/J-y -Zü ^
liïfamp; .-L . 6
Het Nederlandsche
VOLKSLIED.
Wilhelmus van Nassouwe Ben ick van Duytachen bloet.
Prijs 4 Gt. — 100 ex. f2.40.
BREUKELEN.
Boek-, Courant- en Handelsdrukkerij „De Vecht.quot; Dir. A. G. D. Geeeitsbn.
1896.
»FlUPPÜS.quot; 0 IV.
/■
Bij den Uitgever A. G. D. GERRITSEN te Breukelen zijn vanwege »F1LIPPÜSquot; de volgende Boekjes uitgegeven. Zij zijn ook bij de Depóthouders voorhanden alsmede bij iederen solieden boekhandelaar te verkrijgen.
IV. Dina\'s Kijkje. 3de druk. ƒ 0,05
VUL Drie belangrijke slenbedden. 2de druk. » 0,06 XIV. De weg na huis; gedachten en aanwij-
ziugen aangaande de reis naar den Hemel. » 0,06
XVI. Gelooven op gezag, Dat mag.....? 2de druk. » 0,04
XVII. Treffende bijzonderheden uit de geboortegeschiedenis der Chr. Ger. Kerk. » 0,20
XVIII. Een praatje over de kermis met een paar boerenjongeus, door J. F. Bulens. 2de dr. » 0,04
XXX. De heiliging van den dag des Heeren. * 0,10
XXXI. Huiselijke opvoeding, door L. Brouwer. » 0,10 XXXIII. (P)Aniia, de jeugdige getuige, door Johannes.2e dr.» 0,05
XXXV. Sten en Snaren, ingon. » 0,70
t » geb. » 0,80
s » gob. in prachtb. » 1,00
XXXVI. Een gemengd huwelijk. » 0,03 XLVI. Uit de diepte roep ik tot U; door H. B. » 0,05 XLVIL Dagboekje van de 12-jarige Marie. » 0,06 XLVIII. Lijdens-, Paasoh- en Pinksterliederen. » 0,02\' LIV. Ds. T. Bos. Het Arbeiders-vraagstuk en het Evangelie.» 0,10 LV. Uitreddingen van een zeevaarder. » 0,08 LVI. A. Littooij. Het Wesleyaausche Methodisme. » 0,22|\' LVII. J. Smelik. Twaalf liedereu voor schoolgebruik. » 0,10 LVIII. A. Littooy. Het geven. » 0,07s LX. Brieven van Van der Groo. » 0,50 LXI. P. A. Augnsti; of do bekeering, enz. » 0,08 LXIV. Reisindrukken; of, over Domburg en Wiesbaden
naar Dusseldorp; door S. A. v. d. Hoorn. » 0,40
LXI X. Iets over de verloving on het huwelijk. » 0,05 LXX. 7 pijlen in het hart van het Eomanisme, door Nap.
Rousel; in cartonnen bandje. » 0,30 LXXI. God waakt over de Zijnen. 2e druk. » 0,05 LXXIII. Eobert Plockhart. » 0,05 LXXVI. Twee Samenspraken voor Chr. Jongel. Vereen. » 0,10 LXXVIII. Apollos. » 0,05 LXXX. Eene roepende zonde. 2e druk. » 0,03 LXXXII. L. Lindeboom. Onze roeping tegenover Rome. » 0,15 LXXXIV. De uitnemende rijkdom van Gods heerschappij voerende genade. - » 0,03 LXXXVII. „De kwalen van onzen tijd,quot; door A Littooij. » 0,10 LXXXVIII. Gedichten van W. G. Stevens. » 0,175. XCI. Wat doet gij voor de komst van het Koninkrijk Gods? » 0,06
Het Nederlandsche Volkslied.
Wilhelmus van Nassouwe Ben ick van Duytsohen bloet.
