/St
//« TT/
m iiirapiis
T| j
i,
üaar opleiding, haar taak en haar toekomst- •
•73?ssass? \'•
# tó i: ^ i^V__
I
EERSTE LES,
GEGEVEN AAN
de leerling-yerpleegsters der Vereeniging „ZiGtenmpleginf
TE UTEECHT,
Dr. C. WINKLER.
UTKECTIT ,
P. H. REYERS.
1892.
(Uitgegeten ten roordeele der Tereeniging.)
Dl liiïiPlïK®
Haar opleiding, haar taak en haar toekomst.
EERSTE LES,
O EOEVEN AAN
ieerlini-yerpleegsters to Vereeniging „ZieienYerpleginf
TE UTBBCHT,
DOOR
Dr. C. WINKLER.
4v
ÜTEECflt,
P. H. REYERS.
1892.
(DitgegeTen ten Toordeele der ?ereeniging,)
M
Hooggeachte toehoorder essen!
U, leerling-verpleegsters, die na rijp overleg besloten hebt, om in uw later leven de zware taak van ziekenverpleegster op u te nemen, roep ik vooraf een hartelijk welkom toe, in onze eerste bijeenkomst, bij de eerste schrede, die gij gaat doen om dat toekomstig doel te bereiken.
U, toehoorderessen bij onze vereeniging die meent, en terecht, dat een beknopt overzicht der hoofdzaken van ziekenverpleging u van nut kan zijn in eigen kring; die niet door zoo enge banden met ons geneesheeren zult verbonden zijn; — u dank ik voor de groote belangstelling reeds bij hare wording getoond in onze vereeniging. Ik hoop, dat het ons moge gelukken die belangstelling blijvend te doen zijn.
Echter zal het doel van onze vereeniging door uwe aanwezigheid geen ander worden dan te voren. Het blijft een streven naar vorming van ziekenverpleegsters. Het onderwijs hier gegeven mag nimmer een beschrijving worden van den gezonden en zieken mensch alleen; nimmer mag het bedoelen, om door voordrachten over „populaire anthropologiequot; hoorders te lokken. Daarop moogt gij dus niet rekenen.
Het schijnt mij toe, dat ik uw gerechtvaardigde nieuwsgierigheid naar den aard en de wijze waarop onze vereeniging wenscht te arbeiden, niet beter zal kunnen bevredigen, dan wanneer ik tot onderwerp dezer eerste voordracht kies: de ziekenverpleegster, haar opleiding, haar taak, haar toekomst.
4
Wel moet het een krachtige drijfveêr zijn geweest, die een getal van 14 geneesheeren in een eenstemmig onderling verband kon doen treden. Door een veelzijdige samenwerking alléén toch werd het mogelijk, dat er een vereeniging ontstond, die de opleiding van beschaafde verpleegsters zal beproeven.
Die machtige drijfveer is ongetwijfeld de bekentenis, dat de geneesheer van den tegenwoordigen tijd behoefte heeft gekregen aan ontwikkelde en methodisch geoefende verpleegsters. En die behoefte is dringend.
De geneeskundige wetenschap schrijdt met zevenmijls laarzen voorwaarts. De artsquot; heeft zijne taak in korten tijd een geheel andere zien worden dan vroeger. Er is geen sprake meer van, dat hij zijn wetenschap geheel kan overzien. Zelfs voor hem, die een specialen tak op de schouders nam, is het niet meer mogelijk. En toch, er moet tijd gevonden worden om het krachtige jonge leven, dat zich op wetenschappelijk gebied in alle hoeken openbaart, gade te slaan in zijn ontwikkeling en het te volgen.
De kunst van genezen is gewijzigd. Naarmate de leer der oorzaken van ziekte zich meer heeft ontwikkeld, wordt een andere grondslag gebouwd voor deze kunst. Meer en meer komt een streven om de behandeling van verschijnselen ondergeschikt te maken aan de behandeling der oorzaken. Voor 25 jaren was dit nauwelijks denkbaar.
