecommitteerde Raden, dat in overleg met of op

(1) bladz. 28.

-ocr page 142-

40

last der Provinciale Staten de meeste zaken regelde, die betrekking hadden op de vicariën.

De minute van een brief ter ordonnantie van dat collegia, dato 15 Mei van dat jaar, aan den ontvanger dor geestelijke goederen te Delft geschreven, in dit opzicht merkwaardig, is van den volgenden inhoud:

„Eerzame, wijze , voorzienige, zeer discrete,

„Wij meenen dat den dienst van den Landen, daar aan is „gelegen dat van alle questie te rijzen uyt zaahe van de Ecchsias-v tij que ofte yeestel. goederen bij niemand anders kennisse zal „worden genomen als hij onzen Collegis, hebben derhalven goet „gevonden UE. aan te schrijven dat zoo UE. eenige questien op „het stuk vac de Ecclesiastique goederen UE. comptoire aangaande bij yemand zoude moge werden gemoveert, dat UE. „ons dadelijk en zonder uytstel daar van Notificatie zult doen „en ons de gelegentheid van de zaake communiceeren ende „ingevalle U voor eenige vierschaar ofte anderen Hoven ofte „ lieg ter s zoude mogen werden gedagvaart zult excipieeren niet „gehouden te zijn voor dezelve te antwoorden, maar dat UE. „niemand voor competente Eegters en leent, als onze collegie, „dewijle wij meijnen hetzelve voortaan zulx te maintineeren „ende ons daartoe verlatende. Hiermede Eerzame zeer discrete „zijt Gode bevolen enz.quot;

Die bepalingen, de judicature omtrent de vicariën en andere diergelijke goederen bij de Provinciale Staten of hunne gecommitteerde Raden en Ae judicature over kerkelijk patronaatrecht bij het Hof betreffende, werden werkelijk ook gehandhaafd. Een krachtig bewijs daarvoor is o. a. de resolutie der Staten van Holland, d0. 4 October 1625, van navolgenden inhoud:

„De Heeren gecommitteerde Raden in den Noorder quartiere „hebbende eerst bij monde ende naar bij geschrifte doen ver-„toonen haere depvoiren die sy in krachte van de Resolutie van „dese vergaderynge, doen bij de Dorpen aldaar, omme te ver-„soecken de kereken ende pastorie goederen ende alsoo beter „ordre te mogen houden op \'t fourneren van de Tractementea

-ocr page 143-

41

„voor de Predikanten ten platten Lande (sonder te roeren de „dorpen die de Heeren ofte Ambachts-Heeren hebben die \'t recht „van de gifte van de kercken competeert) tegen welcke heure „debvoiren die van den Hoogen Rade heur onderstaan, man-„damenten van main tenue te geven, daermcde heur ■werk ende „de Executie van de Resolutie van dese vergadering werden „belet, tot grooten ondienst van den lande ende versoekeude „daar tegen remedie, is bij de Heeren Edelen ende de Steden, „verstaan ende geresolveert dat twee Heeren, uyt den Hoogen „Rade in de Vergaderinge sullen werden ontboden, ende heur „aangeseyt, dat het geene de Heeren Grecommitteerde Raden in „desen doen, dat sij \'t selve doen in kragte van de Resolutie „hier genomen, ende tot beter onderhout van de Predikanten, „dat ook de judicature van al sulke goederen privative is gestelt „aan de Heeren gecommitteerde Raden bij heure instructie „(art. 19) ende dat de heeren Staten daaromme niet en kennen „goetvinden, dat met eenige provisien verhinderijnge daarinne „werden gedaan, ende daaromme begeeren dat sij heur willen „ontslaan, daar van eenige kennisse te nemen, ofte de executie „van de last van Heeren Staten te beletten maar die partijen „afwijzen aan de Vergaderinge ofte aan de welgemelte Heeren „Gecommitteerde Raden.quot;

A0. 1654 werd op verzoek van de Ridderschap nog duidelijker, dan in eene voorgaande bepaling, door de Staten vastgesteld, dat voortaan alle geschillen die over het recht van patronaatschap „met hetgene daaraan dependeert, tusschen eenige kerken en „particuliere Heeren zouden mogen komen te reizen, bij zoo „verre dezelve bij of door geauthoriseerden van Haar Edele „Groot Mogd. door gevoegelijke expedienten in der minne niet „kunnen worden goassopieert, aan de ordinaire justitie geren-„vooyeerd en ter decisie van dezelve gelaaten zullen worden.quot;

-ocr page 144-

§ 5.

Vicariën in enkele gemeenten, die wel vroeger, maar later niet meer onder het Souvereine gezag van Holland hebben behoord.

Tot het uitgestrekte Holland behoorden vroeger streken, die later onder eene andere provincie zijn gerangschikt. Ettelijke bronnen stellen ons in kennis met geestelijke goederen, die ook daar gevonden werden en met bijzonderheden omtrent vicariën, die onder die geestelijke goederen werden aangetroffen. Staat de geschiedenis dier vicariën nu geheel op zich zelve in geen verband met die in andere gedeelten van hetzelfde voormalige gewest, of behelst ze voor de algemeene geschiedenis der vicariën in Holland niets merkwaardigs, dan behoeft ze, vooral als die vicariën reeds lang zijn verdwenen, of bij wettelijke regeling niet meer in aanmerking zouden komen, hier niet besproken te worden. quot;Was echter de rechtstoestand dezer vicariën een gevolg van bepalingen door denzelfden Souverein als elders in Holland gegeven, dan mag, al waren die bepalingen soms ten gevolge van locale omstandigheden gewijzigd, hieromtrent het stilzwijgen niet worden bewaard, en is naar chronologische orde hier de plaats, om, al is het zeer in \'t kort, van de geschiedenis dier vicariën iets te vermelden.

Onderscheidene streken van het tegenwoordige Noord-Brabant behoorden vroeger tot het Zuider-kwartier van Holland. In het meerendeel er van verkeerden de vicariën in eenen exceptio-neelen toestand, zooals in de heerlijkheid van Niervaart of de Klundert, de heerlijkheid van Zevenbergen en de hooge heerlijkheid van Geertruidenberg, die aan den Prins van Oranje behoorden. Zij behoeven om bovengenoemde redenen hier niet besproken te worden, evenmin als de vicariën in de zoogenaamde Vijf Heeren Landen (1), in de Baronie van Asperen, in de

(1) Het land van Arkel; het land van Vianen, Hagestein, dat tot de provincie Utrecht behoorde; Ecerdingen, dat behoorde tot het graafschap Kuilenburg en het graafschap Leerdam.

-ocr page 145-

43

«i heerlijkheid van Heukelom, in de Baronie van IJsselstein, die

ook lot het Zuider-kwartier behoorden. Op al die streken is het eerstopgemerkte van toepassing, en is daarom de behandeling, die van elk afzonderlijk zou moeten geschieden, in dit verslag niet aangewezen. Vicariën zijn er daar wel geweest, sporen er van zijn hier en daar nog wel zichtbaar; maar geen enkele is er daar meer te vinden.

Geheel anders was het, zooals blijken zal, met enkele andere gemeenten in het tegenwoordige Noord-Brabant, die ook vroeger onder Holland behoord hebben, uit de Langstraat, het land van Heusden en het land van Altena. Op het Rijks archief te \'s Hage was gelegenheid vele bronnen te raadplegen over de geestelijke goederen aldaar. Hier volgt een beknopte mede-deeling.

Ten gevolge van velerlei omstandigheden, bleven de geestelijke goederen in de gemeenten der genoemde streken, veel f langer dan elders in het Zuider-kwartier van Holland, in handen

der Roomsch Catholieken, die er verreweg de meerderheid der bevolking uitmaakten, en waren de Staten van het gewest, waaronder zij ressorteerden, er blijkbaar op bedacht, om de toepassing der besluiten, die omtrent die goederen genomen werden, naar plaatselijke behoeften of omstandigheden te wijzigen.

Tot het jaar 1621, treffen we afzonderlijke rentmeesters aan over de geestelijke goederen van Heusden, die deze goederen , waaronder ook de vicariën, trachtten onder hun beheer te krijgen. In genoemd jaar werd die rentmeester, even als die der geestelijke goederen in de Langstraat, in betrekking gesteld met den ontvanger-generaal te Delft, aan wiens kantoor, volgens eene resolutie in het jaar 1669 genomen , ook de inkomsten van eenige conventen binnen Heusden moesten verantwoord worden. A0. 1659 waren volgens resolutie van de Ed. Mog. Heeren gecommitteerde raden van het Zuider-kwartier aan den-t zelfden ontvanger door den rentmeester der abdijgoederèn van

Bern in het land van Heusden „alle registers, papieren en

-ocr page 146-

44

„munimenteu raakende die abdijequot; reeds overgegeven. Hiervan is een inventaris opgemaakt, die met zeer vele andere stukken die abdye betreffende op het Rijks-archief te \'s Hage nog aanwezig is. Op dien inventaris komen ook vieariën voor, als in de kerk te Berlicum, te Middelrooi, te Heeswijk, die ter collatie van den abt van Bern stonden. Onder de stukken tot het archief der abdij van Bern behoorende, en nu op genoemd Rijks-archief ook nog aanwezig, wordt o. a. eene memorie aangetroffen, die wel de aandacht waardig is. Er waren twee vieariën door „ Dirck „van Verwede, heer tot Eethen en Meeuwen gefundeerd gedweest, de eene in de Kercke van Meeuwen opt autaer van de „noot Gods, ende de andere in een capelle gelegen in den lande „van Altena.quot; Over die vieariën was na het jaar 1653 verschil ontstaan tusschen den toenmaligen heer van Eethen en Meeuwen, die deze vieariën, die rijk waren in land, en door zijne voorzaten waren bezeten, had geconfereerd op zijn broeders kinderen, en tusschen de Staten, die ze voor het land hadden aangeslagen „ende geapliceerd tot het Comptoir generael van de Ecclesiastique „goederen.quot; Aquot;. 1657 werd dit verschil beeindigd, en wel zoo dat de heer afstand deed van zijne aanspraak op de vieariën en f 600 betaalde in plaats van de restitutie der inkomsten, die, volgens Haar Ed. Mog. resolutie van 20 Maart 1653, hadden kunnen gevorderd worden.

Het verdient opmerking, dat in zeker handschrift onder de vele stukken aanwezig, waarin de staat van de goederen en inkomsten der abdij, uitsluitend in het land van Heusden, vermeld worden, welke staat, a0. 1594 door den proost Bartholomeus van Stappe opgemaakt en overgegeven is aan Mcolaas Blanckert, rentmeester van de geestelijke geannoteerde goederen der stad en lande van Heusden, volstrekt geen sprake is van vieariën en beneficiën van dien aard. Evenmin wordt er van gewaagd in een stuk van soortgelijken aard, aquot;. 1643 van den rentmeester Gerardus Pockenstaet; maar wel in een lateren zoogenaamden nieuwen Blaffert uitsluitend van de inkomsten der abdij van Bern, die is opgemaakt na het jaar 1648. In dit breedvoerig stuk, dat

-ocr page 147-

45

voor de geschiedenis der geestelijke goederen in Noord-Brabant, zeer merkwaardig is, komen onderscheidene beneficiën voor, die o. a. ter collatie van den abt van Bern , ook wel va-n den pastoor van Berlicum, stonden.

De inkomsten der pastoriegoederen in de Langstraat, het land van Heusden en Altena, werden na het straks aangehaald, daarop betrekkelijk besluit, getrouw aan het gewestelijk kantoor verantwoord. In die streken waren onderscheidene prebenden, memoriën, getijde-, vicarie-, capellerie-, canonisie- en gilde-goederen. Van de inkomsten dezer goederen is op de rekeningen echter zeldzaam sprake, en komen ze er op voor, dan blijkt het dat er vaak door de Staten op eene wijze over beschikt werd, die geheel afweek van de bestemming, die volgens hunne vroegere bepalingen aan die inkomsten moest gegeven worden. Zoo vinden we in de rekening van het jaar 1656, dat te Sprang alle inkomsten der vicariën en altaren waren gegeven aan het dorp , ter reparatie van kerk en school; dat de inkomsten der „Capelle in de Haerstegequot; voor de gemeente waren bestemd, ten bate van haren schoolmeester. Maar van de meeste vicariën werd niets getrokken. De vicariën van „\'t Catrinen altaar, van „St. Barbara, van \'t 1. Vrouwen en St. Anna altaar te Hedic-husen, — die te Engelen en die te Heesbeen, daar Jonkheer L. Turck sustineerde de collatie te hebbenquot;, komen met andere vicariën op de rekeningen steeds pro memorie voor. Alleen van vicariën van „Waspijck, —- \'s Grevelduijn Capellen — Herpt — „ Babil onienbroeck\'1 — Veen en Wijck worden eenige inkomsten verantwoord. Later werd dat al minder en minder, en aan herhaalde lastgevingen door de Staten gedaan, zelfs aan het pla-kaat van 12 December 1658, dat —zooals weldra blijken zal — met bedreigingen ook beloften inhield, is in die streken maar slecht voldaan. Vele vaste goederen tot verschillende beneficiën behoorende zijn op hooger last verkocht, en successivelijk verdwenen.

Dit verslag is echter niet bestemd, om er de lotgevallen van de vicariën en andere geestelijke beneficiën in Noord-Brabant

-ocr page 148-

46

verder ia te bespreken. Alleen zij herinnerd, dat omstreeks laatstgenoemden tiid) en ook al vroeger, onderscheidene ordonnantiën zijn gegeven door de Staten-Generaal, om alle vicariën en andere beneficiën en fondatiën binnen \'s Hertogenhosch en de Meijerij aan te brengen.

§ 6.

Plalcaat van 12 December 1658 en gevolgen.

De hoofdinhoud van het: Plalcaat op het aanbrengen der vicariën encle canonisien in Hollandt, van 12 December 1658, komt hierop neer:

in de resolutie van 5 September 1578 was bepaald, dat wel de inkomsten van alle beneficiën, vicariën en canonisiën juris patronatus laicalis voor 2\'3 zouden blijven ter dispositie van patronen , maar dat op die begeving confirmatie moest worden verzocht, 1/3 worden uitgekeerd enz. (1); maar aan die bepalingen werd door zeer velen slecht voldaan. — Onverschillig op welke wijze iemand in het bezit was geraakt eener vicarie , canonisie of beneficie, \'t zij door collatie van een patroon, of „uyt sijnen eijgen hoofde onder pretext van successie ofte ander-sinsquot;, als er geene confirmatie was geschied, — zoo werd 12 December 1658 bepaald — moest die nu binnen drie of zes maanden worden aangevraagd, de staat der inkomsten daarbij bekend gemaakt, en het derde part er van gestort worden. Bleef hij hierin nalatig, dan zou het geheele inkomen ten bate van het kantoor verbeurd zijn: „endequot;, zoo is het slot: „ten „eijnde dese onse goede meijninge ende begeerte beter haar „effect sorteren moge, soo belooven wij aen allen dengeenen, „die naer de expiratie van den voorschreven tijdt van drie ende „ses maenden als vooren, ons ofte onse Grecommitteerde E.aden, „sullen weten aen te wijsen, eenige landen, renten ofte s.ndere „goederen, die tot eenige dervoorseijde beneficiën specteerende, „ende die voor date niet aengebraght sullen wesen, te sullen

1

Zie bladz. 25.

-ocr page 149-

47

„doen ende laten genieten twee geheele jaren inkomen van de „selve verswegen landen, renten ofte andere goederen.quot;

Hoe treurig liet met de betaling der tertiën in Holland gesteld was, zoodat een krachtig besluit als van 12 Deo. 1658 wel noodzakelijk was, blijkt o. a. uit hetgeen de ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft, Johan van Bleiswijk, aanteekent in zijne rekening over het jaar 1656. Onder incomen van verscheiden Vicariën ende Proeven , lezen we daar: „van den derdei; „penning van alle de proevens of vicariën, daer van verstaen „was dat den derden penning aen desen comptoire betaelt soude „worden, daer van en wert bij desen rendant niet ontfangen „om redenen van de generale oppositie, uytgesondert eenige „vicariën hier naer gestelt.quot; Nu volgen er 12 die wc later gedeeltelijk weer ontmoeten.

Als gedacht wordt aan de oppositie der edelen tegen het uit-keeren der tertiën (1) weldra na het daarop betrekkelijk genomen besluit in het jaar 1578, en aan de toegeeflijke houding, bij die gelegenheid door het Staatsgezag aangenomen, waardoor die edelen niet gewonnen werden, maar wel zoo versterkt in hunne oppositie, dat ze zich later niet alleen onwillig betoonden om de tertiën uittebetalen, maar ook om bevestiging te vragen op de begeving, dan verwondert het niet, dat het plakaat van 12 Dec. 1658 in het collegie, waarin ook eenigen van hen zitting hadden, voor het in het leven werd geroepen, door die edelen ernstig bestreden is, waarvoor de blijken zijn. — De ontevredenheid der edelen openbaarde zich nu veel sterker dan voor tachtig jaren. Het college der Edel Groot Mog. Heeren, althans de meerderheid zijner leden, schijnt door die heftige oppositie bevreesd te zijn geworden, en in verwarring te zijn gebracht; want, voor dat do edelen in een zeer uitvoerig betoog de redenen hunner ontevredenheid officieel hadden opengelegd, waren de Staten hen al voor geweest (2), door het leveren (in een weinig

(1) Zie bladz. 29 en verd.

(2) Het is mij gebleken uit een schrijven gericht aan den ontvanger generaal der geestelijke goederen, dat straks gedeeltelijk volgt.

-ocr page 150-

48

bekend stuk) van een vernieuwd blijk hunner voortdurende toegeeflijkheid , om aan hunne eischen wel te willen voldoen. Het stuk, waarinde edelen de redenen hunner onvergenoegdheid kenbaar maken, is van 19 Juli 1663. Zij trachtten daarin door velerlei te bewijzen, dat laïcale vicariën en prebenden uit eigen patrimoniale goederen opgericht zijnde eigenlijk geslachtsgoederen zijn, waarvan de geheele inkomst behoort aan de vrije beschikking van het geslacht van hem , die de vicarie gefundeert heeft, zonder verplichte uitkeering van een derde gedeelte er van. Het werd met een ander stuk, dat opgesteld was door een rechtsgeleerde ter verdediging van het plakaat en weerlegging der redeneeringen van die edelen, aan het hof gezonden, maar alleen ter advies; terwijl het hof als onbevoegd, om uitspraak te doen, ook uitsluitend een advies uitbracht (1).

Rechtens is de zaak gebleven zooals zij, vroeger was. Het besluit van 1578 is nooit ingetrokken. In de weigering, om de tertiën uit te betalen, werd echter volhard. En de Staten door zooveel verschil van gevoelen in hun midden , en oppositie van buiten, al meer en meer in verlegenheid gebracht, namen 20 Dec. 1663 een besluit, tengevolge waarvan de tertiën nu niet meer rechtstreeks voor de predikanten of voor de kerk bestemd bleven, maar aan het land vervielen. Yerder hebben ze last gegeven, om de onwilligen met de betaling maar niet meer lastig te vallen; later zou er hieromtrent wel een besluit genomen worden, en geheel overeenkomstig een te kennen gegeven verlangen van hen, die de tertiën wel hadden voldaan, werd 20 Nov. 1666 besloten, om de penningen; „over een derde van „het inkomen van vicariën gefurneert te restitueeren.quot; Hoe het sedert dat krachtig verzet der edelen, en de besluiten der Staten tengevolge van dat verzet, met de uitkeering- van een derde deel der opbrengst van de vicariën gegaan is, en hoe voorkomend en toegeeflijk de Staten al lang te voren geweest

(1) De hier bedoelde stukken der edelen en van den advokaat-fiscaal van Strijen zijn op het Rijks-arehief aanwezig en in hun geheel afgedrukt te vinden onder de bijlagen, achter de meergenoemde dissertatie van Mr. F. C. W. Koker.

-ocr page 151-

49

waren , is duidelijk uit het volgende, dat ik aangeteekeud vond ia de rekening van den ontvanger van het geestelijk kantoor in den Briel, A. van Almonde, over het jaar 1724;

„Anderen ontfang van vicariën, waarvan de possesseurs den „geheelen ontvang hebben en die den derden penningh daar „van pleegen uyttekeeren tot onderhoudt van de predikanten en „kerkendienaren volgens resolutie vau de Ed. Groot Mog. Heeren „Staten Holland en West Vrieslandt van den jaare 1580 en den „placcate van den IS11611 December 165Squot;.

„Bij resolutie van Heeren Staten voornoemt in dato den 20 „Mei 1G60 ende de iterative aanschrijvinge aan de respectieve „ontfangers der geestelijke goederen is gelast, niemant te beswaren met het invorderen van den derden penningh van de „vicarie-goederen; over sulks werden deselven alhier bij continuatie over den jare 1724-, gebragt voor memorie\'\\

Zoo maakten de Staten zei ven in het jaar 1660, dus vóór de deductie der Edelen, hun eigen besluit van het jaar 1658 voor een groot deel krachteloos!

Reeds lang voor het jaar 1658 was door de ontvangers, die ook de pastorie-goederen, gelijk met de goederen en inkomsten dier vicariën, die aan hunne kantoren overgegeven waren, waarvan vroeger gesproken is, beheerden, niets of zeer ongeregeld iets van die andere vicariën getrokken; en nu werd de betaling der tertiën, die mede bestemd waren voor de tractementen der predikanten , nog meer gestaakt. Toch werd met de uitbetaling der tractementen geregeld voortgegaan. Op welke wijze de Staten reeds lang voor het genoemde jaar 1658 in die betaling trachtten te voorzien, en zelfs de bezoldiging der predikanten verhoogden, als zulks noodig was, blijkt o. a. uit het volgende.

In de vergadering van haar Edele Groot Mog. verschenen vijf gedeputeerden uit de Zuid- en Noord-Hollandsche synoden met dringend verzoek, om de tractementen van de predikanten in de kleine steden en op de dorpen toch te verhoogen. Dat verzoek werd gecommitteerde R iden om advies ter hand gesteld, en 3 December 1649 werd aan het verzoek voldaan. De tractementen

4 H

-ocr page 152-

50

■werden toen vermeerderd met ƒ50 \'sjaars,en de zoogenaamde kindergelden daarbij geregeld, terwijl gecommitteerde raden hadden geadviseerd, dat om die meerdere gelden te kunnen voldoen: „zoo wat het zuyder quartier aangaat, vooreerst de „comptoiren der geestelijke goederen kunnen werden gestijft met „de verkoopinge van kleine pachtiens, erfpachtiens, kleijne „rentgens ende chijnsen, mitsgaders van eenige partiën meest „waardich in prijse en minst in huyre opbrengende, ende het „vordere kost bij subsidie uyt de comptoiren van de gemeene „middelen daar bij werden gedaan.quot; Met dit advies hebben de Staten zich vereenigd.

Zooals we zagen, hebben de Staten, ofschoon niet officieel, toegegeven aan het verlangen der Edelen, om ontslagen te worden van de betaling der tertiën van de vicariën. Ze hebben meer toegegeven, dat, vooral nu de tertiën niet meer uitgekeerd werden, voor collatoren of bezitters van vicariën zeer begeerlijk was; maar geheel in strijd met de bestemming, in 1578 juist aan die vicarie-inkomsten gegeven, welke bestemming wettig niet veranderd was. Ze hebben op dat onwettige zelfs het zegel hunner goedkeuring gedrukt, zooals in het laatste gedeelte van dit verslag overvloedig blijken zal.

Er zijn echter enkele perioden geweest, waarin de bewustheid in hen of in hunne gecommitteerden krachtig bleek te herleven, dat met die vicariën maar niet zoo willekeurig als met eigen of familiegoed, waarover één de vrije beschikking had, mocht gehandeld worden; maar dat zij (de Staten), die het recht hadden van approbatie, ook het recht hadden van improbatie der begevingen. Hier voor getuigt o. a. een besluit, dat in elk geval om hetgeen aanleiding tot het nemen van dat besluit gegeven heeft, in dit verslag moet vermeld worden. Ik bedoel het volgende:

25 November 1728 werd door de Staten van Holland bepaald, dat geene collatieu van vicariën mochten gedaan worden dan aan personen van de gereformeerde religie. Vroeger was in Holland hieromtrent geene zoo uitdrukkelijke bepaling. Het

-ocr page 153-

51

volgende bewoog de Staten, om thans dat besluit te nemen.

Op St. Stevens altaar in de parochiekerk te Rotterdam was a0 1473 eene vicarie gesticht. De patronesse dezer vicarie, die a0 1728 te Antwerpen woonde, had met de inkomsten zekeren Johannes Dons mede aldaar woonachtig begiftigd, die Roomsch Catholiek was. Die begeving werd ter confirmatie aangeboden; en \'t is duidelijk, dat de Staten bij eene vroegere begeving er niet op hadden geattendeerd, of \'t hun onbekend geweest was, dat de begiftigde toen ook Roomsch Catholiek was, want zij hadden die begeving geconfirmeerd. Thans verklaren de Staten , ditmaal de collatie nog te willen confirmeeren, doch daar de brieven, die daarbij werden verleend, inhouden , dat de gebeni-ficeerde in de gereformeerde religie sal worden opgetoogen „en „dus vorige op de Roomschen geconfirmeerd bij inattentie zijn „verleent of bij sub en obruptie verkregen , is verstaan dat van „nu af geen collatie van vicariën sal mogen worden gedaan, „veel minder geconfirmeerd, als aan personen van de gerefor-„meerde religie.quot; Bij verzoek om confirmatie moest nu voortaan een bewijs gevoegd worden, dat de begiftigde van de gereformeerde religie was.

Het is mij gebleken, dat aan deze bepaling lang en gestreng de hand is gehouden. Werkelijk werd geweigerd, om de begeving eener vicarie gedaan aan iemand, die Roomsch Catholiek was, te confirmeeren. De weigering betrof de begeving eener vicarie in den Haag, en nog wel aan iemand , die in de gereformeerde kerk aldaar was gedoopt, maar die bevonden was Roomsch Catholiek te zijn geworden. Met verwijzing naar het besluit van 25 November 1728, werd het verzoek om confirmatie dier begeving, 26 Maart 1760, door de Staten van de hand gewezen.

§ 7-

Verder verkochte, en onverkocht gebleven geestelijke goederen.

Onder de vele bepalingen, die in dit tijdvak van 1578—1795

-ocr page 154-

52

omtrent geestelijke goederen zijn genomen, ia er niet een meer, die als een gevolg van een nieuw inzicht der Souvereinen kan beschouwd worden in de behandeld wordende aangelegenheid, of daarop van merkbaren invloed is geweest. Zij behoeven dus hier niet te worden besproken. Het bovenstaande verdient echter de aandacht.

Over de vroegste verkoopingen, en het verschil van gevoelen onder de leden der Staten van Holland, is reeds gesproken (1).

Over latere verkoopingen, en over de ook in dit tijdvak althans onverkocht gebleven geestelijke goederen, nog liet volgende:

Terwijl eene vroegere bepaling inhield, dat alle geestelijke goederen moesten verkocht worden, bleven de gecommitteerde Raden van tijd tot tijd aan de Staten opgeven, welke goederen bij partijen ter verkoop moesten worden aangeboden. Die voorstellen werden dan door de Staten goedgekeurd of afgekeurd , en na verkoop,deze koopsommen meest belegd in rentebrieven, althans van goederen, die van pastoriën en vicariën afkomstig waren. Soms bleven er gelden op die verkochte goederen gevestigd, of werden de opbrengsten op andere rentgevende wijze uitgezet. Het behoort echter wel verstaan te worden , dat de vicariegoederen, waarvan hier sprake is, even als de pastoriegoederen, die goederen betreffen, die onder publiek beheer gesteld waren; onder beheer van door de Staten aangestelde en aan hen of aan hunne gecommitteerden rekenplichtige ontvangers. Die verschillende renten werden dan ook later door hen geheven. Hieruit, en vooral uit de zoogenaamde rantsoenpenningen (2) en andere op last der Staten verstrekte subsidiën , moest voorzien worden in de betaling der tractementen van predikanten, en andere uitgaven worden gedaan, die gewoonlijk uit het kantoor werden

(1) § 3-

(2) De ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft trok: „\'t rantsoen „van een halve stuver op de gulden op de verpachtinghe var. de gemeene „landtsmiddclen, en op de verpachtinghe van den turf, zijde en wolle laeekenen.quot; Het jaarlijksch bedrag van deze rantsoenpenningen was aanzienlijker dan dat van alle inkomsten, gedestineerd tot onderhoud der predikanten, te zamen.

-ocr page 155-

5B

verstrekt, terwijl de gecommitteerde Raden moesten zorgen: „dat „geene verkoopinge anders geschiedde, als daar meede het in-„koomen van Haar Edele Groot Mog. gcbeneficieert worde.quot;

Zeer belangrijke verkoopingen zijn in het jaar 1656 gehouden in de kwartieren van Haarlem, Kennemerland, Amstellaid en Gooiland; en niet minder belangrijke hebben er plaats gehad tusschen de jaren 1700 en 1795. Onder die verkoopingen waren een massa pastorie-en ook soms vicariegoederen, terwijl omstreeks dienzelfden tijd ook verkoopingen plaats hadden van goederen. herkomstig van sommige abdijen. Zoo werd er o. a. in Augustus 1732, ten overstaan van daartoe gecommitteerden door de Staten, eene belangrijke verkooping in den Haag gehouden van onderscheidene goederen der voormalige abdij van Bern , in het land van Heusden. Die abdijgoederen waren, zooals vroeger opgemerkt is, onder hetzelfde beheer gesteld met andere geestelijke goederen afkomstig van conventen, pastoriën en vicariën, waarvan er toen ook verkocht zijn.

Andere abdijgoederen in Holland, die, even als vele vicariën, onder een geheel ander beheer stonden, waren evenmin als die dezer vicariën onder die verkoopingen begrepen. Zoo werden de abdijgoederen van Leeuwenhorst door de ridderschap van Holland beheerd. Uit eene rekening, die gedaan is lang nadat het meeren-deel van andere geestelijke goederen verkocht was, blijkt dat die voormalige abdijgoederen toen nog rijke vruchten afwierpen, die, — zeker ten gevolge der vroegere geschiedenis dier abdij,— als zoogenaamde proves aan zeer vele jonkvrouwen in die rekening met namen genoemd jaarlijks werden uitgekeerd tot een bedrag voor ieder, van ƒ211 —10. Evenmin zijn toen de goederen der voormalige abdij van Rijnsburg verkocht. Op eene rekening van het jaar 1745 vinden we uit de inkomsten mede proves aan adelijke dames verstrekt, verder vrij belangrijke sommen aan den zoogenaamden superintendant der abdij, aan ettelijke adelijke heeren, aan den ontvanger dezer abdjjgoederen, ook aan den predikant \'sjaar tractement /\'720, en aan den schoolmeester ƒ157 —10. Van de goederen of inkomsten der abdij van

-ocr page 156-

54

wordt iu de rekeuingeii der geestelijke kantoren ook niet gesproken; maar die waren, voor zoover ze gelegen waren in het Zuider kwartier van Holland, aan de universitiet te Leiden afgestaan, en werden niet de inkomsten der binnen en buiten conventen der stad, mede ten bate dier Universiteit gedestineerd, door eenen afzoaderlijken rentmeester verantwoord.

Door de Staten van Holland werd in 1785 ook do benoeming van eenen afzonderlijken rentmeester nog goedgekeurd voor het kapittel van Hoogelande, welke rentmeester ook viearie- en getijde goederen onder zijn beheer had.

Met de abdijgoederen van Loosduinen ging het eenigszins anders. Ofschoon ook in die abdij dochters van zeer aanzienlijke geslachten vroeger waren opgenomen en geleefd hadden, ging het hiermede, als met de abdij van Bern. Het convent met alles wat er toe behoorde was ook al in 1575 verdwenen, alleen de kerk bleef, die door de Staten van Holland aan de ingezetenen werd afgestaan. Die goederen eerst onder afzonderlijk beheerd werden later ook aan het geestelijk kantoor overgedragen, en zijn evenals die van Bern, ten overstaan van gecommitteerden der Staten, later openbaar verkocht.

De aanwending der inkomsten van eenige abdijgoedeien — en daarom is hier van die toen ook onverkocht gebleven goederen gesproken — kwam eerst veel overeen met die van eene menigte vicariën, die even als deze abdijgoederen aan de geestelijke kantoren niet waren overgegeven, en toen ook niet verkocht zijn. Later werd dat geheel anders. De geslachten, die deze proven en prebenden uit de inkomsten dier geestelijke stichtingen, als bij erfopvolging, trokken, waaronder er ook waren, die, toen ze aan de domeinen overgingen, meenden wettige aanspraak op die proven of prebenden te hebben, waren tijdelijk wel in het bezit gebleven; maar zijn er later geheel van verstoken. De geslachten, die zich de inkomsten van dikwijls rijke vicariën hebben toegeeigend, of daarover geheel vrijmachtig, in strijd met recht en wet, beschikten, ten bate van één uit dat geslacht, zijn in het ongestoord genot er van gebleven tot op dezen dag.

-ocr page 157-

55

Het vare niet zoo in strijd met den aard der stichtingen van die adelijke stiften geweest, en ook niet met de resolutiën der Staten van Holland, die medebrachten om de inkomsten er van, althans gedeeltelijk, ten bate van verarmde adelijke familiën te mogen bezigen, als ze tot dat einde waren aangewend gebleven. Het is geheel in strijd met den religieusen aard der vicariestichtingen, en met de resolutiën der Staten, en voorwaar niet ad pios usus, als die in overvloed zich baden kunnen, door die inkomsten nog meer verrijkt worden, of geheel naar willekeur, als met eigen goed, daarmede voortdurend handelen (1),

§ 8.

Holland, Gelderland, Overijssel, overeenkomst en verschil.

Met verwijzing naar de bijzonderheden, die omtrent de geschiedenis der vicariën in Gelderland en in Overijssel in andere verslagen zullen zijn opgenomen. vestig ik om reeds vermelde reden, in deze laatste paragraaf van dit tijdvak op het bovengenoemde nog afzonderlijk de aandacht, ofschoon ik er in dit verslag reeds hier en daar met een enkel woord over heb gesproken.

In Gelderland bleef de Souverein, meer dan in Holland, getrouw aan de vroegste bepalingen omtrent de vicariën. Evenals in de twee kwartieren van Holland, wordt in de drie kwartieren van Gelderland verscheidenheid in de toepassing van vele bepalingen opgemerkt. In Gelderland is tegen de uitkeering der ter-tiën niet zoodanige oppositie aangetroffen als in Holland, en werden de nalatigen niet met zooveel toegeeflijkheid behandeld. Veel vroeger dan in Holland werd in Gelderland reeds bepaald, — en de inspecteurs der respective dassen moesten daar op letten — dat geene vicariën werden geconfereerd dan op kinderen van de gereformeerde religie, en in de theologie op gereformeerde scholen of academiën studerende.

(1) Hiervan zal in het laatste deel van dit verslag in overvloed blijken.

-ocr page 158-

56

In Holland (1) klaagden de predikanten wel over schrale tractementen, en de Staten hoorden naar die klachten, en trachtten er in te voorzien; maar verder mengden zij zich in die zaak niet In Gelderland gingen de predikanten veel verder. In de provinciale synoden van Gelderland werd dikwijls de zaak der vjcariën officieel ter sprake gebracht, dat mij niet is gebleken in de verschillende synoden van het nooder- en zuider-kwartier van Holland. Zoo werden in eene provinciale synode van Gelderland a» 1675 de respective dassen vermaand, om toch te letten, of er ook in zake vicariën misbruiken plaats grepen, en die misbruiken dan deputatis Synodi aan te brengen. A0. 1682 blijken er werkelijk onderscheidene gravamina over het misbruiken der vicariën zoowel mondeling, als schriftelijk te zijn ingebracht.

Het komt mij voor, dat het beheer over de vicariegoederen, zooals het een tijd lang in een gedeelte van het kwartier van Nijmegen, in den Bom meier- en Tielerwaard, is gevoerd, het meest overeenstemt met dat in het zuider-kwartier van Holland. Sedert het jaar 1632 werd het beheer over de vicariën aldaar gevoerd door eenen rentmeester, die gesteld was onder toezicht van den Amptman en twee leden van de ridderschap uit den Tieler-, en twee uit den Bornmelerwaard (2). Evenals in het zuider-kwartier van Holland werden door dien rentmeester inkomsten van pastoriën, vicariën, canonisiën , custoriën, ook van vroegere kloosters en van een kapittel beheerd, en in dezelfde rekening verantwoord, en uit die inkomsten o. a. een gelijk tractement betaald aan de predikanten dier gemeenten, wier pastorie- en vicarie-goederen door den rentmeester werden beheerd , en die daarom den naam hadden van „de Beursale „predicanten.quot;

Er (3) werden in Gelderland, evenals in Holland, vooral in het begin der voorgaande eeuw, verkoopingen gehouden van

(1) Zie bladz. 16.

(2) Zie mijn Brieven over geestelijke goederen. Arnhem 1863 bladz. 16.

(3) Zie bladz. 37.

-ocr page 159-

rgt;7

geestelijke goederen, waaronder goederen, die van pastoriëu en vicariën herkomstig waren. Ze hadden in Gelderland soms plaats op groote schaal, vooral in streken waar door overbtrooming de landerijen weinig opbrachten. Bij verkooping was de opbrengst dan ook dikwijls gering , omdat de kooper, in den rege), het onderhoud der dijken , waarmede die landerijen waren bezwaard, op zich moest nemen. Nu gebeurde het wel, dat de Staten dan beproefden of niet iemand , b. v. een heer van de heerlijkheid, die dikwijls ook den titel voerde van kerkpatroon of opperkerk-meester, die goederen, waaronder dan de pastorie- en vicarie-goederen ook soms begrepen waren „om verder inconveniente en „schade voortecommen tot sich wilde nemen ende hem verbinden, „ behalven \'t onderhout van de d ij eken , te besorgen ende te „vervullen in \'t verplegen van eenen kerkendienaer.quot; Die dat voorstel aannamen zijn er later uitnemend wel bij gevaren; en \'t is niet onverplicht, als nu door de nakomelingen van hen , die zoo in het bezit van pastorie- of vicarie-goederen zijn gekomen, of ze op die voorwaarden overnamen, tot het predikants-tractement wordt bijgedragen, of gelden ad studia worden uitgekeerd. Zeer vele pastorie-goederen in Gelderland zijn echter onverkocht gebleven en aan de predikanten overgegeven, wat in Holland eene zeldzaamheid was, en voor de predikanten van onderscheidene gemeenten in Gelderland nog tot voordeel is.

Uit aanteekeningen in kerkelijke archieven is mij duidelijk geworden, dat in Gelderland, wat mij in Holland tot heden niet gebleken is, — maar toch wel zijn kan , — niet alleen de pastoriegoederen in vele gemeenten onverkocht zijn gebleven, maar dat hier en daar ook onverkochte vicariegoederen daarin zijn opgegaan en aldus van titel veranderd zijn. Om dit duidelijk te maken: ik vond dat een predikant in Gelderland A» 1726 de inkomsten trok van ruim vijf morgen van de vicarie, en daarbij aangeteekend: „nu tot de pastorie behoorendequot; en dat elders de tijdelijke predikant de goederen van de vicarie, waaruit hij toen met die van de pastorie de inkomsten trok, in bezit had genomen.

Onder de abdijgoederen van Bern werden in het zuider

-ocr page 160-

ö8

kwartier van Holland ook vicariën aangetroffen. In Gelderland is dat even zoo, onder de geestelijke goederen van Haaften, van Mariënweerdt en van Rossem. Over die van Haaften en van Rossem, zal om redenen, nog later in dit verslag gesproken worden; over die van Mariënweerdt hier het volgende: Van het jaar 1602 af ziju er omtrent de goederen dezer rijke en voor de geschiedenis zoo belangrijke abdij vele besluiten genomen. Er waren vele goederen mede vereenigd geworden, herkomstig van vroegere vieariën. In een quartier Reces van 26 Juli 1623 vinden we. dat een project moest gemaakt worden om 24 studenten uit de Mariënweerdtsche goederen te onderhouden, en 28 Maart 1709 werden gedeputeerden geauthoriseerd, om een lijst van de vicariën en andere beneficiën van Mariënweerdt te formeeren en op te gevea. Nadat de Staten al vroeger vruchteloos getracht hadden om deze goederen te verkoopen, werden ze evenals de geestelijke goederen der abdij van Bern twee jaren later, 23 October 1734, verkocht, onder verplichting dat de kooper zou blijven voldoen aan vele lasten, die op deze massa goederen, gelegen onder Vuren, Dalem en Mariënweerdt, rustende waren. De predikant van Vuren en Dalem ontving dan ook in het jaar 1737 zijn tractement tot een bedrag van f 500 van den heer van Bijland, die kooper geworden was, dat later, zooals we vinden opgegeven, werd uitbetaald van wege de heerlijkheid Vuren en Dalem, toen aan die heerlijkheid een gedeelte van het land door koop was overgegaan. De predikant echter van Beest, waar onder Mariënweerdt behoorde, ontving zijn tractement , volgens opgave van het jaar 1738, uit de pastoriegoederen aldaar, die er niet waren verkocht, maar waarmede, zooals meer geschiedde, die der vicariën waren vereenigd.

Ook in Overijssel hadden de souvereine bepalingen omtrent de vicariën en de lotgevallen, die ze hebben getroffen, soms overeenkomst met die van Holland (1). Evenals in Holland en Gelderland moest ook daar approbatie gevraagd worden aan de daartoe

(1} Zie bladz. 28.

-ocr page 161-

59

aangewezen autoriteit op de begeving van vicariën, en daarbij steeds gelet wornen, of wel aan eene resolutie van 8 April 1661 was voldaan, in welke resolutie, even als eerst in Gelderland en later, zooals we zagen, ook in Holland bepaald was, dat de inkomsten alleen aan gereformeerden mochten gegeven worden. In Holland is onder de leden der regeering, ridderschap en afgevaardigden der achttien stemhebbende steden groote ontevredenheid aau den kant der edelen opgemerkt, vooral over de uitkeering der tertiën van de vicariën, die zich in het jaar 1663 het krachtigste openbaarde. In Gelderland was onder de leden der regeering hierover geen twist; maar wel tusschen de drie kwartieren over de uitvoering van bepalingen, die van den Landdag waren uitgegaan, en die ook met het beheer der vicariën in verband stonden. In Overijssel is jaren lang een groot verschil geweest tusschen de ridderschap en de drie stemhebbende steden, welk verschil het recht betrof van beschikking over de geestelijke goederen, waaronder ook de vicariën waren, en dat geeindigd is door een zoogenaamd convenant, aangegaan in het evengenoemd jaar 1663, dat hier echter niet behoeft besproken te worden. Overigens werd ook in Overijssel, evenals in Holland en Gelderland, op een in \'t oogloopende wijze van de bepalingen omtrent de vicariën afgeweken, en van de inkomsten een ergerlijk misbruik gemaakt. De geschiedenis der vicariën in de vrije heerlijkheid Almeloo en Vrieseveen, behoorende tot het kwartier van Twente, is in dit opzicht zeer merkwaardig.

TWEEDE AFDEELING.

Van het jaar 1795 tot op onzen tijd.

§ 1

De vicariën tijdens de Bataafsche republiek, 1795—1806.

Het belangrijkste uit de geschiedenis der vicariën in Holland tijdens de republiek is aanvankelijk zooveel mogelijk in chro-

-ocr page 162-

60

nologische orde behandeld. Hoewel naar beknoptheid is gestreefd, en van zeer veel niet gesproken is, dat had kunnen vermeld worden, is het meer uitvoerige toe te schrijven aan mijne vaste overtuiging, dat de geschiedenis der vicariën en haar rechtstoestand niet juist kan gekend of beoordeeld worden zonder kennis van vele bijzonderheden uit de geschiedenis van andere goederen, die door omstaadigheden met de vicariën ingedeeld bij het zelfde knder te zamen onderdeden zijn van een groot geheel, dat met in het oogloopeade verscheidenheid der onderdeden toch dikwijls door dezelfde wetten werd beheerd, en aan het zelfde lot onderworpen. De juistheid dezer opmerking, die ook vroeger (1) door mij is gemaakt, zal zoo ik vertrouw in het reeds behandelde zijn gebleken, en verder blijken, als in de volgende chronologische behandeling wordt voortgegaan.

A. Van het jaar 1795—1801.

B. „ ,, , 1801 — 1806.

A

1 7 9 5 — 1 80 1.

Een en ander, dat van de algemeene besturen der Bataafsche republiek of van het bestuur van Holland na 1795 is uitgegaan, en aanstonds of later, op de vicariën van invloed was, zal in \'t kort worden herinnerd, met de vermelding van eenige bijzonderheden , die ook voor het meerendeel getrokken zijn uit handschriften op het Rijksarchief aanwezig.

15 Juli 1795 werd in de vergadering van de provisioneele representanten van het volk van Holland besloten, om den staat van finantiën dier provincie aan het volk bekend te maken. Eene commissie bracht 14 December 1797 rapport uit, waaruit de staat blijkt over zeven jaren: van 1788—1794. Dat stuk is zeer uitvoerig. Alleen wordt hier vermeld, dat de opbrengst van de inkomsten der vicariën bij den ontvanger van het gees-

(1) bladz. 21.

-ocr page 163-

61

telijk kantoor van Delft, over zeven jaren, bedroeg f 5.724-4.

Kort nadat dit besluit door de provisioneele representanten van het volk van Holland was genomen, werd door de volksvertegenwoordigers van Gelderland, het reglement gesanctioneerd tot bestuur van het nmbt van Tielerwaard Het 18e artik.lvan dat reglement gold ook de vicariën, en is van veel invloed geweest op het beheer der vicariegoederen te Tuil

In het „plan van constitutie voor het volk van Nederland ontworpen door de daartoe aangestelde commissie iV0 1796, werd over geestelijke goederen niet gesproken.

In het „ontwerp van constitutie voor het Bataafsche volkquot;, door de nationale vergadering ter goed- of afkeuring aan hetzelve in 1797 voorgedragen, vinden wij in een artikel het volgende: „alle kerkgebouwen en pastorijhuizen, welke voor den jare „1581 binnen deze Republiek aanwezig geweest zijn, met de „goederen en fondsen , bestemd tot derzelver onderhoud, worden „door de natie erkend te zijn eigendommen van de gezamenlijke „ingezetenen en bewoonderen van elke stad, dorp of plaats, in welke „dezelve gelegen zijn, zonder onderscheid van eenig kerkgenoot-„schap.quot; De geestelijke goederen en fondsen, daaronder niet behoo-rende, maar die sedert 1581 „gebragt zijn onder nationale, provinciale of quartierlijke administratie,quot; zouden volgens een ander artikel verklaard worden te zijn „nationaal, en zullen „door het wetgevend lichaam voor het einde van het derde „jaar na de aanneming der constitutie gebragt worden onder „algemeene nationale administratie.quot;

Het volgend jaar (1798) werd in een der additionele artikelen tot de akte van Staatsregeling, art. IV vastgesteld: „alle „geestelijke goederen en fondsen , waaruit te voren de tracte-„menten of pensioenen van Leeraren of Hoogleeraars der voor-„maals heerschende kerk betaald werden, worden Nationaal „verklaard, om daaruit eerstehjk de nog blijvende tractementen „of pensioenen te voldoen en daarna tot een vast fonds te „worden aangelegd voor de nationale opvoeding en ter bezoldi-„ging der behoeftigen; blijvende nogthans onverlet de aanspraak,

-ocr page 164-

62

„welke eenig ligchaam of gemeente daarop mogt maken, en „met de noodige bewijzen voorzien, aan het vertegenwoordigend „ligchaam ter beslissing zal moeten inleveren.quot;

Daar er groote verandering te voorzien was ten gevolge der Staatsregeling van 1798, waardoor het land in acht departementen verdeeld werd, de souvereiniteitsrechten der vroegere afzonderlijke gewesten vervielen, de geldmiddelen verklaard werden bezittingen van het geheele Bataafsche volk te wezen, en vele instellingen en administratiën moesten vervallen , was het geen wonder, dat het even aangehaald art. IV en ook andere hier niet genoemde artikelen bij de Hervormden , vooral bij hunne kerkleeraren, en ook bij de onderscheidene schoolmeesters, veel bezorgdheid verwekten over de verdere uitbetaling hunner tractementen.

Het uitvoerend bewind der Bataafsche Republiek liet tengevolge daarvan al spoedig publiceeren , dat provisioneel met de betaling op den vorigen voet zou worden gecontinueerd, totdat na gedane overdracht der geestelijke goederen een nadere schikking zou zijn gemaakt. Maar er was op zeer verschillende wijze door de voormalige Souvereinen beschikt over de inkomsten van velerlei goederen , die mede konden geacht worden onder dat artikel IV begrepen te zijn! Die de voordeelen er van genoten hadden openbaarden telkens meer hunnen angst voor de toekomst. Het vertegenwoordigend lichaam besloot nu, begrijpende dat niet alle geestelijke goederen van denzelfden aard waren, en ook om „aan reclamanten gelegenheid tot ruime en volledige defensie „en adstructie der sustenuen te geveneerst zelf van alle stukken, die bij de vroegere collegiën van de generaliteit, van de gecommitteerde Raden en op het kerkelijk kantoor voorhanden waren , visie te nemen , en alvorens te beslissen het uitvoerend bewind aan te schrijven, om niet alleen alle ontvangers , rentmeesters en administrateurs van geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren tractementen werden betaald, maar ook alle commissiën van Financiën der vroegere gewesten, landschappen en quartieren , de administrateurs van nationale

-ocr page 165-

63

of voormalige gewestelijke domeinen, de gemeentebesturen, de eigenaren van vroegere heerlijkheden, de rentmeesters der nationaal verklaarde goederen van den Vorst van Nassau. te gelasten, binnen zes maanden opgave van alle geestelijke goederen te doen , van derzelver oorsprong , inkomsten en betalingen , die er uit gedaan waren , terwijl verder ieder belanghebbende nadere aanspraak binnen zes maanden kon inleveren, en visie nemen van aanwezige charters en documenten De Publicatie van het uitvoerend bewind over de geestelijke goederen werd uitgevaardigd 31 Maart 1801.

Het bovenstaande is wel niet uitsluitend op de vicariën toepasselijk , maar moest toch woorden herinnerd.

De reclamen tusschen de jaren 1798 en 1801 waren zeer talrijk zooals mij gebleken is bij de raadpleging van den zeer uitvoerigen index op het Rijks-archief te \'s Hage aanwezig, en van sommige stukken , daar zorgvuldig bewaard, waarnaar in dien index gewezen wordt.

Onder die reclamanten , aan wie de gelegenheid „tot ruime „en volledige defensie en adstructiequot; hunner sustenuen moest gegeven worden, waren er velen, die in het genot waren van zoogenaamde proves, van prebenden , van inkomsten van vicariën en van andere soortgelijke stichtingen, en ook van hen, die de begeving van die inkomsten hadden. De beslissingen, die daarop genomen werden voor dat de publicatie van 81 Maart 1801 was uitgevaardigd , waren soms opmerkelijk. Een enkel voorbeeld:

Er is gesproken (1) over uitkeeringen, proven, prebenden, ook wel gratificatiëii genoemd, die gedaan werden aan, of genoten werden door leden van sommige familiën uit de inkomsten van vroegere geestelijke stichtingen. Door onderscheidene jonkvrouwen uit Overijssel werden reeds in het jaar 1798 requesten ingediend, om in het genot te mogen blijven van op hen door de ridderschap geconfereerde prebenden of gratificatiën, die zij gewoon waren jaarlijks te ontvangen. Omtrent deze verzoeken

(1) Bladz. 53.

-ocr page 166-

64

werd. na consideratie en advies van den agent van Financiën te hebben ingewonnen, door het vertegenwoordigend lichaam soms favorabel, maar ook wel declinatoir besloten.

De prebenden in \'t stift van Zennewijnen in den Tielerwaard waren, welke pogingen er ook toe werden aangewend, eenigen tijd aan belanghebbenden niet uitbetaald. Telkens toch is er sprake van ingekomen requesten , die deze betalingen betroffen, die dan in handen werden gesteld van verschillende autoriteiten om advies, maar zonder dat er eene decisie volgde. Voor die uitbetaling na het jaar 1801 is geschied, werd onderzocht, welke prebenden er van dien aard meer in de Republiek waren , en het bleek toen, dat er onderscheidene werden aangetroffen, maar die van elkander verschilden, naar den aard der geestelijke stichtingen, waaruit het jaarlijksch inkomen werd getrokken.

Er werden ook onderscheidene requesten ingediend, die de vicarien betroffen. Soms hebben er ten gevolge daarvan, tijdens het uitvoerend bewind — 23 Jan. 1798 tot 17 Oct. 1801 — begevingen, of confirmatiën van begevingen plaats gehad, zooals bij de behandeling van eenige afzonderlijke vicariën in het laatste gedeelte van dit verslag zal blijken. Voor de confirmatie der begevingen van vicariën had dikwijls, even als voor de uitkeering uit inkomsten van andere geestelijke goederen of toekenning der prebenden, een afzonderlijk onderzoek plaats, of werd althans bevolen, omtrent den aard of de natuur der vicarie, of ook wel omtrent het recht van patronaatschap, onderzoek te doen.

Die onderzoekingen gingen dikwijls zeer langzaam, de beslissingen lieten in den regel lang op zich wachten, of bleven ook ten gevolge van politieke omstandigheden geheel achterwege, waardoor de gelegenheid tot verduistering van vicariën werd vermeerderd.

B.

1 8 0 1 — 1 806.

De nieuwe staatsregeling van October 1801 bracht geene merkbare verandering te weeg in den staat der goederen en fondsen

-ocr page 167-

(üo

die in dit verslag worden besproken. Toch valt er o.-ntrent de geschiedeuis der geestelijke goederen cn daaronder der vicariën tjjdens het staatsbewind, — van 17 October 1801 tot koning Lodewijk Napoleon 4 Juni 1806,—een en ander op te merken.

Gedurende die jaren zijn vele bezitters van vicariegotderen of inkomsten voortgegaan met de vicariën te vervreemden of aau de aanvankelijke vervreemding meerdere vastheid te geven, dat ook een gevolg was van vroegere gewoonten en tolerantiën.

De menigte ingekomen requesten, gevoerde corrcspondentiën en genomen besluiten uit dezen tijd, ook omtrent kerkelijke zaken en geestelijke goederen , ziju vooral belangrijk voor de geschiedenis der predikants-tractementen, waarvoor, zooals we zagen, de vicarie-inkomsten geheel of voor een deel waren bestemd. Door art. 13 der Staatsregeling: „ieder kerkgenootschap „blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang „dezer eeuw door hetzelve werd bezeten,quot; was geen vrees voor het behoud der inkomsten, bestemd tot onderhoud van kerken en pastoriën, of voor die pastoriegoederen, die vroeger, zooals opgemerkt is, aan de kerkelijke gemeenten of hare predikanten waren overgedaan, waarmede dan dikwijls (1) vicariegoederen waren vereenigd. De inkomsten van vicariën en van andere beneficiën, die bij de geestelijke kantoren of bij andere publieke kassen ontvangen werden, bleven ook, voor zoover zij ten bate van predikanten of andere kerkelijke bedienden hadden gestrekt, wel voor hen bestemd; maar \'t was over de voldoening, de betaling, uit die publieke kassen, waarover zich veel onrast had geopenbaard. Door een paar advertenties trachtte de Raad van Binnenlandsche zaken der Bataafsche Republiek alle onzekerheid hieromtrent weg te nemen, en de onrust te doen bedaren. Zij waren van dezen inhoud: (2)

(1) Zie blz. 56 volg.

(2) Deze advertenties zijn door mij met vele andere stukken vroeger in handschrift aangetroffen in de vei-zamoling Bijdragen tot de kerkelijke geschiedenis der Nederlanden 1795—1810, berustende in de bibliotheek van Hervormde Eeredienst aan hec Ministerie van Financiën. Uit deze belangrijke

5

-ocr page 168-

66

„De Raad van Bmnenlaudsche zakon der Bataafsche Republiek brengt hiermede ter kennis van alle belanghebbenden, „dat het Staats Bewind, op voorstel van denzelven Raad, den „4den Februarij 11, besloten heeft, alle de Ontfangers van jSTatio-„nale gewestelijke of andere comptoiren, waaruit tractementen „aan Schoolmeesters, Kosters en Voorzangers worden betaald, „te gelasten, om met voorz. betalingen te blijven voortgaan tot „tijd en wijle daaromtrent nader zal worden gedisponeerd.

In den Haag. Ter ordonnantie van den

den 5 Februarij Raad voornoemd

1802. (get.) Wenckebach.

„De Raad van Binnenlandsche zaken der Bataafsche Republiek „brengt bij deze, tot voorkoming en afsnijding van alle nodeloze „requesten en adressen ter kennis van alle belanghebbenden dat „het Staatsbewind bij besluit van den 22 Februarij 11. op voordstel van denzelven Raad de nodige ordres heeft gegeven ten „einde alle de ontfangers en rentmeesters der zoogenaamde „geestelijke goederen of andere politieke kassen, waaruit bemalingen aan leeraren en bedienden der eertijds bevoorregte „kerk pleegden te geschieden, te qualificeren en te gelasten, om: „1°. De tractementen aan de leeraren der voormaals bevoor-„rechte kerk, volgens het 14 artikel der Staatsregeling com-„peterende, voortaan weder aan de leeraren zelve, en niet aan „de gemeente uit te betalen; en

„2°. om uit krachte van hetzelfde artikel aan emeritus predikanten , catechiseermeesters. krankbezoekers en alle kerkelijke „bedienden, welke voor de introductie der vorige staatsregeling „in den jare 1798 uit hunne respective comptoiren betalingen „genoten, dezelve voortaan en wel zedert den 17 October 11., „zijnde de dag der aanneming van de tegenwoordige staats-„regeling, weder op den voorheen geusiteerden voet te voldoen,

verzameling is door mij een en ander getrokken, waarvan ik soms voor dit verslag met een woord heb melding gemaakt, zonder telkens naar die Bijdragen te verwijzen.

-ocr page 169-

G7

„zoiider dat echter de zoodauigen, welker tractementea ot\'emo-„lumenten door de verordeningen der constitutie van 1798 hebben „opgehouden, eenige aanspraak zullen kunnen vormen op hetgeen „zij zouden hebben kunnen genieten, gedurende den tyd dat „gemelde verordeningen in werking zijn geweestquot;.

In den Haag Ter ordonnantie van den

den 26 Februari) Raad voornoemd

1802. (get.) Wenckebach.

In het algemeen hadden de vicariën , die onder het publiek beheer stonden, om dezen tijd zeer weinig vaste goederen meer. Ze waren, zooals gezien is, verkocht; en nu vloeiden de inkomsten voort uit renten , die de op verschillende wijze belegde kooppenningen afwierpen , uit thijnsen én erfpachten. Het beheer hierover bleef toevertrouwd aan rentmeesters of ontvangers van geestelijke of andere landskantoren.

Patronen, of die zich dien titel hadden aangematigd, bleven zich in hunne rechten of vermeende rechten handhaven.

Doortastende maatregelen , om verduistering en vervreemding te voorkomen, zijn in dien tijd (1801—1806) niet genomen. Vooral schijnt toen in Gelderland nog al wat vicariegoed te zijn geroofd, dat gemakkelijk ging omdat het vaak geheel aan toezicht ontbrak. In eene der conclusion van Mr. W. Staats Evers komt voor (1): „slechts één gevolg hebben deze „staatsinrigtingen quot; — die in deze en de voorgaande paragraaph besproken zijn — „voor de vicariën gehad , dat namelijk „het toezigt, hetwelk vroeger door het hof van Gelderland „daarop werd uitgeoefend, is komen te vervallen zonder dat „daarin door andere doelmatige middelen is voorzien, eene „omstandigheid, welke met de latere ondernomene kadastratie „der eigendommen het gemakkelijker dan ooit vroeger heeft

(\\) Eenige conclusiën in belangrijke zaken, meerendeels vicarim, tiendrechten enz. betreffende , voor het Provinciaal gerechtshof ran Gelderland genomen door Mr. W. Staats Evers, Procureur-Generaal bij dat Hof. le dl., bladz. 44.

-ocr page 170-

fis

„gemaakt, om een aantal van doze vicariegoedercn te verduisteren, „ea als patrimoniale goudereu in het bezit van andereu te doen „overgaan, welke die, het moge dan zijn ter goeder trouw, door „koop en verjaring in bijzonderen eigendom hebben verkregen.quot;

Onder de resolutiën van liet gedeputeerd bestuur van Holland,, welk bestuur 4 Juni 1802 in werking was getreden en 19 Juli 1805 werd vervangen door een collegie van gelijken werkkring onder den naam van „Raad van Finantiëu van Hollandquot;, komt soms het een en ander voor, dat de vicariën regardeerde; terwijl dikwijls zaken over vicariën en prebenden in Holland bij dat collegie in behandeling waren, waarop dan na gehoord advies, \'t zij van de commissie tot de kerkelijke zaken , van Financiën of van eene der audere commissiën, door het gelijk in werking getreden „departementaal Bestuurquot; werd beslist.

15 December 1803 werd door het gedeputeerd Bestuur nog een nieuwe rentmeester Mr. M. P. de Roo van Aldewereld aangesteld over do geestelijke goederen der stad Brielle, den lande vau Voorne, Putten en Overflackée.

Herhaaldelijk werden, zooals ook later blijken zal, approbation of confirmatiën verzocht en gegeven op collattën van prebenden of van vicariën. Soms werd ook na onderzoek de approbatie geweigerd, zooals bij besluit 15 Maart 1804, op request van iemand nit Poortugaal, die recht meende te hebben op de inkomsten van zekere memorie- of vicariegoederen.

30 Juni 1803 werden eenige bepalingen gemaakt omtrent de voldoening van pretensiën op de abdijgoederen van Rijnsburg en Leeuwenhorst. Het achterstallige moest volgens besluit van het wetgevend lichaam, op voordracht van het gedeputeerd bestuur , worden voldaan uit de oude domeinkasse; en ter voldoening over de jaren 1802 en IS03 moest de algemeene begrooting over dat laatste jaar gesuppleerd worden met ƒ 10.000.

Volgens resolutie van meergenoemd gedeputeerd Bestuur, genomen op voordracht van commissarissen tot de Financiën en van kerkelijke zaken, werd in hetzelfde jaar bepaald, dat op

-ocr page 171-

09

het geestelijk kantoor vau Delft zouden worden overgebracht de posten te voren betaald uit de inkomsten der abdijgoederen van Rijnsburg, als aan den predikant aldaar \'sjaars / 720, en aan den schoolmeester ƒ 157—10.

8 April 1804 werd door gequalificeerden tot de administratie der abdij, toen domeingoederen van Rynsburg en Leeuwenhorst, nog een lijst gemaakt van ongehuwde jonkvrouwen, gerechtigd „tot de 12 proves op de abdije van Rijnsburg en tot de restee-nrende 8 proves op die van Leeuwenhorstquot;, terwijl in hetzelfde jaar onderscheidene goederen ouder administratie der domeinen, die van de genoemde abdijeu afkomstig waren, zjjn verkocht. Tul kens werden nog reqnesten ingediend, om de jaarlijksche proven, geadsigneerd geweest op die goederen, te mogen behouden, aan welke verzoeken, zoo er termen voor waren, werd voldaan.

Het bleef met de inkomsten van bijna alle vicariën in Holland gaan, zooals het vroeger, zelfs reeds lang geleden gegaan was (1), en later uit voorbeelden blijken zal.

Toen in het jaar 1803 een verzoek was ingediend om vicarie-goederen te mogen verkoopen, welk verzoek werd afgewezen , verklaarde het Gedeputeerd Bestuur in zijn rapport aan het Departementaal Bestuur wel, zich niet te kuniM-n vereenigen met hen, die vicarie-goederen als familie-goederen beschouwden, of, als van die natuur, dat de inkomsten aan den naasten of oudsten eener familie of van den laatsten bezittm-toekwamen, of op dien moesten geconfereerd worden; maar ofschoon genoemd Bestuur dat verklaarde, kwam er toch geene merkbare verandering. De inkomsten der in dien tijd iu Holland r.og niet geroofde vicariën, bleven op spaarzame uitzonderingen na, geheel als de inkomsten herkomstig van die vroegere abdijeu, als waren ze van dezelfde natuur, uitsluitend ten bate van enkele familiën. Ze gingen over van vader op kind, om die, zooals bij de confirmatie de geijkte term was, te behouden; „hun leven lang gedurende.quot; Die term was lang gebruikelijk.

(1) Blz. 53 en 63

-ocr page 172-

70

maar dat toch, en om welke reden, zoogenaamde vicarissen dikwijls bij hun leveu van die inkomsten geheel vrijwillig afstand deden, zal later blijken, en zich wel laten begrijpen.

§ 2.

1 erdeve lotgevallen , gedurende de regeering van Koning Lode wijk, en de inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk, 1806—1813.

A. Van het jaar 1 80 6 — 1 810.

B. , „ „ 1810—1813.

A

1 806— 18 10.

De verschillende kantoren en rentmeesterschappen van geeste-lijke goederen, die ook nog waren blijven bestaan onder het kort bestuur van den Raadpensionaris R. J. Schimmelpennink, welk bestuur op de vicariën geen merkbaren invloed heeft uitgeoefend, begonnen al spoedig ondci1 de regeering van Koning Lode wijk te verminderen , om later op spaarzame uitzondering na, geheel te verdwijnen.

In dit verslag behoort ook op die opheffing de aandacht gevestigd te worden. De inkomsten van sommige vicariën werden nog altoos \'t zij geheel, \'t zij gedeeltelijk bij die kantoren verantwoord. Die verantwoording geschiedde wel in vereeniging met die van andere geestelijke instellingen; maar op ieder soort afzonderlijk, en dus ook op die der vicariën, was vroeger, althans in Holland, een duidelijk zichtbaar cachet gedrukt. Op de rekeningen was aangewezen van waar de inkomsten, die verantwoord werden, herkomstig waren. Dat was van ouds gebruikelijk geweest en is lang zoo gebleven. Maar dat cachet was, zooals zal blijken, al kort voor de opheffing der geestelijke kantoren, geheel verbroken.

Volgens besluit van Koning Lodowijk, werd in het jaar 1807

-ocr page 173-

71

het afzonderlijke kantoor der domeinen, herkomstig vnn de goederen der voormalige abdijen van Rhijnsburg en Leeuwenhorst met andere kantoren der domeinen vereenigd. Hiermede vangt de regelmatige opheffing aan der geestelijke rentmeesterschappen en geestelijke kantoren.

De werkzaamheden dier onderscheidene kantoren werden al gedurig minder, en waren op \'t laatst van geene beteekenis meer. \'t Blijkt duidelijk, als de rekeningen uit lateren tijd met vroegere rekeningen worden vergeleken. De ontvangsten in de rekening van het geestelijk kantoor van Delft, over liet jaar 1806 , zijn nog zeer belangrijk, zoo zelfs dat daaruit met inbegrip der suppletie van de zoogenaamde rantsoenpenningen, die steeds door het kantoor waren getrokken, en sedert 1679 verhoogd waren, en van andere buitengewone ontvangsten, alle betalingen konden geschieden; maar vergeleken met vroegere rekeningen , blijken de bronnen, waaruit de inkomsten vloeiden, geheel veranderd, en de oorsprong nu weinig kenbaar meer te wezen. Het is verklaarbaar, als maar gedacht wordt aan de menigte verkoopingen van landerijen, die telkens plaats hadden. Eene zeer belangrijke som komt voor op die rekening, als ontvangsten van renten en interesten „tot lasten van het gemeene land,quot; en niet minder groot is de som van interesten van effecten, aangekocht voor de kooppenningen der verkochte landen, afgeloste chijnsen, erfpachten en andere renten ; maar \'t is volstrekt niet kenbaar of de gelden, waarvoor die schuldbrieven zijn aangekocht, of op andere wijze reulegevend zijn uitgezet, proflueeren uit verkochte landen van pastoriën, van vicariën , canonisiën, conventen, abdijen, of van welk soort goederen ook, onder beheer geweest van denzelfden ontvanger. De inkomsten in de rekening over het jaar 1806 nog verantwoord onder den titel van die beneficiën, daar ze van afkomstig zijn, bestaan op enkele uitzonderingen na, uit erfpachten en renten, gehouden op verkochte vaste goederen, herkomstig van conventen uit het quartier van Hensden , van een convent in den TToaa en te Rijswijk, van de abdij van Loosduinen van \'t kapittel van Geervliet en van soortgelijke stichtingen.

-ocr page 174-

72

Slechts van eene vicaiie wordt uit negen morgen land, die onverkocht zijn gebleven, de huur nog getrokken. Op het verkochte land van zes andere vicariën waren eenige gelden gevestigd gebleven, zooals ook het geval was niet enkele pastorie-landeu, waarvan de renten in deze rekening werden ingebracht.

In de rekening over het jaar 1807 worden „de renten en „interesten ten laste van het gemeene laud,quot; nog verantwoord, eir ook de renten van effecten; maar in die rekening staat aan-geteekend , dat alle stukken, obligatiën en schuldbrieven aan liet kantoor behoord hebbende, volgens aanschrijving, aan het ministerie van Financiën waren opgezonden.

In dc laa tste rekening, in die over het jaar 1808, toen alle ontvangsten slechts ongeveer ƒ 5000 bedroegen, is evenmin sprake van renten, obligatiën en schuldbrieven, als van de geringste opbrengsten uit vroegere vicariën. De vicariën worden zelfs niet meer genoemd.

Hetzelfde geldt de geestelijke beneficiën of hunne inkomsten binnen den Br iel en den lande van Voorne. Van het geestelijk kantoor van den Briel is ook reeds meermalen in dit verslag gesproken. In de rekening der „middelen bestemd ter betaling „van de predikanten en kerkedienaren binnen de stad Brielle „en lande van Voorne en Putten aan beide zijden van Placqué,quot; komen vroeger onder de inkomsten nevens die van pastoriën ook voor de inkomsten van eenige vicariën, gilde en memoriegoederen, als van die te Geervliet, Spijkenisse, Abbenbroek, Middelharnis, Oude Tonge. In de rekening over het jaar 1807 worden nog wel inkomsten, renten en erfpachten aangetroffen van verkochte goederen van het kapittel van Oostvoorne en van den Briel, of van St. Catharina, — die toen niet meer, zooals \' vroeger plaats had, in eene afzonderlijke rekening werden verantwoord , — met nog enkele inkomsten van pastoriën, en wordt eene belangrijke som verantwoord van renten en interesten van kapitalen; maar van vicariën komt op de rekening bijna niets meer voor. Alleen is daarop nog sprake van kleine renten, gaande uit land, en van vicarielanden, gelegen onder Middelharnis, die volgens resolutie van heeren gecommitteerde

-ocr page 175-

73

Raden van 10 Februari 1779 dooi\' den Baillaw aldaar werden beheerd, die het batig slot over twee jaren tor een bedrag van /\' 21.13 aan den ontvanger der geestelijke goederen in den Briel moest verantwoorden.

In Gelderland waren ook de gelden der verkochte vicarie-landen eerst op andere wijze belegd, maar later geconverteerd in uationale schuldbrieven, die, zooals in eene der laatste rekeningen is bericht, aan de kamer van Finantiën waren overgegeven , en toen aldaar berustten.

Voor de geschiedenis der nog bestaande vicariën in Holland, die in hot derde deel van dit verslag afzonderlijk zullen worden behandeld, leveren in liet algemeen de rekeningen der geestelijke kantoren weinig merkwaardigs op, allerminst de laatste rekeningen. Voor de geschiedenis van nog bestaande vicariën in Gelderland zijn de laatste rekeningen, die het kwartier van Zutfen betroffen, gedaan door den rentmeester P. J. Lulofs, zeer merkwaardig. Het was een natuurlijk gevolg van de lotgevallen , die in deze verschillende gewesten dezelfde stichtingen getroffen hebben. Maar over die rekeningen van genoemden ontvanger, waarvan de laatste over het jaar 1810 loopt, behoeft hier niet gesproken te worden.

Alles, wat behoort tot de geschiedenis der opheffing door Koning Lodewijk van althans 16 geestelijke kantoren en rentmeesterschappen , waaronder die in dit verslag meermalen besproken zijn, is door mij elders vermeld (1). Alleen wordt hier op het volgende meer bijzonder de aandacht gevestigd.

Volgens besluit des Konings van 6 April 1808 N0. 35 (2), moesten „alle effecten ten laste van de publieke schatkist, welke „ten comptoire van de ontvangers en rentmeesters der zooge-

(1) In liet: geestelijk kantoor van Delft, is pag. 296 e. v. mededeeling gedaan van de hierop betrekkelijke officieele bescheiden.

(2) Op een vroeger zeer belangrijk besluit van Koning Lodewijk. van 9 Mei 1S0T N0. 10 betreffende het aanleggen vaneen Register der vicariën wordt later teruggekomen.

-ocr page 176-

74

„naamde geestelijke en kerkelijke kantoren aanwezig zijn, op „de meest regelmatige wijze worden geconcentreerd, en, als een „eigendom van het Rijk aan de Amortisatiekas toegevoegd.quot; De Minister van Financiën, die belast was met de executie dezer Koninklijke decisie, heeft weldra daarna, 12 April 1808, de ontvangers en rentmeesters geautoriseerd en gelast om alle onder hen berustende effecten , welke een gedeelte uitmaakten van de publieke schuld, voor den laatsten dag dier maand, op de meest secure wijze aan zijn ministerie in te zenden.

20 December 1808 zond de Minister een ampel bericht aan den Koning, waarin voorkomt, dat ruim vier en een halve ton bij hem minder was ontvangen in effecten, dan de raming was geweest, en dat wel „vermits door sommige rentmeesters de effecten „zijn teruggehouden, aangezien door hun gesustineerd wordt, „dat dezelven, ten minste voor een zeker gedeelte en wel voor „ Vs in eigendom toebehooren, eenigen aan personen van onderscheidene vicaryen, en wederom anderen aan kanoniken en be-„neficiaten.quot; Hij stelt nu voor, op de inzending dier effecten nog niet aan te dringen; maar eerst nadere informatien te nemen, terwijl hij gelijk verslag geeft van de overgifte aan de commissarissen van de Amortisatie kas, van alle effecten ten laste van de publieke schatkist, die in de kantoren der geestelijke goederen, of elders ten behoeve dier kantoren geweest waren.

Nog verdient de aandacht een artikel uit een algemeen bekend besluit van Koning Lodewijk, genomen na het besluit van 6 April 1808 N0. 35, en wel art. 3, alinea 2 van dat van 2 Augustus 1808, dus luidende:

„De kerkelijke goederen en fondsen, welke zijn onder de „administratie van plaatselijke besturen of ouder andere publieke „beheering, en welke mitsdien geen particuliere eigendommen „zjjn, en welke goederen en fondsen thans strekken om aan „geestelijke personen hun tractement, hetzij geheel of ten deele „te betalen, zullen aan de publieke schatkist worden overge-.bragt, welke daartegen met de bovengemelde betalingen zal „zijn belast.quot;

-ocr page 177-

i O

Het is duidelijk, vooral als deze woordeu in verband worden beschouwd met het besluit van 6 April 1808, dat zij in de eerste plaats die steden betroffen, die in het bezit waren gebleven van vele geestelijke goederen, waaronder ook die afkomstig waren van vicariën. Sommige steden waren wel voorwaardelijk in het bezit dier goederen gebleven, maar iu onderscheidene plaatsen deden de magistraten ze als eigene souvereiuen beheeren, terwijl zij zorgden, dat uit de inkomsten voor een deel, of voor het geheel, de predikanten werden betaald, en vaak ook in andere behoeften, als voor het onderwijs, werd voorzien. Dit blijkt o. a. uit de voordracht, die na de ingekomen rapporten door den Minister, in deze zaak aan den Koning is gedaan.

Die voordracht is gedateerd 16 van Lentemaand 1810 Nquot;. 6, dus slechts ruim drie maanden voor dat de Koning afstand deed.

Ik was in de gelegenheid de minuut van dat zeer uitvoerig en zeker niet algemeen bekend stuk te raadplegen, en deel er verkort het belangrijkste uit mede, alleen betreffende Holland, Gelderland en Overijssel.

Het kwam, na onderzoek bij de Landdrosten, den Minister voor, dat in de termen van het 2e lid van artikel 3 des decreets van den 2 Oogstmaand, 1808, zouden vallen:

in het departement Amsteiland: het kantoor der geestelijke en St.-Jans goederen te Haarlem, en de kerkelanden ouder administratie van het gemeentebestuur van Texel;

in het departement Maasland: de goederen van het kapittel ten Hoogenlande en de Memoriën en Getijden te Leiden;

in het departement Gelderland\', het geestelijk rentambt der stad Arnhem; de rentambten der kloosteren den IJzendoorn en Heer Hendrikshuis te Zutphen, en de rentambten Spittaal en de quot;Worf, mede te Zutphen ;

in het departement Overijssel: het rentambt der geestelijke goederen te Zwolle; de geestelijke goederen te Deventer; het rentambt der kerkelijke goederen te Kampen; de kerkelijke goederen onder administratie van den Magistraat en Gecommit-

-ocr page 178-

76

teerden des lauds van Vollenlioveu; de Kapittelgoederen te Steenwijk; de pastoriegoederen te Oldemark en eenige pastorie-goederen en uitgangen te Enschede.

Verreweg het meerendeel der plaatselijke besturen, — zoo verklaarde de minister in zijne voordracht, — hadden ernstige bezwaren tegen de overgifte. Al die bezwaren kwamen hem wel niet gegrond voor, maar ze moesten toch wel ernstig worden

O O / O

overwogen. Ouder die bezwaren worden genoemd, dat sommige der genoemde steden aanzienlijke pretentiën zouden hebben op geestelijke kantoren, wegens gelden uit stadskas daaraan voorgeschoten; dat verschillende uitgaven behalve aan predikanten, ook voor het onderwijs, en ter voorziening in vele plaatselijke behoeften er uit werden gedaan; dat b.v. te Vollenhoven, bij gemis van de inkomsten dier goederen, niet langer zou kunnen voorzien worden: „in het kostbaar onderhoud der gewigtige „zeewerken, welke een gedeelte van het departement Overijsel „moeten bescheimenquot;; dat goederen en inkomsten van sommige steden met die der geestelijke kantoren waren vereenigd, en tot de laatste goederen gebouwen hadden behoord, die thans voor de steden onmisbaar waren. Nu adviseerde de minister nog geene decisie omtrent deze goederen te nemen, voor dat alles nader zal zijn onderzocht; maar, aangezien daaruit tracte-menten werden betaald aan predikanten, rectoren, praecep-toren, schoolmeesters en andere ambtenaren, en er meerdere en daaronder gewichtige posten op zijn geaffecteerd, waarvan de geregelde voldoening wordt gevorderd, de administratie zoo lang te laten op den vorigen voet. Bij besluit van 24 Maart en 15 April 1810 is vervolgens bepaald, de betalingen als vroeger uit de plaatselijke kassen te doen, totdat de stortingen in \'s lands kas zouden gedaan zijn.

Do voornaamste steden bleven dus in het bezit der goederen, „onder verantwoording echterquot; , zooals daarbij bepaald was, — „aan den ministerquot;. En onder die goederen en inkomsten waren or soms niet onbelangrjjke, die van vicariën en diergelijke stichtingen afkomstig waren. Om slechts één voorbeeld te noemen ; Kampen

-ocr page 179-

waarvan echter alleen het volgundo (1): de even aangehaalde besluiten , die weldra daarna, zooals we zien zullen , door een nader decreet van den Keizer zijn gevolgd, deden de stedelijke regeeriug van Kampen besluiten, om de geestelijke goederen, die vroeger, ofschoon onder haar toezicht, afgescheiden van de stadsgoederen werden beheerd, onder een en hetzelfde beheer te brengen. Uit een .„lijst van vicarie-goederen, welke in 1S11 nog tot het geestelijk „kantoor behoorden, en toen met de stadslezittingen vereenigd „zijnquot; (2) blijkt, dat in het jaar 1809 de huurprijzen van de landerijen, tot de vicariën behoorende, die daarin staan opgegeven, toen nog te zaraen bedroegen ongeveer /\'2800, terwijl er in het jaar 1811 nog bij kwam f 400 aan thinsen en uitgangen, die in 1817 zijn verkocht. Verder zijn successivelijk alle vaste goederen te Kampen van vicariën afkomstig verkocht. Maar evenmin als vroeger, is er na de vereeniging der inkomsten van de geestelijke goederen met die der stedelijke opbrengsten te Kampen, door de predikanten landstractement genoten. Met uitzondering van eene toelage vaa de kerkelijke , wordt daarin geheel door|de burgerlijke gemeente voorzien. Te Deventer, welke stad in de straks aangehaalde voordracht van den minister aan den Koning, evenals de steden Kampen en Zwolle, ook besproken werd, is slechts een geringe toelage van wege het rijk tot het tractement van de predikanten; verder een bijdrage van de kerkelijke en ƒ 1250 \'sjaars van de burgerlijke gemeente (3). Ook te Zwolle wordt door de burgerlijke gemeente een belangrijke som als bijdrage verstrekt tot het predikants-tractement.

Bij de behandeling van eenige afzonderlijke vicariën, in het laatste gedeelte van dit verslag, zal het blijken, dat niet in alle steden, alle vicariën, waaronder die, waarvan de stedelijke

(1) Verdere bijzonderheden zijn te vinden in het reeds aangehaald: Historisch onderzoek en in het ook in druk verschenen Rapport aan heemn Burgemeester en Wethouders der gemeente Kampen van den archivaris J. C. Bijsterbos d». 27 Februari 1870.

(2). Zie in het historisch onderzoek, Bijlage C.

(ij) Zie Kerkelijk handhoek van M. W. rt. Van Alphen voor het jaar la87.

-ocr page 180-

78

magistraten de patronen of collatoren werden genoemd, zijn verdwenen. Het is ook nooit gekomen tot een volledige uitvoering van het decreet van 2 Augustus 1808.

B.

18 10—1813.

Met de stortingen door ontvangers en rentmeesters van geestelijke goederen in de amortisatie-kas, waren hunne kantoren nog niet opgeheven. Zij waren nog belast gebleven met de verantwoording van sommige ontvangsten. Die opheffing had eerst plaats na de inlijving van ons land bij het Pransche Keizerrijk. Het besluit tot die opheffing is van den Staatsraad , Intendant-generaal van financiën en van de Keizerlijke schatkist in Holland, van 31 Jamuiri 1811, Nquot;. 56. Bij dat besluit werden nog onderscheidene rentambten van geestelijke goederen, die in dat van den Minister van financiën van 12 April 1808 niet genoemd waren, gesupprimeerd en de rentmeesters er van, behoudens hunne verantwoordelijkheid, honorabel ontslagen. In artt. 4 en 5 worden ook ontslagen de ontvangers der geestelijke goederen te Brielle en te Delft, en die betrekkingen opgeheven; terwijl, volgons art. 6, door den directeur der Staatsdomeinen de administratie der weinige goederen en inkomsten dier twee kantoren zou worden overgegeven aan de in dat artikel genoemde rentmeesters der domeinen.

Over het Keizerlijk decreet, kort na de opheffing der geestelijke kantoren genomen, (21 Februari 1811) waardoor alle goederen van geestelijken oorsprong, uitgezonderd die waarvan de inkomsten bestemd waren voor predikanten en voor het onderwijs, met de domeinen werden vereenigd, behoeft bier niet gesproken te worden. Het gevolg er van is o. a. geweest, dat velen, die nog in het bezit gebleven waren van proves of prebenden , afkomstig van inkomsten van vroegere geestelijke corporatiën of stichtingen, waarvan in dit verslag de voorbeelden zijn aangetroffen, die geldelijke voordeelen verloren hebben.

-ocr page 181-

79

Ten gevolge eener aanscluijvmg van den Landdrost van 17 November 1810, Nquot;quot;. 2, werden in alle gemeenten uit het vroegere departement Maasland tabellen ingevuld van den „Staat „van den Hervormden godsdienst.\'1 Die tabellen zijn van ongeveer tachtig gemeenten, en bevinden zich, zooals ze ziin ingevuld en den Landdrost zijn toegezonden, te \'s Hage in het Rijksarchief, waar ik in de gelegenheid was ze te raadplegen. Onderscheidene bleken mij te zijn ingevuld, na infor-matiën bij den kerkeraad , of bij het kerkbestuur. De predikants-tractementen zijn er in opgenomen zooals ze toen waren. Op eene geringe uitzondering na, werd in alle gemeenten door het gouvernement voorzien in de geheele voldoening of betaling. Bijna alle opgaven zijn uit gemeenten, waar vroeger de pastorie, en ook wel de vicarie-goederen aan rentmeesters of ontvangers overgegeven waren, die gelijk ook met de ontvangst der tertiën van andere vicariënten bate der kerkedienaren belast waren geworden. In niet eene gemeente van de tachtig wordt van die tertiën meer gewaagd. Dit was niet vreemd, want zooals we zagen was door invloed die uitkeering uit vicarie-inkomsten al vroeg in onbruik geraakt. — In onderscheidene gemeenten is de vraag wel beantwoord, die in de tabellen gedaan was, van waar de tractementen herkomstig waren, of waaruit ze oorspronkelijk waren gevloeid ; maar in geen enkele gemeente wordt bij de beantwoording gewaagd van vicarie- en pastorie-goederen. In den regel wordt na opgave van het landstractement verklaard, dat er geene vaste goederen of renten bestaan, waarvan do predikant verder nog eenig inkomen trekt, dat die goederen en renten voorheen bij het geestelijk kantoor waren overgenomen, zijnde dat kantoor, zooals op die tabellen soms staat uitgedrukt, „ voor weinige jaren door „ het gouvernement genaast, hebbende van dien tijd af ook des „ leeraars tractement, en de toelagen van klassis-, kinder-, school-„en academie-gelden betaaldquot;.

Tot regeling van vele zaken, tengevolge der maatregelen omtrent de geestelijke goederen door Koning Lodewijk genomen,

-ocr page 182-

80

werden er gedurende den tijd onzer inlijving bij het Keizerrijk wel vele correspondentiën gevoerd en werd er ook wel tot een en ander besloten; maar, ofschoon die correspondentiën en besluiten niet van belang ontbloot zijn, behoeven ze hier niet te worden besproken. — Confirmatiën op de begeving van vicariën schijnen in dien tijd uiet te hebben plaats gehad; ze staan althans in de registers niet aangeteekend. Wel vond ik het volgende: toen er een verzoek was ingediend om begunstigd te worden met inkomsten van zekere vicarie onder beheer van het domein bestuur, werd dat verzoekschrift in handen gesteld van den directeur der domeinen, die zich omtrent velerlei, dat deze en andere vicariën in dezelfde kerk betrof, deed inlichten en het einde was „eetie missieve van den „directeur, geleidende een besluit van den intendant generaal „van Financiën waarbij verklaard wordt, dat er geen termen „bestaan, om voordrachten ter begeving van vicariën te doenquot; 13 Februari 1811 N0. 1.

Omstreeks denzeifden tijd werd echter op verzoek meermalen ordonnantie verleend tot uitbetaliug door het bestuur der domeinen van hetgeen van vroegere jaren, uit inkomsten nog aan belanghebbenden, verschuldigd was.

19 November 1812 zijn door den intendant generaal zoowel allen, die de inkomsten van vicariën, canonisiën, prebenden of andere beneficiën van dien aard genoten, als de patronen of collatoren er van, die ze binnen de zeven Hollandsche departementen begaven , opgeroepen om voor 1 .fanuari 1813 aan hem intendant eene ampele opgave te doen van alles, waardoor over deze beneficiën, derzelver aard, inkomen, recht van begeving en toenmaligen toestand, een helder licht kon opgaan.

Deze oproeping is belangrijk genoeg om in haar geheel hier te worden medegedeeld (1). Zij is van den volgenden inhoud :

„De Staatsraad, grootkruis van de keizerlijke orde der Réunie, „een der kommandanten van het legioen van eer, intendant

(2) Zij wordt gevonden in het Staatkundig rfayhlad ran het departement der Zuiderzee.

-ocr page 183-

81

„generaal der FinaDtiën en van de keizerlijke schatkist in Hol-„land, roept op alle patronen en collateuren van vicariën, „canonisijen, prebenden en andere beneficiën van soortgelijken naard binnen de zeven Hollandsehe departementen gevestigd, flom voor den 1 sten Januarj 1813, aan denzelven door middel nvan eene door bun geteekende memorie te doen toekomen „eene specifique opgave van den aart, den oorsprong, de be-„zittingen, de inkomsten en de tegenwoordige eigenaars, vica-„rissen, prebendarissen of gebenificeerden derzelven , en van de „kantoren op welke de vrngten of renten betaald wierden, zullende „deze opgave moeten inhouden eene bijzondere en duidelijke „omschrijving niet alleen van de brieven van constitutie van „zoodanige vicarissen, prebendes en benificiën en derzelver „datum, maar ook van allo zoodanige stukken en bewijzen „waaruit hun recht op dezelven, of hunne bevoegdheid, om „daarvan de collatie te doen of vicarissen te benoemen, volko-„men kunnen blijken, en welken zij bij machte zijn om daartoe „nader opgeroepen, te kunnen produceeren en overgeven.

„Insgelijks -worden de tegenwoordige vicarissen of gebenefi-„ceerden met zoodanige vicariën, canonisyen, prebenden of „andere beneficiën van dien aard opgeroepen, om voor den „Isten Januarij 1813 aan den Staatsraad, intendant-generaal in „te zenden eene door hen geteekende memorie, houdende opgave „van de vicarie, de prebende of beneficie, waarvan zij als vicaris „of onder eenige andere benaming, de vruchten of renten ge-„nieten, met vermelding van het kantoor waar zij dezelve ont-„vangen hebben , van den persoon van wien zij het beneficie „hebben bekomen, den datum van de akte van collatie of ander „instrument, uit krachte van hetwelk zij in de possessie daar-„van zijn opgesteld, en van alle zoodanige stukken; als zich „onder hen bevinden, en zij daartoe nader opgeroepen tot bewijs „van hun regt zouden kunnen inleveren.

„Zijnde hier mede onder begrepen de zoodanige beneficiën , „welke tot bet goedmaken van kosten van studiën en dergelijke „begeven worden; de gebeneficeerden met de zoodanigen zullen

6

-ocr page 184-

„daarbij moeten opgeven hunnen ouderdom en de plaats waar „zij hunne studiën voortzetten.

„De lijsten met den Isteu January 1813 zullende worden „gesloten, worden de belanghebbenden gewaarschuwd dat diengenen , welke voor dien dag aan deze oproeping niet hebben „voldaan, de nadeelige gevolgen, welke daaruit zouden kunnen „voortvloeijen, aan zich zelveu zullen te wijten hebben.

„Amsterdam den 19den November 1812.

„De Staatsraad, intendant-generaal Gogel.quot;

Het is mij gebleken , dat op die aanschrijving aan den intendant-generaal antwoorden zijn gegeven , en dat verlangde stukken bij hein zijn ingekomen. De bewijzen hiervoor vond ik te \'s Hage in het Rijks-archief. Waren die stukken nu nog maar aanwezig, dan zou derzelver inhoud zeker een belangrijk licht verspreiden over veel wat nu duister is, en wel duister blijven zal. Maar, helaas! alle anticoorden en verdere stukken hij den intendant-generaal ingekomen zijn spoorloos verdwenen ! Hoeveel moeite er is aangewend om ze te vinden, zijn alle pogingen daartoe vruchteloos geweest. In het jaar 1829, werd o. a. de aandacht van den Minister van Binnenlandse he Zaken door den geconimitteerde van de permanente commissie uit het Amortisatie Syndicaat op die verdwijning ernstig gevestigd, maar zonder gewenscht gevolg. Ook later is er vruchteloos onderzoek naar gedaan, \'t Is zeker zeer opmerkelijk, en te bejammeren! Er ziju overigens zoo vele offieieele stukken uit de jaren die hier besproken werden, die belangrijk zijn voor de geschiedenis der geestelijke goederen, aanwezig; maar juist de meest belangrijke uit dien tijd, voor dit onderzoek, die op de vicariën en diergelijke beneficiën betrekking hebben, zijn vervreemd of verloren gegaan!

-ocr page 185-

83

DERDE APDEELING.

Na de omwenteling in het jaar 1813 tot heden.

Er zijn gedurende bovengenoemd tijdvak geene wetten uitgevaardigd, die uitsluitend de vicariën of daaraan verwar.te stichtingen betroffeu; en ook geene besluiten genomen , waardoor althans in het algemeen de toestand meer zuiver werd. \'t Is wel meer dan vroeger beproefd, als er omstandigheden plaats grepen die de Regeering verplichtten, hare aandacht op die zaak te moeten vestigen, maar dan werden er maatregelen van meer partieelen aard genomen. Er zijn ook wel oogen-blikken geweest, waarin de Regeering toonde dat \'t haar ernst was, om in dien chaos van verwarring, die vrij algemeen werd aangetroffen, waar nog vicariegoederen en inkomsten bleken aanwezig te zijn, de orde te herstellen; maar zij is er niet overal in geslaagd. Omstandigheden hebben eindelijk medegewerkt om haar in do overtuiging te versterken, dat de toestand der vicariën, voor zooverre er nog waren, onhoudbaar was, en haar op middelen te doen bedacht zijn tot algemeen herstel. Een en ander zal ook uit bijzonderheden blijken, die ik in de gelegenheid was van nabij te leeren kennen.

§ 1-

Aanvankelijke werkeloosheid der Regeering.

Op een besluit van den Souvereinen Vorst van 8 Mei 1814 Ne. 147 (1), dat betrekking heeft op de confirmatie na gedane begeving van vicariën en diergelijke stichtingen, wordt later teruggekomen. Het zou in hooge mate de aandacht trekken , als, wat het voorschreef of behelsde nieuw ware geweest, en

(1) Dit besluit is ook aangehaald door don heer quot;SVintgens in zijne redo-voering in de Tweede Kamer van 20 Mei 1884, bij de behandeling van het wetsontwerp tot vaststelling van voorloopige maatregelen tot behoud der vioariegoedereu.

-ocr page 186-

84

daarbij heilzaam voor het beheer en voor het behoud der nolt;2; bestaande vicariën. Het behelst echter niets nieuws, en heeft ook niet gestrekt, om alle toen aog bestaand; vicariëu voor verdere vervreemding te bewaren.

De Regeeriug, die zich alleen bereid toonde, om begevingen van die vicariën, die haar daartoe werden aangeboden, te confirmeeren, heeft zich gedurende ettelijke jaren het lot der vicariën niet aangetrokken, terwijl wij haar werkzaam vinden in de regeling-van zoodanige zaken, die zouden hebben doen verwachten , dat nu eene betere regeling der vicarie-aangelegenheden ook door haar zou worden beproefd. Zij bleef hierin aanvankelijk geheel werkeloos. De bewijzen volgen.

Art. 193 der grondwet van 1815 kende de Regeeriag het recht toe, om toe te zien op het gebruik dier gelden, die uit \'s lands kas voor den openbaren godsdienst werden verstrekt. Zij is toen veel verder gegaan, en heeft van de vrijheid, die zij volgens art. 90 en 93 van het Algemeen Reglement voor het bestuur der hervormde kerk had, een stout gebruik gemaakt, door van 13 Februari 1819 af tot 12 December 1823 toe, reglementen uittevaardigen voor het beheer der kerkelijke goederen in verschillende provinciën, die tot het jaar 1869 zijn van kracht geweest. Xu ontgaat het de aandacht niet, dat de Regeeriug bij die gelegenheid met zorg geweest is over de pastorie- en kustoriegoederen iu Gelderland en Groningen; niot om ze onder hetzelfde beheer als de kerkelijke goederen, waaronder zo dan ook niet behoorden, maar ouder toezich: te stellen; en dat ze geheel zwijgt over de vicariën, terwijl ze toch zeker wist, dat iu een der vroegere kwartieren van Gelderland een deel der inkomsten nog tot kerkelijke doeleinden werd aangewend, en vicariegoederen daar en elders in overvloed aanwezig waren. Een besluit van den Koning van meer algemeene strekking, dat van 12 December ^1827 n0. 45, omtrent „een te maken inventarisquot; betrof ook alleen „pastorij- en kustorijgoederenquot;, en laat de vicariën zonder toezicht in geheel geisoleerden staat. Bij de

-ocr page 187-

85

onderscheiding, die er gemaakt is tusschen groote en kleine geestelijke goederen, zijn die der vicariën, memoriën, getijden en soortgelijke wel nooit onder de eerste gerangschikt, maar met die der pnstoriën en custoriën, ouder de laatste; ze hadden eclitei1 met die goederen van zoo hoogst aanzienlijke afkomst, van kapittels, kloosters en abdijen enz. zoowel als die van pastoriën en custoriiin eenmaal onder hetzelfde curatorschap of onder dezelfde controle gestaan. Die groote geestelijke goederen waren langs wettigen en onwettigen weg onkenbaar geworden, of komen ouder veranderden titel voor, om te strekken ten voordeele van stad of land. Do pastorie- en custoriegoederen, voor zooverre ze niet vervreemd of verduisterd, maar nog aanwezig zijn, ontgaan de landsvaderlijke zorg en waakzaamheid niet, maar de vicariën?.... Koning Lodewijk had wel — wij zullen het weldra zien — een enkele goede bepaling uitsluitend hieromtrent gemaakt, waarvan, zooals reeds met een woord is opgemerkt het besluit van den souvoreinen vorst van 8 Mei 1814 een gevolg geweest is, maar daaraan onderwierp of onttrok zich een ieder zoo als hij maar wilde, en daaraan werd althans in Holland in den regel alleen voldaan door hem , die er voor zich eu zijn geslacht voordeel in zag. Het strekte niet om goed toezicht op nog bestaande vicariën te houden, om te zorgen dat, die er nog waren, niet werden vervreemd, of om nog niet lang verlorene terug te brengen. Noch het een, noch het ander is er althans het gevolg van geweest, \'t Is alsof er onder invloedrijken en gezaghebbenden door alle tijden hoen een zekere vrees was, om op dat gebied te doen wat rechteus had behoord ; een vrees om door openbaarheid te verliezen wat gaarne behouden werd. \'t Is de eerste jaren na de omwenteling in 1813 weer, zooals \'t vroeger dikwijls jaren achtereen was: de vicariën, — die nu geheel geïsoleerd zijn, — trekken volstrekt de aandacht der Regeering niet. Het schijnt zelfs dat met opzet de gelegenheid, die er nu is, niet aangegrepen wordt, om eene verbetering van den onhoudbaren toestand te beproeven.

Het ware wenschehjk geweest dat de Regeering, toen het

-ocr page 188-

86

recht van collatie bij de beroeping van predikanten bij de Koninklijke besluiten van 26 Maart 1814, N0. 20, van 28 September 1814, K0. 4 en 1 Februari 1815 (1) werd geregeld, ook blijkbaar aan do vicariën en hare begeving had gedacht. Het collatierecht bij beroeping van predikanten was wel van geheel anderen oorsprong dan het recht van presentatie voor het genot van een deel der inkomsten eener vicarie; maar het was bekend, hoe liet een vaak met het ander was verward of gelijk gesteld. Daarbij heeft liet de aandacht niet kunnen ontgaan, dat de Regeering in den laatsten tijd. die de herstelling onzer onafhankelijkheid vooraf ging, zich om de confirmatie der begeving van vicariën weinig of niet bekreunde, wat natuurlijk weer aanleiding tot meerdere verwarring gegeven had. Als begiftigers en begiftigden telkens er over klaagden, dat onder het Fransche Bestuur o. a. de inkomsten der vicariën, die onder beheer der domeinen waren geraakt, niet waren uitbetaald, en requestreerden om betaling van die verschenen en onbetaalde termijnen, was, zooals uit officieele stukken blijkt, het antwoord der Regeering in deze manier: de begiftigde wordt gerechtigd verklaard tot het genot der -§ „en zulks gerekend „van het oogenblik dat de inkomsten der vicariën na de ver-„nietiging der Fransche administratie hier te lande weder zijn „begonnen van wege hot Nederlandsche gouvernement geperci-„pieerd te worden, terwijl met betrekking tot de ongenoten § „gedurende de Fransche administratie, de requestrantequot; — deze was eene jonkvronwc, die de vicarie begeven had, en om het achterstallige vroeg; — „voor zooverre zij oordeelen mogt daarop „aanspraak te hebben, naar het Fransche gouvernement wordt „verwezenquot; .... maar do Regeering deed niets, om de bepalingen omtrent de begeving voor het vervolg beter te doen naleven.

Het eerste regeeringsbesluit omtrent de beurzen, is van 2 Augustus 1815, No. 5^ waarop bij verschillende besluiten, telkens werd teruggekomen, tot ze bij besluit van 15 Februari

(1) Het laatste besluit werd ingetrokken 24 Januari 1850.

-ocr page 189-

87

1843, N0. 67 werden afgeschaft, onder bepaling dat ter harer gedeeltelijke vervanging zouden aangewezen worden de ter begeving van don Koning staande vicariën en beneficiën. In dat tijdvak, van ongeveer 28 jaren, was er voor de Regeering herhaaldelijk aanleiding om de aandacht op de vicariën te vestigen ea ook dio zaak met ernst te behartigen. Maar ze heeft niet gedaan wat zo luid kunnen doen, en overeenkomstig besluiten, die zij zelve had genomen, had kunnen beproeven. Om niet te spreken van het Koninklijk Besluit van 2G December 1818, Staatsblad N0. 48, „betrekkelijk de administratie der goederen „toebehoorende aan de stichting van Beurzen of van Kollegiën quot;, of van het besluit van 2 December 1823, Staatsblad N0. 49, tot aanvulling der bepaling van het besluit van 26 December 1818, waarbij, o. a. nog wel was bepaald artikel 30: „er zal bij het departe-„mont van Publiek onderwijs, eene adviserende commissie bestaan „voor do zaken rakende de stichtingen voor het onderwijsquot;, wordt hier herinnerd aan een nog later en wel aan dat van 12 Februari 1829, Staatsblad N0. 3, waarbij de twee laatstgenoemde Besluiten op alle stichtingen van Beurzen toepasselijk worden verklaard, en volgens art. 2 ook toepasselijk op de oude stichtingen in Friesland , ten behoeve der studiën bestaande, bekend ouder den naam van leenen, van welk besluit art. 3 dus luidt: „onze minister van Binnenlandsche Zaken, zal ons „voorstellen kunnen doen om de genoemde Besluiten mede toepasselijk te maken op andere stichtingen, welke daarvoor „vatbaar zijn.quot; Dit laatste besluit schijnt een bewijs te leveren, dat die van 2 December 1823 en van 26 December 1818 niet alleen betrekking hadden, zooals wel beweerd is , op de zuidelijke, maar ook op de noordelijke provinciën. Nu wist de Regeering, hoe de toestand van die stichtingen was, die in andere provinciën waren, en daar algemeen onder den naam van vicariën bekend stonden. Zij wist het van de vicariën even goed als van de Friesche leenen. Zij confirmeerde (1) do bcgevingeu van beider

(1) Eenige maanden voor het besluit van 22 Februari 1829 X0. 3 was genomen, — d». 4 Juni 1828, — was nog eene nieuwe begeving van het Lieve

-ocr page 190-

8S

inkomsten, in zoo verre althans als die begeving haar ter confirmatie werd aangeboden. Die confirmatie geschiedde door deuzelfden hoofdambtenaar, en op dezelfde wijze. Zij wist van welken aard, en hoe schaarsch de begevingen van vicariën waren, waarop hare confirmatie werd verzocht, hoe dringend er voorziening uoodig was, zou er nog behouden worden wat te behouden viel.. . . Het lot der Friesche leenen, die wellicht in veel minder gevaar verkeercn, trekt zij zich ernstig aan; maar om de Hollaudalhe en andere vicariën bekreunt ze zich niet! (2).

Vrouwen ter Xooil Leen fo Franpker aan eeu leerling op de Latijnscho school te Joure door den administrateur voor het or.derwijs 1). J. VanEwijk geconfirmeerd; en ettelijke dagen later om uitvoerig vermelde redenen door hem de confirmatie eener nieuwe begeving van liet St. Geertruiden leen te Abbega geweigerd.

Confirmatien der begeving van leenen door genoemden administrateur hebben ook nog na het aangehaalde besluit van 12 Februari 1S2!) plaats gehad, o.a. 2G jSovember 1H29 van het IhiKclciuna leen, waarmede iemand, als behoo-rende.tot de familie van den stichter van dat leen, was begunstigd. Die confirmatie, — zoo is aangeteekend, — is nog geschied in aanmerking genomen, dat de nasporingen, die tegenwoordig plaats hebben ten gevolge van\'s Konings Besluit van 12 Februari 1829, bij hetwelk de bepalingen, vervat in de besluiten van 2G December 1818 en 2 December 1823 van toepassing zijn verklaard op de Friesche leenen, nog niet tot volkomenheid zijn gebracht, en dat in afwachting van don gang van zaken, welke nader ten opzichte van de Friesche leenen zal worden aangenomen, hot meest geschikt schijnt om de nog voorkomende zaken, op don tot hiertoe gebruikelijken voet te behandelen.

De laatste confirmatie schijnt die van 4 Juni 1832, te zijn geweest, toen de Minister van liinnenlandsche Zaken de begeving confirmeerde van bet Sint Jobs leen te Oldenhove, aan een leerling van de Latijnacne school Bolsward, om er genot van te bobben tot zijn 25e jaar.

(2) In de gedrukte handelingen der algemeene Synode van de IsTederland-sche hervormde kerk van de jaren 18Ö0—1853, komt een en ander voor naar aanleiding van het genoemde Besluit van 15 Februari 1843 _N\'0. 67; de vervanging van beurzen door inkomsten uit de vicariën. Onderscheidene corres-pondentiën zijn hierover gevoerd tusschen het Departement van Binnenlandsche Zaken en dat van Financiën. Eindelijk, en in dien geest werd aan de Synode bericht, is door den Koning, op aandrang van het Departement van Financiën, na den Kaad van State gehoord te hebben, beslist, dat de goederen en eigendommen der Vicariën , waarvan de Kegeering de begeving had, ten behoeve

-ocr page 191-

89 § 2.

Resultaten van twee onderzoekingen.

De Regeoring was wel aanvankelijk, zooals is opgemerkt, bij beproefde regeling van andere aangelegenheden, omtrent die der vicariën werkeloos gebleven; maar toch hebben er tusschen de jaren 1825 en 1829 een paar onderzoekingen plaats gehad, die voor de geschiedenis der vicariën belangrijke resultaten hebben opgeleverd, en het onhoudbare van haren toestand overtuigend bewezen. In \'t kort wordt uit de stukken daartoe betrekkelijk medegedeeld hetgeen volgt.

Bij reeds meer genoemd besluit van den Souvereinen Vorst van 8 Mei 1814 Nquot;. 147, was de Minister van Binnenlandsche Zaken gemachtigd, om te beschikken omtrent alles wat de begeving en de confirmatie van vicariën, prebenden, canonisii-n en dergelijke beneficiën betrof, en zulks op dezeltde wijze, als geschied was tot de inlijving in Frankrijk.

Nu werd na de organisatie van het departement van Binnea-landsche Zaken, bij besluit van 30 Maart 1826 No. 101, dezelfde machtiging opgedragen aan don administrateur voor het onderwijs , kunsten en weten schappen, aan den heer van Ewijck , die een volgend jaar zich tot den gouverneur van Gelderland riebttc om eenigc inlichtingen. Geen wonder dat hij die vroeg aan het hoofd van dat gewest, want van de twintig confir-matiën in dat jaar betrof het meerendeel, zooals mij bij het nazien bleek, vicariën in Gelderland, liet bij absentie van den gouverneur, door een lid der Gedeputeerde Staten d0. 1 April 1827 gegeven uitvoerig antwoord, was voor de geschiedenis der vicariën in Gelderland zeer belangrijk. Het ging vergezeld van lijsten getrokken uit vroegere en latere registers van vicariën. Op de lijst, volgens de laatste registers opgemaakt, kwamen

van \'s Rijks kas zullen verkocht worden, met bedoeling om bij vervolg van tijd, wanneer die verkooping zou zijn ai\'geloopen eu na gelang van de opbrengst, beurzon uit \'s Rijks kas aan de Hooge Scholen te verbinden.

-ocr page 192-

90

op verre na niet alle vieariën voor, die op den staat volgens vroegere lijsten opgemaakt vermeld waren, 1°. omdat sommige collatoren in lateren tijd verzuimd hebben de begeving te doen bevestigen, 2°. sommige vieariën aan kerken zijn overgegaan, en 3°. andere vieariën zijn verdonkerd. Tegen het laatste — zoo lezen we in het antwoord — heeft het voormalige hof van Gelderland vele maatregelen genomen, doch het schijnt dat geene derzelve juist en krachtig genoeg gewerkt heeft. De verduistering van zoovele vieariën zou wel daaraan toe te schrijven zijn, dat er niet genoeg het oog opgehouden is, en de administratie aan collatoren overgelaten was, behalve in het kwartier Zutphen, waar het aan de rentmeesters der geestelijke goederen was opgedragen, en sedert dien tijd de vieariën dan ook behouden waren gebleven. Het advies was, om bij de administratie der domeinen te onderzoeken , welke vieariën haar bekend zijn; de onbekende collatoren en de tegenwoordige bezitters op te roepen; de vieariën op nieuw te doen regis-treeren; de collatoren, die geen bevestiging hadden gevraagd, te gelasten om binnen bepaalden tijd van de begeving te doen blijken, en om in het vervolg steeds geregeld de confirmatie aan te vragen.

Onderscheidene staten van vieariën , canonisiën, prebenden en andere beneficiën zijn weldra daarna , op verlangen van den Minister van Binnenlandsche Zaken, opgemaakt, of meer breedvoerig omschreven. Bij gebrek aan doortastende maatregelen der Regeering bracht dat werk wel geen dadelijk voordeel aan, maar \'t is later nuttig geweest voor de kennis van de geschiedenis der vieariën in Gelderland.

In de jaren 1825 en 1829 had een onderzoek plaats naar de vieariën in de drie provinciën, Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant door den heer Riemsdijk, administrateur der domeinen te Arnhem. Belangrijke correspondentiën zijn toen gevoerd tussehen dien administrateur en de permanente commissie uit hec amortisatie-syndicaat. Het blijkt daaruit hoe

-ocr page 193-

91

moeiclijk het ging om verlangde inlichtingen omtrent geestelijke goederen te bekomen. Een deel dor goederen onder beheer van ambachtsheeren en van anderen, die gewoon waren er over te beschikken als over hunne eigendommen , is voor den administrateur verborgen, en vele bijzonderheden zijn hem onbekend gebleven. Er was echter door hem ook wel een en ander ontdekt, dat hij oordeelde te moeten mededeelen tot in de kleinste bijzonderheden : o. a. dat er niet minder dan dertien vicariën onder Almelo en Vriezenveen waren, waarvan de collatie competeerde aan den graaf van Rechteren Limpurg, heer van Almelo; „de tegenwoordige lieer van Almelo heeft eenige goederen — zoo bericht de administrateur — tot deze vicarijen „behoorende verkocht, andere verpacht en de opkomsten als „van zijn eigendommclijk goed ingevorderd en genaast, terwijl „de zoodanige waarvan eene begeving heeft plaats gehad, zjjn „geconfereerd aan den rentmeester van het huis Almelo, aan „jagers, kameniers en andere om zich daardoor hetzij geheel, „hetzij gedeeltelijk van de bezoldiging dezer menschen te ontheffen,quot; Bij dit bericht was gevoegd: de officieele staat der 13 vicariën, onder opschrift: „Staat der vicariën waarvan de collatie „competeert aan den Heer Grave van Rechteren Limpurg, Heer „van Almelo , doch welke zich in het volle beheer heeft ge-„steld, en het meerendeel dor goederen beschouwd als zijn „eigendom.quot;

De administrateur stelde in zijn rapport dd. 9 October 1826 de permanente commissie uit het amortisatie-syndicaat voor, om bij Z. M. een besluit te provoceeren, waarbij de Graaf van Rechteren Limpurg, heer van Almelo, werd gelast om ongepre-jucieerd zijn recht van collatie, onverwijld aan het amortisatiesyndicaat een staat der goederen en inkomsten dier 13 vicariën in te zenden, met opgave der goederen die daar van zijn verkocht, en het product daarvan. De nog aanwezige vicariën wilde de administrateur dan gesteld hebben onder het beheer der domein ontvangers; en het product der verkochte goederen van den graaf hebben terug gevorderd „om tot verbetering van het

-ocr page 194-

92

„fonds der vicarijea in effecten op het grootboek te converteren.quot; In dien geest is dquot;. 11 Juli 1829 door gecommitteerden uit liet amortisatie-syndicaat aan den Minister van Binnenlandsche Zaken geschreven met toezending van alle stukken. liet dossier is in de archieven der departementen van algemeen bestuur met veel zorg bewaard. Die stukken zijn nevens vele andere leerrijk ter raadpleging tot op dezen dag; maar het onderzoek van den zeer ijverigen administrateur der domeinen heeft niet mogen bewerken, dat het gouvernement tot eenigen afdoenden maatregel door hem aangewezen is overgegaan.

\'t Was echter zoo geheel vreemd niet, dat die Graaf in Overijssel, om niet te spreken van \'t zich toeeigenen der vaste goederen, de revenuen er van gaf aan zijn rentmeester, jager, koetsier, of aan de kamenier der gravin! Wat vreemd is? . . . dat de Graaf een en ander zoo ongehinderd in deze eeuw nog kon doen, en de Regeering, die er kenni; van heeft gedragen, dat lijdelijk heeft aangezien! Do Graaf had voor ongeveer twee eeuwen voorgangers van nog doorluchtiger en roemrijker geslacht, dan liet zijne, die zich de vicarie-goeden wel niet toeeigenden, maar met de aanwending der inkomsten op dezelfde manier handelden, als hij. Op het Rijks-archief nam ik inzage van eenige begevingen van vicarie-inkomsten door verschillende stadhouders uit het huis van Nassau gedaan. Daaronder komt voor, dat Aquot;. 1662, prins Maurits den zoon van zijnen tweeden stalmeester met de inkomsten eener vicarie begunstigde, om de goede diensten die de prins van dezen stalmeester had genoten, en vertrouwde verder te genieten. Ettelijke jaren later heeft Frederik Hendrik de inkomsten van eeno andere vicarie gegeven aan een zijner dienaren, „ten aansien van zijne lang-„duijrige diensten ende omme andere goede consideratien hem „daertoe moverendequot;. Ook een ander genoot de inkomsten van zeker altaar, door goedgunstige beschikking van Zijne Excellentie, en moest die bljjven genieten „zoolang hij in Zijn Ex-„cellentie\'s huijs in dienst zou wezen1\'. Begevingen van vicarie-inkomsten aan huisbedienden worden ouder de stukken herhaal-

-ocr page 195-

delijk aangetroffen, alsook, dat Zijne Excellentie A0. 16■53 aan „twee soonen van Johan Dumortier, sijnen Trompetter, geduij-„ rende haer leven het recht ende in itinecominen\' van zekere vicarie gegeven heeft.

§ 3.

Een feit dat in hooge mate de aandacht heeft getrokken.

In de latere geschiedenis der geestelijke goederen spelen die van Haaf ten de belangrijkste rol, en wel door de transactie, gesloten 25 October 1S49 tusschen den Staat der Nederlanden en den heer van Haaften, waarbij die heer erkend werd, tegen zekere uitkeering, onbezwaard eigenaar te zijn van onderscheidene geestelijke goederen, doorgaans genaamd de Kapittelgoederen van Haaften, waaronder ook vicarie-goederen hadden behoord.

Dat feit is niet alleeu voor Gelderland, maar ook voor andere provinciën, om de gevolgen, hoogst gewichtig geworden. In verband met hetgeen was voorafgegaan, heeft het in hooge mate de aandacht van velen, ook van eene opvolgende Regeering getrokken. Het heeft een nieuw tijdvak in dc geschiedenis der geestelijke goederen, vooral van de vicariën, doen aanbreken, waarin aanvankelijk licht is opgegaan en bij voortgezet en onpartijdig onderzoek al meer zal worden ontstoken. Zeer in \'t kort hierover het volgende , dat uit de zuiverste bronnen getrokken is.

Toen Aquot;. 1609 door den voogd over de onmondige kinderen van den overleden heer van Haaften (1) aan den Landdag was

(I) Floris van Brederode, heer van Kloetinge, huwde do dochter van Johan van Haaften, die van haren broeder Walraven de heerlijkheid Haaften, met die van Hellouw en Herwijnen geërfd had. \'t Was na den dood van Floria dat zijn broeder Walraven van Brederode, als voogd over de onmondige kinderen, om het beheer vroeg. De vrouw van Haatten, heelt, zooals uit de stukken blijkt, daartoe ook vele middelen aangewend.

-ocr page 196-

94

verzocht om het beheer over do geestelijke goederen van Haaf ten, Herwijnen en Heilouw, werd dat verzoek afgeslagen, maar hem alleen in zijne kwaliteit toegestaan: „idt recht van presentatie „van eenen jongen geselion, om nae voorgaende brieven van „institutie van den Hove, die twee deelen van de suivere in-„compsten tot subsidie van sijne studiën te genieten.quot; Het beheer bleef\' in handen van den vroeger aangestcldon Rentmeester der geestelijke goederen. Nadat hij zijn verzoek, maar weder vruchteloos, had herhaald, verzochten de Staten-Generaal, d0 12 April 1613, den Landdag, zulke orders te geven:

„waarmede die heer van Brederode in qualiteit als ohem ende „momber van sijn zal: Broeders des Hoeren van Cloetingen „Kinderen ende der Frouwe van Haeften, over hare geclaechde „turbatie in haer gesustineert recht van Patronaatschap Laical „over die canonisien bij den Heeren van Haeften gefundeert, „claechloos gestelt moge worden.quot;

De Landdag heeft daarop den 29 Mei 1G13 besloten, de regeering en administratie van de canonisien van Haeften en Pastorien van Herwijnen aan Brederode toetestaan:

„ten aansien ende respecte van sijnnen persoon, ende als „momboir heer van de nagelaten kinderen des heeren van „Clonthinge, als oock de gnde diensten bij den selven landen „van joncks aff met die wapenen gedaan.quot;

De heer van Brederode moest volgens dit besluit jaarlijks / 800 betalen aan den rentmeester der geestelijke goederen, tot onderhoud van de predikanten van Haaften en Heilouw, en zou gehouden zijn die tractementen te verhoogen, als daaromtrent een algemeen besluit van de landschap of het kwartier van Nijmegen genomen werd. Overigens moest uit die goederen voorzien worden in do tractementen der schoolmeesters van Haaften en Herwijnen; en het overschot aangewend worden tot onderhoud van studenten in de theologie. Plet kwartier van Nijmegen liet zich „deze raming gevallenquot;, maar drukte vooral op de bijzonderheid dat het overschot voor de studenten in de theologie zou worden aangewend.

-ocr page 197-

95

De geestelijke goederen van Haaften hebben niet gedeeld in het lot van zoovele andere geestelijke goederen in Gelderland. Zij zijn door de Staten niet verkocht. De heerlijkheid echter kwam door verkoop herhaaldelijk ia andere handen en werd Aquot;. 1712 gekocht door een lid uit het geslacht, dat haar in het jaar 1849 nog bezat.

In die koopakte komt o. a. voor; „sullende den Heere Cooper gehouden weesen, den Predikant en Schoolmeester „staande tot Haaften, jaarhjx te betalen, vuijt de goederen die „van outs daartoe specteerende zijn.quot;

De verdere geschiedenis, hoe belangrijk zij wezen moge en hoe vele bronnen er voor zijn, kan in dit verslag niet in haar geheel behandeld worden. Alleen wordt het volgende vermeld, dat in rechtstreeks verband staat met de bovengenoemde transactie.

Nadat in het jaar 1812 een langdurig proces over deze geestelijke goederen door een soort convenant was beëindigd, wikkelde de vrouw van Haaften zich in het jaar 1846 in groote moeielijkheid. Sedert dat jaar 1812, was de uitbetaling van ƒ 150 \'sjaars uit de geestelijke goederen aan den schoolmeester geweigerd, en nu wilde zij, bij beroeping van een predikant, dien niet langer /\' 600 uit die goederen, maar slechts ƒ 400 geven, en het tractement dus teruggebracht hebben tot het bedrag als in het jaar 1613, hetwelk, volgens landschapsbesluit in het jaar 1661 reeds had moeten verhoogd worden, maar toen vergeten was. In het jaar 1795 was het tractement door eene commissie, die toen de goederen beheerde, gebracht op ƒ 776; bij vacature in het jaar 1828 door de vrouw van Haaften ter-ig-gebracht tot / 600 en nu wilde zij weder eene vermindering van f 200.

Het classicaal bestuur van Zalt-Bommel weigerde de beroeping door den kerkeraad van Haaften, na vertoonde acte van collatie gedaan, te approbeeren. Het vervoegde zich do. 9 Juni 1846 bij request om verhooging van tractement tot den Koning, en legde de toedracht der zaak gelijk bloot voor den Minister van

-ocr page 198-

96

Hervormde Earedienst. Dazo beijverde zich o-n vooral door tusschenkomat van liet provinciaal college vaa toezicht op de kerkelijke administratie in Gelderland de zaak nauwkeurig te doen onderzoeken, en verklaarde bij besluit van 17 Februari 1847 N0. 3, den toenmaligen eigenaar der heerlijkheid Haaften gehouden tot de vereischte verhooging van het predikants-trac-tement. Deze echter betoonde zich niet geneigd om aan dat besluit te voldoen. De Minister van Hervormde Eercdienst en die van Binnenlandsche Zaken (de laatste in de quaestie betrokken, door de niet voldoening van het schoolmeesterstractement) besloten nu als de zaak niet administratief kon beëindigd worden, haar aan eene rechtelijke beslissing over te laten. Vooraf echter werd het gevoelen gevraagd onder anderen van den Minister van Justitie, van Gedeputeerde Staten van Gelderland, en van den Landsadvokaat, die eenparig van hetzelfde gevoelen waren, dat vooral duidelijk was in een van de later vrij algemeen bekend geworden adviezen van den Landsadvocaat, in dat van 27 Januari 1849 (1), hierop neer komende : de Heeren van Haaften hebben nimmer die geestelijke goederen in eigendom gehad, en door koop of verjaring hebben ze dien ook niet verkregen (2). Welke vordering nu ook mocht worden ingesteld, zij moet geschieden door of van wege den Staat. De Staat was: „ opgetreden en opgevolgd in „de plaats en in de regten van den Landdag, die bij reces „van 29 Mei 1613, de Regering en de administratie der goederen „verleende, en daarbij de gemelde voorwaarde maaktequot;.

14 September werd door genoemde ministers aan den heer Dutrij van Haaften bericht gezonden, dat zij zich verplicht zagen tegen hem in rechten te moeten ageeren, en hij een proces alleen zou kunnen voorkomen, door zich met spoed te

(1) Te vinden: Bijblad van de Nederlandsche Staatscourant 18-49- 1850, 109de en 110llc vel.

(2) Do heeren van Haaften meenden het eigendomsrecht uit eene acte van overdracht van het jaar 1712 te kunnen bewijzen.

-ocr page 199-

97

verbinden tot uitbetaling van een predikantstractement van ƒ 800 , en van het tractement van den schoolmeester.

Het verder verhandelde is onbekend. Onder de stukken wordt er niets van gevonden ; maar de minister van Binnenlandsche Zaken heeft blijkbaar met den Lands-advocaat en met den heer Dutrij een mondeling onderhoud gehad, \'t Gevolg was, dat de zaak, die al meer en meer de aandacht getrokken had, plotseling beëindigd werd op door niemand gedachte wijze.

15 October berichtte de minister van Binnenlandsche Zaken , dien van Eeredienst, dat hij een tweede advies van \'s Landsadvocaat had ontvangen , en dat de heer van Haaften nu genegen was om de gestelde overeenkomst aan te gaan. Bij dit schrijven was reeds een concept-rapport aan den Koning gevoegd, inhoudende verzoek om machtiging tot het aangaan eener transactie.

Op den 23sten October 1849 werd daartoe machtiging verleend, en de transactie tussehen den Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de ministers van Biimenlandsche Zaken J. il. de Kempenaer en van de zaken der Hervormde Eeredienst S. van Heemstra ter eene, en den heer Dutrij ten andere zijde, was twee dagen daarna reeds gesloten!

De hoofdinhoud van de transactie is: de heer Dutrij betaalt f 25,000. De rente vau f 20,000 van dit kapitaal is bestemd voor het tractement van den predikant van Haaften; die van de overige f 5,000 voor dat van den schoolmeester. Daarentegen wordt de heer Dutrij voor zich en zijne opvolgers in het bezit der kapittel-goederen te Haaften, gelegen binnen de gemeenten Haaften, Waardenburg en Ophemert, voor het vervolg geheel ontheven van alle uitkeeringen en praestatiën in de la dschapsresolutie van 29 Mei 1613 vermeld, en erkend vrij en onbezwaard eigenaar van die goederen te zijn.

De heer Dutrij eigenaar verklaard van de geestelijke goederen van Haaften! De quaestic had eigenlijk over den eigendom niet geloopen. De eigendom was alleen als ter loops ter sprake gebracht, en toen was door den voorganger van den minister

7

-ocr page 200-

98

van Eeredienst, door den heer J. van Zuijlen van Nyevelt, in een zeer uitvoerig stuk van 17 Februari 1847 , en later door den Lands-advocaat in zijn eerste advies van 27 Januari 1849 , het eigendomsrecht van den heer Dutrij op de kapittelgoederen van Haaften , zooals men meenen zou, voldoende weersproken; en ofschoon dezelfde Lands-advocaat nu in zijn tweede advies eene schikking aanraadt, schijnt hij toch nog niet geheel van opinie veranderd te zijn geweest! Zeker had , als geen schikking getroffen werd, een rechtsgeding moeten aangevangen worden „enquot; zoo schrijft hij nu in dat tweede advies verder: „ofschoon ik op de „gronden door mij vroeger ontwikkeld steeds van oordeel hen , „dat men dit rechtsgeding met vertrouwen zoude kunnen onder-„nemen, zoo is het echter eene waarheid, waarvan langdurige behandeling van rechtzaken mij meer en meer de „overtuiging heeft gegeven, dat de uitkomst van alle rechts-„gedingen onzeker is, en dat ook dan, wanneer men de meest „gegronde hoop op eene gunstige beschikking meent te mogen „hebben, dit uitzicht echter faalt. Van op deze ondervinding „gegronde beschouwingen uitgaande, acht ik dus eene billijke „schikking altijd wcnschelijk ook dan, wanneer het rechtsgeding, „hetwelk daardoor voorgekomen wordt, gegronde waarschijnlijk-„heid op goede uitkomst oplevert.quot;

§ 4.

Ernstige, en herhaalde bestrijding van kerl-elijken e7i politieleen.

De overeenkomst, gesloten op de wijze zooals medegedeeld is, heeft veel opspraak verwekt, en is van verschillende zijden bestreden. De oppositie was ernstig, niet maar voor een oogen-blik na den eersten indruk; maar zij uitte zich telkens, zoowel hij kerkdijken , als bij politieken.

ITet classicaal bestuur van Zalt-Bommel diende bij de Synode een krachtig protest in tegen deze transactie, dat in handen

-ocr page 201-

99

eener oommissic werd gestold (1). Xa een door die commissie uitgebracht rapport, oordeelde de Synode, dat, nu er te Haaften voldoende was voorzien in liet tractement van den predikant, de vraag, of er voor haar gronden bestonden om in het belang der Hervormde Kerk eenige maatregelen in deze te nemen, ontkennend moest worden beantwoord. Voor genoemd bestuur was hierdoor de weg versperd, om den strijd tegen de transactie verder te kunnen voeren.

Weldra verscheen er eene brochure van Mr. Aug. Philips, door een tweede gevolgd (2), waarin hij spreekt over het onwettige der dading en der beweegredenen, die er toe hebben geleid, en beweert, dat de hervormde kerkelijke gemeente eigenaresse dier geestelijke goederen zijn zoude, die er alzoo door benadeeld zoude wezen.

Er werd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal do. 22 April 1850 een adres ingediend, onderteekend door onderscheidene ingezetenen van Haaften , die zich beklaagden, dat door de transactie willekeurig was beschikt over goederen der Hervormde gemeente, en die hare tusschenkomat inriepen tot handhaving hunner rechten. Tengevolge hiervan zijn in de zittingen van 1 en 3 Juni van genoemd jaar belangrijke dis-cussiën over deze zaak, en in \'t algemeen over de geestelijke goederen, gevoerd. Door den Minister van Justitie, voorloopig belast met het bestuur over de zaken der Hervormde Eeredienst, is toen aan de Kamer medegedeeld: een afschrift der overeenkomst en van de twee adviezen van den Lands-advocaat.

Het was veler aandacht niet ontgaan, dat de Minister van Finantiën bij die overeenkomst niet betrokken was, die, zooals uit de stukken blijkt, eenigen tijd nadat zij was gesloten,

(1) Zie de gedrukte handelingen van de algemeene Christelijke Synode der HeiTormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden , in den jare 1850,-blzz. 261—296.

(2) De overeenkomst betreffende de kapittel goederen te Haaften, namens den Staat gesloten, en onderzocht door Mr. Aug. Philips, advocaat te Amsterdam 1850, Ue gedeelte: nadere justificatoire bescheiden.

-ocr page 202-

100

zijii vci\'larigen te kennen gaf om haar te leeren kennen.

De nieuw opgetreden Minister van Bianenlandsche Zaken heeft ook blijkbaar getwijfeld aan de wettigheid der overeenkomst. Hij heeft althans lang geaarzeld eer hij op verzoek van zijn ambtgenoot, die met het departement van Hervormde Eeredienst belast was, zeker stuk betreffende een rentebetaling mede onderteekende , en hij heeft dat niet gedaan voor zich verzekerd te hebben, dat noch van de Synode, noch van de Hervormde gemeente te Haaften reclames meer te wachten waren, en het verhandelde in de Tweede Kamer op de zaak, die zoo lang in quaestie was geweest, van geenen overwegenden invloed meer zijn zou.

De Synode had in het jaar 1850 wel geoordeeld, dat een verzet van kerkelijke zijde tegen de overeenkomst niet aangewezen was; maar een volgend jaar besloot zij toch zich nader te doen inlichten omtrent misbruiken in zaken van geestelijke goederen , die volgens door haar reeds vroeger ingewonnen berichten , in Gelderland plaats hadden, terwijl zij gelijk (7 Juli 1851) de provinciale kerkbesturen aanschreef, om een onderzoek in te stellen naar zulke vicariën in hun ressort, als door het Koninklijk besluit van 15 Februari 1847, N». 67, tot vervanging van de afgeschafte Rijksbeurzen ad studia, zijn bedoeld. Dat onderzoek heeft plaats gehad. Het heeft geen direct voordeel voor de kerk afgeworpen, dat wellicht later ware mogelijk geweest; maar de Synode besloot al zeer spoedig geïnfluenceerd, — zooals mij toen van geloofwaardige zijde is verzekerd, — door personen, die voor zich of hunne familieleden belanghebbenden waren, om de geheele zaak stil te laten rusten. Toch is er door dit onderzoek, en wel bepaald in Gelderland, veel ontdekt dat verborgen was. Hiervan behoeft echter in dit verslag verder niet te worden gesproken.

In de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft men, na het gebeurde te Haaften en na de daarover gevoerde discussie, de

-ocr page 203-

101

zaak der geestelijke goederen in het algemeen niet laten rusten. Integendeel bracht de afgevaardigde uit Gouda Mr. L. Metman spoedig daarna, bij gelegenheid der discussien over de Staats-begrooting, den onordelijken toestand ter sprake, waarin met name in Gelderland vele geestelijke goederen zouden verkeeren. Na de reformatie — hierop kwam het betoog van dien afgevaardigde neer — waren die goederen vervallen aan den Staat, die de bestemming heeft aangewezen aan de opbrengsten te geven. Zij waren gedeeltelijk ten beste van de predikanten, gedeeltelijk ten beste van het onderwijs. Over die goederen was oudtijds alleen het beheer opgedragen; de eigendom was voortdurend gebleven aan den Staat, die in dezen de Souvereine gewesten was opgevolgd. De bezittingen waren in sommige oorden van Gelderland aanzienlijk, en in handen van hen , die erkennen moeten geene eigenaren te zijn, die aan niemand rekening doen , en die de gelden besteden op zoodanige wijze als huu goed dunkt. Het kwam nu dien afgevaardigde voor, dat het meer dan tijd was, dat de Staat die rechten uitoefende, welke hem toekwamen. Hij bracht het advies van \'s Lands advocaat van 27 Jan. 1849 (1) ter sprake, die ook had opgemerkt, dat de Staat was opgetreden en opgevolgd in de plaats en de rechten van den Landdag. Wanneer krachtige maatregelen werden genomen, om de inkomsten dezer goederen aan de bestemming, die er aan gegeven werd, te doen beantwoorden, dan zouden daardoor belangrijke sommen voor het openbaar onderwijs worden beschikbaar gesteld.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Thorbecke , beantwoordde de rede van den heer Metman kort, maar afdoende. Hij gaf de verzekering dat, zoo de Regeering in dit opzicht nog niet alles gedaan had wat wenschelijk was, de zaak niet zou worden vergeten, en een onderzoek, dat aan het herstel van de bestemming dier fondsen zou moeten voorafgaan, niet zou worden verzaakt.

(1) In zake Uaaften , zie blad.r, 9S.

-ocr page 204-

102

§ 5.

Creiioigen, waardoor aanvankelijk eenig licht icordt verspreid; op een wettelijke regeling der vicariën aangedrongen, en daartoe besloten wordt.

Het onderzoek door deu minister van Binnenlandsche Zaken toegezegd heeft weldra plaats gehad, en resultaten geleverd, waarvan het volgende.

Onder de gemeente Rossem in den Bommelerwaard werden cene menigte vaste goederen aangetroffen, bekerid als behoorende aan „de Geestelijke Beurs van Rossem.quot; De aandacht werd hierop spoedig gevestigd. Bij liet nazien van eenige oude rekeningboeken van rentmeesters der geestelijke goederen in Bommeleren Tielerwaard, waarin al die goederen gespecificeerd worden opgegeven, bleek weldra dat ze afkomstig waren van een klooster; verder van het kapittel van zeven of acht kanunniken in de kerk aldaar door Jan of Johan van Rossem gesticht. en dat er ook pastorie-, custorie- en vicariegoederen mede vereenigd waren geweest (1).

In het jaar 1609 was door den heer van Rossem, Wolfert van quot;Wittenhorst, verzocht om de administratie dezer goederen. maar zij was hem geweigerd. Zij bleven onder beheer van denzelfden rentmeester, die ook over de overige geestelijke goederen van den Bommeler- en Tielerwaard het beheer voerde. Toen nu bijna honderd jaren later de goederen van dat rentambt waren verkocht of op andere wijze ia andere handen overgegaan , except die van Rossom, omdat tengevolge van plaatselijke omstandigheden er toen geen kooper voor to vinden was, werd bij Quartierreces van Nijmegen, d0. 30 November 1706 bepaald, dat als niemand „voor een tijd van jaerenquot; op gestelde voorwaarden, die goederen wilde aannemen „deselve

(1) In mijne reeds aangehaalde Brieven over geestelijke yoederen, zjjn van die zoognaamda geestelijke Beurs van Kossem meerdere bijzonderheden medegedeeld.

-ocr page 205-

103

„dan sullen gegeven worden aon handen van welgem, Heere „Borggraeff (van Randwyck) om die te doen administreren ten „meesten diensten van \'t quartier.quot; Alleen de pastoriegoederen waren hiervan uitgezonderd, die uitsluitend tei) bate kwameu van den predikant, zooals ze dat nog zijn. Zonder vernieuwd mandaat is de administratie der goederen van die geestelijke beurs in het2;elfde geslacht gebleven, terwijl het gezag, dat over die geestelijke goederen en hun beheer had beschikt, of dat zijne plaats verving, er zich nimmer meer over heeft bekreund.

Toen nu tydens het voorloopig onderzoek bovenstaande met vele andere bijzonderheden, die uit officieele bronnen waren geput, was gebleken, en de eigenaar der heerlijkheid Rossem, die het beheer over de geestelijke beurs voerde of deed voeren, door den Staat werd uitgenoodigd, om dat beheer over te geven aan het bestuur der domeinen, kwam hierover een proces. De uitslag was, dat bij vonnis der Rechtbank te Tiel van 9 April 1852 het beheer aan het domeinbestuur werd toegewezen (1). Het beheer is daarna door dat bestuur overgenomen, en sedert wordt door den Staat voorzien in de lasten, die van oudsher op die goederen rustten. De vaste goederen, werden weldra door den Staat verkocht voor ruim ƒ 200,000. Onder deze goederen waren ook die eener vicarie, waarvan de opbrengst is ingeschreven op een der grootboeken der N. W. S. ten name der „vicarie van „Rossem.quot; \'t Is mij later gebleken, dat deze vicariegoederen onder Rossem gelegen herkomstig waren van eene der vicariiin in de kerk te Hurwenen gevestigd geweest, en wel van: de Lieve Vrouwe vicarie.

Nog zij hier vermeld, dat eenigen tijd na den verkoop der vaste goederen van de geestelijke beurs de kerkvoogden der Hervormde gemeente van Rossem, overeenkomstig een hun

(1) Het vonnis is gedrukt: Vonnis door de Arrondisaements Rechtbank te Tiel, den 9 April 1852, uitgesproken in de zaak van het bestuur der Domeinen tegen den heer Gr. A. J. Baron van Randwijok te Rossum, betreffende de geestelijke goederen van Rossum. Hel 1853.

-ocr page 206-

104

gegeven advies, een actie hebben ingesteld tegen den Staat ter vergoeding van schade, die de gemeente ten gevolge van het sedert 1852 gevoerd beheer door het domeinbestuur, en door den verkoop der vaste goederen zou hebben geleden. Die vordering werd echter bij arrest van den Hoogen Eaad, d0. 2 Juni 1865, aan de eischers ontzegd.

Terwijl dat voorloopig onderzoek plaats had, werden in de Tweede Kamer do geestelijke goederen meermalen ter sprake gebracht; de wanordelijke toestand werd daardoor meer kenbaar en de drang tot herstelling krachtiger. Vooral werd daarop aangedrongen door den heer Mackay, bij gelegenheid der discussiën over de begrooting in het jaar 1852, die toen ook sprekende over de noodzakelijkheid eener wettelijke regeling, den Minister van Financiën daarbij wees op de resolutie der Staten van Holland van het jaar 1577, waarbij alle bezitters of beheervoerders van vicariegoederen werden gelast, om ze binnen zekeren tijd aan te geven.

De heer Mackay mocht zoo spreken, \'t Was door zijne tusschenkomst, zooals mij van nabij bekend is, dat zijn vader baron Mackay, heer van Ophemert en Zennewijnen in het jaar 1851 zijn rentmeester had gelast, om de vicariegoederen en inkomsten aldaar aan liet bestuur der domeinen over te geven. Door het voorloopig onderzoek was ook over deze vicariën licht opgegaan De heerlijkheid Ophemert en Zennewijnen, in het jaar 1844 door erfenis in bezit gekomen van Baron Mackay, was hem gelegateerd door eene nicht, met alle de goederen en rechten daarbij behoorende. Onder de goederen en inkomsten, die tengevolge dezer beschikking eigendom werden van den heer Mackay, waren, zooals uit de memorie van aangifte voor de succesie ook duidelijk bleek, die der vicariën niet, die de heer Mackay dan ook nooit als zijn eigendom had beschouwd. Tot de rechten behoorde het zoogenaamd collatorschap er van, als althans dat recht door de erflaatster wettig is uitgeoefend. Uit vele confir-matiën van begevingen is het duidelijk, dat zij door het souverein

-ocr page 207-

105

gezag in dar recht werd gehandhaafd. Toen nu in 1851 de heer Mackay dat recht uitoefende werd een deel der revenuen besteed voor predikantstractement, en een deel ten bate van den voorzanger in de Hervormde kerk.

De overneming van het beheer over de goederen en inkomsten dezer vicarien door het bestuur der domeinen bad plaats 18 November 1881 en wel door den daartoe geautoriseer-den inspecteur der registratie en domeinen te Arnhem, Jonk-heer J Stern. De jaarlijksche evcngenoemde uitgaven uit deze vicarieinkomsten werden toen overgebracht ten laste van \'slands kas, zoodat belanghebbenden, door die overgave van beheer , geene schade hadden. Het schijnt echter ook met de vicariën van Ophemert nog lang niet in \'t reine, maar hierover wordt verder in dit verslag niet gesproken.

Bij gelegenheid van het voorlooplg onderzoek werden ook vicariën ontdekt te Hurwenen in den Bommelerwaard. Ofschoon zij onder de Geldersche behooren, deel ik van de weinig bekende gescbiedenis dier goederen, die verduisterd waren tot het jaar 1851, uit vele gegevens in mijn bezit, het volgende mede, als een bijdrage hoe willekeurig met vicariën gehandeld wordt, de vervreemding op velerlei wijze geschieden kan, de goederen ofschoon nauwelijks kenbaar meer toch soms kunnen teruggevonden worden, recht hebbenden in hunne rechten hersteld, en velerlei kwaad voor het vervolg geweerd kan worden.

De predikant te Hurwenen ontving jaarlijks ƒ 42 toelage tot zijn tractement van kerkvoogden, soms iets meer. Die gelden werden noch op de kerkelijke rekening, noch elders verantwoord. Ze werden alleen gezegd afkomstig van een vicarie te wezen. — Dit was bekend geworden, en had tot onderzoek geleid.

Even als in vele gemeenten zijn de vicaiiegoederen te Hurwenen al zeer spoedig verborgen gehouden voor het publiek gezag , of heeft dat gezag zich er niet om bekreund. Ia de registers kwamen deze vicariën niet voor. Ze werden ook niet aangetroffen in de rekeningen van den rentmeester der geestelijke goederen in

-ocr page 208-

106

den Bommeler en Tielerwaard (1) en even min in den „Staat van „goederen betrekkelijk de pastorij van Hurwenenquot;\' berustende in het archief van de classis van Zalt-Bommel, opgemaakt 19 April 1733; maar wel was er in oude cohier-, verponding- en soortgelijke boekjes, als van de jaren 1698—1700, sprake van onderscheidene perceelen land, herkomstig van vicariën te Hurwenen. Nu waren bij de latere opmaking der kadastrale leggers ruim 15 Bunders op naam der vicarie gezet, die door de benaming en uitgestrektheid van ieder perceel, de belending enz. bleken dezelfde landen te zijn, als in die oude handschriften voorkwamen.

Ofschoon de kerkvoogd of kerkmeester op eene uitnoodi-ging om inlichting dato 8 Mei 1851 schriftelijk had bericht, niets omtrent het beheer van vicariën of wat van dien aard was te kunnen mededeelen, aangezien hem die zaak geheel onbekend was, werd verder het volgende ontdekt.

In de jaren 1815 en 1817 waren de goederen verpacht, op verzoek van iemand, die gezegd werd administrateur dier vicariën te wezen. Het is echter duidelijk, dat ze reeds lang (van welken tijd af is onzeker) als eigeu, patrimoniale goederen door particulieren werden bezeten, maar belast met zekere uit-keering aan den predikant. In het jaar 1818 komen ze op den legger der eigendommen nog «mder den titel van vicariegoederen voor. A0. 1821 werden ze publiek verkocht door de erfgenamen van der Hoop aan Mr. J. H. Sassen te \'s Hertogenbosch. Bij dien verkoop was het volgende bedongen: „moetende de koo-„pers van dezelve jaarlijks aan den tijdelijken predikant der „Hervormde gemeente te Hurwenen uitkeeren en betalen een „derde gedeelte van de zuivere revenuen.quot; Mr. Sassen verkocht de goederen weder aan het Looijers Oudenmannen gasthuis te \'s Hertogenbosch, en de provisoren van dat huis verkochten ze

(1) Drie dezer lijvige rekeningen, zooals ze oorspronkelijk gedaar, zijn, en wel over de jaren 1648, 1663 en 1671 zijn door mij geraadpleegd en hebben over die vicariën in den Bommeler en Tielerwaard veel licht verspreid.

-ocr page 209-

107

aan den heer van der Eist, te Werkendam, altoos ouder hetzelfde bezwaar. Die uitkeering van 1j-,, had steeds plaats. Het bedrag, dat van dit dorde gedeelte door kerkmeesters ont rangen aan den predikant zou worden uitgekeerd, schijnt vroeger te zijn bepaald. Later ontving de predikant er soms iets bij als een douceur, naar goeddunken dier kerkelijke autoriteiten.

De heer van der Eist, nu eigenaar dezer bezwaarde landen, die echter kadastraal ten name van bovengenoemd gasthuis bleven staan, had een gedeelte er van noodig voor zijn steenbakkerij te Hurwenen. Hij stelde voor 5 b. 80 r. 40 c. van het geheel toen 14 b. 16 r. 60 c. groot, af te staan, en het restant als vrij en onbezwaard eigendom te behouden. Dat voorstel werd door kerkvoogden aangenomen, en zulk eene overeenkomst iu December 1S44 werkelijk gesloten.

Negen jaren later, toen nlles was ontdekt, wat hier kort is vermeld, en de goederen om te vermoeden redenen nog niet waren getransporteerd, is door de Regeering aan dezen onhoud-baren toestand een einde gemaakt, in zooverre althans als de omstandigheden in aanmerking nemende geschieden kon. Het was bewezen, dat de goederen mogelijk lang vóórhetjaar 1821 vervreemd, en daarna herhaaldelijk verkocht, de vicariegoederen van Hurwenen waren. Daarvan nu kon door verjaring wel de eigendom van 2/3 zijn verkregen, maar nimmer van het andere Vj gedeelte, dat steeds bestemd gebleven was voor den predikant, en het bedrag van dat gedeelte moest hem nu in zijn geheel verzekerd worden. Het door den heer van dor Eist aangewezen derde deel bleek daartoe meer dan voldoende te wezen. Er is toen een contract aangegaan, waarbij aan den Staat der Nederlanden door den heer van der Eist 5 b. 80 r. 40 c. in eigen beheer werd afgestaan , om daaruit den last te voldoen rustende op meergenoemde goederen, waarover het beheer van toen af zou worden gevoerd door het bestuur der domeinen, terwijl genoemde heer ontheven wordt van uitkeering aan den predikant, en de Staat hem garandeert voor de overige opgenoemde goederen als onbewaard eigendom.

-ocr page 210-

108

De predikant van Hunvenen heeft sedert de zuivere inkomsten van 5 b. 80. r. 40 c. jaarlijks getrokken. De revenuen maken nu voor altoos deel uit van het predikants tractement aldaar (1). De predikant is nu niet meer afhankelijk van de willekeur van kerkvoogden, maar ontvangt hetgeen hem wettig toekomt.

Nog veel meer zou door mij van het ontdekte bij gelegenheid van dat voorloopig onderzoek kunnen bericht worden. Het bovenstaande zij voldoende.

De vraag, waarom ik mij aan het einde van dit gedeelte van het verslag uitsluitend op Greldersch terrein begaf, vindt hare beantwoording ia de wijze, waarop ik van het begin af mijne medodeelingen en bescliouwingen heb trachten in te richten. Bij de geschiedkundige behandeling van het onderwerp der geestelijke goederen, met name der vicariën, heb ik zooveel mogelijk getracht oorzaken en gevolgen in verband te beschouwen , op die manier liet een aan het ander te verbinden en zoo, ofschoon een beknopt, toch samenhangend overzicht te geven van het geheel. Nu moest in deze paragraaf over het vroeger onderzoek in Gelderland gesproken worden, omdat het tegenwoordig algemeen onderzoek er een gevolg van is zooals blijken zal uit het volgende dat ook tot de geschiedenis der vicariën behoort, en aan het slot wordt medegedeeld.

Er zijn over eenige vicariën, waarvan bij gelegenheid van dat voorloopig onderzoek in Gelderland bijzonderheden waren ontdekt, in 1853 en vervolgens nog al enkele processen gevoerd (2). Eén ding is toen duidelijk geworden, t. w. dat de sententiën van onderscheidene reehtscollegiën over den eigendom en het beheer zeer verschillen.

(1) Zie M. quot;W. L. van Alphen: Nieuw kerkelijk handhoek voor 1886. bladz. 43.

(2) Zie Reyterlijke uitspraken aangaande vicariën bij Mr. Koker, ondersoek etc. blailz. 123 e. v.

-ocr page 211-

109

Onder die processen was er één, dat de rijke vicariegoederen betrof van Well en Ammerzoden. Ook die goederen, ofschoon gedurende eene reeks van jaren verduisterd, bohooren onder die verduisterde goederen nu niet meer. Ze zijn zelfs door het voorloopig onderzoek in zeer helder licht gesteld! Het beheer over die goederen, dat op haar verzoek in het jaar 1719 aan de Vrouwe van Ammerzoden door den Souverein van Gelderland gegeven was, werd in het jaar 1852 door het Bestuur der domeinen opgevraagd. Bjj vonnis der Rechthank te Tiel werd het aan dat bestuur toegewezen. Dat vonnis werd door het Hof van Gelderland bekrachtigd, maar 7 Maart 1856 door den Hoogen Raad vernietigd. Die vicariegoederen bleven na dat arrest van den Hoogen Raad niet slechts in denzelfden toestand, waarin zij bij het onderzoek waren aangetroffen, maar het gevaar bestond, dat de bezitter in zijnen euvelmoed gesterkt , om met die goederen en inkomsten naar welgevallen te handelen, het zoo ver brengen zou, dat zij weldra voor den eigenaar, wie hij dan ook zijn mocht, maar dat de toenmalige bezitter zeker niet was, reddeloos verloren zouden gaan. Wat deed de Regeering? ... Na afloop dier processen, ook na afloop van dat over evengenoemde vicariën, bekreunde zij zich over de geheele zaak niet meer! Aan eene regeling bij de wet, waarvan zoo dikwijls sprake was geweest, en nu vooral na afloop der processen een dringende behoefte scheen, werd niet meer gedacht! Er was zooveel bekend geworden, veel meer dan hetgeen hier kort is vermeld, dat getuigde voor willekeur, wanorde en velerlei onbetamelijkheid. Er gingen jaren voorbij, maar de zaak bleef in ruste!

Wat is geschied? ... Vj der inkomsten van de vicariën te Well en te Ammerszoden was tot het jaar 1869 uitgekeerd voor de kerk- en schooldienst — zoo is althans verzekerd —, toen in dat jaar die uitkeering door den collator, Baron de Woehnont, gestaakt werd. Over deze handelwijze beklaagden zich het burgerlijk- en kerkelijk bestuur bij den Minister van Binnen-landsche Zaken; en, terwijl deze zaak nog hangende was, werd

-ocr page 212-

110

vernomen en bewaarheid bevonden, dat genoemde Baron, de heer van Well en Ammerzoden, al zijne rechten, die hij op de vicariën aldaar kon doen gelden, bij notarieele acte van 27 Maart 1872, had verkocht aan de Roomsch Catholieke Kerk van Ammerzoden !

Dit feit verwekte werkelijk consternatie bij velen in de gemeenten Well en Ammerzoden, en opspraak waar het bekend werd. Het burgerlijk bestuur, kerkvoogden en kerkeraad dier gecombineerde gemeenten, vervoegden zich met beklag, evenals ook weldra liet provinciaal college van toezicht op de kerkelijke administratie in Gelderland, tot den Minister van Binnenlandsche Zaken. Het laatst genoemde college deed dat in een uitvoerig en met veel zaakkennis gesteld stuk, waarin ook betoogd werd, hoe noodig eene wettelijke regeling dezer aangelegenheid was. De Minister scheen zich echter niet geroepen te aeluen om dadelijk iets te doen, maar verklaarde in zijn antwoord aan het provinciaal college, dat aan een wettelijke regeling van soortgelijke stichtingen ook bij de Regeering wel werd gedacht. Terwijl de Regeering daarover dacht — zoo werd door som-migeu, met plaatselijke toestanden goed bekend, terecht opgemerkt — gingen de vicariën verloren!

Het meergenoemd provinciaal college van toezicht heeft zich toen, na herhaalde mislukte pogingen bij den Minister, in een flink gesteld adres d0. 25 September 1878 gericht tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het heeft daarin op het gebeurde te quot;Well en Ammerszoden de aandacht gevestigd, en te gelijk op den onwettigen en onhoudbaren toestand, waarin zich het beheer der geestelijke goederen in het algemeen en der vicarie-goederen in het bijzonder — vooral in de provincie Gelderland — bevindt, verzoekende maatregelen te beramen, waardoor een einde zou gemaakt worden aan het wanbeheer der vicariegoederen , en de onttrekking daarvan aan hunne bestemming, en wettelijke bepalingen hieromtrent zouden tot stand komen.

Die aandrang van het provinciaal college op wettelijke regeling

-ocr page 213-

Ill

strookte met het gevoelen van zeer velen. Alleen daardoor zou aan dou verwarden toestand een einde kunnen gemaakt worden, en behouden voor wie dan ook de rechthebbende blijken zou, wat nog te behouden was.

De Regeering heeft eindelijk in het jaar 1880 getoond dat ook te begrijpen. Van daar de benoeming der commissie toe een daartoe voorbereidend werk.

-ocr page 214-

DERDE GEDEELTE.

Afzonderlijke behandeling van eenige vicariën in Holland, meer bepaald van nog bestaande.

De bronnen, waaruit ook voor dit gedeelte van het verslag is geput, zijn vroeger (1) genoemd; maar het is niet noodig en ook niet mogelijk, om onder de behandeling, uitgezonderd naar de gedrukte, telkens naar de overige bronnen te verwijzen. Onder die uit lateron tijd is gesproken van „Registers der resolutiëu in zake prebenden, vicariën en soortgelijke, beginnende 16 Juni 1807 tot hedenquot;, berustende bij het Departement van Biunenlandsche Zaken. Die registers, die vooral ia verband met vroegere mij van veel dienst zijn geweest voor dit gedeelte van het verslag, zijn aangelegd zooals reeds bericht is, volgens besluit van Koniag Lode wijk van 9 Mei 1807 10. Het is hier de geschiktste plaats om mededeeling van dit besluit te doen. Het luidt aldus:

„Zaturdag 9 Mei 1807 N0. 10.

„Ontvangen het rapport van de eerste Sectie uit den Staats-„raad van den 5 dezer maand, gerequireerd den 16 Maart be-„vorens JNX 3 op een rapport van den Minister van Finantiën „van den 5 dezer Maand N0. 39, voor zooveel betreft de daarbij „gedane voordracht om alle verzoeken, tot het bekomen van „confirmatie in de begeving van vicariën, overtelaten aan de „beslissing van het ^Nationaal Geregtshof.

Bladz. 23.

-ocr page 215-

113

„Ts besloten, te bepalen en vasttestellen, gelijk gescbiedt „bij dezen, dat voortaan de Minister van Binnenlandscbe Zaken, „op den gebrnikelijken voet, zal belast zijn mot de confirmatie „van alle collatiën, vicariën, kanonisyen, prebenden en andere „dergelijke beneficiën in het gebeele Rijk, mits van iedere con-„firmatie kennis gevende aan don Minister van Finantiën; ten „einde een Register aanteleggen, om eventueel liet belang „van den lande waartenemen op zulke vicariën en andere „beneficiën, welke door het uitsterven van de Familie van den „Patronus zoude komen te vaceren, en aan den lande als „vervallen zouden moeten worden beschouwd.

„En zal Extract dezes worden gezonden aan den Minister van „Binnenlandscbe Zaken en van Finantiën, mits gaders aan de „eerste sectie uit den Staatsraad, tot confirmatie en narigt „respectivelyk.quot;

De eerste confirmatie van begeving oener vicarie ten gevolge dezer resolutie is van 16 Juni ISO7.

Tot 23 Mei 1810 hadden 48 confirmatiën plaats.

8 Mei 1814 werd door don Souvereinen Vorst geheel overeenkomstig bovenstaand besluit van Koning Lodewijk de Secretaris voor de Binnenlandscbe Zaken geauthoriseerd om te disponeeren op alles wat de begeving en de confirmatie van vicariën, prebenden, kauonisiën en soortgelijke beneficiën betreft (1).

3 November 1815 werd bij Koninklijk Besluit de confirmatie opgedragen aan den Minister van Justitie en 31 Mei 1826 aan den administrateur voor het onderwijs, kunsten en wetenschappen bij Binnenlandscbe Zaken, die als er eene hoogere beslissing noodig moest zijn, aan dien minister voorstellen doen zou. Van af 7 Januari 1851 tot heden worden de begevingen weder geconfirmeerd door den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Eene acte van confirmatie der begeving van eene vicarie van het jaar 1613 is elders opgenomen (2) In dien geest waren,

(1) Met een enkel woord is hierover al vroeger in dit verslag gesproken.

(2) Bij Mr. Koker onder do bijlagen in zijne meer genoemde dissertatie.

8h

-ocr page 216-

114

ofschoon soms naar omstamligheden eenigszins gewijzigd, later, alle confirmatiën, en zijn ze nog.

Er komt nog steeds oene eigenaardig uitgedachte clausule in voor, die ook in de hoofdzaak van de vaderen is overgenomen , en dus luidt; „begiftigde wordt geregtigd verklaard om de goe-„deren tot de vicarije behoorende te aanvaarden en ten oirbaar „te regeren en te administreeren, en het inkomen derzelve vicarije „te ontvangen, te genieten en te gebruiken. Alles behoudens „zijner Majesteits en eens ieders regt, en mits de vicaris zich „in alles gedrage naar do wetten, en besluiten op het stuk „der vicarijen bestaande, of in het vervolg intevoeren.quot;

Natuurlijk behooren de vicariën, waarvan\'verder zal gesproken worden, onder die, waarop do resolutie van 157S (1) in de eerste en voornaamste plaats doelt. Vele andere, waarvan in dezelfde bepaling mede met een enkel woord wordt gewaagd, hebbende curam aniinaruvi, waren met do vicariën, die involgende resolutiën (2) worden besproken , bij andere geestelijke goederen, zoo als gezien is, geincorporeerd ; zc waren daarin , zoo ze al niet spoedig geroofd werden, geheel opgegaan ; werden tot hetzelfde doel aangewend, en hebben in hetzelfde lot gedeeld.

Alleen die vicariën worden nu verder afzonderlijk behandeld, waarvan de goederen en inkomsten nog aanwezig zijn, en die dus bij eene wettelijke regeling in aanmerking zouden komen. Onder de nog bestaande kunnen \'er zeker zijn, die tot heden niet bekend werden en later wellicht ontdekt worden, waarop de te maken wetsbepalingen d 11 ook zullen toepasselijk wezen.

Enkele bijzonderheden uit vroegeren tijd , als zij voor de geschiedenis belangrijk schijnen, worden hierbij gevoegd, van vicariën, waarvan nog wel kan worden nagegaan, in welk geslacht do goederen en inkomsten, die er toe behoord hebben, zijn overgegaan en zich thans bevinden; maar die, teu gevolge van welke handeling dan ook, bij oene wettelijke regeling niet

(1) Zio blz, 25.

{-) „ „ 29, 32 en 33.

-ocr page 217-

iirgt;

meer zullen in aanmerking komen. Het is echter mijn voornemen niet, om als de boeken geopend zijn, al liet verkeerde dat daarin opgeteekend staat, met den vinger aan te wijzen. Het zal den lezer, gedachtig aan hetgeen volgens de wettelijke bepalingen en naar de eischen van eerlijkheid en goede trouw had behooren te geschieden, van zelf in de oogen springen.

De behandeling geschiedt, zoo kort mogelijk, in alphabetiache orde, naar de plaats of gemeente, waarin de stichting oorspronkelijk werd aangetroffen.

Alkmaar.

Van de vicariën, vroeger in de parochiekerk dezer gemeente en wellicht ook in kerken van verschillende kloosters aldaar aanwezig (1), worden na de hervorming nog enkele terug gevonden, wier geschiedenis jnog eenigen tijd kan worden nagegaan, maar die langzaam verdwijnen op één na die er nog is.

Met de geestelijke goederen te Alkmaar is het gegaan, evenals in de andere der zeven stemhebbende steden in het Noorderkwartier van Holland. Zij kwamen voorwaardelijk aan de stad, en werden beheerd door een afzonderlijken rentmeester. Zoo werden o. a. ook alle goederen van oen vicarie (2), gefundeerd 28 Sept. 1381 door Huijck quot;VVillemsz, bij besluit der Staten van Holland, aan Alkmaar in eigendom afgestaan, onder conditie dat de baten en profijten er van zouden komen ten voordeele van de school der stad.

Eenige vicariën vinden wij vermeld (3), die onder de Aik-maarsche vicariën behoord hebben. Daaronder zekere vicarie

(1) C. Tan der Woudo, Kronijk van Alkmaar, \'s Gravenhage 1746 schrijft o. a. „de naom van de Groote-Kerck, komt uyt oorsake dat voortijds elcke klooster

„in de Stadt oen kleijn kercken haddequot;.

(2) Zie „Inventaris van het archief der gemeente Alkmaar door Dr. P. Scheltema. Alkmaar 1869.

(3) Oudheden en gestichten van Amstelland, Noord-Holland en West vriesland door H. v. R. Leiden 1721.

-ocr page 218-

116

gefundeerd op het altaar der zeven weeën in do parochie-kerk, die in het jaar 1621 nog hegeven werd door den heer Jakob van Wassenaar van Duivenvoorde aan Johan Van Zeil, zoon van M. Adriaan Van Zeil, licentiaat in de rechten en van Helena Van Duivenvoorde. Maar confirmatie op deze begeving is niet gevonden. Noch in de genoemde eeuw, noch later, wordt meer van deze vicarie gewaagd.

Van een zevental vicariën (1), die na de Hervorming nog eenigen tijd bestaan hebben, maar later op één na verdwenen zijn, is door mij uit officieele bescheiden een en ander opgetee-kend. Het volgende schijnt daarvan wel der mededeeling waardig.

Vicarie of Capellerie op des Heiligen geestes altaar in de parochie-kerk te Alkmaar. Zij was gesticht 21 September 1430 door zekere Christina van Thorenburgh. In den fundatiebrief had zij o. a. bepaald dat het recht van patronaatschap of het recht „om een bequame priester ofte clercq tot de vicarie te presen-„teeren, soude vervallen op den oudsten mensch die wettich ge-„sproten soude sijn uijt hare lijve, ende in gevalle namaels geen „mensch \'t zij mau ofte vrouwe uijt haer lichaem oirspronck „hebbende, by lievende lijve warequot;, wilde zij dat dit recht da : zou overgaan): „op de naeste \'t zij man ofte vrouwe descende-„rende uyt een wettich bedde vande stamme harer ouders.quot;

Blijkbaar zijn nog andere vicariën op dit altaar van den Heiligen Geest gevestigd geweest. Maar de laatste confirmatie van eene begeving der vicarie, gefundeerd door Christina Van Thorenburg, is van 23 Sept. 1621.

Vicarie op onser Lieven Vrouwen autaer in de parochie-kerk.— De weduwe van „Mr. Thomas Van Utenbrouch bij sijn leven „advocaat voor den hove van Utrechtquot;, vraagt als moeder en

(1) Ik houd mij aan dit spraak gebruik, er door verstaande do goederen en inkomsten die er toe luidden behoord.

-ocr page 219-

117

voogdesse, confirmatie op de begeving dezer vicarie door den heer van Warmont aan haren zoon. Die confirmatie wordt verleend 21 April 1607. Later wordt van deze vicarie niets meer vernomen , evenmin als van eene andere ook\' op hetzelfde altaar gefundeerd.

Capellanie of Vicarie op St. Laurens altaar in de parochiekerk. — Stichting a0. 1508 van Barbara Pontianus en Jan Claeszoon en zijne huisvrouw, poorters tot Schagen. Begeven in het jaar 1624 door den oudste uit het geslacht van Pontianus aan zijn kleinzoon, en die begeving geconfirmeerd. De laatste, daaropvolgende confirmatie, had plaats in het jaar 1691.

Vicarie op St. Jans altaar in de groote kerk. — Deze vicarie blijkt te zijn gedoteerd geweest met onderscheidene landerijen. Over het wederrechtelijk in bezit nemen dier goederen is een langdurend proces gevoerd, dat a0. 1644 geëindigd is De begeving der vicarie met alle inkomsteu dier landerijen kwam toen in handen van J. L. Niekor uit het geslacht der stichters. Nadat de landerijen waren verkocht, wordt in 1679 en 1680 nog confirmatie eener begeving aangetroffen. Later blijkt ook van deze vicarie niets meer.

Vicarie op St. Vincents altaar in de parochie-kerk. Hiervan is niets aangetroffen, dan dat a0. 1642 Jacob van Sanen als patroon er zijn neef mede begiftigde, die „geschikt van leven „en van de gereformeerde religie wasquot;.

Vicarie op Comans altaar in de parochie-kerk. De begeving dezer vicarie door den vader als afstammende van den stichter, aan zijn zoon, werd geconfirmeerd 21 November 1656. Weder begeven en geconfirmeerd 16 Jan. 1668. Nog wordt 9 Febr. 1671 eene begeving geconfirmeerd van dezelfde vicarie, althans van eene vicarie gefundeerd op hetzelfde altaar, door den collator Jan Huijbertse, aan weeskinderen, die gezamenlijk met de in-

-ocr page 220-

118

komsten begiftigd worden om hun zeer gering inkomen; terwijl later, als do andere broeders hun kost verdienden, de inkomsten voor een hunner, die daartoe was aangewezen, bestemd werden.

Zooals reeds gezegd is, zijn al deze vicariën verdwenen. Ze zijn tijdens de troebelen niet als zoo vele geestelijke goederen veralie-neerd, of later vereenigd met de domeinen van stad of land, of voorwaardelijk door een daartoe bevoegd gezag aan anderen afgestaan; die goederen en inkomsten zijn na geruimen tijd, zoo als we zagen, nog afzonderlijk te hebben bestaan, en als vicarie-goederen en inkomsten te zijn bekend geweest, en begeven, op eene onbekende wijze, van den een op den ander overgegaan als erfelijke eigendommen.

Vergeleken met sommige andere plaatsen in Holland, zijn die te Alkmaar nog eerlijk geweest! — Van de zeven vicariën, waarvan na de hervorming nog bogevingen en confirmatiën met andere bescheiden aldaar worden aangetroffen, zijn er wel zes verdwenen, maar één ia er toch nog over. Naar evenredigheid is dat in vele andere plaatsen veel minder. Van deze nog aanwezige vi-carie heb ik het volgende gevonden:

Vicarie gevestigd op het altaar van St. Nicolaas in de parochiekerk. Op het grootboek der 21/2 0/o W. S. deze inschrijving:

„Anthonia Maria Van Dijk, weduwe Arnoldus Vinken te „Tilburg, als vicaresse van eene vicarie in vroegere jaren gefundeerd op het Altaar vaa St. Nicolaas in de parochiekerk te „Alkmaar; en van welke vicarie thans, patroon is Wilhelmus „de Krom te Tilburg kapitaal ƒ 1.900. Laatste rentheffer A. M. „Van Dijk, wed. A. Vinken te Tilburg als vicaresse. 1 Ja-„nuari 1880quot;.

De vicarie blijkt in het jaar 1437 te zijn gesticht door zekeren Van Saenen. In het jaar 1603 komt de eerste confirmatie voor eener begeving , gedaan door iemand van dienzelfden naam. Herhaaldelijk hebben in die eeuw, eu vervolgens confirmation

-ocr page 221-

119

van begovingen dezer vicarie plaats gehad, die gedaan werden door een patroon genaamd Van Saenen Dat is gebleven, tot na liet overlijden van dea laatston van dien naam. Toon is zekere Cornells de Krom te Breda, die ook uit het geslacht van den stichter was, patroon geworden, die de vicarie confereerde op Jacob Cuijpers, Kapitein van eene compagnie burgers te Breda, en daarop 20 Dec. 1752 confirmatie ontving.

29 April 1773 had weder confirmatie eener begeving plaats door Hendrik de Krom te Breda aan Willem Knijper, lidmaat der gereformeerde kerk, evenals 23 Aug. 1787 door denzelfdeu aan H. Kuijper.

In onze eeuw werden er niet minder dan vijf begevingen dezer vicarie geconfirmeerd, die in de volgende orde voorkomen.

13 April 1829 verzocht Johannes de Krom te Tilburg erkend te worden als patroon dor vicarie gefundeerd op het altaar van St. Mcolaas te Alkmaar, en om confirmatie op de door hem gedane begeving aan Cornelis Banken, te Tilburg. Aan het verlangen van een en ander werd door den administrateur van Ewijk voldaau.

12 Maart 1842 wordt de persoon van AVilhelmus de Krom te Tilburg erkend als patroon, en de begeving der inkomsten geconfirmeerd op Jan Baptist Kastelijns te Tilburg, om die inkomsten te genieten van het oogenblik, dat Cornelis Banken had opgehouden ze te trekken.

4 Juli 1846. Geconfirmeerd de begeving door W. de Krom, gedaan aan Arnoldus Vinken, koperslager en winkelier te Tilburg, om de inkomsten der vicarie te genieten nadat ze hebben opgehouden te worden uitbetaald aan den vorigen bezitter wijlen J. B. Kastelijns, en verder gedurende zijn leven.

11 Augustus 1866, heeft do minister op adres van quot;VV. de Krom te Tilburg, om confirmatie op de door hem als patroon gedane nieuwe begeving van de inkomsten, die begeving geconfirmeerd, en toen mejuffrouw Antonia Maria Van Dijk, weduwe van Arnoldus Vinkeu, woonachtig te Tilburg gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten, van het oogenblik dat

-ocr page 222-

lüO

ze hebben opgehouden te worden uitbetaald aan den vorigea bezitter, wijleu Arnold us Vinken, en verder gedurende haar leven.

De laatste confirmatie is van:

31 Maart 1882. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft toen op adres van M. de Krom en A. A. J. Verschueren, beiden te Tilburg, om confirmatie op do door eerstgenoemde als patroon, aan laatstgenoemde gedane begeving der inkomsten van de vicarie, — gelet o. a. oj) een brief van den Commissaris des Konings in Noord-Brabant, met bericht van den burgemeester van lilburg, waaruit bleek dat M. de Krom, thans de oudste was van het mannelijk oir, en alzoo tot de begeving gerechtigd, de begeving geconfirmeerd en A. A. J. Verschuer, boekhouder te Tilburg, gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten.