Maknix v.St.-Ai.uehondt:
Het bruischende, hoog plechtigeet bruischende, hoog plechtige Wilhelmus van Nassouwe, het gezang, waarmee de Watergeuzen Den Briel innamen, het lijdenslied vau den grooten Zwijger, de psalm der victorie in den tachtigjarigen krijg tegen Spanje — is en blijft het Nederlandsche Volkslied.
Het middelmatige en pitlooze „Wien Neerlandsch bloed,quot; afkomstig uit een tijd, waarin ons nationaal besef aan bloedarmoede leed, moet teruggedrongen worden door het wonder-schoone Wilhelmus, het Wilhelmus zooals onze kloeke vaderen het opzongen bij het eerste morgenkrieken der vry-heid.
Dat Wilhelmus, niet veranderd, niet verbeterd, uiet verminkt, het Wilhelmus, gelijk het vloeide uit hart en pen van Marnix van St.-Aldegonde, grijpe weer in het hart onzer natie en beziele die natie met waarachtige geestdrift.
uoor u. r. uaiens. zae ar. » -U,U4
a den dag des Heeten. » 0,10
oeding, door L. Brouwer. » 0,10
ugdige getnige, door JohanDe8.2e dr.» 0,05
■en. iugcD. » 0,70-
• gub. » 0,80
gt; geb. in pmchtb. » 1,00
d huweljjk. gt; 0,08
röep ik tot tJ; door H. B. » 0,05
n de 12-jarige Marie. » 0,06
tsch- en Pinksterliederen. » 0,02»
beiders-vraagstuk en het Evangelie.» 0,10
een zeevaarder. » 0,08
Wesleyaansche Methódisme, „» ; 0,22s\' ialf liederen voor schoolgebruik. »- 0,10
at geven. » 0,078
der Oroe. » 0,50
; of do bekeering, enz. » 0,08
of, over Domburg en Wiesbaden
•p; door S. A. v. d. Hoora. » 0,40
verloving on hot hnwelgk. » 0,05 hart vau het Bomanisni^ 4öor Nap.
■tonnen bandje. » 0,80
gt;r de Zijnen. 2e druk. » 0,05
hart. v » 0,05
«raken voor Chr. Jongel. Vereen. » 0,10
» 0,05
e zonde. 2e druk. » 0,08
m. Onze roeping tegenover Rome; » 0,Ï5 quot; ude rijkdom van Gods heer-
Het Nederlandsche Volkslied.
Wilhelmus van Nassouwe Ben ick van Duytschen bloet.
Maknix v.St.-Aldegondt
Het bruischende, hoog plechtigeet bruischende, hoog plechtige Wilhelmus van Nassouwe, het gezang, waarmee de Watergeuzen Den Briel innamen, het lijdenslied van den groeten Zwijger, de psalm der victorie in den tachtigjarigen krijg tegen Spanje — is en blijft het Nederlandsche Volkslied.
Het middelmatige en pitlooze „Wien Neerlandsch bloed,quot; afkomstig uit een tijd, waarin ons nationaal besef aan bloedarmoede leed, moet teruggedrongen worden door het wonder-schoone Wilhelmus, het Wilhelmus zooals onze kloeke vaderen het opzongen bij het eerste morgenkrieken der vrijheid.
Dat Wilhelmus, niet veranderd, niet verbeterd, niet verminkt, het Wilhelmus, gelijk het vloeide uit hart en pen van Marnix van St.-Aldegonde, grijpe weer in het hart onzer natie en beziele die natie met waarachtige geestdrift.
2
Wilhelmus van Nassouwe werd den 25sten April 1533 geboren in het kasteel Dillenburg, gelegen in het Duitsche graafschap Nassau. Zijn ouders waren graaf Willem van Nassau en gravin Juliana van Stolberg.
In 1544 erfde de jeugdige Willem van een neef het vrije prinsdom Oranje, een bij uitstek vruchtbare streek in bet zuiden van Frankrijk, bestaande uit de stad Oranje met eenige steden en vlekken. Alzoo werd de elfjarige Willem Prins van Oranje, voerende in zijn wapen de spreuk: Je main-tiendrai, d.i.: Ik zal handhaven.
