-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

AUZ/X - o jCT) w ,

rr^rr. . 9

jyjVi,

■fj 4\' \'i 4

li P

(U

GESCHIEDENIS

VAX

1 r

IS

en zijne bewoners.

I

S.

C^-J

li K,

-ocr page 4-

-

-ocr page 5-

GESCHIEDENIS

VAN

imiM-is Ti nmm

en zijne bewoners.

NAAR VERSCHILLENDE BRONNEN BEWERKT DOOR

D. CANNEGIETER,

Notaris te Tzum.

(Ter gelegenheid van het in gebruik nemen van dit huis als Gemeentehuis van Franekeradeel, den 29 October 1895.)

TE FRANEKEK

BIJ T. TELENGA. 1895.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Het Martena-huis, aan de zuidzijde dor Voor- of Hoogstraat te Praneker, werd in of omstreeks liet jaar 1498 gesticht door Hessel van Martena.

Alvorens tot de behandeling van het gebouw zelve over te gaan, wensch ik het een en ander nopens den stichter in liet midden te brengen.

Hessel van Martena was de jongste zoon van Sijtse van Martena, hoofdeling te Kornjum en van Jel van Harinxma. Hij huwde Both van Hottinga, dochter van Jarich van Hottinga te Nieuwland en van Swob van Sjaerdema.

Het eerst vind ik hem genoemd in eene akte van het jaar 1482, waarbij hij met zijnen vader en met zijnen broeder Doecke een jongerpriesterschap, of vicarie, opricht te Kornjum.

Op de vergadering van abten, prelaten, grietmannen, hoofdelingen en stemmen van Oostergo en quot;Westergo, gehouden te Leeuwarden den 28sten Juli 1488, werd onder anderen ook gehandeld over een geschil van Hessel van Martena met zekeren Lubbrighe.

Hij leefde in eenen tijd toen Friesland zwaar gebukt ging onder de gruwelen van den binnen-landschen krijg tusschen de Schieringers en Vet-koopers, van welke eerste partij hij een vurig voorstander was.

De Vetkoopers hadden op 6 September 1491, voor den tijd van 18 jaren, een verbond gesloten met do

-ocr page 8-

4

Groningers en Ommelanders, onder voorwendsel, om des te beter den vrede en de justitie in dit gewest te kunnen handhaven. Nochtans was dit verbond een begin en eene oorzaak van vele ellenden, oorlogen en bloedstortingen. De Groningers namelijk, bleken, wat trouwens in den aard der zaak lag opgesloten, meer op de hand van de Vetkoopers — dan op die van de Schieringers te zijn, terwijl het bovendien bij vele heerschappen aan den noodigen ernst ontbrak, om dit verbond ten zegen van het land te doen strekken. De wraak en de vechtlust zaten hen nog te veel in het gebeente, om zich rustig te kunnen houden! De geschiedschrijver Peter van Thabor zegt van die heeren, dat zij „den cloosteren ende den „huijsman seer lastich warenquot; en dat zij „die meentequot; „(gemeente), „groot liden ende verdriet deden, mit „hoer ruten ende roven, daer vele quaets uit quam, „als hier nae gheschreven is.quot;

Sommige Vetkoopers waren niet tot het verbond toegetreden, omdat zij voorzagen, dat hiermede de vrijheid des lands zou verloren gaan. Zij sloten daarentegen in 1492 met de meeste Schieringers en de steden Leeuwarden, Sneek, Sloten, Franeker, Harlingen en Stavoren, een tegenverbond te quot;VVorkum, waarbij werd overeengekomen, om de Friesche vrijheid en aloude voorrechten te herstellen en te handhaven tegen eiken vijand en bepaaldelijk tegen de Groningers, die reeds een goed deel van Oostergo onder hun juk hadden gebracht.

Al spoedig bleek echter, dat de Schieringers niet tegen de macht der Groningers en de daarmede verbonden Vetkoopers waren opgewassen. Na menig bloedig gevecht, gepaard met brandschattingen en

-ocr page 9-

5

allerlei geweldplegingen, werden de Schieringers genoodzaakt zich aan de Groninger partij te onderwerpen.

Eerst legden die van Leeuwarden, met uitzondering van enkele edelen, het hoofd in den schoot. De Sneekers en de Pranekers, met de overige Schieringer hoofdelingen, werden nu bezorgd, dat ze het onderspit zouden moeten delven. Sommigen begonnen te weifelen. De Bolswarders met Juw van Juwinga en zijne medestanders, als: Galama, Epama in de Hom-merts, Herema te Tzum, Eoorda en vele andere heerschappen in AVestcrgo, waren den Groningers heimelijk toegedaan.

De Sneekers vonden het in dezen stand van zaken raadzaam zich te versterken en namen eene bezetting van Friesche voetknechten in. De hoofdeling Bocke van Harinxma beschreef daarop zijne partijgenooten in quot;Wijmbritseradeel, Gaasterland en elders, om zich bij hem te voegen in Sneek, alwaar hij reeds over 2000 man had te beschikken. Ook schreef hij aan de stad Franeker en de aldaar vergaderde heerschappen, als: Mr. Juw van Hottinga, licentiaat in de rechten, diens broeders Hero- en Jarich van Hottinga, diens zwager, onzen Hessel van Martena, Doecke Hettes van Hemmema, Juw van Dekama en anderen, begeerende dat zij met hunne landzaten mede zouden uitkomen tegen de Groningers, op grond van den inhoud der vroeger te Workum gesloten overeenkomst. Mr. Juw en de zijnen beloofden daarop hunnen bijstand, doch zij hielden deze belofte niet, want op denzelfden dag, waarop Bocke van Harinxma met de Sneekers eu hunne vrienden te Barrahuis nabij Leeuwarden tegen de Groningers slag leverden,

-ocr page 10-

()

bleven zij niet alleen met hunne hulp achterwege, maar sloten daarentegen (10 October 1492,) met den gemeenschappelijken vijand eene akte van verzoening, welke akte onder anderen namens Hessel van Martena werd bezegeld „door onze pastoer, heer Schelte.quot;

De Sneekers, door hunne vroegere bondgenooten in den steek gelaten, konden zich niet langer staande houden en zagen zich genoodzaakt met de Groningers een vernederenden vrede te sluiten. (14 October 1492.)

Het kan ons niet verwonderen, dat deze afgedwongen vrede slechts van korten duur was. Reeds in het volgend jaar, 1493, versterkten de Sneekers hunne stad, door het graven van eene nieuwe gracht, het maken van een bolwerk tusschen de Ooster- en de Noorderpoort en het bouwen van torens in dat bolwerk. Hierdoor en ook door het niet betalen der overeengekomen schatting aan de Groningers, verbraken zij den vrede en nieuwe onlusten waren er weldra het gevolg van.

Eene poging door den Duitschen Keizer in 1494 aangewend, om de algemeene rust en welvaart in Friesland te herstellen, mislukte niet alleen, maar wakkerde daarentegen het vuur der tweedracht met vernieuwde woede aan.

Op een te Sneek gehouden landdag, meest door Schieringers bijgewoond, wist de afgezant des Keizers te bewerken, dat de Baarder edelman Juw van Dekama werd gekozen tot Potestaat van Friesland. Juw van Dekama, een vredelievend, wijs en onpartijdig man, was getrouwd met eene zuster van Mr. Juw en dieus broeders Hero en Jarich van Hottinga, tevens de zuster der vrouw van onzen Hessel van Martena. Reeds deze omstandigheid was genoegzaam

-ocr page 11-

7

om de keuze voor de Vetkoopers onmogelijk te maken. De Hottinga\'s en. Van Martena toch, hadden door hun gedrag tegenover de Sneekers, waarvan hiervóór gesproken is, maar ook door andere dubbelzinnige daden, veler achting verloren en werden verdacht, zich, door invloed van den gekozen Potestaat, tot de hoogste eer en de aanzienlijkste betrekkingen te willen opwerken.

Mijn bestek gedoogt niet, om stil te staan bij alle troebelen, die er, tengevolge van deze slechte verstandhouding, verder in Friesland voorvielen. Het zou een aaneengeschakeld verhaal zijn van gevechten, moorden, branden en allerlei gruwelen. Alleen zij nog vermeld dat de Franeker heerschappen, — de Hottinga\'s met hunne zwagers Hessel van Martena en Juw van Dekama, — zich aan het Groninger verbond hadden onttrokken.

Om nu niet al te uitvoerig te worden, zal ik slechts die daadzaken mededeelen, waarin Hessel van Martena meer direct betrokken was.

Den 18den Juni 1494 droeg hij, met zijnen broeder Doeke, aau de stad Leeuwarden over drie perceelen land op de Tuinen aldaar, ten behoeve van het graven der stadsgracht en het opwerpen van den wal.

Den 23sten October van datzelfde jaar bezegelde hij met zijne medestanders eenen zoenbrief tusschen hen en Juw van Juwinga en de zijnen. Niet lang daarna evenwel verbrak men, als bij onderlinge afspraak, het akkoord en sloeg er van weerskanten maar weer dapper op los!

Den Sisten October 1495, toen hij woonde op Ter Horne te Beetgum, ontving hij van den grietman en de mederechters van Leeuwarderadeel bevel, om de

-ocr page 12-

8

landen van Binnert Abbinga, door hem in gebruik genomen, weder terug te geven en zich deswegen te verantwoorden op het Trimdeelsgerecht, Donderdag eerstkomende te Barrahuis. Het schijnt, dat hij aan dit bevel geen gehoor heeft gegeven, althans later, omstreeks 1497, kwam er eene nieuwe aanklacht van Abbinga in over de gewelddadigheden, welke hem Hessel van Martena had aangedaan, door hem van huis en hof te Tzummarum te berooven.

In 1496 schreven de Groningers eenen landdag uit te Sneek, ten einde eenige zaken van algemeen belang te regelen. Op die vergadering verscheen de Franeker partij niet, evenmin als op eenen kort daarna uitgeschreven landdag te Groningen.

Deze handelwijze maakte eene verdere samenwerking onmogelijk en begon den Groningers met hunne bondgenooten dermate te verdrieten, dat zij op maatregelen bedacht werden om de Franekers met geweld te dwingen, zich bij het Groninger verbond aan te sluiten. Harlingen werd door hen aan de zuidzijde versterkt. Hiermede bezig zijnde, namen zij de versterkte huizen van Epe van Aijlva te Witmarsum en Sjoerd Lieuwes van Beijma te Arum in, omdat deze heeren het met de Franekers hielden. Beide huizen werden verwoest.

Den 29sten Juni 1496 sloegen de Groningers, gesterkt door de Bolswarders, het beleg voor het zoogenaamde bolwerk te Pingjum, dat door Sjoerd Lieuwea van Beijma met al zijn volk was bezet. Tijdens dit beleg togen de Leeuwarders met de omwonende huislieden uit Leeuwarderadeel en Ferwer-deradeel over het Bildt, om de groote metalen bus (kanon), die van Groningen was overgezonden, voor

-ocr page 13-

9

het huis te Pingjum te brengen. Bij Engelum komende, werden zij met bussen en bogen aangevallen door de bezetting van het huis Ter Horne te Beetgum, dat aan Hessel van Martena toebehoorde. De Leeuwarders dreven de aanvallers terug, namen het huis Ter Home in „ende worpen dat steenhuijs „onder voeten,quot; doch aan den aarden wal, die er om heen lag, deden ze weinig schade. Hessel van Martena en zijne vrouw waren op dat oogenblik in Franeker, waarom de Leeuwarders niet langer durfden toeven, uit vrees van door de Franekers te worden overrompeld. Zij spoedden zich dus met de Groninger bus voor het huis te Pingjum, doch bij het eerste schot, dat er uit gelost werd, barstte het gesehut, waardoor drie manschappen gedood werden. De belegeraars, hierin een slecht voorteeken ziende, braken het beleg op en sloten kort daarna een bestand met de Franekers en hunne vrienden, waarop de Groningers huiswaarts keerden. „Maer dat bestandt worde „niet lange geholden,quot; zegt de geschiedschrijver, want de Bolswarders en de Franekers, die dit het eerst verbraken, begonnen wederkeerig elkaar te plunderen. Ook roofden de Franekers 25 ossen te Leeuwarden. De Leeuwarders, hierdoor verbitterd, trokken met al hunne macht uit ea sloegen andermaal het beleg voor het huis Ter Horne, dat door Hessel van Martena tijdens het bestand zooveel mogelijk in staat van tegenweer was gebracht. Ka een beleg van twee dagen werd het huis door de bezetting opgegeven, behoudens lijf en goed. De Leeuwarders „roerden die „wal alheel uit ende worpen all neder wat daer stonde.quot;

In de „Groningher Passie, van Heer Meijnert toe Fraenker,quot; wordt hieromtrent gezegd :

-ocr page 14-

10

„Thoe Hoerna hebbenst al om gheroert,

„Ende hebben Hessel ende Both hoer guedt ontfoert, „Het huijs ghebrant; het leit in kolen. „Dit ghinghen sie in vele dorpen spolen.quot;

Uit weerwraak trokken de Franekers, onder bevel van Jarich van Hottinga en Hessel van Martena, naar Tzum, verbrandden aldaar liet huis van hunnen tegenstander Gerrolt van Herema en bezetten de stins van wijlen Taeke van Herema met eenig volk.

Den 4dea Augustus 1496 togen Jarich van Hottinga en Hessel van Martena met de Franekers, in den nacht uit hunne stad en kwamen met den dageraad voor Harlingen. Bij het St. Michiels kerkhof, alwaar men slecht wacht hield, drongen ze de plaats binnen. De verraste Harlingers vluchtten op het Blokhuis, maar 15 der hunnen werden doodgeslagen, waaronder ook Bocke Ennes, van Bolsward.

Deze Bocke Ennes had in 1494 vijf a zes honderd Greldersche krijgsknechten aangeworven, onder aanvoering van den kapitein Daem van Tiel, waarmede Juw van Juwinga de stad Bolsward vermeesterde. Bij die gelegenheid was onder anderen Hero van Hottinga gevangen genomen en mishandeld. Bovendien had Bocke Ennes „die Fraenkers ende Hottinghe „kijnden, ende hoere vrienden ende hulpers seerveel „lede ghedaen, ende vertoornt; waeromme Fraenkers „hem seer hatich waren.quot;

Toen hij dus nu in handen zijner vijanden viel, had hij op geen genade te hopen. Hessel van Martena koelde zijne wraak, door Bocke Ennes de handen en de voeten af te kappen!

-ocr page 15-

11

De aangehaalde „Groninger Passiequot; zegt hiervan :

„Hera Hottinghe knechten hebbent gheroken : „Sie ghinghen oeck nae Harlinghen soecken.

„llessel Hoernaquot; (van Ter Ilorne) „quam starck inrijden: „Bocka Ennes ghinck in die bonen glijden.

„Hessel Hoerna heft hem daer belopen,

„Daer most hij dat Groningher verbont becopen. „Hij sloech sijn handen, hij riep : wopen! „Die schalck had daer langh nae ghelopen.

„Hessel dede hem sijn bycht daer hoeren,

„Bocka Ennes heeft hant ende voet verloren; „Mit enen hellebaerd wort hij gheabsolwiert.

„Hessel is weder in die stat ghekiert.quot;

Van de verrassing van Harlingen door de Frane-kers, vindt men eene geschilderde voorstelling, dienende tot behangsel, in de Burgemeesters-kamer van het stadhuis te Franeker.

Den 9den Augustus 1496 werd „jonge Edequot; van Kornwerd, wiens huis kort te voren door de Leeuwarders was verwoest, op den toren te Kornwerd belegerd door de Bolswarders en de Workumers, onder aanvoering van Juw van Juwinga en Tjerk van Walta.

De belegeraars „stormden den toorn sterck an, „met vuer ende roock, ende deden groten arbeid, „om die toorn toe winnen.quot; Ede daarentegen verweerde zich „vromelickquot; en wierp den vijand met steenen, die hij vooraf op den toren had laten brengen. De aanvallers, ziende dat zij op de gewone wijze niets vorderden, brachten groote hoopen hooi bijeen, om door brand en rook de bezetting tot de overgave

-ocr page 16-

12

te dwingen. Sjoerd van Beijma kwam echter tot ontzet opdagen met 140 ruiters van Pingjum, Arura en quot;Witmarsum, terwijl ook Jarich van Hottinga en Hessel van Martena met de Franekers ter hulp snelden en den vijand, ofschoon sterker in macht, zóó geweldig aantastten, dat deze, met verlies van 30 man aan dooden, het veld moest ruimen. Het beleg werd dus opgebroken en Ede was ontzet. In den slag waren 40 gevangenen gemaakt, die deels naar Pra-neker en deels naar Pingjum werden gevoerd.

Daarna werd het huis te Pingjum weder belegerd door de Bolswarders. Het huis was bezet door Sjoerd van Beijma, jonge Ede en Hille Doijtses met hun volk. Den 15den September 1496 werd eene bestorming gewaagd, doch door de belegerden manmoedig afgeslagen. Den volgenden dag kwamen Hessel van Martena en Epo van Aijlva met de Franeker ruiters en voetknechten „ende verjaechden ende versloegen „Boolswerde zeer ellendich.quot; Van de Bolswarders bleven er meer dan 150 op het slagveld, waaronder 70 van de rijkste burgers. De overwinnaars hadden het groote stuk geschut van Bolsward buit gemaakt en waren met de vele gevangenen reeds op den terugtocht naar Franeker, toen zij tusschen die plaats en Aehlum hevig werden „aangevochtenquot; door Juw van Juwinga met de Groninger en Leeuwarder knechten, die te Lidlum in bezetting lagen.

De Franekers werden na een hardnekkig gevecht op de vlucht gedreven en weken op het huis van Hero van Hottinga te Wommels. Het veroverd stuk geschut en eenige gevangenen moesten zij prijs geven, terwijl hun vaandeldrager met 2 of 3 manschappen, die in de kerk van Achlum eene schuilplaats

-ocr page 17-

13

hadden gezocht, daar uit gehaald en doodgeslagen werden.

Hierop volgde wederom eene reeks van gevechten, totdat de Groningers voor goed uit Westergo werden verdreven.

De dichter van de „Groningher Passiequot; zegt hiervan:

„O sotte Groninghen! matich dyn toern;

„Den strijt hebstu teghen Fraenker verloern.

„Die croen sal Fraenker boven dij draghen,

„Om dattn uit Westerlant biste verslaghen.

„Schaemdij, du buer! heb grote schanden,

„Dattu edele vrouwen boldest in banden ;

„This nie ghehoert in onse landen.

„Die honden moetten dij schoeren mit tanden !quot;

en dan bezingt hij de Franekers aldus:

„Ghij,\'„edele Fraenkers! weest wel ghestelt.

„Die keerls hebben ghij mit hopen ghefelt.

„Ghij, edele vrouwen! draecht guet moet,

„Om dat ghij holden hebt lijf ende guet.

„U mans neemt vriendelic in uwen armen;

„Soe moechdi elck ander soetelicken bewarmen,

„Mit cussen, mit helsen, mit ander wlijt;

„Soe suldij verdryven uwen tijt.

„Ende cussen elck ander voer den mont.

„God spaer u lang ende altijt ghesont.quot;

Den 30sten April 1498 werd Albreeht van Saksen door de prelaten en andere geestelijken in Westergo, benevens door de steden Sneek, Praneker, Bolsward, Workum en Sloten en vele edelen, waaronder ook

-ocr page 18-

14

onze Hessel van Martena, als erf heer van Friesland aangenomen. Diens stadhouder, Willebrord van Schaumburg, wenschte den zetel der regeering te vestigen op het versterkt kasteel, „Sjaerdema-huisquot; binnen Praneker, doch de toenmalige eigenares, Ed-wert van Sjaerdema, weduwe van Douwe van Aijlva, weigerde dit. Door tusschenkomst evenwel van haren kleinzoon Hero van Hottinga en van haren aange-huwden kleinzoon Hessel van Martena, gaf zij ten slotte hare toestemming en is zij „met alle huer guedt ende huijsgesin vant huijs gefaeren !quot;

Toen de stadhouder zich voor goed in Franeker had gevestigd, leide hij van hier uit zijne operatiën, om Friesland voet voor voet in te palmen. Westergo was hem reeds toegevallen en nu wenschte hij Zevenwouden tot onderwerping te brengen, alvorens Leeuwarden aan te tasten.

Den Isten Juni 1498 trok hij met een leger van 1000 overlandsche knechten en 500 Friezen, onder bevel van Hessel van Martena en andere aanvoerders, naar de Wouden en overnachtte te Akkrum, aldaar het geschut tegemoet ziende, dat hem uit Sneek per scheepsgelegenheid zou worden toegezonden. Maar de Woudlieden, van een en ander verwittigd, verhinderden de doorvaart der schepen en vernielden de bruggen, waarover het vijandelijk leger moest trekken. Heer Willebrord vond het niet raadzaam zonder geschut de Wouden in te gaan en keerde dus onverrichter zake naar Sneek.

Eenigen tijd later trok de stadhouder met zijn voormeld leger naar Stavoren. Toen de Woudlieden dit vernamen, vereenigden zij zich met de ingezetenen van de Stellingwerven, Opsterland, Smallingerland en

-ocr page 19-

15

Gaasterland en stuurden renboden naar Leeuwarden om bijstand. Do Leeuwarders zonden daarop brieven naar Rauwerderhem, het Noorder- en Zuider Trim-deel (Leeuwarderadeel) en Idaarderadeel, waarbij zij de ingezetenen dier deelen aanmaanden, om op het eerste sein mede op te trekken en de Saksische benden tegen te gaan. De Woudlieden hadden een leger van 15000 man bijeenverzameld en daar de stadhouder slechts over 1500 man had te beschikken, durfde deze eenen aanval op Stavoren niet afwachten, maar ging hij liever den vijand in het open veld tegemoet, omdat hij kans zag met zijne geoefende troepen het tienmaal sterker, doch ongeoefend leger der Woudlieden, te overwinnen. Tusschen het Roode Klif en Laaxum kwam het tot een gevecht, dat echter van korten duur was. De Saksers namelijk waren voorzien van veel geschut en bij het eerste schot met hagel uit een groot kanon, gingen de Woudlieden op den loop; zij „liepen als een hoop schaepen sonder „harder, ende alser een liep, soe liepense altemael.quot; Velen renden in de zee en verdronken, terwijl meer dan 150 werden doodgeslagen. Heer Willebrord brandschatte daarop geheel Gaasterland en de omstreken vau Stavoren en keerde daarna in Sneek terug.

