-ocr page 1-
-ocr page 2-

. Oct.

quot;W jjsi.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0804 2453

-ocr page 5-

Ji £0Z jyq

DE IDERLiiSCi WEMffl,

zooals zij tot op 15 November van tiet jaar 1898 zijn. gewijzigd, en. aangevuld,

BENEVENS

DE BELANGRIJKSTE DER TOT HUNNE VERKLARING DIENSTIGE WETTEN EN WETTELIJKE VERORDENINGEN, MET VERWIJZING NAAR DE TOT ELK ARTIKEL BETREKKELIJKE FRANSCHE EN NEDERLANDSCHE WETSBEPALINGEN,

UITGEGEVEN DOOR

Mr. J. A. FRUIN,

Hoogleeraar te Utrecht.

VIBRDK DRUK.

(bewerkt door Mr. Th. A. FRUIN, Advocaat te Rotterdam.)

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOOEREDE.

Zooals in het Prospectus der HH. Uitgevers beloofd werd, is deze uitgave der NEDERLANDSCHE WETBOEKEN, naar mijn beste weten, tot op het oogenblik, waarop ik deze Voorrede schrijf, bijgewerkt. Om ook de wijzigingen, die eerst zeer onlangs in het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering en in het Tarief van Geregtskosten in Strafzaken gebracht zijn, daarin te kunnen opnemen, heb ik, nadat het geheele werk voltooid was, eenige bladen doen overdrukken. De Verzameling geeft dus meer dan het Titelblad aankondigt.

Over den inhoud en het plan van bewerking heb ik aan het in het Prospectus gezegde weinig toe te voegen. Wat mijne uitgave meer bevat dan die van anderen, zal aan ieder, die haar gebruikt, vanzelf in het oog vallen. Minder dan die van Mr. Oudeman bevat zij, voor zooveel ik weet, alleen de Wet op het liegt van Successie en van Overgang. Het kwam mij voor, dat, met uitzondering natuurlijk van de Wet op het Regt van Zegel, belastingwetten in eene Verzameling als deze, niet te huis behooren.

Aan het plan van uitgave, in het Prospectus aangewezen, heb ik mij zoo getrouw mogelijk gehouden. Waar eene wetsbepaling door eene andere vervangen is, heb ik, altijd met aanhaling der Wijzigingswet, den nieuwen tekst in de plaats van den vroegeren doen afdrukken; waar daarentegen een artikel niet vervangen of uitdrukkelijk afgeschaft, maar alleen stilzwijgend gewijzigd of vervallen is, heb ik de oude redactie daarvan behouden, en de wetsbepaling, waardoor het gewijzigd of vervallen is, — meestal tekstueel — in eene aanteekening opgenomen. In het Wetboek van Straf-regt, waarvan de oorspronkelijke tekst meer dan die van eenig ander onzer Wetboeken veranderingen heeft ondergaan, heb ik de artikelen of gedeelten van artikelen, waarop die wijzigingen betrek king hebben, duidelijkheidshalve cursief doen

-ocr page 8-

voorrede.

drukken. In de overige Wetboeken achtte ik dit niet noodig.

Dat een bruikbare uitgave van het Strafwetboek, behalve den Nederlandscben, ook den Franschen tekst moet geven, behoeft niet gezegd te worden. In mijne uitgave in groot 8° zal ik dan ook de beide teksten ter zijde van elkander doen afdrukken. Hier, waar dit, door het formaat, niet wel mogelijk was, heb ik ze, elk afzonderlijk, opgenomen.

Bij de Regterlijkc Indeeliny heb ik, ook met behulp van het nuttige werkje van den heer Franse, zooveel mogelijk acht geslagen op al de wijzigingen, die daarin sedert 1828 gebracht zijn. Ook hier heb ik wat veranderd is, cursief gedrukt, zoodat men met één oogopslag zien kan, hoe de indeeling oorspronkelijk geweest is, en hoe zij op dezen oogenblik is.

Ten slotte moet ik tot mijn leedwezen zeggen, dat er, niettegenstaande de groote zorg, die ik verzekeren durf aan de correctie besteed te hebben, verschillende onnauwkeurigheden en fouten !), inzonderheid in de aanhalingen achter de artikelen, in deze uitgave zijn overgebleven. Voor een deel — « es irrt der Mensch so lang\' er strebt» — zijn zij ongetwijfeld onnauwkeurigheden en fouten van correctie, voor een ander deel echter ook daaraan toe te schrijven, dat er, sedert de druk van het werk begonnen is, zoovele belangrijke wijzigingen in sommige onzer Wetboeken zijn tot stand gekomen. Zoo kon het gebeuren, dat ik hier en daar naar een artikel verwees en, toen ik het deed, verwijzen moest, dat thans, nu mijn werk verschijnt, reeds is afgeschaft. Aan deze laatste oorzaak moet het ook geweten worden, dat ik het woord Provinciaal vóór Geregtshof, behalve in de Regterlijke Organisatie, die ik in het begin van dit jaar bewerkte, eerst van blad 49 af, overal tusschen [ ] heb doen drukken.

IV

Wat er van zij, ik vlei mij, dat de bedoelde onnauwkeurigheden, bij het gebruik van het werkje, weinig last zullen geven. Dat ik ze bij eene eventueele nieuwe uitgave wensch te verbeteren, behoef ik niet te verzekeren: de uitgave in groot formaat zal in dit opzicht reeds eene nieuwe uitgave zijn. Maar juist omdat ik die gaarne zoo goed mogelijk wil maken, verzoek ik dringend aan allen, die in mijn boekje eenige misstelling of onnauwkeurigheid mochten op-

1) De belangrijkste, die mij in het oog zijn gevallen , heb ik in de Verheterin gen en Bijvoegsels aangewezen.

-ocr page 9-

-

voorrede. v

merken, mij daarvan mededeeling te doen. Voor elke dergelijke aanwijzing, ze zij van groot of van gering belang, zal ik zeer erkentelijk zijn.

Utrecht, F.

2 September 1876.

De nieuwe uitgaaf, door wijlen Mr. J. A. Fruin in uitzicht gesteld na de invoering van het Wetboek van Strafrecht, verschijnt hierbij, maar door eene andere hand dan de zijne bewerkt. Hoewel een gedeelte eene geheel nieuwe en zelfstandige bewerking vorderde, is zij toch niets dan eene herziene en bijgewerkte uitgave van het oude, geen nieuw werk. Zooveel mogelijk heb ik er naar gestreefd mij tot die herziening en bijwerking te bepalen. Toch zag ik mij genoodzaakt tot enkele veranderingen, die een kort woord van toelichting vorderen.

In de eerste plaats is op veel grootere schaal dan in de eerste uitgave de oorspronkelijke tekst van gewijzigde deelen der wetgeving medegedeeld. Bij eene uitgave die kort na eene veelomvattende en diepingrijpende verandering in de wetgeving geschiedt, was dit een vereischte voor de bruikbaarheid. De kennis van den oorspronkelijken tekst is niet alleen dikwijls noodig tot verklaring van den gewijzigden, maar onmisbaar bij het gebruik der op den oorspronkelijken tekst steunende vruchten van wetenschap en rechtspraak. Ik geloof mitsdien geene verontschuldiging te behoeven voor de afwijking van de eerste uitgaaf, die daarvan het gevolg was. Het had echter ten gevolge dat de uit te geven stof, die op zich zelve reeds niet onaanzienlijk zou toenemen, zoo uitgebreid werd, dat de nieuwe uitgaaf een omvang zou bekomen, voor bandgebruik ongeschikt, tenzij men haar in meerdere deelen splitste. Ik heb mitsdien zooveel mogelijk op andere wijze ruimte gespaard, alles weggelaten wat mij voorkwam zonder eenige schade voor het praktische gebruik te kunnen worden gemist, en aan het belang van inkrimping zelfs hier en daar de consequentie en de gelijkvormigheid opgeofferd. Zoo zijn de formulieren van afkondiging der wetten, alsmede de beweegredenen, waar deze niets meer bevatten dan eene overweging van de wenschelijkheid tot datgene, wat het opschrift der wet in gelijke woorden reeds aanduidt, weggelaten, de beweegredenen alleen opgenomen, als er iets in voorkwam, dat, hoe verwijden! ook, tot verklaring

-ocr page 10-

--

VI

VOORREDE.

zou kunnen strekken. Bij de Koninklijke besluiten daaren- d

tegen zijn ze in den regel behouden, omdat ze daarbij niet G

eenvoudig onveranderlijke formulieren zijn, en meestal bijzon- v

derheden bevatten die eenig belang kunnen hebben. A

Het belang van beperking bewoog mij voorts bij de d

mededeeling van den vervallen oorspronkelijken tekst op g

verschillende wijzen te werk te gaan. By de Grondwet, de s

Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Wetboek van t

Strafvordering is die tekst uitsluitend in de aanteekeningen 1

opgenomen, en hetzelfde is in de andere Wetboeken ge- s

schied, voor zoover het gold bepalingen in haar geheel ver- ( vangen. Vervallen bepalingen die niet door nieuwe zijn ver-

vangen, of kleinere wijzigingen zijn daarentegen door cursieve i

letters aangegeven, terwijl de tegenwoordige tekst geheel met gewone letter is gedrukt, maar het bijgevoegde tusschen haakjes geplaatst. Waar mededeeling geenerlei praktisch nut had en zekeren omvang vorderde (zooals van den ouden tekst van art. 11i2—1131 B. W.), liet ik haar achterwege. Om dezelfde reden is ook de volledige tekst der wijzigingswetten niet medegedeeld. Eene opneming dier wetten als Bijlagen tot de door haar gewijzigde stukken, achtte ik wenschelijk, omdat voor de interpretatie het verband van gelijktijdige wijzigingen van belang kan zijn , maar om dat verband te kennen, was niet noodig den geheelen tekst opnieuw af te drukken.

Bij de bijzondere wetten heb ik den oorspronkelijken tekst slechts medegedeeld, waar mij dat nuttig voorkwam. Waar, zooals met de Consulaire wet en de Drankwet het geval was, eene nieuwe officieele uitgave plaats had, is deze alleen medegedeeld. Eindelijk heb ik eenige telkens wederkeerende veranderingen, zooals die van Provinciale hoven in hoven, eenvoudig in den tekst overgenomen.

Bij de verwijzingen is, waar dit mogelijk was, de eerste uitgave gevolgd, met inachtneming der wijzigingen daarin reeds door Mr. Fruin in zijne groote uitgave der Wetboeken gebracht. Slechts een paar punten vereischen bijzondere vermelding.

Bij de Grondwet en bij het Wetboek van Strafvordering is het artikel der oudere redactie aan het begin van elke bepaling achter het artikel nummer aangegeven tusschen haakjes, met bijvoeging van het teeken *, wanneer de bepaling is gewijzigd. In de eerste uitgave wordt op die wijze verwezen naar de Grondwet van 1840, in de nieuwe naar

-ocr page 11-

VOORREDE.

die van 1848, terwijl een vergelijkende tabel achter de Grondwet en achter het Wetboek van Strafvordering het vinden der oude bepaling gemakkelijker maakt. Voor het Wetboek van Strafrecht is eene bijzondere rangschikking der verwijzingen aangenomen. Ze zijn daarbij in drie cate-gorien onderscheiden, die, waar meerdere voorkomen, door streepjes gescheiden en in een vaste volgorde zijn geplaatst, te weten: eerst de verwijzingen naar de vervangen bepalingen , daarna de verwijzingen naar bepalingen die in recht-streeksch verband staan met den tekst en hem aanvullen, eindelijk de verwijzing naar bepalingen die in eene meer verwijderde betrekking tot den tekst staan, of ter verklaring of vergelijking zijdelings dienst kunnen doen.

Eindelijk zij opgemerkt dat de verwijzingen naar de Grondwet, voorzoover ze niet in deze zelve voorkomen, uitsluitend betreffen de Grondwet van 1848. De bewerking der nieuwe uitgave was reeds voltooid en het drukken aangevangen , voordat eenige zekerheid omtrent het lot dei-Grondwetsherziening bestond, en het werk was reeds afgedrukt voordat de nieuwe Grondwet was tot stand gekomen. Deze is dan ook het laatst bewerkt en aan het hoofd der uitgave geplaatst. Het bezwaar der verwijzing naar de Grondwet van 1848 is echter gering, daar de tekst van deze zonder moeite in de uitgave van die van 1887 is terug te vinden en bovendien voor de verklaring der wetten die onder hare heerschappij grootendeels zijn ontstaan of gewijzigd, van meer belang is dan de nieuwe Grondwet.

Utrecht, P.

VII

15 November 1887.

Bij de uitgave van dezen derden druk kan een enkel woord tot inleiding volstaan, daar ze noch in vorm, noch in inrichting van die van den tweeden verschilt, die slechts opnieuw is herzien en bijgewerkt tot aan het einde van 1892 Het eenige verschil is weglating van enkele stukken, die zonder schade konden vervallen, en mitsdien zijn verdwenen om den omvang van het werk niet meer dan strikt noodig was, te vermeerderen. Zoo liet ik de vergelijkende tabel achter de Grondwet weg, nu de verwijzingen steeds den tekst van die van 1887 betreffen. Evenzoo vergenoegde ik mij bij de uitgave van het Strafwetboek den vroeger ingelaschten tekst der strafbepalingen van speciale wetten,

-ocr page 12-

VIII voorrede.

waar deze later in haar geheel zijn opgenomen, te vervangen V door eene verwijzing. Enkele veranderingen in de wetgeving , di in den loop van 1892 tot stand gekomen, zooals die in het ei Burgerlijk Wetboek, konden niet altijd meer in den tekst 1 worden opgenomen, noch de verwijzingen daarmede in verband gebracht. Ze zijn, evenals enkele te laat ontdekte fouten di onder de Verbeteringen en Aanvullingen opgenomen. d( Eindelijk is het mij eene aangename taak de medewerking n: aan deze uitgave te vermelden van Mrs. R. Fkuin JAzn. n en Th. A. Fruin , die mij niet alleen bij het nazien der ei drukproeven, vooral bij een werk als het onderhavige groote ai zorg en nauwkeurigheid vorderende, en mitsdien zeer tijd- V roovend, hun hoog gewaardeerden bijstand verleenden, K maar ook door hunne opmerkingen herhaaldelijk in staat v, stelden, de nauwkeurigheid van de uitgave te bevorderen, d^ en daardoor het werk van hun onvergetelijken vader bij voortduring te doen beantwoorden aan de eischen die hij w zich zei ven had gesteld. v,

Utrecht, P. z\'

Januari 1893. 0 --g

d

De invoering der Faillissementswet op 1 September 1896 v

maakte eene aanvulling van den derden druk dezer uitgave h

noodzakelijk. Die Faillissementswet en de Wet ter invoering h

van de Faillissementswet werden daarom afzonderlijk gedrukt a

en achter het Wetboek van Koophandel ingevoegd. Het b

derde boek van dat Wetboek en de laatste titel van het e

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ofschoon door v de nieuwe Wet vervangen, dienden vooralsnog te blijven

staan, omdat ze in den eersten tijd nog telkens zullen n

moeten geraadpleegd worden. r

Deze aanvulling alleen was evenwel niet voldoende om ^ li

den derden druk practisch bruikbaar te doen blijven. Daar- a

voor moesten in den tekst der andere Wetboeken ook de z

talrijke wijzigingen worden opgenomen door de Wet ter f

invoering van de Faillissementswet daarin gebracht. Een v

herdruk van verschillende bladzijden was voor dit doel noodig. v

En eenmaal daarmede begonnen konden in den tekst ook v

de veranderingen worden aangebracht bij verschillende wetten v

reeds onder en na het afdrukken van den derden druk v

vastgesteld. Zoo werden ten slotte niet minder dan 110 s

bladzijden overgedrukt, terwijl ook de lijst der Bijzondere v

-ocr page 13-

voorrede.

Wetten en Besluiten werd gecompleteerd. Doch nu geeft deze aangevulde uitgave dan ook den tekst der wetboeken en wetten, zooals die, naar het zich laat aanzien, op 1 September 1896 zal luiden.

Het bezwaar van zulk eene aanvulling en bijwerking is, dat de eenheid van het werk er onder lijdt. Zoo verwijzen de aanteekeningen, achter de wetsartikelen gedrukt, overal naar het derde boek van het Wetboek van Koophandel en niet naar de Faillissementswet behalve in die Wet zelve en in de wetsartikelen bij de Invoeringswet gewijzigd. Maar aan dat gebrek is te gemoet gekomen door de Tafel van Vergelijking van het derde boek van het Wetboek van Koophandel met de Faillissementswet, welke achter die wet is ingelascht; zij maakt het gemakkelijk het correspon-deerende artikel der Faillissementswet te vinden.

Een oogenblik was er reden om te gelooven, dat het wetsvoorstel van mr. Hartogh tijdig genoeg tot wet zou worden verheven om tegelijk met deze aanvulling het gewijzigd Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de uitgave op te nemen. De gewijzigde tekst lag voor den druk bewerkt gereed. Doch die hoop bleek ijdel en op het oogenblik dat dit voorbericht wordt geschreven is het nog niet bekend, wanneer de Wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0. 103) zal worden ingevoerd. Tegen het tijdstip dier invoering zal echter de herdruk van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afzonderlijk worden verkrijgbaar gesteld, zoodat de gebruikers dezer uitgave den thans geldenden tekst in hunne exemplaren door den herdrukten gewijzigden tekst kunnen vervangen.

Deze nieuw bewerkte oplaag van den derden druk is niet meer. zooals de tweede en de derde druk, door mr. M. S. Pols bezorgd. Het was voor de zonen van den oorspronke-lijken samensteller dezer uitgave, mr. J. A. Fruin, een aangename plicht, nu zij daartoe in staat zijn, het voortzetten van den arbeid huns vaders van hem over te nemen. De gebruikers dezer uitgave weten op hoe voortreffelijke wijze de tweede en derde druk zijn bewerkt. Die bewerking, vooral van den tweeden druk, waarin de nieuwe .\'codificatie van het Strafrecht moest worden opgenomen, vereischte veel zorg en was zeer tijdroovend. Mr. Pols heeft dien arbeid verricht uitsluitend uit vriendschap voor den oorspronkelijken samensteller dezer editie en om de vruchten van het werk van zijn gestorven vriend voor diens betrekkingen te behouden.

IX

-ocr page 14-

voorrede.

Namens dezen wordt hem hiervoor groote erkentelijkheid betuigd.

Rotterdam, Th. A. Fr.

1 Augustus 1896.

De vierde druk wijkt niet belangrijk af van den bijge-werkten derden druk. Het derde boek van het Wetboek van Koophandel en de laatste titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werden thans weggelaten. Bij het Wetboek van Strafvordering meende ik nu te kunnen volstaan met den geldenden tekst op te nemen, en liet ik dus om ruimte te sparen de aanteekeningen met den vervallen tekst weg; bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarentegen meende ik van de in 1896 gewijzigde artikelen den vroegeren tekst nog te moeten behouden. Ik meende voorts, dat het Wetboek van Strafrecht met bijbe-hooren in deze editie vóór het Wetboek van Strafvordering behoort te staan en heb dus de beide wetboeken verplaatst. In de achter de wetsartikelen geplaatste verwijzingen heb ik ditmaal de wetten en besluiten waarnaar verwezen wordt niet uitsluitend aangeduid door het jaar en het nummer van het Staatsblad waarin zij werden afgekondigd. Die hunner, welke thans officieel of in de practijk worden genoemd naar het onderwerp dat ze behandelen heb ik aangeduid met eene afkorting van de hun gewoonlijk gegeven benaming. Ik meende hierdoor de bruikbaarheid der verwijzingen te vergrooten; eene lijst der gebezigde afkortingen is aan het slot der uitgave achter het alfabetische register geplaatst. Verdere veranderingen bij dezen druk aangebracht bemerkt de gebruiker van zelf.

Ten slotte breng ik mijn dank aan hen die mij op fouten of leemten in den vorigen druk wezen. Voor mededeeling van zulke opmerkingen ook over den vierden druk — zelfs al schijnen ze onbelangrijk — houd ik mij dringend aanbevolen.

Rotterdam, Th. A. Fr.

15 November 1898.

x

-ocr page 15-

INHOUD.

GRONDWET Toor het Koningrijk der Nederlanden.

Bladz.

I. Hoofdst. Van het Rijk en zijn inwoners . . . 1

II. » Van den Koning.......2

III. gt;gt; Van de Staten-Generaal.....42

IV. » Van de Provinciale Staten en de Gemeente

besturen .........20

V. » Van de Justitie........24

VI. » Van den Godsdienst......26

VH. » Van de Financien.......27

VIII. » Van de Defensie.......28

IX. » Van den Waterstaat......29

X. » Van het Onderwijs en het Armbestuur. 30

XI. » Van Veranderingen......30

Additionele artikelen......37

WETGETING TAN 1838.

WET

van 16 mei 1829 (Stb. nfl. 33), omtrent de afschaffing

der nog in werking zijnde wetboeken, op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken. 33

Besluit van 10 April 1838 (Stb. n0.12), houdende bepaling van het tijdstip, waarop de invoering der nieuwe Nederlandsche Wetgeving en de instelling van den Hoogen Baad zal plaats hebben ... 34 Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0.17), omtrent de regter-

lijke organisatie in Limburg.......37

Besluit van 10 October 1841 (Stb. n0. 43), houdende bepaling van het tijdstip, waarop de Nederlandsche regtswetgeving in Limburg zal worden ingevoerd. 37

WET

van 16 Mei 1829 (Stb. n®. 29), houdende bepalingen-

wegens den overgang van de vroegere tot de nieuwe Wetgeving, gewijzigd bij de wet van 23 December 1837 (Stb. n®. 78).

I. Hoofdst. Algemeene bepalingen......40

II. « Van meerderjarigheid, emancipatie en ge-regtelijke adsistentie vóór de invoering van het nieuwe Wetboek verkregen . . 40

-ocr page 16-

INHOUD.

Bladz.

III. Hoofdst. Van de adoptie en officieuse voogdij . 41

IV. » Van de hypotheken en derzelver zuive

ring, en van de privilegien. ... 42 V. » Van de regten der echtelieden, vóór de invoering van het nieuwe Wetboek getrouwd . ........45

VI. » Van echtscheiding, scheiding van tafel

en bed, en ontbinding des huwelijks. 45

VII. » Van den lijfsdwang......46

VIII. » Van het bewijs........46

IX. » Van mutuele en olographische testamen

ten, en van erfstellingen over de hand. 46

X. » Van de tenietdoening ter zake van bena

deeling .........47

XI. » Van de toepassing der straffen ... 47 XII. » Van de aanhangige twistgedingen . . 48

XIII. » Van het beroep in cassatie tegen arresten

door het Hooggeregtshof te \'s-Graven-hage, en tegen vonnissen door de regt-banken binnen het ressort van dat hof gewezen.........48

XIV. » Van de bemoeijenissen der kantonreg-

ters..........49

Dccrcls du \'21 Janvier 1812 et du 4 Juillct 1811, rclatifs aux substitutions...........49

WET

van 18 April 1827 (Stb. n®. 20), op de Regterlijke Organisatie en uet beleid der Justitie.

I. Afd. Algemeene bepalingen.......51

II. » Van de Kantongeregten.......59

III. » Van de Arrondissements-Regtbanken ... 63

IV. » Van de Geregtshoven.......67

V. » Van den lloogen Raad.......71

Bijzondere voorzieningen......77

KLASSEN EN SiMENSTELLINÖ der rechterlijke colleges, bezoldiging der leden en ambtenaren en rechterlijke indeeling.

Besluit van 21 Juni 1830 (Stb. n0. 29), bepalende de zetels van den Hoogen Raad en der Provinciale

Geregtshoven............78

Staat behoorende tot art. 110 der luet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij den Hoogen Raad.......78

xn

-ocr page 17-

inhoud.

Bladz.

Staat hehoorendc tot art. 61 der wat op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregtshoven........79

Wet van 9 April 1877 (Stb. n6. 74), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondisse-ments-regtbanken en kantongcregten binnen het ressort van het geregtshof te \'s-Hertogenbosch. . 79 Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 75), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondisse-ments-regtbanken en kanlongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Arnhem .... 84 Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 76), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regtbanken en kantongcregten binnen het ressort

van het geregtshof te \'s-Gravenhage.....88

Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 77), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regtbanken en kantongcregten binnen het ressort

van het geregtshof te Amsterdam.....94

Wet van 9 April 1877 (Stb. nquot;. 78), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondisse-ments-regtbanken en kanlongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Leeuwarden . . .100 Wet van 9 April iSH (Stb. n0. 79), tot vaststelling van de klassen en zamenstelling der arrondissements-regtbanken, van de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij die regtbanken, alsmede van de klassen der kantongcregten en van de jaarwedden der kantonregters en der ambtenaren bij de kantongcregten ............103

Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 80), houdende bepalingen omtrent het personeel der ontbonden ar-rondissements-regtbanken en kantongcregten, de daarbij aangestelde prokureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaken, alsmede omtrent den ambtskring van notarissen . 106 Wet van 20 Juli 1895 (Stb. nquot;. 133), tot wijziging der wetten van 9 April 1877 (Stb. nos. 76 en 79), ten gevolge van de uitbreiding der gemeente Rotterdam, en regeling van de gevolgen daarvan . . 111

413 443 443

Bijlagen tot de wet op de Regterlijke Organisatie.

Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0.16), omtrent de regterlijke organisatie van Zuid-Holland en Noord-Holland ..............

Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 47), omtrent de

regterlijke organisatie in Limburg.....

Wet van 26 Mei 1841 (Stb n4.18), regelende sommige punten dc dienat der justitie betreffende .

xiu

-ocr page 18-

INHOUD.

Bladz.

Wet van 29 Mei 1849 (Stb. n0. 21), houdende bepalingen omtrent eene veranderde zamenstelling der Kamers van den Hoogen Raad en der\'provinciale geregtshoven, en met aanvulling van eenige vacatures, zoowel in laatstgenoemde regterlijke collegien,

als in de arrondissemenls-regtbanken .... 114 Wet van 29 Junij 1854 (Stb. n0.103), houdende uitbreiding van de regtsmagt der Kantonregters in

strafzaken ... ........114

Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke

tucht..............114

Wet van 9 Nov. 1875 (Stb. n0. 200), tot intrekking van het laatste lid van art. 12 der wel op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, zooals het is gewijzigd bij de wet van 4 Juli 1874 (Stb. n#. 90). 115 Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 202), tot intrekking der wet van 29 Mei 1849 (Stb. nquot;. 21), houdende bepalingen omtrent eene veranderde zamenstelling van den Hoogen Raad en der provinciale

geregtshoven, enz...........115

Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 203), tot wijziging van art. 84 en van den Staat, behoorende tot art. 110 d,er wet op de regterlijke organisatie

en het beleid der justitie........\'115

Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204), tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling

van nieuwe geregtshoven........116

Wet van 9 April IHll (Stb. n0. 72), houdende wijziging van de artt. 10, 11, 15, 16, 46, 48 en 52 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie en intrekking van art. 49 dier wet . . 118 Wet van 9 April 1877 (Stb. n®. 13), houdende wijziging van de artikelen 3, 30 en 32 tot en met 37 dei-wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie en intrekking van art. 45 dier wet . . 119 Wet van 26 April 1884 {Sih.n0 .§2), houdende wijzigingen in de «wet op de regterlijke organisatie en

het beleid der justitie».........119

Wet van 23 Juli 1885 (Stb. nquot;. 155), lot aanvulling van de «wet op de regterlijke organisatie en het

beleid der justitie»..........120

Wet va7i 15 April 1886 (Stb. n0. 64), houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. nquot;. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht enz.......121

Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n®. 93), tot intrekking van art. 87 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, en in verband daarmede tot wijziging van eenige bepalingen der

bestaande wetgeving.........121

Besluit van 8 Maart 1879 (Stb. n®. 40), houdende bepalingen omtrent het bewaren der oude regterlijke

XIV

-ocr page 19-

inhoud.

Bladz.

archieven, welke dagteekenen van vóór de invoering der Fransche wetgeving........122

REGLEMENTEN ran openbaar bestuur, ter voldoening aan art. 19 der wet op de Regterlijke Organisatie.

BESLUIT

van 14 Sept. 1838 (Stb. n0. 36), waarbij worden vastgesteld vier Reglementen, in voldoening aan art. 19 der Wet op de zamenstelling van de Regterlijke magt en het beleid der Justitie......124

REGLEMENT N®. I,

betreffende de wijze van eedsaflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoo-gen Raad, gelijk mede van de Hoven en Regtbanken, 125

HOOFDSTUK 1.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

I. Afd. Van de wijze van Eedsaflegging der onder

scheidene Regterlijke Ambtenaren. , .125

II. » Van de afwezigheid en de vacantie . , . 126

III. » Van de afwisseling en orde van den inwen-

digen dienst.........128

IV. » Van het Openbaar Ministerie.....133

V. igt; Van de Griffiers en substituut-Griffiers . . 134

HOOFDSTUK IL

BIJZONDERE BEPALINGEN.

I. Afd. Van den Hoogen Raad.......136

II. » Van de Geregtshoven, Regtbanken en Kan-

tongeregten.........139

REGLEMENT N». H,

betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke Ambtenaren, alsmede het costuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders.....141

REGLEMENT N«. III,

van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs.

I. Afd. Van de Advocaten, de Raden van discipline

en het Bureau van consultatie. . . .143 II- » Van de Procureurs........148

XV

-ocr page 20-

INHOUD.

Bladz.

REGLEiMENT N». IV,

op de organisatie en de dienst der Deurwaarders en verdere regtsbedienden.........quot;150

BESLUIT van den ISden Juli 1879 (Stb. n0. 143), waarbij het maximum van het getal Deurwaarders bij de Regter-lijke collegiën en hunne tractementen op nieuw worden vastgesteld..........155

WET

van den 15den Mei 1829 (Stb. n0.28), houdende Alge-meene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk. 157

159

159

160

171

172

185

187 191

196

197 199 205

207 212 213 218 236 240 245

BURGERLIJK WETBOEK.

EERSTE BOEK.

VAN PERSONEN.

I. Titel Van het genot en verlies der burgerlijke

regten.........

II. » Van Nederlanders en vreemdelingen.

III. » Van de akten van den burgerlijken stand

IV. » Van woonplaats of domicilie . V. » Van het huwelijk ....

VI. » Van de regten en verpligtingen der echt

genooten........

VII. » Van de wettelijke gemeenschap van goe

deren en derzelver beheer .

VIII. » Van huwelijksche voorwaarden . IX. » Van gemeenschap of huwelijksche voor waarden bij tweede of verder huwelijk X. » Van de scheiding van goederen .

XI. » Van de ontbinding des huwelijks. .

XII. » Van de scheiding van tafel en bed .

XIII. » Van het vaderschap en de afstamming

der kinderen.......

XIV. » Van bloedverwantschap en zwagerschap

XV. » Van de vaderlijke magt . XVI. » Van minderjarigheid en voogdij

XVII. » Van handligting.....

XVIII. » Van curatele.....

XIX. » Van afwezigheid.....

254

TWEEDE BOEK.

VAN ZAKEN.

I, Titel Van de zaken en derzelver onderschei

ding ..........

II. » Van bezit en de regten die daaruit voort-

vloeijen.........259

XVI

-ocr page 21-

INHOUD.

Bladz.

III. Titel Van eigendom........264

IV. » Van de regten en verpligtingen tusschen

eigenaars van naburige erven . . . 274

V. gt;) Van erfdienstbaarheden.....277

VI. » Van het regt van opstal.....282

VII. » Van het erfpachtsregt......283

VIII. » Van grondrenten en tienden .... 285

IX. » Van het vruchtgebruik......288

X. » Van het gebruik en de bewoning . . 298

XI. » Van erfopvolging bij versterf. . . . 299

XII. » Van uiterste willen.......306

XIII. » Van uitvoerders van uiterste wilsbeschik

kingen en van bewindvoerders. . . 327

XIV. » Van het regt van beraad en het voorregt

van boedelbeschrijving.....329

XV. » Van het aanvaarden en verwerpen van

erfenissen.........332

XVI. » Van boedelscheiding......335

XVII. » Van onbeheerde nalatenschappen. . . 346

XVIII. » Van bevoorregte schulden.....347

XIX. » Van pand.........351

XX. » Van onderzetting of hypotheek . . . 354

DERDE BOEK.

VAN VERB1NDTENISSEN.

I. Titel Van verbindtenissen in het algemeen. 366

II. » Van verbindtenissen die uit contract of

overeenkomst geboren worden. . . 378

III. » Van verbindtenissen die uit kracht der

wet geboren worden......382

IV. » Van het te niet gaan der verbindtenissen 387

V. » Van koop en verkoop......400

VI. » Van ruiling.........410

VII. » Van huur en verhuur......410

VIII. » Van het regt van beklemming . . . 420

IX. » Van maatschap of vennootschap . . . 420

X. » Van zedelijke ligchamen.....426

XI. » Van schenkingen.......428

XII. » Van bewaargeving.......432

XIII. » Van bruikleening . .......437

XIV. » Van verbruikleening......439

XV. » Van gevestigde of altijddurende renten 441

XVI. » Van kansovereenkomsten.....442

XVII. » Van lastgeving........444

XVIII. » Van borgtogt........448

XIX. » Van dading.........452

VIERDE BOEK.

VAN BEWIJS EN VERJARING.

I. Titel Van bewijs in het algemeen .... 454

II. ï) Van schriftelijk bewijs.......454

XVII

-ocr page 22-

INHOUD.

Bladz.

III. Titel Van bewijs door getuigen......459

IV. » Van vermoedens........462

V. » Van bekentenis........463

VI. » Van den geregtelijken eed.....464

VII. » Van verjaring.........466

Bijlagen tot het Burgerlijk Wetboek.

Wet van 31 Mei 1843 (Stb. n0.22), tot intrekking en vervanging van de eerste afdeeling van den zestienden titel van het tiveede Boek van het Burgerlijk Wetboek...........472

Wet van 9 Juli 1855 (Stb. n0. §1), houdende uitzondering op de artikelen 523, 526 en 549 van het Burgerlijk Wetboek, ten opzigte van vermiste personen bij vermoedelijke of bekende scheepsrampen 472 Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 56), houdende afschaffing der artikelen 884 en 957 van het Burgerlijk Wetboek...........472

Wet van 10 April 1869 (Stb. n0.65), tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten. . . 473 Wet van 18 April 1874 (Stb. n°. 68), tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-

r eg tb anken bij de kantonregters......473

Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 91), tot wijziging der bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de

beperkte handligting.........474

Wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 95), tot wijziging der

wettelijke bepalingen omtrent het pandregt . . 474 Wet van 15 Nov. 1876 (Stb. n°. \\9ö), tot aanvulling van de artikelen 388,389 en Ui van het Burgerlijk

Wetboek.............474

Wet van 5 Juni 1878 (Stb. n0. 89), tot aanvulling van

artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek . . . 475 Wet van 24 Juni 1879 (Stb. n». 132), tot wijziging

der artikelen\\3,Uen 2\'2 van het Burgerlijk Wetboek 475 Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93), houdende wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek.....475

Wet van 27 April 1884 (Stb. n». 96), tot regeling

van het Staatstoezicht op de krankzinnigen . . 477 Wet van 31 December 1887 (Stb. nu. 265),, tot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende Strafwetgeving,

in het Burgerlijk Wetboek.......477

Wet van 18 Juni 1892 (Stb. n®. 146), tot aanvulling van

de artikelen 980 en 988 van het Burgerlijk Wetboek 477 Wet van 12 December 1892 (Stb. n0. 268), op het

Nederlanderschap en het ingezetenschap . . . 477 Wet ter invoering van de faillissementswet. , . .477

XVIII

-ocr page 23-

INHOUD.

Bladz.

WETBOEK TAN KOOPHiNDEL.

ALGEMEENE BEPALING .... 479 EERSTE BOEK.

VAN OEN KOOPHANDEL IN HET ALGEMEEN.

I. Titel Van kooplieden en van daden van koop

handel ..........471)

II. » Van koopmansboeken......480

III. » Van vennootschap van koophandel. . . 482

IV, » Van beurzen van koophandel, makelaars en

kassiers..........488

V. » Van commissionnairs, expediteurs, voerlieden en van schippers, rivieren en binnenwateren bevarende......491

VL » Van wisselbrieven........495

VII. » Van orderbriefjes of promessen aan order;

van assignatien en van kassiers-en ander papier aan toonder.......510

VIII. » Van reclame of terugvordering in zaken

van koophandel........514

IX. » Van assurantie of verzekering in het algemeen...........517

X. » Van verzekering tegen de gevaren van brand, tegen die waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering. . 523

TWEEDE BOEK.

VAN DE REGTEN EN VERPLIGTINGEN UIT SCHEEPVAART VOORTSPRUITENDE.

I. Titel Van zeeschepen.........526

II. » Van eigenaars, mederoeders en van boek

houders van schepen......529

III. » Van den schipper........531

IV. « Van het huren van scheepsofficieren en

scheepsgezellen en derzelver regten en pligten..........540

V. » Van bevrachting en verhuring van schepen,

van chertepartijen en cognoscementen, en van passagiers.......550

VI. » Van schade door het overzeilen,, aanzeilen,

aanvaren en aandrijven veroorzaakt. 562

VII. » Van schipbreuk, stranding en zeevonden . 564

VIII. » Van bodemerij.........568

IX. » Van verzekering tegen de gevaren der zee

en die der slavernij......572

X. » Van verzekering tegen de gevaren van den vervoer te lande en op rivieren en

binnenwateren........589

XI. » Van averijen.........590

XIX

-ocr page 24-

INHOUD.

Bladz.

XII. Titel Van het te niet gaan der verbindtenissen

in den zeehandel.......599

XIII. » Van schepen en vaartuigen welke de rivie

ren en binnenwateren bevaren . . . 601

Bijlagen tot het Wetboek Tan Koophandel.

Wet van 4 Juli 4874 (Stb. n0. 8% tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent het voorregt der

commissionnairs..........606

Wet van 8 Juli 1874 (Stb. nquot;. 95), tot wijziging der

wettelijke bepalingen omtrent het pandregt . . 806 Wet van 1 Juni 1875 (Stb. n0. 8\\), tot wijziging van

art. 302 van hel Wetboek van Koophandel . . 606 Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 95), houdende

wijzigingen in het Wetboek van Koophandel . . 606 Wet ter invoering van de Faillissementswet. . . 607 Wet van 31 December 1896 (Stb. n0. 244), houdende wijziging van de artikelen 379, 380, 383 en 384

van het Welhoek van Koophandel.....607

Wet van 2 Mei 1897 (Stb. n0. 140), tot wijziging van de artikelen 748 en 755 van het Wetboek

van Koophandel...........607

Besluit van 3 Januari 1898 (Stb. n®. 1), houdende voorschriften ter uitvoering van de artikelen 748 en 755 van het Wetboek van Koophandel, zooals deze luiden ingevolge de Wet van 2 Mei 1897 (Stb. n0. 140)............ 608

FAILLISSEMENTSWET.

I. Titel Van Faillissement........609

H. » Van surséance van betaling.....649

Wet ter invoering van de Faillissementswet. . . 656

Bijlage tot de Faillissementswet.

Wet van 6 September 1895 (Stb. n0.155), tot wijziging van de Wet op het Faillissement en de surséance van betaling, van 30 September 1893 (Stb. nquot;. 140). 662 Tafel van vergelijking van het derde boek van hat Wetboek van Koophandel met de Faillissementswet. 663

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

EERSTE BOEK.

VAN DE WIJZE VAN PROCEDEREN VOOR DE KANTON-GEREGTEN, ARRONDISSEMENTS-REGTRANKEN,

HOVEN EN DEN IIOOGEN RAAD.

I. Titel Algemeene Bepalingen......665

II. » Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze

van procederen voor den Kantonregter. 690

XX

-ocr page 25-

INHOUD.

Bladz.

III. Titel Van de manier van procederen, bijzonder

betrekkelijk tot de arrondissements-regt-banken, de hoven on den hoogen raad,

regt doende in eersten aanleg . . . 697

IV. » Van regtspleging in zaken van koophandel. 734

V. » Van het openbaar ministerie .... 738

VI. » Van prorogatie van regtspraak aan het

geregtshof ...».....739

VII. » Van het regtsgeding in hooger beroep bij

de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoogen raad......740

VIII. « Van revisie..........746

IX. » Van verzet door derden......748

X. » Van requeste civiel.......749

IX. » Van de wijze van procederen in cassatie. 752

TWEEDE BOEK.

VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN EN AUTHENTIEKE AKTEN.

I. Titel Algemeene regelen omtrent geregtelijke ten

uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.........758

II. » Van de geregtelijke tenuitvoerlegging op

roerende goederen.......760

III. » Van de geregtelijke uilwinning van onroe

rende goederen........770

IV. » Van executoriaal beslag op en verkoop

van schepen........787

V. » Van lijfsdwang en van deszelfs tenuitvoerlegging ..........792

VI. » Van het vereffenen van kosten, schaden

en interessen, mitsgaders van de kosten van den processe.......798

VII. » Van het stellen van zekerheid .... 799

DERDE BOEK.

VAN REGTSPLEGING VAN ONDERSCHEIDEN AARD.

I. Titel Van de uitspraken der scheidsmannen. . 800

II. » Van procedures betrekkelijk erfenissen . 807

III. » Van boedelafstand........817

IV. » Van middelen tot bewaring van zijn regt. 818

V. » Van het doen van rekening en verant

woording ... .....830

VI. » Van eenige bijzondere regtsplegingen . . 834

Bijlagen tot het Wetboek Tau Burgerlijke EegtsTordering.

Wet van 31 Mei 1843 (Stb. nó. 23), tot intrekking en vervanging van de artikelen 695, 696 en 698 van het Wetboek van Burgerlijke Begtsvordering 853

XXI

-ocr page 26-

INHOUD.

Bladz.

Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 54), houdende verkorting der termijnen van dagvaarding van hen

die huiten het Koningrijk wonen.....853

Wel van 7 April 1869 (Stb. n0. 55), houdende afschaffing van eenige bepalingen van het Welhoek van Burgerlijke Regtsvordering overjüdiciëleboeten

en schadeloosstellingen.........853

Wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 68), tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-

regthanken bij de kantonregters......854

Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204). tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe geregtshoven......854

Wet van 26 April 1876 (Stb. n0. 86), tot wijziging van de artikelen 358 en 360 van het Wetboek van

Burgerlijke Regtsvordering.......854

Wet van 26 Juni 1876 (Stb. n0. 124), tot wijziging van de bepalingen omtrent de wijze van procederen

in cassatie in burgerlijke zaken......855

Wel van 30 Mei 1877 (Stb. n0. 138), tot wijziging van de artt. 8, 301, 477, 505, 567 en 738 van hel Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering . . • 856 Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 75), tot wijziging der regeling van de kosten in burgerlijke zaken en van de bevoegdheid der procureurs tot het

bepleiten dier zaken ... .....85b

Wet van 26 April 1884 (Sth.n0houdende wijzi-gingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. . ......... • 857

Wet van 15 April 1886 (Stb. r0. 64)..... 857

Wet van 23 December 1866 (Stb. n0. houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering .............858

Wet van 31 December 1887 (Stb. n». 265), tot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met tiet Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende Strafwetgeving,

in het Burgerlijk Wetboek........858

Wet van 8 April 1893 (Stb. n0. 61), tot wijziging van art. 469 van het Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering...........859

Wet van 22 Juni 1893 (Stb. nquot;. 93), tot intrekking van art. 87 van de «wet op de reglerlijke orgo.ni-satie en het beleid der justitie-* en in verband daarmede tot wijziging van eenige bepalingen der

beslaande xuetgeving.........859

Wet ter invoering van de Faillissementswet. . . 859 Wet van 7 Juli 1896 (Stb. n®. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering..............859

Besluit van 31 Juli 1896 (Stb. n». 146), houdende bepaling van den dag waarop de wet van 7 JidiiSQG

XXII

-ocr page 27-

INHOUD.

Bladz.

(Slb. n0. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, in werking

treedt..............860

Besluit van -16 September 1896 (Stb. n0. 156), ter bekendmaking van den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Èegtsvordering, zooals die is gewijzigd in verschillende wetten, laatstelijk bij de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n». 403)........ 860

REGLEMENTEN wegens liet hooger beroep aan den hoogen raad yan Tonnissen in burgerlijke zaken gewezen door de hoven Tan jnstitie in de koloniën.

I.

Besluit van 11 Januari 1840 (Stb. nquot;. 1), houdende vaststelling van een Reglement wegens het hooger beroep aan den hoogen raad van vonnissen in Burgerlijke zaken, gewezen door het Geregtshof in Suriname . 861

Reglement.............862

Wet van 4 April 1869 (Stb. n0. 36), tot voorloopige regeling der regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken . . 869

II.

Besluit van 28 September 1850 (Stb. nV 63), houdende vaststelling van een Reglement betreffende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden, van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog-Geregts-

hof van Nederlandsch-Indie........871

Reglement.............872

TARIEF Tan Jnstitie-kosten en salarissen in borger-lijke zaken.

ALGEMEENE BEPALING .... 877

I. Titel Van de Kantonregters en hunne griffiers . 878

II. » Van de griffiers bij de arrondissements-

regtbanken, de geregtshoven en den hoogen raad....................880c

III. » Van de Advocaten................880e

IV. « Van de Procureurs................880/i

V, » Van de deurwaarders....... 880fc

VI. » Van de bewaarders, deskundigen en ge

tuigen ........... 880n

XXIII

-ocr page 28-

INHOUD.

Bladz.

Wet van den 31slt;en December 1897 (Slb. n#. 275), tot goedkeuring van het op 14 November 1896 te \'s-Gravcnhagc gesloten verdrag lot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende en het daarbij behoorende op 22 Mei 1897 te ^s-Gravenftago geteekend additioneel protocol .............. 880p

915 919

925

926

927 929

WETBOEK VAN STEAERECHT.

EERSTE BOEK.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

I. Titel Omvang van de werking der strafwet. . 882

II. » Straffen...........883

III. » Uitsluiting, vermindering en verhooging der

strafbaarheid........891

IV. » Poging...........893

V. » Deelneming aan strafbare feiten . . . 894

VI. » Samenloop van strafbare feiten. . . . 896

VII. » Indiening en intrekking der klachte bij

misdrijven alleen op klachte vervolgbaar 898

VIII. » Verval van het recht tot strafvordering en

van de straf.........399

IX. » Beteekenis van sommige in het Wetboek

voorkomende uitdrukkingen .... 901

Slotbepaling.........903

TWEEDE BOEK.

MISDRIJVEN.

I. Titel Misdrijven tegen de veiligheid van den

Staat...........903

II. » Misdrijven tegen de Koninklijke waar

digheid ..... * . . . . 906

III. » Misdrijven tegen hoofden en vertegen

woordigers van bevriende Staten. . . 907

IV. » Misdrijven betreffende de uitoefening van

staatsplichten en staatsrechten . . . 908

V. » Misdrijven tegen de openbare orde. . 910

VI. » Tweegevecht.........914

VII. » Misdrijven waardoor de algemeene veilig

heid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht .....

VIII. » Misdrijven tegen het openbaar gezag IX. » Meineed........

X. » Muntmisdrijven......

XI. » Valschheid in zegels en merken XII. » Valschheid in geschriften

XIII. » Misdrijven tegen den burgerlijken staat . 932

XIV. » Misdrijven tegen de zeden.....933

XXIV

-ocr page 29-

INHOUD.

Bladz.

XV. Titel Verlating van hulpbehoevenden. . . 936

XVI. » Beleediging........937

XVII. » Schending\' van geheimen .... 939

XVIII. gt;gt; Misdrijven tegen de persoonlijke vrij

heid..........942

XIX. » Misdrijven tegen het leven gericht . 944

XX. » Mishandeling........946

XXI. » Veroorzaken van den dood of van

lichamelijk letsel door schuld . . 947

XXII. » Diefstal en strooperij.....947

XXIII. » Afpersing en afdreiging.....949

XXIV. » Verduistering........949

XXV. » Bedrog.........950

XXVI. » Benadeeling van schuldeischers of

rechthebbenden......953

XXVII. » Vernieling of beschadiging van goe

deren ..................56

XXVIII. » Ambtsmisdrijven.......957

XXIX. » Scheepvaartmisdrijven.....962

XXX. » Begunstiging........968

XXXI. » Bepalingen over herhaling van misdrijf

aan verschillende titels gemeen. . 969

DEBDE BOEK.

OVERTREDINGEN.

I. Titel Overtredingen betreffende de algemeene

veiligheid van personen en goederen . 970

II. » Overtredingen betreffende de openbare orde 984

III. » Overtredingen betreffende het openbaar

gezag..........994

IV. » Overtredingen betreffende den burgerlijken

staat..........997

V. » Overtreding betreffende hulpbehoevenden. 997

VI. » Overtredingen betreffende de zeden . . 997

VII. » Overtredingen betreffende de veldpolitie . 1001

VIII. » Ambtsovertredingen.......1001

IX. » Scheepvaartovertredingen......1004

Algemeene slotbepaling.....1007

Bijlagen tot het Wetboek Tan Strafrecht.

Wet ter invoering van de Faillissementswet . . 1010 Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70), houdende regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken .............1010

InToering\' van het Wetboek Tan Strafrecht.

Wet van 15 April 1886 (Stb. n0. 64), houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0.35) vastgestelde Wet-

XXV

-ocr page 30-

INHOUD.

Bladz.

boek van Strafrecht en dén overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de beslaande wetten en het nieuwe Wetboek.

§ I. Algemeene bepalingen....... • \'w\'\'1

§ II. Bepalingen, houdende afschaffing, handhaving of

wijziging van wetten die thans in werking zijn 1011 § III. Bepalingen omtrent overtredingen van Algemeene Maatregelen van inwendig bestuur, van Provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, van gemeenteverordeningen en van politieverordeningen of keuren van waterschappen. . . • • • \'10-29

§ IV. Algemeene bepaling omtrent herhaling van straf-

bare feiten.........,

§ V. Bepalingen betreffende strafbare feiten voor 1 September 188G gepleegd en op of na dien

dag te berechten..............

8 VI. Bepaling omtrent straffen vóór 1 September

1886 opgelegd.........

Slotbepaling.........

Wet van 31 December 1887 (Stb. n0.265), tot wij/.igmg van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek van strafvordering, in het W\'etboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende strafwetgeving,

in het Burgerlijk Wetboek.....

Besluit van 9 Januari 1888 (Stb. n0. 2), tot wijziging van bestaande Koninklijke bet-luiten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek

van Strafvordering..........

Wet van 15 Januari 1886 (Stb. n». 7), houdende bepalingen tot uitvoering van de artikelen 38 en 39 van het Wetboek van Strafrecht.

§ 1. Bepalingen, regelende de wijze waarop de last van den burgerlijken rechter wordt verkregen tot plaatsing van een kind in een rijksopvoedingsgesticht . . . . ■ • • quot; , § 2. Bepalingen, regelende de wijze, waarop de last

tot ontslag uit het rijksopvoedingsgesticht wordt verkregen voordat de bij het vonnis bepaalde ^

termijn is verstreken........10o9

§ 3. Bepalingen aan de twee vorige paragrafen

gemeen............ . •

Wet van 3 Januari 4884 (Stb. nquot;. 3), tot aanwijzing der gestichten waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan en van aanverwante

gestichten........... •

Wet van 14 April 1886 (Stb. n». 62), tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen . . .

I. Titel Inrichting en beheer.......^04a

II. » Indeeling in klassen.......

III. » Arbeid en arbeidsloon.......11m4

XXVI

-ocr page 31-

INHOUD.

Bladz.

IV. Titel Onderwijs en godsdienstoefeningen . . 1045

V. » Tucht...........1045

VI. » Rijksopvoedingsgestichten.....1046

Besluit van 31 Augustus 1886 (Stb. n0.159), tot vaststelling van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek

van Strafrecht...........1047

Algemeene maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22- van het Wetboek van Strafrecht.

I. Titel Algemeene bepalingen......1048

II. » Inrichting en beheer......1048

III. » Verdeeling in klassen......1059

IV. » Arbeid en opbrengst van den verplichten

arbeid..........1060

V. » Onderwijs.........1062

VI. » Godsdienstoefeningen en godsdienstonder

wijs...........1062

VII. » Tucht...........1063

Slotbepaling.........1065

Besluit van 20 Januari 1887 (Stb. nquot;. 19), houdende vaststelling van een reglement van tucht voor de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen n0. 1, 2 en 3. 1065

Reglement. ...........1066

Besluit van 17 Augustus 1889 (Stb. n®. 107), houdende vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, brdoeld bij artikel 17 van het Wetboek

van Strafrecht...........1071

Besluit van 6 Juni 1888 (Stb. n0. 87), tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 439 n0. 2 van het Wetboek van Strafrecht............1075

WETBOEK VAK STKAFVORDERING.

ALGEMEENE BEPALINGEN .... 1078

I. Titel Van het opsporen der strafbare feiten . 1079

II. » Van den regter-commissaris en van de

vooi loopige informatien.....1089

III. » Van het verleenen van regtsingang en de

verdere geregtelijke instructie . . . 1094

IV. » Van het regtsgeding op de teregtzitting

van de arrondissements-regtbank . . 1105

V. » Van het hooger beroep van vonnissen van

de arrondissements-regtbanken . . . 1124

VI. » Van de beregting van strafzaken die tot

de bevoegdheid van den Kantonregter behooren, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep........1128

VII. » Van strafvordering tegen regterlijke ambte

naren ..........1130

VIII. » Van afwezig gebleven beklaagden. . . 113!

XXVII

-ocr page 32-

INHOUD.

Bladz.

IX. Titel Van do herkenning van veroordeelden die

ontviugt en weder achterhaald zijn . 1132

X. » Van de regtspleging ter zake van valsch-

heid..........1133

XI. » Van de wijze van regtspleging jegens hen,

die den eerbied schenden, aan de openbare magt verschuldigd . . . . 1135 XII. » Van de wijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het Koninklijk geslacht zullen worden ontvangen .........1136

,X1II. » Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoogen raad in eerste en laatste

ressort onderworpen.....1137

XIV. » Van de regeling van regtsgebied . . 1140 XV. » Van de wraking en verschooning van regters en de verzending van de zaak uit dien hoofde naar eenen anderen regter 1142 XVI. » Van het ten uitvoer leggen van arresten

en vonnissen........1144

XVH. » Van het beroep in cassatie .... 1146 XVIU. » Van de opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden .... 1151

XIX. » Van gevangenissen......1153

XX. » Van de middelen om de persoonlijke

vrijheid te verzekeren tegen onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen......1154

XXI. » Van het bewijs der strafbare feiten . 1155 XXII. » Van het ophouden en te niet gaan van

vervolgingen en straffen . . . . 1158

Bijladen tot het Wetboek Tan Strafvordering.

Wet van 15 Januari 1886 (Stb. n0. 5), houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering ..............1160

Wet van 4 Juli 1887 (Sgt;lh.n0Al\\), tot wijziging van

art. 385 van hel Wetboek van Strafvordering . 1160 Wet van 23 Juni 1889 (Stb. n0. 83), tot aanvulling van de vierde afdeeling van den eersten titel van

het Wetboek van Strafvordering.....1161

Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70), houdende regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken .............1161

XXVIII

-ocr page 33-

INHOUD.

Bladz.

TARIEVEN van geregtskosteu in strafzakeu.

I.

Wet van 18 April 1874 (Stb. n0. C6), tot vaststelling der tarieven van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt .... 1164 Besluit van 18 December 1874 (Stb. n0. 212), houdende voorschriften omtrent de onderwerpen, aangewezen bij art. 78 der wet van 18 April 1874 (Stb. n4. 66)...........1179

II.

Wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 67), tot vaststelling van een tarief van geregtskosten in strafzaken, waarvan de militaire regter kennis neemt . . . 1188 Besluit van 18 December 1874 (Stb. n0. 213), houdende voorschriften omtrent de onderwerpen, bedoeld bij het eerste lid van art. 10 der wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 67).......1189

NOTARIAAT.

Wet van 9 Juli 1842 (Stb. n0. 20), op het Notarisambt.

I. Hoofdst. Van de ambtsbediening en het ressort

der notarissen.......1191

II. » Van de vereischten om tot notaris be

noemd te worden, en van de wijze van benoeming.......1193

III. » Van de akten en derzelver vorm, van

de minuten, grossen, afschriften en repertoria........1195

IV. » Van het toezigt over de notarissen en

van derzelver honorarium. . . . 1204

V. » Van het bewaren en overbrengen van

minuten, registers en repertoria . . 1207

VI. » Algemeene bepalingen.....1211

II.

Besluit van 4 Juni 1878 (Stb. n0.81), noudende voorschriften ter uitvoering van art. 14 van de wet op het notarisambt...........1213

Programma............1215

III.

Wet van 31 Maart 1847 (Stb. n0.12), houdende vaststelling van het tarief tot bepaling van de hoegrootheid en van den vorm van taxatie van het honorarium der notarissen, gelijk mede van verschotten, welke aan hen in rekening zullen worden geleden.............1217

XXIX

-ocr page 34-

INHOUD.

Bladz.

ZEGELWET.

Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), op het Regt van Zegel, gewijzigd en aangevuld door de wetten van 24 en 31 December 1856 (Stb. n0.130 en 165), van 7 Juli 1867 (Stb. n0. 35), van 9 April 1869 (Stb. n0. 60), van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 87), van 11 Juli 1882 (Stb. n0.93),en van 31 December 1885 (Stb. n0.264).

I. Titel. Algemeene bepalingen......1222

II. » Van den aard der belasting.....1228

III. » Van de vrijstellingen.......1237

IV. » Algemeene verpligtingen......1245

V. » Van de vervolgingen en verjaringen . . 1246

Transitoire Bepalingen......1248

Slotbepalingen.........1249

Wet van 24 Mei 1897 (Stb. n0. 155), tot nadere

regeling van het zegelrecht van effecten . . . 1250

Bijlagen.

Besluit van 13 Maart nquot;.\\8), betrekkelijk het in werking brengen van de Wet op het Regt van Zegel, ddquot;. 3 October 1843 (Stb. n0. 47) . 1254 Besluit van \'16 September 1882 (Stb. n0. 127), tot vaststelling van de ivijze, waarop van de betaling van opcenten blijken zal op het aan zegelregt onderhevige papier of perkament.....1256

HYPOTHEKEN EN SCHEEPSBEWIJZEN.

Besluit van 21 Juni 1836 (Stb. nquot;. 41), waarbij de uitvoering geregeld wordt van de voorschriften vervat in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel . 1257 Wet van 30 December 1839 (Stb. n0. 58), houdende bepaling van den duur der verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken en het kadaster en der scheepsbewijzen, en magfiging tot vaststelling van een tarief van derzelver salarissen . . 1262 Besluit van 11 Maart 1840 (Stb. n0. 86), waarbij, in verband met het tegenwoordige hypothecaire stelsel, maatregelen worden voorgeschreven omtrent de doorhaling van de overschrijvingen der processen-verbaal van inbeslagneming van onroerende goederen, alsmede van schepen en vaartuigen . . . 1262 Wet van 14 December 1844 (Stb. n0. 62), tot vaststelling van de salarissen der bewaarders van de hypotheken, van het kadaster en van de scheepsbewijzen .............1264

Wet van 5 Juni 1878 (Stb. n0. 90), tot vernieuv/ing

der bestaande hypothecaire inschrijvingen . . . 1266

XXX

-ocr page 35-

inhoud.

Bladz.

Bijzondere Wetten en Besluiten.

(chronologisch gerangschikt.)

Besluit van den Souvereinen vorst van 18 December 1813 n0. 5 (Stb. 1814 n0. i), betrekkelijk de daar-stelling van een Staatsblad der Vereenigde Nederlanden ...».........1269

Wet van 1 Maart 1815 (Stb. nquot;. 21), houdende voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren

Christelijken Godsdienst toegeivijd.....1270

Besluit van 15 ,Tuli 1818 (Stb. n0. 30), houdende verordeningen, betrekkelijk het doen van geregte-

lijke schouwingen..........1271

Besluit van 14 November 1827 (Stb. n0. 51), betrekkelijk het beheer van gelden en goederen van zeelieden, die, ter koopvaardij uitvarende, op de reis komen te overlijden of vermist raken. . . . 1272 Besluit van 30 Augustus 1829 (Stb. n0. 61), houdende bepalingen nopens het verlossen uit de slavernij

van slaafgemaakte schepelingen.....1274

Besluit van 16 Jtmi 1830 (Stb. n0. 26), regelende de uitvoering van art. 30 van den iden titel des eersten hoeks van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. 1275 Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0.14), houdende nadere bepalingen nopens de consignatie van effecten aan toonder^ welke aan minderjarigen of aan onder curatele gestelde personen toebehooren . . . 1276 Wet van 9 October 1841 (Stb. n0. 42), betrekkelijk de regtsmagt der hooge en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen, enz. . . . . 1279 Besluit van 25 Augustus 1843 (Stb, n0. 36), betrekkelijk de kosten van onderhoud van gegijzelde

schuldenaren...........1284

Wet van 22 Mei 1845 (Stb. nquot;. 22), op de invordering van \'s Rijks directe belastingen .... 1285 Wet van 13 Augustus iSid (Slh.nquot;. 39), tot regeling

der toelating en uitzetting van vreemdelingen . 1293 Wet van 28 Augustus 1851 (Stb. nc. 125),

Ide onteigening ten algemeenen nutte. .de onteigening ten algemeenen nutte. . . . 1296 Besluit van 17 December 1851 (Stb. n0. i6amp;), houdende nadere bepalingen omtrent het beheer en beleid der algemeene of Rijkspolitie .... 1314 Wet van 26 April 1852 (Stb. n0. 92), houdende regeling der afkondiging van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat. . . . 1318 Besluit van 23 Augustus 1852 (Stb. n0. 141), houdende vaststelling van bepalingen op de strandvonderij .............1319

Besluit van 25 Maart 1854 (Stb. n0. 18), houdende aanvulling van dat van 23 Augustus 1852 (Stb. n0. 141), nopens de strandvonderij .... 1322 Wet van 10 September 1853 (Stb. nquot;. 102), tot rege-

xxxi

-ocr page 36-

INHOUD.

Bladz.

ling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen...........1322

Wet van 22 April 1855 (Stb. n0. 32), tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van ver-

eeniging en vergadering........1325

Wet van 7 Mei 1856 (Stb. n°. 32), houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de

koopvaardijschepen.........1328

Besluit van 11 November 1856 (Stb. n0. 114), houdende bepalingen omtrent de dienst der Rijksveldwachters.............1336

Wet van 13 Junij 1857 (Stb. n®. 87), tot regeling

der Jagt en Visscherij.........1339

Wet van 22 December 1857 (Stb. n0. 171), tot buiten-effectstelling en vervanging der Fransche Wet van 3 September 1807 op de interesten. . 1353 Besluit van 30 September 1862 (Stb. nquot;. 176),/iou-dende bepalingen omtrent ten behoeve van den Staat verbeurdverklaarde en andere op de griffièn der regterlijke collegiën en kantongeregten berustende voorwerpen..........1353

Besluit van 22 December 1863 (Stb. n0. 149), ter nadere regeling van de wijze en den vorm van afkondiging van wetten en Koninklijke besluiten 1355 Besluit van 5 October 1867 (Stb. nquot;. 104),/iowdende vervanging van het Koninklijk Besluit van 8 September 1861 (Stb. nquot;. Si) door nadere bepalingen, ter uitvoering van art, 396 Wetboek van Koophandel .............1356

Wet van 10 April 1869 {Slh.n0.65), tol vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten 1357 ; Wet van 28 Mei 1869 (Stb. n®. 96), betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het

voeren der Nederlandsche vlag......1368

Wet van 16 Julij 1869 (Stb. n®. i39), tot uitvoering der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart . . . 1374 Wet van 25 Juli 1871 (Stb n0.9\\), houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en

van de consulaire regtsmagt......1375

Wet van 12 April 1872 (Stb. n®. 25), tot afkoopbaar-

stelling der tienden.........1405

Wet van 6 April 1875 (Slb. n0. 66), tot regeling der algemeene voorwaarden op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdrager, met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. 1409 Wet van 9 April 1875 (Stb. nquot;. 67), tot regeling van de dienst en het gébruik der spoorwegen, en zulks met intrekking der wet ucm21 A ugustus 1859(Stb. n0.98). 1415 Wetvan 17 JVouewiamp;er 1876 (Stb. n0. 227), tot regeling der coöperatieve vereenigingen......1416

xxxu

-ocr page 37-

INHOUD.

Dlauz.

Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 30), houdende bepalingen omtrent de heëedigde vertalers. . . . 1420 Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 72), tot regeling der heffing van regten wegens de verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand. 1421 Wet van 23 April 1880 (Stb. n0.67), betreffende de openbare middelen van vervoer, met uitzondering

der spoorwegdiensten.........1423

Besluit van 31 Juli 1880 (Stb. n0. 121), houdende bepalingen, ter verzekering van de veiligheid der reizigers met openbare middelen van vervoer . 14quot;2f) Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n». 97), houdende wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling der openbare

dronkenschap........... 1428

Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 124), tot regeling

van het auteursrecht.........1435

Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 86), houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of

aandrijvingen op zee.........1440

Wet van 27 April 1884 (Stb. n°. 96), tot regeling

van het staatstoezicht op krankzinnigen . . . 1441 Wet van 10 Mei 1886 (Stb n». 104), houdende bepalingen tot bevordering van de verdeeling van

markgronden...........1454

Besluit van 13 December 1887 (Stb. n0.215), lot uitvoering van art. 68, tweede lid der Grondwet, en tot vaststelling van eenige regelen, welke bij de behandeling van verzoeken om gratie en van dejaar-lijksche voordrachten tot het verleenen van afslag en ontslag aan gevangenen hehooren te worden

in acht genomen..........1403

Besluit van 4 November 1888 (Stb. n0.158), lt;ot/ter-ziening der voorschriften omtrent de wijze waarop het overlijden van krijgslieden, die te velde, in den slag, of in \'s Bijks dienst buiten het Koninkrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand moet worden ingeschreven . . . 1467 Wet van 9 Mei 1890 (Stb. n0. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen . 1468 Wet van 21 Juli 1890 (Stb. n0.127), tot verzekering van de toepassing van bij de wet bevolen of toegelaten vrijheidsbeneming........1470

Wet van 28 Februari 1891 (Stb. nquot;. 69), tot vaststelling van bepalingen betreffende \'s Rijks water-QtrtntotDtiVtlipvt ........ 1471

Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 84), houdende bepalingen ter uitvoering van de op 16 November 1887 te \'s-Gravenhage gesloten internationale overeenkomst, strekkende tot het tegengaan der misbruiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank onder de visschers op de Noordzee,

buiten de territoriale wateren, goedgekeurd hij de

xxxnr

-ocr page 38-

INHOUD.

Bladz.

wet van 7 Augustus 1888 (Stb. n0.123), en tot het tegengaan van soortgelijke misbruiken in de territoriale wateren des Bijks.......1474

Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 91), houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die

voor de scheepvaart openstaan......1480

Wet van 22 Juni 1891 (Stb. n0. 125), betreffende de wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op eene Koningin . . 1481 Wet van 29 October 1892 (Stb. n0. 240), houdende voorloopige maatregele?i tot behoud van vicarie-

goederen.............148t

Wet van 12 December 1892 (Stb. n0. 268), op het

Nederlanderschap en het ingezetenschap . . . 1482 Wet van 30 September 1893 (Stb. n0.146) houdende

bepalingen op de fabrieks- en handelsmerken . 1487 Besluit van den 30sten Juli 1894 (Stb. n0. 141), houdende bepalingen omtrent meting van Rijkswege van binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kosten ....... 1495

Besluit van den listen November 1894 (Stb. n0.174), houdende bepalingen omtrent het ijken van Rijnschepen ............ „ 1501

Wet van 13 Juli 1895 (Stb n0. 113), houdende bepalingen omtrent verveningen......1504

Wet van 20 Juli 1895 (Stb. n0. 189), ter uitvoering

van artikel 191 der Grondwet......1506

Alfabetisch Register..........1511

Verkortingen............1535

Verbeteringen............1540

XXXIV

-ocr page 39-

GRONDWET

VOOR HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

{Plechtig afgekondigd op 30 November 1887.)

il

EERSTE HOOFDSTUK.

quot;Fan het Itijk en zijn inwoners.

Artikel 1. (1*) a)

Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

2. (118*) De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt. (G. 61 v., 75, 122.)

Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.

3. (2*) De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen. (Gem.w, a. 128 v.)

De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. (G. 2^, 59.)

4. (3*) Allen die zich op het grondgebied van het Rijk i bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van | persoon en goederen.

De wet regelt de toelating en de uilzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien ,van hunne uitlevering verdragen met vreemde Mogendheden |kunnen worden gesloten. (Vreemd.w., zie chron. lijst; Uitl.w., zie chron. lijst.)

5. (6) Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar. (G. 169.)

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. (Stb. 1858 n0. 46; Slb. 1882 n0. 87,)

6. (7*) De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn. (W. Nederl sch , zie chron. lijst.)

| Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. (W. Nederl.sch., a. 3 v.)

De vet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien Jvan de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde. (W. Nederl.sch., a. 5, 6.)

| o) De tusschen haakjes geplaatste cijfers achter de nummers der artikelen verwijzen naar de correspondeerende artikelen der Grondwet fan 1848.

Een ster (*) dnidt aan dat het artikel gewijzigd is.

z.

1

-ocr page 40-

2

7. (8) Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, oin door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (G. 187c; B, 1408 v.; Sr. 53, 54,98, ill v.,117 v.,131 v.,240,261 v.,418v.)

8. (9*) Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.

Élk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt.

Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende. (G. 138, 148.)

9. (10) Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend. (G. 187c; Sr. 143 v.)

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. (W. vereen, en verg., zie chron. lijst j Sr. 140.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van den Koning.

EERSTE A F D E E L I N G.

Van de troonopvolging. (G. 196.)

10. (11) De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. (G. 2-2a.)

11. (12*—14*) De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vooroverlijden van een rechthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in Zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.

12. (15*) Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstovcrleden Koning, bij regt van eerstgeboorte.

13. (16*, 17*) Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstovcrleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande •vrouwelijke lijnen.

In

jong\'

vóór vrou

14

een gaat van Konii Wili Bij

geboi

1 Is overl

des i

vóór

vrou1

raam

15

der \\ deze nakoi van \' den ^ ten c Fred

16 volgir

17. ooser van Dood besta;

18. als v( gebor eene of dc buitei

Zoc van, (

Ws volge gegaa na he

19. veran erfopi trent

De geroe verga

20 Gronlt;

-ocr page 41-

koningrijk der neökrlanden.

In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de

I jongere, de mannelijke tak vóór den vrouvvelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang. jongere, de mannelijke tak vóór den vrouvvelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.

Ié. (18*) Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatstoverledcn Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór Hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.

15. (22*) Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald. (G. 22fgt;.)

16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. (B. 3.)

18. (\'12*, 20*) Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.

Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt. 15, 19, 20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten.

19. (23*) Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van , erfopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering. (G. 196.)

20. (24*) Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waar-

3

-ocr page 42-

grondwet voop, het

van het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde

vergadering. .-j j t/ • u

21. (\'24*) Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regfstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen. (G. 45n0.l).

22. (19*, 25*) Al de bepalingen omtrent de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege dat het nieuwe Stamhuis ten opzichte van die opvolging van Hem zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevoigen als het Huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau.

Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje.

Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakcmelmgen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het Stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.

23. (26) De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.

3

V.

tweede afdeel1ng.

Van het inkomen der Kroon.

24. (27*) Behalve het inkomen uit de domeinen door del wet van 26 Augustus .1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming dooi de wet wordt vastgesteld. (Stb. 1822no.40; Stb. 1857 n0.2. Stb. 1863 n0. 43, 61; Stb. 1849 n0. 32; Stb. 1891 n«. 33.)|

25. (28) Den Koning worden tot Deszelfsgebruik, zomeren winterverblijven in gereedheid gebracht, voor welker onderhoud echter niet meer dan f 50.000 jaarlijks ten laste var. den Lande kunnen worden gebragt.

26. (29) De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij var.

alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt doo: Hen genoten. (G. 175.)

27. (30) De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in

28. (31) Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe gedurende haren weduwelijken staat, uit. \'s Lands kas £ f 150.000.

4

3

jaar B Reg 3

woi bij

0 de 1

3

vooi Mot een: Kon

3

ring per: van D beiv

-ocr page 43-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

29. (32) De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Oranje.

30. (33*) De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op f 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend. (G. 48.)

DERDE AFDEEL ING.

Van de Voogdij des Konings.

31. (34*) De Koning is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt. (G. 29, 41 v., 74c; B. 385.)

32. (35% 36*) De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet.

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (G. 35.)

33. (37) Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord. (Stb. 1888 nquot;. 150; B. 414.)

34. (38*) Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Gene-raal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

\'lt;lk zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer «(beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, «heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen «toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grond-«wet en liefde voor Zijn volk in te boezemen.

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!» («Dat be-«loof ik!»)

35. (39*) Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over Zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald.

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen.

VIERDE AFDEEL ING.

Van het Regentschap. 36. (40) Gedurende de minderjarigheid van den Koning

5

agen. jeen-nigde

fi bedt de nigde innen i0.l). \'Iging wien (roon nhuis prong is het .vijlen

e van OL1NA

m der :t dien s van ihuis,

^agen,

t Rijk

oor de wijlen terug Lands ï door n0.2: ». 33.)

corner-onder te var.

Tij van

It dooi

iden in eduwe

kas i;

-ocr page 44-

GRONDWET VOOR HET

wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Repent. (G. 31.)

37- (41*) De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het Regentschap, tot \'s Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in ver-eenigde vergadering. (G. 42.)

De Wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. (Stb. 1884 n°. 188.)

38. (42*) Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regeering waar te nemen. (G. 47; Stb. 1890 nquot;. 170.)

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade vereenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State met uitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.

39. (42*) Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in ver-eenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen.

40. (43*) Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den in art. 108, 2de lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.

Bij ontstentenis van dezen Voorzitter wordt door de vergadering een Voorzitter benoemd. (Stb. 1889 n5. 33; Stb. 1890 n». 155.)

41. (46*) In het geval van art. 40 is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswego Regent. (G. 31 h.)

42. (44*) Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het Regentschap voorzien op de wijze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft. (G, 316.)

43. (45*) Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer «(beloof), dat ik in de waarneming van het koninklijk «gezag, zoolang de Koning minderjarig is (zoolang de «Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen), «de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

«Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het «grondgebied des Rijks mei al mijn vermogen zal ver-«dedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere «vrijheid, en de regten van alle des Konings onderdanen «en van elk hunner zal beschermen en tot instand-«houding en bevordering van de algemeene en bijzon-

6

-ocr page 45-

KONINGRIJK DER NEUKKIANUEN.

«dere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten «te mijner beschikking stellen, gelijk een goed en ge-«tronw Regent schuldig is te doen.

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig! » («Dat beloof ik ! ») (G. 52.)

44. Wanneer een Regent buiten staat geraakt het Regentschap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toepasselijk.

Is de opvolging in het Regentschap niet geregeld, dan wordt art. 37, 1ste lid, toegepast.

45. (-47*) Het koninklijk gezag wordt waargenomen dooiden Raad van State:

1°. bij het overlijden der Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;

2°. in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is, en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet, benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft; (Stb. 1889 n0. 34; Stb. 1890 n0. 156.)

3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het Regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1°. en 2°. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het koninklijk gezag;

in het geval, onder 3°. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.

46. (48) Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap. (Stb. 1885 n0. 157; Stb. 1890 n0. 172.)

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd. (G. 196.)

47. (49*) Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd. (Stb. 1889 n0. 43.)

48. (49*) Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zeiven te doen,

49. (49*) Dc hoofden der ministeriele departernentea en

7

-ocr page 46-

GRONDWET VOOR HET

de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen. (G. 94.)

Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

50. (49*) Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming dei-regering.

V IJ F U E A F D E E 1.1 N G.

Van dc inhuldiging des Konings.

51. (50*) De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodia mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eend openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal.

52. (51*) In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd;

«Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk dat Ik «de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

«Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het «grondgebied des Rijks met al Mijn vermogen zal ver-«dedigen en bewaren; dat Ik de algemeene en bijzondere «vrijheid en de regten van alle Mijne onderdanen zal «beschermen, en tot instandhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen «zal aanwenden, welke de wetten te Mijner beschikking «stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen.

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtigb («Dat beloof «ik!») (G. 43.)

53. (52) Na bet alleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

«Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Neder-«landsche volk en krachtens de Grondwet, IJ als Koning; «wij zweren (beloven), dat wij Uwe onschendbaarheid en ode regten Uwer kroon zullen handhavenwij zweren «(beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe «Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

«Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!» («Dat be-«loven wij!»)

ZESDE AFDEELING.

Van de magt des Koninys.

54. (53) De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. (G. 77.)

55. (54) De uitvoerende magt berust bij den Koning. (G. 77, 135, 141.)

8

-ocr page 47-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

56. Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld. (G. 75.)

Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.

De wet regelt de op te leggen straffen. (Stb. 1818 n0. 12, zie chron. lijst; Inv. 22.)

57. (55) De Koning heeft het opperbestuur der buiten-landsche betrekkingen.

58. (56*) De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Gene-raal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang van den Staat bestaanbaar acht. (G. 94.)

59. (57*) De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.

Verdragen, die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten-Generaal te zijn goedgekeurd.

Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden. (G. 2a, 3b.)

60. (58) De Koning heeft het oppergezag over zee- en landmagt. (G. 180 v.)

De militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen. (Stb. 1851 n». 126. Zie Stb. 1885 n». 121. — Stb. 1851 n0. 128; Stb. 1855 n®. 74; Stb. 1880 n0. 145.)

De pensioenen worden door de wet geregeld. (Stb. 1851 nquot;. 127. Zie Stb. 1885 nquot;. 12!; Stb. 1896 nquot;. 110. — Stb. 1851 n0. 129 en 151; Stb. 1852 n0. 212; Stb. 1853 n0. 86; Stb. 1862 n». 159; Stb. 1863 n». 166; Stb. 1869 n». 40; Stb. 1873 nu. 64, a. 4; Stb. 1877 n0.114; Stb. 1880 nquot;. 145, a. 34. — Stb. 1896 n0. 50.)

61. (59) De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. (G. 75.)

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. (Stb. 1854 n0.129; Stb. 1865 n0. 55, 56, 117, 118; Stb. 1870 n». 71 en 136; Stb. 1878 n». 40; Stb. 1881 n». 182; Stb. 1884 n». 90 en 91.)

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld. (Stb. 1847 nquot;. 69; Stb. 1853 n0. 126; Stb. 1854 n». 75 en 76; Stb. 1855 nquot;. 12 en 13; Stb. 1857 nquot;. 173 en 174; Stb. 1862 n». 126; Stb. 1863 n«. 194; Stb. 1866 n». 149; Stb. 1873 n». 180; Stb. 1877 n». 42; Stb. 1881 n®. 120 en 121; Stb. 1886 n». 233 en 234; Stb. 1890 n». 125.)

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. (Stb. 1849 nquot;. 24; Stb. 1853 n®. 98; Stb. 1859 n». 33; Stb. 1862 n». 164 en 165; j». Stb.l864n».88; Stb. 1866 n». 191; Stb. 1873 n». 66; Stb. 1881 nquot;. 124, a. 28.)

9

-ocr page 48-

GRONDWET VOOR HET

62. (60) De Koning doet jaarlijks aan de Stafen-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (Stb. 1864 n0. 35. Zie Stb. 1895 n0. 145. Stb. 1867 n0. 19; Stb. 1884 n». 225.)

63. (61*) De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uil \'s Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt. (Stb. 1841 n». 40, a 4; R. O. 30, 61, 110.)

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven. (G. 123.)

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld. (Stb. 1890 n0. 78, 79; Stb. 1893 n0. 145.)

64. (62) De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag Zijne beeldtenis op de muntspeciën te doen stellen. (G. 177. 178.)

65. (63) De Koning verleent adeldom. (Stb. 1868 n0. 37.)

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden

aangenomen. (Stb. 1863 n0. 166, a. 5; Sr. 435.)

66. (64) Ridderorden worden door eene wet. op het voorstel des Konings, ingesteld. (Stb. 1815 n0. 33, 43 en 47; Stb. 1864 n». 33; Stb. 1892 n». 55.)

67. (65*) Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en. met Zijne toestemming, door de Prinsen var Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen, die in Nederlandsche staatsdienst zijr., vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning (Sr. 435 n0. 2.)

68. (66*) De Koning heeft het regt van gratie van straffen door regterlijk vonnis opgelegd. (Sv. 336 v.)

Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen. (Stb. 1886 n0. 159, a. 72 v., zie achter Sr.; Stb. 1887 n®. 215, zie chron. lijst.)

Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan.

69. (67*) Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtiging van de wet.

De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt. (R. 86, 88, 111, 131, 1506; W. not.ambt., a. 8c, zie onder notariaat; Gem.w., a. 63.)

Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning Zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

70. (68*, 132*) De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpoldcrs; niet bchoorende tot die,

10

-ocr page 49-

IvONINGRIJK DEK NEDERLANDEN.

vermeld in art. 153 of tot die, waarvan de beslissing krachtens art. 154 is opgedragen aan den gewonen regter of aan een collegie, met administrative regtspraak belast, worden dooiden Koning beslist. (G. 76.)

71. (69*) De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet hun zoodanige andere voorstellen als Hij noodig acht.

Hij heeft het regt de door de Staten- Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren. (G. 110,115,120.)

72. (116*, 117*) De wijze van af kondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld. (A. 2; Slb. 1814 n0. 1, zie chron. lijst; Stb. 1852 n0. 92 j0. Stb. 1^93 n0. 111, zie chron. lijst; Stb. 1863 n0. \'149, zie chron. lijst.)

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:

«Wij enz. Koning der Nederlanden, enz.;

«Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten;

«Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. (De beweegredenen der wet.)

«Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze» enz.

(De inhoud der wet.)

«Gegeven» enz.

Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt. (Stb. 1891 n0. 125, zie chron. lijst.)

73. (70*) De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, té ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden.

De Raad van State, het koninklijk gezag waarnemende, oefent het regt van ontbinding niet uit. (G. 45, 104, 195.)

ZEVENDE A F DEELING.

Van den Raad van State en de ministerieledcpartemr.nten.

74. (71*) Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet. (W. R. v. St.; Stb. 1862 n». 135, 174; Stb. 1875 n°. 32; Stb. 1877 n0. 201; Stb. 1881 n0. 177.)

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad. (G. 316, 41.)

11

-ocr page 50-

GRONDWET VOOR HET

76. (72*) De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle alge-meene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (G. 56, 71.)

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is. (G. 72.)

De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin hij dat noodig oordeelt.

De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.

76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen. (G. 70, -ISi.)

77. (73) De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. (W. Min. verantw.; Sr. 355, 356.)

Alle koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen mede-onderteekend.

DERDE HOOFDSTUK.

Van de Staten-Generaal.

EERSTE AFDEEUNG.

Van de zamenstelling der Staten-Generaal.

78. (74) De Staten-Generaal vertegenwoordigen het ge-heele Nederlandsche volk. (G. 86.)

79. (75) De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

80. (76*) De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (Kiesw., a. 1, 2.)

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kies-regt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van ofticier bij de zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden. Kiesw., a. 5.)

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande

12

-ocr page 51-

KONINGRIJK DER NEDERI.ANDEN.

aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (Kiesw., a. 3, 4. — G. 127, 143.)

81. (77*) De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. (Kiesw., a. 127 v.)

82. (78*) De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding: (Kiesw., a.99—125; Prov.w.. a. 78—83.) Noordbrabant .... 6

Gelderland.....6

Zuidholland.....10

Noordholland.....9

Zeeland.......2

Utrecht.......2

Friesland......4

Overijssel......3

Groningen......3

Drenthe ...... 2

Limburg......3

50

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. (G. 3.)

83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen. (G. 19—21.)

Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkiezing aan.

TWEEDE AFDEELING.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

84. (79*) Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe. (Kiesw., a. 126.)

85. (81*) De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. (Kiesw., a. 146b, 148.)

13

-ocr page 52-

GRONDWET VOOR HET

Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

86. (8*2*) De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. (G. 78, 91, 131.)

87. (83*) Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet. «Zoo waarlijk helpe mij Gol almagtig!» («Dat beloof «ik!»)

Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af;

«Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der Staten-«Generaal te worden benoemd, directelijk of indirectelijk, «aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, «eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.

«Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenoemd in «deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoe-«genaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, «directelijk of indirectelijk.

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!-) («Dat verklaar en beloof ik!») (G. 129.)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. (G. 91.)

88. (84) De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden.

89. (85*) De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zittting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld. (Stb. 1889 n». 46.)

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2000 \'sjaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden die het ambt van minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven.

DERDE A F DEELING.

Van de Eerste Kamer der Stalen-Gmeraal.

90. (78*) Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien óf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen óf eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. (G. 84; Kiesw., a. 99; Stb. 1890 n». 148.)

Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de alge-

14

-ocr page 53-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

Iineene vereischten bezit oin lid der Stalen-Generaal te zijn, op iedere vijl tien honderd zielen. (Kiesw., a. 103.)ineene vereischten bezit oin lid der Stalen-Generaal te zijn, op iedere vijl tien honderd zielen. (Kiesw., a. 103.)

91. (86*; De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Art. 86 is op hen van toepassing.

Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemag-tigd. (G. 87.)

Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. (Stb. 1889 n0. 46.)

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. (Kiesw., a. 145, 146, 148.)

92. (87*) De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd voor het tijdperk eener zitting. (G. 88, 100, 102.)

VIERDE A F DEE LING.

Beschikkingen aan beide Kamers gemeen.

93. (88, 80) Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.

Die te gelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de

Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt. (Kiesw., a. 120, 137.)

94. (89*) De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Slaat.

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. (G. 49, 58, 59.)

95. (90*) Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in vereenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet. (Stb. 1850 n0. 45; Stb. 1887 nu. 265, a. 1 nu. 4, zie achter Inv.)

96 (90*) Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijker tijd zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie. (G. 128, 163, 464, 179, 99; R. O. 9.)

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers

45

-ocr page 54-

GRONmVET VOOR HKT

met andere dan de in het eei sle Jid uitgesloten, uit\'s Lands kas bezoldigde ambten. (\\V. Hooger Ondeiw., a. 566; Stb. 1868 n». 18.)

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug.

Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Gene-raal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regstwege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar.

97. (92*) De leden der Staten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. (Sr. 54 CenD.)

98. (93) Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

99. (94*) Elke Kamer benoemt haren griffier.

Deze mag niet tegelijk lid van eene der Kamers zijn. (G. 96.)

100. (95*) De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'sjaars te zamen.

Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dings-dag in September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt.

101. (96*) De afzonderlijke vergaderingen der beideKamers en evenzoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer eer tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. (G. lüO.)

102. (97*) Is bij overlijden des Konings cf bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. (G. li, 33, 45.)

103. (98*) De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde vergadering der beide Kamers door den Koning of door eene Commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 73 omschreven.

104. (99*) Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal. (G. 73, 98.)

105. (iOO*) De Kamers mogen noch afzonderlijk noch

16

-ocr page 55-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 17

in vereenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. (Gr. 132.)

106. (101*) Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling. (G. 132.)

107. (102*) De stemming over personen voor de benoemingen of voordraglen in de Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten en ongeteekende briefjes. (G. 20, 21 32,37, 42, 84, 99, 163, 179.)

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot. (G. 132.)

108. (103*) Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats.

De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering. (G. 19, \'20, 21, 32, 34, 35, 37, 39, 40, 42, 43, 44, 47, 48, 51, 95, 101, 103, 105, 112.)

V IJ F D E A F D E E L I N G.

Van de wetgevende Magt.

109. (104) De wetgevende Magt wordt gezamenlijk dooiden Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.

110. (105*) De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene Commissie. (G. 71.)

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen Commissarissen opdragen de ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten Generaal bij te staan.

111. (106*) Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf.

De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.

112. (190*) De Tweede Kamer alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken.

113. (108*) Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming ran het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, iendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgend for-

WNulier;

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan «de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel des

2

-ocr page 56-

GRONDWKT VOOR HET

«Konings en is van oordeel, dat het, zooals het daar «ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden aan-«genomen.»

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den «Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen «van de belangen van den Staat en verzoekt Hein eer-«biedig het gedane voorstel in nadere overweging te «nemen.»

114. (109*) De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen.

Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

«Aan den Koning.

«De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen «dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de be-«langen van den Staat en vereenigen zich met het «voorstel zooals het daar ligt.»

«Aan de Tweede Kamer.

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de «Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft vereenigd

«met het voorstel betrekkelijk...... op den.....aan

«haar door de Tweede Kamer toegezonden.»

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren; «Aan den Koning.

\'lt;De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den «Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevor-«deren van de belangen van den Staat, en verzoekt «Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.»

«Aan de Tweede Kamer.

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de «Tweede Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiedig

«heeft verzocht het voorstel betrekkelijk....., op den

«......aan haar door de Tweede Kamer toegezonden,

«in nadere overweging te nemen.»

115. Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.

116 (110) De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. (G. 71, 75.)

117. (111*) De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan «de Eerste Kamer hel hiernevensgaande voorstel, en

18

-ocr page 57-

KONINGRIJK DKR NEDERLANDEN. 19

«is van oordeel, dat de Staten-Generaal daarop \'s Konings «bewilliging behooren te verzoeken.»

Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.

118. (112*) Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier;

«De Staten-Generaal, oordeelende dat het nevens-«gaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering «van de belangen van den Staat, verzoeken eerbiedig «daarop \'s Konings bewilliging.»

Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis «aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft vereenigd

«met het van haar op den......ontvangen voorstel

«betrekkelijk......en daarop namens de Staten-Gene-

«raal \'s Konings bewilliging heeft verzocht, o ■

Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende fonnulierj:

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene «genoegzame reden gevonden om op het hiernevens «teruggaande voorstel \'s Konings bewilliging te ver-«zoeken.»

119. (113) Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.

120. (114) De Koning doet de Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of Hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:

«De Koning bewilligt in het voorstel.»

of:

«De Koning houdt het voorstel in overweging.»

121. (115*) Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd. (G. 72; A. 2 ; Stb. 1863 n0.149, zie chron. lijst.)

De wetten zijn onschendbaar. (A. 11.)

122. (H8*) De wetten zijn alleen voor het Rijk verbindende, voor zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen verbindend zijn. (G. 2, 61, 62, 75; W. auteursr., a. 28a, zie chron. lijst; Stb. 1891 n0. 125 a. 3. — Zie ook Consul, w., a. 12 v., 21 v., 31 v., zie chron. lijst.)

ZESDE AFDEELING.

Van de begrooling.

123. (119) Door de wet worden de begrootingen van alle

1

-ocr page 58-

GRONDWET VOOR HET

uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangfewezen. (G. 59, 60, 63, 141, 174.)

124. (120,r) De ontwerpen der algemeene begrootings-wetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen. (G. 100.)

125. (121) Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan moer dan die van één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hoofdstuk wordt in één of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.

126. (122*) De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende Magt gedaan naar de voorschriften van de wet. (G. 179.)

VIERDE HOOFDSTUK.

Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen.

EERSTE AFDEEL1NG.

Van de zamenstelling der Provinciale Stalen.

127. (123*) De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (G. 80a, \'143a.)

Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt ver-eischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. (Kiesw., a. 6, 160; Prov. w., a. 3, 4, 24; Stb. 1852 n0. 197; Stb. 1897 n0 111.)

128. (124) Niemand kan te gelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. (G. 82; Prov. w., a. 21.)

129. (125*) De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

20

-ocr page 59-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

«Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan «de wetten des Rijks.

«Zoo waarlijk helpe mij God alrnagtig!» («Dat beloof ik!»)

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald (Prov. w., a. 71.)

130. (126) De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. (Prov. w., a. 64 v.)

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 101.

131. (127*) De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (G. 86; Prov. w., a. 72; Sr. 54C.)

132. (128) Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven.

J

TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Staten.

133. (135*) Het gezag en de magt van de Stalen worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (Prov. w.)

134. (131*) Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van do huishouding der provincie overgelaten.

Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen. (Stb. \'1818 n®. 12 jis. Stb. 1880 nquot;. 36 en Inv. 23, zie chron. lijst.)

Die verordeningen behoeven de goedkeuring desKonings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. (Prov. w., a. 94, 130 v.)

135. (130*) Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (Prov. w., a. 127 v.)

136. (129*, 131c*) Eik besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. (Prov. w., a. 116 v., 139.)

137. (129*) De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings.

21

kking

tings-p\'eede wone i het 0.) aven i be-

-ocr page 60-

22

De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening. Prov. w., a. 103 v., \'118 v.)

188. Cl34) De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten-Generaal voorstaan. (G. 8, 148; Prov. w., a. 93.)

139. (quot;136) De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks heizij de Staten zijn vergaderd of niet. (Prov. w., a. 45 v., 449 v.)

140- (133*) De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. (Prov. w., a. 166 v.)

141. (137*) De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan mei de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is Voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen. (Prov. w., a. 28 v. j0. Stb. 1891 n0. 125, a. 1; Stb. 1850 n°. 62).

DERDE AFDEELINO.

Van de gemeentebesturen.

142. (138*) De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (Gem.w.; Stb. 1853 n#. 83,)

143. (139*) Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (G. 80a, 127a; Kiesw., a. 7; Gem.w., a. 5.)

Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikk ng of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. (Gem.w., a. 19.)

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. (Gem.w., a, 5 v.)

-ocr page 61-

23

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad. benoemd en door Hem ontslagen. (Gem.w., a. 59 v.)

144. (140*) Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten.

Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. (Gem.w., a. 134 v., 161 v.; Stb. 1853 n». 83.)

Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen liet verderen, verleenen de gemeentebesturen hnnne medewerking tot uitvoering daarvan. (Gem.w., a. 126 v.)

Wanneer de de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien. (Stb. 1895 n0. 15 en 16.)

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. (Gem.w., 127.)

145. (140*) De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.

Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (Gem.w., a. 153 v.)

146. (141*, 143*) De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen. (Prov. w., a. 143; Gem.w., a. 194 v.)

Het opmaken der begroetingen en het vaststellen der rekeningen wordt door de wet geregeld. (Gem.w., a. 203 v., 207 v.)

147. (142*) Het besluit van een gemeontebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. (Prov. w., a. 145; Gem.w., a. 232 v,)

De wet geeft algemeene regels ten aanzien dor plaatselijke belastingen. (Gem.w., a. 240 v.; Stb. 1897 n0. 156.)

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (G. 136; Gem w., a. 237.)

148. (144) De gemeentebesturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren. (G. 8, 138; Gem.w., a. 120.)

-ocr page 62-

GRONDWET**VOOR HET

De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening. Prov. w., a. 103 v., \'118 v.)

188. (134) De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten-Generaal voorstaan. (G. 8, 148; Prov. w., a. 93.)

139. (136) De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. (Prov. w., a. 45 v., 149 v.)

140. (133*) De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. (Prov. w., a. 166 v.)

141. (137*) De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is Voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen. (Prov. w., a. 28 v. j0. Stb. 1891 n0. 125, a. 1; Stb. 1850 n®. 62).

DERDE AFDEELING.

Van de gemeentebesturen,

142. (138*) De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (Gem.w.; Stb. 1853 nquot;. 83,)

143. (139*) Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. (G. 80a, 127a; Kiesw., a. 7; Gem.w., a. 5.)

Het tweede en het derde lid van art. 8J zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn v/ordt vereischtdat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. (Gem.w., a. 19.)

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. (Gem.w., a. 5 v.)

22

-ocr page 63-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door Hem ontslagen. (Gem.w., a. 59 v.)

144. (140*) Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten.

Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. (Gem.w., a. 134 v., 161 v.; Stb. 1853 n°. 83.)

Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hnnne medewerking tot uitvoering daarvan. (Gem.w., a. 126 v.)

Wanneer de de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien. (Stb. 1895 nquot;. 15 en 16.)

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. (Gem.w,, 127.)

145. (140*) De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.

Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (Gem.w., a. 153 v.)

146. (141*, 143*) De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen. (Prov. w., a. 143; Gem.w., a. 194 v.)

Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der rekeningen wordt door de wet geregeld. (Gem.w., a. 203 v., gt;207 v.)

147. (142*) Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. (Prov. w., a. 145; Gem.w., a. 282 v.)

De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. (Gem.w., a. 240 v.; Stb. 1897 n0. 156.)

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (G, 136; Gem w., a. 237.)

148. (144) De gemeentebesturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren. (G. 8, 138; Gem.w., a. 120.)

23

-ocr page 64-

GRONDWET VOOR HET

VIJFDE HOOFDSTUK.

Van de Justitie.

EERSTE AFDEEL1NG.

Algemeene bepalingen.

149. (145*) Er wordt alom in het Rijk regt gesproken in naam des Konings. (Rv. 4306; Consul, w., a. 1b, zie chron. lijst; Stb. 1891 nquot;. 125, a. 1, zie chron. lijst.)

150. (^ö*) Het burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de rechtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen

151. (147*) Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf Verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet. (J3. 625; Onteigen.w., zie chron. lijst.)

Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt. (Onteigen.w., a. 6\'2—76.)

Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. (Add. artt. IV; Onteigen.w., a. 73 v.)

152. Waar in het algemeen bj;lang_eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenz.j de wet het tegendeel bepaalt. (Add. artt. V.)

Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatien, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld. (Stb. 4896 n®. 71.)

153- (148*) Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlijke Magt. (R. O. 2.)

154. De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen. (Stb. 1822 n®. 38; Stb. 1845 n®. 22, zie chron. lijst; Kiesw., a. 36—50, 112—114, enz.)

155. (149) De regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst. (R. O. 1.)

156. (150) Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent. (G. 187d; Rv. 74, 154.)

De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid.

24

-ocr page 65-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 25

tusschen de administrative en regterlijke Magt ontstaan, worden beslist. (Stb. 1844 n1. 25.)

157. (151*) Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord. (Sv. 39 v., 68, 79 v., 90 enz. 386 v.; Uitl.w., a. 9 v., zie chron. lijst.)

158. (153*) Het binnentreden in eene woning tegen den wii van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen ofalgemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is. (G. 187c; Rv. 444, 600 n0. 4; Sv. 426, 47 v., 1IÜ v.; Sr. 138, 139, 370; Stb. 1853 nquot;. 83, enz.; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

159. (154) Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven. (G. 187c; Sr. 371—375; Sv. 47, 111 v.; Postw., a. 22, 23, 28.)

160. (155*) Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende.

161. (15G*) Alle vonnissen moeten de gronden waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar.

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken. (R. O. 20; Rv. 18, 48, 59, 62, 822, 823, 826; Sv. 221 v., 247, 250, 253,304,369.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Yan de regterlijke Magt.

162. (157*) Er beslaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. (R. O. 83 v.)

163. (158*) Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordrag! van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.

De Koning benoemt den president en den vice-president quot;it de leden van den Hoogen Raad. (R. O. 84, 85.)

-ocr page 66-

GRONDWET VOOR HET

164. (159*, 160*) De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Kunings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer. (R. O. 92; Sv. 301 v.; W. Min. verantw., a. 4—19.)

De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan.

165. (162*) De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt.

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.

De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. (R. O. 11 v., 87 v.; Stb. 1854n0.129, a. 103; Stb. 1865 n0.55, a. 128; Stb. 1865 n«. 56, a.149; Stb. 1869 n». 36.)

166- (163*) De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning aangesteld.

De leden van de regterlijke Magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen (R. O. 11 v.)

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

Indien een collegie belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.

Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluite.id belast zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee-en landmagt of tot eenige andere gewapende mag\'., of met de beslissing van disciplinaire zaken.

ZESDE HOOFDSTUK.

Van de Godsdienst.

167. (164) Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maat-

26

-ocr page 67-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

schappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet. (W. Kerkgenootsch.)

168- (165) Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend. (B. 925; Stb. 1815 nquot;. 21; W- Kerkgesch , a. 1.)

169. (166) De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen. (G. 5.)

170. (167) Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. (W. Kerkgenootsch.)

171. (168) De traktementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden. (G. 1814, a. 136—138; G. 1815, a. 194.)

172. (169) De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. (W. Kerkgenootsch.)

173. (170) De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Van de Financien.

174. (171*) Geene belastingen kunnen ten behoeve van \'s Rijks kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden.

175. (172) Geene privilegien kunnen in het stuk van belastingen worden verleend. (G. 26.)

176. (173) De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat.

177. (174) Het gewicht, de gehalte en de waarde der muntspeciën worden door de wet geregeld. (Stb. 1847 n#. 69; Stb.

27

-ocr page 68-

GRONDWET VOOR HET

1848 n0. 27; Stb. 1874 n». 491; Stb. 1875 n». 117, 124en 125; Stb. 1877 n«. 43, 84, 97, 149, 215; Stb. 1884 n». 97, 98; Stb. 1885 n0. 182, 192; Stb. 1894 nu. 2; Stb. 1896 n0. 28.)

178. (175) Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld. (Stb. 1850 n0. 25 en 56.)

179. (176*) Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld. (G. 63o.)

Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing. (G. 96, 126; Stb. 1841 n0. 40; Stb. 1844 n°. 6; Stb. 1890 n0. 101.)

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Van de Defensie.

180. (177*) Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn ver-pligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd. (W. Nederl sch., zie chron. lijst.)

181. (178*) Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt behooren, ten aanzien van \'s Lands verdediging opgelegd kunnen worden. (Militiew.)

182. (179*) Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen.

183. (186*) De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Europa. Aan de dienst, door hen in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden door de wet voordeelen verbonden (Militiew., a. 5, 6, 149 v.)

184. (185*) De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden. (Militiew., a. 121.)

185. (184*) Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen.

28

-ocr page 69-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

186. (187*) Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit \'s Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in \'s Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning. (W. inkw. — Stb. \'1892 n0. 253; Stb. 1895 n0. 147.)

187. Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.

Rij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op het militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. 7, 9, 158 en 159 der Grondwet.

Voor het geval van oorlog kan ook van art. 156,1ste lid, worden afgeweken. (Loi du 10 Juillet 1791 ; Décret Imp. du 24 Décembre 1811, Fortuyn 1. 153 en III. 429.)

NEGENDE HOOFDSTUK.

Van den Waterstaat.

188. (191*) De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat. (Stb. 1855 n®. 102, a. 7—23; Stb. 1891 n4. 69, zie chron. lijst; Stb. 1895 n0. 113, zie chron. lijst.)

189. (190*) De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Rijks kas of op eene andere wijze gevonden. (Stb. 1849 n0. 6; Stb. 1851 n0. 146; Stb. 1853 n0. 9; Stb. 1855 n». 3; Stb. 1857 n». 190; Stb. 1866 n». 16; Stb. 1870 n». 48; Stb. 1874 n0. 20; Stb. 1881 n». 32 en 56; Stb. 1884 n». 47; Stb. 1892 n». 47; Stb. 1894 n°. 56.)

180. (192*, 193*) De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veen-

29

-ocr page 70-

GRONDWET VOOR HET

schappen en veenpolders. Nogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen ea veenpolders veranderingen te maken, waterschappen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen. (Stb. 1841 n0. 42, zie chron. lijst; Prov. w., a. 137; Stb. 1895 n0. 113, zie chron. lijst.)

191. De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken. (Stb. 1895 n0. 139, zie chron. lijst.)

TIENDE HOOFDSTUK.

Van het Onderwijs en het Armbestuur.

192. (194) Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. (W. Hooger Onderw.; W. Middelb. Onderw.; W. Lager Onderw.)

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

193. (195) Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. (Armenw.)

ELFDE HOOFDSTUK.

Van Veranderingen.

194. (196) Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om het voorstel, zooals zij het vaststelt, in overweging te nemen.

30

-ocr page 71-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

195. (197) Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

196. (\'198 j0. Stb. 1884 n0. 228.) Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging geene verandering worden gebragt. (Gr. 46.)

197- (199) De veranderingen in. de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd. (Stb. 1887 n0. 210.)

ADDITIONNELE ARTIKELEN.

Artikel I. (1) Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

II. (3) Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd totdat zij achtereenvolgens door andere worden vervangen.

III. (4) De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

IV. Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarrnaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zooals die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden deze overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen. De Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nieuwe Kamers, zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld.

VII. Vervallen, a)

o) Art. VII bevatte eene wijziging van de Wet van 4 Juli 1850 (Stb. no. 37) regelende het kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, Die aldus gewijzigde wet is vervallen krachtens art. 162 der Kieswet.

31

-ocr page 72-

GRONDWET.

VIII. Na de afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overeenkomstig de wet van 4 Julij 1850 (Stb. n0. 37), gelijk zij bij art. Vil is gewijzigd.

Voor de herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub c, en van art. 7 dier wet gesteld op den 21sten dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na die afkondiging.

Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op den 49sten dag na bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten en gesloten uiterlijk op den lOSden dag na die afkondiging.

De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889.

IX. De verkiezingen voor de nieuwe Kamers der Staten-Generaal hebben plaats binnen 4 maanden na die afkondiging.

X. Het tweede lid van art. 5 van de wet van 29 Junij 1851 (Stb. n®. 85) a) vervalt.

XI. Aan de verkiezingen van leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art. VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet.

32

XII. De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen, de veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn.

a) Gemeentewet.

-ocr page 73-

WETGEVING YIN 1838.

WET

van 16 Mei 1829, omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde luethoeken, op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken. (Stb. n0.33).

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het van belang is om op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken en van de wet op de Regterlijke Organisatie, de nog in werking zijnde wetboeken, en wel over dezelfde stoften handelende, uitdrukkelijk af te schaffen:

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Te rekenen van den dag der invoering van het burgerlijk Wetboek der Nederlanden, wordt afgeschaft en zal ophouden kracht van wet te hebben, het Wetboek van Napoleon, met al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen.

Insgelijks zijn op hetzelfde tijdstip afgeschaft de alge-meene en plaatselijke gebruiken in de stoffen welke bij het nieuwe wetboek worden behandeld. Het ^ettelijk gezag van het romeinsche rogt is en blijft afgeschaft. (Be-sluit 28 Februari 1809. v. d. Poll.

2. Het tegenwoordige wetboek op de manier van procederen in burgerlijke zaken, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe Wetboek van burgerlijke regtsvordering.

3. Het tegenwoordige Wetboek va7i koophandel, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe Wetboek van koophandel.

é. Het tegenwoordige Wetboek op het strafregt, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe Wetboek op het strafregt.

5. Het tegenwoordige Wetboek van criminele instructie, mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van het nieuwe Wetboek van strafvordering.

6. De tegenwoordige wetten op de zamenstelling der i\'egterlijke magt mitsgaders de besluiten en verordeningen daartoe betrekkelijk, zijn afgeschaft op den dag der invoering van de wel van 18 April 1827.

-ocr page 74-

besluit invoering nikuwe

7. Ieder wetboek van het Koningrijk zal in eene door-loopende reeks van artikelen worden vervat, met inachtneming der orde bij de vastgestelde titels aangenomen, en met zoodanige wijzigingen en verbeteringen, als bij eenige afzonderlijke wetten reeds zijn of nader zullen worden aangenomen, behoudens:

1». Dat de 12e titel van het le boek van het burgerlijk Wetboek, handelende van de akten van den burgerlijken stand, onmiddellijk zal volgen op den 2®11 titel van dat boek, handelende van Nederlanders en Vreemdelingen.

2°. Dat de 5e titel van het 3e boek, handelende van schenkingen, zal worden geplaatst dadelijk na den 9en titel van hetzelfde boek. a)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te Brussel, den 16den Mei 1829.

BESLUIT

van 10 April -1838, houdende bepaling van het tijdstip, waarop de invoering der nieuwe Nederlandsche Wetgeving en de instelling van den Hoogen raad zal plaats hebben. _ (Slh. n®. 12.)

Wij WILLEM, enz.

Gezien Ons besluit van 5 Januarij 1831 (Stb. nquot;. 1); Gezien Ons besluit van 24 February 1831 (Stb. n0.6); Overwegende dat de door Ons bevolene herziening der Wetboeken van Burgerlijk Regt, van Koophandel, van Burgerlijke Regtsvordering en van Strafvordering, mitsgaders van de wet van den ISden April 1827 (Stb. n0. 20) op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der Justitie, thans volkomen tot stand is gebragt, en dat mitsdien alsnu tot derzelver invoering kau worden overgegaan;

Willende het tijdstip bepalen waarop de invoering zal plaats hebben, en tevens willende doen voorbereiden de reglementaire verordeningen, welker opstelling bij onderscheidene besluiten en verordeningen door Ons aan den Hoogen raad der Nederlanden is opgedragen:

Gazien de wet van den l(5den Mei 1829 (Stb. n®. 33); Herzien Ons besluit van den 5den Juli 1830(Stb. n®. 41); Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie van den 26sten Maart 1838, nquot;. 45;

34

Hebben besloten en besluiten:

a) Bij de wetten yan den ISden Juni 1838 (Stb. no. 38 en 48) is bepaald, dat op den titel van huur en verhuur (titel 7 van het 3e boek) de (nieuwe) titel zal volgen van het regt van beklemming, op den titel van maatschap of vennootschap (titel 8 van het 3e boek) de (nieuwe) titel van zedelijke ligchamen, met verandering van de reeks der titels.

-ocr page 75-

NEDERLANDSCHE WETGEVING.

Artikel 1.

Het Burgerlijk Wetboek a), het Wetboek van Koophandel, het Wetboek van Burgerlijke Begtsvordering, dat van Strafvordering, mitsgaders de wet van den 15den Mei 1829 (Stb. nquot;. 28), houdende Algemeene bepalingen der Wetgeving van het Koningrijk b), en die van den 18den April 1827 (Slb. n0. 20), op de zamenstelling der Begteriijke Magt en het beleid der Justitie, benevens de wijzigingen en veranderingen in dezelve wetboeken en wetten gemaakt, en eindelijk de wet van den lOden Mei 1837 (Stb. n0. 21), houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk, zullen worden ingevoerd op den Isten October 1838, en van verbindende kracht zijn met den klokslag van middernacht tusschen den 30sten September en den Isten October van dit jaar. c)

2. De Hooge Raad der Nederlanden zal worden ingesteld en bijeenkomen op Vrijdag den Isten Junij van dit loopende jaar, en zich in het tusschenvak zijner installatie tot op het tijdstip voor de invoering der nieuwe Nederlandsche wetgeving bij het vorig artikel bepaald, alleen en bij uitsluiting bezighouden met de na te melden werkzaamheden, als:

a. Het ontwerpen der verordeningen voortvloeijende uit het bepaalde bij art. 19 dor wet op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie;

b. Het opstellen der tarieven, der voordragten en reglementaire verordeningen bij Onze besluiten van den 8sten Junij 1829 (Stb. n0. 42, 43 en 44), en bij dat van den ICden Junij 1830 (Stb. n0. 28) breeder omschreven ; mitsgaders het ontwerpen van Beglementen van orde en discipline voor de advokaten en prokureurs bij den Uoogen raad, de Provinciale geregtshoven en de Arondissements-regtbanken, en eindelijk van reglementen op de organisatie en de dienst der deurwaarders en regtsbedienden in het algemeen;

c. Het ontwerpen eener wet op de misdaad van zeeroo-verij, alsmede omtrent de civiele geschillen en misdrijven in zaken van prijzen en buit, bij artt. 89 en 93 der wet

a) De bepaling van het tegenwoordige art. 88 B. W. (art. 7 der wet van 26 Juni 1822 (Stb. no. 12)) is bij de wet van 23 April 1S27 (Stb. no. 22) ingevoerd en van stonde af aan in werking gekomen; die van het tegenwoordige art. 1236 (art. 27 der wet van 5 Maart 1825 (Stb. no. 41)) is, krachtens de wet van 22 December 1828(Stb. no. 81), met 1 Januari 1829 in werking gebracht. De Ode en 7de titels van boek II, van het rer/t van opstal en van Tiet erfpachtsregt (Wet van 10 December 1833 (Stb. no. 65)), hebben, ingevolge het bij die wet bepaalde, op 1 Januari 18St verbindende kracht gekregen. [Vg. de wet van 25 December 1821 (Stb. no. 78), waarbij diezelfde titels, zoo als zij vóór 1830 waren vastgesteld, met 1 Januari 1825 werden ingevoerd.]

gt;gt;) Hetzelfde wat thans bij art. 2 der Wet, houdende algemeene icpatingen, is vastgesteld, was reeds vastgesteld en ingevoerd bij artt. 1 en 2 der wet van 2 Augustus 1823 (Stb. no. 3S).

o) Zie voor Limburg het hierachter volgende Besluit.

35

-ocr page 76-

i ■

WET INVOERING NEDERL.

op de zamenstelling der Regterlijke Magt breeder vermeld;

d. Het ontwerpen van een reglement ten opzigte van het hooger beroep van vonnissen gewezen bij de Hoven van Justitie in de koloniën van den Staat;

e. Het ad vijseren op verzoeken om gratie en dispensatie van wettelijke bepalingen, naar aanleiding van de artt. 67 en 68 (thans 68 en 69) der Grondwet.

3. De Hooge raad zal, in het voormelde tusschenvak zijner installatie tot op den eersten October dezes jaars, geene regterlijke functien hoe ook genaamd waarnemen; zullende het Hoog-geregtshof te \'s-Gravenhage, zoodanig als het nog is zamengesteld, de Regtbanken van eersten aanleg, de Regtbanken van koophandel en de Vredegeregten tot op het oogenblik van derzelver ontbinding, in hunne werkzaamheden voortgaan, volgens de nog bestaande wetboeken, wetten en verordeningen.

4. De wijze van installatie en beëediging van den president, de leden en ambtenaren van den Hoogen raad, mitsgaders van de verdere Justiciele kollegien en ambtenaren zal bij een afzonderlijk besluit, door Ons worden bepaald.

5. De Staten der provinciën zullen in hunne eerstvolgende gewone vergadering raadplegen over het jaarlijksch bedrag, waarop, voor het vervolg, zullen moeten worden bepaald de sommen, uit de provinciale fondsen, voor kleine onkosten aan de Provinciale Geregthoven, Arrondissements-regtbanken en Kanton-geregten te voldoen. Hunne daartoe betrekkelijke voorstellen zullen aan Onzen Minister van Justitie worden ingezonden, en door hem aan Onze beslissing onderworpen worden.

Hangende Onze overwegingen dienaangaande, zal inmiddels aan de Arrondissements-regtbanken, mitsgaders aan de Kanton-geregten worden uitbetaald het bedrag der sommen thans door de Regtbanken van eersten aanleg en de Vredegeregten en Policie-geregten voor kleine onkosten genoten wordende; terwijl voorts de som voorloopig aan de Provinciale geregtshoven uit de provinciale middelen tot gaande-houding van de dienst voor kleine onkosten te verstrekken in overeenstemming zal worden gebragt met den grondslag, volgens welken het thans bij de Regtbank van eersten aanleg in de hoofdplaats der provincie genoten wordende bedrag is geregeld en bepaald.

Onze minister van justitie is belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den lOden April 1838.

36

-ocr page 77-

wetgeving in limburg. 37

WET

van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 17), omtrent de regterlijke organisatie in Limburg.

Wij WILLEM II, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 1 en 2 der Grondwet, het hertogdom Limburg onder de provinciën is opgenomen;

Dat het mitsdien noodzakelijk is dat de Nederlandsche regts-wetgeving in die provincie worde ingevoerd, en de regterlijke organisatie aldaar tot stand gebragt worde op gelijke grondslagen, als ten opzigte der overige provinciën aangenomen zijn.

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Ingetrokken hij art. 15 der Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204). a)

2—3 vervallen.

é- De Nederlandsche wetboeken, de algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, de wet op de zamen-stelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, die op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, mitsgaders de tegenwoordige wet, zullen in de provincie Limburg van verbindende kracht zijn, en aldaar zoo spoedig : mogelijk worden ingevoerd. Het tijdstip dier invoering wordt nader door den Koning bepaald. (Stb. 1841 n0.431 zie hieronder.)

5. Ten aanzien der twistgedingen in burgerlijke en handelszaken, behoorende tot de competentie van het Provinciaal geregtshof in Limburg, en welke op het oogenblik der invoering van de tegenwoordige wet aanhangig zijn bij den Hoogen raad, zal gehandeld worden overeenkomstig art. 54 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving.

6. Ten opzigte der op het oogenblik der invoering van de tegenwoordige wet onbesliste strafzaken, zal worden gehandeld volgens art. 55 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage den 26sten Mei 1841.

BESLUIT

van 10 October 1841, houdende bepaling van het tijdstip, waarop de Nederlandsche regtswetgeving in Limburg zal worden ingevoerd. (Stb. n0. 43.)

Wij WILLEM II, enz.

Gezien art. 4 der wet van 26 Mei 1841 (Stb. n». 17). Willende het tijdstip bepalen, waarop de (invoering der)

n) Zie die wet onder Bijlagen tot R. O.

-ocr page 78-

38

Nederlandsche regts-wetgeving in de provincie Limburg zal worden ingevoerd;

Gezien de wet van 16 Mei 1829 (Stb. n0. 33);

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, dd. 29 September 1841, n0. 29;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

Het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, het Wetboek van Burgerlijke Regtspleging, dat van Strafvordering, mitsgaders de wet van 15 Mei 1829 (Stb. n0. 28), houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, die van den 18den April 1827 (Stb. n0. 20), op de zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der Justitie; die van den lóden Mei 1829 (Stb. n0. 29), houdende bepalingen wegens den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, benevens de wijzigingen en veranderingen in dezelve wetboeken en wetten gemaakt; voorts de wet van den lOden Mei 1837 (Stb. n0. 21), houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen, omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk; alsmede de weiten van den Isten Junij 1830 (Stb. n0. 12), voor zoo veel de klassificatie der kanton-geregten betreft, die van den 26sten Mei 1841 (Stb. nu. 14), nopens de consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curatele gestelde personen toebehooren; die van den 26sten Mei 1841 (Stb. n0. 17), omtrent de regterlijke organisatie in Limburg; die van den 18den September 1841 (Stb. n0. 33), betrekkelijk de regterlijke indeeling der provincie Limburg, en eindelijk alle verdere wettelijke bepalingen, reglementen, tarieven, besluiten en verordeningen, ten aar zien der Nederlandsche regts-wetgeving en derzelver invoerir;g en werking hier te lande, vastgesteld, zullen met den Isten Januarij 1842, in de provincie Limburg worden ingevoerd en van verbindende kracht zijn, met den klokkenslag van middernacht tusschen den 31 sten December 1841 en den Isten Januarij 1842, en zullen levens met hetzelve tijdstip, de in die provincie bestaande regtbanken en vrede- en policiegeregten, zijn en blijven ontbonden, en de leden en ambtenaren, lot dezelve behoorende, uit hunne respectieve ambtsbetrekkingen eervol zijn ontslagen.

2. Insgelijks zal met denzelven Isten Januarij 1842, in de geheele uitgestrektheid der provincie Limburg, wederom in werking worden gebracht en van toepassing zijn, het in de Nederlanden alsnog bestaande Wetboek van Strafregt, met en benevens de wet van den 24sten April 1836 (Stb. n0. 13), betrekkelijk de misdaden van valsche munt en muntschennis, en zullen alzoo met den klokkenslag van middernacht, tusschen den 31sten December 1841 en den Isten Januarij 1842, de Belgische wetten en verordeningen, te dien opzigte in de provincie Limburg in werking zijnde, ophouden van kracht te zijn.

-ocr page 79-

quot;WETGEVING IN LIMBURG.

8. De Staten der provincie Limburg zullen in de eerst door hen te houden vergadering raadplegen, over het jaarlijksch bedrag der sommen, uit de provinciale fondsen voor dagelijksche kleine onkosten aan het provinciaal ge-regtshof, aan de arrondissements-regtbanken en aan de kanton-geregten in de provincie Limburg te voldoen. Zij zullen hunne daartoe betrekkelijke voorstellen aan Onzen Minister van Justitie inzenden, om door hem aan Onze beslissing onderworpen te worden.

Inmiddels zal aan de arrondissements-regtbanken, mitsgaders aan de kanton-geregten in Limburg, worden geleden het bedrag der sommen, thans door de regtbanken van eersten aanleg en de vrede-geregten en policie-geregten aldaar voor kleine onkosten uit de provinciale middelen genoten wordende; terwijl voorts aan het provinciaal geregtshof in Limburg, voor deszelfs uitgaven van dagelijksche kleine onkosten, voorloopig uit dezelve provinciale middelen van Limburg een gelijk bedrag zal worden voldaan, als thans door de regtbank van eersten aanleg te Maastricht genoten wordt.

4. De function van procureur bij het provinciaal geregtshof in Limburg zullen voorloopig worden waargenomen door de procureurs, thans aangesteld bij de regtbank van eersten aanleg te Maastricht, onverminderd derzelver bevoegdheid, om tevens voorloopig bij de nieuwe arrondisse-ments-regtbank aldaar werkzaam te zijn.

5 • De procureurs, thans bij de regtbank van eersten aanleg te Roermonde fungeerende, zullen voorloopig werkzaam blijven bij de nieuw in te stellen arrondissements-regtbank aldaar.

6. Bij het provinciaal geregtshof in Limburg zullen insgelijks voorloopig de functien van deurwaarder worden waargenomen door de deurwaarders, thans werkzaam bij de regtbank van eersten aanleg te Maastricht; zij zullen tevens bevoegd zijn, om dezelfde functien voorloopig bij de nieuwe arrondissements-regtbank aldaar te bekleeden.

7. De deurwaarders, thans in functie bij de regtbank van eersten aanleg te ifoerwonde, zullen voorloopig die hoedanigheid blijven uitoefenen bij de arrondissements-regtbank, aldaar in te stellen.

Insgelijks zullen de deurwaarders der tegenwoordige vredegerechten in de provincie Limburg, hunne functien voorloopig blijven uitoefenen bij de kanton-geregten, die ter vervanging van de bestaande vrede-geregten aldaar zullen worden ingesteld.

8. Het provinciaal geregtshof in Limburg, zal binnen den tijd van drie maanden, na deszelfs installatie, aan Onzen Minister van Justitie eene voordragt inzenden, omtrent de defmitivelijk aan te stellen procureurs, deurwaarders en regtsbedienden bij hetzelve, mitsgaders bij de overige regter-Jijke kollegien in dezelve provincie, voor zoo verre derzelver benoeming door Ons moet geschieden, en zulks met inachtneming van de grondslagen, dienaangaande bij het Koninklijk [Besluit] van den 8sten April 1839 (Stb. n0. 10), voor de overige provinciën des Rijks bereids vastgesteld.

39

-ocr page 80-

WET OVERGANG VAN DE VROEGERE

9. De wijze van installatie en beëediging van den president, de leden en ambtenaren van het provinciaal geregtshof in Limburg, mitsgaders van die der arrondissements-regtbanken en kanton-geregten aldaar, zal bij een afzonderlijk besluit door Ons worden bepaald.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

\'s Gravenhage, den 10 October 1841.

WET

van 16 Mei 1829, houdende bepalingen wegens den overgang van de vroegere tot de nieuws wetgeving (Stb. n0. 29),

gewijzigd bij de Wet van 23 December 1837 (Stb. n0.78). EERSTE HOOFDSTUK.

Algemeene bepalingen.

Artikel 1.

De veranderingen, welke tengevolge der nieuwe Wetboeken in de burgerlijke wetgeving zijn te weeg gebragt, hebben geen invloed op de regten, welke onder vroegere wetgevingen waren verkregen. (A. 4; B. 802, 2030; Sv. 465 (oud).)

2. De geldigheid der handelingen, wat haren vorm betreft, wordt beoordeeld naar de wetten welke van kracht \\yaren op het tijdstip waarop die handelingen hebben plaatsgehad. (O. 48 v.)

3. De regten uit overeenkomsten voortvloeijende, worden geregeld door de wetten welke in werking waren toen die overeenkomsten zijn gesloten. (O. 38, 47.)

4. De regten uit uiterste wilsbeschikkingen voortvloeijende, welke vóór de invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek zijn gemaakt, worden naar dat Wetboek geregeld, indien na deszelfs in werking brenging de erflater is overleden. (O. 2, 48 v.; B. 921 v.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van meerderjarigheid, emancipatie en geregtelijke adsistentie vóór de invoering van het nieuwe Wetboek verkregen.

5. Alle personen, die vóór den dag der invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek hunne meerderjarigheid hebben verkregen, blijven meerderjarig en zullen tot alle handelingen hoegenaamd dezelfde bekwaamheid hebben, alsof zij den

40

-ocr page 81-

TOT DE NIEUWE WETGEVING.

vollen ouderdom van drie en twintig jaren hadden bereikt. (C. 388; B. 385.)

6. Jonge dochters, welke bij de invoering der Nederlandsche wetgeving den ouderdom van vijftien jaren hebben bereikt, blijven ook na die invoering de bevoegdheid behouden om een huwelijk aan te gaan. (C. 144; B. 86.)

7. Minderjarigen, die vóór den dag der invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek den ouderdom van zestien jaren hebben bereikt, blijven de bevoegdheid behouden hun bij art. 904 van het Wetboek Napoleon gegeven. (B. 944.)

8. Minderjarigen, vóór de invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek gehuwd, worden op den dag van die invoering meerderjarig. (C. 476; B. 385.)

9. De regten van minderjarigen, die ingevolge de bepalingen van art. 477 en volgende van het Wetboek Napoleon geëmancipeerd zijn, worden geregeld naar dat Wetboek.

10. Meerderjarigen, aan welke, ingevolge de bepalingen van den elfden titel van het eerste boek van het Wetboek Napoleon, een geregtelijke raadsman is toegevoegd, blijven ook na de invoering der nieuwe wetgeving, dien raadsman op denzelfden voet behouden.

Het wordt echter aan den regter overgelaten om, daartoe gronden vindende, op daartoe gedane vordering, de geregtelijke adsistentie door het stellen onder curatele te ver-| vangen. De vordering daartoe moet gedaan worden met inachtneming der voorschriften daartoe bij het nieuwe Wetboek gegeven. (G. 499; B. 487 v.)

11. Ten aanzien van personen, uit kracht van het besluit van den 12 February 1814 a) (Stb. n0. 25) geconfmeerd, doch welke niet onder voogdij zijn gesteld, of aan welke geen geregtelijke raadsman is toegevoegd, zal na de invoering der Nederlandsche wetgeving nog éénmaal prolongatie van confinement mogen verleend worden, indien daartoe gronden zijn, zonder dat er vooraf in hunne curatele zal behoeven te worden voorzien; mits de vordering daartoe gedaan worde binnen zes maanden na die invoering. (0.10 ; B. 511.)

DERDE HOOFDSTUK.

Van de adoptie en officieuse voogdij.

12. Allen, die op den dag der invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek en naar aanleiding van art. 353 van het Wetboek Napoleon, ten overstaan van den vrederegter eene akte van adoptie hebben verleden, kunnen, gedurende den tijd van een jaar na die invoering, voortgaan met de akten, volgens het Wetboek Napoleon tot de adoptie ver-eischt; en zal alzoo, indien daartoe termen zijn, de adoptie plaats hebben.

13. Indien, vóór de invoering van het nieuw burgerlijk

o) Zoowel in de officiëele editie, als in de wet van 23 December 1887 (Stb. no. 7S), staat verkeerdelijk 1815.

41

-ocr page 82-

WET OVERGANG VAN DE VROEGERE

Wetboek, en naar aanleiding van art. 361 en 363 van het Wetboek Napoleon, iemand op eene wettige wijze officieuse voogd is geworden, zullen al de bepalingen, vervat bij het tweede Hoofdstuk van den 8sten titel van hetzelfde Wetboek, toepasselijk zijn, zoowel op den pupil als op den officieusen voogd.

VIERDE HOOFDSTUK.

Van de hypotheken en derzelver zuivering, en van de privilegien.

14. De wettelijke hypotheken ten behoeve van getrouwde vrouwen, minderjarigen en andere onder voogdij gestelde personen, onafhankelijk van alle inschrijving onder de Fran-sche wetgeving ontstaan, hetzij dezelve op de oude registers zijn ingeschreven of niet, zullen binnen twee jaren na de invoering der Nederlandsche wetgeving op de nieuwe registers worden ingeschreven. (C. 2121, 2135 v.; B. 1224 v.)

15. Deze inschrijving zal niet mogen zijn algemeen op de goederen binnen den kring van het kantoor van den hypotheek-bewaarder gelegen, maar zij zal de bijzondere aanduiding moeten bevatten van den aard en ligging der goederen, waarop de hypotheek is gevestigd.

Geene andere goederen dan die, welke bij de inschrijving bepaaldelijk zijn aangewezen, zullen door de hypotheek worden getroffen. (B. 1219, 1231.)

16. De borderellen zullen zijn ingerigt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 2153 van het Wetboek Napoleon doch met inachtneming tevens van de voorschriften van artikel 1231, n0. 4, van het nieuw burgerlijk Wetboek; zij houden tevens in: den naam, den voornaam, en de qualiteit van den persoon, door wien de inschrijving wordt gevraagd.

17. Het bepaalde bij artikel 1232 van het nieuw burgerlijk Wetboek is op de inschrijving dezer hypotheken van toepassing.

18. Zij wordt genomen door de mans of door de voogden, wier goederen met deze hypotheken zijn bezwaard.

De toeziende voogden zullen zorgen dat dezelve plaats hebbe, of desnoods zelve inschrijving nemen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (B. 390, 428, 1217; C. 2136, 2137.)

19. Zij kan insgelijks worden genomen door de bloedverwanten van de vrouw of van de minderjarigen of andere onder voogdij gestelden, en door de vrouw zelve, ook zonder dat deze daartoe door haren man is gemagtigd, en ook door den minderjarigen zeiven. (B. 1217; C. 2139.)

20. Indien binnen den tijd, bij art. 14 bepaald, geene inschrijving ten behoeve der minderjarigen of onder voogdij gestelden is genomen, zal zulks alsnog, met inachtneming der bepalingen van art. 15,16 en 17, gedurende zes maanden van ambtswege kunnen geschieden door den officier bij de

42

-ocr page 83-

TOT DE NIEUWE WETGEVING.

arrondissements-regtbank of door den kantonregter, zoo van de woonplaats van den voogd als van de ligging der goederen. (C. 2138.)

21. Ten gevolge der inschrijving, op de bovengemelde wijze gedaan binnen den termijn bij art. 14 en 20 bepaald, blijft op de goederen, waarop dezelve is genomen, het regt van wettelijke hypotheken, benevens de rang bij de Fransche wetgeving toegekend, verzekerd. (C. 2134 v.)

22. De hierboven vermelde wettelijke hypotheken, welke niet binnen dien bepaalden tijd zijn ingeschreven, zullen van geene kracht zijn, dan te rekenen van den dag waarop die inschrijving later zal hebben plaats gehad. (B. 1226.)

23. De bepalingen van art. 391 en 397 van het nieuw burgerlijk Wetboek, zijn op de hierboven vermelde hypotheken ten behoeve van minderjarigen en andere onder voogdij gestelde personen van toepassing.

24. Zoolang de inschrijving der hypotheken niet is geschied, is de voogd insgelijks bevoegd om, overeenkomstig de voorschriften van art. 390 van het nieuw burgerlijk Wetboek, zekerheid te stellen voor zijn beheer. Indien de voogd van die bevoegdheid gebruik maakt, zullen de artt. 393, 394 en 395 van het nieuw burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.

25- Het recht van wettelijke hypotheek der getrouwde vrouwen en der minderjarigen of andere onder voogdij gestelde personen, blijft, onafhankelijk van inschrijving, over-komstig de Fransche wetgeving stand houden, en wel dat der getrouwde vrouwen tot na den afloop van den termijn bij art. 14, en dat der minderjarigen of andere onder voogdij gestelde personen tot na den afloop van dien bij art. 20 voorgeschreven.

Deze bepaling is ook van toepassing op de goederen, die na de invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek, doch vóór den afloop der hiervoren bepaalde termijnen, zijn verkregen. (G. 2135.)

26. De bepalingen van art. 2193, 2194 en 2195 van het Wetboek Napoleon, waarbij de wijze van zuivering dezer hypotheken is geregeld, blijven toepasselijk op de vervreemdingen, welke van de zijde der mans of voogden tot dien tijd toe zullen hebben plaats gehad.

27. De vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving op de thans bestaande registers gedane inschrijvingen der wettelijke hypotheken, aan den Staat, de gemeenten en openbare stichtingen toegekend, mitsgaders die dergeregte-lijke hypotheken, zullen, tengevolge dier inschrijving op de bestaande registers, van kracht blijven gedurende twee jaren, te rekenen van den dag der invoering.

28. Ieder belanghebbende zal, binnen voorschreven termijn, de inschrijving op de nieuwe registers kunnen vorderen van de in het vorig artikel vermelde hypotheken, welke vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving op de beslaande registers zullen zijn ingeschreven. (B. 1231.)

29. De bepalingen van art. 15 zijn toepasselijk op de inschrijving der hypotheken in art. 27 vermeld.

43

-ocr page 84-

WET OVERGANC. VAN DE VROEGERE

De borderellen voor de inschrijving der wettelijke hypotheken, in art. 27 bedoeld, moeten zijn ingerigt overeenkomstig de bepalingen van art, 16.

Die voor de inschrijving der geregtelijke hypotheken moeten zijn ingerigt overeenkomstig de voorschriften van art. 1231 van het nieuw burgerlijk Wetboek.

30. Tengevolge der inschrijving op de bovengemelde wijze, binnen den termijn bij art. 27 vermeld, gedaan, blijft op de goederen, waarop dezelve is genomen, het regt van wettelijke of geregtelijke hypotheek, benevens de rang bij de Fransche wetgeving toegekend, verzekerd. (C. 2135.)

31. Wanneer de nieuwe inschrijving eerst na den termijn, in art. 27 vermeld, gedaan wordt, heeft de hypotheek slechts kracht en rang, van den dag waarop die nieuwe inschrijving zal zijn geschied.

32. Het bepaalde bij art. 1232 van het nieuw burgerlijk Wetboek is op de nieuwe inschryving van toepassing.

33. De wettelijke hypotheken in art. 27 vermeld, waarvan het regt reeds vroeger was geboren, doch welke vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving nog niet zijn ingeschreven, zullen op de nieuwe registers, doch naar de voorschriften van het Wetboek Napoleon, worden ingeschreven, met inachtneming echter van het vastgestelde bij artt. 15 en 16. (C. 2153.)

34. De privilegien en geregtelijke hypotheken, waarvan het regt reeds vroeger was geboren, doch die vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving nog niet waren ingeschreven, mitsgaders de conventionele hypotheken reeds vroeger verleend, doch waarvan de inschrijving vóór die invoering nog niet was gedaan, zullen op de nieuwe registers naar de voorschriften dier wetgeving moeten worden ingeschreven. (B. 1231.)

35. De inschrijvingen der hypotheken, welke volgens de Fransche wet voor inkorting vatbaar waren, kunnen, zoo daartoe gronden zijn, worden ingekort, overeenkomstig de bepalingen van art. 2161 en volgende van het Wetboek Napoleon. (C. 2143 v.)

36. De inschrijvingen der hypotheken bij de tegenwoordige wet bedoeld, met uitzondering van die in artt. 33 en 34 vermeld, zullen geschieden zonder betaling van andere regten dan het loon van den hypotheek-bewaarder.

De borderellen kunnen geschreven worden op ongezegeld papier. (0. 37.)

37. De bewaarders van het kadaster zijn verpligt om de, voor de belanghebbenden, tot de uitvoering dezer wet noodige inzage hunner registers en andere stukken, aar hen kosteloos te verleenen, en hun tevens die inlichtingen te geven, welke zij zullen behoeven. (O. 36.)

44

-ocr page 85-

TOT DE NIEUWE WETGEVING.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Van de regten der echtelieden, vóór de invoering van het nieuwe Wetboek getrouwd.

38. De regten van echtelieden, vóór de invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek getrouwd, worden, ten op-zigte van hunne goederen, geregeld volgens de wetten, welke op het oogenblik van het huwelijk in werking waren, of volgens hunne niet bij die wetten verboden huwelijksche voorwaarden, om het even op welk tijdstip het huwelijk is ontbonden. (C. 1387, 1393 v., 1396 v., 1399 v., 1400 v.; B. 174, 194 v., 202—204, 210 v.; O. 3 v.)

ZES DE HOOFDSTUK.

Van echtscheiding, scheiding van tafel en bed, en ontbinding des huwelijks.

39. Echtgenooten, vóór de invoering van het nieuw burgerlijk Wetboek gehuwd, kunnen na die invoering niet meer bij onderlinge toestemming hun huwelijk doen ontbinden.

Indien niettemin de echtgenooten, uit krachte van het vastgestelde bij art. 281 van het Wetboek Napoleon, reeds voor den regter mogten zijn verschenen, kan die echtscheiding worden vervolgd en uitgesproken, overeenkomstig de voorschriften van dat Wetboek, en met dezelfde gevolgen.

40. Daden, welke volgens het Wetboek Napoleon eene bepaalde oorzaak tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed opleveren, doch bij het nieuw burgerlijk Wetboek niet als zoodanig zijn aangemerkt, zullen, ofschoon zij vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving mogten zijn gepleegd, echter na dat tijdstip geenen grond tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed kunnen opleveren; ten ware te dier zake reeds onder de Fransche wetgeving, of zes maanden na de invoering der Nederlandsche, een regtsgeding ware aangevangen, of zelfs nog maar een verzoekschrift te dien einde aan den president der regtbank van eersten aanleg ware ingediend. (C. 229 v., 236, 306 v.; B. 264, 288.)

41. Daden, welke bij het nieuw burgerlijk Wetboek eene bepaalde oorzaak tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed opleveren, doch als zoodanig in de Fransche wetgeving onbekend waren, zullen geene echtscheiding of scheiding van tafel en bed ten gevolge kunnen hebben, indien zij vóór de invoering der Nederlandsche wetgeving hebben plaats gehad. (B. 264, 288; C. 229 v. 306 v.)

42. Niettemin kan de echtscheiding, wegens kwaadwillige verlating welke onder de Fransche wetgeving is aangevangen, door den veriatenen echtgenoot worden gevorderd na verloop van vijf jaren na de invoering der Nederlandsche wetgeving. (O. 44; C. 231; B. 264 n0. 2, 266.)

45

-ocr page 86-

WET OVERGANG VAN DE VROEGERE

43. Indien onder de werking van het Wetboek Napoleon, of ook onder die van de Nederlandsche wetgeving, doch ten gevolge van een reeds vóór hare invoering aangevangen regtsgeding, eene scheiding van tafel en bed is uitgesproken, zal aan den verweerder, ook onder de Nederlandsche wetgeving, de bevoegdheid blijven toekomen, in art. 310 van het Wetboek Napoleon gegeven. (B. 255 v.)

ié. De bepalingen der artt. 549, 550 en 551 van het nieuw burgerlijk Wetboek, betreffende de ontbinding des huwelijks ten gevolge van afwezigheid, zijn toepasselijk ook op het geval dat de aldaar bedoelde afwezigheid reeds geheel of ten deele onder de werking van vroegere wetgevingen mogt hebben plaats gehad. (O. 42.)

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Yan den lijfsdwang.

45. In al de gevallen, waarin de lijfsdwang bij de nieuwe wetgeving niet is bijbehouden, zal dezelve na de invoering van het nieuwe Wetboek van burgerlijke regtspleging niet kunnen worden ten uitvoer gelegd, dan alleen wanneer de lijfsdwang vóór die invoering door den regter uitgesproken of wettelijk door partijen bedongen mogt zijn. (Rv. 585 v.; C. 2059 v.)

46. Ten aanzien van het ontslag uit de gijzeling zijn van toepassing de wetten, welke van kracht waren op het tijdstip, waarop de lijfsdwang is uitgesproken. (Pr. 798 v.)

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Van het bewijs.

47. De bewijsmiddelen zullen worden aangenomen of niet toegelaten, naar mate der bepalingen welke van kracht waren op het tijdstip dat de regten en verpligtingen zouden zijn ontstaan. (O. 3; C. 1315 v.; B. 1902 v.)

NEGENDE HOOFDSTUK.

Van mutuele en olographische testamenten en van erfstellingen over de hand.

48. Testamenten eene vaste dagteekening hebbende en door twee of meerdere personen in dezelfde akte, wettiglijk gemaakt vóór de invoering der wetten, waarbij die vorm van uiterste wilsbeschikkingen is verboden, en onder de Nederlandsche wetgeving met den dood bekrachtigd, blijven ten aanzien van dien vorm, van kracht. (O. 2, 4, 49; C. 968; B. 977.)

46

-ocr page 87-

TOT DE NIEUWE WETGEVING.

49. Allen die, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek Napoleon, olographische testamenten hebben gemaakt vóór de invoering van het burgerlijk Wetboek, en verlangen mogten dat dezelve van kracht blijven, zullen verpügt zijn dezelve binnen het jaar na die invoering, naar aanleiding van de bepalingen van het nieuw burgerlijk Wetboek, aan een\' notaris in bewaring te geven; zullende bij gebreke van dien, zoodanige testamenten alleen van kracht zijn, indien de erflater overleden is binnen hef jaar na die invoering.

Olographische testamenten, welke onder het Wetboek Napoleon gemaakt, doch niet op de voorschreven wijze onder bewaring gesteld zijn, zullen nogthans daardoor niet krachteloos worden, wanneer de personen, door welke die testamenten zijn gemaakt, bij de invoering der nieuwe wetgeving, of binnen het jaar na die invoering, door krankzinnigheid of andere overmagt, tot de vereischte bewaargeving buiten sfaat geraakt zijn.

Van deze bepalingen zijn uitgezonderd de beschikkingen vermeld bij art. 982 van het nieuw burgerlijk Wetboek. (0. 2, 4, 48; C. 970; B. 979 v.)

50. De bepaling van art. 1 van het decreet van den 24 Januarij 1812, betrekkelijk de erfstellingen over de hand, zal van kracht blijven in dat gedeelte van het Koningrijk waar hetzeffde in executoir verklaard. (C. 896 v.; B. 926 v.; Zie het decreet hierachter blz. 49.)

au

TIENDE HOOFDSTUK.

Yan dc tenietdoening ter zake van benadeeling.

51. De regtsvordering tot tenietdoening, ter zake eener benadeeling in eenen verkoop welke vóór de invoering van de Nederlandsche wetgeving mogt hebben plaats gehad, zal worden beoordeeld overeenkomstig de wetsbepalingen, welke van kracht waren op het tijdstip waarop de koop gesloten is. (O. l,^; C. 1674 v.)

ELFDE HOOFDSTUK.

Van de toepassing der straffen. 52. Vervallen en vervangen door art. 1 Sr. a)

o) Het luidde: De hoven eu regtbauken zullen de straften toepassen welke bij de wet tegen het misdrijf zijn bedreigd geweest op het oogenblik waarop hetzelve is bedreven.

Indien echter de bij de nieuwe Strafwet bedreigde straf ligter mogt zijn, zal deze worden opgelegd.

Indien bij de nieuwe Strafwet geene straf tegen het gepleegde misdrijf is bedreigd, zal wegens hetzelve ook geene straf kunnen worden uitgesproken.

47

-ocr page 88-

WET OVERGANG VAN DE VROEGERE ENZ.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Van de aanhangige twistgedingen.

53. De twistgedingen, welke op het oogenblik der invoering van het Wetboek op de Burgerlijke Regtspleging aanhangig zijn, zullen worden voortgezet volgens de vormen bij dat Wetboek voorgeschreven. (Pr. 1041.)

54. De burgerlijke twistgedingen, op het oogenblik der instelling van de hoven en regtbanken aanhangig bij de afgeschafte hoven, regtbanken en vredegerechten, zullen, door middel van eene enkele akte, aan den persoon of ter zijner woonstede beteekend, worden overgebragt bij de regters, welke volgens de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, bevoegd zijn daarvan kennis te nemen, om op de laatste dingtalen te worden voortgezet.

Niettemin zullen de zaken, welke bij de regtbanken van eersten aanleg of van koophandel aanhangig zijn en volgens de aangehaalde wet tot de bevoegheid van den kantonregter zouden behooren, door de arrondissements-regtbanken worden beslist. (R. O. 38 v., 53 v., 65 v., 87; Rv. 1.)

55. De op dat zelfde tijdstip onbesliste criminele, correctionele en policiezaken zullen worden overgebragt bij den regter, welke daartoe bevoegd is naar aanleiding der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

De bepaling van het laatste lid van het voorgaand artikel is ook op de reeds aanhangige correctionele zaken toepasselijk. (R. O. 44, 56, 65, 67, 92 v.)

56. Na de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, zijn de voorschriften van dat Wetboek, ten aanzien van de wijze waarop de beleedigde partij schadevergoeding mocht vorderen voor het nadeel haar door een misdrijf toegebragt, ook toepasselijk op misdrijven, vóór die invoering gepleegd. (R. O. 44, 56; Sv. 202 v.)

Indien echter reeds voor dien tijd de beleedigde partij zich, ingevolge de voorschriften van het Fransche regt, civiele partij had gesteld, zal de regtsvordering over de schadevergoeding voor den regter in strafzaken worden voortgezet, om het even of deze ingevolge de bepalingen van het nieuwe Wetboek al dan niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

57. Het regt tot appel of cassatie van bij de invoering der regterlijke organisatie reeds aanhangige zaken wordt geregeld naar de vroegere wetten.

De cassatien zullen gebragt worden bij der Hoogen raad. (O. 58, 59.)

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Van het beroep in cassatie tegen arresten door het Hoog-geregtshof te \'s-Gravenhage, en tegen vonnissen door de regtbanken binnen het ressort van dat hof gewezen.

58. De arresten in burgerlijke zaken, vóór de invoering

48

-ocr page 89-

49

van de wet op de Regteriijke Organisatie gewezen doorliet Hoog-geregtshof te \'s-Gravenhage, zijn volgens het besluit van den 11 den December 1813, voor geen beroep in cassatie vatbaar.

59. De vonnissen, in het hoogste ressort gewezen door de regtbanken van eersten aanleg en de vrederegters in het ressort van dat Hoog-geregtshof, en welke vallen in de termen van art. 20 van voorz besluit, kunnen bij den Hoogen raad worden overgebragt, indien de termijn niet is verstreken. (O. 57.)

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Van dn bcmoeijenisscn der kanlonreglcrs.

60. Onverminderd de werkzaamheden, bij de wet op de regteriijke organisatie aan de kantonregters opgedragen, zullen zij ook waarnemen hetgeen bij bijzondere wetten en verordeningen op dit oogenblik tot de werkzaamheden behoort van de vrederegters. (R. O. 38 v.)

Dècret Impérial

qui declare comnmn aux dcpatiemens de la ci-devant Hollande, y compris VEms-Oriental, les Boxiches-du-lihin, les Bouches-de-VEscout, la Lippe et l\'arrondissement de Breda, Varticle 155 du Bécret du 4 -Iutilet 1811, relatif aux substitutions faites clans les Départemens anséatiques avant la mise en activité du Code Napoléon. (Bulletin des lois n0. 419.)

Au palais des Tuileries, le 24 Janvier 1812.

NAPOLEON, Empereur des Francais, Roi d\'ltalie, Pro-tecteur de la Confederation du Rhin, Médiateur de la Con-fédération Suisse, etc., etc., etc.

Sur le rapport de notre grand-juge ministre de la justice; Notre Conseil d\'état entendu,

Nous avons décrété et décrétons ce qui suit:

Article 1.

L\'Article 155 de notre décret du 4 Juillet dernier a), ^ur l\'organisation générale des départemens anséatiques, ponant que les substitutions de la nature de celles prohi-bees par le Code Napoléon, seront abolies, et cesseront d\'avoir leur effet a compter du jour ou le Code sera mis en activité, que néanmoins la substitution faite antérieure-

quot;) 7,10 dat artikel nfgedvnkfc op de volgende bladzijde.

-ocr page 90-

50 DECREET VAN 1811.

ment a la raise en activité du Code Napoléon, tiendra au profit du premier appelé, né avant cette époque, et que, hors ce seul cas, le grevé jouira des biens comme propriétaire incommutable, est déclaré commun aux départemens de la ci-devant Hollande, y compris l\'Ems-Oriental, les Bouches-du-Rhin, les Bouches-de-l\'Escaut, la Lippe et l\'arrondissemenl de Breda. (0.50.)

2. Notre grand-juge ministre de la justice est chargé de 1\'exécution du présent décret, qui sera inséré au Bulletin des lois.

REGT

De )ver 1 wettel uitgeo 1°. 2°. 3°. 4°.

2.

iver ichuld an al ipgedi an r

aamh 46

Décret Impérial.

concernant l\'Organisation générale des Départemens Anséatiques. (Bulletin des lois n0. 381.)

Du 4 Juillet \'1811.

(Zie art. 1 van het vorig Decreet.)

NAPOLÉON, Empereur des Frangais, Roi d\'Italie, Protec teur de la Confédération du Rhin, Médiateur de la Gonfé-dération Suisse, etc., etc., etc.

Nous avons décrété et décrétons ce qui suit:

Article 155.

Les substitutions de la nature de celles qui sont prohi-bées par le Code Napoléon, seront abolies et cesseront d\'avoir leur effet a compter du jour ou ce Code sera mis en activité.

Néanmoins la substitution faite antérieurement a la mise en activité de ce Code, tiendra au profit du premier appelé, né avant cette époque.

Hors ce seul cas, le grevé jouira des biens comme propriétaire incommutabe.

a) G I sedert

* O. i

b) D rolgem •ijn ve tfei 18 Jol lam

-ocr page 91-

WET

van 18 April 1827 (Stb. n0. 20),

OP DE

regterlijke organisatie en het beleid der

justitie, a)

KERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

Artikel 1.

De regterlijke magt wordt (onverminderd het regtsgebied over bepaalde onderwerpen bij de grondwet of bij andere vettelijke bepalingen, aan bijzondere kollegien toegekend) uitgeoefend door:

1°. De kantongeregten; (R. O. 30 v.) 2°. De arrondissements-regtbanken; (R. O. 46 v.) ^ 3°. De geregtshoven b); (R. O. 60 v.)

I 4°, Den hoogen raad. (G. 162 v.; R. O. 83 v. — G. 70, 150, 155, 156; Stb. 1814 nquot;. 85; Stb. 1815 n». 26; Stb. 1858 n0. 45; Militiew. a. 130, 91, 92, 97, 103; Schutterijw., a. 72, 82; Stb. 1829 n0. 88; Stb. 1853 n». 154; Stb, 1868 n°. 126; Stb. 1885 n».122; Stb. 1845 n0. 22, a. 15, zie chron. lijst, j\'s W. grondbel., W. bedrijfsbel., Gem.w., a. 260, 264—266 en W. verm.-bel., a. 42, 53; Stb. 1841 n0. 42, a. 1; Stb. 1856 nJ. 32, a. 25 a—n en n0. 69; Stb. 1880 n0. 21 en 178; Stb. 1884 no. 202 en n«. 69; Stb. 1869 n». 37, 75, 139, zie chron. lijst; Consul.w., zie chron. lijst.) 2. De kennisneming en beslissing van alle geschillen Jver eigendom of daaruit voortspruitende regten, over chuldvorderingen _gt;of burgerlijke regten, en de toepassing an alle soort van wettig bepaalde straffen, zijn bij uitsluiting \'Pgedragen aan de regterlijke magt, volgens de verdeelingen \'an regtsgebied, de regterlijke bevoegdheid en de werk-aamheden bij deze wet geregeld. (G. 153, 156amp;; R. O. 30 46 v., 60 v., 83 v.; Regt. Ind. (Stb. 1877 n0. 74-78).)

a) Gewijzigd bij de Wet van 28 April 1835 (Stb. no. lü), en daarna ledort 1838 bij verschillende wetten hierachter onder de Bijlagen tot

O. in chronologische volgorde vermeld.

\'i De hier, in de wet, zooals zij oorspronkelijk werd vastgesteld, folgende woorden „en de criminele regtbank in de provincie Hollandquot; \'ijn vervallen ten gevolge van het bepaalde bij art. 2 der Wet van 26 Wei Ian (Stb. no. 16), omtrent de regterlijke organisatie van Zuid-Volland en Noord-JIolland.

-ocr page 92-

WET OP DE REGTEKU.IKE

3. Het openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den procureur-generaal bij den hoogen raad, door de procureursgeneraal bij de geregtsboven, door de officieren van justitie bij de arrondissements-regtbanken en door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten.

In ieder arrondissement wordt de waarneming van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten opgedragen aan één of meer ambtenaren.

Bij opdragt aan meer dan éénen ambtenaar wordt het regtsgebied, waarin ieder hunner werkzaam zal zijn, door den Koning aangewezen. (G. 1G6; R. O. 4, 5, 30, 33— 37, 46, 48, 51, 61—64, 83, 84, 86, 139.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art.

1 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 73). a)

4. liet openbaar ministerie is bijzonderlijk belast met de handhaving der wetten, met de vervolging van alle strafbare feiten en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen. Hetzelve moet worden gehoord in al de gevallen bij de wet voorzien. (R. O. 3, 5, 96, 98. 9%; Rv. 322 v.; Sv. 8 n0. 6, 22 v, 335 v„ 347; R. 1, a. 15, 22, 31. 52 v., 60, 82; B. 25, 28; F. ia; W. not.ambt, a. 50 v.)

5. Be ambtenaren bij het openbaar ministerie zijn ver-pligt de bevelen na te komen, welke hun in hunne ambtsbetrekking door de daartoe bevoegde magt, van wege den Koning, zullen worden gegeven. (G. 1C6; R. O. 3, 4, 109; R. I, a. 52 v.)

6. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den procureur-generaal b), of van den oflicier bij de arron-dissements-regtbank, wordt de dienst waargenomen door eenen advocaat-generaal of substituut, volgens den rang hunner benoeming, en, bij afwezigheid, belet of ontstentenis van dezen, door een der raadsheeren of regters, daartoe respectievelijk door de presidenten van den hoogen raad, het geregtshof c), of de regtbank van het arrondissement te benoemen. (R. O. 33d, 4ü, 61, 83; R. I, a. 57 v.)

7. De presidenten van den hoogen raad, van de hoven en regtbanken worden, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, vervangen door een vice-president, of, bij gebreke van dezen, door den oudst-benoemden raadsheer of regter. (R. O. 32; R. I, a. 17, 19 v.)

8. De leden van de regterlijke magt (met uitzondering van de regters-plaatsvervangers) kunnen niet tevens zijn

u) Oorspronkelijke redactie {Wet van 28 April 1835 (St^. no. 10): Het openbaar ministerie wordt uitgeoefend;

Door den procureur-generaal, bij den hoogen raad;

Door de procureurs-generaal, bij de provinciale hovsn, en den officier van criminele justitie bij de criminele regtbank respectievelijk;

Door de officieren, bij de arrondissements-regtbanken, en eindelijk, bij de kanton-geregten, door de ambtenareu iu deze et te dien einde aangewezen.

b) Oorspronkelijk volgde hier; „van den officier van criminele justitie.quot; Zie de noot b) op art. 1.

c) Oorspronkelijk volgde hier: „de criminele regtbank.quot; Zie de noot b) op art. 1.

52

-ocr page 93-

ORGANISATIE ENZ. AKD. I, ARTT. 3 — 11.

advocaat, procureur, notaris of solliciteur, of eenig ambt bekleeden aan hetwelk eene vaste wedde is verbonden.

Zij zullen echter tevens mogen zijn leden van de stedelijke-of gemeenteraden, leden en secretarissen van hoogheemraadschappen, dijk- en polderbesturen, curatoren van hooge en andere scholen, leden van de commissien van openbaar onderwijs of van alle inrigtingen, welke niet als eigenlijk bezoldigde ambten kunnen worden beschouwd.

In geval van twijfel of eenige openbare betrekking van laatstgenoemden aard met het lidmaatschap der regterlijke magt bestaanbaar zij, zal zulks door den Koning worden beslist. (R. O. 11 n0. 4a, 12 n0. 3, 14; Rv. 20 v.; Stb. 1823 n0. 39; Gem w., a. G21».)

9. De leden van den hoogen raad zullen niet tevens mogen ziin leden van de Staten-Generaal. (G. 163 v.; R. O. 12 n». 3, 92.)

Het tweede lid a) van dit artikel is ingetrokken door art. 5 der Wat van 10 November 1875 (Stb. n0. 204).

10. Bloedverwanten of aanverwanten tot den derden graad ingesloten kunnen niet te zamen zijn raadsheeren, regters, ambtenaren van het openbaar ministerie en griffiers in den hoogen raad, of in hetzelfde hof, of in dezelfde regtbank.

Indien de zwagerschap eerst mogt zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die dezelve heeft aangegaan, zijn ambt niet kunnen blijven behouden, zonder vergunning van den Koning.

Deze wetsbepaling is niet toepasselijk op de substituten-griffiers.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw die haar veroorzaakte. (R. O. 23; B. 345 v., 350 v., 352; Prov. w., a. 20; Gem.w., a. 21; Stb. 1854 n0. 129, a. 8; Stb. 1861 n°. 129, a 7.)

Het vierde lid is aan dit artikel toegevoegd door art. 1 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 72),

11. De leden der regterlijke magt, die voor hun leven of voor een bepaalden tijd zijn benoemd, kunnen door den hoogen raad, bij een met redenen omkleed arrest, uit hun ambt worden ontzet; (G. 166; R. O. 37, 51, 62, 84; Stb. 1865 n0. 55, a. 136; Stb. 1865 n0. 56, a. 157.)

1°. wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld ;

No. I van dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 92). b)

а) Volgens de IVet van 28 April 1335 (Sbb. no. 1U) luidde dit: „De leden van de provinciale hoven en der criminele regtbank zuilen niet tevens mogen zijn leden van de Provinciale Staten.quot;

б) Volgens de oorspronkelijke redactie (Wet van 4 Juli 1874 (Stb. no. 90)) luidde liet:

lo. wanneer zij tot gevangenis of tot zwaardere straf zijn veroordeeld;

uitgezonderd wordt echter de gevangenisstraf die geldboete vervangt en die wegens overtreding van politie is opgelegd.

53

-ocr page 94-

T \'

54 WET OP DE REGTERLIJKE

2°. wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, of wegens schulden zijn gegijzeld; (F. 1 v.; Rv. (oud) 882 v.; Rv. 585 v.) i \\

3°. wegens wangedrag of onzedelijkheid, of bij gebleken hei(

voortdurende achteloosheid in de waarneming van hun woi

ambt; (R. O. 14.) of gev 4°. wegens overtreding van de bepalingen der Wet,

waarbij hun:

a. het uitoefenen van eenig beroep wordt verboden.

(R. 0. 8.) 1

h. een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen. bev

(R. 0. 15, 34.) tigi

Deze alinea is aldus gewijzigd door art. 2 der Wel kui

van 9 April 1877 (Stb. n0. 72). a) lijf

c. verboden wordt zich in eenig onderhoud of gesprek in vai te laten met partijen of hare advokaten of procureurs, of bec eenige bijzondere onderrigting, memorie of schriftuur van v., hen aan te nemen. (R. O. 2i; Rv. 30.) a.

d. de verpligting wordt opgelegd het geheim der raadkamer te bewaren. (R. O. 28.) de

Overtreding van de bepalingen onder 4°. vermeld kan tei

alleen dan grond tot ontzetting opleveren, wanneer de over- rei

treder reeds vooraf voor gelijke overtreding is gewaarschuwd. Iio (R. O. 14.)

De hooge raad spreekt de ontzetting niet uit dan op de vo

vordering van den procureur-generaal, of, zoo zij dezen ki

zeiven gsldt, op de vordering van den advokaa\'.-generaal, dt

daartoe door Ons aangewezen. (Rv. 324 n0. 14i\'.) d«

Zij, wier ontzetting moet worden gevorderd, worden ten g« minste veertien dagen te voren door den ambtenaar van

het openbaar ministerie, door wien de vordering geschiedt, ai

opgeroepen, ten einde te worden gehoord. d(

De oproeping geschiedt bij gesloten brief, die de redenen

der vordering behelst. De bezorging van den brief aan den ir opgeroepen ambtenaar geschiedt bij deurwaarders-exploit.

De hooge raad kan, hetzij ten verzoeke van het openbaar v

ministerie of van den betrokken persoon, hetzij ambtshalve, b

getuigen hooren. v

Het onderzoek heeft plaats in raadkamer. p

De uitspraak geschiedt in het openbaar. (G. 161, 166; o

R. O. \'20; R. I, a. 10, 74.) £

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij de i

Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht. 12. De ambtenaren, in het vorig artikel bedoeld, worden op de wijze, daarbij bepaald, uit hun ambt ontslagen: 1°. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende ligchaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte ; (B. 434 n0. 5.)

2°. wanneer zij onder curatele zijn gesteld ; (B. 487 v.) of 3°. wegens de aanvaarding van een ambt of betrekking,

o) Volgens de oorspronkelijke redactie (IVet van t Juli 1871 (Stb. no. 00)) luidde zij : „een vaste woonplaats wordt aangewezen.quot;

-ocr page 95-

ORGANISATJE ENZ., Al\'b. I, ARTT, —14.

onvereenigbaar met het lidmaatschap der regterlijke magt. (R. O. 8, 9.)

Voor de aanspraak op pensioen der wegens ongeschiktheid door ziels- of ligchaamsziekte ontslagen ambtenaren wordt geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij de Wetten van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), en van 9 November 1875 (Stb. n®. 200). a)

13. Elk lid van de regterlijke magt, tegen wien hetzij een bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij mag-tiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den procureur-generaal, door den hoogen raad in zijne bediening geschorst. (Sv. 85, 86, 259, v.; Krankz.w., a. 12 v., zie chron. lijst; Rv. 324 nquot;. 14?), 589; Stb. 1865 n0.55, a. 137; Stb. 1865 n®. 56, a. 157.)

Gelijke schorsing kan door den hoogen raad, op de vordering van den procureur-generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk lid der regterlijke magt, tegen wien regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is verleend. (Sv. 85.)

De opheffing der schorsing na den afloop van de vervolging, na het ontslag uit het huis van bewaring of geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vordering van den procureur-generaal, of op verzoek van den geschorsten regterlijken ambtenaar, den procureur-generaal gehoord.

Bevindt zich de procureur-generaal in een der in dat artikel omschreven gevallen, dan geschiedt de vordering door den advokaat-generaal, daartoe door Ons aangewezen.

Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede in het genot der bezoldiging.

14. De presidenten zijn bevoegd, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun collegie, de griffiers en substituut-griffiers, die de waardigheid van hun ambt, hunne ambtsbezigheden of ambts-piigten verwaarloozen, of die zich schuldig maken aan de overtredingen in art. 11 onder 4®. bedoeld, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de r.oodige waarschuwing te doen.

De presidenten der arrondissements-regtbanken hebben gelijke bevoegdheid ten aanzien van de regters-plaatsvervangers hij hun collegie en de binnen het regtsgebied daarvan gevestigde kantonregters, hunne plaatsvervangers en griffiers.

55

De presidenten der geregtshoven hebben gelijke bevoegdheid ten aanzien van de presidenten der arrondissements-

«) Volgens de oorspronkelijke redactie (Wet van 1 Juli 1»74 (Stb. no. 90), beyatte dit artikel achter de nu laatste alinea nog deze andere: „Zij, die ontslagen worden achtervolgens lo., behouden hunne volle wedde.quot;

-ocr page 96-

WET OP Dli REGTERLFJKE

regtbanken binnen het regtsgebied van hun collegie, de president van den hoogen raad ten aanzien van de presidenten der geregtshoven, en de procureur-generaal bij den hoogen raad ten aanzien van de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het openbaar ministerie. (R. O. 5, If, 12, 13; R. I, a 10, 52 v.)

De artikelen 13 en 14 zijn, aldus gewijzigd, vastgesteld bij de Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), behoudens e.enc nadere wijziging van art. 13b bij art. 8 van de Invoeringswet, a)

15. De leden van den hoogen raad, mitsgaders van de hoven en regtbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie, de griffiers en hunne substituten bij die collegien hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar hun collegie is gevestigd, of binnen den afstand van duizend meters daarbuiten. (R. O. 11 nquot;. 4b, 14, 34.)

Dit artikel is aldus gewijzigd bij art 3 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 72). b)

16. De leden van de regterlijke nrmgt kunnen buiten den tijd der vacantion zich van de plaats van hun vast en voortdurend verblijf niet verwijderen, zonder daartoe verlof te hebben bekomen.

Deze alinea is aldus gewijzigd door art. 4 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 72). c)

a) In art. 13amp; luidde het slot volgens de Wet van 1 Jvli 1874 (Stb. no. 90): „r.egen wien een bevel van dagvaarding in persoon is verleend.quot;

De artikelen 11—li luidden in de oorspronkelijke redactie (JVet van 28 April lö35 (Stb. no. 10)) aldus :

Art. 11. In het arrest, bij hetwelk eenig lid van de regterlijke magt tot eene lijf- of onteerende straf wordt veroordeeld, zal tevens deszelfs afzetting worden uitgedrukt.

Art. 12. Elk raadsheer, regter of griffier die tot eene correctionele gevangenisstraf mogt zijn veroordeeld, kan, op requisitoir van den procureur-generaal, door den hoogen raad worden ontzet, na in zijne belangen te zijn gehoord.

Gelijke ontzetting kan op dezelfde wijze worden gevorderd en uitgesproken wegens wangedrag, onzedelijkheid of merkelijke achteloosheid.

Indien een ambtenaar van het openbaar ministerie zich in een der gevallen van dit artikel mogt bevinden, zal deszelfs ontzetting, nadat de hooge raad daaromtrent zal zijn gehoord, door den Koning kunnen gedaan worden.

Art. 13. Elk lid van de regterlijke magt, tegen wien ean bevel van gevangenneming verleend is, wordt daardoor voorloopig in zijne bediening geschorst.

Art. li. De presidenten van den hoogen raad, van de noven en regtbanken hebben ambtshalve, of ter requisitie van het openbaar ministerie, de bevoegdheid om aan elk raadsheer en regter in hunne collegien, welke de waardigheid van hun karakter of hunne ambtsbezigheden mogten verwaarloozen, de noodige waarschuwing te geven.

h) De oorspronkelijke redactie luidde: „moeten hunne vasto woonplaats hebben in de gemeente, waar de hooge raad, het hof of de regtbank gevestigd is.quot;

c) De oorspronkelijke redactie luidde : „De leden van de regterlijke magt kunnen buiten den tijd der vacantien zich van de plaats, waar zij hunne bediening uitoefenen,quot; enz.

56

-ocr page 97-

ORGANISATIE ENZ., AFD. I, ARTT. 15—24.

Zij kunnen zelfs in den tijd der vacantien niet buiten het koningrijk gaan, zonder bijzonder verlof van den Koning. (R. O. 11 n0. 4b, 14, 15, 34; R. I, a. 6 v.)

17. De jaarlijksche vacantien van den hoogen raad, de hoven en arrondissements-regtbanken, zullen aanvangen met den eersten Julij en eindigen met den laatsten Augustus ingesloten.

18. Gedurende de vacantien zal er in den hoogen raad, gelijk mede ia elk hof en in elke regtbank, eene kamer zijn, belast met de afdoening der burgerlijke en handelszaken, welke spoed vereischen.

Voor de behandeling van strafzaken heeft geene vacantie plaats. (R. I, a. 11 v.)

19. Alles wat de wijze van eeds-aflegging, het costuum der onderscheiden regterlijke ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling, en de orde van den inwendigen dienst van den hoogen raad, gelijk mede van de hoven en regtbanken, de advokaten, procureurs en regtsbedienden aangaat, zal bepaald worden bij reglementen van openbaar bestuur. (R. I—IV (Stb. 1838 n». 36; Stb. 1844 n0. 61; Stb. 1855 ii0. 114; Stb 1875 n0. \'244; Stb. 1876 nquot;. 34; Stb. 1877 n0. 90 en 142; Stb. 1879 nquot;. 107 en 150; Stb. 1884 nquot;. 221; Stb. 1886 n». \'200; Stb 1895 n°. 168).)

20. In strafzaken zal het regtsgeding op de teregtzittingen in het openbaar worden gehouden, op straffe van nietigheid, ten zij bij de wet anders mogt zijn bepaald, of, de hooge raad, het hof, de regtbank, of het kantongeregt, om gewigtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen, mogt bevelen, dat het regtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaats hebben.

Dezelfde bepaling is ook toepasselijk op de gedingen in burgerlijke zaken. (Rv. 18, 822, 826.)

In alle gevallen zullen de vonnissen en arresten, zoo in burgerlijke als in strafzaken, in liet openbaar worden uitgesproken, en moeten zijn ingerigt volgens de voorschriften van art. 172 en 173 \\lham art. 161] der grondwet, alles op straffe van nietiaheid. (G. 161; Rv. 59 v.; Sv. 221 v., 247, 250, 253, 256, 304, 369.)

21. De vonnissen en arresten, gewezen met een ander getal regters dan in deze wet is bepaald, zijn nietig. (R. O. 50, 57, 70, 71, 100, 101, 102; Rv. 59 n°. Sb, 368; Sv. 94c, 137ft.)

22. De hooge raad, hoven on regtbanken, mitsgaders de ambtenaren van het openbaar ministerie, zijn verpligt berigt en consideration te geven, wanneer zulks hun van\'s Konings wege zal worden gevraagd. (R. O. \'25; G. 68; Stb. 1887 n0. 215, zie chron. lijst; B. 86, 88. 329.)

23. Geen lid van den hoogen raad, of van eenig hof of regtbank, zal tot commissaris of rapporteur mogen worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten, als advokaat of procureur werkzaam is, of geweest is. (H.O. 10; B,345v., 350 v.; Rv. 30 v.)

24. De leden van den hoogen raad, de hoven en regt-

57

-ocr page 98-

WET OP DE REGTERLIJKE

banken mogen zich niet directelijk of indirectelijk over eenige voor hen aanhangige geschillen, of die zij weten of vermoeden, dat voor hen aanhangig zullen worden, in eenig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen ofder-zelver advokaten of procureurs, noch eenige bijzondere onderrigting, memorie of schrifturen aannemen. (B. 1504; R. O. 11 n0. 4c, 14; Rv. 30 n0. 4 v.)

25. De regterlijke collegien en ambtenaren zijn onderling verpligt aan letteren requisitoriaal ten dienste der justitie wettig gevolg te geven. (R. O. 107; B. 331, 477, 1981b; K. 126; Rv. 1196, 186, 200, 240; Sv. 72 v,, enz.)

26. In alle zaken zal de president hoofdelijke omvraag doen, beginnende met den commissaris of rapporteur, en vervolgens aan de verdere leden, van den jongst benoemden tot den oudsten; de president brengt het laatste zijn advijs uit. (R. I, a. 33, 34.)

Geen afwezend lid kan zijn advijs door een zijner medeleden doen voordragen, noch hetzelve schriftelijk indienen.

27. Wanneer er meer dan twee verschillende gevoelens zijn uitgebragt, zal het besluit worden opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt rnet het gevoelen van de meerderheid. (Pr. 117 v., 467: R. O. 50, 57, 70. 71, 100, 101, 102.)

28. De leden van de regterlijke magt zijn verpligt het geheim te bewaren opzigtelijk de gevoelens, die in de raadkamer over regtshangige gedingen door de raadsheeren of regters zijn geuit geworden. (R. O. 11 n0. 4c\', 14, 27; Rv. 1746 )

29. Alle de leden van de regterlijke magt in deze wet opgenoemd, zullen, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, alvorens in bediening te treden, den eed (belofte) afleggen:

Dat zij getrouw zullen zijn aan den Koning, en de grondwet zullen onderhouden en nakomen;

Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling, aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven;

Dat zij nimmer eenige giften of geschenken hoegenaamd zullen aannemen of ontvangen van eenig persoon, welken zij weten of vermoeden eenig regtsgeding of zaak te hebben, of te zullen krijgen, in welke hunne ambtsverrigtingen zouden kunnen te passé komen;

Dat zij voorts hunne posten met eerlijkheid, naauwgezet-heid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen, en zich in de uitoefening hunner bediening gedragen, zoo als braven en eerlijken regterlijken ambtenaren betaamt. (G. 167; R. O. 14, 19, 33; R I, a. 1—5; Rv. 30 n0. 5; Besl. 9 Juni 1817 en 26 October 1818 (d\'Engelbr. I (1813—1820) bl. 373 en 447.); Stb. 1891 n«. 125, zie chron. lijst.)

58

-ocr page 99-

ORGANISATIE ENZ., AKD. 1 On II, ARTT. 25—35. 59

TWEEDE AFDEEL ING.

Van de Kantongeregten.

30. Bijzondere wetten regelen het regtsgebied en de zetels der kantongeregten. alsmede de klassen, waartoe zij behooren. en de jaarwedden der kantonregters en der ambtenaren bij de kantongeregten (Regterl. Ind. (Stb. quot;1877 n». 74—79; Stb. 1878 n*. 31; Stb. 1884 n°. 212; Stb. 1886 n0. 132; Stb. 1895 n0. 132 en 133; Stb. 1896 n0. 153 en 242; Stb. 1897 n0. 130.); Stb. 1843 n». 37 (Tar. tit. I, a. 5 v.); Stb. 1873 n0. 66, a. 30 v., zie achter Sv., en n0. 68, a. 4 v. j0. R. O. 36a.)

Dit artikel is aldus gewijzigd door art. 2 der Wet van 9 April 1877 (Stb. nquot;. 73). a)

31. Er zullen voor elk kantongeregt zijn een regter, twee of ten hoogste vier plaatsvervangers, volgens de bepalingen daaromtrent door den Koning te maken voor ieder kanton, en een griffier. (R. O. 32—37; Stb. 1877 n0, 79, a. 2.)

32. Bij verhindering of ontstentenis van den kantonregter wordt hij vervangen door een plaatsvervanger, naar rang van benoeming. (R. O. 31; R. I, a. 16 v.; Rv. 41.)

33. Bij verhindering of ontstentenis van den griffier worden zijne ambtsverrigtingen waargenomen door een ingezeten van het kanton, minstens drie en twintig jaren oud, door den kantonregter te benoemen tot wederopzeggens toe en te beëedigen. (R. O. 29, 31; R. 1, a. 1 v.)

Maakt het kanton een gedeelte uit eener gemeente, zoo is het voldoende dat de benoemde zij ingezeten dier gemeente.

Het formulier van den in dit artikel voorgeschreven eed wordt door den Koning bepaald. (Stb. 1877 n0. 144.)

De ambtenaar van het openbaar ministerie wordt als zoodanig, des vereischt, vervangen door een plaatsvervanger van den kantonregter, door dezen aan te wijzen. (R. 0. 3.)

34. De kantonregters en hunne plaatsvervangers hebben hun vast en voortdurend verblijf in het kanton. Zij houden hunne teregtzittingen in de hoofdplaats van het kanton.

De griffiers hebben hun vast en voortdurend verblijf in die hoofdplaats. Om bijzondere redenen kan door den Koning eene andere plaats in het kanton voor hun vast en voortdurend verblijf worden aangewezen.

Indien het kanton een gedeelte eener gemeente uitmaakt, is het voldoende, dat de kantonregter, zijne plaatsvervangers en de griffier binnen die gemeente hun vast en voortdurend verblijf hebben.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten hebben hun vast en voortdurend verblijf ter plaatse door den Koning aan te wijzen. CR. O. 11 n0. 4b, 14, 15.)

35. De kantonregters moeten den ouderdom van vijf en

a) De oorspronkelijke redactie luidde: „Het regtsgebied van elke arrondissements-regtbank wordt verdeeld in kantongeregten, wier omtrek bij eene bijzondere wet bepaald is.quot;

-ocr page 100-

WET OP DE REGTERUJKE

twintig jaren, hunne plaatsvervangers, de griffiers en de ambtenaren van het openbaar ministerie den ouderdom van 23 jaren bereikt hebben.

Zij moeten, met uitzondering van de plaatsvervangers, op eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetenschap verkregen hebben. (G. 5 v.; W. hooger onderw., a. 91.92, 122; R. O. 48, 64, 86; Stb. 1877 n0. 80, a. 22b, zie deze wet afgedrukt achter Rechterl. Ind.)

36. De kantonregters en hunne plaatsvervangers brengen voor buitengeregtelijke verrigtingen geene vacatie- of andere loonen in rekening. Alle met dit verbod strijdige verordeningen zijn ingetrokken.

De reis- en verblijfkosten, door ben aanbelanghebbenden in rekening te brenaren, worden bij de wet bepaald. (Stb. 1843 n0. 37, a. 2 1 (Tar., a. 2) jo.\'Stb. 1877 n0. 73, a. 5, zie Bijlagen tot R. O.)

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten hebben, voor het houden van zitdagen en het bijwonen van teregtzittingen in de kantons waar zij niet gevestigd zijn, aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten op den voet door den Koning bepaald. (Stb. i884 n0 4.)

37. De kantonregters worden voor het leven, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers tot weder-opzeggens toe door den Koning benoemd.

De kantonregters-plaatsvervangers worden door den Koning voor vijf jaren aangesteld. Zij zijn bij aftreding weder benoembaar. (G. 166; R. O. 31, 51, 62, 84.)

De artikelen 32—37 zijn, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 3 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 73). a)

a) De oorspronkelijke redactie dezer artikelen luidde;

Art. 32. Bij afwezigheid of belet van den kantonregter, zal de oudstbenoemde plaatsvervanger, en, bij afwezigheid of belet van dezen, de tweede plaatsvervanger den kantonregter vervangen, en zoo vervolgens.

Art. SU. Bij afwezigheid of belet van den griffier, worden zijne ambtsverrigtingen waargenomen door eenen daartoe door den kantonregter te benoemen persoon, welke in handen van dien regter den eed zal moeten afleggen, waarvan proces-verbaal zal worden opgemaakt.

Art. 34. De kantonregter en plaatsvervangers zullen hunne woonplaats moeten hebben in het kanton, en de teregtzittingen honden in de hoofdplaats van het regtsgebied; zijnde de griffier verpligt aldaar te wonen.

Art. 35. De kantonregters en plaatsvervangers moeten, onverminderd de eischen bij de grondwet voorgeschreven, den vollen ouderdom van 25 jaren bereikt hebben.

Zij worden uit de kundigste, bekwaamste, gegoedste en meest geachte ingezetenen, doch bij voorkeur uit meesters of licenciaten in de regten, gekozen.

Art. 36. De traktementen van de kantonregters en hunne griffiers worden bepaald bij de tabel nevens deze wet gevoegd. De classificatie der kantongeregten wordt bij eene bijzondere wet geregeld.

60

-ocr page 101-

ORGANISATIE ENZ., AKI), II, ARTT. 36—44. 61

38. Behalve de werkzaamheden aan de kantonregters bij de wet opgedragen, nemen zij kennis, zoo in burgerlijke als in handelszaken, zonder hooger beroep indien de vordering niet meer beloopt dan ƒ 50, en behoudens hooger beroep indien dezelve niet meer beloopt dan ƒ 200: (B. 95 v., 98, 99 v., 127 v., 169, 180, 365, 373, 387, 390, 395, 413, 420, 422 v., 444, 446, 447, 451, 452, 454, 456—463, 465, 466, 479, 480 v., 503, 505, 506, 983, 984, 989, 1118,1255, 1722, enz.; Rv. 658 v., 678, 685 v., 761, 798, enz.;K. 183, 380, 768, 795. 799 enz.; Sv. 8 nquot;. 5,34 v., enz.; Kiesw., a. 36 v.; Krankz.w., zie chron. lijst, enz.)

1°. Van alle louter personele regtsvorderingen; (Rv. 97a 126a, 129a.)

2°. Van alle regtsvorderingen tot betaling van renten, huren en pachten, mitsgaders van interessen of gedeelten van inschulden, zelfs ingeval de rente, de huur, de pacht of de hoofdsom der inschuld meer dan f 200 bedraagt, mits de regtstitel niet worde betwist. (B. 784 v., 1596 nquot;. 2, 1802 v. —Stb. 1869 n0. 139, a. 1, zie chron. lijst; Wet landverh., a. 27a, zie onder Rv. 97.)

39. Zij zullen, insgelijks zonder hooger beroep indien de vordering niet meer dan f 50 beloopt, en behoudens hooger beroep tot welke som do vordering zich mogt uitstrekken, kennis nemen: (R. O 38.)

1quot;. Van burgerlijke regtsvorderingen tot vergoeding van schaden, hetzij door menschen, hetzij door dieren, toegebragt aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten; (B. 1401, 1404; Rv. 98 n0. 1.)

2°. Van zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van den huurder valt; (B. 1619, 1620; Rv. 98n0.2.)

3°. Van betaling van arbeidsloonen aan werklieden, huren van dienstboden, en het volbrengen van wederzijdsche overeenkomsten van meesters en hunne dienstboden of arbeidslieden. (B. 1637—1639.)

40. Zij nemen kennis van burgerlijke regtsvorderingen, ter zake van mondelinge beleediging, a) zonder hooger beroep indien de gevraagde betering zich biootelijk bepaalt tot eene geldsom geen vijftig gulden te boven gaande, en behoudens hooger beroep tot welke hoogere som de gevraagde betering moge loopen, of ook in alle gevallen, waarin, nevens of in de plaats van eenige geldsom, een verdere eisch tot betering mogt gedaan zijn. (B. 1408—1416; Sr. 261 v.; Sv. 253 n0. 4.)

41. Zij nemen insgelijks, behoudens hooger beroep, kennis van de regtsvorderingen tot ontruiming van huizen, ge-

Art. 87. De kantonregters, plaatsvervangers en griffiers worden door den Koning aangesteld voor vijf jaren. Zij zijn telkens weder te-noembaar.

a) In de oorspronkelijke redactie, gewijzigd bij art. S der Wet van 20 April 1884 (Stb. no. 92), werd, in plaats van „mondelinge beleediging,quot; gelezen „mondelingen hoon.quot;

-ocr page 102-

WET OP DE REOTERUJICE

bouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, zonder onderscheid van het bedrag der huur, indien de huurder geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur te berde brengt, en in gebreke blijft het perceel te ontruimen.

De bovenstaande bepaling is ook toepasselijk op de pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, mits de huur, over het jaar berekend, of de waarde van dien, niet meer dan f 200 bedrage.

In beide gevallen kunnen de vonnissen bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep, behoudens de bevoegdheid van den kantonregter om het stellen van borgtogt te bevelen. (B. 1606 v,; Rv. 53 n0. 3, 98 n». 4. 122 v.; R. O. 426.)

42. Zij nemen mede kennis van de regtsvorderingen tot ontbinding van huur van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, mitsgaders van pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, en dien ten gevolge van derzelver ontruiming, ter zake van wanbetaling der huurpenningen, zonder hooger beroep indien de huur, over het jaar berekend, niet meer dan f 50, en behoudens hooger beroep indien dezelve niet meer dan ƒ 200 bedraagt.

De bepaling van het laatste lid des vorigen artikels is insgelijks te dezen toepasselijk. (B. 1302, 1596 nquot;. 2; Rv. 53, n0. 3, 98 n®. 4.)

43. In alle geschillen welke voor dading of compromis vatbaar zijn en in welke partijen zich voor een kantonregter te hunner keuze, doch binnen het arrondissement, aanmelden, en zijne beslissing inroepen, zal deze van derzelver geschil moeten kennis nemen, welke ook de aard van het geschil en de waarde van het betwiste voorwerp zij.

In dat geval zal de kantonregter altijd wijzen in het hoogste ressort, ten ware partijen, in zaken aan hooger beroep onderworpen, dat beroep hadden voorbehouden. (Pr. 7; G. 156a; B. 1889 v., 1967; R. O. 55, 66; Rv. 157,329 v., 355 v., 373 v., 620 v.)

44. De kantonregters vonnissen over strooperij, bedoeld bij artikel 314 van het Wetboek van Strafrecht, en over alle overtredingen, waarvan de kennisneming niet aan een anderen regter is opgedragen. (R. O. 56, 92; Sv. 252 v., 259 v.; Sr. 314, 424 v.; Inv. 10. 11, 19—27.)

Hunne vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van het geval dat tegen het feit geene andere straf is bedreigd dan geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (R. O. 58; Stb. 1869 n0. 139, a. 2, zie chron. lijst.)

Zij nemen ingelijks kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden, ten behoeve der beleedigde partij, wanneer die vordering geen f 50 te boven gaat. Wanneer die vordering f 50 te boven gaat, moet dezelve bij eene afzonderlijke actie bij den daartoe bevoegden burgerlijken regter vervolgd worden. (B. 1401 v.; R. O. 56; Sv. 3. 202 v,. 211. 253 n0. 4.\'»

G2

-ocr page 103-

63

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 4 der Wet van 26 April 1884 (Stb. nquot;. 92). a) 45. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 73). b)

DERDE AFDEEL1NG.

Van de Arrondissements-Reglbanken.

46. Bijzondere wetten regelen het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regtbanken, alsmede hare zamen-stelling, de klassen waartoe zij behooren, en de jaarwedden der leden van en der ambtenaren bij die regtbanken. (Rech-terl. Ind. (Stb. 1877 n#. 74—79; Stb. 1884 n». 212; Stb.

a) In de oorspronkelijke redactie van dit art. werd, in plaats van het tegenwoordige eerste en tweede lid, gelezen het volgende:

A7-e. 44. De kantonregters vonnissen over alle overtredingen, op welke geene hoogere straf is gesteld dan eene gevangenisstraf van zeven dagen of eene geldboete van 75 gulden, te zamen of afzonderlijk, zonder aanzien of die straf al dan niet gepaard gaat mat de verbeurdverklaring van eenige voorwerpen.

Hunne vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van het geval dat tegen de overtreding geene hoogere of andere straf is bedreigd dan eene geldboete, de som van ƒ 20 niet te boven gaande.

De bovenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op overtredingen ter zake van belastingen, welke alle door de arrondissements-regtbanken worden beregt, voor zoover bij de wet niet een hooger regter is aangewezen.

De hierin omschreven regtsmacht der kantonregters in strafzaken was uitgebreid bij art. 1 der Wet van 2y Juni 1854 (Stb. no. 103) luidende;

Art. 1. Ter kennisneming der kantonregters worden in eersten aanleg gebragt, en in zoo verre aan de regtsmagt der arrondissements-regtbanken onttrokken :

ii. de enkele diefstallen en de pogingen daartoe, opgenoemd in art. IS der Wet houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld (Stb. 1S51 no. 102);

fj. de overtredingen der Wet op de jagt en visscherij van den Cden Maart 1852 (Stb. no. 47). (Flt;;. art. 28 der tegenwoordige Wel op de jagt en visscherij van 13 Jnnl 1857 (Stb. no. 87));

r. de overtredingen strafbaar gesteld in art. 1 der Wet van (i Maart 1S18 (Stb. no. 12);

d. de overtredingen der verordeningen op den voet van art 5 derzelfde Wet vastgesteld.

Zie art. 4, 2o. der Invoeringswec.

b) „Het luidde: In de zaken bij het vorige artikel vermeld, wordt het openbaar ministerie waargenomen door het hoofd van het bestuur der gemeente, binnen welke het kantongeregt zijne zittingen houdt.

Indien in die gemeente een of meer commissarissen van policie zijn, kan het hoofd van voorschreven bestuur de werkzaamheden aan een dier ambtenaren opdragen, en, indien er geen is, een lid van het bestuur der gemeente, of eenen bijzonderen door den procureur-generaal bij het provinciaal geregtshof goed te keuren, persoon daartoe aanstellen.quot;

-ocr page 104-

WET OP DE REGTERLIJKE

1886 n°. 132; Stb. \'1895 n«. 132 en 133; Slb. 1896 n». 453 en 242; Stb. 1897 n°. 130); Stb. 1843 nquot;. 38 (Tar. tit. II); Stb. 1874 n0. 66, a. 30 v., zie achter Sv.)

Dit artikel a) is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 5 der Wet \'van 9 April 1877 (Stb. n0. 72).

47. Ingeval van ziekte of belet van een regter, wordt hij, bij gebreke van eenen anderen regter, vervangen door eenen der regters-plaatsvervangers, welke ten hoogste vijf in getal zullen kunnen zijn voor elke regtbank. (R. O. 6, 7, 46, 32; Rv. 30; R. I, a. 24, 25.)

48. De regters van de arrondissements-regtbanken, de officieren van justitie, de griffiers en de regters-plaatsvervangers moeten, onverminderd de vereischten bij de grondwet voorgeschreven, op eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetenschap hebben bekomen en den vollen ouderdom van 25 jaren hebben bereikt.

De substituut-officiers en substituut-griffiers zullen insgelijks op eene Rijks- of daarmede gelijk gestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetenschap hebben bekomen, zullende nogtans de ouderdom van volle 23 jaren voldoende zijn. (G. 5 v.; R. O. 85, 64, 86; W. hooger onderw., a. 91, 92, 122; Stb. 1877 n0. 80, a. 2ïlö, zie deze wet afgedrukt achter Rechterl. Ind.)

49. Ingetrokken bij art. 7 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 72). b)

60. De arrondissements-regtbanken vonnissen in burgerlijke zaken in oneffen getal, doch ten minste met drie regters. (R. O. 21, 57, 58ö.)

61- De presidenten, vice-presidenten, regters en regters-plaatsvervangers worden door den Koning voor hun leven aangesteld. (G. 166; R. O. 37, 62, 84.)

De ambtenaren van het Openbaar Ministerie, griffiers en derzelver substituten worden ingelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederopzeggens toe. (R. O. 5.)

52. Wanneer eene plaats van regter, plaatsvervanger, griffier of van kantonregter openvalt, zendt de regtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, aan den president en procureur-generaal van het geregtshof. tot welks ressort

a) Het luidde: „In iedere provincie bestaan een of meer arrondissements-regtbanken, volgens de tabel bij deze wet gevoegd.

Het getal van die regtbanken, dat van de regters en der ambtenaren van het openbaar ministerie, griffiers en substituut-griffiers in dezelve, en het bedrag van hunne bezoldiging rijn mede in de hiernevens gevoegde tabellen uitgedrukt. De omtrek der arrondissements-regtbanken en de klasse, tot welke elk derzelve zal behooren, zoo ten aanzien van het personeel als van de bezoldiging, wordt bij eene afzonderlijke wet geregeld.quot;

h) Het luidde; „De leden van de arrondissements-regtbanken en van het openbaar ministerie worden bij voorkeur gekozen uit de substituut-officieren, griffiers en plaatsvervangers, of uit deinregten gegradueerde kantonregters, en derzelver plaatsvervangers, welke gedurende vijf jaren die werkzaamheden met ijver en lof hebben waargenomen.quot;

G4

-ocr page 105-

ORGANISATIE ENZ. AFD. Ill EN IV, ARTT. 47—55. 65

zij behoort, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten, welke lijst, alphabetisch ingerigt, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordeelen. (R. O. 31, 35, 46, 47.)

Dit artikel a) is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 7 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n». 72).

53- De arrondissements-regtbanken zullen in eersten aanleg kennis nemen van alle persoonlijke, zakelijke en gemengde regtsvorderingen van allerlei aard, uitgezonderd die, welke bij de wet verklaard zijn tot de bevoegdheid van de kantongeregten, of van de hoven en den hoogen raad te behooren. (Rv. 129, 289 v., 332 v., 435; R. O. 38 v., 65 v., 69: Stb. 1869 n®. 139, a. 1, zie chron. lijst.)

54. Zij nemen in het hoogste ressort kennis:

1°. Van alle jurisdictie-geschillen tusschen de kantongeregten van hun regtsgebied; (R. O. 30, 65 nquot;. 1, 88; Rv. 276; Sv. 308 v., 320.)

2®. Van alle personele regtsvorderingen, de waarde van f 400 in hoofdsom niet to boven eaande; (Rv. 129a; R. O. 38 n0. 1, 53.)

3°. Van alle zakelijke regtsvorderingen, indien de waarde van het onderwerp, hetzij in hoofdsom, hetzij in inkomsten, tegen vijf ten honderd berekend, niet meer beloopt dan f 400; (Rv. 1296; R. O. 53.)

4°. Van alle regtsgedingen betrekkelijk verplaatsing van scheidteekenen, aanmatiging van gronden, boomen, heggen, slooten, van afleidingen en belemmering van waterloopen, alle binnen \'s jaars gepleegd, en van alle regtsvorderingen wegens bezitregt; (B. 606 v., 618, 619 v., 678 v., 700 v.)

5°. Van alle aan hooger beroep onderworpene vonnissen, door de kantonregters gewezen. (R. O. 38 v.; Rv. 332 v.; Stb. 1809 n0. 139, a. 26, zie chron. lijst.— Loi du 22 Frim. an VII (Fortuijn I, bl. 484 v.), a. 65; Onteigen.w., a. 52, zie chron. lijst; Succ.w., a. 62; Uitl.w., a 13 v.. zie chron. lijst; Merkenw., a. 13, zie chron. lijst; Kiesw., a. 112 v.; F. 85: Rv. 42, 200 jquot;. 108, 2036, 225c, enz.)

55. Zij wijzen in het hoogste ressort in alle personele, zakelijke en gemengde regtsvorderingen aan hooger beroep onderworpen, in gevalle partijen verklaard hebben van het hooger beroep af te zien.

Deze bepaling is niet toepasselijk! in zaken, die niet voor dading\'of compromis vatbaar zijn. (B. 1889 v., 1967; R. O. 43, 66; Rv. 157, 329 v., 355 v., 373 v., 620)

fl) De oorspronkelijke redactie luidde: ..Wanneer ecne plaats van regter, plaatsvervanger of griflier of vau kantonregter openvalt, zal de regtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, met inachtneming van het bepaalde bij art. M), aan den president en procureur-generaal van het provinciaal geregtshof eene lijst van aanbeveling inzenden van drie kandidaten, welke lijst aan den Koning zal worden aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan, als Hij zal dienstig oordeeleu.quot;

-ocr page 106-

W£T OP DK REGTEKLIJKK

56. De arrondissements-regtbanken vonnissen in eersten aanleg over overtredingen, bedoeld in artikel 432, 433 en 434 van het Wetboek van Strafrecht, over overtredingen, ter zake van belastingen en over alle misdrijven, waarvan de kennisneming niet aan eenen anderen regter is opgedragen. (Sv. 141 v., 259 v.; R. O. 44, 92, 93; Alg. w., a. 247; W. bedr.bel, a. 48; W. pers. bel., a. 73; Rv. 26,854; W. not.ambt, a. 54; Stb. 1843 n0. 37, a. 19 (Tar. a. 19); Stb. 1850 n°. 45, a. 10; Stb. 1853 n». 102, a. 10; Stb. 1869 n0. 57, a. 30; Stb. 1869 n0. 139, a. 1, zie chron. lijst.)

Die vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van die, welke ter zake van overtredingen zijn gewezen. (R. O. 68; Sv. 271.)

Zij nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beleedigde partij, wanneer die vorderingen geen /quot;150 te boven gaan. Wanneer die vorderingen ƒ150 te boven gaan, moeten dezelve bij eene afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden. (B. 1401 v.; R. O. 44cZ; Sv. 3, 202 v., 211.)

57. Zij vonnissen in strafzaken met drie leden. (R. O. 21, 58; Sv. 1376.)

58. De arrondissements-regtbanken nemen in hooger beroep kennis van de daarvoor vatbare vonnissen door de kantonregters in strafzaken in eersten aanleg gewezen.

De bepaling van het voorgaand artikel is ook van toepassing op de vonnissen in hooger beroep. (R. O. 446; Stb. 1869 n0. 139, a. 2, zie chron. lijst.)

JOe arlt. 56 tot 58 zijn aldus gewijzigd bij de artt.

5 tot 7 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 92). a)

59. De regtsmagt der arrondissements-regtbanken, ten aanzien der eerste en voorloopige instructie van strafzaken, mitsgaders die der regters-commissarissen, gelijk ook het getal, de diensttijd van laatstgemelde, en de verdsre daartoe betrekkelijke bepalingen, worden geregeld bij het Wetboek van Strafvordering. (Sv. 33, 43 v., 56 v., 81 v., 174, 175, 193, 196, 213, 227, 297, 384.)

ö) De oorspronkelijke redactie luidde:

Art. 56. Zij wijzen in correctionele zaken; hunne vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van het geval dat tegen het misdrijf geene hoogere straf is bedreigd dan eene geldboete van ƒ 200, zonder gevangenis of verbeurdverklaring van eenige voorwerpen, te zamen of afzonderlijk.

Zij nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beleedigde partij, winneer de vorderingen geen f 150 te boven gaan. Wanneer die vorderingen ƒ 150 te boven gaan, moeten dezelve bij eene afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden.

k.rt. 57. In correctionele zaken yonnissen zij in oneffen getale, doch ten minsten met drie regters.

Art. 58. De arrondissements-regtbanken nemen .n hooger beroep kennis van de vonnissen, door de kantonregters in eersten aanleg ter zake van overtredingen gewezen.

De bepaling van het voorgaand artikel is ook van toepassing op de vonnissen in hooger beroep.

66

-ocr page 107-

ORGANISATIE ENZ. Al\'D. Ill EN IV, ARIT. 56—61. 67

VIERDE AFDEELING.

Yan de Geregtshoven.

60. Er zijn vijf geregtshoven, waarvan de zetels zijn te \'s-llertogenbosch, te Arnhem, te \'s-Gravenhage, te Amsterdam en te Leeuwarden.

Het regtsgebied van het geregtshof te \'s-Hertogenbosch strekt zich uit over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Noordbrabant en Limburg j dat van het geregtshof te Arnhem over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Gelderland en Overijssel; dat van het geregtshof te \'s-Gravenhage over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Zuidholland en Zeeland; dat van het geregtshof te Amsterdam over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Noordholland en Utrecht; dat van het geregtshof te Leeuwarden over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe. (Rechterl. Ind. (Stb. 1877 n». 74—78; Stb. 1878 n». 31; Stb. 1895 n». 133; Stb. \'1896 n0. 242); R. O. 61.)

61. De geregtshoven zijn zamengesteld als volgt:

te Amsterdam uit één president, één vice-president, negen a tien raadsheeren, één procureur-generaal, twee advokaten-generaal, één griffier en twee substituut-griffiers;

te \'s-Hertogenbosch, Arnhem, \'s-Gravenhage en Leeuwarden uit één president, één vice-president, zeven a negen raadsheeren, één procureur-generaal, één a twee advokaten-generaal, één griffier en één a twee substituut-griffiers.

De jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregtshoven worden vastgesteld overeenkomstig den staat bij deze wet gevoegd. (Staat bij a. 61, zie dien staat afgedrukt Rechterl. Ind., blz. 79; Stb. 1843 n». 38 (Tar. tit. II); Stb. 1874 nquot;. 66, a. 30 v., zie achter Sv.)

De artt. 60 en 61 zijn aldus gewijzigd bij art. 1 der Wet van 10 November 1875 (Stb. n#. 204), tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe geregtshoven. a)

ii) De oorspronkelijke redactie luidde:

Art. CO. In iedere provincie bestaat een provinciaal geregtshof.

Art. 61. De provinciale geregtshoven zullen zijn te zamen gesteld als volgt:

In Zuid-Holland en Noord-Holland, uit écn president, één vice-president, negen raadsheeren, één procureur-generaal, twee advokaten-generaal, één griffier en twee substituut-griffiers.

In Noord-Brabant, Gelderland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, uit één president, één vice-president, zeven raadsheeren, één procureur-generaal, één advokaat-generaal, één griffier, één substituut-griffier.

Derzelver bezoldiging wordt geregeld volgens de tabelle, bij deze wet gevoegd.

liet oorspronkelijke artikel 61 werd, zoo al» het hier is afgedrukt, aeifijzigd bij de Wetten van 26 Mei IStl {Stb. nos. 16, 17 en 18). Bij

-ocr page 108-

WET OP DE REGTERLIJKE

62. De presidenten, vice-presidenten en raadsheeren worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De ambtenaren van het openbaar ministerie, de griffiers en hunne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld doch tot wederopzeggens toe. (G. 166; R. O. 37, 51, 84.)

Deze bepaling is, ter vervanging van art. 62 der oorspronkelijke wet, vastgesteld hij art. 3 der Wel van 10 November 1875 (Stb. n0. 204). a)

63. Wanneer eene plaats van raadsheer openvalt, maakt het hof, de procureur-generaal daaronder begrepen, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten op, welke lijst, alphabetisch ingerigt, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oor-deelen.

Dit artikel is ingevoegd bij de Wet van 23 Juli 1885 (Stb. n0. 155), tot aanvulling van de wet op de rechterlijke organisatie cn het beleid, der justitie.

Het oorspronkelijke artikel 63 b) was vervallen ten gevolge van art. 3 der Wet van 10 November 1875 (Stb. n°. 204).

64. Onverminderd de vereischten bij de grondwet gevorderd, zullen de raadsheeren, procureurs-generaal, advokaten-generaal en grifliers der geregtshoven, moeten:

1°. Sedert ten minste vijf jaren zijn meesters of licen-ciaten in de regten op eene van \'s-Rijks hooge scholen;

2°. Den ouderdom van dertig jaren ten volle liebben bereikt.

De substituut-griffiers moeten op gelijke wijze denzelfden graad verkregen hebben in de regten, en den ouderdom van

art. 2 der thans ingetrolclcen Wet van 2U Mei 1849 (Stb. no. 21) teas echter bepaald, dat bestaande en toekomende vacatures ran dt leden en ambtenaren van het openhaar ministerie in en bij de provinciale geregtshoven niet zouden vervuld u-orden, dan in geval de dienst der justitie het noodzakelijk vorderde; en dut dienovereenkomstig in elk provinciaal geregtshof het aantal leden met twee, en dat der ambtenaren van het openbaar ministerie met ÉÉx Icon irorden verminderd. — Vg. het bepaalde1 bij art. 2 der Wet van Mei 1811 (Stb. no. 18).

«) De oorspronkelijke redactie luidde :

Art. G2. De Koning benoemt de leden en ministers der provinciale geregtshoven, mitsgaders de procureurs-generaal en advokaten-gene-raal, overeenkomstig de bepalingen van art. 186 der grondwet, voor hun leven. —

b) Het luidde: „Wanneer eene plaats van raadsheer openvalt, geeft het hof daarvan kennis aan de Staten der provincie, en zendt tevens aan dezelve eene aanbevelingslijst van zes kandidaten, bij beslotene briefjes, door het hof, de procureur-generaal daaronder begrepen, bij meerderheid yan stemmen gekozen, waarop do Staten in hunne nominatie zoodanig acht zullen slaan als zij dienstig zullen oor-deelen.

De leden van de arrondissements-regtbanken en yan het openbaar ministerie bij dezelve, welke deze hunne ambtsbetrekkingen met lof en ijver hebben waargenomen, zullen bij het opmaken dier lijsten bijzonderlijk in aanmerking komen.quot; —

68

-ocr page 109-

ORGANISATIE ENZ., AFD. IV, ARTT. 62—08.

vijf en twintig jaren ten volle hebben bereikt. (G. 5 v.; W. hooger onderw., a. 91, 92, 122; R. O. 35, 48, 86.)

05. De hoven oordeelen in eersten aanleg over jurisdictiegeschillen tusschen arrondissements-regtbanken of tus-schen kanton-geregten, in verschillende arrondissementen, binnen hun regtsgebied voorvallende. (R. O. 30, 46, 54 n0.1, 88, 91; Rv. 276; Sv. 308 v )

Art. 65, reeds gewijzigd bij art. 4 der Wet van 10 November 1875 (Slb. n0. 204), tuerd aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 8 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n#. 92). a)

66. Zij oordeelen in eersten aanleg en in het hoogste ressort, behoudens de voorziening in cassatie, over alle burgerlijke en aan hooger beroep aan het hof onderworpene geschillen, binnen zijn regtsgebied voorvallende, wanneer partijen de regtsmagt van het geregtshof raauwelijk te dien einde inroepen. (G. 156; B. 1889 v., 1967; R. O. 43, 55; Rv. 157, 329 v., 355 v., 373 v., 620; R. O. 70,95 v., 98,99; Rv. 398 v. — Rv. 846«.)

67. Vervallen ten gevolge van art. 9 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 92). h)

68. Zij oordeelen in hooger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, in strafzaken bij de arrondissements-regtbanken, binnen hun regtsgebied in eersten aanleg gewezen. c) (R. O. 56, 71; Rv. 854; Sv. 218, 228 v., 258, 271, 320, 334; Slb. 1869 n0.139, a. 2«, zie chron. lijst; Rv. 26.)

a) De oorspronkelijke redactie luidde:

Art. 65. De provinciale hoven oordeelen in eersten aanleg:

lo. Over alle regtsvorderingen, waarin de provincie betrokken is, met uitzondering der zakelijke regten. Indien de vordering geen vierhonderd gulden in hoofdsom te hoven gaat, wijzen zij daarin zonder hooger beroep;

2o. Over jurisdictie-geschillen tusschen arrondissements-regtbanken of tusschen kantongeregten in verschillende arrondissementen, binnen hun regtsgebied voorvallende;

3o. Over alle correctionele vervolgingen, binnen hun regtsgebied, tegen kantonregters en limine plaatsvervangers, regters, plaatsvervangers en leden van het openbaar ministerie en griffiers, wegens misdrijven, gedurende den tijd hunner bediening begaan, mitsgaders over de daaruit voortspruitende vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van art. 5G.

b) Het luidde : „Zij oordeelen (behoudens de bepalingen ten aanzien der criminele regtbank, en) met uitzondering der zaken aan den hoogen raad opgedragen, in het eerste en laatste ressort, over alle misdrijven, waartegen eene lijf- of onteerende straf is bedreigd, en waarvan het regt van vervolging tot de bevoegdheid behoort van den officier bij de arrondissements-regtbanken in hun regtsgebied; overeenkomstig de bepalingen daaromtrent bij het Wetboek van Strafvordering vastgesteld.quot;

De tusschen haakjes geplaatste woorden waren reeds vroeger vervallen. (Zie de noot h) op art. 1.)

c) Hier volgde oorspronkelijk: „behoudens de bepalingen ten aanzien der regtsmagt van de criminele regtbank,quot; (zie vorige noot), terwijl in plaats van „strafzakenquot; werd gelezen „correctionele zaken.quot;

G9

-ocr page 110-

WET OP PE REGTERLIJKE

69. Zij oordeelen in hooger beroep van de daaraan onderworpene vonnissen, door de arrondissements-regtbanken, binnen hun reglsgebied, in eersten aanleg, in burgerlijke zaken gewezen. (R. O. 53 v., 70; Rv. 295,332 v.; Stb. i 869 n0. 139, a. 26, zie cbron. lijst.)

70. In de zaken, vermeld bij arlt. 65, 66 en 69 vonnissen de hoven met vijf raadsheeren. (R. O. 21, 71.)

71. In de zaken bij art. 68 vermeld, zullen geene vonnissen kunnen worden gewezen dan met zes raadsheeren, en geene veroordeeling worden uitgesproken dan met meerderheid van stemmen. (Sv. 94c.)

Bij het staken der stemmen, wordt het vonnis gewezen ten voordeele van den beklaagde. (R. O. 21, 27, 70, 1016, 1026; Stb. 1849 nquot;. 21, a. 3, j0. Stb. 1875 n». 202.)

72. Ingetrokken bij de Wet van 4 Juli 1874 (Slb. n0. 90). a)

73. De hoven zullen, indien dezelve door het beklag b) der belanghebbende parlij, of op eene andere voldoende wijze, kennis dragen dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, den procureur-generaal belasten, om te dien aanzien aan hen verslag te doen, en voorts kunnen bevelen dat te dier zake het veroischte gevolg worde gegeven, zoo daartoe termen zijn. (R. O. 109; Sv. 33, 115; W. kerkgenootsch., a. 10.)

74—82. betreffende de zamenstelling en inrigting der criminele regtbank in Holland. Ingetrokken bij art. 2 der Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 16). c)

a) Het luidde: „De provinciale geregtshoven kunnen, na verhoor van den procureur-generaal, of op diens requisitie, de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de arrondissements-regtbanken van hun ressort, mitsgaders de kantonregters en de ambtenaren van het openbaar ministerie bij dezelve, onder \'s hofs regtsgebied behoorende, voor zich ontbieden, om zich te verantwoorden over onachtzaamheden of wangedragingen, welke te hunnen laste mogten zijn ingebragt.

Zij zullen aan dezelve, daartoe termen zijnde, zoodanige vermaningen en waarschuwingen geven als zij zullen gepast oordeelen, of de zaak aan den procureur-generaal verwijzen, indien dezelve blijken oplevert van misdrijf.quot;

b) Oorspronkelijk werd in plaats van „het beklagquot; gelezen „de klagte.quot; Gewijzigd bij art. 12 der Wet van 2G April 1884 (Stb. no. 92.)

c) Zij luidden: Art. 74. De criminele regbank in Holland zal zijn te zamen gesteld uit óén president en acht regters, mitsgaders eenen officier van criminele justicie, één of ten hoogste twee substituten, één griffier en één substituut-griffier.

Deze ambtenaren worden door den Koning aangesteld voor hun leven.

Art. 75. Ingeval van ziekte, of andere verhindering van eenen regter in de criminele regtbank, zal, bij gebreke van eenen anderen regter in dit kollegie, als plaatsvervanger worden geroepen een regter uit de arrondissements-regtbank.

Te dien einde zullen drie leden uit laatstgemelde regtbank, den ouderdom hebbende bij art. 64 no. 2 vereischt, door den Koning worden benoemd tot regters-plaatsvervangers in de criminele regtbank.

70

-ocr page 111-

ORGANISATIE ENZ , AFD. IV EN V, ARTT. 69—84. 71

V IJ F D E A F D E E LI N G.

Van den Hoogen Raad.

83. De hooge raad is zamengesteld uit een president, een vice-president, ten minste twaalf en ten hoogste veertien raadsheeren, één procureur-generaal, drie advokaten-generaal, één griffier en twee substituut-griffiers. (G. 162; Stb. 1830 n0. 29, a. 4; Staat bij art. 110, zie aldaar.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. \'1 der Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 18), regelende sommige punten de dienst der justitie betreffende, a)

84. De president, de vice-president en de raadsheeren van den hoogen raad, benevens de procureur-generaal bij dien raad, worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De advokaten-generaal, de griffier en zijne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederopzeggens toe. (G. 166; R. O. 37, 51, 62.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 1 der Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 203), tot wijziging van art. 84 en van den staat, behoorende

Zij kunnen niet gekozen worden tot regters-coraraissarissen tot de voorloopige instructie, en in de arrondissements-regtbank niet worden geroepen ter beoordeeling van strafzaken.

Art. 70. Wanneer eene plaats van regter in de regtbank openvalt, zal dit kollegie, de officier van criminele justitie daaronder begrepen, bij besloten briefjes en met meerderheid van stemmen, cene lijst van aanbeveling van drie kandidaten aan den president van den hoogen raad inzenden; welke lijat aan den Koning zal worden aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordeelen.

Art. 77. De bepalingen van art. ftt zijn mede van toepassing op de criminele regtbank, op de ambtenaren van het openbaar ministerie en van de griffie bij dezelve.

Art. 78. De regtsmagt der criminele regtbank strekt zich uit tot dat gedeelte der provincie van Holland binnen hetwelk het hof niet is gevestigd.

Art. 79. Deze regtbank oordeelt in het eerste en laatste ressort, met uitzondering der zaken aan den hoogen raad opgedragen, over alle misdrijven, waartegen eene lijf- of onteerende straf is bedreigd en waarvan de officieren bij de arrondissements-regtbanken binnen haar ressort bevoegd zijn tot de vervolging, volgens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

Art. 8(1. Zij oordeelt in hooger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in correctionele zaken bij de arrondissements-regtbanken binnen haar regtsgebied gewezen.

Art. 81. De bepalingen van art. 71 van deze wet zijn mede toepasselijk op de criminele regtbank.

Art. 82. De bezoldiging van den president, regters, officier, substituut-officier, griffiei; en substituut-griffier der criminele regtbank wordt geregeld volgens de tabelle bij deze wet gevoegd.

quot;) Oorspronkelijk was het aantal advokaten-generaal op twee, dat der substituut-griffiers op twee a drie bepaald, terwijl de Staat hij art. 110 in strijd met art. 83 van „een a twee substituut-griffiersquot; spreekt.

-ocr page 112-

WET OP DE REGTERLIJKE

tot art. 410 der Wet op de Regterlijke Organisatie en hel beleid der Justitie, a)

85. Wanneer eene plaats van raadsheer in den hoogen raad openvalt, zal de hooge raad daarvan kennis geven aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, en daarbij inzenden eene door dien raad, de procureur-generaal daaronder begrepen, bij besloten briefjes en met meerderheid van stemmen opgemaakte aanbevelingslijst van 6 kandidaten, waarop de Tweede Kamer bij het maken van hare nominatie zoodanig acht zal slaan, als zij zal dienstig oordeelen.

De leden der hoven h) en der arrondissements-regtbanken, mitsgaders de leden van het openbaar ministerie bij dezelve, welke deze hunne ambtsbedieningen met lof en ijver hebben waargenomen, zullen bij het opmaken dier lijst meer bijzonder in aanmerking komen. (G. 163; R. O. 46, 52, 61.)

86. De hoedanigheden, vereischt om raadsheer, procureur-generaal, advokaat-generaal of griffier bij den hoogen raad te zijn, behalve die bij de grondwet gevorderd, zijn :

1°. Sedert den tijd van ten minsten tien jaren den graad van meester of licenciaat in de regten, op eene van \'s rijks hooge scholen verkregen te hebben;

2°. De volle ouderdom van vijf en dertig jaren.

De substituut-griffiers moeten gelijken graad van regten bezitten, op eene van \'s rijks hooge scholen verkregen, en den ouderdom van vijf en twintig jaren ten volle bereikt hebben. (G. 5 v.; W. hooger onderw., a. 91, 92,122;R. O. 9, 35, 48, 64.)

87. Ingetrokken bij art. 1 der wet van 22 Juni 1893 (Stb. nu. 93). c)

88. De hooge raad oordeelt d) ter eerster instantie over alle jurisdictie-geschillen: (R. I, a. 78, 1°. b, 79, 4°. a)

1°. Tusschen alle regterlijke autoriteiten, welko niet beboeren onder hetzelfde geregtshof;

2°. Tusschen de geregtshoven; e)

3°. Tusschen eenig geregtshof ter eerster instantie regt

u) Oorspronkelijk luidde het: „De Koning benoemt de leden en ministers van den hoogen raad. mitsgaders den procureur-generaal en de advokaten-generaal bij denzelven, overeenkomstig de bepalingen van art. 181 der (irondwet, voor hun leven.quot;

i) Hier volgde oorspronkelijk : „der criminele regtbank.quot; (Zie de noot h) op art. 1.)

c) Het luidde : l)e hooge raad oordeelt ter eerster instantie : 10. Over alle regtsvorderingen, waarin de Koning of de leden van het Koninklijk huis als gedaagden worden t-angesproken; 2o. Over alle regtsvorderingen in welke de Staat als gedaagde wordt aangesproken, uitgezonderd die, welke\'s rijks belastingen betreffen.

Niettemin moeten de zakelijke regtsvorderingen voor den sewonen regter worden gebragt.quot;

U) Oorspronkelijk volgde hier het woord; „insgelijks,quot; vervallen tengevolge van art. 1 der in de vorige noot genoemde wet.

e) Hier volgde oorspronkelijk: „de criminele regtbank daaronder begrepenquot;. (Zie de noot l) op art. 1.)

72

-ocr page 113-

orcanisatiü: enz., afd. v, artt. 85—92. 73

doende, en eenige regtbank of geregt, onder hetzelve ressorterende ;

4°. Tusschen een geregtshof of eene regtbank ter eenre, en een der bijzondere kollegien, bij art. 1 vermeld, Ier andere zijde. (R. 0. 54 n0. 1, 65, 90; Rv. 27G; Sv. 308 v.)

89. De hooge raad neemt insgelijks ter eerster instantie kennis van alle geschillen in zaken van prijzen en buit, die door de schepen van oorlog van den Staat, of door schepen bij particulieren uitgerust en van commissie of «lettres de marqué» voorzien, worden achterhaald en opgebragt, mitsgaders van alle geschillen, welke tusschen de nemers onderling deswege zouden mogen ontstaan. (Stb. 1838 nquot;. 12, a. % zie blz. 35; Stb. 1818 n». 44; R. O. 90; R. I, a. 78, lu. a.)

90. De arresten door den hoogen raad ter eerster instantie in burgerlijke zaken gewezen, zullen onderhevig zijn aan revisie, overeenkomstig de bepalingen van het wetboek van burgerlijke regtspleging. (R. O. 87 v.; Rv. 359 v.; R. I, a. 78, 4«.)

91. De hooge raad oordeelt bij wege van hooger beroep in burgerlijke zaken: (R. I, a. 78, 1°. a.)

4*. Over de aan hooger beroep onderworpen vonnissen door de geregtshoven in eersten aanleg gewezen; (R. O. 65; Rv. 84Ga.)

2°. Over de vonnissen gewezen bij de hoven van justitie in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere werelddeelen overeenkomstig de bepalingen deswege door den Koning te maken. (Stb. 1838 n0. 12, a. 2ti, zie blz. 36; Stb. 1840 n0. 1; Stb. 1850 n0. 63; Stb. 1869 n0. 36; Stb. 1871 nquot;. 121, zie deze reglementen afgedrukt achter Rv.)

92. De hooge raad neemt in het eerste en laatste ressort kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële departementen, de Gouverneurs-Generaal of de hooge ambtenaren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de commissarissen des Konings in de provinciën. (Prov. w., a. 1, 35; W. min. verantw., a. 4; W. R. v. St.; Stb. 1854 nquot;. 129, a. 1, 4, 37 v., 101; Stb. 1865 n0. 55, a. II, 21 v., 26, 27; Stb. 1865 n». 56, a. 11, 21 v., 26, 27.)

Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder eene der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Ia de in het. eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gedingen, is de hooge raad bevoegd tevens kennis te nomen van de vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, volgens de bepalingen van het laatste lid van artikel 56. (G. 164; Sr. 355 v., 462 v., 44, 84; Sv. 301 v.; R. O. 44, 56, 101; B. 1401 v.; Sv. 3, 202 v., 2H ; R.I, a. 79, 1°. in fine, 80.)

-ocr page 114-

WET OP DE REGTERI.I.TKE

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vaslgesteld bij art, 13 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 92). a)

93. De hooge raad neemt in het eerste en laatste ressort kennis van de misdrijven omschreven in de artikelen 381 tot 385 en in de artikelen 388 en 389 van het Wetboek van Strafrecht. (R. O. 56, 102; R. I, a. 79, 1°. in fine, 80.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 13 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n4. 92). b)

94. Tegen de arresten van den hoogen raad wordt geene cassatie toegelaten. (R. O. 95; Sv. 300 n®. 2.)

95 De hooge raad neemt kennis van den eisch tot cassatie, gedaan tegen de handelingen der hoven c), van de arron-

a) Art. 92 luidde in de oorspronkelijke redactie:

De hooge raad neemt met inachtneming van art. 177 [G. 18i8, 15Ï), thans 104] van de Grondwet, in het eerste en laatste ressort kennis: lo. Van alle misdrijven (de overtredingen, waartegen geene straf van gevangenis is bedreigd, niet daaronder begrepen), gedurende den tijd hunner functiën begaan door:

De leden van de staten-generaal;

De hoofden der departementen van algemeen bestuur;

De leden van den raad van state;

De commissarissen van den Koning in de provinciën.

2o. Van alle misdrijven (de overtredingen, waartegen geene straf van gevangenis is bedreigd, niet daaronder begrepen), gedurende den tijd hunner functien begaan door:

De groot-officieren van het huis des Konings en van die der leden van het koninklijk geslacht;

De kanseliers van de orden des rijks;

De ambassadeurs en andere gezanten bij buitenlandsche mogendheden ;

De gouverneurs en commissarissen des Konings in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelen;

De griffiers van de beide kamers der staten-generaal en den secretaris van den raad van state:

De presidenten, raadsheeren, procureur-generaal, advokaten-generaal en de griffier en substituut-griffiers van den hoogen raad;

De leden en secretaris van de algemeene rekenkamer;

De raden en generaal-meesteren van de munt en derzelver secretaris;

De leden en den griffier van het hoog militair geregtshof, de ambtenaren van het openbaar ministerie bij hetzelve;

De presidenten, raadsheeren, ambtenaren van het openbaar ministerie en griffiers van de [provinciale] geregtshoven. In correctionele gedingen tegen de leden van voorschreven hooge kollegien en ambtenaren gerigt, is de hooge raad bevoegd tevens kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, volgens de bepalingen van het derde lid vin art. 56.

h) Het luidde oorspronkelijk: „De hooge raad wijst ook in het eerste en hoogste ressort:

lo. Over de misdaad van zeerooverij;

2o. Over alle misdrijven gepleegd aangaande prijzen en buit in art. 89 vermeld.quot;

c) Hier volgde oorspronkelijk „de criminele regtbank.quot; (Zie noot amp;) op art. 1.)

74

-ocr page 115-

ORGANISATIE ENZ , AFD. V, ARTT. 93—102.

dissements-regtbanken en. kantongeregten en tegen derzelver arresten en vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, behoudens de slotbepaling van het laatste lid van art. 99. (G. 165; R. O. 38 v., 44 v., 53 v., 56 v., 65 v., 68 v., 94, 96 v., 108; B. 95, 98, 390 v., 506; Rv. 658 v., enz.; Sv. 272, 320; R. I, a. 78, 1». e, 79, 4°. f. — Rv. 648; Sv. 334.)

96. De eisch tot cassatie kan worden ingesteld, het zij door de partijen, het zij ambtshalve door den procureur-generaal bij den hoogen raad, rnet inachtneming van de liiernavolgende voorschriften. (R. O. 98.)

97. De wetboeken van burgerlijke regtspleging en van strafvordering bepalen de regelen, termijnen en vormen van de voorziening in cassatie. (Rv. 398 v.; Sv. 346 v.; F. 42, 156; Merkenw., a. ISft; Kiesw., a. 41, 442b.)

98- De procureur-generaal bij den hoogen raad zal zich in cassatie kunnen voorzien in het «belang der web;, na verloop der termijnen, aan de partijen toegestaan, zonder dat het te wijzen arrest eenig nadeel kan toebrengen aan de regten door partijen verkregen. (R. O. 4, 99b; Rv. 324; Sv. 347. 354.)

99. De hooge raad vernietigt de handelingen, arresten en vonnissen:

4°. Wegens het verzuim der vormen, voorgeschreven op straffe van nietigheid; (R. O. 20, 24, 50, 57, 70, 71, 99b, 406; Rv. 50, 59 n0. 3, 92, 103, 406c; Sv. 86 enz.; Sv. 346.)

2°. Wegens verkeerde toepassing of schending der wet; (R. O. 405; Rv. 406c, 423; Sv. 346; Kiesw., a. 40, 442b.)

3°. quot;Wegens overschrijding der regtsmagt. (R. O. 99b, 405; Rv. 406c, 423; Sv. 346.)

Niettemin kunnen de vonnissen in burgerlyke zaken door de kantonregters in het hoogste ressort gewezen, niet anders worden vernietigd, dan wegens onbevoegdheid of overschrijding van regtsmagt, of ter zake, dat dezelve de gronden niet inhouden, waarop zij zijn gewezen, of niet met opene deuren zijn uitgesproken ; onverminderd de bevoegdheid van den procureur-generaal bij den hoogen raad, om zich, alleen in het belang der wet tegen die vonnissen in cassatie te voorzien. (R. O. 20, 95, 98; Rv. 454 v., 333, 424; Sv. 346. — Rv. 427.)

100. Behoudens de gevallen, waarin volgens de wet een ander getal raadsheeren vereischt wordt, vonnist de hooge raad in alle burgerlijke zaken, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, mitsgaders in strafzaken en in cassatie, met zeven raadsheeren. (R. O. 24, 404, 402; Rv. 368; Sv. 264; Stb. 4849 n#. 24, a. 4 jquot;. Stb. 4875 n». 202.)

101. In zaken, vermeld bij art. 92, vonnist de hooge raad ten getale van tien raadsheeren.

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitgesproken ten voordeele van den beklaagde. (R. O. 24. 27, 74b, 400, 402.)

102. In zaken, bij art. 93 vermeld, vonnist de hooge raad met zes raadsheeren.

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitge-

75

-ocr page 116-

WKT OP DE REGTERLIJKK

sproken ten voordeele van den beklaagde. (R. 0. 21, 27, 71b, 100, 101.)

103. Partijen zijn niet ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoo lang de gewone wijze van procederen toereikende is om hare bezwaren te doen herstellen, hetzij door denzelfden regter bij wien de zaak heeft gediend, hot zij door middel van hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 81 v., 332 v., 382 v., 400 v.; Sv. 353)

104. De hooge raad zal in alle zaken van cassatie de bepalingen der twee volgende artikelen in acht nemen.

105. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verkeerde toepassing of schending der wet, of van overschrijding van magt, zal de hooge raad, zonder in een nieuw onderzoek naar het al of niet bestaan van de daadzaken, in het beklaagde arrest of vonnis vermeld, te kunnen treden, ten principale regt doen; zullende \'s hofs uitspraak in geen geval voor eenige nadere regterlijke voorziening vatbaar zijn. (R. O. 99 n». 2, 3 en b; Rv. 402, 419, 420 v., 423, 426; Sv. 369; Kiesw., a. 46, 112.)

106. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verzuim in de vormen, die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, zal de hooge raad eene nieuwe instructie der zaak bevelen, te beginnen van de oudste akte in welke de nietigheid begaan is, en zal in dat geval de zaak worden verwezen:

10. Wanneer de vernietigde uitspraak gegeven was door een kanton-geregt, aan de arrondissements-regtbank tot welker ressort hetzelve behoort;

2°. Wanneer het vernietigd vonnis is gewezen door eene arrondissements-regtbank, aan het geregtshof van het ressort;

3°. Wanneer het vonnis gewezen is door een geregtshof, aan een aangrenzend geregtshof. (R. O. 99 :i0. 1 en b; Rv. 402, 419; Sv. 350, 369.)

107. De hooge raad zal van de geregtshoveh, regtbanken en kanton-geregten van het rijk de berigten en informatien mogen vragen welke dezelve zal dienstig oordeelen. met of zonder voortbrenging of opeisching der stukken, betrekkelijk eene zaak, waarin de hooge raad moet oordeelen. (G. 165; R. O. 25.)

108. Ingetrokken bij de Wet van 4 Jxdi 1874 (Stb. n®. 90). a)

109. De hooge raad zal, indien dezelve door het beklag b)

a) Het luidde; „De hooge raad kan, na verhoor van den procureur-generaal, of op diens requisitoir, de ambtenaren van bet openbaar ministerie bij de provinciale geregtshoven en bij de criminele regtbank voor zich ontbieden om zich te verantwoorden wegens onachtzaamheid of wangedrag aan hen ten laste gelegd.

De Hooge Raad zal aandezelven, daartoe termen zijnde, zoodanige vermaningen en waarschuwingen geven als dezelve zil gepast oordeelen of de zaak aan den procureur-generaal verwijzen, indien zij blijken yan misdrijf oplevert.quot;

b) Oorspronkelijk werd in plaats van „het beklagquot; gelezen „de klagtequot;. {Geicijziad bij art. 12 der Wet van 2G April 1884. (Stb. no. 92.)

76

-ocr page 117-

ORGANISATIE ENZ., AFD. V. ARTT. 103—112, 77

der belanghebbende partij, of op eenige andere voldoende wijze, kennis draagt, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, aan de regtsmagt van den hoogen raad onderworpen, den procureur-generaal belasten om te dien aanzien verslag te doen, en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, zoo daartoe gronden zijn. (G. 165; R. O. 73;Sv. 33, H5; R. I, a. 79. 3°.)

110. De jaarwedden van de ambtenaren in den hoogen raad worden bepaald volgens de ta belle bij deze wet gevoegd. (Staat bij art. IIO, zie dien staat hierachter blz. 78; Stb. i843 n0. 38 (Tar. tit. II); Stb. \'1874 n0. 66, a. 30 v , zie achter Sv.)

Bijzondere voorzieningen.

111. De tegenwoordige ambtenaren van de regterlijke magt, welke niet bezitten de vereiscliten bij deze wei bepaald, kunnen nogtans benoemd worden tot gelijksoortige ambten, als zij thans bckleeden.

De tegenwoordige commiesen-griffier, welke den graad van meester of licentiaat in de regten niet bezitten, zijn niettemin tot griffiers benoembaar.

De te voren verleende dispensatien wegens de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking blijven in stand. (G. 69; R. O. 10, 35, 48, 64, 86.)

112. Nadat de zetels der onderscheidene regterlijke kolle-gien zijn bepaald, kunnen dezelve niet dan ten gevolge eener wet worden verplaatst. (Stb. 1830 n0. 29; R. O. 60; Stb. 1877 n0. 74 v., zie blz. 79.)

-ocr page 118-

KLASSEN EN SAMENSTELLING

der

RECHTERLIJKE COLLEGES, BEZOLDIGING DER LEDEN EN AMBTENAREN en RECHTERLIJKE INDEELING.

BESLUIT

van 21 Juni 1830 (Stb. n0. 29), bepalende de zetels van

den Hoogen Baad en der Provinciale Geregtshoven.

(R. O. 112.)

Wij WILLEM, enz.

Gezien de wet op de zamenstelling van de regterlijke magt, van 18 April 1827 (Stb. n0. 20);

Willende overgaan tot de aanwijzing der plaatsen alwaar de zetels van den Hoogen Raad en der Provinciale Geregtshoven respectivelijk zullen zijn gevestigd;

Onzen Minister van Justitie gehoord,

Hebben besloten en besluiten;

Art. 1. De zetel van den Hoogen Raad der Nederlanden zal zijn gevestigd binnen Onze residentie van \'s-Gravenhage.

Art. 2. Is vervallen.

Lasten en bevelen dat dit besluit zal worden gebragt ter kennis van de Hoofden der departementen van Algemeen Bestuur, van de Algemeene Rekenkamer, van Raden en Generaalmeesteren der Munt en van het Hoog Militair Ge-regtsbof, en dat hetzelve in het Staatsblad zal worden geplaatst.

\'s-Gravenhage, 21 Juni 1830.

Staat behoorende tot art. 110 dei\' wet op de regter-lijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij den Hoogen Raad. a)

1 president.....•........f 8000

1 vice-president............» 0000

12 a 14 raadsheeren, ieder........» 5000

1 procureur-generaal..........» 8000

3 advokaten-generaal, ieder........» 5000

1 griffier..............» 3500

1 a 2 substituut-griffiers, h) ieder......» 2500

a) Deze staat is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 der wet van 10 November 1870 (Stb. no. 203). Zie die wet onder Bijlagen tot R. O.

b) Zie de noot op R. ü. 83.

-ocr page 119-

klassen en samenstelling der recht. coll., enz. 79

Staat behoorende tot art. 61 der wet op de regter-lijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregtshoven. a)

Amsterdam.

1 president..............f 5000

1 vice-president............» 4500

Ü a 10 raadsheeren, ieder.........» 4000

1 procureur-generaal ..........» 5000

2 advokaten-generaal, ieder........» 4000

1 griffier...............« 2500

2 substituut-griffiers, ieder ........» 2000

\'s H e r t o g e n b o sc h. Arnhem. \'sGavenhage. Leeuwarden.

1 president..............f 5000

I vice-president............» 4500

7 a 9 raadsheeren, ieder.........» 4000

1 procureur-generaal ........\' . » 5000

1 a 2 advokaten-generaal, ieder.......» 4000

1 griffier...............» 2500

1 a 2 subst.-griffiers, ieder........» 2000

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 74), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regt-banken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te \'s llertogenbosch. (R. O. 30, 46.)

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te \'s Hertogenbosch behoorende arrondissements-regtbanken strekt zich uil over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt;

le Arrondissement \'sHertogenbosch.

Ie kanton \'s Hertogenbosch. 5e kanton Veghel.

2e » Oss. 6e » Boxmeer

\'Se » Heusden. 7e » Eindhoven.

4e » Waalwijk. 8e » Oirschot.

a) Deze staat is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 der Wet van 10 November 1875 (Stb. no. 20i). Zie die Wet onder Bijlagen tot R. O.

-ocr page 120-

WKT OP DE REGTERLIJKE

sproken ten voordeele van den beklaagde. (R. O. 21, 27, Tib, 100, 101.)

103. Partijen zijn niet ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoo lang de gewone wijze van procederen toereikende is om hare bezwaren te doen herstellen, hetzij door denzelfden regter bij wien de zaak heeft gediend, het zij door middel van hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 81 v., 332 v., 382 v., 400 v.; Sv. 353)

104. De hooge raad zal in alle zaken van cassatie de bepalingen der twee volgende artikelen in acht nemen.

105. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verkeerde toepassing of schending der wet, of van overschrijding van magt, zal de hooge raad, zonder in een nieuw onderzoek naar het al of niet beslaan van de daadzaken, in het beklaagde arrest of vonnis vermeld, te kunnen treden, ten principale regt doen; zullende \'s hofs uitspraak in geen geval voor eenige nadere regterlijke voorziening vatbaar zijn. (R. O. 99 n0. 2, 3 en b; Rv. 402, 419, 420 v., 423, 426; Sv. 369; Kiesvv., a. 46, 112.)

106. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verzuim in de vormen, die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, zal de hooge raad eene nieuwe instructie der zaak bevelen, te beginnen van de oudste akte in welke de nietigheid begaan is, en zal in dat geval de zaak worden verwezen;

1quot;. Wanneer de vernietigde uitspraak gegeven was door een kanton-geregt, aan de arrondissements-regtbank tot welker ressort hetzelve behoort;

2°. Wanneer het vernietigd vonnis is gewezen door eene arrondissements-regtbank, aan het geregtshof van het ressort;

3°. Wanneer het vonnis gewezen is door een geregtshof, aan een aangrenzend geregtshof. (R. O. 99 n0. 1 en b; Rv. 402, 419; Sv. 350, 369.)

107. De hooge raad zal van de geregtshoven, regtbanken en kanton-geregten van het rijk de berigten en informatien mogen vragen welke dezelve zal dienstig oordeelen, met of zonder voortbrenging of opeisching der stukken, betrekkelijk eene zaak, waarin de hooge raad moet oordeelen. (G. 165; R. O. 25.)

108. Ingetrokken bij de Wet van 4 Mi 1874 (Stb. n0. 90). a)

109. De hooge raad zal, indien dezelve door het beklag b)

a) Het luidde: „De hooge raad kan, na verhoor van den procureur-generaal, of op diens requisitoir, de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de provinciale geregtshoven en bij de criminele regtbank voor zich ontbieden om zich te verantwoorden wegens onachtzaamheid of wangedrag aan hen ten laste gelegd.

De Hooge Baad zal aan dezelven , daartoe termen zijnde, zoodanige vermaningen en waarschuwingen geven als dezelve zal gepast oordeelen of de zaak aan den procureur-generaal verwijzen, indien zij blijken yan misdrijf oplevert.quot;

b) Oorspronkelijk werd in plaats van „het beklagquot; gelezen „de klagtequot;. (Oewijzind hij art. 12 der Wet van 20 April 188i (Stb. no. 92.)