Om het prinsdom te kunnen aanvaarden moest Willem aan het hof van Keizer Karei Vquot;, die o.a. koning van Spanje en heer der zeventien Nederlandsehe gewesten was, worden opgevoed. Daar was hij weldra volleerd in kennis der menschen en der wereld. Door Karei werd bij met gunstbetoon en vertrouwen hoogelijk vereerd, terwijl Kareis zoon en opvolger, Pilips II, den Prins in 1559 beloonde met een aanstelling als stadhouder over Holland, Zeeland, West-Friesland (N.-Holland) en Utrecht.
Zijn godvruchtige vader en zijne vrome moeder hadden den Prins naar den Woorde Gods opgevoed in de leering en vermaning des Heeren.
In Kareis paleis scheen het een tijdlang, alsof het goede zaad des Woords in het hart van den Prins verstikken zou: op krijg en jachtvermaak was hij meer dan op de zaligheid zijner ziel bedacht.
Doch Gode zij dank! Het licht der Hervorming, dat in duizende harten begon te schijnen, bestraalde opnieuw den Prins, en door Gods genade leerde hij „in Godes vrees te leven,quot; koos hij partij voor de bloedig vervolgde belijders der waarheid en achtte hij, als een andere Mozes, de vtrsmaad-heid van Christus meerderen rijkdom dan de schatten der wereld.
3
Een somber gerucht verspreidde zich in 1567 van de Schelde tot den Dollart. Het brieschen der rossen, het stampen der lansknechten, het gerinkel van het staal, het roeren van de trom lokte huislui en poorters uit hunne woningen Ziet gij ginds dien statigen ruiter met bloedroodeu vederbos? De zon spiegelt zich in het fijne staal van zijn wapenrusting — de kleine oogen flonkeren met trotsohen overmoed, de laugi\' witte baard daalt in dunne vlokken tot op de ijzeren hand, die de teugels houdt — het is Al va, de ijzeren hertog.
Oranje wijkt naar Duitschland.
Door A1 v a ingedaagd, weigerde hij — zeer verstandig — om voor diens Bloedraad te verschijnen. Welnu, kon Al va den Prins niet om \'t leven brengen, toch bracht hij hem om land en luiden: hij beroofde hem van zijn volk en zijn bezittingen.
Als een rots te midden der omstuimige baren, stond echter 0 ran je in het vast geloof, dat God hem zou doen weder-keeren in zijn regiment, iu zijne regeering en zijn wettig bezit.
Een zwarte nacht was alzoo op Nederland gevallen. Tot lijdzaamheid spoorde Oranje nu zijne »ondersatenquot; aan, in hst; sLijdt u, mijn ondersaten, die oprecht syt van aard.quot; Op God, die de Zijnen niet verlaat, richtte hij hun oog: tot gebed, »naeht ende dagquot; wekte hij hen op, opdat God hem kracht mocht geven, hun ter hulpe.
Het geheim van Oranjes kracht lag in onwankelbaar vertrouwen op God, met biddend werken gepaard. Leven noch goed verschoonde hij, hij waagde \'t al ten dienste der verdrukte Nederlanders. Wat hem nog restte, verkocht hij — zelfs zijn tafelzilver — om legers aan te werven.
En naast en met den Prins baden en streden zijn door-luchte broeders, de graven Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik van Nassau.
Zoo begon in 1568 de tachtigjarige oorlog, roemrijker gedachtenis !