Den 21sten Juli daaraanvolgende trok de stadhouder met 2 a 300 ruiters, onder aanvoering van Hessel van Martena en anderen, naar Bergum en nam aldaar Botte van Jaerla met 22 huislieden gevangen, die deels naar Sneek en deels naar Franeker werden gebracht en op zwaar rantsoen gesteld.

Tijdens de belegering van Leeuwarden, in September 1498, trok eene afdeeling ruiterij, sterk 80 man, uit deze stad naar Bergum, om hunne Groninger

-ocr page 20-

16

vrienden, die met levensmiddelen in aantocht waren, tegemoet te reizen. De Stadhouder zond daarop Hessel van Martena met enkele andere bevelhebbers en 200 ruiters naar Bergum, alwaar zij de Leeuwarders versloegen en op Groningen terug dreven, met verlies van 18 gevangen Leeuwarder burgers. Kort hierna namen Hessel van Martena en de zijnen Aucke van Jaerla\'s huis te Wetsens (Dongeradeel) in.

Den 19den Juli 1499 kwam Hertog Albrecht van Saksen met zijn\' zoon Hendrik in Friesland, om als Erfgouverneur dezer landen te worden gehuldigd. Bij zijne aankomst te Harlingen werd hij met groote statie ontvangen, ouder anderen ook door Hessel van Martena, als medegecommitteerde van Westergo. Hij woonde destijds te Franeker, ofschoon Peter van Thabor hem op dien tijd hoveling te Dijkstrahuizen

(bij Engelum) noemt.

Den volgenden dag had de plechtige huldiging binnen Franeker plaats. Daarop vertrok de Hertog naar Leeuwarden, werd er in de Oldehoofdsterkerk als Erfgouverneur van Friesland namens het Heilige Roomsche Rijk erkend en stelde den 258ten Juli 1499 provinciale raden aan, waaronder ook Hessel van Martena, uit Westergo. Aan den Provincialen Raad, bestaande uit elf edelen en den Kanselier als voorzitter, werd zoowel het Bestuur des lands als de uitoefening van het recht toevertrouwd. Men getuigde van deze raden, dat, indien zij zich om het welzijn des lands meer dan om de gunst des Hofs hadden bekommerd, zij groote rampen zouden hebben voorkomen.

In het volgend jaar werd door Hertog Hendrik, aan wien door zijnen vader het opperbestuur over

-ocr page 21-

17

Friesland was opgedragen, eeno belasting uitgeschreven, die den nitgemergelden ingezetenen zwaar viel te betalen, Doch de Hertog had gezorgd voor uitmuntende belasting-inners!

Zoo zond hij den 2Isten April 1500 Hessel van Martena met 250 knechten van Franeker naar Bols-ward, met scherpe brieven aan de dorpsbesturen in quot;Wonseradeel, om de achterstallige- en de nieuwe schatting vóór den 25sten dier maand binnen Bols-ward te betalen, bij gebreke waarvan zij het dubbele verschuldigd zouden zijn. Juist op den 25sten verscheen de ontvanger Haring Douwes, van Abbega en bood do volle belasting voor zijn dorp aan, maar aangezien hij, volgens Van Martena, uiterlijk den dag te voren had moeten betalen, wilde men het geld niet aannemen, doch hield Haring Douwes gevangen en trok met hem naar zijn huis te Abbega, waarin de moeder en twee broeders van den gevangene verblijf hielden. Het huis werd door Van Martena opgeëischt, maar zij die op het huis lagen, wilden het niet overgeven. Daarop staken Van Martena\'s knechten twee huizen in brand en trokken met Haring wederom naar Bols-ward. Des anderen daags verscheen Van Martena opnieuw voor het huis te Abbega, liet zijne knechten eenen kring formeeren, waarbinnen Haring Douwes werd geplaatst. Toen nu voor de tweede maal het huis werd opgeëischt, onder bedreiging van Haring het hoofd te zullen afslaan, wanneer men weigerde, zwichtten moeder en broeders en gaven het huis over. Dit werd met 25 man bezet. De overige manschappen trokken naar Schraard en verbrandden er eenige huizen, omdat de schatting niet was voldaan.

Door deze en dergelijke wreede en onrechtvaardige

-ocr page 22-

18

liaudelingen ontstond bij de landelijke bevolking eene onbeschrijfelijke — maar zeer verklaarbare verbolgenheid tegen de Saksische regeering. Toen dan ook den volgenden dag een der Saksische knechten, die het huis te Abbega bezet hielden, in IJlst kwam om brood te koopen, werd hij meedogenloos verdronken, welk lot een ander der bezettelingen overkwam, toen hij op weg naar Franeker was.

Kort hierna, namelijk den 29sten April 1500, werd door sommige deelen en dorpen van Westergo eenen landdag gehouden te Oldeklooster, waarop besloten werd zich gewapenderhand tegen den trouweloozen Sakser te verzetten en Sjoerd van Aijlva, van quot;Wit-marsum, als opperbevelhebber over de troepen aan te stellen. Zoodra dit besluit genomen was, werden Ilerbaijum, Ludingakerk en ïzum bezet, teneinde den Hertog, die zich in Franeker had teruggetrokken, te beletten de omwonende huislieden te beschadigen. Ook werden dringende brieven verzonden door geheel Friesland, om met alle macht voor Franeker te komen, „om hare Vrijheden en Previlegien te helpen bescher-„men en den Hertog van Sassen weder uit het Land te „verdrijven, die tegens zijn eed en beloftenis niet en „zogte dan hare en barer Landen verderffenisse, „dezelve door schatten, belasten, geweld en alle onbe-„hoorlijkheid tot een eeuwige slavernije en dienstbaar-„heid te brengen, \'t welk zij niet langer konden nog „mogten verdragen, vermits zij het vrije Friesche harte, „dat in henlieden was, \'t welk zodanig ongelijk en „geweld (bezonder van de vreemden en uitheemschen), „niet mogelijk was langer te lijden.quot;

Na deze ernstige „uitschrijvingequot; kwamen de meeste Friezen geharnasd voor Franeker, zoodat aldaar, om-

-ocr page 23-

IS)

streeks den 12den Mei, nagenoeg gansch de Friesche strijdmacht eendrachtig samen was, met een leger van 16000 man. De stad werd rondom scherp ingesloten en aan ieder bevelhebber zijne plaats aangewezen. Het leger van Tzum werd op Miedum en Doijum, zuidwaarts van Franeker, vooruitgeschoven; de manschappen van Wonseradeel, Bolsward en Barradeel legerden zich bij Herbaijum en Lankum, ten westen van de stad; die van Dongeradeel, Dantumadeel, Tietjerksteradeel, Achtkarspelen en Kollumerland te Dongjum, aan de noordzijde; die vanMenaldumadeel, Baarderadecl, Idaarderadeel en quot;Wirdura, met het Friesch voetvolk, bij Oud-Sjaerdema en Dronrijp, aan de oostzijde van Franeker; terwijl die van Zevenwouden naar Hallum en die van Ferwerderadeel met 600 man in Wiswerd, bij Leeuwarden, werden geschikt, ten einde het binnenrukken van vreemd volk, ter ondersteuning van den Hertog, te beletten.

Eene poging van den Kauwerder pastoor, heer Jelle, om eene verzoening tusschen den Hertog en de Friezen tot stand te brengen, mislukte. De Friezen eischten dat de Hertog het land zou verlaten; deze daarentegen weigerde zulks halsstarrig, maar wilde den Friezen vergiffenis schenken, zoo zij rustig huiswaarts keerden. In stede hiervan maakten de belegeraars vijf schansen rondom de belegerde stad en leenden van de Groningers vier stukken grof geschut, waarvoor zij vele zilveren kelken en andere kostbaarheden uit kerken en kloosters te pand gaven.

Toen het geschut was opgesteld, werd de toren van Sjaerdema-slot beschoten, doch zonder het gewenscht gevolg, „want diequot; (toren) „sterk en geheel rond was, zo dat het altijd afschampte.quot;

-ocr page 24-

20

De opperbevelhebber, onder wiens leiding Franeker verdedigd werd, was Hessel van Martena. Uit zijnen toren, die eene uitmuntende gelegenheid aanbood den vijand te bespieden, werd hij gewaar, dat in het Priesche leger de grootste verwarring heerschte. De op elkaar naijverige aanvoerders wisten geen orde en tucht te handhaven; de wachten werden slecht betrokken en de krijgsknechten gaven zich over aan dronkenschap en allerlei andere uitspattingen. — Eene schoone kans voor de Franekers om aan hunne belagers eens een gevoelig lesje te geven! — Gewoonlijk omtrent vespertijd werd dan ook nu eens de eene dan weêr de andere schans aangevallen, „dat menig „Huisman zijn leven koste, bezonder des namiddags, „want zij meest alle dronken en vol waren.quot;

Den gevangen Friezen sloeg men een haak dooide keel en hing hen daarna op, of stelde hunne hoofden op staken ten toon; de Saksische knechten, welke den belegeraars in handen vielen, werden zonder genade aan eene galg opgeknoopt.

Middelerwijl had Hertog Albrecht in Augsburg vernomen dat de Friezen hem waren afgevallen en dat zij zijnen zoon Hendrik in Franeker belegerden. Met den meesten spoed verzamelde deze geduchte krijgsman een leger bijeen, trok er mede naar Groningerland, bracht den vijand te Bomsterzijl eene gevoelige nederlaag toe en ging vervolgens met versnelden pas op Franeker los. De mare, dat er voor de Franekers ontzet kwam opdagen, was hem reeds vooruit gegaan. De schrik sloeg den belegeraars cm het hart en ieder zocht zijn heil in de vlucht. Sjoerd van Aijlva ging \'s nachts tusschen den 15den en den 16den Juli met zijn leger heimelijk weg, zonder de

-ocr page 25-

21

anderen te waarschuwen. Daarna trok het leger van Dongjum af, met achterlating van het Groninger geschut, dat later den Pranekers in handen viel. De bezetting van de schans te Miedum en die van Dron-rijp maakten zich ook gereed om heen te gaan, doch een paar zoetelaarsters wisten dit te voorkomen, door haar diets te maken, dat al deze geruchten — als zou er een vijandelijk leger in aantocht zijn, — gelogen waren en dat Sjoerd van Aijlva met eene groote macht uit Westergo teruggekomen was. Hierdoor gerust gesteld, leidde men weer een vroolijk leventje en ging onbezorgd zijnen ouden gang. Maar helaas! de vrouwen hadden hen bedrogen ! Alleen, opdat zij hare waren aan den man konden blijven brengen, hadden zij eene leugen verzonnen „ende soe duer giricheijt „eens wijfs ia daer mennich Vriese geslaegen.quot;

Den 16den Juli 1500 kwam Hertog Albrecht voor Franeker. Toen de heerschappen, burgers en knechten uit die stad bemerkten, dat Hertog Albrecht dicht bij die plaats genaderd was, deden zij dienzelfden dag een uitval op de belegeraars, die zich dapper weerden, „alsoe datter hondert ende elve in dije scranze (schans) „werden geslaegen, eer dat se weecken.quot; Ook Hertog Albrecht viel ze met zijne manschappen aan en toen nu de belegeraars bemerkten, dat ze van rondom besprongen werden, trokken zij in allerijl op Miedum en Tzum terug, achtervolgd door de Pranekers, die vele hunner landgenooten in het open veld neersabelden en zóó onmenschelijk bejegenden, dat Hertog Albrecht zich verplicht gevoelde het moordend achtervolgen van de vluchtelingen te beletten. Ongeveer 500 Friezen, waaronder verscheidene hoofdelingen, waren gesneuveld en lagen gedurende ruim acht dagen

-ocr page 26-

22

onbegraven op het land. Later werden de lijken in Miedum onder Tzum ter aarde besteld. Nu eenige jaren geleden vond men, bij gelegenheid eener afgraving, de op rijen liggende geraamten terug, waarvan er nog een met eenen grootendeels verganen maliënkolder was gedekt.

Door zijn beslist en gestreng optreden was Hertog Albrecht al spoedig meester van den toestand in dit gewest. De Friezen, voor zooverre die niet waren uitgeweken, — en dit waren er vele! — kwamen grootendeels tot onderwerping. Hun werd genadig vergiffenis geschonken, doch niet dan onder zeer bezwarende voorwaarden. Zoo moest, bijvoorbeeld, elk der oproerige dorpen naar gelang van vermogen eu van overtreding, een, twee, drie of vierhonderd gulden tot zoen opbrengen, alle wapenen te Leeuwarden op het blokhuis afleveren en tevens beloven in langen tijd geen geweer te zullen opvatten. Daarenboven moest ieder huisman in het bijzonder, blootshoofds, ongegord en ongeschoeid, den Hertog of zijnen gevolmachtigden te voet vallen en om genade smeeken, verder van alle voorrechten afstand doen en hem of zijne erven alzoo voor oppermachtige Heeren erkennen.

Onder \'s Hertogs gemachtigden behoorde ook Hes-sel van Martena, die door zijne verknochtheid aan de Saksers en wreede onbarmhartigheid tegen zijne land-genooten, aller vloek op zich had geladen, zoodat hij zich „niet wal betrouden under de husluden.quot; Met Pieter Valk, abt van Lidlum, en vijf anderen, was hij lid van de gewestelijke Raden, welke den stadhouder bij \'s Hertogs afwezigheid in het bewind zouden steunen.

De inwoners van Franeker, die, dank zij zeker

-ocr page 27-

23

Hesscl van Martena, den Hertog van Saksen als gehoorzame en getrouwe onderdanen hadden bijgestaan, werden later door Hertog Hendrik en zijnen broeder George, bij schenkingsakte van den 26sten Maart 1501, begiftigd „met de vrijheid van Accijs, twee „hondert morgen Bildland en een week- en twee „jaarmerkten.quot;

Na Graaf Hugo van Leijsemck tot Stadhouder van Friesland te hebben aangesteld, verliet Hertog Al-brecht met zijnen zoon Hendrik deze landen en stierf in September 1500 te Einden.

Laatstgenoemde volgde zijnen vader in het gebied over Friesland op.

Middelerwijl hadden de Friesche uitgewekenen of ballingen niet stil gezeten. Sommigen namen huur-benden aan en trachtten daarmede de Saksische regeering omver te werpen., doch vruchteloos. In December 1500 reisden eenige hunner gevolmachtigden naar het hof van Filips van Bourgondië, bij wien zich de Hertog van Saksen ophield. Aan den laat-sten lieten zij den voorslag doen, om het bestuur van Friesland aan den Hertog van Bourgondië voor eene goede som gelds af te staan, daarbij de redenen opgevende, waarom zij zich tegen hem hadden verzet. Hertog Hendrik, die gezworen had nimmermeer in Friesland te zullen terugkeeren en daardoor dus duidelijk te kennen had gegeven „dat hij er genoeg van had,quot; scheen niet ongenegen tot dit voorstel toe te treden, doch zijne raadslieden, waaronder ook Hessel van Martena, wisten zulks te voorkomen, door geheel Friesland op nieuw houw en trouw te laten zweren, niet alleen aan Hertog Hendrik, maar ook aan diens broeder Hertog George, terwijl zij eene jaarlijksche

-ocr page 28-

24

tax of schatting op landerijen, huizen en beesten vaststelden, die aan den Hertog van Saksen moest worden betaald. „Dit is altemael daeromme gedaen,quot; zegt quot;Worp van Thabor in zijne kroniek van Friesland, „opdat dije Hartoch van Sassen tlant van Vries-„lant niet sonde vercoopen ofte afstaen, als hij sach „den groeten opcomst, dije hem jaerlix tlant opbracht.quot;

Van de overdracht van Friesland aan den Bour-gondischen vorst kwam dus niets.

Maar Hertog Hendrik, die geen belang meer in Friesland stelde, stond zijne rechten op dit gewest af aan zijn ouderen broeder George.

Deze kwam in Mei 1504 te Harlingen aan, om zich door de Friezen te laten huldigen. Te Franeker ontbood hij do geestelijken bij zich, aan wie hij eene belasting oplegde van den 2l8ten penning jaarlijks van hunne inkomsten. Den 27sten Juni daaraanvolgende ontbood de Hertog de ingezetenen van Barra-deel, Menaldumadeel, Hennaarderadcel, Baarderadeei en Franekeradeel, op Frittema-huis te Dongjum, alwaar hij zich door hen deed huldigen en trouwe zweren.

Nadat Hertog George door de huislieden van geheel Friesland als Erfgouverneur was erkend, riep hij de heerschappen van Oostergo, Westergo, Zevenwouden en Stellingwerf op, om den 8sten Juli in Leeuwarden te komen, teneinde hem „daer plicht ende eedt „te doen.quot; Dit geschiedde, en de Hertog gaf daarop zijnerzijds drie brieven, om „dat selve Landt nutte-„lijck ende wel te regeeren,quot; te weten: eenen aan Oostergo, eenen aan Westergo en eenen aan Zevenwouden met Stellingwerf, waarvan die voor Westergo in bewaring werd gegeven aan Hessel van Martena.

-ocr page 29-

25

De reversaelbrief, die de Heerschappen des anderen daags aan den Hertog gaven, had als eerste onderteekenaar „Hessel van Martena voor mij, ende, om „sijn beed, voor Doecke Rienicks.quot;

De Hertog gaf daarop de Friezen de keus, of zij in liet vervolg wilden worden berecht naar het Saksisch* of naar \'s Keizers recht. Zij kozen het laatste. In datzelfde jaar vaardigde hij de beroemde Saksische Ordonnantie uit, waarbij de Raad door een Gerechtshof werd vervangen, samengesteld uit zeven raads-heeren, namelijk 4 edelen, 2 rechtsgeleerden en een kanselier als voorzitter. Onder de 3 Friezen, die hiertoe behoorden, was ook Hessel van Martena.

Volgens een register van edelen, den 5den Januari 1505 op last van den Saksischen Hertog opgemaakt, behoorde Hessel van Martena destijds tot de edelen in Menaldumadeel. Hij was toen hoogstwaarschijnlijk grietman van dat deel, althans hij bekleedde dat ambt reeds in 1502, in welk jaar hij echter zijn verblijf had te Franeker, van welke plaats hij den Isten November 1502 eene missive zond aan Frans Min-nema, „Grietman ende Olderraan ower dee stad „Lewerde ende Lewerderdeel ende Tzersterdeel,quot; over het aannemen van eenen borg voor de huur van landerijen, gelegen onder Jelsum. Den 12den Maart van dat jaar verzocht hij in eenen brief aan den Stadhouder van Leijsenick diens voorspraak bij den Saksischen Hertog voor het grietmans-ambt, „int erst „Mijnaldemadeel dar ic nu gretman ben ende Bar-„deradeel deer mijn broder gretman is ende Berredeel „dar Deeka Hettes gretman is, mit samt die koren „van de presteren in de delen vorser,quot; of zoo de Stadhouder dit niet raadzaam achtte, dan verzocht hij

-ocr page 30-

26

om „de grietenijen ende rechten mit samt de koren „van de beneficien over de dorpen bij de Bijlt.quot;

In datzelfde jaar wilde hij eene bedevaart ondernemen naar Rome, doch Hertog Greorge van Saksen schreef hem bij brief van den 5den Februari, dat het hem nu nog niet ingewilligd kon worden, maar wel in den aanstaanden zomer. Of hij dien tocht volbracht heeft, is niet bekend. In 1505 eu omstreeks 1510 was hij tevens grietman van Franekeradeel.

Hessel van Martena speelde eene belangrijke rol bij de rechtspleging tegen de Perwerder edellieden Gerbrand Mockema en Gemme Herjnwsma, die beschuldigd waren van met den Graaf van Oost-Friesland samen te spannen, om de Saksers uit Friesland te verdrijven. Staande het rechtsgeding riep de toenmalige stadhouder Everwijn, Graaf van Bentheim, alle prelaten en heerschappen, alsmede uit elk deel twee priesters en twee huislieden op, om met elkaar binnen Leeuwarden te komen, ten einde, gelijk hij uitdrukkelijk verlangde, dadelijk toe te stemmen in hetgeen hun zou worden voorgelegd. De opgeroepenen verschenen en kozen uit hun midden eene commissie van acht heerschappen met twee prelaten en enkele huislieden, om bij de Saksische heeren te vernemen, welke de reden was, waarvoor zij zoo onverwacht waren opontboden.

De geslepen Stadhouder, die gemerkt had, dat er werkelijk tegen zijne regeering iets broeide en dat de Graaf van Oost-Friesland in het geheim bezig was het gezag van zijnen heer in deze gewesten te ondermijnen, gaf dit onverholen te kennen en wenschte daarom eenig krijgsvolk, om de grenzen te bezetten en het land tegen vreemde indringers te beschermen.

-ocr page 31-

27

Hiervoor had hij natuurlijk geld noodig en om die reden wenschte hij eene schatting op de landerijen te leggen, waaruit de soldaten konden worden bezoldigd.

Om een blijk van groote bereidwilligheid en oprechte trouw te geven, waardoor de genoemde edelen misschien nog konden worden gered, was de vergadering in deze scheutiger dan wel voorheên en stond eene belasting toe van drie stuivers op iederen gulden rente.

