DE
BJ)
m
Dag des Toorns
vertaald en toegelicht
DOOR
G. J. WIJNHOVEN,
Pastoor te |3evenum.
| t
ROERMOND,
J. J. BOMEN amp; ZONEN,
UUUKKEHS VAN Z. H. DEN PAUS EN VAN HET BISDOM.
1 8 8 7.
D
,DE
willl lilquot; Dag des Toorns,
vertaald en toegelicht
DOOR
G. J. WIJNHOVEN, .
J^ASTOOI^ TE ^EVENUM.
i
i
ROERMOND,
J. J. ROMEN amp; ZONEN,
DRUKKEHS VAN Z H. DEN PAUS EN VAN HET B1SDÜM.
1 8 8 7.
] MPRIMATUE^.
P. J. H. HUSSEL, Can. Theol. et Prof. Libroruni Censor.
.emundje, 6 Oct. 1887.
©la n
DEN HOOGEEEW., HOOGGELEERDEN HEEll
I WltLIlSlI,
geboren te Velden, K. C. Priester, Baccalaureus in de H. Godgeleerdheid aan de Katholieke Hoogeschool te Leuven, en aldaar Professor aan het Amerikaansch Seminarie, wordt uit ware Hoogachting, groote Dankbaarheid en innige Vriendschap dit Werkje opgedragen door den
Schrijver.
INLEIDING.
et eexiwigsclioone Kerkgezang, de ,.Dies irfequot;, klinkt bijna dagelijks, zelfs in de dorpen door de heilige gewelven onzer Kerken. Wordt hij goed gezongen, dan is zijn indruk overweldigend. Velen echter dergenen in wier ooren hij dreunt, voor wie hij de wereld in vlammen doet opgaan, de laatste bazuin steekt, de graven opent, de dooden doet verrijzen, den Rechter verschijnen, Zijne rechtbank opslaat, de gelukkige en ongelukkige eeuwigheid ontsluit; en zoo liefderijk eene gelukkige voor allen (alsmede voor hen die ons met het teeken des gu-loofs zijn voorgegaan en den slaap des vredes slapen), afsmeekt, verstaan hem niet. Pezen heb ik dienst meeneu te doen met te beproeven hem te vertalen en toe te lichten; temeer omdat hij ons herinnert de zalige vermaning van den H. Geest: In al uwe werken denk op uwe uitersten ; en gij zult in der eeuwigheid niet zondi-
— G —
gen (Eccl. VII, 40), en ieder die hem leest,
moet bekennen dat hij, buiten de H. Schrift, \'
zijns gelijke niet heeft, want niemand dicht,
zingt, bidt of rouwt zoo schoon als onze Moeder de E. C. Kerk. Haar doorzweeft Gods Geest!
Moge deze Vertaling en Toelichting velen nuttig zijn! Mijn goddelijke Rechter neme die aan als een bewijs van goeden wille ter nako-ming van zijn bevel; Hij heeft ons bevolen, \' WJ aan het volk te prediken en te betuigen, dat \' Hij het is; die door God is aangesteld tot Rech- bree ter van Levenden en Dooden. Hem geven al de Looi Propheten de getuigenis, dat allen, die in hem «f E gelooven, vergeving van zonden ontvangen door jube zijnen naam (Hand. der Apost. X: 42, 43). daai
han(
Geisteren, 26 Juli, St. Anna-dag, 1887.
I, c
Ker)
St rr gein vooi
en \'
22).
gein
jube zera
SEQUENT IA.
BETEEKEMS PER WOORDEN:
ve]en Alleluja, Neuma, Pneuma, Sequentia,
I die Prosa-
lako-
olen, \' fe^e R. C. Kerk zingt, volgens oud gebruik op , dat \' hare vreugde-feesten: Alleluja ! Dit he-Beeh- hreeuwsch woord heteekent: Laudate Dominum, al de Looft den Heere! (Hallelou, Looft, en Jah, God hem of Heere). Het hevat daarenboven een juich- en door jubeltoon, door eene latijns^e vartaling, (die daarvoor alleen heeft: Plaudite, klap met de handen of juicht toe (Benecl. XIV de Eestis P. I, CCCCIV), niet weer te geven, weshalve de Kerk dat woord heeft behouden.
Deze Bruid van Christus, ook genaamd de ; Strijdende Kerk, het aardsch Jerusalem of de geheimzinnige Stad Gods, mengt dat Alleluja voortdurend in hare ononderbroken Jubel-, Lof-en Feestgezangen (E. W. Smits in Tob. XIII, 22). — De oude Tobias, van dat Alleluja gewagende en als in de toekomstige eeuwen dien jubel hoorende van Christus\' Bruid, ontboezemde, vervuld met den geest der profetie, daar-
eest, lirift, licht, Moe-reest!
— 8 —
over volgenderwijze zijne zalige zielsverrukking: Langs hare wijken zal men Alleluja zingen! Gelukkig zal ik zijn, indien er van mijne nakomelingen overig blijven, om den glans van Jerusalem te aanschouwen (ib. v. 20)! — Had de Aartsengel, de H. Raphael, den ouderen Tobias deze hemelzaligheid achtergelaten? Hat Alleluja is ja ook het eeuwig lofgezang van \'t hemelsch Sion\'? Do groote Ziener van het Nieuw Verbond, do H. Apostel en Evangelist Joannes, verbannen, waarschijnlijk onder keizer Nero, om zijne verkondiging van het Evangelie, naar het eiland Patmos, en alhier aangegrepen door eeue heilige geestvervoering, zag de Bruid van Christus in ha^\'e heerlijkheid! Hij zag\' de zegepralende Kerk, het hemelsch Jerusalem, de werkelijke Stad Gods, geopend. Hij ging die binnen, zag God op zijnen troon gezeten, van vier en twintig Ouderlingen omringd. Bliksemen en donderslagen gingen uit van den troon, eu zeven lampen brandden vóór den troon. Rondom den troon stonden vier zinnebeeldige wezens, die Gode lof-zongen, met welk lofgezang de Ouderlingen het hunne vereenigden; en zij hadden dag en nacht geene rust, zingende: Alleluja! Daarna hoorde hij als de stem van vele scharen in den hemel, zeggende: Alleluja! De zaligheid en de heerlijk-
1
— 9 —
heid en de kracht is aan onzen God (Beeleu Apoc. IV 1-11 en C. XIX, 1). — Deze woorden van dankbaarheid, leerzaamheid en blijdschap worden bij de H. Mis ten antwoord op den voorgelezen Epistel, den g-eloovigen als in den mond gelegd (Instit. Lit. J. H. Hazé, 1869), welke hunne onmacht tot een voldoend antwoord betuigen, door tusschen den Epistel en \'t Evangelie op eene lange reeks noten, genaamd Neuma of Pneuma, de laatste lettergreep aan te houden van het laatste Alleluja na \'t Graduale.
Graduale beteekent Trapgezang, of verzen uit de gewijde Boeken, wijl die vroeger vóór of op de Altaartrappen, ook op den Ambo (Lees-stoel) gezongen werden; of. volgens Bellarminus, middelerwijl de diaken de trappen van den Ambo, alwaar hij het Evangelie lezen moest, besteeg. In den vasten-tijd wordt het Alleluja door den Tractus vervangen, aldus genaamd van trahere slepen, omdat hij slepend, langzaam en als treurend gezongen wordt, en daarom nlleen in Missen, die met boete- of rouwgewaden (paarse, of zwarte) gedaan worden, voorkomt. De Abt Enper-tus noemt den Tractus daarom zeer juist; poeni-tentium lamentuin,de weeklacht derboetvaardigen.
Neuma beteekent verlenging van den toon der laatste lettergreep in het zingen.
Pneuma blazing of zucht tot God, zooals iemand doet, die uit overmaat van vreugde, niets heeft om deze te vertolken, dan een\' beteekenis-vollen zucht. Wij belijden alzoo op geheimzinnige wijze door dit Neuma, Pneuma, dat wij van vreugde wonderlijk zijn aangedaan over de ontvangen weldaad der goddelijke onderrichting uit den Eiiistcl, alsmede de onmacht onzer ziel om haren schepper waardig te loven, en als deden wij eene verzuchting naar het ononderbroken, eeuwig Alleluja, hetwelk wij geroepen zijn met de Ouderlingen en de vele scharen zeggende: Alleluja! van den H. Joannes, te zingen in het hemelsch Jerusalem (zie Romsée Tom. IV, Art. X, 5, 6). Tan lieverlede begon men op die noten-reeks woorden te maken. En ziedaar de oorsprong der Sequentise d. i. Vervolg, als volgende na :t Graduale, den Tractus of \'t vers, bij wijze van aanhangsel in plaats van \'t Pneuma. Daarom zegt de Kardinaal Hugo : Sequentia en Kemna hebben dezelfde beteekenis. — Eindelijk maakte men voor die Allelujatische noten al te uitgebreide stukken, zoodat hiervoor afzonderlijke zangwijzen moesten worden vervaardigd, in toonaard, toonwijze of modus vaak verschillend met dien van \'t Alleluja. Zoo ontstonden de nieuwere Sequentia?, veelal ook Prosse ge-
— 11 —
naamd, omdat zij gewoonlijk uit leonische verzen, (wier eerste uitvinder is, Xotker, monnik van S. Gallen, in de lU,lr eeuw), of verzen zonder maat, d. i. rijmende Prosa, bestaan; waarvan er hoofdzakelijk vier in gebruik zijn: Victim» Paschali met Paselien, Veni Sancte Spiritus met Pinksteren, Lauda Sion met Sacramentsdag en Dies irse in eenige Missen voor overledenen (Bened. XIV. De Festis, T. II. DXVIII), eu waaraan wij niet Eonisée, De Herdt, Lebrun enz. toevoegen liet roerende Stabat Mater op :t Feest der 7 Weeën van Maria.
Schrijvers der Prosge.
w
1/ ictimte Paschali wordt toegeschreven vol-7 gens eenigen aan Hermann (bijgenaamd Contractus) monnik f 1(54; volgens anderen aan Otger, Abt van St. Gallen. (Bened. XIV, deFest-p. I, CCCCXXI). Veni sancte spiritus en Stabat Mater aau Innocentius III f 1216, een\' der geleerdste, vroomste en grootste Pausen. Benedict. XIV, De Fest. p. I, DXVIII, et p. II, Lil, houdt dit gevoelen voor \'t waarschijnlijkst ; anderen schrijven \'t Stabat Mater toe aan Jacopone da Todi o. s. Fr. f 13C6. Lauda Sion is van St. Thomas (O. S. Dom.) 7 Maart
— 12 —
1274, oud slechts 48 jaren. Ofschoon zoo jong;, Kmi werd hij genoemd: de Engel der School, de Engelachtige Leeraar, de Adelaar der Godgeleerden. De schoonste Lofzangen der Kerk zijn van O St. Thomas als: Laud a Si on, Pange Lin- luis gua, Sacris soleinniis, Adoro te. Verbum V supernum. — Santeuil 1 1697 die vele Hym- V. ( nen schreef van het Getijboek, wilde gaarne al aan zijne dichtstukken geven voor de eene volgende ren strophe van het verbum Supernum: M Se nascens dedit socium, omt Convescens in edulium, mee Se moriens in pretium, toe Se regnans dat in pnemiuin. cas Bij zijne geboorte gaf Hij zich ons tot Gezel, aan Medeëtend (in \'t laatste Avondmaal) tot spijs. Min Stervende tot prijs, 127* In zijn Kijk geeft Hij zich ons ten loon. naai
S. J
Wie is de Dichter vau den «Dies irse ? stin
Htoectoec
et gaat met den dichter van den Dies ine, van
het juweeltje der gewijde Poësie, als met de Don
geboorteplaats van het juweeltje der dichters. mak
Zeven steden immers betwisten elkander de eer, P., !
de wieg en bakermat te zijn geweest van Ho- 1294
merus, naar luid van \'t bekende vers: p. 2
- 13 —
iong1, Smyrna, Rhodes, Colophon, Salamis, Chios, Ar-Eu- gos. Athense;
leer- Orbis de patria certat, Homere, tua.
van Ook aan meer dan zeven schrijvers, wordt de fjin- luister toegekend den Dies irse te hebben gedicht, bum Wion Arn. O. S. B. zegt (Ligni vitte Lib. [ym- V. C. LXX): Eenigen schrijven dezen hymnus toe ie al aan den H. Gregorius den Groote f 604, ande-ende ren aan den H. Bernardus iquot; 1153.
Merati (in Gavanti Parte I1 Tit. V) zegt: omtrent den Dichter dezer Sequentia gaan de meeningen uiteen. Leander Albertus schrijft hem toe aan den Kardinaal Ursinus Ord. Proed. Lucas Wadding aan Thomas van Celano; anderen ezel, aan den H. Bonaventnra, achtsten Generaal der spijs, Minderbroeders-Orde, Bisschop en Kardinaal f 1274. of aan Mathaeus Aquaspartus ook Kardinaal en Generaal derzelfde orde. — Possevinus S. J. (in Apparat. sacro) zegt, dat hij aan Augu-®quot; ? stinus Bugellensis van Piemont O. S. Aug. wordt toegeschreven, doch dat de ware schrijver daar-iric, van is Humbert de Romans, vijfde Generaal der t de Dominikanen f 1277. Anderen houden voor zijn ters. maker den Kardinaal Malabrauca-Frangipani (». eer, P., Bisschop van Yelletri (1278) en overleden in Hu- 1294, zooals Guillois (Explic. du Cathéch. T. IV p. 269, Romsée, Tom. IV, art. X, n» 8) en Ca-
valarus bij Grundmayer (Litli. Woordenboek). — Wederom anderen, Humbert II O. Pried, en Bisschop (f 1355). Doch de meesten, zegt de gevierde Dichter en geleerde Professor van der Ploeg f 1881, in zijn „Herderlijk jaar p. \'288quot;, houden voor den maker Thomas van Celano, een\' Minderbroeder, die in 1250 in Italië leefde. Ofschoon alzoo de Dichter niet bepaald kan worden aangewezen, schijnt \'t toch niemand anders te zijn, dan Thomas van Celano. —• Ja, in de dertiende eeuw, toen ook voor \'t eerst weerklonken de hymnen: Pange Lingua, Verbum Supernum, Adoro te, Lauda Sion, Veni Sancte Spiritus, Stabat Mater, dichtte, zegt Hülskamp, Thomas van Celano in den schokken-den Dies ine, het volmaakste en onnavolgbaar-ste kerklied, dat wij bezitten. Thomas v. Celano dichtete in dem erschütternden Dies irse das vollendetste und unnachahmlichste Kirchenlied, das wir besitzen (Dr. Fr. Hülskamp, Zeitge-masse Broschüren; Die Siege der Kirche im 13 jahrhundert, Munster 1871).
Het hoofdbewijs, het oudste en daarom wel het sterkste, voor dit tegenwoordig algemeen aangenomen gevoelen berust op de getuigenis van Albizzi, ook genaamd Bartholomeüs van Plsa, in zijn: Liber Conformitatum an° 1385, waarin
hij schrijft: ... locum habet Celani, de quo fuit frater Thomas, qui mandato apostolico scripsit serraone polito legeudam primam beati Fran-cisci, et prosain de mortuis, quse cantatur in Missa, Dies irre, dies illa, dicitur fecisse, d. i..... heeft plaats te Celano, waar Broeder Thomas van daan was, die, op apostolisch bevel in nette taal de eerste Pro sa schreef van den H. Franciscus (welke heden nog in de H. Mis, op !t Feest van dien heilige. 4 Oct. door de Orde moet gehouden worden), en die men zegt ook de Prosa van de overledenen, welke in de Mis gezongen wordt; Dies ir.ie dies illa, gemaakt te hebben. Ook Lucas Wadding, de geschiedschrijver der Franciscaner-Orde, staaft deze meeuing door de volgende zeer merkwaardige woorden in zijn boek; Bibl. Scriptor. Ord. Min. Tom. I, nquot; 78 p. B94: an11 1650: Sèquentiam illam ... „Sanctitatis nova Signaquot; cecinit Frater Thomas de Celano, cujus et illa solenmis mortuorum: Dies irre dies illa opus est, licet alii earn tribuere velint fratri Matthseo Aquas-partano, Cardinali ex Minoritis assumpto. Die Sequentia ... „Nieuwe teekenen van heiligheidquot; zong Broeder Thomas van Celano, die ook de plechtige Sequentia der overledenen gemaakt heeft, Dies ir», dies illa, ofschoon anderen die
— 16 —
willen toeschrijven aan Broeder Matlisens Aquas-partanus, Minoriet en Kardinaal.
In Italië vinden wij den Dies ira reeds in de veertiende eeuw tot kerkelijk gebruik geheiligd. Oude hoeken hebben meestal tot opschrift dezer Prosa: „Meditatie vetusta et venusta de novis-simo Judicioquot; oude en schoone betrachting over het laatste Oordeel. Fr. von Meyer drukt zich in deu „Lichtboten, Jahrgang 1808 over den Gigautenhymnus volgenderwijze uit; Dies Schauer-liche Gedicht, arm an Bildern, ganz Gefübl, schlagt wie ein Hammer mit drei geheimnisvol-len Reimklangen au die Menschenbrust. Mit dem Emphindungslosen der es ohne Schrecken lesen, und ohne granen horen kann, möchte ich nicht unter eimem Dache wohnen. Dit schokkende Gedicht, arm aan Beelden, heel gevoel, klopt als een hamer met drie geheimzinnige rijmklanken aan \'s menschen hart. Ik zou met den gevoellooze, die het zonder schrik lezen of zonder ijzing hooren kan, niet gaarne onder een dak wonen.
Onder literarisch opzicht wordt de Dies ine door de Protestanten bijzonder, hoog geschat. Zoo zegt onder anderen Daniël: uno omnium consensu sacree poëseos summum decus et Ecclesiae latinse Ke iulTiAiov est pretiosissimum. Hij is, volgens aller eenstemmig gevoelen, de hoog-
ste luister der gewijde Poësie en het kostbaarste juweeltje der latijnsche Kerk (Tlialliofer, Kirchenlexicon a. v. Dies irse). — Men kan den Hymnus beschouwen als een Bijvoegsel der voorzegging van Sophonias I, 14—18: der Ps. CU en XXVII; en 11 S. Pet. III, 10. Er bestaan daarvan minstens 80 verscheidene Duitsche Vertalingen en Navolgingen.