Daar ginds in Groningerland — toen ter tijde Friesland geheeten — verschijnen plotseling talrijke drommen onder Lodewijk en Adolf. Maar ook de Spanjaard vertoont zich daar. De velden van Heiligerlee worden gedrenkt met het bloed der eerste martelaren voor de Ne-derlandsche vrijheid. De witte pluimen van den jongen held Adolf van Nassau wapperen uitdagend in den dichtsten drom der vijanden — helaas, hij moet met den dood bekoo-pen zijn eerste heldendaad: »Graef Adolf is ghebleven in Vrieslant in den slach!quot;
Edel- en hooggeboren was Prins Willem van Oranje: een zijner voorvaderen had den keizerlijken schepter gezwaaid over het Duitsche Erjk. \'tls echter niet om nieuwe lauweren te vlechten in den gloriekrans van zijn stamhuis, dat hij als een igt;helt sonder vreesenquot; zijn edel bloed waagt, neen, voor heel het Nederlandsche volk betuigt hij: het is »Voor Godes Woort ghepresen.quot;
Niet in eigen kracht. »Mijn schilt ende betrouwen sijt ghy, o Godt, mijn Heer,quot; is de ootmoedige belijdenis van Oranje. Zijn hulpe is van den Potentaat der potentaten, met Wien hij een »vast verbondquot; heeft gemaakt, aleer hij deze zaak en de beschermenis der Christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen heeft.
Hemzelf dreigen daarbij groote gevaren. Het bloedig schavot, waarop Al va de graven Egmond en Hoorne en een groot aantal edelen heeft onthalsd, spelt het lot, dat O-ranje te wachten staat, zoo het den Spanjool gelukt hem in handen te krijgen: in euvelmoed zou hij die handen wasschen in \'s Prinsen onschuldig bloed.
Gelijk David voor Saul, zoo is Oranje dan ook met menig edelman voor Al va gevlucht om des levens wil. Maar ook Davids historie wijst op een beter lot, spelt een blijder toekomst.
Oranje1 vertrouwt, dat hij na het zuur het zoet zal ontvangen van God almachtig. Zijn vorstelijk gemoed verlangt om in den rechtvaardigen strijd als een held op het bed van eer te sterven, terwijl zijn geloofsoog achter de slagvelden de grenzen ziet van het «onbewegelijk koninkrijk,quot; waarvan hij zich erfgenaam weet.
Doch daarom vergeet hij niet in Doopersche overgeestelijk-heid het aardsche vaderland, alsof staat en maatschappij esn onheilig gebied zou wezen, waarop een christen zich liefst zoo weinig mogelijk mag bewegen. Neen, bij eigen tegenspoed, ziet Oranje met een bloedend hart, hoe land en volk door Alva\'s tiianny ten verderve gevoerd worden. Hij verstaat dan ook, wat zijn roeping is jegens het aardsche Vaderland.
4
En naast en met den Prins baden en streden zijn door-luchte broeders, de graven Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik van Nassau.
Zoo begon in 1568 de tachtigjarige oorlog, roemrijker gedachtenis !
Daar ginds in Groningerland — toen ter tijde Friesland geheeten — verschijnen plotseling talrijke drommen onder Lodewijk en Adolf. Maar ook de Spanjaard vertoont zich daar. De velden van Heiligerlee worden gedrenkt met het bloed der eerste martelaren voor de Ne-derlandsche vrijheid. De witte pluimen van den jongen held Adolf van Nassau wapperen uitdagend in den dichtsten drom der vijanden — helaas, hij moet met den dood bekoo-pen zijn eerste heldendaad: iGraef Adolf is ghebleven in Vrieslant in den slach!quot;
Edel- en hooggeboren was Prins Willem van Oranje: een zijner voorvaderen had den keizerlijken schepter gezwaaid over het Duitse he Rijk. \'tls echter niet om nieuwe lauweren te vlechten in den gloriekrans van zijn stamhuis, dat hij als een »helt sonder vreesenquot; zijn edel bloed waagt, neen, voor heel het Nederlandsche volk betuigt hij; het is »Voor Godes Woort ghepresen.quot;
Niet in eigen kracht. »Mijn schilt ende betrouwen sijt ghy, o Godi, mijn Heer,quot; is de ootmoedige belijdenis van Oranje. Zijn hulpe is van den Potentaat der potentaten, met Wien hij een »vast verbondquot; heeft gemaakt, aleer hij deze zaak en de beschermenis der Christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen heeft.