Zoodra het voorstel was aangenomen „en oeck de „pennongen foergadert weren,quot; is de Stadhouder met Hessel van Martena naar den Hertog getogen, „en „hebben dese frolijcke tijdonghe daer ghebracht.quot;

Er kwam nu spoedig een leger op de been, dat in drie afdeelingen werd gesplitst, om, naar gelang van omstandigheden, hetzij binnenlandsche beroerten te stillen, hetzij aanvallen van buiten af te weren. „Een aardig geheimstuk van staatkunde voor den Zakz,quot; die zoodoende in staat was zich op den troon te houden en tevens in de zaak van Mockema en Herjuwsma, die hij, anderen ten afschrik, in het openbaar wilde laten ter dood brengen, wat strenger te zijn, daar hij nu, ingeval van verzet der bevolking, ook tegen haar was gewapend.

In deze geschiedenis vooral toonde Hessel van Martena zijn onvaderlandslievend karakter. Hij beroemde er zich later op, dat de Hertog van Saksen het voornamelijk aan hem mocht danken, dat Friesland voor den Hertog behouden bleef. „En dat het „certein waer is,quot; — zegt Jancko van Douwama, in zijn „Boeck der Partijen,quot; —- „dat soltmen wal vol-„comelijcken bewijsen mogen uth Hessels egen mont;

-ocr page 32-

28

„want daer voel en genoecli noch in Westerlant sin-„nen van alle staten, de dat menichmael van Hessel „ghehoert hebben, des he hem beroembden, de wijle „de saecken noch wal standen, dat he een rechten „oersaecke daer van were, dat de Furst van Sassen „een geweldich Here over al Frieslant worden solden. „Oeck voer andere he dese woerden bij tijden, aldus „seggenden: Dat mijn Gen. Here van Sassen een „geweldich Here worden sal van alle de Priesche „landen, dat mogen Sijne Gnaden nemant up eertrijck „dancken, dan Mijn Here de Grhuwernoer ende mij.quot;

Volgens denzelfden schrijver, zou Hessel van Mar-tena daarop met den Hertog van Saksen in onderhandeling zijn getreden, ten einde voor zich de heerschappij over Westergo te verkrijgen. Zelfs zou hij hebben aangeboden om daarvoor zijne oudste dochter, die later getrouwd is met Frits van Grombach, te geven aan „Ulrijck van Esens, Here van Oldersum.quot; Van Douwama vond het een gruwel, dat een Fries zich zóóver kon vergeten, ofschoon hij erkennen moest, dat van Martena zijn landaard volkomen had verloochend, door meerraale te hebben verzekerd eene groote somme gelds te willen geven, zoo hij nimmer een Fries ware geweest!

In eenen koopbrief van eene Bildtrente aan de voogden van O. L. V. ter Noodt, d.d. 25 October 1512, komt Hessel van Martena, wegens de stad Franeker, voor als „Ambtmanquot; en stond als zóódanig aan het hoofd van Schepenen, Recht en Raad dier stad. Nog in 1515 bekleedde hij die betrekking.

In het jaar 1514 kwam het tusschen Hertog George en den Graaf van Oost-Friesland tot eene openbare vredebreuk. Wederzijds maakte men zich tot den

-ocr page 33-

29

krijg gereed. Hertog George nam vele hulptroepen over van Hendrik en Erik, Hertogen van Brunswijk, terwijl de stadhouder Everwijn, Graaf van Bentheim, eene bende van bijna 5000 man bijeenbracht uit afgedankte en omzwervende knechten, welke bende later als „de Zwarte Hoopquot; zoo berucht zou worden.

Toen de oorlog uitbarstte bleek het alras, dat de Graaf van Oost-Friesland en de met hem verbonden Groningers en Friezen niet tegen den Hertog van Saksen waren opgewassen, waarvan het gevolg was, dat zij de hulp inriepen van den heerschzuchtigen en geslepen Karei van Egmond, Hertog van Gelder.

In hetzelfde jaar, 1514, trok een aanzienlijk leger Geldersche troepen herwaarts en bemachtigde met weinig moeite de steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte van Friesland. Hessel van Martena, die zich destijds in Bolsward bevond, ontvluchtte die stad bij de nadering der Gelderschen. Van het noordelijk gedeelte van Friesland bleven slechts drie steden en acht grietenijen den Hertog van Saksen getrouw. Onder die steden behoorde ook Franeker.

Een der aanvoerders van „de Zwarte Hoopquot; was Hessel van Martena, die zich niet ontzag zijnen land-genooten zooveel mogelijk te beschadigen met moorden, rooven en brandstichten. Na alles in Ludinga-kerk, Lidlum en bijliggende plaatsen te hebben opgeteerd, sloegen de woeste gasten zich in Oldekloos-ter neder. De Saksische bevelhebbers konden de horde niet meer in bedwang houden. De bende deed steeds hoogere eischen hooren omtrent de soldij en toen die eischen niet werden ingewilligd, trok de hoop verbolgen en alles in den omtrek verwoestende, naar Monnike-Baijum. Eindelijk wisten de bevelhebbers

-ocr page 34-

30

het zóóver te brengen, dat de woestelingen grooten-deels Friesland verlieten, met achterlating van twee vendelen krijgsvolk in Leeuwarden, een in Franeker en een in Dokkum.

In Franeker, den zetel der Saksische regeering, voerde Hessel van Martena het bevel, terwijl Sneek de zetel werd van het Geldersch gezag, dat er zijn luister ten toon spreidde en van daar talrijke benden uitzond ter bemachtiging van de overige deelen des lands.

Uit dezen tijd dagteekent eene merkwaardige rekening en verantwoording door Hessel van Martena aan den Hertog George van Saksen gedaan, welk stuk, groot 144 folio bladzijden, berust in het Staatsarchief te Dresden en dat in afschrift aanwezig is in het archief van Friesland.

Die rekening is begonnen den 2den December 1514, „do wij des nachts an de tocht togen van Tzom „nae Wommels ende foerdt nae Bolswert.quot;

Er blijkt onder anderen uit, dat voor het onderhoud der knechten in Franeker was ontvangen : van het dorp Herbaijum 6 florijn, — van Zweins 4 — van Boer 4

— van Achlum 30 — van Peins 9 — van Schalsum 4

— van Franeker uitburen 10 — en van Ried 10 florijn en 13 stuivers.

Heer Ileijner, pastoor te Tzum, betaalde voer een paspoort „datter moch reijsen uit die landequot; 10 florijn.

Als posten van uitgaaf komen onder anderen voor;

— aan eenen bode met brieven aan alle dorpen in Franekeradeel „dat sij die voirwaeckquot; (voorwacht) „niet solden versumen, mer holden als sij mijn dat „geloofd hadden,quot; 8 stuivers;

— aan eenen bode naar den pastoor te Tzum, „dat

-ocr page 35-

31

„sij hoer reijnspil ende dat clein radt van hor molen „tho Franeker solden brengen eer die sonne onderging,quot; 21/2 stuiver;

— aan eenen bode met brieven aan zeven dorpen in Pranekeradeel, „dat sij solden comen mit leppen „ende scheppen, om mit an Tzom tho reijsen,quot;

4 stuivers;

— aan eenen bode naar zes dorpen „dat sij solden „comen opten 2den dach Martij tho dammen tusschen „Franeker ende Tzom,quot; 4 stuivers ;

— aan eenen bode die „liep met 2 brewen an dat „Cloester Lidlem, dat sij hoer graft, toornen, poorten, „ende muren solden omwerpen ende die graft dam-„men ende die bowenste steen van de molen tho Fra-„neker brenghen, dat die van Tijemarum hoer bovenste „steen oeck solden brengen,quot; 4 stuivers;

— aan eenen bode die „liep met 2 brewen an dat „Cloester Aenghemquot; (Aanjum) „ende Berlicum, dat „sij hoer owerste steen van hoer molen solden brengen „in Franeker ende dat Cloester Aenghem hoer poer-„ten ende graft mitten singel inworpen ende dammen,quot;

5 stuivers;

— aan eenen bode die „liep tot Tzom, daer rebel „was an de frouwen, mit 1 brief datse solden geven „den overste felthouftluijden in twee dagen IIIc. flor.,quot;

5 stuivers;

— aan Pieter leses gegeven „datter reijsde in de „nacht van Franeker mit die houftluijden te Tzom,quot; 7 stuivers;

— aan Jan Hansz. gegeven „voer datter reijsde „mitten heeren van Franeker nae Tzom in de nacht,quot;

6 stuivers;

Alvorens ons verder met de rekening in te laten,

-ocr page 36-

32

dient gezegd, dat er nu en dan min of meer ernstige schermutselingen tusschen de vijanden voorvielen, tot groot nadeel van de landelijke bevolking.

Zoo trok, om slechts een paar voorbeelden te noemen, Hessel van Martena den 14den December 1514 uit Franeker en verbrandde het klooster Ludingakerk, - uitgezonderd „dije kercke met dat viercant ende dije „olde Abdije.quot;

Den 29sten Januari daaraanvolgende rukte hij naar Kimswerd, stak het dorp in brand, dat met de kerk geheel in vlammen opging en lag het huis van „Groote Pierquot; aldaar in kolen.

Om al deze en dergelijke ondernemingen te verhinderen, begonnen de Gelderschen de stad Franeker nauwer in te sluiten en legerden zich te Tzum, Ludingakerk enz.

De Franekers ondervonden al spoedig het nadeel van dezen maatregel.

Hessel van Martena had bij zijne herhaalde aanvallen zóó vele gevangenen gemaakt, dat hij ze (namelijk diegenen die op rantsoen gesteld waren, — want met de anderen zal hij, overeenkomstig zijn karakter, wel „korte mettenquot; gemaakt hebben!) niet meer in zijn huis kon bergen. Daarom had hij eenige schepen met gevangenen bevracht, om ze naar Leeuwarden te vervoeren. Maar .... „doe disse voirschr. schepen,quot; zegt de rekening, „quamen in de polenquot; (de Poelen, onder Dronrijp,) „do waren die knechten van Lewar-„den weder wech, dat de gevangen wederom moscen „tot mijn huijs.quot;

Ja, die gevangenen brachten hem vrij zeker wel groote voordeelen aan, doch overigens ? welk een last! Zoo had hij, blijkens zijne rekening, vier gevangene

-ocr page 37-

33

„Friesen uit die Wolden ende van Staverenquot; opgesloten „en hadse IIII dagen op mijn cost,quot; doch om die vier gevangenen te bewaken, had hij ook weer vier mannen noodig, aan wie hij daarvoor moest betalen „alle etmael ytlijcke man darse verwaerden, dagelix IIV2 st.quot;

Een zekere Bancke Tijaerdszn, van Leeuwarden, had hij gedurende T1;^ week in de gevangenis gehad, die hem aan levensonderhoud per dag 5 stuivers kostte.

Intusschen wendde men pogingen aan om de Gel-dersche troepen te verdrijven. Herhaaldelijk werden spionnen uitgezonden om de bewegingen des vijands na te gaan. Van Martena betaalde onder anderen: — „1 kondschapper daer reijsde nae Tzom ende for-„sach die gelegentheijt van de Gelderschen, wairom „dat sij die huijsen off bouden,quot; 18 stuivers. — „1 „kondschapper daer reijsde in de weeck Keminisere nae „Tzom ende nae Lungkerck om alle gelegentheijt „ower tho sien in beijde legeren oft mogelick weer, „oif tho brecken mit 1 anslach,quot; 1 florijn. — „1 kond-„schapper daer reijsde in Baerderdeel ende in Hen-„naerderdeel om tho besien ho sterck dat sij uit ytlicke „Grietenije waren in ïzom, om daer 1 brandt off „rooff weder te doen, ho starck dat ment anslach daer „op solde maeckenquot; enz., 20 stuivers.

Dat er nu en dan gevochten werd blijkt uit de volgende posten:

— „geven die ionghe leses, dair is 1 trow schamel „borger ende wordt swaerlicken schoten voer Tzom „van den Gellerschen ende lach wal XIII weecken int „bed ende had niet, soe most ickem onderholden van „weegen mijn g.h.quot; (genadigen heer) „van Sassen in

-ocr page 38-

34

„cost ende dranck end meijsterloon, som VI fl. „XIV st.quot;

— „geven Jan opten Oerdt daer oeck is 1 trow „schamel borger ende wordt swaerlicken schoten voer „Tzom van den Gellerschen ende lach wal XII „weecken int bed ende had niet dan een huijs fol „kijnderen ende mostem onderholden van weegen mijn „g.h. van Sassen in allen noodtruft, in som VI flor.quot;

Vele onkosten veroorzaakten hem ook de Saksische bevelhebbers, die met hunne huisgezinnen haren introk op Martena-huis hadden genomen, terwijl ook de meeste hoofdlieden er zich ongevraagd gingen vestigen. Niet alleen dat Van Martena hiervoor van de gasten geene betaling ontving, maar bij hun vertrek namen ze nog van hem mede „I ruggen tuijch, „V schone helbaerden, II par amtuijgh, I rengbe-„kraech, II backnellen ende III schone spetsen.quot;

Hessel van Martena liet 2 van zijne huizen te Fra-neker (vermoedelijk bij-gebouwen van Martena-huis), afbreken, om er do stadswallen mede te versterken. Ook deed bij desgelijks met „mijn groot stacket daer „om mijn hof ginck.quot; De vergoeding, die hij hiervoor van den Hertog ontving, bedroeg voor de beido huizen 70 — en voor het staket 60 florijn.

In het laatst van April 1515 waren de Gelderscbe troepen, die voor Franeker hadden gelegen, naar Sneek en Bolsward teruggetrokken. Zoodra dit door de Franekers werd bemerkt, viel Hessel van Martena met de zijnen uit eu verbrandde het dorp Tzum geheel, het klooster Lidlum gedeeltelijk en het klooster Ludingakerk, voor zooverre dit niet vroeger reeds was verwoest geworden.

Hot schijnt dat, toen de vijand zich verwijderd had,

-ocr page 39-

35

de Saksische benden in Franeker, vooral die van „de Zwarte Hoop,quot; geen gezag meer wilden erkennen. Van Martena althans beklaagde er zich over, dat de knechten het hem zeer lastig maakten en zijn huis beschouwden als een gasthuis, waarin zij vrij konden in- en uitgaan en eischen wat zij maar begeerden.

Al hetgeen er in huis was meenden ze geroofde of verbeurd verklaarde goederen te zijn, waarop zij even veel recht hadden als Yan Martena. lederen dag kwamen ze in Martena-huis te eten en te drinken en, ofschoon van Martena niet precies kon opgeven wat hij op deze wijze had verloren, dit stond vast, dat hij wel 12 amen (48 ankers) wijn, 6 tonnen Hamburger bier, 37 vette ossen en koeien had moeten leveren, zonder daarvoor eenige betaling te ontvangen. Hij wist het niet te taxeeren „den sohaed ende „oncosten die se mijn gedaen hebben, daerom moeten „mijnen liewen gonstigen heren sulwer overliggen „ende taxeeren, dat ick tot mijnquot; (geld) „coem.quot; Gaarne liet hij dus de bepaling der schadeloosstelling over aan den Hertog van Saksen „minen alder gelowigste „Crijsten forsten ende heren, daer mijn hart to staet „so lang als het bloed in mij warm is.quot;

Deze kende hem voor al deze zaken eene vergoeding toe van 300 florijn.

Maar het zou voor van Martena nog erger worden!

Vooreerst deden de Gelderschen hem veel schade aan zijne goederen, die hij bezat op het Bildt. Zij ontnamen hem aldaar „II schone huften ende al mijn „terwe, rogge, garste, hawer, mitsamptXVI paerden, „XLVI hoorn beesten ende LX stuck schaep ende „XXV farkens ende andere gueden als mijn pach-

-ocr page 40-

36

„teren daer op hadden.quot; De Hertog vergoedde hem deze schade met duizend florijn.

Bedenkelijk werd het voor van Martena toen „de Zwarte Hoopquot; aan het muiten sloeg. In zijne rekening schrijft hij er van; „Item noch boven alle disse grote „costen ende owerdaden dair mijn gedaen is, so est „noch aider meest dat se mijn alle dagen wolden „verworgen ende doot steken, of sij wolden van mijn „bitaelt sijn ende benamen mijn die slotelen van de „poorten ende gaven mijn die schendelixten woorden „ende cruijsten mijn so alle dagen, dat ick lewer wil „eens sterven of al mijn dagen broot bidden, daer „ick in sulcken last ende noodt mij wel beter fijndc „laten sonder geit.quot;

Zijn schoon bouwhuis te Ter Horne bij Beetgum was door „de Zwarte Hoopquot; afgebroken, even als zijn huis te Kornjum. Bovendien gaf hij den Hertog „clagelick tho kennen dat mijn afbrant zijn XXXVI „pachters, die merendeel sijn al van de knechten uijt „Franeker ende Harlingen verbrant.quot; Hij ontving daarvan jaarlijks eene pachtsom van 577 florijn, maar vreesde nu in geen 2 a 3 jaar eenige pacht te zullen beuren, daar de erven ledig lagen en de beesten enz. uit de landen waren weggevoerd. De Hertog kwam den klager ook hierin te gemoet en legde hem te dezer zake eene vergoeding toe van 3000 florijn. Bovendien ontving hij nog 300 florijn, voor dat hij zijnen Heer in den krijg had gediend met „V paerden „ende knechten op mijn eijgen cost.quot;

Het is mij niet gebleken, dat de Hertog van Saksen meer dergelijke rekeningen had te vereffenen als die van Hessel van Martena; maar het zou mij niet verwonderen, omdat hij kort hierna zijne rechten op

-ocr page 41-

37

Friesland voor honderdduizend Rijnsche guldens overdroeg aan Karei van Oostenrijk, Hertog van Bour-gondië, Graaf van Holland, later Koning van Spanje en in de geschiedenis meer bekend als Karei V. Toen de Hertog dit land verliet, dat zijne geldmiddelen op onrustbarende wijze had uitgeput, kon hij zich niet weerhouden om klagend uit te roepen; „Friesland mag „wohl Fressland heissen; es hatbeinah Thuringenund „Meissen abgefressen,und noch isn es nicht sat worden!quot;

Zoodra de evenbedoelde overdracht tot stand was gekomen, sloot de Hertog van Bourgondië een bestand met den Hertog van Gelder, voor den tijd van vier maanden, aanvangende den 7den Juni 1515. Den 26sten dierzelfde maand werden de Saksische Friezen ontslagen van den eed, dien zij in dor tijd aan den Hertog van Saksen hadden gedaan en den 29sten daaraanvolgende werd Karei van Bourgondië door vele Friesche edelen, waaronder ook Hessel van Martena, als erfheer dezer landen gehuldigd.

Hoezeer de nieuwe Vorst er op uit was, om zich al dadelijk van den steun der machtigste edelen te verzekeren, blijkt onder anderen hieruit, dat Hessel van Martena met drie andere Friezen den Isten Juli 1515 de eer genoot door den Stadhouder Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, namens den Koning van Spanje, in de Oldehoofdsterkerk te Leeuwarden, met het gulden zwaard tot Ridder te worden geslagen, waarvan men spottend zeide: „dat de vlierboom den koolstruik Ridder geslagen had.quot;

Drie dagen later benoemde de Stadhouder in \'s Vorsten naam tot Regenten van Friesland en Raadsheeren in het gewestelijk Plof, Hessel van Martena met zeven anderen.

-ocr page 42-

38

Middelerwijl gingen de Geldersche Friezen, die vooral op het platteland de meeste aanhangers telden, voort met hunne vijanden te bestoken. Zij beschouwden hunne tegenstanders als landverraders en ballingen, wier goederen ten behoeve van den Hertog van Gelder werden verbeurd verklaard. De Bourgondisch gezinde edelen beklaagden zich daarover bij Karei V, onder overlegging van certificaten, waaruit de schade bleek, die de tegenpartij, niettegenstaande het bestand, waarvan hiervóór gesproken is, hun had toegebracht. Zoo verklaarde Hessel van Martena, bij eenen open brief van den 12den December 1515, dat de Gelderschen zijne renten of pachten over de jaren 1514 en 1515 hadden ingevorderd, die hij had liggen omtrent Sneek en Bolsward; dat ze hem heimelijk en tijdens het bestand 32 oude schapen hadden ontroofd , die hij per stuk minstens één goudgulden waard schatte; voorts dat ze zijne landerijen—-onder anderen „etlicke mergen opt Bijl,quot; — onbruikbaar hadden gemaakt en dat ze zijn koorn hadden verdorven, zoodat het niet gedorscht kon worden. De gelukzon scheen voor Van Martena ondergegaan te zijn. Alles liep hem tegen.

Den 28sten December 1515, toen hij nog Ambtman te Praneker was, ontving hij van de „Regenten in „Westphryeslandquot; uit Leeuwarden een bevel, om de door den Hertog van Saksen te Hoogkerk, in Groningerland, gemaakte gevangenen, (die hij zeker, in het vooruitzicht op een groot losgeld, ten zijnent opgesloten had), los te laten, daar zij uitgewisseld zouden worden tegen eenen hoofdman, genaamd Johan Aan Kessel.

Den 258ten Februari 1516 werden zijne vrouw en

-ocr page 43-

39

dochters door de Geldersche zeeschuimers, onder aanvoering van „Groote Pier,quot; op de Zuiderzee gevangen genomen en naar Sn eek gebracht, „daar ze nog langen tijd moesten zitten.quot;

Den 18den Mei van dat jaar trokken Hessel van Martena en de zijnen in Bolsward, alwaar de omwonende dorpelingen werden beschreven tot het doen van den eed van trouw aan den Hertog van Bonr-gondië en tot het betalen der verschuldigde belasting. Den volgenden dag belegerden zij het huis van Hero van Hottinga te Wommels, dat bezet was door de Gelderschen, die het spoedig opgaven, behoudens lijf en goed. De Bourgondiërs zetten er vervolgens 50 knechten op en togen weder naar Bolsward.