76

-ocr page 121-

ORGANISATIE ENZ., AFD. V, AIITT. 103—112.

der belanghebbende partij, of op eenige andere voldoende wijze, kennis draagt, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, aan de regtsmagt van den hoogen raad onderworpen, den procureur-generaal belasten om te dien aanzien verslag te doen, en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, zoo daartoe gronden zijn. (G. 165; R. O. 73;Sv. 33, 115; R. 1, a. 79. 3°.)

110. De jaarwedden van de ambtenaren in den hoogen raad worden bepaald volgens de tabelle bij deze wet gevoegd. (Staat bij art. 110, zie dien staat hierachter blz. 78; Stb. 1843 n0. 38 (Tar. tit. II); Stb. 1874 n0. 66, a. 30 v, zie achter Sv.)

Bijzondere voorzien inrjen.

111. De tegenwoordige ambtenaren van de regterlijke magt, welke niet bezitten de vereischten bij deze wet. bepaald, kunnen nogtans benoemd worden tot gelijksoortige ambten, als zij thans bekleeden.

De tegenwoordige commiesen-griffier, welke den graad van meester of licentiaat in de reglen niet bezitten, zijn niettemin tot griffiers benoembaar.

De te voren verleende dispensatien wegens de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking blijven in stand. (G. 69; R. O. 10, 35, 48, 64, 86.)

112. Nadat de zetels der onderscheidene regterlijke koile-gien zijn bepaald, kunnen dezelve niet dan ten gevolge eener wet worden verplaatst. (Stb. 1830 nquot;. 29; R. O. 60; Stb. 1877 n0. 74 v., zie blz. 79.)

77

-ocr page 122-

KLASSEN EN SAMENSTELLING

der

RECHTERLIJKE COLLEGES, REZOLDICING DER LEDEN EN AMRTENA.REN en RECHTERLIJKE INDEELING.

BESLUIT

van 21 Juni 1830 (Stb. n0. 29), bepalende de zetels van

den Hoogen Baad en der Provinciale Geregtshoven.

(R. 0. 112.)

Wij WILLEM, enz.

Gezien de wet op de zamenstelling van de rogterlijke magt, van 18 April 1827 (Stb. n0. 20);

Willende overgaan tot de aanwijzing der plaatsen alwaar de zetels van den Hoogen Raad en der Provinciale Geregtshoven respectivelijk zullen zijn gevestigd;

Onzen Minister van Justitie gehoord,

Hebben besloten en besluiten;

Art. 1. De zetel van den Hoogen Raad der Nederlanden zal zijn gevestigd binnen Onze residentie van \'s-Gravenhage.

Art. 2. Is vervallen.

Lasten en bevelen dat dit besluit zal worden georagt ter kennis van de Hoofden der departementen van Algemeen Restuur, van de Algemeene Rekenkamer, van Raden en Generaalmeesteren der Munt en van het Hoog Militair Ge-regtshof, en dat hetzelve in het Staatsblad zal worden geplaatst.

\'s-Gravenhage, 21 Juni 1830.

Staat behoorende tot art. 110 dei\' wet op de regter-lijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren

bij den Hoogen Raad. a)

1 president.....•........f 8000

1 vice-president..............0000

12 a 14 raadsheeren, ieder........» 5000

1 procureur-generaal..........» 8000

3 advokaten-generaal, ieder........» 5000

1 griffier................3500

1 a 2 substituut-griffiers, h) ieder......» 2500

а) Deze staat is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 der wet van 10 November 1875 (Stb. no. 203). Zie die wet onder Bijlagen tot R. O.

б) Zie de noot oj) R. O. S3.

-ocr page 123-

KLASSEN EN SAMENSTELLING DER RECHT. COLL., ENZ. 79

Staat behoorende tot art. 61 der wet op de regter-lijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregtshoven. a)

Amsterdam.

1 president..............f 5000

| 1 vice-president............» 4500

9 a 10 raadsheeren, ieder.........» 4000

1 procureur-generaal..........» 5000

2 advokaten-generaal, ieder........» 4000

1 griffier...............« 2500

2 substituut-griffiers, ieder ........» 2000

\'s H e r t o g e n b o s c h. Arnhem, \'s G a v e n h a g e. Leeuwarden.

i president..............f 5000

1 vice-president............» 4500

7 a 9 raadsheeren, ieder.........» 4000

i procureur-generaal ........• . » 5000

1 a 2 advokaten-generaal, ieder.......» 4000

1 griffier...............» 2500

1 a 2 subst.-griffiers, ieder........» 2000

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 74), lot vaststelling van het reglsgebied en de zetels der arrondissemenls-recjt-banken en kanton jer eg ten binnen het ressort van het geregtshof te \'s Hertogenbosch, (R. O. 30, 46.)

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te \'s Hertogenbosch behoorende arrondissements-regtbanken strekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt:

le Arrondissement \'s Hertogenbosch.

Ie kanton \'s Hertogenbosch. 5e kanton Veghel.

2e » Oss. 6e » Boxmeer

3e » Heusden. 7e » Eindhoven.

4e » Waalwijk. 8e » Oirschot.

a) Deze staat is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 der Wet van 10 November 1875 (Stb. no. 204). Zie die Wet onder Bijlagen tot R, O.

-ocr page 124-

8ü RECHTERLIJKE 1NUEEUNG.

2e Arrondissement Breda.

Ie kanton Breda. 4e kanton Bergen op Zoom.

2e » Oosterhout. 5e » Tilburg.

3e » Zevenbergen.

3e Arrondissement Maastricht.

quot;Ie kanton Maastricht. 3e kanton Sittard.

2e » Heerlen. 4e » Gulpen.

4e Arrondissement R o e r m o n d.

Ie kanton Roermond. 3e kanton Weert.

2e » Venlo. 4e » Helmond.

2. Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit

over de gemeenten, bij den volgenden staal aangewezen:

Kantongeregt \'sHertogenbosch.

\'s Hertogenbosch. Boxtel.

Engelen. Esch.

Empel en Meerwijk. Haaren.

Rosmalen. Helvoirt.

Berlicum c. a. Vugt.

Dungen. Cromvoirt.

St. Michelsgestel.

Kantongeregt O s s.

Oss. Nistelrode.

Geilen. Schaijk.

Nuland. Reek.

Alem c. a. Grave.

Lith. Velp.

Lithoijen. Herpen.

Oijen. Huisseling c. a.

Megen c. a. Ravestein.

Berchem. Beursen c. a.

Heesch. Dieden.

Kantongeregt He us den.

Heusden. Woudrichem.

Hedikhuizen. de Werken c. a.

Herpt c. a. Werkendam.

Bokhoven. Almkerk c. a. a)

Wijk c. a. Dussen c. a.

Veen. Drongelen c. a.

Andel. Meeuwen c. a.

Rijswijk. Heesbeen c. a.

Emmikhoven c. a. a) Oudheusden c. a.

Giessen.

a) Veroenigd bij de Wel vim 22 April 1S79 (Stb. uo. 04) onder den naam vau Almkerk.

-ocr page 125-

RECHTERLIJKE 1NDEEMNG.

Kantoiigeregt W a a 1 w ij k.

Waalwijk. Baardwijk. Besoijen.

Capelle.

Vrijhoeve-Capelle. Waspik.

Sprang.

Loon op Zand. Vlijmen. Nieuwkuik c. a. Drunen.


Yeghel.

Schijndel.

Ileeswijk.

Dinther.

Uden.

I

Kantongeregt V e g h e 1.

Zeeland.

Boekei.

Erp.

Sf. Oedenrode.


Kantongeregt Boxmeer.

Sambeek.

Wanroij.

Haps.

Oploo c. a.

Yierlingsbeek.

Maashees c. a.

Bergen.

Ottersum.

Gennep.

Boxmeer. Beugen c. a. Oelfelt.

Cuijck c. a. Linden. Gassel. Escharen. Mill c.

Beers.

a.

Eindhoven. Tongelre. Stratum.

Gestel c. a. Zee!st.

Strijp.

Woensel Son c. a. Nuenen c. a. Geldrop. Zes Gehuchten. Aalst.

Waalre.

c. a.

Kantongeregt E i n d h o v e n.

Veldhoven c. a. Oerle.

Duizel c. a.

Eersel.

Riethoven.

Westerhoven.

Bergeijk.

Luijksgestel.

Borkel c. a.

Dommelen.

Valkenswaard.

Heeze.

Leende.

Kantongeregt Oirschot.


Oirschot.

Moergestel.

Hilvarenbeek.

Hooge en Lage Mierde.

Reuzel.

Bladel c. a.

Hoogeloon c. a. Vessem c. a. Oostelbeers c. a. Diessen.

Best.

Liempde.


-ocr page 126-

RECHTERLIJKE INDEELING.

Kantongeregt Breda.

Breda. Ginneken c. a.

Princenhage. Chaam.

Terheijden. Rijsbergen.

Teteringen. Zundert c. a.

Kantongeregt Oosterhout.

82

Raamsdonk.

\'s-Gravenmoer.

Dongen.

Oosterhout. Zwaluwe.

Made c. a. Geertruidenberg.

Kantongeregt Zevenbergen.

Willemstad.

Fijnaart.

Zevenbergen. Oudenbosch. Rucphen. Hoeven c. a. Etten c. a. Klundert.

Dinteloord. c. a. Standdaarbuiten. Oud- en Nieuw-Gastel.

Kantongeregt Bergen op Zoom.

Bergen op Zoom. Boosendaal c. a. Steenbergen c. a. Nieuw-Vossemeer. Halsteren.

Kantongeregt Tilburg.

Tilburg. Goirle.

Berkel c. a. Alphen c. a.

Oisterwijk. Baarle-Nassau.

Udenhout. Gilze c. a.

Kantongeregt Maastricht.

Ambij.

Heer.

Gronsveld.

Mesch.

Eijsden.

Rijckliolt.

St. Pieter.

Maastricht.

Oud-Vroenhoven.

Borgharen.

Itteren.

Bunde.

Ulestraten.

Meerssen.

Woensdrecht.

Ossendrecht.

Putte.

Huijbergen.

Wouw.

Houthem.

Kantongeregt Heerlen.

Ubach over Worms, d) Rimburg. o)

Heerlen. Schaesberg.

i

a) Vereenigd bij de Wet van 1G December 188C (Stb. no, 212), onder den naam TTbach over Worms.

-ocr page 127-

RECHTERLIJKE INDEELING.

83

Hoensbroek.

Amstenrade.

Merkelbeek.

Brunssum.

Schinveld.

Hulsberg.

Schimmert.

Nieuwenhagen.

Eijgelshoven.

Kerkrade.

Voerendaal.

Klimmen.

Wijnandsrade.

Nuth.

Kantongeregt S i 11 a r d.

Stein Urmond.

Obbicht en Papenhoven.

Grevenbicht.

Born.

Roosteren.

Susteren.

Nieuwstadt.

Limbricht.

Broeksittard.

Sittard.

Munstergeleen.

Jabeek.

Bingelrade.

Oirsbeek.

Spaubeek.

Schinnen.

Geul.

Beek.

Elsloo.

Geleen.

Kantongeregt Gulpen.

Gulpen.

Valkenburg.

Oud-Valkenburg.

Schin op Geulle. a)

Strucht. a)

Wijlre.

Wittem.

Simpelveld.

Bocholtz.

Vaals.

Slenaken. Noorbeek.

Mheer.

St. Geertruid. Margraten.

Cadier en Keer. Bemelen.

Berg en Terblijt.


Kantongeregt Roermond.

Roermond.

Maasniel.

Herkenbosch en Melick.

St. Odilienberg.

Vlodrop.

Posterholt.

Montfort.

Echt.

Ohé en Laak.

Stevensweert.

Thorn.

Wessem.

Maasbracht.

Linne.

Herten.

Heel en Panheel.

Beegden.

Horn.

Haelen.

Buggenum.

Nunhem.

Neer.

S walmen.

Beesel.

Kessel.


«) Vereenigd bij de IFet va» 8 Augustus 1873 (Stb. no. 112), onder lt;len naam Schin op Gcnl.

-ocr page 128-

RECHTER MJKK INDEEUNG.

84

Kantongeregt V e n 1 o.

Venraij.

Wanssum.

Meerlo.

Broekhuijsen.

Arcen en Velden.

Grubbenvorst.

Kantongeregt Weer t,

Heijthuijsen.

Baexem.

Grathem.

Hunsel.

Ittervoort.

Neerritter.

Stamproij.

Kantongeregt Helmond.

Bakel c. a.

Deurne c. a.

quot;Vlierden.

Asten.

Lierop.

Someren.

Venlo.

Tegelen.

Belfeld.

Maasbree.

Helden.

Sevenum.

Horst.

Weert.

Budel.

Soerendonk.

Marheeze.

Nederweert.

Meijel.

Roggel.

Helmond.

Mierlo.

Stiphout.

Lieshout.

Aarle-Rixtel.

Beek en Donk.

Gemert.

3. De arrondissements-regtbank te Eindhoven en de kantongeregten te Grave, Boxtel, Asten, Ginneken, Oudenbosch, Meerssen, Horst en Gennip zijn ontbonden.

4. De wetten van 22 December 1828 (Stb. n®. 68) en 18 September quot;1841 (Stb. n0. 33), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den loden Mei 1877.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9 April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. nquot;. 75), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regt-banken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Arnhem.

(R. 0. 30, 46.)

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te Arnhem behoorende arrondissements regtbanken strekt zich uit over

-ocr page 129-

RECHTERLIJKK INÜKEMNG.

de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt:

le Arrondissement Arnhem.

ie kanton Arnhem. 4e kanton Eist.

2e » Wageningen. 5e » Doesborgh. 3e » Nijmegen. 6e » Terborg.

2e Arrondissement Z u t p h e n.

le kanton Zutphen. 3e kanton Apeldoorn.

2e » Groenlo. 4e » Deventer.

3e Arrondissement T i e 1.

ie kanton Tiel. 4e kanton Druten.

2e » Geldermalsen. 5e » Vianen. 3e » Zaltbommel.

4e Arrondissement Zwolle.

ie kanton Zwolle. 3e kanton Harderwijk.

2e » Kampen. 4e » Ommen.

5e Arrondissement Almelo.

le kanton Almelo. 3e kanton Goor.

2e » Enschedé.

2. Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

Kantongeregt Arnhem.

Arnhem. Duiven.

Rozendaal. Zevenaar.

Rheden. Herwen en Aerdt.

Westervoort, Pannerden.

Kantongeregt Wagen i n g e n.

Wageningen. Ede.

Henkum. Veenendaal.

Doorwerth. Rhenen.

Kantongeregt N ij m e g e n.

Nijmegen. Heumen.

Millingen. Overasselt.

Ubbergen. Balgoij.

Groesbeek. Wijchen.

Mook. Beuningen.

85

-ocr page 130-

86 RECHTERLIJKE INHEELING.

Kantongeregt Eist.

Eist. Valburg.

Huissen. Hemmen.

Gent. Beteren.

Bemmel.

Kantongeregt Doesborgh.

Doesborgh. Wehl.

Angerlo. Hummelo.

Didam. Steenderen.

Kantongeregt T e r b o r g.

Wisch. Doetinchem (Stad-).

Bergh. Doetinchem (Ambt-).

Gendringen. Zelhem.

Dinxperlo.

Kantongeregt Z u t p h e n.

Zutpben. Lochem.

Warnsveld. Laren,

Vorden. Gorssel.

Hengelo. Brummen.

Kantongeregt G r o e n 1 o.

Groenlo. Eibergen.

Lichtenvoorde. Neede.

Aaltcn. Borculo.

Winterswijk. Buurlo.

Kantongeregt Apeldoorn.

Apeldoorn. Epe.

Voorst. Beerde.

Kantongeregt Deventer.

Deventer. Wijhe.

Diepenveen. Raalte.

Olst. Bathmen.

Kantongeregt ï i e 1.

Tiel. Lienden.

Echteld. Maurik.

Uzendoorn. Buren.

Dodewaard. Zoelen.

Kesteren. Wadenoijen.

-ocr page 131-

RECHTERUJKE INDEELING.

87

Kanton G e I d e r m a 1 s e n.

Geldermalsen. Est en Opijnen. Ophemert. Varik.

Waardenburg. Haaften.

Kantongeregt Zaltbommel.

Zaltbommel. Zuilichem.

Driel. Gameren.

Ammerzoden. Hurwenen.

Hedel. Heerewaarden.

Nederhemert. Rossum.

Poederoijen. Kerkwijk. Brakel.

Kantongeregt D r u t e n.

Druten. Horssen.

Ewijk. Appeltern.

Bergharen. Dreumel.

Batenburg. Wamel.

Deil.

Beesd.

Buurmalsen.

Culenborg.

Beusichem.

Vianen. Hagestein. Everdingen. Hei- en Boeikop. Schoonrewoerd.

Kantongeregt Vianen.

Leerdam. Asperen. Leerbroek. Lexmond.


Kantongeregt Zwolle.

Zwolle. Staphorst.

Zwollerkerspel. Hasselt.

Hattem. Zwartsluis.

Heino. Vollenhove (Stad-).

Dalfsen. Vollenhove (Ambt-).

Nieuwleusen. Blokzijl.

Kantongeregt Kampen.

Oldebroek. IJsselmuiden. Grafhorst. Genemuiden.

Kampen. Kamperveen.

Zalk en Veecaten. Wilsum.

Kantongeregt H a r d e r w ij k.

Harderwijk. Nijkerk.

Ertnelo. Doornspijk.

Putten. Elburg.

-ocr page 132-

RECUTERI.UKIS INDEËMNG.

Kantongeregt Ommen.

Ommen (Stad-). Hardenberg (A.mbt-).

Otnmen (Ambt-). Gramsbergen.

Den Ham. Avereest.

Hardenberg (Stad-).

Kantongeregt Almelo.

Almelo (Stad-). Tubbergen.

Almelo (Ambt-). Ootmarsum.

Wierden. Denekamp.

Hellendoorn. Borne.

Vriezeveen. Weerselo.

Kantongeregt Enschedé.

Enschedé. Oldenzaal.

Lonneker. Hengelo.

Losser. Haaksbergen.

Kantongeregt Goor.

Goor. Markelo.

Delden (Stad-). Holten.

Delden (Ambt-). Rijssen.

Diepenheim.

3. De arrondissements-regtbanken te Nijmegen en Deventer en de kantongeregten te Zevenaar, N ij kerk, Elburg, Wijchem, Lochem, Aallen, Doetmchem, Culemborg, Vol-lenhove. Raaite, Belden, Oldenzaal en Ootmarsum zijn ontbonden.

4. De wetten van 22 December \'1828 (Stb. nos. 71 en 80), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den 15den Mei 1877. Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 76), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-reotbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregts-hof te \'s-Gravenhage, gewijzigd hij de Wet van \'20 Juli 1895 (Stb. nu. 133). a) (R. O. 30, 46.)

Artikel 1.

88

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te \'s-Gravenhage behoorende arrondissements-regtbanken strekt zich uit

a) Zie die wet aan liet slot der Rechterl. Ind.

-ocr page 133-

RECHTERLIJKE INDEEUNG.

over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt:

le Arrondissement \'s-Gravenhage.

Ie kanton \'s-Gravenhage. 3e kanton Leiden. 2e » Delft. 4e » Alphen.

2e Arrondissement Rotterdam.

Ie kanton Rotterdam n®. 1. 5e kanton Gouda.

2e » Rotterdam n0. 2. 6e » Schoonhoven.

3e » Rotterdam n0.3. 7e » Brielle.

4e » Schiedam. Se » Sommelsdijk. a)

3e Arrondissement Dordrecht.

-Ie kanton Dordrecht. 4e kanton Gorinchenf.

2e » Oud-Beijerland. 5e » Sliedrecht. 3e » Ridderkerk.

4e Arrondissement Middelburg.

Ie kanton Middelburg. 4e kanton Ter Neuzen.

2e » Goes. 5e )gt; Hulst.

3e » Oostburg.

5e Arrondissement Z i e r i k z e e.

le kanton Zierikzee. 2e Kanton Tholen.

2. Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten of gedeelten van gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

Kantongeregt \'s-Gravenhage.

\'s-Gravenhage. Voorburg.

Wassenaar. Rijswijk.

Veur. Loosduineu.

Kantongeregt Delf t.

Delft. Vrijenban.

Stomp wijk. Schipluiden.

Zegwaard. de Lier.

Zoetermeer. Monster.

Nootdorp. Naaldwijk.

Pijnacker. Wateringen.

89

Berkel eri Rodenrijs. Hof van Delft.

u) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 2 der IVet van 20 Juli 1895 (Stb. no. 133J. Zie die Wet aan het slot der Rechterl, Ind,

-ocr page 134-

RECHTERLIJKE INDEEMNG.

90

Kantongeregt Leiden.

Oegstgeest.

Warmond.

Noordwijkerhout.

Noord wijk.

Voorhout.

Sassenheim.

Kantongeregt A,! p h e n.

Nieuwveen.

Rijnsaterwoude.

Ter Aar.

Woubrugge.

Koudekerk.

Oudshoorn.

Leiden.

Leiderdorp.

Zoeterwcude.

Voorschoten.

Valkenburg.

Rijnsburg.

Katwijk.

Alphen.

Hazerswoude.

Benthuizen.

Boskoop.

Zwamrnerdam.

Aarlanderveen.

Kantongeregt Rotterdam nu. 1.

Het gedeelte van Rotterdam aan den rechter-Maasoever, gelegen aan de westzijde van het water, dat onder den naam van de Schie, vervolgd in de Delftsche vaart, dooide Vlasmarktsluis, den Steiger, onder door de Groote Markt, de Kolk en de Oude Haven tot aan de Maas, de gemeente doorsnijdt, a)

Kantongeregt Rotterdam nquot;. 2.

Het gedeelte van Rotterdam aan den rechter-Maasoever, gelegen aan de Oostzijde van het hiervoren genoemde water met dat water zelf.

Hillegersberg. Schiebroek. d)

Capelle aan den Ussel. Bergschenhoek.

Kantongeregt Rotterdam n0. 3.

Het gedeelte van Rotterdam aan den linker-Maasoever met de Nieuwe Maas zelve, daaronder begrepen de Oosten Westkous.

Rhoon. Hoogvliet.

Poortugaal. Pernis. d)

Kantongeregt Schiedam.

Maasland. \'s-Gravezande. Maassluis. Vlaardingen.

Schiedam.

Overschie.

Kethel en Spaland. Vlaardingerambacht.

a) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art, 2 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. ao. loö). Zie die Wet aan het slot der Rechterl, lud.

-ocr page 135-

RECHTERLIJKE INDEELING.

Kantongeregt Gouda.

Gouda. IBleiswijk.

Hekendorp. Zevenhuizen.

Lange-Ruigeweide. Nieuwerkerk aan den IJssel.

Reeuwijk. Moordrecht.

Waddinxveen. Gouderak.

Moercapelle.

Kantongeregt Schoonhoven.

Schoonhoven. Haastrecht.

Willige Langerak. Stolwijk.

Jaarsveld. Berkenwoude.

Lopik. Ouderkerk a/d IJssel.

Polsbroek. Krimpen a/d IJssel.

Benschop. Lekkerkerk.

Willeskop. Bergambacht.

Hoenkoop. Ammerstol. a)

Wist.

Kantongeregt B r i e 11 e.

Brielle. Hekelingen.

Oostvoorne. Spijkenisse.

Rockanje. Geervliet.

Nieuw-Helvoet. Heenvliet.

Nieuwenhoorn. Abbenbroek.

Hellevoetsluis. Zwartewaal.

Oudenhoorn. Vierpolders.

Zuidland. Rozenburg.

Kantongeregt S o m m e 1 s d ij k.

Sommelsdijk. Herkingen.

Middelharnis. Dirksland.

Stad aan \'t Haringvliet. Melissant.

den Bommel. Stellendam.

Ooltgensplaat. Goedereede.

Oude Tonge. Ouddorp.

Nieuwe Tonge.

Kantongeregt Dordrecht.

Dordrecht. Zwjndrecht. a)

Dubbeldam.

Kantongeregt Oud-Be ij erland.

Oud-Beijerland. Piershil.

Nieuw-Beijerland. Goudswaard.

a) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art, 2 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. no. loü). Zie die Wet aan het slot der Rechterl. Ind,

91

-ocr page 136-

RKCHTERLUKE INDEELING.

92

Zuid-Beijerland.

Nutnansdorp.

Strijen.

\'s-Gravendeel.

Maasdam.

Kantongeregt

Ridderkerk.

Usselmonde.

Oost- en West-Barendrecht. Heerjansdam.

Kantongeregt

Gorinchem.

Arkel.

Vuren.

Herwijnen.

Heukelum.

Kedichem.

Nieuwland.

Meerkerk.

Kantongeregt

Sliedrecht.

Giessendam.

Peursum.

Molenaarsgraaf.

Ottoland.

Goudriaan.

Langerak.

Nieuwpoort.

Kantongeregt

Middelburg.

Nieuw- en St. Joosland.

Arnemuiden.

Veere.

St. Laurens.

Grijpskerke.

Serooskerke.

Vrouwepolder.

Oostkapelle.

Domburg.

Puttershoek.

Heinenoord.

Mijnsheerenland.

Westmaas.

Klaaswaal.

Ridderkerk.

Hendrik-Ido-Ambacht. Alblasserdam. Nieuw-Lekkerland.

Krimpen a/d. Lek a)

Gorinchem.

Ameide.

Tienhoven.

Noordeloos.

Hoornaar.

Hoog-Blokland.

Schelluinen.

Giessen-Nieuwkerk.

Hardinxveld.

Sliedrecht.

Groot-Ammers.

Brandwijk.

Streefkerk.

Oud-Alblas.

Papendrecht.

Wijngaarden.

Bleskensgraaf en Hofwegen, b)

Middelburg.

Aagtekerke.

Westkapelle.

Meliskerke.

Zoutelande.

Biggekerke.

Koudekerke.

Vlissingen.

Ritthem.

Oost- en West-Sou burg.


a) Aldus (jeicijz\'ujd vastgesteld bij art, 2 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. no. 133). Zie die Wet aan het slot der Rechter I. Ind.

b) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 1 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. no. 133). Zie die Wet aan het slot der Rechter I. Ind,

-ocr page 137-

PiKCHTERLIJKE INDEEI.INn.

93

Kantoiigeregl Goes.

Goes.

Kortgene.

\'s-Heer-Abtskerke.

Wissekerke.

Nisse.

Colijnsplaat.

\'s-Gravenpolder.

Kats.

Hoedekenskerke.

Kattendijke.

Baarland.

Kloetinge.

Oudelande.

Wemeldinge.

Ellewoutsdijk.

IJerseke.

Driewegen.

Schore.

Ovezande.

Kruiningen.

Borsselen.

Waarde.

\'s-Heerenhoek.

Krabbendijke.

Heinkenszand.

Rilland, o)

\'s-Heer-Arendskerke.

Fort Bath, a)

Wolphaarfsdijk.

Kantongeregt Oostburg.

Oostburg.

Waterlandkerkje.

IJzendijke.

Biervliet.

Hoofdplaat.

Schoondijke.

St. Anna ter Muiden. b)

Sluis, b)

Heille. b)

Breskens.

Groede.

Nieuwvliet.

Zuidzande.

Cadzand.

Retranchement.

Aardenburg.

Eede.

St. Kruis.


Kantongeregt Ter Neuzen.

Wesldorpe. Axel.

Zaamslag.

Kantongeregt Hulst.

Hulst. Boschkapelle.

Klinge. Stoppeldijk.

Graauw. St. Jansteen.

Hontenisse. Koewacht.

Ossenisse. Zuiddorpe.

Hengstdijk. Overslag.

Kantongeregt Z i e r i k z e e.

Zierikzee. Nieuwerkerk.

Ouwerkerk. Oosterland.

quot;) Vereenigd bij de Wet van 10 December 1877 (Stb. no. 227), onder den naam van Eilland-Bath.

\'\') Vereenigd bij de Wet van 23 April 188(1 (Stb. no. 01) onder den naam van Sluis.

Ter Neuzen. Hoek. Philippine. Sas van Gent.

-ocr page 138-

RECHTERLIJKE INDEELING.

92

Zuid-Beijerland.

Numansdorp.

Strijen.

\'s-Gravendeel.

Maasdam.

Puttershoek.

Heinenoord.

Mijnsheerenland.

Westmaas.

Klaaswaal.


Kantongeregt Ridderkerk.

Ridderkerk.

IJsselmonde.

Oost- en West-Barendrecht. Heerjansdam.

Hendrik-Ido-Ambacht. Alblasserdam. Nieuw-Lekkerland. Krimpen a/d. Lek a)


Kantongeregt Gorinchem.

Ameide.

Tienhoven.

Noordeloos.

Hoornaar.

Hoog-Blokland.

Schelluinen.

Giessen-Nieuwkerk.

Gorinchem.

Arkel.

Vuren.

Herwijnen.

Heukelum.

Kedichem.

Nieuwland.

Meerkerk.

Hardinxveld.

Kantongeregt Sliedrecht.

Sliedrecht.

Giessendam.

Peursum.

Molenaarsgraaf.

Ottoland.

Goudriaan.

Langerak,

Nieuwpoort.

Groot-Ammers.

Brandwijk.

Streefkerk.

Oud-Alblas.

Papendrecht.

Wijngaarden.

Bleskensgraaf en Hofwegen, b)


Kantongeregt Middelburg.

Middelburg.

Nieuw- en St. Joosland.

Arnemuiden.

Veere.

St. Laurens.

Grijpskerke.

Serooskerke.

Vrouwepolder.

Oostkapelle.

Domburg.

Aagtekerke.

Westkapelle.

Meliskerke.

Zoutelande.

Biggekerke.

Koudekerke.

Vlissingen.

Ritthem.

Oost- en West-Souburg.


a) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art» 2 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. no. 133). Zie die Wet aan het slot der Rechterl. Ind.

b) Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 1 der Wet oan 20 Juli 1895 (Stb. no. 133). Zie die Wet aan het slot der Rechterl, Ind,

-ocr page 139-

P.ECHTERIJJKE INDEEI.INf!.

93

Kanloiigeregl Goes.

Goes.

Kortgene.

\'s-Heer-Abtskerke.

Wissekerke.

Nisse.

Golijnsplaat.

\'s-Gravenpolder.

Kats.

Hoedekenskerke.

Kattendijke.

Baarland.

Kloetinge.

Oudelande.

Wemeldinge.

Ellewoutsdijk.

IJerseke.

Driewegen.

Schore.

Ovezande.

Kruiningen.

Borsselen.

Waarde.

\'s-Heerenhoek.

Krabbendijke.

Heinkenszand.

Rilland, a)

\'s-Heer-Arendskerke.

Fort Bath, a)

Wolphaartsdijk.

Kantongeregt Oostburg.

Oostburg.

Waterlandkerkje.

Llzendijke.

Biervliet.

Hoofdplaat.

Schoondijke.

St. Anna ter Muiden. b) Sluis, b)

Heille. b)

Breskens.

Groede.

Nieuwvliet.

Zuidzande.

Cadzand.

Retranchement.

Aardenburg.

Eede.

St. Kruis.


Kantongeregt Ter Neuzen.

Wesldorpe. Axel.

Zaamslag.

Kantongeregt Hulst.

Hulst. Boschkapelle.

Klinge. Stoppeldijk.

Graauw. St. Jansteen.

Hontenisse. Koewacht.

Ossenisse. Zuiddorpe.

Hengstdijk. Overslag.

Kantongeregt Z i e r i k z e e.

Zierikzee. Nieuwerkerk.

Ouwerkerk. Oosterland.

«) Vereenigd bij de Wet van 10 Decemher 1877 (Stb. no. 227), onder den naam van Billand-Bath.

\'\') Vereenigd bij de Wet van 2S April 188« (Stb. no. 01) onder den naam -van Sluis.

Ter Neuzen. Hoek. Philippine. Sas van Gent.

-ocr page 140-

rechterlijke indeeling.

94

Bruinisse.

Dreischor.

Noordgouwe.

Zonnemaire.

Brouwershaven.

Duivendijke.

Eikerzee.

Tholen.

Oud Vossemeer. St. Philipsland. St. Annaland.

Jillerneet.

Noordwelle.

Renesse.

Haamstede.

Burgh.

Serooskerke.

Kerkwerve.

Kantongeregt Tholen.

Stavenisse. St. Maartensdijk. Scherpenisse. Poortvliet.


3. De arrondissements-regtbanken te Leiden, Brielle, Gorinchem en Goes en de kantongeregten te Voorburg, Naaldwijk, Noordivijk, Woubrugge, Vlaardingen, Hille-gersberg, \'s-Gravendeel, Vlissingen, Sluis, Heinkenszand, Kortgene, Axel en Brouwershaven zijn ontbonden.

4. De wetten van \'22 December 1828 (Stb. n03. 74 en 75), met alle daarin gebrachte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den ISden Mei 1877.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 77), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regt-banken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Amsterdam, gewijzigd bij de Wetten van 6 Mei 1878 (Stb.n0.31)

en van 30 December 1896 (Stb.

nquot;. 242). (B. O. 30, 46.)

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te Amsterdam behoorende arrondissements-regtbanken strekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt.

Ie Arrondissement Amsterdam.

Ie kanton Amsterdam n0. 1. 4e kanton Amsterdam n0. 4. 2e » Amsterdam n0. 2. 5e » Hilversum. 3e » Amsterdam n0. 3.

2e Arrondissement Alkmaar.

Ie kanton Alkmaar. 4e kanton Hoorn.

2e » Schagen. 5e » Medemblik.

3e » Helder.

-ocr page 141-

RECIITERUJKE INOEEIING.

3e Arrondissement Haarlem.

ie kanton Haarlem. 3e kanton Purinerend.

2e » Zaandam. 4e » Haarlemmermeer.

4e Arrondissement Utrecht.

Ie kanton Utrecht. . 4e kanton Wijk bij Duur-

2e » Breukelen-Nijen- stede.

rode. 5e » Woerden.

3e » Amersfoort.

2. Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten of de gedeelten van gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

Kantongeregt Amsterdam n0. I.

De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit een punt in den Binnen-Amstel ten westen van het midden van de Halvemaansteeg tegenover het midden van de Kloveniersburgwal, van daar door het midden van de Kloveniersburgwal tot de Nieuwmarkt, over de Nieuwmarkt tot en langs de oostzijde van de St. Anthoniewaag, ten westen en ten noorden van de Zeevischmarkt tot het midden van de Geldersche Kade, door het midden van de Geldersche Kade en van de Geldersche Kade waterkeering; van daar in de rigting van het midden van den oostelijken doorgang naar het Openhavenfront, door het midden van dien doorgang, in oostelijke rigting langs de noordzijde der de Ruyterkade en van den toegangsweg naar de oostelijke handelskade, langs de zuidelijke, westelijke en noordelijke grenzen van de oostelijke handelskade tot het zuidelijk aanvangspunt van den Schellingwouderdijk en van daar langs de westzijde van dien dijk, van de stoomgemalen en van de Oranjesluizen tot aan de grens der gemeente (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten, grenzende aan de vooromschreven lijn, waar die eene oever-lijn aanwijst, in het kanton begrepen), aldaar dien dijk, langs de grens der gemeente, over en verder die grens volgende tot aan het midden van den Amstel, van daar in noordelijke rigting door het midden van den Amstel (de drijvende zwem-scliool en badinrigting in het kanton begrepen), en door het middel van den Binnen-Amstel tot aan het uitgangspunt.

Watergraafsmeer. Diemen. a)

Kantongeregt Amsterdam n0. 2.

95

De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit het uitgangspunt

«) Aldust na aanvankelijk te zijn gewijzigd bij de Wet van (5 Mei 1878 (Stb. no. 31), gewijzigd vastgesteld bij de Wet van 30 December 1890 (Stb. no. 2i2).

-ocr page 142-

RECHTERLIJKE INDEEMNfi.

van de grenslijn van kanton n0. 1 in oostelijke rigting langs die grenslijn tot aan de grens der gemeente midden in den Amstel (de drijvende zwemschool en badinrigting niet in het kanton begrepen), van daar langs die grens naar den westelijken oever van den Amstel en verder, de grens der gemeente volgende, tot aan het midden van de Overtoomsche vaart (bij de Dubbele buurt), door het midden van die vaart tot het midden van de Singelgracht, door het midden van die gracht tot het midden van de Leidsche gracht, door het midden van die gracht tot aan de Heerengracht, van daar die gracht dwarsover naar en door de Beulingstraat, het Singel dwarsover tot en over het Spui tot aan het Rokin, het Rokin dwarsover in de rigting van de zuidzijde van de brug over de Grimburgwal tot het midden van het Rokin, door het midden van het Rokin en door het midden van den Binnen-Amslel tot het uitgangspunt.

Nieuwer-Amstel. Uithoorn, h)

Ouder-Amstel.

Kantongeregt Amsterdam n0. 3.

96

De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit het uitgangspunt van de grenslijn van kanton n0. 1 in westelijke rigting langs de grenslijn van kanton n0. 2 tot de grens der gemeente in de Kostverlorenvaart (bij de Dubbele buurt), van daar in noordelijke rigting die grens volgende tot het midden van de ontworpen de Clercqstraat, door de ontworpen de Clercqstraat en de de Clercqstraat, door de (gedempte) Rozengracht, over het midden van de brug over de Prinsengracht, van daar over de Westermarkt tot en over het midden van de brug over de Keizersgracht voor de Raadhuisstraat, door die straat, den Nieuwezijdsxoorburgwal in noordelijke rigting tot aan de Mozes- en A.ïronstraat, langs de zuidzijde van die straat, over den Dam tot het westen van en langs de Beurs, de noordzijde van de Beurs tot de oostzijde van het Damrak, langs de oostzijde van het Damrak, in westelijke rigting langs de zuidzijde van de Nieuwebrug in noordelijke rigting langs de oostzijde van de doorvaart door die brug tot de noordzijde van die brug en verder in westelijke rigting langs de noordzijde van de Prins Hendrikkade tot den Korten Singel, de oeverlijn van dien singel in noordelijke rigting volgende, langs de noordwestzijde van de westelijke doorvaart, in westelijke rigting langs de noordzijde van de de Ruyterkade, langs de oostzijde van den Westerdokdijk, langs de noordoostzijde van de Houthaven, en voorts langs den zuidelijken boord van het Noordzeekanaal tot de grens der gemeente ten westen van de petroleumhaven, aldaar langs die grens hef kanaal over en voorts, die grens volgende, tot de westzijde van den

b) Aldus gewijzigd vastgesteld bij de Wet van 80 December 189B (Stb. no. 242).

-ocr page 143-

RECHTERLIJKE INDEELING.

Schellingwouderdijk, van daar in zuidelijke rigting langs de grenslijn van kanton n#. 1 tot het uitgangspunt (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten grenzende aan de voren-omschreven lijn, waar die een oeverlijn aanwijst, niet in het kanton begrepen).

Buiksloot. Nieuwendam. Ransdorp. a) Kantongeregt Amsterdam n0. 4.

De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken van de grens der gemeente ten westen van de petroleumhaven, in oostelijke rigting langs de grenslijn van kanton n0. 3 tot de grens der gemeente langs de Kostverlorenvaart bij de Baarsjes (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten grenzende aan de vorenomschreven lijn, waar die eene oeverlijn aanwijst, in het kanton begrepen), en in noordelijke rigling die grens volgende tot het uitgangspunt.

Sloten, a)

Kantongeregt Hilversum.

Hilversum. Weesp.

Laren. Weesperkarspel.

Blaricum. Nederhorst den Borg.

Huizen. Ankeveen.

Bussum. \'s-Graveland.

Naarden. Kortenhoef.

97

Muiden.

Kantongeregt Alkmaar.

Alkmaar.

Egmond Binnen. Egmond aan Zee. Bergen.

Schoorl.

Noordsoharwoude.

Zuidscharwoude.

Broek op Langendijk.

Heer Hugowaard.

Oterleek.

Oudorp.

Schermerhorn.

Zuid- en Noordschermer.

Graft.

Rijp.

Akersloot.

Uitgeest.

Castricurn.

Limmeii.

Ileilo.

St. Pancras.

Koedijk.


Kantongeregt S c h a g e n.

Schagen. Callantsoog.

St. Maarten. Anna Paulowna.

Petten. Wieringerwaard.

Zijpe. Barsingerhorn.

a) Aldus, na aanvankelijk te zijn gewijzigd bij de Wet can 6 Mei 1878 (Stb. no. 31), vastjcsteld bij de Wet van GO iDfcemic)\'1S9C (Sllj, uo. 212).

-ocr page 144-

RECHTERLIJKE INÜEEL1NG.

98

Winkel.

Nieuwe Niedorp. Oude Niedorp.

Helder. Texel.

Hoorn.

Schellinkhout.

Wijdenes.

Urk.

Venhuizen.

Bovenkarspel.

Enkhuizen.

Grootebroek.

Hoogkarpsel.

Oudkarspel.

Warmenhuizen.

Harenkarspel.

Kantongeregt Helder.

Vlieland. Wieringen.

Kantongeregt Hoor n.

Blokker.

Westwoud.

Zwaag.

Wognum.

Ursem.

Avenhorn.

Beets.

Oudendijk.

Berkhout.


Kantongeregt M e d e m b 1 i k.

Medemblik. Opmeer.

Opperdoes. Spanbroek.

Wervershoof. Obdam.

Andijk. Hensbroek.

Nibbixwoud. Hoogwoud.

Midwoud. Abbekerk.

Sijbekarspel. Twisk.

Kantongeregt Haarlem.

Haarlem. Spaarndam.

Bloemendaal. Schoten.

Zandvoort. Velsen.

Bennebroek. Beverwijk.

Heemstede. Heemskerk.

Haarlemmerliede en Spaarn- Wijk aan Zee en Duin. woude.

Kantongeregt Zaandam.

Zaandam. Krommenie.

Westzaan. Zaandijk.

Assendelft. Koog aan de Zaan.

Wormerveer. Oostzaan.

Kantongeregt P u r m e r e n d.

Purmerend. Ilpendam.

Broek in Waterland.

Marken.

Monnikkendam.

Katwoude.

Edam.

Kwadijk.

Middelie.

Warder.

Oosthuizen.

Beemster.

Jisp.

Wormer.

Wijdewormer.

Landsmeer.


-ocr page 145-

RECHTERLIJKE INDEELING.

99

Kantongeregt Haarlemmermeer.

Haarlemmermeer.

Lisse.

Hillegom.

Alkemade. Leimuiden. Aalsmeer.

Kantongeregt Utrecht.

Jutphaas. IJsselstein. Vreeswijk. Oudenrijn.

Utrecht. Maartensdijk. De Bilt.

Zeist.

Loenersloot.

Vreeland.

Nigtevecht.

Abcoude-Proostdij.

Abcoude-Baambrugge.

Vinkeveen en Waverveen.

Mijdrecht.

Wilnis.

Ruwiel.

Kockengen.

Laagnieuvvkoop.

Haarzuilens.

Maarssen.

Maarsseveen.

ïienhoven.

Westbroek.

Achttienhoven.

Zuijlen.

Kantongeregt B r e u k e 1 e n - N ij e n r o d e.

Breukelen-Nijenrode.

Breukelen-St. Pieters.

Loosdrecht.

Loenen.


Kantongeregt Amersfoort.

Amersfoort. Baarn.

Hoevelaken. Soest.

Stoutenburg. Leusden.

Barneveld. Maarn.

Hoogland. Woudenberg.

Bunschoten. Scherpenzeel.

Eemnes. Renswoude.

Kantongeregt Wijk bij Duurstede.

Wijk bij Duurstede. Bunnik.

Langbroek. Odijk.

Amerongen. Werkhoven.

Leersum. Cothen.

Doorn. Houten.

Driebergen. Schalkwijk.

Rijsenburg. Tuil en \'t Waal.

Kantongeregt Woerden.

Papekop.

Oudewater. Snelrewaard. Montfoort.

Linschoten. Veldhuizen.

Vleuten.

Harmeien.

Woerden.

Kamerik.

Zegveld.

Nieuwkoop.

Zevenhoven.

Bodegraven.

Rietveld.

Barwoutswaarder, Waarder.

-ocr page 146-

RECHTERLIJKE INDEELING.

3 De arrondissements-regtbanken te Hoorn en Amersfoort, en de kantongeregten te Nieuwer-Amstel, Weesp, Edam, Enkhuizen, Beverwijk, Usselstein, Maarssen, Loenen en Rhenen zijn ontbonden.

4. De wetten van 22 December 1828 (Stb. nos. 73 en 78), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking den 15den Mei 1877.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den /Ipril 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 78), tot vaststelling van het regtsgebied cn de zetels] der arrondissements-regtbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Leeuwarden.

(R. O., 30, 46.)

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het geregtshof te Leeuwarden behoorende arrondissements-regtsbanken strekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en kantongeregten bepaalt:

le Arrondissement Leeuwarden.

ie kanton Leeuwarden. 5e kanton Harlingen.

2e » Cerlikum. (5e » Sneek.

3e » Dokkum. 7o » Bolsward. 4e » Bergum.

2e Arrondissement Heerenveen.

le kanton Heerenveen. 3e kanton Lemmer.

2e » Beesterzwaag. 4e » Steenwijk.

3e Arrondissement Groningen.

le kanton Groningen. 3e kanton Appingedam.

2e » Zuidhorn. 4e » Onderdendam.

4e Arrondissement Winschoten.

le kanton Winschoten. 2e kanton Zuidbroek.

5e Arrondissement Assen.

le kanton Assen. 3e kanton MeppeL

2e » Hoogeveen. 4e » Emmen.

2. Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

100

-ocr page 147-

RECHTERLIJKE INDEELING.

Kantongeregt Leeuwarden.

Leeuwarden. Idaarderadeel.

Leeuwarderadeel. Baarderadeel.

Kantongeregt B e r 1 i k u m.

Menaldumadeel. \'t Bildt. Ferwerderadeel.

Kantongeregt D o !c k u m.

Dokkum. Dantumadeel.

Westdongeradeel. Ameland.

Oostdongeradeel. Schiermonnikoog. Kollummerland en Nieuw-kruisland.

Kantongeregt B e r g u m.

Tietjerksteradeel. Achtkarspelen.

Kantongeregt H a r 1 i n g e n.

Harlingen. Barradeel.

Franeker. Terschelling.

Franekeradeel.

Kantongerecht S n e e k.

Sneek. Wijmbrilseradeel.

Ulst. Rauwerderhem.

Kantongeregt B o ] s w a r d.

Bolsward. Hindeloopen.

Hennaarderadeel. Stavoren.

Wonseradeel. Hemelumer Oldephaert en Workum. Noordwolde.

Kantongeregt Heerenveen.

Schoterland. Utingeradeel.

Aengwirden. Weslstellingwerf.

Haskerland.

Kantongeregt Beetsterzwaag.

Smallingerland. Ooststellingwerf.

Opsterland.

Kantongeregt Lemmer.

Lemsterland. Sloten.

Doniawerstal. Gaasterland.

Kantongeregt S t e e n w ij k.

Steenwijk. Kuinre.

Giethoorn. Oldemarkt.

Wanneperveen. Steenwijkerwold. Blankenham.

401

-ocr page 148-

P.ECHTERI.UKE INDEELING.

102

Groningen. Haren.

Zuidhorn.

Aduard.

Ezinge.

Oldehove.

Grijpskerk.

Appingedam. Delfzijl. Bierum. \'t Zandt.

Kantongeregt Groningen.

Noorddijk.

Kantongeregt Zuidhorn.

Oldekerk.

Grootegast.

Marum.

Leek.

Hoogkerk.

Kantongeregt Appingedam.

Loppersum. Stedum. Ten Boer. Slochteren.


Kantongeregt 0 n d e r d e n d a m.

Bedem.

Middelstum.

Kantens.

Uithuistermeeden. Uithuizen. Usquert.

Warffum.

Baflo.

Eenrum.

Kloosterburen.

Ulrum.

Leens.

Winsum.

Adorp.


Kantongeregt Winschoten.

Winschoten. Oude Pekela. Nieuwe Pekela. Onstwedde. Wedde.

Zuidbroek.

Meeden.

Scheemda.

Midwolda.

Nieuwolda.

Termunten.

Assen.

Rolde.

Borger.

Gasselte.

Gieten.

Anlo.

Zuidlaren.

Vlagtwedde. Bellingwolde. Nieuweschans. Flnsterwolde. Beerta.

Kantongeregt Zuidbroek.

Noordbroek.

Sappemeer.

Hoogezand.

Muntendam.

Veendam.

Wildervank.

Kantongeregt Assen.

Vries.

Eelde.

Peize.

Roden.

Norg.

Smilde.


-ocr page 149-

RECHTERLIJKE INDEEI.ING.

103

Kantongeregt Hoogeveen.

Beilen.

Ruinen.

Zuidwolde.

Hoogeveen. Oosterhesselen. Zweelo. Westerbork.

Kantongeregt M e p p e 1.

Meppel. de Wijk.

Havelte. Vledder. Diever. Dwingelo,

Ruinerwold. Nijeveen.

Kantongeregt E m m e n.

Emmen.

Dalen, a) Schoonebeek. a)

3. De arrondissements-regtbanken te Sneck en Appinge-dam, en de kantongeregten te Holwerd, Rauwerd, Hinde-loopen, Oldeberkoop en Hoogezand zijn ontbonden.

4. De wetten van 22 December 1828 (Stb. nos. 79, 81 en 82), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze Wet treedt in werking den I5den Mei 1877.

Lasten en bevelen, enz.

Coevorden.

Sleen.

Odoorn.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 79), tot vaststelling van de klassen en zamenstelling der arrondissements-regtbanken, van de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij die regtbanken, alsmede van de klassen der kantongeregten en van de jaarwedden der kantonregters

en der ambtenaren bij de kantongeregten; gewijzigd hij de wetten van 7 October 1884 (Stb. n0. 212), 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 132), 20 Juli 1895 (Stb. n0. 132), 20 Juli 1895 (Stb. n®. 133), 4 1896(Stb.

n0. 153) en 2 Mei 1897 CStb.130). (R. O. 30, 46.)

Artikei 1.

De klassen en de zamenstelling der arrondissements-regtbanken, benevens de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij die regtbanken worden vastgesteld bij den volgenden staat:

a) Bij de Wet van 24 April 1884 (Stb. no. 65) zijn de gehuchten Oud- en Nieuw-Schoonebeek van de gemeente Dalen afgescheiden en tot eene afzonderlijke gemeente gemaakt onder den naam van Schoonebeek.

-ocr page 150-

BEZOLDIGING DER

EERSTE KLASSE. A m s t e r d a m «)

1 president..............f 4000

4 vice-presidenten, ieder..........» 3500

16 a 19 regters, ieder..........» 3000

1 officier...............» 4000

5 a 6 substituut-officiers, ieder.......» 3000

1 griffier...............» 2000

5 a 6 substituut-griffiers, ieder.......» 1500

Rotterdam.

1 president..............f 4000

2 vice-presidenten, ieder..........» 3500

9 regters, ieder.............» 3000

1 officier...............» 4000

3 substituut-officiers, ieder.........» 3000

i griffier...............«. 2000

3 substituut-griffiers, ieder.........» 1500

\'s - G r a v e n h a g e. b)

1 president..............f 4000

1 vice-president.............x 3500

7 rechters, ieder............» 3000

1 officier...............» 4000

2 substituut-officiers, ieder.........» 3000

1 griffier...............» 2000

2 substituut-griffiers, ieder.........» 1500

\'s- Hertogenbosch. Maastricht. Arnhem. Zwolle. Middelburg. Haarlem. Utrecht. Leeuwarden. Groningen. Assen,

1 president..............f 4000

1 vice-president.............» 8500

4 a 5 regters, ieder...........» 3000

1 officier...............» 4000

1 a 2 substituut-officiers, ieder 3000

1 griffier...............» 2000

1 a. 2 substituut-griffiers, ieder.......» 1500

a) Oorspronkelijk telde deze rechtbank slechts 2 vice-presidenten, 12 rechters en 4 substituut-officiers en substituut-griffiers. Bij de Wet van 7 October 1884 (Stb. no, 212) werd het aantal vice-presidenten en rechters met een vermeerderd, bij de Wet van 28 Augustus 188G (Stb. no. 132) werd de hierboven afgedrukte samenstelling vastgesteld.

i) Oorspronkelijk was deze rechtbank samengesteld als de tien rechtbanken dezer klasse hieronder vermeld. Bij de Wet van 20 Juli 1895 (Stb. 132) werd hare samenstelling vastgesteld zooals hier afgedrukt. Zie die Wet aan het slot der Rechterl. Ind.

104

-ocr page 151-

105

TWEEDE KLASSE.

Breda. Roermond. Zutphen. Tiel. Almelo. Dordrecht. Zierikzee. Alkmaar. Ileeren-v e e n. Winschoten.

1 president.............f 3500

3 a 5 regters, a) ieder . . . .......» 2500

1 officier.................3500

1 substituut-officier...........» 2500

1 griffier.................1600

1 substituut-griffier...........» 1200

Bij elke regtbank hoogstens vijf regters-plaats ver vangers zonder bezoldiging.

2. De klassen der kantongerechten, benevens de jaarwedden der kantonregters en der ambtenaren bij de kanton-geregten worden vastgesteld bij den volgenden staat:

EERSTE KLASSE.

\'s-Hertogenbosch. Maastricht. Arnhem. Zwolle. \'s-G ra v e n h a g e. Leiden. Rotterdam (de 3 kantons), b) Middelburg. Amsterdam (de 4 kantons). Haarlem. Utrecht. Leeuwarden. Groningen. Assen.

kantonregter..............f 3000

griffier................»900

TWEEDE KLASSE.

Eindhoven. Breda. Bergen op Zoom. Tilburg. Roermond. Nijmegen. Zutphen. Deventer. Tiel. Almelo. Delft. Schiedam. Gouda. Brielle. Dordrecht. Gorinchem. Goes. Zierikzee. Alkmaar. Hoorn. Amersfoort. Harlingen. Sneek. Heerenveen. Appinge-d a m. Winschoten.

kantonregter..............f 2500

griffier................»800

DERDE KLASSE.

O s s. H e u s d e n. W a a 1 w ij k. V e g h e 1. Boxmeer. Oirschot. Oosterhout. Zevenbergen. Heerlen. S i 11 a r d. Gulpen. V e n 1 o. Weert. Helmond. Wageningen. Eist. Doesborgh. Ter-borg. Groenlo. Apeldoorn. Geldermalsen.

a) Oorspronkelijk was het aantal rechters voor deze klasse bepaald op 3 a 4 j aldus gewijzigd bij de Wet van 1 September 1896 (Stb. no. 15S).

b) Oorspronkelijk werd hier gelezen: „Rotterdam (de 2 kantons);quot; aldus gewijzigd bij art. 2 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. no. 183). Zio die Wet aan het slot der Rechterl. Ind.

-ocr page 152-

WET HOUDENDE BEPALINGEN.

Zaltbommel. Druten. Vianen. Kampen. Harderwijk. Ommen. Enschedé. Goor. Alphen. Schoonhoven. Sommelsdijk. Oud-Beijerland. Ridderkerk. Sliedrecht. Oostburg. Ter Neuzen. Hulst. Tholen. Hilversum. S c h a g e n. Helder. M e d e m b 1 i k. Zaandam. Pur merend. Haarlemmermeer. Breukelen-N ij e n r o d e. W ij k *b ij Duurstede. Woerden. Berlikum. Dokkum. Bergum. Bolsward. Beetsterzwaag. Lemmer. Steen \\v ij k. Zuidhor n. Onderdendam. Zuidbroek. Hooge-v e e n. M e p p e 1. E m m e n.

kantonregter..............f 2200

griffier................» 800

ambtenaren van het openbaar ministerie, ieder » 1200 zij die als zoodanig 3 jaren in dienst zijn ...» 1600 zij die als zoodanig 6 jaren in dienst zijn a) . . » 2000 Bij elk kantongeregt hoogstens 4 kantonregters-plaatsver-vangers zonder bezoldiging.

3. Worden ingetrokken:

de staten behoorende tot de artt. 36 en 46 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie;

de wet van 1 Juni 1830 (Stb. n0. 12), de artt. 82 en 83 der wet van 28 April 1835 (Stb. n0. 10) en art. 2 der wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 17).

4. Deze wet treedt in werking op den 15den Mei 1877. Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9 April 1877.

WET

uau 9 April 1877 (Slb. n0. 80), houdende bepalingen omtrent het personeel der ontbonden arrondissements-regthanken en kantongeregten, de daarbij aangestelde prokureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaker.

alsmede omtrent den ambtskring van notarissen.

Artikel 1.

106

De thans bestaande regtbanken zijn ontbonden. 2. De leden der ontbonden arrondissements-regtsbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers en substituut-griffiers bij die regtbanken houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

a) De laatste twee regels bijgevoegd bij de Wet van 2 Mei 1897 (Stb. no. 180).

-ocr page 153-

OMTRENT 11 KT PERSONEEL EN/.

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

2°. de anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene reg-terlijke betrekking of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onver-eenigbare, van Rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art. 5, ook buiten hun verzoek, kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 5 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

3. De griffiers bij de ontbonden reglbanken worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijkstaande met de som hunner bezoldiging, vermeerderd met hetgeen hunne emolumenten gemiddeld in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, boven de onkosten der griffie hebben bedragen.

4. De regterlijke ambtenaar in art. 2 bedoeld, die eene daiir vermelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

5. De volgende betrekkingen bij de regterlijke collegien kunnen aan de leden van, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers of substituut-griffiers bij de ontbonden regtbanken, ook buiten hun verzoek, worden opgedragen :

aan de presidenten de betrekking van president, vice-president of raadsheer;

aan de regters die van president, vice-president, raadsheer of regter;

aan de officiers die van prokureur-generaal, advokaatr generaal, officier, president, vice-president of raadsheer;

aan de substituut-officiers, behalve de reeds vermelde, ook die van substituut-officier;

aan de griffiers die van president, vice-president, raadsheer, regter of griffier;

aan de substituut-griffiers, behalve de in de laatste plaats vermelde, ook die van substituut-griffier.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het in art. 2 bedoelde wachtgeld geheel, indien het regterlijk collegie, waarbij de betrekking wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente waar de ontbonden regt-bank haren zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien dat regterlijk collegie gevestigd is in eene andere gemeente.

6. De thans bestaande kantongeregten zijn ontbonden.

7. De kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kantongeregten houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

107

-ocr page 154-

WET HOUDENDE BEPALINGEN.

Zaltbommel. Druten. Vianen. Kampen. H a r d e r w ij k. O mm en. Enschedé. Goor. Alphen. Schoonhoven. Sommelsdijk. Oud-Beijerland. Ridderkerk. Sliedrecht. Oostburg. Ter Neuzen. Hulst. Tholen. Hilversum. Schagen. Helder. Medemblik. Zaandam. Purmerend. Haarlemmermeer. Breukelen-N ij e n r o d e. W ij k quot;b ij Duurstede. Woerden. Berlikum. Dokkum. Bergum. Bolsward. Beetsterzwaag. Lemmer. Steen w ij k. Zuidhor n. Onderdendam. Zuidbroek. Hooge-v e e n. M e p p e 1. E m m e n.

kantonregter..............f 2200

griffier................» 800

ambtenaren van het openbaar ministerie, ieder » 1200 zij die als zoodanig 3 jaren in dienst zijn ...» 1600 zij die als zoodanig 6 jaren in dienst zijn a) . . gt;gt; 2000 Bij elk kantongeregt hoogstens 4 kantonregters-plaatsver-vangers zonder bezoldiging.

3. Worden ingetrokken:

de staten behoorende tot de artt. 36 en 46 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie;

de wet van 1 Juni 1830 (Stb. n0. 12), de artt. 82 en 83 der wet van 28 April 1835 (Stb. n0. 10) en art. 2 der wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 17).

é. Deze wet treedt in werking op den 15den Mei 1877. Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9 April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Slb. n0. 80), houdende bepalingen omtrent het personeel der ontbonden arrondisscments-regtbanken en kantongeregten, de daarbij aangestelde prokureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaken alsmede omtrent den ambtskring van notarissen.

Artikel 1.

106

De thans bestaande regtbanken zijn ontbonden. 2. De leden der ontbonden arrondissements-regtsbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers en substituut-griffiers bij die regtbanken houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel;

a) De laatste twee regels bijgx-voegd bij de Wet van 2 Mei 1897 (Stb. no. ISO).

-ocr page 155-

OMTRENT 1I15T PERSONEEL ENZ.

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

2°. de anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene reg-terlijke betrekking of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onver-eenigbare, van Rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art. 5, ook buiten hun verzoek, kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 5 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

3. De griffiers bij de ontbonden regtbanken worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijkstaande met de som hunner bezoldiging, vermeerderd met hetgeen hunne emolumenten gemiddeld in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, boven de onkosten der griffie hebben bedragen.

4. De regterlijke ambtenaar in art. 2 bedoeld, die eene daar vermelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

5. De volgende betrekkingen bij de regterlijke collegien kunnen aan de leden van, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers of substituut-griffiers bij de ontbonden regtbanken, ook buiten hun verzoek, worden opgedragen :

aan de presidenten de betrekking van president, vice-president of raadsheer;

aan de regters die van president, vice-president, raadsheer of regter;

aan de officiers die van prokureur-generaal, advokaatT generaal, officier, president, vice-president of raadsheer;

aan de substituut-officiers, behalve de reeds vermelde, ook die van substituut-officier;

aan de griffiers die van president, vice-president, raadsheer, regter of griffier;

aan de substituut-griffiers, behalve de in de laatste plaats vermelde, ook die van substituut-griffier.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het in art. \'2 bedoelde wachtgeld geheel, indien het regterlijk collegie, waarbij de betrekking wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente waar de ontbonden regt-bank haren zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien dat regterlijk collegie gevestigd is in eene andere gemeente.

6. De thans bestaande kantongeregten zijn ontbonden.

7. De kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kantongeregten houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

107

-ocr page 156-

WET HOUDENDE BEPALINGEN

2°. de anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene reg-terlijke betrekking of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onver-eenigbare, van Rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art. 10, ook buiten hun verzoek, kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 10 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

8. De kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kantongeregten worde geacht eene wedde te hebben genoten, gelijkstaande met de som hunner bezoldiging, vermeerderd met het gemiddeld bedrag hunner emolumenten in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, voor zooveel de griffiers betreft, na aftrek van de onkosten der griffie.

9. De kantonregter of griffier, die eene in art. 7 bedoelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

10. De volgende regterlijke betrekkingen kunnen aan de kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kantongeregten, ook buiten hun verzoek, worden opgedragen:

aan de kantonregters, die den graad van meesier of licentiaat in de regten op eene van \'s Rijks hoogescholen verkregen hebben, de betrekking van president, vice-president, raadsheer, regter of kantonregter;

aan de griffiers, die bedoelden graad bezitten, behalve de reeds vermelde betrekkingen ook die van griffier;

aan de kantonregters, die bedoelden graad niet bezitten, .de betrekking van kantonregter;

aan de griffiers, die bedoelden graad niet bezitten, de betrekking van griffiers bij een kantongeregt.

Dij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden vervalt het in art. 7 bedoelde wachtgeld geheel, indien de zetel van de regterlijke betrekking, die wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente waar het ontbonden kantongeregt zijn zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien deze regtszetel gevestigd is in eer.e andere gemeente.

11. De bepalingen van art. 2 der wet van 31 December 1856 (Stb. n0. 165) en van art. 5 der wet van 18 April 1874 (Stb. n®. 08) blijven op de griffiers bij de ontbonden regtbanken van toepassing.

12. Aan de griffiers bij de ontbonden kantongeregten kunnen, zoolang zij niet eene andere openbare betrekking aannemen, door Ons, onder vast te stellen voorwaarden, tot wederopzeggings toe, de bevoegdheden, hun thans toekomende krachtens art. 182 Wetboek van Koophandel en krachtens de wet van 22 Pluviose Vilde jaar en de daarmede in verband staande verordeningen worden toegekend.

108

-ocr page 157-

OMTRENT HET PERSONEEL ENZ.

13. De prokureurs bij de ontbonden regtbanken worden geacht te zijn aangesteld bij de regtbank of de regtbanken, waartoe het gebied behoort van de ontbonden regtbank bij welke zij hunne bediening uitoefenden.

Zij stellen bij elk der regtbanken, waarbij zij geacht worden te zijn aangesteld, eene ter griffie aan te wijzen woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel der regtbank wonende prokureurs worden niet vervuld, a)

14. De deurwaarders bij de ontbonden regtbanken of kantongeregten worden geacht te zijn aangesteld bij de regtbank of de regtbanken, bij het kantongeregt of de kantongeregten waartoe het gebied behoort van de ontbonden regtbank of het ontbonden kantongeregt waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij zijn niet verpligt hunne woonplaats naar een der nieuwe zetels over te brengen, a)

16. De notarissen, aangesteld vóór het in werkingtreden dezer wet, zijn, onverminderd hunne bevoegdheid in den geheelen omtrek van het nieuwe arrondissement, tevens bevoegd hunne bediening uit te oefenen in den geheelen omtrek van het voormalig arrondissement waarin hunne standplaats gevestigd is.

16. De zaken, op het tijdstip der invoering dezer wet aanhangig bij de arrondissements-regtbanken in plaatsen, alwaar ook volgens de nieuwe indeeling arrondissements-regtbanken worden gevestigd, zijn, van regtswege en zonder dat daartoe eenige formaliteit wordt vereischt, overgebragt bij de aldaar te vestigen arrondissements-regtbanken, en alle beschikkingen betreffende in die zaken te verrigten werkzaamheden blijven van kracht.

Deze bepalingen zijn mede toepasselijk op de zaken, welke aanhangig zijn bij de kantongeregten, gevestigd in plaatsen, alwaar volgens de nieuwe indeeling kantongeregten gevestigd blijven.

17. De op het tijdstip der invoering van deze wet bij de overige ontbonden regtbanken en kantongeregten aanhangige zaken worden overgebragt bij de regtbank of het kantongeregt, waartoe de gemeente behoort, waar de ontbonden regtbank of het ontbonden kantongeregt was gevestigd.

109

Die overbrenging geschiedt, wat de burgerlijke regtsge-dingen bij de regtbanken betreft, door de meest gereede partij bij eenvoudige akte van prokureur tot prokureur, en wat de burgerlijke regtsgedingen bij de kantongeregten betreft, door de meest gereede partij bij exploit aan de wederpartij of aan hare gekozen woonplaats beteekend, houdende oproeping tegen een bepaalden regtdag, om op de laatste dingtalen voort te procederen. Tusschen de oproeping en den daarbij bepaalden regtdag moet, onver-

a) Bij Kon. Besl. van 29 April 1877 (Stb. no. 92) zijn enkele nadere bepalingen gemaakt ten opzichte van de inschrijving der advokaten bij de ontbonden regtbanken, alsmede de beëediging der prokureurs en deurwaarders van de ontbonden rechtbanken en kantongorccliteu.

-ocr page 158-

WET HOUDENDE BEPALINGEN

schillig waar de opgeroepenen wonen, een termijn van acht vrije dagen worden gelaten. (O. 54.)

18. De oproepingen of dagvaardingen, om voor de ontbonden regtbanken of kantongeregten te verschijnen, gelden van regtswege als oproeping of dagvaarding om te verschijnen voor de regtbanken of kantongeregten, naar welke de aanhangige zaken volgens de twee vorige artikelen worden overgebragt.

Houdt deze regtbank of dit kantongeregt op den bepaalden tijd geene zitting, bestemd voor de behandeling der soort van zaken, tot welke die, waartoe de oproeping of dagvaarding betrekking heeft, behoort, dan worden de oproeping of dagvaarding van regtswege geacht te zijn gedaan tegen de eerstvolgende voor de behandeling dier zaken bestemde zitting.

De comparitien, voor de presidenten der ontbonden regtbanken bepaald, worden op den bepaalden tijd gehouden voor de presidenten der regtbanken, naar welke de bij de ontbonden regtbanken aanhangige zaken worden overgebragt.

19. In de gevallen, waarin de wet de kennisneming van geschillen opdraagt aan den regter die een vonnis gewezen heeft, treden in de plaats der ontbonden regtbanken of kantongeregten die, naar welke de daarbij aanhangige zaken volgens deze wet worden overgebracht.

20. Het hooger beroep van vonnissen van ontbonden kantongeregten wordt gebragt voor het collegie, hetwelk bevoegd is in hooger beroep te oordeelen over de vonnissen, welke worden gewezen door het kantongeregt, waarnaar de zaak, indien zij nog bij den eersten regter aanhangig geweest ware, volgens deze wet zoude zijn overgebracht. (O. 57.)

21. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt bepaald, naar welke regtbank en naar welk kantongeregt de archieven der ontbonden regtbanken en kantongeregten, alsmede de gelden, geldswaardige papieren en andere zaken of stukken, ter griffie van laatstgemelde regtbanken en kantongeregten berustende, worden overgebragt. (Stb. 1877 n». 93.) a)

22. Bij de eerste benoeming van regterlijke ambtenaren vereischt tot de invoering van deze wet en van de wetten van dezelfde dagteekening, betreffende de inrichting en het regtsgebied der arrondissements-regtbanken en kantongeregten, blijft art. 52 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie buiten toepassing.

110

Totdat de wet van 28 April 1876 (Stb. n0. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, in werking treedt, wordt bij benoemingen tot betrekkingen, waartoe ingevolge

a) Bij Kon. Besl. van 29 April 1877 (Stb. no. !B),Lis overbrenging der archieven en stukken, waaronder ook de dubbelen der registers van den burgerlijken stand en de daarbij behoorende alphabetische tafels, alsmede de stukken, in de algemeene bewaarplaatsen der minuten en registers van notarissen bewaard, naar de grffien en bewaarplaatsen der nieuwe colleges, tot wier regtsgebied de gemeenten van het regtsgebied der ontbonden colleges behooren, gelast.

-ocr page 159-

OMTRENT HET PERSONEEL ENZ.

de artt. 35 en 48 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie vereischt is het bezit van den graad van doctor in de regtswetenschap, gevorderd het bezit van den graad van meester of licentiaat in de regten op eene der Rijks hoogescholen verkregen.

23. Deze wet treedt in werking op den loden Mei 1877. a)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9 A.pril 1877.

WET

van 20 Juli 1895 (Stb. n0. 133), tot wijziging der toetten

van 9 April 1877 (Stb. nos. 76 en 79) ten gevolge van de uitbreiding der gemeente Rotterdam, en regeling van de gevolgen daarvan.

Artikel 1.

In den staat, vastgesteld bij artikel 1 der wet van 9 ApriH877 (Stb. n0. 76), wordt de aanwijzing van het regtsgebied van het 2de arrondissement gelezen als volgt: {Zie art. 1 dier Wet blz. 88.)

2. In den staat, vastgesteld bij artikel 2 der wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 76), wordt de aanwijzing van het regtsgebied der nagenoemde kantongeregten gelezen als volgt: {Zie art. 2 dier wet blz. 89.)

3. In den staat, vastgesteld bij artikel 2 der wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 79), wordt onder «eerste klasse» in plaats van «Rotterdam (de 2 kantons)» gelezen «Rotterdam (de 3 kantons)».

4. De deurwaarders bij de kantongeregten Ridderkerk, Rotterdam n0. 1 en n0. 2, aangesteld vóór het in werking treden dezer wet, worden geacht tevens aangesteld te zijn bij het kantongeregt Rotterdam n0. 3.

De deurwaarders bij de kantongeregten Schoonhoven en Sliedrecht, aangesteld vóór het in werking treden dezer wet, worden geacht tevens aangesteld te zijn bij het kantongeregt Ridderkerk.

5. De notarissen, aangesteld vóór het in werking treden dezer wet, wier standplaats is gevestigd binnen het regtsgebied van de kantongeregten Ridderkerk en Schoonhoven, zijn bevoegd hunne bediening «it te oefenen in de arrondissementen Rotterdam en Dordrecht.

4U

6. Deze wet is niet van invloed op de bij haar in werking treden bij de arrondissements-regtbanken te Rotterdam en te Dordrecht en bij de kantongeregten Rotterdam n0. 2, Schiedam, Schoonhoven, Ridderkerk en Sliedrecht aanhangige zaken, noch op de reeds gedane dagvaardingen en oproepingen om voor die regtbanken of kantongeregten te verschijnen, noch op de reeds bepaalde comparitien voor

«) Bij Kon. Besl. van 29 April 1877 (Stb. no. 91) werd de beëediging cu installatie der nieuwe collegos geregeld.

-ocr page 160-

112 WET HOUDENDE BEPALINGEN ENZ.

den president van een der genoemde regtbanken te houden.

7. De ter griffie van de arrondissements-regtbank te Bord-recht berustende dubbelen der registers van den burgerlijken stand en de aldaar berustende registers van huwelijksaangiften en van huwelijksafkondigingingen, betreffende de gemeenten welke volgens artikel 2 tot het rechtsgebied van het kantongeregt Rotterdam n0. 3 behooren, worden over-gebragt ter griffie van de arrondissements-regtbank te Rotterdam.

De ter griffie van de arrondissements-rechtbank te Rotterdam berustende dubbelen der registers van den burgerlijken stand en de aldaar berustende registers van huwelijksaangiften en van huwelijksafkondigingen, betreffende de gemeente Krimpen aan de Lek, worden overgebracht ter griffie van de arrondissements-regtbank te Dordrecht.

8. Bij de eerste benoeming van een kantonregter van het kantongeregt te Rotterdam n0. 3 blijft artikel 52 der «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie» buiten toepassing.

9. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag. (Stb. 1895 n0. 163; 1 November 1895.)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven op liet Loo, 20 Juli 1895.

-ocr page 161-

BIJLAGEN

tot de

WET OP DE REGTERLIJKE ORGANISATIE.

WET

van 26 Mei 1841 (Slb. n0. 16). omtrent de reglerlijke organisatie van Zuid-Holland en Noord-Holland.

Wu WILLEM II, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens art. 1 en 2 der Grondwet, Zuid- en Noord-Holland twee afzonderlijke provinciën uitmaken;

Dat het mitsdien noodzakelijk is, om de regterlijke instellingen voor de provinciën Zuid-Holland en Noord-Holland in overeenstemming te brengen met de voorschreven bepalingen, in verband met art. 180 der Grondwet;

Zoo is het, enz.;

1—7. Deze wet is ingetrokken bij art. 15 der Wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204). Zie hieronder.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 26 Mei 1841.

W E T

van 26 Mei 1841 (Slb. n®. 17), omtrent de regterlijke organisatie in Limburg, a)

W E T

van 26 Mei 1841 (Stb. nquot;. 18), regelende sommige punten de dienst der justitie betreffende.

Wij WILLEM 11, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat, volgens artikel 1 en 2 der grondwet, het Hertogdom Limburg tot eene provincie is gevestigd, dat daardoor de werkzaamheden van het openbaar ministerie bij den Iloogen Raad eene niet onaanzienlijke vermeerdering zullen ondergaan, mitsgaders dat tevens bij deze gelegenheid voegzaam kan worden voorzien in de noodzakelijkheid van het vaststellen van wettelijke bepalingen voor de gevallen, dat de griffier en substi-tuut-griifier bij een regterlijk collegie verhinderd wordende dienst waar te nemen;

Zoo is het, enz.

a) Zie deze wet hierboven blz. 37.

8

-ocr page 162-

BIJLAGEN TOT DE WET OP DE

1. Vervallen.

2. De griffiers der arrondjssements-regtbanken zullen zich bij de instructie van strafzaken en tot bijwoning van com-paritien in burgerlijke- of handelszaken kunnen doen vervangen door eenen klerk ter griffie, daartoe op de voordragt van den griffier door de regtbank te benoemen en te be-ëedigen en den ouderdom van 23 jaren hebbende bereikt.

Wanneer in bijzondere gevallen de griffiers en substituut-griffiers bij den lloogen Raad, de Geregtshoven of de Arron-dissements-Regtbanken worden verhinderd de dienst op de openbare teregtzittingen of in de raadkamer waar te nemen, zullen zij vervangen worden door een der raadsheeren, regters of regters-plaatsvervangers, daartoe door den presi-sident van het coilegie te benoemen.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 26sten Mei 18il.

WET

van 29 Mei 1849 (Sbl. n0. 21), houdende bepalingen omtrent eene veranderde zamenstelling der Kamers van den Hoogen Raad en der provinciale geregtshoven, en met aanvulling van eenige vacatures. zoowel in laatstgenoemde regterlijke collegiën, als in de arrondissements-reglbanken. d)

WET

van 29 Junij 1854 (Stb. n0. 103), houdende uitbreiding van de regtsmagt der Kantonregtcrs in strafzaken, b)

WET

van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht.

Eenig artikel.

De artt. 72 en 108 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden ingetrokken.

De artt. 11, 12, 13 en 14 dier wet worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen: {zie art.\\\\—14 B. O.)

Gegeven te Montreux, den 4den Julij 1874.

«) Deze wet is ingetrokken bij de Wet van 10 November 1875 (Stb. no. 202). Zie die wet hieronder blz. 115.

b) Deze wet is ingetrokken bij art. i, 2o. der Invoeringswet. Zie art. 1 afgedrukt in noot a op K. O. 44.

114

-ocr page 163-

RECHTERLIJKE ORfiANfSATIE.

W E T

van 9 November 1875 (Stb. n®. liuO), tot intrekking van het laatste lid van art. 12 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, zooals het is gewijzigd bij de wet van 4 Juli 1874 (Stb. n». 90).

Eenig artikel.

Het laatste lid van art. 12 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, zooals het gewijzigd is bij de wet van den 4den Julij 1874 (Stb. n0. 90), wordt ingetrokken.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den November 1875.

WET

va7i 10 November 1875 (Stb. n0. 202), tot intrekking der wet van 29 Mei 1849 (Stb. no. 21), houdende bepalingen omtrent eene veranderde zamenstelling van den IJoogen Raad en der provinciale geregtshoven, enz.

WET

van 10 November 1875 (Stb. n0. 203), tot wijziging van art. 84 en van den slaat, behoorende tot art. 110 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

Wu WILLEM III, ENZ.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodzakelijk is art. 84 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie in overeenstemming te brengen met art. 163 [thans 166] der Grondwet en dat het wenschelijk is voorgekomen tevens den staat, behoorende tot art. 110 dier wet, te wijzigen:

Zoo is het. enz.

Artikel 1.

Art. 8i der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken en vervangen door de volgende bepaling: (Zie art. 84 R. O.)

2. De staat, behoorende tot art. 110 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, wordt gewijzigd als volgt: (Zie den staat hierboven blz. 78.)

3. Deze wet treedt in werking den Islen January 1876.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 10 November 1875.

115

-ocr page 164-

BIJLAGEN TOT DE WET OP DE

WET

van 10 November i875 (Stb. n0. 204), tot opheffing van

de ■provinciale gereyUhoven en instelling van nieuwe geregtshoven.

Artikel 1.

De artt. 60 en 61 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen; (Zie de artt. 60 enfilB.O.)

2. De staat, behoorende tot art. 61 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid dor justitie, wordt ingetrokken en vervangen door den volgenden: {Zie den staat hierboven Uz. 79.)

3. De artt. 62 en 63 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen : (Zie de artt. 62 en 63 B. O.)

4. De bepaling van nummer 1 van art. 65 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken.

De nummers 2 en 3 worden 1 en 2.

5. Het tweede lid van art. 9 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken.

6. Waar, hetzij in de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, hetzij in andere wetten of wettelijke verordeningen, de woorden: «provinciale geregtshoven,» «provinciale hoven» of «provinciaal geregtshof» voorkomen, worden in plaats daarvan gelezen: «geregtshoven,» «hoven» of «geregtshof.»

De werkzaamheden, opgedragen aan de provinciale geregtshoven, gaan over op de geregtshoven bij deze wet ingesteld, naar gelang van hun regtsgebied.

7. De provinciale geregtshoven zijn ontbonden.

8. De leden der ontbonden geregtshoven, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers en substituut-griffiers bij die hoven houden hunne volle wedden als wachtgeld, en wel:

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

2°. de anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene regterlijke betrekking of, krachtens Koninklijke ber.oeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onver-eenigbare, van Rijkswege bezoldigde betrekking zijn (geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art. 11, ook buiten hun verzoek kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hierbedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 11 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

9. De griffiers bij de ontbonden geregtshoven worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijk staande met

il6

-ocr page 165-

RECHTERLIJKE ORGANISATIE.

de som hunner bezoldiging, vermeerderd met hetgeen hunne emolumenten gemiddeld in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, boven de onkosten der griffie hebben bedragen.

10. De regterlijke ambtenaar in art. 8 bedoeld, die eene daar vermelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

11. De volgende betrekkingen bij de nieuw ingestelde geregtshoven kunnen aan de leden van, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers of substituut-griffiers bij de ontbonden provinciale geregtshoven, ook buiten hun verzoek, worden opgedragen;

aan de presidenten en vice-presidenten de betrekking van president of vice-president;

aan de raadsheeren, die van president, vice-president of raadsheer;

aan de prokureurs-generaal, die van prokureur-generaal, president of vice-president;

aan de advokaten-generaaal, behalve de reeds vermelde, ook die van advokaat-generaal;

aan de griffiers, die van president, vice-president, raadsheer of griffier;

aan de substituut-griffiers, behalve de in de laatste plaats vermelde, ook die van substituut-griffier.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het in art. 8 bedoelde wachtgeld geheel, indien het geregts-hof, waarbij de betrekking wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente, waar het ontbonden hof zijn zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien dit geregts-hof gevestigd is in eene andere gemeente.

12. De prokureurs bij de ontbonden provinciale geregtshoven worden geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe geregtshof, welks regtsgebied dat van het ontbonden provinciaal geregtshof omvat, waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij, die niet wonen ter plaatse waar het nieuwe geregtshof zijn zetel heeft, zijn niet verpligt hunne woonplaats derwaarts over te brengen, doch stellen aldaar eene ter grilfie bekend te maken woonplaats.

Openvallende plaatsen van builen den zetel van het geregtshof wonende prokureurs worden niet vervuld.

13. De deurwaarders bij de ontbonden geregtshoven worden geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe geregtshof te vestigen ter plaatse waar het ontbonden hof, waarbij zij hunne bediening uitoefenden, zijn zetel had, of, zoo daar geen nieuw geregtshof gevestigd wordt, bij dearrondissements-regtbank ter plaatse waar het ontbonden geregtshof gevestigd was.

Zij blijven, in het laatste geval, in het genot hunner volle wedde zoolang zij als deurwaarder bij de arrondissements-regtbank in functie zijn.

14. De op het tijdstip der invoering van deze wet bij de ontbonden provinciale geregtshoven aanhangige burgerlijke

117

-ocr page 166-

BIJLAGE TOT DE WET OP DE

en strafzaken worden bij het geregtshof, welks regtsgebied dat der ontbonden provincialé geregtshoven omvat, overge-bragt, wat de burgerlijke regtsgedingen betreft door de meest gereede partij bij exploit, aan de wederpartij of aan hare gekozen woonplaats beteekend, om op de laatste dingtalen te worden voortgezet. (O. 54, 55.)

15. De wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 16) en art. 1 der wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0. 17) worden ingetrokken.

16. Deze wet treedt in werking op den Isten Januarij 1876. a)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 10 November 1875.

WET

va?i 9 April 1877 (Stb. n0. 72), houdende wijziging van de artt. 10, li, 15, 16, 46, 48 e?i 52 der wet op de reglerlijke organisatie en het beleid der justitie en intrekking van art. 49 dier tvet.

Artikel 1.

Aan art. 10 R. O. wordt als laatste lid toegevoegd de volgende bepaling:

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

2. In art. 11 4°. h. R. O. worden de woorden; «eene vaste woonplaats», vervangen door: «een vast en voortdurend verblijf.»

3. Art. 15 R. O. wordt ingetrokken en vervangen dooide volgende bepaling: (zie art. 15 i?. O.)

4. In art. 16 R. O. worden de woorden: «deplaats waar zij hunne bediening uitoefenen», vervangen door: «de plaats van hun vast en voortdurend verblijf».

5. Art. 46 R. O. wordt ingetrokken en vervangen dooide volgende bepaling: (zie art. 46 B. O.)

6. In art. 48 R. O. worden de woorden: «den graad van meester of licentiaat in de regten bekomen hebben op eene van \'s Rijks hoogescholen», vervangen «op eene Rijks-of daarmede gelijkstaande Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetenschap hebben bekomen.»

118

7. Art. 49 R. O. wordt ingetrokken.

a) Bij Kou. Besluiten van 17 Deoeiuher 1875 (Stb. no. 245—247) werden verschillende overgangsbepalingen vastgesteld, betreffende de overbrenging der arehieven van de ontbonden Provinciale Gerechtshoven, alsmede van de gelden, geldswaardige papieren en andere zaken of stukken, ter Griffie bewaard, naar de nieuwe Gerechtshoven, elk voor zoover d:t het rechtsgebied der ontbonden Hoven bevatte; voorts de beëediging en de installatie der nieuwe Gerechtshoven geregeld, alsmede de nieuwe inschrijving der Advocaten en de overgang van de Procureurs en Deurwaarders naar de nieuwe Gerechtshoven.

-ocr page 167-

RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 119

Art. 52 dier wet wordt gelezen: (zie art. 52 R. O.) Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den April 1877.

WET

van 9 April 1877 (Stb. n0. 73), houdende wijziging van

de artikelen 3, 30 en 32 lot en met 37 der \'wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie en intrekking van art. 45 dier wet.

Artikel 1.

Art. 3 R. O. wordt ingetrokken en vervangen door de volgende bepaling: {zie art. 3 R. O.)

2. Art. 30 R. O. wordt ingetrokken en vervangen door de volgende bepaling: (zie art. 30 R. O.)

3. De artt. 32 tot en met 37 R. O. worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen: (zie art. SI—37 R. O.)

4. Art. 45 R. O. wordt ingetrokken.

5. De belooningen van de griffiers bij de kantongeregten blijven gelijk zij bij het in werking treden dezer wet zijn geregeld, totdat daarin nader is voorzien.

Totdat de wettelijke regeling, bedoeld in het tweede lid van art. 36 R. O., is tot stand gebragt, brengt de kanton-regter, die zich tot het doen van verrigtingen, waarvoor hij vroeger vacatieloon mogt berekenen, buiten zijne woonplaats anders dan naar de hoofdplaats van het kanton begeeft, voor reis- en verblijfkosten in rekening hel bedrag bij art. 2 der wet van 28 Augustus 1843 (Stb. 37) bepaald.

6. Deze wet treedt in werking op den 15den Mei 1877.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 9den April 1877.

W E T

van 26 April 1884 (Stb. n0. 92), houdende wijziij\'mgen in de «wet op de regterlijke organisatie en hel beleid der justitie.»

Wu WILLEM III, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bij de invoering van het «Wetboek van Strafrecht» eenige wijzigingen te brengen in de «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie»;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

In artikel 4 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt het woord «misdrijven» vervangen door «strafbare feiten.»

-ocr page 168-

BIJLAGE TOT DE-WET OP DE

2. Artikel quot;H n0. i van gemelde wet, zooals het is vastgesteld bij de wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 90), wordt gelezen:

4°. «wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld.»

3. In art. 40 van gemelde wet worden de woorden «mondelingen hoon» vervangen door «mondelinge belee-diging.»

4. Het eerste, tweede en derde lid van artikel 44 van gemelde wet worden vervangen door de navolgende bepalingen: (zie art. 44a en b B. O.)

5 Het eerste lid van art. 56 van gemelde wet wordt vervangen door do navolgende bepalingen: (zie art. 56 a en b R. O.)

6. Artikel 57 van gemelde wet wordt gelezen:

«Zij vonnissen in strafzaken met drie leden.»

7. Artikel 58, eerste lid, van gemelde wet wordt gelezen: (zie art. 58a R. O)

8- In art. 65 van gemelde wet, zooals het is vastgesteld bij art. 4 der wet van 10 November 1875 (Stb. nquot;. 204), vervalt het cijfer «1°.» en hetgeen onder 2l). bepaald wordt.

9. Artikel 67 van gemelde wet vervalt.

10. In artikel 68 van gemelde wet worden de woorden «correctionele zaken», vervangen door «strafzaken.»

11. In artikel 71 van gemelde wet vervallen de woorden: «67 en».

12. In de artikelen 73 en 169 van gemelde wet worden de woorden «de klagte» vervangen door «het beklag» en het woord «misdrijven» door «strafbare feiten.»

13. Artikel 92 van gemelde wet wordt vervangen door de navolgende bepalingen: (zie art. 92 R. O.)

14. Art. 93 van gemelde wet wordt gelezen: (zie art. 93 R. O.)

15. Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als het Wetboek van Strafrecht.

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven op Oranje-Nassau, den 26sten April 1884

W E T

van 23 Juli 1885 (Stb. n0. 155) tot aanvulling van de «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.))

Wu WILLEM III, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wen-schelijk is de bepalingen der «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie» omtrent de vervulling van plaatsen van raadsheer in de geregtshoven aan te vullen;

Zoo is het, enz.

1\'20

-ocr page 169-

RECHTERLIJKE ORG VNISATIE.

Eenig artikel.

Achter artikel 62 der «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie» wordt de volgende bepaling ingevoegd; (zie art. 63 R. O.)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven op het Loo, den 23sten Julij 4885.

WET

van 15 April 1886 (Stb. nu. 64), houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de Wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht, enz. a)

Artikel 8 tiveede lid.

In het tweede lid van art. 13 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden de woorden: \'reen bevel van dagvaarding in persoon», vervangen door: «regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding».

WET

van 22 Juni 1893 (Stb. n0. (J3), tot intrekking van art. 87 van de Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, en in verhand daarmede tot wijziging van eenige bepalingen der bestaande wetgeving.

Artikel 1.

Art. 87 van de Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken.

In art. 88 van gemelde wet vervalt het woord: «insgelijks.»

2. In nummer 1 van art. 4 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering vervallen de woorden: enz. {Zie art. 4 i?i\'.)

3. In het tweede lid van art. 6 van gemeld Wetboek wordt in plaats van: enz. (Zie art. 6 Rv.)

4. Aan de artt. 97 en 126 van gemeld Wetboek wordt enz. (Zie artt. 97 en 126 Rv.)

5. In nummer 2 van art. 250 van gemeld Wetboek vervallen enz. (Zie art. 250 Rv.)

OVERGANGSBEPALING.

121

De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toepassing op de op het tijdstip van het in werking treden

a) Zie de Invoeringswet in haar geheel achter Sr.

-ocr page 170-

bijlagen tot de wet 01» de

dezer wet bij den Hoogen Raad in eersten aanleg of in revisie aanhangige rechtsvorderingen tegen den Koning, de leden van het Koninklijk Huis of den Staat.

Gegeven te Arolsen, den 22sten Juni 1893.

BESLUIT

van 8 Maart 1879 (Stb. n0. 40), houdende bepalingen omtrent het bewaren der oude regterlijke archieven,

ivelke dagteekenen van voor de invoering der Fr arische wetgeving, gewijzigd bij Besluiten van 31 Augustus 1880 (Stb. n0.168), mn 9 October i 883 (Stb. n®. 141), 20 April 1889 (Stb. n0. 39), 29 December 1891 (Stb. n0. 246), 19 ylMgrwsiMS 1895 (Stb. nquot;. 150) en 31 December 1896 (Stb. n0. 267).

Wij WILLEM III, enz.

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en van Financien, van 24 Julij 1878, n0. 19, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, van den 25sten Julij 1878, n0. 71, 1ste afdeeling, en van den 29sten Julij 1878, nquot;. 51, Registratie;

Overwegende, dat het noodzakelijk is, bepalingen vast te stellen betrekkelijk verandering in liet bewaren der oude regterlijke archieven, welke dagteekenen van vóór de invoering der Fransche wetgeving, en thans berusten bij onderscheiden regterlijke collegien en onder hypotheekbewaarders:

Gelet op de Koninklijke besluiten van 8 Junij 1829 (Stb. li0. 47), van 17 December 1838 (Stb. n0. 40), van 17 December 1875 (Stb. n0. 245) en van 29 April 1877 (Stb. n®. 93);

Den Raad van State gehoord (advies van 17 September 1878, n0. 17);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en van Financien, van den Isten February 1879, lit. M, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, van den 6den February 1879, n0. 143, Iste afdeeling, en van den 15den daaraanvolgende, nquot;. 22, Registratie, en dat van 26 February 1879, n°. 27, afdeeling Kunsten en Wetenschappen, van 28 February 1879, n0. 117, 1ste afdeeling, en van 5 Maart 1879, nquot;. 44, Registratie,

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Artikel 1.

De oude rechterlijke archieven, welke dagteekenen van vóór de invoering der Fransche wetgeving, en thans nog bij de gerechtshoven, arrondissements-rechtbanken en kantongerechten bewaard worden, of nog bij de gemeentebesturen of hypotheekbewaarders berusten, worden overgebracht naar de bewaarplaats der Rijks-archieven te \'s-Gravenhage, of naar die, gevestigd in de hoofdplaats der onderscheidene

122

-ocr page 171-

RECHTERLIJKE ORGANISATIE.

provinciën, en onder bewaring gesteld van den Algemeenen Archivaris des Rijks of van de Rijks-archivarissen in de provinciën.

Naar welke van deze bewaarplaatsen iedere verzameling van oude rechterlijke archieven moet overgebracht worden, staat ter beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

2. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken isgemagtigd om, onder voorwaarden door hein te stellen, aan gemeenten, die een eigen gemeente-archivaris en doelmatige archieflokalen hebben, zoodanige gedeelten van de archieven in art. 1 van dit besluit bedoeld, welke op die gemeente betrekking hebben, tot wederopzeggens ter bewaring toe te vertrouwen of onder hare berusting te laten.

3. De overbrenging in art. 1 van dit besluit bedoeld, moet volvoerd zijn vóór 1 Januarij 1898.

Onze Ministers voornoemd zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, dal in het Staatsblad zal worden geplaatst en in afschrift gezonden aan den Raad van State.

\'s-Gravenhage, den 8 Maart 1879.

123

-ocr page 172-

EEGLEMENTEN

van

OPENBAAR BESTUUR,

TER VOLDOENING AAN ART. 19 DER WET OP DE BEGTERLIJKE ORGANISATIE.

BESLUIT

van 14 September 1838 (Stb. n0.36), waarbij worden vastgesteld vier Reglementen, in voldoening aan art. 19 der Wet op de zamensteüing van de Regterlijke magt en het beleid der justitie.

Wij WILLEM, enz.

Gezien art. 19 der Wet op de zamenstelling der Regterlijke magt en het beleid der justitie;

Gezien mede art. 2, litl. a en b, van Ons besluit van den lOden April dezes jaars (Stb. n0. 12); a)

Gelet op de ontwerpen van reglementen, ter voldoening aan het laatstgemeld artikel, door den Hoogen Raad der Nederlanden aan Ons ingediend;

Op het rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 3den dezer, n#. 35;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten;

Art. 1. De aan dit besluit gehechte reglementen:

I. Reglement, betreffende de wijze van eedsaflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de Hoven en Regtbanken;

II. Reglement, betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke Ambtenaren, alsmede het costuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders;

III. Reglement van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs;

IV. Reglement op de organisatie en de dienst der deurwaarders en verdere regtsbedienden;

worden bij deze door ons goedgekeurd en vastgesteld, en zullen mitsdien, te rekenen van den Isten October aanstaande, alom in alle zaken, waartoe dezelve betrekkelijk zijn, worden opgevolgd en nageleefd.

Art. 2. Wij behouden Ons voor om de opgemelde reglementen nader te wijzigen of te veranderen, in dier

a) Afgedrukt hierboven blz. 3i.

-ocr page 173-

HOOFDSTUK I, ART. 1.

voege als Ons, in vervolg van tijd, mogt blijken noodzakelijk te zijn.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit Besluit, hetwelk aan den Raad van State tot informatie medegedeeld en in het Staatsblad geplaatst zal worden.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 14den September des jaars 1838, van Onze Regering het vijf-en-twintigste.

REGLEMENT N0. I,

betreffende de wijze van Eeds-aflagging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de Hoven en Eegtbanken. a)

EERSTE HOOFDSTUK.

Algemeene bepalingen.

EERSTE AFDEELING.

Van de wijze van Eeds-aflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren.

Artikel 1.

De Eed (belofte), voorgeschreven bij art. 29 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, zal worden afgelegd als volgt;

Door de Kantonregters, hunne Plaatsvervangers, alsmede door de Griffiers en de Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kantongeregten, in handen der Regtbank van het arrondissement, waaronder dezelve behooren;

Door de Presidenten, Vice-Presidenten, Reglers, Regters-plaatsvervangers, Ambtenaren van het openbaar ministerie en GriKiers bij de Arrondissements-Regtbanken, in handen van het Geregtshof, binnen welks regtsgebied zij zijn gevestigd ;

Door de Presidenten. Vice-Presidenten. Raadsheeren, Ambtenaren van het openbaar ministerie en Griffiers der Ge-regtshoven in handen van den Hoogen Raad;

Door den President, de Raadsheeren, Ambtenaren van het openbaar ministerie en den Griffier, mitsgaders de Substituten-Griffiers van den Hoogen Raad, in handen van den Koning.

125

De Substituut-Griffiers der overige kollegien leggen den Eed af in handen van het kollegie, waartoe zij behooren.

a) Dit Reglement is gewijzigd bij de Koninklijke Besluiten van 29 April 1877 (Stb. no. 80), 11 Augustus 1870 (Stb. no. 150), 4 November 1884 (Stb. no. 221), 14 December 1886 (Stb. no. 200), 9Januaril888 (Stb, no. 2) en 11 October 18P5 (Stb. no. IfiR).

-ocr page 174-

126 REGLEMENT J.

Van het afleggen van den Eed in de opgemelde kollegien wordt eene behoorlijke akte opgemaakt.

Dit artikel is aldus qewijzigd vastgesteld bij art.

1 van het Besluit van 29 Aprü 1877 (Stb. no.90).

2. De Eed (belofte), welke in handen der regterlijke kollegien wordt afgelegd, wordt afgenomen, op requisitoir van het Openbaar Ministerie, op een regtsdag, voor behandeling van burgerlijke zaken bestemd.

3. Er wordt door den Griffier van den Hoogen Raad en van ieder Geregtshof en Arrondissernents-Regtbank een register gehouden, waarin worden ingeschreven de Koninklijke besluiten, bevattende de benoeming der Regterlijke Ambtenaren, die voor dezelve tot het afleggen van den Eed zijn toegelaten, benevens de akten van den in de kollegien respectivelyk afgelegtlen Eed.

Een uittreksel uit dat register, de akte van de door hem afgelegden Eed bevattende, wordt aan iederen Regterlijken Ambtenaar uitgereikt, tegen voldoening der daartoe bepaalde griffie-regten.

De Griffier van den Hoogen Raad zal bovendien nog een afzonderlijk register houden, waarin de benoeming der Regterlijke Ambtenaren in en bij dat kollegie zal worden ingeschreven.

é. De installatie der Regterlijke Ambtenaren in en bij de Kantongeregten geschiedt door de eenvoudige voorlezing op de teregtzitting der akte van den afgelegden Eed, door den griffier of door dengene, die deszelfs functien waarneemt.

De andere Regterlijke Ambtenaren worden geïnstalleerd in eene plegtige zitting van het kollegie, waarbij zij zijn benoemd, en door den President van hetzelve,\' of docr den-gene die hem vervangt, nadat de akte van den door hem afgelegden Eed door den Griffier zal zijn voorgelezen.

5. De wijze, waarop voor het eerst de afneming van den Eed der Regterlijke kollegien zal geschieden, wordt bij een afzonderlijk besluit bepaald.

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de afwezigheid en de vacant ie.

6. De leden der Regterlijke Magt, zich buiten den tijd van vacantie, en wanneer hunne dienst niet gevorderd wordt, langer dan acht dagen van de plaats, waar zij hunne bediening uitoefenen, willende verwijderen, hebben daartoe verlof noodig, te weten: de Vice-Presidenten, Raadsheeren, Reglers, Regters-Plaatsvervangers, Griffiers en Substituut-Griffiers, van den President van het kollegie waartoe zij behooren; de Advocaten-Generaal, van den Procureur-Generaal en de Substituut-Officieren, van den Officier van Justitie.

De Presidenten van de Arrondissements-Regtbanken vragen liet verlof van den President van het Geregtshof, binnen

-ocr page 175-

HOOFDSTUK I, ARTT. 2—12.

welks regtsgebieJ zij zijn gevestigd, en de Officieren van Justitie, van den Procureur-Generaal bij hetzelve.

Do Kantonregters en hunne Grifliers zich langer dan acht dagen uit hun kanton willende verwijderen, hebben verlof noodig van den President der Arrondissements-Reglbank, waaronder zij behooren.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kan-tongeregten, zich langer dan acht dagen willende verwijderen uit de kantons waar zij hunne bediening uitoefenen, hebben verlof noodig van den Officier van Justitie bij de Arrondis-sements-Regtbank, waaronder zij behooren. (R. O. 16c.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 1 en 2 van het besluit van 29 April 1877 (Stb. n0. 90).

7. Indien de afwezigheid langer dan eene maand moet duren, hebben alle voornoemde Regterlijke Ambtenaren, buiten de vacantie, daartoe het verlof noodig van den Minister van Justitie.

De Minister beschikt op het gedaan verzoek, na alvorens te hebben ingewonnen het berigt van den President en van den Procureur-Generaal of van den Officier van Justitie van het kollegie, waartoe de ambtenaar behoort. (R. 0.16.)

8. De Presidenten en de Procureurs-Generaal bij den Hoogen Raad en de Geregtshoven vragen voor elke afwezigheid van langer dan acht dagen, buiten de vacantie, verlof aan den Koning. (R. O. 16.)

9. Er wordt geen verlof verleend, dan in geval aan de dienst der Justitie, door de afwezigheid van den ambtenaar die het verlof verzoekt, geen nadeel wordt toegebragt. (R.0.16.)

10. Afwezigheid van meer dan acht dagen zonder het verlof in de vorige artikels vermeld, kan aanleiding geven tot de toepassing van art. 14 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, en zelfs tot die van art. 11 der evengemelde Wet. (R. O. 16 v.; R. 1, a. 6 v.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 3 van het besluit van 29 April 1877 (Stb. n0. 90).

11. Er bestaat bij ieder regterlijk collegie eene kamer van vacantie, welke belast is met de afdoening van spoed vereischende zaken en van strafzaken. (R. O. 17, 18.)

12 De kamer van vacantie is zamensteld, bij den Hoogen Raad uit den President of Vice-President en zeven Raads-heeren; bij de Geregtshoven uit den President of Vice-President en zes Raadsheeren; bij de Arrondissements-Regtbank te Amsterdam uit den President en een der Vice-Presidenten of uit twee der Vice-Presidenten en acht Regters; bij de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam uit den President of een der Vice-Presidenten en zes Regters; bij de Arrondissements-Regtbank te \'s-Gravenhage uit den President of Vice President en vier Regters; bij de overige Arrondissements-Regtbanken der eerste klasse uit den President of Vice-President en drie Regters; bij de Arrondissements-Regtbanken der tweede klasse uit den President of oudst benoemden Regter en twee Regters.

Bij iedere Kamer van vacantie behoort een Ambtenaar

127

-ocr page 176-

REGLEMENT I.

van het openbaar ministerie, alsmede een Grilfier of Substituut-Griffier; ook wordt, voor zooveel de Arrondissements-Regtbanken betreft, bij iedere Vacantie-Kamer een bepaald getal plaatsvervangers gevoegd.

Dit artikel, gewijzigd vastgesteld hij art. 4 van het Besluit van 29 April quot;1877 (Stb. n0. 90), is nader gewijzigd bij art. 1 van het Besluit van 14 December 1886 (Stb. n#. 200) en hij art. i van het Besluit van li October 1895 (Stb. n0. 168).

13. De zamenslelling der Kamer van vacantie geschiedt bij ieder kollegie telken jare uiterlijk eene maand vóór den aanvang der vacantie, in eene algemeene vergadering op eene voordragt daartoe door den President te doen, w aarbij moet worden in acht genomen, dat de leden van het kollegie, zooveel mogelijk, bij jaarlijksche beurtwisseling in de Vacantie-Kamer zitting hebben; moetende bij die verrigting tevens gezorgd worden, dat geen kollegie, door afwezigheid van leden tengevolge der vacantie, buiten staat gerake om in de zaken tot deszelfs kennisneming behoorende regt te spreken.

14. Het zal echter aan de leden van ieder kollegie vrij staan, om met elkander onderling, bij minnelijke schikking, te ruilen; doch met voorkennis van den President.

15. Te gelijk met de benoeming van de leden der Kamer van vacantie, worden, na verhoor van het Openbaar Ministerie, de dagen en uren bepaald, waarop dezelve hare gewone teregtzittingen zal houden, en worden deze dagen cjn uren door aanplakking aan het Geregtsgebouw, en des noods door afkondiging in een of meer dagbladen openlijk bekend gemaakt.

DERDE A F DEELING.

Van de afwisseling en orde van de inwendige dienst.

16. De rang van ouderdom van dienst der Regterlijke Ambtenaren, ieder in de betrekking, waarin hij geplaatst is, wordt geregeld naar den dag waarop het besluit hunner benoeming door den Koning is geteekend.

17. Wanneer meer Ambtenaren op denzelfden dag zijn benoemd, zullen zij gelijken rang van ouderdom hebben; doch zal, wanneer de benoeming van meer leden van hetzelfde kollegie bij een en hetzelfde besluit heeft plaats gehad, in de orde van zitting het lid voorgaan, wiens naam het eerst in het Koninklijk besluit voorkomt.

In geval van benoeming op denzelfden dag, doch bij verschillende besluiten, bepaalt de Koning de orde, waarin zij onderling zitting zullen nemen.

18. Er wordt in ieder kollegie door den Griffier eene lijst gehouden, waarop de leden geplaatst worden, naar hunne orde van zitting, en met vermelding van hunnen rang en ouderdom.

10. Wanneer een regterlijk kollegie uit meer Kamers

128

-ocr page 177-

HOOFDSTUK I, ARTT. 13 — 24,

is te zamen gesteld, heeft de President het regt om bij die Kamer voor te zitten, welke hij zal verkiezen. Hij kan echter ook in de andere Kamers voorzitten, wanneer hij zulks noodig oordeelt, en is verpligt om zulks minstens viermalen in het jaar te doen. In de andere Kamers wordt het voorzitterschap door eenen Vice-President waargenomen. (R. O. 7, 46, 61, 83, en de Staten.)

20. Wanneer het kollegie slechts uit ééne Kamer bestaat, kan het voorzitterschap voor de verschillende werkzaamheden door den President tusschen hem en den Vice-President zoodanig worden verdeeld, als hij in het belang van de dienst nuttig acht.

Wanneer de President bij eene teregtzitting het voorzitterschap waarneemt, kan de Vice-President bij dezelve als lid zitting nemen, en is zelfs daartoe verpligt, in gevalle het kollegie, ten gevolge van ontstentenis, afwezigheid of belet van leden, niet mogt in staat wezen, om zijne werkzaamheden te vervullen, en in het algemeen, wanneer het belang van de dienst zulks mogt vorderen.

21. De Voorzitter van iedere Kamer, wanneer het kollegie uit Kamers bestaat, wordt in de werkzaamheden, welke de zittingen van dezelve betrelïen, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, vervangen door den Piaadsheer of Regter, die hem in de orde van zitting in de Kamer opvolgt. (Rv. 61, 816, enz.)

Ten opzigte van alle andere werkzaamheden, gelden de bepalingen van art. 7 der Wet op de Regterlijke organisatie en het Beleid der Justitie.

22. Bij den Hoogen Raad, de Geregtshoven a) en de Arrondissements-Regtbanken, uit meer dan ééne Kamer bestaande, wordt jaarlijks, vóór den aanvang der vacantie, de zamenstelling der Kamers voor het volgende regterlijke jaar geregeld in eene algemeene vergadering, in welke een ontwerp der zamenstelling aan het kollegie voorgedragen wordt door den President, na ingenomene consideratien van den Procureur-Generaal of van den Officier van Justitie.

Deze zamenstelling geschiedt zoodanig, dat hierin jaarlijks eene gedeeltelijke afwisseling plaats grijpe, zoo dat ieder lid op zijne beurt de dienst in alle Kamers waarneemt.

Geen Raadsheer of Regter zal, tegen zijn wil, langer dan twee jaren bij dezelfde Kamer behoeven te blijven.

De eerste zamenstelling der Kamers zal op de vorenge-melde wijze, zoodra mogelijk, na de installatie der regterlijke kollegien bij het invoeren der nieuwe wetgeving bewerkstelligd worden.

23. Een lid in eene Kamer tot commissaris of rapporteur benoemd zijnde, en in eene andere Kamer overgaande, zal de hem opgedragene werkzaamheden in de Kamer, welke hij verlaten heeft, ten einde brengen. (Rv. 203.)

129

24. Wanneer tengevolge van ontstentenis, afwezigheid of belet van een of meer barer leden, eene Kamer niet mogt

a) Zoo schijnt thans, voor „/iet rrovinciaal Gereytshof van Holland,9\' gelezen te moeten worden. Zie beneden art. 89.

9

-ocr page 178-

REGLEMENT I.

in staat zijn om hare teregtzittingen te houden, zal het ontbrekende getal door den Voorzitter van het kollegie worden aangevuld uit eene andere Kamer, die op dat oogen-blik geene zitting houdt, of die al hare leden niet volstrekt benoodigd heeft.

25. Het zal aan ieder lid in eene Kamer geplaatst vrijstaan om, met voorkennis van den President, bij minnelijke schikking zich te doen vervangen door een lid van eene andere Kamer, mits de dienst van laatstgemelde Kamer daardoor niet lijde.

26. De Voorzitter van ieder kollegie heeft de bevoegdheid om in zaken van veel gewigt of van grooten omvang, een of meer Raadsheeren of Regters, boven het bij de wet bepaalde getal als bijzitters te benoemen. (R. O. 21, 50, 57, 70, 71, 100, 101, 102.)

Dezelve zullen bij de behandeling der zaak moeten tegenwoordig zijn, doch niet mede werken tot het wijzen van het arrest of vonnis, dan alleen ter vervanging van die Raadsheeren of Reuters, het gewone getal uitmakende, welke rnogten verhinderd worden daarin deel te nemen.

En zal van dit alles aanteekening worden gehouden op het audientie-blad. (R. I, a. 64.)

27. Ieder reglerlijk kollegie houdt wekelijks zoo vele zittingen, als de behandeling der zaken vereischt.

De dagen der gewone zittingen en het uur van den aanvang derzelve worden door ieder Geregtshof, Regtbank of Kantongeregt uiterlijk binnen drie maanden na derzelver installatie, bij een bijzonder reglement, naar gelang der omstandigheden bepaald, hetwelk aan den Minister van Justitie ter goedkeuring wordt onderworpen.

Hetzelve wordt, na door den Minister van Justitie te zijn goedgekeurd, bij aanplakking aan het Geregtsgebouw en door middel der dagbladen openlijk bekend gemaakt.

28. Voorloopig, en tot dat de in het vorig artikel vermelde reglementen zullen zijn goedgekeurd, worden de dagen en uren van de gewone zittingen door ieder Geregtshof, Regtbank of Kantongeregt, dadelijk na derzelver installatie geregeld, en bij aanplakking aan het Geregtsgebouw openlijk bekend gemaakt.

29. Behalve de gewone zullen er ook buitengewone zittingen kunnen gehouden worden, indien de drang der omstandigheden of het nut van de dienst dit zoude mogen vorderen.

De bepaling daarvan wordt opgedragen aan den President van het kollegie, of, indien hetzelve uit meer dan ééne Kamer bestaat, aan het lid van het kollegie, hetwelk het voorzitterschap bekleedt in de Kamer, bij welke de buitengewone zittingen gevorderd worden.

30. Er zullen algemeene vergaderingen kunnen gehouden worden, zoo dikwerf de President van het kollegie zulks nuttig oordeelt.

Bij dezelve moeten alle de leden zooveel mogelijk tegenwoordig zijn.

31. De duur der gewone zittingen wordt aan de regter-

130

-ocr page 179-

HOOFDSTUK I, /VRTT. 25—37.

lijke kollegien overgelaten; doch zal dezelve telkens niet korter mogen zijn dan van drie uren, in geval de behandeling der zaken dit vereischt.

De President draagt zorg, dat de zittingen stiptelijk op het bepaalde uur worden geopend; indien hij daartoe door afwezigheid, het zij van leden, het zij van den Ambtenaar van het openbaar ministerie, of van den Griffier, mogt buiten staat wezen, kan hij hiervan proces-verbaal opmaken en hetzelve opzenden aan het Ministerie van Justitie. De Ambtenaar van het openbaar ministerie heeft dezelfde bevoegdheid.

32. De tijd, voor de teregtzittingen bestemd, mag tot geene andere werkzaamheden worden besteed.

33. De Raadslieeren of Regters, welke met personele commission in het kollegie waartoe zij behooren, mogten belast zijn, zorgen, dat zij de daaruit voortvloeijende werkzaamheden op zoodanigen tijd verrigten, dat daardoor in de zittingen van het kollegie geene verhindering of vertraging worde veroorzaakt.

34. De commissarissen en rapporteurs, mitsgaders de leden der personele commission, worden in ieder kollegie door den President benoemd, ten ware de wet zulks anders had bepaald. Hij zal zorgen, dat de leden hierin elkander afwisselen, volgens een daarvan te maken rooster. (F. 14; Rv. 162, 200, 363; Sv. 240, 364, enz.)

35. Er wordt ter Griffie van den Hoogen Raad, alsmede van ieder Geregtshof en Arrondissements-Regtbank, een register of algemeene rol gehouden voor burgerlijke zaken, die van koophandel daaronder begrepen, waarop worden ingeschreven alle zakan in den rang waarin zij worden aan-gebragt, met de namen der partijen en van hare Procureurs. Aan iedere zaak wordt een afzonderlijk nummer gegeven; op deze rol wordt ook kortelijk aanteekening gehouden van al hetgeen in iedere zaak voorvalt. (Rv. 135 v.)

36. Indien het kollegie in meer Kamers, voor de zaken in het vorig artikel vermeld, verdeeld is, worden de zaken onmiddellijk aangebragt bij de Kamer, waarbij dezelve behooren, en er worden zoo vele rollen gehouden als ei-Kamers bestaan. (R. I, a. 22, 89.)

Indien meer Kamers met de behandeling van burgerlijke zaken zijn belast, worden de zaken aangebragt bij de Kamer, daartoe aan te wijzen bij het bij art. 90 bedoelde reglement van orde, en worden deze op den eersten dienenden dag door den President dier Kamer, voor zooverre de behandeling dien dag niet afloopt, verdeeld tusschen de verschillende Kamers met de behandeling van burgerlijke zaken .belast, op zoodanige wijze als het meest bevorderlijk is aan den geregelden gang van zaken.

Het vorige lid is niet van toepassing op de zaken waarin de wet dagvaarding op de eerstkomende teregtzitting voorschrijft.

De twee laatste alinea\'s^bijgeuoagd bij art\\2 van het Besluit van 14 December 1886 (Stb. n0. 200).

37. De Procureur van den eischer draagt zorg, dat de

131

-ocr page 180-

REGLEMENT I.

inschrijving op de rol plaats hebbe, niet later dan den dag vóór dat de zaak moet dienen, en in de zaken, waarin de dagvaarding op korte termijnen gedaan is, zoo spoedig mogelijk. (Rv. 135, 139.)

38. Ten dage dienende roept de Deurwaarder de zaken op, een voor een, in den rang barer plaatsing op de rol. — De Griffier zorgt, dat er voor iedere zitting een uittreksel uit de rol gereed zij, houdende vermelding der zaken, welke moeten worden opgeroepen (Rv. 135 v.)

39. Wanneer de zaken in staat zijn om te worden voorgedragen, zal zulks geschieden in den rang, waarin dezelve op de rol voorkomen; echter zal de Regter daarvan eene uitzondering maken voor de zaken die spoed vereischen, welke zonder rang van de rol worden voorgedragen; laatst-gemelde worden het eerst ops;eroepen. (Rv. 300.)

40. Indien eene zaak niet dadelijk op de eerste teregt-zitting wordt afgedaan, wordt de voortzetting of afdoening tot eenen naderen dag verschoven, en de Griffier draagt zorg, dat daarvan aanteekening worde gehouden; ook die zaken worden op den bepaalden dag in haren oorspronke-lijken rang opgeroepen. (Rv. 140 v. 143, 145.)

41. Wanneer men tegen een vonnis of arrest, bij verstek gewezen, in verzet komt, herneemt de zaak haren ouden rang op de rol, ten zij de Voorzitter een bepaalden dag stelle om op het verzet regt te doen. (Rv. 81.)

4-2. Wanneer op den dag, tot voortzetting van de zaak bepaald, de Praktizijns van beide partijen afwezig zijn, wordt de zaak op de rol doorgehaald. (Rv. 75 v.)

43. Er wordt bij ieder kollegie eene afzonderlijke rol gehouden voor de zaken, die voor den President in kort geding worden behandeld. (Rv. 289 v., 296.)

44. De Procureurs der partijen zijn verpligt om aan 1 de Griffiers ter hand te stellen een door hen geteekend afschrift der conclusien, welke zij hebben genomen, ten einde aan het audientie-blad te worden gehecht. (Rv. 140 v., 145; R. 1. a. 64.)

45. Vóór den aanvang der pleidooijen worden de met I reden omkleede conclusien door partijen voorgelezen. (Rv. 144, 145; R. IR, a. 21.)

46. Er wordt door den Griffier van ieder regterlijk kol- I legie eene rol gehouden der strafzaken, die bij hetzelve op de openbare teregt/itting moeten worden behandeld, zooveel mogelijk in denzelfden vorm als bij art. 35 van dit reglement is bepaald.

47. Wanneer de Regters eenparig oordeelen, dat eene I zaak tot genoegzame klaarheid is gebragt, zal de President de pleidooijen doen ophouden. (Rv. 45b.)

48. De President is belast met de handhaving der orde bij de teregtzittingen en vergaderingen. (Rv. 22 v.; Sv. 151,179.)

49. De vonnissen of arresten worden uitgesproken door | den President van het kollegie of van de Kamer, die het- ii zelve heeft gewezen. (R. I, a. 19 v.; Rv. 59; Sv. 22\'i; i R. O. 20.)

50. In alle strafzaken bepaalt de President, op het ver-

132

-ocr page 181-

HOOFDSTUK f, ARTT. 38—55.

zoek en de voordragt van het Openbaar Ministerie of der ambtenaren, vermeld in art. 141 n». 2 van het Wetboek van Strafvordering, in zaken, welke door deze moeten worden aanhangig gemaakt, den dag waarop dezelve ter openbare teregtzitting zullen worden behandeld.

Aldus gewijzigd vastgesteld bij Besluit van 9 Januari 1888 (Stb. n0. 2).

51. In zaken, waarin de stukken, volgens de wet, ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, bepaalt de President (voor zoo veel des noods) den tijd, gedurende welken zoowel de Raadsheeren of Regters, als de Ambtenaren van het openbaar ministerie en de Praktizijns der bescliul-digden of beklaagden, van de stukken in strafzaken inzage zullen kunnen nemen. (Sv. 123, 134 enz.; R. I, a. 62.)

VIERDE A F D E E L I N Ci.

Van het Openhaar Ministerie.

52. De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad waakt in hot bijzonder voor de handhaving en de uitvoering der wetten en reglementen bij den Hoogen Raad, bij al de Geregtshoven, Regtbanken en Kantongeregten in het Koningrijk. (G. 162; R. O. 4.)

53. De Procureurs-Generaal bij de Geregtshoven, de Ollicieren van Justitie bij de Regtbanken en de Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kantongeregten zijn verpligt de bevelen na te komen, die hun, naar aanleiding van art. 5 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, tot uitvoering van het vorig artikel door den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad in hunne ambtsbetrekking zullen gegeven worden. (R. O. 4, 5j R. I, a. 52.)

54. De Procureurs-Generaal bij de Geregtshoven zijn, ieder in de geheele uitgestrektheid van zijn ressort, belast met de uitoefening en het beleid der criminele justitie, en met eene gelijke zorg, als in art. 52 is bepaald, bij het Geregtshof en bij de daaronder ressorterende Arrondissements-Regtbanken en Kantongeregten: de Officieren van Justitie bij die Arrondissements-Regtbanken en de Ambtenaren van het openbaar ministerie bij die Kantongeregten oefenen hunne ambtspligten ten aanzien der criminele justitie uit onder het toezigt en de directie van den Procureur-Generaal hij het Geregtshof, en zijn voorts te zijnen aanzien aan gelijke verpligting als in het voorgaande artikel, onderworpen. (R. O. 4, 5; R. I, a. 52, 53.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 5 van het Besluit van 29 April 1877 (Stb. n0. 90).

55. Dezelfde bepalingen gelden ten aanzien van de officieren van Justitie in den omtrek van het regtsgebied der Arrondissements-Regtbanken, waarbij zij behooren. (R. O. 4, 5; R. I, a. 52, 53, 54.)

133

-ocr page 182-

REGLEMENT I.

56. De regtsbedienden zijn in het bijzonder aan liet toe-zigt der Ambtenaren van het openbaar ministerie onderworpen. (Rv. 25.)

57. De Procureurs Generaal bij den Hoogen Raad en bij de Geregtshoven verdeelen het werk tusschen zich en de Advokaten-Generaal, gelijk ieder hunner zulks in het belang der Justitie zal geraden oordeelen.

De Procureur-Generaal kan, zoo dikwerf hij zulks goedvindt, zelt de werkzaamheden verrigten, die hij bepaaldelijk aan eenen Advokaat-Generaal mogt hebben opgedragen.

Rij de plegtige teregtzittingen en algemeene vergaderingen van het kollegie, zullen de functien van het Openbaar Ministerie door den Procureur-Generaal in persoon worden waargenomen.

De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op de Officieren van Justitie ten opzigte van hunne Substituten.

58. De Advokaten-Generaal bij den Hoogen Raad en de Geregtshoven en de Substituut-officieren van Justitie bij de Regtbanken zijn ondergeschikt in hunne ambtsbetrekkingen aan het hoofd van het Parket waartoe zij behooren.

59. Het Openbaar Ministerie niet op den bepaalden dag zijne conclusien nemende, kan zulks slechts eenmaal worden uitgesteld. (Rv. 327.)

60. De leden van het Openbaar Ministerie zijn niet bevoegd om de raadplegingen der Regters of Raadsheeren in de Raadkamer, tot het opmaken van het vonnis of arrest, bij te wonen; zij worden echter bij alle raadplegingen geroepen, welke de orde en de inwendige dienst betreffen, en zij hebben het regt om op de registers van de Regtbank, van het Geregtshof of van den Hoogen Raad de requisitoiren ts doen inschrijven, die zij gepast oordeelen. (Rv. 59.)

VIJFDE AFDEELING.

Van de Griffiers en Substituut-Griffiers.

61. Duiten de werkzaamheden aan den Griffier bij de Wet opgedragen, zijn zij belast met het beheer der Griffie en met het bewaren der minuten, registers en stukken aan het kollegie, waarbij zij zijn aangesteld, behoorende, alsmede der gelden en van het geldswaarde hebbende papier en andere zaken en stukken, die ter griffie zijn overgebragt.

De verzamelingen van wetten en besluiten, alsmede de boekwerken ten gebruike van het kollegie, worden insgelijks door hen bewaard. (B. 188, \'1070, 1103; K. 23, enz.)

62. In zaken, waarin, volgens de wet, de stnkken ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, is de Griffier verpligt om aan de Ambtenaren van het openbaar ministerie binnen vier en twintig uren kennis te geven van de ontvangst ter griffie der processtukken in strafzaken. (Sv. 119 enz ; R. I, a. 51.)

63. Alleen de leden van het kollegie en de Ambtenaren

434

-ocr page 183-

HOOFDSTUK I, ARTT. 56-70.

van het openbaar ministerie bij hetzelve zijn bevoegd om de processtukken, ter griffie berustende, te hunnen huize te ontvangen, doch niet dan tegen behoorlijk regu.

Echter mogen de minuten, registers en stukken, aan het kollegie behoorende, alsmede de stukken van overtuiging, buiten de gevallen bij de wet bepaald, niet van de griffie worden verplaatst, dan ter inzage vtn het geheele kollegie, of, zoo het in Kamers verdeeld is, van een geheele Kamer, en niet van een bijzonder lid of ambtenaar.

64. De Griffier is verder belast met hel behoorlijk houden der rollen, alsmede der onderscheidene registers van het kollegie, en van het audientie-blad. (R. I, a. 35 v.; Rv. 60.)

65. Hij is verpligt om op de teregtzittingen van het begin tot het einde tegenwoordig te zijn, en aldaar de pen te voeren. (Rv. 24ö, 59 v.)

66. Hij is gehouden het kollegie of deszelfs bijzondere leden bij te staan in de gevallen, waarin de wet zulks ver-eischt; de expeditien der akten worden door hem met behoorlijken spoed uitgereikt. (Rv. 64.)

67. De leden van het kollegie ontvangen van hem de noodige kennisgeving der teregtzittingen en andere btjeen-komsten, waarbij zij moeten tegenwoordig wezen.

68. De griffier is verpligt de Griffie open te houden op de uren door het kollegie te bepalen, en althans gedurende ten minste zes uren eiken dag, de Zondag uitgezonderd. Op de dagen der teregtzittingen zal de griffie moeten geopend zijn ten minste één uur vóór den aanvang derzelven.

69. Bij ontstentenis, afwezigheid of belet van den Griffier, worden zijne ambtsbezigheden waargenomen door eenen Substituut-Griffier, volgens den rang van benoeming. (R. O. 33, 46, 61, 83, en de Staten.)

Art. 2 der Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n0.18), m/etozrfe sommige punten de dienst der justitie betreffende. De griffiers der Arrondissements-Regtbanken zullen zich bij de instructie \\an strafzaken en tot Lijwoning van comparitien in burgerlijke of handelszaken kunnen doen vervangen door eenen klerk ter griffie, daartoe op de voordragt van den griffier door de regtbank te benoemen en te beëedigen en den ouderdom van 23 jaren bereikt hebbende.

Wanneer in bijzondere gevallen de Griffiers en Substituut-Griffiers bij den Hoogen Raad, de Geregtshoven of de Arrondissements-Regtbanken worden verhinderd de dienst op de openbare teregtzittingen of in de raadkamer waar te nemen, zullen zij vervangen worden door een der Raadsheeren, Regters of Regters-plaats-vervangers, daartoe door den President van het kollegie te benoemen.

70. De Substituut-Griffiers zijn aan den Griffier in hunne ambtsbetrekking ondergeschikt.

De Griffier verdeelt het werk tusschen zich en de Substituut-Griffiers, gelijk hij zulks in het belang der Justitie geraden oordeelt.

Hij kan echter, zoo dikwerf hij dit goed vindt, zelf de

135

-ocr page 184-

REGLEMENT I.

werkzaamheden waarnemen, die hij bepaaldelijk aan eenen Substituut-Griffier heeft opgedragen.

Bij de plegtige teregtzittingen en algemeene vergaderingen van het kollogie, zal de Griffier in persoon tegenwoordig zijn. (R. I, a. 57.)

71. De Griffier stelt de noodige klerken aan voor de Griffie, onder goedkeuring van het kollegie, en ontslaat dezelve naar welgevallen. Niemand kan tot klerk worden benoemd, ten zij hij den ouderdom van 16 jaren heeft bereikt.

72. De klerken worden door hem onmiddellijk ontslagen en door andere vervangen, zoodra hij daartoe door het kollegie wordt aangemaand.

73. De klerken ter Griffie zijn tot geheimhouding verpligt, en leggen daartoe den eed of de belofte af in handen van den President van het kollegie. Zij mogen onder geen voorwendsel eenige giften of geschenken aannemen van hen, welke aldaar zaken te verrigten hebben, en zulks, noch voor het spoedig uitreiken van afschriften, noch om eenige andere redenen; wanneer zij zich hieraan schuldig maken, zullen zij onmiddellijk moeten worden ontslagen.

74 De Griffier en Substituut-Griffiers zullen zich met hetgeen hun bij de wetten en reglementen is toegekend tevreden houden; meer ontvangende, kan art. 11 der Wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der Justitie op hen van toepassing worden gemaakt, buiten en behalve de vervolging tot straf, zoo daartoe gronden zijn. (Sr. 366.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art.

6 van hel Besluit van 29 April 1877 (Stb. n0. 90).

75. De Griffier is persoonlijk aansprakelijk voor alle geldboeten, restitution, schade en onkosten, welke mogten voortvloeijen uit de onreglmatige daden, verzuimen en onnaauwkeurigheden van de door hem aangestelde klerken, behoudens zijn verhaal op hen, die zich daaraan mogten hebben schuldig gemaakt. (B. 1402, 1403.)

76. Ingetrokken bij art. 7 van het Besluit van April 1877 (Stb. n». 90).

HOOFDSTUK II.

Bijzondere bepalingen.

EERSTE AFDEELING.

Van den Hoogen Baad.

77. De Hooge Raad wordt verdeeld in twee Kamers, iedere Kamer te zamengesteld uit den President of Vice-President en zeven Raadsheeren, benevens den Procureur-Generaal of een Advocaat-Generaal en den Griffier of een Substituut-Griffier.

78. Eene der Kamers van den Hoogen Raad neemt kennis:

436

-ocr page 185-

HOOFDSTUK II, ARTT. 71—70.

1°. a. Van alle zaken vermeld in artt. (87), 89 en 91 der Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der Justitie;

b. Van alle jurisdictie-geschillen in burgerlijke regt-zaken, vermeld bij art. 88 derzelfde Wet;

c. Van de wraking of verschooning van een of meer haren leden, vermeld in de derde afdeeling van den eersten titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering;

d. Van de verwijzing naar een ander geregt, opgedragen aan den Hoogen Raad bij art. 273 van hetzelfde Wetboek;

e. Van den eisch tot cassatie in burgerlijke zaken, die van registratie- en successie-regten daaronder begrepen; (G. 165; R. O. 95 v.; Rv. 398 v.; Loi du 22 Frim. An Vil, a. 65; Succ w., a. 62.)

En eindelijk in het algemeen van alle burgerlijke zaken, welke door de wet aan den Hoogen Raad worden opgedragen. (B. 329, 474, enz.) 2°. Zij adviseert, op verzoeken om dispensatie, naar aanleiding van art. 68 [thans 69] der Grondwet.

3°. Zij beschikt op verzoeken om surséance van betaling, volgens art. 900 en volgende van het Wetboek van Koophandel, a)

4°. De requesten tot revisie, vermeld bij art. 90 der Wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der Justitie, mitsgaders bij den 8sten titel des eersten boeks van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, worden mede bij deze Kamer gebragt, aangevuld door zooveel leden uit de andere Kamer, als bij dien titel worden vereischt; er wordt van die zaken eene afzonderlijke rol gehouden In geval van revisie bekleedt steeds de President het voorzitterschap. (Rv. 359 v., 368; R. I, a, 35 v.)

79. De andere Kamer neemt kennis:

1°. a. Van alle jurisdictie-geschillen in strafzaken, vermeld bij art. 88 der Wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der Justitie;

h. Van de wraking of verschooning van een of meer harer leden, naar aanleiding van den 15den titel van het Wetboek van Strafvordering; (Sv. 321 v.)

c. Van de verzending der zaak naar eenen anderen regter, bij denzelfden titel aan den Hoogen Raad opgedragen; (Sv. 330 v.)

d. Van de herkenning van veroordeelden, die ont-vlugt en wederom achterhaald zijn, wanneer dezelve aan den Hoogen Raad is opgedragen, volgens den 9den titel van het gemelde Wetboek; (Sv.269 v.)

e. Van de opschorting of vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden, volgens den 18den titel van hetzelfde Wetboek ; (Sv. 375 v.)

o) Vervallen door intrekking van K. III bij I. F., in verband met F. 224 v.

137

-ocr page 186-

138 REGLEMENT I.

f. Van den eisch a) tot cassatie in strafzaken; (Sv.

346 v.)

En eindelijk in het algemeen van alle strafzaken, welke door de wet aan den Hoogen Raad zijn opgedragen. (R. O. 92, 98; R. I, a. 80.)

Bit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij Besluit van 9 Januari 1888 (Stb. n0. 2), Zie dal besluit hierachter, na Inv.

2°. Zij adviseert op verzoeken om gratie, naar aanleiding van art. C7 [thans 68] der Grondwet, met uitzondering der verzoeken om gratie van de straffe des doods, waarop het advies door den Hoogen Raad in eene algemeene vergadering wordt uitgebragt. (Stb 1870 n0. 162 j0. Inv. 3c.)

3°. Zij belast het onderzoek en de noodige vervolging, in de gevallen vermeld bij art. 109 der Wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der Justitie.

80. In de zaken vermeld bij artt 92 en 93 der even-gemelde Wet, zal de Kamer, bij het voorgaande artikel vermeld, een harer leden tot commissaris benoemen, en wordt de behandeling mede aan dezelfde Kamer opgedragen, met uitzondering van die op de openbare teregtzitting.

De behandeling der zaak op de openbare teregtzitting geschiedt door de andere Kamer, aangevuld door zooveel leden uit de eerstgenoemde Kamer, als daartoe zullen ver-eischt worden.

81. In de gevallen, waarin do wet geen bepaald getal leden voorschrijft, zit elke Kamer van den Hoogen Raad in oneffen getal, doch ten minsten met vijf leden, de Voorzitter daaronder begrepen.

82. De Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Geregtshoven en Regtbanken zijn verpligt aan den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad in tijds eenvoudige afschriften te doen toekomen van alle vonnissen of arresten, welke zij zouden\' vermeenen voor cassatie in het belang der wet vatbaar te zijn; zij laten deze afschriften met hunne bedenkingen vergezeld gaan

De Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kanton-geregten zijn in strafzaken tot hetzelfde verpligt. (R. O. 98, 99; Kiesw., a. 27; Stb. 1869 n0. 36, a. 3, zie bij de Regl. achter Rv.)

83. Extracten van alle vonnissen in strafzaken, vergezeld van eene staatswijze opgave van de zaken, waarin die gewezen zijn, volgens daarvan op te maken model, worden, wat de Kantongeregten aangaat, door de Ambtenaren van het openbaar ministerie bij dezelve gezonden aan den Officier bij de Arrondissements-Regtbank, waaronder zij behooren, die dezelve, mitsgaders gelijke extracten en staten, betreffende de vonnissen in strafzaken, gewezen door de F^eglbank waarbij hij fungeert, inzendt aan den Procureur-Generaal bij het Hof.

Alle deze extracten en staten, mitsgaders gelijke extracten

») De tekst van het Staatsblad heeft verkeerdelijk red.

-ocr page 187-

HOOFDSTUK II, ARTT. 80—89.

en staten ten opzigte der vonnissen door liet Geregtshof in strafzaken gewezen, worden door den Procureur-Generaal, op het einde van iedere maand, gezonden aan den Procureur-Generaal bij Hoogen Raad, die dezelve extracten, na daarvan het noodige gebruik te hebben gemaakt, terugzendt.

Wanneer tegen een der bedoelde vonnissen hooger beroep of cassatie is ingesteld, wordt daarvan geen extract gezonden, en in geval in dezelfde maand in verschillende zaken vonnissen zijn gewezen, die eensluider.d zijn, met uitzondering van namen, tijd en plaats, wordt slechts van één dier vonnissen een extract gezonden, terwijl van de overige, alsmede van het ingesteld hooger beroep of cassatie, melding gemaakt wordt op den staat.

Het laatste lid is aan dit art. toegevoegd bij art. i van het Besluit van 11 Augustus 1879 (Stb. n\'MSO).

84. De arresten van den Hoogen Raad in cassatie worden overgeschreven op de registers der regterlijke kollegien, welker vonnissen of arresten door den Hoogen Raad zijn vernietigd; van deze overschrijving zal op den kant der minuut van het vernietigde vonnis of arrest worden melding gemaakt.

De Ambtenaren van het openbaar ministerie zijn in het bijzonder belast met de zorg voor de uitvoering van dit artikel.

85. De verzoeken om dispensatie en gratie worden door den President van den Hoogen Haad onmiddellijk gesteld in handen van den Procureur-Generaal, ten einde daarop den Raad te dienen van berigt, consideratien en advies. (R. I, a. 78, 2», a. 79, 2».)

86. De Procureur-Generaal, na (zoo veel des noods) berigt te hebben ingewonnen bij den Ambtenaar van het openbaar ministerie meer bijzonder met de zaak bekend, legt zijn advies schriftelijk over bij de Kamer, waar de zaak behoort.

87. De President der Kamer benoemt een rapporteur, op wiens rapport zij haar met redenen omkleed advies aan den Koning uitbrengt.

Het advies wordt door den President der Kamer en den Griffier geteekend.

88. Iedere Kamer van den Hoogen Raad houdt wekelijks drie gewone teregtzittingen.

De dagen, waarop de zittingen worden gehouden, alsmede het uur van derzelver aanvang, worden door den Hoogen Raad bij een bijzonder reglement bepaald; hetzelve wordt door aanplakking aan het geregtsgebouw en door middel der dagbladen openlijk bekend gemaakt. (R. I, a. 27 v., 90 v.)

T W E E U E AFDEELING.

Van de Geregtshoven, Regtbanlien en Kaniongereyten.

89. De Geregtshoven en de Arrondissements-Regtbanken der eerste klasse, met uitzondering van de Regtbanken te

139

-ocr page 188-

■138 REGLEMENT I.

f. Van den eisch a) tot cassatie in strafzaken; (Sv.

346 v.)

En eindelijk in het algemeen van alle strafzaken, welke door de wet aan den Hoogen Raad zijn opgedragen. (R. O. 92, 93; R. I, a. 80.)

Dit artikel is, aldus geivijzigd, vastgesteld bij Besluit van 9 Januari 1888 (Slb. n0. 2). Zie dal besluit hier-achter, na Inv.

2°. Zij adviseert op verzoeken om gratie, naar aanleiding van art. G7 [thans 68] der Grondwet, met uitzondering der verzoeken om gratie van de straffe des doods, waarop het advies door den Hoogen Raad in eene algemeene vergadering wordt uitgebragt. (Slb 1870 n®. 162 j0. Inv. 3c\'.)

3°. Zij belast het onderzoek en de noodige vervolging, in de gevallen vermeld bij art. 109 der Wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der Justitie.

80. In de zaken vermeld bij artt 92 en 93 der even-gemelde Wet, zal de Kamer, bij het voorgaande artikel vermeld, een harer leden tot commissaris benoemen, en wordt de behandeling mede aan dezelfde Kamer opgedragen, met uitzondering van die op de openbare teregtzitting.

De behandeling der zaak op de openbare teregtzitting geschiedt door de andere Kamer, aangevuld door zooveel leden uit de eerstgenoemde Kamer, als daartoe zullen ver-eischt worden.

81. In de gevallen, waarin de wet geen bepaald getal leden voorschrijft, zit elke Kamer van den Hoogen Raad in oneffen getal, doch ten minsten met vijf leden, de Voorzitter daaronder begrepen.

82. De Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Geregtshoven en Regtbanken zijn verpligt aan den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad in tijds eenvoudige afschriften te doen toekomen van alle vonnissen of arresten, welke zij zouden vermeenen voor cassatie in het belang der wet vatbaar te zijn; zij laten deze afschriften met hunne bedenkingen vergezeld gaan

De Ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kanton-geregten zijn in strafzaken tot hetzelfde verpligt. (R. O. 98, 99; Kiesw., a. 27; Stb. 1869 n0. 36, a. 3, zie bij de Regl. achter Rv.)

83. Extracten van alle vonnissen in strafzaken, vergezeld van eene staatswijze opgave van de zaken, waarin die gewezen zijn, volgens daarvan op te maken model, worden, wat de Kantongeregten aangaat, door de Ambtenaren van het openbaar ministerie bij dezelve gezonden aan den Officier bij de Arrondissernents-Reglbank, waaronder zij bahooren, die dezelve, mitsgaders gelijke extracten en stalen, betreffende de vonnissen in strafzaken, gewezen door de Regtbank waarbij hij fungeert, inzendt aan den Procureur-Generaal bij het Hof.

Alle deze extracten en staten, mitsgaders gelijke extracten

«) De tekst van het Staatsblad heeft verkeerdelijk eed.

-ocr page 189-

HOOFDSTUK II, ARTT. 80—89.

en staten ten opzigte der vonnissen door liet Geregtshof in strafzaken gewezen, worden door den Procureur-Generaal, op het einde van iedere maand, gezonden aan den Procureur-Generaal bij Hoogen Raad, die dezelve extracten, na daarvan het noodige gebruik te hebben gemaakt, terugzendt.

Wanneer tegen een der bedoelde vonnissen hooger beroep of cassatie is ingesteld, wordt daarvan geen extract gezonden, en in geval in dezelfde maand in verschillende zaken vonnissen zijn gewezen, die eensluidend zijn, met uitzondering van namen, tijd en plaats, wordt slechts van één dier vonnissen een extract gezonden, terwijl van de overige, alsmede van het ingesteld hooger beroep of cassatie, melding gemaakt wordt op den staat.

Het laatste lid is aan dit art. toegevoegd hij art. 1 van het Besluit van H Augustus 1879 (Stb. no.150).

84. De arresten van den Hoogen Raad in cassatie worden overgeschreven op de registers der regterlijke kollegien, welker vonnissen of arresten door den Hoogen Raad zijn vernietigd; van deze overschrijving zal op den kant dei-minuut van het vernietigde vonnis of arrest worden melding gemaakt.

De Ambtenaren van het openbaar ministerie zijn in het bijzonder belast met de zorg voor de uitvoering van dit artikel.

85. De verzoeken om dispensatie en gratie worden door den President van den Hoogen Haad onmiddellijk gesteld in handen van den Procureur-Generaal, ten einde daarop den Raad te dienen van berigt, consideratien en advies. (R. I, a. 78, 2», a. 79, SM

86. De Procureur-Generaal, na (zoo voel des noods) berigt te hebben ingewonnen bij den Ambtenaar van het openbaar ministerie meer bijzonder met de zaak bekend, legt zijn advies schriftelijk over bij de Kamer, waar de zaak behoort.

87. De President der Kamer benoemt een rapporteur, op wiens rapport zij haar met redenen omkleed advies aan den Koning uitbrengt.

Het advies wordt door den President der Kamer en den Griffier geteekend.

88. Iedere Kamer van den Hoogen Raad houdt wekelijks drie gewone teregtzittingen.

De dagen, waarop de zittingen worden gehouden, alsmede het uur van derzelver aanvang, worden door den Hoogen Raad bij een bijzonder reglement bepaald; hetzelve wordt door aanplakking aan het geregtsgebouw en door middel der dagbladen openlijk bekend gemaakt. (R. I, a. 27 v., 90 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de Geregtshoven, Regtbanken en Kantongercgten.

89. De Geregtshoven en de Arrondissements-Regtbanken der eerste klasse, met uitzondering van de Regtbanken te

139

-ocr page 190-

REGLEMENT I.

Amsterdam en te Rotterdam, zijn verdeeld in twee Kamers.

Bij de Geregtshoven is iedere Kamer zarnengesteld uit den President of Vice-President en vier of vijf liaadsheeren, alsmede uit den Procureur-Generaal of een Advocaat-Generaal en den Griffier of een Substituut-Griffier.

De Arrondissements-Regtbank te Amsterdam is verdeeld in vijf Kamers namelijk:

de eerste Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en vier Regters;

de tweede Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en drie Regters;

de derde Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en vier a zes Regters;

■ de vierde Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en drie Regters;

de vijfde Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en twee of drie Regters.

Tot iedere Kamer behoort bovendien de Officier of een Substituut-Officier en de Griffier of een Substituut-Griffier.

De Arrondissements-Regtbank te Rotterdam is verdeeld in drie Kamers, iedere Kamer zamengesteld uit den President of een Vice-President en drie Regters, alsmede uil den Officier of een Substituut-Officier en den Griffier of een Substituut-Griffier.

Bij de Arrondissements-Regtbank te quot;s Gr\'avenhage is de eerste Kamer zamengesteld uit den President of Vice-President en vijf regters, alsmede uit den Officier of een Substituut-Officier en den Griffier of een Substituut-Griffier, en de tweede Kamer uit den President of Vice-Presidant en twee Regters, alsmede uit den Officier of een Substituut-Offcier en den Griffier of een Substituut-Griffier.

De Arrondissements Regtbanken der tweede klasse vormen slechts eene Kamer.

Bij elke Kamer van eene Arrondissements-Regtbank, als ook bij de Arrondissements-Regtbanken, die slechts uit ééne Kamer bestaan, wordt een bepaald getal plaatsvervangers gevoegd.

Dit artikel is geivijzigd vastgesteld bij art. 8 van het Besluit van \'29 April 1877 (Stb. n®. 90); nader gewijzigd hij art. 1 van het Besluit van 4 November 1884 (Stb. n». 221), art. 3 van het Besluit van 14 December 1886 (Stb. n0. 200) en art. 2 van het Besluit van 11 October 1895 (Stb. n0. 168). 90. De verdeeling van het werk onder de Kamers bij de kollegien, waar dezelve bestaan, alsmede alle andere beschikkingen, rakende de inwendige dienst, welke mogten worden noodig bevonden, en die, als van bijzondere omstandigheden afhankelijk, in het tegenwoordig Reglement niet zijn kunnen worden begrepen, worden door ieder Geregtshof, Regtbank of Kantongeregt vervat in een afzonderlijk reglement van orde, hetwelk, met het advies van den floogen Raad, aan \'s Konings goedkeuring moet worden onderworpen.

Hetzelve wordt, na door den Koning te zijn goedgekeurd,

140

-ocr page 191-

HOOFDSTUK U, AR TT. 90—2.

door aanplakking, alsmede door middel der dagbladen, openlijk bekend gemaakt. (R. I, a. 27 v., 88, 91.)

91. De ontwerpen dezer reglementen, welke in geen geval met de bepalingen in dit reglement vervat, mogen strijdig zijn, worden door ieder kollegie, hetwelk dezelve noodig acht, uiterlijk binnen drie maanden na zijne installatie aan den Hoogen Raad ingezonden.

Voorloopig, en totdat die reglementen door den Koning zijn goedgekeurd, wordt hierin door de kollegien zelve voorzien, op de wijze bij art. 28 bepaald.

REGLEMENT N0. II,

betreffende de titulature en het costuum der Regterlijke

Ambtenaren, alsmede het coatuum der Advocaten, Procureurs en Deurwaarders, a)

Artikel 1.

De regterlijke kollegien voeren de navolgende titels; do Hooge Raad:

dien van; Edele Hoog Achtbare Heeren.

de Geregtshoven ;

dien van: Edele Groot Achtbare Heeren.

de Arrondissements-Regtbanken, alsmede de Kan-tonregters;

dien van ; Edele Achtbare Heeren. (R. O. 19.)

2. Het costuum der regterlijke ambtenaren bij de openbare leregtzittingen, gelijk mede wanneer zij, hetzij en corps, het zij bij commission uit hun midden ten Hove verschijnen of ambtshalve openbare plegtigheden bijwonen, zal zijn als volgt:

Zwarte onderkleeding, een zwart bovenkleed of simare, gesloten met eenen breeden nederhangenden gordel, een zwarte tabbaard of toga met wijde mouwen, eene zwarte muts tot hoofddeksel, en eene nederhangende geplooide bef van wit batist, en zulks met de volgende onderscheidingen :

Voor den Hoogen Raad, de simare en gordel van zwarte zijde; de toga mede van zwarte zijde, met zwart fluweelen omslagen ; de muts van zwart fluweel met een hermelijnen boordsel.

Voor den President en den Procureur-Generaal, de omslagen van de toga geboord met hermelijn.

De mutsen van de Substituut-Griffiers, zonder hermelijnen boordsel.

Voor de Geregtshoven, de simare en gordel van zwarte zijde; de toga van zwart grein met omslagen van zwarte zijde; de muts van zwart fluweel.

141

Voor de Presidenten en de Procureurs-Generaal, de

a) Dit Reglement is gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 30 Mei 1877 (Stb. no. 142).

-ocr page 192-

REGLEMENT It.

fluweelen muts met een zwart zijden geborduurden rand; de muts van de Substituut-Griffiers van zwarte zijde.

Voor de Arrondissements-Regtbanken, de sitnare en tnga van zwart grein, de laatste met omslagen van zwarte zijde, de gordel en de muts mede van zwarte zijde.

Voor den President en den Officier van Justitie, de muts omzet met een fluweelen rand, en voor de Substituut-Griffiers, de muts van zwart grein.

Voor de Kantonregters, de Griffiers en de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongeregten, de simare, de toga en de muts van zwart grein; de gordel van zwarte zijde.

Alles volgens daarvan te maken modellen.

Het voorlaatste lid van dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij het Besluit van 30 Mei 1877 (Stb. n0. 142).

3. Individueel ten Hovo verschijnende of openbare plegtig-heden bijwonende, zullen zij het navolgende costuum kunnen dragen:

Zwarte gekleede lakensche rok met zwarte zijde gevoerd; zwarte onderkleeding; driekanten hoed met zwarte liggende pluimen en een oranje kokarde; degen met verguld gevest: — en zulks met de volgende onderscheidingen:

Voor den Hoogen Raad, de kraag op den rok, de opslagen, de tasschen der zakken en tusschen de zakken in het goud geborduurd met eiken- en oranjetakken, ter breedte van zes duimen; gele knoopen met \'s Rijks wapen.

Voor de Geregtshoven, de Arrondissements-Regtbanken, de Kantonregters en hunne Griffiers, hetzelfde borduursel, doch van zwarte zijde, zwart gewerkte knoopen; — bij üe eerstgemelde kollegien het borduursel ter breedte van zes duimen, en voor de Arrondissements-Regtbanken, ter breedte van vier duimen.

Voor de Kantonregters en hunne Griffiers, alleen de kraag en opslagen der mouwen geborduurd, ter breedte van vier duimen.

Het borduursel der Substituut-Griffiers zal hetzelfde zijn als dat der kollegien, waartoe zij behooren, doch slechts ter halve breedte.

Alles volgens daarvan te maken modellen, a)

a) Op den lOdeu September 1812 is door den toenmaligen Minister van Justitie de volgende circulaire aan de Procureurs-Generaal uitgevaardigd:

„Ik heb de eer UWEG-.bij deze te onderrigten, dat het Zijne Majesteit behaagd heeft, voor de Regterlijke Ambtenaren, individueel ten Hove verschijnende, het costuum goed te keuren, waarvan eene beschiijving hiernevens gaat, met bepaling echter, dat zij, bij hunne verschijning ten Hove, zich bij voortduring zullen kunnen blijven bedienen van het costuum, voorgeschreven bij art. 3 van het Reglement no. II, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 14 September 1838 (Stb. no. 36).

Ik neem deze gelegenheid waar UWEü. verder mede te dee\'en, dat van de teekening van voornoemd hofcostuum alsnu visie zal kunnen worden genomen zoo bij mijn departement, als bij den kleedermaker en lakeuvorkooper K r a n t z , iu do Spuistraat te \'s-Uravenhagc.

142

-ocr page 193-

ARTT. 3—5.

é. Het costnum der Advocaten en Procureurs op de teregt-zittingen en bij hunne eeds-adegging zal zijn als volgt:

Voor eerstgenoemden, eene zwarte onderkleeding, gesloten toga van zwart grein met wijde mouwen, eene muts van dezelfde stof en eene nederhangende bef van wit batist. Voor de Procureurs hetzelfde costuum, doch zonder bef. 5- De Deurwaarders zijn bij de teregtzittingen in het zwart gekleed; zij dragen bij dezelve, alsmede bij de uitoefening hunner andere arnbtsverrigtmgen, oin den hals een zilveren penning met \'s Rijks wapen, aan een oranje-lint.

REGLEMENT N0. III,

van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs.

EERSTE A F DEELING.

Van de Advocaten, de Raden van discipline en het Bureau van consultatie, a)

Artikel 1.

Ieder, die den graad van Doctor in de Regten of in de Regtswetenschap bezit, is bevoegd om te worden ingeschreven

Ik verzoek UWEG. om het vorenstaande wel te willen brengen ter kennisse van de heeren leden en griffiers van den Hove en verdere regteriijke Ambtenaren in uwe provincie.quot;

De Minister ran Justitie, {get.) van Hall.

BIJLAGE A.

Hofcostunm der Regteriijke Ambtenaren.

Zwart lakensche gekleede frak, met zwarte zijde gevoerd, volgens de suede van het costuum der leden van den Raad van State ; zwarte casimieren pantalon met galon belegd, ter breedte van vier Neder-landsche duimen; driekanten hoed met zwarte liggende pluimen en eene oranje kokarde; degen met verguld gevest, en zulks met do volgende onderscheidingen;

Voor den Hoogen Raad, de kraag op den rok, do opslagen, do tasschen der zakken en tusschen de zakken in het goud geborduurd met eiken- en oranje-takken, ter breedte van (i duimen en gele knoo-pen met \'s Rijks wapen.

Voor de Geregtshoven, de Arrondissements-Regtbanken, de Kan-tonregters en hunne Griffiers, hetzelfde borduursel, doch van zilver en witte knoopen met \'s Rijks wapen ; bij de eerstgemelde kolleglen het borduursel ter breedte van zes duimen, en voor de Arrondissements-Regtbanken ter breedte van vier duimen.

Voor de Kantonregters en hunne Griffiers alleen de kraag en opslagen der mouwen geborduurd, ter breedte van vier duimen.

Het borduursel der Substituut-Griffiers zal hetzelfde zijn als dat der kollegien, waartoe zij behooren, doch slechts ter halver breedte.

Alles volgens daarvan te maken modellen.

«) Dit Reglement is gewijzigd bij de Koninklijke Besluiten van 5 December 18U (Stb. no. Cl), 17 December 1875 (Stb. no. 107) enl Juni 1879 (Stb. no. 107).

143

-ocr page 194-

REGLEMENT III.

als Advocaat, tenzij art. 12 op hem mogt zijn toegepast. (Besl. van 2 Aug. 1815 n0. 14, a. 85; W. hooger onderw., a. 83, 2«.)

2. Zij, die den in art. 1 vereischten graad niet bezitten, doch op 1 Augustus 1879 met Onze bijzondere toestemming als Advocaat waren ingeschreven, behouden de bevoegdheid om als zoodanig te fungeren, tenzij art. 12 op hen mogt worden toegepast. (R. Ill, a. 2 (oud).)

De artt. 1 en 2, reeds gewijzigd hij art. 2 van het Besluit van 17 December 1875 (Stb. n®. 244), zijn, zooals zij hier staan afgedrukt, vastgesteld bij art. 1 en 2 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 1^7).

3. De Advocaten zijn verpligt hunne woonplaats te hebben binnen het arrondissement, waarin gevestigd is het regterlijk collegie waarbij zij zijn ingeschreven.

De Advocaten, die hun bestendig verblijf niet hebben in de plaats, waar het collegie, bij hetwelk zij zijn ingeschreven, gevestigd is, moeten ter griffie van dat collegie eene woonplaats in die plaats kiezen.

Bij gebreke van aan de voorschriften van dit artikel te voldoen, worden zij, na eene aanmaning daartoe, op requisitoir van het openbaai\' ministerie, van het tableau geschrapt.

4. § 1. De inschrijving der Advocaten geschiedt b;j de Arrondissements-Regtbank hunner woonplaats.

Te \'s-Gravenhage echter geschiedt zij uilsluitend bij den Hoogen Raad, en in de overige gemeenten, waar een Ge-regtshof gevestigd is, uitsluitend bij dat Geregtshof.

§ 2. Zoowel in burgerlijke als in strafzaken hebben de Advocaten, bij welk regterlijk collegie binnen het Koningrijk ook ingeschreven, de bevoegdheid om als zoodanig voor alle andere regterlijke collegien binnen het Rijk op te treden.

§ 3. In de gevailen, waarin een Advocaat zijn beroep nitoefent buiten het Arrondissement zijner woonplaats, kan van hem, vóór alle toelating, worden gevorderd de vertooning van zijne acte van beëediging, naar de voorschriften van art. 6 van dit reglement behoorlijk geviseerd.

§ 4. Ten laste eener wederpartij mogen in geen geval gebragt worden de kosten van verplaatsing en vacatie eens Advocaats buiten zijne woonplaats, ten gevolge der vorenstaande bepalingen ontstaan. (Rv. 56.)

De artikelen 3 en 4, reeds gewijzigd bij de artt. 1, 2 en 3 van het Besluit van 5 December 1844 (Stb. n0. 61), zijn, zooals zij hier staan afgedrukt, vastgesteld bij art 2 van het Besluit van 17 December 1875 (Stb. n». 244).

5. Zij worden beëedigd bij de collegien, waarbij zij verlangen te worden ingeschreven, op requisitoir van het Openbaar Ministerie, en leggen den navolgenden eed of belofte af:

«Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de regterlijke autoriteiten, en dat ik geene zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet geloove regtvaardig te zijn.» (Stb. 1891 n0. 125, zie chron. lijst.)

144

-ocr page 195-

AHTT. 5—9.

Art. 5 is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 2 van het Besluit van 17 December 1875 (Stb. n0. 244).

6. De Advocaten worden door den Griffier op het tableau gesteld, op vertoon hunner acte van beëediging, welke alsdan en daarna telken jare in de maand September door den Griffier kosteloos wordt geviseerd.

Zij, die verlangen niet langer op het tableau te staan, of eenige betrekking verkrijgen, waarmede het beroep van Advocaat onvereenigbaar is, of die hunne acte van beëediging niet binnen den tijd tot het viseren derzelve voorgeschreven, aan den Griffier tot dat einde ter hand stellen, worden, op hunne aangifte of op requisitoir van het Openbaar Ministerie, van het tableau geschrapt.

In die plaatsen, waar een Raad van toezigt en discipline bestaat, is de Griffier van het regterlijke coüegie, welke de inschrijving of de doorschrapping heeft gedaan, verpligt daarvan binnen acht dagen schriftelijk kennis te geven aan den deken der orde.

Gelijke kennisgeving binnen denzelfden termijn geschiedt daarenboven door den griffier bij den Hoogen Raad aan het Geregtshof en de Arrondissements-Regtbank te \'s-Gra-venhage, en door den Griffier bij elk Geregtshof in andere gemeenten aan de Arrondissements-Regtbank in die gemeente. (R. O, 8; R. Ill, a. 7, 9.)

Art. G, reeds vroeger gewijzigd bij het Besluit van 5 December 1844 (Stb. n0. 61), is laatstelijk aldus vastgesteld hij art. 3 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

7. Het beroep van Advocaat is vereenigbaar met dat van Procureur.

Art. 7, reeds vroeger gewijzigd bij hel Besluit van 5 December 1844 (Stb. n0. 61), is laatstelijk aldus vastgesteld bij art. 4 van het Besluit van 1 JunH879 (Stb. n». 107).

8. De Advocaten oefenen de practijk uil volgens de bevoegdheid en vereischten, bij de Wetboeken van Rurgerlijke Regtsvordering en Strafvordering gegeven en gevorderd, en overeenkomstig de quot;Wet op de Organisatie der Regterlijke magt. (Rv. 21 v., 58; Sv. 122, 132, 133, 150; R. O. 8.)

9. In elk arrondissement, waar meer dan veertien Advocaten zijn ingeschreven, wordt uit hen een Raad van toezigt en discipline gevormd, bestaande uit zes leden, waaronder de deken.

De leden van dezen Raad worden gekozen door eene alge-meene vergadering van de in het Arrondissement ingeschreven Advocaten.

De stemming geschiedt schriftelijk en voor elk lid afzonderlijk, in de eerste plaats voor den deken.

Jaarlijks treden twee leden volgens rooster af; zij zijn herkiesbaar.

Art. 9, reeds vroeger gewijzigd bij de arlt. 1 en 6 van het Besluit van 5 December 1844 (Stb. n0. 61), is laatstelijk aldus vastgesteld bij arl. 5 van hel Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. nquot;. 107).

145

10

-ocr page 196-

140 REGLEMENT III.

10. Daar, waar geene Raden van discipline zijn, oefent het Geregtshof of de Regtbank respectivelijk het toezigt en de discipline uit. (R. Ill, a. 9.)

11. De Raad van toezigt en discipline is belast met de zorg voor de eer van den stand der Advocaten.

Hij houdt toezigt over de handelingen der Advocaten als zoodanig.

Hij weert en beteugelt de inbreuken en misslagen, en zal tot dat einde, naar gelang der omstandigheden, kunnen opleggen de straffen van:

enkele waarschuwing,

berisping,

schorsing in de uitoefening van de praktijk, ten hoogste ■ gedurende een jaar,

alles echter niet dan na verhoor van den belanghebbende. of deze behoorlijk geroepen zijnde, en, bij oplegging der laatstgemelde straf, behoudens beklag aan het Geregtshof, en voor diegenen, welke bij den Hoogen Raad zijn ingeschreven, aan dien Raad.

Wanneer de Arrondissements-Reglbanken eene der voor-zeide straffen opleggen, wordt een beklag toegelaten aan het Geregtshof; is de straf opgelegd door het Geregtshof, aan den Hoogen Raad.

Van de straffen door den Hoogen Raad opgelegd, valt geen beklag.

Het onderzoek en de oplegging of uitspraak der straf geschieden door den burgerlijken regter in raadkamer.

Aan art. 11, aldus gewijzigd vastgesteld bij de artt. 1 en 7 va7i het Besluit van 5 December 1844 (Stb. r 0.61), en hij art. 2 van het Besluit van 17 December 1875 (Stb. n0. 244), is het laatste lid toegevoegd bij art. 6 va7i het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

12. Een Advocaat, die bereids tweemalen mogt zijn geschorst in de praktijk, zal, wederom in dezelfde straf vervallende, van de lijst worden geschrapt. (R. Ill, a. 11.)

13. In de residentie van den Hoogen Raad, en van elk Geregtshof, alsmede van elke Arrondissements-Regtbank wordt een Bureau van consultatie ingesteld, ten minste uit drie en ten hoogste uit vijf Advocaten bestaande, te benoemen door den Hoogen Raad. het Geregtshof of da Regtbank uit eene voordragt van twee personen voor elke vacature, opgemaakt door den Raad van discipline, waar er een bestaat.

Art. 13 is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 8 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

14. De Ilooge Raad, het Geregtshof ol\'de Regtbank regelt de aftreding; de aftredenden zijn op nieuw verkiesbaar.

15. Dit bureau vergadert in de residentie van den Hoogen Raad eens in iedere week; elders naar de behoeften, des noods om de veertien dagen of drie weken, alles gratis.

16. Deszelfs hoofddoel is om geregtelijken raad en bijstand te verschaffen aan behoeftigen, die geenen praktizijn hebben, voor zoover bij de 10de afdeeling van den 6den titel des derden Boeks van het Wetboek van Burgerlijke

-ocr page 197-

ARTT. 10—21.

Regtsvordering daarin niet is voorzien. (Rv. 856, 859, 864, 865, 867, 868, 869, 873, 874.)

17. Het bureau onderzoekt summier de zaken der zich lot hetzelve wendende of verwezene behoeftigen, en de zaken niet vooraf als ongegrond beschouwende, voegt het den behoeftige een Advocaat toe.

Art. 17, reeds vroeger gewijzigd hij de artt. 1 en

8 van het Besluit van 5 Becember 1844 (Stb. n0. 61), is laatstelijk aldus vastgesteld bij art. 8 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb n0. 107).

18. De Advocaat geroepen om een beschuldigde te verdedigen, mag zicb daaraan niet onttrekken, dan om redenen door den President van den Hoogen Raad, het Geregtshof of de Regtbank goedgekeurd. (Sv. 121, 132; R. Ill, a. 5.)

19. De deken zal den Raad van toezigt en discipline kunnen bijeenroepen, telkens wanneer hij zulks noodig oordeelt, doch zal tot zoodanige oproeping gehouden zijn, wanneer drie leden van dien Raad zulks schriftelijk gevraagd hebben.

Indien eene bijeenroeping der orde van de Advocaten door den Raad van toezigt en discipline of door ten minste zes leden der orde, die dit schriftelijk met opgave van redenen aanvragen, noodzakelijk wordt geoordeeld, geschiedt die bijeenroeping op last van den Deken.

Zoowel voor de vergaderingen van de orde der Advocaten als voor die van den Raad van toezigt en discipline kan een huishoudelijk reglement door de orde worden vastgesteld.

In alle vergaderingen, heizij van de orde van Advocaten, hetzij van den Raad van toezigt en discipline, bekleedt de Deken het voorzitterschap en heeft, bij het staken der stemmen, eene beslissende stem.

Art. 19, reeds vroeger gewijzigd bij de artt. 1 en

9 van het Besluit van 5 December 1844 (Stb. n0. 61), is laatstelijk aldus vastgesteld bij art. 19 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

20. In geval een Advocaat bij pleidooi of anderszins voor den regter zich oneerbiedig gedraagt, of zich vergeet in onbetamelijke uitdrukkingen Jegens de wet, den regter of ten aanzien van het openbaar gezag, of zich met blijkbaar doel van beleediging onbetamelijk uitlaat jegens partijen of getuigen, zal hij door den President worden gewaarschuwd of berispt, en op deszelfs voordragt dadelijk door het collegie voor eenen tijd in de uitoefening van zijn beroep voor de regterlijke collegien kunnen worden geschorst; alles onverminderd de bevoegdheid aan de regterlijke collegien toegekend ten aanzien der orde op de teregtzittingen. (Rv. 22; Sr. 185; Sv. 151; R. Ill, a. 10, 11, 12.)

21. De Advocaten pleiten staande, gekleed in het costuum, bij het bijzonder Reglement op dat onderwerp bepaald, des goedvindende met gedekten hoofde. (R. II, a. 4.)

147

-ocr page 198-

148

TWEEDE A F D E E I. 1 M G.

Van de Procureurs.

22. leder, die den graad van Doctor in de regten of in de regtswetenschap bezit, wordt op zijn verzoek toegelaten als Procureur, tenzij hij als zoodanig ware ontzet. (Besl. v. 2 Aug. !815 n0. 14, a. 85; W. hooger onderw., a. 83; R. Ill, a. 1, 2.) a)

23. Gelijktijdige toelating als Procureur bij meerdere regtscollegien geschiedt alleen bij die, welke gevestigd zijn in dezelfde gemeente.

De Procureur is verplicht in die gemeente of binnen den afstand van duizend meter daarbuiten zijn vast en voortdurend verblijf te hebben. Om bijzondere redenen kan hem, op zijn verzoek, eene andere gemeente in hetzelfde arrondissement tot vast en voortdurend verblijf door Ons worden aangewezen, mits in dat geval de kosten van verplaatsing naar de gemeente van den zetel van het regts-collegie niet ten laste der wederpartij gebragt worden.

Dit artikel is niet van toepassing op Procureurs, vallende in de bepalingen van art. 12 der wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204) en van art. 13 der wet van 9 April 1877 (Stb. nquot;. 80). (R. Ill, a. 3.) b)

it) Art. 17 van het Besluit van 1 Juni 1870 (Stb. no. 107). De bij het in werking treden van dit Ijeslnit fungerende Procureurs, bedoeld in art. 0 der Wet van 23 April 1879 (Stb. no. 75), worden door de Sriffiers Tan de collegien, waarbij zij fungeren, ambtshalve op het tableau gesteld naar de orde hunner benoeming.

Art. 9 der Wet van 23 April 1879 (Stb. no. 75). De Procureurs, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet [1 Augustus 1879] bij de verschillende regtscollegien in functie, zijn bevoegd bij die collegien te blijven fungeren als zoodanig en pleidooijen te houden in burgerlijke zaken.

Na het in werking treden dezer wet wordt niemand als procureur toegelaten, dan die den graad bezit van doctor in de regten of In de regtswetenschap.

h) Art. 12 der Wet van 10 November 1875 (Stb. no. 201). De Procureurs bij de ontbonden provinciale Geregtshoven worden geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe Geregtshof, welks regtsgebied dat van het ontbonden provinciaal Geregtshof omvat, waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij, die niet wonen ter plaatse waar het nieuwe Geregtshof zijn zetel heeft, zijn niet verpligt hunne woonplaats derwaarts over te brengen, doch stellen aldaar een ter griffie bekend te maken woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel van het Geregtshof wonende Procureurs worden niet vervuld.

Art. IS der Wet van 9 April 1877 (Stb. no. 80). De Procureurs bij de ontbonden Regtbanken worden geacht te zijn aangesteld bij de Kegt-bank of de Regtbanken, waartoe het gebied behoort van de ontbonden Regtbank bij welke zij hunne bediening uitoefenden.

Zij stellen bij elk der Regtbanken, waarbij zij geacht worden te zijn aangesteld, eene ter griffie aan te wijzen woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel der Regtbank wonende Procureurs worden niet vervuld. — Vg. het Besluit van 17 Decemher 1875 (Stb. no. 247).

-ocr page 199-

ARTT. W—31.

24. De Procureurs worden op requisitoir van het Openbaar Ministerie beêedigd, alvorens in functie te treden, en leggen denzelfden eed of belofte af als de Advocaten, met toevoeging aan het formulier van eedsaflegging van de woorden: «alsmede dat ik mijne pligten als Procureur getrouw zal vervullen.»

Zij, die bereids als Advocaat zijn beëedigd, leggen den volgenden eed (belofte) af:

«Ik zweer (beloof), dat ik mijne pligten als Procureur getrouw zal vervullen.»

De beëediging, welke tevens wordt aangemerkt als toelating, geschiedt uitsluitend: te\'s-Gravenhagebij den Hoogen Raad; in de gemeenten, waar een Geregtshof gevestigd is, bij dat Geregtshof, en elders bij de Arrondissements-Regtbank. (R. Ill, a. 5.)

25. De bepalingen van de artikelen 6, eerste en tweede lid, 12, 18, 20 en 21 zijn op de Procureurs van toepassing.

De artt. 22—25 zijn, aldus gewijzigd, vastgesteld hij de artt 10—13 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n». 107).

26. De Procureurs oefenen hunne functien uit overeenkomstig de Wet op de Organisatie der Regterlijke magt, de Wetboeken van Burgerlijke Regtsvordering en Strafvordering, en de orde door de Geregtshoven en Regtbanken, des noods, voor de inwendige dienst voor te schrijven. (R. O. 8; Rv. 21 v., 58, 96, 133, 137, 2G3 enz.; Sv. 121, 122, 132, 133, 150; R. 1, a. 27 v., 88, 90 v.)

27. Zij staan onder het toezigt en de discipline der col-legien, waarvoor zij fungeren. (R. Ill, a. 9 v.)

28. Zij zijn naarmate der misslagen, verzuimen of inbreuken, door hen begaan, onderworpen aan dezelfde straffen van waarschuwing, berisping of schorsing, als ten aanzien der Advocaten is bepaald, en bovendien aan de straf van ontzetting uit hun beroep, alles te onderzoeken, op te leggen of uit te spreken door den burgerlijken regter in raadkamer, en niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den belanghebbende.

Bij schorsing of ontzetting hebben zij gelijke bevoegdheid tot beklag als de Advocaten. (R. Ill, a. 11 v.)

Vit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 14 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. nquot;. 107).

29. Zij mogen, daartoe volgens dit Reglement geroepen of aangewezen, hunne dienst niet weigeren. (R. Ill, a, 18, 24.)

30. Zij zijn gehouden in persoon, of, in geval van afwezigheid of belet, door eenen anderen Procureur vertegenwoordigd, zich in hun costuum op de teregtzittingen te laten vinden, wanneer hunne zaken worden opgeroepen, zij zullen verder in de zaken, aan hen opgedragen, aanwezig moeten zijn bij al die handelingen, waarbij de wet hunne tegenwoordigheid vereischt. (R. II, a. 4; R. I, a. 38, 45; Rv. 19, 456, 137 v., 174, 327, 859 enz.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 15 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. nquot;. 107).

31. De Procureurs, die hun bestendig verblijf niet mogten

149

-ocr page 200-

REGLEMENT IV.

het beteekenen van al die akten, welke van Procureur aan Procureur, bij liet collegie postulerende, geschieden. (Rv. 136a, 160, enz.)

BESLUIT van den 26sten January 1876 (Stb. n0. 34), tot aanvulling van het Reglement op de organisatie en de diëtist der deurwaarders en verdere regtsbedienden, goedgekeurd hij Koninklijk besluit van den 1 Uen September 1838 (Staatsblad n0. 36).

Wu WILLEM III, ENZ.

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van den 4den Januarij 1876, 2de afdeeling a, n0. 185;

Overwegende, dat het bepaalde bij art. 12, tweede lid, der wet van 10 November 1875, tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe geregts-hoven (Stb. n0. 204), eene aanvulling wenschelijk maakt van het Reglement op de organisatie en de dienst der deurwaarders en verdere regtsbedienden, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van den 14den September 1838 (Stb. nquot;. 36);

Den Raad van State gehoord (advies van den 18den Januarij 1876, n0. lü);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 24sten Januarij 1876, 2de afdeeling a, n». 177;

Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eenig artikel.

Uit de Deurwaarders bij de ontbonden provinciale geregtshoven, die volgens artikel 13 der wet van 10 November 1875 (Stb. n®. 204), worden geacht te zijn aangesteld bij de Arrondissements-Regtbank ter plaatse waar een ontbonden Geregtshof gevestigd was, wordt door het geregts-hof, tot welks ressort zoodanige Regtbank behoort, een deurwaarder aangewezen, met \'s Hofs eersten Deurwaarder bevoegd tot het beteekenen van al die akten, welke van procureur tot procureur, bij het Hof postulerende, geschieden in regtsgedingen daarbij aanhangig, doch uitsluitend in het arrondissement waar hij zijne woonplaats heeft.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst, en in werking zal treden den vijfden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant, waarin het zal geplaatst zijn.

\'s-Gravenhage, den 26sten Januarij 1876.

8. De Deurwaarders van den Hoogen Raad mogen alle exploiten doen in het ressort der Arrondissements-Regtbank te \'s-Gravenhage. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad te beteekenen, en

15\'2

-ocr page 201-

153

tot executie van dezelve te instrumenteren door het ge-heele Rijk.

Die van de Geregtshoven mogen alle exploifen doen binnen het ressort der Arrondissements-Regtbank, waar de zetel van het Geregtshof gevestigd is. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad te be-teekenen en tot executie van dezelve te instrumenteren, ieder in het ressort van het Geregtsiof, waarbij hij is aangesteld.

Die van de Arrondissements-Regtbanken mogen in strafzaken de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad en van alle Geregtshoven, Regtbanken en Kantongeregten beteekenen, en tot executie van dezelve instrumenteren, en alle andere exploiten doen, doch alleen binnen de uitgestrektheid van het Arrondissement der Regtbank, waarbij zij behooren.

Deurwaarders uitsluitend van een Kantongeregt mogen alle exploiten doen in het Regtsgebied van hunnen Kanton-regter. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad en van al de Geregtshoven, Regtbanken en Kantongeregten, te beteekenen, en tot executie van dezelve te instrumenteren, doch alleen in het ressort van het Kantongeregt, waarbij zij behooren.

Dienonverminderd zijn alle Deurwaarders zonder onderscheid bevoegd tot het beteekenen van alle arresten, vonnissen of bevelschriften, en om tot de executie van dezelve te instrumenteren, wanneer zij daarbij tot die beteekening of ter uitvoerlegging door den regter speciaal zijn gecommitteerd ; met dien verstande, dat de beteekening of executie plaats hebbe in het ressort van het Geregtshof, de Regtbank of het Kantongeregt, alwaar zij tot het doen hunner exploiten in het algemeen bevoegd zijn.

9. De Deurwaarders zullen hunne woonplaats moeten houden, indien bij hunne aanstelling geene bepaalde residentie is aangewezen:

die van den Hoogen Raad, te \'s-Gravenhage;

die van de Geregtshoven, in de steden, waar de zetels dezer Hoven zijn gevestigd;

die van de Arrondissements-Regtbanken, mede in de plaatsen, waar de Regtbanken gevestigd zijn, en

die van de Kantongeregten, in de hoofdplaats van het kanton, en anders respectivelyk in de bij hunne aanstelling bepaaldelijk aangewezene residentie.

10. Geen Deurwaarder vermag te weigeren, des verzocht, eenig exploit te doen, maar is verpligt zijn ministerie te leenen ten allen tijde, als hetzelve wordt ingeroepen. (Rv. 434.)

In geval hij vermeenen mogt dit te kunnen weigeren, zal hij van die weigering onmiddellijk kennis geven aan den Voorzitter van het collegie, en bij een Kantongeregt aan den Kantonregter, blijvende niettemin voor die weigering in allen opzigte jegens de partijen verantwoordelijk. (Rv. 16.)

11. De Deurwaarders zijn verpligt in de berekening hunner verdiensten en uitschotten zich te gedragen naar

-ocr page 202-

148

TWEEDE A F D E E L 1 N G.

Van de Procureurs.

22. leder, die den graad van Doctor in de regten of in de regtswetenschap bezit, wordt op zijn verzoek toegelaten als Procureur, tenzij hij als zoodanig ware ontzet. (Besl. v. 2 Aug. 1815 n0. 14, a. 85; W. hooger onderw., a. 83; R. Ill, a. 1, 2.) a)

23. Gelijktijdige toelating als Procureur bij meerdere regtscollegien geschiedt alleen bij die, welke gevestigd zijii \'in dezelfde gemeente.

De Procureur is verplicht in die gemeente of binnen den afstand van duizend meter daarbuiten zijn vast en voortdurend verblijf te hebben. Om bijzondere redenen kan hem, op zijn verzoek, eene andere gemeente in hetzelfde arrondissement tot vast en voortdurend verblijf door Ons worden aangewezen, mits in dat geval de kosten van verplaatsing naar de gemeente van den zetel van het regts-collegie niet ten laste der wederpartij gebragt worde».

Dit artikel is niet van toepassing op Procureurs, vallende in de bepalingen van art. 12 der wet van 10 November 1875 (Stb. ii0. 204) en van art. 13 der wet van 9 April 1877 (Stb. nD. 80). (R. Ill, a, 3.) b)

u) Art. 17 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. no. 107). De bij het in werking treden van dit besluit fungerende Procureurs, bedoeld in art. 9 der Wet van 23 April 1879 (Stb. no. 75), worden door de Griffiers van de collegien, waarbij zij fungeren, ambtshalve op het tableau gesteld naar de orde hunner benoeming.

Art. 9 der Wet van 23 April 187Ü (Stb. no. 75). De Procureurs, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet [1 Augustus 1879] bij de verschillende regtscollegien in functie, zijn bevoegd oij die collegien te blijven fungeren als zoodanig en pleidooijen te houden in burgerlijke zaken.

Ka het in werking treden dezer wet wordt niemand als procureur toegelaten, dan die den graad bezit van doctor in de regten of in de regtswetenschap,

b) Art. 12 der Wet van 10 Xovember 1875 (Stb. no. 201). De Procureurs bij de ontbonden provinciale Geregtshoven worden geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe Geregtshof, welks regtsgebied dat van het ontbonden provinciaal Geregtshof omvat, waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij, die niet wonen ter plaatse waar het nieuwe Geregtshof zijn zetel heeft, zijn niet verpligt hunne woonplaats derwaarts over te brengen, docli stellen aldaar een ter griffie bekend te maken woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel van het Geregtshof wonende Procureurs worden niet vervuld.

Art. 13 der Wet van 9 April 1877 (Stb. no. 80). De Procureurs bij de ontbonden Regtbanken worden geacht te zijn aangesteld bij de Regt-bank of de Regtbanken, waartoe het gebied behoort van de ontbonden Regtbank bij welke zij hunne bediening uitoefenden.

Zij stellen bij elk der Regtbanken, waarbij zij geacht worden te zijn aangesteld, eene ter griffie aan te wijzen woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel der Regtbank wonende Procureurs worden niet vervuld. — Vg. het Besluit van 17 December 1875 (Stb. no. 247).

-ocr page 203-

ARTT. 22—31.

24. De Procureurs worden op requisitoir van het Openbaar Ministerie beëedigd, alvorens in functie te treden, en leggen denzelfden eed of belofte af als de Advocaten, met toevoeging aan het formulier van eedsaflegging van de woorden: «alsmede dat ik mijne pligten als Procureur getrouw zal vervullen.»

Zij, die bereids als Advocaat zijn beëedigd, leggen den volgenden eed (belofte) af:

«Ik zweer (beloof), dat ik mijne pligten als Procureur getrouw zal vervullen.»

De beëediging, welke tevens wordt aangemerkt als toelating, geschiedt uitsluitend: te \'s-Gravenhage bij den Hoogen Raad; in de gemeenten, waar een Geregtshof gevestigd is, bij dat Geregtshof, en elders bij de A-rrondissements-Regtbank. (R. Ill, a. 5.)

25. De bepalingen van de artikelen 6, eerste en tweede lid, 12, 18, 20 en 21 zijn op de Procureurs van toepassing.

De artt. 22—25 zijn, aldus geivijzigd, vastgesteld bij de artt 10—18 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n». 107).

26. De Procureurs oefenen hunne functien uit overeenkomstig de Wet op de Organisatie der Regterlijke magt, de quot;Wetboeken van Burgerlijke Regtsvordering en Strafvordering, en de orde door de Geregtshoven en Regtbanken, des noods, voor de inwendige dienst voor te schrijven. (R. O. 8; Rv. 21 v., 58, 96, 133, 137, 263 enz.; Sv. 121, 122, 132, 133, 150; R. I, a. 27 v., 88, 90 v.)

27. Zij staan onder het toezigt en de discipline der col-legien, waarvoor zij fungeren. (R. JIJ, a. 9 v.)

28. Zij zijn naarmate der misslagen, verzuimen of inbreuken, door hen begaan, onderworpen aan dezelfde straffen van waarschuwing, berisping of schorsing, als ten aanzien der Advocaten is bepaald, en bovendien aan de straf van ontzetting uit hun beroep, alles te onderzoeken, op te leggen of uit te spreken door den burgerlijken regter in raadkamer, en niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den belanghebbende.

Bij schorsing of ontzetting hebben zij gelijke bevoegdheid tot beklag als de Advocaten. (R. Ill, a. 11 v.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 14 van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

29. Zij mogen, daartoe volgens dit Reglement geroepen of aangewezen, hunne dienst niet weigeren. (R. Ill, a, 18, 24.)

30. Zij zijn gehouden in persoon, of, in geval van afwezigheid of belet, door eenen anderen Procureur vertegenwoordigd, zich in hun costuum op de teregtzittingen te laten vinden, wanneer hunne zaken worden opgeroepen, zij zullen verder in de zaken, aan hen opgedragen, aanwezig moeten zijn bij al die handelingen, waarbij de wet hunne tegenwoordigheid vereischt. (R. II, a. 4; R. I, a. 38, 45; Rv. 19, 45amp;, 137 v., 174, 327, 859 enz.)

Dit artikel is, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. iö van het Besluit van 1 Juni 1879 (Stb. n0. 107).

31. De Procureurs, die hun bestendig verblijf niet mogten

149

-ocr page 204-

REGLEMENT III EN IV.

hebben in de plaats, waar het collegie, bij hetwelk zij fungeren, gevestigd is, moeten ter griffie een domicilie in die plaats aanwijzen, alwaar de befeekeningen aan hen kunnen geschieden. (R. Ill, a. 23.)

EEGrLEMENT N0. IV,

op de organisatie en de diensi der Deurwaarders en verdere regtsbedienden.

Artikel 1.

De Deurwaarders, onderscheiden in eerste en gewone Deurwaarders, zijn, behoudens de beperking hierna in art. 7 voorkomende, ieder in zijn ressort gelijkelijk bevoegd en gehouden tot het doen van alle geregtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en verdere exploiten, hetzij die met een werkelijk aanhangig regtsgeding al of niet in verband staan; tot het doen van alle dagvaardingen, insinuatien en beteekeningen, tot regtsingang of de instructie van burgerlijke gedingen of strafzaken behoorende, en tot he\'t doen van alle exploiten, tot de uitvoering van alle regterlijke bevelen, vonnissen en arresten, hetzij in burgerlijke of in strafzaken, behoorende of daartoe vereischt wordende. (Rv. 1, 13, 166, 430, 439, 502 enz.; Sv. 7, 144 enz.)

2. Zij worden aangesteld:

die van den Hoogen Raad en de Geregtshoven, door den Koning, op voordragt van den Hoogen Raad en van dezelve Geregtshoven, respectivelijk, in te zenden aan den Minister van Justitie;

die van de Arrondissements-Regtbanken, door het Geregts-hof van het ressort, op voordragt van de Regtbank, aan den Procureur-Generaal in te zenden;

die van de Kantongeregten, door de Regtbank van het Arrondissement, waartoe het Kantongeregt behoort, op voordragt van den Kantonregter, in te zenden aan den Officier bij de Regtbank.

Die bij een Geregtshof mogen tevens Deurwaarders zijn bij de Arrondisseinents-Regtbauk in de Residentie van het Geregtshof zitting houdende; die bij de Arrondissements-Regtbanken ook bij het Kantongeregt, in welks ressort zij resideren,

3. Alvorens in dienst te treden doen zij den eed in eene openbare teregtzitting;

die van den Hooge Raad, der Geregtshoven en Arrondissements-Regtbanken, bij de collegien, waarbij zij zijn aangesteld ;

die van de Kantongeregten bij de Regtbanken, door welke zij zijn benoemd; altijd op requisitoir van het Openbaar Ministerie, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid.

Die eed (belofte) is, behalve de eed (belofte) van zuivering,

150

-ocr page 205-

ARTT. 1—7.

voorgeschreven bij Koninklijk besluit van den 25slen February 1817 a), van den navolgenden inhoud;

«Ik zweer (belove) getrouwheid aan den Koning en dat ik de Grondwet zal onderhouden en naarkomen.»

«Ik zweer (belove), dat ik mij in allen deele zal gedragen «naar de wetten en reglementen op mijne bediening daar-«gesteld; alle exploiten, waartoe ik zal worden verzocht of «die mij zullen bevolen worden, getrouwelijk en met naar-«stigheid te zullen uitvoeren, en in het algemeen mijne «fnncUen met naauwgezetheid en eerlijkheid, en tevens met «allen eerbied voor de regterlijke autoriteiten te zullen waar-«nemen.» (Stb. 1891 n0. 125, zie chron. lijst.)

4. De Deurwaarders moeten bereikt hebben den vollen ouderdom van drie en twintig jaren. (B. 385.)

Zij worden bij voorkeur gekozen uit personen, die eenen geruimen tijd onafgebroken gewerkt hebben op het kantoor van eenen Praktizijn of Notaris, of bij eenen Deurwaarder, of aan een bureau van registratie van geregtelijke akten, of op de griffie van een der regterlijke collegien binnen dit Rijk.

De voorzeide bepalingen zijn van geene toepassing op de Deurwaarders, die bij het in werking brengen van dit reglement in functie zijn. (R. O. ill.)

5. Uit de aldus aangestelde Deurwaarders wijzen de collegien, waarbij meer dan één Deurwaarder fungeren zal, aan, wie als eerste Deurwaarders zullen dienst doen.

Bij de Kantongeregten, waarbij slechts één Deurwaarder is aangesteld, fungeert deze als eerste Deurwaarder.

6. De eerste Deurwaarders zijn meer bepaaldelijk belast met de dienst bij de teregtzittingen, alwaar zij een half uur vóór den aanvang derzelve moeten tegenwoordig zijn. (Rv. 25.)

Zij ligten een uittreksel ter griffie van de zaken, die moeten worden opgeroepen; zij roepen de zaken ter rolle op, dragen zorg dat niemand, buiten de leden, de raadkamer binnentrede zonder loegelaten te zijn, en handhaven, onder de orders van den Voorzitter, do policie in de teregtzittingen; zij doen voorts op gelijke wijze de inwendige dienst bij de algemeene en bijzondere vergaderingen en bij alle comparitien voor Commissarissen of andere commissien, waarmede de respective regterlijke collegien zich zullen moeten bezig houden; alles behoudens de bevoegdheid van den Voorzitter van het collegie, om bij verhindering van de eerste Deurwaarders of in geval van ontoereikendheid der-zelve, een of meer der gewone Deurwaarders tijdelijk tot gelijke dienst te bestemmen. (Rv. 28, 25; R, I, a. 38, 48; Sv. 151).

151

7. De eerste Deurwaarders zijn uitsluitend bevoegd tot

lt;0 Stb. no. 13, a. 10. Deze eed is, volgens dat artikel, de volgende: Ik zweer (verklare) dat om tot. ... te worden benoemd, ik directelijk of indirectelijk aan geene personen, hetzij in of buiten liet bestnnr, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, nochte beloven of geven zal.quot; Zie art. 23 Regt. Onj.

-ocr page 206-

REGLEMENT IV.

het beteekeneu van al die akten, welke van Procureur aan Procureur, bij liet collegie postulerende, geschieden. (Rv. -136a, 160, enz.)

BESLUIT van den 2Gsten Januarij 1876 (Stb. n0. 34), tot aanvulling van het Reglement op de organisatie en de dienst der deurwaarders en verdere regtshedienden, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van den Hden September 1838 (Staatsblad n0. 36).

Wu WILLEM III, ENZ.

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van den 4den Januarij 1876, 2de afdeeling a, n0. 185;

Overwegende, dat het bepaalde bij art. 12, tweede lid, der wet van 10 November 1875, tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe geregts-boven (Stb. n0. 204), eene aanvulling wenschelijk maakt van het Reglement op de organisatie en de dienst der deurwaarders en verdere regtsbedienden, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van den 14den September 1838 (Stb. nu. 36);

Den Raad van State gehoord (advies van den 18den Januarij 1876, n0. 19);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 24sten Januarij 1876, 2de afdeelin.5 a, n». 177;

Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Eenig artikel.

Uit de Deurwaarders bij de ontbonden provinciale geregtshoven, die volgens artikel 13 der wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204), worden geacht te zijn aangesteld bij de Arrondissements-Regtbank ter plaatse waar een ontbonden Geregtshof gevestigd was, wordt door het geregts-hof, tot welks ressort zoodanige Regtbank behoort, een deurwaarder aangewezen, met \'s Hofs eersten Deurwaarder bevoegd tot het beteekenen van al die akten, welke van procureur tot procureur, bij het Hof postulerende, geschieden in regtsgedingen daarbij aanhangig, doch uitsluitend in het arrondissement waar hij zijne woonplaats heeft.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst, en in werking zal treden den vijfden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant, waarin het zal geplaatst zijn.

\'s-Gravenhage, den 26sten Januarij 1876.

8. De Deurwaarders van den Hoogen Raad mogen alle exploiten doen in het ressort der Arrondissements-Regtbank te \'s-Gravenhage. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad te beteekenen, en

152

-ocr page 207-

153

tot executie van dezelve te instrumenteren door het ge-heele Rijk.

Die van de Geregtshoven mogen alle exploiten doen binnen het ressort der Arrondissements-Regtbank, waar de zetel van het Geregtshof gevestigd is. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad te be-teekenen en tot executie van dezelve te instrumenteren, ieder in het ressort van het Geregtshof, waarbij hij is aangesteld.

Die van de Arrondissements-Regtbanken mogen in strafzaken de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad en van alle Geregtshoven, Regtbanken en Kantongeregten beteekenen, en tot executie van dezelve instrumenteren, en alle andere exploiten doen, doch alleen binnen de uitgestrektheid van het Arrondissement der Regtbank, waarbij zij behooren.

Deurwaarders uitsluitend van een Kantongeregt mogen alle exploiten doen in het Regtsgebied van hunnen Kanton-regter. In strafzaken zijn zij bevoegd de arresten of bevelschriften van den Hoogen Raad en van al de Geregtshoven, Regtbanken en Kantongeregten, te beteekenen, eu tot executie van dezelve te instrumenteren, doch alleen in het ressort van het Kantongeregt, waarbij zij behooren.

Dienonverminderd zijn alle Deurwaarders zonder onderscheid bevoegd tot het beteekenen van alle arresten, vonnissen of bevelschriften, en om tot de executie van dezelve te instrumenteren, wanneer zij daarbij tot die beteekening of ter uitvoerlegging door den regter speciaal zijn gecommitteerd; met dien verstande, dat de beteekening of executie plaats hebbe in het ressort van het Geregtshof, de Regtbank of het Kantongeregt, alwaar zij tot het doen hunner exploiten in het algemeen bevoegd zijn.

9. De Deurwaarders zullen hunne woonplaats moeten houden, indien bij hunne aanstelling geene bepaalde residentie is aangewezen:

die van den Hoogen Raad, te \'s-Gravenhage;

die van de Geregtshoven, in de steden, waar de zetels dezer Hoven zijn gevestigd;

die van de Arrondissements-Regtbanken, mede in do plaatsen, waar de Regtbanken gevestigd zijn, en

die van de Kantongeregten, in de hoofdplaats van het kanton, en anders respectivelyk in de bij hunne aanstelling bepaaldelijk aangewezene residentie.

10. Geen Deurwaarder vermag te weigeren, des verzocht, eenig exploit te doen, maar is verpligt zijn ministerie te leenen ten allen tijde, als hetzelve wordt ingeroepen. (Rv. 484.)

In geval hij vermeenen mogt dit te kunnen weigeren, zal hij van die weigering onmiddellijk kennis geven aan den Voorzitter van het collegie, en bij een Kantongeregt aan den Kantonregter, blijvende niettemin voor die weigering in allen opzigte Jegens de partijen verantwoordelijk. (Rv. lö.quot;)

11. De Deurwaarders zijn verpligt in de berekening hunner verdiensten en uitschotten zich te gedragen naar

-ocr page 208-

154 REGLEMEMT IV EN UEST.UlT VA.N 15 JULI 1879.

het vast te stellen tarief; zij zullen ook aan den voet hunner exploiten hunne verdiensten en uitschotten afzonderlijk moeten uitdrukken, zonder welke vermelding de berekening derzelve niet in de begrooting van kosten zal worden geleden, noch partijen gehouden zijn die te voldoen. (Stb. 1843 n». 39 (Tar. a. 53 v.); Rv. 5.)

12. De Deurwaarders moeten een register of repertoire houden. De exploiten of afschriften, welke zij uitgeven of teekenen, zullen met de vereischte duidelijkheid en naauw-keurigheid moeten geschreven zijn, en niet meerder mogen behelzen dan dertig regels per bladzijde, ieder van veertien syllaben ; wanneer die niet behoorlijk leesbaar geschreven zijn, zal geen salaris aan den Deurwaarder wegens zoodanig stuk worden toegekend.

13. Uit de bij den Hoogen Raad en de Geregtshoven aangestelde gewone Deurwaarders designeren de respective Procureurs-Generaal bij dezelve collegien eenen Deurwaarder, onder den titel van Deurwaarder Crimineel, welke, als zoodanig met de overige gewone Deurwaarders gelijkelijk bevoegd tot alle exploiten op den voet en overeenkomstig de bepalingen van dit Reglement, meer bepaaldelijk is verbonden aan het Openbaar Ministerie, en hetzelve meer bijzonder ten dienste staat, op zoodanige instructie, als door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie, waarbij de gedesigneerde fungeren moet, zal worden vastgesteld. (R. IV, a. 8 v.)

14. Bij overtreding van een of meer der bovengemelde artikelen, en, voor zoo veel aangaat de Deurwaarders Crimineel, ook bij overtreding van hunne instructien, of in geval van andere onachtzaamheid of wangedrag, zullen de Deurwaarders, ieder door het collegie, waarbij zij dienst doen, worden berispt, of voor den tijd van acht dagen tot drie maanden in hunne bediening kunnen worden geschorst of ook van dezelve worden ontzet, naar de omstandigheden. (Rv. 17, 58, 96.)

15. De concierges, boden, portiers, boute-feu of oppassers worden aangesteld, en des noods ontslagen, door de respective regterlijke collegien, de Procureurs-Generaal of Officieren van Justitie, bij welke zij moeten fungeren. (Rv. 25.)

16 Alvorens in functie te treden, leggen zij in handen van de respective Voorzitters van het collegie of van de Procureurs-Generaal of Officieren van Justitie, waarbij zij dienst moeten doen, den navolgenden eed (belofte) af; «Ik zweer (belove), dat ik mijne bediening met naauwgezet-heid, eerlijkheid en overeenkomstig de bevelen, welke mij door mijne superieuren worden gegeven, zal waarnemen.» (R. O. 29, 38; Reg, 1.)

-ocr page 209-

AKTT. 12—3.

B E S L U 111

van den Xöden Juli 1879 (Stb. n0. 143), waarbij, met intrekking der Koninklijke besluiten van 8 April 1839 (Stb. n0. 10), 7 April 1842 (Stb. n». 11), 28 Juni 1871 (Stb. n». 73), en 18 Februari 1877 (Stb. nquot;. 26), het maximum van het getal deurwaarders bij de Regterlijke collegien en hunne tractementen op nieuw ivorden vastgesteld.

Wu WILLEM III, enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van den 20sten Junij 1879, Iste afdeeling, nquot;. 89;

Overwegende dat het wenschelijk is, met intrekking van de besluiten van 8 April 1839 (Stb. n0. 10), van 7 April 1842 (Stb. n0. 11), van 28 Junij 1871 (Stb. n0. 73) en van 18 February 1877 (Stb. n°. 2fi), het maximum van het getal Deurwaarders bij de Regterlijke collegien, alsmede hunne traclementen op nieuw vast te stellen:

Den Raad van State gehoord (advies van den 8sten Juli 1879 n°. 22);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den llden Julij 1879, nquot;. 96;

Hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze;

Artikel 1.

Behoudens de bepalingen van art. 13 der wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204) en van art. 14 der wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 80) wordt het maximum van het getal der Deurwaarders vastgesteld als volgt:

bij den Hoogen Raad op vier;

bij een Geregtshof op drie;

bij eene Arrondissements-Reglbank op vier, gevestigd in de hoofdplaats van het Arrondissement, uitgezonderd te Amsterdam waar het getal op twaalf, te Rotterdam waar het op zeven, en te \'s-Gravenhage waar het op vijf kan worden gebragt, terwijl daarenboven in elk der kantons, tot het gebied der Arrondissements-Reglbank behoorende, ten hoogste twee Deurwaarders kunnen worden aangesteld, buiten de hoofdplaats van het Arrondissement gevestigd;

bij een Kantongeregt op één, met dien verstande dat aan de Deurwaarders bij de Airondissements-Regtbank die niet tot Deurwaarders bij het Kantongeregt zijn aangesteld, de bevoegdheid kan worden gegeven, om, in het kanton waar zij gevestigd zijn, ook bij het Kantongeregt te fungeren.

2. Aan de Deurwaarders bij den Hoogen Raad wordt een vast tractement van zes honderd gulden en aan die bij de Geregtshoven van vier honderd vijftig gulden \'sjaars toegelegd, onverminderd het bepaalde bij art. 13, tweede lid, der wet van 10 November 1875 (Stb. n0. 204).

3. De besluiten van 8 April 1839 (Stb. n0. 10), van 7

155

-ocr page 210-

BESLUIT VAN 15 JULI 1879.

April 1842 (Stb. n0. 11), van 28 Junij 1871 (Stb. nquot;. 73) en van 18 Februarij 1877 (Stb. n0. 26) zija ingetrokken.

4. Dit besluit treedt in werking den 1 sten Augustus 1879.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan de Algemeene Rekenkamer.

Het Loo, den loden Julij 1879.

156

-ocr page 211-

WET

van den loden Mei 1829 (Stb. n0. 28),

houdende

ALGEMEENE BEPALINGEN DER WETGEVING VAN HET KONINGRIJK.

Artikel 1.

Geene wet is verbindende, zoolang zij niet behoorlijk is afgekondigd.

2. De wetten zijn in het geheele Koningrijk verbindende, uit krachte van derzelver afkondiging, door den Koning gedaan. (G. 55, 121.)

Zij werken terstond, na dat derzelver afkondiging in alle deelen van het Koningrijk zal kunnen bekend zijn.

Wanneer bij de wet geen ander tijdstip is vastgesteld, wordt de afkondiging gerekend in het geheele Koningrijk bekend te zijn, op den twintigsten dag na dien der dag-teekening van het staatsblad, in hetwelk de wet geplaatst is. (C. 1; Stb. 1822 n0. 33. Vg. Consul.w., a. 32, zie chron. lijst.)

3. Gewoonte geeft geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. (B. 1375, 1382, 1383; 453, 670, 690amp;,703, 713, 733, 738, 788, 792, 813, 814, 8166, 817, 819, 1201, 1255, 1547, 1607, 1614, 1618, 1619, 1621, 1622,1623,1635, 1654; K. 606, 310, 644, 755; Bv. 466c, enz.; Sr. 8; Consul.w., a. 21.)

4. De wet verbindt alleen voor het toekomende, en heeft geene terugwerkende kracht. (C. 2; O. 1 v.; B. 802,2030; Sr. 1; Inv. 29 v.)

5. Eene wet kan alleen door eene latere wet, voor het geheel of gedeeltelijk, hare kracht verliezen.

6. De wetten, betreffende de regten, den staat en de bevoegdheid der personen, verbinden de Nederlanders, ook wanneer zij zich buiten \'s lands bevinden. (C. 3; B. 138.)

7. Ten opzigte van onroerende goederen geldt de wet van het land of der plaats, alwaar die goederen gelegen zijn. (C. 3.)

8. De strafwetten en de verordeningen van politie zijn verbindende, voor allen die zich op het grondgebied van het Koningrijk bevinden, a)

9. Het burgerlijk regt van het Koningrijk is hetzelfde voor vreemdelingen, als voor de Nederlanders, zoolang de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt. (C. 8,11; Stb.

o) Het begin dezer bepaling is vervallen, als vervangen door art. 2 Sr. — Voor de verordeningen van policie, voorzoover deze niet zijn strafbepalingen, blijft het voorschrift van kracht.

-ocr page 212-

158 WET, IIOUDENDK ALGEM. BEP. DER WETGEVING ENZ.

1869 n0. 56, zie onder Uijlagen tot JJ. W.; Rv. 127, 152, 585 n°. 10, 768, 855b.)

10. De vorm van alle handelingen wordt beoordeeld naar de wetten van het land of de plaats, alwaar die handelingen zijn verrigt. (C. 47, 170, 999; B. 138, 992; K. 310; Consul.w, a. 19, zie chron. lijst.)

11. De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.

12. Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn. (C. 5.)

13. De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van liet stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan, uit hoofde van regtsweigering, vervolgd worden. (C. 4; Rv. 844 v.)

14. Door geene handelingen of overeenkomsten kan aan de wetten, die op de publieke orde of goede zeden betrekking hebben, hare kracht ontnomen worden. (C. 6; B. 113a, 1746, 187a, 195—198, 204, 338. 384, 926, 935, 938, 1000, 1065, 1089, 1109, 1112, 1166, 1200, 1223a, 1290, 1370amp;, 1371, 1530, 1672a, 1984: Rv. 92 v., 156, 588, enz.)

-ocr page 213-

BURGERLIJK WETBOEK.

EERSTE BOEK.

VAN PERSONEN.

EERSTE TITEL.

Fan het genot en hel verlies der burgerlijke regten.

Artikel 1.

Het genot dor burgerlijke regten is onafhankelijk van de staatkundige regten, welke alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen. (C. 7; G. 5 v.)

2. Allen die zich op het grondgebied van den staat bevinden zijn vrij, en bevoegd tot het genot der burgerlijke regten.

Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard of onder welke benaming ook bekend, worden in het rijk niet geduld. (G. 8, \'i\'1; G. i, 4.)

3. Het kind, van hetwelk eene vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zoo dikwijls deszelfs belang zulks vordert.

Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben bestaan. (G. 725, 906; B. 403, 545, 805, 883, 946, 1716.)

4t. Geenerlei straf heeft den burgerlijken dood of het verlies van alle de burgerlijke regten ten gevolge (G. 22 v.)

TWEEDE TITEL, a)

Van Nederlanders en vreemdelingen. 5—12. Ingeirohken. a)

a) Deze titel is ingetrokken bij de Slotbepaling der W. Nederl.scb.; zie die wet in de ebron. lijst. De artt. 5—12 van den ingetrokken titel luidden:

Art. 5. Nederlanders zijn:

lo. Allen die binnen bet koningrijk of deszelfs koloniën zijn geboren

uit ouders aldaar gevestigd;

2o. Kinderen, buiten \'slands uit Nederlanders geboren;

3o. Allen die binnen het koningrijk zijn geboren, hoezeer uit ouders aldaar niet gevestigd, mits zij zelve hunne woonplaats aldaar vestigen ;

-ocr page 214-

liUHCEP.LUK WETBOEK.

DERDE T I ï E L. a)

Van de akten van den burgerlijken stand. (Vg. art. 466 Sr.; voorts art. 12 v. der Consul, wet, zie chron. lijst.)

EERSTE AFDEEL1NG.

Van de registers van den burgerlijken stand in het alge-oneen. (Vg. Stb. 1879 n®. 72, zie chron. lijst.) 13. Er bestaan in iedere gemeente registers van geboor-

■lo. Kinderen, buiten \'s lauds geboren uit vreemde ouders welke binnen het koningrijk of deszelfs koloniën gevestigd, doch voor \'s lands dienst afwezig, of anderzins op reis zijn;

50. Allen welke zijn genaturaliseerd of het regt van inboorlingschap hebben verkregen.

Art. (i. Eene vreemde vrouw, met eenen Nederlander getrouwd zijnde, volgt den staat van haren man.

Art. 7. Vreemdelingen zijn alle degenen die niet in de twee vorige artikelen begrepen zijn, of die de hoedanigheid van Nederlander hebben verloren.

Art. S. Vreemdelingen worden met Nederlanders gelijk gesteld, in de twee volgende gevallen:

lo. Wanneer zij, ten gevolge der toestemming van den Konin?, hunne woonplaats binnen het koningrijk zullen hebben gevestigd, en van het bekomen dier toestemming aan het gs-meente-bestuur dier woonplaats hebben doen blijken; \'lo. Wanneer zij, na hunne woonplaats binnen eene gemeente in het koningrijk te hebben gevestigd, en gedurende zes jaren binnen dezelfde gemeente te hebben behouden, aan het plaatselijk bestuur van die woonplaats het voornemen zullen hebben te kennen gegeven om zich binnen het koningrijk te blijve:i vestigen.

Art. 9. De hoedanigheid van Nederlander wordt verloren: lo. Door het bekomen van naturalisatie in een vreemd land: 2o. Door, buiten toestemming des Konings, zich in vreemde krijgsdienst te begeven, of oienbare bedieningen aan te nemen, welke door eene vreemde regering zijn opgedragen;

So. Door het buiten \'s lauds vestigen zijner woonplaats, met het kennelijk oogmerk om niet in het koningrijk terug te keeren.

Geene handelsinrigting, op haar zelve beschouwd, wordt geacht dat oogmerk aan den dag te leggen.

Art. 10. Die de hoedanigheid van Nederlander om eene der oorzaken, bij het vorige artikel vermeld, verloren heeft, kan dezelve niet terug bekomen, dan met inachtneming der bepalingen van art. H hierboven.

Art. 11. Eene Nederlandsche vrouw, met eenen vreemdeling iu het huwelijk tredende volgt den staat van haren man.

Na ontbinding des huwelijks bekomt zij de hoedanigheid van Nederlandsche vrouw terug, mits zij hare woonplaats binnen het koningrijk hebbe of daarin vestige, en zij, in het laatste geval, uitdrukkelijk kennis van haar voornemen geve aan het gemeentebestuur der plaats alwaar zij zich, na hare terugkomst, heeft gevestigd.

Art. 12. Allen die den staat van Nederlander hebben terug bekomen, kunnen daarvan alleen genot hebben metopzigttot zoodanige regten, als zij na die terugbekoming verkrijgen.

o) Volgens de Wet van 28 Maart 182S (Stb. no. 7), zou deze titel de 12de zijn. De tegenwoordige plaats is hem aangewezen bij art. 7 der ti\'ei van 16 Mei 1829 (Stb. no. S3).

100

-ocr page 215-

BOEK 1. TITfc\'L 111, ARTT. 13—21.

ten, van huweJijksaangiften, van huwelijksafkondigingen, van huwelijken en echtscheidingen, en van overlijden.

Deze registers worden afzonderlijk gehouden door een of meer ambtenaren van den burgerlijken stand, die daartoe door de gemeentebesturen worden benoemd.

Met \'s Konings vergunning kunnen twee of meer registers van elke soort worden gehouden in gemeenten, waarin daaraan behoefte blijkt te bestaan. (G. 40; Gem. w., a. 149.)

14. Van alle registers van den burgerlijken stand, die der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen alleen uitgezonderd, zal een dubbel worden gehouden. (G. 40, 63; B. 22.)

De artt. 13 en 14 aldus gewijzigd bij art. 1 en 2 der Wet van 24 Juni 1879 (Stb. n0. 132).

15. De eerste en laatste bladzijde van de registers van den burgerlijken stand moeten door den voorzitter van de arrondissemenls-regtbank, of door een\' regter, welke den-zelven zal vervangen, gekantteekend, en voorts alle de bladen door denzelven gewaarmerkt zijn. (G. 41.)

16. De akten zullen achter elkander in de registers worden ingeschreven, zonder dat eenig wit vak tusschen beide zal mogen worden open gelaten. Al hetgeen mogt worden doorgehaald, tusschen beide of op den kant geschreven, zal moeten worden goedgekeurd, en, evenals de akte zelve, geteekend worden; zullende niets bij verkorting of met cijfers mogen worden uitgedrukt. (G. 42.)

17. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in de door hen op te maken akten niets mogen invoegen, het zij bij aanteekening, het zij door eenige inlasschingen hoe ook genaamd, buiten hetgeen door de verschijnende partijen, overeenkomstig de wet, moet worden verklaard. (G. 35; B. 16, 27; Stb. 1822 n». 1. a. 1.)

18. Bij de akten van den burgerlijken stand zullen worden uitgedrukt het jaar en de dag harer inschrijving, mitsgaders de voornamen, de namen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats, zoowel der verschijnende partijen als der getuigen. (G. 34; B. 31, 40, 45, 48, 51, 54, 57, 59, 61.)

19. In alle de gevallen, waarin de belanghebbende partijen niet verpligt zijn in persoon te verschijnen, zullen zij zich door eenen gemagtigde, daartoe bij authentieke akte aangesteld, mogen laten vertegenwoordigen. (C. 36; B. 30, 106, 133 v.)

20. De getuigen, van welke men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, zullen daartoe door de belanghebbende personen worden gekozen, en moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koningrijk hunne woonplaats hebbende.

Ook nabestaanden zullen als getuigen worden toegelaten. (G. 37; B. 385, 1947.)

21. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen aan de verschijnende partijen, mitsgaders aan de getuigen, de akten voorlezen, en daarin vermelden dat aan die formaliteit is voldaan.

161

11

-ocr page 216-

BURGERLIJK WETBOEK.

Iedere akte moet door den ambtenaar van den burgerlijken stand, de verschijnende partijen en de getuigen worden geteekend; wanneer de eene of andere der partijen of der getuigen niet mogt kunnen teekenen, moet van de oorzaak des beletsels in de akte melding worden gemaakt. (C. 38, 39; B. 16.)

22. De registers zullen door den ambtenaar van den burgerlijken stand op het einde van ieder jaar worden afgesloten; en zal, in de maand Januarij daaraanvolgende, één der dubbele worden overgebragt in de archieven der gemeente, en het andere dubbel, mitsgaders de registers der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen, ter griffie van de arrondissements-reglbank. (G. 43; B. 14, 25, 28; Stb. 1863 n4. 60.)

Aldus gewijzigd bij art. 2 der Wet van 24 Juni 1879 (Stb. n0. 132).

23 De volmagten en andere stukken, welke bij de akten van den burgerlijken stand worden gevorderd, zullen aangehecht blijven aan de registers, welke ter griffie van de arrondissements-regtbank moeten worden overgebracht. (C. 44.)

24. Een ieder is bevoegd om zich door de bewaarders der registers van den burgerlijken stand uittreksels uit die registers te doen afgeven. Die uittreksels, wanneer zij met de registers overeenstemmen, en door den voorzitter der arrondissements-reglbank, of door den regter die dezen vervangt, zijn gelegaliseerd, zullen geloof verdienen, tot op het oogenblik dat de valschheid daarvan, met inachtneming der regelen, bij het Wetboek van Burgerlijke Reglsvordering voorgeschreven, zal zijn beweerd. (C. 45; B. 1925; Rv. 83B, 176 v.; Consul, w., a. 16, zie chron. lijst.)

25. Wanneer op den kant van eene reeds ingeschrevene akte moet worden melding gemaakt van eene andere akte, tot den burgerlijken stand betrekkelijk, wordt zulks gedaan door den ambtenaar van den burgerlijken stand in de loopende onder hern berustende registers of in die welke in de archieven der gemeente zijn overgebragt, en door den griffier der arrondissements-regtbank in die welke ter griffie berusten.

De zorg voor de eenvormige inschrijving is aan het openbaar ministerie opgedragen, aan hetwelk de ambtenaar van den burgerlijken stand, binnen tien dagen na de aanteekening, daarvan kennis geeft.

Geene uittreksels uit registers van den burgerlijken stand zullen mogen worden afgegeven, ten zij daarbij worden gevoegd de aanteekeningen, welke zich op den kant van de akte mogen bevinden. (G 49; B. 14, 22, 28, 38, 43, 48, 66, 73.)

26. Men kan, zoowel door getuigen als door bescheiden, bewijzen dat registers van den burgerlijken stand nooit hebben bestaan, of verloren zijn geraakt, of wel, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt.

In geval van vervalsching, verandering, verscheuring, vernietiging of verdonkering eener akte van den burgerlijken

162

-ocr page 217-

BOEK I, TITEL III ARTT. 22—30.

stand, zal het vonnis, waardoor van het misdrijf blijkt, de kracht hebben welke aan gewijsden in strafzaken ten aanzien van burgerlijke regtsgedingen bij dit Wetboek is toegekend. (C. 46; B. 49, 62, 70 v., 156, 316 v., 323, 1955.)

27. De ambtenaren van den burgerlijken stand, of andere bewaarders, zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, aansprakelijk voor het rigtig houden en bewaren der registers.

Elke verandering, elke vervalsching in de akten, elke inschrijving op een los blad, mitsgaders alle overtreding, tegen de voorschriften van dezen titel begaan, kunnen aan de partijen grond opleveren om tegen die ambtenaren of bewaarders schadevergoeding te eischen. (C. 50—52.)

Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 466, 467 en 468 1°. van het Wetboek van Strafregt is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis.

Ingeval van overtreding tegen die voorschriften door andere bewaarders begaan, kunnen deze door den burgerlijken regter worden verwezen in eene geldboete van ten hoogste honderd gulden. (C. 50—52; Rv. 854.)

Het derde en vierde lid zijn ter vervanging van het oorspronkelijke derde en vierde lid bijgevoegd bij art. 4 der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265).

28. Het openbaar ministerie is verpligt de ter griffie van de arrondissements-regtbank overgebragte registers en de daaraan gehechte stukken te onderzoeken, en van deszelfs bevinding proces-verbaal op te maken. Het is bevoegd om inzage te nemen van het dubbel der registers hetwelk bij de gemeentebesturen berust. (C. 53; B. 14, 22, 23.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de akten van geboorten.

29. De aangiften van geboorten zullen binnen drie dagen na de bevalling moeten worden gedaan aan den plaatselijken ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid van twee getuigen. (Consul, w., a. 12c, zie chron. lijst.)

Die ambtenaar zal daarvan dadelijk eene akte opmaken. (Sr. 467.)

Hij is bevoegd om te vorderen dat het kind aan hem worde vertoond. (C; 55, 56; B. 20 v.; Sr. 448; Fortuyn II, 221.)

80. De aangifte der geboorte van een kind zal door den vader moeten worden gedaan, of, bij gebreke van dien, door de geneesheeren, heelmeesters, vroed meesters, vroedvrouwen of andere personen, welke bij de bevalling zijn tegenwoordig geweest; en wanneer de moeder buiten hare

163

-ocr page 218-

burgerlijk wetboek.

woning bevallen is, zal de aangifte moeten geschieden door den persoon ten wiens huize zij bevallen is. (G. 56; Sr. 448; B. 19.)

31. De akte van geboorte zal vermelden:

1°. Het jaar, den dag, het uur en de plaats der geboorte;

2°. De kunne van het kind en de voornamen welke aan hetzelve zullen worden gegeven;

3°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders;

4°. De voornamen en namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der d) aangevers en der getuigen. (C. 57; B. 18, 20, 21.)

•32. Wanneer het kind buiten echt geboren is, mag de naam des vaders niet bij de akte worden vermeld, ten ware deze het kind, het zij in persoon, het zij door eenen gemagtigde, bijzonderlijk daartoe bij authentieke akte aangesteld, erkenne. (B. 45, 327, 336, 342, 344.)

33. Die een pas geboren kind gevonden heeft, is gehouden daarvan aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders de kleederen en andere goederen aan te duiden en te vertoonen, welke nevens het kind mogten zijn gevonden, en eindelijk op te geven alle de omstandigheden opzigtelijk den tijd wanneer, en de plaats waar het kind ontdekt is.

Het daarvan op te maken proces-verbaal moet daarenboven vermelden den vermoedelijken ouderdom des kinds, zijne kunne, de bijzondere kenteekenen welke hetzelve mogt hebben, de namen welke men aan hetzelve zal geven, mitsgaders het gesticht waarin, of den persoon bij wien hetzelve is verbleven. Dit proces-verbaal moet in de registers van geboorten worden ingeschreven. (C. 58; B. 18, 29, 31; Sr. 448, 467.)

34. Wanneer het kind dadelijk in een gesticht is opgenomen, zal de in het bovenstaande artikel vermelde verklaring moeten worden gedaan door het hoofd of een der bedienden van dat gesticht.

35. Wanneer een kind gedurende eene zeereis geboren wordt, moet de akte van geboorte binnen vier en twintig uren door den scheepskapitein of gezagvoerder op het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van den vader, wanneer deze aan boord is, en van twee getuigen zich op het schip bevindende. (C. 59; B. 18, 29, 31; K. 358 v.; Sr. 472.)

36. In de eerste haven, welke het schip zal aandoen, wanneer die binnen het koningrijk gelegen is, zal de scheepskapitein of gezagvoerder verplicht zijn aan het departement voor de marine een uittreksel uit het dagregister van het schip, bevattende de aanteekening van de geboorte van het kind, op te zenden.

164

Wanneer het vaartuig is ingeloopen, het zij in eene der overzeesche bezittingen van den staat, het zij in eene vreemde

a) Zoo de O. E. en de Wet van 15 Mei 182!) (Stb. no. 24).

-ocr page 219-

BOEK I, TITEL HI, ARTT. 31—40.

haven, zal het hier-boven vermelde uittreksel worden toegezonden, in het eerste geval, aan het hoofd der nederlandsche regering in die bezitting, en, in het laatste geval, aan den nederlandschen consul, in die haven of in de naastgelegene plaats gevestigd; en zijn deze verpligt dat uittreksel in hunne archieven te bewaren, en een door hen gelegaliseerd afschrift aan het departement voor de marine te doen toekomen. Dien onverminderd blijft de scheepskapitein of gezagvoerder gehouden, bij de terugkomst van het vaartuig binnen het koningrijk, te handelen zoo als bij het eerste lid van dit artikel is bepaald. (C. 60.)

87. Het hoofd van het departement voor de marine zal dat uittreksel, door hem gelegaliseerd, opzenden aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van den vader des kinds, of van de moeder, indien de vader onbekend is. (Sr. 468, 2°.)

De ambtenaar van den burgerlijken stand is verpligt hetzelve uittreksel dadelijk in de registers in te schrijven, en daaraan vast te hechten. (C. 61; B. 23; Sr. 467.)

38. De akte van erkenning van een kind, door den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, moet, volgens hare dagteekening, in de registers worden ingeschreven, en van die erkenning moet worden melding gemaakt op den kant van de akte van geboorte, zoo die aanwezig is. (Sr. 467.)

Indien de erkenning van het kind bij eene andere authentieke akte is gedaan, kan ieder belanghebbende vorderen dat daarvan worde melding gemaakt op den kant der akte van geboorte.

In geen geval, kan het verzuim der aanteekening van eene erkenning op den kant der geboorte-akte aan het erkende kind worden tegengeworpen, ten einde zijnen verkregen staat te betwisten. (C. 6\'2; B. 13, 25, 336.)

DERDE AFDEELING.

Van de huwelijks-aangiften en afkondiginyen.

39. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in het daartoe bestemde register de huwelijks-aangiften inschrijven, welke overeenkomstig artikel 105 en 106 gedaan worden. (B. 13; Sr. 467.)

40. Die aangifte zal vermelden de voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten, mitsgaders hun voornemen om met elkander in den echt te treden.

Wanneer die aangifte in geschrifte is gedaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand dezelve overschrijven,

165

-ocr page 220-

BURGERLIJK WETBOEK.

alleen op het register teekenen, en het stuk daaraan vasthechten. (B. 18, 21, 23; Sr. 467.)

41. Wanneer aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet blijkt dat voor de aangevende personen eenig wettig beletsel bestaal om met elkander in den echt te treden, zal hij dadelijk de afkondigingen doen, welke bij artikel 107, 108 en 109 vermeld zijn. (G. 63; B. 84 v.; Sr. 379.)

42. De akten, waaruit zal moeten blijken dat de afkondigingen hebben plaats gehad, zullen in het register, volgens de orde harer dagteekening, ingeschreven en door den ambtenaar van den burgerlijken stand onderteekend worden. (B. 16 v., 107, 138; Sr. 467.)

43. Van de akten van stuiting des huwelijks, welke aan den ambtenaar van den burgerlijken stand beteekend zijn, zal op den kant den akte van afkondiging eene aan-teekening worden gesteld. Hetzelfde zal plaats hebben ten opzigte van vonnissen of akten, waarbij de sluiting wordt opgeheven. (C. 67; B. 25,125,126 n0.6; Rv. 801 v.; Sr. 467.)

VIERDE AFDEELING.

Van de akten van huwelijk en van echtscheiding.

44. Nadat bij den ambtenaar van den burgerlijken stand zal zijn afgelegd de verklaring der partijen, waarvan bij artikel 135 gesproken wordt, zal hij in naam der wet verklaren dat dezelve door den echt aan elkander verbonden zijn, en daarvan dadelijk in het daartoe bestemde register eene akte opmaken. (C. 75; B. 13; Sr. 379.)

45. De huwelijks-akte zal vermelden:

1®. De voornamen, namen, den ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats der echt-genooten, en, wanneer zij te voren gehuwd waren, de voornamen en namen van de vroegere echtgenooten;

2quot;. Hunnen staat van meerderjarigheid af minderjarigheid ;

39. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats hunner ouders;

4U. De toestemming van de ouders, grootouders of voogden, of wel het verlof van den regter, in de gevallen waarin hetzelve gevorderd wordt;

5quot;. De tusschenspraak van den regter, zoo die heeft plaats gehad;

6°. De gedane huwelijks-afkondigingen, ter plaatse alwaar die vereischt worden, en, ingeval van stuiting, de opheffing daarvan;

166

-ocr page 221-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 41—50.

7°. De verklanng d^r partijen om elkander tot echt-genooten te nemen, en de uitspraak van hunne echtvereeniging door den openbaren ambtenaar;

8°. De voornamen, namen, den omlerdom, het beroep en de woonplaats der getuigen, mitsgaders de graden van bloedverwantschap of aanhuwelij-king, welke tusschen hen en de partijen mogten bestaan;

9°. De erkenning van natuurlijke kinderen, zoo die plaats heeft. (C. 76; B. 18, 20, 21, 385, 474 v., 478, 92 v., 506b, 107 v., 114 v., 135, 44, 345 v., 327, 336; Sr. 465.)

46. Wanneer een huwelijk bij gevolmagtigde, of wel in een bijzonder huis, voltrokken wordt, zal van die omstandigheid uitdrukkelijke melding in de akte worden gemaakt. (B. 132, 134, 23.)

47. De overschrijving van de akten van huwelijk, in een vreemd land aangegaan, zal in de loopende registers van de woonplaats der echtgenooten geschieden. (C. 171; B. 139; Sr. 467.)

48. De akte van inschrijving eener echtscheiding zal bevatten:

1°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der gescheiden echtgenooten;

2°. De vermelding van het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken, van hetwelk een afschrift aan het register zal blijven gehecht;

3°. De vermelding van het getuigschrift van den griffier, strekkende tot bewijs dat tegen het vonnis door geen wettig middel kan worden opgekomen.

Die akte zal, volgens hare dagteekening in de huwelijks-registers worden ingeschreven, en zal daarenboven de partij, die de echtscheiding heeft verkregen, verpligt zijn te zorgen, en de andere bevoegd zijn te vorderen, dat daarvan aanteeke-ning worde gedaan op den kant der huwelijksakte. (Rv. 81 v., 82a in fme, 339, 382 v., 398; B. 276, 260, 18, 21, 23, 25; Sr. 467.)

49. Wanneer het bewezen is dat de registers zijn verloren geraakt, zal de inschrijving eener echtscheiding, zoo wel door bescheiden als door getuigen, kunnen worden bewezen. (B. 26, 1940 n0. 4.)

VIJFDE AFDEELING.

Van de akten van overlijden.

50. De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats.

167

-ocr page 222-

BURGERLIJK WETBOEK.

alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van twee getuigen.

Wanneer het blijkt dat de overledene elders zijne woonplaats heeft gehad, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den overledene, ten einde insgelijks in de registers aldaar te worden ingeschreven. (C. 78; Stb. 1865 n0,60, a. 5; Sr. 467, 468.)

51. Zij zullen bevatten:

1°. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats van den overledene, mitsgaders den dag en het uur des overlijdens;

2U. De voornamen en den naam van den anderen echtgenoot, indien de overledene getrouwd of wel weduwnaar of weduwe was;

8°. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aangevers, en wanneer zij bloedverwanten zijn, den graad van bloedverwantschap;

De akten van overlijden zullen daarenboven bevatten, voor zooverre men zulks kan te weten komen, de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders van den overledene, mitsgaders deszelfs geboorteplaats. (C. 79; B. 18,21.)

52. De ambtenaar van den burgerlijken stand zal geene akte van overlijden van een pas geboren kind mogen opmaken, dan voor zooverre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van het kind in het daartoe bestemde register is ingeschreven.

Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen uit te drukken dat het kind overleden is, maar alleen, dat hetzelve als levenloos is aangegeven. Hij kan, in zoodanig geval, bij twijfeling omtrent de deugdelijkheid der aangifte, vorderen dat het kind aan hem worde vertoond.

Hij zal daarenboven de verklaring der getuigen ontvangen, opzigtelijk de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van de ouders van het kind, met aanduiding van het jaar en de maand waarin, en den dag en het uur waarop het kind is ter wereld gebragt.

Die akte zal, overeenkomstig hare dagteekening, in de sterfregisters worden ingeschreven, zonder dat daardoor eenigermate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood, is ter wereld gekomen. (B. 29 v.)

53. (C. 77.) Ingetrokken bij art. 50 der Begraf.w., zie die wet in de chron. lijst. (Vg. a. 4, 6 v. dier wet j0 a. 39 v.; Stb. 1865 n0. 60, a. 5.)

54. Wanneer een sterfgeval heeft plaats gehad in burgerlijke of militaire gasthuizen, in gevangenhuizen of andere openbare gestichten, zullen de hoofden, gezagvoerders, bestuurders, cipiers of opzigters van die gestichten, verpligt zijn daarvan binnen vier en twintig uren aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand, welke, na zich van het overlijden te hebben verzekerd, eene akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 51, zal opmaken.

168

-ocr page 223-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 51—60.

Er zullen bovendien in die gestichten bijzondere registers worden gehouden, waarin van het overlijden en de daartoe betrekkelijke omstandigheden zal worden melding gemaakt. (C. 80, 84; Sr. 468 n\'. 2; Stb. 1865 n°. 60, a. 5.)

55. (C. 81, 82.) Ingetrokken bij art. 50 der op art. 53 vermelde wet. (Zie art. 5 j0. 39 v. dier wet; Stb. 1818 n0. 30, zie chron. lijst.)

56. De ambtenaar, welke het verbaal van schouwing zal hebben opgemaakt, is verpligt aan dien van den burgerlijken stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen ver-eischt zal worden om de akte van overlijden op te maken.

De ambtenaar van den burgerlijken stand zal een afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan dien der bekende woonplaats van den overledene, ten einde door dezen in de registers te worden ingeschreven. (G. 82; B. 50; Sr. 468.)

57. De griffiers der criminele hoven en regtbanken zijn verpligt, binnen vier en twintig uren na het ten uitvoer leggen van doodvonnissen, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de plaats, alwaar het vonnis is ten uitvoer gelegd, te doen toekomen afschrift van het bij die gelegenheid opgemaakt proces-verbaal. (Stb. 1870 n0. 162, a. 2 j0 Inv. 3c.)

Zij zullen aan den voet van dat proces-verbaal alle aanduidingen opgeven, welke vereischt worden om de akten van overlijden, overeenkomstig artikel 51, te kunnen opmaken. (C 83; B. 50; Sr. 468, 2».)

58. De ambtenaar van den burgerlijken stand, ter plaatse alwaar de veroordeelde is ter dood gebragt, zal afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den veroordeelde, ten einde door dien ambtenaar insgelijks in de registers te worden ingeschreven. (C. 83; B. 50; Sr. 468.\')

59 In geval van eenen geweldigen dood, van het ter dood brengen van eenen veroordeelde, of van het overlijden in gevangenhuizen, zal van die omstandigheden in de registers geene melding worden gemaakt, en de akte van overlijden eenvoudig worden ingerigt naar den vorm, bij art. 51 voorgeschreven. (C. 85.)

60. Wanneer een sterfgeval gedurende eene zeereis heeft plaats gehad, moet de akte van overlijden binnen de vier en twintig uren door den scheepskapitein of gezagvoerder, in het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van twee getuigen, zich aan boord van het schip bevindende.

Een uittreksel van die akte zal aan het departement voor de marine worden toegezonden, even en in dier voege als bij artikel 36 opzigtelijk de akten van geboorten is bepaald.

Het hoofd van het departement voor de marine zal het uittreksel van de akte van overlijden, door hem gelegaliseerd, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der bekende woonplaats van den overledene doen toekomen. C. 86, 87; B. 18, 35—37, 50; Sr. 468, 472; Stb. 1869 n0. 65, a. 3, en n0. 162.)

169

-ocr page 224-

BURGERLIJK WETBOEK.

61. Bij bijzondere reglementen wordt bepaald, op hoe-danige wijze het overlijden van krijgslieden, weike te velde, in den slag, of in \'s rijks dienst buiten het koningrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand zal worden ingeschreven (C. 88 v.; Stb. 1888 n0. 158.)

62. Wanneer het bewezen is dat de sterfregisters nooit hebben bestaan, dat die zijn verloren geraakt, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt, of dat bijzondere omstandigheden de inschrijving der akte van overlijden hebben verhinderd, zal dat overlijden zoo wel door getuigen als door bescheiden kunnen worden bewezen. (B. 26, 1940 n0. 4.)

ZESDE AFDEELING.

Van naams- en vóórnaams-veranderingen.

(Vg. Loi du ii Germinal an XI (Rondonneau I. 287.).)

63. Niemand mag zijnen geslachtsnaam veranderen, of eenen anderen bij den zijnen voegen, zonder toestemming des Konings. (B. 31.)

64. Het verzoek daartoe kan niet worden toegestaan, dan na verloop van één jaar, te rekenen van den dag, waarop van hetzelve in de officiële nieuwspapieren zal zijn melding gemaakt.

65. In dien tusschentijd, kunnen de belanghebbende partijen, bij een verzoekschrift, aan den Koning in te leveren, de gronden doen gelden, waarop zij vermeenen zich tegen het verzoek te kunnen verzetten.

66. Indien het verzoek wordt toegestaan, zal het besluit worden overhandigd aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, welke ambtenaar hetzelve in de loopende registers zal inschrijven, en daarvan aanteekening doen op den kant der geboorteakte. (B. 25, 29.)

67. De naams-verandering of naams-bijvoeging, door den Koning, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeeling toegestaan, zal nimmer kunnen worden aangevoerd tol bewijs van vermaagschapping. (B. 317.)

68. Niemand kan van voornaam veranderen, of voornamen bij de zijne voegen, zonder toestemming van de arrondissements-regtbank zijner woonplaats, op daartoe gedaan verzoek, na verhoor van het openbaaar ministerie, te verleenen. (B. 31; Rv. 324 n0. 2.)

69. Wanneer de regtbank de verandering of bijvoeging van voornamen toestaat, zal de uitspraak worden ter hand gesteld aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, ten einde door dien

170

-ocr page 225-

BOEK I, TITEL III EN IV, ARTT. 61—75.

ambtenaar in de loopende registers te worden ingeschreven, en daarvan melding te worden gemaakt op den kant der geboorte-akte. (B. 25, 29; Sr. 467.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van de verbetering der akten van den burgerlijken stand, en van der zeiver aanvulling.

70. Wanneer geene registers hebben bestaan, of dezelve zijn verloren geraakt, vervalscht, veranderd, verscheurd, vernietigd, verdonkerd of verminkt; wanneer akten daaraan ontbreken, of wanneer in de ingeschrevene akten dwalingen, uitlatingen of andere misslagen hebben plaats gehad, zal zulks grond opleveren tot aanvulling of tot verbetering der registers. (B. 26; Fortuyn III, 13 v.)

71 Het verzoek daartoe zal alleen kunnen worden ingeleverd bij de arrondissements-regtbank, binnen welker regts-gebied de registers zijn of hadden behooren te worden gehouden, dewelke, behoudens hooger beroep, na verhoor van het openbaar ministerie, en, wanneer daartoe gronden zijn, van de belanghebbende partijen, deswege zal uitspraak doen. TC. 99; Rv. 324 nquot;. 2, 829 v.; Consul, w., a. 16a.)

72. Deze uitspraak zal alleen geldig zijn tusschen de partijen, welke dezelve hebben verzocht, of te dier gelegenheid zijn opgeroepen. (C. 100; B. 1954.)

73. Alle uitspraken lot verbetering of tot aanvulling van akten, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan, zullen door den ambtenaar van den burgerlijken stand, dadelijk na derzelver vertoon, in de loopende registers worden ingeschreven, en zal, in geval van verbetering, daarvan worden melding gemaakt op den kant der verbeterde akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 25. (C. 101; Rv. 345, 898b; Sr. 467.)

VIERDE TITEL.

Van woonplaats of domicilie.

74 Een ieder wordt geacht zijne woonplaats te hebben alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.

Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats des werkelijken verblijfs daarvoor gehouden. (C. 102; Pr. 59, 69 n». 8; Rv. 4 nquot;. 7, 97c, 126b.)