Hemzelf dreigen daarbij groote gevaren. Het bloedig schavot, waarop Al va de graven Eg mond en Hoorne en een groot aantal edelen heeft onthalsd, spelt het lot, dat 0-ranje te wachten staat, zoo het den Spanjool gelukt hem in handen te krijgen: in euvelmoed zou hij die handen wasschen in \'s Prinsen onschuldig bloed.
Gelijk David voor Saul, zoo is Oranje dan ook met menig edelman voor Al va gevlucht om des levens wil. Maar ook Davids historie wijst op een beter lot, spelt een blijder toekomst.
Oranjequot; vertrouwt, dat hij na het zuur het zoet zal ontvangen van God almachtig. Zijn vorstelijk gemoed verlangt om in j den rechtvaardigen strijd als een held op het bed van eer te
sterven, terwijl zijn geloofsoog achter de slagvelden de grenzen ziet van het «onbewegelijk koninkrijk,quot; waarvan bij zich erfgenaam weet.
Doch daarom vergeet hij niet in Doopersche o vergeestelijkheid het aardsche vaderland, alsof staat en maatschappjj eau onheilig gebied zou wezen, waarop een christen zich liefst zoo weinig mogelijk mag bewegen. Neen, bij eigen tegenspoed, ziet Oranje met een bloedend hart, hoe land en volk door Alva\'s tiianny ten verderve gevoerd worden. Hij verstaat dan ook, wat zijn roeping is jegens het aardsche Vaderland.
6
Het recht van interventie, van tussclaenkomst, desnoods met de wapenen, bezit Oranje als souvereiu. En van dat recht maakt hij gebruik. Met ruim 20000 man trekt hij over de Maas, verwachtende, dat Al va, de vermetele tyran, hem slag zou leveren. En wat doet Al va? Bevreesd voor het geweld, d.i. voor de macht van den Prins, begraaft hij zich bij Maastricht zoo veilig in zijn schansen, dat Oranje vruchteloos negen en twintig maal van legerplaats verwisselt om den Spanjaarden slag te leveren.
A1 v a had goed gezien: door geldgebrek werd de Prins genoodzaakt zijn leger af te danken.
Welk een teleurstelling voor Oranje! Hoe gaarne zou hij dit zware «tempeest,quot; dezen storm, die over Nederland woedde, gekeerd hebben! Het mocht niet zijn! In de mislukking van alle plannen bleek duidelijk, dat het de wil des Heeren »op die tijtquot; niet was.
Maar blijkt dan ook niet even duidelijk voor heel de wereld. dat God zich tegen Oranje verklaart? Is .het niet zonneklaar, dat zijn zaak niet recht, hijzelf niet oprecht is? Zoo schijnt het, voor wie alleen naar de omstandigheden oordeelt; niet voor hem, die op do beginselen let, op de drijf-veeren der handelingen.
Oranje zelf staat ongeschokt. Hij kan in oprechtheid verklaren: »S;er cbristelick was ghedreven mijn princelick ghe-moet.quot; De omstandigheden brengen hem niet tot wankolen; integendeel, als een rots verheft hij zich te midden der onstuimige baren, en zijn onwankelbaar geloofsvertrouwen blijkt uit de bekentenis: »Stantvastig is ghebleven mijn hert in teghenspcet.quot;
Hij geeft de zaak nu geheel aan God over. Den Heere heeft
7
hij uit den grond zijns harten gebeden zijn zaak terecht te brenger), zijn onschuld openbaar te doen worden.
Een hartroerend afscheid moet Oranje van zijn verdrukte Nederlanders nemen. »Oorlof,quot; — vaartwel — »mijn arme schapen, die zijt in grooten noot.quot; \'t Klinkt bijna als een wanhoopskreet.