Den 14den Augustus 1516 brak het Bourgondisch leger op van Bolsward en sloeg zich neder te Mon-nike Baijum. Op de nadering van eene groote Geldersche krijgsmacht moest men echter deze plaats wederom ontruimen en de wijk nemen naar Harlingen en Franeker. Monuike Baijum werd nu door Geldersche troepen bezet, alwaar de bevelhebber Schwart-zenberg, ondersteund door de ingezetenen van Zevenwouden, Stellingwerf, Gaasterland en Wijmbritseradeel, zijn medebevelhebber Erkelens met het grof geschut uit Groningen afwachtte, ten einde Leeuwarden te belegeren.

Hier ontvingen de Geldersche Friezen eenen brief van de Raden van den Spaanschen Prins, waarbij zij werden aangemaand tot gehoorzaamheid aan den Prins, met verzoek dien Vorst als Erfgouverneur dezer landen te huldigen en\' aan te nemen. Daarop antwoordden de Geldersche Friezen, dat zij overtuigd waren van de goede bedoeling der Raden, maar dat

-ocr page 44-

40

zij zich niet konden vereenigen met de praktijken der Bourgondiërs, wie het te doen was hen onder het juk der Hollanders te brengen, terwijl zij, nu ze gesterkt werden door de Grelderschen en door het verbond met den Koning van Frankrijk, „liever be-„reijdt waren aen sich selven de handen te slaen „ende in hare eijghene deuren te laten hanghen, dan „hare necken te buijghen onder alsulcken regeringhe „ende heerschappije, bij welcke \'t eenemael alle „Eechten, Privilegiën ende Vrijheden, van haer „wechgenomen ende in Tyrannije verkeert souden „worden.quot;

Met dit stout antwoord werden Hessel van Martena en Rienk van Camstra naar Koning Karei gezonden, die terstond den verzochten onderstand tot ontzet van Leeuwarden beloofde.

Reeds spoedig liep eene Bourgondische vloot uit van meer dan honderd vaartuigen, met eene ontzagwekkende krijgsmacht, zoo voet- als paardevolk, aangevoerd door Floris van Egmond als opperbevelhebber, Graaf Felix van Oostenrijk, Graaf Hendrik van Nassau, Jan van Wassenaar en meer dan 300 Spaansche, Bourgondische en JSTederlandsche edelen, allen op het prachtigst uitgedoscht en landde te Harlingen.

Floris van Egmond en Graaf Felix van Oostenrijk belegerden kort hierna de stins van Epo Douwes, of Douma, te Irnsum, welke sterkte was bezet door den eigenaar en zijnen schoonbroeder Abbe Saskers Heringa met 30 man. Zoodra de vijand voor het huis kwam werd het opgeëischt, onder belofte, dat de bezetting met behoud van lijf en goed kon aftrekken. De belegerden weigerden dit en begonnen op de aan-

-ocr page 45-

41

vallers te schieten, met het gevolg, dat een der jonkers van Graaf Felix sneuvelde en twee knechten gewond werden. De vertoornde Graaf begon nu met grof geschut op het huis te spelen en schoot op drie plaatsen bres. Niettegenstaande de bezetting daarop de stins tegen lijfsbehoud wilde overgeven, ging de Graaf, om den dood zijns dienaars te wreken, met schieten door, totdat de belegerden zich (28 Augustus 1516), op genade overgaven. Tien der manschappen werden daarop rondom den torentrans opgehangen, terwijl zestien onthoofd werden.

Epo Douwes en Abbe Saskers Heringa, die den Graaf levend in handen vielen, zouden ook op staan-den voet onthoofd zijn geworden, zoo niet de Friesche heerschappen, die der Bourgondische partij toegedaan — en bij de belegering tegenwoordig waren, dit hadden tegengehouden, uit overweging, dat men deze twee heerschappen gemakkelijk zou kunnen uitleveren tegen de vrouwen van Hessel van Martena,rEpo van Aijlva en Juw van Botnia, die nog steeds in Sneek gevangen zaten.

De stins te Irnsum werd vervolgens geplunderd en in brand gestoken, terwijl de gevangene edelen werden weggevoerd naar Franeker.

Daarna schreven Hessel van Martena en Juw van Botnia aan de Geldersche bevelhebbers te Sneek, dat men Epo Douwes en Abbe Heringa het leven zou laten, mits men de gevangene vrouwen in vrijheid stelde. quot;Werd hieraan niet voldaan, dan „wolde Graef „Felix dije heerschappen noch rechten.quot; Een onwaardig en weigerend antwoord volgde. „Als Graef „Felix dat antwoerd hoerde, worde hij toernich ende gram,quot; zond oogenblikkelijk de twee heerschappen

-ocr page 46-

42

met den beul naar Harlingen en liet ze daar beide onthoofden, op den 13den September 1516.

In Januari 1517 sloegen de Bourgondiërs het beleg voor Sneek. Bij het klooster Thabor werd hiertoe ook een leger bijeen getrokken, waarbij zich Hessel van Martena met de Franekers voegde, voorzien van „veel geschut ende instrumenten.quot; Vruchteloos waren echter de pogingen om de stad te veroveren, zelfs niet langs den weg van onderhandeling, waarbij aan Sneek dezelfde privilegiën en vrijheden werden beloofd als Leeuwarden en Franeker genoten. Hoewel de burgers genegen waren op deze toezegging met de Bourgondiërs in een akkoord te treden, stuitten de onderhandelingen af op de halstarrigheid van Groote Pier, die in Sneek het bevel voerde. Eene plotseling ingevallen dooi noodzaakte de belegeraars om af te trekken.

Den 7den Maart daaraanvolgende werd tusschen den Koning van Spanje en den Hertog van Gelder te Kamerijk een bestand „voer dije ondersaeten van Vrieslant gemaeckt, ses weken durende,quot; welk bestand eenen aanvang nam met den 25sten dier maand. Ik vermoed, dat bij die gelegenheid de voornoemde gevangene vrouwen zijn losgelaten en dat Hessel van Martena zich daarop geheel van het oorlogs- en staats-tooneel heeft terug getrokken, althans ik vind hem sedert dien tijd niet meer op dat gebied vermeld. Kort hierop trouwens, ondernam hij eene bedevaart naar het Heilige Land, vanwaar hij nimmer is teruggekeerd.

Als wij het veel bewogen leven van Hessel van Martena nagaan en zien, hoe gemakkelijk hij zich, bij de komst der Saksers, in des vogelaars net liet

-ocr page 47-

43

vangen, „uit hetwelk hij niet konde verlost worden, „maar moest in den korf der slavernije onder des „vogelaars hand leven en na deszelfs pijpen fluiten,quot; — hoe hij er steeds op uit was om, ten bate van zich zeiven, de belangen zijner landgenooten met voeten te treden, — hoe hij ten slotte de achting van vriend en vijand verloor, door zijne onrechtvaardige en niet minder wreede handelingen, — dan, zeg ik, kunnen wij ons eenigszins voorstellen, hoe zijn geweten langzamerhand begon te ontwaken en hij behoefte begon te gevoelen, om zijne zielsrust door eenen tocht naar het Graf van Christus terug te winnen.

Van die Bedevaart, door hem met Tjalling en Juw van Botnia en anderen ondernomen, bestaat een uitvoerig reisverhaal, opgenomen in „De Vrije Fries,quot; dl. 3, p. 229 en volgende.

Daaruit blijkt, dat de pelgrims den 7den Mei 1517 te paard uit Antwerpen vertrokken, hunnen tocht nemende door Brabant, Henegouwen, Picardië, Champagne, Bourgogne, Savoije, Pieinont en Milaan naar Venetië, alwaar zij den 6den Juni aankwamen.

Nauwkeurig wordt vermeld op welke plaatsen men uitrustte en de paarden voederde. Den 27sten Mei reisde het gezelschap van St. Jean de Maurienne door het gebergte, „welcke berghen seer hoogh ende wreedt zijn, ende zijn overall met snee seer dicke bedekt.quot; Gelukkig kwam men in een „cleijn stedeke, geheeten „Ambrosius.quot; Hier rustte men een weinig en voederde de paarden. —■ „Den 28sten Maij hebben wij „muijlenquot; (muilezels) „gehuijrt, die ons over het „voorsz. geberchte brachten, ende gaven voor een „yegelijck muijle thien stuijvers.quot;

Vervolgens overnachtte men in eene schoone stad.

-ocr page 48-

44

Susa genaamd. Den volgenden dag kwam men te Turin, alwaar de paarden werden verkocht. Per scheepsgelegenheid reisde men verder naar Venetië en nam er zijnen intrek in de herberg „de witte Leeuw,quot; „ende die weert was genaemt meester Jacob, „ende was een Duijtscher.quot;

Na tot den 15den Juni in Venetië te hebben vertoefd, voer men met eene kleine bark naar een groo-ter schip, een nieuw karveel, dat de pelgrims naar het Heilige Land zou brengen. Den 18den Juni kwam men in Rovigno „ende is een vuijl nest.quot; Verder ging de reis langs Istrië, Croatië en Dalmatië tot Ragusa, van daar door de Ionische zee, langs de Grieksche eilanden, naar Kreta, of Candia. „Op dat „eijlandt wassen veel costelijcke ende goede wijnen, „als malvesijequot; (muskaatwijn) „muijscatel etc.; men „mach daer een vat van drie amen grootquot; (3 amen = 12 ankers) „voll vande beste malvesij, coopen om „vijff ducaeten.quot;

Het plan scheen bestaan te hebben om van Candia te reizen naar het eiland Rhodos, maar „tot onsen „patroon waeren brieven gecomen, dat de Meester „van Rhodis aenhielt die schepen, omdat de Meester „tijdinge hadde, dat die Turck voor Rhodis wolde; „soo was ons patroon besorcht, dat men sijn schip aenholden soude; waeromme wij voeren nae Cypersquot; (Cyprus) „ende lieten Rhodis op die luchter handt „leggen.quot; Men kwam dus op Cyprus, waarvan onder meer merkwaardigheden door de reizigers wordt aan-geteekend: „Dit eijlandt is ses hondert mijlen om-meganx ende leijt rondtomme in die zeequot;; verder, dat . dit eiland is „voll rijckdommen ende wellusten, maer „daer is een boose quaede lucht.quot;

-ocr page 49-

45

Den lOden Juli werd de tocht voortgezet naar Jaffa of Joppe, alwaar men twee dagen later het anker uitwierp. Den 15den dierzelfde maand werd voet aan land gezet, vervolgens een tal van heilige plaatsen bezocht, totdat het gezelschap den 27sten Juli van Jerusalem terug keerde naar Jaffa, welke plaats den volgenden dag werd bereikt.

„Ende opten selven voorsz. dach, des avonts toe „ses uijren, gingen wij wederom in ons schip, achter-„laetende dat Heijlighe Landt, ende zeijlden weder-„omme naer huijs, met vreughden ende blijdtschap, „danckende ende loovende Godt almachtig, dat wij „onse bedevaert alle te samen gesont ende salichlijck „hadden vollbracht ter eere Grodes. Amen.quot;

Hiermede eindigt het reisverhaal, maar eene aan-teekening, geschreven den 24sten Juli 1648, voegt er aan toe: „Heer Hessel Martena, Eidder, is op dese „reijse gestorven int wederkeren, opt eijlandt lihodos „ende daer begraven,quot; enz.

Ter herinnering aan zijnen dood werd op eene bovenkamer, in den oostelijken zijmuur van Martena-huis, een geschilderd vensterglas aangebracht, waarop te lezen staat:

„Heer Hessel Martena, Ridder,

„eerste fondateur van dit huijs,

„is gestorven in \'t eijlant Rhodus, 1517,quot;

Het is aldaar in 1609 geplaatst door zijnen kleinzoon Jr. Hessel van Ostheim, wiens naam en wapen er boven staan.

Ook wordt in hetzelfde huis een klein geschilderd portret bewaard, dat, volgens de overlevering, onzen

-ocr page 50-

46

Hessel van Martena zou moeten voorstellen. Hij is afgebeeld zonder baard en knevel, gekleed in rooden paltrok met wijden, omgeslagen halsboord, de rok van boven naar onder over het midden voorzien van eene rij gouden knoopen. Over den linker schouder draagt hij eene gouden keten, terwijl zijn hoofddeksel bestaat in eene roode muts met smalle gouden strepen en aan de linkerzijde versierd met eenen hanenveer.

Zooals ik in den aanhef reeds zeide, is Martenahuis in of omstreeks het jaar 1498 gesticht.

De groote steen in den westelijken zijmuur, met het (later uitgekapt) wapen van Saksen en het jaartal 1498, zal, naar ik vermoed, een gedenksteen zijn, dien Hessel van Martena, uit eerbied voor den Hertog van Saksen, ter gelegenheid van het bouwen van Martena-hüis, heeft laten plaatsen. Die steen moet vroeger ergens anders zijn geplaatst geweest, omdat hij is gevoegd in een toegemetseld raam, dat eertijds het uitzicht gaf uit de ridderzaal.

Het is hier de plaats om eens in nadere beschouwing te treden over het gebouw zelve.

Als wij den levensloop van Hessel van Martena vóór zijne vestiging te Franeker, in aanmerking nemen, kan het ons niet twijfelachtig voorkomen, dat hij de bedoeling heeft gehad, om een vast- of versterkt huis te stichten binnen de wallen eener stad, waar hij zich veilig waande.

Zijn huis Ter Horne te Beetgum was, zooals wij gezien hebben, herhaaldelijk door den vijand verwoest geworden. Door zijne vrouw verwant aan de machtige en aanzienlijke heeren Van Hottinga te Franeker, ligt het voor de hand, dat hij bij hen zijne eerste

-ocr page 51-

47

toevlucht ging zoeken. Toen daarop de Hertog van Saksen den zetel der regeering in die stad vestigde en Hessel van Martena tot gewichtige betrekkingen in dienst van dien Hertog werd geroepen, kon het niet anders, of hij moest voor zich een eigen verblijf kiezen. Waar kon hij dit beter doen dan te Fra-neker ?

Zoo verrees binnen deze veste dit hecht en sterk gebouw, welks hooge achtkantige toren met peervormig koepeldak en vergulde windvaan, zich reeds van verre boven de huizen der stad liet zien.

Op een met kruis- en tongewelven overspannen sousterrain, dat den onderbouw vormde, werd het bovenhuis in twee verdiepingen van dikke muren en gevels van groot-formaat steen opgetrokken en gedekt door een onbeschoten dak, op eene van eikenhout samengestelde, zoogenaamde Oud-Hollandsche kap. De zolders werden gemaakt van moêrbalken met kinderbalken en geheel van eikenhout.

Het gebouw, dat in den loop der tijden min of meer belangrijke veranderingen heeft ondergaan, draagt desniettegenstaande thans nog het kenmerkende van den oorspronkelijken bouwtrant.

Het hoofdgebouw, met zijn breed front naar de Voorstraat, heeft een oostelijken en een westelijken gevel, op den top waarvan zich een ronde schoorsteen boven de vorst verheft. Achter de oostelijke helft des gebouws volgt een zuidwaarts uitspringende vleugel, op gelijke hoogte van dak en muren, met den gevel en topschoorsteen tegen het zuiden. In den hoek, dien hoofdgebouw en vleugel vormen, staat de achtkantige, ver boven het dak verheven toren, of uitkijk, die een ruim vergezicht over de stad en hare

-ocr page 52-

48

omstreken aanbiedt. Onder in den toren is eene sterke poort, die vroeger de hoofdingang van het huis was.

Aan de oostzijde stond voorheen eene poort, die toegang verleende tot het achter-erf, terwijl eene gang of steeg ten westen (die aan de straatzijde door een hek, misschien ook wel door een poortje was afgesloten), toegang verschafte tot de open ruimte achter het gebouw. Deze ruimte wordt ten zuiden bepaald door een laag gebouw, dat tot stalling diende.

Beide verdiepingen hadden oorspronkelijk aan de noord- of voorzijde eene rij van zeven, in gebogen nissen gevatte, steenen ramen met vensters en geschilderde glasruiten ; ook de gevels hadden eenige nissen die smaller waren. Aan de straatzijde vond men geene andere deuren dan voor de kelders.

Volgens de overlevering vormde de geheele benedenverdieping eene prachtige ridderzaal, die later veranderd is, door dat er aan de oostzijde een klein gedeelte werd afgenomen.

Voorts waren er achter en aan de oostzijde, nevens Martena-huis, andere daartoe behoorende bijgebouwen en een zeer groot en uitgestrekt hof.

Hierna, te zijner plaatse, zal ik de mij voorgekomen veranderingen mededeelen, die het gebouw zoo nu en dan heeft ondergaan.

De indeeling, gelijk die thans is, want vroeger moet de indeeling geheel anders zijn geweest, is die van een deftig woonhuis, verkregen door het trekken van lichte scheidingsmuren, die op de zware keldergewelven gemakkelijk konden worden aangebracht.

Langs de zerken trappen van een bordes betreedt men door de forsche voordeur, met smalle lichtramen

-ocr page 53-

49

ter weerszijden, de ruime vestibule en de gang, beide gedekt met gestukadoorde gewelven en bevloerd met wit-marmeren steenen, terwijl ook de wanden zijn gestukadoord.

De zaal rechts is oen ruim en fraai vertrek. Do wanden zijn betimmerd met eene lambrizeering, waarin geschilderde paneelen. Boven deze zijn de wanden bespannen met op doek uitgevoerde schilderingen, die tegen het plafond met eene lijst worden afgesloten. Het plafond is in caissons verdeeld, waarvan het middelste een beschilderd doek bevat. De goed uitgevoerde schilderingen en de lijsten, die deze omvatten, verleenen aan de zaal een statig en deftig aanzien. Deze schilderingen en lijsten, alsook de doeken der lambrizeering en van het middelste caisson in het plafond, zijn uit den tijd van Lode-wijk XIV. De wit-marmeren schoorsteenmantel is modern, terwijl de bovenmantel misschien is vervaardigd door den eertijds zeer gezochten stukadoor Martens, die, ongeveer 50 jaren geleden, zijn vak te Leeuwarden uitoefende.

Tegenover de zaal is eene kamer, die weinig bijzonders oplevert. Daarachter bevindt zich de keuken, die door een hoog geplaatst kruisraam wordt verlicht en is bevloerd met wit marmeren- en een rand van Bremer steen. De groote en hooge schouw is met tegels bekleed.

De bijkeuken, grenzende aan de keuken, is een gedeelte van een belendend gebouw met lagere verdieping. Het aanwezig zijn aldaar van een groot gemetseld fornuis, wettigt het vermoeden, dat groote gastmalen niet vreemd waren aan Martena-huis.

-ocr page 54-

50

Op de keuken volgt verder een klein en laag vertrek met tusschenverdieping.

Daaraan grenst de tuinkamer met eene betimmering uit denzelfden tijd, als die der zaal, vermoedelijk uitgevoerd in eikenhout. Langs de wanden loopt eene lambrizeering en tegen het plafond eene lijst. Het plafond is in vakken verdeeld, gevuld met geverfd carton. De marmeren schoorsteenmantel is uit den tijd van Napoleon I, do bovenmantel uit dien van Lodewijk XIV; hij is voorzien van eenen lagen spiegel met geslepen rand.

Eene retirade vindt men in de gang, tegenover de keuken.

De eikenhouten trap in den daarvoor gebouwden toren, gaat uit het souterrain, daar waar zich de oorspronkelijke toegang tot liet huis bevindt, naar de verdieping en hooger naar de ruimte, die voor den uitkijk was bestemd.

De verdieping bevat eene gang en een portaal met privaat; overigens is de ruimte verdeeld in een aantal kamers, gedeeltelijk door lichte muren en gedeeltelijk door schuttingen en zelfs door cartonnen wanden gescheiden.

Eene der kamers, aan de oostzijde, wordt verlicht door een kruisraam, waarin zich de geschilderde glasruit bevindt, waarvan hiervóór is gesproken.

Op den zolder komen geene betimmeringen voor dan een groote vierkante bak met hellende wanden, die bestemd is geweest tot berging van graan of paardenvoeder.

Achter het huis strekt zich een groote tuin uit, die langs hardsteenen trappen met dito bordes, aan het einde van de gang, wordt bereikt.

-ocr page 55-

51

Aan dc open ruimte of liet plein achter het huis, bevinden zich eene later aangebouwde woning en do meergemelde stalling.

Nog dient vermeld te worden, dat op de gang der verdieping worden aangetroffen: eenige oude portretten, een cartouche met hertonkop en de wapens

van Vervou, van Ostheim en......alsmede een

in 1661 geschilderd tafereel, voorstellende het vertrek van Karei II uit den Haag naar Engeland, blijkens een aan de achterzijde vastgehecht opschrift, luidende:

„Nadat Karei I, Koning van Engeland, in 1642 „Londen had verlaten en door de Schotten aan zijne „vijanden overgeleverd was,\'trad Olivier Cromwell op, „aan wien met den titel „protectorquot; de hoogste macht „werd opgedragen. In 1658 maakte de dood een „einde aan zijn woelig leven. Zijn zoon Richard, „dien men insgelijks tot protector benoemde, legde „die waardigheid reeds in 1659 neer. Nu bood een „in 1660 bijeengeroepen parlement, door generaal „Monk daartoe aangespoord. Karei II, een zoon van „den in 1649 onthoofden Koning Karei I, de troon „aan. Dientengevolge verliet Karei II, nadat hij van „do Staten-Greneraal plechtig afscheid had genomen, „den 23sten Mei 1660 den Haag om zich naar Enge-„land in te schepen op de vloot, welke admiraal „Montague met dit doel naar dc Nederlandsche kust „gevoerd had.quot;

Wij zullen nu tot de bewoners van Martena-huis terugkeeren.

Het ligt voor de hand, dat Hessel van Martena niet naar het Heilige Land vertrokken zal zijn, terwijl zijne vrouw nog gevangen was.