75. De verandering van woonplaats zal stand grijpen door de werkelijke woning in eene andere plaats, gevoegd

171

-ocr page 226-

BTIRGERLIJK WETBOEK.

bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen. (C. 103.)

76. Dat voornemen wordt bewezen door eene gedane verklaring, zoowel bij het bestuur der gemeente welke men verlaat, als bij dat der gemeente waar de woonplaats wordt overgebragt.

Bij gebreke van verklaring, zal het bewijs van het voornemen uit de omstandigheden worden opgemaakt. (C. 404, 105; Gem. w., a. 245e.)

77. Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hunne woonplaats, indien zij het tegenovergestelde voornemen niet aan den dag hebben gelegd. (C. 106, 107; R.- O. 15, 34; Rv. 97cf, ISÖf.)

78. Eene getrouwde vrouw, welke niet van tafel, bed, bijwoning en goederen is gescheiden, heeft geene andere woonplaats dan die van haren man; minderjarigen volgen de woonplaats van hunne ouders of voogden; meerderjarigen, die onder curatele zijn gesteld, die van hunne curators. (C. 108; B. 161, 297, 353, 441, 484c, 506a.)

79. Meerderjarige dienstboden of werklieden hebben hunne woonplaats in het huis van diegenen, bij welke zij dienen of werken, indien zij bij dezelve inwonen. (C. 109; B. 74fgt;.)

80. Het sterfhuis van een overledene wordt geacht daar te zijn, alwaar dt; overledene zijne woonplaats gehad heeft. (C. 110; Rv. 4 nquot;. 6, 126rH.)

81. Het staat aan partijen, of aan eene van haar, vrij bij eene akte, en tot eene bepaalde zaak, eene andere woonplaats dan hare werkelijke te kiezen.

Die keuze kan zijn algemeen, en strekt zich dan zelfs uit tot de executie; of worden beperkt in dier voege als de partijen, of eene van haar, zal goedvinden, In deze gevallen, kunnen de exploiten, dagvaardingen en vervolgingen, bij de akte uitgedrukt of bedoeld, geschieden aan de gekozene woonplaats, en voor den regter dier woonplaats. (G. 111; B. 1231 n0. 1, 1238, 1441 n®. 6. 1448; Rv. 5 nquot;. 1, 11, 1226, 126ry, 1336, 137c, 406e, 439d, 4576, 475a, 5026,5366, 554, 565e, 599c, C02 n0. 2, 606 n0. 3, 61\'lc, 661 n0. 2,668, 672 n». 1, 736c, 801c, 847c enz.; Sv. 2036.)

82. Indien het tegendeel niet bij beding is overeengekomen, kan men de voor zich gekozene woonplaats veranderen, mits de nieuwe woonplaats in dezelfde gemeente zij gelegen, en de verandering aan de wederpartij worde beteekena.

VIJFDE TITEL.

VAN HET H U W E L IJ K.

Algemeene bepaling.

83. De wet beschouwt het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen. (Gonstitution Frang. de 1791, tit. 2, a. 7; B. 136.)

172

-ocr page 227-

BOEK I, TITEL IV EN V, ARTT. 76—92.

EERSTE AFDEEL ING.

Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischt worden om een huwelijk te kunnen aangaan.

(Vg. G. 18, 33; — de wet van 28 Augustus 1851 (Stb.

n0. 128), a. 27 n0. 7, en de Militiew. a. 8, 128, 157, 187; - Sr. 237, 238, 379.)

84. De man kan te gelijker tijd slechts met ééne vrouw, de vrouw slechts met éénen man door het huwelijk verbonden zijn. (C. 147; B. 115, 116 n0. 4, 117, 118 n0. 2, 120, 126 n®. 4, 138, 141, 148, 549 v.; Sr. 237, 379a.)

85. Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestemming: der aanstaande echtgenooten vereischt. (C. 146; B. 116 n*. 3 en 4, 117, 118 nquot;. 2, 120, 188, 142, 143.)

86. Een jong man, den vollen ouderdom van achttien, en eene jonge dochter den vollen ouderdom van zestien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.

De Koning kan echter, om gewigtige redenen, dit verbod door het verleenen van dispensatie opheffen. (C. 144, 145; G. 69; B. 116 nquot;. 4, 117, 118 n». 2, 120, 138, 144.)

87. Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, hetzij door wettige, hetzij door onwettige geboorte, ot door aan-huwelijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wettige of onwettige. (C. 161, 162; B. 116 n0. 4, 117, 118 n». 2, 120, 138, 145, 148, 345 v., 350, 352.)

88. Ook is het huwelijk verboden:

1°. Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige;

2°. Tusschen oom of oud-oom en nicht of achternicht, mitsgaders tusschen moei of oud-moei en neef of achter-neef, wettige of onwettige.

De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen. (C. 162—164; G. 69; B. 116 n0. 4, 117, 118 n®. 2, 120, 138, 145, 148, 345 v., 350, 352.)

89. Een persoon, die bij regterlijk vonnis van overspel is overtuigd, mag nimmer met den medepligtige aan dat overspel in het huwelijk treden. (C. 298; B. 116 n0. 41, 117, 118 n0. 2, 120, 138, 145, 148; Sr. 241.)

90. Tusschen personen, wier huwelijk, om welke reden ook, door echtscheiding is ontbonden, mag nimmer een nieuw huwelijk plaats hebben. (C. 295; B. 116 n0. 4, 117, 118 n». 2, 120, 138, 145, 148)

91. Eene vrouw kan geen nieuw huwelijk aangaan, dan na verloop van drie honderd dagen na de ontbinding van het vorige huwelijk. CC. 228, 296; B. 116 nquot;. 4, 117, 118 n®. 2, 119, 120, 126 n». 4, 138, 154, 307.)

92. Echte kinderen kunnen, gedurende hunne minderjarigheid, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te hebben verzocht

173

-ocr page 228-

BURGERLIJK WETBOEK.

en dezelve te hebben verkregen, het zij van beiden, het zij van den vader alleen, indien de moeder zich niet verklaart, of met den vader in gevoelen verschil.

In het laatste geval, is de vader gehouden, het zij bij de akte van toestemming, het zij ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, te verklaren dat de toestemming van de moeder is gevraagd geweest.

Wanneer de vader overleden is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, wordt de toestemming van de moeder vereischt. (C. 148, 149; B. 45 n». 4, 97 v., 116 nquot;. 1, 126 n0. 2 en 5, 138, 146, 206, 3556, 385, 478ö, 514, 552, 948.)

93. Indien de vader en moeder beide overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, vervult de grootvader van vaders zijde hunne plaats.

Bij gebreke van den grootvader van vaders zijde, wordt de toestemming van den grootvader van moeders zijde vereischt. (C. 150; B. 45 n0. 4, 117, 126 n0. 2 en 5, 138,146, 206, 4786, 948.)

94. Wanneer zoo wel de grootvaders van vaders zijde, als die van moeders zijde ontbreken, wordt de toestemming vereischt van de grootmoeder van vaders zijde, en, bij gebreke van deze, van de grootmoeder van moeders zijde. (C. 150; B. 45 n0. 4, 117, 126 n». 2 en 5, 138, 146, 206, 4786, 948.)

95. Wanneer de vader en de moeder, mitsgaders de grootvaders en grootmoeders ontbreken, of wanneer zij zich allen in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, kunnen echte kinderen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd.

In geval van weigering van beide, of van één hunner, is de kantonregter, op verzoek van den minderjarige, bevoegd het verlof tot het aangaan des huwelijks te verleenen, na verhoor of na behoorlijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, mitsgaders van vier uit de naaste, binnen het rijk woonachtige en meerderjarige bloedverwanten, tot den graad van vollen neef ingesloten, zoo veel mogelijk in gelijk getal uit de twee linien te verkiezen.

Bij gebreke van het genoegzaam getal bloedverwanten binnen het rijk, zal dit getal worden aangevuld door meerderjarige en binnen de Nederlanden wonende personen, welke den verzoeker door aanhuwelijking in den bovenge-melden graad bestaan.

Indien er geene nabestaanden binnen het koningrijk aanwezig zijn, of indien, na behoorlijk gedane oproeping, geen der bloedverwanten of der aangehuwden, noch in persoon, noch bij oenen bijzonderen gevolmagtigde, verschijnt, zal de kantonregter het verlof toestaan of weigeren, nadat hij den voogd en den toezienden voogd zal hebben geraadpleegd of behoorlijk opgeroepen. (C. 160; B. 45 n0. 4 en 5, 118, 126 n°. 2, 3 en 5, 138, 146, 206, 506b, 514, 948.)

96. In het geval bij het tweede lid van het vorige artikel voorzien zijn, zoo wel het kind als de voogd, de toeziende

174

-ocr page 229-

BOEK I, TITEL V, ARTT. 93—103.

voogd en de opgekomen nabfstaanden, bevoegd bij de arrondissernents-regtbank, door middel van een verzoekschrift, tegen de uitspraak van den kantonregter op te komen. De regtbank zal op dit verzoek, na verhoor van de wederpartij en van het openbaar ministerie, en zonder anderen vorm van geding, het verzochte verlof, bij eindvonnis, toestaan of weigeren. (Rv. 324 n0. 6.)

97. Natuurlijke kinderen, wettiglijk door den vader erkend, kunnen, zoo Jang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader.

Bij gebreke van den vader, wordt de toestemming der moeder vereischt. (C. 158; B. 45 n®. 4, 116 n0.1,126 n0. 2 en 5, 138, 146, 206, 336, 408, 948.)

98. Natuurlijke doch niet erkende kinderen, of degene die, na de erkenning, hunnen vader en hunne moeder hebben verloren, of wier ouders buiten de mogelijkheid zijn hunnen wil te verklaren, kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd. In geval van weigering van beiden of van een hunner, zal de kantonregter het verlof daartoe kunnen verleenen, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en toezienden voogd, behoudens het beroep, het zij van de kinderen, het zij van hunnen voogd of toezienden voogd, op dezelfde wijze als bij artikel 96 is voorgeschreven. (C. 159; B. 45 n0. 4 en 5, 118, 12611°. 2, 3 en 5, 146, 206, 420, 948.)

99. Echte kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen ouderdom van dertig jaren nog niet hebben bereikt, zijn insgelijks verpligt om tot het aangaan van een huwelijk de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te verzoeken. Wanneer zij die toestemming niet hebben bekomen, kunnen zij de tusschenkomst inroepen van den kantonregter, binnen wiens gebied de vader of de moeder met der woon gevestigd zijn, en zulks met inachtneming der bepalingen van de volgende artikelen. (C. 151 v.; B. 45 n0. 4 en 5, 116 n0. 2, 3 en 5, 138, 154.)

100. Binnen den tijd van drie weken, te rekenen van den dag waarop het verzoek aan den kantonregter is gedaan, zal deze voor zich doen verschijnen den vader, of, bij gebreke van den vader, de moeder, mitsgaders het kind, ten einde hun alle zoodanige vertoogen te doen als hij in hun weder-zijdsch belang zal oorbaar achten. De kantonregter zal een proces-verbaal van de verschijning der partijen opmaken, zonder daarbij de redenen op te geven welke door haar over en weder zijn aangevoerd. (C. 151 v.)

101. Indien de vader, of, bij gebreke van dien, de moeder niet verschijnt, zal tot het huwelijk worden overgegaan, op de vertooning der akte, waaruit van die niet verschijning blijkt. (C. 151 v.)

102. Indien het kind niet verschijnt, kan het huwelijk niet worden voltrokken zonder een hernieuwd verzoek tot tusschenkomst. (C. 151 v.)

103. Indien, partijen verschenen zijnde, de vader, of, bij gebreke van dien, de moeder bij de weigering volhardt.

175

-ocr page 230-

BURGERLIJK WETBOEK.

mag het huwelijk niet worden voltrokken, dan na verloop van drie volle maanden, te rekenen van den dag der verschijning. (C. 151 v.; B. 154.)

104. De bepalingen der vijf laatste artikelen zijn insgelijks toepasselijk op natuurlijke kinderen, ten aanzien van de personen, wier toestemming tot het huwelijk bij artikel 97 vereischt wordt.

TWEEDE AFDEELING.

Van de formaliteiten welke de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan. (Vg. Sr. 466.)

105. Alle personen die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene dei-partijen. (B. 39 v., 74 v.)

106. Deze aangifte zal, het zij in persoon, het zij bij zoodanige geschriften geschieden, waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenooten met genoegzame zekerheid kan blijken, waarvan eene akte door den ambter.aar van den burgerlijken stand zal worden opgemaakt. (B. 19, 40.)

107. Vóór het voltrekken van het huwelijk, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand twee afkondigingen doen voor de deur van het huis der gemeente, en wel op twee volgende zondagen.

Deze huwelijks-afkondigingen, en de akte die daarvan moet worden opgemaakt a), zullen bevatten: (Sr. 467.)

1°. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten, en, indien dezelve reeds vroeger getrouwd zijn geweest, de namen van hunne vorige echtgenooten;

2°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van hunne ouders;

3°. Den dag, de plaats en het uur waarop de afkondigingen zijn geschied, met vermelding of zulks de eerste of de tweede zij. (C. 63; B, 41, 42, 111, 116 n0. 6, 117, 118 nquot;. 2, 130, 138, 154.)

108. Wanneer de aanstaande echtgenooten hunne woonplaats niet in dezelfde gemeente hebben, zullen öe beide afkondigingen moeten geschieden in de gemeenten alwaar ieder der partijen gevestigd is. (C. 166; B. 74 v. 138.)

176

109. Indien de aanstaande echtgenooten slechts zes maanden hunne woonplaats in eene gemeente hebben gehad,

a) Zoo artikel 20 der Wet van 26 Juni 1822 (Stb. no. 12). De O. E. heeft openbaar gemaakt.

-ocr page 231-

BOEK I, TITEL V, AR TT. 104—116.

zullen de huwelijks-afkondigingen daarenboven moeten gedaan worden in de gemeente, alwaar zij laatstelijk zijn gevestigd geweest. (C. 167; B. 138.)

110. Een uittreksel van die akte van afkondiging moet gedurende den tijd die tusschen de eerste en tweede afkondiging verloopt, aangeplakt worden en aangeplakt blijven aan de deur van het huis der gemeenten, alwaar die afkondigingen gedaan zijn. (C. 64.)

111. De Koning of de ambtenaren welke hij daartoe zal aanwijzen, zijn bevoegd om, uit hoofde van gewigtige redenen, dispensatie te verleenen van de tweede afkondiging. CC. 169; G. 69; B. 86, 88, 134; Stb. 1830 n0. 26, zie chron. iijst.)

112. Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de eerste huwelijks-afkondiging, niet is voltrokken, zal hetzelve niet voltrokken mogen worden, dan nadat alvorens wederom nieuwe afkondigingen zullen gedaan zijn. (C. 65; B. 180.)

113. Trouwbeloften geven geene regtsvordering tot het aangaan des huwelijks, noch tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der niet vervulling van de beloften; alle bedingen tot schadeloosstelling te dezer zaken zijn nietig.

Wanneer echter de aangifte des huwelijks bij den ambtenaar van den burgerlijken stand van eene afkondiging gevolgd is, kan zulks grond opleveren tot het vorderen van vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der werkelijke verliezen, welke de eene partij, door de weigering der andere, in hare goederen mogt hebben geleden, zonder dat daarbij eenige winstderving zal kunnen in aanmerking komen.

Deze regtsvordering verjaart door verloop van achttien maanden, te rekenen van de eerste huwelijks-afkondiging. (A. 14; B. 1279 v., 1371, 1373.)

DERDE AFDEEHNG.

Van het stuiten des huwelijks.

114. Het regt om de voltrekking van een huwelijk te stuiten, komt alleenlijk toe aan de personen en in de gevallen, bij de volgende artikelen voorzien. (Rv. 801 v.)

115. Degene die met eene der partijen door het huwelijk alsnog verbonden is, mitsgaders de kinderen uit dat huwelijk voortgesproten, zijn bevoegd om het nieuw aan te gaan huwelijk te stuiten, doch alleenlijk op grond van het bestaande. (C. 172; B. 84, 116 n0.4, 117,118 n0. 2.120,141.)

116. De vader, of bij gebreke van dien, de moeder kan het huwelijk stuiten, in de volgende gevallen: (C. 173.)

1°. Wanneer hun kind, nog minderjarig zijnde, de ver-eischte toestemming niet bekomen heeft; (B. 92, 97, 146 v.)

177

12

-ocr page 232-

BURGERLIJK WETBOEK.

2°. Wanneer hun meerderjarig kind, den vollen ouderdom van dertig jaren niet hebbende bereikt, verzuimd heeft hunne toestemming, en, bij weigering daarvan, de tusschenkomst van den kantonregter te verzoeken, welke volgens artikel 99 vereischt wordt; (B. 102, 454.)

3°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, onder curatele gesteld, of de curatele uit dien hoofde verzocht, en op dat verzoek nog niet is beslist; (B. 85, 142, 143, 488.)

4°. Wanneer eene der partijen de vereischten niet bezit om overeenkomstig de bepalingen van de eerste af-deeling van dezen titel, een huwelijk te kunnen aangaan; (B. 84—91, 115, 117—120, 141 v.)

5°. Vervallen krachtens art. 1 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 93). a)

6°. Wanneer de vereischte huwelijks-afkondigingen geen plaats hebben gehad; (B. 107 v., 154.)

7°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van verkwisting, is onder curatele gesteld, en het voorgenomen huwelijk blijkbaar het ongeluk van hun kind zoude te weeg brengen. (B. 488.)

117. Bij gebreke van beide ouders, zijn de grootvaders of grootmoeders bevoegd om het huwelijk van hunne kleinkinderen te stuiten, om de redenen, bij het 1, 3, 4, (5,) 6 en 7de lid van het vorige artikel uitgedrukt.

De stuiting kan, voor zooveel de reden aangaat, welke bij het eerste lid is vermeld, alleen plaats hebben met inachtneming der volgorde, welke bij artikel 93 en 94 is vastgesteld. (C. 173; B. 116 n0. 1.)

118. Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zusters, ooms en moeijen, mitsgaders de voogd, toeziende voogd, curator en toeziende curator een voorgenomen huwelijk stuiten:

1°. Wanneer de voorschriften van artikel 95 en 98, omtrent het bekomen van verlof tot het aangaan van het huwelijk, niet zijn in acht genomen;

2°. Om de redenen bij het 3, 4, (5) en 6de lid van artikel 116 uitgedrukt. (C. 174, 175.)

119. De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is ontbonden, kan het huwelijk zijner voormalige echtgenoote stuiten, wanneer zij een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór het verloopen van drie honderd dagen na het ontbinden van het vroegere. (B. 91, 116 n0. 4, 117, 118 n0. 2, 120. 154)

120. liet openbaar ministerie is verpligt een voorgenomen huwelijk te stuiten, in de gevallen bij art. 84 tot 9\'. ingesloten vermeld. (R. O. 4; Bv. 324 n0. 1; B. 149.)

121. Van de stuiting des huwelijks wordt kennis geno-

a) Het luidde:

„Wanneer degene, met wien hun kind in het huwelijk wil treden, uit hoofde van misdaad vervolgd wordt, of tot eene onteerende straf is veroordeeld.quot;

178

-ocr page 233-

nOEK I, TITEL V, ARTT. i 17—126.

men door de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort de gemeente gelegen is, alwaar het huwelijk moet worden voltrokken. (G. 177; Rv. 802 v.)

122. In de akte van stuiting moeten alle de middelen worden uitgedrukt, waarop de stuiting gegrond is, en mogen geene nieuwe middelen worden voorgedragen, voor zoo verre dezelve niet na de stuiting moeten ziin opgekomen. (G. 176; Rv. 8016.)

123. Bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, is de wijze bepaald, waarop de stuiting des huwelijks zal moeten gedaan en derzelver opheffing gevraagd worden. (Rv. 801 v.)

124. Wanneer de stuiting is afgewezen, zullen de opposanten, met uitzondering nogtans van bloedverwanten in de opgaande en nederdalende linie, en van het openbaar ministerie, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kunnen worden verwezen. (G. 179; B. 115—420,1401; Rv. 56.)

125. Wanneer er stuiting van een huwelijk plaats heeft, zal het aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet geoorloofd zijn hetzelve te voltrekken, dan nadat aan hem zal zijn ter hand gesteld een vonnis in kracht van gewijsde gegaan, of eene authentieke akte, waarbij de stuiting is opgeheven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Wanneer het huwelijk mogt zijn voltrokken voor dat de stuiting is opgeheven, zal het geding ter zake dier stuiting kunnen worden voortgezet, en het huwelijk worden nietig verklaard, bijaldien de eisch aan den opposant is toegewezen. (G. 68; B. 43, 126 nquot;. 6; Sr. 466.)

VIERDE AFDEELING.

Van de voltrekking des huwelijks. (Vg. Sr. 466.)

126. Alvorens tot de voltrekking des huwelijks over te gaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand zich doen ter hand stellen: (B. 23; Sr. 465.)

1°. De geboorte-akte van ieder der aanstaande echfge-nooten; (C. 70; B. 86, 92 v., 99 v., 127.)

2°. Eene authentieke akte, houdende de toestemming van den vader, de moeder, den grootvader of de grootmoeder, den voogd en den toezienden voogd, of wel het bij den regter verkregen verlof, in de gevallen waar hetzelve vereischt wordt; (G. 73; B. 92 v., 506.)

De toestemming kan ook bij de huwelijks-acte worden gegeven.

3°. De akte waaruit blijkt van de tusschenkomst van den kantonregter, in de gevallen waarin die vereischt wordt; (B. 95 v., 98, 99 v.)

4°. In geval van tweede of volgend huwelijk, de akte van overlijden van den vorigen echtgenoot, of de

179

-ocr page 234-

HURGERLIJK WETBOEK.

akte van echtscheiding, of wel afschrift van het verlof van den regter, bij afwezigheid van den anderen echtgenoot verleend; (B. 84, 89, 91, 140 v., 255, 260, 549 v.)

5°. De akte van overlijden van alle de zoodanigen die hunne toestemming tot het huwelijk zouden hebben moeten geven; (B. 126 n0. 2, 128.)

6°. Het bewijs dat de huwelijks-afkondigingen zonder stuiting zijn afgeloopen, ter plaatse alwaar die afkondigingen, overeenkomstig art. 107 en volgende van dezen titel, vereischt worden, of wel dat eene gedane stuiting is opgeheven. (C. 68 v.; B. 43, 125.)

127. Degene der aanstaande echtgenooten, die buiten de mogelijkheid mogt zijn om zijne geboorte-akte, bij het eerste lid van het vorige artikel vereischt, te vertoonen, zal zulks kunnen aanvullen door eene akte van bekendheid, afgegeven door den kantonregter van zijne geboorteplaats ot woonplaats, op de verklaring van vier getuigen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geene bloedverwanten zijnde.

Deze verklaring zal inhouden de vermelding van de plaats en, zoo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, mitsgaders de oorzaken die beletten om eene akte daarvan over te leggen.

Het gebrek eener geboorte-akte zal ook kunnen worden verholpen, het zij door eene dergelijke, doch beëedigde verklaring, afgelegd door de getuigen, welke bij de voltrekking des huwelijks moeten tegenwoordig zijn, of wel door eene bij den ambtenaar van den burgerlijken stand afgelegde beëedigde verklaring van den aanstaanden echtgenoot, houdende dat hij zich geene geboorte-akte of akte van bekendheid kan verschaffen. (Sr. 207.)

In de huwelijksakte zal van de eene of andere dier verklaringen worden melding gemaakt. (C. 70, 71; B. 26, 45, 70, 131 v.)

128. Indien partijen buiten de mogelijkheid zijn om de akten van overlijden, bij art. 126 n0. 5 vermeld, in te leveren, zal dat gebrek, op dezelfde wijze als in het geval van het voorgaande artikel, kunnen worden verholpen. (B. 62, 70 v.; Fortuyn II, 356.)

12». Indien de ambtenaar van den burgerlijken stand weigei\'t om een huwelijk te voltrekken, op grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen, bij de vorige artikelen gevorderd, zullen partijen de bevoegdheid hebben zich bij verzoekschrift tot de arrondissements-regt-bank te keeren; welke regtbank na verhoor van het openbaar ministerie, mitsgaders, wanneer daartoe gronden zijn, van den ambtenaar van den burgerlijken stand, summier en zonder hooger beroep, over de genoegzaamheid of ongenoegzaamheid der stukken zal uitspraak doen. (Rv. 324 n0. 2; Fortuyn III, 13.)

130. Het huwelijk zal niet mogen worden voltrokken, vóór den derden dag na dien der laatste afkondiging, die dag zelf niet daaronder begrepen. (G. 64; B. 107,112,154.)

180

-ocr page 235-

BOEK I, TITEfi V, ARTT. 127—137.

131. Het huwelijk zal in het openbaar, in het huis der gemeente, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der beide partijen, worden voltrokken, en in tegenwoordigheid van vier getuigen, hetzij nabestaanden of vreemden, manspersonen, meerderjarig zijnde, en binnen het koningrijk gevestigd. (G. 74, 75, 165; B. 20. 74 v., 147, 148, 154.)

132. Indien eene der partijen, uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel, verhinderd wordt zich naar het huis der gemeente te begeven, zal het huwelijk kunnen worden voltrokken in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente gelegen, mits geschiedende in tegenwoordigheid van zes getuigen.

Bij de huwelijks-akte zal, in dat geval, worden melding gemaakt van de oorzaak welke daartoe heeft aanleiding gegeven. (B. 46, 154.)

133. De aanstaande echtgenooten zijn verpligt bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen.

134. Het zal aan den Koning vrijstaan om, uit hoofde van gewigtige redenen, aan partijen te vergunnen het huwelijk door eenen bijzonderen bij authentieke akte gevolmagtigde te mogen voltrekken.

Indien de lastgever, voor dat het huwelijk voltrokken is, wettiglijk met eenen anderen persoon mogt zijn in den echt getreden, zal het huwelijk, bij eenen gevolmagtigde voltrokken. als niet geschied beschouwd worden. (G. 69; B. 19, 46, 86, 88, 1829 v.)

135. De aanstaande echtgenooten zullen, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid der getuigen, moeten verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenooten, en dat zij getrouwelijk alle de pligten zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken staat verbonden zijn. (C. 75.)

136. Geene godsdienstige plegtigheden zullen vermogen plaats te hebben, voor dat de partijen aan den bedienaar van hunne eeredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken. (Sr. 449; B. 83; Fortuyn II, 192.)

137. Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 465 en 466 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis. (C. 156, 192, 193; B. 27, 154; Rv. 854; Sr. 379, 465 v.)

Deze bepaling is door art. 5 der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265) ter vervanging van het oorspronkelijk artikel vastgesteld.

181

-ocr page 236-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIJFDE AFDEELING.

Van de huwelijken, wélke huiten \'s lands zijn voltrokken.

138. De huwelijken, in een vreemd land aangegaan, het zij tusschen Nederlanders, het zij tusschen Nederlanders en vreemdelingen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar den vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijks-afkondigingen, volgens de tweede afdeeling van dezen titel, binnen dit koningrijk, zonder stuiting des huwelijks, hebben plaats gebad, en de nederlandsche echt-genooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeeling van denzelfden titel vervat. (C. 170; A. 6, 10; B. 5 v., 84 v., 107 v.; Consul, w., a. 13.)

139. Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenooten op het grondgebied van het koningrijk, zal de akte van huwelijks-voltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar huwelijks-register van hunne woonplaats moeten worden overgeschreven. (C. 171; B. 47, 146c, 207.)

ZESDE AFDEELING.

Van de nietigheid eens huwelijks.

140. De nietigheid eens huwelijks kan alleen door den regter worden uitgesproken. (B. 125, 134.)

141. De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met art. 84 aangegaan, kan worden gevorderd door dengenen, die met een der echtgenooten door vroeger huwelijk is verbonden, door de echtgenooten zelve, door de bloedverwanten in de opgaande linie, door alle degenen die bij de verklaring der nietigheid belang hebben, en door het openbaar ministerie.

Indien de nietigheid van het vroegere huwelijk wordt staande gehouden, zal de bestaanbaarheid of onbestaanbaarheid van dat huwelijk vooraf moeten beslist worden. (C, 184, 188, 189, 190; B. 115, 116 n0. 4, 117, 118 n0. 2, 120, 138, 148, 149, 551.)

142. De wettigheid eens huwelijks, zonder de vrije toestemming der beide echtgenooten, of ook van een van hen aangegaan, kan alleen worden tegengesproken door de echtgenooten of door dengenen van hen, wiens toestemming niet is vrij geweest.

Wanneer er dwaling heeft plaats gehad in den persoon met wien men gehuwd is, kan de wettigheid alleen worden betwist door dengenen der echtgenooten, die in dwaling gebragt is.

In alle de gevallen bij dit artikel voorkomende, is men in den eisch tot nietigverklaring niet ontvankelijk, wanneer er eene aanhoudende zamenwoning gedurende den tijd van drie maanden heeft plaats gehad, sedert dat de echtgenoot zijne volkomene vrijheid bekomen heeft, of

182

-ocr page 237-

BOEK I, TITEL V, ARTT. 438—14().

de dwaling door hem ontdekt is. CC. 180, ISI; B. 85, 116 nquot;. 3 en 4, 417, 118 n». 2, 120, 138.)

143. Wanneer een huwelijk is aangegaan door iemand die, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens is onder curatele gesteld, kan de wettigheid des huwelijks worden betwist door deszelfs vader, moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, broeders, zusters, ooms en moeijen, mitsgaders door den curator, en eindelijk door het openbaar ministerie.

Na de opheffing der curatele, kan de nietigheid alleen worden ingeroepen door den echtgenoot die onder curatele was gesteld, en is ook deze daartoe niet ontvankelijk, na eene zamenwoning van zes maanden, te rekenen van de intrekking der curatele. (B. 85, 116 n0. 3, 117, 118 n0. 2, 120. 138, 149, 487, 488, 501 v.)

144. Indien een huwelijk is aangegaan dooreen persoon, welke den bij art. 86 vereischten ouderdom niet bereikt had, zal de nietigverklaring kunnen worden gevraagd, het zij door dien echtgenoot, het zij door het openbaar ministerie.

De wettigheid des huwelijks zal nogtans niet kunnen worden betwist:

1°. Wanneer op den dag der regtsvordering tot nietigverklaring, de echtgenoot of echtgenooten den vereischten ouderdom hebben bereikt;

2°. Wanneer de vrouw, den vereischten ouderdom niet hebbende bereikt, vóór den dag der regtsvordering zwanger is. (C. 184, 185, 186, 190; B. 116 n0. 4, 117, 118 n°. 2, 120, 138, 149.)

145. De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met overtreding der bepalingen in artikel 87, 88, 89 en 90 vervat, kan worden ingeroepen, het zij door de echtgenooten zeiven, hetzij door hunne ouders of bloedverwanten in de opgaande linie, het zij door allen die daarbij belang hebben het zij eindelijk door het openbaar ministerie. (C. 184; B, 116 n®. 4, 117, 118 nquot;. 2, 120, 138, 148, 149.)

146. Wanneer een huwelijk is aangegaan zonder toestemming van den vader, de moeder, de grootouders, den voogd, of den toezienden voogd, zal deszelfs nietigverklaring, in de gevallen, waarin de toestemming, of wel het verhoor van den voogd, volgens artikel 92, 93, 94, 95, 97 en 98 vereischt wordt, alleen kunnen gevorderd worden door degenen wier toestemming of verhoor, volgens de wet, noodzakelijk is geweest.

De regtsvordering tot nietigverklaring kan door de bloedverwanten, wier toestemming vereischt werd, niet worden aangevangen, wanneer het huwelijk door hen uitdrukkelijk of stilzwijgend is goedgekeurd, of wanneer zes maanden zonder tegenspraak van hunne zijde verloopen zijn, sedert het tijdstip waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen.

Ten aanzien van huwelijken, in een vreemd land aangegaan, wordt die kennis niet verondersteld, zoo lang de echtgenooten zullen zijn in gebreke gebleven om de akte van huwelijksvoltrekking, overeenkomstig de voorschriften

183

-ocr page 238-

BURGERLIJK WETBOEK.

van artikel »39, in de openbare registers te doen overschrijven. (G. 182, 183; 13. 116 n®. 1, 117, 118 n». 1, 138, 948.)

147. Do nietigheid van een huwelijk, hetwelk niet ten overstaan van den bevoegden ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid van het vereischte getal getuigen, is voltrokken, kan worden ingeroepen door de echtgenooten, door den vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, mitsgaders door den voogd, den toezienden voogd en door allen die daarbij belang hebben, en eindelijk door het openbaar ministerie.

In geval van overtreding van artikel 131, voor zoo veel de hoedanigheid der getuigen betreft, is het huwelijk niet noodwendig nietig, maar zal de regter naar de omstandigheden beslissen.

\' Wanneer er uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig is, en er eene akte van huwelijks-voltrekking, ten overstaan van eenen ambtenaar van den burgerlijken stand verleden, vertoond wordt, zijn de echtgenooten niet ontvankelijk om, ten gevolge van dit artikel, de nietigheid des huwelijks te vragen. (C. 191, 196; B. 20, 131, 132, 138, 148, 149, 154)

148 In alle de gevallen waarin, overeenkomstig artikel 141, 145 en 147, eene regtsvordering tot nietigverklaring kan worden aangevangen, door degenen die daarbij belang hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijlinie, door kinderen uit een ander huwelijk geboren, of door vreemden, zoolang de echtgenooten beide in leveti zijn, doch alleenlijk wanneer zij daarbij een reeds verkregei en dadelijk belang hebben. (C. 187.)

149. Na de ontbinding van het huwelijk, is het openbaar ministerie niet ontvankelijk do nietigheid daarvan te vragen. (C. 190.)

150. Een huwelijk, hetwelk nietig verklaard is, heeft niettemin alle deszelfs burgerlijke gevolgen, zoowel ten opzigte der echtgenooten, als van de kinderen, wanneer hetzelve ter goeder trouw door beide de echtgenooten is aangegaan. (C. 201 ; B. 152.)

151. Wanneer de goede trouw alleenlijk bestaat aan de zijde van een der echtgenooten, heeft het huwelijk geene burgerlijke gevolgen, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en van de kinderen, uit het huwelijk gesproten.

De echtgenoot die in de kwade trouw heeft verkeerd, kan tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den anderen verwezen worden. (C. 202; B. 152.)

152. In de gevallen van de twee voorgaande artikelen, houdt het huwelijk op burgerlijke gevolgen te hebben, te rekenen van den dag waarop hetzelve bij vonnis is nietig verklaard. (B. 150.)

153. De nietigheid eens huwelijks kan aan de region van derden geen nadeel toebrengen, wanneer deze te goeder trouw met de echtgenooten hebben gehandeld.

154. Geen huwelijk is nietig in geval van overtreding der bepalingen van artikel 91, 99, 103,107 en 130, of indien,

18i

-ocr page 239-

BOEK, I TITKL V EN VI, ARTT. \'147—\'160. 485

buiten hetgeen bij artikel 132 is voorgeschreven, het huwelijk niet openlijk in het huis der gemeente is voltrokken geworden.

In die gevallen, is de bepaling van artikel 137 op de ambtenaren van den burgerlijken stand toepasselijk. (G. 492; B. 146 v.; Sr. 466.)

ZEVENLE AFDEELING.

Van het bewijs van het bestaan des huwelijks.

155. Het bestaan van een huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de akte van deszelfs voltrekking, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven, behoudens de gevallen bij de volgende artikelen voorzien. (C. 194; B. 44 v., 147.)

156. Wanneer het blijkt dat er geene registers hebben bestaan, of dat dezelve zijn verloren geraakt, of ook dat de huwelijks-akte daaraan ontbreekt, wordt de genoegzaamheid der bewijzen van het bestaan des huwelijks ter beoordeeling van den regter overgelaten, mits er een uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig zij. (B. 26, 70, v., 147,1940 n0. 4.)

157. De wettigheid van een kind kan, uithoofde van het gebrek van het vertoonen der trouw-akte zijner overledene ouders niet worden betwist, indien hetzelve het uiterlijk bezit heeft van zijnen staat, overeenkomstig met zijne geboorte-akte, en de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd. (C. 197; B. 305, 316, 317.)

ZESDE TITEL.

Van de regten en verpligtingen der echtgenooten.

158. De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. (C. 212, B. 200, 201, 248, 280 v, 292; Sr. 255.)

159. De echtgenooten verbinden zich over en weder, dooide enkele daad des huwelijks, hunne kinderen te onderhouden en op te voeden. (G. 203; B. 200, 201, 248, 285, 353, 373, 376, 378, 1143; Sr. 255.)

160. De man is het hoofd der echtvereeniging. (B. 195.)

Als zoodanig verleent hij aan zijne vrouw bijstand in

regten, of verschijnt aldaar voor haar, behoudens de uitzonderingen hierna omschreven. (B. 165 v.)

Hij bestuurt de goederen aan de vrouw persoonlijk toe-behoorende, ten zij het tegendeel zij bedongen. (B. 179,249, 270, 299.)

Hij moet die goederen als een goed huisvader beheeren, en is voor alle verzuim in dat beheer verantwoordelijk. (B. 250.)

-ocr page 240-

BURGERLIJK WETBOEK.

Hij vermag hare onroerende goederen, zonder hare medewerking, niet te vervreemden of te bezwaren. (C. 1428; B. 195c.)

Art. 9c der Wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 88), tot instelling eener Rijkspostspaarbank, zooals dat is gewijzigd bij art. 5 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. n». 135):

Gehuwde vrouwen kunnen, zonder bijstand van hare echtgenooten, spaarbankboekjes te haren name bekomen en daarop inlagen doen. Met afwijking van het bepaalde bij de artt. 160 en 179 van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt aan haar, met uitsluiting van hare echtgenooten, terugbetaling van hetgeen op een spaarbankboekje te haren name verschuldigd is.

161. De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd. (C. 213; B. 195.)

Zij is verpligt met den man zamen te wonen, en hem overal te volgen waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden. (C. 214; B. 78, 162. 266, 267, 297.)

162. De man is verpligt zijne vrouw bij zich te ontvangen in het huis hetwelk hij bewoont. (C\'214; B. 78,161.)

Hij is gehouden haar te beschermen, en haar al hetgeen noodig is, volgens zijnen staat en zijn vermogen, te verschaffen. (G. 213, 214; B. 268. 292; Sr. 255.)

163. De vrouw, al is zij zelfs buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, kan, zonder bijstand van haren man in de akte, of zonder zijne schrir-telijke toestemming, niets geven, vervreemden, verpanden, verkrijgen, het zij voor niet, het zij onder eenen bezwa-renden titel. (C. 217; B. 164, 167—169, 171 v., 1053,1092, 12I7d, 1366 n». 3, 14826, 1721, 1739, 1835.)

Indien de man zijne vrouw heeft gemagtigd om zekere akte of verbindtenis aan te gaan, is de vrouw daardoor niet geregtigd om, zonder uitdrukkelijke toestemming van den man, eenige betaling te ontvangen, of daardoor kwijting te geven. (B. 170.)

164. Ten opzigle van handelingen of verbintenissen, door de vrouw aangegaan, wegens alles wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft, veronderstelt de wet dat zij de bewilliging van haren man heeft bekomen. (C. 163, 1953)

165. De vrouw kan niet in regten verschijnen zonder bijstand van haren man, al is zij buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, of eene openbare koopvrouw. (C. 215; B. 160b, 167 v., 1217d; Rv. 800.)

166. De bijstand van den man is niet noodig:

1°. Wanneer de vrouw in strafzaken vervolgd wordt; (C. 216.)

2°. In eene regfsvordering tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed, of van goederen. (Rv. 804, 816, 826.)

167. Wanneer de man weigert zijne vrouw te magtigen om eene akte aan te gaan, of om in regten te verschijnen, kan zij van de arrondissements-regtbank van hunne ge-

186

-ocr page 241-

BOEK I, TITEL VI EN Vil, ARTT. 161—174. 187

meene woonplaats verzoeken daartoe gemagtigd te worden. (C. 218; Rv. 799.)

168. Eene vrouw, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van haren man, openbare koopvrouw zijnde, kan zich zonder zijnen bijstand verbinden, in en omtrent alles wat die koopmanschap betreft. (B. 163; Rv. 586.)

quot;Wanneer zij met haren man in gemeenschap is getrouwd, is ook hij door die handelingen verbonden. (B. 176,185,187c.)

Zij wordt voor eene openbare koopvrouw gehouden, wanneer zij, afzonderlijk van haren man, koopmanschap drijft. (B. 1953.)

Indien de man zijne toestemming intrekt, is hij verpligt die intrekking openlijk bekend te maken. (C. 220.)

169. Wanneer de man uit hoofde van afwezigheid of andere redenen wordt verhinderd om zijne vrouw bij te staan of te magtigen, of een tegenstrijdig belang heeft, kan de kantonregter van de woonplaats der echtgenooten haar de bevoegdheid verleenen om in regten te verschijnen, verbindtenissen aan te gaan, beheer te voeren, en alle andere akten te verrigten. CC. 221, 222; B. 163, 165, 167, 180, 552; Rv. 798.)

Gewijzigd door art. 1 der Wet van 18 April 1874 (Stb. n®. 68). a)

170. Eene algemeene magtiging zelfs bij huvvelijksche voorwaarden bedongen, is niet verder geldig dan met betrekking tot het beheer-der goederen van de vrouw. (G. 223; B. 163, 195, 249, 1833.)

171. De nietigheid der handeling, gegrond op het ontbreken der magtiging, kan alleen door de vrouw, den man of hunne erfgenamen worden ingeroepen. (C. 225; B. 1367, 1482, 1487, 1490, 18586.)

172. Wanneer eene vrouw, na de ontbinding des huwelijks, eene overeenkomst of akte, in het geheel of ten deele, heeft ten uitvoer gelegd, welke zij zonder de vereischte magtiging had aangegaan, is zij onbevoegd om de vernietiging dier overeenkomst of akte te vragen. (C. 1492.)

178. De vrouw kan zonder bewilliging van haren man uiterste wilsbeschikkingen maken. (C. 226, 905; B. 943.)

ZEVENDE TITEL.

Van do wettelijke gemeenschap van goederen en derzelver beheer.

EERSTE AFDEEL ING.

Van de wettelijke gemeenschap van goederen.

174. Van het oogenblik der voltrekking des huwelijks

a) Oorspronkelijk werd, in plaats van „kantonregterquot;, gelezen „arron-dissements-regtbankquot;.

-ocr page 242-

BURGERLIJK WETBOEK.

bestaat, van regtswege, algeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche voorwaarden geene andere bepalingen gemaakt zijn.

Die gemeenschap kan, staande huwelijk, niet door onderlinge overeenkomst der echtgenooten worden opgeheven of gewijzigd. (G. 1393, 1395, 1399; B. 194 v., 204, 208, 235; F. 63.)

175. De gemeenschap omvat, wat hare baten betreft, alle de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoowel tegenwoordige als toekomende, ook die welke zij om niet verkrijgen, ten zij de erflater of de schenker uitdrukkelijk het tegendeel mogt hebben bepaald. (C. 1401—1408.)

176. Zij omvat, wat hare lasten betreft, alle de schulden, door ieder der echtgenooten, het zij voor, het zij staande huwelijk, gemaakt. (G. 1409 v.; B. 2186; F. 63.)

177. Alle vruchten en inkomsten, mitsgaders winst en verlies, staande huwelijk, komen mede ten bate en schade der gemeenschap. (B. 210 v.)

178. De doodschulden, na het overlijden vallende, worden door des overledenen erfgenamen alleen gedragen. (B. 181 n0. 1.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het beheer der gemeenschap.

179. De man alleen beheert de goederen van de gemeenschap.

Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en bezwaren, zonder tusschenkomst van de vrouw, behoudens het geval, bij het derde lid van art. 195 voorzien.

Hij kan, bij wege van schenking onder de levenden, niet beschikken, noch over de onroerende goederen der gemeenschap, noch over het geheel, of over een bepaald gedeelte of hoeveelheid der roerende goederen, dan alleen om aan kinderen uit hun huwelijk gesproten, eenen stand te bezorgen.

Hij mag zelfs niet, bij wege van schenking, over een bijzonder stuk roerend goed beschikken, indien hij zich het vruchtgebruik daarvan voorbehoudt. (C. 1421, 1422; B. 100, 241, 375, 488c, 950, 1143; W. Postsp.b., £. 9c, zie onder B. 160.)

180. Wanneer de man afwezig is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, en er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goaderen van de gemeenschap verbinden of vervreemden, na daartoe door den kantonregter gemagtigd te zijn. (C, 1427; B. 169, 552; Rv. 798.)

188

Gewijzigd door art. 1 der Wet van den iSden April 1874 (Stb. n0. 68). a.)

a) OorspronkeUik werd, in plaats van „den kantonregterquot;, gelezen: „de arrondissements-regtbankquot;.

-ocr page 243-

BOEK I, TITEL Vil, ARTT. 175—186. 189

DERDE AFDEELING.

Van de ontbinding der gemeenschap, en van het regl om daarvan afstand te doen.

181. De gemeenschap wordt van regtswege ontbonden; (B. 539.)

1°. Door den dood; (B. 4.)

2°. Door het aangaan van een huwelijk, op verlof van den regter, na afwezigheid van den echtgenoot; (B. 549 v.)

3°. Door echtscheiding; (B. 262 v.)

4°. Door scheiding van tafel en bed; (R. 288 v.)

5°. Door scheiding van goederen. (B. 241 v.)

De bijzondere gevolgen van de ontbinding, in de gevallen bij n0. 2, 3, 4 en 5 van dit artikel voorzien, zijn geregeld in de titels welke over die onderwerpen handelen. (C. 1441.)

182. Na het overlijden van een der echtgenooten, is de langstlevende verpligt, indien er minderjarige kinderen overblijven, binnen den tijd van drie maanden, eene boedelbeschrijving te doen opmaken van de goederen, welke de gemeenschap uitmaken. Die boedelbeschrijving kan onderhands, doch moet in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, worden opgemaakt. Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrijving, duurt de gemeenschap voort, ten voordeele van de minderjarigen, doch nimmer ten hunnen nadeele. (C. 1442; B. 370, 427, 466.)

183. Na de ontbinding der gemeenschap wordt de ge-meene boedel bij helfte verdeeld tusschen den man en de vrouw, of hunne erfgenamen, zonder aanzien der zijde waarvan die goederen zijn voortgekomen.

De regelen, welke zijn vastgesteld in den zestienden titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding, zijn toepasselijk op de verdeeling der wettelijke gemeenschap. (C. 1467, 1474, 1476, 1482; B. 178, 211, 1112 v.)

184. De kleedingstukken, de kleinooden en gereedschappen, behoorende tot het beroep van een der echtgenooten, mitsgaders de boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst en wetenschap, en eindelijk de papieren of gedenkstukken, bijzonder tot het geslacht van een der echtgenooten betrekkelijk, kunnen aan de zijde waarvan zij oorspronkelijk afkomstig waren, worden terug gevorderd, tegen den prijs waarop dezelve, in der minne, of door deskundigen, geschat worden. (B. 187.)

185. De man kan, na de ontbinding der gemeenschap, voor de schulden dier gemeenschap voor het geheel worden aangesproken, behoudens zijn verhaal tegen de vrouw of hare erfgenamen voor de helft. (C. 1484; B. 179, 183.)

186. De eene echtgenoot kan, na de scheiding en deeling der algeheele gemeenschap, niet door schuldeischers worden vervolgd voor schulden, welke de andere echtgenoot, vóór het huwelijk, mogt hebben gemaakt, blijvende die schulden ten laste van dengenen der echtgenooten, die dezelve heeft aangegaan, of van zijne erfgenamen; behoudens het verhaal,

-ocr page 244-

BURGERLIJK WETBOEK.

voor de wederhelft, tegen den anderen echtgenoot of diens erfgenamen. (B. 176, 183.)

187. De vrouw heeft het regt van de gemeenschap afstand te doen; allo overeenkomsten, daartegen strijdende, zijn nietig; afstand gedaan hebbende, kan zij uit de gemeenschap niets terug vorderen dan alleen het linnengoed en de kleederen tot haar lijf behoorende.

Zij wordt door dezen afstand ontheven van de verpligting om bij te dragen tot de schulden der gemeenschap, ten ware zij zich als openbare koopvrouw mogt hebben verbonden.

Onverminderd het regt der schuldeischers op de gemeenschap, blijft de vrouw in de verpligting te voldoen, zoo wel de schulden die zij als openbare koopvrouw heeft aangegaan, als degene die zij vóór haar huwelijk heeft gemaakt; behoudens, in het eene of andere geval, haar verhaal voor het geheel op haren man, of diens erfgenamen. (G, 1453, 1492—1495; A. 14; B. 168, 176, 189, 193, 208, 539,1091.)

188. De vrouw, die van het voorregt, bij het vorige artikel omschreven, wil gebruik maken, is verpligt, binnen den tijd van ééne maand na de ontbinding der gemeenschap, ter griffie van de arrondissements-regtbank ter laatste gemeene woonplaats, eene akte van afstand uit te brengen, op verbeurte van dit voorregt.

Indien de gemeenschap door den dood van den man ontbonden wordt, begint de termijn van eene maand te loopen van den dag waarop de vrouw van dat overlijden heeft kennis gedragen. (C. 1457; B. 189, 193, 2026 n0. 1.)

189. Indien de vrouw binnen den voorzeiden termijn is overleden, zonder eene akte van afstand te hebben uitge-bragt, zijn hare erfgenamen bevoegd, binnen den tijd van eene maand na haar overlijden, of nadat zij van dat overlijden hebben kennis gedragen, en op de wijze bij het vorig artikel omschreven, van de gemeenschap afstand te doen.

De aanspraak der vrouw tot terugvordering van haar linnengoed en kleederen uit de gemeenschap, kan door hare erfgenamen niet worden gemaakt. (C. 1461, 14956; B. 187, 193.)

190. Indien de erfgenamen van de vrouw niet eenpang-lijk hebben gehandeld, zoodat de eene de gemeenschap aanvaard, en de andere daarvan afstand gedaan heeft, kan degene, die dezelve aanvaard heeft, niet meer genieten dan het erfdeel, hetwelk hem voor zijn hoofd toekomt in de goederen, die bij scheiding aan de vrouw zouden zijn te beurt gevallen.

Het overschot blijft aan den man, of deszelfs erfgenamen, die daarentegen jegens den erfgenaam, die afstand gedaan heeft, belast zijn met de voldoening van al hetgeen de vrouw, in geval van gedanen afstand, zoude hebben kunnen vorderen, doch alleen ten beloope van het erfdeel, hetwelk dengenen, die afstand gedaan heeft, voor zijn hoofd toekomt. (G. 1475; B. 187c, 189, 193, 1105.)

191. De vrouw, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken, kan van die gemeenschap geenen afstand meer doen.

190

-ocr page 245-

BOEK I, TITEL VH EN VIII, ARTT. 187—197. 191

Daden van eenvoudig beheer, of het behoud der goederen betreffende, brengen dat gevolg niet te weeg. (C. 1454; B. 1094, 1095.)

192. De vrouw, die eenige goederen van de gemeenschap heeft weggemaakt of verduisterd, blijft in gemeenschap, niettegenstaande haren gedanen afstand; hetzelfde geldt ten aanzien van hare erfgenamen. (C. 1460; B. 1077, 1110.)

193. In geval de gemeenschap door den dood van de vrouw ontbonden wordt, kunnen hare erfgenamen van de gemeenschap afstand doen, binnen den tijd, en in den vorm, ten aanzien der vrouw zelve voorgeschreven. (C. 1466; B. 187 v.)

ACHTSTE TITEL.

Van huwelijksche voorwaarden.

EERSTE AFDEELING.

Van huwelijksche voorwaarden in het algemeen.

194. De aanstaande echtgenooten kunnen door huwelijksche voorwaarden afwijken van de regelen, opzigtelijk de wettelijke gemeenschap vastgesteld, mits dezelve niet met de goede zeden of met de openbare orde strijdig zijn, en bovendien onder de navolgende bepalingen. (C. 1387, 1497, 1527; A. 14; B. 174 v., 187, 208, 235, 1373.)

195. Zij vermogen niet af te wijken van de regten, welke uit de magt van den man, als zoodanig, en uit de vaderlijke magt voortspruiten, noch van de regten welke de wet aan de betrekking van langstlevenden echtgenoot heeft verbonden. (B. 160 v., 353 v., 362 v., 366, 400 v., 409.)

Zij kunnen insgelijks niet afwijken van de regten, welke aan den man, als het hoofd der echtverbindtenis, toekomen; behoudens echter het vermogen der vrouw om voor zich te bedingen het beheer barer roerende en onroerende goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten. (B. 160.)

Het staat hun ook vrij te bedingen dat, niettegenstaande de wettelijke gemeenschap, de onroerende goederen, de inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en de andere effecten en inschulden, ten name der vrouw staande en door haar aangebragt, of die, staande huwelijk, van hare zijde in de gemeenschap mogten vallen, buiten hare medewerking, niet door haren echtgenoot zullen mogen worden vervreemd of bezwaard. (B. 179; C. 1388.)

196. De aanstaande echtgenooten kunnen bij huwelijksche voorwaarden geen afstand doen van hetgeen hun de wet in de nalatenschap hunner afkomelingen toekent, noch de nalatenschap dier afkomelingen regelen. (C. 1389; B. 899 v., 1109, 1370.)

197. Zij mogen niet bedingen dat de een tot een grooter

-ocr page 246-

BURGERLIJK WETBOEK.

aandeel in de schulden zal gehouden zijn dan deszelfs aandeel in de baten der gemeenschap beloopt. (C. 1520 v.)

198. Zij kunnen niet, in algemeene bewoordingen, bedingen dat hunne verbindtenis zal geregeld worden door buitenlandsche wetten, of door eenige gewoonten, wetten, wetboeken of plaatselijke keuren, welke te voren in de onderscheiden gedeelten des koningrijks zijn van kracht geweest. (C. 1390.)

199. De uitsluiting der gemeenschap van goederen brengt geene uitsluiting van winst en verlies mede, ten ware ook deze uitdrukkelijk uitgesloten mogt zijn. (C, 1392, 1530; B- 219.)

De gemeenschap van winst en ^erlies wordt geregeld door de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel. (B. 210 v.)

200. Ook kan, in geval van uitsluiting of beperking van gemeenschap, de som worden bepaald, welke de vrouw jaarlijks tot de huishouding en de opvoeding der kinderen uit hare goederen zal moeten bijdragen. (C. 1537; B, 159, 248.)

201. Bij gebreke van bedingen daaromtrent, zijn alle de vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter beschikking van den man. (C. 1530, 1537, 1575; B. 159, 248.)

202. De huwelijksche voorwaarden moeten, op straffe van nietigheid, vóór het aangaan des huwelijks, bij notariele akte worden verleden.

Zij beginnen te werken van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip mag daarvoor worden bepaald. (C. 1894, 1399; B. 174, 204.)

203. De veranderingen die daarin, vóór het voltrekken des huwelijks, zouden mogen worden gemaakt, kunnen op geene andere wijze worden tot stand gebragt, dan door eene akte, in denzelfden vorm als de huwelijksche voorwaarden verleden.

Geene veranderingen zijn bovendien van waarde, zonder de tegenwoordigheid en de gelijktijdige toestemming van alle de personen, die in de huwelijksche voorwaarden partijen geweest zijn. (C. 1396.)

20i. Na de voltrekking des huwelijks, kunnen de huwelijksche voorwaarden op geenerlei wijze worden veranderd. (C. 1395; B. 202 v., 251, 252b, 292, 1715.)

205. Bij uitsluiting der gemeenschap van goederen, kan de aanbrengst der roerende goederen, met uitzondering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en andere op naam staande efiecten en inschulden, op geene andere wijze worden bewezen, dan door derzelver vermelding bij de huwelijksche voorwaarden, of door eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet worden gemaakt. (B. 220, 221, 569; K. 880.)

206. Minderjarigen die de vereischten bezitten om een huwelijk aan te gaan, zijn ook bekwaam om toe te stemmen

192

-ocr page 247-

BOEK I, TITEL VIII, ARTT. 198—212.

in alle overeenkomsten welke de huwelijksche voorwaarden bevatten mogen, mits de minderjarigen, bij het maken daarvan, den bijstand hebben gehad van diegenen, wier toestemming tot het aangaan van het, huwelijk noodzakelijk was.

Indien het huwelijk plaats heeft uit kracht van het verlof waarvan bij artikel 95 en 98 gesproken wordt, moet het ontwerp der huwelijksche voorwaarden bij het verzoek om verlof worden gevoegd, teneinde daaromtrent gelyktijfiig worde beschikt. (C. 1095, 1398; B. 86, 92 v, 97, 98, 506, 514, 1483amp;, 1714.)

207. Geene bepalingen, in huwelijksche voorwaarden voorkomende, waarbij van de wettelijke gemeenschap geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken, zullen ten aanzien van derden vroeger kunnen werken, dan van den dag der overschrijving dier bepalingen in een openbaar register, hetwelk daarvan zal worden gehouden, ter griffie der regtbank van het arrondissement waarin het huwelijk is voltrokken, ot de huwelijks-akte is overgeschreven, bijaldien het huwelijk buiten \'slands is aangegaan. (Co. 67 v.; B. 139, 202.)

208. De regelen welke opzigtelijk de wettelijke gemeenschap zijn voorgeschreven, zijn steeds van toepassing, voor zoo verre daarvan niet, het zij uitdrukkelijk, het zij uit den aard der bedingen, bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, is afgeweken.

Hoedanig en op welke wijze gemeenschap van goederen zij bedongen, heeft de vrouw, of hebben hare erfgenamen, de bevoegdheid om daarvan afstand te doen, op de wijze en in de gevallen bü den vorigen titel voorzien. (C. 1528, 1453; B. 187 v., 193.)

209. De huwelijksche voorwaarden, mitsgaders schenkingen ter zake van huwelijk, vervallen, wanneer dezelve niet door een huwelijk zijn opgevolgd. (C. 1088: B. 223 v., 231 v., 12946.)

TWEEDE AFDEEL! NG.

Van de gemeenschap van ivinst en verlies en van die der vruchten en inkomsten.

210. Indien door de aanstaande echtgenooten slechts is bedongen, dat er zal bestaan gemeenschap van winst en verlies, sluit dit beding de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen uit, en bepaalt zich daartoe dat, bij de ontbinding dezer gemeenschap, tusschen de echtgenooten de winsten, bij hen, staande huwelijk, verkregen, worden gedeeld, en de verliezen gedragen. (C. 1498; B. 199.)

211. Elk der echtgenooten deelt in de winsten, en draagt in de verliezen, voor de helft, indien daaromtrent geene andere bepaling bij de huweliiksche voorwaarden gemaakt is. (B. 183, 197, 240.)

212. Voor winst wordt bij deze gemeenschap gehouden de vermeerdering van beider bezittingen, staande huwelijk.

193

13

-ocr page 248-

BURGERLIJK WETBOEK.

opgekomen uit de vruchten en opbrengsten van elks goederen, arbeid en vlijt, en uit den opleg van onverteerde inkomsten; voor verlies, de vermindering dier bezittingen, door uitgaven boven de inkomsten veroorzaakt. (C. 1498.)

213. Onder winst is niet begrepen al hetgeen een der echtgenooten, staande huwelijk, bij erfenis, making of schenking verkrijgt, onverschillig of dit van nabestaanden, of van vreemden, afkomstig zij; behoudens de bepaling van art. 222.

214. Onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aangekocht, op wiens naam dit ook geschied zij, worden voor winst gehouden, ten zij het tegendeel daarvan blijke.

215. Rijzing of daling van de waarde der goederen aan een der echtgenooten toekomende, wordt voor geen winst of verlies gerekend.

216. Verbetering van onroerende goederen, door aanwas, aanspoeling, vertimmering of op eenige andere wijze ontstaan, wordt mede niet als winst beschouwd, maar bevoordeelt alleen den eigenaar dier onroerende goederen. (B. 651 v.)

217- Schade of vermindering, door brand, watersnood, afspoeling of anderzins veroorzaakt, behoort niet onder de gemeene verliezen, maar komt tot last van den eigenaar, wiens, goederen beschadigd of verminderd zijn.

218. Alle schulden, de echtgenooten te zamen betreffende, en staande huwelijk gemaakt, moeten als verlies tot deze gemeenschap gebragt worden.

Wat een der echtgenooten door misdrijf verbeurt, is niet daaronder begrepen. (B. 176, 185.)

219. Het beding dat tusschen de echtgenooten slechts eene gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan, houdt eene stilzwijgende uitsluiting in, zoo van de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen, als van die van win«t en verlies. (B. 199, 222.)

220. Zoo wel bij de bedongene gemeenschap van winst en verlies, als bii die van de vruchten en inkomsten alleen, in de artikelen 210 en 219 omschreven, moeten do roerende goederen aan ieder der echtgenooten bij het aangaan des huwelijks toebehoorende, uitdrukkelijk worden opgegeven in de huwelijksche voorwaarden zelve, of wel in eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet zijn gemaakt j zonder dit bewijs, worden de roerende goederen voer winst gehouden. (G. 1499, 1532; B. 205, 569; F. 61.)

221. Van de roerende goederen, staande huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking, aan ieder der echtgenooten opkomende, moet door beschrijving blijken.

Bij gebreke van beschrijving, bevattende de roerende goederen welke, staande huwelijk, aan den man zijn opgekomen, of bij gebreke van bescheiden, waaruit daarvan kan blijken, is de man onbevoegd om zoodanige goederen als de zijne terug te nemen.

Indien geene beschrijving aanwezig is van de roerende

194

-ocr page 249-

BOEK I, TITEL VIH, ARTT. 213—229.

goederen welke, staande huwelijk, aan de vrouw zijn opgekomen, of bij gebreke van bescheiden, waaruit kan blijken waarin die goederen hebben bestaan, en welke derzelver waarde is, is deze, of zijn hare erfgenamen bevoegd, om van het bestaan en de waarde dier goederen door getuigen, en des noods door de algemeene bekendheid te doen blijken. (C. 1499; 1509; B. 220, 569; F. 61.)

222. Onder vruchten en inkomsten worden mede gerekend jaarlijksche, maandelijksche, wekelijksche, en andere dergelijke makingen, schenkingen of uitkeeringen, gelijk ook lijfrenten; en zijn mitsdien in beide de bedingen van gemeenschap begrepen, van welke in deze afdeeling wordt gehandeld. (B. 210 v., 212, 213, 219.)

DERDE AFDEELING.

Van de giften tusschen de aanstaande echlgenooten bedongen.

223. De aanstaande echtgenooten mogen bij huwelijksche voorwaarden aan elkander, wederkeerig, of een van beiden aan den anderen, zoodanige giften doen, als zij voegzaam zullen oordeelen, behoudens de inkorting dier giften, voor zoo verre daardoor de regten zouden zijn benadeeld van degenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (C. 1090, 1091; B. 287, 277 v., 960, 967, 1730; F. 62.)

224. Die giften kunnen betrekkelijk zijn, het zij tot tegenwoordige en bij de akte bepaaldelijk omschreven goederen, het zij tot de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker. (B. 1370, 1704.)

225- Giften van dien aard zijn van waarde, zonder de uitdrukkelijke aanneming van dengenen aan wien dezelve gemaakt zijn. (C. 1087, 1093; B. 1720,1722,206,460,506.)

226. Die giften kunnen plaats hebben onder voorwaarden, welker uitvoering van den wil des schenkers afhangt. (C. 1170, 1174, 944, 1086, 1093; B. 12926.)

227. Alle giften van tegenwoordige en bepaalde goederen zijn onherroepelijk, behalve in het geval van niet-voldoening aan de voorwaarden onder welke zij gemaakt zijn. (C. 953 v., B. 1725.)

228. De giften van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker zijn onherroepelijk; met dien verstande, dat hij niet meer over de goederen, in die gift begrepen, om niet mag beschikken, behalve over geringe sommen tot belooning, of om andere redenen, door den regter te beoordeelen. (B. 922, 1374c.)

Uit hoofde der niet-voldoening aan de voorwaarden, kunnen die giften worden herroepen. (C. 1083,\'1093; B. 1708, 1725, 227.)

229. Geene giften van tegenwoordige en bepaaldelijk omschreven goederen, tusschen de echtgenooten bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, worden geacht j te zijn onderworpen aan de voorwaarde van overleving van den

195

-ocr page 250-

BURGERLIJK WETBOEK

begiftigde, ten ware die voorwaarde uitdrukkelijk mogtzijn gemaakt. (C. 1092; B. \'230, 1703, 1709.)

230. Geene gift van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap des schenkers bij huwelijksche voorwaarden, het zij door den eenen echtgenoot aan den anderen, het zij over en weder, gemaakt, zal aan de kinderen, uit het huwelijk gesproten, overgaan, wanneer de begiftigde echtgenoot vóór den schenker mogt komen te overlijden. (C. 10Ü3; B. 946, 229, 233.)

V [ E R D E AFDEEL1NG.

Van giften welke aan de aanstaande echtgenooten, of aan kinderen uit him huwelijk, gedaan zijn.

231. Zoo wel bij huwelijksche voorwaarden, als bij afzonderlijke notariële akte, vóór het aangaan des huwelijks en ter zake van hetzelve verleden, kunnen derden aan de aanstaande echtgenooten, of aan een hunner, zoodar.ige giften doen als zij voegzaam oordeelen, behoudens de inkorting dier giften, voor zoo verre daardoor de regten zijn benadeeld van degenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (C. 1082, 1090; B. 283, 960, 967, 1136, 1714, 1730.)

232. Indien die giften bij huwelijksche voorwaarden zijn gedaan, wordt tot derzelver geldigheid niet gevorderd de uitdrukkelijke aanneming door den begiftigde; wanneer daarentegen de gift bij afzonderlijke akte heeft plaats gehc d, heeft dezelve geen gevolg dan na de uitdrukkelijke aanneming. (C. 1087; B. 1720, 225.)

233. Eene gift van het geheel of van een gedeelte der nalatenschap van den schenker, hoezeer alleen ten behoeve der echtgenooten, of van een hunner, gedaan, wordt echter altijd geacht ten behoeve van de kinderen en af komelingen, uit het huwelijk geboren, te hebben plaats gehad, in het geval dat de schenker den begiftigde overleeft, en het tegendeel niet uitdrukkelijk bij de akte is bepaald.

Die giften vervallen, indien de schenker den begiftigde, en de kinderen en afkomelingen uit het huwelijk geboren, overleeft. (C. 1082, 1089; B. 230, 286, 1716, 1023.)

234. De bepalingen van artikel 224, 226, 227 er 228 zijn insgelijks toepasselijk op de giften, waarvan in deze afdeeling gesproken wordt. (C. 1083, 1086, 1092.)

NEGENDE TITEL.

Van genieenschap of huwelijksche voorwaarden bij tweedp- of verder huwelijk.

235. Ook in tweede en verder huwelijk bestaat van regtswege algeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche

196

-ocr page 251-

BOEK I, TITEL VIFI, IX EN X, ARTT. 230—241. 197

voorwaarden geene andere bepalingen zijn gemaakt. (C. \'1496; B. 174, 194, 208.)

236. Bij tweede of verder huwelijk kan echter, indien er kinderen of afkomelingen uit hel vroeger huwelijk aanwezig zijn, aan den nieuwen echtgenoot, door de vermenging van goederen en schulden bij eenige gemeenschap, geen meerder voordeel opkomen, dan ten beloope van het minste gedeelte hetwelk een dier kinderen of bij voor-overlijden deszelfs afkomelingen, bij plaatsvervulling, genieten, en zonder dat dit voordeel immer het een vierde des boedels van den hertrouwden echtgenoot mag te boven gaan.

De voorkinderen of derzei ver afkomelingen hebben, ten tijde van het openvallen der nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot, eene regtsvoidering tot inkorting of vermindering; en hetgeen het geoorloofd gedeelte te boven gaat, valt ten voordeele van die nalatenschap. (C. 1098, 1496; B 237, 240, 889, 949, 1106, 967, 976.)

237. De man of de vrouw, kinderen of afkomelingen hebbende uit het vroeger bed, een tweede of volgend huwelijk aangaande, mag aan den tweeden of verderen echtgenoot, ook bij huwelijksche voorwaarden, geene meerdere voor-deelen bespreken, dan hetgeen bij het vorige artikel breeder is omschreven. (C. 1098; B. 223, 949.)

238. De echtgenooten mogen elkander door zijdelingsche wegen niet meer geven, dan hun bij de hierboven gemaakte bepalingen is toegestaan.

Alle giften onder eenen verdichten titel, of aan tusschen beide komende personen gedaan, ziin nietig. (C. 1099; B. 1103 v., 1953 n». 1.)

239. Voor giften aan tusschen beide komende personen gedaan, zullen gehouden worden de zoodanige, welke door een der echtgenooten aan de kinderen, of aan een der kinderen van den mede-echtgenoot, uit een vroeger huwelijk gesproten, gedaan worden, alsmede de giften welke door den schenker zijn gedaan aan bloedverwanten, van wie de andere echtgenoot, ten tijde der gift, de vermoedelijke erfgenaam zal zijn; al ware het ook dat de laatstgemelde den begiftigden bloedverwant niet hadde overleefd. (C. 1100; B. 958, 1958.)

240. Ook in het geval waarin kinderen zijn uit een vroeger huwelijk, worden winst en verlies gelijkelijk tusschen de echtgenooten gedeeld, ten zij de gemeenschap daarvan bij huwelijksche voorwaarden zi) uitgesloten of gewijzigd. (B. 183, 211, 219.)

TIENDE TITEL.

Van de scheiding der goederen,

241. De vrouw kan, staande huwelijk, bij den regter scheiding van goederen vragen, doch alleen in de volgende gevallen:

-ocr page 252-

BURGERLIJK quot;WETBOEK.

1°. Wanneer de man, door een kennelijk wangedrag, de goederen der gemeenschap verspilt, en het huisgezin aan ondergang blootstelt;

2°. Wanneer, door de wanorde en het slecht beheer zijner zaken, de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw, en voor hetgeen haar naar regten toekomt, zoude verloren gaan, of ook door grof verzuim in het beheer van het huwelijksgoed, hetzelve zoude worden in gevaar gebragt.

Scheiding van goederen bij onderlinge toestemming is nietig. (C. 1443; Rv. 804 v.; B. 160, 174, 179, 181 nu. 5 204; Rv. 810.)

242. De eisch tot scheiding van goederen moet openlijk worden bekend gemaakt. (Rv. 807.)

243. De schuldeischers van den man kunnen in het geding tusschenbeide komen, om den eisch tot scheiding van goederen te betwisten. (C. 1447; B. 247; Rv. 285 v.)

244. De scheiding van goederen moet, voor het ten uitvoer leggen daarvan, openlijk worden bekend gemaakt, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegewezen, heeft, wat deszelfs gevolgen betreft, eene achteruit-werkende kracht, te rekenen van den dag der regtsvordering. (C, 1415; B. 247; Rv. 811.)

245. De vrouw kan gedurende het geding, met bewilliging van den regter, behoedmiddelen in het werk stellen, ten einde te voorkomen dat de goederen worden weggemaakt en verspild. (Rv. 808—808 J.)

246. Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegestaan, vervalt van regtswege, indien hetzelve niet, blijkens eene daarvan op te maken authentieke akte, vrijwillig is ten uitvoer gelegd door de werkelijke verdeeling der goederen; of wanneer, binnen den tijd van ééne maand nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen, geene regterlijke vervolgingen daartoe door de vrouw zijn begonnen en regelmatig worden voortgezet. (C. 1444; B. 1112 v.; Rv. 812.)

247. De schuldeischers van den man die niet in het geding zijn tusschen beide gekomen, kunnen zich tegen de scheiding verzetten, al ware dezelve reeds ten uitvoer gelegd, indien hunne regten daardoor opzettelijk mogten verkort zijn. (C. 1447; B. 270, 1377; Rv. 376 v., 380, 813.)

248. Niettegenstaande de scheiding van goederen, is de vrouw verpligt om, naar evenredigheid van haar vermogen en dat van haren man, bij te dragen tot de kosten der huishouding en der opvoeding der kinderen, door hareu man bij haar verwekt.

Bij onvermogen van den man, komen die kosten ten laste van de vrouw alleen. (C. 1448; B. 159, 200, 201, 353.)

249. De vrouw, welke van goederen gescheiden is, bekomt de vrije beheering daarvan terug, en kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene alge-meene bewilliging bekomen, om over hare roerende goederen te beschikken. (C. 1449; B. 160, 167, 169, 170, 179,

■198

-ocr page 253-

BOEK I, TITEL X EN XI, ARTT. 242—254.

180; Stb. 1874 n0. 68, zie onder bijlagen tot B. W.)

250. De man is niet verantwoordelijk aan de vrouw, indien zij van goederen gescheiden zijnde, nalatig is geweest om den koopprijs van een onroerend goed, hetwelk zij op bekomen bewilliging van den regter vervreemd heeft, te gebruiken of weder te beleggen, ten ware hij het contract mede hebbe helpen tot stand brengen, of bewezen zij dat de penningen door hem ontvangen zijn, of ten zijnen voor-deele gestrekt hebben. (C. 1450; B. 160c.)

251 De gemeenschap, door scheiding van goederen ontbonden zijnde, kan, met toestemming der echtgenooten, worden hersteld.

Zulks kan niet anders geschieden dan bij eene authentieke akte. (C. 1451; B. 252, 1905.)

252. Wanneer de gemeenschap hersteld is, worden de zaken in denzelfden staat terug gebragt als of er geene scheiding had plaats gehad, onverminderd de nakoming der handelingen, welke, gedurende het tusschenvak sedert de scheiding tot op het herstel der gemeenschap, door de vrouw verrigt zijn.

Alle overeenkomsten waardoor de echtgenooten de gemeenschap zouden herstellen, op andere voorwaarden dan waarop zij bevorens geregeld was, zijn nietig. (C. 1451; A. 14; B. 174, 204, 1376.)

253. De echtgenooten zijn verpligt het herstel der gemeenschap openlijk bekend te maken.

Zoo lang die openlijke bekendmaking geen plaats heeft gehad, kunnen de echtgenooten de gevolgen der herstelde gemeenschap niet aan derden tegenwerpen. (C. 1451; Rv.815.)

ELFDE TITEL.

Fan de ontbinding des huwelijks.

EERSTE AFDEELING.

Van de ontbinding des huwelijks in het algemeen.

254. Het huwelijk wordt ontbonden :

1°. Door den dood; (B. 4.)

2°. Door afwezigheid van een der echtgenooten gedurende tien jaren, en een daarop gevolgd nieuw huwelijk van den anderen echtgenoot, overeenkomstig de bepalingen van de vijfde afdeeling des negentienden titels; (B. 549 v.; Stb. 1855 nu. 67, zie achter B. 523.)

3°. Door regterlijk vonnis, na scheiding van tafel en bed uitgesproken, in de gevallen, en overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel; (B. 255 v.)

4°. Door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeeling van dezen titel. (B. 262 v.; G. 227.)

199

-ocr page 254-

liöRGERI.IJK WETBOEK.

TWEEDE A. F D E E L I N G.

Van de ontbinding des huwelijks, na de scheiding van tafel en bed.

255. Wanneer echtgenooten van tafel en bed zijn gescheiden, het zij uit hoofde van eene der redenen bij artikel 288 vermeld, het zij op beider verzoek, en de scheiding gedurende vijf volle jaren, zonder verzoening der partijen, heeft stand gehouden, zal het aan ieder hunner vrijstaan om den anderen in regten op te roepen, en te eischen dat het huwelijk worde ontbonden. (C. 310; B. 291, 297, 303.)

256. De eisch zal dadelijk worden ontzegd, indien de verwerende partij, na drie malen, van maand tot maand in regten te zijn opgeroepen, niet verschijnt, of, opkomende, zich tegen den eisch verzet, of eindelijk, van hare zijde verklaart bereid te zijn zich met de wederpartij te verzoenen. (C. 310; B. 303.)

257. Indien de gedaagde partij in den eisch toestemt, zal de regtbank de echtgenooten bevelen om te zamen, en in persoon, voor een of meer harer leden te verschijnen, die hen tot eene verzoening zullen trachten over te halen.

Indien de poting daartoe niet mogt gelukken, zal de regter eene nieuwe verschijning bevelen, ten minste drie, en ten hoogste zes maanden na de eerste, en zullen daarbij worden opgeroepen de naaste bloedverwanten in de opgaande linie der beide echtgenooten. (B. 263, 294, 303; Rv. 16.)

258. Wanneer ook deze verschijning vruchteloos mogt alloopen, het zij de bloedverwanten, bij het vorige artikel vermeld, al of niet verschenen zijn, zal de regtbank op het rapport van commissarissen, en na verhoor van het openbaar ministerie, uitspraak doen, en zal de eisch worden toegewezen, indien behoorlijk aan alle de formaliteiten, hierboven omschreven, is voldaan.

Het staat niettemin aan de regtbank vrij hare uitspraak, gedurende den tijd van zes maanden na het voldingen der zaak, aan te houden, indien het haar mogt zijn gebleken dat er nog waarschijnlijkheid van verzoening bestaat. (B. 295; Rv. 324 n0. 7.)

259. Tegen de uitspraak der regtbank wordt, uiterlijk gedurende ééne maand, beroep bij den hoogeren regter toegelaten. (B. 296.)

260. Het vonnis waarbij de ontbinding is uitgesproken, moet in de registers van den burgerlijken stand worden ingeschreven, op dezelfde wijze en op dezelfde straffen als, ten aanzien der echtscheiding, bij art. 276 is bepaald. (B. 48.)

261. Door de ontbinding des huwelijks wordt geen inbreuk gemaakt op de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en bed, bij artikel 301 opgegeven, noch op de voorwaarden welke, in geval van minnelijke scheiding, naar aanleiding van art. 292, door partijen zijn geregeld; blijvende deze gevolgen en voorwaarden in hunne volle kracht. (B. 302.)

200

-ocr page 255-

Van echtscheiding.

262. )e vordering tot echtscheiding kan alleen in regten worden aangevangen, bij de arrondissements-regtbank der woonplaats van den man, behoudens het geval bij art. 266 voorzien. (C 234; B. 78; Rv. 816 v.)

263. Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben. (C. 233; B. 255 v., 291.)

264. )e gronden, welke de echtscheiding kunnen ten gevolge hebben, bestaan alleen in de navolgende:

\'1°. Overspel; (B. 89, 265a, 956; Sr. 241.)

2°. Kwaadwillige verlating; (B. 266, 273.)

3°. Veroordeeling wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken; (B. 2656.)

Aldus gewijzigd bij eert. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. nquot;. 93). a)

4°. Zware verwondingen of zoodanige mishandelingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waardoor diens leven wordt in gevaar gebragt, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toe-gebragt. (C. 229—232; B. 288; Sr. 82, 300 v.)

265. Wanneer een der echtgenooten tot eenige straf is verwezen, bij een vonnis, waaruit van een begaan overspel blijkt, zal men tot het bekomen van echtscheiding geene andere formaliteiten behoeven in acht te nemen, dan dat aan de arrondissements-regtbank een afschrift van dat vonnis worde aangeboden, met bijvoeging van het bewijsschrift dat hetzelve vonnis door geene wettige regtsrniddelen aan eenig beroep onderworpen is. (Sr. 237, 241 v.)

Deze bepaling is insgelijks toepasselijk, wanneer de echtscheiding gevraagd wordt uit hoofde van de veroordeeling van één der echtgenooten wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer. (G. 261; B. 274, 1955.)

Aldus gewijzigd bij art. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 93). a)

266. De eisch tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige verlating, zal worden gedaan bij den regter der laatste geineene woonplaats, welke de echtgenooten ten tijde der verlating hebben gehad, en kan alleen worden toegestaan, wanneer degene der echtgenooten die de gemeene woonplaats, zonder wettige oorzaak, heeft verlaten, in zijne weigering volhardt om tot zijnen echtgenoot terug te keeren.

De regtsvordering daartoe kan niet vroeger worden aangevangen, den na verloop van vijf jaren, te rekenen van het tijdstip waarop de echtgenoot de gemeene woning verlaten heeft.

» Wanneer de verwijdering eene wettige oorzaak heeft tot

ti) Oorspronkelijk werden in plaats Tan de woorden: „wegens misdrijf tot eet), vrijheidsstraf van vier jaren of langer,quot; gelezen de woorden: „tot eene onteerende straf.quot;

-ocr page 256-

BURGERLIJK WETBOEK.

grond gehad, zal de termijn van vijf jaren beginnen te loopen van het oogenblik waarop die oorzaak heeft opgehouden. (B. 78, 161, 162, 273, 519 v.)

267. De vrouw, het zij eiseheresse tot echtscheiding, het zij verweerderesse, kan, met bewilliging van den regter, gedurende den loop van het geding, de woning van den man verlaten.

De regtbank zal het huis aanwijzen, alwaar de vrouw verpligt zal zijn haar verblijf te houden. (C. 268; B. 78, 161, 269; Rv. 820.)

268. De vrouw is bevoegd eene uitkeering tot onderhoud te vorderen, welke door den regter bepaald zijnde, de man verpligt is aan haar, gedurende liet regtsgeding, te voldoen.

Wanneer de vrouw zonder verlof van den regter, het aan haar aangewezen verblijf verlaat, kan zij, naar omstandigheden, worden verstoken van alle aanspraak op die uitkeering, en zelfs, wanneer zij eiseheresse is, niet ontvankelijk worden verklaard om hare regtsvordering voort te zetten. (C. 268, 269; B. 1G2amp;, 267, 281, 379, 380; Rv. 824.)

269. De regtbank, aan de vrouw een verblijf aanwijzende, kan tevens, op het daartoe gedaan verzoek, bepalen aan wien der echtgenooten, hangende het geding, de kinderen zullen worden toevertrouwd. (G. 267; B. 78, 268, 284,355; Rv. 820, 824.)

270. De regten van den man, opzigtelijk het beheer der goederen van de vrouw, worden, gedurende het geding, niet geschorst; behoudens de bevoegdheid der vrouw om, ter bewaring van haar regt, gebruik te maken van de behoedmiddelen, welke bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stuk zijn aangewezen. (Rv. 825.)

Alle akten van den man, waardoor de regten van de vrouw opzettelijk verkort worden, zijn nietig. (C. 270, 271; B. 160, 179, 247, 1377.)

271. Het regt om echtscheiding te vorderen vervalt door de verzoening der echtgenooten, om het even of die verzoening hebbe plaats gehad, nadat de eene echtgenoot had kennis gedragen van de daadzaken, welke grond tot de regtsvordering hadden kunnen opleveren, dan wel, nadat de eisch tot echtscheiding in regten gedaan is.

De wet veronderstelt die verzoening, wanneer man en vrouw weder zamen wonen, nadat laatstgemelde de gemeenschappelijke woning, op verlof van den regter, had verlaten, (G. 272, 274; B. 267, 273, 275, 290, 19586.)

272. De echtgenoot, welke eene nieuwe regtsvordering aanvangt, op grond van eene nieuwe oorzaak, na de verzoening opgekomen, mag, ter staving van zijnen eisch, van de oude redenen gebruik maken. (C. 273; B. 264, 273.)

273. De regtsvordering tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige verlating, vervalt, indien de echtgenoot, vóór het uitspreken der echtscheiding, in de gemeene woonplaats terug keert. Wanneer echter, na de terugkeering, de echtgenoot andermaal, zonder wettige oorzaak, de gemeene woonplaats verlaat, zal de andere echtgenoot eene nieuwe

202

-ocr page 257-

BOEK I, TITEI, XI, AliTT, \'267—281.

regtsvordering tot echtscheiding kunnen aanvangen, zes maanden na de verlating, en van de oude redenen tot staving van zijnen eisch gebruik maken.

In dat geval, zal de regtsvordering tot echtscheiding, door eene opgevolgde terugkeering van den echtgenoot, niet vervallen. (B. 266, 271, 272.)

274. Indien in de beide gevallen, bij artikel 265 voorzien, de echtgenoot zes maanden heeft laten verloopen, te rekenen van den dag waarop het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, is hij niet meer ontvankelijk om eene regtsvordering tot echtscheiding aan te vangen.

Indien de eene echtgenoot zich buiten het koningrijk bevindt, op het tijdstip der veroordeeling van den anderen, zal de- voorschreven termijn van zes maanden aanvang nemen, te rekenen van den dag der terugkeering.

275- De regtsvordering tot echtscheiding vervalt, indien een der beide echtgenooten vóór de uitspraak is overleden. (B. 254 n». 1.)

276. Het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, moet, ten verzoeke van beide partijen, of van éóne derzelve, in de registers van den burgerlijken stand hunner woonplaats worden ingeschreven, uiterlijk binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van den dag waarop dat vonnis voor geen wettelijk beroep vatbaar is.

Indien de inschrijving binnen dien termijn niet is geschied, vervalt daardoor de kracht van het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, en kan die om dezelfde redenen niet opnieuw worden geëischt. (C. 264—266; B. 48.)

277. De echtgenoot aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, behoudt alle de voordeelen, hem door den anderen echtgenoot ter zake des huwelijks toegezegd, al ware het dat deze voordeelen wederkeerig bedongen mogten zijn. (C. 800; B. 194, 223 v., 278, 283.)

278. Daarentegen verliest de echtgenoot, tegen wien de echtscheiding uitgesproken is, alle de voordeelen, welke de andere echtgenoot ter zake des huwelijks aan hem had toegezegd. (C. 299; B. 194, 223 v., 283, 372a.)

279. Door echtscheiding worden niet dadelijk opvorder-baar de bedongen voordeelen, welke eerst na den dood van een der echtgenooten gevolg moesten hebben; maar hij, aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, kan zijn regt tot die voordeelen eerst na het overlijden van de wederpartij doen gelden. (C. 1452; B. 223 v., 372b.)

280. Indien de echtgenoot, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken, geene genoegzame inkomsten heeft tot zijn levensonderhoud, zal de regtbank hem uit de goederen van den anderen echtgenoot eene uitkeering tot onderhoud mogen toeleggen. (C. 301; B. 158, 281 v.)

281. Die uitkeering zal worden bepaald volgens den staat en het fortuin van dengenen der echtgenooten welke dezelve verschuldigd is.

In geval van merkelijke vermindering van deszelfs fortuin, zal de uitkeering kunnen worden ingekort, en zij zal zelfs

203

-ocr page 258-

BURGERLIJK WETBOEK.

ten eenenmale ophouden, zoo dra de andere partij dezelve niet verder behoeft. (C. 301, 209; B. 379 v.)

282. De verpligting tot het verschaffen van levensonderhoud houdt op door den dood van een der echtgenooten. (B. 280 v.)

283. De uitkeeringen, welke door derden bij een huwelijkscontract zijn besproken, blijven bij voortduring verschuldigd aan dengenen der gescheiden echtgenooten, ten wiens behoeve dezelve beloofd waren. (B. 231 v., 277—279.)

284. De kinderen zullen verblijven bij dengenen der echtgenooten, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.

Niettemin zal de regtbank bij het uitspreken der echtscheiding, het zij ten verzoeke van bloedverwanten, het zij op de vordering van het openbaar ministerie, het zij ambtshalve, in het belang der kinderen kunnen bevelen, dat alle of eenigen hunner aan den anderen echtgenoot, of aan een\' derden persoon, zullen worden toevertrouwd.

In geval van overlijden van dengenen aan wien de kinderen waren toevertrouwd, zal de regtbank daartoe, op de wijze hier-boven omschreven, eenen anderen persoon kunnen ba-noemen; onverminderd de bevoegdheid der regtbank orn, bij veranderde omstandigheden, die beschikking, op verzoek van den belanghebbenden echtgenoot, in te trekken of :e wijzigen. (C. 302; B. 269; Bv. 324 n0. 6 en 7, 820.)

285- Onverminderd de bepaling van het eerste lid van het vorige artikel, behouden de vader en de moeder de regten, welke uit de ouderlijke magt of de voogdij voortspruiten

Wie ook de persoon zij aan wien de kinderen zijn toevertrouwd, behouden de beide ouders de bevoegdheid om voor hun onderhoud en hunne opvoeding te waken, en zullen daartoe, naar evenredigheid van hun vermogen, moeten bijdragen (G. 303; B. 159, 354 v., 400.)

286. De ontbinding des huwelijks door echtscheiding zal de kinderen, uit dat huwelijk geboren, van geene der voor-deelen versteken, die hun door de wetten, of door de huwelijks-bedingen van hunne ouders, verzekerd waren.

Echter zullen de kinderen daarop geene aanspraak hebben, dan op dezelfde manier en in dezelfde omstandigheden, als of er geene echtscheiding had plaats gehad (G 304; B. 230, 233, 899 v., 3C6, 872.)

287. Indien de gescheiden echtgenooten in gemeenschap van goederen getrouwd waren, zal de verdeeling der goederen plaats hebben, op den voet en de wijze als bij den zevenden titel is bepaald. (B. 183, 1112 v.)

204

-ocr page 259-

BOEK I, TITEL XI EN XII, ARTT. 282—296.

TWAALFDE TITEL.

Van de scheiding van tafel en hed.

288. In de gevallen, welke grond tot echtscheiding opleveren, zal het aan de echtgenooten vrijstaan om de scheiding van tafel en bed in regten te vragen.

Die regtsvordering zal ook kunnen worden aangevangen, ter zake van buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan. (C. 306, 231; B. 264; Rv. 826.)

289. Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding aangelegd, voortgezet en uitgewezen. (C. 307; B. 262 v.; Rv. 816 v.)

290. De echtgenoot, welke eene regtsvordering tot scheiding van tafel en bed heeft aangevangen, is niet ontvankelijk om uit hoofde van dezelfde oorzaak echtscheiding te vragen. (B. 264.)

291. Scheiding van tafel en bed kan ook door den regter worden uitgesproken, op verzoek, door de beide echtgenooten te zamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn eene bepaalde oorzaak op te geven.

Zoodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, ten zij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren zijn getrouwd geweest. (C. 307, 233, 276; B. 263.)

292. Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenooten verpligt, bij eene authentieke akte, alle de voorwaarden dier scheiding te regelen, zoo wel te hunnen opzigte, als met betrekking tot hunne kinderen.

De schikkingen tusschen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het regterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de regtbank worden onderworpen, om, des noods door haar geregeld te worden (C. 279, 280; B. 159 v., 179 v., 204, 261, 267 v., 284, 302, 353 v.)

293. De aanvrage der beide echtgenooten geschiedt bij verzoekschrift aan de arrondissements-regtbank van hunne woonplaats; en moet daarbij worden overgelegd, zoo wel afschrift der huwelijks-akte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste lid van het vorige artikel wordt gesproken. (C 283; Rv. 816 v.)

294. De regtbank zal daarop aan de beide echtgenooten bevelen om te zamen en in persoon te verschijnen voor een of meer harer leden, welke aan hen de noodige vertoogen zullen doen.

Indien de echtgenooten bij hun voornemen volharden, zal de regter eene nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen. (C. 281, 282; B. 44 v., 291; Rv. 817, 819.)

295 De regtbank zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste bloedverwanten van de echtgenooten in de opgaande linie, en op de conclusien van het openbaar ministerie. (B. 357 v.; Rv. 324 n0. 7.)

296. Bij weigering van de gedane aanvrage, kunnen de echtgenooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de

205

-ocr page 260-

BURGERLIJK WETBOEK.

ten eenenmale ophouden, zoo dra de andere partij dezelve niet verder behoeft. (C. 301, 209; B. 379 v.)

282. De verpligting tot het verschalTen van levensonderhoud houdt op door den dood van een der echtgenooten. (B. 280 v.)

283. De uilkeeringen, welke door derden bij een huwelijkscontract zijn besproken, blijven bij voortduring verschuldigd aan dengenen der gescheiden echtgenooten, ten wiens behoeve dezelve beloofd waren. (B. 231 v., 277—279.)

284. De kinderen zullen verblijven bij dengenen der echtgenooten, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.

Niettemin zal de regtbank bij het uitspreken der echtscheiding, het zij ten verzoeke van bloedverwanten, het zij op de vordering van het openbaar ministerie, het zij ambtshalve, in het belang der kinderen kunnen bevelen, dat alle of eenigen hunner aan den anderen echtgenoot, of aan een\' derden persoon, zullen worden toevertrouwd.

In geval van overlijden van dengenen aan wien de kinderen waren toevertrouwd, zal de regtbank daartoe, op de wijze hier-boven omschreven, eenen anderen persoon kunnen benoemen; onverminderd de bevoegdheid der regtbank om, bij veranderde omstandigheden, die beschikking, op verzoek van den belanghebbenden echtgenoot, in te trekken of te wijzigen. (C. 302; B. 269; Bv. 324 n0. 6 en 7, 820.)

285. Onverminderd de bepaling van het eerste lid van het vorige artikel, behouden de vader en de moeder da regten, welke uit de ouderlijke magt of de voogdij voortspruiten

Wie ook de persoon zij aan wien de kinderen zijn toevertrouwd, behouden de beide ouders de bevoegdheid om voor hun onderhoud en hunne opvoeding te waken, en zullen daartoe, naar evenredigheid van hun vermogen, moeten bijdragen. (C. 303; B. 159, 354 v., 400.)

286. De ontbinding des huwelijks door echtscheiding zal de kinderen, uit dat huwelijk geboren, van geene der voor-deelen versteken, die hun door de wetten, of door de huwelijks-bedingen van hunne ouders, verzekerd waren.

Echter zullen de kinderen daarop geene aanspraak hebben, dan op dezelfde manier en in dezelfde omstandigheden, als of er geene echtscheiding had plaats gehad (C. 304; B. 230, 238, 899 v., 366, 372.)

287. Indien de gescheiden echtgenooten in gemeenschap van goederen getrouwd waren, zal de verdeeling der goederen plaats hebben, op den voet en de wijze als bij den zevenden titel is bepaald. (B. 183, 1112 v.)

204

-ocr page 261-

BOEK I, TITEL XI EN XII, ARTT. 282—296. 205

TWAALFDE TITEL.

Van de scheiding van tafel en bed.

288. In de gevallen, welke grond tot echtscheiding opleveren, zal het aan de echtgenooten vrijstaan om de scheiding van tafel en bed in regten te vragen.

Die regtsvordering zal ook kunnen worden aangevangen, ter zake van buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan. (G. 306, 231; B. 264; Rv. 826.)

289. Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding aangelegd, voortgezet en uitgewezen. (C. 307; B. 262 v.; Rv. 816 v.)

290. De echtgenoot, welke eene regtsvordering tot scheiding van tafel en bed heeft aangevangen, is niet ontvankelijk om uit hoofde van dezelfde oorzaak echtscheiding te vragen. (B. 264.)

291. Scheiding van tafel en bed kan ook door den regter worden uitgesproken, op verzoek, door de beide echtgenooten te zamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn eene bepaalde oorzaak op te geven.

Zoodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, ten zij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren zijn getrouwd geweest. (C. 307, 233, 276; B. 263.)

292. Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenooten verpligt, bij eene authentieke akte, alle de voorwaarden dier scheiding te regelen, zoo wel te hunnen opzigte, als met betrekking tot hunne kinderen.

De schikkingen tusschen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het regterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de regtbank worden onderworpen, om, des noods door haar geregeld te worden (C. 279, 280; B. 159 v., 179 v., 204, 261, 267 v., 284, 302, 353 v.)

293. De aanvrage der beide echtgenooten geschiedt bij verzoekschrift aan de arrondissements-regtbank van hunne woonplaats; en moet daarbij worden overgelegd, zoo wel afschrift der huwelijks-akte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste lid van het vorige artikel wordt gesproken. (C 283; Rv. 816 v.)

294. De regtbank zal daarop aan de beide echtgenooten bevelen om te zamen en in persoon te verschijnen voor een of meer harer leden, welke aan hen de noodige vertoogen zullen doen.

Indien de echtgenooten bij hun voornemen volharden, zal de regter eene nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen. (G. 281, 282; B. 44 v., 291; Rv. 817, 819.)

295. De regtbank zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste bloedverwanten van de echtgenooten in de opgaande linie, en op de conclusien van het openbaar ministerie. (B. 357 v.; Rv. 324 n0. 7.)

298. Bij weigering van de gedane aanvrage, kunnen de echtgenooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de

-ocr page 262-

206

uitspraak, daartegen bij verzoekschrift aan den hoogerer regter opkomen. (G. 291; B. 259, 291amp;, 292a, 302.)

297. Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar zijn de echtgenooten daardoor van de verplichting tot zamenwoning ontheven. (B. 161b, 162a, 78.)

298- Scheiding van tafel en bed heeft altijd de scheiding van goederen ten gevolge, en zal grond opleveren tot de verdeeling der gemeenschap, even als of het huwelijk geheel ontbonden ware. (C. 311; B. 183, 241, 287,1112 v.)

299. Door de scheiding van tafel en bed wordt het beheer van den man over de goederen zijner vrouw opgeschort.

De vrouw bekomt het vrije beheer harer goederen terug, en kan niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene algemeene magtiging erlangen om over hare roerende goederen te beschikken. (C. 1449; B. 160, 179, 249)

300. De vonnissen tot scheiding van tafel en bed zullen openlijk worden bekend gemaakt.

Zoo lang deze openlijke bekendmaking niet heeft plaats gehid, zal het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen derden kunnen werken. (B. 207, 304; Bv. 811 jquot;. 828.)

301. De bepalingen van artikel 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 272, 273, 274, 275, 277, 278, 279, 280, 281,282, 283, 284, 285 en 286 zijn insgelijks toepasselijk op dj scheiding van tafel en bed, door den eenen jegens den anderen echtgenoot gevraagd.

Indien de scheiding heeft plaats gehad om eene der redenen welke grond tot echtscheiding zouden hebben kunnen opleveren, is ook artikel 372 te dezen toepasselijk. (B. 261.)

302. Wanneer de regter, na de overeenkomst te hebben overwogen, waarvan in het eerste lid van artikel \'292 gesproken wordt, de scheiding van tafel en bed op verzoek der beide echtgenooten toestaat, zal die scheiding alle de gevolgen hebben, welke bij de overeenkomst zijn bedongen. (B. 261.)

303. De scheiding van tafel en bed gaat, van regtswege, te niet door de verzoening der echtgenooten, en doet alle de gevolgen van het huwelijk herleven, behoudens nogtans jegens derden de voortdurende kracht van de handelingen, welke gedurende het tijdvak tusschen de scheiding er. de verzoening mugten hebben plaats gehad.

Alle hiermede strijdende bedingen tusschen de echtgenooten zijn nietig. (C. 1451 ; A. 14; B. 271amp;, 251, 252, 255, 204.)

304. Wanneer het vonnis, waarbij de echtgenooten van tafel en bed worden gescheiden, openlijk is bekend gemaakt, zullen de echtgenooten de gevolgen hunner verzoening niet tegen derden kunnen doen werken, wanneer zij niet insgelijks en op dezelfde manier openlijk hebben doen bekend maken dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. (B. 207, 300.)

-ocr page 263-

BOEK I, TITEL XU EN XIII, ARTT. 297—311.

DERTIENDE TITEL.

Van het vaderschap en de afstamming der kinderen.

EERSTE A.FDEELING.

Van wettige kinderen.

305. Het kind, hetwelk staande huwelijk is geboren of verwekt, heeft den man tot vader. ^C. 312; B. 91, 150, 155—157, 161, 162, 1953.)

306. De wettigheid van een kind, hetwelk vóór den honderd tachtigsten dag des huwelijks geboren is, kan door den man worden ontkend. Nogtans zal de ontkenning geen plaats kunnen hebben in de navolgende gevallen.

1°. Wanneer de man, vóór het huwelijk, van de zwangerschap heeft kennis gedragen;

2°. Wanneer hij bij het opmaken van de akte van geboorte is tegenwoordig geweest, en deze akte door hem is onderteekend, of eene door hem gegevene verklaring inhoudt dat hij niet kan teekenen;

3°. Wanneer het kind niet levend is ter wereld gekomen. (C. 314; B. 29 v., 3b.)

307. De man kan de wettigheid des kinds ontkennen, indien hij bewijst dat hij sedert den drie honderdsten tot den honderd tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind, het zij uit hoofde van verwijdering, het zij door de gevolgen van eenig toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid geweest is met zijne vrouw gemeenschap te hebben.

De man kan, door zich op zijne natuurlijke onmagt te beroepen, niet ontkennen dat het kind het zijne is (G. 312, 313; B. 313a, 1902.)

308 De man kan de wettigheid des kinds niet ontkennen op grond van overspel, ten ware de geboorte voor hem zij verborgen gehouden: in welk geval, hij zal worden toegelaten om het bewijs dat hij de vader des kinds niet is tot volkomenheid te brengen. (G. 313; B. 1902.)

309. Hij kan de wettigheid ontkennen van een kind, hetwelk geboren is drie honderd dagen na dien, waarop een vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen, onverminderd het vermogen van de vrouw om alle zoodanige daadzaken aan te voeren, welke geschikt mogten zijn tot bewijs dat haar man de vader des kinds is.

Wanneer de ontkenning is geldig verklaard, zal door de verzoening der echtgenooten het kind geenen wettigen staat kunnen verkrijgen. (B. 297, 303, 1902.)

310- Het kind, hetwelk drie honderd dagen na de ontbinding des huwelijks wordt geboren, is onwettig. (G. 315; B. 254, 161, 16-2.)

311. In de gevallen bij artikel 306, 307, 308 en 309 voorzien, zal de man de wettigheid des kinds moeten

207

-ocr page 264-

BURGERLIJK WETBOEK.

ontkennen, binnen eene maand, indien hij zich bevindt op de geboorteplaats van het kind, of binnen den omtrek daarvan;

Binnen twee maanden na zijne terugkomst, indien hij afwezig is;

Binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog, indien men de geboorte van het kind voor hem had verborgen gehouden.

Alle buiten regten verleden akten, inhoudende de ontkenning van den man, zijn krachteloos, zoo zij niet binnen twee maanden van eene regtsvordering zijn achtervolgd.

Indien de man, na de ontkenning, by eene buiten regten verleden akte, te hebben gedaan, komt te overlijden binnen den voorschreven termijn, zal aan zijne erfgenamen een nieuwe termijn van twee maanden geopend zijn, ten einde hunne regtsvordering aan te vangen. (C. 316, 318; B. 312, 314, 1104.)

312. Be regtsvordering, door den man aangevangen, vervalt, indien de erfgenamen dezelve niet voortzetten binnen twee maanden, te rekenen van het overlijden van den man. (B. 311, 314.)

313. Wanneer de man is overleden, voordat hij zijn regt te dezen opzigte heeft doen gelden, maar terwijl de tijd daartoe nog loopende was, zullen de erfgenamen de wettigheid des kinds niet kunnen ontkennen, dan alleen in het geval van artikel 307.

Be regtsvordering tot het betwisten van de wettigheid van het kind, zal moeten worden aangevangen binnen den tijd van twee maanden, te rekenen van het tijdstip waarop het kind zich zal hebben in het bezit gesteld van de goederen van den man, of van het tijdstip waarop de erfgenamen in dat bezit door het kind gestoord zijn. (C. 317; B. 314, 880, 881, 528.)

314. In de gevallen waarin de erfgenamen, naar aanleiding van artikel 311, 312 en 313, bevoegd zijn om eene regtsvordering tot het betwisten der wettigheid van een kind aan te vangen of te vervolgen, zullen zij een\' termijn hebben van zes maanden, indien een of meer hunner buiten het koningrijk woonachtig zijn.

Indien een of meer hunner buiten Europa woonachtig zijn, zullen zij een termijn van een jaar hebben.

In geval van oorlog ter zee, zullen de termijnen van zes maanden en van een jaar worden verdubbeld. (K. 116, 207.)

315. Alle regtsvordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind zal gerigt moeten worden tegen eenen bijzonderen aan het kind toe te voegen voogd, en zal de moeder behoorlijk in het geding moeten worden opgeroepen. (C. 318; B. 413, 165; Bv. 314 n0. 2; B. 1957.)

316. De afstamming van wettige kinderen wordt bewezen door de akten van geboorten, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven.

Bij gebreke van zoodanige akten, is het ongestoord bozit van den staat van wettig kind voldoende. (C. 319, 320; B. 29 v., 70 v., 157.)

208

-ocr page 265-

BOEK I, TITEL XIII, AIXTT. 312—323.

317. Het bezit van dien staat wordt bewezen door daadzaken, welke, het zij te zamen, het zij afzonderlijk, de betrekking van afstamming en verwantschap tusschen eenen bepaalden persoon en het geslacht, tot hetwelk hij beweert te behooren, aantoonen. (B. 1E7.)

De voornaamste van deze daadzaken zijn, onder anderen;

Dat die persoon altijd den naam heeft gedragen van den vader, van wien hij beweert af te s:ammen; (B. 31, 67.)

Dat de vader hem als zijn kind heeft behandeld, en als zoodanig in zijne opvoeding, zijn onderhoud en zijne kostwinning heeft voorzien ; (B. 159, 353 v.)

Dat hij aanhoudend als zoodanig in de maatschappij erkend is;

Dat de nabestaanden hem als zoodanig erkend hebben. (C. 321.)

318. Niemand kan zich op eenen staat beroepen die strijdig is met dien, welken zijne akte van geboorte en het bezit, met die akte overeenstemmende, hem geven, en weder-keerig kan niemand den staat betwisten van dengenen die een bezit heeft, overeenkomstig zijne akte van geboorte. (C. 322 ; B. 157.)

319. Bij gebreke van zoodanige akte en onafgebroken bezit van staat, of wanneer het kind onder valsche namen, of als geboren uit eenen vader en eene moeder die onbekend zijn, in de registers is ingeschreven, kan de afstamming door getuigen bewezen worden.

Dit bewijs kan nogtans niet worden toegelaten, dan wanneer er een begin is van bewijs door geschrifte; of wanneer de vermoedens of aanwijzingen, voortvloeijende uit daadzaken die reeds onbetwistbaar zijn, als genoegzaam zwaarwigtig kunnen worden beschouwd om zoodanig middel van bewijs toe te laten. (C. 323; B. 26, 1951, lOBO.)

320. Het begin van bewijs bij geschrifte vloeit voort uit familie-bescheiden, uit registers en huisselijke papieren van den vader of de moeder, of ook wel uit openbare of onder-handsche akten, voortkomende van iemand die in het geschil betrokken is, of, nog in leven zijnde, daarbij belang zoude hebben gehad. (C. 324; B 1918, 1939.)

321. Het tegenbewijs kan bestaan in alle zoodanige middelen als geschikt zijn om aan te toonen, dat degene die zich op zijne afstamming beroept het kind niet is van de moeder welke hij voorgeeft te hebben; of ook, het moederschap bewezen zijnde, dat hij het kind niet is van den man van die moeder. (C. 325; B. 319, 320.)

322. De burgerlijke regtbanken alleen zijn bevoegd om kennis te nemen van regtsvorderingen, waarbij men zich op eenigen staat beroept. (C. 326; B. 323,1957; Rv. 324 n0. 2.)

323. De lijfstraffelijke regtsvordering wegens het misdrijf van verduistering van staat kan niet worden aangevangen, voordat het eindvonnis over het geschil van dien staat is uitgesproken.

Het slaat evenwel aan het openbaar ministerie vrij om, wanneer de belanghebbende partijen stilzitten, eene lijfstraffelijke regtsvordering uit hoofde van verduistering van

209

14

-ocr page 266-

BURGERLIJK WETBOEK.

staat aan te vangen, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig artikel 320, aanwezig zij, en over het aanwezen van dat begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.

In het laatste geval, zal de voortzetting der openbare regtsvordering door geen burgerlijk geding kunnen worden geschorst. (C. 327; Sr. 236; Sv. 6; B. 1955.)

324. De regtsvordering tot inroeping van den staat is, ten opzigte van het kind, aan geene verjaring onderworpen. (C. 328; B. 2004.)

325. Deze regtsvordering kan door de erfgenamen van het kind, hetwelk zijnen staat niet heeft ingeroepen, niet worden aangevangen, ten ware het kind minderjarig, of binnen drie jaren na zijne meerderjarigheid mogt overleden zijn. (G. 329; B. 313, 1104.)

326. De erfgenamen kunnen echter zoodanige regtsvordering voortzetten, wanneer zij door het kind is aangelegd, ten zij hetzelve het geding drie jaren na de laatste procesakte hebbe onvervolgd gelaten. (C. 330; B. 312; Rv. 279v.)

TWEEDE AFDEEL ING.

Van de wettiging van natuurlijke kinderen.

327. Kinderen buiten huwelijk verwekt, met uitzondering van degenen die in overspel of in bloedschande zijn geteeld, worden door het opvolgend huwelijk van hunnen vader e:i hunne moeder gewettigd, wanneer deze hen, vóór het aangaan des huwelijks, wettiglijk hebben erkend, of wanneer die erkenning plaats heeft bij de akte van voltrekking zelve. (C. 331; 6. 45 n0. 9, 335 v., 38.)

328. Kinderen, uit ouders geboren, tusschen welke, zonder bekomene dispensatie van den Koning, geen huwelijk mogt bestaan, kunnen op geene andere wijze worden gewettigd, dan door derzelver erkenning bij de huwelijksakte. (B. 88, 338.)

329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen, kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend. (B. 45 n0. 9, 331.)

330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende kinderen, uit ouders geboren die, uithoofde van het overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand brengen. (B. 327, 331, 333.)

331. In de beide gevallen bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advijs uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hooren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek der wettiging, door middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt. (B. 345 v.)

210

-ocr page 267-

BÜEK I, TITEL XIII, ARTT. 324—339.

332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren. (C. 333; B. 899.)

333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den Koning zijn verleend; zij kan aizoo ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd. (B. 899 v.)

334. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die afkomelingen strekt. (C. 332; B. 327,329, 889, 899.)

DERDE AFDEELING.

Van de erkenning van natuurlijke kinderen.

335. Door het erkennen van een natuurlijk kind worden burgerlijke betrekkingen geboren tusschen dat kind en zijnen vader of zijne moeder. fB. 87, 88, 97, 104, 361, 383, 408, 909 v., 918, 920, 955, 963.)

336. Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle authentieke akten geschieden, wanneer zulks niet reeds bij de akte van geboorte, of ter gelegenheid van het aangaan des huwelijks, gedaan is.

Zoodanige erkenning kan ook plaats hebben door eene akte, bij den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, en in de registers ingeschreven, op de wijze als bij artikel 38 is bepaald. (C. 334: B. 1905, 32, 38, 45, n0, 9.)

337. De erkenning van een natuurlijk kind, door eenen minderjarige gedaan, zal niet van waarde zijn, tenzij de minderjarige den vollen ouderdom van negentien jaren hebbe bereikt, en de erkenning niet het gevolg zij van dwang, dwaling, bedrog of verleiding.

Eene minderjarige dochter nogtans zal die erkennning kunnen doen, voordat zij den ouderdom van negentien jaren vervuld heeft. (B. 86, 163, 343, 385, 500, 5066, 1357, 1364, 1485.)

338. Kinderen in overspel of in bloedschande geteeld kunnen niet worden erkend, behoudens, ten opzigte van laatstgemelde, de bepaling van artikel 328. (G. 335; B. 87, 88, 89, 307, 308, 309, 327, 344, 914 v.)

339. Geene erkenning van een natuurlijk kind zal, gedurende het leven van de moeder, worden aangenomen, wanneer zij niet in die erkenning heeft toegestemd.

211

-ocr page 268-

BURGERLIJK WETBOEK.

Wanneer zoodanig kind, na het overlijden der moeder, erkend is, heeft de erkenning geen ander gevolg, dan alleen met opzigt tot den vader. (G. 336; B. 335, 343.)

340. De erkenning, staande huwelijk, door een der echt-genooten gedaan, ten voordeele van een natuurlijk kind, hetwelk hij, vóór zijn huwelijk, bij eenen anderen persoon dan zijn echtgenoot verwekt heeft, kan noch aan dien echtgenoot, noch ook aan de kinderen uit dat huwelijk geboren, schade toebrengen.

Niettemin zal die erkenning hare gevolgen hebben, na de ontbinding van dat huwelijk, wanneer daaruit geene afko-melingen overblijven. (C. 337; B. 254, 383.)

341. Alle erkenning door den vader of de moeder gedaan, gelijk mede alle inroeping van staat van de zijde van het kind, kan betwist worden door alle degenen die daarbij belang hebben. (C. 339; B. 316 v., 337.)

342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden.

In geval echter van eenig misdrijf bij de artt. 242—245,

249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige op de daartoe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn. (C. 340; B. 807 v., 319.)

Aldus gewijzigd hij art. 3 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n®. 93). a)

343. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.

In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.

Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt; bestaan. (C. 341; B. 320, 1939, 1951.)

344. Geen kind zal worden toegelaten om te onderzoeken wie zijn vader of zijne moeder is, in de gevallen, in welke, volgens artikel 338, de erkenning niet kan plaats hebben. (G. 342.)

VEEHTIENDE TITEL.

Van bloedverwantschap en zwagerschap.

345. Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen gemeenen stamvader hebben.

212

De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd. (G. 735; B. 87, 919, 920, 924.)

a) Oorspronkelijk werden, inplaats van de woorden : „eenig misdrijf bij de artt. 242—245, 249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien,quot; gelezen de woorden: „verkrachting of schaking.quot;

-ocr page 269-

BOEK I, TITEL XIII, XIV EN XV, AUTT. 3i0—353. 213

346. De opvolging van graden maakt de linie.

Men noemt eene regte linie de opvolging van graden tusschen personen, die de een van den anderen afstammen; zijdlinie, de opvolging van graden tusschen personen, die niet van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader hebben. (C. 736.)

347. De regte linie wordt onderscheiden in regte nederdalende, en regte opgaande linie.

De eerste maakt het verband tusschen den stamvaderen die van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met diengenen van welken hij afstamt. (C. 736; B. 889, 897, 899, 900, 904.)

348. In de regte linie rekent men, dat er tusschen de personen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan; zoo staat, in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader, in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo voorts; en wederkeerig staan, in de opgaande linie, de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den eersten of tweeden graad, en zoo vervolgens. (G. 737.)

349. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den anderen bloedverwant; zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens. (C. 738; B. 897.)

350. Zwagerschap bestaat in de betrekking welke door aanhuwelijking geboren wordt tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen.

Er bestaat geen zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten. (B. 87, 88, 377, 433.)

351. De graden van zwagerschap worden op dezelfde manier als die der bloedverwantschap berekend. (B. 348 v.)

352. Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen niet opgeheven. ^B. 87 v., 254, 377 n0. 2, 378; R. O. lOd; Prov. w., a. 20d; Gem w., a. 21c; Stb. 1854 n°. 129, a. 8e; W. R. v. St., a. 7c.)

V IJ F ï I E N D E TITEL.

Van de vaderlijke magt.

EERSTE AF DEELING.

Van de gevolgen der vaderlijke magt, ten opzigte van den persoon des kinds.

353. Een kind, van welken ouderdom ook, is eerbied en ontzag aan zijne ouders verschuldigd. (G. 37\'!; Rv. 587.) De ouders zijn verpligt hunne minderjarige kinderen te

-ocr page 270-

BURGERLIJK WETBOEK.

onderhouden en op te voeden; ten aanzien van de meerderjarige, gelden de bepalingen in de derde afdeeling van dezen titel voorkomende. (B. 159, 200, 201, 248, 285, 375 v., 383; Sr. 255.)

354. Het kind blijft onder hunne magt tot aan zijne meerderjarigheid. (C. 372; B. 78, 92c, 285, 358, 366, 385c, 473, 478, 480 v., 1403 b en e; Sr. 28 n®. 5, 30.)

355. De vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze magt uit.

Indien de vader daartoe buiten de mogelijkheid is, wordt hij door de moeder vervangen. (C. 373; B. 160, 285a jis. 301 en 261, 292, 507, 552; Sr. 28 n°. 5, 80.)

356. Een minderjarig kind mag zonder toestemming van zijnen vader het ouderlijk huis niet verlaten. (G.374;B. 78, 284, 355fe.)

357- Wanneer de vader gewigtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van zijn kind, kan de arrondissements-regtbank, op zijn verzoek en te zijnen koste, dat kind in verzekerde bewaring doen stellen op zoodanige plaats als de regtbank, op voordragt des vaders, zal oordeelen te be-hooren.

De regtbank, na verhoor van het openbaar ministerie, zal dat verzoek kunnen toestaan, doch niet langer dan voor den tijd van drie maanden, indien het kind den vollen ouderdom van vijftien jaren niet heeft bereikt, of voor den tijd van één jaar, nadat het kind zijn zestiende jaar is ingetreden, tot op deszelfs meerderjarigheid.

Er zal te dezen opzigte geene geregtelijke formaliteit worden in acht genomen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt. (0.375—378; G. 157; B. 355a, 358, 442; Rv. 324 n». 6, 872.)

358. Wanneer de moeder de langstlevende en niet hertrouwd is, en de vastzetting van het kind verzoekt, zal de regtbank, na verhoor van twee uit de naaste vaderlijke bloedverwanten, het verlof daartoe kunnen verleenen. (C. 381; B. 354, S55amp;, 357, 442.)

359. De vader, en bij gebreke van dien de moeder, blijft altijd meester om den tijd der verzochte vastzetting te verkorten. (G. 379.)

360. Het kind kan, na zijne vastzetting, daartegen opkomen, door middel van oen verzoekschrift bij den hoogeren regter, welke, na verhoor van den vader of van de moeder, mitsgaders van het openbaar ministerie, onverwijld zoodanig zal beslissen als hij zal vermeenen te behooren. (G. 382.)

361. Alle de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering alleen van de bij artikel 358 voorgeschreven verplig-ting tot verhoor van de vaderlijke bloedverwanten zijn ook toepasselijk op natuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne ouders. (G. 383; B. 354, 355.)

214

-ocr page 271-

liOEIt I, TITKL XV, ARTT. 354—3(i5. 215

TWEEDE AFDEELING.

Vati de gevolgen der vaderlijke niagt, ten opzigte van de goederen van het kind.

362. De vader heeft, gedurende het huwelijk, het bewind over de goederen aan zijne minderjarige kinderen toebe-hoorende.

Deze bepaling is echter niet toepasselijk op zoodanige goederen, welke, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, aan de kinderen zijn geschonken of gemaakt, onder bepaling dat het bewind daarover aan een of meerdere daartoe aangestelde bewindvoerders, buiten den vader, zal worden opgedragen.

Wanneer zoodanig gesteld bewind, om welke redenen ook, mogt vervallen, gaan de bedoelde goederen over onder het beheer van den vader.

Niettegenstaande de aanstelling van bijzondere bewindvoerders, in voege voorgeschreven, heeft de vader het regt om, gedurende de minderjarigheid van zijn kind, vaneerst-gemelden rekening en verantwoording te vragen. (C. 389; B. 195, 355, 443b, 552, 960, 1066; W. Postsp.b., a. 9a en b.)

363. De vader als bewindvoeder over de goederen van zijne kinderen, is verantwoordelijk, zoo voor den eigendom, als voor de vruchten van zoodanige goederen waarvan hij het genot niet heeft.

Wat de goederen betreft, waarvan de wet hem het vruch-gebruik toekent, is hij alleen verantwoordelijk voor derzelver eigendom. (C 389; B. 366.)

364. De vader kan over de goederen zijner minderjarige kinderen niet beschikken, dan met inachtneming der regelen, welke, ten opzigte van het vervreemden van goederen, aan minderjarigen toebehoorende, bij den titel van de minderjarigheid, voogdij, enz. zijn voorgeschreven. (B. 451 v., 1722.)

365. In alle gevallen, waarin de vader een tegenstrijdig belang met dat zijner minderjarige kinderen mogt hebben, zullen laatstgemelde worden vertegenwoordigd door eenen bijzonderen curator door den kantonregter te benoemen. (B. 422, 427.)

Gewijzigd door art. 1 der Wet van 18 April 1874 (Stb. nquot;. 68). a)

Art. 2 dier Wet.

Vóór het sluiten van het verhoor, waar dit is voorgeschreven, bepaalt de kantonregter den dag waarop hij zijne beschikking geven zal.

Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan hooger beroep worden ingesteld door den verzoeker en door ieder die op het verzoek gehoord is.

ti) Oorspronkelijk werd, in plaats van: „den kantonregter/* gelezen: „de arrondissements-regtbank.quot;

-ocr page 272-

BURGERLIJK WETBOEK.

Art. 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvorde-ring is hier niet van toepassing.

Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen.

Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op dat beroep niet beslist, zonder dat hij is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden.

366. Gedurende het huwelijk, heeft de vader, en, na deszelfs ontbinding, heeft de langstlevende vader of moeder, het vruchtgenot van de goederen, welke aan hunne kinderen toebehooren, tot dat dezen den vollen ouderdom van twintig jaren hebben bereikt, of eerder mogten zijn gehuwd. (C. 384; B. 261, 292, 354, 355, 363, 368, 448, 552, 803 v., 887; W. Postsp.b., a. 9a.)

367. Met dat vruchtgenot zijn de volgende lasten verbonden :

1°. De zoodanige, waartoe de vruchtgebruikers verpligt zijn; (B. 829 v., 8326.)

2°. Het onderhoud en de opvoeding der kinderen, overeenkomstig het vermogen van laatstgemelden; (B. 353b.)

3°. De betaling van renten en van interessen van hoofdsommen; (B 564 n0. 5, 567 n0. 2, 843, 847.)

4°. De begrafeniskosten van het kind. (C. 385.)

368. Het vruchtgenot heeft geen plaats:

1°. Ten opzigte van zoodanige goederen, welke de kinderen door afzonderlijken arbeid en vlijt mogten hebben verkregen;

2°. ïen opzigte van de goederen, welke aan hen bij akte onder de levenden of bij uiterste wilsbeschikking zijn geschonken of gemaakt, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zouden bekomen. (C. 387; B. 960.)

369. Het vruchtgenot houdt op door het overlijden der kinderen. (B. 854 n0. 1, 856.)

370. De langstlevende der echtgenooten, welke mogt verzuimd hebben om, overeenkomstig artikel 182, eenen inventaris te doen opmaken, zal door dat verzuim het vruchtgenot verliezen van alle de goederen, welke aan de minderjarige kinderen toebehooren. (C. 1442; B. 208, 373.)

371. Insgelijks houdt het vruchtgenot op fen aanzien van de moeder, welke een tweede huwelijk mogt hebben aangegaan. (C. 386; B. 378.)

372. Wanneer een huwelijk door echtscheiding is ont-bomien, zal degene der echtgenooten, tegen wien de echtscheiding is uitgesproken, het vruchtgenot verliezen.

Indien de echtscheiding tegen den vader is uitgesproken, treedt de moeder niet vroeger in het vruchtgenot dan na het overlijden van den vader. (C. 386; B. 3016, 373.)

373. In alle de gevallen waarin het vruchtgenot ophoudt of verloren wordt, heeft de kantonregter de bevoegdheid om aan de ouders, uit de inkomsten der kinderen, eene jaar-lijksche uitkeering toe te leggen, ten einde, gedurende hunne minderjarigheid, tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed. (B. 370- 372, 854, 862, 863.)

216

-ocr page 273-

BOEK I, TITEL XV, ARTT. 366—382.

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij artikel 365.

374. De vader en de moeder van natuurlijke en wettelijk erkende kinderen hebben geen vruchtgenot van de goederen, aan die kinderen toebehoorende. (B. 361, 408a.)

DERDE AFDEELING.

Van de wederzijdsche verpligtingen tusschen de ouders of voorouders en de kinderen en verdere afko-melingen. (Sr. 255.)

375. Een kind heeft geene regtsvordering tegen zijne ouders tot het bekomen van eenen gevestigden stand door huwelijks-uitzet, of op eene andere wijze. (C. 204; B. 179c, li 42.)

376 De kinderen zijn verpligt hunne ouders en andere bloedverwanten in de opgaande linie, wanneer zij behoeftig zijn, te onderhouden. (C. 205; B. 1318, 133-2, 1465 n0. 3; Rv. 756 n0. 2; Armenw., a., 52.)

377. Schoonzoons en schoondochters moeten insgelijks, en in dezeltde gevallen, aan hunne schoonouders onderhoud verschaffen, doch deze verpligting houdt op:

1°. Wanneer de schoonmoeder tot een tweede huwelijk is overgegaan;

2°. Wanneer diegene der echtgenoofen, door wien de zwagerschap bestond, en de kinderen, uit deszelfs huwelijks-vereeniging met den anderen echtgenoot gesproten, overleden zijn. (C. 206; B. 162, 352.)

378. De verpligtingen, welke uit de bepalingen der twee voorgaande artikelen voortvloeijen, zijn wederkeerig. (C. 207; B. 383.)

379. Het onderhoud zal worden geregeld naar evenredigheid der behoeften van dengenen, die hetzelve vordert, en het vermogen van dengenen, die tot dat onderhoud verpligt is (C. 208; B. 915.)

380. Wanneer hij die onderhoud geeft of ontvangt tot zoodanigen staat geraakt, dat de een hetzelve niet meer kan geven, of de andere hetzelve niet meer noo.lig heeft, het zij geheel of gedeeltelijk, zal de ontheffing of vermindering daarvan kunnen gevorderd worden. (C. 209.)

381. Wanneer degene, die tof het geven van onderhoud verpligt is, bewijst buiten staat te zijn het geld, daartoe vereischt, op te brengen, kan de regtbank, na onderzoek van zaken, bevelen dat hij dengenen, aan wien hij onderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het noodige voorzien. (C. 210; B. 382.)

382. Wanneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind, aan hetwelk zij onderhoud verschuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van de gehoudenis om aan die verpligting op eene andere wijze te voldoen. (C. 211; B. 381.)

217

-ocr page 274-

BURGERLIJK WETBOEK.

383. Natuurlijke en wettelijk erkende kinderen zijn onderhoud aan hunne ouders verschuldigd.

Deze verpligting is wederkeerig. (B. 335, 378, 914.)

381. Alle overeenkomsten, waarbij zoude worden afgezien van het regt om onderhoud te genieten, zijn nietig en van onwaarde. (A. 14.)

ZESTIENDE TITEL.

Van minderjarigheid en voogdij.

EERSTE AFDEEL1NG.

Van de minderjarigheid.

385. Minderjarigen zijn de zoodanigen die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt, en niet vroeger in den echt zijn getreden. (G. 31 v.)

Wanneer het huwelijk voor hunnen vollen ouderdom van drie en twintig jaren is ontbonden, keeren zij niet tot den staat van minderjarigheid terug.

Minderjarigen welker ouders beiden, of een van beiden, zijn overleden of beiden ontzet zijn van de vaderlijke magt, staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij de derde, vierde en vijfde afdeelingen van dezen titel is voorgeschreven. (C. 388, 476; O. 5, 8; B. 421, 473, 478; Sr. 28 n0. 5, 30.)

Aldus gewijzigd bij art. 4 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

TWEEDE AFDEELING.

Vari de voogdij in het algemeen.

386. In iedere voogdij is slechts één voogd, behoudens de bepalingen van artikel 401, 406 en 418. (B. 409b. 421.)

387. Een ieder die niet, naar aanleiding van de achtste en van de negende afdeeling van dezen titel, van de voogdij is uitgesloten of verschoond, is verpligt dezelve aan te nemen.

Wanneer de benoemde voogd weigerachtig of in gebreke is de voogdij uit te oefenen, zal daarin door den kanton-regter worden voorzien door de benoeming van eenan bewindvoerder, in de plaats en ten koste van den voogd.

In dat geval, is de voogd verantwoordelijk voor de ver-rigtingen van den bewindvoerder, behoudens zijn verhaal jegens laatstgemelden. (B. 404, 417, 425, 433 v., 436 v., 446b, 1401.)

218

Voor dü artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365.

a) Oorspronkelijk ontbraken de woorden: „of beiden ontzet zijn van de vaderlijke magt.quot;

-ocr page 275-

HOEK r, TITEL XV EN XVI, A.RTT. 383 —390.

388. Wanneer, naar aanleiding der bepalingen van dezen en den volgenden titel, de tusschenkomst van bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige vereischt wordt, zullen deze steeds ten getalle van vier worden opgeroepen, en uit de naaste, en zooveel mogelijk in de beide linien, worden gekozen.

Indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet verschijnt, kan de regter de verschijning gelasten van een ander bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad.

Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zyn manspersonen, meerderjarig en binnen het koningrijk woonachtig.

Wanneer zich geen genoegzaam getal bloedverwanten of aangehuwden binnen het koningrijk bevindt, is de regter slechts gehouden zoodanige te hooren, die binnen hetzelve woonachtig zijn. (G. 407, 409; B. 389, 390, 391, 395, 405, 412, 414-417, 451, 454, 458, 459, 460, 461, 466, 473 v., 481c, 485.)

389. Telken reize wanneer de tegenwoordigheid, het zij van den toezienden voogd, het zij van bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door eenen bijzonderen gevolmagtigde kunnen laten vertegen woord igen.

De gevolmagtigde zal slechts in den naam van één persoon kunnen optreden

De regter kan gelasten, dat hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijne. (C. 412, 4!3; B. 388, 481c, 1830, 1832, 1835; R. O. 44; Sr. 445.)

Be artikelen 388 en 389 zijn, aldus gewijzigd, vastgesteld bij artt. 1 en 2 der Wet van 15 November 1876 (Stb. n0. 195), en art. 3d der Invoeringswet, a)

390. Alle voogden zijn verpligt, tot zekerheid van hun beheer, hypotheek te geven tot beloop eener aan het beheer der voogdij geëvenredigde geldsom.

Tot dat einde zal de kantonregter onverwijld, na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, de hoegrootheid dier som bepalen, en daarbij acht slaan op den aard der goederen, den minderjarige toebehoorende, op derzelver opbrengst en op de verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit het beheer dier goederen zoude kunnen voorfvloeijen.

De kantonregter zal, bij het daarvan op te maken proces-verhaal, summiere opgaven doen van de onderscheidene ge

it) Oorspronkelijk ontbraken in art. 388, eerste lid, de woorden; „en den volgendenquot; en ontbrak het nu tweede lid van dai artikel.

In art. 389 ontbrak het nu laatste lid. Bij art. Sd der Inv. is het vierde lid afgeschaft, dat, na bij de gemelde wijzigingswet reeds te zijn gewijzigd, aldus luidde: „Zij, die zonder voldoende reden van verschooning niet persoonlijk verschijnen, en zich, voor zooverre hunne persoonlijke verschijning niet is gelast, ook niet door een bijzonderen gevolmagtigde doen vertegenwoordigen, zullen door den regter, voor wien zij moeten verschijnen, tot een geldboete worden verwezen van ten hoogste vijf an twintig gulden.quot;

219

-ocr page 276-

BURGERLIJK WETBOEK.

geuite meeningen, en de redenen zijner beslissing vermelden.

De uitspraak van den kantonregter zal door de zorg van den toezienden voogd, en op deszelfs verantwoordelijkheid, bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande het beroep, waarvan in artikel 393 wordt gesproken. (C. 21216, 2135 v.; B. 388, 389, 391, 40G, 4215, 428,1195n0. 7,1214, 1259; Rv. 52 v.)

391. De kantonregter zal, ten verzoeke van den voogd, en na verhoor van de hier-boven aangeduide personen, kunnen bevelen dat de effecten aan toonder, aan den minderjarige toebehoorende, in de consignatie-kas in bewaring worden gegeven; in welk geval, de waarde dier effecten, bij het bepalen der hoegrootheid van de hypotheek, niet zal in aanmerking worden genomen. (B. 388,389; Stb. 1841 n0. 14 j0. Stb. 1876 n0. 36, zie chron. lijst Stb. 1841.)

392. Indien de voogd, op het oogenblik waarop hij ver-pligt is hypotheek te geven, geene of geene genoegzame goederen bezit, welke voor zoodanig verband vatbaar zijn, is hij gehouden aan zijne verpligting, voor het geheel of voor liet ontbrekende, te voldoen, zoodra hij goederen van dien aard verkregen heeft. (B. 428.)

393. De voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden, die tot het uiten van hun gevoelen gehoord zijn, kunnen tegen de uitspraak van den kantonregter, bij verzoekschrift, in beroep komen bij de arrondissements-regtbank, welke, na verhoor van het openbaar ministerie, en, des noods, van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden, zonder verderen vorm van proces, bij uiterlijk gewijsde, de som zal bepalen, tot welker beloop de hvpotheek zal moeten worden gegeven. (Bv. 324 n®. 6, 339.)

394. Wanneer gedurende de voogdij de gegoedheid van den minderjarige merkelijk toeneemt, zal de kantonregter, na verhoor van de personen, bij artikel 390 vermeld, bevelen dat de hypotheek worde vergroot met eene door hem te bepalen som; behoudens het beroep, waarvan in het vorige artikel gesproken wordt.

De voogd zal vermindering van de hypotheek mogen vragen, indien buiten zijne schuld, gedurende zijn beheer, de gegoedheid van den minderjarige eene aanmerkelijke vermindering heeft ondergaan. (B. 428, 1222.)

395. Alle geschillen over de waarde der tot hypotheek aangeboden goederen, zullen door den kantonregter worden beslist, na verhoor der bij artikel 390 vermelde personen, en behoudens het beroep aan de arrondissements-regtbank, welke zal handelen zoo als bij artikel 893 is voorgeschreven. (B. 388, 389.)

396. De hypotheek zal worden gesteld, het zij bij de akte der benoeming van den voogd of bij zijne eedsaflegging, het zij bij elke andere authentieke akte. (B. 399, 1217, 1231 v.; Bijv. op het Stb. 1840 n0. 240.)

397. De voogd zal het vermogen hebben om de hypotheek, waartoe hij verpligt is, of welke hij reeds zal hebben gesteld, te vervangen, hot zij door het stellen van hypotheek

220

-ocr page 277-

BOEK I, TITEL XVI, ARTT. 391—403.

op de goederen van eenen derden daarin toestemmenden persoon, het zij door middel van, ten behoeve van den minderjarige, verbonden inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, berekend naar den koers van den dag.

398. De waarborg houdt op, en de hypothecaire inschrijvingen of verbanden op het grootboek zullen, ten koste van den minderjarige, worden doorgehaald of opgeheven, zoo dra het beheer van den voogd geeindigd en, door het afleggen der rekening, de overgifte der bescheiden en de betaling der slotsom, de verantwoordelijkheid is opgehouden. (B. 467 v., 1239 v., 1253.)

399. De akten tot het vestigen der inschrijvingen en der doorhalingen van de hypotheek, welke uit krachte dezer afdeeling zullen plaats hebben, zijn aan geene regten van registratie en hypotheek onderworpen, behoudens het salaris van den bewaarder, hetwelk ten laste van den minderjarige valt. (Stb. 1844 nu. 62, zie Hyp. en Sch. bew.)

DERDE AFDEELING.

Van de voogdij van den vader en de moeder.

400. Na de ontbinding van het huwelijk, door den dood van een der echtgenooten veroorzaakt, behoort de voogdij der minderjarige kinderen, van regtsvvege, aan den langstlevende der ouders. (C. 390; B. 195,354,355,404,423,429, 436 n*. 3, 446, 448.)

401. De vader kan desniettemin aan de langstlevende moeder eenen bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toeslemming zij geene daad, de voogdij betreffende, zal kunnen verrigten, behoudens haar beklag aan de arron-disseinents-regtbank, wanneer zij vermeent dat de weigering van den raadsman de belangen der minderjarigen benadeelt.

Indien de vader bijzonderlijk de handelingen heeft vermeld, waartoe de raadsman benoemd is, zal de voogdesse het vermogen hebben om de verdere handelingen zonder zijnen bijstand te verrigten. (C. 391; B. 386.)

402. De benoeming van den raadsman geschiedt, het zij bij uiterste wilsbeschikking, het zij bij alle andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akten. (C. 392; B. 978 v., 1905.)

403. Indien, na het overlijden van den man, de vrouw verklaart of, daartoe wettig opgeroepen, erkent zwanger te zijn, zal door den kantonregfer een curator over de ongeboren vrucht worden benoemd, op de wijze als ten opzigte der benoeming van voogden is voorgeschreven.

Deze curator is verpligt alle noodige en dringende maatregelen in het werk te stellen, welke tot het behoud en beheer der goederen vereischt worden, en zulks zoowel ten bate van het kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle andere belanghebbende personen.

221

-ocr page 278-

BURGERLIJK WETBOEK.

Wanneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator van regtswege deszelfs toeziende voogd, ten ware reeds voor de andere kinderen een zoodanige toeziende voogd mogt bestaan. (C. 393; B. 3, 413, 883, 946, 1716.)

404. De moeder is niet verpligt de voogdij aan te nemen; echter moet zij, in geval van weigering, de pligten van voogdesse waarnemen, en eenen anderen voogd doen benoemen; zij blijft verantwoordelijk tot op het tijdstip, dat laatstgemelde de voogdij zal hebben aanvaard. (C. 394; B. 387, 417, 431, 435b.)

405. Indien de moeder, voogdesse zijnde, tot een volgend huwelijk wil overgaan, zal zij, vóór het aangaan van dat huwelijk, zich tot den kantonregter moeten wenden, welke, na de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige te hebben gehoord óf behoorlijk opgeroepen, en behoudens beroep aan den hoogeren regter, zal beslissen of de moeder de voogdij zal kunnen behouden.

Wanneer zij in gebreke blijft aan dit voorschrift te voldoen, verliest zij van regtswege de voogdij, en haar man is hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle gevolgen der voogdij, welke zijne vrouw onbevoegdelijk behouden heeft.

Het verlies der voogdij, in voege voorschreven, belet met dat de moeder, zoo daartoe gronden zijn, door den kantonregter als voogdesse kan worden aangesteld, met inachtneming van de voorschriften der vijfde afdeeling van dezen

titel. (C. 395; B. 388, 389, 406, 4(1, 413, 4175,431,1314 v.)

406. Wanneer de moeder in voogdij bevestigd, of opnieuw als voogdesse benoemd is, wordt haar man van regtswege mede-voogd, en benevens zijne vrouw hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan des huwelijks verrigt; alles behoudens de bepalingen van art. 401.

De mede-voogdij van den man vervalt, zoo dra de vrouw ophoudt voogdesse te zijn.

De voogdij van de vrouw vervalt, indien de mede-voogd tot de voogdij onbevoegd is, of daarvan ontzet wordt, ten ware de ontzetting geschied zij ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij.

Bij de ontbinding van het tweede huwelijk treedt de moeder in de voogdij terug. (C. 396; B. 386, 405, 436, 437, 488, 1314 v.)

407. De vader of de moeder, alvorens een nieuw huwelijk aan te gaan. is verpligt aan den toezienden voogd der minderjarigen aan te bieden eenen behoorlijken staat der goederen, welke het vermogen van den minderjarige uitmaken.

Wanneer de vader of de moeder in gebreke blijft om, vóór het aangaan van het huwelijk, aan dit voorschrift te voldoen, verliest dezelve de voogdij, en zal er een andere voogd benoemd worden. (B. 182, 411, 417, 438.)

408. De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, heeft de voogdij zijner, of barer natuurlijke wettelijk erkende kinderen.

Bij minderjarigheid van den vader of de moeder, wordt

222

-ocr page 279-

BOEK I, TITEL XVI, A.RTT. 404—414.

inmiddels door den kantonregter in de voogdij voorzien. (B. 335, 354, 355, 361, 420.)

VIERDE AFDEEL ING.

Van de voogdij, door den vader of de moeder opgedragen.

409. De langstlevende der ouders alleen heeft het regt om eenen voogd over zijne minderjarige kinderen te benoemen.

Hij zal zelfs verscheidene personen kunnen benoemen, ten einde, bij ontstentenis, elkander in de voogdij op te volgen. (C. 397; B. 195, 386, 423.)

410. De benoeming van den voogd geschiedt bij uiterste wilsbeschikking, of bij elke andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akte. (C. 398; B. 402, 4696.)

411. Wanneer de moeder hertrouwd zijnde niet in de voogdij is gehandhaafd, of niet op nieuw als voogdesse is benoemd; of wanneer de vader of de moeder, naar aanleiding van artikel 407, van de voogdij is uitgesloten, zijn zij onbevoegd om eenen voogd over hunne minderjarige kinderen te benoemen. (C. 399; B. 405.)

412. Wanneer de moeder hertrouwd is, en, in de voogdij gebleven zijnde, eenen voogd over de kinderen van haar eerder huwelijk benoem4 heeft, zal die benoeming niet van waarde zijn, voordat die door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping der bloedverwanten of aangehnwden van den minderjarige, zal zijn bekrachtigd. (C. 400; B. 388, 389, 405; Sr. 445.)

VIJFDE AFDEELING.

Van de voogdij door den kantonregter opgedragen.

413. Indien een minderjarig kind overblijft, zonder vader, moeder, of voogd door den vader of de moeder benoemd, gelijk ook wanneer de voogd, eene der opgenoemde betrekkingen hebbende, zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling bevindt, alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vaderlijke magt, zal in de voogdij door den kantonregter worden voorzien. (C. 405 v., B 400, 404—407, 409, 411, 412, 433 v., 436 v., 507, 553, 554; Sr. 28 n0. 5, 30.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

414. De kantonregter zal te dien einde doen oproepen de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige,

o) Oorspronkelijk ontbraken de woorden: „alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vaderlijke magt.\'\'

223

-ocr page 280-

BURGKRLIJK WETBOEK.

ten einde te zamen te worden geraadpleegd over den persoon, wiens benoeming het meest met de belangen van den minderjarige zoude strooken.

Hij zal daarvan een proces-verbaal opmaken, bevattende de verschillende gevoelens der verschijnende personen, en voorts dadelijk den voogd benoemen.

De, ingevolge art. H88, tweede lid, en art. 389, derde lid, opgeroepen bloedverwant of aangehuwde kan ook afzonderlijk worden gehoord. (C. 406; B 424; Sr. 445.)

Dit artikel, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 3 der Wet van 15 November 1876 (Stb. nu. 195).

.415. Wanneer de kantonregter den persoon benoemt, welke door de meerderheid der leden van de familie is aangeduid, zal de benoeming dadelijk van kracht zijn.

Indien daarentegen de keus op eenen anderen persoon valt dan die door de meerderheid is opgegeven, zal de kantonregter, wanneer de eene of andere der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden zulks vordert, ver-pligt zijn het proces-verbaal onverwijld aan de arrondisse-ments-regtbank in te zenden, welke, na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabestaanden, de benoeming zal moeten goedkeuren, of wel definitievelijk eenen voogd aanstellen. (B. 300c; Hv. 324 n0. 6.)

416. Wanneer geene bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige binnen het koningrijk aanwezig zijn, of ook wel, wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen, verschijnt, zal de kantonregter alleen tot de keus van den voogd overgaan.

Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelik zijn opgekomen, zal de benoeming plaats hebben, na verhoor der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden. (C. 409, 415; B. 3b8, 389.)

417. De benoeming van eenen voogd geschiedt op het verzoek van de bloedverwanten van den minderjarige, van zijne schuldeischers, of andere belanghebbende partijen, of zelfs ambsthalve door den kantonregter der woonplaats van den minderjarige.

De ambtenaar van den burgerlijken stand zal verpiigt zijn den kantonregter kennis te geven van het overlijden van alle personen, welke minderjarigen mogten nalaten, en van alle tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige kinderen hebben. (C. 400; B. 78, 404, 431; Stb. 1828 n0. 51 ; Sr. 468 1°.)

418. Indien de minderjarige, binnen het koningrijk gevestigd zijnde, goederen in eene of meerdere koloniën bezit, zal het beheer over die goederen aan eenen bewindvoerder in iedere kolonie, op verzoek van den voogd, kunnen v/orden toevertrouwd.

In dat geval, is de voogd wegens de verrigtingen van dien bewindvoerder niet verantwoordelijk.

De bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd gekozen. (G. 417; B. 386, 413 v., 446b.)

419. De voogd zal de voogdij moeten aanvaarden op den dag zijner benoeming, wanneer die in zyne tegenwoor-

224

-ocr page 281-

BOEK I, TITEL XVI, ARTT. 415—425.

digheid heeft plaats gehad, of anderzins op den dag waarop de benoeming aan hem zal zijn beteekend geworden.

Hij is verpligt, vóór het aanvaarden der voogdij, in handen van den kantonregter den eed af te leggen, dat hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen. (G. 418; B. 426, 435.)

420. In de voogdij over natuurlijke kinderen wordt door den kantonregter, zonder eenig voorafgaand verhoor, voorzien. (B. 335, 408, 414, 554.)

ZESDE AFDEELING.

Van de voogdij van kinderen, welke in eenig gesticht zijn opgenomen.

421. Minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid zijn opgenomen, verblijven, zoo lang zij zich daarin bevinden, of daartoe behooren, onder de voogdij van de regenten van dat gesticht.

Deze zijn van het stellen van zekerheid vrijgesteld. (For-tuyn II, 333 v.; B. 385c, 386, 422, 436 n°. 3.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van den loezienden voogd.

422. In elke voogdij, met uitzondering van degene waarover bij het vorige artikel wordt gehandeld, zal een toeziende voogd door den kantonregter worden benoemd, op de wijze als bij de vijfde afdeeling van dezen titel is voorgeschreven. (C. 420; B. 403c, 413 v., 417, 421.)

423. De voogden, welke in de derde en vierde afdeeling van dezen titel zijn aangeduid, zijn verpligt, alvorens de voogdij te aanvaarden, eenen toezienden voogd te doen benoemen; bij gebreke van dien, kunnen zij uit de voogdij worden ontzet, onverminderd de schadevergoedingen aan den minderjarige toekomende. (C. 421; B. 400 v., 409 v., 437 v.)

424. Wanneer de voogdij door den kantonregter is opgedragen, zal de benoeming van den toezienden voogd onmiddellijk na die van den voogd plaats hebben, en bij eene en dezelfde akte geschieden. (C. 422; B. 413 v.)

425. Indien de toeziende voogd, niet van de voogdij zijnde uitgesloten, of wettig verschoond, mogt in gebreke blijven zijne betrekking te aanvaarden, zal hij, ten zijnen koste, en onverminderd zijne gehoudenis tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den minderjarige, door eenen anderen persoon, op de wijze bij artikel 387 voorgeschreven, worden vervangen; onverlet zijn verhaal op laatstgemelden. (B. 434 v., 437 v., 1401, 1402.)

225

15

-ocr page 282-

BURGERLIJK WETBOEK.

426. De toeziende voogd zal, alvorens zijne werkzaamheden aan te vangen, in handen van den kantonregter den eed moeten afleggen, dat hij zijnen pligt deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen. (B. 4i9b.)

427. De verpligtingen van den toezienden voogd bestaan in het waarnemen der belangen van den minderjarige, wanneer dezelve met die van den voogd in tweestrijd zijn. (C. 420b; B. -182, 393, 430, 438, 444, 450, 453, 458, 466.)

428. Hij is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt toe te zien dat de voogd aan zijne verpligting voldoe door het stellen van hypotheek, of dopr dezelve, zoo daartoe termen zijn, aan te vullen, overeenkomstig artikel 390 en volgende van dezen titel, mitsgaders dat de hypotheek behoorlijk worde ingeschreven.

Hij is insgelijks, en op dezelfde straffe, gehouden den voogd te noodzaken tot het maken van inventaris of boedelbeschrijving, in alle de nalatenschappen, welke aan den minderjarige zijn opgekomen. (C. 2137; B. 390, 392, 394, 444, 459a, 1070 v., 1224 v., 1401, 1402.)

429. Hij zal van den voogd (behalve vader en moedei) om de twee jaren eene summiere rekening en verantwoording vorderen, en zich doen vertoonen de effecten en bescheiden, aan den minderjarige toebehoorende.

Deze summiere rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgegeven zonder eenige kosten, noen geregtelijken vorm. (C. 470; B. 391, 450, 467.)

430. Wanneer de voogd weigerachtig is om aan bet voorschrift van het vorige artikel te voldoen, of wanneer de toeziende voogd in de summiere rekening sporen van ontrouw of grove nalatigheid ontdekt, zal hij de afzetting van den voogd moeten vorderen.

Hij zal die afzetting insgelijks moeten verzoeken in alle andere gevallen bij de wet bepaald. (C. 446; B. 437 n0.3.)

431- Wanneer de voogdij opengevallen of door de afwezigheid van den voogd verlaten is, zal de toeziende voogd, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, de benoeming van eenen nieuwen voogd moeten doen bewerkstelligen, en verpligt zijn inmiddels alle zoodanige daden van voogdij te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden. (C. 4\'24; B. 413, 417, 519 v., 1401, 1402.)

432 De bediening van toezienden voogd eindigt op hetzelfde tijdstip als de voogdij (C. 425; B. 385, 468, 473.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van de redenen die van de voogdij en de toeziende voogdij verschoonen.

433. Geen persoon, welke den minderjarige niet als bloedverwant of aangehuwde bestaat, kan genoodzaakt worden de voogdij of toeziende voogdij te aanvaarden, wanneer zich binnen het ressort van de arrondissements-regtbank alwaar

226

-ocr page 283-

BOEK I, TITEL XVf, ARTT. 426—435.

dezelve is opgedragen, bloedverwanten of aangehuwden bevinden, welke in staat zijn de voogdij of toeziende voogdij uit te oefenen. (C. 432; B. 345, 350, 387, 425, 515.)

434. Van de voogdij en toeziende voogdij kunnen zich verschoonen:

1°. Zij, die zich in dienst van den staat buiten \'s lands bevinden;

2°. Krijgslieden in werkelijken land- of zeedienst;

3°. Zij, die buiten hunne provincie met openbare ambten bekleed zijn, of ook wel dezulken, die ter oorzake van die ambten verpligt zijn zich op bepaalde tijdstippen buiten de provincie te begeven;

De personen, bij de drie vorige nommers vermeld , kunnen zich van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschooning na hunne benoeming zijn ontstaan;

4°. Zij, die den vollen ouderdom van zestig jaren hebben bereikt; wanneer zij vroeger benoemd zijn, kunnen zij zich op hun vijf en zestigste jaar van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan ;

5°. Zij, die door eene zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld zijn;

Deze kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de ziekelijkheid of het ongemak na hunne benoeming als voogd of toeziende voogd is ontstaan;

6°. Zij, die, kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende voogdijen belast zijn;

7°. Zij, die, een of meer kinderen hebbende, met ééne voogdij of toeziende voogdij zijn belast;

8°. Zij, die op den dag hunner benoeming vijf wettige kinderen hebben, daaronder begrepen die, welke in den krijgsdienst van het koningrijk gestorven zijn.

De vader kan, om geene der redenen hier-boven vermeld, zich van de voogdij over zijne eigene kinderen doen ontslaan. (C. 427—436; B. 404 )

435. Hij die van eene voogdij of toeziende voogdij wenscht ontslagen te worden, is, op straffe van het verlies zijner bevoegdheid daartoe, verpligt zich bij verzoekschrift, en ten zijnen koste, tot de arrondissements-regtbank te wenden, en zulks binnen den tijd van acht dagen, te rekenen van den dag zijner benoeming, wanneer hij daarbij is tegenwoordig geweest, of wel van de gedane beteekening, en zal de regtbank, zonder vorm van proces, en behoudens beroep aan den hoogeren regter, de ^oorgedragene redenen van verschooning aannemelijk verklaren of wel verwerpen.

Niettegenstaande het aanvoeren van redenen tot verschooning, is de voogd of de toeziende voogd verplicht bij voorraad de voogdij of toeziende voogdij waar te nemen, j tot dat deswege definitievelijk zal zijn beslist. (C. 438—440; B. 404, 419, 425; R. O. 69.)

227

-ocr page 284-

BURGERLIJK WETBOEK.

NEGENDE AFDEELING.

Van de bevoegdheid tot, de uitsluiting en afzetting van en de tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij, a)

436. Tot de voogdij of toeziende voogdij zijn onbevoegd:

1°. Minderjarigen;

2°. Zij, die onder curatele zijn gesteld;

3°. Vrouwen, behalve de moeder;

4°. Allen, die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen, tegen den minderjarige een regts-geding voeren, waarin de staat van den minderjarige, zijn fortuin of een aanmerkelijk gedeelte zijner goederen betrokken is. (C. 442; B. 385, 404,487 v., quot;1366.)

437. Van de voogdij of toeziende voogdij zijn uitgesloten en kunnen zelfs worden ontzet, wanneer zij reeds werkzaam zijn:

1°. Zij. die tot eene ontecrende straf zijn veroordeeld; 6)

2°. Zij, die een bekend slecht levensgedrag houden;

3°. Zij, die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij onbekwaamheid of ontrouw aan den dag leggen;

4°. Zij, die van eene andere voogdij of toeziende voogdij zijn ontzet geworden;

6°. Zij, die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren. (F. 4, 23. — G, 443—444; D. 40;, 423, 430. 438, 440; vg. Sr. 28 v.)

438. De afzetting van eenen voogd geschiedt behoudens hooger beroep, door de arrondissements-regtbank, op verzoek van den toezienden voogd, of van een der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige tot den vierden graad ingesloten, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie.

De regtbank, alvorens uitspraak te doen, is in alle gevallen verpligt den voogd en den toezienden voogd te hooren, wanneer laatstgemelde niet zelf de afzetting heeft verzocht.

In het vonnis, waarbij de voogd wordt afgezet, zal hij tevens worden veroordeeld om rekening en verantwoording van zijn beheer aan zijnen opvolger te doen. (C. 446 v.; B. 427, 430, 440 A, 467; R. O. 69; Rv. 324 n0. 6.)

439 De afzetting van den toezienden voogd geschiedt door dezelfde regtbank en behoudens hetzelfde beroep, op verzoek van den voogd of van een der bloedverwanten of aangehuwden, bij het vorige artikel omschreven, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie; in allen gevalle, na verhoor van den toezienden voogd, (C. 426; B. 438,440 A.)

440. Het staat aan de arrondissements-regtbank vrij om, wanneer daartoe dringende redenen mogten bestaan, han-

«) De woorden; „en de tijdelijke voorziening inquot; zijn ingevoegd bij art. 6 der Wet van 26 April 1884 (Stb. no. 93).

h) Deze bepaling is bij de Wet van 26 April lS8t onveranderd gebleven, blijft mitsdien gelden voor hen die vroeger tot deze straf zijn veroordeeld.

228

-ocr page 285-

BOEK I, TITEL XVI, ARTT. 436—442.

gende het geding, den voogd of den toezienden voogd in de uitoefening zijner werkzaamheden te schorsen, en in het beheer der voogdij of der toeziende voogdij voorloopig te voorzien. (B. 387, 425.)

440 A,. Indien de voogd of toeziende voogd tot eene vrijheidsstraf van meer dan één jaar wordt veroordeeld, of zich ter zake van zoodanige veroordeeling tijdens het bekomen der voogdij of toeziende voogdij in verzekerde bewaring bevindt, kan de arrondissements-regtbank tijdelijk in de uitoefening zijner werkzaamheden voorzien door de benoeming van een plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd.

De bepalingen van de artt. 438 en 439 betreflénde de afzetting zijn op deze tijdelijke voorziening toepasselijk, behoudens dat de voorziening ook op eigen verzoek van den voogd of toezienden voogd kan geschieden.

De bepalingen van de achtste afdeeling van dezen titel zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd van toepassing

Geraakt de benoemde plaatsvervangende voogd of toeziende voogd zelf in het geval bij het eerste lid voorzien, dan kan de arrondissements-regtbank hem op gelijke wijze door een ander vervangen.

Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd eindigt van regtswege met de invrijheidstelling van hem, wien hij vervangt.

De bepalingen der wet betreffende de regten en verplig-tingen van voogden en toeziende voogden zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd toepasselijk.

Dit artikel bijgevoegd bij art. 6 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93).

TIENDE AFDEELING.

Van het toezigt van den voogd over den persoon des minderjarigen.

441. De voogd zal voor den persoon van den minderjarige zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen vertegenwoordigen.

De minderjarige is aan zijnen voogd eerbied verschuldigd. (C. 450a; B. 353Ö, 446, 1366, 1484, 206, 337, 475, 944, 1483, 1835.)

442. Wanneer do voogd zvvaarwigtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van den minderjarige, zal hij diers opsluiting kunnen verzoeken, met inachtneming van hetgeen te dien opzigte bij den vorigen titel is vastgesteld.

De regtbank kan in de opsluiting niet bewilligen dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige. (C. 468; B 357, 358.)

229

-ocr page 286-

BURGERLIJK WETBOEK.

ELFDE AFÜEELING.

Van het bestuur van den voogd.

443. De voogd moet de goederen van den minderjarige als een goed huisvader besturen, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die uit zijn slecht beheer zouden kunnen voortvloeijen.

Indien aan den minderjarige, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, goederen zijn geschonken of gemaakt, en het bewind daarover aan een of meerder daartoe aangestelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de bepalingen omtrent den vader, in artikel 362 voorkomende, op den voogd toepasselijk. (C. 4506; B. 449, 458, 472; W. Postsp.b., a. 9a en h.)

444. De voogd zal, binnen tien dagen nadat hij de voogdij heeft aanvaard, de ontzegeling vorderen, indien de verzegeling heeft plaats gehad ; en dadelijk, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, overgaan of doen overgaan tot het inventariseren der goederen van den minderjarige.

De inventaris of boedelbeschrijving zal ook onderhands kunnen worden opgemaakt, en door den voogd en toezienden voogd moeten worden onderteekend; in alle gevallen, zal de deugdelijkheid daarvan door den voogd onder eede, ten overstaan van den kantonregter, moeten bevestigd worden; wanneer de inventaris onderhands is opgemaakt, zal dezelve ter griffie van den kantonregter moeten worden overgebracht. (C. 451«; B. 427; Rv. 669 v., 678 v.)

445. Indien de minderjarige iets aan den voogd verschuldigd is, zal deze zulks bij den inventaris moeten opgeven; bij gebreke van die opgave, kan de voogd hetgeen aan hem mogt verschuldigd zijn niet vorderen, voordat de minderjarige meerderjarig geworden zal zijn; hij zal bovendien verliezen de achterstallige renten en interessen dei-hoofdsom, vervallen sedert het opmaken van den inventaris tot op het tijdstip dat de minderjarige zal zijn meerderjarig geworden; behoudens echter dat gedurende dat tusschen-vak de verjaring tegen den voogd niet zal loopen. (C. 451?;; B. 2023 v.)

446. Bij het aanvaarden aan elke voogdij, met uitzondering van die, welke door den vader of de moeder gevoerd wordt, zal de kantonregter, na verhoor van den toezienden voogd, en na oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, bij raming, en naar gelang der goederen die bestuurd moeten worden, het beloop der som bepalen, welke de minderjarige jaarlijks zal kunnen verteren, gelijk mede de kosten welke op het beheer der goederen kunnen vallen; alles behoudens het beroep aan de arron-dissements-regtbank, indien de kantonregter zich niet met de meening van het meerendeel der verschenen nabestaanden vereenigd heeft.

Bij dezelfde akte zal ook worden bepaald, of de voogd gemagtigd is om zich in zijn beheer te bedienen van eenen of meer bijzondere loontrekkende bewindvoerders, onder

230

-ocr page 287-

/

BOEK 1, TITEL XVI, ARTT. 443—449.

231

zijne verantwoordelijkheid de zaken waarnemende. (0.454; B 388, 389, 400, 418, 4\'29; R. O. 54 n0. 5.)

U7 De voogd is verpligt alle de meubelen of huisraad, dio den minderjarige bij de opening der voogdij, of gedurende der/.elver loop, te beurt vallen, mitsgaders de roerende goi-deren welke geene vruchten, ihkomsten of voordeelen opleveren, te doen veikoopen, met uitzondering van de Zi-odnuige welke, met bewilliging van den kantonregter, en na vHihoor of behoorlijke oproeping van den toezienden mitsgaders van de bloedverwanten of aan gehuwden van den inii derjarige, in natnra mogen bewaard blijven.

die verkoop moet geschieden in het openbaar en door eenen bevoegden ambtenaar, met inachtneming der plaatselijke gebruiken, ten ware de kantonregter, na verhoor of oproeping als voren, mogt bevelen dat deze of geene bepaaldelijk aan te wijzen voorwerpen, in het belang van den minderjarige, onder de hand worden verkocht, voor of boven den prijs, waarop dezelve door daartoe te benoemen deskundigen mogten geschat zijn.

De kantonregter kan ook, na hetzelfde verhoor, den openbaren of onderhandschen verkoop toestaan van roerende goederen, welke, naar aanleiding van het eerste lid van dit artikel, in natura bewaard zijn, indien het belang van den minderjarige zulks vordert.

Koopmanschappen kunnen door den voogd onder de hand, door middel van makelaars, tegen den koers en vruchten van landgoederen, ter markte of andeoins, tegen den marktprijs worden verkocht. (C 452; A. 3; B. 3ö8, 389, 448, 567, 568, 569, 571; K. 62; Rv. 684 v.)

Voor het tweede en het derde lid van dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365.

448. De vader en de moeder, voor zoo verre zij het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen aan den minderjarige toebehoorende, zijn vrijgesteld van de verpligting om de meubelen of andere roerende goederen te verkoopen, zoo zij verkiezen dezelve te bewaren, ten einde die naderhand in natura terug te geven.

In dat geval, zullen zij, ten hunnen koste, die goederen naar derzelver opregte waarde doen schatten door eenen deskundige, die door den toezienden voogd zal worden benoemd, en bij den kantonregter den eed zal afleggen. Zij zullen de begroote waarde van zoodanige goederen moeten opleggen, welke zij niet in natura mogten kunnen opleveren. (C. 453; B. 366, 447.)

449. De voogden zijn verpligt hetgeen van de inkomsten, na aftrek der verteering overschiet, te beleggen, zoo dra het batig slot het vierde gedeelte der gewone inkomsten van den minderjarige te boven gaat.

Zij mogen de penningen van den minderjarige op geene andere wijze beleggen, dan door den aankoop van inschrijvingen op het grootboek der werkelijke schuld van dit koningrijk, van onroerende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt.

-ocr page 288-

BURGERLIJK WETBOEK.

Wanneer de voogden gedurende den tijd van één jaar zijn in gebreke gebleven om eenige geldsommen, overeenkomstig het voorschrift van dit artikel, te beleggen, zijn zij daarvan de wettelijke interessen verschuldigd. (C. 455,456; B. 391, 427, 429, 443, 451, 1286, 1804; Stb. 1857 n0.171, zie chron. lijst.)

450. Indien zich onder de goederen van den minderjarige bevinden certificaten van de nationale schuld, zijn de voogden verpligt de overschrijving daarvan op het grootboek, ten name van den minderjarige, te doen bewerkstelligen.

De toeziende voogd zal voor de uitvoering van dezen maatregel moeten zorg dragen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 391, 427, 429, 449.)

451. De voogd zal ten behoeve van den minderjarige geen geld mogen opnemen, noch diens onroerende goederen vervreemden of verpanden, noch deszelfs effecten, schuldvorderingen en actiën verkoopen of overdragen, zonder daartoe door den kantonregter te zijn gemagtigd. De kanton-regter zal deze magt niet verleenen, dan uithoofde eener volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na behoorlijke oproeping van den toe-zienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige. (G. 457; B. 364, 388,389,429, 455 v., 470, 479, 1122, 1216; Bv. 324 n». 6, 690 v.)

Foor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365. a)

452. In geval van verkoop van onroerende goederen, zal de voogd bij zijn verzoekschrift moeten overleggen eenen staat van alle de goederen van den minderjarige, met opgave van de zoodanige welke hij zoude wenschen te vervreemden.

De kantonregter is bevoegd om den verkoop toe te staan, het zij van de aangewezen goederen, het zij van zoodanige andere, wier vervreemding aan hem min bezwarend in het belang des minderjarigen mogt toeschijnen. (C. 457, 458; B. 479.)

Foor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365.

453. De verkoop moet geschieden in het openbaar, ten overstaan van den toezienden voogd, door middel van eenen bevoegden ambtenaar, en volgens de plaatselijke gebruiken. (G. 459; A. 3; B. 427, 454; Bv. 690.)

454. De kantonregter is bevoegd om, in buitengewone gevallen, en wanneer het belang van eenen minderjarige zulks vordert, verlof te verleenen tot den onderhandschen verkoop van een onroerend goed.

232

Dat verlof zal echter niet worden toegestaan, dan op een met redenen bekleed verzoek van den voogd, en met eenparig goedvinden van den toezienden voogd, en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige.

a) Door art. 1 der bij art. 365 vermelde wet zijn tevens vervallen de oorspronkelijke slotwoorden van art. lal: „mitssaders op de eon-clusioii van het openbaar ministerie.quot;

-ocr page 289-

233

Indien de opgeroepen bloedverwanlen of aangehuwden niet allen verschijnen, zal hel eenparig goedvinden van degenen die opkomen voldoende zijn.

Het onroerend goed zal voor geenen lageren prijs mogen worden verkocht, dan waarop hetzelve, vóór het verleend verlof, zal zijn geschat geworden door drie deskundigen, door den kantonregter te benoemen. (B. 888, 889, 455 v.; Rv. 691.)

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365.

455. De formaliteiten, bij artikel 451 voorgeschreven, zijn niet toepasselijk, wanneer bij een vonnis, op verzoek van een der mede-eigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop bevolen mogt zijn, behoudens echter dat die verkoop steeds in het openbaar zal moeten geschieden. (C. 460; Rv. 690 v.)

456. Indien de kantonregter, naar aanleiding van artikel 451, verlof verleent tot den verkoop van effecten, aan den minderjarige toebehoorende, kan hij levens bepalen dat die verkoop onder de hand, door middel van makelaars, geschiede, mits de effecten van dien aard zijn dat derzelver waarde, op den dag des verkoops, door gewoone prijscouranten kan worden aangetoond. (B. 454; K. 62.)

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot hij art. 365.

457. De voogd vermag geen onroerend goed van den minderjarige op eene andere wijze dan in de openbare veiling te koopen.

In dal geval, zal de koop echter niet van kracht zijn, dan ten gevolge der goedkeuring van den kantonregter, verleend overeenkomstig de voorschriften en onder de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van artikel 454. (C. 450c, 1596b; B. 1506e.)

Foor dit artikel geldt het aangeteekende op en de noot bij art. 365.

458- De voogd vermag de goederen van den minderjarige niet voor zich zeiven te huren of in pacht te nemen, ten zij de voorwaarden door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, mitsgaders van den toe-zienden voogd, zullen zijn goedgekeurd; in welk geval, laatstgemelde bevoegd is om de overeenkomst met den voogd te sluiten.

Hij vermag, zonder dezelfde goedkeuring, geene opdragt aan te nemen van i\'egten of schuldvorderingen jegens den onder zijne voogdij staanden persoon. (C. 450c; B. 888, 889, 443, 668, 1569 v., 1584.)

459. De voogd vermag eene erfenis, aan den minderjarige opgekomen, niet anders te aanvaarden dan onder het voorregt van boedelbeschrijving.

Hij vermag geene erfenis te verwerpen, zonder daartoe, op de wijze bij artikel 451 vermeld, verlof bekomen te hebben. (C 461; D. 428, 444, 484, 1070, 1092,1103,1484.)

460 Hetzelfde verlof wordt vereischt lot hel aannemen

-ocr page 290-

BURGERLIJK WETBOEK.

eener gift aan eenen minderjarige gedaan; zij zal ten opzigte van den minderjarige dezelfde gevolgen hebben als ten opzigte van een meerderjarig persoon. (C. 463; B. 14K4, 172-2, 17\'24)

461 Alvorens eene regtsvordering voor den minderjarige in te stellen, of zich op eene regtsvordering, tegen denzelven ingesteld, te verdedigen, kan de voogd, te zijner verantwoording, zich daartoe doen magtigen door den kanton-regter, die daarop het gevoelen der bloedverwanten of aan-gehuwden van den minderjarige, en van den toezienden voogd, inneemt.

Pe voogd die, niet voorzien van dit verlof, eene regtsvordering heeft ingesteld, of zich daartegen verdedigt, kan door den regter tot de betaling der proceskosten uit eigene beurs worden verwezen, indien wordt bevonden dat hij zonder redelijken grond het regtsgeding aangevangen of volgehouden heeft; onverminderd zijne gehoudenheid tot verdere vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

Hetzelfde kan plaats hebben, indien mogt blijken dat de voogd door valsche voorgevens, of verberging der waarheid, zoodanig verlof mogt hebben verkregen. (C. 464; B. 383, 389, 4C2 v.; Bv. 56 v., 280, 383, 385.)

462. Het staat aan den voogd niet vrij in eene regtsvordering, tegen den minderjarige ingesteld, te berusten, zonder daartoe gemagtigd te zijn door den kantonregte.quot;, op de wijze als in den aanvang van het vorige artikel is vermeld. (C. 464; B. 461.)

463. Hetzelfde verlof wordt vereischt, wanneer de voogd eene scheiding of verdeeling wil vragen; doch kan hij, zonder dat verlof, antwoorden op eenen eisch tot scheiding of verdeeling tegen den minderjarige gedaan. (G. 465; B. 461, 1112.)

464. De regelen, welke ten opzigte der scheiding en verdeeling van goederen, waarbij minderjarigen belang hebben, zullen moeten worden in acht genomen, zijn bepaald bij den zestienden titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding. (C. 466; B. 459, 1112 v., 1118 v., 1484.)

465. De voogd kan, zonder het verlof waarvan bij art. 451 wordt gesproken, in den naam van den minderjarige geene dading aangaan, noch de beslissing van eene zaak aan scheidsmannen opdragen. (C. 467; B. 1484,1888; Bv.620v.)

466. Indien de vader of de moeder met den vooroverleden echtgenoot in algeheele of in beperkte gemeenschap is getrouwd geweest, kan dezelve, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, mitsgaders van den toezienden voogd, door den kantonregter worden gemagtigd om de goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fabrijk of dergelijke, gedurende eenen bepaalden tijd, en zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met de minderjarigen, te mogen aanhouden.

Dit verlof kan niet worden toegestaan, ten zij aan den kantonrechter, na inzage van de boedelbeschrijving, zij gebleken van het aanmerkelijk belang der minderjarigen,

234

-ocr page 291-

BOEK I, TITEL XVI, ARTT. 461—471.

en van den waarborg, dien de voogd of de voogdesse oplevert. Hetzelve zal, op verzoek van den voogd, of van den toezienden voogd, na verhoor als voren, kunnen worden ingetrokken. (B. 474, 182, 210 v., 388, 389, 427.)

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op art. 365. a)

TWAALFDE AFDEEL ING.

Van de rekening en verantwoording der voogdij.

467. Elke voogd is, bij het eindigen van zijn beheer, verpligt tot het doen van eene slotrekening en verantwoording. (C. 469; B. 898, 404, 405, 429, 435b, 438c.)

468 Die rekening en verantwoording zal gedaan worden ten koste van den minderjarige, zoodra deze zijne meerderjarigheid heeft bereikt, of aan zijne erfgenamen, zoodra de minderjarige is overleden of aan den vader of de moeder, zoodra deze weder de vaderlijke magt kan uitoefenen.

De voogd zal de kosten daartoe voorschieten.

Men zal daarin aan den voogd goeddoen alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerestvaardigde uitgaven. (C. 471; B. 385, 427, 473; Hv. 126p, 771 v.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 7 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n®. 93). b)

469. De voogd vermag ten zijnen eigen bate geene som als loon in rekening te brengen.

Hij mag nogtans het loon ontvangen, hetwelk hem bij uiterste wilsbeschikking, of bij de in artikel 410 vermelde authentieke akte, mogt zijn toegelegd. (B. 446b.)

470. Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdijrekening, welke tusschen den voogd en den minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, mogt plaats hebben, is nietig en van onwaarde, wanneer dezelve niet is voorafgegaan van eene behoorlijke rekening en verantwoording, met overlegging der noodige bewijsstukken; van welk alles zal moeten blijken door eene schriftelijke erkentenis van dengenen aan wien de rekening gedaan is, ten minste tien dagen vóór de overeenkomst afgegeven. (C. 472; A. 14; B. 951, 1487, 1889.)

471. Het slot van rekening, door den voogd verschul-

a) Ten gevolge van art. 1 der aldaar aangehaalde wet worden in het eerste lid de woorden; „door den kantonregterquot; gelezen, in plaats van de woorden: „en op de conclusien van het openbaar ministerie door de arrondissements-regthank,quot; in het tweede lid de woorden: „den kantonregterquot; in plaats van de woorden: „de regtbankquot; en verviel het laatste lid luidende: „Het openbaar ministerie kan zelfs ambtshalve de intrekking vorderen.quot;

b) Oorspronkelijk ontbraken aan het slot van het eerste lid de woorden: „of aan den vader of ** enz.

235

-ocr page 292-

BURGERLIJK WETBOEK.

digd, zal, zonder dat zulks geëischt worde, renten dragen van den dag af dat de rekening gesloten is.

De renten van hetgeen de minderjarige aan den voogd schuldig blijft zullen niet loopen, dan van den dag der aanmaning tot betaling, na het sluiten van de rekening en verantwoording gedaan. (G. 474; B. 390 v., 1195 nquot;. 7, 1\'28G, 1804; Stb. 1857 n0.171, zie chron. lijst; Rv. 585n0.9, 781b.)

472. Alle rogtsvordering van den minderjarige tegen zijn voogd, betrekkelijk de verrigtingen der voogdij, verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid. (C. 475; B. 1983 v.)

i

n |

ZEVENTIENDE TITEL.

Van handligting.

473. Door handligting kan de minderjarige meerderjarig worden verklaard, of kunnen aan hem bepaalde regten van meerderjarigheid worden toegekend. (B. 385, 474 v., 480 v.)

474. De handligting, door welke de minderjarige meerderjarig wordt, wordt verkregen door venia aetatis of brieven van meerderjarigverklaring, te verleenen bij den hoogen raad, die echter niet van kracht zijn, dan nadat dezelve door den Koning zullen zijn goedgekeurd, en te dien einde aan hem door den hoogen raad opgezonden. (B.

476. Het verzoek om brieven van meerderjarigverklaring kan aan den hoogen raad worden gedaan door den minderjarige, wanneer deze den vollen ouderdom van twintig jaren heeft bereikt.

Bij het verzoekschrift moet eene akte van geboorte, of, wanneer die niet geleverd kan worden, een ander deugdelijk blijk van den vereischten ouderdom worden overgelegd. (B. 354, 441, 31. ll27.)

476- De hooge raad, alvorens op het verzoek te beslissen, hoort den vader, en bij gebreke van dezen, de moeder van den minderjarige; wanneer de vader en de moeder des minderjarigen overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid mogten bevinden om hunnen wil te kennen te geven, moeten de voogd, de toeziende voogd, mitsgaders de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. (B. 355, 361, 388, 389, 441, 427.)

477. De hooge raad zal aan de arrondissements-regtbank van de woonplaats des minderjarigen, of ook wel, bij te grooten afstand van deze, aan den kantonregter kunnen opdragen om de hier-boven vermelde personen te hooren.

Het verbaal van dit verhoor zal alsdan aan den hoogen raad worden ingezonden, met bijvoeging van alle de inlig-tingen en aanmerkingen, welke de regtbank of de kantonregter zal noodig oordeelen. (R. O. 25; Rv. 324 nos. 2 en 6.)

236

-ocr page 293-

BOEK r, TJTEL XVII, ARTT. 472-481.

478. De meerderjarigverklaarde staat in alles met den meerderjarige gelijk.

Ten opzigte van het aangaan van een huwelijk, blijft hij echter in de verpligting om, achtervolgens de bepalingen van de artt. 92, 93 en 94, de toestemming zijner ouders of grootouders te verkrijgen, tot dat hij den vollen ouderdom van drie en twintig jaren zal hebben bereikt. (B. 354,385,1053.)

479. Het slaat aan den hoogen raad vrij om, in het belang des minderjarigen, in de brieven van meerderjarigverklaring de bepaling te voegen, dat hij, aan wien dezelve verleend worden, desniettegenstaande, tot dat hij den vollen ouderdom van drie en twintig jaren hebbe bereikt, zijne onroerende goederen niet anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toestemming van den kantonregter zijner woonplaats, na verhoor of behoorlijke oproeping van den vader, of, deze ontbrekende, van de bloedverwanten of aangehuwden.

In geval van verkoop, mag de kantonregter ook toestaan dat dezelve onderhands geschiede. (B. 451, 454; Rv. 691.)

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op en de 7xoot bij art. 365.

480. Handligting, waarbij aan eenen minderjarige bepaalde regten van meerderjarigheid worden toegekend, kan, wanneer de minderjarige den vollen ouderdom van achttien jaren heeft bereikt, op zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend.

Tegen den wil van dengene der ouders, die de vaderlijke magt uitoefent, wordt zij niet verleend. (C. 447; B. 354, 355, 362 v.)

Aldus gexvijzirjd vastgesteld bij art. 1 der Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n». 91). a)

481. Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de kantonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene der ouders, die de vaderlijke magt uitoefent, en van de bloedverwanten of aangehuwden.

Wanneer de minderjarige onder voogdij staat, beslist de kantonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, den toezienden voogd, de bloedverwanten of aangehuwden en van den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen.

De artt. 388 en 389 zijn ten deze van toepassing.

De kantonregter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke verschijning van den minderjarige gelasten.

Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonregter den dag, waarop hij zijne beschikking geven zal.

237

Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan

a) Oorspronkelijk werden aan het slot Tan het eerste lid, in plaats van de woorden: „op zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend,quot; gelezen de woorden ; „verleend worden door den vader, en bij gebreke van denzelven, door de moeder bij eene enkele verklaring, voor den kantonregter hunner woonplaats af te leggen,quot; en ontbrak hot tweede lid.

-ocr page 294-

BURGERLIJK WETBOEK.

hooger beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder, die op het verzoek gehoord is.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering is hier niet van toepassing.

Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen.

Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op dat beroep niet beslist zonder dat hij is gehoord of opge-geroepen om gehoord te worden. (C. 478, 479; B. 354, 355 385, 404, 405, 407, 437 v.; R. O. 54 n0. 5; Rv. 324 n°. 6; Stb. 1874 n0. 68, a. 2, zie onder B. 865.)

482. Bij het verleenen der handligting bepaalt de kan-tonregter uitdrukkelijk, welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarige worden toegekend. (C. 484.)

Artikel 481 en 482 aldus vastgesteld bij art. 1 der Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 91). a)

483. De minderjarige, die dusdanige handligting heeft bekomen, wordt als meerderjarig beschouwd, alleen opzig-telijk de daden en verrigtingen, uitdrukkelijk, in voege voormeld, aan hem opgedragen, en kan daartegen, op grond van minderjarigheid, niet in zijn geheel worden hersteld. Voor het overige, blijft hij in den volstrekten toestand van minderjarigheid. (B. 482, 1482 v.)

484. De bevoegdheid en de regten, uit krachte der art-kelen 480, 481 en 482, aan den minderjarige toe te kennen, mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de geheele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne inkomsten, het sluiten van verhuringen, het bebouwen zijner landerijen, en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daartoe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van eenig handwerk, het oprigten van, of deelnemen in eenige fabrijk, en eindelijk tot het drijven van nering en handel.

In de beide laatste gevallen is de minderjarige bevoegd om, even als een meerderjarige, alle verbindtenissen te sluiten, tot die fabrijk, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen, en van de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effecten, inschrijvingen in grootboeken van

a) De oorspronkelijke artikelen luidden; Art. 481. Gelijke l and-ligting kan, na het overlijden van den vader en de moeder, of wanneer deze zich in de onmogelijkheid mogten bevinden om hunnen wil te kennen te geven, op verzoek van den minderjarige, worden verleend door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, mitsgaders van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige.

De voogd en de toeziende voogd, mitsgaders de bloedverwanten of aangehuwden, welke zijn verschenen, zijn bevoegd tegen de beslissing van den kantonregter bij de arrondissements-regtbank op te komen.

Op dit beroep moet het openbaar ministerie worden gehoord.

482. Bij de in de twee vorige artikelen vermelde verklaring, moet uitdrukkelijk worden bepaald en omschreven, welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarige worden toegekend.

238

-ocr page 295-

BOEK I, TITEL XVII, ARTT. 482—486.

openbare schuld, hypothecaire schuldvorderingen en aan-deelen in naamlooze of andere vennootschappen.

Hij kan ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de verkregene handligting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende in regten optreden. Art. 78 geldt voor die handelingen niet. (G. 481 v., 487; B. 354, 362, 441, 443, 562 v., 668, 669, 1482, 1484, 1584 v.; K. 19, 40 v.)

Het tweede en derde lid van dit artikel zijn, ter vervanging van het tweede lid van het oorspronkelijk art. 484 a), vastgesteld hij art. 1 der Wet van 4 Juli 1874 (Stb. no. 91).

485. De handligting, bij de vijf vorige artikelen omschreven, kan door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.

De intrekking geschiedt, wanneer beide de ouders in leven zijn, op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door de moeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezienden voogd.

Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan.

De regtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aangehuwden en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden.

Zij beslist zonder hooger beroep. (C. 485, 486; B. 354, 355, 385, 388, 389, 427, 481; R. O. 54.)

Dit artikel is, ter vervanging van het oorspronkelijke artikel 485 h), vastgesteld bij art. 1 der Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 91).

486. Alle handligting in dezen titel vermeld, gelijk ook de intrekking volgens het voorgaande artikel, moet openbaar bekend worden gemaakt, bij behoorlijke afkondiging en plaatsing in het officiële dagblad en in dat van de woon-

a) Dat lid luidde: „In de beide laatste gJvallen, is de minderjarige bevoegd om. even als een meerderjarige, alle verbindtenissen te sluiten, tot die fabrijk, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering alleen van de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen.quot;

b) Dat artikel luidde: „Indien de minderjarige van de handligting, bij de vijf vorige artikelen omschreven, misbruik maakt, of indien daarvoor billijke vrees mogt bestaan, kan dezelve, op een daartoe ingeleverd verzoekschrift van den vader of de moeder, of bij ontbreken van deze, of wel, indien zij zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, van den voogd, den toezienden voogd, of de bloedverwanten of aangehuwden, na verhoor van het openbaar ministerie, door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken. Deze beslissing is aan geen hooger beroep onderworpen.

Door deze intrekking keert de minderjarige weder geheel terug onder de magt van zijnen vader, zijne moeder, of zijnen voogd.

239

-ocr page 296-

BURGERLIJK WETBOEK.

plaats des minderjarigen, of, bij gebreke daarvan, in het dagblad eener naastgelegene plaats,

In de afkondiging der handligting moet naauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot welk einde, dezelve is verleend. Vóór deze afkondiging, werkt zoo min de handligting als de intrekking van dezelve tegen derden. (B. 485.)

ACHTTIENDE TITEL.

Van curatele.

{Vg. de Krankz. w., afgedrukt in de chron. lijst, a))

487. De meerderjarige, die zich in eenen gedurigen staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, moet onder curatele worden gesteld, al is het dat hij bij tusschen-pozing het gebruik zijner verstandelijke vermogens bezit.

Een meerderjarig persoon kan ook uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld worden. (C. 489, 513; li. 511, 518.)

488- Elk bloedverwant is bevoegd om, uit hoofde van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij van zijnen bloei-verwant, diens curatele te verzoeken.

Ter oorzake van verkwisting, kan de curatele alleen worden verzocht door de bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie tot den vierden graad ingesloten.

In het eene en andere geval, kan de eene echtgenoot verzoeken dat de andere onder curatele worde gesteld.

Hij die gevoelt door zwakheid van vermogens niet m staat te zijn om zijne eigene belangen behoorlijk waar te nemen, kan zelf vragen om onder curatele te worden gesteld. (C. 490, 514; B. 169, 345 v., 499.)

489. Indien, in geval van razernij, de curatele niet is verzocht door de personen, in het vorige artikel omschreven, is het openbaar ministerie daartoe verpligt.

In geval van onnoozelheid of krankzinnigheid, kan de curatele insgelijks door het openbaar ministerie worden gevorderd tegen iemand, die noch echtgenoot, noch bekende bloedverwanten binnen het koningrijk heeft. (C. 491 ; Krankz. w., a. 34 )

490. Alle verzoeken tot curatele moeten worden ingediend bij de regtbank van het arrondissement der woonplaats van dengenen, tegen wien het verzoek gerigt is. (C. 492; B. 74 v.)

240

491. De daadzaken, waaruit van de onnoozelheid, krankzinnigheid, razernij of verkwisting kan blijken, moeten bij

a) Bij die wet zijn, behalve verschillende wijziginger. in dezen titel, verschillende speciale bepalingen gemaakt of afwijkingen van de bepalingen van dezen titel veroorloofd ten opzichte van verpleegden in een kraukziunigengeaticht.

-ocr page 297-

ROEK I, TITEL XVIII, ARTT. 487—499.

het verzoekschrift bepaaldelijk worden opgegeven, en daarbij worden gevoegd zoo wel de bewijsstukken, als eene opgave der getuigen. (C. 493; B. 494, quot;1904 v., 1940 v.; Krankz. w., a. 34 n0. 1.)

492. Indien de regtbank van oordeel is dat die daadzaken genoegzaam gewigtig zijn om tot curatele te kunnen aanleiding geven, zal zij de bloedverwanten of aangehuwden moeten hooren. (C. 494; B. 345, 388 en 389 j0. 5ü6c; Krankz.w., a. 34 n0. 2.)

493. De regtbank zal, na verhoor of behoorlijke oproeping van de personen, bij het vorig artikel aangeduid, dengenen, wiens curatele verzocht is, moeten ondervragen; wanneer deze buiten staat mogt zijn om zich te kunnen verplaatsen, zal de ondervraging in zijne woning moeten geschieden, door een of meer daartoe benoemde regters, door den griffier vergezeld, en, in alle gevallen, in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.

De ondervraging zal niet vroeger plaats kunnen hebben, dan nadat zoowel het verzoekschrift als het verslag, bevattende de door de bloedverwanten geuitte gevoelens, aan dengenen, wiens curatele verzocht is, zullen zijn beteekend geworden. (G. 496; B. 495, 497; R. O. 25; Krankz.w., a. 34 n#. 3 en 4.)

494. Indien de regtbank, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, en na verhoor van dengenen wiens curatele verzocht is, oordeelt genoegzaam te zijn ingelicht, zal zij, zonder eenige verdere formaliteiten, op het verzoekschrift kunnen beschikken; in het tegenovergestelde geval, zal zij het hooren van getuigen bevelen, ten einde de aangevoerde daadzaken tot klaarheid te brengen. (Pr. 893; B. 491.)

495. Na de ondervraging in artikel 493 vermeld, zal de regtbank, zoo daartoe gronden zijn, eenen provisionelen bewindvoerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van dengenen, wiens curatele verzocht is, zorg te dragen. (C. 497; B. 500, 503; Krankz.w., a. 33.)

496. Het vonnis op een verzoek om curatele zal niet anders dan in eene openbare teregtzitling kunnen worden uitgesproken, na verhoor of behoorlijke oproeping der partijen, en op de conclusien van het openbaar ministerie. (C. 498, 515; R. O. 20; Rv. 324 n®. 2.)

497. In geval van beroep, kan de hoogere regter, zoo daartoe gronden zijn, dengenen wiens curatele is verzocht, op nieuw ondervragen of doen ondervragen. (G. 500; R. O, 69; B. 493; Krankz.w., a. 34 nquot;. 4.)

498. Alle vonnissen of arresten, waarbij curatele verleend wordt, zullen van wege de verzoekers, binnen de tien dagen, aan de wederpartij moeten beteekend en openbaar gemaakt worden, door derzelver plaatsing in de officiële dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier der provincie, indien hetzelve bestaat, alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (C. 501; B. 500; Krankz.w., a. 34 n0. 6.)

499. Wanneer de curatele gevraagd wordt, naar aan-

241

16

-ocr page 298-

BURGERLIJK WETBOEK.

leiding van het vierde lid van artikel 488, hoort de regtbank de bloedverwanten of aangehuwden, en den echtgenoot des verzoekers, en zullen gevolgd worden de bepalingen, in de artikelen 493, 494, 495 en 496 vervat. Het openbaar ministerie zorgt, in dat geval, voor de bekendmaking van de uitspraak, op de wijze in artikel 498 voorgeschreven. (B. 497.)

500. De curatele zal aanvangen te werken, te rekenen van den dag dat het vonnis of het arrest zal zijn uitgesproken.

Alle handelingen, die daarna door den onder curatele gestelde zijn verrigt, zijn van regtswege nietig.

Nogtans behoudt degene, die uit hoofde van verkwisting is onder curatele gesteld, het vermogen om uiterste wilsbeschikkingen te maken. (C. 502; B. 143, 495, 498, 501 v., 503, 506, 942, 1366, 1482 v., 1850; Rv. 254 n». 2,350,354.)

501. Alle handelingen, welke mogten hebben plaats gehad vóór het verleenen der curatele, op grond van on-noozelheid, krankzinnigheid of razernij uitgesproken, zullen kunnen worden vernietigd, indien de oorzaak der curatele blijkbaar bestond, op het tijdstip waarop- die handelingen verrigt zijn. (C. 503; B. 116 n0. 3, 143; Krankz.w., a. 32c.)

502. Na iemands dood kunnen de door hem verrigte handelingen, de uiterste wilsbeschikkingen alleen uitgezonderd, op grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, niet worden bestreden, dan in geval de curatele vóór zijn overlijden mogt zijn verleend of verzocht geworden, ten ware het bewijs der kwaal uit de bestredene handelingen zelve voortvloeide. (C. 504; B. 942, 1356 nquot;. 1; Krankz.w., a. 32c.)

503. Zoodra de uitspraak tot curatele kracht van gewijsde bekomen heeft, zullen door den kantonregter een curator en een toeziende curator over den onder curatele gestelde worden benoemd, met inachtneming der bepalingen, bij de vijfde afdeeling van den zestienden titel van dit boek voorgeschreven.

fn dat geval, houden de bemoeijenissen van denprovisio-nelen bewindvoerder op, en is deze verpligt aan den curator rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen; wanneer hij zelf tot curator benoemd wordt, zal de aflegging dier rekening aan den toezienden curator geschieden. (G. 505; B. 413 v., 434 v. en 436 v. j0. 506c, 495, 497, 500; Rv. 53 n0. 6.)

504. De man wordt van regtswege curator over zijne onder curatele gestelde vrouw. (C. 506; B. 160, 424 j0. 506c, 503.)

505. De vrouw kan tot curatrice over haren man worden benoemd. In dat geval, zal de kantonregter, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den onder curatele gestelde, eenen toezienden curator aanstellen, mitsgaders den vorm en de voorwaarden der besturing regelen; behoudens het beroep van de vrouw aan de arrondissements-regtbank, zoo zij vermeent door de beschikkingen van den kantonregter bezwaard te zijn. (G. 507;

242

-ocr page 299-

BOEK I, TITEL XVIII, ARTT. 500—511.

B. 158, 404, 413 v. en 436 v. jquot;. 5Ü6c, 503; R. O. 54 nquot;. 5.)

506. De onder curatele gestelde staat gelijk met eenen minderjarige.

Wanneer hij, die uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld is, zich ten huwelijk wil begeven, zijn daarop toepasselijk de bepalingen der artikelen 05 a) en 206.

De wetsbepalingen omtrent de voogdij over minderjarigen, bij artikel 386 tot en met 399, bij artikel 424 tot en met 443, bij artikel 444, 445, 446, 449 en volgende van de elfde en twaalfde afdeelingen van den zestienden titel voorkomende, gelden insgelijks bij de curatele. (C. 509; B. 118, 385 v., 514, 595, 1053, 1092, 1366 v., 1482, 1490, 1722, 1850.)

507. Indien de onder curatele gestelde persoon minderjarige kinderen heeft, en de andere echtgenoot overleden is, of zich buiten de mogelijkheid bevindt om de voogdij te kunnen waarnemen, zal de curator van den onder curatele cestelden insgelijks voogd van die minderjarigen zijn. (B. 355, 400, 408amp;, 413, 514.)

508. De inkomsten van dengenen die, uit hoofde van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, onder curatele is gesteld, moeten bijzonderlijk besteed worden om diens lot te verzachten en zijne genezing te bevorderen. (C. 510; B. 446, 449 j0. 506c; Krankz. w., a. 40.)

509—510. Ingetrokken bij art. 43 der Wet van 27 April 1884 (Stb. n0. 96). b)

511. De arrondissements-regtbank heeft mede het ver-

a) O. E. 93.

Ij) Deze artikelen luidden:

Artikel 509. Naar den aard der ziekte en de gegoedheid van den onder curatele gestelden persoon, kan de arrondissements-regtbank, op verzoek van den curator, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden curator, en van de bloedverwanten of aange-huwden, bevelen dat hij zal worden verzorgd in zijne woning, of in een ziekenhuis^ of ook wel, indien zijn toestand en de openbare veiligheid zulks vorderen, dat hij voor den tijd van één jaar, of zooveel korter als zijn toestand dit zal toelaten, in een gesticht zal worden geplaatst.

Het staat aan de arrondissements-regtbank vrij om, zoo zij daartoe gronden vindt, in het belang van hem wiens curatele gevraagd wordt, of in dat der openbare veiligheid, reeds dadelijk na de ondervraging in artikel 193 vermeld, deze plaatsing in een gesticht voorloopig te bepalen.

In alle deze gevallen, zijn tot hooger beroep, bij een eenvoudig verzoekschrift in te stellen, bevoegd de curator en opgekomen bloedverwanten en aangehuwden; met dien verstande echter, dat het aan de regtbank vrijstaat om, daartoe billijke gronden zijnde, derzelver bevelen bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

Het openbaar ministerie moet op dit verzoek van vastzetting, zoo in eersten als in tweeden aanleg worden gehóórd.

Artikel 510. De arrondissements-regtbank is bevoegd, op verzoek van den curator, en na het openbaar ministerie te hebben gehoord, de plaatsing in een gesticht, bij voortduring der daartoe geleid hebbende omstandigheden, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen.

243

-ocr page 300-

244 BURGERLIJK WETBOEK.

mogen om den persoon die, volgens de laatste zinsnede van art. 487, uit hoofde van verkwisting, onder curatele is gesteld, het zij tegelijk met deze voorziening, het zij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch zoo noodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, in een verbeterhuis te doen plaatsen, wanneer blijkt dat zijne eigene veiligheid of de openbare zedelijkheid dit vordert, en dat hij door een buitensporig en slecht gedrag voor de samenleving gevaarlijk is. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, en de vertraging tot den alloop van het regterlijk onderzoek zoude kunnen gevaarlijk zijn, is de regtbank bevoegd om, hangende dat onderzoek, zoodanige voorloopige behoedmiddelen, en, des noods, de vastzetting te bevelen, als de omstandigheden vorderen. (B. 509, 512 v.; Rv. 51.)

612. Het verzoek tot vastzetting kan aan de regtbank worden gedaan door den echtgenoot van den onder curatele te stellen of gestelden persoon, door zijne bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie, tot den derden graad ingesloten, door zijnen curator, en door het openbaar ministerie, dat altijd op zoodanig verzoek zal moeten worden gehoord.

Aan alle dezen staat de weg van hooger beroep open. (B. 488ö en c, 513; R. O. 69; Rv. 324 n®. 2 en 6.)

513. Het gedaan verzoek tot zoodanige vastzetting, of tot de verlenging van deze, moet beteekend worden aan hem tegen wien het is gerigt.

Hij is bevoegd om daartegen zijne bezwaren bij de regtbank, en zelfs, door beroep, bij den hoogeren regter in te brengen, terwijl het echter aan den regter vrijstaat om, daartoe billijke gronden zijnde, zijn bevel bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

De opheffing der vastzetting kan mede door hem gevraagd worden, en de arrondissements-regtbank moet, alvorens deze te verleenen, daarop hooien allen die, volgens het vorig artikel, de bevoegdheid zouden hebben om de vastzetting te verzoeken.

De beslissing daarop is aan beroep onderworpen. (B. 512; R. O. 69; Rv. 53.)

614. Een minderjarig kind van eenen onder curatele gestelden persoon kan geen huwelijk aangaan,noch bedingen deswege maken, dan met inachtneming der voorschriften van de artt. 95 en 206. (C. 511; B. 507.)

616. Niemand, uitgezonderd echtgenooten en bloedverwanten in de opgaande of nederdalende linie, is verpligt eene curatele of toeziende curatele langer dan acht jaren te behouden; na verloop van dien tijd, kan de curator of de toeziende curator zijn ontslag vorderen, en moet hem dit worden verleend. (C. 508; B. 345 v., 4B3.)

616. De curatele eindigt, wanneer de oorzaken ophouden die daartoe hebben aanleiding gegeven; nogtans zal de opheffing van dezelve niet worden verleend dan met inachtneming der formaliteiten, bij de wet voorgeschreven om curatele te bekomen, en zal degene, die onder curatele gesteld is, de uitoefening zijner regten niet kunnen hervatten,

-ocr page 301-

BOEK I, TITEL XVIII EN XIX, ARTT. 512—520. 245

voordat het vonnis tot opheffing der curatele kracht van gewijsde zal hebben verkregen. (C. 512; B. 387, 506.)

517. De opheffing van curatele moet worden bekend gemaakt op de wijze bij art. 498 voorgeschreven.

Slotbepaling.

518. De minderjarige die zich in staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, wordt niet onder curatele gesteld, maar blijft onder het toezigt van deszelfs vader, moeder of voogd. (B. 354, 385, 441, 487.)

Het tweede lid ingetrokken bij art. 43 der Wet van 27 April 1884 (Stb. n0. 96). a)

NEGENTIENDE TITEL.

Van afwezigheid.

EERSTE AFDEELING.

Van voorloopige voorzieningen.

519. Indien iemand zijne woonplaats verlaten heeft, zonder voltnagt tot het waarnemen zijner zaken en belangen, of orde op het beheer derzelve gesteld te hebben, of wel indien de door hein gegeven volmagt is vervallen, en indien er noodzakelijkheid is om in dat beheer, geheel of gedeeltelijk te voorzien, ot hem te doen vertegenwoordigen, zal. op verzoek van belanghebbenden, of ook van het openbaar ministerie, door de regtbank van de woonplaats des afwezigen, een bewindvoerder worden benoemd om zijne goederen en belangen, geheel of gedeeltelijk, te beheeren en waar te nemen, voor zijne regten op te komen, en hem daarbij te vertegenwoordigen.

Alles onverminderd de bijzondere wetsbepalingen, voor het geval van faillissement, of van kennelijk onvermogen. (C. 112; B. 74 v., 431, 526b, 1829 v., 1850; F. 1, 26; Rv.53 nquot;. 6. 324 n0. 6.)

520. De bewindvoerder is verpligt om, des noods na verzegeling, te maken behoorlijke beschrijving van de goederen, waarover hem het beheer is toevertrouwd. Hij zal het gereeda geld, daarbij gevonden, of hetwelk naderhand door

a) Het luidde: „Niettemin mag hij in geen gesticht worden opgesloten, ten zij de arrondissements-regfbank, na onderzoek van den staat des minderjarigen, het daartoe vereischt provisioneel of definitief verlof hebbe verleend, met inachtneming der voorschriften van dezen titel, voor zoo verre dezelve op dat geval kunnen worden toegepast.quot;

-ocr page 302-

BURGERLIJK WETBOEK.

hem mogt worden geïnd, storten in de kas der geregtelijke consignatien, en verder zich regelen naar de voorschriften omtrent het beheer van goederen aan minderjarigen toebe-hoorende, voor zoo verre die op zijn bewind van toepassing kunnen worden gemaakt, ten ware omtrent dit een of ander door de regtbank anders mogt zijn bepaald. (B. 391, 443 v., 449, 521 v.; Rv. 678 v.)

521. De bewindvoerder is verpligt jaarlijks aan het openbaar ministerie bij de regtbank die hem benoemd heeft, te doen summiere rekening en verantwoording, en te ver-toonen de effecten en bescheiden tot zijn beheer behoorende. Deze rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgegeven zonder eenigen geregtelijken vorm. Het openbaar ministerie kan daarop zoodanige voordragt aan de regtbank doen, als hetzelve in het belang van den afwezige zal noodig oordeelen.

De goedkeuring dezer rekening brengt geen nadeel toe aan het regt, hetwelk de afwezige, of andere belanghebbenden , tegen dezelve mogten kunnen doen gelden. (C. 114; B. 519, 520, 528, 539, 838; Rv. 53 n°. 6, 324 n0. 6, 771 v.)

522. De bewindvoerder is bevoegd als belooning te berekenen, bij het doen van zijne jaarlijksche rekening, twee en een half ten honderd der ontvangst, en een en een half ten honderd der uitgaven. (B. 4466, 468c, 521, 1025, 1068, 1393.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de verklaring van vermoedelijk overlijden.

523. Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven , of order op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding, waaruit kon blijken dat hij in leven was, zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, om het even of er voorloopige voorzieningen zijn bevobn dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de regtbank zijner verlatene woonplaats, voor diezelfde regtbank kunnen worden opgeroepen, bij eene openbare dagvaarding, loopende op eenen termijn van drie maanden, of zooveel langer als door de regtbank mogt worden bevolen.

Wanneer op die dagvaarding noch de afwezige, noch iemand voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal verlof tot eene tweede dergelijke dagvaarding, en op deze tweede, in het geval als voren, verlof tot eene derde dergelijke dagvaarding worden verleend.

Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaalst in

246

-ocr page 303-

roek i, titel xix, artt. 521-52G.

zoodanige nieuwspapieren als de regtbank bij het verleenen van het eerste verlof, uitdrukkelijk 7,al aanwijzen, en ook telkens worden aangeplakt aan de voorname deur der vergaderplaats van de regtbank, en aan het huis der gemeente, binnen welke de afwezige zijne woonplaats had. (C. 115; B. 519, 526, 528, 531 v., 549, 1829 v.; Rv. 4 n». 7.)

Wet van 9 Juli 1855 (Stb. n0. 67).

art. 1.

Het tijdsverloop van vijf of tien jaren, in de artikelen 523, 526 en 549 van het Burgerlijk Wetboek gevorderd, wordt beperkt tot drie jaren, wanneer de afwezige tot de bemanning of passagiers blijkt behoord te hebben van een schip, waarvan gedurende dien tijd geene be-rigten zijn ingekomen.

De termijn van drie jaren vangt aan met de laatste tijding van het schip, en, zoo er van geene tijding blijkt, met den dag van het laatst in zee steken van het schip.

2. Hetzelfde tijdsverloop van vijf of tien jaren wordt tot één jaar ingekort, wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis op \'s lands kusten, binnenlandsche zeeën of wateren, aan eenig vaartuig, aan een deel zijner bemanning of zijner passagiers overkomen.

De termijn van één jaar vangt aan met het tijdstip waarop de gebeurtenis geacht moet worden te hebben plaats gegrepen.

624. Indien op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan door de regtbank, op daartoe gedanen eisch, na verhoor van het openbaar ministerie, worden verklaard, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt. (B. 523,1953; Bv. 324 n0.6.)

525. De regtbank zal, alvorens op den eisch uitspraak te doen, des noods na een daartoe bevolen getuigenverhoor, te houden in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie, letten op de beweegredenen der afwezigheid, op de oorzaken die het ontvangen van tijdingen van den afwezige hebben kunnen verhinderen, en op alle andere omstandigheden, tot het vermoeden van overlijden betrekkelijk.

Zij kan, naar aanleiding van dit alles, het doen van uitspraak uitstellen tot nog uiterlijk vijf jaren boven don tijd, in artikel 523 vermeld, en zoodanige nadere oproepingen en plaatsing daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als zij in het belang des afwezigen mogt noodig oordeelen. (G. 116, 117, 119; B. 550; Bv. 199 v.)

526. Indien iemand bij het verlaten zijner woonplaats eene volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of orde op het beheer derzelve heeft gesteld, en er tien

247

-ocr page 304-

BURGERLIJK WETBOEK.

jaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding van zijn leven, zonder dat in die tien jaren bewijs van zijn aanwezen of van zijn overlijden zal zijn ingekomen, kan zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden opgeroepen, en kan worden verklaard, dat er regts-vermoeden van overlijden bestaat, op de wijze en volgens de voorschriften in de drie voorgaande artikelen vermeld. Dit verloop van tien jaren wordt gevorderd, al ware het ook dat de gegeven volrnagt of gestelde orde van den afwezige vroeger mogten zijn geeindigd.

In het laatste geval echter, zal in het beheer worden voorzien op de wijze, als in de eerste afdeeling van dezen titel is vermeld. (C. 121, 122; B. 519, 523, 1832, 1850; Stb. 1855 n0. 67) Zie op art. 523.

627. De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest. (G. 118; B. 524.)

DERDE AFDEELING.

Van de reglen en verpliglinyen van vermoedelijke erfgenamen en andere belanghebbenden, na de verklaring van vermoedelijk overlijden.

528- De vermoedelijke erfgenamen van den afwezige, welke het zij volgens het versterfregt, het zij volgers uiterste wilsbeschikking, tot zijne nalatenschap geregtigd zouden zijn geweest op den dag, in het vonnis uitgedrukt, zijn bevoegd van den bewindvoerder, indien deze bestaat, rekening, verantwoording en afgifte te vorderen, en om de goederen van den afwezige in bezit te nemen; alles tegen het stellen van persoonlijke of zakelijke, geregtelijk goedgekeurde zekerheid dat die goederen zullen worden gebruikt, zonder dezelve te verslimmeren of te verwaar-loozen, mitsgaders voor de teruggave der goederen of van derzelver waarde, indien de aard der goederen dit mogt medebrengen, en zulks ten behoeve van den afwezige, wanneer hij terug mogt komen, of van andere erfgenamen, van wier beter regt daarna mogt blijken.

De vermoedelijke erfgenamen, mitsgaders alle belanghebbenden zijn dienvolgens bevoegd om de openlag^ der uiterste wilsbeschikkingen, zoo die bestaan, te verderen. (C. 120, 12S; B. 519, 521, 524, 529, 530, 531, 539, 831, 879, 880, 921 v., 990, 1002, 1097, 1208, 1857, 1864; Rv. 53 n0. 6, 616 v., 771 v.; Markenw., a. 30, zie chron. lijst.)

529. Bij gebreke van het stellen der zekerheid in het voorgaande artikel vermeld, zullen de goederen onder het beheer van eenen derde worden gesteld, en kan ten opzigte van roerende goederen, verkoop worden bevolen, met inachtneming der voorschriften, in artikel 833 en 834 van dit

248

-ocr page 305-

BOEK I, TITEI. XIX, ARTT. 527—536. 249

Wetboek voorkomende. (C. 1266; B. 836, 839,\'850,1767 v.; Rv. 53 n0. 6.)

630. De vermoedelijke erfgenamen hebben, ten opzigte van het genot van de goederen van den afwezige, dezelfde regten, en zijn aan dezelfde verpligtingen onderworpen, welke ten aanzien van vruchtgebruikers zijn voorgeschreven, voor zoo verre de bepalingen, op dat onderwerp gemaakt, toepasselijk zijn, en daaromtrent hierna niet anders is voorzien. (B. 538, 808 v., 829 v.)

631. Op denzelfden voet als dit in de drie voorgaande artikelen omtrent de vermoedelijke erfgenamen des afwezigen is bepaald, kunnen de legatarissen, en alle anderen die op de goederen vaa den afwezige, na zijn overlijden, eenig regt zouden gehad hebben, hetzelve bij voorraad uitoefenen. (G. 123; B. 528, 854 nquot;. 1, 927 v., 1006; Mar-kenw., a. 30, zie chron. lijst.)

632- Zij die eenige goederen van den afwezige onder hun bezit of beheer hebben verkregen, zijn, ieder voor zoo veel hem aangaat, daarvan aan den afwezige, wanneer hij terug mogt komen, of aan andere erfgenamen, of regtheb-benden, welke mogten opkomen, en van hun beter regt doen blijken, rekening, verantwoording en afgifte schuldig. (C. 125; B. 528, 529, 531; Rv. 771 v.)

633. De vermoedelijke erfgenamen zijn dadelijk bij het inbezitnemen verpligt tot eene behoorlijke beschrijving van alle de goederen, door den afwezige achtergelaten. Aan hen wordt het voorregt van boedelbeschrijving toegekend. Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrijving, en in de gevallen bij artikel 1077 voorzien, verliezen zij het hierboven toegekend voorregt, onverminderd de verpligtingen in het vorige artikel omschreven. (C. 126; B. 830t;, 1070 v.)

534. Behoudens de voorgaande bepalingen, en voor zoo verre dien ten gevolge niet anders is bevolen, kunnen de vermoedelijke erfgenamen de goederen van den afwezige, in welker bezit zij zijn getreden, bij voorraad onder elkander verdeelen, met inachtneming der voorschriften, omtrent boedelscheiding gemaakt.

De vaste goederen mogen nogtans, om tot de verdeeling te geraken, niet worden verkocht, maar zullen, in het geval dat zij niet kunnen worden verdeeld, of in eene of andere kaveling begrepen, onder sequestratie worden gesteld, en de inkomsten daarvan uitgekeerd, zoo als bij de verdeeling zal worden overeengekomen.

Van alles moet eene akte worden opgemaakt en getee-kend, waaruit tevens blijkt wat aan legatarissen of andere geregtigden is uitgekeerd. (B. 531 v., 536, 540, 1112 v., 1215. 1767 v)

636. De beschrijving en de akte, in het voorgaande artikel vermeld, mitsgaders de akte waarbij zekerheid is gesteld, moeten worden gebragt en bewaard ter griffie van de regtbank, die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft gewezen. (B. 523, 528, 1217; Bv. 619.)

636. Zij die, ten gevolge van de voorgaande bepalingen, vaste goederen in hun aandeel hebben gekregen, of met

-ocr page 306-

r

BURGERLIJK WETBOEK.

het beheer daarvan zijn belast, kunnen tot hunne zekerheid vorderen, dat die goederen worden opgenomen door deskundigen, daartoe te benoemen door de regtbank van het arrondissement waarin zij gelegen zijn, en zal van der-zelver gesteldheid beschrijving worden gemaakt. Nadat de deskundigen verslag aan de regtbank gedaan, en deze hetzelve zal hebben goedgekeurd, het openbaar ministerie daarop gehoord zijnde, moet de beschrijving met het verslag op de griffie worden bewaard. (C. 126; B. 534, 830; Rv. 324 n0. 6.)

537. De vaste goederen van den afwezige, die aan iemand der \'vermoedelijke erfgenamen zijn toebedeeld of onder deszelfs beheer zijn gesteld, mogen vervolgens niet worden vervreemd, noch Ijezwaard, voordat de tijd, hierna in art. 540 bepaald, zal zijn verloopen, ten zij om gewigtige redenen, en met verlof van de arrondissements-regtbank. (G. 128; B. 1214, 1216.)

538. Indien de afwezige, na de verklaring van vermoedelijk overlijden, terugkeert, of er bewijs inkomt dat hij nog in leven is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijne goederen hebben getrokken, verpligt dezelve terug te geven, te weten, de helft wanneer de terugkomst plaats heeft, of het bewijs van leven inkomt, binnen vijftien jaren na den dag van het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of wel een vierde, wanneer zulks later, doch vóór het verloop van dertig jaren na dat tijdstip, plaats heeft.

Alles echter met die bepaling, dat de regtbank die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft uitgesproken, uit aanmerking van de geringheid der achtergelatene goederen, de teruggave van vruchten en inkomsten anders mag regelen, of wel daarvan geheele ontheffing kan verleenen. (C. 127; B. 524, 530, 542, 548; Succ. w., a. 1.)

539. Indien de afwezige in gemeenschap van goederen, of slechts van winst en verlies, of van vruchten en inkomsten, is getrouwd, en zijn echtgenoot verkiest de bestaande gemeenschap te laten voortduren, kan dezelve de provisionele inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen, en de uitoefening der regten, die eerst door den dood van den afwezige zouden worden geboren, tegenhouden, en onder de verpligting der beschrijving in artikel 533 vermeld, het beheer der goederen, vóór alle anderen, op zichneoien of behouden.

Doch kan de opschorting dier inbezitneming en de verdere gevolgen daarvan niet langer plaats grijpen, dan gedurende tien volle jaren, te rekenen van den dag bij het vonnis uitgedrukt, waarbij het vermoedelijk overlijden is verklaard.

Indien echter de echtgenoot zich niet tegen de inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen verzet, zal hij zijn aandeel in de gemeenschap, of eigene goederen, en al hetgeen waartoe hij overigens mogt geregtigd zijn, naar zich nemen, mits zekerheid stellende voor zoodanige goederen die voor teruggave vatbaar zijn.

250

:■ ;

li

i fi

-ocr page 307-

BOEK I, TITEL XIX, ARTT. 537—544.

De vrouw, de voortduring der gemeenschap verkiezende, behoudt het regt om, bij vervolg van tijd, van die gemeenschap afstand te doen. (C. 124; B. 169, 174,179,180, 187, 191, 210, 219, 521, 524, 528, 540, 549 v.)

540. Wanneer dertig jaren zijn verloopen na den dag van het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of ook wanneer vroeger honderd volle jaren zijn verstreken sedert de geboorte van den afwezige, zijn de borgen ontslagen, en blijft de verdeeling der achtergelaten goederen, voor zoo verre dezelve bereids heeft plaats gehad, stand houden, of kan anders door de vermoedelijke erfgenamen tot eene definitieve verdeeling worden overgegaan, en kunnen alle andere regten op die nalatenschap definitievelijk worden uitgeoefend. Het voorregt van boedelbeschrijving houdt alsdan op, en kunnen de vermoedelijke erfgenamen tot aanvaarding oi\'verwerping worden verpligt, volgens de voorschriften op dat onderwerp bestaande. (G. 129; B. 31, 524, 528, 534, 542 v., 1070 v., 1075, 1112 v.)

541. Indien vóór den tijd, in het voorgaande artikel uitgedrukt, tijding inkomt van het overlijden van den afwezige, kunnen zij, die op het tijdstip van dat overlijden, uit krachte der wet, of uit beschikkingen van den afwezige, regten op zijne nalatenschap hebben verkregen, of in die regten zijn opgevolgd, rekening, verantwoording en afgifte vorderen, op den voet van artikel 532 en 538. (C. 130; B. 181 nquot;. 1, 879, 899 v., 921 v., 927 v.; Succ.w., a. 1.)

542. Indien de afwezige mogt terug komen, of van zijn leven doen blijken, nadat dertig jaren zijn verloopen, sedert den dag van zijn vermoedelijk overlijden, bij het vonnis uitgedrukt, heeft hij alleen regt om zijne goederen terug te vorderen, in den staat waarin zij zich alsdan bevinden, mitsgaders den prijs van die goederen welke vervreemd zijn, of wel de zoodanige welke uit de opbrengst zijner vervreemde goederen zijn aangekocht, alles echter zonder eenige vruchten of inkomsten. (C. 132; B. 524,538, 540 v.; Succ.w., a. 1.)

543. Eveneens zullen de kinderen en verdere afkome-lingen van den afwezige zijne goederen terug ontvangen, voor zoo verre zij mogten opkomen binnen dertig jaren na het tijdsverloop bij artikel 540 vastgesteld. (G. 133; Succ.w., a. 1.)

544. quot;Wanneer bij vonnis regtsvermoeden van overlijden is verklaard, moeten alle regtsvorderingen ten laste van den afwezige worden ingesteld tegen de vermoedelijke erfgenamen, welke zijne goederen hebben in bezit genomen; behoudens het vermogen van deze laatsten om het voorregt van boedelbeschrijving te doen gelden. (G. 134; B. 519, 524, 533, 539, 828, 1078.)

251

-ocr page 308-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIERDE AFDEELING.

Van de region, opgekomen aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is.

545. Hij, die aanspraak maakt op een regt, hetwelk van eenen afwezige op hem overgegaan zoude zijn, doch hetwelk eerst aan den afwezige is opgekomen nadat zijn bestaan onzeker is geworden, is verpligt te bewijzen dat de afwezige heeft geleefd op het tijdstip dat het regt aan dezen is opgekomen; zoolang hij zulks niet bewijst, zal hij verklaard worden in zijnen eisch niet ontvankelijk te zijn. (C. 135; B. 523, 883, 894, 946, 1902.)

546. Indien aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is, eene nalatenschap of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven ware, anderen zouden geregtigd zijn, of waarin anderen met hem zouden moeten deelen, kan zoodanige nalatenschap ol legaat, of het gedeelte daarvan, door die anderen in bezit worden genomen, even als of zoodanig iemand overleden ware, zonder dat zij verpligt zijn deszelfs overlijden te bewijzen; zij moeten echter daartoe vooraf vergunning verkrijgen van de regtbank waar het sterfhuis gevallen is, welke, des noods, openbare oproepingen kan bevelen, en, in dat geval, ten behoeve der belanghebbenden de noodige behoedmiddelen voorschrijven. (C. 136; B. 523, 528, 529, 533, 879, 899 v., 921 v., 927 v.)

547. De bepalingen van de twee voorgaande artikelen sluiten de bevoegdheid niet uit tot het opvorderen van erfenissen en alle andere regten, die aan den afwezige of aan zijne regthebbenden nader mogten blijken toe te komen. Die bevoegdheid en die regten gaan alleen te niet door het tijdsverloop, tot verjaring vereischt. (C. 137; B. 1101, 2004 v., 2024 v.)

548. Indien daarna de afwezige terugkomt, of zijn regt op zijnen naam wordt vervolgd, kan de teruggave van vruchten en inkomsten worden gevorderd, te rekenen van den dag dat. aan den afwezige het regt is opgekomen, op den voet en onder de bepalingen van artikel 538. (C. 138.)

V IJ F O E AFDEELING,

Van de gevolgen der afwezigheid, met betrekking lot het huwelijk en de kinderen.

549. Indien, buiten het geval van kwaadwillige verlating, een der echtgenooten gedurende tien volle jaren, van zijne woonplaats afwezig is, zonder dat eenige tijding van deszelfs leven of dood is ingekomen, is de achtergebleven echtgenoot bevoegd, op daartoe bekomen verlof van de arrondissements-regtbank der gemeene woonplaats, zoodanigen afwezige bij drie opeenvolgende openbare dagvaardingen op te roepen,

252

-ocr page 309-

HOEK I, TITEL XIX, ARTT. 545—554.

op de wijze in artikel 523 en 524 omschreven. (G. 139; B. 84, 141, 254 n0. 2, 264 nquot;. 2, 266.)

Zie de artikelen 1 en 2 der wet van 9 Juli 1855 (Stb. n0. 67), afgedrukt onder art. 523.

550. Indien, op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan de regtbank aan den achtergebleven echtgenoot vergnnnen een ander huwelijk aan te gaan. De bepalingen van artikel 525 zijn te dezen toepasselijk.

551. Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het aangaan van een ander huwelijk, de afwezige mogt opkomen, of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbragt, vervalt de verleende vergunning van regtswege.

Na het aangaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige regt om ook van zijne zijde een ander huwelijk aan te gaan. (C. 139; B. 254 nö. 2.)

552. Indien de vader zijne woonplaats verlaat, met achterlating van minderjarige kinderen, zonder orde op zijne zaken gesteld te hebben, zal de moeder alle regten van den man uitoefenen, zoowel met betrekking tot de opvoeding der kinderen, als tot het beheer van hunne goederen. De bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen vader kunnen zich daartegen bij den kantonregter verzetten, die alsdan, behoudens beroep aan de arrondissements-regtbank, uitspraak doet. (C. 141; B. 92c, 180, 3556, 362 v,; R. O. 54 n0. 5; Rv. 324 n®. 6)

553. Indien een der echtgenooten, minderjarige kinderen uit een vroeger huwelijk hebbende, of ook vader of moeder, weduwenaar of weduwe zijnde, hunne woonplaats verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, voorziet de kantonregter bij voorraad in de voogdij, met inachtneming der voorschriften, vervat in de vijfde afdeeling van den zestienden titel van dit boek. (C 143; B. 413 v., 431.)

554. Hetzelfde moet plaats hebben, indien vader en moeder afwezig zijn, of indien een der echtgenooten komt te overlijden, nadat de andere zijne woonplaats heeft verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, gelijk mede in het geval dat minderjarige natuurlijke kinderen onverzorgd zijn achtergebleven. (C. 142; B. 413 v., 420.)

Hetzelfde heeft mede plaats, indien van beide ouders de een van de vaderlijke magt is ontzet en de andere zijne woonplaats verlaten heeft zonder voor zijne minderjarige kinderen gezorgd te hebben.

Het tweede lid bijgevoegd bij art. 8 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n°. 93).

253

-ocr page 310-

BURGERLIJK WETBOEK.

TWEEDE BOEK.

VAN ZAKEN.

EERSTE TITEL.

Van de zaken en derzelver onderscheiding.

EERSTE AFDEELING.

Van zaken in het algemeen.

555. De wet verstaat door zaken alle goederen en regten welke het voorwerp van eigendom kunnen zijn. (B. 559, 575, 880a, 921, 1002a, 1177.)

556. Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit. (C. 547; B. 558, (543.)

557. De burgerlijke vruchten worden alleen geacht een gedeelte der zaak uit te maken, zoolang dezelve niet opeisch-baar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten. (C. 547; B. 5Ê8c, 810, 1287 v., 1374, 1433.)

558. Natuurlijke vruchten zijn:

1°. Degene welke de aarde uit haar zelve voortbrengt;

2°. Al hetgeen de beesten opleveren of uit de beesten geboren wordt.

Vruchten van nijverheid, die uit den grond getrokken worden, zijn al hetgeen door bebouwing verkregen wordt.

Burgerlijke vruchten zijn huur- en pachtpenningen, interessen van geldsommen en verschuldigde renten. (C. 583, 584: B. 809 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de onderscheiding der zaken.

559. Zaken zijn ligchamelijk of onligchamelijk. (B. 603, 611, 667, 1569 v.)

560. Zaken zijn roerend of onroerend, volgens de bepalingen der twee volgende afdeelingen. (C. 516; A. 7; B. 160e, 179c en d, 447, 451, 479, 562 v., 565 v., 576,601, 602. 606, 611, 640, 667, 671, 807, 1196, 1208, 1210 n°. 1, 1213, 2000, 2014; Rv. 439 v., 491 v., 721 v., 770 Av., enz.)

561. Roerende zaken zijn verbruikbaar of onverbruik-baar; verbruikbaar zijn de zoodanige die door gebruik verloren gaan. (B. 804, 812, 869, 1420b, 1463a, 1779,1791).

254

-ocr page 311-

BOEK II, TITEI. i, ARTT. 555—564.

DERDE AFDEELING.

Van onroerende zaken.

562. Onroerende zaken zijn;

1°. Gronderven en hetgeen daarop gebouwd is;

2°. Molens, met uitzondering van zoodanige waarvan in artikel 566 wordt gehandeld;

Squot;. Boomen en veldgewassen, die met hunne wortels in den grond vast zijn, onafgeplukte boomvruchten, mitsgaders delfstoffen, als; steenkolen, veen en dergelijke, zoolang deze voorwerpen nog niet van den grond gescheiden en uitgedolven zijn; (B. 556,1186; Rv. 507.)

4°. Schaarhout van kapbosschen en hout van hoogstam-mige boomen, zoo lang hetzelve niet gekapt is;

5°. Buizen of gooten, die tot waterleiding in een huis of op een erf dienen;

En, in het algemeen, alias wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is. (C. 518, 519, 520, 521, 523.)

563. Door bestemming worden onder onroerende zaken begrepen:

1°. Bij fabrijken, trafijken, molens, smederijen en dergelijke onroerende zaken, de persen, disteleerketels, ovens, kuipen, vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot derzelver wezen behoorende, al waren die voorwerpen niet aard- of nagelvast;

2°. Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden, wanneer het hout of muurwerk waarop dezelve zijn vastgemaakt, een gedeelte is van het beschot, den muur of het pleisterwerk van het vertrek, al waren die voorwerpen overigens niet nagelvast;

3°. Bij landelijke eigendommen, de mesthoop of mestvaalt tot bemesting der landen bestemd;

De duiven tot eene duivenvlugt behoorende; De konijnen in de konijnen-warande;

De visschen die zich in de vijvers bevinden;

4°. De bouwstoffen, welke van de af braak van een gebouw voortkomen, indien zij bestemd zijn om het gebouw weder op te trekken;

En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft.

De eigenaar wordt geacht zoodanige voorwerpen tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden te hebben, wanneer dezelve daaraan zijn vastgehecht door aard-, timmer- of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen worden losgemaakt, zonder dezelve te breken of te beschadigen, of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan zij zijn vastgeheckt, te breken of te beschadigen. (C. 524, 525, 532; B. 562, 636, 827, 1010,1210 n». 1,1518, 1603, 1636; Rv. 447 n0. 1, 491 nquot;. 1.)

564. Zijn almede onroerende zaken de navolgende regten:

255

-ocr page 312-

BURGERLIJK WETBOEK.

1°. Het vruchtgebruik en gebruik van onroerende zaken;

(B. 803 v., 865 v.)

2°. De erfdienstbaarheden; (B. 721 v.)

3°. Het regt van opstal; (B. 758 v.) 4°. Het erfpachtsregt; (B. 767 v,)

5°. Grondrenten, het zij in geld of in natura verschuldigd; (B. 784 v.)

6°. Het tiendregt; (B. 787 v.)

7°. Het regt van beklemming; (B. 1654.) 8°. De regtsvorderingen, dienende om onroerende zaken terug te eischen of te doen leveren. (B. 629,1271 v., 1510 v.; — C. 526; B. 625 v., 12Ü8 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van roerende zaken.

665. Boerende zaken uit haren aard zijn de zoodanige die zich zelve kunnen verplaatsen, of die verplaatst kunnen worden. (C, 528; B. 569.)

566. Schepen, schuiten, ponten, op vaartuigen geplaatste of andere losse molens en baden, en dergelijke voorwerpen, zijn roerende zaken. (C. 531; B. 562 n0. 2; K. 309.)

567. Als roerende zaken door wetsbepaling worden beschouwd :

1quot;. Het vruchtgebruik en gebruik van roerende zaken; (B. 803 v., 865 v.)

2°. Gevestigde renten, het zij altijddurende of lijfrenten; (B. 1807 v., 1812 v.)

3°. Verbindtenissen en vorderingen, die opeischbare geldsommen of roerende goederen tot onderwerp hebben; (B. 1271 v, 1807.)

4°. Actiën of aandeelen in maatschappijen van geldhandel, koophandel of nijverheid; zelfs wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan die maatschappijen toebehooren. Deze actiën of aandeelen worden geacht roerende zaken te zijn, doch ten opzigte van ieder der deelgenooten alleenlijk zoo lang de gemeenschap duurt; (K. 40.)

5°. Aandeelen in \'s rijks schuld, het zij dezelve bestaan in inschrijvingen op het grootboek, het zy in certificaten, schuldbekentenissen, obligatien of andere etïecten, met de daartoe behoorende coupons of rentebewijzen ;

6°. Actiën in of coupons van obligatien van alle andere geldleeningen, daaronder begrepen die welke door vreemde mogendheden zijn aangegaan. (G. 529; B. 564, 569 v.)

Art. 9 der Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0.124), tot regeling van het auteursrecht (zie chron. lijst) : Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.

250

-ocr page 313-

BOEK II, TITEL I, ARTT. 565—574.

Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over bij erfopvolging.

Het is niet vatbaar voor beslag.

568. Indien bij de wet, of in eenige burgerlijke handeling, de uitdrukking wordt gebezigd van roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffering, of een huis met al hetgeen zich daarin bevindt, zonder eenige bijvoeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de voorzeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten welke bij de volgende artikelen zijn aangeduid.

569. De uitdrukking «roerende goederen» bevat, zonder uitzondering, alles wat, volgens de hierboven vastgestelde regelen, voor roerend wordt gehouden. (G. 535a; B. 565v.; K. 309.)

570. De uitdrukking «inboedel» bevat alles wat in voege voorschreven voor roerend wordt gehouden, met uitzondering van het gereed geld, van actiën, schuldvorderingen en andere regten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grondstoffen, van werktuigen tot fa-brijken, trafijken, of den landbouw behoorende, mitsgaders van bouwstoffen tot het opbouwen bestemd, of van afbraak afkomstig. (G. 533.)

571. De uitdrukking «meubelen» of «huisraad» bevat al hetgeen, wat volgens het voorzeide artikel, tot den inboedel behoort, met uitzondering van paarden en levende have, van rijtuigen met hun toebehooren, van edelgesteenten, boeken en handschriften, teekeningen, prenten, schilderijen, beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, en andere kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens, granen, wijnen en andere levensmiddelen. (G. 533; B. 567.)

572. De uitdrukking «een huis met al hetgeen zich daarin bevindt» bevat alles wat, volgens artikel 569, voor roerende goederen wordt gehouden, en in het huis gevonden, met uitzondering van het gereed geld en van de inschulden en andere regten, waarvan de bescheiden zich in het huis mogten bevinden. (G. 536; B. 567.)

573. De uitdrukking «stoffering» bevat alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als: behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porseleinen en andere voorwerpen van dien aard.

Schilderijen en beelden, welke een gedeelte van de meubelen eens vertreks uitmaken, zijn daaronder insgelijks begrepen, doch geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en beelden, die op galerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.

Hetzelfde geldt omtrent porseleinen; alle de zoodanige die een gedeelte uitmaken van de sieraden eens vertreks, 2ijn onder de uitdrukking van «stoffering» begrepen. (G. 534; li. 571.)

574. De uitdrukking «een gemeubileerd huis» of «een huis met zijne meubelen», bevat alleen de «stoffering». (G. 5356;; B. 573.)

257

17

-ocr page 314-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIJFDE AFDEELING.

Van zaken, met betrekking tot derzelver bezitters.

675. Er zijn zaken die aan niemand toebehooren; de overige zijn het eigendom of van den staat, of van gemeenschappen. of van bijzondere personen. (C. 713, 714; B. 576, 577, 579 v., 582, 583, 640.)

576. Gronderven en andere onroerende zaken die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van dengenen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten, behooren aan den staat. (C. 539; B. 640, 879b, 920b, 1172, 1175.)

577. Insgelijks behooren aan den staat de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn, de stranden der zee, de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de groote en kleine eilanden en de platen welke in die wateren opkomen, gelijk ook de havens en reeden: onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (C. 538, 560; B. 578, 593a, 610, 646. 65-2Ö. 1990; Jagtw., a. 2c, zie chron. lijst; Stb. 1891 nquot;. 69, zie chron. lijst.)

678- Door oevers worden, in het vorig artikel verstaan de boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke b:j gewone tijden, als het water op het hoogste is, door dat water overdekt worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd is.

579. Als eigendom van den staat worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten welke tot \'s lands vestingwet ken behooren, en gevolglijk alle gronden waarop eenige werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitspringende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, linien. posten, versi hansingen. redouten, dijken, sluizen, kanalen en hunne boorden; insgelijks onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (C. 540, 541; B. 577, 580 v.; Jagtw., a. 2c, zie chron. lijst)

680 In alle vestingen van den staat, wordt als militaire landsgrond aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:

1°. In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien, tusschen den voet van de glooijing van den hoofdwal en den leen vmi den bedekten weg, en zoo deze van eene voorgraeht is voorzien, tot en met den buitenboord van deze gracht. De walgang der bolwerken is bier-onder begrepen, volgens eene getrok-kene lijn door de keelen van de eene gordijn tot de andere;

2°. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis van den binnenteen des hoofdwals tot en met den overboord der grachten van de enveloppen of buitenwerken;

3°. In vestingen zonder eenige buitenwerken, van den binnenvoet des walgangs tot aan en met den overboord der daarom gelegene grachten;

258

-ocr page 315-

BOEK It, TITEL I EN II, ARTT. 575 - 588.

4°. Eindelijk, indien er zich achter den binnenvoet der walgangen, scheidslooten, bermen enz. mogten bevinden, zullen ook deze strooken gronds, met hunne boomgewassen en andere opstallen, gerekend worden tot de militaire landsgronden te behooren.

581. Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruitspringende posten, verschansingen, l.nien en batterijen, zijn geheel militaire landsgronden, met alle de zoo achterwaarts als voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij derzelver aanleg door het gouvernement aangekocht.

Op alle de bewoonde forten zijn de bepalingen toepasselijk, in het voorgaande artikel vermeld. (B. 579 v.; Stb. 1853 nquot;. 128; Stb. 1874 n®. 64.)

582. Zaken aan eene gemeenschap toebehoorende zijn de zoodanige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedelijk ligchaam. (C. 542; B, 575, 1690 v.)

583. Zaken aan bijzondere personen toebehoorende zijn de zoodanige die het afzonderlijk eigendom zijn van een of meer enkele personen. CC. 537; B. 575, 625 v.)

584. Men kan op zaken hebben, het zij een regt van bezit, het zij een regt van eigendom, het zij een regt van erfgenaamschap, het zij een vruchtgenot, het zij een regt van erfdienstbaarheid, het zij een regt van pand of hypotheek. (C. 543; B. 585 v.. 625 v., 877 v., 921 v., 803 v., 865 v., 758 v., 767 v, 784 v., 721 v., 1654, 1196 v., 1208 v.)

TWEEDE TITEL.

Van bezit en de regten die daaruit voortvloeijen.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard van het bezit, en de voorwerpen die daarvoor vatbaar zijn.

585. Door bezit wordt verstaan het houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijne magt heeft, alsof zij hem toebehoorde. (C. 2228; B. 555, 559, 594, 596, 603, 1992.)

586. Bezit is of te goeder trouw, of te kwader trouw. (B. 587, 588, 604, 605.)

587. Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht eener wijze van eigendomsver-krijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn. (C. 550; B. 589, 630 v.. 636, 639, 2000 v., 2003.)

588. Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.

De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het oogenblik dat eene regtsvoidering tegen hem te dier zake is ingesteld, indien het geding ten zijnen nadeele beslist wordt. (C. 550; B. 587; 630, 634, 636, 639.)

\'259

-ocr page 316-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIJFDE AFDEELING.

Van zaken, met betrekking tot derzélver bezitters.

575. Er zijn zaken die aan niemand toebehooren; de overige zijn het eigendom of van den staat, of van gemeenschappen. of van bijzondere personen. (C. 713, 714; B. 576, 577, 579 v., 582, 583, 640.)

676. Gronderven en andere onroerende zaken die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van dengenen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten, behooren aan den staat. (C. 539; B. 640, 879b, 920b, 1172, 1175.)

577. Insgelijks behooren aan den staat de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn, de stranden der zee, de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de groote en kleine eilanden en de platen welke in die wateren opkomen, gelijk ook de havens en reeden; onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (C. 538, 560; B. 578, 593a, 610, 646. 65-2b. 1990; Jagtw., a. 2c, zie chron. lijst; Stb. 1891 n®. 69, zie chron. lijst.)

578. Door oevers worden, in het vorig artikel verstaan de boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke bij gewone tijden, als het water op het hoogste is, door dar water overdekt worden, en niet hetgeen door watervloeder overstroomd is.