Amsterdam.

In de kerken, thans in bovengenoemde stad bij de Hervormden in gebruik, kunnen als van de Roomsch Catholieken afkomstig, alleen in de Oude kerk, en in de nieuwe kerk, verder ook in de Sint Olef, nu Oude Zijds kapel, en in de vroegere Heilige Steede, nu Nieuwe Zijds kapel, vicariën en andere geestelijke stichtingen zijn gevestigd geweest. De andere kerken der Hervormde gemeente aldaar, zooals de vier, naar de vier windstreken genoemde, en de Eilands en Amstel kerken, zijn uit lateren tijd.

Yan de eerstgenoemde parochiekerk {de Oude Kerk) wordt bericht (1), dat op 33 altaren ook sommige vicariën waren gesticht, als op St. Pancras, St. Agatha\'s, St. Adrianus en op

(1) C. CommeliD. Beschrijving van Amsterdam, d. I. Amsterdam 1694 blz. 421 etc.

Historische Beschrijving van de Reformcttie der stadt A.insterdagt;n, door Isaak La Long. Amst. 1729. blz. 556.

Historie of Beschrijving van \'\'t Utr. Bisdom. Uit het Latijn vertaald enz. door H. v. R. Leiden 1719, He d. blz. 91 etc.

-ocr page 223-

121

\'t Wijnkoopers altaar, terwijl iu ieder der !) kapellen een altaar stond. Door twee der onderstaande schrijvers wordt de stichtingsbrief medegedeeld van een kapel en altaar in de Oude Kerk gesticht a0. 1450, ter eere van den H. Jeroen.

Met den bouw der nieuwe kerk werd Aquot;. 1408 aangevangen. Een rijk koopman AVillem Eggaerts, die daartoe veel heeft bijgedragen , is ook de Stichter van twee vicariën in deze kerk geweest.

Verder wordt bij de schrijvers gewaagd van St. Laurens en eene andere kapel, en van 34 altaien tot deze parochie-kerk behoorende, waarop vicariën waren gesticht van St. Jan Evangelist, van de H. Maagd, en van eene vicarie van St. Hiero-nimus, gesticht door Catharina Bikker. Ook wordt er een fundatiebrief van eene kapel met altaar in deze kerk van hetjaar 1488 medegedeeld.

In de kapel, gewijd aan den patroon van Noorwegen Olot of Odolfus, in de St. Olofskapel nu Oude Zijds Kapel, waren volgens genoemde schrijvers 6 altaren.

De Nieuwe zijds kapel door de Eoomsch Catholieken de Heilige Steede genaamd van wege een mirakel dat A.0. 1345 zou hebben plaats gehad (1), had zes altaren, die gedurig meer begiftigd werden.

In dit verslag (2) is reeds met een enkel woord medegedeeld dat de Ontvanger van het geestelijk kantoor van Delft veel moeite had gedaan, om inzage te bekomen van de geestelijke goederen te Amsterdam, maar daarin niet was geslaagd.

De Kegeering dier stad heeft evenals in vele steden , als eigen Souverein over al die goederen ook over de vicariën met uitzondering , zooals later zal blijken, van enkele, al spoedig beschikt.

(1) Zie: Amstelredams eer eiitle opcomen doer de denkwaerdighe miraklen aldaar geschied aen en door het H. Sacrament des Altaers anno 1345. t\'Antwerpen 1639.

(2) Bladz. 31.

-ocr page 224-

122

Toen or in het jaar lo78 eene nieuwe Regeering voor do stad gekozen was, en de twee eerste predikanten den 31 Aug. door Petrus Dathenus, die do gereformeerde gemeente aldaar bij leening bediende, in hunnen dienst waren bevestigd, zorgde zij wel, dat de geestelijke goederen en inkomsten mede tot kerkelijk voordeel der Hervormden werden aangewend; maar, nadat een vroeger\' door de Staten van Holland met Amsterdam gesloten verdrag vernietigd, en 20 Dec. 1581 een ander gesloten was, kwamen er omtrent een on ander eerst vaste bepalingen.

Dat verdrag behelst XVII artikelen (1). Enkele betreffen de geestelijke goederen: „Allo het getimmert, erven ende hnijsen, „den geesteljjeken toebelioorendequot; , zoo werd bepaald, bleven aan de stad. Eenige gelden en opbrengsten uit landerijen zouden gebruikt worden tot medebetaling van \'s Lands schulden, en de vroegere conventualen ook daaruit worden onderhouden. Over de reeds verkochte, bezwaarde of veralieneerde goederen, \'t zij door de Staten, \'t zij door de stad, zou de een den ander niet lastig vallen, en ook niet over die goederen, die de godshuizen in bezit hadden genomen, tot dat de zaak door de Justitie zou zijn beëindigd. Artikel XI van dit verdrag luidt aldus:

„Desgelycx sullen die van Amstelredam tot reparatie van de „KercJcen, metten lasten ende Renten daerop staende, behouden, „alle de Kerckeljcke goederen, mitsgaders tot onderhoudt van de „Predikanten, de Memorien, Vicarien, Ghetijden ende andere „diergelycke yheestelycke goeder en\'\\

Na de aanhaling dezer artikelen lezen wij bij een der genoemde schrijvers (2) het volgende:

„Uyt dese Artyckelen blijkt klaar, hoedanig en op wat wijse „dese Stadt van de veelvuldige geestelijke go\'deren en inkomsten „alhier is meester geworden: daarbij ook te gelijk haar gedrag, „omtrent hetgeene reeds tot een en ander en beter gebruyk was „geschikt, volkomen wierdt goedgekeurdquot;.

(1) Handvesten van Amsterdam, bladz. 146—149.

(2) La Long, t. a. p.

-ocr page 225-

123

Behalve de Kerken straks genoemd, en later bij de Hervormden in gebruik , vinden wij a0. 1355 al gewaagd (1) van de Lieve-Vrouwe Kapel; ook omstreeks dien tijd van de St. Piet er s Kapel., later van de St. Jacobs Kapel en van zeer vele andere stichtingen, waarin vicariën of soortgelijke beneficiën kunnen gevestigd zijn geweest.

Het bovenstaande in aanmerking nemende, kan het niet bevreemden, dat ik bij het nazien der minuten van confir-matiën, van oude registers, en van andere stukken op het Rijksarchief, daarin niet meer dan hoogstens 15 visariën heb aangetroffen , die vroeger in de verschillende kerken in Amsterdam aanwezig waren, en na de hervorming door particulieren begeven en ter confirmatie zijn aangeboden.

Zoover ik heb kunnen nagaan, is de eerste dezer vicariën aangebracht in het jaar 1582; en heeft de laatste confirmatie eeuer Amsterdamsche vicarie plaats gehad, in het jaar 1753. Ofschoon van deze vicariën nu wel eenige bijzonderheden staan aange-teekend, is de vermelding er van hier niet noodig. Ze zijn allen verdwenen, maar op welke wijze is onbekend.

Tot het jaar 1663 zijn dikwijls door de Staten ernstige maatregelen genomen , om de tertiën van vicarie inkomsten ook te Amsterdam door de possesseurs naar behooren te doen uitkeeren al was het getal vicariën, dat daar ter collatie van particulieren stond, betrekkelijk gering; maar die maatregelen hebben weinig mogen baten. Op welke wijze de Staten hierbij te werk gingen, blijkt uit het volgende:

In het jaar 1595 was aangebracht zekere vicarie gefundeerd in de Oude Kerk „geintituleert Petri en Pauli.quot; Zij was gesticht a0 1464 en gedoteerd „met een jaerlycx pacht van thien „goude ende goede Vranckrijcxe schildenquot; gaande uit zeker huis, en met de inkomsten van zeven maden land, gelegen

(1) Amsteldamsche Jaarboeken door J. Kok. Amat. 1781, d. I.

-ocr page 226-

124

binnen den banne van Nieuwer Amstel. Vroegere begevingen van de inkomsten dezer vicarie zijn niet bekend; maar 4 Februari 1653 had de confirmatie eener begeving plaats, gedaan door een afstammeling van den fundateur, ten bate van twee zijner neven „deweleke ter studie in de ware religie opgevoedet werden, „sulex dat bij versterf van een van beyde, bij de geheele „beneficie liadde geconfereerd aan de langst levenden van dien.quot; Die vicarissen nu moesten de tertiën der inkomsten storten in handen van den ontvanger-generaal. Maar, toen ze in het jaar 1662 nog niet aan hunne verplichting voldaan hadden, deed de ontvanger Bleiswijk door een deurwaarder de pachters der landerijen tot de vicarie behoorende en andere schuldplichtigen gerechtelijk verbieden, om aan iemand anders dan aan hem het verschuldigde te voldoen, op straffe van bij nalatigheid de schade op hen te verhalen. Ettelijke maanden later werd de deurwaarder gelast, allen gerechtelijk te vervolgen, die sedert 1659 tot op dien tijd de inkomsten der vicariën genoten hadden en „bij sodauig middel van executie voorttevaren tot „inning van het derde part der inkomsten als sij deurwaar-„ders ten profijte van \'t gemeene landt vaa Holland na „voorval van saken raadsaam sullen oordeelen.quot; In datzelfde jaar (1659] zijn, zooals mij gebleken is, nog onderscheidene vicariën in andere plaatsen aangebracht, en dezelfde maatregelen op de wanbetaling van de tertiën toegepast. Weldra daarna was, om bekende redenen (1), hiervan geen sprake meer. Van de vicarie „geentituleert Petri en Pauliquot; in de Oude Kerk is sedert dan ook niets meer vernomen.

Bij besluit der Staten van Holland van 31 Janunari van 1642 werden diakenen van de gereformeerde gemeente te Amsterdam gequalificeerd om te mogen ontvangen de renten van zekere vicarie rentebrieven. Op welke wijze de diaconie ia het bezit er van gekomen was, wordt niet vermeld. Alleen blijkt uit de Resolutie het volgende:

(1) Zie bladz. 46 etc.

-ocr page 227-

125

diakenen hadden verzocht om brieven van confirmatie van zekere acte van collatie van drie vicarie rentebrieven, maar de gecommitteerde raden meenden, dat het verzoek om confirmatie alleen pro forma was gedaan. De diakenen werden eenvoudig gemachtigd om de „interessen van de drie vicarie rentebrieven, „te weten de eerste groot 389 guldens en 5 stuivers, de tweede „612 gld. 8 st., de derde 317 guld. 2 st. alle loopende ten bate „van het comptoir generael van Holland en West vriesland, „aldaar jaarlijks te ontvangen op een quitantie van twee daartoe „gecommitteerde diakenen, zoolang de voornoemde diakenen in „de possessie van de voorz. vicarie effecten zullen weezen; of „anders des aangaande bij haar Ed. Groot Mog. zal zijn gedisponeerd.quot; Verder is hier niets van bekend.

Het volgende vinde hier eene plaats, waarvan in latere registers uit deze eeuw gesproken wordt. Het moet in elk geval in dit verslag vermeld worden, omdat het eene nog bestaande inschrijving op een der grootboeken van do N. W. S. geldt, en het kapitaal van eene vicarie afkomstig is, die waarschijnlijk in Amsterdam gevestigd is geweest.

Van deze vicarie is bekend, dat ze 27 Januari 1392 door „Xico-laes Jansz ende Jacob, gezegd Jan„ van den dioecesis van Utreclitquot; was gesticht, maar verder met zekerheid niets uit vroegeren tijd. In het jaar 1823 heeft er blijkbaar een soort van cessie van het patro-naatrecht dezer vicarie plaats gehad , waardoor zij na verschillende overdrachten, van Jan Kok op S. Dorée te Amsterdam was overgegaan , en waarop de goedkeuring van den Minister van Maanen werd gevraagd. Maar de Minister verklaarde aan dat verzoek niet te kunnen voldoen, omdat soortgelijke cessie van het recht van patronaat, ten einde met de collatie te worden begunstigd, in strijd was met zulke beneficiën, die niet ak, eigendom van particulieren konden beschouwd worden, en op deze wijze het recht van patronaat, dat volgens den wil des stichters op den naaste in den bloede moest overgaan. wellicht zou overgaan op een vreemde. Spoedig daarna (18 Maart 1824) werd er echter.

-ocr page 228-

126

zeker vreemd genoeg eene begeving door J. Dorée gedaan, geconfirmeerd.

Omtrent eene latere begeving d0. 9 October 1857 geconfirmeerd wordt het volgende aangetroffen:

„De Minister gezien het adres van J. Van Elsakker, Turf-„drager te Amsterdam en van B. J. Lesgers, beambte ter „Secretarie van den Ned. Rijn Spoorweg te Amsterdam, om „confirmatie op de begeving door eerstgenoemde als tegenwoordig „patroon aan den laatstgenoemde gedaan, van de inkomsten „eener vikanj op 27 Januari 1392, door Mcolaas Janszoon „en Jacob gezegd Jan van den Dioecesis van Utrecht gesticht; „gezien acte van begeving van 29 Sept. 1857, ten overstaan van „den notaris J. G. Jiiger en getuigen te Amsterdam gepasseerd, „waarin mede is aangewezen de opvolging van J. van den „Elsacker aan zijn grootvader J. Dorée vroeger patroon van ge-„melde vicarie, — gezien dispositie waarbij eene vroegere be-„geving der inkomsten van gezegde vicarie door J. Dorée gedaan „is geconfirmeerd; — gelet enz., confirmeert de begeving, en „vcklaart B. J. Lesgers gerechtigd tot het genot der inkomsten „van voornoemde vicarie, thans bestaande in eene inschrijving „op liet grootboek der Squot;. S. rentende 2 72 quot;U groot in kapitaal „ƒ 1900 staande ten name van Lesscher (Bartholomeus) als „vicaris van zekere vicarie, gevestigd op eene eeuwigdurende „jaarlijksche onlosbare rente, ten laste van het voormalig kantoor „van Holland, waarvan patroon is Johannes Dorée.quot;

In liet jaar 1880 is dezelfde inschrijving, groot /quot;1900 gezet op naam van Hendrik quot;Willem van den Elsakker.

Brielle

Vroeger is reeds herhaaldelijk in dit verslag melding gemaakt van het geestelijk kantoor van den Uriel, waar gelden gedestilleerd tot betaling van predikanten in die stad, en in het land van Voorne en Putten, ontvangen werden. Ouder die gelden waren ook inkomsten van vicariën. Over dat kantoor behoeft nu niet

-ocr page 229-

127

verder gesproken te worden, even min als over vicariën, die wel in den Briel geweest, maar er nu niet meer te vinden zijn. Een en ander slechts over die, welke in den zin aan die uitdrukking in dit verslag gehecht, nog bestaan.

Onder de staisgebouwen vinden wij bij de schrijvers o. a. gewaagd (1) van:

de Catharine kerk; zij was een kapittelkerk , aanvankelijk met 8 kanunniken en een deken, welk getal later schijnt vermeerderd te zijn. Aan onderscheidene altaren in deze kerk waren vicariën gesticht, waaronder zeven, die als de voornaamste werden beschouwd, waren aangelegd en bekostigd door de Brielenaren (2). In het jaar 1527 werden (3) in deze kerk 37 schoone altaren en vele vicariën geteld. Verder komt voor de St. Pieter of Maerlandsche kerk. Waarschijnlijk is deze kerk. volgens de aangehaalde schrijvers, aquot;. 1440 gebouwd door Frank van Borselen, heer van Voorne. Het pastoorsambt werd in de Maerlandsche kerk begeven door het kapittel van Catharina. Eenige vicariën werden alhier aangetroffen, zooals aan t altaar van het H. Kruis, begeven door de graven van Holland.

Vier kloosters waren er binnen de stad Brlelle en twee buiten de stad, ouder Rugge. De inkomsten dezer kloosters zjjn ook tijdelijk door rentmeesters of ontvangers van geestelijke goederen verantwoord. In eene der kloosterkerken waren, even als in een der gasthuizen, vicariën gesticht, die later nog werden aangetroffen. Wij vinden toch dat 12 Januari 1648 de wed. van Corn. Buijs, in leven vroetschap in den Briel, om confirmatie vroeg op de begeving aan haren zoon van twee officiëu, gefundeerd op „den convente van Betanien susteren binnen den Briel, „opdat hij op het inkomen er van ter schole gehouden en in

(1) Beschrijving van de stad Briele en den lande van Voorn, door Kornelis van Alkemade, Rotterdam 1729.

Geschied- en aardrijkskundige beschijving van het eiland Voorne en Putten, door W. Plokker, Zwijndreoht 1S51.

(2) Alkemade, d. I. blz. 15.

(3) quot;W. Plokker, blz. 108.

-ocr page 230-

128

„de gereformeerde religie opgetrokken zou wordenquot;, welke begeving toen geconfirmeerd werd. In het jaar 1688 had nog eene confirmatie plaats der begeving van dezelfde twee offi-ciën. Uit de stukken blijkt dat zij gesticht waren door H. Meenwis en zijne vrouw en door A. Meen wis, in de jaren 1482 en 1492.

Het volgende verdient de vicariën in de genoemde kerken betreffende meer bepaald de aandacht.

Eene inschrijving op het grootboek der 2^ pet. N. S. groot f 1900 ten name van:

„Daniel Francis van Alphen als voogd over quot;Wilhelmina „Henrietta Johanna Carolina von Schuier, vicaresse bij acte van „confirmatie in dato 25 November 1809, welke vicarie is gefundeerd op altaren binnen de kerken van den Briel, als eene „in de St. Catharina Kerk op de Altaren St. Petri Pauli en „Nicolai, een op het altaar in de Maaslandsche kerk en de „overige op St. Sebastiani, Crispini en Crispiani altarenquot;. Rentheffer hiervan was 1 Januari 1838 D. F. van Alphen als voogd.

Bij het nazien der resolutie van 25 November 1809, N0. 12, is mij gebleken, dat daarin \\Y. H. J. C. von Schuier niet voorkomt als vicaresse, maar als patronesse, en daarvoor verklaard wordt op verzoek van haren voogd D. P. van Alphen te Arnhem. De vicariën waren volgens deze resolutie op haar gedevolveerd door het overlijden van hare grootmoeder W. G. VandeGraaff. Onder de op haar gedevolveerde vicariën behoorde ook nog zekere vicarie, die gefundeerd was iu\'t Zuidereinde Gasthuis op \'t Cruis altaar. Veel vroeger wordt van deze vicariën, als geza-mentlijk door eenzelfden collator of collatrice aan denzelfden vicaris begeven, ook gewaagd, als ü Augustus 1680, toen zulk eene begeving geconfirmeerd werd door zekere collatrice gedaan aan haren neef, een scholier. Uit eene confirmatie van 14 Juni 1636 is duidelijk dat onderscheidene personen met de inkomsten dezer verschillende vicariën begiftigd werden, want één van die

-ocr page 231-

129

begiftigden was toen overleden, en een ander, die uit het land vertrokken was, liet niets meer van zich hooren. De collatrice gaf bij die gelegenheid de inkomsten aan haren zoon, op voorwaarde dat de eenige zuster van haar met nog twee andere personen, ieder van hen, een vierde van die inkomsten zou genieten; en de Staten hechtten ook aan deze vreemde dispositie hunne goedkeuring, mits maar aan den ontvanger van de goederen, gedestineerd tot onderhoud van de kerkedienaren in het land van Yoorne en Putten, een staat der goederen werd overgeleverd, en het derde deel van het inkomen uitgekeerd zou worden. Onderscheidene begevingen dezer vicariën en beschikkingen daarop betrekkelijk hebben verder in de voorgaande eeuw plaats gehad.

Eene tweede inschrijving op hetzelfde grootboek bedraagt ƒ 700 en staat op naam van:

„Geertruij Vrijland te Q-eervliet, als vicaresse eener vicarij „eertijds gesticht op het St. Catharina altaar in de parochie kerk „binnen de stad Brielle, geconfirmeerd bij het voormalig Staats-„ be wind, den 25 Mei 1802. De laatste rentheflfer 1 Januari 1842 „hiervan was: Hendrik Ponse, als in huwelijk hebbende Geertruij „Vrijland quot;.

Deze collatrice begaf slechts ééne vicarie, dat bij begevingen der Brielsche vicariën eene exceptie was. Andere collatoren schonken — zooals we daar even ook zagen — de inkomsten van meerdere vicariën bij elkander gevoegd in den regel aan denzelfden vicaris in een en dezelfde begevingsacte, die ze dan ter confirmatie aanboden en die werkelijk werd geconfirmeerd. Daaronder treffen we dan dikwijls eene vicarie aan gefundeerd op het altaar van St. Catharina in de kerk van denzelfden naam, of in de andere kerk. Op die altaren van St. Catharina zijn zeer vele vicariën gefuudeerd, ea er zijn wetenswaardige bijzonderheden van aangeteekend gevonden. Maar het is niet altoos met zekerheid te zeggen, op welke van die vicariën zij betrekking hebben, als alleen het altaar wordt genoemd, waarop

9 H

-ocr page 232-

130

zij gevestigd waren Zoo is het ook met de vicarie, door voornoemde Geertrui) Vrijland begeven.

Vervolgens wordt eeno inschrijving op het grootboek der 2è % N. W. S. gevonden ten name van;

„Adrinnus Vermaas te Brielle, bezitter eener vicarie eertijds „gevestigd op St. Catharina, St. Rochus en St. Anna\'s altaren „in de collegiale kerk te Brielle.

„Inschrijving groot f 1300. Renteheffer in 1880, A. Vermaas „te Briele als bezitter.quot;

Volgens het aangeteekende bij gelegenheid eener confirmatie dd. 14 Juli 1655, waren er twee vicariën op de hier genoemde altaren in do collegiale kerk gesticht door B. Willemsen en Elisabeth zijne huisvrouw. Zij hadden die vicariën begiftigd met onderscheidene landerijen, die volgens octrooi der Ed. Gr. Mog. 7 Maart 1650 waren verkocht. Deze vicariën werden toen — in het jaar 1655 — vergeven door J. Zoeman aan Arie Gleyenburch, een apotheker in den Briel, „omme de inkomsten te employeren tot voltooijinge „van zijne studie ende oefeniuge in de ware „Christelijke religie!quot;

11 September 1679 had weder de confirmatie eener begeving plaats, die gedaan was door de oudste dochter van den toen overleden Zeeman, gehuwd met den door haren vader begiftigde A. Gleyenburch. De vicariën werden door deze patronesse toen geconfereerd op „Thijs Arentsen van bloede en maegschap van de „fundateur ten einde dezelve in de ware Ghristelijke gereformeerde „Relige geoefend en onderwesen mogte worden.quot;

Onderscheidene begevingen en confirmatiën dezer vicariën werden in de voorgaande eeuw aangetroffen, waarvan de laatste confirmatie was van 15 April 1790, toen de vicariën gefundeerd op St. Gatharina, St. Rochus en St. Anna altaren in de collegiale kerk , door Hugo Vermaas geconfereerd werden op zijn zoon.

In deze eeuw komt slechts ééne confirmatie van begering dezer vicariën voor en wel aan den zelfden, die volgens de inschrijving op het grootboek als bezitter vermeld wordt.

-ocr page 233-

m

Bij die gelegenheid is aangeteekend, dat de inkomsten vroeger bij Willem Vermaas waren getrokken, die toen overleden was.

Die confirmatie is van;

30 Juni 1845 op de door Gerrit Vermaas, noodhulp b.\'n-nenloods in den Briel, als patroon gedane begeving aan Adrianus Vermaas.

12 Sept. 1S68 werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken: M. Vermaas, koopman in den Briel, nog erkend als patroon en collator van zekere vicariën „eertijds gefundeerd „op St. Catharina, St. Koel.us en St. Anna altaren in de „collegiale kerk te Brielle,quot; maar van latere begevingen dezer vicariën is niets meer aangetrofi\'cn.

Nog staat eene inschrijving op meergenoemd grootboek op naam van:

„Johanna Adriana van der Minne te Brielle als geregtigd „tot de inkomsten van de vicarijen gefundeerd op de St. Catha-„rina en St. Barbara altaren in de St. Catharine kerke te „Brielle, ingevolge Confirmatie van den Minister van Binnen-„landsche Zaken van 10 Juni 1873 N0. 184. Inschrijving groot „ƒ700. Laatste rentheflfing l Jan. 1880: J. A. van der Minne „te Brielle, als geregtigdo.quot;

Herhaaldelijk zijn vroeger confirmatiën op begevingen dezer vicarie aangetroffen. Hiervan alleen het volgende:

11 Jan. 1735 confereert M. C. van der Minne, weduwe, als patronesse, deze vicariën, waarvan de vaste goederen toen verkocht en de gelden belegd waren in drie losrentebrieven van ƒ 33—n — (3; ƒ32.— 2 — en /quot;9.— 10 \'sjaars, op Johannes de Meurs, zoon van Ambrosius de Meurs, „meester paruijke-„maker oud 4 jaren in huwelijk verwekt aan sijne huysvrouw „Elisabeth de Swijs, gedoopt in de groote kerk en opgevoed „wordende in de ware gereformeerde religie enz.quot; Die begeving werd toen geconfirmeerd.

Verder wordt van deze vicarie niets merkwaardigs gevonden totdat, zeer lang daarna en wel in het jaar 1859, omstandig-

-ocr page 234-

132

heden schijnen te hebben plaats gehad, die den toenmaligen bezitter dwongen, om zich zoo het kon tot het genot der inkomsten gerechtigd te doen verklaren. Hij is daarin echter niet aanstonds geslaagd. Een en ander uit de bij die gelegenheid gevoerde correspondentie is niet onbelangrijk. Ik deel er het volgende van mede.

De heer A. C. van der Minne, med. dr. te Brielle, had zich tot den Minister van Binnenlandsche Zaken gewend met kennisgeving dat door zijn vader, die overleden was, de inkomsten van bovengenoemde vicariën genoten waren, dat hij als oudste zoon vermeende thans tot het genot dier inkomsten gerechtigd te zijn, en alzoo verzocht als vicaris erkend te worden. Hij had bij zijn adres o. a. het bewijs gevoegd, dat door de Staten van Holland en West-Friesland 11 Jan. 1735 de begeving der inkomsten was geconfirmeerd, gedaan door Maria Cornelia van der Minne, weduwe van Jaoobus van der Arent, als patronesse, aan Johannes de Meurs, die toen vier jaren oud, eii de zoon van Ambrosius de Meurs te \'s-Gravenhage was, en dat bij onderhandsche acte d0. 13 Juni 1809 —waarop geene goedkeuring aan de Regoering was gevraagd — de genoemde Johannes de Meurs de bezittingen van gezegde vicarie had overgedragen aan wijlen J. van der Minne , zijn vader. Op dit verzoek, — eene bijdrage voor de allerzonderlingste denkbeelden omtrent het recht op de inkomsten, en voor de willekeurige wijze, waarop al werden ze nog niet aanstonds geheel vervreemd, met de vicariën werd gehandeld — heeft de Minister d». 30 Juli 1859 den adressant te kennen gegeven , dat de overgelegde stukken onvoldoende waren om zijne qualiteit als vicaris dier vicariën te bewijzen, en dus aan zijn verzoek niet kon worden voldaan, en dat, evenals in 1735 was geschied, ook nu door den daartoe gerechtigden patroon of collator der vicariën eene begeving der inkomsten moest worden gedaan, op welke begeving vervolgens naar aanleiding van het besluit van 8 Mei 1814, de confirmatie der Regeeriug moest worden aangevraagd.

Nog lang is die zaak blijven rusten, want eerst 24 Mei 1873

-ocr page 235-

133

werd de med. doet. A. C. van der Minne, nadat o. a. gebleken was, dat hij het oudste der in leven zijnde mannelijke leden was van het geslacht van der Minne, door de Regeering erkend, niet zooals hij eerst verlangd had om do inkomsten der vicarie te trekken, maar om die in geval van vacaturen als patroon te mogen hegeven. Die begeving geschiedde toen al zeer spoedig.

10 Juni 1873 had de confirmatie der begeving plaats door Dr. A. C. van der Minne aan mejuffrouw Johanna Adriana van der Minne, zooals ook in de aangehaalde inschrijving is vermeld.

Volgens het kadaster behooren 2.43.90 weiland, gelegen onder Vlaardingen, aan eene vicarie gesticht hij Piet er Otto in de St. Catharine kerk te Brie lie, die herhaaldelijk in deze eeuw wordt besproken.

31 Oct. 1815 werd de begeving geconfirmeerd der collatie van de inkomsten dezer vicariön, gedaan door Helena de Ruyter te Hellevoetsluis aan hare dochter. In de stukken met deze begeving in verband is ook alleen sprake van de vicarie gesticht bij Pieter Otto, in de St. Catharina kerk binnen de stad Biielle, maar komt verder voor, dat zij bestond in drie morgen en een hond land onder Vlaardingen in Vlaardinger Ambacht, in een rente van ƒ 4 \'sjaars ten laste van de Oude kerk te Delft, ƒ 3 uit een huis aldaar, en elf en Vj niet lands, onder Hellevoet-binnen.

Deze met de vicarie begiftigde verzocht om die elf en een half gemeten land onder Hellevoet-binnen te mogen verkoopen, maar de administrateur van Ewijck berichtte 14 Juli 1829 op dat verzoek, dat vicariegoederen uit derselver aard onvervreemdbaar waren; dat de begiftigde wel het genot der inkomsten had, maar geen beschikking over de goederen als over haar eigendom, en daarom aan haar verzoek niet kon worden voldaan.

Ook werd later, 19 Dec. 1838, een verzoek niet ingewilligd om de rente van /\' 4 \'sjaars af koopbaar te stellen.

6 October 1862 werd de begeving geconfirmeerd door C. F.

-ocr page 236-

134

Blankcnstein, commies bij het departemeat van Marine te Helle-voetsluis, kleinzoon van de in het jaar 1815 voorkomende collatrice Helena de Rmjjter, aan Helena Adriana Blankenstein.

De burgemeester van Brielle deelt in eene missive d0. 14 Juli 1880 omtrent deze vicarie nog mede:

„dat in January 1872 door den heer C. F. Blankenstein te „Hellevoetsluis, als patroon eener vicarie, gesticht bij Pieter Otto „en gefundeerd in de St. Catharina kerk te Brielle, machtiging „is verzocht tot verkoop van zekere perceelen land in de gebeenten Vlaardingerambacht en Nieuw-Helvoet gelegen, en „tot afkoopbaarstelling van eene jaarlijksche rente van f 4 „gevestigd op de Oude Kerk te Delftquot;. Op dit verzoek is in September 1872 eene gunstige beschikking ontvangen.

Als nu het vicarieland, dat echter nog voorkomt in de opgave, getrokken uit de Staten van onroerende goederen in de doode hand, die eerst in het jaar 187ö opgemaakt zjjn, verkocht is, wat is er dan geworden van de kooppenningen ?... Onder de verstrekte opgaven van inschrijvingen op een der Grootboeken komt geen kapitaal voor op naam dezer vicarie, of op dien van den rechthebbende op de inkomsten.

Op het grootboek der 2,/j quot;/0 N. S. wordt de volgende inschrijving aangetroffen:

„Roest (Mr. Theodorus Marinus Roest van Liraburg te Rotter-„dara, als geregtigde tot de inkomsten van vicarij goederen afkomstig uit den boedel van Jacob) ingevolge confirmatie van „het ministerie van Binnenlandsche Zaken, de dato 29 Junij 1837. „Kapitaal f 7.900. Laatste rentheffer 1 January 1880 Mr. T. „M. Roest van Limburg.quot;

Bij het nazien dezer hier aangehaalde ministerieele resolutie, en van eene die nog later genomen werd, is mjj o. a. gebleken, dat deze vicariën behooren onder de Brielsche.

Uit de vrij uitvoerige officieele bescheiden deel ik in \'t kort het volgende mede.

29 Juni 1837, toen de eerste confirmatie die gevonden is

-ocr page 237-

135

plaats had, was T. M. Roest, koopman te Rotterdam, patroon van de navolgende vicariën :

„eene laioale Vicarij of Capellanj op St. Catharina altaar in „de St. Catharina Kerk te Brielle in den tijd gefundeerd bij „Coruelis Huijgeus Kuijteling; — eenigc vicarijen of officiën in „den tijd gesticht en gefundeerd door Pieter Beijl quot;VVillemse, „alsmede Wouter Willemse, namelijk: eene vicary op St. Marcus-„Evangelisten dag van den jare 14G3; eene vicarij op vrouwe „Kinderbedde of Maria altaar; eene vicarij op 17 Maart 1471 „op St. Martinus altaar te Brielle gevestigd, en eene vicarij op „den 3 April 1471 op de Heilige drievuldigheid en Maria altaar, „alsmede eene vicarij op St. Franciscus altaar in de St. Catha-„rina kerk voornoemd\'1. De vicariën werden geconfereerd op Mr. T. M. Roest van Limburg, advocaat te Rotterdam, door zijn grootvader bovengenoemd, en in de acte der confirmatie komt voor, dat de begiftigde „alzoo verklaard wordt geregtigd tot „het bezit en genot der inkomsten van de effecten en landerijen „tot gemelde vicarijen behoorende, zulks van af het oogenblik, „dat die door het overlijden van zijnen grootvader, die deselve „tegenwoordig geniet, zullen komen vrij te vallen.quot;

30 Juli 1867 heeft weder eene confirmatie der begeving van dezelfde vicariën plaats. Zij waren toen gegeven aan A E. Roest van Limburg, notaris te Rotterdam , door zijn broeder Mr. ï. M. Roest van Limburg; „buitengewoon gezant en gevol-„magtigd minister van Z. M. den Ivoaing der Nederlanden bij „de Reg. der Ver. St. v. N. America, resideerende te Wassington , „thans met verlof hier te lande, als tegenwoordig patroonquot;. De begiftigde notaris wordt: „geregtigd verklaard tot het genot „der inkomsten van de effecten tot gemelde vicarijen behoorende, „van het oogenblik af, dat ze door het overlijden van zijn „broeder, die dezelve thans geniet, zullen komen te vervallen . Bij de begeving dezer vicariën schijnt regel te zijn geweest, zorg te dragen, dat de persoon uit de familie, die collator worden moest, eerst tot vicaris benoemd werd, die dan de inkomsten, ofschoon collator, zijn leven lang behield!

-ocr page 238-

136

Deze vicariën zijn nog aanwezig. Over alles wat vreemd, raadselachtig en duister is gaat dikwijls, zelfs bij het meest nauwkeurig onderzoek naar den vroegeren en tegenwoordigen staat der nog aanwezige vicarie-stichtingen, toch het verlangde licht niet op. Dit geldt ook deze vicariën. Bjj eene latere wettelijke regeling zal het mogelijk kunnen blijken, of er grond voor was , dat zulk eene in het oogvallende afwijking van vroegere bepalingen door het Staatsgezag mocht worden goedgekeurd.

Delfsha ven.

De kerk in deze gemeente was vroeger een kapel, gewijd aan den H. Antonius (1). Tot eere van genoemden heilige was aldaar eene vicarie gesticht, waarvan overigens weinig bekend is (2), maar die hier wordt besproken, omdat op het grootboek der 2\'2 7o W- S- het volgende voorkomt, waaruit o. a. ook blijkt dat deze vicarie nog aanwezig is.

„Leendert van der Wout, gezegd van Breen te Delfshaven „als tegenwoordig bezitter van eene vicarie, volgens acte van „confirmatie van de Staten van Holland en West Vriesland, in „dato 23 April 1759. — Kapitaal f 2.600. — Laatste rentheffer „in persoon of gemagtigde 1 Januari 1880. W. van der Zwaai, „als bewindvoerder der goederen van den minderjarigen J. van „der Zwaai, geregtigd tot de inkomsten.quot;

In de oudste acte van confirmatie der begeving van deze vicarie die ik gevonden heb, in die van het jaar 1633, staat vermeld, „dat toen tot deze vicanje specterende waren ruim „12 morgen land.quot;

17 Jan. 1748 was de vicarie begeven door Margaretha Verweij, wed. Mcolaas van der Wout, gezegd Groenevelt te Delfshaven, toen patronesse, aan haren kleinzoon Nicolaas van der Wout, gezegd Groenevelt. De landerijen waren verkocht.

(1) Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat van alle volken. Amst. 1742.

(2) De begeving dezer vicarie zou gestaan hebben aan de stad Delft volgens v. H. en v. K. oudheden en gestichten van Z. H. en van Schieland.

-ocr page 239-

137

Toen door de Staten van Holland in April 1759 de begeving werd geconfirmeerd, bleek uit de bij die gelegenheid overgelegde stukken, dat de landerijen onder Naaldwijk, waarmede de vicarie was begiftigd geworden, bij verkoop hadden opgebracht f 2337.10 en ƒ 1700, en dat de koopsom in rente brieven was belegd.

In eenc acte van confirmatie uit deze eeuw komt het volgende voor, dat wat het geslacht betreft, tot de begeving gerechtigd, geheel strookt mot de inschrijving op het grootboek, en mede het nog aanwezig zijn bewijst dezer vicarie :

26 Nov. 1856 verklaart de Minister van Binnenlandsche Zaken op een adres van Jacobus van der Zwaai, koster in de hervormde kerk te Delfshaven, in welk adres hij confirmatie vraagt op de door hem als patroon gedane begeving der inkomsten van zekere vicarie „waarvan laatstelijk door Jacobus van der Wout, „gezegd van Breem, als toenmaligen patroon in 1759 begeving „is gedaan, welke begeving door de Staten van Holland en „Westvriesland d0. 28 April 1759 is goedgekeurdquot;, enz. diens kleinzoon, ook genaamd Jacobus van der Zwaai, gerechtigd tot het genot der inkomsten, van don tijd af dat zij door het overlijden op 12 April 1855 aan den laatsten vicaris niet zijn uitbetaald, tot weder opzeggings toe.

Delft.

Bij onderscheidene schrijvers (1) worden opgaven gevonden van verschillende vicariën en andere stichtingen voor kerkelijke diensten, die vroeger gefundeerd waren in kerken, thans bij de hervormden in gebruik, en in andere bestaan hebbende inrichtingen te Delft, waarbij ik in de gelegenheid was, om ook wat deze

(1) Beschrijving der stad Delft door Dirok van Bleijswijok, Everts zoon, tot Delft a . 1667.

Beschrijving der stad Delft door verscheiden liefhebbers en kenners der Kederlandsche Oudheden. Delft 1729.

Oudheden en gestichten van Delft en Delf tland mitsgaders van\'s Gravenhage, door H. v. R. Leiden 1720.

-ocr page 240-

138

stad betreft, van vele andere bronnen, daar vroeger van gesproken is, met vrucht gebruik te maken.

Delft had twee voorname parochie-kerken, de Oude Kerk, ook wel de Hippolitus Kerk genaamd, en de Nieuwe Kerk, ook wel genaamd de St. Ursula kerk.

Bijzonderheden ziju aangetroffen van meer dan 50 vicariën of soortgelijke stichtingen , die in deze kerken gevestigd waren.

Het volgende kwam mij hiervan der vermelding waardig voor.

Oude Kerk.

Een der even aangehaalde schrijvers (1) berigt, dat in deze kerk 5 kapellen waren; 20 „deftige en overheerlijke outaren, „die om hunne kunst en kostelijkheid met de beste der Neder-„landsche kerken streden. Onderscheidene vikarijen waren aan „deze outaren gehecht.quot; Nog waren in deze kerk 9 cjilden of broederschappen.

Vicarie op St. Andries altaar. — Op dit altaar waren twee vicariën. De eerste is gesticht (2) a0. 1445 door Pieter Jacobs Oliviersz, priester in de Oude kerk, ter eeie der „allerheijligste „Dnjvnldigheit, Maria moeder Christi, en St. Pieter,\'1 en is door hem begiftigd mot onderscheidene perceeleu land, waarvan hij afstand doet voor zich en „voor zijne naecomelingen ende erven „van allen aenspraeke ende erfeuisse.quot; Na zijn dood en na het overlijden van den door hem aangestelden geestelijke zouden de inkomsten van het land strekken voor twee beneficiën „ende „die zullen twee personen gelijck verdienen in sinte IJ/jolitus „kerke tot Delf op sint Andries outaer, met daegelicx misse te samen, „elck over ander dach of over ander weeke.quot; — De tweede vicarie

1

Beschrijving der stad Delft door verscheiden liefhebbers.

-ocr page 241-

139

is gesticht a0. 1499 door Geertruid Dirksdr. van Beest, weduwe van C. Gr. Van A.ndel, burgemeester van Delft. De vicarie was begiftigd met land onder Voorburg. quot;Wekelijks moesten 4 missen worden gedaan. Het reebt van begeving kwam na den dood der stichteresse aan de abdissen van zeker klooster. De begeving moest geschieden aan eenen priester of klerk die ten minste 26 jaren oud was, arm „niet voorsien ende sooveel van zijn „eigen goed niet hebbende dat hij daarvan soude kunnen leven.quot; daarbij goed van naam en van een eerlijk loven.

A». 1601 en 1602 komen in de Registers begevingen voor van vicariën gefundeerd op St. Andries outaar, op voorwaarde, dat „de begiftigde in de gereformeerde religie opgetrokken sal worden.quot;

Over beide vicariën moet ia dit verslag verder gesproken worden, omdat, zoo wel ten name van de eene, als van de andere, althans van twee afzonderlijke vicariën op hetzelfde altaar, op dat van St. Andries, in dezelfde kerk gesticht, inschrijvingen staan op een van de grootboeken der N. W. S.

Onder de stukken, die verder geraadpleegd zijn om de geschiedenis van afzonderlijke vicariën in de twee voorgaande eeuwen te leeren kennen, komt niets voor dat op de eerstgenoemde vicarie (gesticht a0. 1445) betrekking heeft Hetgeen oudere handschriften omtrent eene vicarie op meergenoemd altaar behelzen heeft, zooals blijken zal, uitsluitend betrekking op die der in de tweede plaats genoemde. Uit onze eeuw kunnen echter bijzonderheden worden medegedeeld, die tot de geschiedenis der eerstgenoemde vicarie behooren. Zij zijn de volgende :

27 September 1820, wordt in een besluit geteekend door den Minister van Justitie Van Maanen: Joh. van Doesborg wegens sterfgevallen gerechtigd verklaard, tot het uitoefenen van het recht van patronaat over de vicariën op St. Andries en St. Jacobs(l) altaar in de Oude Kerk te Delft en op St. Aagten altaar in de St. Pancras kerk te Leiden. Als patroon erkend, begeeft hij de vicarie

(1) Ook op dit altaar waren , zooals zal blijken, meerdere vicariën gesticht.

-ocr page 242-

140

aan zijnen neef C. Van Staveren. Bij die begeving, door den Minister in Februari 1821 goedgekeurd, was bepaald dat de begiftigde bij eiken ontvang der inkomsten een blijk moest overleggen dat hij „werkelijk ter schole werd gehouden.quot; De collator verzocht, om die clausule in te trekken. Aan dat verzoek werd 9 Mei 1827 voldaan. — In liet jaar 1845 was het recht van collatie dezer vicarie niet meer in handen van even genoemde, die betten gevolee van zijn huwelijk met iemand aan den stichter verwant had uitgeoefend, maar was toen overgegaan op eene vrouwelijke afstammelinge van den stichter. Het werd toen uitgeoefend door Catharina Joanna Krap, meerderjarig en ongehuwd, woonachtig te Rotterdam. Deze begiftigde Sara Hendrica Krap, echtgenoote van Jacob Koningsbergen te Rotterdam met de inkomsten dezer vicarie , en ontving daarop dquot; 28 Mei van dat jaar de confirmatie door den Minister van Binnenlandsche Zaken. — Op het grootboek der 2 Va 7„ Nat.Schuld komt eene inschrijving voor ten name der vicarie gefundeerd op St. Andries ec St. Jacobs altaar in de St. Hippo-litus of Oude Kerk te Delft, groot ƒ 900 waarvan de renten in Januari 1880 geheven werden door S. H. Koningsbergen geb. Krap, als patronesse. Deze vicarie is dus nog aanwezig.

Over de vicarie g-esticht aquot;. 1499 op hetzelfde altaar, op dat van St. Andries, het volgende. Behalve op dit altaar, waren er door dezelfde weduwe op nog vijf andere altaren vicariën gesticht. De landerijen zijn a0. 1636 bij octrooi der Staten van Holland en quot;West-Friesland verkocht. Die gelden (I) „zijn beleijd op \'t gemeene „landt, de interesten van de voorz. geprocedeerde penningen bij „vergunninge van de naeste vrinden en bloedtverwanten, met „authorisatie van de heeren Kerckmeesteren, geappliceert wer-„dende tot subsidie van de behoeftigste van quot;t geslacht.quot;

Uit een zeer uitvoerig stuk bij gelegenheid der confirmatie van eene begeving der inkomsten van deze vicarie, d0. 29 Juli 1733, is mij gebleken dat de inkomsten toen getrokken werden door een jongeling, die in het weeshuis te Delft werd opgevoed.

(1) Zie D. Van Bleijswijk, blz. 175.

-ocr page 243-

141

Toen deze overleden was, had er 14 April 1753 eene andere beschikking plaats en werd gelijk bepaald ; dat de origineele losrentebrieven dier vicarie , ter weeskamer van Delft berustende, daar zouden bewaard blijven.

Hiermede komt een bericht overeen van den Burgemeester van Delft d0. 15 Juli 1880, inhoudende o. a. eene mededeeling , door kerkvoogden der Nederduitsche hervormde gemeente hem gedaan: „dat op zes altaren in de Oude Kerk sints 1499 „eene vicarie gevestigd is, welke bij acte van conventie van „den laatsten Juni 1735 onder administratie van heeren kerk-„ meesters (nu kerkvoogden) is gebracht en waarvan de revenuen „moeten worden uitbetaald aan de behoeftige nakomelingen van „de stichteresse Geertruid Dirksdr. Tan Beest, weduwe van „Cornelis vau Andcl, voor drie vierden van het zuiver overschot, en het overige een vierde aan de kerken. De revenuen „daarvan bedragen ƒ277.50 wegens renten van eene inschrijving „op het grootboek der 2,/2 0/o Nederlandsche schuld in dato „24 Juni 1815.quot;— Die inschrijving staat op genoemd grootboek tot een bedrag van /11.100. De laatste re at heffer a0. 1880 was J. Vernée te Delft als kerkvoogd. Deze vicarie bestaat dus ook nog.

Vicarie op St. Laurens altaar. — Het is mij gebleken, dat deze vicarie in het jaar a». 1578 reeds aangebracht is, en gesticht was in het jaar 1526. Zij was begiftigd met onderscheidene morgen land onder Voorschoten. A0. 1614 werd eene begeving door de Staten geconfirmeerd; 2 Juli 1653 wordt weder eene confirmatie aangetroffen der begeving, gedaan door den heer Franck Van der Meer, oud burgemeester van Amsterdam.

17 Sopt. 1721 komt Engelbert Graswinckel als collator voor, die zijn neef met de vicarie inkomsten begunstigt.

4 Mei 1768 had weder confirmatie eener begeving van deze vicarie plaats. Uit de toen gewisselde stukken blijkt het volgende: Gerard Jolian Graswinckel, gep. majoor, was door overlijden van E. Graswinckel, burgemeester te Delft, het naaste manshoofd van

-ocr page 244-

142

den bloede van „ Day ff Harmaus dogter, wed. van. Matthijs „Janszquot; en dus ware collator der vicarie door „Duyf Har-„mans dogter 28 Sept. 1528 in de Parochie Kerk van St. „Hipolitus martelaar te Delft op \'t altaar van St. Lau-„rens gefundeerd.quot; De landerijen waren 20 April 1680 verkocht, en de koopsom was voldaan met eene obligatie ten laste van \'t gemeene land van H. en W. groot ƒ 1600. Nu door het overlijden van M. Graswinckel, Schepen en Raad van Delft, die de laatste possesseur was geweest, de vicarie weder moest begeven worden, confereert hij de inkomsten op JohanAntonie Graswinckel, Secretaris der genoemde stad.

Deze vicarie bestaat nog blijkens het volgende, getrokken uit latere bescheiden.

Joh. Anth. Graswinckel, oud Secretaris van Haarlem, was in het jaar 1822 patroon en collator van drie vicariën, waaronder van bovengenoemde vicarie , die toen bestond in ƒ 600 uitgestelde schuld, en een en \'/s kansbillet. Hij begaf die vicariën aan zijne eenige dochter, echtgenoote van den ïieer M. Gouverneur, predikant bij de Ned. Herv. gemeente te Groningen. Die begeving werd in dat jaar 1822 door den Minister geconfirmeerd.

Den 15 Maart 1859 werd de vicarie begeven door J. J. A. Gouverneur te Groningen aan mejuffrouw Anna Johanna Catharina Gouverneur.

Op het grootboek der 21,:1 0/0 N. AV. S. staat ten name dezer vicarie nog f 600 ingeschreven. Hiervan was in het jaar 1880 vruchttrekster Marie Hillegonde Catharine Valeton, minderjarige dochter van Dr. Josué Jean Valeton te Groningen, die als haar vader en beheerder toen de rentheffer was.

Tivee vicariën: als eene in de oude kercJc op H lieve Vrouwen outaer en de andere in de nieuwe kerck op \'t Cruys oufaer aldaer.

De eerste aanteekening, door mij gevonden van deze twee vicariën , die , omdat ze nog aanwezig zijn , meer breedvoerig moeten besproken worden, is van den volgenden inhoud;

-ocr page 245-

143

„den 18 February 1579 k. Aelbrechtse van der Aa wonende „alhier in den hage, heeft aangebracht als selfs possesseur van „een vicarye gefondeert inde Oudekerk tot Delft bij wijlen „I. van Gapinge in den jare 1441, op \'t outaer van Oeso „Lieve Vrouwe ende noch utten naeme van Nicolaas van der „Aa sijn broeder die possr. is geweest voor date van oerloge „als hem geccnfereert bij Jan van der Aa van eene vicarie „gefundeert bij den voornoemden P. van Gapinge, binnen de „Nieuwe kerk tot Delft op \'t Cruys outaer aldaar daer van lest „possesseur is geweest een heer Pr. Diepenhorst in sijn leven „Canoniek op \'t hoff in den Hage van welcke twee vicariën „de goederen gemeen en onverdeelt leggen sulex den voornoemden „aenbrengor verclaert ende sijn deselve hiernae gespecificeert.

„10 morgen in Rijswijk, en 21 morgen elders. Renten op „huizen.quot;

Den 10 September 1631 werden deze vicariën geconfereerd bij Gerrit Dirckse de Graaf op zjjne minderjarige dochter, waarbij het volgende staat aangeteekend:

„regard nemende dat den fondateur gewilt ende geordonneert „heeft dat deselve vicariën souden hebben de natuyre van „hereditaire leengoederen.quot;

Deze begeving werd door de Staten van Holland geconfirmeerd. Het volgende dat deze vicariën, die onder de zoogenaamde ge-slachts-vicariën zouden behooren, betreft, is niet onbelangrijk.

Michiel Hazelhorst, te Delft, vraagt acte van confirmatie „waarbij hem wordt geoorloofd om de vruchten ende inkomsten „van twee vicarie goederen door zijne voorouders, de eene op „het Lieve Vrouwen altaar in de Oude kerk en de andere op „het Heilige Kruis altaar in de Nieuwe kerk aldaar (van welke „beide hij zegt te zijn waarachtig en ontwijfelbaar patroon) te „aanvaarden, .ontvangen en te zijnen oirbare te regeren en te „gebruiken zijn leven lang gedurende en die voor zich te be-„houden tot subsistentie van hem suppliant en van de zijnen.quot;

De Minister gezien de stukken heeft M. Hazelhorst erkend als wettig patroon dezer vicariën, maar „hij zal behooren te

-ocr page 246-

144

„bewijzen dat de aard en de stichting der voornoemde vicarijen „gedoogen dat de inkomsten door den patroon of collator zeiven „werden genoten, met last om de bewijzen binnnen drie „maanden bij het departement van Justitie overteleggen,quot; zullende na dien tijd op het verzoek worden beschikt, zooals de Minister zal oordeelen te behooren. Dit besluit was geteekend te Brussel 30 November 1818 door den Minister van Justitie Van Maanen.

Het bewijs, dat deze collator gerechtigd was de revenuen der twee genoemde vicariën gedurende zijn leven zich te mogen toeëigenen, schijnt niet te zijn geproduceerd, want 24 Juni 1819 is door denzelfden Minister de begeving geconfirmeerd der twee vicariën aan J. J. Molenbroek, commies ter secretarie van de stad Delft „van welke vicariën M. Hazelhorst als wettig patroon was erkend.quot;

Over deze vicariën of over het recht van begeving is niet lang hierna nog een proces gevoerd. Bij Arrest van het Hooggerechtshof te \'s Gravenhage is toen Maarten Dorsman, in huwelijk hebbende Teuntje Hazelhorst, gerechtigd verklaard om nomine uxoris patroon der vicariën te zijn. Deze begaf de vicariën aan W. Van Rijswijk, en de Minister heeft d». 25 October 1824 de stukken gezien hebbende die begeving geconfirmeerd.

Zoo werden ook begevingen dezer vicariën geconfirmeerd door en aan leden van dezelfde familie 6 November 1846, 7 September 1874, en 6 April 1880.

Ten name dezer vicariën staat eene inschrijving op het Grootboek der 2^ pet. N. S. groot f 1.900. Hiervan was in hetjaar 1880 B. J. van Eijswijk rentlieffer als vicaris.

Vicarie op St. Barbara altaar. „21 Juli 1580 heeft A. Meden-„blik laten doen aenteijkenen de navolgende goederen eerst van „twee beneficien d\' eene van St. Maertens outaer in de Oude „Kerk tot Delft, en d\'ander op St. Barberen outaer in de voorz. „Kercke daer van denselven Medenblick besitter is, eude sijn „totte selve beboerende dese naevolgende goederen.

-ocr page 247-

145

Eerst van St. Maertem outaer. „Elf hout laats gemeen in „een weer van 15 morgen, toecoraende\'t convent van St. Annen. „Nog 3 morgen.quot;

Goederen van St. Barberen outaer. „De lielft van een woning „en 15 morgen lants.quot;

„Een pont hollants op een huys.quot;

Van eene vicarie op St. Maartens altaar in de Oude Kerk te Delft wordt buiten deze aanteekening niets meer gevonden; maar wel het volgende van eene vicarie op St. Barbara altaar, die nog aanwezig is.

Onder de inschrijvingen ten name van vicariën in het Grootboek der 2^ pet. N. W. S. komt ook de onderstaande voor:

Hoofd van Rekening. „Paulus Hoyer van Brakel, als vrugt-„trekker gedurende zijn leven van zekere vicarie, waarvan de „patroon is Adriaan Pieter Graaf van Rozenburg. eertijds gefundeerd op St. Barbara altaar in de Oude Kerk, doch over-„gezet op het altaar in de Nieuwe Kerk te Delft.quot;

Kapitaal f 1000.

Laatste rentheffer: „Paulus Hoijer van Brakel te \'sGravenhage.quot;

De laatste rentheffing had plaats 1 Januari 1842. De opgave is van het jaar 1880, dus waren de renten van 1842—1880 niet geheven.

Ofschoon omtrent deze vicarie uit deze eeuw verder niets kan worden medegedeeld, ook omdat er gedurende zoovele jaren blijkbaar geene begeving van is gedaan, waarop confirmatie werd verzocht of verkregen , wordt er in onderscheidene stukken van veel vroegeren datum toch een en ander aangetroffen dat althans over do boven aangehaalde inschrijving eenig licht verspreidt. Confirmatiën van begevingen eener vicarie op genoemd altaar hadden plaats in de jaren 1615 , 1644, 1654, 1659 , 1743 en 1751. Bij gelegenheid der begeving, ter confirmatie aangeboden in het jaar 1743, werd er in de stukken van gewaagd, dat deze vicarie, die eerst gefundeerd was op St. Barbara altaar in de Oude Kerk, overgezet was op het altaar van den naam Jezus in de Nieuwe Kerk te Delft, en dat de inkomsten bestonden in

10h

-ocr page 248-

146

rente van een kapitaal van /quot;2800. Toen nu in het jaar 1751 weder eene begeving geconfirmeerd werd, vinden wij dat de inkomsten geconfereerd waren op Paulus Hoijer van Brakel de jonge, te \'s Gravenhage, die „van de gereformeerde religie was.quot;\'

Vicarie op St. Crispijns altaar. Twee vicarien onder denzelfden naam op hetzelfde altaar.

9 Maart 1579 — dus al vroeg — werd eene vicarie op St. Crispijn altaar aangebracht door Gerrit Jaasse van \'t Wout, die toen collator was, uit naam van C. Gerritse die de inkomsten trok. De vicarie was gefundeerd A0. 1481 door de gebroeders Hendrikse. De voorgaande bezitter was geweest A. Jansse priester, broeder van den aanbrenger. Tot de vicarie behoorden onderscheidene landerijen , die zooals gewoonlijk bij gelegenheid der aangifte werden omschreven.

Herhaaldelijk is de begeving dezer vicarie geconfirmeerd, als 3 Juli 1648; maar toen ettelijke jaren later, 29 Sept. 1659, de patroon IJ. W. van Santen te Delft, de vicarie had begeven aan Machtelt zijne dochter, en daarop approbatie verzocht , hebben de Staten na genomen advies bij gecommitteerde Raden die approbatie geweigerd. De begeving moest geschieden aan een manspersoon, dat daarna is geschied, waarop de confirmatie volgde.

Het volgende betreft de andere vicarie op genoemd altaar, die nog aanwezig is.

Zij was gefundeerd bij Barend Paulus, priester. In het jaar 1659 wierp zij voor haren bezitter de jaarlijksche inkomsten van drie rentebrieven af; één was van ƒ1600, een van/\'1250, en een van /\'4725. In de acte der begeving, die in dat jaar geconfirmeerd werd, komt o. a, voor „vermits dit beneficie door cranksin-„nigheijt van Christiaen Mol was komen te vaceren, wordt begeven „door Johan van Egmont van der Nieuburch out Burgem1quot;. van „Alcmaar, ende dijckgraaf van de vuijtwateringende sluijsen in „Kennemerland ende Westvriesland aen Willem Mol van der „Nieuburch out omtrent elft\' jaren om daer mede in de studie

-ocr page 249-

147

„opgetrocken te werden als bleek bij notariele acte d0. 20 Aug. „geëxhibeert.

De begevingeu zijn in het jaar 1676 en 1723 weder geconfirmeerd.

2 October 1776 werd deze vicarie, die toen nog in hetbez.\'t was van de „drie distincte losrenten ten lasten van \'t comptoir „generaal van Holland en West Vrieslandquot; door Mr. Engelbert Gerhard Johan Crookins als patroon geconfereerd op den zoon van Abraham Franckeu, rentmeester der stad Zutfen, en die begeving geconfirmeerd.

Sedert dat jaar is van deze vicarie in de bescheiden, die konden geraadpleegd worden, niets meer gevonden. In October van het jaar 1821 is op een request aan \'L M. van Mr. Engelbert Gerhard Crookins te Borculo, waarin bij verzocht om te worden hersteld in het recht van patronaaat van zekere vicarie, gesticht bij Barend Paulus op St Crispijn altaar in Sint Hippolitns of Oude Kerk te Delft, bericht, dat niet ontdekt is kunnen worden , uit welke fondsen deze vicarie heeft bestaan, en requestrant wordt uitgenoodigd daarvan bericht en aanwijzing te doen.

Later is op dat request om verzuim van inschrijvingen van losrenten aan de vicarie behoorende, welk verzuim niet was toe te schrijven aan een publiek ambtenaar, afwijzend beschikt.

In het grootboek der 21 % N. W. S. staat echter nog eene inschrijving, groot ƒ2.900. — Hoofd van Rekening: „de pastoor „collator van zekere vicarije, eertijds gefundeerd bij Barend Paulus, „priester, op St. Crispijn altaar in St. Hypolitus en Oude Kerk „binnen de stad Delft.quot; De laatste rentheffer is onbekend, en sedert 1818 is de rente niet uitbetaald.

Vicarie op St. Jacobs altaar. Aangebracht 12 Februari 1579. Inkomsten de helft in 25 morgen gelegen onder Monster. Bij eene begeving in het jaar 1618 was het volgende bepaald :

„de begiftigde noch zijne ouders of iemand anders zouden in „aangewezen 7 morgen (van de ruim 12) niet mogen laten insteken of die bezaaijen op poene van sulks gedaen wordende ,

-ocr page 250-

148

„dat J. A. Van der Meer (de begiftigde) daer meede verbeuren „ende versteecken soude weesen van de voorsz. gifte met allen „den aancleven.quot;

Herhaaldelijk komen begeviugen dezer vicarie voor.

A0. 1771 werd de begeving gedaan door „Hendrica Groen, „meerderjarige vrijster, en van de gereformeerde religiequot;, die collatrice van drie vicariën was. De vicarie gevestigd op St. Jacobsaltaar was toen in \'t bezit van een kapitaal van ƒ 9763; en de inkomsten waren begeven aan Cornells Heijnis die er echter in het jaar 1775 afstand van deed, toen Pieter Pranssen Jonker door de collatrice met de inkomsten dezer en van de twee andere vicariën begunstigd werd.

Hiermede komt het aangeteekende ia registers uit veel lateren tijd overeen, als daarin ook sprake is van eene gelijktijdige begeving der inkomsten van deze vicarie met die van nog twee andere vicariën in de kerken van den Briel en van \'s Gravenhage, als in het jaar 1827 door Sijtje Cornelis dr. Groen, die er toen haar man Stoffel Kater mede begunstigde, welke begeving 15 Pebr. 1827 werd geconfirmeerd.

Zoo ging het ook met eene latere begeving 3 Oct. 1846. De vicarie op St Jacobs altaar werd toen met de twee andere vicariën, na het overlijden van S. C. dr. Groen door haren oudsten zoon Jan Kater, kantoorbediende te Zaandam geconfereerd op Cornelis Kater, houtzaagmolenaar aldaar; terwijl deze Jan Kater, toen Cornelis overleden was, zijne huisvrouw, juffrouw Eefje Hottentot met de inkomsten der drie vicariën begiftigde. Deze begiftiging werd geconfirmeerd 22 Maart 1867.

21 Mei 1884 werd Christoffel Kater, korenmolenaar te Oostzaan, in de plaats van zijn overleden vader, door den Minister van Binnenlandsche Zaken als collator erkend.

10 Juli 1884. De vroegere begeving in Maart 1867 ingetrokken, eu die intrekking goedgekeurd zijnde, werd de nieuwe begeving geconfirmeerd, door C. Kater gedaan aan zijne huisvrouw Trijntje de Haas.

-ocr page 251-

149

Vicar ie op TAeve Vrouwe Altaar. „H. Annokkee, gepensioneerd militair, woonachtig teSteenderen begeeft als collator „de inkomsten dezer vicarie. Deze begeving werd geconfirmeerd, „eu de persoon van 11. 1. Annokée gerechtigd verklaard tot „het bezit der inkomsten van at\' dat ze zijn vacant geworden „door het overlijden van Isac Annokkee 29 Julij 1840.\'

Nu vinden wij in het meergenoemd grootboek eene inschrijving ten name van :

„Isaac Annouque (1) te Rotterdam, als vicaris van eene vicarie „gevestigd op het altaar van de maagd Maria in de Hypoliete „(oude) kerk te Delft.quot;

Kapitaal ƒ 2400. „Laatste renthetfer H. I. Annokkee te \'s Hage als patroon en collator.quot;

De opgave uit het grootboek is, even als de meeste opgaven die in dit verslag voorkomen, gedaan in het jaar 1880, toen ook de rentebetaling van dit kapitaal heeft plaats gehad. Ook deze vicarie is dus nog aanwezig.

Het volgende uit vroegere oirkonden overgenomen, dat uitsluitend deze vicarie betreft, is nog der mededeeling waardig.

3 Jan. 1579 was de vicarie begeven, „waartoe specteerden „dese navolgende goederen, metten laste van twee missen , \'s weeks; 9 morgen onder Moordrecht, drie onder Haestrecht, „en renten op huysen. Is gefundeerd bij P. Pijnsen, burger tot „Delft 26 Dec. 1418, behoudende de collateur alleenlick de „collatie voor hem en sijue erfgenamen in echte geproduceert.\'

26 Mei 1689 is de vicarie weder geconfereerd door Jansz Baas in den Briel op zijn zoon , „en dat mits \'t overlijden van „Jan Leendert Boomsluyter, d\' oudste ende naeste van de geslachte van wijlen J. Pijnssen.quot;

26 Aug. 1642. Begeven door Corn. Franss Annocqué te \'s Hage aan zijn kleinzoon.

11 Jan. 1783 waren de landen verkocht, de kooppenningen

(1) Ik meen in de spellino* ook van eigennamen, die in de officieele handschriften soms verschillend voorkomt, geene verandering te mogen maken.

-ocr page 252-

150

rentgevend belegd, eu werd de vicarie geconfereerd door deu toenmaligeu patroon L. A. Annocque op J. Anuocque, en die begeving geconfirmeerd.

Nieuwe Kerk.

Deze kerk, ook de 8. Ursula kerk genaamd, had volgens aangehaalde schrijvers 3 kappellen, 27 altaren en onderscheidene vicariën op altaren gevestigd. Vele gilden of broederschappen hadden in deze kerk ieder afzonderlijk hun eigen altaar en kapellaan, als van St. Jozef voor de timmerlieden, van St. Steven voor de brouwersgasten, van St. Jacob voor de schippers, van St. Christoffel etc., om op vaste tijden eu naar de ordonnantiën der broederschappen zekere diensten te doen.

Vicarie op St. Lucas altaar. Eene vicarie in het jaar 1497 op dit altaar gefundeerd werd 15 November 1615 door den collator Jan van Abbenbroeck, woonachtig te Heenvliet, begeven aan A. J. van der Meer.

Een tweede op hetzelfde altaar gevestigd werd ettelijke maanden later door Jasper van Hogeudorp in den Haag, als patroon en collator, geconfereerd op zijnen minderjarigen zoon.

Beide begevingen werden geconfirmeerd.

In het jaar 1724 komt na het overlijden van Gr. van Hogeudorp als collator der laatste vicarie voor: „Geerardt »Martijn van Haaften, vendrigh ten dienste dezer landen in „het Regiment van sijn hoogheyt, den heer Croonprins van „Pruijssen.quot;

Een dezer vicariën is nog aanwezig, want op den staat der inschrijvingen ten name van vicariën in het grootboek der 21/2 % N. S. komt voor: „Willem Ulrica Kornelis Ridder van „Rappard, officier in \'s Rijks militairen dienst, als bij acte vaa „confirmatie in dato 27 November 1849 , geregtigd tot het genot „der inkomsten van zekeren vicarij gefundeerd op St. Lucas „altaar in de parochiekerk binnen de stad Delft. — Het kapitaal „groot /1100.— Laatste^ rentheffer Jhr. W. U. K. Ridder van

-ocr page 253-

151

„Rappard te Amersfoort als gerechtigde. — Tijdstip der laatste „rentebetaling 1 Januarij 1S76.quot;

De begeving was voor deze coutirmatie gedaan door „Carl „Christiaan Theodoor van Haatten, Heer tot Hohen-Swaras bij „ Rostock aan genoemden jonkheer W. U. K. Ridder van Rappard, „om de inkomsten te genieten van het o ogen blik af, dat her „genot er van door den vroeger daarmede begiftigde, wijlen den „heer Willem Hendrik Carel van Rappard, heeft opgehouden.

Drie vicariën op ongenoemde altaren werden in deze eeuw herhaaldelijk begeven, terwijl een kapitaal staande op eeu der grootboeken van deze drie vicariën afkomstig is.

29 October 1847 werd de begeving geconfirmeerd, die gedaan was door Vrouwe C. E. M. Tellegen, weduwe van wijlen den heer P. J. A. de Nerec van Babberich, woonachtig op den huize Babberich te Zevenaar, aan den heer G. P. Van den Bogaart, Lid van den Raad der stad Delft, die daarbij gerechtigd verklaard werd tot het genot der inkomsten, van het oogenblik at dat ze hadden opgehouden te worden ontvangen door den vorigen vicaris, den heer M1\'. P. W. Van den Bogaard, die van zijne betrekking als Vicaris afstand gedaan had.

19 Aug. 1858 werden zij door dezelfde begeven aan J. P. C. de Eerée van Babberich, om de inkomsten te genieten van den tijd dat ze door den heer Van den Bogaart genoten waren.

25 Nov. 1859, na het overlijden van evengenoemden vicaris, werden door dezelfde collatrice de inkomsten gegeven aan Mr. R. J. W. C. de Nerée tot Babberich, en die begeving geconfirmeerd.

De inschrijving in meergenoemd grootboek (opgave 1880) staat ten name van :

„iP. Pieter Willem van den Boogaart te Delft blijkens acte „van confirmatie van het Departementaal bestuur van Holland „van den 4 van Bloeimaand 1804 als vicaris van drie vicariën „eertijds gefundeerd in de Nieuwe kerk te Delft. — Kapitaal „groot ƒ 3500. — Laatste rentheffer R. J. W. C. de Nerée van „Babberich te Zevenaar als vicaris.

-ocr page 254-

152

Dordrecht.

Door plaatsbeschrijvers van Dordrecht worden maar weinig bijzonderheden vermeld van afzonderlijke vicariën, die daar in de kerken of elders gefundeerd waren. Toch is de geschiedenis van sommige dier stichtingen, \'t zij er al of niet door die schrijvers met een enkel woord van gewaagd is (1) , voor zoover die uit .mdere ofticieele bronnen nagegaan is, zeer belangrijk. Dit geldt vooral vicariën, die nu nog in particuliere handen zijn, eu die gefundeerd waren in :

de Groots Kerk.

De groote, ook wel gezegd de oude kerk te Dordrecht, is de oude parochiale kerk, waarin aquot;. 1366 door Aelbrecht van Beye) en een kapittel werd gesticht, bestaande uit een deken en 12 kanunuiken, welk kapittel het volgende jaar bij Johan van Vernenburg, Bisschop van Utrecht, bevestigd werd.

De aangehaalde schrijvers gewagen van onderscheidene kapellen in en aan deze kerk en van niet minder dan 47 altaren , daarin opgelicht. Zij spreken ook wel van enkele vicariën op die altaren gesticht; maar niet van de eerst hier volgende, die mij gebleken is onder de nog bestaande te behooren en waarvan door raadpleging van andere bronnen door mij veel merkwaardigs is ontdekt. Ik deel er het volgende van mede. De vicarie was genaamd ;

De Co ulster vicarie of Capelle op St. Apolonia altaar.

In het oudste handschrift, dat geraadpleegd is, komt deze stichting v oor als „ Vicarie in Colsters Capelle in de (jroote Kerch geïntituleert Apollonia.quot; Zij was gesticht 2 Aprill 510 door juffrouw „Beatrix

(1) f Begin van Uotlant in Dordrecht. Mitsgaders der eerste Stedebeschrij-vinge, regeringe en de regeerders etc. door Joh. van Beverwijok. Dordrecht 1640. Jacobus van Oudenhoven, oud en nieuw Dordrecht, Haarlem 1666. (Van Heusson en Van Rijn). Oudheden en gestichten van Zuid-Holland en Schieland. Leyden 1719.

-ocr page 255-

153

„Wm. Vaii Colstei\'b Jr. dien tijd weduwe van M1\'. Jan Duycxquot;, De vicarie blijkt rijkelijk met vele vaste goederen begiftigd te zijn geweest, als met 7 morgen onder Barendrecht; met landerijen onder Sleeuwijk, — Woudrichem , — Emmickhoven, en onder andere gemeenten. Van die landerijen zijn er al zeer spoedig verkocht. Tijdens het leven van de fundatrice waren er reeds landerijen vervreemd, want uit eene aanteekening blijkt, dat bij amplicatie van den fundatiebrief aquot;1512 landerijen onder Sleeuwijk, in \'t land van Altena zijn „gesuecedeert in plaats van land „onder Barendrecht, begrepen in de principale fundatiebrief, „die buiten consent van de fundatrice waren veralieneerd.quot; Nog was de vicarie begiftigd met een huis in Dordrecht, en met verschillende renten op huizen en landen.

15 Mei 1597 was de vicarie, waarvan jonkheer Jacob van Wijngaerden sustineerde patroon en collator te wezen , aan iemand uit zijn geslacht begeven, die met de inkomsten er van begiftigd werd, in plaats van den overleden heer Mr. Willem van Brouck-huijsen. Hierop word veel later, en wel eerst na den dood van jonkheer Jacob van Wijngaerden, approbatie verzocht. Die approbatie werd 27 April 160(3 verleend „voor dese reijse alleenlick,quot; met bijvoeging van het volgende:

„Ende sal daerenboven de jegenwoordige besitter van de „voornoemde vicarie so lange hij deselve possideert gehouden „wcesen de aelmissen ende vnijtdeelinge aen den armen binnen „der stadt Dordrecht volgende de brieven van fundatie, jaerlicx „ende ter geordonneerden dage te laeten doen, op peijne van „verval deser confirmatie daer thoe d\'heeren magistraten van „Dordrecht verzocht werden goet regardt te willen nemen, ende „te helpen letten, dat de voorsz begiftigde overleden , de gifte „ende patronaatschap deser vicarie commen aen \'r gemeene „landt in plaetse van den deecken ende \'t Cappittel van onser „Vrouwenparochie ende collegiaele kereke tot Dordrecht, die „bij de fundatie daer thoe sijn geordenneert geworden.quot;

Of nu de magistraten te Dordrecht op de uitkeering van een deel der inkomsten dezer vicarie, gefundeerd in een kapittel

-ocr page 256-

154

kerk, hebben acht gegeven, is niet bekend; maar de verdere geschiedenis de/ier vicarie leert dat ridderschap en edelen, toen zij ongeveer 26 jaren later in deze zaak betrokken werden, een besluit namen, dat volstrekt niet strookte met het bepaalde bij gelegenheid der laatste approbatie, en dat zeker op de latere lotgevallen dezer vicarie van invloed geweest is. Tot dat besluit had het volgende aanleiding gegeven:

de vrouw vau den in bet jaar 1597 begiftigden van Wijngaarden , genaamd Alida van Onderwater, had in een request o. a. bericht, dat haar mans vader Flo ris van Wijngaarden „in „verschillende qualiteiten als capitein dezer vereenigde Ned eilanden met de wapenen in den oorlog zeer goede en getrouwe „diensten hadde gedaen totdat lijj eyiitelijck daer inne binnen „de belegerde stadt Oesteijnde siju leven voor den vijant ende „tot dienste van \'t Vaderlant gelaten hadde, souder dat oyt „eenigo recompensen ter saecke van de selve dienste versocht „ende evemin vercregen was.quot;

Nu verkeerde haar man, die nog in liet bezit der vicarie-inkomsten was, in zeer zorgehjken toestand, „soo datter wey-„nich apparentie van leven ware ten ware den goeden Godt „het merckebjk versach, endo sij suppliante doer zijn overlijden „sal blijven sitten als seer bedroefde weduwe belast met een „buys vol kinderen.quot; Zij verzocht daarom dat ridderschap en edelen bovengenoemde vicarie of capellanie wilden geven aan haren oudsten zoon, „omme het jaerljjcx proffijt van dien naer „ t overlijden van zijnen vader te mogen ontvangen.quot;

3 Juni 1633 verklaren ridderschap en edelen dit request gezien en overwogen hebbende: „Soo ist, dat wij verstaen dat de „voorz. vicarie of Capellanie die bij overlijden van de voorz. de „suppl. man volgens onse approbatie van 27 Apr 1606 aen onsen „lande van Hollant ende Westfrieslandt soude moeten vervallen, wij nochtans ujt sonderlinge gratie deselve vicarie ofte capellanie weder geconfereert hebben op voorz Gijsbr. Jac. van „Wijngaarden haar supplicants zoon, omme bij denselven naer „de doot van zijnen vader, d\'incoinpsten te genieten, mits dat

-ocr page 257-

155

rhij ter schole gehoudeu eude in do gereformeerde Cliristelijcke „religie opgetogen zal wordeu , eude dat hij binnen zes weeckeu „eerstcommende aen den ontfauger generael van de iacompsten „ende goederen gedestineert tot onderhout van de kerkendie-„naren, Mr. Ad. v. Coolwijck sal overleveren pertinenten ende „oprechten staat van de lauden, renten ende andere goederen „ende incompsten totte voorsch. vicarie ot capellerie behoorendequot;, — hij zou daarbij een derde deel der revenuen aan den ontvanger uitkeeren — „behoudelijok dat opt overlijden vau de voorz. „Gijsbert Jac. d\' voorz. vicarie of capellerie vervallen sal wesen „aen onsen voorn, lande van Hollandt ende West-Vrieslant.1

Tot aan zijn dood is de heer J. van Wijngaarden in het bezit der inkomsten van de vicarie gebleven. Na diens dood is zij weder geheel in strijd met hetgeen bepaald was op een ander geconfereerd, en die begeving geconfirmeerd. Zij komt bij die gelegenheid voor als van geheel anderen aard dan vroeger, \'t Is alsof de vroegere autoriteiten zich hebben vergist, of dat latere tot andere ontdekkingen zijn gekomen, waarvan echter niets wordt vermeld. De kapittel vicarie is na \'t overlijden van Gijsbr. Jac. van Wijngaarden niet aan \'t land vervallen. De begeving der inkomsten is in handen van een particulier. Er wordt onder approbatie der Staten hetzelfde spel ten profijte van een geslacht met deze vicarie gespeeld als met zooveel andere. Ik laat de bewijzen volgen.

De eerste, de begeving na die van 3 Juni 1633 was van:

15 Maart 1677, toen George van Cats , heer van Coulster, door de Staten erkend werd : „veras en indubitatus patronusquot; te zijn „van zekere vicarie of capellerie zijnde juris patronatuslaicalis, „gefundeert bij juffrouw Beatrix van Coulster zijn over oudt „groot moeije in onse lieve Vrouwe parochie en collegiale kerek „tot Dordrecht in de Coulster capelle op St. Apolonia outaarquot; De vicarie vacerende door \'t overlijden van Jacob van Wijngaarden , — de plaatste possesseur, — wordt door den collator geconfereerd op Willem Maurits Cats zijn eenigen zoon, eu die begeving geconfirmeerd.

-ocr page 258-

156

7 November 174.7 had uog eene confirmatie plaats. Bij die gelegenheid is aangeteekend : dat de effecten der vicarie, waarvan de confirmatie werd verzocht, een kapitaal bedroegen ten compt. gen. van Holland van f 9995. Pieter van Wassenaar, Hoog-hoemraad van Schieland enz., was toen collator, en confereerde „bij dode van Willem Maurits van Cats den laatsten possesseur „de vicarie op sijuen zoon Willem Lodewijk van Wassenaar, „omme gedurende deszelfs leven de goederen en inkomsten te „aanvaarden, en door hem als vader en voogd over zijn zoon „geregeerd en de vruchten en inkomsten ontvangen te worden.\'quot;

Nu is er in de voorgaande eeuw van eene begeving dezer vicarie, waarop confirmatie volgde, geen sprake meer, en wordt er in zeer geruimen tijd niets van vernomen. Maar zij is toch niet verloren geraakt. Integendeel: zij bestaat werkelijk nog. Zij wordt eerst weer ter sprake gebracht in het jaar 1835, toen de collator een request had ingediend, waaruit duidelijk bleek, dat hij in dwaling was gebracht of althans verkeerde omtrent de aanwending — op legale wijze althans — der inkomsten van eene vicarie. Zijn verzoek moest dan ook afgeslagen worden. Het volgende uit hetgeen hier omtrent wordt aangetroffen is wel der vermelding waardig.

De luit. kol. commandant van het bataljon artillerie trans-portrein te Delft, L. J. de Worbert, grave van Wassenaar Star-renburg, had verzocht om confirmatie op de door hem als patroon of collator op zich zeiven gedane begeving der inkomsten van de vicarie, eertijds gefundeerd by Beatrix van Coulster in ouze Lieve Vrouwe parochie en collegiale kerk te Dordrecht, in de Coulster capelle op St. Apolonia altaar; maar de Minister van Binnenlandsche Zaken wees 25 September 1835 dat verzoek van de hand, en wel in aanmerking genomen hebbende, dat de vereeniging van de betrekking van collator en vicaris in één en denzelfdeu persoon in den regel onbestaanbaar is; dat bij raadpleging van het register der vicariën hier omtrent geen voorbeeld van deze vicarie is ontdekt, en dat ten aanzien van enkele vicariën of diergelijke beneficiën alleen is gebleken, dat bij uitzondering

-ocr page 259-

157

ën ten gevolge van voor die vicariën bestaande antecedenten van gouveruementswege goedkeuringen of aangenaam verklaringen zijn verleend, om erkend te worden als collator eener vicarie en om tevens de goederen er toe behoorende te mogen administreeren en de inkomsten zelf te mogen genieten , — dat de algemeene beginselen ten aanzien der vicariën en soortgelijke beneficiën door eenige afwijkingen niet kunnen gezegd worden buiten werking te zijn gesteld, zoodat ten aanzien van zoodanige vicariën, bij welke van zulke afwijkingen geene antecedenten kunnen worden aangetoond, die algemeen geldende beginselen bij voortduring moeten worden gehandhaafd.

21 September 1836 werd nu eene begeving dezer vicarie goedgekeurd, gedaan door W. L. W. Graaf van Wassenaar, die zijn vader in het collatorschap was opgevolgd. Bij die ge-legendheid werd de heer W. J. Worbert, Graaf van Wassenaar , 2e Luitenant bij de Huzaren, gerechtigd verklaard tot de inkomsten.

De meergenoemde vicarie bleef in dezelfde familie.

5 Jan. 1856 komt zij voor als begeven door Willem Lodewijk Worbert, Graaf van Wassenaar Starrenburg, Ritmeester bij de Kon. Acad. te Breda , aan zijn zoon Willem Lodewijk , welke begeving toen werd geconfirmeerd.

23 Mei 1860 werd de begeving goedgekeurd , gedaan door M. C. F. Gravin van Rechteren Lirapurg douairière W. L. Worbert, Graaf van Wassenaar Starrenburg, als moeder en voogdes van haren eenigen en minderjarigen zoon W. L. Worbert, Graaf van Wassenaar Starrenburg, op wien toen het recht van collatie was overgegaan, aan hare dochter Jacqueline Henriette Mathilde Worbert van Wassenaar Starrenburg.

Hiermede nu komt geheel overeen de volgende inschrijving groot f 4300 op het grootboek der 2^ quot;l0 N. W. S ;

„Jacqueline Henriette Mathilde Worbert van Wassenaar „Starrenburg te \'s Gravenhage als geregtigde tot de inkomsten „eener vicarije, eertijds gefundeerd bij Beatrix van Coulster in „onze L Vr. parochie en Collegiale kerk te Dordrecht in de

-ocr page 260-

158

„Coulster Capelle op St. Appolonia altaar, ingevolge acte van „confirmatie in dato 23 Mei 1860.quot;

Renthefster: „M. C, F. Gravinne Van Rechteren Limpurg Dom\'. van Willem Lodewijk Worbert, Graaf\'van Wassenaar Starrenburg te \'s Hage.quot;

Het St. Elisabeths Altaar. Op naam van dit altaar in de groote kerk te Dordrecht staat eene inschrijving in het grootboek der 2è u/o N S. groot /2800. De rentheffer hiervan was in het jaar 1880; „A. Stoop te Dordrecht als bewindvoerder.quot;

Bijzonderheden omtrent dit altaar, of omtrent begevingen eener vicarie op dit altaar gevestigd , zijn niet ontdekt. Wel wordt melding gemaakt vau de begeving eener St. Elisabeths vicarie in de Nieuwe kerk, als ook, dat in de groote kerk eene vicarie op St. Lijsbets altaar gevestigd was. In eene oude aan-teekening heb ik van deze laatste vicarie gevonden, dat zij gefundeerd was door Mr. Willem van Beveren, en 15 Oct. van het jaar 1582 door een uit dat geslacht, Claes van Be-veren , wonende te Schiedam, als patroon bij de Ed. Heeren Staten werd aangebracht. Onder de inkomsten dezer vicarie, die bij deze gelegenheid werdeu opgegeven, kwamen voor: „eenige „smalrentgeus ofte andere genaemt papeponden, staende op „verscheijde huijsen binnen der stede van Dordrecht, daer van „hij (de toenmalige patroon) „geene perfecte verclaringe soude „connen doen overmits de leste possesseur daer van\'t registerken „met hem naer Colen genomen heeft.quot;

Vicarie op het St. Jacobs altaar. Op meergenoemd grootboek komt ook eene inschrijving voor van een kapitaal van ƒ 2200 ten name van :

„Beukelaar, Symonszoon (Thomas) in leven priester en rent-„meester generaal van Holland, eene eeuwigdurende vicarie „gevestigd 25 Augustus 1487 op het St. Jacobs altaar in de „Groote kerk te Dordrecht, ingeschreven krachtens de wet van „20 Augustus 1859 (Staatsblad N0. 95).

-ocr page 261-

159

De betaalmeester der Nat. iSuimkl is bjj Min. Resol. 3 Jan. 1865 N0. 69 gemachtigd door den Minister van Financiën tot de reutheffing van dit kapitaal.

Door een der straks aangehaalde schrijvers (1) wordt ook van de stichting dezer vicarie door Thomas Simonsz Bokelaar a0. 1487 gesproken. Volgens dien schrijver was de stichting hetzelfde jaar door dcu Utrechtschen bisschop bevestigd, en zou de priester Arend Bokelaar er nog meerdere inkomsten aan gegeven hebben, en daarbij bedongen, dat na zijn dood de vicarie zou gedeeld worden in twee vicariën , ter begeving van de naaste bloedverwanten, zoodanig dat do mannen in gelijken graad altijd den voorrang zouden hebben voor de vrouwen. Of nu die verdeeling heeft plaats gehad, is niet aangeteekend gevonden. Wel schijnt de rentmeester, van den priester — volgens de inschrijving op het grootboek één persoon — te moeten onderscheiden worden. De rentmeester Thomas zal dan de stichter zijn geweest, en de priester Arend de vicarie, volgens toen gebruikelijke uitdrukking, hebben verbeterd.

Slechts eenmaal wordt confirmatie op de begeving dezer vicarie aangetroffen. Die eenige confirmatie is van 23 Sept. 1664, toen Jacob Bol ie Dordrecht de vicarie, gefundeerd bij Thomas Beukelaar, rentm.-generaal van Holland, op het altaar van St. Jacob in de groote kerk van Dordrecht, aan zijnen zoon gegeven had.

Slinyelandfs en Sf. Odolphus Kapellen. Omtrent de hier genoemde kapellen kan uit vroegeren tijd. niets worden medegedeeld ; maar toch behoort er in dit verslag van melding gemaakt te worden omdat in lateren tijd patronen of collatoren dezer stichtingen zich herhaaldelijk met goed gevolg hebben vervoegd bij het Staatsgezag om als zoodanig te worden erkend, en het gebleken is dat ook nog geldelijke voordeelen van die oude kapellen getrokken werden. Het volgende kan hieromtrent worden bericht.

(1) Oudheden en gestichten van Z.-H. en S:!/iriand.

-ocr page 262-

160

27 Juli 1869 werd bij besluit van den Minister vun Binneu-landsche Zaken Mr. J. baron quot;van Slingelandt te \'s Gravenhage, op zijn verzoek als opvolger erkend van wijlen zijnen vader Mr. H. baron van Slingelandt, die patroon was der Slingelandts en St. Odulphus kapellen in de groote kerk te Dordrecht met de daarbij behoorende kapitalen ingeschreven op het grootboek op naam dezer kapellen.

Een tweede resolutie, — de laatste door den Minister in zake bovengenoemde kapellen genomen, — is van den volgenden inhoud.

19 December 1878. De Minister gezien het verzoek van „Jhr. Mr. D. A. W. van Tets, Raad van legatie bij het Neder-„landsche gezantschap te Londen, gedomicilieerd te \'s Graven-„hage, om als opvolger van wijlen zijnen oom van moeders-„zijde, Mr. J. baron van Slingelandt te worden erkend als „patroon of collator der Slingelandts en St. Odulphus kapellen „(de laatste ook genaamd de kapelle van van der Mijle) in de „groote kerk te Dordrecht met de daarbij behoorende kapitalen „ingeschreven op het grootboek der N. S. op naam dezer kapellen, gezien het authentiek afschrift der acte op 9 Dec. „1878 voor den te \'s Gravenhage gevestigden notaris W. J. „Eikendal verleden, waarbij de gezamenlijke erfgenamen van „genoemden vroegeren collator het patronaatschap der bedoelde „kapellen afstaan aan den adressant, hun mede erfgenaam, op „gromi dat hun is gebleken , dat zoodanige overdragt in de „bedoeling van den erflater heeft gelegen; — gezien (Resol. „van 17 Juli 1869) toen, nu wijlen Mr. J. baron van Slingelandt werd erkend als patroon en collator der voormelde „kapellen; — gezien etc. — erkent adressant Jhr. Mr D. A. „van Tets als tegenwoordig patroon en collator der genoemde „kapellen met de daarbij behoorende kapitalen.quot;

Van confirmatie op eene begeving is dus in deze twee re-solutiën geen sprake. Belanghebbende wordt er eenvoudig officieel in erkend als collator of patroon, welk bewijs hij met groote waarschijnlijkheid noodig had, om de interesten te kunnen ontvangen van de kapitalen die op het grootboek waren ingeschreven.

-ocr page 263-

161

Verdere vicariên.

Nieuwe Kerk. Wij vinden wel gewaagd van kapellen, en ook van 15 altaren, die in deze kerk waren; van op die altaren gestichte vicariën; van proven en prebenden ; maar van geen enkele zijn tot heden zoodanige bijzonderheden ontdekt, waardoor zij bij wettelijke regeling zouden in aanmerking komen.

Al vrij vroeg komen in de registers aanteekeningen van begevingen en confirmatiën van vicariën in de Nieuwe Kerk voor, die na de Hervorming plaats hadden, b. v. van eene vicarie op Lieve Vrouwen altaar, die vroeger ter collatie had gestaan van de „deeckens van \'t Vrouwengilde tot Dordrecht,quot; die later herhaaldelijk door die toen sustineerden patronen dier vicarie te wezen begeven werd; — van de vicarie op een altaar in de Nieuwe kerk door juffrouw Godtschalck en Thieleman Godtschalck gefundeerd , die met onderscheidene morgen land begiftigd was; — van de vicarie op St. Ag nietm altaar, en andere vicariën; maar over deze en andere vicariën behoeft om even genoemde reden hier niet uitvoeriger te worden gehandeld.

Hetzelfde geldt:

„het Beneficie op seker autaer gefundeerdt ia \'t Sacraments gasthuiseene fundatie van Jan Francken te Dordrecht, dc. 16 Juni 1521; — twee vicariën in St. Claren Susterhuijs tot Dordrecht, die rijk begiftigd waren; en onderscheidene meer.

Graft.

Vicarie op het altaar van St. Catharina. — De kerk te Graft is de eerste parochiekerk op het Schermer eiland geweest.

De Hervormde gemeente was tot het jaar 1622 gecombineerd met de Rijp.

De vicarie of kapellanie evengenoemd was in het jaar 1334 gefundeerd, en met veel land begiftigd. Overeenkomstig daartoe verleend octrooi, zijn in het jaar 1634 onderscheidene landerijen dezer vicarie openlijk voor vrije en allodiale goederen

11 h

-ocr page 264-

162

verkocht, terwijl de kooppenuingen werden belegd ten kantore van den ontvanger Ackersloot te Haarlem.

Herhaaldelijk werden de inkomsten dezer vicarie begeven, en die begevingen geconfirmeerd, als:

8 Dec. 1643 door den collator Petrus Scbeverius te Leiden, als de oudste en naaste van het geslacht van den stichter, aan Arent Cornelis Suycker te Haarlem: „om die zijn leven lang te „gebruiken en den armen daer van te gedencken,quot;

23 April 1657 had A. C. Suycker, toen wonende te Breu-kelen, die de inkomsten tot dien tijd getrokken had, daarvoor bedankt, en werden ze bij acte van collatie voor een notaris gepasseerd geconfereerd op quot;Willem Schrijver Wz.

29 Januari 1766 komt H. van Vladeracker te Alkmaar als patroon voor. De inkomsten bestonden toen in eene losrente van f 4900 kapitaal ten laste der provincie Holland. De vicarie was geconfereerd op Dr. M. H. de Courcelles, oud Schepen van Alkmaar.

Nu blijkt uit veel latere aanteekeningen. dat bij besluit van Z. M. van 29 Januari 1831 de heer Francois Constantijn Willem Druijvesteijn, dijkgaaaf van de uitwaterende sluizen in Kennemerland en West-Friesland en stedelijke ontvanger van Alkmaar, werd erkend als patroon en collator dezer vicarie. Hij confereerde weldra daarna de inkomsten op den heer Fetro Francois Constantijn Druijvesteijn. De begeving werd 2 Juni 1831 door den toenmaligen administrateur voor het onderwijs van Ewijk geconfirmeerd, en de begiftigde gerechtigd verklaard, de inkomsten tot wederopzeggens te genieten.

Ten name van deze vicarie staat eene inschrijving op het grootboek der 2l/j 0/0 K S. van f 2000 waarvan 1 Jan. 1880 F. F. C. Druijvesteijn te Alkmaar, als erkende possesseur, de rentheffer was.

\'s-Ubavexhage.

Tn de verschillende rekeningen der ontvangers van het groot geestelijk kantoor zijn steeds inkomsten van onderscheidene

-ocr page 265-

163

geestelijke goederen in den Haag verantwoord. Van andere steden in Holland wordt, vergeleken bij den Haag, betrekkelijk maar zeer weinig van zulk eene verantwoording in de rekeningen aangetroffen. Wij vinden dat in die rekeningen inkomsten zijn opgenomen van vroegere pastoriën in den Haag, van memoriën, van getijdegoederen. renten en erfpachten verschuldigd van drie vroegere kloosters enz. Zoo komen er ook in voor de inkomsten van sommige vicariën en proeves. De gelden der vicariën werden echter aan de possesseurs, voor zoover ze er recht op hadden , weer uitbetaald

In eene der laatste rekeningen, in die over het jaar 1806 zijn nog de volgende vicariën in den Haag verantwoord.

„Vicarijen of capelleriën, de eene gefundeerd op zeker autaar „in de St. Jacobskerk in den Haag, bij Gijsbert Claasse, priester „aldaar in den jare 1487, ende andere gefundeerd bij Pieter „quot;Willemse Uittenbroek, den 17e Maart 1487, daarvan collateur „is Jan Matthijs Uittenbroek.quot; Het jaarlijksche bedrag der renten „was ruim ƒ100.

„Vicarije, gefundeerd op \'t kruis altaar in de St. Jacobskerk „in den Haag anno 1446, daarvan collateur is de voorn. Uit-„tenbroek.quot; Losrenten , jaarhjkscb bedrag ƒ 62.50.

Hofkapel of Maria kapel ten Hove.

Nadat graaf Willem II zijn hof naar \'s Gravenhage aquot;. 1249 overgebracht had , is later door hem, of door zijn zoon Eloris V deze kapel ten dienste van \'t Hof en van de Hovelingen, ter eere van de Maagd Maria gebouwd (1). Van daar de benaming. — Later is in deze kapel door Aalbert van Beyeren een kapittel gesticht van 12 kanunniken en een deken, welke instelling 5 April 1371

(1) Jac. de Riemer. Beschrijving tan \'s Gravenhage, behelzende deszelfs oorsprong, benaming. Delft. 1730.

Gijsb. de Cretsers. Bench rijt. van \'s Gravenhage met figuren Amst 1711. W. H. J. van Westreene. Gravenhage in de dertiende eeuw volgens eene oude afteekening met historische opheld. \'sGrav. 1804.

-ocr page 266-

164

door paus Gregorius XI bevestigd is. liet kapittel werd door de graven gedurig meer begiftigd, „en voorzien met onderscheidene „vrijheden en privilegiën.quot; De graven zagen , volgons een der aangehaalde schrijvers (1) deze kapel aan, als „een cieraad en „eer van hun Hollands Hof en Haagsch verblijf.quot;

Ettelijke vicariën waren in deze kapel gesticht. De zielmissen, die eerst in de parochiekerk te Alkmaar voor de ziel van graaf Floris V gedaan werden, zijn aquot;. 1414 in deze kapel overgebracht, en de renten daarvoor vroeger bepaald met nieuwe renten vermeerderd.

Toen bij zekere gelegenheid door twee stichters van twee vicariën in de Hofkapel, waarvan een de deken van het kapittel was, dezelfde persoon tot vicaris benoemd was, heeft hertog Albrecht daartoe bij uitzondering vergunning verleend, want geen priester mocht twee vicariën gelijk bedienen. De nu benoemde zou dat voorrecht zijn leven lang mogen blijven genieten , maar na zijn dood zouden de twee vicariën door twee priesters bediend worden.

De goederen van dit kapittel zijn in de zestiende eeuw bij verschillende Resolutiën, van 18 Aug. 1577, 15 Juli 1581 en 27 Juni 1582 aan de graaflijkheids domeinen gevoegd tot betaling en onderhoud van de predikanten, op voorwaarde dat de kanunniken, die toen nog in leven waren , uit de opbrengst zouden onderhouden worden. Na dezen tijd komt van al de goederen en inkomsten dier rijke hofkapel weinig meer voor. Uit het laatst der zestiende en begin der zeventiende eeuw is eene enkele aanteekening gevonden , betreffende twee vicariën die er in gevestigd waren :

de eerste is van 29 Aug. 1588, toen namens den schoolmeester van Nieuwerkerk eene vicarie aangebracht werd „in Capelle „op \'t Hof, lest gepossideert bij Hr. Jan de Gastro, lest overleden „canonik.quot; De vicarie bezat ± 18 morgen land en eene jaar-lijksche rente van ruim 23 fe.

(1) Jac. d«! Kiemer.

-ocr page 267-

165

de tweede betreft de begeving eeuer vicarie, gefundeerd door „Mathijs Willemse, Camerliuck van Hertoch A.elbrecht vau „Beijereu, op onser Vrouwen autaer in de collegiale kerck op „quot;t Hof in den Haag,quot; welke begeving 15 Sept. 1608 werd geconfirmeerd.

Bij de behandeling der Leidsche vicariëu is er gelegenheid om in \'t algemeen terug te komen op vicariën, die in de kapittelkerken waren gevestigd.

De mededeeling van het volgende omtrent eene nog bestaande vicarie kan , zooals mij voorkomt, hier eene geschikte plaats vinden.

9 Januari 1761 werd eeue begeving gecontirmeerd , gedaan door Frederik Barnards te Leiden, patroon voor \'/j van zekere vicarie ter somme van f 89—15 \'sjaars, eertijds gefundeerd bij Jan van de Capelle in zijn leven canunnik op het Hof in den Haag, op het altaar van St. Catharina, aan zijne zuster Helena Hendrina als de naaste in den bloede, die „ter schoole gehouden „en in de Christelijke gereformeerde religie werd opgetogen.quot;

Dezelfde vicarie vinden wij in deze eeuw terug, want:

3 April 1836 werd do begeving goconfinneerd, gedaan door H. C. Scheffer, huisvrouw van J. Schaap aan J Schaap, van de inkomsten der vicarie door wijlen Jan van Capelle, in leven kanunnik op het Hof in den Haag, gevestigd op het altaar van St. Catharina. De betaling zou geschieden ten kantore van den agent van het domein te \'s-Gravenhage, en

22 April 1848 werd geconfirmeerd de begeving aan Helena Hendrina Johanna vau der Vugt te \'s-Gravenhage gedaan door A. C. Scheffer, weduwe van J. Schaap te \'s-Gravenhage, als collatrice van dezelfde vicarie , die de inkomsten genieten zou van af 1 December 1847, toen de vroegere begiftigde J. Schaap overleden was.

22 December 1886 komt nu de laatst begiftigde, mejuffrouw H. H. J. van der Vugt, die toen weduwe was van D Jansen te VGravenhage, als collatrice dezer vicarie voor. De inkomsteu

-ocr page 268-

106

er van, 38 jaren vroeger aau haar toegekend, had ze geconfereerd op haren zoou Hendrik Jansen, boekhouder en diaken , wonende te \'s-Gravenhage. Deze begiftiging werd genoemden datum geconfirmeerd, nadat uit overgelegde stukken het overlijden der vroegere collatrice op 9 Februari 1859 was gebleken, en ook, dat de genoemde weduwe nu de naaste in leven zijnde bloedverwante van haar was.

Die weduwe Janssen, van af het jaar 1848 begiftigde, en in 1886 collatrice, schijnt, ofschoon in het jaar 1859 het recht van collatie reeds op haar was overgegaan, gedurende die 27 jaren maar stil en rustig in het genot dor inkomsten van de vicarie te zijn gebleven, want bij de confirmatie, d0. 22 December 1866, wordt in het officiëele stuk naar de beschikking van 28 April 1848 verwezen, als naar de laatstelijk geconfirmeerde begeving.

De vereeniging der betrekking van collator en vicaris in een en denzelfden persoon was anders, zooals in dit verslag reeds meermalen is gebleken en verder blijken zal, aiet geoorloofd dan in zeer speciale gevallen, en de regeering heeft daarop nog wel eens een enkele maal geattendeerd. Deze collatrice, die jaren lang ook gelijk vicaresse van een zelfde beneficie was , zal dan in zulk een speciaal geval verkeerd hebben, of de regeering heeft er niet op gelet, dat ze geheel onwettig 27 jaren lang de revenuen er van trok; en, zonder eenige aanmerking, het zegel harer goedkeuring er aangehecht, dat de moeder haar zoon voor het vervolg van dezelfde inkomsten verzekerde.

St. Jacobs kerk.

Deze hoofd- of parochiekerk, ook wel de Groote kerk genaamd, was gewijd aan den apostel Jacobus. De straks aangehaalde schrijvers gewagen van kapellen aan en in deze kerk, van vicariën in de kapellen en aan altaren in de kerk gesticht; van vele gilden, die er hunne altaren aan hunne patronen

-ocr page 269-

167

gewijd iu haddon; van dusgenaamde getijdenaren, die dagelijks getijdeu zongen; van vele officiën, waaraan benificiën verbonden waren. Sommige fundatiebrieven, als ook brieven van confirmatie of bevestiging der stichtingen, worden door de schrijvers medegedeeld.

Latere lotgevallen na de hervorming worden door hen niet besproken, evenmin als door eenigen schrijver wordt bericht, welke vicariën of andere beneficiën, die in de St. Jacobskerk zoo talrijk waren, in deze eeuw nog bestonden.

Voor die kennis zijn geheel andere, ook vroeger opgegeven bronnen, geraadpleegd en daaruit is mij gebleken: dat meer dan 30 dier stichtingen , die in de St. Jacobskerk waren, tusschen de jaren 1578 en 1633 overeenkomstig vroeger vermelde staats-resolutiën aangegeven zijn; dat onderscheidene korter of langer nog begeven, en die begevingen geconfirmeerd zijn, en dat sommige vicariën nog werkelijk bestaan. In dit verslag worden bij voorkeur die werkelijk nog bestaande, en als dat bestaan vermoedelijk is, ook de zulken besproken.

Vicarie op St. Elisabeth en St. Barbara altaar. — 29 November 1578 werd deze vicarie aangebracht. Zij was gesticht 16 Maart 1469 en begiftigd met de inkomsten van landerijen, met eene woning en rente uit een huis.

17 October 1634 werd de vicarie geconfereerd door A. J. en Mr. J. Geel op C. A. Geel te Haarlem.

17 Maart 1779, begeven door Alida Cloppenburg, weduwe van Arend de Graaf aan Maria de Graaf te Amsterdam en die begeving geconfirmeerd.

28 April 1809, toen Maria de Graaf overleden was, werden de inkomsten door den toenmaligen patroon Mr. Nicolaas Sin-deram geconfereerd op Geertrui de Graaf, zuster van Maria.

29 Augustus 1836 geschiedde de begeving door Johannes Sin-deram, makelaar te Rotterdam aan zijne echtgenoote Catharina van Dorp, die de inkomsten haar leven lang genieten zou.

20 Juli 1864 wordt door J. Sinderman, toen patroon en

-ocr page 270-

16S

collator, de vicarie gegeven aau zijn zoou N. C. Sinderam, en ook deze gerechtigd verklaard om de inkomsten zijn leven lang te genieten.

Met deze extracten uit otïiciëele bescheiden komt overeen eeno inschrijving op het grootboek der 21/, quot;/o S. groot ƒ 11300 staande ten name van:

„Nicolaas Cornells Sinderam te Arnhem , als bij acte van „confirmatie in dato 20 Juhj 1864 aangestelde vicaris van „zekere vicarij gesticht op St. Elisabeth en St. Barbara altaar „in de St. Jacobskerk te \'s-Gravenhage.quot;

N. C. Swinderam te Arnhem was hier 1 Januari 1880 zelf de rentheffer van.

Vicarie, gefundeerd in het nieuwe gasthuis , overgebracht op St. Pieters altaar. Op het grootboek der 3 0/0 N S. staat de volgende inschrijving:

„\'s Gravenhage. Elizabeth Margaretha de Blij, huisvrouw van „Gerrit Wenk te Rotterdam, als patronesse en collatrice van „twee vicariën, gefundeerd bij Pieter Burgaarts, de eene in het „nieuwe gasthuis te \'s Gravenhage, en van daar overgebragt op „het altaar van den Apostel St. Pieter in de St. Jacobs kerk „te \'s Grav. en de andere op St. Michiels altaar in de parochie „of groote kerk te Rotterdam, kapitaal f 900. Laatste rent-„heffer G. Wenk en E. M. de Blij. Tijdstip der laatste rente-„betaling 1875.quot;

Omtrent deze vicarie uit het nieuwe gasthuis in den Haag, overgebracht op St. Pieters altaar in de St. Jacobs kerk, kan het volgende worden medegedesld. In de inschrijving op het grootboek en ook in zekere acte van confirmatie wordt als stichter genoemd P. Burgaarts, terwijl in eene andere acte als stichter voorkomt J. Dirkse Mooykind. Die schijnbare tegenstrijdigheid in officieele stukken vindt hare oplossing hierin, dat in het jaar 1500 de priester J. Dirksz Mooykind de stichting der vicarie vernieuwd en de inkomsten er van vermeerderd heeft, en als zijn verlangen te kennen gegeven, dat zijne erfgenamen de

-ocr page 271-

169

vicarie zoudeii begeveu, en als die waren uitgestorven, zou de begeving gesclneden door den memoriemeester en oudsten kerkmeester.

Confirmaties van begevingen hadden plaats 16 September löoB. In deze acte komt voor dat de vicarie „bij heer Jan Uirkamp;z „ Mooykind a0. 1500 gefundeert in \'t nieuwe gasthuys in den „Haag, en daernae getransporteert op het altaer van St. Fieter „apostel in St. Jacobs kerk in den Haag,quot; wordt begeven door Gr. L. van Montfoort aan zijn\' oudsten zoou.

15 Juli 1675 is de begeving door C. van Montfoort, die de vicarie bij voorgaande acte ontvangen had en na den dood zijns vaders van vicaris collator geworden was, op zijn\' zoon Wouter geconfirmeerd.

Overeenkomstig octrooi der Staten van 15 December 1664, is een groot gedeelte land der vicarie door C. van Montfoort verkocht, en zijn de kooppenningen rentgevend belegd.

11 Januari 1680 werd de vicarie begeven door E. Arendsz Haesbroeck te Rotterdam , aan zijn zusters zoon.

In veel lateren tijd komen nog twee acten voor, die met de begeving dezer vicarie, en wel gelijk met die van eene andere vicarie in verband staan, waarmede overeenkomt hetgeen bij de aangehaalde inschrijving vermeld werd.

31 October 1815 heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken de collatie geconfirmeerd door Elizabeth Margaretha de Blij, huisvrouw van Gerrit Wenkte Rotterdam, bij acte van 3 October 1808 voor notaris W. de Prill gepasseerd , uitgebracht ten behoeve van haren man, en zulks van twee vicariën, gefundeerd bij Pieter Burgaarts, de eene in het nieuwe gasthuis binnen \'s-Gravenhage en daarna overgebracht op het altaar van St. Pieter in de St. Jacobs kerk aldaar, en de andere op hot St. Michiels autaer in de parochie kerk te Rotterdam.

16 April 1881 werd door den Minister na het overlijden van vrouwe E. M. de Blij, weduwe van den heer G. Wenk, haar oudste zoon, de heer G. Wenk, particulier te Rotterdam, op zijn verzoek erkend als patroon en collator van beide vicariën, omdat

-ocr page 272-

170

volgens de acte van stichting, de oudste der familiebetrekkingen bij vacature als patroon of collator moest optreden.

Meermalen werden, zooals ook vroeger is gezien, op één zelfde altaar onderscheidene vicariën gesticht. Ook op St. Pieters altaar werden er meerdere gevonden.

A0. 1612 werd er eene vicarie begeven op dit altaar gevestigd, welke begeving toen gedaan werd door eenen „Capiteijn „over eene Comp. engelsche voetknechten, als manende voocht „van Jonkvrouwe Adriana van Xaeldwijck.quot; — Van deze vicarie staat aangeteekend bij gelegenheid der aangifte, die al vroeg was gedaan, dat er nevens andere inkomsten „noch toe behorende „sijn 7 morgen lanta gelegen in Monsterambacht dan is ver-„donckert eijde daer van nyet ontfangen.quot;

In het jaar 1625 werd aangifte gedaan van nog een andere vicarie op datzelfde altaar, die toen bezeten werd dooi den zoon van Michiel de Wilhelm.

Later zijn van deze of van andere vieariën, die op dit altaar waren gesticht geweest, geene bijzonderheden meer aangetroffen.

Vicarie c/enaamd Ursula. De inkomsten dezer vicarie werden dikwijls in vereeniging met die van andere vicariën begeven ten bate van denzelfden.

A0. 1633 werd wel afzonderljjko aangifte van de begeviug dezer vicarie en van hare inkomsten gedaan ; maar hetzelfde jaar werd zij begeven in vereeniging met eene vicarie in de kerk van den Briel , en die begeving gelijk geconfirmeerd. Zij was, evenals die in den Briel, eene beneficie juris patronatus laicalis, gefundeerd 30 November 1491.

A0. 1650 werd de vicarie genaamd Ursula afzonderlijk begeven door eene weduwe , als moeder eu voogdes aan haren minderjarigen zoon.

13 Maart 1771 was „Hendrica Paulusd\'. Groen meerderjarige „vrijster, van de gereformeerde religiequot;, collatrice van drie vicariën, de eene gefundeerd op St. Jacobs altaar in de oude

-ocr page 273-

171

kerk te Delft, kapitaal / 9763, de andere juris patronatus laiealis gefundeerd a°. 1480 in de kerk van den Briel, en van de vicarie Ursula in de parochie kerk te \'s-Gravenhage , gefundeerd a». 1491, kapitaal ƒ1651, en begaf die aan Cor-nelis Heijne.

In deze eeuw ia dezelfde vicarie steeds in combinatie met nog twee andere vicariën begeven. (1).

Vicarie op St. Anna altaar. Op het grootboek der 2^ °/n N. S. staat eene inschrijving van / 2UÜ, ten name van:

„Job Taal als vicaris bij acte van confirmatie dato 20 July 1810 „te \'s Gravenhage. Laatste renthoffer in 1824 de houder van „Rekening.quot;

Uit deze acte van confirmatie bljjkt dat genoemde Taal te Scheveningen woonde, en door zijn vader als collator met deze vicarie begiftigd was, welke vicarie gefnndeerd was door zijne vooroudera, en toen bestond in een rentebrief van ƒ 650. De betaling geschiedde ten kantore van den ontvanger in den Haag.

Yan latere begevingen dezer vicarie is geen blijk; wel van confirmatiën van vroegere, die echter geene bijzonderheden behelzen.

Onder de inschrijvingen op het grootboek der 2\' 3 0/o N. S. komt nog voor f 3400 ten name van:

„Kerkefonds der parochie van den H. Jacobus te \'s Graven-„hage. Fundatie met last van kerkelijke diensten. Rentheffers „1 Jan. 1801 J. J. Rioche en 1). J. Switzar, beide te\'s Hage, „de eerste als pres., de tweede als secr. het kerkbestuur vertegenwoordigende.quot;

Op hetzelfde grootboek staat eene inschrijving van f 1000 op naam van;

„Mr. Nicolaas Adriaan Meijners, vicaris bij acte van confir-„matie in dato 26 November 1772 te \'s Gravenhage. Laatste

(1) Zie onder Delft p. 148.

-ocr page 274-

172

„rentheffer 1 Jan. 1880, E. J, AY. J. Six tot Oterleek en rgt;l - M. H. Wijckerveld Bisdom echtelieden te \'s Gravenhage, „als vader en bewindvoerder van de minderjarige E. J. Six ge-„regtigd tot liet genot der inkomsten.quot;

Van alle vicariën, die in de St. Jacobskerk na de hervorming nog gevonden werden, maar weldra verdwenen zijn, behoeft hier verder niet te worden gesproken. Alleen het volgende.

Het is bekend, dat in deze kerk onderscheidene vicariën waren gesticht op liet altaar, dat daarin ter eere van den Heiligen Geest was opgericht. Dat altaar stond onder opzicht van Heilige Geestmeesters, die belast waren met de zorg der armen, en de collatie hadden van sommige dier vicariën. Zoo werd door hen met dea pastoor de vicarie begeven, die ac. 1520 door Elizabeth, dochter van Hendrik van Geulen, was gesticht, welke stichting a0. 1521 door Philips van Bourgondië, bisschop van Utrecht, werd bevestigd. Ook hadden zij de collatie eener vicarie, veel vroeger op hetzelfde altaar gefundeerd, die aquot;. 1450 door den zoon van den stichter nog belangrijk vermeerderd werd, en de eerste maal bezeten was door Plorus Jacobsz van Alkemade.

Na de hervorming vinden wij de eerst genoemde vicarie, gesticht in het jaar 1520, terug. Zij werd aaagebracht 31 Maart 1579, terwijl er eene acte van confirmatie eener begeving gevonden is van 22 Maart 1660. Uit de stukken bleek, dat de vicarie nog twee renten trok ; „d\'eene van 420 gulden capitaal „en d\'andere van Thijen gulden \'sjaers daer van patronen ende „collateurs waren de Regenten van h: geesthmjsen in \'s Gra „venhage.quot; Ook blijkt er uit, dat de h: gcestarmen van de opbrengst jaarlijks eenig voordeel hadden. Herhaaldelijk werd in de voorgaande eeuw de begeving dezer vicarie geconfirmeerd.

Nog twee andere vicariën op genoemd altaar gesticht zijn in het jaar 1579 aangebracht.

Eene vicarie op het H. Cruys altaar is ook herhaaldelijk begeven. De laatste begeving is gedaan namens de weduwe

-ocr page 275-

173

de Wilde aan haren zoon. Die collatrice woonde toen te Londen. Later komt die vicarie niet meer voor.

De vicarie op \'t altaar van den naam Jezus werd in het jaar 1615 door Johan van Teijlingen begeven, opdat de begiftigde „des te beqnamer sijne studie ter eere Gods soude mogen volbrengenquot;. Op dezelfde voorwaarde werd deze vicarie in die eeuw meermalen begeven; maar later komt zij niet meer voor.

Meerdere vicariën in de St. Jacobs kerk zijn nog vele jaren na de hervorming en vaak herhaaldelijk begeven. Ze zijn verdwenen , en zeker niet gemakkelijk terug te vindon. Eene bloote opgave er van heeft geen unt, en eene zelfs zeer korte bespreking van ieder afzonderlijk zou leiden tot te groote uitvoerigheid.

Hetzelfde geldt vicariën gesticht of in de gasthuizen, of in St. Vincent en St. Elizabeth convent, of wel in afzonderlijke kapellen , waaronder er zijn , die van elders waren ingebracht of naar elders overgebracht werden.

Zekere vicarie „ genaemd St. Anthonis pröve gefundeerd „op St. Anthonis Capelle in \'thosch van den Haege, wesende „juris patronatus laicalis, of wel de vicarie in de Capelle van „H Boschquot; werd aangebracht in het jaar 1579 door Mr. Jacob heer van Caban. Bij die gelegenheid werd opgegeven en aan-geteekend dat er ruim 23 morgen land tot die vicarie behoorden, die gelegen waren onder Noordeloos. Deze vicarie werd 25 Juni 1605 begeven door J1\'. Joachim van Hardonbrouck , heer van Hardenbrouck , aan zijnen zoon , en de begeving geconfirmeerd. Op de begevingen dezer vicarie, als ze nog hebben plaats gehad, schijnen later geene confirmatiën meer verzocht of gevolgd te zijn. Ook deze vicarie is spoedig naar \'t schijnt verdwenen.

Door Burgemeester en Wethouders van \'s-Gravenhage zijn tot tijdelijk gebruik gezonden een tweetal stukken , die in mijne handen zijn gesteld. Zij schijnen mij toe voor de geschiedenis der vicariën zeer belangrijk te zijn. Na mededeeling van den zakelijken inhoud van ieder stuk, die ik hier laat volgen, zullen ze onder de Bijlagen worden opgenomen.

-ocr page 276-

174

]ste A0. 1418. Jaarsavoud. Jacoba va a Beyeren en hortog Jan vaii Braband geven eenige landerijen in Noord-Holland tot fundatie van eene eeuwige mis op St. Joris altaar in de Parochie kerk van den Haag, wegens eene som van honderd Engelsche nobelen, die zij aan de schutters in den Haag schuldig waren (1).

2ile Aa 1529. 21 November. Transportbrief van viervicariën door Anna Schouten aan Heer Grerrit van Assendelft, waaronder een op St. Georgius altaar in de St. Jacobskerk (2).

De overige drie vicariën in dezen transportbrief zijn, zooals op de achterzijde ook vermeld is :

1. de vicarije van Heijlige Kruys altaer in de Pieters-kercke tot Leijden.

2. de vicarije van St. Catharina altaer tot Leyden voorz.

3. de vicarije van St. Catharina altaer in St. Laurens parochie kercke tot Alcmaer.

Op het Rijksarchief te \'s-Gravenhage kan verder eene collectie belangrijke handschriften van de Riemer geraadpleegd worden in één zelfden bundel samengevat, waarvan de titel is: „Fundatiën en Dotatiën van vicariën. Giften en Makiugen aan „Godshuijsen. Mitsgaders constitutie van renten op huysen, erven, „land etc. gelegen in en omtrent \'s-Gravenbagequot; (3).

Het zou een veel te omslachtig werk wezen, om de fundatiebrieven hier nver te nemen, — die meest in de Latijnsche taal gesteld zijn, met daarop verleende bevestiging van den Bisschop,— in zooverre ze in de aangehaalde collectie gevonden worden van die vicariën, die hier behandeld zijn. Alle aoten van fundatie, en die van bevestiging door de kerkelijke overheid, zi^n

(1) Een woordelijk afschrift van het. gezonden stuk is door mij genomen, Bijlage A.

(2) Deze is de oorspronkelijke in de Latijnsche taal op perkament geschreven brief, — Dr. Th. J. Van Griethujjsen C. Jzn. predikant te Tuil en \'t quot;Waal, heeft de beleefdheid gehad dien af te schrijven. Naar dat afschrift is deze brief opgenomen onder Bijlage B.

(3) Onderscheidene dezer stukken zijn ook gedrukt.

-ocr page 277-

175

daarbij vrij gelijkluidend wat de hoofdzaak betreft. — Ondoelmatig achijnt het echter niet, met een enkel woord op eenige bijzonderheden opmerkzaam te maken , die in genoemde collectie voorkomen of daarnaar te verwijzen, en een enkele bekrachtiging door het kerkelijk gezag in haar geheel te laten volgen. Het volgende is er uit ontleend.

De vicarie op quot;t altaar van St. Anna in de parochie kerk, waarvan reeds met een enkel woord is gesproken (2), was eene fundatie van 4 missen ter week van Vrouwe Anna Stalinne, wed. Heer Nicolaes van Borselen , Vrouwe van Korthene , dd. 8 Februari 1420 bevestigd door Frederik Bisschop van Utrecht. Het laatste stuk: de bevestiging der vicarie door den Bisschop, waarin ook de confirmatie voorkomt van den benoemden vicaris, is van den volgenden inhoud.

„Fredericus Dei gratia Episcopus Trajectensis universis et „Singulis christi fidelibus tam presentibus quam futuris, Salutem „in eo qui est omnium vera Salus, Cultum divinum augeri „cupientes ad humilem Supplicationem dilecte nostre Anne seu „Andele relicte quondam Domini Nycolai de Borsalia militis „Fundatricis Capellanie de qua in litteris quibushec nostre littere „transfinguntur tit mentio fundationem ac dotationem illius „Capellanie prout in eisdem litteris describuntur tenore presen-„tium ratificamus approbaraus, et in Dei nomine confirmamus „jure matricis Ecclesie semper salvo, ipsamque Capellaniam in „titulum beneficii erigimus et bona ad illam in dictis Litteria „assignata et in posterum assignanda de cetero fore et esse ecclesias-„ticum deceruimus Sub Ecclesiastica libertate tuenda et nichilo-„minus (sic) discretum virum Gherardum filium Johannis Clericum „nobis ad eandem Capellaniam prosentatum prim aria vice insti-„tuimus in eandem, illamque Sibi cum omnibusjuribus etperti-„nentiis suis conferimus, et de illa pro videmus investientes eundem „traditione presentium de eisdem. Quo circa mandamus universis „Ecclesiasticispersonis nobis Subditis quatenus eundem Gherardum

(2) Zie bladz. 170.

-ocr page 278-

176

„Clericum in corporalem et realem possessionem illius Capellanie „recipiant et admittant ae iuducant auctoritate nostra cum so-„lemnitatibus debitis et consuetis nostrarura testimonio litterarum, „datum anno Domini millesimo Quadriugentesimo vicesimo mensis „Februarii die oct.quot;

De fundatrice dezer vicarie had reeds vroeger aan quot;t convent der predikaren in den Haag „een goeden {sic) kelk, een misboek, „een ornament en andere oostelijke cleynootquot; gegeven en bij die gelegenheid van de kloosterlingen begeerd: „een eeuwig „jaergetijdewaartoe de kloosterlingen zich bij officieele acte hebben verbonden. In die acte komt onder anderen voor: „Soe ver-„beijnden wij ons, en alle die broeders ons cloosters, die nu „zijn of namaels comen sullen te woonen in onsen doester tot „eeuwigen tijden te begaen dat voorzegde jaergetijde op ten „naesten manendach nadivisionein apostolorum desavontsmet eene „vigilieij te singen van negen lessen en des naeste daechs daarna „met eenre gesongen zielmisse, enz.quot; Dit stuk is van 15 Juli 1409.

De vicarie, op \'t altaar van St. Anna, door Vrouwe Anna Stalinne gefundeerd, werd 23 en 31 Augustus 1421 nog nader door haar begiftigd en vermeerderd, omdat de landen, waarmede zij de vicarie begiftigd had, niet zoo veel opbrachten, als zij had vermoed.

Een der vicariën (1) op het altaar van den heiligen geest in de parochie kerk van St. Jacob was gesticht door Zoete Huijghen, wede. wijlen Mr. Willem Zonder Dank,-tot het doen van 3 missen in de week, 22 Dec. 1466. Zij werd geconfirmeerd door David van Bourgongie, Bisschop van Utrecht, 17 Jan. 1467. In den fu ndatiebrief komt, nadat eerst op gebruikelijke wijze was beschreven, met welke landen en renten het beneficie werd begiftigd, en dat de vier H. Geest meesters in den Haag de begeving zouden hebben, het volgende voor:

„voor die eerste reijse soe gheve ik dese voornde Cappelrie

(1) Zie blz. 171.

-ocr page 279-

177

„puerlicken om Goedswillen Willem Willemctzoen mijns zoons „zoen Clerck, des wil ik dat hij Priester wordt als hij dertich „jaer oudt is , of eer wil hij, Ende zal hij die Capelrije in middel „van tijden doen moghen bedyenen, en missen doen bewaeren „van eenen notabelen Priester, en wat dan daer overloopt daer „mach hij mede ter schoole Legghen Studerende Sonder begrijp „ter tijt toe dat die volcomen tijt voornoemt zal zijn en niet „Langer, ende wonde hij dan gheen Priester worden als voorsz. „Staet, zoe Sellen die Collatoers wel daer of informeert wesende, „die zelve Capelrije moghen geven een ander Priester van der „maechschip of die binnen des sjaers Priester worden mach, „altoes die Priester te gheven voor die gheen Priester en is, „Ende waer daer gheen van der maechscliap, Soe moghen zij „die Cappelrie voorn11, geven een ander Priester die daer bequaem „toe is als voorsz. staet. Ende die zei alsdan en ook mede zijne „nacomelingen verbonden wesen boven die daghen en missen „voornt. alle Saterdaghen missen te doen, ofte doen duen, „biddende voor mij en voor alle mijne vrienden en weldaders „zielen , \'t welk ik hoere conscientie deuchdelick en ernstelich „beveel, alle dinck sonder arch ofte liste,quot;

In de zeer uitvoerige notarieele acte van fundatie der vicarie, gesticht door Elizabeth dochter van Hendrik van Geulen aquot;. 1520 (1) ook op het altaar van den H. G. in de St. Jacobskerk, komt o. a. voor dat de collatoren bij vacature de vicarie zullen begeven: „uni Sacerdoti procreato ex sanguine fundatricisquot;, — maar, wanneer een zoodanig priester niet te vinden is: „extunc con-„ferent uni pauperi sacerdoti, vel pauperi clerico qui infra annum „in Presbyterum promoveri poterit.\'quot;

Negen en twintig jaren na de stichting dezer vicarie, 6 Juli 1549, verklaren schepenen in den Haag, dat voor hen gecompareerd zijn do Kapelmeesters van St. Anthonis kapel „op te geest en „verlijden voor heur en iieuren nacomelingen als capelmeesters „bij den gerechte van den Hage daer toe geordineert bij advyse,

(2) Zie blz. 171.

12h

-ocr page 280-

178

„oerlof, consente en gootdunken van den Baillue , Schout en „gerechte van den Hage wel en wettelick vereoft te hebben een „jaarlixe losrenten , den possesseur ofte bezetter van de vicarije „ofte capelrije gefundeert op ten H. Geest outaer in de Prochie „kerke van den Hacge, gegeven , geassigneert en gedoteert tot „die voorsz. vicarie bij wijlen Lijsbeth Heynrics dogter van Coelen „fundiitriee van de voorsz. vicarije of capelrye in\'t jaer duijsent „vijf hondert en twintich den 7 September daer oollateurs of „zijn die „II. Geestm\'s. en Pastoor van den Hage. Endesevoorz. „renten als capclmrs. den possesseur van de vicarije versekert „en geypotekeert op die cappel van St. Anthonis , metquot; enz.

Al zeer vroeg a0. 1403 werd door de H. Geestmeesters op het altaar van den II. Geest in de parochie kerk eene vicarie gesticht. Zij hadden daartoe van den abt van Middelburg toestemming bekomen. De stichting werd bevestigd door Frederik van Blankenheim, Bisschop van Utrecht. Bij de fundatie werd betrekkelijk de begeving dezer vicarie het volgende bepaald, dat later werd goedgekeurd. Na den dood van een daartoe voor de eerste maal aangewezen persoon: „zoo zullen die voorz. „H. Geestm\'s. mit hoeren Prochipape die ter tijt wesen sullen „die capelrije geven alsoe dicke alsse verschijnt en openvalt „eenen waerlijcken Prister die in den Haghe-Ambocht ghe-„borcn is of eenen eersamghen die in den Hage woenachtigh „is. Ende waert zaeke dat de H. Geestmr. metten Prochypaep „van den Haghe nijet eens en waeren dese Capelrije te gheven, „zoe sonde die Abt van Middelburch die ter tijt wesen sal, „die voorz. capelrije geven eenen waerlijcken Priester, als „voorsz. is.quot;

Zooals opgemerkt is , werden op de rekeningen der geestelijke goederen ook dikwijls inkomsten van vroegere memoriën verantwoord. Dat was vooral het geval met inkomsten van memorie-goederen in den Haag.

In de boven aangehaalde collectie van de Riemer komen ook cenige stukken voor, die op deze kerkelijke diensten (memoriën)

-ocr page 281-

179

betrekking hebben (1). Die diensten geschiedden niet door één daartoe aangewezen persoon (vicaris) afzonderlijk; maar door onderscheidene geestelijken, die doorgaans in dezelfde kerk eenige betrekking bekleedden, te zamen, en die daardoor — maar in meerdere of mindere mate — gezamentlijk genot hadden van de inkomsten aan hetzelfde officium verbonden, zooals dan ook uit het volgende blijkt, dat uit die stukken getrokken is.

Memorie van Andel Staelline Vrouwe van Corthene (2) „men „sal houden memorie Andel Staelinne, Vrouwe van Cortheen „des Sonnendaghes en des Manendaghes na den Octave van den „Heijligen Sacramente, in den eersten sel men singen vigilie „van IX lessen met venite en mit IX kaersen mit iiij stal-„kaersen, des anderen daghes een misse van requiem mit „Dijack, en Subdijack en mit Provisores, des sullen die Prochi-„paep, capellaenen, schoelm, en coster hebben 1 pont gelijck te „deelen, behoudelic dat die Prochipaep voerut nemen sal vijf „sch. die schoelm. VI st. enz. Zij zullen geven vijf hembden „vijf arme luijden. Item zij zullen geven vijf paer scoen om „Gode, Item men sal die kaersen setten voir dat outaer van „mijnre Vrouwe Cappelle van Cortheen en een cleet dair „spreijdenquot;.

„Heer Jan Govertsz. Priester s q. die alhier in den Haghe „is overleden den XXVI. Juli a0. XVXIX heeft bij sijnen , testamen te den H. Geestarmen gemaickt alle zijne achter-„gelaeten guedenquot; die er zouden overschieten. nadat eenige legaten en schulden zouden uitgekeerd en voldaan zijn, maar hij verlangde dat: eerst en vooral „van zijn sterfdag gehouden

(1) Volgens eene aanteekening zijn ze: „geëxtrah\'. uyt het originele francijnen „memorie-boek van den Heijlighen geest in den Haghe, behoorende aan \'t H. „geesthuijs, gebonden in een bruijne Iedere band in folio met twee kopere „knipsloten.quot;

(2) Dezelfde die de vicarie op \'t Altaar Kan St. Anna in de parochiekerk had gesticht.

-ocr page 282-

180

„zal werden een eeuwige jaerlixe memorie of gedenkenisseen heeft daarvoor afzonderlijk eenige gelden beschikt.

Memorie van Jonkvrouw van Wijnyaerden. — Die „Jonk-„frauwe van Wijngaerden stierf op ten xxviiste dach in Meye, „en op dien dach sal men haeren memorie doen alle jair inlt; „closter totten Jacopijnen of tot alretijt als die voirsz: Jonc-„frauw gedaen wil hebben. Men sal doen vigilie van drien „lessen en die singende misse van requiem, en men zal setten „IX waskaarsen op ten Heijligen geest oost. En als men de se „memorie hout, see sal men geven vijf arme menschen elox „drie ellen linnen lakens tot een hembde van iiij groet die „ellen en elcx een paer schoen van ses groet elc paer. En „die voorsz. Joncfrauwe sal hebben haer leven lanck die dispo-„sitie van den voirsz. hembden en schoen te dolen den armen „dair sij wil. En na hoire dood hoeren oudsten zoen die alsdan „leven sal. Ende alsoe voirt altijt die oudste voir die j mgste „zoene, ewelic duyrende, mit voirwairden wairt dat die renten „die zij hier toe bewijst heeft niet goet genoech en waeren so „en zullen die H. Geestmrs. in der tijt wesende nijet meer ge-„houden wesen te delen dan sij van de voirz. renten sullen „ontfangen. Hier voir heeft zij den H. Geest bewijst mit tweeen „brieven mit schoene zegel van quot;Wassenaer besegeit op Willems „van Zwetens woninge t eijnden hout zeestalf pont Hollants „\'t sjairs, en noch mit eenen Schepenbrief van der Haghe „XXX Schell. payments voirz. versekert op een stuk lants bij „den Noerdt mollen van welken renten die Jacopijnen hebben „zullen jairlix die voorz. XXX schellingen.

„Item upten XXIXste van October aquot; XV vijf en dertich „soe hebben die H. Geestmrs. ghelost XXX schell. Hcllts. die „de Jacopijnen alhier in den Hage besproeken waren van de „Jonkvrouw van quot;Wijngaerden voorn*, voer een eeuijghe memonje „gelijken hierboven verclaert en gespecificeert staet, blijkende „bij een besegelden brief van quot;t Convent van de Jacopijnen „voersz.quot;

-ocr page 283-

181 Haarlem.

Bij onderscheidene schrijvers, ook bij onderstaande (1), wordt in breedere of kortere trekken gewaagd van de Haarlemsche geestelijke goederen. Uit den inventaris van het stedelijk archief van Haarlem , opgemaakt door den Archivaris Mr. A. J. Enschede, blijkt dat daarin vele belangrijke oirkonden aanwezig zijn voor de geschiedenis dier goederen.

Tegen het plakaat der Staten van Holland, waarbij gelast werd binnen eene maand alle geestelijke goederen en inkomsten bij inventarissen over te brengen aan gecommitteerde Raden , opdat daaruit de predikanten, schoolmeesters en kerkdienaars zouden betaald worden, leverden de Haarlemsche geestelijken bij de Staten een verzoekschrift in. Zij herinnerden daarin, hoe onlangs de stad tot den Prins was overgegaan op voorwaarde dat de geestelijkheid en hare goederen in bescherming zouden genomen worden. Een gevolg hiervan was, dat de Roomsch Catholieken te Haarlem de administratie en de inkomsten van hunne goederen, die niet gealieneerd of in pandschap uitgegeven waren, behielden. Deze beschikking was van 31 Augustus 1577. — In 1581 echter zijn ter vergoeding der kosten, die geleden waren tijdens het beleg der Spanjaarden, aan de stad tot een vrijen eigendom overgegaan: „alle die ,goederen toebehoorende den conventen , gheestelicke collegien „ende ghilden die binnen de stad Haerlem, ende parochie van „dijen , ten tijde van de satisfactie , gestaen hebben , ofte gedweest zijn. Ende daerenboven de goederen van de canonieken, „eertijds monnicken tot Amsterdam en Heyloo geweest zijnde, „mitsgaders ook de helft van de goederen, toebehoorende den

(1) De stad Haarlem en haare geschiedenissen, door Mr. Gr. N. van Oosten de Bruijn. 1ste deel. Haarlem, 1765.

Tafereel der stad Haarlem, door Cornells de Koning L. d. z. Haarlem, 1807. Oudheden en gestichten van Kennemerland, Amsterdam, Xoord-Holland West-Vriesland, door H. v. R. Leiden, 1721.

-ocr page 284-

182

„twee conventen in de Beverwijck gestaen hebbende, daar van „de Staten d\'andere helft tot henwaerts behielden omme bij „hen luijden ad pios usus geemployeert te worden, mits dat de „lasten, daerup staende, mitsgaders de alimentatieu van de „conventualen, den Predikant ende Schoolmeester van die „plaatse ook half en half gedraghen zouden wordenquot; (1).

De eerste rekening van de geestelijke goederen te Haarlem , gedaan over genoemd jaar 1581 , is met volgende rekeningen op het stadsarchief aanwezig. Zij werd gedaan door Gerard van der Laen, en, evenals de volgende aan Burgemeesteren, Schepenen en Regeerders der stad. Van vicariën wordt in die rekening niet afzonderlijk gesproken, evenmin als in eene uit veel lateren tijd over het jaar 1756, van den rentmeester P. S. Crommelin, toen echter de meeste geestelijke goederen verkocht waren. Uit de inkomsten werden predikanten, kosters en voorzangers betaald. Ook komt er een post op voor van verstrekte gelden aan „Studenten die de stad Haarlem is houdendequot;.

Op de vroegste rekeningen van het geestelijk kantoor van Delft wordt evenmin melding gemaakt van vicariën onder Haarlem. Op latere slechts van ééne vicarie aldaar. Zij was, zooals straks blijken zal, een vicarie, die nog bestaat, die gesticht was in de parochie kerk op S(. Antonis altaar. Op de rekening van het geestelijk kantoor over het jaar 1656 staan de inkomsten van deze vicarie verantwoord tot een bedrag van ƒ 566. De laatste bezitter was toen geweest Claes Pieterse van der Laen, terwijl de geheele inkomst zonder uitkeering van het één derde, zooals in de rekening staat vermeld, door den poasesseur getrokken werd. Al wordt er nu op de stadsrekeningen niet specifiek van gesproken en op die van het geestelijk kantoor hoogst zeldzaam, omdat er al spoedig na de hervorming vele vicariën in andere geestelijke goederen , die onder beheer waren van het stedelijk gezag, zijn opgegaan, waardoor ze niet kenbaar meer waren, en andere aanstonds heimelijk geroofd, of op

(1) Van Oosten de Bruijn, t. m. p. blz. 110.

-ocr page 285-

183

\\

andere wijze gealieneerd . is het toch duidelijk, dat dit niet met alle vicariën en soortgelijke beneficiën te Haarlem het geval is geweest. Uit officieele stukken is mij met zekerheid gebleken, dat onderscheidene vicariën te Haarlem in het bezit van bijzondere personen en fainiliën gebleven zijn ; dat de gewestelijkt-regeering hiervan kennis droeg, en dat ze onder het oog dier regeering allengs vervreemd en geheel onkenbaar zijn geworden. Slechts drie zijn er overgebleven, die , als wat verloren is niet meer kan worden teruggebracht, nu toch wel behooren bewaard te blijven.

Van meer dan 20, der op deze wijze vervreemde vicariën, zouden onderscheidene bijzonderheden kunnen worden medegedeeld. Van een paar slechts een enkel woord.

19 Jan. 1608 begaf Jonkheer Lodewijk van Bloys van Treslong de vicarie Sepulchri Domini, gefundeerd in de kapel aan de Zuidzijde van de kerk te Haarlem, aan Gr. A. Storm. Tot deze vicarie behoorden o. a. twee morgen land onder Heemstede, die de rentmeester van \'t heemraadschap van Rijnland, 26 Aug. 1597, met approbatie van de Staten in eeu vrije en eeuwige erfpacht genomen had , van Jonkheer L. Van Bloijs van Treslong toen possesseur dezer vicarie.

21 Oct. 1617 is de begeving geconfirmeerd eener vicarie op St. Jacobs altaar, die gefundeerd was „bij Walraven die „Bastaert van Brederode op den 13 Sept. 1468, mettenlast „van drie missen ter week, dacr toe gedoteerd sijn: eerst die „eeuwige rente van een goude Engelsche nobel, staende op „2 morgen landt ende op 1 morgen broucklaut, noch 4\'; morgen, „item een rente van 2 Rijnsche guldens: geconfereerd bij Corn. „Claess. Suijcker, burger tot Haerlem op sijn soon Jacob Corn. „Suijcker.quot;

20 Dec. 1650 komt de confirmatie der begeving eener laicale vicarie voor, gesticht op het altaar van „de zeven weënquot; inde groote kerk te Haarlem, door den priester Pietcr Jacobse. Burgemeesters van Haarlem waren er de patronen ot collatoren van. Zij was door hen begeven geweest aan ecu zoon van een

-ocr page 286-

184

der Burgemeesters; maar „alzoo deze geen genegentheijt tot de „studie was hebbendequot;, was zij nu geconfereerd op eenen anderen zoon van denzelfden Burgemeester. Een gedeelte van het land. tot die vicarie behoorende, was reeds in het jaar 16:39 ten overstaan van Burgemeesters van Haarlem, aan dijkgraaf en hoogheemraden van Rhijnland verkocht, en de kooppenningen bij heemraden op rente gehouden.

Van deze vicariën is sedert niets meer gevonden. Ze zijn even als de rest van het evengenoemd ruim twintigtal op onbekende wijze verdwenen.

Het bovenstaande — en nog veel meer dat daaraan zou kunnen worden toegevoegd, — in aanmerking nemende, baart het geene verwondering, wanneer de Burgemeester \\an Haarlem in eene missieve aan heeren gedeputeerde Staten d0. 13 Oct. 1880, het onderzoek naar vicariegoederen betreffende bericht: van den archivaris dier gemeente de mede-deeling te hebben ontvangen, dat in liet archief een aantal stukken voorhanden zijn over vicariën, welke in vroegere eeuwen aan kerken en kloosters aldaar verbonden waren, maar dat een nauwgezet en uitvoerig onderzoek niet aan het licht heeft kunnen brengen , in wiens bezit de vaste goederen zich thans bevinden, welke voorheen eigendom dier vicariën waren.

Zooals gezegd is, worden er van de menigte vicariën, die te Haarlem geweest zijn, slechts drie teruggevonden die nog aan-wezig zijn, waarvan echter in het archief aldaar ook geene bijzonderheden schijnen te zijn aangetroffen. Van deze drie vicariën heb ik een en ander gevonden, dat zeker genoeg belangrijk is, om in hoofdzaak hier te worden medegedeeld.

Vicarie op St. Anthonis altaar. — Zij was een fundatie d0. 13 Juni 1482 van jufvrouw Catharina van Santvoort. Eene begeving der inkomsten werd 16 Oct. 1606 door de Staten geconfirmeerd.

-ocr page 287-

185

8 Maart 1641 komt als patronesse en begifster dezer vicarie voor Catharina van der Laen, „oude vrijsterquot; wonende te Alkmaar, eu wordt de begeving geconfirmeerd door haar gedaan aan Claes Cappelman, zoon van den lakenkooper Cappelman aldaar. De inkomsten bestonden toen uit renten, gehouden op verschillende landec. buiten Haarlem , en van kapitalen.

13 Maart 1704 werd Gr er, van Velsen, studentje Leideu, door zijn oom Elias Cappelman, begiftigd met de inkomsten.

2 Aug. 1731 was de voornoemde Ger. van Velsen „door het „verloop van zoovele jaren eu het afsterven der ouder vriendenquot; de eenige wettige patroon geworden der vicarie, daar hij de de inkomsten van trok. Toen was hij „van het bezit der voorsz. „vicarije, als vicaris desisteerendequot;, en gat die als collator aan zijn neef Willem van Campen, oud 25 jaren, van de gereformeerde religie.

30 Juni 1773 komt als patronesse voor J. F. van Campen , douairière Diert, die do vicarie confereerde op den notaris Adrianus van Wijk, welke begeving toen geconfirmeerd werd.

Nu trok in het begin dezer eeuw zeker heer Diert te Brussel nog de inkomsten dezer vicarie, die bij de Regeering een request inleverde om uitbetaling van het te goed zijnde sedert het jaar 1811, waarop hem door den toenmaligen Minister van Maanen werd bericht, dat hij wel gerechtigd werd verklaard tot het genot der gewone inkomsten der St. Anthonis vicarie, gerekend van het oogenblik, dat zij na de vernietiging der Fransche administratie hier te lande weder gepercipieerd zijn geworden, maar dat door den Minister geen kantoor van betaling kon aangewezen worden, van het sedert 1811 te goed zijnde. Dat antwoord was van 27 Febr. 1818 (1).

18 Aug. 1828 werd door den administrateur van Ewijck de begeving geconfirmeerd, gedaan door vrouwe Theodore Therese Diert, douairière van wijlen den heer A. H. de Beughem de

(1) In deze manier was in den regel het antwoord der Regeering op soortgelijk verzoekschrift. Zie pag. 86.

-ocr page 288-

186

Cappelle, ten behoeve van den baron F. Diert, griffier der Staten van de provincie Antwerpen.

3 Dec. 1863 wordt op adres van Vrouwe L. A. J. C. Diert, echtgenoote van J. M. S. Burggraaf du Bouzet, te Brussel, om confirmatie op de door haar als patronesse met assistentie van haren echtgenoot gedane begeving der inkomsten van meergenoemde vioarie, die begeving door den Minister van Binnenlandsche Zaken geconfirmeerd, en de notaris en lid van de gemeenteraad te Rotterdam, J. Van der Hoop, gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten.

23 Maart 1872 heeft de Minister, gezien het adres van den heer J. M. E. G. baron de Viack des deux Oijs grondeigenaar te Brussel, waarin hij kennis geeft dat bij akte van 25 April 1870 door de erfgenamen van wijlen vrouwe L. A. J. G. Diert, in leven echtgenoote van den heer J. M. S. burggraaf Dubouzet, aan hem zjjn gedelegeerd en door hem zijn aangenomen alle rechten van patroon van zekere vicarie, den 13 Juni 1482 door Catharina van Santvoort gevestigd op St. Anthonis altaar in de parochiekerk te Haarlem , en waarin hij verzocht als patroon der gemelde vicarie te worden erkend, aan dat verzoek, gelet hebbende op vroegere beschikkingen, voldaan.

Twee jaren later 25 Febr. 1874 werd door dezen collator de notaris van der Hoop te Rotterdam weder met de inkomsten begiftigd en de begeving geconfirmeerd.

Ofschoon nu de eigendommen dezer vicarie wel niet bekend zijn, is het echter vrij duidelijk , in welke handen zij zich bevinden, of wie de beschikking over de inkomsten heeft.

Vicarie op H altaar van de geboorte onze» He er en. De volgende inschrijving komt voor op het grootboek der2i0oN. S.:

„Voet (Jan Pieterse) vicarie den 19 September 1417 gefun-„deerd op den autaar van de geboorte onzes heeren in de T (iroote kerk te Haarlem overgeschreven krachtens de wet van „20 Augustus 1859, Staatsblad ïfa. 95, kapitaal ƒ 3700.— „Laatste Rentheffer: Minister van financiën.quot;

-ocr page 289-

1^7

De stichter J. P. Voet was pastoor in de parochiekerk te Rhijnsburg. Herhaaldelijk werd deze vicarie na de hervorming door een uit het geslacht van den stichter begeven, eu de begeving geconfirmeerd, als au. 1677 nog door D. G. Voet te Warmond, die de vicarie confereerde op zijn oudsten zoon. Zij was toen in het bezit van een kapitaal groot f 8200, dat jaarlijks f 328 afwierp.

A0. 1795 werd op cene begeving confirmatie verleend door de provisioneele representanten van het volk van Holland.

In deze eeuw komen drie confirmatiën voor: 1 Juni 1837 door den collator aan zijne vrouw; — 9 Juni 1848 na den dood dezer begiftigde door Willem Bartholomeus Kramer, aan Hendrik Antony Fiercq, winkelier te Amsterdam; — 21 Dec. 1878, de laatste begeving.

Uit het volgende, dat getrokken is uit de officieele acte van confirmatie op de laatste begeving dezer vicarie, blijkt van welken aard deze stichting geweest is, of hoedanig zij is beschouwd.

J. C. Fiercq en J. Fiercq, beiden te Amsterdam , vragen om confirmatie op de begeving dezer vicarie door eerstgenoemde, als tegenwoordig patroon en collator gedaan aan den tweede, als de naaste, — en als zoodanig tot de inkomsten gerechtigde — mannelijke bloedverwant uit het geslacht des stichters. De stichting was overgebracht ter weeskamer der gemeente Leiden en aldaar geadministreerd, maar later overgegaan onder het beheer van het departement van financiën. — De Minister, in aanmerking genomen hebbende de vroegere confirmatie der begeving door W. B. Kramer, destijds patroon en collator aan H. A. Fiercq, als behoorende tot de mannelijke bloedverwanten van den stichter, terwijl uit de overgelegde stukken bleek dat W. B. Kramer ongehuwd en zonder achterlating van broeders of van nakomelingen van vooroverleden broeders, was overleden , dat H A. Fiercq ook overleden was, nalatende de beide adressanten , eerstgenoemde als oudste , laatstgenoemde als in leeftijd daarop volgende, confirmeert de begeving, en verklaart tweeden adressant gerechtigd tot het genot der inkomsten.

-ocr page 290-

188

Vicaris op St. Laurens altaar in de parochie kerk van St. Bavo.

In het grootboek der 2^ 0/„ N. S. komt eene inschrijving voor, tot een bedrag van ƒ 3500, ten name van : „Pieter Veldman „te Gouda, als tegenwoordige bezitter eener vicarij gefundeerd „door Jacob Timanse op St. Laurens Altaar iu de parochie kerk „van St. Bavo te Haarlem; waarvan Regenten van het Al-„moezeniers weeshuis te Gouda, in 1880 alsrenthefFers voorkomen.quot;

Ook op dit altaar zijn meerdere vicariën gevestigd geweest. Er wordt althans ook melding gemaakt van eene vicarie op St. Laurens altaar in de parochie kerk te Haarlem, gesticht 5 Aug. 1408 „bij heer Reynier Van der Jacht, wijlen Everardtszoon, „pastoor der kercke van Nieuw-niedorp, die 19 Mei 1623 bij „Cornelis van Bodegem , op Jhr. Christaense Van Alphen tot , Amsterdam, werd geconfereerd.quot; Later is van deze vicarie niets meer aangetroffen.

De stichter der vicarie, die iu het grootboek voorkomt, Timanse of Thymausse was „een priester des stichts van „Utrechtquot;, maar woonde, toen hij a0. 1499 de vicarie stichtte, te Haarlem. Er behoorden onderscheidene landerijen toe onder Grafdijk, Uitgeest en Crommeniedjjk In het jaar 1579 had er reeds eene begeving van plaats, of werden althans de landerijen er toe behoo-rende, door den toenmaligen bezitter Mr. van Veen, aangebracht.

24 April 1690 werd de vicarie begeven door Nicolaas van Erckel, als oudste uit het geslacht van den fundateur, aan zijn neef J. C. van Erckel, licentiaat in de rechten.

11 Febr. 1850 werd de begeving der inkomsten geconfirmeerd, die toen gedaan was door Hendrikus de Bois, kleermaker te Gouda, als voogd over den minderjarigen Gerardus Veldman, wien het patronaatrecht of collatorschap toekwam, aan Antonius Arnoldus Hendrikus van Helden, koopman, mede te Gouda woonachtig.

12 Maart 1855 werd de begeving geconfirmeerd door Johanna Veldman, met assistentie van haren man, gedaan aan Antonius Arnoldus Hendrikus van Helden en Josina Veldman onder voogdij van regenten van het vereenigde wees- en aalmoeseniers-

-ocr page 291-

189

huis te Gouda, van de helft der inkomsten van meer genoemdo vicarie.

De regenten van bet alinoeseniersweeshuis te Gouda waren, zooals uit boven aangehaalde inschrijving blijkt, vele jaren later, de rentheffers nog van een kapitaal, herkomstig van een vicarie te Haarlem gevestigd geweest.

Hoorn.

Er wordt melding gemaakt (1) van eene beschikking voor de ingezetenen van Hoorn , die zeker voor hen in dien tijd eervol was, waarbij Willem VI „Palensgrave op den Rhijn, grave van „Henegouwen, van Holland, van Zeeland en Heer van Vries-„landquot;, hun de begeving eener vicarie opdroeg, die vroeger door de graven werd begeven, en die „de vicarie van de stadquot; werd genoemd. In den brief van den graaf, deze zaak betreffende, komt o. a. voor (2) dat in de parochiekerk gesticht was eene capellerie tot eere van onze lieve Vrouwe Maria, waarvan hij en zijne voorouders gifters waren geweest, en hij nu om de vele diensten , die de stad Hoorn hem en zijn voorouders bewezen had, met dezen brief de begeving dier capellerie overdraagt aan die van Hoorn: „also dat sij tot ewigen dagen „ghijfster ende collatoers dair of wesen ende blijven sullen tot aire „tijd als se open wert ende verschient.quot; Zij zouden de capellerie geven: „eenen goeden eersamen priester, die se verdienen sal „bijnnen de parochiekerke voornoemt, ende nergens anders.quot;

In den Spaanschen oorlog werd op verzoek van die van Hoorn het inkomen der geconfiskeerde goederen, zoo van geestelijken als van andere uitgewekenen aldaar, voor uitrusting van schepen toegestaan, mits dat de geestelijken, die gebleven waren, er uit zouden onderhouden worden. In dat zelfde jaar (1573) werd de eerste rentmeester, Cornelis Berkhout, over de geestelijke goederen te Hoorn aangesteld. Een jaar vroeger was volgens

(1) Theodoor Velius, Chroniek van Hoorn. Hoorn, 1740.

(2) Beknopte geschiedenis der stad Hoorn; en van de groote kerk door C. A. Abbing. Hoorn, 1839.

-ocr page 292-

190

eene aauteekening (3) het zilver uit de kerk in een haringtoa zamen gepakt: „en door twee uijt den Racd gesonden naar Dordrecht, „om aldaer tot behoef van \'t gemeene land gemunt te worden.quot;

De stad werd later, tot vergoeding voor de onkosten ten dienste van het vaderland gemaakt, verzekerd van het blijvend inkomen van alle aldaar aanwezige geconfiskeerde geestelijke goederen. Tot welke einden die inkomsten, zoo te Hoorn, als in andere steden van het noorder-kwartier, waar ze ook voorwaardelijk ter beschikking van de stedelijke regeeringen kwamen, en waarover even als te Hoorn rentmeesters gesteld werden, zouden aangewend worden, behoeft hier niet gesproken te worden ; maar het is geen wonder, als in die geestelijke goederen te Hoorn ook de even genoemde „vicarie van de stadquot; geheel opgegaan is, en alzoo verdwenen, want in lateren tijd wordt van deze vicarie, tot eere der lieve Vrouwe gesticht, nietameer vernomen.

Het volgende kan medegedeeld worden omtrent nog aanwezige stichtingen.

Vicarie- op het altaar der H. Catharina in de Parochiekerk te Hoorn.

Op het grootboek der 2\'/, quot;U N. 8. komt eene inschrijving voor op naam van;

„Ruijgh (Maria Arentz) vicarie gefundeerd op het altaar der „H. Catharina in de Parochiekerk te Hoorn, nader bevestigd „den 17 September 1513, overgeschreven krachtens de wet van „20 Augustus 1859, Staatsblad no. 95 — kapitaal / 2300. „Laatste Rentheffer 1 Jan. 1880 D. M. Alewijn als administrateur „van het fonds gesticht door Nanning Arends Ruijgh.quot;\'

Bijzonderheden, die met zekerheid op deze nog bestaande vicarie betrekking hebben, zijn niet aangetroffen.

Eene vicarie of kapellanie 4 Sept. 1487 in de parochiekerk, gesticht door Karstijn Pieter G-erbrants weduwe, is nog in

(3) T. Yelius, blz. 345.

-ocr page 293-

191

hetzelfde geslacht, waarin zjj 5 December 1659 werd aangetroffen, toen P. C. Carbasius, brouwer te Haarlem, als patroon en gifter dezer vicarie voorkwam, die de inkomsten gegeven had aan Nicolaas Carbasius zijn zoon „opdat hij daer doer des „te bequamer zijne studie sonde connea ten effecto brengen,quot; op welke begeving hij toon confirmatie ontving.

Van vele bijzonderheden, die door mij, betrekkelijk deze vicarie, uit officieele stukken zijn opgeteekend, laat ik slechts, zeer verkort, de meest belangrijke volgen.

16 Oct. 1823 vinden wij, dat de Minister van Justitie van Maanen, gezien request van Nicolaas Carbasius, notaris en directeur van het postkantoor te Hoorn, met verzoek om confirmatie in het recht van successie der collatie dezer vicarie of capellerie, d0. 4 Sept. 1487 gedoteerd met land in Oostblokker en om hem te erkennen als verus patronus of gifter „en alzoo „te oorloven en accorderen, dat suppliant de goederen en in-„komsten tot deze vicarie behoorende zou mogen aanvaarden, „regeren en gebruiken, en de vruchten en inkomsten ontvangen, „zooals men van gelijke goederen gewoon is te doen,quot; dat verzoek heeft toegestaan, nadat hem genoegzaam het recht van den suppliant was gebleken, en „m aanmerking nemende (deze considerans is opmerkelijk; zij wordt, zoover ik heb kunnen nagaan, alleen in dit staatsstuk aangetroffen, en daarom gecursiveerd) „dat in Holland de collateurs der vicariën enz. niet „gehouden waren de inkomsten te besteden om een jongeling te „laten studeer en , maar die als een aalmoes vermochten uittekeeren „aan tvien het hun gelust te, gelijk ook de inkomsten der onder-„werkelijke vicarie niet altoos tot studia zijn besteed.,

13 Nov. 1860 wordt in de plaats van N. Carbasius, die 23 Juli 1860 te Hoorn overleden was, diens oudste zoon H. Carbasius als collator of gifter der voornoemde vicarie erkend.

Volgens de toen overgelegde stukken, bestond de vicarie of kapellanie in 4 bunders, 46 roeden, 80 ellen weiland liggende in Oostblokker, gemeente Blokker, en werd de tot collator

-ocr page 294-

192

erkende heer H. Carbasius ook weder gelijk in het genot der inkomsten gesteld.

13 Juli 1875 wordt door den Minister, Nicolaas Carbasius Hz. te Medemblik, die volgens verklaring van den Notaris aldaar D. M. Alewijn, de eenige zoon van den overleden vroegeren collator was. gerechtigd verklaard om de betrekking van collator te bekleeden en de kapellerie te beheeren. Hierbij wordt de meermalen voorkomende opmerking gemaakt, dat hij niet tegelijk patroon en vicaris van dezelfde kapellerie of vicarie wezen kon.

4 Jan. 1878 werd aan het verzoek van Mej. Wijntje Carbasius, wonende te Arnhem, om erkenning als patrones en collatrice of gifster der vicarie, door den Minister van Binnenlandsche Zaken voldaan, in aanmerking nemende dat Nicolaas Carbasius Hz. overleden was, dat hij geen broeder had nagelaten, en zij zijne oudste zuster was. Zij werd daarbij gerechtigd verklaard, om de goederen tot die kapellerie behooretide te aanvaarden en behoorlijk te beheeren.

24 Oct. 1878 komt weder eene ministerieele resolutie voor, die op deze vicarie of kapellerie betrekking heeft. — Tegen de beschikking van 4 Jan. 1878 was bezwaar ingebracht: 1°. door den heer H. C. Carbasius, makelaar te Hoorn, en 2°. door Mevrouw de wed. Dirk Carbasius, geb. Meemeling te \'sGravenhage, als gevolmachtigde voor haren zoon Bernard August, wonende te Bandong op Java. Het gevolg was, dat in een vrij uitvoerig stuk, door den Minister, het besluit werd ingetrokken, waarbij Mejuffrouw Wijntje Carbasius als collatrice was erkend, daar nu gebleken was, dat volgens den stichtingsbrief het patronaat-recht dezer vicarie overgaat: „op het aire naeste oudste bloet „een manspersoon altoos voor een vrouwspersoon, evenna of „nijet even na,quot; en dus het recht van collator Bernard August Carbasius toekwam, die afstammeling was van een tweeden zoon van Nicolaas.

Het trekt de aandacht, dat in de onderscheidene resolutiën omtrent deze vicarie, die in deze eeuw genomen zijn, nimmer sprake is van confirmatie eener begeving, maar steeds van be-

-ocr page 295-

193

vestiging van don collator. Dat is geheel anders dan het vroeger ging met deze stichting, toen, zooals uit het medegedeelde uit de resolutie van 5 December 1659 blijkt, de vicarie, al ware de begiftigde een familielid, door den collator ad studia begeven, en die begeving geconfirmeerd werd. Ook deze stichting is blijkbaar in een familiefonds ontaard, waarvan één aangewezen lid der familie, de collator genoemd, al de geldelijke voordeelen opsteekt.

Nog onderscheidene coufirmatiëa van begevingeu uit vroegeren tijd met de daarbij gevoegde stukken zijn door mij nagezien, als uit de jaren 1713, 1715, 1721, 1722, waaruit blijkt, dat door den daartoe erkenden collator steeds een ander met de inkomsten begunstigd werd — in den regel ad studia —, en die begevingen dan werden goedgekeurd.

Onder de stukken, die bij gelegenheid van verzoek om confirmatie in het jaar 1713 overgelegd zijn, is ook copie van het „testament van Carstijn Pieter Gerbrants weduwequot;, waarin zij verklaart dat zij „vroeger gemaakt hadde eene capelrye in de „parochiekerk te Hoornquot;, en daartoe landen onder Westwoude had gegeven , en dat zij nu „tot stijvinge van de voorn, capelrijequot;, er nog landerijen onder Oosterblokker aan toevoegt. In het testament dier weduwe komt verder voor : dat na haar dood gifter of collator zijn zal: „dat aire naaste oudste bloet, dat van haer uijt-„gekomen zal wesen ende niemand anders, en dat zal sterven „van de een op die andere durende alsoo lange als daar eenig „bloet leeft dat haar toebehoort, een manspersoon , altoos voor „een vrouwspersoon even naa off niet even naa zal altoos col-„lator en gifter wesen en blijven ten eeuwigen dage, ende „waart bij alsoo dat Karstijns voornoemd bloet verstorven ende „teniet gekomen waer als dan zal collators en gifters wesen ende „gifter blijven, ten eeuwigen dage duirende, die oudste kerkmrs. „van jaren in de parochiekercke van Hoorn, ende niemand „anders ende de voorn gifters, die zullen tot allen tijden als „dese capelrije voorn, vaceert of verschijnt presenteren ende „geven dat aire naast bloedt dat van Karstijn voornoemt

13h

-ocr page 296-

194

„uijtgekomen zal wesen, dat een priester is ofte tot priester „staat voor een vreemde die geen ander beneficium of dienst en „heeft, die dan binnen die parochiekerk van Hoorn celebreren „ende missen doen zal voor Karsteyn voorn, en voor alle „degenen daer zij dat mede voor begeert ten allen tijden.quot;\' enz. (1)

Het bovenstaande, eene vicarie of kapellarie iu de parochiekerk te Ploorn betreffende, was reeds door mij geschreven, toen ik ontdekte, dat er na de vermelde ministerieele resolutie van 24 October 1878, die ik voor de laatste had gehouden, nog eene resolutie in de zaak dezer vicarie genomen is, die, naar mij voorkomt, niet de minst merkwaardige is. Het vrij uitvoerig stuk, komt in hoofdzaak op het volgende neer:

De heer B. A. Carbasius was 5 October 1886 te VGraven-hage overleden. Zijne weduwe mevrouw M. C. C. Carbasius, geb. van der Kop, had 10 November daaraan volgende een zoon ter wereld gebracht, genaamd Hendrik Carbasius. Al zeer spoedig na zijn geboorte, vraagt zij als moeder en voogdes zijne erkenning als patroon en collator der hier besproken wordende kapellerie of vicarie. De Minister, de stukken gezien hebbende, erkent Hendrik Carbasius als patroon en collator, en verklaart hem daarbij gerechtigd de goederen tot de kapellerie of vicarie behoorende te aanvaarden en behoorlijk te beheeren. Dat kind werd dus, toen \'t pas ruim twee maanden oud was, collator of patroon en gelijk vicaris verklaard van hetzelfde beneficie, natuurlijk onder het bekende voorbehoud : alles behoudens Zijner Majesteits en ieders recht. mits de gerechtigdverklaarde zich in

(1) Van dit testament van Carstijn Pieter Gerbrants weduwe, uit het jaar 1487, is in de gewisselde stukken dikwijls sprake. Het testament moet echter wel onderscheiden worden van den stichtingsbrief dezer vicarie, en dat is niet altijd geschied. Bjj deze testementaire dispositie toch wordt de vicarie slechts verbeterd, en wel door dezelfde, die haar, zooals daarin voorkomt, vroeger had gefundeerd: „om Zaligheijt haren ziele ten eere Gods ende waardig-„heijt van zijne lieve moeder Mariaquot;. — De vroegere acte van fundatie, waarmede in hoofdzaak de kort daarna gemaakte beschikkingen wel zullen overeenstemmen, schijnt niet meer aanwezig.

-ocr page 297-

195

alles gedrage naar do bepaliugen en verordeningen, welke op liet stuk der vicariën reeds bestaan en later mochten worden lïit-gevaardigd.

Deze resolutie is van 23 December 1886.

Een inschrijving op meergenoemd grootboek is aangetroffen als volgt: „Hoorn (Pastoor en kerkmeesteren van de „Roomsch „Catholieke kerk in de Achterstraat te) voor fundatiën. Kapitaal „ƒ 1900. Laatste Rentheffer 1 January 1880: J. Does c. s. „kerkmeesters.quot;

Op het altaar van St. Gatharina was nog eene vicarie gefundeerd , waarvan Cornelis Christoffel Jongemaets, makelaar te Krommenie, gifter of collator was. Nu verzocht Jan Jongemaets, stedelijk ontvanger te Hoorn, om confirmatie op de door Cornelis Christoffel bij notarieele acte d°. 16 Febr. 1847 gedane adsumtie van hem tot medegifter en collator dezer vicarie, aan welk verzoek 17 April 1848 door den Minister werd voldaan, zoodat hij als zoodanig werd erkend.

Na die toestemming is onder bescherming van twee patronen deze vicarie zeker goed bewaard gebleven , want er is sedert evenmin iets van vernomen, als er uit vroegeren tijd iets van gevonden is.

Eene vicarie in de kerk te Hoorn komt nog voor, die gesticht was a0. 1487 op drie Koningen altaar, en in de zeventiende eeuw ad stadia werd begeven; maar die schijnt al spoedig te zijn vervreemd.

KATWIJK AAN DEN RIJN EN KATWIJK AAN ZEE.

Katwijk aid. Rijn. — Begevingen en confirmatiën zijn aangetroffen van twee vicariën aldaar: op St. Jan Baptist altaar in de parochiekerk, gefundeerd a0. 1506 door Bartholomeus Wolfertszoon; en op L. Vrouwe altaar in dezelfde kerk, die naar \'t schijnt, door denzelfdeu zijn gesticht.

\'

i

-ocr page 298-

1 9fi

De eerste bestond bij eene begeving in het jaar 1638 uit land onder Valkenburg en Katwijk, terwijl een huis, dat ook aan de vicarie behoord had, afgebrand was.

De tweede werd door den collator Jan van Dam a0 1624 op een student in de theologie geconfereerd. Het blijkt, dat deze vicarie jaarlijks opbracht tachtig Caroli guldens.

Aquot;. 1674 werd zij door den collator Hendrik van der Hoeven te Wassenaar, die de oudste en naaste van het geslacht van den stichter was, aan zijn zoon gegeven.

Deze vicariën schijnen later vervreemd.

Katwijk aan Zee. — De naam of de namen van vicariën , die hier gevestigd waren, zijn evenmin bekend, als bijzonderheden van andere geestelijke stichtingen. Alleen vond ik vermeld dat te Katwijk aan Zee in het jaar 1481 een heilige geesthuis gesticht is door Hugo van Zwieten, en dat de geestelijke op eenen bepaalden dag in het jaar, als hij in de kerk dienst deed, aan den stichter zou gedenken. Zekere inkomst zal voor die jaarhjksche dienst zijn bestemd geweest, en daarvan kan dan ook afkomstig wezen eene nog bestaande inschrijving op het grootboek der 21/2 0/o N. S. groot f 100 ten name van:

„Maarten Kulk als vicaris bij acte van confirmatie van 17 „Juni 1767 te Katwijk aan Zee.quot; De laatste rentheffer van dit kapitaal was echter onbekend; terwijl sedert 1818 de renten niet uitbetaald zijn.

Leiden.

In deze stad waren drie hoofdkerken: St. Piet er s kerk ; St. Pankras, ook de Hooylandsche kerk genoemd , en de St. Ma-riaas kerk. Verder eenige afzonderlijke kapellen, klooster en gasthuizen (1).

Van alle steden in Holland is Leiden de rijkste in benefi-

1

Zie: Onclheden en yestichten can Ehijnland en wel voornamelijk van de stad Leiden enz. Uit het Latijn door H. v. H. Leiden 1719.

Beschrijving der stad Leiden door Frans ran Mieris. Leiden 1762.

-ocr page 299-

197

ciën, waar de geschiedenis, na den veranderden toestand dooide hervorming, van kan worden nagegaan, al is het ook van eenige, voor slechts enkele jaren, en in enkele trekken.

Het is mij gebleken, dat na de hervorming de inkomsten van meer dan 80 stichtingen binnen Leiden ziju begeven, en dat die begevingen ziju geconfirmeerd. Zij komen voor ouder verschillende titels : „vicariën, proves, canonisien, prebenden canonical, canoiiisie „proves en capellerien.quot; Ofschoon bij raadpleging der bescheiden verreweg het meerendeel van lieverlede verdwijnt, en de reden daarvan niet beschreven is, zijn er toch onderscheidene, die nog bestaan, met zekerheid aan te wijzen Op die vicariën wordt verder voornamelijk de aandacht gevestigd.