-ocr page 56-

52

Bij liet vertrek van haren man woonde Both van Hottinga dus vrij zeker met haar gezin op Martena-huis en zal daar ook na zijnen dood zijn blijven wonen, te midden van zoovele aanzienlijke familiebetrekkingen, totdat zij na verloop van tijd her-trouwde met den Duitschen veldoverste Frederick Bruckschleger. Deze was in 1516 ambtman op het blokhuis te Leeuwarden en werd in 1523, toon hij na een beleg de stad üokkum met Bourgondische troepen had bezet, aldaar als hoofdman op het huis gesteld.

Both van Hottinga stamde door hare moeder Svvob van Sjaerdema en hare grootmoeder Edwer van Sjaerdema, van dat aloude geslacht der Sjaerde-ma\'s af.

In vroeger tijd had dit geslacht eene beneficie gefundeerd op Onzer Lieve Vrouwen altaar in de Martini-kerk te Praneker, doch het recht van beschikking daarover was sedert eenigen tijd door verzuim in onbruik en als verloren geraakt. De erfgenamen van dat geslacht en daaronder Both van Hottinga, vervoegden zich, met verzoek tot herstelling in dat recht, in 1539 tot de Aartshertogin Maria, Gouvernante der Nederlanden en verkregen ook de bevestiging, bij een besluit van den 28steu October van dat jaar. Reeds in het begin des volgenden jaars 1540, den 14den Maart, maakte Both van Hottinga mede gebruik van dit haar recht van collatie, in haren naam latende teekenen door haren schoonzoon Hans van Ostheim.

Niet lang overleefde zij dit. Zij stierf in 15-11 en werd te Franeker in de Martini-kerk begraven. Te dezer plaatse wordt van dit leen gewag gemaakt, om de betrekking welke het tot Martena-huis heeft. Uit

-ocr page 57-

53

liet Beneficiaalboek, bl. 256, blijkt, dat onder do inkomsten dier praebende toen mede behoorde : „Heer „Hossel Martena eeuwige memorie zes stuwers, uit „Martena-huis toe Praneker, en van de vierdepart „van drie pondemateu uit Heer Hessels weijland „seven stuwers te huir.quot;

Ofschoon ten onrechte, schijnt dat recht van prae-sentatie, zooals men het noemde, vervolgens als een regaal van Martena-huis beschouwd te zijn, daar het steeds met hetzelve op de eigenaars is overgegaan, zoodat nu nog de tegenwoordige bezitster (de gemeente Pranekeradeel) bij vacatures van gemeld Sjaerdema-leen, voor een achtste deel stem heeft in de collatie.

Hessel van Martena en Both van Hottinga hadden vier kinderen, namelijk Luts of Lucia, Jel, Cnier of Cuniera en Poockel, die allen met Saksische edellieden zijn getrouwd.

Luts van Martena (volgens Jancko van Douwama, de oudste), werd na hare moeder eigenares van Martena-huis en huwde met Prits von Qrombach, ridder. Hij werd den 17den Pebruari 1517 officieel aangesteld tot grietman van Barradeel, ofschoon hij zeer waarschijnlijk reeds in Maart 1515 grietman was, omdat hij in die maand het drostambt te Harlingen bekleedde, „welke betrekking destijds nagenoeg altijd „verbonden was met het grietmanschap van Barradeel.quot; Om te voorkomen dat de Gelderschen, die de zeekusten ingesloten hielden, zich in Almenum kwamen nestelen, stak hij den llden van genoemde maand die buurt in brand en liet vervolgens de steenen der vernielde abdij van Ludinga-kerk halen, om daarmede den toren van Harlingen te bouwen.

-ocr page 58-

54

Nog in 1522 was hij drossaard van Harlingen, welke waardigheid hij bleef waarnemen, nadat hij afstand van de grietenij had gedaan. In 1525 werd hij benoemd tot raadsheer in het Hof van Friesland. In 1533 komt hij voor als overste dijkgraaf van geheel Westergo, bij het arbitrament tusschen de Binnen-en Buitendijksters en in April 1535 werd hij dooiden Stadhouder George Schenck benoemd in eene commissie tot het maken van een reglement voor het op te richten corps van den derden man uit Friesland.

Hij was door zijne vrouw eigenaar van het slot Martena of Ter Horne te Beetgum. In de kerk van dat dorp vond men voorheen eene geschilderde vensterruit, waarop de namen dezer echtelieden vermeld stonden.

Frits von Grombach stierf omstreeks Januari 1541 en werd begraven in de Martini-kerk te Franeker. Zijne weduwe woonde nog in 1548 op ilartena-huis. Den 18den Mei van dat jaar teekende zij de collatie van Sjaerdema-leen, als „Lucia van Martena, weduw van Grombach.quot;

Uit het huwelijk van Frits von- of, zooals zijne kinderen zich schreven. Van Grombach en Luts van Martena werden drie dochters geboren, te weten: Emerentia, Maria en Amelia van Grombach, welke laatste allerwaarschijnlijkst hare moeder in den eigendom van Martena-huis is opgevolgd.

Amelia van Grombach, geboren in 1520, huwde eerst, op 21-jarigen leeftijd, met Jr. Jan van Egmondt van Meresteijn, gesproten uit het wijdberoemd en rijk geslacht der Egmonden. Hij was „casteleijn tot Harlinghen,quot; in 1543 grietman van Barradeel, stierf

-ocr page 59-

55

in den jare 1546 en is in de Martini-kerk te Praneker begraven.

Zijne weduwe hertrouwde, weinige jaren na het overlijden van haren eersten man, met Jr. Raas van Verven, een Luiksch edelman, die in het dorp Ver-vou op zijn voorvaderlijk kasteel woonde en aldaar in het jaar 1568, ten gevolge van eenen val van zijn paard, ziek te bedde lag. Zijne vrouw, die toen in Franeker op Martena-huis haar verblijf had, liet hem naar hare woning overbrengen, alwaar hij den 24sten Juni van dat jaar den laatsten adem uitblies. Ook hij werd in de Martini-kerk te Franeker begraven.

Zij bleef in haren weduwenstaat Martena-huis bewonen tot haren dood.

In 1584 herbergde zij er Graaf Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder en Gouverneur van Friesland. Den 15den October van dat jaar werden aan haar twee betalingen gedaan, een van 70 en een van 29 caroli guldens, 14 stuivers, ter zake \'t geen haar voor de huisvesting van Zijne Genade en verlies en bederf harer goederen was beloofd.

Den 268ten Januari 1588 diende een proces van haar tot ontruiming van de huizing ten oosten naast Martena-huis, (het Poorthuis), tegen den bewoner dier huizing.

Dat zij niet alleen bewoonster, rmaar ook tevens eigenares van Martena-huis was, blijkt uit een stuk van den 26sten Maart 1588, waarvan het hoofd luidt: „Artieulen en Bestek, waer oppe Ju ff. Amelia van „Grombach, weduwe van wijlen Joncker Raes van „Verwou, ter presentie van Joannes Harmesz. Ammama „en Yest Jansz., Burgemeesteren, Pieter Augustinusz. „Ens en Jan Cornelisz., Geswooren Gemeensluijden, „Taecke Sibesz. en Gerrit Lijewes, Hopluijden, als

-ocr page 60-

5G

„daertoe expresselijk bij Burgemeesteren, Raad, Ge-„swooren Gheraeente, ende Bevelhebbers dezer stede, ^geordonneert en gecommitteert zijnde, den meest-„biedenden praesenteert te vercopen en te verpachten „seeckere huijssteden, alhier binnen Franeker, in haer „groot Hof geleeghen, soo als deselve op no. 1, 2, 3 „enz., ter ordonnantie en bij advys van de Magistraet „der voors. stede, bij Thomas Frerexsz., stads tiramer-„man, cum socio, afgepaelt sijn, vermoge die caerte „daervan sijnde.quot; Vervolgens: „welcke Articulen den „comparanten metter stads trommelslach en aen-„plecking van billetten, ter plaetse van de verpach-„ting vergaderd, voorgelesen sijnde, heeft daerna „gekeft en gepachtquot; enz., tezamen 20 huissteden. Aan de pachters werd de verplichting opgelegd, om binnen twee jaren op elke steê een goed door pannen gedekt huis met opgaande gevels te zetten, een goede straat voor hun huis te maken en eeuwig te onderhouden en houten bruggen te maken uit de steeg tusschen Jarich van Botnia en Trijn van Decama schuren en naar de Schilcampen. Misschien zijn dit de huizen, staande in de Kerk- of Hofstraat, ten westen der sloot en voorts om den hoek heen, westwaarts tot de sloot voor het gasthuis. Zestien van deze 20 huissteden werden door Juffrouw Amelia ingehouden en slechts 4 verpacht aan anderen.

Den 6den Januari 1590 liet zij eenige — waarschijnlijk de door haar ingehouden huissteden in Martena-hof verpachten.

Op ieder van de huissteden werd eene grondpacht gevestigd, meestal bedragende twee goudguldens of nog eenige stuivers hooger, die alle jaren op 1 Mei aan de verpachtster moest worden betaald.

-ocr page 61-

57

In eene lijst van huizen en derzelver bewoners te Franeker, opgemaakt in den jare 1595, vindt men aan de Voorstraat achtereenvolgens vermeld : „Grom-„bachs-poort,quot; (dat is, de poort of het poorthuis); „Item die huijsinghe ten westen daaraan,quot; (dat is, Martena-huis); dan „Juffrouw Amelia kelders,quot; die, evenals tegenwoordig, afzonderlijk door huurders werden bewoond.

Blijkens eene citatie van den 8sten Juni 1597 voerde zij een proces tegen Pier Caspers c. ux., tot betaling van huishuur.

Zij stierf te Franeker den Ssten October 1605 en werd den 16den dierzelfde maand in de Martini-kerk aldaar, in het graf van haren laatsten man begraven.

Uit haar eerste huwelijk met Jan van Egmondt waren drie kinderen geboren, namelijk: Frederik, Aelbrecht en Anna, en uit haar laatste huwelijk vier kinderen, te weten: Jan, Frederik, Maria en Georg.

Den 16den Augustus 1606 werd hare nalatenschap, ofschoon niet geheel in der minne, gescheiden. Onder de erfgenamen toch was ook Johanna van Vervou,1 eene dochter van den zooeven genoemden Jan, die eerst is gehuwd geweest met Orck van Doijem en later trouwde met Lieuwe Gijsberts Ens. Nu begeerde de mede-erfgenaam Frederik van Vervou, die toen bevelhebber te Emden was, „aengesien Johanna „van Vervou haer niet eerlicken regierde, ende enen „lichten boeff binnen Sneeck, genaemt Lijuwe Gijs-„berts, hadde genomen,quot; — „dat se ymant van haerent „wegen, met volmacht, herwaerts wilde senden, \'t welck „sij weigerde.quot; De scheiding kwam echter, zij het ook „onder protestatiequot;, tot stand. Tengevolge van deze scheiding kwam Martena-huis aan Jr. Frederik

-ocr page 62-

58

van Vervou, tweede zoon uit het laatste luiwelijk van Amelia van Grombach.

Frederik, of Frits van Vervou, uit wiens particuliere levensgeschiedenis ik slechts enkele wetenswaardigheden kan aanstippen, om dit opstel niet te uitvoerig te maken, werd in of omstreeks het jaar 1551 op Martena-huis geboren.

In 1572 vertoefde hij in Holland, vertrok van daar naar de academie te Leuven, was in Haarlem, toen de Spanjaarden die stad belegerden en zag onder anderen, dat het dorp Sparendam door den vijand werd ingenomen. Omstreeks 1575 ging hij uit Holland wederom naar Leuven, vervolgens naar Douai en daarna naar Doornik, om de Fransche taal te leeren. In 1576 trad hij als page in dienst bij den Graaf van der Mark te Luik, wiens vriendschap hij won en die, na vergiftigd te zijn, in zijne armen stierf. In 1578 voegde hij zich bij het leger van den Frieschcn Stadhouder Graaf van Rennenberg, was tegenwoordig bij het innemen van Deventer op 20 November van dat jaar en werd aldaar ziek, zoodat hij tot herstel zijner gezondheid naar Franeker bij zijne moeder overgebracht moest worden. In het volgend jaar ontving hij eene aanstelling als vaandrig bij het vendel voetknechten, onder bevel van zijn ouderen broeder Jan, was in dien rang tegenwoordig bij het innemen van het blokhuis te Leeuwarden (1580), en bij de belegering van Groningen. „In dese belegeringequot; — schrijft hij — „ben ick deur mijn hoedt recht over „\'t haijr geschoten, maer niet gequetset.quot; Na het opbreken van het beleg voor Groningen keerde het vendel naar Friesland terug. Toen de tijding in Leeuwarden kwam, dat de inmiddels tot den vijand

-ocr page 63-

59

overgeloopeu Graaf van Rennenberg Steenwijk belegerde, kreeg zijn vendel bevel, om naar de Zevenwouden te trekken, ten einde den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen. Bij liet dorp Oude-Ouwer, aan de Tjeukeraeer, werd liet den Sisten October 1580 door den vijand aangevallen en verslagen, bij welke gelegenheid Frederik\'s beide broeders. Jan en George, respectievelijk oud 29 en 17 jaren, sneuvelden. Frederik vertrok met het overschot der compagnie naar Leeuwarden en werd door Bernard van Merode, heer van Rummen, Luitenant of Plaatsbekleeder van Prins Willem den Eersten, tot commandant over het vendel aangesteld. Op zijn verzoek werd hij echter uit den dienst ontslagen en ging vervolgens bij zijne moeder op Martena-huis te Franeker wonen.

Later vertrok hij wederom naar Holland en nadat hij een tijdlang vertoefd had bij zijnen halfbroeder Aelbrecht van Egmondt, ontving hij in Maart 1584 van den Frieschen Stadhouder Graaf Willem Lode-wijk van Nassau de vereerende uitnoodiging, om met een vendel Duitsche knechten onder het regiment van Zijne Genade te dienen. Van Vervou gaf daaraan gehoor en werd den 5den Juli 1584 tot commandant aangesteld.

Onder al deze bedrijven deed de liefde hare rechten gelden. „Den 20 Octobris dezes jaers,quot; (1584), schrijft hij, „nae dat lek lange tijt grote begeerte ende lieffde „gehadt ende gedragen hadde tot Juffrou Jel van „Ostheim, isset geschiet, dat ick op ten boven be-„noemden dach vele onder redenen met haer hadde, „ende hoewel ick wiste, dat onse moeders dit huwe-„lick vremdt souden vinden, soo heeft het nochtans „Godt Almachtich beliefft, mij dien selven nacht de

-ocr page 64-

60

„sinnen alsoo te regieren, dat ick haer beloffte van „getrouwicheijt dede, \'t welk geschiedde des morgens „vroech tot drije uren, op haers moeders kelder earner, „binnen Franecker.quot; (Dit was zeker eene kelderkamer van het huis Rozendaal, op den hoek van de Voorstraat en Vijverstraat).

De bezwaren die de wederzijdsche moeders tegen dit huwelijk hadden, ontsproten waarschijnlijk uit de nauwe familie-betrekking, die er tusschen de jongelieden bestond. De grootmoeder van Jel, Poockel van Martena namelijk, was eene zuster van Frede-rik\'s grootmoeder, Luts van Martena. Hoe dit zij, door voorspraak van goede vrienden werden die bezwaren uit den weg geruimd. Den 12den September 1585 werd het huwelijk met groote statie te Franeker voltrokken, in tegenwoordigheid van den Frieschen Stadhouder, Graaf Willem Lodewijk van Nassau. Nadat er op „mijns moederen huijsquot; (dat is Martena-huis), eene maaltijd was gehouden, werden de jonggehuwden „toe samen op te groene camer des avonts „toe bedde gebracht.\'\' Daar hij destijds te Dokkum in garnizoen lag, vertrok hij met zijne gade reeds spoedig naar die stad, „alwaer wij begonnen huijs te „houden met ene seer cleijne ende sobere voorraedt; „wandt onse beide moederen voor deselvige mael niet „veel ons hadden mede gedeilt.quot;

Den 20sten Mei 1586 werd hij door den Stadhouder gezonden naar Utrecht, om aldaar met den Graaf van Leijcester te spreken over „enige saecken, Fries-„landt concernerende.quot;

Korten tijd daarna werd hij door de gezamenlijke hoplieden afgevaardigd naar de Staten-Generaal, die toen in Utrecht vergadering hielden, om de betaling

-ocr page 65-

61

der achterstallige soldij te regelen en den Ssten Juui daaraanvolgende deed zijn vendel den eed van trouw aan Robert Dudleij, Graaf van Leijcester, optredende in naam van Hare Majesteit de Koningin van Engeland.

Den 12den Juli 1586 kreeg hij het opperbevel over drie vendelen krijgsknechten, waarmede hij, den 25sten daaraanvolgende, de schans Oterdum, bij Delfzijl, bezette. Hier werd hij door de Spanjaarden belegerd. Bij zekere gelegenheid een weinig buiten de schans gaande, werd hem zijn hoed van het hoofd geschoten. „Ende is dit die anderde mael, dat ick „deur mijne hoedt, sunder quetsure te bekomen, geschoten ben, waeraff ick Godt de Here dancke.quot;

Zijne vrouw, die hem in de belegerde plaats gevolgd was, beviel er van haren eersteling.

De vijand liet vele schansen rondom de ingesloten sterkte maken en deed herhaaldelijk aanvallen, doch vruchteloos. Tot groot ongerief van de belegerden begon het hard te vriezen, tengevolge waarvan men geen versch water kon bekomen, zoodat men zich moest behelpen met brak water uit de putten. In dien tijd brouwden de soldaten zelve hun bier, waarvoor echter versch water een noodwendig vereischte was. Toen dus eene sterke vorst was ingevallen en de schepen geen versch water uit de Eems konden aanvoeren, moest de brouwerij gestaakt worden en hot bier drinken, tot groot nadeel en verdriet der bezetting, achterwege blijven. Van Vervou, die echter raad wist, kwam op het denkbeeld om ijs te laten smelten en „bevondt dattet ijs, uijtte Eemse gehaelt „sijnde, tot waeter komende, versch bleve.quot; Hij zond derhalve zijne soldaten met zakken en korven naar

-ocr page 66-

62

de Eems om ijs te halen en liet dit smelten in den brouwketel. Maar helaas! „deur de swaerte van dit „ijs brack die ketel.quot; Gelukkig was er bij den troep een ketellapper die den brouwketel herstelde, zoodat men wederom goed en smakelijk bier kon brouwen. Tot overmaat van smart begon de voorraad eetwaren op onrustbarende wijze te verminderen, terwijl men, ingesloten zijnde, noch van Emden, noch uit Friesland iets kon bekomen. Doch, als de nood op \'t hoogst is, is vaak redding nabij. Dit ondervond ook de bezetting. Er kwam een sterke oostewind opzetten, waardoor het hooge water verliep. Met het uitloopen van het water door de gaten van den dijk, zag men eene groote hoeveelheid bot achterblijven, die door de soldaten werd opgevangen „in alsulcke menichte, datse „wel thien duijsent visschen metter handt vingen, „waer deur het crijchsvolck, seer verquickt sijnde, „begon weder couragie te crijgen.quot;

Dit bleef bij den vijand niet onopgemerkt. Eeeds lang had de Spaansche bevelhebber Verdugo verwacht, dat de belegerden zich, door honger en dorst gedreven, zouden overgeven en zie! in plaats van moedeloos te worden, bleken ze in eene opgewekte stemming te zijn en lustig hun bier te drinken !

Verdugo kon dit noode verkroppen, te meer nu zijne manschappen het heerlijk vocht moesten ontberen. Rekenende op de ridderlijkheid van zijne tegenpartij, zond hij een parlementair, eenen trommelslager, naar Van Vervou en liet dezen zeggen „dat „hij geerne wilde weten, wat oude tovenaersche hem „geleert hadde, dat men van ijs uijtte soute zee versch „bier brouwen kunde?quot; — „Dan,quot; zegt Van Vervou, „dit is van den Heere geschiedt ende is wonderlick

-ocr page 67-

63

„in onsen oogen. Hem sij loff van ewicheijt tot „cwicheijt!quot; Met dat bondig bescheid kon Verdugo zijn voordeel doen! Later werd het beleg opgebroken, zoodat de bezetting den lOden October 1587 de schans Oterdum verliet en aftrok over Dpkkum naar Leeuwarden. alwaar zij een tijdlang in garnizoen bleef.

Op de begrafenis van Prinses Anna van Oranje, gemalin van Graaf Willem Lodewijk van Nassau, overleden te Franeker den 13den Juni 1588 en bijgezet in de Jacobijner kerk te Leeuwarden, behoorde Frederik van Vervou tot de dragers van het lijk.

Na ongeveer 7 jaren den rang van hopman te hebben bekleed, nam hij den 23sten December 1590 zijn ontslag uit den dienst en ging zich den 5den Januari daaraanvolgende met der woon vestigen op ilartena-huis te Franeker, alwaar Lij en zijne vrouw den 20sten Februari 1591 tot lidmaten der Hervormde kerk werden aangenomen.

Den 20sten Mei van dat jaar verliet hij Franeker en ging met zijne vrouw, zijnen zoon Hessel Raes en eene dienstmaagd, inwonen bij zijner huisvrouwen oom Lieuwe van Juckema, Raad in den Hove van Friesland, tegen eene vergoeding van 400 caroligul-dens per jaar.

Den 13dcn Maart 1592 werd hij door Stadhouder en Gedeputeerde Staten van Friesland gezonden als Commissaris over de schansen Delfzijl, Oterdum en Reide, tegen eene gage van 800 caroliguldens per jaar, „maer is dit ampt boven maten vol moeijte ende „arbeit geweest.quot;

Den 17den Mei van het volgend jaar werd hij benoemd in eene commissie tot het herstellen van door den storm weggeslagen zeedijken, over eene lengte

-ocr page 68-

64

van 1000 roeden. Hij genoot hiervoor eene belooning van 2 caroliguldens \'s daags.