En midden in dat woelig streven der wetenschap, dat komen, veranderen en verdwijnen van meeningen, staat de practiseerende geneesheer tegenover de practische eischen, die de kunst hem stelt. Bij \'t begin van zijn loopbaan is hij gewoonlijk nog gemakkelijk in staat, zijn wetenschap te volgen en aan de nog weinige hem gestelde practische eischen te voldoen. Weldra bemerkt hij evenwel dat hij, ook bij de grootste werkkracht, te kort gaat schieten. Zijn praktijk
5
neemt toe. Eigen wetenschappelijk onderzoek blijft steken. De zieken laten hem geen tijd. Zijn tijdschriften kan hij nog bijhouden, maar reeds worden zijn vrije avonduren bedenkelijk verkleind. Dreigend staat voor hem het spook, dat er een tijd moet komen, waarin hij, de vruchten van de reeds verkregen wetenschap nog gebruikend, niet meer in staat zal zijn om de waarde van de nieuw afgeworpen vruchten te beoordeelen.
Geen wonder, dat hij zich dus afvraagt of er op het prac-tisch gebied geen verdeeling van arbeid mogelijk is, dat het zijn streven wordt, om aan een andere categorie van personen datgene over te laten, wat overgelaten kan worden.
En te eer zal hij daartoe overgaan, als er van zulk een verdeeling van arbeid voor zijn zieken voordeel te verwachten is.
Wanneer hij zich verder afvraagt welk een deel der kunst hij overlaten mag, dan geeft hij zich rekenschap, dat een groot deel van zijn tijd besteed wordt aan de regeling van en de controle op de dagelijks wederkeerende verpleging van zijn zieken.
Niet ieder kent de algemeene eischen van hygiëne, die bij bijna eiken zieke dagelijks weerkeeren. Zeer vele, ja ontelbare malen heeft hij die uiteen te zetten; dikwijls moet hij zich overtuigen, dat, bij den besten wil, steeds en steeds weder, veelal zelfs door liefhebbende onkunde gedragen, verkeerdheden binnensluipen.
En meer. Slechts weinige oogenblikken staan hem voor iederen zieke ten dienste. Wel weet hij, dat hij menigmaal tijdens zijn afwezigheid uitstekende waarneming aan \'t ziekbed zal treffen. Ik noem slechts de moeder aan \'t ziekbed van haar kind. Hij heeft daar zijn voorschriften gegeven; hij wees uitvoerig waarop gelet moest worden, en alles werd er prompt nageleefd.
6
Maar de waarneming, zelfs met het oog der moederliefde gedaan, al is zij bijna altijd juist, al voert slechts hoogst zelden, naar mijn ervaring, daar de onrust tot foutieve waarneming, toch ontbreekt er iets. Het blijft een waarnemen zonder methode.
Zelfs in zulke gunstige gevallen zou het voor den medicus een onschatbaar voordeel zijn, als hij aan het ernstig ziekbed kan brengen een persoon op wie hij kon vertrouwen; van wie hij wist, dat zij zooveel kennis had van de allereerste eischen der gezondheidsleer, dat een zondigen tegen die beginselen voor haar bijna ondenkbaar mocht zijn; aan wie hij geleerd had waar te nemen aan de hand van de meest eenvoudige en stellig vaststaande methoden van onderzoek ; aan wie hij om \'t zoo uit te drukken, had leeren tasten, zien1 en hooren. Want hoe gemakkelijk dit ook schijnen moge, het blijft een niet bestreden waarheid, da,t men van het vele, wat te ;den en te hooren is, alleen datgene ziet en hoort, wat men reeds kent.
Hij wenscht een persoon, van wie hij niet behoeft te vreezen, dat zij zich zelve zal overschatten, maar van wie hij kan verwachten, juist omdat zij vrij veel heeft moeten leeren, dat zij scherp het onderscheid zal vatten dat er bestaat tusschen het vaststellen van een feit en de beslissing over de be-teekenis er van.
Een persoon die begrijpt, dat zij bijna dezelfde rol speelt als die intelligente moeder waarop ik straks doelde; die waarneemt, maar methodisch waarneemt tijdens de afwezigheid van den geneesheer, en die zich nooit verstouten zal uit haar waarnemingen een oordeel af te leiden, laat staan dat oordeel tot grondslag van zelfstandig handelen te nemen. Slechts één ding, het met kennis van zaken waarnemen, heeft zij boven haar voor.