Thomas, naar het hedendaags algemeen gevoelen, de maker van den Pies irse, was geboortig uit Celano, een stadje van Italië, in Abruzzo. Hij werd in het jaar 1213 door den H. Franeis-cus van Assisië zeiven in de Orde der Minderbroeders opgenomen, was, volgens Thalhofer, in 1222 Custos van de Conventen Mainz, Worms en Keulen, vervaardigde op verlangen van Paus Gregorius IX, de eerste levensbeschrijving van den H. Pranciscus van Assisië (Act. Sanct. Oct. II, C83) en wel, gelijk P. Jeiler, O. S. F. (Kirchenlexicon a. v. Franz. v. Assisi) zegt, kort na 1226. Ook schreef hij, in 12-16 zegt Jeiler, op last van zijne kloosterlijke Overheid, als Bijvoegsel, eene tweede, veel grootere legende van denzelfden Heilige en stierf omstreeks 1255.
— .18 —
DIES IM.
1. Dies irse. dies ilia,
Solvet sseclum in favilla ;
Teste David cum Sibylla.
2. Quantus tremor est futurus, Quando Judex est venturus, Cuncta stricte discussurus!
3. Tuba minim spargens sonum Per sepulcha regiouum,
Coget omues ante thronum.
•J-. Mors stupebit, et natura, Cum resurget creatura, J udicanti responsura.
Liber soriptus proferetur In quo totum continetur,
Unde mundus judicetur.
(gt;. Judex ergo cum sedebit, Quidqnid latet, apparebit; MI inultum remanebit.
7. Quid sum miser tunc dicturus? Quem patronuin rogaturus? Cum vix Justus sit secnrus.
8. Rex tremendae majestatis, Qui salvandos salvas gratis; Salva me fons pietatis.
9. Recordare Jesu pie,
Quod sum causa tufe vi», Ne me perdas ilia die.
— 19 —
DAG DES TOORNS.
1. Dag- des Toorns, die dag des Heeren Zal \'t Heelal tot assclie keeren,
Naar Sibyl en David leereu.
2. Wat zal :t zijn een ijslijk schrikken, Tot den Rechter op te blikken,
Komend alles streng\'lijk wikken!
H. Wonder zal \'n baznintoon-vallen Door der Dooden wone scliallen.
En ter Vierschaar dagen allen.
4. Dood zal en Natuur verstommen, Wen door die verrezen Drommen,
Gods Gericht moet opgeklommen.
5. \'t Boek, waarin staat opgeschreven Wat de mensch ooit heeft bedreven. Wordt ten oordeel aangegeven.
(i. Als de Rechter is gezeten.
Wat verborgen was, geweten.
Wreekt Hij alle plichtvergeten.
7. Wat zeg \'k, arme, dan van schroome\'? Wien vraag \'k die ter hulpe kame?
Daar nauw veilig is de Vrome!
8. Sidd\'ringwekkend — machtig Koning, Die de Uw\' redt uit g\'ua-betooning; Bed me ook Bron van Goed en Looning.
9. Jesus goed, denk mijnentwegen Kwaamt ge, als mensch, op aard\' gestegen. Spreek dien dag me uw vloek niet tegen.
— 20 —
10. Quferens me. sedisti lassiis: Rcdeniisti crucem passus: Tantus labor non sit cassns.
11. Juste judex ultionis.
Donuni fac remissionis Ante diem rationis.
12. Ingemisco tamquam reus, Culpa rubet vultus mous; Supplicant! paree Deus.
IH. Qui Mariain alisolvisti, Et latronem exaudisti,
Jlihi quoque spem dedisti.
14. Preces me® non sunt dignre: Sed tu bonus fac benigne, Xe perenni cremer igne.
15. Inter oves locum prsesta, Et ab hoedis me sequestra, Statuens in parte dextra.
10. Confutatis raaledictis, Flammis acribus addictis, Voea me cum bouedictis.
17. Oro sujiplex et acclinis, Oor contritum quasi cinis: (xere curam mei fiuis.
IS. Lacrymosa dies illa, Qua resurget ex favilla Judicandus homo reus;
10. Huic ergo paree Deus. Pie Jesu Domine,
Dona eis requiem
Sempiternam. Amen.
— 21 —
10. Moêvol hebt gij me op gaan spoveu: \'t Kruis, mijn Losprijs, uitverkoren: Zoo groot werk zij niet verloren.
11. Rechter der gerechte Wrake,
Geef dat ik vergiffenis smake Vóór de Keek\'ningsdag genake.
12. God \'k hen pliehtig vóór U zucht ik,_ Schaamrood om mijn schulden ducht ik: Spaar mij, Smeekling, tot U vlucht ik.
li). Die Maria \'n zondig leven
En een\' Eoover hebt ontheven,
Hebt ook hope mij gegeven.
14-. Mijn gebed verdient :t niet: — Goede! Doch uw goedigheid behoede.
Mij voor de eeuw\'ge vlammen-woede!
15. Wil mij bij de Schapen leiden.
Van de Bokken afgescheiden ,
Aan uw rechter mij verbeiden.
1(5. Hebt Gij quot;t Doemtal tot \'t gerezen Bitt\'re vlammen-vuur verwezen,
Eoep dan mij met de Uitgelezen\'!
17. ?k Bid u. smeek, kom knielend vragen, \'t Hart als asch met rouw geslagen. Voor mijn einde zurg te dragen.
IS. Weenensvol zal die dag wezen,
Als d\' uit asch, met schuld verrezen Mensch, moet \'t oordeel voorgelezen!
IS). Daarom, God, wil sparen Dezen!
Goede Jesus, mild en teêr.
Geef d\' in U ontslaap\'nen. Heer!
De eeuw\'ge ruste. Amen.
Toelichting.
1.
Dias irse, dies illa,
Solvet sseolum in favilla:
Teste David cum Sibylla.
Dag- des Toorns, die dag des Heereu, Zal \'t Heelal tot assclie keereu,
Naar Sibyl en David leeren.
Se stem van des Heeren dag is bitter (Soph. I). G-elijk do bliksem uitgaat van het Oosten en licht tot in het Westen, zóó zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn (Matth. XXIV, 27). Brand! Brand! Brand!.... De wereld brandt !... Dc wereld brandt!... Dc lieele wereld staat in vollen brand?... Tempels branden, paleizen branden , huizen branden, steden branden, menschen branden, dieren branden, vogelen en visschen branden, hoornen, planten, bloemen branden; steenen en metalen branden, de ingewanden van bergen en zeeën branden, alle werken der kunst en natuur branden, Brand! Brand! Brand! De lieele wereld staat in vollen brand!... Dat is de dag van \'s Heeren toorn! Die dag zal verschijnen met vuur (I ad Cor. III, 13)! De tegen-
woordige hemel en aarde worden bewaard voor het vuur tot deu dag- des oordeels (II Pet. III, 7). Op dien dag zal de hemel met groot ge-druisch vergaan, en de elementen zullen door de hitte ontbonden, en de aarde en de werken, die
op haar zijn, verbrand worden (v. 10)!.....
Stormen loeien, golven woeden, bliksemen flikkeren , donders rollen, groot eene aardbeving komt, hoedanige er nooit eene geweest was. sedert de menschen op de aarde waren, zoodanig eene aardbeving, zóó groot (Apoc. XVI, 18). — De zon verduistert, de maan geeft haar licht niet, de sterren vallen uit een hemel, de krachten der hemelen worden geschokt, (Matth. \'24-, 29), de lucht gloeit, de bodem kookt. De groote dag des Heeren is daar! Een dag van toorn is die dag, een dag van verdrukking en benauwdheid, een dag van rampen en ellenden, een dag van stikdonkere duisternis, een dag van nevel en van onweders, een dag van bazuingeschal en
trompetgeschetter!..... Door het vuur van zijne
verbolgenheid zal de aarde verwoest worden: want met haast zal hij eene voleinding maken met al de bewoners der aarde (Soph. I, 14 et sqq.). Brand! Brand! Brand!.... De heele wereld is verbrand!... Ach! Ach! ziedaar het nietig srausch der bestemming van het heelal, dat won-
— 24 —
schoon pronkstuk van Ckuls almachtige hand. Met goddelijkeu eenvoud lieeft Mozes in zeven woorden ons dieus schepping verhaald: In prin-cipio creavit Deus eoelum et terram. In den beginne heeft God hemel en aarde geschapen (Gen. I: 1). Met denzelfden eenvoud en in zeven woorden verhaalt ons Thomas van Celauo diens ondergang: Pies illa irse solvet sseclum in fa-villa! Die dag des toorns zal de wereld tot asch onthiuden. — David, heilige Man, groote Ziener, koninklijke Harpenaar , verheven Zanger, nwe getuigenis wordt ingeroepen! (David): Sta op mijn luister en harpe (Ps. 56, 9)! zegt onder de volkeren dat de Heer Koning is (Ps. 95, 10). Rondom hem zijn wolken en duisternis: rechtvaardigheid en oordeel zijn de vastheid zijns troon.?. Een vuur gaat voor zijn aanschijn henen en \'t steekt rondom zijne vijanden in hrand. Zijne bliksemen lichten over het aardrijk: do aarde ziet ze en wordt ontroerd. De hergen smelten als wasch voor \'t aanschijn des Heeren: voor :t aanschijn des Heeren van heel het aardrijk (Ps. 96). Hij zal den aardbodem oordeelen met rechtvaardigheid : en de volkeren met zijne waarheid (ib. 95, 13). Het vuur zal voor zijn aanschijn met nieuwe kracht ontvlammen en de aarde in
assclie leggen en rondom hem zal een groote storm zijn (Ps. 49, 4)!
Ook gij, Sibylla, wordt opgeroepen, getuig: Exuret terras ignis, pontumque polumque Inquirens, tetri portas effringet Averni. Een vuur zal de aarde verteereu, zee eu hemel doordringen, of de poorten van den zwarten afgrond overweldigen.
Quantus tremor est futnrus, Quando Judex venturus,
Cuncta sti-icte discussurus! Wat zal \'t zijn een ijslijk schrikken, Tot den Rechter op te hlikken. Komend alles streug\'lijk wikken 1
e Hechter gaat komen: Ik geloof in J. Ch—
die zit aau de Rechterhand des Vaders Almachtig, van daar zal hij komen oordeelen de levenden en de dooden. Het Kruis, \'t teeken van den Zoon des menschen is verschenen aan den hemel. De H. Aartsengel Michaël, de Teekendrager (signifer). Hoofd van het hemelsch heer, staat er mede in de lucht: Hij heeft de eer het veldteeken te dragen des Rechters van levenden
— 26 —
en dooden. Dan zullen al de geslachten der aarde schreien en zij zullen den Zoon des ineu-schen zien komen op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid (Matth. 24, 30). Die Zoon des menschen wie is Hij? Jesus Christus aller Heer (act. Apost. X, 37). Hij zal komen in vlammen van vuur (II ad ïhess. 1, 8), in eene verheerlijkte gedaante meer dan mensch, daarom zal Zijn lichaam dan oneindig schitterender zijn dan de zon (S. Thom. Suppl. q. 90 art. 2). Zijne oogen zullen zijn als eene vuurvlam (een zinnebeeld van zijne alles doordringende kennis, zijne alwetendheid, en zijn heiligen toorn tegen zijne vijanden). En zijne stem zal zijn als het gedruisch van vele wateren (een zinneheeld van zijne goddelijke Majesteit Beelen in Apoc. I, 14, 15). Hij zal komen in de heerlijkheid zijns vaders met zijne engelen (Matth. XVI. 27). Dan zal alle tong belijden, dat de Heere J. Ch. is in de heerlijkheid van God den Vader (ad Philip. II, 11). Alle oog zal hem zien (Apoc. I, 7). De menschen zullen verdorren van schrik (Luc. 21, 26), als do Heer, de God der wraken, de God der wraken, die de wereld oordeelt, zich verheffen zal (Ps. 93, 1, 2); want wie, Heer, kent het vermogen uwer gramschap, en kan opwegen, volgens dat gij te \'\'ree-
zen zijt, uwe verbolgenheid (Ps. 98, 11)! De heuvelen der wereld zijn neder gekromd van de wegen zijner eeuwigheid (Hah. 3, 10). Deze Eechtsmacht heeft Christus zich verdiend: Hij vernederde zich zeiven, daar hij gehoorzaam was tot den dood, en wel den dood des krnises. Daarom heeft ook God hem verheven (ad Philip. II, 8, 9). Daartoe is Christus gestorven en verrezen opdat hij heerschen zou over dooden en levenden (ad üom. XIY, 9).
Tuba mirum spargens sonum Per sepulcha regionum,
Coget onmes ante thronum. AVonder zal \'n bazuintoon-vallen, Door der Dooden woue schallen, En ter Yierschaar dagen allen.
n hij zal zijne engelen uitzenden met bazuin
en groot geschal, en zij zullen zijne uitverkorenen verzamelen uit de vier winden, van de uiterste einden der hemelen tot aan hunne uiterste einden (Matth. 24, 31).
Daar klinkt van den hoogen hemel een krachten prachtvol doch ongehoord en wonderbaar geluid. Dat is de bazuin van den Heer der heer-
— 28 —
scharen, die allen komt opeisehen ten oordeel. Wi
Want de Heer zal zelf op een bevel, en op de ik
stem van een Aartsengel en op de bazuino Gods, en
van den hemel nederdalen (ad Thess. IV, 15), ve
en in een stip, in een oogenblik bij \'t laatste we
bazuingeschal zullen wij allen verrijzen (1 ad za
Cor. XV, 52). De ure komt, waarin allen die in de
de graven zijn de stem van den Zoon Gods ze
zullen hooren en zij zullen hunne graven uit- 2f
gaan (Joan. V, 28). Die stem is als eene bazuin (Apoc. I, 10). Haar toon zal schallen tot in de li
diepten der graven, op den bodem der zeeën, in oi
deu kerker des vagevuurs, in den afgrond der il
hel, en in de hoogste hemelen en zal luiden: v
Dooden staat op en komt ten oordeel! Dan zal n
God door middel der menschheid van Christus li
de zielen vereenigen met de lichamen (S. Tho- u
mas sup. 3 p. q. 76, art. I) en die onafzienbare i, i menschenzee van Abel den eersten doode, tot den laatslevende zal, door eeue goddelijke macht voortgestuwd, heênstroomen naar \'s Heeren .Rechterstoel. Allen toch zullen wij ten oordeel staan voor den Rechterstoel van Christus (ad Kom. 14, 10). Zoo waar ik leve, zegt de Heer, voor mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God huldigen (ib. v. 11 et Isais XLV; 23). — Ik geloof in de verrijzenis des vleesches.
1
- 29 —
Want ik weet dat mijn Verlosser leeft; en dat ik ten jongsten dage uit de aarde verrijzen zal, en dat ik weder bekleed zal worden met mijn vel: en mijnen God in mijn vleeseli aanschouwen zal, dien ik zelf, en niet een ander zien zal, en dien mijne oogen aanschouwen zullen: deze mijne hoop is opgesloten in mijnen hoe-zem.... Weet dat er een oordeel is (Joh XIX, 25 et sqq.)
Doorboor, o Heere, mijn vleesch met uwe heilige vreeze. want ik ben beschroomd voor uwe oordeelen (Ps. CXYIII, 120)! Heere, waar zal ik mij, als gij de aarde zult komen oordeelen, voor \'t aangezicht uwer verbolgenheid verbergen, omdat ik zeer veel gezondigd heb in mijn leven. Ik ontstel en bloos voor u over mijne misdrijven; wil mij toch als gij komt oordeelen, niet veroordeelen (Offle. Def. Resp. Ill, I Xoct.)
1
4.
Mors stupebit, et natura, Cum resurget creatura. Jndicanti responsura.
Dood zal en Natuur verstommen, Wen door die verrezen Drommen. Gods Gericht moet opgeklommen.
e Bood zeide: dood is dood: en meende dat de mensch, eens in zijn rijk, daar eeuwig zou blijven, doch op het geschal der baznine Gods, vallen de grendels van de poorten zijns akeli-gen kerkers en de Hechter van levenden en dooden roept: dooden staat op en komt ten oordeel! De dood zal hen zien opstaan en gaan; en zal verstommen. Die groote alverdelger, wien, gezeten op een vaal paard, sinds Adams val, macht was gegeven over de vier deelen dei-aarde. om te dooden door het zwaard en door honger en door pest en door de wilde dieren der aarde (Apoc. VI, 8), hij wordt door den-gene, die de sleutelen heeft van Dood en hel (Apoc. I, 18), en zich noemt: Ik ben de eerste eu de laatste, de levende; met de onderwereld geworpen in den vuurpoel Apoc. (XX, 14-).
Waar is, o Dood, uwe overwinning (I ad Cor. XV, 55), Waar is, o Dood uw prikkel? (:t wapen waarmee ge uwen doodsteek toebracht). De dood is verslonden tot overwinning d. i. vernietigd ; eene volmaakte overwinning is over haar behaald; want dit sterfelijke heeft de onsterfelijkheid aangedaan (ib.) Die prikkel, [dat moordtuig d. i. de zonde: want door de zonde is de dood in de wereld gekomen en op alle mensch en
— 31 -
overgegaan, en heeft zij over allen gelieerscht (Rom. V. 12, lé)]; hij bestaat niet meer, is verstompt. Ik, zegt de Rechter, ben door mijn dood, uw dood, mv ondergang en te gelijk heb ik door mijn beet de hel verslonden. Dit machtig werk, de Rechter begon het bij zijne verrijzenis en zal \'t voltooien in \'t laatste oordeel. Natuur. Zij ook zal verstommen, omdat in haar niet de minste werkende kracht bestaat om deze verrijzenis te veroorzaken. De H. Thomas bewijst dat de oorzaak onzer toekomende verrijzenis, bestaat in de verrijzenis van J. Ch. De goddelijke gaven, zegt hij, komen tot de menschen door bemiddeling der menscheid van Christus; en even als wij niet kunnen verlost worden van den geestelijken dood, dan door do gave der genade, welke ons door God geschonken wordt, zoo ook kunnen wij niet verlost worden van den lichamelijkeu dood, tenzij door de verrijzenis, welke door eene goddelijke kracht is uitgewerkt (Sup. 3, p. q. Tfi, art. I). En de H. Alf. zegt (Dogm. werken II Deel nquot; 4-, p. 215); zoodra men het geloof ter zijde stelt, kan men door niet één bewijs de mogelijkheid des verrijzenis aantoonen. Dien ten gevolge zeggen wij met den H. Thomas: de H. Vaders in \'t algemeen, zoo als de HH. Dionysins, Chrysostomus,
Augnstinus, Gregorius en al de Godgeleerden dat de verrijzenis der lichamen geheel bovennatuurlijk en wonderdadig is. De menschen van den duivel verlossen, kunnen ook de menschen, ofschoon slechts door Gods woord; maar den dooden de verrijzenis gebieden behoort alléén aan de goddelijke macht (S. Arab. 1. IV in cap. IV Lucre, sub linein). Dank zij God, die ons de overwinning gegeven heeft door onzen Heere Jesus Christus. Derhalve, mijne geliefde broeders, weest standvastig en onbewegelijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren, wetende dat uw werk niet ijdel is in den Heere (d. i. niet vruchteloos is), maar eenmaal in het andere leven door hem zal beloond worden (I ad Oor. XV: 57, 58).