Bij de belegering van Groningen, in 1594, was hij een der gijzelaars van Staatsche zijde, voor het verdrag omtrent de overgave dier stad.

In het begin van 1595 werd hij gekozen tot ouderling te Delfzijl.

Den 16den Februari van datzelfde jaar werd hij door den Stadhouder benoemd tot hofmeester van Zijne Genade, doch hij vond geene vrijheid die benoeming aan te nemen. Kort hierop werd hij door Zijne Genade ontboden te Groningen en nu werd hem opnieuw den voorslag gedaan, om de betrekking van hofmeester op zich te nemen. Van Vervou kon thans niet weigeren de vereerende opdracht te aanvaarden en kwam met den Stadhouder overeen, dat hij zou ontvangen 600 caroliguldens in het jaar, benevens „vrij cost ende woninge voor mij, mijn „huijsfrouwe, mijn soon Hessel van Vervou, ene die-„naer, die oijck alle jaren een hoffcleet sal hebben, „ene dienstmaecht, een peert in hoij ende haver; wel „verstaende, dat, wanneer Sijne Genade geen Ho ff\' „houdet binnen Leuwerden ofte Gronningen, dat mijn „huijsvrouwe alsdan haer eijgen costen doen sal uit „lloffmeijsters logement.quot;

Den 22sten April 1595 trad hij als hofmeester in dienst.

In Januari 1597 kwam hij met zijnen heer bij Graaf Jan van Nassau, te Dillenburg, oudsten broeder van Prins Willem den Eersten, en teekende als getuige diens testament. Bij zijn vertrek schonk de oude Graaf hem „ene hoge vergulte cop, weert sijnde „omtrent 100 gulden.

-ocr page 69-

65

Frederik van Vervou was in 1597 tegenwoordig bij de inneming van Meurs (24 Aug.), Groenloo (Sept.), Bredevoort (Sept.), Enschedé (8 Oct.), Oldenzaal (13 Oct.) en Lingen (4 Nov.). Bij al deze gelegenheden werd hij door zijne dappere vrouw vergezeld. Ook woonde hij den slag van Nieuwpoort bij. (22 Juni 1600.)

Den 5den Januari 1601 werd zijne vrouw door eene beroerte getroffen, doch herstelde spoedig.

Den 27sten Augustus 1602 had hij eene ontmoeting met een gezantschap uit Atjeh, waarvan hij in zijne „Gedenckweerdyge Geschiedenissen,quot; pag. 136, eene uitvoerige beschrijving geeft.

In 1603 werd, door tusschenspreken van hem, de fabriek van lakenweven en verven van Meester Jan van Hove te Groningen, ten verzoeke van den magistraat te Franeker, naar deze plaats overgebracht.

Den 15den November 1604 werd Van Vervou door de Generale Staten der Vereenigde Nederlanden in hare vergadering ontboden, „alwaer den Advocaet van „Hollandt, Johan van Oldenbarnevelt, een seer wijs „ende welspreeckent man, mij van wegen die gansche „vergaderinge op dese maniere aensprack, naemtlijc-„ken, dattet die Generale Staten seer lieff ende aen-„genaem was, dat die van Emden mijne persoon tottet „Overste ampt over het crijchsvolck aldaer gekozen „hadden; begeerden derhalven, dat ick mij in alle „maticheit ende discretie int selffde ampt wilde „draegen, belovende, dat, soo verre die Graeff van „Oost Frieslandt etwes onbehoorlikes tegens de stadt „sonde willen aenvangen, boven sijne belofften des „Hagischen accoorts, dat se mij in alsulcken gevalle „stedes die goede handt wilden bieden. quot;Waerop ick

-ocr page 70-

66

„besloott, iu Godes nameu, \'t ampt aen to iieemen, „lietwelcke die van Emden (te weeten die Gesanten „aldaer,) verstaende, sijn daerover seer verblijt ge-„weest, mij wenschende geluck tot salicheit.quot;

Nadat liij door den Stadhouder van zijn liofmeesters-ambt eervol was ontslagen, waarvoor liij werd begiftigd met „twije vergulte credensen, weert sijnde om-„trent 168 guldens,quot; trok hij met zijn gezin den 22steii December 1604 naar Emden en werd aldaar eerlang als bevelhebber dier stad geïnstalleerd.

In deze betrekking had hij eene zeer moeielijko taak, door de onophoudelijke twisten tussehen de Stenden en den Graaf van Oost-Friesland.

Den lOden Januari 1606 schreef hij uit Einden aan den magistraat te Eraneker, dat hij de ledige plaats achter Martena-hof wenschte te verpachten tot nut en verbetering van de stad, weshalve hij die aan de stad aanbood, met verwijzing naar den heer Si-brandus Lubberti, theologisch professor, om hierover met dezen te onderhandelen.

Ik vermoed dat deze professor destijds Martena-huis als huurder bewoonde.

Den 7den April 1609 verliet Van Vervou de stad Emden, „alwaer ick nu gewoont hebbe vier jaren „ende omtrent vier maanden, ende dancke mijnen „Godt, dat icker met gesontheit met mijne huijsfrouwe „ende soon utgekomen ben en ben alsoo voort tot „Eraneker gekomen, op ten 9 desselvigen, alwaer ik „van meininge ben te wonen.quot;

Bij het vertrek schonk zijne vrouw aan de Gravin van Oost-Friesland „twije cleine wind-hondekes,quot; waartegen de Graaf zijnen ambtman van Esens naar Eraneker zond, om den gewezen bevelhebber Van

-ocr page 71-

67

Vervou te danken voor de goede orde, die hij, gedurende zijn verblijf te Emden, had weten te handhaven en tevens om, namens de Gravin, aan Van Vervou\'s echtgenoote te schenken „ene schone silvero „vergulte credens, weerdich over die twije hundert „guldens.quot;

Zoodra hij zich in 1609 op Martena-huis had gevestigd, om uit te rusten van zijn moeitevol krijgsmansleven, begon hij plannen te beramen tot verbetering en verfraaiing zijner woning.

Nog in datzelfde jaar liet hij zijne daagsche- of woonkamer in het oostelijk gedeelte der eerste verdieping aan de straat, vergrooten en veraaugenamen, door de bijtimmering van een vooruitstekend besloten vertrekje of balkon, — in de breedte naar buiten van vier- en in de hoogte van acht voet, — dat zoowel van voren als aan iedere zijde ramen had, die uitzicht gaven over de straat. De stedelijke regeering evenwel verzette zich tegen dit werk en verbood den ambachtslieden daarmede voort te gaan. Van Vervou beproefde herhaaldelijk de vergunning tot den bouw te bekomen, op grond, dat hij met zijne uitbouwing nog een halve voet bleef binnen de ruimte, die elk burger voor zijne uitstekende luifel wettelijk gebruikte ; maar vergeefs. — „\'t Is te verwonderen,quot; schrijft hij, „dat sommige menschen alhier soo verkeert ende „verdraeijt van sinnen sijn, om mij dit te beletten.quot; Daarop vervoegde hij zich tot den Hove van Friesland, met het gevolg, dat er een commissaris werd benoemd, om een plaatselijk onderzoek in te stellen. Bij eene uitspraak van het Hof werd Van Vervou in liet gelijk gesteld.

In ditzelfde jaar werd het vroeger vermelde ge-

-ocr page 72-

68

schilderd vensterglas, ter gedachtenis aan den stichter, door Hessel van Ostheim, den broeder van Van Vervon\'s echtgenoote, geschonken.

In 1610 gaf de magistraat van Franeker een geschilderd boven- en benedenglas, om „in des Heeren „Prederichs van Vervon\'s zale tot Stads eere gesteldquot; te worden. Blijkens eene kwitantie van den 27sten November van dat jaar, bedroegen de kosten hiervan /quot;18.—.

Eenige jaren later, namelijk in 1616, werd achter het poorthuis een nieuw gebouw gesticht, dat tot bij-keuken werd bestemd en met de groote keuken door eene deur gemeenschap had.

Het poorthuis zelve werd tot twee afzonderlijke woningen verbouwd, welke woningen vervolgens de namen van het Groot- en het Klein poorthuis ontvingen. Den laatsten Februari 1616 werden die woningen, ten overstaan van den president burgemeester en den secretaris, verkocht, met bezwaar van grond-pachten en onder eenige voorwaarden van nauwkeurig beschreven veranderingen, die door de koopers op hunne kosten moesten worden gemaakt, alsook van het wegbreken en opruimen van schuren en loodsen.

Vrij waarschijnlijk zijn omtrent dezen tijd tevens eenige veranderingen en verfraaiingen aangebracht aan de poort of den ingang van den toren, door het plaatsen van de in steen uitgehouwen wapens van Van Vervou en zijne vrouw, boven den trotschen steenen boog.

Ook heeft hij toen misschien het wapen van Saksen doen invatten in het steenen zijraam ten westen, dat wellicht, tengevolge van eenige veranderingen in de zaal, werd toegemetseld.

-ocr page 73-

69

Inmiddels had hij onderscheidene Commissiën van Staat bekleed. In 1613 was hij lid der Gedeputeerde Staten van Friesland en in 1616 werd hij, dien men destijds „Frederik van Vervou tot Martena-huisquot; noemde, aangesteld tot lid van den Raad van State. In deze betrekking ging hij naar Den Haag. Hier vond hij eenen drukken werkkring en werd hij voor belangrijke Commissiën aangewezen, onder anderen naar Groningen, om de oneenigheden over de bezetting van Delfzijl bij te leggen en naar Zeeland, met den thesorier De Bije, ter vereffening van de geschillen aangaande de quota\'s.

In 1619 werd hij wegens Friesland afgevaardigd naar de vergadering van Hun Hoog Mogenden de Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, van welk hoog eollegie hij eerlang den presidentszetel innam.

Namens de Staten Generaal was hij den 13den Juli 1620 tegenwoordig bij de begrafenis van Graaf Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder van dit gewest.

Den Isten December 1620 werd hij met vijf andere heeren benoemd in een gezantschap van wege den Staat der Vereenigde Nederlanden aan Jacobus den Eersten, Koning van Engeland, ten einde nieuwe verbonden te sluiten, vóór het eindigen van het Twaalfjarig Bestand. De gezanten vertrokken den 21sten Januari 1621, hadden den 7den Februari het eerste gehoor en namen weder hun afscheid den 18den April. Frederik van Vervou werd nevens de andere heeren door den Koning tot ridder geslagen, terwijl zij elk eene vereering ontvingen van omtrent vijftien honderd onsen verguld zilverwerk.

-ocr page 74-

70

Niet lang na zijne terugkomst in het vaderland werd hij door den dood verrast. Hij stierf op 70-jarigen ouderdom. Zijn lijk werd den 16den Juli 1621 met ridderlijke pracht uit Martena-huis gedragen en vervolgens bijgezet in den grafkelder, die bij het huis behoorde.

Zijn rouwwapen en een lijkdicht, ter zijner vereering in gouden letters gepenseeld op een groot zwart bord, werden in het middenschip der kerk te Praneker opgehangen. Deze gedenkteekenen zijn, tijdens de troebele dagen der Staatsomwenteling in het laatst der vorige eeuw, vernietigd.

De historieschrijver en hoogleeraar P. quot;Winsemius heeft \'s mans nagedachtenis vereerd met eene lijkrede in het Latijn, die hoogst zeldzaam is geworden.

Prederik van Vervou, wiens zinspreuk was: ,,Sine „labore nihilquot; (Niets zonder arbeid), leert men het best kennen uit zijne eigene handschriften, bestaande in twee deelen folio, waarvan het eerste loopt van 1562 tot 1609 en het andere van 1616 tot 1620, welke beide zijn uitgegeven door het Priesch Grenootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde. Mr. Jacobus Scheltema, in zijn Staatkundig Nederland, hiervan melding makende, zegt: „Hierin heeft hij zeer nauw-„keurig geboekt, het geen hij gezien of van oogge-„tuigen gehoord heeft, het eerste is zeer belangrijk „ten opzigte van gebeurtenissen te velde, en verspreidt „veel licht over sommige donkere deelen van onze „Geschiedenis. Uit het laatste stuk blijkt het dat hij „Prins Maurits en deszelfs belangen toegedaan was. „Hij heeft er verscheidene Godgeleerde en zedekun-„dige aanmerkingen bijgevoegd, die meer eer doen „aan zijn hart dan aan zijn verstand. Hij toont in

-ocr page 75-

71

„alles eene bijzondere zedigheid, eerlijkheid en Godsvrucht. Onder meer staaltjes van nauwgezetheid „vonden wij aangeteekend, dat hij, deel genomen heb-„bende in de uimisting van een schip naar de Oost-„Indiën, om handel uitgezonden, het aandeel in de „uitdeeling van genomene prijzen bleef weigeren, als „zich met geen geroofd geld willende verrijken.quot;

Yan Vervou testeerde op Martena-huis den 12den Januari 1620 en legateerde onder anderen het levenslang vruchtgebruik zijner onroerende goederen aan zijne huisvrouw Jel van Ostheim, terwijl hij verder aan haar vermaakte al zijne roerende goederen, om daarmede te handelen naar welgevallen.

Voorts besprak hij den eigendom zijner onroerende goederen, actiën en gerechtigheden, geene uitgezonderd, aan Saepck, of Sophia, nagelaten dochter van zijnen zoon Hessel Raes van Vervou, „mits dragende „daerop dese lasten, namentlijcke op Martna-Huijs, „twintich goude guldens, dewelcke alle jaren uijtge-„deelt sullen worden aen eetbare waren ofte kledinge, „aen arme weduwen en hare kinderen binnen Fra-„neker; hier en boven ses goude guldens jaerlijx aen „Armevoochden als grondtpacht, gaende uijt het „voorsz. huijs,quot; enz.

Voor het geval Saepck, of Sophia van Vervou zonder nakomelingen mocht overlijden, maakte hij „Martna-Huijs, mouterije, roodt afterhuijs, schuijr en „hoff, sampt landen- en grondtpachten,quot; aan Berend „Coenders, zoon van zijne nicht Tietke van Vervou en Abel Coenders, „mits dat hij hem sail noemen en „schrijven Berent Coenders van Vervou.quot;

Uit zijn huwelijk met Jel van Ostheim wei-den onderscheidene kinderen geboren, de meesten echter

-ocr page 76-

72

onvoldragen, of jong gestorven, behalve Hessel Raes van Vervou, die te Leeuwarden is geboren den 7den Mei 1588 en sedert zijn negende jaar te Franeker door professor Sijbrandus Lubberti tot de studiën werd opgeleid, welke studiën hij in 1605 te Genève voortzette, van waar hij in den zomer van 1608 terugkeerde.

Den 15den April des volgenden jaars huwde hij te Franeker met Sjouck van Ockinga. Dit huwelijk werd met veel pracht gevierd, in tegenwoordigheid van Graaf quot;Willem van Nassau „ende veel bloedt-Bvrienden van beide sijden,quot; „ende in alles, buijten „die dienaren ende meechden, 66 personen.quot;

De jonggehuwden kwamen inwonen bij des bruidegoms ouders op Martena-huis.

Hessel Eaes van Yervou werd den 6den Juni 1614 benoemd tot grietman van Franekeradeel. In 1619 was hij volmacht ten Landsdage en dijkgraaf dei-Vijf Deelen Zeedijken. Den 21sten October van datzelfde jaar stierf hij „in de afftercamer op Martna-huijs,quot; nalatende eene dochter Saepck, of Sophia van Vervou.

Zooals wij gezien hebben, legateerde Frederik van Vervou het levenslang vruchtgebruik zijner onroerende goederen, dus ook van Martena-huis en toebe-hooren, aan zijne echtgenoote Jel van Ostheim. Zij was een voorbeeld van huwelijkstrouw en liefde, vergezelde haren man bijna overal, waar hij door den dienst geroepen werd en stond hem steeds met hare schranderheid bij.

In 1628 liet zij, onder bekrachtiging der regeering, de rooiing bepalen van eene sloot, in het groote hof

-ocr page 77-

73

van Martena-huis, tot scheiding van belendende hovingen. In de akte daarvan wordt zij „Mevrouw Julia van Ostheimquot; genoemd.

In 1631 was zij voornemens, zooals zij in eene klacht aan de regeering zegt, „om voor aan de straat, „in den ingang, tot sieraad van haar huis, en con-„sequentelijk van de stad, eene poort te laten maken, „waarvan zij de vleugels reeds had laten beginnen „aan te hechtenquot;; doch werd daarin verhinderd door Feike Gerbens, den eigenaar van het belendende huis ten westen, die haar het recht daartoe betwistte. Hieruit is een proces voortgevloeid, met welk gevolg is mij niet bekend; maar de poort is achterwege gebleven.

Misschien is zij kort daarna gestorven, althans ik vind haar verder niet meer genoemd.

Volgens Dr. Gr. D. J. Schotel, in zijne levensbeschrijving van Anna Maria van Schurman, woonden de weduwe en kinderen van Frederik van Schurman na diens dood (November 1623), op Martena-huis te Franeker en bleven daar vertoeven, totdat de zoon, Jan Grodschalck, zijne studiën aan de academie aldaar voleindigd had. Zoo heeft dit huis dus ook onder zijne bewoners kunnen tellen de beroemde Anna Maria van Schurman, voorzeker de geleerdste Neder-landsche vrouw, die ooit geleefd heeft.

Yreemd komt het mij echter voor, dat dit plaats had, terwijl Jel van Ostheim nog leefde, tenzij de familie van Schurman bij haar heeft ingewoond.

Na den dood van Jel van Ostheim werd hare, nu volwassen kleindochter Saepck, of Sophia van Vervou eigenares van Martena-huis, echter onder bezwaar

-ocr page 78-

74

van fideicommis, ten behoeve van Berend Coenders, zooals uit het hiervóór aangehaald testament van Frederik van Vervou kan blijken.

Saepck van Vervou, geboren omstreeks het jaar 1613, is eerst gehuwd met Jr. Wijtze van Cammingha, Heer van Ameland. Deze echtelieden maakten den 2den December 1637 te Franeker, ten overstaan van Mr. Jacob van Ghemmenich, advocaat voor den Hove van Friesland, een reciproque testament.

In ditzelfde jaar werden ten behoeve van Martena-huis eenige fraaie vensterglazen geschonken, op een waarvan Hans van Ostheim, oud-oom van Saepck, was geschilderd. Op twee andere sierlijk geschilderde glazen waren een man en eene vrouw met hunne wapens afgebeeld. Onder dat van den man stond: „Heer Taco van Camminga, Ontvanger van „Wonseradeel en Monster-Commissarisquot; en onder dat van de vrouw: „Juffr. Anna van Sickinga, vrouw „van Camminga.quot;

In 1640 bevonden Saepck en haar man zich op Ameland. Daar het huwelijk met geene kinderen was gezegend en hij zijn einde voelde naderen, werd hij er op bedacht andere beschikkingen over zijne goederen te maken en liet derhalve in Maart dezes jaars het bovengemeld testament te Franeker lichten door den Amelander predikant Petrus Arnoldinus, die het aan heer quot;Wijtze overbracht. Vervolgens maakten de echtelieden den 14den November (oude stijl), van het jaar 1640, op het slot te Ballum weder een mutueel testament, dat door den man, wegens zwakte, niet kon worden onderteekend. Kort daarna stierf hij.

Bij dit testament werden aanzienlijke voordeelen

-ocr page 79-

75

en goederen aan Saepck gemaakt, zoowel in vollen eigendom als te lijfstonde, met de bepaling echter, dat, indien zij mocht hertrouwen en een zoon kreeg, die naar hem Wijtze van Cammingha werd genoemd, deze zijn erfgenaam zou zijn, „eeuwig en erfelijk.quot;

De gelegenheid daartoe deed zich echter niet voor.

De schoone, jeugdige vrouw woonde nog eenige jaren prachtig, als weduwe, op Martena-huis, eer zij tot eenen nieuwen echt kwam, die ook kinderloos bleef.

In 1645 had zij een geschil met den magistraat van Franeker, waaromtrent in het resolutieboek van Burgemeester en Raden staat aangeteekend: „1645, „den 12 Mei, de Vrouw van Verwow bij monde te „zoecken affteleijden van de swaersinnicheit, daer-„mede Haer Eed. ingenomen is, aengaende het ver-„kleijnen van Haer Eed. hoowinge, tot gebruick ende „gerijff van een gemeene straet, daertoe committerende de Heeren Meijnsma en Wellens.quot;

Niet lang hierna heeft zij zich in tweede huwelijk begeven met eenen man van reeds gevorderde jaren, namelijk met den ridder Joachimus Andreae, of Joachim van Andreè.

Hij was een edelman uit Straalsund en werd den 8sten September 1607 ingeschreven als student te Franeker, waar hij tot zijne promotie in de rechten schijnt gebleven te zijn. Den 4den Juni 1613 werd hij aldaar geïnstalleerd als hoogleeraar in de natuur-en zedekunde, daarbij ingeleid door Frederik van Vervou en Douwe van Botnia, als Gedeputeerde Staten. Twee jaren later, namelijk in Juni 1615, ontving hij eene aanstelling als hoogleeraar in de

-ocr page 80-

76

rechten, terwijl hij in 1620 werd benoemd tot raadsheer in het Hof van Friesland.

De aanleiding dat hij, als vreemdeling, voor dien hoogen post in aanmerking kwam, zal vermoedelijk zijn gelegen in zijn huwelijk met eene Friesche jonkvrouw, Ansk van Burmania.