Hij wenscht dus een persoon, die, krachtens haar kennis
7
in staat is om zich te schikken onder een vollediger kennis, en uit volle overtuiging weet, dat zij slechts dan haar plicht vervult, als zij zich met absolute gehoorzaamheid aan gegeven voorschriften houdt; een persoon, die niet zal beoor-deelen, noch in goeden, noch in kwaden zin, een ingeleide behandeling, maar haar stipt zal doorvoeren.
En eerst, wanneer de geneesheer in staat is geweest om naast zich zelf dergelijke personen te vormen, dan zal hij zich zelf en zijn zieken een dienst hebben bewezen. Aan zich zelf, omdat hij tijd wint, elders bruikbaar. Aan zijn zieken een nog veel grooteren. Direct, omdat hij hen onder betere observatie tijdens zijn afwezigheid brengt. Indirect, omdat de door hem op die wijze voor eigen studie gewonnen tijd weder ten bate der zieken komt.
De drijfveer, die ons geneesbeeren noopt om de opleiding van ziekenverpleegsters ter hand te nemen, blijkt dus wel degelijk in \'t belang van zieken en geneesheeren beiden. En juist, omdat dit het geval is, is de vraag naar de opleiding der verpleegsters een zou gewichtige. In allerlei landen, door de beste, de allereerste krachten is zij ter hand genomen.
Ja, ik aarzel niet het als mijne meening uit te spreken, dat de medische ontwikkeling in een staat onder meer zal afhangen van de wijze waarop de geneesheeren de opleiding hunner verpleegsters hebben weten te regelen.
Hier te lande is, behalve in Amsterdam, waar het schitterende voorbeeld van hen, die de vereeniging „het Witte Kruisquot; hebben gesticht, tot navolging heeft gedwongen en nog dwingt, niet veel voor de opleiding van ziekenverpleegsters gedaan.
Het staat daarin achter bij andere landen, dat schijnt mij zonder twijfel. En hier te Utrecht is, het moet gezegd, het moeilijke vraagstuk nauwelijks onder de oogen gezien, ja men heeft gedaan alsof \'t niet bestond. Hier ter stede zijn
8
zelfs vele inrichtingen, die de verpleging nog niet in handen der beschaafde vrouw hebben gebracht.
Want het zal u duidelijk zijn dat, wanneer de geneesheer zulke hooge eischen van verstand en, wij zullen zoo aanstonds zien, niet mindere van hart gaat stellen aan degene, die hem ter hulpe zal zijn, — dat hij dan zijn oog in den regel zal moeten richten op de beschaafde vrouw.
Hij moet zich rekenschap geven, dat de persoon die hij zal opleiden, of uit aanleg, of door reeds verkregen kennis in staat moet zijn, de lessen te volgen die hij zal geven.
Tot welke personen moet hij dan zijn toevlucht nemen, uit welke zal hij zijn toekomstige verpleegster vormen?
Zij moet vooreerst niet te oud zijn, omdat bij ouderen zich reeds gewoonten hebben ingeroest, die niet meer worden afgeleerd.
De lessen toch moeten er op zijn ingericht, dat de grondregels der gezondheidsleer in merg en bloed van de verpleegster zijn doorgedrongen. Daarover echter heerschen, ook nu nog, steeds de meest vreemdsoortige begrippen bij de leeken. En elke vrouw, die met de gemoedelijke vrees voor het kouvatten en rheumatiek een zekeren leeftijd heeft bereikt, en voor wie zulke weinig scherpe begrippen een beteekenis hebben gekregen, die, hoe ongedefinieerd ook, grondslag zijn voor hare hygiënische regelen, bijv.: instoppen, vrees voor koud water en frissche lucht, zal die begrippen slechts zelden meer verliezen.
Zulk een voorstelling is overdreven, dit weet ik; toch komen in kleiner zaken dikwijls dergelijke dwaasheden voor; want gewoonte is een machtige factor, te machtiger naarmate zij langer bestond.
Men kieze derhalve voor leerling-verpleegsters liefst jonge meisjes, en beschouwe de leerling-verpleegster, die boven de dertig jaren haar vak begint te leeren, als uitzondering.
9
Zij moet voorts gezond zijn. Als het oude spreekwoord doorgaat, dat een gezonde geest woont in een gezond lichaam, dan is het reeds daarom. Maar het is het nog veel meer, omdat van haar psysieke kracht somwijlen veel gevergd kan worden, omdat van haar nachtdienst, in tijden van nood zelfs zware dienst kan worden geëischt.