5.
Liber scriptus proferetur In quo totum continetur,
Unde mundus judicetur.
\'t Boek, waarin staat opgeschreven Wat de mensch ooit heeft bedreven.
Wordt ten oordeel aangegeven.
n uw boek worden zij allen opgeschreven (Ps. CXXXVIII, 16). Dat geschreven boek.
— 83 —
\'t welk zal worden aangebracht, en \'t volgend vers heblen betrekking op rt gezegde bij den Profeet Daniël VII, 10: Het oordeel is gezeten en de boeken zijn opengedaan; en bij den H. Joannes: Boek der Openbaring XX, 12: En ik zag de dooden, grooten en kleinen vóór den troon staan eu er werden boeken, geopend; en er werd een boek geopend, \'t welk dat des levens is. En de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven stond, dat is naar hunne werken. Op beide plaatsen is er spraak van :t laatste oordeel. Die boeken, zegt Prof. Beelen, beteekenen zinnebeeldig de volmaakte kennis, welke de Hechter heeft van ieders daden.
De Dichter van den Dies ine vat, dunkt ons, die boekeu Collectief samen, in \'t enkelvoud: „Liber scriptusquot; of hij gebruikt het enkelvoud voor die kennis en openbaring des Hechters, welke ieders gewetens-boek bestraald en openbaart en gaat daarna iu \'t volgend vers over van het generale tot \'t particulare (van \'t algemeen tot \'t bijzonder): Judex ergo... qnidquid latet uil inultum etc.
Veel is hierover geschreven; t beste, dunkt ons, door C. A. Lapide in Apoc. en Suarez in
3
— 3i —
Biam partem S. Thonife. — A. Lapide, na vier meeningen verworpen te hebben, zegt: Ik hond echter, dat deze, de boeken zijn, in de welke ieders werken, zoo goede als kwade geschreven zijn, opdat daaruit elkeen worde geoordeeld. Want over deze wordt er bijgevoegd: De dooden werden geoordeeld uit \'t geen in de boeken geschreven stond, naar hunne werken. Want noch in de H. Schrift noch in de tien geboden en de wet Gods, kunnen ieders werken gelezen worden, op wat wijze namelijk ieder die vervuld heeft. Deze boeken zijn daarom elks geweten en geheugen, waarin als in boeken, elks werken, zoo goede als kwade geschreven zijn. En ofschoon deze boeken in zich zouden vergaan, dat de geheugenissen der menschen namelijk hunne werken zoude vergeten, deze blijven echter bewaard in Gods alwetendheid, waarin insgelijks, ieders werken en gewetens geprent staan en geschreven. Dien ten gevolge zijn deze boeken in de menschen hun geweten, in God do wetenschap en keunis van ieders daden.... Zoo houden \'t de Schriftuur-verklaarders in \'t algemeen en Fr. SuareZ 3 p. q. 59, art. (i Disp. 57 Sect. IX. Welnu, God zal in den dag des oordeels deze boeken openen.
Suarez (1. c. nquot; 3) zegt: De ware en meest letterlijke uitlegging schijnt te zijn. dat de vele
— 35 —
er te openen boeken, aller menschen en engelen gewetens zijn, waarin ieders plichten, zoowel
rs als ieders werken zullen geschreven staan, vol-
n i gens Isaias LI, 7. Mijne wet is in hunne har-
er ten; en Ps. 36, 31; De wet van zijnen God is
g_ in zijn harte, en Jerem. XVII, 1; De zonde van
(I Juda is geschreven met een ijzeren griffel in
ft een diamanten nagel, uitgegrift op de breedheid
n- hunner harten. — Alzoo moet iedereen geoor-
se deeld worden uit \'t geen in zijn geweten ge-
3n schreven was. Daarvandaan zegt de H. Paulus
in (ad Kom. II, 6) ; Gij vergadert u een schat van
ile toorn op den dag des toorns en der openharing
in van het gerechtig oordeel Gods, die een iegelijk
3i. vergelden zal naar zijne werken en verder (v.
•e. 15): zij toonen dat het werk der wet geschre-
■e. ven staat in hunne harten terwijl medegetuigen
en daarvan zijn hun geweten en hunne gedachte,
en De doeners der wet zullen als gerechten be-
mi loond worden, ten dage dat God het verborgene
au (de uiterlijke daden niet alleen, maar ook do
gt;1-. innerlijke, de gezindheden der harten, het thans
q nog verborgene) der menschen zal oordeelen, en
in dit door J. Ch., die door God is aangesteld tot Rechter van levenden en dooden (Hand. X, i2
!St II ad Cor. V, 10), naar mijn Evangelie, dat is
gt;le volgens de leer, welke ik verkondig eu die ik
— 36 —
doov eene openbaring van J. Ch. ontvangen heb (Gal. I. 11, 12). Zie Beelen. \'t Is bijgevolg-juist als wij door cle boeken, die moeten geopend, en waaruit de doodeu moeten geoordeeld worden ieders geweten en geheugen verstaan met S. Hier. en Theodor. Dan VIL Ook juist verstaan Hier. en Aug. door het boek des levens, dat boek der levenden, of die goddelijke alwetendheid waarin alle voorbeschikten geschreven zijn.
Wij leeren hieruit, zegt Perrone, dat al wat in de H. Schrift over de boeken en \'t onderzoek te lezen staat metaphoriseh of overdrachtelijk moet worden verstaan. (De Extremo judi-cis n0 663).
et zal zijn op dien dag zegt de Heere: Ik
6.
Judex ergo cum sedebit, Quidqnid latet, apparebit; Nil inultum remanebit. Als de Rechter is gezeten. Wat verborgen was, geweten. Wreekt Hij alle plichtvergeten.
zal Jerusalem doorzoeken met lampen (Soph.
L 12).
5U En ik zal bezoeking doen over de zonde der
lg\' aarde en tegen de goddeloozen over hunne
0- hoosheid Is. 13, 12.
ld Hier hegint het eigenlijke oordeel. Het is een
m geloofspunt dat er een laatste oordeel zal plaats st \' hebben, waar ieder mensch, voor Christus den Rech-
is, ter zal moeten verschijnen, om over al zijne wer-
e- kon geoordeeld te worden en een vonnis ten
;n eeuwigen leven, of ten eeuwigen dood te ontvangen. Dit belijden wij: van daar zal hij komen oor-
at deelen de levenden en de dooden; cn in \'t Sym-
r- bolum van den H. Athanasius: Bij wiens komst
li- alle nienschen met hunne liehamen zullen moeten
1- verrijzen en rekenschap geven van hunne eigene
werken. Als nu de zoon des mensehen zal gekomen zijn in zijne heerlijkheid en al de Engelen met Hem , dan zal hij gaan zitten op den troon zijner heerlijkheid (ib. 25, 31). — En ik zag een grooten witten troon, (een zinnebeeld van do majesteit en heerlijkheid dergenen, die daarop gezeten was), en hem die daarop zat. den Rechter; aarde en hemel vlood weg voor zijn aanschijn, als verblind en beschaamd over zoo veel glans (Ap. 20. 11). — Al de Engelenlegioeneu be-k geleiden hun Koning. Men denke, met den H.
1\'. \' Gregorius, die scharen van Engelen in zichtbare
— 38 —
gedaante, den God-mensch omgevende. En voor hem zullen vergaderd worden al de volken, (Matth. 25, v. 32). Volgens den H. Thomas, wordt met waarschijnlijkheid nit de H. Schriftuur afgeleid (Sup. q. 88, art. 4), en door de Godgeleerden algemeen aangenomen, dat de plaats des oordeels zal zijn \'t dal van Josapliat, tus-scheu de muren van Jerusalem eu den Olijfberg.
De H. Schriftuur zegt: Ik zal alle volken verzamelen en hen voeren naar het dal van Josapliat, en daar zal ik over hen oordeel houden (Joel. III, 2). Dat zij opstaan de volken, en opgaan naar het dal van Josaphat, want daar zal ik zitten om alle volken in het rond te oordee-len (ib. 12). Dat de profeet hier spreekt over \'t laatste oordeel, is het gevoelen der godgeleerden in \'t algemeen; huitendien houden de leer der H. Vaders en de Christelijke overlevering haar altijd voor eene aankondiging van het groote wereldgericht aan het einde der tijden.
De H. Thomas zegt op de woorden der Engelen na Christus Hemelvaart (Hand. I, 11): Deze Jesus, die van u is opgenomen in den hemel, zal alzóó komen, gelijk gij hem hebt zien heengaan naar den hemel; dat de Zaligmaker ten hemel klom van den olijfberg, aan wiens voet zich \'t dal van Josaphat bevindt. Volgens
— SO-
de woorden zal hij alzóó komen, zal hij derhalve in die plaats komen oordeelen. En :t is zeker betamelijk dat J. Ch. door nederdale, om \'t laatste zijner werken te voltooien, waar hij de verlossing voltrok door \'t offer zijns levens aan \'t kruis, en zoo de schande van \'t kruis door zijne verheerlijking uit te wisschen. En hij de woorden van Zacharias (XIV, 4) voegt Calmet deze verklaring: En de volken znllen zich aan den voet diens hergs bevinden in het dal van Josaphat (1).
Is nu het oordeel gezeten, dat is: J. Ch. op een glansrijken wolkentroon, dan worden de boeken geopend (Dan. YII, 10). De Rechter zal, zegt de H. Aug. (Lib. 20, de Civ. Dei C. 14) bij allen die geoordeeld worden, al hunne werken met hunne omstandigheden, gelijk zij ze gedaan hebben, in \'t geheugen brengen; niets is er bedekt, dat niet ontdekt, noch iets verborgen, dat niet geweten zal worden (Matth. 10, 26.) Ik ben het, zegt de Heer, die nieren en harten doorgrond; en ik zal aan een iegelijk uwer geven naar zijne werken (Apoc. II, 2;5). Hij zal de gewetens overtuigen zonder een woord te
(1) De hebreeuwsche ol chaldeeuwsche beteckenis van het woord Josaphat belet deze uitlegging volstrekt niet.
— 40 —
spreken (ib. C. IC). Hij die al de verdiensten van ieder mensch kent, zal zonder te spreken, in één oogenMik, elke zaak, zoo als zij in waarheid is. in liet gemoed der beschuldigers en be-sehnldigden indrukken, en bewerken dat alle mensohen en de engelen eene zoo duidelijke kennis van alles zullen hebben, dat er aan niets zal kunnen getwijfeld worden. Iedereen zegt de H. Aug. zal de deugdelijkheid of do boosheid van al zijne werken kennen, ook zelfs al de gedachten die tot verdediging of beschuldiging zullen dienen. Vandaar zegt dezelfde Heilige dat allen te gelijk en allen afzonderlijk zullen geoordeeld worden. De H. Paulus heeft dit alles uitgedrukt in de woorden: hun eigen geweten, en hunne gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook verdedigende , ten dage dat God het verborgene der mensohen zal oordeelen (ad Rom. II. li), 16). Zoo velt dan geen oerdeel, vóór den tijd. tot dat de Heere komt, die ook het verborgene der duisternis aan hot licht zal brengen, en de raadslagen der harten openbaren zal; en alsdan zal aan een iegelijk zijn lof geworden van God (I ad Oor. IV, 5). (S. Alfons. XVIII Deel). Niets zal ongewroken blijven. Wij kennen hem, zegt de Apost. Paulus, die gezegd heeft: Aan mij de wraak en ik zal vergelden!
— 41 —
en wederom: De Heere zal zijn volk oorcleelen en wij weten dat hij zijne bedreigingen vervul-
Ilen zal. En vreeslijk is het te vallen in de handen, (in de strafmacht) van den levenden God! (ad Hel). X, 30, 31). De HH. Hier. Ephrem en Basilins zeggen, dat de bittere helle-vlammen den verdoemden lichter en verdragelijker zijn dan de schande en de beschaming die zij voor de heele wereld zullen moeten ondergaan, als het Lam in toorn, hun hunne boosheden zal verwijten en zij zullen roepen tot de bergen en rotsen : Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van hem die op den troon zit en voor den toorn des Lams! Want de groote dag huns toorns is gekomen en wie zal kunnen bestaan (Ap. VI, 15) ? In het oordeel zal de beschaminglen zal. En vreeslijk is het te vallen in de handen, (in de strafmacht) van den levenden God! (ad Hel). X, 30, 31). De HH. Hier. Ephrem en Basilins zeggen, dat de bittere helle-vlammen den verdoemden lichter en verdragelijker zijn dan de schande en de beschaming die zij voor de heele wereld zullen moeten ondergaan, als het Lam in toorn, hun hunne boosheden zal verwijten en zij zullen roepen tot de bergen en rotsen : Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van hem die op den troon zit en voor den toorn des Lams! Want de groote dag huns toorns is gekomen en wie zal kunnen bestaan (Ap. VI, 15) ? In het oordeel zal de beschaming
l voor den zondaar een verschrikkelijker kastij-
l ding zijn. dan zelfs het vuur der hel (H. Alph.)
: 1 quot;quot;
1
i i Quid sum miser tunc dicturus?
Quem patronum rogaturus?
I Cum vix justus sit securus.
j Hex tremendae majestatis,
1 \' Qui salvandos salvas gratis;
! Salva me fons pietatis.
Wat zeg \'k, arme, dan van schroome? Wien vraag \'k die ter hulpe kome?
Daar nauw veilig is de Vrome! Siddringwekkend-machtig Koning.
Die de Uw\' redt uit g\'na-betooning ; Eed me ook Bron van Goed en Looning.
een wonder dat des vromen dichters sidderenden vingeren liier de veder ontvalt en liij zijn beklemd gemoed uitstort in een heerlijk gebed. Schokkender tooneel is niet denkbaar. Hij staat op de gloeiende asch eener uitgebrande wereld; rondom hem woedt een eindeloos noodweer. zijn blik staart op liet stomme zwijgen der verbaasd-verrezenen. DeBazuine Gods schalt, de Rechter in uitnemende verbolgenheid treedt voor hem op. Waar zal hij heen? De rechtvaardige zelf is niet zonder bezorgdheid. — Onder Afrika\'s zengenden hemel knielt een rechtvaardige in het gloeiende zand der woestijn, \'t Is de Kerkvader do H. Hieronimus. Vasten, arbeiden, bidden dag en nacht hebben zijn verstorven lichaam ten geraamte gebracht, hij geeselt zich aanhoudend en slaat tot bloedens met een\' steen zijn vermorzeld hart om ontferming; want de vreeselijke bazuine Gods; Dooden staat op en komt ten oordeel! schalt voortdurend in zijne
— 43 —
ooren. Zoo dikwijls ik aan dien dag^ deuk, zegt hij, sidder ik over al mijne ledematen, ik kan uoch eten, noch drinken, noch iets anders doen. — Waarheen? — Geene moeder, die voor hem iveent, geen vader die voor hem spreekt.
vende plooien van den koninklijken mantel des
ii vergramden Eechters.
k Ja die Eechter is zijn Broeder, zijn Verlosser, ij de Goede, de Bron van goedheid en Barmhar-e tigheid, de goede herder, die 33 jaren het ver-1- loren schaap opgezocht, en het door zijn\' krnis-n dood gekocht heeft. En al zij het waar: Non t, hene conveniunt, nee in una sede morantur, lt Majestas et amor. Zij komen niet goed bijeen, r- noch zetelen op ééuen troon de grootmachtiger heid en liefde. Bij den Eechter vau levenden en r- f dooden hooren zij bijeen. quot;Want zoo groot als Is zijne macht is, zoo groot is ook bij hem zijne ii- barmhartigheid (Eccl. II: 23). Die siddringwek-en ; kend-grootmachtige Koning is tevens de barm-ch hartigheid zelve! Om zijne verdiensten danken en wij aan Gods barmhartigheid onze verlossing, de de genade en onze zaligheid. Hij verdiende ons die, en door zijne inenschwording, zijn leven, zijn lijden, ine zijn\' dood, zijne verrijzenis, zijne hemelvaart.