579. Als eigendom van den staat worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten welke tot \'s lands vestingwei kfn behooren, en gevolgelijk alle gronden waarop eenige werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als; wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitspringende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, linien, posten, verschansingen, redouten, dijken, sluizen, kanalen en hunne boorden; insgelijks onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (C. 540, 541; B. 577, 580 v.; Ja^tw., a. 2c, zie chron. lijst)

580 In alle vestingen van den staat, wordt als militaire landsgrond aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:

1°. In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien, tusschen den voet van de glooijing van den hoofdwal en den teen van den bedekten weg, en zoo deze van eene voorgracht is voorzien, tot en met den buitenboord van deze gracht. De walgang der bolwerken is hier-onder begrepen, volgens eene getrok-kene lijn door de keelen van de eene gordijn tot de andere;

2°. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis van den binnenteen des hoofdwals tot en met den overboord der grachten van de enveloppen of buitenwerken;

3°. In vestingen zonder eenige buitenwerken, van den binnenvoet des walgangs tot aan en met den overboord der daarom gelegene grachten;

258

-ocr page 317-

BOEK ir, TITEL I EN II, ARTT. 575 - 588.

4°. Eindelijk, indien er zich achter den binnenvoet der walgangen, scheidslooten, bermen enz. mogten bevinden, zullen ook deze strooken gronds, met hunne boomgewassen en andere opstallen, gerekend worden tot de militaire landsgronden te behooren.

581. Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruitspringende posten, verschansingen, linien en batterijen, zijn geheel militaire landsgronden, met 8.11e de zoo achterwaarts als voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij derzelver aanleg door het gouvernement aangekocht.

Op alle de bewoonde forten zijn de bepalingen toepasselijk, in het voorgaande artikel vermeld. (B. 579 v.; Stb. 1853 n». 128; Stb. 1874 n0. 64.)

582. Zaken aan eene gemeenschap toebehoorende zijn de zoodanige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedelijk ligchaam. (C. 542; B. 575, 1690 v.)

583. Zaken aan bijzondere personen toebehoorende zijn de zoodanige die het afzonderlijk eigendom zijn van een of meer enkele personen. (\'C. 537; B, 575, 625 v.)

584. Men kan op zaken hebben, het zij een regt van bezit, het zij een regt van eigendom, het zij een regt van erfgenaamschap, het zij een vruchtgenot, het zij een regt van erfdienstbaarheid, het zij een regt van pand of hypotheek. (C. 543; B. 585 v.. 625 v., 877 v., 921 v., 803 v., 865 v., 758 v., 767 v, 784 v., 721 v., 1654, 1196 v., 1208 v.)

TWEEDE TITEL.

Van bezit en de regten die daaruit voortuloeijen.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard van het bezit, en de vooriverpeti die daarvoor vatbaar zijn.

585. Door bezit wordt verstaan het houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijne magt heeft, alsof zij hem toebehoorde. (C. 2228; B. 555, 559, 594, 596, 603, 1992.)

586. Bezit is of te goeder trouw, of te kwader trouw. (B. 587, 588, 604, 605.)

587. Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht eener wijze van eigendomsver-krijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn. (C. 550; B. 589, 630 v., 636, 639, 2000 v., 2003.)

588. Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.

De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het oogenblik dat eene regtsvordering tegen hem te dier zake is ingesteld, indien het geding ten zijnen nadeele beslist wordt. (C. 550; B. 587; 630, 634, 636, 639.)

259

-ocr page 318-

BURGERLIJK WETBOEK.

589. De goede trouw van den bezitter wordt steeds voorondersteld ; hij, die kwade trouw beweert, moet dezelve bewijzen. (C. 2268; B. 587, 1902, 1953, 1958a, 2002.)

590. Men wordt steeds geacht voor zich zeiven te bezitten, zoo lang het niet bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten. (C. 2230; B. 1953,1958a, 1994.)

591. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd voorondersteld het bezit onder denzelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is. (C. 2281; B. 592, 596, 1953, 1958a, 1994,1996.)

592. Men kan noch uit eigen wille, noch door enkel tijdsverloop, voor zich zeiven de oorzaak en het beginsel van zijn bezit veranderen. (C. 2240; B. 1996, 1997.)

598. Zaken welke niet in den handel zijn, kunnen geen voorwerp van bezit opleveren.

Hetzelfde geldt zoo wel ten opzigte van niet voortdurende als van niet zigtbare erfdienstbaarheden, behoudens de bepalingen van artikel 609. (C. 691; B. 577 v., 724, 725, 746, 1368, 1990.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de loijze waarop het bezit ivordt verkregen, wordt behouden, en verloren gaat.

594. Bezit wordt verkregen door de daad van eene zaak onder zijne rnagt te brengen, met het oogmerk om dezelve voor zich te behouden. (B. 585, 596.)

595. Zinneloozen kunnen door zich zelve geen bezit verkrijgen.

Minderjarigen en gehuwde vrouwen kunnen, door de daad het bezit eener zaak verkrijgen. (B. 163, 441, 500 v.)

596. Men kan het bezit eener zaak verkrijgen, of door zich zeiven, of door een ander, die in onzen naam heeft aangevangen te bezitten.

In het laatste geval, verkrijgt men het bezit, zelfs alvorens men van het in bezit nemen der zaak kennis heeft bekomen. (C. 2228; B. 354, 441, 506, 591, 594, 595a, 1390 v., 1\'392, 1829 v.)

597. Het bezit van alles wat een overledene heef: bezeten gaat, van het oogenblik van zijn overlijden, over tot zijne erfgenamen, met alle hoedanigheden en gebreken van hetzelve. (G. 724, 1004, 1006; B. 880, 1002, 1995.)

598. Men behoudt het bezit, zoo lang hetzelve niet aan een ander is overgegaan, of kennelijk is verlaten geworden. (B. 599 v.)

599. Men verliest het bezit vrijwillig, zoodra men hetzelve aan een ander overdraagt. (B. 585, 594, 600.)

600. Men verliest het bezit, zelfs zonder den wil om de zaak aan een ander over te dragen, wanneer men die kennelijk verlaat. (B. 585, 594, 598.)

260

-ocr page 319-

BOEK II, TITEI, II, ARTT. 589—600.

601. Men verliest, tegen zijnen wil, het bezit van een stuk lands, erf of gebouw;

1#. Wanneer een ander zich daarvan, tegen wil endank van den bezitter, in het bezit stelt, on gerustelijk het genot, gedurende den tijd van één jaar behoudt.

2°. Wanneer een erf door een buitengewoon toeval verdronken is.

Het bezit gaat door eene tijdelijke overstrooming niet verloren.

Men verliest het bezit van eene algemeenheid van roerende zaken, op de wijze bij het eerste lid van dit artikel omschreven. (B. 594, 606, 618, 619, 648.)

602. Het bezit eener roerende zaak wordt tegen den wil van den bezitter verloren:

1°. Wanneer de zaak is weggenomen of gestolen;

2°. Wanneer dezelve is verloren, en men niet weet op welke plaats zij zich bevindt. (B. 611, 2014.)

603. Men verliest het bezit van onligchamelijke zaken, wanneer, gedurende een jaar, een ander daarvan het rustig genot heeft gehad. (B. 559, 601, 611, 742 v.)

DERDE AFDEELING.

Van de regten die uit het bezit voorlvloeijen.

604. Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzigte der zaak, aan den bezitter het regt: (B. 587.)

1°. Dat hij bij voorraad, en tot het tijdstip der gereg-telijke teruervordering, als eigenaar wordt aangemerkt; (B. 605 n». 1, 1902.)

2°. Dat hij den eigendom der zaak, door middel van verjaring, verkrijgt; (B. 1992, 2000.)

3°. Dat hij tot op de geregtelijke terugvordering de vruchten geniet, welke de zaak oplevert; (B. 605 n®. 2, 680 v.)

4°. Dat hij in het bezit der zaak moet worden gehand-1 haafd, wanneer hij daarin gestoord wordt; of in het bezit moet worden hersteld, wanneer hij hetzelve verloren heeft. (B. 605 n0. 3.\'606, 613,618,619, 623.)

605. Het bezit te kwader trouw geeft aan den bezitter, ten opzigte der zaak, het regt: (B. 588.)

1°. Om bij voorraad, en tot op het tijdstip der geregtelijke terugvordering, als eigenaar te worden aangemerkt; (B. 604 n0. 1, 1902.)

2°. Om de vruchten der zaak te genieten, doch onder gehoudenis om die aan den regthebbende terug te geven; (B. 604 n». 3, 634.)

3°. Om in het bezit te worden gehandhaafd of hersteld zoo als in het vierde lid van het vorige artikel gezegd is. (B. 604 n0. 4, 606, 613, 618, 619, 623.)

606. De regtsvordering tot handhaving in het bezit heeft

261

-ocr page 320-

BURGERLIJK WETBOEK.

plaats, indien iemand is gestoord in het bezit van een stuk lands of erf, van een huis of gebouw, van een zakelijk regt of van eene algemeenheid van roerende zaken. (B. 585, 601, 604 n». 4, 605 n». 3, 611, 613, 617; B. O. 54 n». 4; Bv. 130 v., 201, 250 n». 3, 53 n». 9, 398c.)

607. Deze regtsvordering wordt ook toegelaten, al ware het bezit bekomen van iemand die onbekwaam was om te kunnen vervreemden. (B. 163, 595, 1366.)

608. Zij heeft geen plaats tegen dengene die het regt tot eene erfdienstbaarheid betwist, ten zij het geschil eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid mogt gelden. (B. 593)

609. Indien er geschil ontstaat over de geldigheid van den regtstitel tot eene niet voortdurende, of tot eene niet zigtbare erfdienstbaarheid, kan de regter bevelen dat de partij, die bij het ontstaan van het geschil het genot daarvan heeft, dat genot gedurende het geding behoude. (B. 593, 617, 629.)

610. Er kan geene regtsvordering tot handhaving in het bezit plaats hebben opzigtelijk voorwerpen welke de bezitter niet wettiglijk kan bezitten. (B. 593.)

611. Boerende ligchamelijke zaken kunnen geen onderwerp uitmaken van eene regtsvordering tot handhaving in derzelver bezit, behoudens de slotbepaling van artikel 606. (B. 602, 2014.)

612. Huurders, pachters en anderen die houders van eene zaak voor een ander zijn, kunnen geene regtsvordering tot handhaving in het bezit aanvangen. (Pr. 23; B. 591, 596, 1593 v., 1996.)

613. De regtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd kan worden aangevangen, tegen elk en een iegelijk die den bezitter in zijn bezit stoort, zelfs tegen den eigenaar, behoudens de regtsvordering van dezen ten petitoire.

Indien niettemin dat bezit ter bede, heimelijk of door geweld verkregen is, kan de bezitter de regtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd niet aanvangen tegen dengenen van wien het bezit in dier voege is verkregen, of aan wien hetzelve is ontnomen. (B. 606, 612, 1993; Bv. 132.)

614. De regtsvordering tot handhaving in het bezit moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden. (Pr. 23; B. 601.)

615. Deze regtsvordering strekt om de stoornis te doen ophouden en den bezitter in zijn bezit te handhaven, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 606,1401.)

616. Het bezit wordt gerekend steeds bij hem gev/eest te zijn die, het regt van bezit niet verloren hebbende, daarin door den regter is gehandhaafd geworden, behoudens hetgeen nader omtrent de vruchten is bepaald. (B. 622, 1992.)

617. Indien ter gelegenheid eener regtsvordering tot handhaving in een bezit, hetgeen van wederzijde gevorderd

262

-ocr page 321-

BOEK 11, TITEL II, ARTT. 607—624.

wordt, de regter vermeent dat hetzelve niet behoorlijk bewezen is, zal hij, zonder over het bezitregt uitspraak te doen, kunnen bevelen, of dat het voorwerp onder geregte-lijke bewaring worde gesteld, of dat de partijen ten petitoire zullen procederen, of hij zal aan eene der partijen het bezit bij voorraad toestaan.

Dat bezit geeft alleen het regt ora hel genot der betwiste zaak te hebben gedurende het geding over den eigendom, en onder gehoudenis om van de genotene vruchten rekening te doen. (B. 6Ö4 n0. 1 en 3, 605 n4. 1 en 2, 629 v., 177ü n0. 2; Rv. 51.)

618. Indien de bezitter van een erf of van een gebouw daarvan het bezit zonder geweld verloren heeft, kan hij tegen den houder eene rest^vordering aanvangen, strekkende om in het bezit hersteld en gehandhaafd te worden. (B. 601, 603, 604 n°. 4. 605 n». 3, 622; R. O. 54n0.4; Rv. 130v., 201, 250 n». 3, 53 n». 9, 398c.)

619. In geval van gewelddadige ontzetting heeft de regts-vordering tot herstelling in het bezit plaats, zoowel tegen degenen, die de gewelddadigheid hebben gepleegd, als die dezelve hebben bevolen.

Zij zijn allen hoofdelijk voor het geheel verantwoordelijk.

Om in die regtsvordering ontvankelijk te zijn, behoeft de aanlegger slechts de daad der gewelddadige ontzetting te bewijzen. (B. 604 n0. 4, 605 n0. 3, 620, 622, 624, 1314 v., 1401 v.; R. O. 54 n®. 4; Rv. 130 v., 201, 250 n®. 3, 53 nquot; 9, 585 nquot;. 2, 398c.)

620. Diezelfde regtsvordering kan worden aangevangen tegen alle degenen die zich te kwader trouw van het bezit hebben ontdaan. (B. 599, 881a.)

621. De regtsvordering tot herstelling en handhaving, waarvan in artikel 618 gesproken wordt, moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag waarop het bezit is gestoord geworden; en in geval van gewelddadige ontzetting, moet de regtsvordering tot herstelling in het bezit worden aangevangen binnen denzelfden termijn, te rekenen van den dag waarop het geweld heeft opgehouden.

Men is in die regtsvordering niet meer ontvankelijk, zoodra men een geding ten petitoire heeft aangevangen. (Pr. 23; B. 601, 603, 624; Rv. 131.)

622 De regtsvordering tot teruggave en herstelling in het bezit strekt altijd om den vorigen bezitter in zijn bezit te handhaven of te herstellen, en hem te doen beschouwen even als of hij het bezit nimmer verloren had. (B. 616,618, 619, 1992.)

623. Bij deze regtsvorderingen zullen ten aanzien der bezitters, zoo te goeder als te kwader trouw, omtrent hunne regten aangaande het genot der vruchten en de gemaakte kosten gedurende het bezit, de regelen gelden, welke hierna in den derden titel op dat stuk voor de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B. 630—636, 1400.)

624. Ook na verloop van het jaar, hetwelk de wet toekent om de regtsvordering tot herstelling in het bezit aan

263

-ocr page 322-

miRGERLIJK WETBOEK.

te vangen, heeft degene, die op eene gewelddadige wijze van zijn bezit is beroofd, het regt om, bij wege eener gewone regtsvordering, dengenen die het geweld heeft gepleegd, te doen veroordeelen tot de teruggave van alles wat hem ontnomen is, en tot de vergoeding der kosten, schaden en interessen, door die feitelijkheden veroorzaakt. (B. 619,621, 1401; R. O. 38, 53 v.; Rv. 129a; Sv. 253 n®. 4, 202 v.)

DERDE TITEL.

Van eigendom.

EERSTE AFDEEHNG.

Algemeene bepalingen.

625. Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrekste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke schadeloosstelling, ingevolge de Grondwet. (C. 537, 544, 545; B. 584, 639, 649, 672 v.; G. 75, 121, 134, 144, 151 v., 191; Onteigen, w., zie chron. lijst; Stb. 1870 n0. 131, a. 23 v.v Stb. 1875 n®. 94; Stb. 1892 n». 240 j«. Stb. 1895 n». 99, zie chron. lijst; Stb. 1895 n0. 71, a. 4.)

626. De eigendom van den grond bevat in zich den eigendom van hetgeen op en in den grond is.

De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke hij goedvindt; behoudens de uitzonderingen in den vierden en vijfden titel van dit boek gemaakt.

Onder den grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven, en uit dat graven alle vruchten trekken, welke hetzelve kan opleveren; behoudens de wijzigingen uit de wetten en verordeningen van politie op het stuk der mijnen, uit-veening en andere dergelijke voorwerpen voortvloeijende. (C. 546, 552; B. 642, 643, 646, 650, 655, 672 v , 721 v., 1211, 1517 v.; Loi du 21 Avril 1810 (Fortuyn III, blz. 110), j0. Stb. 1818 n0. 35; Stb. 1895 n®. 113, zie chron. lijst.)

627. Ieder eigendom wordt vermoed vrij te zijn.

Hij die beweert eenig regt op eens anders zaak te hebben, moet dat regt bewijzen. (B. 1953, 1902.)

628. De verdeeling van eene zaak, welke aan meer dan een persoon toebehoort, geschiedt overeenkomstig de regelen,

-ocr page 323-

BOEK If, TITE1, UI, ARTT. 625—634.

ten opzigte van de scheiding en verdeeling der nalatenschappen voorgeschreven. (B. 1112 v., 1689.)

Art. 1 der Wet van 10 Mei 1886 (Stb. n0. 104), houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling van markgronden (zie chron. lijst): Onder mark-gronden verstaat deze wet gronden, die van oudsher in onverdeelden eigendom bezeten worden onder de namen van marken, maalschappen. holtingen, meen-scharen, meenten, buurten, buurtschappen of andere soortgelijke namen.

3. Ieder markgenoot is geregtigd de verdeeling van de markgronden te vorderen.

629. De eigenaar heeft het regt om de aan hem toe-behoorende zaak van iederen houder terug te vorderen, in den staat waarin zij zich bevindt. (B. 637, 657, 828, 2014; Rv. 721 v.)

630. De bezitter te goeder trouw, heeft het regt om alle de vruchten, welke hij van de teruggevorderde zaak tot op den dag der regtsvordering genoten heeft, voor zich te behouden. Hij is verpligt tot teruggave van alle de vruchten sedert den aanvang dier regtsvordering genoten, onder aftrek van de kosten, tot de verkrijging dier vruchten, voor het bebouwen, bezaaijen en bearbeiden van den grond, besteed.

Hij heeft wijders regt tot terugvordering der noodzakelijke uitgaven, tot het behoud en ten nutte der zaak aangewend, gelijk ook om de opgeëischte zaak onder zich te houden, zoo lang de kosten en uitgaven, in dit artikel opgenoemd, niet aan hem zijn vergoed. (C. 548, 549; B. 587, 588b, 604 n0. 3, 6176, 623, 631 v., 1185 n°. 4, 1400.)

631. Met hetzelfde regt, en op dezelfde wijze, kan de bezitter te goeder trouw, bij de teruggave van de opge-eischte zaak, terug vorderen de door hem in voege als voren bestede kosten tot het verkrijgen dier vruchten welke, op het oogenblik der teruggave, nog niet van den grond zijn gescheiden. (G. 548; B. 556, 630, 632.)

632. Hij heeft daarentegen geene aanspraak op de teruggave van zoodanige kosten, als door hem gemaakt zijn ter verkrijging van de vruchten die hii ten ffevolge van zijn bezit behoudt. (B. 630, 631.)

633. Hij heeft evenmin regt om, bij de teruggave der zaak, de kosten en uitgaven in rekening te brengen, door hem gemaakt tot onderhoud der zaak, als welke onder de uitgaven tot behoud en ten nutte der zaak, hier-boven in artikel 630 vermeld, niet worden verstaan.

Wanneer er geschil ontstaat over hetgeen als kosten tot onderhoud moet worden beschouwd, zullen de voorschriften omtrent het vruchtgebruik te dien aanzien gevolgd worden. (B. 840 v.)

634. De bezitter te kwader trouw is verpligt:

1°. Om alle de vruchten der opgeëischte zaak met dezelve terug te geven, zelfs de zoodanige die niet genoten zijn, indien de eigenaar die had kunnen genieten; hij kan echter, zoo als dit in artikel 630 is bepaald, de kosten aftrekken of terug vorderen.

265

-ocr page 324-

BURGERLIJK WETBOEK.

welke door hem gedurende zijn bezit tot behoud der zaak zijn gemaakt, en ook de zoodanige die, tot de verkrijging der vruchten, voor het bebouwen, bezaaijen en bearbeiden van den grond, zijn besteed;

2°. Om alle kosten, schaden en interessen te vergoeden;

3°. Om, in geval hij het goed niet mogt kunnen terug geven, daarvan de waarde te voldoen, zelfs wanneer dat goed buiten zijne schuld, of bij toeval is verloren gegaan, ten zij hij mogt kunnen bewijzen dat de zaak evenzeer zoude vergaan zijn, indien de eigenaar die had bezeten. (C. 549; B. 588, 605 n». \'2, 617b, 623, 630 v,, 1185 n*. 4, 1280 v., 1398, 1400.)

635. Hij, die zich op eene gewelddadige wijze heeft in het bezit gesteld, kan de door hem gedane uitgaven niet terug vorderen, al waren dezelve ook tot behoud van het goed noodzakelijk geweest. (B. 619, 624.)

636 De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft, doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwerpen van nut en verfraaijing tot zich te nemen, indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen. (B. 630, 634 n0. 1, 826, 827.)

637. Hij, die de teruggave van eene ontvreemde of verlorene zaak vordert, is niet verpligt aan den houder den door dezen besteden koopprijs terug te geven, ten ware de houder de zaak op eene jaar- of eene andere markt, op eene openbare veiling, of van eenen koopman gekocht heeft, die bekend staat in dergelijke voorwerpen gewoonlijk handel te drijven. (C. 2279, 2280; B. 602 n®. 1, 2014; Bijv; t. h. Stb. XIII, 1, bl. 70 v.)

Gewijzigd bij art. 9 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

638. In zee geworpene en door de zee opgeworpene goederen kunnen door den eigenaar worden terug gevorderd, met inachtneming der wettelijke voorschriften op dat stuk bestaande. (C. 717; K. 545; Stb. 1852 n0. 141, zie chron. lijst; Stb. 1854n0. 18, zie chron. lijst; Stb. 1885 n0. 151.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de wijze waarop eigendom verkregen wordt.

266

639. Eigendom van zaken kan op geene andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erfopvol-

a) Oorspronkelijk werd, in plaats van het woord: „ontvreemde,quot; gelezen het woord: „gestolene.quot;

-ocr page 325-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 635—648.

ging, en door opdragt of levering tengevolge van eenen regtstitel van eigendoms-overgang, afkomstig van dengenen die geregtigd was over den eigendom te beschikken. (C. 711, 712; B. 175, 630 v., 640 v., 643 v , 665, 666,667 v., 877 v., 921 v., 2000 v.; Rv. 505rf; Sr. 33; Onteigen.w. a. 59, zie chron. lijst.)

640. Roerende zaken, welke aan niemand toebehooren, worden het eigendom van dengenen die zich dezelve het eerst toeeigent. (B. 565 v., 575 v.)

Géi. Het regt om zich het wild of de visschen toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond waarop zich het wild, of van het water waarin zich de visschen bevinden; behoudens de regten door derden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben, en onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk aanwezig. (C. 715; B. 563 n». 3, 577, 768, 821b; Stb. 1814 nquot;. 46; Stb. 1815 n0. 11; Jagtw., zie chron. lijst.)

642. De eigendom van eenen schat behoort aan dengenen, die denzelven op zijn eigen grond gevonden heeft. Indien de schat op den grond van een ander gevonden wordt, behoort de eene helft aan den vinder, en de wederhelft aan den grondeigenaar.

Men verstaat door eenen schat alzoodanige verborgene of begravene zaak, waarop niemand zijn regt van eigendom kan bewijzen, en die door een louter toeval ontdekt is. (C. 716; B. 824.)

643. Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld. (C. 551; B. 556 v., 626, 1518.)

644. Groote en kleine eilanden, en door aanslijking droog gewordene platen, die zich in onbevaarbare en ontvlotbare rivieren nederzetten, behooren aan de eigenaars der oevers aan de zijde waar zij zich gevormd hebben. Indien het eiland zich niet aan éénen kant heeft opgeworpen, behoort hetzelve aan de eigenaars der beide oevers, te rekenen van de lijn die men vooronderstelt in het midden van de rivier getrokken te zijn. (C. 561 ; B. 577, 646.)

645. Indien een stroom of eene rivier, door eenen nieuwen arm te maken, het aan den oever liggend land van eenen eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, behoudt de eigenaar den eigendom van zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich in eenen stroom of in eene bevaarbare en vlot-bare rivier gevormd had. (C. 562; B. 577.)

646. De eigendom van stroomen en rivieren brengt mede den eigendom van den grond, waarover het water loopt. (B. 577, 626a, 644, 647.)

647. Indien een stroom of eene rivier eenen nieuwen loop aanneemt en zijne oude beddingen verlaat, nemen de eigenaars van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van de verlatene beddingen om zich schadeloos te stellen, een iegelijk naar evenredigheid van den grond dien hij verloren heeft. (C. 563; B. 646.)

648. De tijdelijke overstrooming van eenen stroom of

267

-ocr page 326-

nURGERUJK WETBOEK.

eene rivier doet den eigendom noch verkrijgen noch verloren gaan. (B. 601, 649, 653amp; en c.quot;)

649. Verdronken landen blijven aan den eigenaar toe-behooren.

Niettemin, indien derzelver bepoldering of droogmaking, door den Koning, voor het algemeen belang, of tot beveiliging van nabij gelegen eigendommen, noodzakelijk wordt geacht, en door deskundigen bewezen wordt dat die verdronken landen voor bepoldering of droogmaking vatbaar zijn, zullen derzelver eigenaars aangemaand worden om dezelve te bewerkstellingen of daaraan deel te nemen, en, bij weigering of ontstentenis daarvan, van hunnen eigendom ten behoeve van den staat kunnen worden onteigend, tegen gelijktijdige voldoening van de waarde, waarop die gronden, als- verdronken land, zullen worden geschat. (B. 601amp;, 801b, 858b en c; Onteigen.w., a, 48, 55 v., zie chron. lijst.)

650. De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar van den grond, waarop het zeeduin rust.

Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door den wind met zand zoodanig wordt overstoven, dat het land met het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf jaren na de overstuiving, door eene af-heining of grenspalen zij afgescheiden. (B. 626.)

651. De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, langzamerhand en ongemerkt, aan de landen, bij een loopend water gelegen, aangroeijen, worden aanspoelingen genaamd.

De aanspoeling komt ten voordeele van de eigenaars van den oever, zonder onderscheid of in den titel van eigendom al of niet melding worde gemaakt van de hoegrootheid der landen; behoudens de wetten en verordeningen opzigtelijk voet- en jaagpaden. (C. 556; B. 652—654, 821«, 1211.)

652. De bij het tweede lid van het vorige artikel gemaakte bepaling is ook toepasselijk op aanspoelingen, welke aan de oevers van bevaarbare meeren plaats hebben.

Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen, gorsingen en schorren, door de zee aan de stranden en aan de oevers der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aangespoeld, het zij de oever aan den slaat, of wel aan bijzondere personen of gemeenschappen, toebehoort. (C. 557, 558; B. 575, 577.)

653. Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers.

De eigenaars derzelve behouden steeds den grond die door het water bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekomen is dat de vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveelheid van het water naderhand weder afneme.

Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vijver geen regt op de landen aan den oever gelegen, die door zijn water, bij buitengewone hoogte van hetzelve, overdekt worden. (C. 558; B. 648, 649, 651.)

654- Het wordt als geene aanspoeling aangemerkt, indien een stuk lands door het geweld van den stroom in eens

268

-ocr page 327-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 6i9 —662.

van het eene land afgescheurd en aan het andere aangeworpen wordt, mits de eigenaar zijn regt binnen driejaren na die gebeurtenis doe gelden. Na dit tijdsverloop, wordt ook dat afgescheurde en niet gevorderde stuk gronds de eigendom van dengenen, aan wiens land hetzelve aangeworpen is. (C. 559; B, 651.)

655. Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort aan den eigenaar des gronds. (CL 553; B. 626, 656, 657, 658, 659, 660, 758.)

656. Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grondeigenaars, mits het gebouwde met den grond ver-eenigd zij; behoudens de wijzigingen in art. 658 en 659 voorkomende. (C. 553; B. 626, 655, 657, 758.)

657. De eigenaar van den grond, die met bouwstoffen, welke aan hem niet toebehooren, gebouwd heeft, moet daarvan de waarde voldoen; hij kan tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld, indien daartoe gronden zijn, doch heeft de eigenaar der bouwstoffen geen regt dezelve weg te nemen. (C. 554; B. 629,

656, 658, 659, 660, 4401.)

658. Indien iemand met zijne eigene bouwstoffen op den grond van een ander werken heeft aangelegd, kan de grondeigenaar het gebouwde voor zich behouden of den anderen noodzaken om hetzelve weg te nemen.

Indien de grondeigenaar vordert dat het gebouwde worde weggenomen, zal het afbreken moeten geschieden ten koste van dengenen die de werken gemaakt heeft, en deze laatste kan zelfs tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld.

Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan zich behouden, moet hij de waarde van de bouwstoffen, mitsgaders het werkloon, betalen, zonder dat echter de meerdere waarde van het erf daarbij in aanschouw zal kunnen worden genomen. (C. 555; B. 588, 605, 634, 656,

657, 659, 660, 762 v., 772 v., 826, 1603, 1654.)

659. Indien liet bouwen door eenen bezitter te goeder trouw is verrigt, kan de eigenaar niet vorderen dat het gebouwde worde weggenomen, maar hij heeft de keus om, of de waarde der bouwstoffen en het werkloon te voldoen, of eene geldsom te betalen, evenredig aan de meerdere waarde van het erf. (C. 555; B. 587, 604, 630, 657, 658, 660, 762 v., 772 v., 826, 1603, 1654.)

660. De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk op de beplantingen en bezaaijingen. (C. 555; B. 655, 657 v.)

661. Hij, die van eene niet aan hem toebehoorende stof een voorwerp van eene nieuwe soort maakt, wordt eigenaar van dat voorwerp, mits hij den prijs der stof betale, en, zoo daartoe gronden zijn, de kosten, schaden en interessen vergoede. (G. 566—577; B. 662 v., 1401.)

662. Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van den mensch en door de toevallige vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, is voortgebragt, alsdan wordt het nieuwe voorwerp

269

-ocr page 328-

BURGERLIJK WETBOKK.

eene tusschen alle de eigenaars gemeene zaak, naar evenredigheid van de waarde der stoffen, welke oorspronkelijk aan ieder hunner hebben toebehoord. (C. 566—577; B. 651, 663 v.)

663. Indien het nieuwe voorwerp is voortgebragf door de vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, en door de daad van een dier eigenaars, zoo bekomt laatstgemelde daarvan den eigendom, onder gehoudenis om aan de andere de waarde der stoffen te voldoen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (G. 566—577; B. 661, 662, 664.)

664. Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terugvorderen hetgeen hem toebehoort. (C. 566—577; B. 661 v.)

665. Eigendom wordt verkregen door verjaring, nadat men eene zaak heeft bezeten gedurende den tijd welke de wet bepaalt, en overeenkomstig de voorwaarden en onderscheidingen, welke bij den zevenden titel van het vierde boek van dit wetboek zijn vastgesteld. (B. 1983 v., 2000.)

666. De wijze waarop eigendom door middel van wettelijke erfopvolging of testamentaire erfstelling verkregen wordt, is bij den elfden en twaalfden titel van dit boek behandeld. (B. 877 v., 921 v.)

667. De levering van roerende zaken, onligchamelijke uitgezonderd, geschiedt door de enkele overgave, welke door den eigenaar of in zijnen naam is verrigt, of door de sleutels van het gebouw, waarin zich de zaken bevinden, over te geven.

De levering wordt niet vereischt, indien de verkrijger de zaak reeds, uit krachte van eenen anderen titel, in zijne magt heeft. (C 1606; B. 559, 565 v., 8076, 1271 v., quot;1495, 1511, 1723, 1724, 1791, 2014; K. 309.)

668. De levering van schuldvorderingen die niet aan toonder luiden, en andere onligchamelijke zaken, geschiedt door middel van eene authentieke of onderhandsche akte, waarbij de regten op die voorwerpen aan een ander worden overgedragen.

Die overdragt heeft ten aanzien van den schuldenaar geen gevolg dan van het oogenblik dat dezelve aan hem is beteekend geworden, of dat hij de overdragt schriftelijk heeft aangenomen of erkend.

Ten opzigte van effecten en schuldvorderingen aan toonder wordt de overgave voor levering gehouden. (G. 1607, 1689, 1690; B. 559, 567 n°. 3, 667, 1421, 1495,1576,1723,1905, 1911 v., 2014; K. 221 v., 508; Rv. 500; W. auteursr., a. 9fe, zie chron lijst.)

669. De levering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld geschiedt ingevolge de voorschriften en verordeningen op dat stuk bestaande. (B. 567 n0. 5; Stb, 1814 n». 113; Stb. 1815 n». 4; Stb 1850 n», 8.)

De levering van op naam staande aandeelen in maat-

270

-ocr page 329-

BOEK (I, TITEL III EN IV, ARTT. 663—674. 27t

schappijen geschiedt overeenkomstig derzelver statuten, en, bij gebreke van bepalingen daaromtrent, op de wijze als bij het Wetboek van Koophandel op dat stuk is voorgeschreven. (B. 567 nquot;. 4; K. 42.)

670. [)e bepalingen der twee voorgaande artikelen a) maken geen inbreuk op de wetten en gebruiken in zaken van koophandel. (A. 3; K. 133, 209, 212, 309, 508, 573.)

671. De levering of opiiragt van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers.

Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is het voldoende om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al hetgeen die zaak betreft, mits in dat geval de partijen, het zij bij het opmaken van het uittreksel voor den notaris en getuigen, het zij bij eene onderhandsche verklaring, op het uittreksel te stellen, hare toestemming geven dat de overschrijving der akte overeenkomstig dat uittreksel geschiede. (C. 1605; B. 562 v., 743, 760. 767b, 7846, 807«, 865, 1224, 1495, 1511, 1723; K. 309; Rv,529; Onteigen.w., a. 59, zie chron. lijst; Stb. 1832 n0.29, a. 17; Stb. 1838 n0. 27, a. 1.)

VIERDE TITEL.

Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

672. Er bestaan tusschen de eigenaars van naburige erven regten en verpligtingen, welke voortvloeijen, het zij uit de natuurlijke ligging der erven, het zij uit de bepalingen der wet. (G. 639; B. 625, 721.)

673. Erven die lager liggen zijn, ten behoeve van degene die hooger gelegen zijn, verpligt het water te ontvangen, hetwelk daarvan natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door menschen toedoen bevorderd worde.

De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk of dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; daarentegen mag de eigenaar van het hooger gelegen erf niets in het werk stellen, waardoor de toestand van hetgene dat lager ligt verzwaard wordt. (C. 640; B. 676 v., 700, 1401.)

674. Die eene waterbron op zijn erf heeft mag daarvan, naar goeddunken, gebruik maken, behoudens het regt hetwelk de eigenaars van lager gelegene erven, het zij door eenigen titel, het zij door verjaring, overeenkomstig artikel 745, mogten verkregen hebben. (C. 641; B. 625, 675, 742.)

a) Leea: De bepalingen der artikelen 667 en 668.

-ocr page 330-

BURGERLIJK WETBOEK.

675. De eigenaar van de waterbron mag den loop dei-bron niet veranderen, indien dezelve aan de inwoners van eene stad, een dorp of gehucht, het voor hen noodzakelijke water verschaft.

In dat geval, heeft de eigenaar aanspraak op eene door deskundigen te regelen schadeloosstelling, ten ware het gebruik des waters wettig verkregen of verjaard mogt zijn. (G. 643; B. 742.)

676. Hij wiens eigendom gelegen is aan den oever van een stroomend water, hetwelk niet tot het openbaar domein behoort, mag van dat voorbijloopend water tot bespoeling van zijn erf gebruik maken.

Degene wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag daarvan zelfs in de tusschenruimte, welke het water doorloopt, gebruik maken, mits hij, ter plaatse waar zijn erf eindigt, aan het water deszelfs natuurlijken loop wedergeve. (C. 644; B. 577, 737.)

677. Wanneer er tusschen eigenaars, aan welke die wateren eenig nut kunnen verschaffen, geschil ontstaat, moeten de regtbanken, bij de beslissing daarvan, het belang van den landbouw met de onschendbaarheid van het regt van van eigendom trachten overeen te brengen, en zich, in allen gevalle, gedragen naar de bijzondere en plaatselijke verordeningen opzigtelijk den loop, de hoogte en het gebruik der wateren. (C. 645; G. 151; B. 625.)

678. Ieder eigenaar kan zijnen nabuur noodzaken hunne aan elkander grenzende eigendommen af te scheiden.

De afscheiding moet ten gemeenen koste gedaan worden. (G. 646; B. 625, 681 v., 690, 698, 711, 768a, 828, 1114; Rv. 129.)

679. Ieder eigenaar mag zijn erf afsluiten, behoudens de uitzonderingen bij artikel 715 gemaakt. (G. 647; B. 625, 683, 690, 711, 768a, 828.)

680. De eigenaar die zijn erf heeft afgesloten, verliest het regt van klaauwengang en stoppelweide naar evenredigheid van den grond, welken hij door de afsluiting aan de gemeene weiding onttrekt. (G. 648; Fortuijn 1, 215 v.)

681. Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen, landerijen, hoven en tuinen, worden gerekend gemeene muren te zijn, ten ware er een titel of teeken, het tegendeel aanduidende, mogt beslaan.

Indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheidsmuur slechts voorondersteld gemeen te zijn, tot de hoogte van het minst verhevene gebouw. (G. 653; B. 678, 682, 683, 685, 688, 691 v., 698, 706, 710, 1953.)

682. Het teeken dat een scheidsmuur niet gemeen is bestaat onder anderen daarin:

1°. Dat het bovenste van den muur aan eenen kaut opstaande en loodregt met deszelfs voetstuk is, en aan den anderen kant schuins afloopt;

2°. Dat de muur een gebouw of eene terras steunt of schraagt, zonder dat er van den anderen kant een gebouw of ander werk aanwezig zij;

3°. Dat bij het bouwen van den muur slechts aan de

272

-ocr page 331-

BOEK II, TITKL IV, ARTT. 675—689.

eene zijde, hetzij een kap, het zij steenen lijsten en vooruitstekende steenen zijti geplaatst geworden.

In die gevallen, wordt de muur gerekend bij uitsluiting toe te behooren aan den eigenaar, aan wiens kant het gebouw, de terras, de lijsten en vooruitstekende steenen, of de goot van zoodanige kappen, gevonden worden. (C. 654; B. 698, 707, 712, 1958.)

683. De reparatien en wederopbouwing van den ge-meenen scheidsmuur komen ten laste van alle degenen die op den muur regt hebben, en zulks naar evenredigheid van ieders regt.

Niettemin kan elke mede-eigenaar zich bevrijden om tot de kosten van reparatie en wederopbouwing bij te dragen, door zijn regt van mede-eigendom op den weder op te bouwen of te herstellen muur te laten varen, mits de scheidsmuur geen aan hem toebehoorend gebouw schrage of steune, of in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen niet tot afscheiding verstrekke van aan elkander grenzende huizen, opene plaatsen en tuinen. (C. 655, 656; B. 678, 685, 691 v., 698, 702, 726, 736.)

684. Elke mede-eigenaar mag tegen den gemeenen muur aanbouwen, en in denzelven, tot op de helft der dikte, balken, ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen, mits de muur zelf daardoor geene schade lijde. (C. 657; B. 689, 698, 703, 731.)

685. Ieder mede-eigenaar mag den gemeenen scheidsmuur hooger doen optrekken, maar hij moet alleen de kosten van verhooging dragen, mitsgaders de reparatien tot onderhoud van hetgeen zich boven de hoogte der gemeene scheiding bevindt, en bovendien de vergoeding der schade, die door de zwaarte veroorzaakt wordt, naar evenredigheid van den last, en volgens de waarde.

Indien de gemeene scheidsmuur niet in staat is om de verhooging te dragen, moet degene die den muur wil optrekken denzelven voor zijne kosten geheel op nieuw doen opbouwen, en de meerdere dikte moet van den grond aan zijnen kant afgenomen worden. (C. 658, 659; B. 681, 683 687, 689, 698, 728.)

686. Ieder mede-eigenaar van eenen gemeenen scheidsmuur mag op het gedeelte hetwelk hem toebehoort eene goot leggen, en het water doen uitloopen, het zij op zijn erf, het zij op den openbaren weg, indien zulks niet bij de wetten of verordeningen verboden is. (B. 698, 700, 729.)

687. De mede-eigenaar des muurs, welke niet tot de verhooging heeft bijgedragen, kan den mede-eigendom dier verhooging verkrijgen, mits betalende de helft van de gemaakte onkosten, mitsgaders de helft der waarde van den grond, indien daarvan tot verbreeding is gebruik gemaakt. (C. 660; B. 685, 698.)

688. Geen muur kan zonder den wil van deszelfs eigenaar worden gemeen gemaakt. (C. 661; B. 681 v., 698.)

689. Geen der mede-eigenaars mag, zonder toestemming van den anderen, in den gemeenen muur eenige diepte of

273

18

-ocr page 332-

BtIRGERI.IJK WETBOEK.

holte maken, noch tegen denzelven eenig werk aanbrengen of doen steunen.

In de gevallen, bij art. 684 en 685 voorzien, kan de mede-eigenaar vorderen, dat vooraf door deskundigen de noodige middelen worden beraamd, ten einde het nieuwe werk aan zijne regten geen nadeel toebrenge.

Indien het nieuwe werk aan den eigendom van den nabuur nadeel veroorzaakt heeft, moet hij daarvoor schadeloos worden gesteld ; zullende echter de schade, toegebragt aan hetgeen tot verfraaijing van den scheidsmuur heeft verstrekt, bij het opmaken der schadeloosstelling, niet in aanmerking komen. (C. 662; B. 692, 698.)

690. Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of het stellen van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.

De wijze en de hoogte van afsluiting zullen geregeld worden volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken. (C. 663; B. 678,679,683, 698, 711; Rv. 129; A. 3.)

691. Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van eene gemeene heining eenen gemeenen muur zetten, maar geenszins eene heining in plaats van eenen muur. (B. 683, 698.)

692. Geen der naburen mag, zonder toestemming van den anderen, in den gemeenen scheidsmuur eenig venster of andere opening maken, op welke wijze het ook zijn moge. Hij mag dit echter doen in dat gedeelte van den muur, hetwelk hij te zijnen koste optrekt, mits zulks dadelijk bij de optrekking geschiede, op de wijze bij de twee volgende artikelen omschreven. (C. 675; B. 681 v., 685, 687, 689.)

693. De eigenaar van eenen muur die niet gemeen is, en waartegen het erf van eenen anderen onmiddellijk aanligt, mag in dien muur lichten of vensters maken vandigte ijzeren traliën voorzien, en met vaststaande ramen.

De traliën zullen, ten hoogste, één palm tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben. (C. 676; B. 682, 694, 695 v., 698, 727.)

691. Deze vensters of openingen mogen niet lager gemaakt worden dan vijf en twintig palmen boven den vloer of grond der kamer, welke men verlichten wil, indien dezelve met de straat gelijkvloers is, en niet lager dan twintig palmen boven den vloer, voor hoogere verdiepingen. (G. 677; B. 693, 698, 727.)

695. Men mag over het afgesloten of onafgesloten erf van zijne naburen geene regtstreeksche uitzigten hsbben, noch vensters waardoor men op eens anders erf ziet, noch balkons of andere dergelijke vooruitspringende werken, ten zij er een afstand van twintig palmen worde gelaten, tus-schen den muur waarin men zoodanige werken maakt, en het erf. (G. 678; B. 693 v., 697, 698, 727.)

696. Ter zijde of in de schuinte mag men op het erf van zijnen nabuur geene uitzigten hebben, ten zij op eenen afstand van vijf palmen. (G. 679; B. 693 v., 697, 698, 727.)

274

-ocr page 333-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 690—704.

G97. iJe afstand, waarvan in de twee voorgaande artikelen gesproken is, wordt gerekend van den buitenkant van den muur in welken de opening gemaakt wordt, en indien er balkons of soortgelijke uitstekende werken zijn, van derzelver buitensten rand tot aan de scheidslinie der beide erven. (C. 680; B. 695 v., 698.)

698. De bepalingen in artikel 681 tot en met artikel 697 vervat, zijn toepasselijk op iedere afsluiting van hout, dienende tot scheiding tusschen gebouwen, opene plaatsen en tuinen. (C. 653; B. 678, 679, 690.)

699. Wanneer het tot reparatie van ee-iig gebouw noodzakelijk is om op den grond van den nabuur eenig steiger-werk te plaatsen, of daarover te gaan, om bouwstoffen aan te brengen, is de eigenaar van dien grond verpligt zulks te dulden, behoudens schadeloosstelling, indien daartoe tsronden zijn. (B. 1282 v.)

700. Elk eigenaar is verpligt zijne daken zoodanig in te rigten, dat het regenwater op zijn erf of op den openbaren weg afloope, indien dit laatste niet bij de wetten of bij verordeningen is verboden; hij mag het water niet op den grond van zijnen nabuur doen uitloopen. (C. 681; B. 673, 686, 724, 729.)

701. Niemand vermag water of vuilnis door de goten van eens anders erf te laten loopen, ten ware hij daartoe het regt mogt hebben verkregen. (B. 724«, 730.)

702. Alle gebouwen, schoorsteenen a), muren, heiningen of andere scheidingen, welke, het zij door ouderdom, het zij uit anderen hoofde, dreigen in te storten, en die het naburige erf in gevaar brengen, of over hetzelve heen hangen, moeten afgebroken, opgebouwd of hersteld worden, op de eerste aanmaning van den eigenaar des naburigen erfs. (C. 683, 1277, 1405)

703. Hij, die, in de nabijheid van eenen gemeenen of niet gemeenen muur, eenen put, een riool, of een sekreet laat graven; die aldaar eenen schoorsteen of eene stookplaats, een oven of fornuis wil metselen; er eenen stal of mestbak tegen aan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van zout, of eene verzamelplaats van bijtende stollen, wil aanleggen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil\' maken, is verpligt de tusschenruimte te laten of te maken, welke bij de bijzondere verordeningen of gebruiken te dien opzigte is voorgeschreven, of al zoodanige werken aan te leggen als die reglementen en gebruiken voorschrijven, ten einde alle schaden voor de naburige erven te voorkomen. (C. 674; B. 684, 689; A.. 3; Hinderw. j0. Inv. 10 n0. 31.)

275

704. Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en dergelijke, tusschen naburige erven gemeen, moeten ten kosten der eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden. (B. 705, 767 v., 803 v., 1620, 1654.)

o) Het woord schoorsteenen ontbreekt in de O. E. Zie art. 9 der Wet van 29 Maart 18SS (Stb. no. 11).

-ocr page 334-

276

706. De ruiming van gemeene sekreten moet beurtelings, dan over het eene, en dan over het andere erf geschieden. (B. 704.)

706. Alle grachten of slooten tusschen twee erven worden voorondersteld gemeen te zijn, indien er geen titel of teeken van het tegendeel aanwezig is. (G. 666; B. 681, 710, 1953.)

707. Het wordt, onder anderen, a!s een teeken dat de gracht of sloot niet gemeen is, beschouwd, wanneer de kade of opgeworpene aarde alleenlijk aan de eene zijde van de gracht of sloot gevonden wordt.

In dat geval, wordt de gracht of sloot gerekend voor het geheel aan dengenen toe te behooren, aan wiens kant de opgeworpene aarde zich bevindt. (C. 667, 668; B. 682, 7,12, 1953.)

708. De gemeene grachten of slooten moeten op gezamenlijke kosten worden onderhouden. (G. 669; B. 683.)

709. Ieder der aangrenzende eigenaars mag in de gemeene gracht of sloot visschen, varen, zijne beesten drenken, en daaruit tot zijn gebruik water scheppen. (B. 625, 732.)

710. Iedere hegge, welke twee erven van elkander scheidt, wordt voorondersteld gemeen te zijn, ten ware er titel, bezit of teeken van het tegendeel mogt bestaan.

Do boomen die zich in de gemeene hegge bevinden zijn gemeen, gelijk de hegge zelve, en ieder der eigenaars heeft het regt om te vorderen dat die boomen omgehakt worden. (G. 670, 673; B. 681, 706, 712, 1953.)

711. De eene nabuur kan den anderen noodzaken tot het planten van nieuwe heggen, ten gemeenen koste, indien de vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing der scheidslinie tusschen de beide erven hebben verstrekt. (G. 633; B. 678, 690.)

712. Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de hegge niet gemeen is, aangemerkt, wanneer slechts een der erven afgesloten is. (C. 670; B. 682, 707, 1953.)

713. Het is niet geoorloofd hoog opschietende boomen of heggen te planten, dan op den afstand welke bij de tegenwoordig bestaande bijzondere reglementen, of ten gevolge van vaste en erkende gebruiken, bepaald is, en bij ontstentenis van reglementen of gebruiken, op den afstand van twintig palmen van de scheidslinie der beide erven, voor zoo verre de hoogopschietende boomen betreft, en op den afstand van vijf palmen, ten aanzien der heggen. (G. 671; A. 3; B. 710 v., 1401 v.)

714. De nabuur heeft het regt om te vorderen dat de boomen en heggen, op een korteren afstand geplant, worden uitgeroeid.

Hij op wiens erf de takken der boomen van zijnen nabuur overhangen, kan den laatstgenoemden noodzaken die takken af te snijden.

Indien de wortels der boomen op zijn erf doorschieten, heeft hij het regt om die aldaar zelf weg te hakken; ook de takken mag hij zelfs afsnijden, indien de nabuur op zijne eerste aanmaning geweigerd heeft zulks te doen, en

-ocr page 335-

BOEK ir, TITEL IV EN V, ARTT. 705—72-1.

mits hij niet op den eigendom van den nabuur trede. (C. 672; B. 626, 1276.)

715. De eigenaar van een stuk lands of erf, hetwelk tusschen andere landen zoodanig ligt ingesloten dat hetzelve geenen toegang heeft tot den gemeenen weg of de gemeene vaart, is bevoegd om van de eigenaars der naastgelegene landen te vorderen, dat zij hem eenen uitweg, ten dienste van zijn land of erf, aanwijzen, onder verpligting eener vergoeding, geëvenredigd aan de schade daardoor te veroorzaken. (C. 682; B. 679, 717 v., 724b, 733, 737b.)

716. Deze uitweg moet gemeenlijk genomen worden aan de zijde waar de toegang van dit stuk lands of erf tot den gemeenen weg of de gemeene vaart de kortste is, zoo echter dat altijd bij voorkeur die rigting genomen worde, welke de minste schade veroorzaakt aan het land, waarover de uitweg is verleend. (C. 683, 684; B 733, 738 v.1)

717. Indien het regt tot schadevergoeding, aan het slot van art. 715 vermeld, door verjaring is te niet gegaan, blijft niettemin de uitweg voortduren. (C. 685; B. 2004.)

718. De verleende uitweg houdt op, van het oogenblik dat dezelve door het ophouden der omstandigheden, bij artikel 715 vermeld, niet meer noodzakelijk is, en men kan zich op geene verjaring beroepen, hoe lang de uitweg ook moge hebben bestaan. (B. 5936, 742.)

719. Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden gebu-ren gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest. (B. 733, 739.)

720. De regten en verpligtingen ten openbaren of gemeentelijken nutte daargesteld, ten onderwerp hebbende de voet- en jaagpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het maken of het herstellen van wegen, dijken en andere openbare of gemeentelijke werken, zijn bij bijzondere wetten en verordeningen geregeld. (C. 650; B. 577.)

VIJFDE TITEL.

Van erfdienstbaarheden.

EERSTE A.FDEELING.

Van den aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden.

721. Erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, hetwelk aan eenen anderen eigenaar toebehoort.

Dezelve mag, noch ten laste, noch ten behoeve van eenen persoon, daargesteld worden. (C. 637,686; B. 564 n0. 2, 584, 627, 753, 1250.)

277

-ocr page 336-

BURGERLIJK WETBOEK.

722. Alle erfdienstbaarheden bestaan in de verpligting om iets te dulden, of iets niet te doen. (B. 736.)

723. Erfdienstbaarheid geeft geenen voorrang aan het eene erf boven het andere. (C. 638.)

724. De erfdienstbaarheden zijn voortdurende of niet voortdurende.

Voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezoodanige welker gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des menschen toedoen noodig zij; van dien aard zijn de waterloopen, het gootregt, het uitzigt en andere dergelijke.

Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezulke welke tot derzelver uitoefening \'s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke. (C. 688; B. 5936, 608 v., 673 v, 700 v., 715, 727, 733, 734, 744, 746.)

725. De erfdienstbaarheden zijn zigtbaar of onzigtbaar.

Zigtbare erfdienstbaarheden zijn de zoodanige waarvan

door uitwendige werken blijkt, gelijk eene deur, een venster, eene waterleiding en soortgelijke.

Onzigtbare zijn dezulke welke geen uitwendig teeken van hun bestaan hebben, gelijk het verbod orn op een erf te bouwen, of om niet dan tot op eene bepaalde hoogte te mogen bouwen, het regt om beesten te weiden, en andere waartoe \'s menschen toedoen noodig is. (C. 689; B. 593, 608 v., 727, 728, 734, 744, 746 )

726. Wanneer men eenen muur of een gebouw op nieuw optrekt, blijven de heerschende en lijdende dienstbaarheden ten opzigte van den nieuwen muur of van het nieuwe gebouw voortduren, zonder dat dezelve evenwel kunnen verzwaard worden, en mits de wederopbouwing geschiede voordat de verjaring der dienstbaarheden plaats hebhe gehad. (C. 665; B. 728,quot; 731, 738 v., 750, 752, 754 )

727. Hij die het regt van erfdienstbaarheid van uitzigt of van licht heeft, mag zoo vele vensters of lichten maken als hij goedvindt; maar hij mag, na te hebben gebouwd of van zijn regt gebruik gemaakt, derzelver getal i» het vervolg niet vermeerderen.

Door licht wordt alleen het noodige licht, zonder uitzigt, verstaan, (B. 692 v., 695 v., 724a, 725a, 738.)

728. Een ieder is bevoegd om zoo hoog te bouwen als hem goeddunkt, mits de verhooging van een gebouw niet ten behoeve van een ander erf verboden zij. In dat geval, heeft de eigenaar van het heerschende erf het regt om alle timmering of verhooging, bij den titel verboden, te beletten of te doen wegnemen. (B. 626, 725b, 726.)

729. Onder de erfdienstbaarheid van waterloop -an drop verstaat men slechts het regt om schoon water, maar niet om vuilnis te doen uitloopen. (B. 700, 724a.)

730. De dienstbaarheid van gootregt is het regt om water en vuilnis te kunnen doen uitloopen. (B. 701, 724a.)

731. De eigenaar van een erf die het regt heeft van inbalking of inankering in eens anders muur, is bevoegd om nieuwe balken en ankers in de plaats der vergane te

\'278

-ocr page 337-

BOEK II, TITEL V. ARTT. 722—738. \'27D

leggen, maar hij mag derzelver getal niet vermeerderen, noch de plaatsing veranderen. (B. 684, 689, 726.)

732. Hij die het regt heeft om op het water van een naburig erf te varen, moet bijdragen tot de onkosten welke noodzakelijk zijn om het water steeds vaarbaar te houden, ten ware hij mogt verkiezen van zijn regt af te zien. (B. 709.)

733. De erfdienstbaarheid van voetpad is het regt om te voet over eens anders land te mogen gaan;

Die van rijpad of dreef is het regt om daarover te paard te rijden, of beesten te drijven;

Die van weg is het regt om er met een wagen, een rijtuig, enz., over te rijden.

Indien de breedte van het voetpad, van de dreef of van den weg, niet bij den titel is bepaald, wordt die breedte geregeld overeenkomstig de bijzondere verordeningen of plaatselijke gebruiken. (B. 738a.)

Onder de erfdienstbaarheid van rijpad of dreef is die van voetpad; onder de erfdienstbaarheid van weg, die van rijpad, dreef en voetpad stilzwijgend begrepen. (A. 3; B. 71o v., 719, 7246.)

734. De erfdienstbaarheid van waterleiding is het regt om water uit of over eenig naburig erf naar het zijne heen te leiden. (B. 673 v., 725a.)

735. Hij aan wien eene erfdienstbaarheid verschuldigd is, heeft het regt om al zoodanige werken te maken, welke tot het gebruik en behoud der erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.

Die werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van den eigenaar van het dienstbaar erf. (G. 697, 698; B. 722, 727. 736, 740.)

736. In geval de eigenaar van het dienstbaar erf bij den titel belast is om te zijnen koste de tot gebruik en behoud der erfdienstbaarheid noodzakelijke werken te maken, kan hij zich ten allen tijde van dien last bevrijden, door aan den eigenaar van het goed, aan hetwelk de erfdienstbaarheid verschuldigd is, zoodanig gedeelte van het dienstbaar erf af te staan, als tot het genot der erfdienstbaarheid noodzakelijk is. (C. 699; B. 6836, 722, 742, 753.)

737. Indien het heerschende erf mogt worden verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid voor ieder gedeelte verschuldigd, zonder dat evenwel de toestand van het dienstbaar erf moge verzwaard worden.

Indien het alzoo een regt van overgang geldt, zijn alle de mede-eigenaars van het verdeelde erf verpligt dat regt langs denzelfden weg als vóór de verdeeling uit te oefenen. (C. 700; B. 715, 724b, 733, 738, 741.)

738. Hij die een regt van erfdienstbaarheid heeft, mag daarvan slechts gebruik maken volgens zijnen titel- en, bij gebreke van titel, volgens de verordeningen of plaatselijke gebruiken, en in allen gevalle op de minst bezwarende wijze.

Hij mag, noch op het dienstbare, noch op het heerschende erf, eenige verandering maken, waardoor de toestand van het eerstgemelde zoude verzwaard worden. (C. 702; A. 3; B. 716, 740, 742.)

-ocr page 338-

■fr

BURGERLIJK WETBOEK.

739. De eigenaar van het dienstbare erf mag niets verrigten hetgeen strekken rnogt om het gebruik der erfdienstbaarheid te verminderen, of hetzelve ongemakkelijker te maken.

Hij mag noch de gesteldheid der plaats veranderen, noch de uitoefening der erfdienstbaarheid verleggen naar eene plaats, verschillende van die waarop de erfdienstbaarheid oorspronkelijk gevestigd is, ten ware de verandering mogt kunnen geschieden zonder den eigenaar van de heerschende erfdienstbaarheid te benadeelen. (C 701; B. 738.)

740. Die een regt van erfdienstbaarheid heeft wordt geacht al datgene te hebben hetgeen noodzakelijk is om daarvan, op de minst bezwarende wijze voor den eigenaar van het dienstbare erf, gebruik te maken. Alzoo omvat het regt om uit eens anders bron water te halen noodzakelijk het regt van toegang tot de bron over het dienstbare erf. (C. 696; B. 735.)

741. Indien het dienstbare erf verdeeld wordt, blijft ieder gedeelte met de erfdienstbaarheid bezwaard, voor zoo veel tot derzelver uitoefening noodzakelijk is. (B. 737, 748.)

280

i;

li\' lil;

ll

TWEEDE AFDEELING.

Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld.

742. Erfdienstbaarheden worden daargesteld of door eenen titel, of door verjaring. (B. 743, 744, 747, 759, 771, 1983 v., 2000.)

743. De titel van aankomst van eene erfdienstbaarheid moet in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B. 671, 760, 767b, 7846, 807a, 865, 1224.)

744. De voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheden kunnen, zoo wel door verjaring, als door titel, verkregen worden. (C. 690; B. 608, 724 v., 746, 1992 v., 2000.)

745. Voor den eigenaar van een lager gelegen erf, die van de bron van een hooger liggend erf gebruik maakt, begint de verjaring niet te loopen dan van het oogenblik waarop hij zoodanige uiterlijke werken heeft gemaakt en voleind, welke tot bevordering van den val, of van den loop des waters op zijn eigendom, bestemd zijn. (C. 642; B. 674.)

746 De voortdurende en te gelijker tijd onzigtbare erfdienstbaarheden, zoo als ook de niet voortdurende, het zij dezelve zigtbaar of onzigtbaar zijn, kunnen slechts bij eenen titel worden daargesteld. Het genot, zelfs sedert onheugelijke jaren, is niet voldoende om dezelve te verkrijgen. (G. 691; B. 5936, 609, 724 v., 1992 v.)

747. Wanneer het bewezen is dat tegenwoordig van elkander gescheiden erven voorheen aan denzelfden eige-

lip

iJs

l P-

m

I iii:

■ ff •

ijl I

ii

li

lil

li )\' M :

li

|i||

-ocr page 339-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 739—755.

naar hebben toebehoord, en dat deze dezelve in zoodanig eenen toestand gesteld heeft, waaruit eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid zoude zijn ontstaan, geldt deze bestemming in plaats van eenen titel van erfdienstbaarheid. (G. 692, 693; B. 724 v.\', 742, 744.)

748. Indien de eigenaar van twee erven tusschen welke, vóór de verkrijging daarvan, een zigtbaar teeken van erfdienstbaarheid bestond, over één dezer erven beschikt, zonder dat de overeenkomst eenige bepaling omtrent deze erfdienstbaarheid behelze, zal dezelve, het zij heersehende, het zij lijdende, ten behoeve of ten laste van het vervreemde erf blijven bestaan. (C. 694; B. 747, 753, 1250.)

7é9. Een der mede-eigenaars van een erf kan, door zijn toedoen alleen, buiten weten der andere, het regt van erfdienstbaarheid voor hunne gezamenlijke bezittingen verkrijgen. (B. 757.)

DERDE AFDEELING.

Op hoedaniye wijze erfdienstbaarheden te niet gaan.

750. Erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer de zaken zich in zoodanigen staat bevinden dat men van dezelve geen gebruik meer kan maken (C, 703; B. 751, 752, 765 n®. 2, 783, 801 nquot;. 5, 854 n0. 6, 865; Onteigen.w., a. 17, 59, zie chron. lijst.)

751 Indien het dienstbare of het heersehende erf niet geheel en al te niet gegaan of vernield is, blijft de erfdienstbaarheid voortduren, naar male de gesteldheid der erven zulks toelaat. (B. 750, 752.)

752. Erfdienstbaarheden, welke te niet zijn gegaan uit hoofde der oorzaak in artikel 750 vermeld, herleven, indien de zaken in zoodanigen staat hersteld zijn, dat men daarvan gebruik kan maken, ten ware er een voldoende tijd verloopen zij, waardoor, volgens artikel 754, de verjaring zoude plaats hebben. (C. 704; B 726, 755.)

753. Alle erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer het heersehende en het dienstbare erf in dezelfde hand ver-eenigd zijn, behoudens de bepaling van artikel 748. (C. 705; B. 721, 765 n». 1, 783, 801 nquot;. 1, 854 n0. 3, 865, 1250, 1472 v.)

754. Erfdienstbaarheid gaat ook te niet, wanneer daarvan in dertig achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.

Deze dertig jaren beginnen niet te loopen dan van den dag waarop men eene blijkbare en met de erfdienstbaarheid strijdige daad heeft verrigt. (C. 706, 707; B. 726, 752, 757. 765 nquot;. 3, 783, 801 n0. 4, 854 n». 5, 865, 1983.)

755. Indien niettemin het heersehende erf in zoodanig eenen toestand is gesteld geweest, waardoor de uitoefening der erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden, heeft

281

-ocr page 340-

BUKGEHLIJK WETBOliK,

de verjaring plaats door het enkele verloop van dertig jaren, te rekenen van het oogenblik waarop het erf in dier voege heeft kunnen hersteld zijn, dat de uitoefening der erfdienstbaarheid daardoor wederom zoude zijn mogelijk geworden. (B. 747, 750, 752, 2023 v.)

756. De wijze waarop men van eene erfdienstbaarheid kan gebruik maken, verjaart even als de erfdienstbaarheid zelve, en op gelijke manier. (C. 708, 745 v., 757.)

757. Indien het heerscbende erf aan verscheidene eigenaars onverdeeld toebehoort, belet het genot van één dier eigenaars de verjaring ten opzigte van alle de overige. (C. 709, 710; B. 749, 2022.)

ZESDE TITEL.

Van het regt van opstal.

758. Het regt van opstal is een zakelijk regt om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben. (B. 564 n». 3, 584, 655 v., 764.)

759. Hij, die het regt van opstal heeft, kan hetzelve vervreemden en met hypotheek belasten.

Hij kan de goederen, aan het regt van opstal onderworpen, met erfdienstbaarheid bezwaren, doch alleen voor het tijdvak gedurende hetwelk hij het genot van dat regt bezit. (B. 742, 1210 n®. 3; Rv. 491 n«. 3.)

760. De titel van aankomst van het regt van opstal moet in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B. 671, 743, 767amp;, 7846, 807a, 865, 1224, 1992 v., 2000.)

761. Zoo lang het regt van opstal duurt, kan de grondeigenaar dengenen die dat regt heeft niet beletten de gebouwen en andere werken te sloopen, of de beplantingen te rooijen, en een en ander weg te nemen, mits laatstgemelde den prijs daarvan, tijdens het verkrijgen van het regt van opstal, hebbe voldaan, of wel de gebouwen, werken en beplantingen door hem zelven gesteld of gemaakt zijn, en voorbehoudens dat de grond zal moeten worden hersteld in den staat waarin dezelve zich vóór het opbouwen of beplanten bevond. (B. 655 v., 1598, 1603.)

762. Bij het eindigen van het regt van opstal treedt de grondeigenaar in den eigendom van de gebouwen, werken en beplantingen, onder gehoudenis om de waarde daarvan op dien tijd te betalen aan dengenen die het regt van opstal had, welke laatste regt van terughouding zal hebben, tot dat die betaling zal voldaan zijn. (B. 6306, 631, 655 v., 761, 763.)

763. Indien het regt van opstal gevestigd is op eenen grond waarop zich reeds gebouwen, werken en beplantingen bevonden, welker waarde door den verkrijger van dat regt niet voldaan is, zal de grondeigenaar, bij het eindigen

282

-ocr page 341-

BOEK n, TITEL V, VI EN VII, AKTT. 756—769. \'283

van het regt van opstal, alle die voorwerpen terug nemen, zonder daarvoor tot eenige schadeloosstelling gehouden te zijn (B. 655 v., 761, 762.)

764. De verordeningen van dezen titel zullen alleen van kracht zijn, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B. 782, 1374.)

765. Het regt van opstal gaat, onder anderen, verloren:

1°. Door vermenging;

2°. Door het te niet gaan van den grond;

3°. Door de verjaring van dertig jaren;

4®. Na verloop van den tijd, welke bij de vestiging van het regt bedongen of bepaald is. (B. 750 v., 766, 783, 801, 854, 865, 1472 v., 1983; Rv, 491 n®. 3; Onteigen.w., a. 476, zie chron. lijst.)

766. Indien geene bijzondere bedingen of bepalingen omtrent het eindigen van het regt van opstal gemaakt zijn, zal de eigenaar van den grond hetzelve kunnen doen ophouden, doch niet vroeger dan na verloop van dertig jaren, mits ten minste een jaar te voren, aan dengenen die het regt van opstal heeft, bij behoorlijk exploit aanzegging doende. (B. 765, 783.)

ZEVENDE TITEL.

Fan het erfpachtsreyt.

767. Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot te hebben van een aan een ander toebehoorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelden als eene erkentenis van deszelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten.

De titel van aankomst van het erfpachtsregt moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven. (B. 564 n». 4. 584, 1584 v., 671, 743, 760, 782,784b, 807«, 865. 1224, 1992 v., 2000.)

768. De erfpachter oefent alle de regten uit, welke aan het eigendom van het erf verknocht zijn, doch hij vermag niets te verrigten, waardoor de waarde van den grond zoude worden verminderd.

Hij mag alzoo, onder anderen, geene af- of uitgravingen doen van steen, steenkolen, turf, klei of andere soortgelijke tot het erf behoorende grondspecien, ten ware de ontginning reeds mogt zijn aangevangen, toen zijn regt is geboren. (B. 642, 643 v, 774, 821, 823, 824.)

769. De boomen welke gedurende het erfpachtsregt sterven, of door een toeval worden omgeworpen, komen ten voordeele van den erfpachter, mits hij andere in derzelver plaats stelle.

Hij heeft insgelijks de vrije beschikking over alle beplantingen. door hem zolven aangelegd. (B. 761 v., 813 v.)

-ocr page 342-

BURGERLIJK WKTBOEK.

770. De grondeigenaar is tot geenerlei reparatie gehouden.

Daarentegen is de erfpachter verpligt het in erfpacht uitgegeven goed te onderhouden, en daaraan de gewone reparation te doen.

Hij mag door het stellen van gebouwen, of door het ontginnen of beplanten van gronden, het erf verbeteren. (B. 778, 780 v., 840 v., 875, 1619.)

771. Hij is bevoegd om zijn regt te vervreemden, met hypotheek te belasten, en den grond, in erfpacht uitgegeven, met erfdienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn genot. (B. 742, 759, 777, 1210 n®. 3; Rv. 491 n°. 3.)

772. Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehouden was; doch hij is verpligt de schade te vergoeden welke door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn.

Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft. (B. 630amp;, 631, 655 v., 761 v., 769b, 1603.)

773. De erfpachter is onbevoegd om van den grondeigenaar te vorderen dat hij de waarde betale van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke eerstgemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erfpacht op den grond bevinden. (B. 655 vv 761 v., 769amp;.)

774. Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zijn gelegd, het zij gewone, het zij buitengewone, hetzij jaar-lijksche, het zij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald. (B. 768, 843, 844)

775 • De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond voor de geheele pacht aansprakelijk. (B. 777, 786, 1332 v.)

776. De erfpachter kan geenerlei vrijstelling van betaling der pacht vorderen, noch uit hoofde van vermindering, noch van het geheel ophouden des genots.

Zoo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende jaren van het geheel genot is beroofd geweest, ia! hem kwijtschelding verschuldigd zijn voor den tijd van zijn gemis. (B. 1628.)

777. Ter zake van eiken overgang van het erfpachtsregt of van verdeeling eener gemeenschap, is geene bu\'ten-gewone uitkeering daarvoor verschuldigd. (B. 771, 782.)

778. Bij het eindigen van het erfpachtsregt, heeft de eigenaar tegen den erfpachter eene personele regtsvordering tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, veroorzaakt door nalatigheid en gebrek van onderhoud van het erf, en voor de regten die de erfpachter door zijne schuld mogt hebben laten verjaren. (B. 770, 780; Bv. 129a.)

779. Wanneer het erfpachtsregt door het verloop des tijds is geëindigd, wordt hetzelve niet stilzwijgend vernieuwd,

284

-ocr page 343-

BOEK II, TITEL VII EN VIII ARTT. 770 —786.

doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot weder-opzegrging toe. (B. 765 n®. 4 j0. 783, 1609.)

780. De erfpachter kan van zijn regt worden vervallen verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan; onverminderd de regtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken ter zake van wanbetaling der erfpacht, gedurende vijf op elkander volgende jaren, en nadat de erfpachter vruchteloos tot de betaling bij behoorlijk exploit zal zijn aangemaand, ten minste zes weken vóór hot aanvangen der regtsvordering. (B. 767, 770, 778, 781.)

781. De erfpachter zal de vervallenverklaring, uit hoofde van aan het goed toegebragte schade of misbruik van genot, kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haren vorigen staat herstelt, en voor het vervolg voldoende zekerheid geeft. (B. 780a.)

782. Alle de bij dezen titel vastgestelde verordeningen zullen alleen plaats grijpen, voor zooverre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B. 764 )

783. Erfpachtsregt gaat op dezelfde wijze te niet, als bij artikel 765 en 766 opzigtelijk het regt van opstal is bepaald. (Rv. 491 n®. 3; Onteigen.w., a. 47, zie chron. lijst.)

ACHTSTE TITEL.

Van grondrenten en tienden.

784. Door grondrenten wordt verstaan eene schuldpligtig-heid, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten, welke de eigenaar van een stuk onroerend goed daarop vestigt, of bij de vervreemding of vermaking van hetzelve, te zijnen voordeele, of ten voordeele van eenen derde, voorbehoudt.

De titel van aankomst zal in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B. 564 n0. 5, 584, 671, 743, 760, 767b, 807a, 865, 1210 n». 4, 12196, 1224, 1992 v., 2000; Rv. 491 n0. 4, 544 v.)

785. Indien eene grondrente op een stuk goed is gevestigd, heeft de vorige eigenaar, aan wien de rente verschuldigd is, geen regt om dat goed, uithoofde van wanbetaling der rente, terug te vorderen. (B. 1302.)

786. De schuldpligtigheid der grondrente rust bij uitsluiting op het goed zelf, en blijft, ingeval van deeling, ieder deel voor de geheele rente verbonden, zonder dat, in eenig geval, de persoon van den bezitter in zijne overige goederen daarvoor aansprakelijk zij.

De bovenstaande bepaling is niet toepasselijk op de schuldpligtigheid van een zeker evenredig aandeel der vruchten,

285

-ocr page 344-

BURGERLIJK WETBOEK.

waarvan in de voJgende artikelen gehantleld wordt. (B. 775, 784, 787 v, 7976, 1807.)

787. De schuldpligtigheid van tienden, of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, moet, over elke inzameling van vruchten, aan de schuldpligtigheid onderworpen, voldaan worden. (B. 564 n0. li, 584, 784, 791 v., \'1210 n°. 5, 1219amp;, 1992 v., 2000; Bv. 491 n». 5.)

788. Indien bij de vestiging, of bij het voorbehoud van tienden, geen uitdrukkelijk beding wordt gemaakt, het zij ten aanzien der soorten van vruchten daaraan onderworpen, het zij ten aanzien van derzelver evenredige hoeveelheid, wordt daardoor verstaan een tiende gedeelte van zoodanige vruchten, welke, volgens het gebruik der plaats, aan tiend-pligtigheid onderworpen zijn; of zoodanige uitkeering in geld .als, volgens dat gebruik, wegens sommige vruchten, in plaats van tienden in natura, voldaan wordt. (A. 3;B. 7966, 1902.)

789. Er is niets verschuldigd, indien het land braak of onbebouwd is blijven liggen, of gebezigd is tot het kvveeken van vruchten, welke niet aan de schuldpligtigheid onderworpen zijn. (B. 788.)

790. Insgelijks is niets verschuldigd van de graanvruchten die onrijp zijn afgesneden.

791. De schuldpligtigen, van welke in artikel 787 en volgende gesproken wordt, zijn gehouden om, ten tijde van het inzamelen der vruchten, dezelve aan hoopen of schoven van dezelfde grootte, in rijen te stellen.

De hoopen of schoven moeten onuitgezocht worden geplaatst, naar mate de vruchten worden ingezameld. (B. 792 v.)

792. Zij znn verpligt de hoopen of schoven gedurende vier en twintig uren op hunne akkers te laten staan, na vooraf den tiendheffer, volgens plaatselijk gebruik, te hebben doen verwittigen. (A. 3.)

793. Gedurende dien tijd, kan degene, aan wien de uitkeering verschuldigd is, de hoopen of schoven aanwijzen welke hem toekomen, hij zal de telling mogen beginnen waar hij verkiest, maar wijders moeten volgen de orde waarin de hoopen of schoven gesteld zijn. (B. 794, 796c.)

794. Indien degene, aan wien de uitkeering verschuldigd is in gebreke blijft die aanwijzing te doen, zal de schuld-pligtige het vermogen hebben om aan denzelven zijn aandeel aan te wijzen, en de hoopen of schoven ter beschikking van den daartoe geregtigde moeten laten.

795. De schuldpligtige die de vruchten heeft weggevoerd zonder aan zijne verpligtingen te hebben voldaan, zal de dubbele waarde moeten betalen van de uitkeering waartoe hij verpligt was. (B. 786, 788.)

796- Indien de schuldpligtigheid op jongen van beesten of op bijen-zwermen gevestigd is, zal de schuldpligtige aan den geregtigde zijn aandeel kunnen uitleveren, of hem de waarde daarvan in geld voldoen, berekend naar den hoogsten prijs, gedurenden den tijd van zes weken nadat de uitkeering kau worden gevorderd.

De schuldpligtigheid, waarover dit artikel handelt, wordt

286

-ocr page 345-

DOEK II, TITEL VIII, ARTT. 787-801.

nimmer onder de algemeene benaming van tienden begrepen, maar moet uitdrukkelijk zijn gevestigd of voorbehouden.

Die tienden worden gekweten zoo als die uit de hand vallen, zonder dat de tiendheffer de beste kiezen, of de tiendpligtige de slechtste geven mag. (B. 784, 788, 793 v., 1016, 1428.)

797. De verschenen en niet voldane schuldpligtigheden, waarover bij artikel 787 en volgende gesproken wordt, verjaren door het tijdsverloop van één jaar, te rekenen van den dag waarop de uitkeering kon gevorderd worden.

Die van de overige grondrenten verjaren door een tijdsverloop van vijf jaren. (B. 784, 2012.)

798. De grondrenten, mitsgaders de tienden en andere schuldpligtigheden, in eene zekere evenredige hoeveelheid van vruchten bestaande, kunnen altijd worden afgekochtj, al ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

Het is echter geoorloofd de voorwaarden van den afkoop te bepalen, en zelfs te bedingen dat de rente niet kan worden afgekocht, dan na een bepaald tijdsverloop, mits den tijd van dertig jaren niet te boven gaande. (C. 530; A. 14; B. 799a, 801 n0. 2 en 3; Afkoop tiendenw., zie chron. lijst.)

799. Indien de af koopprijs van grondrenten, tienden of andere evenredige schuldpligtigheden niet bepaald is bij de vestiging, noch daaromtrent bij den afkoop tusschen partijen wordt overeengekomen, zal dezelve geregeld worden op de navolgende wijze:

Bij eene grondrente in geld, kan de schuldpligtige volstaan met de oplegging van het twintigvoudig bedrag derzelve.

Indien de schuldpligtigheid niet in geld, maar in andere voorwerpen, verschuldigd is, bestaat de af koopprijs evenzeer uit het twintigvoud van de jaarlijksche opbrengst, en wordt de waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen der laatstverloopene tien jaren, door elkander gerekend, en bij gebreke van dezelve, bepaald bij deskundigen, door partijen of door den regter te benoemen.

Bij tienden en andere evenredige en jaarlijksche uitkee-ringen, strekt de zuivere opbrengst der vijftien laatste jaren, door elkander, tot maatstaf der hoeveelheid van de jaarlijksche opbrengst, na voorafgaanden aftrek der twee voor-deeligste en der twee nadeeligste jaren. De verpachtingen der vijftien laatste jaren, onder aftrek als hier-boven, leveren het bewijs op van die opbrengst, en alleen bij gebreke van zoodanige verpachtingen worden de gewone en hierboven gemelde regelen bij de waardering gevolgd. (B. 7986, 801 n». 2.)

800. Indien het goed, gedurende de laatste vijftien jaren, geene zoodanige vruchten heeft opgebragt die aan tienden en andere evenredige jaarlijksche uitkeeringen onderworpen zijn, zal het beloop van den afkoop, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden geregeld. (B, 789 v., 799.)

801. Het regt van grondrenten en van alle andere schuldpligtigheden, waarvan in dezen titel wordt gehandeld, gaat verloren:

287

-ocr page 346-

BURGERLIJK WETBOEK.

lu. Door vermenging, wanneer de renten of schuldplig-tigheid en de eigendom van den grond in dezelfde hand komen;

Squot;. Door onderlinge overeenkomst;

3°. Door afkoop op de wijze hier-boven omschreven;

4°. Door verjaring, wanneer hij, aan wien de grondrente of schuldpligtigheid verschuldigd was, dertig jaren heeft laten verloopen, zonder van zijn regt gebruik te maken;

5°. Door het te niet gaan van den grond.

Echter gaat door overstrooming, vergraving of uitveening het regt niet verloren, wanneer de grond daarna door de natuur of door arbeid weder droog wordt. (B. 649, 750 v., 765 v., 783, 798 v., 854, 865, 1983; Onteigen.w., a. 46, zie chron. lijst; Rv. 491 n0. 4 en 5.)

802. De bepalingen, in dezen titel voorkomende, zijn alleen toepasselijk op grondrenten, tienden en andere schuldpligtigheden, welke na de invoering van dit Wetboek zullen worden gevestigd of voorbehouden. Zij strekken dus geenszins om zoodanige tienden, of andere schuldpligtigheden, als bij vorige wetten zijn afgeschaft, te doen herleven, noch ook orn de bestaande te regelen, te wijzigen of te vernietigen. (O. 1; A. 4.)

Zie ten opzichte van deze de Wet van 12 April \'1872: (Stb. n0. 25) tot af koopbaarstelling der tienden hierachter in de chron. lijst.

NEGENDE TITEL.

Van het vruchtgebruik.

EERSTE AFDEEUNG.

Van den aard des vruchtgebruiks en de wijze om hetzelve te verkrijgen.

803. Vruchtgebruik is een zakelijk regt om van eens anders goed de vruchten te trekken, als of men zelf eigenaar daarvan was, mits zorgende dat de zaak zelve in stand blijve. (C. 578; B. 564 n». 1, 567 n«. 1, 584, 804, 812, 819a, 831, 853; Rv. 491 n». 2.)

804. Indien echter onder het vruchtgebruik verbruik-bare zaken zijn begrepen, kan de vruchtgebruiker volstaan met, bij het eindigen van het vruchtgebruik, eene gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en waarde terug te geven, of den prijs te betalen, op welken de zaken bij den aanvang des vruchtgebruiks mogten geschat zijn, of volgens de waarde van dat tijdstip mogten geschat worden. (G. 587; B. 561, 803, 812, 8296, 833, 834, 869, 1309, 1792.)

805. Vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve

288

-ocr page 347-

BOEK II, TITEL VIII EN IX, ARTT. 802—811. 289

van een of meerdere bepaalde personen, ten einde daarvan het genot te hebben, het zij gezamenlijk, het zij bij opvolging.

In geval van genot bij opvolging, zal het vruchtgebruik alleen genoten worden door de personen welke in leven zijn op het oogenblik dat het regt van den eersten vruchtgebruiker zijnen aanvang neemt. (B. 3, 855, 946, 1716.)

806. Vruchtgebruik wordt verkregen door de wet, of door den wil des eigenaars. (C. 579; B. 366 v., 530, 930, 965, 1004, 1017, 1706, 1992 v., 2000.)

807. De titel van vruchtgebruik van een onroerend goed moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.

Wanneer het een roerend goed geldt, wordt door de levering het zakelijk regt geboren. (B. 667 v., 671, 743, 760, 7676, 784b, 865, 1224.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de reglen van den vruchtgebruiker.

808. De vruchtgebruiker, heeft het regt om alle soorten van vruchten te genieten, die van het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen voortkomen, om het even of de voortbrengselen bestaan in natuurlijke vruchten, in vruchten van nijverheid, of in burgerlijke vruchten. (G. 582; B. 556—558, 813 v., 824, 833.)

809. De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, die bij den aanvang van het vruchtgebruik nog aan hoornen of wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker.

Degene die zich in denzelfden staat bevinden op het oogenblik dat het vruchtgebruik eindigt, behooren aan den eigenaar, zonder vergoeding, van de eene of andere zijde, der kosten van bearbeiding en bezaaijing, maar onverminderd dat gedeelte der vruchten, hetwelk aan eenen deelhebbenden pachter, het zij bij het begin, het zij bij het eindigen des vruchtgebruiks, mogt toekomen. (G. 585 ; B. 556, 558, 626, 1630.)

810. De burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot dag verkregen te worden, en behooren aan den vruchtgebruiker, naar mate zijn vruchtgebruik duurt, welk ook het tijdstip moge wezen waarop dezelve betaalbaar zijn gesteld. (G. 586; B. 557, 558c, 811.,)

811. Het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft ook aan den vruchtgebruiker, gedurende het vruchtgebruik, het regt om de loopende renten te ontvangen.

Indien de voldoening der lijfrente bij vooruitbetaling moet plaats hebben, is de vruchtgebruiker geregtigd tot den ge-heelen termijn, welke gedurende het vruchtgebruik heeft moeten voldaan worden.

10

-ocr page 348-

BURGERLIJK WETBOEK.

Die het vruchtgebruik eener lijfrente heeft zal nimmer tot eenige teruggave verpligt zijn. (C. 588; B. 557, 558c, 808, 810, 1812 v., 1822.)

812. Indien het vruchtgebruik zaken bevat, die, zonder dadelijk te niet te gaan, echter langzamerhand door het gebruik verminderen, zoo als kleederen, linnen, huisraad en andere soortgelijke, heeft de vruchtgebruiker het regt om zich daarvan te bedienen tot het gebruik, waartoe die zaken bestemd zijn, zonder evenwel verpligt te zijn om, bij het eindigen des vruchtgebruiks, die zaken in eenen anderen staat terug te geven, dan in dien waarin zij zich alsdan bevinden, voor zoo verre zij niet door de kwade trouw of schuld van den vruchtgebruiker mogten zijn slechter geworden. (C. 589; B. 804, 808, 829, 834, 853.)

813. Indien het vruchtgebruik kaphout bevat, zal de vruchtgebruiker daarvan het genot hebben, mits in acht nemende de orde en de hoeveelheid van het kappen, overeenkomstig het doorgaand gebruik der eigenaars, zonder dat de vruchtgebruiker of zijne erfgenamen eenige schadeloosstelling kunnen vorderen, ter zake dat de gewoonlijke kapping, het zij van kaphout, rijshout, of hoogstammige boomen, gedurende het vruchtgebruik, door hem mogt nagelaten zijn. (C. 590a; A. 3; li. 808, 814 v.)

814. De vruchtgebruiker, mits in acht nemende de vaste tijdstippen en de gewoonten der vorige eigenaars, heeft ook het genot van die partijen hout van opgaande boomen, welke regelmatig gehakt worden, het zij dit hakken geschiede op gezette tijden over eene zekere uitgestrektheid lands, het zij hetzelve besta in eene zekere hoeveelheid boomen, zonder onderscheid over de geheele uitgestrektheid van het land genomen. (C. 591; A. 3; B. 808, 813, 815 v.)

815. In alle andere gevallen, vermag de vruchtgebruiker zich geene opgaande boomen toe te eigenen.

Niettemin kan hij de door toeval uit den grond gerukte of afgebrokene boomen gebruiken tot het doen der repara-tien, tot welke hij gehouden is.

Hij kan zelfs, te dien einde, indien het noodig is, boomen doen omhakken, mits hij van de noodzakelijkheid derrepa-ratien, ten overstaan van den eigenaar, doe blijken. (C. 592; B. 769, 814, 816 v., 818, 840.)

816. De vruchtgebruiker kan uit de bosschen staken nemen voor de wijngaarden, en hetgeen noodig is orn de vruchtboomen te stutten en de tuinen te onderhouden en te beteelen.

Hij heeft geen regt om boomen tot brandhout te kappen, maar hij heeft het genot van hetgeen jaarlijks, of op andere gezette tijden, van de boomen afkomt; alles echter met inachtneming van het gebruik der plaats, of van de gewoonte des eigenaars. (C. 593; A. 3; B. 813 v.)

817. De boomen, welke uit eene kweekerij, zonder die te beschadigen, kunnen gelrokken worden, behooren insgelijks tot het vruchtgebruik, mits de vruchtgebruiker zich omtrent de weder-aanvulling gedrage naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars. (C. 590b; A. 3; B. 808,813 v.)

290

-ocr page 349-

BOEK II, TITEL IX, ARTT. 812—826.

818. Doode vruchtboomen, gelijk ook die bij toeval zijn uit den grond gerukt of afgebroken, behooren aan den vruchtgebruiker, mits hij andere in derzelver plaats stelle. (C. 594; B. 769, 815.)

819. De vruchtgebruiker kan in persoon het regt van zijn vruchtgebruik uitoefenen, of hel goed verhuren, of verpachten, of zelfs het vruchtgenot verkoopen, bezwaren, of om niet afstaan. Hij moet zich echter, het zij bij eigen genot, het zij in geval van verhuring, verpachting of afstand, ten aanzien van dat genot, gedragen naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars, zonder de bestemming van het goed ten nadeele des eigenaars te veranderen.

Ten aanzien van den tijd der verhuring of verpachting, moet hij zich, volgens den verschillenden aard en de bestemming der zaken, mede gedragen naar de plaatselijke gebruiken en de gewoonte der eigenaars.

Bij gebreke van zoodanige gebruiken of gewoonte, mogen huizen voor geen langeren tijd dan voor vier, en landerijen dan voor zeven jaren worden verhuurd. (G. 595; A. 3; B. 803, 820, 864, 870, 1210 n». 2, 1215.)

820. Alle verhuringen of verpachtingen van in vruchtgebruik bezeten onroerende goederen, aangegaan meer dan twee jaren vóór het ingaan van de huur of de pacht zullen ten verzoeke van den eigenaar kunnen worden vernietigd, indien het regt van de vruchtgebruiker binnen dien tijd ophoudt. (B. 8196 en c, 864.)

821. De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerdering, welke aan het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, door aanspoeling is aangekomen.

Hij heeft, even als of hij zelf eigenaar was, het genot van de erfdienstbaarheden, en, in het algemeen, van alle andere regten, waarvan de eigenaar het genot kan hebben. Hij heeft alzoo het genot der jacht en visscherij. (C. 596, 597; B. 641, 651 v., 721 v., 768, 828.)

822. Hij heeft, op dezelfde wijze als de eigenaars, ook het genot van de mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die bij den aanvang van het vruchtgebruik reeds ontgonnen waren. (G. 598a; B. 626, 808, 823.)

823. De vruchtgebruiker heeft geen regt, hoe ook genaamd, op mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die nog niet ontgonnen zijn; en vermag derhalve geen steenkolen, turf of andere delfstoffen uit te graven, wanneer de ontginning of verveening nog niet begonnen is, ten zij het tegendeel uit zijnen titel blijke. (G. 598amp;; B. 768amp;, 822.)

82é. De vruchtgebruiker heeft geen regt op den schat, die, gedurende het vruchtgebruik, op het erf, waarvan hij het genot heeft, door een ander mogt gevonden worden.

Indien hij zelf den schat vindt, vermag hij zijn deel daarvan te vorderen, overeenkomstig artikel 642. (G. 5986; B. 556, 558, 808.)

825. De eigenaar is gehouden den vruchtgebruiker het vruchtgebruik te laten genieten, zonder hem daarin eenige belemmering toe te brengen. (C. 599a; B. 803. 829.)

826. De vruchtgebruiker kan bij het eindigen van het

291

-ocr page 350-

BURGERLIJK quot;WETBOEK.

vruchtgebruik geene schadeloosstelling vorderen, wegens verbeteringen die hij mogt beweren gemaakt te hebben, al ware het dat de waarde van het goed daardoor mogt zijn vermeerderd.

Desniettegenstaande kunnen die verbeteringen in aanmerking worden genomen, bij de waardering der schaden welke aan het goed mogten zijn aangebragt. (C. 5996; B. 630 v., 658 v., 829, 854.)

827. De spiegels, schilderijen en andere sierraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebracht, kunnen door hem of zijne erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren vorigen staat worden hersteld. (G. 599c; B. 563 n». 2, 636, 826, 829.)

828. De vruchtgebruiker mag alle zakelijke regtsvorde-ringen uitoefenen, welke de wet aan den eigenaar toekent. (B. 629, 821; Bv. 129amp;.)

DEUDE AFDEELING.

Van de verpligtingen des vruchtgebruikers.

829. De vruchtgebruiker neemt de zaken over in c!en staat waarin zij zich bij den aanvang des vruchtgebruiks bevinden.

Hij moet dezelve bij het einde des vruchtgebruiks terug geven in den staat waarin zij zich op dat tijdstip bevinden, behoudens de bepalingen van artikel 826 en 827, en de schadeloosstellingen, welke aan den eigenaar, wegens aan-gebragte schade, verschuldigd zijn. (C. 600; B. 367, 804, 809, 812, 834, 866.)

830. De vruchtgebruiker moet te zijnen koste, en in tegenwoordigheid van den eigenaar, of deze ten minste behoorlijk opgeroepen zijnde, eene beschrijving der roerende en eenen staat der onroerende goederen, welke aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, laten opmaken.

Niemand kan van deze verpligting, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, worden ontheven.

De beschrijving en staat kunnen onderhands worden opgemaakt, indien de eigenaar tegenwoordig is. (C. oOO; B. 367, 804, 866, 1599; Rv. 681.)

831. De vruchtgebruiker moet persoonlijke of zakelijke, geregtelijk goedgekeurde, zekerheid stellen, dat hij van de zaak, waarvan hij het vruchtgebruik heeft als een goed huisvader zal gebruik maken, zonder dezelve te verslim-meren, of te verwaarloozen, mitsgaders dat de goederen zullen worden terug gegeven, of derzelver waarde indien het goederen geldt waarvan bij art. 804 wordt gehandeld. (C. 601; B. 528 v., 832 v., 866, 1029,1208 v., 1309,1857 v.; Bv. 616 v.) •

832. De vruchtgebruiker kan, bij de akte waarbij het

292

-ocr page 351-

BOEK II, TITEL IX, A.RTT. 827—837.

vruchtgebruik wordt daargesteld, van de verpligting om zekerheid te stellen worden ontheven.

Ouders die het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen hunner kinderen zoo als ook diegenen, welke hun goed onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten geschenke gegeven, zijn daartoe niet gehouden.

Hetzelfde geldt ook omtrent den vruchtgebruiker van zaken, die onder het beheer van andere personen gesteld zijn, behoudens voor zoo veel deze aangaat, de bepaling van artikel 836. (G. 001; B. 366 v., 529 v., 866, 1029, 1706, 1767 v.)

833. Zoo lang de vruchtgebruiker geene zekerheid stelt, heeft de eigenaar het regt om het aan vruchtgebruik onderworpen goed zelf te besturen, mits van zijne zijde zekerheid stellende. Bij gebreke van dit laatste, zullen de onroerende goederen verhuurd, verpacht of onder het beheer van eenen derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik begrepen, zullen worden belegd, en de eetwaren en andere zaken, waarvan men geen gebruik kan maken, zonder die te verteren, worden verkocht, ten einde de prijs, welken zij opbrengen, insgelijks belegd worde.

De renten dezer geldsommen, mitsgaders de huur- en pachtpenningen, behooren aan den vruchtgebruiker. (C. 602; B. 529, 804, 808, 831, 832, 834 v., 837, 1767 v.)

831. Indien het vruchtgebruik, voor het geheel of gedeeltelijk, in roerende goederen bestaat, welke door het gebruik verminderen, verliest de vruchtgebruiker, bij gebreke van het stellen van zekerheid, het genot dier goederen niet, mits hij onder eede verklare, dal hij geene zekerheid heeft kunnen vinden, en belove dat hij de goederen, bij het einde des vruchtgebruiks, zal terug leveren.

Niettemin mag de eigenaar vorderen dat aan den vruchtgebruiker slechts dat gedeelte der roerende goederen worde overgelaten, hetwelk voor deszelfs gebruik noodzakelijk is, en dat het overschot worde verkocht en de prijs daarvan belegd, gelijk in het voorgaande artikel gezegd is. (C. 603: B. 529, 812, 829, 831 v.)

835. Door de vertraging in het stellen van zekerheid wordt de vruchtgebruiker niet verstoken van de vruchten waarop hij aanspraak kan maken, als welke hem verschuldigd zijn van het oogenblik waarop het vruchtgebruik zijnen aanvang heeft genomen. (C. 604: B. 807, 831 v., 1006.)

836. Zij, die benoemd zijn om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te besturen, zijn gehouden, alvorens hun bewind te aanvaarden, persoonlijke of zakelijke, ge-regtelijk goedgekeurde, zekerheid te stellen. (B. 529, 831, 832, 833, 850, 863, 1066.)

837. De bewindvoerders zijn verpligt ieder jaar aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording te doen, mitsgaders het slot van rekening uit te keeren.

Bij het eindigen van hun beheer moeten zij zoo wel aan den eigenaar, als aan den vruchtgebruiker, rekening en verantwoording afleggen.

293

-ocr page 352-

BURGERLIJK WETBOEK.

De eigenaar die, naar aanleiding van het eerste lid van artikel 833, het bestuur der goederen heeft, is gehouden, op dezelfde wijze, aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording af te leggen. (B. 521 v., 838; Rv. 771 v.)

838. De bewindvoerders kunnen worden afgezet om dezelfde redenen als de voogden; mitsgaders, uithoofde van nalatigheid in de voldoening der verpligting, aan hen bij het eerste lid van het vorige arlikel opgelegd. (B. 430,437 v., 837, 1069.)

839. Indien, om welke redenen ook, het bewind ophoudt, treedt de vruchtgebruiker in alle zijne regten terug. (B. 362c, 833, 838, 863, 1026, 1067.)

810 De vruchtgebruiker is alleen verpligt de reparatien tot onderhoud te doen.

De grove reparatien blijven ten laste van den eigenaar, ten ware dezelve veroorzaakt mogten zijn door verzuim van gewoon onderhoud, sedert den aanvang van het vruchtgebruik; in welk geval, de vruchtgebruiker ook daartoe gehouden is. (C. 605; B. 633, 770, 815amp; en c, 829, 841 v., 862, 875, 1031.)

8él. Als grove reparatien worden aangemerkt:

Die van zware muren en gewelven;

De herstelling van balken en geheele daken;

De geheele herstelling van dijken, van winterkaden, gemetselde waterwerken, mitsgaders die van steun-en scheidsmuren.

Alle andere reparatien worden als gewoon onderhoud gerekend. (C. 606; B. 1619.)

842. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, is gehouden te doen opbouwen hetgeen door ouderdom ingestort, of door toeval vernield is. (C. 607.)

843. De vruchtgebruiker is gehouden, gedurende zijn genot, voor zijne rekening te nemen alle jaarlijksche en gewone lasten van het erf, gelijk grondrenten, belastingen en andere, die gewoonlijk als lasten der vruchten worden beschouwd. (G. 608; B. 774, 875.)

844. Wat de buitengewone lasten betreft, waarmede het goed, gedurende het vruchtgebruik, mogt worden bezwaard, is de eigenaar verpligt dezelve te betalen, doch de vruchtgebruiker is gehouden hem de interessen daarvan, gedurende het vruchtgebruik, te vergoeden.

Indien de vruchtgebruiker die lasten voorgeschoten heeft, vermag hij dezelve, bij het eindigen van het vruchtgebruik, terug te eischen, doch zonder eenige interessen. (C. 609; B. 774, 875.)

845- Die een algemeen vruchtgebruik of een vruchtgebruik onder algemeenen titel heeft, moet met en benevens den eigenaar de schulden betalen, op de wijze als volgt;

Men begroot de waarde van het goed, hetwelk aan het vruchtgebruik is onderworpen; men bepaalt vervolgens, naar evenredigheid van die waarde, hetgeen tot de betaling der schulden door het goed moet worden opgebragt.

Indien de vruchtgebruiker de som welke van het goed moet worden opgebragt wil voorschieten, moet de hoofdsom,

294

-ocr page 353-

BOEK II, TITEL IX, ARTT. 838—851.

bij het eindigen des vruchtgebruiks, zonder eenige renten, aan hem worden terug gegeven.

Zoo de vruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft de eigenaar de keus, of om deze som te betalen; in welk geval, de vruchtgebruiker de interessen daarvan, gedurende het vruchtgebruik, aan hem schuldig wordt; of om een gedeelte der goederen, aan het vruchtgebruik onderworpen, tot het beloop der som die opgebragt moet worden, te doen bezwaren of verkoopen. (C. 612; B. 846, 847, 923, 1001, 1004, 1146 v.)

846. Hij die onder eenen bijzonderen titel een vruchtgebruik heeft, is niet gehouden de schulden te voldoen waarvoor het aan vruchtgebruik onderworpen erf verhypothekeerd is.

Indien hij dezelve betaalt om de gedwongene onteigening te voorkomen, heeft hij zijn verhaal op den eigenaar. (G. 611; B. 1004, 1012, 1151 v., 1242 v.)

847. Eene lijfrente, of jaarwedde tot onderhoud, welke door eenen erflater is gemaakt, moet door dengenen aan wien het geheele vruchtgebruik is gemaakt, voor het geheel worden voldaan, en door hein, aan wien slechts een gedeelte van het vruchtgebruik is nagelaten, naar evenredigheid van zijn genot, zonder dat door een van beiden eenige terugvordering mag worden gedaan. (G. 610; B. 811, 845, 1007 n0. 2, 1812 v.)

848. De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten van regtsgedingen welke zijn vruchtgebruik betreffen, en tot alle overige veroordeelingen, waartoe die gedingen kunnen aanleiding geven.

Indien het geschil te gelijker tijd den eigenaar en den vruchtgebruiker aangaat, en zij beiden in het geding betrokken zijn, zullen zij tot de kosten bijdragen, in evenredigheid hunner wederzijdsche belangen, door den regter te bepalen. (C. 613; B. 850; Rv. 56.)

849. Indien, gedurende het vruchtgebruik, een derde persoon zich eenige onwettige aanmatiging op het erf veroorlooft, of anderzins de regten van den eigenaar tracht te verkorten, is de vruchtgebruiker gehouden daarvan aan den eigenaar kennis te geven; bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schaden, welke daardoor voor den laatstgenoemden zouden mogen ontstaan, op dezelfde wijze als hij zoude moeten vergoeden het nadeel, door hem of door degenen, voor wie hij moet instaan, toegebragt. (C. 614; B. 828, 1402 v., 1594, 1627.)

850. Indien de goederen onder beheer van derden ge-bragt zijn, zijn de bewindvoerders, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden voor de regten des eigenaars en voor die van den vruchtgebruiker te waken.

Zij kunnen, voor den eigenaar of voor den vruchtgebruiker, noch eischende, noch verwerende, in regten optreden, zonder daartoe door dengenen dien de zaak aangaat, ge-magtigd te zijn, (B. 832c, 833, 836, 848, 849, 863.)

851. Indien eene kudde beesten, waarvan het vrucht-

295

-ocr page 354-

V

BURGERLIJK WETBOEK.

gebruik is gegeven, door toeval of door ziekte, en buiten de schuld des vruchtgebruikers, geheel verloren gaat, is deze alleenlijk verpligt aan den eigenaar verantwoording te doen van de huiden, of van derzelver waarde.

Indien de kudde niet geheel is verloren gegaan, is de vruchtgebruiker gehouden het getal der gestorven beesten uit de jongen aan te vullen. (G. 616; B. 808, 854 nquot;. 6, 858, 871.)

852. Indien het vruchtgebruik niet op eene geheele kudde, maar op een of meer beesten is gelegd, en een of meer derzelve, buiten de schuld des vruchtgebruikers, zijn komen te sterven, is deze niet verpligt dezelve aan te vullen, of de waarde daarvan uit te keeren, maar hij moet alleen de huiden of de waarde daarvan teruggeven. (C. 615; B. 808, 854 n°. 6, 871.)

.853. De vruchtgebruiker van een schip is verpligt om hetzelve, in geval eener buitenlandsche reis, te laten verzekeren. Bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schade, welke daardoor voor den eigenaar zoude mogen ontstaan. (B. 812, 860; K. 592 v., 748 v.)

VIERDE AFDEELING.

Hoe het vruchtgebruik eindigt.

854. Vruchtgebruik eindigt:

1°. Door den dood van den vruchtgebruiker; (B. 819, 855, 1354.)

2°. Wanneer de tijd tot welken, of de voorwaarden, waaronder hetzelve is toegestaan, verloopen of vervuld zijn; (B. 856 v.)

3°. Door vermenging, wanneer de bloote eigendom en het vruchtgebruik ziin gekomen in dezelfde hand; (B. 803, 1472 v.)

4°. Door afstand van den vruchtgebruiker, ten behoeve van den eigenaar; (B. 819.)

5°. Door verjaring, wanneer de vruchtgebruiker gedurende dertig jaren van zijn regt geen gebruik heeft gemaakt; (B. 1983 v.)

6°. Door den geheelen ondergang der zaak, waarop het vruchtgebruik is gevestigd. (B. 858—861; —C. 6\'l7; B. 369, 750 v., 765 v., 783, 801, 862, 865, 1215; Bv. 491 n®. 2; Onteigen.w., a. 45a, zie chron. lijst.)

855. Vruchtgebruik ten voordeele van verscheiden personen gezamelijk gegeven, houdt eerst op door den dood van den laatsten.

Vruchtgebruik ten voordeele van een zedelijk ligchaam houdt op door de ontbinding van hetzelve. (B. 805, 854 nquot;. 1, 857, 1049, 1699 v.)

856. Het vruchtgebruik, hetwelk gegeven is tot dat een derde persoon eenen zekeren ouderdom zal bereikt hebben, blijft tot dat tijdstip voortduren, al ware het dat deze

296

-ocr page 355-

BOEK II, TITEL IX, ARTT. 852—868.

persoon vóór den vastgestelden ouderdom mogt overleden zijn: behoudens hetgeen, bij den vijftienden titel van het eerste boek van dit Wetboek, aangaande het wettelijk genot van de ouders bepaald is. (C. 620; B. 366, 369, 854 n0. 2.)

857. Geen vruchtgebruik kan aan een zedelijk ligchaam langer dan voor dertig jaren worden toegestaan. (G. 619; B. 854 n\'. 2, 8556, 1690.)

858. Indien slechts een gedeelte der aan vruchtgebruik onderworpene zaak is te niet gegaan, blijft het vruchtgebruik voor hetgeen overig is bestaan.

Overstrooming van den grond doet het vruchtgebruik geenszins te niet gaan, voor zoo verre de vruchtgebruiker, naar den aard der zaak, in staat is zijn regt uit te oefenen.

Het vruchtgebruik herleeft in zijn geheel, nadat de grond door de natuur of door den arbeid weder zal zijn droog geworden; behoudens de bepaling van artikel 649. (C. 623; B. 6016, 648, 653, 752, 8016, 851, 854 n0. 6, 859.)

859. Indien het vruchtgebruik alleen op een gebouw gevestigd is, en dit gebouw door brand of een ander toeval vernield, of door ouderdom is ingestort, heeft de vruchtgebruiker geen regt van genot, noch op den grond, noch op de bouwstoffen.

Indien het vruchtgebruik gevestigd is op een stuk goed, waarvan het gebouw een gedeelte uitmaakte, blijft de vruchtgebruiker in het genot van den grond, en mag zich van de bouwstoffen bedienen, het zij om hetgeen vernield is weder op te bouwen, het zij om andere gebouwen te herstellen, welke een gedeelte van het goed uitmaken. (C. 624; B. 854 nquot;. 6, 858, 860.)

860. Het vruchtgebruik van een vaartuig gaat te niet, wanneer dit zich buiten staat bevindt om hersteld te worden.

De vruchtgebruiker heeft geen regt op het wrak of de overblijfselen. (B. 808, 853, 854 n®. 6, 858 v.)

861. Het vruchtgebruik van eene rente, inschuld of ver-bindtenis, houdt niet op door de aflossing der hoofdsom.

De vruchtgebruiker heeft het regt om de wederbelegging daarvan te zijnen voordeele te vorderen. (B. 811, 854n®. 6, 858 v., 1812.)

862. Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik hetwelk de vruchtgebruiker van zijn genot maakt, het zij door het goed te beschadigen, het zij door hetzelve, bij gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen. (C. 618a; B. 780, 829, 840.)

863. De regter kan, in die gevallen, en naar gelang der omstandigheden, het zij de geheele vernietiging van het vruchtgebruik uitspreken, het zij de goederen onder het beheer van eenen derde stellen, of wel dezelve aan den eigenaar doen overgeven, met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker eene bepaalde som te betalen, tot op het oogenblik toe, waarop het vruchtgebruik zoude hebben moeten ophouden.

Indien evenwel de vruchtgebruiker of deszelfs schuld-eischers aanbieden om het gepleegde misdrijf dadelijk te

297

-ocr page 356-

BURGERLIJK WETBOEK.

herstellen, en voor het vervolg voldoende zekerheid te geven, zal de rechter den vruchtgebruiker in het genot van zijne regten kunnen handhaven. (C. 6186 en c;B. 781, 832c, 833. 836 v., 1177.)

864. Het te niet gaan van het vruchtgebruik doet de huurcontracten, volgens artikel 819 aangegaan, niet ophouden. (B. 820.)

TIENDE TITEL.

Van het gebruik en de bewoning.

865. Het regt van gebruik en dat van bewoning zijn zakelijke regten, welke verkregen worden en te niet gaan op dezelfde wijze als het vruchtgebruik. (C. 625; B. 564 n0. 1, 567 n0. 1. 584, 806, 854; Onteigen.w., a. 45b, zie chron. lijst.)

866. De verpligting aan den vruchtgebruiker opgelegd om zekerheid te stellen, staat en beschrijving te maken, als een goed huisvader te genieten en de zaak terug te geven, is ook op hem die het regt van gebruik of bewoning heeft, toepasselijk. (G. 626, 627; B. 829, 830 v.)

867. Het regt van gebruik en dat van bewoning worden geregeld naar den titel, waarbij dezelve zijn daargesteld; indien bij den titel geene bepalingen omtrent de uitgestrektheid dier regten gemaakt zijn, worden dezelve overeenkomstig de volgende artikelen geregeld. (C. 628, 629; B. 764, 782.)

868. Hij, die het regt van gebruik op een erf heeft, vermag daarvan slechts zoovele vruchten te trekken, als hij voor zich en zijn huisgezin noodig heeft. (C. 630; B. 867,872.)

869. Zaken welke door het gebruik verloren gaan, kunnen geen onderwerp uitmaken van het regt van gebruik, doch indien dat regt op soortgelijke zaken is toegestaan, wordt hetzelve als vruchtgebruik beschouwd. (B. 561, 804.)

870. De gebruiker mag zijn regt aan geen ander afstaan of verhuren. (C. 631; B. 819, 868, 874.)

871. Ten aanzien van beesten, heeft de gebruiker het regt om daarmede zijn werk te doen, en de melk, voor zoo verre de behoefte van hem en zijn huisgezin vordert, alsmede de mest, te gebruiken, doch hij heeft geenszins het genot van de wol of de jongen der beesten. (B. 851 v.)

872. Het regt van gebruik, op een erf gevestigd, bevat noch de jagt, noch de visscherij, maar de gebruiker heeft het genot der erfdienstbaarheden. (B. 641, 721 v., 768, 821, 868.)

873. Ten opzigte van een huis, bestaat er geen onderscheid tusschen het regt van gebruik en dat van bewoning.

Hij die het regt van bewoning in een huis heeft, mag daarin met zijn huisgezin wonen, zelfs indien hij op het tijdstip, waarop hem dat regt werd toegestaan, mogt zijn ongehuwd geweest.

298

-ocr page 357-

BOEK II, TITEL IX, X EN XI ARTT. 864—879.

Dat regt bepaalt zich tot hetgeen noodzakelijk is ter bewoning van den gebruiker en van deszelfs huisgezin. (C. 632, 633; B 867, 868, 874.)

874. Het regt van bewoning mag niet worden afgestaan, noch verhuurd. (C. 634; B. 819, 870.)

875. Indien de gebruiker alle de vruchten van het erf geniet, of het geheele huis bewoont, is hij even als een vruchtgebruiker verpligt de kosten van bebouwing en de herstellingen tot onderhoud, mitsgaders de belastingen en andere lasten, te dragen.

Indien hij slechts een gedeeelte der vruchten geniet, of een deel van het huis bewoont, moet hij tot die kosten en lasten bijdragen, naar evenredigheid van ziin genot. (C. 635; B. 840 v., 843 v.)

876. Het gebruik van bosschen en beplantingen, aan eenen bijzonderen persoon toegestaan, geeft aan den gebruiker alleen het regt om zich van het doode hout te bedienen, en om van het hakhout te nemen hetgeen voor hem en zijn huisgezin noodig is. (G. 636; B. 813 v.)

ELFDE TITEL.

Van erfopvolging bij versterf.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

877. Erfopvolging heeft alleen door den dood plaats. (C. 718; B. 4, 528, 540, 584, 666.)

878. Indien verscheiden personen, van welke de een tot des anderens erfenis geroepen is, door een en hetzelfde ongeval, of op denzelfden dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis van den eenen ten behoeve van den anderen plaats. (C. 720—722; B. 883, 941, 1953.)

879. Tot de erfenis worden door de wet geroepen:

1°. De wettige en de natuurlijke bloedverwanten, volgens de hierna vastgestelde regelen; (B. 899 v., 909 v.)

2°. Bij gebreke van deze, de langstlevende echtgenoot. (B. 920.)

Bij gebreke van bloedverwanten en van eenen over-blijvenden echtgenoot, vervallen de goederen aan den staat, onder den last om de schulden te voldoen, voor zoo ver de waarde dier goederen toereikende is. (G. 723, 767 v.; B. 196, 576, 921 v., 1172 v.; Armenw., a. 54.)

Art. 54 der Armenwet. De octrooijen, vroeger verleend omtrent het verhaal van kosten van verpleging of ondersteuning, of het erfregt van burgerlijke, kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid op de nalatenschap der verpleegden of ondersteunden, zijn vervallen.

299

-ocr page 358-

BURGERMJK WETBOEK.

880. De erfgenamen treden van regtswege in het bezit der goederen, regten en reglsvorderingen van den overledene.

Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam en alzoo tot dat bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder geregtelijke bewaring zullen worden gesteld.

De staat moet zich door den regter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en eene boedelbeschrijving te doen opmaken, in den vorm, voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voor-regt van boedelbeschrijving vastgesteld. (C. 7\'24, 769 v.; B. 812 v,, 325 v., 597, 617, 639, 854 n». 1, 865,1002,1003, 1070 v., 1090 v., 1103 v., 1172 v., 1335, 1354, 1564, 1754, 1767, 1780, 1856, 1863; Rv. 4 n». 6, 254 v.; W. auteursr. a.. 9b, zie chron. lijst.)

881. De erfgenaam heeft eene regtsvordering tot verkrijging der erfenis tegen alle degenen die, het zij onder dien titel of zonder titel in het bezit zijn van de geheele nalatenschap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten.

Hij kan deze regtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zoo er meerdere erfgenamen zijn.

Die regtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welken titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen welke in den derden titel van dit boek ten aanzien van de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B. 620, 629 v., 1002b, 1164, 1370, 1573; Rv. 129c.)

882. Die regtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van den dag waarop de erfenis is opengevallen. (B. 324, 1002, 2004.)

883. Ten einde als erfgenamen te kunnen optreden, moet men bestaan op het oogenblik dat de erfenis is opengevallen, met inachtneming van den regel, bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld. (G. 725; B. 878, 946, 1716.)

884- Ingetrokken bij art. 1 der Wet van 7 April (Stb. n®. 56). a)

Dit artikel 1 luidt:

De artt. 884 en 957 van het Burgerlijk Wetboek worden afgeschaft.

300

Indien eene nalatenschap, waartoe zoo wel goederen in Nederland als buiten \'s lands behooren, gedeeld wordt tusschen vreemdelingen en Nederlanders, nemen de laatstgenoemden eene waarde vooruit, evenredig naar de mate van hun erfdeel met de waarde der goederen,

a) Het ingetrokken art. 88t luidde: „Geen vreemdeling is bevoegd om als erfgenaam op te treden in de goederen, welke zijn tloedver-want, het zij vreemdeling, het zij Nederlander, in het koningrijk bezit, dan alleen in de gevallen, waarin een Nederlander van zijnen bloedverwant, goederen in het land van dien vreemdeling bezittende, zoude kunnen erven, en op dezelfde wijze.quot;

-ocr page 359-

BOEK II, TITEL XI, ARTT. 880—890.

van welker eigendomsverkrijging zij door buitenlandsche wetten of gewoonten zijn uitgesloten.

De waarde wordt vooruit genomen op de goederen der nalatenschap, ten aanzien waarvan de uitsluiting niet bestaat. (W. Nederl.sch., slotbepaling, zie chron. lijst.)

885- Als onwaardig om erfgenamen te zijn, worden beschouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten:

1°. Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene heeft omgebragt of getracht heeft om te brengen; (Sr. 45.)

2°. Hij, die bij regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den erflater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging van een misdrijf waartegen eene vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd; (B. 1408 v.; Sr. 268; Sv. 11 v.)

Gewijzigd hij art. 10 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

3°, Hij, die den overledene door geweld of feitelijkheid belet heeft zijnen uitersten wil te maken of te herroepen; (B. 922, 1039 v.)

4°. Hij, die den uitersten wil van den overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalscht. (G. 727; B. 880, 886, 959.)

886. De erfgenaam, die uit hoofde van onwaardigheid van de erfenis is uitgesloten, is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen der erfenis genot heeft gehad. (C. 729; B. 634.)

887. Kinderen van eenen onwaardig verklaarden persoon, uit eigen hoofde tot de erfenis komende, zijn niet uitgesloten door de schuld van hunne ouders; doch deze zijn in geen geval bevoegd om van de goederen dier nalatenschap het vruchtgenot te vorderen hetwelk de wet aan ouders op de goederen van hunne kinderen toekent. (C. 730; B. 366, 894, 899amp;.)

888. Plaatsvervulling geeft aan den vertegenwoordigen-den persoon het regt om te treden in de plaats, in den graad en in de regten van dengenen die vertegenwoordigd wordt. (C. 739; B. 913, 961d, 1106, 1135f.)

889. Plaatsvervulling heeft in de regte nedergaande wettige linie in het oneindige plaats.

Dezelve wordt in alle gevallen toegelaten, het zij de kinderen van den overledene te zamen tot de erfenis komen mot de nakomelingen van een vooroverleden kind, het zij, alle de kinderen van den overledene voor hem gestorven zijnde, de nakomelingen dier vooroverledene kinderen zich onderling in gelijke of ongelijke graden bestaan. (C. 740; B. 335, 913, 919 v., 1022.)

301

890. Er bestaat geene plaatsvervulling ten opzigte van

u) Oorspronkelijk werden, in plaats van de woorden; „vrijhoidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren,quot; gelezen de woorden: „outeerende straf.quot;

-ocr page 360-

BURGERLIJK WETBOEK.

naastbestaanden in de opgaande linie. De naaste in ieder der beide linien sluit ten allen tijde dengenen uit, die in eenen verderen graad is. (C. 741; B. 900b.)

891. In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten voordeele van kinderen en nakomelingen van des over-ledenens broeders en zusters, het zij die gezamenlijk met hunne ooms of moeijen tot de nalatenschap komen, het zij dat, na het vooroverlijden der broeders en zusters van den overledene, de erfenis overga tot derzelver nakomelingen, aan elkander in gelijke of in ongelijke graden bestaande. (C. 742; B. 892, 902 v., 907.)

892. Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in iedere erfopvolging van zijdmagen, wanneer, nevens dengenen die den erllater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of afkomelingen aanwezig zijn van vooroverleden broeders of zusters van eerstgemelden; in welk geval, deze bij plaatsvervulling met hunne ooms of moeijen, oudooms of oud-moeijen, tot de erfenis geregfigd zijn. (B. 891, 905.)

893. In alle de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt toegelaten heeft de verdeeling bij staken plaats; indien dezelfde staak verscheidene takken heelt voorgebragt, geschiedt de onderverdeeling in iederen tak wederom bij staken, en onder de personen in denzelfden tak geschiedt de verdeeling bij hoofden. (C. 743; B. 899??, 90oc.)

894 Niemand kan voor eenen levenden persoon bij plaatsvervulling optreden. (C. 744; B. 545 v., 887, 1106.)

895. Een kind ontleent niet van zijne ouders het regt om hen te vertegenwoordigen, en men kan zelfs dengenen vertegenwoordigen wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden. (C. 744; B. 1106, 1135.)

896. De wet slaat geen acht, noch op den aard, noch op den oorsprong der goederen, om de erfopvolging in dezelve te regelen. (G. 730; B. 899, 918.)

897. Alle erfenissen welke, het zij geheellijk, het zij voor een gedeelte, aan bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie te beurt vallen, worden in twee gelijke gedeelten gekloofd, waarvan het eene aan de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere aan die in de moederlijke linie, te beurt valt, behoudens de bepalingen in artikel 901, 902 en 906, voorkomende.

De erfenis kan nimmer uit de eene linie tot de andere overgaan, dan wanneer er in ééne der beide linien, ncch bloedverwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt. (C. 733; B. 346 v., 900, 903, 904, 908.)

898. Deze eerste verdeeling tusschen de vaderlijke en de moederlijke linien daargesteld zijnde, heeft er geene verdere kloving tusschen de onderscheidene takken plaats; maar de helft, aan iedere linie te beurt gevallen, behoort aan den erfgenaam, of de erfgenamen, welke den overledene het naast in graad bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling. (C. 734; B. 888, 893.)

302

-ocr page 361-

BOEK II, TITEL XI, ARTT. 891 —904.

TWEEDE AFDEELING.

Van de erfopvolging in de vjettige nederdalende, opgaande en zijdlinie.

899. De kinderen of hunne afstammelingen erven van hunne ouders, grootouders, of verdere bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderscheid van kunne of eerstgeboorte, en zelfs wanneer zij uit verschillende huwelijken verwekt zijn.

Zij erven voor gelijke deelen bij hoofden, wanneer zij allen in den eersten graad zijn en uit eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte, hunner, bij plaatsvervulling opkomen. (C. 745; B. 196, 332 v., 887, 888 v., 893, 9H, 1106.)

900. Indien de overledene noch nakomelingen, noch broeders of zusters achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee gelijke deelen tusschen de bloedverwanten in de vaderlijke, en die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de bepaling van artikel 906.

De naaste in graad in do opgaande linie bekomt de helft aan zijne linie behoorende, met uitsluiting van alle anderen.

Bloedverwanten in de opgaande linie, van denzelfden graad, erven bij hoofde. (C. 746; B. 890, 898, 917.)

901. Wanneer de vader en de moeder van eenen persoon, welke zonder nakomelingen overleden is, hem overleven, bekomt ieder hunner een derde gedeelte der nalatenschap, indien de verstorvene slechts éénen broeder of ééne zuster heeft achtergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.

De vader en de moeder erven ieder voor een vierde gedeelte, indien de overledene meerdere broeders of zusters heeft achtergelaten, en in dat geval, vallen aan deze laatst-gemelde de twee overige vierde gedeelten te beurt. (C. 748, 751; B. 897.)

902. Wanneer de vader of de moeder van iemand, zonder nakomelingen overleden, vóór hem gestorven is, zal de langstlevende de helft der nalatenschap bekomen, indien de overledene slechts éénen broeder of ééne zuster achterlaat; één derde, indien hij er twee achtergelaten heeft; en één vierde gedeelte, indien er meerdere broeders of zusters achtergebleven zijn. De overige deelen vallen aan de broeders en zusters te beurt. (C. 749, 751; B. 897.)

903. Indien vader en moeder van eenen persoon, welke zonder nakomelingschap gestorven is, vooroverleden zijn, worden de broeders en zusters tot de geheele erfenis geroepen, met uitsluiting der bloedverwanten in de opgaande linie, en der overige zijdmagen. (C. 750; B. 918.)

904. De verdeeling van al hetgeen, volgens de bepalingen der hier-bovenstaande artikelen, aan de broeders en de zusters toekomt, geschiedt onder hen in gelijke deelen, indien zij allen van hetzelfde bed zijn; doch indien zij uit verschillende huwelijken zijn voortgesproten, wordt hetgeen zij erven in twee gelijke deelen tusschen de vaderlyke en

303

-ocr page 362-

BURGERLIJK WETBOEK.

de moederlijke linien des overledenen verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen hun deel in beide de linien, en die van halven bedde slechts in de linie tot welke zij behooren. Indien er niet dan halve broeders of zusters, van éénen kant slechts, zijn achtergebleven, bekomen zij de ge-heele nalatenschap, met uitsluiting van alle andere bloedverwanten in de andere linie. (C. 752; B. 897.)

905. Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van nabestaanden in eene der beide opgaande linien, komt de nalatenschap voor de eene helft aan de in leven zijnde bloedverwanten in de opgaande linie, en voor de wederhelft aan de zijdtnagen in de andere linie, met uitzondering van het geval bij het volgende artikel vermeld.

Bij gebreke van broeders en zusters en van nabestaanden in de beide opgaande linien, worden in iedere zijdlinie de naaste bloedverwanten, ieder voor de helft, tot de erfenis geroepen.

Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van denzelfden graad gevonden worden, deelen zij onder elkander bij hoofden, behoudens de bepaling van art. 892. CC. 753; B. 897, 906.)

906. De langstlevende vader of moeder erft alleen de geheele nalatenschap van zijn kind, hetwelk, zonder afkome-lingen en zonder broeders of zusters na te laten, overleden is. (C. 753, 754; B. 897, 900, 905, 917.)

907. Onder de benaming van broeders en zusters, in deze afdeeling voorkomende, worden steeds de wettige afstammelingen van ieder hunner begrepen. (B. 891, 900—906, 96\'.)

908. Bloedverwanten, welke den overledene verder dan in den twaalfden graad bestaan, erven niet.

Indien in de eene linie geene bloedverwanten van den graad, waarin men erven kan, gevonden worden, bekomen de bloedverwanten in de andere linie de geheele erfenis. (C. 775; B. 345 v., 879, 897.)

DERDE AFDEELING.

Van erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen aanwezig zijn.

909. Indien de overledene wettelijk erkende natuurlijke kinderen heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap gebeurd op de wijze als bij de drie volgende artikelen bepaald is. (C. 756, 757a; B. 335 v., 340, 879 n». 1.)

910. Indien de overledene wettige afstammelingen heeft achtergelaten, erven de natuurlijke kinderen een derde van het aandeel, hetwelk zij zouden gehad hebben, indien zij wettig waren geweest; zij erven de helft der nalatenschap, indien de overledene geene afstammelingen, maar wel bloedverwanten in de opgaande linie, of broeders en zusters, of derzelver afstammelingen heeft achtergelaten; en drie vierden, indien er slechts nabestaanden in eenen verderen graad zijn overgebleven.

304

-ocr page 363-

HOEK II, TITEL XI, ARTT. 905—920.

Indien de wettige erfgenamen den overledene in ongelijke graden bestaan, bepaalt de naaste in de eene linie, zelfs ten aanzien dergenen welke zich in de andere linie bevinden, de hoegrootheid van het aandeel, hetwelk aan het natuurlijk kind verschuldigd is. (C. 7576; B. 955, 963.)

911. In alle de gevallen, bij het vorige artikel voorzien wordt het overschot der nalatenschap, op de wijze als bij de tweede afdeeling van dezen titel bepaald is, onder de wettelijke erfgenamen verdeeld, (B. 879, 899 v.)

912. Indien de overledene geenen bloedverwant in den graad, waarin men erven mag, achtergelaten heeft, bekomen de natuurlijke kinderen de geheele nalatenschap. (G. 758; B. 879, 885, 908, •1103 v.)

913. In geval een natuurlijk kind vooroverleden is, zijn deszelfs wettige kinderen en afstammelingen bevoegd de bij artikel 910 en 912 aan hen toegekende voordeelen te vorderen. (C. 759; B. 889.)

914. De hier-bovenstaande bepalingen zijn niet op in overspel of in bloedschande verwekte kinderen toepasselijk.

De wet verleent hun alleenlijk het noodige levensonderhoud. (C. 762; B. 327, 328, 338, 384.) .

915. Dat onderhoud wordt geregeld overeenkomstig de gegoedheid des vaders of der moeder, en naar het getal en de hoedanigheid der wettelijke erfgenamen. (G. 763; B. 379; K. 920 nquot;. 3.)

916. Indien de vader of de moeder, bij hun leven, aan een in overspel of bloedschande verwekt kind het noodige levensonderhoud heeft verzekerd, kan dat kind geene verdere aanspraak hoegenaamd op de nalatenschap van deszelfs vader of moeder maken. (C. 764; B. 380.)

917. De nalatenschap van een natuurlijk kind, zonder nakomelingschap overleden, vervalt aan den vader of aan de moeder, die hetzelve erkend heeft, of aan ieder hunner voor de helft, indien het door beide is erkend geweest. (G. 765; B. 335, 899—902, 906, 910, 911.)

918. In geval van vooroverlijden der ouders van een natuurlijk kind, hetwelk geene nakomelingschap heeft nagelaten, keeren de goederen, welke hetzelve uit de nalatenschap der ouders verkregen heeft, indien die goederen nog in natura in den boedel aanwezig zijn, tot de wettige afstammelingen van zijnen vader of zijne moeder terug; hetzelfde geldt ten aanzien van actiën tot terugvordering, indien er zoodanige bestaan, en van den koopprijs der goederen, zoo dezelve vervreemd zijn, en die koopprijs nog verschuldigd is.

Alle de overige goederen gaan over tot de natuurlijke broeders of zusters, of tot hunne wettige nakomelingen. (C. 766; B. 889, 903.)

919. De wet kent aan een natuurlijk kind geen regt hoegenaamd toe op de goederen der bloedverwanten van zijne ouders, behalve in het geval bij het volgende artikel vermeld. (G. 756; B. 335, 345.)

920. Indien een dier bloedverwanten kwam te overlijden, zonder nabestaanden in den erfelijken graad, noch

305

20

-ocr page 364-

BURGERLIJK WETBOEK.

langstlevenden echtgenoot achter te laten, is het natuurlijk erkend kind geregtigd om de nalatenschap te vorderen, met uitsluiting van den staat.

En indien het natuurlijk kind sterft, zonder afstammelingen, noch ouders, noch natuurlijke broeders of zusters of nakomelingen van deze, noch langstlevenden echtgenoot achter te laten, behoort deszelfs nalatenschap insgelijks, en met uitsluiting van den staat, aan de naaste bloedverwanten -van zijnen vader of van zijne moeder, welke hem erkend heeft; en indien hij door beide erkend is, behoort de eene helft zijner nalatenschap aan de naaste bloedverwanten van vaders kant en de wederhelft aan die van moeders zijde.

De verdeeling in beide linien geschiedt volgens de regelen, omtrent gewone erfopvolging voorgeschreven. (B. 335, 879, 899 v., 908, 909 v., 917, 918, 924.)

TWAALFDE TITEL.

Van uiterste willen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

921. De goederen, welke iemand bij zijn overlijden nalaat, behooren aan zijne wettelijke erfgenamen, voor i;oo verre hij daarover niet bij uitersten wil wettiglijk mogt hebben beschikt. (O. 4; B. 224, 228, 230, 23b, 234, 584, 877, 879, 880, 1002, 1003; W. auteursr., a. 9b, zie chron. lijst.)

922. Een testament of uiterste wil is eene akte, houdende eene verklaring van heigeen iemand wil dat na zijnen dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen. (C. 895; B. 1039 v.)

923. Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen zijn, of algemeen, of onder eenen algemeenen titel, of onder eenen bijzonderen titel.

Elke dezer beschikkingen, het zij dezelve gedaan zij onder de benaming van eifstelling, het zij onder de benaming van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht hebben, volgens de regelen bij dezen titel voorgeschreven. (C. 967, 1002; B. 1001 v., 1004.)

924. Eene uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de naaste bloedverwanten of het naaste bloed van den erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te zijn gemaakt ten voordeele van zijne door de wet geroepen erfgenamen. (B. 345 v., 879, 899 v., 920.)

925. De uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de armen, zonder andere aanduiding, wordt geacht gemaakt te zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke, in de plaats alwaar de erfenis

300

-ocr page 365-

BOEK n, TITEL XI EN XII, AR TT. 921—935.

is opengevallen, door armen-inrigtingen bedeeld worden. (G. 168; Armenw., a. 1 v.)

926. De erfstellingen over de hand of fidei-commissaire substitutien zijn verboden.

Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van den benoemden erfgenaam of legataris, nietig en van onwaarde elke beschikking, waarbij dezelve belast wordt de erfenis of het legaat te bewaren, en aan eenen derde, voor het geheel, of voor een gedeelte, uit tekeeren. (C. 896: O. 50; B. 927— 931, 1712.)

927. Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen over de hand zijn uitgezonderd die welke bij de zevende en achtste afdeelingen van dezen titel zijn toegelaten. (C. 897; B. 928, 1020 v., 1036 v., 1712.)

928. De bepaling waarbij een derde, of bij diens vooroverlijden, alle deszelfs wettige kinderen, reeds geboren of die nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot het geheel of tot een gedeelte van hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn overlijden, van de erfenis of van het legaat onvervreemd of onverteerd zal overlaten, is geene verbo-dene erfstelling over de hand.

Door zoodanige erfstelling of legaat mag de erflater zijne erfgenamen, aan welke een wettelijk erfdeel toekomt, niet benadeelen. (B. 946 v., 960 v., 1021, 1022, 1023, 10246, 1036 v., 1712.)

929. De beschikking, waardoor een derde tot eene erfenis of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen erfgenaam of legataris dezelve niet geniet, is van waarde. (C. 898; B. 946, 959, 1048, 1103 v., 1712.)

930. Hetzelfde heeft plaats omtrent eene uiterste wilsbeschikking, waarbij het vruchtgebruik aan den eenen, en de bloote eigendom aan den anderen gegeven wordt. (C. 899; B. 803, 805, 946, 969, 1017, 1706.)

931. De bepaling, waarbij de nalatenschap of het legaat, of wel een gedeelte van dezelve, onvervreemdbaar is verklaard, wordt voor niet geschreven gehouden. (A. 14; B. 926, 1036, 1112, 1712)

932. Indien de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken. (B. 1017, 1378.)

933. indien daarentegen de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn. moet men veeleer nagaan welke de bedoeling des erflaters geweest zij, dan zich, tegen die bedoeling, aan den letterlijken zin der woorden houden. (B. 1379.)

934. In zoodanig geval, moeten ook de bewoordingen worden opgevat in den zin, die met den aard der beschikking en derzelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur in dier voege dat de beschikking eenige uitwerking of gevolg hebbe. (B. 1018, 1380, 1381.)

935. In alle uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaarden, die onverstaanbaar of onmogelijk zijn, of die met de wetten en goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden. (C. 900; A. 14; B. 936, 1044, 1290.)

307

-ocr page 366-

BURGERLIJK WETBOEK.

936. De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, wanneer hij, die bij de niet-vervulling daarvan belang mogt hebben, de vervulling heeft belet. (B. quot;1296.)

937. De vermelding van een valsche beweegreden wordt voor niet geschreven gehouden, ten zij uit den uitersten wil blijken mogt dat de erllater de beschikking niet zoude hebben gemaakt, indien hij van de valschheid der beweegreden kennis had gedragen. (B. 938, 1371.)

938. De vermelding van eene, het zij ware, het zij valsche, beweegreden, die echter met de wetten of de goede zeden strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig. (.A,. 14; B. 935, 1371, 1373.)

939. Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgenamen of legatarissen is opgelegd geworden, en een of meerder hunner van de erfenis of het legaat afzien, of wel onbekwaam zijn om het gemaakte te beuren, zal hij die zich voor het geheel van den last wil kwijten, het hem nagelaten gedeelte kunnen vorderen, en zijn verhaal hebben op de nalatenschap, voor hetgeen hij voor de andere mogt hebben betaald. (B. 1002, 1005, 1009, 1051, 1332 v.)

940. Uiterste willen, gemaakt ten gevolge van dwang, bedrog of arglist, zijn nietig. (B. 1357 v.)

941. Indien door een en hetzelfde ongeval, of op denzelfden dag, mogten omkomen de erflater en de erfgenaam of de legataris, of dengene, die bij eene geoorloofde ondererfstelling in plaats van deze laatsten zoude zijn opgetreden, zonder dat men weten kunne, wie van de alzoo omgekomene het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van regten ten gevolge van den uitersten wil plaats. (B. 878, 883, 1712, 1953.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de hekivaamhcid om bij uitersten wil te beschikken of daarvan voordeel te genieten.

942. Tot het maken of herroepen van eenen uitersten wil moet men zijne verstandelijke vermogens bezitten. (C. 901; B. 487, 500, 502, 922, 945, 1039 v.)

943. Alle personen kunnen bij uitersten wil beschikken, en daaruit voordeel genieten, uitgezonderd de zoodanige die daartoe, volgens de bepalingen van deze afdeeling, zijn onbekwaam verklaard. (C. 902; B. 173, 500c, 944 v., 1713.)

944. Minderjarigen, die den vollen ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt, mogen geen uitersten wil maken. (C. 903, 904; B. 206, 224, 385, 951 v., 1714.)

945. De bekwaamheid van den erflater wordt beoordeeld naar den staat waarin hij zich bevond op het oogenblik dat de uiterste wil gemaakt is. (B. 942, 951, 952.)

946. Om uit krachte van eenen uitersten wil iets te

308

-ocr page 367-

BOEK H, TITKIj XII, ARTT. 936—955. 309

kunnen genieten, moet men bestaan op het oogenblik van den dood des erflaters, met inachtneming van den regel bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld.

Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroepen zijn om uit stichtingen genot te trekken. (G. 906; B. 528, 545 v., 883, 928, 941, 1020,1021,1023,1044,1048 v , 1716.)

947. Makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve van openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armeninrigtingen, hebben geen gevolg, dan voor zoo ver de Koning aan de bevindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die aan \';e nemen. (G. 910; B. 925, 946b, 1092amp;, 1691, 1717; Gem.w., a. 194d j». 137; Armenw., a. Ie.)

948. Een echtgenoot kan geen voordeel genieten dooide uiterste wilsbeschikkingen van zijnen mede-echtgenoot, indien het huwelijk zonder behoorlijke toestemming mogt zijn aangegaan, en de erflater gestorven is op een tijdstip, waarop de wettigheid van dit huwelijk te dier oorzake nog in regten kon worden betwist. (B. 92 v., 146, 958.)

949. De man of de vrouw, die, kinderen uit een vroeger bed hebbende, een tweede of volgend huwelijk aangaat, zal bij uitersten wil aan zijnen lateren echtgenoot niet meer mogen geven dan het minste gedeelte hetwelk één der wettige kinderen geniet, en zonder dat, in eenig geval, de beschikking het vierde deel van zijne goederen mag te boven gaan. (G. 1098; B. 236 v., 958.)

950 Echtgenooten kunnen, ten opzigfe van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over het aandeel dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indien echter eenig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien dat goed niet aan de erfgenamen van den erflater is aan-bedeeld. In dat geval, wordt de legataris schadeloos gesteld uit het aandeel in de gemeenschap, aan de erfgenamen van den erflater aangekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die erfgenamen persoonlijk toebehoorende. (C. 1423; B. 183 v., 1013, 1078, 1113, 1146 v.)

951. Een minderjarige, ofschoon den ouderdom van achttien jaren bereikt hebbende, kan bij uitersten wil ten voor-deele van zijnen voogd geene beschikking maken.

Meerderjarig geworden zijnde, kan hij zijnen gewezen voogd niet bij uitersten wil bevoordeelen, dan na het afleggen en sluiten der voogdij-rekening.

Van de twee hier-boven gemelde gevallen zijn uitgezonderd bloedverwanten van den minderjarige in de opgaande linie, die zijne voogden zijn, of geweest zijn. (G. 907; B. 385, 468, 470, 944, 945, 952, 958, 1718.)

952. Minderjarigen kunnen niet bij uitersten wil beschikken ten voordeele van hunne leermeesters, gouverneurs of gouvernanten, welke met hen te zamen wonen, noch ten voordeele van hunne onderwijzers of onderwijzeressen, bij welke de minderjarigen in de kost besteed zijn.

Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met

i

-ocr page 368-

BURGERLIJK WETBOEK.

inachtneming echter zoo wel van de gegoedheid van den maker, als van de diensten, die aan denzelven zijn bewezen. (B. 944, 945, 951, 958.)

953. De geneesheeren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde uitoefenende, welke iemand gedurende de ziekte, waaraan hij overleden is, bediend hebben, alsmede de bedienaars van den godsdienst, welke hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zoodanig persoon, gedurende den loop dier ziekte, te hunnen behoeve mogt hebben gemaakt.

Hiervan zijn uitgezonderd:

1°. De beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, even als bij het vorige artikel is vastgesteld;

\' 2°. De beschikkingen ten voordeele van den echtgenoot van den erflater;

3°. De beschikkingen, zelfs algemeene, gemaakt ten voordeele van bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten, indien de overledene geene erfgenamen in de regte linie mogt hebben nagelaten; ten ware degene, te wiens voordeele de beschikking gemaakt is, zelf onder het getal dier erfgenamen mogt behooren. (C. 909; B. 958, 1718; Stb. 1865 nquot;. 59, 60 en 61.)

954. De notaris, die eenen uitersten wil bij openbare akte heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij dien uitersten wil mogt zijn gemaakt. (B. 958.985 v., 991, 1000, 1718; W. not. ambt, a. 22, zie onder Notariaat.)

955. Indien ouders wettige en ook natuurlijke, doch weltig-lijk erkende, kinderen nalaten, zullen deze laatste uit de uiterste wilsbeschikkingen hunner ouders niet meer mogen genieten, dan hetgeen aan hen bij den elfden titel van dit Boek is toegekend. (C. 908; B. 335 v., 909 v., 958, 963,1718.)

956. Overspelers of overspeelsters en hunne medeplig-tigen kunnen uit elkanders uitersten wil geen voordeel genieten, mits van het overspel, voor het overlijden van den erflater, door een regterlijk gewijsde gebleken zij. (B. 958, 1718; Rv. 81, 339, 398.)

957- Ingetrokken bij art. 1 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 56). Zie dat artikel afgedrukt onder B. 884. a)

958. Eene uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordeele van iemand die onbekwaam is om te erven, is nietig, zelfs wanneer de beschikking mogt zijn gemaakt np den naam van eenen tusschenbeiden komenden persoon.

310

Voor tusschenbeiden komende personen worden gehouden, de vader en de moeder, de kinderen en afstammelingen, en de echtgenoot van dengenen die onbekwaam is om te erven. (C. 911; B. 238 v., 1718; F. 43 n0. 2, 456.)

a) Het ingetrokken art. 957 luidde: „Een vreemdeling kan in het koningrijk niets bij uitersten wil bekomen, dan voor zoover dezelfde bevoegdheid aan den Nederlander in het land waartoe de vreemdeling behoort is toegestaan.quot;

-ocr page 369-

BOEK II, TITEL XII, ARTT. 953—965.

959. Hij, die veroordeeld is omdat hij den erflater heeft omgebragt; hij, die den uitersten wi.1 den erflaters heeft verdonkerd, vernietigd of vervalscht, of die den erflater door geweld of dadelijkheden heeft belet zijnen uitersten wil te herroepen of te veranderen, zal, evenmin als zijne medeechtgenoot en zijne kinderen, uit den uitersten wil eenig voordeel kunnen genieten. (B. 885, 886, 958, 1725 n0. 2.)

DERDE AFDEEL IK G.

Van de legitime portie of het wettelijk erfdeel, en van de inkorting der giften, welke die portie zouden verminderen.

960. De legitime portie of het wettelijk erfdeel is een gedeelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepene erfgenamen in de regie linie wordt toegekend, en waarover de overledene, noch bij gifts onder de levenden, noch bij uitersten wil, heeft mogen beschikken. (B. 228, 231, 362, 443, 899 v., 922, 9280, 967, 1054, 1066, 1703 v.)

961. In de nederdalende linie, indien de erflater slechts één wettig kind nalaat, bestaat dat wettelijk erfdeel in de helft van de goederen, welke het kind bij versterf zoude hebben geërfd.

Indien er twee kinderen overblijven, is het wettelijk erfdeel voor ieder kind twee derde gedeelten van hetgeen hetzelve bij versterf zoude erven.

In geval de overledene drie of meer kinderen nalaat, zal het wettelijk erfdeel drie vierde gedeelte bedragen van hetgeen elk kind bij versterf zoude gehad hebben.

Onder den naam van kinderen worden begrepen de afstammelingen, in welken graad zij ook zijn; echter worden deze alleen gerekend in plaats van het kind, hetwelk zij in de nalatenschap van den erflater vertegenwoordigen. (C. 913, 914; B. 889, 899 v.)

962. In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel altijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan eiken bloedverwant in die linie bij versterf toekomt. (G. 915; B. 900 v.)

963. Het wettelijk erfdeel van een natuurlijk, dochwet-tiglijk erkend kind, bestaat uit de helft van dat gedeelte, hetwelk de wet aan hetzelve in de nalatenschap bij versterf toekent. (B. 335, 340, 900 v., 955.)

964. Bij gebreke van bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende linie, en van natuurlijke, wettiglijk erkende kinderen, mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil gedaan, het geheele beloop der goederen van de nalatenschap bevatten. (C. 916; B. 908.)

965. Wanneer de beschikking, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil gedaan, bestaat in een vruchtgebruik of in eene lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel benadeelt, hebben de erfgenamen, aan welke dat erfdeel

311

-ocr page 370-

312

is toegekend, de keus of om deze beschikking uit te voeren, of wel om aan de begiftigden of legatarissen den eigendom van het beschikbaar gedeelte af te staan. (C. 917; B. 1006, 1812.)

966. Het aandeel, waarover men beschikken mag, kan, het zij in het geheel of gedeeltelijk, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil. aan vreemden, of wel aan kinderen of andere personen die tot eene erfenis geregtigd zijn, worden weggeschonken, behoudens de gevallen waarin deze laatste, naar aanleiding van den zestienden titel van dit boek, tot inbreng gehouden zijn. (G. 919; B. 223 v.,231 v., 922. 960, 964. 1001, 1004, 1132 v., 1703 v.)

967- De giften of schenkingen, het zij onder de levenden het zij bij uitersten wil gemaakt, welke aan het wettelijk erfdeel mogten te kort doen, zullen bij het openvallen der nalatenschap kunnen worden verminderd, doch alleen op de vordering van de legitimarissen en van derzelver erfgenamen of regthebbenden.

Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die vermindering niets kunnen genieten ten nadeele van de schuld-eischers van den overledene. (C. 920,921; B. 223, v., 231 v., 2b6fe. 922, 960, 969, 971, 1001, 1004, 1703 v. ; F. 25, 68.)

968- Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt men eene opsomming van alle de goederen, die op het tijdstip van het overlijden van den gever of erflater aanwezig waren; men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bij giften onder de levenden beschikt is, berekend naar den staat, waarin zij zich op het tijdstip der gift bevonden hebben, en hunne waarde op het oogenblik van het overlijden van den gever; men berekent over alle die goederen, na de schulden daarvan te hebben afgetrokken, hoeveel, naar rnate van de betrekking der legitimarissen, het erfdeel is, hetwelk zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af hetgeen deze, zelfs met vrijstelline van inbrene\', van den overledene hebben ontvangen. (C. 922; B. 223 v., 231 v., 961 v., 969,970,1132 v., 1142, 1146 v.. 1703 v.)

969. Alle vervreemding van eenig goed, het zij onder den last eener lijfrente, het zij met voorbehoud van vruchtgebruik, aan een der erfgenamen in de regte linie gedaan, wordt beschouwd als eene gift. (C. 918; B. 967, 968, 1706, 1812 v., 1958.)

970. Indien de gegevene zaak voor het overlijden van den schenker, buiten schuld van den begiftigde, is verloren gegaan, zal zij niet worden begrepen onder de massa der goederen over welke het wettelijk erfdeel moet worden berekend.

De gegevene zaak zal onder de massa worden begrepen, indien zij ter oorzaak van het onvermogen van den begiftigde niet kan worden terug verkregen. (B. 968, 1145.)

971. De giften onder de levenden zullen nimmer mogen worden verminderd, dan nadat alle de goederen, welke bij uitersten wil zijn weggemaakt, zullen bevonden worden niet genoegzaam te zijn om het wettelijk aandeel te ver-

-ocr page 371-

1Ï0KK II, TITEI- XU, ARTT. 966—976.

zekeren. Wanneer alsdan eene vermindering van de giften onder de levenden moet plaats hebben, zal men dezelve aanvangen met de gift welke het laatst gedaan is, en alzoo verder van deze tot de vroegere opklimmen. (C. 923; B. 960, 967.)

972. De teruggave van de onroerende goederen, welke naar aanleiding van het voorgaande artikel moet plaats hebben, geschiedt in natura, niettegenstaande alle tegenstrijdige bepalingen.

Indien echter de vermindering moet worden toegepast op een erf, hetwelk niet gevoegelijk kan worden verdeeld, zal de begiftigde, zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegdheid hebben om in gereed geld op te leggen hetgeen den legitimaris toekomt. (B. 976c, 1139.)

973. De vermindering der bij uitersten wil gedane makingen zal geschieden zonder onderscheid te maken tusschen de erfstellingen en legaten, ten zij de erflater uitdrukkelijk mogt hebben bevolen dat deze of gene erfstelling of legaat bij voorkeur moest worden voldaan; in welk geval, zoodanige erfstelling of legaat niet zal worden verminderd dan in geval de waarde van de andere makingen niet mogt toereikend zijn om het wettelijk erfdeel op te leveren. (C. 926, 927; B. 923, 960, 1001, 1004.)

974. De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift meer bedraagt, dan het gedeelte, waarover beschikt kan worden, terug geven, te rekenen van den dag dat de gever overleden is, indien de eisch tot vermindering is gedaan binnen het jaar, en anderzins van den dag dal die eisch gedaan zal zijn. (C. 928; B. 604 n0. 3, 630, 966, 1006, 1139c, 1144.)

975. De onroerende goederen, die uit krachte van vermindering in den boedel moeten terug keeren, worden daardoor vrij van de schulden of hypotheken, door den begiftigde daarop gelegd. (C. 929; B. 1051amp;, 1139b, 1180, 1215.)

976. De regtsvordering tot vermindering of teruggave kan door de erfgenamen vervolgd worden tegen derde bezitters van de onroerende goederen, welke een gedeelte van het gegevene uitmaken en door de begiftigden vervreemd zijn, op dezelfde wijze en in dezelfde rangschikking als tegen de gevers zelve.

Deze regtsvordering moet aangelegd worden volgens de orde van de dagteekeningen dier vervreemdingen, te beginnen met die gift, welke het laatst gedaan is.

Desniettemin zal de regtsvordering tot vermindering of teruggave tegen derde verkrijgers geen plaats hebben, dan voor zoo verre de begiftigde geene andere goederen mogt hebben overgehouden, welke in de gift begrepen waren, en deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk erfdeel in zijn geheel te voldoen, of indien de waarde der vervreemde goederen niet op zijne persoonlijke goederen mogt kunnen worden verhaald.

Die regtsvordering za), in allen gevalle, verloren gaan door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den

313

-ocr page 372-

BURGERLIJK WETBOEK.

dag waarop de legitimaris de erfenis heeft aanvaard. (C. 930; B. 967, 971, 972, 974 v., 2004 v.)

VIERDE AFDEEL1NG.

Van den vorm der uiterste willen.

977. Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt worden, het zij ten voordeele van eenen derde, het zij onder den titel van eene wederkeerige of onderlinge beschikking. (C. 968; O. 48; B. 1000.)

978. Eene uiterste wil kan alleen worden gemaakt, of bij eene olographiesche of eigenhandig geschreven akte, of bij eene openbare akte, of bij eene geheime of geslotene beschikking. (C. 969; B. 979 v., 985 v., 987 v., 993 v.)

979. Een olographiesche uiterste wil moet met de hand des erflaters geheel geschreven en geteekend zijn.

Dezelve moet door den erflater bij eenen notaris in bewaring worden gesteld.

De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan onmiddellijk eene door hem met den erflater en de getuigen geteekende akle van bewaargeving opmaken, het zij aar, den voet van den uitersten wil, indien dezelve open aan hem is ter hand gesteld, het zij afzonderlijk, indien het stuk verzegeld aan hem mogt zijn aangeboden; in welk laatste geval, de erflater, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen, op den omslag moet aanteekenen en door zijne onderteekening bekrachtigen, dat hetzelve zijnen uitersten wil bevat.

In geval de erflater door eenige verhindering, die na de onderteekening van den uitersten wil of van den omslag is; opgekomen, den omslag of de akte van bewaargeving, of wel beiden, niet kan teekenen, moet de notaris daarvan, even als van de oorzaak des beletsels, melding maken. (C. 970; O. 49; B. 980 v., 990, 991, 999,1000; Rv.662v.; W. not. ambt, a. 296; Zegelw., a. 12; Consul w., a. 18, zie chron. lijst.)

980. Zoodanige olographiesche uiterste wil, overeenkomstig het voorgaande artikel, door den notaris zijnde in bewaring genomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte gemaakte uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op den dag der akte van bewaargeving, zonder aanz\'.en der dagteekening welke zich in den uitersten wil zeiven mogt bevinden. (B. 336, 985 v.)

De als olographische uiterste wil door den notaris in bewaring genomen akte wordt, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed met de hand van den erflater geheel geschreven en geteekend te zijn. (B. 1952, 1953.)

Het tweede lid bijgevoegd door art. 1 der Wet van 18 Juni 1892 (Stb. n0. 146). Art. 3 dier Wet:

Het bij deze Wet aan artikel 980 en aan artikel 988 van gemeld Wetboek toegevoegd tweede lid is ook van toepassing op de in de beide voorgaande artikelen be-

314

-ocr page 373-

BOEK 11, TITEL XII, ARTT. 977—986.

doelde testamenten, die vóór het in werking treden dezer wet bij eenen notaris zijn in bewaring\' gegeven.

981. De erflater kan ten allen tijde zijn olographiesch testament terug vorderen, mits hij ter verantwoording van den notaris, van de teruggave bij eene authentieke akte doe blijken.

Door de teruggave wordt het olographiesch testament als herroepen beschouwd. (B. 987d, •1039; W. not. ambt, a. 38,41.)

982. Bij een enkel onderhandsch, door den erflater geheel geschreven, gedagteekend en onderteekend stuk, kunnen, zonder verdere formaliteiten, beschikkingen na doode worden gemaakt, doch alleen en bij uitsluiting ter aanstelling van executeuren, ter bestelling van begrafenis, tot het maken van legaten van kleederen, van lijfstoebehooren, van bepaalde lijfsieraden en van bijzondere meubelen.

De herroeping van zoodanig stuk kan op dezelfde wijze onder de hand geschieden. (O. 49c; B. 571,983,992,998 v., 1039, 1052; Rv. 662.)

983. Indien zoodanig stuk, als waarvan in het vorige artikel is gesproken, na het overlijden van den erflater gevonden wordt, moet hetzelve worden aangeboden aan den regter van het kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze zal, indien het stuk verzegeld is, hetzelve openen, en, in allen gevalle, een procesverbaal van de aanbieding, alsmede van den staat waarin hetzelve zich bevindt,opmaken; hij zal eindelijk dat stuk aan eenen notaris ter hand stellen, ten einde hetzelve onder zijne minuten te bewaren. (B. 80, 984. 989; Rv. 662.)

984. Een olographiesche uiterste wil, welke gesloten aan den notaris is ter hand gesteld, zal, na den dood des erflaters, aan den kantonregter worden aangeboden, welke zal handelen zoo als bij artikel 989, ten aanzien van beslotene uiterste willen is voorgeschreven. CC. 1007; B. 979, 983,990; Rv. 663.)

985. Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan van eenen notaris, en in tegenwoordigheid van twee getuigen worden verleden. (C. 971; B. 990, 991, 1000; W. not.ambt, a. 23, 41; Consul.w., a. 17, zie chron. lijst.)

986. De notaris moet den wil des erflaters, zoo als die zakelijk aan hem door den erflater is opgegeven, in duidelijke bewoordingen schrijven of doen schrijven.

Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen is gedaan, en het opstel door den notaris is gereed gemaakt, moet de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiede, zijnen wil nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen, opgeven.

Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste wil door den notaris worden voorgelezen, en na die voorlezing door hem aan den erflater worden afgevraagd of het voorgelezene zijnen uitersten wil bevat.

Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is opgegeven, en terstond is in geschrift gebragt, zal gelijke voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen geschieden.

De akte moet vervolgens door den erflater, den notaris en de getuigen worden onderteekend.

315

-ocr page 374-

BURGERLIJK WETBOEK.

Indien de erflater verklaart dat hij niet kan onderteekenen, of indien hij daarin verhinderd wordt, moet ook die verklaring en de oorzaak der verhindering in de akte worden vermeld.

Van de nakoming van alle deze formaliteiten moet uitdrukkelijk worden melding gemaakt in de akte van uitersten wil. (C. 972-974; B. 691, 1000.)

987. quot;Wanneer de erflater een besloten of geheim testament wil maken, zal hij verpligt zijn zijne beschikkingen te onderteekenen, het zij hij die zelf geschreven hebbe, het zij hij die door eenen anderen hebbe laten schrijven, het papier hetwelk zijne beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot een omslag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten en verzegeld worden.

De erflater zal hetzelve alzoo gesloten en verzegeld aan den notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen, aanbieden, of liij zal het in hunne tegenwoordigheid moeten doen sluiten en verzegelen, en moeten verklaren dat in het gemelde papier zijn uiterste wil begrepen is, en dat die uiterste wil het zij door hem zeiven geschreven en door hem geteekend is, of door een ander geschreven en door hem geteekend is. De notaris zal daarvan eene akte van superscriptie opmaken, die op dat papier, of op het papier tot omslag dienende, zal geschreven worden; deze akte zal zoo wel door den erflater, als door den notaris, benevens de getuigen onderteekend worden, en in geval de erflater door eenige verhindering, die na de onderteekening van den uitersten wil is opgekomen, de akte van superscriptie niet kan onderteekenen, zal van de oorzaak van het beletsel melding gemaakt worden.

Alle de in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen in acht te nemen formaliteiten moeten worden vervuld, zonder intusschen tot eenige andere akte over te gaan.

De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten van den notaris blijven berusten, die dat stuk ontvangen heeft. (C. 976; B. 989, 990, 991, 1000; Rv. 663; W. not. ambt, a. 29b, 41 ; Consul, w., a. 18, zie chron. lijst.)

988. In geval de erflater niet kan spreken, maar wel schrijven, zal hij een besloten uitersten wil kunnen maken, mits dezelve met zijne hand geheel geschreven, gedag-teekend en onderteekend worde, hij denzelven aan den notaris en de getuigen aanbiede, en boven de akte van superscriptie in hunne tegenwoordigheid schrijve en onder-teekene, dat het papier hetwelk hij hun aanbiedt, zijn uiterste wil is, waarna de notaris de akte van superscriptie zal schrijven en daarin melding maken dat de erflater die verklaring, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen, geschreven heeft; en zal bovendien worden in acht genomen al hetgeen bij het voorgaande artikel is bepaald. (C. 979; B. 987, 1000.) . i

De uiterste willen, in het voorgaande en in dit artikel bedoeld, worden, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed door den erflater onderteekend, laatstgemelde uiterste willen daarenboven met zijne hand geheel geschreven en gedagteekend te zijn. (B. 1952, 1953.)

316

-ocr page 375-

BOEK II, TITEL XII, ARTT. 987—993.

Het tweede lid bijgevoegd door art. 2 der Wet van 18 Juni 1892 (Stb. n0. 146).

Zie art. 8 dier Wet afgedrukt onder art. 980.

989. Na den dood van den erflater, moet de besloten of geheime uiterste wil worden aangeboden aan den regter van het kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze regter zal dien uitersten wil openen en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening van den uitersten wil, alsmede van den staat waarin zich dezelve bevindt, en dit stuk daarna aan den notaris, die de aanbieding heeft gedaan, terug geven. (C. 1007; B. 80, 983, 984, 987, 990; Rv. 664.)

990. De notaris, die onder zijne minuten eenen uitersten wil, van welken aard ook, heeft, moet daarvan, na den dood van den erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven. (B. 528b, 979, 985, 987, 1039; W. not. ambt, a. 39.)

991. De getuigen, die bij het maken van uiterste willen tegenwoordig zijn, moeten zijn van het mannelijk geslacht, meerderjarig, en. ingezetenen van het koningrijk. Zij moeten de taal verstaan waarin de uiterste wil is opgesteld, of die waarin de akte van superscriptie of van bewaargeving is geschreven.

Tot getuigen van eenen uitersten wil, bij openbare akte op te maken, kunnen niet genomen worden de erfgenamen of de legatarissen, noch derzei ver bloedverwanten ofaange-huvvden, tot in den vierden graad ingesloten, noch de zoons of kleinzoons, of bloedverwanten in denzelfden graad, noch de huisbedienden der notarissen voor welke de uiterste wil verleden wordt. (C. 975, 980; B. 20, 345 v., 385, 506,954, 979, 985, 987, 1000, 1946 v,, 1950; W. not. arnbt, a. 23 v., 296; quot;W. Nederl.sch., a. 13 v., zie chron. lijst.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 11 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

992. Een Nederlander, die zich in een vreemd land bevindt, zal geenen anderen uitersten wil kunnen maken, dan bij authentieke akte en met inachtneming van de formaliteiten welke in het land, alwaar de akte verleden wordt, gebruikelijk zijn.

Hij is echter bevoegd om bij een onderhandsch stuk te beschikken, op den voet en de wijze als hier-boven bij art. 982 is omschreven. (G. 999, 1000; A. 10; B. 5 v, 983, 985 v., 1000; W. Nederl.sch., slotbepaling, zie chron. lijst.)

317

993. In tijd van oorlog, kunnen de krijgslieden en andere personen tot de legers behoorende, en zich in het veld of wel in eene belegerde plaats bevindende, hunnen uitersten wil maken ten overstaan van c-enen officier, welke ten minste den graad van luitenant heeft, en in tegenwoordigheid van twee getuigen. (C. 981; B. 954, 978, 985, 991,996 v., 1000; Cr. W. v. h. K. t. 1., a. 2, 5, 6.)

a) Oorspronkelijk volgden aan liet slot nog de woorden: „noch eindelijk de zoodanigen die tot eene lijf- of onteerende straf zijn veroordeeld.quot;

-ocr page 376-

BURGERLIJK WETBOEK.

994. De uiterste wil van personen, die zich gedurende den loop eener reis, op zee bevinden, kan verleden worden ten overstaan van den kapitein of den stuurman van het vaartuig, of, bij gebreke van dezelve, voor dengenen die hunne plaats vervult, in tegenwoordigheid van twee getuigen. (C. 988 v.; B. 35, 60, 985, 991, 996 v., 1000; K. 341 v.)

995. In plaatsen met welke alle gemeenschap, uit hoofde van de pest of andere besmettelijke ziekte, verboden is, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen. (G. 985, 986; B. 985, 991, 996 v., 1000; W. besm. ziekten.)

996. De uiterste willen, in de drie voorgaande artikelen vermeld, zullen door de erflaters, alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen, onderteekend moeten worden.

Indien de erflater of een der getuigen verklaart dat hij niet schrijven kan of belet wordt te teekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uitdrukkelijk worden melding gemaakt. (C. 998; B. 991,1000.)

997. Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de erflater komt te sterven zes maanden nadat de oorzaak, waarom dezelve in dien vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden. (C. 984, 987, 996.)

998. In de gevallen bij artikel 993, 994 en 995 voorzien, kunnen de daarbij vermelde personen beschikken bij een onderhandsch stuk, mits hetzelve geheel door de hand des erflaters zij geschreven, gedagleekend en onderteekend. (B. 982, 9926, 999.)

999. Zoodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de erflater is overleden drie maanden nadat de oorzaak, in voorzeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, ten ware dat stuk bij eenen notaris mogt zijn in bewaring gegeven, op de wijze- als bij artikel 979 is voorgeschreven. (B. 997.)

1000. De formaliteiten, waaraan de onderscheidene uiterste willen, volgens de bepalingen van deze afdeeling, onderworpen zijn, moeten worden in acht genomen, op straffe van nietigheid. (C. 1001; B. 991, 1040; W. not. ambt, a. 7, 21, 23, 25, 26, 28, 29, 34, 35, 36, 73.)

VIJFDE AFDEELING.

Tan de erfstellingen.

1001. Erfstelling is eene uiterste wilsbeschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, het zij in het geheel, het zij voor een gedeelte, zoo als de helft, een derde. (C. 1003, 1010; B. 923, 1004.)

1002. Bij het overlijden van den erflater, treden van reglswege in het bezit van de nagelatene goederen, zoo wel de bij uitersten wil benoemde erfgenamen, als degenen aan wie de wet een gedeelte in de nalatenschap toekent.

318

-ocr page 377-

319

De artikelen 881 en 882 zijn op hen toepasselijk. (C. 1004 v., 1011 v.; B. 312 v., 325 v., 597, 639, 854 n0. 1, 865, 880, 921, 960 v., 1003, 1006, 1054, 1070 v., 1090 v., 1103 v., 1172 v., 1335, 1354, 1564, 1754, 1780, 1856, 1863; Rv. 4 n0. 6, 254.)

1003. Indien er geschil ontslaat wie erfgenaam, en alzoo tot het bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder geregtelijke bewaring zullen worden gesteld. (B. 617, 8806, 1773.)

ZESDE AFDEELING.

Yan legaten.

lOOé. Een legaat is eene bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, of wel alle zijne goederen van eene zekere soort; als, bij voorbeeld alle zijne roerende of onroerende goederen, of het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen. (G. 1110: B. 562 v., 565 v., 569, 845 v., 923, 1001, 1151.)

1005. Alle zuivere en onvoorwaardelijke legaten geven, van den dag van het overlijden van den erflater af, aan den legataris het regt om de gelegateerde zaak te vorderen, welk regt op zijne erfgenamen of regtverkrijgenden overgaat. (G. 1014o; B. 1044 v., 1085, 1289 v., 1304 v.)

1006. De legataris zal de afgifte van de gelegateerde zaak aan de erfgenamen of legatarissen, die daarmede belast zijn, moeten vragen.

Hij heeft regt op de vruchten of interessen, van den dag af van het overlijden van den erflater, indien de eisch tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eisch later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de interessen, te rekenen van den dag dat de eisch gedaan is. (G. 1004 v., 1011, 10146; B. 556 v., 974, 1002, 1007, 1010, 1019, 1058 v.; Rv. 126m n®. 3.)

1007. De interessen of vruchten van de gelegateerde zaak loopen ten voordeele van den legataris, van den dag van het overlijden, welk ook het tijdstip zij waarop hij de afgifte heeft geëischt;

1°. Wanneer de erflater zijne begeerte daaromtrent in den uitersten wil verklaard heeft; (B. 1041a.)

2°. Wanneer eene lijfrente of een jaar-, maand-of weekgeld, onder den titel van levensonderhoud, is gelegateerd. (G. 1015; B. 376 v., 847, 914 v., 1812 v., 2012; Rv. 756a nquot;. 3 en 6; F. 21 n®. 1.)

1008. De belastingen welke, onder welke benaming ook, op legaten ten behoeve van den staat gelegd zijn, komen ten laste van den legataris, ten zij de erflater het tegendeel hebbe bevolen. (G. 1016; Loi d. 22 Frim. an VII, a. 68§1, 25; Succ.w., a. 1 v.)

1009. Indien de erflater aan onderscheidene legatarissen

-ocr page 378-

320

de voldoening van eenen last heeft opgelegd, zijn zij daartoe gehouden, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van ziin legaat, ten zij de erilater daaromtrent anders mogt hebben beschikt. (C. 1017; B. 939, 4008.)

1010. De gelegateerde zaak zal worden uitgekeerd met al hetgeen daartoe behoort, en in den staat waarin zij zich op den dag van het overlijden van den erilater bevindt. (C. 4018; B. 556,563,643 v., 655 v., 4006 v., 4011,4273,4427.)

1011. Hetgeen echter de erflater, na het legateren van eenig onroerend goed, tot vergrooting van hetzelve aangekocht of verkregen heeft, is, al ware het ook daaraan grenzende, niet in het legaat begrepen, ten zij de erflater anders hadde bevolen.

De verbeteringen, verfraaijingen of nieuwe opbouwingen, op den gelegateerden grond door den erflater gemaakt, of de vergrooting van den omtrek van eenen ingesloten grond, zullen zonder nieuwe beschikking gerekend worden een gedeelte van het legaat uit te maken. (C. 1019; B. 643 v., 656 v.)

1012. Indien vóór of na het maken van den uitersten wil, de gelegateerde zaak voor eene schuld van de nalatenschap of ook voor de schuld van eenen derde bij hypotheek verbonden of met een vruchtgebruik belast is, is degene die het legaat moet uitkeeren niet gehouden om het goed van dat verband te ontheffen, ten ware hij bij eene uitdrukkelijke beschikking van den erflater belast zij zulks te doen.

Indien echter de legataris de gehypothekeerde schuld mogt hebben voldaan, zal hij deswege een verhaal hebben op de erfgenamen, overeenkomstig artikel 4452. a) (C. 874, 4020; (B. 803 v., 4010, 4208 v.)

1013. Wanneer de erflater eenig bepaald goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, het zij de erflater al dan niet geweten hebbe dat dit goed hem niet toebehoorde. (C. 4024 ; B. 950, 4014, 4507.)

1014. De bepaling van het vorige artikel belet echter niet dat aan den erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de ver-pligting kan worden opgelegd om aan derden zekere uit-keeringen uit zijne eigene goederen te doen, of schulden kwijt te schelden. (B. 939 )

1015. Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker geslacht, zijn bestaanbaar, het zij de erflater zoodanige zaken hebbe nagelaten of niet. (B. 1369, 4428.)

1016. Wanneer het legaat in eene onbepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verpligt de beste soort te geven, maar hij kan ook met het afgeven der slechtste niet volstaan. (C. 4022; B. 4309, 4428.)

1017. Indien blootelijk de vruchten of inkomsten zijn gelegateerd, zonder dat de erflater het woord vruchtgebruik of gebruik heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer van den erfgenaam, die verpligt is de vruchten en inkomsten aan den legataris uit te keeren. (B. 556 v., 803 v., 865 v., 932.)

1018. Een legaat, aan eenen schuldeischer gemaakt, wordt

(O o. H. nr.i.

-ocr page 379-

BOEK II, TITEL XII, ARTT. 1010—1022.

niet gerekend tot afdoening der schuld te zijn nagelaten, zoo min als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht worden tot betaling van verdiend loon gegeven te zijn. (C. 1023; B. 934, 4418 v., 1639 v.)

1019. Wanneer de nalatenschap niet voor het geheel of een gedeelte is aanvaard, of wanneer dezelve is aanvaard onder het voorregt van boedelbeschrijving, en de nagelatene goederen niet voldoende zijn om de legaten in hun geheel te voldoen, zullen alle de legaten, in evenredigheid van hunne hoegrootheid, worden verminderd, ten ware de erflater daaromtrent anders mogt hebben beschikt. (C. 926, 927: B. 973, 1070 v., 1096, 1103 v.)

ZEVENDE A F D E E L I N G.

Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters.

1020. De goederen, waarover ouders het regt van beschikking hebben, kunnen door hen, bij uitersten wil, geheel of gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer hunner kinderen, met last om die goederen uit te keeren, zoo wel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.

In geval van vooroverlijden van een kind, zal dezelfde beschikking kunnen worden gemaakt ten voordeele van een of meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hunne kinderen, welke reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, uit te keeren. (C. 1048; B. 927, 946, 960 v., 1023 v., 1712.)

1021. Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar zijn ten voordeele van een of meer broeders of zusters van den erflater, voor het geheel of een gedeelte der goederen die bij de wet niet buiten beschikking gehouden zijn, onder den last om de goederen uit te keeren, zoo wel aan de kinderen van zijne voorzeide broeders en zusters, welke reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.

Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordeele van een of meer kinderen van vooroverleden broeders of zusters, onder den last om de goederen uit te keeren, zoo wel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden. (G. 1049; B. 937, 946, 960 v., 1023, 1066, 1712.)

1022. Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achterlating van kinderen in den eersten graad, en afkomelingen van een vooroverleden kind, zullen deze laatste, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind genieten.

Hetzelfde zal plaats hebben, indien, alle de kinderen in den eersten graad vooroverleden zijnde, degene die met de overgave belast is niet dan kleinkinderen nalaat. (C. 1051: B, 888 v., 895.)

321

21

-ocr page 380-

322

1023. De beschikkingen, bij artikel 1020 en 1021 toegelaten, zullen niet anders gelden dan voor zoo verre de erfstelling over de hand slechts zal zijn gemaakt voor éénen graad, en ten voordeele van alle de kinderen van den bezwaarden persoon die reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, zonder uitzondering, of voorrang van ouderdom of kunne. (C. 1050.)

1024. De regten van de bij erfstelling over de hand geroepene erfgenamen nemen aanvang op het tijdstip dat het genot van den bezwaarde ophoudt.

De vrijwillige afstand van het genot, ten voordeele van de verwachters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan de sclmldeischers van den bezwaarden persoon wier a) schuldvorderingen ouder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen die na dien afstand mogten geboren worden. (C. 1053; B. 854 n». 4, 880, 1002, 1107, 1177, 1377.)

1025. Hij die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde beschikkingen maakt, mag bij uitersten wil, of bij eene latere notariele akte, het goed zelf, gedurende den tijd van het bezwaar, onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.

In dat geval, zijn de bepalingen van artikel 836, van het eerste en tweede lid van artikel 837 en van artikel 838 op de bewindvoerders toepasselijk. Zij mogen loon voor hunne moeite in rekening brengen, in de gevallen en op de wijze als ten aanzien der uitvoerders van uiterste willen bij den volgenden titel is bepaald. (C. 1055; B. 1026, 1029, 1035, 1064, 1066, 10686 j0. 522)

1026. Bij overlijden of bij gebreke van den gestelden bewindvoerder, benoemt de regtbank, op verzoek van de bezwaarden of van andere belanghebbenden, of ook op vordering van het openbaar ministerie, een anderen in de plaats van den ontbrekenden. (C. 1056, 1057; B. 1029, 1063; Rv. 324 n0. 6.)

1027. Binnen eene maand na het overlijden van dengenen die, onder den last van uitkeering, over de goederen beschikt heeft, zal, op verzoek van den gestelden bewindvoerder, van den belanghebbende, of van het openbaar ministerie, eene boedelbeschrijving worden gemaakt van alle de goederen die de nalatenschap uitmaken.

Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal er eene bijzondere lijst worden gemaakt van alle de daaronder begrepene voorwerpen.

Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begrooting der roerende goederen bevatten. (C. 1058; B. 1028, 1C37 )

1028. De boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in tegenwoordigheid van den benoemden bewindvoerder en andere belanghebbenden, of deze behoorlijk zijnde opgeroepen.

Indien deze bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zijn, kan dezelve onder de hand geschieden; in welk geval,

a) Zoo art. UI der Wet tv»?? 28Fehrnari 1825 (Stb. no. 13). O. E.: wiens.

-ocr page 381-

BOEK II, TITEL XII, ARTT. 1023—1034.

dat stuk, binnen den tijd van veertien dagen na het voleindigen van de boedelbeschrijving, ter griffie van de arrondissements-regtbank moet worden overgebragt.

De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen, in de beschikking over de hand begrepen. (G. 1059 v.: B. 830c, 1037; Rv 678 v.)

1029. Indien de erflater geenen bewindvoerder heeft benoemd, worden de goederen door den bezwaarden erfgenaam beheerd, en is deze verpligt zekerheid te stellen voor de bewaring, het behoorlijk gebruik en de weder-oplovering der goederen, ten ware de erflater hem uitdrukkelijk van alle verpligting tot het stellen van zekerheid hadde vrijgesteld. (B. 390, 831, 1032.)

1030. De bezwaarde erfgenaam die, in het geval van liet vorige artikel, geene zekerheid kan stellen, moet ge-doogen dat de goederen, op verzoek van belanghebbenden, of op de vordering van het openbaar ministerie, worden gesteld onder het beheer van eenen bewindvoerder, door de regtbank te benoemen, te wiens aanzien zullen gelden alle de regten en verpligtingen, ten opzigfe van voogden over minderjarigen vastgesteld. De slotbepaling van artikel 1025 hier-boven is ook op deze bewindvoerders toepasseliik. (B. 443 v., 833.)

1031. De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft, moet het bezwaarde goed als een goed huisvader gebruiken, en staat daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen van kosten en lasten, en het doen van repa-ratien, gelijk met eenen vruchtgebruiker. (B. 1029, 829, 831. 840 v.)

1032. De onroerende goederen, alsmede de renten en schuldvorderingen, mogen niet worden vervreemd of bezwaard dan op verlof van de arrondissements regtbank, na verhoor van den verwachter en van het openbaar ministerie.

Dat verlof kan alleen verleend worden, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, of van blijkbaar voordeel, zoo wel van den verwachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, in geval van vervreemding, tegen zekerheid van weder-belegging onder het fideicommissair verband, indien de bezwaarde het goed zelf beheert.

Indien de goederen onder bewind zijn gesteld, zijn de bewindvoerders verpligt de opbrengst te beleggen op den voet als ten aanzien van voogden is voorgeschreven. (B. 449f), 451.)

1033. De erfstellingen over de hand, welke bij deze afdeeling zijn geoorloofd, kunnen zelfs door geene minderjarigen aan derden worden tegengeworpen, indien zij niet zijn openbaar gemaakt, te weten: wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving in de daartoe bestemde registers, en voor zoo veel gehypothekeerde schuldvorderingen aangaat, door eene inschrijving op de goederen welke voor die schuldvorderingen verbonden zijn, of door eene te doene vermelding ter zijde der reeds bestaande inschriivingen. (C. 1069 v.; B. 1035.)

1034. De wettelijke of bij uitersten wil geroepen erfgenamen van dengenen die de erfstelling over de hand

323

-ocr page 382-

BURGERLIJK WETBOEK.

heeft gemaakt, zullen, in geen geval, aan de verwachters het gebrek van overschrijving, inschrijving of vermelding, bij het vorige artikel bevolen, kunnen tegenwerpen. (C. 1072; B. 1033.)

1035. De bewindvoerders zijn verpligt voor de overschrijving, inschrijving of vermelding bij artikel 1033 bevolen, te waken, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen.

Alle belanghebbenden hebben liet recht te vorderen dat aan de gezegde voorschriften worde voldaan. (C. 1073; B. 1025, 1401 v.)

A C H T S TE A F D E E LI N G.

Van de erfstellingen over de hand in hetgeen de erfgenaam of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten.

1036. In geval van erfstelling, of van legaat, op den voet als bij artikel 928 is vermeld, is de bezwaarde erfgenaam of legataris bevoegd om het aan hem gemaakte te vervreemden en te verteren, en zelfs bij schenking onder de levenden daarover te beschikken, ten zij dit laatste door den erflater, voor het geheel of ten deele mogt zijn verboden. (B. 927, 1712.)

1037. De verpligting tot het maken eener boedelbeschrijving of lijst, na het overlijden van den erflater, en tot het overbrengen van die stukken ter griffie van de arrondissements-regtbank, bij artikel 1027 en 1028 voorgeschreven, is ook toepasselijk op den bezwaarden erfgenaam of legataris, van welken bij deze afdeeling wordt gehandeld, doch hij is niet gehouden om eenige zekerheid te stellen. (B. 1029; Rv. 678 v.)

1038. Na het overlijden van den bezwaarden erfgenaam of legataris, beeft de verwachter het regt om de dadelijke afgifte te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat in natura mogt zijn overgebleven.

Ten aanzien van de gereede penningen of van de opbrengst der vervreemde voorwerpen, kan uit aanteekeningen van den bezwaarden erfgenaam of legataris uit huisselijke papieren, of door alle andere bewijsmiddelen worden opgemaakt, of, en in hoe verre, er iets van de erfenis of van het legaat is overgebleven. (B. 1918.)

NEGENDE AFDEELING.

Fan het herroepen van uiterste wilsbeschikkingen en het vervallen van dezelve.

1039. Een uiterste wil kan, noch in zijn geheel, noch ten deele, herroepen worden dan bij eene latere uiterste

324

-ocr page 383-

BOEK II, TITEL Xtl, ARTT. 1035— 1046.

wilsbeschikking, of bij eene bijzondere notariele akte, waarbij de erflater de geheele of gedeeltelijke intrekking van zijnen vroegeren uitersten wil te kennen geeft, onverminderd de bepaling van artikel 981. (G. 1035; B. 922, 977 v., 982,1042.)

1040. Indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukkelijke herroeping van den vorigen bevat, niet is voorzien van de formaliteiten welke tot de deugdelijkheid van eenen uitersten wil worden vereischt, maar wel van die welke gevorderd worden tot de deugdelijkheid van eene notariele akte, zullen de vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mogten zijn herhaald, niet als herroepen worden beschouwd. (B. 1000. 1041; W. not. ambt, a. 21 v.)

1041. Een latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet op eene uitdrukkelijke wijze herroepen wordt, vernietigt alleen de beschikkingen, in dien vroegeren uitersten wil vervat, welke met de nieuwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of daarmede strijden.

De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de latere uiterste wil nietig is, uit hoofde van gebrek in den vorm, al ware dezelve ook geldig als notariele akte. (C. 1036; B. 1000, 1039, 1040; W. not. ambt, a. 21 v.)

1042. De herroeping, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwijgende, bij eenen lateren uitersten wil gedaan, zal volkomen van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blijve, door de onbevoegdheid van den gestelden erfgenaam of legataris, of door hunne weigering om de erfenis te aanvaarden. (C. 1037; B. 942 v,, 1103 v.)

1043. Alle vervreemding, zelfs bij verkoop, met vermogen van weder-inkoop, of bij verruiling, welke de erflater van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping van het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of verruild is, met zich brengen; ten ware het vervreemde goed in des erflaters boedel mogt zijn terug gekeerd. (C. 1038; B. 1555 v., 1577 v.)

1044. Alle beschikking bij uitersten wil gedaan, onder eene voorwaarde, van eene onzekere gebeurtenis af hangende, en van zoodanigen aard dat de erflater gerekend moet worden aan het al of niet voorvallen dier gebeurtenis de uilvoering zijner beschikking verbonden te hebben, zal vervallen, indien de gestelde erfgenaam of legataris vóór de de vervulling der voorwaarde komt te overlijden. (C. 1040; B. 946a, 1005, 1045, 1297b.)

1045. Wanneer de voorwaarde, volgens de bedoeling van den erflater, alleen de uitvoering der beschikking opschort, belet zulks niet dat de gestelde erfgenaam of legataris een verkregen regt hebbe, hetwelk hij aan zijne erfgenamen overdraagt. (C. 1041; B. 933, 1044, 12976,1304.)

1046. Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed, bij het leven van den erflater, geheel is te niet gegaan.

Hetzelfde heeft ook plaats, indien het goed, na zijnen dood, zonder toedoen of schuld van den erfgenaam of van andere personen, door welke het legaat verschuldigd is, te niet is gegaan, ofschoon deze mogten hebben verzuimd dat goed op zijn tijd uit te keeren, wanneer het, in handen van

325

-ocr page 384-

BURGERLIJK WETBOEK.

den legataris geweest zijnde, eveneens zoude zijn te niet gegaan. (C. 1042; B. 1005, 1010, 1273, 1480.)

1047. Een legaat van eene rente, inschuld of andere schuldvordering op eenen derde, vervalt ten aanzien van hetgeen gedurende het leven van den erflater daarop mogt zijn betaald. (B. 1010, 1046.)

1048 Eene beschikking, bij uitersten wil gedaan, vervalt, wanneer de gestelde erfgenaam of legataris de erfenis of het legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om dezelve te genieten.

Indien bij de beschikking voordeelen aan derden waren gemaakt, zullen dezelve, in dat geval, niet vervallen, maar zal degene aan wien de erfenis of het legaat opkomt daarmede belast blijven, behoudens echter de bevoegdheid van dezen, om van de erfenis of van het legaat gaaf en onvoorwaardelijk afstand te doen, ten behoeve van dengenen aan wien de voordeelen waren besproken. (C. 1043; B. 942 v., 1014, 1103 v.)

1049. Er zal aanwas plaats hebben ten voordeele van de gestelde erfgenamen of legatarissen, in geval de erfstelling ot\' het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is, en de beschikking ten opzigte van eenigen der medeerfgenamen of mede-legatarissen geen gevolg kan hebben.

De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij eene en dezelfde beschikking, en de erllater niet aan elk der mede-erfgenamen of rnede-legatarissen zijn bepaald aandeel in het goed heeft aangewezen, zoo als de helft, een derde deel, enz.

De uitdrukking «voor gelijke aandeelen of gedeelten» wordt niet geacht eene aanwijzing te zijn van een zoodanig bepat ld aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken wordt. (C. 1044; B. 190. 855, 1098, 1100, 1105.)

1050. Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamenlijk gelegateerd te hebben, wanneer eene zaak, die zonder schade te lijden niet voor verdeeling vatbaar is, bij dezelfde akte aan onderscheidene personen, al ware betook afzonderlijk, is gemaakt geworden. (G. 1045; B. 1332.)

1051. De vervallen-verklaring van uiterste wilsbeschikkingen kan, na den dood des erflaters, worden gevraagd, ter zake van het niet ten uitvoer brengen der voorwaarden.

In dat geval, zullen zij, te wier behoeve de vervallenverklaring zal zijn gedaan, de goederen terug nemen, vrij van alle lasten en hypotheken, welke de vervallen verklaarde erfgenaam of legataris daarop mogt hebben gelegd.

Zij zullen zelfs tegen derde houders der onroerende goederen dezelfde regten als tegen den benoemden erfgenaam of legataris kunnen uitoefenen. (C. 1046, 1047; B. 939,975, 976, 1009, 1725 n0. 1.)

326

-ocr page 385-

BOEK 11, TITEL Xll EN XIII, ARTT. 1047—1059

DERTIENDE TITEL.

Van uilvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van bewindvoerders.

1052. Een erflater mag, het zij bij uitersten wil, het zij bij zoodanige onderhandsche akte als bij artikel 982 vermeld is, het zij bij eene bijzondere notariele akte, een of meer uitvoerders van zijne uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.

Hij kan ook verscheiden personen benoemen, ten einde bij ontstentenis elkander als uitvoerders op te volgen. (C. 1025; B. 922, 977 v., 1002, 1006,1054,1062,1063,1173; Rv. 126m n0. 3, 672 n0. 3.)

1053. Getrouwde vrouwen, minderjarigen, zelfs wanneer deze bandligting hebben bekomen, onder curatele gestelde personen, en alle degenen die onbevoegd zijn om verbindte-nissen aan te gaan, mogen geene uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn. (C. 1028—1030; B. 163, 385, 480 v., 487, 1365 v., 1835.)

1054. Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan door den erflater de bezitneming van alle de goederen der nalatenschap, of van een bepaald gedeelte daarvan, worden gegeven.

In het eerste geval strekt zich die bezitneming uit zoo wel tot de onroerende als tot de roerende zaken.

Het bezit zal van regtswege niet langer duren dan één jaar, te rekenen van den dag waarop de uitvoerders zich in het bezit hebben kunnen stellen. (C. 1026; B. 562 v., 565 v., 597, 880, 960, 1002, 1055, 1060, 1066, 1996.)

1055. Indien alle de erfgenamen het daaromtrent eens zijn, kunnen zij het bezit doen ophouden, mits zij de uitvoerders der uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen blijken dat die legaten reeds zijn voldaan. (C. 1027; B. 1005, 1054.)

1056. De uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking moeten de nalatenschap doen verzegelen, indien er minderjarigen of onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op het overlijden van den erllater van geene voogden of curators zijn voorzien, of zoodanige erfgenamen welke noch in persoon, noch bij gemagtigden tegenwoordig zijn. (G. 1031; B. 519 v., 1119 v.; Rv. 659 n0. 4.)

1057. Zij moeten eene boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen der nalatenschap, in tegenwoordigheid, of na bij behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen welke zich binnen het koningrijk bevinden. (C. 1031; B. 1065; Rv. 678 v.)

1058. Zij dragen zorg dat des overledenens uiterste wil worde ten uitvoer gelegd, en zij kunnen, in geval van geschil, in regten optreden, om de geldigheid van den uitersten wil staande te houden. (C. 1031; B. 1006, 1060.)

1059. Indien de vereischte penningen niet voorhanden zijn tot het uitkeeren der legaten, hebben de uitvoerders de bevoegdheid om de roerende goederen des boedels en.

327

-ocr page 386-

BURGERLIJK WETBOEK.

des noods, ook een of meer der vaste goederen, doch de laatstgemelde niet anders dan met toestemming der erfgenamen, of, bij gebreke daarvan, met verlof van de arron-dissements-regtbank, in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, te doen verkoopen; alles ten ware de erfgenamen mogten goedvinden om het noodige voorschot van penningen te doen.

Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, indien alle de erfgenamen het daaromtrent zijn eens geworden, behoudens de bepalingen ten opzigte van minderjarigen en onder curatele gestelde personen. (C. 1031; A. 3; B. 447, 451, v., 506c, 1055, 1061, 1080.)

1060. De uitvoerders die het bezit van de nalatenschap hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeisch-baar zijn. (B. 1054, 1058.)

1061. Zij hebben geene bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkoopen, ten einde dezelve in staat van scheiding en deeling te brengen, maar zijn verpligt om, bij het eindigen van hun beheer, aan de belanghebbenden rekening en verantwoording te doen, met uitkeering van alle de goederen en effecten des boedels, benevens het slot der rekening, ten einde tusschen de erfgenamen gescheiden en gedeeld te worden. In het maken der scheiding moeten zij de erfgenamen behulpzaam zijn, indien deze zulks vorderen. (C. 1031; B. 1059, 1065; Rv. 771 v.ï

1062. De magt van den uitvoerder eens uitersten wils gaat niet tot züne erfgenamen over. (C. 1032; B. 10526,1856.)

1063. Indien er verscheidene uitvoerders van eene uiterste wilsbeschikking zijn, die dezen last aangenomen hebben, kan één hunner, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn, en zij zijn ieder voor het geheel ter zake van hun beheer aansprakelijk, ten ware de erllater hunne werkzaamheden mogt verdeeld hebben, en dat ieder hunner zich binnen den kring der hem opgedragene bemoeijenissen htbbe gehouden. (C. 1033; B. 1052b, 1066, 1068, 1316, 1841.)

1064. De onkosten, door den uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking gemaakt, voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, en de overige tot zijne werkzaamheden betrekkelijke zaken, komen ten laste der nalatenschap. (C. 1034; B. 468c, 1058,1060,1087.)

1065. Elke bepaling, waarbij de erflater bevolen heeft dat de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken eener boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording, zal zijn ontheven, is van regtswege nietig. (A. 14; B. 1057, 1061.)

1066. Onverminderd het reeds bepaalde voor het geval van vruchtgebruik, van erfstellingen over de hand, en van minderjarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater bij uitersten wil, of bij eene bijzondere notariele akte, een of meer bewindvoerders aanstellen, ten einde de goederen, aan zijne erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende derzelver leven, of gedurende eenen bepaalden tijd, te be-heeren, mits hierdoor geene inbreuk worde gemaakt op de

328

-ocr page 387-

BOEK U, TITEL XIII EN XIV, ARTT. 1060—1071. 329

vrije uitkeering van het wettelijk aandeel der erfgenamen.

De bepalingen van artikel 1063 zijn op dit geval toepasselijk. (B. 362, 443 v., 495 v., 50Bo, 520 v., 832c v., 900, 1025, 1067; Rv. 330.)

1067. Indien de erflater geene personen heeft aangewezen welke in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zullen optreden, wordt daarin door de arrondissements-regtbank, op verhoor van het openbaar ministerie, voorzien. (B. 362c, 839, 1026.)

1068- Niemand is gehouden den last van uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking, of van bewindvoerder eener erfenis of eens legaats, aan te nemen, doch hij die zoodanigen last heeft aanvaard is verpligt denzelven te voleindigen.

Indien de erflater aan den uitvoerder voor de waarneming zijner werkzaamheden geene bepaalde belooning heeft toegekend, of geen bijzonder legaat daarvoor aan denzelven gemaakt heeft, is laatstgemelde voor zich, of, meer dan één uitvoerder benoemd zijnde, zijn zij bevoegd voor hen te zamen het loon in rekening te brengen, hetwelk bij artikel 522 aan bewindvoerders van goederen van afwezigen is toegekend. (B. 1390, 1837.)

1069. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders, bij art. 1066 vermeld, kunnen om dezelfde redenen als de voogden worden afgezet. (B. 430, 437, 838.)

VEERTIENDE TITEL.

Van het regt van beraad en hel voorregt van hoedel-beschrijving.

1070. Alle personen, aan welke eene erfenis is opgekomen en die verkiezen mogten om de gesteldheid der nalatenschap fe onderzoeken, ten einde te kunnen beoor-deelen, of het van hun belang is dezelve, het zij zuiver, het zij onder het voorregt van boedelbeschrijving, te aanvaarden, of wel te verwerpen, zuilen het regt hebben om zich te beraden, en daarvan eene verklaring moeten afleggen ter griffie van de regtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de erfenis is opengevallen; zullende die verklaring in het daartoe bestemde register worden ingeschreven. (G. 793, 794; B. 80, 188, 193, 459, 506c, 533, 880, 1089, 1090, 1092, 1097; Rv. 700 v.)

1071. Aan den erfgenaam wordt, te rekenen van den dag der afgelegde verklaring, een tijdvak van vier maanden vergund, ten einde den boedel te doen beschrijven en zich te beraden.

Niettemin is de arrondissernents-regtbank bevoegd om, wanneer de erfgenaam in regten vervolgd wordt, uit hoofde van dringende redenen, den hier-boven bepaalden termijn te verlengen. (C. 795, 798; B. 1075, 1076, 1088, 1094; Rv. 678 v., 700 v.)

-ocr page 388-

liURGEBLIJK WETBOEK.

1072. Gedurende den voorschreven termijn, kan de erfgenaam, die zich beraadt, niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen. Geene regterlijke veroordeeling kan tegen hem worden verkregen, en de uitvoering van de vonnissen, die ten laste van den overledene zijn uitgesproken, blijft opgeschort.

Hij is verpligt, even als een goed huisvader, voor het behoud der goederen van de nalatenschap zorg te dragen. (C. 797; B. 880, 1079, 1271, 2029; Rv. 654fe.)

1073. De erfgenaam die zich beraadt is bevoegd om aan den regter verlof te vragen, ten einde alzoodanige voorwerpen te verkoopen welke niet behoeven of niet kunnen worden bewaard, mitsgaders om alzulke daden te verrigten die geen uitstel dulden.

De wijze van verkoop zal bij het regterlijk verlof worden bepaald. (C. 796; B. 1080, 1095; Rv. 700 v.)

1074. De regter kan, op verzoek der belanghebbende partijen, alzoodanige maatregelen voorschrijven welke hij mogt noodig achten, zoo wel tot behoud van de goederen der nalatenschap, als van de belangen van derden. (B. 1070.)

1075. Na verloop van den termijn bij artikel 1071 bepaald, kan de erfgenaam worden genoodzaakt de nalatenschap te verwerpen of dezelve te aanvaarden, het zij zuiver, het zij onder het voorregt van boedelbeschrijving. In het laatste geval, moet daarvan eene verklaring worden afgelegd, op dezelfde wijze als bij artikel 1070 is vastgesteld. (C. 793 v., 798; B. 540, 1076, 1088, 1090; Rv. 678 v.)

1076. Zelfs na verloop van den termijn, behoudt de erfgenaam het vermogen om den boedel te doen beschrijven, en denzelven onder het voorregt van boedelbeschrijving te aanvaarden, ten zij hij zich als zuiver erfgenaam hebbe gedragen. (C. 800; B. 1077, 1092, 1094 v., 1101.)

1077. De erfgenaam verliest het voorregt van boedelbeschrijving, en wordt als zuiver erfgenaam beschouwd:

1°. Indien hij willens en wetens, en te kwader trouw, eenige goederen, tot de nalatenschap behoorende, niet op de boedelbeschrijving heeft gebragt;

2°. Indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de erfenis behoorende, heeft schuldig eemaakt. (C. 801; B. 192, 533, 1088, 1110.)

1078. Het voorregt van boedelbeschrijving heeft ten gevolge :

1°. Dat de erfgenaam niet verder tot de betaling der schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, dan ten beloope der waarde van de goederen, welke dezelve bevat, en zelfs dat hij zich van die betaling kan ontslaan, door alle de goederen, tot de nalatenschap behoorende, aan de beschikking der schuldeischers en legarissen over te laten;

2°, Dat de eigen goederen van den erfgenaam niet met die der nalatenschap worden vermengd, en dat hij het regt behoudt om zijne eigene inschulden legen de nalatenschap te doen gelden. (C. 802; B. 1086b. 1132, 1146 v., 1438 n». 4, 1472, 2028a; Rv. 703.)

330

-ocr page 389-

BOEK II, TITEL XIV, ARTT. 107-2—1084.

1079. De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is verpligt de daartoe behoorende goederen als een goed huisvader te besturen, en de nalatenschap, zoo dra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeischers en legatarissen verantwoording verschuldigd. (C-803, 804; B. 1072b, 1080 v., 1086, 1094, 1271, 1702?); Rv. 771 v.)

1080. Hij vermag de roerende en onroerende goederen der nalatenschap op geene andere wijze te verkoopen, dan in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, of door makelaars, indien er koopmansgoederen in den boedel aanwezig zijn.

Hij is gehouden om, in geval van verkoop van onroerende goederen welke met hypotheek belast zijn, de opgekomen hypothekaire schuldeischers te voldoen, door middel van eene overwijzing op den kooper van het onroerend goed, ten bedrage van hetgeen die schuldeischers te vorderen hebben. (C. 805, 806; A. 3; B. 447d, 451, 1073, 1081a, 10836, 1254 v., 1453; K. 62 v.; Rv. 701.)

1081. Hij is verpligt, indien de schuldeischers ol\' andere belanghebbenden zulks vorderen, voldoende zekerheid te stellen voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving begrepen, en voor dat gedeelte van de waarde der onroerende goederen, hetwelk niet aan de hypothekaire schuldeischers is overgewezen.

Indien hij in gebreke blijft deze zekerheid te stellen, zullen de roerende goederen worden te gelde gemaakt, en zoo wel de opbrengst daarvan, als het niet overgewezen gedeelte der onroerende goederen, in handen van eenen daartoe door den regter te benoemen persoon worden gesteld, om daaruit de schulden en lasten der nalatenschap te voldoen, voor zoo verre het bedrag derzelve nalatenschap toereikende zal zijn. (C. 807; B. 10806, 1773 v., 1864; Rv. G16 v , 702.)

1082. Binnen den tijd van drie maanden, te rekenen van het verloop des termijns bij artikel 1071 bepaald, zal de erfgenaam verpligt zijn om, door middel van eene aankondiging in een der ofliciele dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier van de provincie, indien hetzelve bestaat, de onbekende schuldeischers op te roepen, ten einde zoo wel aan deze als aan degene die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hunne schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zoo verre het bedrag der nalatenschap toereikende zal zijn. (B, 1076, 1079 v., 1085; Rv. 784 v.)

1083. Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording, zal de erfgenaam aan de schuldeischers, welke op dat tijdstip mogten bekend zijn, hunne vorderingen, het zij in het geheel, het zij in evenredigheid van het beloop der nalatenschap, moeten voldoen.

De schuldeischers, die na de uitdeeling opkomen, zullen, naar mate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte goederen en het overschot worden betaald. (C. 808; B. 1080, 1085, 1086.)

1084. Indien er eenig verzet plaats heeft, kunnen de

331

-ocr page 390-

BURGKRLIJK WETBOEK.

schuldeischers niet worden voldaan, dan ten gevolge eener rangschikking, door den regter te regelen. (C. 808; Rv. 481 v., 551 v.)

1085. De legatarissen kunnen de voldoening van hunne legaten niet eischen, dan na verloop van den bij artikel 1082 bepaalden termijn, en na de uitbetaling, waarvan bij artikel 1083 gesproken wordt.

De schuldeischers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal tegen de legatarissen.

Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren, na den dag op welken de uitbetaling aan den legataris heeft plaats gehad. (C. 809; 1006, 1151 v.)

1086. De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet vroeger in zijne eigen goederen worden aangesproken, dan nadat hij, tot het alleggen zijner rekening zijnde aangemaand, mogt zijn in gebreke gebleven aan die verpligting te voldoen.

Na het aanzuiveren der rekening, zijn zijne eigen goederen alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsommen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijne handen zijn gekomen. (C. 803ö en c; B. 1077, 1078, 1082, 1146 v.)

1087. De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving, van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op eene wettige wijze gemaakt zijn, komen ten laste dei-nalatenschap. (C. 810; Rv. 658 v., 678 v.; B. 1064, 1071, 1082.)

1088. De bepalingen van artikel 1071, 1077 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van het regt van beraad bediend te hebben, eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen, bij het slot van artikel 1075 vermeld. (G. 793; B. 1082.)

1089. Eene bepaling, waarbij de erflater zoude hebben verboden om van het regt van beraad en van het voorregt van boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en en van onwaarde. (A. 14.)

VIJFTIENDE TITEL.

Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen. EERSTE AFDEELING.

Van het aanvaarden van erfenissen,

1090. Eene erfenis kan of zuiver, of onder heï voorregt van boedelbeschrijving, worden aanvaard. (C. 774; B. 1070, 1035.)

1091. Niemand is gehouden eene hem opgekomene erfenis te aanvaarden. (C. 775; B. 1096, 1103 v., 1870.)

332

-ocr page 391-

BOEK II, TI TE I, XIV EN XV, ARTT. 1085 — 1099. 333

1092. Erfenissen, aan getrouwde vrouwen, minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wettiglijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen welke die personen betreffen.

Erfstellingen, bij artikel 947 vermeld, en door den Koning goedgekeurd, kunnen alleen worden aangenomen onder het voorregt van boedelbeschrijving. (C. 776; B. 163, 170, 171, 175, 179, \'249, 459a, 483, 506c, 1115; F. 41.)

1093. Het aanvaarden eener erfenis heeft eene terugwerkende kracht tot op den dag waarop dezelve is opengevallen. (C. 777; B. 597, 880, 1002, 1104.)

1094. De aanvaarding eener erfenis geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentiek of onderhandsch geschrift den titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam eene daad verrigt, welke zijne meening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe bij slechts in zijne hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest. (C. 778, 780; B. 191 v., 1006, 1076, 1110, 1418amp;, 1573.)

1095. Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring, als ook die welke strekken om op de nalatenschap toezigt te hebben, of dezelve bij voorraad te beheeren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de stilzwijgende aanvaarding eener erfenis kenschetsen. (C. 779; B. 191b, 1073, 2016 v.)

1096. Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet aanvaarden eener erfenis, kan de een dezelve aanvaarden, en de andere die verwerpen.

Indien erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaarding eener erfenis, wordt dezelve onder voorregt van boedelbeschrijving aanvaard. (C. 782; B. 190,1075,1019,1091.)

1097. Wanneer iemand aan wien eene erfenis is opgekomen overleden is, zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn deszelfs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijne plaats te aanvaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande artikel is op hen toepasselijk. (C. 781, 782; B. 189, 880, 929, 1002, 1102.)

1098. Hij, die voor zijn erfdeel eene erfenis heeft aanvaard, vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem door regt van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel 1100 voorzien. (B. 1049, 1105.)

1099. Een meerderjarige kan tegen eene door hem gedane aanvaarding eener erfenis niet in zijn geheel worden hersteld, dan alleen in het geval dat die aanvaarding mogt geschied zijn ten gevolge van dwang of van een te zijnen opzigte gepleegd bedrog.

Hij kan niet tegen zijne aanvaarding opkomen, onder voorgeven van daardoor benadeeld te zijn, dan alleen in geval de erfenis meer dan de helft is verminderd, ten gevolge der ontdekking van eene op het oogenblik der aanvaarding onbekende uiterste wilsbeschikking. (C. 783; B. 1111, 1158, 1357, 1359, 1361, 1364, 1485, 1486.)

-ocr page 392-

BURGERLIJK WETBOEK.

1100. Het aandeel eens erfgenaams, die tegen zijne aanvaarding is in zijn geheel hersteld, behoort niet door aanwas aan zijne mede-erfgenamen, dan voor zoo verre zij hetzelve aanvaarden. (B. 1049, 1098, 1105.)

1101. De bevoegdheid om eene erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van den dag, waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door een van degenen die door de wet, of door eenen uitersten wil, daartoe geroepen zijn; onverminderd echter de regten van derden op de nalatenschap, door eenigen wettigen titel verkregen. (C. 789; B. 879, 921, 1102, 1108, 2004.)

1102 De erfgenaam, die de erfenis verworpen heeft, kan dezelve nog aanvaarden, zoo lang zij nog niet door degenen, welke door de wet of door eenen uitersten wil geroepen worden, aanvaard is, behoudens de regten van derden, zoo als bij het voorgaande artikel gezegd is. (G. 790; B. 879, 921, 1101.)

TWEEDE A F D E E I, I N G.

Van het verwerpen van erfenissen.

1103. Het verwerpen eener erfenis moet uitdrukkeljk geschieden, en moet plaats hebben door middel eener verklaring, algelegd ter griffie van de arrondissements-regtbark, onder welks ressort de erfenis opengevallen is. (G. 784; B. 80, 188, 196. 459, 506c, 1092; F. 41ö.)

1104. De erfgenaam die de nalatenschap verwerpt wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn. (G 785; B. 880, 1002, 1093, 1102.)

1105- Het erfdeel van dengenen, die de erfenis verworpen heeft, wordt door regt van aanwas door zijne mede-erfgenamen verkregen. Indien hij alleen erfgenaam is, vervalt hetzelve aan de nabestaanden in den volgenden graad, of, indien er geene bloedverwanten in den graad, waarin men erven kan, aanwezig zijn, aan den overgebleven echtgenoot.

Indien deze allen de nalatenschap verwerpen, kan de staat dezelve vorderen. (G. 786; B. 879, 908, 1049, 1098, 1100, 1106, 1107.)

1106. Hij die eene erfenis verworpen heeft kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hvj de eenige erfgenaam in zijnen graad is, of indien alle de erfgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde en erven bij gelijke deelen. (G. 787; B. 887, 894, 1105.)

1107. De schuldeischers van dengenen, die ten nadeele hunner regten eene erfenis heeft verworpen, kunnen zich door den regter doen magtigen om de nalatenschap in naam van hunnen schuldenaar, in zijne plaats en voor hem, te aanvaarden.

In dit geval, wordt de verwerping der erfenis niet verder dan ten voordeele der schuldeischers, en ten beloope van

334

-ocr page 393-

ROEK II, TITEL XV EN XVI, ARTT. 1100—H13. 335

hunne schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordeele van den erfgenaam die de erfenis heeft verworpen. (C. 788; B. 10246, 1105, 1177, 1377; F. 42 v.)

1108. De bevoegdheid om eene erfenis te verwerpen kan door geene verjaring verloren gaan. (C. 789; B. 1101,1102.)

1109. Men kan, zelfs bij huwelijksche voorwaarden, gee-nen afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is, noch de regten vervreemden, welke men, bij vervolg van tijd, op zoodanige erfenis mogt kunnen verkrijgen. (C. 791; A. 14; B. 196, 1370, 1573.)

1110. Erfgenamen welke goederen, tot eene nalatenschap behoorende, hebben te zoek gemaakt, of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegens\'aande hunne verwerping, zonder dat zij eenig deel in het te zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen. (C. 792; B. 192,1077,1091,1094.)

1111. Niemand kan tegen de verwerping eener nalatenschap worden in zijn geheel hersteld, dan in geval die verwerping heeft plaats gehad ten gevolge van bedrog, of dwang. (B. 1099, 1357, 1859, 1361, 1364, 1485.)

ZESTIENDE TITEL.

Van boedelscheiding.

Bij art. 1 der Wet van 31 Mei 1843 (Stb. n0. 22) is de eerste afdeeling van den zestienden titel van het tweede boek, bevattende de artikelen 1112 tot en met 1131 van het Burgerlijk Wetboek, ingetrokken, en vervangen door de navolgende bepalingen:

EERSTE AFDEELING.

Van boedelscheiding en hare gevolgen.

1112. Niemand is genoodzaakt in eenen onverdeelden boedel te blijven.

De boedelscheiding kan, niettegenstaande eenig daarmede strijdig verbod, ten allen tijde worden gevorderd.

Er mag echter overeengekomen worden, om de boedelscheiding gedurende eenen bepaalden tijd niet te doen plaats grijpen.

Zoodanige overeenkomst is slechts voor vijf jaren verbindend, maar kan telkens na alloop van den termijn vernieuwd worden. (C. 815; A. 14; B. 18-2, I83b, 463, 466, 583, 628, 935, 15566, 1658,1689; Rv. 126m nquot;. 1,129c, 695; Markenw., zie chron. lijst.)

1113. De schuldeischers van den erflater, mitsgaders de legatarissen, zijn bevoegd om zich tegen de boedelscheiding te verzetten.

De akte van boedelscheiding, verleden na zoodanig verzet, en voor dat voldaan is hetgeen tijdens het verzet ten be-

-ocr page 394-

336

hoeve van den schuldeischer of legataris verschenen en opvor-derbaar was, is nietig ten opzigte van zoodanigen schuldeischer of legataris. (C. 822 j B. 1377.)

1114. Tegen de regtsvordering tot de boedelscheiding kan de verjaring alleen worden ingeroepen door den erfgenaam of den mede-erfgenaam, die afzonderlijk, gedurende den tijd tot de verjaring gevorderd, het bezit heeft gehad van goederen, tot den boedel behoorende, edoch niet verder dan ten aanzien van die goederen. (C. 816; B. 882, 2000, 2004.)

1115. Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hunne goederen hebben, en tegenwoordig zijn, kan de boedelscheiding plaats hebben op de wijze en door middel van zoodanige akte als zij goedvinden. (C. 819; B. 1829 v.)

1116. Namens hen, die het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet gevorderd worden, dan met inachtneming der omtrent zoodanige personen bij de wet vastgestelde voorschriften.

De man kan, zonder medewerking zijner vrouw, de boedelscheiding vorderen, of mede tot stand brengen, van al de goederen, welke in de gemeenschap vallen.

Ten aanzien van goederen, welke aan de vrouw zijn opgekomen en niet tot de gemeenschap behooren, gelijk mede, indien er tusschen de echtgenooten scheiding van goederen plaats heeft, is de vrouw bevoegd de boedelscheiding te vorderen of mede tot stand te brengen, mits zij daartoe door den man bijgestaan of gemagtigd, of door den regter gemagtigd zij. (C. 817, 818; B. 163, 165, 167, quot;169, 179 v., 195, 210, 219, 241, 362, 364, 441, 459, 463, 464, 506c, 519 v., 1066.)

1117. Indien een of meer der belanghebbenden weigeren of nalatig blijven tot de boedelscheiding mede te werken, nadat die bij regterlijk vonnis bevolen is geworden, benoemt de arrondissements-regtbank, indien deze benoeming niet reeds bij het vonnis heeft plaats gehad, op het verzoekschrift der meest gereede belanghebbenden, voor de weigerachtigen of nalatigen, of, voor zoo verre zij tegenstrijdige belangen hebben, voor ieder hunner, een onzijdigen persoon, ten einde als bewindvoerder, op den voet van art. 5!9 tot 522, zoodanige erfgenamen bij de boedelscheiding te vertegenwoordigen, en hetgeen zij ontvangen te beheeren.

In dat geval, gelijk mede indien zich onder de erfgenamen personen bevinden, welke het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet plaats hebben, dan met inachtneming der bepalingen, vervat in de volgende artikelen, en zulks op straffe van nietigheid in geval van overtreding van eenige der voorschriften, vervat in de artikelen 1118, 1ste lid, en 1120. (C. 819, 823, 838; B. 364, 464, 506c, 519 v., 546, 1116; Rv. 126w n». 1.)

1118. Bij de boedelscheiding moeten de toeziende voogden en toeziende curators tegenwoordig zijn.

Indien de kantonregter van oordeel is, dat de voogd en de toeziende voogd beiden, of de curator en de toeziende curator beiden, of de bewindvoerder, een met de door hen

-ocr page 395-

BOEK II, TITEL XVI, ARTT. 1114—1122.

vertegenwoordigde erfgenamen tegenstrijdig belang hebben, worden door hem ambtshalve een of meer deelvoogden benoemd, om bij de scheiding te waken voor het belang van die erfgenamen. (B. 365, 389, 427, 506c.)

1119. Indien er nog geene boedelbeschrijving bestaat, zal die, het zij vooraf bij eene afzonderlijke, het zij te gelijk met de boedelscheiding, en bij eene en dezelfde akte, worden opgemaakt, overeenkomstig de voorschriften van de wet.

Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overlijden van den erflater tegenwoordig zijnde, en het vrije beheer over hunne goederen hebbende, geene boedelbeschrijving hebben opgemaakt, en later voorgevallen veranderingen in den staat des boedels de naleving der wetsbepalingen omtrent de boedelbeschrijving onmogelijk maken, vangt de boedelscheiding aan met eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van den boedel, zoodanig als die door den erflater is nagelaten, van de daarin sedert voorgevallen veranderingen en van deszelfs tegenwoordigen staat. De deugdelijkheid van die opgave wordt daarbij beëedigd door dengenen of door diegenen, die in het bezit der onverdeelde nalatenschap is of zijn gebleven. (G. 8216, 824 v.: B. 182; Bv. 659 v., 678 v., 681.)

1120. De boedelscheiding wordt verleden bij akte, ten overstaan van eenen door partijen verkozen, of, in geval van verschil, door de arrondissements-regtbank, op het verzoekschrift van de meest gereede belanghebbenden, benoemden notaris, in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van den kantonregter, die, tot bewijs daarvan, de akte mede onderteekent, zonder daarvan echter een proces-verbaal op te maken. (C. 821b; Bv. 126m, 692, 696; B. 1124a, c, d.)

1121. Indien de kantonregter zijne goedkeuring aan de ontworpene boedelscheiding weigert, en de gezamenlijke erfgenamen en hunne vertegenwoordigers mogten vermeenen, dat die weigering niet gegrond is, geeft de kantonregter de redenen zijner weigering op, en worden dezelve opgenomen in een door den notaris op te maken proces-verbaal.

De ontworpene boedelscheiding, door den kantonregter en den notaris gewaarmerkt, wordt, met een afschrift van dit proces-verbaal, door den notaris ter griffie gebragt.

Het proces-verbaal van den notaris en de ontworpen boedelscheiding zijn vrij van zegel en registratie.

De erfgenamen, of de meest gereede hunner, kunnen hunne bezwaren, bij een met redenen bekleed verzoekschrift, inbrengen bij de arrondissements-regtbank. Deze doet daarop, des noods na verhoor van den kantonregter en van partijen, en in allen gevalle van het openbaar ministerie, uitspraak in het hoogste ressort.

In geval van goedkeuring, wordt daarna de boedelscheiding, ten overstaan van den notaris, in tegenwoordigheid van den kantonregter verleden, overeenkomstig het ontwerp, hetwelk, na door den president en griffier gewaarmerkt te zijn, wordt teruggegeven aan den notaris en door dezen aan 3 de minute vastgehecht. (Bv 697.)

1122. Indien de erfgenamen, of een of meer hunner,

337

22

-ocr page 396-

BURGERLIJK WETBOEK.

van oordeel zijn, dat de onroerende goederen des boedels, of sommige daarvan, het zij in het belang van den boedel, tot betaling van schulden als anderzins, het zij om eene behoorlijke verdeeling te kunnen daarstellen, verkocht behooren te worden, kan de regtbank, na verhoor der andere belanghebbenden of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, den verkoop bevelen, overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 690 tot 694 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, des echter, dat, indien de verkoop in het openbaar geschiedt, de tegenwoordigheid, immers de behoorlijke oproeping, van toeziende voogden en toeziende curators wordt gevorderd.

Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks ten zijnen opzigte hetzelfde gevolg, als of hij het bij scheiding verkregen had. (C. 827; •B. 451, 453, 454, 1129.)

1123 De waardering der op het tijdstip der boedelscheiding in den boedel aai.wezicre goederen, geschiedt als volgt :

Schuldvord^riiigen en anndeclen in maatschappijen, welke in prijscouranten, op openhaar s^\'-ag daaigesteld en uitgegeven, vermeld zijn, worden volgens die prijscouranten gewaardeerd.

Andere roerende goederen, tegen de waarden op welke zij bij de boedelbeschrijving geschat zijn, ten ware een of meer erfgenamen eem1 nadere schatting door eenen deskundige mogten verlangen.

Onroerende goederen, tegen den prijs door drie deskundigen tn hep.den. (C H24, 825; Rv. Ü8I nquot; 3; Succ.w., a. 2-1 )

1124 l)e deskundigen worden benoemd door de belanghebbenden, of, in geval van verschil, door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoo ver het de waardering van onroerende goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.

Makelaars doen de waardering op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

Andere deskundigen worden vóór de waardering beëe-digd door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoo verre het de waardering van onroerende goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.

Indien partijen, ten aanzien van onroerende goederen, buiten het Koningrijk gelegen, omtrent de deskundigen niet kunnen overeenkomen, bepaalt de kantonregter van het kanton, waar de erfenis is opengevallen, hoe die deskundigen benoemd en beëedigd worden en is ook ïelve tot die benoeming en beëdiging bevoegd. (Rv. 223, 224; K. 62b.)

1125. Na de regeling van den inbreng en van hetgeen door den boedel aan een of meer der erfgenamen, uit welken hoofde ook, verschuldigd is, wordt het overschot van den boedel en het aandeel van iederen erfgenaam of staak bepaald.

Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen

338

-ocr page 397-

BOEK II, TITEL XVI, ARTT. H23—1130. 339

in ieders aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke geldsom wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet uitbetaald worden. Zoo de belanghebbenden zich wegens zoodanige toescheiding niet kunnen verstaan, worden er zoo vele kavelingen gemaakt, als er erfgenamen of staken zijn, en bepaalt het lot de toedeeling der kavelingen.

De onderverdeeling van de aan eenen staak toebedeelde goederen geschiedt op gelijke wijze. (C. 828 v.; B. 8996, 1132 v., 1148a; Rv. 697.)

1126. Na de loting zijn de erfgenamen bevoegd tot de ruiling van de hun bij het lot toebedeelde kavelingen, mits zulks geschiede vóór het sluiten der akte van scheiding, en daarin worde opgenomen.

Deze ruiling heeft hetzelfde gevolg, als of de over en weder geruilde goederen waren toegescheiden.

Eene dergelijke ruiling kan, op dezelfde wijze en met hetzelfde .gevolg, ook omtrent een gedeelte der toegescheiden goederen plaats hebben tusschen erfgenamen welke het vrije beheer over hunne goederen bezitten. (B. 1115,1117 v., 1120 v., 11226, 1129.)

1127. De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toebedeelde goederen behoorende, worden overgegeven aan hem aan wien de goederen zijn toebedeeld.

Indien die stukken betrekking hebben op een aan meer dan één erfgenaam toebedeeld goed, verblijven zij bij dengenen, aan wien het voornaamste gedeelte van zoodanig goed is toegescheiden, onder verpligting, om daarvan aan de mede erfgenamen inzage, en, zoo iemand hunner zulks begeert, afschriften of uittreksels ten diens koste te geven. (C. 842; B. 1128.)

1128. De algerneene boedelpapieren blijven in bewaring van hem. dien de meerderheid der erfgenamen, of, in geval van verschil, de kantonregter daartoe benoemd heeft, onder gelijke verpligting, om inzage en uittreksels of afschriften te geven, als bij het vorige artikel is bepaald. (C. 842; B. 1127, 1922; K. 35.)

1129. Ieder erfgenaam wordt geacht onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde, of in de door hem bij aankoop, krachtens art, 1122 verkregene goederen.

Geen der erfgenamen wordt alzoo gerekend immer den eigendom van de andere goederen der nalatenschap gehad te hebben, (C. 883; B, 639, 879, 880, 921, 1002, 1125amp;, 11266 en c, 1212, 1228; Rv, 492.)

1130. De mede-erfgenamen zijn verpligt, ieder in evenredigheid van zijn aandeel, elkander over en weder te vrijwaren tegen alle stoornis en uitwinning, welke uit eene oorzaak, vóór de verdeeling ontstaan, voortkomen, mitsgaders voor de gegoedheid van schuldenaren van renten of andere schuldvorderingen.

De vrijwaring heeft geen plaats, wanneer die bepaaldelijk bij een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van boedelscheiding is uitgesloten Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door zijne schuld de uitwinning ondergaat.

-ocr page 398-

BURGERLIJK WETBOEK.

De vrijwaring voor gegoedheid van schuldenaren van eene rente of andere schuldvordering des boedels, is alleen dan verschuldigd, wanneer de schuldvordering aan een der erfgenamen voor het volle bedrag is toebedeeld, en indien door zoodanigen erfgenaam wordt bewezen, dat de schuldenaar reeds tijdens het verlyden der akte van boedelscheiding onvermogend was.

De vordering tot vrijwaring in het voorgaande lid bedoeld, kan niet worden ingesteld na verloop van drie jaren sedert de boedelscheiding. (C. 884, 885, 886; B. 1228, 1528, 1529, 1573, 2004; Rv. 68 v.)

1131. Indien een of meer der erfgenamen zich buiten staat bevinden om hun aandeel in de ter zake van eenige vrijwaring aan hunnen mede-erfgenaam verschuldigde schadeloosstelling te voldoen, wordt het door hem of hen verschuldigde aandeel, naar evenredigheid van ieders erfdeel, omgeslagen over den gewaarborgden en de mede-erfgenamen, die in staat zijn te betalen. (C. 885; B. 1150, 1228,13296.)

TWEEDE A.FUEELING.

Van inbreng.

1132. Onveraiinderd de verpligting van alle erfgenamen tot voldoening aan, of verrekening met hunne mede-erfge-namen, van alles wat zij aan de nalatenschap schuldig ;iijn, moeten alle schenkingen onder de levenden, welke zij van den erflater hebben genoten, worden ingebragt:

1°. Door de erfgenamen in de nederdalende linie, wettige of natuurlijke, het zij dezelve de nalatenschap zuiver, of onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard; en het zij dezelve slechts tot het wettelijk erfdeel of tot meerder zijn geroepen; ten ware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij eene authentieke akte, of bij uitersten wil, van de verpligting tot inbreng zijn ontheven;

2°. Door alle andere erfgenamen, het zij bij versterf, het zij bij uitersten wil, doch alleen in het geval dat de erflater of schenker den inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen. (C. 843, 844, 846; 8.961, 966, 969, 1133 v., 1142, 1143, 1145, 1703 v.)

1133. De erfgenaam die de erfenis verwerpt is niet gehouden in te brengen hetgeen aan hem geschonken is, dan ter aanvulling van zoodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel zijner mede-erfgenamen mogt verkort zijn. (C. 845; B. 961, 1103, 1134.)

1134. Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden ingebragt, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel. (C. 845;, B. 1132.)

340

-ocr page 399-

BOEK II, TITEL XVI, ARTT. 1131—1141. 341

1135. De ouders behoeven de giften niet in te brengen die aan hun kind door deszelfs grootouders gedaan zijn.

Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door deze aan zijne ouders gedane gift.

Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijne ouders gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap zijner ouders mogt hebben verworpen.

Het kind is echter, in geval van zoodanige verwerping, niet jegens zijne mede-erfgenamen in de grootouderlijke nalatenschap aansprakelijk voor de schulden zijner .ouders. (C. 847, 848; B. 887, 888, 1104, 1106, 1132, 1146, 1718 j0. 959.)

1136. Giften, welke aan den eenen echtgenoot door een der ouders van den anderen echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, al ware het ook dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.

Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenooten door den vader of de moeder van een hunner gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaats hebben.

Wanneer de giften aan den echtgenoot door zijnen eigen vader of zijne eigene moeder gedaan zijn, moet hij dezelve voor het geheel inbrengen. (C. 849; B. 175, 231 v., 1132.)

1137. De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap des schenkers; dezelve is slechts door den eenen erfgenaam ten behoeve van den anderen verschuldigd.

Ten behoeve van legatarissen, of van schuldeischers van den boedel, heeft geen inbreng plaats. (C. 850,857 ; B. 9C7.)

1138. Inbreng geschiedt, het zij door het genotene in natura in den boedel terug te brengen, het zij door zoo veel minder dan de andere deelgenooten te ontvangen. (G. 858; B. 1139, 1140, 1141.)

1139. De inbreng van onroerende goederen kan geschieden ter keuze des inbrengers, het zij door dezelve in natura terug te geven zoo als zij zich op het oogenblik van den inbreng bevonden, het zij door het inbrengen der waarde, welke zij ten tijde der gifte hadden.

In het eerste geval, is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de goederen door zijne schuld hebben ondergaan, en verpligt om dezelve te zuiveren van de lasten en hypotheken, daarop door hem gelegd.

Alle noodzakelijke uitgaven, tot behoud van het goed gedaan, en de kosten van onderhoud, moeten, in hetzelfde geval aan den inbrenger worden vergoed, met inachtneming der regelen bij den titel van vruchtgebruik voorgeschreven. (G. 859-865: B. 630 v., 840 v., 972,975,1254 v.)

1140. De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedeelen. (G. 869; B. 1138.)

1141. De inbreng van roerende goederen geschiedt ter keuze des inbrengers door de teruggave der waarde, zoo

-ocr page 400-

BURGERLIJK WETBOEK.

als die ten tijde der schenking geweest is, of door de goederen in natura terug te geven. (C. 868; B. 1139.)

1142. Behalve de schenkingen in artikel 1132 aan inbreng onderworpen, moet ook worden ingebragt al hetgeen is verstrekt om aan den erfgenaam eenen stand, een beroep of bedrijf te verschaffen, of ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven. (C. 843, 851 ; B. 179, 375, 1137, 1143, 1487.)

1143. Aan inbreng zijn niet onderworpen :

De kosten van onderhoud en opvoeding;

De uitkeeringen tot noodzakelijk levens-onderhoud;

De uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;

De kosten van studie;

De kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in \'slands gewapenden dienst;

• De bruiloftskosfen, kleederen en kleinoodiën, tot huwelijksuitzet gegeven. (C. 852; B. 159, 184, 248, 285, 353, 367 n0. 2, 376 v., 1132, 1142; Mililiew., a. 60 v.)

1144. De interessen en vruchten van hetgeen aan inbreng is onderworpen, worden eerst verschuldigd van den dag dat eene erfenis is opengevalllen. (C. 856; B. 974, 1286.)

1145. Al hetgeen door toeval en zonder schuld van den begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet te worden ingebragt. (C. 855; B. 970, 1139, 1311 v., 1480.)

DERDE AFDEELING.

Van de betaling der schulden.

1146. De erfgenamen die eene erfenis hebben aanvaa-d, moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten, zoo veel dragen als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de nalatenschap ontvangt. (C. 870; B. 845, 847, 950, 1006a, 1078, 1086, 1135d, 1150, 1336a n». 4, 1346; Bv. 126w n0. 2 en 3.)

1147. Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naar mate van de hoegrootheid van zijn erfdeel, gehouden, onverminderd de regten der schuldeischers op de geheele nalatenschap, zoo lang die nog is onverdeeld, mitsgaders die der hypothekaire schuldeischers. (C. 873; B. 1113a, 1130, 1146, 1151, 1153, 1209, 1242, 1336a nquot;. 1 en b; F. 198v.; Bv. 4 n0. 6.)

1148. Indien onroerende en tot de nalatenschap be-hoorende goederen met hypotheken bezwaard zijn, heeft ieder der mede-erfgenamen het regt om te vorderen dat die lasten uit den boedel worden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen worde overgegaan.

Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdeelen in de

342

-ocr page 401-

BOEK II, TITEL XVI, ARTT. H42—li56. 343

den staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde onroerende goed worden geschat op denzelfden voet als de overige onroerende goederen ; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van den geheelen prijs des goeds afgetrokken, en de erfgenaam, aan wien het onroerend goed te beurt is gevallen, blijft alsdan alleen ten aanzien zijner mede-erfgenamen met de voldoening der schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.

Indien de lasten alleen op het onroerende goed gevestigd zijn, zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan geen der mede-erfgenamen vorderen dat de last worde afbetaald, en alsdan wordt het onroerende goed onder de verdeeling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom der lasten. (C. 872; B. 784 v., 1208 v., 1336.)

1149. Een erfgenaam die, ten gevolge van een hypotheek, meer dan zijn aandeel in de gemeene schuld betaald heeft, kan van zijne mede-erfgenamen terug vorderen hetgeen ieder hunner persoonlijk in de schuld had moeten bijdragen. (C. 875; B. 1146, 1336, 1438 n0. 3.)

1150. Indien een der mede-erfgenamen in verval van zaken geraakt, wordt zijn aandeel in de hypothekaire schuld over de overige omgeslagen, naar evenredigheid van eens ieders erfdeel. (C. 876; B. 1131, 1146, 13296.)

1151. Een legataris is niet voor de schulden en lasten der nalatenschap verbonden, onverminderd het verhaal van den hypothekairen schuldeischer op het gelegateerde onroerend goed. (C. 871, 1024; B. 1012, 1085, 1147, 1209b, 1242.)

1162. Indien de legataris de schuld heeft gekweten, waarmede het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt bij daardoor van regtswege in de regten van den schuldeischer, ten laste der erfgenamen. (C. 874; B. 1012, 1147, 1246, 1252, 1438.)

1153. De schuldeischers en de legatarissen van den overledene mogen van de schuldeischers van den erfgenaam vorderen, dat de boedel van den overledene worde afgescheiden van dien des erfgenaams. (C. 878; B. 1078 n0,. 2, 1146. 1147, 1177 v.; F. 200; Rv. 659 n». 2.)

1154. Indien de schuldeischers of legatarissen hunne regts-vordermg tot afscheiding hebben aangevangen binnen den tijd van zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen, hebben zij de bevoegdheid om hunnen eisch in de daartoe bestemde openbare registers, ter zijde van ieder stuk onroerend goed, tot de nalatenschap behoorende, te doen aanteekenen. met dat gevolg, dat de erfgenaam, na die aanteekeiiing, het goed niet mag vervreemden nf bezwaren, ten nadeele van de reyten dier eischers ten laste der nalatenschap (C 2111; B. 1233 )

1155 Dat regt kan echter niet meer worden uitgeoefend, zoo dra er Si hnldvernieuvving in de schuldvordering tegen den overledene plaats heeft, door den erfgenaam als schuldenaar aan te nemen. (C. 879; B 1449 v.)

1156 Hetzelve regt verjaart door het tijdsverloop van drie jaren. (C 880; B. Il30clt;, 1162, 1170amp;.)

-ocr page 402-

BURGERLIJK WETBOEK.

1157. De schuldeischers van den erfgenaam hebben geene bevoegdheid om die afscheiding des boedels tegen de schuldeischers der nalatenschap te vorderen. (G. 881; B. 1153, 1377.)

VIERDE AFDEELING.

Yan de vernietiging van aangegane boedelscheiding.

1158. Boedelscheidingen kunnen worden te niet gedaan:

1°. Ter zake van dwang;

2°. Ter zake van bedrog, door een of meer deelgenooten gepleegd;

8°. Ter zake van benadeeling, meer dan een vierde gedeelte bedragende.

Het enkel overslaan van een of meer voorwerpen, tot den boedel behoorende, geeft alleen regt om deswege eene nadere scheiding te vorderen. (C. 887; B. 1099, 1130, 1161, 1166, 1168, 1169, 1170, 1357, 1361,1364,1485,1488; Rv. 126»7i n0. 1.)

1159. Om te beoordeelen of er benadeeling plaats heeft, moeten de goederen naar derzelver waarde op het tijdstip der scheiding worden geschat. (C. 8S0.)

1160. Degene tegen wien, ter zake van benadeeling, eisch tot vernietiging gedaan is, kan de herscheiding beletten, door aan den eischer, het zij in gereed geld, hel zij in natura, op de leggen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt. (C. 891; B. 1158 n®. 3, 1163.)

1161. De mede-erfgenaam, die het aan hem toebedeelde geheel of gedeeltelijk heeft vervreemd, kan geene vernietiging der boedelscheiding, ter zake van dwang of bedrog, vragen, indien de vervreemding heeft plaats gehad na het ophouden van den dwang of het ontdekken des bedrogs. (C. 892; B. 1158 nquot;. 2 en 3, 1363.)

1162 De regtsvordering tot vernietiging verjaart door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag der boedelscheiding. (B. 1130d, 1156, 1170amp;.)

1163. De regtsvordering tot vernietiging heeft plaats op-zigtelijk elke akte, welke ten oogmerk heeft om den onverdeelden staat tusschen de mede-erfgenamen te doen ophouden, om het even of de akte onder den naam van koop en verkoop, ruiling, dading of anderzins, mogt verleden zijn.

Doch wanneer de boedelscheiding, of eene daarmede gelijkstaande akte, is voltrokken, kan er geene vernietiging worden gevraagd van eene dading, welke mogt gemaakt zijn om de wezenlijke zwarigheden, in de eerste akte voorkomende, uit den weg te ruimen. (C. 888; B. 1115,\'\'i493v., 1577 v., 1888 v., 1895.)

1164. De regtsvordering tot vernietiging der boedelscheiding wordt niet toegelaten tegen den verkoop van erfregt, zonder bedrog aan een of meerder mede-erfgenamen te

344

-ocr page 403-

ROEK II, TITEL XVI, ARTT. 1157—1171. 345

hunnen bate of schade door de mede-erfgenamen of door een hunner gedaan. (C. 889; B. 1364 v., 1485, 1573.)

1165. Geene herscheiding, na der vernietiging der boedelscheiding gedaan, kan nadeel toebrengen aan de regten bevorens wettiglijk door derden verkregen,

1166. Alle afstand van het ragt om vernietiging eener scheiding te vragen is van onwaarde. (A. 14.)

VIJFDE AFDEELING.

Van boedelverdeeling, door den vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie tusschen hunne afkomelingen gemaakt.

1167. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariele akte, tusschen hunne kinderen en afkomelingen de verdeeling- en scheiding hunner goederen maken. (C. 1075, 1076; B. 899, 922, 1040.)

1168. Indien alle de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op den dag van zijn overlijden nalaat, niet in de verdeeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen volgens de wet worden verdeeld. (C. 1077 ; B. 1112 v., 1115, 1158b.)

1169. Indien de verdeeling niet gemaakt is tusschen alle de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeeling geheel en al nietig zijn. Er kan eene nieuwe verdeeling in den wettelijken vorm worden gevorderd, het zij door de kinderen of afkomelingen die daarbij geen aandeel gekregen hebben, het zij zelfs door degenen, tusschen welke de verdeeling gemaakt is. (C. 1078; B. 1112, 1115.)

1170. De verdeeling, dooreenen bloedverwant inde opgaande linie gedaan, kan worden betwist uit hoofde van benadeeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan almede worden betwist, indien de verdeeling, en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van den een of ander der afkomelingen mogt hebben verkort.

De regtsvordering, bij dit artikel toegelaten, verjaart door een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop de erllater is overleden. (C. 1079; B. 968, 1130d, 1132 v., 1156, 1158 n». 3, 1159 v., 1162.)

1171. De afkomelingen welke, om eene der redenen in het voorgaande artikel uitgedrukt de verdeeling betwisten, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereischt, moeten vooruitschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven, indien hunne vordering ongegrond bevonden wordt. (C. 1080; Rv. 56.)

-ocr page 404-

BURGERLIJK WETBOEK.

ZEVENTIENDE TITEL.

Van onbeheerde nalatenschappen.