Terwijl hij raadsheer was, werd hij meermalen tot gewichtige staatszaken geroepen; ouder anderen: in 1634, om namens den Stadhouder en de Staten van Friesland eenige geschillen over krijgsaangelegen-heden uit den weg te ruimen; in 1635, als ambassadeur naar Pruissen, om namens de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden de verlenging van het Bestand tusschen Zweden en Polen te bewerken; in 1637, als extra-ordinaris rekenmeester en in 1645, als ambassadeur naar Denemarken, om, namens den Staat, het vriendschaps- en handelstractaat met dat rijk te sluiten. Waarschijnlijk is hij bij deze gelegenheid in den ridderstand verheven.

Na in het begin des jaars 1646, toen hij den rang van eersten en oudsten raadsheer in het Hof van Friesland bekleedde, ten behoeve van zijnen oudsten zoon, van dien post afstand te hebben gedaan, werd hij curator van de Franeker academie, wegens Oostergo.

Omtrent dezen tijd is hij vermoedelijk met Saepck van Vervou in het huwelijk getreden en heeft hij met haar Martena-huis als een achtbaar burger bewoond.

Zijn verder leven sleet hij echter niet in volkomen rust, daar hij, door zijne groote gaven en bekwaamheden, dikwijls tot hooge staatsbetrekkingen werd geroepen. Den 18den April 1648 teekende hij als

-ocr page 81-

77

voorzitter van Hun Hoog Mogenden de Staten Generaal, de ratificatie van den Munsterschen vrede; ook was hij in April 1651 voorzitter van de Groote vergadering. In zijne politiek toonde hij zich zeer Stadhoudersgezind.

Hij stierf den 11 den Mei 1655 en werd in de Jacobijner-kerk te Leeuwarden begraven. Zooals reeds gezegd is, bleef zijn huwelijk met Saepck van Vervou kinderloos.

Zijne weduwe, die hem zestien jaren overleefde, bleef in haren weduwenstaat Martena-huis bewonen en spreidde er, volgens de overlevering, eene deftige en rijke pracht ten toon.

In 1666 schonk Jr. Hero van Ockinga haar een geschilderd vensterglas.

Toen Prins Johan Maurits van Nassau den 6den Januari 1665 terugkeerde van de begrafenis 1 zijns broeders en te Franeker, tengevolge van het breken der brug tusschen de eerste- en tweede Dijkstraat bij het voormalig weeshuis, destijds de Tolbrug geheeten, met zijn gevolg te water geraakte en onder zijn paard beklemd, zich de borst bezeerde, heeft Saepck van Vervou den met groote moeite geredden Vorst bij zich op Martena-huis ontvangen, gehuisvest en verpleegd, totdat hij volkomen was hersteld. De herinnering aan dat ongeluk wordt nog bewaard op eenen keurig gehouwen steen in den gevel van het voormalig Claerkampster-Weeshuis.

Martena-huis, of liever, zijn hooge gast, ontving toen de deelnemende bezoeken van de Prinses Weduwe Albertina Agnes van Oranje, van de door haar medegebrachte geneesheeren, van de hoogleeraren der academie en van andere aanzienlijke personen.

-ocr page 82-

78

De Vorst liet hier zijn testament schrijven door den notaris Pieter Rudolphi, welk testament vervolgens aan den Rector en Senaat der academie, met eenige plechtigheid, in bewaring werd gegeven, totdat het in September 1670 werd gelicht.

Deze inbewaargeving bij de academie had iets bijzonders en mag beschouwd worden als te zijn voortgevloeid uit „de ongelukkige bron van dwazen „naijver en conflicten van jurisdictie,quot; die er tusschen de academie en de stedelijke regeering bestond.

Na Julius van Botnia toch, had bijna niemand uit de adelijke familiën binnen Franeker deel in die regeering gehad en van daar, dat die familiën zich meer gingen hechten aan de academie. Inzonderheid was dit het geval met des Vorsten gastvrouw, Saepck van Vervou, die, als weduwe van den Curator Andreae, met sommige hoogleeraren vriendschappelijke betrekkingen onderhield „en zulks welligt te meer, doordien „wijlen de Heer Andreae onmiddelijk in zijnen post „als curator was opgevolgd door haren neef en bijzon-„deren vriend Jr. Hero van Ockinga.quot;

Van dien band tusschen haar en de academie vindt men een blijk in de Acta van den Senatus Generalis, waar aangeteekend staat: „D. 28 Januarij 1671 is „gesturven de quot;VVel Edele Vrouwe Mevrouwe Sophia „Vervou, wed. van den quot;VVel Edele Heer Ridder „Joachimus André, in sijn leven Curator van de „universiteit alhier, en is oversulcx in Senatu Grenerali „besloten, dat haar quot;Wel Edeles lijck soude gehouden „worden voor een lijck van de academie. Alsmede „is besloten, dat in de versegelenge der naegelatene „goederen, airede gedaen door den Praesident van de „stadt, het segel der academie boven het segel van

-ocr page 83-

79

„de stadt soude werden gestelt. Actum in curiaquot; enz.

Saepck, of Sophia van Vervou stierf dus den 28sten Januari 1671 op Martena-huis, in den ouderdom van omtrent 58 jaren. Haar lijk werd bij dat van haren vader bijgezet in de Martini-kerk, alwaar ook haar wapen werd opgehangen, dat echter in 1796 is verloren gegaan.

Ruim drie weken voor haar overlijden, namelijk den 4den Januari 1671, maakte zij verschillende uiterstewilsbeschikkingen. Onder anderen legateerde zij; aan het Oude- of Claerkampster weeshuis, waarvan zij mederegentesse was geweest f 1000.— ; aan het Diakonie-weeshuis f 500.—■; aan de Algemeene armen f 500.—; aan de Martini-kerk drie groote zilveren schotels met haar wapen en de grootste messchen of koperen kroon met haar wapen, om die in de kerk nevens haar gestoelte op te hangen en aan de kerk te Dronrijp drie kleine zilveren schotels. Aan hare nicht Anna van Cammingha, gehuwd met Jr. Sicco Ernst van Aijlva, grietman van West-Don-geradeel, vermaakte zij al het goud, zilver, hout, tin, linnen en wollen, waarop de wapens of namen van Van Vervou of van Cammingha stonden, het ledikant niet groene zijden behangsels en het daarbij behoo-rend beddegoed, acht brocade stoelen met gouden bloemen, enz.

Ouder den last tot uitkeering der legaten stelde zij tot erfgenaam van al hare overige roerende goederen „haren beminden en waarden neef Hero van Ockinga, „Ontvanger Generaal en Curator der akademie,quot; en bij vooroverlijden van hem, zijne beide zoons Frederik en Jarich van Ockinga, doch onder deze voorwaarde, dat hij erfgenaam, zoo veel mogelijk en

-ocr page 84-

80

naar rechten doenlijk, zou vindiceren de legitima en trebellianica van haars bestevaders Frits van Vervou en liarer bestemoeders Jel van Ostheim nagelaten goederen.

Ingeval van weigering, substitueerde zij den voornoemden Sicco Ernst van Aijlva en nogmaals, ingeval van weigering, „de Gereformeerde armen der stad „Franeker.quot;

Van Saepck, of Sophia van Vervou wordt eene fraaie beeltenis op Martena-huis bewaard, geschilderd in 1630, toen zij achttien jaren oud was. Zij is afgebeeld levensgroot, ten voeten uit en van eene rijzige gestalte, van een welgevormd gelaat en eene fiere houding. Zij is gekleed in een zwart, aan den hals laag uitgesneden gewaad, waarover een rijk met goud bestikt tablier, met wijde, overlang ingesneden pofmouwen, die bij den elleboog worden ingenomen door zwarte banden, voorzien van een geel of oranjekleurig strikje. De omslagen der mouwen, of manchetten, zijn van fijn kantwerk, evenals de prachtige, breede, vierkante, wijd uitstaande en gesteven halskraag, die, met eene ombuiging over den boezem, eindigt in een klein vierkant borststuk. De hoofdbedekking bestaat uit een zwart mutsje, waarboven, eenigszins naar achteren, een versiersel van fijn kantwerk, in den vorm van een kroontje. Om den hals draagt zij een smal rood lint, benevens een gouden halssnoer met roede steentjes of koralen. Ook de lange oorhangers zijn van goud met dergelijke bijvoegselen. Op den boezem hangt een kunstig bewerkt ornament van goud met ingevatte rood gekleurde steentjes. Eene zware vijfdubbele gouden ketting, die over de borst valt, benevens eene dubbele, van den middel

-ocr page 85-

81

afhangende ketting van hetzelfde metaal, die door een geel of oranjekleurig strikje wordt opgehouden, dragen er niet weinig toe bij om de pracht en de kostbaarheid van het kostuum te verhoogen. De rechterhand, die aan den vinger naast den pink is voorzien van eenen gouden ring met een rood steentje, draagt eenen waaier van drie struisveeren, terwijl de linkerhand, ■— die aan den pink eenen gouden ring met zwart steentje en aan den vinger daarnaast eenen fraai bewerkten gouden ring draagt, — een paar witte handschoenen houdt saiimgevat, wier roode met goud doorweven boorden zijn gedekt door fijn kantwerk. Het schoeisel bestaat in een paar bruin gekleurde met goud bestikte schoenen met breede neuzen.

Behalve dit portret is er een ander van haar op vergevorderden leeftijd, geschilderd in het jaar 1667, toen zij dus weduwe was. Het wordt bewaard in het Claerkampster- of Blauwe Weeshuis.

Zooals hiervóór uit het testament van Frederik van Vervou is aangeteekend en waarmede de voorwaarde, die Saepck van Vervou aan de door haar gemaakte erfstelling verbonden had, in verband staat, kwam, na den dood dezer laatste, Martena-huis met zijn toe-behooren, aan Berend Coenders, zoon van Abel Coen-ders en Tietke van Vervou.

Deze Berend Coenders, of Coenders van Helpen, heer van Paan, Hu is inga, Westerwijtwerd, Onderden-dam, Menkeweer enz., geboren in 1601, schreef zich vervolgens Coenders van Vervou. Hij was een voornaam regent der Ommelanden en betrokken in de twisten, die er in 1643 tusschen de Ommelanden en de stad Groningen plaats vonden. Hij had destijds

-ocr page 86-

82

zitting ter Generaliteit, van welke waardigheid men hem dwong afstand te doen. Naderhand vertoefde hij meestal in \'s Grravenhage. Aldaar zijnde werd hij door Lodewijk XIII beschonken met de Ridderorde van St. Michiel. Later werd hij ambassadeur naar Zweden, aan welks Hof hij, met den roem van een bekwaam staatsman te zijn geweest, in het jaar 1677 overleed. Koningin Christina van Zweden vermeerderde zijn wapen met teekenen van eer.

Uit zijn huwelijk met Anna Coenders werd den 16den September 1627 geboren Abel Coenders van Vervou, die zijnen vader als heer van Faan, Huisinga enz. en als eigenaar van Martena-huis is opgevolgd.

Jr. Abel Coenders van Vervou woonde to Groningen en versierde Martena-huis met een geschilderd vensterglas, waarop zijn naam en wapen voorkwamen.

Hij verhuurde het huis, benevens de kelders, de achterhuizing en de landerijen. Onder de huurders van Martena-huis is mij bekend professor Campegius Vitringa, die er in 1694 woonde, toen hij daarop nog drie jaren huurrecht had. De eigenaar, die gehuwd is geweest met Bij we Lewe, liet twee zoons na, Jrs. Berend en Joest of Just Coenders van Vervou. Bij uitersten wil beschikkende, onterfde hij der. laatstgenoemde, met bepaling, dat, indien de onterfde zoon kinderen kreeg, deze kinderen benevens zijn zoon Berend zijne erfgenamen zouden zijn. Overigens benoemde hij als „curator bonorumquot; over die kinderen, den heer Clemens Hermius, van Groningen.

Tot de nalatenschap behoorden „tevens eenige con-„siderabele schulden, welke niet konden betaald

-ocr page 87-

83

„worden, ten zij werde geprocedeerd tot aliënatie der „vaste goederen in Friesland, Martena-Huis mitsgaders „vijftien pondematen lands en eenige grondpachten.quot; Daartoe verzocht Clemens Hermius, als „curator testa-mentariusquot; over de kleinkinderen van Jr. Abel, bij verzoekschrift aan het Hof van Friesland, consent tot verkoop dier vastigheden. Dat consent werd behoorlijk verleend den 20sten April 1694 en, tengevolge daarvan, werd door gemelden „curator bonorum,quot; bij decreet van den Hove, ten overstaan van den raadsheer Matthias van Vierssen als commissaris, in het openbaar verkocht: „de heerlijcke adelijcke huij-„ singe, Martena genoemd, kelderen, achterhuij singe, „hovinge cum-annexis, beswaard met zes goudguldens „jaarlijcksche grondpacht of eeuwige renten, zijn be-„hoorlijcke huijsflorenen, wallen, pijpen etc. Item „vijftien pondematen lands buijten de noorderpoort te „Franeker, beswaard met acht florenen en zeven „stuijvers \'s lands lasten, beswaard met huringequot; enz., eerst (den 22sten Juni 1694) te Franeker op den raadhuize, bij „de brandende keersequot; en vervolgens bij verhooging, (den lOden Juli daaraanvolgende), te Leeuwarden voor den Hove, „met het ligten van het zegel uit den wasse.quot;

Als kooper werd aangenomen de heer Suffridus Westerhuis, mede-raad ter Admiraliteit te Amsterdam en burgemeester van Franeker, voor de som van vijf duizend twee honderd vijftig Caroli guldens.

Zoo ging dan Martena-huis, na ongeveer twee eeuwen eene adelijke bezitting te zijn geweest, over in den gegoeden deftigen burgerstand.

Sedert den dood des stichters was het steeds in

-ocr page 88-

84

eigendom overgegaan op diens afstammelingen in rechte linie, ofschoon van anderen naam.

Opmerking verdient het, dat het gebouw echter den naam van Martena-huis, ter gedachtenis aan dat aloud geslacht, bestendig en tot op den huidigen dag bleef behouden, terwijl daarentegen menig dergelijk adelijk huis meestal van naam verwisselde, zoodra het overging in handen van eenen nieuwen bezitter uit een ander geslacht.

Mot den eigendom van Martena-huis en toebehoo-ren, gingen ook eenige bijzondere rechten over, als: het een-achtste deel in de begeving van het Sjaerde-ma-leen, een-tiende deel in de zwanenjacht rondom Eraneker en in Franekeradeel, do familiegrafkelder, het gestoelte of de overdekte zitplaatsen in de Martini-kerk, de afbeeldingen des stichters en van Sophia van Vervou, bevens eenige kleinigheden van minder belang.

De nieuwe eigenaar, de heer Suffridus Westerhuis, was in Mei 1668 te Leeuwarden geboren uit rijke ouders, die hem bestemden voor den rechtsgeleerden stand, met welk oogmerk zij hein in 1684 zouden naar de academie te Franeker, alwaar hij den llden Juni van dat jaar als student werd ingeschreven. Doch hij zou de begonnen loopbaan niet voleindigen.

In het voorjaar van 1686 trad hij, op achttienjarigen leeftijd, in het huwelijk met ïitia Bogarda, die in December 1665 te Franeker was geboren uit een deftig burgergeslacht en tijdens haar huwelijk reeds voor lang hare ouders en ook haren eenigen broeder had verloren.

Dit huwelijk had tengevolge, dat de heer Wester-

-ocr page 89-

85

huis zijne academische studiën opgaf en zich meer aan de magistratuur ging wij den.

Den 19den December 1690 werd hij als burger van Praneker beëedigd; kort daarna was hij lid van de Vroedschap en vervolgens burgemeester te dier stede. Den 3den Mei 1694 werd hij door de provincie gecommitteerd als raad ter Admiraliteit voor de kamer te Amsterdam.

Toen hij in laatstgemeld jaar Martena-huis kocht, bewoonde hij, als eigenaar, het ten westen belendend huis.

Niet lang was de heer Westerhuis bezitter van Martena-huis, of hij beraamde daarmede grootsche plannen tot herstelling en verfraaiing.

Was het gebouw oorspronkelijk bestemd geweest voor een ridderlijk verblijf, dat in de woelige dagen der Schieringers en Vetkoopers een min of meer veilig toevluchtsoord aanbood, thans, nu die dagen reeds lang tot het verleden behoorden en er een geregelder en vreedzamer maatschappelijke toestand was aangebroken, thans, zeg ik, kon er aan gedacht worden, om deze bezitting te herscheppen in een deftig en aangenaam verblijf, waarbij kunst en weelde, dank zij het aanzienlijk vermogen van den nieuwen eigenaar en zijne gemalin, niet behoefden gespaard te worden.

Ofschoon het kenmerkende van den vroegeren bouwstijl bewaard bleef, werden er belangrijke en kostbare veranderingen aangebracht, die strekken moesten om Martena-huis en zijne omgeving te maken tot een behagelijk lustoord voor lieden uit den zeer deftigen stand.

Do vroegere hoofdingang door de groote torenpoort

-ocr page 90-

86

verviel als zóódanig, doch bleef overigens behouden. Daarentegen werd aan de straatzijde een nieuwe ingang en, in verband daarmede, van binnen eene andere indeeling gemaakt.

De groote zaal, die aan de voorzijde vijf ramen van de onderste verdieping besloeg, werd tot op drie ingekort en verder hoofdzakelijk veranderd in den toestand, zooals die tegenwoordig nog is. De twee vervallen ramen maakten plaats voor een zeer groot deurkozijn met eene breede deur en twee zijramen, ter verlichting van de hooge en ruime vestibule en van de met marmer gevloerde gang, die naar het bordes loopt waarvan men afgaat naar den tuin. Aan de straatzijde verrees, tusschen de beide ingangen der kelders, het thans nog bestaand hoog bordes met hardsteen en trappen en ijzeren leuning.

Het uitgestrekt hof van Martena-huis werd kunstig herschapen in eenen tuin van vermaak, met parterres en spiegelhagen, in den trant van den beroemden Franschen aanlegger van tuinen André Lenótre. De heer Westerhuis vereenigde den aan-grenzenden tuin, die bij zijn huis ten westen behoorde, met den zijnen en kweekte daarin niet alléén eene keur van fijne vruchtboomen, maar ook uit-landsche en zeldzame heesters en gewassen, terwijl hij het achtergebouw van zijn huis ten westen bestemde tot eene ruime oranjerie.

Bij dit alles genoot hij de zeer gewaardeerde voorlichting van zijnen vriend, den heer Willem van Ranouw, die, door huwelijksbetrekking aan zijne huisvrouw verwant, uit den Briel naar Franeker was gekomen, om aldaar de academische lessen bij te wonen.

-ocr page 91-

87

Intussehen had do lieer Westerhuis een werkzaam leven en nam aanzienlijke ambten en betrekkingen waar. Den 24sten September 1698 werd hij, in de plaats van David Constantijn baron du Tour, aangesteld tot rentmeester der domeinen in Friesland, welken post hij gedurende twintig jaren bleef be-kleeden.

In 1727 en 1728 was hij lid der Gedeputeerde Staten van dit gewest en had in die betrekking het genoegen, om, den 15den Maart van laatstgemeld jaar, als medegecommitteerde van Hun Edel Mogen-den, den heer Mr. Epeus Wielinga, eenigen zoon zijner eenige zuster Dieuwke Westerhuis, (sedert 1709 weduwe van den postmeester Johannes Wielinga), als gekozen i\'aadsheer in den Hove, bij dat Hof in te leiden.

Zijn laatste eereambt was dat van gecommitteerde wegens Friesland in de Generaliteits-rekenkamer te \'s Gravenhage. Daar ter plaatse werd hij door eene slaapziekte met koorts overvallen, waaraan hij na verloop van twee dagen kinderloos overleed, op den 22sten October 1731. Zijn lijk werd naar Franeker overgebracht en in den grafkelder van Martena-huis bijgezet.

Hij liet tot universeele erfgename na zijne huisvrouw Titia Bogarda, die hem nog bijna 5 jaren en 5 maanden overleefde. Zij stierf den 14den Maart 1737 en werd almede bijgezet in den familiegrafkelder, die, ingevolge haren uitersten wil, daarna 75 jaren moest gesloten blijven.

Yan het aanzienlijk vermogen dezer echtelieden kan eenigermate blijken uit het testament van ïitia Bogarda, dd. 17 Juli 1732. Zij benoemde hare schoon-

-ocr page 92-

88

zuster Dieuwke Westerliuis tot hare cenige erfgename, doch beschikte tevens, bij verschillende legaten, over tien boereplaatsen, een huis met hoving buiten, twee dito binnen Franeker, een dito te Harlingen en bovendien over eene som van honderd vijf en twintig duizend gulden, in geld of geldswaarde uittekeeren.

Tot de eigenlijke nalatenschap, die aan hare schoonzuster ten deel viel, behoorden onder-anderen minstens vijf en twintig stemdragende plaatsen in Barradeel, „over welker stemrecht de schrandere testatrice, als „blijkbaar besiepen op deszelfs toenmalig gebruik en „waarde voor regeerzieke bezitters, niet verzuimd „heeft de daartoe strekkende schikkingen, zelfs voorwaardelijk, voor de toekomst nauwkeurig te be-„palen.quot;

Onder de door haar gemaakte legaten was er een, dat bijzondere vermelding waardig is. Zij begeerde namelijk, dat na haar afsterven door de diakenen der Hervormde gemeente te Franeker, uit een daartoe aangewezen fonds, in de door haar aangekochte hoving ten oosten van Martena-hof, zou worden gesticht een gasthuis, waarin 18 godvruchtige weduwen of bejaarde dochters, geen onderhoud van anderen genietende, vrije inwoning zouden hebben en tot wier levensonderhoud mede moesten worden aangewend de penningen, die jaarlijks uit de huren en renten, na aftrek der kosten van stichting en onderhoud, zouden overschieten.