Zij moet ook aanleg of, wil men dit liever, beschaving bezitten.
Er zijn menschen die, ofschoon zij in de moeilijkste levensomstandigheden zijn groot geworden — en misschien juist daarom, — die ofschoon zij verstoken geweest zijn van beter onderwijs, toch geleerd hebben goed hun zintuigen te gebruiken. Zij hebben, zij het door intuitie, zij het omdat de omstandigheden het meebrachten, het geheim geleerd om nimmer halve waarnemingen door hun fantaisie volledig te denken. Aan de hand van die gelukkige eigenschap leerden zij bij samengestelde verschijnselen al spelende het zwaartepunt zien. Voor die gelukkigen komt het er weinig op aan, hoe hun ontwikkelingsgang was, welk onderwijs zij verkregen. Zij trekken de aandacht door het cachet van beschaving, van ontwikkeling, dat op hen ligt, zonder dat men zich er goed rekenschap van kan geven, op welke wijze dit hun eigendom is geworden. Maar bij het meerendeel der menschen is dit het geval niet. Zij hebben, om goed te leeren waarnemen, noodig gehad streng en uitgebreid onderwijs, dat hun leerde niet bij de oppervlakte der dingen te blijven staan.
Vergis ik mij niet, dan is het streven van het onderwijs dan ook veel minder de feitenkennis zelve, maar de juiste vorming van begrippen uit die feitenkennis. En dat wat de eerste met moeite leerde in de dikwijls harde school van \'t leven, wordt aan den tweede op de schoolbanken gemakkelijker geleerd.
Het resultaat is voor beiden op een gegeven oogenblik
10
hetzelfde; alleen de eerste zal verder gaan, als de omstandigheden ten zijnen voordeele veranderen.
Voor de leerling-verpleegster, van wier waarnemingsvermogen later zooveel geëischt zal worden, is dan ook m. i. de hoegrootheid van reeds verkregen feitenkennis bijzaak. Hoofdzaak is, dat zij geleerd hebbe, eenvoudig en helder te denken, dat zij hare fantaisie volkomen kan op zijde stellen, zoodra als \'t op verzamelen van feiten aankomt, en boven alles, dat zij zelfkennis hebbe.
Deze eischen van ontwikkeling en beschaving, aan de verpleegster gesteld, zullen in den regel meer worden aangetroffen bij personen, die uit ontwikkelde kringen komen en goed onderwijs genoten; maar wel degelijk worden zulke personen , zij het dan ook in veel minder aantal, ook in andere kringen geboren.
Zijn nu, waar jeugd, gezondheid, een zekere mate kennis, ontwikkeling en beschaving als eischen der aanstaande verpleegsters op den voorgrond zijn gesteld, geen gaven van het hart noodig?
Ik zal de laatste zijn om dit te willen uitspreken. De allergrootste eisch toch, die aan haar gesteld moet worden, luidt: plichtsbesef.
De aan \'t ziekbed geroepene moet weten dat het haar plicht is, te geven wat zij kan geven, en nu kan het haar medelijden met de lijdende natuurgenoot zijn, die haar het vervullen van haren plicht gemakkelijk maakt; nu kan het zijn, dat de roeping, die zij in zich voelt tot helpen, haar dien plicht eerder doet volbrengen; de eisch is dat zij haar plicht doet. Dat is niet gemakkelijk, ten minste niet altijd. Er komen lieve en hatelijke zieken voor; er zijn bekoorlijke en afzichtelijke lijders; zieken van wier leven het behoud van velen afhangt, zieken van wie men meent dat het heengaan door niemand zal betreurd worden. De pleegzuster mag echter
n
geen sympathieen of antipathieën in haar werkkring kennen. Zij doet haar plicht.
Maar daarom zou ik ieder, die geen gaven van hart in zich voelt, afraden om zich tot verpleegster te vormen. Het zal haar dan hoogst moeielijk, somwijlen onmogelijk zijn om haar plicht te doen.
Men noemt dit gevoel met vele namen.