Eerst zij hier herinnerd, dat de Staten van Holland over vele geestelijke eigendommen en inkomsten, die in de stad aanwezig-waren of er toe behoorden , ten bate der gestichtte universiteit beschikt hebben, als al zeer vroeg over het St. Barbara klooster, en het klooster der Witte Nonnen, terwijl het Cellebroeders klooster voor de leden van het collegium theologicum werd bestemd; — dat, ao. 1577, gebouwen, erven en eigendommen van conventualen en kloosters , waarover door de Staten toen nog niet beschikt was, althans voor zoover die eigendommen onder het rechtsgebied der stad gelegen waren, aan de stad zijn overgegaan, om die tot algemeen nut aan te wenden; — en dat op last der stedelijke regeering door den rentmeester van hot kapittel ten Hoogenlande en van de memorie en getijde goederen binnen de stad, in het traktement der predikanten werd voorzien, zooals dan ook aangeteekend is in eene rekening over het jaar 1579 van den ontvanger der geestelijke goederen:

„Belanghende den incommen der geest, goederen tot onder-„houdt van de dienaers des goddel. woordts gedestineert, thuijs „hoerende binnen der stede van Ley den, Wourden ende Onderwater , mitsgaders binnen den dorpe van Bodegraven zijn ont-„vangen bij de magistraten, particuliere rentmeesters, ofte andere „persoonen.quot;

-ocr page 300-

194

„uijtgekomen zal weson, dat een priester is ofte tot priester „staat voor een vreemde die geeu ander beueficiura of dienst en „heeft, die dan binnen die parochiekerk van Hoorn celebreren „ende missen doen zal voor Karsteyn voorn, en voor alle „degenen daer zij dat mede voor begeert ten allen tijden.quot; enz. (1)

Het bovenstaande, eene vicarie of kapellarie in de parochiekerk te Hoorn betreffende, was reeds door mij geschreven, toen ik ontdekte, dat er na de vermelde ministerieele resolutie van 24 October 1878, die ik voor de laatste had gehouden, nog eene resolutie in de zaak dezer vicarie genomen is, die, naar mij voorkomt, niet de minst merkwaardige is. Het vrij uitvoerig stuk, komt in hoofdzaak op het volgende neer:

De heer B. A. Carbasius was 5 October 1886 te quot;s-Gravcn-hage overleden. Zijne weduwe mevrouw M. C. C. Carbasius, geb. van der Kop, had 10 November daaraan volgende een zoon ter wereld gebracht, genaamd Hendrik Carbasius. Al zeer spoedig na zijn geboorte, vraagt zij als moeder en voogdes zijne erkenning als patroon en collator der hier besproken wordende kapellerie of vicarie. De Minister, de stukken gezien hebbende, erkent Hendrik Carbasius als patroon en collator, en verklaart hem daarbij gerechtigd de goederen tot de kapellerie of vicarie behoorende te aanvaarden en behoorlijk te beheeren. Dat kind werd dus, toen \'t pas ruim twee maanden oud was, collator of patroon en gelijk vicaris verklaard van hetzelfde beneficie, natuurlijk onder het bekende voorbehoud : alles behoudens Zijner Majesteits en ieders recht, mits de gerechtigdverklaarde zich in

(1) Van dit testament van Carstijn Pieter Gerbrants weduwe, uit liet jaar 1487, is in de gewisselde stukken dikwijls sprake. Het testament moet echter wel onderscheiden worden van den stichtingsbrief dezer vicarie, en dat is niet altijd geschied. Bij deze testementaire dispositie toch wordt de vicarie slechts verhetfrri. en wel door dezelfde, die haar, zooals daarin voorkomt, vroeger had gefundeerd: „om Zaligheijt haren ziele ten eere Gods ende waardig-„heijt van zijne lieve moeder Mariaquot;. — De vroegere acte van fundatie, waarmede in hoofdzaak de kort daarna gemaakte beschikkingen wel zullen overeenstemmen, schijnt niet meer aanwezig.

-ocr page 301-

195

alles gedrage naar de bepalingen en verordeningen, welke op het stuk der vicariën reeds bestaan en later mochten worden uitgevaardigd.

Deze resolutie is van 23 December 1886.

Een inschrijving op meergenoemd grootboek is aangetroffen als volgt: „Hoorn (Pastoor en kerkmeesteren van de „Roomsch „Catholieke kerk in de Achterstraat te) voor fundatiën. Kapitaal „ƒ 1900. Laatste Rentheffer 1 January 1880: J. Does c. s. „kerkmeesters.quot;

Op het altaar van St. Catharina was nog eene vicarie gefundeerd , waarvan Cornelis Christoffel Jongemaets, makelaar te Krommenie, gifter of collator was. Nu verzocht Jan Jongemaets, stedelijk ontvanger te Hoorn, om confirmatie op de door Cornelis Christoffel bij notarieele acte d0. 16 Febr. 1847 gedane adsnmtie van hem tot medegifter en collator dezer vicarie, aan welk verzoek 17 April 1848 door den Minister werd voldaan, zoodat hij als zoodanig werd erkend.

Na die toestemming is onder bescherming van twee patronen deze vicarie zeker goed bewaard gebleven , want er is sedert evenmin iets van vernomen, als er uit vroegeren tijd iets van gevonden is.

Eene vicarie in de kerk te Hoorn komt nog voor, die gesticht was a0. 1487 op drie Koningen altaar, en in de zeventiende eeuw ad stadia werd begeven; maar die schijnt al spoedig te zijn vervreemd.

KATWIJK XAJS DEX RIJN EN KATWIJK AAN ZEE.

Katwijk a/d. Rijn. — Begevingen en confirmatiën zijn aangetroffen van twee vicariën aldaar: op St. Jan Baptist altaar in de parochiekerk, gefundeerd a0. 1506 door Bartholomeus Wolfertszoon; en op L. Vrouwe altaar in dezelfde kerk, die naar \'t schijnt, door denzelfden zijn gesticht.

-ocr page 302-

19(i

De eerste bestond bij eene begeving in het jaar lfi38 uit land onder Valkenburg en Katwijk, terwijl een liuis, dat ook aan de vicarie behoord had, afgebrand was.

De tweede werd door den collator Jan van Dam a0 1624 op een student in de theologie gecoufereerd. Het blijkt, dat deze vicarie jaarlijks opbracht tachtig Caroli guldens.

Aquot;. 1674 werd zij door den collator Hendrik van der Hoeven te Wassenaar, die de oudste en naaste van het geslacht van den stichter was, aan zijn zoon gegeven.

Deze vicariën schijnen later vervreemd.

Katwijk aan Zee. — De naam of de namen van vicariën , die hier gevestigd waren, zijn evenmin bekend, als bijzonderheden van andere geestelijke stichtingen. Alleen vond ik vermeld dat te Katwijk aan Zee in het jaar 1481 een heilige geesthuis gesticht is door Hugo van Zwieten, en dat de geestelijke op eenen bepaalden dag in het jaar, als hij in de kerk dienst deed, aan den stichter zou gedenken. Zekere inkomst zal voor die jaarlijksche dienst zijn bestemd geweest, en daarvan kan dan ook afkomstig wezen eene nog bestaande inschrijving op het grootboek der 2,/2 0/o N. S. groot f 100 ten name van:

„Maarten Kulk als vicaris bij acte van confirmatie van 17 „Juni 1767 te Katwijk aan Zee.quot; De laatste rentheffer van dit kapitaal was echter onbekend; terwijl sedert 1818 de renten niet uitbetaald zijn.

Leiden.

In deze stad waren drie hoofdkerken: St. Pieters kerk; St. Pankras, ook de Hooglandsche kerk genoemd , en de St. Ma-riaas kerk. Verder eenige afzonderlijke kapellen, klooster en gasthuizen (1).

Van allo steden in Holland is Leiden de rijkste in benefi-

(1) Zie: Oudheden en gestichten can Rhijnland en wel voornamelijk van de stad Leiden enz. Uit het Latijn door H. v. H. Leiden 1719.

Beschrijving der stad Leiden door Frans ran Mieris. Leiden 1762.

-ocr page 303-

197

ciën, waar dn geschiedenis, na den verandevden toestand door de hervorming , van kan worden nagegaan, al is het ook van eenige, voor slechts enkele jaren, en in enkele trekken.

Het is mij gebleken, dat na de hervorming de inkomsten van meer dan 80 stichtingen binnen Leiden zijn begeven, en dat die begevingen zijn geconfirmeerd. Zij komen voor onder verschillende titels : „vicariën, proves, canonisien, prebenden canonical, canonisie „proves en capellerien.quot; Ofschoon bij raadpleging der bescheiden verreweg het meerendeel van lieverlede verdwijnt, en de reden daarvan niet beschreven is, zijn er toch onderscheidene, die nog bestaan, met zekerheid aan te w ijzen Op die vicariën wordt verder voornamelijk de aandacht gevestigd.

Eerst zij hier herinnerd, dat de Staten van Holland over vele geestelijke eigendommen en inkomsten, die iu de stad aanwezig waren of er toe behoorden , ten bate der gestichtte universiteit beschikt hebben, als al zeer vroeg over het St. Barbara klooster, en het klooster der Witte Nonnen, terwijl het Cellebroeders klooster voor de leden van het collegium theologicum werd bestemd; — dat, a0. 1577, gebouwen, erven en eigendommen van conventualen en kloosters , waarover door de Staten toen nog niet beschikt was, althans voor zoover die eigendommen onder het rechtsgebied der stad gelegen waren, aan de stad zijn overgegaan, om die tot algemeen nut aan te wenden; — en dat op last der stedelijke regeering door den rentmeester van het kapittel ten Hoogenlande en van de memorie en getijde goederen binnen de stad, in het traktement der predikanten werd voorzien, zooals dan ook aangeteekend is in eene rekening over het jaar 1579 van den ontvanger der geestelijke goederen:

„Belanghende den incommen der geest, goederen tot onder-„houdt van de dienaers des goddel. woordts gedestineert, thuijs „hoerende binnen der stede van Leijden , W our den ende Oude-„water, mitsgaders binnen den dorpe van Bodegraven zijn ont-„vangen bij de magistraten, particuliere rentmeesters, ofte andere „persoenen.quot;

-ocr page 304-

198

Fieters kerk.

Aangehaalde schrijvers berichten , dat er in het jaar 1504 vier en dertig vicariën in deze kerk aanwezig waren.

Na raadpleging der bronnen, kan van ruim een twintigtal dezer een en ander worden medegedeeld, dat in meerdere of\' mindere mate voor hare geschiedenis na de hervorming belangrijk is, waarvan liet volgende het meest de aandacht trekt.

Vicarie op Vincke altaar. — Is al zeer vroeg door den toen maligen bezitter, op wien de inkomsten waren geconfereerd, aangebracht. De inkomsten werden getrokken uit 7\'/, morgen land onder Koudekerke, en bestonden verder in eenige erfpachten.

9 April 1604 heeft er eene nieuwe begeving plaats gehad, maar sedert is van deze vicarie niets meer aangeteekend. Toch is zij nog aanwezig; want op den staat der inschrijvingen op het grootboek der 2^ 0/o N. S., opgemaakt in het jaar 1880 komt voor:

„Hendrik van Alphen, wonende te Utrecht als vicaris van „zekere vicarie, gefundeerd bij Greije Gilberts op het Vincke „altaar in de St. Pieterskerk te Leyden. Kapitaal /\'2900. Laatste „Rentheffer: houder van rekening. Tijdstip der laatste uitbetaling. „1842.quot;

Vicarie op Vrouwe altaar, geintituleerd St. Jacob. Komt ook voor als eene kapellanie. Stichter zekere Heerck Heijnricks. Uit overgelegde stukken bij gelegenheid van verzoek om confirmatie op de begeving dezer vicarie, dquot;. 14 Maart 1749, blijkt, op welke wijze zij geraakte in het geslacht van Van der Kaaij, in welk geslacht wij haar 4 Juli 1808 aantreffen, toen eene begeving werd geconfirmeerd dooi1 den collator Felix van der Kaaij gedaan aan Dirk van der Kaay. — Na den dood van dezen vicaris, werd door den collator het beneficie geconfereerd op zijn broeder J. C. Van der Kaay, en deze begeving 10 Maart 1857, gelet op de

-ocr page 305-

199

dispositie van den Minister van Z. M. den Koning van Holland, d0. 4 Juli 1808, gecontinueerd. Met een en ander komt overeen de bestaande inschrijving op het grootboek der 24 quot; o S. groot ƒ 1000:

, Johannes Christoffel van der Kaaij als vicaris der vicarij, „capellarij of beneficie gefundeerd bij Heerck Heijndricks in de „St. Pieters kerk te Leiden op liet Vrouwen altaar geintituleerd „St. Jacob, rentheffer 1 Juli 1879 quot;

Vicarie op de altaren van St. Ni colnas en St. Adriaan. Aangebracht 7 Maart 1G00 door Claes Sijnionsz Heem skerck. Gesticht door de weduwe Kerstege Dircx Reijers, en hare docliter Cecilia Dircx bij acte van 14 December 1496, en daarna bij Willem Reijers geamplieerd. Oorspronkelijk begiftigd tot het doen van 4 missen \'s weeks, niet:

„een gouden Engelschen nobel op een huijs tot Noortwijck; „anderhalff gouden Engelschen nobel op eene andere woning „aldaar; zeven Rhijnsche guldeus op vierdalff morgen tot Voor-„hout, en vierdalff Bourgonsche schilden op een stuk lants in „Alckmare.quot;

In het jaar 1G17 werden deze vicariën begeven door Sijmon, Sijmonse Heemskerk in den Haag. Verder staat de confirmatie eener begeving aangeteekend d0. 9 April 1668.

12 Febr. 1674 werd eene begeving gedaan door den patroon Symon Jacobse Heemskerk aan den neef van den overleden vicaris Reinier Rombouts te Amsterdam enz.

Uit eenige vroegere stukken wordt tot opheldering van latere hier nog het volgende vermeld.

3 April 1733 had na overlijden van Simon Jacobse van Heemskerk eene begeving plaats door Mr. J. H. VandenEude te Amsterdam aan zijn zoon (jerrit Abraham.

23 Maart 1786 confereerde Gr. A. Van den Ende de prebende of vicarie inkomsten op zijn zoon Jan van don Ende.

30 Mei 1814 bleek na eene gedane begeving, dat toen in het grootboek van publieke schuld van Holland van 2\' 2 0 o

-ocr page 306-

200

een kapitaal stond ingeschreven, groot ƒ 2070, staande ten name van den heer Jacob Georye Hieronymus Halm, als vader en voogd van zijnen minderjarigen zoon J. D. Hahn, bezitter van eene vicarie aan hem opgedragen door G. A. Van den Ende, krachtens acte van confirmatie 10 November 1804, en dat toen (30 Mei LSI4) diezelfde vicarie na het overlijden van J. D. Hahn weder door een uit het geslacht van Van den Ende, woonachtig te Hillegom, bij notarieele acte was geconfereerd op Dirk Arnold Willem van Tets, welke begeving werd geconfirmeerd.

De weduwe van dezen begiftigde komt nu bij gelegenheid van eene confirmatie van dezelfde vicarie (1°. 7 Februari 1854 als collatrice er van voor; want toen is door Vrouwe \\V. E. C. Hahn, douairière van wijlen Jonkhr. Mr D. A. W. van Tets van Goudriaan te Haarlem, de vicarie geconfereerd op Mr. J. G. H. van Tets van Goudriaan, Commissaris des Konings in Zeeland, en deze gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten.

Toen nu deze laatste, tien jaren daarna, van vicaris, collator derzelfde vicarie was geworden, begiftigde hij Jhr. D. A. W. van Tets van Goudriaan, studentin de rechten te Leiden, met de inkomsten om die te genieten „van het oogenblik af dat zij „niet meer zijn genoten door den vorigen vicaris den nu tegen-„woordigen patroonquot;. De confirmatie namens den Minister van Binnenlandsche Zakeu had plaats 25 Mei 1864.

Hiermede komt juist de inschrijving overeen van een kapitaal groot f 1000 op het grootboek der 2^ o/o X. S. ten name van: „Jonkhr. Mr. Jacob George Hieronymus van Tets van Goudriaan „te \'s Gravenhage, als vader en voogd over den minderjarige n „Jonkhr. Dirk Arnold Willem van Tets tot Goudriaan, bezitter „van een vicarie gevestigd op de altaren van St. Nicolaas en „St. Adriaan in de St. Pieterskerk te Leiden , hem verleend „door genoemden Mr. Jacob George Hieronymus van Tets van „Goudriaan, bekrachtigd bij beschikking van den Minister van „Binnenlandsche Zaken van 25 Mei 1864quot;.

Jhr. Mr. J. G. H. van Tets van Goudriaan komt dan ook

-ocr page 307-

201

Juli 1884, volgens den Staat, waaruit deze opgave getrokken is, als laatste renthefter voor.

Vicarie van St. Nicolai. Als verschillende vicariën onder dezelfde benaming op een zelfde altaar in dezelfde kerk gevestigd zijn, of ouder dezelfde benaming in die kerk voorkomen, is het dikwyls niet mogelijk, zooals ook reeds vroeger is opgemerkt , om met zekerheid te bepaleu, tot welke vau deze vicariën vroegere begevingen en confirmatiëu en andere stukken betrekking hebben.

Zoo is het ook met de evengeuoemde vicarie.

Uit deze eeuw kan echter het volgende worden bericht, dat alles op dezelfde, op de nog bestaande vicarie van St. Nicolai in de Pieterskerk te Leiden, betrekking heeft.

In het jaar 1807 toen Mr. IJsbrand van Dam, in leven collator dezer vicarie , „waarvan ten kantore generaal van Hol-„land, waren geïnstitueerd twee Rentebrieven, een van /quot;7000 en „een van / 4800quot;, overleden was, werd bij Z. M. een verzoekschrift ingediend door Mr. Diederik van Leyden, toen naastebloedverwant van den stichter en daardoor patroon, die, blijkens notarieele acte van collatie, met de inkomsten begiftigd had : IJsbrand Dirk van Dam, den oudsten, maar onmondigen zoon van bovengenoemde, waarin de collator nu niet alleen vraagt de „aggreatie op deze „begeving, maar ook autorisatie, om gedurende de minderjarigheid de revenuen van gemelde vicarij te doen ontvangen „door en ten voordeele van Elisabeth Adriana Bisdom, weduwe „van Dam, moeder en voogdesse van den minderjarigen IJsbrand „Dirk van Dam.quot; Door den koning zijn 5 Augustus 1807 deze beide verzoeken toegestaan.

In het jaar 1866 werd de begeving gedaan door vrouwe Maria Justina Muller Massis, geb. Van Dam, echtgenoote van Dr. Theodoor Muller Massis, woonachtig in de gemeente de Bildt, provincie Utrecht. — De vroegere collator Mr. D. van Leijden was sedert lang, zonder descendenten na te laten, overleden. Zij was thans het eenig overgebleven kleinkind van een vroe-

-ocr page 308-

202

geren patroon IJsbrand van Dam. De begeving door haar gedaan aan den heer Dr. Theodoor Muller Massis wordt 6 Juni 1866 geconfirmeerd.

Op meergenoemd grootboek staat eene inschrijving, kapitaal groot f 7100 ten name vtm:

„Dr. Theodoor Muller Massis aan de Bildt, vicaris van eene „vicarie in de Pieterskerk te Leijden, gefundeerd in den jare „1499 door Pieter Jan Martijnse op den naam of titel van St. „Nieolai, geconfirmeerd bij beschikking van den Minister van „Biunenlandsche Zaken d0. 6 Jun. 1866 quot;

In de maand Juli 1SH4 komt Dr. T. Muller Massis nog als Rentheffer voor. Hij overleed in het jaar 1887 te de Bildt. — Na diens dood, en het overlijden der laatst erkende patronesse, werd in hetzelfde jaar Dr. D. G W. Muller Massis, predikant der hervormde gemeente te G roesbeek, die de oudste zoon der vroegere collatrice was, als patroon der vicarie erkend, en gelijk diens zoon, G. W. J. Muller Massis, die daartoe door den patroon aan den minister voor gedragen was, tot de inkomsten gerechtigd verklaard.

Vicarie op St. Jan Baptist altaar. Twee vicariën onder dezelfde benaming. Do eene is gesticht aquot;. 1321 door Reijnout van Ooy, en de andere aquot;. 1410 door Johan Herman. Beide vicariën waren rijkelijk begiftigd met land; de eerste daarbij met het huis van den stichter en met vele erfpachten. Herhaaldeljjk zijn de inkomsten begeven en de begevingen goedgekeurd.

Een dezer vicariën is nog aanwezig, want op het grootboek der 2è 0/o N. W. S. staat ingeschreven een kapitaal groot f 6900 , ten name van :

„ Uldrik Bottinga te Leeuwarden als vicaris van zekere vicary, „ eertijds gefundeerd geweest op bet St. Jan Baptist altaar in „ de St. Pieterskerk te Leiden, waarvan de collatie als patroon „ laieaal is toekomende aan Nicolaas Boerma te Venlo.quot;

Genoemde U. Bottinga, candidaat-notaris te Leeuwarden , komt bij deze opgave als rentheffer voor in het jaar 1880.

-ocr page 309-

203

Hiermede komt overeen de confirmatie eener begeving 13 Febr. 1878, waarbij als collator genoemd wordt N. Boerma, Rijks ambtenaar te Venlo, oudste zoon van wijlen P. van \'t Hoff Boerma, en Uldrik Bottinga, candidaat-notaris te Leen \\ai-deu, als begiftigde in de plaats van Reitze Bloembergen Santée.

Nu is er nog eene latere begeving eu daarop gevolgde con-firmatie dezei vicarie, eu wel van 9 Maart 1885. Als collator

komt bij die gelegenheid voor X. Boerma, handelaar te Maastricht, eu de heer Sijtze Koopmans, notaris te Warga, als gerechtigde tot

het bezit en genot der inkomsten van liet oogenblik dat ze voor den vorigen vicaris U. Bottinga hadden opgehouden.

Er zijn in dit verslag bewijzen iu overvloed voor de listen eu kunstgrepen, die zijn uitgedacht eu iu praktijk gebracht bij begevingen van vicariën. Uit eene correspondentie met den notaris Koopmans te Warga, waartoe oas geacht medelid Mr. Boeles mij aanleiding gegeven had, was mij duidelijk, dat de vicarie, waarvan genoemde notaris nu sedert een paar jaren als vicaris te boek staat, eu die als nog bestaande iu elk geval behoorde ter sprake gebracht te worden, hiervoor een nieuw en een zeer krachtig bewijs leverde. Zeer belangrijke mede-deelingen toch werden mij door den heer Koopmans gedaan, en dat wel, met de toestemming om er iu mijn verslag gebruik van te maken. Ik heb toen de vrijheid genomen hem uit te noodigen, mij een beknopt opstel van zijne hand te doen geworden en het den lezer van dit verslag in eene Bijlage te mogen aanbieden. Aan die uituoodiging is met de meeste bereidwilligheid door den heer Koopmans voldaan, en de toestemming daartoe gegeven.

Dat opstel was mij bijzonder welkom, en het geeft zeker den lezer van dit verslag eene zeer aangename variatie, als ik daarin voor een oogenblik het woord verleen aan eeuen vicaris uit onze dagen, die als zoodanig begiftigd is met de revenuen van een kapitaal groot f 6900 ad 212 0/o (1).

1

Bijlage C.

-ocr page 310-

204

Vicarie op St. Jacob* altaar. Gesticht 15 Juni 1412 door Herman Willemse eu Johau Heermans. Eerst zijn de iukomsteu door de descendenten bij beurten geconfereerd. In lateren tijd, 4 October 1789, vinden wij deze vicarie begeven door Gerard Wilhelmus Joseplius Hacfort, Heer van de Horst aan A. H. Exalto D\'Almaras, student te Utrecht, die van de gereformeerde religie was.

Het collntorschap bleef in hetzelfde geslacht, en de inkomsten bleven, zooals we zien zullen, ad studia aangewend.

25 November 1728 was, zooals vroeger is medegedeeld, door de Staten uitdrukkelijk bepaald, dat door de collatoren de inkomsten der vicariën alleen mochten gegeven worden aan personen vau de gereformeerde religie. Aan die bepaling is vrij algemeen eu ook bij de begeving dezer vicarie door een roomsch catholiek collator tot het jaar 1795 streng do hand gehouden. De meeste acten van collatie waren, als zij met andere stukken ter confirmatie werden aangeboden, tot dien tijd vergezeld van een bewijs, afgegeven door een predikant of ouderling, waaruit bleek dnt de begiftigde gedoopt was in, of lidmaat was van de gereformeerde kerk. Na dien tijd is dit door politieke omstandigheden veranderd. De begeving dezer vicarie geschiedde toen door een lid van dezelfde familie aan roomsch catholieken; maar evenals vroeger, blijkens het volgende, steeds ad studia.

19 Dec. 1808 door don toenmaligen patroon Hacfort tot der Horst te Loenen in het departement Gelderland aan een jongeling te Uden, om gedurende zijne studiëii de inkomsten er van te genieten. A0. — 1816 door denzelfden aan B. Brugman, om 2/a genieten der inkomsten van het kapitaal, bestaande in f 1700 W. S. en 3400 U, S. — A0. 1S21 ad studia ■.veder door denzelfden.

15 Oct. 1829 werd de begeving geconfirmeerd, die gedaan was „door Vrouwe M. A W. B. Baronesse van quot;Wijnbergen, douarière en boedelhouderesse van allo goederen van C G. W. S. Baron Hacfort tot ter Horst, mitsgaders voogdes der minderjarige kinderen door hem nagelatenquot;, aan Jan van de Sandt, student aan hot gymnasium te Gemert.

-ocr page 311-

205

29 Dec. 1853 werden rle inkomsten begeven door Mr. C. P. F. J. baron Hacfort van der Horst, rechter in de rechtbank te Nijmegen aan Ger. Joann. Boevenbrink, student te Kuilenburg van „den tijd dat het genot door den vorigen gebenificeerde J vau de „Sandt heeft opgehouden, en verder gedurende zijn studietija\' .

Later verzocht de heer P. M. A J. baron van Wijnbergen, te Loenen 1°. om erkenning als patroon dezer vicarie, 2°. om confirmatie door hem gedaan van de inkomsten, 3°. om de directie van de grootboeken dor N. W. S. te machtigen tot overschrijving van liet kapitaal, ten behoeve dezer vicarie aangewezen , op zoodanig hoofd van rekening, als zal blijken te behooren. Een en ander werd 31 Dec. 1876 na o. a. gezien te hebben de acte, waarbij het recht van patronaatschap dezer vicarie door de erfgenamen van den vorigen patroon aan adressant was overgedragen , toegestaan, en door den Minister van Binuenlandsche Zaken de begeving geconfirmeerd, waardoor de heer H. Mom, student in de godgeleerdheid aan het seminarie te Rijsenbui\'g, in het genot der inkomsten werd gesteld.

Het kapitaal in het grootboek der 2 72 % N. S ingeschreven is f 2900. Hoofd van rekening : evengenoemde baron van ijn-bera-en, als patroon der vicarie. Laatste rentheffer in 1880: H. Mom.

Vicarie op St. Catharina altaar. Er komen onderscheidene vicariën voor die op dat altaar in dezelfde kerk zijn gesticht. Twee werden er aangegeven 7 Jan. 1579, waarvan de eene, die lang bezeten schijnt geweest door een priester, toen door den collator op een ander werd geconfereerd. Hierbij staat aangeteekend : „ter halve collatie van commandeur van St. Piet: Kerckequot;. De bezittingen dezer vicariën bestonden in 20 morgen land.

Begeviugeu eener vicarie op genoemd altaar, gevolgd door confirmatiën, hadden plaats: 19 Maart 1625,— 16 Aug. 1636 en vervolgens.

Er is ook sprake van zekere vicarie door Herbald Willemszoon bij acte van 6 Juli 1379 op St. Catharina altaar gesticht. Hiervan

-ocr page 312-

20«

deed zich in deze eeuw als patronesse voor Magrieta Christina Krabbe te Delft, die de inkomsten gaf aan Christiaan Hendrik Pfeiffer, welke begeving 4 April 1838 werd geconfirmeerd, \'t Bleek echter ongeveer twintig jaren later, dat genoemde M. C. Krabbe, die sedert was overleden , de ware patronesse niet geweest was, maar dat de ware patroon was L. J. Godefroij te Leiden. De begeving van 4 April 1838 werd toen door den Minister ingetrokken, en die door L. J. Godefroij was gedaan, geconfirmeerd. Ten gevolge hiervan werd 9 Maart 1857 Jannetje van Houten gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten.

Met de laatst genoemde vicarie had dus, wat de collatie en de confirmatie betreft, eene nog al merkwaardige vergissing plaats

Op het volgende, dat ook eene vicarie betreft op het altaar van St. Catharina in de St. Pieterskerk te Leiden gevestigd, behoort nu nog de aandacht gevestigd te worden.

24 April 1815 werd eene begeving dezer vicarie door den Secretaris van Staat Roell geconfirmeerd. Zij bestond in ƒ2168, ingeschreven 31 Deo. 1810 op het grootboek, ten name van Antonius Josephus Roest van Alkemade. Patroon was Thomas Jacobus Guilielmus van Wassenaar, en de toen begiftigde was Petrus Yvo Diert te \'s Gravenhage. — Hoe t nu verder met deze vicarie is gegaan , is niet duidelijk. Er is alleen blijk dat het kapitaal, waarschijnlijk ten gevolge van financieele omstandigheden , verminderd is. Naar confirmatiën van begevingen na het jaar 1815 wordt vergeefs gezocht, evenals naar de beschikking over de inkomsten in lateren tijd. De vicarie bestaat; maar de patroon is onbekend, terwijl het sedert 184? blijkbaar aan een\' rentheffer ontbroken heeft; want op den staat der inschrijvingen ten name van vicariën op het grootboek der 21 o/o N. S. opgemaakt Juni 1880 komt voor;

„Mr. Jacobus Petrus Yvo Diert te \'s Gravenhage als bij brieven „van confirmatie door den Secretaris van Staat voor Binaen-„landsche Zaken, den 24 April 1815 verleend, het recht bekomen „hebbende, tot zekere vicarie, gevestigd in de Sint Pieterskerk

-ocr page 313-

207

„te Leyden kapitaal f 000. Laatste Routhoffer: houder vau „Rekening. Tijdstip der laatste rentebetaling 1847.quot;

Sint Pancras of Hooglandsche kerk.

In deze kerk was a0. 1316 een Kapittel gesticht, bestaande uit een deken en twintig kanunniken. Er wordt gewaagd van 25 prebenden en kanoniksdijen in deze kerk, die te zamen een belangrijk inkomen hadden; van kapellen tot deze kerk beboerende, van broederschappen en hare koralen, en van vicariën aan onderscheidene altaren.

Voor de hervorming was het beheer de vicariegoederen in de kapittel-kerken anders dan in andere kerken. Ze werden voor een groot gedeelte niet door den vicaris, maar namens het kapittel door een ander beheerd, ofschoon de vicaris, evenals een kanunnik, wanneer hij in zijne bedieuing gesteld werd, een eed aflegde, dat hij den deken gehoorzaam , het kapittel getrouw zou wezen, en ook de goederen der vicariën getrouw zou bewaren. Dat vroeger beheer, en de vereeniging daardoor der vicariegoederen en\'inkomsten\'met andere tot het kapittel, zelfs tot onderhoud van het gebouw behoord hebbende goederen , is van veel invloed geweest op de latere lotgevallen dier vicariën na de hervorming. Voor een deel althans zijn ze, als waren ze van dezelfde natuur als de eigenlijk gezegde kapittelgoederen, soms zelfs als die der kerkfabriek geweest, door denzelfdeu rentmeester beheerd gebleven, in die goederen opgegaan, en aldus verdwenen.

Zoo werd in het jaar 1570 door kerkmeesters van St. Pancras aan de stedelijke regeering verzocht om eene vicarie te mogen verkoopen tot herstel van de vervallen kerk, en daarbij opgemerkt dat vroeger de Geestelijke OvorheM daartoe ook consent gegeven had, op voorwaarde dat de possesseur der vicarie jaarlijks een zeker tantum genieten zou, en de kerkgoederen daaronder verbonden werden.

Uit de volgende bijdragen zal echter blijken, dat niet alle vicariën, althans in deze kapittelkerk, met die der andere goeduruu vereeuigd

-ocr page 314-

208

zijn, of in hetzelfde lot gedeeld hebben. Integendeel onderscheidene bleven, indien ze niet spoedig vervreemd waren, even als die in de parochie kerken zelfstandig bestaan, en waren onderworpen aan dezelfde bepalingen, die door den souverein omtrent deze stichtingen, hare goederen en inkomsten waren gemaakt, terwijl er onder die vicariën in deze kapittelkerk voorkomen, die van elders waren overgebracht of in betrekking stonden tot vicariën, in andere kerken gesticht, en ook die uit deze in andere kerken waren overgezet, zooals blijken zal bij de verdere korte behandeling dier nog aanwezige vicariën.

Overigens is ook het beheer der goederen van het kapittel ten Hoogenlande en van de memorie en getijde goederen te Leiden ruim 70 jaren geleden aan den Staat overgegaan, en wordt, voor zoover bekend is, nog door \'s Rijks domein gevoerd.

Vicarie op St. Catharina altaar. Gesticht in het jaar 1391. Zij was in het jaar 1579 nog in het bezit van 13 morgenland onder Jacobswoude, en is de eerste onder de aangeteekende vicariën in het oude register der confirmatiën, d0. 27 October 1601. Zij was toen geconfereerd op Samuel de Bruijne, die rter „schole gehouden en in de gereformeerde religie opgetrocken sal „worden.quot; De begiftigde zou binnen drie weken bij den ontvanger het derde part der inkomsten moeten storten tot onderhoud der predikanten, en een inventaris leveren der goederen en inkomsten.

Er zijn meerdere vicariën op dit altaar gevestigd geweest, die echter vervreemd zijn, uitgezonderd de volgende, die nog bestaat, terwijl uit de bescheiden, die kenbaar deze vicarie betreffen. een en ander kan worden medegedeeld dat ik laat volgen.

6 April 1658 werd de vicarie begeven door P. de Putter als patroon, aau zijn neef, zoon van den burgemeester in den Haag, „omme uijt het incommen van dien opgevoet te worden „in de christelijcke gereformeerde religie.quot;

19 October 1715 moest de vicarie na den dood van L. de Putter en diens zoon worden begeven door het oudste mans oir

-ocr page 315-

209

uit dat geslacht, Adam de Putter; maar die was minderjarig. De begeving geschiedde toen door den voogd van den minderjarige.

22 October 1779 komt deze vicarie weer voor. (\'t Kapitaal bedroeg f 8447.) Patroon was Adam Langenbergh , die er zijr neef Josua Trappels mede begiftigde.

17 Jan. 1782 confereerde dezelfde collator de vicarie op Carel Willem de Roehefort, aangezien zijn neef Josua Trappels er afstand van gedaan had.

Ofschoon nu later door mij van deze vicarie niets meer is aangetroffen, komt de volgende inschrijving op het grootboek der 21/j o/0 N. S. met het bovenstaande overeen.

„Carel Willem de Roehefort, als vicaris bij acte van confir-„matie van de Staten van Holland in dato 17 Januari] 1782 „van zekere vicarijo wel eer gevestigd geweest op Catharine „altaar in de kerke van Pancras tot Leijden dependeerende aan „de parochiekerk tot Leijderdorp.\'1 Kapitaal /quot;3300. Laatste rentheffer C. W. de Roehefort; a0. 1824.

Vicarie op St. Pieters altaar; overgebracht op St. Andries-kruis altaar in de Salomo nis kerk te Delft. De beroemde Pieter van Leiden was de stichter van onderscheidene vicariën, die door hem rijkelijk begiftigd zijn. Hij was persona (pastoor) te Zoeterwoude , kanunnik van St. Pieter te Utrecht. Hij begiftigde o. a. de St. Pieterskerk te Leiden met 4 vicariën, welke stichtingen a0. 1320 door Frederik, Bisschop van Utrecht, bevestigd werden. Uit de stukken bjj de eerste aangifte van bovengenoemde vicarie blijkt dat a0. 1316 ook deze op St. Pieters altaar door hem gesticht was, en dat 14 morgen land en eenige renten uit huizen tot deze vicarie behoorden.

Deze vicarie is a0. 1372 door Philippus van Leiden zeer vermeerderd. Zij is op een ander altaar overgezet. Uit onderscheidene en in den regel zeer uitvoerige stukken, die bij de acten van begeving gevoegd zijn, wordt het duidelijk dat de inkomsten dezer vicarie later met die van verschillende andere officiën,

14h

-ocr page 316-

210

afkomstig van dezelfde eu ook van andere stichters vereenigd, in vier parten verdeeld, en zoo geconfereerd zijn.

A0. 1647 werd een gedeelte der vicarie gefundeerd op St Pieters altaar, en overgezet op St. Maertens altaar, geconfereerd op Johan en op Pieter de With, of de Witte, met een deel van eene prebende canonical, en een deel der vicarie St. Crucis in dezelfde, in de St. Pancraskerk.

A0. 1669 begaf G. de Witte „sijnde patronus laicael ende „collateur voor een Vierdepart, pro indiviso, de inkomsten van „verscheijde vicarijen eude canonisyen, gefundeerd soo op „St. Pieters autaer, in de kercke van St. Pancraes ende daer „naer overgeset op St. Andre, mitsgaders St. Crucis en Salo-„monis tot Leijden, benevens de Capellerije ende Canonisijen „soo in deselve kercke, als aen Jeronimia Dal tot Delft spec-„terende , als mede van alle andere ampliatien ende adjunctien, „soo bij Mr. Vincent Cornelis als E. V. van Nierop, mitsgaders „Mr. J. Stalpert Van dei Wielen als andere naederhandt daer bij „gevoecht, aan E. Dispoutynquot; ; maar P. de Witte, die nog in leven was, zou volgens hetzelfde officieele stuk, waaruit deze woorden zijn aangehaald, zijn gedeelte van de inkomsten blijven genieten, dat hem bij collatie 30 Maart 1647 was vergund; en aan de weduwe en dochter van J. de Witte zou hij jaarlijks /quot;150 moeten uitkeeren.

23 December 1791 is „Jacob Eduard de Witte, collonel „Ingenieur, patroon Laicaalquot; der vicarie enz. gefundeerd bij Pieter en Philips van Leiden, die met alle andere in de stukken opgenoemde ampliatien en adjunctien, door verschillenden erbij gevoegd, te zamen uitmaakten een kapitaal van f 29,000. Hij confereerde die op „Johannes Deil notaris (1) en procureur in den „Haag, en diaken van de Walsche gereformeerde christelijke kerk.quot;

(1) Het trekt toch wel de aandacht , dat zoowel vroeger als later bij begevingen van vioarien gedurig notarissen voorkomen. Ik bedoel hiermede niet, dat zulk een titularis, zooals een notaris in den regel deed, de acten der begeving opmaakte, en voor andere stukken ter confirmatie benoodigd zorgde, maar dat hij ook zoo dikwijls tot vicaris benoemd wordt, althans als zoodanig figureert.

-ocr page 317-

211

Deze vieariën bestaan nog blijkens het volgende.

Aquot;. 1814 komt Jacob Eduard de Witte te Haarlem weder als collator voor, die deze vieariën en canonisien met alle am-plicatien en adjunctien „thans bestaande in een kapitaal van „Zquot; 29,000 2 \'/j 0/o in \'t grootboek ten name van Johannes Deil „in den Haag, als in 1791 aangestelde vicaris, begeeft aan „W. A. Hasselaer,quot;

A0. 1836 na den dood van evengenoemden vicaris, worden de inkomsten door den collator beschikt ten voordeele van Jonkheer W L. J. Van Daehne van Varik.

A0. 1846 wordt de begeving gedaan door J. E. de Witte; en de heer J. L. Ten Kate, toen predikant op het eiland Marken, daardoor in het genot gesteld van de inkomsten.

A0. 1863 zijn de inkomsten begeven door den gepensioneerden majoor J. W. Muller, namens den collator J. E. A. J. de Witt van Haemstede , die toen nog minderjarig was ; en werd daardoor de heer Adriaan Mafius Schagen van Leeuwen , notaris en lid van den gemeenteraad te Delft, gerechtigd verklaard om, na confirmatie door den Minister van Binn. Zaken, de inkomsten te genieten van het oogenblik af, dat ze door den heer J. L. ten Kate niet meer ontvangen waren.

Dezelfde A. M. Schagen van Leeuwen te Delft staat op het grootboek der 2\'/2 {)U bekend als „vicaris van zekere vicarije „gevestigd op St. Pieter Altaar in de Kerk van St. Pancras te „Leijden en daarna overgezet op St. Andries Kruis in de „Solomoiiis tot Delft benevens de capellerijen en canonisijen zoo „in dezelve Kerk als aan Hieronymus dal te Delft1\'.

Het ingeschreven kapitaal is ƒ 13,500, terwijl 1 Januari 1880 de heer A. M. Schagen van Leeuwen rentheffer was.

Vicarie op St. AgathcCs altaar. De] inkomsten dezer vicarie werden volgens opgave in het jaar 1579 getrokken uit 10 morgen. Ook behoorde aan de vicarie nog een kamertje , dat, zoo als staat aangeteekend, „om Gods wilquot; bewoond werd

24 Mei 1612 toen zoowel de collator, als de begiftigde met

-ocr page 318-

212

de inkomsten dezer vicarie overleden was, vroegen de voogden der kinderen van den overleden collator om confirmatie op de begeving aan een dier kinderen „mits zijne onvermogentheijt, „en ten regarde aijn vader nagelaten hadde eenen soberen boedelquot;. Aan dit verzoek werd voldaan.

Nu komt onder de inschrijvingen op het grootboek der 2\'/, 0/o N. S. een kapitaal voor van / 3600, ten name van :

„de Vicarij op Sint Agatha\'s altaar in de Sint Pancras of „Hooglandsche Kerk te Leijden\'^

Hiervan waren in het jaar 1880 renthefFers :

„F. Montauban v. Swijndrecht, J. J. M. van Heel en W. C. „Wijnmalen allen te Rotterdam , als administrateuren van het „armenfonds der familie Antheunisquot;.

Deze vicarie is volgens den kadastralen legger ook nog in het bezit van boschhakhout, hooiland, watering, weiland en dijk onder de gemeente Alphen, groot 3.06.32.

Vicarie op St. Aechten of St. Aagt altaar was bij aangifte in het bezit van onderscheidene morgen land, renten en erfpachten. Zij werd 8 Maart 1650 begeven, en de begeving geconfirmeerd.

De vicarie was, volgens aanteekening, gefundeerd door C. L. Krap, die ook twee vicariën had gesticht in de Oude Kerk te Delft.

28 Mei 1845 werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken de begeving geconfirmeerd door Catharina Josina Krap, die ongehuwd, en toen patronesse der vicarie was, en die er Sara Hendrica Krap, echtgenoote van Johan Jacob Koningsberger te Rotterdam, mede had begunstigd.

In het grootboek der 2| o/0 N. S. staat een kapitaal ingeschreven van J 400 ten name van de „ vicarie goederen gefun-„ deerd op St. Aagt altaar in de St. Pancras of collegiale kerk „te Leijdeu,\' waarvan, geheel overeenkomstig bovenstaande, S. H. Krap, echtgenoote van J. J. Koningsberger, in 1880 de rent-hefster was.

-ocr page 319-

213

Vicarie op St. Anna altaar. Onderscheidene vicariën waren op dit altaar gesticht Twee trekken vooral de aandacht. De eerste was met eeuige andere goederen, die tot het kapittel behoorden , aan de stad overgegaan, ten gevolge daarvan onier stedelijk beheer geraakt, en heeft in het lot der overige kapittelgoederen gedeald. De laatste was onder afzonderlijk beheer eu bestaat nog.

Van de eerste volgt een en ander, getrokken uit de oorspronkelijke, nog aanwezige minuten bij gelegenheid van begevingen en confirinatiëu, dat voor de kennis der geschiedenis van vele kapittelvicariën in Holland niet onbelangrijk schijnt, eu vergeleken met daarna te vermelden bijzonderheden van de tweede vicarie, het bewijs zal leveren, dat na de hervorming de vicariën, die in dezelfde kapittel kerk te Leiden gevestigd waren, in van elkander zeer verschillenden toestand geraakt zijn.

Burgemeesteren eu Regeerders van Leiden vervoegden zich in het jaar 1630, als superintendenten van de goederen en inkomsten van het kapittel St Pancras op \'t Hooge land, bij de Staten, te kennen gevende, dat Floris Pieterse in zijn leven pastoor aldaar, 4 Sept. 1509 in die kerk eene vicarie had gesticht en met goederen begiftigd; „van welcke voorz. vicarie „\'t recht van patronaatschap gecomen wesende aan haer ver-toonders, als in de voorsc qualiteyt gesuccedeert sijnde int „recht van den deecken ende capittel van St. Pancrasquot;, zij thans confirmatie verzochten op eene door hen gedane begeving, daar de vicarie door het overlijden van J. H. Brasser vacant was geworden. Zij hadden die nu geconfereerd op „Justus Hommius, „bedienaer des goddelicken woorts binnen d\' voorz. stadt, ende „dat tot subsidie van \'t comptoir des voorz. capittels ende sulex „ten behoeve van gemeene predicanten en kerkendienaren die „uijt het innecomen des voorz capittels tot ordonnantie van de „vertoonders betaelt worden.quot;

De Staten verleenen hierop acte van confirmatie, en verklaren de stukken gezien hebbende: „Soo ist dat wij behoudens

-ocr page 320-

214

„ons ende een ygeliek sijn recht, houdende d\'voorz. gifte voor „aengenaem deselve belieft eude bevesticht hebben , believen en bevestigen bij dezen. Hebben over sulcx geoorloofd ende geac-„cordeert, oorloven ende accorderen bij desen dat d\' voorz. „Justus Hommius tot subsidie van \'t comptoir van \'t capittel „van St. Pancras. ende sulcx ten behoeve van de gemeene „predicanten en kerkendieuaren die uijt het inuecomen des „voorz. capittels ter ordonnantie van de vertoonders werden „betaelt, de voorz. vacante vicarie ofte capellanie gefundeert „ter eere van Ste. Anna in de voorz. Kercke sal mogen aen-„vaerden niette emolumenten, baeten, proffiten ende andere „rechten daer toe staende ende behoorende,quot; enz. De acte was geteekend 22 October 1630.

De inkomsten dezer vicarie bleven maar zeer kort ten bate van Ds. Hommius of van de Leidsche predikanten.

De vader van Jacob Jansse, poorter te Medemblik, vervoegde zich, nadat blijkbaar sedert 1630 de inkomsten nog aan een ander, die overleden was, begeven waren, bij Burgemeester en Regeerders van Leiden, als superintendenten van het kapittel, om met de inkomsten derzelfde vicarie begiftigd te worden. Burgemeesters en Wethouders hebben toen bij acte van 30 Juni 1638 die vicarie „in conformité van de sententie en ordonnantie „van den Hove van Hollandtquot; op hem geconfereerd, welke begeving 1 Juli 1633 door de Staten werd goedgekeurd.

Na den dood van J. Jansse werd een ander uit dezelfde familie, een voorzanger en organist te Medemblik, „als weesende van „de naeste vrindenvan den stichter met de inkomsten door Burgemeesters en Wethouders begiftigd, en daarop 29 September 1655 brieven van confirmatie verleend.

De tweede vicarie op hetzelfde altaar gevestigd was onder afzonderlijk beheer, en is, zooals reeds gezegd is, nog aanwezig. Zij was gesticht, en met landerijen begiftigd door Evert van Leeuwen. In dat geslacht is zij gebleven en wordt ze in deze eeuw nog gevonden; want 3 Dec. 1824 werd Keeltje van

-ocr page 321-

215

Leeuwen, huisvrouw van Leendert Scharp, nettenboeter te Terheiden bij Monster, door den Minister erkend in haar recht „als Vikaresse der Vikarijquot; gevestigd op St. Anna altaar in de Hoogl. kerk.

23 Nov. 1848 werden op dezelfde wijze de erfgenamen van Keeltje, t. w. Neeltje Scharp, huisvrouw van Dirk de Jonge, en Pietje Scharp, huisvrouw van Hnibrecht vau Zolingen, erkend als vicaressen der zelfde vicarie.

Hiermede komt overeen eene bestaande inschrijving in het grootboek der 2quot;, 0/0 N. S. groot /quot;SOO, ten name van hoven-genoemden, als bij dispositie van 27 Nov. 1848 geconfirmeerde vicaressen, van welk kapitaal N. Scharp, echtgenoote van D. de Jonge, a0. 1880 de renthefster was.

Vicarie Gobburg of Gohburch. Hiervan kan worden bericht dat op het grootboek der 21li 7, N. S. eene inschrijving staat, groot f 10.900 ten name van:

„Jean Marie Eugène Ghislaëu baron de Vinck des deux Oys „te Brussel als patroon der vicarij Gobburg of Gohburch, door „Philips van den Hove in 1372 gesticht op het St. Nicolaas „altaar der Pancras kerk te Leiden.quot;

Van dit kapitaal was 1 Januari 1880 J. M. E. J. baron de Vinck des deux Oys te Brussel als patroon de rentheffer (1). Genoemde baron was door den Minister van Binnenlandsche Zaken, 4 Nov. 1876, erkend als patroon van deze vicarie, nadat zijn gemachtigde in Nederland, de oud-Notaris J. van der Hoop te Rotterdam, het bewijs geleverd had, dat door de erfgenamen van wijlen vrouwe L. A. J. G. Diert, in leven echtgenoote van den heer J. M. S. Burggraaf du Bouzet, aan zijnen lastgever waren gelegateerd alle rechten van patroon dezer en van nog eene vicarie te Etten.

1

Dezelfde barou, die hier voorkomt als patroon en rentheffer, was, zooals

vroeger bericht is, ook patroon van eene vicarie in de kerk te Haarlem, die hij had geconfereerd op denzelfden Notaris, die hier voorkomt als zijn ge-niaohtigile.

-ocr page 322-

216

Prebenden Maria en Nicolai. Ouder meergenoemde inschrijvingen komt een kapitaal voor, groot f 500, ten name van:

„Prebenden Maria en Mcolai van oudsher gevestigd geweest „in het voormalig kapittel ten Hooge Lande te Leyden. Collator „de Hertog van Aremberg te Brussel.quot; — Rentheffer was 1 Jan. 1880 P. L, Hertog van Aremberg van Arsehot.

Volgens opgaaf uit den kadastralen legger, behoorden nog tot deze prebenden: weilanden eu bouwland, groot 8.18.50 gelegen onder Naaldwijk.

De burgemeester van Leiderdorp bericht, dat in die gemeente een stuk weiland gelegen is, groot 1.28.70, staande ten name van „Maria en Nicolai. twee prebenden , gefundeerd in het kapittel ten Hoogelande te Leiden^. Herkomst eu bestemming der inkomsten is hem onbekend. Volgens informatie zou de heer Mr. Borret, Notaris te \'s-Gravenhage, de administratie er over voeren.

Van deze prebenden Maria en Nicolai is mij nog het volgende der vermelding waardig gebleken.

21 Januari 1778 begunstigde Charles Hertog van Aremberg zijn secretaris Rodolph Hercules Samuel Melville, zijnde van de gereformeerde religie, met deze twee canonicale prebenden , eu werd die begeving geconfirmeerd.

Deze begunstigde was 14 Maart 1779 reeds overleden. Twee jaren daai\'na werden door den heer Louis Engelbert Hertog van Aremberg de canonicale prebenden begeven aan Philippe Casimir de Falck Lquot;. Coll. „in dienst van zijn allerchristelijkste „Majesteit, geboortig van Manheim, zijnde van de gereformeerde „religie, met bepaling dat begiftigde al het achterstallige ook „genieten zou.quot;

Deze begeving werd 7 Juni 1781 geconfirmeerd, echter met bijvoeging in de acte van confirmatie: „wordende des suppliants „verzoek aangaande het agterstallige voor dato van de collatie ,,afgeslagen en gewezen van de hand.quot;

-ocr page 323-

217

Prebende St. Benedicti. — Begeven en de begeving geconfirmeerd 11 Febr. 1628.

Inschrijving in meergenoemd grootboek groot ƒ 4200, ten name van:

„ Jhr. Albert Petrus Josephus van Afferden, als collator en „beheerder der praebende Sti. Benedicti, gevestigd in de St. „Pancras of Hooglandsche kerk te Leiden.quot;

1 Januari 1876 was Jhr. A. P. J. van Atferden te Roermond als collator de rentheffer.

Nog behoort, volgens den kadastralen ligger tot deze prebende : 1.14.30 bouwland, gelegen ouder Oestgeest.

Op het grootboek der 3 0/0 N. S. staat mede ten name van denzelfden collator dezer prebende een kapitaal ingeschreven van ƒ 100.—.

Prebende Philippi en Jacobi. — Gefundeerd 22 Juni 1472 , bestaan hebbende in onderscheide inkomsten, zooals blijkt uit eene opgave bij gelegenheid eener begeving in het jaar 1610, luidende als volgt:

„eerst zeeckere vier perceelkens lants \'t samen ter quautiteyt „van omtrent vier mm gelegen tot Monster ... (sic) vercocht „aen verscheijde persoonen \'t samen ten somme van twee duijsent „ponden en is bij resolut6 van heeren Staten verstaen de penfi „van dien beleijt te werden ten comptoire van Staten voornt „tegenden peii xvi.

„Noch verscheijde Renten Staande op verscheijde huysen binnen „Leyden. \'t samen tot iiij

Van het jaar 1579 af was het genot dezer prebende in de familie of onder de descendenten van Jonkheer van der Laan , die in dat jaar de inkomsten trok.

Ruim twee eeuwen later, in het jaar 1794, overleed Gr. W. van der Laan, die toen de inkomsten getrokken had.

Aquot;. 1808 vroegen de kinderen van den heer Gr. ,W. van der Laan, die overleden was, om de revenuen, die van het jaar 1795 tot het jaar 1808 niet uitgekeerd waren. Die opbrengst

-ocr page 324-

218

er van bedroeg toen ruim ƒ 76, met nog andere renten van een kapitaal groot f 529, ad / 13 — 4 —. Het verzoek werd toegestaan, en Lijdia Charlotte van der Laan in het genot der inkomsten gesteld.

A0. 1841 verzocht, na overlijden van Lijdia Charlotte van der Laan, hare zuster Wilhelmina Carolina Baronesse van der Laan, weduwe van wijlen den heer J. P. Vermeulen, wonende te Hillegoiu, toen over de uitkeering van de inkomsten dei-prebende eenige zwarigheid gerezen was, dat die aan haar zou worden gecontinueerd. Aan dit verzoek werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken, 13 Sept van dat jaar, voldaan.

A0. 1847 was genoemde weduwe overleden, en verzocht Marinus van Vliet, commies bij de algemeene Rekenkamer, die gehuwd was met haar eenig nagelaten kind A. C. G. Vermeulen, dat zijne vrouw niet alleen in het genot der inkomsten zou gesteld worden, maar ook de wettige afstammelingen van zijne echtgenoot gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten van gemelde prebende. — Aan het eerste verzoek werd door den Minister voldaan, maar bericht, dat, eerst na het overlijden zijner vrouw, het tweede in overweging kon genomen worden.

A0. 1881 na overlijden van vrouwe A. C. G. Vermeulen, weduwe van M. van Vliet, verzocht hare dochter vrouwe M. W. van Vliet, bijgestaan en gemachtigd door haren echtgenoot B. Reinders .Ir. te Delft, om bevestigd te worden in het genot der inkomsten. Toen heeft de Minister, na afschrift van een testament gezien te hebben, waarbij vrouwe A. C. G. Vermeulen hare begeerte te kennen gaf, dat het genot der inkomsten op hare dochter A. W van der Vliet zou overgaan, haar toegestaan die gelden haar leven lang te trekken, en aan den Minister van Financiën afschrift dier dispositie gezonden, met verzoek om op de uitbetaling der voormelde inkomsten te letten.

Vicarie op het Lieve Vrouwe altaar. Eene begeving dezer vioarie komt reeds voor in het jaar 1608. Zij was gefundeerd 31 Mei 1460 door Mr. Jan van Leijden,

-ocr page 325-

219

Onderscheidene begevingen en confirmatiën worden in de voor-sjaande eeuw aangetroffen.

1702 begeven aan Grerrit van Goor, kleinzoon der toenmalige

patronease.

1710 door Cathariua van Goor geconfereerd op Nicolaas, zcon van haren broeder.

1751 door Jeronimus van Goor, koopman te Amsterdam alu patroon laicaal, aan zijn zoon Nicolaas.

1781 had, zoo als blijkt nit stukkeu, een uit het geslacht van Goor vroeger in zijne qualiteit als voogd zijn recht van patronaatschap gecedeerd, pro una tantum vice aan Th. J. Nessiug, die bij notarieele acte de vicarie had geconfereerd op zijnen pupil Sijbert van Bavel, die ook in de gereformeerde religie werd opgevoed.

1789 staat de collator Th. J Nessing zijn recht weder pro una tantum vice af aan Cornelia van Bavel, de oudste zuster van Sijbert, die als patronesse laical, bij notarieele acte de vicarie confereert op Nicolaas Jan Nessing.

Het afstaan pro una tantum vice van het recht van begeving der inkomsten eener vicarie komt in de voorgaande eeuw herhaaldelijk voor; maar zulke begevingen werden toch ook geconfirmeerd.

In deze eeuw vinden wij, blijkens het volgende, de begeving en het bezit der inkomsten van deze vicarie eerst bij hetzelfde geslacht, waarin het in het jaar 1789 werd aangetroffen.

20 Augustus 1827 werd de vicarie door Mej. Anna Maria van Bavel geconfereerd op H. Provo Kluijt, oand. in de rechten te Leiden, die van het oogenblik dat de vorige vicaris wijlen Geertruij Nessing had opgehouden de inkomsten te genieten , die tot wederopzeggens toe ontvangen zou en die begeving door den administrateur I). J. van Ewijck geconfirmeerd.

29 October 1828, dus ruim een jaar later, had weder eene confirmatie van dezelfde vicarie plaats. — Mr. P. W. Provo Kluijt, heer van Rhijnsaterwoude, procureur crimineel over Noord-Holland en Utrecht, had zich in qualiteit als vader en voogd

-ocr page 326-

220

over ziju mmderjarigeu zoon Pieter Willem, tot den administrateur gewend om confirmatie op de begeving van dezelfde viearie aan gemelden zijnen zoon, door den heer Hendrik Provo Kluijt, candidaat ia de rechten, gedaan, en de administrateur, herzien de resolutie van het voorgaande jaar, waarbij was gevoegd copie eener notarieele acte door de toenmalige patrones mejuffrouw Anna Maria van Bavel tot overdracht van deze viearie aan deu heer Hendrik Provo Kluit, confirmeert de begeving door hem gedaan aan Pieter Willem Kluit.

23 Maart 1868 wordt namens den Minister van Binnenlandsche Zaken de begeving geconfirmeerd ten behoeve van Pieter Willem Hendrik Provo Kluit te Voorschoten, door Pieter Willem Provo Kluit.

11 Maart 1876 wordt de begeving geconfirmeerd door laatstgenoemden vicaris, die nu door den dood van P. W. Provo Kluit collator geworden was, aan den jongeling H. C. Provo Kluit, die de inkomsten gedurende zijn leven genieten zou.

Prebende Canonical yeintituleerd Jacobi majoris was in het jaar 1579 door Arent van Treslongh begeven aan zijn neef Cornelis van Treslongh. Onder de inkomsten behoorden, die getrokken werden uit landerijen in Leiderdorp en Oestgeest.

Al spoedig wordt de begeving dezer prebenden aangetroffen in het geslacht Taets van Amerongen, in welk geslacht zij gebleven is.

1 Febr. 1634 komt in eene acte van confirmatie der begeving van deze prebende het volgende voor:

„de Ridderschap doen te weten dat ons vertoont is bjj J. „O. Van der Laen, hoogeheemraet van Rijnlant, dat J. Taets „van Amerongen zijn suppliants neve, wonende tot Reijnsburch. „als waerachtich patroon van seekere Canonicx prebende gemti-„tuleert Jacobi majoris, gefundeert in St. Pancras kereke tot „Leyden, nu was vacerende door \'t overlijden van Gibert Jorisse „de Vries van Gravesteijn, ende niet willende versuymen zijn „recht van deselve prebende met alles \'t gunt daer toe was

-ocr page 327-

221

„speeterende ende aeuclevende, omme sonderlinge afFectsie ende „genegentheit, dewelcke den voornoemde Amerongen hem „suppliant ende zijne kinderen soo uyt Bloetverwantschappe, „als omme andere redenen, was drngende, gegeven ende gecon-„fereert hadde op zijn suppliants minderjarigen zoon, Jotgr. „Gruil. van der Laens de jonge willende ende begerende dien „volgens dat deselve als possesseur de prebende rustig zou bevittenquot; etc., confirmeert de begeving na inzage der stukken.

21 Sept. 1665 heeft Jacob Taets van Amerongen, na\'t overlijden van den laatsten bezitter, de prebende begeven aan Joost van Amerongen zyn zoon, en op die begeving, overeenkomstig het besluit om op elke begeving eener beneficie, zijnde juris patro-natus Laicaal, confirmatie te verzoeken, zulks aan de Staten verzocht, die de begeving hebben geconfirmeerd (1).

21 Sept. 1735 confereerde Anna Lucia Taats van Amerongen, douairière van Christoffel Neander te Amersfoort, na den dood van haren broeder Joost Taets van Amerongen, Heer van Natewisch, de vicarie (2) op haren kleinzoon Christiaan Antony Loogen, oud vijf jaren, zoon van Dirk Loogen, Burgemeester der stad Amersfoort en van vrouwe Maria Catharina Neander, en daarop confirmatie verkregen.

22 Jan. 1853 werd, namens den Minister van Binnenlandsche Zaken, de begeving geconfirmeerd, gedaan door Maximiliaan Jacob Leonard, Baron Taets van Amerongen van Renswoude aan zijn zoon Joost Gerard Godart, om de inkomsten dezer prebende te trekken tot wederopzeggens toe.

(1) De Staten verklaren o. a. in deze acte van confirmatie uit de Stukken te hebben gezien dat Jacob Taets van Amerongen , door het overlijden van den laatsten bezitter „deze prebende had gegeven met alle profijten, emolu-„menten en vruchten aan Joost Taets van Amerongen sijn soon, ende alsoo „bij ons geordonneerd was, dat alle de genen die voortaen met eenige beneficie „wesende iuris patronatus Laicalis versien souden werden, deselve behoorlijcke „confirmatie van ons in plaetse van voorgaende institutie gehouden waren te „versouchen. Soo keerde hij zich tot onsquot; etc.

(2) In deze acte van confirmatie wordt hetzelfde beneficie, eene vicarie genoemd.

-ocr page 328-

222

28 Dec. 1864 werd de begeving geconfirmeerd vau de inkomsten door denzelfden gedaan aan zijne jongste dochter, Louise Charlotte, om die tot wederopzeggens te genieten.

Vicarie gefundeerd hij Philips van Ley dm Van eenige vicariën zooals deze, waarvan nog goederen of inkomsten aanwezig zijn; maar het altaar, waarop ze gevestigd waren, onbekend is, of de heilige, ter wiens eere ze gesticht waren, niet wordt genoemd, kan de geschiedenis niet worden vermeld. — Door genoemden Philips van Leiden waren, zooals reeds opgemerkt is, meerdere vicariën gesticht, vermeerderd of verbeterd, en op andere altaren, dan waarop ze oorspronkelijk gefundeerd waren, overgezet.

Op het grootboek der 2£ % N. S. staat eene inschrijving groot f 3700 ten name van den bezitter van zulk eene vicarie, waarvan echter de renten sedert het jaar 1818 niet meer schijnen geheven te zijn.

Zij staat ten name van:

„Jacobus van de Walle te Waalwijk, als tegenwoordige be-„zitter van zekere vicarie, gefundeerd in de St. Pancraskerk „binnen de stad Leiden door wijlen Philips van Leyden.quot;

Andere inschrijvingen in het grootboek der 2i 0/0 N. S. ten name van vicariën gefundeerd op niet genoemde altaren.

„Seger Verhagen te Heusden als tegenwoordige bezitter van „een Vicarie of Capellerie door wijlen Nicolaas de Waart gefun-„deerd op een altaar in de St. Pancraskerk te Leyden.quot; Kapitaal f 4700. Laatste rentheffer (1 Jan. 1880) Seger Verhagen te Heusden.

„Willem David Heurt, als trekkende de vruchten van zekere „viearij gefundeerd in de St. Pancraskerk te Leyden.quot; Kapitaal ƒ 400.-.

Onder aanmerkingen komt voor „Sedert de inschrijving (1842) „de renten niet uitbetaald.quot;

Vicarie op een niet genoemd altaar. In het jaar 1832 verzocht Johanna Petronella van Bleijswijk, weduwe van wijlen

-ocr page 329-

223

Johan Hubert Gerard van Borcharen, confirmatie op de door haar gedane begeving der inkomsten eener vicarie of capellerie, gevestigd op een altaar in de St. Pancraskerk, van welke vicarie de laatste begeving gedaan was aan voornoemden J. H. G. \'^an Borcharen door wijlen haren vader, Abr. v. Bleijswijk , en geconfirmeerd door de Staten van Holland en West-Friesland 4 Maart 179*.. Zij meende tot de begeving dezer vicarie als eenig kind van wijlen Abraham van Bleijswijk thans gerechtigd te wezen. Aan haar verzoek werd voldaan, en de begiftigde, H. André van Bleijswijk Parvé, gerechtigd verklaard tot het bezit der inkomsten.

Na het overlijden dezer collatrice , begiftigde haar zoon Johan van Borcharen, rentenier te Utrecht, Seger Verhagen, te Heus-den, met de inkomsten dezer vicarie.

Deze begeving werd 21 Dec. 1868, namens den Minister, geconfirmeerd, en met deze vicarie zal dus de evengenoemde inschrijving op het grootboek van J 4700, waarvan S. Verhagen, te Heusden, rentheffer is, wel in verband staan.

St. Mariaas kerk.

Ook wel Lieve Vrouwe kerk genoemd. Zij was vroeger eene kapel. Ofschoon later slechts eene kleine parochiekerk, waren er toch onderscheidene vicariën in gefundeerd. Enkele dezer vicarien trekken nog de aandacht. Zij zijn de volgende:

Twee vicariën in honorem quatuor doctorum ecclesiae et quatuor Evangelistarum. Uit den bekenden fundatiebrief blijkt, dat deze vicariën in het jaar 1387 gesticht zijn door Pieter Jacobsz, licentiaat in de medicijnen. De stichting werd bevestigd of goedgekeurd door den Bisschop van Utrecht, 1 loris van Wevelinchoven. De vicariën waren gedoteerd met landerijen in onderscheidene gemeenten. De inkomsten van zeker kapitaal, herkomstig van die later verkochte landerijen, worden nog heden getrokken. De mededeeling van het volgende schynt daarom niet onbelangrijk.

-ocr page 330-

224

7 Aug. 1602 wordt de eerste confirmatie aangetroffen van de begeving.

27 Nov. 1657 had weder de bevestiging plaats eener begeving. Bij die gelegenheid bleek dat de landerijen onder Valkenburg, Katwijk, quot;Wassenaar en Voorschoten aan de vicariën behoord hebbende, volgens verkregen consent der Staten, ten overstaan van eenen commissaris uit hun midden verkocht waren, en dat de penningen ten kantore van den ontvanger generaal waren belegd. De begeving was gedaan door „Claes Cornelis Schaap, „Kuiper tot Delft.quot;

9 Febr. 1671 zijn de inkomsten met „concent ende ten over-„staan van haren man, Cornelis van Leeuwen, begeven door „B. S Van der Slamp te Delft, als zijnde ten gevolge van over-„lijden van den collator alleen de naeste in bloedequot;. De begiftigde was de neef der collatrice. Evert Jansse Cool.

Ik laat hier de copie volgen eener minuut van confirmatie zooals ik die onder de stukken in het Rijksarchief heb aangetroffen. Zij is van 25 April 1709.

„De Staten doen te weten, also ons vertoont is bij Philips „Cornelis van Leeuwen te Willemstad, dat wijlen Pieter Jacobse, „Licentiaet in de medicijnen, in sijn leven hebbende gefundeert „gehad twee vicariën, d\'eene in honorem qua tuur doctorum Ecclesiae „en d\'andere in honorem quatuor Evangelistarum, beijde in de „Vrouwe kercke tot Leijden, en deselve met diversche goederen „hebbende gedoteert, denselven expresselijk hadde begeert, dat „soo meenighmaal deselve vicariën vacant souden komen te „vallen, deselve souden moeten devolveren op een persoon van „sijn ouders linie, d\'oudste in rechte en nedergaende linie, „d\'ouder man altijd praefererende voor de jonger vrou, hoewel „jonger in geljjcken graed, en dat soo eeuwiglijck nederdalende „de collatie of praesentatie soude moeten gaan, dat de voorsz. „collatie in voege voorsz. van tijdt tot tijd wesende gedaen, en „nogh laestelijk bij seeckere Bely Jansze Van der Slamp, moeder „van den Suppliant ende weduwe van Cornelis Philipse van „Leeuwen op Evert Jausze Cool hare neve, wij deselve collatie

-ocr page 331-

225

„uijt wijsende de authentycque acte aen ons geexhibc hadde „geaggreeert en geconfirmeert, dat den voorzegde Evert Jansse „Cool \'t zedert deser werelt overleden zijnde, en de gen. Bcly „Jansse Van der Slamp , des suppliants moeder met de tijdelijcke „dood mede afgegaen wesende, den suppliant althans als oudste „en sulcks volgens de voorzegde fundatie don waren en oprechten „patroon en collateur, jure successionis, linea descendente van „des fundateurs vaders zijde wesende , de gem. vicariën goederen „hadde geconfereert op sijnen soon Hendrik Philipse van Leeuwen, „en vermits de suppliant ten exemple van sijne praedecesseurs „als patronen der voorz. vicariegoederen, en voorts tot meerdere „bevestiging der gedane collatie nodigh achte onse confirmatie „in desen te hebben, Soo keerde hem den suppliant tot ons, „versoekende dat het onze goedertierne gelicfte moghte zijn, de „voorz. bij hem suppliant in gem. qualiteijt gedaene collatie „op den voornoemden sijnen soone Hendrik Philipse van Leeuwen „goet gunsticlijck t\' aggreeren en te confirmeren, in eommuni „en optima forme. Soo is \'tquot; — verder, even als doorgaans het slot van eene confirmatie was in dien tijd.

24 Dec. 1816 wordt Joannes van Leeuwen „volgens de bij de stichting bepaalde erfopvolging,quot; in het patronaatschnp der twee vicariën door den Minister van Justitie bevestigd, en wordt gelijk weder een Cornelis van Leeuwen gerechtigd verklaard tot het genot der inkomsten.

Na den dood van Joannes van Leeuwen, meenden twee gehuwde zusters van den overledene, die zamen zijne erfgenamen waren, dat ze nu zamen ook patronessen waren der twee vicariën. Ze hadden de inkomsten er van beschikt ten bate van den oudsten onmondigen zoon van eene dier zusters, de weduwe Van Leeuwen, geb. Bach, en daarop confirmatie verzocht van den Minister.

24 Jan. 1863 berichtte de Minister op dat verzoek, dat bij het overlijden van een collator of patroon eener vicarie, zijn recht als zoodanig in zijn geheel overgaat op den naast daartoe gerechtigde van zijne erven; maar niet op zijne gezamenlijke

15u

-ocr page 332-

226

erfgenameu. De gezusters konden dus als gezamenlijke patronessen niet worden erkend, en de begeving die ze gedaan hadden niet worden geconfirmeerd.

Op grond van rechtmatige opvolging moest echter dezelfde, die door do twee gezusters als vicaris werd voorgedragen, erkend worden als de tegenwoordige patroon en collator dezer vicariën, terwijl gedurende zijne minderjarigheid „de hoedanigheid van „patroon en collator door zijne moeder als voogdes, of bij hare „ontstentenis door den als dan daartoe geregtigde, namens de „moeder, kon worden uitgeoefend.\'quot;

Hiermede komt overeen eene inschrijving in meer genoemd grootboek van ƒ 2800 ten name van:

„Cornelis vaii Leeuwen te Rotterdam, als tegenwoordige vicaris „van twee vicariën , door wijlen Pieter Jacobs Licentiaat in de „medicijnen gefundeerd in do Vrouwe kerk te Leiden. Laatste „rentheffer 1 Jan. 1880 wed. P. A. van Leeuwen , geb. Bach, „als moeder en voogdesse van Johannes van Leeuwen.quot;

Uit deze rentheffing blijkt hoe door belanghebbenden deze resolutie schijnt te zijn verstaan , of in practijk is gebracht.

Vicarie op St. Stevens altaar was a0. 1487 gefundeerd door W. van Tetterode Arendz, met last van twee missen in de week. Zij was begiftigd met 5 morgen land ouder Leiden.

Het volgende, dat iu oudere stukken is aangetroffen, spreidt eenig licht over hetgeen in latere voorkomt omtrent deze vicarie, die, zoo als we zien zullen, nog aanwezig is.

Nadat al vroegere confirmaties op begevingeu dezer vicarie gedaan waren, als 23 Nov. 1610 door den collator aan zijn zoon; 25 Jan. 1611; 24 Nov. 1619; 9 Dec. 1650 en 14 Oct. 1651, en die begeviugen waren geconfirmeerd, blijkt uit de copie van den stichtingsbrief, die na eene begeving iu het jaar 1695 bij verzoek om confirmatie met andere stukken werd overgelegd, dat de stichter gever zijn zou, zoolang hij leefde, en na zijn dood, die de oudste en naaste van den bloede van zijn vader Arent van Tetrode was „en geen man zijnde, dan gever het

-ocr page 333-

227

„wijfquot;, dat do oudste en naaste zou ziju van zijns vaders zijde. De vicarie zou altoos gegeven worden aan een manspersoon, gekomen van zijns vaders bloed, zoolang er een daarvan zou gevonden worden.

In genoemd jaar (1695) werd de vicarie begeven door den voogd van quot;Willem Janse van Tol, dio als collator was erkend.

1719 word liet regt van collatie uitgeoefend door Claes Janse van Tol, cu eene begeving door hem gedaan geconfirmeerd.

1736 werd eene begeving geconfirmeerd door quot;Willem van Diest aan zijn zoon.

1763 confereerde Mr. L. van Heemskerk bij notarieele acte de vicarie, die door het overlijden van quot;W. van Diest vacant was geworden, op Daniel Xicolaas Cliimaer van Oudendorp. Er was echter bij de Staten ook eon request ingediend door Susanne de Geer, wed. van Hendrik van Cleef, waarin zij Mr. Heemskerk het recht van patronaatschap betwistte, en verlangde dat haar zoon Jan in dat recht zou worden erkend. De stukken werden in handen gesteld van gecommitteerde Raden, die partijen hebbeu gehoord. — De wed. van Cleef „declineerdequot;, volgens bun daarna uitgebracht rapport, „van bare oppositiequot;, terwijl zij adviseerden om nu de collatie, uitgebracht door Mr. Heemskerck, te coufirmeeren, dat ook 5 Jan. 1764 geschied is.

Terwijl er later geruimen tijd onzekerheid omtrent het recht van patronaatschap der vicarie gefundeerd op St. Stevens altaar had bestaan, richtte in bet jaar 1823 Mr. C. C. Cliimaer van Oudendorp een verzoek tot den Minister, hoofdzakelijk inhoudende , dat bij de zoon was van hem , die bij de laatste begeving het recht van collatie had uitgeoefend; maar aangezien dat recht twijfelachtig en niet bewijsbaar was, waren de renten nu ook sedert geruimen tijd niet uitgekeerd. Hij verzocht daarom onder overlegging van een bewijs, waaruit bleek dat hij de naaste bloedverwant was van den in bet jaar 1764 begiftigde, en van een ander stuk, waarin die uit het geslacht van „Van Kleeffquot;, verklaarden „geen pretensie meer te maken op het patronaat of

-ocr page 334-

228

„vicariaatquot; van meer genoemde vroegere stichting; om na in dier voege op hem, als wettige opvolger vau zijnen overleden vader, de vicarie te confereeien, dat commissarissen ter liquidatie van de weeskamer van Leiden werden geautoriseerd om de renten er van, die daar sedert den dood van den laatsten vicaris in het jaar 1807 berustten, aan hem uit te betalen en hem tot verder genot er van gerechtigd te verklaren. — De Minister overwegende , dat uit den inhoud der brieven van confirmatie door de Staten van Holland op 5 Jan. 1764 afgegeven, bleek, dat aan het genot der inkomsten van deze vicarie de volgende voorwaarde verbonden was „mits de voornoemde Daniel Nicolaas „Chimaer van Oudendorp ter schole gehouden zal wordenquot;, verklaarde in zijn antwoord, aan dat verzoek niet te kunnen voldoen.

2 April 1827 werd tocli aan het verlangen van bovengenoemden requestrant voldaan, en wel tengevolge van een Koninklijk besluit van 18 Maart 1827, n0. 14, waarbij hot Z. M. behaagd had 1°. zich te verklaren tot „ tijdelijken patroon der vicarij door „wijlen W. van Tetterode, Arentz in den jare 1487 gesticht op „het St. Stevens altaar in de Vrouwe Kerk te Leiden, en zulks „tot dat door iemand zal worden bewezen , dat hij als den stichter „derzelve het naast in den bloede bestaande, daartoe gerechtigd „is; IIe met de inkomsten van af 1807 tot wederopzeggens toe „te begunstigen den heer Mr. Cornelis Chimaer van Oudendorp, „tegenwoordig woonachtig aan den Bergschen Hoek, en zulks „in hoedanigheid als tot de familie van den stichter behoor ende.quot;

18 Jan. 1852 wordt door den Minister van Binnenlandsche Zaken, volgens autorisatie daartoe tijdelijk door Z. M. verleend, zoo beschikt op een adres van Willem Cornelis Chimaer van Oudendorp, kunstschilder te Amsterdam, die de zoon van bovengenoemde maar nu overledene was, dat hij in het genot der inkomsten van af den dood zijns vaders tot wederopzeggens gesteld werd. quot;Wat echter zijn verzoek betrof om gerechtigd te worden verklaard tot de kapitalen van gezegde vicarie, daaraan kon — zoo verklaarde de Minister — tengevolge van den

-ocr page 335-

229

onvervreeindbfiien aard der vicariegoederen niot worden voldaan , terwijl hij ter verkrijging van de inkomsten, waartoe hij gerechtigd was verklaard, zich te wenden had tot de weeskamer.

20 Nov. 1873 wordt Bartholomeus van Kleef te Leiden, die zijne erfopvolging in het patronaatschap der vicarie naar le-hooren had bewezen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken, gerechtigd verklaard, om de inkomsten tot wederopzeg-gings toe te trekken, van af het tijdstip dat zij niet meer aan den vroeger gerechtigd verklaarde waren uitbetaald.

Door een en ander is duidelijk van waar do Minister van Financiën de rentheffer is van een kapitaal groot ƒ 4000 ingeschreven op het grootboek der 2l/2 0/o S- ten name van;

„Tetterode Arentzoon (quot;Willem van) vicarie gefundeerd den 7 „December 1487 op den autaar van St. Steven en de Vrouwe „kerk te Leiden, overgeschreven krachtens de wet van 20 „Augustus 1859, Staatsblad N0. 95.quot;

Andere vicuriën.

De aandacht behoort in dit verslag nog gevestigd te worden op de volgende Leidsche vicariën, of op enkele bijzonderheden, die er van zijn aangetroffen.

Vicarie en prebende, gefundeerd in de St. Piet er s en Sint Paneras herken. In het grootboek der 2,/2 quot;/o S- komt eene inschrijving voor, groot f 1730, ten name van :

„Joannes Vrijdag te \'s Gravenhage, als vruchtgebruiker eener „vicarie en prebende eertijds gefundeerd in de St. Pieters en „St. Pancras kerken te Leiden, volgens brieven van confirmatie „van den 27 Maart 1804 van het Departementaal Bestuur van „ Hollandquot;.

Volgens opgave in 1880 was het tijdstip der laatste rentebetaling van dit kapitaal 1 Januari 1869; en was de laatste rentheffer: Jhr. C. E. M. Riujs van Beerenbroek te Roermond als patroon en collator.

-ocr page 336-

230

Vicariën gefundeerd in de St. Pancras en O. L. Vrouwe kerken ; op het Convent van Maria Magdalena buiten Leiden en in de kerk van St. Hippolitus martelaar te Delft.

Van deze vicariën komt .fohs. Auth. Graswinckol, oud Secretaris van Haarlem, in liet jaar 1822 voor als patroon en colliitor. — De twee gefundeerd in de kerken te Leiden bestonden toen in „/4400 inschrijving uitgestelde schuld ten laste „van het rijk, mot vijf geheele en vier vijfde gedeelte kansbiljetten.quot; De vicarie buiten de stad was iu \'t bezit van ƒ 600 inschrijving Werkelijke Schuld, f 1200 uitgestelde en Vj kansbiljet, daarbij nog in een morgen weiland onder Oestgeest, en ƒ 7 renten op huizen binnen Leiden; terwijl die op het altaar van St. Laurens in de Hippolitus kerk te Delft (1), bestond in 600 uitgestelde „schuld, en een en \'/j kansbiljet.quot;

De revenuen dezer vicariën werden door den collator gezamenlijk gegeven aan zijn eenige dochler C. P. Graswinckel, echtgenoote van den heer M. Grouverneur, predt. te Groningen, en deze begeving in April van bovengenoemd jaar geconfirmeerd.

Van eene latere begeving dezer vicariën in het jaar 1859 is ook reeds gewaagd, evenals van eene inschrijving op het grootboek , betreffende de vicarie in do kerk te Delft.

Nu staan echter op hetzelfde grootboek der 2,/2 0/0 N. S. nog twee andere inschrijvingen, waarvan zij , die met deze vicariën zijn begunstigd , het genot hebben, en wel,

ƒ»4700 ten name van:

„Dr. Josue Jean Philippe Valeton te Groningen, als vader «en beheervoerder van de goederen van de minderjarige Maria „Hillegonda Catherina Valeton, tegenwoordige vruchttrekster van „twee vicariën, eertijds gefundeerd, de eerste in St. Pancras „en de andere in Onze Lieve Vrouwe kerk binnen de stad „Leiden.quot;

In Juli 1884 was de rentheffer Dr. J. J. P. Valeton.

De tweede inschrijving bedraagt ƒquot; 1700 ook ten name van:

(1) Van deze laatste is reeds gesproken pag. 142.

-ocr page 337-

231

„Dr. J. J P- Valeton te Groningen als vader en beheer-„voerder der goederen van de minderjarige M. H. C. Valeton, „als tegenwoordige vruchttrekster eener vicarie eertijds gefun-„deerd op het convent van Maria Magdalena buiten de stad „Leiden.quot;

Dr. J. J. P. Valeton was ook hiervan in Juli 1884 de rentheffer.

Maasland.

Vicarie op St. Antonie altaar. Vroeger waren in de kerk te Maasland, waar de ridders der Duitsche orde de begeving van de pastorie hadden, meerdere vicariën , als eene altijddurende aan het altaar van den H. Andreas en H. Elizabeth; maar hiervan wordt na de hervorming niet meer gewaagd. Wel komt er in de 17e eeuw eene begeving eu confirmatie eener vicarie voor, waarvan de naam niet genoemd wordt.

Bij gelegenheid van de bevestiging eener begeving in het jaar 1818 van de vicarie op St. Antonie altaar, blijkt dat een der voorouders van zekere toen levende Adriaantje de Bruin, huisvrouw van Gorrit van Gaaien, de stichter van deze vicarie geweest is. Deze vrouw Adriaantje de Bruin was dan ook na den dood harer moeder als wettige patronesse erkend , en verlangde toen confirmatie op hare begeving, die ze ten behoeve harer zuster Josina van Gaaien, huisvrouw van Jacobus Immerseel, had gedaan; en de Minister, in aanmerking nemende dat het genot dezer vicarie ook vroeger wol aan vrouwelijke personen was toegestaan, confirmeerde de collatie (1).

Eene ministerieele resolutie van 22 December 1874 in zake het patroonschap en de begeving dezer vicarie behelst in hoofdzaak het volgende;

De Minister op verzoek van Jannetje Immerzeel, huisvrouw

(1) 18 Mei 1785 was dezelfde vicarie door Lijsbeth de Vos, wed. Willem Pols, op hare oudste dochter , gehuwd met b. de Bruin geconfereerd , en deze begeving, zooals in een vroeger register van confirmatiën gevonden is . goedgekeurd.

-ocr page 338-

232

van Peter van der Ende arbeider te \'s Gravenhage, om te worden erkend als patrones der genoemde vicarie, en om gelijk gerechtigd te worden verklaard tot het genot der inkomsten, — gelet op het boven medegedeelde, — overwegende dat de toenmalige patrones Adriaantje de Bruin, huisvrouw van Gerrit van Gaaien, bij naar overlijden in het patronaatschap is opgevolgd door hare dochter Josina van Gaaien, dat adressante is de oudste dochter van Josina van Gaaien, huisvrouw van Jacobus Immerzeel, overleden 14 Sept. 1874, en bij gevolg thans wettige patronesse der voormelde vicarie, heeft goedgevonden haar daarvoor te ei kennen; mot bericht dat de hoedanigheid van patroon en vicaris niet in één persoon mogen vereenigd worden.

23 Augustus 1875 werd door den 3Iinister de begeving geconfirmeerd door bovengenoemde als collatrice aan Grietje van der Ende.

Op het grootboek der 21/1 »/0 N. S. staat de volgende inschrijving :

„Pieter van der Ende te \'s-Gravenhage als vader beheerende „de goederen van de mindeijarige Grietje van der Ende als „vicarisse eener vicarie eertijds gevestigd op het St. Anthonie „altaar in de Kerk van Maasland, in gevolge acte van confir-„ matie van den Minister van Binnenlandsche Zaken in d0. 23 „Aug. 1875 No. 31.quot; Kapitaal ƒ 1300. Kentheffer 1 Jan. 1880 P. van der Ende te \'s-Gravenhage.

Oestgeest.

In deze gemeente zijn, volgens opgave van den burgemeester, aanwezig:

1quot;. „De vicarie afkomstig van P. Leeuwsveld, ter grootte van „1.70.30 hectaren, thans in bezit van Jhr. A. L. A. Gevers „te \'s-Gravenhage.quot;

Deze opgave komt overeen met hetgeen voorkomt in het ontvangen uittreksel uit de bij het departement van Financiën berustende staten van onroerende goederen in de doode hand.

-ocr page 339-

233

voor zoover deze ondersteld worden tot de vicariestichtingen in Zuid-Holland te behooren.

Van de herkomst dezer vicarie, of hare latere lotgevallen, is niets ontdekt.

Ho. „de praebende Sancti Benedicti gevestigd in de St. Pancras „of Hooglandsche kerk te Leiden, ter grootte van 1 14.30 „hectaren, thans in bezit van Jhr. A. P. J. van Aefferden te „Roermond, collator en beheerder.quot;

Verdere bijzonderheden omtrent deze prebende zijn medegedeeld bij de behandeling der vicariën in de St. Pancraskerk te Leiden (1).

Oüddokp.

Na de hervorming wordt gewaagd van de begeving van twee vicariën, die in deze kerk gesticht waren.

De eerste:

Vicarie gefundeerd op St. Nicolaas altaar werd, na vroeger door Prins Maurits , r.ls stadhouder van Holland te zijn begeven, later 21 Juli 1659 en 10 Dec. 1663 weder begeven; de laatste maal door Gerard van Hoogeveen, secretaris der stad Leiden aan zijn zoon, om er de inkomsten gedurende geheel zijn leven van te gemeten.

Vicarie op Sint Anna altaar. Deze vicarie (nog bestaande) werd 12 Nov. 1626 door den oudsten afstammeling uit het geslacht van den stichter begeven aan zijn zoon om „bij subsidie van het jaerlijcx incommen van dien des te bequamer op „de studiën gehouden te mogen worden.quot;

Aquot;. 1790 en 1794 begeven door Johannes Aams te Goederede.

11 Mei 1815 werd de begeving derzelfde vicarie geconfirmeerd gedaan aan A. Klepper, die de broeder was van den toenmabgen patroon. De vicarie bestond in eene landhoeve van onderscheidene gemeten lands, met ander land, gelegen in het eiland van Goedereede en Westvoorne.

(1) Bladz. 2\'4.

-ocr page 340-

234

Op het grootboek der 21/j »/„ K g. komt eene inschrijving voor ten name van:

„Paulus Klepper als bezitter eener vicarie, voorheen gefun-„deerd op hot altaar van St Anna in de parochiekerk van „het Ouddorp.quot;

„Het kapitaal is ƒ 800. Laatste rentheffer is onbekend. Sedert „1818 zijn de renten niet uitbetaald.quot;

Uit een van den burgemeester van Ouddorp d0. 22 Juni 1880 ingekomen bericht, blijkt dat de vicariegoederen in die gemeente toen in levenslang genot waren bij Laurens Klepper, wonende in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, en dat ze beheerd werden door C Bosloper, dorps- en polderbode te Ouddorp, als gevolmachtigde van den vicaris L. Klepper. De inkomsten dezer vicarie werden dus nog getrokken door een uit hetzelfde geslacht, dat in hot jaar 1815 in het genot daarvan was. De burgemeester heeft bij dit bericht een staat van vlcarieqoederen in de gemeente Ouddorp gevoegd, waarop voorkomen ettelijke bunders bouwland, geestland, hakhout, benevens een huis, schuur eu erf.

Rotterdam.

Vele religieuse inrichtingen werden hier aangetroffen (1). Voor ons onderzoek levert vooral de vroegere hoofdkerk niet de minst belangrijke stoffe. Ettelijke vicariën , die daarin gesticht waren, zijn nog aanwezig.

In deze kerk: de groote of St. Laurens kerk genaamd, waren volgens berichten o. a. 17 altaren. Bij een der aangehaalde schrijvers (2) lezen wij: „aan alle deze autaai\'en, waren „verscheiden rijkelijk begiftigde vicanjen gestigt, waarvan de „priesters de inkomsten genoten hebben tot in het jaar 1572,

1

Zie: Chronijck ofte korte waere Beschrijvinge der stad Rotterdam door S. Lois. \'sGrav. 17-46.

Beschrijving der stud Rotterdam, door Jacob Kortebrand. Amst. 1789. Beschrijving der stud Rotterdam en eeniye omliggende dorpen, door Gerard van Spaan. Rotterdam. 1738.

-ocr page 341-

235

„in welk jaar door Martinus Ducanus op den 12 November, „de laatste Roomsche godsdienstoefening in deze kerk is verrigt. „Twee dagen later werden alle beelden afgebroken, 15 Nov. „1572 de eerste predikatie voor de gereformeerden in deze kerk „gedaan door Ds. C. Kooltuin.quot;

Er zijn, voor zoover ik kon nagaan, van het jaar 1578 tot aan het jaar 1652, 16 vicariën aangebracht, waarvan ik ettelijke bijzonderheden heb aangetroffen. Die vicariën waren dus na de Hervorming nog aanwezig, en aan publiek toezicht onderworpen. Van die 16 zijn er nu nog de volgende bekend of overgebleven, die niet verduisterd of vervreemd zijn, en waarvan nog het een en ander, dat niet onbelangrijk schijnt, kan worden medegedeeld.

Vkar ie op St. Nicola as altaar. Op dit altaar waren blijkbaar onderscheidene vicariën gefundeerd. — 18 Juli 1646 werd de begeving eener vicarie geconfirmeerd, die den 16 December 1497 op dit altaar gefundeerd was door Mr. Jacobus Jacobi Mercator, pastoor van Hillegersberg.

Enkele jaren vroeger, was er eene begeving door een ander gedaan van eene vicario , die op hetzelfde altaar gesticht was. Genoèmde pastoor schijnt ook de stichter dezer vicarie te zijn geweest.

Verder is er aanteekening van de begeving eener vicarie op genoemd altaar gedaan door Adriaan van Rliijn te Haarlem aan zijn zoon., en geconfirmeerd 23 Juli 1697.—De landerijen, waarmede de vicarie was begiftigd geweest, waren toen verkocht, en voor de opbrengst dier verkochte landen was eene onlosbare rente van f 132 \'s jaars aangekocht.

12 Mei 1741 confereert Alardus van der Steen, als oudste zoon van wijlen Johan van der Steen en Maria van Khijn, dezelfde vicarie op den heer Mr. Adriaan van der Goes, zoon van Mr. W. van der Goes, ontvanger te Leiden, en vrouwe Meerman. De vicarie had, volgens de daarbij gevoegde verklaring, bestaan in SVs morgen land „gelegen buiten het hofpoortje in de polder

-ocr page 342-

236

„van Blommersdijk, doch verkocht en de penningen er van „geprovenieert, ten comptoire generaal van Holland gefurneert, „en daarvoor aengekogt een onlosbare rente (mits blijvende van „deselve natuyr als de voornoemde landerijen bevorens waren „geweest) de welke naderhand is veranderd in twee distincte „rentebrieven, een vaa 9 Mei 1649 en d\'andere van 9 November „1649, daer van de renten \'s jaers belopen ƒ 132.quot;

8 Febr. 1769 is na den dood van Mr. A. van der Goes, door den collator Johan Oem, Mr. Willem van der Goes met deze vicarie begiftigd.

Van de verdere lotgevallen der vicariën op St. Nicolaas altaar blijkt nu niets meer voor het jaar 1852. In dat jaar — 8 Juni — werd de begeving eener vicarie op St. Nicolaas altaar in de parochiekerk geconfirmeerd, die 4 September 1851 ten overstaan van een Notaris te Leiden gedaan was door wijlen C. L. Baron van Wijkerslooth van Schalkwijk, Bisschop van Curium, welke begeving door executeurs in den boedel ter confirmatie werd aangeboden. Uit de overgelegde stukken bleek, dat de heer Henriques van Essen te Oestgeest, secretaris van den collator, met de inkomst was begiftigd.

12 Juni 1880 werd de begeving geconfirmeerd door den heer E. C. A. Baron van Wijkersloot van Weerdesteijn, heer van Schalkwijk, wonende te Brussel, gedaan aan den heer J. H. Adams, „dienstdoende Roomsch Catholiek geestelijke van het „bisdom van Haarlem, kapellaan te Oestgeest.quot;

31 Mei 1883 vinden wij dat de Minister van Binnenlandsche Zaken, gezien het verzoek van den heer A. A. Corbière, dienstdoend Roomsch Catholiek geestelijke van het bisdom van Haarlem, toen pastoor te Voorhout, om confu-matie op de door den heer C. C. A. Baron van Wijkersloot van Weerdestejjn, heer van Schalkwijk, wonende op Weerdesteijn te Langbroek, aan hem gedane begeving derzelfde vicarie, dien geestelijke levenslang gerechtigd verklaart, om de inkomsten te genieten.

Nu wordt iu het grootboek der 2i7o N. VV. S. eene inschrijving aangetroffen van /quot;1700 staande ten name van:

-ocr page 343-

237

„Cornelis Ludovicus de Wijkersloot, als possesseur van zekere „vicaiie gefundeerd op St. Nicolnas altaar in de pai\'ochiekerk „van Rotterdam, en dezelve gedoteerd met vier (!quot; half morgen „lands, gelegen buiten het Hofpoortje derzelve stede in de polder „van Blommersdijk.quot;

Hiervan was 1 Juli 1871 rentheffer de bovengenoemde heer H. van Essen, R. C. Priester.

Vicarie op St. Michiels altaar. Op het grootboek der 22°/° N. S. wordt de volgende inschrijving gevonden:

„Rotterdam (Elisabeth Margaretha de Blij, huisvrouw van „Gerrit AVenck, als tegenwoordige eigenaresse van zekere „vicanj eertijds gefundeerd bij Pieter Burgaarts op St. Michiels „altaar in de Parochiekerk te) ingevolge octroy van de gedeputeerden „van het departementaal Bestuur vau Holland in dato 30 December 1805.quot; — Het ingeschreven kapitaal bedraagt/\'4200.

Laatste rentheffer was 1 Juli 1844 de houdster van rekening.

Onder de behandelde vicariën in de St. Jacobskerk te \'.s Gra-venhage (1) komt o. a. voor de „vicarie gefundeerd in het „nieuwe gasthuis, overgebragt op St. Pieters altaar.quot; Bij die gelegenheid is gebleken , dat er eene inschrijving staat op het grootboek der 3 0/0 N. S. groot ƒ 900 mede ten name van E. M. de Blij, huisvrouw van Gr. Wenk te Rotterdam, als patronesse en collatrice van twee vicariëu gefundeerd bij P. Burgaarts: de eene in het nieuwe gasthuis te \'sGravenhage, eu van daar overgebracht op het altaar van den apostel St. Pieter in de St. Jacobskerk aldaar; en de andere, de bovenstaande, op St. Michiels altaar in de parochie of groote kerk te Rotterdam.

Door tusschenkomst vau den burgemeester van Kralingen is afschrift ontvangen van den staat dezer vicariegoederen gelegen onder Kralingen , welke staat bij het gemeentebestuur was opgemaakt 24 April 1811.

Tot de vicarie behoorden onderscheidene landerijen, „een

(1) Pag. 168.

-ocr page 344-

236

„van Blommersdijk, doch verkocht en de penningen er van „geprovenieert, ten comptoife geaeraal van Holland gefurneert, „en daarvoor aengekogt een onlosbare rente (mits blijvende van „deselve natnyr als de voornoemde landerijen bevorens waren „geweest) de welke naderhand is veranderd in twee distincte „rentebrieven, een van 9 Mei 1649 en d\'andere van 9 November „1649, daer van de renten \'s jaers belopen ƒ 132.quot;

8 Pebr. 1769 is na den dood van Mr. A. van der Goes, door den collator Johan Oem, Mr. Willem van der Goes met deze vicarie begiftigd.

Van de verdere lotgevallen der vicariën op St. Nicolaas altaar blijkt nu niets meer voor het jaar 1852. In dat jaar — 8 Juni — werd de begeving eener vicarie op St.Nicolaas altaar in de parochiekerk geconfirmeerd, die 4 September 1851 ten overstaan van een Notaris te Leiden gedaan was door wijlen C. L. Baron van quot;VVijkerslooth van Schalkwijk, Bisschop van Curium, welke begeving door executeurs in den boedel ter confirmatie werd aangeboden. Uit de overgelegde stukken bleek, dat de heer Henriques van Essen te Oestgeest, secretaris van den collator, met de inkomst was begiftigd.

12 Juni 1880 werd de begeving geconfirmeerd door den heer E. C. A.. Baron van Wijkersloot van Weerdesteijn, heer van Schalkwijk, wonende te Brussel, gedaan aan den heer J. H. A.dams, „dienstdoende Roomsch Catholiek geestelijke van het „bisdom van Haarlem, kapellaan te Oestgeest.quot;

31 Mei 1883 vinden wij dat de Minister van Binnenlandsche Zaken, gezien het verzoek van den heer A. A. Corbière, dienstdoend Roomsch Catholiek geestelijke van het bisdom van Haarlem, toen pastoor te Voorhout, om conibinatie op de door den heer C. C. A. Baron van Wijkersloot van Weerdesteijn, heer van Schalkwijk, wonende op Weerdestejjn te Langbroek, aan hem gedane begeving derzelfde vicarie, dien geestelijke levenslang gerechtigd verklaart, om de inkomsten te genieten.

Nu wordt in het grootboek der itfjo N. W. S. eene inschrijving aangetroffen van ƒ1700 staande ten name van:

-ocr page 345-

237

„Cornells Liidovicus de Wijkersloot, als possesseur van zekere „vicaiie gefundeerd op St. Nieolnas altaar in de parochiekerk „van Rotterdam, en dezelve gedoteerd met vier d half morgen „lands, gelegen buiten hot Hofpoortje der zelve stede in de polder „van Blommersdijk.quot;

Hiervan was 1 Juli 1871 renthefl\'er de bovengenoemde heer H. van Essen , R. C. Priester.

Vicarie op St. Middels altaar. Op het grootboek der 24°/° N. S. wordt de volgende inschrijving gevonden:

„Botterdam (Elisabeth Margaretha de Blij, huisvrouw van „Gerrit Wenck, als tegenwoordige eigenaresse van zekere „vicarij eertijds gefundeerd bij Pieter Burgaarts op St. Middels „altaar in de Parochiekerk te) ingevolge octroij van de gedeputeerden „van het departementaal Bestuur vau Holland in dato 30 December 1805.quot; — Het ingeschreven kapitaal bedraagt/\'4200.

Laatste rentheffer was 1 Juli 1844 de houdster van rekening.

Onder de behandelde vicariën in de St. Jacobskerk te \'s Gra-venhage (1) komt o. a. voor de „vicarie gefundeerd in het „nieuwe gasthuis, overgebragt op St. Pieters altaar. Bij die gelegenheid is gebleken , dat er eene inschrijving staat op het grootboek der 3 0I0 N. S. groot ƒ 900 mede ten name van E. M. de Blij, huisvrouw van Gr. Wenk te Rotterdam, als patronesse en collatrice van twee vicariën gefundeerd bij P. Burgaarts: de eene in het nieuwe gasthuis te \'s Gravenhage, en van daar overgebracht op het altaar van den apostel St. Pieter in de St. Jacobskerk aldaar; en de andere, do bovenstaande, op St. Michiels altaar in de parochie of groote kerk te Rotterdam.

Door tusschenkomst van den burgemeester van Kralingen is afschrift ontvangen van den staat dezer vicariegoederen gelegen onder Kralingen , welke staat bij het gemeentebestuur was opgemaakt 24 April 1811.

Tot de vicarie behoorden onderscheidene landerijen, „een

(1) Pag. 168.

-ocr page 346-

238

„eeuwigdurende erfpacht schuldbrief groot /130 \'sjaars, een „erfpacht vicanje schuldbrief, ƒ 19.10.quot;

In Mei 1726 was consent gegeven — wat mij ook gebleken is uit de op deze zaak betrekking hebbende stukken in het Rijksarchief— aan den toeumaligen possesseur, om 4 morgen 14 roeden der vicarie eigendommen te mogen verkoopen. Die verkooping heeft plaats gehad. De verkochte landen hadden opgebracht de som vau f 4500, welke gelden toen, overeenkomstig het besluit dor Staten, belegd zijn iu obligatiën of rentebrieven ten laste vau het gemeene land van Holland en West-Friesland.

Vicavie op het kruisaltaar. Deze vicarie, die bij de eerste aangifte na de hervorming, bestond in 11 ^ morgen land, „ noch „zeeckere XV Car. guldens aen Kleyne Rentges \' \', werd herhaaldelijk begeven, en die begevingen geconfiriueeid.

12 Febr. 1712 begiftigde Alida Catharina lugelby te Delft, als oudste van \'t geslacht, „patronesse eener eeuwige vicarie, „gefundeerd in de hoofdkerk te Rotterdam op het kruisaltaarquot; haar broeder met de inkomsten.

1 Juli 1749 had weder eene begeving door dezelfde collatrice plaats vau deze vicarie aan 13. G. van Slingeland; terwijl zij 8 Sept. 1750, bij gebrek aan wettelijke manserven, de vicarie heeft geconfereerd op Elisabetli Christina van Slingeland, oud 16 jaren, en Catharina W ilhelmina van Slingeland, 10 jaren oud, die van de gereformeerde religie waren.

10 Aug. 1785 werden, na den dood van hare zuster Catharina U\'ilhelmina, de inkomsten door Elisabeth Christina van Slinge-landt, huisvrouw van David Graswinckel, raad en oud-burgemeester van Delft, die met haar de inkomsten had getrokken, en nu als oudste van het geslacht patronesse der vicarie was, gegeven aan hare twee zonen Mr Johan Willem Graswinckel oud 28 en Mr. Dirck Graswinckel oud 24 jaren, en verkrijgt zij ook op die begeving de verlangde confirmatie.

Ook in deze eeuw zijn vele bijzonderheden omtrent deze nog bestaande vicarie aangetroffen, die in \'t kort hierop neerkomen.

-ocr page 347-

239

8 Pebr. 1827 verklaart de administrateur van E-vijk, toen met de confirmatie belast, op een adres van Jlr. J. W. Graswinckel te Delft, die door zijne moeder met de helft der inkomsten begiftigd, en nu na haar overlijden, patroon der vicarie geworden was, dat hij de begeving, door hem gedaan aan zijn zoon, niet kon confirmeeren, omdat wijlen de moeder van den adressant de vicarie zoo had geconfereerd, dat door hem en zijn brosder de inkomsten zouden genoten worden, ieder voor de helft, hun leven lang gedurende, „dat dus de „vicarie niet vaceerde en er uit dezen hoofde noch begeving , „noch confirmatie te passé komen.quot;

4 Juni 1839 is, na overlegging en raadpleging van zeer vele bescheiden, de begeving geconfirmeerd, voor de helft van deze vicarie gedaan door Margaretha Johanna Sas, te Delft, weduwe wijlen Willem Graswinckel de Yillates, als voogdes over haren minderjarigen zoon G. J. Graswinckel de Yillates, en geassisteerd door den tot haren raadgever benoemden heer W. G. J. Baron van Boetzelaar van Kijfhoek. De door haar begiftigde was wederom een notaris, de heer Simon Adrianus Scholten, te Delft.

15 Sept. 1847 werd de begeving geconfirmeerd , toen door den zoon G. J. Graswinckel de Villates ten bate zijner moeder, de wed. van wijlen den heer Willem Graswinckel de Villates, gedaan.

6 Juli 1860 zijn op A, H. Verhoeffte Rotterdam de inkomsten geconfereerd door G, J. Graswinckel dc A illates, en werd die begeving geconfirmeerd.

Het volgende komt voor op het grootboek der 2Vs quot;/o N. W. S.

„Arend Hendrik Verhoetf te Rotterdam, geregtigd tot het „genot der inkomsten van zekere vicarije, gefundeerd op het „kruisaltaar in de Hoofdkerk te Rotterdam. Kapitaal f 3700 Laatste reutheffer in 1876, houder van Rekening. \'

Vicarie op het altaar van St. Jeroen den Martelaar. Op het grootboek der \'ZVs N. S. komt eene inschrijving voor groot ƒ 2800 ten name van:

-ocr page 348-

240

„Cornells Hendrikus van der Looy te Rotterdam, als ge-„regtigd tot de inkomsten van zekere vicary in der tijd door „Pieter Ariense Karre of deszelfs moedor Katrijn Pieter Karre\'s „dochter gefundeerd op het altaar en ter eere van St. Jeroen, „Martelaar in de St. Laurens kerk te Rotterdam.quot; Als rent-heffer staat opgeteekend 1 Jan. 1880 „C. H. van der Looy.quot;

Uit eene begeving , waarop 29 Oct. 1641 goedkeuring werd verleend, blijkt dat genoemde P. A. Karre de stichter dezer vicarie, die juris laicalis was, de betrekking bekleedde van burgemeester van Rotterdam ea dat in het jaar 1641 Aeltje Dircx, wed. C. J. van Dongen, patronesse der vicarij was.

In deze eeuw is herhaaldelijk confirmatie op de begeving dezer vicarie verleend, als:

17 Maart 1827 door den administrateur voor het onderwijs , van Ewijck. Die begeving was gedaan door Catharina Agatha van der Looy, weduwe Cornells Lans te Rotterdam aan haren kleinzoon Leonardus Catharinus de Witt, die de inkomsten genieten zou „van het oogenblik dat de vorige vicaris „wijlen Mr. Gerard van der Looy Houthoff heeft opgehouden „de inkomsten te genieten, tot wederopzeggens toe.quot;

11 Juli 1846 wordt door den secretaris-generaal, waarnemende de betrekking van Minister van jBinnenlandsche Zaken, goedgunstig beschikt op een adres van Bartholomeus de Witt, particulier te Rotterdam, als gemachtigde van zijn zoon Leonardus Catharinus de Witt (bovengenoemd), die zich in militairen dienst in Oost-Indië bevond, in welk adres hij verzocht dat de heer Jan van der Hoop Jacobszoon, notaris te Rotterdam, zou voorden benoemd en aangesteld tot administrateur van de vicarie op het altaar van St. Jeroen, „ten einde de vicarie en alzoo ook een „daaraan behoorend en op het grootboek van de publieke schuld „in te schrijven kapitaal van / 2400, 2| % W. S. te beheeren „gedurende de uitlandigheid van L. C. de Witt, die tegen-„woordig met de inkomsten van voormelde vicarie is begiftigd.quot;

20 Augustus 1870 confirmeerde de Minister van Binnenlandsche Zaken de begeving gedaan aan C. H. van der Looy, med. chir.

-ocr page 349-

241

en art. obst. dr. te Rotterdam, door mejuffrouw Anna Maria Lans. Deze was de eenige afstammelinge van vrouwe Catharina Agatha van der Looy, weduwe Cornelis Lans, die de vicarie in het jaar 1827 had begeven, en thans collatrice was. De inkomsten zouden nu door den daarmede begiftigden heer genoten worden van het oogenblik, dat de vorige vicaris L. C. de Witt, die overleden was, had opgehouden ze te genieten, tot wederopzeggens toe.

De afzonderlijke behandeling van meerdere vicariën in de genoemde kerk, of elders te Rotterdam gevestigd geweest, waaronder er gevonden worden, die zelfs in deze eeuw nog zijn begeven en geconfirmeerd, als in het jaar 1807 en in 1816 (1), terwijl in 1818 — wat wel eene zeldzaamheid was — door den Minister van Maanen de confirmatie eener begeving geweigerd werd, is in dit verslag niet noodig (2).

Sedert de genoemde jaren toch wordt er van die vicariën en van vele andere dezer, eu soortgelijke vroegere stichtingen, niets meer vernomen. Niemand schijnt er zich meer om bekreund te hebben , dan de gifters, bezitters of erfgenamen, die in het kalm bezit er van bleven, en gebleven zijn. De kapitalen van sommige vicariën herkomstig waren ook te Rotterdam zoo geheel gering niet. Landerijen waren er niet meer aan verhouden, die waren voor lang verkocht; en als nu de opbrengst, zooals dikwijls gebeurde, maar belegd was in een eenvoudigen losrentebrief, en dat stuk in handen was van gifter of bezitter, dan giug de vervreemding, verduistering en toeëigening zonder moeite.

(1) Deze laatste was eene vicarie Ao. 1509 op het altaar van St. Georgius in de parooliiekerk van St. Laurentius gevestigd, waarvan het collatorschap competeerde aan het kapittel van Haarlem, dat daarvan de inkomsten trok, of daarover beschikte.

(2) De weigering betrof de confirmatie eener begeving van inkomsten der vicarie, gefundeerd op Sancti Eligii, of St. Eloy altaar in de St. Laurenskerk, Ao. 1500. — Het was gebleken dat in de jaren 1744 en 1754 de hoofdluidon van St. Eloysgilde te Rotterdam de collatie hadden; en, die toen (in 1816) de vicarie begeven had, was naar het oordeel van den minister blijkbaar de collator niet.

16h

-ocr page 350-

242

Het volgende, dat niet onbelangrijk schijnt, is uit een brief door den burgemeester te Rotterdam gezonden, d0. 16 Juli 1880 n0. 935, aan heeren Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, beboerende tot de stukkeu, die in handen van de leden der commissie zijn gesteld

Na het bericht, dat noch in het archief der gemeente, noch in dat van administratiën met de gemeente in betrekking,\' iets is gebleken van het nog aanwezig zijn te Rotterdam van goederen, die als vicarie-, prebeude-, memorie- of getijde-goederen bekend zijn, en dat door Z. E. A. bij advertentie in de nieuwsbladen een ieder, die hem aanwijzing omtrent die goederen\'geven kon, was uitgenoodigd zulks te doen, vervolgt de burgemeester in zijnen brief aldus:

„de notaris A. C. van quot;Wijngaarden heeft mij daarop namens „den heer Pieter van Oordt, suikerraffinadeur, wonende aan de „Schoutenlaan alhier medegedeeld, dat die heer in eigendom „bezit:

„1°. een huis met schuur, erve, tuin en grond, staande en „gelegen in de Kleine Schoutenlaan te Rotterdam, kadaster „sectie E N0. 973, 2316 en 2317 groot 12 aren, 6 centiaren.

„Belast met twee vicarie-erfpachten verschijnende met Kers-„mis van elk jaar, als één groot / 6 en de andere groot /1.50.

„2°. de perceelen gelegen tusschen de Schoutenlaan en de „Zwanensloot te Rotterdam, kad sectie E N0. 957, 958,1450, „1451, 1453 a 1456 en 2315.

„Belast met eene eeuwigdurende vicarierente groot f 112.50 „\'sjaars, verschijnende met Kersmis.

„En dat de gemelde erfpachten, en rente thans worden ge-„noten door de familie Wenk alhierquot; (1).

(I) Als eens opgave gedaan werd, zooals de heer P. van Oordt te Rotterdam heeft gedaan van zulke of soortgelijke renten en erfpachten, waarmede vooral in Gelderland en Zuid-Holland veler eigendommen zijn bezwaard, dan zou het bedrag daarvan boven verwachting aanzienlijk wezen, \'t Zou zoo moeielijk niet zijn om tot de kennis er van te geraken; maar \'t zou nog al een omslachtig onderzoek vereischen.

-ocr page 351-

243

Aan \'t slot moet nog eene inschrijving op het meergenoemd grootboek worden vermeld. De renten van dat ingeschreven kapitaal zijn echter sedert het jaar 1818 niet uitbetaald.

Het kapitaal bedraagt / 500, en de inschrijving staat ten name van:

„Ocker van Schuijlenburgh vicaris volgens acte van confir-„matie in dato 22 Juni 1807 van zekere prebende of vicarie „gefundeerd in de parochiekerk te Rotterdam.quot;

Bij gelegenheid dier confirmatie in liet jaar 1807, bleek dat de inkomsten vroeger getrokken werden uit land, gelegen in den Spaanschen polder, onder Beukelsdijk, welk land in het jaar 1643 was verkocht; dat vroeger collator en vicaris van dezelfde vicarie was geweest Mr. Ocker Gevaerts Paulusz, te Dordrecht, en dat toen weder volgens zeker „pactum familiaequot;, van 8 Augustus 1767, Ocker van Schuijlenburg collator en vicaris was geworden, die brieven van confirmatie vroeg en verkreeg, geteekend namens Z. M. den Koning van Holland door den Minister Mollerus.

Rijswijk.

Vicarie op de capelle van Steenvoorde aldaer werd den 24 Oct. 1578 aangebracht door Cornells van Nes „hem gegeven „bij wijlen Sebastiaen ileijmense van de Ketel mette navolgende „goederen: 12 morgen lants gelegen in den Ambachte van „Rijswijcker Broeck.\'7

Van deze vicarie is verder niets vermeld.

Vicarie op St Pieters altaar, aangebracht 10 Maart 1579 door Cornells Suijs, heer van Rijswijk.

In het jaar 1618 werd deze vicarie door Maria Suijs, wed. van der Laen, geconfereerd op Jacob de Bije.

Later komt deze vicarie niet meer voor.

Vicarie op St. Catharijnen autaer in de kereke aldaer, ende St, Catharijnen autaer in St. Catharijnen gasthuijs tot Leijden.

Zij werd aangebracht 1 Febr. 1579 „pijnde gefundeert bij Jan

-ocr page 352-

244

„van Steenvoorde en gedoteerd met de volgende landen en goe-„deren : 34 morgen, een huis te Rijswijk en noch een huis.quot;

Deze vicarie was niet van het eene altaar op het andere overgebracht, noch in haar geheel, zooals dikwijls gebeurde, noch voor de helft, zooals b. v. eene vicarie in de kerk te Leiderdorp gesticht a0. 1400 voor de helft ook naar Leiden in de L. Vrouwe kerk werd overgebracht op het altaar van O. L. Vrouwe en Maria Magdalena; maar zij was van hare stichting af een geheel geweest, zooals bij vroegere confirmaties van begevingen telkens werd aangeteekend: „eensdeels op St. Catharina „altaar in het St. Catliarine gasthuis tot Leyden, ende anderdeels „op St. Catharinen autaer in de parochiekercke te Rijswijek „gefundeerd.quot;

Onderscheidene begevingen dezer vicarie hebben plaats gehad, als in het jaar 1661; 1721; 1764; 1780 en 1788. De vicarie werd in laatstgenoemd jaar door den patroon, Cornells van Schooten, geconfereerd op iemand te Amsterdam woonachtig, die van de gereformeerde religie was. Uit de stukken blijkt dat een gedeelte der landerijen was verkocht, en de kooppenningen waren belegd op het kantoor generaal; terwijl onder Rijswijk en Voorburg nog onderscheidene morgen, tot dit beneficie be-hoorende. onverkocht waren overgebleven.

In latere tijden wordt van begevingen en confirmatiën dezer vicarie niet meer gewaagd.

De Burgemeester van Rijswijk bericht:

„dat aan het hoofd van art. 482 der kadastrale leggers dezer „gemeente staat:

„Patronesse ïeuntje Hazelhorst, eerder weduwe Joh. „van Rijswijk, thans huisvrouw van Maarten Doesman te „IJsselmoude, en Vicaris Barend Teunis van Rijswijk, „zadelmaker te \'s Gravenhage,quot;

en voegt hierbij, dat een verder onderzoek tot geen resultaat heeft geleid.

Op welke van bovengenoemde of andere vicariën dit bericht van den Burgemeester van Rijswijk betrekking heeft, is dus onzeker.

-ocr page 353-

245

Stompwijk.

Op het grootboek der 2V3 °lo N. S. staat eene inschrijying groot f 6900, ten name van;

„Arie Kleijn te Meerkerk, als bij akte van collatie, en opgevolgde brieven van approbatie van den Minister van Binnen-„landscbe Zaken in dato 22 Juni 187S opgevolgde collator van „eene vicarie ten laste Holland en West Vriesland comptoir „\'s Grravenhage, groot in kapitaal /\'16000, 21/s ten behoeve van „de helft der renten van Maria Johanna Welgevaaren of deszelfs „descendenten en voor de wederhelft ten behoeve van de kinderen „van wijlen Dina Elisabeth Welgevaaren. A. Kleijn, in quali-„teit als collator, rentheffer.quot;

Deze gelden zijn afkomstig, zooals uit liet volgende zal blijken, van eene vicarie onder Stompwijk, een der dorpen tot het Hoogbaljuwschap van Rijnland behoord hebbende.

Onder oudere stukken trof ik van deze nog bestaande vicarie slechts het volgende aan :

30 Aug. 1757 was Boudewijn Welgevaaren te Leerdam patroon der vicarie — de naam of het altaar, waarop de vicarie gesticht was, wordt niet genoemd — bestaan hebbende in 15 morgen in den Banne van Stompwijk, verkocht doorP. G. Van der Wiel toen hij possesseur was voor f 16000, welke gelden belegd waren in twee rentebrieven In 1730 was de vicarie geconfereerd op Maarten Welgevaaren, die overleden was. Na diens overlijden confereerde Boudewijn, by notarieele acte, de inkomsten op zijn zoon Jacob „omme bij den zeiven naar zijn „overlijden de possessie van dien aanvaart en de vruchten en „inkomsten door denselven ontvangen te werden , ende om de-„selve vrugten en inkomen door hem en sijne verder natelaten „kinderen en erfgenamen ab intestato telkens te werden genoten „en met den anderen gecondivideert,quot; en \'t was deze beschikking, die 30 Aug. 1757 goedgekeurd werd.

Later worden omtrent deze vicarie meerdere bijzonderheden aangetroffen, waarvan het volgende:

-ocr page 354-

24G

15 Febr. 1809 werd Pieter Hoevens Gz. te Leerdam erkend als collator eener vicarie „onder Stompwijk gelegen hebbende,quot; toen bestaande in twee Rentebrieven een van f 12000 en een van f 4000 op rente belegd ten kantore van den ontvanger generaal van Holland en West-Friesland door Boude wijn Weigevaren du. 8 Mei 1742, en „geaccordeerd om daarmede te „handelen zooals bij de acte van collatie was bedongen.quot;

24 Dec. 1845 werd Gerardus Johannes Hoevens, koopman, wonende te Meerkerk, op zijn verzoek door den Minister van Binnenlandsche Zaken erkend als collator der vicarie, toen bestaande in ƒ 6900, 2^ 0/o N. W. S. ingeschreven op het grootboek ten name vau Pieter Hoevens Gerardus zoon, welk recht hem was overgedragen door P. Hoevens Ger: zn. bij acte, den 7 Oct. 1845 gepasseerd voor den Notaris C. G. Boonzajer te Gorinchem, echter op deze wijze, dat hij ten gevolge dier overdracht erkend werd als eerst tegen en bij het overlijden van P. Hoevens Gerz., „geregtigd tot de collatie van de vermelde voor-„malige vicary onder Stompwijk , gelijk mede tot de ontvangst „der renten van het genoemd kapitaal om daarmede te handelen, „zooals dit bij de overdragt der gedachte collatie is bepaald, en „ook door hem Ger. Joh. Hoevens is aangenomen.quot;

24 Juni 1850 werd, na het kinderloos overlijden van Gerardus Johannes Hoevens, diens broeder Pieter Weigevaren Hoevens als collator der vicarie erkend, en

22 Juni 1878, na het overlijden van Pieter Weigevaren Hoevens, die geen zoons had nagelaten, de heer A. Kleijn, koopman te Meerkerk (gehuwd met de dochter van den overledene i, op wiens naam ook de inschrijving op het grootboek staat.

Sloten.

Op deze kerkelijke gemeente oefende het burgerlijk bestuur van Amsterdam steeds invloed uit, welk bestuur tot het jaar 1877 het recht van agreatie der predikantsberoeping te Sloten had, en toen op verzoek van den kerkeraad van Sloten van dat recht afstand gedaan heeft.

-ocr page 355-

247

De begeving eener vicarie aldaar wordt, althans zeker voor 2/3 der inkomsten, ook in handen van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam aangetroften.

Tot deze vicarie behooren tien kampen wei- en hooiland , gelegen in den Sloterbinnenpolder, gemeente Sloten, te zamen groot 17 hectaren, 10 aren en 80 centiaren. De Burgemeester van Sloten bericht na deze opgave in eene missive dquot;. 5 Juli 1880 hieromtrent het volgende;

„Eigenaars zijn; de gemeente Sloten door verjaring voor een

„derde, en de heer Johannes Petrus Corbière, wonende te Amsterdam wordt, ingevolge resolutie van Burgemeester en Wethouders „van Amsterdam, van 29 November 1848, — als collateurvan ^zekere kapelary of vicarij gefundeerd den 10 Januarij 1495 door „Arend Barendsen of Pieter Arends, — erkend als bevoegd „om twee derden der vruchten en inkomsten der bovengenoemde „vicarij zijn leven lang gedurende te genieten.quot;

In eene rekening van het geestelijk kantoor van Delft, ovei het jaar 1656 komt voor onder ontvangsten/20 „van\'t vrouwen „autaerquot; te Sloten, die gelijk met inkomsten van de pastorie worden verantwoord.

Velzen.

In de kerk waren twee vicariën aan St. Andries altaar. Een van deze vicariën was in het jaar 1507 gesticht door Hoffland van Velsen en „gewijt bij den Bisschop David van Arteneij.quot; Zij was gedoteerd met verschillende landerijen. Symon Maertens van Velsen komt voor als patroon dezer vicarie, die na zijn dood, in het jaar 1626, door zijn zoon werd begeven.

De tweede wordt a0. 1610 in liet geslacht van vanderW^olff te Gouda gevonden, en in het jaar 1651 geconfereerd op C. van der Wolff ter voortzetting zijner studiëu. In het jaar 1689 wordt zij in dat zelfde geslacht weer aangetroffen, en door de voogden van den toenmaligen onmondigen patroon werd Anthony Donker er mede begiftigd. In het jaar 1 i 62 komt een uit het geslacht Donker als collator vool-.

-ocr page 356-

248

Omtreut eerstgenoemde vicarie schijnen menigvuldige processen in vroegeren tijd gevoerd te zijn, terwijl de vaste goederen op last der Staten zijn verkocht, die, zooals uit de acte eener begeving uit het jaar 1722 blijkt, meer dan f 10.000 hebben opgebracht.

23 Juli 1839 confirmeerde de Minister de begeving dezer vicarie, gedaan door Hendrik Namink te Amsterdam, ■waarbij vermeld staat dat hij toen patroon was „van zekere cappellarije „of vicarije bij wijlen Gerard van den Hofland van Yelzen in „1343, sic, in de kerk van Yelzen gefundeerd op zeker altaar, „gewijd bij den Bisschop aan Arteneij.quot;

De toen begiftigde was Arendina Jansen, huisvrouw van Hendrik Namink. Deze werd door den Minister gerechtigd verklaard tot hot genot der inkomsten, „voor zoo veel ze nog „verkrijgbaar zijnquot;, van den tijd, dat ze zijn opgehouden aan den vroegeren bezitter, wijlen den heer Hendrik Hoeuft, te worden uitbetaald.

Nu komt op het grootboek der 21/j quot;/o N. S. eene inschrijving voor groot f 4000, ten name van:

„Gerard van Hofland van Yelzen, van de helft van eene „vicarie gefundeerd den 19 Februanj 1507 (1) op het St. Andries „altaar in de kerk van Yelzen, overgeschreven krachtens de wet „van 20 Aug. 1859, Staatsblad n0. 95quot;; terwijl in het jaar 1880 de Minister van Financiën hiervan de rentheffer was.

Eene inschrijving op hetzelfde grootboek, die de vicarie in de tweede plaats genoemd betreft, is van f 200, en staat ten name van :

„Jan de Breet en Nicolaas Timmers te Rotterdam, als cura-„toren over Leonardus Donker, possesseur eener vicarie eertijds „gefundeerd op het altaar van St. Andries in de kerk te Yelsen.quot;

De laatste rentebetaling hiervan was, volgens opgave in 1880, in het jaar 1859 aan den „houder van Rekeningquot;.

1

Het jaar der stichting van deze vicarie, bij gelegenheid van de confirmatie eener begeving in liet jaar 1839 opgegeven, is blijkbaar verkeerd.

-ocr page 357-

249

Voorburg.

Zoo kort mogelijk deel ik enkele bijzonderheden mede, ontleend uit de latere geschiedenis van eene nog bestaande vicarie, die in de kerk te Voorburg is gevestigd geweest.

\'t Is werkelijk curieus en der vermelding overwaardig, wat met die vicarie al niet is beproefd, gelukt eu mislukt is.

Vicarie, of beneficie gefundeerd in de Lieve Vrouwe kerk. 27 Jan. 1607 werd, na reeds vroegere begeving in het jaar 1604, op den zoon van Pran^oise de Witte, wed. Jonkheer F. de Vicq, de begeving geconfirmeerd door Johan van Duivenvoorde op Jacob Stalpaard. Bij aangifte was aangeteekend, dat deze vicarie was begiftigd met onderscheidene morgen land, erfpachten en renten.

14 Juli 1646 werden de inkomsten door Jacob van Wassenaar, heer van Warmont, geconfereerd op A. Rijndorp, en werd die begeving goedgekeurd.

3 April 1680 hadden de gerechtigden tot bet begeven der vicarie, bij vrijwilligen afstand, Mr. Hieronymus van Beverniuck en R. Wilbrenninck tot het doen der begeving gevolmachtigd. Zij hebben toen de collatie uitgebracht, die daarna is geconfirmeerd.

Uit verschillende gewisselde stukken is het, zooals weldra blijken zal, duidelijk, dat in het jaar 1778 tusschen twee huizen, het huis van Wassenaar Warmond en dat van Hem, omtrent de begeving en het genot van de inkomsten dezer vicarie een convenant is aangegaan, hierop neerkomende, dat de inkomsten tusschen beide huizen zouden worden verdeeld, terwijl beurtelings door een der huizen een vicaris zou worden benoemd, die zich verbinden moest om de inkomsten weer terug te geven.

Mededeeling van de volgende copie, door mij genomen, der officieele acte van confirmatie d0. 3 February 1738, dus voor het gesloten convenant, schijnt eerst niet ondienstig. Dat stuk is van den volgenden inhoud :

De Staten enz. „alzoo ons is te kennen gegeven bij Margareta „Alexandrina Baronnesse van Lijnden, douairière van Wassenaar

-ocr page 358-

250

„Alckemadc etc. als moeder en voogdesse van haren jongsten „zoon Willem Baron van Wassenaar, vrijheer van Warmond, „dat de suppliante in die qualiteit met de twee huijsen van „Wassenaar tot Warmond en die van Hem te zamen onverdeeld en in het gemeen het reght van Patronaatschap was „hebbende van zeeckero vicarie oft\' beneficie, gefundeerd in de „Lieve Vrouwe kercko tot Voorburgh ter somme van veertien „duijzend ponden capitaal te veertigh groten Vlaams het pond, „gesproten uijt zeeckere goederen, welcke in der tijd met behoorlijk consent waren verkogt en welk capitaal bevorens ge-„staau hebbende op de Heerlijkheijd van Schagen en afgelost „zijnde ingevolge van ons octroij van 16 Julij 1732 op degen. „Heerlijkheid van A\\rarmoud was gevestigd volgens de Hypo-„theekbrief den 16 Sept. 1732 door Mr. Jan Jacob van Dijk-„sloot, Bailluw van de Vrije Heerlijkheid van Haserswoude, „vermogens de procuratie door de suppliante op denzelven verstrekt voor Stadhouder en Leenmannen van H. en W. gepas-„seert, van welcke vicarie of beneficie de collatie door overlijden „van Mr. Daniel (?) sijnde vaceerende, ende aan de

„suppliante in de voorz. qualiteijt althans het reght van Patro-„naatschap competeerde, hadde de suppliante vervolgens dezelve „vioarie geconfereert op Cornelis Boon, Secretaris van Warmond, „blijckende bij de acte van collatie aan ons geexhibeert.quot; De begeving wordt geconfirmeerd.

15 Febr. 1776 wordt na den dood van Cornelis Boon, bij soortgelijke acte als die van 3 Febr. 1738, de collatie geconfirmeerd, uitgebracht door Jacobus van de Walle, wiens moeder was geweest Maria van der Voort van Hem op zijn zoon Jacobus, oud 25 jaren, die van de ware gereformeerde religie was.

Nu was in het jaar 1822, en drie jaren later, wel beproefd om de confirmatie op eene begeving te verkrijgen, maar die was telkens door den Minister van Justitie van Maanen geweigerd. Hij verlangde eerst het bewijs, dat de aard der stichting van deze vicarie, met afwijking van den gewonen regel, eone overeenkomst toeliet, zooals gesloten was in 1778, en daartoe over-

-ocr page 359-

251

legging of van den origineelea stichtingbrief, of wel van eene autentieke kopy daarvan. Het verlangde kon echter niet geleverd worden, zooals o. a. blijkt uit eene resolutie d0 6 Deo 1826 van den administrateur voor onderwijs etc. D. J. van Ewijck, hoofdzakelijk het volgende inhoudende:

„de administrateur, gezien de nadere adressen van Vrouwe „M. E. H. W. Baronesse van Roest van Alkemade, echtgenoote „van den heer Baron de Trevey de Charmail te \'sGravenhage, „strekkende om goedkeuring op de begeving aan den heer „Baron J. R. P. J. van Oudheusden van de inkomsten eener „vikarij gevestigd in de Lieve Vrouwe Kerk te Voorburg, waar-„van de begeving beurtelings competeert aan de adressante als „representerende het huis van Wassenaar Warmond, en aan „den meest geregtigden uit het huis van Hem, — herzien „vroegere resolutiën , —en in aanmerking nemende, dat blijkens „de overgelegde stukken op 3 Sept. 1778 door de geregtigden „uit de beide opgemelde huizen nopens de begeving en het genot „der inkomsten van de gemelde vicarie eene overeenkomst is „aangegaan, welke niet alleen bepalingen behelsde, welke met „de toemalige bestaande wetgeving op het stuk der vicarijen „onbestaanbaar waren, zoodat, indien op die overeenkomst de „goedkeuring van den toenmaligen souverein was gevraagd ge-„worden, die niet zou hebben kunnen worden verleend, maar „ook wegens het verdeelen der inkomsten tusschen de beide „huizen en het uitkeeren en teruggeven van dezelve tot dat einde „door den benoemden vicaris, voorwaarden inhoudt, welke bij „het gemis van den oorspronkelijken oprigtingsbrief der stichting, „zijn aan te merken, als in geenen deele met de algemeene „plaats hebbende gebruiken omtrent vicarijen te kunnen worden „overeengebragt; — dat ook de begeving door de adressante is „gedaan ten gevolge en met inachtneming der bepalingen zoo „even vermeldquot;, verklaart dat de begeving van wege het gouvernement niet kan worden goedgekeurd.

Spoedig kwam er echter verandering in de zaak. Reeds 25 Mei 1827 verklaarde even genoemde administrateur, dat aan-

-ocr page 360-

252

gezien nu de overeenkomst van 3 Sept. 1778 tusschen beide huizen moest gehouden worden voor vervallen, en aan den vicaris geene verplichtingen meer werden opgelegd, de door Baronesse van Roest van Alkemade, echtgenoote van den Baron de Treveij de Charmail gedane begeving der vicarie-inkomsten aan den Baron J. C. P. J. van Oudheusden werd geconfirmeerd. — De Baron van Oudheusden was lid der ridderschap van Zuid-Brabant, woonachtig te Brussel.

Weldra daarna had door versterf en overdracht de Baron van Oudheusden, die vicaris was voor het deel der representanten van het huis van Warmond, den titel van collator der vicarie verkregen, en verlangde nu in beide betrekkingen door den Minister te worden erkend. Dit gelukte hem alleen als collator, met bericht, dat dezelfde persoon geen collator en vicaris van dezelfde vicarie kon wezen, en dus dit verzoek niet kon worden ingewilligd; dat ook hij ditmaal het recht van begeving niet had, hetwelk aan den meest gerechtigden uit het huis Jlem toekwam.

Op het grootboek der 2lk 0/o N. S. staat een kapitaal ingeschreven groot f 5300. De laatste rentheffer van dit kapitaal was in het jaar 1859, de houder van rekening. Het kapitaal staat ten name van:

„Jan Carel Paul Joseph Baron van Outheusden te Brussel, „als trekkende de vruchten van zekere vicarie gefundeerd in „de Lieve Vrouwekerk te Voorburg.quot;

Burgemeester en Wethouders van Voorburg doen opgave van enkele goederen binnen die gemeente gelegen, die bij geruchte het karakter „van vicarie, praebende , memorie of getijde goederenquot; dragen, welke goederen op naam staan van „Johannes Ooster-„laar en cons landbouwer aldaar in qualiteit van administrateur.quot;

Voorhout; — Noord wijk.

Vicariën, gefundeerd in de kerken van Voorhout en Noordwijk en op het Erasmi altaar in de Nieuwe Kerk en Erasmi Hippo-

-ocr page 361-

253

lytus te Delft. In deze eeuw wordt de gelijke begeving dezer verschillende vicariën door denzelfden persoon aan denzelfden vicaris, en de bekrachtiging er van, tweemalen aangetroffen.

30 Aug. 1448 had Anna Maria Van der Bruggben , wed. van Henri Gruillaume Wijckerveld Bisdom, woonachtig te Nijmegen, als moeder en wettige voogdesse van haren minderjarigen zoon Budolp Henri Christien A\\ ijckervelt Bisdom, de vicariën, waarvan de inkomsten niet worden opgegeven, geconfereerd op Johanna Maria Henrietta Wijckerveld Bisdom, die toen werd „geregtigd verklaard tot het bezit en genot der inkomsten van „de Capellarijen, Vicarijen, gefundeerd ia de kerken van Voorhout „en Noordwijk , alsmede op Erasmi altaar in de Nieuwe kerk „en Erasmi Hippolytus binnen de stad Delft.quot;

27 Jan. 1862 werd door den Minister op verzoek van Johanna Maria Henrietta Wijckerveld Bisdom, echtgenoote van Jonkheer Eo-bert Willem Justinus Six tot Oterleek, de begeving ge-

O

confirmeerd, die door haar met assistentie van haren echtgenoot van de genoemde vicariën was gedaan , aan hare minderjarige dochter Elisabeth Judith Six.

In de kerk te Voorhout waren door Mr. Matthijs Jansse, pastoor in de parochie kerk aldaar, bij testamentaire dispositie van 29 Sept. 1447 vijf vicariën gefundeerd. In de 17e eeuw werden die afzonderlijk begeven, soms als in het jaar 1677, toen er drie van de vijf gelijk vaceerden, werden deze drie door Wouter Franze van Buuren te Delft geconfereerd op denzelfden persoon.

26 Nov. 1772 komt Nicolaas Sleght voor als patroon van zoodanige „capelarijen en vicariën als bij Mr. Matthijs Jansse „Licentiaat in de Canouique Reghten en Pastoor in de Parochie „kerk te Voorhout gefundeert waren in de kerken te Voorhout „en Noordwijkquot;, terwijl hij ook] gelijk\'^dc inkomsten begaf der vicarie gefundeerd op Erasmi altaar in de „Nieuwe en Erasmi „Hippolitus binnen de stad Delft.quot;

In de kerk te Noordwijk waren [onderscheidene vicariën ge-

-ocr page 362-

254

fundcerd, als op het H. Geest altaar, die reeds vroeg afzonderlijk werd begeveu. Verder eene prebende genaamd de prebende Treslong,— eene vicarie op St. Joroens altaar; — eene vicarie op \'t Heilige Kruis altaar enz. Deze vicarie op \'t H. Kruis altaar komt in liet jaar 1632 voor ais begeven door dfnzelfden, die ook collator was van de vicarie op Erasmus altaar in de kerk te Delft. liet land, waarmede deze vicarie was begiftigd, was verkocht, en van de opbrengst eene rentebrief groot f 8580 aangekocht.

Omtrent de vicarie op St. Jeroens altaar te Noordwijk wordt nog het volgende aangetroffen, dat hier gelijk kan worden vermeld.

J. U. W. Grave van Wassenaar was vicaris geweest van zeker kapitaal, ingeschreven op het grootboek van f 2700 werkelijke en van f 5400 uitgestelde schuld, herkomstig van de vier vicariën gevestigd geweest op St. Pieter, St. Laurens en het Kruis altaar te Wassenaar, en op St. Jeroens altaar te Noord» wijk. Na zijn dood meende zijn eenig overgebleven kind, Jonk-vrouwe M. O. van Wassenaar, wonende te Delden, gerechtigd te zijn om met deze vicarie te worden verleid, ten einde over de inkomsten vrij te kunnen beschikken, en verzocht zij in het jaar 18IS per request aan Z. M. in dat recht zoo te worden bevestigd, dat deze sommen op haar naam werden overgeschreven , onder vroeger gestelde voorwaarden, of op eene wijze voor haar het meest dienstig. — Aan requestrante werd echter bericht, dat het bewijs voor het wettig patronaatschap van haren vader door haar niet was geleverd, en die kapitalen slechts een gedeelte der kapitalen en goederen uitmaakten, be-hoorende tot de vier vicariën, gevestigd op St. Pieter, St. Laurens en het Kruis altaar te Wassenaar ea op St. Jeroens altaar te Noordwijk, waarvan het patronaat in hare familie gedurende een reeks van jaren scheen geweest te zijn; dat de patronen de vruchten der vicariën moesten confereeren en approbatie er op vragen aan het gouvernement, en dat hiervan betreffende deze vier vicariën, na het jaar 1769, niets blijkt. Haar verzoek werd afgeslagen.

-ocr page 363-

255

Later wordt van deze zaak, van het begeven en bevestigen der begeving dezer vier vicariën, waaronder ook die op St. Jeroens altaar in de kerk te Noord wijk, niets meer vernomen.

De even aangehaalde confirmatie is van 19 Dec. 1769. Uit de minute blijkt, dat toen Jacob Jan van Wassenaar, Baanderheer van en tot Wassenaar, door het overlijden van zijn vader patroon was der vicarie, gefundeerd op St. Pieters en St. Laurens en St. Kruis altaar te Wassenaar, en op St Jeroens altaar te Noordwijk, waartoe behoorden verschillende landerijen, obliga-tiën, enz., breedvoerig in de acte omschreven, en dat hij die inkomsten had geconfereerd op zijn broeder Carel George van Wassenaar, heer van Twickel. Uit eene aanteekening schijnt te blijken, dat een deel der renten gebruikt werd tot onderhoud van het orgel in de kerk van Wassenaar.

Uit eenige rapporten van Burgemeesters in Noord- en Zuid-Holland , die namens den Minister van Binnenlandsche Zaken waren uitgenoodigd, om een onderzoek in te stellen naar het aanwezig zijn van vicarie-, prebende-, memorie- of getijde goederen in hunne gemeenten, wordt, voor zoover het nirt geschied is, nu nog een en ander overgenomen. De meeste berichten houden echter ie, dat van soortgelijke goederen niets bekend was, of zij betreffen instellingen, waarover het onderzoek der commissie zich niet uitstrekt.

Schiedam.

De Burgemeester dezer gemeente had, ook na onderzoek bij verschillende kerkelijke gezindten, niets ontdekt van goederen als bovengenoemde. In zijne missieve wordt echter medegedeeld, dat zekere J. Vlug, te Schiedam woonachtig, gerechtigd was tot de inkomsten van eene vicarie, gevestigd in de St. Joris kerk te Amersfoort. De mededeeling is juist; althans 27 Nov. 1872 werd genoemde door den Minister Greertsema tot de inkomsten gerechtigd verklaard.

-ocr page 364-

256

Verder bericht de Burgemeester vernomen te hebben — en dat is zeker hier der vermelding waardig — dat door den heer Maarten Heereman te Schiedam de goederen geadministreerd werden eener vicarie in der tijd gesticht door den E. C. geestelijke Fabri (medestichter van het Oudemannenhuis aldaar), welke administratie, na den dood van genoemden heer Heereman, zou overgegaan zijn in handen van diens zoon, den heer Jan Heereman, wiens weduwe, toen de Burgemeester dat bericht zond (15 Juli 1880) nog te \'s Gravenhage woonachtig was. Van deze vicarie is onder de officieele stukken tot heden niets gevonden , eu het schijnt in soortgelijke gevallen niet raadzaam , zich tot bezitters van vicariën, al zijn ze bekend, om eenige inlichting te wenden, zoolang de wet daartoe geen recht geeft.

Het komt mij vreemd voor, dat in deze eeuw van geen enkele vicarie te Schiedam in de kerk, of elders gefundeerd, die door particulieren werd begeven of ter confirmatie aangeboden werd, meer sprake is, want uit de geraadpleegde stukken blijkt, dat tusschen de jaren 1577 en 1629 zeker acht vicariën met alles wat daarbij en daaraan dependeerde zijn aangebracht, die door particulieren werden bezeten.

Onderscheidene confirmatiën hebben er dan ook vroeger op begevingeu van Schiedamsche vicariën plaats gehad, als a0. 1612 de vicarie gefundeerd in de St. Jans kerk ter eere „van de thien „duijsent Martelaren en Apostelen: Symon en Judas.quot; — a0. 1615 de vicarie gefundeerd op St. Quirijnen altaar, die a°. 1501 was gesticht „by wijlen Geertruyt Ploris Honicxdrquot;; — a0. 1641 de vicarie, iu het jaar 1514 gefundeerd in de kerk van St. Jan op \'t altaar van de timmerliedengilde; — a0. 1702 komt weder eene confirmatie voor op de begeving van de reeds genoemde vicarie op St. Quinjns of Quirijnen altaar, die ao. 1737 nog eens is begeven.

De hierop gevolgde confirmatie schijnt de laatste geweest te zijn, op begevingen van Schiedamsche vicariën.

-ocr page 365-

257

Goedereede.

De Burgemeester bericht, dat door deze gemeente eenige landerijen worden bezeten en beheerd, onder den naam van Capellanjlanden , die bij besluit van de Staten van Holland en West-Friesland in dato 28 October 1761 onder beheer zijn gesteld van Burgemeesteren der stede Goederede; — dat de revenuen er van, volgens genoemd octrooi, worden uitgekeerd voor de eene helft aan den Predikant der Hervormde gemeente te Goedereede, wanneer hij aan zekere bepalingen in het octrooi genoemd zal hebben voldaan, terwijl de andere helft strekt om aan kinderen van niet bedeelde onvermogenden gelegenheid te geven, om onderwijs te ontvangen, welke gelden jaarlijks in de gemeentekas worden gestort, en in de rekening worden verantwoord. — De capellarielaaden bestaan uit wei- en hooiland, waarvan de zuivere opbrengst ƒ156 is.

Het is mij uit officieele bescheiden gebleken, dat van dezelfde capellerie Burgemeesteren en Regeerders der stad Goedereede in het jaar 1633 reeds patronen en collatoren waren. Zij was gefundeerd bij wijlen Willemse en Daniela Jacobsdr „ geechte luijdenquot;, en werd toen geconfereerd op W. Willemse, die op studie was, als zijnde „uit de naeste vrienden ende bloede „van de fundateurs.quot; Zes jaren daarna wordt er weder eene confirmatie op de begeving derzelfde capellarie aangetroffen, maar later komt die, voor zoo ver ik kan nagaan, niet meer voor.

Oude Tonoe.

Volgens bericht van den Burgemeester, kunnen als getijdegoederen worden aangemerkt eenige perceelen, voorkomende in de kadastrale registers dier gemeente, ten name staande van de Roomsch Catholieke kerk te Oude Tonge, waarvan sectie en nommer door hem worden opgegeven.

Van deze getijde-goederen is echter nergens elders melding gemaakt, maar wel van eene vicarie die aldaar gefundeerd is

17h

-ocr page 366-

258

geweest, waarvan slechts een.e begeving, die geconfirmeerd werd, is aangetroffen, en wel in het jaar 1644 door den collator aan zijn „soonje om daaruijt ter schole geleijt ende in de Christelijke „religie opgetrocken te

Nieuwe Tonge.

Burgemeester en Wethouders berichten, dat, voor zooverre hun bekend is, in die gemeente geene vicarie-, prebende- of memoriegoederen gelegeu zijn, doch dat de armen van de Roomsch Catholieke gemeente Oude Tonge aldaar „bezitten 4 „hectaren 85 aren 60 centiaren bouwland, gelegen in den polder „Battenoord onder Nieuwe Tonge, welke volgens algemeen „gerucht als getijdegoederen worden bezeten.quot;

Hieromtrent is echter verder niets gebleken.

Heemskerk.

De Burgemeester van deze gemeente (de heer Zaalberg) zond een bericht, waarin o. a. het volgende voorkomt, dat ter mede-deeling merkwaardig schijnt, al behooren de hier vermelde goederen niet, zooals de Burgemeester meent, onder die van vicariën afkomstig zijn.

„Tot die vicariegoederenquot; — schrijft de Burgemeester — „zal vermoedelijk wel behooren twee stukken land, bij testament „vermaakt 16 April 1558 door Marijtgen Gheriks dochter en „haar echtgenoot Marthijn Jacobs zoon van Heemskerk (1), „waaruit de jaarlijksche opbrengsten moeten uitgekeerd worden „aan twee maagden geboren binuen Haarlem of Heemsslcerk, „als huwelijksgift, welke landerijen onder het beheer werden „gesteld van Regenten van het Heiligen gasthuis (weeshuis nu

(1) De Burgemeester sohrijit in een noot: „Hij was Toornaam schilder, „waarvan stukken a costi voorhanden zijn. Zijn familjenaam is Veen, doch „hij nam den naam als schilder gerepeteerd, van Hemskerk aan. De grafnaald „zijner ouders Veen, door hem opgerigt, staat op het kerkhof, en wordt „onderhouden uit de revenuen van een stukje land.quot;

-ocr page 367-

259

.,genaaind) te Haarlem. Het zoogeuaamd Varkensland is nog „onder hun beheer, maar het Bruidsland moet gedeeltelijk in „erfpacht zijn gegeven aan de firma Previnaire en Cie., terwijl „vroeger een deel was afgestaan tot het graven van de Leidsche „trekvaart. Tot in het begin dezer eeuw zijn Regenten hunne „verplichting nagekomen en hebben er 103 bruiden een huwelijksgift ontvangen, maar sedert de wijziging van den burgelykei; „stand, als wanneer het trouwen op de sepulture der donateurs „in de Parochiekerk te Haarlem niet meer verplichtend was „gesteld, en wellicht ook ten tijde der Pransclie overheersching, „hebben Regenten geene uitkeering meer gedaan, alhoewel „door mij die Regenten aan hunne verplichting is herinnerd „bij mijne missive van 1 Februarij 1871, N0. 54, doch zonder „succes.quot;

In een der handschriften vond ik melding gemaakt van eene pröve door Aelbrecht van Egmont 25 Sept. 1470 in de parochiekerk van Heemskerk gesticht, waarmede in het jaar 1612, op verzoek van een\' der toenmalige professoren in de rechten te Leiden, een student werd begiftigd, welke begiftiging door de Staten werd goedgekeurd. Later is vau deze pröve niets meer gevonden.

Castricum.

Door den Burgemeester is bericht, dat de vicariegoederen aldaar bestaan in „twee perceelen gronds, toebehoorende aan „de Roomsch Catholieke gemeente, respectievelijk groot 2 H. ,22 C. 50 A. en 2 H. (33 C. 30 A., en waarvan het eerste in „vruchtgebruik is bij den tijdelijken Pastoor en het tweede bij „de Pastoors van Castricum en Vianen.quot;

In de kerk te Castricum, die aan den H. Pancratius was gewijd, waren voor de reformatie twee vicariën. Van het blijvend bestaan dezer vicariën, of van vicariëu, die na dien tijd zouden begeven en geconfirmeerd zijn, en onder die van deze gemeente behoorden, is niets gebleken.

-ocr page 368-

260

Onderscheidene plaatsen uit het vroegere Zuider en Noorder kwartier van Holland zijn door mij in dit gedeelte van mijn verslag zelfs niet genoemd; en wel, omdat er niet eene enkele vicarie, van de vele diergelijke stichtingen, die ook vroeger daar gevonden werden, zoo ver mij althans tot heden bekend werd, meer bestaat, en in dit verslag, bij spaarzame uitzondering, alleen de nog bestaande zijn behandeld, die bij eene wettelijke regeling der vroegere vicarie- en soortgelijke stichtingen in aanmerking kunnen komen. Ik leerde echter van onderscheidene dezer niet meer aanwezige en in dit verslag daarom niet behandelde vicariën vele belangrijke bijzonderheden voor de geschiedenis kennen. Die door mij bedoelde, nu vervreemde vicariën waren van denzelfden aard, als de in dit verslag afzonderlijk behandelde. Ze waren in handen van particulieren, als gifcers of begiftigden. De laatste gifter of begiftigde heeft ze genaast, en zijne erfgenamen hebben zich in het rustig bezit er van gesteld als van patrimoniale goederen; en nu kan bij uitoefening van eenig geduld, en aanwending van eenige moeite, althans van sommige dier verdwenen vicariën, uit officiëele bescheiden zeer goed worden opgespoord, wie daarvan de laatste gifters of begiftigden zijn geweest, en onder welke omstandigheden de naasting heeft plaats gehad.

Als mij nog eenige tijd gegeven wordt, en daarbij voldoende werklust en werkkracht, is mijn plan, van den vroegeren toestand ook van deze vicariën nog een en ander mede te deelen, en vooral van die vicariën uit streken in het Zuider kwartier, daar afzonderlijke Souvereiniteitsrechten golden, die evenmin zijn besproken, omdat ze ook, ofschoon dikwijls op andere wijze, zijn verdwenen.

Aan het slot van mijn werk genaderd zijnde, verklaar ik gaarne, mij zeer verplicht te gevoelen aan de ambtenax-en van het Rijksarchief te \'s-Graveuhage voor de mij verleende hulp.

Gedurende den geruimen tijd, dien ik tot het opsporen en bijeenzamelen van zeer veel, dat in dit verslag is opgenomen,

-ocr page 369-

261

in genoemd archief afwisselend heb doorgebracht, mocht ik hen, evenals vroeger bij het schrijven van „het geestelijk kantoor „van Delftsteeds voorkomend en bereid vinden, om mij al het benoodigde te verschaffen voor mijn onderzoek. Vele en rijke bronnen zijn op dat archief voor de geschiedenis der geeete-lijke goederen en daaronder voor die der vicariën aanwezig. Van die bronnen is voor dit verslag, zooals is gebleken, wel een ruim gebruik gemaakt, maar van het daaruit verzamelde hield ik, even als van hetgeen ik uit andere bronnen had geput, veel terug, omdat ik voor te groote uitvoerigheid bevreesd was. Mogelijk kan de openbaarmaking hiervan later nog van nut zijn, met hetgeen bij voortgezet onderzoek, betrekkelijk het behandelde onderwerp, nog zal worden ontdekt.

Meermalen had ik tijdens het bewerken van dit verslag het voordeel onzen hooggeachten archivaris Mr. S. Muller Iz. alhier te kunnen raadplegen, dien ik steeds bereid vond, mij voor te lichten, waar ik zijne voorlichting behoefde, en hij mij die geven kon. Van den rijkdom zijner veelzijdige kennis heb ik vaak mogen genieten, en zijn helder oordeel is mij dikwijls tot groot nut geweest.

Ik meen mijn verslag hier te mogen eindigen. De lezer ver-schoone het gebrekkige, en schrijve het althans voor een deel toe aan den gevorderden leeftijd van den steller. Op dien leeftijd gaat \'t niet altoos zoo vlot als vroeger, om juist uit te drukken wat men uitdrukken wil. Overigens mag ik verklaren dit werk, al heeft het veel tijd en inspanning gekost, met genoegen te hebben volbracht.

Utrecht, Februari 1888.

W. VAJ^ BEUNINGEN.

-ocr page 370-
-ocr page 371-

BIJLAGEN.

-ocr page 372-
-ocr page 373-

EXTRACT uit het FrancyneregMer der Privilegiè\'n, aan \'s-Gravenhage verleend (i).

Johan bi der genaden Goids Herthoge van Lothrijck , van Brabant ende van Lijmborch , marcgrave des heyligen rijcx , Grave van Henegouwen , van Hollant , van Zeelant ende lleere van Vrieslant; Ende Jacoha van Beijeren bij der zei ver genaden Hertogbinne. Marcgravinne, Gravinne ende Vrouwe der Landen voirscreven, doen cond allen Luden: dat wij bekennen sculdich te wesen van goeder wittachtiger sculde ende gelienden gelde , onsen geminden ondersaten, den Scutten in onsen dorpe van der llage, die nomme van hondert gouden Engelsen nollen. Ende want wij verstaen hebben also ons die hooftmans ende gemeine gesellen van der Scutteren voirscreven ons waii onderwijst ende te kennen gegeeven hebben, dat hoir siju ende meijninge is, en die ere Goids ende der Heijligen Ridder Sinte Jorijs te doen stichten ende te doteren in der prochiekercke van der Hage, een eicige Cappelre van tien Engelsen nohlen \'sjairs in gedenckenisse ende te troefte der zielen ons liefs lieren ende Vaders llertoge Willems van Üeyeren saliger gedachten , ende wij onse goede ende renten niet beter weten te besteden dan in aelmissen ende tot oefïeninge van goidsdiensten; So hebben wij ut goeder raeijninghe ende om vordenisse der goeder sake voirscreven, den voergeroerden onsen geminden Scutten gegeven ende geven mit desen brieve toter Cappelrien voirscreven ut onsen renten ende goeden in Noorthollant voir die somme van tien noblen sjairs erflike renten sulke goede als hier na gescreven staen ; dats te weten zess morgen Lants gelegen in Monsterambacht, ende biet Heynbonen woninge, ende bruyct up dese tijt Aernt van den Bnrch jairlicx om viertien pont goets gelts. Item noch vier morgen lants gelegen in het

(1) Roerende die fondatie van een ewige misse up Sint Jorijs outair.

-ocr page 374-

2fifi

Kamp up ten Knoopstock ende heeft in hu3Terwair Heere Peter van den Zande jairlicx om zess pond goets gelts. Gebiedende ende hevelende onsent Eentmeester van Noorthollant dat hij zijn hande van onsent wegen dair of trecke, ende onsen Scutten voirscreven die be wij se en de overlevere, ende hem luijden dair mede bewerden late sonder hem voirt meer dier voirscreven goede te bewinden, want wij dair off claerlic vertien ende ons dair niet an en bekennen van deser tijt voirwairt. Behondelic dat wij off onse nacomelingen in toecomenden tijden, deze voirscreven renten weder an onser Graeflicheit brengen ende lossen sullen mogen, so wanneer dattet ons of onsen nacomelingen genoegen sal mit hondert noblen sulkx als voirscreven staen. ende met also veel renten als in dien jair der losseninge verscenen zullen zijn, na den loop van der tijt sonder argelist. Ende want onse geminde Scutte voirscreven ons hier mede quytschelden van der somme van hondert Noblen voirscreven, die zij ons in truwen geleent ende verleijt hadden. So hebben wij hun weder gegonnet geconsenteert ende willen dat die vier hooftmeans die ter tijt wesen zullen in der Scutterie voirscreven mit twaelf den outsten van der Scutterie tot eewigen dagen ghifters ende collatoirs wesen zullen van der Cappelrie voirscreven, al wairt oick dat wij ofï onse nacotnelinge dese voirscreven renten lossenden, ende Onse scutte voirscreven die mit anderen goeden doteerden , welke Cappelrie also bedient ende verdient zal werden also Hooftmans mitten twaleven voirscreven dat ordineeren zullen. In kennissen hier af zo hebben wij desen brief doen besegelen mit onsen seglen hier angehangen.

Gegeven upten Jairsavont in \'t jair ons Heren duijsent vier hondert ende achtien. Aldus gescreven upten ploy: Bij mijnen Heere den Hertoge ende mijnre Vrouwen der Hertoginne ende geteekent J. Potter.

-ocr page 375-

B.

In nomine Domini amen. Serie presentis publici instrumenti pateat evidenter et sit notum, quod anno a nativitate ejusdem Domini millesimo quingentesimo tricesimo nono, indictione duodecima, die vero vicesima prima mensis Novembris, pontificatus sanctissimi in Cristo patris et domini nostri, domini Pauli, divina providentia illius nominis pape tertii, Romani pontificis maximi, anno coronationis sue sexto, imperante gloriosissimo domino nostro, domino Carolo, divina favente dementia illius nominis quinto, Romanorum imperatore semper augusto, anno coronationis sue duodecimo, in mei notarii publici testiumque infrascriptorum, ad hoc vocatorum specialiter et rogatorum, presentia personaliter constituta honesta mulier Anna, filia Theodrici Schouten, cum Adriano de Lanella, causarum curie Hollandie procu-ratore, tutore seu curatore suo, per earn in et ad presentem causam specialiter assurapto et electo. Que quidem exposuit et declaravit, se a generoso et nobili viro et domino, domino Gerardo, domino villarum de Assendelft, Heemskerke etc., locum tenente Curie feudalis, et primo proconsule Cesaree majestatis in comitatu Hollandie Trajectensis diocesis, in fendum possidere domum seu castrum de Croonenburch, situatum in villagio de Castricom dicte Trajectensis diocesis. Quodque ipsa exponens ex fundatione suorum progenitorum seu alias justo titulo tamquam patrona habeat pleno jure conferre quatuor vicarias perpetuas seu ecclesiastica benefitia, quorum siquidem benefitiorum duofundata sunt in parochiali ecclesia sancti Petri oppidi Leydensis, dicte Trajectensis diocesis, unum in altari sancte Crucis ibidem , cujus possessor modernus existit filius Magistri postarum (sic!) Cesaree majestatis, secundum vero benefitium sit fundatum in altari beate Katharine virginis et martiris, cujus possessor existit dontiinus Wilhelmus, filius Theodrici, tertium quoque benefitium in ecclesia parrochiali sancti Laurentii oppidi Alcmariensis in altari sancte Crucis, illiusque possessor existit dominus Johannes filius Jobannis, presbiter et confessor raonasterii et sororum

-ocr page 376-

268

sancte Elisabeth ia Haga Comitis, quartum vero beneficium in par-rochiali ecclesia sancti Jacobi Apostoli in Haga Comitis in et ad altare sancti Georgiï, cujus possessor pronunc existit magister Sebas-tianus, filius Wilhelmi Schouten, subjungens dicta exponens, quod causantibus prochdolor hujusmodi periculosis seculis atque temporibus, plerumque plurimi nephandi homines, malignis spiritibus ducti, ausu temerario conantur, imrno verius non verentur atque formidant, Dei timore postposito, ecclesiastica bona , in honorem Dei omnipotentis , divini cultus augmentum et animarum refrigerium salubriter dedicata et instituta, annullare dissipare et in dampnabiles prophanos ususapplicaru et tandem ad nichilum reducere, timeatque ipsa exponens propterea verisimiliter, si earn ab hac luce decedere contingeret, quod nedum bona verum etiatn fructus dictorum benefitiorum per suos heredes vel successores vendi, alienari seu alias et aliunde transferri, commutari et prophanari possent in animarum suarum dampnabile periculum, eo amplius quod nonnulli possessores domorum et prediorum, que certis redditilius, ad dicta respectiva ecclesiastica benefitia spectantibus, onerata existant, asserunt et pretendunt (licet false), dictos redditus quamquam perpetuos atque perpetuates et ecclesiastica libertate tuendos, fore ac esse redimibiles et sub eopretextu conantur, jactitant et comminantur, eosdem redditus, census et proventus dictorum benefitiorum quitare et rediraere veile. Cupiens igitur dicta matrons sincere affeclu pro sua virili (sic!) futuris casibus et periculis obviare, eadem queque bona ecclesiastica, ad divini cultus augmentum et continuationem instituta, in esse censer vare, provideque considerans, quod spiritualia absque temporali subsidie subsistere non possint, dicta exponens, nen vi, dole, metu , fraude seu alia sinistra raachinatione seducta vel circumventa, sed ex ejus certa scientia et spontanea veluntate et matura deliberatione prehabita, ante-dictas quatuer vicarias seu benefitia ecclesiastica, quarum seu quorum collatio aut presentatie ad se pleno jure patronatus spectare dinoscitur, antedicto castre seu domui de Croonenburch uniri annecti et incorporan voluit et consentiit, atque de facto presentis publici instrumenti serie univit et incorporavit et pre unitis, annexis et incerperatis haberi et censeri expresse declaravit, ita quod eadem quatuer benefitia perpetuis futuris temporibus deinceps, nunc et in antea unum indivisibile et inseparabile corpus censeri debeant, tali queque interveniente pacto , quod pre tempore possessor dicti castri de Croonenburch nunc in antea perpetuis futuris temporibus, semper et invielabiliter pennanebit.

-ocr page 377-

269

verus, legittiraus et indubitatus patronus et collator dictorum quatuor benefitiornm ecclesiasticorum , omni impedimento cessante et absque contradictione cujuscuraque, dispositione fundatoris in contrarium forsan edita, que effectum ac seriem hujusunionis, consensus siveincorporationis dirimere posset, seu quavis alia constitutione edenda non obstaute in aliquo. Et ut hujnsmodi unio, consensus, annexilas sive incorporatio, modo atque forma premissis, debitum consequatur effectum et viribus subsistere pcssit pro divini cultus conservatione et continuatione, quarn dicta exponens, uti afQrmabat, bono zelo desideranter expostulat, dicta raatrona cum omni reverentia et humilitate instanter rogavit sanctissimum in Christo patrem et dominum nostrum, dominura Paulum tertium, Romanum Pontificem maximum ejuso^e sanctam Sedem apostolicam ac sancte Sedis apostolice legatum, missum vel mittendum , apostolica auctoritate fungentem , qnatenus predictas unionem , incorporationem , et consensus adhibitionem , sic ut premittitur facias et declaratas, nee non omnia et singula, in hoc presenti publico instrumento contenta, narrata et descripta, approbare, ratificare et confirmare, ceterosque defectus supplendos supplere, suumque desuper interponere decretum et auctoritatem dignentur de gratia speciali, cum derogatione dispo-sitionis fundatoris, in contrarium forsan edite, litterasque desuper necessarias sub plumbo aut alias in amplissima forma favorabiliter expediri mandare, cum clausulis necessariis et oportunis. De et super quibus omnibus et singulis premissis prefata domina exponens sibi a me notario publico infrascripto unum vel plura, publicum seu publics, fieri petiit, confici atque tradi instrumentum et instrumenta in meliori forma sub infrascriptorum astantium testium testimonio fideli.

Acta fuerunt hec Hagis in Holiandia Trajectensis diocesis anno, indictione, mense, die pontificatus pariter et imperio prescriptis, presentibus ibidem spectabilibus viris Magistro Wilhelmo de Zevender, iuris licentiato, et Wilhelmo Petri de Hagis, Curie feudorum vasallis, testibus vocatis, rogatis et requisitis.

Et ego Cornelius de Cappella, clericus Trajectensis diocesis, publicus sacris apostolica et imperiali auctoritatibus ac venerabilium dominorum decani et capittuli beate Marie pallatii in Haga Comitis, notarius et scriba juratus, ad exercitium officii notariatus per magnificos prepotentes dominos de Concilio Cesaree majestatis adraissus, quia premissa omnia et singula sic sunt acta et gesta, prout sunt scripta, et sic scripta, prout sunt acta, ideo hoc presens publicum instrumentum, propria

-ocr page 378-

270

mea manu scriptum, confeci et signavi in fidem , robur, et veritatis testimonium omnium et singulorum premissorum rogatus et requisitus.

(Aan den voet der bladzijde staat nog het volgende met dezelfde hand:)

Ad Joannem Coloniensem , scriptorem apostolicum in urbe Romana. Sollicitetur expeditie hujusmodi instrumenti, que aliquandiu cum notario istius instrumenti moram traxerit, sitque illi manus hujus notarii notissima.

-ocr page 379-

c.

Toen ik met den aanvang van het jaar 188i mijn ambt als notaris te VVarga, prov. Friesland, aanvaardde, ontving ik van de weduwe van mijn voorganger een pakket stukken, — naar mij werd medegedeeld, — betrekking hebbende op zekere vicarie-goederen, oorspronkelijk gevestigd op het St. Jan liaptist Altaar, in de St. Pieterskerk te Leiden.

Zoodra ik daartoe tijd had, ben ik begonnen deze stukken na te gaan en te ordenen, en toen dit werk afgeloopen was, heb ik er eene geschiedenis uit samengesteld, waarvan het volgende een uittreksel is.

I. COLLATOREN. PATROONS. LAICAAL.

De bij mij berustende stukken klimmen niet verder op dan tot in de eerste helft der 18de eeuw. De in die eeuw oudst-hekende Patroons-Laicaal en Collatoren zijn geweest Nicolaas Floris en Dirk Willem van \'t Hoff, door wier overlijden (in?) in hun plaats trad hun broeder Jan van \'t Hoff, lid in het collegie van Heemraden der Bataviasche Ommelanden en Ritmeester der Burger cavalerie aldaar. Deze oefende reeds in 173ö genoemde rechten uit en stierf tusschen de jaren 1762 en 1764, na den 3 Oct. 1761 bij akte van uitersten wil voor den notaris Steeven. Lieve Garriszon, te Batavia, en getuigen, verleden, de collatie als patroon-laïcaal der vicarie-goederen te hebben gelegateerd aan zijn neef Nicolaas van \'t Hofl, luitenant in dienst van de vereenigde Nederlanden, wonende te Veendam.

De legataris Nicolaas van \'t Hoff leefde tot 1774. Den 12 November van dat jaar was hij reeds overleden. Bij zijn dood liet hij slechts één kind — een dochter — na, «Maria» genaamd, geboren uit zijn huwelijk met Petronella Dijks. Deze dochter, zijn éénige erfgenaam, volgde hem in het recht van collatie der vicarie-goederen op.

Maria van \'t Hoff trouwde met Petrus Boerma, predikant te Saaxum, prov. Groningen. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen ge-

-ocr page 380-

272

sproten; cun Zoon Nicolaas, en een dochter Sara llanna genaamd. De moeder Maria van \'t Hoff overleefde haar man vele jaren. Zij stierf, hoogbejaard, den 1-4 Nov. 1826; krachtens olografisch testament, in 1816 hij den notaris Mr F. J. Ahresch te Zuidhorn gedéponeerd, hare beide kinderen tot erfgenamen in de rechten op de vicarie-goederen nalatende. Ueze laatsten oefendon in 1830 het collatie-

recht uit, toen zij bij akte, den 2 Augustus 1830 voor genoemden notaris Abresch verleden, een nieuwen vicaris voor den aftredende benoemden. Doch de Minister, van oordeel, dat het Collatierecht slechts door één persoon kan worden uitgeoefend, weigerde de confirmatie op deze gezamenlijk gedane benoeming. Toen zijn na veel geharrewar, broeder en zuster hij akte, den 1 September 1831 voor denzelfden notaris verleden , overeengekomen, dat Nicolaas (de broeder en tevens de oudste van hen beiden) het collatierecht alleen zou uitoefenen, //Zonder prejudice\' van het recht zijner zuster of harer afstammelingen. Deze Nicolaas van quot;t Hoff Boerma stierf te Groningen den ti Januari 1839. Zijn oudste zoon Pieter Boerina heeft zich in 1847 gedragen als (door den dood zijns vaders) wettig patroon-laicaal en collator over de vicarie-goederen , en als zoodanig een nieuwen vicaris benoemd.

In 1855 overleden heeft |zijn oudste zoon] Nicolaas Boerma, thans handelaar te Maastricht, sedert, tot op heden, het collatierecht uitgeoefend.

Lijst van Collator en.

Vóór 1736. Nicolaas Floris- en Dirk Willem van \'t Hoff, broeders.

1736. Jan van \'t Hof, hun broeder.

1764 Nicolaas van \'t Hoff, neef van den vorige.

1774. Diens dochter en éénig kind Maria van \'t Hoff, gehuwd met Petrus Boerma.

1826. Nicolaas- en Sara llanna van \'t Hoff Boerma, hare beide kinderen.

1831. Nicolaas van \'t Hoff Boerma, alleen.

1839. fieter Boerma, oudste zoon van den vorige

1855. Nicolaas Boerma, » n » » »

-ocr page 381-

273

II. Vicarissen of genot-gehad-iif.bbenden.

Jan van \'l Hoff, bovengenoemd, machtigde bij akte den 25 October ■1736 voor den notaris Petrus Dobbelaar, en getuigen te Batavia, verleden, Cornelis van Alenburgh en Josua Hoekwater, beiden te Delft, om de overdrachten der vicarie-goederen op hem lastgever, ol\' zijne erven, te verzoeken, en zoo niet, het genot dier goederen op een ander te conféreeren, met macht tot invordering der renten.

Uit kracht van deze akte benoemden de beide lasthebbers tot vicaris, den 30 Juli 1737, één hunner, en wel Josua Hoekwater, op welke begeving zij den 7 Sept. 1737 van de Staten van Holland en West Friesland brieven van confirmatie bekwamen.

Josua Hoekwater stierf reeds in 1738. Cornelis van Alenburgh, toen eenig lasthebber zijnde, wees daar op, den 30 Sept. 1738, het genot der vicarie toe aan den minderjarige Jan Daniel Hoekwater, zoon van den overleden Josua Hoekwater. Op deze begeving volgde van de zijde der Staten den 7 October 1738 confirmatie, onder beding, dat de begiftigde ter schole gehouden en «in de Gereformeerde Christelijke religiequot; opgetogen zou worden.

De moeder des minderjarigen in 1749 van het beheer der vicarie ontslagen wenschende te worden, confereerde de collator Jan van \'t Hoff bij notarieele akte van 17 Dec. 1749 de vicarie op voornoemden van Alenburgh en Roeland Spiering, mede te Delft. Ue eerste stierf spoedig daarna, waarop de confirmatie der begeving, den 26 Januari 1753, op Roeland Spiering alleen verleend werd.