— 44 —
De dichter heeft zoo vaak in zijn leven gebeden : Mijn Heer en mijn God ! ik hoop en vertrouw vastelijk door \'t bitter lijden en de verdiensten van J. Ch. te bekomen hier in dit leven nwe genade en vergiffenis van mijne zonden, en U hierna eenwig te aanschouwen, te beminnen en te bezitten in den hemel. Dit hoop ik, omdat gij mijn God, oneindig goed zijt tot ons, almachtig en getrouw in uwe beloften. In deze hoop wil ik leven en sterven. En hij werpt zich in den schoot der barmhartigheid van U, o Heore. qui salvandos salvas gratis, die uwe uitverkorenen redt om niet. En de stemme des Hemels klinkt hem toe: En hij die op den troon zat, de drieeenige God, zeide tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alpha en Omega, het begin en het einde. Ik, ik zal den dorstige uit de bron van het water des levens geven, oin niet. Ik ben de bron des levens. En wie dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des eeuwigen levens om niet d. i. als een geschenk mijner genade, (Apoc. 21,5,6, 22, 17). En zij zullen dronken worden van den overvloed mijns huizes en uit den vloed mijner wellusten zal ik hun te drinken geven en dat om niet (Ps. 8, 9). Want om niet noodig ik hen uit, om niet geef ik hun de eerste genade, om nieï heb ik
aan zulke kleine werken, zulke groote lieloo-ningen verbonden. Want het lijden dezes tijd is van geen gewicht tegenover de toekomstige heerlijkheid (ad Kom. 8: 18). — De rechtvaardige verdient, wel is waar, door zijne goede werken het eeuwig leven; deze verdienste echter spruit niet uit de werken zeiven voort, maar uit de genadige barmhartigheid Gods. — Maaide genade-gave Gods is het eeuwige leven (ad Kom. VI, 23), waardoor de H. Paulus te gelijk te kennen geeft, dat de rechtvaardige het willen en volbrengen zijner goede werken aan den bijstand der goddelijke genade te danken heeft, zoodat zijne verdiensten tevens zijn eene genade-gave Gods, en God hem beloonende, naar waarheid moet gezegd worden zijne eigene werken met het eeuwige leven te bekroonen (Conc. Trid. sess. VI, O. 16). Niet in dezen zin gratis om niet, alsof het eeuwige leven den wer-kelcozen en laffen gegeven werd, maar wie overwonnen heeft d. i. wie standvastig in de belijdenis van het christendom, naar geloof eu leven, ten einde toe volhard zal hebben, zal dit beërven en ik zal zijn God, en hij zal mijn zoon zijn (Ap. 21, 7). Zie Beelen en Tirinus. Loopt gij alzóó opdat gij den kampprijs moogt verkrijgen (I ad Cor. IX, 24).
— 46 —
Daarom beijvert u te meer, om door s\'oede mi
werken uwe roeping eu verkiezing zeker te vei
maken; want indien gij deze dingen doet (u oe:
toelegt op de aldaar opgenoemde deugden), zult ve
gij nimmer zondigen; want zóó zal u rijkelijk de
de ingang verleend worden in het eeuwig ko- lgt;e
ninkrijk van onzen Heer en zaligmaker Jesus ni
Christus (11 Pet. I. 10, 11). to
Salva me fous pietatis. de
Eed mij bron van goed eu looning. ou
De H. Thomas zegt dat Pie tas gewoonlijk se
genomen wordt, voor de werken van barmhar- m
tigheid; wijl God getuigt, dat deze werken aan ni
hem gedaan worden en daarom wordt Clod ge- w zegd Pi us (2—2, ex- CX, 1, 2\'quot;) Gods opera ad
extra (werken naar buiten) nu, komen toe aan m
de drie goddelijke Personen, de barmhartigheid zi
derhalve ook, en hier met name ook aan den v
Rechter. Deze barmhartigheid, de koninklijke ei
Harpzanger David, de H. Maagd en Moeder Gods H
Maria en de H. Paulus bezongen haar zoo eeuwig n
schoon. Uit de diepten mijner ellenden, zingt k
David Ps. 129, roep ik tot u o Heere: Heere, ii
verhoor mijne bede.... Zoo gij de misdaden gade- lt;1
slaat, o Heere, Heere, wie zal bestaan? Maar z
uwe goedertierenheid schenkt mij moed; want 1
gij zijt eene onuitputtelijke bron van ontfer- i:
— é7 —
ede miug, daarom vertrouw ik op u, die het u zei-te ven tot eeue wet stelt om barmhartigheid te (u oefenen aan den vernederden zondaar, welke u om ;ult vergeving bidt. Mijne ziel vol vertrouwen op lijk des Heeren woord, verbeidt zijne barmhartig-ko- heid; zij heeft op haren Heer gehoopt en zal sus niet beschaamd staan. Van de morgen-wake tot den nacht, hope Israël op den Heeie! Want des Heeren barmhartigheid is oneindig, hij kan ons overvloediglijk van al onze rampen verlos-lijk sen. En in (Ps. 58,20), zegt hij : Ik zal U heeten ar- miju God en mijne barmhartigheid om wille uws lan naams Heere, zult gij mijne zonde genadig zijn; je- want zij is talrijk Ps. 24, H, en in Ps. 01, ad 11; Twee zaken heeft God ons, naar :k verno-,an men heb geopenbaard; dat hij macht heeft om 3id zondaars te straffen en barmhartigheid om bra-ien ven te troosten; en alzoo, Heer, vergeldt gij ike een ieder naar verdiensten. Al de wegen des ids Heereu zijn barmhartigheid en waarheid denge-rig nen die zijn verbond en zijne getuigenissen zoogt ken (Ps. 24, 10). — Die grondslag onzer hoop •e, is het bloed van J. Ch. hier den Eechter. — En e- de Moeder des Kechters, de H. Maagd Maria ar zong in hare verrukking; En zijne barmhartig-nt held is van geslachte tot geslachte voor dege-r- nen, die hem vreezen.... Hij is Israël, zijnen
dienstknecht te hulp gekomen, indachtig zijner harmhartigheid of zijner barmhartige belofte van den Jlessias te zenden om hen te verlossen (Magnificat v. 5, 9). Nooit stroomde van men-schelijke lippen een Lofzang ten Hemel, verhevener dan die van Gods maagdelijke Moeder.
En de Apostel der Heidenen noemt hem: Vader der erbarmingen eu niet der oordeeleu (II ad Cor. 1). Die barmhartigheid heeft Hij bewezen. Want zóó lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in hem gelooft, niet verloren ga, maar bet eeuwige leven hebhe (Joan. Ill, 16). En zóó lief heeft de Zoon Gads, hier de Eecliter ons gehad, dat zij de kennis te boven gaat (Eph. Ill, 1!)). Hij heeft zich zeiven voor ons geleverd en, vrijwillig gehoorzaam tot aan tien dood des kruises (Joan. X, 18, Philip. II, 8), is Ch., de eeniggeborene des vaders, voor allen gestorven (II Kor. V: l-l, 15). En hij stierf voor goddeloozen, voor zondaars, voor dezulken die zijne vijanden waren. Dit nu is zonder voorbeeld. En nu «\'ij van zondaars, die wij waren, gerechtvaardigd zijn, of tot kinderen Gods geworden zijn door zijn bloed, dat bij als zoenoffer (Eom. III, 25) voor onze verlossing gestort heeft; zullen wii veel meer van den toe-
— 49 -
sr komstigen toorn (van de straf der eeuwige ver-
n doemenis (I Tlies. II, 10, II Tlies. I, 9) bevrijd,
n behouden en zalig worden.
i- Want God heeft zijnen Zoon in de wereld niet
i- | gezonden opdat hij de wereld zou oordeelen \' (veroordeelen) maar opdat de wereld door hem
i- zou behouden worden. Die in hem gelooft, wordt
I niet geoordeeld (Joan. Ill, 17, 18). De hoop der
gt;- gerechtvaardigden om tot de eeuwige zaligheid
[. te geraken, besluit in zich het vast vertrouwen
\'t, op den goddelijken bijstand ter volharding in
i- geloof en liefde (Beelen ad Kom. V, 9.)
i. En onze Moeder, de H. Kerk, des Rechters
;r Bruid, welke hij zóó heeft lief gehad, dat hij
n voor haar geleden heeft en voor haar gestorven
)r is, opdat hij haar zoude heiligen, haar reini-
n gen door het geloof en den Doop (S. Aug.), op-
I, dat hij zelf zich de Kerk heerlijk zoude aanbie-
ir den, geen vlek of rimpel (ad Eph. V, 27), of iets
ij dergelijks hebbende, maar dat zij heilig zoude zijn en onbesmet; zij de zuil en grondvest
i- der waarheid (I ad Tim. III, 15), zingt hare
ij maagdelijke Kouingiu Maria, eu baar uitgelezen
ui Bedienaar S. Paulus na: O mira circa nos tuai
Is pietatis dignatio (Exultet)! O wonderbare goe-
o- \' dertieren barmhartigheid jegens ons! O magnum
4
— 50 —
pietatis opus (Inv. S. Cruois) O groot werk der barmhartigheid! God, wiens barmhartigheid niet te tellen, en wiens goedheid een oneindige schat
is, wij bedanken uwe goedertieren grootmach- d
tigheid voor de ontvangen weldaden. En in hare 1
gebeden voor de stervenden smeekt zij : al hebbe h
de zieltogende ook gezondigd, den Vader, den e
Zoon en den H. Geest heeft hij echter niet verloo- d
chend, maar hij heeft g-eloofd en den ijver Gods si
in zich gehad; en God, die alles gemaakt heeft, z
heeft hij trouw aangebeden: daarom bevelen wij g
IJ zijne ziel aan. Gedenk niet, Hee.\'e, de over- j.
tredingen zijner jeugd en zijne onwetendheden en zijne oude ongerechtigheden. — Heere wil mij niet oordeelen volgens mijne werken; ik heb niets waardigs voor uw aangezicht gedaan, daarom smeek ik uwe grootmachtigheid, dat Gij, God, mijne ongerechtigheid vernietigt. Mij die dagelijks zondig en geene boete doe, de vreeze des doods verschrikt mij: omdat in de hel geene verlossing is, ontferm U mijner. God en red mij. God in uwen naam maak mij zalig en in uwe kracht verlos mij (offio. Def.)
Waarlijk! Waarlijk de H. Kerk is Jesus\' Bruid ! Wat bidt zij innig vroom! Wat dicht zij goddelijk grootsch! AVat zingt zij hemelsch schoon! Wat rouwt zij machtig zwaar!
.
— 51 —
Ier Er is geene Leg\'eerte m \'s menschen hart of
iet zij zendt die in hare duizenden gebeden (want
lat alléén in de H. Mis stort zij dagelijks minstens
di- drie verschillende gebeden; de oratio, secreta en
ire Postcommnnio), als een geurigen wierook tot
ibe haar bruidegom op. In de heele letterkunde is
en er niets, dat vergeleken kan worden bij hare ge-
)o- dichten b. v. den Dies ine. Zelfs Azola\'s meer-
ids stemmige Dies ine of Palestrina\'s reuzenwerken,
rft, zij halen \'t in schoonheid niet bij hare gezan-
ivij gen. En een rouwgezang als de Stabat Matei-
er- is er niet.
len
wil i) en 10.
neb
,ar- Recordare Jesn pie,
ilj, Quod sum causa tiue viie,
die Ne me perdas illa die.
eze Quserens me, sedisti lassus :
ene Redemisti crucem passus :
mij. Tantus labor non sit cassus.
iwe Jesus goed, denk mijneutwegen
Kwaamtge, als mensch, op aard\'gestegen,
lid! Spreek dien dag me uw vloek niet tegen.
;\'od- Sloêvol hebt gij me op sporen:
ion ! :t Kruis, mijn Losprijs, uitverkoren: Zoo groot werk zij niet verloren.
— 50 —
pietatis opus (Inv. S. Crucis) O g-root werk tier barmhartigheid! Grod, wiens barmhartigheid niet te tellen, en wiens goedheid een oneindige schat is, wij bedanken uwe goedertieren grootmachtigheid voor de ontvangen weldaden. En in hare gebeden voor de stervenden smeekt zij: al hebbe de zieltogende ook gezondigd, den Vader, den Zoon en den H. Geest heeft hij echter niet verloochend, maar hij heeft geloofd en den ijver Gods in zicli gehad; en God, die alles gemaakt beeft, heeft hij trouw aangebeden: daarom bevelen wij U zijne ziel aan. Gedenk niet, Heere, de overtredingen zijner jeugd en zijne onwetendheden en zijne oude ongerechtigheden. — Heere wil mij niet oordeelen volgens mijne werken; ik heb niets waardigs voor uw aangezicht gedaan, daarom smeek ik uwe grootraachtigheid, dat Gij, God, mijne ongerechtigheid vernietigt. Mij die dagelijks zondig en geene boete doe, de vreeze des doods verschrikt mij; omdat in do hol geene verlossing is, ontferm U mijner. God en red mij. (fod in uwen naam maak mij zalig en in uwe kracht verlos mij (offlc. Def.)
Waarlijk! Waarlijk de H. Kerk is Jesus\'Bruid! Wat bidt zij innig vroom! Wat dicht zij goddelijk grootsch! Wat zingt zij hemelsch schoon! Wat rouwt zij machtig zwaar!
— 51 -
der Er is geene begeerte in \'s menschen hart of
liet zij zendt die in hare duizenden gebeden (want
bat alléén in de H. Mis stort zij dagelijks minstens
oh- drie verschillende gebeden: de oratio, secreta en
are Postcomnumio), als een geurigen wierook tot
jbe haar bruidegom op. Tn de heele letterkunde is
len er niets, dat vergeleken kan worden bij hare ge-
oo- dichten b. v. den Dies ine. Zelfs Azola\'s meer-
ods stemmige Dies ine of Palestrina\'s reuzenwerken,
eft, zij halen \'t in schoonheid niet bij hare gezan-
wij gen. En een rouwgezang als de Stabat Mater
\'er- is er niet.
den
wil 9 en 10.
heb
var- Kecordare Jesu pie,
Grij, Quod sum cansa tune vite,
die Ne me perdas illa die.
;eze Quterens me, sedisti lassus :
;eue Redemisti crucem passus:
mij. Tantus labor non sit cassus.
uwe Jesus goed, denk mijnentwegen
Kwaamt ge. als mensch, op aard\' gestegen,
uid! Spreek dien dag me uw vloek niet tegen,
jod- Moêvol hebt gij me op gaan sporen:
5on ! :t Kruis, mijn Losprijs, uitverkoren: Zoo groot werk zij niet verloren.
Mier volgen de bewijzen der goddelijke erbarmingen. Hier worden ons ontsloten de ingewanden der goddelijke barmhartigheden: den grondslag van ons vertrouwen. Den Eechter wordt in herinnering gebracht, dat hij om ons menschen en om onze zaligheid van den Hemel is nedergedaald. drie-en-dertig jaren, als de goede herder de verloren schapen is gaan opzoeken, tot. afmattens toe, die gekocht heeft xen koste van den laatsten druppel Idoeds, aan \'t kruis vergoten; waarlijk zoo groot een werk, zoo ongehoord eene opoffering, zij mogen niet te vergeefs zijn.
11.
Juste judex ultionis,
Donum fac remissionis Ante diem rationis.
Rechter der gerechte Wrake,
Geef dat ik vergiffnis smake Vóór de Reek\'ningsdag genake.
ieef mij, mijn Heer en mijn God, door dat bitter lijden en de verdiensten van J. Oh., uwe genade en vergiffenis mijner zonden vóór den grooten oordeelsdag, als ik voor IT, als strengen
— 53 —
Rechter, zal moeten verschijnen en zelfs van
)ar- alle ijdel woord, dat ik gesproken heh , reken-
au- schap zal moeten geven (Matth. XII, 36).
nd- Vreeze en siddering bevangen mij hij de ge-
quot; in «lachte: God is een rechtvaardig Eechter (Ps.
hen VIL 12), dat gij de aarde znlt oordeelen niet
Ier- gerechtigheid, en de volkeren vonnissen met
ner- rechtvaardigheid (Ps. IX. 9), dat de rechtvaar-
tot digheid voor U zal wandelen (Ps. 84. 14-) en
van duurt in alle eeuwigheid (Ps. CX, 4), dat Eeclit-
rgo- vaardigheid en oordeel de vastheid zijn uws
ige- troons (Ps. 96), dat de rechtvaardigheid de gor-
ver- del uwer lendenen is (Isaias XI, 5). dat gij die
hebt aangedaan als een harnas en optreedt, bekleedt niet de kleederen der wrake en gij overdekt zijt als met een\' mantel des vunrs (Is. LIX, 17), en aan zult brengen de wrake der vergelding (ib. 35, 4), en een iegelijk vergelden zult naar zijne werken (ad Rom. II, 6). Treedt niet in het gerecht niet uwen dienaar. Heer. vooraleer gij mij. door de vergiffenis van al mijne zonden te schenken, gerechtvaardigd hebt, want geen sterveling op aarde mag recht-hit- vaardig genoemd worden voor uw oog (Ps. .142. 2) uwe den gen
i
— 54 —
12, 13 en 14. zo
; vu
Ingemisco tamquam reus, m
Culpa rubet vultus meus: na
Supplicanti paree Deus. \'Ie
CJiii llariam absolvisti, ze
Et latronem exaudisti, be
Mihi quoque spem dedisti. dn
Preoes meüB non sunt dignre; zi; Sed tu bonus fac benigne,
Ne perenni eremer igne. 111
God \'k ben plicbtig! vóór U zucht ik, §\'lt;
Schaamrood om mijn schulden, ducht ik: zv
Spaar mij, Smeekling. tot U vlucht ik. ui
Die Maria \'n zondig leven 18
En een\' Koover hebt ontheven, 111
Hebt ook hope mij gegeven. §,( Mijn gebed verdient :t niet: — Goede!
Doch uw goedigheid behoede
Mij voor de eeuw\'ge vlammen-woede! 61
WMM
ee mij, Heere, omdat ik veel gezondigd heb ge
in mijn leven; wat zal ik, ongelukkige da
doen? waarheen gevlucht, ten zij tot U mijn bc
God\'? ontferm II mijner, als gij zult komen, den he
jongsten dag. Mijne ziel is zeer ontroerd, maar ve
gij, Heere, kom haar ter hulpe. Gedenk mijner m
I
zonden niet, Heere, als gij de wereld door liet vuur zult komen oordeelen. Beschaming bedekt mijn gelaat. Genees Heere mijne ziel en in uwen naam maak mij zalig. Verlos mij van de wegen der hel, Heere, die de metalen poorten verbrijzeld en de hel bezocht en een licht gegeven hebt om U te zien, hun, die in de straffen der duisternissen waren, roepende en zeggende: Gij zijt gekomen, onze Verlosser (Responsorium II Noct. off. Defunotorum et sqq. sparsim). Want mijne ongerechtigheden zijn tot over mijn hoofd gegaan en als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden (Ps. 37, 5). Mijn oog is van uwe verbolgenheid ontroerd (Ps. VI, 8). Daar is geene gezondheid in mijn vleesch ter oorzaak uwer gramschap: daar is geen vrede aan mijn gebeente om mijner zonden wille (Ps. 37, 4). Ontferm U mijner. God, volgens uwe groote barmhartigheid: en volgens de menigte uwer erbarmingen wisch mijne boosheid uit (Ps. L, 1). Maria de zondaresse hebt gij vergeven en \'t gebed verhoord van den goeden moordenaar, daarom, o Heere, heb ik tot U mijne ziel opgeheven. Mijn God op U betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden. Mijn gebed verdient wel niet verhoord te worden, doch wees gedachtig, Heere, uwer erbarmingen, en uwer barmhartigheden die
van der eenwe zijn. Gedenk mijner volgens uwe barmhartigheid: om uwe goedheid, Heere. Om uwen naam Heere. zult gij mijne zonde genadig zijn, want zij is talrijk (Ps. XXIV, passim). Zorg toch, Heere, dat ik niet wegzinke in den diepen jammerpoel, in den eeuwigen vlammengloed. — En ik hoorde eeue stem uit den hemel , die tot mij zeide: Zalig- de dooden die in den Heere sterven (Apoc. XIV, 14)! Ik geloof de goederen des Heereu te zullen zien in liet land der levenden (Ps. 26, 13)!