Liefde tot, medelijden met lijders en hulpeloozen; lust om het goede te willen zien, ook daar waar alles slecht schijnt; of, gelijk velen het uitdrukken, een roeping om zieken te verplegen, zijn noodig om te slagen; want ik geloof dat slechts zij zulke eigenschappen kan missen, die meent sterk genoeg te zijn om in alle omstandigheden haar plicht te doen, omdat het plicht is. En weinigen kunnen dat van zichzelf zeggen.
Aan de andere zijde zijn de grootste gaven van het hart voor de ziekenverpleegster niet voldoende om haar voor hare taak berekend te maken. Zij kunnen haar bemind, gaarne gezien aan \'t ziekbed maken, maar afgezien van dit blijft zij een persoon, die haar vak niet kent, als zij het niet geleerd heeft.
Wanneer dan het goede, verstandige, ontwikkelde jonge meisje als leerling-verpleegster is opgetreden, zal de wijze van opleiding de zeer moeielijke vraag zijn voor den geneesheer, met hare vorming belast.
Van wie moet zij dan leer en? Van een of van velen? Hoe moet zij leeren? Alleen aan \'tziekbed? Of moet zij ook theoretische lessen volgen? Eindelijk wat moet zij leeren?
Van wie moet gij leeren?
Het scheen ons wenschelijk toe het onderwijs aan vele handen toe te moeten vertrouwen.
Afgezien reeds van de onmogelijkheid om één persoon te
12
vinden, die den omvang der geneeskunde zoozeer beheerscht, dat hij bevoegd zou zijn, zóó eenvoudig les te geven, dat hij door allen zou worden begrepen, meenden wij ook om een andere reden, dat de aanstaande verpleegster vele ge-neesheeren aan \'t werk moet zien. Ieder geneesheer past de vaststaande grondbeginselen op zijn wijze toe. De verpleegster moet leeren inzien, dat velerlei afwijkingen in détails hem vrijstaan en dat velerlei wegen naar het doel, de genezing, kunnen voeren.
Er schuilt zelfs een gevaar voor de leerling-verpleegster, die steeds één persoon bezig ziet. Zij leeft zich in de eigenaardigheden van dien eenen in , en heeft neiging om te mee-nen ,• dat daar buiten geen goeds zou zijn. Hare grootste moeilijkheid bij de vervulling van haren taak is: nooit de behandeling beoordeelen, en deze moeilijkheid wordt daardoor grooter. Practisch later bij een ander geneesheer werkzaam, die, al steunt hij op dezelfde beginselen, anders arbeidt, moet zij dan nog leeren begrijpen, dat anders niet gelijk staat met slecht.
Vandaar de velen, die met de regeling uwer lessen zijn belast.
Vandaar de detacheering bij de verschillende Directeuren van ziekeninrichtingen.
Hoe moet gij leeren?
Het ligt voor de hand, dat voor de leerling-verpleegster theoretisch onderwijs alleen belang kan hebben, als hat met practisch onderwijs kan gepaard gaan.
Het hoe te handelen leert men aan \'t ziekbed, het waarom op de theoretische lessen.
De eenvoudige kunstbewerkingen, die aan de latere verpleegster kunnen worden opgedragen, het maken van on-derhuidsche inspuitingen, het aanleggen van den catheter,
13
het verrichten van uitspoelingen van verschillende holten, dat alles kan u wel beschreven worden, maar dat baat zeer weinig, als het niet practisch wordt geleerd.
Aan \'t ziekbed wordt geleerd de eenvoudige waarneming; uit welke verschijnselen men beoordeelt of de tusschenkomst van den geneesheer noodzakelijk is; in welke gevallen zelf handelen uw plicht zal zijn. Op de theoretische lessen daarentegen moet gij eenig inzicht krijgen van de groote grondslagen waarop de geneeskunst rust. Daar bespreekt men de redenen waarom de tegenwoordige eischen van hygiëne zoo gesteld worden als zij worden, en welke zij zijn.
Daar worden de hoofdzaken van den bouw en van de verrichtingen van het lichaam uiteengezet, voor zoover gij die noodig hebt. In één woord, zij zijn de lessen, waarop rekenschap wordt gegeven van \'t geen gij practisch doen zult.
En ten laatste, wat moet gij leeren?
Uwe studiën moeten veelzijdig genoeg zijn.
Elke leerling-ziekenverpleegster moet in de eerste plaats algemeene kennis van haar vak hebben. Die algemeene kennis is wel eenvoudig, kan zeer kort verteld worden. Maar de vraag is hier niet het weten van die grondregels, er wordt geeischt, dat zij in merg en bloed zijn ingedrongen.