In 1773 overleed Roeland Spiering, waarop door den toenmaligen collator Nicolaas van \'t Hoff tot vicaris werd aangewezen: Mr. Jan Jacob Gouverneur, advocaat en notaris te Delft. Ook deze begeving werd door de Staten van Holland bevestigd, en wel op 3 Sept. 1773.

Mr. J. J. Gouverneur stierf in \'t laatst van 1803, en had tot opvolger Mr. Pieter Willem van den Rogaert, secretaris der stad Delft. Het Départementaal bestuur van Holland confirmeerde dezen den 4 Mei 1804 in zijne betrekking als vicaris.

Om allezins begrijpelijke redenen legde v. d. Boogaert in 1830 het vicariaat neder. De Delftsche notaris Simon Adrianus Scholten nam het toen over. Deze ondervond veel onaangenaamheid van zijn betrekking, doch bleef haar toch tot aan zijn dood, in 1847 bekleeden. Toen verhuisde het vicariaat naar Friesland.

-ocr page 382-

274

Reitze Bloembergen Santée , deurwaarder te Leeuwarden, werd den 19 Juni 1849 door de Regering in het genot der vicarie bevestigd; na diens dood Uldrik Bottinga, notaris te Warga, overleden in 1883; en sedert, tot op heden, Sijtze Koopmans, mede notaris te Warga.

Lij.it van de vicarissen.

I7:n—1738. Josua Hoekwater, te Delft.

1738—1749. Jan Daniel Hoekwater, aldaar.

1749—1753. Gornelis van Alenburgh en Roeland Spiering aldaar.

1753—1773. Roeland Spiering, voornoemd.

1773—1804. Mr. Jan Jacob Gouverneur, aldaar.

1804—1831. Mr. Pieter Willem van den Roogaert aldaar.

1831—1847. Simon Adrianus Scholten.

1849—1877. Reitze Bloembergen Santée, te Leeuwarden.

1878—1883. Uldrik Bottinga, te Warga, en

I885. Sytze Koopmans, aldaar.

lil. Het kafjtaal DER stichting.

De goederen der vicarie hebben oorspronkelijk uit landerijen bestaan, die krachtens besluit der Staten van Holland dd. 17 Dec. 1646 zijn verkocht, waarop de kooppenningen zijn belegd op het kantoor-generaal van Hollanden West-Friesland, tot een totaal-bedrag van/12630-10-0. Deze som in 1811 veranderd in een inschrijving op het Grootboek der publieke schuld van Holland, werd eerst door de bekende tiereeering getroffen, en veranderde na het herstel van \'s Lands Onafhankelijkheid met bijvoeging van een fournissement aan het Rijk ad ƒ 238-16-13 (door den vicaris uit de inkomsten gedaan), in een kapitaal van f 4800 werkelijke- en /9000 uitgestelde schuld. Door loting der kansbiljetten klom het werkelijk kapitaal daarna per slot van rekening weer tot ƒ6900, het nog aanwezige bedrag inschrijving 0/0 Nationale schuld. De tiereeering is derhalve oorzaak geweest, dat er een bedrag van /quot;5730.50 aan kapitaal onherroepelijk verloren is gegaan.

IV. de interesten en de uitkeering daarvan.

Voor welk doel de inkomsten vroeger ook mogen besteed zijn, en in \'t midden gelaten of de minderjarige Jan Daniel Hoekwater daaruit

-ocr page 383-

275

na 1738 al dan niet korteren of langeren tijd heeft gestudeerd, — dit staat vast dat sedert het patronaat van Nicolaas van \'i Hofl, omstreeks 1764, tot op heden, de inkomsten der stichting onafgebroken, door den Patroon en (sedert 1830) diens familie zijn genoten.

De elkander opgevolgd hebbende vicarissen, hoewel voor zich telkens uitsluitend gerechtigd verklaard tot het genot der interesten, zijn blijkbaar niets meer dan beheerders geweest. Zij hebben de interesten geregeld uitgekeerd, onder aftrek enkel van een klein administratie-loon dat in \'t begin dezer eeuw door Mr. v. d. lioogaert jaarlijks ad J 10 werd berekend, onder den titel van «provisie als ordinair.» De voorhanden schriftelijke kwijtingen voor deze uitgekeerde interesten loopen van 2 November 177a in doorgaande reeks tot op heden door, doch uit een brief van 12 Juni 1773 blijkt dat de uitkeering reeds vroeger dan 1773 plaats hadden.

Sedert 1826 heeft de uitkeering der interesten echter tot vele en langdurige familie-oneenigheden aanleiding gegeven.

Zie hier in zeer korte trekken iets uit de geschiedenis van vorenbedoelde vicarie-goederen medegedeeld, ürn niet te uitvoerig te worden, heb ik van de voorhanden brieven gezwegen. Deze vormen overigens een duidelijke illustratie tot boven omschreven feiten, en zijn van belang voor eene juiste kennis en waardeering daarvan.

War ga, Augustus 1886.

(Was get eekend) S. KOOPMANS.

-ocr page 384-

\'

\'

\'

\'

■■

-ocr page 385-

RAPPORT

OVER

DE VIOARIEGOEDBREN,

in hun verband met de andere geestelijke goederen

IN

ZEELAND.

-ocr page 386-
-ocr page 387-

Rapport over de vicariegoederen, in him verband met de andere geestelijke goederen in Zeeland.

Even als in de andere provinciën waren er ook in Zeeland, ten tijde van de invoering der kerkhervorming, onderscheidene vicariën, gesticht door aanzienlijke personen , ambachtsheeren, gegoede burgers of geestelijken, bestemd tot het lezen van zielmissen voor de stichters en hunne bloedverwanten op altaren aan den een of anderen heilige gewijd. Zij komen hier doorgaans voor onder den naam van kapeilcriën of kapellaniën, welke naam waarschijnlijk daaraan zijn oorsprong verschuldigd is, dat zij waren gevestigd in kapellen aan parochiekerken verbonden, terwijl de geestelijke met den dienst belast den naam droeg van kapellaan (1). Tn den Inventaris van het oud archief der provincie

(1) Du Cange, Glossarium mediae et infimae latinitatis. ed. HENSCHKr., Paris. 1842. ^Capellaria. Munus et beneficium oappllani. — Aedicula sacra in aede raajori exstruota. — Capellaria annualis. Missae quae celebrantuv per arnii spatium pro defunctisquot;. A. JIatihaeus, Veteris aevi analecta, Hag. com. 1738, I, 748: „Capelrie est Capellaria. Son aedes tantum sacra, in qua altare et ministerium, sed missa etiam seu officium pro vivis et mortuisquot;, p. 764. ^Capellaria hie capella est. in qua altare et ministerium. Alibi etiam idem quod sacerdotis officiumquot;, p. 234 sq. „Capella est locus precum, et, ubi fit res divina. Locus autem non certus, sed qui ubique. ubi hi, qui capellam con-stituuut, qui diserte hie recensentur, modo et ibi ea. quae ad cultum divinum pertinent, ut altare est, ut vasa. ut rainisteria ecclesiae. Fnde et idem capella est ministerium ecclesiasticum. Paulatim autem capella pro ipso etiam aedi-ficio, pro oratorio, pro templo. pro structura, quae aut in templo, aut ad templum in coutiueati. — Q li se.\'Titio cxppaUaram adscript! capellam. Capellaniae praebsndaequot;. A. Vpeij, Gischiidmi* oi l hit pxtronxatrejt, Breda, 1829, bl. 400 volg^. zegï, «U\' cipd/i lnuelt\'1; was als capsella,

-ocr page 388-

4

Zeeland komea onderscheideae stukken hiertoe betrekkelijk voor. Voorts bevatten de Oudheden en c/estichteji van Zeeland en de Tegeinvoordige staat dier provincie eenige berichten hieromtrent, terwijl van de kapelleriëu in het eiland Zuid-Beveland in 1582 eene lijst is opgemaakt, berustende in het archief te Middelburg, waarvan mij door de welwillendheid van den heer archivaris J. P. van Visvliet een afschrift is verstrekt. Voorts heb ik nog gebruik kunnen maken van een belangrijk rapport, den 13e Juli 1816 door Mr. J. Verheye van Citters, oud-raadsheer in het voormalig gerechtshof van Holland en Zeeland, aan den gouverneur van Zeeland ingediend.

Ik zal in de eerste plaats mededeelen, welke vicariën mij zijn voorgekomen, en daarna nagaan, hoe het bij de invoering der kerkhervorming daarmede is gegaan (1).

Walcheren.

Middelburg.

Noordmunster- of St. Pieterskerk, ook bekend onder den naam van Oude kerk.

Bij testament van 24 Januari 1301 stichtte vrouw Grheila, \' Willem Hozemonds weduwe , eene vicarie of kapellerie in de Noordmunsterkerk, ter eere van God, Jezus Christus en de maagd Maria, waarvoor zij zekere landerijen verbond, en welke zij begaf aan -Nicolaas Nicolaaszoon Stocke. Bij eene tweede

een verkleinwoord van capsa. en oorspronkelijk een reliquiënkastje bfttee-kende, hetwelk de vorsten en aunzienlijkcn op hunne reizen medenamen, om overal hun godsdienstoefening; te kunnen doen; later werden er in de vorstelijke paleizen afzonderlijke vertrekken daartoe ingericht, welke nu ook kapellen werden genoemd. De aanzienlijke heeren van landhoeven volgden het voorbeeld der vorsten. — Vicarijen, zegt hij, werden ook kapellanijen genoemd, als zijnde kleine kapellen in groote kerken. Zie ook aanteek. 383 volgg., inzonderheid 387.

(1) Voor dit laatste is mij een belangrijke nota verstrekt door den heer archivaris Visvliet, welke ik grootendeels ben gevolgd, en wien ik hiervoor gaarne mijn dank betuig.

-ocr page 389-

akte van 24 Januarij 1301 schonk zij uog twee hofsteden ten behoeve dier kapellerie (1).

Sijmon van der Hooghe, kanunnik van Utrecht, stichtte bij testament van 27 Mei 1335 eene kapellerie in het klooster, met aanwijzing van Gillis Bettezone tot kapellaan; eene kapellerie in de kanosie der St. Pieterskerk, met aanwijzing van ecu priester zijner maagschap tot kapellaan, en benoemde don abt te Middelburg, Gillis van Meijlofskerke, deken der St. Pieterskerk en Gillis Bettezone tot executeurs.

Den 22 Mei 1351 werd deze stichting geconfirmeerd door Gerard de Veno, kanunnik en vicaris-generaal van bisschop Jan van Utrecht (2).

Jan Hughezone van den Kerkhove en Aechte van Coudorpe, weduwe Hughe Alaerdszoon, stichtten den 9 October 1335 eene kapellerie op St. Pieters altaar en gaven die aan Jan Uter Croft, gezegd van Utrecht. Deze stichting werd 23 Maart 1339/40 bevestigd door den officiaal cureit te Utrecht. Den 20 October 1355 verklaarden Pieter Hoec, parochiepape te Domburg, Pieter van Criekenpit en Pieter die Koster van het klooster, dat jonkvrouw Aechte, heer Jan van Coudorpes zuster, eene kapellerie had gesticht in de St. Pieterskerk, door haar begeven aan Jan van Utrecht, geheeten van der Crocht, en na haren dood te begeven door den abt van Middelburg (3).

Bij bul van 11 December 1485 benoemde Innocentius II] arbiters in een geschil over begeving der kapelleriën op O L. V. altaar in de St. Pieterskerk te Middelburg en in de Anna-kapel te Domburg (4). Waarschijnlijk heeft op deze kapelleriën ook betrekking eene verklaring van 6 Augustus I47.r) . later te vermelden.

(1) J. P. van Visvliet, Inventaris van hef Oud Archief\' der Provincie Zeeland, Middelb. 1874—84. N0. 136 en 137.

(2) Aid. N°. 391 en 539.

(3) Aid, N°. 394, 432 en 724.

(4) Aid. N0. 1790.

-ocr page 390-

6

In deu Inventaris ran hef archief van Middelburg vind ik nog eene kapellerie vermeld, welke 8 Junij 1518 werd begeven door Jan Lauwereijsz., als jongste schepen, bij consent van do wet, aan Jacob Eewoutsz. Deze kapellerie stond dus ter collatie van het stedelijk bestuur (1).

Westmuvster- of St. Maartenskerk, in 1574 voorden hervormden eeredienst ingericht, in 1575 voor afbraak verkocht en gesloopt (2).

Den 29 November ld 12 vermaakte lleijntic Braetn. parochie-pape in AValcheren, bij testament al zijne roerende en onroerende goederen in Walcheren ten behoeve zijner testamenteurs, tot stichting eener kapellerie op de altaren van Maria Magdalena en Sente Joose, en den 11 January 1313/14 gaf hij eene verklaring, dat hij voor die kapellerie geen andere goederen gemaakt had dan die hem bestorven waren van zijn vader en zijne moeder, of die hij gekocht had uit zijne vrije penningen, en gaf hij op, waaruit die goederen bestooden (3).

Bij brief van 13 Junij 1315 stichtte Pieter Pieterszone en Adelise, zyn wijf, eene kapellerie en droegen de begeving daarvan op aan de abdis van Onzer Vrouwenkamere te Domburg. Later, 25 October 1321, gaf Adelise nog land ter verbetering der kapellerie. Den 9 November d. a. v. herriep Pieter Pieterszone de begeving, verleend aan de abdis, en droeg die over aan den abt te Middelburg (4).

Jan Aernoudszone en Verdierf, zijn wijf, stichtten den

(1) Mr. j. H. de Stoppelaar, Inventaris ran het oud archief der stad Middelburg, Middelb. 1883, N0. 1117.

(2) Oudheden en gestichten van Zeeland, Leid. 1722, 1. 100. Tegenwoordige staat der Vereenig de Nederlanden, IX, X, behelzende eene beschrijving van Zeeland, Amst. 1751. (Ik citeei\' dl. IX als 1, deel X als II). I, 188. Zie ook Inventaris-Middelburg, ii0. 2658, 2060, 2661, 2662 2665.

(3) Inventaris-Zeeland, n°. 166, 169. De kapellerie op het altaar van Maria Magdalena wordt ook vermeld in een confirmatiebrief van eene andere

ichting in dezelfde kerk, van 12 September 1496, straks nader te vermelden

(4) Aid. n0. 177. 225 en 226.

-ocr page 391-

7

22 November 1315 eene vicarie op St. Nieolaas altaar (1). Misschien heeft op deze vicarie betrekking eene akte van 3 September 1472, waarbij L. Bouqueri, kapollaan van St. Nicolaas altaren te Middelburg en Zoutelande, gemachtigden benoemde, om afstand te doen van zijne betrekkingen , hoewel dit uit het stuk niet duidelijk blijkt (2).

Bij akte van 21 Junij 1326 deden Sijmou van Oostcapplen, proost van Zoetendalen en drie anderen, als keersmannen, uitspraak tusschen Claijs Brame, Hughe Musschotte en Janue, zijn broeder, ter eenre, en Clays Musschetszone, Janne en Heijnrike, zijne broederb, ter andere zijde, over de kapelleriegoederen, die Musschet Claijszone gezet had bij bevel van Pieter van Borzele, waarbij bepaald werd, dat die goederen zouden worden gesplitst in twee gelijke deelen, en de eene helft zou worden verdiend op O. L. Y. altaar in Westmonster eu de andere op O. L. V. altaar in de St. Pieterskerk (3).

Schepenen, burgemeesters en raad van Middelburg verklaarden bij akte van 18 October 1328, dat voor hen was verschenen zekere Domaes Durant, die verordineerde en stichtte eene kapellerie, waarvoor hij eene som gelds schonk tot aankoop van een erf, en dat de begeving zou geschieden door Ruffijn Garboen, zijn neef, en Jan Hughezoon, en na den dood van deze door den abt van Middelburg met schepenen, burgemeesters en raadsmannen (4).

Een testament van Jan van Subburgh van 22 Februarij 1333/34 bevatte onder meer de stichting eener kapellerie in de Westmunsterkerk (5).

Den 9 Februarij 1335/36 droeg Hugho Stuvesandssone aan den abt te Middelburg over twee kapelleriën, gesticht door zijn

(1) Aid. n0. 181.

(2) Aid. 11°. 1619.

(3) Aid. n0. 293.

(4) Aid. ii0. 334.

(5) Aid. u0. 384,

-ocr page 392-

8

zoon Willem Stuvesand. Den 12 Maart d. a. v. vereeni^de bisschop Jan 111 van Utrecht deze kapelleriën (1).

Jan IV, bisschop van Utrecht, confirmeerde den 22 October 1348 de stichting eener kapellerie door zekeren Willem de Haijringhe (2).

Den 21 Julij 1470 stonden Jau en Claes de Klinge aan kerkmeesters der Westmunsterkerk eeue kapellerie af in die kerk, gevestigd op liet altaar van het Heilige Kruis (8).

Bij akte van 7 September 1496 stichtte Johannes de Apella. canonicus hagen(sis.) eeue kapellerie „ ad laudem omnipo-tentis Dej, beate Marie Virginia, omnium sanctorum et prin-cipue Cornelij pape et martirisquot;. . . „in et ad altare Coruehjquot; . . . „cum duabus missis perpetuis . . . iu qua li bet ebdomeda singulis fenjs secundis et sextis celebraudisquot; ; hij wees daarvoor inkomsten aan , en droeg als kapellaan voor „Baldewinus fil. Cornelij de noua terra . Jfa diens dood zouden de „decanus cum saniori et maiori parte capituliquot; collatoren zijn. Den 12 September 1496 werd deze stichting geconfirmeerd door Wilhelmus de Montfoort, vicaris-generaal te Utrecht (4).

Sicolaas de Castro, bisschop van Middelburg, riep 22 December 1569 belanghebbenden bij de vereeniging van twee kapelleriën op, de eene gevestigd op het altaar van S. Jodocus, de andere genaamd die van den Sacellanus (5).

Eindelijk het laatste stuk, in het provinciaal archief, dat betrekking heeft op de Westmunsterkerk, is eene akte van 16 December 1571, waarbij Elisabeth Hugensdochter alias Cox,

(1) Aid. u0. say, 4oü.

(2) Aid. n°. 501.

(3) Aid. ii0. 1597. Misschien heeft hierop ook betrekking het testament van Jan Willem \\\\ ittezoon van 8 January 1539. Inventaris-Middelburg, n0.1698.

(4) H. Q. Janssen, De stichting eener vicarie in de Westmunsterkerk te Middelburg in 1496, in Nieuw archief voor kerkelijke geschiedenis II 1854 bl. 257—273.

(5) Inventaris-Zeeland, nquot;. 3432.

-ocr page 393-

9

weduwe Jan Adriaensz. Coene, een festum compositum en jaargetijden sticht in die kerk (1).

In den Inventaris can het archief van Middelburg komt nog het volgende voor :

Eene kapellerie „gefondeert op den outaer van den soeteu name Jesusquot;, waarvan de begeving stond aan burgemeesters, schepenen en raad van Middelburg (2).

Een testament van Pou welijne Oortsdochter van 29 Januanj 1545, waarbij o. a. werd gegeven eene rente van twee pond gr. vis., waarvoor ten eeuwigen dage moesten worden onderhouden zes wassen kaarsen van anderhalf\' pond, drie malen \'sjaars, met kersmis, paschen en op Onzer Liever Vrouwe hemelvaart te vernieuwen , alsmede eene kaars van een pond voor het altaar van Onze Lieve Vrouwe , zoo dikwijls te vernieuwen als die verbrand zou zijn, en eene eeuwige mis werd gefundeerd, alle dagen om negen uur op het St. Sebastiaan altaar te doen door een minderbroeder „ter tyt toe dat eens Jooszone van Joos de metselaer gecommen sal sijn tot priesterlicken staete, dewelcke dan die voorn, misse doen sal syn leven lanck geduerendequot;, terwijl na zijn dood de kerkmeesters daartoe een priester zouden benoemen (3)

Eene verklaring van kerkmeesters voor scliepenen van 14 Mei 1552, dat zij uit handen der executeuren van het testament van heer Hendrik Claesz. Polderman, in leven deken van de Westmunsterkerk, hadden ontvangen degelden, door hem aangewezen en bestemd tot fundatie eener geconsacreerde mis, die dagelijks om acht uur moest gecelebreerd worden op het St. Christoffels altaar, tot zijner en aller geloovigen zielen troost en lafenis (4).

Eene distributie door kerkmeesters gedaan (! February 1572, volgens eene fundatie van A.driaan Adriaansz, van Soetelijnckercke en jonkvrouw Paschine, zijne huisvrouw, op St. Gornelis altaar (5).

(1) Aid. ii0. 3526.

(2) Inventaris-Middelburg, gt;\'0, 224, 1557, 1899.

(3) Aid. n0. 1879.

(4) Aid. n0. 2110.

(5) Aid. n°. 2564.

-ocr page 394-

10

Klooster- of abdijkerk , ook bekend onder den naam van Nieuwe kerk.

Den 8 December 1325 stichtte graaf Willem III uit de inkomsten van de kosterij te Oostkapelle, ter eere van graaf Willem II, roomsch koning, eene kapellerie in de kloosterkerk van O. L. V., op een altaar door den abt te maken ter plaatse, waar koning Willem begraven lag. Den 10 December d. a. v. werd die kapellerie door hem gegeven aan Alard Willem Rapenzoon , geestelijke (1).

Petrus van Ylissingen, kanunnik der St. Pieterskerk te Middelburg en eureit van de helft der parochiekerk van Coudekerke, stichtte bij akte van 7 Mei 1336 eene kapellerie in de kloosterkerk aan de westzijde bij het doopvont en aiïecteerde daaraan behalve eenige landerijen , een huis te Middelburg, daar Hanne-kinns van Ceijns in woonde, staande aan de westzijde van de markt, en schonk de bediening dier kappellerie aan Walter Elliazoon, en bij diens dood de begeving er van aan den abt van Middelburg. Den 15 Mei d. a. v. werd deze stichting geconfirmeerd door Johannes III, bisschop van Utrecht (2).

Jan, abt van Middelburg, stichtte den 21 December 1849, tot lafenis der zielen van Willem Loeff, eertijds kanunnik te Utrecht, en van Doedijn Bast, familiaris aldaar, ter eere van St. Catharina eene kapellerie op een altaar nevens den ingang

(1) Aid. n0. 289, 291. Afgedrukt bij F. van Mieris, Groot Charterboek der graaven van Holland, van Zeeland en heeregt;t van Vriesland, Leid. 175\'i. II, 369. In het koor dezer kerk was het graf van Willem II; dit koor is later van de kerk afgescheiden, en een afzonderlijke kerk, de Koorkerk, geworden. Tegenw. staat, I, J92 volg.

(2) Aid. n0. 402, 404. Deze kapellerie was gevestigd op het altaar van St. Anna, zooals hlijkt uit de volgende aanteekening op den rug der akte: „De capellanla domini Petri de Vlissinghe situata in claustro ad altaresancte Anne. Hec capellaria est annulata exquo terre ad eandem ordinate divise sunt et domistadium jacens apud Westmunstre hic memoratum, collatum est capellanie sancte Anne in Domborch, per Wilhelmum abbatem anno MCCCXCI, ut patet per literas desuper oonfeetas, quas in doesn de Domborch inveniesquot;. Verg. hierbij de akte van 1391, n0. 986 hierachter.

-ocr page 395-

11

van het koor der broeders aan de zuidzijde, en schonk daartoe 12 gemeten land onder Grapinge en Domburg. Den 13 Januarij 1350/51 werd deze stichting geconfirmeerd door bisschop Jat IV, met last om Boudewijn quot;Willemszoon als kapellaan te bevestigen H).

Bij akten van 30 en 31 December 1349 en 7 Januarij 1350 transporteerden Jan Wouter Hughenzoonszone van Domburg , Willem\' Jan Stuverszone, Hughe Jan Versophijenzoonszone van Domburg en Hughe die Portere aan Sijmoen Claijs Heijnen-zoonszone, den landmeter, landerijen onder Domburg ten behoeve van het St. Katalinenaltaar iu het klooster (2).

Bij akte van 2 September 1489 transporteerden Lauwcreijs Willemszoae en Pieter Hughenzone twee huizen in de St. Pieterstraat, met last van jaargetijde op O. L. V. altaar in het coeverscoer (3).

De Vischmarktkerk, eigenlijk de Bachtsyravenhovekerk, ook wel Zusterkerk genoemd, naar zeker klooster voor vrouwen van de derde orde van St. Pranciscus (4).

In den Inventaris van het archief van Middelburg komt voor een testament van Janue Lieviusdochter, weduwe van Adriaan Jansz., van 8 November 1535, waarbij zij hare begraafplaats verlangt in de kerk van het zusterhuis te Bacxgravenhove, alwaar voor het altaar van SteAnne wekelijks vijf en twintig jaren lang zes geconsacreerde missen moeten worden gedaan , terwijl daarbij nog onderscheidene legaten worden gemaakt (5).

Voorts komen in den Inventaris nog onderscheidene stukken voor betrekkelijk altaren van gilden en broederschappen, waarover ik niet behoef te handelen (6).

(1) Aid. n0. 517, 535. Deze kapellerie wordt ook vermeld in de Oudheden en gestichten, I, 32 en Tegeniroordige staat, I. 192.

(2) Aid. n°. 519—522.

(3) Aid. n0. 1851. Het coeverscoer is waarschijnlijk een koor, waarin eene stichting van het geslacht Coevkrs.

(4) Zie \'Vegeni/:. staat, 1, 202.

(5) Inventaris, n®. IÖ87.

(6) Aid. 11°. 9,si, 982,1218, 2126, 2529.

-ocr page 396-

12

W estdoraburg.

Bij akte van 9 Julij 1B25 verklaarde\'Hendrik Doedijnszn. van Zoetelinckkerke, priester, eenige landerijen te geven tot stichting eener kapellerie ter eere der moedermaagd te West-domburg op de begraafplaats, daar eertijds de kerk van Oostdomburg gezegd van St. Agatha gestaan had. Den 12 Julij d. a. v. schonk Doedijn Hendriksz., priester van Zoetelinckkerke, 12 gemeten land liggende aldaar, tot het stichten eener kappellerie of altaar te Westdoinburch op de begraafplaats, waar eertijds de kerk van Oostdomburg gestaan had. Deze stichting werd den 12 November 1327 geconfirmeerd door den officiaal cureit te Utrecht (1).

Misschien heeft hierop ook betrekking eene akte van 21 September 1327, waarbij Sicolaas, nbt van Middelburg, eene kapellerie in atrio sanctae Agathae apud Domburgh begaf aan zekeren priester, genaamd Doedijn van Zoetelijnkerke, die met zijne moeder te zamen een huis en zeven gemeten land in Zoetelijnkerke had aangewezen (2).

Oostdomburg.

Bij akte van 18 November 1350 verzekerde Pieter Bettesone aan Gerolf .lustaessone van Poppendamme eene jaarljjksche rente van 4 schellingen grooten touruois, ten behoeve der kapellerie, gevestigd in St. Annakapel in Oostdomburg, door Doedin Pieterssone uit Noordbeveland (3). Op deze zelfde kapellerie heeft betrekking een warandbrief van 7 October 1363, verleend door quot;Wouter Wulfaerdssone aan Hughen Pieter Hughenzone wegens den eigendom van 7 gemeten en 100 roeden land, gelegen in diverse parochiën (4). Bij akte van 19 Februari] 1378/79 schonk dezelfde Wouter Wolfaerdszone, priester en

(1) Aid. n». 283, 284, 322.

(2) Aid. n0. 320.

(3) Aid. n°. 532.

(4) Aid. n0. 861.

-ocr page 397-

13

kapellaan van St. Annakapel, ten behoeve dier kapel 3 gemeten en 1 quartier land, liggende te Aagtekerke (i). Willem, abt van Middelburg, verklaarde bij akte van 31 Januari) 1391/92 de inkomsten van zeker huis, genaamd de Catte, gelegen ten noorden van de St. Maartenskerk aldaar, en behoorende tot de goederen eener kapellerie op St. Anna altaar, in zijn klooster, ten gevolge van den vrij willigen afstand gedaan door den laatsten bezitter Pieter Meester Janszn., te vereenigen met de kapellerie van St. Anna te Domburg, behoorende aan zekeren Arnold Meester Janszn., meester in de kunstenen baccalaurius in de geneeskunde (2). Dit huis was hetzelfde, dat boven is vermeld, waarvan de inkomsten door Petrus van Vlissingen waren geaffecteerd voor eene kapellerie door hem gesticht in de kloosterkerk te Middelburg (3). Ten slotte moet hier nog worden vermeld eene akte van 8 Mei 1478, waarbij Arnold Nicolaas-zoon van \'s Gravezande c. s. en Boudijn Jansz. eene overeenkomst sluiten, waarbij beide partijen zich verbinden ten opzichte der tusschen hen hangende kwestie betrekkelijk deze kapellerie zich te zullen submitteeren aan de uitspraak van arbiters (4).

Krommenhoek.

Hier was in de parochiekerk eene vicarie van de H. maagd Maria, welke in 1529 bezeten werd door heer Otto van Polanen (5).

Zoutelande en Brigdamme.

Bij testament van 25 Junij 1333 stichtte Willem genaamd Kortviiend, cureit der kerk te Zoutelande, twee kapelleriën, waarvan eene in de kerk aldaar en een in die te Brigdamme,

(1) Aid. n0. 936.

(2) Aid. a°. 986.

(3) Verg. boven bl. 10, noot 2, de akte van quot; Mei 1336, n0. 402.

(4) Inventaris, n0. 1699.

(5) Oudh. en yest., I, 256,

-ocr page 398-

14

welke beiden zouden staan ter begeving van den abt van Middelburg, welke stichting den 15 Mei 1336 werd geconfirmeerd door Johannes III, bisschop te Utrecht (1). Of de akte van 20 September 1429, waarbij Willem Willem Boudijnszoon aan den abt te Middelburg zijne kapellerie op Maria altaar in de kerk te Zoutelande afstaat, betrekking heeft op de stichting van Willem Kortvriend, duif ik niet beslissen (2). Blijkens eene boven reeds medegedeelde akte van 3 September 1472 (3) was er te Zoutelande ook eene kapellerie op het St. Nicolaas altaar.

Grijpskerke.

Claijs Claijszone (van Grijpskerke) stichtte bij testament van 25 Maart 1344,45 eene kapellerie in de parochiekerk van Grijpskerke, met benoeming van zijn neef Jenneke Jan Willemszoon tot kapellaan, en met benoeming tevens van onderscheidene executeurs , welke stichting 21 April 1345 werd geapprobeerd door Zegerus van Gorinchem als vicaris van bisschop Jan IV van Utrecht (4).

Oostsouburg.

Een brief van 9 Mei 1346 van Jan, abt van Middelburg, Gillis, deken der St. Pieterskerk aldaar. Gillis, cureit van Oostsouburg en Willem Stuvezand, kapellaan der St. Pieterskerk, handelt over de stichting eener kapellerie in de parochiekerk van Oostsouburg. Den 15 Mei d. a. v. werd deze stichting geconfirmeerd door Jan IV, bisschop van Utrecht (5). Waarschijnlijk heeft op deze kapellerie betrekking eene akte van Mei 1505,

(1) Inventaris, n0. 381, 403

(2) Aid. n°. 1207.

(3) Aid. n0, 1619. Zie boven bl. 7, noot 2.

(4) Aid. n®. 463, 465. De stukken zijn afgedrukt bij J. vax Grijpskerke.

\'lt; Graafschap van Zeeland, ofte corte representatie van de regeeringe van Zeeland onder haare graven, tot den jaare 1579, hehelsende zeer omstandigh den staat en recht van de ridderschap en edelen van Zeelandt, uitgegeven door het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen. Middelb. 1882, bl. 529 volgg.

(5) Aid. 11°, 472. 473,

-ocr page 399-

15

waarbij Anna van Bourgondie en de abt van Middelburg gemachtigden benoemen om uitspraak te doen over het recht van begeving der kapellerie te Oostsouburg (1).

Bij akte van 14 Mei 1533 vereenigde Willem III, bisschop van Utrecht, vier gemeten land eener vicarie op St. Nicolaa.s altaar te Oostsouburg met eene vicarie op St. Nicolaas altaar te Ritthem (2).

W estsouburg.

Haddeman Haddemanszoon van Westerzubburgb stichtte den 16 November 1348 eene kapellerie voor het Heilige Kruis in de parochiale kerk aldaar, met bepaling dat zij altijd zou worden bediend door iemand van zijn geslacht, en benoemde tot collatoren Willem Zaeldenzone van Westerzubburgb, Claijs Verzoetehannen-zone van Weisin ghe en Pieter Wouterszone van W esterzubburgh (3).

In de Oudheden en gestichten (4) vindt men nog het volgende vermeld: „Daar is van ouds een kollegiale kerk geweest, dewelke door Adriaan van Borsselen en door des zelfs huysvrouw Anna gesticht wierd in \'t jaar 1454, opdat daar dagelijks de kerkelijke getijden zouden opgezeit worden. Volgens het handschrift der Utrechtsche kerk, is de kerk van Sommelsdijk vereenigt geweest met het kapittel van Westsoeburg. In \'t jaar 1466 was de heer Bussingier pastoor in de kerk van Westersoeburg. Behalven den pastoor was er noch een kapellaan. Uyt het voornoemde testament (5) zijn er ook twee outers van gemelde kerk bekend, te weeten S. Maartens- en S, Niklaasouter. In den Inventaris van het archief komen deze niet voor.

Poppendamme.

Blijkens akte van 23 Junij 1370 had mej. IJmzoete, vrouw

(1) Aid. n0. 2113.

(2) Aid. n0. 2533.

(3) Aid. n0. 508.

(4) I, 250.

(5) Dit testament is aldaar afgedrukt bl. 2-12 volgg. en bij Matthaeus, Analecta, II. 286 sqq.

-ocr page 400-

16

van Willem van Poppeudamiiie, by testament eenige landerijen gegeven tot stichting eenor kapellerie ter eere van God en de maagd Maria in de parochiekerk, welke stichting 1 Augustus d. a. v. geconfirmeerd werd door Jan, bisschop van Utrecht (1).

Wisse Justaeszoue van Poppendamme gaf bij testament van 10 Augustus 1374 eenig land tot stichting eener kapellerie in de parochiekerk (2).

Gaping e.

Den 5 September 1383 vereenigde bisschop Floris van Utrecht twee vicariën of kapelleriën ter eere der moedermaagd in do parochiale kerk, uit hoofde van de vermindering van beider inkomsten (3).

Ri tth e m.

In de Oudheden en gestichten (4) vindt men: „In des zelfs parochikerk is voor dezen een kapellauy gesticht geweest aan het altaar van de H. maagd Maria. Deze kapellany stond ter vergevinge der abten van Middelburgquot;.

Ook was hier nog eene kapellerie of vicarie op het St. Nico-laas altaar gevestigd. In den Inventaris wordt eene akte van 6 Augustus 1475 vermeld, waarbij eenige landlieden verklaring geven omtrent goederen der kapelleriën van Jacob Christiaensz. van Borselen op O. L. V. altaar ia St. Pieterskerk te Middelburg en op St. Nicolaas altaar in de kerk te Ritthem (5). Den 27 Juli 1488 schreef Jan Nilis. vicaris der St. Janskerk te Utrecht, aan Jan van Westkapelle, abt van Middelburg, over voordracht van een kapellaan der vicarie te Ritthem (0). Misschien heeft dit schrijven betrekking op deze vicarie. Eindelijk

(1) Inventaris, n0. 884, 885.

(2) Aid. n°. 909.

(3) Aid. n0. 948. Verg. ook Oudh. en gest., I, 255.

(4) I, 252. Tegenw. staat, II, 232.

(5) Inventaris, n°. 1662.

(6) Aid. n0. 1825.

-ocr page 401-

17

bovea vermeldden wij reeds eene akte van 14 Mei 1533, waarbij eenig land van eene vicarie te Oostsouburg vereenigd werd met de vicarie op St. Nicolaas altaar te Ritthera (1).

V e r e.

In den Inventaris wordt vermeld eene akte van 10 April 1500 betrekkelijk de fundatie van een hoogtijd in O. L. V. kerk te Vere, door Pieter Willemsz. van Kerkwerve, kanunnik aldaar (2).

Paulus bastaard van Borselen en zijne vrouw Aleid van Haarlem stichtten den 22 October 1495 zekere godsdiensten en ceremoniën in hunne kapel van St. Paulus in de kerk te Yere, bestaande in vijf wekelijksche missen; voorts maakten zij legaten aan de kanunikken, aan arme zieke lieden, aan den koster eu voor het onderhoud der kerk; zij bepaalden verder, dat na hun dood de oudste en naaste manshoofd van de zwaardzijde de dispositie van de diensten zoude hebben om daartoe een priester aan- en af te stellen, zoo dikwijls het hem gelieven zou; de kerkmeesters verbonden zich om de voorzeide diensten te doen en te laten doen ten koste en laste der kerk, en verklaarden, dat zij zekere som gelds hadden ontvangen van de stichters tot fundatie van een nieuwen toren en vertimmering der kerk (3).

Ook waren er in de kerk te Vere nog onderscheidene altaren, van gilden, waarover hier niet nader behoeft te worden gehandeld (4).

Bij Matthaeus (5) vindt men een testament van Hendrik Wisse van Borsele, toparcha van Sandenburch (bij Vere) van 1303, waarbij eene kapellerie wordt gesticht „te besinghene in

(1) Zie boven bl. 15.

(2) Inventaris, n°. 2019.

(3) Mr. J. Ermerins, Eenige Zeemrsche oudheden, uit echte stukken opgehelderd en in het licht gehragt, Middelb. 1780—1794. I, 82, VI, 10. De oorkonde is daar afgedrukt als Bijlage A, bl. 237 volgg. Zie ook nog Bijlage D, blz. 243 volgg.

(4) Ermerins, VI, 219 volgg.

(5) Analecta, I, 744.

2

-ocr page 402-

18

de capelle, dar min here min vader legbet.quot; Dit zal Sanden-burg; zijn geweest. Hij was de zoon van den bekenden Wolfert van Borselen, die 1 Augustus 1299 te Delft vermoord werd.

Nieuw- Vlissingen.

Bij akte van 14 April 1501 droegen Lambertus Cornelisz en Cornell\'s Judocuszoon kapellerieland onder !Nxeuw-Vlissingen over aan Johannes Corneliszoon van Aerremude (1).

Westkapelle.

Den 20 Mei 1503 sloten Adr. Gillisz., cureit te Westkapelle, en de fabriekmeesters van twee kerken te Middelburg eene transactie over de offeranden op liet altaar in de kerk te West-kappelle (2).

Schouwen.

Zierikzee.

Den 27 November 1325 stichtte graaf Willem III, ter gedachtenis der zielen van zijne voorouders en van al degenen, die in den oorlog bleven te Yere, Arnemuden, in Duveland en voor Zierikzee, en ter eere zijner overwinning in den strijd op Gouda, eene kapellerie ter eere van St. Laurens in de St. Lievenskerk te Zierikzee (3).

Graaf Willem ÏV stichtte den 27 Junij 1341 eene kapellerie in dezelfde kerk op een altaar tot eere van God, St. Maria, alle Gods Heiligen en St. Laurens (4).

In de Oudheden en gestichten (5) wordt eene oorkonde van 30 November 1393 medegedeeld, waarbij Willem van Weldamme, ridder, en zijne huisvrouw Henrica van Eodenburgh, vrouw van

(1) Inventaris, n0. 2034.

(2) Aid. n0. 2072.

(3) Aid. n0. 288. Afgedrukt bij v. Mieris, II, 367.

(4) v. Mieris, II. G53.

(5) II, 16 vol™. De akten zijn ook afgedrukt bij S. van Leeuwen, Batavia illustrata, \'sGravenli. 1685, bi. 908 volgg. Zie ook Tegenw. staat, I, 338.

-ocr page 403-

19

Simonskerke, in do St. Lievenskerk, aan hot altaar van het H. Kruis eeue eeuwige vicarie stichtten, welke stichting bevestigd werd door bisschop Frederik van Blankenheim.

Voorts wordt aldaar vermeld eene andere vicarie aan het altaar van het H. Kruis iu dezelfde kerk, welke den 17 Februari 1545 door bisschop Georgius van Egmond werd begeven aan Laurens Pietersz. „tot eerlijker onderhoud van deszelfs staatquot; (1).

In hot Bagijnhof was eeue vicarie aan St. Maria\'s altaar, welke in 1529 bezeten werd door Kornelis Hubrechtsz. (2).

In het rapport van Verb eye van Citters komt nog het volgende voor: „Zekere collatie van £ 8. 6. 8 vim. jaarlijks, haar oorsprong hebbende uit zekere fundatie van twee gemeten lands, gelegen omme Zierikzee, gedaan bjj Klaas Bolle\'s dochter in 1525 etc. En in bijzondere aanteekeningen dienaangaande vind men het volgende; Deze rente is nooit een capellerie of geestelijk goed geweest, maar word in de oude rekeningen gezegd dat dezelve is in recompense van zekere omtrent twee gemeten land gelegen binnen de stad Zierikzee omtrend de Drie Koningen (klooster), hetwelk als geestelijk land is verkogt geworden, niettegenstaande nogthans het voorzeide land in 1525 bij een (Johan Oratius ons een) Cornelia Claas Bolle\'s dogter specialijk gelegateerd was om daarmede eenen schamelen jonge ter school te houden met welke rente doorgaans een van hunl. geslacht is gebeneficieerd geworden. Zie onder anderen resolutiën van gecomm. raden dd. 18 JNovemb. 1592, 17 Jan. 1G96, 22 April 1704 en 10 Juhj 1727.quot;

Dreischor.

Den 25 September 1531 gaf Karei V een subsidie aan de zes priesters van de zeven getijden, gefundeerd door Mr. Jan quot;Wilhems te Dreischor (3). De stichting wordt vermeld op het jaar

(1) Aid. bl. 28.

(2) Aid. bl. 48.

(3) Inventaris, u0. 2505.

-ocr page 404-

20

1487 bij Reygersbergen (1): „Ter selver tijdt, uae dat heer Adolph van Cleve, heer van Ravesteyu, ende vroa Anna van Bourgoingnen, vrouwe van Ravesteijn, het landt van Dreysehere seer verbetert hadden, ende die kercke rijckelijeken begaeft hadden, soo heeft deser selver tijdt die Pastoor van den selven dorpe ofte polder, heer Jan Willenisz. ghenaemt, nyt grooter devotieii in dese selve kercke ten eeuwighen daghen daer ghesticht alle dage te singhen die seven ghetijden.quot;

In de Oudheden en gestichten (2) wordt eene vicarie aan St. Barbaraas altaar vermeld.

Brouwershaven.

Hier waren in de parochiekerk eene vicarie van de HH. Petrus en Paulus en eene van St. Frauciscus. Voor de eerste werd den 18 September 1571 afgekondigd Kornelis Walen, priester; de tweede, openstaande door den dood van den heer Digman, verviel den 5 Februari 1573 op den heer Simon Hijk (3). Voorts was hier nog eene wekelijksche mis op O. L. V. altaar, waarvoor landerijen onder Sonnemare verbonden waren, waaromtrent later nog bijzonderheden zullen worden medegedeeld.

Burg.

Hier was in de oude kerk een vicarie aan St. Willebrords altaar, waarvan Lieven van den Burg in 1548 recht tot begeving had. Mr. Huibregt Klaassen, priester, die vicarie bekomen hebbende, kreeg van Greorgius van Egmond in hetzelfde jaar verlof om de mis, waarmede deze vicarie bezwaard was, buiten zijne prove , in St. Lievenskerk te Zierikzee te lezen (4).

(1) J. ReYGERSliEROEX, CUroniich van Zeelandt, verbetert en vermeerdert door M. Z. Boxhorn, Middelb. 1641, II, 316. Zie ook Tegenw. staat, 11,426.

(2) II, 86. Tegenw. staat, II, 426.

(3) Oudh. en gest., II, 70. Eerstgenoemde vicarie is ook vermeld in Tegenw. staat, II, 371.

(4) Oudh. en gest. , II, 84. Tegenw. staat, II, 387.

-ocr page 405-

21

Haamstede.

In de Oudheden en gestichten (1) wordt het volgende vermeld: „Volgens het handhoek van Georgius van Egmond, bisschop van Utrecht, was er een vikary in de kapelle der armen aan den grooten outer. Deze vikary wierd in \'t jaar 1529 bezeten door heer Kornelis, den nazaat van heer Jan Kornelisz.\'

N o or dg o uwe.

Ermerins vermeldt eene kapel of altaar, toegewijd aan de Drie Koningen, welke den eigendom had van 3 gemeten 50 roeden lands (2).

OVERFLAKKEE.

Sommei sdijk.

Hieromtrent vindt men in de Oudheden en gestichten (3) het volgende: „Daar was een vikary aan S. Geertruids outaar. Als dezelve open was gevallen door de dood van Ewoud Bastiaans-zoon, is de heer Theodorus Ganu, een priester uyt het bisdom van Kamerijk, den 26 September in t jaar 15 lt;1 tot dezelve benoemt en aldaar in \'t bezit gestelt. Noch was er eene vikary aan S. Joris altaar. Op den 5 Februari] 1573 is do eerste vikary met die van S. Joris outaar, dewelke door gemelden Theodorus bekleedt wierd, voor zijn leven vereenigt geweest. Dan zijn er in dezelve kerke ten behoeve van den pastoor, van den kapellaan en van den koster noch verscheide andere stichtingen geweest, waarvan wy

een lijst, die uyt het origineel getrokken is, in handen hebben----

In \'t jaar 1496 was heer Adriaan Kornelisz. regent van de parochi-kerk te Sommelsdijk. Na hem is gevolgt de heer Corvinus Hendrikszoon. De laatste, dewelke aldaar pastoor zijnde, gestorven

(1) II, 83.

(2) Zeeuwsdie oudheden, VIII, st. 2, 152.

(3) U, 90 volgg.

-ocr page 406-

22

is in de maand October 1526, heeft dit jaargety ingestclt. In \'tjaar onzes Heere duizend vyf honderd ses-en-twintig in de maand October is overleden de heer Corvinus Hendrikszoon, pastoor van deze kerk, en heeft een altijdduurend jaargety voor zich zclven gesticht. Ook heeft hy een jaargety (voor zijne dochter) gesticht na de dood van zijne dochter Magdalena. Zijn jaargety zal jaarlijks gehouden worden op St. Leonardus dag, dan of dan omtrent. En de pastoor zal in de uytdeelingen trekken vier stuivers, do kapellaan en de koster elk twee, en ieder priester een, behalven noch twee ponden wasch. En nadat de mis gedaan is, zal de pastoor mot de kerk het overschot hebben , en aan de armen zal uytgedeelt worden een mate broot.... Volgens oude brieven heb ik bevonde, dat er omtrent 40 stichtingen waren in deze kerk , zijnde meest alle gestichte jaargetijden, waartoe sommige 8 gemeten lands, andere 5 gemeten, andere 2, andere 1 gegeven hebben, met belastinge dat jaarlijks aan den armen moest uytgedeelt worden, van sommige 3, van andere 2 maten tarwen broot. Ook moest er dan branden aan waskaarzen 3, 2 en ook 1 pont was, van het overschot der kaarzen na de mis was de eene helft voor de kerk, en de andere voor den pastoor. Voor de uytdeeling aan den armen kreeg de pastoor en koster, ook dikwils de kapellaan en andere priesters 6 grooten. De priester, die de mis dede, had daar 10, 12 of 14 schellingen voor. Ook moesten dan alle Zondagen de namen der overledenen met het Zondaags gebed opgelezen worden. Deze stichtingen , zoo als ik bevonden heb , zyn gedaan tusschen het jaar 1423 en 1520.quot;

Tholen.

T h o 1 e n.

Uitvoerige mededeelingen komen hieromtrent voor in de Oudheden en gestichten (1).

(1) 11, 157 volgg. Zie ook Teyenw. staat, 11, 85.

-ocr page 407-

23

„In de kerk van Tertolen waren al eenige outaaren, aan dewelke ook versclieide vikaryen gesticht waren ; als de vikary van de H. H. Catliariua en Barbara, voor het H. Kruys, van den H. Geest. In \'tjaar 1350 stichte Daniel... de kapellanye van de H. Catarina, en gaf daar toe 3 gemeten zayland. Noch 5 quartaria, met belasting van een weekelijksche misse. Cornells Yvo gaf noch tot vermeerdering van de kapellanye 1 gemeeten en 19 roeden. Noch anderhalf gemeet. Noch een stuk lands en drie vierde deelen van een gemeet. Noch anderhalf gemeet met 33 roeden lands, met belastinge van een weekelijksche misse. .... In een oud handschrift, \'t welke wy ter hand hebben, volgt de brief van zekere stichtinge, gedaan door meester Pieter Stierbier, waar uyt een der voornoemde kanonniksdyen is opgerecht, en dan vorders de goedkeuring van Jan van Boyeren, verkozen bisschop van Luyk, en de toestemming van Guido , graaf van Blois, met do toestemminge en de bevestiginge van don landdeken. Uyt hetzelfde blijkt dat de voornoemde kapellany vanO. L. V. in de kerk van Tertolen gesticht is geweest ter eere en tot lof van God almagtig, van Onzen Heer Jesus Christus, van de heerlijke en onbesmette Moeder Gods en altijd Maagd Maria, van de H.H. Maagden en Martelaressen Catharina en Barbara, en van alle Heiligen.

Naderhand zijn volgens hetzelfde handschrift noch meer andere kapellanyen of vikaryen in de voornoemde kerk gesticht, als een kapellany aan het outaar van S. Eligius. In \'t jaar 1423 stichte Huyg Laurensz. doze kapellanye en gaf daartoe 17

gemeeten lands. In quot;t jaar 1458 vermeerderde Jacob.....

deze kapellanye met 20 gemeeten en 29 roeden lands. Noch gaf de heer Henricus Hugo, kanonnik, tot vermeerderinge 3 gemeeten en 120 roeden lands.

Een kapellany van Jacobus den Meerdere. In \'t jaar 1430 hebben Johan Eierz. en Geertruid Egidius, zijne huysvrouw, de kapellanye van S. Jacob den Meerderen gesticht, en daartoe gegeeven 10 gemeeten eu een quartaria zaylands, met belasting van een wekelijksche misse. In \'t jaar 1450 gaf Johan en

-ocr page 408-

24

Geertruid tot onderhoud van deze kapellanye 12 gemeeten zaylands, met bolastinge van een weekelijksche misse. In\'t jaar 1499 hebben Matthijs Jacob Meeusz. en Aernout Kornelisz. deze kapellanye vermeerdert met 8 genieeten en 330 roeden zaylands. Daarna noch in twee reyzen met 24 gemeeten lands, met belastinge van 5 missen ter week.

Een kapellany van S. Antonius. De heer Willemsz. heeft gegeven tot deze kapellanye 9 gemeeten lands, met belastinge van 3 missen ter week.

Een kapellany van het H. Kruys, dewelke in \'t jaar 1448 gesticht is door Huyg Jan Bottooszoon, die daar toe gaf 2 gemeeten zaylands, en noch eens 4 gemeeten en 50 roeden. Noch 7 quartaria met 25 roeden. Noch 4 gemeeten en 100 roeden, noch 3 quartaria en 65 roeden, met belastinge van 3 missen ter week. jSToch gaf heer Hendrik Stierbier tot ver-meerderinge van deze kapellanye 10 gemeeten lands, met belastinge van 2 missen ter week.

Een kapellany van S. Jan den Dooper. In \'t jaar 1436 stichte Kornelis, de zoon van Willem Alardi, de kapellanye van S. Jan, en gaf daartoe eerst 12 gemeeten en 60 roeden. Noch anderhalf gemeet en 33 roeden. Noch een gemeet en 30 roeden. Noch 2 gemeeten en 400 roeden. Noch 500 roeden. Noch 7 quartaria. Noch 4 quartaria, met belastinge van 2 missen ter week.

Een kapellany van S. Maria Magdalena. In \'tjaar 1449 stichte Johan, zoon van Gregogorius Mout, deze kapellanye en gaf daartoe eerstelijk 12 gemeeten zayland. Noch een stuk lands van 10 gemeeten en een quartaria. Noch de helft van een stuk lands en 200 roeden. Noch gaf Gregorius Yvooszoon tot vermeerde-ringe van deze kapellanye 137 roeden lands. Noch 5 gemeeten met een quartaria. Noch 600 roeden, noch 2 gemeeten en 16 roeden, met belastinge van een weekelijksche misse.

Een kapellany van S. Theobaldus, bisschop, met een stichtinge om de kerkgetijden onzes Zaligmakers te zingen In\'tjaar 1404 stichten Michiel Bollerts en Agatlia, zijn huysvrouw, deze kapellanye en gaven daar toe 7 gemeeten lands en een quartaria.

-ocr page 409-

25

Een kappellany aan het outaar van S. Hubertus. In \'r jaar 1498 stichte heer Johan Witzen, vikaris der kerk van Scha-kerloo , deze kapellanye en gaf daartoe 13 gemeeten lands.

Een kappellanye van S. Anna, in \'t jaar 1504 gesticht door Johan Mandemaker, die aan dezelve gaf 6 gemeeten zaylands.

Eer. kappellany van S. Cornelius, paus en martelaar, in \'t jaar 1531 gesticht door Johan van der Ruyt, die daartoe gegeeven heeft 12 gemeeten lands, noch 4 gemeeten, met be-lastinge van twee missen ter week. Deze kappellany is allereerst bekleedt door den heer Hendrik Slachdood, wiens nazaat is geweest de heer Matthaeus van der Hurk.

Ook is er een guide mis, zooals die genoemd word, ingestelt, dewelke door het kapittel begiftigt en bevestigt is. Deze guide misse heeft Matheus, de zoon van KornelisdeHouwert, gesticht in \'t jaar 1489, met alle zijne ceremoniën en ouder het luyden der klokken; hij gaf daartoe aan liet kapittel 5 quartaria zayland, gelegen in een stuk lands van 1400 gemeeten, genaamt in Chono op \'t Uoesvelt. Noch 3 quartaria in het zelve. Noch het achtste deel van een huys, staande op het zelve land. In \'t jaar 1493 gaf de heer Kornelis Hugo Eggenzoon, kapellaan der kerke van ïertolen , 16 goudguldens aan het kapittel tot vermeerde-ringe van deze guide misse.

Ook is hier van ouds een gasthuys geweest, in hetwelke een kapellany was van St. Laurens. Ewout Pietevsz. gaf aan deze kapellanye zijn huys en 10 gemeeten lands. Op het slot aldaar was een kapellany van de H. Maagd Maria.

In \'t jaar 1414 stichte Johan Yvo in deze kerk een prebende en gaf daartoe 12 gemeeten zayland.

In \'t jaar 1463 heeft Willem Vink en zijn huysvrouw gegeven aan S. Salvators outaar eerst 3 gemeeten en 50 roeden, noch 4 gemeeten en 50 roeden , noch 1 gemeet, met belastinge van 3 missen ter week.

In st jaar 1433 gaf Johan Dankaartsz. aan het outaar van de Noodt Godts van O. L. Vrouw 3 gemeeten lands.

In \'t jaar 1480 gaf Mattheus, de zoon van Koruelis de Houwer,

-ocr page 410-

26

aan de kapellanye van de Noodt Godts 5 gemeeten lands, met belastinge van een weekelijksche misse.quot;

Voorts wordt nog vermeld, dat uit deze verscliillonde stichtingen het kapittel van Tholen is opgericht of althans vermeerderd geweest.

Sch akerl oo.

„In de kerk van Schakerlooquot; zeggen de schrijvers der Oudheden en gestichten, „had men het outaar eu de broederschap van de H. Maagd Maria en het outaar van St. Niklaas. Dan was er noch een outaar van de H. Maria op het kasteelquot; (1), en later: „daar was een vierde kapel, dewelke met de kerk van Tertolen is ingelijft in het bovengemelde kapittel. Behalven het groote outaar waren in deze kapelle noch twee andere oütaaren, aan de welke ook twee vikaryen gesticht waren, te weeteu de vikary van het Broederschap der H. Maagd Maria. De vikary van S. Niklaasquot; (2).

Stavenisse.

Hier was een altijddurende vicarie aan St. Nicolaas altaar (3).

Vo sm aar.

Blijkens eene akte van 4 September 1576, medegedeeld in de Oudheden en gestichten (4), had lieer Pieter Hendriksz. Blok, onderdeken van het kapittel, in de kerk van Vosmaar een eeuwig jaargetijde gesticht.

Poortvliet.

„In de parochi-kerk was eene vikary van S. Judocus, dewelke, opengevallen door de dood van Hugo Breidel, den 21 January

(1) 11, 158.

(2) n, 192.

(3) Oudh. en gest., II, 97.

(4) II, 204 volgg.

-ocr page 411-

27

1570 bij recht van verval gegeeven is aan Hendrik deWeerdt. Dan was er noch een vikary aau quot;t outaar van de H. Maagd Maria, dewelke, openstaande door de dood van Maria Pieterszoon, den 5 February 1573 by recht van vervallinge gegeeven is aan den heer en meester Antonis Stoopsquot; (1).

Maartensdijk.

In den Inventaris wordt eene kwitantie vermeld van Jacob Yoxe, deken van St. Maartensdijk, wegens ontvangen renten, aankomende aan de vicarie op het altaar van den H. Geest (2).

N oord-Beveland.

Kortge ne.

Bij Reygersbergen (3) vindt men het volgende: „In \'t selve jaer (1495), den vijfden dach van Meerte, sterf jonckfrou Margrieta van Haessel, die moeder van heer Floris van Bors-selen, bastaert soone van den graeve van Oostervant, heere van Cortgene, die tot een eeuwighe memorie die kercke van Cortghenen begift, ende begaeft hadde, omdat men ten eeuwighen daghen met acht priesters die seven ghetijen singhen sonde, alle daghe met drie singhende missen.quot;

W ellis.

In de parochiekerk was eene kapol van de H. Maagd Maria, welke in 1529 bezeten werd door heer Autonis Hendriksz. (4).

Enielisse.

In de parochiekerk was van ouds eene kapellanie of altijddurende vicarie van O. L. Vrouw, waarvan in 1597 bezitter was heer Johan Jilliszoon (5).

(1) Oudh. en gest., II, 199. Misschien hebben hierop betrekking de stukken no. 1906, 1911, 1915 en 1924 van den Inventaris.

(2) No. 3061.

(3) 11, 340. Zie ook Oudh. en gest, I, 293. J. v. Geijpskerke, bl. 293.

(4) Oudh. en gest., I, 298.

(5) Aid. 1 , 299.

-ocr page 412-

28

Züid-Beveland.

Ik deel hier de lijst vau 1582 mede, waarbij ik voeg wat ik elders omtrent de kapelleriën op dit eiland heb aangetroffen.

Lijste van alle de capelriën gefondeert, soo binnen de kercke der stede Goes, als ten platten lande van Zuytbevelant.

Ende \'t eerst Goes.

1. Mr. Pieter Hoorn heeft eertijts gepossedeert eene capelrie, groot 16 gem. 33 roen lants, uutbrengende jaerlijcx zuijver boven alle onkosten, de juiste somme onbegrepen, ontrent 11 ® 15 ; dan es deselfde capelrie naer zijn overlijden aan de ghemeene saeke vervallen jure devoluto (1) ende wert over-sulcx gheheel tot profijte derselfder verantwoort, alsoo de col-lateur es onbekent.

2. Daniel Daelmans heeft van gelijcke gepossedeert eene capelrie, groot 8 gem. 135 roen lants, uutbrengende jaerlijcx zuijvers ontrent 4 ft\' 15 dan es sedert zijn overlijden aen de

(1) Do beteekenis dezer uitdrukking is waarschijnlijk deze, dat de staten het devolutierecht hebben aangegrepen als bewijsgrond voor de bevoegdheid van liet provinciaal domein, om in de gevallen, waar anders de bisschop of paus zou zjjn opgetreden, zooals onbekwaamheid van den collator, diens vicariegoed aan te slaan, te confisqueren of op andere wijze daarover te beschikken. F. quot;Walter, Lehrbuch (les Kirchenrechts, lie ausg. Bonn, 1854, zegt omtrent het devolutierecht het volgende: „Wenn die Provision nicht auf canonische quot;Weise oder nicht innerhalb der bestimmten Zeit vorgenomnr.en worden ist, so geht das Recht dazu für diesmal verloren und devolvirt an einen höheren Beamtenquot;. Evenzoo Kichter en Dove, Het katholieke en evangelische kerkrecht, bijgewerkt door A. yan Toorexenbergen, Utr. 1876, § 214. F. von HoLTZESDDiiF, Reclitslexicon, Leipz. 1825, in voc. devolution, F. Boey, Woordentolk of verklaring der voornaamste onduitsche en andere woorden in de hedendaagsche en aaloude rechtspleginge, \'s Gravenh. 1773, zegt: „devolutie is een onduitsch woovA, Aatneederdaling, af rolling hetsekent, komt van het Latynsche woord devolveren, dat afrollen, neederwaarts rollen beteekent; dit werd gemeenlyk gebruikt, om uit te drukken een beneficie, dat door den dood, onbekwaamheit, by mankement van titul, of onkundigheit van den bezitter op imant vervaltquot;.

-ocr page 413-

29

ghemeene saeke vervallen jure devoluto ende wert ten profijte van deselfde gheheel verantwoort, alsoo de collateur es onbekent.

3. Ocker Hellinc heeft gliepossedoert een capelrie, groot 3 gem. 296 reen lants, uutbrengende jaerlijcx zuuvers ontrent 2 ® 15 $ , dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, weaende de collateur onbekent.

4. Merten Mertsen es possesseur van een capelrie, van dewelcke sijn collatores de kinderen van Michiel Hoorn, groot 24 gem. 216 roeden lants, uutbrengende jaerlijcx zuijvers, onbegrepen de juijste somme, ontrent 20 tc 15 dan alsoo de voors. Marten Mertsen es wonende in Spaeingen, soo wert dese capelrie bij forme van confiscatie gheheel tot profijte van de ghemeene

saeke verantwoort.

5. Jan Marijnissen heeft ghepossedeert eene capelrie, staende ter collatie van de kinderen van Jan Lamsen, groot 6 gem. 269 r. lants, uutbrengende jaerlijcx zuijvers ontrent 3 \'8 2 , dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van deselfde verantwoort.

6. Jacob Fransen, wonende te Goes, aldaer geweest hebbende een capellaen, es possesseur van eene capelrie, van dewelcke es collateur Mr. Corn. Bruijne, groot 5 gem. 212 roen lants , uutbrengende jaerlijcx ontrent 4 \'S\' 3 Q 6 gr., dan alsoo den voors. Jacob Fransen es jaerlijcx ghenietende een alimentatie, soo wert de gheheele capelrie tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

7. Cornelis Marijuussen, wonende ter Goes, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Gandolf Harrentsen, groot 11 gem, 77 R. lants, vvaervan het derde tot profijte van de ghemeene saeke jaerlijcx wert verantwoort, bedraegende het-selfde derdepaert ontrent 2 ffi 12

8. Pieter de Vlaeminck heeft gepossedeert een capelrie, waarvan den collateur es onbekent, groot 5 gem. 81 roen lants, uutbrengende jaerlijcx 3 ft\' gr., dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

9. Mr. Antonis Schoof heeft ghepossedeert een beneficium ,

-ocr page 414-

30

van hetwelcke sijn oollateurs de kerckmeesters van der Goes, groot 36 gem. lants met een h ouve daerop staende genaemt ter Hofstee, uutbrengendejaerlijex zuijver, onbegrepen dejuijste somme, ontrent 23 ffi 10 J], ende wart dit beneficium jaerlijex gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort,

C1 oetin gli e.

10. Jacob Fransen, wonende ter Goes, aldaer gheweest hebbende een capellaen, es possesseur van een capolrie, staende ter collatie van Cornelis van Sundere, woonachtig ter Goes, groot 15 gem. 208 R. lants, uutbrengende jaerlijex ontrent 7 ffi g., dan alsoo denselven es jaerlijex genietende een alimentatie, wert de voors. capelrie gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

11. Floris van Brederoode, wonende bij den heere van Brede-roode (1), es possesseur van eene capelrie , staende ter col-

(1) Verheye van Citters teekent hierbij het volgende aan: „agtorkleinzoon van Walraven hr. van Brederode, die getrouwd had Margarita van Borsele van der Veer, vrouw van Cloetinge (zie Gkijpskeek, Graafsch. v. Zeel, bl. 64) en dezelve schrijver meld H. A. Zeel, bl. 132, dat het ambacht Cloetinge uit het geslacht van dien naam gekomen is aan de heeren van Borsele van der Veer. Dit meld men dus uitvoerig om aantewijzen de waarschijnlijke oorsprong dezer vijf capellanjen, namentlijk dat dezelve zullen gefundeerd zijn door die van het geslacht Cloetinge, Borsele of Brederode, bij opvolging heeren van Cloetinge, maar zulks niet qua ambagtsheeren van die plaats, maar als bijzondere personen, welke in bun particulier die godsdienstige daad, uit bijzondere inzigten, verrigt hebben. quot;Weshalven de extensie in de gedrukte verkoopconditie van het ambagt Cloetinge van 1764: Den ambachts heer competeerd collatie van vier capellerijen gefundeerd in de kerk van Cloetinge, waartoe behoren de nombre van omtrend 80 gemeten zo weijen als zaailanden erroneuseljjk gesteld is. De voors. collatie wierd hy en met het ambagt in koop aangeboden om er een agrement bij te voegen en daar door hooger prijs te bedingen, maar was geen regaal van hetzelve. Ergo al vervallen de ambachtsheerlijke regten in Zeeland, zo kan de collatie aan de tamilie van der Bilt blijven competeren Dit confirmeerd zich al verder omdat op de lijst van 13S2 niemand voorkomd, die qua ambagts heer collator van

-ocr page 415-

31

latie van den heere van Brcderoode, groot 20 gem. 116 roen, waervan het derdepaert tot profijte van de ghemeyne zaeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert jaerlijcx. ontrent 4 ® 10

12. Denzeltden es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van den heere van Brederoode, groot 15 gem. 294 roen lants, waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende hetselfde derdepaert ontrent 3 te 12 i).

13. Idem es noch possesseur van eene capelrie, staende als voren ter collacie van don heere van Brederoode, groot 18 gem. 50 R. lants, waervan het derdepaert jaerlijcx wert ten profijte van de ghemeene zaeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert jaerlijcx ontrent 5 g.

14. Idem es noch possesseur van eene capelrie, van dewelcke es collateur den heere van Brederoode, groot 15 gem. 100 R. lants, waervan het derdepaert als voren wert verantwoort, bedraegende jaerlijcx \'t voors. derdepaert ontrent 3 \'ffi 15 J).

15. Hercules Thomassen Schootis, wonende tot Utrecht, es possesseur van eene capelrie, van dewelcke es collateur den heer van Brederoode, groot 9 gem. 162 R. lants, waervan het derdepaert wert als voren verantwoort, bedraegende jaerlijcx ontrent 36 Q.

16. Lieven Augustijnsen heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 14 gem. 113 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 9 ie g., dan alsoo dese capelrie es aen de ghemeene saeke vervallen jure devoluto soo wert d\'zelfde jaerlijcx ten profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

eene capellarij genoemt wordquot;. Ik betwijfel evenwel de juistheid dezer beschouwing;, zooals later bjj de behandeling\' van het accoord van 1581 blijken zal. Zie ook Mr. M. F. Lantsheer en F. Nagtglas, Zelandia illustrata, verzamelinr/ van kaarten, portretten, platen enz., betreffende de oudheid en geschiedenis van Zeeland, toebehoorende aan het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen, Middelb. 1878—SO, II, 61 volg.

-ocr page 416-

32

Cattondijck.

17. Jacob de Bastaert heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 6 gem. 27 R., uut-brenghende jaerlijcx ontrent 3 fe 5 Q, dan wert als vervallen jure devoluto ghelieel gebracht tot proijfte van de ghemeene saeke.

Wemeldinghe (1).

18. Heer Lenaert Hartsen heeft ghepossedeert een capelrie, waervan es collateur den pastoor van Wemeldinghe, groot 18 gem. 271 R., uutbrongende jaerlijcx, de jmjste somme onbegrepen, ontrent 11 iÈ 15 Q , dan wert voors. jaerlijcx gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

19. Corn. Rata heeft gheposssedeert een capelrie groot 29 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 4 \'ft 5 $, dan wert als ver-valle jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

20. Willem Willemsen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 12 gera. 74 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 8 ft 15 maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur den pastoor van quot;Wemeldinghe.

21. Rudolf Vincents, wonende tot Utrecht, aldaer gheweest hebbende een capellaen, es possesseur van eene capelrie, van dewelcke sijn eollateurs die van \'t capittel van Sinte Pieters tot Middelburgli, groot 18 gem. 235 R., waervan het derdepaert tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert jaerlijcx ontrent 3 ft g.

22. Arent Craijendaele heeft ghepossedeert een capelrie, groot 22 gem. 47 roen lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 13 ft 15 dan wert jaerlijcx verantwoort als vervallen sijnde jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke, wesende den collateur onbekent (2).

(1) In de Oudh. en gest., II, 140 worden vermeld vioariën van de H. Maagd Maria, van S. quot;Wilgefortis, van S. Niklaas en van S. Jacob.

(2) Dit is de vicarie van St. Jacob, waarvan, in de Oudh. en geit., U, 141, als bezitter wordt genoemd Aarnoud van Krayendaal.

-ocr page 417-

33

23. Willem Ingelsen heeft gepossedeert een capelrie, groot 6 gem. 79 R., uutbrengende jaerljjcx ontrent 2 ffi 5 (]., dan wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemee.ie saeke verantwoort, wesende den eollateur den pastoor va.*] Wemeldinghe.

24. Ismael Melsen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 19 gein. 109 R., uutbrengende jaerljjcx ontrent 10 ffi 15 Q, dan wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den eollateur onbekent (1).

Jierseke.

25. Jan de Haese heeft ghepossedeert een capelrie, groot 19 gem. 109 R., waervan de eollateur es onbekent. uutbrengende jaerljjcx ontrent 14 ffi 10 d\'welcke als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

26. Merten van Lojjen heeft ghepossedeert een capelrie, waervan eollateur es onbekent, groot 21 gem. 196 R. lants, uutbrengende jaerljjcx ontrent 14 ffi g. , welcke om reden als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

27 Mr. Pieter Levendaele (2), wonende ter Goes, es possesseur van een capelrie, waervan es eollateur den heere van Lodjjcke (3), groot 16 gem. 38 R., welcke capelrie Levendaele voors. bjj mjjne heeren Raede vergunt, niettegenstaende lijj is gecomen tot den huwelijcken staete , gheheel te ontfanghen.

28. Philippus Lansbergius (4), wonende ter Goes, ende leerende

(1) Dit zal zijn de vicarie van St. Nico laas, waarvan in de Oudh. en gest., II, 141, als bezitter wordt genoemd Ismael Melchiors.

(2) In 1571 was een P. Levendaele secretaris van Reimers-wale. Zelandia illustrata, 1, 76.

(3) Over het geslacht Lodjjcke zie v. Orijpskerke , 304.

(4) Over dezen sterrekundige en godgeleerde zie IVI. Smallegange, Niemve chronyk van Zeeland, Middelb. 1696, i, 327 ; P. db la Rpë, Geletterd Zeeland , Middelb. 1734, noot op bl. 247; P. Bayle, Dictionaire hUtorijue et critici lie, Amst. 1740, III, 55; Zelandia illustrata, I, 345, volg.; Tegenw. staat, II, 49.

3 z

-ocr page 418-

34

aldaer de latijnsche taele, es possesseur van een capelrie, van dewelcke sijn collateura de Armmeesters van der Goes, groot 22 gem. Ill R. Ende es Lansbergius voornoemt bij mijn hoeren van den Raede vergunt deze capelrie gheheel te ontfanghen.

29. Lambrecht Jansen heeft ghepossedeert een capelrie, van dewelcke den collateur es onbekent, bestaende in een thiende, nut-brenghende jaerlijcx ontrent 9 of 10 ffi g., dan wert als vervallen jure devoluto gheheel verantwoort tot profijte van de ghemeene saeke.

Cruininghen (1).

30. Saij Jansen heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, welcke es toecomende een thiende, ghel-dende jaerlijcx 3 ft ofte 4 li\', dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

31. Claes van der Veste heeft ghepossedeert een capelrie, groot 9 gem., uutbrengende jaerlijcx ontrent 4 ffi 5 $ , dan wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, alsoo den collateur es onbekent.

Onser vrouwenpolder.

32. Antonis Erasmi heeft eertijts ghepossedeert een capelrie, groot 15 gem. 131 R., waertoe moet jaerlijcx gegeven werden om de lastige dijcagie 2 ffi 10 j), ende wert als vervallen jure devoluto gheheel verantwoort voor de ghemeene saeke (2).

Vlaeke.

33. Marten van Leijen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 19 gem. 98 r. lants, uutbrengende jaerlijcx 13 ® g., dan alsoo den collateur es onbekent wert deselfde als vervallen jure devoluto gheheel verantwoort tot profijte van de ghemeene saeke.

(1) In de Oudh. en gest., II, 126, wordt vermeld eeue yicarie aan het altaar van de H H. Catharina en Barbara. Zeiand ia illus trata , II, 28.

(2) Volgens de Oudh. en gest., II, 125, was dit eene vicarie van O. L. Vrouw.

-ocr page 419-

35

34. Willem Ingelsen heeft ghepossedeert een capelrie, waarvan den collateur es onbekent, groot 17 gem. 152 R. lants, uur-brengende jaerlijcx ontrent 10 a* 15 $ ? dau wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

Schore (1).

85. quot;Willem Ingelsen heeft ghepossedeert een capelrie, waarvan den collateur es onbekent, groot 10 gem. 94 R lants, uutbren-gende jaerlijcx ontrent 7 5 $, dan wert om redenen als voren gheheel verantwoort tot profijte van de gem. saeke.

C a pp el la (2).

36. Jan Remingius heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot H\'/j gem., uutbrengende jaerlijcx, de juiste somme onbegrepen, ontrent 8 tl\' 5 dan wert om redenen als voren tot profijte van de ghamaene saeke ghahaal verantwoort.

37. Jan van ^dar Borght, wonende tot Utrecht, aldaer geweest hebbende een capellaen, es possesseur van een capelrie, van welcke den collateur es onbekent, groot 12 gem. 40 roen lants, waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegenda \'t voors. derdepaert ontrent 2 IÉ 5 £. (3).

38. Jan Heindricsen Munter heeft ghepossedeert een capelrie, van dewelcke den collateur es onbekent, groot 9 gem. 285 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 7 8 J) , dan wert den

(1) In de Oudh. en gest., II, 127, wordt vermeld eene vioarie aan St. Nicolaas altaar.

(2) In de Oudh. en gest., II, 132 volg., worden vermeld eene vicavie van St. Catharina en St. Barbara, eene vicarie aan St. Jans altaar en een gesticht aan het altaar van den H. Paus en martelaar Cornelius. Zie ook Zelandia illustrata, II, 66.

(3) Waarschijnlijk is dit de stichting aan het altaar van den H. Cornelius, waarvan in de Oudh. en gest., II, 133, in 1560 als bezitter wordt genoemd Johan Jacobsz. van der Burg. Als collatoren worden daar opgegeven Anna, dochter van Mr. Pieter van der Burg, en de huisvrouw van Roeland Jansz.

-ocr page 420-

36

innecommen van dese capelrie als vervallen sijnde jure devoluto jaerljjcx gheheel tot profijte van do ghemoene saeke verantwoort (1).

39. Pieter van Aerdebodegem es possesseur van eene capelrie, van dewelcke es possesseur (zegge collateur) Jonckheer Willem van Cats (2), van wegen den heere van Lijckercke, groot 23 gem. 17 R. lants met 2 gem 1 quartier thiende, ende wert het derde-paert van dese capelrie jaerljjcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende ontrent 7 g.

40. Jacob van Cats, wonende in den Haeghe, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Willem van Cats, groot 7 gem. 215 R. lants, met 21/2 gem. thiende, ende wert het derdepaert jaerljjcx verantwoort, bedraegende ontrent 3 ffi 5 g.

41. Idem es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Jonckheer Willem van Cats, groot 13 gem. 78 roen lants, ende wert het derdepaert jaerljjcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 3 ® 5 fi.

42. Willem Vogel heeft ghepossedeert een capelrie, van welcke den collateur es onbekent, groot 5 gem. 215 roen lants, uutbrengende jaerljjcx ontrent 4 ffi 3 j), dan wert als vervallen jure devoluto gheheel verantwoort tot profijte van de ghemeene saeke.

Bijeselinge (3).

43. Jan Roelants, wonende tot Cappelle, eertjjts geweest hebbende een canonnninc aldaar, es possesseur van een capelrie,

1

Dit moet zijn de vicarie van St. Catharina en St. Barbara, waarvan in de Ondh. en (/est., II, 132, in 1572 als bezitter wordt genoemd Jan Hendriksz, Monetier.

-ocr page 421-

37

staeude ter collatie van den heer van Lijckercke, groot 16 gem. 7 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 11 ® 10 , dVelcke alsoo hij es alimentatie genietende gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

Eversdijck.

44. Frans Willemsen, wonende ter Goes, es posaesseur ende collateur van een capelrie , groot 15 gem. 91 roen, waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 2 ffi 7

45. Mateus Willemsen, wonende ter Goes, es possesseur ende collateur van een capelrie, groot 14 gem. 177 Roen lants, ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende quot;t voors. derdepaert 2 ffi 5 $•

Hoedekinskercke (1).

46. Lenaert Hartsen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 21 gem. 89 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 20 ^ , dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van do ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

47. Samuel van der Steene, gaende ter schole ter Goes, es possesseur van eene capelrie, staeude ter collatie van Jonckheer

de parochie van der Capellen, van \'t jaer 1506, den quot;20 January. N°. 24.quot;

„Fundatie van eener oapelleryen in \'t klooster van Bieselinge, gedoteert met C. lib. en L. swarten tournoisen, anno 1301, in twee brieven: den anderen is geweest, van \'t klooster die penningen ontfangon te hebben, anno 1301. N0. 40.quot;

„Testament, waer mede heer Jan, heer van Maelstede, maekt voor sijn jaergetye, aeu hec klooster van Bieselinge, twee gemeten lands, in de parochie van Capelle, gelegen in Ver Maynen-Moer, anno 1301 en vidimus voor schepenen van dat selfde testament, anno 1337 , \'t saem gehecht. N0, 44.quot;

„Emptio celebrationis missae, of Besetting van eender Sondaegscher misse in het klooster van Jerusalem, van \'t jaer 1429, geannoteerd. N°. 47.quot;

„Gifte van een geniet lands en 40 roeden, tot een jaergetyde van Adriaen Gheerts, gelegen in Schore-polder, anno 1459 den 3 Mey. N0. 84.

Zie ook Oudh. en gest., II, 136, volgg.

(1) In de Oudh. en gest., II, 144, wordt vermeld eene vicarie aan St. Nicolaas altaar. Zie ook Zelandia illustrata, II. 126.

-ocr page 422-

38

Jan Pietersen Cats, groot 22 gem., uutbrengende jaerlijcx ontrent 3 ® g., waervan het derdepaert jaerlijcx ten profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

48. Anthonis Schoof heeft ghepossedeert eene capelrie, groot 18 gem. 139 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent, de juiste somme onbegrepen, 35 , dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

V i n n i n g h o.

49. Anthonis Cornells heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 14 gem. 105 R., uutbrengende jaeilijcx ontrent 10 f), maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

50. Marinus Machielsen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 6 gem. 287 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 5 $, maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekend.

51. Joachim Christiaensen heeft ghepossedeert een capelrie, competerende een thiende, gheldende jaerlijcx ontrent 9 ffi ofte 10 ffig., maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, alsoo den collateur es onbekent.

o2. Lenacrt Hartsen es collateur van een capelrie, groot 7 gem. 298 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 5 $, dan wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, alsoo den collateur es onbekent,

B a e r 1 a n d t.

53. Cornells Smallegange heeft ghepossedeert eene capelrie, staende ter collatie van den heere van Creques (1), groot 18 gem. 31 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 6 tï 10 g, dan wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

(1) Kan dit ook zijn: van Creeoke? Zie over dit geslacht Zelandia illustrata II, 22 volg.

-ocr page 423-

39

54. Ghijsbrecht Diericsen , joncmau wonende ter Gouwe, ea possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Dieric Aelbrechtsen van der Gouwe, groot 8 gem. 182 R. lants, waerva.n het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de gbemeene saeke verantwoort wert, bedraegeude \'t voors. derdepaert jaerlijcx ontrent 22 $.

55. Pieter va,n Nimmegen heeft ghepossedeert een capelrie , groot 10 gem., uutbrengende jaerlijcx ontrent 16 ^ 8 g., maer wert jaerlijcx als vervallen jure devokito gheheel tot profijte van de gbemeene saeke verantwoort, alsoo den collateur onbekent es.

56. Silvester van Campen (1) heeft ghepossedeert eene capelrie, (groot) 27 gem. 100 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 30 J], maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, alsoo de collateur es onbekent.

57. Mr. Cornells Bruijne heeft ghepossedeert eene capelrie, groot 18 gem. 204 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 5 ït\' g., d\'welcke als voren jaerlijcx gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

58. Willem Ingelsen heeft ghepossedeert eene capelrie, groot 8 gem. 190 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 25 J3, d\'welcke wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, alsoo den collateur es onbekent,

59. Heer Jan Streijn heeft ghepossedeert een capelrie , groot 19 gem. 42 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 10 g ofte som-tijts niet, welcke als voren wert verantwoort, alsoo den collateur es onbekent.

60. Ocker Hellinc heeft ghepossedeert een capelrie, waarvan den collateur es onbekent, groot 9 gem. 22 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 25 ^, maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

61. Jan van Beeringhe heeft ghepossedeert eeu capelrie, waervan don collateur es onbekent, groot 15 gein. 178 R. lants, uutbren-

(1) Over Silvester van Campen zie de la Ruë. 321 en F. Nagtglas, Levensberichten van Zeeuwen* Middelb. 1888, 104.

-ocr page 424-

40

gende jaerlijcx ontrent 3 ft\' 15 dwelcke om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort (1).

Oudelande.

62. Ocker Hellinc heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 14 gem. 178 R., van dewelcke jaerlijcx om de lastige (dijcaige?) weijnich ofte niet en wert gheprofijteert, comende evenwel als vervallen jure devoluto voor de ghemeene saeke.

Elle woutsdij ck (2).

63. Arent Wilts, gaende ter schole tot Middelburch, es pos-sesseur van eene capelrie, staen ter collatie van Jonckheer Frederic de Lutiano (3), welcke capelrie es toecomende een thiende, waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 4 ft ofte 5 ft g. \'t sjaers.

64. Noch es aldaer een capelrie, ghenaempt Sinte Laureis capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot S\'/j gem. lants, met noch een thiende, uutbrengende deze capelrie jaerlijcx, de juijste somme onbegrepen, ontrent 10 ft ofte 11 ft g., ende wert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort.

(1) quot;Waarschijnlijk: ig dit de vicarie van St. Jan, vermeld in de O\'edh. en gest, II, 128, waarvan wordt gezegd, dat, als zij was opengevallen door het huwelijk van Johan van Beringen, meester Leendert de Hacconi haar in het jaar 1571 door het recht van vervalling heeft verkregen, en toen zij openstond door den dood van Johan van Beringen, Peter de Horreo den 2 Januarij 1572 daartoe is benoemd. Zie ook Zelandia illustrata, II, 121.

(2) In de Oudh. en gest., II, 122, wordt vermeld eene vicarie van O. L. Vrouw. Zie ook Zelandia illustrata, II, 114.

(3) Jhr. Frederik de Lutiano was lieer van Ellewoutsdijk en Coudorpe. Hij was de zoon van Jhr. de Lutiano en Geertruidii van Wulven, eene dochter van Frederik van Wulven en Elisabeth van Renesse. De heerlijkheid was afkomstig uit he* geslacht van Renesse. Zie Zelandia illustrata, II, 113.

-ocr page 425-

41

Driewegen.

65. Jacob Wilts, gaende ter schole tot Middelhurch, as pos-sesseur van eene capelrie , staende ter collatie van Jonckheer Frederic de Lutiano, welcke capelrie es toecomende een thiende, geldende jaerlijcx ontrent 15 ffi ofte 16 ffi g., ende wert het derdepaert derselfder jaerlijcx tot profijte van de ghemeeue saeke verantwoort.

O vesant.

66. Ocker Hellinc heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 6 Vj gem. lant, waertoe jaerlijcx moet gegeven worden om de lastige dijcagie ontrent 20 £) , comende evenwel gheheel voor de ghemeene saeke.

67. Idem heeft ghepossedeert een capelrie, waervan als boven den collateur es onbekent, groot l\'/i gem., uutbrengende jaerlijcx ontrent 15 ende wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke.

Ni sse.

68. Heer Maximiliaan van Westcappelle heeft ghepossedeert een capelrie, groot 19 gem. 110 R., uutbrengende jaerlijcx, de juijste somme onbegrepen, ontrent 12 5 $, en wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijt van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

69. Mr. Silvester van Campen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 14 gem. 231 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 8 ffi g., dan wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

70. Emanuel Oliphant heeft ghepossedeert een capelrie, groot 13 gem. 182 R. lants, uutbrengende jaerlijcx ontrent 6 Si 15 g, maer wert om redenen als voren gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

-ocr page 426-

42

Sin otskercke.

71. Jacobus Gruterius (1), gaeude ter schole tot Middelborch, es possesseur van een capelrie, staende tor collatie van den Burghe-meester Cornelis Gillissen, groot 22 gem. 182 R., waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 4 ® 8

72. Idem es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van den Burghemeester Gillissen, groot 13 gem. 58 roen, ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 2 ft 7

\'s Heer Abtskercke.

Ocker Heilino heeft ghepossedeert een capelrie, groot 11 gem. 10 R. lants, untbrengende jaerlijcx ontrent 6 ffi g., dwelcke als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, weseude den collateur onbekent.

Baersdorp (2).

74. Jacob Jansen, wonende tot Zienjczee, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van die van de Weerde (3), groot 16 gem. 134 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende\'t voors. derde jaerlijcx ontrent 4 iè 2 j].

75. Arent Adolphsen, gaende ter schole ter Goes, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van die van de Weerde groot 15 gem., waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende het voors. derdepaert ontrent 4 if 10 $.

(1) Dit zal wel zijn Jacobus Gruterus, in 1604 hoogleeraar in de geschiedenis aan de illustre school te Middelburg. Zie de la RüË, 332, Bayle, II, 620.

(2) In de Oudh. en gest., II, 130, wordt vermeld eene vicarie van St. Margaretha.

(3) Over het geslacht van de Weerde zie Grijpskerke, 332, volg. Zelandia illustrata, I, 184, II, 34 volgg.

-ocr page 427-

43

Hein ken 8 ant,

76. Frangois Reuse, gaende ter schole ter Gouwe, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Joncheer Joos van Schcnge (1), groot 10 gem. 139 R., waarvan het derdepaert tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende jaerlijcx ontrem 3 ® 8

77. Quirijn Govaertssen heeft ghepossedeert een capelrie, groot 9 gem. 255 R., uutbrengende jaerlijcx ontrent 6 ffi g., en wert als vervallen jure devoluto gheheel tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, wesende den collateur onbekent.

78. Gillis Chijs, gaeude ter schole tot Amersfort, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Joncheer David van de Werve (2), waervan het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 5 ffi 15

\'s Heer Aerentskercke (3).

79. Pieter Jansen van den Brande, wonende tot Middelburch, es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van den rent-

(1) Over het geslacht van Schenge zie Grijpskerke, 317. Zelandia illustrata, 11, 85, 88 volg. en over Joost van Sohengo, I, 184, II, 89, 102.

(2) Over het geslacht van de Werve zie Grijpskerke, 345. Zelandia illustrata, I, 184, David Ruichrok van de quot;Werve. Over het geslacht Ruichrok van de quot;Werve, II, 84. Over het geslacht van de Werve, II, 358, 363, 366, 373.

(3) In de Omh. m gest., II, 148, worden vermeld vicariën op de altaren van de H. Maagd, van St. Nicolaas, van St. Maarten en van St. Barbara. De vicarie van St. Nicolaas wordt ook vernield by J. v. GrRiJPSKERKE, 286: „Jacob van Borsselens zoone, Adriaen heer van der Hooge zegelt ook Borsselen met de drie sterren in veele brieven, als van den 6en Maart 1465, ende zoo vervolgens, alle in rooden wassche; speciaal de gifte van zijne capellenje gefondeert op St. Nicolaes autaar in de parochie kerke van \'s Heeren Arents-kercke in den eijlande van Zuijdt-Bevelant, confereerende die op heer Cornells Cock, bij zijn brief van den lOen Maart 1491. Zijn zoon Joos, heer van der Hooge, zegelt meede in rooden wassche Borsselen als vooren, aan een brief van den 1 Meij 1428 etc. Zijn soon Adriaen. heer van der Hooge zijn brief van den 21 Julij 1531 , bij dewelke hij de bovengemelde capellerie

-ocr page 428-

44

meester van der Hooghe (1), groot 29 gem. 81 R., waervan het derdepaert jaerlijox tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 6 ® 10 jj.

80. Idem es noch possesseur van eene capelrie, staende ter collatie als vooren, groot 18 gem. 60 roen, waervan het derdepaert jaerlijcx voor de ghemeene saeke wert verantwoort, bedraegende ontrent 5 \'fii g.

81. Gillis Cliijs, gaende ter schole tot Amersfort, es possesseur van een capelrie, staende ter collatie van Joncheer David van de Werve, groot 11 gem. 176 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 3 ® 5 j).

82. Pieter de Vlaeminc heeft ghepossedeert een capelrie, waervan den collateur es onbekent, groot 19 gem. 52 roen, nutbreugende jaerlijcx, de juijste somme onbegrepen, ontrent 10 ffi g., d\'welcke

confereert aan Cornelia van Barsselen, zijn soon. Jan, heer van der Hooge, zegelt zoo van gelijken Borsselen met de drie sterren in rooden wassche, zijn briet van den 17en November 1569, bij dewelke hij de gemelte capellerie confereert, bij afstant van Francois van Beekerke, aan Melchior van Grenville. Pieter, Jans oudste zoon, heer van der Hooge, zegelt meede in rooden wassche Borsselen met de drie sterren, veele brieven van de jaaren 1572, 1573 en 1574; speciaal de collatie van de gemelte capellerie, met zijn jonger broeder Adriaen van Borsselen van der Hooghe, confereerende die op quot;Wolphaert van Borsselen, en dan op Jacob van Borsselen, op den jaare 1583 a0 1584, blijkende bij de rekeningen van de rentmeesters der geestelijke goederen in Znijdt-Bevelant, wiens twee zoenen jonker Philips van Borsselen, heer van der Hooge ende heer Joos Adriaanszoone, nu gecommitteert in de generaliteits rekenkamer, over de collatie van bovengemelde capellerie proces hadden voor de heeren gecommitteerde raden van Zeelant; edog zijn ten overstaan van vrienden veraccordeert om de capellerie te saamen en te gelijk te contereeren, gelijk zij dan vervolgeus die geconfereert hebben op Pieter van den Brande, Jacob van Hoorn etc. Het accoord is van den 30 Augustus 1629.quot; Zie ook EuMEElIfS, Zeeiucsche Oudheden, Hl, 217. Waarschijnlijk is de hier genoemde capellerie dezelfde als die ouder n0. 79 of 80.

(1) Over het geslacht van der Hooghe zie Grijpskerke, 284, volg. Zelandia illustrata, I, 713 volg. 11, 179. De hier bedoelde van der Hooghe zal wel zijn Pieter van der Hooghe, rentmeester-generaal van Zeeland Bewesten Schelde. Xel. ill., I, 166.

-ocr page 429-

45

als vervallen jure devoluto gheheel jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke wert verantwoort.

83. Arent Adolfsen es possesseur vaa eene capelrie, staende ter collatie van die van de Weerde, groot 12 gem. 200 roert, en wort het derdepaert jaerlijcx tot profijte van do ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 3 ffi g.

84. Jan Hectors, wonende tot Middelburch, es possesseur van een capelrie, staende ter collatie van die van de Weerde, groot 11 gem. 107 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 3 ft*.

W iskerke.

85. Adriaen huisen clerck op cantoor van mijn heeren de Staeten van Zeelant es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie van Joncheer David van de Werve, groot 17 gem. 244 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende \'t voors. derdepaert ontrent 5 ffi g.

\'sHeer Heindricx kinderen (1).

86. Cornells Mathijssen, joncman wonende tot der Goes, es possesseur van eene capelrie, waervan den collateur es Joncheer David van de Werve , groot 9 gem. 214 roen, ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de gemeene saeke verantwoort, bedraegende ontrent 2 ffi 10

87. Philips van de Werve es possesseur van eene capelrie, waervan den collateur es sijnen vaeder Joncheer David van de Werve, groot 71/j gem. 113 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke verantwoort, bedraegende 32 $.

88. Idem es possesseur van eene capelrie, staende ter collatie als voren, groot 16 gem. 258 R., ende wert het derdepaert ver-

1

In de Oudh. en gest., II, 152, worden vermeld vicariën van St. Laurens en van de H. Maagd Maria.

-ocr page 430-

46

antwoort als voren, bedraegende jaerlijcx, de jmjste somme onbegrepen, ontrent 3 ffi 10

Wo Ifaersdij ck.

89. Elias en David van Boshuijsen, beijde wonende tot Zijericzee, sijn possesseurs van eene capelrie, staende ter collatie van Jacob van Boshuisen (1), groot 30 gein. 178 R., ende wert het derdepaert jaerlijcx tot profijte van de ghemeene saeke ver-antwoort, bedraegende t voors. derdepaert jaerlijcx , de juijste somme onbegrepen, ontrent 4 li\' g.

In de Oudheden en gestichten worden nog vermeld te Mara of Mera eene vicarie aan St. Catharina\'s altaar en te Westkerke eene vicarie van St. Nicolaas of St. Adriaan, met welke de vicarie van de H. Maagd is vereenigd geweest (2). Dat deze dorpen in de lijst niet voorkomen is natuurlijk, daar het eerste door den watervloed van 1530, het tweede reeds veel vroeger was verdronken (3).

Ook te Reimerswaal zijn onderscheidene vicariën en jaargetijden geweest (4).

Den 25 September 1383 stichtte Bartholomeus Laurens, cureit van Westkerke, een vicarie op het altaar van Sint Jan Baptist, welke stichting 12 October 1384 werd geconfirmeerd door Ploris van Wevelinchove, bisschop van Utrecht. Den 13 September

(1) Het geslacht Boshuizen wordt vermeld bij Grijpskerke, 344. Zelandia illustrata, I, 184 vermeldt Jacob van Boshuizen , burgemeester van Zierikzee.

(2) II, 124 en 139.

(3) Zelandia illmtrata, U, 44, 147.

(4) In de Oudh. en gest., II, 102, worden vermeld vicariën op St. Sebastiaan altaar en het altaar van St. Jan Evangelist. J. P. van Visvliet, Historische beschrijving der voormalige, stad Reimerswaal, in het Archief, vroegere en latere mededeelingen in betrekking tot Zeeland, uitgegeven door het Zeeuw-sche genootschap der wetenschappen, Middelb. 1857, UI, 9, noemt vicariën op de altaren van St. Jan Evangelist, St. Jacob, St. Sebastiaan en \'tHeilige Kruis.

-ocr page 431-

47

1394 schouk dc stichter nog eenig land tot verbetering der inkomsten van de vicarie (1).

Jacob Stogge Willemszoon stichtte den 20 Julij 1443 een jaargetijde in de parochiekerk (2).

Den 30 Januarij 1482/83 stichtte Willem Coolgemees namens Catharina Knoppers een geestelijk officie op St. Jacobs altaar, welke stichting 13 Mei 1483 werd geconfirmeerd door David van Bourgondie, bisschop van Utrecht (3). Den 13 Mei 1490 gaf dezelfde bisschop dit officie aan Pieter Knoppers (4).

Bij testament van 4 September 1484 stichtte Cornelis Mco-laaszoon c. u. Nicolaas Danckards dochter een jaargetijde of mis op O. L. Vrouwe altaar (5).

Bij testament van 27 Maart 1485 86 stichtte Adriaan Pieter Voxen c. u. Willem Witte Conincx dochter eenige zielmissen (6).

Eene akte van 28 February 1497/98 bevat de incorporatie eener vicarie in de kerk ten behoeve van de officianten of habitaten (7).

Den 22 February 1563/64 deed Mr. J. Visser, pastoor te Bergen op Zoom, uitspraak in een geschil over een jaargetijde (8).

Nicolaas de Gastro, bisschop van Middelburg, confirmeerde den 5 December 1562 de incorporatie en unie van eene vicarie op het altaar van St. Jan Evangelist, en den 20 Julij 1569 de incorporatie en unie eener vicarie op het Heilige kruis altaar (9).

In eene Specificatie van den c/heestelijchen landen aencomende binnen der stadt Romerswalle wordt vermeld: „Tot Poortvliet ende Tholen ontrent XX gemeten lants aencomende een capelrye

(1) Inventaris, n0. 942, 953, 1013.

(2) Aid. n0. 1341.

(3) Aid. n0. 1862.

(4) Aid. n0. 1742, 1747.

(5) Aid. n0. 1766.

(6) Aid. n0. 1794.

(7) Aid. n0. 1981.

(8) Aid. n0. 3125.

(9) Aid. n°. 3227, 3372.

-ocr page 432-

48

op S. Catharinen outaer binneu der kercken van Romerswallequot; (1).

Reimcrswaal, vroeger eene niet onaanzienlijke stad, had herhaaldelijk te lijden van watervloeden en andere rampen. In 1555 was al het buitenland ondergeloopen en in 1557 kwam er wederom zulk een zware watervloed, dat de meeste huizen, zoutkeeten en poorten, ja zelfs het stadhuis en de godshuizen omverstortten. Een hevige brand vernielde in het volgende jaar weder een groot gedeelte der stad. Door de daarop gevolgde watervloeden in 1561 en 1563 werd de toestand geheel onherstelbaar. In 1574 was de stad geheel ontmanteld; vele inwoners verlieten de plaats uit vrees voor nieuwe overstroomingen. Om in den hoogen nood te voorzien gaf prins Willem den 18 Mei 1578 een octrooi, waarin o. a. werd toegestaan dat de supplianten zouden mogen verkoopen of ten minste belasten al zulke lauden, chijnsen en renten als den H. Geest, capittel, pastorie en andere geestelijke goederen waren aankomende, of andere die eenige personen van der stede voorz. in leven zijnde, waren bezittende of genietende. Misschien waren hieronder ook vicarie-goederen begrepen. Uit een request van 1606 blijkt, dat hieraan gevolg was gegeven (2). Eindelijk in 1631 werd de stad geheel door de inwoners verlaten, en werden in 1634 op last van hun edelmogenden de straatsteenen bij publieke veiling verkocht (3). Met den ondergang der stad waren natuurlijk ook de daar bestaande stichtingen, voor zoo verre de daartoe behoorende goederen niet reeds vroeger waren verkocht, te niet gegaan.

Borselen.

Borselen was van ouds een eiland op zich zelf en van Zuid-Beveland door een arm van de zee gescheiden. Behalve het dorp Borselen waren hier nog verscheidene andere dorpen, welke bijna alle parochiekerken hadden. In die kerken waren

(1) Eemeeins, Zeeuwsche Oudheden, IV, 172.

(2) Eemeeins, Zeeuwsche Oudheden, IV, 116 volgg., 159 volg.

(3) Oudh. en gesf., II, 104 volg. Tegetuv. staat, II, 271 volg. Verg. ook v. Visvliet, t. a. pl. 21 volg. Zelandia illustrata , 11, 8.

-ocr page 433-

49

kapellariën, vicariën en verscheideue andere kerkelijke officiën , gesticht door de heeren van Borselen cn ter hunner begeving staande. Zes dier dorpen, St. Katherinakerke, Monster, Oost-kerke, Westkerke, Woltersdorp en Tewijk zijn met hunne parochiekerken verdronken. Tegenwoordig maakt Borselen een gedeelte uit van Znid-Bevelaiid, hetwelk wederom bedijkt is (1).

Staats-Vlaahdeken.

In Staats-Vlaanderen worden wel vele kapellen, kleine bedehuizen, welke later parochiekerken werden, vermeld in Zelandia illustrata, maar eigenlijk gezegde kapelleriën of vicariën, bestemd voor het lezen van zielmissen, komen daar niet voor. Misschien kan men daaronder rekenen de kapel te Biervliet, waarvan het volgende wordt gezegd; „In eene acte van September 1308, door Risseeuw gevonden, schenkt Elisabeth Boekels, moeder van Willem (2) en van diens zuster Adelise, eene rente van 10 ê, vl. voor de door haar gestichte kapel. In 1312 wordt door Willem en zijne genoemde zuster zekere Jolian van Kerkhoven aangesteld als kapellaan der kapel door wijlen hunne moeder gevestigd, terwijl in hetzelfde jaar Willem Beuckels, nu kennelijk lid der stadsregeering en jonkvr. Adelise, zijne zuster, afstand doen van het recht van collatie. In het provinciaal archief vond J. P. van Visvliet eene acte van 6 Sporkle (Febr.) 1433, waarbij Pieter Bueckel Willemsz. aan de Mariekerk schenkt een zilver vergulde kelk om misse te doen, onder voorwaarde van het houden van het jaargetijde voor zijn vaderquot; (3). De kapel te Zande, waaromtrent wordt medegedeeld, dat graaf Boudewijn van Vlaanderen zekere goederen aan de abdij van Duinen schonk, onder voorwaarde, dat er een kapel zou worden gebouwd, waar dagelijks een mis werd gelezen tot zaligheid van den graaf en de zijnen (4). Ook vond ik vermeld een altaar van

(1) Oudh. en gest., II, 1 volgg. Zelandia illustrata, II, 109.

(2) Hij was de bekende uitvinder van het haringkaken.

(3) Zelandia illustrata, II, 590.

(4) Aid., n, 712.

-ocr page 434-

50

de rederijkerskamer te Hulst, als gilde der H. Transfiguratie (1).

Voorts wordt er in Zelandia illustrata melding gemaakt van studiebeurzen. Eene studiebeurs aau de hoogeschool te Leuven voor studenten in de godgeleerdheid, uit Axel afkomstig, gesticht in het begin der zestiende eeuw door Michael Brant, geboren te Axel en overleden als priester en kanunnik te Bergen-op-Zoom (2). Een studiebeurs, gesticht door Petrus Hondius, waaromtrent het volgende wordt medegedeeld: „Bij testament schonk hij een aanmerkelijk legaat aan de classis van Walcheren, om daaruit drie studenten in de godgeleerdheid te doen studeeren {Not. cl. 6 September 1621). Er ontstonden met de familie moeielijkheden over die beschikking, welke door eene overeenkomst werden uit den weg geruimd, doch waardoor de erfmaking zeer verminderde. In de achttiende eeuw bestond die uit de inkomsten van een klein stukje land en een dijkje als het Classisland bekendquot; (3). Twee studiebeurzen, gesticht door Cor nelis Janssenius (1510 — 1576), leeraar te Leuven, afgevaardigd naar het concilie van Trcnte, en daarna eerste bisschop van Gent, aan het seminarie aldaar voor zijne bloedverwanten of bij ontstentenis voor twee inboorlingen van Hulst (4). Deze studiebeurze q behooren evenwel niet rechtstreeks tot ons onderwerp. Ik vermeld die alleen daarom, omdat de kapellerie- of vicarie-goederen na de invoering der kerkhervorming ook ten deele ad studia werden bestemd

Nadat op 6 April 1572 de stad Vlissingen het Spaanschejuk had afgeschud, in Mei daaraanvolgende de stad Vere di; voorbeeld had gevolgd , en eindelijk op 19 February 1574 de stad Middelburg, na een tweejarig beleg te hebben doorstaan, zich aan prins Willem I van Oranje had overgegeven, en ten gevolge van deze gebeurtenissen geheel Walcheren onder\'s prinsen gebied was gekomen , was deze onmiddellijk op een nieuwe regeling

(1) Zelandia illustrata, II, 700.

(2) Aid., n, 623.

(3) Aid., II, 640. Over Hondius zie aid., 639 volg.

(4) Aid., II, 693 volg.

-ocr page 435-

51

van verschillende zaken bedacht. Reeds dadelijk bij de capitulatie betrekkelijk Middelburg met den Spaanschen bevelhebber Mon-dragon , stelde hij eene verdeeling vau Walcheren in drie districten, Middelburg, Vlissingen en Vere, vast (1), en op 2 Maart daaraanvolgende de instructie voor een provinciaal bestuur, onder den titel van gouverneurs en raden, in welk stuk melding wordt gemaakt van drie gouverneurs, te Middelburg, Vlissingen en Vere, voorts van drie leden t. w. Authonis van der Zickele, Jacob Campe en Cornelis Werckendet Lievenszoon, gedeputeerden van Vlissingen, Vere en Zierikzee, en waarin tevens werd bepaald dat later door den prins nog een zevende lid aan het collegie zou worden toegevoegd (2). De prins bevorderde verder het tot stand komen van een verbond of unie tusschen Holland en Zeeland tot wederstand van den algemeenen vijand des vaderlands, gesloten te Dordt 4 Junij 1575 (3), en deed vervolgens een verzoek aan de staten dier twee provinciën tot het bekomen van een subsidie van ƒ120.000, ten dienste van den lande, wat hem door eerstgenoemde staten werd toegestaan bij akte gegeven te Rotterdam 12 December 1575, onder anderen op voorwaarde dat alle landen, renten, cijnsen en huizen, toekomende aan geestelijke personen zouden worden verkocht (4). Onmiddellijk daarna zond de prins twee afgevaardigden naar Zeeland nl. Floris de Neuhem, drossaart van Hoorn, IJsselstein en Buren (5)

(1) Copie in het Register A van oude acten, fol 90.

(2) Aid., fol. 3 verso. Het stuk is afgedrukt bij J. van Vlotes, Middelburgs beleg en overgang, Middelb. 1874, 123 volgg. Zie ook Zelandia illustrata, I, 117. Over het geslacht van der Zickelen aid., 79; over Jacob Campe aid., 508, 582, 601, 604, 723, 773; over het geslacht Werckendet II, 332 volg.; over Cornelis Werckendet Lievensz. aid., 263, 332.

(3) 9e Copulaatboek ter rekenkamer van Zeeland, fol. 428. Inventaris-Middelburg, n0. 2671.

(4) Copie op fol. 1 verso der Rekening van Piet er van den Baerse, wegens den verkoop van geestelijke goederen te Middelburg in 1576, vastgesteld den 1 November 1578, berustende in het gemeente archief dier stad. Zie ƒ« i)e» toWs-Middelburg, n0. 2681. Zelandia illustruta, I, 318.

(5) Zie J. W. Te Water, Historie van het verbond en de smeekschriften der Nederlandsche edelen, ter verkrijginge van vrijheid in den godsdienst en burgerstaat, Middelb. 1795, III, 173.

-ocr page 436-

52

en Olivier van den Tempel, kolonel, gouverneur van Brussel (1) met de navolgende stukken:

a. Instructie van hetgeen zij hadden voor te dragen aan de gouverneurs van Walcheren Louis de Boisot en Alexander van Hautain (2).

h. Bovengenoemde akte der staten van Holland van 12 December 1575.

c. Instructie voor de gecommitteerden in Holland voor den verkoop der geestelijke goederen, vastgesteld door den prins op 14 December 1575 (3).

Reeds op 5 Januarij 1576 namen gouverneurs en raden van Zeeland eene resolutie, waarbij zij verklaarden toe te treden tot het accoord of consent der staten van Holland, volgens de conditiën hun door de heeren van Neuhem en Temple voorgedragen, en werd tevens de door den prins vastgestelde instructie (lit. c hierboven) tot onderzoek gesteld in handen van de leden Salvador de la Paltna, Eustachius Adriaans en Wouter Blok (4), welke commissie op den 3 February 1576 haar rapport en advies uitbracht (5), in overeenstemming waarmede in \'s lands raad werd besloten, dat eerstdaags die van den rade, mitsgaders de drie steden. Middelburg, Vlissingen eu Vere, elk een persoon zouden committeren, om binnen acht dagen door de gecommitteerden met de verkooping te doen beginnen (6).

(1) Zie Zelandia illustmta, 1, 318.

(2) Extrait de certaine instruction , donnêe de la part de monseigneur le prince d\'Orange pour les sieurs Floris de Nouhem et Olivier de Temple, sur ce qu\'ils auront a declarer aux sieurs lioisot et Alexandre de Hautain gourer-naurs de quot;Walcheren, zonder dagteekening. Copie op fol. 1 dcrzelf\'de Rekening.

(3) Instructie voor de commissarissen van zijne excellentie en de stagen van Holland, op de executie van de middelen dienende tot fournissement van haar aanpart in de 120,000 pond van 40 gr. geconsenteerd tot ontzetting dezer landen. Copie op fol. 2 verso derzelfde Rekening.

(4) Register der notulen van de staten van Zeeland van 20 Maart 1574— 10 Mei 1576, fol. 75 verso. Inventaris-Middelburg, n0. 2688.

(5) Copie op fol. 2—4 van meergenoemde Rekening.

(6) Copie op fol. 2—4 verso der Rekening als voren. Zelandia illustrata, I, 318. Ten aanzien der kloostergoederen werd 23 Mei 1577 door de staten van

-ocr page 437-

53

Walcheren.

Op 15 February 1576 werden door gouverneurs, staten en raden van Walcheren (die zich toen aldus, en niet meer van Zeeland kwalificeerden, omdat Zierikzee destijds door de Spanjaarden belegerd, door deze op 2 Julij 1576 werd ingenomen en bijgevolg die stad zich niet meer in de vergadering kon doen vertegenwoordigen, terwiil ook de overige deelen van Zeeland

O O / K/ amp;

toen nog aan de Spaansche zijde waren) tot verkoop der geestelijke goederen in Walcheren gecommitteerd; Antheunis van Bergen, raad in hun collegie, iPieter Jobse deu Herder, Jan Janse Cooraan (1) en Jan Smit, schepenen van Middelburg, Vlissingen en Vere (2). Nadat de benoeming dezer commissie op 10 Maart 1576 door den prins van Oranje was goedgekeurd (3), werden door gouverneurs en raden op 21 en 31 Maart daaraanvolgende de voorwaarden tot verkoop der geestelijke goederen vastgesteld (4) en kon daarmede dus een begin worden gemaakt. Roeds spoedig daarna en nog in het voorjaar van 1576 had in ieder der drie steden een eerste verkooping plaats.

Den 7 February 1578 werd, ten gevolge van de bepalingen in de pacificatie van Gent van 8 November 1876 omtrent de bestemming van sommige aan geestelijken toebehoorende goederen, eene resolutie genomen, waarbij werd overwogen, of, vermits de staten naar luid dier pacificatie alleen verplicht waren aan geestelijke persouen alimentatie te geven, men het land van

Holland en Zeeland besloten, dat ,alle conventen en kloosters binnen de steden, mitsgaders d\'edificiëu, gront, plaatzen, erven end eygendommen van dyen zullen blijven tot beliouf gebruyck ende proffyte van eloke stede.quot;

(1) Waarschijnlijk dezelfde die voorkomt in Zelandici illusti\'ütd, I, 258.

(2) Copie op fol. 5 der Rekening als voren. De schepen van Middelburg Pieter Jobse den Herder kort na zijne benoeming overleden zijnde, trad in zijne plaats op Pieter van den Baerse, secretaris van Middelburg. Inventaris-Middelburg, nquot;. 2689. Hij wordt vermeld in Zelandla illustrata, ï, 318, 754

(3) Copie op fol. 1 van het Register van verkooping van kloosters, huizen, erven en boomgactrdeii, verkocht binnen i\'ere A0. 152(gt;, bernstende in het provinciaal archief.

(4) Copie op fol. 8 en 15 van bovengenoemd Register.

-ocr page 438-

54

Zeeland niet zou mogen secoureren bjj verkoopiug van geeste-goederen en landen, prineipalijk die bij de gemeene saeke waren aangeslagen of vacant geworden, waarop besloten werd die zaak aan de steden van Walcheren over te laten (1). Deze resolutie schijnt ten doel gehad te hebben, om , in geval wederom tot verkooping werd overgegaan, te zorgen dat daarin de aangeslagen (niet gereclameerde) en vacant geworden goederen mede werden begrepen.

Hierop had in 1579 een tweede verkooping plaats, meer bepaald van die goederen, welke in 1576 onverkocht waren gebleven, en waarin waarschijnlijk ook de in de resolutie van 1578 bedoelde goederen zullen zijn begrepen geweest (2).

Van de eerste verkooping in 1576 zijn nog de volgende bescheiden aanwezig:

a. van die te Middelburg eene rekening van Pieter van den Baerse (3);

h. van die te Vere een register betrekkelijk de verkooping aldaar (4), — en van de tweede verkooping in 1579:

c. van die te Middelburg, wegens goederen in de vijf ambachten (Noordwatering) eene rekening van Pieter van den Baerse (5);

(1) Register, resolutie,t der staten 2 September 1577—4 Augustus 1578, lol. 110. Die aanslag schijnt reeds in 1573 te hebben plaats gehad, terwijl tot het beheer ten nutte van den lande rentmeesters in de onderscheidene steden waren aangesteld, die weder mindere bedienden onder zich hadden, waaronder een deurwaarder om de wederstrevigen of nalatigen tot aangifte te dwingen. Verg. Ermerins , Zeeuwsche Oudheden, V, 157 en Bijlag3 4 Y 394 volgg.

(2) W. Te Water , Kort verhaal der reformatie in Zeeland, Middelb. 1766, 332 spreekt van eene verkooping in 1578, maar dit is eene vergissing! In de notulen van Zeeland van 14 April 1578, aldaar aangehaald in noot 4, wordt gesproken over de confiscatie van de abdijgoederen en van de particuliere goederen van Johan van Strijen, vicaris van den Middelburgschen bisschop Nicolaas de Castro, gehouden voor adherent van Don Johan, en van zijns gelijke, absent wezende en de vijanden favoriserende.

(3) Origineel, in het gemeente archief van Middelburg. Inventaris, n0. 2690.

(4) Zie boven bl. 53, noot 3,

(5) Origineel, in het gemeente archief van Middelburg. Inventaris, n0. 2837. Zie ook nog n0. 2840.

-ocr page 439-

55

d. van die te Vlissingen, wegens landeu in de Zuid- en Westwateringen eene rekening van Jan Janse Cooman (1);

e. van die te Vere, wegens landen in de Oostwatering eene

rekening van Jan Smit (2);

welke drie laatste rekeningen voornamelijk bevatten de per-ceelen , welke bij de eerste verkooping onverkocht waren gebleven.

De rekening van de eerste verkooping in 1576 te Vere gehouden is niet meer in het archief dier gemeente, noch elders voorhanden, en evenmin die van de in hetzelfde jaar gehouden verkooping te Vlissingen , welke laatste, zoo die vroeger in het archief aldaar mocht hebbeu berust, bij gelegenheid van het bombardement dier stad in 1S09 met het raadhuis en de overige daarin bewaarde archiefstukken waarschijnlijk zal zijn vernietigd (3).

Uit de rekeninq sub u uu blijkt wel dat in ISTb een aantal perceelen land onder het rechtsgebied van Middelburg zijn verkocht geworden, doch bij de omschrijving daarvan is gecnerlei aanwijzing gedaan, of daaronder al dan niet vicurielnnd is begrepen geweest. Intusschen zijn in het register sub h een aantal perceelen als vicaris- of kap peller ieland vermeld, eu dit wettigt de veronderstelling, dat, gelijk onder het rechtsgebied van Vere, evenzeer onder dat van Middelburg en onder dat van Vlissingen in 1576 in den verkoop vicarielanden zullen zijn begrepen geweest, welke veronderstelling wordt bevestigd door het feit dat in eene op het provinciaal archief aanwezige rekening van den thesaurier-generaal van Zeeland, Adriaan Manmaker (4), loopende van 1 Mei 1576—31 December 1578 als ontvangst

(1) Origineel, als boven. Inventaris, n0. 2839.

(2) Origineel, als boven. Inventaris, u0. 2838.

(3) Den 14 Augustus 1809 werd het raadhuis in brand geschoten; door dien brand werden ook de archieven vernietigd, met uitzondering van een gedeelte, dat kort te voren door den maire Lammers naar Eecloo was gezonden. Zelandia ïllustrata , I , 534.

^4) Zie over hera Zelandia illuslrata, I. 120. 183, 185. 190. II, 94.

-ocr page 440-

56

vaii de drie gecommitteerdeii tot verkoop van geestelijke goederen in Walcheren het volgende is verantwoord:

We geus Middelburg van Pieter van den

Baerse.............^ 12675- 4-3-19

Wegens Vlissingen vau Jan Janssen

Cooman.............. 2465- 3-5- „

Wegens Vere van Jan Smit.....„ 4647-12-5-19

zamen . . . oC 19758- „ -3-14 voorts nog door eene mede op het provinciaal archief gevondene verklaring van de Zeouwsche rekenkamer van 1610, dat namelijk al de geestelijke landen, hooinjaarden, klooster* en huizen op Walcheren ten behoeve vau de gemeene zake zijn vervreemd geworden (1), en eindelijk door de omstandigheid, dat juist om deze reden in de rekeningen van den rentmeester der geestelijke goederen over Walcheren van vicariegoed volstrekt geen sprake meer is.

In de notulen der staten van 1591 en 1593 vindt men gewag gemaakt van een geschil tusschen Middelburg eenerzijds, en Vlissingen en Vere anderzijds over geestelijke goederen, welke de magistraat van eerstgenoemde stad had aangeslagen en in beheer had, welk geschil door den prins bij arbitrage van 9 September 1593 in dier voege werd beslist, dat die goederen aan de provincie moesten worden overgegeven (2).

Dit geschil betrof voornamelijk de tienden in Walcheren,

(1) Die verklaring luidt als volgt: „Belangende den ontfanok van Walcheren is te noteren dat alle de geestelicke landen, boomgaarden, kloosters ende huizen aldaer corts na de pacificatie van Gent tot betaling van de schulden van de gemeyne saecke verkocht zijn, sulcx dat aldaer van de geestelycke goederen nyet overgebleven is, dan de thienden , dewelcke met eenige overgeschoten renten en chynsen \'t zamen vuytgebragt hebben t. w.

A0. 1007 £ 3534 — 13 jj 4 gr.

„ 1608 „ 5509 — 3 — „ —

„ 1609 „ 3613 — 10 — 10 — „

(2) Zie \'Notulen 1591, 23 Maart, fol.47, 16April, fol.68, 19 Jumj, fol. 110; 1593, 22 Julij, fol. 133, 24—28 Augustus, lol. 151 volgg., 31 Augustus fol. 156, 1—4 September, lol. 156 volgg., 8 en 9 September, fjl. 164 volgg., akte van arbitrage, fol. 209 volgg. Zie ook Zelandia illustrata, I, 318.

-ocr page 441-

57

welke bij de drie genoemde studeii uog iu beheer waren gebleven en de gebouwen der abdij, welke door Middelburg aangeslagen en tot dien tijd toe waren beheerd. Middelburg beriep zich daarbij op de akte van 23 Mei 157 7 (I).

De akte vau arbitrage houdt in hoofdzaak het volgende in. l)e steden moesten afstand doen van de geestelijke tienden en van alle andere geestelijke goederen bij haar aanvaard, — uitgezonderd die , waarover bij deze anders werd gedisponeerd ol gedisponeerd was, — eu die laten aan gecommitteerde raden, om door den rentmeester der gemeene zaak te worden beheerd. Zij moesten rekening doen van hun beheer aan den raad en do achterstallen en jaarlijksche verloopen, door haar genoten, aan den rentmeester betalen. De geestelijke huizen, woningen en erven binnen Middelburg, met name opgenoemd, behoorende tot de abdij, nog twee woningen van een der raadsheeren en van den pensionaris, de huizen van do munt , de woning van den muntmeester, en de huizen door de predikanten bewoond, zouden komen onder beschikking van den raad van wege de staten. Die van Middelburg zouden een persoon aanstellen, om ter ordonnantie van den raad voor de reparation te zorgen. De andere geestelijke huizen en erven, hier niet genoemd, binnen Middelburg met de paijen, renten en chijnsen daarvan zouden komen aan Middelburg, onder bepaling dat die stad daarvoor zou dragen de kosten vau reparatie van de kerken en godshuizen en van de woning, waarin do priuses placht te logeeren, waarvoor haar bovendien nog werd toegelegd uit het inkomen der geestelijke goederen binnen Walcheren 200 iJ vl. \'sjaars, zestien jaar lang, van 1 October 1594 af. Voor de reparatiën der kerken te Vllssingen en Vere zouden die steden genieten en behouden alle geestelijke huizen , uitgezonderd de woningen der predikanten, en elk 100 £ vl. \'sjaars, gedurende zestien jaar, van 1 October 1594 af. Vooraf moesten evenwel uit de inkomsten der geestelijke goederen jaarlijks worden betaald de

(1) Zie boven, 52 noot 6. Notulen, 16 April 1591, fol. 68.

-ocr page 442-

58

kerkedienaars, aliinontaiiten, schoolmeesters ea dergeljjken, van ouds ten laste van dit inkomen staande (1).

Op die tienden had ook betrekking wat in de notulen van 1 Februari] 1594, fol. 33, voorkomt: „Syn die van Vlissingen ende Vere versocht ende vermaent hunne rekenynge te willen doen , van tmnne administratie van de geestelicke goederen , uyt crachte van den aceorde by zynder excellentie gemaeckt; die van Yere hebben geloufft naer communicatie met den raede huu te willen voegen in alle billicheyt ende redelicheydt; die van Vlissingen nemen raport.quot; Blijkbaar is hier met het accord bedoeld de arbitrage van 9 September 1593. Het beheer van deze tienden is nog in hetzelfde jaar 1594 bij den rentmeester der geestelijke goederen van Walcheren overgebracht, die ze het eerst in zijne rekening van 1593 94 in ontvang heeft verantwoord.

Uit de iiikomsten der in 1576 en 1579 verkochte geesteljjke goederen werden door den rentmeester de traktementen dei-predikanten betaald (2).

In 1596 besloten de staten tot het oprichteu van zes en dertig beurzen voor studenten in de godgeleerdheid, de helft ten bedrage van f 150 en de andere helft ten bedrage van f 100, waarvan vier eu twintig zouden worden begeven door de drie steden in Walcheren, zes door Zierikzee, vier dooi\' Groes eu twee door Tholen (3). Dat deze beurzen werden bekostigd uit de inkomsten der geestelijke goederen, blijkt uit hetgeen voorkomt in de Notulen van 1 Maart 1645 , fol. 106 , toen besloten werd ter gemoetkoming in het tekort van het comptoir der geestelijke goederen, onder andere bezuinigingen , tot de afschaffing van het onderhoud der alumni of bursiten. Het schijnt evenwel dat hieraan geen gevolg is gegeven; althans,

(1) Het stuk is gedeeltelijk, voor zoo verre betreft de opgave der huizeu behoorende tot de abdij, afgedrukt in Zelandia illustrata, I, 239.

(2) Zie Notulen van 6 October 1603, fol. 219, 17 Februari) 1640, fol. 39, 24 November 1648, fol. 359.

(8) Zie Notulen van IT January, fol. 25 en van 26 eod., fol. 38.

-ocr page 443-

59

volgens mededeeling van don heer archivaris, is men tot 1795 blijven voortgaan met de toekenning \\T;in beurzen eu geschiedde de betaling aanvankelijk door den ontvanger-generaal en latei-door de rentmeesters in do verschillende eilanden. Slechts enkele malen werden de staten geroepen om over Je zaak te beraadslagen ; in den regel werd die behandeld door gecommitteerde raden.

Schouwen en Duiveland ,

{met sommelsdijk , vroeger onder Zeeland, tham tot Zuid-Holland behoor end).

In dit kwartier is men latei dan in Walcheren met de vervreemding der geestelijke goederen aangevangen, en eerst nadat het door de Spanjaarden verlaten en weder omler het bestuur van den prins van Oranje was teruggekeerd.

Op 4 September 1578 was tot rentmeestei in dit kwartier aangesteld Rochus Adriaan Hoffer(l), doch eerst op 13 Januarij 1580 namen de staten van Zeeland een besluit, waarbij die van den rade benevens die van Zierikzee tot den verkoop der geestelijke goederen in Schouwen werden gemachtigd.

De volgende rekeningen van verkochte geestelijke landen zijn in het provinciaal archief aanwezig :

a. Over Schouwen van A. Dauielse ,

over 1581 en 1584, waarin voor ontvangen

koopsommen .... .....of 11049-15-11- 6

h. Oosterland (in Duiveland) van idem over 1586 ............ 2619- 4-11- „

c. Schouwen en Duiveland, Cornelis Bartels (2) 1591.......... 2556-11- 7- 4

zamen ... of 16225-12- 5-10 onder welke som begrepen is geweest de opbrengst van 134 perceelen vicarieland, terwijl verder bij raadpleging der gewone

(1) Zie over hem Zelandia illustnitn , ! , Otidh. en yest., II, 52.

(2) Waarschijnlijk dezelfde die vermeld wordt in Zelandia illustrata, II, 248, 388.

-ocr page 444-

60

rekeningen van den rentmeester der geestelijke goederen tot 1806 gebleken is, dat na 1591 geen vicariélanden meer zijn verkocht geworden en de opbrengst daarvan steeds voor mvinorie is verantwoord, zoodat ook thans in Schouwen en Duiveland geen vicaiiën meer bestaan. Uit hetgeen in 1615 op de statenvergadering is verhandeld, wat later zal worden medegedeeld, schijnt men evenwel te mogen opmaken, dat in de jaren 1584, 1586 en 1591 niet alle geestelijke goederen zijn verkocht geworden. In 164(5 en 1647 komt nog kapellerieland te Sommels-dijk voor (1).

Tholen ,

(quot;iet Nieuw-Vossemeek, vroeyer onder Zeeland, thans tot Noord-Brabant hehoorende).

Nadat de stad Tholen geruimen tijd onder iSpaansch gezag was geweest, en zich bij satisfactie van 17 April 1577 onderden prins van Oranje had gesteld (2), werd door de staten van Zeeland bij resolutie van 23 Augustus 1578 tot rentmeester van de geestelijke goederen aldaar aangesteld Joos Marinas Zuydland, die dit ambt tot 1584 bekleedde. Hadden in Walcheren en Schouwen reeds op liet laatst der 16(le eeuw expresse openbare verkoopingen van geestelijke goederen plaats, zoo schijnt dit in het eiland Tholen het s;eval niet te zijn geweest, en tot verkoop dier goederen eerst later, en wel in 1662, besloten en daartoe alstoen aan den gewonen rentmeester der geestelijke goederen van Tholen last te zijn gegeven. Afzonderlijke rekeningen wegens verkoopingen zijn dan ook niet voorhanden, en alleen uit de gewone rekeningen van 1578—1807 zijn, meer bepaald omtrent de vicariën, eenige gegevens kunnen worden bijeenverzameld.

Vooreerst blijkt uit de eerste rekening van Joos Marinus Zuydland over de jaren 1578 en 1579, dat daarin onderscheidene

(1) Zie Notulen 24 Februari] 1646, fol. 38, 16 February 1647, tol. 49. (2j Copie in het \'ie Copulaatboeh ter rekenkamer, tol. 402.

-ocr page 445-

61

inkomsten van vicariogoederen in ontvang worden verantwoord, voorts uit de rekening van den rentmeester Marinas van der Vliet over 1662—1664, dat in die jaren uit krachte eener resolutie der staten van Zeeland van 19 Januarij 1662 eene ver kooping van geestelijke goederen (vicarielanden daaronder begrepen) heeft plaats gehad, waarbij de vicarielanden hebben opgebracht £ 7300—12—11, en eindelijk uit de laatste rekening van Jan Corn, van Stapele van 1807 (1), dat van 1665 af de inkomsten der vicariegoederen steeds voor memorie zijn verantwoord geworden, weshalve dan ook de vicariën in Tholen reeds lang feitelijk hebben opgehouden te bestaan.

St. Philipsland.

Dit eiland, omstreeks 1496 bedijkt, met één dorp, mede St. Philipsland genaamd, en ééne kerk aan St. Philippus gewijd, werd bij den vloed van 2 November 1532 geheel overstroomd en vernietigd. In 1645 bedijkt zijnde werd in 1668 aldaar eene nieuwe (hervormde) kerk gebouwd (2). Van vicariën, welke in de oorspronkelijke (roomsch-katholieke) kerk misschien zullen zijn gevestigd geweest, is niets bekend.

n oord-Beveland .

In dit eiland zijn bij gelegenheid der bekende overstroomingen van 5 November 1530 en 2 November 1532 alle daarop gelegene dorpen en daarmede alle tot vicariën behoord hebbende landerijen vergaan. Eerst in 1598 had eene herdijking plaats, namelijk van den polder Oud-Noord-Beveland, doch daarbij en ook bij latere bedijkingen is niet meer van toekenning van rechten aan voormalige bezitters van vicarielanden sprake geweest, weshalve dan ook de vicariën, welke voormaals hier zijn bekend geweest, hebben opgehouden te bestaan (3).

(1) Hij wordt vermeld in Zélandia illustmta, I, 121.

(2) Aid., H, 381, 384.

(3) Aid., II, 131.

-ocr page 446-

62

Zuid-Beveland.

Dit eiland is het eeuige, waar nog; enkele vicariegoederen zijn overgebleven. Ik zal daarom bij de behandeling hiervan tevens mededeelen, welke maatregelen er indertijd zijn genomen omtrent de bestemming en het beheer der vicariën in Zeeland.

Den 22 Maart 1577 ging de stad Goes over tot den prins van Oranje. Bij de satisfactie op dien dag gesloten eu onderteekend was in art. 1 het volgende bepaald : „lerst, aengesyen de stadt van der Groes eude eylant van Zuytbevelant, als in dit voorleden oorloge niet gedaen hebbende met \'t meerendeel van de andere steden ende eylanden van Zeelant, oock gebleuen syn by d\'exercitie van de catholycque roomsehe religie, sop w el als die van Brabant, Vlaeuderen ende andere provinciën, soo es myn heere de prince voorn, te vreden, dat in de voors. stadt ende eylande d\'exercitie van de selue religie gecontinueert werde, belonende by deesen t\'onderhouden alles wes desen aengaende by \'t vierde articulc van der pacificatie geaccordeert ende besloten is, ende dyen volgende niet toe te laten, dat ymande van wat lande, conditie ende qualiteit hy sy, binnen der voors. stede van Groes ende eylant van Zuyt-beneiant yet attemptere dat tegen de gemecne ruste ende vrede sonde moge syn, ende sonderlinge tegens de voors. catholycque roomsehe religie ende exercitie van dyen, noch oock dat yemant ter cause van dyen geïnjurieert, geirriteert, ofte deur gelycke acten geschandaliseert werde, behoudens dat soo wel die van Hollant ende Zeelant als andere, geoorlooft sy binnen der voors. stede van der Groes eude eylant van Zuytbeuelant in alle vryheyt eude versekerheyt te hanteren, gaen, keeren, wonen ende trafyequeren, coopmansgewyse ende andersiuts, sonder inder conscientien ondersocht, ofte ter cause van dyen gein-quieteert te worden, nemende syne exti®. ten fyne voors. in hare protectie ende sauuegarde alle kerekeu, godtshuy.sen ende geestelycke plaetsen der voors. stede ende eylande, met allen geestelycKe personen van de voors. religie, die daer jegeu-

-ocr page 447-

63

woordich synde ende noch sullen willen conien, met alle heuren goederen ende gevolchquot; (1). Niet lang daarna evenwel, 8 October 1578, hield de openbare oefening van den roonischen kerkdienst te Goes op (2). Bailjuw, burgemeesters en schepenen der stad wenddeu zich toen tot den prins bij een request, waarin zij te kennen gaven, dat zij „om meerdere inconvenientien te schouwen hadden getollereert dat hun exercitie van de roomsche religie binnen der voors. stede geperturbeert was, ende geheelyck cesseerde, mits protestatie dat sy sulcx nochtans hadden laeten geschieden sonder prejuditie vau de poincten e.ide articulen van de satisfactiequot;, en verzochten zij dat hun bescheid mocht worden gedaan „waerby sy hun naemaels zouden mogen behelpen, om niet onvruchtbaer te maecken de voors. satisfactie in haere andere poincten.quot; Aan dit verzoek werd voldaan bij akte van van praejuditie wegens de veranderingen van religie van 2ö October 1578, waarbij de satisfactie in de overige artikelen werd bevestigd (3).

Den 16 April 1579 namen de staten van Zeeland een besluit omtrent de bestemming der vicariën (4), dat, zooals Verheye van Citters opmerkt, als de lex fundamentalis betrekkelijk dit onderwerp te beschouwen is. Het is van den volgenden inhoud: „De staten van Zeeland willende daer inne voorsyen dat d\'in-compsten van alle beneficiën , vicarijen en Canonesijen de jure patronatus laical, binnen de voors. landen tot behouff van eenige kerckelijke diensten ofte missen hier voor tijden zijn gesteld en gefundeerd, voortaan tot onderhout van den predi-canten scholieren en anders ter eeren Gods mede bekeert en verstrekt mogen worden; hebbende eijntelicken verclaert en ge-

(1) Copie in het 3e Copulaatboek ter rekenkamer, fol. 397. Gedrukt achter de Historie van de satisfactie, waar mede de stad Goes en het eiland van Zuid-Beveland zich begeeven hebben onder het stadhouderschap van prins Willem van Oranje in het jaar 1577, Goes, 1777. 399 volgg.

(2) Historie van de satisfactie, 283 volgg.

(3) Afgedrukt achter de Historie van de satisfactie. 40.ï.

(4) Register van oude aden, litt. C. fol. 71.

-ocr page 448-

R4

geordonueert dat d\'incompsten vaa dezelve beneficiën, vicarijen en canonesijen, en de landon en goederen daartoe specterende, \'t sij off dezelve bij de patronen, possesseurs bij collatie, ofte de ge-meene zaeke zijn aangevaert, gebruijckt en bezeten worden, off dat eenige van deijn alsnog ziju verswegen egeene vuijt^esondert voor de twee derde deelen van dijen blijven sullen tot dispositie van den patronen ofte collateurs geeijgent en gedestineert tot behouff, onderhout en stichtinge van jongers ofte scholieren ofte anders ad pios usus, daer op behoorlic confirmatie van den staten voornt. ofte haere gedeputeerde versocht zal moeten worden, in de plaatse van voorgaande institutie, en \'t derde part van dijen tot behouff en onderhout van predicanten alomme verstreckt en beheert zal worden. Doende de staten oversulcx te nijete en derogerende alle collatiën bij hen ofte den ghedeputeerden nevens zijn exc. gedaan, gedurende de voorleden oorloge , van eenige beneficiën, vicarijen ofte canonesijen verleendt buiten consent van den collateurs ofte patronen en daarvan voor date van den oorloge egeene collatie en is vercregen. Wel verstaande dat alle possesseurs van dezelve beneficiën, vicaryen en canonesijen , die de collatie daarvan voor date van de voors. oorloire ontvangen en \'t gebruijck van dezen volcoraraelick gehadt hebben, in possessie daarvan blijven en haer leven lanck ge-duerende gehouden zullen worden, mits daer aff mede uijt-kerende en responderende een derde part tot onderhout van den predicanten al in handen van den ontvangers, die bij de staten voornt. daartoe zullen worden gesteld en geordonneerd, in wiens handen alle patronen , collateurs ofte possesseurs van dezelve beneficiën, vicarijen en canonesijen respective en oock alle bruijckers d\'incompsten van dijen en alle de landen eu goederen daartoe specterende binnen zes maanden nae de publicatie van dien sullen aanbrengen ofte doen opschrijven op peijne dat de patronen t recht van haer collatie en de possesseurs d\'incompsten van dijen voor de twee delen vornt. verliezen zullen en de andere bruijckers daer over gestraft zullen worden , en \'t selfde mede beheerden (behoorden?) geappliceerd ten prouffijte van scholieren

-ocr page 449-

65

en predicanten. Ordonnerende alle ontvangers en anderen die dezen aengaen maeckten (mochten ?) hierna te regulerenquot;. Verheye van Citters merkt hierbij op, dat door deze resolutie in den aard der kapelleriën geene verandering werd gemaakt, daar ook de gewijzigde bestemming, i voor de predikanten, § tot opleiding van jongelieden tot godgeleerde studie het karakter van pius usus bleef behouden, maar dat alleen het recht, van collatie eenigszins werd beperkt. De staten kozen hierbij, naar zijne meening, een billijken middenweg, door aan de nakomelingen of rechthebbenden der oorspronkelijke stichters de beschikking over f toe te kennen, en i aan hen, die de vigerende en alles tot zich trekkende richting waren toegedaan.

Den 12 April 1581 werd een overeenkomst gesloten tusscheu den gecommitteerden raad en do stad Goes benevens de am-bachtsheeren van Zuid-Beveland (1), waarbij omtrent de kapellerie-goederen het volgende werd bepaald;

Art. 4.

Nopende die capelrie ende canonisie goederen, is bewillicht, dat die ambochtsheeren hebbende jus patronatus gehouden zyn over te leveren onder den raet pertinenten inventaris van de goederen daertoe specterende, geverifieert by die van der (roes ende die weth. van der plaetssen, daer die goederen ghelegen zyn, ten eynde geen van zulcke goederen in toecommende tyden verduystert ofte op anderen naem gestelt ende vervrempt en zouden moghen wordden, welcken inventaris zal dienen tot verificatie van de rekeninge van den voors. ontfangher ende bewaert wordden bij den voorsz. raede ende die van der Groes voorn, als vooren. Ende zullen oock de voors. ambochtsheeren schuldich zyn als vooren te thoonen van hunnen tytei juris patronatus binnen Majo naastcommende van den loopenden jaere eenentachentich mits docerende ten minsten van de possessie van de collatie van dyen van twintich jaeren ofte daerover,

(1) Gedeeltelijk afgedrukt achter de dissertatie van ons medelid ilr. F. C. W. Koker, Onderzoek naar den aard en de geschiedenis der vicarie-goederen in Nederland. Utr. 1857, als Bijlage E.

5z

-ocr page 450-

66

ofte by anderen deuchdelicken tytel. Ende zoo langhe die collateurs van zulcke boiieticiën nyet gedoceert en zullen hebben Vein den tytel van hun reelit sal die voors. ontfanger in den vollen ontfanck blyven van dyen. Dan van den voorschr. titel ghedoeeert zynde, zal die voors. ontfanger affstant doen van de twee dorde deelen van dyen tot behouff van degliene, wyen de voors. beneficiën by den collateurs geconfereert zullen zyn, welcke oock den ontfanck daarvan zullen hebben, ende worden gehouden daaraff te impetreren als boven, confirmatie van den voors, raede op pene dat den geheelen ontfanck sal blyven by die voors. ontfangher. Eude \'t lesten derden deel sal die voors. ontfangher zeiven innen, daer \'t eerste zyn derden deel ver-schynen zal in den jaere XYc ende tachtentich te weten van dieghene die daeraff\' binnen Majo naestcommende van den titel gebleken sal syn. Ende die verpachtinge van sulcke goederen sal jaerliek gedaen worden bij de collateurs van dyen mette voors. ontfangher.quot;

Art. 5.

„\'T recht juris patronatus in desen competerende eenighe persooneu contrarie partie draghende sal staen ter dispositie van den raede voorn.1\'

Art. 6.

„Alle capelriën ende canonisiëngoederen zulex geconfereert zynde worden verstaen te vaceren oock bij huywelieke, die se beseten beeft oft als die tot eenich ampt, staat van raechanicq werek oft coop manschap gecomen sal syn, om als dan een andere daermede te moghen versien.quot;

Ik merk hierbij het volgeude op: het is eene bekende zaak, dat de ambachtsheeren in Zeeland het patronaatrecht hadden van kerken, pastoriën, kosteriën, scholasteriën (1), welk recht

1

lfi3. U, 47. 80, 95 volgg.. III. 0. VII, «5 volgg., 183, (Poinctm overge.legd

-ocr page 451-

67

in 1649 werd afgeschaft, eu waarvan later nog alleen is overgebleven het recht der ambachtsheeren tot het uitbrengen van twee stemmen bij het beroepen van predikanten (1), Verheye

door of van wegens de amhachtsheeren van Zuijdtbeveland uanheeren gecommitteerde raden van Zeeland, ten jare 1670, art. 73) 2ile st., 77. Ypeij, Gesch. v. h. patronaatr., 519 volgg. Verg. hierbij ook nog een request van de ambachtsheeren van Zuid-Beveland, naar aanleiding van moeiehjkheden, ontstaan bij eene beroeping te Capelle-Biezelinge, van 22 Oct. 1627, en liet besluit daarop genomen 23 Oct. d. a. v. Notulen, 1627, fol. 256 volg., 261. Voorbeelden van patronaatrecht van ambachtsheeren zie in Oudlt. en gest., II, 1, kerken, kapelleriën en kosteriën in Borselen; aid., 74, Tegenw. staat, II, 529, kerk te Bruinisse; Oudh. en gest., II, 77 volgg., Tegenw. staat, II, 401, Zei. illustr., II. 223. De kerk te Kenesse stond ter begeving van den graaf; maar ook do heeren van Renesse beschikten er somtijds over; Oudh. en gest., 11,89, Tegenw. staat, II, 380, Zei ill., II, 196, kerk te Koudekerke; Oudh. en gest., II, 150, kerk te\'s Heer Hendrikskinderenkerke; Oudh. en gest., II, 157, Tegenw. staat, II, 84, de kerk te Tholen stond vroeger ter begeving van den graaf, later van de ambachtsheeren; Oudh. en gest., 11, 192, Mr. L. Ph. C. van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, Amst. en \'sGravenh., 1866, II, n0. 347, de kerk te Schakerloo; Tegenw. staaf, II, 495, de cure en costerie te Ouderkerk, vermeld in de koopvoorwaarden van 1566; aid. II, 517, priester en koster te Nieuw-Dreischor of \'s Heer Jansland; aid. 573, de kerken in de ambachtsheerlijkheid Sommelsdijk; Zei. ill., I, 661, Karei van Bourgondie, heer van Falais, komt in 1534 voor als collator van de kerk te Bottinge; aid., U, 549, kerk te Schoondijke; aid., 628, kerk te Beoosten Blij bij Axel; aid., 718, kerk te Ossenisse ; aid., 731, kerk te Hulst; v. d. Berg-h, Oorkomlenb., H, nquot;. 371, kerk te Stavenisse; aid., n0. 570, kerk te Rillant; aid., n0. 575, kerk te Scherpenissedam; Ermeeins, VIII, 153, de scholasterie te Poortvliet.

(1) In de Notulen van 18 Augustus 1649, fol. 18, komt eene klacht voor van de vier dassen van Zeeland over vijf punten , waaronder dit: „dat men zoekt in te voeren het jus patronatus, waerdoor directelyck de orde der kercken wort omgeworpen; als oock het arrest de novo, by uwe ed. mog. aengaende de verkiesiugen der predikanten, genomen 1638, gelyck onlangs in 1648 is geschiedt binnen Cloetingenquot;; het verzoek der dassen werd toegestaan en goed gevonden ,, dat men in allen desen sal blyven by de kercke-ordeningh ende op den ouden voet , by de praetycke geconflnneert en tot nogh toe gehouden.quot; In de vergadering van 20 September d. a. v., fol. 197, verklaarde Goes, dat hunne principalen dit niet konden toestaan, als strijdende met art. 10 van het aocoord van 1581. Zierikzee wilde, dat men alles zou laten op den ouden voet, zonder dat het noodig was uit te drukken, dat liet verzoek der dassen in alle vijf punten ingewilligd was. Di: andere vijf leden hielden de notulen voor geresumeerd. Goes protes-

-ocr page 452-

68

vau Citters leidt dit vecht af uit sriften van den graaf, aan wieu

o o \'

oorspronkelijk het patronaatrecht zou hebben toebehoord, en hij beroept zich daarvoor op twee charters, een van 8 Julij 1310 (1), waarbij de deken en het kapittel van St. Pieter te Utrecht aan graaf Willem afstaan het patronaatrecht over de kerken, hetwelk hun in Zeeland ter oor zake van de tienden toekwam, en een van 20 Maart 1313 (2), waarbij hetzelfde kapittel aan den graaf afstaat het patronaatrecht van de kerken te Brigdarame, Gapinge,

teerde. Den 23 September, fol. 209, werd besloten , dat men de conclusie 18 Augustus genomen zou laten bljjven bij de generale stemmen, en dat uit de notulen zou worden gelicht wat dienaangaande op 20 September op de resumtie door Goes ingebracht en aldaar genotuleerd was. Den volgenden dag, 24 September, fol. 212, kwam men op dit besluit terug, en werd door alleheeren, uitgezonderd üoes, besloten om de notulen in hun geheel en onveranderd te laten, waarmede de resolutie van 23 September werd geannulleerd. Den 3 December, fol. 280, deden gedeputeerden der vier dassen schriftelijk een lang verhaal van \'t gene achtereenvolgens van tijd tot tijd zich toegedragen had in de beroeping van de predikanten in Zuid-Beveland, tot bewijs dat het patronaatrecht sedert de hervorming aldaar geen plaats had gehad, noch behoorde te hebben. In de vergadering van 6 December, fol. 235, verzocht de rentmeester van der Steene, namens den heer van Brederode, dat de staten geliefden bij der hand te nemen de lectuur en expeditie van de stukken, overgeleverd nopens het patronaatrecht den heer van Brederode en andere ambachtsheeren in Zuid-Beveland toekomende; ua zijn vertrek werd gelezen een missive credentiaal van den heer van Brederode, een vertoog van van der Steene, rakende het beroep onlangs te Wemeldinge gedaan, en eene lange deductie, betreffende het patronaatrecht. Eindelijk, den 9 December, fol. 239, werd besloten dat de conclusie van 18 Augustus wel en terecht was genomen en het patronaatrecht in Zeeland geen plaats meer zou hebben. Denzelfden dag werd hiervan kennis gegeven aan den heer van Brederode, fol. 270. Verg. ook Ermeriss, VII, 65 volg., Ypeij, 535.

(1) v. Mieris, Charterboek, II, lil.

(2) Aid., II. 306. De graaf had ook het patronaatrecht van de Noordmunster-of St. Pieterskerk te Middelburg, waarschijnlijk gesticht door graaf Willem III, Oudh. en yest., I, 95 volgg. Tegenw. staat, I, 146, 190, v. d. Bergh, Oorkondeiib., II, n». 508; van de kerk te Benesse, zie boven bl. 67 in de noot ; van de kerk te Tholen, aid., en van de kerk tc Welle, door ruiling met den abt te Middelburg, v.d. Bergh, II, n° 321. Ook had de graaf de begeving van de kosterij en school te Schellach, Tegenw. staat, II, 244, Ermerins, 1, 72; van de kosterij te Oostkappelle, Ermerixs, I, 114; van de kosterij te Vere. aid. V, 271 volg.. VI. 233.

-ocr page 453-

69

Zandijk, Schellach, Cleeuwaerskerke. Poppekinsburg en Batinge, allen in Walcheren. Intusschen levert dit laatste stuk alleen bewijs voor de Oostwatering in dit eiland , en niet ten aanzien der kerken in de Noord-, West- eu Zuidwateringen, noch ten opzichte van de kerken in de overige eilanden. Met meer grond zou men zich kunnen beroepen op een brief van 4 November 1410 (1), waarbij graaf Willem VI van Beijeren aan Philips van Dorp c. s. ter bedijking uitgeeft en verkoopt eenige schorren benoorden Tholen, en zulks met „ am bocht ende ambochtsgevolge, ende alle ambochts recht, nietten thienden, vogelrye, visscherye, wint, brant, excynse, veeren. giften van kereken ende allen anderen oirbairquot;, — uit het verband van welk stuk kan worden opgemaakt, dat tienden en gift van kerken door den graaf mede als ambachtsheerlijke gevolgen zijn beschouwd, en verondersteld mogen worden onder de formule van ambach t en ambachtsgevolg mede begrepen te zijn geweest (2).

De schorren, waaruit de Zeeuwsche eilanden zijn ontstaan, zijn reeds in zeer vroegen tijd door de ambachtsheeren bedijkt. Bij gift of verkoop van schorren ter bedijking door den graaf (3) werd meestal tot voorwaarde gesteld de betaling aan het grafelijk domein van een jaarlijksche erfpacht of cijns door de begiftigden, eu deze waren gewoon of de schorren voor eigen rekening te bedijken, óf die aan anderen ter bedijking uit te geven, somtijds met oplegging der verplichting om in den nieuwen polder eene kerk te stichten (4). Nadat do bedijking was geschied, had eene \\ei-kaveling der eigendommen plaats; do kerk en ook de begraafplaats gingen terug aan den ambachtsheer, maar de schoixen,

(1) v. Mieuis, IV, 150, ook afgedrukt bij Ekmerins, II, --quot;J voljjg.

(2) Zie ook een aflves van den heer van Kruiningen van 27 Apiil 1651, Notulen, fol. 71 volg., waarin uitdrukkelijk wordt gezegd, dat liet patronaat-recht tot het leen behoorde. Over de zaak van Kruiningen zie ook Tec/enw. staat, II, 276, Ermeiuns, VII, 2e st., 77 volgg.

(3) De voorbeelden van uitgifte van schorren ter bedijking zijn te talrijk om die hier te vermelden. Volgens Er.meui.ns, II, U volg. werd in den oudsten tijd geen verlof tor bedijking gevraagd van den graaf.

(4) Ken voorbeeld hiervan zie in \'AcJandic illnstratu, 11, lOJ.

-ocr page 454-

70

oorspronkelijk leengoederen, in landerijen herschapen, wei den op de eigendomsregisters ten name van de nieuwe verkrijgers gesteld als allodiale goederen, en latei-, evenals alle andere eigendommen, van den oenen op deu anderen eigenaar overgedragen.

In de 13e en volgende eeuwen waren de meeste ambaehts-heeren metterwoon in hunne heerlijkheden gevestigd, en zijn daarin kerken door hen gesticht (1), voor zooverre dit niet reeds was geschied door hen, aan wie de ambachtsheeren de schorren ter bedijking hadden uitgegeven. Nu is liet zeer waarschijnlijk, dat veleu hunner in die door hen gebouwde kerken ook kapel-leriën of vicariën voor het lezen van zielmissen zullen hebben gesticht (2), waarvan hun dan ook het collatierecht toekwam. Dit neemt evenwel niet weg, dat ook door andere godvruchtige ingezetenen dergelijke fundatiën kunnen zijn opgericht.

Dat nu bij de overeenkomst van 1581 alleen de ambachtsheeren als partij voorkomen en daarbij alleen sprake is van hun collatierecht, is misschien hieruit te verklaren, dat zij de colla-

(1) Voorbeelden daarvan komen voor iu Oudh. en yest., 1, 207, Ermekins III, 41, kerk te Vere; Oudh. en yest., I, 21(5, kerk teZandijk; Oudh. engest, I, 250, Tegeruc. staat, II, 234, kerk te Westzouburg\'; v. d. Bergh, Oorkondenh., n0. 511, kerk te Oostzouburg; Oudh. e,t yest., I, 257, Tegenw. staat, 11,230, Ermerins, I , 2U), kerk te St. Laurens of Popkensburg, zie evenwel ook denzelfde I, 179, en Zei. ill., I, 677; Oudh. en gest., I, 258, Zei. ill., I, 683, kerk te Poppekerke; Oudh. en gest., I, 259, kerken te Biggekerke, Meliskerke, Allardskerke, zie ook Zei. ill., 1, 744; Oudh. en gest., I, 261, Zei. ill., I, 659, kerk te Brigdamme; Oudh. en gest, I, 295, Tegenw. staat, II, 334, kerk te Kortgene; Oudh. en gest., II, 89, Tegenw. staat, II, 380, kerk te Koudekerke; Zei. ill., I, 724, kerk te Boudewijnskerke; aid., II, 86, kerk te \'sHeer Arend.skerke; aid., II. 641, kerk te Ter Keuzen; Tegentquot;. staat, II, 575, kerk te Sommelsdijk , gesticht door de bedijkers; Ermeriks , III, 36, Vrouwenkerk in den polder: aid., VIII, 2e st.. 140, kerk te KToordgouwe; Oudh. en gest., II, 203, Ermeiuxs. II, 59, Zei. ill., II, 375, kapel te Nieuw Vossemeer, welke later eene parochiekerk is geworden.

(2) Voorbeelden daarvan zijn boven reeds medegedeeld. Zie bi. 14, te Qrijpskerke; 15, te quot;Westzouburg; 17, te Vere en Zandenburg; 18, te Zierikzee; 27, memorie in de kerk te Kortgene. Zie ook nog Zei. ill., II, 121 , vicarie te Baarland.

-ocr page 455-

71

toren van het grootste aantal kiipellariën zullen zjju geweest, eu dat do audcre collatoren wellicht voor eeu groot deel met bekend waren, en zoo kon dan ook Yerheye van Citters in zijn meermalen aangehaald rapport beweren, dat zij als de representanten der collatoren werden beschouwd. In liet provinciaal archief is eene missive van gecommitteerde raden van 6 Januari) 1581, geadresseerd aan die van Goes en ambachtsheeren can Zuid-Beveland, waarbij genoemd college aan hen toezendt een concept vau het accoord van 12 April d. a. v., in welken brief gesproken wordt van voorafgegane comniuniccitiën ; misschien zou daaruit eenig licht te scheppen zijn geweest, maar in de notulou vau gecommitteerde raden wordt omtrent den aard of inhoud dier communicatiën niets gevondeu , zoodat het derhalve bij gissingen blijft.

Waarschijnlijk ter nakoming vau de overeenkomst van 1581 is in 1582 de lijst opgemaakt, die wij boven mededeelden. Uit die lijst blijkt, dat de kapolleriëu, waarvan de collators onbekend waren, ten getale vau 43, geheel ten behoeve der gemeene zaak waren vervallen (1); 2 waren vervallen, zouder dat wordt vermeld , of de collators onbekend waren (2); één was geconfisceerd, omdat de bezitter in Spanje woonde (3); 6 waren vervallen, waarvan de collatoren bekend waren , zijnde de kinderen vau Jan Lamsen, de kerkmeesters van Goes, de pastoor vau Wemel-dinge en de heer van Creques (4); 3 waren vervallen, waarvan

(1) N0. 1, 2, 3, y, 16, 17, 22, 24, 25, 26, 29, 80, 31, 33, 34, 35, 36, 3(, 38, 42, 46, 48, 49, 50, 51. 52. 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 64, 66, 67, 68,69, i0, 73, 77, 82.

(2) K0. 19 en 32.

(3) JK 4. Bij plakkaat van 12/13 Jauuanj 1580 was verbo.len de trafiek met de vijanden en de malcontenten met coiihscatie van hunne goedeien, en bij plakkaat van 4 Mei d. a. v. was bevolen het aangeven van alle renten, goederen enz. aankomende peisooneu hun !i ouden (Ie in s vijands landen en bij de malcontenten, die berustten en geadministreerd werden bij particulieie persoenen tot vilipendic van liet plakkaat van confiscatie daarover gepubliceerd. Eeu soortgelijke bepalingquot; was in Holland gemaakt bij plakkaat \\iiii 29 Junij 1591.

(4) No. 5, 9, 18, 20, 23. 53.

-ocr page 456-

72

de bezitters, zijnde geestelijkeu, alimentatie genoten (1); dit was in overeenstemming met art. 21 der padficat-ie van Gend van 8 November 1576, waarbij bepaald was dat de geestelijken, die in het land gebleven waren, alimentatie zonden gemeten (2); 33 kapelleriën worden opgenoemd, waarvan de eollatoren. en bezitters bekeud waren, met vermelding dat ten behoeve der gemeenc zaak werd verantwoord, overeenkomstig de boven medegedeelde Resolutie va» 16 April 1579 en het Accoord van 12 April 1581 (3); daaronder komen 9 voor, waaromtrent vermeld wordt, dat de bezitters ter school gingen (4); eindelijk wordt van 2 kapelleriën medegedeeld, dat door de staten aan de bezitters was vergund de inkomsten geheel te genieten (5); de eene bezitter was scholier te Goes; den andere was het genot toegestaan, niettegenstaande hij was gekomen tot den huwelijken staat; dit was dus eene afwijking van het bepaalde in art. 6 van bovengenoemd Accoord.

De confirmatie op de vergunningen van de eollatoren stond aan het college van gecommitteerde raden (6) en aan de staten,

(1) jSTo. 6, 10, 43.

(2) De eed door die geestelijken at\' te leggen komt voor achter Te quot;Watek, Kort verhaal der reformatie. Bijl. LT, bl. 51.

(3) N°. 7, 11, 12, 13, 14, 15, 21, 39, 40, 41, 44, 45, 47, 54, 63, 65, 71, 72, 74, 75, 76, 78, 79, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89. De eollatoren van nquot;. 11— 15, de heer van Brederode, 27, de heer van Lodijcke, 39—41, Jhr. quot;Willem van Cats, 47, Jhr. Jan Pieteisen Cats, 53, de heer van Creoues, 63, 65, Jhr. Frederik de Luciano, 74, 75, 83, 84, Adolf van de Weerde, 76, Jhr. Joos van Schenge, 78, 81, 85—88, Jhr. David van de VVen e, 79, 80, de lentmeester van der Hooghe, en 89, Jacob van Boshuizen, waren zeker allen ambachtsheeren. Omtrent eenigeu hunner blijkt dit uit de steen rol der ambachtsheerlijkheden Bewesterschelde van 1569. Jhr. Willem van Cats onderteekende de akte van 1581 „van wegen die ambochtsheeren.quot;

(4) N°. 47, 63, 65, 71, 72, 75, 76, 78. 81.

(5) JJ». 27 en 28.

(6) Over den werkkring van dit college, hetwelk in Mei 1578 werd ingesteld, zie Tegenw. stemt, 1, 74—81 en F. W. Pesïel,. Commentarii de republica hatava, L. B. 1795, UI, 897 , st|q. Over de zamenstelling zie Zelandia dlustrata, I, 1J7 volgg. De instructie door prins Willem 1 22 Mei 1578 vastgesteld zie in Heyister mm oude neten, litt. C. tol. !.

-ocr page 457-

73

in plaats vau de voorgaande instituties; uit de notulen van genoemd college vau 18 en 19 Jlei en 20 Junij 1635 schijnt mede te mogen worden opgemaakt, dat alle kwestiën over de faculteit ter begeving voor dit college geïnstitueerd en vervolgd werden op de gewone dagen, en gecommitteerde raden namen aangaande de voorvallende zaken der kapelleriën menigmaal liet advies van de rekenkamer (1), zooals blijkt uit het register op de adviesboeken der rekenkamer (2), waarin acht rubrieken betreffende de adviezen over de kapelleriën voorkomen , als; 1°. aangaande derzelver requisitiën ,

2°. nopens liet recht van collatie,

3°. om het iukoraen van dien , daar men de collatie zelfs van heeft, te mogen trekken (3),

4°. nopens de korting der 200e penniugen,

5°. betreffende restitutiën ofquot; maiutiën van dezelve verzocht,

6°. om continuatie eu andere generalia,

7°. wegeus conferentie op kerken, armen,

8°. om confirmatie van collatie.

uit welke rubrieken ook blijkt, dat de faculteit, om met het inkomen der kapelleriegoederen iemand te begunstigen, door de patronen of\' collateurs, steeds in wezen is gehouden en door de oudsten der geslacliten of daartoe rechthebbenden is uitgeoefend geworden. De staten van Zeeland behielden het oppertoezicht

(1) Over dit college in 1596 opgericht zie Teyenw. staat, 1? 83 88 en Pestel, 1. 1. 899. De instructie van 20 Jnnij 1596 zie in \'le Register van instruct ié n , tol. 109.

(2) Voorbeelden, dat de betrekkingen van collator en bezitter in één persoon vereenigd waren zie in de lijst van 1582 , n0. 44, 45.

(3) De adviesboeken loopen van 1596 tot en met 1805, te zamen bestaande uit 148 boekdeelen in folio. Volgens mededeeling van den archivaris v. Visvliet leveren zij voor de vicariën weinig belangrijks op, omdat vóór de instelling der rekenkamer het voornaamste reeds geregeld was, en bepalen zich veelal tot speciale gevallen, wanneer door overlijden van een collator of vicaris een nieuwe begeving moest geschieden, of wel bij ontstentenis van gerechtigden tot do collatie tot verkoop van vicariegoed kon worden overgegaan.

-ocr page 458-

74

aan zich (1) en maakten verschillende bepalingen omtrent de vieariën en kapelleriëu.

Den 4 Maart J615 bepaalden de staten, „dat de collatie van de capelleryen voortaen niet en werden gedaen, immers niet toege-staen nogh geconfirmeert dan aeu jongens, gedednceert ad pias causas, de Latynschescliole frequenterende ende ] 4 of 15 jaren oudt zyndequot; (2). Slechts bij uitzondering werd van dit voorschrift afgeweken. Voorbeelden hiervan komen voor in l()26 en 1G42. Op een request van Jhr. Willem vau Boshuyzen betrekkeljjk eene kapellerie in \\V olfaartsdijk (3) persisteerden de staten bij de resolutie van 1G15, maar confirmeerden toch, zonder consequentie. de gift aan een jongen van acht jaren, omdat hij de zoon was van den collator en de vader beloofde hom in de theologie te laten studeren (4), en den 6 February lö42 stonden zij aan denzelfden de inkomsten toe eener kapellerie, vroeger op hem geconfereerd, over de jaren 163C, 1637, 1638 en 1639, zonder dat dit zou worden getrokken in consequentie (5). Ook in 1702, 1703 en 1747 iiadden er afwijkingen van het voorschrift plaats, waarop ik later terug kom.

Opmerking verdient ook nog wat voorkomt in de notulen van 24 February 1646 en 16 Februanj 1647. Zekere Lenaert Adriaensen had zicli tot de staten gewend met het verzoek, dat hem mocht worden vergund het gebruik en inkomen van 14 gemeten kapellerieland te Sommelsdijk, den 4 Februanj 1642 aan zijn vader toegestaan. De staten stelden dit verzoek in handen van den rentmeester, om te onderzoeken of suppliant was dc oudste zoon van Arent Leendertsen. Don 16 Februanj 1647 werd liet verzoek toegestaan, omdat gebleken was, dat de suppliant was do naaste en oudste bloedverwant van den vroeger en

(IJ Verg. over een en ander Veuhkvk va.v Cittkks in /ijn meeiumleii iiangehaald rapport.

(2) Notulen., 1015, tol. 46.

(3) Zie de Lijst, ii0. 89.

(4) Notulen, 8 Augustus 1626, tol. 25.H. 257.

(5) 2\\otulcti, 6 February 1642, fol. 28.

-ocr page 459-

75

bezitter, onder bepaling, dat hij jaarlijks eene recognitie zou geven van 2 £ 10 $ vl. ten behoeve der gemeene zaak. Blijkbaar gold liet hier niet eene erkenning van het collatorschap, waarbij de regel gold dat de oudste bloedverwant het naask gerechtigd was (l), maar het genot van het beneficie, en dit schenen de staten afhankelijk te achten van den graad van bloedverwantschap. Dat de inkomsten werden toegekend voor de studie, blijkt niet.

Den 26 April 1627 werd de resolutie van 4 Maart 1615 nog nader geconfirmeerd en „liet employ van de capelryen gemerckt de natuere van de institutie te houden tot vorderinge van do studenten in de theologie ende anders niet1\' 2). Dit geschiedde naar aanleiding van een request van Pieter Liovense Voxdal (3), waarbij hem werd toegestaan het gebruik van 0 gom. 240 roede lands in Sonnemaar, eertijds bij suppliants overgrootvader Cornells Mentzen geaffecteerd voor zekere wekelijksche misse op O. L. \\ . altaar in de kerk te Brouwershaven , mits uitreikende aan den rentmeester van do geestelijke goederen in Schouwen jaarlijks 16 sch. 8 gr., waarvoor do landen blijven verbonden (4).

(1) Zie boven bl. Tb, en Zelandia illustrata, te Westkerke in ïliolen, II, 362, en de stichting van Paulus van Borsolen en zijne vrouw Aleid van Haarlem, boven bl. 17 vermeld; de stichting van Weldamme en Henrica van Koden-burch, Oudh. en (/est., II, 19; de stichting van Levin van Cats, aid., 27.

(2) Notulen, 26 April 1627, tol. 113.

(3) Het geslacht Voxdal behoorde in Schouwen te huis. Zelandia illustrata, II, 220.

(4) Dit verzoek schijnt eenigzius bevreemdend, wanneer men in aanmerking neemt, dat, gelijk boven bl. 5!) is vermeld, de vicariegoederen in Schouwen reeds in 1581 waren verkocht. Maar omtrent deze stichting was reeds in 1579 op andere wijze beschikt. In een Register ran ordonnantiën op de rentmeesters van het Extraordinarii van de gemeene saecke, fol. 98 staat „Op den lOen dag van April 1579 heeft Pieter Jacobs Bloke op zijn te kennen geven ende verificatie daerneffens gedaen. ende gesien daerop (het advies van) den rentmeester, verkregen handligting, ten minste bij provisie, van 9J gemeten 9 roeden corenlauds gelegen in Sonnemeer, op hem gesuccedeert bjj den overlijden van zijn broeder die pastoor was tot Brouwershaven, mits betalende vijf gulden jaerlicx, ten behoeve van de gemeijne saecke, in stede van de papelicke dienst op \'t voors. lant beset en gefundeert — dus hetzelve hier

-ocr page 460-

76

Bij resolutie van 14 Augustus 1640 besloteu de staten, ua gehoord te hebben het advies vau de rekenkamer, op het betoog van den rentmeester der staten, „dat voortaan alle capellauen sullen g\'ehouden sijn, vóór den verschijndag van hunne eapel-lerijen ten respeete van huniie rentmeesters van de geestelijke goederen over te brengen attestatie van hun leven ende studiën, en ingeval zij dit te doen in gebreke blijven, dat in\'t selve geval de voors. rentmeesters bij deze werden geautoriseerd de geheele administratie der voors. cappellerijen aan zich te trekken eu alsdan haar gedeelten op behoorlijke quitantie van dezelve te voldoen mits genietende behoorlijk ontvangloon\'\' (1).

Eindelijk verdient hier vermelding wat er in 1766 voorviel. Adriaan de Boer, rentmeester van Frederik Hendrik, baron van Wassenaar Catwijk (2), wendde zich tot de staten met een

vl)r0 wMnone.quot; Den 1 December 1626 besloten ile staten om advies tezencleu aan den rentmeester een adres van P. Voxdal, om te hebben het gebruik van 9i gem. 90 roeden en daarop te houden ter studie zijn zoontje oud 14 jaren. Notulen, lol. 102. Daarop volgde de resolutie van 20 April 1G27 in den tekst vermeld. Voorts komt nog voor eene resolutie van IfJ Februarij 1641, waarbij wordt aangehouden een adres van P. Lieveuse Voxdal om de 9 gem. 240 r. land in Sonnemeer te verkoopen, Notulen, fol. 29, en eene resolutie van 16 Augustus 1641, waarbij de verkoop wordt toegestaan, mits de landen zouden belast blijven met de rente van 16 g en 8 gr. Notulen, fol. 240. Van dien tjjd af tot en niet 1807 is, blijkens de rekening van den rentmeester der geestelijke goederen van Schouwen, de genoemde jaarlijksche prestatie van f 5 steeds betaald geworden.

(1) Notulen van gecommitteerde raden.

(2) Frederik Hendrik, baron van Wassenaar Catwjjk, heer van Kapelle, was de zoon van Willem, baron van Wassenaar (1670—1719), en Hermelina Petro-nella Schaap van den Dam (geb. 7 November 1677). Zij zal geweest zijn de dochter van Herman Schaap, heer van den Dam, on Petronella van Tuyl van Serooskerke, vrouw van Maalstede en Kapelle, de jongste dochter van Pieter van Tuyl van Serooskerke, heer van Maalstede, Kapelle en Heer Jansdani en Maria Louise van Lier. Zelctndut tUustrcitci, 11, 65. Over Pieter van Tuyl van Serooskerke zie aid.. 1, 4lt;0, 11, 65, lt;57, (58. Hij was geboren in 1(507 en overleed 9 April 1658. Zijne ouders waren Philibert van Tuyl v in Serooskerke, heer van Tienhoven, en Anna van Heer Jansdani. Frederik Hendrik, baron van Wassenaar Catwijk, was eigenaar van het slot Maalstede onder Kapelle. leycnw. xtucit, II. 289. Hij was niet alleen ambaclitslieer van Kapelle, maar ook van Biezelinge en Eversdijk, Schore en Vlake, aid. 292.

-ocr page 461-

77

request, waarin hij to kennen gaf, dat de heer van Wassenaar Catwijk, uit kracht van eeuc testamentaire beschikking van Hieronimus van Tuyl vau Serooskerke, in Icvoi! heer van Stavenisse (1), belast was niet de uitkeering vau de helft in twee renten aan de armen van Stavenisse, bedragende voor zijn aandeel £ 18.15.0 vl. jaarlijks; dat deze tevens uit hoofde van denzelfdcn heer van Stavenisse collator was van twee kapelleriën, waarvan de \'i , die bij den possesseur genoten werden, uitmaakten £ 26.12.4^ vl., en geconfereerd waren aan Jan Bernard Sandifort, student in de godgeleerdheid, die bereid was van de collatie af te zien (2). Nu wenschte de heer vau Wassenaar Catwijk, ten einde van die uitkeering ontheven te worden, met de armen opzieners, die hiertoe bereid waren, overeen te komen om ten behoeve der armen, in plaats van die twee halve renten, af te staan het inkomen der kapelleriën. Hij verzocht, dat de staten deze schikking zouden goedkeuren. De rekenkamer adviseerde daarop, dat het verzoek in de eerste plaats streed tegen de beschikking des erflaters, die oogenschijnlijk bedoeld had, dat zijne erfgenamen met de jaarlijksche uitkeering der renten zonden blijven belast, en ten andere tegen den aard en de bestemming der kapelleriën, die geconfereerd moesten worden tot oefening van den godsdienst aan allen, wier gelegenheid de onkosten van studiën niet kon vervallen; dat, zoo er al gevallen waren voorgekomen, waarin hiervan was afgeweken, daarvoor bijzondere redenen van billijkheid hadden bestaan, als groote behoeftigheid van den patroon, of van zijne of van des funda-teurs bloedverwanten; dat bovendien na expiratie der concessiën de revenuen tot het wezenlijk doel terugkeerden, terwijl hier de kapelleriën of de inkomsten in perpetuum eigendom zouden

(1) Hieronimus van Tuyl van Serooskerke, lieer van Stavenisse, was een broeder van Pieter van Tuyl van Serooskerke. Zelandia illustrata, II, 67, 345. Hij was eerst gehuwd met Anna Maria van Lier, en vervolgens met Margaretha Huysson en overleed kinderloos in 1669. Zie aid. II, 341 volgg.