15.
Inter oves locum prsesta.
Et ah hoedis me sequestra,
Statuens in parte dextra.
Wil mij hij de Schapen leiden,
Van de Bokken afgescheiden,
Aan uw rechter mij verheiden.
TP
Öu hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van do bokken scheidt; en de schapen zal hij stellen aan zijne rechterzijde, en de hokken aan de linkerzijde (Matth. 25,33).
Jesus Christus, voor mij gekruist en gestorven , Zoon van den levenden God, plaats mij over in do eeuwige, liefelijke, groenende velden
van uw Paradijs, alwaar uw schapen weiden. Gij goede en ware Herder, erken mij voor een uwer schapen en scheidt mij van de bokken, ontsla mij van al mijne zonden en plaats mij aan uwe rechterhand onder \'t getal uwer uitverkorenen (Or. Eccl. Proflciscere)!
16 en 17.
Confutatis inaledictis,
Flammis acribus addictis,
Voca me cum benedictis. Oro supplex et acclinis. Oor contritum quasi cinis;
Gere curam mei finis.
Hebt Gij \'t Doemtal tot \'t gerezen Bitt\'re vlammen-vuur verwezen,
Eoep dan mij met de Uitgelezen\'!
\'k Bid u, smeek, kom knielend vragen, \'t Hart als asch met rouw geslagen.
Voor mijn einde zorg te dragen.
reest den Heere en geeft hem eer! want het uur zijns oordeels is gekomen (Apoc. 14, 7).
Nadat alle menschen geoordeeld zullen zijn, en \'t vonnis door den Rechter uitgesproken, zullen de uitverkorenen te gelijk met J. Ch. ten hemel opgaan. Het vuur daarentegen zal
— 58 —
al de verdoemden iuzwelgen, zooals de Kerk g
zingt: Dum veneris judicare sreculum per ignem 1 ^
(S. Alf. Ascet. werk XYIII. p. 211). ni
Alsdan zal de Koning zeggen tot hen, die d(
aan zijne rechterzijde zullen zijn: Komt, gij ge- zi
zegendon mijns Vaders! neemt bezit van het w
koninkrijk, dat voor n bereid is van de grond- zi
vesting der wereld............ki
Alsdan zal hij zeggen ook tot hen, die aan to
z ijne linkerzijde zullen zijn: Gaat weg van mij, dt
gij vervloekten! in het eeuwige vuur, dat bereid In
is voor den duivel en zijne engelen. En dezen hi
zullen gaan in de eeuwige straffen, maar de a:
rechtvaardigen in het eeuwige leven (S. Jlattb. al
XXV, 25—....46). Deze onherroepelijke, eeuwige (I
vonnissen, door den allerrechtvaardigsten, eeuwi- d;
gen Rechter geveld, de dichter van den Dies in
iroe beschrijft die hier in echte Schriftuur-taal dc
(d. i. waar, kort en krachtig) met onnavolgbaar zn schoone. klanknabootsende verzen. — Indien de
boom naar \'t Noorden of Zuiden valt; waar hij ui
valt, daar zal bij zijn (Eccl. XI, 3). (I
De vervloekten mogen weenen, klagen, jammeren, schreien tranen van bloed! Het is ge- zi schied. Hun deel zal zijn in den poel, die met G vuur en zwavel brandt; \'t welk dj tweede dood Ik
is (Apoc. XXI. 8). En de rook van hunne pijni- m _^
ging\' zal opstijgen in allo eeuwigheid (ib. XIV. 11). Hun worm sterft niet en hun vuur wordt niet uitgebluscht (Mare. IX, 43). Ieder verdoemde, als een offer van Gods gerechtigheid, zal, gelijk een offer met zout, met vuur gezouten worden (ib. 48). Hij heeft de vervloeking bemind, zij zal over hem komen. En hij heeft de vervloeking als een kleed aangetrokken; zij is als water tot in zijn binnenste en als olie tot in zijne beenderen ingegaan. Zij worde hem als een kleed, daar hij zich mede dekt, en als een gordel waarmede hij zich altijd omgordt. Dat zij met schaamte aangedaan worden: en dat zij met hunne schande als met een dubbelen mantel bedekt worden! (Ps. GYIII, 18 etc.) Pat ze levend ter helle dalen, want boosheden zijn in hunne woningen; in \'t binnenste van hen (Ps. LIV , 16)! Gelijk de schapen zijn zij in de helle gesteld: de dood zal ze afweiden (Ps. 48, 15). — Poch ik roep tot God en hij zal mijne ziel verlossen (Ps. r4, 17), uit de macht der helle als hij mij zal opnemen (Ps. 48, Ki). Poep mij met de ui tgelezenen.
Ik geloof de goederen des Heeren te zullen zien in het land der levenden (Ps. 20, 18). Geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord , en in geen raenschenhart is opgekomen , wat God bereid heeft voor die hem lief-
- 60 —
hebben (I ad Cor. II. 9). Zij zullen niet meer d
hongeren noch dorsten, en de zon zul op hen (, niet vallen, noch eeuige hitte. want het Lam,
dat in het midden des troons is, zal hen bestie- 0] ren en hen geleiden tot de waterbronnen des v( levens; en God zal allen traan van hunne oogeu afwisschen (Apoc. VII, 16, 17). En zij zullen (i( zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. En geen nacht zal er meer f|f zijn en zij zullen noch lamplicht noch zonlicht meer behoeven; want de Heere God zal hen ]a verlichten, en zij zullen heerschen ia alle eeuwigheid (Apoc. 21, é, 5). En z\'j zullen dag en nacht ee geen rust hebben, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die was en ee die is en die komen zal (Openb. IV, 8). Gij, o Heere, onze God! zijt waardig te ontvangen de g-g heerlijkheid, de eer en de kracht (v. II). En God is hun loon bovenmate groot (Gen. XV, 1). ge Zij zullen hem zien van aangezicht tot aangezicht (I ad Cor. 13, 12), en hun spijs zal zijn ee de gerechtigheid, hun drank de wijsheid, hun kleed de onsterfelijkheid, en hunne woning de wr hemel zelf (S. Aug. in Psalm 111). 0 hoe heerlijk is het rijk, waarin allo heiligen zich met vei Christus verheugen, zij volgen, met witte klee-
wi,
I
L.
— 61 —
;ei\' deren omhangen, !t Lam wenvaarts liet ga
en (Ant, Eccl.) O mensch overweeg dit en kies!
m, Daarboven het koninkrijk des Heeren, daar-
ie- ouder \'t slavenrijk van den grooten jammeren-
les vorst.
■eu Daarboven \'t bezit van alle goed. daaronder
en de afgrond van alle kwaad.
me Daarboven \'t land van blijdschap en vreugde,
eer daaronder het hol van rouw en droefheid,
-ht Daarboven \'t land van blijheid, daaronder \'t
ien land van tranen.
ig- Daarboven eeuwige rust en vrede, daaronder
dit eeuwige onrust en oproer.
lei- Daarboven eeuwige liefde en genot, daaronder
en eeuwige haat en woede.
, o Daarboven eeuwig gejubel, daaronder eeuwig
de gehuil.
En Daarboven eeuwige lofzangen, daaronder eeuwig
1). geknars der tanden.
ge- Daarboven eeuwig licht en dag, daaronder
zijn eeuwige duisternis en nacht,
hun Daarboven eeuwige troost, daaronder eeuwige
; de wroeging.
eer- Daarboven eeuwige zegen. daaronder eeuwige
met vervloeking.
lee- Daarboven eeuwige schikking, daaronder eeuwige verwarring.
I
I
— 62 —
Daarboven eeuwige verzadiging:, daaronder ^
eeuwige honger. ve
Daarboven \'t beloofde Land, het land der st(
levenden, daaronder de Doode Zee der verdoem- ke
den, de vuurzee der dooden. Be
Daarboven eeuwige verzadiging der goddelijke ee:
wellusten, daaronder o
...tuchtigt de oppermacht niet nimmer eindbre straf, o
Die intreedt, legg: de hoop voor eeuwig, eeuwig, re\'
af! (Bild). nii
Daarboven eeuwige naklank van; komt geze- ge
genden! Amen. bli
Daaronder eeuwige naklank van: Gaat ver- ge
vloekten! Amen. we
Waarlijk gelijk had de H. August, als hij tol
zegde; De gedachte der eeuwigheid is eene en
groote gedachte, en: Heere, kap en kerf hier, p.i
doch spaar mij in de eeuwigheid. Eu de H. u i
Chrysostomus: moest men dagelijks duizend ma- W
len sterven om Jesus in zijne heerlijkheid te les
zien. hoe gaarne zou men alle pijnen moeten voi
verduren, om zich dit geluk waardig te maken. le\'v
En geen wonder dat Thomas van Celano den mi.
Rechter van Levenden en Dooden te voet valt Mi
en met een rouwmoedig hart bidt en smeekt bei
om een genadig oordeel. Ook ik, Heere, zal de hu
eeuwige jaren in mijne gedachten houden (Ps. ma
— 63 —
quot;
ider 7ö, 6), en ik zeide: nu is \'t, dat ik begin: deze verandering is? van de rechterhand des Allerhoog-(ler sten (ib. 11), ik zal u al mijne jaren overden-em- ken in de bitterheid mijner ziele (Isaias 88, lö).
Een bedrukte geest is voor God eene offerande; ijke een vermorzeld en verootmoedigd hart, zult gij, o God niet versmaden (Ps. 50, 19). Suhep in mij, traf 0 quot;od, een zuiver hart; en vernieuw een op-wig, rechten geest in mijn binnenste. Verwerp mij niet van uw aanschijn; noch neem uwen heili-eze- 8\'en Geest van mij weg. Geef mij weder de blijdschap uws heils; eu versterk mij met eenen ver- geest, die mij aanleide. Ik zal den boozen uwe wegen leeren; en de goddeloozen zullen zich bij tot U bekeeren. Doe mijne lippen open, Heere; eene 611 mijn mond zal uwen lof verkondigen (ib. lier. passim.) De beloften van den lof, aan U gedaan, 3 11. o God, verbinden mij; ik zal ze aan U betalen, ma- Want gij hebt mijne ziele van den dood ver-(1 te lost. en mijne voeten van den val: opdat ik eten voor God behagelijk zijn mag in \'t licht der ken. levenden (Ps. 55, 12, 13). Gij zijt mijne hoop, den mijn deel in het land der levenden (Ps. 141, (i). valt Mijne oogen heb ik opgeheven naar de (eeuwige) eekt bergen: van waar mijne hulpe komen zal. Mijne il de hulp is van den Heere, die hemel en aarde ge-(Ps. maakt heeft. De Heere beware mij, de Heere zij
— 64 —
mijn overdeksel; hij is aan mijne rechterhand en beware mij van alle kwaad; De Heere he-ware mijne ziel, mijn\' ingang en mijn\' uitgang: van nu af tot in der eeuwigheid (Ps. 120 passim.) Sterve mijne ziel den dood der rechtvaardigen, en mijn uiterste worde dat van hen gelijk (Num. 28, 10).
18 en 19.
Lacryinosa dies illa,
Qua resurget ex favilla Judicandus homo reus:
Huic ei\'go paree Deus.
Pie Jesu Domine,
Dona eis requiem
Sempiternam. Amen. Weenensvol zal die dag wezen,
Als d\' uit asch, met schuld verrezen Mensch, moet \'t oordeel voorgelezen! Daarom, God, wil sparen Dezen!
Goede Jesus, mild en teêr,
Geef d\' in U ontslaap\'nen. Heer!
De eeuw\'ge ruste. Amen.
jP oen de Zaligmaker gepreekt had over :t \' laatste oordeel, gaf Hij den volgenden raad: Waakt derhalve, ten allen tijde biddende, opdat
— 65 —
gij verwaardigd moogt worden al deze dingen, die geschieden zullen, te ontvlieden, en voor den Zoon des menschen te staan (d. i. vrijgesproken te worden door Hem, of een genadig oordeel uit zijnen mond te hooren (Beelen in Lue. 21, 36). Want in waarheid zal het een dag des wee-nens wezen, als de schuldige mensch ten oordeel moet verrijzen. Een dag des weenens hij uitnemendheid, want eene eeuwigheid weenens haalt den God der erharmingen niet meer over tot barmhartigheid. Daarom scheen \'t mij toe alsof !t den Zaligmaker zeiven schrikte, dezen schroomlijken dag aan de menschen bekend te maken; daar \'t heeld, dat Hij ons daarvan ophangt in de Verwoesting van Jerusalem, zoo schrikbarend, en zijne woorden over de verwoesting van dat afbeeldsel en diens werkelijkheid, zóó, als :t ware, dooreen geweven zijn, dat men zou zeggen: \'t heeft Hem gehuiverd aan dat ontzettend laatste treurspel te denken en het den menschen te verkondigen. — Kome die dag des toorns, Heere, zooals \'t in uwe eeuwige raadsbesluiten is vastgesteld, doch Heere, Heere! wil dan sparen mij!
Toen Gods volk onder, Josue \'t Beloofde Land was ingetrokken, moest op hevel van Mozes
5
— 66 —
plaats hebben de plechtige bezwering van \'t Verhoud. Dit geschiedde te Sichem, eene in een dal gelegen stad, aan de Zuidzijde afgesloten door den vruchtharen berg Garizim, aan de Noordzijde door do naakte steenrots Hebal. Al het volk ging op tot deze groote plechtigheid. In het dal stonden de priesters met de heilige Verbondsark en eeuige uitgekozen Levieten. Deze zouden met luide stemmen de zegeningen en vervloekingen voorlezen, in de wet van Mo-zes uitgesproken over hen, die Gods geboden onderhouden, en tegen hen, die ze overtreden zouden; eu op elke zegening, moest van den Garizim , op elke vloekspraak , von den Hebal, door allen Amen! Zoo geschiede het! geantwoord worden. Nadat Josue eerst den zegen over \'t volk had uitgesproken, begonnen de Priesters ;
Gezegend hij, die den Heere alleen aanbidt en geen afgoden dient! — En Amen spraken de stammen op den Garizim.
Vervloekt hij. die afgodsbeelden maakt en op ; geheime plaatsen verbergt! — Amen klonk het 1 van den Hebal.
Gezegend hij, die zijnen vader en zijne moeder eert! Amen. Vervloekt, die niet eert zijnen vader en zijne moeder! —■ Amen.
Twaalf maal daverde alzoo van de twee ber-
— G7 —
gen af liet Amen der zegening en twaalf maal het Amen der vervloeking. De laatste uitspraak, die alle de anderen insloot, was:
Gezegend hij, die alle voorschriften dezer wet onderhoudt en naleeft! —• Amen !
Vervloekt hij, die niet alles bewaart en vervult, wat in de wet bevolen is ! — Amen !
Daarna werd de ontzaggelijke plechtigheid besloten niet de voorlezing van het geheele wetboek , dat Mozes kort voor zijnen dood geschreven had. Een diepen en onuitwischbareu indruk moest zeker deze gebeurtenis achterlaten in \'t hart van allen die ze zagen en hoorden , en hun eene altoosdurende vermaning en aansporing zijn tot \'t bewaren der trouw, Gode door hen zoo plechtig beloofd. En de twee bergen, zich in \'t midden van hun land ten hemel verheffend, zouden bij voorspoed en bij rampen de trouwe getuigen zijn, dat de Joden met eigen mond Gods zegen over de naleving, Gods vloek over de schending der wet hadden afgeroepen (Deut. c. XXVil).
Wat ontzagwekkende Afbeelding van quot;t laatste Oordeel in dit vreeselijk grootsch tooneel dier twee met ontelbare menschen bedekte bergen , van elkander gescheiden door de ark des Verbonds, welke was Gods woonplaats. waaruit
\'t een ten de , Al eid. lige ten. igen Mo-)den sden den ïbal. iant-over ters ; abidt •aken
en op
k het 5
loeder zijnen
3 ber
— 68 —
zegeu en vloek afgekondigd en door allen als onherroepelijke uitspraak met Amen bekrachtigd werd! (Jok dan zal er een Garizim der uitverkorenen en een Hebal der verwezenen zijn; ook dan zal door den eeuwigen Rechter zegen en vloek worden uitgesproken: Komt gezegende 11! Gaat vervloekten (Matth. 25, 34, 41! en de gelukkige en ongelukkige eeuwigheid zullen antwoorden Amen (cff. Muré).
Verlos mij, Heere, van den eeuwigen dood in dien schromelijken dag, als de hemelen moeten ontroerd worden en de aarde. Als gij de wereld zult komen oordeelen door het vur.r. Ik sidder en beef als \'t onderzoek zal komen en de toekomstige toorn. Die dag zal zijn sen dag van toorn, rampen en ellenden, een groote dag en zeer bitterlijke (Eesp. Libera). — Wij zullen hem, om niet te zondigen, steeds gedenken. En moge, als eens de overweldigende tonen van den reuzenzang ,.Dies inequot; over ons schamel gebeente zullen heênstroomen en de Priester, staande om onze doodbaar, ons stoffelijk overschot met wijwater besproeiend, zal bidden : Eequiem seternam dona ei Dne. — Eequiescat in pace! niet de ongelukkige eeuwigheid antwoorden; Maledictionem ïeternam dona ei Domine! maar de gelukkige eeuwigheid: Amen!