Een beroemd chirurg, die eens spreken zou over het geheim der tegenwoordige wondbehandeling waaraan de heden-daagsche chirurgie zoo groote resultaten dankt, betrad de tribune met een „zie hier. mijne heeren dat geheimquot;, en in de eene hand hield hij een nagelborstel en in de andere een stuk zeep omhoog.
Maar ik verzeker u, dat er aan het goed hanteeren er van heel wat vast is.
Tusschen reinheid en chirurgische reinheid ligt de geniale
14
arbeidskracht van een Lister, een Pasteur en een Koch, zij omvat de geheele leer der asepsis en antisepsis, die gij op elk specieel gebied zult weervinden.
En op deze wijze is het met bijna alle grondregelen. Zij zijn zoo eenvoudig, dat gij ze wellicht weet. Maar tusschen weten en kennen ligt nu het groote onderscheid.
U zal het zijn toevertrouwd om, steunend op uwe kennis van gezondheidsleer, de ziekenkamer in te richten; reiniging en voeding der u toevertrouwde patiënten te leiden aan de hand van vaste regelen.
Bij ongelukken zal uw zelfstandig handelen worden ge-eischt om tijdverlies te voorkomen. Langs vaste wetten zult gij bloedingen van wonden onder omstandigheden bedwingen.
Gij zult de eerste hulp moeten kunnen geven aan verdronkenen. Van sommige vergiftigingen moet u het tegengift bekend zijn.
Uw taak zal het zijn, eenvoudige verschijnselen van groot belang, polsslag, ademhaling, lichaamswarmte, te beoordeelen. Eenvoudige onderzoekingen zult gij hebben te verrichten.
Dit echter kan eerst geleerd worden, als enkele algemeene eigenschappen van het menschelijk organisme u bekend zullen zijn.
En staande op den algemeenen grondslag, zult gij langzamerhand de meer speciale verpleging leeren kennen.
Het zal u blijken, dat er een groot onderscheid is tusschen datgene wat voor u te verrichten valt, bij den chirurgischen of bij den inwendigen zieke\', bij de kraamvrouw en het pasgeboren kind of bij het kind in de latere kindsheid, bij den zenuwzieke, den krankzinnige, of bij den besmettelijken zieke.
Er is dan ook in deze noodzakelijke speciahseering der opleiding, een tweede reden, waarom zoovele geneesheeren
15
zich met elkander hebben verstaan, en waarom daarbij zoovele specialiteiten zijn.
De rooster der lessen zal u doen zien, hoe wij voorloopig hebben willen voldoen aan dien eisch.
Maar bij u zal de gedachte opgekomen zijn, of dan wanneer de leerling-verpleegster, krachtens een opleiding die ik een moeilijke studie durf te noemen, als zij den rang der verpleegster zal hebben ingenomen, er voor haar werk een arbeidsveld te vinden zal zijn.
Naar lust en aanleg zal zij waarschijnlijk reeds gekozen hebben, welken weg zij na volbracht examen inslaan, welke zieken zij \'t liefst verplegen zal. Wel zal zij nog voorloopig werkzaam dienen te blijven aan een inrichting, maar dan in andere conditiën, leerend de leerling-verpleegsters die aan hare zorgen, thans als ondergeschikten, worden toevertrouwd.
Misschien zal haar werkkring in ziekenhuis, in kraaminrichting, in gestichten voor zenuwlijders of voor krank-rinnigen een blijvende zijn.
En daar zal er dan veel op haar rusten.
Het onbeperkt vertrouwen, dat de medicus op haar waarnemingen, op hare rapporten stelt, ook al kan hij die niet meer controleeren, moet zij zich bewust zijn; zij dient zich rekenschap te geven van haar verantwoordelijkheid. Nooit liege zij, vooral ook dan niet, als voorspelde verschijnselen achterwege bleven. Zij moet niet trachten op die wijze aangenaam te zijn. Zij schame zich nimmer voor een: „dat heb ik niet gezienquot;, of voor een: „dat weet ik nietquot;, maar zij schame zich voor een opgesmukte mededeeling. Zij aarzele niet een fout, een misverstand, te bekennen. Geen ellenlange verontschuldigingen zijn noodig. Eenvoudig en
16
waar zij, wat zij den geneesheer meldt. Geen vergoelijking, geen verergering van gebeurtenissen op hare zaal.