(2) Dit waren volgens opgave van den lieer v. Visvliet, de kapelariën te Heinkenszand in de Lijst, nquot;. 76 en 78,

-ocr page 462-

78

worden van de armen van Staveuisse; dat ook liet aanbod, om het gemis der twee lialve renten te compenseren met liet genot dor kapelleriën, niet kou opgaan, omdat de suppliant geen eigenaar, maar alleen patroon was, en hij alleen het recht had om een possesseur te verkiezen, en dat de eigendom van zoodanige fundatiën zoo weinig toekomt aan de patronen, dat bij gebreke van behoorlijk geagrëëerde collatie de revenuen verantwoord en geprofiteerd werden bij de provinciale kas. De staten gaven hierop 18 December eene afwijzende beschikking (1).

Gelijk wij gezien hebben, waren in 1576 en 1579 de geestelijke goederen in Walcheren verkocht, en hadden er na 1580 in Schouwen ook verkoopingen plaats gehad: het schijnt evenwel dat hier destijds uog niet allo geestelijke goederen waren verkocht. In ïholeu en Zuid-Beveland waren geen verkoopingen gehouden. In 1615 werd nu in de statenvergadering over den verkoop van het nog onverkochte onderhandeld , en wel het eerst den 22 Febrnarij. Nadat de adviezen van gecommitteerde raden en van de rekenkamer waren ingewonnen, gaven die van Middelburg te kennen, dat zij do verkooping wilden toestaan, maar vooraf wilden onderzocht hebben de partijen, welke men wenschte te verkoopen, ten einde naar elks natuur de conditiën vast te stellen, om daaruit de meeste bate voor het Land te bekomen, en ingeval, gelijk in het advies van gecommitteerde raden scheen gezegd te worden, eenige leden particuliere contracten mochten hebben, uit kracht waarvan zij zouden beweren, dat er in hun quartier geen verkooping zou mogen plaats vinden, dat die contracten zouden worden ingezien en onderzocht, en voor het geval die duidelijk en beslissend waren, dat men dan zou trachten elkander contentement te doen, om het meeste voordeel van het Land daardoor niet te verhinderen. Die van Zierikzee verklaarden tevreden te zijn, dat de geestelijke goederen in hun quartier werden verkocht, mits zulks alom en algemeen geschiedde ; ingeval van verkoop zouden zij op de te verkoopen goederen de twee derde parten houden, en de penningen van het

(1; Notulen, 18 December, 1766, fol. 370 volgg.

-ocr page 463-

79

resterende derde part aanleggen op het comptoir van den rentmeester van de staten, om jaarlijks de renten ontvangen te worden door de respectieve rentmeesters extraordinaris in ieder quartier; doch zoo de verkooping geen voortgang mocht hebben, zouden zij zich nader verklaren op het beneficiëren der geestelijke goederen. Die van (roos zeiden, dat de goederen in hun quartier behoorlijk werden gemenageerd, zoodat het niet waarschijnlijk was, dat uit eene verkooping eenig meerder profijt zou te vinden zijn, en bovendien dat zij een particulier contract hadden, dat de goederen in hun quartier niet mochten worden veraliëneerd; zoo anderen dergelijk contract niet hadden, namen zij er genoegen in, dat, zoo het oorbaar bevonden werd, de goederen werden verkocht. Goes doelde hier op de overeenkomst met den gecommitteerden raad en de ambachtsheeren van 12 April 1581, waarvan de bepalingen omtrent de vicariegoederen boven zijn medegedeeld. Tholen verklaarde zich evenals Goes, en dit was vrij natuurlijk, daar Tholen bij de satisfactie van 17 April 1577 een gelijke bepaling had bedongen als Goes (1). Die van Vlissingen en Vere wenschten, alvorens zich te verklaren, het contract door Goes aangehaald in te zien (2). Den 2 Maart werd er wederom over de zaak beraadslaagd en het accoord van Goes in de vergadering gelezen, waarna de verdere deliberatie werd uitgesteld tot den volgenden dag (3). Tn de vergadering van 3 Maart verklaarden al de andere loden eenstemmig, dat het accoord aan die van Goes het recht niet gaf, waarop zjj aanspraak maakten; zij stelden voor, ton einde alles ten meesten dienste van den Lande te schikken, dat in geval men na onderzoek zou bevinden, dat het Land door de verkooping aanmerkelijk gebaat zou worden, men onder deze conditie daartoe zou besluiten, dat men de administratie van de kooppenningen zou laten aan de tegenwoordige rent-

(1) Zie Reigersberges-Boxhorjj, II, 585.

(2) Notulen, 27 Februari] 1615, fol. 34. Door ecne onverklaarbare vergissing wordt liet verhandelde in 1615 bij Verheyr van Citters gesteld op het jaar 1640.

(3) Notulen, tol. 40.

-ocr page 464-

80

meesters ia ieder quavtier, zooals \'t hu was. Die van Goes kouden zich daarmede evenwel niet vereeuigeu (1). Den volgenden dag werd besloten het accoord, waarop Goes zich beriep, te stelleu in handen van eenige bekwame rechtsgeleerden, om te adviseren, of aan Goes zoodanig recht toekwam als beweerd werd, inzonderheid of Goes zoude mogen beletten de verkoop]ng in haar quartier, ten einde na bekomen advies nader te besluiten. Wat verder aanging het beneficiëren der geestelijke goederen bij openbare verpachting, na affixie van billetten, door de commissarissen, of de verpachting van de tienden of van de gemeeue middelen, werd er geen finaal besluit genomen, omdat het besluit tot verkooping werd uitgesteld. Die van Goes verklaarden hierop, dat het accoord hun het recht gaf en dat liet daarom buiten dispuut was (2). Nadat het rechtsgeleerd advies was ingekomen, werd er in de vergadering van 2 Junij wederom over de zaak gehandeld Do leden ver-eenigden zich met het advies, en waren van oordeel, dat het Land tot de verkooping wel gerechtigd was, en verzochten Goes zich hiermede te vereenigen. Die van Goes meenden evenwel, dat in het quaeritur niet waren begrepen de redenen en het recht, dat zij met de ambachtsheeren hadden, \'t geen zij des noodig nader zouden kunnen deduceren. De overige leden zagen liever, dat de zaak bij onderlinge schikking word afgedaan; maar indien Goes daartoe niet te bewegen was, moest het recht van het Land gehandhaafd worden en die van den rade worden gelast om alle daartoe betrekkelijke stukken zoo ten comptoire der staten als in de rekenkamer op te zoeken. Daar Goes bleef persisteren werd den volgenden dag besloten de stukken op te zoeken (3). Hierbij bleef \'t toen evenwel tot dat men in 1(562 weder op de zaak terug kwam.

Den 6 December van dat jaar stelden gecommitteerde raden voor, dat nevens de resterende geestelijke goederen ook zouden worden verkocht alle capellerie-, vicarie- en andere gaande goe-

(1) Notulen, fol. 45.

(2) Notulen, t. a. pl.

(\'3; Notulen, fol. 126. 128.

-ocr page 465-

81

deren tot den godsdienst (1), alzoo hetzelve geoordeeld werd merkelijk te zullen strekken ook tot dienst en conteatement van de respective eollatoren. De staten besloten dienovereenkomstig eenpariglijk, en dat ook zouden worden verkoclit de kapellerie-, vicarie- en andere gaande goederen tot den godsdienst, mits noch thans dat de gecommitteerde raden door de rentmeesters in de respective quartieren dienaangaande zouden doen spreken met de patronen of collateurs der voorzeide goederen, om daarover mede te hebben voor derzelver intrest haerluyder consentement en adveu (2).

In de vergadering van 31 Januarij 1663 werd behandeld een brief van de rekenkamer aan gecommitteerde raden, behelzende de conditiën van verkoop; dit concept werd door de staten goedgekeurd, en gelast de verkooping ter eerster bekwamer gelegenheid te doen plaats hebben (3). Aan dit besluit werd reeds spoedig uitvoering gegeven. Wij komen hierop later terug.

Den 18 Maart 1666 adresseerden de collateurs van kapel-leriën zich aan de staten om eenige verzekering te hebben van de penningen uit de verkooping geprovenieerd, hetzij bij obli-gatiën of anderzins, en dat zij ook gaarne zouden weten, hoe en op wat voet de inkomsten zouden worden genoten, nadat de pachten waren opgehouden (4).

De staten, na ingewonnen advies van de rekenkamer, vonden den 22 September goed, dat van het kapitaal, hetwelk van de kapellerielandeu successivehjk was geprovenieerd, jaarlijks zou worden ontvangen de intrest van 4 pet. en dit betaald ten comptoire, waaronder de verkochte goederen hadd en geressorteerd, te weten § tot profijt der kapellanen, en \'t overblijvende § in de beurs van het Land als voor dezen (5).

(1) Op „gaande goederenquot; teekent Yerheye van Citters aan; „Landen, welke fideioommis in een geslagt met het laten doen van missen belast waren, als op te maken is uit de notalen Zeehmdt 1627, fol. 113quot;.

(2) Notulen, 1G62, fol. 333, 367.

(3) Notulen, 1663, fol. 15, 16.

(4) Notulen, 1666, fol. 123.

(5) Notulen, fol. 327.

6z

-ocr page 466-

82

Over het § van de intrest adresseerden later, in 1706, de pos-sesseurs aan de staten, zich beklagende dat de heeren van de rekenkamer de rentmeesters gelast hadden geen betalingen der kapelleriën te doen, als met korting van de helft, hetwelk zij possessenrs onredelijk oordeelden, en verzochten deswegens redres. De staten, de rekenkamer daarop gehoord hebbende, besloten, dat de tegenwoordige possessenrs zouden verblijven in het genot der revenuen, zonder korting zuiver te ontvangen; doch dat van nu voortaan indistinctelijk geen nieuwe posses-seurs tot eenige kapelleriegoederen zouden geadmitteerd worden dan onder korting van den 200en penning, zoo als die op de obligatiën volgens de plakkaten van den Lande jaarlijks zou worden geconsenteerd en geheven (1).

Latere staatsbesluiten betrekkelijk de kapelleriegoederen zijn mij niet bekend.

Ik moet nu nog mededeelen, hoe het met de verkooping der kapelleriegoederen in Zuid-Beveland is gegaan.

De lauden behoorende tot de kapelleriën onder n0. 1—6, 8, 9, 16-27, 31, 33—36, 38, 42, 43, 46, 48—50, 52, 53, 55—62, 66—70, 73, 77, 82, 85—88, zijn in 1661 en volgende jaren verkocht, en is het provenu daarvan geheel gestort in de kas van het geestelijk domein.

De kapellerie onder n0. 32 is door inundatie van den polder in 1606 komen te vervallen.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 7, zijn in 1663 verkocht en het provenu gestort in de kas van het geestelijk domein; van de inkomsten is § uitgekeerd aan den possesseur tot 1723, doch sedert dien tijd tot 1809 in de rekeningen der geestelijke goederen in uitgaaf verantwoord voor memorie.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 10, zijn in 1668 verkocht. De inkomsten voor § gedeelte zijn toegekend in 1685 aan H. A. van Zunder, in 1752 aan Cornells van Zunder, die ze heeft genoten tot 1797, van welk jaar af zij

(1) Notulen, 5 en 23 Augustus, 4 November 1706, fol. 219, 250 en 323.

-ocr page 467-

83

niet meer zijn uitgekeerd, maar in de rekeningen der geestelijke goederen tot 1809 in uitgaaf zijn gesteld voor memorie.

Van de tienden, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 29 en 30, is de opbrengst jaarlijks ten behoeve van hot domein in de rekening der geestelijke goederen verantwoord tot 1809.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 37, zijn in 1663 verkocht en het provenu gestort in de kas van het geestelijk domein, maar § der rente van het door verkoop verkregen kapitaal is door het domeinbestuur uitgekeerd aan de successieve possesseurs tot 1752, na welk jaar de uitkeering is gestaakt en de post in uitgaaf is gesteld voor memorie.

De tienden, behoorende tot de kapellerie onder n0. 51, zijn steeds ten behoeve van het domein tot 1809 in ontvang bij de rekeningen verantwoord.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 54, zijn in 1663 verkocht en het provenu gestort in de kas van het geestelijk domeinkantoor; f der rente van het door den verkoop verkregen kapitaal is uitgekeerd aan den possesseur tot 1680; daarna bij de rekening der geestelijke goederen in uitgaaf gesteld voor memorie tot 1688 en verder uit de rekening weggelaten.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 64, zijn in

1662 verkocht en het provenu daarvan gestort in de kas van het geestelijk domeinkantoor; de opbrengst der tienden is verantwoord ten behoeve van het domein tot 1809.

De landen, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 71 en 72, zijn in 1663 en 1664 verkocht en het provenu gestort in de kas van het geestelijk domeinkantoor; voorts is f van het door den verkoop verkregen kapitaal door het domeinbestuur uitgekeerd aan de armen van Ellewoutsdijk en Driewegen tot 1733, en na dien tijd in de rekening uitgetrokken voor memorie.

De landen van de kapelleriën onder n0. 74 en 75 zijn in

1663 verkocht en liet provenu gestort in de kas van het geestelijk domeinkantoor; f der renten van het door den verkoop verkregen kapitaal is aan de possesseurs uitgekeerd tot 1718,

-ocr page 468-

84

daarna in rekening gebragt voor memorie tot 1723, en toen uit de rekening weggelaten.

Van de landen, belioorende tot de kapellerie onder uquot;. 81, is in 1663 een gedeelte verkocht, waarvan het provenu in de domeinkas is gestort en een ander gedeelte aan ambachtsheeren in erfpacht uitgegeven, dat zij echter later tegen den penning 20 aan het domeinbestuur hebben afgelegd.

De landen, behoorende tot de kapellerlën onder n0. 83 en 84, zijn in 1663 verkocht, terwijl het provenu daarvan is gestort geworden in de kas van het geestelijk domeinkantoor; § der renten van liet door den verkoop verkregen kapitaal is aan de possesseurs uitgekeerd tot 1718, daarna in rekening gebragt voor memorie tot 1723, en toon uit de rekening weggelaten.

De landen, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 44 en 45, zijn in 1663 verkocht eu het provenu gestort in de kas van het domeinkantoor; f gedeelte intrest van het door den verkoop verkregen kapitaal, tot een bedrag van ƒ 88 \'sja,ars, is door het domeinbestuur uitgekeerd aan de successieve possesseurs, en wel in 1808 aan Joh. Smijtegeld van der Hoek, student in de theologie, krachtens akte van begeving van ambachtsheeren van Eversdijk van 30 Juni van dat jaar, geconfirmeerd bij beschikking van den minister van binnenlandsche zaken van 15 van Wijnmaand daaraanvolgende, n0. 6, en zulks tot en met het jaar 1809; later komen deze kapelleriën nog tweemaal voor; den 12 Junij 1817 werd geconfirmeerd de begeving aan den zoon van Gijsbert van der Hoek, notaris te Goes, voor -| der inkomsten, terwijl den 23 Augustus 1827 de administrateur van Ewijck de begeving confirmeerde door ambachtsheeren gedaan aan Samuel van Deinse, student in de theologie te Leidon.

De lauden, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 79 en 80, zijn gedurende het tijdvak dor republiek geadministreerd geworden door den ambachtsheer of collator Adriaan Jan van Bors-selen, die jaarlijks i aan het domeinbestuur verantwoord en f gedeelte er van voor studiebeurs bestemd en begeven heeft.

-ocr page 469-

85

zijude de laatste possesseur geweest Jacobus Dagevos, student in de theologie te Leiden, krachtens akte gegeven door den collator Adriaan Jan van Borsselen, op 31 December 1796, geconfirmeerd door het uitvoerend bewind van den provincialen raad van Zeeland bij resolutie van 16 Maart 1797, en zulks tot en met 1807, na welk jaar door den collator geen nieuwe begeving en ook geene verantwoording meer aan het domein-bestuur Wijkt te zijn gedaan, waarin dan ook de reden moet worden gezocht, dat het Fransch domcinbestuur, blijkens missive van den voormaligen rentmeester der geestelijke goederen aan den gouverneur van Zeeland van 16 April 1818, in 1813 de tot deze kapelleriën behoorende landen heeft aangeslagen en verkocht , met bepaling nochtans, dat de ambachtsheer zijn recht op f gedeelte der renten van het door verkoop verkregen kapitaal zou behouden, van welk recht evenwel door dezen geen gebruik meer schijnt gemaakt te zijn, om welke reden dan ook deze kapelleriën als vervallen kunnen worden aangemerkt.

De landen, behoorende tot de kapellerie onder n0. 47, zijn in 1662 en 1663 verkocht en het provenu daarvan gestort in het kantoor van het geestelijk domein, doch § der rente van het door den verkoop verkregen kapitaal is, volgens resolutie van gecommitteerde raden van 9 September 1689, door het domein-bestuur uitgekeerd aan de armen van Hoedekenskerke. De laatste beschikking is die van den minister van binnenlandsche zaken, van Maanen, van 30 December 1823, waarbij kerkmeesters van de hervormde kerk en armmeesters van den grooten armen te Hoedekenskerke gerechtigd werden verklaard tot het bezit van J der inkomsten van de kapellerie aldaar, tot een jaarlijksch bedrag van ƒ 184.80, aanvangende 1824 tot wederopzeggens. Van eene opzegging is later geen blijk; kerk en armen zullen dus in het rustig bezit gebleven zijn.

Omtrent de kapelleriën onder n0. 39, 40, 41 te Kapelle, en onder nquot;. 76 en 78 te Heinkenszand, ben ik, mede door mij verstrekte aanteekeningen van ons geacht medelid den heer W. van Beuuingen, in staat eenige meerdere bijzonderheden mede

-ocr page 470-

86

te deelen. De landen, tot deze kapelleriën behoorende, zijn in 1663 en 1664 verkocht en het provenu daarvan gestort in de kas van het geestelijk domein; van de tienden, behoorende tot de kapelleriën n0. 39 en 41, is § afgestaan geworden bij resolutie van gecommitteerde raden van 13 April 1747 aan de douarière van quot;Wassenaar, destijds ambachtsvrouwe van Kapelle, voor onderhoud van armehuisjes, terwijl het rendement van het resterende £ gedeelte tot 1809 steeds ten behoeve van het domein in rekening is verantwoord.

Van het door verkoop der landen van de kapelleriën onder no. 40, 76 en 78 in 1663 en 1664 verkregen kapitaal is door het domeinbestuur steeds § der rente tot een jaarlijksch bedrag van / 167,10 aan de possesseuren uitgekeerd. Omtrent de begevingen deelt de heer van Beuningen het volgende mede: De eerste agreatie op de begeving was van 31 Maart 1818; de laatste van 28 Jnlij 1883.

Den 31 Maart 1818 verkreeg J. W. Coops op verzoek agreatie op de begeving, aan zijn zoon gedaan door vrouwe baronesse van Wassenaar, douarière E. C. C. W. vrijheer van Heeekeren van Nettelhorst en Batinge, van de inkomsten der vijf kapelleriën; de begunstigde zou daarvan | genieten.

In de eerst volgende agreatie is slechts sprake van drie kapelleriën, want 16 Junij 1825 werd op ingedieud adres door J. L. S. Marin om bevestiging der collatie van zekere „drie distincte kapelleriën in de kerken van Capelle en Heinkens-zandquot;, op hem uitgebracht door vrouwe H. S. douarière van Heeekeren geb. van Wassenaar, tot voortzetting zijner studiën, genoemde daartoe gerechtigd verklaard, in te gaan met het tijdstip , waarop het genot van den vorigen possesseur Coops heeft opgehouden.

Den 1 December 1828 werd de begeving geconfirmeerd door den administrateur van Ewijck, gedaan door dezelfde collatrice, van de inkomsten der vijf kapelleriën aan den zoon van J. P. van Hemert, ontvanger van in- en uitgaande rechten aan het Oldenkott te Bekken gemeente Eibergen.

-ocr page 471-

87

Na het overlijden der collatrice komt haar oudste zoon Mr. A. J. H. W. baron van Heeckeren, wonende op den huize Swanen-hurg in Gelderland, als collator voor. Hij begaf de inkomsten der vijf kapelleriën aan den zoon van Mr. J. L. de Heus, commissaris van politie te Zutphen, student te Groningen, om ze te genieten tot wederopzeggens, uiterlijk tot de voltooiing zijner studiën. Den 14 Junij 1841 werd deze begeving door den minister geconfirmeerd.

Den 5 Januarij 1847 werd de begeving geconfirmeerd van de vijf kapelleriën, door denzelfden collator, aan F. C. quot;W. Rogge, student in de theologie te Groningen.

Den 2 December 1853 volgde eene confirmatie der begeving, door den zelfden, aan W. P. van der Stok , zoon van den predikant te Zuilen, die leerling was aan het gymnasium te Utrecht, en de inkomsten der vijf kapelleriën zou genieten voor zijne studiën.

Na het overlijden van Mr. A. J. H. W. baron van Heeckeren werd 7 Julij 1858 diens oudste zoon Walraven, baron van Heeckeren, op adres aan Z. M. erkend als patroon en collator van vijf kapelleriën, gesticht in de kerk van Kapelle en Heinkens-sant, en afschrift dezer dispositie gezonden aan de commissarissen des Konings in Gelderland en Zeeland.

Eene begeving van dezen collator ten behoeve van den student Boland te Leiden werd den 15 September 1858 geconfirmeerd.

Den 20 October 1860 werd de begeving door denzelfden collator aan M. Rutgers van der Loeff, student in de rechten te Leiden, geconfirmeerd.

Den 29 October 1867 confereerde R. A. W. baron van Heeckeren , directeur van het postkantoor te Doeshorgh, zijnde als oudste broeder van quot;W. baron van Heeckeren, den 17 Junij 1861 kinderloos overleden, in het collatierecht opgevolgd, de inkomsten op den jongeling C. W. baron van Heeckeren, leerling aan de Latijnsche school te Doesburg, en ontving hierop confirmatie.

De collator baron van Heeckeren overleed 24 Junij 1872. De vroegere begunstigde, zijn zoon, C. W. baron van Heeckeren, substituut-griffier bij den raad van Justitie te Samarang, werd

-ocr page 472-

nu collator. Zijn gemachtigde hier te lande was J. A. L. P. baron van Heeckeren te s Hertogenbosch. Dozo had de inkomsten der vijf kapelleriën begeven aan den jongeling A. J. H. W. baron van Heeckeren, leerling aan de Hoogere burgerschool aldaar en den minister om confirmatie verzocht. De minister verklaarde den begiftigde gerechtigd tot de inkomsten van 21 September 1878 af, toen de begeving was geschied, maar niet van vroegere inkomsten, zoo als werd verlangd. Aan het slot der resolutie wordt aan den adressant te kennen gegeven: „dat door het departement van Financiën als beginsel is aangenomen, dat wanneer eene begeving geschiedt binnen zes maanden, nadat het genot van den laatsten vicaris heeft opgehouden, het genot van den nieuwen vicaris begint met den dag, waarop dat van zijn voorganger eindigde, doch dat indien, — gelijk hier het geval is, de begeving later geschiedt, zij geen terugwerkende kracht heeft.quot;

De laatste confirmatie is van 28 Jumj 1883 op de begeving, door denzelfden gemachtigde, aan den jongeling F. J. A. Keu-chenius, toen leerling aan de Hoogere burgerschool te \'s Gra-venhage, die van 23 Julij 1883 af de inkomsten genieten zou tot wederopzeggens, uiterlijk tot voltooiing zijner studiën.

De landen, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 11, 12, 13, 14 en 15 onder Kloetinge, zijn niet verkocht, maar steeds gebleven onder beheer van den ambachtsheer, onder verplichting om s gedeelte der inkomsten of pachten aan het domeinbestuur uit te keeren. Deze uitkeering heeft plaats gehad tot en met het jaar 1846. Volgens bekomen inlichting van den direoteur der legistratie en domeinen te Middelburg is de uitkeering in het daarop volgende jaar bij onderhandsche akte van 30 Jumj 1847, ingevolge Koninklijk besluit van 11 April bevorens nquot;. 58, met betaling van ƒ 4000 in eens van het Rijk afgekocht.

De heer van Beuningen vermeldt de volgende begevingen.

Den 23 November 1808 werd de begeving goedgekeurd, gedaan door Z. D. van der Bilt (1), te Kloetinge, patroon der vijf

(1) In 1756 was mr. Willem van der Bilt door koop eigenaar geworden

-ocr page 473-

89

kapelleriën in de kerk zijner heerlijkheid gefundeerd, aan P. Dijkstra, student in de theologie te Leiden. Hierbij was eene aanschrijving; „om aan den rentmeester der geestelijke goederen van Zuid-Beveland jaarlijks over te leveren eene behoorlijke attestatie de vita et stadiis, mitsgaders quitantie wegens de voldoening dezer aan hem geaccordeerde inkomsten.quot;

Den 19 November 1814 had de confirmatie plaats van eene begeving van denzelfden collator aan J. J. van Deinse.

Den 8 Maart 1816 werd de begeving bevestigd door H. M. van der Bilt aan A. de Kanter

Den 21 December 1835 werd eene begeving door denzelfden collator aan H. G. Poppe, student iu de theologie te Leiden, geconfirmeerd.

Eene begeving door denzelfden aan H. G. Dagevos, student in de theologie, werd 25 Maart 1842 bevestigd.

In 1846 waren de inkomsten der vijf kapelleriën begeven door J. J. Patijn te \'s Gravenhage, als voogd over zijn kleinzoon J. C. Clotterbooke Patijn (1), ambachtsheer van Kloetinge, aan den zoon van Ds. Swalue te Goes, ter voorbereiding tot de studie in de godgeleerdheid. De minister, gelet op bericht van gedeputeerde staten van Zeeland, betreffende den overgang van het patronaat en collatorschap op genoemden minderjarige, confirmeerde 20 Januarij 1846 de begeving, mits de begiftigde, bij elke ontvangst, van de voortzetting zijner studiën blijken deed.

Den 28 Februarij 1849 werd de begeving door denzelfden collator aan den jongeling E. B. Swalue geconfirmeerd.

Den 8 October 1864 is de begeving geconfirmeerd, gedaan door J. C. Clotterbooke Patijn, ambachtsheer der heerlijkheid Kloetinge, aan den jongeling C. Warnsinck, van twee derden der inkomsten van de vijf kapelleriën, te beginnen met 1864 tot wederopzeggens toe, ter voorbereiding zijner studiën.

van de ambachtsheerlijkheid, in wier familie zij bleef tot 1843. Zelandia illustrata, II, 62. \\erg. ook boven bl. 30 noot 1.

(1) In 1843 hadden de voogden van den minderjarigen Johan Cornelis Patijn (overleden in December 1875 te Utrecht) de heerlijkheid gekocht vau de familie vau der Bilt. Zelandia illustrata, II, (52.

-ocr page 474-

90

Den 20 Augustus 1874 werd de begeving door denzelfden collator aan den zoon van dr. W. van Elden, student in de godgeleerdheid, geconfirmeerd.

Op een adres van J J. Six Dijkstra, predikant te Kadzand, om confirmatie op de begeving van de inkomsten der vijf kapel-leriën aan zijn zoon Cornelis Johannes, die zich voorbereidde tot de studie der godgeleerdheid, door vrouwe A. Calkoen, douarière van den heer Clotterbooke Patijn, in leven ambachtsheer van Kloetinge, wonende te Zeist, gedaan zoo voor zich zelve als in hoedanigheid van moeder en wettige voogdes over hare minderjarige kinderen, verklaarde de minister den 16 November 1881 den begiftigde gerechtigd tot het bezit en genot der | gedeelte van de inkomsten, te beginnen met de inkomsten van het jaar 1882, tot wederopzeggens toe, tot voortzetting zijner studiën.

Den 26 November 1886 werd de begeving geconfirmeerd, gedaan door den heer J. J. Clotterbooke Patij q van Kloetinge, wonende te Zeist, aan den zoon van Ds. Warnsinck te Kloetinge, student in de medicijnen te Amsterdam, tot voortzetting zijner studiën. De begeving was gedaan door genoemden collator, nadat de minister bericht had ontvangen van den commissaris des Konings, dat hij bekend was als tegenwoordige ambachtsheer van Kloetinge, en hem had erkend als collator der vijf kapelleriën.

Ook de landen behoorende tot de kapellerie onder n0. 28, te lerseke, zijn niet verkocht geworden. De inkomsten daarvan zijn afgestaan aan de armmeesters van Goes (1) bij resolutiën van gecommitteerde raden van 7 Februarij 1703, 19 Junij 1716, 19 Maart 1733, 20 November 1749 en 27 April 1791. toen voor 21 jaren.

Dtn 24 October 1822 confirmeerde de minister van justitie, op een adres van de regenten van het armenweeshuis te Goes, waarbij agreatie verzocht werd der collatie van § der inkomsten

(1) Blijkens de lijst van 1582 waren destijds de armmeesters van Goes oollatoren. Zie boven bl. 33.

-ocr page 475-

91

van Quirinus kapellerie te lerseke, door hen uitgebracht op het arm- en weeshuis aldaar, voor 21 jaren, — de collatie, en verklaarde genoemd arm- en weeshuis gerechtigd tot het genot van i der zuivere inkomst voor 21 jaren, mits regenten telkens van ontvang doen blijken. Den 4 Jannarij 1842 werd de begeving wederom geconfirmeerd, van 1 Januari 1843 tot 31 December 1863, en evenzoo den 29 December 1863, van 1 Januarij 1864 tot 31 December 1884. Na afloop van den laatsten termijn had het burgerlijk armbestuur te Goes als patroon de geheele inkomsten der kapellerie beschikt voor den tijd van 21 jaren voor het weeshuis, en vroeg hierop agreatie van den minister. De minister echter, gelet hebbende op vroegere confirmatiën, verklaarde den 7 Augustus 1885, dat het verzoek om het volle genot niet voor inwilliging vatbaar is, en de begeving alleen wordt geconfirmeerd zoo ver het collatierecht van regenten zich uitstrekt, en alzoo het weeshuis te Goes gerechtigd wordt verklaard tot het bezit en genot van § der inkomsten over 21 jaren, aanvangende 1 Januarij 1885 tot 1905, „alles behoudende Z. M. en een ieders recht en onder voorwaarde dat de gerechtigd verklaarde zich in alles gedrage naar de bepalingen en verordeningen, welke op het stuk vicariën reeds bestaan, of later mochten worden vastgesteld.quot;

Van de tienden, behoorende tot de kapelleriën onder n0. 63 en 65 te Ellewoutsdijk, is slechts è gedeelte der opbrengst tot 1809 in de rekeningen ten behoeve van het domein verantwoord. Bij resolutie van 26 November 1702 was, op request van den heer van Ellewoutsdijk, verzoekende dat de penningen, welke de predikant Gort van zijne kapellerie zoude hebben ontvangen , aan de armen van Driewegen mochten worden gerestitueerd , na gehoord advies van den rentmeester der geestelijke goederen te Goes, de rentmeester gelast het provenu der kapellerie jaarlijks aan de armen van Driewegen te betalen , die waarschijnlijk nog wel in het genot daarvan zullen zijn gebleven (1).

(1) Notulen, 26 November 1702, lol. 438.

-ocr page 476-

92

Wanneer ik het boven omtrent Zuid-Beveland medegedeelde zamenvat, dan komt het hierop neer:

1°. dat door het domeinbestuur, wegens vroeger bestaan hebbende doch verkochte kapolleriegoederen, thans nog de volgende uit-keeringen geschieden, t. w.

a. aan P. J. A. Keuchenius....... . ƒ 167.10

h. aan de Nederduitsch hervormde gemeente en

het burgerlijk armbestuur te Hoedekenskerke . „ 184.80

Zamen ... ƒ 351.90 2». dat van al de vroeger in Zuid-Beveland bestaan hebbende kapelleriën alleen de volgende goederen zijn overgebleven ;

a. onder administratie van den ambachtsheer van Kloetinge, den heer J. J. Clotterbooke Patijn van Kloetinge te Zeist 1 van de landen der kapellariën n0. 11—15, zamen groot 79§122r., dus 52 ^281 r. 4 vt. of nagenoeg 22 hectaren:

b. onder het beheer van armmeesters of beheerders van hot arm- en weeshuis te Goes de landen onder lerseke van de kapellerie n0. 28, groot 22 ^ 111 r. of nagenoeg 9 hectaren :

c. waarschijnlijk ook de tienden der kapelleriën onder n0, 63 en 65 ondev Ellewoutsdijk en Dneicegen, welke volgens de rekening der geestelijke goederen van 1809 in dat jaar hebben gerendeerd:

voor | gedeelte aankomende den armen van Driewegen

£ 30-6 J] —6 § = /■182.— voor ^ aankomende het domein 15—3 — 4 = 91.—

Zamen. . . 45—10 =/\'273.—

doch omtrent het beheer waarvan niets kan worden medegedeeld.

Zeetjwsch- (vroeger Staats-) Vlaaxderex.

Omtrent dit gedeelte der provincie is niet bekend, of bij den successieven overgang van verschillende deelen aan de republiek der Vereenigde Nederlanden, in de jaren 1583, 1604 en 1645, aldaar nog vicariën en daartoe behooreude goederen, voor zoover die er vroeger mochten zijn geweest, aanwezig waren.

-ocr page 477-

93

Mocht dit het geval zijn geweest, dan zouden daarop alleen de verordeningen, door de generaliteit (staten generaal of raad van state) uitgevaardigd, kunnen zijn toegepast, waaromtrent in Zeeland geen gegevens bestaan.

Ten slotte moet ik nog mededeelen, dat van de 109 door de burgemeesters der onderscheidene gemeenten ingezondene rapporten er 102 geheel negatief zijn.

In het rapport van den burgemeester van Vere wordt alleen bericht gegeven, dat in do kerk aldaar vroeger waarschijnlijk wel kapelleriën of dergelijke stichtingen zullen hebben bestaan, doch na de boven gedane mededeeling, dat alle geestelijke goederen in Walcheren tijdens de vestiging der republiek in de confiscatie gevallen en verkocht zijn, heeft dit bericht geen waarde en kan het dus mede onder de negatieve worden gerangschikt (1).

De rapporten der burgemeesters van Clingd, Hulst en St. Kruis handelen alleen over kerk- en armengoederen of stichtingen van lateren tijd, welke op de hun gedane vraag geen betrekking hebben.

Op de inlichtingen, vervat in de rapporten van de burgemeesters van Hoedehenskerke en Kapelle, omtrent de in die gemeenten aanwezige kapelleriën, is bij de zamenstelling van dit rapport gelet.

Eindelijk bericht de heer archivaris van Visvliet, dat de mededeeling in het rapport van den burgemeester van Zonncmaire, dat wegens de kcrkelanden in die gemeente jaarlijks wordt betaald 30 cent per blooisch gemet als provende, hem aanleiding heeft gegeven dit punt speciaal te onderzoeken. Het resultaat van dat onderzoek is geweest, dat hij alleen in ecne door den ambachtsheer aan de provisioneele representanten des volks van Zeeland ingediende memorie van 31 October 1795 heeft gevonden, dat door hem van de besproken kerkelanden jaarlijks wordt genoten £ 6 — 2 $ — 8% of / 36.80, als rantsoengeld of

(5) Terg. over Vere boven bl. 17.

-ocr page 478-

94

prebende, terwijl daarbij tevens wordt vermeld, dat deze inkomst behoorde tot de rechten, waarop de heerlijkheid in 1705 door den ambachtsheer was gekocht. Do bijvoeging nu in gezegde memorie van het woord vuntsoengeld geeft reeds dadelijk grond om te vermoeden, dat men hier niet aan eene eigenlijk gezegde prebende , of geestelijke stichting, te denken heeft, maar veeleer aan eene retributie of belasting, welke voor afkoop van de eene of andere schuldplichtigheid op gezegde landen, ten behoeve van den ambachtsheer zal zijn gevestigd geworden.

Inschrijvingen op het Grootboek komen ten name van Zeeuwsche vicariën niet voor.

Bijvoegsel.

Nadat een groot gedeelte van dit rapport reeds was afgedrukt, zijn mij nog eeaige bijzonderheden voorgekomen, die mij beïangnjk genoeg schijnen om hier te worden medegedeeld.

Rapport, bl. 5, 7, 11, 12.

Jan Hughezone, Jan Wouter Hughenzoonszone, Pieter Haghen-zone, Hughe Pieter Hughenzone.

Over het geslacht Hughense zie Zelandia illustrata, I, 474 volg., 741. In de lijst van burgemeesters en schepenen van Vere bij Ermerixs, Zeeuwsche oudheden, VI, 37 volgg. komen in de 15lt;le eeuw herhaaldelijk Hugensen voor. Het schijnt derhalve een vrij aanzienlijk geslacht te zijn geweest.

Bl. 7.

Hughe en Jan Musschettej Claijs, Jan en Heijnrik Musschets-zone; Musschet Claijszone.

In de Zelandia illustrata, I, 424, wordt een Petrus Muscet genoemd, in 1327 leermeester in het Minderbroederklooster te Zierikzee; 708 wordt vermeld Muscet van der Hooge, ambachtsheer van quot;Wellinxwerve en Poppendamme, en Jan, de zoon van

Muscet in Hoogelands, rekening B. W. S. 1331_33; in 1360

Jacob, de zoon van Hugo Muscet, doodgeslagen door Willem en Pieter van der Boede. Jan is waarschijnlijk dezelfde als de hier

-ocr page 479-

95

genoemde Jan Musschetszone, Jacob zal wel zijn de zoon van den hier genoemden Hugho Musschette. Het schijnt een aanzienlijk Zeenwsch geslacht te zijn geweest.

BI. 8, 14.

Willem Stuvesand wordt in de Oudheden en gestichten, 1, 99, genoemd als pastoor in de St. Maartenskerk.

Johannes de Apella. Verg. hierbij ook nog Zelandia illustrata,

I, 306.

BI. 9, 12.

Adriaan Adriaansz. van Soetelijnckercke enjonkvrouwPaschine, zijne huisvrouw; Hendrik Doedijnszn. van Zoetelinckkercke; Doedijn Hendriksz., priester van Zoetelinckkerke.

Verg. hierbij Grijpskekke, 335, Zelandia illustrata, I, 306, 760,

II, 145, over het geslacht Soetelingkerke en over het atrium Sctae Agathae. Of Doedijn tot dit adelijk geslacht behoorde, is niet uit te maken. Eene lijst der uitdeelingen, die volgens de stichting van Adriaan Adriaansz. en zijne vrouw moesten plaats hebben, is nog voorhanden. De kapel „atrium Sctae Agathaequot;, waarnaar het ambachtsgedeelte Aagtekerke genoemd was, schijnt in het begin der 14de eeuw gesticht te zijn. \'Wellicht heeft de oprichting in verband gestaan met de overbrenging van het klooster Noortdijk in Noord-Beveland naar de plaats, waar Waterlooswerve ligt, en welks abdis Agatha heette, en zich verbonden had, ter herinnering van Floris van Henegouwen, „eene capelrie binnen horen fermeriënquot; op te richten, en kan de kapel, ter eere van de abdis, aan St. Agatha zijn opgedragen.

BI. 10, 13.

Petrus van Vlissingen.

Over het oude geslacht van Vlissingen, en over Pieter van Vlissingen zie Zelandia illustrata, I, 685 volg.

BI. 12.

Gerolf Justaessone van Poppendamme komt ook voor in eene koopakte van 1351 bij Ermeeins, I, 103. In Zelandia illustrata, II, 167, wordt een Gerolf Justusz. genoemd, aan wien met Nicolaas Kervinck, ridder, Vranck Natereel, rentmeesterB.W.

-ocr page 480-

96

Schelde, en Poelvoet Hendriksz. den 23 October 1337 door Willem van Henegouwen vergunning werd verleend, om eene sluis te leggen, ten einde Schouwen van het regenwater te ontlasten. Waarschijnlijk zal dit wel dezelfde zijn als de hier genoemde Gerolf Justaessone.

BI. 15.

Adriaan van Borsselen en zijne vrouw Anna van Bourgondië.

Het geslacht van Borssele behoorde tot de aanzienlijkste adelijke geslachten in Zeeland en had daar zeer uitgestrekte bezittingen.

Adriaan van Borssele, heer van Brigdamme, was de zoon van Jacob van Borssele van Brigdamme, die in 1426 overleed, ten gevolge der wonden, bekomen in den slag bij Brouwershaven. Geijpskerke, 281, Ermerdis, I, 185, VIII, 2lt;\'Zelandia ïllustrata, I, 658, II, 272; hij was eerst gehuwd met Maria van Cats, dochter van Jan van Cats en Elisabeth van Borssele, die hem de heerlijkheid Oost-en Westsouburg ten huwelijk aanbracht, Zei. ill., I, 695, II, 272; Ermeriss, 1,188 noemt haar ten onrechte eene dochter van Floris van Borssele van Monster; zij overleed in 1448, zie aid. Waarschijnlijk in 1457 hertrouwde hij met Anna van Bourgondië, eene natuurlijke dochter van hertog Philips van Bourgondië, die van hem gedurende haar leven tot huwelijksgift Duiveland ontving, Tegenw. staat, II, 481, Ermerins, I, 185 volgg., VIII, 2e st., 128, I, 698,

II, 272, 302, 346; hij overleed kinderloos 6 Jumj 1468, en werd te Westsouburg begraven, Grijpskerke, 280 volg., 294, Tegenw. staat, II, 146, 360, Ermerins, 1,188, Zei. ill., 1, 658, 696, II, 272; zijne weduwe stierf 16 Januarij 1508, Ermerins, VIH, 2e st. 128; in 1466 maakte hij een testament, waarin hij onderscheidene legaten naliet aan kerken, kloosters, geestelijken , armen en gilden, en voorts nog aan familieleden en andere personen ; het is gedrukt bij Matthaeüs, Analecta, II, 286 sqq. en gedeeltelijk in de Oudheden en gestichten, II, 242 volgg. zie verder nog Tegenw. staat, H, 496, Ermerins, VIII, 2« st., 128, Zei. ill., I, 304, 698, 11,290; Adriaan en zijne vrouw woonden op het kasteel

-ocr page 481-

97

van St. Aldegonde te Westsouburg, waar meer dan eens vorstelijke personen ontvangen werden, als in 1454 Karei de Stoute, en later bij de weduwe, 18 Maart 1478, Maximiliaan van Oostenrijk en zijne gemalin Johanna van Arragon, Zei. ill., I, 701.

In 1452 gaf hertog Philips hem voor den tijd van negen jaren de ainbaclitslieerlijkheid Vlissingen, maar reeds voordat die tijd verstreken was, 26 Maart 1453, gaf de hertog het ambacht aan Hendrik van Borssele, met Westkapel en Domburg, in pand, welke uitgifte geschiedde onder voorwaarde, dat Hendrik zich met Adriaan moest verstaan, zoolang het recht van dezen nog liep, en dat de hertog Vlissingen, na zeventien jaren, zou mogen lossen, Zei. ill., 1, 504. Zie ook Tegenw, staat, II, 144, waar als jaartal wordt opgegeven 25 Maart 1452. Hij had voorts twee deeleu in de heerlijkheid Brouwershaven, welke na zijn dood aan den graaf vervielen, Tegeniv. staat, II, 360. Behalve de heerlijkheden Oost- en Westsouburg en Duiveland, boven reeds vermeld, had Adriaan van Borssele ook nog de heerlijkheid St. Laurens, welke na zijn dood als kwaad leen aan den graaf verviel, die het aan zijne weduwe liet, Ermerins, I, 214, Zei. ill., I, 675; het grootste gedeelte in Noordmonster, de heerlijkheid Brigdamme, een gedeelte in de heerlijkheid Bottinge, 584 gemeten 150 roeden in de heerlijkheid Grijpskerke, 464 gemeten 252^ roeden in de heerlijkheid Mariekerke, de heerlijkheid Meliskerke, en een klein gedeelte, 37 gemeten 17 roeden, in de heerlijkheid Oud-Vlissingen; dat alles kwam na zijn dood aan zijne weduwe, Zei. ill., I, 653, 658, 661, 668, 679, 681 , 686. Anna van Bourgondië bezat een gedeelte, groot 100 gemeten 283 roeden 6 voeten , in de heerlijkheid Hooge-lande; te zamen met haren natuurlijken broeder Philips van Bourgondië 296 è gemeten in de heerlijkheid Nieuwerve en Ritthem; een gedeelte in de heerlijkheid Koudekerke; een gedeelte in de heerlijkheid Biggekerke; te zamen met haren natuurlyken broeder Boudewijn de heerlijkheid Zoutelande; te zamen met haren natuurlijken broeder Philips 208 i gemeten 54 roeden in de heerlijkheid Kleverskerke; 16^

7 z

-ocr page 482-

98

gemeten 44 roeden in de heerlijkheid Aagtekerke; 168 gemeten 68 roeden in de heerlijkheid Nieuwerkerke , een groot gedeelte in de heerlijkheid Welzingen, met het huis Terlinde, en de heerlijkheden St. Annaland en Sommelsdijk, Of behoorde deze laatste heerlijkheid misschien aan haren echtgenoot Adriaan van Borssele, daar die door hem werd bedijkt ? Zei. HL, I, 665, 687, 691, 693, 705, 718, 720, 734 volgg., 760, 772, II, 346, 766. In 1452 kreeg Adriaan octrooi tot het indijken der schorren van Brninisse, doch het duurde tot 1467 eer het werk tot stand kwam. In April van dat jaar gaf hij do gronden van het uitgors, schor en aanwerp, de helft aan zich behoudende, ter bedijking uit aan Jan van Cats, Floris van Haamstede, Willem Pieter Manne, Pieter en Hendrik Jansse Zevenbergh, mr. Jan Laurensz., Jacob Melisz., als gemachtigden van Raes Pietersz. en anderen, Tegenw. staat, II, 521, Ermerins , VIH, 2e st., 115, Zei. ill., Il, 300. In 1431 bedijkte hij eenige polders in Sommelsdijk; de geheele bedijking schijnt evenwel wat later te zijn geschied, volgens brieven van uitgift van 13 Junij 1464, te gelijk met die van Middelharnis en Duivenvaart. Tegenw. staat, II, 570. Adriaan en zijne vrouw stichtten een collegie van kanunnikken in de kerk te Westsouburg. In 1446 begiftigde hij de kapel te Vianen in Duiveland. Grijpskerk, 281, Zei. ill., I, 698, H, 290.

BI. 16.

Grapinge. Eene vicarie van de H. maagd Maria wordt ook vermeld bij M. W. L. van Alphen , Nieuw kerkelijk handhoek, omvattende al de door den Staat gesubsidieerde jtrotestan tsche kerkgenootschappen, \'s Gravenh., 1878, 313.

BI. 17.

Paulus, bastaard van Borssele en zijne vrouw Aleid van Haarlem.

Paulus was de natuurlijke zoon van Hendrik van Borssele, heer van ter Vere, graaf van Grooteveldt. Grijpskerke, 289, Ermerins, I, 80, III, 83, 88, 214, 227. Hij was de stamvader van den tak van Borssele van Schellach of Laterdale.

-ocr page 483-

99

Ernerins , 1, 80 , III, 88 , 214 , Zelandia illustrata , 1, 583. In 1470 was hij reeds kapitein op de vloot, waarover zijn broeder Wolfard van Borssele, heer van Vere, het bevel voerde. In 1472 schijnt hij over eene vloot tegen de Franschen het bevel te hebben gehad. In 1480, toen quot;Wolfard, uit vrees voor den aartshertog Maximiliaan, uit Vere geweken was, werd hem door zijn broeder de bewaring dier stad, waarvan hij reeds baljuw was, toevertrouwd, Tegenw. staat, II, 155, Ermeriss, I, 81, III, 83, IV, 2e st., 33, VI, 163. Toen Maximiliaan te Vere kwam, werd hij daar met alle eer ontvangen, en werden de sleutels der stad hem door den baljuw Paulus van Borssele aangeboden; de regeering der stad werd afgezet en een andere aangesteld, en de sleutels werden weder aan Paulus ter hand gesteld, met last om de stad verder te bewaren, Ermerins, III, 104. In 1486 verleenden Jan Pethorst en Diderick Pynnick, kapiteinen ter zee in dienst van Frankrijk, ten zijnen verzoeke vrij paspoort aan een karveelschip, toebehoorende aan Romeyn Jacobz, om vrij heen en weer naar Frankrijk te kunnen varen, aid., I, 81, IV, 2e st., 49; in 1489 maakte hij accoord met Anthonis Jansz. van der Grade over een groot schilderstuk, waarop behalve de maagd Maria, het kindeke Jezus en den apostel Paulus, de baljuw Paulus met zijne gemalin en kinderen moesten worden afgebeeld, welk stuk dienen moest voor de St. Pauluskapel te Vere, aid. 1, 81 volg. In 1499 komt hij nogmaals als baljuw voor, aid. VI, 163. Hij overleed in 1504, aid., I, 82. Hij bewoonde het huis Magdalon te Vere, wat hem door zijn vader geschonken was, 1, 91. Hij en zijne vrouw bezaten een gedeelte in het ambacht Poppekerke, Zei. ill., 1, 683 , een deel in de heerlijkheid Boudewijnskerke, aid. 724 volg., een deel in de heerlijkheid Westkapel, aid., 726, en een groot deel in de heerlijkheid Domburg, aid., 765.

BI. 17.

Hendrik Wisse van Borssele wordt ook vermeld bij Ermerins , III, 20 en in Zelandia illustrata, I, 96. De kapellerie wordt vermeld in een stuk bij Ermerins, III, 2® st., 211.

-ocr page 484-

100

Achter Yere moet nog worden bijgevoegd , dat er tusschen Vere en Zandijk eene kapel heeft bestaan, aan de Heilige Drievuldigheid toegewijd, voor 1504 gesticht door Gheyle Claesdochter, waarvoor door haar eenige goederen werden gegeven, met bepaling „dat de kerkmeesters van Zandyck altyt ten tyde zynde tot eewigen dagen sullen doen celebreren twee eewege missen alle weken.quot; De kapel heeft ongetwijfeld in de verwoesting in 1572 in het lot des oorlogs gedeeld. Ermerins, I, 20 volg.

BI. 18.

De stichting van graaf Willem is ook vermeld bij Ermeriss, VIII, 2e st. , 111.

Aid.

Willem van Weldamme en zijne vrouw Henrica Rodenburgh.

Over het geslacht Weldamme zie Zelandia illustrata, II, 167 volg., waar ook melding wordt gemaakt van de stichting in de St. Lievenskerk te Zierikzee.

BI. 19.

De stichting van Jan Willemsz. wordt ook vermeld in Zelandia illustrata, I, 257, de vicarie bij v. Alphen, 321.

BI. 20.

Adolf van Cleef en zijne vrouw Anna van Bourgondië.

Anna van Bourgondië, de weduwe van Adriaan van Borssele, hertrouwde in 1469 met Adolf van Cleef, heer van Ravestein. Zelandia illustrata, I, 696, II, 272, 302, 346, 766. Karei van Bourgondië schonk haar bij dit huwelijk de heerlijkheid Dreischor, waar de echtgenooten in 1473 verscheidene groote schorren bedjjkten, Tegenw. staat, II, 428, Zei. ill., II, 255. Zij woonden daar op het slot Windenburg. Tegenw. staat, t. a. pl., Zei. ill., II, 258. Volgens Oudh. en gest., II, 87, en Tegenw. staat) t. a. pl. zou dit slot door haar gebouwd zijn, maar dit wordt tegengesproken in Zelandia illustrata, t. a. pl. Meermalen hield Anna zich ook op in het hof van Ravestein te Aardenburg, Zei. ill. , II, 495. In de Tegenw. staat, 1, 364 vind ik nog vermeld, dat het oude mannen- en vrouwen visschershuis te

-ocr page 485-

101

Zierikzee vroeger zou hebben toebehoord aan Adolf van Kleef en door hem zou zijn bewoond geweest. Ermerins, VLTI, 10 , maakt melding van bedijkingen in Tholen. In de legenw. staat, II, 521, wordt gesproken over eene herdijking van Bruinisse in 1483 , terwijl aid. 527 wordt medegedeeld, dat Adolf het dorp Bruinisse heeft gesticht. Zie ook Ermerixs, VIII, 2e st., 115, Zei. ill. , II, 301 volg. In 1475 vergunde hertog Karei aan Anna en haren echtgenoot om te mogen bedijken zekere gorsinge en opwerp van de zee , genaamd Malland met Hanneboschdijk , den Hamel en \'a Gravenkreek , zullende de dijk strekken aan twee einden en zijden tot aan de dijken Poortvliet en St. Maartensdijk, over den Pluimpot; van Moggershil en Kempenshofstede , daarin begrepen zekere kleine partijen, toebehoorende aan Grijsbrecht van Nijenrode, welke bedijking worden zou een ondergraafschap, gemeenlijk genoemd ambachts-heerlijkheid, en een goed onversterfelijk leen. Deze inpoldering werd, naar de beschermheilige der ambachtsvrouw, St. Annaland genoemd. Tegenw. staat, II, 545, Zei. ill., II, 346. Zij stichtte hier omstreeks 1493 een klooster van kruisbroeders , waarschijnlijk met haar natuurlijken broeder Boudewijn van Bourgondië. In 1505 maakte zij nog bepalingen om het voortdurend bestaan daarvan te verzekeren, waaronder de incorporatie van de cure en kosterie van de kerk van St. Annaland met toebehooren , en het doen eener wekelijksche mis in 1486 gesticht, en waarvoor zij afstond haar aandeel in de lammerentienden in hare heerlijkheid, Ovdh. en gest., II, 98 , Zei. ill., II, 349. De vrome en weldadige ambachtsvrouw begiftigde ook nog andere geestelijke instellingen. Behalve hetgeen boven bl. 20 van dit rapport is medegedeeld, vind ik nog melding gemaakt van eene gift van acht gemeten vroonland onder Bruinisse aan het klooster Sion onder Noordgouwe, onder voorwaarde om zielmissen te doen voor haar overleden echt-genooten , en voor haar zelve en verdere betrekkingen , Zei. ill., II, 253. Te Nieuwerkerk in Duiveland stichtte zij, na den dood van haar tweeden echtgenoot, omstreeks 1490, een

-ocr page 486-

102

kapittel van kanunnikken; de ambachtsheer had daarbij het recht der benoeming van deken en priester, benevens van twee kanunnikken inkomsten, Tegenw. staat, II, 491, Zei. ill., II, 282 , Oudh. en gest. , II, 68 , waar zij verkeerdelijk wordt genoemd de dochter van Adolf van Kleef. Omstreeks 1503 stichtte zij te Kapelle een kapittel van elf kanunnikken, Oudh. en gest., II, 132, Zei. ill, II, 66. Zij gaf in 1498 aan Zouteland keuren, welke vooral de visscherij en de rechtspleging betroffen. Tegenw. staat, II, 239, en 15 Julij 1493 aan Duiveland , waaraan 14 February 1504 nog eene additie werd toegevoegd, Ermeeins, VIII, 2e st., 107. De keuren zijn daar afgedrukt als bijlage V, 255 volgg. de additie als bijlage W, 278 volgg.

Aid.

De vicarie te Burg en de collator Lieven van der Burg komen ook voor in Zelandia illustrata, II, 200, en bij v. Alphen, 321. Hij was burgemeester van Zierikzee en overleed in 1556, en behoorde tot een oud aanzienlijk geslacht. Zei. ill., II, 199. Zie ook Grijpskerke, 336.

BI. 21.

De vicarie te Haamstede wordt ook vermeld in Zelandia illustrata, II, 213.

Aid.

De kapel te Noordgouwe komt ook voor in Zelandia illustrata II, 250.

Na de opgave der kapelleriën en vicariën in Schouwen moet nog worden bijgevoegd de kapel te Vianen in Duiveland, waar een wekelijksche mis uit het veergeld betaald werd. Adriaan van Borssele begiftigde in 1446, zoo als reeds is medegedeeld, deze kapel en besprak in zijn testament van 1466 een pondvl. tot timmerage en ornamenten. Oudh. en gest., II, 73. Zelandia illustrata, II, 290.

BI. 22.

Tholen. Ook volgens v. Alphen, 326, had de kerk onderscheidene vicariën.

-ocr page 487-

103

BI. 28.

Cornelis Yvo is dezelfde als Cornelis Yons (Yvonis), in 1443 tot deken te Tholen verkozen, vermeld in Oudheden en gestichten, II, 157, 188, en Zelandia illustrata, I, 472 volg.

BI. 26.

De altaren te Schakerloo worden ook vermeld bij Ermerins, VIII, 58.

Aid.

Het jaargetijde te Vosraaar wordt ook vermeld bij Ermerins, II, 60.

Aid.

De vicariën te Poortvliet komen ook voor bij Ermerins, VIII, 117, en in Zelandia illustrata, II, 355.

Voorts moet nog onder de kapelleriën in Tholen worden genoemd eene kapellerie in Westkerke, waarvan ik geen melding vond in de Oudheden en gestichten, noch in de Tegenwoordige staat, noch bij Ermerins, waaromtrent het volgende opmerkelijke wordt medegedeeld in Zelandia illustrata, II, 361 volg. „Vier dagen na dezen afstand (d. i. den afstand van het ambacht, van den windmolen op den dijk, van tienden en land, door graaf Willem van Henegouwen in Maart 1316}, deed de graaf uitspraak ter verzoening van den doodslag aan Jan van West kerke, die door Gillis van Baarsdorp, geholpen door heer Floris (van Borssele) van der Veere en Jan en Wouter van Maalstede, om het leven was gebracht. Floris en zijnen helpers werd opgelegd, om binnen een jaar te Westkerke eene „capelriequot; te stichten van dertig ponden tournois \'s jaars op zekere rente van vrije erve „welke beset is in die varssche van Scarpenisse. En die ghifte van der capelrie sal gheven Jans moeder van der Westkercke, also langhe als si levet, en na hare doet hr. Niclais van Cats, en na hem syn oudste wittachtig sone ende en liê her Cats geen wittachtigen sone na hem, so sal die ghifte geven die oudste en die naeste erfgenaam van Jan van der Westkercke.quot;

BI. 27.

Floris van Borssele en zijne moeder Margrita van Haessel.

-ocr page 488-

104

Hij was de natuurlijke zoon van den bekenden Frank van Borssele, den vierden man van Jaeoba van Beijeren, heer van St. Maartensdijk, graaf van Oostervant, en Margareta van Hasselt. Geijpskerke, 293 volg. Zelandia illustrata, II, 136. Floris kocht 28 Maart 1478 de heerlijkheid Kortgene tot een onversterfelijk leen. Aid., t. a. pl. Margareta van Hasselt begiftigde de kerk te Kortgene. Aid. , 135.

BI. 30.

Kloetinge.

De opgave bij v. Alphen, 331, dat er te Kloetinge acht vicariën zouden zijn geweest, welke allen, na 1581, voor f tot studiebeurzen zouden zijn bestemd geworden , is niet geheel juist.

Walraven van Brederode en Margareta van Borssele, dochter van Wolfard van Borssele, worden ook vermeld bij Ermerins, III, 105 en 2e st., 9. In de Oudheden en gestichten, II, 131, worden ook de heeren van Brederode als heeren van Kloetinge opgegeven.

BI. 32 noot 1.

Zie ook v. Alphen, 336.

BI. 33.

P. Levendaele komt bij Ermerins, IV, 115, voor als onderteekenaar eener akte van de regeering van Reimerswaal van 25 Januari] 1578.

BI. 34.

De vicariën te Kruiningen en Vrouwenpolder worden ock vermeld bij Ermerixs, VII, 2e st., 60, 64, die te Kruiningen ook bij v. Alpiien, 335.

BI. 35 noot 1.

Zie ook v. Alphen, 336.

Aid.

In de kerk te Kapelle vermeldt v. Alphen, 334, slechts drie vicariën.

BI. 37 noot 1.

Zie ook v. Alphen, 340.

BI. 39.

-ocr page 489-

105

Silvester van Campen komt ook voor in de Oudheden ev gestichten, II, 125, en bij Ermerins, II, 2e st. 60.

BI. 40 noot 1, 2.

Zie ook v. Alphen, 337, 338.

BI. 41.

Emanuel Oliphant.

Bij Ermerins, IV, 62, vind ik Emanuel Oliphant, die in 1584 ala notaris een ampliatie op den gildebrief van bet Cloveniersgild te Reimerswaal authentiseerde, en in eene akte van 12 Junij 1587, aid., VII, 217, Emanuel Olipbant, baljuw van Vosmaar. Misschien is dit dezelfde persoon als de bier genoemde bezitter der kapellerie te Nisae.

BI. 43.

Kapellerie te \'s Heer Arentskerke op St. Nicolaas altaar.

Ermerins, III, 217, deelt bet volgende mede: „Adriaan van der Hooge, een broeder van Martina van der Hooge, wettige buisvrouw van Wolfart Cornelis vader, bescbonk hem Cornells Wolfarts zoone van Borsselo, met eene capellerie of eeuwige vicarie in Zuid-Beveland in de parocbie van \'s Heeren Arendskerke, op St. Nicolaas altaar, by brieven van den 21 July 1530.quot; De opgave stemt niet gebeel overeen met betgeen ik uit GrRUPSKERKE (bl. 43 van bet rapport, noot 3) heb aangetee-kend; daar wordt Cornelis een zoon genoemd van Adriaan en de brief opgegeven als van 21 July 1531. De vicariën te s Heer Arentskerke worden ook vermeld bij v. Alphen, 329.

Bl. 45 noot 1.

De vicarie van de H. maagd Maria wordt ook vermeld bij v. Alphen, 330.

Bl. 46.

Van Mara of Mera, in 1530 verdronken, wordt ook melding gemaakt bij Ermerins, VII, 127, en van de vicarie aldaar, 130.

Aid.

De vicarie aan bet St. Sebastiaans altaar te Reimerswaal komt ook voor bij Ermerins, VII, 109.

-ocr page 490-

106

BI. 50, 58.

Studiebeurzen in Staats-Vlaanderen en Zeeland.

In de Oudheden en gestichten wordt ook nog melding van studiebeurzen gemaakt. Wij lezen daar, onder Zierikzee, II, 59: „De eerw. heer Stephanus Jacobi, of Steven Jacobszoon, heeft twee beurzen in S. Catarinaas begynhof te Loven gesticht voor twee geestelijke dochters. Noch heeft hy een beurs te Loven gesticht voor eenen jongman, die te Loven zouw willen stu-deeren. Do beurs voor den jongman, indien hy van de maagschap des stichters is, brengt hem jaarlijks 38 gulden op; indien hy van zijne maagschap niet en is, brengt ze niet meer op als 28 gulden. De voorrang word gegeven 1. aan de bloedverwanten ; 2. aan die te Brouwershaven of te Schiedam geboren zijn; 3. aan geboorene Hollanders; 4. aan de Lovenaars; 5. aan die van Hougaarden buiten Loven.quot; Onder Poortvliet, II, 199: „Te Poortvliet is geboren Antonis quot;Willemsz. van Poortvliet, volkomen bacelier in de godkunde, regent van \'t castrum te Loven, en kanonnik van S. Pieters kerke aldaar. Hy had twee beurzen in st kollegie van \'t castrum, en vier in \'t zoogenaamde klein kollegie gesticht, en is gestorven den eersten van October 1514. Ook de la KuÊ, Geletterd Zeeland, 326, en Ermerins, VIII, 157, maken hiervan melding. Of deze beurzen ook bestemd waren voor Zeeuwsche jongelieden, blijkt niet. Voorts vind ik nog bij Ermerins, VI, 178, dat de regeering van Vere in 1580 aan gecommitteerde raden verzocht om /400 \'sjaars te genieten uit de aangeslagen goederen der kanonnikken, „om daar voor een bekwaam en geleerd persoon te verkiezen en beroepen ter instructie van de jeugt, en ook daaruit twee jongens haar studiën te laten vervorderen, om met\' er tyd het ministerium te bedienen.quot;

BI. 51 noot 2.

Over Jacob Campe zie ook Ermerins, V, 390, 420, 432, VI, 32, 60 volgg., 137, 156, 191. Hij wordt ook vermeld bij de la Rue, Staatkundig en heldhaftig Zeeland, Middelb., 1736, 38, en bij Nagtqlas, 103, waar over zijn zoon, mede Jacob genoemd, meer uitvoerig wordt gehandeld.

-ocr page 491-

107

Cornelis Werckendet Lievenszoon wordt bij Ermerins, VIII, 129, vermeld als baljuw van Poortvliet in 1571.

Aid. noot 4. t

Pieter van den Baerse wordt bij Ermerins, I, 149, vermeld als eigenaar van quot;Westhoven van 1598 tot 1607. Hij was van 1573 tot 159cS secretaris van Middelburg.

BI. 53 noot 1.

Jan Janse Cooman komt ook voor bij Ermerins, V, 192, en Jan Smit aid., VI, 32.

BI. 55 noot 4.

Over Adriaan Manmaker zie ook uog Ermerins, V, 159, 181, 397, 416.

BI. 58 noot 2.

Over de betaling van de traktementen der predikanten zie quot;W. A. Bachiene, Kerkelyke yeographie der Vereenigde Nederlanden, Amst., 1770, III, 43, 59, 61, 80.

BI. 59 noot 1.

Rochus Hoffer wordt ook vermeld in Tegenw. staat, I, 368.

BI. 67.

Over het recht der ambachtsheeren bij het beroepen van predikanten, zie ook Bachiene, III, 22, 42, 56, 78; bij de benoeming van kosters en schoolmeesters, 57 volg.

BI. 68 noot 1.

Over de stichting der Noordmunsterkerk zie ook aid., 13.

BI. 70 noot 1.

Over de stichting der kerk te Vere, zie ook aid., 19.

I. TELTING.

-ocr page 492-
-ocr page 493-

RAPPORT

OVER

DE VIC AE IB G-OB DE REN,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

NOORD BRABANT.

-ocr page 494-

106

BI. 50, 58.

Studiebeurzen in Staats-Vlaanderen en Zeeland.

In de Oudheden en gestichten wordt ook nog melding van studiebeurzen gemaakt. Wij lezen daar, onder Zierikzee, II, 59: „De eerw. heer Stepbanus Jacobi, of Steven Jacobszoon, heeft twee beurzen in S. Catarinaas begynhof te Loven gesticht voor twee geestelijke dochters. Noch heeft hy een beurs te Loven gesticht voor eenen jongman , die te Loven zouw willen stu-deeren. De beurs voor den jongman, indien hy van de maagschap des stichters is, brengt hem jaarlijks 38 gulden op; indien hy van zijne maagschap niet en is, brengt ze niet meer op als 28 gulden. De voorrang word gegeven 1. aan de bloedverwanten ; 2. aan die te Brouwershaven of te Schiedam geboren zijn; 3. aan geboorene Hollanders; 4. aan de Lovenaars; 5. aan die van Hougaarden buiten Loven.quot; Onder Poortvliet, II, 199\': „Te Poortvliet is geboren Antonis Willemsz. van Poortvliet, volkomen bacelier in de godkunde, regent van \'t castrum te Loven, en kanonnik van S. Pieters kerke aldaar. Hy had twee beurzen in \'t kollegie van \'t castrum, en vier in \'t zoogenaamde klein kollegie gesticht, en is gestorven den eersten van October 1514.Ook de la EuË, Geletterd Zeeland, 326, en Ermerius, VIII, 157, maken hiervan melding. Of deze beurzen ook bestemd waren voor Zeeuwsche jongelieden, blijkt niet. Voorts vind ik nog hij Ermerins, VI, 178, dat de regeering van Verein 1580 aan gecommitteerde raden verzocht om /400 \'sjaars te genieten uit de aangeslagen goederen der kanonnikken, „om daar voor een bekwaam en geleerd persoon te verkiezen en beroepen ter instructie van de jeugt, en ook daaruit twee jongens haar studiën te laten vervorderen, om met\' er tyd het ministerium te bedienen.quot;

BI. 51 noot 2.

Over Jacob Campe zie ook Ermerins, V, 390, 420, 432, VI, 32, 60 volgg., 137, 156, 191. Hij wordt ook vermeld bij de la Ruë, Staatkundig en heldhaftig Zeeland, Middelb., 1736, 38, en bij Nagtglas, 103, waar over zijn zoon, mede Jacob genoemd, meer uitvoerig wordt gehandeld.

-ocr page 495-

107

Cornelis Werckendet Lievenszoon wordt bij Ermerifs, VIII, 129, vermeld als baljuw van Poortvliet in 1571.

Aid. noot 4. ,

Pieter van den Baerse wordt bij Ermerins, I, 149, vermeld als eigenaar van quot;Westhoven van 1598 tot 1607. Hij was van 1573 tot 1598 secretaris van Middelburg.

BI. 53 noot 1.

Jan Janse Cooman komt ook voor bij Ermerins, V, 192, en Jan Smit aid., VI, 32.

BI. 55 noot 4.

Over Adriaan Manmaker zie ook uog Ermerins, V, 159, 181, 397, 416.

BI. 58 noot 2.

Over de betaling van de traktementen der predikanten zie W. A. Bachiene, Kerkelyke (jeographie der Vereenigde Nederlanden, Amst., 1770, III, 43, 59, 61, 80.

BI. 59 noot 1.

Rocbus Hoffer wordt ook vermeld in Tegenw. staat, I, 368.

BI. 67.

Over het recht der ambachtsheeren bij het beroepen van predikanten, zie ook Bachiene, III, 22, 42, 56, 78; bij de benoeming van kosters en schoolmeesters, 57 volg.

BI. 68 noot 1.

Over de stichting der Noordmunsterkerk zie ook aid., 13.

BI. 70 noot 1.

Over de stichting der kerk te Vere, zie ook aid., 19.

I. TELTINGK

-ocr page 496-
-ocr page 497-

E A P P O R T

OVER

DB VIO A RIE GOEDE REIST,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

NOORD BRABANT.

-ocr page 498-
-ocr page 499-

r.

Politiek Overzicht.

§ 1. De Provincie Noord-Brabant.

Noord-Brabant was, evenals de provincie Limburg, oorspronkelijk in eene menigte van kleine graafschappen en lieerlijkhedon verdeeld. Wel behoorde het aanzienlijkste gedeelte dezer provincie aan het voormalige hertogdom Brabant, doch niet alle de landen, quot;welke thans binnen de grenzen onzer tegenwoordige Nederlandsche provincie gelegen zijn, waren aan de hertogen onderworpen. De provincie omvat:

1°. het voormalige Staats-Brabant, bijgevolg dat gedeelte der generaliteitslanden, hetwelk vroeger tot hot hertogdom Brabant had behoord: namelijk het kwartier van \'s-ïïertogenbosch (bestaande uit de dus genaamde Meijerij, die zich uitstrekte over de kwartieren Maasland, Peelland, Oosterwijk en Kempenland, benevens de vrijdom van \'s-IIertogenbosch): de baronie van Breda; het markiezaat Bergen-op-Zoom; de heerlijkheden Steenbergen, Willemstad en Prinseland, en voorts het land van Cuijk met de vesting Grave.

2°. De graafschappen Megen en Bokhoven; de heerlijkheden Eavenstein en Boxmeer en do commanderie van Gremert, die alle ten gevolge der Fransche overheersching in 1796 hun onafhankelijkheid verloren.

3\'J. Een gedeelte van het vroegere graafschap Holland, be-

-ocr page 500-

4

staande uit: de landen van Heusden en Altena, de heerlijkheden Niervaart of de Klundert, Zevenborgen, Hooge- en Lage-Zwaluwe, Geertruidenberg, Made, Drimmelea en Standhazen, benevens de zoogenaamde Langstraat, welke gewesten op verschillende tijden bij Brabant gevoegd werden.

4°. De polders Nieuw-Vosmcer en Hinkelenoord, die voorheen deel uitmaakten van het graafschap Zeeland.

5°. De heerlijkheden Diedeu en Oyen van het voormalige hertogdom Gelderland.

6°. Eindelijk de heerlijkheid Oeffelt. Het is de jongste gemeente van de provincie, en was laatstelijk eigendom van den koning van Pruisen.

Bij het optreden der Bataafsche republiek werd Staats-Brabant het departement Brabant, terwijl later, op den 20 Sept. 1805, bij besluit van hunne Iloog-Mogenden de vertegenwoordigers van het Bataafsche gemeenebest, de landen van Eavenstein, Megen, Gemert, Boxmeer, Oeffelt en Bokhoven daaraan werden toegevoegd. Andere gewesten dezer provincie, als de kantons Heusden en Zevenbergen, een gedeelte van het kanton Vosmeer, de polder Hinkelenoord maakten deel uit van het departement van de Monden van den Rijn.

Toen in 1806 het koninkrijk Holland ontstond metLodewijk Napoleon aan deszelfs hoofd, bleef het departement Brabant der Bataafsche republiek wel ziju naam behouden, maar verschillende gewesten worden er aan toegevoegd. Het waren de heerlijkheid Bokhoven, de zuidelijkste districten van Holland; namelijk de heerlijkheid Klundert, Hooge- en Lage-Zwaluwe, Made, Drimmelen, en Standhazen, de dorpen van de Langstraat, de steden Geertruidenberg en Heusden, en de heerlijkheden van het Land van Heusden ten zuiden der Oude-Maas, t w. Oud-Heusden, Baardwijk, Drunen, Vlijmen, Herpt, Hedikhuizen, Ouzenoord en Engelen. Van Gelderland werden Oyen en Dieden, en van Zeeland de polder van Hinkelenoord en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer er aan toegevoegd, Eindelijk kwam een gedeelte van Eersel en de heerlijkheid Luiksgestel bij dit departement.

-ocr page 501-

5

Hot aldus uitgebreid departement Brabant was in drie kwartieren verdeeld, waarvan bet eerste \'s Hertogenbosch, bet tweede Eindhoven en bot derde Breda tot hoofdplaats bad. Toen eindelijk bij het tractaat van Parijs, don 16 Maart 1810, Brabant aan bet Pransche keizerrijk werd afgestaan, voegde men de oostelijke belft van Brabant (bet land ten oosten van de Donge) bij het toen opgerichte departement van de Monden van den Riju , en de westelijke helft bij het departement van de Beide-Nethen.

Na de verdrijving der Pransohen onderging de kaart van Brabant wederom aanzienlijke veranderingen. Eindelijk echter kwam men niet zonder inspanning tot het besluit de grenzen van deze provincie zóó te trekken, dat de zoo even vermelde landen voor goed daar binnen begrepen werden.

Ziet men hieruit reeds, dat in den loop der tijden de landen, die de tegenwoordige provincie Noord-Brabant vormen, talrijke veranderingen ondergingen in staatkundig opzicht, niet minder was dit het geval in kerkelijk opzicht. Dewijl de verschillende veranderingen in de kerkelijke toestanden nauw verbonden zijn met de geschiedenis der geestelijke goederen, meen ik een vluchtige schets vau hetgeen er in deze gewesten op kerkelijk gebied plaats had , te moeten geven.

-ocr page 502-

II.

Kerkelijk Overzicht.

De provincie Noord-Brabant telt twee steden, welke zich sedert 1853 in het bezit van een bisschopszetel mogen verheugen, \'s Hertogenboscli en Breda zijn de zetelplaatsen der twee kerkvoogden, wier diocesen voor het grootste gedeelte in do provincie Noord-Brabant gelegen zjjn. Beide diocesen strekken zich uit buiten de grenzen der provincie, maar het grootste getal kerke-lijke gemeenten of parochiën is binnen dezer grondgebied gelegen. Dewijl beider geschiedenis in menig opzicht grootelijks verschilt, wensch ik ze in de volgende bladzijden elk afzonderlijk te bespreken.

§ 1. Het Bisdom van \'s Hertogenbosch.

Uit hetgeen ik in mijn verslag over het prins-bisdom Luik schreef, is gebleken dat een overgroot gedeelte der tegenwoordige provincie Noord-Brabant kerkelijk aan de rechtsmacht van den prins-bisschop onderworpen was.

Tot het aartsdiakonaat Kemponland, dat als hetuitgestrekstc van het prins-bisdom bekend stond, behoorden ook dekanaten Hilvarenbeek, Cuyk en Woensel.

Het dekanaat Hilvarenheek strekte zich uit over een zeer groot gedeelte van Noord-Brabant. Het omvatte in 1553 niet slechts parochiën, welke in het tegenwoordige diocees van \'s Hertogenbosch gelegen zijn, maar ook vele, die thans tot de rechtsmacht van den bisschop van Breda behooren. Van de

-ocr page 503-

7

menigvuldige parochiën, wier aantal in het juist vermelde jaar het getal 90 te boven gaat, waren er vele wier pastoors nog met de bediening van afzonderlijke kapellen belast waren.

In het dekanaat Cuyk, dat ongeveer 50 kerkelijke gemeenten met vele kapellen en bedehuizen telde, was ook de Capella Bus-cumducis gelegen. Hoewel Or then in 1553 nog genoemd werd ecclesia matrix filie Buscumducis ecclesie, was toch reeds de hoofdstad der tegenwoordige provincie boven alle andere plaatsen rijk aan kerken en kapellen.

Woensel, door Joan. Bapt. Grramaye genoemd de moederkerk van 72 dorpen, was het derde dekanaat van Brabant, dat tot het rechtsgebied van den prins-bisschop behoorde Evenals de twee bovengenoemde telde ook dit dekanaat vele parochie-kerken, en kapellen.

Bij de oprichting der twee diocesen van Antwerpen en \'s Hertogenbosch in 1560, werden deze drie dekanaten aan de jurisdictie van den prins-bisschop onttrokken om voor een gedeelte onder de rechtsmacht des Antwerpschen kerkvoogds en voor een ander gedeelte onder de jurisdictie van den bisschop van \'s Hertogenbosch gesteld te worden. De verwikkelingen, welke reeds kort na de oprichting van het diocees van \'s Hertogenbosch in het land van Raveustein en Megen ontstonden, gaven aanleiding, dat deze beide gewesten gedurende vele jaren wederom feitelijk onder de rechtsmacht des Luikschen bisscbops geraakten.

De landen van Hemden en Altena, welke voorheen deel uitmaakten van het graafschap Holland en eerst in latere jaren bij Brabant werden gevoegd, waren niet gelijk het grootste gedeelte dezer provincie aan de zorgen van den prins-bisschop toevertrouwd, maar maakten tot 1559 deel uit van het Utrechtsche diocees. In genoemd jaar, dat voor de kerkelijke geschiedenis van Nederland te recht een der merkwaardigste heeten mag , onderging het uitgestrekte bisdom van Utrecht groote veranderingen. In dit jaar toch vond de oprichting plaats van de nieuwe kerkprovincie, waarbij Utrecht tot aartsbisdom verheven en

-ocr page 504-

8

voor Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen en Middelburg een bisschop benoemd werd. De omstandigheden, waarin ons vaderland gedurende die tijden verkeerde, waren echter van dien aard, dat deze kerkelijke regeling slechts enkele jaren mocht blijven bestaan. Fredericus Schenck baron van Tauten-burch was de zestigste bisschop en na den H. Willibrordus de tweede aartsbisschop van Utrecht. Hij werd in het jaar 1561 benoemd en overleed op den 25 Augustus 1580. Hij bekwam nog twee opvolgers, bij koninklijke benoeming, of liever voordracht, die echter om den druk der tijden, door Rome niet bevestigd werden: zij zijn althans niet tot aartsbisschop gewijd. Alle de diocesen der Utrechtsche kerkprovincie zijn na een kortstondig bestaan, tijdens Nooi\'d-Xederlands opstand tegen Spanje, opgeheven of liever vernietigd. Eene apostolische zending, bekend onder den naam van Hollandsche Missie, heeft die kerkprovincie tot 1853 vervangen.

Enkele plaatsen van Noord-Brabant maakten deel uit van het bisdom Roermond. Behalve de steden Nijmegen en Batenburg aan gene zijde van de Maas gelegen, was ook Grave aan de rechtsmacht van den Roormondschen kerkvoogd onderworpen. Ik vermeld niet over welke plaatsen de aartsbisschop van Keulen jurisdictie uitoefende, want deze zijn, hoewel thans tot het bisdom van \'s Hertogenbosch behoorende, bijna alle buiten de provincie Noord-Brabant gelegen.

Belangrijker voor ons doel dan eenige andere der vermelde diocesen is het bisdom \'s Hertogenbosch. Bij pauselijke bulle van den 11 Maart 1560 werd dit bisdom opgericht en den 19 Maart 1560 nader omschreven. Het omvatte de Meijenj van \'s Hertogenbosch, het land van Ravenstein en Megen, de Bommelerwaard, het land van Eeusden en Altena, de Langstraat en ook het tegenwoordige Belgische dekanaat Gheel. Hei; was ten jare 1571 in 10 dekanaten ingedeeld, doch door de afscheiding van het land van Ravenstein en Megen, alsmede doordat van Gheel verloor het later een aanzienlijk aantal parochiën. Franciscus van der Velde meer bekend onder den naam van

-ocr page 505-

9

Sonnius, aldus genaamd naar zijn geboorteplaats Sod , was de eerste bisschop van dit diocees. Om in het onderhoud des kerk-voogds te voorzien werd de bisschop tevens abt van Tongerloo benoemd. De vereeniging dezer twee prelaturen duurde echter niet lang, want reeds in 1585 vaardigde Paus Sixtus V cone breve uit, waarbij de nuntius in de Nederlanden de macht ontving de vereeniging der abdij met de mensa episcopalis in overleg met den bisschop Crabeels te ontbinden. Dit besluit droeg later ten volle de goedkeuring dor belanghebbenden weg. In een overeenkomst, op den 27 Januari 1590 te \'s Hertogenbosch gesloten, werd bepaald, dat de bisschop middelen tot bestaan zou vinden in tienden en andere geestelijke goederen. Het is van algemeene bekendheid welke noodlottige gebeurtenissen er in het begin der 17de eeuw ook in deze gewesten voorvielen. Hadden de katholieken gehoopt bij de oprichting der hiërarchie eene voor hunnen godsdienst gelukkige toekomst te gemoet te gaan, zij werden in hunne verwachting op de bitterste wijze teleurgesteld. Met afwisselend geluk bestreden de Spaansche en Staatsche troepen elkander. JTa de inneming van \'s Hertogenbosch (13/14 Sept. 1629) door prins Frederik Hendrik was bedongen, dat met de hoofdplaats ook de geheele Meijerij aau de Staten zoude komen. De capitulatie werd onderteekend, doch de koning van Spanje hield niet op alle pogingen aan te wenden om de Meijerij te behouden. Het gevolg hiervan was, dat dit land bij voortduring door strooptochten, brandstichtingen en andere oorlogsrampen geteisterd werd.

Vele kerkelijke goederen, zoo niet schier alle, gingen voor de katholieken verloren. Reeds in 1629 was Grijsbert Voet namens zijne geloofsgenooten naar het leger afgevaardigd om te erlangen „dat de geestelijke goederen tot den dienst van de gereformeerden „gekonverteerd werden.quot; Wel spaarde prins Frederik Hendrik geene moeite om de geestelijke goederen hunne oorspronkelijke bestemming te laten behouden, doch zijne pogingen bleven grootendeels zonder gevolg. In het leven van Ophovius leest men, dat de prins zijn best deed om de Geestelicke voor altijt luiere

-ocr page 506-

10

(joederen te la eten, drijvende dat werck bij de Staeten met groote contestatiën.

De toestand der geestelijkheid werd intusschen allerliachelijkst. Den 20 October 1629 verscheen het plakkaat, dat alle de Iioomsche Priesters de kerken in de Meyerij zouden ruimen, zonder daarin voortaan eenige dienst te doen en deselven aan Predikanten, welken door hun TIoog-Mogende gesteld zouden worden, over te geven. Men stond den Pastoor toe, hunne kerkelijke versierselen mede te nemen, en gelastte hun, binnen agt dagen, na dat zulks tot hunne kennis gekomen was, aan der zeiver Gemagtigden eenen netten staat van alle goederen en inkomsten der kerken over te leggen (1).

De Spaansche regeering gaf vijf dagen later een tegenbevel, waarbij op pene van saississemente van heure temporele goederen den kerkelijken bedienaars geboden werd aan het plakkaat niet te gehoorzamen. De officieren des konings iu de Meijerij kregen bovendien last te zorgen, dat de uitoefening van don godsdienst nietgestoord en de gevorderde opgave van kerkgoederen niet gedaan werd. Ophovius de bisschop verbood zijne geestelijkheid hare standplaats te verlaten, de kerken af te staan etiamsi carcer et mors inter-veniret Balenus, kapitteldeken van 1 lil varenbeek, werd naar \'s-Gravenhage afgevaardigd om de intrekking van het gemelde plakkaat der Staten te verzoeken.

Vruchteloos echter was en bleef elke poging. Den 13 Maart 1631 verscheen een bevelschrift, waarbij geboden werd in de Meijerij parochiekerken, kloosterkerken en kapellen te sluiten. In de maand Juni deszelfden jaars deed het hof van Spanje een plakkaat aankondigen om de heropening der kerken te gebieden.

Het behoeft niet gezegd te worden, dat de toestand dagelijks hachelijker werd, doordien de Staten en de Spaansche regeering beide do onderhouding hunner bevelen eischten. Den 20 Juni 1634 verscheen het retorsie plakkaat\', „om den vijand tot reden „te brengen interdiceren wij mits desen aan alle Roomsche „geestehjeke personen...... dat zij haer zullen hebben te

(1) Schutjes blz. 41 II Deel.

-ocr page 507-

11

„onthouden van alle exercitie der Roomscbe Religie in particu-„liere huizen, kerken of in andere publieke plaatsen op poene „van arbitrale correctie.quot;

Door het sluiten van den vrede van Munster eindigde wel de oorlog tusschen Spanje en de Staten, maar niet de vijandelijke houding tusschen de bewoners van ons land

In de heerlijkheid Grave en het land van Cuijck waren vele geestelijke goederen sedert den vrede onder het huis van Oranje-Nassau gekomen. Op den 7 Juni zond prins Willem II de volgende ordinantie:

„Alzoo volgens het traetaet van den vrede gesloten den 30 Januari lestleden tusschen den Coninck van Spaignen ende dezen Staet aen ons zyn comen tc devolveren het clooster ofte godshuys van Sint Aechten in onzen lande van Cuijck mitsgaders het clooster van Mariagraff binnen onze stadt Grave; Item do pastoriën ende de andere goederen gelegen ende ge-fundeert in onze stadt van Grave ende den lande van Cuijck met allen incomsten ende goederen daertoe gehoorende, tsij waer deselve mochten gelegen sijn, zoo lasten ende authoriseren wij hiermede onzen rentmeester van de domeinen ende geestelijke goederen van Grave ende lande van Cuijck, Cornells Verboldt, de canonyken ende possesseuren van dien alle bescheiden, fundatiën ende titulen af te vorderen met hare manualen, rekeningen ende andere munimenten, geene uitgezonderd, ende voorts alle deselve goederen ende die daervan dependeren ofte daeraen behooren te volgen, uyt onzen naem te aenvaerden ende daervan behoorlijke possessie te nemen.quot;

Ook de geestelijke goederen gelegen in de stad Eindhoven en in de heerlijkheid Cranendonck, welke beide tot de domeinen van het huis Oranje Nassau behoorden, werden na den vrede van Munster aangeslagen, en de inkomsten door do rentmeesters ontvangen.

Den 16 Juni 1648 verscheen het plakkaat, waarbij aan alle geestelijken op boete van minstens 600 gulden en arbitrale correctie gelast werd binnen den tijd van acht dagen het land der Meijerij te verlaten, en daarin niet weder te keeren. Vau deze verbanning

-ocr page 508-

12

waren slechts de priesters uitgezonderd, die krachtens de capitulatie der stad hier mochten verblijven. Tevens begon men op groote schaal de kerkelijke goederen te annexeeren. De geestelijke tienden, de goederen en inkomsten van het bisdom, van de collegiale en andere kerken, abdijen, kloosters, pastorijen en geestelijke beneficiën werden aangeslagen, met uitzondering van de geestelijke goederen, die aan kerken, genootschappon en andere godsdienstige\' gestichten buiten de vereenigde gewesten behoorden. Het verpachten der geestelijke tienden ten voordeele van het land nam in Juli 1648 een aanvang. Onder strafbedreigen werd den 24 Augustus den ingezetenen geboden, dat zij hunne pachten, renten en cijnsen niet meer aan de geestelijken, maar aan de gestelde ontvangers van den Staat zouden betalen.

Eenige jaren later in 1G51 op 12 December werd bovendien voorgeschreven, dat al wie in do Meijerij kerkelijke goederen en ornamenten had verduisterd, daarvan aangifte behoorde te doen. Wie het niet deden en later als dusdanig bekend raakten, zouden als infame persoonen en kerckroovers aangezien en gestraft worden.

Do katholieke bewoners der Meijerij verzochten de Staten hunne rechten te eerbiedigen; het hof van Brussel zond den raadsheer Petrus Stockmans naar \'s-Gravenhage om voor de Roomschen eeno mildere behandeling te vragen, doch het antwoord luidde: „de dienst van den Staat gedoogt geone „verandering.quot;

De kerkelijke goederen aan hunne oorspronkelijke bezitters ontnomen, worden niet alle besteed voor het onderhoud der predikanten, maar ze waren zoo overvloedig: „dat nog menig „protestantscho heer of dame, ook van groeten huize, met ker-„kelijke beneficiën, of liever met de inkomsten daarvan, konden „begiftigd worden.quot;

Sedert 1672 werd echter de toestand voor de Roomschen dragelijker. Wel moesten vele gemeenten voor het verkregen verlof schuurkerken te mogen openen en daarin de godsdienstplechtigheden te vieren zware recognitie-gelden betalen, wel ging het aanstellen van pastoors en kapelaans met groote omslachtigheid

-ocr page 509-

13

gepaard, doch de toestand der Roomschen van de IS^0 eeuw was niet te vergelijken met hetgeen hunne vaderen vroeger hadden verduurd. De houding door de katholieken in deze gewesten aangenomen bij den inval der legers van Lodewijk XIV, on meer nog tijdens den twist tusschen Patriotten en Prins-gezinden , had hun bovendien allengs de genegenheid der Staten verworven. Bij resolutie van den 8 Januari 1787 gaven deze aan de Roomschen grootere vrijheid om hunne schuurkerken te verbeteren, en de hoop tevens, dat iu de betaling der recognitiegelden vermindering, of zelfs totale kwijtschelding daarvan verleend zoude worden.

De jaren van de Bataafsche republiek en van het koninkrijk Holland waren voor de katholieken belangrijke tijden. Er werd bepaald, dat alle kerkgebouwen en pastoreele woningen, in zoo ver zij geen particuliere eigendom waren, ter beschikking van het plaatselijk bewind zouden gesteld worden, ten einde deswege ten behoeve der kerkgenootschappen binnen zes maanden tot eeno regeling te geraken, liet aantal zielen van ieder genootschap strekte tot grondslag, en zoo hadden de katholieken in de Meijerij schier overal het recht om, zoo als men het noemde, hunne oude kerken te naasten, onder eene zekere uitkeering van geld aan de minder talrijke gezindheid, berekend naar het zielental. De torens met klokken werden aan de burgerlijke gemeente in eigendom aangewezen.

Toen echter op 1 Juli 1810 Lodewijk Napoleon van den troon afstand had gedaan, en het koninkrijk Holland bij het Fransche keizerrijk was ingelijfd, brak de tijd van beproeving en vervolging op nieuw aan. Zonder bet pauselijk gezag te erkennen beraamde do keizer eene nieuwe kerkelijke organisatie op eigen hand.

\'s Hertogenbosch, waarvoor sinds den dood van Joseph Ber-gaigne, den 12 October 1647 , geen bisschop meer was benoemd, zou wederom de zetelplaats, en de St. Janskerk, in 1629 aan de katholieken ontnomeu, de kathedraal eens bisschops worden. Wel verlangden de katholieken niets vuriger dan het

-ocr page 510-

14

herstel der hiërarchie, doch aan de eigenmachtige maatregelen van den keizer mochten zij echter hunne goedkeuring niet schenken. De grijze Petrus Jacobus de Pauw en Mathias Franciscus van Camp, beiden achtereenvolgens door Napoleon tot bisschop aangesteld , misten hunne wettige zending, en werden daarom noch door geestelijkheid, noch door het volk als hunne rechtmatige kerkvoogden erkend.

Het kou niet uitblijven of dit verzet moest den toorn des keizers over de geestelijkheid doen nederkomen. De vicarius Antonius van Alphen, de president van het seminarie Antonius van Gils en Gaspar Moser, die als de voornaamste tegenstanders van Napoleons gunstelingen werden beschouwd, moesten het land verlaten.

Gelukkig duurde deze geweldpleging niet lang. Napoleon werd naar Elba gevoerd, en eer nog in 1813 de legers der verbondene mogendheden den Bosch binnen rukten, had van Camp die stad reeds verlaten. De verbannen priesters keerden terug en te recht hoopte men, dat na zoo veel jaren eindelijk voor goed de tijd van rust en orde zoude aanbreken.

In vele gemeenten waren de katholieken in het bezit hunner voormalige parochiekerken gesteld. Deze kerken eischten schier alle onmisbare reparatiën. Op het domeinbestuur, dat de oude geestelijke tienden beheerde, rustte de verplichting voor het onderhoud dei-kerken te zorgen. Om zich van dien last te kwijten kocht het domein-bestuur in eens die verplichting af. Dit geld, gevoegd bij de vrijwillige bijdragen der geloovigen, werd voor de herstelling der kerken gebruikt, en waar dit onvoldoende bleek, werden niet zelden aanzienlijke toelagen uit \'s lands schatkist verstrekt. Wat er sinds geschiedde, meen ik hier stilzwijgend voorbij te mogen gaan.

§ 2. Kerkelijke goederen in het gedeelte van Noord-Brabant, dat tot het Bisdom van \'s Hertogenbosch behoort.

Dat de geestelijke goederen in de provincie Noord-Brabant schier alle van hunne oorspronkelijke bestemming vervreemd werden, behoeft na het voorafgaande nauwelijks gezegd te worden.

-ocr page 511-

15

Eenige echter bleven bewaard en strekken, zooals uit de bescheiden blijkt door de burgemeesters aan Z. Excell. den Minister medegedeeld , tot vrome doeleinden. Doch bij de vele, die aan hunne oorspronkelijke bestemming onttrokken werden, kunnen deze weinige niet vergeleken worden. Bijna alle kerken in het bisdom van \'s Hertogenbosch waren rijk aan beneficia simplicia. Men behoeft slechts de geschiedenis van dit diocees, door den Zeer-Eerw. heer L. H. C. Schutjes in het licht gegeven, open te slaan om zich daarvan te overtuigen. Te willen herhalen wat hij meldt, ware nutteloos werk.

ïwee officieele rekeningen en verantwoordingen geven mij omtrent de kerkelijke goederen in deze landen eenige belangrijke bescheiden. De eerste, op den 31 Januari van 1806 ingekomen, is van Mr. J. H. Le Hem „afgetreden rentmeester der geestelijke goederen over het quartier van Peelland, Meyerye van \'s Hertogenboschquot; enz.

De tweede, ingekomen den 17 September 1808, draagt tot opschrift ,zeventiende conclusive rekening, bewijs en reliqua van de administratie van Leopold van Limburg Stirum, afgetreden rentmeester der episcopale- en kloostergoederen in \'s Hertogenbosch en der geestelijke goederen in het kwartier van Maasland, volgens commissie in rekening van 1783fol. 14 et seq. van woord tot woord gereviseerdquot;.

Voor deze oorkonde schreef Jon1quot;, de Bergh „Verklare de ondergeteekende op den eed in den aanvang van mijne bediening gedaan dat in deze rekening niet wis is agtergelaten van hetgeen bij mij ontvangen is, of hetwelk ik in cas van officie ben schuldig geweest te ontvangen en te verantwoordenquot; etc. etc.

Uit deze officieele en belangrijke bescheiden vermeld ik iets omtrent de vicariegoederen , welker opsporing mij in deze gewesten werd toevertrouwd.

Heesch. In de Analectes I p. 269 (1) wordt voor de kerk van Heesch van een Katharina v kar ia gewag gemaakt. Van dit beneficie schreef Jonr. de Bergh; „Een hoeve en landerijen

1

Analectes pour servir è, l\'histoire ecclésiastique de la Belgique.

-ocr page 512-

16

aldaar gekomen aan het beneficie van St. Catharina altaar in

de kerk te Heesch, waarvan 1i3 zijn genoten geweest bij Abraham Ossewijer en nu sedert den jare 1806 begeven aan Boni Roonius, pastor te Strijp (2), is volgens hun Ed. Mog. rese. van den 19 December 1710 ten erfpagt uitgegeven aan Andries Rijnders nu gcpossedeert wordende bij Johannes van Berkel nomine uxoris jaarlijks otn veertig gulden.quot;

\'s Hertoge nbosch. „Beneficie van Baxchoor in St. Janskerk bestaande in twee capellaniën, waarvan § worden genoten bij Mr. Willem Bilderdijk voor de eene helft en voor de andere helft bij Emmanuel Pelgrom de Bie, waarvan collatores zijn , een van boyde vacerende, de naaste van den bloede van den fundator Gysbert Baks, en hot tweede vacerende mede den naaste van deu bloede van gemelde fundateurs, en decan van \'t capittel van St. Jan, nu gereprensenteert wordende door H. li. Mog. Hr. Staeten Generaal der vereenigde Needeiianden, en dus als voor alternatie vergeeven wordende, zijnde de laatste collatie door Euphemia Pelgrom de Bie, huisvrouw van Andries Dull, met concurrentie van H. H. Mog. gedaan en bij hoogst derzelver res. van 13 October 1773 en komen deze beneficiën hierna in uitgave fol. 267 en seq.

Wijders staat te weten dat voorz. collatrice ten comptoire van den rendant, conform H. H. Mog. res. van deu 13 Augusty 1722 heeft doen blijken dat zij is bezittersche van de Weijde, waaraan het regt van collatie is gehegt, en voorts conform H. H. Mog. rese. van den 13 Juny 1771 dat volgens de brieven, waarbij voorst vicarye of capellanie zijn gefondeert is bepaald dat de voorsz. weyde of kamp lands, bij successie, verkoping of andersints niet mag komen aan iemands van den bloede van den fundateur, of dat zulks gebeurende, de weyde en het recht van patronaatschap, daaraan geannexeert zal vervallen aan St. Janskerk en den decan van \'t capittel van dien.quot;

(2) Van het jaar 1787 tot 1810 was Roomsch katholiek pastoor te Strijp Matt. Joseph Botti; ik vermoed daarom, dat hier door de benaming pastor de predikant der Hervormden wordt aangeduid.

-ocr page 513-

17

Sint-Michels-Grestel. Blijkens de kerkvisitatie van 1615 was aan het altaar der H. Catharina een beneficie verbonden. Hieromtrent lees ik bij de Bergb : „Beneficie van St. Catharina-altaar in de kerk te St. Michiels-Gestel, waarvan § zijn genoten geweest bij wijlen Anna Philipotba iSToey, thans sedert 1793 vacant, als te zien is in rekening van dat jaar; fol. 232 enz.quot;

Van dezelfde plaats wordt verder vermeld: „Beneficie costeraal te St. Michiels-Gestel waarvan i zijn genoten geweest bij Jan Gysbert Drabbe. Collator don Marquis van Bergen-op-Zooni, thans sedert den 3 January 1795 vacant, als te zien is in rekening van 1794; fol. 241.quot;

Geffcn. Volgens het archief van St. Jan te\'sBosch bestond daar voorheen eene vicaria aan hot altaar der H. Maria. Hiervan schreef de Bergh: „Beneficie van St». Maria-Altaar in de kerk te Geffen, waarvan § genoten bij Doctor Florentinus Verster. Collator Jacob van Grinsven, hiernaar in uitgave fol. 264 etc.quot;

Te Nistelroy waren oudtijds behalve de parochiekerk nog twee kapellen. Aan elk dezer kapellen was een beneficie van 3 H. Missen verbonden. Van een dezer wordt in de volgende bewoordingen gewag gemaakt: „Beneficie van de capel te Nistelroy waarvan § genoten zijn geweest bij Abraham de Rouville, op hem voor den tijd van zeven jaren geconfereert door den Landcommandeur van de balve van Aldenbiesen te Maastricht. De voorz. zeven jaren met 1795 uitgeloopen zijnde, zoo is \'t zelve beneficie thans vacant.quot;

Van de andere kapel te Vo r sten b os ch heet het: „Beneficie in de capel op Vorstenbosch , waarvan worden genoten als voor, doch thans vacant.quot;

In de kerk van Hees wijk vermeldt Coeverinx drie altaren: altare Mariae, alfa re Mariae, Bumoldi et Catharinae, altare crucis et Anthonii. Van een dezer vind ik opgeteekend in de bovenvermelde bescheiden: „Beneficie van O. L. Vrouw-altaar tot Heeswijk waarvan § worden genoten bij Mr. Abraham van Bleyswijk als Heer van Eethen, Meeuwen en Babiloniënbroek; vaceert als te zien ƒ 264.quot;

2n.-B.

-ocr page 514-

18

Osch. Vele landerijen, welke voorheen aan de kerk alhier toebehoorden , werden allengs verkocht. Van de beneficiën aan den dienst der altaren verbonden vermeld ik: „Eerste portie van het beneficie der Apostelen onder het kruis-altaar tot Osch waarvan f worden genoten bij Wilhelmina Frederica van der Hoeven; collator de familie van Jonker van Osch; hiernaar in uitgave fol. 265.quot;

„Tweede portie van het beneficie der Apostelen onder kruis-altaar, tot Osch, waarvan § worden genoten bij Abraham Verster; collator Helena van Osch: Zie naar uitgave fol. 265.quot;

„Derde portie van het beneficie der Apostelen onder het kruis-altaar tot Osch, waarvan f worden genoten bij Jan Louis Verster Jasperszoon. Collator de familie van Jonker van Osch; hiernaar uitgave fol. 266.quot;

„Beneficie van de altaren van St. Jan Baptist en Cornelia gefundeert in de kerk, anders genaamd het beneficie van Reven Marcellis, door een van des rendents praedecesseuren aangeslagen, waarvan collator off beneficiant exteert.quot;

St. Oedenrode. Zooweel in de geschiedenis van het bisdom \'s Hertogenbosch door den ZeerEerw. heer Schutjes geschreven, als in een pouillé van 1558 door C. B. de Ridder uitgegeven , blijkt, dat in den loop der tijden de altaren en beneficiën alhier vele veranderingen ondergingen. In het verslag der uitgaven „wegens het capittel van St. Oedenroodequot; lees ik:

„ Omtrent de drie beneficiën of vicanjen gefundeerd op St. Nicolaas,

St. Martens,

St. Lamberts-altaren in de capittelkerk te St. Oedenroode, wordt met eerbied gerefereerd tot \'t geen dienaangaande in de rekening van 1775 fol. 253 et seqq. in\'t breede is geavanceerd, en vermits Otto Juijn in leven beneficiaat van de twee laatst gemelde beneficiën den 18 April 1789 is overleden, wordt hiervan geene betaling meer gedaan; alzoo komt dit capittel

hier maar voor.....memorie.quot;

Te Asten waren in de parochiekerk vele beneficiën. Van

-ocr page 515-

19

het beneficie aan het St. Catharina-altaar was de laatste beneficiant Samuel Endtz. Naar de offieieele rekening bedroeg de pacht der goederen van dit beneficie 244 gulden.

Son. Volgens de opgave over het jaar 1800 had aldaar eene verpachting plaats „waarvan liet achtste gedeelte, dat aan \'tbeneficie van der L. Vrouwe-altaar, genaamd H kafferen , competeert en bedraagt / 160.18: 12.quot;

De benaming kafferen staat in verband met eene hoeve, welke dezen naam droeg. Ook in de rekeningen over de beneficiën van St. Oedenrode vond ik haar vermeld. De beneficiant van L. Vrouwe-altaar genaamd het kofferen te St. Oedenrode was L. quot;VV. van Beusekom.

Hoe meer men deze verantwoording van inkomsten en uitgaven nagaat, des te meer wordt men in de overtuiging bevestigd, dat in Noord-Brabant een zeer groot aantal beneficiën van hunne oorspronkelijke bestemming vervreemd zijn geworden.

Ik vermeld nog slechts een enkel voorbeeld.

Van Helmond een der aanzienlijkste parochiën van Peelland worden in deze bescheiden de volgende beneficiën en beneficianten vermeld.

De Priesters gremisten, beneficianten J. en A. de Jongh; St. Anna-altaar beneficiant D. J. Kempenaar; St. Pieter en St. Paulus beneficiant W. J. van Beusekom; St. Mcolaas-altaar beneficianten J. en A. de Jongh; H. Sacraments-altaar beneficiant L. quot;VV. van Beusekom; St. Catharina-altaar beneficiant J. P. van Beusekom; H. Kruis-altaar beneficiant J. P. van Beusekom; St. Salvator-altaar laatst beneficiant W. C. van Ackersdijk ; L. Vrouwe-altaar beneficiante Maria Dina Brocx; St. Jans-altaar beneficiant L. quot;VV. van Beusekom; St. Leonardus\'-kapel laatst beneficiant quot;VV. C. Ackersdijk; St. Huiberts-altaar laatst beneficiant quot;VV. C. Ackersdijk.

Ik meen, dat het niet noodig is deze mededeelingen, welke ik uit dezelfde bescheiden nog met een groot aantal zou kunnen vermeerderen, verder voort te zetten.

Ongetwijfeld bezitten deze rekeningen geschiedkundige waarde.

-ocr page 516-

20

In hoe verre zij echter nuttig zijn voor het doel, waarvoor onze commissie werd samengesteld, waag ik niet alleen te beslissen. Van hen, die beter dan ik in staat zijn een oordeel te vellen over de wettigheid der regeling van deze geestelijke goederen, meen ik het mijne afhankelijk te moeten stellen. Slechts vermeld ik wat omtrent het bovengenoemde Baxchoor door den wethouder der gemeente \'s Hertogcnbosch in het jaar 1880 verklaard werd. „Het beneficie van het Baxchoor in de St. Janskerk alhier, dat jaarlijks ongeveer 375,00 opbrengt, wordt door den ontvanger der registratie te Sint-Oedenrode betaald voor \'/s aan kapitein Bilderdijk te \'s Hage, \'/3 aan van den Brummel postdirecteur te Velp (bij Arnhem) en \'/3 aan het Rijk1\' (]).

quot;Worden deze bescheiden als niet van waarde verstoken beschouwd , dan zal óf het rijksarchief van \'s Hertogenbosch óf mijn afschrift van deze rekeningen nogmaals geraadpleegd dienen te worden.

Om te voldoen aan het verlangen van enkele leden onzer commissie, die uit mijn verslag wenschen te vernemen hoe in latere jaren de vicarie-goederen in Noord-Brabant werden beheerd, veroorloof ik mij hier ter plaatse de bescheiden over te nemen mij door den Zeer Eerw. heer W. van Benningen welwillend afgestaan, en op het einde van mijn verslag als Bijlagen te geven een afschrift der antwoorden door sommige burgemeesters op de circulaire van 17 Juni 1880 den gedeputeerden Staten van Noord-Brabant toegezonden, en eindelijk een uittreksel mede te deelen uit de bij het departement van Financien berustende: Staten van onroerende goederen in de doode hand,

1

Volgens mededeeling van Zijne Excellentie den Minister van Financiën (Juni 1880) wordt in den staat der inschrijvingen ten name van vioariën in het Grootboek der 2} pCts. Nationale Schuld aangetroffen L. S. deel 6. N0. 1690, voor het vicariaat van het bisdom \'s Hertogenbosch eene som van 1300 gulden, waarvan destijds de laatste rente was betaald aan Z. D. H. Mgr. Zwijsen ojj 1°. Januari 18S0. Andere dergelijke inschrijvingen vond ik voor Noord-Brabant slechts aangegeven te Loon-op-Zand. Zie Bijlage I. bl. 72.

-ocr page 517-

21

voov zoover deze ondersteld worden tot de vicarie-shchtingcn te hehooren in de provinciën Noord-Brabant en Limburg.

Aarle-Eixtel en Helm oud. Door Z. M. is magtiging verleend tot vernieuwde begeving der inkomsten van de beneficiën gevestigd op het St. Triniteits-altaar te Aarle-Rixtel en het Sint Anna-altaar te Helmoud aan den heer L. van Leeuwen pastoor te Aarle-Rixtel, zoolang hij de bediening aldaar zal beldeeden. 1 Junij 1874.

B e e k-en-D o n k. De Minister van Binnenlandsche Zaken confirmeert de begeving der inkomsten vnn eeu beneficie, gevestigd op St. Leonardus-kapel op den Beekschen Donk aan A. . van Bussel, tijdelyk kapelaan aldaar, door de weduwe L. van den Oeven en de weduwe L. Verbeek, eigenaressen van den zooge-naamden „Mostaard akkerquot;, gemeente Veghel. 19 October 1877.

Boxmeer. Op besluit van Z. M. wordt aan den zoon van den predikant te Boxmeer toegestaan tot 1831 , de inkomsten te genieten van het beneficie uit de scholasteriën des kapittels St. Pieter te Oedenrode. 11 Sept 1828.

Boxtel-Helmond. Op kabinetschrijven van Z. M. aan den Minister verkrijgt de predikant van Helmond de inkomsten van een beneficie, sedert dit opengevallen was door het overlijden van den pastoor te Lage-Mierde, en zoolang hij daar predikant zou zijn. Het bedrag er van was f 49.09 , uitbetaald wordende door den agent der domeinen te Eindhoven. 8 Junij 1836.

Beugen enz. De Minister door Z. M. gemagtigd om Jeanctte Dorothea Schindlen en Carolina Louise Jeanette de Belangé, ieder voor de helft in het bezit te stellen van de inkomsten der praebeuden van het Lieve Vrouwe-altaar te Mill, van St. Sebas-tiaan en St. Lucie te Beugen en van St. Maarten en St. Agatha to Cuyck en van St. Anthonii en St. Mcolai-altaar te Beugen, alle in Noord-Brabant, heeft ze daartoe gerechtigd verklaard, mits zich gedragende naar de verordeningen op de vicaviën etc. 7 September 1825.

Gansoijen. De inkomsten van zeker beneficie castraal door Mr. I. P. Scholten van Gansoijen te quot;Waalwijk, als heer der heer-

-ocr page 518-

22

lijkheid en huize Gausoijen begeven. Geconfirmeerd 14 Maart 1833.

NB. Later is, na overgelegde stukken , Mr. M. P. Scholten van Gransoijen als collator van dit beneficie erkend. 9 Junij 1876.

Grave. De vicarie van St. Josten kapel op den stam bij Grave op grond van koninklijk besluit geconfereerd op A. H. Rijk, koopman te Boxmeer. 15 Januari 1830.

Heesch. De Minister stemt het verzoek toe van Petrus van der Cammen, Roomsch katholiek priester in de gemeente Heesch (kanton Os) om met het vacerend beneficie, ten name van St. Catharina-altaar in de kerk te Heesch, begunstigd te worden. 12 Junij 1817.

Helmond. De heer C. F. Wesselman, de heerlijkheid Helmond gekocht hebbende, verzoekt de collatie van een bene-ficie, genaamd de kapel van Milhezen, gedaan aan zijn zoon te confirmeren. De Minister verlangt echter eerst den aard van het beneficie te kennen, of het patronaatschap werkelijk aan de heerlijkheid verbonden, en of do stichting gedoogt de inkomsten aan zijn zoon te confereren. 28 Pebruarij 1828.

Helmond. Praebende gevestigd op het gremium iu St. Nicolai kerk te Helmond op autorisatie van Z. M. begeven aan een jongeling te Amsterdam voor drie jaren. Inkomsten f 138.78 te betalen door den ontvanger der domeinen te Eindhoven, 23 Junij 1828.

N. B. Later is deze begeving hernieuwd.

Op verzoek van Z. E. den Minister van Justitie, administratie voor de zaken der Roomsch katholieke eeredienst, om den heer Theodorus Spierings , pastoor te Helmond , het beneficie te geven, gevestigd op St. Pieter en Paulus-altaren in de parochiekerk aldaar, dat in 1868 was opengevallen door het overlijden van den heer M. S. van Beusekom te \'s Hertogenbosch, die daarmede sedert het laatst der vorige eeuw was begiftigd, wordt zulks toegestaan, en wel van af het tijdstip, waarop die inkomsten zijn beschikbaar geworden, tot zoolang hij zijne tegenwoordige betrekking zal waarnemen. 29 Maart 1870.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, gezien den brief van den Minister van Financiën van dd. ] 7 Juhj 1.1. n0. 8 (Afd.

-ocr page 519-

23

Eered.) ten geleide van een sclirijven van den heer J. Zwijsen, aartsbisschop, bisschop van \'s Hertogenbosch bij te wonen n0. 51/580, houdende verzoek dat het beneficie gevestigd op St. Pieter en Paulus-altaren in de parochiekerk te Helmond, opengevallen door het overlijden van den heer Theodoras Spirings, pastoor te Helmond, werd begeven aan den heer W. L. van Asten, welke hem op 21 Mei 1877 in die betrekking is opgevolgd, tegen welke begeving bij den Minister van linanciën geen bedenking bestaat, heeft goedgevonden den heer W. L. van Asten, pastoor te Helmond, gerechtigd te verklaren tot het genot der inkomsten van voornoemd beneficie van af 21 Mei 1877, tot zoolang hij die betrekking bekleedt. 25 Jul ij 1877.

Leende. Geconfirmeerd de begeving der vicariën gefundeerd in de St. Jans kapelle te Strijp, en op het Lieve Vrouwe-altaar te Leende , in de familie van Tuyl van Serooskerke. 23 Julij 1822.

De begeving gedaan door R. Iv. baron van Tuyl van Serooskerke, Raad eu Generaal Mr. van de Munt te Utrecht en in de hoedanigheid van curator van K. A. M. H. baron van luyl van Serooskerke door A. E. C. A. barones van Tuyl van Serooskeike als heeren en vrouwen van de heerlijkheid Hecze en Leende en de zes gehuchten, geconfirmeerd en alzoo Karei August Marie Hyppolite baron van Tuyl van Serooskerke gerechtigd verklaard tot het genot der vicariën of praebenden gefundeerd op St. Jans-kapel te Strijp en op het Lieve A rouwe-altaar te Leende, te rekenen van Lichtmis 1843 en verder zijn leven

lang gedurende. 18 Maart 1848.

Lier op. Beneficie gevestigd op het L. V. altaar in de kerk aldaar. Begeven door Jonkheer I. C. G. van der Brugghen van Croij en Stiphout, aan jonkvrouwe Jeanne Caroline Constance Wilhelmina van der Brugghen. Geconf. 9 April 1827.

Uit latere stukken blijkt, dat het regt van collatie van deze vicarie verbonden was aan den eigendom van een stuk land (leembeemd), gelegen te Aarle-Rixtel, behoorende tot de nalatenschap van jonkvrouwe I. C. W. van der Brugghen, te Stiphout, overleden den 29 Maart 1873, dat de algemeene armen

-ocr page 520-

24

dier gemeente is erfgename geworden der nalatenschap, en bij gevolg het bestuur der algemeene armen collator werd van bovengenoemde benofieio. Door dat bestuur zijn de inkomsten er van begeven aan den pastoor te Lierop, G. C. Pijpers, om ze zijn leven lang gedurende te genieten. De begeving is geconfirmeerd 18 Mei 1874.

Loon- op-Zand. Beneficie castraal van St. Lucia en dat van het L. Vr.-altaar in de parochie-kerk te Loon-op-Zand, door den prins van Sahn Salm, grondheer der heerlijkheid, begeven aan den pastoor C. H. Schrijvers aldaar. Geconfirmeerd de begeving 2(5 Febr. 1835.

Hetzelfde beneficie is 25 Mei 1841 begeven aan pastoor Spoorenberg.

De heerlijkheid is later gekocht door vrouwe A. M. J. J. de Roij van Zuidewijn, donairiere jonkhr. mr. P. K. Verheijen, door wier erfgenamen de inkomsten begeven zijn aan pastoor Gr. van den Heuvel, welke begeving 22 Aug. 1870 is\'geconfirmeerd, terwijl nog later de inkomsten door dezelfde erfgenamen begeven zijn aan den pastoor te Loon-op-Zand, P. H. Klijsen, welke begeving 3 Junij 1877 is geconfirmeerd.

St. Mie biels-Ge stel en den Dung en. 11 Sept. 1841 is het verzoek toegestaan van den predikant en kerkeraad aldaar, om uit het beneficie castraal, gaande uit de goederen en tienden van Oud-Herlaar, \'s jaars, voor tien jaren, een som van/■ 450 te mogen ontvangen, om daaruit de schulden dier gemeente te voldoen.

Mi er 1 o. Collatie der inkomsten op (sic) het huis „Kelder-mansschijns en Lieve A r.-altaar te Mierlo door vrouwe douairière van Scherpenzeel-Hensch, gegeven aan den pastoor J. van der Putten te Tongelre. Geconfirmeerd 1819. Genoemde pastoor heeft a0. 1834 van de inkomsten vrijwillig afstand gedaan, die toen aan pastoor Joh. van de Pol zijn gegeven. Die begeving is 15 Nov. van dat jaar geconfirmeerd.

Na diens overlijden heeft baron van Scherpenzeel-Heusch de inkomsten gegeven aan den pastoor te Mierlo A. Vissers, en zulks gedurende zijn leven. Geconfirmeerd 17 Maart 1838.

-ocr page 521-

25

Ni stel rode. De priester W. van Krieken, rector der kapel te Vorstenbosch, onder de gemeente Nistelrodo, wordt uit kracht der kon. autorisatie geregtigd verklaard tot het genot der inkomsten van het Heilige Kruis-autaar te Nistelrode, van het oogenblik, dat die hebben opgehouden te loopen ten voordeele van zijnen ambtsvoorganger W. Vogels, en wel zoolang, als hij die betrekking bekleeden zal. 27 April 1835.

Later, 16 Augustus 1864, zijn dezelfde inkomsten op dezelfde wijze begeven aan pastoor Hendrik van Leur, priester der parochie Vorstenbosch, gemeente Nistelrode, zoolang hij in die betrekking daar wezen zal.

St. O eden rode. Overeenkomstig kon. besluit, wat vicariën etc. betreft, van 8 Mei 1814, uquot;. 17, worden, gezien de stukken op adres van A. S. C. Hanewinckel, geboren Schmidt, aan haar uitbetaald de inkomsten van het beneficie uit het Laars-koorken, met die van de Lieve Vrouwe en St. Wouters-altaren te St. Oedenrode over 1811 — 1824, zamen /\'812, en bepaald, dat die voor liet vervolg haar zullen uitbetaald worden. 22 Aug. 1825.

Een student in het seminarie te St. Michiels-Gestel op aut. van Z. M. begiftigd met de inkomsten van het beneficie uit de scholasteriën des kapittels St. Pieter te St. Oedenrode, bedragende f 137.1472 \'s jaars, te betalen door don agent der domeinen te \'s Hertogenbosch. 11 Maart 1835.

De begeving is a0. 1833 voor drie jaren hernieuwd.

Later, aquot;. 1841, begeven aan een jongeling op de latijnsche school te Gemert.

A0. 1844 en 1847 begeven aan een student aan het seminarie te Culemborg.

Oirschot. K C. de Gipelaar, wonende op het huis Zuilen-stein te Amerongen, verzocht met lijfrenten te worden begiftigd, zooals bij kon. besluit aan de canoniken of beneficianten van het voormalige kapittel van St. Pieter te Oirschot is toegestaan. Hij wordt in het genot gesteld van 1 der inkomsten, dquot;. 8 Aug. 1822.

-ocr page 522-

26

Later, 8 Dec. 1853, is mr. E. de Gijselaer tot die ontvangst geregtigd verklaard.

Geconfirmeerd de begeving door H. Bachiene, landbouwer te Gemert, aan den pastoor J. Zwijsen te Best van het beneficie op het hoogaltaar van het koor in de parochie-kerk van St. Pieter te Oirschot, genaamd de Cantorij. 20 Jan. 1829.

Jonkheer M. P. W. A. Beelaerts van Blokland begeeft als collator van St. Anna in de parochie en collegiale kerk van St. Pieter te Oirschot aan G. S. P. Beelaerts van Blokland. Geconfirmeerd 14 Febr. 1849.

Men zie over liet beneficie van den organist te Oirschot bijlage 10.

O ss. Wilhelmus van Alphen, R. C. priester te Oss, verzoekt om te worden begunstigd mot het beneficie van St. Catharina\'s St. Jans en St. Anthonius altaren met de kapel op het bouwhuis te Bakel, opengevallen door den dood van den heer Duchateau, deken en pastoor der R. C. gemeente te Oss, mitsgaders om te genieten de renten, welke daarop sedert het overlijden van genoemde zijn vervallen. De minister „in aanmerking nemende „dat de beursen of\' beneficiën waaromtrent het eigenlijk doel „van stichting niet bekend is, volgens de wetten van den lande, „behooren te strekken tot onderhoud van behoeftige studenten „difficulteert om aan het verzoek te voldoen.quot; 11 Junij 1818.

A. Devenijns, grondeigenaar te Oss, wordt geregtigd verklaard tot het uitoefenen van het regt van patronaat van de tweede portie van het beneficie der Apostelen onder het kruis-altaar te Oss, en de jongeling C. R. Hermans, student in de godgeleerdheid in een seminarie onder de gemeente St. Michiels-Gestel, geregtigd tot het genot der inkomsten. 4 Julij 1822.

Dezelfde ontvangt a°. 1825 ook de eerste en de derde portie van hetzelfde beneficie.

Bij confirmatie was bepaald , dat de gebeneficieerde overeenkomstig de bepalingen op de vicariën, telkens bewijs zou moeten geven van de voortzetting zijner studiën.

Hij vervoegt zich later per adres tot Z, M., bewerende, dat deze begeving ad vitam had moeten ziju, zooals dit beneficie

-ocr page 523-

27

vroeger aan andere personen was begeven, en verzoekt dus ontheven te worden om een bewijs te leveren van de voortzetting zijner studiën. — „Gezien kopijen der tweede begevingsacten „voor den notaris G. H. Knokken van der Meulen te Oss „gepasseerd, in aanmerking nemende de gevolgd wordende „nsantien omtrent het begeven en genieten van vicarij-inkomsten „in de provincie Noord-Brabant thuis belioorende,quot; wordt aan zijn verlangen voldaan. 10 Jumj 1830.

Deze begeving is twee jaren later te niet gedaan. De inkomsten zijn door den collator A. Devenijns te Oss begeven: de tweede portie van het beneficie der Apostelen onder hot kruis te Oss aan den zoon van den kantonregter van Ghert ad vitam. Deze begeving is geconfirmeerd 7 Jan. 1832; op dezelfde wijze en gelijk, is quot;W . van Boxtel voor zjjn leven geregtigd verklaard tot de inkomsten der eerste en derde portie van het zelfde beneficie, door den zelfden collator begeven.

A0. 1864 en 1874 zijn deze beneficiën door toenmalige curatoren weder begeven.

Veghel. Beneficie gefundeerd op het Lieve Vr.-altaar, begeven door J. de Jong aan zijnen minderjarigen zoon. Geconfirmeerd 22 Oct. 1809.

Later geconfereerd op den zoon van jonkheer H. van Beren-steijn. 31 Juhj 1829.

Deze alleszins belangrijke mededeelingen zond de Zeer Eerw. heer W. van Beuningen op 17 Januari 1884 aan den secretaris onzer commissie. Voor het gebruik, dat ik hiervan mocht maken, betuig ik Z.Eerw. mijnen dank.

Wat de bepalingen der katholieke overheid aangaande deze beneficia simplicia betreft, hiervoor durf ik den belangstellende naar het eerste gedeelte van mijn verslag verwijzen. Alleen stip ik hier nog aan, dat de tegenwoordige H. W. bisschop van \'s Bosch mij tot tweemalen toe verzekerd heeft, dat van al, wat thans nog genoten wordt door zijne katholieke onderdanen van de voormalige

-ocr page 524-

2S

kerkelijke goederen, verantwoording aan hem geschiedt en de verplichtingen worden vervuld.

§ 3. Het Bisdom Breda.

De parochiën van het gedeelte der provincie Noord-Brabant, dat thans tot de rechtsmacht van den bisschop van Breda behoort, maakte vóór 1560 deel uit van het Lniksche prins-bisdom. Doch sinds de oprichting van het bisdom Antwerpen in het vermelde jaar tot aan 1801 berustte de kerkelijke jurisdictie over de katholieken van dit gewest bij de kerkvoogden dezer diocese. Sonnius, die door don Paus op voordracht van koning Philips van \'s Hertogenbosch naar Antwerpen was verplaatst, verdeelde in 1571 het bisdom in vier dekanaten, waarvan twee, Breda en Bergen-op-Zoom, in ons vaderland gelegen waren.

Toen ten gevolge der Fransche overheersching het bisdom van Antwerpen was opgeheven , werd voor dit gedeelte van Noord-Brabant een vicarius apostolicus aangesteld.

Deze toestand bleef voortduren tot aan het oogenblik, waarop in 1853 een nieuwe kerkelijke organisatie in ons vaderland werd ingevoerd. Het mag overbodig heeten te vermelden op welke wijze ook in dit gedeelte van Noord-Brabant vele geestelijke goederen voor de katholieken verloren zijn gegaan. Wat in het straks besproken gedeelte dezer provincie voorviel, greep ook hier op bijna gelijke wijze plaats. Spanjaarden en Staatschen betwistten elkander het oppergezag, en nu eens hadden de bewoners aan dezen , dan weer aan genen te gehoorzamen.

Reeds in het jaar 1580 op den 12 December werd uitgevaardigd eene

OEDONNANTIE van zijne Excellentie van de geestelijke goederen over te brengen aen zijne Excellentie\'\'s raeden (1).

Achtervolgende de resolutie van den Staten van Brabant van den XII dach Octobris lest leden ende de verclaringe van den

(1) Acten magistrael van Breda. Regr. 7 fol. 190.

-ocr page 525-

29

zeiven gedaen deo tweeden Novembris ende daernae op ten vijerden Nov. voorleden om te procederen tot annotatie van alle geestelieke goederen juris patronatus nijet zijnde om welcke annotatie de baenre ende andore smaelheeren geordineert is te voorsien een yeder in zijn heerlicheden. Soo ist, dat zijne Excellentie gecommitteert heeft ende committeert mits dosen die van zijnen raide ende rekenkamer tot Breda om van alle conventen, cloosteren, capitulen , canonicken , pastoircn , vicarissen, beneficianten ende andere gheestelicke persoonen, als oick kerckmees-teren ende costeren te voorderen declaratie ende pertinente staten van alle haere goeden, oick van de meubelen tot beuren kerck-diensten behoirende gedestineert ende tot nog toe geuseert wesende, deselve staten doende stereken bij oede van denzelven collegien beuren rentmeesteren, gemeebtighden ende andere comisen nae behoireu ende alle andere des behoirende. Ende ingevalle hem ijemants van desen onwilleh betoonde verbiedt ende interdiceert mits desen zijne Excellentie den zeiven alle voordere administratie ende doen arreste aen de crediteuren pachters oft bruyekeren van den goederen derzelver on willigen voirders eenen iegelicken zoo dat geordonneert is; oick verbiedende dat zij hen wachten van eenige allienatien oft oppig-noratien te doen van eenige der voors geestelieke goeden. Zoo dezelve voor nul ende crachteloos ende de overtreders van desen strafbaer gehouden zullen worden. Ende zullen alle de beneficianten voors. den staten van de voors. goederen zoo doen stellen dat daerinne uutgedruct worde hoe groot een yeder psercheel zij, waer gelegen, waer uutgaende ende wien competerende, wanneer gemaect oft geacquireert, alles zoo nae als mogelycken, om tot kennisse van alles te geraecken. Ende zullen voirts die van den raede ende rekencamer voors hen informeren op alle collatien bij wij en die gedaen zijn ende hoe die possesseurs daer aen gecomen zijn. Ende zullen van den goederen ende beneficiën juris patronatus zijnde een bijzonder capittel ende staet doen stellen om het een met het ander nijet te confonderen. Ordonnerende voorts zijne Excellentie dat terstont van dese missiven

-ocr page 526-

30

den vorsters allomme bestelt zullen worden om een yeder hiervan te insinueren ende eenen praefixen dach te stellen bynnen welcken zij, zulex voorscreven is, aen die van den raede ende rekencamere gehouden zullen zijn over te brengen. Aldus gedaen onder den naem ende zegel van zijne Excellentie bijnnen der steden van Delft op ten XII dach van Decembre des jaers 1580. Onderteekent Guille de Nassau.

Onder stout geschreven aldus bij bevelen van zijne Excellentie.

Onderteeckent Chr. Huygens. Ende was onder daer opgedruckt den zegel van zijne Excellentie in rooden wassche.

Dit placcaat ofte dese ordonnantie is te Breda ter poeyen af gepubliceert des sondachs den 22 Jan. a0. 1581 ter gewoonlicker ure van publicatie, present Baes stadthouder van den schoutet, Wachmans en Busemius schepenen in Breda, uijtgelesen bij mij .. van de Corput.

Gecollationeert dese copie aen het originaeel placcaet ofte ordonnantie ondergescreven geteeckent ende besegeit als voir is deselve daermede bevonden concorderende bij mij

v. d. Corput.

Eenige dagen na de afkondiging dezer resolutie werd geproclameerd de

ORDONNANTIE op \'t rxyrnen van de groote kercke ende de gheestelicke personen ende hönnen goed.

Alzoe zijne princelicke Excellentie, bij zijne breeven van date den XIX Febr. lestleden gescreven, begeert ende geordonneert heeft zoo aen mynen Heeren superintendent, die van zijnen raede ende rekeninghen tot Breda als aen de magistraet derselver stadt ende oock aen het capittel alhier dat men van nu voortaen de Gereformeerde religie sonde houden ende exerceren in de groote kercke alhier ende de Roomsche religie in de Marcken-daelsche kercke, om welcker zijnre Excellencie\'s begeerte ter

-ocr page 527-

31

executie te stellen eade te effectueren, van noode is ende zijn zal dor kercken goeden, boecken, brieven ende de andere dienende totten dienst ende exercitie van de voors. Roomsche kercke te transporteren van d\'een kercke in d\'andere, ende ten eynde dat \'t selve geschieden zal mogen bij goede ordre, zoo is bij mijn heeren superintendent, drossaert, schoutet, borgermeesteren ende schepenen in Breda bij advijse van mijnheeren raiden van zijn princelycke Excellencie, yerst hierop gehoirt dyen van den capittele van Breda van \'s Heeren ende der stadt wegen gesloten ende geor-donneert ende wordt seer scerpelick bevolen; dat nycmant, wije hij oock zij, hem en vervordere den geestelicke personen ende andere die bij hen oft dese stadt zullen mogen gestelt oft gecommiteert worden in \'t ruijmen, overdragen ende transporteren van hönnen goeden, brieven, scriften, munimenten, ornamenten, epitaphien, schilderijen , beelden ofte andere dingen den geeste-licken persoenen toebehorende ende dienende totte exercitie van de Roomsche religie, ute groote kercke in de Marckendaelsche oft elders bynnen dese stadt, daer hen dat believen zal, enich, belet, hindernisse oft stoornisse te doen directolick oft indirec-telick deselve te misdoen, misseggen, injureren oft nae te roepen met woorden ofr wercken in enniger manieren, mer dat eenijelick deselve peijselick ende vredelick onverhindert zal laten gaen ende passereu, daert hen believen zal. Dat oock nyemant hem en vervordere deselve goeden aen te tasten, te nemen oft hem afhandich te maecken noch oock in de voors. groote kercke oft andere kercken oft cloosteren bynnen deser stadt te vallen ende aldaer enige beelden, altaren oft andere dingen der voors. kerck toecomende ende daerinne staende, ende veel min enige tomben, sepulturen, epitaphien oft andere dyergelycke te breken off te smijten, te schenden noch oock deselve aen te tasten, te nemen ewech te dragen oft te vervreemden. Ja dat oock nyemant hem en vervordere in de voirs. groote kercke als men zijner Excellentie begeerte voors. volcomen ende ter executie stellen zal, te gaen oft hem aldaer oft daer omtrent te laten vijnden dan alleen deghene, die van \'s Heeren ende der

-ocr page 528-

32

stadt wegen , gecommitteert zullen worden in de voors. kercke te gaen ende aldaer af ende wech te doen, des behooren zal ende voorts die totte wachte vau deselve kercke ende de goeden daer inne wesende gestelt ende gecommitteert zullen worden. Alles (allet) opte poene van der galge oft anderssins arbitralick gecorrigeert ende gestraft te worden nae gelegentheijt der saecken anderen ten exemple.

Ende zoo wes die kynderen oft boden misdoen zal men op te ouderen oft meesteren verhalen. Voorts gebiet mijnheere de superiutendent voors. als overste van den chrychandel alhier in garnisoen liggende , van zijner Excellentie wegen dat nyemant van de capiteynen, oversten ofte bevelhebberen ende hönne ruyteren ende soldaten hier in garnisoen liggende hem en ver-vordere in de voors. kercke ten tijde voors. te comen oft aldaer yets te attenteren oft voorts te stellen; mer dat deselve hem stille zullen houden opte pene als voors.

Toen ettelijke maanden later Breda wederom in de macht der Spanjaarden kwam, werd den katholieken bewoners de groote kerk terug geschonken. Zij behielden haar tot na de overrompeling der stad door de Staatschen in J590.

Op den 22 December 1590 werd in de baronie van Breda een plakkaat uitgevaardigd, waarbij aan Govert van Clootwijck, ontvanger van de geannoteerde goederen in de kwartieren van Breda, werd bevolen, onderzoek, opteekening en annotatie te doen van alle beneficiën en vicariën gefundeerd in de kerken en kapellen onzer stad en lande van Breda.

In Mei 1591 werd de groote kerk, na dat zij van hare heilige beelden en altaren beroofd was, voor de hervormden geopend. Zij behielden haar zoolang de stad in de macht der Staten bleef. Dit duurde tot aan het jaar 1625. Want toen Spinola Breda voor den koning van Spanje heroverde, schonk hij den katholieken hunne kerk terug. Dan langen tijd mochten ook dezen wederom haar niet bezitten. Onder aanvoering van Frederik Hendrik maakten in 1637 de Staatschen zich andermaal meester

-ocr page 529-

33

Viin de vesting. Na deze inname zagen de katholieken ziel; gedwongen hunne kerken voor immer te verlaten. Het kapittel der groote kerk werd vernietigd, en de daaraan behoorende goederen bij \'s Prinsen domein ingelijfd, ten einde de inkomsten tot onderhond der predikanten en andere kerkelijke bedienden te doen strekken (1).

Den afgezetten kanonniken, den pastoors, kapelanen, den beneficianten, en ook den kloosterlingen werd levenslang een pensioen toegewezen.

Voor bet markiezaat van Bergen-op-Zoom enz. geschiedde dit eveneens.

Voor het laatste gewest werd op 5 Maart 1650 het volgende besluit afgekondigd: „De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden .... doen te weten.....dat wij goed gevonden hebben

te ordonneren, gelijk wij ordonneren bij desen aen alle degenen, die eenige chijnsen, pachten, interesten van capitalen, jaer-lijksclie legaten, beneficiën of andere lasten, hoe die genaemt souden mogen wesen , aan geestelijke corpora in den Marquisate van Bergen, vóór het ingaen van den vrede jaerlijks hebben betaeld, als aen \'t convent van Huijheryen, aen kapittulen, pastorijen, capellenjen, prebendarissen, vicarissen, of aen andere diergelijke staten van personen in denselven Marquisate, dat sij alle de selve hebben bekent te maken aen onsen rentmeester van de geestelijke goederen, binnen den tijd van drie maenden

na de publicatie deses, sonder eenige achter te houden......

op pene dat zulks doende sullen moeten opleggen en betalen jaerlijks het dubbelt van \'tgeene ter kwader trouw verswegen is.. .. of andere mulcte .. . Ordonnerende ende bevelende wijders, alle bezitters ende pachters, hetsy van huysen, schuren, landen en de andere goederen, dat sy oock sullen hebben over te brengen in handen van onse voornoemden rentmeester hare originele brieven, pacht- en de huyrcedullen van goederen, die eenige der voorz. geestelijke lasten zijn geldende, ende daer

(1) A. J. van deu Aa , Aardrijkskundig woordenboek.

3n.-B.

-ocr page 530-

34

beneffens vau renten, ehijnsen, interesten, legaten en dergelycx de quitantiën van \'t gecne sy in vorige tijde hebben betaelt, alles op pene als bovenquot; enz.

Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat door het aanwenden van dusdanige maatregelen het behoud der geestelijke goederen voor de katholieken eene onmogelijkheid werd.

In alle de gemeenten werden de katholieken gedwongen hunne oorspronkelijke parochie-kerken af te staan, en zich met burgerwoningen of schuren en later met de zoogenaamde schuur-kerken te vreden te stellen. Allengs echter werd ook hierin, kort na den val der Nederlandsche Staatskerk of gedurende de Fransche overheersching verandering gebracht. Wat evenwel de geestelijke goederen aangaat, daarvan zijn bijna geene tot de oorspronkelijke bestemming teruggekeerd.

In een oud memoriaal, dat ik hier voor de hoofdzaak mededeel, vind ik aangegeven, welke beneficiën er ten jare 1649 in de baronie van Breda nog voor de katholieken bestonden.

§ 4 Kerkelijke goederen in het gedeelte van Noord-Brabant dat tot het Bisdom van Breda behoort.

Memoriael ende aanteekennige van de pastorijen ende benefitien in de kereken ende capellen van den lande van Breda gefun-deert, ende tot vrijen collatie derselve sijn staende ende gepossi-deert werden ten tijde van de publicatie van den Vrede, getrocken uyt d\' acten ende bescheiden daarvan overgelevert.

N0 1. Oosterhoudt. De pastorye van Oosterhoudt mette twelf benefitien in de kerken aldaer gefundeert staen ter collatie van den Heer van Breda.

En sijn bij prince Frederick hoochl. memorie in \'t jaer 1635 vergunt aen Arnoldus Rysborgh bij acten waervan de copijen, in den Raedt overgelevert sijn. Die d\'incoompsten daer van gencoten heeft tot den inganck van den Vrede — Synde overleden op 7 February 1653.

N0. 2. Qroot-Sundort. De pastorye van Gr. Sundert met het

-ocr page 531-

35

benefitie Bquot;c Mariae in de kercke aldaer gefundeert, staen ter collatie van den Heere van Breda. Ende syn by Hooggem. Hr. Prince in \'t jaer 1631 vergunt aen Johannes Luyens, overleden corts na de publicatie van den Vrede.

De 7 resterende slechte benefitiën, in de voors. kercke ge-fundeert, syn by Hoochgem. Prince in 1643 geconfereert aan Eombout Prancatii, als nog in leven synde by acte waervan copie auth. hierneffens gaat geteeckent A. dye d\'incompsten daervan genooten heeft tot den ingang van den Vrede.

N0. 3. Haghe. De pastorye in den ïïaghe staet ter collatie van de Vrouwe abdisse van Thoor. Gelyck ook de benefitiën in de kercke aldaer ende in de capelle van Merckendael binnen Breda van dcselfde kercke dependerende gefundeert, dye d\'in-compsten daervan aen den pastoor Herm. Holthnsins heeft laten volgen gelyck aen de voorgaende pastoors synde de voors. overleden in Augt. 1650.

No. 4. Etten. De pastorye van Etten mette benefitiën inde kercke ende capelle op de Lore (Leur) aldaer gefundeert, staen ter collatie van de Vrouwe decanesse ende capittele van Thoor.

Ende syn by deselve vergunt aen Lambertus Roijmans bij acte van 6 Augt. 1630 bij copye hier neffens gaende, geteekent C.

Van de gemelde benefitiën en heeft de voors. pastoor geene bysondere acte van collatie, dan heeft d\'incoompsten daermede van genoten, als begrepen onder de renten, prouffijten ende emolumenten de voors. pastorye competerende, in de voorsch. acte vermeit, soo als alle voorgaende pastoors deselve incompsten oock genoten hebben; soo de voors. pastoor seet.

N». 5. Sprundel. De pastorye van Sprundel mette benefitiën B. Mariae et St. Crucis in de kercke aldaer gefundeert, staen ook ter collatie van voorgemelde abdisse van Thoor. Ende by deselve vergunt aen Cornelius Rombouts bij acte van 7 Oct. 1640 by copye hierneffens gaende, geteekent D.

D\'incoompsten van de gemelde benefitiën heeft de verm. pastoor mede genoten gelyck alle de voorgaende pastoors, als begrepen onder de clausule, cum omnibus juribus, proventibus

-ocr page 532-

36

et pertinentiis suis universis in de voorschreven acte geinsereert, soo deselve pastor seet.

N0. 6. Grhilse. De pastorije aldaer staet mede ter collatie van de gem. abdisse van Thoor, dye deselve vergunt heeft aen Waltcrus Coninex bij acte 28 Feb. 1645, by copye lüerneffens gaende E.

Het benefitie SS. Petri et Pauli in de kercke van Ghilse gefundeert staet ter collatie van voors. pastor van Grhilse. Ende is by denselve vergunt aen Petrus de Weer by acte van 22 Oct. 1622, by copye hierneffens gaende F.

Het benefitie B. Mariae in de voors. kercke gefundeert staet mede ter collatie van voors. pastoor en is bij hem vergunt aen Joh. Matthei als bij d\'extract uit dit manuael by den pastor overgelevert, getek. Gr. hiermede gaende.

Het benefitie S. Crucis in voorgemelde kercke gefundeert staet ter collatie van den selven pastor. Ende is by hem vergunt aen Joh. Cooinans, als bij voors. manuael-extract sub Gr.

N0. 7. Ten Reijen. De pastorye van Rijen met \'t benefitie B. Mariae in de kercke aldaer gefundeert staen ter collatie van voors. pastoor van Ghilse als by extract uyt \'t register van de benefitiën onder \'t zegel van het Vicariaat van Antw. ge-teekent H. Ende syn by denselven vergunt Johanni Coomans bij acte van 28 Apr. 1641, vvaervan copye hierneffens gaet get. J.

Nquot;. 8. Ginneken. De pastorye tot Ginneken staet ter collatie van de Vre. abdisse van Thoor en is vergunt bij deselve aen Aldericus Lemmens bij acte van 7 Nov. 1647. Waervan copye hierneffens K.

De benefitiën SS. Petri en Annae in de kercke aldaer gefundeert, staen ter collatie als vooren en syn d:incompsten daervan genooten bij den selven pastoor als begrepen onder de clausule geinsereert in die acte „met alle vruchten, emolumenten, prouf-fijten tot de voors. pastorye gehoorende, geen daervan ukge-scheyden, gelyck de voorgaende pastoeren dye genooten hebben.quot;

N0. 9. Eysbergen. De pastorye van Rysbergen staet ter collatie van den bisschop van Gendt, als abt van St. Bavo, dye deselve

-ocr page 533-

37

vergunt heeft aen Cornelius Proost als by acte van d\'institutië.i van den archdiaken van Antwerpen van 16 Junij 1627 by copye hierneffens gaende , geteekent L.

De iste vicarye in de kercke van Rysbergen gefundeert staet mede ter collatie van den biss. van Gendt. Eudo is by denselven vergunt aen Nicolaus D\'Arsenius als by copye auth. van d acte van Institutiën van 19 Nov. 1645 hierneffens gaende, get. M.

De 2Je vicarye aldaer staende ter collatie als voren, is vergunt aen Melchior Somers als by copye van d\'acte van institutie van 5 Mey 1646 hierneffens N.

Het benefitie B\'ie Mariae in do voors. kercke staeude ter collatie van den pastoor aldaer, alsoo \'t selve by d\'afsterven van den voorgaenden pastoor was vacerende, ende binnen gestelden tijd daerinne nyet was versien beeft de biss. v. Antwerpen \'t selve benefitie jure devoluto geconfereert aan Joh;, van den Bossche, als by copye van d\'acte van collatie van 24 Jan. 1630. hierneffens, get. O. dye d\'incompsten daervan genoten heeft tot ten inganck toe van den Vrede.

Van \'t benefitie van \'t Sacrament in de voors, kercke ge-fundeert is collator de pastoor van Ryrsbergen dye \'t selve vergunt heeft aan eenen Balduin us de Neve als bij d\'aanteekeningen daer van gedaen bij den voors. pastoor in sijn overgenomen manuael, waervan extract hierneffens werdt overgegeven, get. P.

Van \'t benefitie St. Spiritus in de voors. kercke van Rysbergen gefundeert, competeert de collatie aen symon Adriaenssen van Dael, borger der vrybeyt van Turnhoudt, dye \'t selve vergunt heeft aen den voors. Balduinus de Neve, als bij \'t voorg. extract, get. P.

Van \'t benefitie Nicolay en Lamberti in de voors. kercke gefundeert competeert de collatie aen Vr. Margaretha van Mechelen, ende is vergunt aen eenen Adamus Hendricks dye coster was tot Cleyn-Sundert als bij \'t voors extract, get. P.

N0. 10. Baerle. Van \'t benefitie gefundeert in de capelle S. Salvatoris tot Baerle heeft do collatie de pastoor aldaer.

Gelijck oock van \'t benefitie B. Mariae in do capelle van

-ocr page 534-

38

Uylecooten onder Baerle, dye \'t selve geconfereert heeft aen Petrus van der Aa, als bij acte van de institutie van 6 Dec. 1625 bij copye hierneffens gaende, geteekent Q.

Het benefitie van S. Anthony in de voors. capelle gefundeert staet ter collatie van den Heere van Breda ende is geconfereert, ten tijde de stadt Breda aen den coninck was, jure devoluto aen N. N. pastoor tot Schilde bij Antwerpen ende bedient geweest bij den voors. Petrus van Aa.

N0. 11. T et erin gen bij Breda. De capelle van Teteringen synde in den jare 1635 (wanneer de stadt Breda was onder \'t gebied van den Coninck) geerigeert in eene parochiekercke waervan de pastorye stont ter collatie van den deecken ende \'t capittel van Breda, heeft de bisschop van Antwerpen daer-mede ende met eenige cleyne benefitien aldaer gefundeert, version Henricus Verhagen, als by copye authentique van d\'acte van collatie hierneffens gaende, geteekent R.

NQ. 12. Terheyden. De pastorye van de kercke van Ter-heyden gestaen hebbende ter -collatie van don deken ende \'t capittel van Breda ende vaceerende by d\' overlyden van den voorgaenden pastoor, heeft de bisschop van Antw. jure devoluto de deservi-turen daervan vergunt aen Adriano Vossio bij acte van den jare 1688 waervan copye auth. hierneffens gaet, geteekent S.

De vier slechte benefitien in de voors. kercke gefundeert gestaen hebbende ter dispositie als voor waervan d\'incompsten by den pastoor altyt mede zijn genoten geweest heeft Prince Frederik deselve vergunt aen den voors. Vossius bij acte van 2 Junij 1645 by copye auth. hierneffens gaende F.

N0. 13. Alphen Chaem en Kleyn Sundert. De pastoryen van de voors. dorpen depeuderende niette benefitien in de kerckan aldaer gefundeert van \'t clooster van Tongerloo, heeft de prelaet van \'t selve cloostere jure patronatus, het benefitie B. Mariae primae fundationis in de kercke van Alphea vergunt aan Adriaen Vossius, dye \'t selve bedient heeft tot de publicatie van den Vrede toe.

Ende \'t benefitie B. Mariae 2Je fundationis, B. Mariae in

-ocr page 535-

39

Sole et Crucis, gefundeert in deselve kercke, aen Heer Gerardus van Herdegom religieux van \'t solve cloostere.

De benefitien B. Mariae et Dympnae, gefundeert in de kercke van Chaem , beneffens \'t benefitie St. Anthony te Alphen aan Heer Frederico van Steenbroeck religieux van \'t voors. clooster.

Ende de benefitien B. Mariae et venerabilis Sacramenti gefundeert in de kercke van Cleyn Sundert aen Hr. Christiaen v. Hove, religieux van Tongerloo, als by de scbriftelyke verclaringe van deu prelaet biermede overgelevert, geteekent V.

Van de incompsten van de voorgemelde pastoryen en benefitien elck in \'t besonder is in den Raedt overgelevert eeuen sommieren staet in Meerte anni 1649.

Niet lang bleven deze beneficiën aan de bovengenoemde kerken of altaren verbonden, in de Analectes pour servir a r hist oire ecclésiastique de Ia Belyique doelde ik in het jaar 1883 het verslag mede der decanale visitatiën door de twee dekens van Breda en Bergen-op-Zoom ten jare 1712 in hunne respective dekanaten ingesteld.

Enkele woorden uit deze verslagen zijn voldoende om het bewijs te leveren, dat in dien tijd nagenoeg niets meer van de kerkelijke beneficiën besteed werd voor het doel, waarvoor deze eertijds waren gesticht.

Petrus Verhaeren pastoor van Oosterhout en deken van het district; Breda schreef in zijn verslag aan den bisschop van Antwerpen gericht, toen hij de parochie van Dongen had bezocht. „Beneficia sunt confiscata, ut in tota baronia Bredanaquot;. Deze woorden ontslaan mij van verdere bijzonderheden te moeten mededeelen.

Wat in hetzelfde jaar de aartspriester F. B. Pepel in zijn verslag der visitatie van het decanaat Bergen-op-Zoom aan den kerkvoogd van Antwerpen schreef, getuigde eveneens, dat de goederen der kerkelijke beneficiën ook daar van hunne oorspronkelijke bestemming vervreemd waren. Ik veroorloof mij de bewoordingen, waarin deze aartspriester over de beneficiën spreekt, letterlijk over te nemen.

-ocr page 536-

40

O ud e ub o s c li. „Iq hac communitate est beneficium regulare; et omnia, quae beneficium hoc conceruebant, occuparunthaere-tici, et dispersa sunt omnia. Pro ventas, qui adhuc sunt inventi, detractis oneribus, reddunt de facto 40 fiorenos, pro quibus vice pastor celebrare teuetur singulis quindenis tria sacra, quae exacte fiunt.quot;

Volgens de mij verstrekte informatiën wordt aan de verplichtingen van dit beneficie nog lieden voldaan.

Roosendaal. „In hoe loco de Eoosendael dantur beneficia ad eomm praesentationem, et fructus habet dominus abbas (Tongerloensis), qui deservitoribus, id est vice pastoribus, concedit eorum fructus ad partem sustentationis, cum sint beneficia regularia incorporata abbatiae, quorum manualia penes sunt abbatemquot;.

De Eerw. heer J. B. Krüger schreef in zijne kerkelijke geschiedenis van het bisdom I3reda: „Vervolgens zijn te dier tijd „(zestiende eeuw) twee kapellanijen opgericht en twee dienst-„doende priesters als helpers aan don pastoor toegevoegd. Tot „heden genieten de kapellanen nog eenige vruchten dier bene-„ficiën en moeten zij nog lasten volbrengen.quot;

Hetzelfde mag ik naar ingewonnen inlichtingen bevestigen.

Wouw. „Haec ecclesia Woudana titulo personatus decoratur, „in qua fuerunt duodecim capellani habentes singuli sua bene-„ficia, quae pro illo tempore aliquam sustentationem praebebant, „de cetero viventes ex fidelium oblationibus; quae omnia in „pessum abierunt per temporis rigorem, partimque ab haereticis „occupata sicut omnia. Quae fuerunt conservata, vix annue „100 florenos reddunt, quos habet reverendus Dominus Vlemincx „vice pastor, portans eorum onera.quot;

De mij verstrekte inlichtingen aangaande deze kerkelijke gemeente getuigen, dat de pastoor niet van vroegere beneficia of tnütviculciTici, docli wel van andere kerkelijke goederen of liever tienden een jaarlijksche competentie ontvangt, en dat de kapelaan voor het volbrengen zijner priesterlijke bedieningen bijzondere inkomsten van vroegere dagen geniet.

-ocr page 537-

41

Het is overbodig op te merken dat deze beide verslagen een afdoend bewijs leveren, hoe weinig er van de kerkelijke beneficiën in het bisdom Breda voor de geestelijkheid bewaard is gebleven.

De vorige H/W. bisschop van Breda en ook de tegenwoordige hebben mij herhaaldelijk hetzelfde betuigd, betrekkelijk de nog o-enoten vruchten van beneficiën, door Roomschen in het Bredasche

O \'

bisdom, wat ik boven vermeldde van den bisschop van\'s Bosch.

Ten laaftete deel ik ook hier wederom een stuk mede, waarvan het oorspronkelijke in het rijksarchief van \'s Hertogenbosch bewaard wordt.

Op het kantoor van het voormalig rentambt der geestelijke goederen te Breda waren gevestigd de navolgende beneficiën , waarvan het regt van collatie toebehoorde aan den heer en baron, voortspruitende uit het regt van patronaatschap, waar uit gevolgd is het regt om deze benefitiën door den rentmeester der geestelijke goederen ten behoeve der gebeneficieerden te doen administreeren als:

1°. Het benefitie, genaamd van den autaar van O. L. Vr. Georgi et S. Barbarae, wordt genoten door W Oomen pastoor te Breda, en bedraagt jaarlijks de vaste som van 160 gis. 90.

2°. Het benefitie gen. St. Anthonii et Serveti, Monulphi et Gondulphi, mitsgaders Sint-Jan wordt genoten door J. Kamerling, en heeft zich over 1834 bedragen de som van 203 gis. 93.

3°. Een benefitie afkomstig van het geestelijk kantoor van Breda, voorheen begeven door den vorst van Nassau als heer der baronie Breda en waarvan vroeger het genot heeft gehad Jonkv. de la Cahnette, bestaande uit de inkomsten van 1°. Renten onder Etten, Breda en Oosterhout f 522.97*. 2°. Landerijen onder Etten gelegen, welke over 1829 na aftrek der lasten hebben opgebracht 83.325. 3quot;. Landerijen onder Oosterhout gelegen, en welke na aftrek der lasten over 1829 hebben opgebracht 140.86. Begeven geweest voor de helft der inkomsten aan P. P. Entink tot het einde van 1833; voor een vierde der inkomsten

-ocr page 538-

42

aan G, H. Mulder tot het einde van 1834 , en het overige vierde gedeelte aan J. S. Swaan tot het einde van 1833. Den 1 Jan. 1834 is aan J. J. en H. O. Roelvink ieder voor een vierde gedeelte van gemelde vicaiy-inkomsten het genot toegestaan voor den tijd van 3 jaren van af 1 Jan. 1834.

4°. Het benefitie vóormaals genoten geweest bij Vrouwe Johanna Wilhelmina Nolledis wede. Frederik Kip is begeven aan Nicolaas Olivier voor den tijd van 3 jaren van af 1 Jan. 1834 en heeft over 1834 bedragen do somma van 166—46. (Als kanttoekening vond ik: „Thans aan Hissink stud. te*Utrecht.quot;) 5°. Het benefitie gen. van U. L. Vr. en Catharina, gevestigd op den autaer St. Andries en St. Joris in het gasthuis, is begeven aan J. J. P. C. Plaat voor don tijd van 5 jaren, van af 11 Jun. 1830 en bedraagt zich de som van f 81—25s.

(Als kantteekening: „Ook gegeven aan wijlen den Hr. Jueuw-land, thans aan Hr. Schoukes student te Utrechtquot;).

6°. Een kanunnikedye van f 500 \'s jaars, waarvan vroeger mejufvr. Oester voor de helft het genot heeft gehad, schijnt na haar overlijden (11 Juli 1828) niet weder begeven te zijn (1).

(1) De heer W. van Beuningen deelde aangaande Breda het volgende mede: Breda. Beneficie gevestigd op het altaar van Onzo Lieve Vrouwe, Georgii, St. Barbara, in de Roomsch katholieke kerk te Breda, collator A. P. T. G. de Visscher baron van Celles, begiftigde quot;NV. Jansen, pastoor te Breda. Geconfirmeerd 12 Junij 1827.

N.B. Meermalen tot 1877 is de begiftiging en confirmatie van dit beneficie herhaald.

Verder zijn verschillende beneficiën onder bestuur der domeinen te Breda, op beschikking van Z. M. begeven als:

aan een student het genot der inkomsten van een beneficie van Onze Lieve Vrouwe en Catharina-altaar en van St. Andries en St. Joris-altaar in het gasthuis te Breda. 23 October 1838.

K.B. De inkomsten van onderscheidene geestelijke goederen, zoo in Noord-Brabant als elders onder bestuur der domeinen staande en door Z. M. worden begeven, zijn meer algemeen bekend. Naar ik meen, worden deze beneficiën vermeld op staten bij gelegenheid der begrooting door den Minister van Financiën aan de Tweede Kamer voorgelegd. In dit verslag wordt daarom van deze beneficiën slechts enkele malen gewaagd.

-ocr page 539-

43

De nasporingen, welke ik omtrent deze beneficiën instelde, gaven mij zekerheid dat aan de verplichtingen van het eerste voldaan wordt. De Zeer Eerw. heer Franc, van Dijk, pastoor der kathedrale kerk te Breda vervult de lasten en geniet de voordeelen dezer stichting.

Op de vraag of de andere beneficiën nog alle worden uitbetaald en of aan deze verplichtingen wordt voldaan, moet ik alweer het antwoord schuldig blijven. Naar ik vernam, ontvangt thans nog de heer Kamerling de voordeelen van hot beneficie onder n0. 2 door mij aangeduid, doch omtrent alle heb ik geen zekerheid kunnen erlangen.

Nog enkele trekken wensch ik aan mijne geschiedkundige schets van de kerkelijke goederen in Noord-Brabant toe te voegen.

Gelijk bekend is werden de geestelijke goederen in de tegenwoordige provincie N. Brabant op eene geheel andere wijze beheerd, dan in de andere provinciën van de republiek der vereenigde Nederlanden het geval was.

In deze provinciën waren de gewestelijke Staten souverein en werden de geestelijke goederen na de hervorming bij resolutiën en plakkaten der Ecl. Groot Mogenden aangeslagen. Noord-Brabant echter werd successievelijk op den vijand veroverd, en maakte, zooals ik boven zeide, deel uit van de zoogenaamde generaliteitslanden, waarover de Hoog-Mogende Staten-Generaal der vereenigde Nederlanden souverein waren. De geestelijke goederen in dat gewest werden, naarmate gedeelten daarvan onder het gebied dier Staten-Generaal kwamen, bij plakkaten van dit collegie aangeslagen en stonden onder deszelfs beheer.

Na den vrede van Munster vaardigde men, gelijk ik boven vermeldde, voor de Meijerij een plakkaat uit, waarbij bevolen werd, dat al wie tienden, cijnsen, etc. aan abdijen, kloosters, conventen of eenige andere geestelijke personen schuldig was, die voortaan aan de personen moesten betalen, welke de Staten daartoe zouden committeeren.

In de baronie van Breda, in het markiezaat van Bergen-op-Zoom,

-ocr page 540-

44

in de stad Eindhoven, in dc heerlijkheid Grave, in het land van Ouyk en in de heerlijkheid Cranendonek bleven de prinsen van Oranje de rechten van collatie en approbatie der beneficiën en vicariën uitoefenen.

Het beheer van de Staten-Generaal bleef ook na de revolutie van 1795 tot aan do opheffing van dat collegie in Maart 1796 gehandhaafd. Toen echter Bataafsch Brabant eene afzonderlijke provincie was geworden, kwam do bevoegdheid tot het verleenen van approbatiën, evenzoo als dit in andere provinciën het geval was, aan het provinciaal bestuur van dat gewest. Voor dergelijke handelingen van dit bestuur schijnt echter de bekrachtiging van de nationale vergadering vereiscbte geweest te zijn.

Dit bljjkt uit een rapport van den burger Witbols en anderen, op den 2 Mei 1798 aan de constitueerende Vergadering ingediend, waarin de navolgende alinea voorkomt:

„ Dc eerste nationale vergadering heeft daarvan (het confe-reeren van vicariën op Roomsch katholieken) zelf een blijk gegeven , met op het advies der generaliteits rekenkamer van 25 April 1796, de collatie eener prebende, op den persoon van Pieter Joseph Boenders, landdeken en Roomsch pastoor te Bergen-op-Zoom, nadat door het provinciaal bestuur van Bataafsch Braband voorschrevene collatie was geapprobeerd, te decre-teeren.\'1

Later geschiedde de appobatie bij decreet van de 2de Kamer van het vertegenwoordigend lichaam der Bataafsche republiek, waarvan het besluit van de Eerste Kamer van 4 December 1800 ten bewijze kan strekken.

Op het request van Bernard Johan Zaal, wonende te Nemer-laar onder Haaren, in Meijerij van \'s Hertogenbosch, en van Mr. D. Gr, van Teylingen, als vader en voogd over zijnen minderjarigen zoon Helvart Theodoras van Teylingen, wonende te Gouda, daarbij verzocht hebbende approbatie op twee onderscheidene collatiën van prebenden in het capittel van St. Pieter te Hilvarenbeek, werd besloten, na ingewonnen advies van het uitvoerend Bewind, het verzoek van dc suippliautcn in te willigen.

-ocr page 541-

45

Dit besluit werd den 16 December daaraaiivolgende door de 2(le Kamer bekrachtigd en veranderd iu een decreet.

Nadat bij besluit van het Staatsbewind van 23 November 1803 no. 84, de geestelijke goederen, iu Brabant in admoditiatie, ten behoeve vau de provinciale financiën aan het departementaal bestuur van Brabant waren afgestaan, werd later, bij besluit van 19 Maart 1304 n0. 32, aan dat bestuur mede toegestaan het confereeren van het jus putronatus aan daartoe gerechtigden, mitsgaders het dadelijk confereeren van andere geestelijke beneficiën en het approbeeren van alle collatiën in Brabant, bevorens door Hun Hoog-Mogenden gedaan en zulks op den tot nu toe gëusiteerden voet.

Onder de voorwaarden behoorden, dat dit recht slechts voor tien jaren werd toegestaan, en zich niet zouden uitstrekken ten aanzien van beneficiën, behoord hebbende tot de vorige eigenaars van goederen, door de Pransche republiek aan de Bataafsche bij transactie van 5 Januari 1800 gecedeerd, mitsgaders van de zulke, welke toebehooren tot de domeinen, herkomende van den boedel van den vorst van Nassau, en diegene, welke behooren onder de gewezen goederen van het huis van Paltz-Beijeren, en dat van het doen of approbeeren eener collatie aan het Staatsbewind zal moeten worden kennis gegeven.

Ten aanzien van de goederen in 1800 door de Fransche republiek gecedeerd, schijnt eene korte opheldering niet ongewenscht.

Art. 43 van het tractaat van den vrede, den 30 Januari 1648 te Munster gesloten, bepaalde: „aengaende de goederen van kereken, collegiën ofte andere pieuse plaetsen, glielegen in de Vereenighde provintiën, dewelke leden waren, dependerende van kereken, beneficiën en collegiën, zijnde onder de gehoorsaemheydt van de voorsz. heer Coninck, hetgene voor \'t besluyt van \'t tegenwoordige tractaet niet en is verkoft geweest, zal huuluyden worden ghegeven ende gherestitueert worden.quot;

Aan dit artikel werd overal in Noord-Brabant, zoo door de Staten-Generaal als door de prinsen van Oranje, vooral in het land van Breda, alwaar do abdijen van St. Bernard op de Schelde

-ocr page 542-

46

en van Tongerloo vele bezittingen hadden, uitvoering gegeven.

Bij de verovering van België door de Fransclien in 1793, en nadat de in dat land gelegen abdijen, kloosters en andere geestelijke instellingen waren gesupprimeerd, kwamen derzelver goederen en dus ook die, welke in N.-Brabant gelegen waren, aan de Franscbe republiek en werden door deze bij de bovengemelde transactie van 5 Januari 1800 aan de Bataafsche republiek afgestaan.

Nadat de prins van Oranje in 1795 naar Engeland was uitgeweken, kwamen de domeinen van bet huis van Oranje-Nassau aanvankelijk onder sequester en werden in 1798 nationaal verklaard. De rechten, die de prinsen van Oranje ten aanzien van collatie en approbatie van begeving van vicariën en andere geestelijke beneficiën hadden uitgeoefend, gingen toen ook aan de landsregeeriug over.

Na het optreden van Lodewijk Napoleon als koning van Holland werd het beheer over vicariën en beneficiën geregeld bij koninklijk besluit van 9 ilei 1807 nquot;. 10, waarbij de minister van Binnenlandsche Zaken werd belast, om op den gebruikelijken voet bevestiging te verleenen aan alle collatiën van vicariën en andere beneficiën. De minister van Financiën moest echter van elke bevestiging in kennis worden gesteld, ten einde een register te kunuen maken „om eventueel het belang van het land waar „te nemen op zulke vicariën en andere beneficiën welke door „het uitsterven der familie van de patronen zouden komen te „vaceren en aan den Lande als vervallen zouden moeten worden „beschouwdquot; (1).

Na onze inlijving bij het keizerrijk werden door het keizerlijk decreet van den 27 Februari 1811 alle goederen van geestelijken oorsprong hier te lande met de Staatsdomeinen vereenigd, met uitzondering echter van die, welker inkomsten tot bezolding der bedienaars van den eeredienst en tot onderwijs besteed

(1) Indien dit register tot stand is gekomen, en in een der ministeriën van Financiën, Binnenlandsolie Zaken of Justitie berust, dient liet zonder twijfel geraadpleegd te worden voor den loop der vicarie-bsgevingen saderfc 1807.

-ocr page 543-

47

werden, waardoor alzoo niet de vicariën werden getroffen (1).

Ongeveer twee jaren later werden alle patronen en collatoren van vicariën, canonikaten, prebenden en andere beneficiën binnen de zeven Hollaadsche departementen opgeroepen om een volledige opgave te doen van den aard, oorsprong, bezitting, inkomsten en tegenwoordige eigenaars, vicarissen, prebendarissen, of ge-beneficieerden van dezelve en van de kantoren waar de vruchten of renten betaald werden. Bovendien moesten de beneficianten of vicarissen in hetzelfde jaar aan den intendant opgave doen van de vicarie, prebende of het beneficie, waarvan zij als vicaris de vruchten of renten genoten, met vermelding van het kantoor, waar zij dezelve ontvangen, van den persoon van wien zij het beneficie hebben bekomen, den datum van de akte van collatie of ander geschrift, uit krachte van het welk zij in het bezit zijn gesteld en van alle andere stukken, die zij, daartoe opgeroepen, als bewijzen van hun recht zouden kunnen invoeren. Den heer Koker, aan wiens „onderzoek etc.quot; ik dit ontleende, is het onbekend gebleven of hieraan door de patronen gehoor is gegeven (2).

Na de verdrijving der Franschen werd eerst de secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken belast met de begeving van prebenden, vicariën, enz., alsmede met de bevestiging der col-latiën. In het jaar 1815 werd deze behandeling overgebracht naar het ministerie van Justitie en in 1826 wederom naar dat van Binnenlandsche Zaken.

Voor hetgeen er sinds met de/e kerkelijke goederen van Staatswege geschiedde meen ik naar het werk van den heer Koker te mogen verwijzen.

quot;Wat ik reeds meermalen schreef, meen ik hier nogmaals te mogen herhalen. Het lijdt geen twijfel of de goederen van bijna alle

(1) F. C. W. Koker. Onderzoek naar den aard en de geschiedenis der vioarie-goederen

(2) Bldz. 107 en 108.

-ocr page 544-

48

kerkelijke beneficiën zijn sinds jaren van hunne oorspronkelijke bestemming vervreemd, en de inkomsten van slechts weinige worden nog gebruikt voor het doel, waarvoor ze door hunne stichters en donateurs werden bestemd. De brieven der burgemeesters als antwoord op de circulaire hun door de gedeputeerde Staten toegezonden, en door deze bij het ministerie ingediend, zijn hiermede niet in tegenspraak. In de bijlagen deel ik deze brieven mede.

Of echter al deze goederen onherroepelijk voor hun doel verloren zijn, waag ik niet te beslissen. Ik meende mij in mijn verslag te moeten bepalen bij het doen van aanwijzingen, die voor eene wettige en duurzame regeling der vicarie-goederen nuttig kunnen zijn.

Ik eindig mijne rapporten met de hartelijke dankbetuiging voor de bereidvaardige hulp, welke mij menigwerf zoowel door hen, die aan staat-, gewest-, gemeente- en kerk-colleges verbonden zijn, als door particuliere personen verleend werd.

A. M. VAN LOMMEL.

-ocr page 545-

BIJLAGE I.

-ocr page 546-
-ocr page 547-

51

\'s Bosch, 19 Augt. 1880.

E xcellentie.

Ter voldoening aan den hiernevens aangehaalden brief hebben wij do Burgemeesters der gemeenten in deze Provincie uitge-uoodigd een onderzoek in te stellen naar de goederen in hunne gemeente gelegen, die alsvicarie, praebende, memorie of getijdegoederen bekend staan.

Volgens de antwoorden, die wij ontvangen hebben van de Burgemeesters der gemeenten: Beek-en-Donk, Best, Bladel, Duizel, Gilze, Haaren, \'s Bosch, Oeffeit, Oirschot, Oud-Gastel, Velp en Zundert zoudeu aldaar goederen van dien aard aanwezig zijn. Van de Burgemeesters der gemeenten Alem en Loon-op-zand hebben wij tot heden geen bericht ontvangen. Wij hebben hieraan nogmaals herinnerd en zullen Uwe Excie. zoodra mogelijk daarmede in kennis stellen.