— 69 —
IETS OVER DE S1BYLLEN,
Pnze moeder de H. Kerk doet liier zeer wijselijk met aangaande het geloof in \'t laatste oordeel, door den mond van Thomas van Celano, de voorzeggingen in te roepen der Sihyllen; waardoor zij ons de belijdenis betuigt van dit schrikwekkend geloofspunt, niet alleen bij Gods volk, wien het verkondigd werd door zijne profeten , maar zelfs bij de heidenen, als zijnde \'t hun verkondigd door de Sibyllen. De heidenen waren overtuigd dat God met die vrouwen sprak, en zich door haar, de toegewijden aan hunne goden, den mensohen meêdeelde, en daarom hechtten zij geloof aan hare Orakels. Ja, de Sibyllen hebben iu schoone grieksche verzen de ontzettende gebeurtenissen vóór en na de algemeene Verrijzenis des vleesehes, voorspeld (J. H. Janssens, Herin. Sacra nquot; 48). De bekende en uitmuntende H. Weytingh ruimde haar daarom eene plaats in, in zijne Hist. Litt. (Pars Prior. Sect. 1 § 2). Ook de eerste Christenen en bijzonder de H. Vaders, ofschoon een afschuw hebbende van de heidensche godspraken, wezen zeer dikwijls de heidenen, ten einde hen van de waarheid dernze moeder de H. Kerk doet liier zeer wijselijk met aangaande het geloof in \'t laatste oordeel, door den mond van Thomas van Celano, de voorzeggingen in te roepen der Sihyllen; waardoor zij ons de belijdenis betuigt van dit schrikwekkend geloofspunt, niet alleen bij Gods volk, wien het verkondigd werd door zijne profeten , maar zelfs bij de heidenen, als zijnde \'t hun verkondigd door de Sibyllen. De heidenen waren overtuigd dat God met die vrouwen sprak, en zich door haar, de toegewijden aan hunne goden, den mensohen meêdeelde, en daarom hechtten zij geloof aan hare Orakels. Ja, de Sibyllen hebben iu schoone grieksche verzen de ontzettende gebeurtenissen vóór en na de algemeene Verrijzenis des vleesehes, voorspeld (J. H. Janssens, Herin. Sacra nquot; 48). De bekende en uitmuntende H. Weytingh ruimde haar daarom eene plaats in, in zijne Hist. Litt. (Pars Prior. Sect. 1 § 2). Ook de eerste Christenen en bijzonder de H. Vaders, ofschoon een afschuw hebbende van de heidensche godspraken, wezen zeer dikwijls de heidenen, ten einde hen van de waarheid der
christelijke leer te overtuigen, met goed gevolg naar de Sibyllen; hierin \'t voorbeeld volgend van den grooten Apostel der heidenen, den H. Paulns, welke hun in zijne preêken zegde: Lees niet oplettendheid de Sibyl. Wij vinden dit merkwaardig stuk wel niet in zijn gewijde Brieven, doch Clemens van Alexandrië heeft \'t ons bewaard, schrijvende: Clem. Alex. Strom.
I. 6 Cap. 5 (Migne Patrol. Grseca, t. IX, C. 261)...
0YlAW(7£!, Trpó? Ili-rpO\'J KYjp\'JVULaT\'. O
d—ó(7T0)v0lt;; )iyuv IlaOXo; : AdjSe-re xal Ta; \'E).AriV\'.xi; [SipAcj; , £-\'gt;/VWTE EijSuAAav , (o; é\'va Oeöv xal Ta usAAovta êa-eaQa!,.
De lezing en uitlegging van dezen tekst in den door ons aangehaalden zin, verdedigt zeer goed de Benediktijn Kic. Le Nourry, In Clem. Alex. Dissert. II De libris Strom. Cap. V. Art.
II. Bij Migne a. p. c. 1106—1108.
Bij C. A. Lapide (Prooemiuin de Prserogativis S. Pauli Cap. III. De rara Pauli Sapientia) luidt de heele tekst in \'t Latijn als volgt: Het is der gedachtenis waardig wat Clem. Alex, van den H. Paulus schrijft lib. TI Stromatum (Behangsels) met de volgende woorden: Quomodo Deus Judseos salvos esse voluit, dans eis Prophetas: ita etiam Grascorum spectatissimos propria suae
71 —
lingua exercitatos, pront poterant capere Dei beneficentiam, a vulgo secrevit. Prseter Petri prsedicationexn declaravit Paulus Apostolus (U-cens: Libros quoque Grsecos sumite, agnoscite Sibyllam, quo niodo unnm Deum significet, et ea qiict sunt ventura : Hydaspen sumite, et legite, et invenietis Dei filium multo clarius et aper-tius esse seriptum, et queniadmodum adversus Cliristum multi reges instruerent adem, qui eum liabent odio, et eos qui nomen ejus gestant, et ejus fideles et adventum et tolerantiam. Hsec Clemens, non ex epistolis, sed ex concionilvns S. Pauli, per manus tradita posteris consignavit: undo discas quanti veteres, ac S. Paulus sibyl-liua Oracula fecerint (ita Baron, in Apparatu Annal). Eren als God de Joden wilde zalig-maken, door hun Profeten te geven: evenzoo zonderde hij de uitstekendste Grieksche taalgeleerden, naarmate zij Gods weldadigheid konden vatten, van het volk af. Behalve de prediking van den H. Petrus, heeft de H. Paulus zulks met de volgende woorden betuigd; Neemt ook de Grieksche boeken ter hand. Erkent de Sibyl, op welke wijze zij eenen God bediedt, en de toekomstige dingen. Neemt Hystaspis en leest hem, en gij zult bevinden dat hij over Gods Zoon zeer duidelijk en klaar schrijft, en hoe vele koningen
— 72 —
tegen den Christus zich in slagorde zouden stellen, die hem haten, en hen die zijnen naam dragen en zijne getrouwen (geloovigen) en zijne komst en zijne lijdzaamheid. Dit heeft Clemens, niet uit de brieven, maar uit de preêken van S. Paulus, den nakomelingen van hand tot hand overgeleverd opgeteekend : Leert hieruit op hoe hoogen prijs de ouden, en S. Paulus, de Sihyl-lijnsche G-odspraken stelden. (Alzoo Baronius).
Clemens Alex, door den H. Hier. genoemd de wijsgeer der wijsgeeren leefde in \'t begin der 3\'lc eeuw.
Dat God de taalgeleerden der Grieken afzonderde wil zeggen, dat Hij deze W.jzeu uitkoos, om voor dit volk in eigen taal als profeten te zijn, het tot de kennis van den waren God te brengen en tot zijnen dienst aan te sporen.
Deze Hystaspes was een heidensoh schrijver. Z:jne hoeken zijn jammer genoeg door den tijd verloren gegaan; want zij moeten, daar zelfs de H. Paulus ze den heidenen ter lezing aanbeveelt , een ware schat zijn geweest voor de christelijke leer.
De Heidenen noemden volgens Origenes tegens Celsus (Boek VII), de eerste Christenen welke
hun gedurig de Sibyllijnsche Godsprakeu aanhaalden , Sibyllisten. De Kerk heeft dit vroeger door haar aangewend machtig wapen ter zegepraal van liet christen- over het heidendom, na behaalde overwinning, als een roemvol zegetee-ken in de scheede gestoken en als eene kostbare erfenis bewaard.
Nooit heeft iemand de echtheid van dit wapen betwijfeld d. i. nooit heeft iemand beweerd, dat de Sibyllijnsche Godspraken aangaande J. Oh. niet echt zijn. Die profetessen hebben waarlijk van hem voorspeld: Zijne geboorte, zijn leven, zijn lijden, zijne hemelvaart en zijne komst ten oordeel, lang voor zijne Menschwording; en zóó als de H. Vaders ons hare orakels aanhalen. Slechts eenige protestanten hebben die echtheid in twijfel getrokken en voorgegeven, dat die orakels niet van de Sibyllen zijn, maar opgemaakt kort vóór (59 jaren voor Ch.), of na Christus\' geboorte, (138 jaren na Ch. beweerde Blondel) door een jood of christen. — Zulks beweren Blondel, Vossius en Marckius. Hunne beweringen zijn echter grondig wederlegd door Pater J. Grasset, S. J. in zijne; Dissertation sur les oracles des Sibylles, Paris 1684.
Blondel. David Blondel geboren te Chalons-sur-Marne in 1591, werd predikant in 1614,
leeraar der geschiedenis te Amsterdam in 1650; liij werd blind en stierf den C April 1655. In 161:9 deed hij in Charenton eeue verhandeling over de Sibyllen drukken.
Vossius. Isaac Vossius geboren te Leiden in 1618, waar zijn vader in dat jaar hoogleeraar benoemd was, vestigde zich in Engeland en stierf iu 1689. Hij muntte uit door zijn geheugen, was een zeer belezen man, maar het ontbrak hem aan oordeel. Onder andere werken verscheen van hem: De Sihyllinis aliisque qu® Christi natalem prsecessere, oracu-lis. Leiden 1680.
J. Marckius geboren in 1655 in Friesland, was predikant en leeraar te Franeker, Groningen en eindelijk te Leiden, waar hij den 30 Januari 1731 stierf. In 1682 (dus op zeven en twintig-jarigen leeftijd) liet hij te Franeker zijne dissertaties tegen die van P. Grasset over de Sibyllen drukken, waarin hij in hoofdzaak met Blondel overeenkomt.
P. Grasset (Joan. Grasset S. J. geb. te Dieppe 3 Januari 1618, gestorven te Parijs i Juni 1692) schrijver van verschillende bijzonder ascetische werken, liet te Parijs in 1678 drukken: „Dissertation sur les oracles des Sibyllesquot; en in 1684 eene tweede uitgave, waarin hij de op-
— U) —
werpingen van Jan Marck meesterlijk weerlegde.
Ik beantwoord daarom in \'t kort de volgende vier vragen. I. Zijn er Sibyllen geweest ? II. Hoeveel? III. Welke waarde liebben hare voorzeggingen \'? IV. Zijn hare orakels vervalscht ?
I.
.Zijn er Sibyllen geweest ?
Jill pk er is \'t dat er Sibj-llen geweest zijn d. i_ \' vrouwen onder de heidenen, op sommige tijden met Gods geest bezield, of zoo als Varro zegt: vrouwen door God ingegeven. De naam Sibylla komt van Siè? Gen. Sioü Dorisch voor (-)£ot (Dens, God) en gcjAr, (voluntas, decretum, consilium : wil, besluit, raad) dus SwGpO\'jAr, Dei judicium seu decretum, Gods raad, wil, besluit. Eene Sibyl is dus eene verkondigster van Gods wil, besluit, raad of raadsbesluiten. Profetes. De meesten waren aan Afgoden toegewijd, in wier tempels zij godspraken verkondigden, ook wel in bergholen of spelonken, wanneer de heidenen haar kwamen raadplegen. Haar werden
— 76 —
de keunis der toekomst en de voorzeggingsgave toegeschreven.
Bij de Grieken ten minste, werden zij. ten tijde van Herodotus ( 4- 550 v. Ch.) als dusda-
nigen aangezien. Zij waren, zoo hield men, maagden, welke in de eenzaamheid levend, in innige vereeniging met God waren, van Hem openbaringen kregen en niet zelden iets voorspelden. (Hennas. Justinus. Theophilus van Au-tiochie. Laotantius. Tertullianus. St. Thomas, de zalige Canisius S. J. enz.) Ook de H. Hier. beweert (lib. I contra Jovinianum) dat zij om hare maagdelijkheid door God met de profetie-gave waren bedeeld. Dit is ook \'t gevoelen van C. A. Lapide (Comm. in Ep. R. Pauli p. 256, 2. c.) en J. Tirinus (Index Auctorum, Sibylla;). En de H. Augustinus geeft haar eeue plaats in dc Stad Gods, d. i. der heiligen: TJt in eorum numero deputanda videatur qui pertinent ad ci-vitatem Dei (Aug. 1. 18, in civ. Dei c. 23). — Ook bij andere volkeren hoofdzakelijk bij de Romeinen werden zij voor dezulken gehouden.
II.
Hoeveel Sibyllen zijn er geweest?
lïaar getal is onzeker. In \'t begin was die naam alleen eigen aan de Profetesse van Delphi , later werd hij gegeven aan alle vrouwen, die godspraken verkondden. Plato, de eerste der ouden, die van haar melding maakt (a. C. n. 427), schijnt er slechts eene aan te nemen, wijl hij eenvoudig zegt: de Sihyl, zoo ook de H. Paulus (67 of 68 p. C. n.). Zulks beweren ook eenige nieuwere schrijvers, onder anderen D. Pierre Petit in zijne geleerde Verhandeling over de Sibyllen, waarin hij zegt dat de verschillende namen der ééne en zelfde Sibylla, gebonden worden voor zoo vele onderscheidene Sibyllen. Hij meent dat die ééne Sibyl eene grieksche is, wijl de haar toegeschreven godspraken in \'t Grieksch waren; dat zij, te Erythrsea in Jonië geboren, Herophile genaamd, veel reisde en zeer oud werd; en dat zij wegens die veelvuldige reizen in verscheidene streken, als van Claros, Samos, Delos, Delphi enz. de namen dezer steden kreeg, en te Cuma in Italië overleden is. Haar graf bestond nog ten tijde van Pausauias -f 4C0 v. Christus. — Deze, zij ze van Erythrsea of van
Cura\'a, is zeker de beroemdste. Zij bood aan Tarquinius deu l8quot;-quot; of Prisons, hare negen boeken Godspraken aan, voor 300 goudstukken; Tarquinius weigerde, omdat hem de prijs te hoog was. Dan wierp zij er drie van in het vuur. Toen vraagde zij voor de overige zes dezelfde som, de koning weigerde lachend, meenende met eene krankzinnige te doen te hebben; toen verbrandde zij, zonder een woord te spreken, de drie andere. Tarquinius hierover verbaasd en door bijgeloovigheid gedreven, gaf haar, na eerst de waarzeggers geraadpleegd te hebben, voor de drie overgeblevene de heele som. (Lactantius, Inst. I, 6). — Varro echtar (a. c. 117), Cicero\'s vriend, de geleerdste aller Romeinen (volgens de geschiedenis zou hij 500 boeken hebben geschreven) , onderscheidt 10 Sibyllen. 1. De Per-sisohe, anderen noemen haar de Chaldeeuwsohe. Zij heet Sambetha, haar vader Berosus, liaar moeder Erymanthe, haar geboorteplaats is ISoë (.eene kleine stad bij de Eoode Zee). Misschien wordt zij daarom door anderen genoemd de schoondochter of de afstammelinge van Noë. Zij heeft 24 boeken geschreven, waarin zij zoo juist en duidelijk spreekt over de geboorte, de wonderen, \'t lijden, den dood, de verrijzenis en de laatste komst ten oordeel van J. Ch. dat het als
— 79 -
een Afschrift is van \'t Evangelie. 2. De Libische. 3. De Delphische. 4. De Italische of van Cuma. 5. De beroemdste van allen, de Bythree-sche, welke anderen nemen, en met waarschijnlijkheid, voor de Persische. Eusebius meent dat zij leefde ten tijde der stichting van Eome d. i. 700 jaren v. Ch. 6. Die van Samos, de 7\'Ie is die van Cuma (in lonië), door eenigen genoemd Amalthea, door anderen Herophile, bijgevolg dezelfde van Erythraea de 8sU die van Hellespont, die geleefd heeft ten tijde van Solon en Cyrus, dus om de 600 jaren v. Ch. De 9||lt;\' is de Phry-gische, de 10de de Tiburtijnsche. Vele merkwaardige schrijvers halen nog verscheidene andere aan, doch Laotantius en de H. Augustinus beperken zich met Varro bij \'t getal tien.
III.
Welke waarde hebben hare voorzeggingen ?
\'J ij gelooveu dat God deze godspraken den Sibyllen, ofschoon heidinnen, heeft kunnen ingeven , gelijk Hij gedaan heeft met Balaam den Moabiter, die waarschijnlijk een heiden was; en velen zijn met den II. Hier. van gevoelen, dat
— 80 -
zij werkelijk op ingeven van den H. Geest hebben voorspeld, \'t Kan overigens niet bewezen worden, dat zij heldinnen waren. Misschien zelfs waren zij vrouwen uit \'t joodsche volk gesproten , tijdens de babylonische gevangenis , die den heidenen de voorzeggingen van Gods volk leerden kennen. Sommige schrijvers zeg\'gen dat eene van haar ons als eene Syrische of Joodsche wordt aangegeven. Haar naam is een Syrische Sam-bétha, in \'t hebreeuwsch Sabbatha afstammend van Sabbath, rust. Misschien is zij de eenigste. Wat hiervan ook zij, men kan al ontkenne men, dat ze door God zijn ingegeven, dan toch als zeker aannemen, dat hare godspraken tot bron hebben de H. hebreeuwsche boeken, reeds 3C0 jaren voor Chr. door grleksche vertalingen bekend, en zeker reeds lang te voren min of meer bekend door de verspreiding der joden, of door de reizen der Wijzen in Judea. Zeker is \'t nog, dat zij voorzeggingen bevatten, omtrent den Zaligmaker, welke in de handen waren van \'t heidensche volk, en door de H. Vaders werden aangehaald ter verdediging van den christelij-ken godsdienst, zoo als door St. Clemens Paus, St. Justinus martelaar, Eusebius, Athenagoras, Origenes, Theophilus van Antiochlê, Clemens van Alexandrle, SS. Lactantius, Ambrosius, Hierony-
— 81 —
mus, August enz. welke hielden dat zij op Gods ingeven gesproken hadden (Dictionnaire des Eeligions Tom. VI Paris, Migne.)
En de H. Kerk bevestigt het gezag der Sibylla door zelve ons heen te wijzen in den „Dies irsequot; naar hare orakels.