Op haar zal, voor zoover de chirurgische afdeelingen betreft , in den regel rusten de zorg voor verbandstofFen en voor instrumenten. Op haar rust de verantwoordelijkheid voor de chirurgische reinheid er van. Eén slordigheid kan daar velen het leven kosten.
En overal zal zij haar groote verantwoordelijkheid terugvinden.
Speelt zij hare rol op de kraamkamer, dan rust op haar, naast de zorg voor reinheid, die voor de rust der moeder en voor de voeding van den pasgeborene. Die voeding, de bereiding en verdeeling er van, is in \'t kinderziekenhuis aan hare zorgen toevertrouwd.
Op de afdeeling voor zenuwziekten zijn haar weer andere zorgen opgedragen.
De reiniging van zieken, die dikwerf daartoe zelf niet in staat zijn, is haar opgedragen. Zij verricht in de dagelijks voorkomende jgevallen volgens regelmatig voorschrift de eleotrische behandeling, zij leidt het baden, zij geeft de douches, Jhelpt bij de afwrijvingen, kent masseeren en past het toe.
Is zij werkzaam fn de afdeeling voor krankzinnigen, dan worden daar wellicht de grootste eischen aan haar gesteld. Het sprookje, dat nooit de beschaafde vrouw mannelijke krankzinnigen zou kunnen verplegen, is lang weerlegd. Maar hare taak is daar bizonder zwaar. Nergens komen zoozeer tact, geduld, rustige ernst, te pas als daar. En juist dat veld is helaas in Nederland bitter verwaarloosd.
Het is hier de plaats niet om over de gebreken in ons krankzinnigenwezen te spreken. Alleen zij het als mijn overtuiging uitgesproken, dat onze krankzinnigen nooit regelmatig behandeld zullen kunnen worden, voordat de beschaafde
17
vrouw in het krankzinnigengesticht haren invloed heeft doen gelden.
Maar de werkkring der verpleegster in het ziekenhuis is de eenige niet, die voor haar openstaat. Naast de verpleging in \'t ziekenhuis staat de vrije verpleging.
De geneesheer zoekt hulp bij het ernstig ziekbed in den familiekring. De verpleegster treedt op. Zij zal terugvinden een zieke, die in een haar bekend kader om te verplegen valt. Zij zal er zich gedragen zooals zij dit tijdens haar leertijd heeft geleerd, en in betrekking tot de regeling der huishouding , op een zoodanige wijze dat aan alle eischen van gezondheidsleer wordt voldaan, zal zij zich naar den haar vreemden geneesheer richten. Anders werken dan zij in de ziekeninrichting deed, doet zij ook hier niet. Toch is het moeilijker.
Er dreigen haar daar zeer gevaarlijke klippen. Zij zijn van tweëerlei aard.
De verpleegster heeft zieken gezien; de patiënt, zoowel als de omgeving, is in den regel nieuwsgierig. De eerste klip, waarop zij kan stranden, is babbelzucht.
Nimmer verlage zij zich de rol van babbelaarster te spelen. Zij spreke nooit van de groote operatiën, die zij bijwoonde; zij zij er rustig, vroolijk, opgeruimd, maar de menschelijke ellende, die zij heeft moeten zien, blijve voor zieke zoowel als voor omgeving een gesloten boek. Zij diene te weten, dat de zieke daaronder in den regel lijdt, hoe zeer groot zijn verlangen naar dat „ijselijkequot; ook moge zijn; en — dat men het haar bijna altijd kwalijk neemt wanneer zij desniettemin aan zulk een verlangen heeft voldaan.
De tweede klip is nog meer gevaarlijk. Te midden eener vreemde familie geplaatst, hoort en ziet de verpleegster veel wat niet voor haar bestemd was. Zij deelt een gevaar-
18
lijk en moeilijk vertrouwen dikwijls met den geneesheer, kan ook tusschen hem en \'t huisgezin geplaatst worden. Onthoud U dan en zwijg, kies nooit partij, blijf ziekenverpleegster.