Aan de gemeente Ruvenstein hebben wij nog nadere inlichtingen gevraagd; ook hierover zullen wij UExie. nader berichten.

De Burgemeesters der overige gemeenten hebben ons medegedeeld, dat in hunne gemeenten geen dor bedoelde goederen aanwezig zijn.

De Ged. Staten van N.-Brabant, {(jet.) L. A. iST. Gereiïs.

De Griffier, van cootii.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenl. Zaken.

-ocr page 548-

Beek-en-Donk 8 Juli 1880.

Naar aanleiding van het door mij ingestelde onderzoek nopens de vicarie-stichtingeu binnen deze gemeonte volgens uitnoodiging van UWelEdGestr. in liet Bijblad N0. 51 van dit jaar, heb ik alleen met zekerheid kunnen ontdekken, dat van de vroegero alhier bestaan hebbende Kapel van St. Leonardus eene vicarie-stichting bestaat, groot f 32,00, welke door de Domeinon aan den kapelaan dezer gemeente wordt uitbetaald.

De Burgemeester van Beek-en-Donk. (get.) J. L. Switzar.

Aan

de H.H, Ged. Staten van N.-Brabant.

-ocr page 549-

53

Best 2 Augt. 1880.

In verband met N0. 51 Provinciaal Bijblad 1880 heb ik de eer UEdg. mede te deelen , dat alhier eenige grond is gelegen onder de benaming van: Fonds voor de cantoj-ie (costerie) van St. Pieters-altaar te Oirschot, thans als collator beheerd door zekeren Bukkiug te Boxtel.

Overigens is van dien aard alhier niets bekend.

De Burgemeester.

{(jet.) J. C. t. d. Ven,

Aan

de H.H. Ged. Staten van N.-Brahant.

-ocr page 550-

54

Bladel 19 Juli 1880.

Ter voldoening Uwer circulaire dd. 17 Jun. 1880 G. N0. 150 2e afd. (Prov. Bijbl. N0. 51) heb ik de eer het door mij ingestelde onderzoek bij bovenaangehaald schrijven opgedragen aan UEdGrootAclitb. volgens opgave van den heer Pastoor van Bladel, welke mijns inziens als getijde-goederen kunneu worden beschouwd, aan UEdGr.A.chtb. mede te deelen.

Volgens informatiën zijn er geene goederen in deze gemeente meer, die in den zin bij boven aangehaalde circulaire behoeven te worden opgegeven.

De Burgemeester van Bladel. (get.) F. C. Snieders.

Opgave van goederen staande kadastraal bekend ten name van de Roomsche gemeente van Bladel:

1. Een perceel bouwland sectie B. Nquot;. 422 bezwaard

met 3,20 jaarlijks — jaarlijksche opbrengst. . .16 gis.

2. Een perceel weiland met een bosch schaarhout sectie D. N0. 447 en 448 met 6 sjaars bezwaard; jaarlijksche opbrengst: p. m........8 gis.

3. Een perceel bouwland, sectie E. N0. 227 en 228 bezwaard met /quot;5,40, tijdelijk zonder eenige opbrengst. 0

4. Twee perceelen sectie B. N0. 1021 on 1047 bezwaard jaarlijks met 18,80, jaarlijks opbrengende: p. m. 25 gis.

5. Een perceel bouwland sectie B. N°. 619 bezwaard

met 1,80 sjaars, jaarlijks opbrengend: p. m. . . 8 gis.

Aan

de H.H. Ged. Staten van N.-Brahant.

-ocr page 551-

55

Duizel 19 Julij 1880.

Naar aanleiding van clc hiernevens vernielde circulaiie lieb ik de oer U Mijne Hoeren te melden dat, voor zoo verre mij bekend is geworden, alhier geene viearie-praobende- memorie-of getijde-goederen bekend zijn. Echter een paar perceelen grond, onder verplichting daarvan jaarlijks zielmissen te lezen, zijn gelegen in deze gemeente.

De Burgemeester der (jemeente Duizel c. o. {lt;jet.) G. Jaspers.

Aan

de Ged. Staten in de prov. N.-Brdbant.

-ocr page 552-

56

Gilze 2 Aug. 1880.

Ter voldoening aan de hiernevens aangeduide circulaire, heb ik de eer U M. H. mede te deelen, dat in deze gemeente geene dusdanige goederen bekend zijn , dan de volgende, kadastraal bekend als volgt:

Ar/. Ligger 260. Be Pastorie van Gilze.

Sectie E 469 denncnbosch groot 0 79.20 heet.

„ 470 water „ 0.21.90 „

n v 471 hakhout . 0.28.40

77 • J)

» K 496 water , 0.02.65 ,

Art. Ligger 261. J}e Kapelanie van Gilze.

Sectie E 405 bouwland groot 0.63.70 heet.

De Burgemeester {get.) w. j. Hoevenaars.

Aan

de H.H. Ged. Staten te \'s Bosch.

-ocr page 553-

57

Haaren, 13 Jul. 1880.

Tor voldoening van Provinciaal Bijblad N0. 51 van dit jaar, heb ik de eer U Mijne Hoeren te berichten, dat hier slechts de goederen, toebohoorende aan het Apostolisch Vicariaat-generaal van \'s Bosch, te zamen groot 24 hectaren 25 aren en 64 centiaren gelogen zijn, maar dat overigens hier geene goederen als vicarie-, praebende-, memorie- of getijde-goederen bekend staan.

De Burrjemeester van Haaren. (rjet.) F. van Lamsweeede.

Aan

de H.H. Ged. Staten van N.-Brahant.

-ocr page 554-

58

\'s Bosch 19 Julij 1880.

In antwoord op Uw schrijven van 17 Junij 11. G. N0. 150 2e afd. met eene circulaire des Ministers van Binnenlandsche Zaken van 11 Jun. 1880 over de vicarie-stichtingen, hebben wij de eer te berichten, dat met het oog op de breede opvatting van het begrip vicarie-stichtingen in de vermelde circulaire onder de goederen daarbij bedoeld , kunnen begrepen worden de volgende gebouwen en erven binnen deze gemeente: Het paleis van Justitie, vroeger de bisschopswoning. — Het arsenaal in de St. Jacobsstraat. — De St. Jacobskerk. — Het gouvernementsgebouw. — Hot Jesuïeten-collegie. — De paradeplaats. — Het Bagijnhof. — Het landsmagazijn op den Uilenburg. — Het klooster der Franciscanessen. — Het gereformeerd weeshuis. — Het klooster der Alexianen achter de gasfabriek. — Het Geertrui-klooster, de Tolbrugskazerne. — Het tweede Franciscanessen-klooster.

De overige gestichten en kapellen in deze stad zijn voor zoo verre zij op het oogenblik niet tot openbare kerkgebouwen dienen, door liet bestuur der Domeinen later aan particulieren verkocht of wel gesloopt.

Wat de inkomsten en bezittingen van deze en andere instellingen betreft, kan onzerzijds geene opgave gedaan worden. Het is toch bekend dat in 1629, toen deze stad onder het bewind der Staten-Generaal kwam, die inkomsten, voor zooverre zij genoten werden uit panden binnen hare muren gelegen, door het land dadelijk onder de administratie van den rentmeester der kerkelijke goederen zijn gesteld. Iets anders is het wel met die inkomsten, welke geheven werden uit panden in de Meijènj; want daar het gezag der Staten-Generaal in de Meijerij betwist

-ocr page 555-

59

werd tot aan den vrede van Munster, konden die panden in 1629 niet door het land worden aangeslagen, en het is zeer waarschijnlijk dat in het tijdsverloop tusschen 1629 en 1648 veel van die goederen in handen is gekomen, die daarop geen recht hebben; omdat ze gedurende die jaren schier onbeheerd hebben gelegen.

Maar de aanwijzing daarvan zal alleen kunnen geschieden door de gemeentebesturen, onder wier ressort zij zich bevinden. Niets dienaangaande is hier bekend.

Wijders worden door de Domeinen uit de oude kerkgoederen vele renten, zoo in geld als granen, aan het armbestuur dezer gemeente (\'s Bosch) betaald. Zij ontspruiten deels uit lasten en uitkeeriugen, die op de kerkgoederen rustten, toon zij werden aangeslagen en die het land aan het armbestuur moest blijven betalen, deels zijn zij in de vorige eeuw door dat bestuur van de Domeinen gekocht.

Al deze renten, uit geestelijke goederen afkomstig, worden tegenwoordig onderworpen aan eene korting van een vijfde gedeelte.

Dit vijfde hetwelk over 1879 bedroeg voor het oude mannen-

en vrouwenhuis............./quot;17.95

voor het gasthuis............. 71.05

voor het bedeelingsfonds........... 81.87

Te zamen . . . f 170.87

kan als vicarie-goed beschouwd worden.

Daaronder behoort ook de tuin van het oude mannen- en vrouwenhuis alhier, welke vroeger tot de bisschopswoning behoorde en die nu door bet armbestuur van de Domeinen in huur is genomen voor 155.21 frs. \'sjaars.

Wijders worden uit de vicarie-goederen door den ontvanr/er der Registratie en Domeinen jaarlijks de volgende uitbetalingen gedaan :

Het beneficie der kapel van het huis zelden-zat onder Middelrode, aan Pieter Josinus Küller te Amsterdam . f 20.01

Het beneficie van O. L. Vr. altaar der kerk van Berlicum aan de studie-beurzen......... 32.32

-ocr page 556-

60

Het beneficie A. van Esch aau de studie-beurzen. f 50.00 Het beneficie van het Bax-choor in de St. Jans-

kerk alhier, dat jaarlijks ongeveer

opbrengt, wordt door den ontvanger der registratie te S. Oeden-roode betaald voor Vs aan kapitein Bilderdijk te \'s Plage, Vj aan van den Brummel, post-directeur te Velp (bij Arnhem) en \'A, aan het Rijk.

Ook worden nog door het Rijk genoten de inkomsten van het voormalig Fraterhuis alhier, waaruit deze stad vroeger 2900 f. \'s jaars genoot voor het gymnasium.

375.00

Ten aanzien der vicariën en beneficiën van de parochiekerken en kapellen dezer stad zijn wij buiten magte eenige opgave te doen bij gebrek aan de noodige hulpbronnen Het zal de Commissie voor de regeling der vicarie-goederen evenwel niet moeijelijk zijn daaromtrent de noo:]ige inlichtingen te erlangen, indien zij hare toevlucht nemen wil tot de rekeningen van den rentmeester der geestelijke goederen en andere documenten van dien aard, welke zich tegenwoordig in het Rijks-archief te\'sHage bevinden.

Burgemeester en Wethouders van \'s Bosch.

De Secretaris. J. N. G-. Sassen.

De Burgemeester L. B. {get.) F. J. Pompe.


Aan

de H.H. Ged. Staten van N.-Brabant.

-ocr page 557-

61

Oeffeit 23 Juli 1880.

Naar aanleiding van nevensgemelde circulaire heb ik de eer U Mijne Hoeren op te geven de navolgende goederen der vicarie-sticlitingen in deze gemeente:

1. do Vicarie St. Salvatoris en Catharinae:

Sectie A.N0. 716 Boomgaard groot 16 aren, 90 centiaren.

k. N°.

717 Huis en erven „

01 r

44

A. N0.

1262 Lijkenhuis „

04 n

75

A. Nquot;.

40 Hooiland „

91 „

30

V

A.N0.

79

58 „

70

V

A. N0.

80 Bouwland „

20 n

80

»

A. N°.

453 y, n

C2 ,

70

n

2. De Yicarie Beatae Mariae Virginis:

Sectie k. Nquot;. 306 Hooiland groot 1 heet., 40 aren, 40 cent. „ A. N0. 626 Bouwland „ 18 ,, 70 „

„ B. N0. 124 „ „ 20 „ 30 „

De B nrgemeester, (f)et.) H. Geurïs.

Aait

de 11.11. Ued. Stoten van N.-Brabant.

-ocr page 558-

62

Oirschot 20 Julij 1880.

Ter aanleiding van de hier naast aangehaalde circulaire heb ik de eer Uwe Excellentie het volgende te berigten:

Vicarie-prebende, memorie- of getijde-goederen bekend in de gemeente Oirschot, provincie N.-Brabant.

1°. Eene jaarlijksche rente van circa 150 gis. om de drie maanden uit te betalen door den ontvanger der directe belastingen te Oirschot aan den Heer Jan Söhgen als organist, (welligt ook als koster) van de St. Pieterskerk te Oirschot.

Nota: Deze 150 gis. worden genoten door den organist der hervormde gemeente. (Voormalige Lieve Vrouwe kerk).

Het R. K. kerkbestuur heeft sedert het jaar 1798 herhaaldelijk adressen ingediend om de gezegde rente te verkrijgen. Het grondde zijne aanspraken vooral hierop, dat het organist en koster-ambt (waaraan meergemelde rente was gehecht) verbonden waren aan de groote of St. Pieterskerk, welke kerk (volgens \'t contract van 24 Dec. 1798 tusschen de Hervormde en Roomsch Katholieke gemeente) met alle baten en voordeelcn door die kerk of hare bedienaren genoten, aan de R. K. gemeente is overgegaan.

Tot nadere toelichting kan welligt nuttig zijn een adres ingediend den 30 Mei 1866, dat hierachter volgt.

2°. Het beneficie der cantorie van het Hoog-altaar van de St. Pieterskerk te Oirschot.

Dit beneficie is gesticht in de XVI eeuw door Engelbertus de Spijker canonicus te .... ? onder conditie dat Bertijn de Spijker zijn neef collator zal zijn, en daarna zijn zoon, en daarna de descendenten uit de vaderlijke successie.

Zij (collatoren) zullen daarvoor genieten het gebruik van zijns vaders huis met akker, daartoe behoorende (nu gelegen onder de gemeente Best).

De vaste goederen van dit beneficie zijn gelegen gedeeltelijk onder do gemeente Oirschot (art. n0. 490 van den perceels-

-ocr page 559-

63

gewijze legger) gedeeltelijk onder de gemeente Beamp;t (art. van den perceelsgewijze legger N0. 61 , 346, 1627 , 1651, 1706).

De verplichtingen van den beneficiant zijn (tegenwoordig) het lezen van 69 missen (?) jaarlijks. De tegenwoordige collator is Theodoras Bucking wonende te Boxtel.

De tegenwoordige beneficiant is de Eerw. heer P. A. deBont te Oirschot, doch zeer bezwarende conditiën ten voordeele van den collator.

De Burgemeester der gemeente Oirschot, {get.) J. y. Baar.

Aan

de HH. Gedep. Staten ran N.-Brabant.

-ocr page 560-

64

Bijlage tot Oirschot.

Adres van het JR. K. parochiaal kerkbestuur te Oirschot ter zake van de betrekking of inkomsten van den organist der St. Pieterskerk te Oirschot.

Aan Zijne Majesteit den Koning.

Sire !

Geeft mot den diepsten eerbied te kennen het R. K. parochiaal kerkbestuur te Oirschot, bisdom \'s Bosch , arrondissement Eindhoven , provincie N.-Brabrant

Dat bij resolutie van het kapittel van St. Pieter te Oirschot de dato 11 Oct. 1765, welke resolutie den 13 Dec. daaraanvolgende door HEd.Mog. is goedgekeurd en bekrachtigd aan den organist dor St. Pieterskerk aldaar is toegekend eene jaar-lijksche rent van 5 mudden rogge en 3 mudden boekweit, zoo voor hem organist als voor den orgeltreder, de rogge te Lichtmis en den boekweit te St. Maarten jaarlijks te leveren.

Dat ten jare 1798 gemelde St. Pieterskerk destijds bij de Hervormden in gebruik is overgegaan en gecedeerd aan de R. katholieke gemeente met het kerkhof, mitsgaders met alle baten, opkomsten en voordeden, alsmede met de inkomsten en voor-deelen, die aan gezegde kerk en hare bedienaren uit de kapittel-goederen competeren of vergolden worden; alles in gevolge contract van den 24 Dec. van het jaar; terwijl daartegen de Hervormde gemeente in eigendom verkreeg de Lieve Vrouwe Kerk insgelijks met kerkhof en inkomsten, zoomede met de meubelen in de St. Pieterskerk voorhanden en tot de uitoefening van de Hervormde eeredienst behoorende, alleen het orgel uitgezonderd, hetwelk krachtens de overeenkomst aan de St. Pieterskerk moest blijven, en ook daar werkelijk verbleven is.

Dat dan ook de aan de Hervormden overgegane Lieve Vrouwen kerk een geruimen tijd van orgel is verstoken geweest ; wat niet belet heeft dat de organist der Hervormden,

-ocr page 561-

65

als ware hij nog voortdurend organist in de St. Pieterskerk, voorschreven rente uit handen van den rentmeester, die kapittelgoederen is blijven ontvangen. Dat uit dit feitelijk verslag volkomen blijkt zoowel de wettigheid der rente, die dan ook nooit betwist is geworden, als haar verval aan den organist van de R. K. gemeente, eigenaarster en bezitster der St. Pieterskerk.

Dat op grond van dit een en ander de R. C. gemeente niet heeft stil gezeten, maar herhaaldelijk do betaling dier rente aan haar of haren organist, als zijnde de organist der St. Pieterskerk , heeft gevorderd; doch steeds is gepaaid geworden met de beschouwing, dat het den titularis in liet genot der rente hard zou vallen, die te moeten missen en de inschikkelijkheid wilde de ontruiming door overlijden af te wachten.

Dat in dien geest ook genomen is de resolutie van het departementaal bestuur van Brabant van den 16 Dcc. 1803 waarbij de titularis der hervormden afziet van bij voortduring als koster der St. Pieterskerk te worden erkend, en gelast wordt alle registers en hetgeen onder hem in die hoedanigheid berust in behoorlijke orde uiterlijk op den laatsten der maand Jan. 1804 af te geven; bljjvende hij echter zijn leven gedurende en acquis en lont{?) de omoliunenten van dien genieten.

Dat echter op den 23 Mei van dit jaar do organist der Hervormden te Oirschot, dc heer Jan Söhgen is overleden, en derhalve de billijkheid zoowel als het regt eischen dat de bedoelde rente voortaan worde uitgekeerd aan den organist der R. C. gemeente te Oirschot in de St. Pieterskerk. Dat immers het voortdurend genot dier rente door den organist der Hervormden (door den organist niet van de St. Pieterskerk maar van de Lieve Vrouwe Kerk) louter uit gunst en geheel ter bede, na den overgang der St. Pieterskerk in 1798 aan de R. K. gemeente bij hare steeds ononderbroken eigendom en bezit geen titel voor den organist der Hervormden noch tegen den organist der St. Pieterskerk aan do R. K. gemeente toebehoorende heeft kunnen scheppen.

Redenen , waarom hot zich adresseerende bestuur eerbiedigst

5 x.-is.

-ocr page 562-

66

verzoekt, dat het Uwe Majesteit moge behagen aan de betrokkene domein-ambtenaren de vereischte bevelen te doen geven dat van stonde af do rente van 5 mudden rogge en 3 mudden boekweit te Oirscliot aan do R. K. gemeente eigenaarster en bezitster der St. Pieterskerk betaald of uitgeleverd worde. Hetwelk doende is het R. K. parochiale kerkbestuur voornoemd.

Oirscliot 30 Mei 1866.

Namens hetzelve, (get.) Voorzitter en Secretaris,

Voor afschrift de Burgemeester, J. van Baar.

-ocr page 563-

67

Oud-Gastel 16 Julij 1880.

Naar aanleiding van ÜEd.Gr. A_clitl). circulaire van 17 Jumj 11. G JSTo. 150 2° afdeeling eu de daarbij medegedeelde missive bevorens Nu. 51 bob ik de eer mede te deden, dat in deze gemeente geene goederen als daarbij zijn bedoeld, bestaan als de perceelen:

Iste sectie D. No. 250 kerk en erf, Nquot;. 253 gracht, N0.1386 erf, N0. 1311 schuur, N0. 1560 tuin op bet oude schatkohier dezer gemeente (zijnde van Ao. 1733) staande ten name van de abdij van St. Bernard, predikants-woning, staan tbans op liet kadaster ten name van de Hervormde gemeente, bij wie zij ook in gebruik zijn.

II. Het perceel sectie B. N0. 422 en 426 homeland groot 2 hectaren 75 aren 70 centiaren staande ten name van de kapelanie van Oudenboscb, waarvan door den titularis ook jaarlijks de renten worden genoten.

III. De perceelen sectie B. Nis. 198, 199, 200, 201, 202, 203, 204 en 205 homeland en rietgors te zamen groot 5 hectaren 77 aren 20 centiaren genaamd het Marquizaat ten kadaster bekend ten name van de R. C. Gemeente van Gastel. De opbrengst daarvan moet dienen voor hot doen van zingende en lezende missen en jaargetijden van de schenkers; wordt door het bestuur van de R. C, kerk geïnd en voor het aangewezen doel bestemd.

De Burgemeester van Oud- en Nieuw-Gastel, {gel.) U. P. Mastboom.

Aan

dc 1IH Ged. Staten van N.-Brahant.

-ocr page 564-

68

Velp 5 Julij 1880.

Ter voldoening aan de hiernevens aangehaalde aanschrijving heb ik de eer UEd. Groot Achtbaren te berichten: Dat er binnen deze gemeente geene siichtingen als vicarie-, praebende-, memorie-of getijden-goederen bekend zijn. Dat alhier wel eene kapelanie bestaat, waaraan een perceel weiland kadastraal bekend onder sectie C. N0. 24 groot 1.85.00 heet. verbonden is, en waarvoor de tijdelijke kapelaan diensten moot doen.

De Burgemeester van Velp, (yet.) F. Gervers.

Aan

de HH. Geclep. Staten van jV.-Brabant.

-ocr page 565-

69

Zundert 5 July 1880.

In voldoening aan Uwe circulaire van 17 Junij laatstleden N°. 150 bijblad Kquot;. 51 , heb ik de eer UEdGrootAchtb. ter kennis te brengen: dat liet mij voorkomt dat de onderstaande goederen vallen als getijde-goederen te worden beschouwd:

Een perceel bouwland, groot 39 aren 80 centiaren, sectie I3W. 655 voorkomende op art. 904 van don perceelsgewijze kadas-tralen legger en belioorendc aan de R. C. kerk van Ivlein-Zundert. Een perceel bouwland, groot één licctaar 24 aren 90 centiaren sectie I)w. 543; en een perceel bouwland, groot 62 aren en 30 centiaren; beide perceelen komen voor op art. 1324 van den perceelsgewijze kadastralen legger der gemeente; en beliooren aan de 11. C kerk van Groot-Zundert.

De Burgemeester, (get.) G. van Beckiioven.

Aan

de IIH. Gedep. Staten van N.-Brabant.

-ocr page 566-

70

Bavenstein 3 Sept. 1880.

Bij deze licb ik de cor U Mijne Heeren te doen toekomen liet afschrift gevraagd bij don hiernevens gaanden brief.

De Burgemeester, {get.) P. A. van Claarenbeek,

Aan

de HH. Ged. St. van N.Brabant.

K.-B, Hierbij werd verzonden eene kopie van een charter van 20 Juni 1431.

-ocr page 567-

71

\'s Bosch, 9 Sept. 1880.

Excellentie.

Als een vervolg op ons schrijven van den 19 Augt. jl. gen. 145, hebben wij de eer Uwo Excellentie hiernevens te doen toekomen de berichten van de Burgemeesters der gemeenten Loon o/z. en Eavenstein, betreffende do vicarie-goederen in hunne gemeenten gelegen. Ten aanzien der gemeente Alem kunnen wij mededeelen, dat aldaar geen der bedoelde goederen aanwezig zijn.

De Geel. Staten van N.-Brabant, (c/et.) L. A. N. Geerits.

De Griffier,

van cooth.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Binnenl. Zaken.

-ocr page 568-

72

Loon-op-Zand, 19 Aug 1880.

Naar aanleiding der circulaire dd. 17 Juni jl. Gr. N0. 150, waarbij verzocht wordt een onderzoek in te stellen naar vicaric-sticlitingen heb ik de eer Uw EA. to berichten , dat in deze gemeente wel goederen gelogen zijn, die aan de kerkbesturen toebehooren.

Als vicarie-stichting zou echter beschouwd kunnen worden eene inschrijving op \'t Grootboek ten bedrage van 3,500 ingeschreven door do prinsen van Salm-Salm. De rente van dit kapitaal komt ten goede aan den pastoor der parochie.

De Burgemeester van Loon ojz. {yet.) P. v. Dorïmond.

Aan

de HH. Gcdep. Staten van N.-Brabant.

-ocr page 569-

73

Ravenstein..... 1880.

Naar aanleiding van Uwen brief van 19 Augt. 1880 Gr. N. 145, 2° afd. ten gevolge mijner kennisgeving van 2 Juli 11. N0 742 heb ik de eer te berichten, dat ik vermeen, dat in deze gemeente geene vicarie-, memorie- ofte getijde-goederen gelegen zijn.

Dat er in deze gemeente wel is waar een beneficie bestaat, maar dat daar evenmin goederen van in deze gemeente gelegen zijn; vermits het slechts bestaat uit eene heffing van roggetiende van landerijen in de genieente Boekei.

De Burgemeester,

ijjet) P. A. van Clarenbkek.

Aan

de IIII. Gedep. Staten van N.-Brabant.

-ocr page 570-
-ocr page 571-

BIJLAGE II.

UITTREKSEL uit de bij het departement van Financiën berustende Staten van onroerende goederen in de doode hand, voor zoover deze ondersteld worden tot de vicarie-stichtingen te behooren in de provinciën Noord-Brabant en Limburg.

-ocr page 572-

76

-_--

Kadastrale Li

gger.

Naam van het zedelijk ligehaam of

Aa

GEMEENTE.

Artikel.

de instelling van de doode hand.

1.

2.

-

3.

Grave ....

c$02

Het Beneficie van St. Anna te Zeeland. .

hoo

Zeeland ....

287

Idem...........

bou

Schayk .

1305

Het officie van wijlen Johannes Ruys Iv. K. pastoor te Neerloon........

wei

Berlicum . . .

511

\'t Kantoor der beurzen ad studia te \'s Her-togenbosch........ . . . |

bon

Den-Dungeu .

21

Idem...........

i

Rosmalen . . .

30«

Idem...........

hoe

Bergen ....

1957

Van Goch Beurzenstichting Jan gevestigd te Venray...........

hoe

Oud-Valkenburg .

940

Maastricht (de beurzenstichting van den kanunnik Mathias Wijnans).....

boi

Wijlré ....

2362

Idem...........

Maastricht . . .

1355

Idem...........

hu

Oud-Vroenhoven .

725

Maastricht (Vrijens de beurs van) ....

bo

St. Pieter . . .

312

Idem...........

Herten ....

169

Roermond (Beurzenstichting van Joannes De Lovanio)...........

Boekei ...

964

Boekei (Het officie van St. Antonius te) .

we

Uden.....

823

Uden (Beneficie van St. Antonius te)

hu

-ocr page 573-

77

Aanduiding der goederen volgens den kadastiolen ligger

Grootte. 5.

Belastbare opbrengst.

Onge-

Gebouwd. 7.

C. bouwd. 6.

H.

A.

A A, R L). 4.

hooiland . bouwland

weiland .

bouwland idem . hooiland .

hooiland .

— 88 30

— 91 60

— 93 90

— 79 —

99 G8

06

40

90

20

65 21

13

14 2G 19

61

75 —

81

22 84 36

60


50 80 42 1 10

12 70

13 2 l

14

18

15

18

oo 85 44 04

43 55 49

550

2 3 43

51 11

20

85 60 75

25 10 70

50

idem.......

■ weiland.......

t

huis, schunr, erf en bouwland

bouwland . . .

idem . , . . huis, tuin, plaats bouwland . . . idem . . . .

-ocr page 574-

78

---

Kadastrale Ligger.

Naam van het zedelijk ligchaam

GEMEENTE.

Artikel.

of

de instelling van de doode hand.

1.

2.

3.

Uden.....

824

Uden (Beneficie van St. Anna te). . . .

id.....

2542

Uden (Beneficium van St. Antonius, St. Barbara, St. Lucia, St. Joris en St. Sebastiaan in de parochiale kerk van). .

id.....

2660

Uden (Beneficium van St. Barbara en St. Cxeorgius te)..........

Oeffeit ....

170

De vicarie Beatae Mariae Virginis van Oeffelt............

id.....

171

De vicarie Salvatoris en Catharinae te Oeffelt 1

Best.....

346

Oirschot (\'t Beneficie der kantory van\'t hoogaltaar in de St. Petrus-kerk te). . . .

Megen ....

348

Het officie van Neerloon.......

id.....

197

Haren (Het Beneficie van het kruis-altaar te)

id.....

198

Haren (Het Beneficie van het 0. L. Vrouwenaltaar van)...........i

id.....

299

Macharen (Het Beneficie van het 0. L. Vrouwen-altaar van).......

id.....

305,306

Macharen (Het Beneficie van het St. Nicolaas-altaar van)...........

Vlijmen ....

514,515

Vlijmen (Schuts van St. Catharina te) . .

id.....

516

Vlijmen (Schuts van Onze Lieve Vrouwe te)

-ocr page 575-

79

Aanduiding der goederen volgens den kadastralen ligger.

A A- R. D

4.

Grootte. 5.

Belastbare opbrengst.

Aanmerkingen .

8.

H.

A.

C.

Ongebouwd. 6.

Gebouwd. 7.

weil., bouwl., moeshof, bosch

8

35

80

159

26

St. St.

bouwland......

36

60

9

52

St.

bosch, bouwl. weil., heide.

5

02

80

68

78

an

bouwland ......

1

88

40

78

63

elt

hooi en bouwland . . .

2

33

50

110

17

»g-

weiland , hakhout, heide en bouwland ....

17

98

60

93

30

weiland.......

3

29

80

70

91

:e)

idem.......

4

31

60

90

67

n-

bouw- en weiland . . .

7

67

80

150

89

L-

wei- en hooiland .

2

59

60

48

17

is-

bouw- en weiland . . .

2

43

60

56

96

1

hooi, bouwl. en hakhout. .

2

56

03

53

70

|

e)

■HI

bouwl., hakhout, huis, erf.

81

26

25

70

30

[ 1

-ocr page 576-

80

Kadastrale Ligger.

Naam van hot zedelijk ligchaam of

de instelling van de doode hand. 3.

GEMEENTE. : Artikel.

1.

Vlijmen . . . Grubbcnvorst .

78 158 7

id.

Susteren. id.

id.

Grubben vorst (de vicarie).......

Lottum (de vicarie of kapellany) . . . .

Hot altaar van St. Catharina te Susteren .

Het altaar van St. Jan en St. Mathijs te Susteren............

Het altaar van St. Pieter en St. Paulus te Susteren. ... ......

517 I quot;Vlijmen (Schnts van St. Barbara te) . .


-ocr page 577-

81

-

\' Aanduiding der goederen volgens den kadastralen ligger.

Aanmerkingen.

Grootte. 5.

A A K D.

4.

bouw- en hooiland

wei-, bouw-, booil., hakhout en demienbosch . .

wei-, bouw- en hooiland , boomkweekerij , hakhout.

bouwland, hakhout . .

13 53

86 \' 78

— 36 15 4 31 i 90

9 05 20 183 58

107 | 32

5 84 40

te lus

197 34

56 08

12 34 70

bouwland, hooiland, hakhout

2 37 i 40

tuin, bouwland

-ocr page 578-
-ocr page 579-

RAPPORT

OVER

DB VICARIEGOBDERBN,

in hun verband tot de andere kerkelijke goederen

IN

LIMBURG.

-ocr page 580-
-ocr page 581-

r.

De kerkelijke goedereii.

§ 1. Oorsprong der kerkelijke goederen.

De geschrifteri en oorkouden, die uit de oudste tijden der christenheid tot ons zijn gekomen , bewijzen met welke zorg de eerste geloovigen zich beijverden in alles te voorzien wat noodig was voor de uitoefening van den eeredienst en voor de verpleging van armen en hulpbehoevenden. Bestonden aanvankelijk de offergiften uit brood, wijn, olie en vruchten, werden de eerstelingen van den akkerbouw, de tienden der inkomsten tot vrome doeleinden afgezonderd, het duurde niet lang, of de behoefte deed zich allerwegen gevoelen , dat de inkomsten van kerkelijke gemeenten en liefdadige vereenigingen van meer bestendigen aard behoorden te zijn. Want alhoewel de vrijwillige bijdragen nog mildelijk toevloeiden, toch bleek het reeds dat ze aan groote wisselvallighedeu blootgesteld waren. Verminderden zij, hoe zoude men in de talrijke behoeften kunnen voorzien ? Er waren armen te bedeelen, weezen op te voeden, zieken te verplegen, dooden te begraven. De liefdemalen moesten worden gevierd; en voor het onderhoud vau hen, die de heilige bedieningen vervulden, geboden plicht en liefde te zorgen. Dit alles zoude echter op den duur niet mogelijk blijven, zoo men niet over geregelde en vaste inkomsten kon beschikken. Mag men geloof slaan aan hetgeen gezagvolle mannen schreven,

-ocr page 582-

4

dan werd al vroegtijdig in sommige gewesten aan deze behoefte voldaan. Reeds gedurende den tijd der vervolgingen bezat de Eoomsche kerk vaste goederen: „Ex testimoniis Tertuliani, „Arnobii, Origenis, Lactantii et Eusebii Caesariensis antistitis „de Christianorum templis ethnicorum imperatorum jussu incensis, „ex lege a Constantino et Licinio an0. 313 lata, litterisque ad „Annalium Africae proconsulem ab iisdem eodem anno datis, „aliisque monumentis perspicue evincitur christianos etiam ante-„quam imperio Constantinus potiretur, et loca ad quae convenire „consueverant, et alia, ut domos, possessiones, agros, hortos, „possedisse, quae ad jus corporis eorura, id est ecclesiarum , „non hominum singulorum pertinerent\'quot; (1).

De goederen door de geloovigen samengebracht werden onder toezicht van den bisschop gezamenlijk beheerd. Voor zooverre mogelijk was, werd daarmede in alle behoeften voorzien. Ook degenen , die de heilige diensten vers\'ulden, ontvingen, zoo zij dit noodig hadden, uit deze gemeenzame bezittingen, — ex communi ecclesiae aerario. Dit gaf allengs aanleiding tot het ontstaan der beneficiën.

Reeds in de 6(le eeuw werden den clerici de opbrengsten van vaste goederen, althans voor een bepaalden, hetzij korteren , hetzij langeren tijd verzekerd. Stierf de persoon, die het genot van zulk een inkomen had, of werd hem dit om andere redenen door de geestelijke overheid ontnomen , dan verviel het vaste goed weer aan de praedia ecclesiae. Want alhoewel voor het onderhoud des geestelijken persoons gezorgd werd , gold toch ae bediening van een geestelijk ambt nog niet als een titel, waarop zich de clericus kon beroepen om aanspraak te maken op de opbrengsten van een bepaald vast goed. Hij genoot een inkomen, dat om de veranderlijkheid, waaraan het onderworpen bleef, precaria heette.

Eerst later werd de vervulling van een geestelijk officie

(1) F. Lucn Ferraris, Prompta bibliothsca canonica, juridica, moralis theologioa; in voce Bona.

-ocr page 583-

5

rechtstitel. Bij verschillende schrijvers wordt de tijd, waarin de eigenlijk gezegde beneficiën ontstonden, verschillend aangegeven. Zeker echter is het, dut in de elfde eeuw olke landkerk — ruralis ecclesia — hare tienden en vaste goederen bezat. Overtuigend blijkt dit uit cap. 25. causa 28. quaest. 8 (1).

Toen de zoogenaamde vita communis allengs onder de geestelijken in onbruik geraakte, word ook in de steden deze wijze om iu het onderhoud der geestelijken te voorzien, ingevoerd (2).

De beneficiën zijn dus, gelijk het concilie van Trente leert, „ad divinum cultum atque ecclesiastica munia obeuuda consti-tutaquot;, sess. XXJ cap. 3 de Reform. Deze woorden eischeu eene nadere verklaring.

§ 2. Aard en verdeeling der Beneficiën.

Het beneficie kan gevoegelijk op de voluiende wijze worden bepaald. Jus perpetuum percipiendi fructus ex bonis ecclesiasticis ratione spiritualis officii personae ecclesiasticae auctoritate Ecclesiae constitutum. Een bestendig door het kerkelijk gezag verordend recht, krachtens hetwelk een kerkelijk \'persoon uit hoofde eener geestelijke bediening dlt;. vruchten geniet van kerkelijke goederen.

Van deze definitie wensch ik eene korte verklaring te geven.

Uit deze bepaling blijkt, dat voor het oprichten van een beneficie het kerkelijk gezag onmisbaar is. Auctoritate ecclesiae constitutum. Wie eene stichting maakte zonder daarvoor canonieke erectie te vragen, zoude daardoor van zelf te kennen geven geen eigenlijk beneficie te willen. Want wordt door den bisschop het decreet van oprichting niet afgegeven, dan mag de vrome stichting den naam dragen van pium legatum, onder de eigenlijk

(1) „Sancitum est uf unicuique ecclesiae unus mansus integer absque ullo servitio attribuatur, et presbyteri in eis constituti, non de decimis, neque de oblationibns fidelium, non de domibus neque de atriis vel de hortis juxta ecclesiam positis, neque de praescripto manso aliquod servitium faciant praeter ecclesiasticuni.quot; Cap. 25. Causa 23. Quaestio 8.

(2) Zie T)r. Simon Aichxer, Compendium juris ecclesiastici, p. 258.

-ocr page 584-

e

gezegde kerkelijke beneficiën wordt zij uiet gerekend. Een beneficie immers is als het ware een contract, dat tusschen de kerkelijke overheid en den stichter wordt aangegaan, waarbij deze een rente- of vruchtgevend goed afstaat en gene zich verplicht voor het vervullen van kerkelijke diensten, voor het opdragen van H. Missen enz. te zullen zorgen. Deze kerkelijke , geestelijke dienst, officium sacrum, wordt de grondslag caum, Jundamentum van het beneficie geuoemd, en maakt dat het niet dan door geestelijke personen in eene kerk, in eene kapel, of ook aan een bepaald altaar kan worden waargenomen. Het wordt daarom alleen aan geestelijke personen geschonken, personae ecclesiasticae. Wie voor een beneficie in aanmerking wenscht te komen, moet zich eerst door het ontvangen der tonsura onder de geestelijkheid laten opnemen, \'t Is waar, de geschiedenis, zoo verzekert Ferraris, kan ook hier op enkele uitzonderiagen wijzen. Mag men dezen beroemden geleerde gelooven, dan hebben de Pausen zich voorheen in Duitschland bijwijlen genoodzaakt gezien personen, voor zij de tonsura ontvangen hadden, met een kerkelijk beneficie te begiftigen , onder voorwaarde nochtans dat dezen zich zoo spoedig mogelijk onder de geestelijkheid lieten opnemen. „Nisi tamen „papa dispensaverit cum laico ut possit elegi, ac postea quam „primum tonsurari, prout aliquoties contigisse cum magnornm „principum filiis praesertim in Germania refert Sailing cap. 2 „num. 2 de Electionequot; (1).

Hoewel de tonsuur voor het ontvangen van een beneficie een onmisbaar vereischte is, zoo is zij toch niet altijd voldoenae. Want is voor het vervullen der verplichtingen van het beneficie het priesterschap noodig, dan eischt ook het canonieke recht, dat wie hiernaar dingt, te voren de hoogere orden hebbe ontvangen, of ten minste binnen een jaar na zijne aanstelling als beneficiant, subdiaken zij gewijd.

Het gebeurde evenwel bijwijlen dat iemand tot een beneficie werd geroepen aan wien do noodige wetenschap ontbrak. Wel waren zoo-

(1) Ferraris. Boneficium. Art. V. n. 5.

-ocr page 585-

7

danigen dan verplicht binnen een jaar het subdiakonaatte ontvangen, doch voor de priesterwijding werd hun een uitstel van zeven jaren toegestaan, opdat zij zich gedurende dit tijdsverloop op de beoefeniug der wetenschappen konden toeleggen. Doch ten einde gedurende dien tijd de heilige bedieningen niet onvervuld zouden blijven, moest de bisschop voor het aanstellen van vicarissen zorgen. „Porro septennio praedicto durante, iidein episcopi et superiores „sollicite providere procurent, ut per bonos et sufficientes vicarios , „ab eis in hujusmodi ecclesiis deputandos aniraarutn cura diligenter „exerceatur, et deserviatur laudabiliter in divinis: quibus de „ipsarum Ecclesiarum proventibus necessaria congrue ministren-„tur\'\'(1). Ik merk dit aan, opdat men niet zoude ineenen als werd met dit verleende uitstel ook te gelijker tijd kwijtschelding of vermindering van kerkelijke diensten en H. Missen toegestaan.

Vervolgens eischt het canonieke recht, dat men om een eigenlijk kerkelijk, beneficie te kunnen bezitten , ongehuwd zij. Yolgens do voorschriften der Roomsche kerk is het hun, die slechts de kleine orden ontvingen, niet verboden een huwelijk aan te gaan , doch doen zij dit, dan verbeuren zij daardoor alle aanspraak op beneficiën; ja zelfs bezitten zij die, dan moeten zij daarvan afstand doen. In het derde boek litel III der Deer. Greg, lees ik dienaangaande; „Si qui clericorum infra subdia-„conatum acceperint uxores, ipsos ad relinquenda beneficia eccle-„siastica et retinendas uxores districtione ecclesiastica compellatisquot;. cap. 1. In het volgende hoofdstuk wordt vervolgens over het vergeven der beneficiën gezegd: „Provideas attentius ne deinceps „clericus conjungatus ad ecclesiastica beneficia, vel sacros ordines, „aut administratie nes ecclesiasticas admittatur quot; cap. 2 (2).

Uit hetgeen in dit eerste hoofdstuk gezegd wordt, blijkt hoe groot gewicht de kerkelijke voorschriften aan den ongeliuwden staat der beneficianten hechten. Wie een beneficie ontvangt, verkrijgt een voortdurend recht, jus perpetuum , op vaste inkomsten, doch

(1) Caput cum ex. en 36 de electione in (5°. (2J De clericis conjugatie.

-ocr page 586-

8

Mie in het huwelijk treedt, verbeurt daardoor dit recht. Deze perpetuiteit van het beneficie heeft eene tweeledige beteekenis, naarmate men haar beschouwt ten opzichte van den beneficiant of ten opzichte van het beneficie. Dewijl het beneficie een bestendig recht geeft, behoort het goed daaraan verbonden zoo van duurzameu aard te wezen, dat met het heengaan of sterven van den beneficiant ook niet tevens hot beneficie verdwijnt, maar vaceert, en aan een andere gegeven kan worden. Het is dus noodig dat aan het waarnemen van een kerkelijk officie een inkomen van blijvenden en duurzameu aard verbonden zij, opdat het officie een waar beneficie genoemd kunne worden.

Welke voorschriften door het kerkelijke gezag gemaakt zijxi om deze perpetuiteit der inkomsten te verzekeren, hoop ik later in het kort te vermelden.

Beschouwt men het beneficie in betrekking tot den persoon, die het ontvangt, dan wordt het een jus perpetuum genoemd, omdat het niet voor een bepaalden of beperkten tijd, maar tot aan den dood van deu beneficiant toe vergeven wordt. Voor dezen blijft het een voortdurende rechtstitel, waarop liij zich mag beroepen om de inkomsten van een kerkelijk goed te genieten.

Het is waar, meer dan eens vindt men gewag gemaakt van beneficia mannnlia of ad nutuni revocabilia, doch deze dragen niet in den strengen zin des woords den naam van beneficia, omdat, zoo zegt Ferraris: „de natura beneficii proprie dicti „est, ut institutus in eo perpetuo duretquot;.

Hier beroept de geleerde jurist zich op cap. Sanctorum 2. dist. 70., waar men leest: „in qua ecclesia quilibet titulatus „est, in ea perpetuo perseveret.quot; Volgt hier echter uit, dat wie een beneficie ontvangt dit tot aan zijn dood zal blijven behouden ? Het antwoord op deze vraag wensch ik met een enkel woord te geven, want wilde ik op eene eenigszins volledige wijze de omstandigheden vermelden, waaronder een beneficie kan vaceeren, dan zouden er tal van bladzijden te vullen zijn. Grenoeg zij het daarom te zeggen , dat het kerkelijke recht in vele gevallen een

-ocr page 587-

9

vrywilligen afstand van het beueiicie toelaat, en ook bij wijlen den beneficiant tegen zijn verlangen in zijne rechten kan ontnemen. De vele juridieke redenen kunnen tot de volgende vijf klassen of soorten terug gebracht worden : „desertio vel mutatio „status clericalis; neglecta susceptio ordinum annexorum; in-„compatibilitas; impetratio defectiva seu irrita; et demum oxcepta „quaedam crimina.quot; Eene verklaring van deze juridieke redenen meen ik hier nief te mogen geven, ik verwijs daarom den belangstellenden naar het reeds meermalen genoemde werk van Ferraris (1).

Waarom de perpetuiteit een wezenlijke voorwaarde is van de eigenlijke beneficiën, schijnt mij toe in dezer voege verklaard te kunnen worden.

In de vroegste tijden der kerk werden de clerici door de wijding zelve dermate verbonden aan hunne respectieve kerken en aan de bedieningen, die hun dan werden toevertrouwd, dat zij daarvan niet konden verwijderd worden of ontzet tenzij in bepaalde door de canons voorziene gevallen (2).

Hieruit volgde dat de bisschoppen in het onderhoud der clerici moesten voorzien, en dezen een blijvend recht op dat onderhoud hadden. Dit vinden wij duidelijk uitgesproken in de constitutie van Paus Gelasius I, waarbij met beroep op de oude canons aldus wordt vastgesteld. „Ministeria atque ornatura ecclesiae, vel „quidquid illud est in patrimonie ejusdem non minuere studeat „(episcopus) sed augere. De redditu vero ecclesiae vel oblatione „fidelium quatuor faciat portioues; quarum unam sibi ipse „retineat, alteram clericis pro officiorum sedulitate distribuat; „tertiam pauperibus et peregrinis; quartam ecclesiasticis fabricis „noverit reservandam. De quibus divino erit redditurus judicio „rationemquot;. (3)

Toen nu in lateren tijd door vrome schenkingen en legaten

(1) Ferraris in voce Beneficium Art. VII, n. 48 sqq.

(2) S. Leo Mags. Ep. I. ad Aquileiensem episcopum. Cf. Ep. VIII. ad episcopos Illyrici.

(3) Constit. Gelasii I. Cf. Gratian. in causa 12 q. 2.

-ocr page 588-

10

goederen en inkomsteu werden bestemd voor de kerkelijke bedieningen en alzoo de beneficiën ontstonden, deelde de perpetuiteif aan de kerkelijke bediening eigen, zich mede aan het kerkelijk goed voor die bediening bestemd.

Aanvankelijk alzoo had de clericus een blijvend recht om de kerk te dienen door wier bisschop hij gewijd was; een bestendig recht ook had hij, indien hij zijn plicht deed, op de bediening hem toevertrouwd en op een betamelijk onderhoud. Hij had jus perpetuum, behoudens de canones, op het officium ecclesias-ticum. Toon aan dat officium goederen werden verbonden, verkreeg hij met het jus perpetuum op het officium een even bestendig recht op de inkomsten van liet aan zijn officium beantwoordend beneficium.

De perpetuiteif is dus essentieel eigen aan de eigenlijke beneficiën. Andere kerkelijke fundatiën of stichtingen, dat is goederen en inkomsten aan zekere bedieningen verbonden , kunnen dus wel min of meer naar beneficiën gelijken, maar zij zijn dat niet, dewijl dezer hoofdeigenschap is dat zij per pet uu, bestendig of blijvend zijn (1).

De talrijke bedieningen, welke in de katholieke kerken waar te nemen zijn, gaven aanleiding tot het ontstaan van zeer verschillende soorten van beneficiën. Ze alle op te noemen, of alle verdeelingen der beneficiën aan te geven zoude met ons doel niet overeenstemmen. Slechts op die verdeelingen van beneficiën, welke bij het bespreken der vicariae van nut zijn, wil ik wijzen. Ik ga daarom stilzwijgend voorbij de verdeeling van beneficiën, iu major a en minora, van regular ia en saecularia. Beschouwt men de beneficia in zooverre zij zielezorg en administratie en andere rechten medebrengen, dan verdoelt men ze in beneficia curata et non curat a in simplicia et duplicia.

Men noemt ze curata of non curata naarmate zij met zielezorg verbonden zijn of niet.

Van de curata onderscheidt men twee verschillende soorten :

(1) Acta Sanctae Sedis 111, blz. 510 seqq.

-ocr page 589-

n

want de cura werd uitgeoefend of wel in foro externo of wel in j\'oro interno, en van deze laatste vooral is gemeenlijk sprake als men van betieficia curata gewaagt.

Zeer verwant aan deze verdeeling is die van beneficia duplicia en simplicia. Duplicia zijn die, welke behalve tot het bidden van kerkelijke getijden, het verrichten van godsdienstige plechtigheden, het opdragen van H Missen nog verplichten tot ziele-zorg, of verbonden zijn met hetgeen men iu het kerkelijk recht noemt, dujnitas et personatus (1).

Zijn daarentegen de beneficia slechts opgericht om kerkelijke getijden te bidden, H. Missen te lezen, dan voeren zij den naam van beneficia simplicia. Let men op de verschillende wijzen, waarop de beneficiën vergeven worden, dan onderscheidt men ze in collativa, patronata en electiva Deze woorden zelve duiden hunnen aard aan. De electiva worden geschonken na eene keuze onder goedkeuring der kerkelijke overheid gedaan endoorhaar bevestigd; de collativa, ook libera genoemd, zijn aan de vrije beschikking der kerkelijke overheid gelaten, terwijl de patronata op voordracht des patroons vergeven worden. Eindelijk, om hetgeen ik in het begin van dit hoofdstuk schreef, is noodig op te merken dat bij vele auteurs de beneficiën verdeeld worden in beneficia manualia of ad nutum revocabilia en in non manualia of perpetua.

De manualia worden aldus genoemd omdat zij als het ware in handen, in manu, blijven van hen, die de macht bezitten ze te vergeven of er over te beschikken Hoewel deze door eenige auteurs onder de eigenlijke beneficia gesteld worden, is toch het getal van hen , die een tegenovergesteld gevoelen zijn toegedaan, veel talrijker. De perpetuiteit, welke ik eene noodzakelijke voorwaarde van het kerkelijke beneficie noemde, wordt bij de manualia gemist. Mijn oordeel is daarom, dat zij niet in den vollen zin des woords onder de eigenlijke beneficia gerekend mogen worden. Dit belet echter niet, dat ook deze stichtingen van

(1) Zie over deze woorden Reifkenstuell, de praehendia et dignitatibus.

-ocr page 590-

10

trocdei\'eu en inkomiiten werden bestemd voor de kerkelijke be-dieuingon en alzon de beneficiën ontstonden , deelde de perpetuiteif aan de kerkelijke bediening eigen, zich mede aan het kerkelijk goed voor die bediening bestemd.

Aanvankelijk alzoo had de clericus een blijvend recht om de kerk te dienen door wier bisschop hij gewijd was; een bestendig recht ook had hij, indien hij zijn plicht deed, op de bediening hem toevertrouwd en op een betamelijk onderhoud. Hij had jus perpetuum, behoudens de cauones, op het officium ecclesias-ticum. Toen aan dat officium goederen werden verbonden, verkreeg hij met het jus perpetuum op liet officium een even bestendig recht op de inkomsten van liet aan zijn officium beantwoordend beneficium.

De perpetuiteif is dus essentieel eigen aan de eigenlijke beneficiën. Andere kerkelijke fundatiën of stichtingen, dat is goederen en inkomsten aan zekere bedieningen verbonden , kunnen dus wel min of meer naar beneficiën gelijken, maar zij zijn dat niet, dewijl dezer hoofdeigenschap is dat zij perpetua, bestendig of blijvend zijn (1).

De talrijke bedieningen, welke in de katholieke kerken waar te nemen zijn, gaven aanleiding tot het ontstaan van zeer verschillende soorten van beneficiën. Ze alle op te noemen, of alle verdeelingen der beneficiën aan te geven zoude met ons doel niet overeenstemmen. Slechts op die verdeelingen van beneficiën, welke bij het bespreken der vïcariae van nut zijn, wil ik wijzen. Ik ga daarom stilzwijgend voorbij de verdeeling van beneficiën, in major a en minora, van regular ia en saecularia. Beschouwt men de beneficia in zooverre zij zielezory en administratie en andere rechten medebrengen, dan verdeelt men ze in beneficia curata et non curata in simplicia et duplicia.

Men noemt ze curata of non curata naarmate zij met ziele-zorg verbonden zijn of niet.

Van de curata onderscheidt men twee verschillende soorten :

(1) Acta Sanotae Sedis III, Mz. 510 scqq.

-ocr page 591-

11

want de cura werd uitgeoefend of wel in foro externa of wel in foro interno, en van deze laatste vooral is gemeenlijk sprake als men van beneficia curata gewaagt.

Zeer verwant aan deze verdeeling is die van beneficia duplioia en simplicia. Duplicia zijn die, welke behalve tot het bidden van kerkelijke getijden, het verrichten van godsdienstige plechtigheden, het opdragen van H Missen nog verplichten tot ziele-zorg, of verbonden zijn met hetgeen men in het kerkelijk recht noemt, dignitas et personatus (1).

Zijn daarentegen de beneficia slechts opgericht om kerkelijke getijden te bidden, H. Missen te lezen, dan voeren zij den naam van beneficia simplicia. Let men op de verschillende wijzen, waarop de beneficiën vergeven worden, dan onderscheidt men ze in collativa, patronata en elecfiva Deze woorden zelve duiden hunnen aard aan. De electiva worden geschonken na eene keuze onder goedkeuring der kerkelijke overheid gedaan en door haar bevestigd; de collativa, ook libera genoemd, zijn aan de vrije beschikking der kerkelijke overheid gelaten, terwijl de patronata op voordracht des patroons vergeven worden. Eindelijk, om hetgeen ik in het begin van dit hoofdstuk schreef, is noodig op te merken dat bij vele auteurs de beneficiën verdeeld worden in beneficia manualia of ad nuf urn revocabilia en in non manualia of perpetua.

De manualia worden aldus genoemd omdat zij als het ware in handen, in manu, blijven van hen, die de macht bezitten ze te vergeven of er over te beschikken Hoewel deze door eenige auteurs onder de eigenlijke beneficia gesteld worden, is toch het getal van hen , die een tegenovergesteld gevoelen zijn toegedaan, veel talrijker. De perpetuiteit, welke ik eene noodzakelijke voorwaarde van het kerkelijke beneficie noemde, wordt bij de manualia gemist. Mijn oordeel is daarom, dat zij niet in den vollen zin des woords onder de eigenlijke beneficia gerekend mogen worden. Dit belet echter niet, dat ook deze stichtingen van

(1) Zie over deze woorden Reiffenstüell, de praebendis et dignitatibus.

-ocr page 592-

12

waren kerkehjken aard eu aan de rechtsmacht der kerkelijke overheid onderworpen kunnen zijn.

Na deze verklaring en verdeeling van beneficiën ga ik over de vicariae te bespreken.

§ 3. Vicariae.

Het doel der beneficiën is, gelijk het concilie van Trente leert, te voorzien in het onderhoud van hen , die geroepen zijn de godsdienstige plechtigheden te verrichten en de kerkelijke bedieningen te vervullen. Beneficium propter officium, zoo luidt de algemeene wet,

Met altijd echter moet de beneficiant persoonlijk de verplichtingen van zijn officie vervullen. Wij zagen dit zooeven reeds. quot;Want hoewel de beneficiën meerendeels den beneficiant in dier voege tot residentie verplichten, dat hij gehouden zij eenc plaats tot verblijf te kiezen, die hem in staat stelt zijne verplichtingen persoonlijk te vervullen, en ofschoon men in het cap. ad haec 13 de Praebendis leest, dat niet meer dan één beneficie aan een persoon geschonken behoort te worden „cum „singula officia in ecclesiis assiduitatem exigant personarumquot; is toch het aanstellen van vicarissen niet altijd ongeoorloofd. N oor de beneficia simplicia worden dezen meer dan bij andere toegelaten. Het volgende citaat uit Ferraris leert ons dit: „Obtinens „beneficium, quod sit simplex et sine cura animarum, et extra „ecclesiam collegialem, nee personalem residentiam ob aliam „causam requirens, non tenetur in eo residere, sed ad serviendum „illi per alium, qui probatus sit ab ordinarioquot;.

De regula juris: Qui facit per alium est perinde ac si facial per se ipsum, verleent in vele omstandigheden aan de kerkelijke overheid het recht personen aan te stellen, die de beneficianten óf behulpzaam zijn in het volbrengen der kerkelijke bedieningen, öf ook zelfs deze in hunne plaats waarnemen. Is de bezitter van een beneficie zelf niet bij machte aan zijne verplichtingen te voldoen, dan moet hij, zoo beslissen de voorschriften, iemand

-ocr page 593-

13

aanstellen of vragen, die in zijne plaats dit doe. In de uit-drukkelijkste bewoordingen wordt dit voorgeschreven in cap. extirpandae 30 de Praebendis et Dignitatibus: „Qui vero pa-„roecialem habet Ecclesiam, non per viearium, sed perseipsum „illi deserviat, nisi forte dignitati vel praebendae paroecialis „ecclesia sit annexa: in quo casu conccdimus, ut qui talem habet „praebendam vel dignitatem, cum oporteat eum in majori ecclesia „deservire, in ipsa paroeciali ecclesia idoncum et perpetuum „habeat viearium canonice institutumquot;. üit deze aanhaling blijkt dat het toelaten van vicarissen geoorloofd, ja zelfs in sommige omstandigheden voorgeschreven is, doch ook tevens ziet men hier het verlangen uitgedrukt dat de beneficianten zooveel mogelijk zeiven hunne verplichtingen vervullen.

Het spreekt van zelf dat ook in het onderhoud van de personen, die in de plaats eens anderen de kerkelijke bedieningen waarnemen , moet worden voorzien. Dit was eene gedeeltelijke oorzaak van het ontstaan der zoogenaamde vicariae of vicarie-goederen.

Uit hetgeen ik zooeven over de beneficiën schreef, wordt echter gemakkelijk het antwoord afgeleid op de vraag of men de vicariae onder de eigenlijk gezegde beneficia ecclesiastica mag rekenen. Wordt eene vicarie met canonieke instelling niet voor een bepaalden of beperkten tijd, maar in perpetuum vergeven, dan behoort deze tot de eigenlijke beneficia ecclesiastica. Immers zoo leest men in cap. postulasti 27 de Rescriptis „Non enim „beneficio carere debet dici, cui competenter de perpetuae „vicariae proventibus est provisumquot;. Zijn deze voorwaarden niet vervuld, dan draagt een vicarie niet den naam van eigenlijk beneficie. De redenen hiervan zijn reeds vroeger vermeld.

Zoo wij den zin der woorden, welke ik zoo even uit Ferraris en ook uit het Corpus juris aanhaalde, eenige oogenblikken overwegen , dan blijkt terstond, dat er verschillende soorten van vicarissen en dus ook van vicariae zijn. De geleerde schrijver van het Rapport over de vicariegoederen in hun verhand met de andere kerkelijke goederen in Utrecht heeft van deze vicariae

-ocr page 594-

14

zulk een duidelijk en volledig overzicht gegeven, dat eene nieuwe verkin ring of verdere bespreking daarvan overbodig moet worden geacht.

§ 4. Eigendom en beheer der kerkelijke goederen.

Na het voorafgaande schijnt de vraag gewettigd aan wien het eigendom en het beheer der kerkelijke goederen toekomt.

Raadpleegt men ter beantwoording dezer vraag de boeken en geschriften, welke ook ten dezen opzichte van onmiskenbare waarde zijn, dan vindt men uitdrukkingen, die aanleiding gaven tot de meest uiteenloopende meeningen.

Daar vindt men de kerkelijke goederen genoemd het erfdeel van Christus , het goed van God. „Patet a siraili ut clerici vivere debeant de patrimonio Christr\' cap. cum secundum 26. De Prae-bendis en cap. cum ex eo 34. De electionibus in 6°. In het concilie van Trente heeten de kerkelijke goederen „res ecclesias-ticae quae Dei suntquot;. Trident, sess. XXV: cap. 1. de Eeform.

Mag men hieruit afleiden, dat deze goederen op aarde geen anderen bezitter dan God, dan Christus hebben ? Dit werd, doch ten onrechte, door sommigen geleerd. quot;Want deze goederen worden aldus in de geschriften over het canonieke recht genoemd, omdat zij inniger dan de overige goederen aan vereering van den Schepper gewijd zijn.

Anderen zijn van oordeel, dat deze goederen den naam van bona ecclesiastica dragen omdat de kerk de eigenaresse, bezitsier daarvan is, zoodat noch kloosters, noch kerkelijke gemeenten, noch diocesen, of welken naam de vereenigingen dragen, zich over het bezit van eenig eigendom mogen verheugen. Dan ook deze opinie vindt hare wederlegging in het feit, dat in stukken van het hoogste gezag uitgegaan aan bijzondere kerkelijke instellingen het recht van bezit wordt toegekend. Enkele dei-stukken, die dit bewijzen, zal ik terstond mededeelen.

Hiermede wil ik echter niet te kennen geven , dat de alge-meene kerk ook inderdaad geene bezittingen kan hebben,

-ocr page 595-

15

of liever heeft. „Sobald als der Papst. irgend eine selbstan-„dige Vermögensmasse für nicht spezialisirte Zwecke der ^allgemeinen Kirche hinterlegt, hat das Vermogensrecht der „Gesammtkirche konkrete Gestalt genommen. Ein solchea Ver-„mogen existirt z. B. in der camera /Lpostolica , und itn gewissen ,,Sinne in dem Besitze der Propagandaquot; (1).

Dat ik verre ben mij aan te sluiten bij hen, die het eigendom der kerkelijke goederen aan de burgerlijke gemeente toeschrijven, is overbodig aan te merken. Deze zienswijze, vooral sedert de Fransche revolutie door sommigen voorgestaan, werd in de ondubbelzinnigste termen zelfs door Portalis in zijn schrijven aan Keizer Napoleon als valsch verworpen. De kerkelijke goederen, zoo oordeelde deze staatsman, in de dagen der omwenteling aan de parochiekerken ontnomen, behooren niet aan de gemeenten „car les communes n\'etaient pas proprietaires de „ces biens.quot;

Naar mijne overtuiging behoort het dominium der kerkelijke goederen aan bijzondere kerken, aan religieuze instellingen, diocesen of welken naam deze vereenigen verder mogen dragen. Dit gevoelen vind ik bevestigd in geschriften, welke ten dezen opzichte gezag verdienen.

In cap. causa 13 de Verborum significatione wordt gezegd ; „Caeterum primitiae , dccimae, et oblationes in solis ecclesiarum „bonis praecipue numerantur. Oblationes vero dicimus quaecunque „de propriis et Ileitis rebus ecclesiae a fidelibus offeruntnr.\' En in cap. quia contingit 2 de Religiosis domibus in Clem. leest men ; „Quia contingit interdum quod xenodochiorum, leprosari-„arum, eleemosynariarum, seu hoapitalium rectores, locorum „ipsorum cura postposita bona, res et Jura ipsorum iuterdum „ab occupatorum et usurpatorum manibus excutere negligunt „et non attente quod loca ipsa ad hoe fundata et fideiium „erogationibus dotata fueruut ut pauperes intectique lepra reci-„perentur in ibiquot;. Voorts wordt er in hetzelfde hoofdstuk op aan-

(1) Lehmkuul, Das Kirchengut und sein Rechtstriigei\'.

-ocr page 596-

16

gedrongen slechts zulke bestuurders van soortgelijke inrichtingen te benoemen, die in staat zijn „loca ipsa, bona eorum acjura „utiliter regere.quot; Ook het concilie van Trente heeft in denzelfden geest gesproken in de XXV zitting cap. 3 de Regularibus: „Concedit sancta Synodus omnibus monasteriis et domibus tam „virorum quam mulierum, et mendicantium .... ut deinceps „bona immobilia eis possidere liceat.quot; Hierdoor verleende de kerkvergadering aan sommige kloosters en huizen verlof vaste goederen te bezitten, welke zij te voren niet in eigendom mochten hebben.

Vervolgens merke men op, dat het dominium van goederen krachtens boven vermelde plaatsen niet wordt toegekend aan de parochianen, de kloosterlingen enz., maar aan de kerken, religieuze instellingen enz.

Eindelijk ontmoeten wij hier de canonieke leer, dat de kerkelijke goederen niet behooren aan kerken, religieuze instellingen in zooverre deze universitates personarum vormen, maar in zooverre zij universitates rerum met juridische persoonlijkheid zijn. Over de juridische persoonlijkheid lees ik bij Savigny: „Juristische Person ist ein durch Fiction angenommenes „Rechtssubjekt neben dem einzelnen Menschen, also von „den natürlichen Individuen unterschiedcn; sie ist ein vermö-„gensfahiges, künstlich angenommenes Subjekt, nicht als ob die * Vennögensfahigkeit allein es ware, was ihr wesentlich ist — im „Gegentheil setzt sie einen selbstandigen Zweck voraus—aberdieser „Zweck soil durch die Vermögensfahigkeit gefördert werden, „und diese Vermögensfahigkeit ist es, welche ihr die eigentliche „Form als juristische Person ertheiltquot; (1).

Het vermogen van te kunnen bezitten veronderstelt dus een zelfstandig doeleinde. Dit doeleinde schept zich de juridische persoon zelve niet, het wordt hem van elders gegeven. Behoeft het dan bewijs dat deze goederen, de bezittingen der stichtingen, niet naar believen mogen worden aangewend, doch dat ze

(1) Savigny aangehaald bij Lkhmkuhl o. c.

-ocr page 597-

17

overeenkomstig het verlangen van hen, die de goederen samen brachten moeten worden beheerd; dat ook de religieuze overtuiging van de stichters geëerbiedigd dient te worden?

Vraagt men wie deze juridische persoonlijkheid in het leven roept, dan kan het antwoord niet twijfelachtig zijn De staat heeft het recht binnen de grenzen van zijn gebied zulke persoonlijkheden toe te laten, haar het recht van juridisch bestaan te geven. Diezelfde macht bezit ook de kerk, want zij is niet minder dan de staat eene perfecta societas. Wanneer kerkelijke gemeenten, religieuze instellingen met verlof en goedkeuring der kerkelijke overheid worden opgericht, dan ontstaat ipso actu erectionis deze juridische persoonlijkheid. Het eigendomsrecht komt aan deze instellingon, kerkelijke gemeenten, enz. als aan juridische personen toe, doch zij zijn in de uitoefening harer rechten niet onafhankelijk van het hooger kerkelijke gezag. Op verschillende wijzen heeft men de verhouding tusschen deze instellingen, gemeenten enz. en het hooger kerkelijke gezag uitgedrukt. Sommigen noemden de bijzondere instellingen subject urn immediatum et proximum proprietatis en de kerk het subjectum remoturn et mediaium (1), terwijl anderen eene andere formuleering kozen.

Volgens Reiffenstuell behoort aan de bijzondere instellingon het dominium particulars en aan de kerk het dominium vniver-sale. Doch welke termen men ook kieze om deze verhouding uit te drukken, allen komen hierin overeen, dat beide macht over de kerkelijke goederen bezitten.

Uit het voorafgaande leidt men gemakkelijk af, welk antwoord gegeven dient te worden op de vraag of de Paus bezitter dei-kerkelijke goederen is. Meermalen heeft de geschiedenis feiten geboekt, welke tot het stellen dezer vraag aanleiding gaven.

Aan den Paus, den opvolger van den H. Petrus, komt niet het eigendom, maar de hoogste rechtsmacht over deze goederen toe. Hij heeft die als hoofd der kerk, waaraan Christus het

(l) Dr. Aichner o. c.

2l

-ocr page 598-

18

recht van te kunnen bezitten verleende. „Der Papsthat freilich, „wie schon oben bemerkt wurde, vermöge seiner ümtlichen „Befugniss, über alle diese Güter die höchste Geriehtsbarkeit; „fordert es das Jiedürfniss, so kann er sie ihrem bisherigen „Rechtstrager entziehen, sie auch möglicher Weise den Gütern, „welche der allgeraeinen Kirche dienen, zuweisen, oder sogar »bei zwingender ïfoth sie den kirchlichen Zweeken ganz entziehen ; Bohne wichtigen Grand aber so handeln, ware nicht ein Ge-„brauch, sondern ein Misbrauch seiner Machtquot; (1).

Dikwerf iieeft de Paus door omstandigheden gedwongen van deze macht gebruik gemaakt om kerkelijke goederen af te staan. Het eerste voorbeeld hiervan werd gegeven door Paus Julius III, toen deze kardinaal Polus naar Engeland zond om onder de regeering van koningin Maria aldaar den vrede met de Roomsche kerk te herstellen (2). Uit het vervolg van dit verslag zal blijken, dat deze eerste milde beschikking van het opperhoofd der kerk niet tevens do laatste was.

Ook de bisschoppen oefenen in hunne respectieve diocesen rechtsmacht over deze goederen uit. Dat zij echter beperkter is dan die des Pausen behoeft nauwelijks gezegd te worden. „Sie „mit ihrem Amte sind im Abhangigkeitsverhaltnisse zum papst-„lichen Stuhle, daher kann dieser ihre Befngnisse einschranken „und vermindernquot; (3). De verhouding van onderworpenheid blijkt onder andere uit het verslag, dat de bisschoppen bij hun

(1) Lehmkuhl o. c.

(2) „Cum quibuscunque bonorum ecclesiasticorum tam mobilium, quam immo-bilium in praefato regno posscssoribus sen detontoribus, pro quibus ipsa serenissima Eegina Maria intercesserit, de bonis per cos indebite detentis , arbitrio tuo, auctoritato Nostra tractandi, concordandi, transigendi, compo-nendi, et cum eis, ut praefata sine ullo sorupulo in posterumretineripossint, dispensandi, omnia et singula alia, quae in his et circa ea quomodolibet necessaria, et opportuna fuerint, consulendi et faciendi; salvo tamen in his, in quibus propter rerum magnitudinem haec S. Sedes merito tibi videretur consulenda, Kostro et praefatae Sedis beneplacito et approbatione,quot;

Litterse 28 Junii 1554 datae Cardinali Legato.

(3) Lehmkuhl o. c.

-ocr page 599-

19

visitatio SS. Liminum aan do Congregatie SS. Concilii over hunne diocesen afleggen. Van do instructie door Paus Bene-dictus XIII tot dit doeleinde samengesteld luidt de titel van het eerste hoofdstuk: Di primo relationis capite pertinente ad statum ecclesiae materialem (1).

Na het voorafgaande is het schier overbodig op te merken dat het beheer, de administratie dezer goederen ook bij de kerkelijke overheid moet berusten. Immers het dominium \'perfectum en utile veronderstelt het recht van beheer. Enkele geschiedkundige bescheiden deel ik hieromtrent mede.

Het eerste concilie van Lateranen (1123) verklaarde: „Apos-„tolorum canonibus statutum est ut omnium negotiorum eccle-„siasticorum curam Episcopus habeat, et ea veluti Deo contem-„plante dispensecquot;. En in het dorde hoofdstuk van Causa X quaest 1 leest men: „Decretum est ut omnes ecclesiae cum „dotibus suis et decimis et omnibus suis in Episcopi potestate „consistant, atque ad ordinationem suam semper pertineant.quot;

Het werd ecliter den bisschoppen weldra onmogelijk zeiven de goederen te bestieren. Toen deze allengs zoo veelvuldig werden als er beneficiën en vrome stichtingen waren, moest noodzakelijkerwijze de hulp van anderen worden ingeroepen. Onder toezicht van- en met verantwoordelijkheid aan de bisschoppen zouden anderen de fondsen administreeren. Ook deze wijze van bestiering steunde op de beslissing der canones, want in het negende hoofdstuk der juist vermelde quaestie was gezegd: „Quod si ipse (Episcopus) aut languore detentus, aut „aliis occupationibus implicatus, id explore nequiverit, presby-„teros probabiles, aut diacones mittat, qui reditus basilicarum.... „inquiratquot;.

De kerkvergadering van Trente, die meer dan een gewichtig besluit over deze goederen uitvaardigde, bepaalde in hare XXII zitting: „Administratores tam ecclesiastici quam laici fabricae „cujusvis ecclesiae etiam cathedralis, hospitalis, confraternitatis,

(2) Lucidi, De visitatione SS. Liminum , part. I.

-ocr page 600-

20

„eleemosynae montiw pietatis et quorumcumque piorum locorum, „singulis annis teneantur reddere rationem administrationis „ordinarioquot; (1).

De provinciale synode van Utrecht ten jare 1865 te \'s Hertogenbosch gehouden handelde daarom overeenkomstig het voorbeeld haar uit de oudste tijden achtergelaten, toen zij schreef: „Quoniam bona, quae ad divini cultus splendorem, aliasque „pias causas, necnon ad ministrorum sustcntationem offeruntur, „Domino consecrantur ac in Ecclesiae potestate transeunt, „Episeopi, qui Ecclesiae divina ordinatione praesunt, sunt pariter „in unaquaque Dioecesi, salva suprema Romani Pontificis „auctoritate, primi eorumdem bonorum administratores, cuiceteri „admiuistratores subsunt et subesse debent. Id et antiquissimae „ecclesiasticae diseiplinae documenta proclamant et sanciunt.... „Ad ordinarium spectat, opportunis editis statutis, regulas prae-„finire juxta quas, pro locorum circumstantiis administratio „diligenter ac fructuose geraturquot; (2).

Met dit weinige acht ik toereikend te hebben aangetoond wien de kerkelijke goederen toebehooren, en te hebben betoogd, dat de administratie daarvan bij de geestelijke overheid berust. Ik eindig daarom met hetgeen Dr. P. Vering schrijft. „Das „kirchliche Recht bestimmt genau, wem die Yerwaltung und „Verwencung des Kirchengutes zusteht. In Folge dessen ist die „Prage praktisch unwichtig, wer theoretisch als Subject des „Kirchenvennögens zu betrachten sei, eine Prage worüber sich „das kirchliche Recht nicht direct aussert. Nach der historischen „Entwickelung des kirchlichen Verraögensrechtes und vom Stand-„punkte der kirchlichen Verfassung und des kirchlichen und „des gemeinen Rechtes aus musz man aber sagen: jedes einzelne „kirchliche Institut erscheint nach Auszen als das Vermögans-„subject, jedoch nicht als ein selbstandiges, sondern so, dass er „gleichsam einen iür den speciellen kirchlichen Zweck bestimmten

(1) Sess. XXII cap. 9 de Reform.

(2) Acta et decreta Synodi Provmoialis. Tit. X. Cap. 2.

-ocr page 601-

21

„Zweig (eine Artpeculium profectifium) dea kirchlichen Gesammt-nvermogens bildet, und dasz man darum eigentlich der Gesammt-„kirclie das Eigenthum des kirchlichen Vermógens bei zu legen Bhat. Eine Art Analogie bilden in römischen Rechte die einzelnen „stationes fisci, welche selbstandige Rechnungstellen, abor doch „alle nur Glieder des Einen Staatsfiscus waren. Da Staat und „Kirche, bürgerliche Gemeinde und piuni corpus der Pfarrgomeinde „wesentlich verschiedene Dinge sind, kann man dasKirehengut „nicht für Staatseigenthum oder Eigenthum der bürgerlichen „Gemeinde er klarenquot; (1).

§ 5. Bepalingen over het opdragen van H. Missen en het volbrengen van andere vrome iverken.

Het lijdt geen twijfel dat de stichters van beneficiën met hunne schenkingen vooral beoogden H. Missen te laten opdragen of vrome werken te doen verrichten. Ik meen daarom in mijn rapport met een enkel woord te moeten gewagen van de zorgen door de kerkelijke overheid aangewend om aan de stichters zekerheid te geven, dat hunne schenkingen het beoogde doel zullen bereiken. Ik vermeld dan eenige gezagvolle bescheiden , welke hierop betrekking hebben.

Aan Benedictus XIV ontleen ik den volgenden passus: „Inter „episcopalis sollicitudinis onera baud sane novissimum locum „tenere censendum est illud, quo sacri pastores obstringuntur, „majori qua possint cura advigilare, ut in suis dioecesibus pia „legata debitae execution! mandentur, praescriptae celebrontur „missae, eaedemque juxta piorum fundatorum voluntatem „applicenturquot; (2).

Hoewel de kerkelijke overheid in haar streven om de vrome beschikkingen ten uitvoer te brengen door het wereldlijk gezag

(1) Lehrhuch des katholischen, orientalUchoi unciprotestantischen Kirchen-rechts von Dr. Fkiedrich Vering, blz. 785 soqq.

(2) Benedict. XIV de Synodo. lib. XIII.

-ocr page 602-

22

menigwerf werd gesteund (1), was dit echter niet altijd het geval. Het gebeurde, dat erfgenamen, legatarissen of hoe zij mogen heeten, zich op de wettelijke voorschriften der burgerlijke overheid beriepen om de geldigheid der beschikkingen van den erflater te betwisten. Moest zulk een geding door de rechtbank der bisschoppen beslist worden, dan mochten niet zoo zeer de burgerlijke wetten als wel de canonieke bepalingen de richtsnoer voor het te vellen vonnis zijn. „Mandamusquot;, zoo luidt het in cap. relatum 11 de Testamentis, „quatenus cum „aliqua causa talis ad vestrum fuerit examen deducta eam non „secundum decretorum statuta tractetis, tribus aut duobus testibus „legitimis roquisitis.quot; De erfmakingen en alle testamentaire beschikkingen door de geloovigen voor hun geestelijk welzijn gedaan vallen onder de rechtsmacht der kerkelijke overheid. Dewijl deze daarom het recht en de verplichting heeft voor het uitvoeren der uiterste wilsbeschikkingen te waken, moet ook zij de wijze bepalen, waarop de wil kenbaar moet gemaakt worden. Het kan gebeuren dat deze wijze verschilt van die door dezen of genen staat voorgeschreven, doch hierdoor verbeurt de kerk hare rechten niet, hierom mag zij aan hare verplichtingen niet te kort schieten. Voor de kerk is de uiterste wilsbeschikking heilig, en daarom geldt voor haar als beginsel: „causae „piae institutio corruit non ob defectum solemnitatis, sed ob „defectum voluntatisquot; (2).

Het zoude ceue geringe moeite zijn te bewijzen, dat dit beginsel volkomen overeenstemt met bepalingen door keizer Jus-tinianus over erflatingen en legaten gemaakt. Doch ik verwijs slechts naar Lib. 28 Nu Ui cod. de Ep. et clericis, waar de kerkelijke overheid niet alleen verlof ontvangt, maar verplicht wordt voor de uitvoering van legaten tot vrome doeleinden gemaakt te zorgen, indien haar de wil van den overledene met

(1) L. 28 Nulli Cod. de Ep. et clericis. en Nov. 131 tit. 14 de Ecc. tit. et priv. § XI bij Lucidi.

(2) Lucidi, De Visitations SS. Liminum.

-ocr page 603-

23

zekerheid bekend is. Dewijl nu de kerkelijke wetten het den bisschoppen tot den dnursten plicht maken voorde uitvoering der uiterste wilsbeschikkingen te waken, mogen zonder hunne voorkennis en verlof door de lagere geestelijkheid geene legaten aangenomen, geone capellanicn gevestigd worden , waarbij deze zich tot oner a perpetua verbinden. En de hoogere geestelijkheid is op hare beurt gehouden tot het aannemen dezer onera geen verlof te geven, zoo de afgestane goederen niet voldoende blijken, of indien de geestelijkheid niet bij machte zoude wezen aan de aangenomen verplichtingen naar behooren te voldoen.

Om eindelijk nog meer zekerheid te erlangen dat aan de uiterste wilsbeschikking ook in de toekomst wordt voldaan, moet, indien de legaten in roerende goederen of geld bestaan, de veiligste belegging worden gekozen. Boven alles gaf de kerkelijke overheid de voorkeur aan vestiging in vaste goederen. „Praoterea .. „statuit atque decernit ut pecuniae ac bona mobilia ecclesiis,

„monasteriis..... acquirenda cum onere perpetuo missarum

„celebrandarum , ab iis, ad quos pertinet..... statim deponi

„debeant penes aedem sacram vel personam fide ac facultatibus „idoneam, ad efiectum illa seu illorum pretium, quamprimum „investiendi in bonis immobilibus fructiferis cum expressa et „individua mentione oneris, quod illis annexum reperiturquot; (1).

Werden met goedkeuring van den H. Stoel deze vaste goederen gealieneerd, dan moesten de opgebrachte gelden om dezelfde redenen wederom in vaste goederen worden belegd. „Ac si eadem „bona immobilia auctoritate apostolica deinceps alienari contigerit, „oorumdem pretium .... deponi atque in aliis bonis stabilibus „itidem fructiferis cum ejusdem oneris repetitione atque annexione „converti debeatquot; (2).

De declaraties ook nog in latere jaren over de belegging van gelden, waaraan het opdragen van H. Missen of het

(1) Urbani VIII decreta dc cclebratione Missarum ab Innocentio XII inno-vata ot confivmata § VI.

(2) Ibidem § VII.

-ocr page 604-

24

volbrengen van andere kerkelijke officiën verbonden zijn, getuigen zonder onderscheid van de nauwgezetheid en zorg der kerkelijke overheid om de aangegane verplichtingen met stiptheid te doen nakomen.

§ 6. Commutatie, reductie, translatie.

Niettegenstaande zorgen werden besteed en maatregelen genomen om aan de volbrenging van vrome wilsbeschikkingen de zekerste waarborgen te geven, konden deze toch niet altijd volbracht worden. De wisseling der tijden en historische gebeurtenissen veroorzaken bijwijlen groote veranderingen in maatschappelijke en kerkelijke toestanden. Op voorbeelden behoef ik niet de aandacht te vestigen, een ieder kent ze.

Maken de omstandigheden eene commutatie vau heilige Missen en godsdienstige oefeningen noodig of nuttig, dan komt aan het hoofd der kerk, den oppersten beheerder der kerkelijke goederen, hieromtrent het oordeel en de beslissing toe. Eene commutatie van heilige Missen, waarvoor de toestemming van het Apostolische gezag niet gevraagd werd, zoude daardoor alleen reeds van onwaarde zijn. „S. Congregatie perpetua sua „sententia hanc doctrinam constabilivit, commutationes volun-„tatum a Sede Apostolica nou factas irritas declaravit semperquot; (1).

Niet dan om dringende redenen wordt zij verleend, „commu-„tationes ultimarum voluntatum nonnisi ex justa ac necessaria „causa fieri debentquot; (2).

Hetzelfde geldt van de reductie, vermindering van heilige diensten.

In de zestiende eeuw zag zich het concilie van Trente om talrijke redenen in de noodzakelijkheid geplaatst aan verschillende kerken eene vermindering van op te dragen H. Missen toe te staan. In de XXVste zitting nam deze eerbiedwaardige vergadering het besluit den bisschoppen in hunne eerstvolgende

(1) Lucidi o. O

(2) Ibidem.

-ocr page 605-

25

diocesaan-synode, benevens den abten en oversten van religieuze orden in hunne generale capittcls te machtigen die vermindering of reductie vast te stellen, welke een nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek hun als Gode welgevallig en als voor hunne kerken nuttig zou doen kennen (1).

De groote omwenteling, welke er op godsdienstig gebied had plaats gegrepen , dwong de vergaderde vaders dezen ingrijpenden maatregel te nemen. Toen later dit besluit aanleiding gaf tot het stellen der vraag of deze reductie voor slechts eenmaal was toegestaan, en of zij ook betrekking had op H. Missen, die na het concilie van Trente waren aangenomen, antwoordde de H. Congregatie: „Dubio per manus delato, ac mature perpenso „(S. C.) censuit facultatem reducendi onera missarum tributam „Episcopis ex decreto aap. 4 sess. XXV de Reform, intelligi „tantum de prima synodo, post idem concilium celebratum, ac „de oneribus missarum celebrandarum auto idem concilium „impositisquot;.

De H. Stoel betoonde zich altijd moeielijk zulk eene vermindering toe te staan. Niettemin dwong de ongunst der tijden hem in latere jaren nog van zijne opperste macht een ruim gebruik te maken , en den bisschoppen verlof te geven de lasten hunner geestelijkheid te verminderen. Ook de Pransche revolutie was hiervan oorzaak en aanleiding. Buiten deze algemeene toestanden kunnen ook bijzondere omstandigheden eene vermindering van op te dragen H. Missen of van te volbrengen godvruchtige oefeningen noodig maken. In het door mij meermalen aangehaalde werk de Visitatione SS Litninuni vind ik vele dezer omstandigheden vermeld. Het zoude mij echter te ver voeren, zoo ik mij veroorloofde ook slechts een beknopt verslag hiervan te geven. Ik eindig daarom dit hoofdstuk met een enkel woord over de translatio beneficiorum.

Uit hetgeen in den aanvang van dit verslag werd gezegd, is gebleken dat de stichtingen, vicariën, capellaniën enz. veelal

(1) Bess. XXV. Cap. 4. De Reform.

-ocr page 606-

26

aan bepaalde kerken en altaren verbonden werden. Wat echter met al het stoffelijke geschiedt, gebeurt ook met kerken en altaren Zij worden en vergaan. Zouden de aangegane verbintenissen voor de geestelijkheid niet in naam, maar in werkelijkheid oner a perpetua blijven, dan moesten er middelen worden beraamd, voorschriften worden gemaakt, waardoor ondanks de vernietiging van het stoffelijke de zedelijke verplichting bleef voortbestaan. Die middelen werden beraamd door hetgeen omtrent de translatlo heneficiorum werd voorgeschreven. Het concilie van Trente hernieuwde en bevestigde wat hierover in vroegere jaren geschreven was.

In de XXI zitting, hoofdstuk 7, lezen wij dienaangaande: „Episcopi etiam tanquam apostolicae sedis delegati, transferre „possint beneficia simplicia, etiam jurispatronatns ex ecclesiia, „quae vetustate vel alias collapsae sint, et ob eorum inopiam „nequeant restaurari, vocatis iis quorum interest, in matrices „aut alias ecclesias locorum eorumdem, seu viciniorum arbitrio „suo, atque in eisdom ecclesiis erigant altaria vel capellas sub „eisdem invocationibus, vol in jam erocta altaria vel capellas „transferant cum omnibus emolumentis et oneribus prioribus „ecclesiis impositis.quot;

Waar eene letterlijke vervulling van de aangegane verplichting onmogelijk is, kan zeker eene betere wijze om do wilsbeschikkingen ten uitvoer te leggen, niet gevonden worden.

§ 7. Prescriptie.

Ik behoef geene argumenten aan te halen om te bewijzen dat het opperhoofd der kerk het recht bezit wetten te maken, waarbij de verjaring van kerkelijke goederen geregeld wordt. Immers de kerk is eene volmaakte en onafhankelijke maatschappij — societas perfecta et independens — en deze veronderstelt uit haren aard de macht van wetten, zoo wel omtrent personen als zaken, te kunnen uitvaardigen, waaraan de onderdanen verplicht zijn te gehoorzamen. Dit recht heeft de kerkelijke overheid en deze plicht van te gehoorzamen rust op de onder-

-ocr page 607-

27

danen. Hetgeen ik tot dusverre schreef is meer dan voldoende om te l)e wij ze ii dat èn de kerkelijke overheid èn de geloovigen van de eerste tijden af hieromtrent nooit anders hebben geoordeeld.

In welke beteekenis de kerkelijke goederen, res Vei, bona Christi genoemd mogen worden, heb ik boven gezegd. De gevolgtrekking, welke daaruit afgeleid wordt, drukte de H. Ambrosius in de volgende bewoordingen uit: „Ecclesia Dei „est, Caesari utique non debet addici, quia jus Caesaris non „potest esse Dei templum.,,

De kerkelijke overheid heeft dus het recht ook aangaande de verjaring harer goederen bepalingen te maken, en deze bepalingen of wetten blijven van kracht zoo lang zij niet door haar worden veranderd of opgelieven. Vandaar dat een vaderlandache geleerde mocht schrijven: „Quamvis diffcrentes etiam a jure „canonico dispositiones codicis nostri pro foro civili de facto „applicentur ad praescribendas quoque res ecclesiasticas, de jure „tarnen haudquaquam tollunt aut tollcre possunt pro foro „conscientiae obligationcm legis, ab Ecclesia latae in materia „sua, exeepto tarnen casu quo constaret de alio Sanctae Sedis „consensuquot; (1).

Ik aarzel niet aan deze woorden mijne goedkeuring te hechten. quot;Want zal de prescriptie eene rechtmatige wijze zijn om eigendom te erlangen, dan mag zij, zoo er van kerkelijke goederen sprake is, niet in strijd wezen met de wetten, waarbij deze geregeld worden. Zouden onze rechtbanken een prescriptie verwerpen van goederen, die volgens de wetten der Nederlandsche regeering bestuurd worden, zoo deze prescriptie met onze wetgeving in strijd was, dan mag men het niet wraken, indien de canonieke juristen voor zich gelijke rechten vragen. „Les lois du droit „canon, qui règlent la prescription des biens ecclésiastiques, „sont encore en vigueur pour nous, malgré les dispositions „contraires du code civilquot; (2).

(1) Notationes de selectis quibusdam materiis practiois etc. J. W. S. van Eoeren, Professor. Can. Eccl. Metrop. Ultraj.

(2) Mélanges théologiques. Ser. III.

-ocr page 608-

28

Gelijk onze wetgeving maakt ook de kerkelijke sommige zaken onverjaarbaar, en stelt zij, behalve de goede trouw, aan de verjaring zekere voorwaarden, die vervuld moeten zijn eer deze een titulus acquisitionis mag heeten.

Leeken verkrijgen door prescriptie geen recht op zaken, waarvan het bezit slechts bij geestelijke personen kan berusten.

Daarom kunnen zij door verjaring geen eigendom erlangen van kerken en religieuze plaatsen (templa et religiosa loca) noch ook het recht verwerven van tienden, oblaties, eerstelingen (primitiae) te mogen eischen (1) Dit belet evenwel niet dat door verjaring leeken bevrijd kunnen worden van de verplichting van tienden, oblaties en eerstelingen te moeten betalen, of dat zij hierdoor in het bezit kunnen komen van sommige onroerende geestelijke goederen (2). De vele bepalingen door de kerkelijke overheid over de prescriptie gemaakt laten niet toe hieraan te twijfelen.

Paus Bonifacius VIII verklaarde dat de onroerende goederen der Roomsche kerk niet verjaren dan na een bezit van honderd jaren. „Statuirnus ut in apprehendendis vel occupandis postea „quandocumque bonis eisdem nullus (licet leges humanae super „hoe alia tempora statuere videantur) ipsis ecclesiis temporis „lapsus obsistat, nisi contra ipsam Romanam ecclesiara centenaria, „vel contra ecclesias alias quadragenaria praescriptio sit legitime „completa\' (3). Voor de andere kerken was dus een termijn van veertig jaren vastgesteld, gelijk uit het voorgaande blijkt en in de volgende woorden gezegd wordt. „Illud te scire volumus „et tenere, quod adversus ecclesias minorem praescriptionem „quam quadraginta annorum Romana ecclesia non permittitquot; (4). Deze bepalingen der kerkelijke overheid werden door de wereldliike macht geëerbiedigd. „Quas actiones alias decennalis, alias vicen-

(1) „Cura laici decimas detinere non possunt, eas nulla valent ratione praes-cribere.quot; Cap. Caicsam 7 de Praescriptionibus.

(2) F. P. van de Bürgt, De ecclesiis.

(3) Cap. Si qui 2 de praescript. in 6°.

(4) Gap. illud 8 de praescript.

-ocr page 609-

29

„nalis, alias tricennalis praescriptio excludit..... Hae si loco

„religioao competant quadraginta annis oxcludentur.. .. Sela „Romana ecclesia gaudente centum annorum spatio vel pri-„vilegioquot; (1).

Het is overbodig te zeggen dat deze bepalingen gelden van de bona ecclesiastica en niet van de zoogenaamde bona patrimo-nialia der geestelijkheid. Deze waren gelijk alle andere goederen aan de gewone verjaringstermijnen onderworpen. „ Les biens „patrimoniaux des clercs, quoiqu\'ils fussent rangés au nombre „des biens ecclésiastiques quant a rimmunité, se prescrivaient „par le temps ordinaire comme ceux des laicsquot; (2).

De privilegiën omtrent de prescriptie aan enkele religieuze orden toegestaan ga ik stilzwijgend voorbij.

Het boven aangehaalde heeft betrekking op de onroerende kerkelijke goederen, want wat do termijn van verjaring voor de roerende betreft, hierover zijn de gevoelens der juristen verdeeld. Ferraris was van oordeel uit de gezaghebbende bescheiden te moeten opmaken, dat de prescriptie der roerende goederen reeds na drie jaren intreedt, „lies mobilesecclesiarum „aliorumque piorum locorum (ademptis tamen pretiosis) cum titulo „et bona fide praescribuntur seu usucapiuntur triennioquot; (3). De schi ijver in Mélanges Théologiques oordeelt daarentegen dat het gevoelen van hen , die beweren dat de straks vermelde bepalingen ook voor de roerende goederen gelden, niet van waarschijnlijkheid ontbloot is. „L\'opinion contraire ne manque cepen-„dant pas de probabilité, et elle est défendue par plusieurs „canonistes a la suite de la Grlose. lis invoquent le texte du

(1) Authent. qicas actiones, Cod. de Sacros. Eccles bij Mélang. tlu\'ol- Ser, III,

(2) Mélang. théol.

(3) „Au nombre des immoubles il faut selon la doctrine commune des auteurs rapporter les meubles précieux, que le droit canon met sur lamême ligne, et nous comprendrons sous le nom de choses précieuses tout ce qui, amp; cause de la valeur intrinsèque, de 1\'antiquité ou de la perfection du travail concourt ü relever la splendeur de l\'Eglise.quot;

Mélang. théol. Ser. Ill, biz. 292, 293.

-ocr page 610-

30

„Droit Canon, qui requiert sans distinction 40 ans pour la „prescription des biens ecclésiastiques.quot;

Ten slotte wil ik met een onkel woord gewagen van de quaestie of de verplichting van H. Missen te moeten opdragen, en ook die aan andere beneficiën verbonden, door verjaring wordt weggenomen. Daar zijn er, die beweren dat in een tijdsverloop van 100, anderen van 40, sommigen van 30 of zelfs van 20 jaren de verplichting van II. Missen te moeten opdragen voor fundaties, beneficiën en capellaniën verjaren. Dan wat de voorstanders van deze sententie ook beproeven, nooit zal het hun gelukken haar voldingend te bewijzen. „Des canonistes „distingues ont penso avec raison que la prescription ne pou-„vaient être allegnée contre les charges des fondations.quot; Dezen gaan in hunne bewijsvoering uit van hetgeen de kerkvergadering van Trente in het vijfde hoofdstuk harer 25ste zitting schreef: „Ratio postulat ut illis, quae bene constituta sunt, contrariis „ordinationibus non detrahatur. Quando igitur ex beneficiorum „quorumcumque erectione seu fundatione aut aliis constitu-„tionibus qualitates aliquae requiruntnr, seu certa illis onera „sunt injuncta, in beneficiorum collatione, seu in quacunque „alia dispositione eis non derogetur.quot; Doch wat zeker meer dan abstracte redeneeringen zegt, zijn de menigvuldige resoluties der S. Congr. conc. In het reeds meermalen door mij aangehaalde werk de Visitatione SS. Liminum vind ik verschillende beslissingen van de S. Congregatio vermeld. Slechts een enkel deel ik mede. „In Lucana 18 Febr. 1702 cum ageretur de capellania, „quam testator erigi mandaverat, pro amove Dei et remedio „animae suae, et capellanum designaverat, gw\' Missam singula „mane celebrare curaret, quamvis capellani pro tempore sacrifi-„cium applicare omisissent, et in tabella facta tempore sacrae „visitationis centum circiter ante annos obitae, contraria des-„criptio fuisset confirmata, tamen S. C. declaravit, capellanum „teneri applicare sacrificium pro fundatore juxta fundationem, „et capellanos pro praeteritis omissionibus condemnavit.quot; Dat liet gevoelen der S. Congr., en zij is in deze quaestie

-ocr page 611-

31

gezaghebbend, sinds niet veranderd is, wordt bevestigd in het antwoord door haar den 20 December 1879 op eene soortgelijke vraag gegeven. De vraag, aan de Congregatie gesteld, was of eene fundatie van drie H. Missen, waaraan gedurende ongeveer honderd jaren niet was voldaan, nog verplichtte. Het antwoord hierop luidde hevesticjend. De schrijver in het maandschrift Nouvelle llevue Théolojjique laat deze decisie der Congregatie van de volgende woorden voorafgaan: „Dans cette dernière decision „conforme aux précédentes, la S. Congregation déclare, que la „pratique plus que centenaire invoquée par le Séminaire de „Marianna n\'a pu libórer de l\'obligation a lui imposée dans „l\'acte de fondation. Ainsi disparait tout doute, et s\'évanouit „toute controverse. On doit done tenir pour certain qu\'aucune „prescription n\'est admissible contre les fondations de messesquot; (1).

Hiermede meen ik het theoretisch gedeelte van mijn verslag te mogen eindigen. Wat ik schreef is niets meer dan eene zeer beknopte en onvolledige schets van het wezen der beneficiën en van hetgeen daaromtrent door de kerkelijke overheid bepaald werd. Moge ik hierdoor eenigerwijze beantwoord hebben aan de taak mij door onzen gewaardeerden Voorzitter toevertrouwd.

(1) Nouvelle Revue Théologique. Tome XIII, bladz. 17.

-ocr page 612-

II.

De Vicariegoederen in de Provincie Limburg.

De provincie Limburg lieeft zoowel op kerkelijk als staatkundig gebied eene gesdiiedenis, welke aanmerkelijk verschilt van die der overige provinciën van het koninkrijk der Nederlanden. Eene korte beschrijving van hare geschiedenis en eene vluchtige schets harer innerlijke samenstelling, tot aan den tijd, toen zij bij de Fransche republiek werd ingelijfd, zullen dit verschil op klaarblijkelijke wijze doen uitkomen.

Op staatkundig gebied hebben slechts enkele gedeelten der provincie Limburg bij voortduring aan de Nederlanden behoord, en zelfs waren deze nog aan toestanden gebonden, welke in \'t oog loopend verschilden van die, waarin de andere provinciën verkeerden.

at het kerkelijke bestuur aangaat, zij het genoeg te zeggen dat schier alle parochiën onderworpen waren aan de rechtsmacht van den Prins-Bisschop van Luik, terwijl in het noorden slechts enkele deel uitmaakten van het aartsbisdom van Keulen.

I. Politiek overzicht.

§ 1. Het Hertogdom Kleef.

Het stadje Gennep met de nabijgelegen dorpen Mook, Ottersum en Heyen van het tegenwoordige Limburg, alsmede de Noord-Brabantsche gemeenten Beugen en Oeffeit behoorden

-ocr page 613-

33

tot aan het einde dor 18e eeuw aan het hertogdom Kleef. De heerlijkheid Middelaar kwam in of omtrent 1388 aan Gelder.

De heeren van Kleef, die aanvankelijk slechts keizerlijke ambtenaren waren, werden eerst voor een beperkten tijd en daarna tot hun dood toe met de grafelijke macht begiftigd , en nog later tol; hertogen verheven. Bij het overlijden der laatste afstammeling van het Kleefsche huis, Margaretha, die met Adolf V graaf van Berg in den echt was getreden, kwamen beide graafschappen aan hun zoon Adolf. Hem benoemde keizer Sigismond in het jaar 1417 tot hertog van Kloef. De macht der hertogen nam allengs toe. Jan III, die reeds hertog van Kleef en graaf van Marck was, werd bovendien nog hertog van Gulick en Berg. Diens zoon en opvolger Willem verkreeg daarenboven in 1538 het hertogdom Gelder. Slechts korten tijd mocht Willem zich echter over het bezit van Gelder verheugen , want reeds in 1543 werd hij gedwongen dit aan Karei V af te staan.

Na den dood van Johan Willem van Kleef, die ten jare 1609 zonder erfgenamen overleed, ontstonden er langdurige twisten over Gulick, Kleef, Berg, Marck, Ravensberg, Raven-stein en andere gewesten, welke aan het bestuur van den hertog onderworpen waren geweest. Niet voor hot jaar 1624 kwamen de keurvorst van Brandenburg en de hertog van Palts-Neuburg omtrent deze landen tot eeue duurzame regeling. Bij deze regeling verkreeg de keurvorst het beheer over Kleef, Marck en Ravensberg, terwijl Gulick, Borg en Ravenstein aan het gebied van den hertog werden toegevoegd. Keizer Leopold bekrachtigde haar, behoudens eene kleine wijziging, in het jaar 1688.

Zoo kwamen het Limburgsche stadje Gennep met de dorpen Mook, Ottersum en Heyen, welke zooals ik zeide tot het hertogdom Kleef behoorden, onder de macht der keurvorsten van Brandenburg, die sinds het jaar 1701 den naam van koning van Pruisen voeren. Tot aan het einde der vorige eeuw bleef dit gedeelte van Nederlandsch Limburg deel uitmaken van het koninkrijk Pruisen.

3l

-ocr page 614-

34

§ 2. Het Hertogdom Gelder.

Gelder was evenals Kleef aanvankelijk slechts een graafschap.

De eerste vermelding van Gelre vindt men gemaakt, wanneer over Mengo of Megingor, die in het begin der elfde eeuw overleed, gesproken wordt. De afstammelingen van Gerard I, een Vlaming van geboorte, die door den keizer naar deze gewesten gezonden was om ze in zijn naam te besturen, waren de eerste erfelijke graven van Gelder.

Het huwelijk van Ermgardis erfgravin van Zutfen met Gerard II gaf aanleiding, dat omstreeks het jaar 1138 de beide graafschappen Gelder en Zutfen onder het bestuur van Hendrik I voor immer vereenigd werden.

Gedurende een paar eeuwen regeerden diens nakomelingen als graaf over beide gewesten, totdat Reinoud II in het jaar 1339 door keizer Lodewijk van Beieren hertog van Gelder en graaf van Zutfen verklaard werd.

Toen de beide |zonen van dezen Reinoud, Reinoud III en Eduard kinderloos overleden waren, kwam Gelder onder het bestuur van hunnen neef Willem, hertog van Kleef. Deze ver-eeniging was evenwel van korten duur. Want toon ook Willem stierf zonder een wettigen opvolger na te laten, werd door \'s lands Staten Arnold van Egmond als hertog van Gelder en graaf van Zutfen gehuldigd. Dit geschiedde in het jaar 1423. Van de oneenigheid tusschen hertog Arnold en zijn zoon Adolf maakte Karei de Stoute gebruik om voor eene aanzienlijke som Rijnlandsche goudguldens rechten over deze landen te verkrijgen. Deze rechten kon Karei niet dan zonder hevig strijd te voeren doen gelden, dewijl de Gelderschen voortdurend Adolf bleven toegedaan. Na don dood van Karei den Stoute werd deze Adolf tot hertog uitgeroepen. Hij stierf echter eer hij van de hem opgedragen heerschappij bezit had kunnen nemen. Na zijn dood werden deze gewesten weer door bloedige oueenigheden geteisterd, die eindigden in 1543 bij het sluiten van een verdrag, waarbij het hertogdom Gelder en het graafschap Zutfen aan Karei V werden afgestaan.

-ocr page 615-

35

Van het hertogdom Gelder, dat verdeeld was in vier kwartieren, Arnhem, Nijmegen, Zntfen en Opper-Gelderland, werden bij den vrede van Munster de drie eerste aan de republiek der Vereenigde Provinciën afgestaan, terwijl slechts Opper-Gelder-land aaD den Spaanschen Koning Philips IV bleef toebohooren. Over dit gedeelte regeerden Philips IV en zijne opvolgers zonder strijd te voeren of verzet te ondervinden tot aan het begin der IS4® eeuw. Bij den vrede van Utrecht 1713 en bij gelegenheid van het Barrière Tractaat in 1715 werd in dezen toestand verandering gebracht.

Het Oostenrijksche huis behield slechts het beheer over de stad Roermond en onderhoorigheden, over de dorpen Swalmen, Elmpt, Nedcrcruchten, Overcruchten, Wegberg en over de heerlijkheid Dalenbroeck _ bestaande uit Hertem, Maasnicl en Leeuwen , de heerlijkheid quot;Weert en het daaraan onderhoorige Neder weert en het gehucht Leveroy; de heerlijkheid Wessem, het dorp Meijel en de tegenwoordige gemeente Obicht-en-Papenhoven.

Pruisen verkreeg het ambt Gelder, de steden en ambten Stralen, Wachtendonck, Middelaer, Walbeek, Aerssen, AfFerden, Well, Ayen en Klein Kevelaer, met uitzondering van Erkelens dat den keizer bleef toebehooren tot aan 1719, in welk jaar het aan den hertog van Gulick werd afgestaan. Aan de Staten vielen ten deel de stad Venlo met de forten St. Michiel en Stevensweert, benevens het ambt Montfort (behalve de dorpen Swalmen, Cruciiten en Elmpt) bestaande uit do kleine steden Echt en Nieuwstad en elf dorpen.

Deze toestand duurde voort tot aan het einde der vorige eeuw, behoudens eene kleine verandering, doordien Joseph II bij het verdrag van Pontainebleau de gemeente Obicht-en-Papenhoven met de Staten verruilde tegen eenige plaatsen in het land van Daelhem. De Staten deden afstand van den ban Olne, do heerlijkheid Blegny-le-Trembleur met St. André, de heerlijkheid Peneur, de heerlijkheid Bombay en de stad en het kasteel van Daelhem, alsmede hunne aanspraken op de heerlijkheid Bernau. De overgifte van dit grondgebied had plaats op den 10 en 12 Juli 1786.

-ocr page 616-

36

§ 3. Het Hertogdom Gulick.

De geschiedenis van het hertogdom Gulick is, zooals uit het voorgaande blijkt, nauw verbonden met die van het hertogdom Kleef. Verschillende huizen liebben over de landen van Gulick geregeerd. Toen bi] den vrede van Luneville in 1801 de Rijn als grens tusschen Frankrijk en Duitschland werd aangenomen, ging Gulick als deel van het departement de Roer aan Frankrijk over. Op het Congres van Wcenen werd bepaald, dat het grootste gedeelte van dit hertogdom bij het koninkrijk Pruisen zou worden ingelijfd en de volgende plaatsen aan de Nederlanden moesten bchooren: De steden Sittard, Susteren en Urmond benevens de dorpen Tcgelen, Steyl, Herkenbosch, Melick, Grevenbicht, Born, Buchten, Holtum, Dieteren, Limbricht, Guttekoven, Einighausen, Broeksittard, Eygelshoven, Munstergeleen en een deel van Millen.

§ 4. Het Prinsdom Luik.

Van de tegenwoordige provincie Limburg behoorden vroeger aan het prinsdom Luik de onverdeelde helft der stad Maastricht, de dorpen Sint-Pieter, Breust, Heel en Neer-Itter, benevens het geheele graafschap Horn. Dit graafschap bestond uit tien dorpen, t. w.: Horn, Beegden, Haelen, Nunheim, Neer, Bug-genum, Heithuizen, Roggel, welke thans aan Nederland. en Geistingen met Ophoven, die nu aan België toebehooren.

Toen in het jaar 1540 met graaf Jan het huis van Horn was uitgestorven, kwam dit graafschap aan het geslacht van Montmorency. Na den dood van Filips van Montmorency, die in het jaar 1568 te Brussel op het schavot stierf, regeerde zijne moeder Anna van Egmond tot aan 1574 over dit graafschap. Na haren dood liet de prins-bisschop van Luik zijne rechten over deze landen gelden. Toen de erfgenamen der Montmorency\'s den prins zijne rechten betwistten, gaf dit tot vijandelijkheden

-ocr page 617-

37

aanleiding, welke ten slotte eindigden met de inlijving van Horn bij het prinsdom Luik.

Na de verdrijving der Franschen worden do boven opgenoemde plaatsen bij de provincie Limburg gevoegd.

§ 5. Het Hertogdom Brabant.

Het vroeger zoo machtige hertogdom Brabant strekte zich over een aanzienlijk gedeelte van Limburg uit. Brabantsch was een gedeelte van de stad Maastricht (hot andere behoorde gelijk ik zoo even zeide aan den prins-bisschop van Luik), het graafschap Vroonhoven, het land van Overmaze, eenige rechten binnen de banken van Sint-Servaas, Keer, Heer en Bergh.

Het Land van Overmaze omvatte de heerlijkheid \'s Hertogenrade, alsmede de graafschappen Daelhem en Valkenburg.

De heerlijkheid \'s Hertogenrade strekte zich uit over de Nederlandsche dorpen Kerkrade, Simpolveld, Ubach-over-Worms, Gulpen, Margraeten, Holset, Vijlen, Vaels, Bochholt en Spock-holzerheide. \'s Hertogenrade aanvankelijk eene afzonderlijke heerlijkheid was door aanhuwelijking in 1136 bij het hertogdom Limburg gevoegd, en kwam hiermedo nn den slag van Woe-ringon in 1288 onder het beheer van do hertogen van Brabant.

Het graafschap Daelhem, aldus naar een stadje van denzelfdon naam genoemd, werd nadat het verschillende lotsverwisselingen had ondergaan in 1661 voor een gedeelte Spaansch en voor een ander gedeelte Staatsch. Do Staten stonden bij den vrede van Versailles een gedeelte van dit graafschap aan den keizer af. De dorpen, welke hiervan thans nog aan Nederland behooron, zijn Cadier, Oost, Mheer en Noorbeek. Het graafschap Valkenburg in de Maasgouw gelegen, in den beginne eene heerlijkheid en later tot graafschap verheven, werd ook in 1661 tusschen de Staten en Spanje verdeeld.

Staatsch waren het stadje Valkenburg, de dorpen Meersen, Houthem , Amby, Limmel, Klimmen, Hulsberg, Schimmert, Beek, Berk, Bemelen, Heerlen, Weiten , Voerendaal, Nieuwen-

-ocr page 618-

38

hagen, G-oul, Bundo, Uelestraten, Itteren, Borgharen en Eysden met Sint Geertruide. Spaansch waren Nuth, Oud-Valkenburg, Strucht, Schin-op-Geul, quot;Wynandsrade, Geleen, Schinnen, Spaubeek, Oirsbeek, Brunssem, Schinveld, Hoens-broek, Vaesrade, Schaesberg en Vissenveert benevens de abdij van Sint-Gerlach.

Joseph II stond bij den vrede van Versailles ook eenige dezer plaatsen namelijk Oud Valkenburg, Schin-op-Geul, Strucht, Schaesberg en de abdij van Sint-Gerlach aan de Nederlanden af cn liet alle aanspraak varen op Elsloo, dat in 1661 onver-verdeeld was gebleven. In het jaar 1814 kwam het Staatsche gedeelte van dit graafschap aan de Nederlanden terug, entwee jaren later ontvingen wij wat vroeger aan Spanje had toebehoord.

§ 6. De Republiek der Vereenigde Nederlanden.

Op den 22 Augustus van het jaar 1632 veroverde prins Frederik Hendrik de stad Maastricht. Hierdoor verkregen de Hollanders eenige macht over de abdij van Sint Servaas en hare elf banken, waarvan drie. Heer, Keer en Bergh in Nederlandsch Limburg gelegen zijn. Ook het graafschap Vroenhoven, dat bestond uit een gedeelte van de stad Maastricht — het andere gedeelte bleef aan den prins-bisschop van Luik behooren — en uit de dorpen Wilre, Montenaken, Hcukelum en een gedeelte van Caberg, kwam na die verovering onder de macht der Staten.

Toen krachtens een overeenkomst op den 8 September van hetzelfde jaar ook de stad Limburg aan de Staten was gekomen lieten dezen terstond een groot gedeelte van het Land van Overmaze bezetten. Zij deden dit omdat zij van oordeel waren na den overgang der stad, op het geheele grondgebied aanspraak te mogen maken. Dewijl echter ook de Spanjaarden voortgingen een gedeelte dezer landen als hun eigendom te beschouwen, kon het niet anders of deze gewesten moesten het tooneel van een voortdurenden strijd wezen. Zelfs toen bij den vrede van Munster in 1648 enkel het status quo voor de landen van

-ocr page 619-

39

Overmaze werd vastgesteld, kwam in dezen toestand geene duurzame verbetering, want sinds 1632 waren sommige plaatsen nu eens door de Hollanders, dan door de Spanjaarden genomen of verlaten. Eerst op den 26 December 1661 gelukte het den Spaanschen gezant Don Estevan de Gamarra y Contreras en den commissarissen der Staten tot eene duurzame regeling te geraken omtrent het Land van Overmaze.

Welk gedeelte van Limburg bij deze regeling aan de Staten kwam, en welk deel aan de macht van Spanje onderworpen bleef, heb ik zoo even in het geschiedkundig overzicht van het hertogdom Brabant gezegd. Deze grensregeling onderging wederom bij den vrede van Versailles eene verandering ten gunste der Nederlanden. Ook hierop werd door mij gewezen.

Tot aan de Fransche overweldiging bleef deze toestand bestaan.

§ 7. Noord-Nederland in betrekking tot het Duitsche Rijk.

Rijksheerlijkheden in Limburg.

Het Duitsche Rijk was voorheen, gelijk bekend is, in tien kreitsen verdeeld Twee dezer kreitsen, de Bourgondische en de Westfaalsche strekten zich over een gedeelte van ons vaderland uit.

De Bourgondische kreits omvatte sedert den rijksdag van Augsburg — 19 Juni 1548 — de hertogdommen Brabant, Limburg en Gelder, de graafschappen Daelhem en Valkenburg, de heerlijkheid \'s Hertogenrade, de stad Maastricht en al het overige der Brabantsche landen van Overmaze.

Tot don Westfaalschen kreits behoorden het prinsdom Luik, de hertogdommen Kleef, Gulick en voor 1548 ook het hertogdom Gelder.

Bovendien waren er vele kleine onafhankelijke heerlijkheden, die wel met het Duitsche rijk en den keizer in betrekking stonden, doch een bestuur hadden, dat van andere hertogen en graven geheel onafhankelijk was. Terwijl aan vele dezer heerlijkheden allengs door de Staten de onafhankelijkheid werd

-ocr page 620-

40

ontnomen, waren andere daarentegen krachtig genoeg haar te handhaven. Rimburg, Mesch, Gronsveld, Cartels Wittem, Slenaken, Eys, Kessenich, Thorn en Horne, die deel uitmaakten van den Wostfaalschen kreits bewaarden hare rijksvrijheden, terwijl Rijckolt, Wilre en Steijn zich over het bezit eener vol-komene vrijheid mochten verheugen zonder zelfs tot een der Duitsche kreitsen te behooren. Bovendien maakten nog aanspraak op rijksvrijheden de elf banken van Sint-Servaas te Maastricht, en de heerlijkheden Limbricht, Elsloo, Obbicht, Bemelen, Terblijt, Mheer, Nederweert, Weert, Pol en Panheel, Stevensweert, Wessem en Grevenbicht. Een enkel woord over de heerlijkheden, welke uit meer dan een dorp of parochie bestonden.

Gronsveld door keizer Rudolf II tot rijksheerlijkheid en later onder Maximiliaan tot graafschap verheven, bevatte de tegenwoordige Limburgsche dorpen, Gronsveld en Heugem, de buurt Hontem en een deel van Ekkelrade. Nadat dit graafschap aanvankelijk door zijne eigene vorsten en door aanhuwelijking eerst aan een Geldersche en daarna aan een Zuid-Duitsche familie — van Törring-Jettenbach — was overgegaan, werd het na de verovering door de Franschen bij het departement van Neder-Maas ingelijfd.

Wittem, oudtijds eene heerlijkheid en later in 1520 door keizer Karei V ten gunste van Ploris van Pallandt tot graafschap verheven, strekte zich uit over de dorpen Mechelen en Epen, Wahlwyler en Nyswyler.

Verschillende adellijke familiën hebben, hetzij door erfrecht, hetzij door recht van aankoop, over het graafschap Wittem geregeerd. In 1794 werd het door de PraDschen in bezit genomen en evenals Gronsveld met het departement van lgt;7eder-Maas vereenigd.

Kessenich. Deze heerlijkheid, bestaande uit het slot van dien naam en uit eenige dorpen, ligt voor het grootste gedeelte op Belgisch grondgebied. Toen in 1839 de grenzen tusschen Nederland en België getrokken werden, kwam van deze heerlijkheid alleen de gemeente Hunsel aan ons vaderland.

-ocr page 621-

41

Het rijksvorstendom Thorn bestond uit het steedtje Thorn, de dorpen Baexem, Ell, Grathem, Ittervoort, Stamproy en het gehucht Winkel. Het was eene vorstelijke abdij in Maasgouw gelegen , waarvan de abdis, door het kapittel gekozen, vorstin was. De abdis, die op de quot;VVestfaalsche kreitsdagen den titel van vorstin droeg, bezat bovendien belangrijke eigendommen in de tegenwoordige provincie Noord-Brabant. Meer dan eens verontrustten inwendige beroeringen dit vorstendom. Sinds 1795 maakte het deel uit van het departement van Neder-Maas en in 1797 werd de abdij vernield. Ten jare 1815 kwamen deze gewesten aan het vereenigde koninkrijk. Nederland behield hiervan bij de scheiding van België het grootste gedeelte, slechts eenige zuidelijke strooken, onder andere Winkel, werden aan België afgestaan.

De graaf van Horn of Home, waarover reeds vroeger gesproken is, werd in het jaar 1450 door den keizer tot rijksgraaf verheven. Toen na den dood van Anna van Egmond, wier zoon Philips de Montmorency in 1568 te Brussel onthoofd werd, de rechterlijke uitspraak voor den kardinaal van Groesbeek, destijds bisschop van Luik, gunstig besliste, verloor dit graafschap zijn zelfstandig bestuur en werd het bij het prinsdom Luik ingelijfd, waarmede het meer dan twee eeuwen vereenigd bleef. De Franschen maakten het later tot een deel van \'t departement Neder-Maas. Bij de scheiding van België en Holland verkreeg het eerste Geistingen en Ophoven, en behield het laatste de dorpen Buggenum, Haelen, Heithuizen , Beegden, Neer Nunhem en Roggel.

Van de overige heerlijkheden en graafschappen behoeven wij voor ons doel geene nadere beschrijving. Wat ik in den beginne schreef, wordt door dit beknopt politiek overzicht zonder twijfel bevestigd. Limburg heeft op staatkundig gebied eene geheel eigenaardige geschiedenis. Voor de landkaart dezer provincie was eene bonte mengeling van kleuren noodig om, behalve de verschillende hertogdommen en graafschappen, de talrijke onafhankelijke staatjes aan te geven.

-ocr page 622-

42

II. Kerkelijk overzicht.

De grenzen van de provincie Limburg bepalen ook tevens de uitgestrektheid van het bisdom Roermond.

Van dit bisdom behoorden vroeger slechts de volgende acht parochiën Afferden, Arcen, Borgen , Heyen. Gennep, Milsbeek, Ottersum en quot;Well tot het bisdom van Keulenterwijl alle de overige aan de rechtsmacht van den bisschop van Luik onderworpen waren. Zelfs toen in het jaar 1561 het voormalige diocees van Roermond werd opgericht, bleven van de 168 parochiën 97 tot het bisdom Luik behooren en kwamen er slechts 71 onder de jurisdictie van den nieuwen kerkvoogd.

Het bisdom Luik, dat eerst den naam van bisdom van Tongeren \'en later dien van Maastricht droeg, strekte zich uit over het geheele prinsdom Luik, over twee derde gedeelten van hot hertogdom Brabant, over een gedeelte van Henegouwen, het geheele graafschap Namen, de hertogdommen Limburg en Luxemburg, de landen van Overmaas en over een gedeelte van Gulick en Gelderland.

Behalve de stad Luik, telde dit bisdom 8 aartsdiakonaten, 28 dekanaten en meer dan 1600 parochiën.

Twee aartsdiakonaten, dat van Kempenland en dat van Hespengouw bevatten de katholieke parochiën van Nederlandsch Limburg.

§ 1. Toestand voor de Fransche revolutie, a. Kempenland.

Het aartsdiakonaat Kempenland was verdeeld in 7 dekanaten. In vier dezer, namelijk in dekanaten Cuyck^ Maeseijck, Susteren en Wassenherg waren parochiën gelegen van het tegenwoordige diocees Roermond.

1. Het dekanaat Cuych strekte zich uit over het land van dien naam, over dat van Ravenstein en Megen, over het noordelijk gedeelte van het ambt Kessel en een gedeelte der Meijerij van \'s Hertogenbosch. Hiertoe behoorden de volgende parochiën

-ocr page 623-

43

van Limburg: Blorick, Blitterswijck, Broekhuizen , Broekhuizen-vorst , Greijsteren, Gruhbonvorst, Horst, Leunen, Lottum, Maasbree, Meerlo, Merselo, Oirlo, Oostrum, Sevenum, Venray, quot;Wanssum.

2. Het dekanaat MaesseycJc ook EycJc genoemd omvatte het graafschap Horn mot het land van quot;Weert, de heerlijkheid Kessenich, den Gelderschen linker Maasoever boven Venlo, en dat gedeelte van het graafschap Loon, dat onder den naam van Maasland bekend is. Vergelijkt men het hier gezegde met hetgeen we in het politiek overzicht schreven, dan blijkt terstond dat het dekanaat zich buiten Nederlandsch Limburg uitstrekte. De volgende parochiën van dit dekanaat zijn in deze provincie gelegen : Baarlo, Baexem, Beegden, Buggenum, Ell, Grathem , Halen, Heel, Helden, Heythuizen, Horne, Hunsel, Ittervoort, Kessel, Meyel, Neder weert. Neer, Neeritter, Nunhem, Roggel, Stramproy, Thorn, Weert en AV\'essem.

3. Het dekanaat Susferen, dat een der voornaamste dekanaten van het geheele bisdom was, voerde den eeretitel van concilium aureum. Het omvatte de oude heerlijkheid Heinsberg, een gedeelte van het land van Valkenburg, de ambten Borne en Montfort, en den geheelen rechter Maasoever van beneden Maastricht tot boven Roermond. De volgende parochiën behooren thans tot de jurisdictie van den bisschop van Roermond: Amby, Amstenrade, Beek, Berg, Bingelrade, Born , Broeksittard, Bruns-sum, Buchten, Bunde, Echt, Elsloo, Geleen, Geul, Grevenbicht, Guttekoven, Heerlen, Herten, Hoensbroek, Holtum, Houthem, Hulsberg, Jabeek, Klimmen, Limbricht, Linne, Maasbracht, Meerssen, Merkelbeek, Montfort, Munstergeleen, Nieuwstad, Nuth, Oirsbeek, Obbicht, Odiliënberg, Papenhoven, Roermond, Roosteren, Schimmert, Schinnen, Schinveldt, Sittard, Spau-beek, Steyn, Stevensweert, Susteren, Ulestraten, IJrmond, Voerendaal, quot;VVelten en Wijnandrade.

4. Het dekanaat Wassemberg droeg evenals Susteren den eerenaam van Concilium aureum. Het strekte zich uit over de heerlijkheid van dien naam en waarschijnlijk over al de plaatsen

-ocr page 624-

44

vau de oude Molengouw. Slechts de volgende parochiën behoeven vermeld te worden: Asselt, Belfelt, Besel, Herkenbosch, Maas-niel, Melick, Swalmen, Tegelen, Velden, Venlo, Vloddorp.

h. Hespengouw.

Dit aartsdiakonaat telde in 1558 ongeveer 315 parochiën en hulpkerken. Evenals do andere aartsdiakonaten onderging het menigvuldige veranderingen. Want was het in genoemd jaar slechts in drie dekanaten verdeeld, waarvan twee in het koninkrijk België gelegen waren en één tot Nederland behoorde, later klom dit getal tot acht.

In twee dezer dekanaten Maastricht en Herve lagen parochiën van Nederlandsch Limburg.

1°. Het dekanaat Maastricht strekte zich uit over een grondgebied, dat thans gedeeltelijk aan Pruisen, Nederland en België behoort. Binnen zijne grenzen lagen de steden Aken, Borscheid, Visé, Maastricht, het graafschap Daelhem en een groot gedeelte der landen van Overmaze. De volgende parochiën waren aan de zorgen van den Maastrichtschen deken toevertrouwd: Berg-Terblyt, Bemelen, Bochholtz, Borgharen, Breust, Cadier en Keer, Eckelrade, Eygelshoven, Eys, Eysden, St. Geertruide, Gronsveld, Gulpen, Hoer, Heugem, Holset, Itteren, Keer, Kerkrade, Lomiers, Limmel, Maastricht, Margraten, Mechelen, Mesch, Mheer, Noorbeek, Oud-Valkenburg, Oud-Vroenhoven, St. Pieter, Schin-op-Geul, Simpelveldt, Slenaken, Vaals, Valkenburg, Vijlen, Wahlwyller en Nijswyller-Wyck, Wilre.

2°. Het dekanaat Herve werd eerst in 1789 opgericht. Het was samengesteld uit parochiën, welke te voren deel uitmaakten van het dekanaat Maastricht, waarvan de volgende pp Nederlandsch grondgebied lagen: Bochholtz, Kerkrade, Mheer, Noorbeek, Simpelveldt en Slenaken.

In elk dezer parochiën — waarvan sommige behalve de parochiekerk nog eene hulpkerk bezaten — vond men voor den priester, die met zielezorg belast was, eene nette woning met

-ocr page 625-

45

bijgebouwen en moestuin. Onder de regeering van Karei den Vrome toch was in het jaar 816 op voordracht der bisschoppen en rijksgrooten te Aken bepaald, dat aan elke parochiekerk eene woning en een erf (mansus) ten gebruike van den pastoor verbonden moest zijn. De priester zou zijn bestaan vinden in de tienden, in de offers en in de opbrengsten van den mansus. Hartzheim in zijn werk Concilia Germaniae deelt ons dit besluit mede onder den titel De mansis uniuscujusque Ecclesiae. „Sta-„tutum est, ut unicuique ecclesiae unus mansus integer absque „ullo servitio attribuatur, et presbyteri in eis constituti non de „decimis, neque de oblationibus fidelium, non de domibus, „neque de atriis vel hortis juxta ecclesiam positis, neque de „praescripto manso aliquod servitium faciant praeter ecclesiasti-„cum. Et si aliquid amplius habuerint inde senioribus suis „debitum servitium impendantquot; (1).

Hoewel de geestelijken, die met het uitoefenen der kerkelijke bedieningen belast waren, het recht bezaten van de opbrengsten der tiendon te leven, werden deze toch gedurende geruimen tijd voor een groot deel van hare bestemming vervreemd. Vorsten, graven en anderen ontzagen zich menigwerf niet hunne handen te slaan aan goederen, die zij niet dan op wederrechtelijke wijze konden bezitten. Ook bijwijlen droegen de geestelijken zeiven de schuld, dat deze goederen aan hunne oorspronkelijke bestemming onttrokken werden. Gelijk ik in het theoretische gedeelte van mijn verslag reeds opmerkte, verzuimde de kerkelijke overheid niet haar best te doen aan dit misbruik een einde ie maken. Toen door haar op het concilie der Lateranen was verklaard „Decimas, quas in usum pietatis concessas esse canonica „auctoritas demonstrat, a laicis possideri apostolica autoritate „prohibemusquot; cap. Dicimas 1 (causa XVI quaest. 7) gevoelden zich velen door hun geweten aangespoord zich van goederen te ontdoen, welke zij op wederrechtelijke wijze hadden verkregen. Zij gaven die goederen of althans de waarde daarvan

(1) Concilia Germaniae. Tomus I, bladz. 545.

-ocr page 626-

46

terug aan kloosters of kerken pro remedio animae. Dit feit wordt als reden door sommige schrijvers aangehaald, waarom zoo vele vrome stichtingen in de elfde en twaalfde eeuw gemaakt werden.

In de provincie Limburg waren inderdaad vele fundaties en beneficiën. Onze rijksarchivaris te Maastricht en ook andere geleerden hebben belangrijke stukken, welke hierop betrekking hebben, medegedeeld. In zijn werk „Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom van Roermond\'\'\'\' schrijft de Limburgsche archivaris „In ons bisdom bleven deze pastorijen met hunne goederen tot „op het einde der vorige eeuw ongeschonden in wezenquot;. Toen echter werden deze aan de oorspronkelijke bestemming ontvreemd. Gelukkig dat op de woelige en bloedige dagen der Fransche revolutie kalmere tijden volgden, waarin het der kerkelijke en wereldlijke overheid mogelijk werd omtrent do geestelijke goederen een vergelijk te treffen. De wettige regeling, welke deze toen ook in de provincie Limburg ontvingen, was van dien aard, dat zij aan geene nieuwe onderworpen behooren te worden. Hoe dit geschiedde zal ik in de volgende bladzijden toonen.

§ 2. Tijdens de Fransche omwenteling.

Nadat de legers der Fransche republiek met afwisselend geluk enkele veldslagen hadden geleverd, werden zij na de behaalde overwinning bij Fleurus (26 Juli 1794) meester van dit land. Op den 4 October van hetzelfde jaar kwam Roermond en den 3 November Maastricht in hunne macht en werd Limburg verklaard een deel der republiek te zijn. Reeds op den 14 November stelden de overwinnaars eene centrale administratie aan voor het land gelegen tusschen Maas en Rijn. Van de zeven administratiën , welke onder dit centrale bestuur behoorden, was er één voor de generaliteit van Maastricht, die zich uitstrekte over de landen van Valkenburg, Vaels, Wittem, AVilré, Maeseyck, Heerlen en de Luiksche Kempen. Den 30 November werden de leden dezer administratie benoemd, en den 3 December geinstalleerd. Kort hierna, den 8 derzelfde maand, gaf deze

-ocr page 627-

47

administratie cene nadere omschrijving van het arrondissement Maastricht.

Den eersten October 1795 (9 Vend. an. IV) vaardigde het Directoire een besluit uit, waarbij negen nieuwe departementen werden opgericht. Twee hiervan omvatten, behalve andere gewesten, de geheeie provincie Limburg. Het waren do departementen van de E-oer met Aken, en van Beneden-Maas met Maastricht tot hoofdstad. Zoo waren deze landeu, waarvan vele eeuwen lang een meer of minder onafhankelijk bestuur hadden genoten, van hunne zelfstandigheid beroofd en bij de Pransche republiek ingelijfd, waarmede zij alle lotsverwisselingen zouden deelen, en van wier overheersching zij meer dan oene onrechtvaardige handelwijze te verduren zouden hebben.

De dag door de woeste zonen der revolutie van 1789 la journée de sacrifices, doch door hen, wien recht en billijkheid ter harte ging, la journée des dupes genaamd, brak na de overweldiging weldra ook voor de overwonnenen onzer landen aan. Het eerst moesten de geestelijke orden, congregatiën en abdijen aan den moedwil van het Directoire opgeofferd worden. Den eersten September 1796 (15 Fructidor an. V) vaardigde Le Conseil des anciens eene declaratie uit, waarbij alle religieuze corporatiën der 9 departementen, welke den 1 October (9 Vend. an. IV) bij de republiek ingelijfd waren, in naam der gelijkheid opgeheven werden. Het eerste artikel van dit besluit luidde: „Les ordres „et congregations réguliers, monastères, abbayes, chanoines „réguliers, chanoinesses et généralement toutes les maisons ou „établisseraents religieux de 1\'un et de F autre sexe, sont sup-„primés dans les départemens réunis par la loi du 9 Vendc-„miaire dernier, ainsi que sur 1\'ancien territoire de la républiquoquot;.

Dit artikel werd door vele andere gevolgd, waarin le conseil des cinq-cents bepaalde wat met de goederen moest geschieden.

Het bestuur der domeinen kreeg last onmiddellijk na de opheffing commissarissen naar de verschillende inrichtingen te zenden om den staat harer bezittingen , eigendommen, boekerijen etc. etc. op te maken.

-ocr page 628-

48

Die goederen werden genaast, doch aan de leden der opgeheven inrichtingen beloofde men eene som gelds tot onderhoud te zullen uitkeeren. Die som werd echter niet in goud of zilver

maar in papier betaald. „Les divers capitaux.....seront payés

„en bons, qui ne pourront être employés qu\' en acquisition de „biens nationaux situés dans la ci-devant Belgique.quot;

Dit schandelijk stuk werd niet lang daarna door een ander even onrechtvaardig en voor de katholieken nog pijnlijker bevelschrift gevolgd. Door het Directoire exécufif toch werden bij de wetsbepaling van 25 November 1797 (5 Prim. an. VI) alle wereldlijke stiften, do eenvoudige beneficiën, de seminariën en alle wereldlijke corporatiën van beiderlei kunne in de negen departementen opgeheven. De beweeggronden, welke voor de urgentverldaring dezer wet door den raad der 500 werden ingeroepen , waren in drie consideratiën vervat: „Cousidéraut qu\'on „ne peut, saus rompre runiformité des principes constitutionels, „differer plus longtemps d\'assujettir les 9 départemens réunis „par la loi du 9 vendémiaire an. IV, aux lois qui régissent „les autres parties de la république; Considérant qu\'il importe „de pourvoir au sort des individus, atteints par ces lois; Con-„sidérant enfin que les plus puissants motifs se réunissent pour „hater cette operation importante, declare, qu\'il y a urgence.quot;

Toen dan de urgentie verklaard was, werden de wetsbepalingen afgekondigd. Slechts een enkele deel ik in haar geheel mede.

Art. 1. „Les chapitres séculiers, les bénéfices simples, les „séminaires et toutes les corporations laïques des deux sexes „sont supprimées dans les départemens réunis par la loi du 9 „Vendémiaire an. IV.quot;

Ook thans kreeg wederom het bestuur der domeinen bevel eene commissie naar de verschillende opgeheven inrichtingen te zenden, om van alles wat waarde had inventaris op te maken. Aan de gemeentebesturen moest dit verslag ter onderzoeking worden aangeboden, en dan zouden ook de vroegere gemaakte bepalingen omtrent het uitkeeren van een zekere som gelds aan de leden der thans opgeheven inrichtingen verzekerd worden. De

-ocr page 629-

49

huizen werden bovendien nationaal eigendom verklaard, en in de decade, welke volgde op den dag der publicatie dezer wet, moesten de bewoners ze allen verlaten.

Zoo werden de goederen tot vrome doeleinden samengebracht en besteed door geweld en onrecht aan hunne bestemming ontrukt. Uit de bepalingen, welke later gemaakt zijn, moet men tot de gevolgtrekking komen, dat een gedeelte dezer kerkelijke goederen voor het gouvernement verloren ging. Immers Napoleon Bonaparte, sedert 15 December 1799 eerste consul der republiek, vaardigde den 23 Februari 1801 (4 Ventóse an. IX) eene proclamatie uit, die grond aan deze overtuiging geeft en tevens toont, dat de uitbetaling der beloofde renten niet altijd plaats vond.

Art. 1. „Toutes rentes appartenant a la république, dont la ,reconnaissance et le paiement se trouveraient interrompus, „et tous domaines nationaux, qui auraient éte usurpés par les „particuliers, sout affectés aux besoins des hospices les plus „voisins de leur situation.quot;

Met eene wreedheid als de geschiedenis zelden zag, hadden de revolutiemannen, tegen al wat met den godsdienst in betrekking stond, gewoed.

Napoleon begreep echter, dat het herstel van den godsdienst voor het behoud van Frankrijk dringend noodzakelijk was. Hij verzocht daarom, den Paus gevolmachtigden naar Frankrijk te zenden om over het herstel van den godsdienst te onderhandelen en tot eene regeling van de kerkelijke goederen te geraken. Volgaarne gaf Pius VII aan die uitnoodiging gehoor. De moeielijkheden, door de gevolmachtigden des Pausen te Parijs ondervonden, te vermelden is niet van deze plaats. Het zij genoeg te hebben gezegd, dat den 15 Juli 1801 (26 Messidor an. IX) het concordaat tot stand kwam, waarbij aan den katholieken godsdienst vrije uitoefening verleend werd. Van dit concordaat vermeld ik slechts de artikelen, welke op eene regeling der kerkelijke goederen betrekking hebben. Het twaalfde en het dertiende artikel van het concordaat luiden :

4l

-ocr page 630-

50

„Art. XII. Toutes les églises metropolitaines, eathwlrales, pa-ïï roissiales, et autres non alienees, nécessaires au culte, seront „ remises a la disposition des évêqucs.

Art. XIII. Sa Sainteté pour le besoin de la paix et l\'heureux „rétablissement de la religion catholique, declare que ni elle, „ni ses successeurs, ne trouble rout en aucune manière les „acquereurs des biens ecclésiastiques aliénés, et qu\'en consé-„quence la propriété de ces mêmes biens, les droits et revenus „y attachés demeureront incoramutables entre leurs mains ou „celles de leurs ayant cause.quot;

Verklaarde Pius VII om des vredes wille en om het gelukkig herstel van de katholieke kerk in Frankrijk afstand te doen van zijne rechten op de gealieneerde kerkgoederen, toch waren er, waarop de Paus aanspraak bleef maken. Uit het decreet door den eersten consul den 23 Februari 1801 uitgevaardigd is ons reeds gebleken, dat niet alle geestelijke goederen in de macht van den staat waren gekomen, maar dat ook particuliere personen zich eenige wederrechtelijk hadden toegeëigend. Deze laatste werden onder de niet-gealicneerde gerekend. Napoleon achtte het zijn plicht te bevelen, dat deze goederen aan hunne oorspronkelijke bestemming terug zouden gegeven worden. Hij liet daarom den 23 Juli 1803 (7 Thermidor an. XI) eene wetsbepaling afkondigen , waarvan hot eerste artikel de teruggave van de goederen der kerkfabrieken gebood.

Art. 1. „Les biens des fabriques non alienés, ainsi que les „rentes dont elles jouissaient, et dont le transfert n\'a pas été „fait, sont rendus a leur destination.quot;

Waren de kerken, waaraan die goederen voorheen toebehoorden , gesupprimeerd, dan moesten deze overgedragen worden aan de fabrieken der kerken, welke in hetzelfde arrondissement waren blijven bestaan.

Art. II. „Les biens des fabriques des églises supprimées seront „réunis a ceux des églises conservées et dans l\'arrondissement „desquelles ils se trouvent.quot;

Aan deze wetsbepalingen werd den 20 December deszelfden

-ocr page 631-

51

jaars (28 Frimaire an. XII) een declaratie toegevoegd, waartij men verklaarde: „que les différents biens, rentes et fondations „chargés de messes, anniversaires et services religieux faissant „partie des revenus des églises, étaient compris dans les „dispositions de l\'arrêté du 7 Thermidor an XI, et en cette „qualité rendus a leur première destination.quot;

In het eerste deel van het te recht gewaardeerde Belgische Tijdschrift Journal historique et littéraire komen eenige belangrijke artikelen voor over de regeling der kerkelijke goederen. Bij de declaratie van 28 Primaire an. XII wordt daar de volgende overweging gevoegd: „II résulte que les biens appelés benefices „simples, c\'est a dire sans charge, tels qu\'étoient les abbayes, „les prieurés et autres bénéfices en commende, les pains d\'abbaye „etc., restèrent acquis au domaine. Aussi les églises ne les lui „ont jamais contestés.quot;

Het bleek dat Napoleon op den door hem eeumaal ingeslagen weg wenschte voort te gaan. Op voordracht van den minister van eeredienst decreteerde hij den 6 Maart 1805 (15 Ventóse an. XIII).

„Art. I. En exécution de l\'arrêté du 7 Thermidor an XI „les biens et les rentes non alienés provenant des fabriques des „métropoles et des cathédrales des anciens dioceses, ceux pro-„venant des fabriques des ci-devant chapitres, métropolitains et „cathédraux, appartiendront aux fabriques des métropoles et „cathédrales, et a celles des chapitres des diocèses actuels dans „l\'étendue desquels ils sont situés quant aux biens et payables „quant aux rentes.quot;

Art. II. „Les biens et rentes non aliénés provenant des fabri-„ques collégiales, appartiendront aux fabriques des cures et „succursales dans l\'arrondissement desquelles sont situés les „biens et les payables rentesquot;.

Den 19 Juni 1806 volgde wederom een ander keizerlijk besluit, waarvan het eerste artikel luidde: „Les administrations „des hospices et les bureaux de bienfaisance, qui en vertu du „4 Ventóse an. IX et des arrêtés relatifs auront été mis en „possession de quelques biens et rentes chargés précédemmeut

-ocr page 632-

52

„de fondations pour quelques services religieus, paieront regu-„lièrement la retribution do ces services religieux conformé-„merit a notre décret du 22 Fructidor an. XIII aux fabriques „des églises auxquelles ces fondations doivent retournés.quot;

Ligt in dit besluit op klaarblijkelijke wijze eene poging opgesloten om de wilsbeschikking der voormalige stichters ten uitvoer te leggen, duidelijker nog zag men dit streven in het besluit van 13 Juli deszelfden jaars.

Den 26 Juli 1803 (7 Thermidor XI) was, gelijk we vernamen, bevolen dat de goederen der opgeheven kerkfabrieken gevoegd zouden worden bij die der bewaard gebleven kerken in dezelfde arrondissementen gelegen. Het doel van dit bevel was een plicht van rechtvaardigheid te vervullen en de wilsbeschikking van donateurs of stichters te volbrengen.

Aan welke voorwaarden deze vereeniging van kerkfabriekgoederen gebonden was, werd in deze bewoordingen aangeduid ; „II ne suffit pas qifun bien de fabrique soit situé dans le terri-„toire d\'une paroisse ou succursale pour qu\'il appartienne a celle-„ci,... il faut encore que l\'eglise tl laquelle ce bien a apparteuu, „soit réunie a cette paroisse ou succursale.\'1

Deze beperking hief Napoleon den 31 Juli 1806 op na zijn Conseil cTEtat gehoord te hebben.

„Nous avons décrété et nous déerétons ce qui suit;

„Art. 1. Les biens dos fabriques des églises supprimées appar-„tiennent aux fabriques des églises auxquelles les églises „supprimées sont réuuies, quand même ces biens seraient „situés dans des communes étrangères.quot;

De Fransche regeering en de rechtbanken gingen voort zich welwillend voor de kerkfabrieken te betoenen. Een extrait du Recjistre des deliberations du Conseil d\'Etat van 30 April 1807, waarin advies werd uitgebracht „sur plusieurs questions relatives aux biens et rentes sur lesquels les fabriques et les „hospices peuvent respectivement prétendre des droitsquot; was voor de kerkfabrieken gunstig. Moesten de rechtbanken uitspraak doen in geschillen tusschen het bestuur der domeinen en de

-ocr page 633-

53

kerkfabrieken dan viel de beslissing ten voordeele van de laatste, wanneer die goederen belast waren met kerkelijke diensten. Deze gunstige stemming veranderde echter toen in 1813 hei keizerrijk in de benardste omstandigheden en in de grootste geldverlegenheid verkeerde. Den 20 November van dit jaar gaf de minister van financiën het voorbeeld van schending der bestaande jurisprudentie, en ontzag zich le Conseil d\'Etat niet aan dien ministerieelen maatregel den 12 Februari 1814 zijne goedkeuring te hechten. Het gouvernement had geld van noode, en alle middelen om dit te verkrijgen, ook eene nieuwe berooving van kerken , werden rechtvaardig geoordeeld.

Dit besluit had echter, gelijk terstond zal blijken, geen invloed op onze gewesten.

§ 3. Onder Willem I.

Het was den vereenigden mogendheden gelukt zich van de Fransche overweldiging te bevrijden, en de macht van Napoleon te breken. Zijne legers waren verslagen en hij zelf zag zich tot afstand gedwo ngen. Europa haakte naar rust en verlangde naar het oogenblik, waarop de welvaart zoude terugkeereu.

Na de verdrijving der Franschen werd terstond over de negen, straks vermelde departementen, een voorloopig bestuur aangesteld en kort daarna Willem I, die reeds den 30 November 1813 te Scheveningen geland was, als souvereine vorst over de Nederlanden door de mogendheden te Londen erkend. Den 16 Maart 1815 nam de souvereine vorst bij proclamatie den titel van Koning der Nederlandea aan en den 9 Juni van hetzelfde jaar werden op het congres van Weenen de grenzen van het vereenigde koninkrijk bepaald. Het departement van Neder-Maas met een gedeelte van het departement de Roer vormden samen de provincie Limburg. Vijftien jaren later bracht de revolutie van \'30 in den vastgestelden toestand groote verandering. Geheel Limburg , behalve de stad Maastricht, ging met de Belgische revolutie mede. Niet voor den 19 April 1839, den

-ocr page 634-

54

dag waarop de vrede tussehen Holland en België gesloten werd, kwam het tegenwoordige Limburg, met Maastricht als hoofdstad, wederom voor goed onder het bestuur van Willem 1.

Gelijk ik zoo even opmerkte, bleef de maatregel door den minister van financiën den 20 November 1813 genomen en door le Conseil cTEtat den 12 Februari 1814 bekrachtigd zonder uitwerking in de Nederlanden. Ten bewijze beroep ik mij op het koninklijk besluit van 20 Februari 1816. Immers hierin leest men:

„Wij quot;Willem enz.

„Herzien Ons Besluit van 11 December 1813 voor de noor-„delijke provinciën, mitsgaders Onze Besluiten van 9 September „en 29 November 1814 voor de zuidelijke provinciën, bij welke „respectievelijk is bepaald, dat de vonnissen, gewijsden enreg-gt;,terlijke uitspraken, door fransche authoriteiten gewezen, gedurende het tijdvak , dat bovengemelde landen, aan het fransche „bestuur zijn onderworpen geweest, mitsgaders de notarieele „akten, in Frankrijk gedurende dat tijdvak gepasseerd, tegen „de onderdanen van Ons Eijk alleen executabel zullen zijn, „voor zoo verre dezelve respectievelijk van vroeger dagteeke-„ningen zijn dan 21 November 1813 en 31 Januari 1814 „respectievelijk.quot;........

„Op voordracht van Onzen Minister van Justitie den Eaad „van Staat gehoord, hebben besloten en besluiten

„Art. I. Geeue gewijsden, vonnissen en decisiën van he; hof „van cassatie te Parijs, van de onderscheidene fransche geregts-„hoven, regtbanken en regters, van den franschen staatsraad, „of van eenige andere in den omvang van het fransche gebied „wettelijk bevoegde authoriteiten tegen Onze onderdanen ge-„wezen, gedurende het tijdvak dat onze landen aan het „fransche bestuur onderworpen zijn geweest, gelijk mede geen „notarieele akten, gedurende dat tijdvak in Frankrijk gepasseerd en met het formulier van executoire, bevorens of thans „in Frankrijk gebruikelijk, voorzien, zullen tegen Onze onder-

-ocr page 635-

55

„daneii kunnen worden ter executie gelegd, tenzij dezelve zijn „uitgesproken, gewezen en gepasseerd ten opzigte der inwoners „der voormalige Vereenigde Nederlanden, vóór of uiterlijk op „den 21 November 1813, ten opzichte van die van het voor-„malig Belgiën, vóór of uiterlijk op den 31 Januanj 1814, en „eindelijk ten opzigte van de inwoners der landen welke, „tengevolge van het vredes-traktaat van den 20 November 11. „met Ons Koninkrijk zijn vereenigd, vóór of uiterlijk op den „13 December 1815, en alleen met inachtneming der navolgige „bepalingen.quot;

Deze bepalingen meen ik voor ons doel achterwege te mogen laten.

Van het jaar 1816 tot aan 1824 waren de uitspraken der rechtbanken in overeenstemming met do jurisprudentie onder het keizerrijk gedurende tien jaren (1803—1813) gevolgd. Het hof van Luik besliste op 23 Juni 1818 ten gunste van de kathedraal te Luik in een geding over eene vrome stichting daar aanhangig gemaakt. „Attendu, zoo luidde de rechtspraak, que les „biens, dont il s\'agit, étoient affectés a une fondation pieuse „établie dans l\'ex-cathédrale de Liégequot;. Niet anders was het gewijsde derzelfde rechtbank op 24 Juli 1818 in eene quaestie, welke haar door de kerkfabriek van den H. Petrus te Hoei ter beslissing was voorgedragen. „Attendu qu\' aux termes de „l\'avis du Conseil d\'Etat du 30 Avril 1807, confirmé par Tem-„péreur, tous les biens de bénéfices chargés de fondations pieuses, „font partie de ceux qui doivent être restitués aux fabriquesquot;. Op dezelfde bepalingen beriepen zich andere rechtbanken in hunne uitspraken. Zij handhaafden de decreten van 7 Therm. XI, 28 Frim. XII en 15 Yentóse XIII.

Het hof van Brussel week in zijn uitspraak van 27 Juli 1824 en 30 Maart 1825 het eerste af van de andere hoven door in eene gelijke zaak ten gunste van het domein te beslissen. Dit voorbeeld werd door het hof van cassatie te Luik op 12 Maart en 24 Mei 1825 gevolgd. Ook dit besliste in denzelfden zin, doch niet zonder hierdoor af te wijken van de arresten, die tot

-ocr page 636-

56

dan toe bij de rechterlijke vonnissen ala uitgangspunt hadden gediend. Te Brussel kwam men echter weldra tot andere inzage en sloeg men wederom het rechte pad in. „Aussi la cour de „Bruxelles, qui avoit donné a celle de Liége le premier exemple „d\'une déviation si étonnante de principes généralement établis „et reconnus, fut elle la première a y revenir solennelloment „dans deux arrêts du 3 Mars et du 3 Juin 1829, ou, rejetant „toute distinction entre les fondations pieuses simples, et celles „qui ont été érigées en bénéfices, elle declare que l\'arrêté du „28 Frimaire an. XII a étendu les dispositions de l\'arrêté du „ 7 Thermidor an. XI aux biens provenant de fondations pieuses „quelconques.quot; (Journal historique I. p. 72).

Intusschen begon het Nederlandache gouvernement zich voor de kerkfabrieken minder gunstig te betoonen.

Den 19 Augustus 1817 werd een besluit afgekondigd „ter „bepaling van de wijze op welke de Roomsch-katholijke kerken „zullen worden gesteld of bevestigd in het bezit der goederen „en renten die haar, krachtens de Wet van 7 Thermidor XI „toekomen.quot;. Van dit besluit luidde:

Art. 1. „De kerkmeesteren der Roomsch-katholijke gemeenten „zullen voor den eersten January 1818, aan den Directeur-„Generaal, belast met de zaken van den kathohjken eeredienst, „opgaaf doen, gestaafd met zoodanige bescheiden als zij tot „bewijs van hun regt, noodig zullen oordeelen :

„A. Van alle zoodanige goederen en renten als welke zij „vermeenen, dat, krachtens de wet van den 7 Thermidor ll1^ „jaar, aan hun als nog moeten terug gegeven worden.

„B. Van alle goederen en renten, in welker bezit zij zich „gesteld hebben zonder dat dezelve door het vorig bestuur der „domeinen aan hun zijn teruggegeven.quot;

Dit besluit, dat men aanvankelijk beschouwde als een middel om de geschillen tusschen domeinen en kerkfabrieken te vereffenen of te voorkomen, werd later door de Zuid-Nederlanders geheel anders beoordeeld. Velen hunner zagen er niets anders in dan een list van het gouvernement om zich met minder

-ocr page 637-

57

goede bedoelingen van de bezittingen der kerkfabrieken volkomen op de hoogte te stellen. Voor dit vermoeden meenden zij bovendien nieuwe gronden te vinden, toen op 27 December 1822 te Brussel afgekondigd werd de „Wet tot instelling van een amortisatie-syndicaat ter regeling van onderscheidene financiële aangelegenheden des Rijks.quot; Opdat de bestuurslieden dezer instelling aan den buti opgedragen last konden voldoen, hadden dezen onder andere het recht te beschikken over domeingoederen ter waarde van een inkomen van 1.750.000 gulden, tegelijk met het recht om die te verkoopen. Sedert dien tijd zegt een Belgisch schrijver begon de Nederlandsche regeering meer dan vroeger de kerkfabrieken lastig te vallen, „les tribunaux reten-„tissoient continuellement de tristes contestations entre 1\'administration des domaines et les fabriques, et il eüt été bien „difficile que celles-ci eussent toujours réussi a faire respecter „leurs droits.quot;

Waren de vermoedens en de klachten onzer voormalige land-genooten gegrond? Zeker is het, dat zoowel in Zuid- als in Noord-Nederland ontevredene stemmen werden gehoord over de zwaarte der belastingen. Dan de regeering moest naar bronnen van inkomsten zoeken om de ontzaggelijke schulden te dekken, die deels van de Fransche overheersching waren overgebleven en voor een ander gedeelte toe te schrijven waren aan de belangrijke werken, die ten algemeenen nutte ondernomen moesten worden.

De omstandigheden en oorzaken vermelden, waarom de spanning, die sinds lang tusschen Zuid-en Noord-Nederland bestond, in een volkomen vredebeuk en afscheiding overging, ligt buiten mijn bestek. Van welken invloed echter de gebeurtenissen, die van 1830 tot 1839 plaats grepen, op de regeling der kerkelijke goederen in Nederlandsch Limburg geweest zijn, ga ik in het kort mededeelen.

§ 4. Bij den Belgischen Opstand.

Welke blijken van moed onze troepen ook hadden gegeven, zij konden niet beletten dat de revolutie zich al meer en meer

-ocr page 638-

58

uitbreidde, en te Brussel een voorloopig bestuur de plaats der Nederlandsche regeering innam. Den 24 September 1830 werden de eerste leden van het provisioneel bestuur te Brussel benoemd. Reeds op den 31 December van hetzelfde jaar liet het een arrest afkondigen, om, zoo als het uitdrukte, een einde te maken aan les reclamations vexatoires du ci-devant si/ndicat d\'amortissement.

Dewijl ook Limburg, behalve de stad Maastricht, tot de afgevallen gewesten behoorde, meen ik dit arrest in mijn verslag op te moeten nemen

Gou vernement provisoire de la Belgique.

„Comité central.

„Vu les arrêtés du 7 Thermidor an. XI et 28 Primaire an. „XII ainsi que le décret du 15 Véntóse an. XIII et autres „dispositions relatives a la, matière;

„Considérant qu\'il résulte de ces dispositions, que les biens, „rentes et fondations chargés de messes, anniversaires et services „religieux, ont été rendus aux fabriques des églises sans „distinguer, si elles étoient ou non érigées en bénéfices et que „les dispositions susdites s\'appliquent au ci-devant églises col-„légiales, comme aux églises paroissiales;

„Considérant qu\'il y a urgence de faire cesser les reclamations „vexatoires du ci-devant syndicat d\'amortissement; Arrête:

„Art. I. Les différens biens, rentes, fondations chargés de „messes, anniversaires et services réligieux, sans distinction de „ceux, qui auroient fait partie de bénéfices simples sont compris „dans les arrêtés des 7 Thermidor an. XI 28 Frimaire an. XII „et 15 Ventóse an. XIII.

„Art II. Les dispositions ci-dessus ne préjudicent en rien „aux jugemens et arrets passés en force de chose jugaé, les „biens aliénés, les rentes remboursées ou aliénées avant la „publication du présent arrêté en sont également exceptées.

„Art. III. L\'administrateur général des finances est chargé „de Texécution du présent arrêté qui sera inséré au bulletin

-ocr page 639-

59

„officiel des décrets du congres national de la Belgique, et des „arrêtés du pouvoir exécutif.

„Bruxelles 31 Decembre 1830.

(signé) Cte Félix de Mérode, Ch. Rogier, J. tan der Linden, Jolly , J. de Coppin.

„Pour copie conforme,

„Four le secrétaire-yènéral (signé) Gachard.quot;

De katholieken meenden aanvankelijk na de afkondiging van dit decreet voor goed van alle knevelarijen verlost te zijn. Dan de uitkomst beantwoordde in geenen deele aan hunne verwachting. De geldigheid en de kracht van dit besluit werden betwist, en de gerechtelijke vervolgingen begonnen op nieuw, ja werden erger dan ze ooit te voren waren geweest.

Een wettelijke verklaring van de arresten van 7 Thermidor jaar XI, van 28 Frimaire jaar XII en 15 Ventóse jaar XIII werd dringend noodzakelijk geoordeeld. De kerkfabrieken van Luik richtten daarom met dit doel een verzoekschrift aan koning Leopold I en aan de volksvertegenwoordiging, terwijl de afgevaardigde van Namen Mr. Brabant bij de Kamer een wetsvoorstel indiende, dat voor de hoofdzaak overeenstemde met het arrest van het voorloopig bestuur. De behandeling van dit wetsvoorstel werd echter op de lange baan geschoven, want de Kamer besliste, dat het voorstel van Mr. Brabant „ne serait examine par les sections, qu\'apres les projets des lois sur 1\'organisation judiciaire et provinciale.quot;

Maanden, zelfs jaren gingen voorbij, en nog was dit wetsvoorstel niet door de Kamer in behandeling genomen. Wel had men getracht de gemoederen der belanghebbenden te bedaren door van staatswege te gebieden alle gerechtelijke vervolgingen tegen de kerkfabrieken te staken, maar het talmen of uitstellen zelf werd inmiddels allergevaarlijkst. Immers het oogenblik naderde, waarop de termijn van wettelijke prescriptie zou intreden. Was die aangebroken dan konden vele goederen onherroepelijk

-ocr page 640-

60

voor de kerken verloren zijn. Bovendien in het concordaat van 15 Juli 1801 had de H. Stoel verklaard te berusten in de ontvreemding der kerkelijke goederen, welke tot dat tijdstip toe door de regeering in bezit waren genomen. Al wat echter sinds dien tijd door het gouvernement ontdekt en genaast was, of nog verborgen was, bleef van deze overeenkomst uitgesloten. Het gevolg hiervan was dat particuliere personen, die goederen hadden gekocht, welke sedert 1801 door het gouvernement waren genaast, deze niet met een gerust gemoed konden bezitten, en dat het gouvernement zelf niet dan op onrechtvaardige wijze over deze goederen of over de koopsommen, waarvoor het zich van die goederen had ontdaan, kon beschikken. Om aan dezen toestand een einde te maken verzocht het Belgische episcopaat in de maand Juni van het jaar 1833 Z. ïï. Paus Gregorius XVI het 13de artikel van het concordaat uit te strekken over de goederen, welke sinds 1801 onder het domeinbestuur waren geraakt, hetzij deze goederen door den staat waren verkocht of nog in naam van het gouvernement werden beheerd. In de Breve van Paus Gregorius XVI Epis-tolam accepimus ziet men de redenen vermeld door het Belgische episcopaat aangevoerd om hetgeen zij vroegen van het hoofd der katholieke kerk te verkrijgen. „Quam memorati articuli „(het XIII artikel van het concordaat) ampliationen si Nos „ederemus, vobis quidem magnam significastis fore spem obtinendi „statim a civili ista potestate solemnem declaratienem, seu „legem expressam, qua Ecclesiae restituta decernantur alia „quaedam bona, quae licet civilibus sanctionibus olim pro memo-„rata occupatione latis comprehenderentur, facto tamen ipso „occupata non sunt, propterea quod eadem, vel illorum qualitas „occultata fuit, seu a Gubernio quomodolibet ignorata. Et „multum quidem fore arbitramini quod ex hac declaratione pro-„cederet temporale Ecclesiae emolumeutum, quum extent in „vestris diocesibus bona ejusmodi non sane pauca, et magnam „saltem illorum partem recuperare haud difficile vobis futurum „sit. Addebatis vero, rem (si Nobis ita videretur) sine mora

-ocr page 641-

61

„esse perficiendam , quando quidem possessores horum eorumdem „bonorum complebunt mense Martio insequentis anni 1834 „tempus praescriptionis civili istic jure definitum, atque exinde „coram civili potestate plenum ipsorum dominium obtinuisse „censebuntur.quot;

Drie maanden later antwoordde Z. H. Paus Gregorius XVI op dit verzoekschrift. Hij oordeelde na de zaak rijpelijk overwogen en den raad der kardinalen gehoord te hebben het verzoek der Belgische bisschoppen niet terstond te moeten inwilligen , omdat het gouvernement de wet, waarvan zij gewaagden, nog niet had gemaakt en zich zelfs door geen enkele belofte van dit ooit te zullen doen, verbonden had. Z. Heiligheid oordeelde het daarom raadzamer den bisschoppen zeiven de macht te verleenen met de Belgische regeering onderhandelingen aan te knoopen. Gelukte het hun eene wet of declaratie van het gouvernement te verkrijgen , waarbij verklaard werd, dat de verborgen en door den staat om welke reden ook nog niet feitelijk in bezit genomene goederen aan de kerk zouden worden teruggegeven, dan mochten zij namens den H. Stoel verklaren, dat het 13e artikel van het concordaat zich uitstrekte over alle goederen, die door de regeering genaast waren, hetzij zij deze verkocht had of nog bezat. „Et quando Vobis obtingat obtinere „legem seu declarationem solemnem , et ex vigente istic publico „jure validam ac firmam qua Ecclesiae restituta decernantur „bona, ut supra dictum est, occultata, vel quamcumque ob causam „facto ipso non apprehensa, Vobis vicissim edicere licebit nomine „nostro memoratum articulum decimum tertium conventionis anni „millesimi octingentisimi primi ampliari et extendi ad alia „quaelibet ex occupatis, ut supra, bonis, quae sive post con-„ventionem illam alienata a Gubernio sint, sive adhuc apud „Gubernium ipsum remaneant.quot;

§ 5. Eindregeling.

De bisschoppen zoo door den Paus gevolmachtigd lieten geen tijd verloren gaan om met de regeering te onderhandelen. Het

-ocr page 642-

62

gelukte hun haar te overtuigen dat eene spoedige regeling der aanhangige quaestie èn voor de kerk èn voor den staat van het grootste belang was. Reeds den 7 Januari 1834 werd namens koning Leopold door den minister van binnenlandsehe zaken Ch. Rogier en door den tijdehjken minister van financiën Aug, Duvier een besluit uitgevaardigd, waarover de bisschoppen zich hoogst tevreden betoonden. De artikelen van dit besluit neem ik in mijn verslag op.

„Art. I. Les fabriques d\'église sont autorisées a se mettre „en possession des biens et des rentes d\'origine ecclésiastique ou „religieuse, restés céles a l\'administration des domaines, dont „elles feront la découverte , ou dont la révélation sera faite il „leur profit par les détenteurs, les débiteurs, ou par des tiers, „en vertu de l\'art. 36 § 3, du décret du 30 Décembre 1809.quot;

„Art. II. Cette possession leur sera acquise par le fait seul „et du jour même de la découverte ou de la declaration. les-„quelles seront constatóes par 1\'acte devant uotaire, sans prejudice des droits a. exercer tant par le domaine, dans le cas oü „il justifieroit que les biens dénoncés ne peuvent être reputés „célés, que par des établissemens de bienfaisance ou des fabri-„ques, dans le cas oü les articles révélés leur seroient acquis; „le tout ainsi qu\'il est dit a l\'article du présent arrêté.quot;

„Art. III. Dans le cas oü le produit general des biens et „rentes, dont les diverses fabriques se mettront on possession, „conformément aux dispositions du présent arrêté, produiroit „un revenu net annuel de cent mille francs, les fabriques ne „pourront sans y être autorisées par une disposition ultérieuro „du gouvernement, faire de nouvelles découvertes ou accepter „de nouvelles revelationsquot;.

„Art. IV. II sera remis tous les six mois a notre ministre de „l\'intérieur un état des biens, revenus et rentes dont ehaque „fabrique aura acquis la jouissance par suite du présent arrêtéquot;.

„Art. V. Ne peuvent être considérés comme célés et ne seront „pas susceptibles de 1\'application do Tart. ler: 1° a 1\'égard du „domaine, les biens et rentes pour lesquels il justifiera d\'avoir

-ocr page 643-

63

„fait les diligences voulues par l\'arrêté du 27 Frimaire an XI; „2° h. l\'égard des établissemens de bienfaisance, les biens dé-„couverts ou révélés a leur profit en vertu de la loi du 4 „Ventóse an IX, et pour lesquels ils justifieront d\'avoir observe „les dispositions prescrites par les lois et décrets concernant la „matière; 3° a l\'égard des fabriques, les biens et rentes des fa-„briques et des fondations de services réligieux qui leur sont „restitués par les arrótés du 7 Thermidor an XI, 28 Frimaire „an XII et les dispositions subséquentesquot;.

„Art. VI. Nos ministres de l\'intérieur et des finances sont „chargés, chacun en ce qui les concerne, de l\'exécution du „présent arrêté, qui sera inséré au bulletin officiel.quot;

Nauwelijks was dit stuk van het gouvernement openbaar gemaakt of de bisschoppen richtten zich en tot de geestelijkheid en tot de geloovigon om beiden bekend te maken met hetgeen zij den Paus hadden gevraagd en met hetgeen door hunne bemiddeling tot stand was gebracht. Hiertoe werden door hen twee stukken, waarvan het eene voor de geestelijkheid en het andere voor de geloovigen was bestemd, in de maand Januari rondgezonden. Dewijl naar hun oordeel het besluit des konings beantwoordde aan het verlangen van Paus Gregorius XVI, maakten zij van de iiun verleende macht gebruik om het XIIIde artikel van het concordaat uit te strekken over de goederen, welke sedert 15 Juli 1801 door het gouvernement waren in bezit genomen.

Eene Pransche vertaling van deze twee stukken, die oorspronkelijk in het latijn waren geschreven, laat ik hier volgen.

A TOUT LE CLERGÉ BELGB.

„Messieurs,

„Considérant combien la Religion et le salut de ames out a „souffrir, de ce que beaucoup de personnes possèdent, vendent „et achètent des biens ecclésiastiques, qui ne sont point compris „dans 1\'art. 13 de la convention conclue entre le saint Siége „et le gouvernement frangois, en date du 15 Juillet 1801, et

-ocr page 644-

64

„qui ont été saisis et vendus par le gouvernement, nous avons „éte d\'avis de nous adresser en commun au saint Siége pour „qu\'il daignat étendre la disposition de Partiele 13 précité a btons les biens ecclésiastiques que le gouvernement a déja „vendus ou qu\'il possède encore.

„Nous avons exposé a Sa Sainteté qu\'outre le soulagement des „consciences et autres biens spirituels qu\'on retireroit de cette „mesure, il en résulteroit encore un avantage temporel pour „l\'Eglise, puisque nous avions l\'espoir fondé que le gouverne-„ment céderoit les biens restés célés au domaine, en faveur „des églises pauvres, et pour le bien general de nos Diocèses.

„Notre très-saint Pere Grégoire XVI dans sa bienveillance „toute particuliere pour nous et pour le troupeau qui nos est „confié, nous a autorisés, par son Bref apostolique du 16 Sep-„tembre 1833, a déclarer, en son nom, que l\'art. 13 de la „convention de 1801 s\'étend a tous les autres biens dont s\'est „emparé le gouvernement, soit qu\'ils aient été aliénés après cette „convention, ou qu\'ils soient restés en sa possession, pourvu „toutefois que nous obtinsions du Roi et de son gouvernement „une loi ou une déclaration portée conformément a notre droit „constitutionnel, qui restituat a l\'Eglise ces biens célés.

„Puis done que l\'arrêté royal du 7 de ce mois a rempli la „condition exigée par le saint Siége, nous avons publié une „déclaration qui étend l\'art. 13 de la convention de 1801. Nous „en joignons ici une copie pour que vous vous y conformiez „dans la direction des ames, qui vous sont sont confiées.

„Nous y ajoutons une copie de l\'arrêté royal, et nous vous „recommandons de le communiquer a vos marguilliers, pour que „vous vous hatiez de révéler, par acte authentique, en faveur „des églises, surtout des églises pauvres, les biens que vous „sauriez être demeurés célés au domaine, ou ceux que vous „parviendriez a découvrir, afin d\'éviter la prescription dont le „terme est pres de s\'accomplir. Prenez surtout le plus grand „soin, que tout se fasse secrètement, jusqu\'a l\'accomplissement „de ces formalités.

-ocr page 645-

65

„II faudra aussi nous communiquer mi tableau des biens révelés, „pour que nous attribuions, en vertu des pouvoirs apostoliques, „la possession canonique a vos églises.quot;

Au mois de Janvier 1834.

Fos trés dévoués Serviteurs,

f Englebert , Archev. de Malines. f Jean-Joseph , Evêque de Tournay. f Jean-Franqois , Evêque de Gand. f Corseille, Evêque de Liége. f J.-A, Evêque de Namur.

f Franqois , Evêque suffragant de Bruges.

In het andere stuk tot de geloovigen gericht schreven de bisschoppen:

„A tous les fidèles de nos Diocèses, sa lid dans le Seigneur.

„Notre Saint Père Grégoire XVI souverain Pontifepar la divine „Providence, nous a, par un Bref apostolique, donné a Rome „a Ste. Marie Majeure, le 16 Septembre 1833, accordé plein „pouvoir de declarer, au nom de Sa Sainteté, que l\'art. 13 de la „convention de 1801 s\'éteud a tous les autres biens dont le „gouvernement s\'est emparé, tant a ceux qui ont été aliénés „après cette convention, qu\'a ceux dont il est encore possesseur , „pourvu toutefois que nous obtinsions une loi ou une déclaration „solennelle conforme a notre droit constitutionnel, qui déclarat „restitués a l\'église les biens qui, quoique compris dans les „lois relatives a l\'occupation des biens ecclésiastiques, n\'ont „cependaut pas été saisis de fait par le gouvernement, paree que „leur origine lui était restée inconnue.

„Jugeant que l\'arrêté du Hoi du 7 Janvier 1834 remplit „pleiuement l\'intention de Sa Sainteté, faisant usage du pouvoir „qui nous a été conféré, nous déclarons, au nom de N. S. P. „le Pape Gregoire XVI, que l\'art. 13 de la dite convention

5l

-ocr page 646-

66

„s\'etend a tons les autres biens dont il a éte fait mention ci-„dessus, et qui ont éte aliénés par lo gouvernement on sont «restés en sa possession. Get article est ainsi congu:

„Sa Saintete, dans 1 intóret de la paix et pour I\'heureux „retablissement de la Religion, declare que les acquéreurs de „biens alienés d\'Eglise et leurs ayant-cause, ne seront inquiétés „ni par elle, ni par ses successeurs les Pontifes remains, et „qu\'ils en auront irrévocabloment la propriété avec les revenus „et les droits qui s\'y rattachent.quot;

Au mois de Janvier 1834.