Maar dat is niet zijn laatste woord. Hij wijst die »arme schapenquot; van zichzelf af naar hi^n Herder, die niet slaapt of sluimert. quot;Tot Godt wilt u beghevcn, Sijn heylsaem Woort neemt aan, als vrome christen leven,quot; en hoe zwaar dan ook de verdrukking moge worden, ze zal een einde nemen: »\'t sal hier haest zijn ghedaen!quot;
Één ding blijft intusschen vaststaan: Voor Gods aangezicht en voor heel de wereld verklaart Oranje dat hij nooit de Majesteit van Koning Filips, van het wettig gezag heeft aangerand, doch, waar die koning hem wil dwingen iets te doen tegen Gods Woord, waar hij geplaatst wordt voor de vraag: wien meer te gehoorzamen, God of de menschen, daar spreekt hij het rond en ruiterlijk uit, dat hij God den Heere, de hoogste Majesteit, heeft moeten gehoorzamen.
Het Wilhelmus van Nassouwe was onze oorlogszang tegen Spanje; het klonk in de straten van Den Briel als eerste toon der vrijheid; het dreunde tusschen het kanongebulder op de Zuiderzee den gevangen Bossu in de ooren; op Alkmaars wallen werd het als lied der victorie geblazen; zijn tonen zweefden naar de wallen van het fel ge-
8
teisterde en uitgehongerde Leiden als een klank der hope; het verzelde Maurits\' triumfen en schetterde hem tegemoet bij zijn intocht in het verraste Breda; het daverde als zegezang langs Nienwpoorts duinen; het plantte zich voort van stad tot stad. waar zich de Stedendwinger »met de witte pluimen op het hoofdquot; vertoonde; op het maatgeluid der golven werd het voortgedragen naar Oost en West, waar onze vloten de prinsenvlag vertoonden; het werd aangeheven als overwinningslofzang bij het einde van den tachtig-jarigen krijg.
En sedert klonk het bij hachelijke worstelingen zoowel als bij glorievolle uitreddingen, tot .... de Nederlandsche vrijheid, gelijkheid en broederschap werd uitgeruild tegen de Fransche.
In den Franschen tijd zweeg het Wilhelmus.
Met Oranje kwam het terug.
En nu?
Toen onze laatste koning in den grafkelder te Delft werd neergelaten, speelde het orgel in fluisterende tonen:
«Wilhelmus van Nassouwe,
Ben ick van Duytschen bloet;
Den Vaderlant ghetrouwe Blijf ick tot in, den doet.quot;
Dat deze tonen weer mogen aanzwellen! Ons Wilhelmus worde der jeugd geleerd op die scholen, waar het geen verboden waar is. Het klinke in onze straten, het ruische over onze velden, het weergalme op onze vloot, het geve bezieling bij onze nationale of plaatselijke feest- en gedenkdagen, het oude, het eenige.
9
HET NEDERLANDSCHE VOLKSLIED:
Wilhelmus van .Nassouwe.
Wil-helmus van Nas-souwe Ben iele van Duytschon bloet;
=fs=^
=t±
4—o
|
Den Vader-lant ghe-trouwe Blijf ick tot in den doet. | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
|
Een Prin-ce van 0 - rangiën Ben ick vrij, on-ver-veert; |
Den co • ninck van Hispaengiën Heb ick al-tijt gheëert.
2. In Godcs vrees te leven Heb ick altijt betracht.
Daerom ben ick verdreven.
Om lant, om luyd\' gbebracht.
Maer Godt sa! mij regheeren
Als een goet instrument,
Dat ick sal wederkeeren In mijnen regiment.
3. Lijdt u, mijn ondersaten,
Die opreebt syt van aert:
Godt sal u niet verlaten,
Al zijt ghy nu beswaert;
Die vroom begheert te leven.
Bidt Godt nacht ende dach.
Dat Hy my cracht wil gheven.
Dat ick u helpen mach.
^ J :
t
m
p
i
10
Lijf ende goet al te samim
Heb ick u niet verschoont;
Mijn broeders, hooch van namen.