1172. Wanneer, bij het openvallen eener nalatenschap, zich niemand opdoet die daarop aanspraak maakt, of waTi-neer de bekende erfgenamen dezelve verwerpen, wordt de nalatenschap als onbeheerd beschouwd. (C. 8H; B. 576, 879b, 880c, H05, 1174, 2028amp;.)

1173. De arrondissements-regtbank, onder welker ressort der nalatenschap opengevallen is, moet op verzoek der belanghebbende personen, of op de voordragt van het openbaar ministerie, eenen curator benoemen.

Indien de curatele verleend wordt ter zake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de regtbank bij voorkeur tot curator den gestelden uitvoerder van den uitersten wil, ten ware deze mogt verlangen door een ander vervangen te worden. (C. 812; B. 80, 1052 v., 1176; Bv. 324 n». 6.)

1174 De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door eenen notaris eene boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheeren en tot effenheid te brengen.

Hij is verpligt, door oproepingen in de openbare nieuwspapieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.

Hij moet in regten optreden ten aanzien der regtsvorde-ringen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle regten, die den overledene toebehoorden, uitoefenen en voortzetten. Hij is verpligt het gereed geld, hetwelk zich in de nalatenschap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen, in de kas der geregtelijke consignatiên te storten, ten einde te strekkeu tot behoud der regten van de belanghebbende partijen, eu daarvan, aan wien zulks zal behooren, rekening te doen. (C. 813; B. 1057, 1176, 1442 n°. 2; Bv. 658 v., 678, 681, 690, 704, 784.)

1175. Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van het openvallen der nalatenschap, geen eifgenaam opdoet. zal de slotrekening moeten worden gedaan aan den staat, welke bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen. (B. 576, 879b, H*Or H^2. 1105; Rv 7H4 )

1176 De bepalingen voorkomende in artikel 522, mitsgaders in artikel I0H2. IÜS3, 1084, 1085 en 1087, zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasse\'ijk. (C. 814; B. 1174.)

346

-ocr page 405-

BOEK II, TITEL XVII EN XVIII, \\I\\TT. HTS—MSi. 347

ACHTTIENDE TITEL.

Van bevoorregte schulden.

EERSTE A.FDEELING.

Van bevoorregte schulden in het algemeen.

1177. Alie de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar, zoo wel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor deszelfs persoonlijke verbindtenissen aansprakelijk. (C. 2092; Rv. 439 v., 447 v., 491 v., 563 v., 585 v.; F. 20.)

1178. Die goederen strekken tot gemeenschappelijken waarborg voor zijne schuldeischers; derzelver opbrengst wordt onder hen, ponds ponds gelijke, naar evenredigheid van eens ieders inschuld, verdeeld, ten ware er tusschen de schuldeischers wettige redenen van voorrang mogten bestaan. (C. 2093; Rv. 480 v., 551 v.; F. 163 v., 180 v ; B. 1179.)

1179. De voorrang tusschen schuldeischers spruit voort uit privilegie, uit pand, en uit onderzetting of hypotheek.

Van pand en onderzetting wordt bij den negentienden en twintigsten titel van dit boek gehandeld. (C. 2094 ;B. 1180 v., 1196 v., 1208 v.)

1180. Privilegie is een regt door de wet toegekend aan den eenen schuldeischer boven den anderen, alleen uit hoofde van den aard der schuld.

Pand en hypotheek gaan boven privilegie, behalve in de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt. (C. 2095; B. 1178, 1185 n». 1, 1195 n». 1, 1196; Stb. 1845 n*. 22, a. 126, zie chron. lijst.)

1181. Tusschen bevoorregte schuldeischers wordt de rang geregeld naar den verschillenden aard der voorregten. (C. 2096; B. 1226.)

1182 Bevoorregte schuldeischers, die in denzelfden rang zijn, worden ponds ponds gelijke betaald. (C. 2097; B. 1195 n0 2 en 3.)

1183 De voorrang van \'s rijks schatkist, de oide waarin dezelve wordt uitgeoefend, en de tijd van deszelfs duur, worden geregeld door de bijzondere wetten daartoe betrekkelijk.

Die van de besturen der gewesten, gemeenten, dijken, polders, wateringen en andere dergelijke gemeenschappen, wegens de door hen te helTen lasten, worden geregeld door de wetten en de wettige op dat stuk daargestelde verordeningen. (C. 209H; Stb. 1845 nquot;. 22, a. 12, zie chron. lijst; W. verm.bel., a. 53; Alg. w , a. 290; Wet van 5 Septemhnr 1807, a. 2 v. (Fortuijn II. 454 v.); Stb 1814n0. 47,3 15;Slb. 1841 n0. 42, a. 25. zie chron. lijst; Prov. w., a. 116 v.; Gem w , a. 257 v., 283; Succ.w , a. 8.)

1184 De privilegien hebben tot onderwerp, of zekere bepaalde goederen, of alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen. De eerste hebben den voorrang

-ocr page 406-

BURGERLIJK WETBOEK.

boven de laatstgemelde. (C. 2099, 2100, 2103, 2104, 2105; B. 1185 v., 1195 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de voorregten gevestigd op zekere bepaalde goederen.

1185. De bevoorregte schulden op zekere bepaalde goederen zijn: (C. 2102, 2103; B. 1184; K. 80 v., 313 v., 332, 391 v., 750 n». 2.)

1°. De geregtskosten uitsluitend veroorzaakt door de uitwinning van eene roerende of onroerende zaak. Deze worden uit de opbrengst van het uitgewonnene goed boven alle andere bevoorregte schulden, en zelfs boven pand en hypotheek, gekweten; (B. 1180, 1195 n». 1.)

2°. De huur-penningen van onroerende goederen, de kosten van reparatie waartoe de huurder verpligt is, mitsgaders alles wat tot de nakoming van de huurovereenkomst betrekking heeft; (B.1186v., 1569n0.2, 1619, 1620, 1625—1627.)

3°. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen; (B. 1187, 1190, 1192, 1510.)

4°. De kosten tot behoud eener zaak gemaakt; (B. 630v., 1193, 1194. 1196, 1203, 1400,1676 n». 3,1765,1789.)

5°. De kosten tot bearbeiding eener zaak aan den werkman verschuldigd; (B. 1193, 1652, 2005c.)

6°. Hetgeen door eenen herbergier, als zoodanig aa:a eenen reiziger is geleverd; (B. 1193, 1746, 2005Ö.)

7°, De vrachtloonen en bijkomende onkosten; (B. 1193; K. 91 v., 490 v.)

8°. Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en andere werkbazen is verschuldigd wegens den opbouw, aanbouw en de reparatie van onroerende goederen, mits de schuldvordering niet ouder zij dan drie jaren, en de eigendom van het perceel aan den schuldenaar zij verbleven; (B. 1193, 1644, 1650 v., 2008a.)

9°. De vergoedingen en betalingen, waartoe openbare ambtenaren, uit hoofde van verzuim, misslagen en misdrijven, in de uitoefening hunner bediening gepleegd, gehouden zijn. (B. 1193, 1266, 1401 v.)

1186. De verhuurder kan zijn voorregt doen gelden op de vruchten welke door takken aan de hoornen, of door wortels aan den grond, nog zijn vastgehecht, voorts op de ingeoogste en nog niet ingeoogste vruchten die zich op den bodem bevinden, en op al hetgeen op den bodern is, zoo tot stoffering van het gehuurde huis of der landhoeve, als tot bebouwing of gebruik van het land, zoo als het vee, de bouwgereedschappen en dergelijken; onverschillig of de hier-boven gemelde voorwerpen al dan niet aan den huurder toebehooren.

348

-ocr page 407-

BOEK II, TITEL XVIII, A.RTT. H85—1193. 349

Indien de huurder een gedeelte van het verhuurde goed aan een ander wettig in huur heeft afgestaan, kan de verhuurder zijn voorregt op de voorwerpen, die zich in of op dat gedeelte bevinden, niet verder doen gelden, dan alleen in evenredigheid van het door den tweeden huurder overgenomen gedeelte, en voor zoo verre de laatstgemelde niet mogt kunnen aantoonen zijne huurpenningen volgens de overeenkomst te hebben voldaan. (C. 2102 n0.1; B. 556 v., 562 nquot;. 3, 568, 573, 1185 n». 2, 1192, 1595, 1617, 1618, 1625—1627; Rv. 758 v.)

1187. Niettemin worden de nog verschuldigde koopprijs van gekochte zaden en de nog verschuldigde kosten van den oogst van het loopende jaar, bij voorrang boven den verhuurder, betaald uit de opbrengt van den oogst, en de nog niet betaalde koopprijs van gereedschappen uit de opbrengst van die gereedschappen. (C. 2102 n0. 1; B. 1185 n0. 5, 1190—1192.)

1188. De verhuurder kan de roerende goederen, waarop hem bij artikel 1186 voorregt is toegestaan, in beslag nemen, indien dezelve buiten zijne toestemming vervoerd zijn; en hij behoudt daarop zijn voorregt, al waren dezelve ook aan eenen derde, door inpandgeving, of op eene andere wijze, verbonden, mits hij die voorwerpen geregtelijk hebbe opge-ëischt binnen den tijd van veertig dagen na het vervoeren der roerende goederen tot eene landhoeve, behoorende, en binnen den tijd van veertien dagen, indien het zaken betreft welke tot stoffering van een huis hebben verstrekt. (G. 2102 n0. 1; B. 1180, 1196; Rv. 758 v.)

1189. Het voorregt van den verhuurder strekt zich uit tot de vervallen huur- en pachtpenningen, gedurende-de laatste drie jaren en het loopende jaar. (C. 2102 n0. 1.)

1190. De verkooper van roerende en nog onbetaalde goederen kan zijn voorregt doen gelden op den koopprijs van die goederen, indien zij zich nog in handen van den schuldenaar bevinden, zonder onderscheid of hij die goederen op tijd of zonder tijdsbepaling verkocht heeft. (C. 2102 n0. 4; 6. 565-567, 569, 1187,\'1192.)

1191. Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, heeft de verkooper zelfs de bevoegdheid om de goederen terug te eischen, zoo lang deze zich in handen van den kooper bevinden, en het weder-verkoopen daarvan te beletten, mits de terugeisching geschiede binnen dertig dagen na de aflevering, en de goederen zich nog bevinden in denzelfden staat waarin zij zijn geleverd geworden. (C. 2102 n0. 4; K. 232 v., 244: B. 1514 v., 1553; F. 233 n». 7; Rv. 721 v.)

1192. De verkooper kan evenwel zijn regt niet uitoefenen dan na den verhuurder van het huis of van de landhoeve, ten ware bewezen zij dat de verhuurder kennis droeg, dat de meubelen en verdere goederen, voor het huis of de landhoeve dienende, door den huurder niet waren betaald. (C. 2102 n°. 4; B. 1887, 1190.)

1193. De voorregten vermeld bij artikel 1185 n0. 4, 5, 6, 7, 8 en 9, worden uitgeoefend als volgt:

-ocr page 408-

BORGER!,IJK WETBOEK.

Die van n0. 4, op de zaak tot welker behoud de kosten zijn gemaakt;

Die van n0. 5, op de zaak die bearbeid is;

Die van n®. 6, op de goederen die door den reiziger in de herberg zijn gebragt;

Die van n0. 7, op het vervoerde goed;

Die van n0. 8, op de opbrengst van het opgebouwde, aangebouwde of herstelde perceel;

Die van n0. 9, op het bedrag van de door de ambtenaren gestelde zekerheid, en de daarop verschuldigde renten. (C. 2102 n». 3-7; B. 1194.)

1194. Indien onderscheiden bevoorregte schuldeischers, van welke in deze afdeeling wordt melding gemaakt, mog-ten te zamen loopen, hebben de onkosten, die gemaakt zijn tot behoud van het goed, den voorrang, indien dezelve gemaakt zijn na het tijdstip waarop de overige bevoorregte schulden zijn geboren. (B. 1185 n0. 4.)

DERDE AFDEELING.

Van de voorregtpn op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen.

(Zie art. 53 der Armenwet.)

1195 De bevoorregte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde, en worden in de volgende orde verhaald: (C. 2101, \'2104; B. 1184, 1185 v.)

1°. De geregtskosten, uitsluitend veroorzaakt door uit winning en biiedelredding: deze hebben voorrang boven pand en hypotheek; (C. 2101 n®. 1; B. 1182 n«. 1; F. 180a.)

2°. De begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid des regters om dezelve te verminderen, indien zij bovenmatig zijn; (C. 2101 n0. 2; B. 178, 1182.)

3°. Alle kosten van de laatste ziekte; (C. 2101 n0. 3; B. 953, 1182, 2006a.)

4°. Het loon van dienst- en werkboden over het verschenen jaar, en hetgeen over het loopende jaar verschuldigd is; (C. 2101 nc. 4; B. 1639, 2006ci.)

Squot;. De schuldvorderingen a) wegens levering van levensmiddelen, gedaan aan den schuldenaar en deszalfs huisgezin, gedurende de laatste zes maanden; (C. 2101 n«. 5; B. 868, 2008b.)

6°. De schuldvorderingen van kostschoolhouders voor het laatste jaar; (C. 2101 nquot;. 5; B. 2006c.)

350

7°. De schuldvorderingen a) van minderjarigen of onder

a) Zoo art. IS der Wet van 28 April 1831 (Stb. no. 16) en art. 19 no. der Wet van 25 Maart 1825 (Stb. no. 39). O. E.; schuldvordering.

-ocr page 409-

BOEK II, TITEL XVIII EN XIX, ARTT. 1194—1196. 351

curatele gestelden ten laste van hunne voogden en curators, ter zake van derzelver beheer: voor zoo verre dezelve niet kunnen worden verhaald uit de hypotheken of andere zekerheid, welke, naar aanleiding van den zestienden titel van het eerste boek van dit Wetboek, mogt gesteld zijn. (6. 390, 397, 471, 506.)

NEGENTIENDE TITEL.

Van pand.

1196. Pand is een regt, hetwelk de schuldeischpr verkrijgt op eene roerende zaak, die hem door den schuldenaar, • door een\' ander in des/.elfs naam. tot zeker! eid der sclmld, is ter hand gesteld, en aan \'ten schuldeischer de bevofgilhcid geeft om zich bij voorkeur boven de andere schuldeischers uit de zaak te do^n betalen; met uitzondering van de koeten van uitwinning en van de onkosten die. na de inpandgeving, tot belmud \\an de zaak gema ikt zijn. en welke den voorrang zullen hpbben. (C 21)71, \'207H; B 584, 1179 v., 1185 n0. I en 4, 1193, 1195 n°. 1, 1203, 1867; K. 315 n°. 2; F. 57—59, 233 n0. 2.)

Bij art. 1 der Wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 95) zijn de artikelen 1197 1202 «) vervangen door de volgende bepalingen:

a) De oorspronkelijke artikelen luidden: Art. 1107. Ten opzigte van schulden, meer dan honderd gulden bedragende, heeft geen pandregt plaats, ten zij daarvan zij opgemaakt eene schriftelijke akte, von eene zekere dagteekening voorzien, en bevattende de opgave dar verschuldigde som, alsmede die dor in pand gegeven voorwe-pen.

Art. 1198. Pandregt op insehulden, welke op naam zijn gesteld, kan niet bestaan, dan ten gevolge eener akte, van eene zekere dagteekening voorzien, en aan den schuldenaar der in pand gegeven insehulden beteekend.

Art. 1199. In alle gevallen kan het pandregt slechts stand grijpen voor zoo verre het verpande goed gesteld en gebleven is in het bezit van den schuldeischer, of van eenen derde omtrent wien partijen zijn overeengekomen.

Art. 1200. De schuldeischer mag, bij niet voldoening des schuldenaars aan zijne verpligtingen, zich het pand niet toeëigenen; alle hiermede strijdige bepalingen zijn nietig.

Hij heeft het vermogen om in regten te vorderen dat het pand hem in betaling zal verblijven tot het beloop der schuld, volgens eene door deskundigen te doene begrooting, of dat hetzelve bij openbare veiling zal worden verkocht.

Art. 1201. Het staat aan de partijen vrij om, bij een uitdrukkelijk beding, overeen te komen dat, bij gebreke van voldoening der schuld, de pandhouder onherroepelijk zal zijn gemagtigd om, na eene aan

-ocr page 410-

BURGERLIJK WETBOEK.

1197. Pandovereenkomst wordt bewezen door alle middelen, die voor het bewijs der hoofdverbindtenis zijn toegelaten. a) (B. 1903 v.; K. 1, 6 v.)

1198. Pandregt op ligchamelijke roerende zaken en op inschulden aan toonder wordt gevestigd door het brengen van het pand onder de magt van den schuld eischer of van een derde, omtrent wien partijen zijn overeengekomen.

Het is niet bestaanbaar op zaken, die in de magt van den schuldenaar of den pandgever worden gelaten of met den wil van den schuldeischer terugkeeren.

Het gaat te niet, wanneer het pand uit de magt van den pandhouder geraakt.

Is het echter door dezen verloren of aan hem ontvreemd, dan heeft hij het regt van terugvordering bij art. 2014, tweede lid, bedoeld, en wordt bij terugbekoming van het pand het pandregt geacht nooit verloren te zijn geweest.

De onbevoegdheid van den pandgever om over de zaak te beschikkken, kan aan den schuldeischer, die haar in pand heeft genomen, niet worden tegengeworpen, onverminderd het regt tot terugvordering van hem, die de zaak verloren heeft, of aan wien zij is ontvreemd, a) (C. 2076; B. 637, 668c, 1477, 1511.)

Het vierde en het vijfde lid aldus gewijzigd bij art. 9 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). b)

1198 his. Tot vestiging van pandregt op papier aan order wordt behalve het endossement de overgaaf van het papier gevorderd, a) (K. 133 v,, 209, 212, 508, 573.)

1199. Pandregt op onligchamelijke roerende zaken, met uitzondering van papier aan order of aan toonder, worc t gevestigd door kennisgeving der verpanding aan hem, tegen wien het in pand gegeven regt moet worden uitgeoefend.

den schuldenaar gedane sommatie tot voldooning, het pand, in het openbaar naar plaatselijke gewoonten, en op de gebruikelijke voorwaarden, te doen verkoopen, ton einde uit de opbrengst te verhalen het beloop der op het pand geschoten penningen, met de renten en do kosten.

Art. 1202. Bij beleening of inpandgeying van efEecten of obligation, kunnen de partijen, insgelijks bij uitdrukkelijk beding, overeenkomen dat, bij nalatigheid des schuldenaars om aan alle zijne ver-pligtingen, iiit de akte van beleening of verpanding voortvloeijende, te voldoen, de beleener of pandhouder onherroepelijk zal zijn ge-magtigd om, na voorafgaande sommatie, de beleende of verpande voorwerpen te doen verkoopen, en uit derzelver opbrengst alles te verhalen waartoe de beleener of pandgever zich heeft verbonden.

Courante effecten of obligation kunnen, in dit geval, daags ni de gedane sommatie, ter beurze door twee in dat vak aangestelde makelaars worden verkocht; terwijl de verkoop van niet courante effecten of obligation in het openbaar zal moeten geschieden, met inachtneming der plaatselijke gewoonten, en op de gebruikelijke voorwaarden.

а) Zie onder art. 1196.

б) Oorspronkelijk word, in plaats van het woord: „ontvrsemd,quot; gelezen hot woord; „ontstolen.quot;

352

-ocr page 411-

BOEK If, TITEL XIX, ARTT. H97—1204.

Door dezen kan van die kennisgeving en van de toestemming des pandgevers een schriftelijk bewijs worden gevorderd, a) (C. 2075; B. 668, HQS, 1198J)is.)

1200. De schuldeischer mag ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, zich het pand niet toeëigenen. Alle hiermede strijdende bedingen zijn nietig, d) (C. 2078; B. 1201 v., 1223a; A. 14.)

1201. Wanneer door partijen niet anders is overeengekomen, is de schuldeischer, ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, geregtigd om na het verstrijken van den bepaalden termijn, of, indien geen vaste termijn is bepaald, na een 2 sommatie tot voldoening, het pand in het openbaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden, te doen ver-koopen, ten einde uit de opbrengst het beloop der schuld met de renten en kosten te verhalen.

Bestaat het pand uit ter markt of ter beurze verhandelbare koopmansgoederen of effecten, dan kan de verkoop ook aldaar geschieden, mits door tusschenkomst van twee makelaars in het vak. a) (A. 3; B. 1202, 1223, 1286,1804, 1851; K. 59 v., 62 v.: F. 57 v.)

1202. In allen geval kan, wanneer de schuldenaar of de pandgever in gebreke is aan zijne verpligtingen te voldoen, de schuldeischer in regten vorderen, dat het pand tot verhaal der schuld met de renten en kosten zal worden verkocht op de wijze door den regter te bepalen, of wel de regter op des schuldeischers vordering toestaan, dat het pand aan dezen, voor een bedrag bij het vonnis te bepalen, tot het beloop der schuld met de renten en kosten in betaling zal verblijven.

Van de vervreemding van het pand in de gevallen, bij dit en het vorig artikel bedoeld, is de schuldeischer ver-pligt den pandgever uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangeteekenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving, a) (C. 2078; B. 1196, 1199, 1200. 1201, 1274, 1286, 1804.)

1203. De schuldeischer is verantwoordelijk voor het verlies of de vermindering van het pand, voor zoo verre zulks door zijne nalatigheid mogt hebben plaats gehad.

De schuldenaar is van zijne zijde verpligt aan den schuldeischer te vergoeden de nuttige en noodzakelijke onkosten die de laatstgemelde tot het behoud van het pand gemaakt heeft. (C. 2080; B. 1185 n0. 4, 1193, 1205,1271 v., 1279 v., 1427, 1480 v.)

1204. Indien eene inschuld in pand gegeven is, en deze inschuld interessen opbrengt, verrekent de schuldeischer die interessen met degene welke hem mogten verschuldigd zijn.

353

Indien de schuld, tot welker zekerheid eene inschuld in pand gegeven is, geene interessen opbrengt, worden de interessen, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort. (C. 2081; B. 1198, 1199,1201,1202,1286,1804,1755.)

lt;0 Zie onder art. ll\'JO.

23

-ocr page 412-

BURGERLIJK WETBOEK.

1205. Zoo lang de houder het in pand gegeven goed niet misbruikt, is de schuldenaar onbevoegd om daarvan de teruggave te vorderen, voordat hij ten volle betaald hebbe, zoo wel de hoofdsom als de interessen en onkosten der schuld, voor welker zekerheid het pand gegeven is, alsmede de onkosten die tot behoud van het pand gedaan zijn.

Indien er tusscben denzelfden schuldenaar en denzelfden schuldeischer eene tweede schuld mogt bestaan, tus-schen hen zelve aangegaan na het tijdstip der pandgeving, en opeischbaar vóór de betaling, of op den dag zeiven van de betaling, der eerste schuld, is de schuldeischer niet gehouden zich van bet pand te ontdoen, voordat hem beide schulden ten volle zijn voldaan, al mogt er zelfs geen beding gemaakt zijn om het pand voor de betaling der tweede schuld te verbinden. (G. 2082; B. 780, 4196, 1432, 2004: F. 58.)

1206. Het pand is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld onder de erfgenamen van den schuldenaar of onder die van den schuldeischer mogt deelbaar zijn.

De erfgenaam van den schuldenaar, die zijn gedeelte in de schuld betaald heeft, kan de teruggave van zijn aandeel in het pand niet vorderen, zoo lang de schuld niet ten volle is gekweten.

Wederkeerig mag dè erfgenaam van den schuldeischer, die zijn aandeel in de schuld ontvangen heeft, het pand niet terug geven ten nadeele van diegenen zijner medeerfgenamen die niet betaald zijn. (C. 2083; B. 1146,1332 v., 1438 nquot;. 3.)

1207. De hier-boven gemaakte bepalingen zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel, of op banken van leening, welke bij openbaar gezag zijn gevestigd, voor zoo verre bij het Wetboek van Koophandel, of bij de verordeningen omtrent die instellingen, bijzondere bepalingen zijn gemaakt. (C. 2084; K. la, 80 v., 315 n6. 2; Besl. v. 31 Oct. 1826 n0. 132 (Bijv. t. h. Stb. XIII, 1, 70 v.; d\'Engel-bronner II (1821—1830) bl. 422).)

TWINTIGSTE TITEL.

Van onderzelliny of hypolhcek.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1208. Onderzetting of hypotheek is een zakelijk regt op onroerende goederen, strekkende om daaraan de voldoening eener verbintenis te verbalen. (G. 2114; B. 584, 1179 v., 1185 n0. 1, 1195 n». 1, 1209b, 1210,1213,1242,1253 nM; Rv. 70.)

1209. Dat regt is uit deszelfs aard ondeelbaar en ge-

354

-ocr page 413-

BOEK II, TITEL XIX EN XX, ARTT. 1205—1217. 355

vestigd op alle de verbondene onroerende goederen in hun geheel, op elk van die goederen en op ieder gedeelte van dezelve.

De goederen blijven daarmede belast, in welke handen dezelve ook overgaan. (C. 2114; B. 1012, 1147 v., 1151 v., 1206, 1242, 1245, 1254, 1332 v.; K. 297 v.; F. 233 n». 2.)

1210. Voor hypotheek zijn alleen vatbaar:

1°. Onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zoo verre dat laatste als onroerend goed beschouwd wordt; (B. 562, 563,575, 593, 1010 v.)

2°. Het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehooren; (B 819.)

3°. De regten van opstal en erfpacht; (B. 759, 771.)

4°. De grondrenten, het zij in geld, het zij in natura verschuldigd; (B. 784 v., 12196.)

5°. Het tiendregt; (B. 787 v., 1219amp;.)

6°. Het regt van beklemming. (B. 1654. — C. 2118.)

1211. De hypotheken strekken zich uit tot alle de latere verbeteringen van het bezwaarde goed, ook tot hetgeen, door aanwas of opbouw, met hetzelve vereenigd is. (C. 2133; B. 216, 626, 643, 651 v., 656, 1210 n0. 1.)

1212. Het onverdeeld aandeel in een gemeen onroerend goed kan met hypotheek worden bezwaard. Na de verdeeling van hetzelve, blijft de hypotheek alleen gevestigd op het deel dat aan den schuldenaar, die de onderzetting heeft verleend, is toebedeeld, behoudens de bepaling van artikel 1377. (B. 1129, 1148; Bv. 492.)

1213. Roerende goederen zijn voor geene hypotheek vatbaar. (C. 2119; B. 565 v., 1196, 1208, 1210, 2014.)

1211. Hypotheek kan niet worden gevestigd dan door hem, die de bevoegdheid heeft het bezwaarde goed te vervreemden. (C. 2124; B. 160e, 163, 1796, 19oc, 451, 479, 4846, 537, 1032, 1216, 1220, 1225; F. 43 n0. 2; Rv.505cü, 585 n0. 1.)

1215. Zij, die op een onroerend goed slechts een zoodanig recht hebben, hetwelk door eene voorwaarde is opgeschort, of in zekere gevallen kan worden ontbonden of te niet gedaan, kunnen geene hypotheek toestaan, dan die aan dezelfde voorwaarden, ontbinding of tenietdoening onderworpen is. (C. 2125; B. 1032, 1299 v., 1301 v., 1304 v., 1568c, 1710.)

1216. Goederen van minderjarigen, van degenen die onder curatele staan, en van afwezigen, zoo lang derzelver bezit slechts bij voorraad verleend is, kunnen niet anders met hypotheek worden bezwaard, dan om de redenen, en overeenkomstig de formaliteiten, welke bij de wet zijn vastgesteld. (C. 2126; B. 364, 451, 506c, 537, 1214.)

1217. Hypotheek kan alleen bij notariële akte worden verleend, uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk aangewezen.

De volmagt tot het verleenen van hypotheek moet bij authentieke akte worden verleden. (W. not. ambt, a. 1,38.)

De voogd, de curator, de getrouwde man, of elk ander.

-ocr page 414-

BURGERLIJK WETBOEK.

die, uit kracht der wet of eener overeenkomst, verpligt is hypotheek te geven, kan daartoe bij vonnis worden genoodzaakt, hetwelk dezelfde kracht zal hebben alsof hij in de hypotheek hadde toegestemd, en bepaaldelijk zal aanduiden de goederen op welke de inschrijving zal geschieden.

De getrouwde vrouw, welke bij huwelijksche voorwaarden hypotheek heeft bedongen, kan, zonder den bijstand van haren man, of de magtiging van den regter, de hypothekaire inschrijvingen bewerkstelligen, en de vereischte regtsvorde-ringen daartoe aanleggen. (C. 2127; B. 163, 165, 167, 169, 194 v., 396, 428, 506c, 12206, 1231 n0. 2, -1833b; O. 25; Stb. 1878 n0. 90, a. 5.)

1218. Uit kracht van eene overeenkomst, in een vreemd land verleden, kan geen hypotheek worden ingeschreven op goederen binnen het Koningrijk gelegen, ten ware het tegendeel bij traktaten mogt zijn bepaald. (G. 2128; A. 10; Rv. 431, 436 )

1219. De akte, waarbij hypotheek wordt gevestigd, moet bevatten eene bijzondere opgave van het bezwaarde goed, en van deszelfs aard en ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling.

Ten aanzien van tienden en grondrenten, waaromtrent niet bepaaldelijk kan worden opgegeven welke bijzondere perceelen daarmede belast zijn, zal men met de juiste omschrijving en aanwijzing der schuldpligtige streek, gemeente of polder in de akte kunnen volstaan. (C. 2129; 13. 1231 nquot;. 4; O. 15; Stb. 1818 n». 84; Stb 1828n«. 52; Stb.1838 n0. 27 en n0. 30; Stb. 1842 nquot;. 16, a. 4, en no.20, a. 37; Stb. 1877 n«. 96; Stb. 1878 n». 90. a.2; Stb. 1878n0. 104, zie Hyp. en Scheepsbew.)

1220. Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen worden gevestigd. Eene hypotheek op toekomstige goederen is nietig.

Indien echter de vrouw bij huwelijksche voorwaarden het vestigen van hypotheek heeft bedongen, of, in het algemeen, een schuldenaar zich heeft verpligt aan den schnld-eischer hypotheek te geven, kan de man of de schuldenaar worden genoodzaakt aan zijne verpligting te voldoen, door aanwijzing ook van goederen, welke hij, na het ontstaan der verbindtenis, mogt hebben verkregen. (C. 2129, 2130; B. 392, 1214, 1217, 1231, 1704.)

1221- Eene hypotheek is slechts van waarde, in zoo verre de som, waarvoor dezelve is toegestaan, zeker en bij de akte bepaald is.

Indien de schuld voorwaardelijk of derzelver hoegrootheid onbepaald is, zal de vestiging der hypotheek slechts kracht hebben tot het beloop der geschatte waarde, welke partijen gehouden zijn in de akte op te geven. (G. 2132; B. 390, 428a, 506c, 1229, 1231 n0. 3.)

1222. De schuldeischer kan, in geen geval, eene vermeerdering van hypotheek vorderen, ten ware het tegendeel bedongen of bij de wet bepaald zij. (G. 2131; B. 394, 506c, 1229.)

356

-ocr page 415-

BOEK 11, TITEIi XX, ARTT. 1218—1227.

1223. Alle bedingen, bij welke de schuldeischer ge-magtigd zoude worden om zich het gehypothekeerde goed toe te eigenen, zijn nietig.

Het staat echter den eersten hypothekairen schuldeischer vrij om. bij het vestigen der hypotheek, uitdrukkelijk te bedingen, dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom, of van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk zal zijn gemagtigd het verbonden perceel in het openbaar te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst te verhalen zoo wel de hoofdsom als de renten en de kosten. Dat beding zal op de openbare registers moeten worden aangeteekend, en zal de veiling moeten plaats hebben op de wijze als bij artikel 1255 is voorgeschreven, met uitzondering alleen dat de tegenwoordigheid van den kanton-regter niet vereischt wordt. (B. 1185 n0. 1, 1200, 1201, 1231 n0. 5; F. 57 v.; Rv. 508 v.)

TWEEDE A F D E E L 1 N G.

Van de inschrijving der hypotheken en van den vorm der inschrijving.

1224. De inschrijving der hypothekaire verbanden moet geschieden in de daartoe bestemde openbare registers.

Bij gebreke van die inschrijving, heeft de hypotheek geene kracht hoegenaamd, zelfs niet ten opzigte van schuld-eischers, die geen hypothekair verband hebben. (C. \'2134, 2146; B. 428a, 1236, 1237, 1247, 1265a, 1268; Stb. 1828 nquot;. 52, a. 23 v.; Stb. 1838 n°. 27, a.1 v.; Stb. 1877n».96; Stb. 1878 n0. 90, zie Hyp. en Scheepsbew.; Stb. 1878 n0.104.)

1225. De inschrijving van eene hypotheek is van onwaarde, indien dezelve gedaan is op eenen tijd, waarop, de eigendom van het goed aan eenen derde zijnde overgegaan, de schuldenaar daarop zijn eigendomsregt reeds verloren had. (C. 2146; Pr. 834, 835; B. 1214, 1217,1224, 1227 v.; F. 35.)

1226 De rang der hypothekaire schuldeischers wordt bepaald naar de dagteekening hunner inschrijving, behoudens de uilzonderingen bij de twee volgende artikels vermeld.

Zij, die op denzelfden dag zijn ingeschreven, hebben gezamenlijk eene hypotheek van dezelfde dagteekening, onverschillig op welk uur de inschrijving gedaan is, al ware het ook dat het uur door den bewaarder mogt zijn aangeteekend. (G. 2134, 2147; B. 1179, 1181, 1232, 1266; Stb. 1828 n0. 52, a. 23c en 30; F. 35.)

1227. Indien bij de koop-akte, tot waarborg van onbetaalde kooppenningen, hypotheek op het verkochte goed is bedongen, en de inschrijving is geschied binnen acht vrije dagen na de overschrijving dier koop-akte op de daartoe bestemde openbare registers, zal deze hypotheek

357

-ocr page 416-

BURGERLIJK WETBOEK.

den voorrang hebben boven de hypotheken, welke de kooper, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan. (C. 2103 n0. i, 2108; B. quot;1225.)

1228. Dezelfde bepaling is toepasselijk, indien bij akte van scheiding hypotheek is bedongen tot waarborg van hetgeen de eene deelgenoot aan den anderen, ten gevolge eener scheiding, schuldig blijft, of tot vrijwaring van het aanbedeelde goed. Ook in dat geval geven de inschrijvingen, binnen acht vrije dagen na de overschrijving der akte van scheiding, voor zoo veel dit beding betreft, door den deelgenoot bewerkstelligd, den voorrang boven de hypotheken, welke de verkrijger, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan. (C. 2103 n0. 3, 2109; B. 1129, 1130.)

1229. De schuldeischer, die ingeschreven is voor eene hoofdsom, welke interessen of renten voortbrengt, is ge-regtigd om, uiterlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, wegens interessen of renten in denzelfden rang van hypotheek geplaatst te worden als voor zijne hoofdsom; onverminderd zijn regt om, ten aanzien van andere renten dan bij de eerste inschrijving verzekerd waren, bijzondere inschrijvingen te nemen, welke sedert derzelver dagteekening hypotheek zullen te weeg brengen. (C. 2151; B. 1205, 1221, 1248.; F. 128.)

1230. Indien de akte, waarbij de hypotheek is gevestigd, een uitdrukkelijk beding bevat, waarbij de schuldenaar in zijne bevoegdheid is beperkt, het zij om het bezwaarde goed buiten toestemming der schuldeischers te mogen verhuren, het zij ten aanzien van de wijze waarop, of van den tijd gedurende welken hetzelve zal kunnen worden verhuurd, het zij ten aanzien van de vooruitbetaling der huurpenningen, zal zoodanig beding niet alleen verbindende zijn tusschen de partijen, maar ook tegen den huurder kunnen worden ingeroepen door den schuldeischer, die zoodanig beding op de openbare registers zal hebben doen aanteekenen.

Alles onverminderd de bepalingen van artikel 1377, welke, zoo daartoe gronden zijn, door alle de schuldeischers zullen kunnen worden ingeroepen, om het even of er al dan niet eenig beperkend beding op het stuk der verhuring of vooruitbetaling gemaakt zij. (B. 1231 n0. 5, 1266 n0. 1, 1612; Rv. 505(Z.)

1231. Om de inschrijving te bewerkstelligen stelt de schuldeischer, het zij in persoon, het zij door eenen derde, aan den bewaarder der hypotheken van den kring waarin de goederen gelegen zijn, ter hand twee, door den schuldeischer of den derde onderteekende, borderellen, waarvan het eene op het uitgegeven afschrift van den titel kan gesteld worden.

Die borderellen bevatten:

1°. Eene bepaalde aanduiding van den schuldeischer en van den schuldenaar, en de opgave der woonplaats, door eerstgemelde gekozen binnen den kring van het kantoor des bewaarders. (B. 81, 1234, 1238, 1255.)

358

-ocr page 417-

BOEK ir, TITEL XX, ARTT. 1228—1\'234.

De inschrijving op de goederen van eenen overledene kan gedaan worden ten name van den overledene;

2°. De dagteekening en den aard van den regtstitel, met opgave van den ambtenaar, door of ten overstaan van welken de akte is verleden, of van den regter, die de te bezwaren goederen, naar aanleiding van het voorlaatste lid van artikel 1217, heeft aangeduid; (B. 396.)

3°. Het beloop der inschuld, of de begrooting der voorwaardelijke en onbepaalde regten, welke verzekerd moeten worden, mitsgaders den tijd, waarop de schuld opeischbaar is; (B. 12216, 1808.)

4°. De aanduiding van den aard en de ligging der goederen, waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding der kadastrale indeeling, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1219, ten aanzien van tienden en grondrenten; (O. 16, 29.)

5°. De bedingen, welke, naar aanleiding van het vorige artikel, mitsgaders van het tweede lid van art. 1223 en van het tweede lid van art. 1254, tusschen den schuldeischer en den schuldenaar mogten gemaakt zijn. (K. 297. — C. 2148, 2149; B. 1232,1235,1238, 1247, 1266, 1268; Stb. 1878 n». 90, a. 2, zie Hyp. en Scheepsbevv.)

1232. De bewaarder behoudt een der borderellen, ten einde hetzelve in zijn register in te schrijven onder de dagteekening van de overgave. Hij geeft onmiddellijk aan dengene, die de inschrijving verzocht heeft, het andere borderel terug, aan den voet van hetwelk hij den dag der overgave vermeldt. Hij is eindelijk verpligt, indien zulks gevorderd wordt, uiterlijk binnen vier en twintig uren, op dat borderel naderhand bij te voegen het nommer, waaronder de inschrijving in zijne registers heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen zullen door hem worden onderteekend. (C. 2150; B. 1266; O. 17, 32; Stb. 1878 n0. 90, a. 2, zie Hyp. en Scheepsbew.)

1233. Bij het vorderen der aanteekening, waarvan in artikel 1154 gesproken wordt, zijn de schuldeischers of de legatarissen verpligt aan den bewaarder der hypotheken ter hand te stellen:

1°. Een authentiek afschrift van den eisch tot afscheiding der goederen;

2°. De dood-akte van den overledene., of een ander deugdelijk bewijs dat de regtsvordering is aangevangen binnen de zes maanden na het openvallen der nalatenschap;

3°. Twee borderellen, houdende, naar het voorschrift van artikel 1231 n0. 4, de aanduiding van den aard en de ligging der goederen, ter zijde van welke de aanteekening wordt gevorderd; en zijn de bepalingen van art. 1232 op deze borderellen toepasselijk. (C. 2111; B. 1153 v., 1235, 1266.)

1231. Het is aan dengene, die eene inschrijving heeft

359

-ocr page 418-

BURftERLIJK WETBOEK.

laten doen, alsmede aan zijne vertegenwoordigers, of die uit kracht eener authentieke akte deszelfs regt verkregen hebben, geoorloofd om in het register der hypotheken de door hem gekozene woonplaats te veranderen, mits hij eene andere in denzelfden kring kieze en aanwijze. (G. 2152; B. 82, 668, 1231 nquot;. 1, 1238, 1255, 1436 v.)

1235. De inschrijving kan, ter zake van verzuim der hierboven voorgeschrevene formaliteiten, niet worden vernietigd, dan alleenlijk in geval zij den schuldeischer, den schuldenaar, de schuld of het bezwaarde goed niet op eene voldoende wijze kenbaar maken. (B, 1219, 1231 n0. 1—4.)

1236. De inschrijving doet de hypotheek stand houden zonder vernieuwing. (C. 2154; B. 1224; Stb. 1828 n0. 84; Stb. 1878 n0. 90.) a)

1237. De kosten der inschrijving zijn voor rekening van den schuldenaar, indien het tegendeel niet bedongen is. (C. 2155; B. 399, 1239; Stb. 1878 n». 90, a. 3, zie Hyp. en Scheepsbew.)

1238. De regtsvorderingen tegen de schuldeischers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, moeten aangelegd worden voor de bevoegde regtbank, door middel van dagvaardingen, gedaan aan hunnen persoon, of aan de laatste woonplaats, die blijkens het register gekozen is; en zulks niettegenstaande het overlijden, het zij van de schuldeischers, het zij van degenen, bij wie zij domicilie hebben gekozen. (G. 2156; B. 81, 1231 n0. 1, 1234, 1241, 1255; Rv. 126g.)

DERDE AFDEELING.

Van de doorhaling der inschrijvingen.

1239. De inschrijvingen worden ten koste van den schuldenaar doorgehaald, of met toestemming der daartoe bevoegde belanghebbende partijen, of ten gevolge van een vonnis, het zij in het hoogste ressort gewezen, het zij in kracht van gewijsde gegaan. (G. 2157; B. 1214,1231,1241, 1247, 1253, 1262, 1263, 12656, 1366 v.; Rv. 398,557,561; F. 188; Stb. 1838 n». 27, a. 15.)

1240. In beide gevallen, leggen degenen, die de doorhaling verzoeken, ten kantore van den bewaarder over eene authentieke akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemag-tigd, of een authentiek afschrift van zoodanige akte of van het vonnis, daartoe strekkende.

360

Bij de in het vorig lid bedoelde authentieke akte mag niemand als lasthebber optreden dan voorzien van eene

a) Bij de Wet van 22 December 1828 (Stb. no. 8i) is hetzelfde bepaald voor alle op 1 Januari 1829 nog bestaande hypotheken, terwijl bij de Wet van 5 Juni 1878 (Stb. no. 90) eene algemeene vernieuwing van alle vóór 1 Januari 1879 genomen hypothekaire inschrijvingen is gelast. Zie deze wet hierachter onder Hyp. en Scheepsbew.

-ocr page 419-

BOEK rr, TITEL XX, ARTT. 1235—1245. 361

schriftelijke volmagt. (G. 2158; B. 3tgt;9, 1217, 1231, 1260 n0. 1 en 3; Stb, 1838 nquot;, 27, a. 15; W. not. ambt, a. 38: Rv. 561.)

Het tweede lid van dit artikel bijgevoegd bij de Wel van 5 Juni 1878 (Stb. n». 89).

mi. Indien in eene doorhaling niet wordt toegestemd, moet dezelve gevraagd worden voor de regtbank, onder welker regtsgebied de inschrijving gedaan is, ten ware die vordering ondergeschikt zij aan een geschil, hangende voor eene andere regtbank; in welk geval, de eisch tot doorhaling zal verwezen worden naar de regtbank, voor welke het hoofdgeschil aanhangig is.

Echter zal de overeenkomst, tusschen den schuldeischer en den schuldenaar aangegaan, om, in geval van geschil, de vordering voor eene door hen bepaalde regtbank te brengen, tusschen henlieden moeten nagekomen worden. (C. 2159; B. 1238, 1374, 1376; Rv. 158; Stb. 1838 n0. 27, a. 15.)

VIERDE AFDEELING.

Van de gevolgen der hypotheken tegen derde bezitters.

1242. De schuldeischer, die eene ingeschrevene hypotheek heeft, vervolgt zijn regt op het verbonden onroerende goed, in welke handen zich dat ook bevinde, om gerangschikt en betaald te worden volgens de orde van inschrijving. (C. 2166 v.; B. 1208, 12096; Rv. 493, 551 v.)

1243. De schuldeischer heeft het regt om, na gedaan bevel aan den schuldenaar, het verbonden onroerende goed onder den derden bezitter in beslag te nemen en te doen verkoopen. Hierbij, en bij de rangschikking op de opbrengst daarvan, tusschen de onderscheidene schuldeischers, moeten de formaliteiten worden in acht genomen ten opzigte van geregtelijke uitwinningen en rangschikking, in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven. (C. 2169; B. 1209, 1223; Bv. 493 v., 502 v., 551 v.)

1244. De derde bezitter kan zich tegen den verkoop verzetten, indien hij kan aanwijzen, dat zich alsnog in het bezit van den oorspronkelijken schuldenaar bevinden een of meer onroerende goederen, mede hypothekair voor dezelfde schuld verbonden, en klaarblijkelijk voldoende om daaraan die schuld te verhalen. In zoodanig geval kan hij, met schorsing der uitwinning van zijn eigendom, de voorafgaande uitwinning van het medeverbonden goed onder den oorspronkelijken schuldenaar vorderen. (C. 2170 v.; B. 1868, 1870.)

1245. In geval eene hypotheek is gevestigd op één onroerend goed, en een of meerdere gedeelten daarvan tot derde bezitters mogten zijn overgegaan, behoudt de schuldeischer de bevoegdheid om zijn regt op het verbonden goed, of op zoodanig gedeelte daarvan als hij raadzaam of voldoende acht. voor het geheel te doen gelden, even alsof

-ocr page 420-

BUKGERLIJK WETBOEK.

het verbondene zich nog onverdeeld in het bezit van den schuldenaar bevond. (B. 1209.)

1246. De derde bezitter, die, het zij bij uitwinning, het zij vrijwillig, de schuld heeft gekweten, is bevoegd, als daardoor, uit kracht der wet, in de regten des schuldeischers zijnde getreden, om, na aftrek van zijn aandeel in evenredigheid tot de gezamenlijke waarde van de verbondene goederen, de verdere hypothekaire regten voor deze inschuld op de mede-verbondene goederen, of gedeelten van dezelve, te doen gelden. (C. 2178; B. 1012, 1152, 1252, 1438.)

1247. In de gevallen, bij de twee vorige artikelen vermeld, zal de inschrijving van de hypotheek alleen op dat goed of gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuldvordering is verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld heeft gekweten, en op het verder verbondene niet eer dan nadat de betaald hebbende of uitgewonnen derde bezitter zijn regt, volgens het laatstvoorgaande artikel, zal hebben doen gelden, of in de doorhaling zal hebben toegestemd. Tot verzekering van zijn regt, is de gesubrogeerde schuldeischer verpligt daarvan aanteekening te laten doen op de gewone registers. (B. 1224, 1231, 1239 v., 1266.)

1248. De derde bezitter heeft altijd het regt, tot op het tijdstip der toewijzing toe, om de uitwinning van het bij hem bezeten verbonden goed te doen ophouden, door de kwijting van de ingeschrevene schuld met de renten overeenkomstig artikel 1229, mitsgaders de kosten. (C. 2173; B. 1246, 1438.)

1249. Hetgeen het verbonden goed bij uitwinning meer opbrengt dan de hypothekaire lasten en kosten bedragen, wordt uitgekeerd aan den derden bezitter.

1250- De erfdienstbaarheden en andere zakelijke regten, zoo wel ten laste als ten bate van het uitgewonnen goed, die door den overgang aan den derden bezitter waren te niet gegaan, herleven, nadat hetzelve aan een ander is toegewezen. (C. 2177; B. 753, 765 n«. 1, 783, 801 n°. 1, 854 n®. 3, 865.)

1251. De verminderingen, welke, door schuld of onachtzaamheid van den derden bezitter, ten nadeele der hypothekaire schuldeischers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen denzelven eene regtsvordering tot schadeloosstelling op; hij kan de door hem gemaakte onkosten en verbeteringen niet terugvorderen, dan ten beloope van hetgeen het goed, door de verbeteringen, in waarde vermeerderd is. (C. 2175; B. 1211, 1300, 1533 v.)

1252. De derde bezitter, die de hypothekaire schuld betaald, of de geregtelijke uitwinning daarvoor heeft ondergaan, heeft zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar. (C. 2178; B. 1012, 1152, 1244, 1246, 1438.)

362

-ocr page 421-

BOEK II, TITEL XX, ARTT. 1240—1257.

VIJFDE AFDEELING.

Van het te niet gaan der hypotheken.

1253. De hypotheken gaan te niet:

1°. Door het te niet gaan der hoofdverbindtenis; (B. 1417 v.)

2°. Door des schuldeischers afstand van de hypotheek;

3°. Door geregtelijkerangschikking. (B. 1256v.; Rv.551 v.;

F. 188. — C. 2180; B. 1215; K. 297.)

1251. Degene, die het bezwaarde goed heeft gekocht, het zij bij geregtelijke uitwinning, het zij ten gevolge eener willige verkooping voor eenen in geld bepaalden prijs, kan vorderen, dat het gekochte perceel worde ontlast van alle hypothekaire lasten, die den koopprijs te boven gaan, met inachtneming der voorschriften, bij de volgende artikelen gegeven.

De zuivering zal echter bij willige verkooping geene plaats hebben, indien de partijen, bij het vestigen der hypotheek, zulks uitdrukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de openbare registers is aangeteekend.

Zoodanig beding kan slechts door den eersten hypothe-kairen schuldeischer gemaakt worden. (B. 1257 v., 1231 n0. 5, 1260; Rv. 491 v.)

1255. In geval van willige verkooping, zal de vordering tot ontlasting niet kunnen worden gedaan, ten zij de verkooping hebbe plaats gehad in het openbaar, volgens de plaatselijke gebruiken, ten overstaan van eenen openbaren ambtenaar, en in tegenwoordigheid van den regter van het kanton, alwaar alle of het meerendeel der goederen gelegen zijn; en voorts de ingeschrevene schuldeischers daarvan zijn verwittigd geworden, ten minste dertig dagen voor de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal moeten worden betee-kend aan de woonsteden, die de schuldeischers bij de inschrijving hebben gekozen. (C. 2181 v.; A. 8; B. 1223b; Rv. 508 v.; F. 188.)

1256. De kooper, die het genot wil hebben van het voorregt, bij artikel 1254 vermeld, is gehouden om, binnen eene maand na de toewijzing, eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs te doen openen, overeenkomstig de regelen bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven. (C. 2181 v.; Rv.551—562.)

1257. Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevolen van de inschrijvingen, die niet Batig zijn gerangschikt.

Zoodanige inschrijvingen, die slechts voor een gedeelte batig in aanmerking komen, zullen slechts voor dat gedeelte in stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeischer dadelijk zal kunnen vorderen, zonder aanzien of de inschulden opeischbaar of niet opeischbaar zijn.

Ten opzigte van inschulden, welker geheel bedrag batig is gerangschikt, zullen de inschrijvingen gehandhaafd blijven, en de kooper tot dezelfde verpligtingen zijn verbonden, en dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oorspronkelijke schuldenaar. (B. 1304 v.)

303

-ocr page 422-

BÜRGERLI.IK WETBOEK.

1258- Bij het opmaken der hoegrootheid van hypothe-kaire inschrijvingen, zal de altijddurende rente worden berekend tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke daarvan, tegen het twintigvoud der rente; en zullen lijfrenten of levenslange pensioenen worden berekend en tot hoofdsom gebragt, naar gelang van den ouderdom des genieters, of van dengenen, op wiens lijf de lijfrente is gevestigd, of naaiden tijd, gedurende welken het genot moet duren; alles overeenkomstig de gewone waarde der lijfrenten, naar begrooting van deskundigen. (B. 1221, 1231 n0. 3, 1807 v., 1812 v.; F. 181.)

1259. Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en mans, ten behoeve van minderjarigen, onder curatele gestelden, of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle inschrijvingen voor schulden, voortspruitende uit ver-bindtenissen, die voorwaardelijk zijn, of welker hoegrootheid onbepaald is, blijven, in zoo verre zij voor het geheel, of voor een gedeelte, batig zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehandhaafd, tot op hel tijdstip, waarop, na het vervallen der voogdij of der curatele, de ontbinding des huwelijks, of de uitkomst van de voorwaardelijke of onbepaalde verbindtenis, zal blijken of, en tot welk beloop, de hypothekaire schuldeischers op de kooppenningen geregtigd zijn. (B. 390, 506c, 1217, 1257, 1260 v.)

1260. De kooper houdt de kooppenningen onder zich tot het beloop der som, waarmede het perceel, naar aanleiding van het vorige artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de veilconditien niets anders is bepaald, is hij verpligt aan den verkooper of andere geregtigden de wettelijke rente dier som uit te keeren tot op het tijdstip der eindelijke uitbetaling van den koopschat. (B. 1261, 1804; Stb. ISö? n0. 171, zie chron. lijst.)

1261. Indien echter de kooper, of zijne opvolgers, het perceel zoodanig verslimmeren of verwaarloozen, dat daardoor de zekerheid der geregtigden zoude kunnen verminderen of verloren gaan, hebben deze de bevoegdheid om in regten te eischen, dat de onbetaalde kooppenningen dadelijk zullen worden worden afgelost, en belegd, het zij in hypothekaire inschrijvingen op andere onroerende goederen, het zij in inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld; in beide gevallen, onder hetzelfde verband, en onder dezelfde bepalingen, als of de kooppenningen onder den kooper, of diens opvolgers, waren verbleven; alles onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

In geval de eisch tot dadelijke aflossing, bij het vorige lid bedoeld, wordt toegewezen, zal de regter tevens eenen bekwamen persoon benoemen, die met de ontvangst der kooppenningen en de belegging zal belast zijn. (B. 1307.)

1262. Indien, in het geval van art. 1259, bij uitkomst blijkt, dat degene, te wiens behoeve de inschrijving is geschied, niets te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijk ingeschrevene som. wordt het verband opgeheven, en worden de onvoldane kooppenningen uitgekeerd, het zij

364

-ocr page 423-

BOEK II, TITEL XX, ARTT. 1258--quot;l266.

ten behoeve van de hypothekaire scbuldeischers, wier inschrijvingen geheel of gedeeltelijk niet batig waren gerangschikt, en zulks met inachtneming van den rang, waarin zij waren geplaatst, het zij ten behoeve van den oorspron-kelijken eigenaar des perceels, of andere regthebbenden. (B. 467 v., 1263.)

1263. Indien ter zake van inschrijvingen, bij hetzelfde artikel 1259 vermeld, latere geheel of gedeeltelijk niet batig zijn gerangschikt, en alzoo moeten worden doorgehaald, zal de regter bij het vonnis van rangschikking, bevelen dat door den hypotheek-bewaarder, ambtshalve, nevens de doorhaling, op de registers worde aangeteekend dat de schuld-eischers hun regt behouden op hetgeen bij uitkomst van de onbetaalde kooppenningen mogt overschieten. (B. 1231 v., 1266.)

1264. In geval, bij geregtelijke uitwinning, één perceel, bevattende onderscheidene onroerende goederen, waarvan een of meer onbelast en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zijn geheel voor éénen prijs is verkocht, zal de prijs van elk onroerend goed, naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven scbuldeischers, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald. (C. 2192; Bv. 497.)

ZESDE A F D E E LI N G.

Van de openbare bekendheid der registers, en van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken, a)

1265. De bewaarders der hypotheken zijn gehouden om aan alle degenen, die zulks verlangen, inzage te geven van hunne registers, en een afschrift uit te leveren van de akten, welke op hunne registers zijn overgeschreven, en van de bestaande inschrijvingen en aanteekeningen, of wel een getuigschrift dat er geene bestaan.

In allen gevalle, zijn zij verpligt, bijaldien bevorens inschrijvingen op het goed hebben bestaan, die naderhand zijn doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere aanduiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift of getuigschrift. (C. 2196; B. 1254 v., 1263, 1268; Stb. 1878 n0. 90, a. 4, zie onder Hyp. en Scheepsbew.)

365

1266. Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeden, spruitende :

a) Vg. de Wet van .\'50 December 1839 (Stb. no. 5S), homlende bevaling van den duur der verantwoordelijkheid van de bewaarders der-hypotheken en het kadaster en die der scheepsbeinjzen, enz. en de Wet van 14 Decern\' ber 1844 (Stb. no. (J2), tot vaststelling van de salarissen van de bewaarders der hypotheken, enz.% gewijzigd bij de Wet van 30 Mei 1877 (Stb.no. 132); zie beide wetten onder Hyp. en Scheepsbew.

-ocr page 424-

BURGERLIJK WETBOEK.

1°. Uit hunne nalatigheid in het doen van tijdige en naauwkeurige overschrijvingen, inschrijvingen, melding van beperkende bedingen en van aanteekeningen, welke te hunnen kantore gevorderd zijn;

2°. Uit het verzuim om in hunne getuigschriften melding te maken van eene of meer bestaande inschrijvingen, ten ware, in het laatste geval, de misslag voortkwame uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude kunnen worden ten laste gelegd;

3°. Uit doorhalingen, gedaan zonder dat de stukken, bij artikel 4240 vermeld, aan hen zijn overgelegd;

4°. Uit het verzuim der opgave, bij het tweede lid van het vorige artikel vermeld. (C. 2197; B. quot;1154, 1226, 1233, 1247, 1263, 1267.)

1267. Het onroerende goed, te welks aanzien de bewaarder, in zijn getuigschrift, één of meerdere ingeschrevene lasten mogt verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet ontheven; behoudens de verantwoordelijkheid van den bewaarder jegens dengene, die het getuigschrift, waarin de misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd het verhaal van den bewaarder op de schuldeischers, die onverschuldigde betaling hebben genoten. (G. 2198; B. 1396; Rv. 585 n0. 1.)

1268. In geen geval mogen de bewaarders der hypotheken weigeren of vertragen om akten, waarbij de eigendom wordt overgedragen, over te schrijven, hypothekaire regten in te schrijven, inzage van hunne registers te geven, of verzochte getuigschriften af te geven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens le partijen; te welken einde, op verzoek van hen, die zulks begeeren, door eenen notaris of deurwaarder, met twee getuigen, een verslag van des bewaarders weigering of vertratfing zal worden opgemaakt. (G. 2199; B. 67\'i, 1224, 1266.)

DERDE BOEK.

VAN VERBINDTENISSEN.

EERSTE TITEL.

Van verbindtenissen in het algemeen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1269. Alle verbindtenissen ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet. (B. 1349 v., 1388 v.; Rv. 129a.)

1270. Zij strekken om iets te geven, te doen,\'of niet te doen. (C. 1101, 1126; B. 1271 v., 1275 v., 1344, 1350c.)

366

-ocr page 425-

BOEK II EN III, TITEL XX EN I, A.RTT. 1267—1277. 367

TWEEDE AFDEELING.

Yan verhindtenissen om iets te geven.

1271. In de verbindtenis om iets te geven is begrepen de verpligling om de zaak te leveren, en voor derzelver behoud, tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te zorgen.

Deze laatste verpligting is meer of minder uitgestrekt ten aanzien van zekere overeenkomsten, waarvan de gevolgen te dezen opzigte in de titels daartoe betrekkelijk aangewezen worden. (C. 1136, 1137; B. 160(i, 443a, 667 v., 831, 1079, 1203a, 1392, 1480 v., 1510 v., 1518, 1586 nM,1596nM, 1743 v., 1776amp;, 1781 v., 1838.)

1272. De schuldenaar is jegens den schuldeischer tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden, indien hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren, of voor derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt. (B. 1271, 1279 v., 1131 v., 1427, 1480.)

1273. Bij eene verbindtenis om eene bepaalde zaak te geven, is deze voor rekening van den schuldeischer, van het oogenblik der verbindtenis. Bij nalatigheid van den schuldenaar om de zaak te leveren, is dezelve, van het oogenblik dier nalatigheid, voor zijne rekening. (C. 1138; B. 1271 v., 1300a, 1311, 1427, 1480, 1496 v., 1581, 1589, 1641, 1668, 1685a, 1745, 1752, 1781 v., 1784.)

1274. De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, het zij door een bevel of andere soortgelijke akte, het zij uit krachte der verbindtenis zelve, wanneer deze medebrengt, dat de schuldenaar in gebreke zal zijn, door het enkel verloop van den bepaalden termijn. (C. 1139; B. 471, 1279, 1304 v., 1344, 1398, 1554, 1663, 1842, 2016; Rv. 1 v.)

DERDE AFDEELING.

Van verhindtenissen om iets te doen, of niet te doen.

1275. Alle verhindtenissen om iets te doen, of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, in geval de schuldenaar niet aan zijne verpligting voldoet. (C. 1142; B. 1276, 1277, 1279 v., 1419; Rv. 585, 612 v., 771 v.)

1276. Niettemin heeft de schuldeischer het regt om de vernietiging te vorderen van hetgeen strijdig met de verbindtenis verrigt is, en hij kan zich door den regter doen magtigen om, ten koste van den schuldenaar, het gedane te doen vernietigen; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden bestaan. (G. 1143 ; B. 1275, 1277, 1279 v.)

1277. De schuldeischer kan ook, in geval de verbindtenis niet ten uitvoer wordt gebragt, gemagtigd worden om

-ocr page 426-

BÜKGERLIJIC WETBOEK.

het verbondene zich nog onverdeeld in het bezit van den schuldenaar bevond. (B. 1209.)

1246. De derde bezitter, die, het zij bij uitwinning, het zij vrijwillig, de schuld heeft gekweten, is bevoegd, als daardoor, uit kracht der wet, in de regten des schuldeischers zijnde getreden, om, na aftrek van zijn aandeel in evenredigheid tot de gezamenlijke waarde van de verbondene goederen, de verdere hypothekaire regten voor deze inschuld op de mede-verbondene goederen, of gedeelten van dezelve, te doen gelden. (C. 2178; B. 1012, 1152, 1252, 1438.)

1247. In de gevallen, bij de twee vorige artikelen vermeld, zal de inschrijving van de hypotheek alleen op dat goed of gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuldvordering is verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld heeft gekweten, en op het verder verbondene niet eer dan nadat de betaald hebbende of uitgewonnen derde bezitter zijn regt, volgens het laatstvoorgaande artikel, zal hebben doen gelden, of in de doorhaling zal hebben toegestemd. Tot verzekering van zijn regt, is de gesubrogeerde schuldeischer verpligt daarvan aanteekening te laten doen op de gewone registers. (B. 1224, 1231, 1239 v., 1266.)

1248. De derde bezitter heeft altijd het regt, tot op het tijdstip der toewijzing toe, om de uitwinning van het bij hem bezeten verbonden goed te doen ophouden, door de kwijting van de ingeschrevene schuld met de renten overeenkomstig artikel 1229, mitsgaders de kosten. (G. 2173; B. 1246, 1438.)

1249. Hetgeen het verbonden goed bij uitwinning meer opbrengt dan de hypothekaire lasten en kosten bedragen, wordt uitgekeerd aan den derden bezitter.

1250. De erfdienstbaarheden en andere zakelijke regten, zoo wel ten laste als ten bate van het uitgewonnen goed, die door den overgang aan den derden bezitter waren te niet gegaan, herleven, nadat hetzelve aan een ander is toegewezen. (C. 2177; B. 753, 765 n«. 1, 783, 801 nquot;. 1, 854 n». 3. 865.)

1251- De verminderingen, welke, door schuld of onachtzaamheid van den derden bezitter, ten nadeele der hypothekaire schuldeischers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen denzelven eene regtsvordering tot schadeloosstelling op; hij kan de door hem gemaakte onkosten en verbeteringen niet terugvorderen, dan ten beloope van hetgeen het goed, door de verbeteringen, in waarde vermeerderd is. (C. 2175; B. 1211, 1300, 1533 v.)

1252. De derde bezitter, die de hypothekaire schuld betaald, of de geregtelijke uitwinning daarvoor heeft ondergaan, heeft zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar. (C. 2178; B. 1012, 1152, 1244, 1246, 1438.)

302

-ocr page 427-

BOEK II, TITEL XX, ARTT. 1246—1257.

VIJFDE AFDEELING.

Van het te niet yaan der hypotheken.

1253. De hypotheken gaan te niet:

10. Door het te niet gaan der hoofdverbindtenis; (B. 1417 v.)

2°. Door des schuldeischers afstand van de hypotheek;

3°. Door geregtelijkerangschikking. (B.1256v.; Rv.551 v.;

F. 188. — C. 2180; B. 1215; K. 297.)

1254. Degene, die het bezwaarde goed heeft gekocht, het zij bij geregtelijke uitwinning, het zij ten gevolge eener willige verkooping voor eenen in geld bepaalden prijs, kan vorderen, dat het gekochte perceel worde ontlast van alle hypothekaire lasten, die den koopprijs ta boven gaan, met inachtneming der voorschriften, bij de volgende artikelen gegeven.

De zuivering zal echter bij willige verkooping geene plaats hebben, indien de partijen, bij het vestigen der hypotheek, zulks uitdrukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de openbare registers is aangeteekend.

Zoodanig beding kan slechts door den eersten hypothe-kairen schuldeischer gemaakt worden. (B. 1257 v., 1231 n0. 5, 1260; Rv. 491 v.)

1255. In geval van willige verkooping, zal de vordering tot ontlasting niet kunnen, worden gedaan, ten zij de verkooping; hebbe plaats gehad in het openbaar, volgens de plaatselijke gebruiken, ten overstaan van eenen openbaren ambtenaar, en in tegenwoordigheid van den regter van het kanton, alwaar alle of het meerendeel der goederen gelegen zijn; en voorts de ingeschrevene schuldeischers daarvan zijn verwittigd geworden, ten minste dertig dagen voor de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal moeten worden betee-kend aan de woonsteden, die de schuldeischers bij de inschrijving hebben gekozen. (C. 2181 v.; A. 3; B. 4223b; Rv. 508 v.; F. 188.)

1256. De kooper, die het genot wil hebben van het voorregt, bij artikel 1254 vermeld, is gehouden om, binnen eene maand na de toewijzing, eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs te doen openen, overeenkomstig de regelen bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven. (C. 2181 v.; Rv.551—562.)

1257. Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevolen van de inschrijvingen, die niet batig zijn gerangschikt.

Zoodanige inschrijvingen, die slechts voor een gedeelte batig in aanmerking komen, zullen slechts voor dat gedeelte in stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeischer dadelijk zal kunnen vorderen, zonder aanzien of de inschulden opeischbaar of niet opeischbaar zijn.

Ten opzigte van inschulden, welker geheel bedrag batig is gerangschikt, zullen de inschrijvingen gehandhaafd blijven, en de kooper tot dezelfde verpligtingen zijn verbonden, en dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oorspronkelijke schuldenaar. (B. 1304 v.)

303

-ocr page 428-

BURGERLIJK WETBOEK.

1258- Bij het opmaken der hoegrootheid van hypothe-kaire inschrijvingen, zal de altijddurende rente worden berekend tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke daarvan, tegen het twintigvoud der rente; en zullen lijfrenten of levenslange pensioenen worden berekend en tot hoofdsom gebragt, naar gelang van den ouderdom des genieters, of van dengenen, op wiens lijf\' de lijfrente is gevestigd, of naaiden tijd, gedurende welken het genot moet duren; alles overeenkomstig de gewone waarde der lijfrenten, naar begrooting van deskundigen. (B. 1221, 1231 n0. 3, 1807 v., 1812 v.; F. 131.)

1259. Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en mans, ten behoeve van minderjarigen, onder curatele gestelden, of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle inschrijvingen voor schulden, voortspruitende uit ver-bindtenissen, die voorwaardelijk zijn, of welker hoegrootheid onbepaald is, blijven, in zoo verre zij voor het geheel, of voor een gedeelte, batig zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehandhaafd, tot op het tijdstip, waarop, na het vervallen der voogdij of der curatele, de ontbinding des huwelijks, of de uitkomst van de voorwaardelijke of onbepaalde verbindtenis, zal blijken of, en tot welk beloop, de hypothekaire schuldeischers op de kooppenningen geregtigd zijn. (B. 390, 506c, 1217, 1257, 1260 v.)

1260. De kooper houdt de kooppenningen onder zich tot het beloop der som, waarmede het perceel, naar aanleiding van het vorige artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de veilconditien niets anders is bepaald, is hij verpligt aan den verkooper of andere geregtigden de wettelijke rente dier som uit te keeren tot op het tijdstip der eindelijke uitbetaling van den koopschat. (B. 1261, 1804; Stb. 1857 n0. 171, zie chron. lijst.)

1261. Indien echter de kooper, of zijne opvolgers, het perceel zoodanig verslimmeren of verwaarloozen, dat daardoor de zekerheid der geregtigden zoude kunnen verminderen of verloren gaan, hebben deze de bevoegdheid om in regten te eischen, dat de onbetaalde kooppenningen dadelijk zullen worden worden afgelost, en belegd, het zij in hypothekaire inschrijvingen op andere onroerende goederen, het zij in inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld; in beide gevallen, onder hetzelfde verband, en onder dezelfde .bepalingen, als of de kooppenningen onder den kooper, of diens opvolgers, waren verbleven; alles onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

In geval de eisch tot dadelijke aflossing, bij het vorige lid bedoeld, wordt toegewezen, zal de regter tevens eanen bekwamen persoon benoemen, die met de ontvangst der kooppenningen en de belegging zal belast zijn. (B. 1307.)

1262. Indien, in het geval van art. 1259, bij uitkomst blijkt, dat degene, te wiens behoeve de inschrijving is geschied, niets te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijk ingeschrevene som. wordt het verband opgeheven, en worden de onvoldane kooppenningen uitgekeerd, het zij

364

-ocr page 429-

BOEK II, TITEL XX, ARTT. 1258--1266. 365

ten behoeve van de hypothekaire schaldeischers, wier inschrijvingen geheel of gedeeltelijk niet batig waren gerangschikt, en zulks met inachtneming van den rang, waarin zij waren geplaatst, het zij ten behoeve van den oorspron-kelijken eigenaar des perceels, of andere regthebbenden. (B. 467 v., 1263.)

1263- Indien ter zake van inschrijvingen, bij hetzelfde artikel 1259 vermeld, latere geheel of gedeeltelijk niet batig zijn gerangschikt, en alzoo moeten worden doorgehaald, zal de regter bij het vonnis van rangschikking, bevelen dat door den hypotheek-bewaarder, ambtshalve, nevens de doorhaling, op de registers worde aangeteekend dat de schuld-eischers hun regt behouden op hetgeen bij uitkomst van de onbetaalde kooppenningen mogt overschieten. (B. 1231 v., 1266.)

1204. In geval, bij geregtelijke uitwinning, één perceel, bevattende onderscheidene onroerende goederen, waarvan een of meer onbelast en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zijn geheel voor éénen prijs is verkocht, zal do prijs van elk onroerend goed, naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven schuldeischers, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald. (C. 2192; Bv. 497.)

ZESDE A.FDEELING.

Van de openbare bekendheid der registers, en van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken, a)

1265. De bewaarders der hypotheken zijn gehouden om aan alle degenen, die zulks verlangen, inzage te geven van hunne registers, en een afschrift uit te leveren van de akten, welke op hunne registers zijn overgeschreven, en van de bestaande inschrijvingen en aanteekeningen, of wel een getuigschrift dat er geene bestaan.

In allen gevalle, zijn zij verpligt, bijaldien bevorens inschrijvingen op het goed hebben bestaan, die naderhand zijn doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere aanduiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift of getuigschrift. (C. 2196; B. 1254 v., 1263, 1268; Stb. 1878 n0. 90, a. 4, zie onder Hyp. en Scheepsbew.)

1266. Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeden, spruitende ;

a) Vg. de Wei van 30 December 1839 (Stb. no. 58), houdende bepaling van den duur der verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken en het kadaster en die der scheepsbewijzen, enz. en de Wet van W December 1814 (Stb. no. (52), tot vaststelling van de salarissen van de bewaarders der hiipotheken, enz.t gewijzigd bij de Wet van 30 Mei 1877 (Stb.no. 132); zie beide wetten onder Hyp. en Scheepsbew.

-ocr page 430-

BURGERLIJK WETBOEK.

1°. Uit hunne nalatigheid in het doen van tijdige en naauwkeurige overschrijvingen, inschrijvingen, melding van beperkende bedingen en van aanteekeningen, welke te hunnen kantore gevorderd zijn;

2°. Uit het verzuim om in hunne getuigschriften melding te maken van eene of meer bestaande inschrijvingen, ten ware, in het laatste geval, de misslag voortkwame uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude kunnen worden ten laste gelegd;

3°. Uit doorhalingen, gedaan zonder dat de stukken, bij artikel 1240 vermeld, aan hen zijn overgelegd;

4°. Uit het verzuim der opgave, bij het tweede lid van het vorige artikel vermeld. (G. 2197; B. 1154. 1226, 1233, 1247, 1263, 1267.)

1267. Het onroerende goed, te welks aanzien de bewaarder, in zijn getuigschrift, één of meerdere ingeschrevene lasten mogt verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet ontheven; behoudens de verantwoordelijkheid van den bewaarder jegens dengene, die het getuigschrift, waarin de misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd het verhaal van den bewaarder op de schuldeischers, die onverschuldigde betaling hebben genoten. (C. 2198; B. 1396; Rv. 585 n0. 1.)

1268. In geen geval mogen de bewaarders der hypotheken weigeren of vertragen om akten, waarbij de eigendom wordt overgedragen, over te schrijven, hypothekaire regten in te schrijven, inzage van hunne registers te geven, of verzochte getuigschriften af te geven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de partijen; te welken einde, op verzoek van hen, die zulks begeeren, door eenen notaris of deurwaarder, met twee getuigen, een verslag van des bewaarders weigering of vertraafing zal worden opgemaakt. (C. 2199; B. 671, 1224, 1266.)

DERDE BOEK.

VAN VERBINDTENISSEN.

EERSTE TITEL.

Van vcrbindtenissen in het algemeen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeens bepalingen.

1269. Alle verbindtenissen ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet. (B. 1349 v., 1388 v.; Rv. 129a.)

1270. Zij strekken om iets te geven, te doen,-of niet te doen. (G. 1101, 1126; B. 1271 v., 1275 v., 1344, 1350c.)

366

-ocr page 431-

BOEK 11 EN III, TITEL XX EN I, ARTT. 1267—1277. 367

TWEEDE AFDEELING.

Van verbindtenissen om iets te geven.

1271. In de verbindtenis om iets te geven is begrepen de verpligling om de zaak te leveren, en voor derzelver behoud, tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te zorgen.

Deze laatste verpligting is meer of minder uitgestrekt ten aanzien van zekere overeenkomsten, waarvan de gevolgen te dezen opzigte in de titels daartoe betrekkelijk aangewezen worden. (G. 1186, 1137; B. 160cJ, 443a, 667 v., 831, 1079, 1203a, 1392, 1480 v., 1510 v., 1518, 1586 n0.l,1596nM, 1743 v., 17766, 1781 v., 1838.)

1272. De schuldenaar is jegens den schuldeischer tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden, indien hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren, of voor derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt. (B. 1271, 1279 v., 1131 v., 1427, 1480.)

1273. Bij eene verbindtenis om eene bepaalde zaak te geven, is deze voor rekening van den schuldeischer, van het oogenblik der verbindtenis. Bij nalatigheid van den schuldenaar om de zaak te leveren, is dezelve, van het oogenblik dier nalatigheid, voor zijne rekening. (C. 1138; B. 1271 v., 1300a, 1311, 1427, 1480, 1496 v., 1581, 1589, 1641, 1668, 1685a, 1745, 1752, 1781 v., 1784.)

1274. De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, het zij door een bevel of andere soortgelijke akte, het zij uit krachte der verbindtenis zelve, wanneer deze medebrengt, dat de schuldenaar in gebreke zal zijn, door het enkel verloop van den bepaalden termijn. (G. 1139; B. 471, 1279, 1304 v., 1344, 1398, 1554, 1663, 1842, 2016; Rv. 1 v.)

DERDE AFDEELING.

Van verbindtenissen om iets te doen, of niet te doen.

1275. Alle verbindtenissen om iets te doen, of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, in geval de schuldenaar niet aan zijne verpligting voldoet. (C. 1142; B. 1276, 1277, 1279 v., 1419: Rv. 585, 612 v., 771 v.)

1276. Niettemin heeft de schuldeischer het regt om de vernietiging te vorderen van hetgeen strijdig met de verbindtenis verrigt is, en hij kan zich door den regter doen magtigen om, ten koste van den schuldenaar, het gedane te doen vernietigen; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden bestaan. (C. 1143 ;■ B. 1275, 1277, 1279 v.)

1277. De schuldeischer kan ook, in geval de verbindtenis niet ten uitvoer wordt gebragt, gemagtigd worden om

-ocr page 432-

burgerlijk wetboek.

zelf die verbindtenis te doen uitvoeren ten koste van den schuldenaar. (C. 1144; B. 1275, 1276.)

1278- Indien de verbindtenis bestaat in iets niet te doen, is degene die daartegen handelt, uit hoofde van die overtreding alleen, gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (C. 1145; B. 1279 v.)

vierde afdeeling.

Van de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis.

\'1279. Vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis, is dan eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om de verbindtenis te vervullen, of indien hetgeen de schuldenaar verpligt was te geven of te doen, slechts kon gegeven of gedaan worden binnen zekeren tijd, welken hij heeft laten voorbij gaan. (C. 1146; B. 1272, 1274,1275v., 1282v., 1285,1286,1802v., 1340, 1343, 1401 v.; Rv. 612 v.)

1280. De schuldenaar moet, indien daartoe gronden bestaan, veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo dikwijls hij niet bewijzen kan dal het niet uitvoeren of liet niet tijdig uitvoeren der verbindtenis voortkomt uit eene vreemde oorzaak, die hem niet kan worden toegerekend, al heeft er ook geene kwade trouw aan zijne zijde plaats gehad. (C. 1147; B. •1480c, 1902.)

1281. Geene vergoeding van kosten, schaden en interessen heeft plaats, indien de schuldenaar door overmagt of docr toeval verhinderd is geworden om iets te geven of te doen, waartoe hij verpligt was, of iets gedaan heeft hetwelk hem verboden was. (C. 1148; B. 1145, 1480 v., 1783; K. 91, 92, 345.)

1282. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer regt heeft te vorderen, bestaat, in het algemeen, in het verlies hetwelk hij heeft geleden, en in de winst welke hij heeft moeten derven, behoudens de hierna vermelde uitzonderingen en wijzigingen. (C. 1149; B. 113amp;, 1639.)

1283. De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke men voorzien heeft of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, ten ware het aan zijne arglist te wijten zij, dat de verbindtenis niet is nagekomen. (C. 1150; B. 1364.)

1284. Zelfs indien het niet nakomen der verbindtenis te wijten is aan de arglist van den schuldenaar, moet de vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten opzigte van de door den schuldeischer geledene schade en de winst-

368

-ocr page 433-

BOEK III, TITEL I, ARTT. 1278—1291.

derving, alleenlijk datgene bevatten, hetwelk een onmiddellijk en dadelijk gevolg is van het niet nakomen der verbind-tenis. (C. 1151; B. 1282, 1283.)

1285. Indien bij de verbindtenis bepaald is dat degene die in gebreke blijft om dezelve na te komen, bij wege van schadevergoeding, eene zekere som zal betalen, kan aan de andere partij geene meerdere noch mindere som worden toegewezen. (C. 1152; B. 1340 v., 1374.)

1286. In verbindtenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de betaling van eene zekere geldsom, bestaat de vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit vertraging in de uitvoering voortkomende, alleenlijk in de bij de wet bepaalde interessen, behoudens de bijzondere regelen op den koophandel en op borgtogten betrekkelijk.

Die vergoeding van kosten,\'schaden en interessen is verschuldigd, zonder dat de schuldeischer eenig verlies behoeve te bewijzen.

Zij is alleenlijk verschuldigd van den dag dat dezelve in regten gevorderd is, uitgezonderd de gevallen, waarin de wet die van regtswege doet loopen. (C. 1153; Stb. 1857 n0.171, a. 2, zie chron. lijst; B. 449c, 471, 1144, 13-22, 1343, 1398, 1551, 1663, 1755, 1793a, 1804, 1842, 1847, 1876: K. 192, 195 v., 448, 680.)

1287. Vervallene interessen van hoofdsommen kunnen wederom interessen opbrengen, het zij tengevolge eener geregtelijke aanvraag, het zij krachtens eene bijzondere overeenkomst, mits de aanvraag of de overeenkomst loope over interessen, ten minste voor een geheel jaar verschuldigd. CC. 1154; B. 1288.)

1288. Niettemin brengen vervallen inkomsten, als pacht- en huurpenningen, altijddurende of lijfrenten, interessen voort, van den dag dat de ei=ch gedaan, ofde overeenkomst gesloten is.

Dezelfde regel is toepasselijk op teruggaven van vruchten en op interessen, die door eenen derde aan den schuldeischer tot ontlasting van den schuldenaar betaald zijn. (C. 1155; B. 558^, 1807 v., 1812.)

VIJFDE AFDEELING.

Fan voorwaardelijke verbindtenissen.

1289. Eene verbindtenis is voorwaardelijk, wanneer men dezelve doet afhangen van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, het zij door de verbindtenis op te schorten, totdat zoodanige gebeurtenis plaats hebbe, het zij door de verbindtenis te doen vervallen, naar mate de gebeurtenis al of niet voorvalt. (C. 1168; B. 935, 936,1044,1045,1215, 1299, 1301, 1302, 1317, 2G27a; F. 129, 130.)

1290. Alle voorwaarden om iets te doen dat onmogelijk, met de goede zeden strijdig, of bij de wet verboden is, zijn nietig, en maken de overeenkomst, die men daarvan heeft doen afhangen, van onwaarde. (C. 1172; A. 14; B. 935.)

1291. De voorwaarde om iets niet te doen hetwelk on-

369

24

-ocr page 434-

ill

HUKGERLIJK WETBOEK.

mogelijk is, maakt de verbindtenis, onder die voorwaarde aangegaan, niet van onwaarde. (C. 1173; B. 1290.)

1292- Alle verbindtenissen zijn nietig, indien derzelver vervulling alleenlijk afhangt van den wil van dengenen die verbonden is. Indien echter de verbindtenis afhangt van eene daad, waarvan de vervulling in zijne magt staat, en die daad heeft plaats gehad, is de verbindtenis van kracht. (C. dl74; B. 226, 234.)

1293. Alle voorwaarden moeten vervuld worden op zoodanige wiize als partijen waarschijnlijk gewild en verstaan hebben. (C. 1175; B. 1379 v.)

1294. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere gebeurtenis binnen eenen bepaalden tijd zal plaats hebben, wordt de voorwaarde gehouden te ontbreken, indien de tijd vcrloopen is, zonder dat de gebeurtenis hebbe plaats gehad.

Bijaldien de tijd niet bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden, en wordt dezelve niet gehouden te ontbreken, voordat het zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben. (C. 1176; B. 209, 1044, 1557; F. 189a.)

1295. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere zaak binnen eenen bepaalden tijd niet zal gebeuren, is die voorwaarde vervuld, indien de tijd ver-loopen is, zonder dat de bedoelde zaak gebeurd zij. De voorwaarde is insgelijks vervuld, indien het, vóór het verloop van dien tijd, zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben; doch wanneer er geen tijd is bepaald, is de voorwaarde niet vervuld voordat het zeker is dat de bedoelde zaak niet zal gebeuren. (C. 1177; B. 1294; F. 189a.)

1296. De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd. (C. 1178; B. 936.)

1297. Indien de voorwaarde vervuld is, werkt zij achteruit, tot den tijd, waarop de verbindtenis is geboren.

Bij overlijden van den schuldeischer vóór de vervulling van de voorwaarde, gaan mitsdien deszelfs regten over op zijne erfgenamen. (C. 1179; B. 1005, 1045, 1300, 20276.)

1298. De schuldeischer kan, vóór de vervulling der voorwaarde, alle middelen in het werk stellen welke tot bewaring van zijn regt noodzakelijk zijn. (C. 1180; B. 1259; F. 129 v.; Bv. 727 v.)

1299. Eene verbindtenis onder eene opschortende voorwaarde is de zoodanige welke afhangt, of van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, of van eene reeds gebeurde, doch aan partijen nog onbekende zaak.

In het eerste geval kan de verbindtenis niet worden ten uitvoer gebragt, dan nadat de gebeurtenis heeft plaats gehad; in het tweede geval is de verbindenis van kracht van den dag af, dat dezelve is ontstaan. (C. 1181; B. 1045, 1215. 1221, 1289, 1294 v., 1300, 1441 5»., 149°, 2027; F. 130.)

1300. Indien de verbindtenis van eene opschortende voor-

370

J| ! 11

-ocr page 435-

BOEK HF, TITEL I, ARTT. 1292-1304.

waarde afhangt, blijft de zaak, die het onderwerp der ver-bindtenis uitmaakt voor rekening van den schuldenaar, die slechts verbonden is om dezelve te leveren, wanneer de voorwaarde vervuld is.

Indien de zaak geheel en al is verloren gegaan buiten toedoen van den schuldenaar, blijft er noch van de eene, noch van de andere zijde, eenige verbind tenis bestaan.

Indien de zaak buiten toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, heeft de schuldeischer de keus om of de verbindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat, waarin dezelve zich bevindt, zonder eenige vermindering van den uitgeloofden prijs.

Indien de zaak door toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, is de schuldeischer geregtigd om, of de verbindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat waarin dezelve zich bevindt, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (C. 1182; B. 1273, 1279 v., 1297, 1480, 1496.)

1301. Eene ontbindende voorwaarde is de zoodanige welke, na hare vervulling, de verbindtenis doet ophouden, en de zaken weder tot den vorigen stand doet terug keeren, evenals of er geene verbindtenis bestaan had.

Deze voorwaarde schort de nakoming der verbindtenis niet , op; alleenlijk verpligt zij den schuldeischer om hetgeen hij ontvangen heeft terug te geven, in geval de bij de voorwaarde bedoelde gebeurtenis stand grijpt. (C. 1183; B. 1044, 1215, 1294 v., 1302 v., 1417, 1555 v.; F. 129.)

1302. De ontbindende voorwaarde wordt altijd voorondersteld in wederkeerige overeenkomsten plaats te grijpen, in geval eene der partijen aan hare verpligting niet voldoet.

In dat geval, is de overeenkomst niet van regtswege ontbonden, maar moet de ontbinding in regten gevraagd worden.

Deze aanvraag moet ook plaats hebben, zelfs indien de ontbindende voorwaarde wegens het niet nakomen der verpligting in de overeenkomst mogt zijn uitgedrukt.

Indien de ontbindende voorwaarde niet in de overeenkomst is uitgedrukt, staat het den regter vrij om, naargelang der omstandigheden, aan den verweerder, op deszelfs verzoek, eenen termijn te gunnen om alsnog aan zijne verpligting te voldoen, welke termijn echter den tijd van ééne maand niet mag te boven gaan. (G. 1184; B. 1516, 1553, 1597, 1625, 1818, 1819; F. 37, 38.)

371

1303. Degene, te wiens opzigte de verbindtenis niet is nagekomen, heeft de keus om of de andere partij, indien zulks mogelijk is, tot de nakoming der overeenkomst te noodzaken, of derzelver ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (C. 1184: B. 1279 v., 1302; F. 37, 38.)

ZESDE AFDEELING. Van verbindtenissen met tijdsbepaling. 1304. Eene tijdsbepaling schort de verbindtenis niet op, maar slechts hare uitvoering. (C. 1185; B. 1045, 1289, 1302d, 1344, 1787, 1800, 2027d; F. 181.)

-ocr page 436-

BDRGERLIJK WETBOEK.

1305. Hetgeen slechts op tijd verschuldigd is, kan niet geëischt worden, voor dat de vervaltijd verschenen is; maar hetgeen vooraf betaald is kan niet worden terug gevorderd. (C. 1186; B. 1374, 1395, 1463a, 1464, 1762, 1796; K. 149, 151 v., 773.)

1306. Eene tijdsbepaling wordt allijd voorondersteld bepaald te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den aard van de verbindtenis zelve, of uit de omstandigheden, mogt blijken dat de tijdsbepaling ten voordeele van den schuldeischer is geschied. (C. 1187; B. 1441, n®. 4, 1808; K. 159.)

1307. De schuldenaar kan het voorregt eener bijgevoegde tijdsbepaling niet meer inroepen, wanneer hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is, of door zijn toedoen de door hem ten behoeve van den schuldeischer gestelde zekerheid is verminderd. (C. 1188; B. 1257, 1261, 1515, 1809 n°. 2, 1818a, 1880; K. 155; F. 131.)

ZEVENDE AFDEEL ING.

Van alternatieve verbindtenissen, of van verbindtenissen die ter keuze van eene der partijen staan.

1308. In alternatieve verbintenissen wordt de schulde- , naar bevrijd door de levering van ééne der beide zaken, welke in de verbindtenis vervat zijn, maar hij kan den schuldeischer niet noodzaken om een gedeelte van de eene,\' en een gedeelte van de andere te ontvangen. (C. 1189, 1191; B. 1425.)

1309. De keus behoort aan den schuldenaar, indien dezelve niet uitdrukkelijk aan den schuldeischer is toegestaan. (C. 1190; B. 804, 1016, 1313, 1385, 1428, 1509.)

1310. Eene verbintenissen is zuiver en eenvoudig, schoon dezelve ter keuze of op eene alternatieve wijze is aangegaan, indien eene der beide beloofde zaken geen onderwerp der verbindtenis kon uitmaken. (C. 1192; B. 1313, 1368.)

1311. Eene alternalieve verbindtenis is zuiver en eenvoudig, indien eene der beloofde zaken verloren gaat, of zelfs door toedoen van den schuldenaar niet meer kan geleverd worden. De waarde dier zaak kan niet in derzelver plaats worden aangeboden. Indien beide zaken zijn verloren gegaan, en de schuldenaar oorzaak is van het vergaan van eene van beide, moet hij de waarde betalen van die zaak, welke het laatst is te niet gegaan. (C. 1193; B. 1272, 1309. 1480 v.)

1312. Indien in de gevallen, bij het voorgaande artikel vermeld, de keus aan den schuldeischer is gelaten, en eene der zaken slechts verloren is gegaan, moet de schuldeischer, indien zulks buiten toedoen van den schuldenaar geschied is, de zaak hebben, die overgebleven is; indien het door toedoen van den schuldenaar geschied is, kan de schuldeischer of de overgebleven zaak vorderen, of de waarde van die welke verloren is gegaan.

In geval beide zaken zijn vergaan, kan de schuldeischer,

372

-ocr page 437-

BOEK III, TITEL I, ARTT. 1303—1319.

indien zulks ten aanzien van beide, of zelfs van eene der-zelve, aan de schuld van den schuldenaar is toe te schrijven, de waarde van de eene of van de andere vorderen, naar zijne keus. (G. 1194; B. 1272, 1309, 1480.)

1313. Dezelfde beginselen gelden zoo wel in het geval dat meer dan twee zaken in de verbindtenis zijn begrepen, als dat de verbindtenis bestaat in iets te doen of niet te doen. (G. 1196; B. 1275 v.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van solidaire of hoofdelijke verhindtemssen.

1314. Eene hoofdelijke of solidaire verbindtenis heeft tusschen verscheidene schuldeischers plaats, wanneer de titel uitdrukkelijk aan ieder van hen het regt geeft om de voldoening der geheele schuld te eischen, in dier voege dat de betaling, aan een hunner gedaan, den schuldenaar bevrijdt, ofschoon ook de verbindtenis uit haren aard tusschen de onderscheidene schuldenaars splitsbaar en deelbaar mogt zijn. (G. 1197; B. 1315, 1328, 1332 v., 1334, 1337, 1339, 1444, 1446, 1460, 1466, 1473, 1476, 1894, 1975, 1976, 2020, 2022.)

1315. Het staat aan de keus van den schuldenaar om den eenen of anderen der schuldeischers te voldoen, zoo lang hij niet door een van hen in regten is aangesproken.

Niettemin bevrijdt de kwijtschelding, door een der hoofdelijke schuldeischers gedaan, den schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van dien schuldeischer. (G. HOS.\'»

1316. Er heeft hoofdelijke verbindtenis van de zijde der schuldenaren plaats, wanneer zij allen verpligt zijn tot eene en dezelfde zaak, zoo dat elk hunner voor het geheel kan worden aangesproken, en de voldoening, door een van hen geschied, de overige schuldenaars ten aanzien van den schuldeischer bevrijdt. (G. 1200; B. 1324; F. 136.)

1317. Eene verbindtenis kan hoofdelijk zijn, alhoewel een der schuldenaren op eene andere wijze, dan de overige, tot voldoening derzellde zaak mogt verpligt zijn, bij voorbeeld, indien de een slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de verbindtenis van den anderen zuiver en eenvoudig is, of indien de een eene tijdsbepaling heeft bedongen, welke aan den anderen niet is toegestaan. (G. 1201; B. 1289 v., 1304 v., 1323.)

1318. Geene verbindtenis wordt voorondersteld hoofdelijk te zijn, ten zij zulks uitdrukkelijk bepaald zij.

Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering in de gevallen, waarin eene verbindtenis uit kracht eener wetsbepaling voor hoofdelijk gehouden wordt. (G. \'1202; B, 4056, 406a, 619b, 1063, 1066b, 1337, 1786, 1841, 1848, 1873; K. 18, 21, 146, 186a, 209.)

1319. De schuldeischer eener hoofdelijke verbindtenis kan diengenen der schuldenaren aanspreken, welken hij verkiest, zonder dat deze hem het voorregt van schuldsplitsing kunne

373

-ocr page 438-

BURGERLIJK WKTBOEK.

tegenwerpen. (C. \'1203; B. 1815, 1316, 1869 n0. 2,1873 v.; Bv. 68; K. 186; F. 136.)

1320. De vervolgingen, tegen éénen der schuldenaren gerigt, beletten den schuldeischer niet om ook tegen de overige zijn regt te doen gelden. (C. 1204; B. 1316, 1319; K. 186; F. 136.)

1321. Indien de verschuldigde zaak mogt vergaan door toedoen van een of meer der hoofdelijke schuldenaren, of nadat deze in gebreke waren gesteld, zijn de overige medeschuldenaren niet ontheven van de verpligting om de waarde der zaak te betalen, doch zijn dezelve niet gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

De schuldeischer kan alleenlijk de vergoeding van kosten, schaden en interessen verhalen, zoo wel op de schuldenaren, door wier toedoen de zaak is verloren gegaan, als op degenen die in de voldoening nalatig zijn geweest. (G. 1205; B. 1272, 1279, 1346, 1480.)

1322. De eisch tot betaling van interessen, tegen een der i hoofdelijke schuldenaren gedaan, maakt dat de interessen ook

loopen ten aanzien van alle de overige. (C. 1207; B. 1286,2020.)

1323. Een hoofdelijke mede-schuldenaar, in regten door den schuldeischer aangesproken zijnde, kan zich bedienen van alle exceptien, die uit den aard der verbindtenis voort-vloeijen, en van alle, die hem persoonlijk eigen zijn, mitsgaders van alle de zoodanige welke aan alle de medeschuldenaren gemeen zijn.

Hij kan zich niet bedienen van zoodanige exceptien, die enkel aan de personen van sommige der overige mede-Bschuldenaren eigen zijn. (C. 1208; B. 1317, 1324, 1459 v., 1466b, 1476, 1884, 1976, 2020.)

1324. Indien een der schuldenaren de eenige erfgenaam wordt van den schuldeischer, of indien de schuldeischer de eenige erfgenaam wordt van een\' der schuldenaren, doet deze schuldvermenging de hoofdelijke schuld niet vervallen, dan alleenlijk voor zoo veel het aandeel van dien schuldenaar of schuldeischer betreft. (C. 1209; B. 1323, 1473c.)

1325. De schuldeischer, in de verdeeling der schuld teu (aanzien van een der mede-schuldenaren toegestemd hebbende,

behoudt zijne hoofdelijke vordering tegen de overige, doch \' onder aftrek van het aandeel van den schuldenaar, welken hij van de hoofdelijke verbindtenis ontslagen heeft. (C. 1210; |B. 1339.)

1326. Een schuldeischer, die het aandeel van een der \' schuldenaren afzonderlijk ontvangt, zonder bij de kwijting

zijn hoofdelijk regt, of zijne rechten in het algemeen, voor te behouden, doet geenen afstand van zijn hoofdelijk regt, dan alleen met betrekking tot dezen schuldenaar.

Een schuldeischer wordt niet geacht den schuldenaar van zijne hoofdelijke verbindtenis te hebben ontslagen, indien hij van denzelven eene gelijke som ontvangt als zijn aandeel in de schuld bedraagt, indien de kwijting niet met zoo Jvele woorden inhoudt dat het ontvangene voor zijn aandeel strekken zal.

Hetzelfde geldt ook omtrent den eisch tegen een der mede-

374

-ocr page 439-

BOEK lit, TITEL I, AKTT. 1320—1333.

schuldenaren enkel voor zijn aandeel gedaan, zoo lang deze schuldenaar in dan eisch niet heeft, toegestemd, of daarop geene regterlijke veroordeeling gevolgdis, (G. 1211; D. 1825.)

1327. Een schuldeischer, die afzonderlijk en zonder voorbehouding het aandeel van een der mede-schuldenaren in achterstallige renten of interessen eener schuld ontvangt, verliest zijn hoofdelijk regt slechts ten aanzien der ver-vallene renten of interessen, en niet ten opzigte van degene welke nog vervallen moeten, of van de hoofdsom, ten ware de afzonderlijke betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren mogt hebben plaats gehad. (C. 1212; B. 1430.)

1828. Eene verbindtenis, schoon hoofdelijk zijnde ten aanzien van den schuldeischer, is nogtans van regtswege deelbaar tusschen de schuldenaren, welke onder elkander niet verder dan ieder voor zijn aandeel verbonden zijn. (C. 1213; B. 1319, 1334.)

1329. De mede-schuldenaar eener hoofdelijke verbindtenis, die de geheele schuld voldaan heeft, kan van de overige niet meer terug vorderen dan het aandeel van ieder hunner bedraagt.

Indien een van hen onvermogend is om te betalen, wordt het verlies, door zijn onvermogen veroorzaakt, ponds ponds gelijk verdeeld tusschen de overige schuldenaren die betalen kunnen en dengenen die de schuld voldaan heeft. (G 1214; B. 1149, 1150, 1328, 1438 n». 3, 1873, 1874, 1878, 1881.)

1330. In geval de schuldeischer een der schuldenaren van deszelfs hoofdelijke verbindtenis heeft ontslagen, en een of meer der overige schuldenaren onvermogend zijn geworden, wordt het aandeel der onvermogende ponds ponds gelijk omgeslagen over alle de schuldenaren, zelfs over degenen die bevorens van de hoofdelijke verbindtenis zijn ontslagen. (C. 1215; B. 1325 v., 1329.)

1331. Indien de zaak, waarvoor verscheidene personen zich als hoofdelijke mede-schuldenaren hebben verbonden, slechts een van hen aangaat, zijn zij wel ieder voor het geheel aan den schuldeischer verbonden, maar onder elkander worden zij beschouwd als borgen voor dengenen wien de zaak betreft, en moeten dienvolgens door denzelven worden schadeloos gesteld. (C. 1216; B. 1328, 1873, 1876 v.)

NEGENDE AFDEELING.

Van deelbare en ondeelbare verbindtenis sen.

1332. Eene verbindtenis is deelbaar of ondeelbaar, naar mate dezelve tot onderwerp heeft of eene zaak die in de levering, of eene daad die in de uitvoering al of niet vatbaar is, het zij voor ligchamelijke, het zij voor onligchamelijke verdeeling. (C. 1217; B. 737, 741, 775, 786, 939, 1209, 1335, 1563 v., 1758.)

1333. Eene verbindtenis is ondeelbaar, ofschoon de zaak of daad, welke zij tot onderwerp heeft, uit haren aard deelbaar zij, indien de strekking der verbindtenis dezelve niet vatbaar maakt voor eene gedeeltelijke uitvoering. (G. 1218; B. 1206, 1336 n°. 5.)

375

-ocr page 440-

DURGERUJK WETROKK.

1331. Het hoofdelijke eener verbindtenis geeft aan dezelve geenszins het kenmerk van ondeelbaarheid. (C. 1219; B. 1319, 1328, 1337 v., 2020amp;.)

1335. De verbindtenis, die voor verdeeling vatbaar is, moet tusschen den schuldenaar en den schuldeischer worden ten uitvoer gebragt, even als of dezelve ondeelbaar was; de deelbaarheid is slechts van toepassing ten opzigte van hunne erfgenamen, die de schuld niet kunnen vorderen, of die niet verpligt zijn dezelve te voldoen, dan alleenlijk voor het aandeel waarvan zij erfgenamen zijn, of waartoe zij gehouden zijn, als vertegenwoordigende den schuldeischer of den schuldenaar. (C. 1220; B. 1146 v., 1206,1347,1348, 1426, 1563 v., 1758.)

1336. Het beginsel, in het vorige artikel vastgesteld, lijdt uitzondering opzigtelijk de erfgenamen van den schuldenaar:

1°. In geval het eene hypothekaire schuld betreft; (B. 1147 v., 1151, 1209, 1242.)

2®. Wanneer de schuld in eene bepaalde zaak bestaat; (B. 1129.)

3°. Ten opzigte van eene alternatieve schuld van zaken, ter keuze van den schuldenaar a), indien eene dier zaken ondeelbaar is; (B. 1308, 1309.)

4°. Indien bij den titel een der erfgenamen alleen met de uitvoering der verbindtenis belast is; (B. 1006,1014.)

5®. Indien, het zij uit den aard der verbindtenis, het zij van de zaak die daarvan het onderwerp uitmaakt, het zij uit het oogmerk hetwelk men zich in de overeenkomst heeft voorgesteld, blijkbaar is, dat het de bedoeling dei-handelende partijen geweest is, dat de schuld niet bij gedeelten zoude kunnen voldaan worden. (B. 1333.)

In de drie eerste gevallen, kan de erfgenaam, die in het bezit is van de verschuldigde zaak, of van het goed dat voor de schuld met hypotheek belast is. voor het geheel vervolgd worden op de verschuldigde zaak, of op het met hypotheek bezwaarde goed, behoudens zijn verhaal op zijne mede-erfgenamen.

In het vierde geval, kan de erfgenaam die alleen mes de schuld belast is, en in het vijfde geval kan ook ieder erfgenaam voor het geheel, worden vervolgd, behoudens het verhaal van laatstgemelden op zijne mede-erfgenamen. (C. 1221; B. 1012, 1149, 1151.)

1337. Een iegelijk dergenen die gezamenlijk tot eene ondeelbare schuld verpligt zijn, is voor het geheel derzelve aansprakelijk, al ware het ook dat de verbindtenis niet hoofdelijk mogt zijn aangegaan. (C. 1222; B. 1206, 1209,1316,1333.)

1338. Hetzelfde geldt ook omtrent de erfgenamen van dengenen die tot eene zoodanige verbindtenis gehouden is. (C. 1223; B. 1148 v., 1346.)

376

1339 Ieder erfgenaam van den schuldeischer kan de uitvoering eener ondeelbare verbindtenis in derzelver geheel vorderen.

a) Aldus art. 67 no. 3 der Wet van 1 Maart 1825 (Stb. no. 14). O. E.; schuldeischer.

-ocr page 441-

BOE/C lil, TITEL I, ARTT. \'1334—1347.

Geen hunner alleen mag de geheele schuld kwijtschelden, noch de waarde ontvangen, in plaatse van de zaak.

Indien slechts een der erfgenamen de schuld heeft kwijtgescholden, of de waarde der zaak ontvangen, mag zijn mede-erfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, ten zij in rekening brengende het aandeel van den mede-erfgenaam die de schuld kwijtgescholden of de waarde ontvangen heeft. (C. 1224; B. 1314, 1325, 1421, 1474 v., 1563 v., 1758.)

TIENDE AFDEELING. Van verbindtenissen onder beding van straf of poonaliteit.

1840. Het beding van straf is zoodanige bepaling waarbij iemand tot zekerheid van de uitvoering eener verbindtenis tot iets bepaalds verpligt is, in geval dezelve piet nagekomen wordt. (C. 1226; B. 1279, 1285.)

1341. De nietigheid der hoofdverbindtenis maakt ook het beding van straf nietig.

De nietigheid van het beding van straf heeft geenszins die der hoofdverbindtenis tengevolge. (C. 1227; B. 1351,1353a.)

1342. De schuldeischer kan, in plaats van de straf te vorderen tegen den schuldenaar die in gebreke is, de nakoming der hoofdverbindtenis eischen. (G. 1228; B. 1271, 1275, 1276, 1277.)

1343 De bepaling van straf strekt in plaats van vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer lijdt, uit hoofde van het niet nakomen der hoofdverbindtenis.

Hij kan niet te gelijk de hoofdschuld en de straf vorderen, ten ware de laatstgenoemde enkel op de eenvoudige vertraging mogt gesteld zijn. (G. 1229; B. 1279, 1285, 1384.)

1344. Het zij de oorspronkelijke verbindtenis al of niet eene tijdsbepaling bevatte, binnen welke dezelve moest uitgevoerd zijn, is de straf niet verbeurd dan wanneer degene die verbonden is om iets te geven, of om iets te ontvangen, of wel om iets te doen, daarin nalatig gebleven is. (G. 1230; B. 1974, 1279, 1281, 1286, 1304.)

1345. De straf kan door den regter gewijzigd worden, indien de hoofdverbindtenis voor een gedeelte is vervuld. (G. 1231; B. 1285.)

1346. Indien de oorspronkelijke verbindtenis, met bepaling van straf, eene ondeelbare zaak betreft, is de straf verschuldigd door de overtreding van een\' enkelen der erfgenamen van den schuldenaar; en dezelve kan gevorderd worden, het zij voor het geheel van dengenen die tegen de verbindtenis gehandeld heeft, het zij van ieder der mede-erfgenamen voor zijn aandeel, behoudens derzelver verhaal op dengenen die veroorzaakt heeft dat de straf verbeurd is; alles onverminderd de regten der hypothekaire schuld-ei-chers. (G. 1232; B. 1209, 1242, 1321, 1337.)

1347. Indien de oorspronkelijke verbindtenis, onder bepaling van straf, deelbaar is, wordt de straf slechts verbeurd door dengenen der erfgenamen van den schuldenaar, die tegen dezelve verbindtenis handelt, en alleen voor zoo

377

-ocr page 442-

-

378 BURGERLIJK WETBOEK.

verre zijn aandeel in de hoofdverbindtenis betreft, zonder dat er eenige regtsvordering kunne bestaan tegen degenen die de verbindtenis hebben nagekomen.

Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van straf bijgevoegd is met het oogmerk dat de voldoening niet bq gedeelten zoude kunnen geschieden, en een der mede-erfgenamen de nakoming der verbindtenis in derzelver geheel verhinderd heeft; in dit geval kan de straf van dezen laatstgemelden voor het geheel geëischt worden, en van de overige mede-erfgenamen slechts voor hun aandeel, behoudens hun regt van verhaal. (C. 1233; B. 1335, 1346.)

1348. Indien eene deelbare hoofdverbindtenis, onder bepaling eener ondeelbare straf, slechts ten deele is nagekomen, wordt de straf, ten aanzien der erfgenamen van den schuldenaar, vervangen door eene vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1285. 1332, 1335, 1342, 1343.)

TWEEDE TITEL.

Van verbindtenissen die uit contract of overeenkomst géboren worden.

EERSTE A.FDEELING.

Algemeene bepalingen.

1849. Eene overeenkomst is eene handeling waarbij een of meer personen zich Jegens een of meer andere verbinden. (C. HOI; B. 1269 v.)

1350. Eene overeenkomst wordt aangegaan om niet, of onder eenen bezwarenden titel.

De overeenkomst om niet is de zoodanige waarbij de eene partij aan de andere, zonder eenige baat, een voordeel toekent.

Eene overeenkomst onder eenen bezwarenden titel is zoo-

! danig eene, welke ieder der partijen in de verpligting brengt danig eene, welke ieder der partijen in de verpligting brengt

om iets te geven, te doen, of niet te doen. (G. 1105, 1106; B. 1270, 1703.)

1351. n het algemeen, kan niemand zich op zijnen eigen naam verbinden, of iels bedingen, dan voor zich zeiven. (C. 1119; B. 1352,1376,1393.1418 v., 1682, 1692,1829,1857.)

1352. Niettemin kan men zich voor eenen derde sterk maken of instaan, door te beloven dat dezelve iets doen zal, behoudens de vordering tot schadevergoeding tegen dengenen die voor eenen derden ingestaan of beloofd heeft den-zelven iets te doen bekrachtigen, indien deze derde weigert om de verbindtenis na te komen. (C. 1123; B. 1374,1860.)

1358. Men kan ook ten behoeve van eenen derde iets bedingen, wanneer een beding, hetwelk men voor zich zelven maakt, of eene gift, die men aan een ander doet, zul!t eene voorwaarde bevat.

Die zoodanig een beding gemaakt heeft, kan hetzelve niet meer herroepen, indien die derde verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken. (C. 1121; B. 939, 1009,1359, 1374, 1376, 1706 v., 1725 n». 1, 1815.)

1354. Men wordt voorondersteld bedongen te hebben voor

1,

-ocr page 443-

BOEK m, TITEI. I EN II, AUTT. 1348—136\'i.

zich zei ven, en voor zijne erfgenamen en regtverkrijgenden, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij, of uit den aard der overeenkomst mogt voortvloeijen. (G. 1121; B. 854 n«. 1, 880, 1002, 1611, 1648, 1683, 1780,1821,1850,1863.)

1355- Alle overeenkomsten, het zij dezelve eene eigene benaming hebben, het zij dezelve onder geene bijzondere benaming bekend zijn, zijn onderworpen aan algemeene regelen, welke het onderwerp van dezen en van den vorigen titel uitmaken.

De bijzondere regelen ten aanzien van bepaalde overeenkomsten worden opgegeven in de titels welke over ieder dezer overeenkomsten handelen, en de bijzondere regelen omtrent handelszaken zijn vastgesteld bij de wetten tot den koophandel betrekkelijk. (C. 1107; B. 1269 v., 1349 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de voorwaarden welke voreischt worden tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten.

1356. Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden vereischt:

1°. De toestemming van degenen die zich verbinden;

(B. 85, 1357 v.)

2°. De bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan;

(B. 1365 v., 1738a.)

S0. Een bepaald onderwerp; (B. 1368 v.)

4°. Eene geoorloofde oorzaak. (B. 1371 v. — C. 1108.)

1357. Geene toestemming is van waarde, indien dezelve door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst, of door bedrog verkregen. (G. 1109; B. 142a, 1485, 1488, 1490, 1492.)

1358. Dwaling maakt geene overeenkomst nietig, dan wanneer dezelve plaats heeft omtrent de zelfstandigheid dei-zaak welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakt.

Dwaling is geene oorzaak van nietigheid, indien zij alleenlijk plaats heeft omtrent den persoon met wien men voornemens is te handelen, ten zij de overeenkomst voornamelijk uit aanmerking van dezen persoon zij aangegaan. (C. 1110; B. 142amp;, 1655, 1703, 1829 v., 1895 v.)

1359. Geweld, gepleegd tegen dengenen die eene verbindtenis heeft aangegaan, levert grond op tot nietigheid der overeenkomst, ook dan, wanneer hetzelve gepleegd is door eenen derde, ten wiens behoeve de overeenkomst niet gemaakt is. (G. 1 1 11; B. 142, 940,1099,1111,1158 n0.1,1360 v.)

1360. Geweld heeft plaats, wanneer hetzelve van zoo-danigen aard is om op een redelijk mensch indruk te maken, en wanneer,- het hem de vrees kan inboezemen dat hij zijnen persoon of zijn vermogen aan een aanmerkelijk en dadelijk aanwezend nadeel zoude blootstellen.

In het beoordeelen daarvan, moet men acht slaan op den ouderdom, de kunne en den stand der personen. (G. 1112.)

1361- Geweld maakt eene overeenkomst nietig, niet alleen wanneer hetzelve gepleegd is jegens eene der handelende partijen, maar ook jegens derzelver echtgenoot of bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende linie. (G. 1113; B. 347,1359.)

1362. De vrees alleen uit eerbied jegens vader, moeder

379

-ocr page 444-

BURGERLIJK WETBOEK.

of andere bloedverwanten in de opgaande linie voortkomende, zonder bijkomend geweid, is onvoldoende tot vernietiging der overeenkomst. (C. 1114; B. 353.)

1363. Men kan niet meer tegen eene overeenkomst, uit hoofde van geweld, opkomen, indien na het ophouden van het geweld die overeenkomst is goedgekeurd, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwijgende, het zij dat men den tijd, bij de wet bepaald om in zijn geheel hersteld te worden, hebbe laten voorbijgaan. (G. 1115; B. 142tgt;, 1161,1490,1492,19-29.)

1364. Bedrog levert eenen grond op tot vernietiging der overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door eene der partijen gebezigd, van dien aard zijn dat het klaarblijkelijk is dat de andere partij zonder die kunstgrepen de verbindtenis niet zoude hebben aangegaan.

Bedrog wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden. (C. 1116; B. 940, 1099, 1111, 1158 n». 2, 1283 v., 1902; K. 119(1)

1365. Een ieder is bevoegd om verbindtenissen aan te gaan, indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard. (C. 1123; B. 1366.)

1366. Onbekwaam om overeenkomsten de treffen zijn:

1°. Minderjarigen; (B. 206, 385, 473 v., 1835.)

2°. Die onder curatele gesteld zijn; (B. 487 v., 506.)

3°. Getrouwde vrouwen, in de gevallen bij de wet voorzien, en, in het algemeen, alle degenen aan wie de wet het aangaan van zekere overeenkomsten verboden heeft. (B. 163 v., 457a, 1503 v., 1715. 1835; F. 23 v. — G. 1124; B. 1053, 1482 v.)

1367. De bij het vorige artikel onbekwaam verklaarde personen kunnen mitsdien tegen hunne verbindtenissen opkomen in alle gevallen, waarin dat vermogen niet bij de wet is uitgesloten.

De personen die bekwaam zijn om zich te verbinden kunnen zich geenszins beroepen op de onbekwaamheid der minderjarigen, onder curatele gestelden, en getrouwde vrouwen, met welke zij gehandeld hebben. (G. 1125; B. 164,168, 171,172, 206,1483b, 1492,1738b, 1739,1835,1929; Krankz.w., a. 32^, zie chron. lijst.)

1368. De zakergt; welke in den handel zijn kunnen alleenlijk het onderwerp van overeenkomst uitmaken. (G 1128; B. 575 v., 593«, 1210 n4. 1, 1990.)

1369. Eene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is.

De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveelheid naderhand kunne worden bepaald of uitgemaakt. (G. 1129; B. 1015 v., 1308 v., 1428, 1497, 1501.)

1370. Toekomstige zaken kunnen het onderwerp eener overeenkomst uitmaken.

Men kan echter geenen afstand doen van eene erfenis die nog niet opengevallen is, noch over zoodanig eene nalatenschap eenig beding aangaan, zelfs niet met toestemmi\'ig van dengenen over wiens nalatenschap gehandeld wordt; behoudens de bepalingen van artikel 224, 231 en 233. (G. 1130; B. 196, 1109, 1220, 1704, 1811.)

380

-ocr page 445-

BOEK HF, TITEL It, ARTT. 1363-\\^11.

1371. Eene overeenkomst zonder oorzaak, of uit eene valsche of ongeoorloofde oorzaak, aangegaan, is krachteloos. (C. 113-1; B. 937, 938.)

1372. Indien er geene oorzaak is uitgedrukt, en er echter eene geoorloofde aanwezig is, of ook indien er eene andere geoorloofde oorzaak dan de uitgedrukte bestaat, is niettemin de overeenkomst van kracht. (C. quot;1132; B. quot;1915.)

1373 Eene oorzaak is onoorgeioofd. wanneer dezelve bij de wet verboden is, of wanneer dezelve strijdig is met de goede zeden, of met de openbare orde. (C. 1133; A. 14; B. 194,1656.)

DERDE AFDEELING.

Van het gevolg der overeenkomsten.

1374. Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.

Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijdsche toestemming, of uit hoofde der redenen welke de wet daartoe voldoende verklaart.

Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebragt. (C. 1134; B. 798, 1112,1279 v., 1302 v., 13536, 1371 v., 1639c, 1647, 1683 n°. 3, 1725, 1850.)

1375. Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is. maar ook tot al hetgeen dat, naar den aard van dezelve overeenkomsten, door de billijkheid, het gebruik, of de wet, wordt gevorderd. (C. 1135; A. 3 ; B. 1383, 1518, 1528.)

1376. Overeenkomsten zijn alleen van kracht tusschen de handelende partijen.

Dezelve kunnen aan derden niet ten nadeele verstrekken; zij kunnen aan derden geen voordeel aanbrengen, dan alleen in het geval voorzien bij artikel 1353. (C. 1165; B. 10246, 1165, 12236, 1230a, 1559, 1894; F. 157.)

1377. Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onverpligt verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, mits bewezen worde, dat bij het verrigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeiing van de schuldeischers het gevolg zoude zijn.

Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goederen, die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.

Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde. (C. 1167; B. 247, 854 n». 4, 865, 10246, 1107, 1113, 1212, 1230, 1350, 1490, 1989; F. 42—51.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 8 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. o)

a) Het oorspronkelijke artikel 1377 luidde: „Niettemin kunnen de sohnldeischers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen.

381

-ocr page 446-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIERDE AFDEEL ING.

Van de uitlegging der overeenkomsten.

1378. Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken. (B. 932.)

1379. Indien de bewoordingen eener overeenkomst voor onderscheiden uitleggingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling der handelende partijen geweest zij, dan zich aan den letterlijken zin der woorden binden. (C. 1156; B. 933, 1293, 1892.)

1380. Indien een beding voor tweederlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in den zin waarin hetzelve van eenige uitwerking kan zijn, dan in dien waarin het geen het minste gevolg zoude kunnen hebben. (C. 1157; B. 934.)

1381. De bewoordingen voor tweederlei zin vatbaar, moeten opgevat worden in den zin die met den aard van de overeenkomst het meest overeenstemt. (C. 1158; B. 934, 1892.)

1382. Hetgeen dubbelzinnig is moet uitgelegd worden naar hetgeen gebruikelijk is in het land of op de plaats, alwaar de overeenkomst is aangegaan. (C. 1159; A. 3.)

1383. Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon dezelve daarbij niet zijn uitgedrukt. (C. 1160; B. 1375,1528.)

1384. Alle bedingen, in eene overeenkomst gemaakt, moeten in derzelver verband genomen, en het eene door het andere uitgelegd worden; ieder derzelve moet in den zin worden opgevat welken het geheel beloop der overeenkomst medebrengt. (C. 1161; B. 1892.)

1385- In geval van twijfel, - wordt eene overeenkomst uitgelegd ten nadeele van dengenen die iets bedongen, en ten voordeele van hem die zich verbonden heeft. (C. 1162; B. 1309, 1509, 1902, 1916.)

1386. Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin eene overeenkomst aangegaan is, omvat dezelve echter alleen die zaken waaromtrent het blijkt dat partijen voornemens waren te handelen. (C. 1163; B. 1891 v.)

1387. Indien men in eene overeenkomst een geval heeft uitgedrukt, om de verbindtenis duidelijk te maken, wordt men niet geacht daardoor te -hebben willen inkorten en beperken de naar regten verbindende kracht, welke de overeenkomst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft. (C. 1164.)

DERDE TITEL. Van verbindtenissen die uit kracht der wet géboren worden.

1388. De verbindtenissen, die uit kracht der wet geboren

welke door den schuldenaar ter bedrlegelijke verkorting hunner regten gedaan zijn, mits zij zich overigens gedragen naar de voorschriften der wet, overeenkomstig den aard der handelingen waartegen zij willen opkomen.

Indien de handeling onder eenen bezwareuden titel is aangegaan, moeten de schuldeischers bewijzen dat er, van den kant der beide partijen, bedrog heeft plaats gehad.

Indien de handeling om niet heeft plaats gehad, is het voldoende dat er bedrog aanwezig zij van den kant van den schuldenaar alleen.quot;

382

-ocr page 447-

P.OEK III, TITEL 11 EN III, ARTT. 1378—1397.

worden, spruiten voort of uit de wet alleen, of uit de wet ten gevolge van \'s menschen toedoen. (C. 1370; B. 362 v., 375 v., 441, 443 v., 506, 672 v., 1052 v., 1269, 1389, 1940 n0. 1; K. 821.)

1389. De verbindtenissen, welke uit kracht der wet geboren worden ten gevolge van \'s menschen toedoen, vloeijen voort of uit eene regtmatige, of uit eene onregtmatige daad. (C. 1370; B. 1390 v., 1401 v., 1940 n». 1.)

1390. Wanneer iemand vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomen, eens anders zaak met of zonder deszelfs weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om de waarneming voort te zetten en te voltooijen, tot dat degene wiens belangen hij waarneemt in staat zij om in die zaak zelf te voorzien.

Hij moet zich insgelijks belasten met al hetgeen tot die zaak behoort.

Hij onderwerpt zich aan alle de verpligtingen welke hij zoude hebben moeten nakomen, in geval hij bij eene uitdrukkelijke lastgeving was gemagtigd geworden. (C. 1372; B. 1829, 1837 v., 1854.)

1391. Hij is verpligt met zijn beheer voort te gaan, al ware het ook dat degene wiens belangen hij waarneemt mogt komen te overlijden voor dat de zaak is ten einde gebragt, tot tijd en wijle de erfgenaam dit beheer op zich kan nemen. (C. 1373; B. 18376.)

1392. Hij is gehouden opzigtelijk dat beheer de pligten van een goed huisvader te vervullen.

Niettemin is de regter bevoegd om de vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke door schuld of nalatigheid des waarnemers mogten veroorzaakt zijn, te matigen, naar gelang der omstandigheden die hem tot de waarneming der zaak bewogen hebben. (G. 1374; B. 1271,1279,1838b.)

1393. Degene wiens belangen door een ander behoorlijk zijn waargenomen, is gehouden de verbindtenissen, door den waarnemer in zijnen naam aangegaan, na te komen, den-zelven schadeloos te stellen wegens alle persoonlijke door hem aangegane verbindtenissen, en aan hem alle nuttige of noodzakelijke gedane uitgaven te vergoeden. (C. 1375; B. 1844 v.)

1394. Hij die eens anders zaak zonder lastgeving heeft waargenomen, is tot geen loon geregtigd. (B. 1831.)

1395. Iedere betaling doet eene schuld vooronderstellen; hetgeen zonder verschuldigd te zijn betaald is, kan terug gevorderd worden.

Ten opzigte van natuurlijke verbindtenissen, waaraan men vrijwillig voldaan heeft, kan geene terugvordering vallen. (C. 1235; B. 1418 v., 1803, 1828; K. 161.)

1396. Die bij vergissing, of met zijn weten, iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verpligt het niet verschuldigde terug te geven aan dengenen van wien hij hetzelve ontvangen heeft. (C. 1376; B. 1400.)

1397. Wanneer iemand die bij vergissing meent schuldenaar te zijn eene schuld betaald heeft, is hij geregtigd om het betaalde van den schuldeischer terug te vorderen.

Niettemin houdt dit regt op, in geval de schuldeischer, ten

383

-ocr page 448-

ETJRGERLIJK WETBOEK.

gevolge van die betaling, de schuldbekentenis vernietigd heelt, behoudens het verhaal van dengenen die betaald heeft op den wezenlijken schuldenaar. (C. 1377; B. 1395, 1418.)

1398. Degene die, te kwader trouw, iets ontvangen heeft hetgeen hem niet verschuldigd was, moet hetzelve terug geven met de interessen en vruchten, te rekenen van den dag der betaling, en zulks onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de zaak eene vermindering heeft ondergaan.

Indien de zaak vergaan is, al had zulks ook door toeval plaats gehad, is hij verpligt de waarde te betalen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten ware hij konde bewijzen dat de zaak insgelijks zoude vergaan zijn, indien zij verbleven was onder dengenen aan wien dezelve had moeten terug gegeven worden. (C. 1378, 1379; B. 605, 634, 1286. 1400, 1480, 2004.)

1399. Die iets, hetwelk onverschuldigd te goeder trouw door hem ontvangen was, verkocht heeft, kan volstaan met den .koopprijs terug te geven.

Indien hij de zaak te goeder trouw om niet heeft vervreemd, behoeft hij niets uit te keeren. (C. 1380; B. 604, 630. 1420b, 1754.)

1400. Hij aan wien de zaak is terug gegeven, is gehouden zelfs aan dengenen die dezelve te kwader trouw bezeten heeft alle noodzakelijke uitgaven te vergoeden, welke tot behoud der zaak zijn aangewend.

De bezitter is geregtigd om de zaak zoo lang in zijn bezit te houden, tot dat die uitgaven vergoed zijn. (C. 1381; B. 604 v., 630, 634, 1185 n®. 4, 1194, 1535.)

1401. Elke onregtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden. (C. 1382; B. 624, 657, 1282, 1483,1890,1955v.; R. O. 39 n«. 1, 44c, 56c, 92c; Rv. 98 n». 1, 585 n». 8; Sv. 3, 202 v., 211b, 218d, 245, 253 n». 4, 304, 345; Stoomw., a. 28.)

1402. Een ieder is verantwoordelijk, niet alleen voorde schade welke hij door zijne daad, maar ook voor die welke hij door zijne nalatigheid of onvoorzigtigheid veroorzaakt heeft. (C. 1383; B. 702, 849, 1790.)

1403. Men is niet alleen verantwoordelijk voor de schade, welke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor welke men aansprakelijk is, of door zaken welke men onder zijn opzigt heeft.

De vader en, bij gebreke van dien, de moeder zijn verantwoordelijk voor de schade, veroorzaakt door hunne minderjarige kinderen, die bij hen inwonen.

De meesters en degenen, die anderen aanstellen tot de waarneming hunner zaken, zijn verantwoordelijk voor de schade, door hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben.

De schoolonderwijzers en werkmeesters zijn verantwoordelijk voor de schade door hunne leerlingen en knechts

384

-ocr page 449-

BOEK in, TITKL III, ARTT. 1398—1409.

veroorzaakt, gedurende den tijd dat dezelve onder hun toe-zigt staan.

De hier-boven vermelde verantwoordelijkheid houdt op, indien de vader en de moeder, de schoolonderwijzers en werkmeesters bewijzen dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten. (G. 1384; B. 354, 355b, 849, 1404 v., 1427, 1602, 1649, 1747, 1840; K. 321 v., 335, 452, 534 v.; Spoorw.w., a. 1, zie chron. lijst; Stoomw., a. 28.)

UOl. De eigenaar van een dier, of degene die zich van hetzelve bedient, is, zoo lang hetzelve tot zijn gebruik verstrekt, aansprakelijk wegens de schade, we\'.ke het dier heeft veroorzaakt, het zij hetzelve onder zijn toezigt en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt zij. (C. 1385; B. 1403; R. O. 39 n». 1; Rv. 98 n0. 1; Sr. 425.)

1405. De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de schade door deszelfs geheele of gedeeltelijke instorting veroorzaakt, indien deze door verzuim van onderhoud, of door een gebrek in de bouwing of inrigting, is te weeg gebragt. (C. 1386; B. 702, 1402, 1645.)

1406. In geval van moedwilligen en onvoorzigtigen doodslag, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, eene regtsvordering tot schadevergoeding, te waarderen naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden. (B. 1401, 1402, 14166, 1955 v.)

1407. Moedwillige of onvoorzigtige kwetsing of verminking van eenig deel des ligchaams geeft aan den gewonde het regt om, behalve de vergoeding der kosten van herstel, ook die der schade, door de kwetsing of de verminking veroorzaakt, te vorderen.

Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.

Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de waardering der schade, ontstaan uit elk misdrijf tegen den persoon gepleegd. CB. 1401, 1402, 1416fgt;, 1955 v.)

1408. De burgerlijke regtsvordering ter zake van belee-diging strekt tot vergoeding der schade, en tot betering van het nadeel, in eer en goeden naam geleden.

De regter zal, bij de waardering daarvan, letten op het min of meer grove van de beleediging, benevens op de hoedanigheid, den stand en de fortuin der wederzijdsche partijen, en op de omstandigheden. (B. 1401,1409,1410,1411 v., 1414, 1415,1416o, 1955; Rv. 22; Begl. Ill, a, 20; R. O. 40; Sr. 261 v.)

Zie onder art. 1416. a)

1409. De beleedigde kan bovendien eischen dat bij hetzelfde vonnis worde verklaard, dat de gepleegde daad is lasterlijk of beleedigend.

a) Oorspronkelijk werden in het eerste lid, in plaats van het woord „beleediging,quot; gelezen de woorden; „laster, hoon of beleediging,quot; en in het tweede lid, in plaats van de woorden „de beleediging,quot; de woorden: „den laster, den hoon of de beleediging.quot;

385

25

-ocr page 450-

BURGERLIJK WETBOEK.

Eischt hij de verklaring dat de gepleegde daad is lasterlijk, dan gelden de regelen in art. 265 van het Wetboek van Strafrecht voor de strafvordering wegens laster gesteld. (Sr. 262 v.)

Het vonnis zal, indien de beleedigde zulks vordert, ten koste des veroordeelden, openbaar worden aangeplakt, bij zoo vele exemplaren als, en daar waar de regter zulks zal bevelen. (B. 1408, 1414.)

Zie onder art. 1416. d)

1410. Onverminderd hare gehoudenheid tot schadevergoeding, kan de verwerende partij de toewijzing van de vordering, bij het voorgaande artikel vermeld, voorkomen door het aanbod en de werkelijke aflegging van eene openbare verklaring voor den regter, houdende dat haar de gepleegde daad leed doet; dat zij deswege verschooning vraagt, en den beleedigde houdt voor een persoon van eer. (B. 1414.)

1411. De regtsvorderingen in de drie voorgaande artikelen vermeld, komen ook toe aan echtgenooten, ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen, wegens beleediging hunnen echtgenooten, kinderen, kleinkinderen, ouders en grootouders, na derzelver overlijden, aangedaan. (B. 1414; Sr. 270 v.)

Zie onder art. 1416. h)

1412. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beleedigen. Het oogmerk om te belee-digen wordt niet aanwezig geacht voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. (Sr. 261e; Rv. 199 v.)

Zie onder art. 1416. c)

1413. Ook kan de burgerlijke regtsvordering niet worden toegewezen indien de beleedigde aan het te laste gelegd feit bij regterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard.

Hij echter die kennelijk met het eenige doel van beleediging, ook dan wanneer de waarheid der aantijging uit een gewijsde, of eene authentieke akte, blijkt, iemand deswege met beleedigingen vervolgt, is verpligt aan denzelven de schade te vergoeden, welke deze daardoor lijdt. (B. 1955 v.; Sr. 261, 265.)

Zie onder art. 1416. d)

1414. Alle regtsvorderingen, waaromtrent bij de voorgaande zes artikelen is gehandeld, vervallen door uitdrukke-

a) Oorspronkelijk werden in het eersto lid, in plaats van de woorden „of beleedigend,quot; gelezen de woorden: „hoonend of beleedigend,quot; en ontbrak het nu tweede lid.

b) Oorspronkelijk werden, in plaats van het woord „beleediging,quot; gelezen de woorden; „laster, hoon of beleediging.quot;

c) Oorspronkelijk luidde art. 1412: „De burgerlijke regtsvordering ter zake van laster, hoon of beleediging kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beleedigen, maar integendeel noodzakelijke verdediging, regtmatige aanklagte, verpligting om getuigenis der waarheid te geven, pligten van ambt, post, bediening of eenige wettige betrekking, of ook andere regtmatige of geoorloofde inzigten, tot de daad, welke anders hoonend of beleedigend zoï.de zijn, billijken grond en aanleiding hebben gegeven.quot;

d) Oorspronkelijk luidde het eerste lid: „Ook kan de burgerlijke regtsvordering niet worden toegewezen indien door regterlijk ge-

386

-ocr page 451-

BOKK III, TITEL III EN IV, ARTT. 1410—1418. 387

lijke kwijtschelding, of ook door stilzwijgende, indien, na de gedane en aan den beleedigde bekend gewordene beleedi-ging, door hem zoodanige blijken van verzoening of van vergiffenis zijn gegeven, die met het voornemen om schadevergoeding of betering van eer te vorderen niet kunnen worden overeengebragt. (B. 1410, 1890; Sv. 5; Sr. 67.)

1415. De regtsvordering tot schadevergoeding, bij artikel 1408 vermeld, gaat niet verloren noch door den dood van den beleediger, noch door dien van den beleedigde. (B. 1409,1411.)

1416. De burgerlijke regtsvordering ter zake van belee-diging vervalt door verloop van een jaar, te rekenen van den dag dat de daad gepleegd en aan den aanlegger bekend was. (B. 1408 v., 1411.)

Alle overige burgerlijke regtsvorderingen tot schadevergoeding wegens daden welke tot strafvordering kunnen aanleiding geven, gaan te niet door de verjaring die ten opzigte dezer strafvordering is vastgesteld. (B. 1401 v.; Sr. 70 v.)

De artt. 1408, 1409, 1411—1413 en 1416 zijn,^ aldus gewijzigd, vastgesteld hij art. 12 der Wet van IQ April 1884 (Stb. n0. 93). ce)

VIEJIDE TITEL.

Van het te niet gaan der verbindtenissen.

1417. Verbindtenissen gaan te niet:

Door betaling; (B. 1418 v.)

Door aanbod van gereede betaling,gevolgd van consignatie of bewaargeving; (B. 1440 v.)

Door schuldvernieuwing; (B. 1449 v.)

Door vergelijking of compensatie; (B. 1461 v.)

Door schuldvermenging; (B. 1472 v.)

Door kwijtschelding der schuld; (B. 1474 v.)

Door het vergaan der verschuldigde zaak; (B. 1480 v.)

Door de nietigheid of de tenietdoening; (B. 1482 v.)

Door de werking eener ontbindende voorwaarde, waarvan in den eersten titel van dit boek gehandeld is; (B. 1301 v.) en

Door verjaring, welke het onderwerp van eenen afzonderlijken titel uitmaakt. (B. 2004 v. — G. 1234; B. 1304 v., 13746, 1683, 1850.)___

EERSTE AFDEELING.

Van betaling.

1418. Eene verbindtenis kan gekweten worden door een ieder die daarbij belang heeft, gelijk een medeschuldenaar of een borg.

Eene verbindtenis kan zelfs gekweten worden door eenen derde, die daarbij geen belang heeft, mits die derde handele in naam en tot kwijting van den schuldenaar,^ of, indien hij in zijn eigen naam handelt, hij niet in de regten van den schuldeischer gesteld worde. (G. 1236; B. 1316, 1351,

wijsde, of uit eene authentieke akte, blijkt van de waarheid dei-gedane aantijging.quot;

a) In het eerste lid van art. 1116 werden oorspronkelijk, in plaats van het woord „beleediging,quot; gelezen de woorden: „laster, hoon o£ beleodiging.quot;

-ocr page 452-

BURGERLIJK WETBOEK.

1890 v., 1419, 1436 v., 1441 n®. 2, 1829 v., 1857 v.; K. 171 v.; Rv. 596 n0. 2.)

1419. Eene verbindtenis om iets te doen kan door eenen derde niet gekweten worden in weerwil van den schuld-eischer, indien deze belang heeft dat de daad door den schuldenaar zeiven verrigt worde. (C. 1237; B. 1275,1648.)

1420. Men moet eigenaar zijn van de zaak die in betaling gegeven wordt en bevoegd zijn om die te vervreemden, zal de betaling geldig wezen.

Niettemin kan de voldoening van eene geldsom, of van eenige andere verbruikbare zaak, niet terug gevorderd worden van dengenen die dat in betaling gegevene te goeder trouw verbruikt heeft, alhoewel die voldoening geschied zij door iemand die daarvan geen eigenaar of onbekwaam was om de zaak te vervreemden. (G. 1238; B. 163a, 561, 1365 v., 1399, 1422, 1507, 2014.)

1421. De betaling moet gedaan worden aan den schuld-eischer, of aan iemand die volmagt van hem heeft, of die door den regter of door de wet gemagtigd is om voor denzelven te ontvangen.

De betaling, gedaan aan iemand die geene magt had om voor den schuldeischer te ontvangen, is van waarde, voor zoo verre de schuldeischer dezelve goedkeurt of daardoor werkelijk is gebaat geworden. (C. 1239; E. 160,163b, 179, 362 v., 443 v, 484, 506c, 520 v., 880, 1002, 1052 v., 1172 v., 1315, 1339, 1390, 1423, 1673, 1692, 1756, 1833, 1929; K. 17, 20. 44 v., 58, 327; F. 23,221 n». 2; Rv. 751.)

1422. De betaling te goeder trouw gedaan aan iemand die in het bezit is der inschuld, is van waarde, ook dan wanneer die bezitter naderhand bij uitwinning uit dat bezit gestooten is. (C. 1240; B. 1396 v.)

1423. De betaling, aan den schuldeischer gedaan, is niet van waarde, indien hij niet bekwaam was om dezelve te ontvangen, dan voor zoo verre de schuldenaar mogt bewijzen dat de schuldeischer door die betaling werkelijk is gebaat geworden. (C. 1241; B. 163amp;, 1366, 1487, 1759 v.)

1424. De betaling, gedaan door eenen schuldenaar aan zijnen schuldeischer, in weerwil van eene inbeslagneming of oppositie, is niet van waarde ten aanzien der schuld-eischers die de inbeslagneming of oppositie gedaan hebben; dezelve kunnen, naar aanleiding van hun regt, den schuldenaar noodzaken om op nieuw te betalen, behoudens, in dat geval, deszelfs verhaal op den schuldeischer. (C. 1242; B. 1470b; Rv. 475 v., 735 v.)

1425. Geen schuldeischer kan genoodzaakt worden eene andere zaak in betaling te nemen, dan die hem verschuldigd is, ofschoon ook de aangebodene zaak van gelijke of zelfs van meerdere waarde zij. (G. 1243; B. 1777, 1793. 1794; K. 156.)

1426. Geen schuldenaar kan zijnen schuldeischer verpligten om betaling van eene schuld bij gedeelten te ontvangen, al mogt die schuld ook deelbaar zijn. (C. 1244a; B. 133E; K. 168; F. 234)

1427. De schuldenaar van eene zekere en bepaalde zaak

388

-ocr page 453-

BOEK III, TITEL IV, A.RTT. 1419—1434. 389

is bevrijd door de afgifte der zaak, m den staat waarin dezelve zich ten tijde der levering bevond, mits de verminderingen, welke die zaak mogt ondergaan hebben, niet doorzijn toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de schuld of het verzuim van zoodanige personen voor welke hij verantwoordelijk is, noch ook door dat hij, vóór het opkomen dier verminderingen, in de levering achterlijk gebleven is. (C. 1245; B. 8-29b, 849, 1010, 1203, 1\'272 v., 1403,1480, 1517. 1752, 1784; Spoorw.w., a. 1, zie chron. lijst.)

1428 Indien de zaak welke verschuldigd is alleenlijk is bepaald ten aanzien van hare soort, is de schuldenaar, om zich van de schuld te ontheffen, niet verpligt om van de beste soort, maar hij kan ook niet volstaan met van de slechtste te geven. (C. 1246; B. 1016.)

1429. De betaling moet gedaan worden ter plaatse welke bij de overeenkomst bepaald is; indien geene plaats daarbij vastgesteld is, moet de betaling, ten aanzien van eene zekere bepaalde zaak, geschieden ter plaatse alwaar, tijdens het aangaan der verbindtenis, de zaak, die daarvan het onderwerp uitmaakt, zich bevond.

Buiten deze twee gevallen, moet de betaling geschieden ter woonplaats van den schuldeischer, zoo lang deze bij voortduring blijft wonen in de gemeente alwaar hij, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, woonachtig was, en anderzins ter woonplaatse van den schuldenaar. (C. 1247; B. 74 v., 81, 1441 n0. 6, 1448, 1468, 1513, 1550, 1761, 1801; K. 180, 209; Bv. 314e.)

1430. Ten opzigte van huren, pachten, jaarwedden tot onderhoud, altijddurende renten of lijfrenten , interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen, van al wat bij het jaar of bij kortere geregelde termijnen betaalbaar is, wordt door drie kwijtingen, waaruit van de betaling van drie achtereenvolgende termijnen blijkt, het vermoeden geboren dat ook de vroegere termijnen voldaan zijn, ten ware het tegendeel mogt bewezen worden. (B. 1327,1806,1953,1958a.)

1431. De kosten, op de betaling vallende, komen ten laste van den schuldenaar. (C. 1248; B. 1443, 1502, 1512, 1761c; Zegelw., a. 28; Bv. 56.)

1432. De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het regt, bij het doen der betaling, te verklaren tot voldoening van welke dier schulden hij de betaalde som wil doen verstrekken. (C. 1253; B. 1434, 1665.)

1433. De schuldenaar van eene schuld, die op interessen loopt, kan, buiten de toestemming van den schuldeischer, de betaling, welke hij doet, niet doen verstrekken tot aflossing van de hoofdsom bij voorkeur van voldoening der interessen.

De betaling, die gedaan is op de hoofdsom en op de interessen, maar waarmede de geheele schuld niet is afgedaan; strekt in de eerste plaats tot voldoening der Interessen. (G. 1254; B. 1803, 1806.)

1434. Wanneer hij, die verscheiden sommen schuldig is, eene kwijting heeft aangenomen, waarbij de schuldeischer verklaard haeft, dat hetgeen hij ontvangen heeft, in het bijzonder tot voldoening van eene dezer schulden verstrekt,

-ocr page 454-

BURGERLIJK WETBOEK.

kan die schuldenaar niet meer vorderen dat de betaling gerekend worde tot de kwijting van eene andere schuld gedaan te zijn, ten zij er van de zijde van den schuldeischer bedrog of verrassing hebbe plaats gehad. (C. 1255; B. 1857,1432.)

1485. Indien de kwijting niet inhoudt voor welke schuld de betaling gedaan is, moet de betaling gerekend worden gedaan te zijn in voldoening van die schuld, welke de schuldenaar, onder de te gelijk vervallene schulden destijds het meeste belang had te voldoen; doch indien alle de schulden niet raogten vervallen zijn, wordt de betaling geacht gedaan te zijn in voldoening der schuld die vervallen was, boven de nog niet vervallene, ofschoon deze eerste minder bezwarende zijn mogt, dan de andere.

Indien de schulden van gelijken aard zijn, moet de toerekening op de oudste gedaan worden, doch alles gelijk staande, geschiedt de toerekening op elke schuld naar evenredigheid.

Indien geene der schulden vervallen is, wordt de toerekening gedaan even als omtrent de vervallene schulden. (C. 1256; B. 1469; Rv. 585 v.)

1436. De subrogatie, of indeplaatsstelling in de regten van den schuldeischer ten behoeve van eenen derden persoon, die denzelven betaalt, geschiedt of bij overeenkomst, of uit kracht der wet. (C. 1249; B. 1437, 1438.)

1437. Deze indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst:

1°. Wanneer de schuldeischer, de betaling van eenen

derden persoon ontvangende, denzelven doet treden in de regten, regtsvorderingen, voorregten en hypotheken, welke hij ten laste van den schuldenaar heeft.

Deze subrogatie moet uitdrukkelijk, en gelijktijdig met de betaling, geschieden;

2°. Wanneer de schuldenaar eene som gelds ter leen opneemt, ten einde zijne schuld te betalen, en den geldschieter in de regten van den schuldeischer te doen treden, moeten om deze subrogatie van waarde te doen zijn, zoo wel de akte van geldopneming als de kwijting bij authentieke akte verleden worden, en moet in de akte van geldopneming verklaard worden dat de som geleend is om daarmede de betaling te doen; terwijl voorts de kwijting moet inhouden dat de betaling gedaan is uit penningen die tot dat einde door den nieuwen schuldeischer zijn voorgeschoten.

Deze subrogatie wordt zonder de medewerking van den schuldeischer bewerkstelligd. (G. 1250; B. 458b, 668, 1418b, 1439.)

1438. Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet:

1°. Ten behoeve van dengenen die, zelf schuldeischer zijnde, eenen anderen schuldeischer, die, uit hoofde van deszelfs bevoorregte schuld of hypotheek, een beter regt heeft, voldoet; (B. 1179, 1418amp;.)

2°. Ten behoeve van den kooper van eenig onroerend goed, die den koopprijs daarvan besteedt tot betaling der schuldeischers aan welke dat goed door hypotheek verbonden was; (B. 1242 v.)

3®. Ten behoeve van dengenen die, met anderen, of voor

390

-ocr page 455-

BOEK 111, TITEL IV, ARTT. 1435—1441. 391

anderen, gehouden zijnde tot de voldoening van eene schuld, belang had om dezelve te voldoen; (B. 1316 v., 1329, 1335, 1337, v., 1877, 1885; K. 186, 193.)

4°. Ten behoeve van den erfgenaam, die, eenen boedel onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebbende, de schulden der nalatenschap met zijne eigene penningen betaald heeft. (B. 1078 n®. 1. — C. 1251; B. 1152, 1246; K. 171a, 284, 591, 610.)

1439. De subrogatie, bij de voorgaande artikelen bepaald, heeft plaats zoo wel tegen de borgen als tegen de schuldenaren; dezelve kan den schuldeischer in zijne regten niet verkorten, indien hij slechts gedeeltelijk betaald is; in dit geval, kan hij zijne regten, ten aanzien van hetgeen hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen, bij voorkeur boven dengenen van wien hij slechts eene gedeeltelijke voldoening bekomen heeft. (C. 1252; B. 1437 n*. 1, 1877.)

TWEEDE AFDEELING.

Van aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving.

1410. Indien de schuldeischer weigert zijne betaling te ontvangen, kan de schuldenaar hem aanbod van gereede betaling van het verschuldigde doen, en, bij weigering van den schuldeischer om hetzelve aan te nemen, de geldsom of zaak in geregtelijke bewaring stellen.

Zoodanig aanbod, gevolgd van bewaargeving, bevrijdt den schuldenaar, en strekt te zijnen opzigte tot betaling, mits hetzelve op eene wettige wijze gedaan zij; blijvende het alzoo in bewaring gebragte voor rekening van den schuldeischer. (G. 1257; B. 1273, 1442, 1444; Bv. 794 v.)

1441. Om zoodanig aanbod van waarde te doen zijn, is het noodig:

1°. Dat hetzelve gedaan worde aan eenen schuldeischer die bevoegd is om te ontvangen, of aan dengenen die de magt heeft om voor hem te ontvangen; (B. 1421,1423.)

2°. Dat het gedaan worde door iemand die bevoegd is om te betalen; (B. 1418, 1420.)

3°. Dat het loope over de geheele opeischbare som en de interessen, mitsgaders over de kosten die vereffend zijn, en over eene som gelds voor de kosten die nog niet vereffend zijn, onder voorbehoud van nadere vereffening; (B. 1426, 1431, 1442 n0. 2.)

4°. Dat de tijdsbepaling verschenen zij, indien dezelve ten behoeve van den schuldeischer bedongen is; (B. 1306 v.; K. 159.)

5°. Dat de voorwaarde waaronder de schuld is aangegaan vervuld zij; (B. 1299 v.)

6°. Dat het aanbod gedaan worden op de plaats alwaar de betaling, volgens de overeenkomst, zoude moeten geschieden, en indien er geene bijzondere overeenkomst deswege bestaat, het zij aan den persoon van den schuldeischer, het zij te zijner werkelijke of gekozene woonplaats; (B. 74 v., 81 v., 1429, 1448; Bv. 439d, 794e.)

-ocr page 456-

BURGERLIJK WETBOEK.

7°. Dat het aanbod gedaan worde door eenen notaris of door eenen deurwaarder, beide met twee getuigen. (W. not. ambt, a. 23 v.; Rv. 794ci. — C. 1258.)

1442. Om eene consignatie van waarde te doen zijn, wordt geene magtiging van den regter vereischt; het is genoegzaam: (Rv. 795.)

1°. Dat dezelve zij voorafgegaan van eene aan den schuld-eischer beteekende kennisgeving, houdende aanwijzing van den dag, het uur en de plaats waarop de aangebodene zaak in bewaring zal gesteld worden; (Rv. 794.)

2°. Dat de schuldenaar zich van de aangebodene zaak ontdaan hebbe, door dezelve in bewaring te stellen ter plaatse door de wet tot het ontvangen van con-signatien aangewezen, met de interessen, tot den dag der bewaarstelling toe; (B. 4441 n0. 3,4803amp;,Loi du 28 Nivóse XIII, a. 7 (Fortuyn II, 330); K. B. 1 Dec. \'1843 n0. 45 (Circ. v. d. Min. v. Fin. A. afd. Dom.).)

3°. Dat er door den notaris, of door den deurwaarder, beide met twee getuigen, een proces-verbaal worde opgemaakt, behelzende den aard der aangebodene muntspecien, de weigering van den schuldeischer om dezelve te ontvangen, of dat hij tot die ontvangst niet verschenen is, en eindelijk het doen van de consignatie zelve; (Rv. 794; B. 1441 n®. 7.)

4°. Dat bijaldien de schuldeischer tot de ontvangst niet verschenen is, het proces-verbaal der consignatie hem beteekend zij, met aanmaning om het in bewaring gebragte te lieten. (Rv. 795. — C. 1259.)

1443. De onkosten, gevallen op het aanbod van gereede betaling en op de consignatie, zijn voor rekening van den schuldeischer, indien dezelve wettiglijk zijn geschied. (C. 1260; B. 1431, 1448.)

1444. Zoo lang het in bewaring gebragte niet door den schuldeischer is aangenomen, kan de schuldenaar hetzelve terug nemen; in dat geval, zijn deszelfs medeschuldenaren en borgen niet bevrijd. (G. 1261; B. 1445, 1446, 1882; Avis du Conseil d\'Etat 16 Mai 1810 (Fortuyn III, 147 v.).)

1445. Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis verkregen heeft, hetwelk in kracht van gewijsde gegaan is, en waarbij zijn gedaan aanbod goed en van waarde verklaard is, kan hij, zelfs met toestemming van den schuldeischer, het in bewaring gebragte niet meer terug nemen ten nadeele zijner mede-schuldenaren en borgen. (C. 1262; R. 1440b, 1954; Rv. 796.)

1446. De mede-schuldenaren en borgen zijn insgelijks bevrijd, indien de schuldeischer, na den dag van de betee-kening der consignatie, een jaar heeft laten voorbijgaan, zonder derzelver bestaanbaarheid te betwisten. (B. 1440.)

1447. De schuldeischer, die zijne toestemming gegeven heeft dat de schuldenaar het in bewaring gebragte terug neme nadat de consignatie bij een regterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde bekomen had, was verklaard van waarde te zijn, kan niet meer, om betaling van zijne schuld te bekomen, gebruik maken van de voorregten of hypo-

392

-ocr page 457-

BOKK Ut, TITEL IV, ARTT. 1442—1454.

theken welke daaraan verknocht waren. (G. 1263; B. 1444 v., 1449, 1457, 1954.)

1448. In geval het verschuldigde bestaat in eene zekere zaak, welke geleverd moet worden op de plaats alwaar dezelve zich bevindt, moet de schuldenaar den schuldeischer geregtelijk doen aanmanen om dezelve naar zich te nemen, bij eene akte, welke aan deszelfs persoon of woonplaats, of aan de woonplaats die tot de volbrenging der overeenkomst gekozen is, moet beteekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, en de schuldeischer de zaak niet tot zich neemt, kan de schuldenaar van den regter verlof bekomen om dezelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (C. 1264; B. 74 v., 81, 1429, 1441 n». 6, 1513,1775 n0.3.)

DERDE AFDEEL ING.

Van schuldvernieuwing.

1449. Schuldvernieuwing wordt op driederlei wijze te weeg gebragt:

1°. Wanneer een schuldenaar ten behoeve van zijnen schuldeischer eene nieuwe schuldverbindtenis aangaat, welke in de plaats gesteld wordt van de oude, die daardoor vernietigd wordt;

2°. Wanneer een nieuwe schuldenaar wordt gesteld in de plaats van den vorigen, die door den schuldeischer van zijne verbindtenis ontslagen wordt;

3°. Wanneer, ten gevolge eener nieuwe overeenkomst, een nieuwe schuldeischer gesteld wordt in de plaats van den vorigen, te wiens opzigte de schuldenaar van zijne verbindtenis ontslagen wordt. (C. 1271; B. 1436 v., 1447, 1453, 1457, 1827; K. 236.)

1450. Schuldvernieuwing kan slechts plaats hebben tus-schen personen die bekwaam zijn om verbindtenissen aan te gaan. (C. 1272; B. 1365 v.)

1451. Schuldvernieuwing wordt niet voorondersteld; de wil om dezelve daar te stellen moet duidelijk uit de akte blijken. (C. 1273; B. 1453, 1456, 1474.)

1452- Schuldvernieuwing, door het in de plaats stellen van eenen nieuwen schuldenaar, kan geschieden zonder medewerking van den eersten schuldenaar. (G. 1274; B. 14186, 1449 n». 2.)

1453. Delegatie of overzetting, waarbij een schuldenaar aan zijnen schuldeischer eenen anderen schuldenaar geeft die zich ten behoeve van den schuldeischer verbindt, brengt geene schuldvernieuwing te weeg, indien de schuldeischer niet uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij van meening was om zijnen schuldenaar, die de overzetting gedaan heeft, van deszelfs verbindtenis te ontslaan, (G. 1275; B. 1436 v., 1451, 1454, 1456, 1467.)

1154. De schuldeischer, zijnen schuldenaar, door wien de overzetting geschied is, van zijne verpligting ontslagen hebbende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats gestelde in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk mogt zijn voorbehouden, of de in de plaats ge-

393

-ocr page 458-

BURGERLIJK WKTBOEK.

stelde schuldenaar reeds op het oogenblik der overzetting in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen mogt zijn geraakt. (C. 1276; B. 1453, ISTS; F. 1 v.) a)

1455. De schuldenaar die zich, bij overzetting, aan eenen nieuwen schuldeischer verbonden heeft, en daardoor ten aanzien van zijnen vorigen schuldeischer ontslagen is, kan aan den nieuwen schuldeischer niet tegenwerpen de excep-tien, welke hij tegen den eersten zoude hebben kunnen doen gelden, al ware hel dat dezelve hem bij het aangaan der nieuwe verbindtenis niet bekend zijn geweest, behoudens echter, in het laatste geval, deszelfs verhaal op den oorspronkelijken schuldeischer. (B. 1449 nquot;. 3, 1453 v.)

1456. Enkele aanwijzing, door den schuldenaar gedaan, van iemand die voor hem betalen moet, brengt geene schuldvernieuwing te weeg.

Hetzelfde geldt ook omtrent eene enkele aanwijzing, door den schuldeischer gedaan, van iemand die voor hem moet ontvangen. (C. 1277; B. 1451, 1453, 1829 v.; K. 210 v., 221 v.)

1457. De voorregten en hypotheken, aan de oude schuldvordering verbonden, gaan niet over tot die welke in der-zelver plaats is gesteld, ten ware de schuldeischer zich zulks uitdrukkelijk mogt hebben voorbehouden. (C. 1278 ; B. 1179, 1253 n0. 1, 1447, 1471.)

1458. Wanneer de schuldvernieuwing wordt te weeg gebragt door eenen nieuwen schuldenaar in de plaats van den vorigen te stellen, gaan de voorregten en hypotheken, die oorspronkelijk aan de schuldvordering verbonden waren, niet over op de goederen van den nieuwen schuldenaar. (G. 1279; B. 1449 n». 2, 1457.)

1459. Wanneer de schuldvernieuwing plaats vindt tus-schen den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren, kunnen de voorregten en hypotheken niet voorbehouden worden, dan alleenlijk op de goederen van dengenen die de nieuwe schuldverbindtenis aangaat. (C. 1280; B. 1316 v.,1460.)

1460. Door de schuldvernieuwing, tusschen den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren gemaakt, worden de overige mede-schuldenaren van hunne verbindtenis ontslagen.

Schuldvernieuwing, ten aanzien van den hoofdschuldenaar te weeg gebragt, ontslaat de borgen.

Indien evenwel de schuldenaar h), in het eerste geval, de toetreding der mede-schuldenaren, en in het tweede, die der borgen gevorderd heeft, en de mede-schuldenaren of borgen weigeren om tot de nieuwe schikking toe te treden, blijft de oude schuldverbindtenis voortduren. (G. 1281; B. 1316 v., 1466, 1473, 1478, 1882 v., 1975.)

VIERDE AFDEELING.

Van compensatie of vergelijking van schuld.

1461. Twee personen wederkeerig elkanders schuldenaren zijnde, heeft tusschen dezelve vergelijking plaats, door welke

a) In de O. E. is, in plaats der elf laatste woorden, behouden de bij art. 16 der Wet van 15 Juni 18S3 (Stb. no. 35) veranderde tekst. h) In art. 1281 C. staat: créancier.

394

-ocr page 459-

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 1455—1469. 395

de wederzijdsche schulden worden vernietigd, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld. (C. 1289; B. 1465 v.)

1462. Vergelijking heeft van regtswege plaats, zelfs buiten weten der schuldenaren, en de beide schulden vernietigen elkander over en weder, op het oogenblik dat zij te gelijk bestaan, ten beloope van derzei ver wederkeerig bedrag. (G. 1290.)

1463. Vergelijking heeft alleen plaats tusschen twee schulden, die beide tot onderwerp hebben eene geldsom, of eene zekere hoeveelheid van zaken die door het gebruik te niet gaan, van dezelfde soort en die wederzijds voor eene dadelijke vereffening en opeisching vatbaar zijn.

Leveringen van granen en levensmiddelen welke niet betwist worden, en waarvan de waarde bij prijscouranten bepaald is, kunnen in vergelijking gebragt worden tegen vereffende en opeischbare geldsommen. (G. 1291; B. 561, 1299, 1305, 1307; F. 53—55.)

1464. Bekomen uitstel van betaling verhindert geene vergelijking. (G. 1292; B. 1302d, 1304 v., 1797.)

1465. De vergelijking heeft plaats uit welke oorzaak ook de wederzijdsche schulden voortspruiten, uitgezonderd:

1°. Wanneer de teruggave geëischt wordt van eene zaak waarvan de eigenaar wederregtelijk ontzet is;

2°. Wanneer geéischt wordt de teruggave van iets hetwelk in bewaring of ter bruikleen gegeven is; (B. 1751 v., 1779.)

3°. Ten aanzien eener schuld, spruitende uit hoofde van levens-onderhoud hetwelk verklaard is niet in beslag te kunnen worden genomen. (Rv. 756. — G. 1293.)

1466. Een borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuldeischer aan den hoofdschuldenaar verschuldigd is, maar de hoofdschuldenaar kan niet in vergelijking brengen hetgeen de schuldeischer aan den borg verschuldigd is.

De hoofdelijke schuldenaar mag insgelijks niet in vergelijking brengen hetgeen door den schuldeischer aan zijnen mede-schuldenaar verschuldigd is. (G. 1294 ; B. 1323amp;, 1446, 1460, 1473, 1478, 1883, 1884a, 1975 v.)

1467. Een schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdragt van regten, door den schuldeischer aan eenen derde gedaan, kan zich niet meer tegen dengenen te wiens behoeve die overdragt gedaan is, bedienen van de vergelijking, welke hij, vóór dezelve, aan zijnen schuldeischer had kunnen tegenwerpen.

De overdragt van regten, waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die aan denzelven is beteekend geworden, verhindert slechts de vergelijking der schulden welke na de gedane beteekening zijn aangegaan. (G. 1295; B. 668, 1456b, 1471, 1569 v.)

1468. Indien de wederzijdsche schulden niet ter zelfde plaatse betaalbaar zijn, kunnen dezelve niet in vergelijking gebragt worden, dan met vergoeding van de kosten der overmaking. (G. 1296; B. 1429, 1431, 1441 n0. 6, 1448.)

1469. Indien er verscheiden voor vergelijking vatbare en van denzelfden persoon vorderbare schulden bestaan, moet men, ten aanzien der vergelijking, de regelen volgen

-ocr page 460-

BURGERLIJK WETBOEK.

welke bij artikel 1435 zijn voorgeschreven. (C. 1297; B. 1433.)

1470. Vergelijking heeft geene plaats ten nadeele der verkregene regten van eenen derde.

Aldus kan hij, die, schuldenaar zijnde, schuldeischer geworden is, nadat op het door hem verschuldigde door eenen derde is beslag gelegd zich niet, ten nadeele van den inbe-slagnemer, van de schuldvergelijking bedienen. (G. 1298; B. 1424; Rv. 735 v., 751.)

1471. Hij, die eene schuld betaald heeft, welke van regtswege door vergelijking vernietigd was, kan zich, bij het invorderen der inschuld welke hij niet in vergelijking gebragt heeft, niet meer, ten nadeele van derden, bedienen van de voorregten en hypotheken, welke aan die inschuld verbonden waren, ten ware hij eene wettige roden van onkunde mogt gehad hebben omtrent het bestaan der inschuld met welke zijne schuld had moeten worden in vergelijking gebragt. (C. 1299; B. 1462.)

VIJFDE AFDEELING.

Van schuldvermenging.

1472. Wanneer de hoedanigheden van schuldeischer en schuldenaar zich in denzelfden persoon vereenigen, heeft van regtswege eene schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvordering vernietigd wordt. (C. 1300; B. 753, 765 n». 1, 783, 801 n0. 1, 854 n°. 3, 865,1078 nquot;. 2,1575, 1764.)

1473. Schuldvermenging, welke in den persoon van den hoofdschuldenaar plaats vindt, strekt ook ten voordeele van deszelfs borgen.

Die welke in den persoon van den borg plaats vindt, heeft geenszins de vernietiging der hoofdverbindtenis ten gevolge.

Die welke in den persoon van een der hoofdelijke schuldenaren plaats heeft, strekt niet verder tot voordeel zijner hoofdelijke mede-schuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld waarvoor bij zelf schuldenaar was. (C. 1301; B. 1324, 1329, 1446, 1460, 1466, 1476, 1478, 1858a, 1883, 1975 v.)

ZESDE AFDEELING.

Van kwijtschelding van schuld.

1474. De kwijtschelding eener schuld wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden. (G. 1315; B. 1451, 1477, 1902.)

1475. De vrijwillige teruggave van een oorspronkelijk onderhandsch bewijs, door den schuldeischer aan den schuldenaar gedaan, bewijst de kwijtschelding der schuld, zelfs ten aanzien der hoofdelijke mede-schuldenaren. 1X1.1282; B. 1315, 1316, 1357, 1894, 1911 v., 1915, 1953.)

1476. De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, ten behoeve van éénen der hoofdelijke medeschuldenaren gegeven, bevrijdt alle de overige, ten ware zich de schuldeischer uitdrukkelijk zijne regten tegen de laatstgemelden mogt hebben voorbehouden.

In welk laatste geval, hij de schuld niet verder kan invorderen, dan na aftrek van het aandeel van dengenen, aan

396

-ocr page 461-

BOEK IH, TITEL IV, ARTT. 1470—1481.

wien hij de schuld heeft kwijtgescholden. (G. 1285; B. 1315, 1316, 1323, 1325, 1446, 1460, 1466, 1975 v., 1894.)

1477. De teruggave van eene in pand gegevene zaak is niet voldoende om de vrijstelling der schuld te doen vermoeden. (C. 1286; B. 1198 v., 1474.)

1478. De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, aan den hoofdschuldenaar toegestaan, bevrijdt de borgen.

De kwijtschelding, aan den borg toegestaan, bevrijdt den hoofdschuldenaar niet.

De kwijtschelding, aan eenen der borgen toegestaan, ontslaat de overigen niet. (C. 1287; B. 1446, 1460,1466,1473, 1858a, 1883 v., 1975 v.)

1479. Hetgeen de schuldeischer van eenen borg heeft ontvangen tot afdoening van deszelfs borgtogt, moet gerekend worden in mindering der schuld betaald te zijn, en moet verstrekken tot ontlasting van den hoofdschuldenaar en van de overige borgen. (C. 1288; F. 135.)

ZEVENDE AFDEELING.

Fan het vergaan der verschuldigde zaak.

1480. In geval de zekere en bepaalde zaak, welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakte, vergaat, buiten den handel der menschen geraakt, of verloren gaat, zoodanig dat men van derzelver bestaan te eenenmale onkundig is, vervalt de verbindtenis, mits de zaak vergaan of verloren zij buiten de schuld van den schuldenaar, en voordat hij in de levering daarvan nalatig gebleven was.

Zelfs dan wanneer de schuldenaar in gebreke is om eene zaak te leveren, en hij voor geene onvoorziene toevallen heeft ingestaan, is de verbindtenis vernietigd, indien de zaak op gelijke wijze bij den schuldeischer zoude vergaan zijn, in geval dezelve aan hem ware geleverd geweest.

De schuldenaar is gehouden het onvoorziene toeval, waarop hij zich beroept, te bewijzen.

Op welke wijze ook eene ontvreemde zaak vergaan of verloren zij, ontslaat dit verlies dengenen die deze zaak ontvreemd heeft geenszins van de verpljgting om de waarde te vergoeden. (C. 1302; B. 634 n0. 3, 750 v., 765 n®. 2, 783, 801 n°. 5, 842, 854 n». 6, 865, 970, 1046,1145,1203, 1271, 1272 v., 1280 v., 1300b, 1311, 1321, 1368, 1369, 1398b, 1508, 1546, 1589, 1641, 1643, 1683 n«. 2, 1685, 1745, 1781c, 1782; K. 588.)

Aldus gewijzigd bij art. 9 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

397

1481. Indien de verschuldigde zaak zonder toedoen van den schuldenaar vergaan, buiten den handel der menschen geraakt of verloren is, is de schuldenaar gehouden, in geval hij eenige regten of vorderingen tot schadevergoeding betrekkelijk deze zaak heeft, die aan zijnen schuldeischer af te staan. (C. 1303; B. 1753)

a) Oorspronkelijk werd, in plaats van het woord „ontvreemde,quot; gelezen het woord: „gestolene.quot;

-ocr page 462-

BURGERLIJK WETBOEK.

ACHTSTE AFDEELIN6.

Van de nietigheid en van de vernietiging der ver-bindtenissen.

1482. Alle verbindtenissen, door minderjarige of onder curatele gestelde personen aangegaan, zijn van regtswege nietig, en moeten, op eene door hen of van hunnentwege daartoe gedane vordering, worden nietig verklaard, op den enkelen grond der minderjarigheid of der curatele.

De verbindtenissen, aangegaan door getrouwde vrouwen en door minderjarigen die handligting hebben bekomen, zijn slechts van regtswege nietig, voor zoo verre die verbindtenissen hunne bevoegdheid te boven gaan. (C. 1305; B. 163, 104, 168, 171, 385, 473, 479 v., 483, 484, 487 v., 506,1053, 1366, 1367, 1489, 1835.)

1483. De bepaling van het vorige artikel is niet toepasselijk op verbindtenissen, voortvloeijende uit een begaan misdrijf, of uit eene daad welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.

Ook kan de minderjarigheid niet worden ingeroepen tegen verbindtenissen door minderjarigen, bij huwelijksche voorwaarden, met inachtneming van artikel 206, aangegaan. (C. 1309, 1310; B. 1401 v.)

1484. Indien de formaliteiten ten voordeele der minderjarigen en onder curatele gestelden, tot de bestaanbaarheid van zekere akten voorgeschreven, zijn vervuld, of de vader, de voogd, of de curator handelingen heeft verrigt, die de grenzen van zijne bevoegdheid niet te buiten gaan, worden de minderjarigen en onder curatele gestelden, met opzigt tot die handelingen, beschouwd als of zij dezelve na hunne meerderjarigheid, of buiten curatele, hadden verrigt, onverminderd hun verhaal op den vader, den voogd, of den curator, zoo daartoe gronden zijn. (C. 1314; B. 362 v., 443 v., 451 v., 459, 461, 465, 506.)

1485. Verbindtenissen, door geweld, dwaling of bedrog aangegaan, leveren eene regtsvordering op tot derzelver vernietiging. (G. 1117; B. 1099, 1158 n0. 1 en n0. 2, 1357 v., 1488 v., 1895 v.)

1486. Uit hoofde van benadeeling kunnen meerderjarigen en ook minderjarigen, wanneer zij als meerderjarig worden aangemerkt, alleen de vernietiging der verbindtenissen vorderen, in de bijzondere gevallen bij de wet voorzien. (G. 1118, 1313; B. 483, 10996, 1158 n°. 3, 1159 v., 1170, 1895; F. 42—51.)

1487. De nietigverklaring van verbindtenissen, op grond der onbekwaamheid van de personen, bij artikel 1366 vermeld, heeft ten gevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld in den staat waarin zij zich vóór het aangaan der verbindtenis bevonden, met dien verstande dat al hetgeen aan de onbevoegden, ten gevolge der verbindtenis, is uitgekeerd of betaald, slechts kan worden terug gevorderd, voor zoo verre hetzelve nog onder den onbevoegde berust, of voor zoo verre mogt blijken dat deze door het uitgekeerde of betaalde werkelijk is gebaat, of dat het genotene te zijnen

398

-ocr page 463-

BOEK HI, TITEL IV, ARTT. 1482—1402.

nutte is aangewend of gestrekt heeft. (C. 1312; B. 1423,1739.)

1488. De nietigverklaring, op grond van geweld, dwaling of bedrog, heeft insgelijks ten gevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld in den staat waarin zij zich vóór het aangaan der verbindtenis bevonden. (B. 1487.)

1489. In de gevallen, bij de artikelen 1482 en 1485 voorzien, is degene tegen wien de regtsvordering tot nietigverklaring is toegewezen daarenboven tot vergoeding van kosten, schaden en interessen verbonden, indien daartoe gronden zijn. (B. 1279 v.)

1490. In alle gevallen waarin eene regtsvordering tot nietigverklaring eener verbindtenis niet bij eene bijzondere wetsbepaling tot eenen korteren tijd is beperkt, duurt dezelve vijf jaren.

Die tijd begint te loopen:

In geval van minderjarigheid, van den dag der meerderjarigheid ;

In geval van curatele, van den dag van derzelver opheffing;

In geval van geweld, van den dag waarop hetzelve heeft opgehouden;

In geval van dwaling of bedrog, van den dag der ontdekking;

In geval van handelingen eener getrouwde vrouw, zonder magtiging van den man aangegaan, van den dag der ontbinding des huwelijks;

In geval van nietigheid, waarvan in artikel 1377 wordt gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor de nietigheid vereischte wetenschap bestond;

De hier-boven vermelde tijd voor het aanleggen der regtsvordering is niet toepasselijk op de nietigheid, bij wege van ver dediging of exceptie voorgedragen, welke men steeds zal kun nan doen gelden. (C. 1304; B. 472,1484,1487 v., 1547; F. 50.)\' Aldus gewijzigd bij art. 3 der Wet ter invoering van de Faillissenientswet. a)

1491. Hij die vermeent de nietigverklaring eener verbindtenis op onderscheidene gronden te kunnen vorderen, is verpligt alle die gronden te gelijk aan te voeren, op straffe van verstek der zoodanige die later mogten zijn aangevoerd, ten ware de laatstgemelde door het toedoen der wederpartij niet vroeger hadden kunnen bekend worden. (Rv. 37, 141amp;.)

399

1492. De regtsvordering tot nietigverklaring vervalt, indien de minderjarige, de onder curatele gestelde, de getrouwde vrouw die zonder bijstand van haren man heeft gehandeld, of hij die zich op geweld, dwaling of bedrog kan beroepen, de verbindtenis uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd, na den dag van de meerderjarigheid, de opheffing der curatele, de ontbinding des huwelijks, het ophouden van het geweld, of de ontdekking van de dwaling of des bedrogs. (C. 1311; B. 172, 1363, 1929.)

a) Oorspronkelijk volgden in het eerste lid na de woorden; „nietigverklaring eener verbindtenis de woorden: „(daaronder begrepen die waarvan bij artikel 1S77 wordt gehandeld),quot; en ontbrak het nu voorlaatste lid.

-ocr page 464-

BURGERLIJK WETBOEK.

VIJFDE TITEL.

Van koop en verkoop.

EERSTE A F DEELING.

Algetneene bepalingen.

1493. Koop en verkoop is eene overeenkomst, waarbij de eene zich verbindt om eene zaak te leveren, en de andere om daarvoor den bedongen prijs te betalen. (G. 4582; B. 555, 1271 v., 1368 v., 1501, 1510, 1549.)

1494. Zij wordt gehouden tusschen de partijen voltrokken te zijn, zoodra deze het eens zijn geworden over de zaak en den prijs, hoewel ook de zaak nog niet mogt geleverd, noch de prijs betaald zijn. (C. 1583; B. 1376, 1501; 1510; Rv. i29a.)

1495. De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer tot den kooper over, dan nadat de levering daarvan geschied is, overeenkomstig artikel 667,668 en 671. (G. 1583: B. 639, 1511, 1569 v., 1723; Rv. 429.)

1496. Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald voorwerp bestaat, is dezelve, van het oogenblik van den koop af, voor rekening van den kooper, hoewel de levering nog niet hebbe plaats gehad, en heeft de verkooper het regt om den prijs te vorderen. (C. 1138, 1624; B. 1273, 1300, 1480, 1498, 1517, 1549, 1581.)

1497. In geval goederen niet bij den hoop, maar bij het gewigt, het getal of de maat, verkocht zijn, blijven dezelve voor rekening van den verkooper, totdat dezelve gewogen, geteld of gemeten zijn. (G. 1585; B. 1496.)

1498. Indien, daarentegen, de goederen bij den hoop verkocht zijn, zijn dezelve voor rekening van den kooper, alhoewel dezelve nog niet gewogen, geteld of gemeten mogten zijn. (G. 1586; B. 1496)

1499. Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van goederen die men gewoon is vooraf te proeven, wordt altijd voorondersteld onder eene opschortende voorwaarde te hebben plaats gehad. (G. 1587, 1588; B. 1299 v.)

1500. Indien de koop met het geven van eene handgift of eenen godspenning is gesloten, kan geene der partijen van dien koop afzien, het zij door het laten behouden, het zij door het terug geven, van de handgift of den godspenning. (G. 1590; B. 1374b, 1524.)

1501. De koopprijs moet door de partijen bepaald worden.

Dezelve kan echter aan de begrooting van eenen derde

worden overgelaten.

Indien die derde de begrooting niet wil of niet kan doen, heeft er geen koop plaats. (G. 1591, 1592; B. 1494, 1671.)

1502. De kosten der akten van koop en verkoop, en andere bijkomende onkosten, komen ten laste van den kooper, indien het tegendeel niet bedongen is. (G. 1593; B. 1431, 1512.)

1503. Tusschen echtgenooten kan geen koop of verkoop plaats hebben, dan in de drie volgende gevallen:

1«. Wanneer een der echtgenooten aan den anderen, van wien bij geregtelijk gescheiden is, goederen over-

400

-ocr page 465-

401

draagt, tot voldoening van hetgeen aan denzelven naar regten toekomt; (B. 241 v., 298.)

Wanneer de overdragt die de man doet aan zijne vrouw, zelfs van welke hij niet gescheiden is, eene wettige oorzaak heeft, als daar is tot wederbelegging van hare vervreemde goederen, of van penningen die haar toebehooren, indien namelijk die goederen of die penningen van de gemeenschap zijn uitgesloten; (B. 160c, 179, 194, 195, 208a, 250.)

In geval de vrouw aan haren man goederen overdraagt tot betaling eener som, welke zij hem als huwelijksgoed heeft beloofd, voor zoo ver die goederen van de gemeenschap zijn uitgesloten. (B. 194.) Behoudens echter, in deze drie gevallen, de regten der erfgenamen van de handelende partijen, wanneer eene van laatstgemelde alzoo eenig zijdelingsch voordeel mogt hebben bekomen. (C. 1595; B. 1715. — B. 160ü,195o, 364, 451. 479, 506, 537, 1032.)

1504. Regters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen mogen door overdragt geene eigenaars worden van regten en regts-vorderingen, waarover gedingen aanhangig zijn voor de regt-bank, onder welker regtsgebied zij hunne bedieningen uitoefenen, op straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schaden en interessen. (C. 1597; B. 1282,1490; B. O. 31, 47.)

1505. Openbare ambtenaren mogen, op dezelfde straf, door hen zeiven of door tusschenkomende personen, geene zaken koopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht werden. (C. 1596; B. 239, 9586, 1282 1490.)

1506. Insgelijks mogen, op dezelfde straffen, door hen zeiven of door tusschenkomende personen, bij onderhaiidschen verkoop, geene koopers worden:

Lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren;

Bewindvoerders van zaken, aan het rijk, de gewesten, de gemeenten, of aan andere openbare instellingen, toebehoo-rende, welke aan hunne zorg en beheer zijn toevertrouwd.

Het blijft ecliter aan den Koning voorbehouden om aan openbare bewindvoerders vrijstelling van dit verbod te ver-leenen.

De voogden kunnen de onroerende goederen, aan hunne pupillen toebehoorende, koopen, op de wijze bij artikel 457 bepaald. (Bv. 525. — C. 1596; B. 239, 406, 4580, 506, 9586, 1282, 1490, 1829 v., 1837; Sr. 376; Prov. w., a. 896, 57; Gem. w., a. 24cJ, 60, 99, 107; G. 69.^

1507. Koop en verkoop van eens anders goed is nietig, sn kan tegen den verkooper grond opleveren tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de kooper niet geweten heeft, dat de zaak aan een ander toebehoorde. (C. 1599; B. 637, 1013, 1225, 1352, 1399, 1420, 1528 v., 1532 v., 1559, 1754, 1998, 2014; Rv. 585 n°. 1.)

1508. Indien, op het oogenblik der verkooping, het verkochte goed geheellijk mogt vergaan zijn, is de koop nietig.

Bijaldien slechts een gedeelte daarvan vergaan is, staat

2°.

3«.

26

-ocr page 466-

402 BURGERLIJK WETBOEK.

het aan den kooper vrij om of den koop te laten varen, of het behouden gebleven gedeelte te vorderen, en den koopprijs daarvoor bij vergelijkende waardering te doen bepalen. (C. 4601; B. 1311, 1356 n». 3, 1480.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van de verpligtingen der [des] verkoopers.

1509. De verkooper is gehouden om duidelijk uit te drukken waartoe hij zich verbindt; alle duistere en dubbelzinnige bedingen worden te zijnen nadeele uitgelegd. (C. 1602; B. 1378 v., 1385.)

1510. Hij heeft twee hoofdverpligtingen, namelijk om de verkochte zaak te leveren, en dezelve te vrijwaren, (C. 1603; B. 1271, 1511 v., 1527 v.)

1511 De levering is eene overdragt van het verkochte goed in \'de rnftgt en het bezit van den kooper. (C. 1604; B. 667 v., 1495.)

1512. De kosten der levering zijn ten laste van den ver kooper, en die der weghaling ten laste van den kooper, zoo niet het tegendeel bedongen is. (C. 1608; B. 1431, 1502.)

1513. De levering moet geschieden ter plaatse waar het verkochte\' goéCT zich op liet tijdstip der verkooping bevond, indien daaromtrent geene andere overeenkomst getroffen is. (C. 1609; B. 1374, 1429a, 1448, 1550.)

1514. De verkooper is niet verpligt het goed te leveren, indien de kooper den koopprijs niet betaalt, en de verkooper hem geen uitstel van betaling heeft toegestaan. (C. 1612; B. 1185 n». 3, 1190, 1227, 1426, 1515, 1550, 1552.)

1515- Ingetrokken bij art. 2 der Wetter invoering van de Faillissementswet. (Verg. F. 37.) a)

1516. Indien de levering door de nalatigheid des verkoopers achterwege blijft, kan de kooper vernietiging van den koop vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1302 en 1303. (C. 1610; B: 1272, 1279, 1553.)

1517. liet goed moet geleverd worden in den slaat waarin hetzelve zich op het oogenblik van den verkoop bevindt.

Van dien dag af aan, behooren alle vruchten aan den kooper. (C. 1614; B. 556 v., 1010,1271a, 1273,1279,1427,1496.)

1518. De verpiigting om eene zaak te leveren bevat al wat daartoe behoort en tot derzelver bestendig gebruik bestemd is, mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwezig zijn. (G. 1615; B. 563, 643, 1271 v., 1371, 1375, 1517, 1569.)

lolt). De verkooper is verpligt het verkochte te leveren in deszelfs geheelen omvang, zoo als het in de overeenkomst uitgedrukt wordt, onder de navolgende wijzigingen. (C. 1616.)

1520. Indien de verkoop van een onroerend goed geschied is met vermelding van deszelfs uitgestrektheid ol

«) Het artikel 1515 luidde: „Insgelijks is hij niet tot de levering gehouden, al ware het ook dat hij een uitstel van betaling had toegestaan, Indien de kooper, na den koop, in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware hij een borg stelde om op den bepaalden tijd te betalen.quot;

-ocr page 467-

BOEK III, TITEL V, ARTT. 1509—1526. 403

inhoud, tegen bepaling van eenen zekeren prijs voor de maat, is de verkooper gehouden om de hoeveelheid, bij de overeenkomst uitgedrukt, te leveren; en indien hem dit onmogelijk is, of de kooper zulks niet vordert, is de verkooper verpligt zich met eene evenredige vermindering van prijs te vergenoegen. (G. 1617; B. 1525,1537,1624; Stb. 1869 n0.57.)

1521. Indien, daarentegen, in liet geval bij het vorige artikel vermeld, het onroerend goed eenen grooteren omvang bevat, dan in de overeenkomst uitgedrukt is, heeft de kooper de keus om of den prijs in evenredigheid te verhoogen, of van den koop af te zien, indien namelijk het meerdere een twintigste gedeelte beloopt boven den omvang, bij de overeenkomst uitgedrukt. (C. 1618; B. 1524, 1525.)

1522. In alle andere gevallen, het zij een zeker bepaald voorwerp verkocht zij, het zij de verkoop afgescheidene en afzonderlijke erven tot onderwerp hebbe, het zij dezelve beginne met de opgave der maat, of met de aanduiding van het verkochte goed, gevolgd van de opgave der maat, levert de vermelding dezer maat ten behoeve van den verkooper geen grond op tot eenige vermeerdering van prijs voor het meerdere der maat, noch ten behoeve van den kooper tot eenige vermindering van prijs voor het mindere der maat, dan voor zoo verre het onderscheid tusschen\'d\'equot; werkelijke maat, en die, welke in de overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder bedraagt, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte voorwerpen, ten zij het tegendeel mogt bedongen zijn. (C. 1619; B. 1520, 1521.)

1523. Indien er, volgens het voorgaande artikel, grond bestaat tot verhooging van den koopprijs voor het meerdere der maat, heeft de kooper de keus om of van den koop af te zien, of den verhoogden koopprijs te betalen, en zulks met de interessen, ingeval hij het onroerend goed gehouden heeft. (C. 1620; B. 15176, 1524, 1525, 1551.)

1524. In alle gevallen waarin de kooper het regt heeft om van den koop af te zien, is de verkooper gehouden hem, behalve den koopprijs, indien hij denzelven ontvangen heeft, de kosten, op den koop en de levering gevallen, terug te geven, voor zoo verre hij die volgens overeenkomst mogt hebben betaald. (C. 1621; B. 1500, 1502, 1509, 1512,1521, 1522, 1523.)

1525. Be regtsvordering tot aanvulling van den koopprijs, van de zijde des verkoopers, en die tot vermindering van den prijs, of tot vernietiging van den koop, van den kant des koopers, moeten aangelegd worden binnen den tijd van «en jaar, te rekenen van den dag waarop de levering is geschied; zuillende, bij gebreke van dien, deze regtsvorde-ringen vervallen zijn. (C. 1622; B. 1520 v., 1526.)

1526. Indien twee erven bij dezelfde overeenkomst en gezamenlijk voor éénen prijs verkocht zijn, met opgave van de hoegrootheid van ieder, en er bevonden wordt dat het eene meer en het andere minder omvang heeft, wordt dit verschil tot het vereischte beloop bij wege van vergelijking vereffend, en heeft de vordering, het zij tot aanvulling, het zij tot vermindering van den koopprijs, niet verder plaats,

-ocr page 468-

404

dan overeenkomstig de liier-boven vastgestelde regelen. (C. 1623; B. 1520 v.)

1527. De vrijwaring, waartoe de verkooper jegens den kooper gehouden is,\' heeft twee strekkingen, namelijk, vooreerst, liet rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak; ten tweede, de verborgene gebreken dier zaak, of dezoodanige die aanleiding geven tot vernietiging van den koop. (C. 1625; B. 1130, 1252, 1510, 1528 v., 1540 v., 1570 v., 2027amp;; Bv. 68 v.)

1528. Hoezeer bij den verkoop geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt zij, is de verkooper van regtswege ver-pligt den kooper te waarborgen voor de uitwinning, welke deze op het geheele a) verkochte goed, of op een gedeelte daarvan, komt te lijden, of wegens de lasten welke men beweert op dat goed te hebben, en die bij het aangaan van den\'koop niet opgegeven zijn. (C. 1626; B. 1375, 1510, 1532 v., 1536 v., 1538, 1580; Rv. 585 n®. 1.)

1529. Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten, deze door de wet opgelegde verpligting uitbreiden of inkorten; zij kunnen zelfs overeenkomen dat de verkooper tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn. (C. 1627; B. 1374, 1509, 1542, 1570.)

1530. Alhoewel bedongen moge zijn dat de verkooper tot geene vrijwaring zal gehouden zijn, blijft hij nogtans aansprakelijk voor dezoodanige welke uit eene daad, door hem zeiven verrigt, voortspruit; alle hiermede strijdende overeenkomsten zijn nietig. (C. 1628; A. 14; Rv. 585 n». 1.)

1531. De verkooper is, bij hetzelfde beding, in geval van uitwinning, gehouden den koopprijs terug te geven, ten ware de kooper, ten tijde van den koop, het gevaar van uitwinning mogt arekend hebben, of de zaak op eigen bate en schade mogt hebben gekocht. (C. 1629; B. 1529, 1532 n». 1,1541,1811.)

1532. Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets is bedongen geworden, heeft de kooper, in geval van uitwinning, het regt om van den verkooper te vorderen;

1°. De teruggave van den koopprijs; (B. 1531, 1533.)

2U. De teruggave der vruchten, ingeval hij verpligt is die aan den uitwinnenden eigenaar uittekeeren; (B. 630v.)

3°. De kosten op den eisch van den kooper tot vrijwaring gevallen, alsmede de kosten door den oorspron-kelijken eischer gemaakt; (Rv. 56; B. 1539.)

4°. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, mitsgaders de geregtelijke kosten op den koop en de levering gevallen, voor zoo verre de kooper die mogt hebben betaald. (B. 1252, 1279, 1282, 1502, 1512, 1524 v., 1534 v., 1544 v. — C. 1630; Rv. 68 v.)

1533. Indien op het oogenblik der uitwinning het verkochte goed bevonden wordt in waarde verminderd, of aanmerkelijk vervallen te zijn, het zij door de nalatigheid van den kooper, het zij door overmagt, is de verkooper niettemin gehouden den geheelen koopprijs terug te geven.

Doch indien de kooper voordeel heeft genoten van de door hem toegebragte schaden, heeft de verkooper de be-

«) Aldus art. 34 der Wet Tan 1 Maart 1825 (Stb. no. 19). E. O.; geheel.

-ocr page 469-

BOEK Iir, TITEL V, ARTT. 1527—1540.

voegdheid om eene met dat voordeel gelijk staande som van den koopprijs af te trekken. (G. 1631, 1632; B. 1251, 1273, 1496, 1532 n0. 1.)

1534. Indien het verkochte goed bevonden wordt, op het tijdstip der uitwinning, in waarde te zijn vermeerderd, zelfs zonder toedoen van den kooper, is de verkooper verpligt aan dezen te betalen hetgeen het verkochte goed boven den koopprijs waardig is. (G. 1633; B. 1251, 1532 n0. 4, 1533.)

1535- De verkooper is verpligt aan den kooper terug te geven, of door dengenen die de uitwinning gedaan heeft te doen terug geven, al hetgene hij wegens reparation en nuttige verbeteringen aan het goed heeft uitgeschoten.

Indien de verkooper te kwader trouw eens anders goed verkocht heeft, is hij gehouden aan den kooper alle gemaakte onkosten terug te geven, zelfs de zoodanige welke alleen tot sieraad of vermaak aan het goed besteed zijn. (G. 163, 1635; B. 630, 634, 636, 1251, 1400, 1507, 1544.)

1536. Indien slechts een gedeelte van het goed uitgewonnen is, en dat gedeelte, met betrekking tot het geheel, zoo aanmerkelijk is, dat de kooper zonder het uitgewonnen gedeelte den koop niet zou hebben aangegaan, kan hij den koop doen vernietigen, mits hij de regtsvordering daartoe aanlegge binnen een jaar na den dag waarop het vonnis van uitwinning in kracht van gewijsde is gegaan. (G. 1636; B. 1547.)

1537. Wanneer, in geval van uitwinning van een gedeelte van het verkochte goed, de koop niet vernietigd is, moet de kooper voor het uitgewonnen gedeelte worden schadeloos gesteld, volgens de geschatte waarde welke het goed ten tijde der uitwinning gehad heeft, doch niet naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, het zij hel verkochte goed in waarde moge zijn vermeerderd of verminderd. (G. 1637 ; B, 1520, 1532 n°. 4, 1536.)

1538. Indien het verkochte goed bevonden wordt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden, zonder dat die aan den kooper zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen, en die erfdienstbaarheden van zoo groot belang zijn, dat men reden heeft om te vermoeden dat de kooper den koop niet zoude hebben gesloten, indien hij daarvan ware onderrigt geweest, kan hij de vernietiging van den koop vorderen, ten ware hij liever verkoos zich met eene schadeloosstelling te vergenoegen. (G. 1638; B. 1528,1532 n0. 4,1541.)

1539. De vrijwaring ter zake van uitwinning houdt op, indien de kooper zich bij een vonnis, hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder den verkooper te roepen, en deze bewijst dat er genoegzame gronden aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen. (C. 1640; B. 1532 n®. 3, 1902; Rv. 68 v.)

1540. De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens verborgene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve ongeschikt maken tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs,

405

-ocr page 470-

BURGERLIJK WETBOEK.

zoude gekocht hebben. (C. 1641; B. 1358, 1527, 1542, 1547, 1548, 1588, 1790.)

1541. De verkooper is niet gehouden in te staan voor zigtbare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken. (G. 1642; B. 1531, 1538.)

1542. Hij moet voor de verborgene gebreken instaan, al ware hij daarvan ook zelf onkundig geweest, ten zij hij, in dat geval, bedongen had dat hij tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn. (C. 1643; B. 1529 v., 1588.)

1543. In de gevallen bij artikel 1540 en 1542 vermeld, heeft de kooper de keus om het goed terug te geven en den koopprijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich zoodanig gedeelte van den koopprijs te doen terug geven, als de regter, na deskundigen hierop te hebben gehoord, zal bepalen. (C. 1644; B. 1532 n0. 1.)

1544. Indien de verkooper de gebreken van het goed gekend heeft, is hij, behalve tot teruggave van den daarvoor ontvangen koopprijs, nog jegens den kooper tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen gehouden. (C. 1645; B. 1279 v, 1532 n». 1 en 4, 1535, 1588, 1790.)

1545. Indien de verkooper de gebreken van het goed niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot de teruggave van den koopprijs, alsmede om aan den kooper de kosten op den koop en de levering gevallen, te vergoeden, voor zoo verre hij die mogt hebben betaald. (C. 1646; B. 1532 n®. 1 en 4.)

1546. Indien de verkochte zaak die verborgen gebreken had, ten gevolge van dezelve, vergaan is, valt het verlies voor rekening van den verkooper, die jegens den kooper gehouden zal zijn tot teruggave van den koopprijs, en de overige schadevergoedingen, waarvan in de twee voorgaande artikelen is melding gemaakt.

Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening van den kooper. (C. 1647; B. 1480 v., 1532 nquot;. 1 en 4.)

1547. De regtsvordering, voortspruitende uit gebreken die de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door den kooper aangelegd worden binnen eenen korten tijd, overeenkomstig den aard dier gebreken, en met inachtneming der gebruiken van de plaats alwaar de koop gesloten is. (C. 16i8; B. 1490, 1536, 1543; A. 3.)

1548. Deze regtsvordering heeft geene plaats bij ver-koopingen die op regterlijk gezag geschieden. (G. 1649; Rv. 469, 523 v., 537A.)

DERDE AFDEELING.

Van de verpliglingen van den kooper.

1549. De hoofdverpligting van den kooper bestaat in het betalen van den koopprijs, ten tijde en ter plaatse bij de overeenkomst bepaald. (G. 1650; B. 1418 v., 1496, 1514, 1552; K 99.)

1550. Indien er bij het aangaan van den koop niets daaromtrent bepaald is, moet de kooper betalen ter plaatse alwaar, en op den tijd waarop de levering geschieden moet. (C. 1651; B. 1429, 1513.)

406

-ocr page 471-

JiüEK Iir, TITEL V, AKTT. 1541—1500.

1551. De kooper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding tot het betalen van interessen van den koopprijs verpligt, indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert. (C. 1652; B. 1286.)

1552. Indien de kooper door eene hypothekaire regts-vordering, of door eene regtsvordering tot reclame, in zijn bezit gestoord is, of gegronde reden heeft om te vreezen dat hij daarin zal gestoord worden, kan hij de betaliag van den koopprijs opschorten, tot dat de verkooper de stoornis heeft doen ophouden, ten ware deze liever verkoos zekerheid te stellen, of er bedongen mogt zijn dat de kooper, niettegenstaande alle stoornis, tot de betaling verpligt is. (C. 1654; B. 629, 1242, 1514, 1528 v., 1579; K. 230 v.)

1553. Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan de verkooper de vernietiging van den koop vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1302 en 1303. (C. 1654— 1656; B. 1185 nquot;. 3,1187,1190,1191,1227,1516; K. 280 v., F. 37 v.)

1554. Niettemin zal, in geval van verkoop van waren en meubelen, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den verkooper, van regtswege en zonder aanmaning plaats hebben, na het verloopen van den tijd, tot afhaling van het verkochte bepaald. (C. 1657; B. 571, 1279, 1302, 1463amp;.)

VIERDE AFDEEL1NG.

Van het regt van wcderinkoop.

1555. Het vermogen om het verkochte weder in te koopen spruit voort uit een beding, waarbij de verkooper zich het regt voorbehoudt om het verkochte terug te nemen, tegen teruggave van den oorspronkelijken koopprijs, en de vergoeding waarvan in artikel 1568 gesproken wordt. (C. 1659; B. 1215, 1301, 1560.)

1556. Het regt van wederinkoop mag voor geenen langeren tijd dan voor vijf jaren worden bedongen.

Indien hetzelve voor een langer tijdvak bedongen is, wordt die tijd tot de gemelde vijf jaren ingekort. (C. 1660; A. 14.)

1557. Het bepaalde tijdvak moet naar scherpheid van reg-ten worden opgevat; hetzelve mag door den regter niet verlengd worden, en wanneer de verkooper verzuimt om zijne regtsvordering tot wederinkoop binnen den voorschreven termijn te doen gelden, blijft de kooper onherroepelijk eigenaar van het gekochte. (G. 1661, 1662; B. 1294.1613.)

1558. Dit tijdvak loopt ten nadeele van een ieder, zelfs van minderjarigen, behoudens hun verhaal op die het aangaat, indien daartoe gronden bestaan. (C. 1663; B. 362 v., 443 v., 2024.)

1559. De verkooper van een onroerend goed, die zich het vermogen om het verkochte weder in te koopen heeft voorbehouden, kan tegen eenen tweeden kooper zijn regt doen gelden, al ware ook bij de tweede overeenkomst van liaf beding geene melding gemaakt. (C. 1664; B. 1376,1507, 1613, 2014.\')

1560. Hij die gekocht heeft onder beding van weder-

407

-ocr page 472-

BURGERLIJK WETBOEK.

inkoop treedt in alle de regten van zijnen verkooper; hij kan zich van de verjaring bedienen, zoowel tegen den waren eigenaar, als tegen degenen die eenige hypothekaire of andere regten op de verkochte zaak mogten vermeenen te hebben. (C. 1665; B. 1613, 1983 v.)

1561- Hij kan tegen de schuldeischers van den verkooper het voorregt van uitwinning doen gelden. (G. 1666; B. 1244, 1870.)

1562. Indien hij die onder beding van wederinkoop een onverdeeld aandeel in een onroerend goed gekocht heeft, na eene tegen hem gerigte regtsvordering tot scheiding en deeling, kooper van het geheel is geworden, kan hij den verkooper verpligten het geheel over te nemen, in geval deze van het gemelde beding wil gebruik maken. (C. 1667; B. 628.)

1563. Indien verscheidene personen eenig goed, tusschen hen gemeen, gezamenlijk en bij eene en dezelfde overeenkomst verkocht hebben, kan ieder hunner het regt van wederinkoop slechts doen gelden voor zoo verre zijn aandeel bedroeg. (C. 16(38; B. 1332, 1565.)

1564. Hetzelfde heeft ook plaats wanneer iemand die alleen eenig goed heeft verkocht verscheidene erfgenamen nalaat.

Ieder van deze mede-erfgenamen kan slechts van het vermogen van wederinkoop gebruik maken, voor zoo veel zijn aandeel in de nalatenschap bedraagt. (C. 1669; B. 1129, 1335, 1565, 1567.)

1565. Doch, in de gevallen der twee voorgaande artikelen, kan de kooper vorderen dat alle de mede-verkoopers, of mede-erfgenamen, worden opgeroepen, ten einde zich onderling nopens den wederinkoop van het geheele goed te verstaan; en indien zij het niet eens worden, zal de eisch tot wederinkoop worden ontzegd. (C. 1670.)

1566. Indien de verkoop eener zaak, aan verscheidene personen toebehoorende, niet door alle gezamenlijk en voor het geheel geschied is, maar ieder van dezelve afzonderlijk dat gedeelte verkocht heeft hetwelk hem daarin toebehoorde, kan ieder hunner het regt van wederinkoop afzonderlijk, ten aanzien van het deel dat hem daarin toekwam, uitoefenen, en de kooper kan dengenen die op deze wijze van zijn regt gebruik maakt niet dwingen om het geheel over te nemen. (C. 1671.)

1567 Indien de kooper verscheidene erfgenamen heeft nagelaten, kan van het regt van wederinkoop tegen ieder van dezelve niet verder worden gebruik gemaakt, dan voor zoo veel zijn aandeel betreft, zoo wel in het geval dat de boedel nog niet gescheiden is, als in het geval dat het verkochte goed onder de erfgenamen is verdeeld.

Maar indien de boedel gescheiden is, en het verkochte goed aan een der erfgenamen is te beurt gevallen, kan de regtsvordering tot wederinkoop voor het geheel tegen dezen worden aangelegd. ^G. 1672; B. 1332 v., 1564.)

1568. De verkooper die van het beding van wederinkoop gebruik maakt is niet alleen verpligt den geheelen oorspron-kelijken koopprijs terug te geven, maar ook te vergoeden

408

-ocr page 473-

BOEK III, TITEL V, ARTT. 1561—1576.

alle regtmatige kosten op en ter zake van den koop en de levering gevallen, mitsgaders de noodzakelijke kosten van reparation, en die waardoor het verkochte goed in waarde vermeerderd is, ten beloope van deze vermeerdering.

Hij kan niet in het bezit van het weder-ingekochte treden, dan na aan alle deze verpligtingen te hebben voldaan.

Wanneer de verkooper, tengevolge van het beding van wederinkoop, zijn goed terug bekomt, moet hetzelve vrij van alle lasten en hypotheken, door den kooper daarop gelegd, tot hem overgaan; hij is echter verpligt de huurovereenkomsten, welke de kooper te goeder trouw mogt hebben aangegaan, gestand te doen. (C. 1673; B. 556, 631, 809, 819, 827, 840, 864, 1301, 1555, 1613.)

VIJFDE AFDEELING.

Bijzondere bepalingen betrekkelijk den koop en verkoop van inschulden en andere onligchamelijke regten.

1569. De verkoop van eene inschuld bevat al wat daartoe behoort, als borgtogten, voorregten en hypotheken. (G. 1692 ; B. 557, 668, 810, 1010, 1517, 1518, 1574; K. 139.)

1570. Hij die eene inschuld of een ander onligchamelijk regt verkoopt moet instaan voor het aanwezen daarvan ten tijde van de levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte van vrijwaring geschied zij. (C. 1693; B. 1528 v., 1537 v.; K. 70.)

1571. Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den schuldenaar niet verantwoordelijk, ten zij hij zich daartoe verbonden hebbe, en slechts ten beloope van den koopprijs, welken hij voor de inschuld ontvangen heeft. (C. 1694; K. 70.)

1572. Indien hij beloofd heeft te zullen instaan voor genoegzame gegoedheid van den schuldenaar, moet deze belofte verstaan worden van deszelfs tegenwoordige gegoedheid, en strekt zich niet uit tot het toekomstige, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen zij. (C. 1695; B. 1434, 1571.)

1573. Die eene erfenis verkoopt, zonder dat hij, stuk voor stuk, opgeeft waarin dezelve bestaat, is niet verder gehouden, dan tot vrijwaring van zijne hoedanigheid van erfgenaam. (C. 1696; B. 1130, 1164, 1370amp;.)

1574 Indien hij reeds de vruchten van eenig stuk goed genoten, of het beloop van eenige inschuld, tot die erfenis behoorende, ontvangen, of eenige goederen uit die nalatenschap verkocht mogt hebben, is hij verpligt dezelve aan den kDoper te vergoeden, indien niet uitdrukkelijk anders is bedongen. (C. 1697; B. 1518, 1569.)

1575. De kooper is van zijnen kant verpligt aan den verkooper te vergoeden al hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap mogt hebben betaald, en datgene te voldoen, hetwelk de verkooper, als schuldeischer van de erfenis, te vorderen had, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (G. 1698; B. 1146, 1374. 1472.)

1576. Indien vóór de levering van eene verkochte inschuld, of van eenig ander onligchamelijk regt, de schulde-

409

-ocr page 474-

UURGEKLUIC WETBOEK.

naar aan den verkooper de schuld voldaan heeft, is hij op eene voldoende wijze bevrijd. (C. 1691; B. 668amp;, 1495.)

ZESDE TITEL.

Van ruiling.

1577. Ruiling is eene overeenkomst, waarbij partijen zich verbinden om aan elkander wederkeerig eene zaak in de plaats van eene andere te geven. (G. 1702 v.; B. 1126, 1493, 1494.)

1578. Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het onderwerp van ruiling uitmaken. (B. 1582.)

1579. Indien de eene partij de zaak, welke haar in ruiling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en naderhand bewijst dat de andere daarvan geen eigenaar was, kan zij niet genoodzaakt worden tot levering van de zaak, welke zij van haren kant heeft beloofd, doch alleenlijk om die welke zij ontvangen heeft terug te geven (C. 1704; B. 1507, 1514, 1552.)

1580. Hij, die door uitwinning gesteld is uit het bezit der zaak, welke hij in ruiling heeft ontvangen, heeft de keus om van de wederpartij vergoeding van kosten, schaden en interessen, of de teruggave der door hem gegevene zaak, te vorderen. (C. 1705; B. 1282, 1302 v., 1510, 1528 v., 1582 n0. 1, 1536, 1553.)

1581. Indien eene zekere en bepaalde zaak, welke men beloofd had in ruiling te geven, buiten schuld van den eigenaar is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen gehouden, en kan degene die van zijne zijde aan de overeenkomst voldaan heeft de teruggave van het in ruiling gegeven goed vorderen. (C. 1138; B. 1273, 1496.)

1582. Voor het overige zijn de regelen van de overeenkomst van koop en verkoop op die van ruiling toepasselijk. (C. 1707; B. 1493 v., 1578.)

ZEVENDE TITEL.

Van huur en verhuur.

EERSTE AFDEEL1NG.

Algemeene bepalingen.

1583. Er bestaan tweederlei soorten van overeenkomsten van huur en verhuur: huur van goederen, en huur van diensten, werk en nijverheid. (C. 1708; B. 1584, 1585.)

1581. Huur van goederen is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om de andere het genot eener zaak te doen hebben, gedurende eenen bepaalden tijd en tegen eenen bepaalden prijs, welken de laatstgemelde aanneemt te betalen.

Men kan allerlei soort van goederen, het zij onroerende, het zij roerende, verhuren. (C. 1709, 1713; B. 458, 612, 819 v., 864, 870, 874, 1230, 1368, 1568c, 1617 v., 1621 v., 1624 v., 1996 v.; Zegelw., a. 21c n®. 1.)

410

-ocr page 475-

HOEK III, TITEL VI EN VII, ARTT. 1577—4591. 411

1585- Huur van diensten, van werk en van nijverheid is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om iets voor de andere, tegen betaling van eenen tusschen haar bepaalden prijs of loon, te verrigten. (G. -1710, 1779; B. 1637 v.) _

TWEEDE AFDEELING.

Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van landen.

1586. De verhuurder is, door den aard van de over-eenkomst,\' en zonder dat daartoe eenig bijzonder beding vereischt wordt, verpligt:

1°. Om het verhuurde aan den huurder te leveren;

2°. Om hetzelve te onderhouden in zoodanigen staat, dat het tot het gebruik waartoe het verhuurd is, dienen kan;

3°. Om den huurder het rustig genot daarvan te doen hebben, zoo lang de huur duurt. (C. 1719; B. 563, 1271, 1511 v , 1587 v., 1592 v.)

1587. De verhuurder is gehouden het verhuurde goed in alle opzigten in goeden staat van onderhoud te leveren.

Hij moet daaraan, gedurende den huurtijd, alle reparation laten doen, welke noodzakelijk mogten worden, met uitzondering van degene tot welke de huurder verpligt is. (G. 1720; B. 1277, 1302, 1584, 1591, 1619; Rv. 53 nquot;. 2.)

1588. De verhuurder moet den huurder instaan voor alle gebreken van het verhuurde goed, welke het gebruik daarvan verhinderen, al mogt ook de verhuurder dezelve tijdens het doen der verhuring niet gekend hebben.

Indien door die gebreken eenig nadeel voor den huurder ontstaat, is de verhuurder gehouden hem deswege schadeloos te stellen. (C. 1721; B. 1540, 1544, 1586, 1591, 1790.)

1589. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed door eenig toeval geheel en al vergaan is, vervalt de huur-overeenkomst van regtswege. Indien het goed slechts ten deele vergaan is, heeft de huurder de keus om, naar gelang der omstandigheden, of eene vermindering van den huurprijs, of zelfs de vernietiging van de huur-overeenkomst, te vorderen; doch hij kan, in geen dier beide gevallen, aanspraak op schadevergoeding maken. (G. 1722; B. 1273,1480 )

1590. De verhuurder mag, gedurende den huurtijd, de gedaante of inrigting van het verhuurde goed niet veranderen. (G. 1723, B. 1586 n0. 3.)

1591. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed dringende reparation noodig heeft, welke niet tot na het eindigen der huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder dezelve gedoogen, welke ongemakken hem ook hierdoor worden veroorzaakt, en hoewel hij ook, gedurende het doen dier reparation, van een gedeelte van het verhuurde goed verstoken zij.

Doch indien deze reparatien langer dan veertig dagen duren, zal de huurprijs verminderd worden naar evenredigheid van den tijd, en van het gedeelte van het verhuurde goed, waarvan de huurder zal zijn verstoken geweest.

-ocr page 476-

BURGERLIJK WETBOEK.

Indien de reparatien van dien aard zijn, dat daardoor het gehuurde, hetgeen den huurder en zijn huisgezin ter bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar wordt, kan dezelve de huur doen verbreken. (C. 1724; B. 1587, 1619.)

1592. De verhuurder is niet verpligt den huurder te waarborgen tegen de belemmeringen, welke hem derden, door feitelijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens eenig regt op het gehuurde te beweren; behoudens liet regt van den huurder om dezelve uit eigen hoofde te vervolgen. (G. 1725; B. 612, 1401.)

1593. Indien, daarentegen, de huurder in deszelfs genot is gestoord geworden, ten gevolge eener regtsvordering, welke tot den eigendom van het goed betrekking heeft, heeft hij het regt om eene geëvenredigde vermindering van den huurprijs te vorderen, mits van die stoornis of belemmering aan .den eigenaar behoorlijk kennis gegeven zij. (C. 1726; B. 1586 n0. 3, 1627.)

1594. Indien degenen, die de feitelijkheden gepleegd hebben, eenig regt op het verhuurde goed beweren te hebben, of indien de huurder zelf in regten gedagvaard is, om tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed verwezen te worden, of om de uitoefening van eenige erfdienstbaarheid te gedoogen, moet hij den verhuurder daarvan beteekening doen, en kan hij denzelven tot vrijwaring oproepen.

Hij kan zelfs vorderen buiten het geding te worden gesteld, mits hij dengenen opgeve voor wien hij in bezit is. (C. 1727; B. 584, 612, 849, 1627; Rv. 68 v.)

1595. De huurder mag, indien hem dit vermogen niet is toegestaan, het goed niet weder verhuren, noch zijne huur aan een ander afstaan, op straf van vernietiging der huurovereenkomst, en vergoeding van kosten, schaden en interessen, zonder dat de verhuurder, na die vernietiging, verpligt zij de onderhuur gestand te doen.

Indien het gehuurde in een huis of in eene woning bestaat, welke de huurder zelf bewoont, kan hij een gedeelte daarvan, onder zijne verantwoordelijkheid, aan een ander verhuren, indien hem dat vermogen niet bij overeenkomst is ontzegd geworden. (C. 1717; B. 1186amp;, 1618; Rv. 759.)

1596. De huurder is tot twee hoofdverpligtingen gehouden:

1°. Om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken, en overeenkomstig de bestemming, welke daaraan bij de hunr-overeenkomst gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang der omstandigheden, voorondersteld wordt; (B. 1271, 1597, 1625.)

2°. Om den huurprijs op de bepaalde termijnen te voldoen. (B. 1185 nquot;. 2, 1186 v., 1302 v., 1430,1617, 1625, 1626, 2012c; K. 920 n». 4; R. O. 42; Rv. 53 n». 3, 98 n0. 4 - C. 1728.)

1597. Indien de huurder het gehuurde tot een ander gebruik bezigt dan waartoe het bestemd is, of tot een zoodanig gebruik, waardoor aan den verhuurder eenig nadeel kan veroorzaakt worden, kan deze, naar gelang der omstandigheden

412

-ocr page 477-

BOEK III, TITtr. VII, ARTT. 1592—1607.

de huur doen vernietigen. (C. 1729; B. 1302, 1596 n0. 1, 1625.)

1698. Indien tusschen den verhuurder en den huurder eene beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is laatst-gemelde gehouden het goed in dien staat weder op te leveren, waarin hij hetzelve, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met uitzondering van hetgeen door ouderdom of door onvermijdelijke toevallen vergaan of van waarde verminderd is. (C. 1730; B. 1480, 1589, 1619c.)

1599. Indien geene beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het gehuurde in goeden staat te hebben aanvaard, en moet hij hetzelve in dien staat terug geven. (C. 1731; B. 1587a.)

1600. De huurder is aansprakelijk voor alle schaden, gedurende den huurtijd aan het verhuurde toegebragt, ten ware hij bewees dat dezelve buiten zijne schuld hebben plaats gehad. (C. 1732; B. 1281, 1619; Rv. 98 n0. 3.)

1601. Hij is echter niet verantwoordelijk voor brand, ten zij de verhuurder mogt bewijzen, dat de brand door de schuld van den huurder is veroorzaakt. (C. 1733, 1734; B. 1281, 1600.)

1602. De huurder is verantwoordelijk voor alle schaden of verliezen door zijne huisgenooten, of door degenen, aan wie hij de huur mogt hebben overgedaan, aan het gehuurde toegebragt. (C. 1735; B. 849, 1403, 1600, 1601, 1747; Bv. 98 n0. 3.)

1603. De huurder mag, bij ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan, op zijne kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van het goed. (B. 658 v., 826.)

1604. Indien de huur, zonder geschrift aangegaan, nog op geenerlei wijze is ten uitvoer gebragt, en eene der partijen dezelve ontkent, kan geen bewijs door getuigen worden aangenomen, hoe gering de huurprijs ook zij, en ofschoon men zich ook op het geven van eenen godspenning ir.ogt beroepen ; alleenlijk kan de beslissende eed worden gevorderd van dengene die het aangaan der huur ontkent. (C. 1715; B. 1607, 1621, 1622, 1633, 1932, 1933, 1966 n°. 1, 1967 v.)

1605. Wanneer er geschil ontstaat over den prijs eener verhuring, bij monde aangegaan, waarvan de uitvoering begonnen is, en er geene kwijting aanwezig is, moet de verhuurder op zijnen eed geloofd worden, ten ware de huurder mogt verkiezen den huurprijs door deskundigen te doen be-grooten. (C. 1716; B. 1604, 1638, 1966 n». 1; Rv. 222 v.)

1606. Indien de huur bij geschrift is aangegaan, houdt dezelve van regtswege op, wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat daartoe eene opzegging vereischt worde. (C. 1737; B. 1607, 1609; R. O. 41; F. 39; Rv. 53 n®. 3, 98 nquot;. 4, 122 v.)

1607. Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt dezelve op den bepaalden tijd niet op, dan voor zoo

413

-ocr page 478-

BURGERLIJK WETBOEK.

verre de eene partij aan de andere de huur heeft opgezegd, met inachtneming der termijnen, welke het plaatselijk gebruik medebrengt. (C. 1736; A. 3; B. 1604,1606; R. 0.41; F. 39; Rv. 53 n». 3, 98 n». 4, 122 v.)

1608. Wanneer de eene partij aan de andere eene opzegging van huur heeft beteekend, kan de huurder, hoewel in het genot blijvende, zich niet beroepen op eene stilzwijgende wederinhuring. (C. 1739; B. 1606, 1607,1609,1610; F. 39.)

1609. Indien, na het eindigen van eene verhuring bij geschrifte aangegaan, de huurder in het bezit is gebleven en gelaten, ontstaat daardoor eene nieuwe huur, waarvan de gevolgen geregeld worden bij de artikelen, tot mondelinge verhuringen betrekkelijk. (G. 1738; B. 779,1606,1607,1610, 1623, 1634.)

1610. In het geval der twee voorgaande artikelen, strekt zich .de borgtogt, voor de huur gesteld, niet uit tot de ver-pligtingen, die uit de verlenging der huur ontstaan. (C. 1740; B. 1623, 1634, 1858o, 1861.)

1611. De huur-overeenkomst gaat geenszins te niet door den dood van den verhuurder, noch door dien van den huurder. (C. 1742; B. 1354, 1648, 1780, 1863; F. 39.)

1612. Door verkoop van het verhuurde wordt eene te voren aangegane huur niet verbroken, ten ware dit bij de verhuring mogt voorbehouden zijn.

Bij zoodanig voorbehoud, kan de huurder, zonder uitdrukkelijk beding geene aanspraak op vergoeding maken, maar met dat laatste beding, is hij niet tot ontruiming van het gehuurde verpligt, zoolang de verschuldigde vergoeding niet is gekweten. (C. 1743 v.; B. 819 v , 864,1230,1614 v.; Rv. 505ce.)

1613. De kooper, met beding van vvederinkoop, kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om den huurder tot ontruiming van het gehuurde te noodzaken, voordat hij, door het verstrijken van den termijn, voor den wederinkoop bepaald, onherroepelijk eigenaar is geworden. (C. 1751; B. 1557, 1560, 1568c.)

1614. Een kooper, die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij de huur-overeenkomst voorbehouden om, ingeval van verkoop, den huurder tot de ontruiming van het gehuurde te noodzaken, is verpligt den huurder zoo-danigen tijd te voren te waarschuwen, als het plaatselijk gebruik tot het doen van opzeggingen medebrengt.

Bij huur van landerijen moet de waarschuwing ten minste een jaar aan de ontruiming voorafgaan. (C. 1748; B. 1612;

A. 3; Rv. 122.)

1615. De verhuurder kan de huur niet doen ophouden, door te verklaren dat hij het verhuurde goed zelf wil betrekken, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (Cl 761;

B. 1788.)

1616. Indien men bij de huur-overeenkomst is overeengekomen, dat de verhuurder de bevoegdheid zoude hebben om het verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verpligt vooraf eene opzegging te doen beteekenen, zoo veel tijd te voren, als bij artikel 1614 is vastgesteld. (C. 1762.)

414

-ocr page 479-

DOEK III, TITEL Vil, ARTT. 1608—1623.

DERDE AFDEELING.

Van de regelen, ivelke bijzonderlijk betrekkelijk zijn tol huur van huizen en huisraad.

1617. De huurder die een verhuurd huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, kan tot de ontruiming daarvan worden genoodzaakt, ten zij hij voldoende zekerheid geve voor de betaling der huurpenningen. (C. 1752; B. 1185 n#.2, 1186, 1188, 1189, 1192, 1596 n». 2, 1625.)

1618. Een tweede huurder is, ten aanzien van den eigenaar, niet verder gehouden dan tot het beloop van den huurprijs der tweede huur, welke hij, op het oogenblik van een gedaan beslag, aan den eersten huurder zoude mogen schuldig zijn, en zonder dat hij zich op betalingen, bij voorraad gedaan, beroepen kan, ten ware die betalingen mogten zijn geschied uit krachte van een beding, bij zijne huurovereenkomst uitgedrukt, of ten gevolge van plaatselijke gebruiken. (C. 1753; B. 11866, 1595a; Rv. 759.)

1619. Geringe en dagelijksche reparation zijn voor rekening van den huurder.

Bij gebreke van overeenkomst, worden als zoodanig aangemerkt reparation aan winkelkasten, de sluiting der luiken of blinden, de binnensloten, de vensterglazen, zoo binnen als buiten \'shuis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik daaronder begrepen wordt.

Niettemin komen die reparation ten laste van den verhuurder, indien zij door den vervallen toestand van het verhuurde of door overmagt zijn noodzakelijk geworden. (C. 1754, 1755; B. 840 v., 1185 n«. 2, 1587, 1591, 1598; R. O 39 n». 2; Rv. 98 n». 2.)

1620. Het schoonhouden van putten, regenbakken en sekreten komt ten laste van den verhuurder, indien het tegendeel niet bedongen is.

Het schoonhouden der schoorsteenen komt, bij gebreke van beding, ten laste van den huurder. (C. 1756; B. 704 v.)

1621. De huur van meubelen, om een geheel huis, eene geheele woning, een winkel, of eenig ander vertrek, daarmede te stofferen, wordt gehouden voor zoo lang te zijn aangegaan, als de huizen, woningen, winkels of vertrekken, volgens plaatselijk gebruik, doorgaans verhuurd worden. (G. 1757 ; B. 1604, 1606 v., 1622, 1633.)

1622. De huur van gestotfeerde kamers wordt gehouden bij het jaar te zijn aangegaan, wanneer dezelve is aangegaan voor eene zekere som in het jaar;

Bij de maand, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som in de maand;

Bij den dag, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som voor iederen dag.

Indien niet blijkt dat de huur voor eene zekere som bij het jaar, bij de maand, of voor iederen dag is aangegaan, wordt dezelve geacht volgens plaatselijk gebruik te zijn gesloten. (C. 1758; B. 1604, 1606 v., 1621, 1633; A. 3.)

1623. Indien de huurder van een huis of vertrek, na het

415

-ocr page 480-

BURGERUJK WETBOEK.

eindigen van den huurtijd, bij schriftelijke overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de verhuurder daartegen verzet, wordt hij geacht het verhuurde op dezelfde voorwaarden te blijven behouden, voor den tijd welken liet plaatselijk gebruik medebrengt, en kan hij het verhuurde niet verlaten, noch daaruit gezet worden, dan na eene tijdige opzegging, overeenkomstig het plaatselijk gebruik gedaan. (C. 1759; B. 1607, 1609, 1634.)

VIERDE AFDEEL ING.

Van de regelen, welke bijzonderlijk betrekkelijk zijn tot huur van landerijen.

1624. Indien bij eene huur-overeenkomst van landerijen, eene kleinere of grootere uitgestrektheid wordt opgegeven, dan dezelve werkelijk hebben, geeft zulks geen grond tot vermeerdering of vermindering van den huurprijs, dan alleen in de gevallen en volgens de bepalingen bij den vijfden titel van dit boek vastgesteld. (C. 1765; B. 1520,1525.)

1625. Indien de huurder van landerijen dezelve niet van de tot beweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen voorziet; indien hij met de beweiding of bebouwing ophoudt, of te dien opzigte niet als een goed huisvader handelt; indien hij het gehuurde goed tot een ander einde gebruikt, dan waartoe hetzelve bestemd is; of indien hij, in het algemeen, de bedingen, bij de huur-overeenkomst gemaakt, niet nakomt en daardoor eenig nadeel voor den verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gelang der omstandigheden, de vernietiging van de huur, met vergoeding van kosten, schaden en interessen te vorderen. (C. 1766; B. 1185 n0. 2, 1186, 1188. 1189, 1192, 1279 v., 1302 v., 1596 v., 1617; F. 39.)

1626. Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in de daartoe bestemde bergplaatsen te bergen. (C. 1767; B. 1185 nquot;. 2, 1186 v.)

1627. De huurder van landerijen is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, gehouden den eigenaar van alle feitelijkheden te doen kennis dragen, welke op de gehuurde erven mogten gepleegd worden.

Deze kennisgeving moet gedaan worden binnen denzelfden termijn, welke tusschen den tijd der dagvaardingen en den dag der verschijning, naar mate van den afstand der plaatsen, bepaald is. (C. 1768; B. 612, 849, 1402, 1593 v.; Rv. 7 v.)

1628. Indien, bij eene huur voor verscheiden jaren, gedurende den huurtijd, de geheele of de halve oogst van een jaar, door onvermijdelijke toevallen, is verloren gegaan, kan de huurder eene vermindering der huurpenningen vorderen, ten ware hij door den oogst der vorige jaren reeds mogt zijn schadeloos gesteld.

Indien hij niet schadeloos gesteld is, kan de begrooting der vermindering van de huurpenningen niet geschieden, dan op het einde van de huur, wanneer het genot van alle de jaren tegen elkander wordt in vergelijking gebragt.

De regter kan niettemin den huurder toestaan om voor-

416

-ocr page 481-

BOEK III, TITEL VII, ARTT. 1624 —1035.

loopig, naar mate van het geleden verlies, een gedeelte der huurpenningen in te houden. (C. 1769; B. 556, 776, 1589.)

1629. Indien de huur slechts voor één jaar is aangegaan, en de oogst voor het geheel of voor de helft is verloren, is de huurder ontheven van de betaling van den geheelen huurprijs of van een evenredig gedeelte van denzelven.

Wanneer het verlies minder dan de helft bedraagt, heeft hij geene aanspraak op eenige korting. (G. 1770; B. 776,1628.)

1630. De huurder kan geene korting erlangen, indien het verlies der vruchten geleden is nadat dezelve var den grond zijn afgescheiden, ten ware bij de huur-overeenkomst een zeker gedeelte van den oogt in natura voor den eigenaar bedongen zij; in welk geval de eigenaar zijn aandeel in het verlies moet dragen, mits de huurder niet achterlijk geweest zij om aan den eigenaar deszelfs aandeel in den oogst te leveren.

De huurder kan evenmin eenige korting vorderen, indien de oorzaak der schade, tijdens het aangaan der huur, reeds bestond en bekend was. (G. 1771; B. 556, 809b, 1628 v.)

1631. De huurder kan, bij een uitdrukkelijk beding, voor de onvoorziene toevallen worden aansprakelijk gesteld. (G. 1772; B. 1628 v., 1632.)

1632. Zoodanig beding wordt echter alleen verstaan gemaakt te zijn ten aanzien van de gewone onvoorziene toevallen, als daar zijn: hagel, bliksem, vorst, of het ontijdig afvallen der bloesems van den a) wijngaard.

Hetzelve strekt zich niet uit tot buitengewone toevallen, als daar zijn: verwoestingen van den oorlog, of overstroomingen, waaraan het land niet gewoonlijk onderworpen is; ten ware de huurder alle, zoo wel voorziene als onvoorziene, toevallen hebbe op zich genomen. (G. 1773; B. 1628 v., 1631.)

1633. De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt gerekend aangegaan te zijn voor zoodanigen tijd als de huurder noodig heeft tot het inzamelen van alle de vruchten van het verhuurde erf.

Aldus wordt de huur van eene weide, van eenen boomgaard, wijngaard, en van alle andere gronden, waarvan de vruchten binnen den loop van een jaar geheel worden ingezameld, gerekend voor een jaar te zijn aangegaan.

De huur van bouwlanden, welke bij afwisselende zaai-beurten bebouwd worden, wordt gerekend te zijn aangegaan voor zoo vele jaren, als er beurten van dien aard zijn. (G. 1774; B. 1606, 1607, 1621, 1622; F. 39.)

1634. Indien, na het eindigen van eene schriftelijk aangegane verhuring, de huurder in het bezit van het goed blijft en daarin gelaten wordt, worden de gevolgen van de nieuwe huur door het voorgaande artikel geregeld. (G. 1776; B. 1609, 1623.)

417

1635. De huurder wiens huur eindigt, en hij welke hem in de huur opvolgt zijn verpligt elkander over en weder met al datgene te gerieven, dat vereischt wordt om het verlaten en het betrekken van het goed gemakkelijk te maken, zoo wat betreft de bebouwing voor het volgende jaar, het inoogsten

«) O. E. boom of wijngaard.

27

-ocr page 482-

BURGERLIJK WETBOEK.

der nog te velde staande vruchten, als anderzins; alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik. (C. 1777.)

1636. De huurder moet insgelijks, bij zijn vertrek, het stroo en de mest van het afgeloopen jaar achterlaten, indien hij dezelve bij den aanvang van zijne huur ontvangen heeft; en al had hij die zelfs niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve, volgens eene te maken begrooting, aan zich houden. (C. 1778; B. 563 n». 3.)

VIJFDE AFDEELING.

Van huur van dienstboden en werklieden.

1637. Men kan zijne diensten slechts voor eenen tijd of voor eene bepaalde onderneming, verbinden. (C. 1780; A. 14; B. 2, 1371, 1584, 1585, 1639; K. 4 n°. 8, 394 v., 754.)

1638. De meester wordt op zijn woord, des gevorderd met eede gesterkt, geloofd:

Ten aanzien van de hoegrootheid van het bedongen loon;

Ten aanzien van de betaling van het loon over het verschenen jaar;

Ten opzigte van hetgeen op rekening gegeven is van het loon over het loopende jaar; en

Ten opzigte der tijdsbepaling, voor welke de huur is aangaan. (C. 1781; B. 1966 v.)

1639. Dienst- en werkboden mogen, indien zij voor eenen bepaalden tijd gehuurd zijn, zonder wettige redenen hunnen dienst niet verlaten, noch uit denzelven worden weggezonden, voordat de tijd verstreken zij.

Indien zij binnen den bepaalden of gewonen huurtijd den dienst, zonder wettige redenen, verlaten, verbeuren zij het verdiende loon.

De meester is echter bevoegd om hen ten alle tijde, zonder het aanvoeren van redenen, weg te zenden, doch hij is, in dat geval, verpligt aan hen, behalve het verschenen loon, tot schadeloosstelling te betalen zes weken, te rekenen van den dag waarop zij uit den dienst zijn weggezonden.

Indien de huur voor eenen korteren tijd dan zes weken is aangegaan, of minder dan zes weken te loopen heeft, hebben zij, in dat geval, regt op het volle loon. (B. 1647, 1902; K. 436 v. — W. pers. bel., a. 1, 20 v.; B. 79, 1018, 1195 n». 4, 1747, 1950 n». 3, 1951, 2006a!; F. 40, 233 n°. 5; Rv. 659 n0. 3; R. O. 39 n®. 3.)

ZESDE AFDEELING.

Van aanneming van werk.

16é0. Bij het laten maken van werk, kan men overeenkomen dat de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid, of wel dat hij ook de stof leveren zal. (C. 1711,1787 B. 1493, 1585; K. 4 n». 4.)

1611. In geval de werkman de stof moet leveren, en het werk, op welke wijze dan ook, vergaat, alvorens het geleverd is, komt het verlies voor zijne rekening, ten ware hij die het werk besteld heeft nalatig zij geweest om hetzelve

418

-ocr page 483-

BOEK III, TITEL VII, ARTT. 1636—1650.

te ontvangen. (C. 1788: B. 1273, 1279 v., 1300, 1480 v., 1496, 1497, 1649.)

1642. Indien de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid moet leveren, en het werk vergaat, is hij slechts voor zijne schuld aansprakelijk. (C. 1789; B. 1401, 1480a, 1649.)

1643. Indien het werk, in het geval bij het voorgaande artikel vermeld, buiten eenig pligtverzuim van den werkman is verloren gegaan, voordat de levering geschied is, en zonder dat hij. die het werk besteld heeft, nalatig is geweest om hetzelve op te nemen en goed te keuren, heeft de werkman geene aanspraak op zijn loon, ten ware de zaak door een gebrek in de stof zelve verloren ware gegaan. (G. 1790; B. 1480a, 1645, 1649.)

1644. Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid wordt, kan hetzelve bij gedeelten worden opgenomen; die opneming wordt geacht geschied te zijn voor alle de betaalde gedeelten, wanneer de aanbesteder den werkman telkens betaalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt is. (C. 1791; B. 1185 n«. 8, 1193, 1641, 1645.)

1645. Indien een gebouw, voor een bepaalden prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de zamenstelling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van den grond, zijn de bouwmeesters en aannemers daarvoor, gedurende tien jaren, aansprakelijk. (C. 1792; B. 702, 1405, 2004.)

1646. Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met den eigenaar van den grond beraamd en vastgesteld, kan hij geene vermeerdering van den prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der dagloonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrootingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met den eigenaar geene overeenkomst is getroffen. (\'C. 1793.)

1647. De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming opzeggen, ofschoon het werk reeds begonnen zij, mits hij den aannemer, wegens alle deszelfs gemaakte kosten, arbeid en winstderving, volkomen schadeloos stelle. (G. 1794; B. 13746, 1639c; F. 37.)

1648. Huur van werk houdt op door den dood van den werkman, bouwmeester of aannemer.

Maar de eigenaar is gehouden aan de erfgenamen, naar evenredigheid van den bij de overeenkomst bedongen prijs, te betalen de waarde van het gedane werk en die der in gereedheid gebragte bouwstoffen, mits dat werk of die bouwstoffen hem tot eenig nut kunnen verstrekken. (G. 1795, 1796; B. 1419, 1611.)

1649. De aannemer is verantwoordelijk voor de daden van degenen die hij in het werk stelt. (G. 1797; B. 1403.)

1650. Metselaars, timmerlieden en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken van eenig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geene

419

-ocr page 484-

BURGERLIJK WETBOEK.

regtsvordering tegen dengene te wiens behoeve de werken gemaakt zijn, dan ten beloope van hetgene deze aan den aannemer schuldig is op het oogenblik waarop zij hunne regtsvordering aanleggen. (C. 1798; B. H85 n®. 8, 1193, 2005c, 2008a; R. O. 39 n°. 3.)

1651. Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, die zeiven onmiddellijk en voor eenen bepaalden prijs een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regelen in deze afdeeling voorgeschreven.

Zij zijn aannemers in het vak waarin zij werkzaam zijn. (G. 1799; B. 1640 v.)

1652. Arbeidslieden die eenig goed van een ander onder zich hebben, om daaraan eenig werk te verrigten, zijn ge-regtigd om dat goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van de kosten en arbeidsloonen daaraan besteed, ten zij de eigenaar voor die kosten en arbeidsloonen genoegzame zekerheid hebbe gesteld. (B. 1185 n0. 5 en 8, 1198, 2005c, 2008a; R. O. 39 nquot;. 3; F. 60.)

1653. De regten en verpligtingen van voerlieden en schippers zijn in het Wetboek van Koophandel vastgesteld. (K. 91 v., 754.)

ACHTSTE TITEL.

Van het regt van heklemming.

1651. Het regt van beklemming en van altijddurende beklemming, geboren uit overeenkomst, of door andere wettige middelen ingesteld, wordt door de aan hetzelve eigene bepalingen en bedongene voorwaarden, en, bij gebreke van deze, door de plaatselijke gewoonten, geregeerd. (A. 3; B. 564 n«. 7, 627, 671, 1210 n». 6, 1375; Rv. 491 n0. 6; Stb. 1832 n#. 29, a. 13 n0. 1; Stb. 1883 n0. 38.)

NEGENDE TITEL.

Van maatschap of vennootschap.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1655. Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen. (G. 1832; B. 1658, 1661, 1670, 1672; Rv. 5 n®. 2; K. 14 v., 286, 320 v.; W. vereenig. en verg., a. 14, zie chron. lijst.)

1656. Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp hebben, en tot het gemeenschappelijk belang der partijen aangegaan worden.

Ieder der vennooten moet óf geld, of andere goederen, of zijne nijverheid, in de maatschap inbrengen. (C. 1833 B. 1368 v., 1371,, 1662, 1663, 1664, 1668, 16706, 1685.)

4\'20

-ocr page 485-

BOEK III, TITEL VIII EN IX, ARTT. 1651—1665. 421

1657. Maatschappen zijn of algeheel, of bijzonder. (C. 1835; B. 1658, 1660.)

1658. De wet kent slechts de algeheele maatschap van winst. Zij verbied alle maatschappen, het zij van alle de goederen, het zij van een bepaald gedeelte van dezelve, onder eenen algemeenen titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in den zevenden en achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek, (C. 1836, 1837; B. 174 v., 194 v., 1112c en d.)

1659. De algeheele maatschap van winst bevat slechts hetgeen partijen, onder welke benaming ook, gedurende den loop der maatschap door hare vlijt zullen verkrijgen. (G. 1838.)

1660. De bijzondere maatschap is dezoodanige welke slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde zaken, of tot derzei ver gebruik, of tot de vruchten, die daarvan zullen getrokken worden, of tot eene bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep. (G. 1841, 1842; K. 14, 57 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verhindtenissen der vennooten onderling,

1661. De maatschap begint van het oogenblik der overeenkomst, indien daarbij geen ander tijdstip bepaald is. (C. 1843; B. 1289, 1304.)

1662. Ieder vennoot is aan de maatschap verschuldigd al hetgeen hij beloofd heeft daarin te zullen brengen; en, indien deze inbrengst in een bepaald voorwerp bestaat, is hij tot vrijwaring gehouden, op gelijke wijze als bij koop en verkoop plaats vindt. (C. 1845: B. 1273, 1300, 1527 v., 1656b, 1668, 1685.)

1663. De vennoot die eene som gelds in de maatschap moest inbrengen, en zulks niet gedaan heeft, wordt van regtswege, en zonder daartoe aangesproken te worden, schuldenaar der interessen van deze som, te rekenen van den dag, waarop dezelve had behooren ingebragt te worden.