(Volgen dezelfde handteekeningen.)

Middelerwijl deze onderhandelingen werden gevoerd, bleven de vijandelijkheden tussehen Holland en België voortgaan. Tot een duurzamen vrede kwam het niet voor 1839.

De vier en twintig artikelen, op de conferentie te Londen gemaakt en later gewijzigd, werden op den 1 Februari 1839 dooide Nederlandsche regeering aangenomen, den 19 April werd het tractaat met de mogendheden gesloten, en op 8 Juni van hetzelfde jaar vond de ratificatie plaats. Onze tegenwoordige provincie Limburg, welke, behalve Maastricht, tot dusverre bij België was gerekend, kwam door dit vredesverdrag aan Nederland.

Na het voorgaande dunkt mij de conclusie gewettigd, dat er in de provincie Limburg geene vicarie-goederen zijn, welke eene nieuwe regeling behoeven. Immers:

1». In het hoofdstuk over de Fransche revolutie vermeldde ik do woorden, welke een Belgische geleerde naar aanleiding der wetsbepaling van 28 Frimaire jaar XII schreef: „II résulto que

„les biens appelés benefices simples, e\'est a dire sans charge.....

„resterent acquis au domaino. Aussi les églises ne les lui ont ,. jamais contestes.\' De beneficia simplicia, waartoe ook de vicariae gerekend worden, die het Fransche gouvernement zich had toe-

-ocr page 647-

67

geeigend, hetzij dit ze behield of verkocht, behoeven dus geei.e nieuwe regeling.

2°. Bestonden er in de provincie Liraburg goederen, die door het gouvernement in bezit zijn genomen na liet concordaat van 1801, doch vóór dat Paus Gregorius XVI zijne Breve Epistolam accepimus in Augustus 1833 aan het Belgische episcopaat had gericht, en dit met do regcering omstreeks 7 Januari 1834 een vergelijk had getroffen, dan is ook op deze goederen het bovengezegde van toepassing.

3°. De Belgische bisschoppen kregen verlof van het gouvernement alle goederen op te sporen, welke tot dan toe verduisterd waren gebleven. Dat zij, die zoo geijverd hadden om dit besluit van de regcering te erlangen, na het verkregen te hebben niet alle moeite zouden aanwenden om de geestelijke goederen tot hunne rechtmatige eigenaars terug te doen komen, is reeds a priori niet te veronderstellen. Doch wat zij aan hunne geestelijkheid schreven neemt eiken twijfel dienaangaande weg. „Nous y ajou-ftons une copie de 1\'arrêté royal, et nous vous recomraandons „de le comrauniquer a vos marguilliers, pour que vous vous „hatiez de révéler, par acte authentique, en faveur des églises, „surtout des églises pauvres, les biens que vous sauriez etre „deraeurés célés au domaiue, on ccux quo vous parviendriez a „découvrir, afin d\'éviter la prescription dont lo terme est pres „de s\'accomplirquot;. Do geestelijkheid en de kerkmeesters, die meer dan alle anderen bij het herkrijgen der geestelijke goederen belang hadden, konden zonder hunne verplichtingen te venvaarloozen, niet in gebreke blijven aan een bevel te gehoorzamen, dat hun zoo ernstig door de kerkelijke overheid was gegeven.

4°. Waren de ontdekte geestelijke goederen zoo groot, dat ze eene jaarlijksche rente van 100.000 francs afwierpen, dan mochten de bisschoppen gccne nieuwe nasporingen doen „sans y etre „autorisés par une disposition ultcriourc du gouvernementquot;. Deze autorisatie is voor Limburg nimmer noodig geweest. Indien nu

-ocr page 648-

68

de geestelijkheid hare taak heeft vervuld, en hieraan valt niet te twijfelen, dan mag men veilig besluiten, dat in deze gewesten niets is, wat eene nieuwe regeling eisehen zou.

5°. De onderzoekingen, welke ik als lid onzer commissie in de provincie Limburg instelde bij geestelijke en wereldlijke autoriteiten, hebben mij tot geen auder resultaat geleid.

6°. Ook voor de stad Maastricht, welke gedurende de jaren 1830—39 in de macht der Hollanders bleef, ben ik tot geen ander besluit gekomen.

Ten overvloede heb ik, om des te meerderen waarborg van vertrouwbaarheid aan mijn onderzoek en diens uitkomst te verzekeren, den Zeereerwaarden heer Jos. Habets, rijks-archivaris van Limburg, verzocht het door mij verzamelde aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen en zijn oordeel aan mij mede te deelen. Dat oordeel verschilde niet van het mijne.

Ik veroorloof mij de vrijheid ten slotte de aandacht te vestigen op de Bijlagen. Men zal daar vinden afschriften van het antwoord des Maastrichtschen gemeentebestuurs aan de Gedeputeerde Staten van Limburg van den 28 Juli 1880, en der Gedeputeerde Staten van Limburg aan den minister van binnen-landsche zaken van den 29 Oct. 1880 over de vicarie-stich-tingen te Maastricht en in Limburg; een dergelijk antwoord van den burgemeester van Roermond aan de Gedeputeerde Staten van Limburg van den 20 Juli 1880, waarbij gevoegd is de copie van een stuk betreffende eene vicarie in het land van Kessel; en eindelijk een antwoord van den burgemeester van Meerlo van den 25 Oct. 1880, eveneens als de vorige handelend over niet meer bestaande vicarie-goederen.

Ka dit alles meen ik met recht te mogen herhalen wat ik zoo even schreef. De goederen, tot welker onderzoek onze commissie werd samengesteld, hebben in de geheele provincie Limburg zoodanige regeling ontvangen, dat zij aan eene nieuwe niet behooren onderworpen \'te worden.

A. M. VAN LOMMEL.

-ocr page 649-

BIJLAGEN.

-ocr page 650-

Mm. -sf®^5\'^^i\'\':ï?Zv^ify*quot;r^Èc^M

.

-

HHHIIHI ■hhhhhi

W. lm

■ ■^H ■ ■ ■ • ■ I H

■ ;

S-i\'.A -w ; • - •: •■.

-

r^S

Wm 1 91 ■■ m..... ■ 1 i

-ocr page 651-

71

Maastricht 29 Oct. 1880.

MISSIVE van den Minister van Binnenl. Zaken dd. 11 Jnny 11. L: E: afd. 0, betreffende de Vicarie-stichtingm.

Wij hebben de eer Uwe Exctil! mede te deelen, dcit luidens de berigten van de burgemeesters der gemeenten in dit gewest ontvangen, zich thans in bet hertogdom geene goederen als bedoeld in nevensaangehaalde missive moer bevinden, of dat althans daar waar vicarie-stichtingen in vroegeren tijden bestonden, gelijk te Maastricht., Roermond en te Meerlo, t karakter daarvan verloren is gegaan, zooals tor laatst genoemde plaatse het geval is, of wel de daartoe behoorende goederen als domein verkocht zijn , ten gevolge van de in dit gewest op het laatst der vorige eeuw ingevoerde wetten tot nationaal-verklaring van geestelijke en kerkelijke goederen. De van do Burgemeesters der evenge-noemde gemeenten overgelegde berigten zijn kopyelijk hierbij gevoegd.

Aan Uwer Excellentie\'s uitnoodiging iu fine van nevensbe-doelde missive is mede voldaan.

De Gedeput. Stat. van het Hertogdom Limburg, (cjet.) De Küijper.

De griffier Jos. Lebens.

-ocr page 652-

72

Aan de Gedep. Staten van Limburg. Maastricht 28 Julij 1880.

Voldoende aan do circulaire-aanschrijving van UTIoogEd.gestr. dd. 25 Junij 11. Ie afdeeling A. La. 3640/3 L\' hebben wij de eer U Mijne Heeren te bcrigten, dat volgens genomen informa-tiën in deze gemeente geene goederen zijn gelegen, die als vicariën, praebenden, memoriën- of getijden goederen bekend staan.

„ Zulke stichtingen — wordt ons van bevoogde zijde gezegd — „waren voor de Fransche omwenteling van het einde der vorige eeuw „in deze stad zeer talrijk. Zjj werden bij decreet van 15 Bru-„maire A0 I\\ derfransche Republiek afgeschaft en tengevolge „eener wet van 4° Pluvióse Aquot; IV. publiek als domein verkocht. „Bij die gelegenheid werden de betreffende stukken in het „co chief van liet departement der Noder-Maas in bewaring ge-„legd, waar zij zich waarschijnlijk nog zullen bevinden.

Burgen?, en Wethouders van Maastricht, {get.) Puls.

De Secretaris v. Oscu Voor eensluidend afschrift.

De Griffier der Staten van het hertogdom Limburg.

Jos. Lebens

-ocr page 653-

73

Aan de Ged. Staten van Limburg.

Roermond 20 Julij 1880.

Ter beantwoording van Uwen Brief van 25 Junij jl. Ie Afdeeling A.. La. 3640/3 La. waarbij verzocht wordt een onderzoek in te stellen naar de goederen alhier gelegen, die als vicariën-praebenden-memorie- of getijden goederen bekend staan, waaronder te begrijpen alle goederen welker karakter als zoodanig slechts bij algemeen gerucht vermeld wordt, heb ik de eer U te berigten, dat het ter zake ingesteld onderzoek voor deze gemeente tot geene uitkomst geleid heeft. Ingevolge de wet van 24 Augt. 1793 en die van 13 Brumaire Jaar 11, waarbij zoodanige goederen mede tot nationaal eigendom werden verklaard en de interessen of renten ten voordeele van den Staat vernietigd of afgeschaft werden verklaard, onder welken titel ook toegestaan, werden die goederen opvolgend in deze streken vervreemd en zijn geen gevallen bekend dat dergelijke goederen ten gevolge der wet van 18 G-erminal jaar X of van het besluit van 7 Thermidor jaar XI aan hunne bestemming teruggegeven of beheerd geworden zijn ; noch ook dat dergelijke bedektelijk in vreemde handen zijn verbleven.

In zoover toepasselijk, kan medegedeeld worden , dat de kerkmeesters van de fabriek der parochiale kerk alhier ten gevolge van de circulaire van den staatsraad gouverneur der provincie Limburg van 4 Sept. 1823 N0. 8 eene verklaring onder dag-teekening van 8 April 1824 inzonden, welke den 13 dier maand aan voornoemden gouverneur werd toegezonden, volgens welke

-ocr page 654-

74

in deze gemeente geen pastorale goederen of renten aanwezig waren.

Bij raadpleging van het oud-archief is een stuk betreffende eene vicarie in het land van Kessel het voormalig overkwartier van Roermond bevonden van Maart 1667, waarvan ik een afschrift hierbij voeg.

De Burgemeester.

(get.) Hub. Brouwers.

Voor eensluidend afschrift.

De griffier der Staten van het hertogdom Limburg.

Jos. Lebens.

-ocr page 655-

75

EXTRACT uittel reces des Quartiers van Nijmegen gehouden op eenen landtdag in Martio 1667 ende vervolgens binnen Nijmegen.

Mercurij den 12 Juny 1667.

D\'ordinaris gedeputeerden openinge gedaen hebbende, dat tot de abdije van Marienweert sijn gehoorende eene vicarie int land van Kessel in deu overquartiere van Roermonde waervoor effec-tivelyck paepengodsdienst moet gedaen worden eene de Lanxmeer genoemt ende gelegen omtrent Cuylenborch, welke nae overslach \'sjaers mitte tertiön compt te renderen de somma van omtrent 325 gld. Noch eene gefundeert in de kereke tot \'s Gravenzande, waervan de eygentlijcke goederen niet bekent en sijn, item eene vicarie gefundeert in de kereke tot Beest neffens noch een off twee anderen daernaer onderzoeck gedaen wort. Heeft het Quartier dieselve gedeputeerden geauthoriseerd omme die voorstaende vicariën soo althans vercocht cunnen worden, alsmede de collatiën van de pastoriën, als Enspyek, Rumpt ende Gellicom, mitsgaders Beest ende Rhenoij voorts alle anderen soo mochten sijn ten behoeve van t Qartier publicquelyck te vercoopen, ende de vicariën tot Kessel tegens een andere vicarie soo ijmant van \'tOverquartier in dese provintie ofte het landt van Cuyck mochte hebben ende daervan conde gedisponeert worden bij forma van permutatie te verhandelen ende dieselve tot dienst van t Quartier te vercoopen omme totte alinge coopspenningen de genegotieerde penningen van iiijm gl. ende andere quartierslasten aff te leggen ende uyt het provenu van \'t restoir de zestien predicanten bij het quartier gesubsidieert te worden.

-ocr page 656-

76

Meerlo, 25 Oct. 1880.

Ten einde mij voldoende op de hoogte te stellen van het karakter der goederen, welke het onderwerp uitmaken uwer in margine dezer aangehaalde missive en om UEdgr. casu quo de gevraagde opgaven omtrent deze goederen te kunnen doen, heb ik mij gewend aan den voorzitter van het parochiaal kerkbestuur alhier, wiens antwoord hierop neerkomt.

„De bedoelde vicariegoederen bestaan hier niet; wel zijn. er „aloude stichtingen, die oorspronkelijk dusdanig karakter hadden, „vermits ze onder het patronaat stonden van den tijdelijken heer „en tot onderhoud dienden van den dienstdoenden geestelijken. „De lasten waren zoo zwaar, dat ze verscheidene malen moesten „worden gereduceerd. De goederen dier stichtingen eerst tijdens . „de fransche woelingen aangeslagen, werden later aan de kerk „gegeven onder verplichting de daaraan verbonden lasten te „exonereeren. Do dienstdoende geestelijke wordt dan ook niet „als beneficiant maar eenvoudig als vicaris of kapellaan aange-„steld. De kerk heeft vruchtgebruik en administratie en betaalt „het salaris en de kerkelijke diensten. Die twee posten brengen „haar geen voordeel aan, integendeel, vooral als men let op het „onderhoud der woning, welke anders op het beneficie moest „berusten. Daar nu deze goederen niet behooren tot die, welke „door de hervorming van hunne bestemming werden verwijderd, „daar zij ingevolge het concordaat door de Franschen en gedeeltelijk door de eerste Xederlandsulie regeering aan de kerk „zijn overgedragen, en daar derzelver vruchten overigens moeten „en werkelijk ook worden aangewend tot het doel, waarvoor zij „bestemd waren , zoo is men van gevoelen dat diezelfde goederen „in deze gemeente aanwezig en kerkelijk en burgerlijk buiten

-ocr page 657-

77

„de termen vallen van het adres der Ileeren ilinisters Z. M. den „Koning (ld. 29 Febr. 11.quot;

Na mededeeling van bovenstaande opmerkingen meen ik de verdere beoordeeling van het karakter van bedoelde goederen in deze Gemeente aan HEdGr. te moeten overlaten en of het nu al dan niet zal noodig zijn de verdere verlangde opgaven te doen.

De Burgemeester vayi Meerlo.

(get.) J. B. Kellenaers.

Voor eensluidend afschrift.

De griffier der Staten van het hertogdom Limburg

Jos. Lebens.

-ocr page 658-

MÜS I m m ^ B i - ■ m

Si ■

I

;

\' i ,quot;-• » I^-KMmwmmwhbbbbbbbmi H

\'iéi ; \' S ^

m

I ■

■ I

I

- \' ■ - ï 1 §MH\'quot;:ri- «■/WtSEBMHfflEjaMg^.1 \'iI ■*■\'\' samp;yh\'è\' ..iamp; K

■;t4 BBmÊÊMmÊm

MWSÊlwÊÊSSeSml-ï 38S» ;gi6a%^?.-.-,5^gt;KK

-ocr page 659-

1 , ; ^ v i ij

l/Wl| ^ lA-llc£^

U-Ptl H \'YI^ . gt;^cu

Bijlage Nquot;. 1.

STAAT DER INSCHRIJVINGEN TEN NAME VAN VICARIËN

m het

Grrootboelt der SVi pCt. Nationale Sch/ald. J U N IJ 1 8 8 0.

-ocr page 660-

W

2

383

H

384

H

385

n

393

//

394

3

734

10

2807

13

3820

//

3821

14.

3967

//

4047

//

4170

2

385

18

5330

Amersfoort (Superintendent van de vier en twintigste vicary der stad)......

Amersfoort (Üts\'. 9e Uts.)......

Amersfoort (Utsa. Schoormans vicary der stad).

Amersfoort (Uts». Veertiende vicary Utsa.) .

Amersfoort (De vicary St Walburg in de St. Joriskerk te).........

Amersfoort (De derde vicary, gefundeerd in de St. Joriskerk te)........

Amersfoort (De I?4® vicarie, gefundeerd in de St. Joriskerk te)........

Amersfoort (De Utsquot;........

Amersfoort (De 18 vicarie Uts.....

Amersfoort (De dertiende vicarie gevestigd in de Sint Uts®...........

Amersfoort (De 20ste vicary Utsa. St. Utsa. .

Utrecht (De vicary van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van).........

Wijk bij Duurstede (Jan Albertus de Ridder te Grebbe, gemeente Rhenen, als vicaris van zekere familie-vicary in de kerk van St. Jan Baptist te) op St. Maria en Barbara altaar, gefundeerd bij Gerrit Jacobse, in den Eng, ten behoeve van gemelde vicary.

/ 5.500

1.200

800 800 300

100

2.700

2.800

3.400 100

21.500 400

17.600

1.900


u

-ocr page 661-

3

Bljr.AQE I,

il.

\' 1

Laatste renthefl\'er in persoon of bij gemagtigde.

1

Tijdstip der

laatste rentebetaling.

Verhanden en

Aanmerkingen.

)0

j

H, Kruijfï Gzn. te Amersfoort, als rentmeester.

1 Januari]

1880.

)0

Idem.

1 Januari]

]8S0.

)0

Idem.

1 Januarij

1880.

)0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Mr. J. de Louter te Amersfoort, als rentmeester.

I Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Idem.

1 Januarij

1880.

0

Ingeschreven Januarij 1880.

0

Mr. P. VerLoren van Themaat, als Rentmeester-Generaal.

1 Januarij 18S0.

0

I. A. de Ridder te Grebbe Rlienen.

1 Januarij 1880.

1

-ocr page 662-
-ocr page 663-

Bijlage N0. lhis.

STAAT DER INSCHRIJVINGEN TEN NAME VAN VICARIËN

IN het

Grrootboek der SVi pCt. Nationale Schuld.

J U N IJ 1 8 8 0.

-ocr page 664-

6

21/2 pCt.

Deel.

N».

La.

Kapitaal.

Hoofd van Eekenixg.

385 Utrecht (de Vicarije van de Ridderlijke i Duitsche Orde Balije van).

U

ƒ 17.600

Letter U deel 2.

Grootboek pCt. Ned. Schuld N0. 385.

üirecht (de Vicarije van de Eidderlijke Duitsclie Orde Balije van).

1838 3 Julij.

n n

1843 1 Julij. // 30 Nov.

1844 21 Nov. 1848 1 Maart. 1878 11 Julij.

// 26 Julij.

Biljet van overschrijving.

no. 24

nquot;. 52

no. 140 no. 86 no. 31 no. 41 no. 71 no. 77

Kantoor.

Van Dam. Ketwich en Voombergh H. Keijser.

Chemet J. quot;Weetjen.

4.300 200 200 200 200 200 300 12.000 ƒ 17.600


-ocr page 665-
-ocr page 666-
-ocr page 667-

Bijlage Nquot;. II.

STAAT DER INSCHRIJVINGEN TEN NAME VAN VICARIËN

in het

Grootboek der 4 pCt. Nationale Schuld.

J U N IJ 1 8 8 0.

-ocr page 668-

10

4 pCt.

Hoofd van Rekening.

Deel. N0.

Kapitaal.

Amersfoort (De le Vicary gefundeenl in de Sl. Joriskerk te).........

1031

f 1.500

Amersfoort (de 2e Vicarie Utsa.

1032

800

Amersfoort (de 6e Vicary Utsa. gevestigd te)

1183

1.000

Amersfoort (de 7e Vicary Utsa.

1184

200

-ocr page 669-

11

Biït.age II.

ll.

Laatste rentheffer in persoon of bij gemagtigde.

-

Tijdstip der

laatste rentebetaling.

i

Verhanden en

Aanmerkingen.

| i

Mr. J. de Louter te Amersfoort als rentmeester......

1 April 1880

Idem.

1 April 1880

na April 1880 Inge schreven.

i

Als voren.

-ocr page 670-
-ocr page 671-

Bijlage N0. III.

UITTREKSEL

uit de

bij het Departement van Financiën berustende staten van onroerende goederen in de doode hand, voor zoover deze ondersteld worden tot de Vicarie Stichtingen te behooren in de provincie Utrecht.

-ocr page 672-

14

3.

È

Naam van het zedelijk ligchaam of

de instelling van de doode hand.

479 Het fonds der E. C. parochie van Onze lieve

Vrouwe Hemelvaart te Goij (Houten) . .

Houten.

De Memoriegoederen (Montfoort) . . . .

Montfoort.

90

De Ridderlijke Duitsche Orde Baleije van Utrecht.........

Maurik.

70

id.

Vicarie van Tie!.

,

-ocr page 673-

1

Aanduiding der goederen volgens den kadastralen ligger.

Aard. 4.

Grootte. 5.

Belastbare opbrengst.

Aanmerkingen.

H.

A.

C.

Ongebouwd. 6.

Gebouwd. 7.

/e

bouwland.

30

20

f 3.96

_

kerk, scliool, pastorie, : tuin en erf,

45

18

Deze goederen beboeren tot die, bedoeld in art. 25 der wet betr. de grondbelasting van 26 Mei 1870 (Sill. nquot;. 82). (Montfoort.)

n

bouwland, weiland.

5

47

70

97.72

*

-ocr page 674-
-ocr page 675-

Bijlage N0. IV.

ONROERENDE GOEDEREN

en

Insclirij vingen in liet Grrootboek TEN NAME YAN VICAR1ËN

GEFUNDEERD TE AMERSFOORT.

-ocr page 676-
-ocr page 677-

ArsCHRIFÏ.

Behoort hij missive van 28 Juli 1880 Nquot;. 167 B.

LIJST van de goederen belioorende tot de Yicariën gevestigd in de St. Joriskerk te Amersfoort.

Ie Vicarie.

1. /quot;700.—, Inschrijving op het 4 0/o Grootboek der Nationale schuld.

2. Jaarlijksche uitgangen uit huizen te Amersfoort en een jaarlijk-sche uitkeering van die gemeente te zamen f 14.,40\'s jaars.

De uitkeering van de gemeente is in 1880 afgekocht tegen den penning XX.

3. Diverse perceelen bouwland, driestveld, bosch en heidegrond gelegen onder Amersfoort.

Deze perceelen zijn voor een groot deel aangewezen ter ontei-geninsr voor den Staatsspoorweg Amersfoort—Nijmegen.

1«. Vicarie. Saldo rekening wegens vacature.

4. / 600,— Inschrijving op het 4 0/o Grootboek der Nationale Schuld, met een gering saldo in kas op 1 Januari 1880.

II6 quot;Vicarie.

1. Verschillende uitgangen uit huizen te Amersfoort, en uitkee-ringen door de gemeente Amersfoort; allen te zamen bedragende ƒ 59,48 \'s jaars. Ook hier zijn uitgangen of uit-keeringen in 1880 afgekocht tegen penning XX.

II6 Vicarie; Saldo rekening wegens vacature;

2. ƒ 300.— Inschrijving op het 4 0/o Grootboek der Nationale Schuld, met een saldo in kas op 1 Januari 1880.

Hie V icarie.

1. Twee perceelen bouwland gelegen te Amersfoort.

2. Uitgangen uit huizen te Amersfoort te zamen bedragende ƒ 4.—, quot;s jaars.

3. ƒ 2700.— Inschrijving op het 21/j % Grootboek der Nationale Schuld.

-ocr page 678-

20

IVe V^icarie :

1. Drie erfpachten uit gronden, gelegen onrler de gemeente Hoogland, te zamen bedragende ƒ 113.— quot;s jaars.

Ve. Vicarie:

1. Verschillende perceeïen bouwland onder Soest.

2. Twee uitgangen uit huizen te Amersfoort, te zamen bedragende f 7,02 \'s jaars.

3. ƒ 34U0. Inschrijving op het 2\'/, o/o Grootboek der Nationale Schuld.

VJe Vicarie:

1. Eene uitkeering van de stad Amersfoort, groot f 51,40 \'s jaars, welke echter in 1880 is afgekocht tegen penning XX.

VITe Vicarie:

1. Diverse uitgangen uit huizen te Amersfoort, en eene uit-keering door de gemeente Amersfoort, te zamen bedragende / 18,38 72 \'s jaars. De gemeente Amersfoort kocht de uiigt; keering afin 1880 tegen penning XX

2. Een spaarbankboekje, bedragende 1 Januari 1880 de som van f 77,35.

VITIe Vicarie ontbreekt geheel.

IXe V icarie:

1. f 800.— Inschrijving op het 2Vj 70 Grootboek der Na-tionale Schuld.

2. Eene rente door het Weeshuis te Amersfoort betaald wordende met f 12.—, \'s jaars.

3. Een spaarbankboekje, bedragende op 1 Januari 1880ƒ 9,29.

Xe Vicarie;

1. Een erfpacht groot ƒ 27.— De erfpachter heeft zich bereid verklaard de erfpacht af te koopen tegen penning XX.

Xle Vicarie ontbreekt geheel.

XIIe Vicarie :

1. Diverse uitgangen uit huizen te Amersfoort, te zamen bedragende ƒ 19,70 \'s jaars.

-ocr page 679-

21

XIII6 Vicarie.

1. f 21.500.—, Inschrijving op het Z1/, % Grootboek der Nationale schuld.

XIVe Vicarie:

1. /\' 600.—, Inschrijving op het SVj quot;lo Grootboek der Nationale Schuld.

2. Uitgangen uit huizen te Amersfoort te zamen bedragende ƒ 3,80 \'s jaars.

XVe Vicarie ontbreekt geheel.

XVIe Vicarie ontbreekt geheel.

XVli® Vicarie:

1. Diverse perceelen bouw- en weiland gelegen onder Soest.

2. ƒ 2800.— Inschrijving op het 2Vi 7» Grootboek der Nationale Schuld.

XVIII15 Vicarie:

1. Een perceel land onder Amersfoort.

2\' ïwee huizen te Amersfoort.

3. Diverse uitgangen uithuizen en land te Amersfoort, te zamen bedragende ƒ 11,1373 8 jaa,quot;s-

4. f 100.— Inschrijving op het 210/o Grootboek der Nationale Schuld.

N.B. Een der huizen vermeld sub. 2 is belast met eenen uitgang ten behoeve van het kapittel van St. Joris, groot f 2,92 Vj \'s jaars.

XIXe Vicarie :

1. Yerschillende perceelen Innd onder Amersfoort. Yan twee perceelen zijn gedeelten ter onteigening voor den Staatsspoorweg Amersfoort—Nijmegen aangewezen.

2 Eene erfpacht groot ƒ 25.— \'s jaars uit eene hofstede onder Leusden.

3. ƒ 100.— Inschrijving op het Grootboek der Nationale Schuld.

4. Een uitgang uit een huis te Amersfoort, groot ƒ 2,50 s jaars.

-ocr page 680-

22

XXe Vicarie :

1. Diverse uitgangen uit huizen tfi Amersfoort en eene uitkeering van de gemeente Amersfoort te zamen bedragende / 29,02% s jaars. De uitkeering en sommige uitgangen zijn afgekocht in IS80 tegen penning XX.

XXIe Vicarie:

1. Eene uitkeering van het Weeshuis te Amersfoort groot /3.— \'s jaars.

XXI[e Vicarie:

1. ïwee uitgangen uit huizen te Amersfoort, tezamen ƒ14,50 \'s jaars.

XXIII6 Vicarie:

1. Len perceel land te Rhenen, dat gedeeltelijk onteigend wordt door den Staitsspoorweg Amersfoort—Nijmegen.

2. f 700,— Inschrijving op het 2V2 0/o Grootboek der Nationale Schuld.

3. Vier uitgangen uit huizen te Amersfoort, te zamen ƒ 15,20 \'s jaars. Een uitgang is in 18S0 afgekocht tegen penning XX.

XXIVe Vicarie:

1. Verschillende perceclen land onder Amersfoort. Sommige gedeelten zijn aangewezen ter onteigening voor den Staatsspoorweg Amersfoort—Nijmegen.

2. f 1200.-- Inschrijving op het 2\'/, »/„ Grootboek der Nationale Schuld.

XXVe Vicarie.

1 Ken perceel land onder Soest.

2. Verschillende perceelen land onder Amersfoort, waarvan een

stuk ter onteigening voor den Staatsspoorweg Amersfoort_

Nijmegen is aangewezen.

•3. Twee uitkeeringen van de gemeente Amersfoort en de St. Joriskerk aldaar.

Die van de gemeente is in 1880 afgekocht tegen penning XX. De uitkeeringen bedragen te zamen ƒ 1,73\'/, \'s jaars.

-ocr page 681-

Bijlage N1. V.

BIJ VOEGING

op de

Vroedsoiiaps-Uesolutiën va.ri XJtrecliti.

Vermeld bij Mr. VerLoren, Geschiedenis der Vicarien in Utrecht, onder Bijlage 0- bladz. 556 56L

-ocr page 682-
-ocr page 683-

RAADSDACELIJRSCII BOEK (te Utrecht). N°, l. Stads-arcliief.

Anno 1581. 26 Januarij. fol. 175

Item also de stadt te zwaer valt de betalinge van de pensie voir de predicanten ende appendeiüien van dien bedragende ongeveer-lick twee dusent gulden siaers, see is geresolveert dat men enige committeren sal die sullen doen eftectueren de resolutie bij de staten voirtijts hier op genomen adderende bij deselve resolutie de oosten van den wijn die decclesien te liebben plegen.

Dat men oick verscrijvinge sal versoucken om gedecideerd te hebben wes men doen sail mit de vicarien ende diergelijcke hebbende jus patrouatus

Anno 1581 \'smaandachs den 26 Juny. fol. 193T.

Opt diflerent tusschen het Snider gilde.

ende her henrick piek is geappointeert.

Algesien de Raet heeft bij provisie opgenomen ende neempt op bij dese die vicarie in questie ordonnerende de goederen daertoe staende ontfangen te worden tot onderhoud van de predicanten volgende den voet genomen opt onderhout der predicanten ende sedurende tot dat anders bij de Staten \'s Lants van Utrecht daarop sal zijn geordonneert.

Anno 1582 den 19ei1 Novembris. fol. 234.

Upt versueck van her Adriaen van schayck of Lambert Corneliss als possesseur van de vicarie gelegen in des raets capelle te buyr-kerck, versouckende betalinge van sekere rente ofte pensie van xr.il gulden die de stadt horen cappellaen vuyt te reycken plach ende enige jaren opgehouden zijn, Heeft de Raet na enige com-

-ocr page 684-

26

municatie daerop gehouflen gere.solueert ende belieft dat den eersten cameraer in der tijt den voirsegden Lambert Corneliss syn leven lang gedurende sal laten v lgen die twee delen van de voirsegde rente ofte pensie t welck belopende is jairlicx acht ende twyntich gulden, houdende t derden deel inne ter stadts behouft tot de Oosten die de Stadt verschietende es int onderhouden van de predicanten ende appendenten van dien. Ordonnerende voirts d\'eerste Oameraers van de verleden drie jaren voir elcke jaer te betalen als boven acht ende twyntich gulden.

Ende dit al behouden her adiiaen van Schayk zijn lijftocht.

Anno 1593 den 8 Januarij.

De Raet der Stadt Utrecht gesien hebbende de remonstrantie hem luyden bij de Kerckmeesters van de buyrkerck overgelevert ende de poincten en de articulen daerinne vervath ende daerop zij ver-socht hebben advys ende resolutie van den Raet om hun daernae te mogen reguleren. iJeeft nae eenighe communicatie ende rijpe deliberatie daerop gehouden, gereaolveert ende gestatueert de poincten ende articulen hyernae volgende Auctltoriserende den kerckmeesters, soe jegenwoordich , als toecommende, deselve ter behoorlicke execatie te stellen.

In den eersten dat alle goederen van de Vicarien staende ofte gestaan hebbende tot collatie soe well van de Kerckmeesters alleen, als van de Kerckmeesters ende cureyten, conjunctim of gesainen-derhant die nu verstorven sijn, ofte noch versterven sullen, bij den Kerckmeesters tot behouft van de aelmissen ende repnratien der Kercken aengeslagen ende de possessie van dien aengeveert ende, ter Kercken behouft geïncorporeert sullen worden.

Dat desgelycken dselve Kerckmeesters mede bij provisie aenslaen ende incorporeren sullen de goedereu van de Vicarien daeroft de fundateurs, ende hoer geslachten ofte descendenten geheelicken verstorven sijn tot dat ymants quame die wettelick beweser. hadde dat hy van des fondateurs geslachte gecomen ware. In welcken gevalle men denselven sal laeten genieten , als anderen jus patronatus hebbende.

Item dat de Kerckmeesters aen sich oock medenemen sullen

-ocr page 685-

27

d\'aflministratie van de goederen tot de inemorien behoorende ende gefondeert, doende daeroft distributie an de participanten daertoe gerecliticht elex pro rata, mits dat die portie van den geenen die verstorven sijn ende noch versterven sullen accresceren ende commen sail an de buyrkerck , gelijck als St. Jacobs gedaen wort sender dat yemants daertoe de novo geadraitteert sal werden.

De Kerckraeesters sullen wt de rekeninghe van quot;Floris van Wede doen extraheeren alle de vicarien van de buyrkerk mette goederen daeraen belioorende ende indien dan daernoch eenich resten sullen daerofl den possesseurs met vruntschap aanspreken om te mogen commen tot inventaris van de goederen aen beur respective vicarien belioorende, ten eynde die nyet verdonckert en werden.

Alsoe in de buyrkerck eenyge vicaryen syn daeroff de fondatie innehout dat den ontfanck der goederen van dyen -wesen sal bij de Kerckmeesters soe sullen de Kerck meesters alsnoch arbeyden otn den ontfanck van al sulcke vicarien weder aen hun te crygen ende daerofl\' den possesseurs wt deylinge te doen, volgende de fondatien tot dat die verstorven ende anders daerop gedisponeert sal sijn.

Aldus geresolveert den viiien January 1593.

-ocr page 686-

Wsamp;mtsssSSmwSfflS3sBSamp;

WÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊk

■■üWmSamp;k

mSÊm

. • ■ ■■

\'

I

I \' \' H quot;\' - i

Wi - -V-* \'\'1 \'i -\'■-■.^•ï?i-^7t\',\'\\ \'^■\'■■■^^ BBB i M

■; .,; ■ ■ K W

ïtéê èk HI

msm mm H ■

.;v.. JH ;: . .;HH |S

11 11

mjk Bil

\'U: m:

mmmmmm i lt;8®

-ocr page 687-

Bijlage N°. VL

C O P I Ë N

van

Notariëele acten en yan transporten of bezwaringen van vicariegoederen, cessiën van yicarierecliten enz.

Gepasseerd te UTRECHT.

-ocr page 688-
-ocr page 689-

Notaris W. Beecht, te Utrecht. A0. 1624, IJ Mei.

IVotariecle Acte van resignatie.

{Begeving en Afstand der vicarie met regt van voorkoop ingeval van over drag t^)

Op huyden den —— May oude Styles des jaers 1624 compareerde voor mij Willem Brecht, openbaar notaris bij den Hove van Uyttrecht geadmitteert ende getuygen naebenoemt Diderik van tlelsdingen, woonende alhier binnen uyttrecht en Pieter Pieterse creteau, residerende tot Amsterdam. Ende verclaerde ende bekende alsoe sy met malkander hadden gecontraheert. Dat hij van helsdingen als patroon van seeckere vicarije gefundeert bij zaliger Gerrit Claesse van Haerlem op St. Peter ende Pauwels Autaer in de buerkercke alhier binnen Uytreclit deselve vicarye mit allen haeren toebehooren ende gerechtichheyden soude geven aen hem Pieter Pietersse, gelijk hij Helsdingen bij de acte op huyden voor mij notaris ende getuijgen gepasseert ende bij hem Pieter Pieterse ge-passeert oock gedaen hadde breeder volgens deselve acte. Dat nog-tants deselve handelinge geschied was In deser voege, vermits alle het Incomen vau de voorschreve vicarie bestaet Int Ontfangen ende genieten van een Jaerlixe Losrente van drie duysent ses hon-dert carolus gulden Capitaels tegens rentli de penningh twyntigh synde hondert tachtigh gulden jaerlick gevestigt op de huyse en de goederen van saliger Jacob van Oleeii breeder volgens de plechte van de Achtiende January 1619 en de daertoe de pachtpenningen van vier morgen lants gelegen op Heeswyck by Montfoort wesende jaerlix vijft en \'t sestich gulden, maeckende alsulx \'t incomen van

-ocr page 690-

32

de vorenu. vicarye in t geheel de somme van 245 gulden jaerlix dat de voors. Helsdingen van quot;t selve jaerlixe Incomen der voorn, vicarye ten behoeve van de voors. Pieter Pie,terse desselfs leven langh afistant soude doen g\'dijx hy Helsdingen dede by desen voor ofte om de somme van 1800 Oarolus gulden eens waervan hij helsdingen bij dese oock bekende door Handen van den voors. Pieter Pieterse betaelt en verneucht te wesen, suluk dat hy Helsdingen belooft hadde ende beloofte mits dese aen ende ten behoeve van de voors. Pieter Pieterse t voorseyde jaerlixe incomen der voorn, vicarye ter voors. somme van 24.3 jaarlyk te vryen en te waeren. Soa oock dat hij Pieter Pieterse soo lange hy iut Leven is tsy dat hy absent ofte present getrouiivt ofte ongetrouwt soude mogen wesen t voors. jaerlix incomen der voors. vicarye op de respective betaeldagen jaenix altijd seker sail wesen) oock nyettegenstaende dat bij cryge, oorloge ende andere invasie ofte swarigheden geen uytgezondert bedacht ofte onbedacht de voors. vicarye ofte het jaerlycke incomen van dien tenyet gemaeckt soude mogen worden, want hy helsdingen hem in syn privé verbonden hadde ende verbonden mits desen ten behoeve van de voors. Pieter Pieterse dat hij Pieter Pieterse ofte diegene die hij ordonneert de voors. 245 gulden jaerlicx op de respectieve betaeldagen seker sail wesen en hebben alsulxs dat hij Helsdingen hem Pieter Pieterse nyet en sal mogen wijsen op de debiteurs der voorn Jaerlixe Losrente en Landpacht respective alsoe hy Helsdingen syu eygen selfs sake ende Schuld voor de betalinge der voors. jaerlixe pennighen gemaeckt hadde, gelijk hy alsnogh dede by dese waervoor hy Hels-dinge tselve hadde aengenomen en geaccepteert als hy mits desen oock dede vermits dat het accressement ofte verhosrincre soa van de rente als pachte des goets der voors. vicarye sail wesen tot vordele van hem Helsdingen of zijnen successeur ende de vermin-deringe van dien volgens tgeene voorz. tot syn schade ende dat het voors. jaerlixe incomen derselve vicarye ten profyte van de voorn. Pieter Pieterse syn ingangh genomen heeft t.w, van de voors. landpacht op lestleden Petry ad Cathedram dwelce comparant in februario ende de voorn. Jaerlixe Losrente op Paschen

-ocr page 691-

33

mede Lestltden, gelyck hy Ileldinge deselve oock aengenomen hadde. Dat mede bedongen en gestipuleert was dat de voorn Pieter Pieterse aen een ander sal mogen overdoen ofte vercoopen mits dat Incas van deselve overdoeiiinge of vercopingen de voorn, van Helsdingen als patroon ofte die in sijne plaetse patroon alsdan sal wesen de voors. Pieter Pieterse recht van deselve vicarye sail mogen aennemen voor de somme van de voors. 1800 gulden eens Daer-voor hy Pieter Pieterse in cas van deselve aenneminge syns recht van de vicarye gehouden sail wesen ten behoeve van de patroon in de beste en sterkster fonne te transporteren ende over te geven, ende ingevalle dat deselve patroon syn Pieter Pieterse recht ende vercopinge nyet aen en neemt, Soe sail deselve patroon de voors. ovetdoeninge of vercooping van deselve Pieter Pieterse soo veel in hem is, eöect doen hebben, ende alsulx oock de agreatie ende den institutie van deselve vicarye op den Cooper ende aennemer soe veel in de maght van deselve patroon mede is effectueren. Dat wijders oock gestipuleert ende bedongen was off \'t gebeurde dat den voorn. Pieter Pieterse, \'t eenige tyt syn geacquireert recht van de voorschr. vicarye ten behoeve van de voorn, lielsdinge als patroon weder cutn eflectu wilde affstaen. Dat hij lielsdinge voor \'tselve ofstaen tot aller tyt de voors. Pieter Pieterse gehouden zall wesen te voldoen gelyk hy Helsdingen tot die fijne bij de voors. medé beloofde die voors. 1800 gulden mette Interressie van de jaerlvxe incomen derselver vicarye verschenen en onbetaelt. Alle \'t welke sy beyde comparanten als luyden met eere eikanderen belooft hadden gelyk sy luyden deden mits desen nae te coinen en voldoen ende tot dien eynde alle \'t geen voorschreve staet tot vermaninge dien tot des anders behoeve gerechtelijk te sullen bekennen ende haer daerinne laten te condemneren. Daer en soe des behoort, ündert verband van haer respective personen enda goederen tegenwoordigh en toekomende deselve submitterende onder de reale executie \'s hooffs voors. ende alle andere heeren, hoven regters en geregteren met vertightc van alle excepties weren en uitvlughten die des eenigszins souden mogen contrariëren, als waennede sy luyden comparanten als luyden met eere beloven haer nyet te sullen

3

-ocr page 692-

34

behelpen, versoeckende hiervan gemaeckt en gelevert te worden een ofte. meer acten of\' instrumenten in forma dwelcke ick notaris hier gegost hebbe. Aldus gedaen en gepasseert binnen Uytrecht ten huysse van Herman Van Paelt wijmveenl op het Oude Kerkhof ter presentie van deselve Herman van Paelt en de Thomas Joriaens Holst schoenmaecker en borger l\'ui recht gelooöweeidige getuygen hierover geroepen.

Des Toirkonde op dato als boven.

P. van ilelsdingen Pieter Pieterse Certau.

1624 Thomas Holst.

get. | {^ herman van Paelt voors. Willem Brecht.

nots.

1624.

De minuut dezes berust cp de prothocollenkamer der notarissen (geregtehjke bewaarplaats der notarieele acten) op de Eegtbank te Utrecht.

Notaris Nicolaas van Lostadt.

17 Juli 1619 O. S. (bl. 5!)) resignatie eener vicarie gelegen op Mauriclcs Meerlant quot;c met confirmatie van c!e Staten van Gelderland.

12 Aug. 1619 O. S. (bl. 64-) nogmaals dezelfde resignatie.

22 Jpnl lfi20 ü. S. (bl. -i-l/) Begeving van een vicarie aan een possesseur door den Collator van de vicarie gefundeerd in de St. Joriskerk te Amersfoort, altaar van O. L. Vrouwe, door Aleidis wed® Goossen Woutersen, 1390 23 Juli, mits onder goedkeuring der Staten van Utrecht.

22 April 1620 O. S. (bl. 45) benoeming van een administrateur over deselve door den vicaris met goedkeuring van den collator.

25 April 1620 O. S. (bl. 47) aanneming der begeving dier vicarie door den possesseur aan wien die overgedragen was.

29 Aug. 1620 O. S. Resignatie der helft van de vicarie van

-ocr page 693-

35

elf duizend maagden in de Domkerk te Utrecht in de nieuwe werken door ïrederik Hendrikszoon aan Lambert Lambertszoon.

4 July 16;2 O. S. Comparant Hendrik Frtderikszoon, die resigneert de andere (?) helft der viearie op Lambert Lambertszoon.

13 Febr. 1623 ü. S. Joost Hendriks comparant en Johan van Weede medecomparant, verklaring dat er een resignatie is gedaan, altaar Simonis et Jude, nieuwe werken van de Domkerk.

14 Ff.br. 1623. O. S. A.cte waarbij gemelde Joost Hendriks als possesseur (in naam) dier viearie denzelfden Johan van Weede tot gemagtigde aanstelt, om namens hem, Joost Hendrik (lastgever), de vruchten dier viearie te ontvangen.

4 Oct. 1623 O. S. Acte waarbij Jhr. Wernar van Lennip als possesseur der viearie Sanctorum Cornely et Uregory in de Kerk van Oud munster magtigt zijn Oom J. Johan van Zuylen van de Haar, om de vruchten en inkomsten, baten, nutschappen, emolumenten en inkomen dier viearie mitsgaders die presentien ordinaris en exfra-ordinaris en al hetgeen daarvan dependerende ofte aanklevende is te innen, heffen en ontvangen.....enz.

6 July 1627. Comparant Philips Ram oud schepen en Raad te Utrecht, als vader en voogd van zijn zoon Johan Ram, die magtigt den procureur Andiies van Wijk, om voor hem te compareren voor de Ed. Heeren Deken en Capittele van St Marie binnen Utrecht en te verzoeken en te nemen possessie van dene portie der viearie ofte praebende animarum in die Kercke gefundeerd.

eodeiquot; die. Dezelfde comparant, waarbij de gemagtigde werd magtiging gegeven om te protesteren bij liet Capittel , indien dit mogt weigeren Johan Rum toe te laten tot de possessie dier viearie.

eodem die. Comparant de proc. A. van Wijck, in het capittel bijgestaan door den Notaris van Lostadt en getuigen en protesteert tegen de niet toelating door het Capittel van Johin Ram als possesseur.

23 Blei 1629. Comparant Jhr. Arnaud Gijsels te Noordorp passeert procuratie op Thomas Heurnius rentmeester der domeinen te Utrecht, om te compareren voor het capittel van St Jan om al-

-ocr page 694-

36

daar te resigneren de possessie van een vicarie op Cecilia altaar in do Kerk van St. Jan, welke vicarie de comparant had overgedragen op Jr. Eduml Evervvijn.

2a Av.g. 1636. Seigneur Abraham Heankert stelt met octrooi van den Hove van Utrecht aan tot executeur der vruchten en incoinsten der vicarie van Sfc Gatharina altaar in St. Peterskerk te Utrecht zekeren Wasman.

1 Sept. 1635. Dominus Johannes Albertus, bedienaar des godde-lijken woords te Montfoort, geeft in hypotheek zekere losrente-brief van / 2500 bij de Staten \'s Lands van Utrecht ten behoeve van Ploris Tint, advocaat te Utrecht, gepasseerd en zulks ten behoeve der vicarie van O. L. Vrouwealtaar te Montfoort.

1VOTARIËELE ACTE

27 Juny 1617 fol. 51\'.

(Procuratie tot het voeren van bekeer over eene Vicarie)

Op huyden den 27 Junii Anno 1617 oude style compareerden voor my Nicolaes van Lostadt openbaer Notaris by den E hove Proviciael van Utrecht ter excercitie van den Notariaetschap gead-mitteert residerende binnen de stndt Utrecht en die getuygen naerbe-noempt daartoe gerekwireert Willem, Cornelia zoon van Portengen Baillieu van Leyden en Souteveen als vader ende voocht over Cornelis Willemse van Poitengen zynen Zoon die possesseur is der Vicarie gefondeert ad altare Sancti Innocentium geleghen in St. Maria Kerke alhijer binnen Utrecht ende heeft mits desen in die qualite geconstitueert en machtich gemaeckt Jor Johan van fiuytenberch wonende binnen Utrecht zyne comparants schoonvader omnie vuyt syns comparants ende qualite voors, name. en van zynent wcege te manen innen en ontoangen den jaerlicxen Innecomen des

-ocr page 695-

37

voorn. Vicarie en van den te ontvangene penninghe quitanlie te passeren en alles daerinne ten meesten oirbaer en profyte te doen en plegen sulcx behouven zall den quaatwiiligen met recht tot betalinge van dien te constringeren met macht omme een ofte meer gekwalificeerde vertrouwe personen in zjne plaetsse te mogen stellen die gelycke maght sullen hebben als voorss. staet en oock een ofte meer Procureurs daer \'t van noode wesen sail ad lites te mogen substitueren Wel verstaende dat den geconstitueerde ofte dengeenen als voorss. die hy daartoe in syne plaetse zall comen te stellen gehouden sullen syn tot vermaninghe aen hem constituant van \'t geene zy vuyt krachte deses suilen comen te ontvangen te doen behoorlyck reeckening bewys en reliqua, Beloovende hy consti tuant in qualite voorss voir goet vast envan weerde te houden en doen houden allen t geene by de voorn, geconstitueerde synen Substituijt ofte substituyten daerinne gedaan sal worden. Onder \'t verband en submissie als naer recliten versoeckende liy constituant •hijervan gemaeckt en geleverd te worden Acte een ofte meer in hehoorlycke forma.

Aldus gedaen en gepasseert binnen den stad Utrecht ter woeu-stede aan de E. PloochUeleerde Mr Ghysbert van Cnlenburch Advokaet voir den E. Hove Provintiael van Utrecht ter presentie van deselve Mr Gysbert van Cuienburch Advokaet en Ilendrick Lubbers van Bussemaker getuygen tot deze verzocht en gebeden die dese beneftens der constituant en mij notaris onderteekent hebben op den daghe maent en Jaere als boven.

Willem van portegen. G. Cuienburch

1617

Nicolaas van Lostat.

Dit merk is geteekent bij Hendrick Lubberts Bussemaecken voorn4.

(De minuut deses berust op de geregtelijke bewaarplaats der notarieele acten te Utrecht).

-ocr page 696-

38

22 April 1620.

fol. 44v,

Op huyflen den 22n Aprilis anno 1620 nne den ouden stiJe compareorde voor mij Nioolaes van Lostadt openbaer Notaris by den E. Hove provintinel van Utrecht ter exercitie van de notariaet-schap geadinitieert residerende binnen der stad Utrecht ende die gctuygen nabenoempt hier toe gerequireert den E: ende Welgeleerden Mr. Vo]cquert van Baeren wonende alhier binnen Utrecht ende verclaerde dat alsoo tot syne comparants kennisse gekomen was dat in den maand van Martio anno 1620 deur het ovenyden van süligher H. Lamphert willemsz. leste possesseur ledicb geworden was seeckere Vicarie gefundeert in St Joris kercke binnen Amersfoort inde capelle van onze Lieve Vrouwe by quot;Wylen Akydis Wed. van Goesen Wouterssoone fundatrice gesticht vermogens die brieven van fundatie daervan synde in date duysent driehondert \'t negentich den drye en twintigsten Julii ende dat d\'selve fundatiebrief! expres-selyke raedebrochte dat soo wanneer d1 voornoemde vicarie quame te vaceren dat als dan ten eeuwigen daeghe gifter eu patroon soude wesen die naeste erfgenaam sijnde een manspersoon van vaders zijde vande fundalrice ende dat denselven gehouden soude wesen binnen een maent d\' voornoemde vicarie te vergeven, soo was \'t dat hy conqiarant wesende jegenswoordigh d\' oudste ende die naeste vande bloede vande fundatiice ende mitsdien waer-achtige patroon derselver Yicarie willende in tyts zyn recht van collatie waarnemen ende deselve geensius negligeren d\'voorn. Vicarie met alle syn toehehooren purelicke geconfereert ende gegeven heeft confereert en geeft deselve mitsdesen Peter cornelisz. van Baeren zyn neve omme de voornoemde vicarie en alle die goederen daartoe belioorende rustelick ende vredelicke bij de vorennoemde Peter cornelisz. van Baeren als Vicaris in der tyt gepossideert en gebruyckt te worden syn leven lanck geduerende nae vermogens die fundatiebrieff daervan zynde ofte nae wtwysen d\'ordonnantie vande E: Mo; Staeten op het stuck van vicarien gemaeckt van welcke gifte ofte collatie d\'voorn Peter Cornelisz. van Baeren

-ocr page 697-

89

gehouden snl syn te versoeoke ende te verwerven approbatie ofte aggreafie vande fl: Mo: lleerm Staten \'T welck zoo^cdaen synde heeft Cornelis Gijsbertsz van Bneren wonende tot nacren terselver tyt present synde syns Pt\'ter Comelisz. van Bierens vader ende mitsdien zyu mombaar voor zoo veel des noot d\'selve gifte ende collatie geaccepteert cn accepteert mits desen Versoek ende d1 voornoemde comparante van myn Notario hiervan acte in belioorlycke forme die ick haer gegost hebbe en gunne by desen Aldus gedaen en ge-passeert in de Stad Utrecht ten comptoire van mijn Notaris synde onder die Snippevlugt (gedeelte van de Oudegracht) Ter presentie van Cornelis anthoniss Bor en Johan van Emelaer beide borgers alhier t\' Utrecht als grtuygen weerdig van gelove ten dese verzocht en gebeden die dese beneffens die Comparanten en my Notaris onderteyekent hebben op den d;\'ge maent en jaere als boven.

Volckart van Baeren. Cornelis Gysberts van Baeren.

Cornelis Antonissoon bor. Jan van emelaar.

Nicolaes van Losstadt.

fol. 45.

Op huyden den 22n Aprilis naer aide style des jaars IfiZO compareerde voor my Nicolaes van Losstadt openbaar notaris by den E: ilove provincaal van Utrecht enz. als boven. Cornelis Gysbertss van Baeren wonende tot Baeren als Vader en voocht over Peter van Bieren oud over die veertien jaeren als possesseur van seeckere Vicarye op denselven Peter van Baeren by syn oom die E. Mr. Eolkaert van Baeren als verus patronus ende collator van de voorschreven vicarie geconfcreert, wesende d\'selve Vicarye gefundeert in St. Joriskerk te Amersfoort ter eenre en Johan van Baeren wonende tot Amsteldam des voorn. Cornelis van Barenszoon ter andere zyde ende zyn d1 selve comparanten in heurluyder respectieve quaiité soo sy verclaerden overcomen om redenen haer-luyden beide comparanten daertoe moverende. Te weten dat den voorn. Johan van Baeren van nu voortsaen geduyrende tot dat

-ocr page 698-

40

den voorscr. Peter van Baeren vyf en twinlicli jneren out geworden zall zjn zall hebben die gcheele administratie ende ontvanck van den gelieflen jaerlycken inneromen van de voorn, vicarie ende die eene lielfte van deselve jaerlycke Innecomen zal! wesen tot beliocS van de voorn. Peter van Baeren en die andere helfte tot belioefi van Comelis van B:ieren synen Vader, wel verstaende dat liy Johan van Baeren vande voorscr. helfte der jaerlijcxe. innecommen die wesen zall tot behoef van de voornoemde Peter van Raeren alvoren datelyck zall mogen aftrekken en naer hem nemen alle alsulcke penningen als hy Johan van Baeren tot behoeft van de voorscreven Peter algereeds gedebourseert heeft cn nog eenigsins debourseren zall en dit gedurende zyns Johan van B:ierens voorscreven administratie. Willende voorscreven comparanten dat \'t geene voorscreven sta et alsoo onverbreeckelijck en onwederroepelyk in volcomen craght wesen en blyven zall belovende d\'selve comparanten alle \'t gene voors. staet alsoo onwederroepelyck te sullen achtervolgen sonder dat d\' een of d\'ander hiertegens immermeer doen ofte laten geschieden zall. Ondert verband van haarluiden personen en goederen present en toecomende, tot submissie van alle Heeren Hoven Rechteren en gerechten. Renun-tierende van alle exceptien weeren en wtvluchten deses contrarie. Wel-verstaende dat d vooin. Jolian van Baeren gehouden wcrtdes versocht synde vande voorschreven syne administratie te doen reeckeninghe bewys en reliqua. Versoeckende de voorscr. comparante hiervan ge-maeckt en geleverd te worden acte een ofte meer in forma. Aldus ge-daen en gepasseert binnen der stadt Utrecht ten comptoire van mijn notaris .... enz.

Cornelis Gysberts van Baeren. Jan van Baeren.

Volcart van Baeren. Wolfaerd van Baeren.

Nicoiaas van Lostadt.

Not.

-ocr page 699-

41

fol. 47.

Op huyden den 25 dach Aprilis naer dalde style des jaers 1620 compareerde voor my Nicolaas van Losstadt openbaer Notaris . . . enz.

Peter Cornelis van Baeren wonende tot Raeren oud omtrent vijftien jaeren geadsisteerd iret Cornelis Gysberts van Baeren zyn Vader Ende verclaerde tot zvne kenuisse gekomen te zyn dat de E: Hooggeleerde Mr. Eolquart van Baren synen oom als waer-achtige patroon ende collateur van seeckere vicarye gefundeert in St. Joris kercke binnen Amersfoort in onze Lieve Vrouwe capelle ald:ier op hen coinpirant deur het overlyden van Lamphert Willems hadde geconfereerd voorn. Vicarye pureiicke en sonder eenige reserve. Zoo wast dat hy Comparant d\'selve gifte en collatie op hem gedaen by desen accepteerde ende voor goed aennam, Versoeckende van inyn notaris van deselve acceptatie hem verleent ende vcrgonst te mogen worden acte in behoorlycke forme welcke acte ick hem gegonst hebbe Ende is dese Aldus gedaen en gepasseert binnen de stadt Utrecht ten comptoire van myn notaris .... enz.

Peter Cornelissz. v. Baeren. Hendrik Berense.

Cornelis Gysberts van Baeren. Jan van Ennelaer.

6 Juli 1627.

Op huyden den zesden July naer den d\'alde style des Jaers zestienhonderd zeven en twintigh compareerde voor mij Nicolaes van Losstadt openbaer notoris bij den Ed. Hove Provinciael van Utrecht geadmitteert ende getuygen hieronder genomineert die E. Philips Ram, oudt Schepen mitsgaeders Raedt in de E. Vroet-schap der stad Utrecht ende heeft als Vader en voocht van zijnen oumundigen zoon Johan Ram geconstitueert en maclitigh gemaeckt als hy doet by desen Andries van Wyck Procureur voor de voorscr Hove Omme te compareren voor de Eerw. Ed. Heeren Deecken

-ocr page 700-

is

en Capittele van St. Marie binnen Utrecht ende aldaer voor zooveel \'1 nood 7.j te versoecken hem Adries van Wyck tot Curateur over d voorscreve syne coinparants onmundige zoon gedeputeerd te worden. Ende voorts in de naeme en tot belioetf van de voorscr. zijnen soon te versoeken te accepteren en te nemen die possessie van de eene portie der Vicarye of prebende animarum in der kercke van St. Marie voorscreven althans vacerende door \'t over-lyden van Ilendrick van A.elst waarmede deselve synen zoon by de Gedeputeerden van de Ed. Mo. Heeren Staten \'slants van Utrecht is geprovideerd of gebeneficieert, den eedt totte possessie gerequireert te presteren Ende voorts alles anders te doen \'t gene de saecke sail mogen vereysschen, Belovende den Ed. Comparant al \'t selve voor goet ende van weerde te sullen houden en doen houden onder verband en submissie daertoe staende Versoeckende hiervan gemaakt en gelevei t te worden Acte een of meer in forma.

Aldus gedaen te Utrecht ten comptoire van iny notaris ....

get. Phis Ram Nicolaas van Losstad,

M eerten Moreelsen Not. pub.

Nicolaas van Syp.

Huyden den Tie Julii Anno 1627 oude styl Nicolaes van Losstadt Notarius publicus shooffs Provintiael van Utrecht geassis-teert met Jacob van ende Hartholomeus Cornelisse

beyde binnen Utrecht als getuygen ten dese versocht.

1623 13/14 Febr.

Jfotarlëele acten van cessie en resignatie van de vicarie Simouis et Jude, gefundeerd in de Domkerk te Utreclit.

Op liuyden den dertienden dagh February naer d\' aide style des Jaers xvicdrieentweyntigh compareerde voor myn Nicolaes van

-ocr page 701-

43

Lostadt openbfier notaris by den E. Rove Provinciael van Utrecht ter exercitie van de notariaetschap geadmitteert residerende binnen de stadt Utrecht en deu getuygen hieronder genoinineert Joost hcnrlriks wonende buyten St. Catharinen poort buyten voogdye ende tot synen mundigen dage synde als out wesende omtrent een en tvvyntigh Jneren die my Notario bekent gemaeckt is. Ende bekende en verclaerde uit synen vryen wille sonder daertoe door vreese dwangh ofte eeniger handen andere maniere misleydt ofte gebracht te sijn dat by ten versoecke van Johan van Weede, Secretaris ten Dom t1 Etn cht synen naem verleent heeft omme daerop gestelt ende gepossideert te werden de eerste portie van de icarie Simonis et Jude gefundeerd in de nieuwe werken der Domkercke t1 Utrecht door overlyden van Laurens van Breda laetste possesseur derselver. Tn turno van de Wel Edelen Erntfesten Jonckheer Gijsbert van Ilarteveld domheer der voorscreve kercke vacerende sonder dat den voorn, lleere Harteveld eenighe redenen ter wereld is hebbende omme d\'selve andersins als door versoecke van de voorscr. Weede op hem comparant te stellen, orame de vructen ende incommen van deselve Vicarie mitsgaders presenteren bij den voorscr. Weede ofte dengenen die \'t hem ofte synen erfgenamen gelieven zall genoten te werden. Zoo beloofde den comparant voor hem en sijnen erfgenamen hem de vruchten en Incomen derselve Vicarye nochte de presentien ordinaris ofte extraordinaris nyet te zullen bemoeyden, onderwijnden ofte eenighe actie ofte recht daerop te pretenderen directelyk ofte indirectelyck in regbten nochte daerbuijten maer d\'selvetelaeten tot behoeve vandevoorscbreve Weede en zynen erfgenamen ofte dengenen die denselven van Weede believen ofte zyn recht overgeven zall sulcx dat hy comparant oock gehouden zall wesen d\'selve Vicarye tot vermaningbe te resigneren tot behoefl\' van degenen die de voorscr. Weede ofte zynen erfgenaetneu daertoe sullen comen te nomineren denselven en syne erfgenaemen en elcx van hemluden byzonder onwedemiepelyck constitueren en inachtich maeken sy deze omme d\'selve eerste portie Simonis en Jude t\' allen tyde te resigneren en over te geven tot behoelf en op den naem van degenen die hemluden believen

-ocr page 702-

44

en goedduncken zall d\'selve resignatie en overgifte voor nu alsdan en dan alsnu approberen en van weerde houden sonder dat hy comparant hem daertegens sal stellen ofte ytwes daerop te laten geschieden en eenige maniere directelyck ofte indirectelyk in reghten ofte daerbuiten. Terselver tyt compareerde mede de voorn. Johan van Weede die al fselve accepteerde en hiervan versochte acte een ofte meer in forma d\'welcke hem vergost zyn.

Aldus gedaen en gepasseerd binnen der stad Utrecht ten woon-huyse van de voorn. Weede zynde aent domkerckhofi\'ter presentie van den Eersamen Jan Cornells van Veyen borger en Adam bereuts inwoenende alhier t1 Utrecht als getuygeu hiertoe versocht die dese benefiens den Comparanten en my Notaris onderteyckent hebben ten dage maent en jare als boven.

Joost Ilendricsoon — Jan Cornelissoon van Veyen — v. Weede — Adam Hennessen — Nic. van Lostadt, not. publ.

Op huyden den veertienden dagh oude style des Jaers XVIc drie en tvveyntich compareerde voor my notaris Nicolaes van Lostadt openbaer notaris by den E: hove Provintiael van Utrecht ter exercitie van de Notariaetschap geadmitteert residerende binnen de stadt Utrecht ende getuygen hieronder genomineert.

Joost Hendricks possessoor van de eerste portie Simonis et Jude gefundeert in de Domkercke ï Utrecht in de nieuwe werken, ons notaris en getuygen bekent. Ende heeft met synen vrijen wille sonder daertoe ofte door vreese dwangk ofte andersins mis\'.eydt ofte gebracht te zyn onwederroepelyck geconstitueert maghtig ge-maeckt en speciael bevel gegeven constitueerde maeckte magtigh en gaff speciael bevel by desen Johan van Weede secretaris ten Dom T Utrecht en synen erfi\'genainen omme de vruchten en incomen der voorscr. Vicarije mitsgaders die pres\'ïntien ordinaris en extra-ordinaris en alle t\' gene daervan dependerende ofte aenclevende is te innen , hefien en ontvangen sonder dat hij Comparant ofte zynen erfgenamen hem luyden d\'selven sullen bemoeyen onderwyneden ofte eenigh recht ofte actie daerop te pretenderen sullen mogen Autoriseren den voorscr. Weede en synen erfgenaem tot dien eynde

-ocr page 703-

45

mede omtne de landen en goederen tot d\'selve Vicarie staende ten overstaen van den Cameraer der kercke ten dom vonrscr. te verhuyzen en den oirbaer te doen, sulcx. sy luyden te rade vinden sulleu sender daertegens immermeer te doen ofte later geschieden, directelyck ofte indirectelyck in rechten of daerbuyten. Approberende, ratificerende en van weerde houdende mede de acte notariael op den dertienden deses voor my notario en getuygen gepasseert. Inhoudende mede procuratie op den voorscr. AVeetle en synen erfgenamen om den voorscr. vicarie tallen tyde en ten haeren believe te mogen resigneren verclarende hy Comparant d\'selve te houden ofte die alhier waere geinsereert en van wuurde te woorden ingeschreven tot welken eynde deselve hem comparant wederom voorgelesen is. Versoeckende hiervan te worden gemaeckt en ge-levert Acte een ofte meer in forma.

Aldus gedaen en gepasseerd binnen de stad Utrecht ten woon-huyse van de voorn. Weede synde aent doms kerekhofi. Ter presentie van die Eersame Jan cornelis van Vyen burger ende Adam berents inwonende alhier T Utrecht als getuygen tot desen versoght die deze benefl\'ens de Comparanten en my Notario onderteeckent hebben ten dage maent en jaere als boven.

(gft.) Joost Hendricksoon — Jan Cornelissoon van Veyen — Adam berentssen —- Kic. van Lostadt, not. publ.

(üe minuten dezer acten berusten op de gerechtelijke bewaarplaats der prothocollen van notarissen in de prov. Utrecht.

1635—1 Sept.

Op huyden den eersten dagh der maand September naer d\' oude style des Jaers 1635 compareerde voor myn notaris niclaes van Lostadt openbaer notaris by den Ed. Hove provintiael van Utrecht geadmitteerd, residerende binnen die stadt Utrecht en de getuygen hieronder genomineert. Due Johannes Albertus bedienaer des godde-

-ocr page 704-

46

lyken Woords binnen de stede Montfoort (my notaris wel bekent) als door successie \'t recht tot de nabescreven rentebrief alleen en geheel verkregen hebbende Ende verclaerde den Edele Comparant in die qualite in crachte van sekere permutatie (gehouden nopende den voorsz. naebescreven rente brief jegens seeckere halve houve landts gelegen in Blocklandt behoort hebbende aan de Vicarie van O. L. Vrouwen altaerin de kerck van Montfoort voorscreven) gecedeert, getransportec rt en overgegeven te hebben gelyck syn Ed cedeerde transporteerde en overgeeft by deze aen en ten behoeve der Vicarie voornoemt seeckere Rentebriefi van tvveeduysent vyf\'liondert Carolus guldens tot veertigh grooten Vlaeras den gulden voorscr. gereeckent hoofd soms, houdende te losrente jaerlycx hondert ses en vylhigh gelycke guldens en vyft stuyvers by Prelaten, Deeckenen en capittele der Vyfl Goodshuysen Edtlen en gemeen Ritterschap van der Lande van Utrecht en Schoudt, Hurgemeesteren, Schepenen en Haiden der Stad en Steden van Utrecht, Amersfoordt, Rhenen, Wyck eu Montfoort, als representerende de drie Staten van den lande van Utrecht aen deze zyde der Isele gelegen ten behoeve van de Ed. Mr. floris Thin Advocaet postulerende in den Hove van Utrecht gepasseert in \'t Jaer ons lleeren 1574 op den 4en dagh in Sep-tembris ende dit met de hoofdsom me en de rente van dien verschenen sedert den 3el1 Martii lestleden ende de renten die daervan voorts verschynen sullen renuncierende en in vertijende hy Comparant daervan er claeriyk van alle actiën rechts en toeseggens als hy daeraan hadde alle ten behoeve als voren met gelofte van vrydinghe en waeringe als recht is, mitsgaders van dese aengaende tallen tyde in \'t nood sy naer deze gcrechtelycke transport tot behoeft gi lyck voorscreve te sullen doen daer er sulcx dat behooren zall. Onder verbant eu submissie als naer rechten hiertoe staan. Versoeckende hiervan acte gemaeckl en die door de voorscr rentebrief getransficteerd te worden.

Aldus gedaen .... etc.

-ocr page 705-

47

1636-23 Aug.

Op huyden den 2o der mannd Augusti des Jaers 1636 naer d\'alden style compareerde voor my Nicolies van Lostadt openbaer notaris bij den Ed Hove Provinciael van Utrecht... etc en dc getuy-gen enz. Seigneur Abraham de Reaulaert wonende alhier binnen Utrecht als Possesseur van seeckere Vicarie gefundeert op St. Caiharinen altaar in de kercke van St. Peter binnen Utrecht Ende verclaerde by comparant in crachte van Octrooi hem by de voorscreve Hove (van Utrecht) son hy affirmeerde verleent tc notneneren ende te stellen tot Executoir van de vruchten, baten en profyten mitte Jaeren van gratie die f synder overlyden de voorscreven quot;Vicarie eenigsins aengaende niets daervan uytgesonderd te heffen beuren ende ontvangen sullen staen Seigneur Wasman insgelyck possesseur van seeckere Vicarie mede in de voorscr. kerk gefundeert. Willende en begerende hy comparant t\' gunt voorscr, staet na syn overlyden syn volcomen kracht en effect sorteren sail versoeckende hiervan gemaeckt en gelevert te worden acte een of meer in forma.

Aldus gemaeckt en gepasseert enz.

Registers der transporten voor Schout en Schepenen van Utrecht (o\\er lüll)).

18 Januari 1619.

Vestiging eener losrente ten behoeve van den possesseur der vicarie ter helegging van den koopprijs van verkochte gouleren behoord hebbende aan de vicarie.

„Jacob van CleeS borger T Utrecht ende verplach , belede ende bekende voor hem ende zijne erven wettelijck ende well schuldich

-ocr page 706-

48

te zjn eiule vercoft te hebben vuyt alle zyue goederen tegenwoirdich toe ommende aen ende ten behouve van lierman de Jongh als possesseur van de vicarie gefundeert op Sinte Peters ende Pauwels Altaer in de Buyrkerck T Utrecht ende zyne nacomelingen pos-sesseurs der voorsegde vicarie in der tyt. Om de somme van eens drie duysent ses hondert Carolus gulden payernents nabescreven, welke penningen geoomen zyn van zeeckere acht mergen landts gelegen in den lande van LTsselsteyn behoirt hebbende aen de voorgernelte vicarie dwelcke met consent ende approbatie van de E. Mo. lleeren Staten \'slants van Utrecht zyn vercoft, vermogens drie verscheyde appointementen derzelver Heeren Stnten daervan zynde weesende deene van date den XXI611 Aprilis d\' ander van den XXlen October ende de derde van date den XXen November 1618, welcke penningen hy comparant bekende in goede ganckbare gefalueerde gelde voll ende all ontfangen te hebben den laesten penning mitten eersten hondert ende tachtentich goede goude Keiser Karolus gulden tot XX gefalueerde stuyvers den guide gereeckent ofte ander goed payeinent dier weerde daervoor in der tyt der betalinge \'sjners erfielycke lossrenten te betaelen dien helfte der renten voorseyt opten li™ Augusti nu naest comende en d\'hander helfte opten lien February daer naest volgende ende zoo voorts jaerlycx erfl\'elyck ende euwelyck enz.

mit zulcke voorwaerden dat hy comparant ende zyne erff\'genaemen dese voorseyt renten tot allre tyt als \'t hem luyden belieft op eenich termyn der betalinge voorseyt aen hande van de Kerck-meesters van de buyrkerck ten behouve van den possesseur der voorsegde vicarie in der tyt zullen moegen lossen vryen ende afcopen . . .

Volgt aan het slot hypotheekstelling van een perceel vast goed voor de rigtige betaling der rente.

-ocr page 707-

49

26 January 1619.

(Dito als boven.)

„Cornelis van de Poll Burgemeester deser stadt Utrecht ende Mr. Johan Sarcerius advocaet in den Edelen hove van Utrecht verplaegen ende verwillecoirden voir de toecomende eygenaers der naevolgende huyssinge ende erve ten behouve van den Edele Heeren Deken en Capittulen St, Peters alhyer binnen Utrecht als superintendenten van de vicarien in haer kercke gefundeert ten behouve van Peter Craeck als possesseur van de vicarie van Maria Magda-lenen een erflelycke lossrente van vyft\' ende veertich gulden tot XX stuyvers den gulden gereeckent vuyt zaecke van negen hondert gulden hooft soms die zy comparanten bekenden ontfangen te hebben den lesten penningh mitten eersten te betaelen deen helfte der renten voorn, den ien Augusti 1619 toe comende ende dander helfte den lei February 1620 daeraenvolgende ende zoo voirts alle halfi jaer vrygeldt. . . enz.

Volgt eene hypotheekstelling voor de betaling der rente als boven.

Anno 1619 den XXXen January.

(Resignatie met onherroepelijke volmagt door den possesseur gepasseerd tot administratie der vicariegoederen.)

Evert Gerritsen van Merevelt borger deser stadt Vtrecht ende verclaerde dat alsoe den weledelen Jonckheer Hugo van Zuylen van Nyvelt Domprost Tutrecht hem ter goeder trouwen gecon-fereert heeft zeeckere vicarie gefundeert in Ste. Nicolaeskercke alhyer binnen Vtrecht onder expresse conditiën ende stipulatien dat hy comparant hem de vruchten, iucotnen nochte goederen nochte

4

-ocr page 708-

50

eenige appendentien ofte dependentien van dyen zall onderwinden nochte beinoeyden nemaer dat tselve bewint administratie dispositie ende directie der vruchten, incoinen ende goederen totte selve vicarie behoorende alleen zall staen ende blyven by Mr. Niclaes van Berck Canoniek St. Johans ende Raidt slants van Vtrecht, Soe ist dat den comparant in crachte van de collatie ende stipulatie hier boven geroert belooft heeft ende belooft by desen hem de goederen vruchten nochte incoinen derselver vicarie nochte eenige appendentien vandyen te zullen onderwinden ofte bemoeyden nemaer daer mede te zullen laeten bewerden mr. Niclaes van Berck voirn. Omme dselve goederen ende den incommen te dirigeren ten besten oirbaer ende nae des E. heeren Bercks goede gelieven tot dien eynde voor zoe veel \'t noot onwederroepelyck by desen constituerende ende machtig maeckende ende speciael beveel gevende den voirn. mr. Nycolaes van Berck ende nae zynen overlyden zyn naeste erflgenaemen ofte die zyn B. totte administratie deses zall hebben gecommitteert omme de renten incommen ende vruchten derselver vicarie met allen appendentien van dyen te administreren, ontfangen ende hellen tot zijn E. -welgevallen daeromme voor allen rechteren ende gerechten te ageren met macht omme een ofte meer te moegen substitueren met gelycke macht ofl\'dselve origenelyck geconstitueert waeren. Belovende den Comparant by eede die hem by ons affge-nomen is desen nimmermeer te infringeeren ofte daertegen te doen ofte te laeten geschieden in eeniger wys beheltelyck dat het renversaell byden Heere Berck ten behouve van den comparant gepasseert zall blyven in zyn volle cracht Sonder door desen eenichsins te wesen geinnoveert (?) Versouckende den Comparant in tgeene voirs. gecondemneert te worden. Gehoirt etc.

(Registers der transporten van goederen voor Schout en Schepenen over 1619.)

-ocr page 709-

51

Anno 1621 den XXI8quot; Aprilis.

[Vestiging een er hypotheek ten behoeve van den ■patroon en den possesseur eener vicarie.)

,,Peter Willemss van Davelaer eade Joflrou Leonora Buysers echte luyden ende verclaerden dat de voorsegde Leonara Buysers en Mr. Wouter Verdoes in zyn leven doctor medicine haer voorman saliger voor Heeren Deecken ende Capittule van Sinte Peters Tutrecht op ten xxiru™ Merty 159S tot speciael hypotheecq ende onderpande van een hooftsomme van twe hondert tsestich gulden daervan jegemvoordich in plaetse van sestien gulden sestien stuvers tot rente betaelt sail worden twaelfi gulden thien stuvers ten be-houve van den patroon ende possesseur in der tyt van den vicarye gefundeert op Sinte Loyen altaer in de Buyrkercke t\' Utrecht gestelt hadden seeckere twee cleyne huysingan ofte woeningen staende .... enz. volgende de brieven daervan zynde.

Dan alsoo zy comparanten d\' voorseyde twe woeningen hebben veralieneert ende dselve belooft van de voorn, plechte te vryen daerinne de jegenwoordige patronesse ende possesseur derselver Vicarye geconsenteert hebben mits dat men dselve hooftsom ende jaerlycksche renten weder op een ander goet vast hypotheque soude verseeckeren.

J)at daeromtne die comparanlen tot naerder speciael hypotheecq ende onderpande der voorseyden hooftsomme ende renten van dien gestelt ende geoppignoreert te hebben. . . volgt de beschryving van het nieuwe hypotheek.

-ocr page 710-

52

Anno 1626 11 Februarii.

(Vestiging eener hypotheek ten behoeve eerier vicarie ten name van Deken en Capittel van St. Pie ter te Utrecht!)

„Maria Buinicx weduwe van wylen Willem Gerrits van den Berg .... en bekende geconstitueerd te hebben en schuldig te zyn den Edelen Heeren Deken en Gapittele der kercke van St. Peters te Utrecht de hoofdsom van 400 car. gulden . . . ten behoeve van de vicarie op St. Laurens altaar in de voorzegde kercke gefundeerd etc

Yolgt verder de bepaling dat de rente moet betaald worden in twee termijnen en eindelijk hypotheekstelling voor de goede en getrouwe uitbetaling dier termijnen.

Dato 2 Juny 1629.

(Vestiging eener hypotheek ten hehoeve van eene vicarie verschuldigd aan Deken en Capittel van St. Jans kerk te Utrecht.\') (2e Transport.)

Simon Logier Balju ende Schout van A,chlienhoven ende bekende in de qualité voor hem selven ende als man en voocht van Maria van Sterckenburg syn huysvrouw daer hy op dese tyt wettige geboorte by heeft mitsgaders voor haer beyder erfgenamen deuchdelyck schuldig te wesen de Eerwaarde Heeren Deken ende Gapittele der Kercke van St. Jans te Utrecht ten behoeve van de Vicamp;rye ge-fundeert op het heylich kruysautaer in deselve kercke ende de goederen daeraen specterende waarvan tegenwoordig possesseur is Jan Logier soone van de comparanten een jaerlycxe losrente van twintich Carolus gulden .... te betalsn deen helfte den 2 December deses jaers 1629 d1 ander helfte den 2e Juny anno 1630 daer-

-ocr page 711-

53

naestvolgende enz.....altyt vryes gelts van alle Impositien ende

Schattinge aireede op de gevestigde renten te korten gestatueerd en nog te statue ren niets uitgesonderd ter lossinge toe geduyrende, welke t\' allen tyde sal mogen geschieden met de somme van vier hondert Carl guldens Capitaels .... enz.

alsoo hy comparant mits desen oock bekende gelycke vier hondert gulden nyt handen van den Eerw. Mr. Tomas heurnius als Secretaris van den gemelten Capittele ontvangen ende in syn oirbaer geemployeerd te hebben. Waeromme hy comparant in syn voors. qualité .... enz. tot speciale hypotheyke en onderpand van de voorseyde hoofdsom van vier honderd gulden en jaerlicxe rente van dien veroppignoreerd ende verbonden heeft de alinge huysinge .... staende en gelegen binnen Utrecht enz.

(In margine) De aflossing van de hypotheek door Floris Borre van Amerongen, Huysoomrnandeur, toenmalige eigenaar van het verhypothekeerde huis aan Johannes Heurnius Secretaris van het Capittel op 12 Aug. 1659.

dato 23 Sept. 1630.

{Vestiging eener losrente met hypotheek [en latere aflossing der zelve) ten behoeve der gemeene vicariën in St. Pieterskerk te Utrecht!)

Maria Bruninghs, weduwe van Willem Gerrits van den bergh ende bekende voor haer ende haere Erfgenamen vercoft ende ge-constitueert te hebben den geraeenen Vicaryen der kercke van Ste. Peters te Utrecht voor een hooftsomme van drie hondert Carolus guldens van twintigh stuyvers \'t stuck die sy bekend op huyden ontvangen ende in haer oirbaer gekeerd te hebben viifthien gelyke Carolus gulden jaerlyksche erfelyke losrenten te betalen alle

jaer in twee termijnen.....enz. tot de aflossinge toe die sy

comparanten ofte haere erfgenamen op eenigh termijn der voorsegde

-ocr page 712-

54

betalingen sullen mogen doen met gelycke hoofdsomme van drie honderd gulden enz.

ende tot meerdere vastigheid constitueerde sy comparante tot een speciael hypotheecq ende onderpand van de voorsegde hoofdsomme en rente haere huysinge en erve staende en gelegen aan de Nieuwe Gracht .... enz.

in margine.

Aflossing der grondrente 31 Aug 1646 door Dominicus Johannes Breyer tegenwoordige eigenaar van gemeld huis voor 300 gulden capitaal en de verloopen rente aan handen van Michiel van Kerkenraad Stadsdeurwaarder als Cameraar in der tijd van de gemeene vicarissen der Capittele van St. Petrus te Utrecht en als gemagtigde van den Heere Deken en Capitulairen derselve kerke.

15 Juny 1662.

{Plechibrief)

Wy Justinus Matthias Kienlin Drossard als schout, Matthys Jansz. De Jongh ende Bastiaen Martens, Schepenen der hooge Heerlycheyt Langeraeck, oirkonnen ende bekennen dat voor ons gecomen ende gecompareert syn Adriaen Aelbertsz. Bongers voor syn selven ende als man ende Voocht van Adriaentje Cornelis Compeert: ende Adriaen Claesz. Yinck voor zyn selven ende als man ende Yoocht van Creyntje Cornelis Compeert. daer zy respectivelyk blyc-kende geboorte by hebbende wonende alhier;

dewelcken bekenden wel en deuchdelyk schuldich te syn ten behoeve van de Vicarye by Johanna van Weelde Jans Wed. van Hamersteyn op den löden Novembris 1495 in der Kercke St. Jacobs te Utrecht gefundeert ende waervan Vincent van Donsselaer burger te Utrecht jegenswoordich possesseur is; de somma van Vijf Hondert Carolus guldens te 40 groot en \'t stuck voorcomende uyt saecke van aengetelde penninghen die zij comparanten bekenden, uyt handen van den voorn, van Donselaer in suyveren geleien ont-

-ocr page 713-

55

fangen te hebben; Belovende derhalve voor \'t gebruyck der voorsz. somme aen en ten behoeve van den possesseur in der tyt van de selve vicarye, jaerlyck tot intrest te betalen van Idere Hondert vijf guldens: tien stuyvers ende dat vryts gelts van den 40en pen-ninck ende andere schattingen airede ingewillicht ende nog inte-willigen die haeren inganck sullen nemen Datohuyden, ende soo voorts jaerlyck tot de eflectueele oplossinge toe gedurende, Die zy comparanten ende haere successeurs sullen mogen doen; Naedat zy den houder des briefs vier maenden te voren gewaerschout sullen hebben, ende eerder niet: en dat met groff silvergelt, naer de evaluatie jongst ter selver tyt binnen Utrecht gepubliceert; met alle de verscheenen en onbetaelde Intresten met Dien verstande , indien zij comparanten en hare successeurs dien verscheenen Intresten telckens binnen de drie maenden naer den verschyndach, quamen te betaelen binnen Utrecht ende dat vryt-gelts, als voren, zullen in plaetze van Vijf guldens tien stuivers van \'t hondert mogen volstaen met vier guldens van \'t hondert of die penninck vyf en twintich en anders niet.

Tot verseeckeringe der voorschreven somme ende de Jaerlicxe intresten van dien verbinden sy comparanten, eerst speiael de eene helft van het H. Geest Weer in \'t geheel groot thien morgen drie hont. .. . enz. (volgt de beschrijving der verbonden perceelen en titel van aankomst). Ende voorts generalyck haere Comparanten persoonen ende goederen so roerende als onroerende cgeene uyt-gesondert, subject allen Rechten ende Gerechteren; versoeckende daarinne gecomdemneert en \'t Yoorsz, soo speciael als generael Hypoteecq , voor de voorn, hooftsome ende Jaerlyckxce renten van dien executabel ende pantbaer verclaert te worden \'t welcke by desen geschiet is.

Ende verclaren Wy Drossaert en Schepenen voornoemt dat haer comparanten \'t voorsz. speciael Hypoteecq niet beswaert, boven Buurtlasten als ongelden; Ende dat deese is de eerste Plechte; alles sonder fraude.

Des oirconde hebben Wy Drossaert ende Schepenen desen brief, elc met onsen seegel uytliangende beseegelt op den 15 Juny 1662

-ocr page 714-

56

(onder stondt In kennisse van myn als Secretaris der Vrye heer-liïcheyt Langerack (ende was onderteekend Justinus Matthias Kienlin) En hebbende onder uithangen drie zegels, gedrukt in groene Wasch.

(Deze simpele copie is afkomstig uit de boedelbescheiden en papieren van Mr. Rudolph Hendrik Nahuys, vroeger Schepen Raad en Thesaurier te Utrecht later Assessor van den Landdrost en laatstelijk Vrederegter te Utrecht, overleden aldaar 4 Juny 1831; — laatste possesseur geweest dezer vicarie.

Behalve deze hypotheek was in dien boedel nog eene andere dergelyke simpele copie van eene hypotheekstelling groot ƒ 1500. gepasseerd te Langerack den 29 Mei 1662 in gelijkluidende bewoordingen, ten behoeve van dezelfde vicarie voor dezelfde authoriteiten door Tonis Claesse Cappiteyn cum uxore.)

-ocr page 715-

Bijlage N0. VIT.

B IJ VOEGING

op de

Vroedsdiaps-ZResolutiën van Amersfoort.

Vermeld bij Mr. Verloren, Geschiedenis der Vicarien in Utrecht, onder Bijlage D. bladz. 562—570.

-ocr page 716-
-ocr page 717-

59

fiemeente Amersfoort.

Archief.

Dagelixboeck.

Beginnende dei 5 octob. 1594.

Eindende den 8 Juny 1599.

Afschrift

A.

O/jte xixij Decemhris 1596 stylo vetert ter presentie van mr. Cornells van dnuerden Sc holt peter van groetuelt en peter fransz. Schepen.

Compareerde lieer peter van Wyer pater van Couent van Sint Agata en heer Jacob Woutersz. van Wyck procurator van couente van marienhoefl alhier, als collateurs van zeckere vicarie liyer voren gepossideert by Rolof van Surckesteyn, behorende in Sint Joris kerck tot Amersfoert, Ende hebben die selve vicarie geconfereert by dese ten behouwe van herme soen van Lodewyck Jansz, ten eynde dselve soen daerop sal moege studere, op welcke coditie van te studere die voors Lodewyck Jans s. albyer present die voorn, collatie geaccepteert heeft vsouckende hyer van acte en is dese

Eodem die praesentibs uts

B.

Compareerde Jacob theusz. borger alhyer als collator van seeckere vicarie liyer vore gepossideert by Eolof van Surckesteyn beboerende in Sint Joris kerck tot Amersfoert Ende heeft die selve vicarie gecofereert by dese ten behouve van Herme soen van Lodewyck janss. ten eynde dselve soen darop sal moege studere, op welcke cöditie van te studere die voors. Lodewyck jansz. alhyer present die voorn, collatie geaccepteert heeft, vsouckende hyer van acte en is dese.

-ocr page 718-

60

C.

Opten 6en Septembris 1597 stylo veteri ter presentie van mr. Cornells van duuerde Scholt, peter van groetvelt horgermr. en Jan van Ryn eerste schepe in plaets van twede horgermr.

Compareerde Heer Peter van Wyer pater van de couente van sint Agata, Heer Jacob Wouters en van Wyck procurator vande couete van marienhoef en Jacob Tliens borger alhyer, als collecteurs van seecker vicarie lest gepossideert by den soen van Lodewyck Jansz. genaempt herme lodewykz bynne corte dage overlede, ver-moegende dacte van collatie opte selve herman Repasseert opte xmj decembris lestlede, beboeren die selve vicarie in sint Joris kerck alhyer Ende hebben die selve vicarie gecofereert by dese ten behonue van clemens seen van Lodewyck Jansz. voorn., ten eynde dieselve clemens daerop sal moege studere, welcke collatie op conditie van te studere dieselve lodewyck geaccepteert heeft, vsouckende hyervan acte en is dese t\'ondergeteyckend in date als boue.

Liuinus Botter.

Dagelixboeck Beginnen den 8 Juny 1599.

eyndende den 17 Novemb. 1604.

Copie.

B.

Myn Heren Nae myne gebiedenisse sal dienen voor antwoert op Uwe E, bryef van leste nouembris, dat ick geen reden en vmde waeromme myn Heeren de staten van Utrecht alsnu meer swaricheyts opten ontfanck van het ouerscboth van goederen van connente van St. J an souden beboeren te maecken, opte commissie van Maerten van Dompselaer als te voeren van Lodewyck Jansz. is gedaen soo dselve redenen dienen, te weeten dat myn Heeren de Regierders van Amersfoert auer die Conuente aldaer en haere goederen de superintendente dispositie aen hem hebben behouden, ten aynde

-ocr page 719-

61

die goederen ad pias causas moegen worden geconserueert tsoo veel doenl. is.

Ick hebbe seer geerne vstaen dat de haestige sieckte aldaer ophoudt tsoe tselve ontwyfiel tot dienste der stadt en sclioele sal strecken, oock bedancke Ick Uwe E. vau het gesonden wiltbraet.

Hjer mpjU

Myn Heeren bidde Ick Godt den Heer almachtich Uwe E. in voorspoet en geluckige regieringe te houdeu in syne heylige be-waeringe Uyt den Hage den xixj decembris 1599 noch wat leger stont uwe dienstwillige en was onderteeckent Jan van oldenburnevelt dopschrift was Aen myn Heeren Myn Heeren de Regierders der stadt van A.niersfoert en was besegeit met een segel van rode wassche.

Gecollationeert jegens die pnpaele missiue en accordeert by my.

Afschrift

E.

19 Febr. 1602.

Copie van de Missive vn.

myn heer oudebarnefelt.

Copie.

Myn Here, W. E. bryefl vande 22 January is mij op huyde wel geleuert, Ick hebbe dselve en de copie vaude twe Remonstrantien — eensamelick dacte van policie vande xi January lestlede geexami-neert, en sal volgende Uwe E. begeerte, de Here Heermael, Renes en berek de saecke ten beste recomandere, ende en twyfele niet, off haer E. zulle de gemeene eenicheyt ten beste de saecke wel helpen beleyde tot uwe E. intêtie, Voor myn aduys vinde Ick (onder correctie) best, datmë de overgeleuerde Remöstrantie zal houde , als gedaen by forme van onderrechtinge ofte aduertissement,

-ocr page 720-

62

en nyet ter [ntëtie, ome haer E. als Rechters te erkennen , ter wyle noyt gemeenschap ofte gemene dispositie van de Here State ouer de goderë van de geestelicke collegië binnê de stede slants van Utrecht en is gepractiseert, maer dat die Supintendentie daer ouer by de Regierders van de Respectiue steden elcx inden haere gehoude is, ome sulx opte vleende surcheantie de saecke in suspens te houden, mil vclaringe dat by haer E. tot nadeel vande possessie der stadt Amersfuert nyet en mach gedisponeert worde, Aengesyen dese saecke in etfecte soude moetê gecotrouerteert worde tusschê mijn Herê de State ter eenre, ende stadt Amersfoert ter andere syde, en dat dselue niet subiect en kan wese noohte de decisie vande Herê State, nochte oeck van de ordinaris Justitie, en ouer-sulx soude mote gedecideert worde nade naerdere Unie van Utrecht, ofte het tractaet mitte Co8 Mat van Engelant gemaeckt, op welcke gesustineerde apparentelick vstaen sal worde best te wesë de saecke te latë, als die nu is,

Hyermede

myn here bidde lok Godt de Heer Uwe E. in voorspodige en vreetsamige regieringe te houde in syn heylige bewaringe. Vuyt de Hage dë lij february 1602 Onderstandt Uwe E. dienstwillige Johan van oude barnevelt, dopscripsie was Aen myn here die Regierders der stad Amersfoert.

Gecollationeert jegens die principale geteyckent als boue en accordeert by my Liuinus Botter.

Dagelixboeok.

Beginnen den 19 Nov. 1604.

Einden den 22 Aprilis 1611.

F.

Policio den 26 Mey 1607 stylo veteri.

Compareerde voor my onderscreve Secretaris der stadt Amersfoert, Jacob Thensz. borger alhyer en vclaerde dal hy tegenwoerdich die

-ocr page 721-

63

naeste is vande blode en ouste opter strate en alsulcx gerechticht tot die collatie van seeokere vicarie lest gepossideert bij Clemens soen van Lodewyk Jans eertyts gefundeert by henr van rijn en beatris syn susv.er en alsulcx volaarde dvs Jacob tbensz. dselve vicarie te confereren by dese aen dirck matheusz. wel dirck matheusz. mede van den bloede is als wesen syn compts soens soen en ter seluer tyt compareerde Jo; willetn van doornick en hannen van dompselaer borgermf. inder tyt en vclaerde dat soeveel haer aengaet dese collatie mede by haer aduys gescbyede nochtans op bebagen en aggreatie vande Heere Staten vsoeckende matheus Jacobs van weyen dirck matheusz. zijn soen hyer van acte en is dese Actum den 26 may 1607 stylo veteri. Leuinus Botter.

Dagelixboeok.

Beginnende den 24 Aprilis 1611.

Eynden den 27 Januar 1617.

Copie.

G.

Alsoo tot. de Vicarye gefundeert in St. Joris kerok alhyer genaeinpt Schuermans vicarye , onder andere goederen behoorde seeckere buy-singe ende hof, staende ende gelegen allhyer aen de appelmerckt tegens over dhuyssinge genaempthet Vagevuyr dwelcke die Regeerders deser stadt hadden laten bewonen ende gebruycken nu omtrent tusschen de dartich ende veertich jaeren aen den andere by Christiaen Sinapius zal: voor ende Henrick Jansz. nae beyde bedienaers des Godtiicken woorts alhyer, sonder daer voor eenighe huyzejaerlicx betaelt te hebben aen H. Jan van Amerongen ofte H. Jan Goortsz. in haer leven geweest successive possesseurs der vuors. Vicarye, onder anderen om redenen dat dvoors. H. Jan van Amerongen ende H Jan Goorts in de voors qualite synde beiast geweest met seeckeren deyl voor den armen jaerlicx te doen en tselve naelatende dvoors. deyll tot haer eygen behoefl hadden geconverteert, ende

-ocr page 722-

64

sulcx die Regs tot verstoringe van dyen genootsaeckt waeren geweest dvoors. woeninghe ende hofi aen te veerden, dat mede gedujrende dvoors. tyt van omtrent tusschen die dartich ende veertich jaeren marckelicke reparatien ende melioratien aen de voors. huyssinge by de Eeg, waeren gedaen tot excessive groote som me monterende, ende naer het afsterven vande voors: H. Jan van Amerongen geweest laetste possesseur vande voors: vicarye, mette selve was geconfereert Johan Henricxz. van Amerongen sone van Henrick van Amerongen die welcke by den Capile van St. Joris kerck allhyer. dienvolgens gestelt weesende inde reele en actaeele possessie vande goederen tot dvoors. Vicarye behorende, aende voors, Regs hadde versocht in effecte ontruymingh vande voors. huyssinge ende hofi ofte ten minsten dat d\'selve als vicaris van hem soude worden gehuyrt, waertoe die voors. Eegierders well gesint waeren, mits dat dvoors. reparatien ende melioratien aen de huyssinge gedaen allvorens soude worden begroot, tot alsulcke somme van penningen als men hinc inde soude kunnen vaccorderen, aende welcke het vry soude staen dvoors. te maecken huyre jaerlicx te corten, Ende Hendrick van Amerongen inden name van syn sone voornt. als vicaris nyet kunnende verstaen tot tgeen voors. is soe ist dat die Regierders met dvoors. Henrick van Amerongen inden name van synen soone onderlinghen verdragen zyn in manieren als volcht te weeten dat voor de huyre der voors. huyssinge ende hof des jaers betaelt zall worden aende voorn, vicaris twyntich g syn leven langh geduyrende, welcke huyre aenvangh genomen heeft 1» may deses lopende jaers Ds. die Regierders tot haren laste nemen by deese dvoors. deyll van de armen daerroede dvs. vicaris belast is, om dselve jaerlicx te doen volgens dfundacie bryeven daeroff synde, ofte in plaets van dyen aende armen allhyer jaerlicx te distribueren dsomme van twee ende dartich guld. als op welcke somme dvoors. deyll by dvoorn. Henrick van Amerongen selfis begroot is, blyvende die Regierders in haer geheel en onvercort, nopende trecht van reparatien ende melioratien voors. aen die huyssinghe gedaen daervan desen jegenwoordighen possesseur geen verstoringhe ensal worden geeyscht, dwelcke voors. huyssinghe sy mede gehouden worden

-ocr page 723-

lopende dvoors. huyrjaeren in raeck en daeck iot haeren oosten te onderhouden. Des toorconde dese ge ... ? tAmersft. desen 22 Ocvob.

xvic en zesthyen legerstondt. ïer pntie van Officier peter Frans borgermr. Willem van Hardevelt en Johan van Dael Schepenen door last van deselven.

quot;Was ondt Johan Hamel.

Henrick Corn: van van Araerongen.

Gecollationeert jegens zyne pipaele gedateert en ge . .

als hoven en accordeert.

Dagelixboeck.

Beginnen den 29 January 1617.

Einden den 27 May 1622.

H.

Copie.

Alsoo door dode van Jan Henricksz. van Amerongen in syn leven vicaris van Schuermans Yicarye gefundeert in St. Joris kerck alhyer was te commen cesseren het accoort opgericht tusschen d1 Regeerders van Amersfoort ter eenre ende Hendrick Com. van Amerongen inde naem van syne voorn, soon Ier andere syde opten 22en Octob.

1616 en dat alsnu mette voors. vicarye gebeneficieert Gerrit Ilenrichs debet dicere

JdHSZ

van Araerongen syn soons soon Soo est dat d1 voors. lieg ende de voors Hendrick Gom van Amerongen inde name vande selve syne soones soon gerenoveert hebben, gelyck sy renoveren bij dese de voors. accoorde, met conditiën dat het selve oock sail worden achter-volcht soo lange d\' voorn. Gerrit Hendricks van Amerongen vicarius, syn grootvader collateur vaii vicarye voomt, ofte een van hen beyden in levende lyve wesen sail, Actum den 22en Nbris 1621,

Leger stond ter pntie van Wilhem van Hardevelt Borgermr. Peter Frans en Goenraet Frans Schepenen Wouter Buys en Johan Breecker Raden en door last vaii selve en was ondt Johan Hamel Henrick Gor: van Amerongen. In capite marginis stont Naer voor-gaende rapport vande voors. renovatie van accoort by d\'Borgermr.

5

-ocr page 724-

66

Wilhem van Hardevclt gedaen lieeft de Raed op huyden d\'selve geapprobeert Actum den 24 Nobris 1621 en was ondt. .Tohan Hamel.

Gecollaiioneert jegens syne \'principale gedateert ondt en geappointeert als voren en accordeert hy my Johan Hamel.

/.

Politie den xvel1 February 1658.

1657.

1658.

Vicarye in St. Aechteu Capel op de Spoey. .

De Regeerders gehoort t\'rapport van de Heeren Gecommiteerdens in gevolge van haerluyder Commissie van den 5ei1 October 1657, rakende de Vicarye bij za; Heer Jan Brant van de VPeteringe gefundeert in St. Agathae Capell op de Spoey alhier, en daerop gevisiteert de fundatiebrief van de gesegde vicarye in date den iijen Martij 1517. Onder andere medebrengende den wille vande seq. reso- voorn fundateur te syn, dat daervan bij vacature van deselve Commissie vicarye collatores souden syn twee van des fundateurs naeste Bloet-

van den vrinden, mitsgaders den Pater van Stae Agathae Convent endeden xxii Martij ...

1658. Prior inde Birckt indertijt, de welcke de Regeerders jeg\'inwoordigh repraesenteeren, mitsgaders dat den Vicaris alhier moet resideren: En bericht synde dat jegenwoordigh vande selve vicarye po,«sesseur is de soone van Jor. JJirck van Zuylen van jNatewisch, buyten kennis van de Regeerders op den selven geconfereert, hebben ver-claert ende geresolveert dat men het Recht in dese van deze Stadt jegens deseve gedaene collatie sail bewaren en mainteneren ten ware den jegenwoordigen possesseur olte die de directie daervan soude mogen hebben volkomen satisfactie ende contentement aen de Regeerders quame te doen Omme den tijt van ses weecken nae de gedane notificatie. Actum uts.

-ocr page 725-

67

■T.

Politie den xxn Martij 1658.

Vicarijen in St. Aechten Capel.

Gesien, gelesen ende ter vergadering van de Regeerders voor-gebraglit synde, de Memorie ofte Voorslage by Jofi\'. Maria van Zuylen van Nyvelt, wehe. van Jor. Johan de Coninck aen den Heere Borgermr. Van Dam per missive geaddresseert medebrengende dat de Regeerders baer hadden believen toe te sender, seeckere resolutie bij baer Ed. genomen aengaende de collatie van seeckere vicarye in St. Aecbten Capelie aldaer gefundeert ten eynde om haer Ed. richt tegens de voorz. gedaene (Jollatie te bewaren, ten ware den possesseur ofte partbye baer Ed. binnen ses weeken quame contentement te doen, Ende alsoo de voors. Maria van Zuyleii wegens haer soon mede patroon derselve vicarye soo sy voorgeeft, alle onlust diesaengaende geerne soude soucken te voorkomen, hadde goetgevonden met haer Ed. oft die geene die haer Ed. daertoe souden gelieven te committeren, te confereren, soo haest sy dagb en plaetse soude weten dtoe beraemt te syn, hebben de Regeerders der stad Amersfoort gecominitieert de Ileeren van Dam en bilderbeegs Borgermrn. neftens de anderen Heeren ter beschrij-vinge om metten Possesseur van de voorz. vicarye oft partbye, off desselfs Gemachtigde, met assumptie van gepractiseerde Rechtsgeleerde int nooth, in conferentie te komen om liet Recht van de stad in dese te bewaren, daervan vbael maken en rapport doen Actum den xxn Martii 1658.

K.

Politie den xxiie11 November 1658.

Decanie in St. Joris Capittel.

Alsoo door t\' overlijden van Frederik van Ruytenbeegs vacant geworden is de Decanie en Praebende in St. Joris Capittel alhier,

-ocr page 726-

68

soo is by de Regeerders verstaan dat het provenu van dien voorts aen geemployeert sail worden ad pios usus, ende dat dienvolgende het Tractament van de wed6, van Dns. Bergman in syn leven V. D. M. in den toecomende Jaere ende vvolgens te vschynen daeruyt sail worden betaelt ende de rest by Thonis Lambertz ont-fangen om op ordre vande Regeerders ad pios usus in syn daeglilycxe occurrentiën geemployeert te worden. Ende dat by provisie de administratie van des Capittels goederen in plaetse van den Dekan by den eersten Borgermr, inder tijdt successivelyck mede sail worden waergenomen. Actum ut supra.

L.

Politie den xvien May 1659.

De Regeerders gesien de schriftelijke relatiën van Henrick van Bemmel exploicteur van Jan Gerritzen Hammei, Jutfr van Grootwyck , Jan van Daell, en Jor. Coninck als Vicaris van de Yicarye in St. Aechten wegens de huysinghe op de Breedestraet, verstaen en resolveren in crachte deses, dat men bij provisie op interesse sail negotieren tot laste van haere respe huysinghen soo veel penninghen als tot inooop van de materialen en andere oncosten tot opbouwinghe haer luyder werden van noode sail syn, ten ware sy voorde aenstaende politie bevonden wierden met het inkoopen van haere materiaelen besigh te syn. Actum den xvien May 1659.

M,

Politie den vien Februari/ 1660.

Opt vsoeck by de Heeren Gecomdens, van den Kerckenraad gedaen dat uyttet inkomen van de Vicaryen binnen dese stad gefundeert soude kunnen wallen de gagie van een vierde Predicant, en dat ten dien eynde haer toegestaen mochte worden de tertien

-ocr page 727-

69

van de selve vicarven , als de Heeren van Utrecht van haer Ed. Mo. hebben geobtineert, om mede van haer Ed. Mo. gelycke concessie te impetreren, hebben de Regeerders den Heeren Borgemrn. versocb.t an het voorz. vsoeck ter vgaderinghe van haer Ed. Mo. alien tquot; halven favorabiliter te willen secunderen.

N.

Poliiie den xxviei1 Martij 1660.

De Regeerders gelioort het mondelingh rapport vande Heeren Gecomden ter beschryvinge En haer Ed, resolutie van den Vien February voorleden opt versoeck van de Heeren Gecom^en van den Kercken-raad alhier genomen, geresumeerthebben naer gehoudene deliberatie goetgevonden hare voorgemelte resolutie te altereren gel- sy altereren bij desen, en dienvolgende hare Gecomden ter beschryvinge geauthoriseert ende gelast omme op de naem van de Regeerders deser stad te vsoecken van de Ed. Mo. Heeren Staten \'s lants van Utrecht de tertien van de vicaryen binnen dese stad gefundeert. Act. ut supra.

O.

Poliiie den xx611 January 1662.

1660.

1665.

De Regeerders gesien hebbende en gecommuniceert synde sekere acte van cessie en ovdragt 25™ Juny 1631 voor Jacob van Steenre nots en sekere getuygen binnen Utrecht gepasseert byde Hen Arent van Westrenen Canoniek ten Dom en Lubbertus van Westrenen van Wickenburgh Canoniek St. Peters t\' Utrecht, nevens Adriaen Ploos Ridder Hr. van Oudegeyn, Thienhoven en t\' Geyn, haer daerby qualificerende waerachtighe patronen en Collateurs van de Vicarye gefundeert by Herman Snijder op

-ocr page 728-

70

St. Nicolaes altaer in de parochieterck van St. Joris l innen dese stadt, waerbij de voorn. Westrenens het Jus patronatus van de voorz. Vicarje ovge^even hebben aen de voorn. Heera van Oudegeyn, als Heer en proprietaris van Ridderhofstad Oude^eya voor hem en syne Succtsscurs, die inder tijt sullen wesen Eygenaers van de voorz. Ridderhofstad van Oudegeyn, dat dienvnlgende de voorz. Vicarye by de Hr. Gerrit Ploos van A instel Heere van Oudegeyn geconfereert is op eenen Adriaen Houtman in plaets van Peter van W estrenen, waerop geresumeert synde de fundatiebrief van de voorz. vicarye in date den xm Juny 1397 hebben goetgevonden de lien Borgernifi. te authoriseren om desen aengaende te adviseren en recht vaude Stadt te bewaren. Actum ut supra.

P.

Politie den x™ Marty 1662.

De Regeerders etc. gehoort het rapport vande fin. Borgermr Schaak, dat syn E. in gevolge vande resolutie en Coissie van den xxen January 1662 rakende de Collatie vaii Vicarye gefundeert by eenen Herman Snyder op St. Nicolaes altaer inde parochiekerck van St. Joris alhier inde jare 1397, die de Heere van Thienhoven iiyt crachte van seker praetens recht, \'t welck hij bij acte van cessie van Aerent en Lubbert van Westrenen hadde geobtineert, had geconfereert op eenen Adriaen Houtman, hadde geaaviseert, alsmede de Lecture van het schriftel. advys, waerby geadviseert wort dat de voorz vicarye en Jus patronatus aen haer Ed. is ge-devolveert. En haer Ed. well vmogen deselve vicarye en het inkomen van dien ad alios pios usus pariles et analogicos, als was d\'intentie van den eersten fundateur te emploieren uyt vscheyden redenen by den advyse vhaelt. Ende noch het mondellngh geadviseerde nopende de vicarye gefundeert in den jare 1390 den xxnjen July by Aleydis wed® van Goossen Wouterzen mede in St. Joris kerck aen de Zuydsyde in de Capelle van Onse L. Vrouwe, dal die vicarye jure devohdo wallen sonde wesen ad Episcopum

-ocr page 729-

71

hebben goetgevonden te authoriseren gel- haer Ed. authoriseren by desen de Hn. van Schaak en van Dam Borgermrn om tot intentie van haar Ed. requeste te praesenteren soo en ter plaetse daer het behoort en voorts alles te doen hetgeen haer Ed. goeden raad gedragen sail. Actum ut supra.

Q.

Politie den xxien Aprill 1662.

By de lleere Borgermr Schaak in gevolge van de resolutie van xen marty voorleden, twee concepten van requesten der vicaryen d\'eene van netelenbergh, en d\'ander van Herman Snyder, om aende Stalen slants van Utrecht te pnteren, vthoont synde daerby uyt verscheyde redenen dby gededuceert, vsocht wort dat haer Ed. Mo. de collatie vande voorz vicaryen op D, Ilenncus Tekmannus en op D. Vincentius van Deurn by de Regeerders gedaen believen te approberen en aggreëren, hebben goetgevonden dat deselve requesten alsoo aen haer Ed. Mo. sullen worden gepnteert, en den Hr Borgermr Schaak versocht en geauthoriseert, om het recht van de stad dinne te willen bewaren daar en soo het behoort. Actum ut supra.

R.

quot;Vicarye Hermans Snyder.

Alsoo Arent ende Lubbert van Westrenen haer praetensel seggende te wesen patronen van vicarye in den jare 1397 den xim Juny op het Nicolai altaer inde kercke St. Joris binnen Amersfoort by Herman Snyder gefundeert, op den xxven Juny 1631 by acte voor den Notaris Steenre en sekere getuygen, het recht van patronaetschap hadde gecedeert aen Adriaen Ploos Heere van Oudegeyn, als Heere en possesseur van deselve heerlyckheyt

-ocr page 730-

72

in dier voegen dat hetselve recht van patronaetschap soude geeygent blyven, en de voorz vicarye gemortiticeert aen de heerlyckheyt Oudegeyn en derselver Possesseurs en Successeurs d\'eene nae den anderen van Possesseur tot Possesseur, alJes regelrecht tegens de teneur vande fundatiebrieff en wille van den fundateur expressel begeert hebbende, dattet voorz recht by vyfi\'pcrsoonen altoos soude worden geexerceert, ende dattet selve alsyo successivel achtervolght en onderhouden soude worden, waerdoor alsoo de voorz pntse personen van haer praetens recht syn affgeweken, en in allen gevalle niet en hebben vrnogen te doen de cessie aen den Heer van Thienhoven, welcke cessie mitsdien null is, en de voorz vicarye sonder patroon blyft, en alsulcx het recht van collatie jure devo-luto was vervallen aende Regeerders der stadt Amersfoort. Soo is \'t dat haer Ed. om die vicarye volgens de intentie van den fundateur ad pios usus pariles te einployeren tot onderhout vanden godts-dienst, goetgevonden hebben deselve vicarye te confereren gelyck haer Ed. confereren by dese op de persoon van D. Vincentias van Deum, Bedienaer des Goddt-lycken woorts alhier, alles op approbatie ende aggreatie van de Ed. Mo. Hoeren Staten \'s Lants van Utrecht. Actum den xxien April 1662.

S.

Vicarye Netelenbergh.

Alsoo Dirck van Baern Rooinsehen Priester woonende tot Amsterdam sigh aengematight, aengeslagen ende gepossideert hadde sekere goederen specterende aen de vicarye gefundeert by Aleydis Wed. van Goossen Wouters op den xxm July 1390 in St. Joris kercke in de Ij. Vrouwe Capelle tot Amersfoort, Dat syn moeder Catharina Boelesen haer kinderen deselve goederen als erfgoederen, haer door doode van haer Grootvader aengekomen hadde bewesen, alsmede dat denselven Priester Dirck van Baern een gedeelte van deselve landeryen vcoft en in erffpacht uytgeslagen heeft, en alsoo niet anders voor en hadde als de geheele vicarye mette aenhoorige

-ocr page 731-

73

landen te vduysteren, en als syn evgendom te incorporeren waer-door deselve vicarie jure devoluti geacquireert en wallen was aen de Hr van den lande, dewelcke bevoeght syn de voora vicarye int geheel aen te slaen, en op een bequaem persoon te confereren, ofl deselve te emplnyeren tot behoeft van den godtsdienst ofl aa alios usus pios pariles; soo ist, dat de Tlegeerders der stad Amersfoort goetgevonden hebben de voorz vicarye te confereren, gel-haer Ed. confereren by desen op de persoon van D. Henricus Tekmannus Bedienaer des Goddelycken woorts alhier alles op approbatie en aggreatie vande Ed. Mo. Hel1 Staten slants van Utrecht. Actum den xxien Aprill 1662.

1.

Politie den xxen July 1663.

Alsoo de Regeerders der stad Amersfoort proces hadden gemoveert voor de Ed. Mo. Heeren Staten \'s lants van Utrecht over de Collatie van sekere Vicarye genaemt Netelenbergh gefundeert bij Aleyda quot;Wed® van Goossen Wolters in den jare 1390 in St. Joris kerck alhier, en dat bij haer Etl: deselve vicarye alreeds was geconfereert en dop approbatie en aggreatie van haar Ed. Mo. vsocht, hadde den patroon van deselve Vicarye off soo hy hem sigh qualificeert hem vvoeglit by de Heeren Borgermr van Dam , en vsocht dat een comparitie mochte worden aengestelt, ten eynde haerl1\' quaestie inder vruntschap mochte worden ofigehandelt en ter nedergeleyt, hebben goetgevonden te committeren de Hen Gecomden ter beschry-vinge om met den patroon van voorz vicarye in conferentie te komen en nopende het inkomen van selve vicarye een accoort te beramen en dvan rapport doen. Actum uts.

-ocr page 732-

74

U.

Politie den xxien September 1663.

De Regeerders etc. gehoort liet rapport vnfi Heren haere Gecomden dat haar Ed. ingevolge van schriftelei last in date den xxen July 1663 metten Patroon van vicnrye genaemt Netelenbergh gefun-deert bij Aleyda wed. van Goossen Wolters in den jare 1390 in St. Joris kerck alhier in conferentie hadden geweest, tot wegh-neminge van het proces over de collatie van deselve vicarye by de Regeerders voor de Ed. Mo. Heeren Staten gemoveert, hadden op approbatie vande Regeerders beraemt het volgen accoordt.

Over de voorz pretentien syn de voorz Gecotnden 0p rapport en approbatie vande voorz Regeerders ter eenre en Mr Direk Boelezen van Raern Patroon van gemelte vicarye gen. Netelenbergh ter andere syden ovkomen en geaccordt, ten overstaen en door intercessie van den Hr. Cornells de Graeff, Heere van Polsbroek etc. Borgermf der stad Amsterdam, dat gemelte Regeeró\'ers in plaetse van Tertia, haer by haer Ed. Mo. toegeleyt, tot onderhout van hare Praedicanten, sullen genieten en trecken uytte goederen van dese vicarye, voor eerst het gebruyck en inkommen vantlant leggende alhier buyten den Slyckpoort op den stadts grachten met geene dvan uytgeslagen is, Ende den boven de gerechte helfte van het inkomen van alle d\'andere goederen tot dese Vicarye behoorende; uytgesondert van grondt aen Heeie Bor-germr. Jan Bicker za: uytgeslagen. Verbindende gemelte van Baern syn persoon en goederen voor hem en sijne erffgenamen en successeurs int recht van patronaetschap, dat het geene voorz is gemelte regeerders sail volgen en gepraesteert worden, vraermede de genoemde Regeerders van alle praetensien op de voorz Vicarye en de collatie van dien sullen desisteren, gel- haer Ed; sijn desis-terende mits desen. Alles onder vbant als naer rechten Des toorconde getet binnen Amersfoort op den XXXIen Augusti 1663, welverstaende dat genoth van \'t geene voorz is, inganck sail nemen metdetyt, op de welcke de voorz Tertien bij haer Ed: Mo: syn toegestaen en was onderteekent D: Boelisse van Baren.

-ocr page 733-

75

Hebben de Regeerders haer het voorz; contract well laten gevallen, en in allen deelm hetselve geapprobeert, gel-haer Ed; approberen bij dcsen Actum den XXlen Septemb. 1663.

F.

Politie, den xvien May. 1664.

lek Cornelis van Schayck Borger t\'Utrecht als gernaclitigde van Willem van Schaik mynen soon bij procuratie van VIIen December 1653 voor Nicolaes van Lostadt Nots en getuygen t\'Utrecbt gepasseert, doe condt Alsoo de llen Borgermrn indertyt der stad Utrecht, als Directeurs en Superintendenten over de goederen behoorende aen de Convente van Cecilien t\'Utrecht, en in dier qualiteit medepatronen en gifters van eene vicarie ofte Officie gefundeert inde Cioosterkercke binnen Rbenen , deselve vicarie ofte officie op den 15el1 September 1642 op myuen voorn ; Soon hebben geconfereert, soo consentere ick . . . . ? voorz en vsoeke oock mits desen op de li60 Borgermrn der Stad Utrecht voornt, dat haer Ed: believen de gemelte Vicarie te confereren op Johannes van Meeuwen soone van za: Herman van meeuwen in syn leven Borger tot Utrecht mynen Neve, ten dien fine van de possessie van dien bij desen desisterende.

Oircond myn hand desen 18 April 1664 ouden styll en was oudt Corn; van Schaik, onderstont mij pnt en was ondt W: van de houue In margine stont geappnt.

De Borgermeesteren der stad Utrecht hebben geconsenteert en consenteren mits desen in dit versoek. Actum den XXXen Aprill 1664 en was onderteekent J. Nieustadt.

Accordt Bij mij

Wilhem van Hoorn. 1664

-ocr page 734-

76

W.

Tck Cornell\'s van Schaick Borger t\'TJtrecht als ^emachtighde van Willem van Schaick mynen soon, bij procuratie op den VI len December 1653 voor Nicolaas van Lostad nots- en getuygen t\'Utrecht gepasseert, doe cond alsoo de IIen Borgermrn in der iyt der stad Amersfoort als Directeurs en Superintendenten over de goederen belioorende aen de Convente van Marienhocff en St. Jans Convent binnen Amersfoort en indier qte mede patronen en Gifters van eene quot;Vicarie ofte officie gefundt in Cloosterkerck binnen Rlienen, de selve vicarie ofte officie, voor sooveel de Paters van Marienhoft en S\'e Jans convent, daen te vgeven gehad hebben op den XVen September 1642 op mynen voorn soon hebben geconfereert, soo consentere ick in qte voorz en vsoecke oock mits desen op de Hen Borgermrn in der tyt der stad Amersfoort voorat, dat haer Ed. gelieven de gemelte Vicarye te confereren op Johannes van Meeuwen soone van Herman van Meeuwen in syn leven Borger tot Utrecht mynen neve, ten dien fine vande possessie van dien by dese desisterende. Oircont myn handt desen IS® Aprill 1664 en was ondt Corn. Schayk onder stont mij praesent ondt W. van der Houue Nots 1664 Donder stont De Borgermeesteren der stad Amersfoort, hebben geconsenteert ende consenteren mits desen in dit vsoeck. Actum den JXI™ May 1664, onderstont ter ord. van deselve en was ondt Wilhem van Hoorn 1664.

Accordt mette ppale Bij mij

Wilhem van Hoorn, 1664.

-ocr page 735-

77

X.

Afschrift.

Rapport overliet ])aqelycx Resolutie Boeck van de Beer en Regeerders dei\' accortmetdeHee- * J

ren VV estrenen ter SiW Amersfoort.

sake vant proces over de collatie der

|eèteerd brefer als Beginnende met den Eersten July 16S9.

in desen.

Door de Heeren Borgermeesteren ende oud-Borgermeesters synde gerapporteert tgene daartoe bij resolutie van den 10® Martii 1690 ware geauthoriseert, was voorgekomen, ende hoe dat het accort met d\'heeren Mr, Johan ende Arnout van Westrenen, op de naam van de Heeren Eegeerders mitsgaders d\'Heeren Decan ende Capit-tulairs vant St. Joriskerck alhier, is geprojecteert, om benevens den staat van de Obligatien ende andere effecten, dienvolgende geformeert, door den Secretaris ter ordonnantie vande Regeerders ondertekend te worden, welck accort alhier ter vergaderinge aan-daghtelyck synde gelesen ende geexamineert, is eenparigh verclaart \'t selve wel te laten gevallen ende den Secretaris geordonneert als voren te ondertekenen, ende dat \'t voors accort ende staat alhier sal werden geregistreert synde de volgende.

Alsoo proces voorden Ed. Hove provintiaal van Utreght was verresen tusschen de Heeren Mr. Johan ende Arnout van Westrenen, als impetranten ter eenre, ende de Heeren Regeerders der Stad Amersfoort gedaagdens, mitsgaders de Heeren Decan ende Capit-tulairen van St. Joris Kercke aldaar, mette selve gevoegbdens ter andere zijde, over het jus patronatus, collatie ende beheringe van sekere vicarye in den jare 1397 in deselve Kercke op St. Nicolaas altair gefondeert bij Herman Snyder, sustinerende daar toe yder van de parthyen Collitigantes gereghtigt te syn, met exclusie vande anderen, Soo ist, dat deselve parthijen tot wegneming vant voors. verresen proces, met raalcanderen in vrundschap overcomen syn ende getransigeert hebben, in naarvolgende maniere; dat liet voors. reght van patronaatschap , collatie en beheringe vant gemelte vicarye met liet gunt daar aan specteerd nu ende ten eeuwigen dage sal verblyven aande dispositie en gifte van opgemelte Heeren Regeerders,

-ocr page 736-

78

mitsgaders van decan en capittulairen St. Joris der stad Amersfoort, mits dat uyt het inkomen van dien bij de tleeren Johan en Arnout van quot;VVestrenen te samen ende by hare Erffgenamen en Nakomelingen eeuwighlyck ende erffelyck sal worden genoten een gereght derdepart, sonder aftreck van eenige Tertie, die gelaten word tot laste van de Heeren Regeerders en decan ende Capittulairen voornoemt, welck derde part begroot ende gecalculeert is op vierenveertigh gulden seven stuyvers jaarlycx, volgens sekere Memorie waarop de Corpora ofi efl\'ecten tot de voors. vicarye behoo-rende, staan gespecificeert, en het geheele incomen op hondert drie en dertigh gulden een stuyver jaarlycx uytgetrocken, en waarvan een dubbelt door den Secretaris der stad Amersfoort onderteekend, aan de voorn: Heeren Westrenen bij de ondertekeninge deses is overgegeven, welcke memorie gehouden wort, als ofl in desegeinsereert ware, — welcke vier en veertigh gulden seven stuyvers jaarlycx sullen ingaan met den 15e Martij 1690, ende soo voorts van jaar tot jaar, aLeenlyck met dese restrictie, dat byaldien bevonden moght worden, de voors. vicarye met eenige andere lasten geaflecteert off besxaart te syn, ende het jaarl. incomen daar door vermindert, ofte oock datter eenige andere, effecten off revenues aan rnoghten specteren, sal het selve respectivelyck gedragen en genoten worden bij meer-gemelte Heeren Regeerders, Decan ende Cipittulairen voor twee derde parten, ende bij de Heeren Westrenen en hare Nacome-lingen voor het resterende derde part, ende dewyll eenige Capi-talen tot de Vicarye behoorende op particuliers syn beleyl., soo sullen de opgemelte Heeren Regeerders sorge moeten dragen, dat deselve Capitalen binnen ses maanden naar dato deses sullen worden opgebraght, ende met goetvinden vande voorn. Heeren Westrenen ende hare Successeurs en Nacomelingen beleyt op dese provintie off andere stabile Corpora off Collegien, gelyck sulcx oock sal moeten geschieden, in cas eenige vande andere Capitalen moesten worden affgelost, off opgebraght, off bij manquement van dien, sullen die Capitalen blijven tot lasten van de voornoemde Regeerders selfs, gelyck mede de andere goederen oft effecten die namaals moghten ontdeckt en gevonden worden, neffens de voorz.

-ocr page 737-

79

memorie op het manuaal vande Ontfanger van de Tertien tot Amersfoort sullen worden opgetekend, ende daarvan insgelijcx Extract ofte Copye authenthycq gegeven aan de Heeren West-renen en hare nacomelingen tot haar narigtinge, welcke goederen oock met gemeen Concert sullen moeten worden verhuyrt en des begerende, acces tot het selve manuaal, om dat te mogen inspecteren , en daar uyt Extract te lighten, dogh niet anders off verder, als het gunt de voors; Vicarye aangaat: Ende om de perceptie van het voors: jaarl: derdepart tot vierenveertig gulden seven stuyvers, aande selve Heeren van Westrenen te faciiiteren, sal aande selve worden ter hand gestelt onder behoorlycke recipisse een obligatie van duysent gulden hooftsoms, staande op de naam van Heudrick van Westrenen, domheer ten dom, door de Heeren Johan ende Arnout van Westrenen als t\'reght daar toe vercregen hebbende, den 8e May 1688 tot behoefi vande voors. Vicarye overgegeven ende gecedeert, tot laste vande Ed. Mu. Heeren Staten deser provincie opt Comptoir vant huysgelt, synde met de acte van aggreatie daar onder staande beyde in dato den loen January 1671 waarvan de renten verschynen op den 15e January in yder jaar, Opdat ten allen tyde blycke dat die biyft aan de voors: vicarye, Omme daarop de jaarlycxe te verschynen rente byde voornoemde Heeren Westrenen en hare Nacomelingen op reeckeninge vande voors. vierenveertigh gulden seven stuyvers ofte van soo veel min off meer als een gereght derdepart van het jaarlycx incomen der vicarye bevonden moght worden te monteren, ontfangen te worden, waaraan het kort van duselve vierenveertigh gulden seven stuyvers ofl het gunt het derdepart als voren meerder bedraaght door off wegen de Heeren Regeerders en Decan en Capittularen voors sal worden gresuppleert ofte wel het surplus aan haar Ed, Aghtb. door de Heeren Westrenen te rugh gegeven, soo het derdepart minder moght komen te belopen, wordende \'tgene aan de voors. vierenveertigh gulden seven stuyvers jaarlycx te kort moght komen, by desen geassigneert opden Collr. iudertyd vande Tertien der Vicaryen der Stad Amersfoort, die hetselve van jaar tot jaar aan de voornoemde Heeren Westrenen en hare nacomelingen sullen hebben te betalen,

-ocr page 738-

80

waarmede verclaren parthyen Collitigantes het voors. proces inder minne te hebben geassopieert en weghgenomen, met Compensatie van costen, Belovende het gunt voors. te onderhouden en naar te comen, nu, ende ten eeuwigen dage. Alles onder verband ende submissie als naar reghten, En opdat dit te bundiger mach syn, Sullen parthyen haar ter wedersyden op rapport van Commissaris van gemelten Hove, inden inhouden deses laten condemneren. Constituerende tot dien eynde specialyck Ludolph de With, ende

procureurs voor den welgemclten Hove, soo om de voorschreve Condemnatie te versoecken, als daarinne te consenteren respective,

Belovende alles de rato, onder gelijcke verband als boven, _

gedaan den 24 Martii 1690. Onder stond.

Ter ordonnantie van de Heeren Regeerders der stad Amersfoort, ende was onderteeckend G. Boeye, Lager stond nogh Ter ordonnantie vande Heeren Decau en Capittulairen van St. Joris kercke der stad Amersfoort, ende was ondertekend Cor Caan, besyden stond, lek onderschreven voor mijn selven en maack myn sterek voor myn Broeder Johan van Westrenen, ende was ondertekend Arnout van Westrenen.

Huyden den 8en Aprill 1690. Compareerde voor en ten huyse van my Mr Franchoys van Bergen raad ordinaris inden Ed Hove van Utreght, en in desen als Commissaris, Johan Bosch man als procureur van Mrs. Johan ende Arnout van Westrenep, adt. Impe-tranten, ter eenre ende Ludolph de With, in qualité als procureur vande Heeren Regeerders der Stad Amersfoort gedns. mitsgaders d\'Heeren Decan en Capittulairen van St. Joriskercke aldaar, ge-voeghdens, ter andere syden, Ende verclaarden de respective procureurs dattet proces tusschen de voornoemde Heeren hare Meesters op verbaal van mij Commissaris ontstaan en geentameert, over het jus patronatus. Collatie en beheringe van sekere vicarye inde jare 1397 inde geraelte kercke van St. Joris op St. Nicolaas Altair by Herman Snyder gefundeert, door een accort den 24.™ Maart 1690 gemaackt, was geassopieert, welck accort deselve procureurs onder my Commissaris waren leverende, om by den Hove daarop

-ocr page 739-

81

Condemnatie verleent te werden, Wienvolgende de gemelte Hosch-inan ende de With versogliten dat hare respective voornoemde principalen in de inhoude vaut voors. accort ende tot naarcominge van dien op rapport van my Commissaris byden Hove moghte worden gecondemneert, ende was ondertekend, L de With, J. Boschman.

\'T Hofl\' gehoort het rapport van den Commissaris, ende gesien desselfs verbaall Condemneert parthyen hinc inde, volgens versoeck inden inhouden vande bygevoegde accorde van date den 24e Meert I69U. Actum \'t Utreght den Xgt; Aprill 1690 ende was ondertekend N (?) Vastrick,

is getekend E. van l^ergen 1690.

Voor eensluidend afschrift,

Be Wtmrnemende Archivaris

24 July W. F. N. van Rootselaar.

Amersroort-----

18S2.

6

-ocr page 740-
-ocr page 741-

Bijlage N0. VIII.

EXTRACT

uit de

CAMERAAR-THESAURIERS REKENING TE AMERSFOORT

van 1790—1872 betreffende der tertiën der vicariën aldaar.

-ocr page 742-
-ocr page 743-

85

Amersfoort.

Stedelijke Rekeningen.

Ontvangsten. ïertiën der Vicariën.

1790. Memorie.

1791.

1792. «

1793.

1794.

1 Feb.

1795 7 Aug. NlhlL

1795 Aug.—Dec. ..

,-ng T ^ . — Nlllll.

1796 Jan. Feb.

- 1796 t ^uly- Van J. Scheltus Ottoz, Ontvanger van de ïertiën 179lt; 9 Juny.

der Vicariën liet slot zijner rekening gesloten den

29sten Mei 1797 ...... 1305-14-7

Van den tegenwoordigen Ontvanger Otto Scheltus, ontvangen een subsidie tot........1200

\'2505-14—7

1797, 28 Deo.

1798, 2 July.

1799. Nihil.

1802. Nihil.

1803. Subsidie gld. 200.

Rek, 1809. Ontvangen van den Heer Otto Scheltus het slot of de sloten dier Rekeningen over 1801, 1802 en 1803 te zamen ter somme ............. 3363—16—9

Alsmede van den Heer Goudoever de som van....... 1785 :

5148—16-9

-ocr page 744-

86

/\' 3363—16—9 // 1785— : —

1810 (Zie 1812) Nihil, 7 jl4quot;s16~9

1811\' Niets vermeld.

1812- Produit presume des Vicairies f 1606,01. Purte

en recette la somme de 1686,01. La totalité de cette se trouve posté eu restes a recouvrir.

Sus l\'exe de 1810

lait recette de f 420 poste eu restes a recouvrir sur le solde du compte de 1810 du Sr. de Wijs.

• 1813. 2075 14 10. Slot van de rekening van den Ontfanger van de Tertiën van de Vicariën te Amersfoort tot ults Dec. 1813.

Vicariën. Stadsrekening van den achterstand anterieur 1 Jan. 1814 volgens de begrotingen van de jaren 1818 tot en met 1823. Bldz. 22.

1814. 700 gld.

1815. 700 gld.

1^16. 345 13—4 Slot van de driejaarlykse rekening

over de jaaren 1814, 1815 en 1816 ingevolge extract resolutie van den Raad der Stad van den 5lt;len Ju]y 1819.

NB. Bij dat Besluit werden overeenkomstig het uitgebracht Rapport de rekeningen der Vicariën loopende over de jaren 1804 tot 1813 ingesloten en over de jaren 1814, 1815 en 1816 goedgekeurd.

(Notulen van den Rund der stad Amersfoort 1810 )

1804,

Subsidie

gld.

O O

1805.

Nihil.

1806,

Subsidie

gld.

275

1807.

Nihil.

1808.

Subsidie

gid.

275.

1809 (Zie

1803) Slot dei-

Rek,

1801.

1802.

1803

Van den

H eer

Goudoev

-ocr page 745-

87

1817. 700 gld.

1818. 633 gld.

1819. 100 gld. in mindering van het vermoedelijk saldo der

rekening over de jaren 1817, 1818, 1819. 1 gld. als zijnde de detinitieve afrekening aan den ontvanger derzelve J van Goudoever nog niet opgemaakt kunnen worden volgens aanschrijving van 11. H. B urge meeste ren van 22 Januar. 1822. i\\u. 5.

1820. 580 gld,

1821 285 gld.

1822. 424,00 ■/,

1289,00 \'/j Deze rekeningis gesloten den 12den J anuar. 1825

1823. 350 gld.

1824. 350 gld.

1825. 258,65.

1826. Wordt verantwoord bij de volgende Reken.

1827. 233 in mindering.

1828. 347 ^580

Rest voor memorie.

Rek. 1832.

Dienst 1828.

1826 flo 35 f —

1827 flo 42 ,/ 233,—

1828 flo 42 « 347,—

1832 flquot; 8 « 524,915

7 1104,915

1829. Memorie. Rek. 1832.

Dienst 1831.

1830. 250. 1829 ti» 44 f —

1831. 250. 1830 flo 46 // 250,—

1831 flo 45 // 250,—

O, ^ 1829 n

Slüt 1831 quot;_1

/ 850,—

.

-ocr page 746-

88

183a.

1833.

1834.

Rek. 1835. Bldz. 12.

1835.

1836.

1837.

1838.

1839.

1840.

1841.

1842.

1843.

Rek. 1844.

Restanten 1843 eu vroeger 87,18s Ontvangen en verantwoord 1531,915 Rek 1845.

Verrekend 1414,44

Rek. 1848.

1844.

1845.

1846.

1835 1846

1847.

1848.

1849.

1850

1851

1852

1853

1854

1855

1856

1857

512,85 1866

1867

1868

1869

1870

1871

1872

1859

1860 1861 1862

1863

1864

1865

Memorie. Memorie. Memorie.

427,49 510,18 545,36 502,57,/j 540,68 520,91 612,86 654,64

Memorie. Memorie. Memorie.

Memorie. Memorie. Memorie.

Memorie. Memorie. Memorie.

Memorie.

224.

400.

Memorie. Memorie. Memerie.

1844 1846 Rek. 1849.

Slot der Rek Rek. 1849.

Dienst IS^?. Rek. 1850.

Dienst 1849. 1858 562,79

Rek. 1844. Dienst 1837.

Rek. 1844. Verantwoord 1838—1840.

Dienst 1832

1833

1834

Kek. 1843. Dienst 1837

760.92 715,0072 739,01 711,71 V2

782.93 V2 706,29 Vj 726,39

100 gld. 224 gld 400 gld.

724^3?

490,91 \'4 150,00

640,91 \'/j

210,44 851,.355

725,1] lo0,00

875,11

800,00 Rest Mem.

586,165

368,00

728,69 Vj

701,26V2

694,08

708,99

791,50 V2

691,82

859,17 V2

-ocr page 747-

Bijlage Nij. IX.

BEGEVING DER VICARIE

GEFUNDEERD OP

St. Maria en Barbara altaar in de Janskerk te Wijk bij Duurstede

dook

den Minister van Binnenlandsche Zaken aan G. de Ridder (1843) C. de Ridder (1853) en J. A. de Ridder (1865) en daarop betrekkelijke correspondentie.

-ocr page 748-
-ocr page 749-

91

W ij k b ij Duurstede.

N0. 526 (v. h. register).

De Minister van Binuenlandsche Zaken gezien adres van Jan de Ridder, rentenier, woonachtig te Schalkwijk, om confirmatie te bekomen op de door hem als tegenwoordige patroon of collator gedane begeving der inkomsten van de. Vicarv in de Kerk van St Jan Baptist te Wijk bij Duurstede op St. Maria en Barbara Altaar gefundeerd bij Gerrit Jacobse in den Eïtg , aan dovert. de Ridder, te Wijk bij Duurstede, gelet, o. a. op de briefwisseling hierover, vooral op dezerzijds schrijven aan den Gouverneur van Utrecht, d». 7 Aug. jl. Nquot;. 229, wordt geconfirmeerd.

\'s-Gravenhage 20 Oct. 1843,

De Min. v. Binn. Zaken (get) Schimmelpenninck van der Oye.

N°. 660 (v. h. register).

De Minister van Binnenlandsche Zaken , gezien adres van D L. de Ridder, rentenier, woonachtig aan de Grebbe, in de gemeente lihenen, kennisgevende, dat hij is opgetreden als Patroon of collator der familie Vicary in de kerk van St. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede op St. Maria en Barbara Altaar, gefundeerd bij Gerrit Jacobse in den Eng, en verzoekende geregtigd verklaard tot de ontvangst der renten van het aan de Vicary behoorend Kapitaal Nationale Schuld , ingeschreven in het grootboek ; — heeft goedgevonden aan den adressant te kennen te geven , dat hij die renten weuschende te ontvangen, waarschijnlijk ook bedoelt die

-ocr page 750-

92

voor zich te behouden, dat hij alsdan tegelijkertijd de betrekkingen van Patroon en Collator en van Vicaris der Vicary in zich zou vereenigen, hetwelk in strijd zou zijn met de bepalingen op het Stuk der Vicary en, dat hij alzoo tot de ontvangst de.- bedoelde renten, niet kan worden geregtigd verklaard, doch dat hij de bevoegdheid heeft, evenals door den vorigen collator in 1843 is geschied, een vicaris te benoemen, op welke benoeming vervolgens de van Regeringswege vereischte confirmatie bij dit Departement moet worden aangevraagd.

\'s Gravenhage 7 Julij 1853.

Namens den Min. v. Binn. Zaken {get.) Schroder.

661 (v. h. register).

Geconfirmeerd de begeving der familie Vicary in de Ksrk van St. Jan Baptist te 11 ijk hij Bv.urdede dooi\' U. L, de liidder, rente-nier aan de Grebbe onder Rhenen aan C. de liidder, landbouwer aan de (ïrebbe; de Vicaric is gefundeerd in de Kerk van St Jan Baptist te Wijk bij Buurstede, op St. Maria en Barbara Altaar bij Gerrit Jacobse in den Eng; — de inkomsten te genieten van het oogenblik dat die laatst zijn uitbetaald aan den vorigen Vicaris , wijlen G. de Ridder, tot wederopzeggens toe.

\'s Gravenhage 30 Julij 1853.

Namens den Min. v. Binn. Zaken {gei.) de Seer. Gen. Schroder.

Nquot;. 810 (v. h. register).

Op het adres van D. L. de Ridder, rentenier aan de Grebbe, gemeente Rhenen, om confirmatie op de door hem gadane begeving der inkomsten aan de familie Vicary in de Kerk van St. Jan

-ocr page 751-

98

Baptist te Wijk hij Duurstede op St. Maria en Barbara Altaar gefundeerd bij Gerrit Jacohse in den Eng ; — gezien (Reg. N0. 601.); wordt de begeving geconfirmeerd en ./. A. de Ridder, geregtigd verklaard tot het, bezit der inkomsten, sedert ze aan C. de Ridder zijn uitbetaald tot wederopzeggens toe.

\'s Gravenhage 13 Sept. 1865

Van den Minister

de Secr Gen. {geti) Schroder.

Conform extract door ondergeteekende genomen uit de Registers, berustende op het Ministerie van Binnenlandsche Zaken , der reso-lutiën in zake praebenden, vicaryen en soortgelijke beneficien, genomen van 16 Juny 1807—4 Jan. 188\'2.

Utrecht W. Van Beuningen.

12 Jan. 1883

Afschrift.

N°. 122.

5e Afdeeling.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

Gezien het adres van Jan de Ridder, rentenier, woonachtig te Schalkwijk, strekkende om confirmatie te bekomen op de door hem als tegenwoordige Patroon of Collator gedane begeving der inkomsten van een vicary in de Kerk van St. Jan Baptist te Wijk bij rgt;uurstede op St. Maria en Barbara altaar gefundeerd bij Gerrit Jacobse in den Eng, aan Godert de Ridder te Wijk bij Duurstede.

Gelet op de briefwisseling welke vroeger nopens deze zaak is gevoerd geworden, en bijzonder op het dezerzijdsch schrijven aan den Heer Staatsraad Gouverneur der Provincie Utrecht van den 7 Augustus j.1. n0. 229.

-ocr page 752-

94

Mede gezien het besluit van den Souverein Vorst der ver-eenigde Nederlanden van den 8 Mei 1814 Nü. 147, waardoor de • Minister van Binnenlandsche Zaken is gemagtigd om te beschikken omtrent alles wat betreft de begeving en de confirmatie van gedane begevingen van vicarijen Prebenden en soortgelijke beniticien en zulks op dezelfde wijze als dit van ouds heeft plaats gehad.

Heeft goedgevonden;

Uit kracht der algemesne autorisatie in voormeld besluit vei vat, de begeving gedaan door Jan de Ridder te confirmeren, zooals die geconfirmeerd wordt bij deze, en dien tengevolge den persoon van Godert de Ridder te verklaren zooals hij verklaard wordt bij deze, gerechtigd tot het bezit en genot der inkomsten van de vicarj in de kerk van St. Jan Baptist te Wijk bij Duurstede op St. Maria en Barbara Altaar gefundeerd bij Gcmt Jacobse in den Eng, zulks behoudens Zijner Majesteits en eens ieders regt en mits de geregtigd verklaarde zich gedrage naar de bepalingen en verordeningen welke op het stuk der vicaryen reeds bestaan, of in het vervolg mogten worden uitgevaardigd.

Deze dispositie is in het register der vicaryen geinsereerd, onder N0. 526.

\'s Gravenhage, den 20 October 1843.

{get.) Schimmelpenninck v. d. Oye.

Voor eensluidend afschrift

de Griffier der Staten van Utrecht de Kocq.

Aan

den Heer J. de Ridder te

Schalkwijk.

-ocr page 753-

95

Afschrift.

N°. 229.

5e Afdeeling\'.

\'s-Gravenhage, den 7 Augustus 1843

Bijgaand adres van J. de Ridder te Schalkwijk, strekkende om erkend te worden als Patroon der daarin genoemde Vicary en waarin niet meer gesproken wordt om tevens geregtigd te worden verklaard tot het genot der inkomsten van de Vicary doet mij veronderstellen dat gezegde persoon genegen is zich te gedragen naar den inhoud van mijne missive aan U HoogEdelGestrenge van den 27 Mei 11. N0. 138.

Voor zooveel dit werkelijk het geval is, verzoek ik U HoogEdelGestrenge den Heer de Ridder te willen doen weten, dat zijn Patronaatschap niet behoeft bepaaldelijk en afzonderlijk te worden erkend, maar dat hij desverkie/.ende zooals dit in voormelde missive is te kennen gegeven, dadelijk als Patroon kan optreden en eene begeving kan doen der inkomsten van de bedoelde Vicary, op welke begeving echter bij mij de van Gou-vernementswege benoodigde Confirmatie zal behooren te worden aangevraagd.

De Minister van Binnenlandse/ie Zaken . \\get) Schim melpenninck v. d. Oye.

Voor eensluidend afschrift

de Grifjier der Staten van Utrecht, de Kocq.

Aan

den Heer Staatsraad Gouverneur der Provincie Utrecht.

-ocr page 754-

iV. 2 AZ.

Utrecht, 28 October 1843.

Onderwerp Vicaryen.

Ik heb de eer ÜEd. te verzoeken bijgaande dispositie uit te reiken aan den Heer J. de Ridder en de verschuldigde zegel- en legesgel den ad f 2.72s aan mij over te maken.

Be Staatsraad Gouverneur der Provincie Utrecht {get.) van de Poll.

quot;Voor eensluidend afschrift

de Grifjier der Staten van Utrecht, de Kocq.

Ben Heere

Burgemeester van Schalkwijk

N0. 2 AZ.

Onderwerp

Vicaryen. Utrecht, 28 October

Ik heb de eer UEd tot derzei ver informatie hierbij toe te zenden afschrift eener door den Minister van Binnenlandsche Zaken genomen dispositie op het verzoek van den Heer J. de Ridder te Schalkwijk, waartoe laatstelijk betrekking had ÜEd. missive van den 25 October 1843 N0. 58.

De Staatsraad Gouverneur der Provincie Utrecht [get.) van de Poll.

Aan

Ileeren Burgemeester en Wethouders van

Voor eensluidend afschrift

de Griffier der Staten vatt Utrecht, de Kocq.


Wijk bij Duurstede.

-ocr page 755-

Bijlage N0.

VERKLARINGEN

van den vicaris

Jan Jansz. Roest te IVIontfoort op 3 en 8 Februari 1594.

7

-ocr page 756-
-ocr page 757-

99

AFSCHRIFT van stukken betreffende de Memorie-goederen te Montfoort, berustende in de verzameling rijks-archieven in Utrech t.

Overgelevert den vne February 94.

Dese naebescreven goederen sijn den pastoer ende getneijn memorie heeren van St. Jan Evangeliste kercke tot Montfoort competerende ten behoeve die bedienende zijn liet choor ende worden gedistribueert in presentie ende memorie gelden , breder mede soe nae volgen zall etc.

Huijsrenten.

Cornelis Willemss11. Schinkel .....xvi st. 4 d.

THerck Ghijsbertssn. ..... . . . m st. 4 d.

Jan van Ghiesen als voer.......m st. 4 d.

Cornelis Thonissn van de Poll.....xi st. 4 d.

Steven Geliss11...........7 st.

Brunt Janss11............7 st.

Jan van Campen..........nu st.

Dierck Tsbrantss11..........nn st.

Andries Henrickss11..........ui st. 4 d.

Cornelia Steens dochter........ui st. 4 d.

Emont Antlioniss11......ur gl. n st. 1 d.

Jan Willemss11. van Poll.......in st. 4 d.

Andries Gerritss11..........ui st. 4 d.

Jonathan de Duysel.........m st. 4 d.

Phenna Steens..........i st. 6 d.

Marigen Secretaris.........ui st 4 d

Dierck de Lahecop.........m st. 4 d.

Mechtelt Jacobs dochter.......im st.

Jan Wesseken...........x st. 4 d.

Willem Egbertss11..........nu st 4 d.

-ocr page 758-

100

Sijvert Govertssquot;...........yin st 0 d

Reijer Sebastiaenss11........... st

Jacob Thoniss11. vau de Poll......7 st.

Abr. Assuerus van der Maets erve . . . . m st 4 d,

Cornelis Franss11. Gollaerfc.......in st. 4 d.

Jan Arienss11. Collaert........7 st.

Steven Gelissn...........7 st.

De vicarius van het gasthuys......ill st. 4 d.

m gl 1 g\'-

Jaspar van Dam.....

. v st. II

d

Willem Willem Ploriss11. .

,

. V st. II

d.

Thomas van Rinevelt

. 1 st 6

d.

Neel Verhoefis stall ....

. xiiir st.

De pastorije erfi.....

. xrni st.

Cornelis Janss11. van der Mijll

. . v

gl-

VIII st.

Jotlrou van Hal male

. ii

g1-

Gerrit Coevoet .....

. in

gl

Jan van Bemmel ....

. ui

gl-

Gerrit van [lollandt

. in

gl

Obli»atien.

Heer Willem Bosschertshotï\' .

Marigen Heer Claes dochter .

Peter den Brouwer......m

Hoff renten.

De vicarius van St. Jan Baptist.....x st 4 d.

Jan Pressen...........xxxir st.

Jan Pressen...........in st. 4 d.

Willem Egbertss11..........i st. 6 d.

Cornelis van Proeyen........i st. 6 d.

Willem de Schonen.........in st. 4 d.

in st. 4 d.

xvii st. 1 penu

Pantrenten.

Thomas van Rijnevelt Hoef in Heeswijck

-ocr page 759-

101

iVans Digitus.......

Joris Sebastiaeussquot;.......

Wouter Cooren......

A-iithoiiis Hoven......

Jan Schilthouwer ... . .

Jan Arienss11. Collaert.....

Jan Arienssquot;. Collaert.....

Mechtelt Cappeteys erflglienameu Vuyt de goederen van Abbenbrouck

Gijsbert Heijnrickss11.....

Hanneken Blocklants weduwe . De erflgenainen up de pomp endecoernp deen helfte die Epistelaer ende Evan geliaer van dese penningen . Broucklaude van Isselsteijn Cameraers

Vuyt de goederen van Dobbelsteijn .... xvu st. 1 penn.

Willem Janss11. Sluys.....

Gijsbert Antboniss11. Stolcker üe Gasthuijsmeesters ...

De beijlige geestmeesters....

De kerckineesters .....

De vicarius van St. Antbonis altaer De vicarius van St Jan baptist Capittel van Naelwijck ....

Pooil Thonissquot;........

ix st. 4 d. vu st.

\\III st. XVI st.

ix st. 4

x st.

x st.

nu gi. nu st. III gl. xvu st. . . . xxviii st.

ui gl.

IIII gl. 1111 st. XVI gl. x st.

XVI st. VIII st.

gl. 4 d.

VI

III gl.

VIII gl.

vu st. 4 d.

vi Kl

ses

d.

in

V 1(1.

X st.

XVI gl. III d


Lantpacbten.

Vande grote earner commende den pastoer ende geinen heeren als voer.

Heeswijck.

Anthonis Glivsbertss11. Ruwen ende Jan Berntssquot;. Vijti margen

Cornells Janssquot;. Ouwenrog^e.......vin

Steven Jan Joestenss»............. vin margen

Isbrant Gorneliss11...........1111 margen

marsen

-ocr page 760-

102

Noch de selve seven hout ende etlioke roeden.

Jan Gerritssn............. margen

Meerloe.

Flarman Jaiiss11, Brouwer ende leydt int water

bouck voer.............. margen

Blocklant.

Harman Janssquot;. voers.......... margen

Cornelis Everfss11........ . m margen

Polshrouck.

Uierck Crille»............. margen

Willenscoep.

Cornelis Ryckenssquot;.........nn margen

Anthonis Gerritss11. cort......... margen

Peter Glii)sbertssns. kijnderen.....mi margen

Gijsbert Thoniss11. een halff\' hont ende . m margen

Willem Luytenss11.......... margen

Cornelis Jacobss11. Hepman......negen dalve margen

Cornelis Symonss».......... margen

Jan Peterssn............ margen

Denge.

Gijsbert van de Poll ......... margen

Jan Heijnrickss118. weduwe......xi margen

Noch op Isselvelt............ hondt

dHaer

Heynrick Claess8. Spruyt....... margen

Lange Lynschoten.

Jan Koerssenssquot;............. margen

Cornelis Claess* Spruyt........... margen,

-ocr page 761-

103

Cattenbrouck.

Jan Dyerekssquot;.......een hout emle in margen.

Leuaert ende Cornelis Spruyt gebroeders . . dardalve margen.

Rapinen erflpacht

Cornelis denser ertlgenaem.......vijftalve margen.

Mastwijck.

Cornelis Wiilemssquot; Schickel.........v inaroen\'

üierck Gerritssquot; Ruwen..........v lnalgen-

Achthoven.

Jan Govertss» vau Koeijen.......vijftalve margen.

Aert Hoorn............dardalve margen.

Jacob Hollander...........dardalve margen.

Bernt Arienss11 Scliinckell . . drie deelen van een vyertell.

Ordinaris lasten.

De deyll pontiani i

De deyll scholastici | ^ een Montfoertse mudde

De deyll domini Jodoci ( weijts De deyll Bartholomei 1

De deyll Heer Jan Cobijn I

Cleyne deylen.

De cleyne deyll van Potter.

De cleyne deyll van Hoorn.

De cleyne deyll Obyns.

De cleyne deyll Aert Skell.

Van eclke mudde van backen min of meer . . xxx st.

De vicarius van St. Niclaes heeft tiaers . . . vin st.

Noch...............V1U S1- VI11 st-

Dese hoeftpenningen hebben die pastoer ende gemeyn heeren behantreyckt de heere borchgraefi van Montfoort lest memorie.

De vicarius van St. Jacobs altaer.......... st.

De vicarius van ons Lieve Vrouwe.......xv st.

De vicarius van het Heylich cruys.......vm st.

-ocr page 762-

104

De Co.ster placli te hebben van lichten deppen mi si. vnst. lid.

Jtem coena dornini de passie te seggen van de rekeninge te scriven de rentmeester van syn behoulicke salaris . . nunc vacat.

Item heeft de Cleyne Camer coinpeterende alleen den pastoer oude priesters des jaers van wegen het testament des lieeren proost van Oudemunster tot Utrecht vuyt dese voers. grote cainere ix srl. xvi st.

Item coempt die vyer chooralen tot Montfoort vuyt de goederen van haer G® van Arenbercli ende worden betaelt vuyt de goederen

van Polsbrouck te samen..........xv gulden.

en van

Willem Collaert met sijn adherenten hebben hyer van bewijs etc ende het recht competeert dis memorie meyster met den pastoer.

Extra ordinaris.

De predicant es gewesen bijde Ee heeren Staten van Utrecht ofte haer Gedeputeerden dat hij heffen ende lichten sal gelijcke portie als alle voergaende pastoren ontfangen ende genoten hebben gehadfc soe well in dese grote als cleyne earner ende nu boyendien hebben dye Drost ende Gerechte hem jaerlijcx toegevocht tot beswaringe van de vicarissen . .......t gulden.

Item was de usantie dat alle kijnderen ende oick die nyet gequaliticeert en waren met de oerde sacerdotaell plegen haer diensten moeijten bestaeyden aende olde heeren vicarisen ende die dacr van te contenteren vuyt haer corpus goederen van haerder beneficiën een yder nae de helastinge staende tot synre beneficye ofte vicarije.

Item en was nyemant inde geheele presentie ende memorie goederen capax dan die waren gequalificeert als voor ende diakenen ende subdiakenen ende dyergelijcken met den schoolmeester ende coster maeckende een portie met haer beijden in dese grote Camere ende anders nijet wesende een yder semi particeps inder distributie.

Item hebben die van de gerechten geimpetreert aen haer G\' van Moriaulmez IMontfoort etc. tot Haestrecht wesende omine voorts

-ocr page 763-

105

te reijssen uae thuys vuyt de geünieerde provintien appoinctament ten eijnde dat de vicarissen des siaers vuyt dese voers. goederen souden reijcken ten behoeve van eenen Lathijnschen schooliDeester boven vyer gulden dat de ouders voer haere kynderen van scliool-gelt moeten betalen sonder nochtans te hebben aggregatie ofte abprobatie van V. E...... ......lc gulden.

Item es waentchtich datter eertijden tot Montfoort Lathinsche schoolmeesters sijn geweest maer int minste uyet tot beswaringe van den pastoer ofte gemeijn heeren

Is oick waerachtich datter alsnoch tot deser ure sijn bequame lathijnsche schoei meester eensdeell die verscheyden jongeren tot commensalen hebben.

Nochtans nyet tegenstaende soe den Ijathinschen schoehneester noedeloes es op den stadthuyse alsoe men lichtelicken sal met goede acten doceren flat aldear nauwelicx en sijn frequenterende over de mi ofte v jongeren daer der oick nyet een van allen gehouden en sal werden in studyen te bliven.

Maer schint dat de drosst ende magistraet uyet alleen en soucken die bederflnisse ende bedroevinge vande olde vicarisen maer oick van de geheele scamele gemeijnte gelyck sulcx lichte-lijck blijckt dat de voornoemde vicarisen plegen alle de voer-gaende deijlen des jaers vuyt te doen reijcken ende solden die vicarisen tselve volbrengen met de grote quotisatien, jae hoe cleyne saken oick van waken bvten daer sij mede belast warden gelijck onlanx bij acten geremonstreert eï geweest men E. lleeren Staten int proces dat Joneker Gijsbert van Zuylen aengeleijdt hadde tegen de voers vicarissen soe solde het meer dan tijt wesen te scheyden dan langer te blijven ende oil dit koempt doer den drost ofte magistraet is haer notoer.

Ende soe nu men heeren die Gedeputeerden kennisse hebben dat alle de kynderen meestendeel op een ofte twee vuyt gecoft syn met een sekere somme des siaers van penningen blijckende bij de geremonstreerde accoerden hinc inde geteyckent omme bequaemmelicker in stuydys te bliven daer nochtans sy plegen haer moeten gecontenteert houden eertijden alleen met haer corpus

-ocr page 764-

106

goederen ende geen genot mendallen te heffen vuyt de voers. gemeijne goederen soe verhoepen ende bidden de olde vicarisen men heeren de (gedeputeerden njet alleen dat zij vicarisen inoegen verlicht werden soe van het super plus van den predicant in de plaets van de pastoer inner naementelick vande voers. noedeloese hondert gulden up dat ■/.[] vicarisen inoegen uae older gewoente den arme distribueren alle de voergenoemde gespecificeerde deylen daer toe synd.e gemortifiseert. Twelcke doende men voers. heeren soe haest als men heeren desen bouck sullen ontfangen ende gelesen hebben sullen aen (jodt almachtich bewijsen een goet werck van caritaten ten behoeve van de voers vicarisen ende den gemeyn arme menschen. Dit doende etc.

Item wat merckelicke excessive ontcosten die vicarisen geleden hebben soe van den duytschen schoelmeesters proces [?] oick van Claes Dyerekssquot; rentmeester soe het gedient heeft eerst inden Haege ende nae voer mijn E. heeren. Mitschaders oick nu ten laesten soe mede Joncker Ghysbert van Zulen requirant geprocedeert heeft gehadt alle welcke drie processen getermineert sijn bij men heeren die Gedeputeerden strek mede tot kennisse etc.

Lantpachten.

Hyer nae volgen die goederen van de Cleyne camer competerende alleen den pastoer ende die met de oerde sacerdotaell eertijden plegen gequalificeert te wesen oick sijn altyt exempt geweest vuyt dese camer die schoolmeester ende coster wesende dienaers van den voergescreven ende de diensten daertoe beboerende es de olde vicaris bekent.

Willenscop.

Peter Janss^1 Brouwer . . ........xi margen

Diemersbrouck.

Gernt C\'Orneliss® mi marger

Rietvelt.

mi margen.

Jan Hoeijenssquot;.

-ocr page 765-

107

Coempt de cleyne earner vuyt de goederen van de grote earner het testament des proest als voor verhaelt. . . . ix gl. xvï st.

Hyer nae volgen die goederen van de pastorye alle die getneyn vicaryen soe die gauderen inder presentie memorie als andersins mitsgaders de namen ende toenamen van de, veii possessuers ete.

In den eersten

De cure der pastorie es vaeerende doer dyen dat de verus pastor tot Leyden overleden is etc.

Totter pastorye behooren op Heeswijck ontrent de stadt drie blocken grove, smale, krytende, ende liennep thienden streckende ontrent van de muelen tot het landt van Meerloe lande van Isselsteijn.

Item noch een schoon huysinge die Abraham Janssn Welsinck als minister es bewoeneude staende aen liet kerekhoft.

De belastinge.

Inden ie heeft de minister als voor vuyt de presentie ende memorie lc ^1 eude nyet meer vuyt dese thienden dan 11c g]

Item waer het markelicke super plus es blivende es Godt bekent.

De memorie heeren hebben vuyt het aen gecofte erve der pastoryen hoft des jaers...........xnil st

De heere Borchgraefi\' coempt tot sheeren thiensse des siaers . 7 st.

De vicarius van St. Joesten altaer

Heer Willem Gerritssn. Bosschert heeft ontrent xL jaren meer residentie continuerelick geweest.

Polsbrouck.

Peter Janss11..............mi margen

Arien Martss11.............U margen.

De Weduwe van Cornelis Bastiaenss11......n irargen.

Ott Ottenss*..............n margen.

Jacob Janss11..............UI margen

Jan de Ridder tot Utrecht.........v hondt.

-ocr page 766-

108 Heeckendorp.

Adriaen Jacobssn............. lnar?en.

Weerder.

Franck Jacobssn.............Inargen

Hossvreerder.

Willem Matheussn............ 1[iai.geiK

Isselvelt.

Cornelis Willemssquot;. Schinckel........... ee„ .„«rgen.

Mastwijk.

Aert Schinckel............... mai.gen.

Willemscoep.

Willen, Luylenssn............. llmi,gelK

De xiiii margen ontrent gelegen in Polsbrouck

brengen ir, des jaers............... git

Somma in alles lxv «Is.

De vicarius van bt Joris altaer - heer Cornelis Comeliss11. van Vtrecht lieeft ontrent xxxm jaren ende contiimelick in de residentie geweest.

Honckop erftpacht.

Cors Jacobssn..................

Des iaers................ gl.

üaem Peterssquot;.............. mai.gel)

Des jaers........................xv gl

Cattenbrouck

Peter Centen .............. margen

Den hoep des jaers............ „j

Vuyt de capelwerft op Polanen betaalt Peter Centen

voers des jaers te rente.........n gl.

De vicarius van St. Marie Magdalenen ofte Heyligen Geesten altaer.

-ocr page 767-

109

Heer •Ttin Janss11. Roest van Vtrecht heeft inde xx jaren sijn residentie continuelick tot Montfoort gehouden.

Mastvvijck.

Arien Aertssquot;. Hollander.........v margen.

Isselvelt.

Jan Aertssn Steen.........een halve margen

Meerloe Eerfipacht.

Jan Peter Jacobssquot;............1111 niargen.

Jan Ghysbertssquot;. van Leyden........X hondt

Willenscop.

Cornelis Ryckenss11............... . n margen.

Jan Peterss11 met syn broeders.......ni margen.

ende Cornelis Symonss11.

Hyer vuyt betaelt de vicarius aen den coster I st. 11 deyts.

Corte blocklant.

Cornelis Symonss11...........1 Vj margen.

Item een hofiken buyten Heeswycker poort bruyckt Thomas Boey. Hyer vuyt heeft de heere Borchgraeff des jaers tot sheeren

thiense................. st. n d.

Item fle gasthuijsmeesters geven des jaers......xx st.

Jan Bossman Heynrickss11...........xx st.

De weduwe van Jan Andriessen.........mi st.

Lenaert Spruyt.............. st. 6d.

Deze vicarye brenckt des jaars aen keesen ottc geit in vrij geit ta gl.

Heer Matheus Cuper.

Possesseur van liet heylich cruys altaer residerende tot Montfoert.

Achtersloot.

Jan IMock Jan Gerritss11 ende liever de snyder . vin margen.

-ocr page 768-

110

Benscop.

Jan Bras...... .......nu tnargen.

Blocklant.

Henrick van Zulens hofistede........mi margen.

Willem Sluys.............nu margen.

Willenscop.

Dierck Floreu Cornelisz ... ... ... een margen Anthonis Crerntss^ Gort ...... ... een margen

Gornelis Janssn Heynrick Janssn (?) een yder

bruyckt............... halve margen.

Gijsbert Thonissn Stolcker........... marlt;Ten.

Heeswijck.

Adriaen Willemss»............. margen

Vuyt Arien Schoutenshujs bynnen Montfoort des jaers. . . xil st. Die memorie heeren betalen des jaers.......vm st.

De vicarius van St. Niclaes altaer.

Jan Terspill ende es in studys possessor etc.

Blocklant.

Gornelis Jacobssquot; Heer , ende Gornelis Aertssn

woenende beijde bynnen Montfort.....xil margen.

Willenscop.

Peter Janssquot; Brouwer........... margen

Item heeft dese vicarye vuvt de memorielieeren

goederen des jaers te rente.......vin gl. vmsl.

Noch een vuytgange vuyt de selve goederen des jaers . . . vm st

De vicarius van St, Anthonis altaer int sheeren choor.

Gelis van üottingmes is verus possessor syn vader is woenende tot Mechelen breder soe men heeren de Staten bekent staet.

-ocr page 769-

Ill

Willenscop.

Henrick Janss. (?)...........v margen.

Jacob Janssquot;, Sluys...........mi margen.

Jan Peter Jacobss11............IIVj margen.

Jan Peter Jacobss11. . ....... • iiV-i margen.

Rapinen.

Jan Heynrick Hugenss11.........mi margen.

Mr. Cornelis Gerritss11 hays................Xim st.

buys................xim st.

De gasthuysvicarije.

Mr. Gerrit Brueckelaer heeft laest vicarius ende geresideert gehadt met de drie olde voergenoemde vicarisen ende es doer armoede verthoegen a0 74.

Men heeren Staten met de voergenoemde vicarven hebben de goederen bij Adriaen van llhenen doen nemen in arreste etc.

Heeswijck.

Arien Janssn van Abstede.........v margen.

De soon van Arien de Bout........mi margen.

Isselvelt.

Cornelis Willemss11 Scbinckel........ I margen.

Dienerbrouck.

Claes Thyssen.............II margen.

Vuyt het landt in Heesswijck toebehorende Gysbert

Rutgen..............drie schilt.

Een huysinge staende achter de gasthuyskercke.

De vicarius van ons L. Vrouwe altaer coempt des

jaers vuyt dese vicarye......... VIII st.

Die memorie heeren coempt vuyt het buys des jaers in\'st. De kerkmeester coempt.......... in\'/i st.

-ocr page 770-

112

St. Jan Baptisten aitaer.

Peter van Cats des Maersclials soon tot Montfoert possessor

ende sijnde in studyn.

Willenscop.

Dierck Arienssn CoHaert.......... margen.

Joncker Jan van Basseroede......n margen n hont.

Harbart Claessn...........„„ margen.

Snel re weerde

De weduwe van Gerrit Evertss» bruyckt een viertell.

Achtoven.

Bernt Arienssquot; Sohinckel............ viertell.

De gasthuysineester hebben vuyt dese viertell tot erft\'paclit des jaers ende moet de vicarius in der tijt betalen . xxviu st.

Heeswijck.

Arien Aaertssn de Bout soon.......... margen.

Twee percelen lants ende gebruyckt in erft\'paclit

Henrick Claessn. Spruyt voer......HI gl. xm st.

Twee hoven ofle bogaerden gelegen buyten de Isselpoort ende worden gebruyckt by Jan van Poll.

Jan Willemss11 geeft noch tot erflpachte des jaers vuyt syn huvs-

s\'nSe..................in gl.

Vuyt den eenen bogaert ende vuyt het landt dat gebruyckt wordt Dierck Arienss11 Collaert hebben die memorieheeren des jaers van den vicarius.....•.......xx st.

Item de heere Borchgraeö coempt des jaers vuyt de

veers bogaerden................. st_

De vicarius van onsse L. Vrouwen aitaer coempt

des jaers......... . . . . ix st. 4 deyts.

Hyer deficieren de goederen van de twee syel provens de goederen van St. Jacobs aitaer eude L. Vrouwe aitaer. Item van hetheylich

-ocr page 771-

113

graft ende manhuys vicarye, doer oirsaeck dat Henrick Lievenss11 van Bruessell de olde vicarisen nyet en heeft willen overleveren het gemeyn bouck dat van alle, sne vande pastorye als vicaryen gecopieert es bij Jonathas van Duysell wesende nyet geheel correct maer die vicarisen selve gelevert sijnde sullen tselve eraenderen nair beboeren , ende dese goederen voers sijn bij mij ondergeschreven gecopieert nae mijne beste kennisse actum den ill februarii 94.

Te leveren in handen van den Gedeputeerden der E. Heeren Staten slants van Vtrecht.

Wij residerende olde vicarisen

IJ. E. onderdanige dienars (Was gei.) Jan Janssquot; Roest. Voor eensluidend afschrift.

Be waarnemende archivaris der Rijksarchieven in Vtrecht, E. A. L. van Rappard.

AFSCHRIPT van stukken betreffende de Memorie-goederen te Montfoort, berustende in de verzameling rijks-archieven in Utrecht. L. S. no. 327.

Overgelevert den Xllll February 1594. Veiclaiinge.

Heer Aert Haese vicarius van een van de twee syell provens wesende warachtig possessuer, hebbende sekere jaren ofte tydt het choor helpen frequenteren met de olde vicarisen, is doer groter armoede verthoegen aquot;. 74 gelijck oick meer andere priesteren ofte vicarisen gedaen hebben maer sijn alle overleden vuytgesondert hij Haese voerzs.. ende is nu tegenwoerdich residerende in des vrij keyserlicke sticht Thooru, werdende onderhouden vuyt inedogent-heyt van de Ee Ge Vrouwe genaempt Josina Gravinne van fier Merck blijckende by haer Ge attestatie met subsignatie ende zignatuer ende dat met een soberen staet tot der tijt hij Haese sal gestelt werden in syn duechdelicke possessie dwelcke bepleydt werdt voer-

8

-ocr page 772-

114

rlen E. hoive tot Utrecht jegens eeneu Henrick Lievenss*1 van Bruessel. Is oick waerachtich dat hij Haese is geweest tot Mont-foert plaetze sijnre olde residentie a0 80 liebbende de landen tot synder vicarije als voor toehoerende de novo verhuyert gehadt die toe weder int redict begonnen te komen blijkende bij de buyer cedullen hinc inde onderthekent eude alsoe seer weinieh soe van der vicarye inkommen alsmede presentie gelden waren te ontfangen doer dyen is hij Haese weder verthoegen plaetze als voer, op syn verleende consent hem vergundt bij den Geestelyeken rechter, mits dat hij bestaende moste den dienste daertoe belioorende, welcke dienste aengenomen beeft gehadt ende gedaen, heer Willem Ger-ritssn Bosschert. Ende dat totter besluytinge van der kereken-dienste ende die sursantie geschied ipso die cantate aquot; 81 stilo veteri.