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolf is ghebleven
In Vrieslant in den elach;
Syn siel in \'t eeuwig leven,
Verwacht den jonghsten dach.
Edel- en Ho och- gheboren.
Van Keyseiiicken stam.
Een Vorst des Rijcks vercoren. Als een vroom Christen-man, Vnor Godes Woort ghepresen Heb ick vrij, onversaecht.
Als een helt sonder vreesen,
Mijn edel bloet ghewaecht.
Mijn schilt ende betrouwen
Syt ghy, o Godt, mijn Heer! Op U so wil ick bonwen;
Verlaet my nimmermeer! Dat ick doch vroom mach blijven,
U dienaar taller stent. Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwont.
Van al die my beswaren
En mijn vervolghers sijn,
Mijn Godt! wilt doch bewaren
Den trouwen dienaar dijn: Dat sy my niet verrasschen
In haren bosen moet;
Haer handen niet en wasschen In mijn onschuldig bloet.
11
8. Als David moeste vluchteu
Voor Saul den tyran,
So heb ick moeten suchten
Met menich edelman;
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost vvt aller noot, Een comuekryck ghegheven In Israël, seer groot.
9. Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt den Heer, dat soet, Daer na so doet verlanghen Mijn vorsteliek ghemoet; Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren in het velt. Een eewich rijck verwerven Als een ghetrouwe helt.
10. Niet doet mij meer erbarmen
lu mijnen vvederspoet.
Dan dat men siet verarmen Des conincks landen goet. Dat u de Spaengiaerts crencken,
O, edel Neerlant soet!
Als ick daer aan ghedencke — Mijn edel hert dat bloet.
11. Als een Prins, opgheseten
Met mijnes heyres cracht. Van den tyran vermeten
Heb ick den slach verwacht. Die, bij Maestricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt; — Mijn ruyters sachmen draven Seer moedig door dat velt.
12
12. So het den wil des Heeren
Op die tijt had gheweest,
Had ick gheern willen keeren Van u dit swaer tempeest.
Maer de Heer van hier boven,
Die alle dinck reglieert,
Diemen altgt moet loven,
En heet\'tet niet begheert.
13. Seer christelick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet: Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet. Den Heer heb ick ghebeden Van mijnes herten gront,
Dat hij mijn saeck wil reden.
Mijn onsehult doen oircont.
14. Oorlof, mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noot; U Herder zal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit. Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem Woort neemt aen, Als vrome christen leven:
\'t Sal hier haest zijn ghedaen.
15. Voor Godt wil ick belijden
End\' sijner grooter macht. Dat ick tot gheenen tijden
Den coninck heb veracht. Dan dat ick Godt den Heere
Der Hoogster Majesteyt, Heb moeten obediëeren Inder gherechticheyt.
XOVÏ. j\' J1- Ze8lig^^n K0\\port»geleven gt; 0,15
\' 0\'Q5
D». MO- lUi 1000 quot;■\' a. dquot;quot;-
250 ex. i 2gt;°w\' • 8e *
* cvvortiederen. 9o »
3e
• quot;»,• .
\'■• gt;-\'•:• gt;quot;
♦
2e 2e
• ». :-; gt;\'
\';• gt; :
1
n. Pa88chUeae«n. pink9iferUederen.
ss\'. IS SS »««•
amp;£S££^-3*TiS£
VYXTI M weer 1 IJ Tonder Bijrol*
\'gïtiöAi -*-
tóV. ^r-v
l XXIX. w00.r3 2e
LXXX1. öi°rigVl^ndag in de Kazerne. 2e
ls^sw»^rjealt;quot;
xo S Herwmi»^\'
XCIl. Zg^P. Va uwe redding-
II^ ^ ^
. / 1) De niet gBnoCToto nn ; : ::; r
W^S0.
\\V«ï \'quot;0WS!
I\'ll
SWvÖi
.