Voor dit legaat werden bestemd eene sate en landen te Tzum, thans „Nieuw Heremaquot; genaamd, eene te Edens en eene te Dronrijp, benevens eene som van zes duizend gulden, over welk legaat de administratie werd opgedragen aan de diakenen der

-ocr page 93-

89

Hervormde gemeente te Praneker, onder verplichting om van die administratie telken jare rekening en verantwoording te doen aan de regeering der stad.

Na het overlijden der erflaatster voldeden de toenmalige diakenen, Andries Salverda, Gerrit Lantinga, Keimpe Ringers en Dominions Woortmans, aan den vromen wil der overledene.

Reeds in den loop des jaars 1737 verrees op do daartoe aangewezene plaats, uitkomende aan de zuidzijde van het Nieuw Hof binnen Franeker, een fraai, zindelijk en ruim gesticht, bevattende 18 afzonderlijke woonvertrekkeu, in een vierkant gebouwd, allen het uitzicht hebbende op een daarbinnen besloten ruim bleekveld met bloemtuin.

Blijkens de eerste jaarlijksche rekening, door de diakenen in handen van den magistraat der stad afgelegd, werd op den Sisten December 1737, de eerste geldelijke uitdeeling aan de 18 bewoonsters gedaan, voor den tijd van 8 weken, waaruit men mag besluiten, dat het gesticht op den Sisten October 1737 of daaromtrent, voor het eerst is betrokken geworden.

Honderd jaren lang had dit gasthuis beantwoord aan de vrome bedoelingen der stichteres en aan 18 hulpbehoevende vrouwen tot eeno stille vreedzame woning verstrekt, toen de bewoonsters op het denkbeeld kwamen, om op het eeuwgetij der stichting van „het Westerhuis Vrouwen Gasthuis,quot; met een dankbaar hart hare weldoenster te gedenken. De diakenen achtten dat denkbeeld prijsselijk en rechtmatig en bestemden voor den feestdag den 31sten October 1837. Het stille gasthuis met vlaggen versierd en op smaakvolle Avijze met groen getooid, verkondigde reeds op den morgen van dien dag de vreugde der bewoonsters.

-ocr page 94-

90

Groot was de toeloop van deelnemenden en belangstellenden uit alle rangen en standen, vooral toen des avonds het gebouw door kunstlicht op eene bevallige wijze was versierd en de feestvierende vrouwen aan eenen, haar door hare verzorgers met onbekrompen mildheid aangerichten feestdisch, in gulle vrolijkheid bijeen zaten en met dankbare harten de nagedachtenis harer weldoenster zegenden. In het met smaak versierd lokaal prijkten de afbeeldsels van den heer quot;VVesterhuis en diens godvreezende echtgenoote.

Toen daarop de regenten van het gesticht in de feestzaal verschenen, sprak hun voorzitter de navolgende dichtregelen uit:

„Aan de bewoneressen van Westerhuis Vrouwen „Gasthuis te Franeker, bij de viering van het eerste „eeuwgetij der stichting van dat Huis, op den 31 „October 1837, door Broederen Diakenen der Her-„vormde Gemeente te Franeker, Eegenten van dat „Godshuis.

„Zendt uit het dankbaar hart den vreugdetoon

(naar boven,

„Hef, Wecuw ! het loflied aan, en Gij, bedaagde maagd !

„U voegt het op dees dag den Opperheer te loven,

„Geen bange zucht mag nu den juichtoon doiven,

„Dien ge allen in uw harten draagt.

„Ja \'t is een schoone dag die dit gesticht zag rijzen,

„Voor U ten toevluchtsoord, ter kalme vredestad;

„En zoudt ge op \'t eeuwgetij den God uws heils

(niet prijzen ?

„Laat dan uw vreugd uw dankbaarheid bewijzen,

„Van \'t Christenhart den grootsten schat.

-ocr page 95-

91

„Ja God is goed ! Hij gaf \'t der vrome Weeuw

(in \'t harte,

„Dat ze uwe zwakheid hier zoo liefdrijk heeft bedacht, „U na vermoeidheid rust, veramiug schonk na smarte; „Dit Godshuis dat don zwaai der eeuwen tartte, „Om Godswil heeft tot stand gebragt.

„Den zwaai der eeuwen ? Ja, de liefde is

(onvergankHjk, „Zij tart des tijds geweld, zij blijft in eeuwigheid ! „Reeds snelde eene eeuw voorbij, zij bloeit hier als

(aanvanklijk! „Och dat zoo vast in duur, zoo onverganklijk „Ook bloeide uw aller dankbaarheid !

„Dat zoo de dankbaarheid U hier doe zaraenwonen „In liefde en eendragt, naar des Heeren hoofdgebod „Zoo zult ge aan Westerhuis het schoonst uw

(dank betoonen, „Zoo zult gij hare liefde \'t waardigst loonen, „En welgevallig zijn aan God !quot;

Mevrouw VVesterhuis vermaakte het gebouw ten westen van Martena-huis aan haren neef Jacobus Seheltema, secretaris der stad, die het destijds bewoonde en wel met wederbijvoeging van de oranjerie en van dat gedeelte van den tuin, dat er vroeger was afgenomen.

De erflaatster legateerde voorts het Martena-huis aan hare nicht Maria Boncamp, weduwe Van Ranouw, en dat wel „met inboelen en geraden, bedden en „bedskleederen, koper, tin, juwelen, enz., daarin „bevonden wordende, niets uitgezonderd, zoo het niet

-ocr page 96-

92

„anders speciaal ware gelegateerd; alsmede stal, „paarden, rijtuigen, wagenhuis, enz., voorts verkla-„rende haren ernstigen wille te wezen, dat deze hare „legataria die huizinge cum annexis, bij het overlijden „van haar testatrice, aanstonds in possessie zou nemen, „daarin trekken en metterdaad bewonen.quot;

Maria Boncamp, dochter van Focco Clases Boncamp en zuster van Nicolaas Boncamp, equipagemeester bij de admiraliteit te Harlingen, wier moeder eene zuster was geweest van den vader van Mevrouw Westerhuis, werd geboren te Franeker en huwde, omstreeks het jaar 1700, met Willem van Ranouw, hiervóór genoemd.

Deze was zeer ervaren in de chirurgie, tot welker beoefening hij zich te Franeker had gevestigd. Van 1704 tot 1709 was hij „Inspector Bursaequot; of opziener van de vrije tafel voor \'s lands „alumniquot; (kosteloos studeerenden) en buitenlandsche studenten. In 1705 vroedsman geworden, was hij in 1707 burgemeester van Franeker en vervolgens ontvanger der geestelijke goederen. Hij heeft ook, als lid van staat, het ambt van Monstercommissaris bekleed. Later verliet hij Franeker en begaf zich, eerst naar Utrecht, alwaar hij den 6den Juni 1715 promoveerde tot Doctor in de Medicijnen en vervolgens, met zijne vrouw en zijn dochtertje, (het eenig kind dat hem van vier was overgebleven) naar Amsterdam, met oogmerk, om aldaar de geneeskundige praktijk uit te oefenen. Hij stierf er den 24sten December 1724.

Zijne weduwe keerde met haar kind in het volgend jaar naar Franeker terug.

Niet lang was Maria Boncamp eigenares van

-ocr page 97-

93

Martena-huis, toen zij overleed, als eenige erfgename nalatende hare dochter Elisabeth.

Elisabeth van Ranouw, geboren te Franeker den 6den October 1712, trad den 9den November 1732 in het huwelijk met Dr. Isaak Telting.

Deze zag in den jare 1700 het eerste levenslicht te Steenwijk, kwam in 1721 aan de academie te Franeker en promoveerde aldaar, na loffelijk volbrachte studiën, tot Medicinae Doctor, op de openlijke verdediging zijner dissertatie „de nausea et vomitu.quot; Hij was een verdienstelijk en geacht geneesheer, die mede de betrekkingen van kerkmeester der Martinikerk en van voogd van het Claerkampster-weeshuis waarnam.

Dit brave echtpaar heeft Martena-huis in het vreedzaamst gedeelte der 18de eeuw, gedurende ruim veertig jaren bewoond en, met goederen ruim gezegend, daarin genoegelijke dagen mogen slijten, ofschoon zij het verlies hadden te betreuren van hun eenig kind, dat den 29sten September 1733 bij den doop den naam Albartus ontving en als een aankomende knaap is gestorven.

Bij wederkeerige uiterste wilsbeschikking hadden zij elkander tot erfgenaam benoemd en tevens over hunne gezamenlijke goederen, na het verscheiden van den langstlevende hunner, beschikt. Elisabeth van Ranouw was de eerste die stierf, namelijk den I2den Februari 1778.

De overgebleven echtgenoot moest nu, in eenzaamheid en oud van dagen, zijn verder leven slijten. Hij betreurde diep het gemis zijner dierbare gemalin en gevoelde de begeerte in zich opkomen om naar zijnen

-ocr page 98-

94

geboortegrond terug te keeren. Hoe hoog bejaard ook, hij besloot aan die neiging te voldoen. Na Martena-huis verhuurd te hebben, verliet de grijsaard Franeker in het jaar 1779 en vestigde zich met der woon te Steenwijk, alwaar hij den 4den Januari 1781 den laatsten adem uitblies.

Uit het aangehaald testament van beide eehtge-nooten bleek, dat zij tot universeele erfgename hadden benoemd ïetje Scheltema, huisvrouw van Mr. Albartus Telting, van Steenwijk.

Tetje Scheltema, geboren te Franeker den 13den November 1740, was in den vijfden graad van bloedverwantschap aan Elisabeth van Ranouw vermaagschapt. Deze had haar van kind af eene bijzondere genegenheid toegedragen en haar bijzijn en gezelschap gaarne genoten, eer zij gehuwd naar Steenwijk vertrok.

Albartus Telting, geboren te Steenwijk in 1745, was een broederszoon van genoemden Dr. Isaak Telting. Hij kwam in 1760 te Franeker en teekende zijnen naam in het album der academie, om zich op de rechtsgeleerdheid toe te leggen. Na geëindigde studie promoveerde hij tot Doctor in de Rechten, op eene dissertatie „De injuria reali.quot; Vervolgens vestigde hij zich als advocaat te Steenwijk en trad den 7den Augustus 1768 met Tetje Scheltema in het huwelijk.

Na een bijna dertienjarig verblijf te Seenwijk, gaf de aanvaarding der erfenis gereede aanleiding ora van woonplaats te veranderen. De beide echtgenooten begaven zich met hunne kinderen naar Franeker en zoodra de huurtijd geëindigd was, betrokken zij Martena-huis.

-ocr page 99-

!)5

Gedurende den tusschentijd was dit huis bewoond geweest door Mevrouw de weduwe Riboulleau, wier oudste dochter te Franeker gehuwd was met den beroemden hoogleeraar J. H. van Swinden en do jongste met J. Garcin, hoogleeraar en Waalsch predikant.

De heer Telting, nu advocaat voor den Hove van Friesland geworden, vond bezigheid en genoegen in de behandeling van rechtzaken, ten nutte vooral van zijne medeburgers. In latere, min rustige tijden, was hij lid van de stedelijke regeering en werd ook tot de waarneming ad interim van raadsheer in het Hof geroepen, uit welke betrekking hij \'echter, op zijn dringend verzoek, na weinige maanden werd ontslagen. Hij stierf don 23steii Juli 1802.

jSTog bijna drie en twintig jaren heeft zijne weduwe hem overleefd. Zij was voogdes van het Claerkamp-ster-weeshuis en eene achtenswaardige en deugdzame vrouw, die, als een voorbeeld van eenvoud en zedigheid, uitmuntte en eene waardige vertegenwoordigster was van de degelijke aristocratische geslachten uit vroegeren tijd. Zij overleed den 16den Mei 1825 en werd met statelijke plechtigheid in den familiegrafkelder bijgezet.

Martena-huis was nu als het ware uitgestorven. Niemand der nabestaanden wenschte of scheen gelegenheid te hebben het te betrekken, terwijl de erfgenamen evenmin genegen waren het te vervreemden. Voor het noodig onderhoud der huizing en voor de nuttige bebouwing van den tuiu werd zorg gedragen. Ook is het huis een en andermaal eenigen tijd verhuurd geweest.

Toen de lloomsch Catholieke gemeente te Franeker

-ocr page 100-

96

voor hare, door bouwvalligheid gevaarlijk geworden kerk, eene andere verlangde, sloeg zij het oog op Martena-huis.

Plans en bestekken werden daartoe ontworpen, doch deze voldeden niet aan de bestuurders, terwijl ook de erven niet konden besluiten afstand van het huis te doen. Do gemeente bouwde eene nieuwe kerk en voor Martena-huis was eene andere toekomst weggelegd.

Bij de scheiding der nalatenschap van Tetje Schel-tema, den 25sten September 1826 voor den notaris Andries Stinstra te Franeker verleden, werd Mar-tena-huis toebedeeld aan haren kleinzoon Albartus Deketh, het eenig kind van Mr. Petrus Deketh uit zijn tweede huwelijk met Gezina Barbera Telting.

Deze was een\' verdienstelijk penningkundige en werd geboren te Harlingen den 4den October 1796. Hij studeerde te Utrecht eerst in de godgeleerdheid en vervolgens in de rechten, werd commissaris van politie te Leeuwarden, bekleedde daarna rechterlijke betrekkingen te dier plaatse en te Snoek, werd in 1838 advocaat bij het Provinciaal Grerechtshof in Friesland en eindelijk hij den Hoogen Raad der Nederlanden. Hij onderscheidde zich door schranderheid en rechtschapenheid, was één der stichters van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde en maakte vooral veel werk van de munten penningkunde, zooals bleek uit zijne fraaie verzameling, die na zijnen dood werd verkocht. In 1842 werd hij benoemd tot ridder der Orde van den Neder-landschen Leeuw. Hij overleed den 3den Juni 1857.

Bij onderhandsche akte van den 8sten April 1834

-ocr page 101-

97

verkocht Mr. Albartus Deketli, destijds substituut officier van Justitie bij de Rechtbank vau eersten aanleg te Leeuwarden, Martena-huis cum annexis, voor vijf duizend gulden, aan Mr. Albartus Telting, secretaris van Franeker.

Het huis werd toen bewoond door den heer Walraven Willem Noodt, terwijl de kelders in huur waren bij Sjoerd Faber en Koenraad IJsbrandi. Uit do koopakte blijkt, dat de huizing en hoving vrijen uitgang hadden over den grond ter zijde der hoving oostzijde achter het gasthuis, over do straat en het brugje, leidende naar het gasthuis en almede op het eilandje. Ook blijkt uit dezelfde akte, dat „deze „huizing is begeregtigd met een achtste in de Collatie „van Sjaardema-leen, en met zwanenjagt, welke regten „op don Heer koper overgaan.quot;

Mr. Albartus Telting, Izaak\'szoon, geboren te Franeker den 11 den October 1803, studeerde te Groningen en promoveerde aldaar tot Doctor in de Rechten. In 1826 vestigde hij zich als advocaat te Leeuwarden, waar hij tot de ijverigste leden behoorde van het dichtkundig genootschap „Constanterquot; en van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, van welk laatste hij tot 1841 het secretariaat waarnam. Nadat hij in 1830 als luitenant der schutterij den Tiendaagschen Veldtocht had bijgewoond, werd hij na zijnen terugkeer secretaris van de stad Franeker en voogd van het Claerkampster Weeshuis. Van 1843 tot 1848 was hij lid van do Tweede Kamer der Staten Generaal en zag zich vervolgens benoemd tot kantonrechter te Harlingen. Hij maakte zich verdienstelijk door talrijke geschied-

-ocr page 102-

98

cn letterkundige bijdragen, die opgenoemd zijn achter zijn leYensbericht door Mr. F. de Greve, in de Handelingen van de Maatschappij der Letterkunde, van 1864.

De heer Telting was den Isten Mei 1829 gehuwd met Vrouwe Anna Cornelia Henriëtte Huguenin, geboren 7 April 1807.

Nadat hij eigenaar van Martena-huis was geworden, liet hij daaraan het noodige herstellen en in orde brengen. Hij verbeterde het voorste gedeelte, door in beide verdiepingen nieuwe kozijnen te doen plaatsen, wier ramen met groote glasruiten werden voorzien. De ramen in de benedenste verdieping werden door diepere zinking nog verlengd, zoodat, tengevolge van een en ander, er eene veel breederc instraling van licht naar binnen plaats had en het uitzicht naar buiten door de dikke muren, zeer vcr-vroolijkt werd. De oude gedaante bleef overigens behouden, behalve dat slechts hier en daar een venster in den oostelijken en in den westelijken gevel werd toegemetseld, „eene onaardige bezuinigingquot;, zegt professor De Crane, „maar die de burgerlijke „huishoudkunde billijkt, sinds de staatshuishoudkunde „het middel heeft gevonden, om het allodiale daglicht te onteigenen, en zich voor het leongebruik te

„laten betalen.quot;

De tuin die, gedurende de jaren van stilstand, van vele verouderde sieraden allengs was ontdaan, werd nu geheel vernieuwd en, met behoud van vele eerwaardige hooge boomen, die reeds meer dan drie geslachten met hunne vruchten hadden verkwikt, naaiden trant van een Engelsch park, in eenen niet min be-valligeu dan eenvoudigen smaak aangelegd en beplant.

-ocr page 103-

99

Ue lieer ïelting stierf den 17den September 1863. Zijne weduwe heeft daarna nog eene reeks van jaren Martena-huis met haar gezin bewoond en is overleden den 15den Februari 1885, in den ouderdom van 77 jaren.

Na haren dood is het huis eenen tijd lang verhuurd geweest aan den heer Tadema, notaris te Franeker.

In 1894 deden allerlei geruchten, aangaande de verdere bestemming van Martena-huis, de rondte. Niemand wist echter het rechte van de zaak, totdat opeens de mare werd verspreid, dat het huis voorde gemeente Franekeradeel was aangekocht, om er den zetel van het bestuur dier gemeente te vestigen. Deze mare bleek waarheid te bevatten.

Eeeds langen tijd had het gemeentebestuur van Franekeradeel de noodzakelijkheid ingezien, om het oude gemeentehuis, Dekama-huis aan de Breedeplaats, eene belangrijke herstelling en verandering te doen ondergaan, omdat het niet alleen op enkele plaatsen bouwvallig begon te worden, maar vooral ook omdat het te weinig geschikte localiteiten bevatte, voor eene behoorlijke berging van archief- en administratiestukken.

De groote kosten die deze herstelling en verandering echter mede brachten, waren te bezwarend, om hiertoe in de gegeven tijdsomstandigheden over te gaan.

Toen nu de erfgenamen van Mevrouw de weduwe Telting genegen werden bevonden om Martena-huis cum-annexis voor eenen billijken prijs aan de gemeente Franekeradeel in koop af te staan, achtte het ge-

-ocr page 104-

100

meentebestuur dit zóódanig in liet belang der gemeente, dat het met die erfgenamen in onderhandeling trad.

De koop werd gesloten en bij akte, den Ssten April 1895 voor den notaris Tadema te Franeker verleden, werd Martena-liuis met toebehooren, aan de gemeente Pranekeradeel overgedragen door de heeren Mr. Isaac Telting, lid van den Hoogen Raad der Nederlanden, te \'s Gravenhage, Mr. Jan Willem Telting, rechter in de Arrondissements Rechtbank te Zwolle en Vrouwe Lamberdina Henriëtte Telting, weduwe van den heer Dr. Eelco Verwijs te Arnhem, voor de som van acht duizend gulden, terwijl mede onder den koop werden begrepen: het een achtste in de begeving van het Sjaerdema-leen, het recht van zwanenjacht, de portretten van Hessel van Martena en Sophia van Vervou en de cartouche met hertenkop, waarvan hiervóór op blz. 51 is gesproken. Het aldaar niet ingevuld wapen is dat van Van Nassau.

Zoo verkreeg dan Martena-huis, nadat het gedurende eene reeks van bijna 400 jaren, allerlei lots-verwisselingen had ondergaan, eene meer vaste bestemming.

In eene vergadering van den Raad der gemeente Franekeradeel, gehouden den 29sten October 1895, werd, op voorstel van don voorzitter, bij acclamatie besloten: „dat voortaan Martena-huis zal zijn het „Gemeentehuis van Franekeradeel en dat, met uitsondering der kelderwoningen, het zal zijn bestemd „voor den openbaren dienst.quot;

In de vergadering van den 27sten November daaraanvolgende, werd tevens door den Raad goedge-

-ocr page 105-

101

vonden, om aan liet quot;Waterschap der Vijf Deeien Zeedijken Binnendijks enkele vertrekken van Mar-tena-huis in gebruik af te staan voor waterschaps-secretarie, berging van het waterschaps-archief en het houden van vergaderingen ten behoeve van het waterschap, met vrij gebruik van vuur en licht, schoonhouden enz., voor eene jaarlijksche huursom van ƒ300.— en voor een tijdvak van tien jaren met tien keurjaren en verder op voorwaarden door Burgemeester en Wethouders met het Dijksbestuur nader te bepalen.

Op den 29sten October 1895 had de feestelijke inwijding van het nieuwe gemeente-huis plaats in de vroegere Ridderzaal, thans de Raadzaal, waarbij, behalve de leden van het dagelijks bestuur en van den raad der gemeente Franekeradeel, eenige autoriteiten en genoodigden, meerendeels met hunne dames, tegenwoordig waren.

De burgemeester, de heer A. Draisma de Vries, hield eene keurige feestrede en sprak daarbij onder anderen den wensch uit, waarmede zeer \'zeker de lezers van dit werkje zullen instemmen, dat Martena-huis nog eene lange reeks van jaren dienstbaar moge wezen tot het bevorderen van het algemeen welzijn, in het bijzonder van de belangen der gemeente Franekeradeel en van de zorg om Friesland tegen stormgevaar te beschermen!

-ocr page 106-
-ocr page 107-
-ocr page 108-
-ocr page 109-
-ocr page 110-
-ocr page 111-