Hetzelfde geldt omtrent de geldsommen, welke hij uit de gemeene kas genomen heeft, te rekenen van den dag, waarop hij dezelve tot zijn bijzonder voordeel daaruit getrokken heeft.

Alles onverminderd de vergoeding van meerdere kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (G. 1846; B. 1279, 1286, 15176, 1656b, 1842.)

1664. De vennooten die zich verbonden hebben om hunnen arbeid en hunne vlijt in de maatschap aan te brengen, zijn aan dezelve rekenschap verschuldigd van alle winsten, welke zij, door zoodanige soort van nijverheid als welke het onderwerp der maatschap uitmaakt, verkregen hebben. (C. 1847; B. 1656b, 1659, 1670b.)

1665. Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening, eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand, die mede eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelven, naar

-ocr page 486-

BURGERLIJK WETBOEK.

evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben ; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft, dat de geheele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen. (C. 1848; B. 1432, 1435, 1666.)

1666. Indien een der vennooten zijn geheel aandeel in eene gemeene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot gehouden het ontvangene in de gemeene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven. (C. 1849; B. 1665.)

1667. Ieder vennoot is jegens de maatschap gehouden tot vergoeding der schaden, welke hij aan dezelve door zijne schuld heeft veroorzaakt, zonder dat hij die schaden kan in vergelijking brengen met de voordeden, welke hij door zijnen arbeid en zijne vlijt in andere zaken aan de maatschap mogt hebben aangebragt. (C. 1850; B. 1279 v., 1401 v., 1461 v)

1668. Indien de zaken, waarvan slechts het genot in de maatschap is ingebragt, in zekere en bepaalde voorwerpen bestaan, welke niet door het gebruik te niet gaan, zijn dezelve voor rekening van den vennoot, aan wien zij in eigendom toebehooren.

Indien de zaken door het gebruik vergaan; indien zij in waarde verminderen door dezelve te behouden; indien zij bestemd geweest zijn om verkocht te worden, of indien zij in de maatschap zijn aangebragt volgens eene begrooting, bij eene beschrijving of inventaris bepaald, zijn zij voor rekening der maatschap.

Indien het goed geschat is, kan de vennoot niets meer vorderen dan het beloop van die schatting. (C. 1851; B. 804, 1273 v., 1480, 16566, 1662, 1783.)

1669. Een vennoot heeft aanspraak op de maatschap, niet alleen wegens de gelden welke hij voor dezelve heeft uitgeschoten, maar ook wegens de verbindtenissen welke hij, te goeder trouw, ten behoeve der maatschap heeft aangegaan, en wegens de schaden, welke onafscheidbaar zijn van zijn beheer. (C. 1852; B. 1663amp;, 1673, 1676, 1678, 1681, 1817.)

1670. Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel van ieder vennoot in de winsten en de verliezen niet is bepaald, is elks aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebragt.

Ten aanzien van dengenen die slechts zijne nijverheid heeft ingebragt, wordt het aandeel in de winsten en de verliezen berekend gelijk te staan met het aandeel van dengenen der vennooten, die het minst heeft ingebragt. (C. 1853; B. 1655, 16566, 1672, 1680.)

1671. De vennooten kunnen niet bedingen, dat zij de regeling der hoegrootheid van hun aandeel aan een\' hunner of aan eenen derde zullen overlaten.

Een zoodanig beding wordt voorondersteld niet geschreven te zijn, en zullen alzoo de verordeningen van het voorgaande artikel worden in acht genomen. (G. 1854; B. 1501.)

422

-ocr page 487-

BOEK III, TITEL IX, ARTT. 1666—1676. 423

1672. Het beding, waarbij aan een\' der vennooten alle de voordeelen mogten toegezegd zijn, is nietig.

Maar het is geoorloofd te bedingen, dat alle de verliezen bij uitsluiting door een\' of meer der vennooten zullen gedragen worden. (C. 1855; A. 14; B. 1371, 1671.)

1673. De vennoot, die, bij een bijzonder beding van de overeenkomst van maatschap, met het beheer belast is, kan, zelfs in weerwil der overige vennooten, alle daden ver-rigten, welke tot zijn beheer betrekkelijk zijn, mits hierin te goeder trouw te werk gaande.

Deze magt kan, zoo lang de maatschap duurt, niet zonder wettige redenen herroepen worden; maar indien dezelve niet bij de overeenkomst der maatschap, maar bij eene latere akte, is gegeven, is zij, even als eene eenvoudige lastgeving, herroepelijk. (G. 1856; B. 1374,1676nM, 1679,1681,1682, 1837, 1850, 1854; K. 17, 44.)

1674. Indien verscheidene vennooten met het beheer belast zijn, zonder dat hunne bijzondere werkzaamheden bepaald zijn, of zonder beding dat de een buiten den anderen niets zoude mogen verrigten, is ieder van hen afzonderlijk tot alle handelingen, dat beheer betreffende, bevoegd. (C. 1857; B. 1841.)

1675. Indien er bedongen is, dat een der beheerders niets buiten den anderen zoude mogen verrigten, vermag de eene, zonder eene nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder medewerking van den anderen, al mogt deze zich ook voor het oogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan de daden van beheer deel te nemen. (C. 1858; B. 1674.)

1676. Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer, moeten de volgende regelen worden in ïcht genomen:

1°. De vennooten worden geacht zich over en weder de magt te hebben verleend om, de een voor den anderen, te beheeren.

Hetgeen ieder van hen verrigt is ook verbindende voor het aandeel der overige vennooten, zonder dat hij hunne toestemming hebbe bekomen; onverminderd het regt van dezen laatstgemelden, of van een\' hunner, om zich tegen de handeling, zoo lang deze nog niet gesloten is, te verzetten. (B. 1673, 1679, 1681, 1682.)

2°. Ieder der vennooten mag gebruik maken van de zaken aan de maatschap toebehoorende, mits hij dezelve tot zoodanige einden gebruike, als waartoe zij gewoonlijke bestemd zijn, en mits hij zich van dezelve niet bediene tegen het belang der maatschap, of op zoodanige wijze dat de overige vennooten daardoor verhinderd worden om van die zaken, volgens hun regf, mede gebruik te maken; (B. 1663amp;, 1667.)

3°. Ieder vennoot heeft de bevoegdheid om de overige vennooten te verpligten in de onkosten te dragen, welke tot behoud der aan de maatschap behoorende zaken noodzakelijk zijn; (B 63C6,634 nquot;. 1,1185n®. 4.)

4°. Geen der vennooten kan, zonder toestemming der

-ocr page 488-

DUROERLIJK \'WETBOEK.

overige, eenige nieuwigheden daarstellen ten aanzien der onroerende goederen, welke tot de maatschap behooren, al beweerde hij ook dat dezelve voor de maatschap voordeelig waren. (B. 636 — G. 1859.)

1677. De vennooten die geen beheer hebben, mogen zelfs de roerende goederen, tot de maatschap behoorende, noch vervreemden, noch verpanden, noch bezwaren. (C. 1860; B. 1366 n°. 3, 1673, 1676, n0. 1.)

1678. Elk der vennooten mag, zelfs zonder toestemming der overige, eenen derden persoon aannemen als deelgenoot in het aandeel hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan denzelven, zonder zoodanige toestemming, niet als mede-lid der maatschap toelaten, al mogt hij ook met het beheer der zaken van de maatschap belast zijn. (C. 1861; B. 1660, 1673, 1676 n». 1.)

DERDE AFDEELING.

Van de verhindtenissen der vennooten ten aanzien van derden.

1679. De vennooten zijn niet ieder voor het geheel voor de schulden der maatschap verbonden; en een der vennooten kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe geene volmagt gegeven hebben. CC. 1862; B. 1318, 1676 n». 1, 1681, 1682, 1692; K. 18 v.)

1680. De vennooten kunnen door den schuldeischer, met wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg; ten zij, bij het aangaan der schuld, derzelver verpligting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen, uitdrukkelijk zij bepaald. (C. 1863; B. 1670, 1681.)

1681. Het beding, dat eene handeling voor rekening der maatschap is aangegaan, verbindt slechts den vennoot die dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, ten zij de laatstgenoemde hem daartoe volmagt hadden gegeven, of de zaak ten voordeele der maatschap gestrekt hebbe.(G. 1864; B. 1673, 1676 n». 1; K. 58c.)

1682. Indien een der vennooten in naam der maatschap eene overeenkomst heeft aangegaan, kan de maatschap de uitvoering daarvan vorderen. (B. 1390, 1676 n0.1,1681,1836.)

VIERDE AFDEELING.

Van de verschillende wijzen waarop de maatschap eindigt. 1683. Maatschap eindigt:

1°. Door verloop van den tijd voor welken dezelve is

aangegaan; (B. 1684, 1686.)

2°. Door de vernietiging der zaak of de volbrenging der handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt; (B. 1660, 1685.)

424

-ocr page 489-

BOEK III, TITEL IX, ARTT. 1677—1688.

3°. Door den enkelen wil van eenige of van slechts éénen der vennooten; (B. 1686 v.)

4°. Door den dood of de curatele van één hunner, of indien hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard. (B. 1688, 4, 487 v.; F. 23, 56. — G. 1865.)

1684. De ontbinding van maatschappen, voor eenen bepaalden tijd aangegaan, kan door eenen der vennooten vóór den afloop van den tijd, niet anders gevorderd worden dan om wettige redenen; zoo als, indien een ander vennoot niet aan zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te nemen; of andere soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid en het gewigt aan de beoordeeling des regters worden overgelaten. (C, 1871; B. 1683 n#. 1, 1302.)

1685. Indien een der vennooten beloofd heeft den eigendom eener zaak in gemeenschap te zullen brengen, en deze zaak, voordat zulks geschied is, vergaat, wordt de maatschap daardoor, ten opzigte van alle de vennooten, ontbonden.

De maatschap is insgelijks, in alle gevallen, ontbonden door het vergaan der zaak, wanneer alleen derzelver genot in gemeenschap is gesteld, en de eigendom aan den vennoot is verbleven.

Maar de maatschap wordt niet verbroken door het vergaan der zaak, waarvan de eigendom reeds in de maatschap is ingebragt. (G. 1867; B. 1683 n0. 2, 1273, 1480 v., 1661, 1662, 1668.)

1686. Maatschap kan slechts door den wil van eenige «f van slechts éénen der vennooten worden ontbonden, in geval dezelve voor geenen bepaalden tijd is aangegaan.

De ontbinding geschiedt, in dat geval, door eene opzegging aan alle de overige vennooten gedaan, mits die opzegging te goeder trouw en niet ontijdig plaats hebbe. (G. 1869; B. 1374b, 1683 n». 3, 1684.)

1687. De opzegging wordt geacht niet te goeder trouw te zijn geschied, wanneer een vennoot de maatschap opzegt, met oogmerk om zich alleen een voordeel toe te eigenen, hetwelk de vennooten zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te zullen genieten.

De opzegging geschiedt ontijdig, wanneer de zaken niet meer in haar geheel zijn, en het belang der maatschap vordert dat derzelver ontbinding uitgesteld worde. (C. 1870; B. 1374c, 1655.)

1688. Indien bedongen is dat, in geval van overlijden van een der vennooten, de maatschap met deszelfs erfgenaam, of alleen tusschen de overblijvende vennooten, zoude voortduren, moet dat beding worden nagekomen.

In het tweede geval, heeft de erfgenaam des overledenen geen verder regt dan op de verdeeling der maatschap, overeenkomstig de gesteldheid waarin dezelve zich ten tijde van dat overlijden bevond; doch hij deelt in de voordeelen en draagt in de verliezen, die de noodzakelijke gevolgen zijn van verrigtingen, welke vóór het overlijden van den vennoot.

425

-ocr page 490-

426 BURGERLIJK WETBOEK.

wiens erfgenaam hij is, hebben plaats gehad. (C. 1868; B. 1683 n0. 4, 880, 1002; K. 30.)

1689. De regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen, de wijze dier verdeeling, en de verpligtingen die daaruit tusschen de mede-erfgenamen voortspruiten, zijn ook toepasselijk op de verdeeling tusschen vennooten. (C. 1872; B. 1112 v.; K. 32 v.; Rv. 129e; F. 56.)

TIENDE TITEL.

Van zedelijke ligchamen.

(Yg. de Wet van 22 April 1855 (Stb. n0. 31), tot regeling en beperking van het regt van vereeniging en vergadering, en de daarbij beboerende Wet van 14 September 1866 (Stb. nquot;. 123); voorts de Wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227), op de Coöperatieve vereeniging en; zie deze wetten inde chron. lijst.)

1690. Behalve de eigenlijke maatschap, erkent de wet ook vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, het zij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend, het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of de goede zeden, zijn zamengesteld. (A. 14; B. 1373, 1655; W. vereenig. en verg. a. 5 v., zie chon. lijst.)

1691. Alle wettig bestaande zedelijke ligchamen zijn, even als particuliere personen, bevoegd tot het aangaan van burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordeningen, waarbij die bevoegdheid mogt zijn gewijzigd, beperkt of aan zekere formaliteiten onderworpen. (B. 2. 582, 855amp;, 857, 946,947,1092amp;, 11836,1717,1889c, 1991; Prov.w., a. 132 v.; Gem. w., a. 137 v., 194 v.; Armenw., a. 7; W. vcreenig. en verg , a. 12.)

1692. De bestuurders van een zedelijk ligchaam zijn, voor zoo verre daaromtrent niet anders bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen is bepaald, geregtigd om in naam van het ligchaam te handelen, hetzelve aan derden en derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders, zoo eischende als verwerende, in regten op te treden. (B. 1673, 1676 n». 1, 1679, 1681, 1682, 1693 v.; Rv. 4 n0. 2 en 3, 242, 324 nquot;. 1.)

1693. Alle handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden het zedelijk lichaam slechts in zoo verre hetzelve daardoor werkelijk is gebaat, of de handelingen naderhand behoorlijk zijn goedgekeurd geworden. (B. 1681, 1694 v.)

1694. Indien de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen niets bepalen nopens het bestuur van het zedelijk ligchaam, is niemand der leden bevoegd in naam van hetzelve te handelen, of het ligchaam op eene andere wijze te verbinden, dan bij het slot des vorigen artikels is bepaald. (B. 1673, 1676 n». 1. 1679, 1681, 1682.)

1695. Voor zoo verre daaromtrent niet bij de instellingen,

-ocr page 491-

BOEK III, TITEL IX EN X, ARTT. 1G89—1702. 427

de overeenkomsten en de reglementen op eene andere wijze is voorzien, zijn de bestuurders verpligt om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk ligchaam rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in regten op te roepen. (Rv. 771 v.)

1696. Indien bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen geene bepalingen opzigtelijk het stemregt zijn gemaakt, heeft ieder lid van een zedelijk ligchaam gelijk regt zijne stem uit te brengen, en wordt het besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt. (K. 54.)

1697. De regten en verpligtingen der leden van zoodanige vereeniging worden geregeld naar de verordeningen, waarop zij door het openbaar gezag zijn ingesteld of erkend, of naar haar eigene instellingen, overeenkomsten en reglementen, en, voor zoo verre die ontbreken, naar de bepalingen van dezen titel. (B. 1695 v, 1701; W. vereenig. en verg., a. 6b, zie chron. lijst.)

1698. De leden van een zedelijk ligchaam zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbindtenissen van hetzelve.

De schulden kunnen alleen verhaald worden op de goederen van dat ligchaam. (B. 1692, 1694, 1702.)

1699. Het zedelijk ligchaam op openbaar gezag ingesteld wordt niet vernietigd door den dood of den afstand van het lidmaatschap van alle de leden, maar blijft als zoodanig bestaan, tot zoolang hetzelve wettiglijk is ontbonden.

Indien alle de leden in voege voorschreven ontbreken, is de arrondissements-reglbank, onder welker gebied het ligchaam is gevestigd, bevoegd om, op verzoek van belanghebbenden, en na verhoor en zelfs op requisitoir van het openbaar ministerie, de maatregelen voor te schrijven, welke tusschentijds in het belang van het zedelijk ligchaam mogten worden vereischt. (B. 1701; Rv. 324 n0. 1.)

1700. Alle andere zedelijke ligchamen blijven bestaan tot dat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden, volgens hunne instellingen, reglementen of overeenkomsten, of tot dat het doel of het voorwerp der vereeniging ophoudt. (B. 1690, 855b; W. vereenig. en verg., a. 10 v., 13, zie chron. lijst.)

1701. Indien de verordeningen van het zedelijk ligchaam, of deszelfs instellingen, reglementen en overeenkomsten, deswege geen andere bepalingen inhouden, is het regt der leden van hetzelve persoonlijk, en gaat niet over op hunne erfgenamen. (B. 880, 1002, 1354, 1688, 1699; W. vereenig. en verg., a. 13, zie chron. lijst.)

1702. Bij de ontbinding van zoodanig zedelijk ligchaam zijn de overblijvende leden, of wel het laatst overblijvend lid, verpligt de schulden van het ligchaam te voldoen, ten bedrage der baten, en kunnen zij alleen het voordeelig slot onderling verdeelen, of zich persoonlijk toeêigenen, en alzoo op hunne erfgenamen overdragen.

Zij zijn ten opzigte van de oproeping der schuldeischers, het aanzuiveren der rekening en verantwoording, en het uitbetalen der schulden, aan dezelfde verpligtingen onderworpen als erfgenamen die eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard.

;

1 iMi

i;

I;

. .

ji-\'\'\' 1 it

i

p

-ocr page 492-

BURGERLIJK WETBOEK.

Bij gebreke van voldoening aan die verpiigtingen, zijn zij persoonlijk, elk voor het geheel, aansprakelijk voor de schulden, en dragen zij den last daarvan op hunne erfgenamen over. (B. 1079 v.; W. vereenig. en verg., a. 10 v., zie chron. lijst.)

ELFDE TITEL.

Van schenkingen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeeene bepalingen.

1703. Schenking is eene overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde die hetzelve aanneemt.

De wet erkent geene andere schenkingen dan schenkingen onder de levenden. (C. 894; B. 225, 227, 228, 234, 969, 1350b, 1712, 1720, 1725.)

1704. Schenking vermag alleen de tegenwoordige goederen van den schenker te bevatten.

Indien dezelve toekomstige goederen bevat, is zy te dien opzigte nietig. (C. 943; B. 224, 233, 234, 1013 v., 1220, 1370, 1507.)

1705. De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegdheid om over een voorwerp, in de schenking begrepen, te beschikken; zoodanige schenking wordt, voor zoo veel dat voorwerp aangaat, als nietig beschouwd. (C. 946; B. 1703, 1708.)

1706. Het is aan den schenker geoorloofd zich het genot of vruchtgebruik van geschonkene roerende of onroerende goederen, te zijnen eigen voordeele voor te behouden, of daarover ten behoeve van een ander te beschikken; in welke gevallen, de bepalingen jvan den negenden titel van het tweede boek van dit Wetboek zullen moeten worden in acht genomen. (G. 949 v.; B. 179d, 803 v., 8326, 930, 969.)

1707. Eene schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen, dan die, welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelve, of in eenen staat, welke daaraan zal moeten zijn vastgehecht. (G. 945; B. 1290, 1725 n®. 1.)

1708. De schenker mag zich voorbehouden om over eene bepaalde geldsom uit de geschonkene goederen te beschikken.

Indien hij overlijdt zonder over die geldsom beschikt te hebben, blijft het geschonkene in het geheel aan den begiftigde. (G. 946; B. 228, 1705.)

1709. De schenker vermag zich het regt voor te behouden om de gegevene goederen tot zich te doen terugkeeren, het zij in geval de begiftigde alleen, of deze en zijne afkomelin-gen vóór den schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet anders bedongen worden dan ten behoeve van den schenker alleen. (C. 951; B. 229, 230, 233, 926, 1712.)

1710. Het gevolg van het regt van terugkeering zal daarin bestaan, dat alle vervreemdingen der geschonkene goederen worden vernietigd, en die goederen tot den schenker terug-

428

-ocr page 493-

BOEK III, TITEL X EN XI, AHTT. 1703—1719.

keeren, vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken, welke daarop sedert het tijstip der schenking mogten gelegd zijn. (C. 952; B. 975, 1139, 1215.)

1711. Be schenker is in geval van uitwinning tot geene vrijwaring gehouden. (B. 1510, 1527 v.)

1712. Be bepalingen van artikel 926, 927, 928, 929 en 931, die van artikel 941, en eindelijk de zevende en achtste afdeelingen van den twaalfden titel van het tweede boek, zijn op schenkingen toepasselijk. (B. 1020 v., 1036 v., 1716.)

TWEEDE AFDEELINQ.

Van de bekwaamheid om bij voege van schenking te beschikken, en voordeel te genieten.

1713. Alle personen mogen bij wege van schenking beschikken en genieten, uitgezonderd dezoodanige welke de wet daartoe onbekwaam verklaart, (C. 902; B. 163,179c en d, 943, 1366, 1714 v.)

1714. Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking beschikken, behoudens hetgeen bij den achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (C. 903 v.; B. 206, 944, 1366 n°. 1, 1713, 1718.)

1715. Schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk gedaan, zijn verboden.

Beze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken olquot; handgiften van roerende, ligchamelijke voorwerpen, waarvan de waarde niet bovenmatig is, in aanmerking van de gegoedheid des schenkers. (C. 1096; B. 174fc, 204, 223 v., 1503, 1724.)

1716. Ten einde bekwaam te zijn om bij wege van schenking voordeel te genieten, moet de begiftigde, op het tijdstip waarop de schenking heeft plaats gehad, bestaan, met inachtneming van den regel bij artikel 3 vastgesteld. (G. 906; B, 229 v., 233, 946, 1712.)

1717. Schenkingen aan openbare of godsdienstige gestichten gedaan, hebben geen gevolg, dan voor zoo verre de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die giften aan te nemen. (G. 910, 937; B. 947, 1690 v.)

1718. Be bepalingen van het tweede lid en van het laatste lid van art. 951, mitsgaders artt. 953, 954, 955, 956 en 958, zijn op schenkingen toepasselijk.

Aldus gewijzigd, door weglating der verwijzing naar art. 957, bij art. 2 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n°. 56).

DERDE AFDEELING.

Van den vorm der schenkingen.

1719. Geene schenking, uitgezonderd degene waarvan bij artikel 1724 wordt gehandeld, kan op straffe van nietigheid anders gedaan worden dan bij eene notariele akte, waarvan de minuut onder den notaris is verbleven. (C. 931; B. 1930; W. not. ambt, a. 38.)

429

-ocr page 494-

BURGERLIJK WETBOEK.

1720. Geene schenking is voor den schenker verbindende, of brengt eenig gevolg hoegenaamd te weeg, dan van den dag waarop dezelve in uitdrukkelijke bewoordingen zal zijn aangenomen, het zij door den begiftigde zeiven, het zij door eenen persoon, aan wien door dezen, bij eene authentieke akte, de volmagt is verleend om schenkingen aan te nemen, welke aan den begiftigde gedaan zijn, of in het vervolg mogten gedaan worden.

Indien de aanneming niet bij de akte van schenking zelve gedaan is, zal zulks kunnen geschieden bij eene latere authentieke akte, waarvan eene minute zal worden gehouden, mits dit plaats hebbe gedurende het leven van den schenker; in welk geval, de schenking, ten opzigte van dezen laatstgenoemde, slechts van kracht zal zijn van den dag, waarop de aanneming aan dezen zal zijn beteekend geworden. (C. 932, 933; B. 225, 232, 1703, 1830, 1832, 1833, 1905; W. not. ambt, a. 32 v., 386.)

1721. Schenkingen aan eene getrouwde vrouw gedaan, kunnen niet anders worden aangenomen dan overeenkomstig de bepalingen van den zesden titel van het eerste boek van dit Wetboek. (C. 934; B. 163a, 167, 169, 175, 222, 1366 n0. 3, 17156.)

1722. Schenking aan minderjarigen gedaan kan, gedurende het leven der beide ouders, door den vader worden aangenomen.

Schenking aan onder voogdij staande minderjarigen, of onder curatele gestelden, gedaan, wordt door den voogd of den curator, daartoe door den kantonregter gemagtigd, aangenomen.

Indien de kantonregter de magtiging verleent, blijft de schenking van kracht, al mogt de schenker vóór het verkenen der magtiging zijn overleden. (C. 935; B. 355, 362, 427, 460, 506, 1484.)

Voor dit artikel geldt het aangeteekende op art. 365. a)

1723. De eigendom der in de schenking begrepene goederen wordt, zelfs wanneer die schenking behoorlijk is aangenomen, niet door den begiftigde verkregen, dan door middel van de overdragt, gedaan overeenkomstig artikel 667,668 en 671. (G. 938; B. 1495, 1511.)

1724. De giften van hand tot hand, van roerende, ligcha-melijke voorwerpen, of van schuldvorderingen aan toonder, vereischen geene akte, en zijn van kracht door de enkele overlevering aan den begiftigde, of aan eenen derde, die het gegevene voor hem aanneemt. (B. 668c, 1351, 1719, 1390 v., 1829 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van het herroepen en te niet doen van schenkingen.

430

1725. Eene schenking kan niet worden herroepen, noch dien ten gevolge te niet gedaan, ten zij in de volgende ge-

«) Oorspronkelijk werden in liet eerste lid, in plaats van de woorden; „den kantonregter,quot; gelezen de woorden: „de arrondissements-regtbankquot; en in het tweede lid, in plaats van het woord „kantonregter,quot; het woord: „regtbank.quot;

-ocr page 495-

BOEK in, TITEL XI, A.RTT. 1720—1730. 431

vallen: (B. 227,228b, 234,967,971,1703,1727,1729; F. 44,45.)

1°. Uit hoofde der niet-vervulling der voorwaarden, waaronder zij gedaan is; (B. 1358, 1707, 1726.)

2°. Indien de begiftigde zich schuldig of medepligtig heeft gemaakt aan eenen aanslag op het leven van den schenker, of aan een ander misdrijf jegens denzelven; (B. 959, 1727.)

3°. Indien hij weigert aan den schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levens-onderhoud te verschaffen. (B. 379, 1727. — C. 953, 955, 960.)

172e. In het eerste geval, blijft het geschonkene aan den schenker, of hij kan hetzelve terug vorderen, vrij van alle lasten en hypotheken welke daarop door den begiftigde mogten gelegd zijn, met de vruchten en inkomsten bij denzelven sedert zijne nalatigheid genoten.

De schenker kan, in dit geval, tegen den derden houder van eene geschonkene onroerende zaak dezelfde regten uitoefenen als tegen den begiftigde zeiven. (C. 954; B. 975, 976, 1139, 1215, 1253 n». 1, 1272, 1710, 2000, 2014.)

1727. In de twee laatste gevallen bij artikel 1725 uitgedrukt, wordt geen hinder toegebragt aan de vervreemding van de geschonkene zaak, of aan de hypotheken of andere zakelijke lasten welke de begiftigde op dezelve mogt gelegd hebben, voordat de eisch tot tenietdoening der gift was ingeschreven naast de bij artikel 671 vermelde overschrijving. Alle vervreemdingen, hypotheken, of andere zakelijke lasten, welke later dan de voorz. inschrijving door den begiftigde mogten zijn gedaan, zijn nietig, indien de eisch ten gevolge der herroeping wordt toegewezen. (C. 958a; B. 1728.)

1728. De begiftigde moet, in het geval van het vorige artikel, de geschonkene zaak terug geven, met de vruchten en inkomsten, te rekenen van den dag der regtsvordering, of, in geval de zaak vervreemd mogt zijn, de waarde van dezelve, op het tijdstip der regtsvordering, mede met de vruchten en inkomsten sedert dat tijdstip.

Hij is daarenboven verpligt den schenker schadeloos te stellen voor de hypotheken en andere lasten, waarmede onroerende zaken, ook vóór de regtsvordering, door hem mogten zijn bezwaard. (C. 9586; B. 1272,1427 v., 1480,1725n0.2 en 3.)

1729. De regtsvordering, in het vorige artikel uitgedrukt, vervalt na verloop van één jaar, te rekenen van den dag waarop de daadzaak, die grond tot dezelve geeft, heeft plaats gehad, en aan den schenker\'heeft kunnen bekend zijn.

Die regtsvordering kan niet worden aangelegd door den schenker tegen de erfgenamen van den begiftigde, noch door de erfgenamen van den schenker tegen den begiftigde, ten ware, in dat laatste geval, de regtsvordering reeds door den schenker ware aangevangen, of deze binnen het jaar van de ten laste ealegde daad mogt zijn overleden. (G. 957; B. 1725 n». 2 en 3.)

1730. Door de bepalingen van dezen titel wordt geen hinder toegebragt aan hetgeen bij den achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (C. 959; B. 194 v., 223 v., 231 v.)

-ocr page 496-

BURGERLIJK WETBOEK.

TWAA.LFDE TITEL.

Van bewaargeving.

EERSTE AFDEELING.

Van bewaargeving in het algemeen, en van derzelver verschillende soorten.

1731. Bewaargeving heeft plaats, wanneer men het goed van een ander aanneemt, onder de voorwaarde van hetzelve te bewaren en in natura terug te geven. (C. 1915; B. 612, 1734, 1737, 1751, 1996.)

1732. Er zijn twee soorten van bewaargeving: de eigenlijk gezegde en de sequestratie. (C. 1916; B. 1733 v., 1767 v.)

432

pl 11

i m

TWEEDE AFDEELING.

Van eigenlijk gezegde bewaargeving.

1733. Eigenlijk gezegde bewaargeving wordt geacht om niet te zijn aangegaan, zoo niet het tegendeel is bedongen.

Dezelve kan slechts roerende goederen tot onderwerp hebben. (C. 1917, 1918; B. 1734, 1744 n». 2, 1750, 1755, 1769, 1771, 1831.)

1734. Deze overeenkomst is niet voltrokken dan door de wezenlijke of vooronderstelde overgave der zaak. (C. 1919; B. 667, 1273, 1736, 1757a).

1735. Bewaargeving geschiedt, of vrijwillig, of uit noodzaak. (C. 1920; B. 1736 v., 1740 v.)

1736. Vrijwillige bewaargeving heeft plaats, ten gevolge van de wederkeerige toestemming van den bewaargever en den bewaarnemer. (C. 1921; B. 1349 v., 1734.)

1737. Indien men zich, zonder schriftelijk bewijs, of zonder begin van schriftelijk bewijs, mogt beroepen op eene vrijwillige bewaargeving, welker bestaan niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is, wordt degene, die als bewaarnemer wordt aangesproken, geloofd, het zij omtrent de daadzaak zelve der bewaargeving, het zij omtrent de zaak die het onderwerp der bewaring uitmaakt, het zij omtrent de teruggave daarvan; alles onverminderd hetgeen, in het vierde boek, opzigtelijk den beslissenden eed bepaald is. (C. 1923 v.; B. 1638, 1902, 1904 v., 1933 v., 1939amp;, 1967 v.)

1738. Vrijwillige bewaargeving kan slechts plaats hebben tusschen personen, die de bekwaamheid hebben om ver-bindtenissen aan te gaan.

Indien evenwel iemand, die bekwaam is om verbindte-nissen aan te gaan, iets in bewaring aanneemt van eenen daartoe onbekwamen persoon, is hij aan alle de verpligtingen van eenen wezenlijken bewaarnemer onderworpen. (C. 1925; B. 1366, 1367, 1482.)

1739. Indien de bewaargeving door eenen bevoegden persoon gedaan is aan iemand die niet bekwaam is om ver-bindtenissen aan te gaan, heeft de bewaargever tegen den bewaarnemer slechts eene regtsvordering tot teruggave der in bewaring gegevene zaak, zoo lang de laatstgemelde

i s

li

-ocr page 497-

BOEK III, T1TEI, XII, ARTT. 1731—1748.

nog in het bezit van dezelve is; of, indien de zaak niet meer bij den bewaarnemer berust, eene regtsvordering tot vergoeding, voor zoo verre deze daardoor gebaat is. (C. 1926; B. 1366, 1367, 1423, 1487.)

1740. Bewaargeving uit noodzaak is dezoodanige welke men door eenig toeval gedwongen wordt te doen, zoo als door brand, instorting van gebouwen, plundering, schipbreuk, overstrooming, of andere onvoorziene toevallen. (C. 1949; B. 1746; Rv. 585 n». 3; Sr. 323.)

1741. Het bewijs door getuigen wordt omtrent de bewaargeving uit noodzaak toegelaten, al mogt de waarde van hetgeen in bewaring gegeven is ook de som te boven gaan, welke, naar den regel, niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is. (C. 1950; B. 1933, 1940 nquot;. 2.)

1742. Voor het overige wordt bewaargeving uit noodzaak geregeld overeenkomstig de bepalingen op vrijwillige bewaargeving toepasselijk. (C. 1951; B. 1738 v.)

1743. De bewaarnemer moet omtrent de bewaring der aan hem toevertrouwde zaak dezelfde zorg aanwenden, welke hij omtrent de bewaring zijner eigene zaken aanwendt. (C. 1927; B. 1271 v., 1744 v., 1776amp;, 1782.)

1744. De bepaling van het voorgaande artikel moet met meerdere strengheid worden toegepast:

1°. Indien de bewaarnemer zich zei ven tot de bewaring heeft aangeboden;

2°. Indien hij eenig loon voor de bewaring bedongen heeft;

3°. Indien de bewaargeving eeniglijk in het belang van den bewaarnemer geschied is;

4°. Indien uitdrukkelijk bedongen is, dat de bewaarnemer voor alle soort van verzuim zoude aansprakelijk zijn. (C. 1928; B. 1271amp;, 13926, 1733«, 1838b.)

1745. In geen geval, is de bewaarnemer aansprakelijk wegens onvermijdelijke toevallen, ten ware hij in de teruggave der in bewaring gegevene zaak mogt zijn nalatig geweest.

Zelfs in dat laatste geval, is hij niet aansprakelijk, indien het goed bij den bewaargever insgelijks zoude vergaan zijn. (C. 1929; B. 1273, 1274, 1279, 1281, 1480b.)

1746. Herbergiers en logementhouders zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor de goederen, welke de reizigers, die bij dezelve hunnen intrek nemen, medebrengen. De bewaargeving van zoodanige soort van goederen wordt als eene bewaargeving uit noodzaak aangemerkt. (C. 1952; B. 1740 v., 1940 n0. 2; Rv. 535 n0. 3; Sr. 323.) \'

1747. Zij zijn verantwoordelijk wegens diefstal a) of beschadiging van de goederen der reizigers, hel zij de diefstal a) begaan, of de schade veroorzaakt zij door de dienstboden of andere bedienden der herberg, het zij door ieder ander persoon. (C. 1953; B. 849, 1403, 1602, 1649, 1840.)

43H

1748. Zij zijn niet verantwoordelijk voor gewelddadige diefstallen a), of die begaan zijn door personen welke de reiziger zelf bij zich toegelaten heeft. (C. 1954.)

a) Verg. nit. !) der \'Wet van 2(1 April 1SS1 (Stb. ro. BR).

28

-ocr page 498-

BURGERLIJK WETBOEK.

1749. De bewaarnemer mag zich van het in bewaring gegeven goed niet bedienen, zonder het uitdrukkelijk of voorondersteld verlof van den bewaargever, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (G. 1930; B. 1282, 1755; Rv. 454 v.)

1750. Hij mag niet onderzoeken, waarin de zaken bestaan, die hem in bewaring zijn gegeven, indien hem dezelve in eene geslotene kist, of onder eenen verzegelden omslag, zijn toevertrouwd geworden. (C. 1931; B. 1749.)

1751. De bewaarnemer moet dezelfde zaak, welke hij ontvangen heeft, teruggeven.

Aldus moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden terug gegeven, welke in bewaring zijn gegeven, het zij die muntspecien in waarde vermeerderd of verminderd zijn. (C. 1932; B. 1465n».2,1731,1737,1752,1793,1996b).

1752. De bewaarnemer behoeft de in bewaring gegevene zaak slechts terug te geven in den staat, waarin dezelve zich bevindt op het tijdstip der teruggave.

De verminderingen, die dezelve buiten zijne schuld heeft ondergaan, komen voor rekening van den bewaargever. (C. 1933; B. 829, 1010, 1273, 1427, 1480, 1751.)

1753. De bewaarnemer aan wien hel goed door eene overmagt ontnomen is, en die de waarde daarvan of iets anders in de plaats ontvangen heeft, moet dit ontvangene aan den bewaargever teruggeven. (C. 1934; B. 1481 1745.)

1754. De erfgenaam van den bewaarnemer, die, niet wetende dat eene zaak in bewaring ontvangen was, dezelve te goeder trouw verkocht heeft, is alleenlijk gehouden den door hem ontvangen koopprijs terug te geven, of, indien hij denzelven nog niet ontvangen heeft, zijne regtsvordering tegen den kooper af te staan. (C. 1935; B. 880,1002,1272, 1399, 1507, 2014.)

1755. Indien het in bewaring gegeven goed vruchten heeft opgeleverd, die door den bewaarnemer geind of ontvangen zijn, is hij verpligt dezelve terug te geven.

Hij is geene interessen van de aan hem toevertrouwde geldsommen verschuldigd, dan van den dag dat hij, daartoe aangemaand, in de teruggave daarvan nalatig is geweest, (C. 1936; B. 449c, 1006, 1204, 1274,1279,1286,1733,1749, 1804, 1842; Rv. 455.)

1756. De bewaarnemer mag het bewaarde goed niet teruggeven dan aan dengene, die hem hetzelve heeft toevertrouwd, of aan hem in wiens naam de bewaring gedaan is, of die aangewezen is om hetzelve terug te ontvangen. (C. 1937; B. 1421.)

1757. Hij kan van dengene die de zaak in bewaring gegeven heeft, geen bewijs vorderen, dat deze de eigenaar van dezelve was.

434

Indien hij niettemin ontdekt, dat het goed is gestolen a), en wie daarvan de wezenlijke eigenaar is, moet hij dezen kennis geven dat hetzelve goed bij hem in bewaring gesteld is, met aanzegging om hetzelve binnen eenen bepaalden en

a) Verg. art. 9 der Wet van 26 April lR8t (Stb. no. 93).

-ocr page 499-

BOEK III, TITEL XII, ARTT. 1749—1764.

genoegzamen tijd op te eischen. Indien degene, aan wien de aanzegging gedaan is, verzuimt het in bewaring gestelde goed terug te eischen, is de bewaarnemer wettiglijk ontslagen door de overgave van hetzelve goed aan dengene, van wien hij zulks ontvangen heeft. CC. 1938; B. 637, 1734, 1756, 2014.)

1758. In geval van overlijden van den bewaargever, kan het goed alleenlijk aan deszelfs erfgenaam worden teruggegeven.

Indien er meerdere erfgenamen zijn, moet hetzelve teruggeven worden aan alle gezamenlijk, of aan elk van hen, voor zijn aandeel.

Indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming van dezelve verstaan. (C. 1939; B. 880, 1002, 1333 v., 1565, 1750, 1756, ISSOd.)

1759. Indien degene die de zaak in bewaring gegeven heeft van staat veranderd is, bij voorbeeld, indien eene op het tijdstip der bewaargeving niet gehuwde vrouw naderhand getrouwd is, en zich alzoo onder de magt van haren man bevindt; indien oen meerderjarige bewaargever onder curatele is gesteld; in alle deze en soortgelijke gevallen, mag het in bewaring gegeven goed niet teruggegeven worden, dan aan dengenen, die het beheer heeft over de regten en goederen van den bewaargever, ten ware de bewaarnemer wettige gronden mogt hebben om de verandering van staat niet te weten. (G. 1940; B. 163, 487 v., 1756, 1850d; F. 23.)

1760. Indien de bewaargeving door eenen voogd, curator, echtgenoot of bewindvoerder gedaan is, en hun beheer geëindigd is, kan het goed alleenlijk teruggegeven worden aan den persoon, die door dezen voogd, curator, echtgenoot, of bewindvoerder, vertegenwoordigd werd. (C. 1941; B. 1756, 1759.)

1761. De teruggave der in bewaring gegevene zaak moet geschieden ter plaatse bij de overeenkomst aangewezen.

Indien de overeenkomst de plaats tot de teruggave niet aanwijst, moet dezelve gedaan worden op de plaats zelve, waar de bewaargeving geschied is.

De kosten, deswege te vallen, zijn voor rekening van den bewaargever. (C. 1942, 1943; B. 1429, 1431, 1766.)

1762. De in bewaring gegevene zaak moet aan den bewaargever teruggegeven worden, zoodra hij zulks vordert, al ware het ook dat bij de overeenkomst een bepaalde tijd voor de teruggave mogt zijn vastgesteld, ten zij onder de handen van den bewaarnemer beslag mogt gelegd zijn. (C. 1944; B. 1306, 1755amp;, 1772; Bv. 475, 721, 735 v., 797.)

1763. De bewaarnemer, die wettige redenen mogt hebben om zich van het in bewaring gegevene goed te ontlasten, kan hetzelve ook, vóór het tijdstip bij de overeenkomst bepaald, aan den bewaargever terug geven, of, bij deszelfs weigering, van den regter verlof bekomen om hetzelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B. 1772.)

1764. Alle verpligtingon van den bewaarnemer houden op, indien hij mogt ontdekken en bewijzen, dat hij zelf eigenaar

435

-ocr page 500-

BURGERLIJK WETBOEK.

is van het in bewaring gestelde goed. (G. 1946;

1765. De bewaargever is verpligt aan den bewaarnemer te vergoeden alle onkosten, welke hij mogt gemaakt hebben tot het behoud van het in bewaring gestelde goed, en hem schadeloos te stellen wegens alle de schaden, welke hem door de bewaring mogten zijn veroorzaakt. (C. 1947; B. 6306, 634 n». 1, 1185 n®. 4, 1193, 1194, 12036, 1271 v., 1279v., 1393, 1400 v., 1761c, 1789, 1846.)

1766. De bewaarnemer is geregtigd om het goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van hetgeen hem, ter zake der bewaring, verschuldigd is. (C. 1948; B. 6306, 634 n0. 1, 762, 7726, 14006, 1652, 1849; F. 60.)

DERDE AFDEELING.

Van sequestratie en der zeiver verschillende soorten.

1767. Sequestratie is de bewaargeving van eene zaak, waarover geschil is, in de handen van eenen derde, die zich verbindt om dezelve, nadat het geschil zal zijn uitgemaakt, met de vruchten terug te geven aan dengenen, die daartoe zal worden geregtigd verklaard.

Deze bewaargeving heeft plaats, of door overeenkomst, of op regterlijk bevel. (G. 1955, 1956; B. 1731, 1734, 1768 v., 1773 v.)

1768. De sequestratie heeft bij overeenkomst plaats, wanneer het betwiste goed door een of meer personen vrijwillig in handen van eenen derde is gesteld. (G. 1956; B. 17676.)

1769. Het is geen noodzakelijk vereischte, dat sequestratie om niet geschiede. (G. 1957; B. 1733a, 1744 n0. 2, 1770.)

1770. Sequestratie is aan dezelfde regelen onderworpen, als de eigenlijk gezegde bewaargeving, behoudens de hierna volgende uitzonderingen. (G. 1958; B. 1733, 1769, 17746.)

1771. Zij kan roerende en onroerende zaken tot onderwerp hebben. (G. 1959; B. 17336, 1770, 1775 n0. 2.)

1772. De bewaarnemer, die met de sequestratie belast is, kan niet van de bewaring der zaak worden ontslagen, voordat het geschil uitgemaakt is, ten ware alle de belanghebbende partijen daarin mogten toestemmen, of er eene andere wettige reden mogt bestaan. (G. 1960; B. 1762, 1763, 1764, 1765, 1766, 1770.)

1773. Sequestratie op regterlijk bevel heeft plaats, wanneer de regter gelast, dat eene zaak, waarover geschil is, in bewaring gesteld worde. (G. 1961; B. 17676, 1774, 1775.)

1774. Geregtelijke sequestratie wordt opgedragen, hetzij aan iemand omtrent wien de belanghebbende partijen onderling zijn overeengekomen, het zij aan iemand, die door den regter van ambtswege daartoe benoemd is.

In beide gevallen, is degene, aan wien de zaak is toevertrouwd, aan alle de verpligtingen onderworpen, welke de sequestratie bij overeenkomst medebrengt, en daarenboven gehouden om jaarlijks aan de arrondissements-regtbank, op de vordering van het openbaar ministerie, eene summiere rekening van zijn beheer af te leggen, met vertooning of

436

-ocr page 501-

BOEK III, TITEL XH EN XIII, ARTT. 1765—1780. 437

aanwijzing der aan hem toevertrouwde goederen, zonder dat echter de goedkeuring der rekening aan de belanghebbende partijen zal kunnen worden tegengeworpen. (G. 1963; Rv. 53 n0. 4.)

1775. De regter kan sequestratie bevelen: (B. 534ö, 833, 863, 1030, 1081, 1922; K. 94, 487, 489, 518; Rv. 506.)

1*. Van roerende zaken, welke onder eenen schuldenaar zijn in beslag genomen; (Rv. 450, 725, 730, 760.)

2°. Van eene roerende of onroerende zaak, waarvan de eigendom of het bezit tusschen twee of meer personen in geschil is; (B. 617a, 880b, 1003.)

3*. Van zaken, welke een schuldenaar, tot kwijting zijner schuld, aanbiedt. (B. 1448. — C. 1961.)

1776. De aanstelling van eenen geregtelijken bewaarder brengt tusschen den inbeslagnemer en den bewaarder weder-keerige verpligtingen voort.

De bewaarder moet voor het behoud der in beslag geno-mene zaken de zorg dragen van een goed huisvader.

Hij moet dezelve overgeven, het zij ten verkoop, om daaruit den inbeslagnemer te voldoen, het zij aan de partij tegen welke de inbeslagneming heeft plaats gehad, indien deze inbeslagneming is opgeheven.

De verpligting van den inbeslagnemer bestaat in het behalen van het bij de wet bepaalde loon aan den bewaarder. (C. 1962; B. 1743, 1744; Stb. 1843 n». 40, a. 1 (Tar. a. 60.).)

DERTIENDE TITEL.

Van bruikleening.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1777. Bruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zaak om niet ten gebruike geeft, onder voorwaarde, dat degene, die deze zaak ontvangt, dezelve, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na eenen bepaalden tijd, zal terug geven. (G. 1875, 1876; B. 1425, 1465 n». 2, 1734, 1751, 1791.)

1778. De uitleener blijft eigenaar van de geleende zaak. (C. 1877; B. 1781, 1782, 1792.)

1779. Al hetgeen tot den handel der menschen behoort, en niet door het gebruik verloren gaat, kan het onderwerp dezer overeenkomst zijn. (C. 1878; B. 561, 1368.)

1780. De verbindtenissen, welke uit de bruikleening voortspruiten, gaan over tot de erfgenamen van dengenen, die ter leen geeft, en van hem die ter leen ontvangt.

Maar indien men de uitleening gedaan heeft alleen uit aanmerking van dengenen, die ter leen ontvangt, en aan tleszelfs persoon in het bijzonder, kunnen deszelfs erfgenamen het verder genot van het geleende goed niet blijven behouden. (C. 1879; B. 880, 1002, 1354, 1754, 1758, 1863.)

-ocr page 502-

BURGERLIJK WETBOEK.

TWEEDE A.FDEELING.

Van de verpligtingen van dengenen die iets Ier bruik-leening ontvangt.

1781. Die iets ter leen ontvangt is gehouden, als een goed huisvader, voor de bewaring en het behoud van het geleende goed te zorgen.

Hij mag daarvan geen ander gebruik maken dan hetwelk de aard der zaak medebrengt, of bij de overeenkomst bepaald is; alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.

Indien hij het geleende goed gebruikt tot een ander einde, of gedurende eenen langeren tijd, dan hij zulks behoorde te doen, is hij daarenboven aansprakelijk voor het verlies van dat goed, al had dit verlies ook door een bloot toeval plaats. (C. 1880, 1881; B. 1271 v., 1279 v., 1282, 1427, 1480, 1743, 1745, 1749, 1777, 1782 v.)

1782. Indien de geleende zaak verloren gaat door een toeval, hetwelk degene die dezelve ter leen ontvangen heeft, door zijne eigene zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen, of, indien hij, slechts een van beide kunnende behouden, aan de zijne den voorrang heeft gegeven, is hij voor het verlies der andere zaak aansprakelijk. (C. 1882; B. 1271 v., 1280 v., 1480, 1743 v., 1781.)

1783. Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt het verlies van dezelve, al ontstond dat ook door toeval, ten laste van dengenen, die de zaak ter leen ontvangen heeft, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (C. 1883; B. 1280 v., 1668c,)

1784. Indien de zaak alleen ten gevolge van het gebruik, waartoe dezelve geleend is, en buiten schuld van den gebruiker, in waarde vermindert, is deze wegens die vermindering niet aansprakelijk. (G. 1884; B. 1271 v., 1280 v., 1427, 1480, 1781.)

1785. Indien de gebruiker, om van de geleende zaak gebruik te kunnnen maken, eenige onkosten gemaakt heeft, kan hij dezelve niet terug vorderen. (C. 1886; B. 1789.)

1786. Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde zaak ter leen hebben ontvangen, zijn zij, ieder voor het geheel, jegens den uitleener daarvoor aansprakelijk. (C. 1887; B. 1316, 1318, 1337, 1338.)

DERDE AFDEELING.

Van de verpligtingen van den uitleener.

1787. De uitleener kan de geleende zaak niet terug vorderen dan na verloop van den bepaalden tijd, of, bij gebreke eener dusdanige bepaling, nadat dezelve tot het gebruik, waartoe zij was uitgeleend, gediend heeft, of heeft kunnen dienen. (C. 1888: B. 1305, 1762, 1777, 1796.)

1788. Indien evenwel de uitleener, gedurende dat tijdsverloop, of voordat de behoefte van den gebruiker opgehouden heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende redenen, zelf benoodigd heeft, kan de regler,

438

-ocr page 503-

BOEK UI, TITEL XIII EN XIV, ARTT. 1781—1794. 439

naar gelang der omstandigheden, den gebruiker noodzaken het geleende aan den uitleener terug te geven. (C. 1889; B. 1615.)

1789. Indien de gebruiker, gedurende de bruikleening, tot behoud der zaak eenige buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zoo dringende waren, dat hij daarvan te voren aan den uitleener geene kennis heeft kunnen geven, is deze verpligt hem dezelve te vergoeden. (G. 1890; B. 1185 n0. 4, 1193, 1194, 1203tgt;. 1393, 1400, 1765, 1785.)

1790. Indien de ter leen gegevene zaak zoodanige gebreken heeft, dat daardoor aan dengenen, die zich van dezelve bedient, nadeel zoude kunnen worden toegebragt, is de uitleener, zoo hij die gebreken gekend, en daarvan aan den gebruiker geene kennis gegeven heeft, \'voor de gevolgen verantwoordelijk. (C. 1891; B. 1401 v., 1540, 1799.)

VEEBTIENDE TITEL.

Van verhruikleening.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1791. Verhruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van ver-bruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde, dat de laatstge-melde haar even zoo veel, van gelijke soort en hoedanigheid, teruffgeve. (C. 1892; B. 561, 1428, 1777, 1800, 1802.)

1792. Uit krachte dezer verhruikleening, wordt degene die ter leen ontvangt eigenaar van het geleende goed; en inc\'ien hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies voor zijne rekening. (C. 1893; B. 1273, 14S0, 1778.)

1793. De schuld, uit leening van geld voortspruitende, bestaat alleen in de geldsom, die bij de overeenkomst is uitgedrukt.

Indien er, vóór het tijdstip der voldoening, vermeerdering of vermindering van de waarde der geldspecie, of verandering in de gangbaarheid, plaats heeft, geschiedt de teruggave der geleende som in zoodanige specie, als ten tijde der voldoening gangbaar is, berekend naar derzelver gangbare waarde op dat tijdstip. (C. 1895; B. 1286, 1425, 1800 v.; K. 156,157.)

1794. De regel, bij het vorige artikel vastgesteld, is van geene toepassing, indien, ten opzigte der leening van een ïeker getal stukken van eene bepaalde munt, de partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen, dat hetzelfde getal en dezelfde soort van stukken zullen worden teruggegeven. In dit geval, moet degene, die ter leen ontvangen heeft, het juiste getal stukken van denzelfden aard, en niet meer noch minder, terug geven.

Indien dezelfde soort van stukken niet meer in voldoende hoeveelheid bestaat, moet het ontbrekende worden vergoed met munt van hetzelfde metaal, zoo na mogelijk van hetzelfde gehalte, en te zamen inhoudende even veel metaal fijn, als de ontbrekende hoeveelheid der verschuldigde stukken

-ocr page 504-

BURGERLIJK WETBOEK.

metaal fijn inhielden. (C. 1896; B. 1425, 1800 v.; K. 157.)

1795. Indien staven goud of zilver, of wel andere waren, zijn ter leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer derzel-ver waarde ook moge vermeerderd of verminderd zijn, altijd eene gelijke hoeveelheid en hoedanigheid terug geven, en is tot niets meer gehouden. (C. 1897, B. 1428, 1791, 1800 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verpliglingen des uitleeners.

1796. De uitleener kan het ter leen gegevene niet terug eischen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, verstreken is. (C. 1899; B, 1305 v., 1762, 1787 v., 1800,1801.)

1797. Geene tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan deregter, wanneer de uitleener de teruggave vordert, naar gelang der omstandigheden, aan dengenen, die de zaak ter leen ontvangen heeft, eenig uitstel toestaan. (C. 1900; B. 1426, 1798.)

1798. Indien men is overeengekomen, dat hij, die eene zaak of geldsom ter leen heeft ontvangen, dezelve zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen. (C. 1901; B. 1292, 1304, 1797.)

1799. De bepaling van artikel 1790 is op verbruikleening toepasselijk. (C. 1898; B. 1401 v., 1540.)

DERDE AFDEELING.

Van dc verpliglingen des leaners.

1800. Die iets ter leen ontvangt is verpligt hetzelve, in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en op den bepaalden tijd, terug te geven. (C. 1902; B. 1305 v., 1428, 1791, 1793 v., 1796 v.)

1801. Indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt ora hieraan te voldoen, is hij gehouden de waarde van het geleende te betalen, waarbij zal moeten in aanmerking genomen worden de tijd en de plaats, waarop het goed ten gevolge der overeenkomst, had moeten worden terug gegeven.

Indien deze tijd en plaats niet bepaald zijn, moet de voldoening geschieden overeenkomstig de waarde, welke de geleende zaak, ten tijde waarop en ter plaatse alwaar de leening geschied is, gehad heeft. (C. 1903; B, 1279 v., 1286,1429.)

VIERDE AFDEELING.

Van het ter leen geven op interessen.

1802. Het is geoorloofd, voor leening van geld of andere verbruikbare zaken, interessen te bedingen. (C. 1905; B. 561, 1286, 1791, 1805, 20l2d en e; Bv. 348 n®. 1.)

1808. Hij, die ter leen ontvangen, en interessen betaald heeft die niet bedongen waren kan dezelve niet terug eischen, noch in mindering der hoofdsom doen verstrekken, ten ware dezelve de wettelijke interessen te boven gingen; in welk geval het te veel betaalde kan worden terug ge-eischt, of in mindering van de hoofdsom verstrekken.

440

-ocr page 505-

BOEK UI. TITEL XIV EN XV, ARTT. 1795—1810. 441

De betaling van onbedongen interessen verpligt den schuldenaar niet dezelve in het vervolg te betalen; maar be-dongene interessen zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie der hoofdsom toe, zelfs indien de eene of andere na den vervaltijd mogt hebben plaats gehad. (C. 1906: B. 1395, 1433, 1440 v., 1804, 1805.)

1804. Interessen zijn of wettelijke, of bij overeenkomst bedongen. De wettelijke interessen zijn bij de wet bepaald. De bij overeenkomst bedongene interessen mogen de wettelijke te boven gaan, in alle de gevallen waarin de wet zulks niet verbiedt.

De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongene interessen moet in geschrift worden bepaald. (C. 1907; B. 1805, 1817; Stb. 1857 n0. 171, zie chron. lijst; B. 449c, 471, 844 v,, 1006 v., 1144, 1286, 1322, 1755, 1842, 1876a, 2012ci ene.)

Art. 2 der Wet van 22 December 1857 (Stb. n0.171). De wettelijke interesten bedragen in burgerlijke zaken vijf en in handelszaken zes ten honderd in het jaar.

1805. Indien de uitleener interessen bedongen heeft, zonder dat het beloop daarvan bepaald zij, is degene, die telleen ontvangen heeft, gehouden het beloop der wettelijke interessen te voldoen. (B. 1804.)

1806. Het bewijs van de betaling der hoofdsom, zonder voorbehoud van interessen gegeven zijnde, doet de voldoening der interessen vooronderstellen, en de schuldenaar wordt daarvan bevrijd. (C. 1908; B. 1430,1433,1474,1953,1958amp;.)

VIJFTIENDE TITEL.

Van gevestigde of altijddurende renten.

1807. Het vestigen eener altijddurende rente is eene overeenkomst, waarbij de uitleener interessen bedingt, tegen betaling eener hoofdsom welke hij aanneemt niet terug te zullen vorderen. (C. 1909; B. 567 n0. 2, 1288a, 1430, 2012a en c.)

1808. Deze rente is uit haren aard aflosbaar.

Partijen kunnen alleenlijk overeenkomen, dat de aflossing

niet geschieden zal dan na verloop van eenen zekeren tijd, welke niet langer dan voor tien jaren mag gesteld worden, of zonder dat zij den schuldeischer vooraf verwittigd hebben, op eenen zekeren, door hen bevorens vastgestelden termijn, welke echter den tijd van een jaar niet zal mogen te boven gcan. (C. 1911; B. 798 v., 1305 v., 1556amp;; Onteig. w., a. 43cJ, zie chron. lijst.)

1809. De schuldenaar eener altijddurende rente kan tot rte aflossing genoodzaakt worden:

lquot;. Indien hij niets betaald heeft op de gedurende twee achtereenvolgende jaren verschuldigde renten; (B. 1819.)

2°. Indien hij verzuimt aan den geldschieter de bij de overeenkomst beloofde zekerheid te bezorgen; (B. 1818.)

3°. Indien hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard. (F. 131amp;. — C. 1912,1913; B. 1307.)

1810. In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel ver-

-ocr page 506-

BURGERLIJK WETBOEK.

meld, kan de schuldenaar zich van de verpligting tot aflossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen van de geregtelijke aanmaning, alle de verschenen termijnen betaalt of de beloofde zekerheid stelt, (B. 1274.)

ZESTIENDE TITEL.

Van kans-overeenkomsten.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalinr/.

1811. Eene kans-overeenkomst is eene handeling, waarvan de uitkomsten, met betrekking tot voordeel en nadeel, het zij voor alle de partijen, het zij voor eenige derzelve, van eene onzekere gebeurtenis afhangen.

Van dien aard zijn:

De overeenkomst van verzekering; (K. 246 v., 287 v., 592 v., 686 v.)

Bodemerij; (K. 569 v.)

Lijfrenten; (B. 1812 v.)

Spel en weddingschap. (B. 1825 v.)

De beide eerste worden bij het Wetboek van Koophandel geregeld. (C. 1104b, 1964; B. 1289 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de overeenkomst van lijfrenten en derzelver gevolgen.

1812. Lijfrente kan bij eenen bezwarenden titel, of bij akte van schenking, worden gevestigd.

Zij kan ook worden verkregen bij uiterste wilsbeschikking. {C. 1968, 1969; B. 567 n». 2, 811, 965, 969, 1007 n» 2, -1288a, 1811, 1817, 2012a en e.)

1813. Lijfrente kan worden gevestigd, het zij op het lijf des geldschieters, of van hem wien men daarvan het genot geeft, het zij op dat van eenen derde, ofschoon deze daarvan geen genot hebbe. (C. 1971; B. 1814 v.)

1814. Dezelve kan gevestigd worden op het lijf van een of meer personen. (C. 1972; B. 1813.)

1815. Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een\' derde, hoewel het geld door een\' ander\' persoon geschoten zij.

In dat geval, is zij echter niet onderworpen aan de formaliteiten welke tot schenkingen vereischt worden. (C. 1973; B. 1353, 1719 v.)

1816 Alle lijfrente, gevestigd op het lijf van iemand die overleden was op den dag, waarop de overeenkomst is aangegaan, is krachteloos. (C. 1974; B. 1371, 1811.)

1817. Lijfrente kan tot zoodanig beloop van renten gesteld worden, als partijen goedvinden te bepalen. (C. 1976; B. 1804.)

1818. Degene, te wiens behoeve eene lijfrente bij bezwarenden titel is gevestigd, kan de vernietiging van de overeenkomst vorderen, indien de schuldenaar hem de bedongene zekerheid voor derzelver nakoming niet bezorgt.

442

-ocr page 507-

BOEK III, TITEL XV EN XVI, ARTT. 1811—1826. 443

In geval van vernietiging, is de schuldenaar gehouden de achterstallige bedongene renten te betalen, tot den dag toe, waarop de hoofdsom zal zijn afgelost. (G. 4977; B. 1302 v., 1307, 1809 n®. 2, 1810.)

1819. Wanbetaling der verschenen lijfrente geeft den renthelfer geen regt om aflossing van de hoofdsom, of teruggave van het door hem daarvoor afgestane goed, te vorderen; hij heeft alleen het regt om zijnen schuldenaar voor de verschuldigde renten aan te spreken en uit te winnen, en om zekerheid te vragen voor de te vervallene renten. (G. 1978; B. 1302 v., 1430, 1809 n». 1.)

1820. Ingetrokken hij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a) (Verg. F. 131a j0. 195.)

1821. De schuldenaar kan zich niet van de betaling der lijfrente ontheffen, door de teruggave der hoofdsom aan te bieden, en door af te zien van de terugvordering der betaalde renten; hij is gehouden met de betaling der lijfrente voort te gaan, gedurente het geheele leven van den persoon of der personen, op wier lijf de rente gevestigd is, hoe bezwarend ook de betaling dier rente voor hem worden moge. (G. 1979; B. 1808a.)

1822. De eigenaar eener lijfrente heeft slechts een verkregen regt op de lijfrente, naar evenredigheid van het getal der dagen, welke degene geleefd heeft, op wiens lijf de rente is gevestigd.

Indien echter de overeenkomst medebrengt, dat de rente vooruit moet worden betaald, is het regt op den termijn, die betaald had behooren te zijn, verkregen van den dag, waarop de betaling had moeten geschieden. (G. 1980; B. 558c, 810.)

1823. Men kan niet bedingen, dat eene lijfrente aan geene inbeslagneming zal onderworpen zijn, ten ware dezelve om niet gevestigd zij. (G. 1981; B. 1177 v., 1465 nquot;. 3; Bv 756.)

1824. De rentheffer kan de verschenen rente niet vorderen, dan door te doen blijken van het leven van hem, op wien de lijfrente gevestigd is. (G. 1983; Stb. 1888 n®. 3, a. 5 en 6; Stb. 1891 n». 30; Stb. 1894 n». 173.)

DERDE AFDEEL ING.

Yan spel en wedding schap.

1825. De wet staat geene regtsvordering toe, ter zake van eene schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten. (G. 19t5; Sr. 456, 457.)

1826. Onder de hier-boven staande bepaling zijn echter niet begrepen die spelen, welke geschikt zijn tot ligchaams-oefening, als het schermen, wedloopen en dergelijke.

a) Het artikel luidde: „In geval de schuldenaar in staat van faillissement of kennelijk onvermogen is verklaard, zal de lijfrente verminderd worden naar evenredigheid der overige schulden, en is de boedel verpligt aan den rentheffer het genot der alzoo verminderde lijfrente te verzekeren.quot;

-ocr page 508-

BURGERLIJK WETBOEK.

Niettemin kan de regter den eisch ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som overmatigtoeschijnt. (C. 1966.)

1827. Men mag de bepalingen van de twee voorgaande artikelen door geene schuldvernieuwing ontwijken. (B. 1449 v.)

1828. In geen geval kan hij, die het verlorene vrijwillig betaald heeft, hetzelve terug eischen, ten ware, van den kant van dengene, die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting hebbe plaats gehad. (C. 1967; B. 1364, 1395amp;; Sr. 326 v.)

ZEVENTIENDE TITEL. Van lastgeving.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard der lastgeving.

1829. Lastgeving is eene overeenkomst, waarbij iemand aan eenen anderen de magt geeft en deze aanneemt, om eene zaak voor den lastgever, in deszelfs naam, te verrigten. (C. 1984; B. 19,133,134,388 v., 1390 v., 1585,1982; Sv. 150, 203, 230, 253 n°. 2, 355; Rv. 6a, 99; K. 79 v., 111,135,327; F. 118.)

1830. Last kan worden gegeven en aangenomen bij openbare akte, bij onderhandsch geschrift, zelfs bij eenen brief en ook bij monde.

De aanneming van eenen last kan ook stilzwijgende geschieden, en afgeleid worden uit de volvoering van den last door den lasthebber. (C. 1985; B. 19, 32, 134, 164, 1217amp;, 1720a, 1911, 1932 v., 1982b; Rv. 33c, 178b, 263, 434,847fc; K. 8246; W. not. ambt, a. 32tgt;, 38b en c.)

1831. Lastgeving geschiedt om niet, ten ware het tegendeel bedongen zij. (C. 1986; B. 1394, 1585, 1838b, 1845.)

1832. Lastgeving is, of bijzonder en slechts tot eene of meerdere bepaalde zaken, of algemeen en tot alle de zaken van den lastgever betrekkelijk. (C. 1987; B. 19, 32, 13ia, 389a, 526, 1217 j«. 1833b, 1720a, 1962,1971,1982b; Rv. 19b, 33c, 178b, 278, 434, 847b; K. 336a, 376; F. 120a.)

1833. Lastgeving, in algemeene bewoordingen vervat, strekt zich alleen uit tot daden van bsheer.

Om goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, om eene dading aan te gaan, of om eenige andere daad van eigendom te verrigten, wordt eene uitdrukkelijke lastgeving vereiscbt. (C. 1988; B. 170, 1217, 1240, 1720, 1971; Rv. 263; K. 336b.)

1834. De lasthebber mag niets doen, hetwelk zijnen last te buiten gaat; de magt om eene zaak bij wege van dading af te doen bevat geenszins de bevoegdheid om dezelve aan de beslissing van scheidsmannen te onderwerpen. (C. 1989; B. 1843, 1888 v.; Rv. 620 v.)

1835. Vrouwen en minderjarigen kunnen tot zaakgelastigden gekozen worden, maar de lastgever heeft geene andere regtsvordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de algemeene bepalingen, die tot de verbindtenissen der minderjarigen betrekkelijk zijn, en tegen getrouwde vrouwen, die zonder magtiging harer mans den last hebben op zich genomen, dan volgens de regelen, bij den zesden en achtsten

444

-ocr page 509-

BOEK III, TITEL XVI EN XVII, ARTT. i827—1841. 445

titel van het eerste boek van dit Wetboek voorgeschreven. (C. 1990; B. 163 v., 1053, 1366 v., 1482, i850d; Rv. 622; K. 20amp;.)

1836. De lastgever kan dengene, met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft, onmiddellijk in regten betrekken en de voldoening der overeenkomst vorderen. (B. 1829, 1840e; K. 78.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verpligtingen van den lasthebber.

1837. De lasthebber is gehouden den last, zoo lang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die door het niet ten uitvoer brengen van dien last zouden kunnen ontstaan.

Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde van het overlijden van den lastgever eenen aanvang heeft gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmiddellijk afdoen van de zaak, eenig nadeel zoude kunnen ontstaan. (C. 1991; B. 1279 v., 1374c, 1390 v., 1506amp;, 1850^, 1854, 1856.)

1838. De lasthebber is niet alleen aansprakelijk wegens kwaad opzet, maar ook wegens verzuimen, welke hij bij \'iet volvoeren van zijnen last mogt hebben gepleegd.

Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzui-raen minder streng toegepast ten aanzien van dengenen, die eenen last om niet op zich neemt, dan van hem die daarvoor eenige belooning ontvangt. (C. 1992; B. 12716, 1S92, 1744 nquot;. 2, 1831.)

1839. De lasthebber is verpligt rekenschap te geven van hetgeen hij verrigt heeft, en aan den lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij uit krachte van zijne vol-magt ontvangen heeft, al ware het ook dat het ontvangene niet aan den lastgever mogt zijn verschuldigd geweest. (C. 1993; B. 1842, 1844; Rv. 771 v.)

1840. De lasthebber is verantwoordelijk voor dengenen, dien hij tot de uitvoering van dien last in zijne plaats gesteld heeft:

1°. Indien hij geene magt heeft bekomen om een ander in zijne plaats te stellen;

2°. Indien hem die magt verleend is zonder aanduiding van eenen bepaalden persoon, en degene dien hij daartoe gekozen heeft blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.

De lastgever wordt steeds voorondersteld aan den lasthebber het vermogen te hebben gegeven om een\' ander in iijne plaats te stellen tot het beheer van goederen, welke buiten het grondgebied des koningrijks gelegen zijn.

In alle gevallen, kan de lastgever den persoon, welken de ïslhebber in zijne plaats heeft gesteld, onmiddellijk aanspreken. (C. 1994; B. 849, 1403, 1649, 1747, 1836; K. 89;

1815, a. 1; G 1848, a. 1.)

1841. Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmag-

-ocr page 510-

BURGERLIJK WETBOEK.

Niettemin kan de regter den eisch ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som overmatig toeschijnt. (C. 1966.)

1827. Men mag de bepalingen van de twee voorgaande artikelen door geene schuldvernieuwing ontwijken. (B. 1449 v.)

1828. In geen geval kan hij, die het verlorene vrijwillig betaald heeft, hetzelve terug eischen, ten ware, van den kant van dengene, die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting hebbe plaats gehad. (C. 1967; B. 1364, 1395amp;; Sr. 326 v.)

ZEVENTIENDE TITEL.

Van lastgeving.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard der lastgeving.

1829. Lastgeving is eene overeenkomst, waarbij iemand aan eenen anderen de magt geeft en deze aanneemt, om eene zaak voor den lastgever, in deszelfs naam, te verrigten. (C. 1984; B. 19,133,134,388 v., 1390 v., 1585,1982; Sv. 150, 203, 230, 253 n». 2, 355; Bv.6a,99;K. 79 v., 111,135,327; F. 118.)

1830. Last kan worden gegeven en aangenomen bij openbare akte, bij onderhandsch geschrift, zelfs bij eenen brief en ook bij monde.

De aanneming van eenen last kan ook stilzwijgende geschieden, en afgeleid worden uit de volvoering van den last door den lasthebber. (C. 1985; B. 19, 32, 134, 164, 1217amp;, 1720a, 1911, 1932 v., 19826; Rv. 33c, 1786,263,434,8476; K. 8246; W. not. ambt, a. 326, 386 en c.)

1831. Lastgeving geschiedt om niet, ten ware het tegendeel bedongen zij. (C. 1986; B. 1394, 1585, 18386, 1845.)

1832. Lastgeving is, of bijzonder en slechts tot eene of meerdere bepaalde zaken, of algemeen en tot alle de zaken van den lastgever betrekkelijk. (C. 1987; B. 19, 32, 134a, 389a, 526, 1217 j®. 18336,1720a, 1962,1971,19826; Rv. 196, 33c, 1786, 278, 434, 8476; K. 336a, 376; F. 120a.)

1833. Lastgeving, in algemeene bewoordingen vervat, strekt zich alleen uit tot daden van bsheer.

Om goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, om eene dading aan te gaan, of om eenige andere daad van eigendom te verrigten, wordt eene uitdrukkelijke lastgeving vereischt. (C. 1988; B. 170, 1217, 1240, 1720, 1971; Rv. 263; K. 3366.)

1834. De lasthebber mag niets doen, hetwelk zijnen last te buiten gaat; de magt om eene zaak bij wege van dading af te doen bevat geenszins de bevoegdheid om dezelve aan de beslissing van scheidsmannen te onderwerpen. (C. 1989; B. 1843. 1888 v.; Rv. 620 v.)

1835. Vrouwen en minderjarigen kunnen tot zaakgelastigden gekozen worden, maar de lastgever heeft geena andere regtsvordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de algemeene bepalingen, die tot de verbindtenissen der minderjarigen betrekkelijk zijn, en tegen getrouwde vrouwen, die zonder magtigiug barer mans den last hebben op zich genomen, dan volgens de regelen, bij den zesden en achtsten

444

-ocr page 511-

BOEK III, TITEL XVI EN XVII, ARVT. 1827—1841. 445

titel van het eerste boek van dit Wetboek voorgeschreven. (G. 1990; B. 163 v., 1053, 1366 v., 1482,185(M,- Rv. 622: K. 10b.)

1836. De lastgever kan dengene, met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft, onmiddellijk in regten betrekken en de voldoening der overeenkomst vorderen. (B. 1829, 1840e; K. 78.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verpligtingen van den lasthebber.

1837. De lasthebber is gehouden den last, zoo lang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die door het niet ten uitvoer brengen van dien last zouden kunnen ontstaan.

Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde van het overlijden van den lastgever eenen aanvang heeft gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmiddellijk afdoen van de zaak, eenig nadeel zoude kunnen ontstaan. (G. 1991; B. 1279 v., 1374c, 1390 v., 1506amp;, 185öd, 1854, 1856.)

1838. De lasthebber is niet alleen aansprakelijk wegens kwaad opzet, maar ook wegens verzuimen, welke hij bij het volvoeren van zijnen last mogt hebben gepleegd.

Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzuimen minder streng toegepast ten aanzien van dengenen, die eenen last om niet op zich neemt, dan van hem die daarvoor eenige belooning ontvangt. (C. 1992; B. 1271amp;, 1392, 1744 n®. 2, 1831.)

1839. De lasthebber is verpligt rekenschap te geven van hetgeen hij verrigt heeft, en aan den lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij uit krachte van zijne vol-magt ontvangen heeft, al ware het ook dat het ontvangene niet aan den lastgever mogt zijn verschuldigd geweest. (G. 1993; B. 1842, 1844; Rv. 771 v.)

1840. De lasthebber is verantwoordelijk voor dengenen, dien hij tot de uitvoering van dien last in zijne plaats gesteld heeft:

1°. Indien hij geene magt heeft bekomen om een ander in zijne plaats te stellen;

2®. Indien hem die magt verleend is zonder aanduiding van eenen bepaalden persoon, en degene dien hij daartoe gekozen heeft blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.

De lastgever wordt steeds voorondersteld aan den lasthebber het vermogen te hebben gegeven om een\' ander in zijne plaats te stellen tot het beheer van goederen, welke buiten het grondgebied des koningrijks gelegen zijn.

In alle gevallen, kan de lastgever den persoon, welken de lasthebber in zijne plaats heeft gesteld, onmiddellijk aanspreken. (G. 1994; B. 849, 1403, 1649, 1747, 1836; K. 89: G. 1815, a. 1; G 1848, a. 1.)

1841. Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmag-

-ocr page 512-

BURGERLIJK WETBOEK.

tigden of zaakgelastigden zijn aangesteld, heeft te hunnen aanzien geene hoofdelijke verbindtenis plaats, dan voor zoo verre zulks uitdrukkelijk bepaald is. (G. 1995; B. 1063, 1316, 1318, 1674, 1786, 1830a, 1848.)

1842. De lasthebber is de interessen der hoofdsommen, welke hij tot zijn eigen gebruik besteed heeft, verschuldigd, te rekenen van het tijdstip, waarop hij daarvan gebruik heeft gemaakt, en van de sommen, die hij bij slot van rekening moet uitkeeren, van den dag af, waarop hij in verzuim gesteld is. (C. 1996; B. 449c, 1274,1279,1286c, 1663,1755amp;, 1804, 1838, 1847.)

1843. De lasthebber die aan dengene, met wien hij in die hoedanigheid handelt, behoorlijk kennis gegeven heeft van zijne volmagt, is niet aansprakelijk ten aanzien van hetgeen boven zijnen last geschied is, ten ware hij zich daartoe persoonlijk had verbonden. (C. 1997; B. 1834.)

DERDE AFDEELING.

Van de verpllgtingen van den lastgever.

1844. De lastgever is verpligt na te komen de verbind-tenissen, door den lasthebber, overeenkomstig de magt welke hij hem heeft verleend, aangegaan.

Hij is niet gehouden tot hetgeen bovendien mogt geschied zijn, dan voor zoo verre hij zulks uitdrukkelijk ol\'stilzwijgend bekrachtigd heeft. (C. 1998; B. 1374c, 1393,1829,1929; K. 656.)

1845. De lastgever is verpligt aan den lasthebber terug te geven de voorschotten en onkosten, welke deze tot uitvoering van den last gedaan heeft, en hem zijn loon te betalen, indien zulks bedongen is.

Indien aan den lasthebber geen verzuim te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mogt de zaak ook mislukt zijn. (G. 1999; B. 1393, 1831, 1848.)

1846. Ook moet de lastgever den lasthebber schadeloos stellen wegens de verliezen, welke deze, ter gelegenheid der uitvoering van zijnen last, mogt geleden hebben, mits hem te dien opzigte geene onvoorzigtigheid te wijten zij, (G. 2000; B. 1765.)

1847. De lastgever is aan den lasthebber interessen voor gedane voorschotten verschuldigd, te rekenen van den dag, waarop de voorschotten gedaan zijn. (G. 2001; B 1286,1842.)

1848. Indien een lasthebber door verscheidene personen is aangesteld tot het waarnemen eener zaak, die aan hen allen gemeen is, is elk hunner jegens hem, voor het geheel, aansprakelijk voor alle de gevolgen van de lastgeving. (C. 2002; B. 1316, 1318, 1841, 1845 v.)

1849. De lasthebber heeft het regt om hetgeen hij van den lastgever in handen heeft zoo lang terug te houden, tot dat hem alles betaald is, hetwelk hij ten gevolge der lastgeving te vorderen heeft. (B. 630^ v., 762, lllb, 1205,1766; K. 79,85; F. 60.)

446

-ocr page 513-

BOEK UI, TITEL XVII, ARTT. 1842—4856.

VIERDE AFDEELING.

Over de verschillende wijzen waarop lastgeving eindigt.

1850. Lastgeving eindigt;

Door herroeping der volmagt van den lasthebber; (B. 1851 v., 13746.)

Door de opzegging van den last door den lasthebber; (B. 1854 v.)

Door den dood, de curatele, den siaat van faillissement of van kennelijk onvermogen, het zij van den lastgever, het zij van den lasthebber; (B. 506, 523 v., 1391, 1837b, 1855, 1856; F. 1 v., 23.)

Door het huwelijk der vrouw die den last gegeven of ontvangen heeft. (B. 160 v., 1835. — C. 2003; B. 134,519; K. 140.)

1851. De lastgever kan den last herroepen, wanneer hem zulks goeddunkt, en, indien daartoe gronden bestaan, den lasthebber noodzaken hem de volmagt, welke hij in handen heeft, terug te geven. (C. 2004; B. 1223, 16736, 18506, 1852 v.; Stb. 1851 n®. 127, a. 67c en d; Stb. 1851 n®. 129, a. 666 en c.)

1852. De herroeping, alleen aan den lasthebber kenbaar gemaakt zijnde, kan aan derden, die, daarvan onkundig, met hem gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen; behoudens het verhaal van den lastgever op den lasthebber. (G. 2005; B. 1376, 1851, 1853.)

1853- De aanstelling van eenen nieuwen lasthebber, tot het verrigten van dezelfde zaak, brengt de herroeping van den eersten mede, te rekenen van den dag, waarop die aanstelling aan den laatstgemelde is kenbaar gemaakt. (C. 2006; B. 1851 v.; Rv. 146)

1854. De lasthebber kan zich van den last ontslaan door opzegging aan den lastgever.

Indien evenwel deze opzegging door hare ontijdigheid, of uit eenigen anderen hoofde, door de schuld van den lasthebber aan den lastgever tot nadeel verstrekt, moet hij deswege door den lasthebber schadeloos worden gesteld; ten ware de laatstgemelde zich in de onmogelijkheid bevond om den last verder te volbrengen, zonder daardoor zelf eene aanmerkelijke schade te lijden. (C. 2007; B. 1279 v., 1390 v., 1837. 1850c, 1856.)

1855. Indien de lasthebber onbewust is van den dood des lastgevers of van het bestaan van eenige andere oorzaak die den last doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid verrigt heeft van waarde.

In dat geval moeten de verbindtenissen, door den lasthebber aangegaan, nagekomen worden ten aanzien van derden, die in de goede trouw zijn. (G. 2008,2009; B. 1374c, 18376, 1856.)

1856. In geval de lasthebber overlijdt, moeten deszelfs erfgenamen daarvan aan den lastgever kennis geven, indien hun de lastgeving bekend is, en inmiddels zorg dragen voor hetgeen de omstandigheden in het belang van den lastgever mogten vereischen; op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden ziin. (G. 2010; B. 1279 v., 1391 1855.)

447

-ocr page 514-

BURGERLIJK WETBOEK.

ACHTTIENDE TITEL.

Van borgtogt.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard der borgtogt.

1857. Borgtogt is eene overeenkomst, waarbij een derde zich, ten behoeve van den schuldeischer, verbindt om aan de verbindtenis van den schuldenaar te voldoen, indien deze niet zelf daaraan voldoet. (C. 20H; B. 1418a, 1868; K. 656; Bv. 53 n®. 5.)

1858. Geen borgtogt kan bestaan, of er moet eene wettige hoofd verbindtenis zijn.

Men kan zich niettemin borg stellen voor eene verbindtenis, al mogt die ook kunnen vernietigd worden door eene exceptie, welke alleen den verbondene in persoon betreft, bij voorbeeld in geval van minderjarigheid. (G. 2012; B. 1356 v., 1366 v., 1610, 1869 n». 3, 1884.)

1859. Een borg kan zich tot niets meerder, noch onder meer bezwarende voorwaarden, verbinden, dan waartoe de hoofdschuldenaar verbonden is.

Borgtogt kan worden aangegaan voor slechts een gedeelte der schuld of onder minder bezwarende voorwaarden. Indien de borgtogt voor meerder dan de schuld, of onder meer bezwarende voorwaarden, is aangegaan, is hij niet geheel van onwaarde, maar bepaalt zich slechts tot datgene, hetwelk in de hoofdverbindlenis is begrepen. (G. 2013; B. 1289 v., 1304 v.. 1861.)

1860. Men kan zich borg stellen zonder daartoe aangezocht te zijn door dengene, voor wien men zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten.

Men kan zich ook borg stellen, niet alleen voor den hoofdschuldenaar, maar ook voor deszelfs reeds gestellen borg. (C. 2014; B. 1352, 1390, 1418, 1876; Bv. 53 n». 5.)

1861. Borgtogt wordt niet voorondersteld, maar moet uitdrukkelijk worden aangegaan; men kan dien niet verder uitstrekken dan de bepalingen, onder welke dezelve is aangegaan. (C. 2015; B. 1610, 1859; K. 130 v.; Rv. 619.)

1862. Onbepaalde borgtogt voor eene hoofdverbindlenis strekt zich uit tot alle de gevolgen der schuld, zelfs tot de kosten der tegen den hoofdschuldenaar gedane regtsvor-dering, en tot alle zoodanige welke gemaakt zijn nadat de borg deswege is aangemaand. (C. 2016; B. 1274,1279,1286, 1802; Rv. 56.)

1863. De verbindtenissen der borgen gaan over op hunne erfgenamen. (C. 2017; B. 880, 1002, 1354, 1780a.)

1864. De schuldenaar die verpligt is borg te stellen moet daartoe zoodanigen persoon aanbieden, die de bekwaamheid heeft om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de verbindtenis te kunnen voldoen, en binnen het koningrijk woonachtig is. (C. 2018, 2040; B. 1865 v., 1865 v.; Rv.619.)

1865. De gegoedheid van eenen borg wordt alleen beoordeeld naar deszelfs vaste goederen of inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld, uitgezonderd in

448

-ocr page 515-

BOEK III, TITEL XVIII, ARTT. J857—1871. 449

zaken van koophandel, en wanneer de schuld eene geringe som bedraagt. Men kan geen acht slaan op onroerende goederen, waarover geschil in regten bestaat, of waarvan de uitwinning, wegens derzelver verren afstand, te moeijelijk zoude zijn. (G. 2019; B. 1871; Rv. 618)

1866. Wanneer de borg, die door den schuldeischer vrijwillig, of op regterlijke uitspraak, is aangenomen, naderhand onvermogend is geworden, moet er een nieuwe borg gesteld worden.

Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering, in geval de borg gesteld is ten gevolge eener overeenkomst, waarbij de schuldeischer eenen bepaalden persoon tot borg gevorderd heeft. (C. 2020; B. 1864.)

1867. Hij, die door de wet, of ten gevolge van een regterlijk gewijsde, verpligt is eenen borg te stellen, en dien niet mogt kunnen vinden, kan volstaan met, in deszelfs plaats, een pand of hypotheek te geven. (C. 2041; B. 528, 831, 836, 866, 1025b, 1081, 1196 v., 1208 v., 1869 n0. 5; Rv. 52, 53, 152, 315, 729, 735c, 770Aamp;; K. 177 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Fan de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldeischer en den borg.

1868. De borg is jegens den schudeischer niet tot betaling gehouden, dan bij gebreke van den schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten uitgewonnen worden. (C. 2021; B. 1319, 1857, 1870.)

1869. De borg kan niet vorderen, dat des schuldenaars goederen vooraf uitgewonnen worden:

1°. Wanneer hij van het voorregt van uitwinning heeft afstand gedaan; (K. 921.)

2°. Wanneer hij zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar verbonden heeft; in welk geval de gevolgen van deszelfs verbindtenis geregeld worden naar de beginselen, welke ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld; (B. 1314 v., 1319, 1329.)

3°. Indien de schuldenaar eene exceptie kan in het midden brengen, welke hem alleen en persoonlijk betreft; (B. 1858amp;, 1884amp;.)

4°. Indien de schuldenaar zich in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen bevindt; (F. 1, 135.)

5°. Ingeval van geregtelijken borgtogt. (Rv. 52 , 53, 152, 315, 616 v., 729, 735c. — C. 2021, 2042 v.)

1870. De schuldeischer is niet verpligt den hoofdschuldenaar eerst uit te winnen, dan wanneer de borg, op de eerste geregteliike tegen hem a;erigte aanspraak, zulks vordert. (C. 2022; B. 1244, 1561, 1868.)

1871. De borg, die de uitwinning van den hoofdschuldenaar vordert, moet aan den schuldeischer de goederen van denzelven aanwijzen, en de noodige penningen voorschieten om de uitwinning te bewerkstelligen.

Hij kan geene aanwijzing doen van goederen, waarover geschil in regten bestaat, noch van de zoodanige, welke voor

9

-ocr page 516-

BURGERLIJK WETBOEK.

de schuld zijn gehypothekeerd, en waarvan de schuldenaar niet meer in het bezit is, noch eindelijk van goederen buiten het koningrijk gelegen. (C. 2023; B. 1864, 1865.)

1872. Wanneer de borg, overeenkomstig het voorgaande artikel, eene aanwijzing van goederen gedaan en de noo-dige penningen tot de uitwinning geschoten heeft, is de schuldeischer, ten beloope der aangewezene goederen, met opzigt tot den borg, verantwoordelijk voor het onvermogen van den hoofdschuldenaar, hetwelk bij gebreke van vroegere vervolgingen, dan eerst ontstaan is. (G. 2024.)

1873. Wanneer verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de geheele schuld verbonden. (C. 2025; B. 1316 v., 1318, 1786, 1841.)

1874. Niettemin kan elk hunner, zoo hij geen afstand heeft gedaan van het voorregt van schuldsplitsing, op de eerste geregtelijke aanspraak, vorderen, dat de schuldeischer zijne schuldvordering alvorens verdeele, en dezelve vermin-dere tot het aandeel van eiken deugdelijk verbonden borg.

Indien, ten tijde dat een der borgen de schuldsplitsing heeft doen uitspreken, een of meerder medeborgen onvermogend zijn, is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor de on vermogenden te voldoen; maar hij is niet aansprakelijk, indien derzelver onvermogen na de schuldsplitsing is opgekomen. (C. 2026; B. 1319, 1325, 1869 n0. 2.)

1875. Indien de schuldeischer zelf, en vrijwillig, zijne regts-vordering verdeeld heeft, kan hij tegen die schuldsplitsing niet weder opkomen, al waren zelfs eenige der borgen onvermogend, vóór den lijd dat hij de schuld verdeeld heeft. (C. 2027; B. 1325, 1326.)

DERDE AFDEELING.

Van de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldenaar en den borg, en tusschen de borgen onderling.

1876. De borg die betaald heeft, heeft zijn verhaal op den hoofdschuldenaar, het zij de borgtogt met of zonder deszelfs medeweten gesteld zij. Dit verhaal heeft plaats, zoo wel ten aanzien van de hoofdsom, als van de interessen en de kosten.

ïen aanzien dier kosten heeft de borg slechts zijn verhaal, voor zoo verre hij tijdig aan den hoofdschuldenaar heeft kennis gegeven van de tegen hem gerigte vervolgingen.

De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (C. 2(128; B. 1279 v., 1860, 1862, 1879.)

1877. De borg, die de schuld betaald heeft, treedt van regts-wege in alle de regten welke de schuldeischer tegen den schuldenaar gehad heeft. (C. 2029; B. 1438 n0. 3,1439, \'1881.)

1878. Indien verscheiden hoofdschuldenaars van dezelfde schuld ieder voor het geheel verbonden waren, heeft degene, die zich voor alle tot borg gesteld heeft, op eenieder hunner zijn verhaal tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft. (C. 2030; B. 1316 v., 1318,1848,1876,1881.)

450

-ocr page 517-

BOEK III, TITEL XVIII, ARTT. 1872—1882.

1879. De borg, die eenmaal de schuld betaald heeft, heeft geen verhaal op den hoofdschuldenaar, die voor de tweede maal betaald heeft, indien hij denzelve van de door hem gedane betaling geene kennis heeft gegeven; behoudens zijne actie tot terugvordering tegen, den schuldeischer.

Indien de borg betaald heeft, zonder daartoe in regten te zijn aangesproken, en zonder den hoofdschuldenaardaar-van te hebben verwittigd, heeft hij op dezen geen verhaal, in geval die schuldenaar, op het oogenblik der betaling, gronden mogt hebben gehad om de schuld te doen vervallen verklaren, onverminderd de regstvordering van den borg tot terugvordering tegen den schuldeischer. (C. 2031; B. 1395, 1897, 1539, 1876.)

1880. De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, den schuldenaar aanspreken om door denzelven schadeloos gesteld, of van zijne verbindtenis ontheven te worden:

1°. Indien hij tot betaling in regten vervolgd wordt: (B. 1868 v.)

2Ö. Ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementsivet. (Verg. F. 135.) a)

3°. Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen zekeren tijd het ontslag van zijnen borgtocht te bezorgen; (B. 1374.)

4°. Indien de schuld opeischbaar is geworden door het verschijnen van den termijn, op welken zij betaalbaar was gesteld; (B. 1304 v.)

5°. Na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbind-tenis geenen bepaalden vervaltijd heeft, ten ware de hoofd verbindtenis van dien aard zij, dat zij niet voor eenen bepaalden tijd kan vervallen, zoo als eene voogdij. (B. 468, 472. — C. 2032; B. 1887.)

1881. Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval bij n0. 1 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.

De bepaling van het tweede lid van artikel 1329 is ten dezen toepasselijk. (C. 2033; B. 1873, 1878; F. 1, 135.)

Het eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 3 der Wet ter invoering van de Faillissementsivet. b)

VIERDE AFDEEL ING.

Van het te niet gaan van borgtogt.

1882. De verbindtenis, uit borgtogt voortspruitende gaat te niet door dezelfde oorzaken, waardoor de overige ver-

a) Art. 18Q0 no. 2 luidde: „Indien de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen.quot;

b) Het oorspronkelijke eerste lid van art. 1881 luidde: „Indien verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg, die de schuld voldaan heeft, in de gevallen bij no. 1 en 2 van het vorige artikel voorzien, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.quot;

451

-ocr page 518-

BURGERLIJK WETBOEK.

bindtenissen eindigen. (C. 2034; B. 1417, 1444, 1445, 1446, 1460 b en c, 1466a, 4473a en b, 1478, 1479, 1610, 1858a, 1883, 1894, 1975amp;, 1976, 2021.)

1883. De schuldvermenging, welke plaats heeft tusschen den persoon van den. hoofdschuldenaar en dien van den borg, wanneer de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt geenszins de regtsvordering van den schuldeischer tegen dengenen, die zich tot borg gesteld heeft van den borg. (C. 2035; B. 1473a en b, 18606.)

188é. De borg kan zich tegen den schuldeischer van alle exceptien bedienen, die aan den hoofdschuldenaar toekomen en tot de schuld zelve behooren.

Maar hij kan geene exceptien in het midden brengen, welke alleen den persoon van den schuldenaar betreffen. (C. 2036; B. 1323, 1356 v., 1366 v., 18586, 1869 n». 3.)

1885. De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van den schuldeischer, niet meer treden kan in de regteti, hypotheken en voorregten van dien schuldeischer. (C. 2037; B. 1438 n0. 3, 1877.)

1886. De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander goed, door den schuldeischer in betaling der hoofdschuld gedaan, ontslaat den borg, al ware het ook, dat hetzelve goed naderhand van den schuldeischer wierd uitgewonnen. (C. 2038; B. 1425.)

1887. Een eenvoudig uitstel van betaling, door den schuldeischer aan den hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat den borg niet; doch deze kan, in dat geval, den schuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken, of om hem het ontslag van zijnen borgtogt te bezorgen. (C. 2039; B. 1880.)

NEGENTIENDE TITEL.

Van dading.

1888. Dading is eene overeenkomst, waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanhangig geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.

Deze overeenkomst is slechts van waarde, indien zij schriftelijk is aangegaan, al mogt zij ook eene zaak betreffen, waaromtrent het bewijs door getuigen zoude kunnen worden toegelaten. (C. 2044; B. 1163, 18336, 1834, 1895, 1932 v., 1967, 2007; K. 16, 884; B. O. 43, 556, 66; Bv. 19,829 v., 620.)

1889. Om eene dading te treffen, moet men de bevoegdheid hebben om over de onderwerpen, in de dading begrepen, te kunnen beschikken.

Voogden en curators kunnen geene dading treffen dan zich gedragende overeenkomstig de bepalingen van den zestienden en achttienden titel des eersten hoeks van dit Wetboek.

De gemeenten en openbare instellingen kunnen geene dading treffen, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten die haar betreffen. (C. 2045; B. 163 v., 354 v., 465, 470, 506c, 1690 v., 18336, 1834; Rv. 19, 157, 330; R. 0.43,556,66; F. 104; Prov. w., a. 132 en 133; Gem. w., a. 137 enl945r; Armenw. a. 16; Stb.1850 n0. 99; Consul, w., a. 6, zie chron. lijst.)

452

-ocr page 519-

BOEK III, T(TEL XVIII EN XIX, ARTT. 1883—1899. 453

1890. Men kan over de burgerlijke belangen, die uit een strafbaar feit ontstaan, dading treffen.

Aldus gewijzigd bij art. 13 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 93). a)

De dading belet geenszins de vervolging van het openbaar ministerie. (C. 2046; B. 3236,1401 v.; Sv. 5; Alg. w., a. 229 v.; Stb. 1841 n0. 42, a. 22, zie chron. lijst; Sr. 74 A—C.)

1891. Dadingen bepalen zich tot derzelver onderwerp; de daarbij gedane afstand van alle regten, actiën en vorderingen moet slechts verstaan worden, voor zoo verre die betrekking hebbe tot het verschil, hetwelk tot die dading heeft aanleiding gegeven. (C. 2048; B. 1386.)

1892. Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen, welke daarin begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoeling in bijzondere of algemeene bewoordingen bevat hebben, hot zij men die bedoeling afleide als een noodzakelijk gevolg van hetgeen uitgedrukt is. (G. 2049; B. 1379 v., 1900.)

1893. Indien degene, die eene dading getroffen heeft over een regt, hetwelk hem uit eigen hoofde toekwam, vervolgens een dergelijk regt van een\' ander\' verkrijgt, is hij, met betrekking tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane dading niet gebonden. (G. 2050; B. 880, 1002.)

1894. Dadingen, door een\' der belanghebbenden aangegaan, verbinden de overige belanghebbenden niet, en kunnen door hen niet worden ingeroepen. (G. \'2051; B. 1376a, 1874 v.)

1895. Dadingen hebben tusschen partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort.

Men kan tegen dezelve niet opkomen, het zij uit hoofde van dwaling in het regt, het zij uit hoofde van benadeeling. (G. 2052; B. 1163, 1358, 1374, 1486, 1963.)

1896. Niettemin kan eene dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaats gehad omtrent den persoon, of omtrent het onderwerp van het geschil.

Zij kan vernietigd worden in alle de gevallen, waarin bedrog of geweld heeft plaats gehad. (G. 2053; B. 1158 j0.1163, 1358, 1359 v., 1364, 1485, 1899, 1900; Bv. 382 n°. 1.)

1897. Insgelijks kan men de vernietiging eener dading vragen, wanneer dezelve, ten gevolge eener dwaling in feiten, is aangegaan ten aanzien van eenen titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over die nietigheid eene dading gesloten hebben. (G. 2054; B 1358, 1895, 1896, 1929, 1931.)

1898. Eene dading, aangegaan op grond van stukken, die naderhand zijn bevonden valsch te zijn, is ten eenen-male nietig. (G. 2055; Rv. 176 v., 382 n0. 7.)

1899. Eene dading over een geschil, waaraan reeds een einde is gemaakt door een vonnis hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, doch waarvan partijen, of eene derzelve, geene kennis droegen, is nietig.

Indien het vonnis, waarvan partijen geene kennis droegen, aan eenig beroep onderhevig was, is de dading van waarde.

a) Oorspronkelijk werd, in plaats van de woorden „strafbaar feit,quot; gelezen het woord „misdrijf.quot;

-ocr page 520-

BURGERLIJK WETBOEK.

bindtenissen eindigen. (C. 2034; B. 1417, 1444, 1445, 1446, 1460 b en c, 1466o, 1473a en h, 1478, 1479, 1610, 1858a, 1883, 1894, 19756, 1976, 2021.)

1883. De schuldvermenging, welke plaats heeft tusschen den persoon van den . hoofdschuldenaar en dien van den borg, wanneer de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt geenszins de regtsvordering van den schuldeischer tegen dengenen, die zich tot borg gesteld heeft van den borg. (C. 2035; B. 1473a en h, 18606.)

1884. De borg kan zich tegen den schuldeischer van alle exceptien bedienen, die aan den hoofdschuldenaar toekomen en tot de schuld zelve behooren.

Maar hij kan geene exceptien in het midden brengen, welke alleen den persoon van den schuldenaar betreffen. (G. 2036; B. 1323, 1356 v., 1366 v., 18586, 1869 n0. 3.) ■ 1885. De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van den schuldeischer, niet meer treden kan in de regten, hypotheken en voorregten van dien schuldeischer. (C. 2037; B. 1438 n0. 3, 1877.)

1886. De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander goed, door den schuldeischer in betaling der hoofd-schuld gedaan, ontslaat den borg, al ware het ook, dat hetzelve goed naderhand van den schuldeischer wierd uitgewonnen. (C. 2038; B. 1425.)

1887. Een eenvoudig uitstel van betaling, door den schuldeischer aan den hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat den borg niet; doch deze kan, in dat geval, den schuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken, of om hem het ontslag van zijnen borgtogt te bezorgen. (C. 2039; B. 1880.)

NEGENTIENDE TITEL.

Van dading.

1888. Dading is eene overeenkomst, waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanhangig geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.

Deze overeenkomst is slechts van waarde, indien zij schriftelijk is aangegaan, al mogt zij ook eene zaak betreffen, waaromtrent het bewijs door getuigen zoude kunnen worden toegelaten. (G. 2044; B. 1163, 18336, 1834, 1895, 1932 v., 1967, 2007; K. 16. 884; B. 0.43,556, 66; Bv. 19, 329 v., 620.)

1889. Om eene dading te treffen, moet men de bevoegdheid hebben om over de onderwerpen, in de dading begrepen, te kunnen beschikken.

Voogden en curators kunnen geene dading treffen dan sich gedragende overeenkomstig de bepalingen van den zestienden en achttienden titel des eersten hoeks van dit Wetboek.

De gemeenten en openbare instellingen kunnen geene dading treffen, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten die haar betreffen. (G. 2045; B. 163 v., 354 v., 465, 470, 506c, 1690 v., 18336, 1834; Rv. 19, 157, 330; R. 0.43,556,66; F. 104; Prov. w., a. 132 en 133; Gem. w., a. 137 en 194(7; Armenw. a. 16; Stb. 1850 n0. 99; Gonsul. w., a. 6, zie chron. lijst.)

452

-ocr page 521-

BOEK UI, TITEL XVIII EN XIX, ARTT. 1883—1899. 453

1890. Men kan over de burgerlijke belangen, die uit een strafbaar feit ontstaan, dading treffen.

Aldus gewijzigd bij art. 13 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 93). a)

De dading belet geenszins de vervolging van het openbaar ministerie. (C. 2046; B. 3236,1401 v.; Sv. 5; Alg. w., a. 229 v.; Stb. 1841 n0. 42, a. 22, zie chron. lijst; Sr. 74 A—C.)

1891. Dadingen bepalen zich tot derzelver onderwerp; de daarbij gedane afstand van alle regten, actiën en vorderingen moet slechts verstaan worden, voor zoo verre die betrekking hebbe tot het verschil, hetwelk tot die dading heeft aanleiding gegeven. (C. 2048; B. 1386.)

1892. Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen, welke daarin begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoeling in bijzondere of algemeene bewoordingen bevat hebben, het zij men die bedoeling afleide als een noodzakelijk gevolg van hetgeen uitgedrukt is. (C. 2049; B. 1379 v., 1900.)

1893. Indien degene, die eene dading getroffen heeft over een regt, hetwelk hem uit eigen hoofde toekwam, vervolgens een dergelijk regt van een\' ander\' verkrijgt, is hij, met betrekking tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane dading niet gebonden. (C. 2050; B. 880, 1002.)

1894. Dadingen, door een\' der belanghebbenden aangegaan, verbinden de overige belanghebbenden niet, en kunnen door hen niet worden ingeroepen. (C. 2051; B. 1376a, 1874 v.)

1895. Dadingen hebben tusschen partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort.

Men kan tegen dezelve niet opkomen, het zij uit hoofde van dwaling in het regt, het zij uit hoofde van benadeeling. (C. 2052; B. 1163, 1358, 1374, 1486, 1963.)

189G. Niettemin kan eene dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaats gehad omtrent den persoon, of omtrent het onderwerp van het geschil.

Zij kan vernietigd worden in alle de gevallen, waarin bedrog of geweld heeft plaats gehad. (C. 2053; B. 1158 j0.1163, 1358, 1359 v., 1364, 1485, 1899, 1900; Rv. 382 n0. 1.)

1897. Insgelijks kan men de vernietiging eener dading vragen, wanneer dezelve, ten gevolge eener dwaling in feiten, is aangegaan ten aanzien van oenen titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over die nietigheid eene dading gesloten hebben. (C. 2054; B 1358, 1895, 1896, 1929, 1931.)

1898. Eene dading, aangegaan op grond van stukken, die naderhand zijn bevonden valsch te zijn, is ten eenen-male nietig. (C. 2055; Rv. 176 v., 382 n0. 7.)

1899. Eene dading over een geschil, waaraan reeds een einde is gemaakt door een vonnis hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, doch waarvan partijen, of eene derzelve, geeno kennis droegen, is nietig.

Indien het vonnis, waarvan partijen geene kennis droegen, aan eenig beroep onderhevig was, is de dading van waarde.

a) Oorspronkelijk werJ, in plaats van de woorden „strafbaar feit,quot; gelezen het woord „misdrijf.quot;

-ocr page 522-

BURGERLIJK WETBOEK.

(C. 2056; B. 1896, 1954; Rv. 81 v., 332 v., 359 v., 376 v., 382 v., 398 v.)

1900. Indien partijen, in het algemeen, eene dading hebben aangegaan over alle zaken, welke zij met elkander uitstaande hebben, leveren de bescheiden die hun toen onbekend waren, doch naderhand ontdekt zijn, geenen grond op tot vernietiging der dading, ten ware dezelve door toedoen van eene der partijen mogten zijn achtergehouden.

Maar de dading is nietig, indien dezelve slechts eene enkele zaak tot onderwerp had, waarop door de naderhand ontdekte bescheiden gebleken mogt zijn dat eene der partijen geen het minste regt had. (C. 2057; B. 1891 v., 1896b; Rv. 382 n0. 8.)

1901. Ëen misslag van berekening, bij eene dading begaan, moet hersteld worden. (C. 2058.)\'

VIEEDE BOEK.

VAN BEWIJS EN VERJARING.

EERSTE TITEL.

Van bewijs in het algemeen.

1902. Een iegelijk, die beweert eenig regt te hebben, of zich op eenig feit, tot staving van zijn regt of tot tegenspraak van eens anders regt, beroept, moet het bestaan van dat regt of van dat feit bewijzen. (C. 1315; B. 305, 627fgt;, 1430,1475, 1806; Rv. 48, 76, 103a en h, 199, 237 v., 876 v.)

1903. De bewijsmiddelen bestaan in:

Het schriftelijk bewijs; (B. 1904 v.)

Het bewijs door getuigen; (B. 1932 v.)

De vermoedens; (B. 1952 v.)

De bekentenis; (B. 1960 v.)

Den eed. (B. 1966.)

Alles met inachtneming der regelen bij de volgende titels voorgeschreven. (C. 1316; B. 221c, 1638, 1737; Rv. 219 v. 222 v.; Sv. 892.) _

TWEEDE TITEL.

Van schriftelijk bewijs.

1904. Schriftelijk bewijs geschiedt door authentieke of door onderhandsche geschriften. (B. 320, 1903, 1905 v., 1911 v., 19396; Sv. 400.)

1905. Eene authentieke akte is de zoodanige, welke in den wettelijken vorm is verleden door of ten overstaan van openbare ambtenaren, die daartoe bevoegd zijn ter plaatse alwaar zulks is geschied. (C. 1317; A. 10; B. 13 v., 336, 410, 985, 1000, 1231 n0. 2, 1904, 1926; Sr. 225 v.; Rv. 1 v.,184 n0. 1; W. not. ambt, a. 1, 7, 21 v.; Consul, w. a. 12 v., 17 v.)

454

1906. Eene akte, welke uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van den ambtenaar, of a) uit hoofde van een gebrek in den vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft echter kracht van een onderhandsch geschrift, indien dezelve door partijen onderteekend is. (C. 1318; B. 1911.)

a) In O. E. ontbreekt het woord: of.

-ocr page 523-

BOEK IV, TITEL I EN II, ARTT. 19Ü0—1915.

1907. Eene authentieke akte levert tusschen partijen en derzelver erfgenamen of regtverkrijgenden een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat. (C. 1319; B. 24, 191\'2, 1934: Rv. 52 n». 1, 436; Sv. 400.)

1908. Eene authentieke akte levert echter geen volledig bewijs op omtrent het geen daarin als een bloot te kennen geven voorkomt, dan voor zoo verre het te kennen gegevene in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte.

Indien hetgeen daarbij als een bloot te kennen geven voorkomt, niet in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte, kan hetzelve alleen dienen tot begin van schriftelijk bewijs. (G. 1320; B. 1912, 1934, 1939amp;.)

1909. Indien eene authentieke akte, van welken aard ook, van valschheid beticht wordt, kan derzelver uitvoering worden geschorst, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. (G. 1319; Rv. 100, 176 n». 3, 178, 193 v.)

1910. Nadere overeenkomsten, aangegaan bij eene afzonderlijke akte, in strijd met de oorspronkelijke, leveren alleen bewijs op tusschen de partijen, die tot zoodanige akte zijn toegetreden, en hunne erfgenamen of regthebbenden, doch zij kunnen niet tegen derden werken. (C. 1321; B. 203,1376; Loi du 22 Primaire an VII, a. 40 (Fortuijn 1, 496).)

1911. Als onderhandsche geschriften worden aangemerkt onderhands geteekende akten, brieven, registers, huisselijke papieren en andere schriften, welke zonder tusschenkomst van eenen openbaren ambtenaar zijn opgemaakt. (B. 1904, 1912, 1915, 1917, 1918; Rv. 184 n0. 2.)

1912. Een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door dengene, tegen vvien rnen zich daarop beroept, of hetwelk op eene wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert, ten aanzien van de onderteekenaars, en derzelver erfgenamen en regtverkrijgenden, hetzelfde volledig bewijs op als eene authentieke akte, en de bepaling van artikel 1908 is op gelijke wijze daarop toepasselijk. (C. 1322; B. 880, 1002, 1907, 1917; Rv. 52 n». 2; Sv. 400.)

1913. Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch geschrift beroept, is verpligt zijn schrift of zijne handteekening stellig te erkennen of te ontkennen; doch zijne erfgenamen of regtverkrijgenden kunnen volstaan met te verklaren, dat zij hetzelve niet erkennen als het schrift of de handteekening van dengenen, wien zij vertegenwoordigen. (C. 1323; Rv. 52 n0. 2, 100, 176 nquot;. 1 en 2, 177, 181.)

1914. In geval iemand zijn schrift of zijne handteekening ontkent, of indien deszelfs erfgenamen of regtverkrijgenden verklaren dezelve niet te erkennen, moet de regter bevelen, dat de echtheid daarvan geregtelijk onderzocht worde. (G.1324; Rv. 176 n0. 1 en 2, 177, 179 v.)

1915. Onderhandsche eenzijdige schuldverbindtenissen tot voldoening van gereed geld of van eene zaak, welke op eene bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven worden met de hand van dengenen, die dezelve onderteekend heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de handteekening, met de hand des onderteekenaars ge-

455

-ocr page 524-

BURGERLIJK WETBOEK.

schreven worden eene goedkeuring, houdende in voluit-geschrevene letters de som of de hoegrootheid of de hoeveelheid der verschuldigde zaak.

Bij gebreke hiervan kan de geteekende akte, indien de verhindtenis wordt ontkend, slechts als een begin van schriftelijk bewijs worden aangenomen.

De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel. (G. 1326; B. i939amp;; K. 100 v., 208 v., 210 v., 221 v., 255 v., 507 v., 592 v.)

1916. Indien de som, welke bij de akte zelve vermeld is, verschilt van die, welke bij de goedkeuring uitgedrukt staat, wordt de verbindtenis gerekend voor de minste som te zijn aangegaan, zelfs dan ook wanneer de akte mitsgaders de goedkeuring geheel en al door de hand van dengenen, die zich verbonden heeft, geschreven zijn; ten ware men kunne bewijzen, in welk van beide gedeelten van het stuk de misslag heeft plaats gehad. (C. 1327; B. 1385, 1958.)

1917. Onderhandsche akten hebben, ten aanzien harer dagteekening, tegen derden geene kracht, dan van den dag dat dezelve zijn geregistreerd; of van den dag, waarop degenen, of e\'en van degenen, die dezelve onderteekend hebben overleden zijn; of van dien, waarop derzelver bestaan bewezen wordt bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt; of wel van den dag, waarop de derde, tegen wien men zich van de akte bedient, derzelver bestaan schriftelijk heeft erkend. (C. 1328; B. 1905, 1912; K. 100, 134; F. 123; Loi du 22 Frimaire an VII (Fortuyn I, 484 v.); Stb. 1832 n». 29.)

1918- Registers en huisselijke papieren leveren geen bewijs op ten voordeele van dengenen, die dezelve geschreven heeft; zij strekken tot bewijs tegen hem:

1°. In alle de gevallen, waarin die stukken stellig melding maken van eene ontvangene betaling;

20- Wanneer zij uitdrukkelijke melding maken, dat de aanteekening geschied is om een gebrek in den titel aan te vullen, ten behoeve van dengenen, te wiens voordeele zij eene verbindtenis aanduiden.

In alle andere gevallen zal de regter daarop zoodanig acht slaan, als hij zal vermeenen te behooren. (C. 1331; B. 320, 1911, 1919, 19396, 1959.)

1919. Koopmansboeken leveren een bewijs op tegen personen, die geen handel drijven, ten aanzien der hoedanigheid en der hoeveelheid van de leverancien, welke daarop ge-bragt zijn; mits het van elders bewezen zij, dat de koopman gewoon was aan de tegenpartij dergelijke leveringen op crediet te doen, mitsgaders dat de boeken overeenkomstig de bij het Wetboek van Koophandel voorgeschrevene formaliteiten gehouden zijn, en eindelijk, dat de koopman de echtheid zijner vordering onder eede bevestige.

Indien de koopman overleden is, moeten zijne erfgenamen onder eede verklaren dat zij te goeder trouw gelooven, dat de schuld bestaat en onvoldaan is.

Koopmansboeken, niet rigtig gehouden, kunnen echter tot bewijs strekken tegen den koopman. (C. 1329, 1330;

456

-ocr page 525-

DOEK IV, TITEL II, ARTT. 1046—1926.

B. 1904, 1918, 1966 v., 2010b; K. 6, 10 v., 68; F. 119amp;.)

1920- Aanteekeningen, door eenen schuldeischer gesteld op eenen titel, die altijd in deszelfs bezit is gebleven, verdienen geloof, alhoewel dezelve door hem noch onderteekend, noch gedagteekend zijn, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding van den schuldenaar.

Hetzelfde geldt omtrent aanteekeningen, welke de schuldeischer op het dubbel van eenen titel of op eene kwijting gesteld heeft, mits dit dubbel of deze kwijting in het bezit van den schuldenaar zij. (G. 1332; B. 1953 n0. 2.)

1921. De eigenaar van eenen titel kan daarvan, te zijnen koste, de vernieuwing vorderen, indien het schrift wegens ouderdom of eenige andere reden onleesbaar wordt. (C. 2263.)

1922. Indien een titel gemeen is tusschen verscheidene personen, is ieder derzelve bevoegd te vorderen, dat die op eene derde plaats in bewaring worde gebragt, mitsgaders om daarvan te zijnen koste een afschrift of uittreksel te laten maken. (B. 1127 v., 1925; K. 11. 35, 67a.)

1923. In eiken stand van een regtsgeding kan eene partij van den regter verzoeken, dat hare wederpartij bevolen worde om de stukken over te leggen, die aan beide partijen gemeen zijn, de zaak in geschil betreffen en zich onder hare berusting bevinden. (Rv. 147—149, 833 v.; K. 11 v., 676.)

1924. Kerfstokken, met hun dubbel overeenkomende, verdienen geloof tusschen degenen, die gewoon zijn om de leverancien, welke zij in het klein doen, of ontvangen, op dusdanige manier te bewijzen. (G. 1333; B. 1904, 1911.)

1925- De kracht van een schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.

Wanneer de oorspronkelijke akte bestaat, verdienen de afschriften en de uittreksels slechts geloof, voor zoo verre die overeenstemmen met het oorspronkelijke stuk, welks vertooning steeds kan gevorderd worden. (G. 1334; B. 24, 1926, 1928; Rv. ib, 147—149; K. 24 v.)

1926- Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer aanwezig is, leveren de afschriften bewijs op, met inachtneming der navolgende bepalingen:

1°. De grossen of eerst uitgegevene afschriften leveren hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte; hetzelfde geldt omtrent afschriften, welke op regterlijk gezag, in tegenwoordigheid van partijen, of deze partijen behoorlijk opgeroepen zijnde, zijn opgemaakt, gelijk mede omtrent dezoodanige, welke opgemaakt zijn in tegenwoordigheid der partijen, en met der-zelver vvederzijdsche goedkeuring;

2°. De afschriften, welke zonder tusschenkomst van den regter, of buiten toestemming van partijen, en na de uitgifte der grossen of eerste afschriften, volgens de minuut van de akte gemaakt zijn door den notaris, voor wien die akte is verleden, of door een van zijne opvolgers, of door ambtenaren, welke, in deze hunne betrekking, de minuten in bewaring hebben en tot de uitgifte van afschriften bevoegd zijn, kunnen, in geval de

457

-ocr page 526-

BURGERLIJK WETBOEK.

oorspronkelijke akte verloren is geraakt, door den regter als volledig bewijs worden aangenomen;

3°. Wanneer de afschriften, die naar de minuut eener akte gemaakt zijn, niet vervaardigd zijn door den notaris, voor wien die akte verleden is, of door een zijner opvolgers, of door openbare ambtenaren, die als zoodanig de minuten onder hunne berusting hebben, kunnen dezelve nimmer anders dan tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken;

4°. Authentieke afschriften van authentieke afschriften of van onderhandsche akten kunnen, naar omstandigheden, een begin van schriftelijk bewijs opleveren. (C. 1335; B. 24, 1908, 1925, 19396; W. not. ambt, a. 43: Rv. 19b, 62, 64, 187, 430. 436,838,841,843.)

1927. De overschrijving van eene akte in de openbare registers kan alleenlijk tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken. (C. 133G; B. 671, 743, 760, 7676,7846, 807a, 865, 1224 v., 19396; K. 23, 386, 3096, 571.)

1928. Akten van erkentenis ontslaan van de verpligting om den oorspronkelijken titel te berde te brengen, mits daaruit genoegzaam van den inhoud des titels blijke. (C. 1337; B. 1925; Rv. 147—149.)

1929. Eene akte, waarbij eene verbindtenis, tegen welke de wet eene vordering tot nietigverklaring of tenietdoening toelaat, bevestigd of bekrachtigd wordt, is slechts van waarde, indien zij melding maakt van den hoofdinhoud dezer verbindtenis, alsmede van de reden waarom de tenietdoening zoude kunnen gevraagd worden, en van het oogmerk om het gebrek waarop die vordering zoude berusten, te verbeteren.

Bij gebreke van eene akte van bevestiging of bekrachtiging, is het voldoende dat de verbindtenis vrijwillig is ten uitvoer gebragt na het tijdstip, waarop dezelve, op eene bestaanbare wijze, had kunnen bevestigd of bekrachtigd worden.

De bevestiging, bekrachtiging of vrij willige nakoming eener verbindtenis, in den vorm en op het tijdstip, door de wet vereischt, gedaan, wordt gerekend voor eenen afstand der middelen en exceptien, welke men anders tegen die akte zoude hebben kunnen in het midden brengen; onverminderd nogtans het regt van derden. (C. 1338; B. 172, 1363, 14216, 1482 v., 1492, 18446, 1897, 1931.)

1930. Een schenker kan door geene akte van bevestiging de gebreken verhelpen eener schenking die nietig in den vorm is; dezelve schenking moet om geldig te zijn, op nieuw in den wettigen vorm worden gebragt. (C. 1339; B. 1719, 1929; F. 44—46, 50.)

1931. De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener schenking, door de erfgenamen of regtverkrij-genden van den schenker, na deszelfs overlijden, gedaan, versteekt dezelve van de bevoegdheid om zich op eenip gebrek in den vorm te beroepen. (C. 1340; B. 1897,1929,1930.)

458

-ocr page 527-

BOEK IV, TITEL II EN HI, ARTT. 1927—\'1940. 459

DERDE TITEL.

Van bewijs door getuigen.

1932. Het bewijs door getuigen wordt toegelaten in alle de gevallen, waarin hetzelve niet door de wet wordt uitgesloten. (B. 4903, 1933 v., 1964; F. 66.)

1933. Dit bewijs wordt niet toegelaten om het aanwezen aan te toonen van eenige akte of overeenkomst, welke hei zij eene verbindtenis, het zij eene ontheffing van schuld bevat, wanneer het onderwerp de som of de waarde van drie honderd gulden te boven gaat. (C. 1341; B. 1604,1737, 1741, 1934, 1936—1940)

1934. Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten nopens hetgeen tegen of boven den inhoud der schriftelijke akte gevorderd wordt, noch ook omtrent hetgeen men mogt beweren, dat vóór, ten tijde, of na het opmaken van zoodanige akte zoude zijn gezegd, al mogt ook de som of waarde, waarover het geschil is, minder dan drie honderd gulden bedragen. (C. 1341a; B. 1904 v., 1964.)

1935. De bepalingen der. twee bovenstaande artikelen zijn geenszins op zaken van koophandel toepasselijk. (C. 1341b; K. 16.)

1936. De bepaling van artikel 1933 is van toepassing, wanneer bij de regtsvordering, buiten en behalve de hoofdsom, ook interessen gevorderd worden, welke, met de hoofdsom vereenigd, de som van drie honderd gulden te boven gaan. (C. 1342; B. 1343b, 1802 v.)

1937. Die eenen eisch gedaan heeft, drie honderd gulden te boven gaande, kan niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten, al mogt hij ook zijne oorspronkelijke vordering tot die som verminderen. (C. 1343; Rv. 134.)

1938. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten in een geding, waarin minder dan drie honderd gulden geëischt wordt, wanneer de gevorderde som het overschot of een gedeelte uitmaakt van eene grootere inschuld, welke niet bij geschrifte bewezen is. (C. 1344; R. O. 38 n0. 2.)

1939. De hier-boven gestelde regelen lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.

Men noemt aldus alle geschrevene akten, welke voortgekomen zijn van dengenen, tegen wien de vordering gedaan wordt, of van dengenen dien hij vertegenwoordigt, en welke de daadzaak, waarop men zich beroept, waarschijnlijk maken. (G. 1347: B. 319b, 320, 343c-, 1604, 1737, 1908b, 1911, 1915b, 1926 n®. 4, 1927, 1964, 1978; K. 258.)

1940. Dezelfde regelen lijden insgelijks uitzondering in alle de gevallen, waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.

Deze uitzondering is onder andere toepasselijk:

1®. Op verbindtenissen, die uit kracht der wet, tengevolge van \'s menschen toedoen, geboren worden; (B. 1398 v.)

2°. Op bewaargevingen uit noodzaak en op de zoodanige, welke gedaan zijn door reizigers in de herberg, waar zij hunnen intrek hebben genomen: alles naar mate van de hoedanigheid der personen, en naar gelang

-ocr page 528-

BURGERLIJK WETBOEK.

van de omstandigheden der zaak; (B. 1741, \'1746.)

3°. Op verbindtenissen, welke bij onvoorziene toevallen; waarbij men geene schriftelijke akte heeft kunnen opmaken, aangegaan zijn;

4°. In geval de titel, welke tot schriftelijk bewijs dienen moest, door eene toevallige, onvoorziene en door overmagt te weeg gebragte gebeurtenis is verloren geraakt. (C. 1348.)

1941. In de gevallen, waarin bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten de volgende bepalingen worden in acht genomen. (B. 1942 v.; Rv. 103 v., 199 v.)

1942. De verklaring van eenen enkelen getuige, zonder eenig ander middel van bewijs, verdient in regten geen geloof. (B. 1943, 1945; Sv. 397a.)

1943. Indien de afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen van verscheidene personen, omtrent verschillende feiten, door haren zamenloop en verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak, wordt het aan het oordeel des regters overgelaten om aan die afzonderlijke getuigenissen zoodanige kracht toe te kennen, als de omstandigheden dit mogten vereischen. (B. 1942,1945; Sv. 3976 en c.)

1944. Iedere getuigenis moet met reden van wetenschap bekleed zijn.

Bijzondere meeningen of gissingen, bij redenering opgemaakt, zijn geene getuigenissen. (Sv. 398.)

1945. In de beoordeeling der waarde van de getuigenis, moet de regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenkomst der getuigen, op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak in hst geding bekend is, op de beweegredenen, welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en, in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben. (B. 1943, 1944; Sv. 399.)

1946. Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zijn verpligt getuigenis in regten af te leggen. (Rv. 116 v., 200, 876 v.; F. 66c; Sv. 66; Sr. 192 n«. 2.)

Niettemin kunnen zich van het afleggen van getuigenis verschoonen:

1°. Die aan eene der partijen in de zijdlinie bestaan in den tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap; (B. 352, 1947, 1950 n0. 1.)

2°. Die den echtgenoot van eene der partijen bestaan in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie in den tweeden graad; (B. 350, 1950 n0. 2.)

Squot;. Alle degenen, die, uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd. (W. not. ambt, a. 18, 76; Stb. 1878 n0. 222, a. 21; Sr. 272, 272A—272Z. — Sv, 66, 162 v., 188 v., 396; F. 66d.)

1947. Als onbekwaam om getuigen te zijn worden be-

460

-ocr page 529-

BOEK IV, TITEI. Ill, ARTT. 1941—1951. 461

schouwd, en mogen niet worden gehoord, de bloed- en aanverwanten van eene der partijen in de regte linie, en de echtgenoot, zelfs na eene plaats gehad hebbende echtscheiding. (Pr. 268; K. 384c; B. 20, 254, 1946, 1951; F. 66d; W. not. ambt, a. 23 v.; Sv. 162.)

1948. De getuigen moeten, volgens de wijze hunner godsdienstige gezindheid, zweren of beloven, dat zij de waarheid zullen zeggen. (Pr. 262; G. 167; Rv. 107a, 200., Sv. 161b.)

1949. Zij die den vollen ouderdom van vijftien jaren niet hebben bereikt, mitsgaders zij die ter zake van on-noozelheid, krankzinnigheid of razernij zijn onder curatele gesteld, of hangende het geding, op bevel des regters, zich bij voorraad in verzekerde bewaring bevinden, kunnen niet als getuigen worden toegelaten.

Het staat echter aan den regter vrij om zoodanige minderjarigen, of ook onder curatele gestelden, die bij tusschen-poozen het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder eeds-aflegging te hooren, doch derzelver verklaringen zullen slechts als toelichting mogen worden aangemerkt.

De regter zal alzoo geen geloof mogen slaan op hetgeen die onbevoegde personen verklaren te hebben gehoord, gezien, bijgewoond en ondervonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met, en op het spoor te geraken van daadzaken, welke door de gewone middelen nader kunnen worden bewezen. (Pr. 285; B. 5Ö9b;Sv. 164, 396, 409.)

1950. Als getuigen kunnen gewraakt worden;

1°. Die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van eene der partijen, tot den vierden graad ingesloten; (B 1946 n°. 1, 1947, 1951.

2°. De aanverwant van den echtgenoot van eene der partijen, in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie tot in den vierden graad ingesloten; (B. 1946 n0.2.)

3°. De vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstboden of bedienden van eene der partijen, of hij die een dadelijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft; (B. 991 b, 1951; K. 492.)

4°. Die ter zake van meineed of van een der misdrijven, waarop in geval van herhaling art. 421 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld. (B. 991b; Sv. 165. — Pr. 282 v.; K. 384c; B 1951; Rv. 108, 200.)

Aldus gewijzigd bij art. 14 der V/et van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

1951. Nogtans zullen bloed- en aanverwanten, mitsgaders dienstboden en bedienden, in twistgedingen betrekkelijk tot den burgerlijken staat der partijen, alszoodanig noch onbe-

a) Oorspronkelijk luidde art. 1950 no. 4; „Die tot eene lijf- of ont-eerende straf, of zelfs ter zake van diefstal, opligting, valschheid, of misbruik van vertrouwen, tot eene niet onteerende straf is veroordeeld.quot;

-ocr page 530-

BURGER!,IJK WETBOEK.

kwaam zijn, noch kunnen gewraakt worden. (C. 251; B. 156, 264, 306 v,, 317, 319, 343, 491, 1946 v., 1950, — Rv.827; K. 492, 384c.

VIERDE TITEL.

Van vermoedens.

1952. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen, welke de wet of de regter uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak afleidt. (G. 1349; B. 3196, 1903; Sv. 406.)

Zij zijn van tweederlei aard;

Wettelijke, (B. 1953 v.)

En de zoodanige welke niet op de wet zelve zijn gegrond. (B. 1959.)

1953- Wettelijke vermoedens zijn de zoodanige, welke, uit krachte eener bijzondere wetsbepaling, met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn.

Van dien aard zijn, onder andere: (K. 18, 75, 539.)

1°. De handelingen, welke de wet nietig verklaart, omdat zij, door haren aard en hare hoedanigheid alleen, vermoed worden gepleegd te zijn om eene wetsbepaling te ontduiken; (B. 238b v., 958,1718; F. 43,45.)

2®. De gevallen, waarin de wet verklaart, dat de eigendom, of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstandigheden wordt afgeleid; (B. 214, 220, 68\'J, 682, 706, 707, 710, 712, 1430, 1475, 1806.)

3°. Het gezag, hetwelk de wet aan een regterlijk gewijsde toekent; (B. 1954 v.)

4°. De kracht, welke de wet aan de bekentenis van eene der partijen of aan derzelver eed toekent. (B. 1605. 1638, 1737, 1960 v., 1966 v. — C. 1350; B. 164.)

1954. Het gezdg van een geregtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot het onderwerp van het vonnis.

Om dat gezag te kunnen inroepen, wordt vereischt, dat de zaak welke gevorderd wordt dezelfde zij; dat de eisch op dezelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrekking gedaan zij. (C. 1351; B. 1376, 1895, 1899; Bv. 431, 620 v.)

1955. Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan, waarbij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, behoudens tegenbewijs. (B. 266, 265, 1401 v., 1418, 1954.)

1956. Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak bij den burgerlijken regter niet worden ingeroepen om eenen eisch tot schadevergoeding af te weren. (B. 1401 v.; Sv. 8, 4, 5.)

Art. 1955 en 1956 aldus gewijzigd bij art. 15 en, 16 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

1957. Vonnissen betrekkelijk den staat van personen,

a) Oorspronkelijk werden gelezen: in are, 1955, in plaats van „wegens eenig feitquot;: „uit hoofde van misdrijfquot;, in plaats van ..van dat feitquot;: „der gepleegde daadquot; en in art. 1956, in plaats van „feitquot;: „misdrijf.quot;

462

-ocr page 531-

BOEK IV, TITEL IV EN V, ARTT. 1952—1965.

gewezen tegen dengene, die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, zijn van kracht tegen elk en een iegelijk. (B. 72, 1954.)

1958. Een wettelijk vermoeden ontslaat dengene, in wiens voordeel hetzelve bestaat, van alle verdere bewijzen.

Geen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten, in geval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, of den regts-ingang weigert; ten zij de wet zelve het tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent den geregte-lijken eed en de geregtelijke bekentenis vastgesteld is. (C. 1352; B. 214, 305 v., 1430, 1475, 1806, 1953 nquot;. 1, 1960 v., 1966; F. 43, 45.)

1959. Vermoedens, welke niet op de wet zelve gegrond zijn, worden overgelaten aan het oordeel en aan de voor-zigtigheid van den regter, die echter op geene andere letten mag dan op die welke gewigtig, naauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming zijn. Zoodanige vermoedens kunnen alleenlijk in aanmerking komen in de gevallen, waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade trouw of bedrog, tegen eene handeling of akte wordt opgekomen. (C. 1353; B. 1364, 1377, 1932, 1940; K. 274a.)

VIJFDE TITEL.

Van bekentenis.

1960. De bekentenis, Wfelke aan eene partij wordt tegengeworpen, is, of geregtelijk, of buiten regten afgelegd. (C. 1354; B. 1903, 1953 n». 4, 1962 v., 1964,2019; Sv. 403, 407 nquot;. 4.)

1961. Eene bekentenis mag niet gesplitst worden ten nadeele van dengenen die dezelve heeft afgelegd.

Het staat echter aan den regter vrij om de bekentenis te splitsen, indien de schuldenaar daarbij, tot zijne bevrijding, daadzaken heeft aangevoerd, welker valschheid wordt bewezen, (C. 1356; B. 1960; Rv. 103, 199.)

1962. De geregtelijke bekentenis levert een volledig bewijs op tegen dengenen die dezelve, het zij in persoon, het zij bij eenen bijzonderen daartoe gevoimagtigde, heeft afgelegd. (C. 1356; B. 1953 n«. 4, 1958; Rv. 19, 49, 237 v., 244a, 246, 263 v., 810, 819; Sv. 404.)

1963. De geregtelijke bekentenis kan niet herroepen worden, ten ware bewezen wierd, dat dezelve een gevolg is geweest van eene dwaling omtrent daadzaken.

ünder voorwendsel van eene dwaling omtrent het regt, kan dezelve niet herroepen worden. (C. 1356; B. 1358, 1895 v.; Rv. 263; Sv. 405.)

1964. Eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, kan niet worden ingeroepen, dan in de gevallen waarin het bewiis door getuigen is toegelaten. (C. 1355; B. 1932 v.)

In het geval bij het slot van het vorige artikel voorzien, blijft het aan des regters oordeel overgelaten welke kracht aan eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, moet worden toegekend. (B. 1943; Sv. 407 n0.4, 408.)

463

-ocr page 532-

BURGERLIJK WETBOEK.

kwaam zijn, noch kunnen gewraakt worden. (C. 251; B. 156, 264, 306 v,, 317, 319, 343, 491, 1946 v., 1950, — Rv.827; K. 492, 384c.

VIERDE TITEL.

Van vermoedens.

1952. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen, welke de wet of de regter uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak afleidt. (C. 1349; B. 319amp;, 1903; Sv. 406.)

Zij zijn van tweederlei aard:

Wettelijke, (B. 1953 v.)

En de zoodanige welke niet op de wet zelve zijn gegrond. (B. 1959.)

1953. Wettelijke vermoedens zijn de zoodanige, welke, uit, krachte eener bijzondere wetsbepaling, met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn.

Van dien aard zijn, onder andere: (K. 13, 75, 539.)

10. De handelingen, welke de wet nietig verklaart, omdat zij, door haren aard en hare hoedanigheid alleen, vermoed worden gepleegd te zijn om eene wetsbepaling te ontduiken; (B. 238b v.,958,1718; F. 43, 45.)

2°. De gevallen, waarin de wet verklaart, dat de eigendom, of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstandigheden wordt afgeleid; (B. 214, 220, C81., 682, 706, 707, 710, 712, 1430, 1475, 1806.)

3°. Het gezag, hetwelk de wet aan een regterlijk gewijsde toekent; (B. 1954 v.)

4°. De kracht, welke de wet aan de bekentenis van eene der partijen of aan derzelver eed toekent. (B. 1605, 1638, 1737, 1960 v., 1966 v. — C. 1350; B. 164.)

1954. Het gezag van een geregtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot het onderwerp van het vonnis.

Om dat gezag te kunnen inroepen, wordt vereischt, dat de zaak welke gevorderd wordt dezelfde zij; dat de eisch op dezelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrekking gedaan zij. (C. 1351; B. 1376, 1895, 1899; Rv. 431, 620 v.)

1955. Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan, waarbij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, behoudens tegenbewijs. (B. 266, 265, 1401 v.., 1413, 1954.)

1956. Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak bij den burgerlijken regter niet worden ingeroepen om eenen eisch tot schadevergoeding af te weren. (B. 1401 v.; Sv. 3, 4, 5.)

Art. 1955 en 1956 aldus gewijzigd bij art. 15 en 16 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 93). a)

1957. Vonnissen betrekkelijk den staat van personen,

a) Oorspronkelijk werden gelezen: in are. 1955, in plaats van „wegens eenig feitquot;: „uit hoofde van misdrijf\', in plaats van .,van dat feitquot;; „der gepleegde daadquot; en in art. 1956, in plaats van „feitquot;: „misdrijf.0

462

-ocr page 533-

BOEK IV, TITEL IV EN V, ARTT. 1952—1965.

gewezen tegen dengene, die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, zijn van kracht tegen elk en een iegelijk. (B. 72, 1954.)

1958. Een wettelijk vermoeden ontslaat dengene, in wiens voordeel hetzelve bestaat, van alle verdere bewijzen.

Geen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten, in geval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, of den regts-ingang weigert; ten zij de wet zelve het tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent den geregte-lijken eed en de geregtelijke bekentenis vastgesteld is. (C. 1352; B. 214, 305 v., 1430, 1475, 1806, 1953 n0. 1, 1960 v., 1966; F. 43, 45.)

1959. Vermoedens, welke niet op de wet zelve gegrond zijn, worden overgelaten aan het oordeel en aan de voor-zigtigheid van den regter, die echter op geene andere letten mag dan op die welke gewigtig, naauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming zijn. Zoodanige vermoedens kunnen alleenlijk in aanmerking komen in de gevallen, waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade trouw of bedrog, tegen eene handeling of akte wordt opgekomen. (C. 1353; B. 1364, 1377, 1932, 1940; K. 274a.)

VIJFDE TITEL.

Van bekentenis.

1960. De bekentenis, welke aan eene partij wordt tegengeworpen, is, of geregtelijk, of buiten regten afgelegd. (C. 1354; B. 1903, 1953 nquot;. 4, 1962 v., 1964,2019; Sv. 403,407 n». 4.)

1961. Eene bekentenis mag niet gesplitst worden ten nadeele van dengenen die dezelve heeft afgelegd.

Het staat echter aan den regter vrij om de bekentenis te splitsen, indien de schuldenaar daarbij, tot zijne bevrijding, daadzaken heeft aangevoerd, welker valschheid wordt bewezen. (C. 1356; B. 1960; Rv. 103, 199.)

1962. De geregtelijke bekentenis levert een volledig bewijs op tegen dengenen die dezelve, het zij in persoon, het zij bij eenen bijzonderen daartoe gevolmagtigde, heeft afgelegd. (C. 1356; B. 1953 n». 4, 1958; Rv. 19, 49, 237 v., 244a, 246, 263 v., 810, 819; Sv. 404.)

1963. De geregtelijke bekentenis kan niet herroepen worden, ten ware bewezen wierd, dat dezelve een gevolg is geweest van eene dwaling omtrent daadzaken.

Onder voorwendsel van eene dwaling omtrent het regt, kan dezelve niet herroepen worden. (C. 1356; B. 1358, 1895 v.; Rv. 263; Sv. 405.)

1964. Eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, kan niet worden ingeroepen, dan in de gevallen waarin het bewijs door getuigen is toegelaten. (C. 1355; B. 1932 v.)

1965. In het geval bij het slot van het vorige artikel voorzien, blijft het aan des regters oordeel overgelaten welke kracht aan eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, moet worden toegekend. (B. 1943; Sv. 407 n0.4, 408.)

463

-ocr page 534-

BURGERLIJK WETBOEK.

ZESDE TITEL.

Yan den geregtelijken eed.

1966- De geregtelijke eed is van tweederlei aard:

1°. Die, welke door de eene parlij aan de andere wordt opgedragen om de beslissing der zaak daarvan te doen afhangen: deze wordt genaamd beslissende eed; (B. 1967 v.)

2°. Die, welke door den regter, ambtshalve, aan eene der beide partijen wordt opgelegd. (B. 1977 v. — C. 1357; B. 1903,1953 n». 4,1971,1981,1982 ; G. 167; Besl. v. 12 Sept. 1808 (Kon. Cour. v. 24 Sept. 1808); K. B. v. 9 Juli 1817 (Bijv. t. h. Stb. IV, 2, 894 v.); K. B. v. 26 Oct. 1818 (Bijv. t. h. Stb. VII, 1540); B. 1948; Bv. 50.)

1067. De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillen, van welken aard ook, behalve degene, waarover partijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin hare bekentenis niet zoude kunnen worden in aanmerking genomen.

Dezelve kan in eiken stand van het regtsgeding worden opgedragen, zelfs dan wanneer geen ander middel hoegenaamd aanwezig is om de vordering of de exceptie, ten aanzien van welke de eed gevorderd wordt te bewijzen. (C. 1358, 1360; B. 1605, 1638, 1737, 1889, 19586, 1962, 1964, 1966 n». 1, 1978; Bv. 328, 621, 810.)

1968. Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent eene daadzaak, welke persoonlijk zoude zijne verrigt door dengene, aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten. (C. 1359; B. 1966 n0.1,1970, 20106; K. 2066, 229amp;; F. 1196; Rv. 103, 200, 237.)

1969. Hij, aan wien de eed is opgedragen, en die weigert denzelven af te leggen of terug te wijzen, of ook hij, die den eed heeft opgedragen, doch aan wien dezelve is terug gewezen, en die weigert den eed af te leggen, moet in zijne vordering of exceptie in het ongelijk worden gesteld. (C. 1361; B. 1980, 1981 1982; Rv. 506.)

1970. Indien de daad, omtrent welke de eed wordt opgedragen, niet is de daad van beide partijen, maar alleen van degene, aan welker eed de beslissing wordt overgelaten, mag de eed niet worden terug gewezen. (C. 1362; B. 1968 v.)

1971. Geen eed kan opgedragen, terug gewezen of aangenomen worden dan door de partij zelve, of door eenen daartoe bijzonder gevolmagtigden .persoon. (B. 1982.)

1972. Die den eed heeft opgedragen of terug gewezen, kan die daad niet weder intrekken, indien de wederpartij zich bereid heeft verklaard dien eed af te leggen. (C. 1364; B. 1963.)

1973- Wanneer hij, aan wien de beslissende eed is opgedragen, of hij, aan wiens eed de beslissing is terug gewezen, den eed heeft afgelegd, is de tegenpartij niet ontvankelijk om de valschheid daarvan te beweren. (C. 1363; Sr 207.)

1974. De afgelegde eed levert geen bewijs op dan alleen ten voordeele of ten nadeele van dengene, die denzeben opgedragen of terug gewezen heeft, en van zijne erfgenamen of regthebbenden. (C. 1365; B. 1376a, 1894.)

4C4

-ocr page 535-

BOEK IV, TITEL VI, ARTT. 1966—1982.

1976. Niettemin wordt een schuldenaar, aan wien de eed door eenen der hoofdelijke schuldeischers is opgedragen, en die denzelven heeft afgelegd, daardoor niet verder bevrijd dan voor het aandeel van dien schuldeischer.

De eed, door den hoofdschuldenaar afgelegd, bevrijdt de borgen. (C. 1365; B. 13156, 1460, 1473, 1478, 1884, 1894, 1974, 1976.)

1976. De eed, door een\' der hoofdschuldenaren a) afgelegd, strekt ten voordeele der mede-schuldenaren, en die, welke door den borg is afgelegd, strekt ten voordeele van den hoofdschuldenaar, indien namelijk, in deze beide gevallen, de eed is opgedragen of terug gewezen geworden omtrent de schuld zelve, en niet omtrent het hoofdelijke der verbindtenis, of van den borgtogt. (C. 1365; B. 1316 v., 1323, 1460, 1473, 1478, 1884, 1894, 1974, 1975.)

1977. De regter kan ambtshalve aan eene der partijen den eed opleggen, het zij om daarvan de beslissing der zaak te doen afhangen, het zij om daardoor een toe te wijzen bedrag te bepalen. (C. 1366; B. 1966 n0. 2,1978,1979; Rv. 50.)

1978. Hij kan dat slechts doen in de twee volgende gevallen :

1°. Indien de vordering of exceptie niet volledig bewezen is;

2°. Indien dezelve ook niet geheel van bewijs ontbloot is. (C. 1367; B. 1942, 1959; K. 13.)

1979. De eed omtrent de waarde der gevorderde zaak kan door den regter aan den eischer niet worden opgelegd, dan wanneer het onmogelijk is om die waarde op eene andere wijze te bepalen.

Zelfs moet de regter in dat geval, de som bepalen, tot welker beloop de eischer op zijnen eed zal geloofd worden. (C. 1369; B. 1977; Rv. 50.)

1980. De eed, door den regter aan eene der partijen opgelegd, kan door deze niet aan de wederpartij worden terug gewezen. (C. 1368; B. 1969.)

1981. De eed moet worden afgelegd voor de regtbank, die van het regtsgeding kennis neemt.

Indien een wettig beletsel dit onuitvoerlijk maakt, kan de regtbank tot het afnemen van den eed een harer leden magtigen, die zich alsdan naar de woning of het verblijf zal begeven van hem die den eed afleggen moet.

Indien, in dat geval, die woning of dat verblijf te ver mogt zijn verwijderd, of buiten het regtsgebied van de regtbank gelegen, kan zij het afnemen van den eed opdragen aan den regter der woonplaats of des verblijfs van dengenen die tot de eedsaflegging verpligt is. (Pr. 121; Rv. 50:F. 1196,120; R. O. 25.)

1982. De eed moet persoonlijk worden afgelegd.

Om gewigtige redenen is het den regter geoorloofd aan eene partij toe te staan om den eed door een\' bijzonderen bij authentieke akte daartoe gemagtigde te doen afleggen.

465

De volmagt moet in zoodanig geval, den af te leggen eed omstandig en naauwkeurig inhouden.

u) iu art, 13ij5(Z C. staat: debiteurs solidaires.

30

-ocr page 536-

BURGERLIJK WETBOEK.

Geen eed mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid der wederpartij, of deze daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen. (Pr. 121; B. 1971; F. 119fc, 120; Rv. 50.)

ZEVENDE TITEL.

Van verjaring.

EERSTE AFDEELING.

Van verjaring in het algemeen.

1983. Verjaring is een middel om, door het verloop van eenen zekeren bepaalden tijd, en onder de voorwaarden bij de wet bepaald, iets te verkrijgen of van eene verbindtenis bevrijd te worden. (G. 2219; B. 639, 665,1417, 2000,2004 v.)

1984. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van eene verjaring, welke reeds verkregen is. (G. 2220; A. 14; B. 1109, 1986.)

1985. De afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgende. De stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit eene daad, welke doet vooronderstellen, dat men zijn verkregen regt heeft laten varen. (C. 2221; B. 1395 v., 1418; F. 36.)

1986. Hij, die niet mag vervreemden, raag geen afstand doen van eene verkregene verjaring. (C. 2222; B. 1366,1484.)

1987. De regter mag ambtshalve het middel van verjaring niet toepassen. (C. 2223; B. 1490, 1556; Rv. 48; Sv. 419.)

1988- In eiken staat van het geding kan men zich op verjaring beroepen, aelfs in hooger beroep. (G. 2224; Rv. 160, 255, 328.)

1989. Schuldeischers of andere belanghebbenden kunnen opkomen tegen den afstand van verjaring door den schuldenaar, ter bedriegelijke verkorting hunner regten, gedaan. (C. 2225; B. 1377; F. 42.)

1990. Men kan door verjaring den eigendom niet verkrijgen van zaken, die buiten den handel zijn. (C. 2226; B. 593a.)

1991. De staat, de gemeenten en andere openbare gestichten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen, en kunnen daarvan op gelijke wijze gebruik maken. (G. 2227; Stb. 1845 n0. 36, a. 11; W. verm. bel., a. 446; Stb. 1815 n0. 51; Prov. w., a. 125; Gem. w., a. 228, 262.)

1992. Om door middel van verjaring den eigendom eener zaak te verkrijgen, wordt vereischt een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar. (G. 2229; B. 585 v., 616, 622, 1560, 1994, 1996, 2000, 2015.)

1993. Daden van geweld, van zuivere willekeur, of van eenvoudig gedoogen kunnen geen bezit te weeg brengen, dat de kracht heeft om eene verjaring te doen geboren worden. (G. 2232, 2233; B. 613b, 2000.)

1994. De tegenwoordige bezitter, die bewijst van ouds bezeten te hebben, wordt voorondersteld mede het bezit te hebben gehad gedurende den tijd, die tusschen beide ver-loopen is; onverminderd het tegenbewijs. (G. 2234; B. 590 v., 616, 1953.)

466

-ocr page 537-

BOEK IV, TITEL VII, ARTT. 1983—2003.

1995. Om den tot verjaring vereischten tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter, van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke wijze men dezen ook zij opgevolgd, het zij onder eenen alge-meenen of bijzonderen titel, het zij om niet, het zij onder eenen bezwarenden titel. (C. 2235; B. 597, 880,1002,1560,1992.)

1996. Zij, die voor een ander bezitten, mitsgaders hunne erfgenamen, kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen, door welk tijdsverloop zulks ook zoude mogen wezen.

Alzoo kan een huurder, bewaarder, vruchtgebruiker, en alle anderen, die het goed van den eigenaar ter bede onder zich hebben, hetzelve niet door verjaring verkrijgen. (C. 2286; B. 519,590, 591,596,612,803 v., 1054,1584 v., 1731 v., 1997.)

1997. De personen, bij het voorgaande artikel vermeld, kunnen den eigendom door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, het zij uit eene oorzaak die van eenen derde afkomt, het zij door hunne tegenspraak tegen het regt van den eigenaar. (G. 2237; B. 591, 592, 1992, 1998.)

1998. Zij, aan wie de huurders, bewaarders en andere bezitters ter bede het goed hebben overgedragen, bij eenen titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring verkrijgen. (C. 2239; B. 1992, 2000.)

1999. De verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij uren.

Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van den vereischten tijd verloopen is. (C. 2260; 2261; B. 1226amp;; K. 151 v., 154, 179; Bv. 8, 14.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verjaring, beschouwd als een middel om iets te verkrijgen.

2000. Die te goeder trouw, en uit kracht van eenen wettigen titel, een onroerend goed, eene rente of eenige andere, aan toonder niet betaalbare, inschuld verkrijgt, bekomt daarvan den eigendom bij wege van verjaring, door een bezit van twintig jaren.

Die te goeder trouw het bezit heeft gedurende dertig jaren, verkrijgt den eigendom, zonder dat hij kan worden genoodzaakt zijnen titel te toonen. (G. 2265, 2266; B. 562 v., 567 n». 2, 587, 604 n°. 2, 606, 639, 665, 668a en b, 718, 742, 1992, 2001, 2002, 2003, 2014; K. 221 v.)

2001. Een regtstitel, die nietig is uit hoofde van een gebrek in den vorm, kan niet tot grondslag eener twintigjarige verjaring verstrekken. (C. 2267; B. 20006.)

2002. De goede trouw wordt steeds voorondersteld, en degene, die zich op kwade trouw beroept, moet dezelve bewijzen. (G. 2268; B. 589, 13646.)

2008. Het is voldoende, dat op het oogenblik der verkrijging de goede trouw bestond. (G. 2269; B. 1995, 2000.)

467

-ocr page 538-

BURGERLIJK WETBOEK.

DKRDE AFDEELING.

Van de verjaring, beschouwd als een middel om van eene verpligting bevrijd te worden.

2004. Alle regtsvorderingen, zoo wel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij, die zich op de verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te toonen, of dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen. (C. 2262; B. 113c, 274, 324, 472, 628, 654, 678, 754, 765 n0, 3, 783, 797,801 n0.4, 854 n°. 5, 865, 882, 976, 1085, 1101, 1108, 1H2amp;, 1114, 1156, 1162, 1416, 14jJ7, 1490, 1729, 2005 v., 2010, 2030; Rv. 129; K. 95, 206 v., 209, 220, 229, 741 v.)

2005. De regtsvordering van meesters en onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen welke zij bij de maand, of voor korter tijd, geven; (B. 2006c.)

Die van herbergiers en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost; (B. 1185 n0. 6, 1193.)

Die van arbeiders en handwerkslieden, wegens hun loon; (B. 1185 n». 5, 1193, 20086.)

Verjaren door verloop van een jaar. (C. 2271; B. 2009, 2010, 2013.)

2006. De regtsvordering der artsen, heelmeesters en apothekers, wegens hunne bezoeken, heelkundige diensten en geneesmiddelen; (B. 1195 n0. 3.)

Die van deurwaarders, wegens hun loon voor het be-teekenen van akten en het ten uitvoer brengen van de hun opgedragene werkzaamheden; (Rv. 126r.)

Die der kostschoolhouders, wegens het kost- en schoolgeld voor derzelver leerlingen, en van andere meesters, voor het loon van hun onderwijs; (B. 1195 n0. 6, 2005a.)

Die der dienstboden, wegens de betaling van hun loon; (B. 1195 n0. 4, 1638; K. 754b.)

Verjaren door verloop van twee jaren. (C. 2272; B. 2009, 2010, 2013.)

2007. De regtsvordering der advokaten tot de betaling hunner verdiensten, die der procureurs tot de betaling van hunne voorschotten en loon, verjaren door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag, dat het geding is uitgewezen, of dat de partijen eene schikking hebben getroffen, of de volmagt op die procureurs is ingetrokken.

Ten aanzien van onafgedane zaken kunnen zij geeno voldoening vorderen van voorschotten en verdiensten, die meer dan tien jaren mogten ten achteren zijn.

De regtsvordering der notarissen, tot betaling hunner voorschotten en loon, verjaart insgelijks door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de akten zijn verleden. (C. 2273; Rv. 126r; B. 2009, 2010, 2011, 2013.)

2008. De regtsvorderingen:

Van timmerlieden, metselaars en andere werk-bazen, tot betaling hunner leverancien en loonen; (B. 1185 n0. 8, 1193, 1640, 1651, 2005c.)

Van kooplieden, voor de koopwaren, aan bijzondere, geeue handeldrijvende personen, of aan kooplieden, die denzelfden

468

-ocr page 539-

BOEK IV, TITEL VII, ARTT. \'2004—2014.

handel niet drijven, geleverd; (B. 1195n0. 5, 1919; K. 2v.)

Verjaren door verloop van vijf jaren. (G. 2271, 2272; B. 2009, 2010, 2013.)

2009. De verjaring, in de vier voorgaande artikelen vermeld, heeft plaats, ofschoon men met het doen van leverancien, diensten en arbeid zij voortgegaan.

Dezelve houdt slechts dan op te loopen, wanneer eene schriftelijke schuldbekentenis opgemaakt, of de verjaring, volgens artikel 2016 en 2017 gestuit is. (C. 2274; B. 2013, 2018.)

2010. Niettemin kunnen degenen, aan wie de verjaring, bij artikel 2005, 2006, 2007 en 2008 vermeld, wordt tegengeworpen, van hen, die zich daarvan bedienen, den eed vorderen, dat de schuld werkelijk is betaald geworden.

De eed kan opgelegd worden aan de weduwen en de erfgenamen, of aan de voogden van laatstgemelde, indien zij minderjarig zijn, ten einde te verklaren, dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is. (C. 2275; B. 1919a en b, 2013; K. 206amp;, 747.)

2011. De regters en procureurs zijn niet meer aansprakelijk wegens de afgifte der stukken, na verloop van vijf jaren na de uitwijzing der gedingen.

Insgelijks zijn de deurwaarders ontheven van alle aansprakelijkheid dienaangaande, na verloop van twee jaren, te rekenen sedert het uitvoeren van den last, of het betee-kenen der akten, waarmede zij belast waren. (C. 2276; B. 2006amp;, 2007, 2013.)

2012. De interessen van altijddurende renten of van lijfrenten; (B. 1807, 1812.)

Die van jaarwedden, tot onderhoud verstrekkende; (B.376v., 1465 110.3.)

De huurprijzen van huizen en van landgoederen: (B. 1185 n». 2, 1186 v., 1596.)

De interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar, of bij kortere vastgestelde termijnen; (B. 1286, 1551, 1622, 1802 v.)

Verjaren na verloop van vijf jaren. (C. 2277; B. 557, 810, 2013.)

2013. De verjaringen, waarvan in artikel 2005 en volgende van deze afdeeling gehandeld wordt, loopen tegen de minderjarigen en tegen degenen, die onder curatele staan; onverminderd hun verhaal op hunne voogden of curators. (C. 2278; B. 2005—2012, 2024.)

2014. Met betrekking tof roerende goederen, die noch in renten bestaan, noch in inschulden, welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel.

Niettemin kan degene, die iets verloren heeft of aan wien iets ontvreemd is, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag, waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terugvorderen van dengenen, in wiens handen hij hetzelve vindt; behoudens het verhaal van den laatstgemelde op dengenen, van wien hij het bezit bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van artikel 637. (C. 2279; B. 565 v., 567 nquot;. 2, 606, 611, 629, 637, 668a, 1420, 1465 n». 1, 2000; Rv. 68 v., 538 v., 721; Sv. 219.)

469

-ocr page 540-

BURGERLIJK WETBOEK.

Aldus gewijzigd hij art. 9 der Wet van 26 April i 884 (Stb. n0. 93). a)

VIERDE AFDEELING.

Van de oorzaken die de verjaring stuiten.

2015. De verjaring is gestuit, wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, het zij door den vorigen eigenaar, het zij zelfs door eenen derde. (G. 2243; B. 601 n». i, 614, 621, 622, 1992.)

2016. Zij wordt mede gestuit door aanmaning, dagvaarding en elke daad van regtsvervolging, alle in den vereisch-ten vorm beteekend door eenen daartoe bevoegden ambtenaar, uit naam van den regthebbende aan dengenen, dien men beletten wil de verjaring te verkrijgen. (C. 2244; B. 2009, 2020; Rv. 1 v., 281, 860; F. 36.)

2017. Ook de dagvaarding voor eenen onbevoegden regter stuit de verjaring. (G. 2246; Rv. 154 v.)

2018. Verjaring is echter niet gestuit, indien het zij de aanmaning of dagvaarding wordt ingetrokken of nietig verklaard, het zij de aanlegger van zijnen eisch afstand doet of dezelve wordt ontzegd; het zij de aanleg, uit hoofde van het tijdsverloop, is vervallen verklaard. (G. 2247; Rv. 90 v., 94, 277 v., 279 v.)

2019. De erkentenis, door woorden of door daden, van het regt van dengenen, tegen wien de verjaring loopt, door den bezitter of den schuldenaar gedaan, stuit almede de verjaring. (C. 2248; B. 1426, 1433 v., 1803, 1928, 1929, 4960 v., 20096.)

2020. De beteekening, overeenkomstig artikel 2016, aan een der hoofdelijke schuldenaars gedaan, of diens erkentenis, stuit de verjaring tegen alle de overige, zelfs tegen hunne erfgenamen.

De beteekening aan een der erfgenamen van eenen hoof-delijken schuldenaar gedaan, of de erkentenis van dien erfgenaam, stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige mede-erfgenamen, zelfs niet in het geval van eenehypothe-kaire schuld, ten ware de verbindtenis ondeelbaar mogt zijn.

Door deze beteekening, of erkentenis, wordt de verjaring ten aanzien van de andere mede-schuldenaren niet verder gestuit, dan voor zoo veel het aandeel van dien erfgenaam betreft.

Om de verjaring der geheele schuld ten aanzien van de andere mede-schuldenaren te stuiten, wordt vereischt eene beteekening aan alle de erfgenamen van den overleden schuldenaar, of eene erkentenis door alle die erfgenamen gedaan. (C. 1206, 2249; B. 880, 1002, 1206, 1209, 1316, 1334, 1336 n0. 1, 1337, 1445 v., 1460a en c, 14666,1473c, 1475 v., 1894, 1976 v., 2016 v., 2021, 2022.)

2021. De beteekening aan den hoofdschuldenaar gedaan, of deszelfs erkentenis, stuit de verjaring tegen den borg.

a) Oorspronkelijk werden, in plaats van de woorden : „ontvreemd,quot; „ontvreemdequot; en „ontvreemding,quot; gelezen de woorden: „ontstolen,quot; „gestolenequot; en „diefstal.quot;

470

-ocr page 541-

BOEK IV, TITEL VII, ARTT. 2015—2030.

(C. 2250; B. 1445 v., 1460^ en c, 1466a, 1473a en amp;, 1478, 1882 v., 1894, 1975amp;, 1976, 2016 v., 2020, 2022.)

2022. De stuiting der verjaring door een der hoofdelijke schuldeischers geldt voor alle hoofdelijke mede-schuldeischers. (C. 1199; B. 1315, 1324, 1894, 1975a, 2016 v., 2020, 2021. — B. 757.)

V IJ F D E A F D E E L I N lï.

Van de oorzaken die den loop der verjaring schorsen.

2023. De verjaring loopt tegen alle personen, behalve diegenen, ten wier behoeve de wet eene uitzondering maakt. (C. 2251; B. 1991, 2024 v.)

2024. Verjaring kan niet beginnen noch voortgaan tegen minderjarigen, en tegen degenen, die onder curatele gesteld zijn, uitgezonderd in de gevallen bij de wet bepaald. (C. 2252; B. 385, 478, 479, 506, 1558, 2013; Bv. 280.)

2025. Verjaring heeft geen plaats tusschen echtgenooten. (C. 2253.)

2026. Verjaring loopt niet tegen eene vrouw, gedurende haar huwelijk:

1°. In geval de regtsvordering der vrouw niet zoude kunnen vervolgd worden, dan na het doen eener keus omtrent de aanvaarding of den afstand der gemeenschap; (B. 187 v.)

2°. In geval de man, het eigen goed der vrouw zonder hare toestemming verkocht hebbende, den verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen, waarin de actie van de vrouw op den man zoude ferug komen. (B. 160, 1528 v.; Rv. 68 v. — C. 2254, 2256.)

2027. Verjaring loopt niet:

Met betrekking tot eene inschuld, welke van eene voorwaarde afhangt, zoo lang die voorwaarde niet vervuld is; (B. 1297, 1299.)

Met betrekking tot een regtsgedingtot vrijwaring, zoolang de uitwinning geen plaats heeft gehad; (B. 1528 v.; Rv. 68 v.)

Met betrekking tot eene inschuld, welke op eenen bepaalden dag vervalt, zoo lang die dag niet verschenen is. (B. 1304 v.; K. 149 v. — G. 2257; B. 445.)

2028. Verjaring loopt niet tegen eenen erfgenaam die eene nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard heeft, ten opzigte zijner inschulden, ten laste dier nalatenschap. (B. 1076, 1078 n®. 2, 1093; Bv. 341, 703.)

Verjaring loopt tegen eene onbeheerde nalatenschap, ofschoon dezelve van geenen curator voorzien zij. (B. 1172 v. — C. 2258.)

2029. Zij loopt insgelijks gedurende den tijd, dat de erfgenaam zich beraadt. (C. 2259; B. 1070 v., 2023; Rv. 341.)

Algemeene bepaling.

2030. De verjaringen welke reeds vóór de afkondiging van dit Wetboek eenen aanvang genomen hebben, zullen overeenkomstig de bepalingen van het vorige Wetboek worden geregeld. (G. 2281; A. 4; O. 1, 47.)

474

-ocr page 542-

BIJLAGEN

TOT HET

BURGERLIJK WETBOEK.

WET

van 31 Mei 1843 (Slb. n0.22), tot introkking en vervamjing

van de eerste afdecling van den zestienden titel van het tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

De eerste afdeeling van den zestienden titel van het tweede boek, bevattende de artikelen 1112 tot en met 1131 van het Burgerlijk Wetboek, wordt ingetrokken en vervangen door de navolgende bepalingen.

(Zie art. 1112—1131 B. TV.)

2. Volgens de bij deze wet daargestelde wijziging van het Burgerlijk Wetboek, zullen alle boedels, waarvan tijdens het in werking komen dezer wet nog geene scheiding tot stand is gebragt, en waarop de zestiende titel van het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk is, gescheiden worden.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den Sisten Mei 1843.

WET

van 9 Juli 1855 (Stb. n0. 67), houdende uitzondering op de artikelen 523, 526 en 549 van het Burgerlijk Wetboek ten opzigte van vermiste personen hij vermoedelijke of bekende scheepsrampen.

{Afgedrukt onder art. 523 B. W.)

Gegeven op het Loo, den 9den Juli 1855.

WET

van 7 April 1869 (Stb. n0. 56), houdende afschaffing der artikelen 884 en 957 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

{Afgedrukt onder art. 884 B. W.) 2. Art. 1718 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelezen als volgt: {Zie art. 1718 B. W.)

, Gegeven te \'s-Gravenhage, den 7den April 1869.

-ocr page 543-

BIJLAGEN ENZ.

WET

van 10 April 1869 (Stb. n0. 65), tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten.

(Zie art. 50 dezer wet, afgedrukt in de chronologische lijst.)

WET

van 18 April 1874 (Stb. n0.68), tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-regtbanken bij de kantonregters.

Artikel 1.

De bevoegdheden, in de artikelen 169, 180,365,373,387, 447, 451, 452, 454, 456, 457, 459, 460, 465, 466,479,1722 van het Burgerlijk Wetboek en het 3de lid van artikel 28 der wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 20), aan de arrondissements-regtbanken opgedragen, worden overgebragt bij de kantonregters.

Het laatste lid van art. 466 van het Burgelijk Wetboek wordt ingetrokken.

2. {Afgedrukt onder art. 365 B. W.)

3. Artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering wordt gelezen als volgt: {Zie art. 798 Rv.)

4. Ter zake der werkzaamheden, door de kantonregters en hunne griffiers krachtens artikel 1 verrigt, berekenen zij geene andere belooning ten laste der belanghebbenden dan de hier volgende:

voor elke eindbeschikking gegeven na verhoor van ouders, voogden, verwanten of mede-belanghebbenden, en nawaar-dering door deskundigen:

de kantonregter..................ƒ 4. 00 •

de griffier...........2^40;

voor elke eindbeschikking gegeven na verhoor van ouders, voogden, verwanten of mede-belanghebbenden:

de kantonregter............ƒ 2.50-

de griffier...........! ! ! » 1.50;

voor elke eindbeschikking gegeven zonder voorafgaand verhoor:

de kantonregter............f 1.50;

de griffier...........quot; ! ! » 0^90 ;

voor schrijfloon van alle stukken door den griffier ten verzoeke van de belanghebbenden aan hen uitgereikt:

voor elke bladzijde gewoon papier, houdende 25 regels, elk van 12 lettergrepen of gedeelten daarvan, f 0.20.

Deze bepaling is, voorzooveel de kantonrechters betreft, vervallen door art. 36a R. O., zooals het thans luidt; voorzooveel de griffiers betreft, tijdelijk gehandhaafd bij art. 5a der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 73). {Zie die Wet onder de Bijlagen tot R. O.) 5 en 6. {Vervallen als van tijdelijke werking.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 18den April 1874.

473

-ocr page 544-

BIJLAGEN TOT HET

WET

\' van 4 Juli 4874 (Stb. n0.91), tot wijziging der bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de beperkte handligting.

Artikel 1.

De artikelen 480, 481, 482,484, tweede lid, en 485 van het Burgerlijk Wetboek worden vervangen door de volgende bepalingen: (Zie art. 480—482, 484b en 485 B. W.)

2. Verzoeken om handligting en om intrekking van handligting, vóór het in werking treden dezer wet ingediend, worden behandeld en afgedaan volgens de voorschriften, tijdens de indiening bestaande.

Gegeven te Montreux, den 4den Julij 1874.

WET

van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 95), tot wijziging der wettelijke bepalingen omtrent het pandregt.

Artikel 1.

De artikelen 1197—4202 van het Burgerlijk Wetboek worden vervangen door de volgende bepalingen: {Zie art. 4497-4202 B. W.)

2. In art. 345 van het Wetboek van Koophandel wordt in plaats der woorden: «eene zekere dagteekening hebbende » gelezen: «houdende het beloop der schuld en der bedongen rente.»

Gegeven te Montreux, den 8sten Julij 4874.

WET

van 45 November 4876 (Stb.fn0. 195), tol aanvulling van de

artikelen 388, 389 en van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

In het eerste lid van art. 388 van het Burgerlijk Wetboek worden tusschen de woorden «dezen» en «titel» ingelascht de woorden «en den volgenden.»

Tusschen het eerste en tweede lid van art. 388 van genoemd wetboek wordt een nieuw lid ingelascht, aldus luidende: {Zie art. 3886 B. W.)

2. Tusschen het tweede en derde lid van art. 389 van genoemd wetboek wordt een nieuw lid ingelascht, aldus luidende: {Zie art. 389c B. W.)

Het laatste lid van het artikel wordt aldus gelezen: {Zie art. 389cï B. W.)

3. Aan art. 414 van genoemd wetboek wordt toegevoegd een nieuw lid, luidende: {Zie art. 414 B. VF.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 15den November 4876.

474

-ocr page 545-

BURGERLIJKquot; WETBOEK.

WET

van 5 Juni 1878 (Stb. nquot;. 89), tot aanvulling van artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek.

Eenig artikel.

Aan art. 1240 van het Burgerlijk Wetboek wordt een tweede lid toegevoegd van den volgenden inhoud: (Zie art. 12406 B. W.)

Gegeven op het Loo, den 5den Junij 1878.

WET

van 24 Juni 1879 (Stb. n0. 132), tot wijziging der artikelen 13, 14 en 22 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

Artikel 13 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelezen als volgt: (Zie art. 13 S. W.)

2. In artikel 14 van hetzelfde Wetboek worden de woorden: «dat der huwelijksaangiften en afkondigingen» vervangen door: «die der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen» en in artikel 22 de woorden: «mitsgaders het register der huwelijksaangiften en afkondigingen» door: «mitsgaders de registers der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen.»

Gegeven op het Loo, den 24sten Junij 1879.

WET

van 26 April 1884 (Stb. n®. 93), houdende wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

Art. 116, 5°. van het Burgerlijk Wetboek vervalt.

2. In art. 264, 3®. en het tweede lid van art. 265 van gemeld Wetboek worden de woorden: «tot eene onteerende straf» vervangen door de woorden: «wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer.»

3. In het tweede lid van art. 342 van gemeld Wetboek worden de woorden: «verkrachting of schaking» vervangen door de woorden: «eenig misdrijf bij de artt. 242—245, 249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien.»

4. In art. 385, derde lid, van gemeld Wetboek worden achter het woord: «overleden» ingevoegd de woorden: «of beiden ontzet zijn van de vaderlijke magt.»

5. In art. 413 van gemeld Wetboek worden achter het woord: «bevindt» ingevoegd de woorden: «alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vaderlijke magt.»

6. Het opschrift van de 9de afdeeling van den 16den

475

-ocr page 546-

BIJLAGEN TOT HET

titel van het eerste boek van gemeld Wetboek wordt gelezen: «van de bevoegdheid tot, de uitsluiting en afzetting van en de tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij,» en achter art. 440 een nieuw artikel ingevoegd:

{Zie art. 440A B. W.)

7. In art. 468, eerste lid, van gemeld Wetboek, worden achter het woord: «overleden» gevoegd de woorden: «of aan den vader of de moeder zoodra deze weder de vaderlijke magt kan uitoefenen.»

8. Aan art. 554 van gemeld Wetboek wordt als tweede lid toegevoegd de volgende bepaling:

(Zie art. 5546 B. W.)

9. In de artt. 637, 1480 en 2014 van gemeld Wetboek wordt het woord: «gestolene» vervangen door het woord: «ontvreemde»; in de artt. 1198 en 2014 het woord: «ontstolen» \' door het woord: «ontvreemd»; in art. 2014 het woord: «diefstal» door het woord: «ontvreemding.»

10. In art. 885, 2°. van gemeld Wetboek worden de woorden: «waartegen eene onteerende straf is bedreigd» vervangen door de woorden: «waartegen eene vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd.»

11. In het tweede lid van art. 991 van gemeld Wetboek vervallen de woorden; «noch eindelijk de zoodanigen die tot eene lijf- of onteerende straf zijn veroordeeld.»

12. In de artt. 1408, 1411, 1412 en 1416 van gemeld Wetboek vervallen de woorden: «laster, hoon of» en «den laster, den hoon of».

In art. 1409 vervalt het woord: «honend».

Tusschen het eerste en tweede lid van art. 1409 wordt gelezen: «Eischt hij de verklaring dat de gepleegde daad is lasterlijk, dan gelden de regelen in art. 265 van het Wetboek van Strafrecht voor de strafvordering wegens laster gesteld.»

In art. 1412 worden de woorden; «maar in tegendeel» tot en met het slot van het artikel, vervangen door de woorden: «Het oogmerk om te beleedigen wordt niet aanwezig geacht voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.»

Het eerste lid van art. 1413 wordt gelezen: «Ook kan de burgerlijke regtsvordering niet worden toegewezen, indien de beleedigde aan het te laste gelegd feit bij regterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard.»

13. In art. 1890 van gemeld Wetboek wordt het woord: «misdrijf» vervangen door de woorden: «strafbaar feit.»

14. Art. 1950, 4°. van gemeld Wetboek wordt gelezen: «die ter zake van meineed of van een der misdrijven, waarop in geval van herhaling art. 421 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld.»

15. In art. 1955 van gemeld Wetboek worden de woorden: «uit hoofde van misdrijf» vervangen door «wegens eenig feit» en de woorden: «der gepleegde daad» door «van dat feit».

16 In art. 1956 van gemeld Wetboek wordt het woord: «misdrijf» vervangen door «feit».

476

-ocr page 547-

BURGERLIJK WETBOEK.

17. Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

Gegeven op Oranje-Nassau. den 26sten April •1884.

van 27 April 1884 (Stb. n0. 96), tot regeling van het Staatstoezicht op de krankzinnigen.

WET

b. n0. 96),

op de kri

{Zie art. 43 dezer wet, afgedrukt in de chronologische lijst.)

WET

van 31 December 4887 (Stb. n0. 265), tot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende Strafwetgeving, in het Burgerlijk Wetboek.

{Zie de art. 4 en 5 dezer wet, hierachter afgedrukt achter de Invoeringswet.)

WET

van 18 Juni 1892 (Stb. n0. 146), tot aanvulling van de artikelen 980 en 988 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

Aan artikel 980 van het Burgerlijk Wetboek wordt een tweede lid toegevoegd, luidende: {Zie art. 980b B. W.)

2. Aan artikel 988 van gemeld Wetboek wordt een tweede lid toegevoegd, luidende: {Zie art. 988amp; B. W.)

3. Het bij deze wet aan artikel 980 en aan artikel \'J88 van gemeld Wetboek toegevoegd tweede lid is ook van toepassing op de in de beide voorgaande artikelen bedoelde testamenten, die vóór het in werking treden dezer wet bij eenen notaris zijn in bewaring gegeven.

Gegeven te Leeuwarden, 18 Juni 1892.

WET

van 12 December 1892 (Stb. n0. 2G8), op het Nederlanderschap en het ingezetenschap.

(Zie de Slotbepaling dezer wet, afgedrukt in de chronologische lijst.)

WET

ter invoering van de Faillissementswet.

{Zie de art. 2 en 3 dezer ivet, afgedrukt achter de Faillissementswet.)

477

-ocr page 548-

\'

-ocr page 549-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Algemeene bepaling.

Artikel 1.

Het Burgerlijk Wetboek is, voor zoo verre daarvan bij dit Wetboek niet bijzonderlijk is afgeweken, ook op zaken van koophandel toepasselijk. (A. 3; B. 6695, 670, 1207, 1286a, róoöb, 4653, 1811, 1865, 1915c, 1935; K. 15, 79, 80b, 85, 139, 157a, 204, 244, 286, 296,452a, 747, 752, 753b, 7546, 755b.)

Behalve de bewijsmiddelen, bij dit en bij het Burgerlijk Wetboek aangewezen, zal, in zaken van koophandel, het bewijs door getuigen, in alle gevallen, en zonder aanzien van den aard of het bedrag des onderwerps, worden toegelaten, ten ware bij dit Wetboek een bepaald middel van bewijs bij uitsluiting is voorgeschreven. (Go. 109; B. 1903 v., 1915c, 1935; K. 10, 22, 38, 68, 866, 90, 1706, 255 j«. 257 en 258, 358 v., 379 v., 383 v., 395 v., 454 v., 512, 570 v., 572, 621, 623, 681 n°. 1, 729.)

EERSTE BOEK.

VAN DEN KOOPHANDEL IN HET ALGEMEEN.

EERSTE TITEL.

Van kooplieden en van daden van koophandel.

2. Kooplieden zijn diegenen welke daden van koophandel uitoefenen en daarvan hun gewoon beroep maken. (Co. 1; K. 3. 4. — B. 168, 484a, 1366 v., 1919, 20086, 2009 v.; K. 6 v., 10, Rv. 586 n0. 1 en 3.)

3. Door daden van koophandel verstaat de wet in het algemeen het koopen van waren, om dezelve weder te verkoopen, in het groot of in het klein, het zij ruw, het zij bewerkt, of om alleen het gebruik daarvan te verhuren. (Co. 632; B. 1493 v.. 1584; K. 2, 4.)

4. Onder daden van koophandel begrijpt de wet insgelijks: (K. 2, 3.)

1°. Den commissiehandel; (K. 76 v.)

2°. Alles wat tot den wisselhandel betrekking heeft, zonder onderscheid welke personen zulks ook moge aangaan, en hetgeen orderbriefjes betreft, alleenlijk ten opzigte van kooplieden; (K. 100 v., 208, 209; Rv. 304, 586 n». 1—3.)

-ocr page 550-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

3°. De handelingen van kooplieden, bankiers, kassiers, makelaars, houders van administratiekantoren van publieke fondsen, zoo ten laste van het koningrijk als van vreemde mogendheden, allen in hunne betrekking als zoodanig; (K. 62 v., 74 v., 681 v.; Stb. 1814 nquot;. Ill, a. 17—21; Stb. 1823 n». 48.)

4°. Alles wat betrekking heeft tot aannemingen d) tot het bouwen, herstellen en uitrusten van schepen, alsmede het koopen en verkoopen van schepen voor de vaart, zoo binnen als buiten \'s lands; (B. 1640; K. 309 v., 748 v.; Rv. 586 n0. 4.)

5°. Alle expedition en vervoer van koopmanschappen: (K. 86 v., 91 v.)

6°. Het koopen en verkoopen van scheepstuigagie \'en scheeps-mondbehoeften; (K. 313 n0. 6; Rv. 312.)

7°. Alle reederijen, verhuringen of bevrachtingen van schepen, mitsgaders bodemerijen en andere overeenkomsten betreffende den zeehandel; (K. 320 v., 453, 569 v.; Rv. 586 n0. 4.)

8°. Het aangaan van huur van schippers, stuurlieden en scheepsgezellen en derzelver verbindtenissen, ten dienste van koopvaardijschepen; (K. 341 v., 394 v., 754.)

9°. De handelingen van factoors, cargadoors, convooi-loopers, boekhouders en andere bedienden van kooplieden, ter zake van den handel van den koopman, in wiens dienst zij werkzaam zijn.

10°. Alle assurantiën. (K. 246 v., 287 v., 592 v., 686 v. — Go. 632 v.)

5. De verpligtingen ontstaande uit het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven, — uit hulp of redding en berging bij schipbreuk, stranding of zeevonden, — uit werping en uit avarij, — zijn zaken van koophandel. (K. 367 v., 534 v., 545 v., 696 v., 756.)

TWEEDE TITEL.

Van koopmansboeken.

6. Elk koopman is verpligt dagboek te houden, waarin, van dag tot dag, naar orde des tijds, zonder witte vakken, tusschenregels of kantteekeningen, moeten worden aange-teekend zijne inschulden en schulden, de ondernemingen in zijnen handel, de trekkingen, acceptation, of endossementen van wissels en andere handelpapieren, zijne verbindtenissen, en, in het algemeen, alles wat hij ontvangt en uitgeeft, van welken aard het ook zij; alles onverminderd zoodanige verdere boeken als in den koophandel gebruikelijk zijn, doch waarvan het houden door de wet niet geboden wordt. (Co. 8, 10; B. 1919; K. 2, 3, 4, 8, 66,866, 681 n°. 3 en 4; Sr. 340 n». 3, 341 n#. 4, 342 n°. 3, 343 n0. 4; Zegelw., a. 27 n0. 30.)

tt) O. E.; aauuemiQgeu, tot.

480

-ocr page 551-

BOEK I, TITEL I EN If, ARTT. 5—13.

7. Hij is verpligt de brieven, welke hij ontvangt, te bewaren, en van diegene, welke hij afzendt, een kopijboek te houden. (Co. 8; B. 2004; K. 6, 9, 10.)

8. Hij is verpligt alle jaren, binnen de zes eerste maanden van elk jaar, eenen staat en balans op te maken, in een afzonderlijk daartoe bestemd register in te schrijven en eigenhandig te onderteeken. (Co. 9; K. 6, 10; Sr. 336.)

9. De kooplieden zijn gehouden hunnne boeken dertig jaren lang te bewaren. (Co. 11; B. 2004; K. 6, 7, 35.)

10. Indien de handeling niet geheel ontkend, of het bestaan derzeive in het algemeen bewezen wordt, leveren rigtig gehouden koopmansboeken, des gevorderd met eede gesterkt of door den dood bevestigd, het bewijs op tusschen kooplieden wegens zaken hunnen handel betreffende ten aanzien van den tijd der handeling en der levering, de hoedanigheid, de hoeveelheid en den prijs der goederen, behoudens tegenbewijs; ook de kopijboeken van brieven, rigtig gehouden, kunnen door den regter als middel van bewijs worden aangenomen. (Co. 12, 13, 109; B. 1918, 1919; K. 6, 7, 8, 11 v., C8, 86b, 681 nquot;. 3 en 4.)

11. Men kan niemand noodzaken om zijne boeken, balansen, en verdere daartoe betrekkelijke papieren, open te leggen, dan alleen ten behoeve van hem die als erfgenaam, als belanghebbende in eene gemeenschap, als vennoot, als aansteller van factoors of bewindvoerders, daarbij een regel-regt belang heeft, en eindelijk in geval van faillissement. (Co. 14; B. 628, 1128,1922; K. 4n».9,35, 337; F. 92,193c.)

12. In den loop van een regtsgeding kan de regter, op verzoek van eene der partijen, of zelfs van ambtswege, de openlegging der boeken bevelen, ten einde daarvan inzage of een uittreksel te doen nemen voor zoo veel het punt in geschil betreft.

In geval die boeken zich bevinden op eene andere plaats dan die waar de regtbank, voor welke de zaak hangt, gevestigd is, staat het haar vrij den plaatselijken regter op te dragen om van dezelve boeken inzage te nemen, en van zijne bevinding een verbaal op te maken en over te zenden. (Co. 15, 16; K. Gib; B. 1925; R. O. 25.)

13. Hij, die nalaat aan het regterlijk bevel te voldoen tot het openleggen zijner boeken, of wel, die weigert dezelve open te leggen indien de tegenpartij zich aan dezelve wil gedragen, doet daardoor een vermoeden in zijn nadeel ontstaan.

In beide gevallen, kan de regter aan de tegenpartij den eed opleggen, al ware er geen ander bewijs aanwezig. (Co. 17; B. 1953, 1978; K. 12.)

481

31

-ocr page 552-

wetboek van koopuannei..

DERDE TITEL.

Van vennootschap van koophandel.

(Vg. de Wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227), tot regeling der Coöperatieve Vereenigingen, afgedrukt in de chron. lijst.)

eerste afdeeling.

Algemeene bepalingen.

14. De wet erkent drie soorten van vennootschappen van koophandel:

De vennootschap onder eene firma; (K. 16 v., 22 v.)

De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders compagnieschap «en commandite» genaamd; (K. 19 v.)

De naamlooze vennootschap. (K. 36 v. — Co. 19. — K. 57 v., 286, 308, 320 v., 390.)

15. De verbindtenissen van vennootschappen van koophandel worden geregeerd door de overeenkomsten der partijen, door de bijzondere wetten van den koophandel, en door het burgerlijk regt. (Co. 18; B. 1655 v.; K. la; W. vereenig. en verg., a 14, zie chron. lijst.)

tweede afdeeling.

Van de vennootschap onder eene firma en van die bij wijze van geldschieting of en commandite genaamd.

16. De vennootschap onder eene firma is diegene, welke twee of meer personen aangaan, ten einde onder eenen gemeenschappelijken naam koophandel te drijven. (Co. 20; K. 3 v., 196, 20, 22 v., 26 n0. 1, 29; F. 2f, 4b; Rv. 4 n». 4, 5 n». 26, 126«.)

17. Elk der vennooten, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name der vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden.

Handelingen welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn, of tot welke de vennooten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden onder deze bepaling niet begrepen. (Co. 22; B. 1669, 1G73, 1676,1679; K. 26 n». 2en 3.29,32.)

18. In vennootschappen onder eene firma is elk der vennooten, wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. (Co. 22; B. 1318,1679; K. 19a, 21, 321 v., 335 v.)

19. De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders «en commandite» genaamd, wordt aangegaan tusschen eenen persoon, of tusschen meerdere hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten, en eenen of meer andere personen, als geldschieters.

Eene vennootschap kan alzoo te gelijker tijd zijn eene vennootschap onder eene firma, ten aanzien van de vennooten onder de firma, en eene vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van den geldschieter. (Co. 23, 24; K. 16, 20, 22 v.)

482

-ocr page 553-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 14—27.

20. Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van art. 30 voorkomende, mag de naam van den vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd. (K. 196.)

Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt. (K. 17, 21, 32.)

Hij draagt niet verder in de schade dan ten beloope der gelden, welke hij in vennootschap heeft ingebragt of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave \'van genotene winsten verpligt zij. (B. 1679 v.: Rv. 735 v. — Go. 25—27.)

21. De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. (Co. 28; K. 18.)

22. De vennootschappen onder eene firma moeten worden aangegaan bij authentieke of bij onderhandsche akte, zonder dat het gemis eener akte aan derden kan worden tegengeworpen. (Co. 39, 42; B. 1905. 1911, 1932 v., 1935,1960v.: K. lö, 26, 29, 31, 366, 38a.)

23. De vennooten onder eene firma zijn verpligt de akte in de daartoe bestemde registers te doen inschrijven ter griffie van de arrondissements-regtbank, in de plaats of plaatsen waar de vennootschap is gevestigd, of, bij ontstentenis van dien, ter griffie van den kanton-regter. (Co. 42; K. 24, 27, 28, 30, 386.)

24. Het staat echter aan de vennooten onder eene firma vrij, om de akte slechts bij uittreksel te doen inschrijven, mits dat uittreksel in authentieken vorm vervat of door alle de vennooten onderteekend zij. (Co. 42; B. 6716; K. 26, 386.)

25. Een iegelijk kan de ingeschrevene akte of derzelver uittreksels inzien en daarvan, te zijnen koste, afschrift bekomen. (Co. 42; K. 38e; Tar., a. 23/i, 25.)

26. Het uittreksel, bij art. 24 vermeld, moet inhouden;

1°. Den naam, voornaam, het beroep en de woonplaats

der vennooten onder de firma; (K. 16, 196, 20a.)

2°. De opgave der firma, met aanduiding of de vennootschap is algemeen, dan wel, of zij zich tot eenigen bijzonderen tak van koophandel bepaalt, en, in het laatste geval, met aanduiding van dien bijzonderen tak; (K. 176.)

3°. De aanwijzing der vennooten, die van de teekening der firma zijn uitgesloten; (K. 17a.)

4®. Het tijdstip waarop de vennootschap begint en zal eindigen;

5°. En voorts, in het algemeen, zoodanige gedeelten der overeenkomst, welke ter bepaling van de regten van derden omtrent de vennooten moeten dienen. (Co. 43. — K. 28, 29.)

27. De inschrijving zal moeten worden gedagteekend op den dag op welken de akte of het uittreksel ter griffie gebragt is. (K. 23; Reg. I, a. 75.)

483

-ocr page 554-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

28. De vennooten zijn daarenboven verpligt om een uittreksel der akte, overeenkomstig het voorschrift van art. 26, te doen bekend maken, zoowel in het officieel dagblad, als in een der nieuwspapieren der plaats of plaatsen alwaar de vennootschap gevestigd is, en bij gebreke van zoodanig nieuwspapier, in dat eener naburige plaats. (K. 29, 38b.)

29 Zoo lang die inschrijving en de bekendmaking niet is geschied, zal de vennootschap onder eene firma, ten aanzien van derden, worden aangemerkt als algemeen voor alle handelszaken, als aangegaan voor eenen onbepaalden tijd, en als geenen der vennooten uitsluitende van het regt om voor de firma te handelen en te teekenen.

In geval van verschil tusschen het ingeschrevene en het bekend gemaakte, werken alleen tegen derden zoodanige bepalingen, welke, naar aanleiding van het vorige artikel, in het officieel dagblad en in de nieuwspapieren zijn vermeld. (Co. 42; B. 1953; K. 30, 31, 39.)

30. De firma van eene ontbondene vennootschap kan, het zij uit kracht der overeenkomst, het zij indien de gewezen vennoot, wiens naam in de firma voorkwam, daarin uitdrukkelijk toestemt, of, bij overlijden, deszelfs erfgenamen zich niet daartegen verzetten, door eenen of meer personen worden aangehouden, welke, ten blijke daarvan, eene akte moeten uitbrengen, en dezelve doen inschrijven en in de nieuwspapieren doen bekend maken, op den voet en wijze als bij art. 23 en volgende is bepaald en op de straffen bij art. 29 vermeld.

De bepaling van het eerste lid van art. 20 is niet toepasselijk, indien de afgetredene, van vennoot onder eene firma, vennoot bij wijze van geldschieting is geworden. (B.-1688; K. 26 n0.1.)

81. De ontbinding eener vennootschap onder eene firma vóór den tijd bij de overeenkomst bepaald, of door afstand of opzegging tot stand gebragt, derzelver verlenging na verloop van het bepaalde tijdstip, mitsgaders alle veranderingen in de oorspronkelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn aan de voormelde inschrijving en bekendmaking in de openbare nieuwspapieren onderworpen.

Het nalaten daarvan heeft ten gevolge dat de ontbinding, afstand, opzegging of verandering niet tegen derden werken.

Bij verzuim van inschrijving en bekendmaking, in geval van verlenging der vennootschap, zijn de bepalingen van art. 29 toepasselijk. (Co. 46; B. 1683 v.; K. 22,26, 29,30,38d.)

32. Bij de ontbinding der vennootschap zullen de vennooten, die het regt van beheer hebben gehad, de zaken der gewezen vennootschap moeten vereffenen in naam van dezelfde firma, ten zij bij de overeenkomst anders ware bepaald, of de gezamenlijke vennooten (die bij wijze van geldschieting niet daaronder begrepen), hoofdelijk en bij meerderheid van stemmen, eenen anderen vereffenaar hadden benoemd.

Indien de stemmen staken beschikt de arrondissements-regtbank, zoodanig als zij in het belang der ontbondene vennootschap meest geraden zal achten. (K. \\la, 20, 22, 31, 56; Rv. 4 n». 4, 126/)

484

-ocr page 555-

BOEK I, TITEI. Ill, ARTT. 28—38.

33. Indien de staat der kas van de ontbondene vennootschap niet toereikt om de opeischbare schulden te betalen, zullen zij, die met de vereffening belast zijn, de benoodigde penningen kunnen vorderen, welke door elk der vennooten, voor zijn aandeel in de vennootschap, zullen moeten worden ingebragt. (K. 18, 32.)

34. De gelden, die gedurende de vereffening uit de kas der vennootschap kunnen gemist worden, zullen voorloopig worden verdeeld. (K. 33.)

35. Na de vereffening en scheiding zullen, indien daaromtrent niets is overeengekomen, de boeken en papieren, tot de gescheidene vennootschap behoord hebbende, blijven berusten onder dien vennoot, welke daartoe bij meerderheid van stemmen, of, bij staking, door den arrondissements-regter verkozen wordt; behoudens aan de vennooten of hunne regtverkrijgenden den vrijen toegang tot dezelve, (B. 1127, 1689, 1922; K. 41, 56.)

DERDE AFDEELING.

Van de naamlooze vennootschap van koophandel.

36. De naamlooze vennootschap heeft geene firma, noch draagt den naam van een\' of meer der vennooten, maar zij ontleent hare benaming alleen van het voorwerp harer handels-onderneming.

Alvorens dezelve tot stand kan worden gebragt, moet de akte harer oprigting, of een ontwerp daarvan, aan den Koning worden ingezonden, ten einde daarop Zijne bewilliging te erlangen.

Bij elke verandering in de voorwaarden en de verlenging der vennootschap, wordt gelijke koninklijke bewilliging ver-eischt. (Co. 29, 80, 37; K. 3, 4,16,37,38 v., 40, 51; Rv. 126^.)

37. Indien de vennootschap niet strijdt met de goede zeden of de openbare orde, en de akte geene bepalingen bevat tegen al hetgeen bij art. 38 tot en met art. 55 is voorgeschreven, wordt de koninklijke bewilliging verleend.

Bij weigering der koninklijke bewilliging, wordt de reden daarvan aan de verzoekers, tot hun narigt, medegedeeld.

Geene, door den Koning bewilligde, naamlooze vennootschap, wordt door Hem ontbonden, ter zake dat de bestuurders aan de bepalingen en voorwaarden der akte niet hebben voldaan. (A. 14; B. 1371; K. 45, 50.)

38. De akte van vennootschap moet notarieel worden verleden, op straffe van nietigheid. (K. 22 v., 42, 446, 48, 49a, 52, 54, 556, 56a, 586.)

De vennooten zijn verpligt de akte, in haar geheel, mitsgaders de koninklijke bewilliging te doen inschrijven op de daartoe bestemde openbare registers, en dezelve openbaar te maken door middel van het officieel dagblad, welk laatste kosteloos geschiedt. (K. 23.)

Daarenboven moet door hen in de nieuwspapieren, in het slot van art. 28 vermeld, eene aankondiging worden gedaan, houdende berigt van het bestaan der naamlooze vennoot-

485

-ocr page 556-

486 WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

schap, met aanduiding van de dagteekening en het nommer van het officieel dagblad, in hetwelk de akte is geplaatst.

Al het bovenstaande geldt ten aanzien van veranderingen in de voorwaarden, of bij verlenging der vennootschap. (K. 46, 47.)

De bepaling van art. 25 is ook ten deze toepasselijk. (Co. 40, 45, 46.)

39. Zoo lang de bij het vorige artikel vermelde inschrijving en bekendmaking niet hebben plaats gehad, zijn de bestuurders voor hunne handelingen persoonlijk en elk voor het geheel aan derden verbonden. (K. 29, 45, 47.)

40. Het kapitaal der vennootschap wordt verdeeld in actiën of aandeelen op naam of in blanco.

De vennooten of houders dier actiën of aandeelen zijn niet verder aansprakelijk dan voor het volle beloop derzelve. (Co. 33, 34, 35; K. 20c, 42, 47, 50, 51.)

41. Geene actiën of aandeelen kunnen in blanco worden uitgegeven, zoo lang derzelver volle bedrag niet in de kas der vennootschap is gestort. (B. 2014; K. 43; Rv. 4n0.76.)

42. Bij de akte wordt bepaald op welke wijze de over-dragt geschiedt van actiën of aandeelen, op naam staande; zij kan plaats hebben door eene verklaring van den vennoot en den verkrijger aan de bestuurders beteekend, of door eene gelijke verklaring, in de boeken der vennootschap ingeschreven en door of van wege beiden geteekend. (Go. 86; B. 668c, 66%, 2014)

43. Indien het vol bedrag van zoodanige actie of aandeel niet is gestort, blijft de oorspronkelijke vennoot of diens erven of regthebbenden, tot de storting van het verschuldigde aan de vennootschap verbonden, ten ware de bestuurders, en de commissarissen, zoo die bestaan, zich uitdrukkelijk met den nieuwen verkrijger hadden tevreden gesteld en eerstgemelde van alle verantwoordelijkheid ontslagen. (B. 880, 1002, 1453; K. 41.)

44. De vennootschap wordt beheerd door daartoe, door de vennootschap, aangestelde bestuurders, deelgenooten of anderen, al dan niet loontrekkende, met of zonder toezigt van commissarissen.

De bestuurders mogen niet onherroepelijk worden aangesteld. (Co. 31; B. 1673amp;, 1851, 1852; K. 17a, 38, 43,52, 54fc, 55, 326 v.)

45. De bestuurders zijn niet verder verantwoordelijk, dan ter zake van de behoorlijke uitvoering van den aan hen opgedragen last; zij zijn, uit kracht der verbindtenissen van de vennootschap, aan derden niet persoonlijk verbonden.

Indien zij echter eene of andere der bepalingen van de akte of van de nadere veranderingen in de voorwaarden overtreden, zijn zij jegens derden, ieder hoofdelijk en voor het geheel, aansprakelijk voor de schade, welke die derden daardoor hebben geleden. (Co. 32; B. 1837 v.; K. 39,47,55.)

46. De naamlooze vennootschap moet voor eenen bepaalden tijd worden aangegaan, behoudens derzelver verlenging, telken reize, na het verloopen van dien tijd. (B. 1683 n0. 1; K. 38ci.)

-ocr page 557-

BOEK I, TITEL III, AR TT. 39—54.

47. Zoodra het aan de bestuurders is gebleken, dat het maatschappelijk kapitaal een verlies van vijftig ten honderd heeft ondergaan, zijn dezelve verpligt daarvan aankondiging te doen in een daartoe ter griffie van de arrondisse-ments regtbank aan te leggen register, mitsgaders in de nieuwspapieren bij art. 28 vermeld.

Indien het verlies vijf en zeventig ten honderd beloopt, is de vennootschap van regtswege ontbonden en zijn de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk voor het geheel jegens derden verantwoordelijk voor alle verbindtenissen, welke zij, nadat het bestaan van die vermindering aan hen bekend was of moest bekend zijn, hebben aangegaan. (K. 39, 45, 48.)

48. Ten einde de ontbinding, in voege voorschreven, te voorkomen, zal de akte bepalingen kunnen bevatten, tot het oprigten eener reserve- kas, waaruit de ontbrekende penningen geheel of gedeeltelijk kunnen worden aangevuld. (K. 49amp;.)

49. Bij de akte mogen geene vaste renten worden bedongen. De uitdeelingen geschieden uit de inkomsten, na aftrek van alle de uitgaven.

Er kan echter worden overeengekomen, dat die uitdeelingen niet meer dan zekere hoeveelheid zullen bedragen. (K 48, 55.)

50. De koninklijke bewilliging zal niet worden verleend, ten zij blijke dat de eerste oprigters te zamen ten minste een vijfde van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen; er zal voorts een termijn worden bepaald, binnen welken het overige gedeelte der actiën of aandeelen zal moeten geplaatst zijn. Die termijn kan steeds door den Koning, op verzoek der oprigters, worden verlengd. (K. 36b, 37.)

51. De vennootschap zal haren aanvang niet kunnen nemen, ten ware ten minste tien ten honderd van het gemeenschappelijk kapitaal gestort zij. (K. 41, 50.)

52. Indien de werkzaamheden der commissarissen zich blootelijk tot een toezigt over de bestuurders bepalen, en zij alzoo, in geen geval, deel nemen aan eenig beheer, kunnen zij bij de akte worden gemagtigd om de rekening en verantwoording der bestuurders, namens de vennooten, op te nemen en goed te keuren.

In het tegenovergesteld geval moet die opneming en goedkeuring door de vennooten, of daartoe bij de akte aangewezen personen, geschieden. (K. 43, 44a, 54b, 55, 338 v.)

53. Bij vennootschappen van verzekering op bepaalde voorwerpen, zal bij de akte een maximum worden bepaald, boven hetwelk, op een en hetzelfde voorwerp, niet zal mogen worden verzekerd, ten ware de vennooten, bij een uitdrukkelijk beding, zulks aan de beschikking der bestuurders, met of zonder de commissarissen, hadden overgelaten. (K. 246 v., -253.)

54. Bij de akte zal worden bepaald, op welke wijze het stemregt door de vennooten zal worden uitgeoefend. Echter zal dezelfde persoon niet meer dan zes stemmen voor zich zeiven kunnen uitbrengen, indien de vennootschap uit hon-

487

-ocr page 558-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

derd of meer actiën of aandeelen bestaat; en niet meer dan drie stemmen, indien dezelve minder beloopt. (B. 1696; K. 40 v.)

Geen bestuurder noch commissaris zal als gemagtigde bij de stemming optreden. (K. 44 v.)

55. De bestuurders zijn verpligt eenmaal \'sjaars aan de vennooten opgave te doen van de winsten en verliezen door de vennootschap in het afgeloopen jaar gehad ol\' geleden.

Die opgave kan geschieden, het zij in eene algemeene vergadering, het zij door de toezending van eenen staat aan lederen vennoot, het zij door eene aan de vennooten aangekondigde ter visie ligging der rekening, gedurende zekeren bij de akte bepaalden tijd. (K. 52; Rv. 771 v.)

56. Eene ontbondene vennootschap wordt door de bestuurders verellend, ten ware deswege bij de akte eene andere manier ware voorgeschreven. (K. 32 v.; Rv. 126i.)

De bepaling van art. 35 is te dezen toepasselijk.

VIERDE A F DEELING.

Van handelingen voor gcmeene rekening.

57. Behalve de drie soorten van vennootschap, hierboven gemeld, erkent de wet ook handelingen voor gemeene rekening. (Co. 47; K. 14.)

58- Deze handelingen zijn betrekkelijk tot eene of meer bijzondere of bepaalde handels-ondernemingen; zij hebben plaats omtrent zulke voorwerpen en onder zoodanige voorwaarden, als tusschen de deelgenooten is overeengekomen.

Zij vereischen geene schriftelijke akte, en zijn niet onderworpen aan de verdere formaliteiten en bepalingen ten aanzien van vennootschap voorgeschreven.

Zij geven aan derden geene regtsvordering, dan tegen den-gene der deelgenooten met wien die derden gehandeld hebben. (Co. 48—50; B. 1660, 1680 v.; K. 1, 22 v., 38 v.)

VIERDE TITEL.

Van beurzen van koophandel, makelaars en kassiers.

EERSTE Alquot; DEELING.

Van beurzen van koophandel.

59. De beurs van koophandel is de zamenkomst van kooplieden, schippers, makelaars, kassiers en andere personen tot den koophandel in betrekking staande. Zij heeft plaats op gezag van het plaatselijk bestuur. (Co. 71; K. 61; B. 12016; Rv. 568, 569d, 600 n0. 3; Gem.vv., a. 1 v.)

60 Uil de handelingen en afspraken, ter beurze gesloten, worden opgemaakt de bepaling van den wisselkoers, de prijs der koopmanschappen, der assurantiën, der zeevrachten, der kosten van vervoer te water en te lande, der binnen- en buitenlandsche obligatien, fondsen en andere papieren, die voor bepaling van koers vatbaar zijn.

488

-ocr page 559-

BOEK I, TITKr. tft EN IV, ARTT. 55 —67.

Deze onderscheidene koersen of prijzen worden volgens plaatselijke reglementen of gebruiken opgemaakt. (Co. 72, 73; B. 447d, 456, 1123amp;, 1201amp;, 1463amp;; K. 188 v., 262, 621 v.; Succ w., a. 23cJ.)

61. Het uur van het. aangaan en alloopen der beurs, en alles wat de goede orde aldaar betreft, wordt door plaatselijke reglementen bepaald. (Gem. w. a. 134 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van makelaars.

62. Makelaars zijn door het plaatselijk bestuur aangestelde tusschenhandelaars.

Alvorens tot de uitoefening van hun beroep te worden toegelaten, moeten zij bij de arrondissements-regtbank den eed afleggen, dat zij de aan hen opgelegde pligten getrouwelijk zullen waarnemen. (Co. 74, 75; B. 11240; K.4n6.3, 59, 71 v., 681 v.; Gem. w, a. 126, 134, 145.)

63. De handelingen van niet alzoo aangestelde tusschenhandelaars hebben geen verder gevolg, dan hetgeen uit de overeenkomst van lastgeving voortspruit. (13.1829 v.; K. 67 v.; B. 447d, 456, 12016.)

64. De werkzaamheden der makelaars bestaan in het, voor hunne meesters, koopen en verkoopen van waren en koopmanschappen, schepen, openbare fondsen en andere effecten en obligation, wisselbrieven, orderbriefjes en andere handelpapieren, het bezorgen van discompten, assurantiën, bodemerijen en bevrachtingen van schepen, van gelden op beleening of\' anderzins o). (Co. 76 v.; B. 1124; K. 62a, 192c, 260, 681 v.; Succ. w., a. 23d.)

65. De aanstelling van de makelaars is algemeen, dat is in alle vakken, of in de akte van aanstelling wordt uitgedrukt in welk vak of vakken zij de makelaardij mogen uitoefenen.

In het vak of de vakken waarin zij makelaars zijn, mogen zij voor eigen rekening, noch zelve, noch door tusschen-komst van anderen, noch gemeenschappelijk met anderen, noch in commissie, handel drijven, noch zich tot borg stellen voor de handelingen door hunne tusschenkomst gesloten. (Co. 81 v., 85 v.; K. 626, 64, 71, 72, 130 v.; B. 1857 v.)

66. De makelaars zijn gehouden, onmiddellijk na het sluiten van elke handeling, dezelve in hun zakboekje op te teekenen, en vervolgens dagelijks in hun dagboek over te brengen, zonder witte vakken, tusschenregels of kanttee-keningen, met duidelijke vermelding van de namen der partijen, den tijd der handeling en der levering, de hoedanigheid, hoeveelheid en den prijs der goederen, en alle de voorwaarden der gesloten handeling. (Co. 84; K. 6, 9 v.)

489

67. De makelaars zijn verpligt aan de partijen ten allen tijde en zoodra deze zulks begeeren, uittreksels uit hun boek te geven, bevattende al hetgeen zij daarin, betrekkelijk de handeling die hen aangaat, hebben aangeteekend. (K. 11.)

u) O. E.: op beloeiiiag, of auderzins.

-ocr page 560-

WETBOEK VAN KUOPIIANÜEL.

De regter kan aan makelaars de openlegging hunner boeken in regten bevelen, ten einde de afgegevene uittreksels met de oorspronkelijke aanteekeningen te vergelijken, en hij kan daaromtrent hunne toelichting vorderen. (K. 12; B. 1942.)

68. Indien de handeling niet geheel ontkend wordt, leveren de aanteekeningen, door den makelaar uit zijn zakboekje in zijn dagboek overgebragt, bewijs op tusschen de partijen, ten aanzien van den tijd van de handeling en dien van de levering, van de hoedanigheid en hoeveelheid van het goed, van den prijs waarvoor en de voorwaarden waarop de handeling is aangegaan. (C. 109; K. 10, 66.)

69. De makelaars moeten, indien zij daarvan door partijen niet zijn ontslagen, van elke, door hunne tusschenkomst, op monster verkochte partij goederen, het monster tot den tijd der volbragte levering bewaren, voorzien van eene behoorlijke aanteekening ter herkenning van hetzelve.

70. De makelaar die, den koop en verkoop van eenen wisselbrief of van een ander dergelijk verhandelbaar ell\'ect gesloten hebbende, hetzelve aan den kooper ter hand stelt, is verantwoordelijk voor de echtheid der zich daarop bevindende handteekeningen van den verkooper. (K. 65b, 100, 134.)

71. De makelaars, welke zich schuldig maken aan overtreding van eenig punt, bij deze afdeeling te hunnen opzigte voorgeschreven, zullen door het publiek gezag hetwelk hen heeft aangesteld, naarmate der omstandigheden, in derzelver bedieningen geschorst, of daarvan vervallen verklaard worden, onverminderd zoodanige straffen als bij het Wetboek van Strafregt zijn bepaald, alsmede onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, waartoe zij als lastaannemers gehouden zijn. (Co. 87; B. 1838,1840; K. 62, 65b v., 69.)

72. Door den staat van faillissement eens makelaars, wordt hij in zijne bediening geschorst, en kan daarvan vervolgens door den regter worden vervallen verklaard.

In geval van overtreding van het verbod, vervat bij het tweede lid van art. 65, moet een gefailleerd makelaar van zijne bediening ontzet worden. (Co. 89; K. 62, 71; F. 1 v.)

73- Een makelaar, die van zijne bediening is vervallen verklaard, kan in geen geval daarin worden hersteld. (Co. 88; K. 71 v.)

DERDE AFDEELING.

Van kassiers.

74. Kassiers zijn personen aan wie, tegen genot van zeker loon of provisie, gelden ter bewaring en uitbetaling worden toevertrouwd. (B. 1731 v., 1829 v, 1849; K. 4 n0. 3, 6 v., 59, 221 v.)

75. Een kassier, zijne betaling opschortende of faillerende, wordt vermoed het verval zijner zaken door eigen schuld te hebben veroorzaakt. (B. 1953.)

41)0

-ocr page 561-

DOEK 1, TITEL IV EN V, ARTT. 68—S\'i.

VIJFDE TITEL.

Van commissionairs, expediteurs, voerlieden, en van schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.

EERSTE AFDEELING.

Van commissionairs.

76. Een commissionair is iemand, die op zijnen eigen naam of firma, en tegen genot van zeker loon of provisie, op order en voor rekening van eenen ander, zaken van koophandel verrigt. (Co. 91; B. 1829 v.; K. 4 n0.1,62, 79; Succ. w.,a.23(i.)

77. De commissionair is jegens dengenen, met wien hij handelt, niet gehouden den persoon op te geven, voor wiens rekening hij de handeling verrigt heeft.

Hij is, even als ware het zijne eigene zaak, regtstreeks jegens zijnen mede contractant verbonden. (B. 1839; K. 78,2406,262.)

78. De commissiegever heeft geen regt van vordering tegen hem, met wien de commissionair gehandeld heeft, evenmin als hij, die met den commissionair heeft gehandeld, den commissiegever kan aanspreken. (B. 1836; K. 76, 77.)

Bij de Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 89) zijn de artikelen 79—85 vervangen door de volgende bepalingen:

79 Indien echter een commissionair in den naam van zijnen lastgever heeft gehandeld, worden zijne regten en verpligtin-gen, ook ten aanzien van derden, geregeld door dehepalingen van het Burgerlijk Wetboek onder den titel «van lastgeving.»

Hij heeft het voorregt niet, bij de volgende artikelen bedoeld. (Co. 92; B. 1829 v., 1849; K. 80 v.)

80. Een commissionair is voor de vorderingen, welke hij als zoodanig ten laste van zijnen commissiegever heeft, zoo Ier zake zijner voorgeschoten gelden, interessen, kosten en provisie, als voor zijne nog loopende verbindtenissen, be-voorregt op de goederen, die de commissiegever hem ter verkoop, of om die tot nadere beschikking onder zich te houden, heeft toegezonden, of die hij voor dezen heeft gekocht en ontvangen, zoolang zij zich in zijne magt bevinden.

Dit voorregt gaat boven alle andere, behalve dat van art. 1185, 1°. van het Burgerlijk Wetboek. (Co. 93, 95; B. 1180, 1185 nquot;. 4, 5, 7; K. 81 v., 85.)

81. Indien de goederen, in art. 80 bedoeld, voor rekening van den commissiegever verkocht en geleverd zijn, betaalt de commissionair aan zich zeiven, uit de opbrengst van den verkoop, het beloop zijner vorderingen, waarvoor hem bij dat artikel voorregt is toegekend. (Co. 94; B. 1461 v.)

82. Indien de commissiegever aan den commissionair goederen heeft toegezonden, met last om die tot nadere beschikking onder zich te houden, of hem heeft beperkt in het vermogen om die te verkoopen, of indien de last tot verkoop is vervallen, en eerstgemelde niet voldoet aan de vorderingen, welke de commissionair ten zijnen laste heeft en waarvoor bij art. 80 voorregt is toegekend, kan de commissionair, met overlegging van de noodige bewijsstukken, op een eenvoudig verzoekschrift verlof van de regtbank zijner woonplaats bekomen om die goederen, het zij geheel of ten deele, te verkoopen op de wijze bij het vonnis te bepalen. (B. 1850; K. 81.)

491

-ocr page 562-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

De commissionair is verpligt om den comraissiegever zoowel van het verzoek om verlof als van den krachlens het verlof plaats gehad hebbenden verkoop uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangetee-kenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving.

83. Een commissionair, die voor zijnen commissiegever goederen heeft gekocht en ontvangen, kan, indien laatstge-melde niet voldoet aan de vorderingen, welke de commissionair ten zijnen laste heeft, en waarvoor bij art. 80 voorregt ie toegekend, door de arrondissements-regtbank zijner woonplaats, op gelijke wijze als in het vorige artikel is bepaald, tot verkoop dezer goederen worden gemagtigd.

Het laatste lid van art. 82 is ten deze van toepassing. (K. 81.)

84. In geval van faillissement van den commissiegever zijn de bepalingen, bij de artikelen 57, 5S en 59 van de Wet op het Faillissement en de surséance van betaling ten aanzien van den pandhouder of beleener gemaakt, op den commissionair en tegenover hem van toepassing.

De surséance van betaling van den commissiegever belet niet, dat de commissionair van de bevoegdheden, hem bij de artikelen 81, 82 en 83 toegekend gebruik make. (F. 233 n0. 2.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 4 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

85. De toekenning der bevoegdheden, bij de artikelen 81, 82 en 83 bedoeld, laat het regt van terughouding, waar de commissionair dit krachtens art. 1849 van het Burgerlijk Wetboek heef:, onverlet. (K. 76, 79; F. 60.)

TWEEDE AFDEELING.

Van expediteurs.

86. De expediteur is iemand die zich met het doen vervoeren van koopmanschappen en goederen te land of te water bezig houdt.

Hij is verpligt in een dagregister onderscheidenlijk aan te teekenen den aard en de hoeveelheid der te vervoeren goederen of koopmanschappen, alsmede, zulks gevorderd wordende, derzelver waarde. (Co. 96; 15. 1185 n0. 7 j0. 1193, 1829 v., 1849; K. 4 n». 5, 6 v., 76, 90b, 95.)

Art. 119 der Algemeene wet van 26 Augustus 1822 (Stb. n». 38). Aan de geadmitteerde konvooiloopers, expediteurs, scheepsmakelaars of kargadoors, wordt privilegie verleend, voor den tijd van zes maanden na de gedane betaling, op alle de roerende goederen van hunne debiteuren, wegens zoodanige inkomende en uitgaande regten, accijnsen en tonnegelden, als door hen voor dezelve aan het Bijk zijn voldaan geworden; zullende hetzelve onmiddellijk rang nemen na de privilegien bij de artt. 2101 en 2102 (thans 1185 en 1195) van het Burgerlijk Wetboek en bij art. 191 (thans 315) van het

a) Oorspronkelijk werden in het eerste lid, in plaats van de woorden : „artikelen 57, 5S en 50 van de Wet op het Faillissement en de surséance van betaling,quot; gelezen de woorden: „artikelen 854, 855 en 856 van het quot;Wetboek vc.n Koophandel.quot;

492

-ocr page 563-

BOEK I, TITEL V, ARTT. 83—91.

Wetboek van Koophandel vermeld, mitsgaders na die van het Rijk, wegens verschuldigde regfen en accijnsen.

87. Hij moet inslaan voor de behoorlijke zoo spoedig mogelijke verzending van de bij hem tot dat einde ontvangen koopmanschappen en goederen, met inachtneming van alle die middelen van zekerheid, welke hij tot eene goede bezorging kan bij de hand nemen. (Co. 97; B. 1403c, 1837 v.; K. 88.)

88. Hij moet ook na de verzending instaan voor de beschadiging of voor het verlies van koopmanschappen en goederen, welke aan zijne schuld of onvoorzigtigheid kunnen worden toegeschreven. (Co. 98; K. 91 v.; B. 4280 v.)

89. Hij staat ook in voor de tusschen-expediteurs door hem gebruikt. (Co. 99; B. 1840.)

90. De vrachtbrief maakt de overeenkomst uit tusschen den afzender of den expediteur en den voerman of den schipper, en behelst, behalve hetgeen tusschen partijen mogt zijn overeengekomen, zoo omtrent den tijd binnen welken de vervoering moet volbragt zijn, en de schadeloosstelling, in geval van vertraging, als anderzins:

1°. De benaming en het gewigt of de maat der te vervoeren goederen, benevens derzelver merken en getallen; (Stb. 1874 n0. 143.)

2°. Den naam van dengene aan wien het goed gezonden wordt;

3°. Den naam en de woonplaats van den voerman of den schipper;

4°. Het bedrag van het vrachtloon;

5°. De dagteekening;

6°. De onderteekening van den afzender of van den expediteur.

De vrachtbrief moet door den expediteur in zijn dagregister worden ingeschreven. (Co. 101, 102; K. 866, 507; Regl. verv., a. 48, 49.)

DERDE A F D E E L I N G.

Van voerlieden en van schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.

(Verg. de Spoorwegwet, het Algemeen reglement op het vervoer op de spoorwegen; de Wet van 28 October 1889 (Stb. n®. 146), tot nadere regeling van de dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, j®. Stb. 1890 n®. 93; de Postwet j0. de Wet van 21 Juni 1881 (Stb. n®. 70), tot inrichting eener dienst ter verzending met de post van pakketten, een gewicht van 5 kilogram niet te boven gaande; de Telegraafwet.)

91. De voerlieden en schippers moeten instaan voor alle schaden, aan de ter vervoering overgenomene koopman-

493

-ocr page 564-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

De commissionair is verpligt om den comraissiegever zoowel van het verzoek om verlof als van den krachtens het verlof plaats gehad hebbenden verkoop uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangetee-kenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving.

83. Een commissionair, die voor zijnen commissiegever goederen heeft gekocht en ontvangen, kan, indien laatstge-melde niet voldoet aan de vorderingen, welke de commissionair ten zijnen laste heeft, en waarvoor bij art. 80 voorregt ie toegekend, door de arrondissements-regtbank zijner woonplaats, op gelijke wijze als in het vorige artikel is bepaald, tot verkoop dezer goederen worden gemagtigd.

Het laatste lid van art. 82 is ten deze van toepassing. (K. 81.)

84. In geval van faillissement van den commissiegever zijn de bepalingen, bij de artikelen 57, 5S en 59 van de Wet op het Faillissement en de surséance van betaling ten aanzien van den pandhouder of beleener gemaakt, op den commissionair en tegenover hem van toepassing.

De surséance van betaling van den commissiegever belet niet, dat de commissionair van de bevoegdheden, hem bij de artikelen 81, 82 en 83 toegekend gebruik make. (F. 233 n0.2.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 4 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

85. De toekenning der bevoegdheden, bij de artikelen 81, 82 en 83 tiedoeld, laat het regt van terughouding, waarde commissionair dit krachtens art. 1849 van het Burgerlijk Wetboek heeft, onverlet. (K. 76, 79; F. 60.)

TWEEDE AFDEELING.

Van expediteurs.

86. De expediteur is iemand die zich met het doen vervoeren van koopmanschappen en goederen te land of te water bezig houdt.

Hij is verpligt in een dagregister onderscheidenlijk aan te teekenen den aard en de hoeveelheid der te vervoeren goederen of koopmanschappen, alsmede, zulks gevorderd wordende, derzelver waarde. (Co. 96; 15. 1185 n®. 7 j0. 1193, 1829 v., 1849; K. 4 n». 5, 6 v., 76, 90b, 95.)

Art. 119 der Algemeene wet van 16 Augustus (Stb. n0. 38). Aan de geadmitteerde konvooiloopers, expediteurs, scheepsmakelaars of kargadoors, wordt privilegie verleend, voor den tijd van zes maanden na de gedane betaling, op alle de roerende goederen van hunne debiteuren, wegens zoodanige inkomende en uitgaande regten, accijnsen en tonnegelden, als door hen voor dezelve aan het Rijk zijn voldaan geworden; zullende hetzelve onmiddellijk rang nemen na de privilegien bij de artt. 2101 en 2102 (thans 1185 en 1195) van het Burgerlijk Wetboek en bij art. 191 (thans 315) van het

a) Oorspronkelijk werden in het eerste lid, in plaats van de woorden : „artikelen 57, 58 en 59 van de Wet op het Faillissement en de surséance van betaling,quot; pelezen de woorden: „artikelen 854, 855 en 856 van het Wetboek van Koophandel.quot;

492

-ocr page 565-

BOEK I, TITEL V, ARTT. 83—91.

Wetboek van Koophandel vermeld, mitsgaders na die van het Rijk, wegens verschuldigde regten en accijnsen.

87. Hij moet instaan voor de behoorlijke zoo spoedig mogelijke verzending van de bij hem tot dat einde ontvangen koopmanschappen en goederen, met inachtneming van alle die middelen van zekerheid, welke hij tot eene goede bezorging kan bij de hand nemen. (Co. 97; B. 1403c, 1837 v.; K. 88.)

88. Hij moet ook na de verzending instaan voor de beschadiging of voor het verlies van koopmanschappen en goederen, welke aan zijne schuld of onvoorzigtigheid kunnen worden toegeschreven. (Co. 98; K. 91 v.; B. 1280 v.)

89. Hij staat ook in voor de tusschen-expediteurs door hem gebruikt. (Co. 99; B. 1840.)

90. De vrachtbrief maakt de overeenkomst uit tusschen den afzender of den expediteur en den voerman of den schipper, en behelst, behalve hetgeen tusschen partijen mogt zijn overeengekomen, zoo omtrent den tijd binnen welken de vervoering moet volbragt zijn, en de schadeloosstelling, in geval van vertraging, als anderzins:

1°. De benaming en het gewigt of de maat der te vervoeren goederen, benevens derzelver merken en getallen; (Stb. 1874 n0. 143.)

2°. Den naam van dengene aan wien het goed gezonden wordt;

3°. Den naam en de woonplaats van den voerman of den schipper;

4°. Het bedrag van hef vrachtloon;

5°. De dagteekening;

6°. De onderteekening van den afzender of van den expediteur.

De vrachtbrief moet door den expediteur in zijn dagregister worden ingeschreven. (Co. 101, 102; K. 8Gb, 507; Regl. verv., a. 48, 49.)

DERDE A F D E E L I N G.

Van voerlieden en van schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.

(Verg. de Spoorwegwet, het Algemeen reglement op het vervoer op de spoorwegen; de Wet van 28 October 1889 (Stb. n0. 146), tot nadere regeling van de dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, j0. Stb. 1890 n®. 93; de Postwet j0. de Wet van 21 Juni 1881 (Stb. n®. 70), tot inrichting eener dienst ter verzending met de post van pakketten, een gewicht van 5 kilogram niet te boven gaande; de Telegraafwet.)

91. De voerlieden en schippers moeten instaan voor alle schaden, aan de ter vervoering overgenomene koopman-

493

-ocr page 566-

494

schappen of goederen overgekomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek van het goed zelf, door overmagt, of door schuld of nalatigheid van den afzender of expediteur veroorzaakt zijn. (C. 1782 v.; Co. 103; B. 1185 n0. 7 j». 1193,1280 v., 1403c, 1653; K. 4 n°. 5; 87 v., 93, 95,98,345 v., 532, 755.)

92. De voerman of de schipper is niet ter zake van vertraging aansprakelijk, indien dezelve door overmagt is veroorzaakt. (Co. 104; B. 1281; K. 87.)

93. De vervoerde koopmanschappen of goederen besteld en aangenomen, en het vrachtloon betaald zijnde, is daardoor alle regtsvordering ter zake van beschadiging of vermindering tegen den voerman of den schipper vernietigd, indien het gebrek uiterlijk zigtbaar was.

De beschadiging of vermindering niet uiterlijk zigtbaar zijnde, kan de geregtelijke bezigtiging gedaan worden nadat de goederen zijn aangenomen, om het even of de vracht al dan niet voldaan zij, mits die bezigtiging gevraagd worde binnen tweemaal vier en twintig uren na de ontvangst, en van de eenzelvigheid der goederen blijke. (Co. 105; K. 492, 494 v., 746, 755.)

94. Indien de aanneming der koopmanschappen of goederen wordt geweigerd, of daarover geschil valt, doet de president van de arrondissements-regtbank, of, ter plaatse waar deze niet gevestigd is, de kantonregter, op een eenvoudig verzoekschrift, waarop de wederpartij, zoo zij zich daar ter plaatse bevindt, zal worden gehoord, de noodige voorziening tot het. opnemen van het goed door deskundigen, en zal hij insgelijks kunnen bevelen dat de goederen in eene behoorlijke bewaarplaats worden opgeslagen, om daaruit aan den voerman of den schipper het beloop van zijn vrachtloon en onkosten te voldoen.

De arrondissements-regtbank is bevoegd om, op gelijke wijze als hier-boven is bepaald, magtiging te verleenen tot den openbaren verkoop van bederfelijke waren, of van zoodanig gedeelte der goederen als tot voldoening van vrachtloon en kosten zal vereischt worden. (Co. 106; K. 81, 487, 489, 518 v.)

95. Alle regtsvordering tegen den expediteur, voerman of schipper, uit hoofde van een geheel verlies, vertraging der bezorging, of geledene schade aan koopmanschappen of goederen, verjaart met den tijd van zes maanden, ten aanzien van verzendingen, binnen \'s lands gedaan, en met het verloop van een jaar, ten aanzien van verzendingen naar buiten \'s lands, te rekenen, in het geval van verlies, var. den dag dat de vervoering der koopmanschappen of goederen had moeten volbragt zijn, en, in het geval van beschadiging of te late bezorging, van den dag dat het goed ter plaatse van deszelfs bestemming zal zijn aangekomen.

Deze verjaring is niet toepasselijk in geval van bedrog of ontrouw. (Co. 108; B 1364, 2004; K. 86 v., 91, 93.)

96. Onverminderd hetgeen bij bijzondere reglementen mogt zijn voorgeschreven, zijn de bepalingen van deze af-deeling ook toepasselijk op de ondernemers van openbare

-ocr page 567-

ROEK I, TITEI, V, ARTT. 92—402.

bare rijtuigen en vaartuigen. Zij zijn verpligt een register te houden van de door hen aangenomen voorwerpen.

Indien dezelve bestaan in geld, goud, zilver, juweelen, paarleu, edelgesteenten, kleinooden, effecten, coupons of andere papieren van dien aard, geldswaarde hebbende, is de afzender verpligt om de waarde daarvan op te geven, en hij kan vorderen, dat daarvan aanteekening in het register worde gehouden.

Bij gebreke dier opgave zal hij, in geval van vermissing of schade, alleen tot het bewijs der waarde, naar het uiterlijk aanzien van het verzondene, worden toegelaten.

In geval van opgave der waarde, kan dezelve door alle bewijsmiddelen worden gestaafd, en heeft de regter zelfs de bevoegdheid om aan de opgave van den afzender, met eede gesterkt, volkomen geloof te hechten, en daarnaar de schadevergoeding te schatten en toe te wijzen. (C. 1785, 1786; Co 107jK. 86b, 91 v.; Spoorw.w.; Regl. verv.; Stb. 1880no.67 en 121; Stb. 1889 n0. 146 en Stb. 1890 n0. 93.)

97. De beurtvaart en alle andere middelen van vervoer blijven onderworpen aan de wettiglijk op dit stuk bestaande verordeningen en reglementen, voor zoo verre dezelve niet met de bepalingen van dezen titel strijden. (Stb. 1880 n0.67 en 121; Gem.w., a. 121.)

98. De regten en verpligtingen omtrent de scheepvaart, bij het tweede boek van dit Wetboek voorgeschreven, zijn ook toepasselijk op de vaart op de rivieren, stroomen en kanalen, voor zoo verre dit uitdrukkelijk bij den laatsten titel van dat boek is bepaald. (K. 748 v.)

99. De bepalingen van dezen titel zijn niet toepasselijk op de regten en verpligtingen tusschen den kooper en verkooper. (B. 1493 v.)

ZESDE TITEL.

Van wisselbrieven.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard en den vorm van ivisselbrieven.

100. Een wisselbrief is een geschift, uit eene plaats ge-dagteekend, waarbij de onderteekenaar iemand last geeft om eene daarin uitgedrukte geldsom, in eene andere plaats, op of na zigt, of op eenen bepaalden tijd, aan eenen aangewezen persoon of aan deszelfs order te betalen, met erkenning van ontvangene waarde of van waarde in rekening. (Co. 110; K. 4 n». 2, 101, 105, 111, 115, 116, 126, 131, 133, 139, 140, 149 v., 156 v., 160, 181, 208,210,508,573; Rv. 303, 586 n». 2.)

101. Een wisselbrief kan ook worden getrokken:

a. Aan de order van den trekker; (K. 133 v.)

b. Op zekeren persoon, en betaalbaar aan de woonplaats van eenen derde; (K. 106, 117 v., 176, 180.)

c. Voor rekening van eenen derde. (K. 106,114c, 122 n0.1, 141, 143, 200. - Co. 110, 111.)

102. Wisselbrieven behelzende verdichte opgave van naam

495

-ocr page 568-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

of van woonplaats, of van de plaats der trekking\' of der betaling, hebben enkel kracht van gewone schuldbekentenis, indien daartoe overigens de vereischten aanwezig zijn.

De verdichting kan echter door hen, die daarvan kennis hebben gedragen, niet worden tegengeworpen aan derden, die daarvan zijn onbewust geweest. (Co. 112; B. 1915; Rv. 586 n0. 3; Sr. 226 n». 5.)

103. Een wisselbrief kan bij prima, secunda, tertia, enz., getrokken worden. (Co. 110; K. 104, 134, 160 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verhindtenis tusschen den trekker en den nemer van eenen wisselbrief.

104. Indien niet anders is bedongen, is de trekker verpligt aan den nemer die dit vordert, den wisselbrief te leveren in prima, secunda, en tertia, waarvan in ieder der wisselbrieven melding moet gemaakt worden, en welke alle voor eenen, en voor alle gelden. (C. 110; K. 103, 134, 160 v.)

105. De trekker is verpligt, ter keuze van den nemer, den wisselbrief te stellen betaalbaar aan den nemer zeiven, of aan eenigen anderen persoon, in beide gevallen aan order of zonder bijvoeging van order. (K. 70, 100, 133.)

106. De trekker, of degene voor wiens rekening de wisselbrief is getrokken, is verpligt zorg te dragen dat de betrokkene, ten vervaldage, in handen hebbe het noodig fonds tot betaling, zelfs indien de wisselbrief bij eenen derde is betaalbaar gesteld, met dien verstande echter dat de trekker zelf in alle gevallen aan den houder en de vroegere endos-santen persoonlijk verantwoordelijk blijft. (Co. 115; K. 1016 en c, 107, 110, 113, 142, 148, 186.)

107. De betrokkene wordt geacht het noodige fonds in handen te hebben, indien hij, bij het vervallen des wissel-briefs, of op het tijdstip waarop dezelve, naar aanleiding van art. 155, voor vervallen wordt gehouden, aan den trekker, of aan dengene voor wiens rekening is getrokken, eeneop-eischbare som schuldig is, ten minste gelijk staande met het beloop van den wisselbrief. (Co. 116; K. 101c, 113,149 v., 778a.)

108. De wisselbrief van non-acceptatie of van non-betaling zijnde geprotesteerd, is de trekker tot vrijwaring gehouden, al ware het protest niet in tijds gedaan. Indien hij echter, in het laatste geval, bewees dat de betrokkene op den vervaldag het noodig fonds tot betaling des wissel-briefs in hadden had, is hij daarvan bevrijd.

Indien, in dat geval, het vereischte fonds slechts gedeeltelijk aanwezig was, is de trekker voor het ontbrekende gehouden. (Co. 117,170; K. 120,168,179 v., 186, 201, 207,223.)

109. Indien de betrokkene den wisselbrief niet heeft geaccepteerd, en de houder verzuimd heeft denzelven tijdig te laten protesteren, is de trekker niettemin verpligt aan laatst-gemelde af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen gehad, en zulks tot het beloop van den wisselbrief; en hij moet aan den houder, ten diens koste, de noodige bewijzen

496

-ocr page 569-

boek i, titel vi, artt. 103—-114.

verschaffen om die vordering te doen gelden. Indien de trekker in staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijnen boedel tot dezelfde verpligtingen gehouden, ten ware deze mogten verkiezen den houder als schuld-eischer, voor het beloop van den wisselbrief, toe te laten. (B. 668a en fc; K. 106, 110a, 118, 201, 224.)

110. De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief heeft in geen geval eenig regt op het fonds, dat de betrokkene van den trekker in handen heeft.

Indien de wisselbrief niet is geaccep:eerd, behooren die penningen, bij faillissement van den trekker, aan diens boedel.

In geval van acceptatie, blijft het fonds, tot het beloop van den wisselbrief, aan den betrokkene, behoudens de ver-pligting van dezen om jegens den houder aan zijne acceptatie te voldoen. (K. 106, 109, 119.)

111. De wisselbrief getrokken zijnde aan de order van eenen derde, alleen ten einde daarvan de betaling te vorderen, zoo is zulks, tusschen den trekker, of den gene, voor wiens rekening is getrokken, en den nemer, eene enkele lastgeving, waarin echter de bevoegdheid ligt opgesloten om den eigendom des wisselbriefs door endossement over te dragen. (B. 1829 v.; K. 100, 101a, 133 v., 135, 242.)

derde afdeeling.

Van het accepteren van wisselbrieven en van den horgtogt aval genaamd.

112. Een wisselbrief moet bij de vertooning, immers uiterlijk binnen vier en twintig uren daarna, zonder onderscheid van zon- of andere dagen, worden geaccepteerd.

Indien de wisselbrief na dien termijn niet, met of zonder acceptatie, is terug gegeven, is degene, die denzelven heeft terug gehouden, jegens den houder verpligt tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (Co. 125; JL 114, 116, 119, 140, 154, 176, 179, 228; Rv. 14.)

113. Hij die het noodig fonds in handen heeft, bijzonderlijk bestemd tot de betaling van eenen getrokken wisselbrief, is, op straf van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den trekker, tot de acceptatie verpligt. (K. 107, 148.)

114. Belofte om eenen wisselbrief te zullen accepteren geldt niet als acceptatie, maar geeft aan den trekker eene regtsvordering tot schadevergoeding tegen den belover, die weigert zijne belofte gestand te doen.

Deze schade bestaat in de kosten van protest en herwissel, wanneer de wisselbrief voor des trekkers eigene rekening was getrokken.

Wanneer de trekking voor rekening van eenen derde was gedaan, bestaan de schaden en interessen in de kosten van protest en herwissel, en in het beloop van hetgeen de trekker, uit hoofde van de bekomene toezegging van den belover, aan dien derde, op het crediet van den wisselbrief, heeft voorgeschoten. (K. 101c, 113, 143, 177, 186, 187.)

497

32

-ocr page 570-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

115. De acceptatie moet door den betrokkene duidelijk op den vertoonden wisselbrief gesteld en door hem onderteekend worden.

De acceptatie moet gedagteekend zijn, indien de wisselbrief op eenigen tijd na zigt is getrokken.

Bij gebreke van dagteekening, kan de houder de betaling vorderen op den termijn daarbij uitgedrukt, te rekenen van den dag der trekking. (Co. 122; K. 100, 403 v., 117,120,1449.)

116. De houder van eenen wisselbrief getrokken op plaatsen binnen het koningrijk der Nederlanden, het zij op zigt, of op eenigen tijd na zigt, moet daarvan de acceptatie of de betaling vorderen binnen de na te melden termijnen na de dagteekening van den wisselbrief, en zulks op straf van zijn verhaal te verliezen op de endossanten en op den trekker, indien deze fondsen tot de betaling bezorgd had.

Die termijnen worden bepaald als volgt:

quot;Voor wisselbrieven getrokken van het vaste land en van de eilanden in Europa, op zes maanden;

Voor wisselbrieven getrokken uit de Levant en van de noordelijke kusten van Afrika, op acht maanden;

Voor wisselbrieven getrokken van de westelijke kusten van Afrika tot aan de Kaap de Goede Hoop, en deze daaronder begrepen, mitsgaders van het vaste land van Noord- en Zuid-Amerika (met uitzondering van het hierna gemelde gedeelte), en van de eilanden in de West-Indien, op één jaar;

Voor wisselbrieven getrokken van de kusten van Noorden Zuid Amerika, gelegen aan de Groote Zuidzee, te rekenen van de andere zijde van Kaap Hoorn, en van de in die zee gelegene eilanden, mitsgaders van het vaste land van Azie en de eilanden in de Oost-Indien, op twee jaren;

De termijnen worden in tijden van oorlog ter zee verdubbeld, voor zoo veel betreft wisselbrieven, getrokken van de eilanden in Europa en van de plaatsen vermeld bij het vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel. (K. 207^.)