è®
lt;®3\'
8e druk-,8e 3e 4è 4e 4e 2e 2e
quot;.»•
gt;Vv\' 0^
ËÉM
ÉS
So het den wil des Heeren Op die tijt had ghevveest, Had ick gheern willen keeren Van u dit swaer tempeest. Maer de Heer van hier boven,
Die alle dinck regheert, Diemen altijt moet loven, En heeftet niet begheert.
3eer christelick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet: Stantvastich is gheblevon
Mijn hert in teghenspoet. Den Heer heb ick ghebeden Van mijnes herten gront, Dat hij mijn saeck wil reden, Mijn onschult doen oircont.
Oorlof, mijn arme schapen, Die zijt in grooten noot; U Herder zal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit. Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem Woort neemt s Als vrome christen leven:
\'t Sal hier haest zijn ghedaen.
Voor Godt wil ick belijden
End\' sijner grooter macht. Dat ick tot gheenen tijden Den coninck heb veracht. Dan dat ick Godt den Heere
Der Hoogster Majesteyt, Heb moeten obediëeren Inder gherechticheyt.
XC1II. Merkwaardige Brieven. ƒ 0,05
XCV. Wat Eome leert en wat de Bijbel leert. » 0,05
XOVI. J. A. GL de Waal. Geheime Zonden. » 0,05
XCVm. H. Dijkstra. Na Zestig Jaren. » 0,12«
XGIX. K. deöeus. Madodeelingen uitmjjnKolpoi-tugeleven » 0,15
CL De Chiistelijke School. » 0,10
CII. Cornelis Jansen of eene gezegende Kermiswandeling. » 0,05
Boekjes k 2 ct.
Doze boekjes zijn, desverkiezende gesorteerd, de 100 ex. f 1,20; 250 ex. f 2,80; 500 ex. { 5,40; 1000 ex. f 10.
I. Kerstliederen. 3e drnk.
II. Paaschliederen. 3e »
III. Hemelwaarts- en Pinksterliederen. 3e » Villa. Ter elfder nre. 4e » Villi. Ben eigengerechtige gered. 4e », VlIIc. Een Eoomsch meisje bekeerd. 4e » XII. Drie Kerstliederen. 2e » XXIII. De zegon cenor vrijmoedige belijdenis. 2e »
XXV. (G) Avondgebed.
XXVI. Kan een soldaat Ohristns belgden? 2e » XXXII. Al weer iets over de kermis. 3e »
XXXVII. (P) De wereld zonder Bijbel. 3e gt;
XXXVIII. In het ziekenhuis te Leiden. 2e »
XXXIX. Drie jeugdigen, in den Heere ontslapen. 2e » XLIII. Gelooft gij? 2e »
LIL (P) Een nieuwe vriend;hoeznlt gij hem verwelkomen? 2e » LIILVijf nieuwe dingen. Voor kinderen. Bij \'tnieuwe jaar. 2e » LXII. Het doel van Christus\' komst op aarde. LXV. Waarschuwing tegen het lichtvaardig aangaan
van een huwelijk.
LXVI. Be wonderbare uitredding. (Ben verhaal voor kinderen.) LXXII. Over het ter kerk gaan. 2e »
LXXIV. Iets voor brave en Godsdienstige menschen.
LXXV. Worden alle menschen zalig? 2e »
LXXVIL Gesprek over een norm. (8-urigen) arbeidsdag.2e » LXXIX. Een woord aan onze Godvreezende dienstboden. LXXXI. Gierigheid-. 2e »
LXXXIII. Een Zondag in de Kazerne. 2e »
LXXXV. De dood op de planken. 2e »
LXXXVI. De wandelende Jood.
LXXXIX. Was de Heere Jezus Christus »revolutionair?quot; XC. De Hervormingsdag.
XCII. Zijt gij rijk?
XCV. In Christus is uwe redding.
XCIX. Gedachtenis eens liechtvaardigen.
1) Do niet geiiocmfle nnmnieTs zijn uitverkocht en worden niet hwrdrnkt.