En ziedaar nu, hoe ik mij voorstel, dat de ontwikkelingsgang moet zijn eener degelijke verpleegster, — wat haar werkkring zal zijn.
Voor al die opofferingen , die zij zich zal hebben te getroosten, voor al dien strengen arbeid, voor die nachten wakend doorgebracht, wat zal haar loon zijn?
Zij zal een werkkring hebben, zij zal kunnen voorzien in eigen levensonderhoud, maar zij meene niet, dat men die belooning in finantiëelen zin moet opvatten. Met zieken te verplegen wordt men niet rijk.
Maar zij kan met zelfbewustzijn op haar werkkring zien als op een der meest nuttige die er bestaan. Nut brengt zij en geluk tevens. Wilt gij voorbeelden?
Is het niet ten hemel schreiend, dat een der grootste belangen die er bestaan, de verzorging van het pasgeboren kind, wordt toevertrouwd aan personen, die goedhartig zeker, maar tevens volkomen ongeschikt zijn voor zulk een taak?
Wie zal zeggen, bij hoevele jonge moeders de kiem van later lijden door de baker gelegd is, wie zal beoordeelen, hoevele personen hun later ongeluk te danken hebben aan de door mode en onverstand aangekweekte mishandelingen, waaraan de jonggeborene bloot staat?
Aan de toekomstige ziekenverpleegster zal het voorbehouden zijn, een aantal der inpennende folterwerktuigen, die de luiermand nog altijd ontsieren, te verwijderen; de kleeding der jonggeborene in overeenstemming te brengen met het-
19
geen voor vrije ontwikkeling van borst en buikorganen ge-eischt wordt.
Aan de ziekenverpleegster zal \'t voorbehouden zijn om de sprookjes, de romaneske en de ontzettingwekkende verhalen te verwijderen uit de kraamkamer, en de atmospheer dier psychische folterkamer evenzeer te reinigen.
Een slechts door enkelen ontgonnen veld ligt nog voor u, en er is daar nut te stichten. En het aantal voorbeelden zou ik overvloedig kunnen vermeerderen als ik het oog wilde richten op de mij zoo dagelijks toestroomende ervaring , hoe zenuwlijders en krankzinnigen in het huisgezin worden verpleegd. Ook daar is veel te doen.
Ten slotte nog een woord.
Alles ontwikkelt zich, geleidelijk en voortdurend. Naast de geneeskunst, zooals zij voor 25 jaren gegeven was aan hare beoefenaren, moest zich bij den grooteren omvang, dien zij aannam, ook de „ziekenverplegingquot; ontwikkelen. Op den trap waarop zij thans staat, zal ook de ziekenverpleging niet blijven staan. Dat is niet denkbaar. Ook de taak en de school der ziekenverpleegster zal zich ontwikkelen. Zal zij inkrimpen of zich uitbreiden?
Ik ben geen vriend van het doen van voorspellingen; toch geloof ik niet aan de meening van hen die roepen; maar vreest gij niet een groot gevaar, van die half ontwikkelde vrouwelijke geneeskundigen, die gij onder den naam van ziekenverpleegsters de wereld in stuurt? Vreest gij niet daarin een eigenwijze halfkennis aan te kweeken, die weldra een eigen medischen stand zou kunnen vormen? Vreest gij niet langs een omweg een nieuwen vorm te geven aan dien vroeger zoo gewraakten tweeden stand van geneeskundigen. Ik vrees dat niet. Vooreerst is mij een andere categorie van geneeskundigen met anderen werkkring geen schrikbeeld; maar vooral, omdat het mijne overtuiging is dat (de zieken-
20
verpleging zich in een richting zal ontwikkelen, waarbij steeds de leertijd grooter zal worden, steeds de medische studiën omvangrijker. En is de voorbereidende studie zulk een omvangrijke geworden, dat er ook geen bezwaar meer is om de medische ontwikkeling der ziekenverpleegster een voldoende te heeten, dan is er ook geen bezwaar meer om haar in de behoeften van het practische leven, ook ten deele zelfstandig, te laten voorzien. Die tijd is nog verre verwijderd; toch geloof ik dat hij komen zal, en liet eerst langs dezen weg. Dan zal echter ook de rol, die thans de medicus speelt, een geheel andere zijn geworden.
En met deze toekomstfantaisie wil ik deze eerste bijeenkomst sluiten.