Alle de bepalingen hierboven gemeld, zijn wederkeeriglijk van toepassing op wisselbrieven op zigt, of op eenigen tijd na zigt, getrokken uit het koningrijk der Nederlanden op de plaatsen hierboven aangeduid.

De termijn is van d i ie maanden voor binnenlandsche wisselbrieven. (Co. 160; A. 10; K. 108, 112, 139, 150 v., 152.)

117- De acceptatie van eenen wisselbrief, betaalbaar op eene andere plaats dan die waar de acceptant zich ophoudt, moet de woonplaats aanwijzen, waar de betaling ontvangen of het protest gedaan moet worden. (Co. 123; K. 1016, 116, 176, 180amp; en c; F. 99b.)

118 Indien de gedomicileerde, na verloop van den vervaldag, failleert, en de houder verzuimd heeft het protest tijdig te laten opmaken, is de acceptant ontslagen, indien, en voor zoo verre, hij bewijst fonds aan de aangewezene woonplaats te hebben bezorgd; behoudens de verpligting vermeld bij art. 109. (K. 106, 108.)

119- Hij die eenen wisselbrief heeft geaccepteerd is tot deszelfs betaling verpligt.

Hij mag de eens op den wisselbrief gestelde acceptatie, ook

498

-ocr page 571-

BOEK 1, TITEL VI, ARTT. 115—127.

vóór deszelfs teruggave, niet herroepen, vernietigen, doorhalen of onleesbaar maken, en blijft desniettegenstaande tot de voldoening verpligt.

Hij is onbevoegd om, door beslag op den wisselbrief onder den houder te leggen, deszelfs verderen loop te beletten.

Hij kan tegen zijne acceptatie niet in zijn geheel worden hersteld, al hadde de trekker geen fonds bezorgd, of al ware deze, buiten zijn weten, vóór de acceptatie gefailleerd, ten zij de houder bedriegelijke middelen hadde in het werk gesteld om de acceptatie te verkrijgen. (Co. 121; K. 115,140, 144, 148, 161 v.; Rv. 475 v., 586 n0. 2; B. 1364, 1461 v.)

120. De acceptatie mag niet onder eene voorwaarde gedaan worden, maar wel met eenige bepaling ten aanzien van de som. In het eerste geval, moet de wisselbrief van non-acceptatie worden geprotesteerd; in het laatste geval, is de houder vergligt de gedeeltelijke acceptatie aan te nemen en voor het meerdere te laten protesteren. (Go. 124; B. 1289 v., 1426 v ; K. 119, 168.)

121. Indien een wisselbrief van non-acceptatie geprotesteerd wordt, kan dezelve geaccepteerd worden door eenen ander, ter eere van den trekker, of van eenen der endossan-ten, het zij dezelve hem daartoe gelast hebben dan niet. (C. 126; B. 1390 v.; 1829 v.;K. 122,124,128,147,170,177.)

122. Indien zich onderscheidene personen tot deze acceptatie ter eere opdoen, zijn daartoe, bij voorkeur, in de volgende orde geregtigd:

1°. Zij die den wissel accepteren ter eere van den trekker, of van dengenen voor wiens rekening dezelve getrokken is; (K. 101c.)

2°. Zij die zulks willen doen ter eere van den nemer;

3°. Zij die zulks willen doen ter eero van vroegere endossanten. (Co. 159; K. 123 v., 172, 173.)

123. Indien verscheidene personen, allen van last voorzien, zich aanbieden om den wisselbrief ter eere van denzelfden persoon te accepteren, verblijft de keuze aan den houder.

Hetzelfde geldt indien meer dan een persoon zich, zonder last, tot acceptatie ter eere van denzelfden persoon aanbiedt. (K. 122, 124 v., 173.)

121. Die, tot het doen van zoodanige acceptatie ter eere, met last zijn voorzien van dengenen, voor wiens rekening zij dezelve aanbieden, hebben altijd den voorrang boven anderen, die zonder last zoodanige acceptatie ter eere van denzelfden persoon aanbieden. (K. 122 v., 173, 181a.)

125. De houder zelf, tot zoodanige vereering gelast of bereidvaardig zijnde, heeft daarop eene even gelijke aanspraak als elk ander, en vermag dus, in gelijke omstandigheden, zich zeiven de voorkeur te geven. (K. 122 v., 174.)

126 De acceptatie ter eere moet op den wisselbrief gesteld worden; in de akte van protest of achter dezelve, wordt van die acceptatie melding gemaakt. (Co. 126; K. 115,182.)

127 Die eenen wisselbrief ter eere accepteert, is gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan dengenen ter wiens eere hij geaccepteerd heeft, op straffe van ver-

499

-ocr page 572-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

goeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe termen zijn. (Co. 127; K. 122 v., 171b, 184.)

128. Niettegenstaande alle acceptatien door eenen ander ter eere gedaan, behoudt de houder van den wisselbrief al zijn regt tegen den trekker en de endossanten, uit hoofde der non-acceptatie van dengenen, op wien de wisselbrief getrokken was. (Co. 128; K. 146, 177, 184.)

129. Zoodanig een ter eere geaccepteerde wisselbrief moet, bij gebreke van betaling ten vervaltijde, tegen den betrokkene geprotesteerd worden.

Bij gebreke van zoodanig protest tegen den betrokkene, is de acceptant ter eere tot de voldoening des wissels ongehouden ; en wanneer hij zonder dit protest den wissel betaald heeft, verliest hij zijn verhaal tegen diegenen, die er belang bij zouden mogen hebben, dat de wissel behoorlijk tegen den oorspronkelijk betrokkene geprotesteerd was. (K. 147, 171 v., 179 v.)

130. De betaling van eenen wisselbrief kan, onverminderd de acceptatie van den betrokkene, bovendien verzekerd worden door eenen borgtogt, aval genaamd. (Co. 141; B. 1857 v.; K. 65b, 182b n». 1, 209e.)

131. Deze borgtogt wordt gesteld op den wisselbrief zeiven, of bij een afzonderlijk geschrift, zelfs bij eenen brief. (Co. 142; B. 1861.)

132. Dusdanige borg is (zoo geene andere overeenkomsten tusschen partijen gemaakt zijn) voor het geheel verbonden op dezelfde wijze, en kan tot de betaling genoodzaakt worden door dezelfde middelen, als de trekker en de endossanten. (Co. 142; B. 1374, 1376, 1869 n0. 2 j0.1314; K. 108, 109, 177b, 186 v.; Bv. 586 n». 2.)

VIERDE AFDEELING.

Van het endosseren van wisselbrieven.

133. De eigendom van wisselbrieven, betaalbaar aan order, kan, zoo lang dezelve niet vervallen zijn, aan anderen door middel van endossement worden overgedragen. (Co. 136; B. 668 v., 1198bis; K. 116 v., 134 v., 139, 146,149 v., 177, 186 v., 209c, 212, 508, 573; Bv. 586 n0. 2; Stb. 1875 n0. 241, a. 52; Stb. 1881 n0. 185, a. 4.)

134. Het endossement wordt op den wisselbrief, of des-zelfs secunda, tertia, enz., gesteld, en moet zijn gedagteekend en onderteekend. Hetzelve behelst den naam van den persoon aan wien, of aan wiens order, de betaling moet geschieden, met bijvoeging van: «genotene waarde» of van. «waarde in rekening.»

Indien de waarde van eenen derde afkomstig was, wordt daarvan, met aanduiding van dien derde, melding gemaakt. (Co. 137; A. 10; B. 1915, 1917; K. 70, 100, 101c, 103, 104, 142.) . ,

135. Het endossement, de vereischten missende, bij het vorige artikel voorgeschreven, wordt tusschen den endos-sant en dengenen aan wien hij den wisselbrief heeft geëndosseerd voor eene volmagt gehouden, strekkende om den

500

-ocr page 573-

BOEK I, T1TEI, VI, ARTT. 128—143.

inhoud des wisselbriefs, zelfs in regten, in te vorderen.

Indien het endossement aan de order van den geëndosseerde is gesteld, heeft deze de bevoegdheid om den eigendom des wisselbriefs bij endossement over te dragen, behoudens zijne verantwoordelijkheid jegens zijnen lastgever. (Co. 138; B. 1829 v.; K. 111, 136, 165, 242.)

136. Het endossement kan ook in blanco geschieden door de bloote naamteekening van den endossant, op den wisselbrief gesteld. Zoodanig endossement wordt gerekend de erkenning van genotene waarde te bevatten, en draagt den eigendom des wisselbriefs aan den houder over. (K. 70, ~ 133, 134, 135.)

137. Een valsch endossement doet den eigendom van den wisselbrief niet overgaan, maar alle latere endossementen vervallen; onverminderd de regtsvordering van den houder tegen alle de teekenaars dieren dossementen.

De endossementen, ouder dan het valsche, behouden der-zelver kracht en waarde. (K. 70, 145, 166.)

138. Het is verboden bij de endossementen eene vroegere dagteekening, dan die waarop men dezelve werkelijk onderteekent, uit te drukken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, en onverminderd de openbare actie, indien daartoe gronden zijn. (Co. 139; B. 1401 v.; Sr. 225 v.)

139. Wisselbrieven waarvan de vervaldag is verstreken, of die niet betaalbaar zijn gesteld aan order, zijn niet vatbaar voor endossement, maar de eigendom moet bij eene afzonderlijke akte van cessie, overeenkomstig de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek worden overgedragen. (B. 668a en b, 1569 v.; K. 116, 133, 148 v., 155.)

vijfde afdeeling.

Van de verbindtenis tusschen den trekker en den acceptant, tusschen den houder en den acceptant, en tusschen den houder en de endossanten.

140. Tusschen den trekker en den acceptant ontstaat uit den wisselbrief eene handeling van lastgeving, waarbij laatstgemelde zich verbindt denzelven op den vervaltijd aan den houder te voldoen. (B. 1829 v.; K. 106 v., 113, 119, 141, 148.)

141. Indien de wisselbrief voor rekening van eenen derde is getrokken, is deze alleen daarvoor aan den acceptant verbonden. (K. 101c, 106, 143.)

142. De trekker is verpligt aan den betrokkene tijdig kennis of advies te geven van den door hem getrokken wisselbrief, en, bij nalatigheid daarvan, gehouden tot vergoeding van de kosten, door weigering van acceptatie of betaling uit dien hoofde gevallen. (K. 114.)

143. De trekker wordt geacht voor zijne eigene rekening te hebben getrokken, indien uit den wisselbrief, of uit den adviesbrief, niet blijkt voor wiens rekening zulks is geschied. (K. 101c, 141, 142.)

501

-ocr page 574-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Ui. De acceptatie geeft aan den houder het regt om de betaling des wisselbriefs van den acceptant te vorderen. (Co. 121; K. 119, 146, 201.)

145. De acceptatie valsch zijnde, heeft elke houder verhaal op den trekker en de endossanten. (B. 1829; K. 70, 137, 140, 166.)

146. Allen, die eenen wisselbrief geleekend, geaccepteerd of geëndosseerd hebben, zijn ieder voor het geheel verpligt den houder te waarborgen. (Co. 118,140; B. 1314 v., 1570 v.; K. 119, 128, 155,177,186,199,219; Rv. 586 n0. 2.)

147. De bepalingen omtrent de gehoudenheid van den acceptant zijn ook toepasselijk op dengenen, die den wissel ter eere, voor rekening van den trekker, nemer of endossant, heeft geaccepteerd; behoudens hetgeen bij art. 129 is bepaald. (K. 121 v.)

148. ■Indien, na de acceptatie van eenen wisselbrief, de trekker, uit hoofde van de wanbetaling des acceptants, verpligt was denzelven in te trekken, heeft hij tegen dezen eene regtsvordering, zoo wel tot de verantwoording van het aan hem tot die betaling verstrekte fonds, als tot vergoeding der schade uit het niet volvoeren van den aangenomen last ontstaan. (B. 1837 v.; K. 106 v., 113, 140.)

ZESDE A F D E E L I N G.

Van den vervaltijd en de betaling van wisselbrieven.

149. De wisselbrief., op tijd getrokken, is betaalbaar op den vervaldag. (K. 115 v., 152,154,155,158 v., 164,178, 179, 206.)

160. De wisselbrief, op zigt getrokken, is betaalbaar op deszelfs vertooning. (Co. 130; K. 116, 206.)

151. De termijn in eenen wisselbrief uitgedrukt, welke op eenen of meer dagen, maanden of uso\'s na zigt getrokken is, begint te loopen op den eersten dag na dien waarop de acceptatie of het protest van non-acceptatie gedaan is. (Co. 131 ; K. 115 v., 152, 175; Rv. 8a.)

152. Door maanden verstaat men, zoo wel bij wisselbrieven op zigt als op tijd getrokken, die der Gregoriaansche tijdrekening.

Door uso\'s worden, ten aanzien van alle binnen het koningrijk betaalbare wisselbrieven, verstaan dertig dagen, welke ten aanzien van wisselbrieven, niet op zigt getrokken, beginnen te loopen daags na derzelver dagteekening. (Co. 132; A. 10; K. 149, 151.)

153. Een wisselbrief, betaalbaar op eene jaarmarkt, moet voldaan worden daags vóór het eindigen van de jaarmarkt, doch indien deze niet langer dan eenen dag duurt, vervalt de wisselbrief op dien dag zeiven. (Co. 133; K. 179, 206.)

154. Indien de betaaldag van eenen op tijd getrokken wisselbrief op eenen zondag invalt, is dezelve des anderen daags betaalbaar. (Co. 134; K. 149, 151, 179b, 228;Rv.l4, 122a, 601, 723.)

155. Wisselbrieven worden gehouden voor vervallen, zoodra de betrokkene is gefailleerd, en kunnen door den houder.

502

-ocr page 575-

BOEK I, TITEL VI, ARTT. 144—163.

des verkiezende, dadelijk van non betaling worden geprotesteerd.

In dat geval, kunnen de trekker of endossanten, aangesproken wordende, de betaling uitstellen tot den vervaldag in den wissel uitgedrukt, mits inmiddels borg stellende, volgens het bepaalde in art. 177. (Co. 163, 448; B. 1307; K. 107, 133, 139, 178; F. 131o.)

156 Een wisselbrief moet betaald worden in het geld, daarbij uitgedrukt.

Indien nogtans dat geld geenen wettehjken koers in het koningrijk had, zal, wanneer de koers niet bij den wisselbrief is geregeld, de betaling geschieden in Nederlandsch geld, volgens den wisselkoers van den vervaltijd en van de plaats der betaling, en, zoo daar geen wisselkoers bestaat, alsdan volgens dien van de handelplaats, het naast gelegen bij die waar de wisselbrief moet worden betaald. (Co. 143; B. 1425; K. 157, 192!).)

157. Wanneer gedurende den looptijd des wisselbriefs, de daarin uitgedrukte geldmunt, op hoog gezag, ter plaatse van de betaling, in waarde was vermeerderd of verminderd, zal de betaling, of zullen, in geval van wanbetaling, de respectieve terugvorderingen tegen trekker en endossanten geregeld worden naar de bepalingen van artikel 1793 en 1794 van het Burgerlijk Wetboek.

Dezelfde verordeningen gelden, wanneer de waarde der geldmunt vermeerderd of verminderd mogt zijn vóór de trekking, zonder dat de trekker bad kunnen kennis dragen van de verandering der waarde. (K. 156.)

158. De betrokkene, den wisselbrief vóór den vervaltijd betalende of in disconto nemende, is verantwoordelijk voor de geldigheid der betaling. (Co. 144; K. 159, 164.)

159. De houder van eenen wisselbrief kan niet genoodzaakt worden de betaling vóór den vervaltijd te ontvangen. (Co. 146; B. 1306, 1441 n». 4; K. 100, 149 v., 158, 177.)

160. De betaling van eenen wisselbrief op eene secunda, tertia, quarta, enz. gedaan, is bestaanbaar, wanneer de tweede, derde, vierde, enz. inhoudt, dat deze betaling de kracht der overige te niet doet. (Co. 147; K. 103,104,161 v.)

161. Die op eene secunda, tertia, quarta wisselbrief, enz. betaalt, zonder tevens in te trekken den wisselbrief, waarop zijne acceptatie staat, wordt daardoor niet ontslagen met opzigt tot eenen ander, die houder van zijne acceptatie is; behoudens zijn verhaal op dengene aan wien hij onverschuldigd heeft betaald. (Co. 148; B. 1395; K. 103 v.,119,162.)

162. Van eenen en denzelfden wisselbrief een prima, secunda, tertia, enz. gemaakt zijnde, en de betrokkene op meer dan eene derzelve eene acceptatie gesteld hebbende, is deze verpligt alle de geaccepteerde wisselbrieven te betalen, wanneer onderscheidene houders daarmede ten ver-valtijde opkomen; behoudens zijn verhaal op dengenen, die meer dan eenmaal gebruik van den wisselbrief gemaakt heeft. (B. 1401; K. 103 v., 119, 161.)

163. De acceptant is niet anders verpligt eenen vermisten wisselbrief te betalen, dan op voldoend bewijs van hel regt

503

-ocr page 576-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

van dengenen die de betaling vraagt, mitsgaders tegen diens verbindtenis tot vrijwaring voor alle narnaning, en onder bij-gevoegden borgtogt. (Co. 149 v.; B 1857 v.; K. 167, 203.)

164. Die eenen vervallen wisselbrief op den vervaltijd betaalt, zonder dat er verzet tegen zij gedaan, wordt vermoed deugdelijk gekweten te zijn. (Go. 145; B. 1422,1424,1953; K. 149 v., 158, 166.)

165. De vertooner van eenen wisselbrief, welke aan hem niet is geëndosseerd, doch die schriftelijk kan bewijzen, dat dezelve hem door den regthebbende ter invordering is toegezonden, kan de betaling onder borgtogt vorderen, en, bij gebreke van betaling, denzelven laten protesteren. (B. 1857 v., 1904 v.; K. 111, 133, 135, 180 v., 242.)

166. De houder van eenen wisselbrief, die de betaling ontvangt, \'en alle de vroegere endossanten, zijn aan dengenen, die den wisselbrief betaald heeft, verantwoordelijk voor de wettigheid van alle vroegere endossementen. (K. 70, 137; B. 1395.)

167. Buiten het geval, in artikel 163 gemeld, is de acceptant ongehouden tot betaling van den wisselbrief, ten zij hem de geaccepteerde wisselbrief, met behoorlijke quitantie van den houder voorzien, worde uitgeleverd. (K. 169.)

168. De betrokkene bereid zijnde tot eene gedeeltelijke betaling van den inhoud van den wisselbrief, is de houder verpligt, die gedeeltelijke betaling, waardoor de trekker en en endossanten in zoo verre ontlast worden, aan te nemen en wegens het overige, protest te laten doen. (Go. 156; B. 1426; K. 119, 120, 169, 1826 n». 2 en 3.)

169. In het geval van het vorige artikel, kan de betaler echter de uitlevering van zoodanigen wisselbrief niet vorderen, maar moet zich vergenoegen met eene afschrijving van de gedane gedeeltelijke betaling op den wisselbrief zeiven, en met eene door den houder onderteekende quitantie. (K. 167.)

170. Een geprotesteerde wisselbrief kan betaald worden door een ieder ter eere van den trekker of van eenen der endossanten.

Van die betaling, ter eere gedaan, wordt het bewijs inge-lascht in de akte van protest of achter dezelve gesteld. (Go. 158; B. 1418; K. 121 v., 182.)

171. Die eenen wisselbrief ter eere van een ander betaalt, treedt door die betaling zelve in de reglen van den houder, en is aan dezelde verpligtingen onderworpen.

Hij is daarenboven gehouden, van de gedane betaling onverwijld kennis te geven aan degenen te wiens eere hij betaald heeft, op straf van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Go. 159; B. 1279 v., 1438; K. 127, 175 v., 184.)

172. Indien de betaling ter eere gedaan is voor rekening van den trekker, zijn alle de endossanten bevrijd.

Indien zij gedaan is ter eere van eenen der endossanten, zijn alle de op hem volgende endossanten bevrijd. (Go. 159; K. 148, 186c en d)

173. Indien verscheidene personen zich tot de betaling van eenen wisselbrief ter eere aanbieden, worden de regelen

-ocr page 577-

BOKK I, TITEL VI, ARTT. 164—180.

gevolgd, hierboven ten aanzien van acceptatien ter eere voorgeschreven. (Co. 159; K. 121 v., 171a.)

174. Indien degene, op wien de wisselbrief oorspronkelijk getrokken was, en tegen wien dezelve van non-acceptatie was geprotesteerd, willig is de betaling te doen, wordt aan hem boven allen de voorrang gegeven. (Co. 159; K. 125,175.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van de regtcn en verpligtingen van den houder, bij non-acceptatie of non-hetaling van den wisselbrief.

175. De houder van eenen wisselbrief, de acceptatie van denzelven van den betrokkene hebbende afgevraagd, en die niet bekomende, is verpligt daarvan a) een protest te laten opmaken. (Co. 119, 175; K. 116, 182.)

176. De acceptatie van wisselbrieven moet gevraagd worden aan den betrokkene te zijner woonplaatse, en niet ter plaatse alwaar de wisselbrief betaalbaar is gesteld. (K. 1016, 117, 180.)

177. Op vertooning van het protest van non-acceptatie, zijn de endossanten en de trekker respectievelijk verpligt borg te stellen, dat de wisselbrief ten vervaldage zal worden voldaan, of denzelven dadelijk, met de protestkosten en herwissel, in te trekken.

De borg, het zij van den trekker; het zij van den endossant, is alleen hoofdelijk met dengenen verbonden, ten wiens behoeve hij zich als borg heeft gesteld. (Co. 120; B. 1309, 1314 v. j«. 1869 n». 2; K. 128, 130, 132, 155 v., 159.)

178- In geval de acceptant vóór den vervaldag is gefailleerd, kan de houder protest doen opmaken, en als hierboven borgtogt of voldoening vorderen. (C. 163; K. 155, 177.)

179. Bij gebreke van betaling op den vervaldag, is de houder, zonder aanzien of de wisselbrief al dan niet geaccepteerd zij, verpligt denzelven op den volgenden dag te laten protesteren.

Indien die dag op eenen Zondag invalt, moet het protest op den volgenden dag geschieden. (Co. 162 v.; K. 112,116,129 v., 149 v., 154, 170 v., 175, 201 v., 213, 228; Rv. 14, 122a, 601, 723.)

Art. 5, laatste lid, der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0.93). De aanduiding «zonder kosten» en elke andere daarvoor in de plaats tredende vermelding op het stuk, alsmede iedere overeenkomst, ten doel hebbende den houder te onthefl\'en van zijne verpligting om protest te doen opmaken, is nietig, indien zij betrekking heeft op een handelspapier, dat niet of niet voldoende gezegeld is.

180. De betaling van eenen wisselbrief moet gevraagd en het daarop volgende protest gedaan worden ter woonplaatse van den betrokkene.

r.05

Indien de wisselbrief getrokken is om in eene andere aangewezene woonplaats, of door eenen anderen aangewezen persoon, het zij in dezelfde, het zij in eene andere

a) Dit woord ontbreekt in O. R.

-ocr page 578-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

gemeente, te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan den aangewezen persoon.

Wanneer degene die den wisselbrief moet betalen geheel onbekend of niet te vinden is, moet het protest gedaan worden aan het postkantoor van de ter betaling aangewezene woonplaats, en, indien aldaar geen postkantoor is, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. Hetzelfde moet plaats hebben, indien een wisselbrief is getrokken om in eene andere gemeente te worden betaald dan die waar de betrokkene woont, en de woonplaats waar de betaling moet geschieden niet is aangewezen. (Co. 473; B. 1429; K. 117, 176, 182 n#.2; F.99amp;.)

181. De houder is, bij weigering van den betrokkene, verpligt de betaling af te vragen aan dengenen, die den wisselbrief ter eere heeft geaccepteerd, of aan wien dezelve, volgens het daarin vermelde, in geval van nood, ter acceptatie of ter betaling is aanbevolen.

Tegen ieder hunner die de betaling weigert zal protest worden opgemaakt, hetgeen zal kunnen geschieden bij eene en dezelfde akte. (Co. 173, 174; K. 121 v., 126, 129, 170, 182 n°. 2.)

182. De protesten, zoo van non-acceptatie als van nonbetaling, worden gedaan door eenen notaris of den griffier van den kantonregter, of door eenen deurwaarder. Zij moeten vergezeld zijn van twee getuigen.

De protesten behelzen :

1°. Een letterlijk afschrift van den wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen, van den borgtogt, genaamd aval, en van de adressen daarop gesteld;

2°. De vermelding dat zij de acceptatie of betaling aan de personen, of tor plaatse in de twee voorgaande artikelen gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben;

3°. De vermelding van de opgegevene reden van nonacceptatie of non-betaling;

4°. De aanmaning om het protest te teekenen, en de redenen van weigering;

5°. De vermelding, dat hij notaris, griffier of deurwaarder, wegens die non-acceptatie of non-betaling heeft geprotesteerd. (Co. 173 174; K. 100,115,126,131,134,170b, 180, 181; W. not. ambt, a. 21; Stb. 1877 n0. 80, a. 12, zie blz. 122.)

183. De notarissen, griffiers of deurwaarders zijn verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, afschrift van het protest te laten, en hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde des tijds, in te schrijven in een bijzonder register, genommerd en gewaarmerkt, door den kantonregter van hunne woonplaats, en om wijders zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden te leveren. (Co. 176; B. 1279 v.; Rv. 3, 5 n«. 2.)

184. De houder van eenen wisselbrief, van non-acceptatie of van non-betaling geprotesteerd, is verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, uiterlijk binnen vijf dagen na het gedaan protest, hetzelve te doen betee-kenen aan dengenen van wien hij den wisselbrief heeft beko-

50G

-ocr page 579-

BOEK I, TITEI. VI, ARTT. 181—191.

men, indien beiden in dezelfde gemeente woonachtig zijn.

Indien beiden niet in dezelfde gemeente woonachtig zijn, zal de houder, op gelijke straf, verpligt zijn een afschrift van het protest, voor waar geteekend door dengenen die hetzelve heeft opgemaakt, toe te zenden aan hem van wien hij den wisselbrief heeft bekomen, en zulks uiterlijk op den eersten gewonen postdag na bovengemelde vijf dagen, of, zoo er geen regelmatige post bestaat, met de eerste openlijk bekende gelegenheid ter verzending, na gezegde viif dagen. (Co. 164, 165; B. 1279 v.)

185. Ieder endossant is, onder gelijke verantwoordelijkheid, verpligt, uiterlijk binnen denzelfden termijn, te rekenen van den dag van het ontvangen protest, hetzelve te doen beteekenen of toe te zenden aan dengene van wien hij den wisselbrief bekomen heeft, en zulks op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald. (Co. 164, 165; K. 184.)

186. De houder van eenen wisselbrief, die van non-betaling is geprotesteerd, is geregtigd de vergoeding van denzelven te vorderen van den acceptant, van den trekker en van alle de endossanten, als ieder voor het geheel verbonden zijnde.

Hij heeft de keus hen gezamenlijk of afzonderlijk in regten aan te spreken.

Indien hij den trekker alleen aanspreekt, zijn alle de endossanten bevrijd.

Indien hij eenen der endossanten aanspreekt, zijn de latere endossanten bevrijd. (Co. 164 v.; B. 1319, 1320, 1328 v.; K. 132, 146, 172, 187, 199, 200, 219; Bv. 303; F. 136.)

187. De houder van eenen wisselbrief, wegens nonbetaling geprotesteerd, kan insgelijks zich de vergoeding bezorgen door middel van herwissel.

Herwissel is eene hertrekking van den houder eens wissel-briefs op den trekker, of op eenen der endossanten, wegens de hoofdsom van den geprotesteerden wisselbrief en de kosten, volgens den wisselkoers ten tijde der hertrekking.

Deze hertrekking doet, in geval van niet-voldoening, het regt ter vervolging tegen geen der mede-schuldenaren verloren gaan. (Co. 177, 178; K. 186, 188 v.)

188. De herwissel wordt, ten aanzien van den trek-ker, geregeld naar den wisselkoers van de plaats, waar de wisselbrief had moeten worden betaald, op de plaats waaruit dezelve getrokken is.

In geen geval, is hij tot eenen hoogeren wisselkoers gehouden. (Co. 179; K. 60, 186, 187, 189 v.)

189. Ten aanzien van de endossanten, wordt de herwissel geregeld naar den wisselkoers der plaats, werwaarts de wisselbrief door hen verzonden of verhandeld is geworden, op de plaats waar de terugbetaling gedaan wordt. (Co. 179; K. 60, 186 v., 190 v.)

190. Wanneer tusschen de onderscheidene plaatsen geen onmiddellijke wisselkoers bestaat, wordt de herwissel geregeld naar den wisselkoers der twee naastbij gelegene plaatsen. (K. 186 v., 191 v.)

191. De hertrekking gaat vergezeld met de retour-rekening. (Co. 180; K. 186, 187, 192 v.)

507

-ocr page 580-

WETBOEK VAN KOOniANDFX.

192. De retour-rekening bevat de hoofdsom van den geprotesteerden wisselbrief, de protestkosten en alle andere wettige onkosten, als de provisie van den bankier en makelaar, de zegels en briefporten.

Zij maakt melding van den naam van dengenen op wien de hertrekking gedaan is, en van den wisselkoers voor welken dezelve vernegotieerd is.

Derzelver juistheid wordt door eene verklaring van eenen makelaar in wissels, of, waar geene makelaars in wissels zijn, van twee kooplieden bevestigd.

Zij gaat vergezeld van den geprotesteerden wisselbrief en van het protest, of een voor waar geteekend afschrift van hetzelve.

In geval de hertrekking op eenen der endossanten gedaan is, gaat zij bovendien vergezeld van eene verklaring tot bewijs \'van den wisselkoers der plaats, waar de wisselbrief betaalbaar gesteld was, op de plaats van waar de wisselbrief getrokken is geweest, of waar de terugbetaling gedaan wordt.

(Co. IBI; K. 60, 62 v., 186 v., 193 v., 197.)

193. Over eenen en denzelfden wisselbrief kan men niet meer dan ééne retour-rekening maken.

Deze retour-rekening wordt betaald door den eenen endos-sant aan den anderen respectievelijk, en eindelijk door den trekker. (Co. 182; K. 192, 194.)

194. Men kan geene herwissels op elkander stapelen, ieder endossant draagt er slechts één, gelijk ook de trekker. (Co 183; K. 192, 193.)

195. De interessen van de hoofdsom van den van nonbetaling geprotesteerden wisselbrief zijn verschuldigd van den dag van het protest af. (Co. 184; B. 1274, 1279,1286; K. 179,186,187,192,196; Stb. 1857 n0.171, a. 2, zie chron. lijst.)

196. De interessen van de protestkosten, van den herwissel en andere wettige onkosten, zijn verschuldigd van den dag af, dat de geregtelijke dagvaarding is gedaan. (Co. 185; B. 1274, 1279, 1286; K. 182, 186, 187,192,195; Stb. 4857 n0. 171, a. 2, zie chron. lijst.)

197. Er is geen herwissel verschuldigd, indien bij de retour-rekening niet gevoegd zijn de verklaringen, volgens het voorschrift van artikel 192 hierboven. (Co. 186).

198. Ingetrokken hij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. (Verg. F. 136.) a)

199. Wanneer de houder van eenen geprotesteerden wisselbrief, hetzij met den trekker, hetzij met den acceptant, een vrijwillig accoord aangaat, verliest hij zijn verhaal legen alle de endossanten.

Indien dat accoord is aangegaan met eenen der endos-

a) Art. 198 luidde: „De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief is, bij faillissement dergenen, welke volgens de wisselver-bindtenis aansprakelijk zijn, bevoegd om in alle derzelver boedels op te komen, met bet volle beloop der vergoeding door ieder ynn hen onderscheidenlijk en voor het geheel aan hem verschuldigd.quot;

„Wanneer hij uit eenen der boedels eenige uitdeeling ontvangen heeft, zijn de andere boedels, zoo wel als de niet getailleerde mede-verbondenen, niet verder ontlast dan voor het beloop van die uitdeeling.quot;

508

-ocr page 581-

BOEK I, TITEL VI, ARTT. 192—204.

santen, verliest hij zijn verhaal tegen alle de volgende, maar geenszins tegen vorige endossanten, noch tegen den trekker, noch tegen den acceptant.

Wanneer hetzelve is aangegaan met den trekker, wordt de acceptant, welke geen fonds ontvangen heeft, van alle verdere aanspraak bevrijd; in het tegenovergestelde geval blijft hij verantwoordelijk.

Eindelijk, wanneer het accoord vrijwillig is aangegaan met eenen acceptant, welke fonds in handen heeft, wordt daardoor alle verder verhaal tegen den trekker verloren. (B. 1326, 1460, 1478, 1888 v.; K. 186, 187, 204.)

Set eerste lid, aldus gewijzigd, vastgesteld bij art. 4 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

200. De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief heeft mede eene regtsvordering tot vergoeding tegen derden, voor wier rekening de wisselbrief getrokken is, indien dezelve de waarde daarvoor genoten hebben. (K. 101c, 106, 143.)

201. De houder van eenen wisselbrief, die denzelven te laat heeft doen protesteren, heeft geen regt van vergoeding tegen de endossanten en moet zich met zijne aanspraak tegen den acceptant te vreden stellen; behoudens de ver-pligting van den trekker, hierboven in art. 108 en 109 bepaald. (Co. 168 v.; K. 110, 118, 179, 186a.)

202. Indien een wisselbrief zoo tijdig is verzonden dat hij wel vóór den vervaldag had kunnen aankomen in handen van dengenen aan wien dezelve luidt, en door dezen ter betaling had kunnen worden aangeboden, doch niettemin, door onvoorzien toeval of door overmagt, eerst na den vervaldag aankomt, moet dezelve daags na de ontvangst worden aangeboden en bij niet-voldoening geprotesteerd, indien de betrokkene in dezelfde plaats als de houder woonachtig is.

Indien hij elders woont, of de wisselbrief op eene andere plaats is gedomicilieerd, of betaalbaar gesteld, moet het aanbod en het protest geschieden binnen acht dagen na de ontvangst.

Indien de posten gestremd zijn, moet de wisselbrief worden verzonden langs den meest zekeren buitengewonen weg, en de houder behoudt zijn regt, indien de wisselbrief, in voege voorschreven, ter betaling is aangeboden, en bij non-betaling geprotesteerd. (K. 101b, 179.)

203. De houder van eenen geprotesteerden en vermisten wisselbrief heeft regt van den trekker de vergoeding te vorderen, tegen bewijs van zijn regt en het stellen van borgtogt. (K. 163, 167; B. 1857 v.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van het niet te gaan van wisselschuld.

509

204. Behoudens de bepalingen der drie volgende artikelen, gaat wisselschuld te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek aangewezen, en daarenboven door het vrijwillig accoord, bij art. 199 van dit Wetboek vermeld. (B. 1417 v.)

a) Oorspronkelijk luidden de aanvangswoorden van het eerste lid: „quot;Wanneer echter dc houder, hetzijquot; enz.

-ocr page 582-

51 ö

205 ■ Ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faülissementswet. (Verg. F. 55.) a)

206. Met uitzondering van hetgeen bij het volgend artikel is bepaald, verjaart wisselschuld door een tijdsverloop van tien jaren, te rekenen van den vervaldag des wisselbriefs.

Niettemin zullen zij die deze verjaring inroepen gehouden zijn, des gevorderd, onder eede te verklaren, dat zij, ter zake van den wisselbrief, niets meer schuldig zijn, en derzelver erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij te goeder trouw vermeenen, dat er uit dien hoofde niets meer verschuldigd is. (Co. 189; B. 2004 v., 2010; K. 163, 200, 229.)

207. De regtsvordering tegen de endossanten, en tegen den trekker van eenen van non-betaling geprotesteerden wisselbrief, de laatstgemelde wanneer, en voor zoo verre hij bewijst fonds te hebben bezorgd, verjaart door na te melden tijdverloop:

Ten aanzien van wisselbrieven getrokken uit dit koningrijk en betaalbaar:

Op plaatsen in den Levant en aan de noordelijke kusten van Afrika, met vijftien maanden;

Op plaatsen aan de westelijke kusten van Afrika, tot aan de Kaap de Goede Hoop, deze daaronder begrepen; op het vaste land van Noord- en Zuid-Amerika (met uitzondering van het hier-onder gemelde gedeelte) en op de eilanden in de West-Indien, met achttien maanden ;

Op plaatsen aan de kusten van Zuid- en Noord-Amerika, gelegen aan de Groote Zuidzee, te rekenen van de andere zijde van Kaap Hoorn, en op de in die zee gelegene eilanden, mitsgaders op het vaste land van Azie en de eilanden gelegen in de Oost-Indien, met twee jaren;

Op alle andere plaatsen met één jaar.

De hierboven gemelde tijdsbepalingen van vijftien en achttien maanden en van twee jaren, worden in tijd van oorlog ter zee verdubbeld. (K. llBgr.)

De verjaring begint te loopen tegen den houder des wis-selsbriefs te rekenen van deszelfs vervaldag, en tegen ieder der endossanten van den dag dat hij tot betaling in regten is aangesproken, of indien er geene regtsvordering heeft plaats gehad, van den dag dat hij vrijwillig heeft betaald. (Co. 166 v.; A. 10; K. 106 v., 116, 186 v.)

ZEVENDE TITEL. Van orderbriefjes of promessen aan order; van assignatie», en van kassiers- en ander papier aan toonder.

EERSTE A.FDEELING.

Fan orderbriefjes of promessen aan order.

(Verg. Wet van 5 December 1881 (Stb. n0. 185), omtrent de uitgifte van schatkistpromessen.)

208. Een orderbriefje, of promesse aan order, is een ge-dagteekend en onderteekend geschrift, bij hetwelk iemand

a) Art. 205 luidde; „De schuldenaar eens gefallleerden boedels, die eenen vervallen wisselbrief met eene andere schuld wil vergelijken, is gehouden te bewijzen, dat hij vóór het faillissement, te goeder trouw, eigenaar van den wisselbrief is geworden.quot;

-ocr page 583-

BOEK I, TITEL V£ EN VII, ARTT. 205—214.

zich verbindt om, ter zijner woonplaatse, of ter woonplaatse van een ander binnen dezelfde gemeente of elders, en met of zonder tijdsbepaling, de daarbij uitgedrukte geldsom aan de order van den nemer te voldoen, met erkenning van geno-tene waarde of van waarde in rekening. (Co. 188; B. 1915, 1917; K. 4 n0.2,100,105, 210,221; Rv. 304, 586 n0. \\h en 3.)

209. Alle wetsbepalingen omtrent wisselbrieven, bij den vorigen titel vastgesteld, en betreffende

Den vervaldag; (K. 116, 149 v., 155.)

Het endossement; (K. 133 v.)

De hoofdelijke verpligting voor het geheel; (K. 146,186.)

Den borgtogt genaamd aval; (K. 130 v.)

Het protest; (K. 179, 182 v.)

De regten en verpligtingen van den houder; (K. 175 v.)

Den herwissel en de interessen en kosten; (K. 187 v.)

De betaling, en die ter eere; (K. 156 v., 170 v.)

De verjaring en andere wijze van schuldvernietiging; (K. 199, 204 v.)

Zijn op orderbriefjes of promessen aan order toepasselijk. (Co. 187, 189; K. 228.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van assignatien.

210. Eene assignatie is een gedagteekend en ondertee-teekend geschrift, waarbij door den uitgever een bepaald persoon wordt aangewezen om de daarbij uitgedrukte geldsom aan eenen anderen bepaalden persoon, of deszelfs order, te voldoen in dezelfde gemeente, waar het geschrift is uitgegeven; — zonder onderscheid of daarbij al dan niet de erkenning van genotene waarde, of van waarde in rekening is uitgedrukt. (B. 1829 v.; K. 100, 105, 208, 213, 221; Rv. 304, 586 n0. 16 en 3.)

211. In geval het geschrift betaalbaar is gesteld op eene andere plaats, dan waar het is uitgegeven, wordt het insgelijks voor eene assignatie gehouden, bijaldien daarbij geene erkenning van genotene waarde, of van waarde in rekening, is uitgedrukt. (K. 100, 208, 213.)

212. Assignatien aan order kunnen op dezelfde wijze als wisselbrieven worden geëndosseerd, (K. 133 v, 209, 210, 216 v., 219.)

213 De betaling eener assignatie, zonder tijdsbepaling, moet gevraagd, en, bij ontstentenis, hiel protest van non-be-taling opgemaakt worden, uiterlijk binnen den tijd van eene maand na de dagteekening, indien de tot voldoening aangewezen persoon binnen dezelfde gemeente woont waar de assignatie is uitgegeven, en uiterlijk binnen den tijd van drie maanden, indien dezelve elders woonachtig is. (K. 116. 179 v., 214 v., 218, 219, 228; F. 131.)

214. De assignatie betaalbaar op eenigen tijd na zigt moet, met inachtneming der onderscheiding bij artikel 213 omtrent de woonplaats, uiterlijk binnen den tijd van eene maand, of van drie maanden, aan den aangewezen persoon worden aangeboden, ten einde door dezen, met bijvoeging der dagteekening, voor gezien te worden geteekend.

511

-ocr page 584-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Zoodanige aanteekening op haar zelve, zonder uitdrukkelijk bijgevoegde acceptatie, wordt voor geen acceptatie gehouden.

Bij weigering om die aanteekening te doen, wordt de assignatie geprotesteerd, als of de betaling ware geweigerd, zonder dat er verder protest van non-betaling behoeft gedaan te worden. (K. 116, 179 v., 218, 228.)

215. De assignatie, die, ten gevolge der aanteekening bij het vorige artikel vermeld, of, volgens haren inhoud, op eenen bepaalden tijd vervalt, is betaalbaar op dezelfde wijze als wisselbrieven van dien aard, en moet bij wanbetaling het protest op gelijke wijze worden opgemaakt. (K. 149 v, 175 v., 228; F. 131.)

216. De houder eener geprotesteerde assignatie moet daarvan .uiterlijk binnen vijf dagen, na dien van het protest, kennis geven aan dengenen, van wien hij dezelve heeft in betaling genomen. (K. 184, 217, 218, 219, 228.)

217. Hij is insgelijks, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt, voor zoo ver de assignatie aan order luidt en geëndosseerd is, van het protest aan den oorspronkelijken uitgever kennis te geven. (K. 184,185,216.)

218. De houder, die verzuimd heeft de voorschriften van art. 213, 214, 215 en 216 hierboven na te komen, verliest, indien hij de waarde heeft voldaan, zijn verhaal op dengenen van wien hij de assignatie heeft ontvangen, en, zoo die voldoening geene plaats heeft gehad, is hij tot de betaling van den inhoud der assignatie verpligt.

In het een en ander geval moet de uitgever aan den houder afstaan en overdragen de vordering, welke hij ten laste van den ter betaling aangewezen persoon heeft, tot het beloop der assignatie toe, en tevens aan denzelven, ten diens koste, de noodige bewijsstukken verschaffen om die vordering te doen gelden.

Indien de persoon, die tot betaling is aangewezen, aan den uitgever niets, of niet zoo veel verschuldigd was als de assignatie bedraagt, is de uitgever jegens den houder tot schadevergoeding verpligt. (B. 1837, 1838; K. 108, 109,210,211.)

219. Behalve het verhaal op den uitgever der assignatie, heeft ieder houder slechts zijn verhaal op den onmiddellijk voorafgaanden endossant, zonder den vroegeren te mogen aanspreken. (K. 146, 186, 212; Rv. 304.)

220. De regtsvordering uit hoofde eener assignatie ver-iaart op dezelfde wijze als ten aanzien van wisselbrieven is bepaald. (B. 1417; K. 206, 207, 209, 229.)

DERDE AFDEELING.

Van kassiers-papier en ander papier aan toonder. (Terg. Stb. 1870 n0. 62 en 154 jlt;\'.Stb.l891 n0.247; Stb. 1881 n0. 185.)

221. Het kassiers-papier en ander papier aan toonder moet de juiste dagteekening der oorspronkelijke uitgifte bevatten. (B. 6686\', 1198, 1724, 2014; K. 4 n». 3, 59, 74 v., 223,228. Rv. 586 n°. ib en 3; Stb. 1863 n0.148 j«. Stb. 1888 n». 122.)

222. De oorspronkelijke uitgever van kassiers-papier of ander papier aan toonder, door eenen derde betaalbaar, het

5i2

-ocr page 585-

BOEK I, TITEL VII, ARTT. 215—228.

zij hetzelve in den vorm van assignatie of van quitantie is vervat, is jegens lederen houder voor de voldoening aansprakelijk, gedurende tien dagen na de dagteekenlng, die dag niet daaronder begrepen. (K. 221, 223 v., 227, 228,229.)

223. De verantwoordelijkheid van den oorspronkelijken uitgever blijft echter voortduren, indien hij niet bewijst dat hij, gedurende den bij het vorige artikel bepaalden tijd, gereede penningen, ten beloope van het uitgegeven papier, bij den persoon op wien hetzelve is afgegeven, heeft gehad, en dat hij die penningen sedert bij denzelven heeft gelaten. (K. 108, 228, 229.)

224. De oorspronkelijke uitgever die, ten gevolge van de vorenstaande bepalingen, van alle verantwoordelijkheid is bevrijd, is niettemin verpligt aan den houder, ten diens koste, de noodige bewijsstukken te verschaffen, ten einde zijn regt te doen gelden tegen dengenen op wien het papier is afgegeven. (K. 109, 222, 223.)

225. Buiten den oorspronkelijken uitgever, blijft een ieder die het voormeld papier in betaling heeft gegeven, gedurende den tijd van drie dagen daarna, de dag der uitgifte niet daaronder begrepen, aansprakelijk jegens dengenen die het van hem heeft ontvangen. (K. 222, 228.)

226. Indien hij, die een of meerdere briefjes of quitantien op zijnen kassier heeft afgegeven, later in staat van faillissement is verklaard, is de kassier desniettemin bevoegd, uit de daartoe voorhanden zijnde gelden, met de betaling van zoodanige briefjes of quitantien voort te gaan tot op het tijdstip dat daartegen, het zij door eenen of meer houders van andere briefjes of quitantien, het zij door de curatoren in den boedel, of eenig ander belanghebbende, zal zijn verzet gedaan.

In geval van verzet, of indien de kassier niet met de betaling is voortgegaan, moeten de penningen, welke de kassier van den failliet in handen heeft, afgezonderd blijven, ten einde daaruit de houders van vóór het faillissement deugdelijk afgegevene briefjes of quitantien bij voorrang boven andere schuldeischers worden voldaan, hetzij in het geheel of pondponds gelijk, zonder onderscheid van de dagteeke-ning der quitantien. (B. 667; K. 110,221; F. 42,43, 47,110.)

227. De houder eener promesse aan toonder is verpligt voldoening te vorderen binnen den tijd van drie dagen, na den dag, op welken hij dat papier heeft in betaling genomen, die dag niet daaronder gerekend, en hij moet, bij wanbetaling, binnen eenen gelijken termijn daarna, de promesse ter intrekking aanbieden aan dengenen die hem dezelve heeft in betaling gegeven, alles op verbeurte van zijn verhaal tegen denzelven, doch onverminderd zijn regt tegen dengenen die de promesse heeft geteekend.

Indien bij de promesse de dag is uitgedrukt op welken dezelve betaalbaar is, begint de termijn van drie dagen eerst te loopen daags na den uitgedrukten betaaldag. (K. 208, 221, 228; Stb. 1863 n°. 148, a. 14d.)

228. Indien de laatste dag van eenigen termijn, waaromtrent in dezen titel eenige bepaling voorkomt, op eenen

513

33

-ocr page 586-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Zondag invalt, blijft de verpligting en verantwoordelijkheid voortduren tot en met den volgenden dag. (K. 154,179,209, 213—216, 222, 223, 225, 227; Stb. 1863 n0. 148, a. 14d.)

229. Alle regtsvordering tegen de uitgevers van papier, in deze afdeeling vermeld, verjaart door tijdsverloop van tien jaren, te rekenen van den dag der oorspronkelijke uitgifte.

Niettemin zullen zij, die deze verjaring inroepen, gehouden zijn, des gevorderd, onder eede te verklaren, dat zij, ter zake van gemeld papier, niets meer schuldig zijn; en derzelver erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij te goeder trouw ver-meenen dat er uit dien hoofde niets meer verschuldigd is.

De oorspronkelijke uitgever van het bij art. 222 vermeld papier is, des gevorderd, verpligt onder eede te verklaren, dat hij gedurende den bij het voorschreven artikel bepaalden termijn, gereede penningen, ten beloope van het uitgegeven papier, bij den persoon, op wien hetzelve is uitgegeven, heeft gehad, en dat hij die penningen sedert bij denzelven heeft gelaten, en zijne erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij zulks te goeder trouw vermeenen. (B. 2010; K. 206 v., 220, 222, 223, 225; Stb. 1863 n0. 148, a. Ud.)

ACHfsTE TITEL.

Van reclame of terugvordering in zaken van koophandel.

230. In geval koopmanschappen zijn verkocht en geleverd, en de koopprijs niet ten volle is gekweten, is de ver-kooper, bij faillissemént van den kooper, geregtigd om de koopmanschappen terug te vorderen, onder de volgende bepalingen. (Go. 576; B. 629, 667 v., 1185 n®. 3,1190,1191 1302 v., 1495, 1514, 1553 v.; K. la, 99, 231,233,234,236, 244; F. 1, 25, 37; Rv. 721 v.)

231. Tot de uitoefening van het regt van terugvordering wordt vereischt dat de koopmanschappen, zonder vermenging met andere, dezelfde zijn welke zijn verkocht en geleverd.

Het bewijs daarvan wordt toegelaten, al waren zij ook uitgepakt, verpakt of verminderd. (Co. 580; K. lb, 230, 234,244.)

232. Koopmanschappen, het zij op tijd, het zij zonder tijdsbepaling, verkocht, kunnen worden terug gevorderd, indien dezelve nog onder weg zijn, het zij te land, het zij te water, of indien dezelve zich nog in natura bevinden onder den failliet, of onder eenen derde, die de koopmanschappen voor hem bezit of bewaart.

In beide gevallen kan deze terugvordering slechts worden gedaan binnen den tijd van dertig dagen, te rekenen van den dag, waarop de koopmanschappen onder den failliet of onder den derde zijn opgeslagen. (Co. 577; B. 1191, 1553; K. 76 v., 86 v., 230, 238.)

233. Indien de kooper de kooppenningen gedeeltelijk heeft voldaan, is de verkooper, bij de terugvordering van het geheel, verpligt om de reeds ontvangen penningen aan den boedel terug te geven. (K. 230, 234, 236, 244.)

234. In geval de verkochte koopmanschappen slechts gedeeltelijk in den boedel worden gevonden, geschiedt de teruggave naar evenredigheid en in verhouding met den koopprijs van het geheel. (K. 2316, 233, 244.)

514

-ocr page 587-

BOEK I, TITEL VII EN VIII, ARTT. 229—240. 515

235. De verkooper, die zijne koopmanschappen terug ontvangt, is verpligt den boedel des gefailleerden schadeloos te houden voor al het reeds betaalde of nog verschuldigde wegens regten, vracht, commissie, verzekering, avarij-grosse en al hetgeen verder tot behoud der koopmanschappen is aangewend. (Co. 579; B. 1185 n0. 4; K. 76 v., 86, 91 v., 240, 246 v., 699.)

236. Indien de kooper bij eenen wisselbrief of ander handels-papier heeft geaccepteerd voor het volle bedrag der verkochte en geleverde koopmanschappen, heeft er geene terugvordering plaats.

Bijaldien de acceptatie slechts voor een gedeelte van de verschuldigde kooppenningen is geschied, kan de terugvordering plaats hebben, mits ten behoeve van den boedel des failliets worde zekerheid gesteld, voor hetgeen van den-zelven, ten gevolge der acceptatie, mogt kunnen gevorderd worden. (B. 1191, 1449 n4. 1, 1451; K. 119, 208, 214amp;, 230, 233, 238, 244.)

237. Indien de teruggevorderde koopmanschappen door eenen derde, te goeder trouw, zijn in beleening genomen, behoudt de verkooper zijn regt van terugvordering, maar is, daarentegen, verpligt aan den geldschieter te voldoen het bedrag van het daarop geschoten geld, met de verschuldigde interessen en kosten. (B. 637, 1191, 1196 v., 1377; K. 232, 238, 241; F. 42 v.)

238. De terugvordering der koopmanschappen vervalt, indien dezelve, gedurende de reis, op facturen en op cog-noscementen of vrachtbrieven te goeder trouw door eenen derde zijn verkocht, a)

Niettemin is de oorspronkelijke verkooper, in dat geval, bevoegd den koopprijs, zoolang dezelve nog niet is gekweten, tot het beloop zijner inschuld, bij den kooper in te vorderen, en hij is bevoorregt op die penningen, zonder dat dezelve met den boedel van den failliet mogen worden vermengd.

De bepalingen van het vorige lid zijn ook toepasselijk op het geval dat de koopmanschappen, na zich in het bezit van den failliet, of van iemand van zijnentwege, te hebben bevonden, door koop en levering, te goeder trouw, de eigendom van eenen derde zijn geworden. (Co. 578; B. 1190, 1191, 1877, 1438, 2014; K. 90 v., 232,245,507 v.; F. 42 v.)

239. De bewindvoerders in eenen gefailleerden boedel hebben het vermogen om de teruggevorderde koopmanschappen voor den boedel te behouden; mits aan den verkooper voldoende den koopprijs, welken deze van den failliet had bedongen. (Co. 582; F. 586.)

240. Zoo lang in commissie gegeven koopmanschappen zich nog in natura bevinden onder den gefailleerden commissionair, of onder eenen derde, die dezelve voor laatstgenoemden bezit of bewaart, kunnen dezelve door den commissie-gever worden teruggevorderd, onder gehoudenheid als bij art. 235 is uitgedrukt.

Hetzelfde regt van terugvordering heeft plaats, ten aanzien

a) Leesi gekocht.

-ocr page 588-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

van den koopprijs van in commissie gegeven en door den commissionair verkochte en geleverde goederen, voor zoo ver de koopprijs niet vóór diens faillissement mogt zijn gekweten, al ware het dat de commissionair eenig voordeel had berekend als waarborg voor den kooper, of voor het zoogenaamd «del credere.» (Co. 581; B. 629; K. 76 v., 246 v.)

241. In geval de in commissie gegeven koopmanschappen door eenen derde te goeder trouw zijn in beleening genomen, gelden de voorschriften van art. 237. (B. 2014; F. 42 v.)

242. Indien in eenen gefailleerden boedel worden gevonden nog niet vervallen, of vervallen en nog niet betaalde wisselbrieven, handels- en ander papier, aan den failliet ter hand gesteld, alleenlijk met last om dezelve in te vorderen en het beloop daarvan ter beschikking van den zender te houden, of om daaruit bepaaldelijk aangewezene betalingen te doen; — of, indien zij bijzonderlijk bestemd waren om daarmede te dekken wisselbrieven, op den failliet getrokken en door dezen geaccepteerd, of biljetten aan zijne woonplaats betaalbaar, kunnen die wisselbrieven, dat handels- en ander papier, worden teruggevorderd, zoo lang dezelve zich in natura bevinden onder den failliet, of onder eenen derde, die dezelve voor dezen bezit of bewaart; alles echter behoudens het regt van den boedel om daartegen zekerheid te vragen voor hetgeen van denzelven, ten gevolge der acceptation van den failliet, mogt kunnen gevorderd worden. (Co. 583; K. 106 v., 110, 111, 113, 135, 208 v., 210 v., 221 v., 232, 235, 236.)

243. Ook buiten het geval van bestemming of acceptatie, bij het vorige artikel vermeld, kunnen de aan den failliet overgemaakte wisselbrieven, of het handels- of ander papier, worden teruggevorderd, al ware een of ander op eene reke-ning-courant gebragt, mits de zender, ten tijde der overmaking, of daarna, voor geenerlei som hoegenaamd schuldenaar van den failliet zij geweest, daaronder niet begrepen de onkosten welke op de overmaking gevallen zijn. (Co. 584.)

244. Buiten het geval van faillissement, kunnen zonder tijdsbepaling verkochte en onbetaalde koopmanschappen worden teruggevorderd, overeenkomstig de voorschriften van art. 1191 van het Burgerlijk Wetboek, en met inachtneming der bepalingen van art. 231, 233, 234, 236 en 237 van dit Wetboek. (K. la, 232.)

245. De terugvordering van die koopmanschappen vervalt, indien dezelve, na zich in het bezit van den oorspron-kelijken kooper, of van iemand van zijnentwege, te hebben bevonden, door eenen derde te goeder trouw zijn gekocht en aan denzelven afgeleverd.

In geval echter de koopprijs nog niet door dien derde betaald is, kan de oorspronkelijke verkooper de gelden tot aan het beloop zijner rekening, voor zich vorderen, mits de vordering geschiede binnen den tijd van dertig dagen, na de oorspronkelijke levering. (B. 1190, 1191, 1377; K. 238.)

516

-ocr page 589-

BOEK I, TITEL VIII EN IX, ARTT. \'241—253.

NEGENDE TITEL.

Van assurantie of verzekering in het algemeen.

246. Assurantie of verzekering is eene overeenkomst bij welke de verzekeraar zich aan den verzekerde, tegen genot eener premie, verbindt om denzelven schadeloos te stellen wegens een verlies, schade, of gemis van verwacht voordeel, welke dezelve door een onzeker voorval zoude kunnen lijden. (B. 1811; K. 4 n». 10, 53, 60, 248, 249, 252, 256, 264, 268, 269, 271, 276, 278, 286, 593.)

247. De verzekeringen kunnen, onder anderen, ten onderwerp hebben:

De gevaren van brand; (K. 287 v.)

De gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn; (K. 299 v.)

Het leven van één of meer personen; (K. 802 v.)

De gevaren der zee en die der slavernij; (K. 592 v.)

De gevaren van vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren. (K. 686 v.quot;)

Van de twee laatste wordt in het volgende boek gehandeld. (A. 14; B. 1356 v., 1371, 1373; K. 268, 599.)

248. Op alle verzekeringen, waarover zoo in dit als in het tweede boek van dit Wetboek wordt gehandeld, zijn toepasselijk de bepalingen bij de volgende artikelen vervat. (K. 249—285.)

249. Voor schade of verlies uit eenig gebrek, eigen bederf, of uit den aard en de natuur van de verzekerde zaak zelve onmiddellijk voortspruitende, is de verzekeraar nimmer gehouden, ten ware ook daarvoor uitdrukkelijk zij verzekerd. (Co. 352; K. 276, 290, 294, 637, 643.)

250. Indien hij, die voor zichzelven heeft laten verzekeren, of hij, voor wiens rekening door eenen ander is verzekerd, ten tijde der verzekering geen belang in liet verzekerde voorwerp heeft, is de verzekeraar niet tot schadeloosstelling gehouden. (B. 1370; K. 257, 264 v., 266, 281, 282, 662.)

251. Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijn gesloten, indien de verzekeraar van den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de verzekering nietig. (Co. 348; B. 1356 v,, 1364; K. 269 v., 281, 306, 597, 603 v.; Sr 327.)

252. Uitgezonderd de gevallen bij de wet bepaald, mag geene tweede verzekering gedaan worden, voor denzelfden tijd en voor hetzelfde gevaar, op voorwerpen, welke reeds voor derzelver volle waarde verzekerd zijn, en zulks op straffe van nietigheid der tweede verzekering. (Co. 349; K. 250, 253, 254, 256 n0. 1, 266, 271. 272, 277, 278, 280, 599 n». 3, 609 v., 612.)

258. Verzekering, welke het beloop van de waarde of het wezenlijke belang te boven gaat, is alleen geldig tot het beloop van hetzelve.

Indien de volle waarde van het voorwerp niet is verzekerd,

517

-ocr page 590-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

is de verzekeraar, in geval van schade, slechts verbonden in evenredigheid van het verzekerde tot het niet verzekerde gedeelte.

Het staat echter aan partijen vrij uitdrukkelijk te bedingen, dat, onaangezien de meerdere waarde van het verzekerde voorwerp, de aan hetzelve overkomene schade, tot het vol beloop der verzekerde som, zal worden vergoed. (Co. 357, 358; K. 53, \'250, 273 v., 289.)

254. Afstand, bij het aangaan der verzekering, of gedurende derzelver loop, gedaan van hetgeen bij de wet tot het wezen der overeenkomst wordt vereischt, of van hetgeen uitdrukkelijk is verboden, is nietig. (A. 14; B. 1371 v.;K. 246,249, 253c, 263a, 296, 306, 624 v. j«. 634, 637, 640, 641, 642, 657, 659, 660, 661, 688 j». 695, 710.)

265. De verzekering moet schriftelijk worden aangegaan bij eene akte, welke den naam van polis draagt. (Co. 332; K. \\h. 256 v.)

256. Alle polissen, met uitzondering van die der levensverzekeringen, moeten uitdrukken; (K. 287, 299, 304, 592, 608, 686.)

1°. Den dag waarop de verzekering is gesloten;

2®. Den naam van dengene die de verzekering voor eigen rekening of voor die van eenen derde sluit; (K. 267.)

3°. Eene genoegzaam duidelijke omschrijving van het verzekerde voorwerp; (K. 296, 593—596, 603 v.)

4°. Hetbedragdersom, waarvoor verzekerd wordt ;(K. 253, 273 v., 619 v.)

5°. De gevaren welke de verzekeraar voor zijne rekening neemt; (K. 247.)

6°. Den tijd, op welken het gevaar voor rekening van den verzekeraar begint te loopen en eindigt; (K. 302,624 v. j0. 634, 688 j\'. 695.)

7°. De premie van verzekering (K. 286), en

8°. In het algemeen, alle omstandigheden, welker kennis van wezenlijk belang voor den verzekeraar kan zijn, en alle andere tusschen de partijen gemaakte bedingen. (K. 249, 251, 254, 598, 603, 606, 613, 622, 646, 647 v., 710.)

De polis moet door eiken verzekeraar worden onderteekend. (C. 332; K. 278, 654.)

257. De overeenkomst van verzekering bestaat, zoodra dezelve is gesloten; de wederzijdsche regten en verpligtingen van den verzekeraar en van den verzekerde nemen van dat oogenblik hunnen aanvang, zelfs vóórdat de polis is onderteekend.

Het sluiten der overeenkomst brengt de verpligting van den verzekeraar mede, om de polis binnen den bepaalden tijd te teekenen en aan den verzekerde uit te leveren. (K. 255, 258, 259, 260, 261, 681 n«. 1.)

258. Om van het sluiten dier overeenkomst te doen blijken, wordt bewijs bij geschrifte vereischt; echter zullen ook alle andere bewijsmiddelen worden toegelaten, indien er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is.

Niettemin kunnen de bijzondere bedingen en voorwaar-

518

-ocr page 591-

BOEK I, TITEL IX, ARTT. 254—265.

den, indien over dezelve geschil ontstaat, in den tusschen-tijd van het sluiten van de overeenkomst en de uitlevering van de polis, bewezen worden door alle bewijsmiddelen in zaken van koophandel toegelaten; met dien verstande echter, dat van de vereischten, welker uitdrukkelijke vermelding bij de polis op straffe van nietigheid, in sommige verzekeringen door de wet gevorderd wordt, schriftelijk moet blijken. (B. 1904 v., 1939?); K. ib, 10, 68, 255, 262, 272b, 603b, 606, 608, 615, 681 n°. 1.)

259. Indien de verzekering onmiddellijk wordt gesloten tusschen den verzekerde, of die daartoe last oi\' bevoegdheid heeft, en den verzekeraar, moet de polis binnen 24 uren na de aanbieding, door laatstgemelden worden onderteekend en uitgeleverd, ten ware bij de wet, in eenig bijzonder geval een langer termijn bepaald zij. (K. 260, 261.)

260. Indien de verzekering door tusschenkomst van eenen makelaar in assurantie gesloten is, moet de geteekende polis binnen acht dagen na het sluiten van de overeenkomst, worden uitgeleverd. (K. 64, 261, 684.)

261. Bij nalatigheid, in de gevallen bij de beide voorgaande artikelen bepaald, is de verzekeraar, of de makelaar, ten behoeve van den verzekerde, gehouden tot vergoeding van de schade, welke uit dat verzuim zoude kunnen ontstaan. (K. 681amp;.)

262. Hij die, van eenen ander order ontvangende tot het laten doen van verzekering, dezelve voor zijne eigene rekening houdt, wordt verstaan verzekeraar te zijn op de aan hem opgegevene voorwaarden, en, bij gebreke van die opgave, op zoodanige voorwaarden als waarop de verzekering had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij den last had moeten uitvoeren en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaatse of op de naast gelegen beurs. (B. 1837 v.; K. 60, 255, 264.)

263- Bij verkoop en allen eigendoms-overgang van verzekerde voorwerpen, loopt de verzekering ten voordeele van den kooper of nieuwen eigenaar, zelfs zonder overdragt, voor zoo verre schaden betreft, opgekomen, nadat het voorwerp ten bate of schade des koopers of nieuwen verkrijgers is gekomen, alles ten zij het tegendeel tusschen den verzekeraar en den oorspronkelijken verzekerde ware bedongen.

Indien, ten tijde van den verkoop of van den eigendomsovergang, de kooper of nieuwe eigenaar weigert de verzekering over te nemen, en de oorspronkelijk verzekerde nog belang in het verzekerde voorwerp behoudt, blijft de verzekering, in zoo verre, in zijn voordeel loopen. (B. 639, 1495 v.; K. 281, 321e.)

264. Verzekering kan niet alleen voor eigen rekening, maar ook voor die van eenen derde worden gesloten, het zij uit krachte van eenen algemeenen of van eenen bijzonderen last, het zij zelfs buiten weten van den belanghebbende, en zulks met inachtneming der volgende bepalingen. (B. 1390 v., 1829 v.; K. 250, 262, 265 v., 333, 378, 598.)

265. Bij verzekering ten behoeve van eenen derde, moet uitdrukkelijk in de polis worden melding gemaakt, of zulks

519

-ocr page 592-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

is de verzekeraar, in geval van schade, slechts verbonden in evenredigheid van het verzekerde tot het niet verzekerde gedeelte.

Het staat echter aan partijen vrij uitdrukkelijk te bedingen, dat, onaangezien de meerdere waarde van het verzekerde voorwerp, de aan hetzelve overkomene schade, tot het vol beloop der verzekerde som, zal worden vergoed. (Co. 357, 358; K. 53, \'250, 273 v., 289.)

254. Afstand, bij het aangaan der verzekering, of gedurende derzelver loop, gedaan van hetgeen bij de wet tot het wezen der overeenkomst wordt vereischt, of van hetgeen uitdrukkelijk is verboden, is nietig. (A. 14; B. 1371 v.; K.246,249, 253c, 263a, 296, 306, 624 v. j«. 634, 637, 640, 641, 642, 657, 659, 660, 661, 688 j». 695, 710.)

255. De verzekering moet schriftelijk worden aangegaan bij eene akte, welke den naam van polis draagt. (Co. 332; K. 1b. 256 v.)

256. Alle polissen, met uitzondering van die der levensverzekeringen, moeten uitdrukken; (K. 287, 299, 304, 592, 608, 686.)

1°. Den dag waarop de verzekering is gesloten;

2®. Den naam van dengene die de verzekering voor eigen rekening of voor die van eenen derde sluit; (K. 267.)

3°. Eene genoegzaam duidelijke omschrijving van het verzekerde voorwerp; (K. 296, 593—596, 603 v.)

4®. Het bedrag der som, waarvoor verzekerd wordt; (K. 253, 273 v., 619 v.)

5°. De gevaren welke de verzekeraar voor zijne rekening neemt; (K. 247.)

6°. Den tijd, op welken het gevaar voor rekening van den verzekeraar begint te loopen en eindigt; (K. 302,624 v. j®. 634, 688 jquot;. 695.)

7°. De premie van verzekering (K. 286), en

8°. In het algemeen, alle omstandigheden, welker kennis van wezenlijk belang voor den verzekeraar kan zijn, en alle andere tusschen de partijen gemaakte bedingen. (K. 249, 251, 254, 598, 603, 606, 613,622, 646, 647 v., 710.)

De polis moet door eiken verzekeraar worden onderteekend. (C. 332; K. 278, 654.)

257. De overeenkomst van verzekering bestaat, zoodra dezelve is gesloten; de wederzijdsche regten en verpligtingen van den verzekeraar en van den verzekerde nemen van dat oogenblik hunnen aanvang, zelfs vóórdat de polis is onderteekend.

Het sluiten der overeenkomst brengt de verpligting van den verzekeraar mede, om de polis binnen den bepaalden tijd te teekenen en aan den verzekerde uit te leveren. (K. 255, 258, 259, 260, 261, 681 n®. 1.)

258. Om van het sluiten dier overeenkomst te doen blijken, wordt bewijs bij geschrifte vereischt; echter zullen ook alle andere bewijsmiddelen worden toegelaten, indien er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is.

Niettemin kunnen de bijzondere bedingen en voorwaar-

518

-ocr page 593-

BOEK I, TITEL IX, ARTT. 254—265.

den, indien over dezelve geschil ontstaat, in den tusschen-tijd van het sluiten van de overeenkomst en de uitlevering van de polis, bewezen worden door alle bewijsmiddelen in zaken van koophandel toegelaten; met dien verstande echter, dat van de vereischten, welker uitdrukkelijke vermelding bij de polis op straffe van nietigheid, iu sommige verzekeringen door de wet gevorderd wordt, schriftelijk moet blijken. (B. 1904 v., 1939t»; K. ib, 10, 68, 255, 262, 2726, 603amp;, 606, 608, 615, 681 n». 1.)

259. Indien de verzekering onmiddellijk wordt gesloten tusschen den verzekerde, of die daartoe last of bevoegdheid heeft, en den verzekeraar, moet de polis binnen 24 uren na de aanbieding, door laatstgemelden worden onderteekend en uitgeleverd, ten ware bij de wet, in eenig bijzonder geval een langer termijn bepaald zij. (K. 260, 261.)

260. Indien de verzekering door tusschenkomst van eenen makelaar in assurantie gesloten is, moet de geteekende polis binnen acht dagen na het sluiten van de overeenkomst, worden uitgeleverd. (K. 64, 261, 684.)

261. Bij nalatigheid, in de gevallen bij de beide voorgaande artikelen bepaald, is de verzekeraar, of de makelaar, ten behoeve van den verzekerde, gehouden tot vergoeding van de schade, welke uit dat verzuim zoude kunnen ontstaan. (K. 681 ö.)

262- Hij die, van eenen ander order ontvangende tot het laten doen van verzekering, dezelve voor zijne eigene rekening houdt, wordt verstaan verzekeraar te zijn op de aan hem opgegevene voorwaarden, en, bij gebreke van die opgave, op zoodanige voorwaarden als waarop de verzekering had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij den last had moeten uitvoeren en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaatse of op de naast gelegen beurs. (B. 1837 v.; K. 60, 255, 264.)

263- Bij verkoop en allen eigendoms-overgang van verzekerde voorwerpen, loopt de verzekering ten voordeele van den kooper of nieuwen eigenaar, zelfs zonder overdragt, voor zoo verre schaden betreft, opgekomen, nadat het voorwerp ten bate of schade des koopers of nieuwen verkrijgers is gekomen, alles ten zij het tegendeel tusschen den verzekeraar en den oorspronkelijken verzekerde ware bedongen.

Indien, ten tijde van den verkoop of van den eigendomsovergang, de kooper of nieuwe eigenaar weigert de verzekering over te nemen, en de oorspronkelijk verzekerde nog belang in het verzekerde voorwerp behoudt, blijft de verzekering, in zoo verre, in zijn voordeel loopen. (B. 639, 1495 v.; K. 281, 321e.)

264. Verzekering kan niet alleen voor eigen rekening, maar ook voor die van eenen derde worden gesloten, het zij uit krachte van eenen algemeenen of van eenen bijzonderen last, het zij zelfs buiten weten van den belanghebbende, en zulks met inachtneming der volgende bepalingen. (B. 1390 v., 1829 v.; K. 250, 262, 265 v., 333, 378, 598.)

265. Bij verzekering ten behoeve van eenen derde, moet uitdrukkelijk in de polis worden melding gemaakt, of zulks

519

-ocr page 594-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

uit krachte eener lastgeving, of buiten weten van den belanghebbende plaats heeft. (K. 256 n®. 2, 264, 281 v., 662amp;.)

266. De verzekering, zonder lastgeving, en buiten weten van den belanghebbende, gedaan, is nietig, indien en voor zoo verre hetzelfde voorwerp door den belanghebbende, of door eenen derde, op zijnen last, was verzekerd vóór het tijdstip waarop hij kennis droeg der buiten zijn weten ge-slotene verzekering. (B. 1393; K. 250, 252, 254, 264,277 v., 281, 833, 378, 598, 652.)

267. Indien bij de polis geene melding is gemaakt dat de verzekering voor rekening van eenen derde is geschied, wordt de verzekerde geacht die voor zich zeiven te hebben gesloten. (K. 256 n0. 2, 265.)

268. De verzekering kan tot voorwerp hebben alle belang, hetwelk op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij de wet niet is uitgezonderd. (B. 1825; K. 247, 250, 599.)

269. Alle verzekering gedaan op eenig belang hoegenaamd, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op het tijdstip van het sluiten der overeenkomst bestond, is nietig, indien de verzekerde, of hij die met of zonder last heeft doen verzekeren, van het aanwezen der schade heeft kennis gedragen. (Co. 365; B. 1364; K. 246, 251, 281 v., 306, 597, 604, 606; Sr. 327.)

270. Er bestaat vermoeden, dat men van het aanwezen dier schade heeft kennis gedragen, indien de regter, met in achtneming der omstandigheden, oordeelt dat er sedert het aanwezen der schade zoo veel tijds is verloopen, dat de verzekerde daarvan had kunnen kennis dragen.

In geval van twijfel, staat het den regter vrij om aan verzekerden en derzelver lasthebbers den eed op te leggen, dat zij, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, van het aanwezen der schade geene kennis hebben gedragen.

Indien die eed door de partij aan hare wederpartij wordt opgedragen, moet dezelve in allen gevalle door den regter worden opgelegd. (Co. 366; B. 1953 n0. 3, 1966 v.; K. 282, 597, 598.)

271. De verzekeraar kan altijd hetgeen hij verzekerd heeft wederom laten verzekeren. (Co. 342; K. 252, 279c, 280.)

272. Indien de verzekerde den verzekeraar, bij eene geregtelijke opzegging, van zijne verpligtingen voor het toekomende ontslaat, kan hij zijn belang voor denzelfden tijd en hetzelfde gevaar andermaal doen verzekeren.

In dat geval moet, op straffe van nietigheid, in de nieuwe polis worden melding gemaakt, zoowel van de vroegere verzekering als van de geregtelijke opzegging. (B. 1417^; K. 252, 279, 280, 281.)

278. Indien de waarde der verzekerde voorwerpen niet door partijen in de polis is uitgedrukt, kan dezelve door alle bewijsmiddelen worden gestaafd. (Co. 339; B. 1903; K. 1b, 253, 256, 274, 275, 295, 621 v.)

274. Indien de waarde in de polis is uitgedrukt, heeft de regter niettemin de bevoegdheid om aan den verzekerde de nadere regtvaardiging der uitgedrukte waarde op te leggen, voor zoo verre door den verzekeraar redenen worden

520

-ocr page 595-

BOEK I, TITEL IX, A.RTT. 266—280.

aangevoerd, waaruit gegrond vermoeden wegens het bovenmatige der opgave geboren wordt.

De verzekeraar heeft in allen gevalle het vermogen om de bovenmatigheid der uitgedrukte waarde in regten te bewiizen. (Co. 336; B. 1959; K. 253, 273, 275, 295.)

275. Indien echter het verzekerde voorwerp vooraf is gewaardeerd door deskundigen, bij partijen daartoe benoemd a) en, des gevorderd, door den regter beëedigd, kan de verzekeraar niet daartegen opkomen, ten zij in geval van bedrog; alles behoudens de bijzondere uitzonderingen bij de wet gemaakt. (B. 1364, 1485; K. 273, 274,282,295, 619; Sr. 327.)

276. Geene verliezen of schade, door eigen schuld van eenen verzekerde veroorzaakt, komen ten laste van den verzekeraar. Hij vermag zelfs de premie te behouden of te vorderen, indien hij reeds begonnen had eenig gevaar te loopen. (Co. 352; K. 249, 282, 290, 294,307,637,638,693; Sr. 328.)

277. Indien verscheidene verzekeringen, te goeder trouw, ten aanzien van hetzelfde voorwerp zijn aangegaan, en bij de eerste de volle waarde is verzekerd, houdt dezelve alléén stand, en de volgende verzekeraars zijn ontslagen.

Indien bij de eerste verzekering de volle waarde niet is verzekerd, zijn de volgende verzekeraars aansprakelijk voor de meerdere waarde, volgens de orde des tijds waarop de volgende verzekeringen zijn gesloten. (Co. 359; K. 252, 278, 280.)

278. Bijaldien op eene en dezelfde polis, door onderscheidene verzekeraars, al ware het op onderscheidene dagen, meer dan de waarde verzekerd is, dragen zij allen te zamen, naar evenredigheid van de som voor welke zij geteekend hebben, alleen de juiste verzekerde waarde.

Dezelfde bepaling geldt, wanneer ten zelfde dage, ten op-zigte van hetzelfde voorwerp, onderscheidene verzekeringen gesloten zijn. (Co. 358; K. 277, 280.)

279. De verzekerde mag, in de gevallen bij de twee voorgaande artikelen vermeld, de oudste verzekeringen niet vernietigen om daardoor de latere verzekeraars te verbinden.

Indien de verzekerde de eerste verzekeraars ontslaat, wordt hij geacht zich, voor dezelfde som en in dezelfde orde, in hunne plaats als verzekeraar gesteld te hebben.

Indien hij zich laat herverzekeren, treden de herverzekeraars in dezelfde orde in zijne plaats op. (K. 271, 272.)

280. Het wordt als geene ongeoorloofde overeenkomst beschouwd, indien, na de verzekering van een voorwerp voor deszelfs volle waarde, de belanghebbende hetzelve vervolgens geheel of gedeeltelijk laat verzekeren, onder de uitdrukkelijke bepaling, dat hij zijn regt tegen de verzekeraars alleen zal kunnen doen gelden, indien en voor zoo verre hij de schade op de vroegere niet zal kunnen verhalen.

521

In het geval van zoodanige overeenkomst moeten, op straffe

lt;0 O. E. bestemd.

-ocr page 596-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

van nietigheid, de vroeger geslotene overeenkomsten duidelijk worden omschreven, en zullen de bepalingen van art 277 en 278 insgelijks daarop toepasselijk zijn. (K. 252.)

281. In alle gevallen in welke de overeenkomst van verzekering voor het geheel of ten deele vervalt, of nietig wordt, en mits de verzekerde te goeder trouw hebbe gehandeld, moet de verzekeraar de premie terug geven, het zij voor het geheel, het zij voor zoodanig gedeelte waarvoor hij geen gevaar heeft geloopen. (K. 250 v., 254, 266 v., 269, 272, 276, 603, 606, 608, 611, 615, 618, 635 v., 652 v., 660, 662.)

282. Bijaldien de nietigheid van de overeenkomst uit hoofde van list, bedrog of schelmerij van den verzekerde ontstaat, geniet de verzekeraar de premie, onverminderd de openbare regtsvordering, zoo daartoe gronden zijn. (B. 1364, 1485, 1488; K. 270, 281, 653; Sr. 327.)

283. Behoudens de bijzondere bepalingen ten aanzien van deze of gene soort van verzekering gemaakt, is de verzekerde verpligt om alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen, ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, en hij moet, dadelijk na derzeiver ontstaan, daarvan aan den verzekeraar kennis geven; alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

De onkosten door den verzekerde gemaakt, ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, zijn ten laste van den verzekeraar, al ware het dat dezelve, gevoegd bij de geledene schade, het beloop der verzekerde som te boven gingen, of de aangewende pogingen vruchteloos zijn geweest. (B. 1893; K. 294, 654, 655, 657, 665, 718.)

284. De verzekeraar, die de schade van een verzekerd voorwerp betaald heeft, treedt in alle de regten welke de verzekerde, ter zake van die schade, tegen derden mogt hebben; en de verzekerde is verantwoordelijk voor elke daad welke het regt van den verzekeraar tegen die derden mogt benadeelen. (B. 1401, 1438, 1628; K. 290, 637, 656, 693.)

285. Ingetrokken hij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. (Verg. F. 37, 130.) a)

522

286. De wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen worden door hare overeenkomsten en reglementen geregeerd, en bij onvolledigheid naar de beginselen van het regt. Het verbod, in het laatste lid van art. 289 vervat, is in het bijzonder ook op deze maatschappijen toepasselijk. (K. 15, 308; W. vereen, en verg., a. 14, zie chron. lijst.)

a) Het luidde: „Indien, gedurende den loop eencr verzekering, de verzekeraar in staat van faillissement is verklaard, heeft de verzekerde de bevoegdheid om, het zjj de vernietiging der overeenkomst, het zij voldoende zekerheid te vorderen, dat door den boedel aan alle de verpligtingen van den verzekeraar ten volle zal worden voldaan.quot;

-ocr page 597-

BOEK I, TITEL IX EN X, ARTT. 281 — 291.

TIENDE TITEL.

Van verzekering tegen de gevaren van brand, tegen die waarvan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering.

EERSTE AFDEELING. Van verzekering tegen gevaren van brand.

287. De brandpolis moet, behalve de vereischten bij art. 256 vermeld, uitdrukken:

■l0. De ligging en belending der verzekerde vaste goederen; (Rv. 128; B. 1231 n0. 4.)

2#. Derzelver gebruik; (K. 293.)

3®. Den aard en het gebruik der belendende gebouwen, voor zoo verre zulks invloed op de verzekering kan hebben; (K. 291.)

4°. De waarde der verzekerde goederen; CK. 288 v.)

5°. De ligging en belending der gebouwen en plaatsen, waar verzekerde roerende goederen zich bevinden, zijn geborgen of opgeslagen. (Rv. 128; B. 1231,n0.4; — K. 248, 251; 254.)

288. Bij verzekering van gebouwde eigendommen wordt bedongen, of dat de schade aan het perceel overgekomen zal worden vergoed,quot; of dat hetzelve, uiterlijk ten beloope der verzekerde som, zal worden opgebouwd of hersteld.

In het eerste geval wordt de schade opgemaakt door de vergelijking der waarde van het perceel vóór de ramp, met hetgeen het overblijvende, dadelijk na den brand, waardis; en de schade wordt alsdan in gereed geld voldaan.

In het tweede geval is de verzekerde tot de wederopbou-wing of het herstel verpligt. De verzekeraar heeft het regt om toe te zien, dat de door hem te betalen penningen, binnen eenen, des noods door den regter, te bepalen tijd, werkelijk tot dat einde worden besteed, en kan de regter zelfs aan den verzekerde, op de vordering van den verzekeraar, opleggen om, zoo daartoe gronden zijn, daarvoor voldoende zekerheid te stellen. (K. 253, 273 v., 283, 289, 2956, 709.)

289. De verzekering kan gedaan worden voor de volle waarde der verzekerde goederen.

In geval van beding van weder opbouwing, wordt door den verzekerde bedongen, dat de kosten, tot den weder-opbouw vereischt, door den verzekeraar zullen worden vergoed.

Bij dat beding zal echter de verzekering nimmer drie vierden dier kosten mogen te boven gaan. (K. 53,253, 286, 288.)

290. Voor rekening van den verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, die aan de verzekerde voorwerpen overkomen door brand, veroorzaakt door onweder of eenig ander toeval, eigen vuur, onachtzaamheid, schuld of schelmerij van eigene bedienden, buren, vijanden, roovers en alle anderen hoe ook genaamd, op welke wijze de brand ook zoude mogen ontstaan, bedacht of onbedacht, gewoon of ongewoon, geene uitgezonderd. (B. 1403, 1601; K. 276, 282, 284, 291, 292, 294, 637.)

291. Met schade, door brand veroorzaakt, wordt gelijk-

523

-ocr page 598-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

gesteld die, welke als eenig gevolg van ontstanen brand wordt aangemerkt, ook wanneer die voortkomt uit brand in de naburige gebouwen, als daar zijn, bederf of vermindering van het verzekerde voorwerp door het water, en andere middelen tot stuiting of tot blussching van den brand gebruikt, of het vermissen van iets van hetzelve door dieverij of op eenige andere wijze gedurende de brandblussching of beredding, alsmede de schade welke veroorzaakt wordt door de geheele of gedeeltelijke vernieling van het verzekerde, op last van hooger hand geschied, ten einde den voortgang van den ontstanen brand te stuiten. (G. 151; Onteigen.w., a. 73 v., zie chron. lijst.)

292. Met schade door brand veroorzaakt zal insgelijks worden gelijk gesteld die welke ontstaat door ontploffing van buskruid, door het springen van eenen stoomketel, door het inslaan van den bliksem, of dergelijke, a) had dan ook die ontploffing, dat springen, of dat inslaan geen brand tengevolge gehad.

293. Indien een verzekerd gebouw eene andere bestemming verkrijgt en daardoor aan meerder brandgevaar wordt blootgesteld, zoo dat de verzekeraar, indien zulks vóór de verzekering had bestaan, hetzelve of in het geheel niet., of niet op dezelfde voorwaarden, zoude hebben verzekerd, houdt deszelfs verpligting op. (K. 287 n*. 2.)

294- De verzekeraar is ontslagen van de verpligting tot voldoening der schade, indien hij bewijst dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van den verzekerde zeiven veroorzaakt is. (B. 1402; K. 276, 283, 290.)

295. Bij verzekering op roerende goederen en koopmanschappen in een huis, pakhuis of andere bergplaats, kan de regter, bij gebreke of onvolledigheid van de bewijsmiddelen bij art. 273, 274 en 275 uitgedrukt, den eed aan den vsr-zekerde opleggen.

De schade wordt berekend naar de waarde welke de goederen, ten tijde van den brand, hebben gehad. (B. 1978 v.)

296. Indien bij de polis deswege geene bijzondere bedingen zijn gemaakt, worden de uitdrukkingen van: «roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad en stoffering» verstaan, zoodanig als dezelve bij de vierde afdeeling van den eersten titel des 2den boeks van het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven. (B. 568 v.; K. 256 n0. 3.)

297. Indien, bij eene onderzetting, tusschen den schuldenaar en zijnen schuldeischer is bedongen, dat, in geval van schade aan het verzekerde of te verzekeren bezwaarde perceel overgekomen, de assurantie-penningen tot het beloop der inschuld en der verschuldigde renten in de plaats van de onderzetting zullen treden, is de verzekeraar, aan wien dat beding is beteekend, verpligt, de verschuldigde schadevergoeding met den hypothekairen schuldeischer te verrekenen. (B. 668, 1208 v., 1231 n». 5; K. 2886, 298.)

298. Het beding, bij het vorige artikel vermeld, heeft geen gevolg, dan indien en voor zoo verre de hypothekaire schuldeischer batig zoude zijn gerangschikt geweest, indien de schade niet was voorgevallen. (B. 1253 v., 1257.)

524

-ocr page 599-

BOEK I, TITEL X, ARTT. 292—306.

TWEEDE AFDEELING.

Van verzekering tegen de gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn.

299. Behalve de vereischten bij art. 256 vermeld moet, de polis uitdrukken:

1°. De ligging en belending der landerijen welker voortbrengselen zijn verzekerd; (Rv. 128; B. 1231 n0. 4.)

2°. Derzelver gebruik. (K. 248, 251, 254.)

300. De verzekering kan voor één of meerdere jaren worden gesloten.

Bij gebreke van tijdsbepaling wordt de verzekering voorondersteld voor één jaar te zijn gesloten. (B. 1633.)

301. Bij het opmaken der schade wordt berekend hoeveel de vruchten, zonder het ontstaan van de ramp, ten tijde van derzelver inoogsting of genot, zouden zijn waard geweest, en derzelver waarde na de ramp. De verzekeraar betaalt als schadevergoeding het verschil. (K. 273 v., 2886, 289, 2956, 709.)

DERDE AFDEELING.

Van levensverzekerimh

302. Het leven van iemand kan ten behoeve van eenen daarbij belanghebbende verzekerd worden, hetzij voor den ganschen duur van dat leven, het zij voor een tijd bij de overeenkomst te bepalen. (K. 247, 248, 804 n0. 4.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 1 Juni 1875 (Stb. n0. 81). a)

Art 2 dier Wet: De levensverzekeringen, vóór het in werking treden dezer wet gesloten, die aan de bepalingen van het gewijzigde artikel 302 voldoen, worden als geldig beschouwd.

308. De belanghebbende kan de verzekering sluiten, zelfs buiten kennis of toestemming van dengenen, wiens leven wordt verzekerd.

304. De polis bevat;

1°. Den dag waarop de verzekering is gesloten; (K. 257.)

2°. Den naam van den verzekerde; (K. 303.)

3°. Den naam van den persoon wiens leven is verzekerd; (K. 303, 306.)

4°. Den tijd waarop het gevaar voor den verzekeraar begint te loopen en eindigt; (K. 802.)

5°. De som waarvoor is verzekerd; (K. 305.)

6°. De premie der verzekering. (K. 308. — K. 248, 251, 254, 256.)

305. De begrooting van de som en de bepaling der voorwaarden van de verzekering staan geheel aan het goedvinden der partijen. (B. 1817; K. 273 v.)

306. Indien de persoon wiens leven verzekerd is, op het oogeriblik van het sluiten der verzekering, reeds was overleden, vervalt de overeenkomst, al had de verzekerde van het overlijden geene kennis kunnen dragen, ten zij anders

a) Oorspronkelijk luidde het artikel: „Het leven van iemand kan ten behoeve van eenen daarbij belanghebbende verzekerd worden, gedurende den tijd bij de overeenkomst op straffe van nietigheid te bepaleu,quot;

525

-ocr page 600-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

ware bedongen. (B. 1816; K. 251, 269, 281,597 v., Sr. 327.)

807. Indien hij, die zijn leven heeft laten verzekeren, zich van het leven berooft, of met den dood wordt gestraft, vervalt de verzekering. (K. 276.)

308. Onder deze afdeeling zijn niet begrepen weduwen-fondsen, tontines, maatschappijen van onderlinge levensverzekering en andere dergelijke overeenkomsten op levens-en sterfte-kansen gegrond, waartoe eene inlage of eene bepaalde bijdrage, of beide, gevorderd wordt. (Avis du Gons. d\'Etat, du 25 Mars 1809 (Fortuijn 111 bl. 47 v.); Décret Impér. du 18 Novembre 1810 (Fortuijn III bl. 231 v.); Stb.1830 n0. 54; Stb. 1833 n®. 15; Stb. 1840 nquot;. 41—43; Stb.1845 n#. 69; W. vereen, en verg., a. 14, zie chron. lijst; K. 286.)

TWEEDE BOEK.

VAN DE REGTEN EN VERPLIGTINGEN UIT SCHEEPVAART VOORTSPRUITENDE.

EERSTE TITEL.

Van zeeschepen.

309. Schepen zijn roerende goederen.

Echter kan de levering van zeeschepen, het zij geheel of bij gedeelten, niet anders geschieden, dan bij akte overgeschreven in de daartoe bijzonderlijk bestemde openbare registers. (Co. 190; 13. 565, 566, 568 v., 667, 671, 1927; K. 315, 748, 749, 750 n». 1 en4; Rv.566,573,584j».529; Stb. 1836 nquot;. 41 jquot;. Stb, 1877 n6. 96; Stb. 1839 nquot;. 58; Stb. 1844 nquot;. 62, zie deze onder Hyp. en Scheepsbew.)

810. Indien schepen, aan ingezetenen van dit koningrijk toebehoorende, zich buiten \'s lands bevinden en aldaar aar. vreemdelingen worden geleverd, geschiedt de levering volgens de wetten en gebruiken der plaats alwaar dezelve gedaan wordt. (A. 10; K. 309; Stb. 1836 n0. 41, a. 12, zie Hyp. en Scheepsbew.)

311. Bij geregtelijken verkoop van schepen, moeten de regelen gevolgd worden, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven. (Co. 193; Rv. 563 v.)

312. De eigendom van zeeschepen gaat bij verkoop, het zij binnen \'s lands het zij buiten \'s lands gesloten, niet over dan onder de lasten en behoudens de voorregten en regten, welke bij art. 313, 314 en 315 zijn vermeld. (Co. 196; K. 316, 750 n0. 1 en 5; Rv. 575.)

313. De bevoorregte schulden welke, in het geval des vorigen artikels, op de opbrengst der zeeschepen kunnen worden verhaald zijn de natemeldene: — Zij zijn in de navolgende orde bevoorregt: (Co. 191; B. 1185 v.; K, 312, 314, 316 v., 750 n«. 2; Rv. 564d, 580 v.)

1°. De berg-, hulp- en loods-loonen; (K. 363, 547, 560, 562 v.; Stb. 1839 n». 1; Stb. 1859 n#. 93, a. 3 v.; Stb. 1875 n®. 62, a. 1 v.)

2°. De tonnen-, baken-, vuur-, quarantaine- en andere havengelden; (Stb. 1875 n®. 101; Stb. 1877 n®. 35en 153; Stb. 1884 n®. 80 en 164; Stb. 1895 n®. 71.)

526

-ocr page 601-

BOEK I EN n, TITEL X EN I, ARTT. 307—313. 527

3°. De legger-, bewaarder- en sjouwerloonen;

4°. De huur van pakhuizen of van bergplaatsen, om het scheepstoebehooren en de gereedschappen te plaatsen;

5°. De gagien van den schipper en het scheepsvolk: (K. 388 v., 391, 447, 451.)

6°. De levering van zeilen, touwen en andere scheepsbe-noodigdheden, en de kosten van onderhoud of van reparatien van het schip en deszelfs toebehooren;

De penningen aan den schipper voorgeschoten, geleend of voor hem betaald, ten nutte en ten dienste van het schip; gelijk mede de penningen verschuldigd, ter vergoeding van goederen, welke, om de voormelde schulden te voldoen, door den schipper hebben moeten worden verkocht, en indien, voor het geheel of een gedeelte dier schulden, een bodemerij-brief is verleden, alsdan het beloop van denzelven, de bode-merij-premie daarbij gerekend. (K. 372 v.)

De schulden, hier-boven, onder n0. 1, 2, 5 en 6 vermeld, genieten het voorregt, indien zij ter zake van de laatste reis zijn gemaakt, en zulks:

Die welke voorkomen in n0. 1 en 2, benevens in het laatste lid van n0. 6, voor zoo verre zij gemaakt zijn gedurende de reis;

Die welke voorkomen in n0. 5, en in het eerste lid van n0. 6, voor zoo verre zij gemaakt zijn, van den tijd af dat het schip tot hei doen der reis in gereedheid is gebragt tot op dien dat de reis wordt gehouden te zijn geëindigd;

De reis wordt geacht te zijn geëindigd één en twintig dagen nadat het schip ter bestemde plaats is aangekomen, of voor zoo veel korter als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn; (K. 625 v.)

De schulden, welke voorkomen in n0. 3 en 4, genieten het voorregt, voor zoo verre zij gemaakt zijn van den dag dat het schip in de haven is binnengeloopen tot op dien van den verkoop van hetzelve;

7°. De noodige levering en reparatie aan het schip en deszelfs gereedschappen gedaan, niet behoorende tot die in n0. 6 hier-boven gemeld, gedurende de drie laatste jaren, te rekenen van den dag dat de reparatie is volbragt; (K. 322, 372, 742, 747.)

8°. De schuldvordering wegens den aanbouw van het schip, benevens de renten van de drie laatste jaren;

9°. Bodemerij op het schip, deszelfs staand en loopend want en verder toebehooren tot het victualiëren en in orde brengen van het schip, geteekend of verleden voor deszelfs vertrek, — de bodemerij-premie niet daaronder begrepen; (K. 569 v., 586, 745, 758.)

10°. De schaden en interessen van inladers wegens het niet, of niet behoorlijk uitleveren van de door hen ingeladene koopmanschappen, en die welke door ontrouw of schuld van den schipper en het scheepsvolk aan de goederen veroorzaakt zijn. (K. 345amp;, 349, 452, 470, 475 v.)

-ocr page 602-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL,

314. De schulden, in het voorgaande artikel vermeld en welke onder een en hetzelfde nommer behooren, en in eene en dezelfde haven gemaakt zijn, hebben onderling een gelijk regt. doch wanneer gelijke schulden, bij het vervolgen der reis, in andere havens, of ook wel in dezelfde haven, wanneer het schip die eens verlaten had, en dezelve naderhand op nieuw had moeten aandoen, wederom uit nood gemaakt worden, zijn de latere schulden boven de eerste bevoorregt. (Co. 191; K. 312, 581, 750 n°. 3.)

315. Na de schulden in art. 313 vermeld, zijn nog op de daarbij bedoelde schepen, bevoorregt:

1°. Het bedrag van de nog onbetaalde kooppenningen, benevens de renten over de laatste twee jaren; (B. 1185 nquot;. 3, 1190.)

2°. De inhoud van pand- of verbandbrieven op het schip voor gewone schulden, met gelijke renten, en zulks om het even of het schip al dan niet in het bezit van den schuldeischer of van eenen derde gesteld zij;

De schulden in dit artikel vermeld, zullen niet bevoorregt zijn, dan voor zooverre dezelve zijn bedongen bij akte houdende het beloop der schuld en der bedongen rente en ingeschreven in het register, in art. 309 vermeld;

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 2 der Wet van 8 Juli 1874 (Stb. n». 95). a)

De rang van deze bevoorregte schulden wordt geregeld door den dag der inschrijving. (Co. 191, 192; B. 1180, 1196 v., 1226; K. 312, 750 n°. 4; Alg. w., a. 119 (Zie op K. 86); Stb. 1836 nquot;. 41, a. 9,10, zie onder Hyp. en scheensbew.)

316. Het voorregt, bij de voorgaande artikelen toegekend, gaat verloren, indien het schip, aan eenen ander zijnde overgegaan, zonder protest van bevoorregte schuldeischers, ten name en voor rekening van den nieuwen eigenaar heeft gevaren gedurende zestig dagen nadat het schip is in zee uit-geloopen;

Zoodanig protest baat alleen den schuldeischer uit wiens naam hetzelve is gedaan;

De vorenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op den buitenlandschen verkoop bij art. 310 vermeld, in welk geval de lasten, voorregten en regten blijven bestaan. (Co. 193, 194, 196; K. 312, 313, 314, 315, 741 v., 760 n0.5; Rv. 575.)

317. Bij geregtelijken verkoop zijn de geregtskosten boven alle andere schulden bevoorregt. (Co. 191 n0. 1; B. 1185 n0. 1, 1195 n0. 1; K. 313 v.; Rv. 580 v.)

528

318. Ingeval van faillissement of van kennelijk onvermogen van den eigenaar van een schip, zijn alle vorderingen en schulden, ten laste van het schip loopende, bevoorregt op de opbrengst van het schip boven de overige schuldeischers van den boedel, zonder dat de voorrang

a) Oorspronkelijk luidde het slot van deze alinea: „bij acte; eene zekere dagteekening hebbende en ingeschreven in het register, in art. 309 vernield.quot;

-ocr page 603-

BOEK ir, T1TEI, I EN It, ARTT. 314—325.

zich uitstrekt tot de assurantie-penningen. (K. 297 321; F. 1. HO, 180fc; Rv. 882 v.)

319. De verkooper van een schip is gehouden, bij eene door hem geteekende lijst, aan den kooper opgave te doen van alle bevoorregte schulden. (K. 312.)

TWEEDE TITEL,

Van eigenaars, mede-reeders en van boekhouders van schepen.

320. Wanneer twee of meer personen een schip, onder hen gemeen zijnde, tot gemeene baat gebruiken, ontstaat daaruit eene reederij, welker belangen tusschen de gezamenlijke reeders worden geregeld bij meederheid van stemmen, naar evenredigheid van ieders aandeel.

Het kleinste aandeel wordt voor eene stem gerekend, en zoo vervolgens het getal van ieders stemmen naar de vermenigvuldiging van het kleinste aandeel bepaald. (Co. 220; B. 853, 1584, 1655 v.; K. 4 n». 4 en 7, 324, 325a, 326a, 333, 337, 340, 366, 751; Rv. 583.)

321. De eigenaar van een schip of de mede-reeders, elk naar evenredigheid van zijn aandeel, zijn voor de handelingen en verbindtenissen van den schipper aansprakelijk, in alles wat tot het schip en de onderneming betrekking heeft.

Deze aansprakelijkheid houdt op door den afstand van het schip en van de met hetzelve verdiende en nog te verdienen vrachtpenningen voor de onderneming, waartoe de handelingen en verbindtenissen betrekkelijk zijn.

Die afstand geschiedt door eene verklaring bij notariele akte.

Elke mede-reeder wordt van de aansprakelijkheid ontslagen door gelijken afstand van zijn aandeel in den bovengemelden vorm vervat.

Indien de eigenaar of de mede-reeders hun belang in het schip of in de vrachtpenningen hebben doen verzekeren, is hunne aanspraak op den verzekeraar onder dezen afstand niet begrepen. (Co. 216; B. 1269, 1403 v.; K. 318, 335, 349, 372, 443c, 452 v., 4976, 534, 593, 637, 663, 751.)

322. De eigenaar van een schip, of elk mede-reeder in evenredigheid van zijn aandeel,quot; is niettemin persoonlijk verbonden voor alle reparatien en andere uitgaven, welke ten behoeve van het schip op zijnen bijzonderen last of op dien van de reederij gemaakt zijn. (K. 336, 342, 392, 580, 751.)

323. Elk mede-reeder is verpligt, naar evenredigheid van zijn aandeel, hetwelk daarvoor verbonden en aansprakelijk is, bij te dragen tot de uitrusting van het schip, (B. 1676 n0.3; K. 4 nquot;. 4, 342, 580, 742b en d, 747, 751.)

324. Wanneer een schip in eene noodhaven ligt, om gerepareerd te worden, en de meerderheid der mede-reeders voor de repatie is, is de minderheid gehouden daarin toe te stemmen, of hare aandeelen aan de meerderheid af te staan, en deze gehouden die aandeelen aan te nemen, tegen zoodanigen prijs als deskundigen dezelve zullen waardig achten. (K. 320, 372, 751.)

325. Indien de meerderheid der reederij tot hare ontbinding en den verkoop van het schip besluit, is de min-

529

34

-ocr page 604-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

derheid daardoor verbonden. De verkoop moet in het openbaar geschieden, ten zij eenpariglijk door de reeders anders is bepaald. (B. 1683 n0. 3; K. 751.)

Geene reederij kan echter worden ontbonden gedurende eene ondernomene reis. (K. 320.)

326. Niemand dan een mede-reeder kan tot boekhouder der reederij worden benoemd, ten zij met gemeene toestemming van alle de reeders.

De boekhouder kan naar welgevallen ontslagen worden. (B. 16736, 1850c; K. 320, 329, 332, 751.)

327. De boekhouder vertegenwoordigt de geheele rederij, en kan voor dezelve handelen, zoo in als buiten regten, voor zoo verre die magt bij dit wetboek of bij bijzondere en uitdrukkelijke voorwaarden in het contract van reederij of zoogenaamde reeder-cedel onder geene bepaling is gebragt. (B. 1673, 1829 v.; K. 328 v., 331,333, 334 v., 343,352,356, 360, 371 v., 377 v., 387 v., 440 n». 5,443,445,448 v., 751.)

828. Hij stelt den schipper aan, en ontslaat denzelven naar welgevallen.

Indien de schipper om wettige redenen is ontslagen, heeft deze geen regt tot schadevergoeding.

Indien het ontslag zonder wettige redenen heeft plaats gehad, vóór het begin der reize, heeft de schipper aanspraak op daggelden gedurende den tijd van zijnen dienst, doch het ontslag gedurende de reis voorvallende, is het volle loon verschuldigd met de kosten der terugreis, alles ten zij bij schriftelijke overeenkomst anders ware bedongen.

Dezelfde bepalingen zijn toepasselijk op den eigenaar en de reederij van het schip. (Co. 218; B. 1585; K. 326, 341, 344, 352, 361, 411 v., 436 v. j». 386, 440 n0. 5,751.)

329. De ontslagen schipper, die mede-reeder van het schip is, lieeft het regt om aan de reederij afstand te doen van zijn aandeel in het schip tegen betaling der waarde door deskundigen te bepalen. (Go. 219; K. 328, 751.)

330. De boekhouder heeft het volkomen bestuur over alles wat tot onderhoud van het schip, de uitrusting en het victualiëren of bevrachten van hetzelve vereischt wordt. (K. 4 n0. 4, 6 en 7, 331, 7426 en d, 747, 751; W. tucht koopv., a. 23, zie chron. lijst; W. zeebr., a. 2, zie chron. lijst.)

331. Bij elke nieuwe reis of nieuwe bevrachting heeft de boekhouder de goedkeuring der mede-reeders, of van de meerderheid derzelve, noodig, ten ware hem uitdrukkelijk bij de reeder-cedel eene uitgebreidere magt te dezen opzigte verleend zij. (K. 330, 336, 751.)

332. Hij is aan de mede-reeders verantwoordelijk voor alle kosten, schaden en interessen, die dezelve door zijne schuld of ontrouw zouden mogen lijden. Voor de vergoeding daarvan is zijn aandeel in het schip bij voorregt verbonden. (K. 313 v., 326, 345 v., 449, 751.)

333. Zonder uitdruk kelijken last van alle de mede-reeders, is hij onbevoegd om het schip te doen verzekeren. (B. 1278; K. 264 v., 334, 378, 751.)

334. Hij is verpligt zoodanige reparatie-kosten als gedurende de reis mogten gemaakt zijn te doen verzekeren, voor

530

-ocr page 605-

BOEK 11, TITEL II EN III, ARTT. 326—343. 531

zoo verre de schipper voor het beloop dier reparatie-kosten geen geld op bodemerij mogt hebben opgenomen. (K. 333, 372 v., 378, 579, 599 n0. 3, 600, 751.)

335. Hij verbindt door zijne handelingen en verbindtenis-sen alle mede-reeders, naar evenredigheid hunner aandeelen; doch deze zijn bevoegd hun aandeel in het schip en in de verdiende en nog te verdienen vrachtpenningen voor de onderneming, waartoe de handelingen en verbindtenissen betrekkelijk zijn, in voege als bij art. 321 vermeld is, af te staan, zonder tot iets verder gehouden te zijn. (K. 321, 336,751.)

336. Indien de boekhouder, op bijzonderen last, of met voorkennis der reederij, eenige reparatien laat doen, of eenige handelingen verrigt, zijn alle de reeders daarvoor persoonlijk verbonden, naar evenredigheid hunner aandeelen.

Algemeene bewoordingen in de reeder-cedel vervat, worden niet als een bijzondere last of als voorkennis aangemerkt. (B. 1681, 1833; K. 322, 751.)

337. Hij is verpligt aan elk der mede-reeders, op deszelfs vordering, kennis en opening te geven van alle zaken en omstandigheden, het schip, de reis en de uitrusting betreffende, mitsgaders inzage van alle boeken, brieven en papieren, en al hetgeen tot zijn beheer behoort. (B. \'1839; K. 11,360,751.)

338. Hij is verpligt, na het eindigen van elke reis, aan alle de mede-reeders, ook op de vordering van ieder van dezelve, te doen behoorlijke rekening en verantwoording van zijn gehouden bewind, zoo omtrent den geheelen staat van het schip en de reederij, als omtrent de geëindigde reis, met overlegging van alle bewijsstukken tot dit alles betrekking hebbende, en dadelijk uitkeering en betaling te doen van hetgeen dezelve toekomt. (B. 1839, 1842, 1848; K. 342, 387 v., 752.)

339. Elk mede-reeder is daarentegen verpligt deze rekening te helpen opnemen en sluiten, en deszelfs aandeel in hetgeen bevonden^vordt aan den boekhouder verschuldigd te zijn, te betalen. (B. 1847, 1848, 1849; K. 752.)

340. De goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de meerderheid, belet de minderheid niet hare regten te doen gelden. (K. 320, 324, 752.)

DERDE TITEL.

Van den schipper.

(Consul, w., a. 6, zie chron. lijst.)

341. De schipper is belast met het voeren van het schip, het zij tegen een bedongen loon, het zij voor een aandeel in de winst of in de vracht. (B. 35 v., 60, 994, 1585; K. 4 n». 8, 59, 328.)

342. Indien een of meer van de mede -reeders in gebreke blijven, na behoorlijk te zijn aangemaand, hun aandeel aan de noodige kosten ter uitrusting bij te dragen, is de schipper bevoegd om, vier en twintig uren na gedane aanmaning, mitsgaders na bekomene autorisatie van de arrondissements-regtbank, voor hunne rekening, geld op te nemen op derzelver aandeel in het schip, zelfs bij wecre van bodemerij. (Co. 233; K. 4 n». 8, 328, 330, 371, 580, 753 )

848. De schipper stelt de equipage te zamen en verkiest

-ocr page 606-

532 WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

de scheepsofficieren en scheepsgezellen, met overleg van den eigenaar of van den boekhouder der reederij, wanneer hij zich op hunne woonplaats bevindt. (Co. 223; B. 1585; K. 4 n0. 8, 328, 344, 394, 395, 436 v., 753.)

344. Zonder wettige oorzaken vermag de schipper, gedurende de reis, geene officieren of scheepsgezellen uit den dienst te ontslaan. (K. 358 n0. 8, 397 n®. 7, 436 v., 753.)

345. Hij is verpligt alle mogelijke naarstigheid, toezigt en zeemanschap te gebruiken, en aan den eigenaar of de reederij te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, in de uitoefening van zijn beroep door ontrouw of schuld veroorzaakt.

Hij moet instaan voor alle schaden die aan de te vervoeren goederen overkomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek aan het goed zelf, door overmagt, of door de schuld of nalatigheid van den afzender veroorzaakt zijn. (Co. 221, 222-, B. 1280 v.; K. 91 v., 313 n°. 10, 321, 343, 351, 353, 355, 3626, 371, 375, 449, 452, 493 v., 534 v., 707,746,753; W. tucht koopv., a. 21e, 25, zie chron. lijst.)

346. Hij is verantwoordelijk voor alle de gevolgen van verkeerde of onbehoorlijke stuwaadje en plaatsing van de goederen in het schip. (K. 348, 397 n®. 12, 746, 753.)

847. De schipper, alvorens tot eene reis naar buiten \'s lands lading in te nemen, is, ten verzoeke van ieder belanghebbende, gehouden, op diens kosten, zijn schip door deskundige beëedigde personen, daartoe aangesteld, of door de arrondissements-regtbank, en zoo deze ter plaatse van de ligging des schips niet is gevestigd, door den kantonregter te benoemen, te laten nazien, of hetzelve van al het noodige is voorzien, en in staat geoordeeld wordt de reis te kunnen ondernemen. (Co. 225; K. 4796, 700, 753.)

34S. De schipper is verantwoordelijk voor alle schaden, welke aan de goederen door hem, zonder schriftelijke toestemming van den inlader, op den overloop van zijn schip geladen, zouden mogen overkomen. (Co. 229; K. 91 v., 346, 733, 753.)

349. Onverminderd de personele verantwoordelijkheid van den schipper jegens de inladers, is, in geval van schade aan de lading door deszelfs ontrouw of schuld veroorzaakt, het schip, met de voor de reis verdiende vrachtpenningen, aan de inladers verbonden; de eigenaar of de reeders hebben, te dien opzigte, hun regt van aanspraak op den schipper. (K. 91 v., 313 n0. 10, 321, 345, 393, 475, 753.)

350. De schipper is gehouden van alle goederen, welke in het schip geladen worden, recieven te teekenen of door der. stuurman te doen teekenen, met specifieke opgave van getallen, merken en nommers, ten einde tegen de cognosce-menten ingewisseld te worden. (Co. 222, 282; K. 351.507, 509, 510, 753.)

351. Hij laadt geene goederen waarvan de wanheid, beschadiging of slechte gesteldheid der emballagie zigtbaar blijkt, dan met aanteekening van den slechten of wannen staat van dezelve in de recieven en cognoscementen; wordende het zonder deze aanteekening daarvoor gehouden, dat de goederen in eenen uiterlijk zigtbaar goeden en wel geconditio-neerden staat geladen geweest zyn. (K. 350, 507 v., 753.)

-ocr page 607-

BOEK IF, TITEL III, ARTT. 344—357.

352. De schipper vermag in het schip geene koopmanschappen voor zijne eigene rekening te Iaden, zonder daarvoor vracht te betalen, en daartoe van den eigenaar of boekhouder en, indien het geheele schip bevracht is, van de bevrachters verlof te hebben bekomen, ten ware hij daartoe, in het eerste geval, bij het nemen van dienst of, in het laatste geval, bij het aangaan van de chertepartij, gemagtigd ware. (Co. 251; K. 327, 353, 410, 456, 753.)

353. De schipper, die voor gemeene winst op lading vaart, mag voor zijne bijzondere rekening geene koopmanschappen in het schip laden, ten ware het tegendeel bedongen zij.

In geval van overtreding van dit verbod, worden de koopmanschappen, welke door den schipper voor zijne bijzondere rekening zijn ingeladen, ten voordeele der andere belanghebbenden bij de lading verbeurd verklaard, onverminderd de vergoeding der meerdere kosten, schaden en interessen daardoor veroorzaakt. (Co. 239, 240; K. 341,352,390,753.)

354. Hij is verpligt, wanneer hij van al het noodige voorzien en gereed is om te kunnen vertrekken, onverwijld, bij de eerste gunstige gelegenheid, de reis, waartoe hij zich heeft verbonden, te ondernemen en te volbrengen. (Co. 238; K. 522, 642, 753; Rv. 582; Sr. 390.)

355. Hij vermag ook de reis niet uit te stellen wegens ziekte van eenigen der officieren of scheepsgezellen, maar is gehouden dadelijk andere in derzelver plaats te stellen. (K. 343, 423 v., 753.)

356. De schipper, op het oogenblik dat het schip zoude kunnen en behooren te vertrekken, zoodanig ziek zijnde, dat hij het schip niet kan voeren, is gehouden eenen anderen schipper in zijne plaats te stellen, of den stuurman in zijne plaats te laten opvolgen, indien het laatste zonder gevaar voor schip en lading kan geschieden. Indien de eigenaar of de boekhouder zich/rer plaatse van het vertrek bevindt, zal de vervanging niet anders kunnen geschieden dan met zijne toestemming. (K. 328, 343, 354, 753.)

357. De schipper moet aan boord van het schip voorzien zijn van:

1°, Den brief van opdragt of bewijs van eigendom van het schip, of wel een gelegaliseerd authentiek afschrift van dien; (K. 309amp;; Stb. 1836 n®. 41, a. 6 en 7 j0. Stb. 1869 n». 153, zie onder Hyp. en Scheepsbew.; W. not. ambt, a. 46.)

2°. Den zeebrief; (W. zeebr. j0. Stb. 1869 n0. 153 en Stb. 1875 nquot;. 242.)

3®. Vervallen na de W. Zeebr., zie deze afgedrukt in de chron. lijst, a)

4^,. De monsterrol; (K. 395 v.)

5®. Het manifest; (Alg.w., a. 12, 171; K. 583, 732; Rv. 318 n®. 1.)

533

6*. De cognoscementen en de chertepartijen; (K. 454 v., 507 v.)

a) Art. 357 no. 3 luidde: „Den tarkschen pas, in geval de strekking yan de reis zulks vordert.quot;

-ocr page 608-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

7°. Het Wetboek van Koophandel, a) (Co. 226; K. 471, 753; Bv. 582amp;; Sr. 470.)

358. De schipper is verpligt een dagregister of journaal te houden, hetwelk moet bevatten: (K. 6.)

1°. De dagelijksche gesteldheid van weêr en wind;

2°. De dagelijksche vorderingen of vertragingen van het schip;

3\'\'. De lengte en de breedte, waar hetzelve dagelijks is;

4°. Alle de rampen welke aan schip en lading overkomen jTen de oorzaken daarvan; (K. 379 n0. 3, 534 v.)

5°. De gesteldheid zoo veel mogelijk van hetgene door rampen of kappen, snijden en kerven is verloren gegaan; (K. 367, 699 n». 3 en 4.)

ö». De koersen die hij gehouden heeft, met de redenen • van afwijking van dezelve, het zij vrijwillig, het zij uit noodzakelijkheid; (K. 379 n\'. 2, 638 v.)

7°. Alle de besluiten, welke in den scheepsraad genomen worden; (K. 367, 368, 372, 374.)

8°. De afdanking van scheepsofficieren of andere scheepsgezellen en de redenen daarvan; (K. 344, 436 v.)

9°. De ontvangst en uitgaaf betrekkelijk het schip en de lading, en in het algemeen, alles wat schip en lading betreft, en tot het doen van rekening en verantwoording, of tot het maken of afweren van eenige vordering aanleiding zoude kunnen geven, h) (Co. 224; K. 362, 379, 381, 387, 389, 422, 7Ó3; Sr. 470, 471 n». 1.)

359. Dit dagregister of journaal zal, voor zoo veel de gelegenheid van weêr en wind zulks toelaat, dagelijks worden bijgeschreven, gedagteekend en door den schipper en den stuurman moeten onderteekend worden. (K. 753; Sr. 471 n0.l.)

360. De schipper is verpligt gedurende de reis, zoo dikwijls zich de gelegenheid opdoet, kennis aan den eigenaar of aan den boekhouder van zijn en des schips wedervaren te geven. (K. 337, 365, 377, 379 n0. 3, 753.)

861. Hij is verpligt zich persoonlijk op zijn schip te bevinden, van het oogenblik dat hij de reis begint, tot dat hij met hetzelve ter goede reede, of in behouden haven, zal zijn aangekomen. (Co. 227; K. 341, 362, 753; Sr. 404.)

362. Bij welk gevaar ook, mag de schipper, gedurende de reis, het schip niet verlaten zonder den raad te hebben ingenomen van de voornaamsten van het scheepsvolk. Hij is, in dat geval, vooral verpligt voor het behoud van zijn journaal en verdere scheepspapieren, van het geld, en zoo veel mogelijk van de kostbaarste goederen van de lading te

a) Deze lijst is bij bijzondere wetten voor de daarbij aangeduide schepen vermeerderd met den meetbrief (Stb. 1855 no. 105, a 8; Stb. 1875 no. 101, HG, 182; Stb. 1887 no. 216), en een strafregister (W. tucht koopv., a. 12, 15, 27, zie cbron. lijst; Sr. 470, 171 no. 1.).

h) Bij verschillende wetten is nog inschrijving bevolen van aan boord voorgevallen geboorten en overlijden (B. 85, COa), overboord zetten of bewaren van lijken (Stb. 1869 no. 162, a. 1,2, 7), misdrijven, opgelegde straften en gevallen van krankzinnigheid (W. tucht koopv., a. UJ, zie chron. lijst).

534

-ocr page 609-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 358—368.

zorgen, op straffe van daarvoor persoonlijk verantwoordelijk te zijn. (Sr. 402, 404.)

Indien de geredde of de aan boord gebleven goederen, door eenig onvoorzien toeval, buiten zijne schuld, verloren of geroofd zijn, is hij voor dezelve niet aansprakelijk. (Co. 241; B. 1281; K. 341, 345, 358 n». 7, 361, 565,753.)

363. Hij is verpligt, alom waar de wet, de gewoonte of de voorzigtigheid zulks gebieden, zich van de noodige loodsen te bedienen. (K. 313 n0. 1, 750 n0. 2a, 753; Stb. 1859 nquot;. 93 en 108; Stb. 1875 n». 62.)

364. De schipper de reis ondernomen hebbende en onderrigt wordende, dat de vlag onvrij is geworden, is gehouden in de eerste onzijdige haven binnen te loopen, en aldaar te blijven liggen tot dat het beletsel is opgeheven, of tot dat hij met konvooi, of op eene andere veilige wijze, zal kunnen vertrekken, of stellige orders van vertrek, zoo van den eigenaar of van den boekhouder van het schip, als van de belanghebbenden bij de lading, zal ontvangen hebben. (K. 354, 440 n#. 6, 500, 502, 505, 753; Sr. 405.)

365. In geval van opbrenging, aanhouding en ophouding van het schip, is hij verpligt hetzelve benevens de lading te reclameren; en hij is gehouden dadelijk en op alle gevoegelijke wijze, zoo wel aan den eigenaar of aan den boekhouder, als aan de inladers of geconsigneerden van zijne inhebbende lading, kennis te geven van den staat van zijn schip en zijne lading.

Hij is inmiddels verpligt, tot behoud van schip en lading, die voorloopige en allernoodzakelijkste beschikkingen te maken, welke geen uitstel kunnen lijden. (K. 364, 366, 370, 505, 663, 668, 753.)

366. In het geval bij het vorige artikel vermeld, is het besluit van de meerderheid der reederij beslissende en voor de minderheid verbindende.

In geval echter de meerderheid besluiten mogt de zaak niet te vervolgen, blijft het aan de minderheid vrij voor eigen rekening haar regt te doen gelden; behoudens de verpligting der meerderheid om in de kosten bij te dragen, voor zoo verre dezelve door den goeden uitslag der reclame zoude gebaat zijn. (K. 320, 324, 753.)

367. In alle voorvallen van aanbelang, het zij in onder zeil gaan, kappen van ankers of masten, werpen van goederen, aannemen van helpers of ligters, het inloopen in eene noodhaven, het op strand zetten van het schip en wat dies meer zij, is de schipper gehouden zich te beraden met zijne reeders, inladers of derzelver gemagtigden, zoo die tegenwoordig zijn, en in allen gevalle met zijne officieren en de voornaamsten zijner scheepsgezellen.

Bij verschil van gevoelen, wordt dat van den schipper gevolgd. (Co. 410; K. 358 n0. 4, 5 en 7,362,368,374,383, 560 v., 699 n0. 2, 3 en 4, 753.)

368. Indien eenige goederen moeten worden geworpen, is de schipper verpligt daartoe, voor zoo verre hij die kan bereiken, bij voorkeur zoodanige te nemen, die het meest ontbeerlijk, het zwaarst in gewigt en het minst in waarde

535

-ocr page 610-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Iquot;. Het Wetboek van Koophandel, a) (Co. 226; K. 471, 753; Rv. 582amp;; Sr. 470.)

358. De schipper is verpligt een dagregister of journaal te houden, hetwelk moet bevatten: (K. 6.)

1°. De dagelijksche gesteldheid van weêr en wind;

2°. De dagelijksche vorderingen of vertragingen van het schip;

Squot;. De lengte en de breedte, waar hetzelve dagelijks is;

4°. Alle de rampen welke aan schip en lading overkomen jTen de oorzaken daarvan; (K. 379 n0. 3, 534 v.)

5°. De gesteldheid zoo veel mogelijk van hetgene door rampen of kappen, snijden en kerven is verloren gegaan; (K. 367, 699 n0. 3 en 4.)

6°. De koersen die hij gehouden heeft, met de redenen \' van afwijking van dezelve, het zij vrijwillig, het zij uit noodzakelijkheid; (K. 379 nquot;. 2, 638 v.)

7°. Alle de besluiten, welke in den scheepsraad genomen worden; (K. 367, 368, 372, 374.)

8°. De afdanking van scheepsofficieren of andere scheepsgezellen en de redenen daarvan; (K. 344, 436 v.)

9°. De ontvangst en uitgaaf betrekkelijk het schip en de lading, en in het algemeen, alles wat schip en lading betreft, en tot het doen van rekening en verantwoording, of tot het maken of afweren van eenige vordering aanleiding zoude kunnen geven, h) (Co. 224; K. 362, 379, 381, 387, 389, 422, 753; Sr. 470, 471 n«. 1.)

369. Dit dagregister of journaal zal, voor zoo veel de gelegenheid van weêr en wind zulks toelaat, dagelijks worden bijgeschreven, gedagteekend en door den schipper en den stuurman moeten onderteekend worden. (K. 753; Sr. 471 n0.l.)

360. De schipper is verpligt gedurende de reis, zoo dikwijls zich de gelegenheid opdoet, kennis aan den eigenaar of aan den boekhouder van zijn en des schips wedervaren te geven. (K. 337, 365, 377, 379 n0. 3, 753.)

861. Hij is verpligt zich persoonlijk op zijn schip te bevinden, van het oogenblik dat hij de reis begint, tot dat hij met hetzelve ter goede reede, of in behouden haven, zal zijn aangekomen. (Co. 227; K. 341, 362, 753; Sr. 404.)

362. Bij welk gevaar ook, mag de schipper, gedurende de reis, het schip niet verlaten zonder den raad te hebben ingenomen van de voornaamsten van het scheepsvolk. Hij is, in dat geval, vooral verpligt voor het behoud van zijn journaal en verdere scheepspapieren, van het geld, en zoo veel mogelijk van de kostbaarste goederen van de lading te

a) Deze lijst is bij bijzondere wetten voor de daarbij aangeduida schepen vermeerderd met den meetbrief (Stb. 1855 no. 105, a 8; Stb. 1875 no. 101, 110, 182; Stb. 1887 no. 210), en een strafregister (W. tucht koopv., a. 12, 15, 27, zie cliron. lijst; Sr. 470,171 no. 1.).

h) Bij verschillende wetten is nog inschrijving bevolen van aan boord voorgevallen geboorten en overlijden (B. 35, OOcr), overboord zetten of bewaren van lijken (Stb. ISO!) no. 102, a. 1,2, 7), misdrijven, opgelegde straffen en gevallen van krankzinnigheid (W. tucht koopv., a. UI, zie chron. lijst).

534

-ocr page 611-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 358—368.

zorgen, op straffe van daarvoor persoonlijk verantwoordelijk te zijn. (Sr. 402, 404.)

Indien de geredde of de aan boord gebleven goederen, door eenig onvoorzien toeval, buiten zijne schuld, verloren of geroofd zijn, is hij voor dezelve niet aansprakelijk. (Co. 241; B. 1281; K. 341, 345, 358 n». 7, 361, 565,758.)

363. Hij is verpligt, alom waar de wet, de gewoonte of de voorzigtigheid zulks gebieden, zich van óe noodige loodsen te bedienen. (K. 313 n0. 1, 750 n®. 2a. 753; Stb. 1859 n®. 93 en 108; Stb. 1875 n0. 62.)

364. De schipper de reis ondernomen hebbende en onderrigt wordende, dat de vlag onvrij is geworden, is gehouden in de eerste onzijdige haven binnen te loopen, en aldaar te blijven liggen tot dat het beletsel is opgeheven, of tot dat hij met konvooi, of op eene andere veilige wijze, zal kunnen vertrekken, of stellige orders van vertrek, zoo van den eigenaar of van den boekhouder van het schip, als van de belanghebbenden bij de lading, zal ontvangen hebben. (K. 354, 440 nquot;. 6, 500, 502, 505, 753; Sr. 405.)

365. In geval van opbrenging, aanhouding en ophouding van het schip, is hij verpligt hetzelve benevens de lading te reclameren; en hij is gehouden dadelijk en op alle gevoegelijke wijze, zoo wel aan den eigenaar of aan den boekhouder, als aan de inladers of geconsigneerden van zijne inhebbende lading, kennis te geven van den staat van zijn schip en zijne lading.

Hij is inmiddels verpligt, tot behoud van schip en lading, die voorloopige en allernoodzakelijkste beschikkingen te maken, welke geen uitstel kunnen lijden. (K. 364, 366, 370, 505, 663, 668, 753.)

366. In het geval bij het vorige artikel vermeld, is het besluit van de meerderheid der reederij beslissende en voor de minderheid verbindende.

In geval echter de meerderheid besluiten mogt de zaak niet te vervolgen, blijft het aan de minderheid vrij voor eigen rekening haar regt te doen gelden; behoudens de verpligting der meerderheid om in de kosten bij te dragen, voor zoo verre dezelve door den goeden uitslag der reclame zoude gebaat zijn. (K. 320, 324, 753.)

367. In alle voorvallen van aanbelang, het zij in onder zeil gaan, kappen van ankers of masten, werpen van goederen, aannemen van helpers of ligters,, het inloopen in eene noodhaven, het op strand zetten van het schip en wat dies meer zij, is de schipper gehouden zich te beraden met zijne reeders, inladers of derzelver gemagtigden, zoo die tegenwoordig zijn, en in allen gevalle met zijne officieren en de voornaamsten zijner scheepsgezellen.

Bij verschil van gevoelen, wordt dat van den schipper gevolgd. (Co. 410; K. 358 n0. 4, 5 en 7,362,368,374,383, 560 v., 699 n®. 2, 3 en 4, 753.)

368. Indien eenige goederen moeten worden geworpen, is de schipper verpligt daartoe, voor zoo verre hij die kan bereiken, bij voorkeur zoodanige te nemen, die het meest ontbeerlijk, het zwaarst in gewigt en het minst in waarde

535

-ocr page 612-

VVETBOUIC VAN KOOPHANDEL.

zijn, en vervolgens de koopmanschappen van het eerste verdek, ter zijner keuze, en na beraad met de voornaam-sten van het scheepsvolk. (K. 753.)

De schipper is verpligt de beraadslaging, deswege gehouden, in geschrift te brengen, zoodra daartoe gelegenheid zal zijn.

Dit geschrift moet behelzen :

De redenen waarom men tot het over boord werpen besloten heeft j

De opgave der geworpene of beschadigde goederen;

De onderteekening dergenen die geraadpleegd zijn, of de redenen door hen aangevoerd tegen de onderteekening.

Hetzelve word t in het scheepsjournaal overgebragt. (Go. 410— 412; K. 358 n®. 7, 367, 369, 729 v., 753; Sr. 407.)

369. De schipper is gehouden, zoodra mogelijk na zijne aankomst in de eerste haven, in welke het schip inloopt, de waarheid van hel gebeurde, in het voorschreven geschrift vervat, nadat hetzelve in het journaal is overgebragt, met eede te bevestigen, ten overstaan der magt bij art. 380 aangewezen. (Go. 413; K. 358 n0. 7, 367 v., 384, 753.)

370. De schipper is gehouden in geval de haven, wer-waarts het schip bestemd is, geblokkeerd wordt, zoo hij geenen last tot het tegendeel heeft, zich naar eene der naaste havens van dezelfde mogendheid te begeven, alwaar het hem geoorloofd mag zijn in te loopen. (Sr. 405.)

De bepaling van art. 365, met uitzondering van de ver-pligting tot het doen van reclame, is te dezen toepasselijk. (Go. 279; K. 364 v., 500 v., 753.)

371. De schipper zich ter woonplaatse van den eigenaar, of van de medereeders van het schip, derzelver gemagtigden of correspondenten, bevindende, mag, zonder hunne bijzondere toestemming, het schip niet laten vertimmeren, geene zeilen, touwen of andere voorwerpen voor het schip koopen, noch tot dat einde geld op het schip opnemen, noch hetzelve vervrachten, of verhuren. (Go. 232;K.4n0.6, 321,330,342, 375, 376, 393, 569 v., 742o, b en d, 747, 753.)

372. Indien er gedurende de reis noodzakelijkheid bestaat om te vertimmeren, zeilen, touwen, of ander scheepstoebe-hooren of levensmiddelen aan te koopen, of in andere dringende behoeften te voorzien, en de omstandigheden of de afstand der woonplaats van de eigenaars van het schip of de lading niet gedoogen om deswege derzelver order af te wachten, vermag de schipper, na, tot bewijs van die noodzakelijkheid, eene verklaring door de voornaamsten van he; scheepsvolk te hebben doen teekenen en na bekomene autorisatie van den Nederlandschen consul, of, deze ontbrekende, van de plaatselijke overheid, zoodanige vertimmering, aankoop of uitgaven te doen.

Indien hem daartoe de noodige fondsen ontbreken, en hij zich buiten staat bevindt om dezelve te erlangen, door middel van wisselbrieven op den boekhouder of de eigenaars van het schip af te geven, is het hem geoorloofd om, met autorisatie als hier boven gemeld, bij wege van bodemerij, geld op het schip en toebehooren en, des noods, op de lading

536

-ocr page 613-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 369—378.

op te nemen of, in geval deze opneming geheel of gedeeltelijk ondoenlijk wierd bevonden, alsdan koopmanschappen, ten beloope van de benoodigde som, te verkoopen. (Go. 234; K. 4 n0. 6, 321 v., 334,358 n0. 7,371,375, 377,480, 574,579, 589,699 n0.19 en 20, 741a n#. 2, h en d, 742a, h en d, 747,753; Sr. 402; W. tucht koop v., a. 23, zie chron. lijst.)

873. Bij behoudene aankomst van het schip ter bestemder plaatse, zullen de verkochte koopmanschappen worden berekend, volgens den marktprijs, welken goederen van gelijken aard en gelijke hoedanigheid, op de plaats der bestemming van het schip, ten tijde van deszelfs aankomst hebben zullen.

Indien die marktprijs minder was dan de prijs, voor welken de koopmanschappen zijn verkocht, zal het voordeel voor de eigenaars der koopmanschappen zijn.

Het schip ter bestemder plaatse niet kunnende aankomen, zal de prijs, voor welken de goederen verkocht zijn tot grondslag genomen worden. (K. 372, 699 n#. 20, 753.)

374. Bij gebrek aan levensmiddelen gedurende de reis, mag de schipper, na het oordeel van de voornaamsten van het scheepsvolk gevraagd te hebben, diegenen, welke nog van levensvoorraad voorzien zijn, noodzaken dezelve, tegen betaling van de waarde, ten algemeenen beste te geven. (Co. 249; G. 151; K. 358 n°. 7, 372, 397 n». 8,530c, 753.)

375. De schipper, die buiten noodzakelijkheid geld heeft opgenomen op het schip, deszelfs toebehooren, of op de victualie; die koopmanschappen of victualie verkocht of verpand heeft; of die verdichte schaden of uitgaven in rekening heeft gebragt, is deswege aan de belanghebbenden verantwoordelijk.

Hij is persoonlijk gehouden het opgenomen geld terug te geven, of de waarde der goederen op te leggen, onverminderd de vervolging tot straf, zoo daartoe gronden zijn. (Co. 236; K. 371 v., 387 v., 753; Sr. 402.)

376. Alle verkoop van het schip door den schipper, zonder eene bijzondere volmagt van den eigenaar of de mede-reeders, buiten het geval van wettelijk bewezene onbevaarbaarheid, is nietig en van onwaarde, en de schipper daarenboven persoonlijk gehouden tot schadevergoeding; onverminderd de vervolging tot straf, zoo daartoe termen zijn. (Co. 237; B. 1507, 1833; K. 753; Sr, 402.)

377. Vóór het vertrek uit eene noodhaven of vóór het aannemen van de terugreis naar dit land, is de schipper gehouden aan den eigenaar of boekhouder der reederij of derzelver ge-magtigden, eene door hem onderteekende rekening te zenden, behelzende eene opgave van de lading en den prijs der door hem voor rekening der reederij ingeladene koopmanschappen, wijders van het beloop der gedane timmering en van de som door hem ter leen opgenomen, benevens de namen en woonplaatsen der geldschieters. (Co. 235; K. 324, 360,372,753.)

378- Hij is bevoegd om, alvorens de reis bij het voorgaande artikel vermeld te ondernemen, zich voor het beloop van de in zijn schip voor scheepsrekening geladene goederen, of de vordering wegens uitschotten die hij voor rekening van het schip gedaan heeft, te laten verzekeren, mits hij daarvan, bij het verzenden van de rekening, aan den eigenaar of den

537

-ocr page 614-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

boekhouder kennis geve. (K. 330, 333, 334, 360, 377, 753.)

379. Elke schipper is gehouden, behoudens de gevallen vermeld in artikel 383, uiterlijk binnen drie dagen — den Zondag, en buitenslands de aldaar algemeen erkende feestdagen niet medegerekend — na den dag zijner aankomst in eene haven, zijn journaal te vertoonen en eene verklaring van zijne reis af te leggen, inhoudende:

1°. De plaats en den tijd van zijn vertrek; (K. 354.)

2°. Den koers, dien hij genomen heeft; (K. 358 n0. 6.)

3°. Den gevaren, welke hij geloopen heeft, de ongeregeldheden welke aan boord hebben plaats gehad, en de andere merkwaardige omstandigheden van zijne reis. (K. 358 n». 4. — Co. 242; K. 354, 380, 381, 383, 384, 446, 753.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art, 1 der Wet van 31 December 1896 (Stb. n0. 244). a)

380. Die vertooning geschiedt en de verklaring wordt afgelegd:

In eene vreemde haven buiten dit land, ten overstaan van den Nederlandschen consul of van het daartoe bevoegde gezag;

In eene haven van het koningrijk der Nederlanden, ten overstaan van den kanton-regter of een der kanton-regters in de gemeente waartoe de haven behoort, en in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen ten overstaan van het daartoe bevoegde gezag. (Co. 243—245; K. 383, 753; R. O. 38; Stb. v. Ned. Indie 1849 n». 23.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 2 der Wet van 31 December 1896 (Stb. nquot;. 244). b)

381. De schipper is gehouden, bij het afleggen van deze verklaring, waar zulks ook gedaan worde, door diengenen, ten wiens overstaan de verklaring verleden is, het exhibitum op zijn dagregister of journaal te doen stellen, welk dagregister of journaal hij gehouden is aan de belanghebbenden ten allen tijde te vertoonen en aan hen daarvan afschrift of uittreksel te laten nemen. (B. 1922; K. 358, 379, 380, 753.)

382. In alle gevallen waarin de schipper voor getal, maat of gewigt aansprakelijk is, of anderzins daarbij belang heeft, kan hij vorderen dat de telling, meting of weging bij de lossing gedaan worde. (K. 491, 493, 513 v., 753.)

383. De schipper is, in geval van schipbreuk, van het inloopen in eene noodhaven of van schade, gehouden op de eerste plaats zijner aankomst:

a) In het oorspronkelijke art. 379 werden in den aanhef, in plaats van de woorden: „behoudens de gevallenquot; tot „in eene haven,quot; gelezen de woorden: „uiterlijk binnen drie maal vier en twintig uren na zijne aankomst in eene haven.quot;

b) Het oorspronkelijke artikel 380 luidde; „Die vertooning geschiedt en de verklaring wordt afgelegd:

In eene vreemde haven buiten dit land, ten overstaan van den Nederlandschen consul, of, zoodanige aldaar niet zijnde, ten overstaan van het daartoe bevoegde gezag;

In eene haven van het koningrijk der Nederlanden of van de koloniën van den Staat, ten overstaan, in het eerste geval, van den kanton-regter, en in het tweede geval, van het daartoe bevoegde gezag.quot;

538

-ocr page 615-

BOEK Jr, TITEL IIF, ARTT. 379—387.

1°. Uiterlijk op den eersten dag — den Zondag, en buitenslands de aldaar algemeen erkende feestdagen niet medegerekend — na den dag zijner aankomst, zijn journaal te vertoonen en daarop het exhibitum te doen stellen;

2°. Tegelijk of daarna, doch uiterlijk binnen den in artikel 379 bepaalden termijn, van de genoemde ongevallen verklaring af te leggen.

Dc vertooning geschiedt aan, en de verklaring wordt afgelegd ten overstaan van de in artikel 380 aangewezen openbare magt.

De verklaring wordt afgelegd door den schipper met een voldoend aantal personen vatj de bemanning ten genoegen van de openbare magt, die de verklaring ontvangt. (Co. 245, 246j K. 379 v., 384, 446, 450, 750.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 3 der Wet van 31 December 1896 (Stb. n0. 244). a)

384. Alle verklaringen, welke tot bewijs van geledene verliezen, rampen, schaden of van eenige vordering, hoe ook genaamd, moeten strekken, moeten door hen, welke dezelve hebben afgelegd, met eede bevestigd zijn of worden voor de daartoe bevoegde magt, welke den schipper, de officieren en scheepsgezellen en zelfs de passagiers betrekkelijk de daadzaken en omstandigheden, kan ondervragen en daartoe kan oproepen. (Sr. 207.)

Het tegenbewijs wordt aan alle belanghebbenden vrijgelaten. (Co. 247; K. ib, 369, 379, 380, 383, 446, 450, 753.)

Bij getuigenbewijs blijven ten aanzien van hen die tijdens de ongevallen tot de equipagie of de passagiers van het schip behoorden, de artikelen 1947 en 1950 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing, doch kunnen de in eerstgemeld artikel genoemde personen zich van het afleggen van getuigenis verschoonen. (K. 492.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 4 der Wet van 31 December 1896 (Stb. n0. 244). b)

385- De bepalingen van art. 411, van het eerste lid van art. 412, van art. 415 en 416, zijn ook op den schipper toepasselijk, voor zoo verre de daarbij vermelde voorvallen buiten zijn toedoen hebben plaats gehad. (Co. 272; K. 753.)

386. De bepalingen van art. 413, 414,418, 419, mitsgaders die van art. 423 tot en met 435, zijn insgelijks op den schipper toepasselijk. (Co. 272; K. 753.)

387. Na het afloopen van iedere reis is de schipper gehouden, aan den eigenaar of d«n boekhouder der reederij van het schip, te doen behoorlijke rekening en verantwoording van zijn gedrag en bewind, met en over het schip en de lading gehouden, en daarbij, tegen een schriftelijk blijk,

a) Het oorspronkelijke art. 383 luidde; „De schipper is, in geval van schipbreuk, van het inloopen in eene noodhaven of van schade, gehouden daarvan, met alle tegenwoordig zijnde officieren en scheepsgezellen, binnen 24 uren, verklaring af te leggen op de eerste plaats hunner aankomst, en ten overstaan van de openbare magten bij art. 380 aangewezen.quot; ,

b) In het oorspronkelijke art. 384 ontbraken aan het eerste lid de laatste vier woorden en ontbrak het dorde lid.

539

-ocr page 616-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

over te leveren alle de journalen, boeken, papieren en penningen welke tot de rekening eenigszins betrekkelijk zijn. (K. 327, 338, 377, 388 v, 753amp;; Rv. 771 v.)

388. De eigenaar of de boekhouder der reederij is verpligt, die rekening en verantwoording dadelijk op te nemen, dezelve behoorlijk bevindende, af te sluiten, en aan den schipper onverwijld te betalen zoodanig batig slot als hem, volgens dezelve, zal bevonden worden toe te komen. (K. 387, 392, 753b.)

389. Geschil over deze rekening ontstaande, is de eigenaar of boekhouder gehouden, de bedongen huur of gagie van den schipper aan denzelven bij provisie te voldoen, onder borgtogt voor de teruggave, en de overgeleverde dagregisters of journalen, boeken en papieren, ten gebruike van alle de partijen, ter griffie van de arrondissements regtbank te brengen. (B. 1857 v., 1922; K. 11, 741a n». 1, b ene,lil, 7536; W. tucht koop v., a. 21, zie chron. lijst.)

390. Indien de schipper aandeel in de winst heeft bedongen, moet hij zich, omtrent de voldoening van hetzelve, regelen naar de voorschriften van het regt omtrent handel-vennootschappen plaats hebbende. (B. 1656, 1664, 1667, 1670, 1672; K. 14 v., 841, 353, 416 j0. 385, 753.)

891. Het schip, met deszelfs tuigaadje en toebehooren en verdiende vrachtpenningen is aan den schipper voor zijne huur, gagie en maandgelden, gelijk mede voor zijne schadeloosstellingen en reisgeld, bij voorregt verbonden. (K. 313 n®. 5, 328, 385, 386, 741a n®. 1, b en c, 753.)

392. In geval de schipper medeëigenaar of mede-reeder is van het schip, zijn deszelfs aandeelen, benevens het gedeelte van de winst bij die aandeelen behoorende, voor de voldoening van het door hem verschuldigde aan de reederij bij voorregt verbonden. (K. 313, 323, 332, 477, 753.)

393. De schipper, alleen eigenaar van het schip zijnde, is ten opzigte van de inladers of bevrachters gehouden aan alle de verpligtingen, welke aan de schippers en scheepseigenaars zijn voorgeschreven. (K. 320 v., 345 v., 453 v., 640amp;, 753.)

VIERDE TITEL.

Van het huren van scheepsofficieren en scheepsgezellen, en derzelver regten en pligten.

(Consul, w., a. 6, zie chron. lijst.)

394. Het contract tusschen den schipper en de scheepsofficieren en scheepsgezefcen bestaat, aan de zijde van de officieren, matrozen of gezellen, in de verhuring van hunnen dienst tot het doen van eene of meer zeereizen, ieder in zijne betrekking, voor een bedongen loon, en, van de zijde van den schipper, in eene verbindtenis tot voldoening van hetgeen voor dezen dienst, uit krachte van het beding of van de wet, verschuldigd is. (B. 1585; K. 4 n®. 8,341,343, 344, 397 n«. 3, 4, 6, 7 en 16, 405 v., 415 v., 420, 436 v., 440 v., 741a, nquot;. 1, b en c, 747, 754b.)

395- De voorwaarden der verbindtenissen, tusschen den schipper en de officieren en het scheepsvolk worden bewezen door de monsterrol. (Sr. 406.)

540

-ocr page 617-

BOEK n, TITEL III EN IV, ARTT. 388—397.

Bij gebreke van monsterrol worden alle andere wettige bewijsmiddelen aangenomen. (Co. 250;K. 1b, 357 n*.4,397.)

396. De monstering geschiedt ten overstaan van den ambtenaar daartoe door de bevoegde magt gesteld. Hij regelt zich in het opmaken der monsterrol naar hetgeen in het volgende artikel wordt voorgeschreven, en geniet zoodanige belooning als hem bij de reglementen wordt toegekend. (K. 399; Stb. 1867 n». 104; Stb. 1878 n». 99; Stb. 1884 n#. 190; Militiew., a. 129.)

897. De monsterrol moet bevatten:

1*. De namen van het schip, van den schipper, van de scheepsofficieren en van het scheepsvolk; (K. 397 n0.7.)

2°. De plaats waar de reis haren aanvang neemt, die werwaarts het schip bestemd is, en die waar hetzelve moet terugkomen; (K. 394, 440 n0. 1.)

3°. De bedongene gagie, en of dezelve bij de reis of bij de maand verdiend wordt; (K. 415, 416, 420; W. tucht koopv., a. 10, 20 v., zie chron. lijst.)

4°. Het beloofde of ontvangen handgeld; (K. 413,4186.)

5°. De verpligting van ieder lid der equipagie om met zijn goed aan boord te komen, op den tijd door den schipper bepaald en wijders, om zoo wel binnen als buiten \'s lands niet buiten het schip te vernachten, zonder verlof van den schipper, mitsgaders om zijn goed niet weder van boord te mogen brengen, zonder visitatie van den schipper of den stuurman; (K. 397 n0. 13, 400 v., 410.)

6°. De verklaring van den stuurman, dat hij al of niet bevorens naar de plaats der bestemming als officier heeft gevaren; (K. 405 v., 409; Stb. 1891 n0. 106.)

7°. Het vermogen van den schipper om af te danken en zonder gagie, vóór zijn vertrek, aan land te zetten ieder lid der equipagie, welke zich in eene qualiteit heeft verhuurd, waartoe hij onbekwaam is; en, in geval die onbekwaamheid eerst na het vertrek van het schip ontdekt wordt, aan zoodanigen persoon de qualiteit en gagie toe te leggen, die de schipper voegzaam zal oordeelen; (K. 397 n0. 6, 405 v., 409, 438; W. tucht koopv., a. 10, zie chron. lijst.)

8°. De omschrijving van het voedsel of zoogenaamde rantsoen, hetwelk in gewone omstandigheden aan ieder man wekelijks moet worden gegeven; (K. 374,

403, 4446; W. lucht koopv., a. 20,23, zie chron. lijst.)

9°. De verpligting om, zonder tegenspreken, den schipper

en de officieren, ieder in zijne qualiteit, te gehoorzamen en zich van dronkenschap en vechterijen te onthouden; (K. 437 n0. 1—3, 440; W. tucht koopv., a. 6 v., zie chron. lijst; Sr. 398 v.) 10°. De letterlijke invoeging van den inhoud van artikel

404, 423, 442, 448, 444 en 446 van dit Wetboek; 11°. De bepaling dat degene, die deserteert en het schip

vóór de afdanking verlaat, zijn te goed zijnde loon verbeurt; (K. 401 v.; Sr. 391 v.)

12*. De verpligting van den stuurman om te zorgen voor

541

-ocr page 618-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

de behoorlijke stuwing en plaatsing der in te ladene goederen, op straffe van schadevergoeding; (K. 346.)

13°. De verpligting van den stuurman, om dag en nacht aan boord te blijven, wanneer het schip koopmansgoederen in heeft, en om voor de sluiting, vooral des nachts, zorg te dragen; (K. 397 n0. 5.)

^0. De verpligting van de officieren en scheepsgezellen om zich betamelijk en overeenkomstig de regelen van goede orde, zoo met opzigt tot de openbare godsdienstoefening, als bij alle andere gelegenheden te ■ gedragen. (K. 437.)

15°. De algemeene verpligting om bovendien na te komen hetgeen verder bij het Wetboek van Koophandel is voorgeschreven; (K. 357 n0. 7.)

IG0.. Eindelijk, al hetgeen tusschen partijen verder mogt zijn overeengekomen. (B. 1374; K. 410.)

Art. 10 der Wet van 7 Mei 1856 (Stb. n0. 32), houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen (zie die wet in de chron. lijst): De monsterrol wijst de bestemming van de gelden aan, voortvloeijende uit de verbeurde gagie.

De schipper kan, welke ook de bestemming dier gelden zij, nimmer eenig deel derzelve genieten.

Art. 20. De gagie, voeding, ruimte tot ligging en verblijf en betamelijke behandeling der schepelingen worden in de monsterrol omschreven en het regt daarop door volgende bepalingen verzekerd.

398. Ingetrokken hij art. 1 der Wet mn 26 1884 (Stb. n0. 95.) a) Zie Sr. 469.

399. De wederzijdsche verpligtingen tusschen den schipper en de officieren en scheepsgezellen beginnen van het oogen-blik dat de monstering gedaan is. (K. 396.)

400. De monstering gedaan zijnde, zijn de scheepsofficieren en gezellen gehouden, op bevel van den schipper, aan boord te komen, het schip in orde te brengen en te beladen. (K. 397 n0. 5 en 13, 401; Sr. 391.)

401. Niemand van het scheepsvolk mag zich van boord verwijderen, zonder verlof van den schipper of deszelfs plaatsvervangende. (K. 397 n0. 5, 11 en 13, 400, 402, 428, 437 n®. 5; Sr. 392.)

402. De schipper, of die hem vervangt, kan de sterke hand inroepen tegen diegenen, welke weigeren aan boord te komen, hetzelve zonder verlof verlaten en weigerig zijn den verhuurden dienst ten uiteinde toe te volvoeren.

De kosten, daarop vallende, kunnen op de gagien der overtreders gekort worden, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (B. 1275; K. 397 n®. 5, 11 en 13, 400, v.; W. tucht koopv., a. 5, 21ci, zie chron. lijst.)

a) Het luidde: „Een schipper, die met zijn schip vertrotken is, zonder dat in de gevallen, waarin zulks wordt vereischt, bevorens de monsterrol opgemaakt en geteekend is, zal, ten behoeve van den eigenaar of van de reederij, verbeuren ƒ 100, de stuurman ƒ 50, en de verdere scheepsgezellen eene maand der gagie.quot;

542

-ocr page 619-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 398—411.

403. Behalve het bedongen loon van zeevarende personen, is aan dezelve, gedurende den tijd dat zij in dienst zijn, behoorlijk levensonderhoud verschuldigd. (K. 313 n0.9, 372, 374, 397 n0. 8, 444b; Sr. 406; W. tucht koopv., a. 20,22 v., zie chron. lijst.)

404. Alle scheepsofficieren en scheepsgezellen zijn gehouden den schipper bij te staan, in alle gevallen van aanranding en rampen, het schip en de lading overkomende. (K. 397 n». 10, 421 v.; Sr. 400, 401.)

405. Alle scheepsofficieren of scheepsgezellen, die zich als bevaren aangeven, zijn uit dien hoofde aansprakelijk tot vergoeding van alle schaden, welke zelfs door onkunde in het uitvoeren van hunnen dienst ontstaan. (K. 397 n0. 6 en 7, 406 v., 452.)

406. De stuurman, die zich verhuurt naar eene haven, werwaarts hij nimmer als officier gevaren heeft, zonder zulks bij de monstering te verklaren, of die valschelijk verklaard heeft, derwaarts in die hoedanigheid te hebben gevaren, verbeurt zijn volle gagie, en is, in geval van schaden, aan schip of lading door zijne onkunde veroorzaakt, deswege tot vergoeding gehouden, onverminderd de vordering tot straffe, zoo daartoe gronden zijn. (K. 397 n0. 6 en 7, 405, 407 v.)

407. Wanneer de schipper buiten \'s lands verkiezen mogt naar eene andere haven te zeilen, is de stuurman gehouden wederom verklaring te doen, vóórdat die reis door hem wordt ondernomen, op poene van dezelfde verbeurte, vergoeding en straffe, als in het voorgaande artikel is bepaald. (K. 406, 408 v.)

408. De stuurman, in het geval bij het voorgaande artikel voorzien, verklarende nimmer naar zoodanige plaats als officier gevaren te hebben, zal niettemin tegen zijn bedongen loon, of, zoo hij bij de reis is aangenomen, tegen een loon, verhoogd naar evenredigheid van de verlenging en den aard der reis, moeten in dienst blijven. (K. 441.)

409. De schipper vermag in zoodanig geval, dien stuurman niet uit den dienst te ontslaan, dan tegen betaling van het volle bedongen loon, en, bij de maand gehuurd zijnde, tot den tijd op welken de reis waarschijnlijk had kunnen afloopen.

Hij is daarenboven gehouden aan den stuurman te vergoeden de kosten van zijne reis naar de plaats waar hij is aangenomen.

Hij is tot deze betaling en vergoeding ongehouden, indien de stuurman, bij zijne aanneming, aan den schipper valschelijk had opgegeven, zoodanige reis bevorens als officier te hebben gedaan. (K. 397 n0. 6, 405 v., 577.)

410. De scheepsofficieren of scheepsgezellen mogen, zonder vracht te betalen en zonder toestemming van de eigenaars van het schip, of (zoo het geheele schip bevracht is), van de bevrachters, geene koopmanschappen laden voor hunne rekening, ten zij bij het nemen van dienst of bij de chertepartij anders zij bepaald. (Co. 251; K. 352, 353.)

411. Indien de reis, door toedoen van den eigenaar, den schipper of den bevrachter, in het geheel geenen voortgang heeft, hebben de officieren en de scheepsgezellen de keuze,

543

-ocr page 620-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

of, om tot schadeloosstelling te behouden al hetgeen zij op hand ontvangen hebben, of, onder aftrek daarvan, te vorderen ééne maand huur of, indien zij bij de reis zijn aangenomen, een vierde van het bedongen loon.

Op hoedanige wijze zij ook mogten gehuurd zijn, blijven zij geregtigd tot de vordering van hun loon voor die dagen, gedurende welke zij sedert de monstering in den dienst zijn geweest, berekend in evenredigheid van de bedongene huur. (Co. 252; K. 385, 397 n». 4, 438.)

412. De opschorting a) der reis voorvallende nadat dezelve is begonnen, bekomen zij, boven en behalve het reeds verdiende loon, tot schadeloosstelling, het dubbel van hetgeen bij het vorige artikel is bepaald, en het noodige reisgeld tot naar de plaats van waar het schip is uitgevaren, zoo echter, dat het-verdiende loon en de schadeloosstelling, in geen geval, kan te boven gaan hetgeen zij genoten zouden hebben, indien de reis geheel ware volvoerd geweest. (K. 385.)quot;

Het beloop van het reisgeld wordt berekend, voor officieren en het scheepsvolk, in evenredigheid van derzelver bedongen loon, en, in geval van verschil over de begrooting, overgelaten aan den Nederlandschen consul, of, daar er geen is, aan de uitspraak van het daartoe bevoegde gezag, op de plaats waar het schip is liggende. (Co. 252; K. 4\') 4, 438,577.)

413. Wanneer, vóór het begin der reis, de handel met de plaats werwaarts het schip bestemd is, of de uitvoer der waren, waarvoor het bijzonder bevracht is, verboden wordt, of het schip, vóór het begin der reis, door hooger hand is in beslag genomen, is de huur alleen verschuldigd voor den tijd, gedurende welken de officieren en het scheepsvolk in dienst zijn geweest, onder korting van hetgeen dezelve op hand hebben ontvangen. (Co. 253; K. 386, 4H, 499 n0. 2 en 3, 503 v.)

414. Zoodanig verbod of in beslagneming voorvallende nadat de reis begonnen is, behouden zij hunne volle gagie tot de afdanking, en bekomen tot reisgeld zoo veel als bij art. 412 is bepaald. (Co. 254; K. 386, 577.)

415. Indien de reis door toedoen des schippers, of der bevrachters, of door het liggen in eene noodhaven, of weder-regtelijke opbrenging, of aanhouding, of uit andere oorzaken, ten beste en tot behoud van schip en lading verlengd wordt, moet de huur der officieren en scheepsgezellen, die voor de reis aangenomen zijn, vermeerderd worden naar evenredigheid van de verlenging. (Co. 255; K. 365, 385, 416, 420, 663/\' en gr.)

416. Indien de officieren en scheepsgezellen op aandeel in de winst of in de vracht zijn aangenomen, is aan dezelve geene vergoeding of daggelden verschuldigd, wegens het afbreken, uitstellen of verlengen der reis, door overmagt veroorzaakt.

Indien het afbreken, uitstellen of verlengen der reis door toedoen van de inladers gebeurt, geniet het scheepsvolk een aandeel in de vergoeding, die aan het schip toegewezen wordt, b),

a) O. E. schorsing.

b) In O. £. ontbreekt deze alinea.

544

-ocr page 621-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 414—424.

Deze vergoeding wordt lusschen de eigenaars van het schip en het scheepsvolk verdeeld, in dezelfde evenredigheid als ten aanzien van de vracht zoude hebben plaats gehad.

Indien het afbreken, uitstellen of verlengen van de reis ontstaat door toedoen van den schipper, of van de eigenaars van het schip, zijn zij tot gelijke evenredige vergoeding aan het scheepsvolk aansprakelijk. (Co. 257; B. 1667, 1670, 1672; K. 341, 385, 420, 464-468.)

417. Wanneer de officieren en het scheepsvolk voor meer dan ééne reis zijn aangenomen, hebben zij, na afloop van iedere reis, het regt ono hun volle loon van de reeds afge-loopene reis te vorderen. (K. 338, 442, 446,447, 741a n0. i, en b, lil.)

418. De scheepsofficieren en scheepsgezellen kunnen geen huur of loon vorderen, wegens de reis waarop het schip genomen en voor goeden prijs verklaard wordt, of zoodanig strandt en breekt, dat schip en goederen geheel en al vergaan.

Zij zijn echter ongehouden terug te geven hetgeen hun op hand is voorgeschoten. (Co. 258; K. 386,897 n0.4,413,433,443.)

419. De officieren en scheepsgezellen zijn geregtigd, wanneer eenig gedeelte van het schip behouden is gebleven, om de betaling van de vervallene huren te vorderen uit de opbrengst van het geborgene wrak of overschot van het schip.

Zulks niet toereikend zijnde, of indien alleen koopmanschappen geborgen zijn, is de verdiende vracht voor die huren aansprakelijk. (Co. 259; K. 313 n0. 5, 386, 433.)

420. De officieren en scheepsgezellen, die op aandeel in de vracht zijn aangenomen, hebben alleen aanspraak op de vracht, naar evenredigheid van het beloop, hetwelk de schipper of bevrachter a) ontvangt. (Co. 260; K. 416.)

421. Op welken voet de officieren en scheepsgezellen ook gehuurd zijn mogen, worden dezelve altijd betaald voor de dagen, gedurende welke dezelve tot berging van het verongelukte schip en goed zijn werkzaam geweest.

Bijzondere vlijt, met goed gevolg bekroond, wordt in dit geval buitengewoon op den voet van bergloon beloond. (Co. 261; K. 560 v.)

422. Buitengewone scheepsdienst wordt in het dagboek of journaal opgeteekend, en kan regt geven tot buitengewone belooning. (K. 358.)

423. Ieder schepeling, die gedurende de reis ziek, of in dienst van het schip, of in gevecht tegen vijanden of zeeroovers, gewond of verminkt wordt, blijft zijne huur behouden, is geregtigd tot oppassing en genezing, en, in geval van verminking, tot schadeloosstelling, op zoodanigen voet en op zoodanige wijze, als de regter, in geval van verschil, zal oordeelen te behooren. (Co. 262, 263; K. 355,386,397 n0.10; B. 14076; W. tucht koopv., a. 14d, zie chron. lijst.)

424. De kosten, welke voor oppassing en genezing moeten besteed worden, en de schadeloosstelling, komen ten laste van het schip en van de verdiende vrachtpenningen, indien de ziekte, verwonding of verminking in scheepsdienst ontstaan uf gebeurd is.

«) Lees: vervrachter.

545

35

-ocr page 622-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Zij worden bij wijze van avarij-grosse over het schip, met de verdiende vrachtpenningen, en over de lading omgeslagen, wanneer een gevecht tot verdediging van het schip daartoe aanleiding heeft gegeven. (Co. 263; K. 386, 699 n®. 7, 427.)

425. Wanneer de zieke, gekwetste of verminkte schepeling, ten tijde van het vertrek van het schip, nog niet zoo ver hersteld is, dat hij zonder gevaar mede kan vervoerd worden, zal de voormelde oppassing en genezing tot zijne herstelling voortduren.

De schipper is, vóór zijn vertrek, gehouden tot betaling van gemelde kosten en in het onderhoud van de zieken of gekwetsten voorziening te doen. (K. 355, 386, 427.)

426. De zieke, gekwetste of verminkte, blijft niet alleen geregtigd tot zijn loon, gedurende de genezing, maar ook tot den dag toe, waarop hij zal kunnen terug gekomen zijn op de plaats, van waar hij met het schip vertrokken is, en tot eene redelijke vergoeding van zijne reiskosten tot de laatstgemelde plaats toe. (K. 386, 4126, 423, 427, 577.)

427- In de gevallen bij artikel 424, 425 en 426 vermeld, heeft hij geene verdere aanspraak, dan op het schip en de verdiende vrachtpenningen, of op het schip en de verdiende vrachtpenningen en op de lading. (K. 386, 418, 419, 420.)

428. Een scheepsofficier, of ander scheepsgezel, zonder verlof van boord gegaan zijnde, en aan land ziek, gekwetst of verminkt wordende, blijven de kosten van oppassing en genezing ten zijnen laste. (Co. 264; K. 386,397 n®. 5, 401, 437 n0. 5.)

429. Het lijk van eenen, gedurende de reis, overledenen schepeling, moet volgens de beslissing van den schipper, en ten koste van het schip, of begraven of over boord gezet worden. (B. 60; K. 386, 531a; Begr.w., a. 3, zie chron. lijst, en het daar onder art. 3 afgedrukte Stb. 1869 n0. 162)

430. De schipper is gehouden, voor des overledenens aan boord van het schip nagelatene goederen zorg te dragen, en van dezelve, in bijzijn en ten overstaan van twee schepelingen, eene behoorlijke beschrijving te maken, welke door den schipper en de gemelde twee schepelingen moet onderteekend worden. (K. 386, 445, 531amp;; B. 994; Stb. 1827 n0.51, zie chron. lijst.)

431. De soldij of huur is aan des overledenens nalatenschap verschuldigd, volgens de na te meldene onderscheidingen:

Indien hij bij de maand is aangenomen, tot het einde van de loopende maand;

Voor eene reis uit en t\'huis, de helft, indien hij op de heenreis sterft;

Geheel, indien hij op de terugreis sterft.

Indien de overledene op aandeel van winst of vracht was aangenomen, is zijn aandeel geheel verschuldigd, wanneer hij sterft nadat de reis begonnen is.

Het loon van schepelingen, welke bij de verdediging van het schip gesneuveld zijn, is ten volle verschuldigd voor de geheele reis, indien het schip in behouden haven aankomt. (Co. 265; B. 16886; K. 386, 416, 445.)

432. Losprijs tot bevrijding van eenen op het schip genomen

546

-ocr page 623-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 425—439.

en slaaf gemaakten schepeling kan van den schipper, de eigenaars of de bevrachters, niet gevorderd worden.

Hij heeft aanspraak op de soldij tot den dag dat hij genomen en slaaf gemaakt is. (Co. 266; K. 386, 418,433a, 593ft.)

433. De schepeling, die genomen en slaaf gemaakt wordt, terwijl hij in zee of naar land ten dienst van het schip gezonden was, heeft regt om de betaling van zijne geheele soldij te eischen op het schip en de vracht, volgens de voorschriften van art. 418 en 419 hierboven.

Hij heeft ook regt op eene schadeloosstelling voor zijne lossing, indien het schip zijne reis behouden volbrengt. (Co. 267; K. 386, 593/c.)

484. De eigenaars van het schip zijn tol deze schadeloosstelling verpligt, indien de schepeling, in scheepsdienst, in zee of naar land is gezonden.

Deze schadeloosstelling komt ten laste van de eigenaars van schip en lading, indien zulks ten dienste van schip en lading is geschied. (Co. 268; K. 386, 424, 432, 433.)

435. De hoegrootheid van deze schadeloosstelling, de wijze van betaling en van het gebruik van het geld, worden bij een door den Koning vastgesteld reglement bepaald. (Co. 269; K. 386; Stb. 1829 n0. 61, zie chron. lijst.)

436. quot;Wanneer de schipper de officieren of scheepsgezellen om wettige redenen ontslaat, moet hij hun de verdiende huren betalen, berekend naar evenredigheid van de afgelegde reis, tot den dag van de afdanking toe, en, zoo het ontslag gegeven is voor dat de reis is begonnen, naar de dagen, welke zij in dienst geweest zijn. (K. 344, 438; W. tucht koopv., a. 90, zie chron. lijst.)

437. Voor wettige redenen worden gehouden de volgende:

1°. Ongehoorzaamheid; (K. 397 n®. 9.)

2°. Gewoonte van dronkenschap; (K. 397 n0. 9 en 14.)

3°. Vechten aan boord; (K. 397 n0. 9 en 14.)

4°. Eene door de wet veroorloofde of verpligte staking der reis, mits voldoende aan hetgeen de wet in dat geval bepaalt; (K. 364, 411 v.)

5°, Verwijdering van boord zonder verlof. (K. 397 n0. 5 en 13, 401, 428 — K. 397 n». 7 en 16, 436, 440; W. tucht koopv., a. 7, 8, 9, 14, zie chron. lijst.)

438. Elk scheepsofficier of scheepsgezel, die bewijst, dat hij na de monstering, zonder wettige redenen, is afgedankt, heeft regt tot vergoeding van schade, ten laste van den schipper. (Co. 270; B. 1902; K. 344, 357 nquot;. 4, 358 n». 8,381.)

439. De schadeloosstelling wordt bepaald:

Indien de afdanking vóór het begin der reis plaats heeft, op een derde van de gagie, die de afgedankte bij de reis waarschijnlijk had kunnen verdienen;

Gedurende den loop der reis gedaan wordende, op de volle soldij, welke hij zoude verdiend hebben van het oogenblik der afdanking tot de volbrenging van de reis en de kosten der terugreis.

De schipper kan, in geen dezer gevallen, het beloop der schadeloosstelling van den eigenaar of de reederij terug vorderen, ten ware hij door dezelve tot de afdanking

547

-ocr page 624-

■WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

ware gemagtigd geweest. (Co. 270; K. 321, 4126, 451.)

440. De officieren en het scheepsvolk kunnen weigeren den dienst gestand te doen, in de volgende gevallen;

1°. Indien de schipper de reis, waarvoor zij zich verbonden hebben, alvorens die te ondernemen, wil veranderen; (K. 395, 897 n0. 2, 408, 441a.)

2°. Indien, vóór het begin der reis, de Staat in eenigen zeeoorlog gewikkeld wordt, of, het schip in eene noodhaven zijnde ingeloopen, een oorlog opkomt met dezen Staat en eene der Barbarijsche mogendheden, waardoor het schip in een wezenlijk gevaar kon gerekend worden te zijn gebragt; (K. 500 v.)

3°. Indien er, vóór het begin der reis, of het schip in eene noodhaven zijnde ingeloopen, zekere berigten waren dat, ter plaatse werwaarts het schip was bestemd, de pest, de gele koorts of andere soortgelijke besmettende ziekten heerschten;

4°. Indien hel schip, vóór het begin der reis, geheel van eigenaar verandert;

5°. Indien de schipper, vóór het begin der reis, sterft of door de eigenaars of door den boekhouder wordt afgedankt; (K. 328, 356.)

6°. Indien er aangenomen was, om met konvooi te zullen vertrekken, en er geen konvooi verleend wordt; (K. 502 n6. 1.)

7°. Indien de schipper het schip bestemt of geiruikt voor slavenhandel, zeeroof of strafbare kaapvaart. (Sr. 276, 381 n°. 2, 389.)

No. 7 hijcievoeqd bij art. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 95).

441. Wanneer de schipper, buiten \'s lands zijnde, mogt goedvinden naar eene andere vrije haven te zeilen, er: liet schip te lossen of te herladen, zal, al werd ook de reis daardoor verlengd, het scheepsvolk in dienst moeten blijven.

In dat geval, bekomen zij, die bij de reis zijn aangenomen, naar evenredigheid meerder loon. (Co. 255; K. 408, 440 n0.1.)

442. Gedurende de reis vermag de schipper aan het scheepsvolk niet meer dan een derde van hun verdiend loon op rekening te betalen. (K. 397 n0.10, 402, 417, 418, 452.)

443. Bij afdanking buiten \'s lands, is hij verpligt aan ieder hunner het aan hem verschuldigde te betalen.

Hij kan zulks doen door middel eener aanwijzing, op den eigenaar of den boekhouder van het schip af te geven.

De bepaling van het tweede lid van art. 321 is hierop niet toepasselijk. (Co. 270; K. 210, 327, 397 n». 10, 418; Stb. 1871 n». 91, a. 6 n0. 2; Stb. 1875 n». 201, a. 1.)

444. De officieren noch het scheepsvolk vermogen, onder eenig voorwendsel hoegenaamd, den schipper of het sc.n\'p, vóór den afloop der reis, met procedures, van welken aard ook, aan te vallen of te belemmeren, op verbeurte van hun volle loon.

Echter kunnen de officieren of het scheepsvolk, wanneer het schip zich in eene haven bevindt, bij den Nederlandschen consul, of, wanneer deze ontbreekt, bij de overheid der plaats, ontslag van hunne verbindtenis vragen, indien de

548

-ocr page 625-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 440—i5l2.

schipper hen mishandeld of hun spijs en drank mogt onthouden hebben. (K. 397 n0. 8 en 10,403, 440; Stb. 1856 n0. 32, a. 23 v.; Consul, w., a. 6 n®. 2, zie chron. lijst.)

445. Na a) het eindigen der reis is de schipper, eigenaar of boekhouder verpligt, de nagelatene goederen, gelden en verdiende gagien van zoodanige schepelingen als, gedurende de reis, overleden of achtergebleven zijn, aan hunne erfgenamen of regthebbenden uit te keeren, en, wanneer dezelve niet dadelijk te vinden zijn, daarmede zoodanig te handelen als bij de reglementen deswege is bepaald. (K. 327, 425,430, 431, 531; Sïb. 1827 n0. 51, a. 1, zie chron. lijst; B. 520.)

446. Na het eindigen der reis, waarvoor het scheepsvolk was aangenomen, is hetzelve, op verlangen van den schipper of de eigenaars van het schip, gehouden het schip te lossen, watervast te maken, te onttakelen, op de ligplaats te brengen en vast te maken, en wijders, binnen drie dagen na de lossing of ontlading van het schip, eene verklaring, het zij alleen of met den schipper, af te leggen en met eede te bekrachtigen. (K. 379, 380, 383, 397 n0. 10, 450; Sr. 393.)

447. Nadat aan alle de bij het vorige artikel vermelde ver-eischten door de officieren en het scheepsvolk zal zijn voldaan, moeten dezelve dadelijk worden afgedankt en hun verdiende loon, binnen vier en twintig uren, worden betaald. (K. 338, 417, 741a n0. 1, en i), 747; W. tucht koopv., a. 21, zie chron. lijst.)

448. Voor iederen dag, dat de officieren en scheepsgezellen door den schipper, boekhouder of eigenaar, zonder wettige reden, worden opgehouden in het verkrijgen van hun loon, verbeuren deze ten behoeve van eenen officier drie gulden, en ten behoeve van eenen anderen scheepsgezel een gulden vijftig centen. (B. 1274; K. 327, 447.)

449. Wanneer de schipper of boekhouder oorzaak is van de in het laatstvoorgaande artikel gemelde ophouding, worden de vermeerderde betalingen, welke uit dien hoofde door hen hebben moeten gedaan worden, in hunne respectieve scheeps-of reederij-rekeningen niet geleden. (K. 338,339,345,387,388.)

450. Wanneer een schip vergaat, of genomen en voor goeden prijs verklaard is, zonder dat zelfs de vracht verdiend of iets gered zij, zijn echter diegenen van de schepelingen, welke terugkeeren, gehouden de verklaringen van den schipper te bekrachtigen, of zelve hunne verklaringen in gemoede af te leggen en te beëedigen, tegen betaling van een redelijk daggeld voor hunne ophouding. (Co. 246; K. 379, 380, 383, 418, 446; Sr. 207.)

451. Het schip en de vracht zijn voor het loon, de schadeloosstellingen en het reisgeld der schepelingen bijzonder verbonden. (Co. 271; K. 313a nquot;. 5, en 6, 391, 452, 754.)

549

452. Scheepsofllcieren en scheepsgezellen verbinden door hunne ontrouw of schuld, in den dienst gepleegd, het schip en de vracht ten behoeve van den daardoor schade lijdenden eigenaar der lading, behoudens het verhaal der scheepseigenaars op den schipper, en het verhaal van dezen op de schepelingen, alles met inachtneming van het voorschrift

u) O. E. Bij.

-ocr page 626-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

des laatsten lids van artikel 1403 van het Burgerlijk Wetboek.

Het loon van den schipper en de huur der officieren en scheepsgezellen zijn voor dit verhaal bijzonder verbonden. (Co. 280; B. H85, 1840; K. 321, 345, 350, 754; W. tucht koopv., a. 2id—ƒ, zie chron. lijst.)

VIJFDE TITEL.

Van bevrachting en verhuring van schepen, van chertepartijen en cognoscenienten, en van passagiers.

(K. 755; Sr. 277.)

EERSTE AFDEELING.

Van den vorm en het voorwerp der contracten van bevrachting en verhuring van schepen.

453. De bevrachtingen worden gedaan:

1°. Voor het geheel of een gedeelte van een schip, tot het doen van eene of meerdere reizen; (K. 456, 461 v.)

2°. Bij aanleg op stukgoederen, wanneer een schipper van een ieder die zich daartoe aanbiedt, zoo vele goederen als hem goeddunkt, ter inlading en vervoering aanneemt. (K. 472, 506. — Co. 286; K. 4 n0.7en9,64,755.)

454. Wanneer een schip, voor het geheel of voor een gedeelte, tot eene zeereis bevracht wordt, moet er een schriftelijk contract van bevrachting gemaakt worden, hetwelk genaamd wordt «Chertepartij.» (Co. 273; K. 1b, 90, 453 nquot;. 1.)

455. Dit contract behelst:

1°. Den naam en de grootte van het schip; (K. 459, 469, 507 nquot;. 4.)

2°. Den naam van den schipper; (K. 476.)

3°. De namen van den vervrachter, en bevrachter of inlader; (K. 331, 371, 507 n0. 2.)

4quot;. De plaats en den tijd, welke tot lading en lossing bepaald worden; (K. 457 v., 470, 485 v., 502 v.)

5°. De bedongene vracht; (K. 460 v., 464c, 491,699 n0. 2.)

6°. De bepaling, of de bevrachting is voor het geheele schip of voor een gedeelte; (K. 453 n0. 1,456,469.)

7°. De bedongene schadeloosstelling ter zake van vertraging. (K. 464b, 470,485 v. — Co. 273; K. 352,410,478.)

456. Een schip voor het geheel vervracht zijnde, is de kajuit daaronder niet begrepen. Het is echter aan den schipper niet geoorloofd in de kajuit, noch voor zich noch voor anderen, zonder toestemming van den bevrachter, koopmansgoederen te laden, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (K. 352, 353, 410.)

457. De tijd van lading of lossing bij de chertepartij niet bepaald zijnde, moet dezelve, binnen het Koningrijk en de koloniën van den Staat, zijn afgeloopen binnen vijftien achtereenvolgende werkdagen, nadat de schipper zal verklaard hebben tot laden of lossen gereed te zijn.

Voor ligterschepen wordt die tijd bepaald op drie werkdagen na de aankomst.

De nalatigen zullen in de betaling van ligdagen jegens den schipper of ligter-schipper gehouden zijn.

Wanneer een gedeelte der lading van het schip op eene, en een ander gedeelte der lading op eene andere plaats moet wor-

550

-ocr page 627-

BOEK If, TITEL V, ARTT. 453- 465.

den ingenomen of gelost, wordt de tijd voor de inlading of lossing door de reis van het schip van de eene tot andere plaats geschorst, zonder dat dit tusschen beide komende tijdsverloop in berekening kan komen. (Co. 274; K. 455 n0. 4, 464 v., 485 v., 748 j0. Stb. 1898 nquot;. 1, zie op dat artikel.)

458. Buiten \'s lands wordt de tijd voor lading en lossing, wanneer dezelve bij de chertepartij niet bepaald is, geregeld naar de wet of het gebruik van de plaats. (Co. 274; A. 3,10.)

459. De vervrachter of de schipper, die het schip als groo-ter heeft opgegeven dan het is, is gehouden tot eene evenredige vermindering der vrachtpenningen, mitsgaders tot vergoeding der kosten, schade en interessen jegens den bevrachter.

Wanneer de gedane opgaaf niet meer dan een veertigste gedeelte van den wezenlijken inhoud van het schip verschilt, wordt het verschil in geene aanmerking genomen. (Co. 289, 290; B. 1282 v.; K. 455 n». 1.)

460. De tijd en wijze van betaling der vracht bij de chertepartij niet bepaald zijnde, kan dezelve, tegen uitlevering der in-geladene goederen, dadelijk gevorderd worden. (K. 455 n0. 5.)

461. De schepen kunnen bij de reis, of bij de maand, of op zoodanige andere wijze verhuurd worden, als de partijen zullen overeenkomen. (K. 453 n0. 1, 462 v.)

462. De reis wordt geacht begonnen te zijn, zoodra het schip is vertrokken uit de plaats, alwaar de inlading is begonnen, of, in ballast zijnde vertrokken, het de ballast heeft ingenomen. (K. 455 n0. 4.)

463. Indien een schip bij de maand is verhuurd, en er geene overeenkomst van het tegendeel gemaakt is, loopt de vracht van den dag af, dat het schip, volgens het voorgaande artikel, vertrokken is. (Co. 275; K. 461, 505.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de regten en piigten van vervrachter en bevrachter.

464. Wanneer de bevrachter in het geheel geen gebruik heeft gemaakt van den tijd, die aan hem om te laden, het zij bij de chertepartij, of bij de wet, is toegestaan, is de vervrachter ter zijner keuze geregtigd:

Of, tot de bij de chertepartij bepaalde schadeloosstelling, gedurende den tijd, dat hij langer blijft liggen; of, zulks niet bepaald zijnde, tot het vorderen van schadeloosstelling, bij begrooting van deskundigen;

Of, om het contract van bevrachting en vervrachting te houden voor verbroken, en van den bevrachter te vorderen de halve bedongene vracht, avarij en kaplaken;

Of om, driemaal vier en twintig uren na gedane sommatie, zonder lading de reis, waarvoor het schip vervracht is, te ondernemen, en, nadat dezelve volbragt is, van den bevrachter te vorderen zijne volle verdiende vracht en overligdagen, zoo die mogten hebben plaats gehad. (Co. 287, 288; B. 1303; K. 455 n0. 4 en 7, 457, 465 v., 599 n0. 2, 748 en 755 jis. Stb. 1898 n0. 1.)

465. Wanneer de bevrachter slechts gedeeltelijk van den tijd om te laden heeft gebruik gemaakt, heeft de vervrachter de keus;

551

-ocr page 628-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Of, tot de schadeloosstellingen in het voorgaande artikel gemeld; (K. 4646.)

Of, tot de reis met het gedeelte der lading, op den voet van het laatste lid van hetzelfde artikel. (Co. 287, 288; K. 4646 en d, 466.)

466. Wanneer het schip, het zij met een gedeelte der lading, of ook wel geheel zonder lading, de reis ondernomen heeft, is de vervrachter geregtigd, om, wanneer gedurende de reis aan het schip eenig ongeval mogt overkomen, waardoor onkosten veroorzaakt worden, welke bij een volgeladen schip, bij wijze van avarij-grosse, zouden moeten gedragen worden, twee derden van het beloop dier kosten van den bevrachter te vorderen over het niet geladene. (Co. 288; K. 465, 698 v.)

467. De vervrachter of de schipper is geregtigd tot de helft van de vracht bij de chertepartij bedongen, wanneer de bevrachter, vóórdat de overligdagen een begin genomen hebben, zonder iets te hebben ingeladen, de reis opzegt. (Co. 288; K. 455 n0. 5, 457.)

468. De vervrachter vermag, in de gevallen, waarin hij het regt heeft met een gedeelte der lading of zonder lading te vertrekken, tot zekerheid van de vracht en van de avarij-grosse, andere koopmanschappen door den schipper te doen innemen, zonder toestemming van den bevrachter.

In dit geval, wordt de bevrachter geregtigd tot het voordeel van de vracht van die andere koopmanschappen, en omslagen van het dragen in de avarij van dezelve. (Co. 287; K. 464 v.)

469. Wanneer de bevrachter meer goederen inlaadt dan bij de chertepartij bepaald is, is de vervrachter geregtigd tot de vracht van het meer geladene, in evenredigheid van den bij het contract bedongen prijs. (Co. 288; K. 455 n0. 6. 459.)

470. De vervrachter, ten tijde bij het contract bepaald, het schip niet in gereedheid hebbende, of niet dadelijk ter inlading in orde leverende, is aan den\'bevrachter geliouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (Co. 295; B. 1279 v., 1303; K. 455 n°. 7, 464.)

471. De bevrachter is gehouden aan den vervrachter of den schipper alle papieren en documenten te leveren, bij de wet tot het vervoeren van goederen vereischt, en zulks binnen tweemaal vier en twintig uren na de inlading, indien deswege niet anders is overeengekomen.

Bij gebreke hiervan is de bevrachter tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden; en kan de vervrachter of de schipper bovendien, door den regter, naar omstandigheden, worden gemagtigd, om die goederen te mogen lossen. (Alg. w , a. 8 en 12; K. 454, 4796, 509.)

472. Bij het aanleggen van een schip op stukgoederen, staat het den vervrachter of schipper vrij te bepalen, hoe lang hij in lading zal liggen.

Deze tijd verstreken zijnde, is de schipper verpligt met den eersten goeden wind, getij en gelegenheid te vertrekken, ten zij hij zich omtrent het verder vertoeven met de inladers konde verstaan. (Co. 291; K. 453 n0. 2, 473, 506, 511.)

473. Een schip op stukgoederen zijnde aangelegd, zonder dat de tijd van in lading liggen is bepaald, staat het eiken

552

-ocr page 629-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 466—478.

inlader vrij, zonder betaling van de vracht, doch tegen teruggave van de door den schipper geteekende cognoscementen en tegen voldoenden borgtogt voor alle namaning, bijaldien een of meer van dezelve mogten verzonden zijn, en tegen voldoening der onkosten op de lading en lossing gevallen of te vallen, zijn goed wederom te lossen.

Indien echter het schip reeds over de helft beladen was, is de schipper gehouden om, acht dagen na aan hem gedane sommatie, bij den eersten goeden wind, getij en gelegenheid, te vertrekken, indien de meerderheid der inladers zulks begeert, zonder dat, in het laatste geval, eenig inlader zijne koopmanschappen kan terug nemen. (Co. 291; B. 1857 v., 1867; K. 457 v., 507, 511.)

474. Wanneer een schip, bij deszelfs vertrek, gedurende de reis, of op de plaats der ontlading, door schuld of nalatigheid van den bevrachter of eenen der inladers opgehouden wordt, is de bevrachter of zoodanige inlader gehouden te vergoeden de kosten, schaden en interessen, zoo aan den vervrachter en schipper, als aan de verdere inladers, daardoor veroorzaakt, waarvoor a) de ingeladene koopmanschappen verbonden zijn. (Co. 294; B. 1279 v.; K. 475, 487.)

475. De vervrachter of schipper is gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen aan den bevrachter of aan de inladers, indien het schip door schuld of nalatigheid der eerstgemelde gearresteerd of opgehouden is, bij het vertrek, gedurende de reis, of op de plaats der ontlading. (Co. 295; B. 1297 v.; K. 349, 474.)

476. Indien de vervrachter door de schuld of nalatigheid van den schipper te dien opzigte schade lijdt, verhaalt hij zich op denzelven. (B. 1402; K. 313 n0. 10, 345.)

477. Een bevrachter of inlader, buiten kennis en toestemming van den schipper, goederen ladende, waarvan de invoer of uitvoer verboden is, of anderzins, buiten weten of toedoen van den schipper, bij het laden of lossen der goederen, op eene ongeoorloofde wijze te werk gaande, is verpligt het schip en den schipper en alle verdere belanghebbenden deswege schadeloos te houden, en, al werden de goederen verbeurd verklaard, de volle bedongene vracht en avarij-grosse te betalen. (Co. 292; K. 698 v.)

478. De bevrachter of inlader is, in geval de schipper genoodzaakt is gedurende de reis het schip te laten vertimmeren, gehouden de vertimmering af te wachten, of (des-verkiezende) de lading, tegen voldoening van de geheele vracht en de verschuldigde avarij-grosse, en onder de bepalingen bij artikel 511 voorgeschreven, naar zich te nemen.

Hij is, gedurende den tijd der vertimmering, geene vracht verschuldigd, indien het schip bij de maand vervracht is, noch vermeerdering van vracht, indien de vervrachting voor de reis geschied is.

553

Wanneer het schip niet mogt kunnen worden vertimmerd, is de schipper gehouden, voor zijne rekening en zonder verhooging van vracht te mogen eischen, een ander schip of

a) O. E. waardoor.

-ocr page 630-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

andere schepen te huren, om de lading naar de bestemmingsplaats te vervoeren.

Indien de schipper geen ander schip of schepen op de plaats of nabij gelegene plaats heeft kunnen bekomen, is hem de vracht niet verder verschuldigd dan in evenredigheid van de reeds afgelegde reis.

In dit laatste geval blijft de zorg voor de verdere vervoering der goederen aan elk der inladers overgelaten; onverminderd de verpligting van den schipper, om hen niet alleen van den staat der zaken te doen kennis dragen, maar ook om alle tusschen tijds vereischt wordende maatregelen, tot behoud der lading in het werk te stellen.

Alles, ten zij door partijen anders mogt zijn bedongen. (Co. 296; B. 1589, 1591; K. 461, 483,487c, 526, 701 n». 6.)

479. De bevrachter is geene vracht verschuldigd, en heeft regt tot schadevergoeding, wanneer het blijkt, dat het schip, ten tijde van het ondernemen der reis, buiten staat was om dezelve te kunnen doen.

Zoodanig bewijs wordt toegelaten, niettegenstaande en tegen de certificaten van onderzoek vóór het vertrek. (Co. 297; K. 347, 478.)

480. Indien de schipper zich, naar aanleiding van art. 372, in de noodzakelijkheid heeft bevonden, goederen te verkoopen, is de vracht van die goederen verschuldigd, bij behoudene aankomst van het schip, geheel, en, bij verongelukking van hetzelve, naar evenredigheid der afgelegde reis. (Co. 298; K. 373, 478, 483.)

481. De vracht is mede verschuldigd van de goederen, die tot algemeen behoud over boord zijn geworpen, in zoo verre de verdeeling tot het dragen der schade, door de werf ing veroorzaakt, volgens dit wetboek plaats moet hebben. (Co 301; K. 699 n0. 2, 729 v., 739 v.)

482. Van goederen, door schipbreuk, stranding of door andere overmagt vergaan, of door zeeroovers of vijanden genomen, is geene vracht verschuldigd.

De bevrachter kan zelfs de teruggave vorderen van hetgeen op rekening is betaald, indien het tegendeel niet is bedongen. (Co. 302; K. 418, 614.)

483. Schip en lading gerantsoeneerd of vrijgekocht, of goederen, na schipbreuk, geborgen zijnde, is, voor zoo verre de reis niet kan worden ten einde gebragt, de vracht verschuldigd tot de plaats, waar het schip genomen of de schipbreuk geleden is, in evenredigheid der bedongene vracht.

De vrijgekochte of gerantsoeneerde goederen ter plaatse der bestemming door den schipper bezorgd wordende, heeft de vervrachter of de schipper regt tot de geheele vracht.

In de gevallen, bij het eerste en tweede lid van dit artikel voorzien, draagt de vervrachter of de schipper in den losprijs of in het bergloon, bij wijze van avarij-grosse. (Co. 303, 304; K. 478c, 739.)

484. Van goederen, tot de lading van een schip behoord hebbende, die, buiten eenig toedoen van den schipper, het zij in zee of langs stranden, worden opgevischt en geborgen,

554

-ocr page 631-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 479—492.

en vervolgens aan de belanghebbenden uitgeleverd, isgeene vracht verschuldigd. (K. 545 v., 550.)

485. De vervrachter of de schipper is geregtigd om den bevrachter, of den geconsigneerde der lading, tot lossing te noodzaken, tegen betaling der aan hem verschuldigde vracht en avarij, wanneer de tijd om te lossen, bij de chertepartij of bij de wet bepaald, verloopen is. (K. 457 v., 464 v., 487 v., 489, 741a n». 3 en e, 747.)

486. Indien de ligdagen verstreken zijn, of er verschil over de lossing ontstaat, is de vervrachter of de schipper bevoegd, na bekomene geregtelijke autorisatie, de lading te lossen, en die, onverminderd zijn regt op dezelve, onder bewaring van eenen daartoe benoemden persoon te stellen. (Co. 305; B. 1773 v.; R. O. 53; K. 94, 487 v, 518b.)

487. De vervrachter of de schipper vermag, voor de vracht, onkosten en avarij-grosse, de goederen niet aan boord te houden.

Hij heeft regt om den opslag en de bewaring onder eenen derde te vorderen, totdat de vracht, onkosten en averij-grossen zijn voldaan, en, indien de goederen bederfelijk zijn, kan hij derzelver verkoop vorderen.

Indien de avarij-grosse niet spoedig kan begroot worden, heeft hij regt om te vorderen, dat eene billijke som, ter bepaling van den regter, daarvoor inmiddels onder geregtelijke bewaring gesteld worde. (Co. 306; B. 1773 v.; K. 94, 460.)

488. Indien de schipper de goederen heeft gelost, zonder zich de vracht, avarij- en andere kosten te laten voldoen, of zonder te hebben gebruik gemaakt van de behoedmiddelen, bij de wetten van de losplaats veroorloofd, verliest hij zijne aanspraak op den bevrachter of inlader, indien deze doet blijken, dat hij het beloop daarvan met den ontvanger der goederen heeft verrekend, of dat hij, uit hoofde van het faillissement van laatstgemelden, hetzelve niet zoude kunnen terug erlangen. (A. 40; K. 108, 486, 487, 489.)

489. De geconsigneerde weigerig zijnde om de goederen te ontvangen, is de vervrachter of de schipper bevoegd, op autorisatie van den regter, de goederen, ten beloope van de vracht, onkosten en avarij, gedeeltelijk of, zulks noodig zijnde, geheel te verkoopen; mits hij het overige brenge onder geregtelijke bewaring, en behoudens zijn verhaal, voor het te kort komende, op den bevrachter of inlader. (Co. 305; B. 1773 v.; K. 485 v. 487.)

490. De vervrachter of de schipper is voor de vracht, onkosten en avarij, bevoorregt op de ingeladene goederen vóór alle andere schuldeischers, gedurende twintig dagen na de aflevering, wanneer dezelve in geene derde hand zijn overgegaan. (Co. 307; B. 1185 n0. 7,1193; K. 487, 741a n0.1 en c, 747.)

491. In alle gevallen, waarin de vracht voor getal, maat of gewigt bedongen is, heeft de vervrachter het regt om de telling, meting of weging, dadelijk bij de lossing, te vorderen. (K. 382, 492, 513.)

492. Wanneer, in het geval bij het voorgaande artikel vermeld, de goederen ongeteld, ongemeten of ongewogen van

555

-ocr page 632-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

boord worden geleverd, is de ontvanger van dezelve bevoegd, om zelfs door het getuigenis van de personen, welke hij tot afhaling en opslag heeft in het werk gesteld, van de eenzelvigheid van het goed, het getal, de maat of het gewigt te doen blijken. (B. 1950 n0. 3; K. 384c, 495.)

493. Beschadiging, bederf, roof of vermindering van het ingeladene goed vermoed wordende, zijn de schipper en de geconsigneerde!! of de belanghebbenden, ieder voor zich, bevoegd om een geregtelijk onderzoek, bezigtiging en de begrooting van schade, vóór of bij de lossing, te vorderen.

Deze vordering door den schipper gedaan wordende, benadeelt zulks hem niet in zijne middelen van verdediging. (K. 345, 746; Rv. 222 v.)

491. De goederen door den schipper van boord geleverd zijnde, op eene quitantie of afgeteekend cognoscement, waarbij vernield wordt, dat dezelve in eenen beschadigden, bedorven, beroofden of verminderden staat zijn gelost, is de geconsigneerde geregtigd om van de gesteldheid door eene geregtelijke bezigtiging te doen blijken, mits de bezigtiging gevraagd worde binnen twee maal vier en twintig uren na de aflevering. (K. 93, 712, 741a n0. 3 en c, 746 v.)

495. De beschadiging of vermindering uiterlijk niet zigt-baar zijnde, kan de geregtelijke bezigtiging met wettig gevolg gedaan worden, nadat de goederen onder beheer van den ontvanger of geconsigneerde zijn gebragt; mits zulks mede geschiede binnen twee maal vier en twintig uren na de lossing, en dat van de eenzelvigheid van het goed, volgens het voorschrift van art. 492 van dezen titel, of op eenige andere in regten voldoende wijze, kunne blijken. (K. 16, 93, 494, 746.)

496. De vervrachter en de schipper van hunne zijde aan het contract van bevrachting voldaan hebbende, kan de bevrachter nimmer vermindering van de bedongene vracht vorderen. (Co. 309; K. 497.)

497. De inlader kan, in geen geval, de goederen voor de vracht abandonneren.

Echter kunnen vaten, met vloeibare stoffen gevuld geweest en gedurende de reis geheel of bijna ledig geloopen zijnde, voor de vracht, avarij en onkosten geabandonneerd worden. (Co. 310; K. 643, 738)

498. Vreemde schepen hier te lande bevracht wordende, zijn zoo wel de schippers als de schepen, en, de bevrachting van dezelve buiten \'s lands gedaan zijnde, de schippers, met betrekking tot de lossing, in a) alles, waarvan de uitvoering hier te lande gedaan moet worden, aan dit wetboek onderworpen. (A. 9.)

DERDE AFDEELING.

Van de ontbinding der contracteyi van bevrachting.

556

499. De overeenkomst van bevrachting is van regtswege ontbonden, zonder dat de partijen eenige vracht oi\' schadevergoeding van elkander te vorderen hebben, indien vóór het begin der reis eene der volgende omstandigheden plaats heeft:

a)- Wetb. 1830, fransche tekst, had: et.

-ocr page 633-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 493—502.

1°. Dat het uitloopen van het schip door overmagt belet wordt, om het even of hetzelve bevracht zij, ten einde eene lading uit dit Koningrijk te vervoeren, of dat het, buiten \'s lands liggende, door Nederlanders, hier te lande gevestigd, bevracht en vervracht zij; (K. 505; A. 10.)

2°. Dat er verbod van uitvoer bestaat uit de plaats van het vertrek van het schip, of verbod van invoer op de plaats van deszelfs bestemming, het zij van alle, het zij van een gedeelte der goederen, bij eene en dezelfde chertepartij vermeld; (K. 413.)

In geval het verbod slechts een gedeelte der lading betreft zal het den inlader vrijstaan de overeenkomst te doen voortduren, mits den vervrachter schadeloos stellende;

3°. Dat de handel is verboden met het land werwaarts het schip bestemd is. (K. 413.)

In alle deze gevallen zijn de kosten van laden en lossen voor rekening van den bevrachter. (Co 276; B. 1302; K. 501, 506, 525.)

500. Het contract van bevrachting kan, op de vordering van eene der partijen, vernietigd worden, wanneer vóór het begin der reis een oorlog ontstaat, waardoor schip en lading, of een van beide, niet meer als onzijdig eigendom kunnen beschouwd worden.

Schip en lading beide even onvrij zijnde, kunnen de bevrachter en vervrachter geene vergoeding van elkander vorderen; en de onkosten, op het laden en lossen gevallen, zijn voor rekening van den bevrachter.

De lading alleen onvrij zijnde, betaalt de bevrachter aan den vervrachter alle onkosten, die noodzakelijk gevorderd worden om het schip tot het doen der reis in gereedheid te brengen, mitsgaders de door hem betaalde soldijen en het kostgeld van het scheepsvolk, tot den dag toe van de vordering der vernietiging, of van de lossing der reeds geladene goederen.

Het schip alleen onvrij zijnde, betaalt de vervrachter of de schipper alle de onkosten op het laden en lossen gevallen. (B. 1302; K. 364, 370, 440 n0. 2, 499. 501, 506.)

501. In de gevallen bij de twee voorgaande artikelen vermeld, behoudt de vervrachter of de schipper zijne vordering tot overligdagen, zoo die plaats mogten hebben, gelijk mede het regt tot de vordering van avarij-grosse wegens schade vóór de ontbinding of de vernietiging der overeenkomst geleden. (K. 457,464 v., 499,500,506,696j». 624,748j0. Stb. 1898n». 1.)

502. Wanneer een schip vervracht is voor meer dan ééne bestemming, en zich, na het volbrengen van eene reis, in de haven bevindt, van waar de andere zoude moeten beginnen, doch vóór dat dezelve wordt begonnen, een oorlog ontstaat, moeten de volgende bepalingen worden achtervolgd; (K. 500.)

1°. Schip en lading beide onvrij zijnde, moet het schip tot aan den vrede of tot dat hetzelve met konvooi, of op eene andere veilige wijze, kan vertrekken, of tot dat de noodige orders van de eigenaars van het schip en de lading bij den schipper zijn ingekomen, en langer niet, aldaar blijven liggen. (K. 364, 440 nquot;. 6.)

557

-ocr page 634-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Het schip beladen zijnde, vermag de schipper de lading in pakhuizen of andere veilige bergplaatsen te doen opslaan, tot dat de reis kan vervorderd of andere bestellingen gemaakt worden.

De kost- en maandgelden van het scheepsvolk, de huur der pakhuizen en verdere onkosten, door de ophouding veroorzaakt, worden door den bevrachter en vervrachter gedragen bij wijze van avarij-grosse.

Indien het schip nog onbeladen is, komen twee derden van die kosten voor rekening der bevrachters;

2°, Indien het schip alleen onvrij is, wordt het contract voor de nog niet afgelegde reis, op de vordering der vervrachters, vernietigd. (K. 500.)

Het schip beladen zijnde, betaalt de vervrachter of de schipper de kosten op het laden en lossen gevallen, en heeft alleen het regt tot de vracht der bereids afgelegde reis, de overligdagen en avarij-grosse;

3°. Indien, in tegendeel, het schip vrij en de lading alleen onvrij is, en de bevrachter het schip niet verkiest te beladen, vermag de schipper zonder lading te vertrekken en de verdere reis, waartoe het schip vervracht is, te vervorderen; na afloop van de reis zal aan hem of aan den vervrachter de volle bedongen vracht betaald worden. (K. 500.)

Ten opzichte van de schade en onkosten, tot het innemen van eene andere lading, en het voordeel van de vracht, daaruit voortkomende, zijn de bepalingen van artikel 466 en 468 toepasselijk. (Co. 294, 300; K. 370, 506.)

503. Een schip, binnen dit land of elders liggende en bevracht zijnde om met ballast naar eene andere plaats te stevenen, ten einde aldaar voor eene reis beladen te worden, ter ladingsplaats aangekomen zijnde, en door oorlog belet wordende de reis te volbrengen, wordt, bijaldien het schip, of schip en lading beide, onvrij zijn, het contract voor vernietigd gehouden, zonder dat de wederzijdsche partijen eenige aanspraak op elkander hebben.

De lading alleen onvrij zijnde, worden de contractanten van elkander ontslagen, door betaling van de halve bedongen vracht. (K. 506.)

504. Indien de handel verboden wordt met het land, werwaarts het schip onder zeil was, en hetzelve dus genoodzaakt wordt met de lading terug te keeren, is niets meer verschuldigd dan de vracht van de heenreis, schoon het schip voor uit- en t\'huis-varen vervracht was. (Co. 299; K. 413 v., 499 nquot;. 3, 503, 505, 506.)

505. Indien de reis van een schip, het zij vóór den aanvang, het zij gedurende dezelve, door embargo of door eenen anderen maatregel van hooger hand, buiten schuld van den schipper, eigenaar of bevrachter of door andere overmagt, tijdelijk wordt belet, blijven de overeenkomsten stand houden, zonder dat er over en weder eenige schadevergoeding verschuldigd is.

De bevrachter is voor den tijd, dat het schip daardoor

558

-ocr page 635-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 503—5H.

wordt opgehouden, geene vracht verschuldigd, indien hetzelve bij de maand is vervracht, noch vermeerdering van vracht, indien de vervrachting voor de reis heeft plaats gehad.

De inlader vermag, gedurende dit beletsel, zijne koopmanschappen, op zijne eigene kosten, te doen ontladen, mits dezelve wederom inladende, of den vervrachter of schipper schadeloos stellende. (Co. 277, 278,300; K. 464,466,478,506.)

506. Alle bepalingen van deze afdeeling zijn ook toepasselijk op bevrachting met stukgoederen. (K. 553 n®. 2,472 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van cognoscementen.

507. Het cognoscement houdt in:

1°. Den naam van den bevrachter of van den inlader;

\'2°. De opgaaf van dengene, aan wien de goederen verzonden worden; (K. 508.)

3®. Den naam en de woonplaats van den schipper;

4°. Den naam en de soort van het schip, mitsgaders de plaats waar hetzelve te huis behoort;

5®. Den aard, de hoeveelheid, de merken en de getallen der te vervoeren goederen; (K. 350, 513.)

6°. De plaats van het vertrek en die der bestemming;

7°. Het bepaalde wegens de vracht; (K. 455 n®. 5.)

8®. De onderteekening van den schipper en van den inlader, of van dengenen die voor hem de expeditie bezorgt. (K. 651. — Co. 281, 282; K. 351, 583; Zegelw., a. 27 A. n®. 60.)

508. Het cognoscement kan houden aan order, aan toonder, of aan eenen bepaalden persoon.

Dat aan order kan worden overgedragen door middel van endossement. (Co. 281; B. 668, 1198 v., 2014; K, 100,105, 133 v., 135, 209, 212, 516 v., 573.)

509. Van elk cognoscement worden ten minste vier oorspronkelijke gemaakt: (K. 104.)

Eén voor den bevrachter of inlader;

Eén voor dengenen, aan wien de koopmansgoederen verzonden worden;

Eén voor den schipper; (K. 357 nquot;. 6.)

Eén voor den scheepseigenaar of de reeders;

Deze vier oorspronkelijke cognoscementen moeten, binnen vier en twintig uren na de inlading, onderteekend en, tegen intrekking van de afgegevene recieven, worden uitgewisseld. (Co. 282; K. 356.)

510 De schipper is niettemin gehouden aan den bevrachter of aan den inlader zoo vele eensluidende cognoscementen te geven, als deze zal begeeren. (K. 104.)

511. De bevrachters of inladers kunnen de ingeladene goederen niet wederom lossen, dan tegen teruggave van alle de deswege door den schipper aan hen afgegeven cognoscementen.

Wanneer een of meer der cognoscementen verzonden zijn, mag de lossing niet gedaan worden dan op eene regterlijke magtiging, na onderzoek van zaken, en onder behoorlijke borgstelling van den inlader wegens alle na-maning der verzondene cognoscementen ; in alle gevallen,

559

-ocr page 636-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

tegen betaling van de volle vracht der goederen, door hem ingeladen, en de onkosten, op de lossing en het weder-stuwen van de overige lading te vallen; alles behoudens hetgeen in art. 473 is bepaald. (B. 1857 v.; K. 346, 397 nquot;. 12, 478, 486, 489, 499 v., 518.)

512. Het cognoscement, in den voorschreven vorm opgemaakt, heeft kracht van bewijs, tusschen alle de, bij de inlading belanghebbende, partijen, en tusschen hen, die aandeel in de lading hebben, en de verzekeraars, behoudens aan laatsfgemelden het bewijs van het tegendeel. (Go. 288; K. ib, 514, 556, 623, 651, 729 v., 732, 741a n0. 3 en e, 747.)

513. De schipper heeft het regt, om, wanneer de ingela-dene goederen niet toegeteld, toegewogen of toegemeten zijn, op het cognoscement aan te teekenen, dat hem de soort, \'het getal, het gewigt of de maat onbekend zijn. (K. 351, 491 v., 507 n». 5.)

514. Indien de schipper kan bewijzen, dat de hoeveelheid goederen^ in hot cognoscement vermeld, niet in het schip heeft kunnen worden geladen, geldt dat bewijs wel tegen den aflader, doch is hij niettemin gehouden den geconsigneerde schadeloos te stellen, bijaldien deze, op grond van het cognoscement. aan den aflader meer heeft betaald of voorgeschoten, dan het schip heeft ingehouden, behoudens des schippers verhaal op den aflader. (K. 512.)

515. In geval van verschil van cognoscementen van eene en dezelfde lading, heelt het regelmatigste de voorksur. (Co. 284; K. 507.)

516. Wanneer onderscheidene personen ieder houders zijn van een cognoscement van hetzelfde goed, is hij tot den voorloopigen opslag bij voorkeur geregtigd, die houder is van een cognoscement, hetwelk direct op zijnen naam staat, boven dengenen, die slechts een cognoscement aan order of aan toonder bezit. (K. 238, 508, 518, 741a n0. 3 ene, 747.)

517. Alle de cognoscementen van hetzelfde goed respectievelijk op de namen van derzelver onderscheidene houders staande, of alle aan order of toonder zijnde, moet de uitspraak van den regter beslissen, wie van hen tot denvoor-loopigen opslag geregtigd is. (K. 508.)

518. Indien de schipper kennis draagt, dat er meer dan één houder van een cognoscement van hetzelfde goed is, of dat er beslag op het goed is gelegd, vermag hij niet te lossen, zonder magtiging van de arrondissements-regtbank.

Hij is bevoegd, in die gevallen, autorisatie van den regter te vragen, om, onverminderd eens ieders regt, het goed op te slaan, onder zoodanige bewaring als de regter zal bepalen. (B. 1773 v.; K. 486, 489, 511, 516 v., 519.)

519. Alle belanghebbenden, en ook de benoemde bewaarder, hebben het regt, indien de goederen, het zij uit hunnen aard, het zij uit hoofde van den staat waarin zij zich bevinden, aan bederf onderhevig zijn, van den regter den verkoop van dezelve te vorderen. De opbrengst van dien vervangt, na aftrek van de onkosten, de plaats van het goed, en moet in geregtelijke bewaring worden gebragt. (B. 1774; K. 94.)

520. Geen arrest of verzet van derden, die geene houders

560

-ocr page 637-

BOKK II, TITEL V, ARTT. 512—528.

van cognoscemcnten zijn, kan den houder van een cognos-cement beletten, dat hij den opslag en verkoop geregtelijk verdere; behoudens het regt van den arrestant, of die het verzet gedaan heeft, op de opbrengst van den verkoop. (K. 512,556.)

VIJFDE AFDEELING.

Van passagiers op huitenlandsche zeereizen.

(Consul, w., a. 6, zie chron. lijst.)

(Vg. betreffende het vervoer van landverhuizers: W. landverh., uitgevoerd bij koninklijke besluiten in Stb. 1865 n0. 430, Stb. 1869 n0.155, Stb. 1875 nu. 138.)

521. Indien wegens het bedrag van het vervoer-geld van eenen passagier geene overeenkomst mogt zijn gemaakt, zal hetzelve door den regter, des noods na verhoor van deskundigen, worden bepaald. (B. 1583 v., 1653; K. 4 n0. 7, 523, 524amp;, 741a n0. 4 en e, 747; Rv. 97, 126, 222 v., 313.)

522. Indien, terwijl het schip zeilree ligt, de passagier zich niet aan boord begeeft of zich daarvan, zonder de toestemming des schippers, verwijdert, is deze bevoegd om weg te zeilen, en desniettemin het volle vervoergeld te vorderen. (Rv. 5826; K. 397 n». 5, 401, 464rf, 524.)

523. De passagier mag, zonder toestemming van den schipper, zijn regt uit de geslotene overeenkomst voortspruitende, niet aan eenen derde overdoen. (B. 1595: K. 521.)

524. Indien de passagier, vóór den aanvang der reis, mogt zijn overleden, is slechts de helft van het vervoerloon verschuldigd.

Indien, onder het bedongen vervoergeld, de kosten van onderhoud begrepen zijn, wordt in dat geval, door den regter, des noods na verhoor van deskundigen, het bedrag van het vervoerloon bepaald. (B. 1281, 1611; K. 467, 527.)

525. Indien, het zij vóór het vertrek van het schip, het zij gedurende de reize, door overmagt of uit oorzake buiten toedoen van den schipper of de reederij, de reize van het schip verbroken of gestaakt wordt, zijn de passagiers en schipper, zonder eenige vergoeding, van elkander ontslagen.

Bij staking eener aangevangene reis zijn de passagiers tot betaling van het vervoergeld, naar gelang der afgelegde reize, gehouden. (B. 1281; K. 478,483,499, 500, 502, 505, 526, 527.)

526. Indien in het geval van artikel 478 de passagier de vertimmering wil afwachten, is hij geene vermeerdering van vervoergeld verschuldigd, doch liij is verpligt intusschen voor zijn eigen onderhoud te zorgen, of zich deswege met den schipper te verstaan. (K. 525.)

527. In de gevallen waarin de overeenkomst, het zij vóór den aanvang der reis, het zij gedurende dezelve, wordt verbroken, heeft de schipper het regt om te vorderen, hetgeen hij aan de passagiers reeds verstrekt of voor dezelve heeft uitgeschoten. (K. 524 v.)

528. De passagiers zijn verpligt zich naar de bevelen des schippers te gedragen, voor zoo verre die strekken tot bewaring der goede orde aan boord. (W. tucht koopv., a. 6 en 11, zie chron. lijst; K. 384; Sr. 395 v.)

561

36

-ocr page 638-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

529. De schipper is niet verpligt, noch zelfs bevoegd, om gedurende de reize, op de vordering of in het belang van den passagier, eene haven aan te doen, of zich op te houden. (K. 367.)

530. Indien het tegendeel niet is bedongen, zorgt de passagier voor zijne eigene behoeften.

In geval van opgekomen nood, is de schipper echter gehouden hem de vereischte levensmiddelen tegen redelijken prijs te verschaffen.

De bepaling van art. 374 is op den passagier toepasselijk. (K. 372, 524amp;.)

531. Bij overlijden van eenen passagier, gedurende de reis, verblijft aan den schipper de beschikking om het lijk te doen begraven, of over boord te zetten.

De schipper draagt zorgt voor de bewaring der goederen van den overledenen passagier, welke zich aan boord bevinden. (B. 60; K. 429, 430, 52ia; Begr.w. a. 3 j0. Stb. 1869 n0.162, zie chron. lijst op dat art. 3.)

532 De passagier wordt, ten aanzien van de goederen, welke hij aan boord heeft, als inlader beschouwd; voor de schade overgekomen aan goederen van den passagier, welke deze onder zijne eigene bewaring gehouden heeft, is de schipper alleen verantwoordelijk, indien dezelve veroorzaakt is door zijn toedoen, of dat der equipagie. (B. 1403; K. 345, 452, 471, 477, 482, 521, 731.)

533 Voor het aan den schipper verschuldigde wegens vervoergeld of kosten van onderhoud, heeft hij regt van terughouding en van voorrang op de goederen, door den passagier aan boord gebragt. (B. 1185 n0. 7, 1193, 1766; K. 487, 741a n». 4 en e, 747; F. 60.)

ZESDE TITEL.

Van schade door het overzeilen, aanzeilen, aanvaren en aandrijven veroorzaakt. (K. 756.) a) 534 Indien een schip, door schuld van den schipper of van zijn scheepsvolk, een ander schip overzeilt, of tegen hetzelve aanzeilt, aanvaart of aandrijft, en alzoo beschadigt, moet de geheele schade, aim het schip en aan de goederen

__

toegebragt, worden vergoe l door den schipper wiens schip de schade heeft veroorzaakt. (Co. 407; B. 1282 v., 140! v. ;K. 5, 345, 535 v., 541, 543, 544, 742«, eend; Sr. 168,169, 414, 473.)

535. Bijaldien dit een of ander door de schuld van wederzijde veroorzaakt is, draagt elk zijne eigene schade.

De schippers zijn, zoo in dit, als in het bij het voorgaande artikel bepaalde geval, aan de eigenaars van de schepen en koopmanschappen tot vergoeding gehouden, onverminderd hun verhaal op de officieren en het scheepsvolk, indien daartoe gronden zijn. (K. 345, 534, 536.)

a) Verg. de Wetteu en Besluiten houdende bepalingen tot het voorkomen van aanvaringen op zee: Wet van 11 Juli 1882 (Stb. no. 86) uitgevoerd Stb. 1897 no. 107; op den Eiju, met inbegrip van de Waal en de Lek: Stb. 1897 no. 201; op de Merwede, de Noord en de Nieuwe Maas: Stb. 1897 no. 268; op andere binnenwateren: Wet van 15 April 1891 (Stb. no. 91) uitgevoerd Stb. 1892 no. 102. Verg. Sr. 472.

562

-ocr page 639-

BOEK 11, TITEL V EN VI, ARTT. 529—542.

536. Indien dit overzeilen, aanzeilen, aanvaren of aandrijven door een louter toeval veroorzaakt is, dragen elk schip en lading deszelfs eigene schade; behoudens hetgeen bij artikel 540 bepaald is. (Co. 407; K. 534 v., 537,538 v., 542.)

637. De bepaling van het vorige artikel is ook toepasselijk op het geval dat een der beide schepen onbeladen mogt zijn.

538. Indien noch de schuld, noch het toeval kan worden bewezen, en alzoo de oorzaak van het overzeilen, aanzeilen, aanvaren of aandrijven twijfelachtig is, zal de schade, aan de schepen of goederen toegebragt, zamengevoegd en door ieder, in evenredigheid der respectieve waarde van de onderscheidene schepen en ladingen, gedragen worden.

Het bedrag van hetgeen elk schip en lading in de alge-meene schade dragen moet, wordt, in evenredigheid van dezelver waarde, over elk bijzonder schip en lading omgeslagen. (Co. 407; K. 534 v.)

539. Indien, na het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven, een schip vergaat op de streek of den koers, welken het genoodzaakt is geworden te nemen, om, tot herstelling van schade, eene noodhaven te bereiken, bestaat het vermoeden, dat het vergaan door het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven is veroorzaakt. (B. 4953; K. 534 v.)

540. Indien een zeilend of drijvend schip een ander schip, hetwelk te bekwamer plaatse ten anker ligt of vastgemaakt is, door het aanzeilen, aandrijven of aanvaren beschadigt, en zulks geschiedt buiten schuld van den schipper of het scheepsvolk van het aanzeilend, aandrijvend of aanvarend schip, zal hetzelve de helft van de schade dragen, welke het aan het vastliggende schip en deszelfs lading toegebragt heeft, zonder dat het vastliggende schip iets draagt in de schade van het aanzeilende of aandrijvende schip, of deszelfs lading.

Deze schadevergoeding wordt bij wijze van avarij-grosse over het schip en de lading omgeslagen.

Deze vordering tot halve schadevergoeding heeft geene plaats, wanneer de schipper van het vastliggende schip, door het botvieren der kabels of het kappen der touwen, buiten eigen gevaar, de schade had kunnen voorkomen of verminderen, en, door of van wege den aanzeilenden of aan-drijvenden schipper in tijds daartoe vermaand zijnde, zulks niet hreft gedaan. (K. 534, 536, 544, 699.)

541. Indien, een schip driftig geworden en op de touwen van een daarbij ten anker liggend schip gedreven zijnde, de schipper v;in het eerstgemelde schip de louwen van het laatste heeft gekapt, waardoor hetzelve van zijne ankers geraakt is, en schade heeft bekomen of wel dadelijk schipbreuk heeft geleden, is het driftig geworden schip tot vergoeding van de geheele schade aan het andere schip en deszelfs lading gehouden. (K. 534.)

542. Schepen in eene haven voor hunne ankers of vast in eene laag liggende en, zonder van de ankers te slaan of drijvende te worden, door een wassend of hol water, of door storm of ander toeval van hooger hand, de naastbij liggende schepen door aanstooting of aanwrijving beschadigende, wordt

563

-ocr page 640-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

die schade als eene bijzondere ramp door het beschadigde schip gedragen. (K. 536, 540, 701 n®. 7.)

518. Een schip aan den grond zittende en niet kunnende wijken, heeft de schipper het regt om, in tijd van gevaar, van een digtbij liggend schip te vorderen dat hetzelve zijne ankers ligte, of des noods kappe, en wijke, mits dat het bijliggende schip, zonder zich zelf aan gevaar bloot te stellen, zulks doen kunne, en aan hetzelve vergoed worde de schade door dat wijken of kappen veroorzaakt.

De schipper van het bijliggende schip, die, in dit geval, weigerachtig of nalatig is geweest aan de vordering te voldoen, moet de schade, daardoor veroorzaakt, vergoeden. (K. 534, 541, 544.)

544. Alle schippers, wier schepen voor anker liggen, zijn aansprakelijk voor de geheele schade, welke veroorzaakt wordt door het verzuim van eene boei of eenen dobber op hunne ankers te hebben, ten ware zij bewezen dat dezelve buiten hunne schuld daaraf geraakt waren, zonder dat zij dezelve hadden kunnen herstellen. (B. 1280; K. 534, 541, 543.)

ZEVENDE TITEL.

Van schipbreuk, stranding, en zeevonden. (K. 757.)

(Vg. Besluit van 23 Augustus 1852 (Stb. n®. 141), houdende vaststelling van bepalingen op de strandvonderij, gewijzigd Stb. 1854 n0. 18, Stb. 1879 n®. 10 en Stb. 1891 n». 72; Wet van 23 Juli 1885 (Stb. n«. 151), houdende bepalingen omtrent de opruiming en het beheer van vaartuigen en andere voorwerpen, in openbare wateren gestrand of gezonken. Zie voorts: Stb. 1879 n®. 25, a. 27 v.)

545. Het is aan niemand geoorloofd, zonder uitdrukkelijke toestemming van den schipper of van hem die in zijne plaats bevel voert, ofschoon ook onder het voorwendsel van te willen helpen of bergen, aan boord van een schip te komen. (B. 1401; K. 5, 361, 591, 655, 663.)

546. Schepen, strandende of brekende op buitengronden, en goederen opgevischt wordende in zee of op de buitengronden, zullen door niemand mogen worden geborgen en gered, ten zij daartoe verlof hebbende van den schipper, ot van dengenen, die in zijne plaats het bevel voert, zoo die daarbij tegenwoordig is. (K. 545, 548 v.)

547. Indien de schipper, bevelhebber, eigenaar der lading, of geconsigneerde aanwezig is, moeten de voormelde schepen en goederen aan de beschikking van deze worden overgelaten, en door de bergers dadelijk en tegen genoegzame zekerheid voor hunne bergloonen, worden overgegeven. (K. 361, 402, 545 v., 560, 561, 562.)

548. Die de gestrande, geborgene of geredde schepen of goederen ophouden, of aan de vordering van den schipper of van dengenen, die in zijne plaats het bevel voert, van de geconsigneerden of de eigenaars der lading, om de goederen aan hen tegen genoegzame zekerheid over te geven, niet dadelijk voldoen, verliezen alle aanspraak op berg- of

564

-ocr page 641-

BOKK II, TITEL VI EN VII, A.RTT. 543—552.

hulploon, en zijn daarenboven gehouden alle schade te vergoeden, die door zoodanige ophouding veroorzaakt wordt. (B. 1401 v.; K. 546 v.)

549. De onkosten en vrachten, welke de vervoering der goederen van de bergplaats naar de plaats der bestemming, in het geval bij de voorgaande artikelen vermeld, veroorzaakt, worden betaald door diegenen, die dezelve ontvangen; behoudens hun verhaal, indien daartoe gronden zijn. (K. 483.)

550. Indien schepen of goederen in zee of op de buitengronden gered, geborgen of gevischt worden, zonder dat de schipper, andere bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde daarbij aanwezig en a) bij de bergers bekend zijn, zullen dezelve, zoo spoedig mogelijk, ter naaste plaatse, alwaar de berging geschied is, worden overgebragt en gesteld in handen van zoodanigen ambtenaar, als op openbaar gezag met het beheer van dezelve belast is, en zoodanig persoon daar niet zijnde, alsdan in handen van het bestuur der plaats.

Bij overtreding, verliezen de bergers hun berg- of hulp-loon en zijn tot schadeloosstelling gehouden, onverminderd de regtsvordering tot straf, zoo daartoe gronden zijn. (K. 484, 549, 55\'2 v., 556; Getn. w., a. 77; Stb. 1852n0.141,a. 1 j0. Stb. 1854 n». 19.)

551. Schepen strandende en brekende of goederen gevischt wordende aan of op vaste stranden, zullen, bij afwezigheid van den schipper, bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde, of indien deze geene andere beschikking hebben gemaakt, bij uitsluiting van alle anderen, moeten gered en geborgen worden door of ten overstaan van den daartoe gestelden ambtenaar, of, bij ontstentenis van dien, van het plaatselijk bestuur, onder welks ressort de stranding en vissching is geschied.

Indien echter, in het geval van dit artikel, het zij door de vermenging der goederen of op eenige andere wijze, niet stellig blijkt, aan wien de geborgene of opgevischte goederen toebehooren, of deswege verschil bestaat, zal de beredding en berging bij uitsluiting door voorschreven ambtenaar of plaatselijk bestuur moeten geschieden. (K. 546, 547, 550, 552; Stb. 1852 n». 141, a. 2.;

552. In de gevallen waarin de genoemde ambtenaar, of het bestuur tèr plaatse waar eerstgemelde niet aanwezig is, de bevoegdheid hebben om gestrande, geredde en opgevischte voorwerpen te beheeren, zijn zij verpligt daarvan eenen behoorlijken inventaris op te maken, en staan zij ten aanzien der uitlevering der voorwerpen in dezelfde ver-pligting als de bergers, die de schepen of goederen in zee of op de buitengronden hebben geborgen. Zij genieten voor hun beheer zoodanig loon als bij de reglementen is vastgesteld. (Stb. 1879 n0. 10.)

565

Wederkeerig staan de schippers of eigenaars der schepen of goederen jegens de gemelde ambtenaren of het bestuur, ten aanzien van de bergloonen, in dezelfde verpligting als jegens andere bergers. (K. 550 v., 554, 562 v.)

a) O. E. of.

-ocr page 642-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

553. De voormelde ambtenaren zijn verpligt, van alle de gevallen hier-boven gemeld, in hun ressort hebbende plaats gehad, en van het door hen daaromtrent verrigte, uiterlijk binnen twee maal vier en twintig uren, aan den commissaris des Konings in de provincie verslag te doen. (K. 554 v.)

554. Zij moeten zoodanige goederen, welke niet gereclameerd worden, en welke, of door beschadiging of uit der-zelver aard, aan een spoedig bederf onderhevig zijn, of welker bewaring ontwijfelbaar strijdig is met het belang van den eigenaar, na bekomene kostelooze autorisatie van Gedeputeerde Staten der provincie, onverwijld in het openbaar en naar de plaatselijke gebruiken doen verkoopen. (Stb. 1863 n». 56, a. 2; A. 3.)

555. Zij zullen, binnen acht dagen, in een der nieuwspapieren van de provincie, met opgave van alle merken en kenteekenen, van de gedane berging kennis geven, tevens ter reclame oproepende elk en een iegelijk, die tot het geborgene vermeent geregtigd te zijn.

De oproepingen zullen vier malen herhaald worden en wel van maand tot maand.

In de gevallen nogtans, waarin de weinige belangrijkheid der goederen dit raadzaam maakt, zullen de oproepingen, met toestemming van den commissaris des Konings in do provincie, voorloopig mogen worden uitgesteld, ten einde dezelve naderhand met die van andere goederen in ééne oproeping zatnen te voegen. (K. 557.)

556. Indien iemand, het zij door cognoscementen of andere deugdelijke bescheiden, zijn regt op het geborgene bewijst, zullen zij hetzelve, na bekomene kostelooze autorisatie van Gedeputeerde Staten, tegen betaling van het bergloon en de kosten, aan denzelve afgeven.

In geval van twijfel over het regt van den reclamant, of van tegenspraak van derden, of van verschil over de berg-loonen en onkosten, moeten pai tijen naar den gewonen weg van regten worden verwezen; kunnende, in het laatste geval, de regter de uitlevering der goederen tegen voldoende zekerheid bevelen.

Wanneer de berging en de beredding door het plaatselijk bestuur gedaan is, is hetzelve gehouden alles na te komen hetgene ten aanzien der bovengemelde ambtenaren bij dit en de voorgaande artikelen is bepaald. (B. 1857 v., K. 507, 512, 515, 520^

557. Indien zich, na de vier oproepingen, niemand opdoet om het geborgene of opgevischte te reclameren, ial hetzelve, na bekomene kostelooze autorisatie van Gedeputeerde Staten, publiek verkocht worden, en de opbrengst van dien, na aftrek der bergloonen en onkosten, aan voornoemde Gedeputeerde Staten worden verantwoord, en provisioneel bij de amortisatiekas worden geconsigneerd.

De goedkeuring dezer verantwoording door Gedeputeerde Staten benadeelt het regt van de belanghebbenden niet, dat zij tegen die verantwoording mogten willen doen gelden. (K. 555, 558; Stb. 1840 n». 77; Stb. 1863 n». 56, a. 2.)

558. Wanneer, binnen den tijd van tien jaren, iemand

566

-ocr page 643-

BOEK II, TITEL VII, ARTT. 553—565.

kan doen blijken eigenaar van het geborgene te zijn geweest, zal de opbrengst aan hem worden afgegeven.

Binnen dien tijd niemand opgekomen zijnde, zal die opbrengst als vacerend goed beschouwd worden.

Vijandelijke verbeurd verklaarde goederen kunnen nimmer worden teruggevorderd. (B. 576, 640,1172,1175; K. 555, 559b.)

559. Nimmer zal eenig strandregt van gestrande of geredde schepen of goederen, het zij Nederlandsche, het zij vreemde, geheven worden.

Deze bepaling verhindert niet het regt tot verbeurd-ver-klaring van gestrande vijandelijke schepen of goederen. (G. 160; K. o58c.)

560. Voor de hulp, aan de uit den nood geredde schepen of goederen toegebragt, wordt betaald hulploon of bergloon. (Co. 327; K. 313 n«. 1, 564.)

561. Hulploon wordt toegestaan, wanneer door de bijge-bragte hulp en bijstand de schepen en ladingen, het zij te zamen of na gedane lossing en ligting, wederom in eene veilige plaats in zee, of in eene behouden haven worden gebragt.

Hulploon wordt begroot naar den spoed, waarmede men, bij ontdekking van het eerste gevaar, is te hulpe geschoten; naar den tijd waarin de dienst is geschied ; naar het getal der personen, die daartoe noodzakelijk zijn werkzaam geweest; naar den aard van den dienst die daartoe is verrigt, en eindelijk naar het gevaar, dat daarmede gepaard was. (K. 563,564)

562. De gevallen, waarin bergloon wordt toegestaan, zijn:

Wanneer schepen of goederen, het zij uit zee of op de

stranden, onbeheerd en als zeevonden worden gevischt, gevonden of geborgen;

Wanneer goederen geborgen worden uit schepen, die in de branding of op strand zitten, en in zoodanig gevaar zijn, dat dezelve niet meer tot eene veilige bergplaats der goederen of tot lijfsberging van het scheepsvolk kunnen dienen;

Wanneer goederen uit werkelijk verbrijzelde schepen worden geborgen;

Eindelijk, wanneer schepen, welke uit hoofde van het gevaar, waarin dezelve zijn, of door het gemis van lijfsberging op dezelve, door het scheepsvolk verlaten worden, of dat de schepen, nadat het volk tot behoud van het leven er van gehaald en geborgen is, door bergers bezet worden, en vervolgens schip en lading, in het geheel of stukswijze, in behouden haven worden gebragt. (K. 362, 547; Stb. 1839 n0. 1.)

563. Bij de begrooting van bergloon wordt in aanmerking genomen, niet alleen al hetgene in het tweede lid van artikel 561 hierboven is bepaald, maar ook liet gevaar, waaruit het geborgene is gered, mitsgaders de waarde van hetzelve, door deskundigen te begrooten.

564. De begrooting der hulploonen of bergloonen en de benoeming van deskundigen geschieden, in geval van verschil, door den bevoegden regter. (K. 560 v., 567 v.)

565. Wanneer een schip door den schipper en het scheepsvolk wordt verlaten en door bergers wordt aanvaard, zal het evenwel den schipper of bevelhebber ten allen tijde vrijstaan

567

-ocr page 644-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

naar zijn schip terug te keeren en het bestuur over hetzelve te hernemen; in welk geval, de bergers dadelijk, op verbeurte van hun bergloon, en gehoudenis tot schadevergoeding, het bestuur aan den schipper zullen moeten overgeven, onverminderd hun reeds verkregen regt tot het bergloon. (K. 5626.)

566. Bijaldien geborgene schepen of goederen, die op de bergplaats tegen gestelde zekerheid zijn overgegeven, tusschen de bergplaats en die der bestemming vergaan, zonder dat derzelver waarde ter bepaling van het bergloon zij begroot geworden, zal de berekening door deskundigen gedaan worden naar hetgeen de geborgene schepen of goederen, volgens eene billijke begrooting, vermoedelijk op de plaats, alwaar de overgaaf gedaan is, zijn waardig geweest. (K. 547, 548,565.)

567. De geschillen over hulploon en bergloon worden beregt, als volgt:

Indien het schip naar dit Koningrijk is bestemd, door den regter der plaats van de bestemming;

Indien het schip uit dit Koningrijk naar buiten \'s lands is bestemd, door den regter der plaats, alwaar het schip de eerste goederen heeft ingenomen, of van waar het schip in ballast is vertrokken; of door den regter der woonplaats van den schuldenaar, ter keuze van den aanlegger;

Indien het schip, zonder naar dit land bestemd te zijn, naar herwaarts is gekomen, door den regter der plaats waar het; schip hier te lande is gestrand of binnengebragt, of, indien het schip verloren is, waar de goederen zijn gered;

Indien de bestemming van zoodanig schip door den schipper is veranderd naar eenige haven of plaats binnen dit land, is de bepaling hierboven, omtrent schepen naar herwaarts bestemd, toepasselijk. (K. 560 v., 151b.)

568. Alle bedingen of accoorden wegens hulp- of berg-loonen, het zij op zee, het zij bij stranding, met schippers, bevelhebbers of eigenaars, ten opzigte van in nood zijnde schepen of goederen gemaakt, kunnen door den regter gewijzigd of vernietigd worden. (Stb. 1879 n0. 25, a. 276.)

Nogtans zal het aan een ieder vrijstaan, nadat het gevaar voorbij is, over het bergloon of hulploon in der minne te handelen en overeen te komen. Zoodanige overeenkomsten zijn echter niet verbindende voor eigenaars, geconsigneerden of assuradeurs, zoo zij tot dezelve geene toestemming gegeven hebben. (B. 1374; K. 564.)

ACHTSTE TITEL.

Van bodemerij. (K. 758.)

569. Bodemerij is eene overeenkomst tusschen eenen geldschieter en eenen geldopnemer, waarbij eene som gelds wordt opgeschoten, met beding van premie en onder verband van schip of goed, of van beide, met dat gevolg, dat, indien het verbondene, geheel of gedeeltelijk, door toevallen op zee, vergaat of vermindert, de geldschieter zijn regt op de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald, maar, indien het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, de hoofdsom, bene-

5G8

-ocr page 645-

BOEK li, TITEL VII EN VIIl, ARTT. 566—575. 569

vens de premie moet betaald worden. (B. 1185,1196,179\'!, 1811; K. 4 n0. 7, 313 n». 6, öv., en n0. 9,314,342,570 v., 593 f, 599 n0. 3, 600, 601, 608—611, 631, 659 v., 675, 699 n°. 19, 743, 745, 747.)

570. De overeenkomst van bodemerij moet schriftelijk worden opgemaakt. (K. ib, 571, 572.)

Dezelve bevat: (K. 572.)

Den naam van den geldschieter en van den geldopnemer;

De ter leen verstrekte hoofdsom, en de premie, die men overeenkomt om voor het gevaar van de zee te betalen;

De voorwerpen, die voor de geldleening bijzonderlijk verbonden zijn; (K. 574 v.)

De namen van het schip en den schipper; (K. 582.)

Of de geldleening plaats heeft voor ééne of meerdere reizen; voor welke reis en voor welken tijd; (K. 581, 586 v.)

Den tijd der teruggave van het opgenomen geld; (K. 743,747.)

De plaats en den dag, op welken de bodemerij is aangegaan. (K. 571; A. 10. — Co. 311; B. 1374; K. 745.)

571. Alle bodemerijen, binnen dit Koningrijk aangegaan, moeten binnen acht dagen na derzelver onderteekening, worden ingeschreven ter griffie van de arrondissements-regtbank der plaats van de uitrusting des schips.

Indien de bodemerij binnen dit Koningrijk is aangegaan op een vreemd schip, hetwelk niet alhier is uitgerust, geschiedt de inschrijving ter griffie der arrondissements-regtbank der plaats, alwaar de akte is verleden. (Go. 312; K. 570, 572; A. 10.)