Zeker is \'t nog dat de Grieksche en Latijn-sche dichters, redenaars, geschiedschrijvers en wijsgeeren haar hehhen aangehaald, onder anderen; Plato, Aristoteles, Varro, Cicero, Strabo, Tacitus , Suetonius , Titus Livius, Pausanias , Plinius, Homerus, Horatius , Yirgilius, Ovidius , Juvenalis enz. en dat het Komeinsche volk over \'t algemeen, alsook de Senaat, eenige jaren voor Chr. geboorte, zeer begaan waren met de voorzeggingen der Sibyllen. Wij zien dit vooral
Ibij Yirgilius, welke ter eere van den zoon van Pollio, een lang orakel der Sibyl van Cuma in heerlijke verzen vertolkte, en wiens bewoordingen hij met zekere godsdienstigheid en nauwgezetheid behoudt. In dien heeleu herderszang (den vierden, Ecloga IV, Pollio), een waar meesterstuk van dien grooten dichter, treft men misschien geen\' versregel aan, of hij is toepasselijk op J. Ch. Als men hem leest, waant men zich te vermeien in een hoofdstuk van den grootenbij Yirgilius, welke ter eere van den zoon van Pollio, een lang orakel der Sibyl van Cuma in heerlijke verzen vertolkte, en wiens bewoordingen hij met zekere godsdienstigheid en nauwgezetheid behoudt. In dien heeleu herderszang (den vierden, Ecloga IV, Pollio), een waar meesterstuk van dien grooten dichter, treft men misschien geen\' versregel aan, of hij is toepasselijk op J. Ch. Als men hem leest, waant men zich te vermeien in een hoofdstuk van den grooten
— 82 —
profeet Isaias. Die gouden eemv van Saturnus, die maagd Astrea, dat groot Kindje, die vrede, dat spelen van schapen eu leeuwen, die lachende natuur vol bloemen, die rijke oogst, die druif op den hagedoorn, die heilige eik, zweetende zoeten honigdauw, die steden zonder wallen, die akkerman ontslagen van den zwaren arbeid, die veelkleurige rammen en vette lammeren, en bovenal die kleine Knaap de boosheid der men-schen komende uitwisschen, die spruit der Goden, dat maagdelijk wicht, zij brachten den grooten dichter in verrukking er. hij riep uit: Tijd vaar voort! kom! kom! och dat ik dan nog leve! ik zal zingen zóó schoon, dat al de goden \'t mij gewonnen geven. Zoo klepte de Mantuaasche zwaan met zijne pennen, bij \'t vernemen der godspraken van de Cumaasche Sibylla. Geen wonder dat dit heerlijk geboortelied aan den Eomeinschen Pollio, volk en macht-hebbenden in beweging bracht; en dat later keizer Constantinusde Groote liet in grieksche verzen liet vertalen en zelf die voorlas in \'t Concilie van Nicea an. 325 n. Ch. Deze zijne getuigenis over het gezag der Sibyllen is wel de schitterendste en de zekerste, die men kan aanhalen. De srroote Keizer hield zijne redevoering voor de doorluch-
— 83 —
tigste vergadering der wereld. Zeker zouden die 318 geleerde, heilige, ja (zelfs eenige) gemartelde Kerkvoogden, waren die orakels niet echt, den keizer overtuigd hebben dat \'t fabels waren; te meer wijl aldaar vele Ariaansche bisschoppen zetelden, welke de Godheid van J. Ch. loochenden en de keizer hen wilde overreden door \'t gezag der Sibyllen. Zijne getuigenis wordt nog des te gewichtiger, omdat hij de boeken der Sibyllen, te Eome bewaard, te zijnen dienste had; want meer dan 50 jaren na zijn\' dood eerst, werden zij verbrand. Geen twijfel of hij had ze gelezen, want bij alle groote staatsaangelegenheden werden ze geraadpleegd. Ziehier nu zijne woorden aangaande de Sibylla van Erythrsea: „Die Sibyl, ongetwijfeld door God ingegeven, heeft in verzen de toekomstige gebeurtenissen voorspeld. Zij verkondigt duidelijk de geschiedenis der komst van J. Ch. in de volgorde der eerste letters, die men noemt: Acrostichon (een gedicht, waarin de eerste letters der regels zekere namen vormen) welke deze woorden uitmaakt: \'IïiTO\'j? xpwto? Öeo\'j uló; StOTrip, Sxaupó? d. i. Jesus Christus Gods zoon Zaligmaker, Kruis. Dan haalt hij de 27 Acrostichons aan (hierachter uit S. Aug. „Stad Godsquot; genomen en vertaald),
— 84 —
en gaat voort: Velen echter slaan geen geloof aan deze profetie, ofschoon geloovend, dat er eene Erythreesche Sibyl was. Zij geven zelfs voor, dat een Christen ietwat in \'t verzen maken bedreven, deze Acrostichons heeft gemaakt en ze een valschen titel gegeven heeft, met die onder \'t getal der orakels van de Sibyllen te stellen. Maar \'t is zeker dat die voorzegging echt is, want onze geleerde mannen, S. .Tustinus, Clemens van Alexandrie, Lactantius en Eusebius hebben met zoo veel zorg, en nauwkeurigheid den tijd nagevorscht en opgeteld, dat niemand kan denken: dit gedicht is gemaakt na Christus\' komst. Zij daarom die zeggen, dat deze verzen niet lang te voren door de Sibyl zijn uitgesproken, zijn klaarblijkelijk overtuigd van leugen. Tot staving van zijn betoog haalt hij Virgilius aan, wiens verzen hij met veel kunde en vroomheid uitlegt en toepast op den Zoon Gods, en den gelukkigen staat van den Christelijken godsdienst ; en Cicero, dien hij verzekert deze profetie gelezen en in \'t latijn te hebben overgebracht.
Ik voeg hierbij de gewichtige getuigenis van den H. Augnstinus, den beroemdsten wellicht van de Kerkleeraars. Geen schreef zoo veel als hij. En er is ook zeker niemand of hij heeft achting voor dat wonder van verstand. Zijn mee-
— 85 —
loof sterstuk is de grootsche „Civitas Deiquot; „StadGodsquot;, t er het geleerdste en diepstdoordacht van al zijne oor, werken, verdeeld in 22 boeken, en geschreven ter ken bestrijding van het joden- en heidendom en ter en verdediging van het Christendom. Beuzelingen die en nietigheden komen er alzoo niet te pas. i te Hij schrijft daarin eene verhandeling over de •ing Sibyllen. En wijl hij een der heiligste, geleerd-tms, ste en scherpzinnigste is van alle Kerkvaders, jius is zijn gezag én wat de oudheid én wat de ze-leid kerheid betreft van \'t grootste gewicht; ja door-and slaand als we bedenken dat S. Aug. deze vraag ris- grondig heeft bestudeerd, dat hem de twijfels rer- aangaande de echtheid der Sibyllijnsche godspraken ge- bekend waren en hij niet lang na den tijd leefden. de, waarin men beweerde dat ze vervalscht waren, lius Dat onovertroifen vernuft nu, staaft de echtheid om- der godspraken van de Sibyllen en dat deze ten en gunste des Christendoms geprofeteerd hebben, ids- Kortheidshalve deel ik alleen mede, wat hij over iro- de Sibyl van Erythraea zegt (1. 18, c. 23), \'t cht. welk hij herhaalt in een sermoon, waarin hij de van joden, heidenen en Arianen bestrijdt (Tom. VI): cht als ;eft lee-
Sancti Augnstini Eppi
de eivitate Dei lib. XVIII.
Cap. XXIII.
I. Eodem tempore nonnulli Sibyllam Ery-thrfeam vaticinatam ferunt. Sibyllas autemVarro prodidit phires fuisse, nou imam. Hsec saue Ery-tlirtea Sibylla qusedam de Ckristo manifesta conscripsit, quod etiam nos prius iu latina lingua versibus male latinis et non stantibus legimus, per nescio cujus interpretis imperitiam, sicut post cog\'uovimus. Nam vir clarissimus Flaecia-nus, qui etiam proconsul fuit, homo facillimae facundiee multseque doctrinse, cum de Christo colloqueremur, grsecum nobis codicem protuiit, carmina esse dicens Sibyllas Erythrsese, ubi osten-dit quodam loco in capitibus versuum ordinem litterarum ita se habentem, ut baec in eo verba legerentur: \'fyo-o\'J? Xpetoróc; ©so\'J ü\'.o; Twr/.p, quod est latine, Jesus Christus Dei Filius Sal-vator. (1) Hi autem versus, quorum primse litterse
(I) Alzog o. c. Palrologie pag. 98 schrijft: «Als besonders merkwürdig darin erschien das beriihmle Akrostichon : \'Ir^oü? XpiffTO? 0£Oij ulo; o-uty.o
— 87 —
Uit S. Augnstimis B.sc.,
■ over de Stad Godsquot;.
Boek XVIII. Hoofdst. XXIII.
Eenigen (zegt die geleerde Kerkvader) zijn van gevoelen dat te dien tijde (d. i. toen Ezechias in Judea regeerde, en Eomulus liet romeinsclie rijk stielitte), de Sibyl van Erythrsea profeteerde. In waarheid deze Sibyl heeft klaarblijkelijk over den Christus geschreven, zooals wij vroeger reeds gelezen hebben in latijnsche, doch slechte verzen en zonder maat. Later vernamen wij dat zulks gekomen was door de onervarenheid van wie weet, welk vertaler. Want de uitmuntende Flaccianus, vroeger proconsul of stedehouder, een zeer welsprekend man, haalde, toen wij over den Christus spraken, een grieksch boek voor den dag, zeggende; Ziehier de gedichten der Sibyl van Erythrsea. Toen wees hij mij ergens in \'t begin der verzen zoodanige volgorde der letters, dat daarin deze woorden UTaupó? in lib. VIII, vers 217—250, welches die Wiederkunft Christi zum Weltgerichte zum Inhalte hat, und in der chrisllichen Literator viell\'acli als liöchst wonderbar angeführt und erürtert worden ist.
— 88 —
istmn sensum, quem diximus, reddunt, sicut eos quidam latinis et stantibus versibus est inter-pretatus , hoc continent:
—i Judicii signum tellus sudore madescet.
— E coelo rex adveniet per ssecla futurus;
M Scilicet in carne prtesens ut judicet orbem.
O Unde Deum cernent incredulus atque fidelis
-i Celsum cum sanctis, sevi jam termino in ipso.
M Sic animse cum carne aderunt, quas judicet ipse.
X Cum jacet incultus densis in vepribus orbis. quot;Ö Kejicientsimulacraviri.cunctamquoquegazam:
H Exuret terras ignis, pontumque polumque i— Inquirens, tetri portas effringet Averui.
M Sanctorum sed enim cuuct» lux libera carni
te lezen stonden: \'It.tou; Xpeioró; ©eo-j y»; ffWTTip. (N.B. het woord crraupó? is hier gelijk men merkt, weggelaten). In \'t latijn; Jesus Christus Dei filius salvator. Deze verzen nu, wier eerste letters den gezegden zin geven, gelijk die zeker iemand in latijnsche verzen en in maat heeft overgebracht, zijn van den volgenden inhoud: Bij \'t teeken des oordeels zal de aarde nat
worden van zweet. Uit den Hemel zal komen de Koning en ziju in
eeuwigheid;
En wel lichamelijk tegenwoordig, om de wereld
te oordeelen.
Zoo dat God zullen aanschouwen de ongeloovige
en geloovige
In den hooge met de heiligen, op het reeds daarzijnde einde der eeuwen. Zoo ook zullen de zielen met de lichamen tegenwoordig zijn, die hij zelf zal oordeelen. Dewijl ligt woest in dichte doornen de aarde. De Afgodsbeelden zullen zij wegwerpen de men-schen, en alle schatten; Een vuur zal de aarde verbranden, en zee en hemel Doordringende, zal het de poorten van den zwarten afgrond overweldigen. Dan zullen al de lichamen der heiligen met een
vrij licht
— 90 —
—■ Tradetur, sontes seterna flamma cremabit. O Occultos actus retegens, tune quisque loquetur M Secreta, atque Deus reserabit pectora luoi. CX) Tune erit et luctus, stridebunt dentibus omnes. K Eripitur solis jubar, et tliorus interit astris. O Volvetur coelum, luuaris splendor obibit. —; Dejiciet colles, valles extollet ab imo. —: Non erit in rebus hominum sublin e, vel altum. — Jam sequantur campis montes, et cferula ponti. O Omnia cessabunt, tellus confracta peribit. W Sic pariter fontes torrentur, fluminaque igne. M Sed tuba turn sonitum tristem demittet ab alto SO Orbe,gemensfacinusmiserumvariosquelabores: H Tartareumque chaos monstrabit terra deliiscens.
— 91 —
T
Worden omgeven, een eeuwig vuur zal do boo-
zen verslinden.
;ur Dan zal ieder, de verborgen werken ontdekkend,
verkonden
Zijne geheimen, en God zal de harten ontsluiten aan het licht.
es_ Ook zal er dan geween zijn, knarsetanden zul
len allen ;
,jgi Hij wordt weggenomen de glans der zon, en
het sterrenheer gaat onder. Toegerold zal worden de Hemel, de luister der maan zal verdwijnen. Hij zal omverwerpen de heuvelen, opheffen van
onder de dalen.
[1IU In der menschen dingen zal niets verheven zijn,
noch hoog.
Alreeds worden gelijk gemaakt aan de dalen de bergen, en de zeeën aan \'t land. Alles zal ophouden, de ingestorte aarde zal vergaan.
ie_ Zoo ook zullen de bronnen verbranden en de
stroomen door \'t vuur. Maar eene bazuin zal dan een droef geschal afzenden van den hoogen .es. Hemel, beweenend de rampzalige misdaad en de
verscheiden rampen:
iUSi Den helschen afgrond zal toonen de gapende aarde,
j
__
S Et coram hio Domino reges sistentur ad unum.
^3 Eecidet e ccelis ignisque et sulphuris amnis.
In his latinis versibus de grseco utcumque translatis, ibi non potuit ille sensua ooourrere, qui fit cum litterae, qu» simt in eorum capiti-bus, connectuntur, nbi T littera in grseco posita est, quia nou potueruut verba latina inveniri, qua; ab eadem littera inciperent, et sententise convenirent. Hi autem sunt versus tres, quintus et octavus decimus et nonus decimus. Denique ai litteras, quae sunt in capitibus omnium ver-suum connectentes, borum trium quse sscriptoe sunt nou legamus, sed pro eis Y litteram, tanquam eisdem locis ipsa sit posita, recordemur, expri-mitur in quinque verbis, Jesus Christus Dei Fiiius Salvator: sed cuin graece lioc dicitur, nou latine. Et sunt versus viginti et septem, qui numerus quadratum ternarium solidum reddit. Tria euim ter ducta flunt novem. Et ipsa uovem si ter du-cantur, ut ex lato in altum figura consurgat, ad viginti septem perveniunt. Horum autem grseco-rum quinque verborum, quse sunt,
Xpe\'.q^rói 0eo\'j ulo? ffwttjp, quod est latine, Jesus Christus Dei Filius Salvator, si primas litteras jungas, erit iyjj\'ji;, id est, piscis, in quo
— S3 —
En hier zullen voor den Heere de Koningen tot één toe terecht staan. Uit de hemelen zal weêr storten een vunr- en
solferstroom.
In deze latijnsche verzen uit \'t grieksch, zooveel doenlijk, overgebracht, kon daar die zin niet voorkomen, ivelke ontstaat, als de hoofdletters worden samengevoegd, waar de letter T zich in \'t grieksch hevindt, omdat er geene latijnsche woorden konden gevonden worden beginnende met diezelfde letter, en voor dien zin passend. Zulke verzen nu zijn er drie, het vijfde, achttiende en negentiende. Indien wij eindelijk de hoofdletters van alle verzen zamen-voegende, die van deze drie, welke geschreven zijn, niet lezen, maar ons verbeelden dat daarvoor in de plaats staat de letter V, dan wordt in vijf woorden: Jesus Christus Gods zoon verlosser uitgedrukt: Maar zoo zegt men \'t in het Grieksch, doch niet in het Latijn. En er zijn zeven en twintig verzen; dit getal maakt het kubiek van drie uit. Want driemaal drie is negen. En negen met drie vermenigvuldigd, om van het quadraat kubiek te maken (letterlijk om de meetkundige figuur of vorm van de breedte in de hoogte te doen stijgen), maakt zeven en twintig. Voegt men nu van de vijf grieksche
nomine mystice intelligitur Christus, eo quod in hujus mortalitatis abysso velut in aquarum pro-funditate vivus, hoc est sine peccato esse potuerit.
II. Haac autem Sibylla sive Erydirsea, sive ut quidam magis credunt, Cumsea, ita nihil habet in toto carmine sue, cuius exigua ista particula est, quod ad deorum falsorum sive factorum cul-tum pertineat; quiu imo ita etiam contra eos at contra cultores eorum loquitur, ut in eorum numero deputanda videatur, qui pertinent ad Civitatem Dei. Inserit etiam Lactantius opcri suo qusedam de Christo vaticinia Sibyllse, quam-vis non exprimat cuius. Sed quae ipse singillatim posuit, ego arbitratus sum conjuncta esse po-nenda, tanquam unum sit prolixum, quse ille plura coramemoravit et brevia. „In manus ini-quas, inquit, infidelium postea veniet: dabunt autem Deo alapas manibus incestis, et impurato ore exspuent venenatos sputus: dabit vero ad verbera simpliciter sanctum dorsum. Et colaphos accipiens tacebit, ne quis agnoscat, quod ver-
woorden, welke zijn \'Ir,TO\'j; Xpeioro; , 0£O\'J ffWT^p, en in liet latijn Jesus Christus Gods zoon Verlosser, de eerste letters samen , dan krijgt men i\'yO\'j?, dat wil zeggen, visch, door welke benaming op verborgen of geestelijke wijze Christus wordt verstaan, omdat hij in \'s werelds (of \'s sterfelijkheids) afgrond als in der wateren diepte levend, dat is zonder zonde kon zijn.
II. Deze Sibylla nu, zij het die van Erythrcea , of zoo als eenigen liever gelooven vau Cuma, (N.B. hier zien wij dat zij ten tijde van den H. Aug. ook verwisseld werden) heeft niets in haar heel gedicht, waarvan bovenstaand maar een klein gedeelte is, dat betrekking heeft op den eeredienst der valsche of gemaakte goden ; zij spreekt integendeel zoo tegen hen en hunne dienaren, dat men haar onder \'t getal schijnt te kunnen rekenen van degenen, welke behooren tot de Stad Gods (dat is tot de zaligen). Ook Lactantius lascht in zijn werk eenige voorzeggingen in der Sibylla, ofschoon hij niet zegt van welke. Ik heb nu gemeend die, welke hij ieder afzonderlijk vermeldt, bijeen te voegen, slsof het er eene uitgebreide is, welke hij als meerdere en in \'t kort aanhaalt. „Daarna, zegt hij, zal hij komen in de goddelooze handen der ongeloóvi-
bum, vel unde venit, ut inferis loquatur, et corona spinea coronetur. Ad cilnim autem fel, et ad sitim acetum dederunt: inkospitalitatis hanc monstrabunt mensam. Ipsa enim insipiens gens tuum Deum non intellexisti, ludentem mortalium mentibus, sed et spinis coronasti, et horridum fel miscuisti. Templi vero velum soindetur; et medio die nox erit tenebrosa nimis in tribus horis. Et morte morietur tribus diebus somno suscepto: et tunc ab inferis regressus ad luoem veniet primus, resurreotionis principio revocatis ostensoquot;. Ista Lactantius carptim per intervalla disputationis suse, sicut ea poseere videbantur, qufe probate intenderat, adhibuit testimonia si-byllina, quae nos nihil interponentes, sed in unam seriem connexa ponentes, solis capitibus, si tamen scriptores deinceps ea servare non negligant, distinguenda curavimus. Nonnulli sane Erythrseam Sibyllam, non Komuli, sed belli trojani tempore fuisse scripserunt (1292—1282 a. J. Chr.)