Dimersbrouck.

Claes Aertssquot; bruyekt . . ;......vm margen.

Claes Lueloflz. nu Jacob Dierckss.......v margen.

De weduwe van Jan Heyurickss11 . . . . UI margen li bont.

Gerrit quot;Wouterss11 . ...........II margen.

Brons Claess11 de helfft van.........xxi bont.

Papecop.

Bastiaen Claess11 geeft des jaers te rente elcke syel priester vyft gulden.

Nota verclaringe nae onsse kennisse

Henrick Lievenss11 van Bruessel heeft geimpetreert heer Aert Haesens zyel provens voers. a0 81 den 15 december van den heere Borchgraefi loflijker memorie F en dat soo hij seydt voer sijuen getrouwen diensten het schunt wel geschiet te weseti bij subreptie ende ubreptie want hij voers. sijnre ghiftbrieü ontfangen hebbende, es van Montfoert gereyst nae Bruessel tot een tijt dat de heere Borchgraefi overleden was a0 88 ende daer me es hij voers. weder gekommen tot Montfoert ende versocht van de residerende vicarisen dat bij moechte ontfangen werden in der presentie ende memorie goederen twelcke hem toegelaeten werde mits doende juramentum tidelitatis sijnde te vreden met halve portie als wesende een waerlijk persoon

-ocr page 773-

115

naeder costume viiii der statuten die hij verclaerde bij eede solem-nelijck voor schepenen verstaan te bebben eude hoewel hij passeerde daer van een schepen acte heeft nochtans hem gekeert tot mijn E. lieeren die Staten slants van Vtrecht. Ten laesten doer dyen dat heer Aert Haese nyet en hadde gelaten procuratie soe en konde oick nyemant voer Haese intervenieren ende men lieeren voers. hebben belieft gehadt sentencie te pronunchieren op synre dotacie brieft\' vergunnende mede hoe well hy geen priester en is dat hij evenwel genieten sal gelijcke portie soe lange hij sijn residentie tot Montfoort houden sal ende nyet langer. Ende soe haer Ge van Moriaulmez als erfl\'genaem van haere zaligen heer ende broeder de Borchgrave gekomtnen was tot Monfoort om alle haere afl\'aren in ordine te stellen, heeft haer (i6 oick belieft gehadt afl\' te vorderen van de olde residerende vicarisen de namen ende toenamen vaiide possessuers van alle de vicaryen ende goederen oick vander presentie ende memorie ende bevinnende dat heer Aert Haese gepriveert was onrcchtelyck, sonder geciteert te wesen totter residentie oick soe haer Ge goede kennisse hadde dat Haese was verthoegen doer groter armoede, ende dat hij met eenen soberen staet onderhouden werden tot Thoorn, heeft doer dien ontboeden gehadt Henrick Lievenss11 voers op het casteel van Montfoort, hem atleyschende synne ghiftbriefl, ende haer Ge die gelesen hebbende seyde, dit es een syel proven ende die coempt heer Aert ende U nyet, want hij es priester, dan moeydt beer Aert U nyet, ick en sal U voer dese tijt oick geen impessement aandoen daer op hij voors. antwoerde, tie Vrouw die proven coempt mij ad vitam, heb ic dan een geladden aell bij de start, sij staet mij wel voer seven hondert gulden voer mijnre dienst daer op beantworende haer Ge coempt U soo veel ghij heb ter wel thien ofte xiic ontfangen, ghij syt een gehylickt persoon, enda hebt daer en boven tot Bmessell een hoere met kynderen, ende oick hyer een hoere met kynderen ende dyergelycke noch andere proposten in presentie van den Heere Ge Advocaet van den Berch ende andere, waerop dat hij voers. antwoerde dat ic doen was, doe in het beneticien ontfanckt, dat ben ic nu, ende.

-ocr page 774-

116

dat ic nu ben, was ick als doen, ende soe getroost sijnde es hij gekommen ende heeft sijn wedervaren als voor den residerende vicarisen geclaecht etc.

Joost van Nypoert es de andere vicarius maer geen priester van de tweede syelproven residerende met consent van den Gees-telijcken rechter a0 75 tot Utrecht.

Dimersbrouck.

Claes Aertss»................ margen.

Claes Luelofiz............. y margen.

De Weduwe van Jan Heynrickssquot; . . . . m margen n hont.

Gerrit Wouterssquot;............. margen.

Brons Claessn de helft van......... xxi hont.

Papecop.

Bastiaen Glaessn geeft des jaers te rente elcke syel-

priester............... v gulden.

Juerfaes Janss» Reaell residerende te Montfoort es vicarius van St. Jacobs altaer int Gerechts choor etc

Haer.

Op de Haer lande van Montfoort heeft dese vicarius thien margen landts daer is me gerekent anderhalff hont op de capelle-werff ende worden gehruyckt ut infra.

Lenaert Spruyi; de lande voers.......x margen.

£llert Ellertss11.......... . eeu margen.

gelegen met de voergaende anderhalf hont.

Isselvelt.

Jan Aertssquot; Steen...........n\'/j marden,

Gerrit van Uevender........... VU hont.

Willenscop.

Anthonis Gerritss11 Gort.......een halve viertel 1.

Item heeft de vicarie een hoft ofte bogaert met noch een geer lants bij den hogen Waart buyten de Iselpoort bruyckt Claes Thoniss11 Back.

-ocr page 775-

117

Item heeft Je vicarius vuyt de gemeyn heeren memoriegoederen

des jaers............................XI st.

Item vuyt Jacob eude Heynrick Scheetts huys gebroeders op het kerckhoff........ xxlii st.

Vuyt Jan Gerritss11 buys iu dachter straet XXIII st. II deyts li tuiten.

Jan Tlübbeu buys.......xxin st. n d. n miten.

Vuyt Sweer van Blocklauts buys..............II st.

Vuyt Tbomas Tboniss11 buys i st.

De gasthuysmeesters betalen........ 111 \'A st-

Willem Willemss11 Floriss11 buys . ...........vi st.

Uierck Arienss11 (Jollaerts buys .... XXIII st. lid. II initeu.

Vuyt Heyurick Snellsbuys..................1111 st-

De kerkmeesters betalen..................XI1

Cristant de Montfort vicarius van ons L6 Vrouwe altaer ende houdt syn residentie tot Montfoort.

Blocklandt.

Gerrit Heynrickssquot; Spycker . ......vm tnargen.

Willenscop.

Willem Luytenss11...........11\'A niargen.

Cattenbrouck.

Gornelis Meessn weduwe.........\'in margen.

Polsbrouck.

Jan Corneliss11............1111 margen.

Isselvelt.

Jan Aertss11 Steen........... 1 margen.

Reyerscap.

Anthonis Hollander........... \' ,nïlroe|1-

Ken buys staende bynnen Montfoort welcke bij vioarius es bewoenende.

-ocr page 776-

118

Van de kerckmeesters des jaers.......

Vuyt de vicarye vant gasthuys.......

^ \'let laudt van Dobbelsteyn op Heeswyck .

Vuyt de vicarye van St. Jan baptisten altaer . .

Dierck IJsbrantssn huys........

Jan van Campen .....

De possessner van liet Heylich Graft es woenachticli tot liijsell ende men heeren de Staten hebben iiyer van breder kennisse door Adriaen van Rkenen. [?] Rentmeester.

Verclaringe nae onsse beste kennisse.

Cattenbrouck.

Bruyn Harmantssn..........

Hubert Huygenss11.........

Jan Heynrick Huygenssa. . .......

Mastwyck.

Dierk Gerritssquot; Ruwen.........

Heeswyck.

Jan Gerritssn darden deel van.......

Hoeö\' Janssi weduwe.........

De vicarye int Manbuys tot Montfoort genaempt ons L. Vrouw ende es getrassereert met consent der Geestelijcker overicbeyt van Wermont omtrent Leyden gelegen dinkommen plegen te genieten ende te ontfangen de pastor ende memorieheeren tot Montfoert mits daer voer doende den behoirlijcke dienste ende dit beneficie placb gestelt te werden op een van de residerende vicarisen. Hyer afi zijn verscheyden inunimenten van proces contra de beere Borchgraefl.

Mr. Peter van Leeuwen etc. es possessner van dese vicarye residerende tot Vtrecht volgens verclaringe nae onsse beste kennisse.

Warmont.

Dierck Claessn ofte die nu het recht van hem syn bouwende

xii st. vin st. xv st. ix st 4 d. i st. i st.

nu margen. vi margen. Uil margen,

II margen.

xi margen. mi margen. de vicarye van

-ocr page 777-

119

bruycken de lielft van..........XV11 ,Iiargeu-

Aelbert Joestenss,, ende Ij-aurens Syinonssn utte als

voer...............5111 marge»-

Qerrit Peterss11 ofte als voer........1111 uiarg?11-

Gerrit l\'oeyt ofte als voer.........11 Vj mar gen

Nyclaes Foeyt ofte als voer........X1II[ ^101^

Gerrit Janssu Snyder ofte als voer...... X1 hout.

Jan Peterssquot; ofte als voer.........ll\'i niargen.

Die paslorve van üestgeest lieeft vuyt die labryck te Hogelande bynnen Levden X scliellinck ende daer van heeft dese vicaive de helfte.

Dese twee voergaende vicarijen en hebben inet de pastoer olte memorie residerende heeren noyt getneijnscap gehadt inder distributie van der presentie ofte memorie goederen

Item een vicarye op ous Le Vrouwe altaer tot 1 kinschoten possessuei heer Jan Joppen ende behoore cleyne goederen toe.

Item op St. Anna altaer tot Woerden leydt oick gefundeert een vicarye ende daer van is mede collator de heere baion ende borchgrave ende daertoe behooren op de Haei lande van

Montfoort..............x Inarëen-

De possessuer is Uuytenberch tot Vtrecht.

Dit all geregistreert ofte gecopieert nae onsse geineyn beste kennisse sonder alsnoch ontfangen tc hebben het bouck by den secretaris de Duysel gesceven twelcke es berustende onder eenen Ueynrick Lievenss11 voers. gelijck de residerende vicarissen request van compell jegens hem overgegeven hebben aen mijn b. Heeren die Gedeputeerden van de Staten slants van Vtrecht Actum, den Xen Februarij 94 ende bij mij van wegen ons allen residerende olde vicarisen etc.

U. E, dienaren ondergeschreven

[Was get] Jan Janssquot; Ro.pst.

Voor eensluidend afschrift.

7)« waarnemende archivaris dsr rijksarchieven in Utrecht ï. A. L. van Rappard.

-ocr page 778-
-ocr page 779-

Bïjxage N0. XI.

VERZOE KSCHRIFT

dook

. gt;1. BEEK W 1 L.L.KR. te Utrecht

als collator eener zekere vicarie, volgens beweren gefundeerd in de St. Catharina-kerk te Utreclit. aan den Koning ingediend, tot benoeming tot possessenr, met de daarop gevallen afwijzende beschikking van 29 Januari 1884.

-ocr page 780-
-ocr page 781-

Aan den Koning.

Geeft met onderdanigeu eerbeid te kennen Franciscus Martinnis Beekwiller, de ondergeteekende , muzijkant, geboren te\'sHertogeu-boscli den 21 en Mei 18ÜÜ en vier en twintig, thans wonende te Utrecht, doch ten deze domicilie kiezende en stellende ten kantore van Mr. Albertus Johannes Roijaards, advokaat, wonende en kantoor houdende te Utrecht, aan de Nieuwe-Gracht, wijk l1, n0. 399,

dat bij Resoluties van 29 November 17UÜ acht en zestig en van 25 April 1700 negen en zestig, op het verzoekschrift van Gijsbert Rombout (Bijlage A. en B.), — bij resoluties van 2 Maart en 20 September 1700 vier en zeventig, op het verzoekschrift dei-verzorgers van Johannes Jacobus JRombout (Bijlage C. en D.) en bij resoluties van 17 Februarij en 31 Maart 1700 zes entachtig, op het verzoekschrift van Johan Bastiaan Beekwilder , als in huwelijk hebbende Maria Rombout en van dezelve Maria Rombout (Bijlage E. en l1.) telkenmale een persoon als vicaris of possesseur van zekere erfelijke vicarij in de Sut. Catharina kerk, te Utrecht door Gedeputeerde Staten \'sLands van Utrecht is bevestigd, of althans de voordracht tot benoeming van een vicaris of possesseur is goedgekeurd en de vicarij is vergeven, of, zooals dal in die Resolutie is uitgedrukt, iemand is verklaard of gequalificeerd om de inkomsten dier vicarij te genieten,

dat de genoemde Staten, door te beschikken op voormelde verzoekschriften, de personen van Gijsbert — Johannes Jacobus — en Maria — Rombout, voornoemd, alzoo achtereenvolgens hebben erkend als te hebben het recht van praesentatie, ook wel genoemd het recht van patronaat of collatorschap, der genoemde vicarij,

dat deze vicarij en het daaraan verbonden recht van collatorschap of praesentatie, sedert nimmer is gemortiticeerd of opgeheven

-ocr page 782-

124

en dit evenmin met vicarijen in de provincie Utrecht, in het algemeen, heeft plaats gehad, gelijk dan ook nog voortdurend verschillende vicarijen in die provincie, ouder anderen te Amersfoort, worden vergeven,

dat dit alzoo nog steeds bestaande recht van praesentatie of colJatorschap der meergenoemde vicarij thans op verzoeker, als oudste eu naaste afstammeling van bovengenoemde Maria Rombout, zijne grootmoeder, is vervallen,

dat verzoeker toch, als zijnde geboren den een en twintigsten Mei 1800 vier en twintig (Bijlage G) is de oudste nagelaten zoon van wijlen Josephus Beek wilier, zich ook genoemd en geschreven hebbende Josephus Beekwilder, den vijftienden februari] 1800 en dertig overleden, uit diens huwelijk met Helena Dumer-niet, den zesden Mei 1800 en tien te \'s Hertogenbosch gesloten (Bijlagen H en 1), welke Josephus Beekwiller of Beekwilder, den zeventienden Augustus 1700 zes en tachtig te\'s Hertogenbosch, in de kerk van Sllt. Jacob gedoopt (Bijlage K.), was de eenige zoon, gesproten uit het huwelijk van wijlen Maria Rombout met wijlen Johan Bastiaan Beekwilder, voornoemd, dat, sedert den dood van deze Maria Rombout nimmer op voordracht van den collator een vicaris of possesseur door de bevoegde macht is bevestigd en de genoemde vicarij thans alzoo openstaande is,

dat verzoeker, onder die omstandigheden, van het hem toekomend recht van colliitorschap wenscht gebruik te maken door een persoon als vicaris of possesseur dier vicarij ter bevestiging voor te dragen , l

dat hij daarbij op dezelfde wijze wenscht te werk le gaan als in vroeger tijden meermalen (inzonderheid bij de hiervoren vermelde verzoekschriften) heeft plaats gehad en hij de waardigheid van vicaris of possesseur aan zich zeiven wenscht op te dragen, hetgeen — blijkens de hiervoren vermelde Resolutiën van 25 April 1769, 20 September 1774 en 31 Maart 1786 van Gedeputeerde Staten s Lands van Utrecht (waarbij telkens de collator als possesseur der vicarij of vicaris werd bevestigd) — niet is in strijd met het vicarijrecht, zooals dit in vroeger tijden in de provincie Utrecht

-ocr page 783-

125

heeft gegolden en waarin sedert geene verandering is gekomen ,

dat Uwe Majesteit thans is getreden in de rechten en bevoegdheden der Gedeputeerde Staten \'s Lands van Utrecht, voor zooverre deze niet aan anderen bepaaldelijk zijn gedelegeerd,

dat nu wel is waar, bij Koninklijk Besluit van 30 Maart 1800 zes en twintig n0. lül , al wat de vergeving van vicarijen betreft is opgedragen aan Zijne Excellentie den Minister van Rinnen-landsche Zaken , maar dit Hesluit als uitsluitend betreffende zoogenaamde Vicarijen juris ecclesiastici, ten deze niet van toepassing is, daar de hier bedoelde Vicarij in de Snt Catharina kerk, te Utrecht, blijkens hiervoren medegedeelde resoluties, is eene zoogenoemde erfelijke of familie vicarij, ook wel genoemd juris laïcales,

dat het recht van bevestiging der vicarissen van deze laatste soort of de vergeving dier vicarijen, als niet door Uwe Majesteit aan eenige andere Macht in den Staat gedelegeerd , alzoo voortdurend bij Uwe Majesteit berust en daarvan door haar dan ook nog voortdurend, onder anderen te Amersfoort, wordt gebruik gemaakt,

dat Verzoeker zich derhalve ten einde de vicaris of possesseur van meergenoemde vicarij te worden bevestigd, of, om zooveel noodig, ten einde de voordracht tot zijne benoeming als zoodanig worde goedgekeurd en de genoemde vicarij aan hem worde begeven, zich heeft te wenden tot Uwe Majesteit,

redenen waarom verzoeker zicli met den meesten eerbied tot Uwe Majesteit keert, met onderdanig verzoek, dat het Uwe Majesteit moge behagen hem als vicaris of possesseur van zekere erfelijke vicarij in de Snt Catharinekerk, te Utrecht, waarvan achtereenvolgens Gijsbert — Johannes Jacobus — en Maria Rombout, huisvrouw van Johan Sebastiaan Beekwilder, in vroeger tijden bezitters zijn geweest, te bevestigen of, voor zooveel noodig, de voordracht tot zijne benoeming als zoodanig goed te keuren, zijn persoon voor aangenaam te houden en hem de genoemde vicarij te begeven, met alle daaraan verbonden en daaruit voortvloeiende

-ocr page 784-

126

rechten en bevoegdheden, alles onverminderd de aanspraken van anderen, die mochten aantoonen nader en beter recht te hebben.

\'t Welk doende, enz.

Van Uwe Majesteit de meeste getrouwe en gehoorzame onderdaan

[get.) F. M. Beekwiller.

Utrecht 25 Junij 1881.

Op dit verzoekschrift is door den Minister van Binn. Zaken bij dispositie van 29 Januari 1884 no. 224\' O. de volgende beschikking genomen:

De Minister van Binnei.landsehe Zaken.

Op het adres van F. M. Beekwiller, Beek wilder of Beek vrielder te Utrecht, om van Regeeringswege erkend te worden als vicaris of possesseur van zekere erfelijke vicarie, eertijds gevestigd in de St. Catharyne kerk te Utrecht;

Gezien de ter zake ingewonnen ambtsberichten;

Overwegende, dat liet fonds of comptoir der Convente en Balie van St. Catharyne in 1817 door den Koning is toegekend aan de Vereenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht en, aangezien met het fonds de lasten van het comptoir moeten geacht worden te zijn overgegaan, de Staat met de bedoelde vicarie niets te maken heeft;

Geeft, met terugzending der overgelegde stukken, krachtens machtiging van 29 Juni 1881 No. 12, namens den Koning, aan den adressant te kennen, dat hij zich met zijn verzoek heeft te wenden tot het Gemeentebestuur van Utrecht of tot de Bestuurders der Gods- en Gasthuizen aldaar.

Aan den Adressant.

\'s-Gravenhage, 29 Januari 1884 {get.) Heemskerk.

-ocr page 785-

Bijt.aqe N°. XII.

CONFIRMATIE

eener vicarie in Gelderland (Winterswijk) door den Secretaris van Staat van Binnenlandsche Zaken op 24 Mei 1815 gedaan.

-ocr page 786-
-ocr page 787-

N0. 228.

De Secretaris Van Staat voor de Binnenlandsche Zaken , overwogen hebbende het Request gepresenteerd door Gijsbert Kool Student in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Leijden, houdende verzoek, dat de noodige orders mogen worden gesteld, ten einde aan hem, zoo voor het achterstallige als toekomende, uitbetaling geschiede der gewoone twee derden van de inkomsten der Vicarien Sancti Sebastiani gevestigd in de Kerk te Doesburg, en Sancti Anthonii gevestigd in de Kerk te Wenterswijk, beide op hem geconfereerd, en waar in hij bij de overgelegde dispo-sitien van den Landdrost van Gelderland van 30 Augustus 1808, en 19 Junij 1810 respectivelijk is geconfirmeerd, doch van welke inkomsten hij sedert 22e Februarij 1810 zoude zijn verstoken geweest.

En in aanmerking nemende, dat ofschoon de beide voorsz. Vicarien in der tijd op hern geconfereerd zijn, echter de eerst-gemelde, of die van Sancti Sebastianii, welke hem slechts tot wederzeggens toe geschonken was, in liet Jaar 1812 door de Patronesse aan en ander is opgedragen, en gevolgelijk dat daaromtrent niet verder dan tot op dat tijdstip toe eenige aanspraak door den Request rant kan worden geformeerd, waar van echter de toekenning , als over een tijdvak anterieur aan het tegenwoordig Nederlandsch Bestuur lopende, door den Secretaris van Staat niet van zyne competentie wordt beschouwd, het geen even zeer met de tweede genoemde Vicarie, of die van Sancti Anthonii, het geval is, voor zoo veel aangaat de aanspraak , welke de Requestrant zoude kunnen formeren anterieur aan het oogenblik, dat het

9

-ocr page 788-

130

Nederlandsch Gouvernement de inkomsten dier Vicarie weder heeft beginnen te percipiëren, terwijl, zoo veel het ongenootene der twee derden van de beide bedoelde Vicarien gedurende de Fransche Administratie aangaat, de Hequestrant, des verkiezende, zijne reclame op het Fransch Gouvernement zal kunnen institueren, en omtrent dat geen, wat dezelve zoude kunnen sustineren hem nog van voor de Fransche Administratie ter dier zake te competeren, door hem zal behooren te worden afgewacht of en welke bepalingen er in het algemeen ten opzigte der onvoldane pretensien van voor de Fransche Administratie, waaromtrent geene praescriptie mogt zijn gelopen, eventueel zullen worden genomen.

Heeft de Secretaris Van Staat voorn11, ten gevolge van dit een en ander zyne dispositie ten deze alleen tot de Vicarie Sancti Anthonii gevestigd in de Kerk te Wenterswijk, voor zoo veel derzelver inkomsten na de herstelde Nederlandsche orde van zaken aangaat, bepalende, waaromtrent het hem gebleken is dat de Hequestrant nog werkelyk tot het voortdurend genot bevoegdheid heeft, uit krachte der algemeene autorisatie, by Zyner Majesteits besluit van den 8 Mey 1814 iM0. 147 op den Secretaris van Staat verstrekt, den Requestrant Gysbert Kool verklaard, gelijk hy den zeiven verklaart bij deze ter voortzetting zijner studiën geregtigd tot het genot van de gewoone twee derden der inkomsten van laatstgem. Vicarie, zich thans onder administratie der Domeinen bevindende, en zulks gerekend van het oogenblik dat her Nederlandsch Gouvernement die inkomsten weder heeft beginnen te percipiëren, tot zoo lang des Requestrants Studiën zullen duuren, mits dezelve by eiken ontvangst door een behoorlyk attest de Studiis daar van doe blyken.

Lastende en be veelende in naam en van wege Zyne Majesteit den Koning allen en een iegelyk wien zulks aangaat, om den voorgem. Gysbert Kool het effect dezer te laten genieten behoudens \'s Vorsten en een ieders regt, en mits dezelve zich gedrage naar de Wetten en instellingen ten dezen opzigte gemaakt, of in het vervolg te maken.

En is deze tegenwoordige, behoorlyk bezegeld, geinsereerd in

-ocr page 789-

131

het Register van confirmatien van Vicarien by het Departement van Binnenlandsche Zaken onder N0. 57.

Gedaan binnen \'s Gravenhage den ii-l Mey 1815.

])e Secretaris Van Staat voornuemd Roell.

Zegel.....

. . f —.19.—

Leges 1° . .

. . „ 14.—.—

2° . .

. . „ 3.10.—

3° . .

. . „ 3.10.-

Perqamquot; . .

• • „ 3.-.-

Bode ....

. . „ 6.-

ƒ 25. 5.—

-ocr page 790-

ÜSI

j 1 quot; W i

| iB^MW|HM|MHM

■■^i\'■ x\' ■ ?■:lt;::■ M

I5ÏA*v\'\'\'\\ SI

^PHMBro^r ^ 1 quot; ~

Wm^mmÊBÊSBÊmSMSÊ^mmÊ^m^Ê^^SÊÊ^X mBmmmm

rtlS\'ti J^^ PB■$£\'^*•l■\' ■ •\'ïi A st?;- ■ 1 s^i^WisB^wMw j. ; je .sr v mMWIffl™™8™™»

llpiBiHHlMHI I BBBIBm \'ilS?quot; jl\'j\'-jj\'- quot; -\'■iw ■\'1 M|BW|fpilBBWilOMfflS 1

•V\\\'-\'lt;SK\'^ fe\'j, -quot;■ v\'i-V ?,i: I

n i - ■; ■■-: \'vmktW^fPrnWMlm

I ■

■ ■ ■

I

-ocr page 791-

BIJLAGE N0. XIV.

BEHUOUKNDK BIJ HET

Rapport van Mr. U. VerLoreu van ïhemaat,

(JVER DE

V1GARIËN IN DE PROVINCIE UTRECHT.

-ocr page 792-
-ocr page 793-

Visitatie der kerken ten platten lande in liet Sticht van Utrecht, ten jare 159.1.

Remonstrantie-, overgegeven aen de E E. Heeren Staten s Latils van Utrecht, belangende den staet der kercken ten platten lande, tot verheteringe van den selven.

13 Maart 1593.

Mijn Heeren ;

Het is liet meerderdeel van uwe E.E. bekent, met wat sacbt-moedigheyt, bericht, eere en lijdtsaemheyt dat wij uwer ll/.E. onderdanige ende dienstplichtige, door wettelijcke bestellinge verordent, om de hoede ende wacht te houden over de kudde Cliristi alhier in dese stadt hem vergadert door t Evangelium, gesocht hebben de selve uwe E.E. te bewegen, om eens ordre te stellen, tot behoorlijcke ende eenparige bedieninge der kercken ten platten lande onder uwer E.E. jurisdictie geseten. Maer niet tegenstaende dat wij ons in desen dele, met so eene getrouwicheyt ende onverdrietsaemheyt tegen uwe E.E gequeten hebben inde 11 eere, het en is nogthans (eylacie) dit stuk geensins also ofte ter herte genomen, ofte dadelijck bevordert, als t van den genen te verwachten was, welcken de Heere door sijne naerder kennisse

begenadigt ende verlicht heeft.

Of dit geschiet is door grote ende swaere atiairen des Lants, met de welcke uwe E E. geoccupeert sijn geweest ende grote moeyte gehadt hebben (gelijck men ons dickwils tot antwooit op onse nodich ende heylich versoeck gegeven heeft) ofte om eenige

-ocr page 794-

136

andere politijcke respecten, dat is ons onbekent ende en kan al-wel met seeckerheyt niet ^eseyt werden. Edoch so heeft ons dese saecke dikwils swaerlijck becommert, niet weynigh in onse herten bedroeft, ende verscheyden bedencken gegeven, dat men nainelijck een saecke, uwer E.E. midschaders alle christelijcke overheyden voor-al ende op het hoochste bevolen van den leven-digen Godt, so eenen langen tijt getraineert ende onbevordert heeft laten blijven.

üaer doch de selve uwe E.E. so dickwils beyde in \'t openbaer ende in \'t bijsonder met alle ernst onderwesen sijn, dat Godt belooft heeft den genen te eeren die hem in dusdanige dingen eeren, ende ter contrari den genen te verachten, die Hem daerin verachten. Item daer ons de Heere Christus self vermaent dat men voor-al het Coninckrijcke Godts soecken moet, opdat ons alle andere dingen, tot de policie ende het huys-regiment gehoorich, also in sijnen segen mochten toegeworpen worden.

In wel eken allen (Edele en vermogende Heeren) wij achten ende weten, dat wij ons buyten de palen onser beroepinge en schuldige plicht geensins verloopen en hebben. Niet alleen over-midts uw E.E., professie doende van de Religie, hare halsen loflijck onder \'t soete jock onses Eerts-herders Jesu Christi, doer de Hoet-Tucht gebogen hebben eude ons de sorge over uw E.E., sowel als over anderen plichts-haive bevolen is ende toecomtj maer oock overmits dat wij, onse bedieninge hebbende in de hooidt-stadt deses Lants (inde welck ook uwer E.E, residentie is), de beste gelegentheyt hier-door hebben om ons in dusdanige dingen tegen de selve uwe E.E te quijten. Boven desen, wij hebben ons so (e voren, so oock nu tegenwoordelijck dese Godt-lijcke sorge voor sijn strijdende Kercke hier op der aerden derven aennemen, omdat uwe E.E. sell ons dickwils (als de mont des Heeren in dese stadt sijnde) belieft heeft in gelijcke saecken te vragen ende verscheyden advysen goedeliick ende danckelijck van ons t\'ontfangen ende aen te nemen.

Ende om voorts hier-op tot ons motyf te cotnen, wij hebben ons op de voorgaende fundamenten, oock als-nu ten desen dage

-ocr page 795-

137

nen uwe E E. willen adresseren , of misschien onse goede Godt uwe E.E. door sijnen Heyligen CJeest wilde inspireren een geneyclit herte, om de saecke, die wij mits desen renoveren, eens ter herten te voeren ende ter hant te trecken, ten eynde hem sijne eere na behoren in dit stuck door een lieviiglie vrij-wilückheyt mochte betaelt werden.

Temeer verhoopen ende vertrouwen wij, dat wij de vrucht van dit onse oude versoeck verwerven ende genieten sullen, omdat de staet des lants tegenwoordelijck sulx meer vereyscliet als oyt te voren Als wesende op eeniglie plaetsen geheel onversien met noodige dienaers, elders met sulcke vele beset, de welcke, wanneer behoorlijcke acht daer op genomen wierde, geensins voor de sulcke bestaan en souden gelijck se gehouden werden. En boven desen, om dat in verscheyden plaetsen, jiocb botte, ongeleerde, onvernuftige Papen geleden ende opgehouden werden, tot veler menschen onheyl ende eenen groten blaem over dit land in alle de genabuerde omliggende Provintien, in de welcke des Heeren naem hierom dagelijx gelastert wert Waer uyt ook dit noch verner ontstaet, dat de schadelijcke jesuyten ende andere Paepsche gesinden lanx soo meer inbreecken ende quaet doen,

Wilt dan, wilt dan (ó E.E. en vermogende Heeren), bidden wij in den naeme en door de eerlijckheyt ende liefde onses Heeren Jesu Christi, de reformatie in desen iterative!ijck ende so dickwils te voreTi versocht, eens met eenen ijver ende tot bewijs van uwer E.E. geneychtheyt tot den dienst ende de eere Godts, behoorlijck behertigen ende sulcks metter daet betonen. Opdat wij doorna-laticheyt ende slappicheyt in dese hoge saecke des Heeren toorn over ons niet en verwecken, gedachtich sijnde dat verschrikkelijck is also te vallen in de handen des levendigen Godts. Maer wilt veelmeer des Heeren werck voor allen anderen dingen getrouwelijck doende, hem veroorsaecken , om sijne genade over ons te continueren , ende uwer E.E. lof ende prijs bij allen nacomeüngen in den segen te bewaren, ten eynde deselve ten jonxten dage voor den .Richterstoel onses Heeren Jesu Christi, hare herten eiïde hoofden verheffende, mogen verschijnen tot beërvinge der heerlijckheyt die ons

-ocr page 796-

188

hiernamaels als eene gewisse bij-lage (gelijck d\'Apostel spreeckt) toebereyt is eiide sekerlijck bewaert wert.

Aldus gedaen iu onse vergaderinge deseu 13quot;\' Martii in \'tjaar der uterste lanckmoedigheyt Godts.

Uwe E.E. onderdanige ende dienstpliclitige de Bedienaers des Woorts ende de Ouderlingen in de gemeente tot Utrecht, ende uyt den naeme van allen ondertekent.

Joannes Gerobulus.

In dorso : //Eemonstrantie overgegeven bij de ministers des Woorts.» Origineel.

(NB. De notulen der Staten van dit tijdvak zijn niet meer voorhanden.

VERBAEL

van \'t gebesoingeerde ijfde visitatie der kercken ten platten

lande in \'x Sticht van Utrecht , uit gracht van zeeckere

commissie bij mijn E.E. H keren üe Staeten gepasseert,

den 3en July a0 1593, op de persoonen van Jonckheer Prederyck van Züylen van Nyvelt, Henrick Buth, Joannes Gerobulus ende Gerrit van Blockhoven.

Overgelevert nae voorgaende rap- Staet ende gelegenheyt vande

port bij Jonckheer Fredrick van Zuien , , . , ,, ,

van Nyvelt, Joes Cherobulus ende ten LanCe 111 t

Gerardus JJlockhoven, Ministers Sticht van Utrecht, ende\'loe uien

t\'Utrecht, mitsgaders Henrick Buth, de volle ende behoorlijcke bedie-

Ouderlingh, op den lesten Octobris ninge der selverbequamelijck zoude ende eersten Kovembris 1598. , ,,

connen aensteilen.

I

Het Uverqaartier.

I. Seyst.

Hier hebben wij de kercke gansch woest gevonden, behouvende groote reparatie van binnen ende buyten, waerin de Schout met

-ocr page 797-

139

die vanden Gerechte eude kerckmeesters (de welcke alle jaren bij de gemeyne bueren vercoren werden ende voor de selve haere rekeninge doen) belooft hebben met den eersten te versien bij omslach , alzo van \'t incomen tot de fabryca boven de 12 gl. 19 st. niet over en schieten, door dien zeeckere vier incrgen lants, m Jaersvelt gelegen, beleent zijn met 30Ü gl., die se nochtans (soo men ver-staet) na een jaer ofte twe meenen wederomme vrij te maecken. Verzonckende allen aen mijne Heren de Staeten, dat haere £.E. believe, die van de Bilt met die van Zeyst in \'t stuck vande tegenwoordige airede begonnen reparatie te combineren, insonderheyt in \'t betalen van de clocke, die se gecocht hebben.

Predicant ill dese plaetse is Cornelis Anthonissz., wonende alhier f Utrecht, de welcke aldaer eens Avontmael gehouden heeft met omtrent 200 persoonen, ende hem in sijne bedieninge draecht na de Christelijcke ceremonien , ende gebeden , achter den Catechism um deser Geünieerde Provincie gedruckt

Met het costers-ampt is de Schout versien, door collatie van de bueren; Ende verzoecken omine daer beneven een bequaem schoolmeester te becomen, dat mijne E.E. Heeren de Staeten believe yet hiertoe t\'ordonneeren wt het incomen van zeeker vicarye, leggeii te Drie-Bergen, edoch gehoorich tot dit Caspel, tegenwoordelijck gebruyckt bij eenen Thomas van Heurn door collatie vanden Deecken van St. Jans, ende eertijts (gelijck wij hier verstonden) gestaen tot collatie van Heere van de Lande, doende in corpore 78 gl., een mudde bouck-weyts, 22 cappoenen, 100 eijers. Tot welck verzouck die van Zeyst verclaeren hen wel gefundeert te houden, overmits eertijts, tot een bewijs dat dese goederen haere parochie toeco-men , daerwt plegen betaelt te werden 12 gl. voor wijn ende misbroot, ende daernae 10 gl. tot onderhout van den predicant, oock bij den tijt van Cornelis Anthonisz,, tegenwoordelijck dienaer zijnde.

Bij den boeck van Floris van Wede ») wert fol. 28 noch

\') Floris van Weede was in 1586 door de Staten \'s Lands van Utrecht aangesteld tot rentmeester van het comptoir der geestelijke of\' gebeneficieerde goederen. Zie onze Bijdr. en Meded., IV. bl. 135. Over het Boek- van dezen rentmeester zie aid. bl. 16«.

-ocr page 798-

140

eene andere Vicarie gevonden, gehooricli tot dese selve parochie.

De diaconie wert bedient hij de kerck-meesters op verbeteringe, ende houden alle jaeren behoorlijcke rekeninge, voor den Predicant Schout ende die van den gerechte, sonder datse nochtans eenich zeecker incomen hebben, behalven \'t gene dat in de kercke ge-collecteert wert.

liet heeft oock dese plaetse een pastoorshuys, maer gene gelegen-heyt voor de schoole.

11. Doorn.

De kercke alhier is in goede reparatie ende heeft haere ordinaire twe kerck-meesters, tot welcke bedieninghe alle twe jaeren eenige gedenomineert werden bij de gemeyne bueren, ende daer na gestelt bij den Pastoor, ende doen haere rekeninge na ouder costuyme, alle jaeren tot een van de gemeynte ende den pastoor voorsz., \'t welck nu in de laetste drye ofte vyer jaeren niet geschiet en is. Heeft des jaers aen lantpachten ende cijsen van huyseu 110 gl. 6 stv., volgens de memorie daarvan zijnde, edoch waer wtjaerlijx gaen 15 gl. voor den ingeseten armen.

Predicant ofte Pastoor is Anshelrnus Dlt; Dunselis, dewelcke aldaer gestaen heeft den tijt van 21 jaeren. Dese heeft hem strax in den vrijen tijt gevoucht tot de Reformatie, is getrout met sijn huysvrou, ende heeft het Avontmael geadmynistreert a0 1585 op den Christ-daoh, met omtrent 13 ofte 14 persoonen, maer noyt daerna, wt vrese van den viant. Item, propositie gedaen voor den kereken-laet t Utrecht over vijf otle ses jaeren, edoch en is nietgeexami-neert, waer-in sal connen versien worden; volcht nochtans in sijne bedieninghe, in bidden, den Doop, d\'Avontmael ende het trouwen, de forme achter den Catechismus gedruckt.

Gaf aen voor een gravamen , dat die van Maren ende Meers-bergen, gehoorich tot sijne Parochie, haere kinderen te doope brengen ende hen trouwen laeten bij Cornelius Wicanus, woonende tot Woudenberch, ende dat op sijn paepsch, niet tegenstaende dat hem Anshelrnus dickwils hier over vriendelijck vermaent heeft.

Is versien met eenen coster, Henrick Janssz., die sijnen dienst

-ocr page 799-

141

doet in \'t clock-luydeii ende siiigen, niet hebbende (soe se ge-tuygen) eenige seeckere gaetje, behalve tgene hem van ae ge-meynte werr, gegeven op de hoochtijden.

Hadden geerne eenen bequuetnen school-meester, en zoude hier-in (gelijck se aengaven) conen versien werden wt zeeckere vicarie, de welcke ontrent over 25 jaren vercocht ofte gebrachl is van eenen huys-man, aan den Heere van Moersbergen s. in., souder dat siine E. nochtans oyt eenich jus patronatus daer van gecompeteert heeft. Maer zoude dit geschiet zijn met consent van de schutterie, inids conditie, dat sijne E een buys zoude bouwen voor den Cappellaen, omme de scboole daer-in te houden, tot dienst van de gemeynte. Breder te vernemen wt het Schutters-Bouck ofte bij eenige oude persoonen, die noch leven en hiervan goede kennisse hebben. Dese vicarie wert tegenwoordelijck bezeten bij eenen Dirck vaii Wael, Procureur voor mijne Heeren de Magistraet van Utrecht.

Verclaert de predicant wijder, datter noch eene viiarie is tot dit Caspel ende tot de scboole zoude conen geëmploijeert werden, gelegen tot Darthuysen, een Buerschap onder Doorn resorterende, tegenwoordelijck gebruyct bij den pastoor van Over-Lanbrouck, onder \'t pretext van collatie (gelijck hij seyde), dewelcke bij Jonck-heer Joost van Aemstel van Mynden zonde wesen.

Diacoiiie ofte bedieninghe der armen en is hier gene, behalve dat de kerck-meesters jaerlijx op den derthiendach (zoo men hem noemt) wtdeelen de 15 gl. boven genoempt; edoch belooven hier-in naerder ordre te stellen, ende op verbeteringe na te volgen t gene wij verclaert hebben bij provisie tot Seyst te geschieden.

Heeft sijn pastoors buys, \'t welck tegenwoordelijck gerepa-reeit wert.

til. Leersum.

De kercke leyt gansch desolaet ende en heeft geen zeecker incomen dan omtrent 2 gl., maer plach bij de gemeynte onderhouden te werden bij omslach

Heeft in seven jaeren geen predicant gehadt, ende is nochtans

-ocr page 800-

142

versien met zeeckere pastorie goederen , gespeciflceert in den bouck van Flo ris van Wede, fol. 13, 14, 15.

Daer en is noyt schoolmeester geweest, niet tegenstaende hier onder wel 14 ofte 15 bauhuysen resorteeren. Zoude (onder correctie) wt de pastorie een goede schoole conen gemaeckt werden, alzo dese plaetse bequamelijck in den kercken-dienst met Amerongen te combineeren is.

Heeft een costers woninge, waer in de schoolmeester zoude conen gestelt worden.

IV. Amerongen.

Oock hier leyt de kercke noch gansch verwoest, wtgenomen dat se wederomme dack-dicht gemaeckt is.

Heeft haere ordinaire kerck-meesters, ende geven aen, dat d\'incomen van fabrycke ontrent de 70 gl. des jaers beloopt, edoch waerwt 16 gl. renthen gaen; maer wij hebben elders vernamen, datter noch eenighe parchelen verset zijn, ende de penningen daerop genomen geemploijeert tot lossinge van eenige gevangens, ende dat men besich soude wesen met de gemeyne venen te vercopen.

Mathias Gestel is onlancx geleden van mijne Heeren de Staeten tot predicant gestelt, aen wiens gaven (zo ons de Drost verclaerde) de gemeynte het beste contentement niet en hadde. Daeromtne na de verbeteriage van dien naarder zal moeten vernomen werden.

Belangende het corpus van Pastorie, seggen dat het Capittel van St. Peters de goeden van dien geincorporeert heeft, bij \'t welcke oock de collatie staen zoude.

De costerie wert bedient bij Henrick Cornelissz., oock een her-beigier zijnde, welcke dingen niet wel in eenen persoon en accor-deeren. Dese heeft zeeckere 12 gl. \'sjaers, waer-voer hij een campken gebruyckt. Item plach bij outs hier toe te staen 2 st. wt elcke huys, ende een st. voor hoochtijt-gelt. Hij geniet oock \'t proufijt van de duyven op den toren ende aen de kercke, ende zeyt dat dit t zamen plach wt te brengen ontrent de hondert guld. Hij heeft oock een veenken gehadt voor dese sijne bedieningiie, edoch

-ocr page 801-

143

\'t welck wtgegraven is, waer-voor hem lichtelijck een ander houxken bij de gemeynte zoude conen aengewesen werden.

Sij claffen zeer datse geen school-ineester en hebben, ende alzo dit ampt eertijts bij eene vacares (sic) plnch bedient te wesen; wilden wel dat wt de twee vic.irien, tot deese saecke gehoorich, hier-toe yet zoude mogen gedestineert werden, van vvelcke vicarien het jus patronatus coempt aen die van Zuylen van Natewisch, ende eenen Cornelis Dircxssz. van Amerongen, met presentatie van wat daer bij te leggen wt de gemeynte.

Van de Diaconie ende ganscbe bedieninge moet den predicant gemeyne ordonnantie gegeven werden , als eerst onlanx geexamineert zijnde ende tot den dienst toegelaten

Hier zijn oock eenige goeden, zeecker verdestrueert gasthuys toe-cotnende, de welcke des jaer bedragen 13 gl. 6^ st.

De pastorye leyt geheel onder de voet, hebbende nochtans een schoon erf, ende sonde de selve, als oock de kercke van binnen, bequamelijck conen opgemaeckt worden, door \'t vercoopen van de steen van eene onnoodige . hij menschen gedencken noyt tot eenige dienst gebruycte kercke, waer-van de tleeren van fst. Peters hem d\'eygendom aennemen.

Daer zijn noch eenighe renthen, edoch (soo se seggen) zeer-sobere, St. Barbaren gilde toecomende.

V. Yenendael.

De kercke wert gerepareert ende beeft haere ordinaris kerck-meesters, de welcke gestelt werden bij de Veen-raden, daer van si] oock haere rekenynge doen. En hebben nochtans geen zeecker incomen.

Tot predicant is alhier gestelt Theodoras Siligineus, hem dragende in sijne bedieninge na de Ohristelijcke ceremonien ende gebeden achter den Catechismum staenele. Ende heeft airede tweemael d\'Avontmael gehouden, met omtrent de 70 communicanten.

Chigen dat se wel van eenen coster, maer niet van een school-meester voorsien zijn, ende zoude hierinne conen ge-

-ocr page 802-

144

remedieert werden bij generale ordonnantie van mijn E.E. Heeren de Staeten aen de Veengenooten, omme \'t geene dat zo tot desen zaecke, ais andere noodige kerckelijcke costen van doen is, te vynden bij omslach.

De aelmissen werden gecollecteert bij de Armmeesters, sonder dat alsnoch zeeckere ordonnantie gestelt is van d\'administratie van dien, wtgenomen in \'t stuck van rekeninge, dewelcke voor de gemeynte gedaen wert.

Heeft een pastorie, dewelcke dit jaer gerepareert is, edoch wel eeu weynich meerder verbeteringe zoude behouven. Ende dient hier wijder voor memorie de zaecke van Rhenen, omrae mijne E.E. Heeren de Staeten den tegenwoordigen staet van dien verbalijck t\'ondecken.

VI. Oveu-Lambkouck.

De kercke leyt seer desolaet, behalven dat se van dack redelijck versien is. Heeft des jaers (na de. verclaringe van de kerck-meesters) vier mergea lants ende 33 stv. van wtganck; edoch spreecken gansch onzeecker ende doen aenwijsinge , dat wel eenich naerder bescheyt hier-van zoude te vinden wesen bij jofi\'rou van Amstel, dewelcke ter tijt van dese visitatie aldaer niet en was.

Heeft eenen paepschen pastoor met namen Steven de Cruyf,de welcke hier gewoont heeft 17 jaeren, en hem in doopen, trouwen ende celebreren draecht na d\'oude wijse; verclaert nochtans, dat hij hem begeert te schicken tot verbeteringe als anderen, ofte ten minste (zomen hem hier wil laeten) de gemeynte voor te gaen in t frequenteren van de predicatien; maer is van cleyne, ja gantsch gene apparentie van eenigen goeden dienst te doen; wij hebben oock tot Wijck van den dienaer des Woorts Goeswyno verstaen, dat hij aldaer dikwils coerapt ende in \'t heymelijck kinderen doopt.

Het corpus van sijne pastorie seyt hij te doen omtrent 60 gld. sjaers, contrary den bouck van Eloris van Wede, die de selve eertijts verluiert heeft, ofte immers aenteeckent tot de 72 gld. Ende dient hier wijder voor memorie, dat hij possessor .s van d\'eene

-ocr page 803-

145

vicarie, boven in Doorn geraentioneert; item geseyt wert noch alimentatie in Hollant te trecken wt het Reguliers clooster ten Briele.

Coster is alhier Cornelis Hennanssz. de VVijse , dewelcke verclaerde niet zeeckers te hebben clan quot;t gene hem bij de gemeynte gegeven wert. Maer bij den bouck voorgenaempt biijckt, dat hiertoe gehoorich is een zeecker hofstedeken, endc dat hij alle jaren een pont-groot plach t\'ontfangen van de gemeynte voor sijn ommegangen.

Sij zouden geern versien wesen met een goet schoolmeester, ende zijn bereyt hiertoe wat te vynden bij omslach.

Hier is een pastoors-huys met een proper hoefken.

\'VII. Nedeu-Ijambeouck.

De kercke is wel onderhouden van binnen ende van buj\'ten, wtgesondert datter eenige bancken gebreck zijn, die de kerek-meesters beloven metten eersten te doen inaecken, welcke jaerlijck gestelt werden bij de gemeyne bueren, ende voor de selve, ten overstaen van den predicant, haere rekeninge doen , met voorgaende openbaere kercken-spraecke D\'incoiiien van den fabrica is (so se verclaerden) ongeveerlijck 22 ofte 23 gl.

Predicant is Joannes Anthony van Bemmel ende heeft, zo int Paeusdom, zo inde Eefortnatie, alhier gedient omtrent 40 jaeren, hem alsnu ende lange te voren dragende na de Ghristelijcke ceremonien ende gebeden achter den Catechismum. Heeft wel eertijts d\'Avontmael gehouden, maer zulcx nu drye jaeren onderlaten.

Heeft tot coster Aelbrecht Glaessz., dewelcke jaerlyx zo aen wtgangen ende zeecker renthen van coorn geniet omtrent 25 gl.

Is sonder school-meester, ende zoude tot desen dienst yet conen gedestineert werden, wt zeeckere vicarye, tot de cappelle van Stercken-horch gehoorich, alwaer men eertijts een Gappellaen plach te houden.

D\'aeltnissen zullen voortaen in de kercke ontfangen werden bij de kerck-meesters bij provisie ende op verbeteringe.

Dese plaetse heeft oock haere pastorye met een hoefken.

10

-ocr page 804-

146

Vlir. Werck-Hooye.

Heeft een kercke redelijck wel gerepareert, behilven dat-se noch niet geheel gezuyvert en is van de reliquien van\'t paeusdom, waer-in de Kerek-meesters belooft hebben te versien metten eersten, Dese werden alle jaeren gecoren bij de bueren, ende doen voor de selve raidsgaders den predicant haere rekeninge. D\'incomen van de fabrica is omtrent 50 gld. jaerlijx ende dient hier voor memorie dat twee of drye parcbelen lants verset zijn voor zeeckere penningen, geemployeert tot rantsoen voor eenige gevangens tot Deventer.

Pastoor is alhier Gilles Peterssz. van Heumen in de Betuwe, ende heeft gedient omtrent 20 jaeren, alsnoch weynig gereformeert, edoch eenigen schijn hebbende van habiliteyt, omme voor \'t examen (daer onder hij hem belooft te stellen) tot de rechte bedieninge te conen gebracht werden.

Gebruyckt tot sijne alimentatie de goederen tot de pastorie gehoorich, daervan hij seyt de speciale aenbrenginge onlancx bij geschrifte gedaen te hebben aen den Rentm\' Simon Claessz.

Huybrecht Henricxssz., van Werckhoven geboren, is coster ende schoolmeester, tot welcke bedieninge nochtans niet zeeckers en staet, wtgenomen dat hem bij de kercke plegen (voor \'t stellen van de clocke) betaelt te werden des jaers 5 gl., ende dat hij eenige ommegangen heeft ex gratia.

De bedieninge geschiet alsnoch sonder ordeninge ende sal der-halven nae \'t examen behoorlijck moeten aengestelt worden, gelijck als in andere plaetsen van de selve conjuncturen.

Hier is een H. Geest meester (so men se noempt), de welcke sijnen ontfanck verclaert jaerlijx te bedragen 20 gl. 14\'/j stv.

Dese plaetse is oock versien van pastoorshuys ende een woning voor den coster, bequaem omme de schoole daerin te houden.

IX. Cothen.

De kercke is wel gestelt van binnen ende van buyten, wtge-

-ocr page 805-

147

nomen dat d\'outaeren , het sacramentshuys ende .... 1) nocL vast staen, midsgaders verscheyden zo afgodysclie ende superstitieuse, zo oock ouschriftuermaetige geschreven spreucken. Heeft haer ordinaire twee kerck-meesters, die alle jaeren bij de bueren vorcooren werden, ende voor deselve oock haere rekeninge doen.

Dese verclaeren, dat de fabrica 2S mergen lants heeft, waervan jaerlijx comen 108 gld.; maer seggen daarbij, dat de twe parchelen van dien bezwaert zijn elck met 400 gld., ende noch een derde parcheej met 100 philips gl., welcke penningen sij betaelt hebben aen de viant van wegen haere gemeynte.

Pastoor is alhier een out man , Jan Gerritssz. genaempt (gebooren van Hooch-Blocklant bij Gorichem), noch gansch paepsch gesint, ende gansch superstitieus in sijne bedieninge, die oock verclaert, dat hij hem tot de Reformatie niet en soude conen begeven, voerende nochtans eene wterlijcke goede conversatie.

Dese heeft tot sijne alimentatie bij mijne E. E. Heeren de Staeten verworven de goeden, tot de pastorie gehoorich, doende jaerlijx ontrent de 100 gld., dewelcke hij zeer qualijck zoude conen ontbeeren.

Jn de dienst nochtans moet neotzaeckelijck versien wesen om redenen boven verhaelt.

Dese plaetse heeft oock een coster, de welcke des winters de schoole hout, ende ontfangt jaerlijx voor sijnen dienst, 12 gld. van lantpacht, 3 gld. ende 2 st. van wtgangeu ende dryemael zeecker broot van den huysluyden.

De pastoor heeft wel sijne behuysinge met eenen properen hof, maer daer en is geen woninge voor den coster ofte schoolmeester.

X. de Dwers-Dijk.

Resorteerende ouder Werchhooven.

Hier staet een vervallen capelleken, waarin een paep woont, gansch ongesont in lere ende quaet van leven, daertoe bitter ende quaetspreeckende, genaemt Simon van Arckel, maer in de wande-

1) Onleesbaar.

-ocr page 806-

148

linge beter beleent onder den tvtel van «paap mutse in \'t vyer//, de welcke, sonder eenige seyndinge, alhier af ende aen gegaen heeft den tijt van omtrent 20 jneren.

Tot de fabryeke van quot;t voorsz cappelken is eertijts geweest een rnergen lants ofte anderhalf, \'t welck meest gegeven is in de dijekaetsie.

Verclaeren voorts de gebueren, datter zeeckere vicarie tot haer kerxken is, doende in corpora (gelijck bij den bouck van Pioris van Wede bevonden werf) 88 gld. jaerlicx, waervan de denominatie van rechts-wegen staet bij henlieden ende de collatie bij den Ileere van den Lande, 1t welck ons gebleecken is bij zeeckere bezegelde brieven de aquot; 1579. Dese vicarie is alsnu in handen van Cordenoort Canoniek van St. Peters, onder eene gepretendeerde collatie (nae \'t seggen van de huysluyden) , die mijn vrouwe van St Servaes zoude toecomen.

XL SCIIALCKWI.ICK.

Hier is een kereke niet wel gerepareert, edoch die lichtelijck kan geholpen werden, \'t welck de Sellout aengenomen heeft de Kerck-meesters te bevelen, de welcke jaerlijx bij de bueren ten overstaen van die van den gerechte gesteit werden, ende haere rekeninge doen. liet goet, principael de fabryeke toecomende, is 23 mergen lants, waer wt jaerlijx voor erfpacht gaen 17 gld 4 st. aen de Heeren van den Dom, edoch de welcke met de wtgangen van huysingen, de selve fabryeke toecomende en bedragende tot 17 gld. 17 st. t\'jaers, conen gehaelt werden.

De bedieninge van dese pluetse geschiet door eenen Cornelis van Eek , aldaer gesteit bij sijne genade van Culenburch als Ambachtsheer ende Collator, met conditie dat hij niet predicken, maer den volcke voorlesen sonde de serraoonen Anthonii Corvini over de sondachsche Evangelien, onder den tytel van een devoten minnebroeder wtgegeven hier te lande.

Dese geniet oock de vicarie, hem eertijts bij den Burgemeester Amerongen ex jure Patronatus gegeven. Ende seyt dat tot dese

-ocr page 807-

3 49

twee beneticien str.en ende eygen sijn 23 mergen lants, accor-deerende met den bouck van 1\'loris van Weede, in den welcke de specificatie ende parchelen van dien gevonden werden folio 46 ende 50 verso. Maer is alliier verzwegen zeecker thientjen, vereoclit a0 S8 voor 13 gld.

Is int wtvoeren van sijn ampt gansch sonder ordeninge, wtge-nomen dat hij in de Duytsche spraecke doet, \'t welck bij anderen in \'t Latijn geschiet. Oock weynich ervaren in de Schrift, edocli bereyt hem te stellen onder \'t examen ende alles te doen dat hem tot verbeteringe zal geordonneert werden, met heele sijn vermogen.

Coster ende Secretaris is Melchior Huybrechtssz., insgelijcx daermede begift bij sijne genade van Culenburch, maer en hebben geenen school-meester.

Heeft twee kercken-huysen, een pastorie, de kercke toecomende ende meest vervallen, ende een vicarishuys, bewoont l)ij den genen die hier den dienst bewaert, alzo hij van beiden possessor is.

Hier is oock een Breurschap van St Annen, hebbende jaerlijcx wt zeeckere 4 morgen lants en erfpacht van vier gout gld , de-welcke in langen tijt niet betaelt en zijn Item noch drye gld. staeude tot last van llenrick Gerritsz. tot Schalckwijck ende van sijne broeders ende susters. \'T lant daer de 4 gout gld. wt-gaen, coeint loe eenen Willem Joostensz., oock ingeseten tot Schalckwijck.

XII. T GTOY.

In eene kercke gansch desolaet leggende, ende en hebben, door-d\'absenlie van enigh, niet zeeckers conen vernemen van den staet der goeden tot de fabrica.

Als pastoor draecht hem hier een frater Joannes de Blisco , van Aelst wt \'Vlaenderen gebooren ende t1 Ut recht 40 jaeren in\'t Bri-gitten clooster geweest. Hij heeft dese plaefse ingenomen alleen op \'t verzouck van de bueren, ende genouch tegen den wille van de Regeringe over 39 jaeren. Aen de welcke hij namelijck bij requeste versoclit hadde, omme alhier te mogen gaen predicken

-ocr page 808-

150

op de sondagen, sonder ojt apostille daerop ontfangen te hebben, verclarende zulx desmaels versocht te hebben, overmits sij in haer clooster gesepareert waeren ende elek boven de 35 gld.\'sjaers niet en ontfingen.

J)ese een weynich ondervraecht zijnde van den hoofdpoincten der Cliristelijcker Religie, en wilde gansch niet antwoorden, seggende dat hij begeerde te blijven bij \'t oude ende bij den eet, dien hij sijnen Bisschop gedaen hadde.

Hij geniet alsnoch tot sijn alimentatie de goeden tot de pastorye deser plaetse gehoorich, jaerlijcx doende in corpore omtrent de 60 gld.

Oostei is eene Marten Cornelissz., in \'t Goy gebooren, niet hebbende dan \'t gene hem bij de bueren gegeven wert. Dese is oock bode ende bereyt de schole te bedienen, indien hij bequaem daertoe gekent werde.

Het doopen der kinderen ende het trouwen van de ingesetenen van dese plaetse geschiet tot Houten.

Hier is een pastoors huys, maer gansch vervallen, ende eene costerie, gek oft bij den absenterenden coster voor 225 gld.

Item eene bruerschap van St. Annen, hebbende een acker lants van ontrent seven ofte acht hont, doende jaerlijx 6 gld.

XIII. Houten.

Hier is een begin van reparatie van de kercke, is nochtans gansch arm van incomen, als niet meer hebbende dan 2 mergen lants, waerwt 15 gld. lijfrenthen en drye mudden een schepel haenkens haver betaelt werden, zulcx datse clagen bij de begonnen reparatie bij de 400 gld. verachtert te wesen. Niettegenstaende datse van \'t capittel van St. Marien met 120 gld. geholpen zijn, tot recompense van de raaeltijt, die se in \'t vercopen van de thienden plegen te genieten. Kerck-meester werden alle jaeren vercoren bij de gemeynte, voor de welcke sij oock haere rekeninge doen. Ver-claerden degene, die tegen woordelij ck dienen, wt noot aengeslagen te hebben zeeckere vicarie, omme d\'aengevangen reparatie te vol-vueren, doende in corpore ongeveerlijck 50 gld. jaerlijcx.

-ocr page 809-

151

De dienst wert gedaen bij eenen -Tan Aertss/. , van Houten gebooren, ontrent over 15 jaeren alhier gestelt door de coJatie van eenen van de Heeren van St. Marien, diens tour het desraaels was dese pastorie te vergeven, wesende in corpore van ontrent 40 gl. lantpacht ende eenige thienden.

Dese man een weynich ondertast zijnde in \'t stuck van de religie, wert gansch onervaren bevonden, ende heeft rondelijck verclaert, dat hij hem onder geen naerder examen en begeerde te stellen, alzo hij genouchsaetn (gelijck hij seyde) geexamineert was, doe hij sijn tonsuram clericalem ontfinok, item doe hij priester gemaeckt ende daerna tot predicken toegelaten wiert.

Heeft tot coster eenen Rutger Duys, dewelcke oock Secretaris is, ende des winters de kinderen leert, wesende nochtans een out ende onvermogend man, hiervoor genietende twee mergen lants, midsgaders zeeckere ommegangen op de hoochtijden.

De bedieninge geschiet gansch confuselijck , gelijck als oock in \'t Goy, zulx dat noodelijck hier andere ordre zal moeten gestelt wesen.

XIV. Buunick.

De kercke is in goede reparatie, wtgenomen dat d\'outaeren ende meer andere superstitieuse dingen noch overich zijn. Kerck-meesters werden gecoren bij de bueren, voor de welcke sij oock haere rekeninge doen. Dese seggen, maer vier mergens lants te hebben tot de fabrycke, diense ten halvtn laeten bouwen, waerna breder te vernemen staet.

Eene Joannes Gerardi Goudanus draecht hem hier als pastoor. Het corpus van de pastorye is ontrent 11 morgen lants end? is collator hiervan, als oock van de costerie de verwer.

Dese heeft hier gestaen 17 jaeren ende noch te paesschen laets-leden \'t paepsche Sacrament wtgedeelt ende liet wij-water vercocht. Is geheel onervaren in de religie, gelijck men wt zeeckere conferentie met hem gehouden, dadelijok bevonden heeft. Gevraecht zijnde ofte hij hem begeerde t\'sijner tijt te laten examineeren, antwoorde, dat hij sijn beraet begeerde te nemen. Heeft zedert op

-ocr page 810-

152

den wech zeer hart en de bitterlijck gesproocken tegen den Schout van Seyst, door dien hy meynde door den selven aen den dach gebracht te zijn, \'t gene hij te paeschen bedreven heeft.

De coster is in \'t voorleden winter overleden, in wiens plaetse de pastoor de schoole gehouden heeft. Het corpus ende incomen tot dese bedieninge staet gespeciticeert in den bouck van Eloris van Wede, fol. 88 ende fol. 40.

Alle dingen gaen hier gausch sonder ordeninge ende meest paepsch in doopen, trouwen enz., zulx dat hier in nootsaecelijck zal moeten versien wesen.

Heeft een pastoors huys in redelijcke reparatie ende oock een costers woninge met een hofstedeken.

XV. Odijck.

Heeft een kercke zeer-wel onderhouden, edoch noch vol van outaeren ende andere superstitieuse dingen. Kerckmeesters werden gestelt ende doen rekeninge gelijck als tot Bunnick geschiet. D incomen van den fabrica seyden-se aengegeven te hebben, maer het wert \'t selve in den bouck van Floris van Wede niet gevonden. Zal daeromme hierop nader informatie moeten genomen wesen.

Als pastoor draecht hem hier Everardus Alberti, van Amerongen gebooren, van den jaere lb6é af. Wij sien hem aen voor een eerbaer man, hebbende kynderkens, waer-van de moeder overleden is. Heeft Bullingeri boucken neersterlijck gelesen, ende meer andere van de gereformeerde religie, ende is bereyt hem te vougennade Reformatie generael, die bij mijne E. E, Heeren de Staeten zal ingevoert werden. Hij gebruyckt tot sijne alimentatie de goeden tot de pastorie gehoorich , doende in corpore eertijts stijf 60 gld. jaerlijcx, behalven het tientjen van 25 gl. jaerlijx, bij mijn vrouwe van St. Servaes, als collatrix tot haer convent onlanx getrocken.

Coster en schoolmeester is Joachim Janssz., alhier gebooren, waarvoor hij niet en geniet dan een mergeu ende omtrent 4 hont lants.

In doopen ende trouwen hout hem deese pastoor niet na eene

-ocr page 811-

153

wijse, maer accomniodeert hem als noch na dat de lieden gesint zijn , waerin, als in de reste, door de reformatie van sijn persooi\', moet versien werden.

Hier is eene pastorie, maer nyet wel gerepareert. Item een costers woninge, midsgaders een bruerschap van onse lieve Vrouwe, maer niet zeeckers hebbende.

XVI. Tutx en de \'ï Waet,.

De kercke leyt gansch desolaet ende moet nootzaekelijck ge-repareert zipij aleer men daerin zal conen predicken. Kerckmeesters werden gestelt bij de bueren onder malcanderen, ende doen hare rekeninge voor den Schout ende de gemeente.

De fabrica heeft incomen van lantpachten ende wtgangen 45 gld., waerwt den Secretaris 4 gld. sjaers betaelt werden. Dese kercke en heeft geen clocke.

Cornelis Alphartssz. van Everdingen draecht hem hier als pastoor, ende is met dit beneficium over 26 jaeren begift van \'t capittel van Oude-Munster \'t Utrecht. Het corpus van de pastorie doet ongeveerlijck 45 gl. ende plach hiertoe eert ij ts noch 14^ gl. \'t ont-fangen wt het incomen van de kercke, waer-voor hij gehouden was zeeckere misse te doen.

Dese persoon is een out, miserabel ende in \'t stuck van de religie geheel onervaren man ; hem noch in sijne bedieninge houdende na d\'oude wijse, zulx dat hierin anders zal moeten versien wesen,

Uoster is Jan Janssz. , ende bedient oock de secretarie ende het school, oock een out man, heeft zeeckers 10 gld. van 2 mergen lants ende \'tgebruyck van een ackercken van vijf hont, behalve het schoolgelt.

Het vervallen pastoorshuys wert wederomme opgemaeckt, ende heeft eenen properen hof; ende hier is oock woninge voor den coster.

XVII. Hagestein.

De kercke behouft van binnen gerepareert ende gezuyvert te

-ocr page 812-

154

zijn. Kerck-meesters werden gestelt bij de Heeren van den Dom ende Oudemunster, ende doen voor de gecommitteerde vande selve ende die van den gerechte haere rekeninge, alle twee jaeren, ter presentie van de gemeynte ende d oude kerckmeesters. De fabrycke heeft jaerlijx 89 gld., waer-wt 16 gl. renten betaelt, ende noch 22 gld. aen schoenen, hoosen ende turf den armen gedeylt werden.

Heeft eea pastoor, genaemt Mr. Gerrit van der Goude, de welcke op de collatie van die van Oudemunster dit ampt bedient heeft 28 jaeren, woont tot Vianen, ende heeft sijne vrijheyt omme hem dickwils eenige weecken continueel te houden binnen der Goude. Hij geniet jaerlijx een thiende, genaemt het Papen-vierendeel, ende de huere ofte \'t gebruyck van 12 mergen ende 4 hont lants.

Coster ende Secretaris is J an Cornelissen, heeft een ackerken van vyer hont lants ende een booingaertjen geldende 13 gl., midsgaders noch 15 gld. van de kercke.

De bedieninge geschiet noch op d\'oude paepsche wijse, zulx dat hier nootzaeckelijck veranderinge zal moeten geschieden.

Behalve de coster hebbense oock een schoolmeester, wonende in de Garf-camer, den welcken de gemeynte jaerlijx betaelt 40 gld., 12 tonnen turfs ende eenen ommeganck.

Hier is een pastoorshuys met eenen hof ende een vervallen woninge tot de schoole, zulcx beyde moeten gerepareert wesen.

XVIII. de Vaert.

De kercke is verbrant ende men behelpt hem met de Speuye-Boven, tot zeer groot ongeryf van de gemeynte. Kerckmeesters worden hier gestelt bij den Raet der stadt Utrecht, op de denominatie van de Schout ende die van de Gerechte, voor de welcke sij oock haere rekeninge doen. Zijn op zeeckere 4 mergen lants, met consent van mijne Heeren van Utrecht, genomen 425 gld. Ende heeft de fabrica noch ander incomen ter somma van 51 aid 10 st. jaerlijcx.

-ocr page 813-

155

Predicant is Cornelys Braeckel, alhier gesonden bij mijne E.E. Heeren de Staten. Volcht in zijne bedieninge de christel.\'jcke ceremoniën ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt.

üese claecht, ende \'tselve getuycht oock die van den Gerechte, dat hij qualijck toecomen kan met sijne gaetsie, vermits den grooten aenval, die hij heeft. Ende alzo hij des sundaechs twemael predict, ende de daertoe bereyt is somwijlen tot\'t Waal te gaan dienen ende de crancken te bezoucken, zoude (onder correctie) hierin op den tytel van combinatie conen versien werden.

Hier is eenige reysen \'t Avontmael gehouden, met ontrent 8 ofte 9 ingeseten ende verscheyden vreemde schippers roet haere familien.

Die gene die secretaris ende costar is, bedient oock de schooien, qualijck compatybel zijnde, ende ontfangt alle maanden 48 stv., behalve de vrije woninge. Hij is (den) predicant zeer wadarhoorich.

\'t Huys van den predicant wert bij die van den gerechte en den kerckmeestars gehuert ende betaelt.

II.

\'t Qaartier van der Eem.

I. Emmenes-binnensdijx.

Heeft een karcke wel gerepareart, maar noch vol van der oude afgodarie. Daer zijn twe karckmaasters, de walcka bij da gamaynte in een dubbel getal gadenomineert ende bij den Maerschalck geëedet ende ingastelt werden. De fabrycke wert onderhouden bij omslach, overmits de selve gana zeeckere renten an haeft.

Hier wart gapredickt bij Dirck Rijxssz. van Amersfoort, das somers \'s morgens ta saven uren anda \'swynters des middachs ta twaelven. Ontfangt hier voor sijne badianinge jaerlijx 40 gld., dewelcka oock bij omslach gevonden werden.

Die van dan Gerechte ende Karck-meesters verclaerden ons, datse over eenige jaeren zeeckere vicarie gecocht hadden, tot proufyt van de gemaynte, ten overstaan van den Bisschop, waer-

-ocr page 814-

156

van zij zegel ende brief hebben, en de naerder verclaringe gedaen aen den Rent-raeester Syrnon Claessz.

In den bouck van Ploris van Wede werden, behalve 40 loot silvers, die-se schijnen te betalen met de 40 gld. boven aenge-wesen, noch 40 gld. jaerlijexsche lantrenthen gevonden tot de pastorye gehoorich, die men ons verzwegen heeft.

Peter ïimenssz., alhier geboren, is ccster ende schoolmeester, en heeft niet zeeckers dan 20 gld., die hem oock bij de gemeynte betaelt werden, met eene bequame woninge.

Dese plaetse heeft oock een proper pastoorshuys.

II. Emmenes-buitendijcks.

De kercke is verbrant, zulx dat-men hier in de sclnole moet predicken, wesende een huys vol stanx van den roock. Heeft sijn kerck-meesters gelijck als te Emmenes binnen, maer oock gene goederen tot de fabrycke gehoorich, seggen nochtans, datter eenige gemeyne landen zijn, ende hebben daerna bevonden bij zekeren legger, dat hier jaerlijx zijn, zoo aen lantspachten als aen memorien, 317 gld. 17 st.

De predicatie wert hier gedaen des somers\'s morgens te negenen, desgelijx- oock des winters bij den selven Dirck Eijxss., dewelcke alhier gestaen heeft 26 jaeren, ontvangende voor sijne dienst des jaers 100 gl. Ende is oock Secretaris, daervan genietende de dagelijcksche vervallen tegen verscheyden expresse apostolische regulen.

Hij heeft een vrouwe, die hij seyt getrout te hebben, edoch sonder voorgaende proclamatien, bij eenen paep alleen, ende is beladen met vele kinderen. Heeft hem noyt bij eenige gereformeerde kercke gehouden, ende en is noch niet geexamineert, nochtans bereyt zijnde hem hiertoe te begeven, ende hebbende eenige wterlijeke apparentie van habiliteyt tot de Eeformatie.

Hier is coster ende schoolmeester Lambrecht Gerritsz., dewelke niet zeeckers en heeft dan een sluyver wt elck huys, met het bloote schoolgelt.

-ocr page 815-

157

De pastoor ofte predicant alhier is versien met eene behuysinge op oosten van de gemeynte.

Heeft twee bruerschappen, d\'eene van St. Annen en d\'andere van \'t Sacrament, derwelcker goederen in den bouck van Ploris van Wede gespecificeert staen fel. 74, 75 ende 76.

III. Eem-Brugge.

Heeft eene kereke, in redelijcke reparatie zijnde, wtgenomen dat noch eenige outaeren ende andere superstitieuse reliquien daerin zijn. Kerck-meesters werden gestelt bij de gemeynte ten overstaen van den Maerschalck, ende heeft de fabryeke alhier vier dammen binnen lants en 3 dammen maetlants, doende tzamen jaerlijx ongeveerlijck 42 gld. De rekeuinge geschiet voor den Maerschalck, \'t Gerechte en de bueren.

Elbertus Richardi Proot, van Runschooten geboren, is hieromtrent 23 jaeren pastoor geweest, hebbende dese cure ontfangen van den abt van St. Pauwels, ende geniet voor sijne bedieninge de goederen daertoe staende. Hij is een man van goede appareutie tot de volle reformatie, airede in sijne bedieninge hem houdende aen de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Cate-chismum gedruckt, ende bereyt zijnde hem onder \'t examen te stellen.

Hier en is noch coster noch schoolmeester, maer de pastoor heeft op \'i verzouck van den Schout ende die van den gerechte dus lange ^ beste gedaen in \'t onderwijsen van de kynderen. Elck buys nochtans is des jaers den schoolmeester schuldich 8 stuivers, behalve dat degene die dit ampt bedient met eene woninge moet ex debito versien werden.

Dese plaetse is oock versien van een pastoors behuysinge.

IV. Bunschooten.

Heeft een kereke, niet wel gerepareert. Ende werden kerck-meesters gedenomineert bij \'t gerechte ende geëet ende iugestelt

-ocr page 816-

158

bij den Maerschalck, voor dewelcke sij oock hare reeekeninge doen: d incomen van de fabrica is dartlüen dammeten lants, waer-wt jaerlijx gedeelt wert zeeckere gemeyne aelmisse op paes-schen. Noch anderhalf damraet op de groote maet, ende ses andere dammeten staende in quaestie.

Jacob Moy is alhier 7 jaren pastoor geweest, aengenomen bij de gemeynte voor de somme van 200 daelders sjaers van 30 st. het stuck, door dien hier gene zeeckere pastoryegoederen en zijn, heeft nochtans dese plaetse drye vicariën, waervan speciale aen-wijsinge gevonden wert in den bouck van Floris van Wede.

Dese Moy volcht van alsnu in sijne bedieninge van doopen, trouwen en bidden de christelijcken ceremonien ende gebeden, achter den Catechismuin geplaatst, is oock wel te vrede hem te stellen onder \'t examen. Maer also hij een man is van eene ongebonden, schameloos leven, niet alleen van wege sijne dage-lijcksche ende gewonelijcke dronkenschap, maer oock om de gemeyne geruchte van sijnen hoerdom, item van wegen sijn dobbelen ende tuysschen, als oock om me den grooten twist, die hij met accysen te pachten ende anders aenrecht onder de gemeynte, staet alhier te considereeren ofte oock eenige naerder communicatie met hem aen te gaen is, ende of \'t niet nutter en waere, dat men hem gaen liet, waermede hij self den Schout ende anderen in onse tegenwoordicheyt dreychde, indien men hem na sijn sin niet en tracteerde. Te meer overmits hij bij ons namaels t Utrecht van eenigen, absent zijnde , doen wij hier waren, van alle de voirgenoemde poincten beschuldicht is, met ernstelijck verzouck datse sijner doch mochten ontslagen ende met eenen anderen vroomen herder versien werden.

Coster ende schoolmeester is eene Hermanns Troost, van de gemeynte ontfangende 20 gl. jaerlijx, een man beruchticht van eenen moetwilligen dootslach, staende in twist met den pastoor Moy, ende de welcke ons verclaerde, dat hij van hier wilde vertrecken na de Betuwe, sijn vaderlant, ofte anderssyns.

De gemeynte versiet den pastoor met eene wooninge ende is alhier een costershuys met eene schole annex.

-ocr page 817-

159

De Stadt Graft, eertijts gebruyckt tot de schutterie, wert alsnu geëmployeert tot de fabrycke van de kercke, ende insoüder-heyt tot betalinge van eenige renthen, daer se mede belast is.

V. Baaken.

Hier is men besich met het repareeren van de kercke. D\'incomen verclaren de kerck-meesters (gestelt als in andere plaatsen van dit quartier) boven 10 gld. seeckers in \'t jaer niet te wesen, ende vinden derhalven de reste bij omslach.

Cornelis Egbertssen , alhier gebooren, is predicant, gesonden bij mijne EE. Heeren de Staeten. Volcht in sijne bedieninge de cbris-telijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, maer en heeft noch geen Avontaiael gehouden , ende beclaecht hem dal hij \'t tot het singen der psalmen niet brengen en kan, ver-zouckende hierin door generale ordonnantie geholpen te wesen.

Heeft een ouden coster, die oock boode is ende de clocke stelt, maer geen schoolmeester. Is nochtans onlanx bij omslach hiertoe gevonden geweest 8 pont Vlaems, ende zijn nu van meyninge hiervan te handelen met haeren coster.

Is versien van een pastorie ende een costers huysken, in deseu jaere gerepareert ende bequaem gemaeckt omme de kinderen daerin te loeren.

Hier is een Bruerschap van St. Annen, hebbende eene vicarie, eertijts aengebracht aen El oris van Wede

De predikant beclaechde hem, dat de huyslieden haere kinderen niet en willen te doope brengen na de predicatie, maer begeren dat zulx extraordinairlijck mach gedaen werden, verzouckende oock hierin remedie tot verbeteringe.

VI. Soest.

De kercke en is niet wel gerepareert noch behoirlijck van d\'oude wesen gezuyvert. Kerckmeesters werden gestelt ende doen haere rekeninge gelijck als in d\'andere parochiën van dit quartyer.

-ocr page 818-

160

De fabrycke lieeft wt een weynich lants en de eenige cleine rentjens omtrent 25 gld, t\' sjaers.

Bruno Jacobus van Amersfoort bedient hier de kercke met predicken, is een tnonick geweest in \'t clooster t\'Soest, ende heeft hem te deser plaetse als pastoor gedragen den tijt van 8 jaeren \'). Is gausch onervaren in de religie ende verclaert dat hij sijns diensts begeert ontslaegen te zijn. Tot de pastorye staet weynich zeeckers, ende wert dese man onderhouden bij omslach.

Coster is Goort Janssen, dewelcke oock de schoole \'s winters bedient; heeft bier voor twee cleyne ackerkens, ongeveerlijck 22 st. t\' sjaers doende in huyre , met een huysken.

Hier is een pastorie. Ende hebben oock een schutterie, de weleke t\' sjaers van lantrenthen heeft omtrent 100 gl.

VI. Leusdex.

Dese kercke is van binnen niet wel gerepareert ende en heeft gene kerck-meesters, maer dienen metten eersten gestelt te wesen. D\'incomen van de fabryck is 34 gld. 4 st.

Lambertus Brinxius is alhier dienaer, ende draecht hem na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, ende en heeft noch niet conen comen tot de bedieninge des Avontmaels.

Daer is een coster bij provisie, ende heeft niet dan \'t gene hem bij de bueren gegeven wert ende eenige ommegangen na ouder costuyme.

De predicant alhier versocht, dat zeeckere clocke, begraven in d\'eerde bij laste van mijne E.E. Heeren de Staete i, ofte den JVlaerschalck, mocht in den toren gebracht werden, also de bueren hiertoe onwillich zijn.

Item, dat hier ter plaetse \'t placaet van de huywelijcken eens zoude mogen gerenoveert werden, tot afdoeninge van verscheyden inconvenienten, die hij anders qualijck siet te weren.

) Dese monnick is ewech, ende is aldaer bij provisie tot predicant gestelt op den xiruen Junij \'94 ïheodorus Anthony Victor.

-ocr page 819-

161

De pastorie is verbrant ende is de predicant daeromme benodicbt sijn habitatie tot Amersfoort te houden.

VIII. woudenberch.

De kercke leyt geheel woest. Kerckmeesters werden bij de gemeynte vercoren, ende beeft de fabrica omtrent de 80 jjld. zeeckers.

Cornelis Janssz. van Wijck te Duerstede bout bem bier alsnocb als predicant, niettegenstaenrle dat hij onlanx geleden in\'t examen alhier \'t Utrecht over hem gedaen, geensins bestaen en conde; edoch verclaerde dat hij van meyninghe was te vertrecken.

Heeft wel een coster, maer geen schoolmeester.

Is alhier een pastoors woninge, maer vervallen ende alleen een weynich gerepareert omme verblijf te hebben,

Dese plaetse heeft een vicarie ende oock een bruerschap van onse lieve Trouwe, waervan de goederen met de lasten daerop specialijck geannoteert zijn bij Ploris van Wede.

III.

Het Xederquartier.

I. Blaeu-Cappelle.

Het kerxken is licht om repareeren ende heeft schoone goeden , te weten 43 gld, mergen lants, met een hofstedekeu, bewoont bij Adriaen Hermanssz. Snouck.

Coster alhier is Gijsbreclit Gijsbrechtssen, dewelcke ook des wynters de kinderen leert, waer-voor hij geniet vrije buys-huyere, ende ses gld. des jaers.

Dese plaetse heeft oock eene vicarie, hebbende in corpore 9 mergen lants.

Item is alhier zeecker erfpacht goet, wtgeslegen voor 12 mergeu , vercocht omtrent voor 400 gld.

Noch zijn hier 9 andere mergen lants , onzeker of se tot de fabrycke ofte tot de vicarie gehooren; van welcke vicarie de collatie

11

-ocr page 820-

162

geseyt wert eertijts gestaen te hebben bij eene juffrow Haere, bij den viaut haer houdende, \'t Fjant voorsz. wert gebruyckt bij eenen Willem Eeuwoutssen.

II. Martens-Dijck.

De kerck is zeer qualijek gerepareert ende zal nootzaeckelijck hierin moeten versien wesen. Heeft twe kerck-ineesters, dewelcke jaerlijx bij de bueren vercoren werden. Tegenwoordelijck maer eene, ende d\'andere is in weygeringhe. Daer en is gansch niet zeeckers tot de fabrycke.

Predicant is Tielman Janssz., door translatie hier gestelt bij mijne E.E. Heeren de Staten; hout hein in sijne bedieninge na de chrystelijcke ceremonien ende gebeden , achter den Gaiechismutn gedruckt. Heeft eens Avontmael gehouden, ende zijn ter tafel ge weest over de dertich persoonen met grooter stichtinge.

Hier en is geen coster bij faulte van gaetsie, zulcx dat de predicant self altijt heeft moeten luyden Heeft wel een schoolmeester, maer een boos ende argerlijck mensche, die hem in genen dele wil schicken; zal daeromme hierin moeten versien wesen.

D\'ommegang voor d\'armen in de kercke wert bij provisie ende op verbeteringe, door generaele ordonnantie in dese provincie, gedaen bij den Schout ende eenen Kerckmeester.

Heeft een pastoorshuys, maer zeer onbequaem oinme bewoont te wesen, zulcx dat oock hierin zal moeten ordre gestelt en verbeteringe gedaen werden. Waertoe op \'t bevel van mijne E.E, Heeren de Staten omslach zoude conen geschieden, oock tot reparatie van de kercke.

De Predicant, Schout ende Kerck-meester deden te zamen groote dachten over eenen paep, genaemt Willem Laurenssen, geboren van der Gouwe, alhier gecomen over 16 jaeren, üe welcke eertijts t\'Utrecht bordeel opgehouden heeft ende noch dansserijen ophout, en die hem oock onderstaet opentlijck duyvelen wt te jagen ende t\' ontooveren.

-ocr page 821-

163

III. West-Brouck.

De kercke is in raeck eude daeck wel onderhouden, maar i.och vol van outaeren, sacramentshuys ende andere paepsche dingen. Kerckmeesters werden vercoren bij de bueren, ende doen baie rekeninge voor deselve in de kercke, ten overstaen van de Schout ende \'t Gerechte, \'t Goet tot de fabrjcke is 125 gld. jaerlijx.

Predicant is Peter Dammissen, alhier gesonden bij mijne E.E. Heeren de Staeten a0 90. Verclaert hem te dragen in sijne be-dieninge, doopen, trouwen etc. na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt.

Heeft een coster, de welcke oock het schoolampt verwaert, waervoor hij ontfangt 38 gld. des jaers wt het incomen van de kercke. Heeft oock alle jaeren twe mael wt elck huys een stuyver.

De diaconie en het vergaderen der aehnissen is bij provisie aengenomen van de kerck-rneesters.

De predicant voorgenoemt heeft zijne woonplaetse tot Zuylen in zeeckere gemeyne behuysinge, waer voor hij aldaar gehouden is da kinderen te leren, de welcke hij verclaert naerstelijck te onderwijsen in den cleynan Catechismo, anders het Corla Onder-zouck genaempt, \'t welck eenige alle dage in de schoole opseggen.

De costar heeft sijn wooninge tot Westbrouck,

Hier woont noch een paep Henrick Henrickssen van Haestert wt Hollant, ende heeft hem hier gehouden 20 jaeren, eerst als een gemeyn mispaep ende daerna als pastoor, door collatie van den proost van Oudemunster.

Hij wert zeer beschuldicht van heymelijcke paepsche diensten te doen, ende bekende zelf (hierop aengesproocken zijnde), dat hij eenige kinderen gedoopt hadde, sonder nochtans zout, zmout, ofte den exorcismn (zo hij seyda) daarin vermengt te hebben.

Seyt voor sijne alimentatie te genieten eene vicarie, de welcke, met de pastorie gecombineert zijnde, jaerlijx omtrent 10 ofte 11 ponden ^laems wtbrengen; seyt noch fontfangen 4 goude gld. als pastoor, wt cracht van zeeckere misse, die hij plach te doen.

-ocr page 822-

164

Woout in sijn eygen liuys, tnaer ontfangt noch als pastoor voor sijne huyshuyre 9 gld. van de kerckmeesters.

Gevraecht zijnde, hoe hij hem alsnu gestelt vont tot den kerckendienst, alzoo hij te voren om dezer zaecke met anderen f Ut recht voor mijne E.E. Heeren de Staeten geroepen was geweest, Antwoorde, dat hij te deser tijt niet veel moets daer toe en hadde, overmits hij in drye jaeren qualick in eenige boucken gesien hadde. Heeft nochtans eertijts wel eenige schriften der gereformeerden gelesen, als Lutheri, Corvini, Brentii en meer anderen, ende is wel tot twemael toe t\'Utrecht (zo hij seyde) gevangen geweest, omme dat hij deselve te veel gelaudeert hadde.

Een weynich naerder ondertast zijnde van de voornaemste hooft-punten der Eeligie als van de Recht veerdich-makinge des menschen voor Godt, van \'t geloof, van den persoon en het ampt onses Heeren Jesu Christi, amp;cet.; antwoorde hij niet geheel onbequamelijck. Maer als men quam tot de cracht van d\'eenige ofierhande Christi ende tot d\'utsluytinghe vande paepsche misse, weygerde eerst daer-van sijne meyninge rondelijck t\'ondecken, seggende dat hem eertijts oock van Mr. Floris Tin s. m. zulx was afgevraecht, ende is eynde-lijck door instantie zo verre gebracht, dat hij verclaerde, hij en conde geen quaet van de misse seggen.

quot;Wij hebben daerna vernomen, dat hij een groot dronckaert zoude zijn, ende dat hij oock Secretaris is van A.chtien-Hoven , gestelt bij \'t Capittel van St. Peters, [tem, dat hij dickwils aen eenige huysluyden verclaert heeft, dat hij onder hem hadde verscheyden brieven van fundatiën, daer-van hij tegenwoordelijck weynich weten wil.

De bueren gaven ons hier oock te kennen, datter een vicarie tot Wesbrouck is, tegenwoordelijck zijnde in de possessie van eenen Peter Vereem, geestimeert voor 60 gld. sjaers, ende bedient in voortijden bij den cappellaen. Collatrix is d\'abdisse van\'t Vrouwen clooster. Seyde noch wijder eertijts en dikwils gehoort te hebben van eenige andere geestelijcke goeden, ende met name van eene halve houve lants, die tegenwoordelijck gebruyckt wert bij eenen Cornelis Otten, ende eertijts van de pastorie getrocken is bij den

-ocr page 823-

165

Grave van Renneuberch, dewelcke deselve zoude gegeven hebben aan eenen paep, die hem te velde in den crijch gedient imdde; dese halve houve is gelegen bij zijde van de kercke.

IV. zutlen.

Het cappelleken is in goede reparatie, alleen dat d\'outaer noch daer-in staet. Ende heeft gansch geen zeecker incomen, maer wert gerepareert bij de bueren.

De bedieninge des H. Evangeli geschiet alhier bij Peter Dammissen bij combinatie met die van Westbrouck.

V. Thien-hoven.

Heeft een cappelle, woest ende onbequaem omme daer-in te predicken. Zal daeromme nodich zijn, datse gerepareert ende ge-zuyvert werde.

Keickmeesters werden gestelt bij de bueren, ende doen voor deselve jaerlijx haere rekeninge openbaerlijck in de kercke. De fabrica heeft incomen van zeecker lant 12 gld., waervan die van Maerssen de helft trecken.

Hier is laetst een paep geweest, aldaar gecomen van da Meem, ende over eenige maenden vertrocken na Embderlant, door dien hem de huysluyden om sijn quaet laven beorloeft hadden, alzo hij daer door in den haet van alle menschen gecomen was.

Tot dese capelle is zeeckers een stuxken lants, gelegen te Breukelen-Veen, doende tquot; sjaers ontrent 20 gl., waertoe de ge-meynte bij omslach noch 40 gl. gaf tot onderhout van den paep voorsz.

En heeft gaan coster, maer de schoole is bedient geweest door den selven paep, in wiens plaetse een ander bequaem man zoude conen aengenomen werden omme beyde de kinderen te leren en somwijlen wat goets, na zeeckere ordonnantie hem daer toe te geven, de gemeynte voor te lesen, tot dat dese plaetse, wanneer te Maerssen (daer onder dat se resorteert) een dienaer particulier

-ocr page 824-

166

zal gestelt wesen, ende alsdan door combinatie zal coneu geholpen werden.

Heeft ene woninge voor den predicant, met bequaemheyt om scboole daerin te houden.

VI Maerssen.

Heeft een kercke al wel dack-dicht, maer anders qualijck gere-pareert ende t\'eenemael ongezuyvert. Kerck-meesters werden ver-cooren bij de bueren, voor de welcke sij oock haere rekeninge doen. De fabrycke en heeft tegenwoordelijck boven de 51 gld. niet, maer heeft eertijts meer gehadt, waer-van de Schout seyde wel eenige geheugenisse bij sijne moeder te wesen, de welcke noch in \'t leven is.

Cornelius Petri, Trajectensis, draecht hem als pastoor, ende is te deser plaetse gecomen (gelijck hij seyde) na de restitutie van wtgeleyde overheyt, te vooren seven ofte acht jaeren tot Breuckelen gestaen hebbende; verclaerde voorts, dat hij dese pastorye ontfan-gen hadde van den Heere van Vock, als collator daer van zijnde.

Ondervraecht zijnde van sijne bedieninge, verclaerde d\'Evangelium gepredickt te hebben nae \'t oude ende nieuwe Testament Item, van \'t examen ende of hij hem daertoe zoude willen begeven, antwoordde, dat hij hem begeerde te houden aen \'t examen bij den officiael over 15 jaeren aen hem gedaen. quot;Waerop als hem voorgehouden was \'t gene sich met hem t\' Utrecht dien aengaende hadde toegedragen, resilieerde hij daervan, seggende, hij en begeerde noch van de Staeten, noch van yemant anders in sijne conscientie gedwongen te wesen.

\'t Corpus van de pastorie doet hem, na sijne verclaringe , tegenwoordelijck tusschen de 80 en 90 gld. Hij en heeft sijn huisvrou noch niet getrout, niettegenstaende hem zulx bij mijne E.E. Heeren de Staeten bevolen is. Seyde oock wtdruckelijck, dat hij se in \'t openbaer niet en wil trouwen, daerbij voegende dat hij se wel begeerde te verlaten, also hij sonder haar wel conde leven , ja presen-teerde-se wel sputtelijck aen yemant over te stellen, indien hij se van doen hadde.

-ocr page 825-

167

Augustijn Isaacssen, oock van Utrecht geboren, is coster ende bedient des wynters de schoole.

Heeft Tia sijn aengeven niet zeeckers dan vyer raergen iants, ende eene wooninge met een boomgaertjen, staende aen den wech , waerin hij des somers herberge hout. Onderwesen sijnde, dat zulx qualijck accordeerde tnet de kercke te dienen ende schole te houden, ende gevraecht zijnde hoe hem hierin voortaen zoude begeren te draegen, gaf voor antwoort, dat hij acht kinderen liadde, wiste hij die sonder tappen t onderhouden, zoude\'t zelve geerne nalaten , ende dat hij hem in sijne bedieninge bereit was te dragen na gemeyne ordonnantie

Ende also wt dese blijckt, dat alle dingen hier qualijck toegaen (gelijck oock des paeps speciale verclaringe van sijne wijse van doopen ende trouwen mede brengen), zal nootsaeckelijck andere ordre te deser plaetse moeten geslelt wesen.

Hier is een schoon huys ende hof tot de pastorye.

Het dorp heeft oock eene vicarie, van de welcke de Heere van Opdam collator is ende possessor Heer Jan van Os, maer priucipael Jonckheer Aert van Voirde, als voocht van den selven Heere van Opdam zijnde.

Hier is oock een bruerschap, hebbende jaerlijx: omtrent 25 gl. VII. Breukrlen.

De kercke is wel dicht in dack ende glasen, maer van binnen noch woest, onversien van bancken voor de vrouwen, ende noch vele reliquien van outaeren ende andere paepsche dingen hebbende.

Kerckmeesters werden gestelt bij den Here van Nieuwen Eoode, ende doen voor den selven haere rekeninge. De goeden, de fabrycke toecomende, doen ontrent 80 gld. jaerlijx.

Predicant is Erasmus Backer, alhier gesonden van mijn E.E. Heeren van Nieuwen Roode voorgemelt.

Dese volcht in sijne bedieninge de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, ende heeft des Heren Avontmael tot verscheyden reysen gehouden, oock noch op paes-schen verleden.

-ocr page 826-

168

Is versien met een coster, die oock de schoole bedient, niet zeeckers hebbende dan 5 gld. t\'sjaers, waervoor hij d\'uerwerck stellen moet, midsgaders eenige ommegangen van cleaner weerden.

Hebben twee diaconen, die d\'aelmissen vergaderen, dewelcke gestelt werden bij den Heere van Nieuwen Roode.

Hier is een bequaem pastoors huys met eenen hof, ende eene costerie, bequaem oinme de schoole te houden.

Hier gehooren oock tot dese parochie verscheyden vicarien, item incomen van verscheyden autaeren, alle t\'zaemen specialijck geadnoteert bij FJoris van VYede, met haere collateurs ende pos-sesseurs.

Heeft oock een bruerschap, waervan d\'incomen ende de gelegen-heyt na te vragen is bij sijnen procurateur, de welcke, doen wij hier waeren, niet bij huys en was.

VIII. ïer-Aa.

De kercke is verbrant ende van binnen met een afdack her-rnaeckt, dat men daer in predicken kan. Kerckmeesters werden jaerlijx gestelt bij den Here van der Aa ende den predicant, voor den welcke sij haere rekeninge doen. D\'incomen van de fabryoke is omtrent 15 ofte 16 gld,

Henricus Dussius Alberti is predicant, heeft hier gewoont 10 jaeren, begifticht met pastorie van den Heere van der Aa ad vitam. Is wettelijck geexamineert, ende heeft goede attestatie van de Classe van Alckmaer. Draecht hem in sijne bedieninge na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Gatechismum gedruckt, ende beclaecht dat hij \'t noyt tot het gebruyck des H. Avontmaels heeft conen brengen.

De coster is oock secretaris, ende is behalven dezen noch een schoolmeester, beyde gestelt ende gegaetjeert hij den Heere van der Aa voorsz.

Hier en wart noch niet gesongan.

Sijn oock zonder ordonnantie op dan armen, waerin zal moeten ordre gestelt werden.

-ocr page 827-

169

De predicant beclaecht hem, dat bij in doopen ende trouwen zeer geempecheert wert bij de papen tot Vincke-Veen ende Wilnis.

Heeft een schoon pastoorshuys, ende de schoolmeester wert insgelijx bij den Heere van der Aa met eene woninge versien.

Hier is eertijts een bruerschap geweest, waervan d\'incom^n aengeleyt wert tot de betalinge van den schoolmeester.

IX. Vkee-Lant.

De kereke is in goede reparatie, maer noch bezuydelt met d\'outaeren ende andere reliqnien van \'t paeusdom. Kerck-meesters werden vercooren, d\'een jaer bij de burgerije ende d\'ander buyten de stadt van de parochie. Derekeninge geschiet voor den Maerschalck ende die van den Gerechte. D\'mcomen van de fabrica is 9 gl. 13 st.

Predicant is Guilielmus Aegidii; heeft hier gestaen 8 jaeren, op de seyndinge van mijne E.E. Heeren de Staeten, ende draecht hem in sijne bedieninge na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, maer en heeft noch noyt Avontmael gehouden.

Bruyn Peterssen, in Vrelant gebooren, is coster, schoolmeester ende oock schout. Heeft hiervoor eenen wter-dijck, geestimeert d\'een jaer door d\'ander op 18 gld. Item 20 gld. wt de vicarie van St. Anthonis, voor d\'ommegangen, die eertijts geweest zijn, ende noch 2 gl. voor d\'uirewerck te stellen.

Is noch sonder diaconie, en zal hier-in als anders moeten versien wesen door generale ordonnantie, \'t Surplus nochtans van St. Anthonis Vicarie wert tot den armen geemploijeert.

Daer is een schoone pastorye met eenen boomgaert, maer gene costerie noch schoolhuys.

Burgemeesters met die van den Gerechte, midsgaders de burgers ende bueren verzoucken, dat haer predicant moge elders gestelt werden, blijckende bij zeeckere acte, die se ons hiervan medegegeven hebben. Verclaerden nochtans, dat hij hem met predicken wel genouch dede ende sich oock grootelijx gebetert heeft in sijne

-ocr page 828-

170

oude faulte van drincken. Ons dunckt dat dit versouck gedaen ■wert, ten aensieu van eenige voorige kibbelingen ende harde woorden , daer wt geresen, waer-over eene aversie van sijne persoon schijnt te wesen.

X. Over-Meer.

Heeft een kercke, wel gerepareert ende gezuyveit. Kerck-meesters werden gestelt bij den predicant ende gebueren, voor de welcke oock de rekeninge gedaen wert. üe fabrycke heeft omtrent 100 gld, jaerlijx.

Jan Hermanssen, alhier tot Over-Meer gebooren, is pastoor geweest omtrent 37 jaeren, ende heeft dit beneficium ontfangen van den Grave van Egmont, doende in corpore omtrent 200 gl. Ende heeft geen huysvrou, tnaer daer is een eerlijeke oude weduwe bij hem, die hem dient en sijn huys voorstaet.

Is in sijne bedieninge noch meest paepsch, ende hem selven accommodeerende na de lieden, zulcx dat hij verclaerde, dat hij noch voor de dooden \'t gebedt dede, omme niemant te argeren. Zal daeromme dese man moeten geëxamineert, onderwesen ende in sijn arnpt in zeeckere gemeyne forme hart gebonden zijn.

Coster is Assuerus Dirxssen, dewelcke oock de schoole bewaert, ende daerbeneven Secretaris is. Heeft zeeckers ses mergen lants ende een halve.

Hier en is gene diaconie, maer emploijeeren \'t surplus van de fabrycke voor den armen. Boven desen hebben de Kerckmeesters somwijlen ommegegaen ende belooven \'t selve voortaen bij provisie alle sondagen te doen.

Dese plaetse heeft een goet pastoorshuys, maer geene wooninge voor den coster.

Hier is een vicarie tot onser Vrouwen outaer, waervan de Heere van Jaers-velt collator is, ende possessor Volcker van Baer, Gijsbertus van Barenssoon, doende omtrent 40 gl. jaerlijx.

Item eene breurschap van St. Anthonis, hebbende jaerlijx omtrent een pont groot, dVelck oock den armen wtgedeilt wert.

-ocr page 829-

171

XI. Coute-Houve.

Heeft een kercke, wei onderhouden maer noch besmet met d\'outaeren. Kerckmeesters werden gedenomiaeert bij den Schout ende de Wet, maer vercoren bij d\'Ambachts-heeren, ende doen haere rekeninge in de kercke met voorgaende denunciatie van dien, voor de geheele gemeynte, ten overstaen van den Schout ende Wet. D\'incomen van de fabrica is jaerlijx, zo aen wtgangen als landen, 160 gld. 14 stv.

Voor pastoor draecht hem hier Nicolaes Martenssen van Cralingen bij Rotterdam. Is hier geweest omtrent drye jaeren, versocht bij de bueren ende gesonden bij de Heeren van St. Marien, sonder mijne Heeren de Staeten gepresenteert te wesen. Ontfangt van de Kerckmeesters voor sijne bedieninge een daler ter weeck, ende dat wt de goederen, boven (zose namaels verclaerden) quaelijck gestelt op de kercke, de welcke gansch niet zeeckers en zoude hebben.

Dese man een weynich ondertast zijnde in de hoofdstucken van de religie, en wist gansch niet goets te antwoorden. Beriep hem opt oude ende verclaerde van gene meyninge te zijn, omme hem na yet beters te vougen, hem dragende (zo hij seyde) in doopen ende trouwen, in latijn ende duytsch, gelijck als \'t de lieden begeerden.

De Secretaris is oock coster ende schoolmeester, en heeft niet zeeckers, maer hem zijn 12 gld. van de. bueren toegeseyt. Is hier eerst voor drye weecken gecomen wt Hollant van Hazerzou , genaempt Nicolaes Adriaenssen, een man (zoo \'t schijnt) apparent omme goeden dienst te doen ende bereyt omme de Psalmen in de kercke te singen.

Hier is een goet pastoors-huys en eene bequame woninge voor den coster ende school-meester.

XII. Ankeveen.

Met de kercke ist hier vast gelegen als tot Cortehouve. Kerckmeesters werden gestelt door de denominatie van de afgaende ende

-ocr page 830-

172

approbatie van den pastoor, wt den naem van de gemeyne bueren, voor den welcken oock de rekeninge met voorgaende publicatie van den predick-stoel gedaen wert.

Ende staet hier te noteeren, dat dese parochie ten dele Hollants ende ten dele Stichts is, daerornme oock een Kerck-meester van die sijde gestelt wert, waer-ut Cornelis Laurenssen ende Peter Cornelissen, dienende van deser zijde, geweygert hebben , de goeden tot de fabrycke gehoorich ons t\'ontdecken, hen beroupende op den Hollantschen Kerck-meester, daer nochtans de kercke op den Stichtschen bodem staet. Zulx daerornme (ouder correctie) op eene andere wijse moeten geconstringeert werden, omme den staet van dien aen te geven.

Lambrecht Stapperts wt het lant van Luyck, gebooren in een stedeken Buystherck boven Hasselt, heeft alhier als pastoor gewoont drye jaren ende een half. Seyt van de gemeynte beroupen te wesen, onder voorweten zo van \'t capittel van St. Marien, hebbende alhier d\'Ambachtsheerlijkheyt ende collatie, zo oock van mijne E E. Heeren de Staeten. Ondervraeclit zijnde in eenige fun-damentale saecken der christelijcke religie, antwoordde zeer confu-selijck, vermengende de goede werken in \'t stuck der salicheyt met de verdiensten Christi. Is oock in de bedieninge van doop ende huywelijck gansch onverstandich, ende sonder alle behooriijcke forme, na sijns self\'s verclaringe. Belooft nochtans evenwel opt examen te compareeren, sonder eenige apparentie van nabiliteyt te hebben, omme daer-in te conen bestaen. Heeft IOC gl. van de kerck jaerlijx.

Hier is een coster, genaemt Claes Jacobssen van Anckeveen, edoch onbequaem omme de kynder te leren; ontfangt zeeckers 24 gl. insgelijx wt die kerckengoeden. Sal daerornme de dienst hier anders moeten bestelt werden.

Heeft gene verpleginge der armen, behalve dat het surplus van de fabrica bij de Kerckmeesters den selven wtgedeylt wert.

Hier is eene pastorie ende oock eene costers wooninget

-ocr page 831-

173

XIII. Nichtevecht.

De kercke is redelijck onderhouden, maer niet gezuyvert. De Kerck-meesters gaen hier aft en aen bij wisselinge, ende werden bij \'t gerechte vercoren, daer voor sij oock haere rekeninge doen. D\'incomen van de fabrycke is ontrent de 63 gld.

Hessel Robrechtssen draecht hem hier als pastoor van \'t jaer van tachtentich at\', gesonden ende gepresenteert (zo hij seyt) door Frederick van Wtenenge ende Amerongen, deecken van Oude-Munster, \'t Corpus van sijn pastorie verclaert hij te bedragen 64. gl. jaerlijx. In sijne bedieninge is hij noch gansch paepsch, wtgenomen dat hij somwijlen de lieden in duytsch trout. Seyde, wat de Reformatie belangde, te blijven bij sijne antwoorde, den gecommitteerden van de Heeren Staeten gegeven in de Camer t\'Utrecht den 27 Junij aquot; 1590, met ronde verclaringe, dat hij altijts catholijck geweest was, ende alsnoch begeerde te blijven. Dese begost eyndelijck , als-men met hem socht in naerder conferentie te comen, quaet te spreecken, calumnierende dat men hem, omme van goddelijeke zaecken te handelen, in \'t huys van Bacchus, dat is in de herberge, t\'lmys van den Schout, ontboden hadde, ende zulx, niettegenstaende \'tgoet tegenbericht dat hem gedaen wiert, bitterlijck menichmael repeterende. Op welcke sijne insolentie sonderlinge acht staet te nemen.

Egbert Cornelissen van Abcoude, coster ende schoolmeester, heeft zeeckers 30 gld., hout school (seyt hij) gelijck als-se comen, ende is als sijn pastoor, geheel catholyck ende bitter.

Hier zijn twee huyskens, die van de armen bewoont werden, ende wert tot onderhout van deselve ende andere gebrecklijdende geemploijeerd \'t surplus van de fabrycke, Gaen oock omme op de feestdagen.

Pastoor ende coster zijn beyde met goede woningen voorzien.

\'tGoet, eertijts tot de buerschap gehoorich, is begrepen onder de 63 gl. boven op de fabrycke gestelt, waer-wt oock de coster betaelt wert.

-ocr page 832-

174

VI. Abcoude.

De kercke is we] schoon en groot, maer zeer qualick gerepa-reert ende noch veel min gezuyvert van de reliquien des paeusdoms. Kerckmeesters werden vercooren bij den Maerschalck en die van den Gerechte, ende doen haere rekeninge voor den Maerschalck ende de gemeynte met voorgaende clockslach, tot verwittinge van den tijd van dien. En wilden ons gene openinge doen van de goeden tot de fabrycke staende, maer seyden deselve eertijts aen de Direcsie-camer aengegeven te hebben.

Andreas Oosterbeeck is hier predicant, gesonden bij mijne B. E. de Heeren Staeten. Hij draecht hem in sijne bedieninge na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, ende heeft nooh geen Avontmael gehouden, maar verhoopt \'t selve metten eersten te doen.

Hij beclaecht hem seer van de impechementen, die hem over zeeckeren tijt in sijnen dienst gedaen zijn door een paep, die wt Hollant daer quam predicken op alle sondagen, verzouckende dat de selve voortaen van daer moge gehouden werden. Gaf oock aen, datter t\'Abcoude noch een ander woonachtig was, genaemt Peter Claessz. van Amsterdam, de welcke dagelijcx hem onderstaet sijnen dienst te verstooren, met heymelijck te doopen ende te trouwen. Item, dat men schier alle dage noch keerssen openbaerlijck op d outaeren stelt, tot groot schandael van alle passanten ende tot bedroefienisse van hem ende allen vroomen.

Qiyyi Dirxssen, t Abcoude gebooren, is coster ende schoolmeester, ende verclaerde, dat hij een derde subdelegatus is in dit ampt, en dat hem eene Mr. Roelof de Schilder t\'Utrecht voor den rechten coster wtgeeft. De collatie hiervan staet bij den Heere van den lande, zulx dat daer door zeer lichtelijck in deserzaecke zal conen geremedieert werden. De tegenwoordige huyrlynck en heeft niet zeeckers dan 22 gld. en 12| st. voor \'t stellen van de clocke ende \'t gene voor \'t overluyden van de dooden gegeven wert. Is gansch catholijck, den predicant wederhoorich, ende en wil niet singen in de kercke, ja en kan \'s oock niet.

-ocr page 833-

175

Hier zijn huys-sittemeesters, en seggen dat oock de goederen hiertoe de staende aengebrocht zijn aen de Gamer van directie; maer en werden noch gene aelmissen in de kercke vergadert.

En heeft geen pastorie, maer wel een costers wooninge, met een school-huys daer aen ; daar is noch een vervallen buys, zeeckere vicarie toecomende. Wij zijn oock bericht, datter over weinich jaeren zeecker gemeyn buys, ofte de kercke, ofte den armen toecomende, zoude vercocht zijn, eertijts aen Cornelis Anthonissen gepresenteert tot zijne woninge, indien hij aldaer sijn plaetse als ordinaris dienaer quaeme te nemen.

Haere vicarien ende bruerscbappen seggen sij mede aengegeven te hebben als boven.

XV. Bambrtjgge.

De cappelle albier wert gerepareert ende bequaem gemaeckt omme te predicken; heeft incomen van ontrent 62 gl. \'tsjaers van zeeckere vicarie, bij mijne E.E. Heeren de Staeten deese buerscbap gegost, zo tot onderhoudinge van de fabrycke, zo tot de bedieninge van de schoole.

Zijn oock versien met eenen goeden school-meester, Aert Janssen, aldaer gebooren. Clagen dat-se van die van Abcoude verongelijckt werden, dat de selve tot de gemeyne schattinge gequotizeert wert, daer alle andere van gelijcken qualiteyt vrij gehouden werden, gelijck-se oock hem belooft hebben , ende hem daeromme niet meer zeeckers en geven dan 30 gld. jaerlijx ende vrije wooninge.

Andere wilden ons seggen, dat hij niet als coster, maer als eygen vast goet hebbende gequotizeert wert.

XVI. VlNCKE-VEEN.

De kerck is aenbesteet ende wert gerepareert, maer zal daer beneven oock moeten gezuyvert wesen. Kerck-meesters stellen die van de Gerechte met bewilginge van de gemeynte, ende doen haere rekeninge voor de selve, met openbaere voorgaende kerck-

-ocr page 834-

176

spraecke. De fabryca heeft t\'sjaers aen renthen ende Janden 69 gld.

Matthias Arnoldi, van Naerden gebooren, draecht hem hier als pastoor van \'t jaer 77 af. Ts ges telt van Cunertorf, Canoniek tot Oude-Munster, als collator. Heeft (zo hij seyt) den deecken Monsema tot sijn Curateur gemaeckt, de welcke van sijnentwege zeeckere 21 ackers verhuert, waervan hij ontfangt 64 gl. \')

Het is een mensche gansch onbequaem otnme te leren, wijst sijne toehoorders om salich te werden (na sijns selffs bek ent snisse) op haere goede wereken ende en weet van het Euangelie ende het geloof niet te seggen. Voert daer beneven een geheel ongod-delijck ende argerlijck leven , met dagelijx te zuypen ende ander-s.ns, zulex dat hij een spot is van goeden en quaden, ende van de lichte lieden in de wandelinge de groote godt van Vincke-veen genoemt wert. Heeft onlanx geleden een acte genouch van gewelt bedreven tot Mijdrecht aen de huysvrouwe van zeecker Hollantsch predicant aldaer wonende, tot dat sijn buys tot Waverveen zal gemaeckt wesen, in absentie van haren man ende droncken zijnde, om dat hij verstaen hadde wt desseiven predicants mont gecomen te wesen, dat dese visitatie voor handen was.

Jan Jansz. wt Cassel-Ambacht in Vlaenderen, is hier twe jaer coster geweest, ende ontfangt van de Kerck-meesters 52 gld. met een vrije woninge. Is oock Secretaris ende een goet musicus, bereyt zijnde de psalmen te singen, ende de kinderkens den Cate-chismum lerende, wanneer \'t d\'ouders begeeren.

D\'ommegang voor den armen is airede hier in train.

Heeft een pastoors buys ende een woninge voor den schoolmeester.

XVII. WlLNIS.

Heeft een zeer wel gerepareerde kereke van binnen ende van buyten, wtgenomen datter noch eenige reliquien van outaren zijn.

\') De gemelde pastoor is gestorven, ende is in sijne plaetse aldaer, met beheren van die van Oudemunster als collateurs, bij provisie gecommitteert, op den xiiii Juny \'94, quot;Wigbaldus Belida.

-ocr page 835-

177

Kerckmeesters werden gestelt bij den pastoor eude gebueren, ende doen haere rekeninge voor de selve met voorgaende publicatie op den predickstoel. En willen ofte en weten van geen zeecker incomen te zeggen, maer bekennen eenich lant vercocht te hebben tot reparatie van de kercke, waer van zij \'t surplus niet en conden begrooten.

Wicher Janssen, tot Wilnis gebooren, hout hier als pastoor den tijt van 36 jaeren, ende is oock Secretaris. Heeft dese pastorie ontfangen van den proost Goch als collator, \'t Corpus van sijne pastorie doet omtrent 70 gld.

Hij is een man gansch onverstandich in de religie ende vast van leven als die van Vinckeveen. Heeft noch op Paesschen sijn Broot-Godt vercocht, ende hem in \'t openbaar beroemt dat hij een goede merckt voor dese reyse gedaen hadde, zulx dat ver-scheyden vrome lieden hier wonende, zo professie doende, so liefhebbers van de gereformeerde religie, benodicht zijn hem in andere omleggende dorpen van Hollant, en oock tot Mijdrecht te kercke te begeven.

Gijsbrecht Claessen, oock van Wilnis, is coster ende bode van den Gerechte, een man vast als sijn pastoor. Heeft wt elck huys 4 stv. jaerlijx. Hebben daer beneven een jonck geselle die de schoole bewaert, zonder eenige gaetsie ende sonder regel ende ordeninge.

Heeft een pastorie met een proper hoofken.

XVIII. Mijdrecht.

De kercke is redelijck onderhouden ende behoeft maer van eenige rommelinge, daerin staende, bevrijt, ende beter met bancken voor de vronwen versien te wesen, Kerckmeesters werden gecooren bij de gemeyne bueren, voor de welcke sij oock haere rekeninge doen, ten overstaen van den proost. D\'incomen van de fabrycke is 42 gl. wt landen eude huysen.

Predicant is Joannes Assueri, gesonden bij mijnen E.E. Heeren de Staeten, hem houdende in sijue bedieninge na de christelijcke

12

-ocr page 836-

178

ceremonien ende gebeden , achter den Catechismum gedruckt. Heeft dryemael Avontmael gehouden, ende zijn over de 60 communicanten .

Coster is Nicolaes Meeussen. van Mijdrecht gebooren, heeft de^ jaers voor luyden, d\'uenverck te stellen ende singen, \'t gene (gelijck hij seyde dat hij coiule) 12 gld. De schoole wert bij den Secretaris gehouden, gansch paepsch ende partiael zijnde, gelijck als oick de coster, zulx dat hier-in ten beyden zijden nootsaeckeliik zal moeten versien wesen.

Hier zijn tvve diaconen bij de kercke gestelt (also hem d\'Over-heyt daer mede niet begeert te moeijen) , dewelcke d\'aelinissen in de predicatie vergaderen ende daerbij verantwoorden voor den predicant ende d\'ouderlingen.

Behalve dese sijn noch twe andere arm-meesters, dit jaer eerst aengestelt bij \'t Gerechte, houden goede correspondentie iu dVtdey-linge met die van de kercke. Hebben t\'sjaers aen zeecker renthen 20 gl. ende doen rekeninge voor den genen, daervim sij gestelt werden.

Hier is een pastoorshuys maer gene andere kerckelijcke woninge.

Item een bruerschap van onse Lieve Vrouwe, waerover twe gilde-meesters zijn. De paep, die dit gilde plach te bedienen, moste oock de schoole waernemen ende versorgen in \'t leren der kinderen , daer-voor genietende de vicarie hiertoe staende.

Wij vonden hier oock een paep genaemt Anthonms Godefridus, te Pelt in \'t lant van Luyck gebooren, de welcke den dienst dagelijx groote verstooriuge doet. Ken weynich ondervraecht zijnde, bekende rondelijck, dat hij in \'t heymelijck doopte ende troude. Ende wij verstonden, dat hij \'t selve Jaer om geit doet. Item, dat hij hieromme loopt door alle dorpen, oock onder Hoilant gelegen, waervan airede dachten gedien zijn aen de Classe van Amstelredam ende (zoo men meynt) aen de Heren Staeten van Hoilant.

XIX. Tamen.

Hier is men besich met het repareren van de kercke. Kerck-

-ocr page 837-

179

meesters zijn eenige jaeren herwaarts gestelt geweest allen bij den proost, \'t welck te voren bij den pastoor ende de bueren plach te geschieden. D\'incomen van de fabrica is 125 gld., waerut den pastoor eertijts plegen 60, 70 ofte 80 gld betaelt te werden voor sijnen dienst Ende den coster 15 ofte 16 gld., waertoe deselve wt elck buys noch 5 stv. plach t\'ontfangen, hoedanige huysen 60 zijn in getale.

üese plaetse is gecombineert met Mijdrecht, als onder een Gerecht ressorteerende; wesende nochtans een zwaere combinatie, die oock niet sonder oncosten te draegen en kan geschieden, ende daeromme ten regard van dien vereyschende hiervoor recom-pensie na gelegenheyt der zaecke.

Heeft geen coster, maer is de gene die \'t geweest is, bij den proost tot kerck-meester gemaeckt. Zijn nochtans versien met een schoolmeester, den welcken de gewillige begonnen hebben yet te vergaderen bij opteeckeninge, also de kerck-meesters in der tijt gansch in weygeringe zijn yet hier toe te geven, na ouder cos-tuyme, verzouckende onderdanelijck dat-se int out recht bij haere hoge overheyt mogen gemaintineert werden, also \'t middel bij hen ter hant genomen wt noot niet bestaen ofte immers niet langer gedueren en kan.

Hier zijn oock diaconen gelijck als tot Mijdrecht bij de kercke gestelt.

De vroome claegen, dat hen de proost haere clocke afgehaelt heeft, doe in de plaetse van de mispaepen een gereformeert predicant ingevoert werde. Item, dat overal in de proostdie een paep coemt predicken, heer Gerrit genaemt, ende t\'Amstelredam woonende, tot groote verstooringe van den kerckendienst ende ophoudinge van \'t volck.

XX. Segvelt.

De kercke is wel verbrant, maer alzoo gerepareert, dat-men bequamelijck daer-in predicken kan. Kerckmeesters werden gestelt bij den pastoor, schout en den genen die afgaen, maer doen

-ocr page 838-

180

liaere rekeninge voor de gemeynte met voorgaende kercke-spraocke. D\'incomeïi tot de fabrycke liebben wij, na lange weigeringe, bevonden te wesen des jaers 160 gld wt zeeckere rekeninge bij den pastoor ons getoont op onse ernstige instantie. Dese pastoor is Dirck Cornelissen van Bergen, gebooren ter Gou, ende eertijts Rector geweest t\'Utrecht. Heeft hier gewoont ontrent de vijf jaren, ende is met dese pastorye begift (zo hij seyt) van \'t Capittel van St Marien, doende in corpore 106 gl., waer bij hij noch van de kercke een pont groot onlfangt. Dese ondervniecht zijnde in eenige hooft]\'oincten van de christelijcke religie, zocht hem te behelpen met allerley wtvluciiten in de Roomsche kercke gedreven, ende als-men hem vasthield in terminis, insonderheyt in \'t stuck de perfectione scripturae canonicae, geen wtcomst siende, antwoorde met suchten, ende als vermoeyt zijnde: //wat wil ick veel seggen? lok ben van \'t oude ende begere daerbij te blijven en wil mij niet laten examineeren, also ick tot Leuven geexamineert ben.quot; Hij is inde vasten tot Wilnis geweest, om geit de passie predicken, ende hier is wt Hollant door zeecker predicant in Rijnlant staende, verwittinge gedaen dat hij , zeder dat wij daer geweest zijn, het volck zeer op den praedick-stnel geanimeert heeft om me vast bij d\'oude te blijven, belovende sijne ziele voor hen in \'t oordeel Gods te pande te stellen. Dese man bedient hier oock de schoole ende is oock coster, daer voor genietende, behalve zeecker half inergen lants, dat hij in zijn gebruyck heeft, wt elck buys 5 stv. behalven het schoolgelt.

Heeft een pastoors huys, maer geen costerye; edoch hebben begonnen een schoole te timmeren.

Hier is eertijts een bruerschap van St. Annen geweest, waer-van nu (zoo-se seyden) d\'incomen tot de fabrica geemployeert wert.

XXI. LlJfSCHOOTEX.

De kercke is verbrant geweest, maer daer is binnen in d\'oude werck eene bequame plaetse gemaeckt om te predicken, edoch becladt zijnde met d\'oprichtinge van eenen nieuwen outaer. Kerck-

-ocr page 839-

ISl

meesters werden gestelt bij \'t (Japittel van Oude-Munster, als A-inbachts-Heeren, ende doen liaere rekeninge voor de Gecommitteerde vande selve, mitsgaders den Schout ende de Gerechte, met voorgaende publycatie polityck. De goederen tot de fabrycke doen jaerlijx tussclien 5Ü ende 60 gld , gebleecken bij rekeninge de anno 91.

Joannes Wtenbrouck wt den Haege draecht hem hier als pastoor den tijt van 7 jaren, begift met dit beneficium van de Heeren van Oude-Munster, als collatores. Het corpus van de pastorie is 20 mergen hints en een ackerken, wtbrengende jaerlijx 80 gld-, gelijck nlst tegenwoordelijck verluiert is.

De selve is oick Secretaris ende heeft tot nochtoe oock de costerye ende schoole bedient, maer is onlanx geleden van de costerie gepriveert, hebbende een corpus van 3^ mergen lants.

üese man en is wel niet geheel onervaren noch onbelesen in gereformeerde boucken, maer quaet van wille; want hij verclaert, dat hij hem niet en begeert te laten examineeren, en wil oock siju huysvrou niet in \'t openbaer trouwen, maer seyt de selve genouch getrout te hebben door sijne verclaringe hiervan gedaen bij die van den Gerechte,

Hier is ordonnantie, dat het overschot van de fabrica tot den armen jaerlijx gaen moet.

De pastorye is verbrant en de pastoor woont in een proper huysken, staende tot de schoole,

St. Anthoniss breurschap en heelt hier noyt eenich zeecker incomen gehadt.

Tnsereren voorts de visitateurs hier ter plaetse voor memorie, \'t gene sij gehoort hebben van den ellendigen ende clagelijckeu staet der kereke tut Montfoort, bezwaert zijnde met een persoon niet alleen openbacrlijck als een verrot lidtmaet van \'t lichaem Christi sijnre gemeynte, alhier binnen Utrecht om sijn continueel ende goddeloos ongeneeslijck ([uaet leven uffgesneden (wesende een zaecke die noyt in eenige kereke geleden en is geweest, self niet in den Paeusdom), maer oock hem noch dageliix dragende erger als een openbaer potteboef, tot groot schandael ende cleynachtinge van de

-ocr page 840-

182

hooge Overheyt deser provincie. Wij hebben oock wt eenige verstaen, dat de kercken van de genabuerde geünieerde Provinciën hier van bedacht zouden zijn (na haere schuldige plicht) te doleren bij de Generaliteyt, indien door dese visitatie hierin niet en zoude mogen versien werden, also de name des Heeren om desen boosen mensche oock buyten lants geseyt wert, door \'t overbrengen van den genen die hier handelen ende frequenteren, gelastert te wesen. Biddende in den name onses Heeren Jesu Christi, dat hier-in doch eens ordre gestelt ende behoorlijcke veranderinge moge gedaen werden, met presentatie van haeren dienst, 1t zij omme de zaeckc door voorgaende kerckelijcke informatie in loco (gelijck nu overal ten platten lande geschiet is) of d\'autlioriteyt van uwe E.E., met alle christelijcke bescheydenheyt genomen, te praepareeren ofte andersins te doen , zoo \'t u E.E. zoude mogen goet vinden te believen.

XXII. Cameryck.

Heeft een kercke wel gerepareert, wtgenomen datter noch eenige paepsche reliquien overich zijn. Kerckmeesters werden gestelt bij den Sellout, den predicant ende den genen die in dese bedieninge afgaen, voor de welnke sij oock haere rekeninge doen. De fabryca heeft in corpore 20 aan lantpachten, als wtgangen 198 gl.

Nicolaus Nicolaï, van Naerden gebooren, heeft h er gewoont 8 jaeren, ende is in dese pastorie gestelt bij last van mijne E.E. Heeren de Staeten, van den Heere van Moersbergen z. m. ende Ploris van Wede, verclaert sijn corpus jaerlijx te bedraegen ontrent de 200 gl. Seyt oock hem gedragen te hebben na de Reformatie, ende op de kerckelijcke vergaderingen met anderen verschenen te zijn, sonder dat hij hier-van nogthans eenich getuyehenisse heeft, als wel andere. Heeft sijn huysvrou in \'t openbaer getrout in Noorthollant al over 17 jaeren, ende zoude aldaer oock t\'Oost-zaenen voor gereformeert predicant gedient hebben, van alle welke dingen lichtelijck zeecker bescheyt zal conen gecregen werden. Is iereyt hem in alles fonderwerpen \'t gene bij mijne E.E. Heeren

-ocr page 841-

183

de Staeten, zo in \'t gemeyn zo in H particulier, zal voorgenomen worden. Hij bedient oock de schoole voor \'t bloote sclioolgelt.

Coster is Reyer Arentssen, en heeft niet dan wt elck huys 2 stv. t\'sjaers ende vrije wooninge, ende van de Kerck-meesters 34 gld., gehouden zijnde hier-voor oock d wer-werck te stellen.

D\'aelmissen werden in de kercke vergadert door de H. Geest-meesters, de welcke oock den ontfanck ende de distributie hebben van noch zeeckere andere lantpachten ende wtgangen, mede den armen toecomende ende jaerlijx bedragende 76 gld. 17 stv., van welcken wij gesien hebben, dat zeer goede rekeninge, bewijs ende reliqua gedaen wert

De pastorie is geruineert ende wert de predicant met eene wooninge versorcht van de Kerck-meesters, doch (gelijck se seyden) niet wt plicht maer ex gratia.

Hier is een bruerschap, dewelcke zeecker eygen huys heeft. Item, zijn hier oock twee vicarien, waer-van d\'eene onder de vrienden van Monsema verduystert is, hebbende in corpore wel over de 30 mergen lants; van d\'andere is Heer Jan van Os possessor, dese staet tot collatie van den Kerck-meesters alhier.

XXIII. Hermelen.

üe kercke is hier verbrant, maer daer is in de selve wederomme zeer-bequaeme plaetse gemaeckt omme te predicken.

Kerck-meesters werden gestelt van Joncheer Maximiliaen van Baex, als Ambachtsheer, ende doen haere rekeninge voor den selven, den Rentmeester van den b\'dljer ende gemeynte. Ende hebben anders geen renten dan 1Ü gl. t\'sjaers, niet noch omtrent 12 gld van den balljer met recht gewonnen.

Jacobus Herdenberch is predicant ende heeft hier gewoont 4 jaeren, gesonden van mijne E.E, Heeren de Staeten. Is geexami-neert van de Classe van Utrecht (zo hij seyt) ende heeft hem altijt als een lidmaet van de selve gedraegen. Volcht in sijne be-dieninge de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Catechismum gedruckt, en heeft drie mael des Heeren H. Avont-

-ocr page 842-

m

mael gehouden, de eerste reyse met oyer de hondert communicanten.

Coster is Daniel Aelbertssen; heeft 21 morgen lants; item een cijse wt zeecker erfken, daer op de coster eertijts plach te woonen , eiide wt elck huys des jaers eeuen stuyver.

Heeft oock een schóól-meester, dienende voor \'t bloote school-gelt, een jonck-man die tot Leyden gestudeert lieeft, ende zo verre in de theologia gecomen is, dat lüj hem presenteert tot proponeeren, of hem de Here tot liet predicampt zoude mogen geroupen hebben. Die van den Gerechte, de predicant ende gehueren versochten sijnenthalve, dat hij voor eerst met eenige gaetje mochte versien werden door den Balier, also de selve aldaer de kerckengoederen ontfangt ende genietende is.

D\'aelmissen werden iu de kercke bij provisie bij de Kerkmeesters vergadert.

Daer en is geen behuysinge voor den predicant, maer hier staet een commandeurshuys genouch ledich, d\' welck eertijts bij den pastoor plach bewoont te werden, en waer-in men hem lichtelijck eenich quartier zoude conen wijsen ende angeven.

XXIV. COCKENGEN.

Heeft een kercke zeer geramponeert ende noch ongezuyvert van de reliquien van t paeusdotn. Kerck-meesters werden gestelt alleen bij mijn Heere ^an Zuylen, ende doen haere rekeninge voor denselven, midtsgaders den Schout ende die van den Gerechte. De fabrica en heeft niet meer dan ontrent 14 gld. jaerlijx en eenige stuyvers, overmits over thien jaeren zeeckere parcheelen goets vercocht zijn, omme de kercke daermede in reparatie te brengen.

Voor pastoor draecht hem hier Andreas Bartholdi, wt de Zeven-Wolden gebooren; heelt te vooren gewoont in Groninger-Lant, is in dese plaetse gecomen over 5 jaeren, gestelt (zo hij seyde) bi] mijn Heere van Zuylen.

De pastorye doet in corpore aen lant, renten, erfpachten en zeeckere wtgangen 105 gld., waerop eene Peter van Honthorst pretendeert, wt cracht van eene Paeus-bulle, actie te hebben van

-ocr page 843-

185

40 gld. t\'sjaers, welcke zaecke noch in rechten staen zoude voor mijne Heereu de Magistraet der stadi van Utrecht ende alsnoch ongedecideert is.

Dese Andreas ondervraecht zijnde, wist weynicli met bescl^eyt t\'antwoorden, gaf hem wt voor een discipel Brentii ende Ubiquitist; edoch en wist self \'t bloote gevoelen van sijnen meester aengaende de lere van quot;t Avontmael niet voor te stellen. Nam eyndelijck aen, na eenige verdere communicatie, \'t gene van dit poinct in den Cat^chismo geleert wert, ende verclaerde sijn gevoelen daer-mede in allen delen te accorderen, ende dat hij bereyt was hem selven tot het examen te begeven. Hij seyt, dat hij sijn huysvrou in Groninger-lant getrout heeft, le dier tijt aldaer geen paep, maer alleen coster zijnde. Volcht in \'t doopen de grove forme Lutheri, een weynich versuvert (zoo t hem liet aansien) tot Woerden door J. Ligarium, ende in druck wtgegeven. Hij bevesticht de huywe-lijcken in sijn huis, edoch doet de geboden in de kercke, omme des volx ongestuymicheyts wille, ende \'tselve igelijck hij seyde) voor te coinen.

Na date van dese visitatie is \'t Utrecht zeecker Flollantsch predicant gecomen wt de classis van Rijnlant, genaemt Robrecht de Ridder, te kennen gevende hoe dese man langen tijt met henlieden, aengaende sijne reformatie den spot hadde gedreven (\'t welck wij oock wel verstonden wt sijn eygen propoosten, met hem handelende) ende dat hij berucht is van zeeckere dootslach , die bij Hem zoude gedaen zijn in Groningerlant, ende alsnoch onversoent staen.

Hier is een costerie, waer-mede zeeckere jongen begift is van mijn Heere van Zuylen, wiens oom dese plaetse belooft hadde te bewrareu, maer nu in den crijch is. \'t Zeecker hiertoe staende is 5 mergen lants, item 8 gld van de kercke, 36 st. van erfpacht ende twemael \'t sjaers wt elck huys een stuyver. De moeder van desen jongen wert geseyt onder \'t decksel van herberge een zeer schandelijck ende argerlijck regiment te houden, met danssen , openbaer vuylspreecken ende allerhande lichtvaerdicheyden, waerin de Schout self badt dat doch ordre gestelt mochte werden.

-ocr page 844-

186

Hier zijn twe H. Geest-meesters, ende men gaet omme in de kercke voor den armen ende de fabrvcke op de feest-daegen. Zijn oock hier vyer cainerckens den armen besproocken bij eenen Heer Clornelis, eertijts pastoor van Segvelt.

Op \'t kerck-hofi vonden wij een groot houten geschildert cruys, bebonden met vele vodden , hoosbanden ende anders, voor \'t weick de Hollantsche predicant voorgemelt sejde wei gansche 8 daegen bedevaert gedaen te zijn na deze visitatie.

Hier is een pastorye, maer noch costerve, noch schoole, ende nochtans een schoon dorp. Eertijts was hier oock een bruerschap met eene vicarie, staende tot onser L. Vrouwen outaer, ende noch eene andere van St. Maria Magdalena.

XXV. Vleuten,

De kercke leyt geheel in \'t wilt ende is noch vol geschilderde beelden ende outaeren.

Kerck-meesters werden hier gestelt bij de gemeyne bueren, ten overstaen van den Schout ofte yemant anders van wegen hst Capittel van Oude-Munster, ende doen haere rekeninge voorde selve, met voorgaende publicatie van dien bij clockslach.

D\'incomen van de fabrycke aen lantpachten, wtgangen ende renten is jaerlijx 4 gld. 10 st 8 penn.

Dese plaetse is eenen tijt lanck bij provisie bedient door Gerarduin Stratenum, alsnoch t\'Utrecht wonende

Hier is noch een paep , Henrick Willemssen van Segvelt, devvelcke seyt hier pastoor geweest te zijn 28 jaeren, door collatie van \'t Capittel van Oude Munster. Geniet alsnoch de goeden der pastorie, ende doet groote verstooringe in d™ kerckedienst met heymelijck te doopen ende te trouwen, item, met de lieden in de herber^e op te houden onder de predicatie, waer over Tieleman Janssen voor sijne translatie in Maertensdijck hem dickwils gedoleert heeft, gelijck oock Stratenus op desen huydigen dach doet.

Gornelis Cornelissen van Vleuten is coster en schoolmeester; lïeeft een mergen hooch lants, een wooninge ende wt elck huys

-ocr page 845-

1S7

twemael t\'sjaers zo 5, zo 3 grooten, daertoe 4 gl. vandekercke. Hier en is geen pastorie, maer de breurschap var» onse L. Vrouwe heeft zeeckere wooninge. Item 25 gld. jaerlijx incomen van !ant-pacht ende anders, ende nooh eenige juwelen, die se op haere maeltijt van eenige continuele dagen plegen te vertoonen.

XXVI. De Meeren.

Heeft een arm vervallen capelleken, edoch waeraen zo vele gerepareert is, dat-men de, schoole daer-in houden can. Ende wert verclaringe gedaen, dat de vicarius in tempore de reparatie van dien bij cuts doen ranste. Was oock gehouden op St. Anthonisdiich zeeckere aelmissen daer wt den armen wt te deelen.

Arnoldus Steenlant van Hulst is alhier bij de gemeynte voor predicant aengenomen, ende oock voor school-meester, in Januario laestleden voor de somme van 50 gld. t\'sjaers, waertoe heer Willem Quirynssen, wesende possessor van de vicarie voorgemelt, belooft heeft te betalen 34 gld., ende de reste zouden de bueren daer bij leggen. Heeft (zo hij seyt) maer twe ofte drye sermoenen gedaen, ende daerna door verbot vanden onder-Maerschalck Ni velt het predicken opgegeven. Wij verstonden denselven dach tot Jutfaes, dat dese Arnoidus een duyvel-bezweerder is, ende dat hij hem onderstaet t\'ontooveren. Een weynich ondervraecht zijnde van de religie, bleet vast op \'t oude Roomsche geloof (zo hij\'t noemde), dat is, bij de papisterye. En wist gansch niet t\'antwoorden ten propooste in \'t stuck van de aenroupinge der heyligen , bij hem selfs nogthans op de bane gebracht. Hij heeft een vrouwe bij hem met 8 kinderen, die hij seyt coram testibus getrout te hebben, maer niet in facie ecclesiae, met verclaringe dat hij-se oock also niet en begeerde te trouwen. De vicarie tot dese capelle gehorich doet des jaer over de hondert gl

XXVII. Jutfaes.

Heeft een wel gerepareerde kercke, wtgenomen datter noch eenige outaeren in zijn. Kerckmeesters werden gestelt op den goeden Vrijdach (zoo uien hem noemt) bij de gemeyne bueren, ende twee

-ocr page 846-

188

jaren gedient hebbende plegen-,se haere rekeninge te doen voor de gansche geraeynte, met voorgaende promulgatie van dien op den predick-stoel Maer also hem vele, eenige voorleden jaeren hier-van geabsenteert hebben, geschiet zulx nu alleen voor die van den gerechte D\'incoraen tot de fabrycke gehoorioh, met de lasten daer-tegen , hebben-se door den Schout bij geschrifte overgegeven. Ende zoude na inhout van dien jaerlijx niet meer overschieten dan de somme van eenige in de t\'seventich guldens Maer wij verstaen dat de landen tot cleynen prijs verhuert zijn, ende men wil seggen dat oock eenige verpantschapt zouden wesen.

Predicant is alhier Gervasius Drijel, gesonden bij mijne E.E. Heeren de Staeten, hem dragende in sijne bedieninge na de christelijcke ceremonien ende gebeden acliler den catechismum, maer en heeft noch geen Avontmael gehouden,

Coster ende secretaris is een Jan Mattheeussen, genietende hier-van zeeckers \'t gebruyck van 3 mergen lants, 14 gkl. van de K.erck-meesters en 5 gld. van de procuratoren van de bruer-schap. Maer is gehouden oock de schoole te bewaeren, \'t welck niet en geschiet.

I) aelmissen werden bij provisie ende op verbeteringe vergadert bij de Kerck-meesters,

Hier is een pastoors-wooninge, maer in d\'oorloge verbrant ende wederom me een weynich gerepareert. Heeft oock een bruer-schap, waervan sij d\'incomen jaerlijx seggen te zijn 12 gl. 13 stv. 4 penn.

XXVIII. Cappelle.

De kerck leyt woest ende heeft noch alle haere outaeren. Kerck-meesters werden gestelt bij den Ambachts-heer Buys, ende doen haere rekeninge voor den selven alleen. D\'incomen van de fabrica is omtrent 65 gl.

Volpardus Nicolai, gebooren van Catwijck-binnen in Hollant, draecht hein hier als pastoor den tijt van 4 jaeren, versocht zijnde van de bueren, ende met de pastorie begift van den

-ocr page 847-

189

deecken van St. Maryen, als collatie hebbende met den Heere van Wulven alternatis vicibus.

Dit beneficie doet in corpore jaerlijx 61 gld. 1 stv. van lant-pacbten ende wtgangen, waerbij de kerck noch 10 gld. placb te geven voor zeeckere cleyne cyskens; maer Volpardus tegenwoor-delijck hier zijnde is aengenomen van de bueren voor 100 gld., nemende het supplement va7i dien tot het corpus van de pastorie. van de keroke, ofte \'t selve bij de gemeynte vindende En heeft noch coster noch schoolmeester, maer de kinderen werden geleert bij den tegenwoordige!! pastoor Daer en is gansch gene ver-pleginge der armen, Den doop bedient hij in latijn en het trouwen doet hij in duytsch, maer beyde confuselijck ende sonder fundament. Dese man heeft een vrouwe bij hem , die hij seyt te houden voor sijn echte huysvrou, verclarende dat hij-se met vrienden raet genomen heeit, \'t welck wij namaels verstonden te zijn met consent van de mater van \'t clooster, daer hij palerende dese persoon bagijn is geweest. Diende derhalven wat hierna beter vernomen te wesen, dewijle hij-se wel 10 jaeren bij hem gehadt heeft Ondervraecht zijnde van eenige poincten tot der religie, wist weynich t\'antwoorden; item, van de reformatie en of hij hem daertoe zoude willen begeven? Hueft t selve eerst afgeslagen ende daerna sijn beraet genomen

Des pastoors oude wooninge is geruyneert, maer heeft een erf met een cleyn boom-gaertjen, ende woont de tegenwoordige pastoor in een huysken tot de schoole gebuut.

XXIX Looptck.

Heeft een keicke wel gerepareerl, wtgenoinen datse noch niet -van de outaeren t\'eenemael gezuyvert en is. Kerck-meesters werden twe gestelt bij die van quot;t Capittel van St. Marien, op de denominatie van den Schout ende d!e van de Gerechten, ende een derde bij den Heere van Cabbau, ende doen hare rekeninge met voor-gaenJe kerck-spraeck voor den Schout ende die van de Gerechten, door bevel van de Ambachtsheeren \'t Capittel van St. Marien. De

-ocr page 848-

190

fabrycke heeft jaerlijx van lantpachten, wtgangen eude anders 174 gl. 12 st.

Predicant is Aegidius Nothaeus, gestelt bij mijne E E. Heeren de Staeten, dewelcke hem draecht in sijne bedieninge na de chris-telijcke ceremonien ende gebeden, achter den catechisinum gedruckt.

Coster, schoolmeester ende secretaris is Henrick van Haeften, ende heeft voor de bedieninge van de costerie 26 gld. wt het in-coraen van de fabrycke, met noch zeecker 4 hont lants.

De Kerck-meesters ende heylige Geest-meesters gacn somwijlen om, d\'eene voor de labrycke, d\'andere voor den armen. Ende hebben dese laetste tot de collecte zeecker incomen t\'jaers 46 gld. 16stv., waervan rekeninge gedaen wert voor Schout en Burgemeesters.

Hier is een pastoorshuys, ende wert van binnen gerepareert.

Tot dit Caspel behooren 2 vicarien, waer-van d\'eene eertijts geseyt wert gestaen te hebben op eenen Buchel, sonder dat hij sijn jus patronatus zoude conen bewijsen , ende d\'aadere verduystert te zijn bij Straetman, bij wiens soons sone deselve zoude verbruyckt werden.

XXX CüYDELSTAERT

Dese plaetse wert hier in quot;t eynde van dit quartier gestelt, overmits wij, omme d\'ongelegentheyt van de reyse deselve niet besocht en hebben. Maer hadden den predicant met den Schout, eenige van den Gerechte ende de Kerckmeesters ontbooden, omme ons te gemoet te comen \'tWthooren, op den wech na Tarnen, en zijn nochtans niet gecompareert, waer-van wij verstaen oorzaecke geweest te zijn de gezworens onder Hollant geseten, de weicke \'tselve weygerden.

Predicant in dese plaetse is Lambertus Valckenaer, gesonden bij mijne E. E. Heeren de Staten, hem dragende in sijne bedieninge na de christelijcke ceremonien ende gebeden, achter den Oatechismum gedruckt. Dese heeft ons namaels eenige gravamina overgeschreven, verzouckende onderdanichlijck, dat daerin zoude mogen geremedieert werden.

-ocr page 849-

191

Als: Dat hij eeu coster ende schoolmeester heeft, die hem wel laet loonen, maer hem wederhoorich is in sijnen dienst ende inson-derheyt in \'t ophefien ende singen der psalmen , die oock de schoole qualijck bewaert. Dat de bedieninge der armen bij den genen meest altijt geweest is die der waerheyt en de religie viant zijn, tot praejudicie van den vroomen. Item, dat het vast de selve gelegeuheyt heeft met de Kerck-meesters , die oock haere rekeninge alleen voor de Magistraet doen. Ende dat hij sijn woonplaetse heeft op den Hollantschen bodem, ahvaer hij meer lasten moetdraegen als andere predikanten in \'t Sticht van Utrecht geseten, ende sreerne wilde daeromme getransfereert zijn in de wooninge bij de kercke staende ende van den coster geoccupeert.

Recapitulatie van t voorgaende Verbael, tot openinge van den tegenwoordigen staet der kercken in \'t Sticht van Utrecht ten platten lande geseten. Item van de beset-tinge van dien, na gelegenheyt van desen tijt, mids-gaders van de middelen omme alle gemeyne faulten (zo vele mogelijck is) te verbeteren.

I. Van den tegenwoordigen staet.

Wt dit verbael, eenvoudelijck ende ter goeder trouw gestelt, gelijck wij alle zaecken van kercke tot kercke gevonden hebben, blijckt dat het Sticht van Utrecht ten platten lande met 20 predi-canten, die gereformeert gehouden werden, beset is, in drye quar-tieren, boven aengeroert, ende in desen, omme alle dingen wel te onderscheyden, achtervolclit. Item datter aclit zijn , apparent ende bereyt tot de reformatie, ende veerthien nocli in actuelen ende ordinaris dienst staende, maer alle f zamen onbequaem , edoch onder de welcke eenige lijdelijck ende zommige zodanich zijn, dat op haere zaecke (onder correctie) naerder gelet ende anders zal moeten gedisponeert wesen , ten eynde alle verdere schandalen van den waren godsdienst mogen voorgecomen werden.

-ocr page 850-

192

In t Over-quartier zijn vijfl gereformeerde predicanten, te weten;

Cornells Anthouisse, tot Seyst.

Matthias Gastel, tot Amerongen.

Tlieodorus Siliginius, tot Venendael.

Joannes Anthony van Bemtnel, in Neder-Larnbrouck.

en Cornelius Braeckel, op de Vaert.

Item, vyere apparent ende bereyt tot de Reformatie, namelijck;

Aangenomen. Anshelmus Danielssen, tot Doorn.

Uil1quot; \'-gt;» Werck-lioveu.

Gecontinueert in sjjnen Cornelis van Eck, tot Schalck-wiick, en lecture etc. •

Niet aenprenomen, maer ci , , . .. , , „ ,,

sjjn predicken verboden. ^verardus Albertl, tot 0(11]ck.

Ende acht onbequatne, waer-van de vyere lijdelijck zijn en d andere gansch onstichtelijck, beyde om redenen in \'t verbael gespecificeert, ende hier wederom cortelijck aengewesen.

De lijdelijcke zijn dese:

Steven de Cruyf, in Overlambrouck, dewelcke presenteert de gemeynte met een goet exempel in t frequenteren der predicatie voer te gaen. Dese zoude hier (onses bedunckens) niet onbequamelijck tot schoolmeester conen gebruyckt werden, bij zo verre als hij hem d\'ordonnantie der gereformeerde kercke, in desen dele zoude begeren t1 onderwerpen, omme deselve na te volgen.

Jan Gerritssen, tot Cothen, wesende een out man (en zo wij verstonden) goet van leven, ende oock apparent, omme hem, wat hartelijok daertoe vermaent zijnde, in stilheyt te draegen ende gene verstooringe aen te rechten.

Joannes Gerardi Goudanus, tot Bunnick, als eenige apparentie hebbende omme door goede instructie ende verman\'nge gebruyckt te conen werden (gelijck als die van Overlambrouck.)

Cornelis Alphaertssen, in \'t Wael, zijnde vast van gelijcke conditie met die van Cothen.

Onlijdelijcke ende onstichtelijcke in dit selve quartier sijn: tsymon van liraeckel, aen den üwers-dijck, getoenaemt paep

-ocr page 851-

193

mutse in \'t vyer, om sijn dagelijx lasteren ende argerlijck leven dat hij voert, waer door hij (gelijck wij verstaen) meer voor een quaet-raal mensche, dan voor predicant gehouden wert.

Joannes de Busco in \'t (ioy, monick zijnde in \'t Brigitten clooster hier t\'ütrecht. als bitter ende periculeus in \'t diverteeren der simpelen van de christelijcke religie.

Jan Aertsen tot Houten, om deselve redenen.

Meester Gerrit, tot Hagesteyn, in Hollant t\'huys hoorerde, ende hem den meesten tijt aldaer onthoudende bij sijne devotarysen, die hem oock als noch weygert alhier t\'Utrecht te presenteeren, \'t welck hem nogthans de Schout met die van den Gerechte (sonder twijfel) aengeseyt hebben.

Gereformeerde predikanten in \'t quartier van der Eem ;

Cornelis Engbertssen, tot liaeren.

Lambertus Brinxius, tot Leusden.

Apparente ende bereyt tot de Reformatie:

Dirck Eijckssen \'t Eemnes binnen en buy ten.

Elbertus Richardi, tot Eetnbrugge.

Onlijdelijcke en onstichtelijcke:

Jacob Moy, tot Bunschooten, omme de dadelijcke ondervindinge ende zware dachten van sijn ongebonden argerlijck leven.

Bruno Jacobi, tot Soest, dewelcke beter hier t\'Utrecht in sijn clooster tot de Brigitten dienen zal bij sijne bagijntjens, dan hem hier ter plaetse van sijne tegenwoordige residentie occuperen , omme \'t volck wt de kerek te houden.

Cornelis Janssen van Duerstede, tot Woudenberch, omme d\'empechementen ende verstooring, die hij doet in den dienst tot Doorn ende elders, tegen sijn eygen conscientie.

Gereformeerde predicanten in \'t Neder quartier zijn derthien, namelijck:

Tieleman Janssen, lot Martensdijck.

Peter Dammissen, tot Westbrouck.

Erasmus Backer, tot Breuckelen,

1 ó

-ocr page 852-

194

Henricus Dussius, ter Aa; noch levende doen wij daer waren. maer nu in den Heere ontslapen.

Wilhelmus Aegidii, in Vrelant.

Andreas Oosterbeeck , t1 Abcoude.

Joannes Assueri, tot Mijdrecht.

Lambertus Valckeuaer, tot Cuydelstaert.

Nicolaus Nicolai, tot Camerick.

Jacobus Herdenberch, tot Hermeien.

Gerardus Stratenus, bij provisie tot Vleuten gesonden.

Aegidius Nothaeus, tot Lopik.

Apparent ende bereyt tot de Eeformatie.

Jan Hermanssen , t\'Overmeer\').

Andreas Bartholdi, tot Cockengen 2); indien wt Hollant de swarichevt niet gemoveert ware aengaende de dootslach, die hij zoude gedaen hebben.

Lijdelijck in dit quartier zijn dese:

Joannes Wtenbrouck, tot Linschoote, ende zoude tot de sciioole oock conen gebruyckt werden, met voorgaende noodige instructie ende sijn huysvrou eerst getrout hebbende in facie ecclesiae.

Volpardus Nicolai, tot Cappelle , op den selven voet.

Onlijdelijck ende gansch onstichtelijck zijn:

Corneliss Peterssen , tot Maerssen , als hartneckich , een verachter van sijne hooge Overheyt, ende periculoos zijnde omme de parochianen van de religie of te houden, dewijle hij hem niet an ontsiet self tot Breuckelen sich alsnoch recht aan te nemen, van aldaer verus (zo men \'t noemt) te wesen, niettegenstaande dat deselve plaetse met een ordinaris dienaar versien is.

\') Is gehoort op den lcn en 2en May 1594, ende de resolüe hem aengaende noch opgehouden, dan hem belast dat hij preecke wt den Ouden ende Nyeuwen ïestamente ende de Sacramenten na de insettinge ons Heere, sonder eenige ceremonien te administreren.

\') Audreas Bartholdi non comparuit, endedaeromme andermael te beschrijven.

-ocr page 853-

19a

Nicolaus Martensseu, tot (Jortehouve, de welcke nier maer onlanx sonder eenige kenuisse van de Hooge Overheyt gecoraen is, ende meer apparent omme quaet dan goet te doen.

Lambrecht Stappaerts, tot Anckeveen, vast om de selve redenen.

Hessel Robrechtssen, tot Nichtevecht, wesende t\'eeneinael paepsch, stout in den mont omme den eenvoudigeu daer-in bestrickt te houden. Ende insonderheyt van wegen sijTi ongebonden quaet-spreecken ende calumnieeren tegen ons gedaen , tot groote vilipendie van mijne Heeren, onse respectieve meesters in t stuck deser visitatie.

Matthias Amoldi, tot Vinckeveen , om sijn boos argerlijck leven, \'t welcke hem tot een spot van allen menschen gemaeckt\' heeft. Ende insonderheyt om het quaet stuck , bij hem tot Mijdrecht bedreven aen de huysvrou van den Hollandtschen aldaer voor desen tijt wonenden predicant, in haers mans absentie, in \'t verbael specialijck aengetoogen.

Wicher Jansen, tot Wilnis, vast om deselve oorzaecke in \'t gemeyn. Ten waere dat mijne E E, Heeren goet vinden, hem als een buerenkint, te deser plaetse gebooren, bij\'t secretaris-ampt te laeten, met beloften, dat hij hein als een goet schaep in t voorgaen van de gemeynte, tot de predicatie dragen zal, waertoe men verstaet dat hij hem niet ongereet zal vougen.

Dirck Cornelissen, tot Segvelt, als den oppersten in\'t voorstaen van \'t paeusdom , ende volgens dien meest periculeus omme \'t volck daer ende elders optehouden, gelijck hij airede door quot;t protest, in \'t verbael verhaelt, hem opentlijck onderstaen heeft zedert dat wij daer geweest zijn.

Boven dese ende d\'andere, elck in haer quartier aengeteeckende, x onstichtfilijcke, onlijdelijcke ende periculose personen, noch in actuelen dienst zijnde, tot 14 in getale (gelijck boven geseyt is), werden noch eenige andere papen gevonden. sonder openbaere be-dieninge, dewelcke insgelijcx zeer groote, ja noch meerdere als de voorgemelde empechementen ende verstooringen van den waren godtsdienst alle dage aenrechten , niettegenstaende alle ordonnantiën ende iuterdictien particulier ter contrarie.

-ocr page 854-

196

Als de paep. die aen de Meeren de school ophout, wesende boven dien oock een Duyvelbesweerder, ende hem aennemende de macht van te onttooveren.

Item, Willem Laurenssen, tot Maertensdijok.

Henrick Gerritssen, te Westbrouck.

Peter Claessen , f Abcoude.

Anthonius Godefridi, tot Mijdrecht.

lieer Gerrit, ons tot Tarnen ontdeckt, ende overal in de proostdie veel quaets doende.

Henrick Willemssen, tot Vleuten.

Dewelcke alle seven nootsaeckelijck (onder correctie) wt de plaetse van haere residentie zullen elders moeten getransfereert wesen, ouame de redenen in \'t verbael particulierlijck ende van elck in \'t bijsonder verhaelt; ende omme den waren gods-dienst eens oock van alle zulcke moetwillige verstooringen te verlossen.

11 Van de volle aenstellinge des kerckendiensts in elck quartier, bij combinatie, eenige bij provisie voor den tegenwoordigen tijt, ende bij aenneminge van noch weynich andere gereformeerde predicanten tof de tegenwoordige, daei de plaetsen na dese visitatie, ende d\'ordre daerop te stellen, zullen ledich vallen, ende met den genen, die alsnu dienen, niet en conen gecombineert werden.

f. Combinatiën in 7 Over-Quartier.

Seyst met Bunnick , door CorneJis Anthonissen bij provisie, ende tot dat de gelegenheyt haer zal mogen vertoonen om elck in \'t bijsonder met sijn eygen predicant te versien, ofte door Everardum tot Odi.jck\' a^s hij tot den dienst wettelijck zal opgenomen wesen.

Amerongen met Leersum , door Matthias Gastel, vooraltijt, ende

Neder-Lambrouck met Over-Lambrouck , door Joannes Anthonii van Bemmei.

Welcke combinatiën geeffectueert zijnde ende gepresupponeert, dat d apparente vier tot de Hefonnatie bequaem, ofte immers tolerabel zullen gevonden werden, zal voorts dit quartier bequamelijck conen

-ocr page 855-

197

versien werden met drie nieuwe predicanten, in de drye aldaer door de inhabiliteyt van d\'oude pastooren vaceerende plaetsen, insgelijx te cornbineeren, gelijck volcht. Te weten: Tot Cothen met den Dwersdijck gecombineert. Edoch waerbij alhier voor memorie dienen zal, dat, also de pastoor van Cothen een oat man is ende niet sonder alle quetsinge van de bueren zal conen bequameliick voor d\'eerste instantie ewech genomen werden wt sijne wooninge, de predicant tot Wijck aen ons versocht heeft, wij wilden doch mijne E.E. Heeren de Staeten onderdanichlijek aendienen, dat degene die alhier zouden mogen gestelt werden, sijn woonplaetse mochte geassigneert wesen bynnen Wijck voorsz., van waer hij lichtelijck des sondachs tot Cothen coinen kan, ten eynde den dienst in de stadt door sijne siecte, wanneer hem de Heere zulcx zoude mogen toeseynden niet ledich en stonde, ende hij somwijlen in de weecke nootsaeckelijke yet buyten te doen hebbende, zoude conen ontset werden.

Item, tot Houten gecombineert met het Goy, als t\'zamen eene pastorie maeekende.

Ende tot Hagesteyn gecombineert met Tuil ende \'t Wael, ten waere dat men die van de Vaert hier mede belasten wilde. Welcke laetste plaetse tot Arobachtsheere heeft \'t Capittel van den Dom , hebbende alhier oock collatie van de pastorie (zo wij verstaen) alternatis vicibus met die van Oude-Munster.

II. Combinatiën in \'t quartier van der Eem

Emmenes binnen- ende buytens-dijx door Dirck Rijxssen , geexa-mincert ende geadmitteert zijnde.

Eembrugge met Baern, door Cornelis Egbertssen , als dicht aeneen gelegen, ende bequaem om gaen, zo wel\'s wynters als soraers , ende zal also door combinatie Elbertus Richardi op Bunschooten conen getransporteert werden, \'t welck aldus gedaen zijnde, vallen in dit quartier ledich twe plaetsen, Soest namelijck ende Woudenberch, requirerende elx eenen bijsonderen predicant, ende zal alzo hiermede behoorlijcke besettinge te wege gebracht zijn.

-ocr page 856-

198

TTT. Combinatiën in f Nederquartier

Blaeu-Cappel met Martensdijck, door Tielman Janssen.

Weslbrouck met Zuyleti, door Peter Dainmissen airede aen train zijnde.

Breuckelen met Maerssen bij provisie, door Erasmum Backer, omme den zujveren godsdienst in zvvange te brengen, tot dat anders hier-in zal gedisponeert wesen. Ende zal middeler tijt Thienhooven met eenen beqiiamen man , wat meer als een schoolmeester zijnde, conen oestelt werden, de welckc de gemeynte somwijlen wat goets voor houde, ende hem oefi\'ene tot het predicampt, item, de ziecken vertrooste ende de bueren ver-maene haere kinderen tot Breuckelen ten doope te brengen ende aldaer haere huywelijcken nae t placcaet te doen solemnizeeren, tot dat Maerssen (daer-se van outs te kercke hooren) zijn eygen predicant hebben zal. Hiertoe zoude (onzes bedunckens) de schoolmeester, tegenwoordelijck tot Hermeien zijnde, bequamelijck conen aengevoert werden, dewijle hij hem tot proponeeren van self aengeboden heeft, te meer overmits de bueren (gelijck bij \'t verbael blijekt), den paep laestmaels van hier vertrocken, wt eygen vrijwillicheyt 60 gl. gegeven hebben, ende met eene bequame plaetse om te woonen ende schoole te houden versien is.

Item , zullen in dit selve quartier wijder coneu gecombineert werden:

Vreelant met Nichtevecht bij provisie, ofte met Overmeer, als de predicant aldaer staende zal geeKamineert wesen, door Willem Gillissen, ofte den genen, die hem za) succedeeren . dewijle alhier translatie versocht wert bij d\'Overheyt.

Abcoude met Bambrugge , door Andreas Oosterbeeck.

Mijdrecht met Tarnen, door Joannes Asliueri, welcke combinatie airede in train is.

Camerick met Segvelt, door Nicolautn Nicolai bij provisie, ende tot dat het ministerium hier zal in zwang gebracht wesen.

Vleuten met de Meern, door Gerardus Stratenus, ofte den genen, die tot Vleuten ordinaris diener zal mogen gestelt werden,

-ocr page 857-

199

ten waere dat de Meem eonde met een school-meester versien werden , gelijck boven van Tienhoven voorslach gedaen is.

Loopick met Capelle , door A.egidium Nothaeum.

Het zullen oock noch twee combinatiën, in dit quartier ledich vallende door d\'inhabiteyt van d\'oude pastooren, bequamelijck conen aengestelt werden, door twe nieuwe predicanten , te weten:

Cortehouve met Anckeveen, alwaer de Heeren van St. Marien d\'Ambachts-heerlicheyt hebben.

Item , Vinckeveen ende Wilnis , gehoorich tot de proosdie van St. Jans.

Ende resteren alzo noch in dit quartier de dorpen van Linschooten ende Cockengen, waervan d\'een bij provisie zoude conen tot de Reformatie gebracht werden bij een vroom ende naerstich predicant te stellen binnen Montfoort (ten waere hem de tegenwoordige pastoor Joannes Wtenbrouck noch anders moohte bedencken ende hem vougen), ende wat d\'ander belangt, daer-van zal informatie moeten genomen werden , of \'t oock met den pastoor (aengaende den dootslach) gestelt is als geseyt wert.

Om welcke beraminge bequamelijck te prepareren, ende daerna, alst behoort, in \'t werck te stellen, zal vooral noodich zijn:

Ten eersten , dat de 8 boven, elck in haer quartier, benoemde predicanten, apparent ende bereyt tot de Reformatie, zo haest \'t selve zal conen geschieden, alhier ontboden werden tot het examen, ten eynde de selve also wettelijck tot den dienst opgenomen ende in possessie van dien mogen gestelt werden.

Daerna, dat insgeiijcx gedaen werde met den genen, die inde plaetse van haere oude residentie, tijdelijck ende enige tot den schooldienst gebruyckeüjck gehouden werden, opdat die oock mogen weten hoe-se hem voortaen hebben te draegen.

Ten laetste, dat ordre werde gestelt op de onstichtelijcken ende de verstoorders der kercken, zo wel in actuelen, ordinairen dienst noch zijnde, als buyten den selven, achtervolgende d\'advys boven ende in \'t particulier daer-van gestelt.

-ocr page 858-

200

1U, Middelen omrae alle gemeyne fauten in \'t verbaal aenge-wesen (zo veele mogelijck is) te verbeteren ende den kerckeu-dienst tot eenen nodigen welstant te brengen.

Zoude vooral hier-toe sonderlinge dienstelijck zijn, dat alle kerck-meesters bij placcaet ofte anderssins geboden wierde , haere kercken van d overgebleven outaeren ende andere reliquien ende vuylnissen der papisterie metten eersten ende binnen zeeckeren prefixen tijt te doen zuyveren. Item, het superstitieus clock-cleppen \'smiddachs ende \'savonts ingelijx af te schaften. Dat oock alle herbergiers op zeeckere peyne verbooden werde niet te tappen , ofte yemant te setten, onder de predicatie; ende dat het placcaet over t stuck van de huywelijcken, in dese provincie gemaeckt bij last van de booge Overheyt, door den predicanten (op den stoel) mochte gerenoveert werden, tot voorconainge van alle verder overtredinge van dien.

Item, dat mijne E. E. de Staeten deden stellen een forme van de bedieninge, na de welcke alle predicanten in dit Sticht, ten platte lande geseten, hen van nu voort-aen eenpaerlijck bij provisie zouden draegen, waer-in \'t project aen mijne IS.E. Heeren\'t voorleden jaer, van wegen den Kerckenraet deser stadt overgegeven, zal conen geresumeert ende tot de meeste stichtinge vermeerdert ende verandert werden.

Dat oock zeeckere schoolordeninge mochte gemaeckt werden, ende over al op eenen voet in train gebracht. Ende also aen de zaecke veel gelegen is, ende op deselve nochtoe alderminst acht is genomen (gelijck wt eenige drouvige exempelen van misdaders alhier geëxecuteert, onlanx meer als te vele gebleecken is), dat, \'tzij bij omslag (\'twelck generalijck met een cleyn zoude conen geschieden, ofte anders, seeckere jaerlijcksche gaetje mochte gevonden werden, omme alle schoolmeesters op eenen voet ten minsten zo vele toe te leggen , datse de schamele noottrufs hebben mochten, t waer 50 gld, min ofte meer, als men zulx in reden zal gefun-deert vinden. Te meer overmits wt het verbael op eenige plaetse gebleecken is, dat sommige dorpen van selfs hiertoe wat goets

-ocr page 859-

201

doen, met den welcken d\'onwillige eude quade billix op d aatho-riteyt van de liooge Overheyt hen behooren te confortneeren. Item, overmits \'t geene dat zeeckers tot de schoole van outs plach te staen, gansch cleyn ende onzeecker is.

Wijder, dat om dit ende d\'eerste poinct van de zuyveringe der kercken te efiectueeren ende in train te brengen, een generael nestelt wierde, omme overal op (Fauthoriteyt van de hooge Overheyt acht te nemen, of in dese dingen oock eenige vorderinge gedaen wert; ende den onwilligen te vermanen, tot volvueringe van de selve. De welcke oock de bedieninge van alle Kerck-meesters, na zeeckere instructie hiervan te maecken, op eenen voet /oude mogen brengen, de penningen over-all doen restitueren, die hier ende daer, tegen d\'ordonnantie ter contrary, op der kercken landen genomen zijn. Hij zoude mede jaerlijx van wegen mijn E.E. Heeren de Staeteu, over alle reeckeningen van de fabrycken staen conen, van quot;t surplus van dien pertinente notitie overbrengen, ende misdadien tot den ontfanck van \'t gene dat voor de schoolmeesters zoude mogen wtgeslagen werden, gecommitteert zijnde, jaerlijx wt beydeu eenich overschot aenwijsen; tot versterckinge van \'t comptoir van den Rentmeester, gestelt tot betalinge van de predicanten Ten ware dat-men desen dit alle t\'zamen wilde opleggen ende bevelen. Zonde boven desen wijder goet zijn, dat door den selven alle kercken, bij laste van mijne E.E. Heeren de Staeten versien wierden met eenen goeden bijbel, tot coste van de Kerck-meesters

in elcke parochie.

Voorts omme alle dingen, ende insonderheyt het ministerium, op eenen vasten voet te brengen ende te houden; als oock omme goede eenicheyt, lieiide. correspondentie ende onderlinge opsicht^ tot ordre, met wechneminge van alle voorgaende misdunckingen, te planten ende conserveeren , zouden sonderlinge noch twe dingen nodich zijn; Eene generale vergaderinge namelijck van allen, zo in de steden als ten platten lande dienende, ende een zeecker middel tegen alle zwanclieyden, die nu voortaen, insonderheyt op de dorpen, zouden mogen voorvallen.

In de vergaderinge aentestellen op d\'authoriteyt van de hooge

-ocr page 860-

202

Overheyt, daerin deselve oock door haere Gedeputeerde zoude presideeren, conde zeeckere oratie gedaen werden van den dienst ende het leven van alle oprechte leeraers, d\'ordonnantie van de eenparige bedieninge voorgelesen, bewillicht ende aengenomen, de predicanten alle t\'zaemen in behoorlijcken eet gebracht, de beraamde combinatiën een yegelijck opgelejt, ende in summa alle \'t gene gedaen ende verordent, dat tot zulcke vergaderingen eygentlijck gehoorich ende in dese provincie meest noodich ende stichtelijck is.

Ende wat het middel aengaet omrae alles van nu voortaen in eenen goeden staet te houden, ende in alle \'t gene dat zoude mogen vervallen, bij tijts ende behoorlijck te remedieren, men zoude inspectores conen stellen, omme acht te nemen op den predicanten ten platten lande, na zeeckere repartitie daervan te maecken, also d\'ordinaire toesicht, die in de steden bij de Kercke-Raden valt, aldaer niet wel practycabel en is. Welverstaende, indien yet met yemant in lere ofte leven mochte voorvallen, dat de selve inspectores zulx zouden aengeven aeu eenen in de hoof-stadt dezer Provincie te nomineeren, omme voorts door den selven openinge van dien gedaen te werden aen mijne E.E. Heeren de Staeten, ten eynde alle dingen verner met kennisse, ende op de commissie daertoe, na gelegenheyt van zaecken te verlenen, tot de minste argernisse ende quetsinge mochten aflgedaen werden. Tot desen genomineerden zouden oock de praedicanten self haere toevlucht conen nemen in alle andere occurrentien ende difficul-teyten van huywelijcken, ofte hoe-se zouden mogen wesen Van welcken acten de selve goet register houden zoade omme fallen tijden van \'t gene dat gepasseert waere, goede kennisse ende zeeckerheyt te conen doen, daer \'t behoort, dies noot zijnde, achtervolgende d\'instructie oock hiervan te maecken ende hem te verlenen,

Ende dese hiermede besluytende, stellen voorts dese Rapporteurs (niettegenstaende d\'advyse ende voorslagen in dit verbael bij hen gedaen) de dispositie ende d\'executie van alle zaecken, tot goede discretie van E E. Heeren haere respectieve meesters als behoor-

-ocr page 861-

203

lijck is. Verclarende uochtans met goeder conscientie, niet anders dan Gods glorie, de stichtinge der kercken ende de eere van \'t landt, ende J\'Overheyt, daer-over gestelt, voor oogen gehadt te hebben.

Biddende met aller onderdanicheyt, dat dit goet werok, na dusverre door des Heren genade gecomen zijnde , tot een goet eynde moge gebracht werden, met presentatie van haeren dienst in \'t gemeyn ende particulier, waertoe de selve wijder zal mogen gerequireert ende nodich bevonden werden.

Aldus gerapporteert ende overgegeven in de vergaderinge van de Staten, desen . . Septembris aquot; 1593. 1)

1) Dit liandschrift, thans in liet bezit van den Heer Mr. Hoyauids van den Ham, is dooi- diens vader, don Hoogleeraar in de üodgeleerdheid, aangekocht uit de nalatenschap van Ptr. Heringa, wien, bij de opruiming van een goed deel van het Provinc. Archief in 1816, de vrijheid was gelaten enkele stukken uit dat Archief voor zich te behouden.

instituut -cjor Rechtsgcschieden. RiiksurJv rMtHt te Utrecht

-ocr page 862-
-ocr page 863-
-ocr page 864-
-ocr page 865-
-ocr page 866-