— 97 —
gen ; dezen nu zullen God op snoode wijze kin-neliakslagen geven en niet hun onreinen mond vergiftige speeksels op\' hem uitspuwen : doch hij zal eenvoudig den slagen zijn heiligen rug overgeven. En vuistslagen ontvangende zal hij zwijgen, opdat niemand erkenne, dat liet woord, of van waar het gekomen is, en hij tot de dooden spreke, en gekroond worde met eene doornen kroon. Tot spijs heliVien zij hem gal, en tot drank azijn gegeven; zulk een onvriendelijke tafel zullen zij hem aanwijzen. Want gij, dwaas volk, hebt niet erkend uwen God, die spot met de raadslagen der stervelingen, integendeel gij heht hem met doornen gekroond, en hem walgelijke gal gemengd. En des tempels voorhangsel zal gescheurd worden en in \'t midden van den dag zal het zeer duistere nacht zijn, drie uren lang. En hij zal den dood sterven, drie dagen diens slaap op zich nemen : en dan uit het graf teruggekeerd, zal hij de eerste voor het licht komen, na het begin der verrijzenis aan alle teruggeroepenen te hebben getoond, (dat is: na den menschen te hebben doen kennen dat gelijk hij, zij eens zullen verrijzen). Lactantius heeft die Sibyllijnsche getuigenissen een voor een als in \'t voorbijgaan en bij tus-
7
— 98 —
schentijd, naar gelang hij dacht dat zijne bewijsvoering in zijne redetwisten die vergde, gebezigd. Wij nu zetten er niets tusschen, voegen die samen en maken er eene ononderbroken schakel van. Wij hebben toch gezorgd om ze te onderscheiden, doch alleen door de hoofdstukken, als nu ook in het vervolg de schrijvers maar niet verwaarloózen die te behouden. Eenigen, ik beken het, hebben geschreven, dat de Sibyl van Erythrsea, niet ten tijde van Romulus, maar van den Trojaanschen oorlog geleefd heeft d. i. 1292—1232 v. Chr.
Duidelijker kan die vreeselijke dag niet voorspeld worden. Voegt men hierbij wat de H. Justinus, martelaar, verzekert met eigen oogen gezien te hebben over de plaats en de plechtigheden dezer godspraken, dan moet de indruk hiervan bij de hoorders overweldigend en on-nitwischbaar zijn geweest. Het getuigenis van dezen grooten heiligen Kerkvader is allergewichtigst om de oudheid, zijn beroep, zijne geleerdheid en heiligheid. Om de oudheid, wijl hij leefde in \'t midden der tweede eeuw; zoodat men hem, na Christus\' leerlingen en Apostelen, kan houden voor den oudsten Kerkvader. Om zijn beroep, hij was een beroemd wijsgeer, die met glans een leerstoel had bekleed aan de hei-
(lensohe Academie; om zijne geleerdheid, hij had al de gewijde en ongewijde schrijvers gelezen. Eusehius zegt dat de naam van S. Justinus dien van alle .groote mannen, welke in de tweede eeuw de H. Kerk verlichtten, in glans overtrof (De Feller art. Justinus). Om zijne heiligheid, hij is een martelaar. Die wonderbare wijsgeer loofde God onder de geeselslagen, stortte voor Jesus Christus zijn bloed en is gekroond met de roemvolle eerekroon der Martelaren. Zijne Heil. Paus Leo XIII het Licht in den Hemel, op wien Christenen en heidenen b. v. China, Japan enz. hopen, de groote Wijsgeer van onzen tijd, heeft in 1882 voorgeschreven aan de heele Kerk, diens Officie en Mis te houden (ex II Noct. Offic. li April). Photius, de geleerde van zijne eeuw (9\'ll:) en der vorige eeuwen, ofschoon een goddelooze (S. Alf. XXI Deel p. 352), heeft zijn lof bezongen en die is wonder schoon. S. Justinus nu zegt dat die Sibyl, geboren te Babylonie, dochter is van Berosus en, zonder te weten hoe, te Cuma is aangeland en aldaar de toekomst voorspeld heeft; dat hij daar geweest is en iets grootsch, wonderbaars gezien heeft, een gebouw namelijk uit één\' steen opgetrokken, alwaar, naar \'t zeggen der inwoners, de Sibyl hare God-spraken hield. In \'t midden van dien tempel,
— 100 —
zegt hij, heeft men mij drie bakken aangetoond, uit denzelfden steen gehouwen. Daar liet ze water in doen om zich te wasschen. Vervolgens kleedde zij zieli met eene stool (een lang slepend overkleed, tabbaard), en ging zich verher-gen in \'t diepste van dat heiligdom: aldaar besteeg zij een hoogen troon en verkondigde hare Godspraken en deed hare voorzeggingen. — Dan zegt S. Justinus tot de Grieken: Geeft maar niet acht op hare manier van spreken, maar op wat zij zegt. Erkent het goed, dat zij u moet bezor-pen, daar zij u klaar en duidelijk voorspelt de komst van J. Ch. En op eene andere plaats vermaant hij: (S. Justinus: Cohortatio ad Grsecos Migne P. G. c. 309.)
Credite, ut jam dixi, t?, apya\'.OTa-rr, xal (j\'ióopa -aAa-a XifiÜA/r, Sibyllee antiquissimse et vetustissimse, cujns libri per totum orbem servantur quseque a—ó t\'.voï ouvaT?,; STtiTtvo\'.a?, ex potenti quodam afflatu deos qui dicuntur, nullos esse per oracula nos docet, ac de futuro Salvatoris nostri Jesu Christi adventu, ac rebus omnibus quas gesturus erat, clare et aperte pra-nuntiat.
Gelooft, gelijk ik reeds zeide, aan de oudste en bejaardste Sibyl, wier boeken de heele wereld
— 101 —
door bewaard worden, en die uit zekere machtige ingeving- ons door hare orakels leert, dat de zoogenoemde goden, geene goden zijn; en klaar en openlijk voorspelt de aanstaande komst van onzen Verlosser Jesus Christus, en al zijne werken.
Hier, en boven spreekt Justinus van „de komst van den Verlosser Jesus Christus.quot; -ryj t^ulwv T/jTO\'j Xpwro\'j. Daarenboven toont hij er klaar in den samenhang, dat hij „quoad sub-stantiamquot; of wat de kern der zaak betreft, de voorzegging eener Sibyl voor echt (autheuthiek) aanneemt, dat zij door „hoogere ingevingquot; (ten minste soms) sprak: cn de woorden: to\'j 1. X. herhalend, niisschieu „letterlijkquot; wil citee-ren of aanhalen.
St. Thomas zegt (Summa \'2, 2, q. 172 a 6): De Sibyllen hebben vele waarheden van Christus voorspeld; waarop Cajetanus bemerkt dat die heilige Leeraar haar plaatst onder \'t getal dergenen die zalig zijn geworden door het uitdrukkelijk (explicita) geloof in Christus.
— 102 —
IV.
Zyn de geschriften der Sibyllen vervalscht ?
I. Over uk gesoiitkdenis ihek oeschriftex.
enige werden op de plaatsen der Sibyllen,
of daar waar de ééne Sibylla geprofeteerd had, bewaard. Andere of afschriften der eerste, elders, b. y. te Home die der Cumaasche, en wel in eene steenen kist onder den grond in het Kapitool. De Sibyl had den Koning ïarquinius, na voor de drie boeken, de voor de negen gevraagde som ontvangen te hebben, belast die zorgvuldig te bewaren. Daarna verdween zij spoorloos. De Koning liet deze boeken, inhoudende Rome\'s lotgevallen, opsluiten en stelde ze onder bewaking van twee der voornaamste overheden der stad, eu noemde hen Duumviri. Later klom hun getal tot tien, zelfs tot vijftien , quindecimviri genaamd, of macht der vijftienen. Deze mochten die in Afschriften lezen , alsook de consuls en de priesters. Onder Marius en Sylla werd het Kapitool in aseh gelegd (83 v. Ch.) Men beweert, dat toen ook de Sibyllijn-sche orakels verbrand zijn. Dit is. moeilijk aan
— 103 —
te nemen èn wijl \'t vuur niet onder den grond eene steenen kist verteert èn wijl later Augustus, de Keizer, volgens Suetonius en andere geschiedschrijvers , die liet overbrengen naar den tempel van Apollo op den palatijuschen heuvel met duizend andere die hij deed opzoeken in Azie, Africa enz. en voornamelijk te Erythrsea (C. Tacitus 1. 6 Annal.), omdat hij en al \'t romein-sche volk die beschouwden als het Palladium (1) van \'t rijk. Jsa deze opsporing, beval de Keizer een onderzoek van de ware en valsche, en twee duizend werden ten vure gedoemd (Suetonius vita Aug.) Van de overgebrachte naar Apollo\'s tempel zegt nog Suetonius, dat Augustus die door de hoogepriesters deed overschrijven, omdat de letters zoo versleten waren, dat ze bijna waren uitgewischt, en toen in twee gouden kisten gesloten, onder de fondamenten van den tempel liet begraven. Overigens, zegt Varro, had ze iedereen, tot getuigen hiervan dienen Virgilius en Cicero, die ze vertaald hebben.
(1) Palladium, volgens de fabelleer het beeld van Pallas of Minerva, hetwelk in haren tempel te Troje stond, uit den hemel moest gevallen zijn, en waarvan men geloofde, dat slechts zijne tegenwoordigheid de stad voor gevaar en ondergang behoedde ; flguurl : heiligdom ; beschermgod.
— 104 —
(Jok b:,i den tweeden brand van dezen tempel van Apollo zijn ze bewaard gebleven, zoo als Ammianns Marcelliims (Boek 23) ons uitdrukkelijk verzekert, zeggende: zonder spoedige en machtige hulp, zou de groote brand de Orakels der Sib3\'lla van Cuma verslonden hebbeu; zoodat ten tijde van Juliaan den Afvallige (360 n. Ch.), deze Orakels nog in Apollo\'s tempel waren. Ook alle geschiedschrijvers zegden, dat zij 399 jaren na Christus verbrand werden door Stilicon, gedood als woelgeest en als naar het leven te hebben gestaan van den christelijken Keizer Honorius. Zoo verzekert ons Rutilms Claudius Numatianus ; Itinerarium 1. 2, 410 n. Chv. Het is bijgevolg zeker dat de öibyllen voorspeld hebben lang vóór Christus\' geboorte, \'t Is ook zeker dat zij deze voorspeld hebben, alsmede zijn leven, dood, verrijzenis eu komst ten oordeel op \'t einde der wereld: en dat deze voorspellingen in hare boeken, die te Rome bewaard werden, geschreven zijn. Dit noemen wij \'t kostbaar erfdeel der Kath. Kerk, of haar onwaardeerbaren schat, bij Haar als altijd, steeds, bijzonder wegens de oudheid, in aanzien ; en haar nooit betwist , dan door eenige heidenen en nog maar bij wijze van gissing, en door eenige protestan-
— 105 —
ten met name Blondel, Vossius en J. Marckius, leeraar te Praneker.
Uit deze boeken, van de valsche of nagemaakte door de Acrostichon te onderscheiden, hehhen de H. Vaders en de Christelijke Apologeten hunne bewijskracht voor den christelijken godsdienst geput, zoodat de grond daarvan echt
II. Zj.in de geschriften welke nü bestaan
echt \'?
ëasni hoeverre nu de Sibyllijnsche boeken , ten \' onzen dage nog bewaard, echt of anthentisch zijn is moeilijk, zoo niet onmogelijk, uit te maken ; misschien is daarin een joodsch bijvoegsel en iets van Christelijke samenstelling. —- Een zeer geleerde Jezuïet met name P. Possevin, heeft, na menige dwaling en vervalsching in de acht ons overgebleven Sib3rllijnsche boeken te hebben opgemerkt, gemeend, dat die boeken door de boosheid of onwetendheid van, wie weet welk Christen, zijn vervalscht, en dat Satan dien kunstgreep heeft te baat genomen, om door de inmenging der leugen, de waarheid te bespotten en belachelijk te maken.
— 106 —
Deze meening vinden wij de redelijkste, en de meest overeenkomstige met de zienswijze der H. Kerk. Zulks schijnt ook \'t gevoelen te zijn van den Kerkleeraar S. Alph. Maria. „Ik zal, zegt hij, kortheidshalve, hier niet van de Sibyllen gewagen, die over de komst en het rijk van Christus gesproken hebben; ik zal slechts aanmerken, dat indien ook hare echtheid door sommige schrijvers wordt bestreden, derzelver waarheid ook verdedigd wordt door den H. Augustinns (L. S. de \'Civ. Dei C. 23), doer Clemens van Alex., door den H. Justinus door Lactantius, Arnobius en in \'t bijzonder door Paus Clemens (L. V. Const. Apost. C. 8). Ja de H. Justinus zegt zelfs (Orat. ad Ant. Pium. (1) dat de duivel deze boeken heeft doen verbranden; omdat zij dergelijke voorzeggingen bevatteden, en dat door zijn toedoen de Senaat op doodstraf had verboden deze boeken te lezen of te bezitten, uit vrees dat de Heidenen door deze voorzeggingen tot de kennis van den waren God en den Verlosser Jesus Christus zouden geraken en opdat hij hen in zijne slavernij zoude houden (Ascet. Werken Deel XX, p. 1C3).
„Malorum autem dsemonum operatione sanoita
(1) Bij Migne P. G. T. VI, C. 393.
mors est in eos, qui legunt Hystaspis aut Sibylla; (r, Ik [3 ó A Ay, q) aut Proplietarum libros; turn ut metu homines deterreant, quominus Ids legendis bouarum rerum cognitionem assequantur, turn ut eos sibi servos retineantquot;.
V.
Voornaamste uitgaven.
1) De eerste 8 Sibyllijnsche boeken (in \'t Griekscli) van Xystus Betulejus. Basel 1545.
2) Met de latijnscbe vertaling in de Ortbo-doxograpbie. Basel 1545 en 15G9.
3) Anderen te Parijs, Amsterdam.
4) De Kardinaal Angelo Maï ontdekte menige „Supplementaquot; tot die 8 boeken en gaf ze uit: Collectio Scriptorum veterum Tom. I 1825, eu Tom. III, 3. 1828.
5) Nu zijn (na Maï\'s werk) de voornaamste uitgaven a) die van Alexandrië ; O r a e u 1 a S i-bylliua met vertaling en uitlegging. Parijs 1840 II vol. h) die van Friedlieb; Oracula Sibyllina. Leipzig 1352 met duitsche metri-scbe vertaling, noten enz.
en zou op Bladz. 19 het 8C vers kunnen vertolken, om te behouden liet soort Alliteratie of Woordenspel:
Qui salvandos salvas ....
Salva me ....
Eedb\'ren i
of gt; redt ge ....
Reddend \\
Red me ....
en, met Huygens heenstappend ovei de Klankgelijkheid van het Rijm, op Bladz. 21 het 13\'quot; vers schooner en vloeiender:
Die Maria \'n zondig leven En een\' Roover hebt vergeven.
Hebt ook hope mij gegeven.
R H A T A,
|
Jladz. |
14 |
staat: |
Herderlijk lees |
Kerkelijk |
|
» |
16 |
11 |
Giganten ,, |
Giganten- |
|
gt;1 |
16 |
11 |
Empliindungs- „ |
Enipflndnngs- |
|
n |
18 |
11 |
Sepulcha „ |
Sepnlchra |
|
» |
24 |
11 |
wasch ,, |
was |
|
n |
25 |
11 |
verteeren „ |
verteren |
|
gt;5 |
25 |
11 |
doordringen, of |
doordrin |
|
gend , de | ||||
|
gt;? |
31 |
11 |
zij ,, |
hij |
|
» |
33 |
55 |
bestraald |
bestraalt |
|
r |
84 |
55 |
gewetens „ |
geweten |
|
gt;5 |
38 |
55 |
haar |
deze voor |
|
zegging | ||||
|
r |
39 |
55 |
door |
daal |
|
n |
52 |
55 |
den |
de |
|
n |
53 |
gt;5 |
bekleedt „ |
bekleed |
|
« |
53 |
55 |
Treedt ,, |
Treed |
|
n |
54 |
55 |
ten zij „ |
tenzij |
|
58 |
55 |
scheidt „ |
scheid | |
|
ii |
66 |
55 |
von „ |
van |
|
ii |
70 |
55 |
lees „ |
leest |
|
ii |
72 |
5\' |
tegens „ |
tegen |
f ■\'
BLADWIJZER.
Opdracht........0
Inleiding........S
Sequentia (Beteekenis der woorden) ...quot;
Schrijvers der Pros®......H
Wie is de Dichter van den «Dies iraequot; ? . .12 «Dies irsequot; in \'t Latijn en Nederlandsch . . 18
Toelichting........22
Iets over de Sihjilen......69
Waarom de Kerk haar aanhaalt. SS. Petrus,
Paulus, Clemens van Alexandrié . . 69 Blondel, Vossius, Marckius, Crasset ... 73
I. Zijn er Sibyllen geweest? .... 75 1
II. Hoeveel?.......77
III. Welke waarde hebben hare voorzeggingen? . 79
IV. Zijn hare Orakels vervalscht ? . . .102
I. Over de geschiedenis dier geschriften . 102
II. Zijn de geschriften welke nu bestaan
echt ?......103
V. Voornaamste uitgaven der Sibyllijnsche Orakels 107