572. Zonder dat aan de vereischten bij de twee voorgaande artikelen voldaan zij, wordt het contract voor geen bodemerij gehouden, en is de geldschieter alleen tot de hoofdsom met de wettelijke interessen, onder persoonlijk verband van den geldopnemer, geregtigd. (Co. 192 nu. 7; B. 1800.)

573. Alle bcdemerijbrieven kunnen, indien zij aan order houden, aan derden worden overgedragen, door middel van endossement, in denzelfden vorm als wisselbrieven.

In dit geval treedt de geëndosseerde in de plaats van den endossant, zoo in de baten als schaden, zonder dat de endos-sant tot eenigen verderen of anderen waarborg gehouden is, dan dien van het bestaan der bodemerij. (Go. 313,314; B. 668 v., 11986is. 1570; K. 133 v., 146, 209, 212, 508.)

574. De geldleeningen op bodemerij kunnen gedaan worden onder verband:

Van het casco en de kiel van het schip; (K. 569, 575.)

Van de takelaadje en het verdere scheepstuig; (K. 575.)

Van het oorlogstuig en de victualie; (K. 575.)

Van de lading; (K. 569, 583 v.)

Van alle deze voorwerpen gezamenlijk of ieder afzonderlijk; (K. 569.)

Van een bepaald gedeelte van elk derzelve;

Van de vrachtpenningen en de verwacht wordende winst, doch met inachtneming der bepalingen van artikel 578. (Co. 315; K. 313 n°. 9, 577 v.)

575. Indien eene bodemerij is gesloten onder verband van het schip, zonder verdere aanduiding, is de takelaadje

-ocr page 646-

WETBOEK VAN KOOPIIANDEI..

en verder scheepstuig, mitsgaders het oorlogstuig, daaronder begrepen. (K. 313 n®. 9, 574 b, c en d, 593?, 602.)

576. Alle geldopneming op bodemerij, aangegaan voor eene som, te boven gaande de waarde der voorwerpen waarop zij gevestigd is, kan nietig verklaard worden, ten verzoeke van den geldschieter, indien bewezen wordt, dat er aan de zijde van den geldopnemer bedrog plaats heeft.

Indien er geen bedrog heeft plaats gehad, is de overeenkomst bestaanbaar tot het beloop van de waarde der voorwerpen, voor de opgeschoten som verbonden; het meerdere van de opgenomene som wordt, met de wettelijke interessen, teruggegeven. (Co. 316, 317; B. 1357, 13640, 1488, 1800, 1825; K. 253.)

577. Geen geld mag op bodemerij worden geschoten aan matrozen of zeelieden op hunne soldijen of reisgelden. (Co. 319; K. 386 j®. 418, 574, 5786 599 n«. 1 en 2; W. tucht koopv., a. 21, zie chron. lijst.)

578- Geen geld mag op bodemerij worden geschoten op de te verdienen vracht alleen, op de verwacht wordende winst alleen, of uitsluitend op beide de voormelde voorwerpen gezamenlijk.

In deze gevallen en in die van het vorige artikel, heeft de geldschieter alleenlijk regt op de teruggave der hoofdsom, zonder interessen. (Co. 318; B. 18C)0; K. 574, 577, 59o/i enj.)

579. Geldleening op bodemerij, door den schipper binnen dit land gesloten zonder schriftelijke bewilliging der aldaar gevestigde eigenaars, of bniten \'s lands zonder dat aan de formaliteiten, bij artikel 372 voorgeschreven, is voldaan, geeft geene aanspraak op voorregt, dan voor het aandeel hetwelk de schipper in het verbonden voorwerp zoude mogen hebben. (Co. 321; K. 371.)

580. De aandeelen der scheepseigenaars, die, na de ver-eischte geregtelijke aanmaning, hunne verschuldigde bijdragen niet hebben opgebragt, om het schip uit te rusten, zijn ook verbonden voor de geldleeningen tot vertimrnering en tot aankoop van levensmiddelen, zelfs op de woonplaats der nalatigen, zonder hunne bewilliging, gedaan. (Co. 322; K. 323, 342. 519.)

581. Ue gelden, ten behoeve van de laatste reis van het schip opgenomen, worden betaald bij voorrang boven de schuld voor nog onbetaalde kooppenningen en boven de gelden voor eene vorige reis geleend.

De gelden, gedurende de reis en ten behoeve derzelve, uit noodzakelijkheid, door den schipper opgenomen, zijn bevoor-regt boven die welke vóór het vertrek van het schip opgenomen waren; en indien verscheidene geldopnemingen gedurende dezelfde reis door hem gedaan zijn, is de laatste leening altijd boven de voorgaande bevoorregt.

Bodemerijschulden, op eene en dezelfde reis, in dezelfde noodhaven, gedurende hetzelfde oponthoud, aangegaan, hebben onderling gelijk regt. (Co. 323; K. 313 n®. 6, b v , en n®. 9. 314. 315 n®. 1. 375, 490.)

582. De geldschieter, bij wege van bodemerij op koopmanschappen, geladen in het schip bij contract uitgedrukt.

570

-ocr page 647-

BOEK II, TITEL VIII, ARTT. 576—587.

draagt het verlies der koopmanschappen niet, al zijn zij zelfs door gevaren van de zee verongelukt, zoo de goederen in een ander schip zijn overgeladen, ton ware bewezen worde dat die overlading door ovennagt veroorzaakt was. (Co. 324; K. 376, 570.)

583. In geval van bodemerij op goederen vóór het aangaan der reis, moet zulks zoo op de cognosceraenten als op de manifesten worden aangeteekend, met bijvoeging, aan wien de schipper, ter bestemde losplaatsen, kennis van behoudene aankomst geven moet.

Bij gebreke van dien, is de geconsigneerde, die, zich op het bekomen cognoscement verlatende, acceptatie van wissels gedaan of penningen voorgeschoten heeft, boven den houder van zoodanigen bodemerijbrief bevoorregt.

Ook kan de schipper, onbewust aan wien hij kennis van zijne aankomst geven moet, de goederen, bij gebreke van de hierboven gevorderde aanteekening doen lossen, zonder zich daardoor eenigszins aan den houder van den bodemerijbrief, in dat geval, aansprakelijk te stellen. (K. 119, 357 n0. 5, 372, 507, 516 v., 581 v.)

584. Die met bodemerij bezwaarde goederen te kwader trouwe heeft gelost, ten nadeele van den houder van den bodemerijbrief, wordt daardoor voor de voldoening van de bodemerijschuld persoonlijk aansprakelijk. (K. 583.)

585. Wanneer het contract van bodemei ij geene bijzondere bepalingen inhoudt, begint het gevaar van de zee voor den geldschieter:

Ten opzigte van het verbondene schip en deszelfs tuigagie, oorlogstuig en victualie, van het oogenblik dat hetzelve is onder zeil gegaan, en het eindigt op het tijdstip, waarop het schip ter plaatse zijner bestemmiug het anker heeft laten vallen of vastgemaakt is;

Ten opzigte van de goederen, zoo dra dezelve in het schip of in de vaartuigen, die de goederen aan boord moeten brengen, geladen zijn, en, indien de bodemerij op r^eds ge-ladene koopmanschappen gedurende de reis is aangegaan, van den dag waarop het contract is geslnten

In de beide laatste gevallen, eindigt het gevaar, zoodra de goederen ter bestemde plaatse zijn gelost of hadden behooren gelost te worden. (Co. 328; K. 570, 624 v.)

586. Indien, na het sluiten van een bodemerij-contract, de reis van het verbonden schip en goederen niet voortgaat, kan de geldschieter zijn opgeschoten geld benevens de wettelijke interessen bij voorregt terugeischen zonder de premie, ten ware het gevaar, naar aanleiding van het vorige artikel, reeds voor deszelfs rekening was begonnen, in welk geval hij regt op de premie heeft. (B. 1811; K. 569.)

587. De geldopnemer is persoonlijk voor de hoofdsom en de premie verantwoordelijk, wanneer de reis door zijn toedoen of met zijne toestemming is veranderd, of wanneer het verpande schip of goed dooi- inwendig bederf, of door toedoen, schelmerij, moedwil of nalatigheid van den geldopnemer, vermindert, verergert of vergaat. (Co. 326; B. 1403; K. 249, 570, 582, 638, 653; Sr. 328.)

571

-ocr page 648-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

588. Wanneer de verbondene voorwerpen geheel verloren, of genomen en voor goeden prijs verklaard zijn, en het verlies of de neming door een onvoorzien toeval of over-magt heeft plaats gehad, gedurende den tijd en op de reis waarvoor het geld geschoten is, kan de opgeschoten som niet worden teruggevorderd.

Indien een gedeelte van de verbondene voorwerpen behouden wordt, heeft de geldschieter daarop regt van verhaal, doch niet verder dan hetzelve strekken kan. (Go. 325, 327; K. 313, 569, 585.)

589. Bodemerij, uit noodzakelijkheid gesloten, draagt, indien het tegendeel niet uitdrukkelijk is bedongen, geene andere avarij, dan de schade, die uit het verlies of uit de vermindering, naar aanleiding van art. 569, voortvloeit. (Go. 330; K. 372, 579, 60lb.)

590. De geldopnemer moet, in geval het verbonden schip of goed eenige ramp ondergaat, of genomen wordt, zoo dra hij zulks verneemt, daarvan aan den geldschieter doen kennis dragen.

Onverminderd de verpligting van den schipper, bij den derden titel van dit boek omschreven, moet de geldopnemer, indien hij zich bij het verpande bevindt, alle naarstigheid aanwenden om hetzelve, ten koste van het voorwerp, te redden, — bij nalatigheid in beide gevallen, is hij tot schadevergoeding gehouden. (B. 1393, 1842; K. 283, 345, 365, 367 v., 654 v., 718.)

691. Die, bij stranding of schipbreuk van een verpanc\' schip, schulden betaalt, welke vóór eenen houder van eenen bodemerijbrief zouden gaan, treedt van regtswege in het voorregt van den oorspronkeliiken schuldeischer. (B. 1438 n». 1; K. 313.) _

NEGENDE TITEL.

Van verzekering tegen de gevaren der zee en die der slavernij.

EERSTE AFDEELING.

Van den vorm en den inhoud der verzekering.

592. Behalve de vereischten, bij artikel 256 vermeld, moet de polis uitdrukken:

1°. Den naam van den schipper, dien van het schip, met vermelding van deszelfs soort, en, bij verzekering van het schip, de opgave of hetzelve van vuren hout is, of de verklaring dat de verzekerde van die omstandigheid onkundig is;

2°. De plaats, waar de goederen zijn ingeladen of moeten ingeladen worden;

34. De haven, van waar het schip heeft moeten vertrekken, of moet vertrekken;

4°. De havens of de reeden, waar het moet laden of ontladen;

54. Die, waar het moet inloopen;

6°. De plaats, vanwaar het gevaar voor rekening van den verzekeraar begint te loopen;

7°. De waarde van den verzekerde schip.

572

-ocr page 649-

BOEK II, TITEL VIH EN IX, ARTT. 588—597. 573

Alles behoudens de uitzonderingen in dezen titel voorkomende. (Co. 832; K. 4 n». 10, 246—286, 595, 596, 603, 606, 608, 615, 624-634, 637, 638, 652, 653, 661, 681 v., 743.)

593. De zee-assurantie heeft bijzonderlijk tot onderwerp:

Het casco en de kiel van het schip, ledig of geladen, gewapend of niet; alleen of te zamen met anderen varende: (K. 593«, 602, 619.)

Het tuig en de takelaadje; (K. 593«, 602)

Het oorlogstuig; (K. 593«, 602.)

Mondbehoeften en in het algemeen alles wat het schip, tot het in zee brengen toe, gekost heeft; (K. 334,374,378,602.)

De op bodemerij geschotene penningen en de premie; (K. 609, 610, 611.)

De ingeladene goederen; (K. 378, 612 v.)

Verwacht wordende winst; (K. 615, 621, 622.)

De te verdienen vrachtpenningen; (K. 616, 623.)

Het gevaar der slavernij; (K. 618.)

Bij eene verzekering op het schip, zonder verdere aanduiding, wordt daaronder verstaan het casco en de kiel, het tuig, de takelaadje en het oorlogstuig. (K. 575. — Co. 334; B. 853; K. 268, 321e, 334, 378, 432 v., 569, 599, 608, 640, 720; W. land verb., a. 13.)

594. Verzekering kan gedaan worden op het geheel of op een gedeelte der voorwerpen, gezamenlijk of afzonderlijk;

In tijd van vrede of in tijd van oorlog, vóór of gedurende de reis van het schip; (K. 661.)

Voor de heen- en terugreis; voor een van beiden; voor de geheele reis of voor eenen bepaalden tijd: (K. 595^, 619 n®. 2, 626, 650, 674.)

Voor alle zeegevaren;

Op goede en kwade tijdingen. (K.598. — Co. 335; K. 271.)

595. Indien de verzekerde onkundig is, in welk schip van buiten \'s lands verwacht wordende goederen zullen worden geladen, zal de vermelding van den schipper of van het schip niet worden vereischt, mits bij de polis verklaring worde gedaan van des verzekerden onkunde daaromtrent, alsmede opgave van de dagteekening en den onderteekenaar van den laatsten advijs- of orderbrief.

Het belang van den verzekerde kan op deze wijze slechts voor eenen bepaalden tijd verzekerd worden. (Co. 337; K. 251, 592 nquot;. 1, 650.)

596. Indien de verzekerde onkundig is waarin de goederen, welke aan hem worden toegezonden of geconsigneerd zijn, bestaan, mag hij verzekering op dezelve laten doen onder de algemeene benaming van «goederen.»

Onder zoodanige verzekering zijn niet begrepen gemunt goud en zilver, gouden en zilveren staven, juweelen, paarlen of kleinooden, en krijgsbehoeften. (Co. 337; K. 251, 256 n». 3, 592 n». 2, 599 n». 4, 612, 627 v., 644 v., 727e.)

597. Indien de verzekering is gedaan op schepen \'of goederen, welke, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, reeds behouden ter plaatse hunner bestemming waren aangekomen, of op eenig belang, waarvan de

-ocr page 650-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

schade, tegen welke verzekerd is, reeds op voorschreven tijdstip bestond, zijn op die gevallen toepasselijk de bepalingen van artikel 269 en 270, indien namelijk bewezen wordt of er vermoeden bestaat, dat de verzekeraar van de behoudene aankomst, of de verzekerde of diens lasthebber van het aanwezen der schade, bij het sluiten der overeenkomst, heeft kennis gedragen. (Co. 365; K. 251, 598,603 v.; Sr. 327.)

598. Het vermoeden, bij artikel 270 vermeld, heeft ten aanzien van den verzekerde geene plaats, indien de verzekering is gedaan op goede of kwade tijding, mits in dat geval in de polis worde vermeld het laatste berigt, hetwelk de verzekerde ten aanzien van het verzekerde voorwerp heeft bekomen, en, de verzekering voor rekening van eenen derde zijnde gesloten, in geval van schade, deugdelijk blijke van de dagteekening van den last, dien de lasthebber, tot het doen der verzekering, bekomen heeft.

Met dat beding kan de verzekering alleen dan worden vernietigd, indien er bewezen wordt, dat de verzekerde of diens lasthebber, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, van de geledene schade heeft kennis gedragen. (Co. 367; K. 256 n0. 8, 264 v., 269, 594e; B. 1357,1485,1917; Sr. 327.)

599. Verzekeringen zijn nietig, wanneer zij gedaan zijn:

1°. Op de soldijen of gagien van het scheepsvolk;

(K 418, 577.)

2°. Op de pretnien of het kaplaken des schippers; (K. 386 j». 418.)

3°. Op schepen of goederen, waarop de volle waarde vroeger op boderaerij is geschoten; (K. 250, 252, 600, 601, 609, 610, 611.)

4°. Op voorwerpen, waarin, volgens de wetten en verordeningen, geen handel mag worden gedreven, (A. 14; B. 1373; K. 499 n0. 3; Sr. 274) en

5°. Op de schepen, hetzij Nederlandsche, het zij vreemde, welke tot vervoer der voorwerpen, in n0. 4 vermeld, zijn gebruikt. (Co. 3i7; K. 593. 603(), 608, 615; Sr. 277.)

600 Op schepen of goederen, waarop niet de volle waarde op de bodemerij is geschoten, mag alleen de meerdere waarde, mitsgaders hetgeen als bijdrage in de avarij, bij behoudene aankomst, zoude moeten betaald worden, verzekerd worden. (K. 253, 299 n0. 3, 696 v., 727.)

601. Wanneer op gedeeltelijk met bodemerij bezwaarde voorwerpen ook verzekering voor het overige is genomen, wordt, in geval van abandonnement aan den verzekeraar, het bedrag van het geborgene tusschen den bodemerijsever en den verzekeraar, in verhouding van hun wederzijdsch belang, gedeeld.

Indien echter in dit geval de bodemerij uit noodzakelijkheid is gesloten, gaat de bodemerij vóór de verzekering. (Co. 331; K. 313 n». 9, 589, 663 v.)

602. Verzekering op het casco en de kiel van het schip kan gedaan worden voor de volle waarde van het schip, nevens al deszelfs toebehooren, en alle onkosten, tot in zee toe. (K. 334, 378. 574, 575, 593 a-e, 612, 619.)

603. Verzekering mag gedaan worden op schepen en

574

-ocr page 651-

BOEK II, TITKL IX, ARTT. 598—608.

goederen, welke reeds vertrokken of vervoerd waren van de plaats, vanwaar het gevaar voor rekening van den verzekeraar zoude beginnen te loopen; mits in de polis worde uitgedrukt, het zij het juiste tijdstip van het vertrek des schips of der vervoering der goederen, het zij de onwetendheid van den verzekerde te dien opzigte.

In allen gevalle moet, op straffe van nietigheid, in de polis worden uitgedrukt de laatste tijding, die de verzekerde van het schip, of van de goederen bekomen heeft, en, indien de verzekering voor rekening van eenen derde geschiedt, de dagteekening van den order- of advijsbrief, of de uitdrukkelijke vermelding, dat de verzekering, aonder lastgeving van den belanghebbende, plaats heeft. (K. 251, 256 n». 8, 265, 281, 592, 597, 604 v., 624 v.)

604. Indien de verzekerde, bij de polis, de bij het voorgaande artikel bepaalde verklaring van onwetendheid doet, en het naderhand blijkt, dat de verzekering gedaan is, nadat de schepen vertrokken waren van de plaats, vanwaar het gevaar voor rekening van den verzekeraar zoude beginnen te loopen, moet, ingeval van schade, de verzekerde, op de vordering van den verzekeraar, zijne verklaring van onwetendheid met eede bevestigen. (K. 969; Sr. 327.)

605. Indien in de polis, noch van het vertrek van het schip, noch van de onwetendheid deswege melding is gemaakt, wordt zulks gehouden voor eene erkenning dat hetzelve, bij het afgaan van den laatsten post, die vóór het sluiten der polis is aangekomen, of, alwaar geene geregelde posten zijn, bij de laatste bekwame gelegenheid om tijding over te brengen, nog was liggende ter plaatse, vanwaar hetzelve moest vertrekken. (K. 251, 603 v.)

606. Indien verzekering is gedaan op schepen, welke nog niet op de plaats zijn vanwaar het gevaar moet beginnen, of die tot het aannemen der reis of tot het innemen der lading nog niet gereed zijn, — of op goederen, die niet terstond kunnen geladen worden, is de verzekering nietig, ten ware die omstandigheid in de polis vermeld zij, of daarbij zij opgegeven dat de verzekerde daarvan geene kennis draagt, met vermelding van den advijs- of orderbrief. of de verklaring dat die niet bestaat; mitsgaders in allen gevalle van de laatste tijding, die hij van het schip of van het goed bekomen heeft.

De verzekerde en diens lasthebber zijn, in geval van schade, verpligt om, op de vordering van den verzekeraar, hunne onwetendheid met eede te bevestigen. (K. 251, 269, 59-2. 603, 624 v.; Sr. 327)

607. In eene verzekering op bodemerij, moet de hoeveelheid der geleende geldsommen en van de bodemerij-premie, ieder afzonderlijk, in de polis vermeld worden; zulks niet geschied zijnde, wordt het daarvoor gehouden, dat de bodeme-rij-premie niet verzekerd is. (K. 569, 592, 593/quot;, 608, 631, 659.)

608. Verzekering op bodemerij is niet bestaanbaar, wanneer de polis niet inhoudt:

Den naam van den geldopnemer, al ware deze ook de schipper;

575

-ocr page 652-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Den naam van het schip, waarmede de reis zal gedaan worden, en dien van den schipper;

De plaats der bestemming;

De vermelding of het geld in eene ladingsplaats, of in eene noodhaven, voor noodige reparatien of andere noodzakelijke onkosten, verstrekt is. (K. 256, 592, 600 v., 607,609—614.)

609. Wanneer de schipper, op reis zijnde, genoodzaakt geweest is geld op bodemerij te nemen, kan de geldschieter zoodanige bodemerij laten verzekeren, al ware er vooraf eene verzekering van het verbodemde voorwerp gedaan. (Co. 334; K. 252, 599 n0. 3, 610, 611.)

610. Wanneer een reeds verzekerd schip of reeds verzekerde koopmanschappen, zonder noodzakelijkheid en alleen in het belang van den geldopnemer, door bodemerij verbonden worden, treedt de geldschieter in de regten die de geldopnemer jegens den verzekeraar zoude hebben gehad, ten beloope van de geleende som. (B. 1438; K. 252, 599 n0. 3, 609.)

611- Indien echter de geldschieter geene kennis heeft gedragen van de geslotene verzekering en hij zulks met eede bevestigt, zijn de verzekeraars op de bodemerij niet ontslagen, doch is de verzekerde, in geval van schade, verpligt aan hen af te staan die regten, die hij op de verzekeraars van het schip of van de goederen, uit krachte der wettelijke indeplaatsstelling, zcude hebben.

In geval de geldschieter de verzekeraars op schip of lading onmiddellijk aanspreekt, zijn die op de geschoten penningen ontslagen, tegen teruggave der premie. (B. 1438; K. 281, 609 v.)

612. Goederen mogen verzekerd worden voor de volle waarde, welke dezelve hebben ten tijde en ter plaatse der verzending, met alle onkosten tot aan boord, de premie van verzekering daaronder begrepen, zonder dat eene afzonderlijke begrooting van ieder voorwerp kan gevorderd worden. (K. 253, 593/quot;, 613 v., 627 v.)

613. De werkelijke waarde der verzekerde goederen mag verhoogd worden met de vracht, inkomende regten en andere onkosten, welke bij de behoudene aankomst noodzakelijk moeten worden betaald, mits daarvan melding in de polis worde gemaakt. (Co. 347, 354; K. 256n0.8, 592,612,614.)

614. De verhooging, bij het voorgaande artikel omschreven, is niet verbindende, indien het verzekerde ter bestemde plaats niet aankomt, voor zoo verre daardoor de betaling van de vracht, inkomende regten en andere onkosten, geheel of ten deele vervalt.

Maar indien de vracht, volgens overeenkomst met den schipper vóór zijn vertrek gemaakt, heeft moeten vooruitbetaald worden, blijft de verzekering te dien aanzien stand grijpen; in geval van ramp of schade, moet de daadzaak der vooruitbetaling bewezen worden. (K. 281, 478, 479, 482amp;.)

615. Verzekering op verwacht wordende winst moet afzonderlijk bij de polis begroot worden, met bijzondere opgave, op welke goederen dezelve wordt gedaan; bij gebreke hiervan, is de verzekering nietig.

576

-ocr page 653-

BOEK 11, TITEL IX, ARTT. 609-GW.

Indien de waarde van het verzekerde in het algemeen is uitgedrukt, met stellige bepaling dat al hetgeen de waarde der goederen te boven gaat, voor verwacht wordende winst zal worden gehouden, is de verzekering geldig voor de waarde der verzekerde voorwerpen; doch zal het overschietende worden herleid tot de bewijsbare hoegrootheid der verwacht wordende winst, berekend naar den maatstaf bij artikel 621 en 622 vermeld. (K. 592, 593/i, 612, 613.)

616. Vrachtpenningen kunnen voor hun vol beloop worden verzekerd. (K. 453 v., 464d, 482, 593;, 613 v., 617, 623, 630, 640, 642.)

617. Het schip vergaande of strandende, wordt de verzekering ingekort, voor zoo veel het beloop betreft van hetgeen de schipper of de eigenaar van het schip, door dat ongeval, voor gagie of soldij aan het scheepsvolk en andere onkosten, welke bij behoudene aankomst moeten betaald worden, niet of minder schuldig is. (K. 418 v., 616.)

618. Verzekering tegen slavernij wordt gedaan tot eene bepaalde som, voor welke de persoon, die in slavernij gebragt, en wiens vrijheid verzekerd is, mag vrijgekocht worden.

Het onderscheid tusschen den rantsoen-prijs en de verzekerde som komt ten voordeele van den verzekeraar; en in geval eene grootere som, dan die, bij de overeenkomst bepaald, tot het vrijkoopen vereischt wordt, volstaat hij met de voldoening der in de polis uitgedrukte som. (K. 432 v.. 592, 593A:.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de hcgrooling der verzekerde voorwerpen.

619. De volle waarde op de kiel of hef casco van een schip verzekerd zijnde, kan, hoezeer bevorens getaxeerd, door geregtelijke uitspraak, des noods na berigt van deskundigen, nader bepaald of verminderd worden:

1°. Indien het schip bij de polis is getaxeerd naar den inkoopsprijs, of naar hetgeen hetzelve van bouwen gekost heeft, en hetzelve, het zij door ouderdom, het zij door het afleggen van vele reizen, reeds minder waarde had;

2°. Indien het schip, voor onderscheidene reizen zijnde verzekerd, na eene of meer reizen te hebben afgelegd en uit dien hoofde vracht te hebben verdiend, vervolgens op eene der verzekerde reizen vergaat. (Co. 336; K. 273 v., 275, 5930, 594c, 713; Rv. 222 v.)

620. Indien de verzekering gedaan is voor de terugreis uit een land, waar handel alleen bij wijze van ruiling plaats heeft, wordt de begrooting van de waarde der verzekerde goederen berekend, op den voet van hetgeen de in ruiling gegevene goederen gekost hebben, met bijvoeging van de transportkosten. (Co. 340; B. 1577 v.)

621. Verwacht wordende winst wordt bewezen door erkende prijscouranten, of, bij gebreke daarvan, door eene begrooting van deskundigen, waaruit blijkt van de winst welke de verzekerde goederen, bij behoudene aankomst

577

37

-ocr page 654-

wetboek van koophandel.

na het afleggen eener gewone reis, redelijkerwijze, op de plaats der bestemming, zouden hebben opgeleverd. (K. \\b, 273, 593ft, 615, 622; Rv. 222 v.)

622. Indien uit de prijscouranten of uit de begrooting van deskundigen blijkt, dat, bij behoudene aankomst, de winst minder zoude hebben bedragen, dan de som, die de verzekerde bij do polis had opgegeven, volstaat de verzekeraar met de betaling van dat mindere. Hij is niets verschuldigd, indien de verzekerde voorwerpen geene winst hoegenaamd zouden hebben opgebragt. (K. 60, 615, 621.)

623. Het bedrag der vrachtpenningen wordt bewezen door de chertepartij of de cognoscementen.

Bij gebreke van chertepartij en cognoscementen, of indien het \'goederen geldt aan de scheepseigenaars zelve toebe-hoorende, wordt het bedrag der vracht door deskundigen begroot. (Co. 286; K. Ife, 454 v., 507, 512, 593/, 616; Rv. 222 v.)

derde afdeeling.

Van het begin en het einde van het gevaar.

624. Bij verzekering op het schip, begint het gevaar voor den verzekeraar te loepen van het oogenblik dat de schipper een begin heeft gemaakt met het laden van koopmanschappen; of, zoo hij alleen in ballast moet vertrekken, zoodra hij een begin heeft gemaakt met den ballast te laden. (Co. 328, 341; K. 585b, 592 nquot;. 6, 627, 634, 696.)

625. In de bij het voorgaande artikel, gemelde verzekering eindigt het gevaar voor den verzekeraar één en twintig dagen nadat het verzekerde schip ter bestemde plaatse is aangekomen, of zoo veel eerder als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn. (Co. 328, 341; K. 507 n0. 6, 585b, 592 n0. 6, 629, 632, 634, 638.)

626. Bij verzekering van een schip voor eene uit- en te huis reis, of voor meer dan ééne reis, loopt de verzekeraar, zonder tusschenpoozing, het gevaar, tot en met den één en twintigsten dag nadat de laatste reis is volbragt, of tot zoo vele dagen minder als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn. (K. 594c, 624, 625.)

627. Goederen of koopmanschappen verzekerd zijnde, begint het gevaar, voor rekening van den verzekeraar, te loopen, zoodra de goederen zijn gebragt op de kade of den wal, om van daar ingeladen of vervoerd te worden naaide schepen waarin dezelve geladen worden, en eindigt vijftien dagen nadat het schip ter bestemde plaatse zal zijn aangekomen, of zoo veel eerder, als de verzekerde goede ren aldaar zullen zijn gelost en op de kade of den wal geplaatst, (K. 457,458,585c en d, 593g, 596,624, 629,632,633,634,644.)

628- Bij verzekering op goederen of koopmanschappen loopt het gevaar onafgebroken voort, hoezeer de schipper genoodzaakt zij geweest in eene noodhaven in te loopen, aldaar te lossen en te repareren, tot dat of de reis wettig gestaakt, of door den verzekerde bevel tot het niet weder

578

-ocr page 655-

BOEK n, TITEL IX, ARTT. 622—636.

inschepen van de goederen gegeven, of de reis geheel volbragt zij. (K. 478a en d, 627, 632.)

629. Indien de schipper of de verzekerde op goederen door wettige redenen verhinderd wordt, binnen den bij artikel 627 bepaalden tijd te lossen, zonder zich aan vertraging schuldig te maken, blijft het gevaar van den verzekeraar doorloopen, tot dat de goederen gelost zijn. (K. 630amp;, 632.)

630. In eene verzekering op te verdienen vrachtpenningen, begint de verzekeraar het gevaar te loopen, van het oogenblik en naar mate dat de vracht betalende goederen en koopmanschappen in het schip geladen zijn, en eindigt vijftien dagen nadat het schip ter bestemde losplaats zal zijn aangekomen, of zoo veel eerder als de vracht betalende goederen en koopmanschappen zullen zijn gelost.

De bepaling van artikel 629 is ook te dezen toepasselijk. (K. 453, 464d, 482, 593;, 616, 623, 627, 634,638,640, 642.)

631. Bij verzekering op eene bodemerij, begint en eindigt het gevaar voor den verzekeraar te loopen, op het oogenblik dat het gevaar des geldschieters begint en eindigt volgens de wet, of volgens een aan den verzekeraar bekend gemaakt beding. (K. 585, 607 v., 611, 634, 660.)

632. Wanneer de reis gestaakt wordt nadat een verzekeraar heeft begonnen gevaar te loopen, blijft het gevaar in eene verzekering op goederen loopen vijftien dagen, en in eene verzekering op het schip één en twintig dagen, nadat de staking der reis heeft plaats gehad, of zoo veel korter als de laatste goederen of koopmanschappen gelost zijn. (K. 624 v., 627 v., 635 v.)

633. De tijd van den aanvang en het eindigen van het gevaar op verwacht wordende winst staat gelijk met den daartoe voor de goederen bepaalden tijd. (K. 627 v., 634.)

634. Het staat, in alle verzekeringen, aan de wederzijd-sche partijen vrij, om bij de polis andere bedingen, nopens het beginnen en het eindigen van den juisten tijd van het gevaar, te maken. (B. 1374; K. 592, 593k, 624 v., 650.)

VIERDE AFDEELING.

Van de regten en pligten van den verzekeraar en den verzekerde.

636. Bij staking der reis, vóórdat de verzekeraar heeft begonnen eenig gevaar te loopen, vervalt de verzekering.

De premie wordt door den verzekerde ingehouden of door den verzekeraar teruggegeven, in beide gevallen tegen genot van een half ten honderd van de verzekerde som, of wel van de halve premie, indien dezelve minder dan één ten honderd mogt beloopen. (Co. 349; K. 281, 624 v., 632, 634, 636 v., 652 v., 660, 662.)

636. Indien de reis gestaakt wordt, nadat de verzekeraar heeft begonnen gevaar te loopen, doch vóórdat het schip op de laatste uitklaringsplaats het anker of de touwen heeft losgemaakt, geniet de verzekeraar één ten honderd van de verzekerde som, indien de premie één ten honderd of meerder

579

-ocr page 656-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

bedraagt; doch, minder bedragende, wordt dezelve, in haar geheel, door den verzekeraar genoten.

De volle premie is altijd verdiend, wanneer de verzekerde eenige schadevergoeding, hoe ook genaamd, vordert. (K. 635.)

637. Voor rekening van den verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, die aan de verzekerde voorwerpen overkomen door storm, onweder, schipbreuk, stranding, het overzeilen, aanzeilen, aanvaren, of aandrijven, gedwongene verandering van koers, van de reis of van het schip, door het werpen van goederen, door brand, geweld, overstrooming, neming, kapers, roovers, aanhouding op last van hooger hand, verklaring van oorlog, represailles; alle schade veroorzaakt door nalatigheid, verzuim of schelmerij van den schipper of de\' scheepsgezellen, en, in het algemeen, door alle van buiten aankomende onheilen, hoe ook genaamd, ten zij, door de bepaling der wet, of door beding bij de polis, de verzekeraar van het loopen van eenige dezer gevaren ware vrijgesteld. (Co. 350, 353; K. 249, 276, 284, \'290, 321,363, 478, 505, 534 v., 545 v., 587, 592, 638, 640 v., 646 v., 659, 699 n0. 2—6.)

638. Bij verzekering van het schip, houdt de verpligting van den verzekeraar op door alle willekeurige verandering van koers, of van de reis, en bij verzekering op vrachtpenningen, door alle willekeurige verandering van koers, van de reis of verwisseling van het schip, in beide gevallen door den schipper uit zich zeiven of op last der eigenaars van het schip gedaan; ten zij, ten aanzien van den schipper, die zulks uit zich zeiven heeft gedaan, het tegendeel uitdrukkelijk bij de polis ware bedongen.

Bij eene verzekering op goederen geldt hetzelfde, indien de willekeurige verandering van koers, reis of schip heeft plaats gehad op last, of met uitdrukkelijke of mot stilzwijgende toestemming, van den verzekerde.

De reis wordt gerekend veranderd te zijn, zoodra de schipper dezelve naar eene andere bestemming, dan waarvoor verzekerd is, heeft aangevangen. (Co. 351; K. 592 n0. 3, 4 en 5, 5936 en g, 639, 641, 653, 660; Sr. 403.)

689. De willekeurige verandering van koers bestaat niet in eene geringe afwijking, maar alleen indien de schipper, buiten erkende noodzakelijkheid of nuttigheid, en zonder voldoende aanleiding in het belang van het schip en de lading, eene haven, buiten den koers gelegen, aandoet, of eene andere streek volgt, dan waartoe hij verpligt was. (Sr. 403.)

In geval van verschil hieromtrent beslist de regter, na verhoor van deskundigen. (K. 358 n0. 6, 379, 384, 638; Bv. 222 v.)

640. In een verzekering op het schip en de vrachtpenningen, is de verzekeraar ongehouden de schade te betalen, door de schelmerij van den schipper veroorzaakt, ten zij anders bij de polis ware bedongen.

Dat beding is ongeoorloofd, indien de schipper de eenige eigenaar van bet schip is, of voor zoo verre hij daarin aandeel heeft. (Co. 347, 353; K. 276, 392 v., 592, 624 v., 630, 637, 642, 659, 693; Sr. 402 v.)

580

-ocr page 657-

BOEK II, TITEL IX, ARTT. 637—646.

641. In eene verzekering op goederen, toebehoorende aan de eigenaars van het schip, waarin dezelve geladen zijn, zijn de verzekeraars mede niet aansprakelijk voor de schelmerij van den schipper, of voor de verliezen of schaden, welke door zijne willekeurige verandering van koers, van de reis of van het schip veroorzaakt worden, al ware zulks buiten schuld of voorkennis van den verzekerde gedaan, ten zij anders bij de polis ware bedongen. (Co. 353; K. 276, 592, 627 v., 637, 638, 640, 659, 693; Sr. 402 v.)

642. Bij eene verzekering op de vrachtpenningen is de verzekeraar niet verantwoordelijk voor de schade, opgekomen sedert het oogenblik dat de schipper, van al het noodige tot de reis voorzien zijnde, zonder wettige redenen in het belang van het schip en de lading, de gelegenheid heeft verzuimd om de reis te vervorderen; ten ware de verzekeraar daartegen uitdrukkelijk mogt hebben verzekerd. (K. 354, 472, 630, 640; Rv. 582b.)

643. De verzekeraar is, in geval van verzekering van vloeibare waren, als: wijn, brandewijn, olie, honig, pek, teer, stroop of dergelijke, en van zout of suiker, niet gehouden tot vergoeding van eenige schade veroorzaakt door lekkaadje of smelting, ten zij uit stooten, schipbreuk, of stranden van het schip ontstaan, of doordien de verzekerde goederen in eene noodhaven zijn gelost en herladen.

Indien de oorzaken, of eene derzelve, bestaan, uit hoofde van welke de verzekeraar verpligt is de schade, door lekkaadje of smelting veroorzaakt, te betalen, moet daarvan zooveel worden afgetrokken, als soortgelijke goederen volgens oordeel van deskundigen, gewoonlijk verliezen. (Co. 355; K. 249, 644, 719.)

644. Indien, in de gevallen, waarin de wet dit toelaat, verzekering is gedaan onder de algemeene benaming van goederen of koopmanschappen, of in welke zaken ook het belang van den verzekerde moge bestaan, en het gevaar is geloopen op voorwerpen, welke ligtelijk aan bederf of vermindering onderhevig zijn, is de verzekeraar niet gehouden tot zoodanig beloop in de schade daaruit ontstaande, als hetwelk, volgens de bestaande gebruiken, op de plaats der verzekering, niet door de verzekeraars gedragen wordt. Bij verschil, zal zulks door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald.

Wanneer er onder de voorschrevene goederen zoodanige waren, die, ter plaatse alwaar de verzekering is gedaan, gewoonlijk niet anders verzekerd worden, dan vrij van beschadiging, lekkaadje of smelting, is de verzekeraar van die schade geheel bevrijd. (A. 3; B. 1383; K. 249,596,643,646,719.)

645. Indien de goederen van de soort, in het voorgaande artikel gemeld, in de polis met derzelver namen zijn uitgedrukt, zonder eenig bijzonder beding, is de verzekeraar niet aansprakelijk voor de avarij onder de drie ten honderd. (K. 696 v., 719.)

646. Indien eene verzekering is gesloten met het beding «vrij van beschadigdheid,» om het even of daarbij al of niet is gevoegd «bij behoudene aankomst,» is de verzekeraar niet

581

-ocr page 658-

WETBOEK VA.N KOOPHANDEL.

verantwoordelijk voor eenige schade, wanneer de verzekerde voorwerpen bedorven of beschadigd ter plaatse hunner bestemming zijn aangekomen.

Dezelfde bepaling is toepasselijk op het geval, wanneer de voorwerpen onder weg of in eene noodhaven, uit hoofde van beschadigdheid, of uit vrees dat zij zouden bederven, of andere goederen aansteken, zijn verkocht geworden.

Avarij-grosse, mitsgaders schade door werping, neming, roof of dergelijke, of door het vergaan van het schip veroorzaakt, worden niettemin, bij dat beding, door den verzekeraar gedragen. (Co. 409; K. 637, 643, 696 v., 735 v.)

647. In eene verzekering onder het beding «vrij van molest,» is de verzekeraar bevrijd, zoodra het verzekerde voorwerp vergaat of bederft, door geweld, neming, kaperij, zeerooverij, aanhouding op last van hooger hand, verklaring van oorlog en represailles.

De verzekering vervalt, zoodra het verzekerde door het molest wordt opgehouden of van den koers gebragt.

Alles behoudens de verpligting van den verzekeraar, om de schade te voldoen, welke vóór het molest heeft plaats gehad. (K. 365, 370, 500, 505, 637, 638 v., 648, 649, 663.)

6é8. Indien bij het beding van «vrij van molest,» door den verzekerde bedongen is, dat de verzekeraar, niettegenstaande de opbrenging, het gewone gevaar zoude blijven loopen, draagt de verzekeraar, zelfs na dit molest, alle gewone schaden, die aan het verzekerde overkomen totdat het schip is opgebragt en het anker heeft laten vallen, met uitzondering echter van de zoodanige, welke ongetwijfeld uit het molest dadelijk voortspruiten.

Bijaldien de oorzaak van het vergaan twijfelachtig is, wordt vermoed dat het verzekerde door eene gewone ramp is vergaan, waarvoor de verzekeraar aansprakelijk is. (K. 637, 647.)

649. Indien een vrij van molest verzekerd schip of goed in eene haven ligt, en vóór deszelfs vertrek vijandig wordt bezet, of, indien hetzelve wordt aangehouden, wordt zulks met opbrengen gelijk gesteld, en het gevaar houdt voor den verzekeraar op. (K. 647, 648.)

650. Verzekering gedaan zijnde voor eenen bepaalden tijd, in dier voege als zulks bij artikel 595 gemeld is, moet de verzekerde het bewys leveren, dat het verzekerde goed in het schip, dat eenige ramp geleden heeft of vergaan is, binnen den bepaalden tijd, geladen is geweest. (K. 594c, 674.)

651. Bij schadevergoeding wegens goederen door den schipper ingekocht of ingeladen, het zij voor zijne eigene rekening, het zij voor die van het schip, moet het bewijs van den inkoop, en een cognoscement van dezelve, door twee van de voornaamsten van het scheepsvolk onderteekend, worden overgelegd. (Co. 344; K. 352, 367, 507.)

652. Indien de verzekering bij verdeeling plaats heeft, ten aanzien van koopmanschappen, die geladen moeten worden in verscheidene aangeduide schepen, met uitdrukking van de som, die op elk schip verzekerd wordt, en indien de geheels lading wordt geladen in één schip of in een minder getal

582

-ocr page 659-

BOEK 11, TITKL IX, AR TT. 647—658.

schepen dan in de overeenkomst bepaald was, is de verzekeraar niet verder aansprakelijk dan voor de som, welke hij verzekerd heeft op het schip of de schepen die de lading hebben ingenomen, niettegenstaande alle de genoemde schepen verongelukt zijn; — en zal hij desniettemin een half ten honderd of minder, volgens de onderscheiding van artikel 635, ontvangen van de som waarvan de verzekering bevonden wordt krachteloos te zijn. (Co. 361; K. 592 n®. 1.)

653. De verzekeraar is ontslagen van het verdere gevaar, en is geregtigd tot de premie, indien de verzekerde het schip zendt naar eene meer afgelegene plaats, dan bij de polis genoemd was.

De verzekering heeft volkomen gevolg indien de reis verkort is. (Co. 364; K. \'282, 592 n0. 4, 638c.)

654. De verzekerde is verpligt aan den verzekeraar, of. indien er meerdere op eene en dezelfde polis geteekend hebben, aan den eersten onderteekenaar, onverwijld mede te deelen alle tijdingen die hij opzigtelijk eene ramp, aan schip of goed overgekomen, bekomt, en moet kopijen of uittreksels van de brieven waarin de tijdingen vervat zijn, mededeelen aan diegenen der verzekeraars, die zulks mogten verlangen.

Bij verzuim daarvan, is de verzekerde gehouden te vergoeden alle de onkosten, schaden en interessen. (Co. 374, 387, 390; K. 283; B. 1282 v.)

655. Zoo lang de verzekerde niet geregtigd is, om het verzekerde aan zijnen verzekeraar te abandonneren, en dientengevolge hetzelve niet werkelijk abandonneert, is hij verpligt, bij schipbreuk, stranding, opbrenging of aanhouding, alle mogelijke vlijt en gepaste pogingen aan te wenden om hetzelve te redden of te doen vrijgeven.

Hij heeft hiertoe geene bijzondere volmagt van den verzekeraar noodig, en is zelfs geregtigd, om van denzelve te vorderen eene toereikende som ter bestrijding der onkosten, die tot redding of reclame moeten worden uitgegeven. (Co. 381, 388; K. 283, 362, 365, 545, 657, 663, 665, 718.)

656. De verzekerde, die buiten\'s lands poging tot redding of reclame moet laten doen, den last daartoe opgedragen hebbende aan zijnen gewonen correspondent, of aan een ander huis of persoon, ter goeder naam en faam staande, is voor den lasthebber niet verantwoordelijk, doch is gehouden zijne regtsvorderingen tegen denzelve aan den verzekeraar af te staan. (B. 668, 1844; K. 655 v., 665, 676.)

657. In eene verzekering voor onbepaalde rekening, dat is, wanneer in de polis niet is uitgedrukt tot welke natie de eigenaar van het verzekerde behoort, is de verzekerde mede tot het doen der reclame verpligt, bijaldien de opbrenging of aanhouding is wederregtelijk, ten ware hij bij de polis daarvan zij ontslagen. (K. 655 v.)

658. Een vonnis van eenen buitenlandschen regter, waarbij schepen of goederen, welke als bepaald onzijdig eigendom zijn verzekerd, verklaard worden geen onzijdig eigendom te zijn, en daarom zijn prijs verklaard, is niet voldoende om den verzekeraar van het betalen der schade vrij te spreken.

583

-ocr page 660-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

bijaldien de verzekerde bewijst dat het verzekerde waarlijk onzijdig eigendom is geweest en dat hij, bij den regter, die het vonnis heeft uitgesproken, alle middelen aangewend en alle bewijsstukken ingediend heeft, om zoodanige prijsverklaring af te weren. (Rv. 431; K. 251, 656 v.)

659. In eene verzekering op eenen bodemerijbrief, is de verzekeraar niet aansprakelijk voor de schelmerij van den geldopnemer, ten zij het anders bij de polis ware bedongen. (Co. 353; K. 284, 587, 607, 637, 640 v., 660.)

660. De verandering van reis door den geldopnemer op bodemerij, doet mede de verzekering op bodemerij ophouden, ten zij het anders bij de polis ware bedongen.

De verzekeraar geniet in dat geval een half ten honderd van de verzekerde som. (K. 586, 587, 592, 631, 635, 638 v., 653, 662.)

661. Indien verhooging van premie, voor het geval van opkomenden oorlog of andere te ontstane gebeurtenissen, bedongen is, wordt dezelve, voor zoo verre de hoegrootheid der verhooging niet bij de polis is uitgedrukt, des noods door den regter, na verhoor van deskundigen, geregeld, met inachtneming van het gevaar, de omstandigheden en de bij de polis gemaakte bedingen. (Co. 343; K. 592, 637; Rv. 222 v.)

662. In alle gevallen in welke, of de verzekerde goederen niet zijn verzonden, of in mindere hoeveelheid verzonden worden, of bij mistasting te veel is verzekerd, en voorts in het algemeen in de gevallen bij artikel 281 voorzien, geniet de verzekeraar een half ten honderd van de verzekerde som of de halve premie, en zulks op dezelfde wijze als bij artikel 635 is bepaald, behoudens wanneer, in een bijzonder geval, hem bij de wet of bij de overeenkomst meerder is toegekend.

Degene die eene verzekering voor een ander heeft gesloten, zonder deszelfs naam bij de polis uit te drukken, kan de premie niet terugvorderen, op grond dat de belanghebbende de verzekerde goederen, niet, of in mindere hoeveelheid, heeft afgezonden. (K. 264 v., 267 v., 281, 282, 599.)

VIJFDE AFDEELING.

Van dbandonnement.

663. De verzekerde schepen en goederen kunnen aan den verzekeraar geabandonneerd of overgelaten worden, in geval:

Van schipbreuk;

Van stranding met verbrijzeling; (K. 665.)

Van onbruikbaarheid door zeeschade; (K. 664.)

Van vergaan of bederf door zeeramp; (K. 666 v.)

Van opbrenging of aanhouding door eene vreemde Mogendheid; (K. 365, 665, 668.)

Van aanhouding door de Nederlandsche Regering na het begin der reis. (K. 624, 665, 668.)

Alles behoudens de nadere bepalingen in de volgende artikelen voorkomende. (Co. 369; K. 254, 601, 670 v., 694.)

664. Het abandonnement van het schip, uit hoofde van

584

-ocr page 661-

BOEK 11, TITEL IX, ARTT. 659—668.

onbruikbaarheid, kan niet gedaan worden, indien hetzelve, gestooten hebbende of gestrand zijnde, weder vlot gemaakt, hersteld en in staat gebragt kan worden om deszelfs reis naar de plaats zijner bestemming te vervolgen, en de reparatiekosten geen drie vierde van de waarde, waarop het schip bij het doen der verzekering is begroot, te boven gaan. (Co. 389; K. 478, 655 v., 663d, 717.)

665. Indien schepen of goederen zijn gestrand, opgebragt of aangehouden, kan het abandonnement dadelijk worden gedaan, zoodra de verzekaar weigert of in gebreke blijft den verzekerde eene genoegzame som op te schieten, om de onkosten, tot redding of reclame, te kunnen goedmaken.

In geval van verschil wordt deze som door den regter begroot.

Zij komt ten laste des verzekeraars, al ware het dat die onkosten, gevoegd bij het beloop der verschuldigde schade, de som te boven gingen, waarvoor verzekerd is. (K. 283, 655 v., 663ö, c, f en g, 676.)

666. Het abandonnement, in geval van vergaan of bederf, kan niet gedaan worden, dan wanneer het verlies of de schade drie vierden van de verzekerde waarde bedraagt of te boven gaat. (K. 663e, 669, 714 v.)

667. De verzekerde kan aan den verzekeraar almede abandonnement doen en vervolgens de betaling vorderen, zonder dat er bewijs van het vergaan van het schip noodig zij, indien, te rekenen van den dag van het uitzeilen van het schip, of van den dag, tot welken zich de laatst ont-vangene berigten uitstrekken, in het geheel geene tijding van hetzelve is aangekomen, en wel:

Na verloop van zes maanden ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar de havens en kusten van Europa, of die van Azie of Afrika in de Middellandsche en Zwarte zee, en omgekeerd;

Na verloop van twaalf maanden ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar Madera, de West-Indien, de Azo-rische, Kanarische of andere eilanden en kusten ten westen van Afrika en ten oosten van Amerika gelegen, en omgekeerd ;

Na verloop van achttien maanden, ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar andere gedeelten der wereld, en omgekeerd.

Bij reizen van en naar havens, beide gelegen buiten dit Koningrijk, wordt de termijn berekend, naar gelang van den afstand dier havens, welke met de hiervoren bepaalde het naast overeenkomt.

In alle deze gevallen kan de verzekerde volstaan met (onder aanbod van eede) te verklaren, dat geene tijding van het verzekerde schip, of van het schip waarin verzekerde goederen geladen zijn, bij hem middellijk of onmiddellijk is ontvangen, onverminderd het bewijs van het tegendeel. (Go. 373, 375, 377; K. 604, 663, 670, 671, 674.)

668. Het abandonnement, in geval van opbrenging of van aanhouding, kan gedaan worden, indien de opgebragte of aangehoudene schepen of goederen niet zijn teruggegeven

585

-ocr page 662-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

of ontslagen, binnen de bij het vorige artikel bepaalde termijnen, te rekenen naar gelang van de plaats waar de opbrenging of aanhouding is geschied, en van den dag dat de verzekerde daarvan heeft berigt ontvangen-

In geval van verbeurdverklaring der opgebragte of aangehoudene schepen of goederen, kan het abandonnement dadelijk gedaan worden. (Co. 387; K. 658, Qamp;óf en g, 670.)

669. Bedorvene goederen of afgekeurde schepen onder weg zijnde verkocht, kan de verzekerde aan de verzekeraars zijne regten abondonneren, indien, niettegenstaande zijne aangewende pogingen, de kooppenningen niet met hem zijn verrekend, binnen den bij artikel 667 bepaalden tijd; alles te rekenen naar gelang van de plaats van den verkoop en van den dag dat de verzekerde daarvan heeft berigt ont-vangeh. (K. 664, 666, 670, 717.)

670. In de gevallen, bij de drie voorgaande artikelen vermeld, moet het abandonnement aan den verzekeraar worden beteekend binnen drie maanden na het verloop van de, bij die artikelen, gemelde tijdsbepalingen. (Co. 373; K. 671, 672, 673, 674 676.)

671. In alle andere gevallen moet de beteekening gedaan worden binnen de termijnen, in artikel 667 vermeld, te rekenen naar gelang van de plaats waar het onheil is gebeurd, en van den dag dat de verzekerde daarvan heeft berigt ontvangen. (Co. 373, 375, K. 664 v., 670, 672, 673, 674, 676.)

672. Na het bij de twee voorgaande artikelen bepaalde tijdsverloop, is de verzekerde niet meer tot abandonnement geregtigd. (Co. 373; K. 670, 671, 743, 747.)

673. In de gevallen, in welke abandonnement kan gedaan worden, is de verzekerde gehouden de ontvangene berigten, binnen vijf dagen na derzelver ontvangst, aan den verzekeraar mede te deelen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (Co. 374; K. 654, 663, 667.)

674. Indien eene verzekering voor eenen bepaalden tijd gedaan is, wordt, in de gevallen en na verloop van de tijdperken, bij art. 667 gemeld, het vergaan van het schip vermoed te zijn voorgevallen, binnen den tijd der verzekering.

Indien nogtans naderhand bewezen wordt, dat de schade buiten den tijd der verzekering gevallen is, vervalt het abandonnement, en moet de betaalde schadevergoeding worden teruggegeven, met de wettelijke interessen van dezelve. (Co. 376; B. 1953; K. 650.)

675. De verzekerde is, bij het doen van abandonnement, verpligt, alle de verzekeringen op te geven, welke hij op het verzekerde goed gedaan heeft, of last gegeven heeft om te doen, en de bodemerij welke, met zijn weten, op het verzekerde schip of goed aangegaan is; bij gebreke hiervan, wordt de tijd van betaling, die met den dag van het abandonnement moet beginnen te loopen, opgeschort tot den dag dat hij de gemelde opgave zal hebben gedaan, zonder dat daaruit eenige verlenging voortspruit van den tijd, door de wet vastgesteld, om het abandonnement te moeten doen.

In geval van bedriegelijke opgaven, is de verzekerde

586

-ocr page 663-

BOEK II, TITEL IX, ARTT. 669—681.

van de voordeelen der verzekering verstoken. (Co. 379, 380; K. 252, 282, 569, 599 n». 3, 601, 676, 680a.)

676. De verzekerde is ook verpligt aan den verzekeraar, bij het doen van abandonnement, op te geven, wat hij tot redding of vrijbekoming van het verzekerde heeft verrigt, en welke personen of correspondenten door hem daartoe zijn in het werk gesteld. (K. 655 v.)

677. Het abandonnement kan noch gedeeltelijk, noch voorwaardelijk gedaan worden.

Indien schepen of goederen niet voor hun vol bedrag zijn verzekerd, en de verzekerde zelf alzoo voor een gedeelte gevaar heeft geloopen, strekt het abandonnement zich niet verder uit dan tot het beloop van het verzekerde, in evenredigheid van het niet verzekerde gedeelte. (Co. 372; K. 253,601.)

678. Het abandonnement volgens de voorschriften van de wet gedaan zijnde, behooren de verzekerde voorwerpen aan den verzekeraar, te rekenen van den dag van de beteeke-ning van het abandonnement, behoudens het aandeel van den verzekerde, in het geval van het tweede lid des vorigen artikels. (Go. 385; B. 639, 670; K. 313, 9»., 601, 670 v.)

679. De verzekeraar, kan, onder voorwendsel dat het verzekerde schip of goed, na het abandonnement, is vrijgegeven, zich niet ontslaan van de betaling der verzekerde som. (Co. 3856; K. 365, 663/7 en g, 667, 668, 670 v.)

680. Indien de tijd van betaling niet bij de overeenkomst bepaald is, moet de verzekeraar zes weken, nadat het abandonnement is beteekend, het bedrag der verzekering, benevens de kosten van het abandonnement, betalen.

Na dien tijd betaalt hij ook wettelijke interessen.

De geabandonneerde voorwerpen zijn voor die betaling verbonden. (Co. 382; B. 1286; Stb. 1857 n0.171,ziechron. lijst; K. 667, 670 v., 675, 721, 743; B. 1185.)

ZESDE AFDEELING.

Van de pligten en regten der makelaars in zee-assurantie.

681. De makelaars in zee-assurantien zijn verpligt;

1°. Aan den verzekeraar, of, indien meerdere dezelfde verzekering hebben gesloten, aan den eersten hunner, uitdrukkelijk a) binnen 24 uren na het sluiten der-zelve, indien alsdan de polis nog niet is opgemaakt en afgegeven, uit te reiken eene onderteekende nota, houdende vermelding van het verzekerde voorwerp, de som waarvoor is verzekerd, de premie en de voorwaarden; — Deze nota geldt tusschen de partijen als een begin van bewijs bij geschrifte. — (B 19396; K. 257 v., 259, 260.)

587

2°. De voorwaarden, verklaringen en opgaven duidelijk in de polis te vermelden, met inlassching van al hetgeen, bij de wet, als noodzakelijke vereischten eener polis is -voorgeschreven; (K. 256, 592, 608.)

a) Lees: uiterlijk. Zie Voorduin III, 428.

-ocr page 664-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

3°. Naauwkeurig, in een daartoe aan te leggen register, afschrift te houden van de polissen, door hunne tus-schenkomst gesloten; (K. 66; B. ^918.)

4°. In hetzelfde register op te nemen en beknoptelijk te vermelden de aanteekeningen, papieren en bescheiden, die zij aan de verzekeraars, bij de invordering van schade, hebben overgegeven, en de berigten en brieven welke door hunne tusschenkomst aan de verzekeraars , uit naam der verzekerden a), gedurende den loop der overeenkomst of daarna, mogten zijn medegedeeld;

5°. Bij de schadevordering h), aan den eerst geteekend hebbenden verzekeraar, benevens de schade-rekening, over te geven eenen door hen geteekenden staat van \' alle papieren en bescheiden, tot regtvaardiging dier schade-rekening dienende; (K. 721.)

6°. Aan de verzekerden of aan de verzekeraars, zoo dikwijls deze dit ten hunnen koste vorderen, te geven voor waar geteekende afschriften der polissen, berigten, brieven en aanteekeningen, hierboven vermeld. (B. 1926; K. 67.)

Alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1279. — Co. 79, 192 n0. 8; K. 62v., 65,259.)

682. Indien de premie, bij de teekening der polis eener zee-assurantie, niet is uitbetaald, is de makelaar, door wiens tusschenkomst de verzekering is gesloten, tot de voldoening daarvan, als eigen schuld, gehouden, behoudens nogtans het verhaal van den verzekeraar op den verzekerde zeiven, voor zoo verre deze niet bewijst dat de premie door hem aan den makelaar is voldaan; blijvende in allen gevalle de verpligtingen van den verzekeraar jegens den verzekerde stand houden.

De makelaar is voor de premie niet aansprakelijk, indien bij de polis is bedongen, dat dezelve niet dadelijk zal worden betaald. (K. 256 n0. 7 en 8.)

683. Indien de verzekerde de premie aan den makelaar heeft uitbetaald, en deze, binnen den tijd van ééne maand na de uitbetaling, is gefailleerd, heeft de verzekeraar regt op die penningen, bij voorrang boven alle schuldeischers van den makelaar, met uitzondering der kosten van executie en van boedelredding. (B. 1185 n0. 1, 1195 n®. 1; K. 863.)

684. De makelaar, de premie aan den verzekeraar hebbende voldaan, behoeft de polis, welke hij mogt in handen hebben, aan den verzekerde niet uit te leveren, zoo lang deze hem de uitgeschotene penningen niet teruggeeft.

588

68i

doch gehei heeft van a zond( voor 5;

Bij faillissement van den verzekerde is de makelaar, die de polis nog in handen heeft, bevoegd om de door den verzekeraar nog verschuldigde schade te innen, ten einde daaruit aan zich zei ven het beloop der premie te voldoen, behoudens zijne verpligting om het overschietende aan den boedel van den failliet te verantwoorden. (B. 1849; K. 260.)

a) De vier laatste woorden ontbreken in O. E. h) O. E. schadeveryoedincj.

-ocr page 665-

BOEK II, TITEL IX EN X, ARTT. 682—691.

685. In geval de polis aan den verzekerde is uitgereikt, doch de door den verzekeraar verschuldigde schade nog niet geheel aan eerstgemelde, vóór zijn faillissement, is uitbetaald, heeft de makelaar, die de premie heeft voorgeschoten, regt van voorrang op de uit dien hoofde nog te ontvangen gelden, zonder aanzien of de schade vóór of na het faillissement zij voorgevallen. (B. 1180, 1438; K. 683, 684.)

TIENDE TITEL.

Van verzekering tegen de gevaren vayx den vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren.

686. De polis moet, behalve de vereischten bij artikel 256 vermeld, uitdrukken:

1°. Den tijd binnen welken de reis moet zijn afge-loopen, indien dezelve bij den vrachtbrief is bepaald; (K. 90, 690.)

2°. Of dezelve al of niet onafgebroken moet worden voortgezet; (K. 691 v.)

3°. Den naam van den schipper, den voerman, of den expediteur, welke de vervoering heeft aangenomen. (K. 692. — K. 256 n°. 8, 592.)

687. De verzekeringen, welke tot voorwerp hebben de gevaren van vervoer te lande, of langs de rivieren en binnenwateren, worden in het algemeen en naar de omstandighe-dsn geregeld door de voorschriften der wet omtrent de verzekeringen ter zee, behoudens de bepalingen, in de volgende artikelen voorkomende. (Co. 335, K. 254, 593 v., 694, 753, 763.)

688. Bij verzekering van goederen, begint het gevaar voor rekening van den verzekeraar te loopen, zoodra de goederen gebragt of besteld zijn aan het rij- of vaartuig, het kantoor of op zoodanige andere plaats alwaar men gewoon is het goed ter verzending te ontvangen, en eindigt wanneer dezelve ter plaatse hunner bestemming zijn aangekomen, en aldaar aan hun adres zijn afgegeven, of in de magt van den verzekerde, of van zijne gemagtigden, gesteld zijn. (K. 624 v., 690, 695.)

689. Indien goederen verzekerd zijn, welke te lande, of langs rivieren of binnenwateren, of bij afwisseling te lande en te water, moeten vervoerd worden, is de verzekeraar in zoo verre ongehouden, als de reis, buiten nood, langs andere dan de gewone wegen, en anders dan op de gewone wijze, wordt afgelegd. (K. 638, 652, 695.)

690. Indien de tijd van vervoer bij den vrachtbrief is bepaald, en daarvan bij de polis is melding gemaakt, is de verzekeraar ongehouden tot voldoening der schade, voorgevallen na den tijd binnen welken de goederen hadden behooren te zijn overgevoerd. (Co. 363; K. 90,650, 686 n0.1,688, 695.)

691. Bij verzekering van goederen die te land, ofwel bij afwisseling te land of te water, moeten vervoerd worden, blijft het gevaar voor rekening van den verzekeraar voort-loopen, al ware het ook dat de goederen, op reis, in andere rij- of vaartuigen worden overgeladen. (K. 638, 639, 695.)

589

-ocr page 666-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

692. Hetzelfde heeft plaats bij verzekering van goederen, welke langs de rivieren of binnenwateren moeten vervoerd worden, wanneer de goederen in andere vaartuigen worden overgeladen, ten ware de verzekering op goederen, in een bepaald vaartuig te laden, mogt gesloten zijn.

Zelfs in dit laatste geval blijft het gevaar, bij overlading in andere vaartuigen, voor rekening van den verzekeraar door-loopen, wanneer dezelve, ten einde het vaartuig bij laag water te ligten, of uit hoofde van andere noodzakelijke redenen, is geschied. (K. 686 n0. 3, 689, 691, 695.)

693. Bij verzekering van goederen, die te land verzonden worden, is de verzekeraar ook voor de schade en verliezen aansprakelijk, veroorzaakt door schuld of schelmerij van de met de aanneming, den vervoer en bezorging belaste personen. (K. 91 v., 637, 687, 640, 641, 695.)

691. De bepalingen van de vijfde afdeeling van den negenden titel zijn insgelijks op de verzekeringen, in dezen titel vermeld, toepasselijk. (K. 663 v.)

695. Het staat aan partijen vrij om, bij beding, van de bepalingen, hierboven bij artikel 688 en volgende vermeld, af te wijken. (K. 687, 688—693.)

ELFDE TITEL.

Van avarijen.

EERSTE AFDEELING.

Van de avarijen in het algemeen.

696. Alle buitengewone onkosten, ten dienste van het schip a) en de goederen gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt; alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt, gedurende den tijd, bij de derde afdeeling van den negenden titel ten aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald, worden als avarij gerekend. (Co. 397; K. 464c, 624 v., 697, 698, 699, 701, 702, 708, 759 v., 762.)

697. Indien tusschen partijen niet anders is bedongen, worden de avarijen geregeld overeenkomstig de navolgende bepalingen. (Co. 398; B. 4374.)

698. Er zijn twee soorten van avarij:

Avarij-grosse of gemeene avarij, en eenvoudige of bijzon-

zondere avarij.

De eerste wordt omgeslagen over het schip en de vrachtpenningen, en de lading; de laatste komt ten laste van het schip of van het goed afzonderlijk, hetwelk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt heeft. (Co. 399; K. 466, 540b, 646, 703, 727 v., 744.)

699. Gemeene avarijen zijn:

590

1°. Hetgeen aan den vijand of aan zeeroovers voor bevrijding of afkoop van schip en lading gegeven is. In geval van twijfel, wordt het steeds daarvoor

o) Dit woord ontbreekt in O. E.

-ocr page 667-

BOEK II, TITEL X EN XI, ARTT. 692—699. 591

gehouden, dat de af koop in het belang\' van schip en lading heeft plaats gehad; (K. 699 n0.7, 8,12 en 13.)

2°. Hetgeen tot gemeen behoud of ten gemeenen nutte van schip en lading heeft moeten worden geworpen; (K. 367, 729, 734, 760.)

3°. Kabels, masten, zeilen en andere gereedschappen, die men, ten zelfden einde, heeft gekapt of ge broken; (K. 367, 734.)

4°. Ankers, touwen en andere voorwerpen, die men alsmede, ten zelfden einde, is genoodzaakt geweest te laten slippen; (K. 367, 734.)

5°. De schade, aan de in het schip gebleven goederen door het over boord werpen veroorzaakt; (K. 699 n0. 2 en 6, 701 nquot;. 5.)

6®. De schade, die aan het ligchaam van het schip opzettelijk is toegebragt om het werpen en ligten of bergen der goederen gemakkelijk te maken, of om de water-loozing te bevorderen, en de schade die alsdan door dat water aan de lading is toegebragt; (K. 699 nquot;. 5.)

7°. De oppassing, genezing, het onderhoud en de schadeloosstelling van alle zich aan boord bevindende personen, die bij het verdedigen van het schip gewond of verminkt zijn geraakt; (K. 699 n®. 1, 8,12 en 13, 423, 424, 521 v.)

8°. De schadeloosstelling of het rantsoen van hen die, in dienst van het schip of a) de lading naar zee of naar land zijnde afgezonden, genomen, gevangen gehouden of slaaf gemaakt zijn; (K. 699 n0. 1, 7, 12 en 13, 433 v.)

9°. De gagien en het onderhoud van het scheepsvolk gedurende den tijd, dat het schip is verpligt geweest zich in eene noodhaven op te houden; (K. 699 n®. 10 en 11, 415 v.)

10®. De loodsgelden en verdere havenkosten. die bij het in- en uitzeilen naar en van eene noodhaven moeten betaald worden; (K. 699 n®. 9 en 11, 708.)

11®. De huren der pakhuizen en bergplaatsen, waarin de goederen, die in het schip gedurende de reparatie in eene noodhaven niet kunnen blijven, moeten opgeslagen worden; (K. 699 n®. 9 en 10.)

12®. De reclame-kosten, indien schip en lading zijn aangehouden of opgebragt en beiden door den schipper worden gereclameerd; (K. 699 n0. 1, 7, 8 en 13, 365, 701 n®. 4.)

13°. De gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, gedurende de voorz. reclame, indien schip en lading worden vrijgegeven; (K. 699 n0. 1, 7,8 en 12,415 v., 701 n®. 4.)

14°. De kosten van ontlading, de ligterloonen, mitsgaders de kosten om het schip in eene haven of rivier in te brengen, wanneer hetzelve door storm, vervolging van vijanden of zeeroovers, of uit eenige andere oorzaak.

a) Lees: en. Zie K. lol.

-ocr page 668-

592 WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

tot behoud van schip en lading daartoe genoodzaakt wordt; benevens het verlies of de schade aan goederen overgekomen door derzelver lossing en inlading, uit nood, in ligters of booten, en derzelver wederinlading in het schip; (K. 699 n0. 17, 702 v., 761.)

ISquot;. De schade aan het schip of aan de lading of aan beiden veroorzaakt, wanneer het schip, om het gevaar der neming of van het vergaan te voorkomen, opzettelijk is op strand gezet, gelijk mede indien zulks in eenig ander dringend gevaar tot behoud van schip en lading heeft plaats gehad; (K. 699 n®. 16.)

16°. De kosten en de hulploonen om het gestrande schip in het voorgaande geval weder vlot te maken, en alle belooning voor buitengewone diensten, ten einde het • verlies of de neming van het schip te voorkomen; (K. 421 v., 560.)

17®. Het verlies of de schade door de goederen geleden, die in geval van nood in ligters of booten zijn geladen, daaronder begrepen het aandeel in de avarij-gros door die goederen aan de ligters of booten verschuldigd, en wederkeerig het verlies of de schade, aan de in het principale schip geblevene goederen, en aan dat schip zelf, na de ligting overgekomen, voor zoo verre die schade of dat verlies in avarij-gros vallen; (K. 669 n». 14, 702 v., 761.)

18°. De gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, indien het schip, na het begin der reis, door eene vreemde Mogendheid, of door het uitbarsten van eenen oorlog, wordt opgehouden, zoo lang schip en lading niet van alle wederzijdsche verbindtenissen zijn ontslagen; (K. 499 v., 699 n0. 9,)

19°. De bodemerij-premie van geldsommen, tot dekking der onkosten, in avarij-gros vallende, opgenomen; (K. 569 v.)

20°. De premie om de kosten, bij het vorige nommer vermeld, te doen verzekeren, of het verlies hetwelk door het verkoopen van een gedeelte der lading in eene noodhaven is geleden, ten einde die avarij-kosten te dekken; (K. 372 v.)

21°. De kosten op het opmaken en bepalen der avarij-grosse vallende; (K. 722 v.)

22°. De kosten, daaronder begrepen de meerdere gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, veroorzaakt door eene buitengewone en bij het sluiten der bevrachting niet voorziene quarantaine, voor zoo verre het schip en de ingeladene voorwerpen daaraan zijn onderworpen; (K. 313 n0. 2.) en

23°. In het algemeen alle schaden, die uit nood, opzettelijk veroorzaakt, en als onmiddellijk gevolg van dien, geleden zijn, en de kosten die, in gelijke omstandigheden, na de vereischte raadpleging zijn gemaakt lot behoud en gemeen welzijn van schip en lading. (K. 367; Co. 400, 403, 422, 426, 427; K. 701 n#. 7, 703.)

-ocr page 669-

hoek ii, TiTel xi, artt. 700—703.

700. Wanneer inwendige gebreken van het schip, deszelfs ondeugdzaamheid tot het doen der reize, of schuld en nalatigheid van den schipper of het scheepsvolk, de schade of onkosten hebben veroorzaakt, zijn laatstgemelde, hoezeer ten nutte van schip en lading vrijwillig en na vereischle raadpleging gemaakt, geene gemeene avarij. (K. 321, 845, 346, 348, 349, 405, 479, 587, 637, 640, 641, 703.)

701. Bijzondere avarijen zijn:

1°. Alle schade en verliezen aan het schip of aan de lading overgekomen door storm, neming, schipbreuk of toevallige stranding; (K. 699 n0. 23, 701 n0. 3.)

2°. Bergloonen en de kosten bij berging uitgegeven; (K. 549, 552«, 560.)

3*. Het verlies van, en de schade geleden aan kabels, ankers, touwen, zeilen, boegspriet, stengen, ra\'s, booten en scheepsgereedschappen, veroorzaakt door storm of ander onheil op zee; (K. 701 n#. 1.)

4°. Reclame-kosten en het onderhoud en de gagien van het scheepsvolk gedurende de reclame, indien slechts het schip of de lading zijn aangehouden; (K. 699 n0. 12 en 13.)

5°. De bijzondere reparatien der fustage en de kosten van beredding der beschadigde koopmanschappen, voor zoo verre dit een en ander niet het onmiddellijk gevolg is van eene ramp die tot avarij-gros aanleiding geeft; (K. 699 n0. 5.)

6°. De meerdere vracht en de onkosten van laden en lossen, welke, bij afkeuring van een schip gedurende de reis, moeten betaald worden in de gevallen waarin, volgens de bepalingen van art. 478 van dit wetboek, de goederen door een ander schip voor rekening van de inladers worden vervoerd; (K. 478c) en

7°. In het algemeen, alle schade, verliezen en de gemaakte onkosten, die niet zijn veroorzaakt of gemaakt opzettelijk en tot behoud en gemeen welzijn van schip en lading, maar die zijn geleden door of gemaakt ten behoeve van het schip alleen, of voor de lading alleen, en welke dienvolgens, naar aanleiding van artikel 699, niet onder avarij-gros be-hooren. (K. 534 v. — Co. 403; K. 703.)

702. Wanneer een schip, uit hoofde van steeds bestaande liroogten, ondiepten of banken, met zijne volle lading, noch ran de plaats vanwaar het vertrekken moet, noch naar de plaats van deszelfs bestemming kan gevoerd worden, en alzoo een gedeelte der lading met ligters aangevoerd of in ligters moet gelost worden, worden zoodanige ligterloonen niet als avarij beschouwd.

De kosten komen ten laste van het schip, ten zij bij de cog-noscementen of de chertepartij een ander beding zij gewaakt. (K. 455 n0. 5, 507 n0. 7, 698, 699 n0.9 en 14, 728.)

703. De bepalingen van de artikelen 698, 699, 700 en 701, ten aanzien van de gemeene en bijzondere avarijen, zijn insgelijks toepasselijk op de zoo even gemelde ligterschepen en op de voorwerpen in dezelve geladen. (K. 702.)

593

38

-ocr page 670-

wetboek van koophandel.

704. Indien gedurende de vaart, het zij aan de ligter-schepen, het zij aan de goederen in dezelve geladen, eene schade overkomt, welke tot gemeene avarij behoort, wordt deze voor een derde door de ligterschepen, en voor twee derJen door de aan boord van dezelve zich bevindende goederen, gedragen.

Deze twee derden worden vervolgens bij wijze van avarij-gros omgeslagen over het principale schip, de vrachtpenningen en de geheele lading, die der ligterschepen daaronder begrepen. (Co. 427; K. 698 v., 702, 727.)

705. Wederkeerig blijven de goederen, in die ligterschepen geladen, in gemeenschap met het principale schip en de overige lading, en dragen in de gemeene avarijen, welke aan het schip en de lading mogten zijn overgekomen, tot op het oogenblik dat de eerstgemelde ter plaatse hunner bestemming zullen zijn gelost, en aan de geconsigneerden overgeleverd. (K. 698 v., 702 v.)

706. Goederen die nog niet zijn ingeladen, het zij in het principale schip, het zij in de vaartuigen bestemd om dezelve naar dat schip over te voeren, dragen in geen geval, in de rampen, die aan het principale schip, waarin dezelve geladen moeten worden, overkomen. (K. 696, 727.)

707. De schade, aan de koopmanschappen overgekomen uit hoofde dat de schipper verzuimd heeft de luiken digt te sluiten, het schip behoorlijk vast te maken, bekwame werktuigen tot het hijschen te bezorgen, en door alle andere ongevallen, uit opzet of achteloosheid van den schipper of het scheepsvolk voortkomende, zijn bijzondere avarijen, waarvoor de inlader zijn verhaal heeft op den schipper, het schip en de vracht. (Co. 405; K. 321, 345, 746.)

708. De loods-, sleep- en andere gelden om de havens of rivieren in- of uit te loopen, alle tollen en uitgaven bij het afvaren en voorbij zeilen, alle tonne- anker- vuur- en baak-gelden, en alle andere regten, die tot de scheepvaart betrekkelijk zijn, zijn geene avarijen, maar gewone kosten voor rekening van het schip; ten zij bij het cognoscement of de chertepartij anders bedongen zij.

Deze kosten komen nimmer ten laste van de verzekeraars, ten zij in het bijzondere geval, dal dezelve zijn het gevolg van eenige onvoorziene en buitengewone omstandigheden gedurende de reis opgekomen. (Co. 406; K. 696, 699, nquot;. 10,759.)

709- Om de bijzondere avarij te vinden, welke een verzekeraar moet betalen, die de goederen voor alle gevaar verzekerd heeft, gelden de volgende bepalingen:

Hetgeen onder weg is geroofd, vermist, of uit hoofde van beschadiging door zeeramp of uit eene andere oorzaak, waartegen verzekerd is, verkocht, wordt begroot volgens de factuurs-waarde of, deze ontbrekende, naar de waarde, waarvoor de goederen, overeenkomstig de voorschriften van de wet, verzekerd zijn; en de verzekeraar betaalt dit bedrag.

Bij behoudene aankomst van het verzekerde goed, wanneer hetzelve geheel of gedeeltelijk beschadigd is, wordt door deskundigen bepaald, hoe veel de goederen, indien dezelve gezond waren aangebragt, zouden zijn waard geweest,

594

-ocr page 671-

BOEK II, TITEL XI, ARTT. 704-716.

en voorts hoe veel zij nu waard zijn; en de verzekaar betaalt zoodanig aandeel van de geteekende som, als in evenredigheid staat met het verschil tusschen de beide waarden, benevens de kosten op het doen van de begrooting der schade gevallen.

Alles onverminderd de begrooting der verwacht wordende winst, indien dezelve verzekerd is. (K. 273 v., 613, 615, 621 v., 759.)

710. In geen geval, kan de verzekeraar den verzekerde noodzaken, om, ter bepaling van de waarde, de verzekerde voorwerpen te verkoopen, ten zij anders bij de polis ware bedongen. (K. 256 n®. 8, 709, 759.)

711. Indien de schade buiten \'s lands moet worden opgemaakt, worden daarin gevolgd de aldaar bestaande wetten of plaats hebbende gebruiken. (A. 10; K. 724 v.)

712. Wanneer de verzekerde goederen beschadigd of verminderd alhier aangebragt worden, en de schade uiterlijk zigtbaar is, moet de bezigtiging der goederen en begrooting der schade door deskundigen gedaan worden, alvorens de goederen onder het beheer van den verzekerde zijn gekomen.

De schade of de vermindering bij de lossing uiterlijk niet zigtbaar zijnde, mag de bezigtiging gedaan worden, nadat de goederen onder het beheer der verzekerden zullen zijn gekomen, mits geschiedende binnen driemaal vier en twintig uren na de lossing; onverminderd hetgeen verder van de eene of andere zijde tot bewijs noodig zal bevonden worden. (K. 93, 492, 495, 746, 759.)

713. In geval van schade aan een verzekerd schip, door zeeramp geleden, draagt de verzekeraar slechts twee derden der kosten, tot de reparatie vereischt, om het even of dezelve al of niet hebben plaats gehad, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het onverzekerde gedeelte. Een derde blijft voor rekening van den verzekerde wegens vooronderstelde verbetering van oud tot nieuw. (K. 2536, 637, 6776, 715 v., 759.)

714. Indien de reparatie heeft plaats gehad, wordt het bedrag der kosten bewezen door rekeningen en alle andere middelen van bewijs, en, des noods, door begrooting van deskundigen.

In geval de reparatie niet gedaan is, wordt het bedrag der-zelve door deskundigen begroot. (K. 283, 655, 715 v., 759.)

716. Indien het, des noods na verhoor van deskundigen, blijkt, dat door de gedane reparatie, de waarde van het schip meer dan een derde is vermeerderd, betaalt de verzekeraar, in evenredigheid als bij art. 713 is vermeld, het volle beloop der gemaakte kosten, onder aftrek der door verbetering vermeerderde waarde. (K. 759.)

716. Indien daarentegen de verzekerde, des noods na begrooting als voren, bewijst, dat de reparatie geene verbetering of vermeerdering der waarde van het schip, hoegenaamd heeft te weeg gebragt, en wel bepaaldelijk doordien het schip nieuw en op deszelfs eerste reize de schade heeft geleden, of doordien de schade is aangekomen aan nieuwe zeilen of nieuw scheepsgereedschap, of wel aan ankers,

595

-ocr page 672-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

ijzeren ketting-kabels of aan eene nieuwe koperen huid, heeft de aftrek van een derde geen plaats, en is de verzekeraar verpligt het geheele beloop der reparatie-kosten, in evenredigheid als bij artikel 713 is vermeld, te vergoeden. (K. 759.)

717. Indien de reparatie-kosten meer dan drie vierden der waarde van het schip zouden beloopen, moet het schip, ten aanzien van den verzekeraar, gehouden worden als afgekeurd; en de verzekeraar is alsdan, voor zoo verre er geen aban-donnement heeft plaats gehad, verpligt de som, waarvoor hij verzekerd heeft, aan den verzekerde te betalen, onder korting van de waarde van het beschadigde schip of wrak. (K. 375, 664, 710, 713, 759.)

718. In geval een schip in eene noodhaven is aangekomen, eri vervolgens op eenige wijze verloren gaat, is de verzekeraar niet verder gehouden dan tot de betaling van de som, die hij verzekerd heeft.

Hetzelfde heeft plaats, wanneer een schip, door onderscheidene reparatien, meer dan de verzekerde som voor reparatie heeft uitgegeven. (K. 759.)

719. Onverminderd de bepalingen van art. 643, 644 en 645, is de verzekeraar ongehouden eenige gemeene of bij-J zondere avarij te dragen, indien dezelve, behalve de kosten van bezigtiging, begrooting en opmaking, geen één ten honderd van de waarde van het beschadigde voorwerp beloopt; behoudens het vermogen der partijen, om te dezen andere bedingen te maken. (Co. 408; K. 759.)

720. De verzekeraars, zoo op het schip als op de vracht en op de lading, betalen ieder zoo veel wegens avarij-grosse, als die voorwerpen, voor zoo verre als daarop verzekering is gedaan, respectievelijk in de avarij-grosse moeten dragen, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het niet verzekerde gedeelte. (K. 253b, 677b, 698 v., 713.)

721. De gemeene en de bijzondere avarij zijnde geregeld, moet de schade-rekening, benevens de daartoe betrekkelijke bescheiden, aan de verzekeraars overgegeven worden. Deze zijn verpligt het door hen verschuldigde binnen zes weken daarna te voldoen, en zijn na dat tijdsverloop wettelijke interessen verschuldigd. (B. 1286, 1804; K. 680, 681 n0. 4 en 5, 699, 701, 709, 714, 722 v., 743, 747, 759; Stb. 1857 n0. 171, a. 2, zie chron. lijst.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het omslaan en dragen der avarij-grosse of gemeene avarij.

722. De berekening en verdeeling van avarij-grosse geschiedt ter plaatse waar de reis eindigt, ten zij partijen deswege andere bedingen hebben gemaakt. (Co. 414; K. 256 n». 8, 624, 723, 725, 744.)

723. Bij het staken eener reis binnen dit land, of bij stranding der schepen aldaar, worden de rekening en verdeeling opgemaakt ter plaatse, vanwaar de schepen binnen dit land zijn vertrokken of hadden moeten vertrekken. (K. 722, 725, 728c.)

596

-ocr page 673-

BOEK ir, TITEL XI, ARTT. 717—728.

724. De berekening en verdeeling der avarij-grosse worden gedaan ten verzoeke van den schipper en door deskundigen.

De deskundigen worden benoemd door de partijen, of door de regtbank van het a.rrondissenient der plaats, waar de berekening en verdeeling binnen het Koningrijk geschieden moeten.

De deskundigen moeten worden beëedigd, voordat zij hunne werkzaamheden beginnen.

De verdeeling moet worden gehomologeerd door de regtbank van het arrondissement.

Buiten \'s lands wordt de avarij-gros door de aldaar daartoe bevoegde magt opgemaakt. (A.. 10; K. 380, 711, 726; Rv. 317 v., 320a, 431.)

725. Bij eene geheele staking der reis onder weg, of verkooping van de lading in eene noodhaven, beide buiten dit land voorvallende, worden de vordering, berekening en verdeeling der schade gedaan ter plaatse, alwaar zoodanige staking of verkoop voorvalt. (A.. 10; K. 372, 376. 478, 699 n«. 20, 711, 722, 723, 728(f.)

726. De schipper in het doen der vordering, bij het voorgaande artikel vermeld, nalatig zijnde, zijn de eigenaars van het schip, of ook die van de goederen, bevoegd om die vordering zelve te doen, onverminderd hunne aanspraak tot schadeloosstelling tegen den schipper. (K. 724a.)

727. De gemeene avarijen worden gedragen:

Door de waarde van het schip in den staat waarin hetzelve aangekomen is, met bijvoeging van hetgeen bij vergoeding van gemeene avarij wordt verstrekt;

Door de vracht, onder aftrek van de gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, en

Door de waarde van de goederen, welke zich ten tijde van het voorvallen der schade aan boord, of in de ligters of booten hebben bevonden, of welke, vóór de ramp uit nood zijn geworpen en vergoed geworden, of wel tot dekking van avarij-kosten hebben moeten worden verkocht.

Gemunt geld draagt in de gemeene avarij naar den koers der plaats waar de reis eindigt. (Co. 304, 401, 402, 417; K. 418, 460, 466, 480 v., 532, 698, 702 v., 731 v., 736, 740.)

728. De ingeladene goederen worden begroot naar der-zelver waarde op de plaats der lossing, onder korting van de vracht, inkomende regten en kosten der ontlading, mitsgaders der bijzondere avarij, gedurende de reis ten laste derzelve gevallen.

Dit lijdt uitzondering in de volgende gevallen:

Wanneer de berekening en de verdeeling opgemaakt moeten worden ter plaatse waar de schepen binnen dit land zijn vertrokken, of hadden moeten vertrekken, wordt de prijs der ingeladene goederen bepaald naar de waarde die dezelve ten tijde der inlading hebben gehad, met de onkosten, tot aan boord, de premie van assurantie daar niet bij gerekend, en, in geval de goederen beschadigd zijn, naar derzelver wezenlijke waarde.

Wanneer, buiten \'s lands, de reis geheel wordt gestaakt of de goederen worden verkocht, en de avarij te dier plaatse niet

597

-ocr page 674-

598 WETBOEK VAN KOOPHA.NDEL.

heeft kunnen worden opgemaakt, alsdan wordt de prijs, dien de goederen onderweg waardig zijn, of ter plaatse der ver-kooping zuiver hebben opgebragt, als het dragend kapitaal berekend. (Co. 304, 402; K. 372, 478, 701, 723, 725,727e.)

729. De over boord geworpene goederen worden gewaardeerd volgens den marktprijs van de plaats der ontlading van het schip, na aftrek der vracht, inkomende regten en ordinaire onkosten; derzelver aard en gesteldheid worden opgemaakt uit cognoscementen, facturen en andere bewijzen. (Co. 415; K. 358, 368 v., 481, 512, 699 n». 23, 7276, 739.)

730. Indien de aard en a) hoedanigheid der koopmanschappen bij het cognoscement verkeerdelijk is opgegeven, en deze eene grootere waarde hebben, wordt de schade over dezelve omgeslagen op den voet van de wezenlijke waarde, indien zij behouden zijn gebleven.

Doch zoo zij door werping verloren zijn geraakt, wordt de schade vergoed volgens de hoedanigheid bij het cognoscement opgegeven.

Indien de opgegevene koopmanschappen van eene mindere hoedanigheid zijn dan bij het cognoscement is aangewezen, dragen zij in de schade volgens de hoedanigheid bij het cognoscement opgegeven, indien zij behouden zijn gebleven.

Zij worden betaald op den voet van hare wezenlijke waarde, indien zij over boord geworpen zijn. (Co. 418.)

731. De mondbehoeften, de kleederen van het scheepsvolk en de dagelijksche kleederen der passagiers, gelijk mede de voor de verdediging van het schip vereischte ammunitie, dragen niet in de schade van het werpen der goederen. De waarde van al hetgene van dien aard over boord geworpen is, wordt vergoed bij omslag over alle andere goederen. (Co. 419; K. 530, 532.)

732. De goederen, waarvan geen cognoscement van den schipper voorhanden is, of die niet op het manifest der lading staan, worden niet betaald, indien zij over boord geworpen zijn; zij dragen in de schade, zoo zij zijn behouden gebleven. (Co. 420; K. 357 n». 5, 477, 729; Rv. 318.)

733. De goederen, op den overloop van het schip geladen, dragen mede in de schade, indien zij behouden zijn gebleven.

Indien de schipper de goederen, buiten kennis of toestemming van den inlader, op den overloop heeft geplaatst en dezelve zijn geworpen of door de werping beschadigd, is de inlader tot den eisch van den omslag geregtigd, behoudens het verhaal van alle belanghebbenden op het schip en den schipper. (Co. 421; K. 348, 699 n». 5, 729.)

734. Indien, niettegenstaande het werpen van goederen of het kappen van scheepstuigen, het schip vergaat, heeft geen omslag tot vergoeding plaats.

f

De behouden geblevene of geborgene goederen zijn niet gehouden tot betaling of tot vergoeding van geledene schade van de voorwerpen, die geworpen, beschadigd of gekapt zijn. (Co. 423; K. 699 n0. 2 v.)

d) O. E. of.

-ocr page 675-

BOEK U, TITEL X[ EN XI[, ARTT. 729—741.

735. Indien het schip door het werpen of kappen behouden blijft, en naderhand bij het vervolgen zijner reis vergaat, en alsdan goederen geborgen worden, dragen alleen de geborgene goederen in de werping, naar de waarde welke zij alsdan hebben, na aftrek van de bergloonen. (Co. 42-t; K. 699 n0. 2 v., 560.)

786. Indien het schip en de lading, door kappen of andere schade aan het schip toegebragt, behouden blijven, doch de goederen naderhand vergaan of geroofd worden, heeft de schipper geene aanspraak op de eigenaars, inladers of geconsigneerden dier goederen, om in den omslag dier kapping of schade te dragen. (K. 734, 737.)

7S7. Indien de goederen door schuld of toedoen van den inlader of geconsigneerde verloren gaan, dragen zij evenwel in de gemeene avarij. (K. 698, 729, 738.)

738. In geen geval behoeft de eigenaar eener lading in gemeene avarij meer te dragen, dan de waarde der goederen, zoo als die bij derzelver aankomst waardig zijn; onverminderd zoodanige kosten als, na het vergaan van het schip

gt; of de opbrenging en aanhouding der goederen, door den - schipper te goeder trouw, zelfs zonder last, zijn gedaan, om van het vergane iets te redden, of de opgebragte goederen te reclameren, al ware zulks zonder goed gevolg. (K. 362, 365. 698, 699.)

739. Indien, na den gedanen omslag, de geworpene goederen door de eigenaars zijn terugbekomen, zijn zij gehouden hetgeen zij voor dezelve in de verdeeling ontvangen hebben, aan den schipper en de belanghebbenden bij de lading in te brengen, onder aftrek der schade, onkosten en bergloonen.

In dit geval, wordt de gemelde inbreng door het schip en de belanghebbenden in dezelfde evenredigheid genoten, als zij in de schade der werping hebben gedragen. (Co. 429; K. 560, 729 v.)

740. Indien de eigenaar der geworpene goederen dezelve terug bekomt, zonder eenige vergoeding te vorderen, draagt hij, in geen geval, in de gemeene avarij, na de werping aan de behouden geblevene goederen overgekomen. (Co. 425; K. llld.)

TWAALFDE TIÏEL.

Van het te niet gaan der verbindtenissen in den zeehandel. (K. 763.)

741. loor tijdsverloop van één jaar verjaart alle regts-vordering:

1°. Tot betaling van scheepsvracht, gagien en soldijen van den schipper, officieren en scheepsgezellen; (K. 341, 390, 397 n0. 3, 447, 455 n0. 5, 490.) 24. Tot betaling van levensmiddelen aan de officieren en scheepsgezellen, op last van den schipper geleverd; (K. 397 n0. 8, 403.)

599

-ocr page 676-

600 WETBOUK VAN KOOPHANDEL.

3°. Tot uitlevering van koopmanschappen; (K. 457, 485, 486, 494.)

4°. Tot betaling van het door passagiers verschuldigde. (K. 521 v.)

Deze verjaringen beginnen te loopen, als volgt:

Die van n0. 1 na het eindigen der reis:

Die van n0. 2 na de gedane levering;

Die van n0. 3 en 4 na de aankomst van het schip. (Co. 433; K. 747.)

742. Door tijdsverloop van drie jaren verjaart:

Alle regtsvordering wegens levering van noodwendigheden tot het uitrusten en provianderen van het schip, mitsgaders van hout, zeilen, ankers en hetgeen verder tot het timmeren en herstellen vereischt wordt, en eindelijk arbeidsloonen en het gemaakte werk aan het schip. (K. 318 n0. 6—8.)

Alle regtsvordering ter zake van schade door aanzeilen, overzeilen, aandrijven of aanvaren veroorzaakt. (K. 534 v.)

De eerstgemelde verjaring begint te loopen van den dag der levering van de voorwerpen, of van het voltooijen des werks, en de laatstgemelde van dien der plaats gehad hebbende gebeurtenis. (Co. 433, 435; K. 747.)

743. Door verloop van vijf jaren verjaart:

Alle regtsvordering, voortspruitende uit eenen bodemerij-brief, of uit eene polis van verzekering. (K. 569 v., 592 v., 745.)

De verjaring begint te loopen van den dag der geslotene overeenkomst. (Co. 432; K. 257, 570, 747.)

744. Alle aanspraak, tusschen de belanghebbenden, tot den omslag bij wege van avarij-grosse, vervalt twee jarea na het eindigen der reis. (Co. 435, 436; K. 722 v.)

745. De voorrang op schepen, vrachtpenningen en goederen, uit hoofde van bodemerij-schuld, vervalt na verloop van zes maanden na de aankomst des schips, ter plaatse waar de reis eindigt, indien de bodemerijbrief verleden is binnen de grenzen van Europa, na verloop van één jaar, indien dezelve is verleden in eenige plaats op de kusten van Azie en Afrika, gelegen aan de Middellandsche zee en Zwarte zee, en na verloop van twee jaren in andere gedeelten der wereld. Bij oorlog ter zee wordt de termijn verdubbeld. (K. 116^, 207«/, 313 nu. 9, 569 v., 743.)

746. Alle aanspraak tegen den schipper en de verzekeraars wegens schade, aan de ingeladene goederen overgekomen, vervalt, indien zij, zonder bezigtiging en begrooting der schade, op de wijze bij de wet voorgeschreven, zijn aangenomen, of, in geval niet uiterlijk van de schade bleek, de bezigtiging en de begrooting niet heeft plaats gehad binnen den tijd bij de wet bepaald. (Co. 435; K. 93, 493 v., 707, 712.)

747. De bepaling van artikel 2010 van het Burgerliik Wetboek is toepasselijk op de verjaring in artikel 741, 742 en 743 vermeld (B. 2005 v.)

-ocr page 677-

BOEK II, TITEL XIJ EN XIII, ARTT. 74k2—748.

DERTIENDE TITEL.

Van schepen en vaartuigen welke de rivieren en binnen-water en bevaren.

748. Schepen en vaartuigen welke de rivieren en binnenwateren bevaren, en tevens van buiten \'s lands komen of naar buiten \'s lands bestemd zijn, worden als zeeschepen beschouwd, en mitsdien zijn, in het algemeen en naar de omstandigheden, op dezelve toepasselijk de bepalingen in de voorgaande titels van dit boek vervat, behoudens de reglementen en verordeningen op de vaart van zoodanige schepen en vaartuigen wettiglijk vastgesteld. (K. 98, 309, 749, 756b.) a)

Voor zoover daaromtrent geene overeenkomst is getroffen, gaat de tijd van laden en lossen in daags nadat de schipper verklaard heeft daartoe gereed te zijn, en worden de tijd van laden en lossen en het bedrag van het overliggeld geregeld naar den inhoud van het schip of vaartuig.

Indien het cognossement of de vrachtbrief niet voor de geheele lading of een deel der lading houdt aan een bepaalden persoon, en den schipper geen nadere aanwijzing is gedaan, vervalt zijne verpligting tot het doen der in het voorgaande lid vermelde verklaring, en gaat de tijd van lossen in daags na de aankomst van het schip of vaartuig.

Het aantal van de laad- en losdagen, het bedrag van het overliggeld en de wijze waarop de inhoud van het schip of vaartuig wordt bepaald, worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (K. 464, 755; Slb. 1898 n0. 1.)

Het tweede, derde en vierde lid van dit artikel daaraan toegevoegd bij art. 1 der Wet van 2 Mei 1897 (Stb. n». 140).

BESLUIT van den 3den Januari iS98 (Sth. nquot;. houdende voorschriften ter uitvoering van de artikelen 748 en 755 van het Wetboek van Koophandel, zooals deze luiden ingevolge de wet van 2 Mei 1897 (Stb. n». 140).

Artikel 1.

601

Voor schepen en vaartuigen bedoeld in de artikelen 748 en 755 van het Wetboek van Koophandel geldt.

a) Zie de Wet vau t April 1869 (Stb. no. 137), houdende goedkeuring van de herziene acte omtrent de Rijnvaart, de Rijnvaart-acte in Stb. 1869 no. 75 en de Wet van 16 Juli 1869 (Stb. no. 139), tot uitvoering der bepalingen van de art. 33, 36, 37 en 38 der herziene acte omtrent de Rijnvaart (afgedrukt in de chron. lijst) en het Reglement van politie voor de scheepvaart en de vlotvaart op den Rijn, met inbegrip van ile Waal en de Lek, in Stb. 1897 no. 201. Zie voorts voor de scheepvaart op de Maas: Stb. 1839 no. 26, a. 9, Stb. 1843 nos. 8 en 45, Stb. 1886 no. 36; — op dc Schelde: Stb. 1839 no. 26, a. 9, Stb. 1843 nos. 3 en 45; — op de Merwede, de Noorden de Nieuwe Maas;

-ocr page 678-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

voor zoover daaromtrent geen overeenkomst is getroffen, ten aanzien van den tijd van Iaden en lossen en het bedrag van het overliggeld, het volgende:

A.

Het aantal laad- zoowel als het aantal losdagen bedraagt voor schepen en vaartuigen :

tot en met een inhoud van 125 M3 8 achtereenvolgende werkdagen. vanmeerdanl25M3 totenmet200 „ 4 „ „

„ 200 „ „ „ „ 275 „ 5

„ 275 „ ...... 350 „ fi

„ 350 ........ 425 „ 7

„ 425 „ „ „ „ 500 „ 8

„ 500 ........ 600 „ 9

„ 600 „ „ „ „ 700 „ 10

„ 700 ...... „ 800 „ 11

„ 800 ........ 900 „ 12

„ 900 „ ...... 1000 „ 13

„ 1000 ........ 1100 „ 11

„1100..............15

B.

Het overliggeld bedraagt voor eiken dag, voor de eerste honderd M3. inhoud van het schip of vaartuig f 0.06 per M3., en voor eiken M3. inhoud daarboven f 0.025 per M3., met dien verstande dat per dag nimmer minder dan ƒ 4 verschuldigd zal zijn.

Bij de berekening van het overliggeld worden gedeelten van M3. voor geheele en wordt elke aangevangen dag voor een geheelen dag berekend.

2. Voor de berekening van het aantal laad- en losdagen en het bedrag van het overliggeld in hei vorige artikel bedoeld, wordt de inhoud der schepen en vaartuigen bepaald:

hetzij volgens het Koninklijk besluit van 28 November 1894 (Stb. n0. 174), houdende bepalingen omtrent het ijken van Bijnschepen, d) met dien verstande, dat uit het in den ijkbrief uitgedrukte laadvermogen de inhoud van het schip wordt afgeleid door aan te nemen, dat 20 centenaars laadvermogen (1000 K.G.) een inhoud vertegenwoordigen van 1 M3.;

hetzij volgens het Koninklijk besluit van 30 Juli 1894 (Stb. n0. 141), houdende bepalingen omtrent meting van Rijkswege van binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kosten, a)

Stb. 1897 no. 268. Vergelijk verder de Wet van 28 Februari 1891 (Stb. no. 69), tot vaststelling van bepalingen hetreffeucle \'sRijks water-staatswerken (afgedrukt in de chron. lijst) en het krachtens die wet vastgestelde Algemeen Reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken onder beheer van het Kijk in Stb. 1891 no. 158, gewijzigd bij Stb. 1«91 no. 57 en Stb. 1897 no. 105, met de daarbij behoorende talrijke bijzondere reglementen voor rivieren, kanalen enz. De wetten en besluiten houdende bepalingen tot het voorkomen van aanvaringen zijn vermeld in de noot op K. II Titel VI, blz. 562.

a) Zie dat K. B. in de chron. lijst.

602

-ocr page 679-

BOEK II, TITEL XIII, ARTT. 749—750.

Voor schepen en vaartuigen voorzien zoowel van een ijkbrief als van een meetbrief, wordt de inhoud afgeleid uit eerstgenoemd document.

719. Ten aanzien van schepen en vaartuigen, welke bij uitsluiting gebruikt worden tot de scheepvaart van eene plaats binnen \'s lands naar eene andere binnen \'s lands gelegen, zoo wel op de stroomen, rivieren, kanalen en vaarten, als op de binnenlandsche zeeën en meeren en langs de wadden, gelden de navolgende bepalingen. (K. 748, 750 v.)

750. De voorschriften van den eersten titel van dit boek zijn ook op dezelve toepasselijk, behoudens de navolgende wijzigingen:

1°. Dat de bepaling van het tweede lid van art. 309, mitsgaders van art. 312, worden beperkt tot schepen en vaartuigen, welke de groote hebben van tien of meerdere lasten;

2°. Dat de bevoorregte schulden, welke op de opbrengst der in het vorige artikel vermelde schepen en vaartuigen kunnen worden verhaald, zijn de na te meldene, in de orde waarin dezelve geplaatst zijn:

a. De berg-, hulp- en loodsloonen;

h. De tonnen-, baken-, vuur- en andere havengelden;

c. De legger-, bewaarder- en sjouwergelden;

d. De huur van pakhuizen of van bergplaatsen om het scheeps-toebehooren en de gereedschappen te plaatsen;

e. De gagien van den schipper en het scheepsvolk.

Het voorregt bij litt. a, b, c, d en e verleend, kan niet worden ingeroepen na verloop van drie maanden, te rekenen van den dag, dat de schuld is opvorderbaar geweest.

f. De noodige leveringen en reparatie aan het schip of vaartuig en deszelfs gereedschappen gedaan, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag dat de reparatie is volbragt;

g. De schuldvordering wegens den aanbouw van het schip, benevens de renten van de drie laatste jaren;

h. De schaden en interessen van inladers wegens het niet, of niet behoorlijk uitleveren van de door hen ingeladene koopmanschappen, en die welke, door ontrouw of schuld van den schipper of het scheepsvolk, aan de goederen veroorzaakt zijn;

3°. Dat, indien de opbrengst van het schip of vaartuig niet toereikende is om de schulden, in ieder der onderdeden van de tweede paragraaf van dit artikel respectievelijk aangeduid, ten volle te voldoen, de laatstgemaakte kosten van elk derzelve den voorrang boven de vroegere hebben;

4°, Dat na de schulden, in voorschreven tweede paragraaf vermeld, mede op de bedoelde schepen en vaartuigen, voor zoo verre zij de grootte hebben van tien of meerdere lasten, bevoorregt zijn degene welke bij art. 315 zijn aangewezen, met inachtneming der bij dat artikel voorkomende bepalingen;

603

-ocr page 680-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

5°. Dat alle de voorregten, hierboven vermeld, verloren gaan, indien het schip of vaartuig, aan een ander zijnde overgedragen, zonder protest van de bevoorregte schuldeischers, gedurende een half jaar, ten name en voor rekening van den nieuwen eigenaar heeft gevaren, alles met inachtneming van het tweede en derde lid van art. 316. (K. 313 v., 317, 318; Rv. 566, 573.)

751. De voorschriften van den tweeden titel van dit boek zijn op de reeders en eigenaars van de binnenlandsche schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 bedoeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art. 320, 321, 822 en 323, het eerste lid van art. 325, art. 326, 327, 328, 329, 330, 332, 333, 335, 836 en 337.

762. De verpligting des boekhouders tot het doen van rekening, en die van eiken reeder om dezelve op te nemen en te sluiten, en het nadeelig slot daarvan voor zijn aandeel op te leggen, worden geregeld door de overeenkomst en het gemeene regt omtrent lastgeving, met dien verstande, dat de goedkeuring der meerderheid van de reeders de minderheid niet belet hare regten te doen gelden. (B. 1874, 1829 v., 1889; K. 838 v.)

753. De voorschriften van den derden titel van dit boek zijn op de schippers van de binnenlandsche schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 vermeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art. 341\', 345, 346, 348, 349, 854,855,356,363 en 367, het eerste lid van art. 368, art. 382, 390, 891, 392 en 398, behoudens hetgeen bij wettig bestaande reglementen en verordeningen deswege is bepaald.

De verpligting van den schipper tot het doen van rekening, en al hetgeen daartoe betrekkelijk is, wordt geregeld naar de overeenkomst, het gemeene regt en de bijzondere reglementen en verordeningen, daaromtrent wettiglijk vastgesteld. (B. 1874, 1829 v., 1889; K. 887.)

754. De voorschriften van den vierden titel zijn te dezen alleen toepasselijk voor zoo veel betreft art. 451 en 452.

De regten en verpligtingen uit huur van stuurlieden, schippersknechts of ander scheepsvolk, voortvloeijende, worden geregeld naar de overeenkomst, naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur van dienstboden en werklieden, en naar de bijzondere reglementen en verordeningen daaromtrent wettiglijk vastgesteld. (B. 1374, 1687 v.)

755. De voorschriften van den vijfden titel van dit boek zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart.

De regten en verpligtingen, voortvloeijende uit bevrachting, mitsgaders al hetgeen daartoe betrekkelijk is, worden geregeld naar de bepalingen van den vijfden titel van het eerste boek van dit Wetboek, naar die van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur en verhuur, naar de bijzondere reglementen en verordeningen daaromtrent wettiglijk vastgesteld, en, bij ontstentenis van deze, naar de plaatselijke gebruiken.

Op den tijd van laden en lossen, den aanvang van den laad-en lostijd en het bedrag van het overliggeld zijn het tweede, het derde en het vierde lid van artikel 748 van toepassing. (A. 3; B. 1583 v.; K. 91 v.)

604

-ocr page 681-

BOEK II, TITEL XIII, ARTT. 751—763.

Aldus qewijziqd bij art. 2 der Wet van 2 Mei \\ 897 (Stb. n0 140). a)

756. De voorschriften van den zesden titel van dit boek zijn op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk, met deze wijziging, dat, in de gevallen bij art. 538 en 540 uitgedrukt, elk schip of vaartuig, en elke lading, derzelver eigene schade draagt.

Hetzelfde is ook toepasselijk op het geval, dat het eene schip of vaartuig een zeeschip is, of daarmede, volgens artikel 748, wordt gelijk gesteld, en het andere tot de binnenlandsche vaart behoort.

757. De voorschriften van den zevenden titel van dit boek zijn in het algemeen, en naar de omstandigheden, ook op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

De geschillen over berg-of hulploonen worden beregt door de arrondissements-regtbank, binnen welker gebied de redding of berging heeft plaats gehad. (Stb. 1885 n0. 151.)

758. De voorschriften van den achtsten titel van dit boek zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart. (K. 315 j». 750 n®. 4.)

759. De bepalingen van artikel 708, 709, 710, 712, 713, 714, 715, 716, 717, 718, 719 en 721 zijn ook op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

760. Indien, tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen worden geworpen, heeft de omslag plaats op dezelfde wijze en naar dezelfde regelen, welke ten aanzien van de zeevaart zijn voorgeschreven. (K. 699 n0. 2, 729 v.)

761. Dezelfde bepaling geldt, indien, tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen in de ligters of booten zijn overgeladen.

De kosten daartoe vereischt, de schade aan de goederen overgekomen en de schadeloosstellingen aan de ligters of de booten verschuldigd, worden op den voet van het vorige artikel door het principale schip of vaartuig en de lading gedragen. (K. 699 n0. 14 en 17, 702, 704.)

762. De overige bepalingen van den elfden h) titel zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart.

763. De voorschriften van den twaalfden c) titel gelden in het algemeen en naar de omstandigheden ook op de binnenlandsche scheepvaart. (K. 93, 98, 746.)

DERDE BOEK.

VAN DE VOORZIENINGEN IN GEVAL VAN ONVERMOGEN VAN KOOPLIEDEN.

764-923. Het derde hoek ingetrokken hij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementsivet.

a) Oorspronkelijk werden iu het tweede lid, tnsschen de woorden: „bevrachtingquot; en „mitsgaders,quot; gelezen de woorden: „den tijd van laden en lossenquot; en ontbrak het derde lid.

h) O. E. verkeerdelijk: tienden.

c) O. E. verkeerdelijk : elfden.

605

-ocr page 682-

BIJLAGEN

TOT HET

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

WET

van 4 Juli 1874 (Stb. n0.89), tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent het voorregt der commissionnairs.

Eenig Artikel.

De artikelen 79—85 van het Wetboek van Koophandel worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen :

(Zie art. 79—85 W. v. K.)

Gegeven te Montreux, den 4den Julij 1874.

WET

van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 95), tot wijziging der wettelijke bepalingen omtrent het pandregt.

Artikel 1.

{Zie onder de bijlagen tot het Burgerlijk Wetboek, blz. 474.)

2. In art. 315 van het Wetboek van Koophandel wordt in plaats der woorden: «eene zekere dagteekening hebbende» gelezen: «houdende het beloop der schuld en der bedongen rente.»

Gegeven te Montreux, den 8sten Juli 1874.

WET

van 1 Juni 1875 (Stb. n0. 81), tot wijziging van art. 302 van het Wetboek van Koophandel.

(Zie art. 302 W. v. K. en het daarbij afgedrukte art. 2 der wet.)

Gegeven op het Loo, den Isten Junij 1875.

WET

van 26 April 1884 (Stb. nquot;. 95), houdende wijzigingen in het Wetboek van Koophandel.

Artikel 1.

Artikel 398 van het Wetboek van Koophandel wordt ingetrokken.

-ocr page 683-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

2. Artikel 440 van gemeld Wetboek wordt aangevuld als volgt;

«7°. indien de schipper het schip bestemt of gebruikt voor slavenhandel, zeeroof of strafbare kaapvaart».

3. Dit artikel wijzigende art. 893 K. is vervallen door de intrekking vamp;n K. 111 bij I. F. 2.

4. Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

Gegeven op Oranje-Nassau, den 26sten April 1884.

WET

ter invoering van de Faillissementswet.

(Zie deze wet, welker artikelen 2 en 4 wijzigingen brengen in het Wetboek van Koophandel, in haar geheel afgedrukt achter de Faillissementswet.)

WET

van 31 December 1896 (Stb. nquot;. 244), houdende wijziging van de artikelen 379, 380, 383 en 384 van het Wetboek van Koophandel.

Artikel 1.

De aanhef van artikel 379 van het Wetboek van Koophandel wordt gelezen als volgt:

(Zie art. 379 K.)

2. Artikel 380 van het Wetboek van Koophandel wordt gelezen als volgt:

(Zie art. 380 K.)

3. Artikel 383 van het Wetboek van Koophandel wordt gelezen als volgt:

(Zie art. 383 K.)

4. Artikel 384 van het Wetboek van Koophandel wordt gelezen als volgt:

(Zie art. 384 K.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 31sten December 1896.

WET

van 2 Mei 1897 (Stb. n0. 140), lot wijziging van de artikelen 748 en 755 van het Welhoek van Koophandel.

Artikel 1.

Aan art. 748 van het Wetboek van Koophandel wordt toegevoegd:

(Zie art. 748 K.)

2. In het tweede lid van artikel 755 van gemeld Wetboek vervallen de woorden: «den tijd van laden en lossen.»

607

-ocr page 684-

BIJLAGEN ENZ.

Aan gemeld artikel wordt als derde lid toegevoegd:

(Zie art 755c K)

3. Deze wet treedt in werking op eenen nader door Ons te bepalen dag. (Stb. 1898 n0. 1, a. 3 v.. zie hieronder.) Gegeven te Stuttgart, den 2den Mei 4897.

BESLUIT

van 3 Januari -1898 (Stb. n0. 1), houdende voorschriften ter uitvoering van de artikelen 748 en 755 van het Wetboek van Koophandel, zooals deze luiden ingevolge de Wet van 2 Mei 1897 (Stb. n0.140).

1—2. {Zie deze artikelen afgedrukt onder art. 748 K.) 3. De wet van 2 Mei 1897 (Stb. n0. 140) treedt inwerking op den Isten Februari 1898.

\'s-Gravenhage, den 3den Januari 1898.

608

-ocr page 685-

FAILLISSEMENTSWET.a)

TITEL I.

Van Faillissement.

EERST K AFDEELING.

Van de faillietverklaring.

Artikel 1.

De schuldenaar, die in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuld-eischers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.

De faillietverklaring kan ook worden uitgesproken, om redenen van openbaar belang, op de vordering van het Openbaar Ministerie. (K. (oud) 764, 768; Rv. (oud) 707 v., 882; B. 1177 v., 1418 v.; F. 2 v., 4, 6b, 7, 8 v., 14,16,19, 167, 193a, 194, 198, 213, 217d, 225, 236e en f; Sr. 340 v.)

Het eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij de Wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155). b)

2. De faillietverklaring geschiedt door de rechtbank van de woonplaats des schuldenaars.

Indien de schuldenaar zich buiten het Rijk in Europa heeft begeven, is de rechtbank zijner laatste woonplaats bevoegd.

Ten aanzien van vennooten onder eene firma is de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor der vennootschap is gevestigd, mede bevoegd.

Indien de schuldenaar binnen het Rijk in Europa \'geene woonplaats heeft, doch aldaar een beroep of bedrijf uitoefent, is de rechtbank, binnen welker gebied hij een kantoor heeft, bevoegd.

Wordt in het geval van het derde of vierde lid of in dat van artikel 3 door meer dan ééne daartoe bevoegde rechtbank op verschillende dagen de faillietverklaring uitgesproken , dan heeft alleen de eerst gedane uitspraak rechtsgevolgen. Heeft de uitspraak van verschillende rechtbanken op denzelfden dag plaats, dan heeft alleen de

a) Wet van 30 September 1893 (Stb. no. I tü), op het faillissement en de surséance van betaling. (Verg. I. F. 14.)

\'j) Het oorspronkelijke eerste lid luidde: „De schuldenaar, die ophoudt te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisclierf, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard, indien dit in het gemeenschappelijk belaug zijner schuldoischcrs wcnschelijk wurdt geoordeeld.\'\'

39

-ocr page 686-

FA1LLISSEMENTSWET.

uitspraak van de rechtbank, die in de wetten van 9 April •1877 (Stb. nos. 74—78) het eerst genoemd wordt, rechtsgevolgen .

Ten aanzien van naamlooze vennootschappen, weder-keerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereenigingen en van stichtingen geldt, ter toepassing van dit artikel, de plaats, waar zij haren zetel hebben, als woonplaats. (K. (oud) 765a; Rv. (oud) 884a; F. 1, 214; B. 74 v.; Rv. 97, 98, 126, 127, 314; K. 16 v., 36 v., 286, 308; B. 1690 v. jquot; W. vereenig. en verg., a. 5 v., 14, 15, zie chron. lijst; W. coöp. ver., a. 1 v., 6b, zie chron. lijst.)

3- De gehuwde vrouw, die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent of een eigen vermogen bezit, kan ook ter plaatse, waar zij dit doet of waar zij gevestigd is, in staat van faillissement worden verklaard. (F. 1, 2, 214; B. 165, 168, 194 v.)

4. De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met den meesten spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord. (K. (oud) 765a, 766; Rv. (oud) 884Ö ene; F. 1, 2, 5, 6a, 8f, 11c, 12^, 17b, 217amp;; Rv. 324.)

Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten. (K. (oud) 765b; K. 16, 48.)

Het vonnis van faillietverklaring wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken en is bij voorraad, op de minute uitvoerbaar, niettegenstaande eenige daartegen gerichte voorziening. (K. (oud) 791a; Rv. (oud) 887a; F. 8 v., 86, 220a; Rv. 52, 53, 123, 124, 297, 430a.)

5. De verzoekschriften, bedoeld in het vorige artikel en in de artikelen 8, 9, 10, 11, 67, 155, 166, 198 en 206, worden ingediend door een procureur. (F. 17b, 214.)

6. De rechtbank kan bevelen, dat de schuldenaar worde opgeroepen, om in persoon of bij gemachtigde gehoord te worden. De oproeping geschiedt bij brief door den griffier. (K. (oud) 766c?; Rv. (oud) 884d; F. 4, 8a en b, 11c, 12b.)

De faillietverklaring wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantoonen, dat de schuldenaar in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen. (F. 1, 48.)

610

Het tweede lid aldus gewijzigd vastgesteld bij de Wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155). a)

a) Het oorspronkelijke tweede lid luidde: „De faillietverklaring, door de reohtbank in het gemeenschappelijk belang der Echuldeischers wenschelijk geoordeeld, wordt uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het ophouden met betalen, en, zoo een schuldeischer het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van dezen.quot;

-ocr page 687-

TITEL I, AFD. I, AP TT. 3—10.

7. Hangende het onderzoek kan de rechtbank den verzoeker toestaan den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling, tot een door haar te bepalen bedrag, verbinden.

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. Buiten de verzegeling blijven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in artikel 21 n0.1. (K. (oud) 7686; F. 93; Rv. 658 v.. 616 v.; Sr. 199.)

8. De schuldenaar, die in staat van faillissement is verklaard, nadat hij op de aanvraag tot faillietverklaring is gehoord, heeft gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, recht van hooger beroep.

Zoo hij niet is gehoord, heeft hij gedurende veertien dagen, na den dag der uitspraak, recht van verzet. Indien hij tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, wordt die termijn verlengd tot eene maand.

Van het vonnis, op het verzet gewezen, kan hij gedurende acht dagen, na den dag der uitspraak, in hooger beroep komen.

Het verzet of hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den schuldenaar van het gedane verzet of ingestelde hooger beroep, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot aan den procureur, die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend, kennis gegeven.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuld-eischer, die de faillietverklaring heeft uilgelokt.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven. (K. (oud) 791amp;—e; Rv. (oud) 8876; F. 1, 5, 6, 9 v., 12, 13, 18, 154 v., 184 v., 211, 218; tl.O.69; Rv.81, 345«; B. 1401 v.)

9. Bij afwijzing van de aangifte of aanvraag tot faillietverklaring bestaat recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt bij vernietiging der faillietverklaring ten gevolge van verzet, in welk geval van het hooger beroep door den griflier van het gerechtshof, waarbij het is aangebracht, onverwijld wordt kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank die de vernietiging heeft uitgesproken.

De instelling en behandeling -van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven. (K. (oud) 791/\'; Rv. (oud) 8S7b; F. 1, 5, Sb, 12, 15, 18; R. O. 69; Rv. 345a.)

10. Elk schuldeischer, met uitzondering van hem die de faillietverklaring heeft verzocht, en elk belanghebbende heeft tegen de faillietverklaring recht van verzet gedurende acht dagen na den dag der uitspraak.

Het verzet geschiedt bij een verzoekschrift in te dienen ter griffie van het rechtscollege, dat de faillietverklaring heeft uitgesproken.

611

-ocr page 688-

FAILLISSEMENTSWET.

De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. Uiterlijk op den vierden dag, volgende op dien waarop hij zijn verzoek heeft ingediend, wordt door den verzoeker van het gedane verzet, alsmede van den tijd voor de behandeling bepaald, bij deurwaarders-exploot kennis gegeven aan den schuldenaar en, indien de faillietverklaring door een schuldeischer is verzocht, ook aan den procureur, die namens dezen het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend.

Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar en van dien schuldeischer.

De behandeling geschiedt op de wijze bij artikel 4 voorgeschreven. (K. (oud) 791 gr; Rv. (oud) 8876; F. 1, 5, 8, 9, 11 v., 13, 18, 209; Rv. 376.)

11. De schuldeischer of de belanghebbende, wiens in het vorige artikel bedoeld verzet door de rechtbank is afgewezen, heeft recht van hooger beroep, gedurende acht dagen na den dag der afwijzing.

Hetzelfde geldt, bij vernietiging der faillietverklaring dooide rechtbank ten gevolge van dat verzet, voor den schuldenaar, den schuldeischer, die de faillietverklaring verzocht heeft, en het Openbaar Ministerie, in welk geval tevens het tweede lid van artikel 9 van toepassing is.

De instelling en behandeling van het hooger beroep geschiedt op de wijze in de artikelen 4 en 6 voorgeschreven.

Is het verzet bij het gerechtshof gedaan, dan is hooger beroep uitgesloten. (K. (oud) 791gf; Rv. (oud) 8876; F. 1, 5, 8 v., 10, 12. 18; R. O. 69; Rv. 345a.)

12. Van het arrest, door het gerechtshof gewezen, kunnen de schuldenaar, de schuldeischer die de faillietverklaring verzocht, de in art. 10 bedoelde schuldeischer of belanghebbende en het Openbaar Ministerie, gedurende acht dagen na den dag der uitspraak, in cassatie komen.

Het beroep in cassatie wordt aangebracht en behandeld op de wijze bij de artikelen 4, 6 en 8 bepaald.

Indien de cassatie is gericht tegen een arrest, houdende vernietiging van het vonnis van faillietverklaring, geeft de griffier van den Hoogen Raad van het verzoek tot cassatie onverwijld kennis aan den griffier van het gerechtshof dat de vernietiging heeft uitgesproken. (K. (oud) 7916—h) Rv. (oud) 8876; F. 1, 8, 9, 11, 18, 156, 1876, 211, 219c; R. O. 99; Rv. 428, 429.)

13. Indien ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie de faillietverklaring wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor den schuldenaar de handelingen, door den curator verricht vóór of op den dag, waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig artikel 15 is voldaan.

Hangende het verzet, het hooger beroep of de cassatie kan geene raadpleging over een akkoord plaats hebben, noch tot de vereffening van den boedel builen toestemming van den schuldenaar worden overgegaan. (F. 4c, 8, 10, 11, 12, 16, 138v.( 168a, 173 v., 2206; B. 1401 v.)

612

-ocr page 689-

TITEL I, AFD. I, ARTT. H—17.

14. Het vonnis van faillietverklaring houdt in de benoeming van een der leden van de rechtbank tot rechtercommissaris in het faillissement, en de aanstelling van een of meer curators. (K. (oud) 787a; Rv. (oud) 885a: F. 1, 64 v., 68 v., 70amp;, 73, 74, 87 v.)

Van de faillietverklaring wordt door den griffier onverwijld kennis gegeven aan de administratie der posterijen en der telegrafie. (F. 15a, 99.)

Een uittreksel uit het vonnis van faillietverklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats of het kantoor en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den rechter-commissaris, van den naam en de woonplaats of het kantoor des curators, van den dag der uitspraak, alsmede van den naam, het beroep en de woonplaats of het kantoor van ieder lid der voorloopige commissie uit de schuldeischers, zoo er eene benoemd is, wordt door den curator onverwijld geplaatst in de Neder-landsche Staatscourant en in een of meer door den rechtercommissaris aan te wijzen nieuwsbladen. (K. (oud) 793; Rv. (oud) 893a; F. 15amp;, 18, 846, 109,167c, 178,183c, 193a, 17a, 74 v.)

15. Zoodra een vonnis van faillietverklaring ten gevolge van verzet, hooger beroep of cassatie is vernietigd, en in de twee eerste gevallen de termijn, om in hooger beroep of in cassatie te komen, verstreken is zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door den griffier van het rechtscollege, dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan den curator en aan de administratie der posterijen en der telegrafie.

De curator doet daarvan aankondiging in de bladen in artikel 14 genoemd. (F. 8, 10, 11, 12, 13, 14a en b, 16, 99a, 168a, 220b.)

16. Indien de toestand des boedels daartoe aanleiding geeft, kan de rechtbank, op voordracht van den rechtercommissaris en na de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, gehoord te hebben, bevelen, hetzij de kos-telooze behandeling, hetzij, na verhoor of behoorlijke oproeping van den gefailleerde, en in dit geval bij beschikking in het openbaar uit te spreken, de opheffing van het faillissement. (F. ild, 18, 64 v., 74 v., 85 v., 168a; Rv. 855 v.)

17. Elke in dezen titel bevolen plaatsing in de Neder-landsche Staatscourant geschiedt kosteloos. (F. 14c, 15b, 18, 84amp;, 109, 183c, 193a, 208.)

Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van dezen titel, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

Daaronder zijn evenwel niet begrepen de processen-verbaal en akten, houdende verkoop of andere overeenkomsten, noch de stukken betrekkelijk andere rechtsgedingen over rechten en verplichtingen van den boedel, dan die welke het gevolg zijn van de verwijzing door den rechter-commis-saris bedoeld in artikel 122.

Het bevel tot kostelooze behandeling van het faillissement

613

-ocr page 690-

FAILLISSEMENTSWET.

heeft bovendien ten gevolge vrijstelling van griffiekosten. (Zegelw., a. 27; Loi du 22 Frimaire an VII, a. 70 § III (Fortuyn I, 484); F. 16, 168a; Stb. 1843 n». 38, a. 1 v. (Tar., a. 22 v.).)

18. De beschikking, bevelende de opheffing van het faillissement, wordt op dezelfde wijze openbaar gemaakt en daartegen kunnen de schuldenaar en de schuldeischers op dezelfde wijze en binnen dezelfde termijnen opkomen, als ten aanzien van het vonnis van faillietverklaring is bepaald. Indien na eene dergelijke opheffing opnieuw aangifte of aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, is de schuldenaar of de aanvrager verplicht aan te toonen, dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. (F. 1, 6, 8 v., iAb en e, 16, 168a.)

19. Bij elke rechtbank wordt door den griffier een openbaar register gehouden, waarin hij, voor ieder faillissement afzonderlijk, achtereenvolgens, met vermelding der dag-teekening, inschrijft;

1°. een uittreksel van de rechterlijke beslissingen, waarbij de faillietverklaring uitgesproken of de uitgesprokene weder opgeheven is; (F. 1, 2, 8 v., 12.)

2°. den summieren inhoud en de homologatie van het akkoord; (F. 138 v., 153 v.)

8°. de ontbinding van het akkoord; (F. 165 v.)

4°. het bedrag van de uitdeelingen bij vereffening; (F. 173 v., 179, 192.)

5°. de opheffing van het faillissement ingevolge artikel 16;

6°. de rehabilitatie. (F. 206 v., 212.)

Omtrent vorm en inhoud van het register worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur nadere regels gegeven. (Stb. 1896 n0. 97.)

De griffier is verplicht aan ieder kostelooze inzage van het register en tegen betaling een uittreksel daaruit te verstrekken.

Op het register bestaat een alphabetische klapper. (F. 1, 2 v.; R. I, 64; Stb. 1843 n». 38, a. 27i. 4 (Tar., a.23/i, 25.).)

TWEEDE AFDEEL ING.

Van de gevolgen der faillietverklaring.

20. Het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. (B. 1177, 870, 874; F. 1, 21, 22, 41.)

21. Niettemin blijven buiten het faillissement:

1». de goederen vermeld in artikel 447 nos. 2—5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de gelden of jaarwedden vermeld in artikel 756 n». 3 van dat Wetboek, de gagie, indien de gefailleerde

614

-ocr page 691-

TITEL I, AFD. I EN IT, ARTT. IS—24.

schipper of schepeling is, en het auteursrecht; alsmede hetgeen in het eerste ]id van artikel 448 van genoemd Wetboek omschreven is, tenzij in het faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen, vermeld in het tweede lid van dat artikel; (W. tucht koopv., a. 21c, zie chron. lijst; W. auteursr., a. 9c, zie chron. lijst; F. 76, 93c, 95.)

2°. hetgeen de gefailleerde gedurende het faillissement door persoonlijke werkzaamheid verkrijgt of een gedeelte daarvan, ter beoordeeling van den rechtercommissaris; (F. 67b.)

3®. de gelden, die aan den gefailleerde verstrekt worden ter voldoening aan eenen wettelijken onderhoudsplicht; (B. 158, 280, 301, 376 v.; Rv. 756a n«. 2.)

4°. een door den rechter-commissaris te bepalen bedrag uit de opbrengst van het in artikel 366 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vruchtgenot, ter bestrijding van de in artikel 367 van dat Wetboek vermelde lasten; (F. 67fe.)

5°. de uifkeering, die de gefailleerde, krachtens de bepaling van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek, uit de inkomsten zijner kinderen geniet. (K. (oud) 808a; Rv. (oud) 8936; F. 226, 63, 1736.)

22. Indien de gefailleerde wegens een ambt of bediening een traktement, soldij of pensioen geniet, waarop schuldeischers alleen binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wèttelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld, rechten kunnen doen gelden, geschiedt de uitoefening dier rechten, gedurende het faillissement, uitsluitend door den curator ten behoeve van den boedel, en nemen door de faillietverklaring alle rechten, door afzonderlijke schuldeischers verkregen, een einde.

In dit en het vorige artikel wordt onder «gefailleerde» mede begrepen de echtgenoot van den in eenige gemeenschap gehuwden gefailleerde. (Stb. 1815 nquot;. 5; Stb. 1846 n®. 24, a. 40; Stb. 1890 n«. 78, a. 30; Stb. 1890 n®. 79, a. 22; Stb. 1851 n®. 127, a. 68; Stb. 1851 n®. 129, a. 67; B. 174 v. 210 v., 219 v.; F. 61 v.)

23. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen. (K. (oud) 770; Rv. (oud) 888; F. 1, 4, 20—22, 161, 193, 230. — G. 80c, 84, 90, 1276 en d, 1436 en c; Kiesw., a. 3, 22, 99, 126; Prov. w, a. 17, 37; Gem.w., a. 19, 61, 96, 107; W. K. v. arb., a. 8c n®. 3. R. O. 11 n®. 2; B. 437 n®. 5, 506c, 838, 1069, 1454, 1683 n®. 4, 1850c; F. 24—63.)

24. Uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faillietverklaring aangegaan, ontstaan geene aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is gebaat. (F. 23, 25. 52, 2306; B. 1366,1367, 1482 v., 1487, 1681.)

615

-ocr page 692-

FA1LLISSKMEN TSWET.

25. Rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot den faillieten boedel behoorende ten onderwerp hebben, worden zoowel tegen als door den curator ingesteld.

Indien zij, door of tegen den gefailleerde ingesteld of voortgezet, eene veroordeeling van den gefailleerde ten gevolge hebben, heeft die veroordeeling tegenover den faillieten boedel geene rechtskracht. (K. (oud) 771b en c, 813a; Rv. (oud) 893b; F. 23, 26 v., 28d, 30a, 68b, 232; Sv. 202b.)

26. Rechtsvorderingen, die voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde op geene andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie. (F. 23, 25, 108 v., 122, 126, 196, 232; Stb. 1845 n». 22, a. 7, zie chron. lijst.)

27. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van den gedaagde geschorst, ten einde dezen gelegenheid te geven, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator tot overneming van het geding op te roepen.

Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den boedel.

Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces ten allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen. (K. (oud) 813a; Rv. (oud) 893b; F. 23 v., 28 v., 30, 68b, 232; Rv. 254 v., 247.)

28. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en tegen den schuldenaar ingesteld is, is de eischer bevoegd schorsing te verzoeken, ten einde, binnen een door den rechter te bepalen termijn, den curator in het geding te roepen.

Door zijne verschijning neemt deze het proces over en is de gefailleerde van rechtswege buiten het geding.

Indien de curator verschijnende dadelijk in den eisch toestemt, zijn de proceskosten van de tegenpartij geen boedelschuld.

Zoo de curator niet verschijnt, is op het tegen den gefailleerde te verkrijgen vonnis de bepaling van het tweede lid van artikel 25 niet toepasselijk. (K. (oud) 771b ene,813a; Rv. (oud) 893b; F. 23 v., 27, 29, 30 v., 68b, 232; Rv. 254 v., 247, 56 v.)

29. Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening eener verbintenis uit den boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding. (F. 23, 26, 30,108 v., 122, 126, 196, 232; Rv. 254 v.)

30. Indien vóór de faillietverklaring de stukken van het

-ocr page 693-

TITEL I, AFD. II, A.RTT. 25—37. Cl 7

geding tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, zijn het tweede lid van artikel 25 en de artikelen 27—29 niet toepasselijk. (Rv. 45b, 144a.)

De .artikelen 27—29 worden weder toepasselijk, indien het geding voor den rechter, bij wien het aanhangig is, ten gevolge van zijne beslissing wordt voortgezet. (Rv. 46.)

31. Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 29 tegen een schuldeischer wordt voortgezet, kan door den curator of door dien schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was. (K. (oud) 777; Rv. (oud) 891; F. 27, 28, 42 v.)

32. In de gedingen, door of tegen den curator ingesteld of voortgezet, of in het geval van artikel 122 tegen een schuldeischer gevoerd, kan de rechter dén gefailleerde de eeden opleggen, bedoeld bij artikel 1977 van het Burgerlijk Wetboek. (F. 23, 25 v., 90; B. 1978.)

33. Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd. (K. (oud) 771a; Rv. (oud) 889, 890;; Rv. 439 v., 491 v., 563 v., 585 v.; F. 34, 57 v., 231.)

Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van artikel 87. (K. (oud) 888—891; Rv. (oud) 890; Rv. 585 v., 596; F. 4, 8 v., 231)

34. Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning zijner roerende of onroerende goederen zoo ver was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, kan de curator, op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel laten voortgaan. (K. (oud) 772; Rv. (oud) 889; Rv. 449, 514, 570; F. 33, 64, 67amp;, 68, 72, 78a.)

35- Van vóór de faillietverklaring opgemaakte akten kan de door artikel 671 van het Burgerljk Wetboek of artikel 309 van het Wetboek van Koophandel gevorderde overschrijving, en van bevorens verleende hypotheken, alsmede van de akten genoemd in artikel 315 van laatstgemeld Wetboek de inschrijving, na de faillietverklaring niet geldig meer geschieden. (F. 23, 37; B. 1214, 1224, 743, 760, 7676, 7846, 807a; Rv. 505e, 566c.)

36. Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge. (F. 110; B. 2016, 2018, 2021, 2022.)

37. Indien eene wederkeerige overeenkomst ten tijde van de faillietverklaring zoowel door den schuldenaar als door zijne wederpartij in het geheel niet of slechts gedeeltelijk is nagekomen, is deze laatste bevoegd den curator

-ocr page 694-

FAILUSSEMENTSWET.

te sommeeren binnen acht dagen te verklaren of hij de overeenkomst gestand wil doen. Indien de curator zich daartoe binnen dien tijd niet bereid verklaart, is de overeenkomst ontbonden en kan de wederpartij voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen; vefklaart de curator zich daartoe wel bereid, dan is hij verplicht bij die verklaring zekerheid te stellen voor de richtige nakoming der overeenkomst.

Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op overeenkomsten, waarbij de verbintenis van den gefailleerde eene uitsluitend door dezen persoonlijk te verrichten handeling inhoudt. (B. (oud) 1515; F. 38, 39, 40, 686, 78a; B. 1302, 1303, 1553, 1554, 1419.)

38. Indien in het geval, bedoeld bij het vorige artikel, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en kan de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden. (F. 37, 110; K. 59,60; B. 1302, 1303.)

39. Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van den dag der faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld. (F. 37, 686, 78a; A. 3; B. 1302, 1303, 1583 v., 1586 v., 1607, 4617 v., 1621, 1622, 1624 v.)

40. Alle bezoldigde personen, in dienst van den gefailleerde, kunnen hunne betrekking opzeggen en hun kan wederkeerig door den curator hunne betrekking opgezegd worden, met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende zal zijn. Van den dag der faillietverklaring af is het salaris boedelschuld. (F. 87, 39, 68b, 78a; B. 1302, 1303, 1639.)

41. Erfenissen, gedurende het faillissement aan den gefailleerde opkomende, worden door den curator niet anders aanvaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Tot het verwerpen eener nalatenschap behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris. (F. 20, 67a, 72; B. 1075, 1090, 1091, 1103, 1153, 459, 506c.)

42. Onverminderd de bijzondere bepalingen in de arti-

618

-ocr page 695-

TITEL I, AFD. II, ARTT. 38—46.

kelen 44—46 omtrent schenkingen gemaakt, kan ten behoeve van\' den boedel de nietigheid ingeroepen worden van alle vóór de faillietverklaring door den schuldenaar onverplicht verrichte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, mits bewezen worde, dat bij het verrichten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn. (K. (oud) 777; Rv. (oud) 891; F. 31, 43, 47, 49, 50, 51, 169; B. 1377; Sr. 340, 341, 343.)

43. Indien de handeling, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn, verricht is binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aanvang van dien termijn daartoe had verplicht, wordt de aan het slot van het vorige artikel bedoelde wetenschap, behoudens tegenbewijs, vermoed aan beide zijden te bestaan;

1°. bij overeenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde overtreft; (Sr. 341 n0. 2, 343 n». 2.)

2°. bij handelingen ter voldoening of zekerheidstelling voor eene niet opeischbare schuld; (B. 1196, 1208, 1305; K. 158; Sr. 341 n». 3, 343 n0. 3.)

3®. bij handelingen, door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn echtgenoot of zijne bloed- of aanverwanten tot in den derden graad verricht. (B. 83, 345 v.; F. 45amp;. — K. (oud) 773,774; Rv.(oud)891; F. 42, 44 v., 49, 50, 51, 238; B. 1952, 1953.)

44. Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane schenkingen in te roepen, kan de curator volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der schenking wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde. (K. (oud) 776a; Rv. (oud) 891; F. 42,

45, 46, 49, 50, 51; B. 1377d, 1703 v.. 1719, 1720, 1724; Sr. 341 n®. 2, 343 n®. 2.)

45. Schenkingen, gedaan binnen veertig dagen vóór de faillietverklaring, worden, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn gedaan met de wetenschap, dat de schuldeischers daardoor benadeeld worden.

Deze termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde een bloed- of aanverwant tot in den derden graad van den schenker is. (K. (oud) 775; Rv. (oud) 891; F. 42, 48, 44,

46, 49, 50, 51, 238; B. 223 j®. F. 62; B. 281 v., 345 v., 1377d, 1703 v., 1715, 1719, 1720, 1724, 1952,1953; Sr.341 n®. 2, 348 n®. 2.)

46. De begiftigde, van wien niet blijkt dat hij met den vermogenstoestand van den schenker bekend was, is niet verplicht het door hem ontvangene terug te geven, voor zooverre hij aantoont, dat hij, ten tijde der faillietverklaring, ten gevolge der schenking niet was gebaat. (F. 44, 45; B. 970a, 1377e.)

619

-ocr page 696-

FAILLISSEMENTSWET.

47. De nietigheid van de voldoening, door den schuldenaar aan eene opeischbare schuld kan alleen dan worden ingeroepen, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij, die de betaling ontving, wist dat het faillissement van den schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tusschen den schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebbende laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeischers te begunstigen. (K. (oud) 777; Rv. (oud) 891; F. 4, 42, 43 n». 2, 48, 49, 50, 51, 54; B. 1418 v.; Sr. 341 n». 3, 343 n». 3.)

48. Krachtens het vorige artikel kan geene terugvordering geschieden van hem, die als houder van een papier aan order of toonder, uit hoofde zijner rechtsverhouding tot vroegere houders, tot aanneming der betaling verplicht was.

In dit geval is hij, te wiens bate het papier is uitgegeven, verplicht de door den schuldenaar betaalde som aan den boedel terug te geven, wanneer wordt aangetoond, hetzij dat hij bij de uitgifte van het papier de in het vorige artikel genoemde wetenschap bezat, hetzij dat de uitgifte het gevolg was van een overleg als in dat artikel bedoeld. (F. 49, 50, 51; K. 179, 181, 184, 186,187, 200, 201, 209, 215, 218a, 227.)

49. Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 42—48, worden ingesteld door den curator.

Niettemin kunnen de schuldeischers op gronden, aan die bepalingen ontleend, de toelating eener vordering bestrijden. (F. 25 v., 68, 69, 78, 119«, 122; B. 1377.)

50. Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen it. het vorige artikel bedoeld vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars. (K. (oud) 776amp;; Rv. (oud) 891; F. 42—48, 138 v., 152, 153, 162amp;, 193a, 194.)

51. Behoudens het bepaalde bij artikel 46 moet hetgeen door de nietige handeling uit het vermogen van den schuldenaar gegaan is, door hem, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, teruggegeven worden.

Zoo deze daartoe niet in staat is, of zoo hij het ont-vangene niet meer kan teruggeven in den toestand, waarin hij het ontving, is hij jegens den faillieten boedel tot schadevergoeding verplicht.

Rechten op het terug te geven goed, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd.

Het door den schuldenaar ontvangene, of de waarde daarvan, wordt door den curator teruggegeven, voor zooverre de boedel er door is gebaat. Voor het te kort komende kan degene, tegen wien de nietigheid wordt ingeroepen, als concurrent schuldeischer opkomen. (F. 42—48, 110 v.; B. 721, 758, 767, 784, 803, 865,1208; K. 315.)

52. Voldoening na de faillietverklaring doch vóór de bekendmaking daarvan, aan den gefailleerde gedaan, ter vervulling van verbintenissen jegens dezen vóór de failliet-

G20

-ocr page 697-

TITEL 1, AFD. II, ARTT. 47—57.

verklaring aangegaan, bevrijdt hem, die haar deed, tegenover den boedel, zoolang zijne bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt.

Voldoening, als in het vorig lid bedoeld, na de bekendmaking der faillietverklaring aan den gefailleerde gedaan, bevrijdt tegenover den boedel alleen dan, wanneer hij, die haar deed, bewijst dat de faillietverklaring te zijner woon-plaatse langs den weg der wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van den curator om aan te toonen, dat zij hem toch bekend was.

In elk geval bevrijdt voldoening aan den gefailleerde den schuldenaar tegenover den boedel, voor zooverre hetgeen door hem voldaan werd ten bate van den boedel is gekomen. (Rv. (oud) 8886; F. 14c, 23, 24.)

53 • Hij, die zoowel schuldenaar als schuldeischer van den gefailleerde is, kan zich op schuldvergelijking beroepen, indien zijne schuldvordering en zijne schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen vóór de faillietverklaring met den gefailleerde verricht.

De schuldvorderingen op den gefailleerde worden zoo noodig berekend naar de regels in de artikelen 130 en 131 gesteld. (B. 1417, 1461 v., 1463, 1469, 1269, 1349 v., 1388 v.)

54. Niettemin kan noch de schuldenaar van den gefailleerde zijne schuld vergelijken met eene vordering, door hem tegen den gefailleerde verkregen, noch de schuldeischer zijne vordering met eene schuld aan den gefailleerde, door hem van een derde overgenomen, terwijl die schuldenaar of schuldeischer wist dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen nimmer in verffeliikinff gebracht worden. (F. 47, 52, 53, 55; B. 668.)

55. De schuldenaar van den gefailleerde, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen dat hij reeds op het oogenblik der faillietverklaring te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier. (K. (oud) 205; F. 53, 54; K. 100 v., 133 v., 138, 208, 209, 210, 212, 221 v.; B. 668c.)

56. Eij, die zich met den gefailleerde in eene gemeenschap bevindt, die ten gevolge van of tijdens het faillissement van den schuldenaar wordt ontbonden, is bevoegd van het bij scheiding aan den gefailleerde komende aandeel in de baten diens aandeel in de ter zake van die gemeenschap aangegane schulden af te houden. (F. 53, 63; B. 628,1146, 1683 n0. 4, 1689.)

57. De hypothekaire schuldeischer, die het beding, vermeld in artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt, en de pandhouder kunnen hunne rechten uitoefenen, alsof er geen faillissement ware.

Is hunne vordering eene zoodanige als vermeld in de artikelen 130 en 131, dan kunnen zij dit alleen doen na verificatie en niet anders dan tot verhaal van het bedrag.

621

-ocr page 698-

FAILLISSEMENTSWET.

waarvoor de vordering is erkend. (K. (oud) 854a, 858«; Rv. (oud) 897; F. 33, 58, 59, 108 v., 110, 132, 180amp;, 182, 188«; B. 1196 v., 1201, 1208 v.; K. 84.)

68. De hypolhekaire schuldeischer en de pandhouder, in het vorige artikel bedoeld, zijne verplicht hunne rechten uit te oefenen vóór het verstrijken van ééne maand, nadat de insolventie is begonnen, behoudens de bevoegdheid van den rechter-commissaris om dien termijn te verlengen. Na verloop van dien tijd zal de curator de verpande voorwerpen opeischen, en deze, evenals de verhypothekeerde goederen, behoudens het recht van den pandhouder of hypothekairen schuldeischer op de opbrengst daarvan, zelf doen verkoopen op de wijze bij artikel 174 omschreven. (K. (oud) 854amp;, 860; Rv. (oud) 897, 898; F. 676, 68amp;.)

De curator kan te allen tijde het verpande voorwerp lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met de interesten en kosten. (K. (oud) 856; Rv. (oud) 897; F. 78a.—K. 84.)

59. De hypothekaire schuldeischer of pandhouder, die van zijne rechten gebruik heeft gemaakt, is verplicht de opbrengst van het verbonden goed aan den curator te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde met de interesten en kosten te boven gaat.

Indien die opbrengst niet toereikende is om den hypothekairen schuldeischer of den pandhouder te voldoen, treedt deze, zoo hij zijne vordering heeft doen verifieeren, voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer in den boedel op. (K. (oud) 855, 859, 861; Rv. (oud) 897; F. 57, 58, 68«, 110«, 121, 180amp;; K. 84.)

60. De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houden, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van den schuldenaar dit recht van terughoud ng niet. (F. 110, 113, 119«, 153amp; n®. 1, 175b; B. 630amp;, 631 623 en 881, 762, 7726, 12056, 1400amp;, 1612amp;, 1652, 1766, 1849; K. 84, 85, 533, 684«.)

61. In geval van faillissement van den man, neemt de vrouw alle roeiende en onroerende goederen, welke haar toebehooren en niet in de gemeenschap vallen, terug.

De aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks buiten de gemeenschap gehouden, wordt bewezen zooals bij artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

Van de roerende goederen staande huwelijk bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet, in geval van geschil, blijken op eene der wijzen in artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven.

De goederen, voortgesproten uit de belegging of weder-belegging van gelden aan de vrouw buiten de gemeenschap toebehoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen, mits die belegging of wederbelegging, in geval van geschil, door voldoende bescheiden, ten genoegen van den rechter, zij bewezen.

622

-ocr page 699-

TITEL I, AFD. II EN III, ARTT. 58—66.

Indien de goederen, haar toebehoorende, door haren man zijn vervreemd, doch de koopprijs nog niet is betaald, of wel de kooppenningen nog onvermengd met den faillieten boedel aanwezig zijn, kan zij haar recht van terugneming op dien koopprijs of op de voorhanden kooppenningen uitoefenen.

Voor hare persoonlijke schuldvorderingen treedt de vrouw als schuldeischeres op. (K. (oud) 880, 881, 882; Rv. (oud) 897; B, 160, 174, 175 v., 194. 1956,199. 210 v., 219, 220 v., 231 v., 235 v.; K. 230 v, 2456; F. 3, 62, 63, 108 v.)

62. De vrouw heeft geen aanspraak op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaarden besproken. Wederkeerig kunnen de schuldeischers geen genot hebben van de voordeelen, die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd. (K. (oud) 883; Rv. (oud) 897: F. 61, 63; B. 194 v., 2-23 v.)

63. Het faillissement van den in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld. Het omvat, behoudens de uitzonderingen van artikel 21, alle goederen, die in de gemeenschap vallen, en strekt ten behoeve van alle schuldeischers, die op de goederen der gemeenschap verhaal hebben. Indien de echtgenoot, die failliet verklaard is, goederen bezit, die niet in de gemeenschap vallen, worden ook deze onder het faillissement begrepen, maar zijn alleen aansprakelijk voor de schulden, waardoor de gefailleerde persoonlijk verbonden is.

De bepalingen in deze wet vervat omtrent handelingen door den schuldenaar verricht, zijn, bij faillissement van een in gemeenschap gehuwden echtgenoot, toepasselijk op de handelingen waardoor de gemeenschap wettig verbonden is, onverschillig wie der echtgenooten deze verrichtte. (F. 3, 20, 23, 41, 42—48, 61, 62, 105amp;; B. 160 v., 210 v., 219 v., 179, 180, 186.)

DERDE AFDEEL ING.

Van het bestuur over den faillieten boedel.

§ 1. Van den rechter-commissaris.

64. De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel. (K. (oud) 812; Rv. (oud) 8936; F. 14a, 68«, 87 v., 173 v.)

65. Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, eene beslissing te gevenj is de rechtbank verplicht den rechter-commissaris te hooren. (K. (oud) 8126; Rv. (oud) 8936: F. 64, 67, 85, 87 v., 173 v.)

66. De rechter-commissaris is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, het faillissement betreffende, getuigen te hooren of een onderzoek van deskundigen te bevelen.

623

-ocr page 700-

FAJLLISSEMENTSWET.

De getuigen worden gedagvaard namens den rechtercommissaris.

Bij niet-verschijning of weigering om getuigenis af te leggen, zijn de artikelen H6—119 van het Wetboek van Burgerlijke Bechtsvordering toepasselijk.

De echtgenoot of gewezen echtgenoot, de kinderen en verdere afkomelingen en de ouders en grootouders des gefailleerden kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen. (K. (oud) 805; Bv. (oud) 893c; F. 64 v.; B. 1946, 1947, 1949; Bv. 105,109,113,114, 222 v., 229,231, 232, 235; Sr. 192 n0. 2, 444; Sv. 61, 63, 64, 66, 72, 73, 162.)

67. Van alle beschikkingen van den rechter-commissaris is gedurende vijf dagen hooger beroep op de rechtbank. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden. (F. 37, 39, 40 en 58amp;, j\'s 68b, 41b, 68f), 69, 70a, 75c, 80b, 84a en b, 90a, 91,93, 99a, 103, 104, 108a, 120a, 122a, 141,150a, 163c, 178,183a, 185a, 188a, 193b.)

Niettemin valt geen hooger beroep van de beschikkingen vermeld in de artikelen 21 2°. en 4°., 34, 58, eerste lid, 79, 94, 98, 100, 102, 125, 127, vierde lid, 173, 174, 175, 177, 179 en 180. (F. 5, 85, 86.)

§ 2. Van den curator.

68. De curator is belast met het beheer en de verefle-ning van den faillieten boedel. (F. 14a, 22, 64, 69, 87 v., 104, 173 v.)

Alvorens in rechte op te treden, behalve waar het verili-catiegeschillen betreft, alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40 en 58, tweede lid, behoeft de curator machtiging van den rechter-commissaris. (K. (oud) 813b; Bv. (oud) 893b; F. 17b en c, 25, 27, 28, 42—48, 49a, 1% 78o, 122, 67a; Bv. 855 v.)

69. Ieder der schuldeischers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.

De rechter-commissaris beslist, na den curator gehoord te hebben, binnen drie dagen. (F. 64, 67a, 68, 74 v., 79.)

70. Indien meer dan één curator benoemd is, wcrdt voor de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen eene beslissing van den rechter-commissaris vereischt.

De curator, aan wien bij het vonnis van faillietverklaring een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd. (F. 14a, 67a.)

71. Het salaris van den curator wordt in elk faillissement door de rechtbank vastgesteld.

In geval van akkoord wordt het salaris bij het vonnis

624

-ocr page 701-

TITEL I, AFD. II EN III, ARTT. 67—70. 625

van homologatie bepaald. (K. (oud) 8636; Rv. (oud) 897; F. 65, 138 v., 153, 180a, 85; B. 522, 1025amp;, 1068b.)

72. Het ontbreken van de machtiging van den rechtercommissaris, waar die vereischt is, of de niet-in achtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 78 en 79, heeft, voor zooveel derden betreft, geen invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk. (F. 37, 39, 40 en 586 j™. 68b, 416, 686,103, 104; B. 1401; F. 73, 162a, 1936.)

73. De rechtbank heeft de bevoegdheid den curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van den rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeischers, de commissie uit hun midden, of den gefailleerde.

De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan den in zijne plaats benoemden curator. (K. (oud) 788; Rv. (oud) 886; F. 14a, 64, 65, 74 v., 78a, 80 v., 85 v., 162, 1936, 229a; Rv. 771 v.)

§ 3. Van de commissie uit de schuldeischers.

74. Bij het vonnis van faillietverklaring of bij eene latere beschikking kan de rechtbank, zoo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft, uit de haar bekende schuldeischers eene voorloopige commissie van een tot drie leden benoemen, ten einde den curator van advies te dienen, zoolang over de benoeming van de in het volgende artikel genoemde commissie geen beslissing is genomen.

Indien een lid van de voorloopige commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechtbank, uit eene voordracht van een dubbeltal door den rechter-commissaris, in de daardoor ontstane vacature. (F. 14a, 65, 68 v., 75 v., 85, 167.)

75- Hetzij al of niet eene voorloopige commissie uit de schuldeischers is benoemd, raadpleegt de rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeischers, na afloop der verificatie, over de benoeming van eene definitieve commissie uit hun midden. Zoo de vergadering deze wen-schelijk acht, gaat hij dadelijk tot de benoeming over. Ook deze commissie bestaat uit een tot drie leden.

Een verslag van het hieromtrent verhandelde wordt in het proces-verbaal der vergadering opgenomen.

Indien een lid van de definitieve commissie zijne benoeming niet aanneemt, bedankt of overlijdt, voorziet de rechter-commissaris in de daardoor ontstane vacature. (F. 67a, 74, 119, 121c.)

76. De commissie kan te allen tijde inzage van de boeken en bescheiden, op het faillissement betrekking hebbende, vorderen. De curator is verplicht aan de commissie

40

-ocr page 702-

626

alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken. (F. 74, 92, 105, 137.)

77. Tot het inwinnen van het advies der comnaissie vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen. (F. 74 v., 78b.)

78. De curator is verplicht het advies der commissie in te winnen, alvorens eene rechtsvordering in te stellen of eene aanhangige voort te zetten of zich tegen eene ingestelde of aanhangige rechtsvordering te verdedigen, behalve waar het geldt verificatie-geschillen; omtrent het al of niet voortzetten van het bedrijf des gefailleerden; alsmede in de gevallen van de artikelen 37, 39, 40, 58, tweede lid, 73, tweede lid, 100, -101 en 177, en in het algemeen omtrent de wijze van vereffening en tegeldemaking van den boedel en het tijdstip en het bedrag der te houden uitdeelingen.

Dit advies wordt niet vereischt, wanneer de curator de commissie tot het uitbrengen daarvan, met inachtneming van een bekwamen termijn, ter vergadering heeft opgeroepen en er geen advies wordt uitgebracht. (F. 72, 77, 25, \'27, 28, 42—48, 49a, 68b, 98, 122, 173 v., 179. — F. 16, 69a, 73a, 84a, 94c, 104, 105a, i396, 440, 141 n0. 1.)

79. De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, die de beslissing van den rechter-commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies der commissie strijdige, handeling gedurende drie dagen op te schorten. (F. 676, 69, 72, 74 v.)

§ 4. Van de vergaderingen der schuldeischers.

80. In de vergaderingen der schuldeischers is de rechtercommissaris voorzitter.

De tegenwoordigheid van den curator of van iemand, die hem met goedvinden van den rechter-commissaris vervangt, is verplicht. (K. (oud) 818a; Rv. (oud) 895; F. 84, 108 n0. 2, 116, 141, 178, 67a, 73a.)

81. Op de vergaderingen van schuldeischers worden de besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige schuldeischers. Voor elke honderd gulden brengt ieder schuldeischer ééne stem uit. Voor vorderingen of overschietende gedeelten van vorderingen, beneden honderd gulden, wordt mede ééne stem uitgebracht.

Splitsing van vorderingen, na de faillietverklaring gedaan, doet geen stemrecht verwerven. (F. 54b, 145, 146; K. 54)

82. Stemgerechtigd zijn de erkende en de voorwaardelijk toegelaten schuldeischers, alsmede de toonder eener ten name van «toonder» geverifieerde schuldvordering. (F. 121a en b, 125, 130b, 134, 135b, 136b.)

83. Ten behoeve van de schuldeischers, die zich opteene

-ocr page 703-

TITEL I, AFD. Ill EN IV, ARTT. 77—87.

vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden. (K. (oud) 828; Rv. (oud) 895; F. 418, 84,142, 150b, 168c, 178, 183c.)

84. Behalve de door deze wet voorgeschreven vergaderingen, wordt er eene vergadering van schnldeischers gehouden, zoo dikwijls de rechter-comrnissaris dit noodig oordeelt of hem daartoe door de commissie uit de schuld-eischers of door ten minste vijf schuldeischers, vertegenwoordigende één vijfde deel der erkende en der voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan.

In elk geval bepaalt de rechter-commissaris dag, uur en plaats der vergadering, waartoe de stemgeregtigde schuldeischers ten minste tien dagen van te voren door den curator worden opgeroepen, bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide vermeldende het in de vergadering te behandelen onderwerp. (F. 108 n0. 2, 141, 178, 67a, 74 v., 121a en h, 125, 1306, 135amp;, 1866.)

§ 5. Van de rechterlijke beschikkingen.

85. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, worden door de rechtbank in het hoogste ressort gewezen, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald. (F. 16, 67a, 71 73a, 74, 87, 88, 149,153 j». 154 v., 185 jquot;. 1876,210, j». 211, 65, 86; R. O. 54, 55, 566, 95.)

86. Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening des faillieten boedels betreffende, ook die welke niet uitgaan van de rechtbank, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel is bepaald. (F. 4c, 67, 85; Rv. 52, 53, 123, 297.)

VIERDE AFDEELING.

Van de voorzieningen na de faillietverklaring en van het beheer des curators.

87. De rechtbank kan bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna, doch in het laatste geval niet dan op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den curator of van een of meer der schuldeischers en na den rechter-commissaris gehoord te hebben, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, hetzij in een huis van bewaring, heizij in zijne eigene woning onder het opzicht van eenen dienaar der openbare macht.

Het bevel hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd.

627

-ocr page 704-

FAILUSSEMENTSWET.

Dit bevel is roor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag waarop het ten uitvoer is gelegd. Aan het einde van dien termijn kan de rechtbank, op voordracht van den rechter-commissaris of op een verzoek en na verhoor als in het eerste lid bedoeld, het bevel voor ten hoogste dertig dagen verlengen. Daarna kan hetzelfde telkens op dezelfde wijze voor ten hoogste dertig dagen geschieden. (K. (oud) 789a en b; K. 33, 85, 88 v.; F. 106, 85 )

88. De rechtbank heeft de bevoegdheid, op voordracht van den rechter-commissaris, of op verzoek van den gefailleerde, dezen uit de verzekerde bewaring te ontslaan, met of zonder zekerheidstelling, dat hij te allen tijde op de eerste oproeping zal verschijnen.

Het bedrag der zekerheidstelling wordt door de rechtbank bepaald en komt bij niet-verschijning des gefailleerden ten voordeele des boedels. (K. (oud) 789c; F. 106, 85.)

89. Het verzoek tot inbewaringstelling van den gefailleerde moet toegestaan worden, indien het gegrond is op het zonder geldige reden opzettelijk niet-nakomen van de verplichtingen hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116. (F. 106; Sr. 194.)

90. In alle gevallen, waarin de tegenwoordigheid van den gefailleerde bij deze of gene bepaalde werkzaamheid, den boedel betreffende, vereischt wordt, zal hij, zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, op last van den rechter-commissaris uit de bewaarplaats kunnen worden overgebracht.

De last hiertoe wordt door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd. (K. (oud) 790; Rv. (oud) 8936; F. 67a, 87 v., 106, 116, 144, 152b, 1556.)

91. Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats niet verlaten. (F. 67a, 89, 106; B. 74 v.)

92. De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding zijner betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring des boedels. Hij neemt onmiddellijk de boeken, gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignation in bewaring te geven. (K. (oud) 787 n0. 3, 7996; Rv. (oud) 885 n». 3, 893amp;; F. 93a en c, 94a, 95, 102, 103; Rv. 445, 450 v.; K. 11; B. 1442 n0. 2; Loi du 28 Nivose an XÏII, a. 7 (Fortuyn II, 330); K. B. 1 Dec. 1843 n0. 45 (Girc. v. d. Min. v. Fin., A. afd. Dom.); Sr. 341 n0. 4, 343 n0. 4.)

93. De curator doet, zoo bij of de rechter-commissaris dit noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen.

De verzegeling geschiedt door den kantonrechter. (K. (oud) 787a n#. 3 en b, 794, 795; Rv. (oud) 885a n#. 3 en b, 893b; F. 7, 67a, 69, 92; Rv. 658 v.)

Buiten de verzegeling blyven, doch worden in het proces-verbaal kortelijk beschreven, de goederen vermeld in de artikelen 21 n0. 1 en 92, alsmede de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit

C28

-ocr page 705-

TITEL I, AFD. IV, ARTT. 88—00.

wordt voortgezet. (K. (oud) 7976; Rv. (oud) 8936; F. 98; Rv. 6666.)

9é. De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het opmaken van eene beschrijving des faillieten boedels.

De boedelbeschrijving kan ondershands worden opgemaakt en de waardeering door den curator geschieden, een en ander onder goedkeuring van den rechter-com-missaris.

De leden der voorloopige commissie uit de schuldeischers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn. (K. (oud) 798, 799, 800; Rv. (oud) 8936; F. 176, 676, 74a, 76; Rv. 678 v., 681 n®. 1 en 7; Sr. 207.)

96. Van de goederen, vermeld in artikel 21 n0. 1, wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 92, worden in de beschrijving opgenomen. (F. 94.)

96. De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van eenen staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag der vorderingen van ieder hunner blijken. (K. (oud) 801—804; F. 176, 94, 97, 105 j». 89, 214; K. 8.)

97. Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder nedergelegd ter griffie van de rechtbank en van het kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naar gelang de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk college van de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde. Indien de zetel van het kantongerecht is gevestigd in eene gemeente, waar tevens de zetel is van de rechtbank, waarbij het faillissement aanhangig is, geschiedt de nederlegging uitsluitend ter griffie van dit college.

De nederlegging geschiedt kosteloos. (F. 94, 96, 2, 114, 139a, 1836, 176, 107.)

98. De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde voort te zetten. Indien er geene commissie uit de schuldeischers is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris noodig. (K. (oud) 797; Rv. (oud) 8936; F. 676, 69, 74a, 78, 93c, 176.)

99. De curator opent de brieven en telegrammen aan den gefailleerde gericht. Die, welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratie der posterijen en der telegrafie is, na van den griflier ontvangen kennisgeving, verplicht den curator de brieven en telegrammen, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechtercommissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangt, bedoeld in artikel 15. (K. (oud) 807; Rv. (oud) 8936; F. 146, 67a.)

Protesten, den gefailleerde betreffende, worden gedaan aan den curator. (K. 175 v., 179, 180 v., 209, 2i4c, 215.)

629

-ocr page 706-

FAILLISSEMENTSWET.

100. De curator is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter-commissaris vast te stellen som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren. (K. (oud) 808amp; en c; Rv. (oud) 8936; F. 676, 78a, 176; B. 379.)

101. De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zoo ver de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding der kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijven.

De bepaling van artikel 174 is toepasselijk. (K. (oud) 809; Rv. (oud) 8936; F. 78a, 173 v.; B. 447, 451 v.)

102. De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijne onmiddellijke bewaring, tenzij door den rechter-commissaris eene andere wijze van bewaring wordt bepaald.

Gereede gelden, die voor het beheer niet noodig zijn, worden door den curator belegd ten name van den boedel op de wijze door den rechter-commissaris goed te keuren. (K. (oud) 810, 111; Rv. (oud) 8936; F. 92, 676, 103; B. 449.)

103. Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, die, volgens bepaling van den rechtercommissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken (K. (oud) 8116; Rv. (oud) 8936; F. 67«, 102, 176; W. Postsp.b., a. 9e.)

104. De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd dadingen te treffen en akkoorden of schikkingen aan te gaan. (K. (oud) 884; Rv. (oud) 897; F. 67a, 72, 78; B. 1888,1889 v. : K. 199.)

105. De gefailleerde is verplicht voor den rechter-com-missaris, den curator of de commissie uit de schuldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.

Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld heeft. (F. 64, 66, 68, 76, 89, 68, 106; Sr. 194.)

106. Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborg-maat-schappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting zijn de bepalingen dei-artikelen 87—91 op de bestuurders, die van artikel 105 eerste lid op bestuurders en commissarissen toepasselijk. (F. 2/?, 117; Sr. 194; K. 36 v., 44, 286, 308; W. coöp. ver., zie chron. lijst; W. vereen, en verg., zie chron. iijst; B. 1690 v.)

107. De griffier is verplicht aan eiken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, die ingevolge eenige bepaling dezer wet ter

630

-ocr page 707-

TITEL J, AKI). IV I£N V, AKTT. 100—113.

gril\'lic worden nedergelegd of zich aldaar bevinden. (F. 17, 97, 114, 137, 139, 148, 183,215,222,229b; Stb. 1843 n». 38. a. 3. (Tar., a. 11, 25).)

V IJ F D E A F D E E L 1 N (J.

Fan de verificatie der schuldvorderingen.

108. De rechler-commissaris bepaalt binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:

1°. een termijn, vóór welks afloop de schuldvorderingen ingediend moeten worden ^

2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal gehouden worden.

De termijn, onder 1 °. vermeld, gaat in op den achtsten dag nadat de beschikking is genomen.

Tusschen het einde van den onder 10. vermelden termijn en den dag der verificatie-vergadering moeten ten minste veertien dagen verloopen. (K. (oud) 815,816; Rv. (oud) 894; F. 8 v., 67a, 80 v., 109 v., 119c, 139, 178, 186amp;)

109. De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14 (K. (oud) 817; Rv. (oud) 895 n0. 1; F. 108, 115, 419c.)

110. De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij den curator door de overlegging eener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van eene opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of recht van terughouding aanspraak wordt gemaakt.

De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbewijs te vorderen. (F. 108 n0. 1, 111, 36; B. 1185 v., 1195, 1196 v., 1208 v., 630b enz.; F. 57—59, 60.)

111. De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de boeken en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating eener vordering bezwaar heeft, met den schuld-eischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook inzage zijner boeken en der oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen. (F. 92, 105, 110: K. 6 v., 11; Rv. 147 v.)

112. De curator brengt de vorderingen, die hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, die hij betwist, op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden der betwisting. (F. 108 n0. 1,110, 111, 113, 114, 119, 17b.)

113. In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven, en aangegeven of zij naar de meening van den curator bevoorrecht of door pand of

631

-ocr page 708-

FAII.L1SSEMENTSWET.

hypotheek gedekt is, of wel ter zake der vordering recht van terughouding kan worden uitgeoefend. Betwist de curator alleen den voorrang, of het recht van terughouding, zoo wordt de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen gebracht met aanteekening van deze betwisting en de gronden daarvan. (F. 110, 114, 115, 119a, 57, 58, 59, 60.)

114. Van ieder der lijsten, in artikel 112 bedoeld, wordt een afschrift door den curator ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht neder-gelegd, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatievergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos. (F. 97,115,176,107.)

115. Van de krachtens artikel 114 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de verificatie-vergadering voegt en tevens vermeldt of een ontwerp-akkoord door den gefailleerde ter griffie is neder-gelegd. (F. 108 n0. 2, 109, 139.)

lie. De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, die hem door den rechter-commissaris gevraagd worden. De schuldeischers kunnen den rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan een gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces verbaal opgeteekend. (K. (oud) 8186; Rv. (oud) 895«; F. 80«, 89, 117; Sr. 194.)

117- Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap , wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij, coöperatieve of andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorig artikel den gefailleerde opgelegd. (F. 2f, 106; Sr. 194; K. 36 v., 44, 286, 308; W. coöp. ver., zie chron. lijst; W. vereen, en verg., zie chron. lyst; B. 1690 v.)

118. De schuldeischers kunnen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie. (K. (oud) 820; Rv. (oud) 895; F. 83, 116,119«, 17; B. 1829 v.)

119. Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst der voorloopig erkende en die der door den curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder der op die lijsten voorkomende schuldeischers is bevoegd den curator omtrent elke vordering en hare plaatsing op een der lijsten inlichtingen te vragen, of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde recht van terughouding te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit. (K. (oud) 819, 820, 821; Rv. (oud) 895 n0. 2; F. 80, 112, 118, 121«, 122, 124, 125.)

De curator is bevoegd op de door hem gedane voor-

632

-ocr page 709-

TITEL I, AFD. V, ARTT. 114—122.

loopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuldeischer de deugdelijkheid zijner noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeischer overleden is, zullen de rechthebbenden onder eede moeten verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is. (K. (oud) 823; Rv. (oud) 895; F. 112,120,1216; B. 1966 v., 1968; Sr. 207.)

Bestaat er behoefte aan verdaging der vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechtercommissaris aan te wijzen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet. (K. (oud) 832; Rv. (oud) 895.)

120. De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gemachtigde afgelegd in handen van den rechter-commis-saris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den rechter-commissaris te bepalen dag. De volmacht kan ondershands worden verleend.

Indien de schuldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging bepaalden dag.

De rechter-commissaris geeft den schuldeischer eene verklaring van de eedsaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd in eene vergadering van schuldeischers, in welk geval van de aflegging aanteekening wordt gehouden in het procesverbaal dier vergadering. (K. (oud) 824; Rv. (oud) 895; F. 176, 67a, 118, 1216; 124, 196; B. 1833, 1982.)

121. De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op eene in het proces verbaal op te nemen lijst van erkende schuldeischers. Op het papier aan order en aan toonder wordt door den curator de erkenning aan-geteekend. (K. (oud) 822; Rv. (oud) 895; F. 134; K. 100 v., 155 j«. 133, 178, 208 v., 210 v., 221 v.)

De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van den eed, op den bij het eerste lid van artikel 120 bedoelden tijd, over hare toelating definitief zal zijn beslist. (F. 82, 84a, 142, 145.)

Het proces-verbaal der vergadering wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier. (F. 148.)

De in het proces-verbaal der vergadering opgeteekende erkenning eener vordering, heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog kan de curator vernietiging daarvan vorderen. (F. 25a, 196; B. 940, 1099a, 1111, 1158 n». 2, 1364; Sr. 326 v.)

122. De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen, en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt.

De procureurs, die voor partijen optreden, verklaren dit bij de oproeping der zaak ter terechtzitting.

633

-ocr page 710-

KAILLISSKMKNTSWET.

De zaak wordt summier behandeld. (Stb. 1896 n0. 103, a. 125, zie onder Bijlagen tot Rv.)

Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter de vordering.

Schuldeischers, die ter verificatie-vergadering geene betwisting hebben gedaan, kunnen in het geding zich niet voegen noch tusschenkornen. (K. (oud) 825, 831, 834; Rv. (oud) 895; F. 17c, 26, 27 v., 32, 67a, 119a, 123 v., 126; Rv. 1, 75, 76, 126n, 133, 135, 137, 152, 285.)

123. De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zoude moeten leveren. (F. 55, 119a, 122; B. 1917.)

124. Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.

De schuldeischer kan zich in het geding op het ontbreken dier kennisgeving niet beroepen, (ƒ. 1206; R. I, a. 75.)

125. Vorderingen, die betwist worden, kunnen door den rechter-comraissaris voorwaardelijk worden toegelaten tot een bedrag door hem te bepalen. Wanneer de voorrang betwist wordt, kan deze door den rechter-commissaris voorwaardelijk worden erkend. (F. 119a, 82, 84a, 142,145,164, 181, 183c, 189a, G7b.)

126. Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zich te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aan-teekening van de betwisting en van hare gronden, zonder verwijzing van partijen naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd.

Betwisting, waarvoor geene gronden worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend, en welk betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt. (F. 119,121c, 122a. 159, 196 j«. 197.)

127. Vorderingen, na afloop van den in artikel 108 1°. genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór dan dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.

Vorderingen, daarna ingediend, worden niet geverifieerd.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeischer buiten het Rijk in Europa woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.

634

-ocr page 711-

TITEL I, Al\'ü. V, ARTT. 123 —132.

In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld, of van geschil over het al dan niet aanwezig zijn der verhindering, in het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commis-saris, na de vergadering te hebben geraadpleegd. (F. 178, 486b, 191, 67b.)

128. Interesten, na de faillietverklaring loopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeischer uit deze verificatie geene rechten ontleenen. (B. 1286c, 1802 v., 1196 v., 1208 v.; F. 180amp;.)

129. Eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde wordt voor het geheele bedrag geverifieerd, onverminderd de werking der voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt. (K. (oud) 779, 780, 781, 782; Rv. (oud) 891; F. 130 v.; B. 1289 v., 1301 v.)

130. Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring.

Indien de curator en de schuldeischers het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten. (K. (oud) 779, 780, 781, 782; Rv. (oud) 891; F. 53, 51b, 129, 131, 82, 84a, 142, 145, 164, 181, 183c, 189a; B. 1289 v., 1299.)

131. Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeisch-baarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring. (K. (oud) 779, 780, 781, 78\'2; Rv. (oud) 891.)

Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar sedert den aanvang van het faillissement.

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet. (K. (oud) 778 ; Rv. (oud) 891; F. 53, 57b; B. 1304, 1307, 1809 n°. 3, 1802 v., 1811 v.; K. 155, 178; Alg. w., a. 289; Stb. 1845 n0. 22, a. 9 n0.1, zie chron. lijst; Gem.w., a. 260.)

132. Schuldeischers, wier vorderingen door hypotheek of pand gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantoonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeischers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang. (F. 57—59, 113, 143, 1806; B. 1177 v., 1196 v., 1208 v.)

635

-ocr page 712-

FAILLISSEMENTSWET.

133. Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in Nederlandsch geld of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunne geschatte waarde in Nederlandsch geld. (F. 122, 129—131; B. 1275.)

134. Schuldvorderingen aan toonder kunnen ten name van «toonder» geverifieerd worden. Iedere ten name van «toonder» geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeischer beschouwd. (F. 82, 145 v.)

135. De schuldeischer, die door borgtocht is verzekerd, komt op voor zijne schuldvordering onder aftrek van hetgeen hij van den borg heeft ontvangen.

De borg heeft recht voor hetgeen hij den schuldeischer heeft betaald. Bovendien kan hij voor het bedrag, waarvoor de schuldeischer kan opkomen, voorwaardelijk toegelaten worden, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt. (K. (oud) 879; Rv. (oud) 897; B. (oud) 1880 n0. 2; F. 82, 84a, 142, 145, 164, 181, 183c, 189a, 136, 160; B. 1479, 1857, 1869 n0. 4, 1877.)

136. Indien van hoofdelijke schuldenaren twee of meer in staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in ieder faillissement opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde der faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten.

De hoofdelijke schuldenaar, die op den faillieten boedel recht van verhaal heeft, kan uit dien hoofde, voorzooverre de schuldeischer zelf kan opkomen, alleen voorwaardelijk worden toegelaten, zoolang de schuldeischer zelf niet opkomt.

Indien in het geheel meer dan honderd percent beschikbaar mocht zijn, worden die meerdere percenten naar de onderlinge rechtsverhouding verdeeld. (K. (oud) 198, 878; Rv. (oud) 897; F. 135; B. 1316, 1319; K. 186 v.)

137. Na afloop der verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel, en geeft hij daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen. Het verslag wordt, met het proces-verbaal der verificatie-verga-dering, na afloop dier vergadering ter griffie nedergelegd ter kostelooze inzage van ieder belanghebbende. De neder-legging geschiedt kosteloos. (F. 17, 68, 75, 107.)

ZESDE A F D E E L I N G.

Van het akkoord.

138. De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden. (K. (oud) 835; Rv. (oud) 896; F. 1, 3, 198, j6. 202, 139 v., 157, 165,170, 173; B. 1349 v.)

139. Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie der schuldvorderingen, ter griffie van de rechtbank en van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht heeft

636

-ocr page 713-

TITEL I, AFD. V EN VI, ARTT. 133—145.

nedergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 141.

Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan den curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers. (K. (oud) 836; Rv. (oud) 896; F. 108, 115, 137, 140, 17, 107, 74.)

140. De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven. (F. 68 v., 74 v., 139, 141 n0. 1, 17.)

141. De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later te bepalen vergadering uitgesteld:

1°. indien staande de vergadering eene definitieve commissie uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorloopige, en de meerderheid der verschenen schuldeischers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;

2*, indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is neêrgelegd en de meerderheid der verschenen schuldeischers zich voor uitstel verklaart. (K. (oud) 837; Rv. (oud) 896; F. 67a, 75a, 81a, 139, 142.)

142. Wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord, ingevolgde de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, wordt daarvan door den curator onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis gegeven, bij brieven vermeldende den summieren inhoud van het akkoord. (F. 83, 118, 143.)

143. Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de hypotheek- of pandhoudende en bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen diegenen, wier voorrang betwist wordt, tenzij zij, vóór den aanvang der stemming, van hun hypotheek, pand of voorrecht ten behoeve van den boedel afstand mochten doen.

Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen. (K. (oud) 838; Rv. (oud) 896; F. 57, 58, 59, 413, 119a, 145 v., 157.)

144. De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen. (F. 138, 152b, 158.)

145. Tot het aannemen van het akkoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der erkende en der voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der niet bevoorrechte, door geen pand of hypotheek gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. (K. (oud) 841; Rv. (oud) 896 n0. 1; F. 81, 82, 121a en b,

637

-ocr page 714-

FMLUSSEMENTSWET.

125, 130amp;, 434, 135b, 136b, 143, 146 v., 217a, 225 j Sr. 345; B. 1356 n». 1.)

146. Indien twee derde der ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag der schuldvorderingen, waarvoor stemrecht kan worden uitgeoefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, zal ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming gehouden worden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem. (K. (oud) 842; Bv. (oud) 896; F. 118, 141 143, 145.)

1471 Latere veranderingen, in het getal der schuldeischers of in het bedrag der vorderingen, hebben geen invloed op de geldigheid van de aanneming of verwerping van het akkoord. (F. 121b en d, 125, 129, 135b, 136b, 178, 186, 145.)

148 Het proces-verbaal der vergadering vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen der verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag der stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt na voorlezing onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.

Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het pro ces-verbaal verkrijgen. (K. (oud) 843, 844; Bv. (oud) 896; F. 17b, 80a, 107, 121c, 149, 157; Stb. 1843 n». 38, a. ïh. (Tar. 23/i).)

149. Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, kunnen gedurende acht dagen na afloop der vergadering aan de rechtbank verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat het akkoord door den rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd. (F. 145, 148. 150b, 85.)

150. Indien het akkoord is aangenomen, bepaalt de rechter-commissaris vóór het sluiten der vergadering de terechtzitting, waarop de rechtbank de homologatie zal behandelen.

Bij toepassing van artikel 149 geschiedt de bepaling der terechtzitting door de rechtbank in hare beschikking. Van deze beschikking geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk kennis.

De terechtzitting zal gehouden worden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 149, na de besch.k-king van de rechtbank. (K. (oud) 844; Bv. (oud) 896; F. 145, 146, 151, 152 v., 67a.)

161. Gedurende dien tijd kunnen de schuldeischers aan den rechter-commissaris schriftelijk de redenen opgeven, waarom zij weigering der homologatie wenschelijk achten. (K. (oud) 845a; Bv. (oud) 896; F. 17b, 145, 150, 152, 153, 184.)

162. Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport

638

-ocr page 715-

TITEL I, A.FD. VI, ARTT. 146—157.

uitgebracht, en kan ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenscht of haar bestrijdt.

De gefailleerde is mede bevoegd, tot verdediging zijner belangen op te treden. (K. (oud) 845«, 846; Rv. (oud) 896; F. 17amp;, 64, 65, 118, 144, 145, 150, 153, 155b.)

168. Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking.

Zij zal de homologatie weigeren;

10. indien de baten des boedels met inbegrip van de zaken, waarop recht van terughouding wordt uitgeoefend, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan; (K. (oud) 8456; Rv. (oud) 896; F. 94, 96, 97, 60 j»., 157.)

2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd; (F. 159, 162amp;, 165 v.)

3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging, van een of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt. (Sr. 826, 344 n0.2,345; R. 1364.)

Zij kan ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren. (K. (oud) 847; Rv. (oud) 896; F. 151, 152, 154, 155b; Rv. 324 n0. 6.)

154. Rinnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank kunnen, zoo de homologatie is geweigerd, zoowel de schuldeischers, die vóór het akkoord stemden, als de gefailleerde; zoo de homologatie is toegestaan, de schuldeischers, die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hooger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeischers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als het in artikel 153 onder 3°. genoemd. (F. 8 v., 85, 145, 150 v., 155, 156; R. O. 69.)

155. Het hooger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen. Van het hooger beroep wordt dpor den griffier van het rechtscollege, waarbij het is aangebracht, onverwijld kennis gegeven aan den griffier van de rechtbank, die de beschikking omtrent de homologatie heeft gegeven.

Op de behandeling van het hooger beroep zijn, met uitzondering van het bepaalde omtrent den rechter-commis-saris, artikel 152 en artikel 153, eerste lid, toepasselijk. (F. 5. Sd, 154, 156.)

156. Cassatie wordt binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze aangeteekend en behandeld. (F. 12, 1876; Rv. 428; R. O. 95.)

157. Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle

039

-ocr page 716-

FAILLISSEJ1ENTSWET.

geen voorrang hebbende schuldeischers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn. (K. (oud) 848a; (Rv. (oud) 896; F. 57 v.; -159, 160, i63a, 165; B. 1356 n». 1, 1376, 1449 v.)

158. Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord kan de gefailleerde in hetzelfde faillissement geen akkoord meer aanbieden. (F. 145, 149, 153, 173.)

159. Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal der verificatie, ten behoeve der erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen, (F. 121d, 153, 154 v., 196, 107; Rv. 430, 436, 439, 491, 563.)

160. Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en medeschuldenaren van den schuldenaar. (F. 135,136,157,235; B. 1316, 1319, 1857, 1869 nquot;. 4, 1877; K. 199.)

161. Zoodra de homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement. (K. (oud) 850; Rv. (oud) 896 n0. 2; F. 154 v., 162, 167, 169, 173, 193a, 23, 50; I. F. 76.)

162. Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan, is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commissaris rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen.

Indien bij het akkoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geeft de curator aan den schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle goederen, gelden, boeken en papieren tot den boedel beboerende. (K. (oud) 849; Rv. (oud) 896; F. 154 v., 161, 163a, 1936, 23, 92.)

163. Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van het faillissement, moeten in handen van den curator worden gestort, tenzij deswege door den schuldenaar zekerheid wordt gesteld. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle goederen en gelden tot den boedel behoorende onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan. (F. 113 j0. 121a, 162amp;.)

Wanneer ééne maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie is verloopen, zonder dat vanwege den schuldenaar de voldoening van een en ander is geschied, zal de curator daartoe overgaan uit de voorhanden baten des boedels. (F. 154 v., 174.)

Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechtercommissaris begroot. (F. 67a).

164. Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke

640

-ocr page 717-

TITEL I, A.FD. VI, ARTT. 458—171.

daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag waarop het voorrecht aanspraak geeft. (F. 125, 143, 189amp;.)

165. Ontbinding van het gehomologeerd akkoord kan door eiken schuldeischer gevorderd worden, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen.

Op den schuldenaar rust het bewijs, dal aan het akkoord is voldaan.

De rechter kan, ook ambtshalve, den schuldenaar uitstel van ten hoogste ééne maand verleenen, om alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen. (F. 153, 159, 166 v.; I. F. 11; B. 1302, 1303, 1902.)

166. De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 6—9 en 12 is voorgeschreven. (F. 5, 165, 167 v; I. F. 11.)

167. In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van eenen rechtercommissaris en curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers, indien er in het faillissement reeds eene geweest is.

Bij voorkeur zullen daartoe de personen gekozen worden, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.

De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 14, derde lid. voorgeschreven. (F. 14, 19 n0. 3, 20 v., 74 v., 165 v., 168, 169 v, 194; I. F. 11.)

168. De artikelen 13, eerste lid, 15—18 en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel, zijn bij heropening van het faillissement toepasselijk.

Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie der schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, die niet reeds vroeger geverifieerd werden.

Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeischers tot bijwoning der verificatie-vergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht wordt, te betwisten. (F. 20 v., 64 v., 87 v., 108, 109, 112, 118, 119a, 167, 170.)

169. De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 42 en volgende zoo daartoe gronden zijn. (F. 13a, 23,161,167,171.)

170. Na de heropening van het faillissement kan niet op nieuw een akkoord aangeboden worden.

De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over. (F. 138 v., 167, 168, 173 v.)

171. Indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is

641

41

-ocr page 718-

FAILLISSEMENTSWET.

voldaan, worden bij de verdeeling aan de nieuwe schuld-eischers en diegene onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijke betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald.

In hetgeen alsdan nog overschiet, wordt door alleschuld-eischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk gedeeld. (F. 165a, 467a, 169, 170b, 472, 179 v., 193, 195.)

172. Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl door hem aan het akkoord nog niet volledig is voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard. (F. 1 v., 161.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van de vereffening des boedels.

173. Indien op de verificatie-vergadering geen akkocrd aangeboden, of indien het aangeboden akkoord verworpen, of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie, en gaat de curator onmiddelijk tot vereffening en tegelde-making van alle baten des boeiiels over, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is.

Niettemin kan den gefailleerde eenig huisraad, door den rechtercommissaris aan te wijzen, worden gelaten. (K. (oud) 851, 852; Rv. (oud) 896, 897; F. 20, 21, 676, 68a, 139,145, 153, 174 v.)

174. De goederen worden in het openbaar of met toestemming van den rechter-ccnrnissaris ondershands verkocht. (K. (oud) 853, 857; Rv. (oud) 897; F. 67ö, 78 1016.)

175. Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de wijze door den rechter-commissaris goed te keuren.

Voor zooveel dit in het belang is van den boedel, brengt de curator de goederen, waarop schuldeischers recht van terughouding uitoefenen, door voldoening der vorderingen, waaraan dit recht is verbonden, in den boedel terug. (F. 676, 68a, 78, 60 )

176. De artikelen 98 en 100 houden op van toepassing te zijn als de vereffening des boedels overeenkomstig artikel 17 3 is begonnen. (F. 177.)

177. De curator kan ten behoeve der vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene dooiden rechter-commissaris vast te stellen vergoeding. (F. 21 n0. 2, 98 en 100 jis, 176, 676, 78.)

178. Nadat de boedel insolvent is geworden, kan de rechter-commissaris, op door hem te bepalen dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers beleggen, ten einde hen te raadplegen over de wijze van vereffening

642

-ocr page 719-

TTEL I, AFD. VI EN VU, ARTT. 172—183.

des boedels, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben der schuldvorderingen, die na afloop van den in artikel 108 n0. 1 bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 127 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 111—114. Hij roept de schuldeischers, ten minste tien dagen vóóquot; de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp der vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 114 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14. (F. 67a, 78, 80 v., 84, 1276, 173, 186.)

179. Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechtercommissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene uitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers. (K. (oud) 871amp; en c; Rv. (oud) 897; F. 67ö, 180 v., 190, 191, 193.)

180. Do curator maakt telkens de uitdeelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-com-missaris. De lijst houdt in een staat der ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering, benevens de daarop te ontvangen uit-keering.

Voor de concurrente schuldeischers worden de dooiden rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken; voor de bevoorrechte schuldeischers, daaronder begrepen zij, wier voorrecht betwist wordt, en de pand- en hypo-theekhoudende schuldeischers, voor zooverre zij niet reeds overeenkomstig de bepaling van artikel 57 voldaan zijn, het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen, waarop zij bevoorrecht of die aan hen verbonden waren. Zoo dit minder is dan het geheele bedrag hunner vorderingen, worden voor het ontbrekende, — zoo de met het voorrecht belaste of aan hen verbonden goederen nog niet verkocht zijn, voor hunne geheele vordering — gelijke percenten als voor de concurrente schuldeischers uitgetrokken. (K. (oud) 862, 863, 871a; Rv (oud) 897, 898; F. 67b, 179, 181 v., 184, 187, 192, 193, 194, 71, 96, 121a, 132, 189, 190; Rv. 480, 551, 562, 581.)

181. Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken. (F. 121b, 125, 1306, 1356, 1366, 189a.)

182. De algemeene faillissementskosten worden omgè-slagen over ieder deel van den boedel, met uitzondering van hetgeen overeenkomstig de bepaling van artikel 57 door den pand- of hypotheekhoudenden schuldeischer zelf is verkocht. (F. 180.)

183. De door den rechter commissaris goedgekeurde uitdeelingslijst ligt gedurende tien dagen ter griffie van de rechtbank ter kostelooze inzage van de schuldeischers

Een afschrift wordt door den curator met hetzelfde doel

643

-ocr page 720-

PAILLISSEMENTSWET.

neder gelegd ter griffie van het in artikel 97 aangewezen kantongerecht. De nederlegging geschiedt kosteloos.

Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator aankondiging gedaan in het nieuwsblad of de nieuwsbladen bedoeld in artikel 14, terwijl daarvan bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. (K. (oud) 864; Rv. (oud) 897; F, 180 j0. 67amp;, 17b, 107, 83, 185a.)

184.\' Gedurende den in het vorige artikel genoemden termijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdeelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd. (K. (oud) 865, 867a; Rv. (oud) 897; F. 180, 185 v., 151 v.)

185. Zoo er verzet gedaan is, bepaalt de rechter-com-missaris, onmiddelijk na afloop van den termijn van inzage, den dag, waarop het ter openbare terechtzitting behandeld zal worden. Deze beschikking ligt ter griffie ter kostelooze inzage van een ieder. Bovendien doet de griffier daarvan aan de opposanten en den curator schriftelijk mededeeling. De dag van behandeling mag niet later gesteld worden dan veertien dagen na afloop van den termijn van artikel 183.

Op den bepaalden dag wordt ter openbare terechtzitting door den rechter-commissaris een schriftelijk rapport uitgebracht, en kan de curator en ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten ter verdediging of bestrijding van de uitdeelingslijst.

Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft de rechtbank hare met redenen omkleede beschikking. (K. (oud) 868; Rv. (oud) 897; F. 67a, 85, 152, 153, 180,

183, 184, 186 v.; Rv. 486, 558, 581.)

186. Ook een niet-geverifieerde schuldeischer kan verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, zijne vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doe om geverifieerd te worden.

De verificatie der vordering geschiedt alsdan op de wijze, bij artikel 119 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en voordat daarmede een aanvang wordt gemaakt.

Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schuldeischer. (K. (oud) 867b en c, 373; Rv. (oud) 897; F. 108 n». 1, 109, 127, 178, 180,

184, 191.)

187. Door verloop van den termijn van artikel 183, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gewezen vonnis, wordt de uitdeelingslijst verbindend.

-ocr page 721-

TITEI. I, AFD. VII, ARTT. 184—192.

Tegen het vonnis, op het verzet gewezen, staat geen beroep in cassatie open. (K. (oud) 865, 866; Rv. (oud) 897; F. 85,

180, 185, 186, 192, 195.)

188. De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hypothekaire inschrijvingen, waarmede een tot den boedel behoorend onroerend goed is bezwaard, zoodra de uitdeelings-lijst, waarbij de opbrengst van het goed tot verdeeling is gekomen, verbindend is geworden.

Op verkoop, door den curator, van tot den boedel beboerende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk. (K. (oudi 870; Rv. (oud) 897; F. 57 v., 132, 180amp;, 67a, 187; B\'. 1208, 1257 v.; Rv. 561, 581a.)

189. De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schuldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet omtrent zijne vordering beslist zal zijn. Blijkt het ten slotte dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel of ten deele ten bate van de andere schuldeischers.

Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang betwist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit te keeren, gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang. (F. 119a, 121amp;, 125, 130b, 1356, 1366, 1806,

181, 194.)

190. Indien eenig goed, waarop een bepaald voorrecht, een hypotheek of pandrecht rust, verkocht wordt, nadat aan den bevoorrechten hypotheek- of pandhoudenden schuldeischer, ingevolge artikel 179 in verband met het slot van artikel 180, reeds eene uitkeering is gedaan, wordt dezen bij eene volgende uitdeeling het bedrag waarvoor hij op de opbrengst van het goed batig gerangschikt is kunnen worden, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten, die hij reeds te voren over dit bedrag ontving. (K. (oud) 872; Rv. (oud) 897; F. 596, 132, 1916)

191. Aan schuldeischers, die, tengevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeischers reeds genotene, vooruitbetaald.

Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij voorrang is toegekend. (K. (oud) 874, 875, 876; Rv. (oud) 897; F. 178, 186, 179 v., 190.)

192. Na alloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 183, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 189 gereserveerd zijn, worden door hem in de kas der gerechtelijke consignatiën gestort. (F. 187 j». 85, 92; Loi du 28 Nivose an XIII, a. 7 (Fortuyn II, 330); K. B. 1 Dec. 1843

G45

-ocr page 722-

FAILLISSEMENT SWET.

n0. 45 (Circ. v. d. Min. v. Fin. A, Afd, Dom.); Rv. 585 n0. 4; B. 2004.)

193. Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag hunner vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slot-uitdeelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 194. Door den curator geschiedt daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 14 bepaald.

Na verloop van eene maand doet de curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan den recliter-commissaris.

De boeken en papieren, door den curator in den boedel gevonden, worden door hem tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar afgegeven. (K. (oud) 885; Rv. (oud) 897, 899;-F. 67a, 179, 187, 195 v., \'206 v.. 73b, 161, 162, 92.)

194. Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 189 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen, of mocht blijken dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn. welke ten tijde der vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten. (K. (oud) 886; Rv. (oud) 897; F. 1, 4a, 5, 20, 68a, 73, 85, 86, 165, 167, 193, 195.)

ACHTSTE AFDEELING.

Fan den rechtstoestand des schuldenaars na afloop van de vereffening.

195. Door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar. (K. (oud) 887; Rv. (oud) 897; F. 187, 193a, 194, 33,196,197,202; I. F. 7c, 8c, 9c, 10c; Rv. 439 v., 491 v., 563 v.)

196. De in het vierde lid van artikel 121 bedoelde erkenning eener vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal der verificatievergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar. (F. 195,197,12\'lc en c/, 159; Rv. 430, 436: B. 1954.)

197. De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 126 betwist is. (F. 121d, 159.)

646

-ocr page 723-

TITEL I, AFD. VII, VIII, IX EN X, ARTT. 193—203. 647

NEGENDE AFDEELING.

Van het faillissement eener nalatenschap.

198. De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen. (K. (oud) 767a; F. la, 5, 66, 20, 23, 206; B. 1070 v., 1090 v., 1153.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij de Wel van 6 September 1895 (Stb. n0. 155). a)

199. Het verzoek wordt gericht tot de rechtbank, welke tijdens het overlijden des schuldenaars bevoegd was de faillietverklaring uit te spreken.

De erfgenamen worden op het verzoek gehoord of daartoe opgeroepen bij een exploot, aan het sterfhuis te beteekenen, zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn, bij brieven van den griffier. (K. (oud) 7676; F. 2, 6a; Rv. 4 n0. 6.)

200. Dé faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1153 van het Burgerliik Wetboek is omschreven. (K. (oud) 767c; B. 8S0, 1002.)

201. De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoolang niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en tevens zes maanden na het overlijden van den schuldenaar zijn verstreken. (K. (oud) 767a; F. 198 v.; B. 1071a, 1155.)

202. De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillissement eener nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de achtste afdeeling. tenzij de erfenis zuiver is aanvaard. (F. 138 v., 195; B. 1077, 1090, 1094.)

TIENDE AFDEELING.

Bepalingen van internationaal recht.

\\

203 Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne voriienng geheel of gedeellelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet

a) Het oorspronkelijke artikel luidde: „De boedel eens overledenen wordt in staat van faillissement verklaard, indien een of meer der schuideischers daartoe verzoek doen, en summier aantoonen, dat de overledene had opgehouden te betalen, en indien de rechtbank dit in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk oordeelt.quot;

-ocr page 724-

FAILLISSEMENTSWET.

bij voorrang verbonden, goederen van den in Nederland gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden. (F. 20, 33a, 204,205; Rv. 431.)

204. De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, ten einde dezen in de gelegenheid te stellen die vordering, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen op in het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschied, als zij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden. (F. 203,205; B. 1952 v., 1958.)

205. Gelijke verplichting tot vergoeding jegens den boedel rust op hem, die zijne vordering of zijne schuld, geheel of gedeeltelijk, aan een derde overdraagt, welke daardoor in staat wordt gesteld zich in het buitenland op eene door deze wet niet toegelaten schuldvergelijking te beroepen.

Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk. (F. 203, 204, 53, 54, 55.)

ELFDE AFDEELING.

Van rehabilitatie.

206. Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 161 of 193 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van artikel 198, bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de rechtbank, die het faillissement heeft berecht. (K. (oud) 892; Rv. (oud) 899; F. 2, 3, 5, 138, 173, 207 v., 211; I. F. ld, 8d en e, 9d, lOd.)

207. De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuld-eischers, ten genoegen van elk hunner, zijn voldaan. (K. (oud) 894; Rv. (oud) 899; F. 193a, 206, 208 v.)

208. Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen. (K. (oud) 895; F. 14e, 17a, 206 v., 209 v.)

209. Ieder erkend schuldeischer is bevoegd om binnen den tijd van twee maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; hem wordt door den griffier een bewijs van ontvangst afgegeven.

Dit verzet zal alleen daarop kunnen gegrond zijn, dat door den verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift

648

-ocr page 725-

TITEL I KN II, A.RTT. 204—21C.

van artikel 207 is voldaan. (K. (oud) 896; F. ilb, 206, 208, 210 v.)

210. Na verloop van de voormelde twee maanden zal de rechtbank, om het even of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het Openbaar Ministerie het verzoek toestaan of weigeren. (K. (oud) 897 ; F. 206, 209, 211; Rv. 324.)

211. Van de beslissing der rechtbank wordt nochhooger beroep, noch cassatie toegelaten. (K. (oud) 898; F. 85, 86, 206 v., 210, 212; R. O. 53, 54, 56b)

212. Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 19 bedoelde register. (K. (oud) 899; F. 4c, 206 v., 210; I. F. 7ci, 8ci, 9d, lOd.)

TITEL II.

Van Surséance van Betaling.

213. De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, doch aantoont dat er vooruitzicht bestaat, dat hij na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, kan surséance van betaling bekomen. (K. Coud) 900; F. 1, 214 v., 217, 225, 226, 236, 237; B. 1802d.)

214. Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafden staat, als bedoeld in artikel 96, bij verzoekschrift, door hem zelf en zijnen procureur onderteekend, wenden tot de rechtbank aangewezen in artikel 2 of artikel 3. (K. (oud) 901, 902, 903; F. 1, 4, 5, 176, 215, 2186, 221 n0.2; K. 8; Sr. 336; Rv. 33c, 278, 8476; B. 1971.)

215. Het verzoekschrift met bijbehoorende stukken wordt ter griffie van de rechtbank neêrgelegd, ter kostelooze inzage van een ieder.

De griffier doet van de indiening van het verzoek en van den overeenkomstig het eerste lid van het volgende artikel bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen. (K. (oud) 903; F. 218d, 2216, 222, 2266, 236^, 238.)

216. De rechtbank beveelt dadelijk, dat de in Nederland wonende schuldeischers, benevens de schuldenaar, tegen een door haar op korten termijn bepaalden dag, door den griffier, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve den dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld.

Ieder schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen. ^K. (oud) 904; F. 214, 217, 223.)

649

-ocr page 726-

FAIIXISSEMENTSWET.

217. Ten bepaalden dage worden de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers door de rechtbank in raadkamer gehoord, en kan den schuldenaar voorloopige surséance verleend worden, tenzij meer dan één derde der verschenen schuldeischers, of houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 nos. 1—6 genoemde schuldvorderingen, zich daartegen verklaren. (K. (oud) 93oa« en c; F. 216, 224, 225, 226a, 176, 418, 145, 146.)

Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechtbank. (F. 108 v., 225.)

Voorloopige surséance zal nimmer verleend kunnen worden, indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is. (F. -225.)

Indien de rechtbank het verzoek afwijst, kan zij bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren. (K. (oud) 907amp;; F. 1, 220amp;, 225, 236e.)

Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling. (K. (oud) 906, 907a.)

De beschikking op het verzoek wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting. (F. 4c, 219amp;, 225.)

218. Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of in geval de voorloopige surséance verleend is, ieder schuldeischer, die zich tegen het verkenen daarvan verklaard heeft, recht van hooger beroep. (K. (oud) 905ci.)

Het hooger beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift, door den verzoeker en zijnen procureur onderteekend, in te dienen ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak kennis moet nemen. De voorzitter bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling. (Rv. 33c, 278, 8476; B. 1971; F. 214.)

Indien het hooger beroep door een schuldeischer is ingesteld, geeft deze uiterlijk op den vierden dag volgende op dien, waarop hij zijn verzoek heeft gedaan, aan den procureur, die het verzoek tot surséance heeft ingediend, bij deurwaarders-exploot kennis van het hooger beroep en van den tijd voor de behandeling bepaald. Deze kennisgeving geldt voor oproeping van den schuldenaar.

De griffier van het gerechtshof doet van het honger beroep en van den tijd, voor de behandeling bepaald, aankondiging in de nieuwsbladen waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 215 is aangekondigd. Tevens geeft hij van het ingestelde hooger beroep aan Hen griffier der rechtbank kennis, neemt van dezen de in artikel 214 bedoelde stukken over en legt die op zijne griffie voor een ieder ter kostelooze inzage. (F. 8 v., 154 v., 217/\', 219, 220a, 227, 228a)

219. Hij de behandeling van het hooger beroep wcrdt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van

650

-ocr page 727-

TITEL II, ARTT. 217—224.

de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.

De behandeling heeft plaats in raadkamer; het arrest wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Tegen het arrest, in hooger beroep gewezen, staat geen beroep in cassatie open. (F. 12a, 156, 1876, 218, 228.)

220. De uitspraak der rechtbank wordt, niettegenstaande het hooger beroep, bij voorraad ten uitvoer gelegd.

De artikelen 13 en 15 zijn ook hier toepasselijk, indien eene krachtens artikel 217 uitgesproken faillietverklaring wordt vernietigd.

Op handelingen, verricht in strijd met het voorschrift van artikel 230 eerste lid, blijft, indien bij vernietiging der verleende voorloopige surséance de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, de bepaling van het tweede lid van dat artikel van toepassing. De bevoegdheid, aldaar den bewindvoerders gegeven, gaat over op den curator in het faillissement. (F. \\c, 86, 218, 219, 228c.)

221. De beschikking, waarbij voorloopige surséance wordt toegestaan, houdt de benoeming in van:

1°. een of meer bewindvoerders, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren;

2°. een of meer deskundigen, ten einde, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, die zoo noodig verlengd kan worden, de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden te verifieeren, den stand des boedels te onderzoeken en een beredeneerd verslag van hunne bevinding uit te brengen. (K. (oud) 905 aamp;; F. 14a, 68 v., 214, 222, 239; B. 3876, 418, 495,519, 1025, 1026; Rv. 222 v.)

De beschikking houdende verleening van voorloopige surséance, wordt aangekondigd gelijk in artikel 215 tweede lid is voorgeschreven. (K. (oud) 908; F. 14c, 2266.)

222. Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en het gegronde van het vooruitzicht, dat na verleend uitstel volledige betaling van alle schulden zal volgen, met aanduiding van den tijd waarop deze vermoedelijk zal kunnen plaats hebben.

De deskundigen leggen hun verslag neder ter griffie van de rechtbank, ter kostelooze inzage van een ieder.

De nederlegging geschiedt kosteloos. (K. (oud) 909, 910, 911, 912; F. 213, 214, 22üa, 215a, 228ri, 229.)

223. Onmiddellijk na de nederlegging van liet verslag, worden de schuldeischers, benevens de schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen door den griffier b\'j brieven opgeroepen, tegen een door de rechtbank te bepalen, uiterlijk drie weken daarna invallenden dag. (K. (oud) 909, 910, 911, 912; F. 216a, 221a n0. 2, 222, 224 v., 227.)

224. Ten bepaalden dage worden de verschenen schuldeischers in raadkamer geraadpleegd over het verleenen van definitieve surséance aan den schuldenaar. De schuldenaar, de bewindvoerders en de deskundigen zijn verplicht

651

-ocr page 728-

FAILUSSEMENTSWET.

alle ophelderingen en inlichtingen te geven, welke de voorzitter hun, hetzij ambtshalve, hetzij ten verzoeke van een of meer der schuldeischers, zal vragen. (K. (oud) 913; F. 213, 217a, 221a, 223, 225, 227.)

225. Indien twee derde der verschenen schuldeischers, houders van drie vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde niet in artikel 233 nos. 1—6 genoemde schuldvorderingen, daarin toestemmen, wordt definitieve surséance verleend, tenzij het geval in artikel 217, derde lid, voorzien aanwezig is. Het tweede en het zesde lid van artikel 217 zijn toepasselijk. Bijaldien de definitieve surséance niet verleend wordt, kan de schuldenaar in staat van faillissement worden verklaard. (K. (oud) 914; F. 145, 217, 223, 224, 226b, 227, 228, 237.)

226. Surséance van betaling wordt verleend voor eenen tijd, niet langer dan één en een half jaar, gerekend van den dag, waarop de voorloopige surséance is toegestaan.

De beschikking, houdende verleening van definitieve surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in artikel 215, tweede lid.

Gedurende één jaar na afloop der surséance kan zij niet opnieuw worden verleend. (K. (oud) 914 c», 915; F. 213, 217a.)

227. Wordt door het gerechtshof, in hooger beroep van eene afwijzende beschikking der rechtbank, voorloopige surséance verleend^ dan houdt het de zaak aan zich, ten einde, met inachtneming van de wijze van behandeling in de artikelen 221—226 voorgeschreven, ook over de verleening der definitieve surséance te beslissen. (F. 218, 219; Rv. 355 v.)

Tegen het arrest staat geen beroep in cassatie open. (F. 12a, 156, 1876, 219c.)

228- De beschikking van de rechtbank, waarbij definitieve surséance verleend of geweigerd wordt, is vatbaar voor hooger beroep. De bepalingen van de artikelen 218 en 219 zijn daarop toepasselijk.

Hangende het hooger beroep blijft de voorloopige surséance van kracht.

Bij vernietiging der verleende definitieve surséance is artikel 220, derde lid, toepasselijk. (F. Ba, 9a, 11a en b, 154, 218a, 220a.)

229. Het rechterlijk college, dat de bewindvoerders en deskundigen heeft benoemd, kan hen te allen tijde op hun verzoek, of op verzoek van een of meer der schuldeischers, of van don schuldenaar, of wel ambtshalve, ontslaan en door anderen vervangen. (K. (oud) 905b; F. 73. 221a, 222.)

Na het verleenen van definitieve surséance wordt door de bewindvoerders, telkens na verloop van drie maanden, een verslag over den toestand van den boedel uitgebracht. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het tweede en derde lid van artikel 222 is voorgeschreven.

230. Zoodra de voorloopige surséance van betaling is verleend, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder mede-

652

-ocr page 729-

TITEL II, ARTT. 225—233.

werking, machtiging of bijstand der bewindvoerders, eenige daad van beheer of beschikking over zijn vermogen uit te oefenen.

Indien de schuldenaar in strijd met deze bepaling gehandeld heeft, is zoodanige handeling voor den boedel niet verbindend, tenzij voor zooverre deze gebaat is, en zijn de bewindvoerders bevoegd alles te doen, wat vereischt wordt, om den boedel te dier zake schadeloos te houden. (K. (oud) 916; F. 23, 24, 217, 220c, 221a n». t, 231, 232, 236a n0. 3, 2386; G. 80c, 84, 90, 127amp; en d, 1436 en c; Kiesw., a. 3, 22, 99, 126; Prov. w., a. 17, 37; Gem.w., a. 19, 61, 96, 107; W. K. v. arb., a. 8c n0. 3; R. 0.11 n0. 2; B. 163, 171, 500b, 506a, 1420, 1423, 1482 v.; Sr. 442; Sv. 2G2ö.)

231. Gedurende den loop der surséance kan de schuldenaar niet tot betaling zijner schulden worden genoodzaakt.

Alle aangevangen executiën blijven gedurende dien tijd geschorst. Gelegde beslagen vervallen. Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij daaruit ontslagen, zoodra het vonnis houdende verleening der surséance in kracht van gewijsde is gegaan. (K. (oud) 918; F. 33, 34, 218a, 219c, 236/\'; K. 8ib; B. 1177; Rv. 430 v., 439 v., 475 v., 491 v., 502 v., 544 v., 563 v., 585 v., 596, 599 v., 727 v., 735 v. 770A v.; Rv. 721, 758jis. F. 233an». 4 en 7.)

232. De surséance stuit den loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het aanleggen van nieuwe.

Indien niettemin de rechtsgedingen blooteüjk betreffen de vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, ten einde rechten tegen derden te doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot na het einde der surséance.

De schuldenaar kan, voor zooveel betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot zijn vermogen behoorende ten onderwerp hebben, noch eischende noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der bewindvoerders. (K. (oud) 919; F. 25 v., 230,231,233,234; B. 1960 v.; Rv. 254.)

233. De surséance werkt niet ten aanzien:

1°. van de vordering van rijks-, provinciale of gemeentelijke belastingen, en van waterschaps-, veenschaps-of veenpolderlasten, met de vervolgingskosten;(B.1183; Stb. 1841 n0. 42, a. 3, zie chron. lijst; Stb. 1845 n0. 22, a. 10, zie chron. lijst; Prov. w., a. 116; Gem.w., a. 260.)

2°. van schuldvorderingen, gedekt door hypotheek of pand, of bevoorrecht op bepaalde goederen; (B 1185 v., 1196 v., 1208; K. 313, 315.)

3°. van levensonderhoud, door den schuldenaar uit kracht van de derde afdeeling van den vijftienden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd; (B. 375 v.)

653

-ocr page 730-

654 FMLUSSEMENTSWET.

4°. van huren en pachten; (B. 1185 n0. 2, 1596 n0. 2.)

5°. van loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden; (B. 1195 n0. 4, 1637 v.)

6°. van schuldvorderingen wegens noodwendigheden tot gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huisgezin geleverd gedurende de laatste zes maanden vóór de surséance; (B. 1195 n0. 5.)

7°. van reclame en zakelijke rechten. (K. 230 v.; B. 585 v., 625 v., 721 v., 758 v., 767 v., 784 v., 803 v., 865 v.)

Voor zoover bij executie blijkt dat de vorderingen, onder n0. 2 vermeld, op de verbonden zaak niet verhaald kunnen worden, werkt de surséance wel ten aanzien van deze vorderingen. (K. (oud) 920; F. 231, 232, 234; K. 84amp;.)

234- De betaling van alle andere schulden, op het oogenblik van de verleening der voorloopige surséance bestaande, kan, gedurende de surséance, niet anders plaats hebben, dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen. (K. (oud) 917; F. 217, 230, 231, 233.)

235. De surséance werkt niet ten voordeele van de medeschuldenaren en borgen. (K. (oud) 921; F. 160, 231; B. 1316, 1319, 1857 v, 1868, 1870 )

236. Het rechterlijk college, hetwelk de surséance verleend heeft, kan die, op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer der schuldeischers, intrekken:

1°. indien de schuldenaar zich, gedurende den loop der surséance, aan kwade trouw in het beheer van den boedel schuldig maakt;

2°. indien hij zijne schuldeischers tracht te benadeelen;

3°. indien hij handelt in strijd met artikel 230 eerste lid;

4°. indien hij nalaat te doen wat naar het oordeel van de bewindvoerders in het belang van den boedel gedaan moet worden;

5°. indien, hangende de surséance, de staat van den boedel zoodanig is achteruit gegaan, dat het vooruitzicht is verdwenen op volledige betaling van alle schulden bij het eindigen der surséance.

In het laatste geval kan de intrekking ook op verzoek van den schuldenaar worden uitgesproken.

In de gevallen, vermeld onder nos. 1 en 5, zijn de bewindvoerders verplicht de intrekking te vragen.

De bewindvoerders en de schuldenaar worden, indien zij niet zelve het verzoek gedaan hebben, daarop gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.

Indien op grond van de bepalingen van dit artikel de surséance wordt ingetrokken, kan tevens de faillietverklaring-van den schuldenaar worden uitgesproken.

Gedurende de surséance kan de faillietverklaring niet rauwelijks worden gevorderd.

De beschikking, houdende intrekking der surséance, wordt aangekondigd gelijk is voorgeschreven in art. 215, tweede lid. (K. (oud) 922; F. 213, 214, 216, 226, 237, 238.)

237 De schuldenaar is steeds bevoegd van hst rechterlijk college, dat de surséance verleende, de intrekking daarvan

quot;

-ocr page 731-

TITEL II, ARTT. 234—240.

te verzoeken, op grond dat de toestand des boedels hem weder in staat stelt zijne betalingen te hervatten. Op dit verzoek worden de bewindvoerders en de schuldeischers gehoord of daartoe behoorlijk opgeroepen.

Deze oproeping, gelijk mede die bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel, geschiedt bij brieven door den griffier tegen een door het rechterlijk collego te bepalen das (F. 213, 214, 216, 226, 236.)

238. Indien de faillietverklaring wordt uitgesproken overeenkomstig eene der bepalingen van dezen titel of wel binnen ééne maand na de afwijzing van het verzoek tot surséance of na de intrekking of den afloop van de surséance, wordt het tijdstip, waarop de termijnen, in de artikelen 43 en 45 vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van het verzoek tot verleening van surséance is bekend gemaakt.

De curator oefent dan de bevoegdheid uit, in het tweede lid van artikel 230 aan de bewindvoerders toegekend. (K. (oud) 923; F. 217d, 225, 236a en e, 237.)

239 Het loon van de deskundigen, benoemd ingevolge de bepaling van artikel 221 2°., en van de bewindvoerders wordt bepaald door de rechtbank en bij voorrang vollaan.

Dit laatste is ook van toepassing op hunne verschotten en op die, door den griffier ten gevolge van de bepalingen van dezen titel gedaan. (F. 71, 18Óa, 215b, 216a, 2l8d, 221b, 223, 236\'/, 237b; B. 1195.)

Algemeene slotbepaling.

240 Deze wet treedt in werking op een nader bij de wet te bepalen tijdstip. (I. F. 1.)

655

-ocr page 732-

WET

ter invoering yan de Faillisscmentswet. «)

W u EMMA, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens artikel 240 van de wet van 30 September quot;1893 (Stb. n0.140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155), het tijdstip van het in werking treden dier wet bij de wet moet worden bepaald, terwijl het tevens noodzakelijk is overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en de nieuwe wet, en den overgang van de oude tot de nieuwe wetgeving betreffende het faillissement en de surséance van betaling te regelen;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De wet van 30 September 1893 (Stb. n0. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155), treedt in werking op den Isten September 1896.

2. Op het in artikel 1 vermelde tijdstip zijn afgeschaft: de artikelen 1515, 1820 en 1880, 2°. van het Burgerlijk Wetboek; de artikelen 198, 205 en 285 benevens het derde boek van het Wetboek van Koophandel; het tweede lid van artikel 705, en de artikelen 707, 709 tot en met 720 benevens de zevende titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 441 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 17 van de wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227) tot regeling der coöperatieve vereenigingen.

3. De artikelen 1377 en 1881, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden gelezen:

v.Artxkel 1377. Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onverpligt verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, mits bewezen

«) Wet van 20 Januari 1890 (Stb. no. 9), houdende bepalingen omtrent het in werking treden van de wet op het faillissement en de surseance van betaling, de wijziging van bestaande wetten in verband daarmede en den overgang van de oude wetgeving tot cie nieuwe. (Verg. I. F. 11.)

-ocr page 733-

WET TER INVOERING VAN DE FAILLISSEMENTSWET. 657

worde, dat bij het verrigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling van de schuldeischers het gevolg zoude zijn.

Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goederen, die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.

Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.»

«.Artikel 4881, eerste lid. Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval bij n#. 4 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.»

In het eerste lid van artikel 4490 van gemeld Wetboek vervallen de woorden: «(daaronder begrepen die waarvan bij artikel 4377 wordt gehandeld)».

In het tweede lid van gemeld artikel wordt achter de woorden: «ontbinding des huwelijks;» ingevoegd eene nieuwe alinea luidende:

«Ingeval van nietigheid, waarvan in artikel 4377 wordt gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor de nietigheid vereischte wetenschap bestond;»

4. In het Wetboek van Koophandel wordt in het eerste lid van artikel 84 in plaats van «854, 855 en 856 van het Wetboek van Koophandel», gelezen: «57, 58 en 59 van de wet op hel faillissement en de surséance van betaling»;

en in het eerste lid van artikel 499 de aanvang daarvan: «Wanneer echter de houder, hetzij» vervangen door: c( Wanneer de houder van eenen geprotesteerden wisselbrief, hetzij».

5. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ondergaat de volgende wijzigingen;

In artikel 426 wordt het dertiende lid gelezen als volgt:

«In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen hoogeren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd.»

Van artikel 505 wordt het vijfde lid gelezen:

«De door artikel 674 van het Burgerlijk Wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken, na den dag der overschrijving van het proces-verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengen».

42

-ocr page 734-

658 WET TER INVOERING VAN DE FAILLISSEMENTSWET.

Van artikel 566 wordt het laatste lid gelezen:

«Vroeger afgegeven pand- of verband-brieven kunnen na den dag dier overschrijving niet meer worden ingeschreven.»

Van artikel 585 wordt het eerste lid, 1°. gelezen:

«1°. Wegens stellionaat, hetwelk bestaat:

wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft dan die met welke die goederen bezwaard zijn.»

In artikel 596,3°., vervallen de woorden: «den vrij willige a) of geregtelijken»; in het opschrift van den derden titel van het derde boek de woorden: «en de vormen van dien»; en in artikel 708, eerste lid, de woorden: «hetzij vrijwillig, hetzij geregtelijk.»

In artikel 706 wordt de aanvang daarvan: «De vrijwillige boedelafstand is die, welke b) de schuldeischers vrijwillig aannemen en die geen ander gevolg heeft» vervangen door: «Boedelafstand behoeft de vrijwillige aanneming van de schuldeischers. Hij heeft geen ander gevolg».

6. Het Wetboek van Strafrecht ondergaat de volgende wijzigingen:

In artikel 194 worden de woorden: «of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging,» vervangen door: «of als echtgenoot van een gefailleerde, met wien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting,».

In gemeld artikel vervallen de woorden; «of ze overeenkomstig de wet te beëedigen,».

In artikel 344, 1°. en 2°. vervallen de woorden «vaneen koopman».

In gemeld artikel worden de woorden: «eenig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;» vervangen door: «indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd, eenig goed aan den boedel onttrekt, of betaling aanneemt hetzij van eene niet opeischbare schuld hetzij van eene opeischbare schuld, in het laatste geval wetende dat het faillissement van den schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met den schuldenaar;».

In artikel 345 wordt het slot van het tweede lid gelezen : «gefailleerde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, die zoodanige overeenkomst sluit.»

In artikel 346 wordt achter: «koopman te zijn,» inge-lascht: «in staat van faillissement is verklaard, of».

a) Aldus Stb. 1896 no. 9; lees: „vrijwilligenquot;.

b) Aldus Stb. 1896 no. 9; lees: „welkenquot;.

-ocr page 735-

WET TER INVOERING VAN DE FAILUSSEMENTSWET. 659

In gemeld artikel wordt achter: «vervreemd, hetzij » ingelascht: «ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, of op een tijdstip waarop hij wist dat het een of het ander niet kon worden voorkomen,».

In artikel 442 wordt de aanvang van 2°. gelezen:

«2°. de bestuurder of commissaris eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting welke» en:?.

7. Op aangiften, verzoeken of requisitoiren tot faillietverklaring ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aanhangig, en op de faillissementen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkomstig artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing, met uitzondering van de artikelen 850, 887 en 892—898 van het Wetboek van Koophandel.

Het faillissement eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewijsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Nadat het faillissement is geëindigd, kan de schuldenaar, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van hel vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register. Te dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

8. Een faillissement, waarin vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is geëindigd door rehabilitatie van den schuldenaar, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien het geval voorzien bij artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op de in het vorige lid bedoelde faillissementen van toepassing.

De schuldeischers herkrijgen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register. Te dien aanzien blijft artikel 899 van het Wetboek van Koophandel van toepassing.

Het bepaalde in het vorige lid is ook van toepassing

-ocr page 736-

660 WET TER INVOERING VAN DE FAILLISSEMENTSWET.

op den schuldenaar, wiens faillissement vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving door de homologatie van een akkoord is geëindigd maar die vóór dien dag niet is gerehabiliteerd. Mocht een verzoekschrift tot rehabitatie reeds zijn ingediend, dan wordt dit overeenkomstig de oude wetgeving behandeld en afgedaan.

9. Op vorderingen tot verklaring in staat van kenlijk onvermogen ten tijde van het in werking treden der nieuwe wetgeving aanhangig en op die gevallen van verklaard kenlijk onvermogen, waarin op dat tijdstip door de curators nog niet overeenkomstig artikel 849 of artikel 885 van het Wetboek van Koophandel rekening en verantwoording is afgelegd, is bij uitsluiting de oude wetgeving van toepassing met uitzondering van artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het kenlijk onvermogen eindigt zoodra het vonnis, waarbij de homologatie van een akkoord is verleend, in kracht van gewijsde is gegaan of de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen.

In het laatste geval herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Nadat het kenlijk onvermogen is geëindigd, kan de schuldenaar, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling verzoek tot rehabilitatie doen. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

10- Verklaard kenlijk onvermogen, waarin vóór den dag van het in werking treden der nieuwe wetgeving de curators overeenkomstig artikel 885 van het Wetboek van Koophandel zijn ontslagen, neemt, indien het na dit ontslag niet is opgeheven overeenkomstig artikel 899 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met het in werking treden der nieuwe wetgeving een einde.

Indien het geval voorzien bij artikel 886 van het Wetboek van Koophandel zich na het in werking treden der nieuwe wetgeving voordoet, is deze bepaling op het verklaard kenlijk onvermogen in het vorige lid bedoeld van toepassing.

De schuldeischers herkrijgen voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Door den schuldenaar kan, overeenkomstig de artikelen 206—212 van de wet op het faillissement en de surséance van betaling, verzoek tot rehabilitatie worden gedaan. Van het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, geschiedt geene aanteekening in het in artikel 19 dier wet bedoelde register.

11. Van een akkoord, gehomologeerd onder de oude wetgeving, kan de ontbinding worden gevorderd overeen-

-ocr page 737-

WET TER INVOERING VAN DE FA.ILLISSEMENTSWET. 661

komstig de nieuwe. De artikelen 165—167 der wet op het faillissement en de surséance van betaling zijn alsdan toepasselijk.

Indien het akkoord is gesloten in een boedel die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard, wordt door den rechter in het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, heropening van den staat van kenlijk onvermogen bevolen.

Op het heropende faillissement of kenlijk onvermogen is de nieuwe wetgeving van toepassing.

12. Indien een verzoekschrift om tot boedeiafstand te worden toegelaten, is ingediend vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving, is de oude wetgeving daarop van toepassing.

13. Indien een verzoekschrift, als bedoeld in de artikelen 902 en 903 van het Wetboek van Koophandel, vóór het in werking treden der nieuwe wetgeving aan de rechtbank is ingediend, is de oude wetgeving daarop van toepassing.

14. De wet van 30 September 1893 (Stb. n0. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155), kan worden aangehaald onder den titel van «Faillissementswet», en deze wet onder den titel van «Wet ter invoering van de Faillissementswet».

15. Deze wet treedt in werking op den Isten September 1896.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 20 Januari 1896.

-ocr page 738-

BIJLAGE

TOT DE

FAIL LIS SE ME NTS WET.

WET

van 6 September 1895 (Stb. n0. \'155), tot ivijziging van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling, van 30 September 1893 (Stb. n0.140).

Eenig artikel.

In de wet op het faillissement en de surséance van betaling, van 30 September 1893 (Stb. n0. 140), wordt de volgende wijziging gebracht:

In art. 1, 1ste lid, worden de woorden: «die ophoudt te betalen» vervangen door de woorden «die in den toestand verkeert dat hy heeft opgehouden te betalen» en vervalt de zinsnede «indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeld.» Art. 6, 2e lid, wordt gelezen als volgt: (Zie art. 65 F.) In art. 198 worden de woorden «had opgehouden te betalen» vervangen door de woorden «in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen», en vervalt de zinsnede «en indien de rechtbank dit in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk oordeelt».

Gegeven te Assen, den Cden September 1895.

-ocr page 739-

TAFEL VAN VERGELIJKING

VAN HET

DERDE BOEK VAN HET WETBOEK VAN KOOPHANDEL MET DE FATLLISSEMENTSWET.

K. III.

F.

K. III.

F.

Titel 1. Afd. 1.

793

14c

764

1

794

765a

2, 4a

795

93

b

4b

796

93c j0.92

766

4a, 6a

797a

98

767a

198, 201

b

93c

b

199

c

98

c

200

798

768a b ene

lö 7

799 1

800

94, 95

769

-

801

t\'

770a

23

802

b

803 1

96

771a

33a

804

b ene

25—32

805

66

772

34

806

773

43

807

99a

774

808a

173b

775

45

b en c

100

776a

44

809

101

b

777

50

42, 47

810 811

102,103

778

131b en c

812

64, 65

779

813a

25-30

780

129, 130,

b

68b

781

131a

c

67a

782

814

783

Afd. 3

784

785

815

816

108

786

131a

817

109

Afd. 2.

818a

80

787a

14a, 93

b

116

b

819

788

73

820

119

789a en b

87

821

c

88

822

121«

790

90

823

119b

791a

4c

824

120

b

8a

825

122

c

b

826

d

c

827

e

d-f

828

83

f

9a

829

g

10, lia

830

h

831

792

832

119c

-ocr page 740-

K. m.

F.

K. III.

V.

833

880

61a—d

834

—.

881

61/-

Afd. 4.

882

835

138

883

62

836

139

884

104

837

141

885a

193

838

143

6

839

-

886

194

840

-

887

195-197

841

145

888

336

842

146

889

195

843

890

844-

148,150

891

845

151

Afd. 6.

846

152

892

206

847

153

893

848

157

894

207

849

162

895

208

850

-

896

209

851

173a

897

210

Afd. 5.

898

211

852

173a

899

212

853

174

854«

57

Titel II.

b

58 a

900

213

855

59

901

856

58b

902

214, 215

857

174

903

858

57

904

216

859

59a

905a

217,221

860

58a

6

229a

861

596

c

217

862

180

d

218, 219

863a

180a

906

217e

b

71

907a

864

183

6

217ci

865

184,187a

908

2216

866

909

867a

184

910

b en c

186

911

223

868

185

912

222

869

913

224

870

188

914

225,2266 226a en c

871a

1806

915

ftenc

179

916

230

872

190

917

234

873

_

918

231

874

191a

919

232

875

1916

920

233

876

_

921

235

877

-

922

236

878

136

923

238

879

135

-ocr page 741-

WETBOEK

van

BURGERLIJKE REGrTSVORDERING. *)

Vg. de Wet van 25 Juli 1871 (Stb. n0.91), fomderade regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt, gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 9 November 1875 (Stb. n0. 201), van 15 April 1886 (Stb. n0. 63), en van 16 December 1888 (Stb. n0. 204), afgedrukt blz. 1375.

EERSTE BOEK.

van dk wijze van procederen voor de kantongeregten, arrondissements-regtranken, hoven en den hoog en raad.

EERSTE TITEL.

Algemeene Bepalingen.

eerste afdeeling.

Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en beteekening.

Artikel 1.

Elke regtsingang vangt aan met eene dagvaarding, door eenen deurwaarder die tot het exploiteren in de plaats bevoegd is; hij is verpligt afschrift van het exploit te laten aan den persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde.

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaarding gelden. (Pr. 4,68; B. 1905. — R. O. 43; B. 289, 490; Rv. 285, 286, 290, 486, 558, 727, 735a en b, 758, 770a, 778, 804, 816,821a, 826,847; F. 122, 152, 185; Markenw., a. 12amp; en c, 26d en e, zie chron. lijst, blz. 1454; Merkenw., a. 9b en 10, zie chron. lijst, blz. 1487; R. IV, a. 1, 2, 8; Stb. 1879 n0.143; Rv. 95, 866. - B. 74 v.; Rv. 2, 3, 4, 7 v., 16, 92, 843, 453.)

♦) De aldus gemerkte artikelen zijn gewijzigd bij de Wet van 7 Juli 1896 (Stb. no. 103). Zie die wet bij de bijlagen tot Ry,

-ocr page 742-

BIJLAGE

TOT DE

F AIL LIS SE ME NTS WET.

WET

van 6 September 1895 (Stb. n0. 155), tot wijziging van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling, van 30 September 1893 (Stb. n0.140).

Eenig artikel.

In de wet op het faillissement en de surséance van betaling, van 30 September 1893 (Stb. n0. 140), wordt de volgende wijziging gebracht:

In art. 1, 1ste lid, worden de woorden: «die ophoudt te betalen» vervangen door de woorden «die in den toestand verkeert dat hy heeft opgehouden te betalen» en vervalt de zinsnede «indien dit in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeld.»

Art. 6, 2e lid, wordt gelezen als volgt: (Zie art. 6b F.)

In art. 198 worden de woorden «had opgehouden te betalen» vervangen door de woorden «in den toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen», en vervalt de zinsnede «en indien de rechtbank dit in het gemeenschappelijk belang der schuldeischers wenschelijk oordeelt».

Gegeven te Assen, den 6den September 1895.

-ocr page 743-

TAFEL VAN VERGELIJKING

VAN HET

DERDE BOEK VAN HET WETBOEK VAN KOOPHANDEL MET DE FAILLISSEMENTSWET.

K. III.

F- 1

K. III.

F.

Titel 1. Afd. 1.

793

i4c

764

1

794

-

765a

2, 4a

795

93

b

46

796

93c j0.92

766

4a, 6a 198, 201

797a

98

767a

b

93c

b

199

c

98

c

200

798

768a b en c

\\b 7

799

800

94, 95

769

801

770a

23

802

b

803

96

771a

33a

804

6 en c

25—32

805

66

772

34

806

773

43

807

99a

774

808a

173b

775

45

b en c

100

776a

44

809

101

b

777

50

42. 47

810 811

102,103

778

131b en c

812

64,65

779

813a

25-30

780

129, 130,

b

68b

781

131a

c

67a

782

814

783

Afd. 3

784

815

108

785

816

786

131a

817

109

Afd. 2.

818a

80

787a

14a, 93

b

116

b

819

788

73

820

119

789a en b

87

821

c

88

822

121a

790

90

823

119b

791a

4c

824

120

b

8a

825

122

c

b

826

d

c

827

e

d-f

828

83

f

9a

829

g

10, 11a

830

h

831

792

832

119c

-ocr page 744-

K. Hf.

F.

K. III.

V.

833

880

61a—d

834

881

61/-

Afd. 4.

882

835

138

883

62

836

139

884

104

837

141

885a

193

838

143

b

839

_

886

194

840

887

195-197

841

145

888

336

842

146

889

195

843

890

844 ■

148,150

891

845

151

Afd. 6.

846

152

892

206

847

153

893

848

157

894

207

849

162

895

208

850

896

209

851

173a

897

210

Afd. 5.

898

211

852

173a

899

212

853

174

854«

57

Titel II.

b

58a

900

213

855

59

901

856

58b

902

214, 215

857

174

903

858

57

904

216

859

59a

905a

217,221

860

58a

6

229a

861

596

c

217

862

180

d

218, 219

863«

180a

906

217e

b

71

907a

864

183

6

217d

865

184,187a

908

2216

866

909

867a

184

910

b en c

186

911

223

868

185

912

222

869

_

913

224

870

188

914

225, 2266

87ta

1806

915

226a en c

b en c

179

916

230

872

190

917

234

873

918

231

874

19ia

919

232

875

1916

920

233

876

921

235

877

922

236

878

136

923

238

879

135

-ocr page 745-

WETBOEK

VAN

BURGERLIJKE REGTSVORDERING. 1)

Vg. de Wet van 25 Juli 1871 (Stb. n0.91), famdlt;3??cie regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt, gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 9 November 1875 (Stb. n0. 201), van 15 April 1886 (Stb. n0. 63), en van 16 December 1888 (Stb. n0. 204), afgedrukt blz. 1375.

EERSTE BOEK.

van de wijze van procederen voor de kantongeregten, arrondissements-regtbanken, hoven en den hoogen raad.

EERSTE TITEL.

Algemeene Bepalingen.

eerste afdeeling.

Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en betcekening.

Artikel 1.

Elke regtsingang vangt aan met eene dagvaarding, door eenen deurwaarder die tot het exploiteren in do plaats bevoegd is; hij is verpligt afschrift van het exploit te laten aan den persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde.

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaarding gelden. (Pr. 4, 68; B. 1905. — R. O. 43; B. 289, 490; Rv. 285, 286, 290, 486, 558, 727, 735a en b, 758, 770a, 778, 804, 816,821a, 826,847; F. 122, 152, 185; Markenw., a. 12amp; en c, 26d en e, zie chron. lijst, blz. 1454; Merkenw., a. 9b en 10, zie chron. lijst, blz. 1487; R. IV, a. 1, 2, 8; Stb. 1879 n0.143; Rv. 95, 866. — B. 74 v.; Rv. 2, 3, 4, 7 v., 16, 92, 343, 453.)

1

De aldus gemerkte artikelen zijn gewijzigd bij de Wet van 7 Juli 189o (Stb. no. 103). Zie die wet bij de bijlagen tot Rv.

-ocr page 746-

K. Ilf.

F.

K. III.

F.

833

880

61a—d

834

881

6lf

Afd. 4.

882

835

138

883

62

836

139

884

104

837

141

885a

193

838

143

6

839

886

194

840

887

195-197

841

145

888

336

842

146

889

195

843

890

844 \'

148,150

891

845

151

Afd. 6.

846

152

892

206

847

153

893

848

157

894

207

849

162

895

208

850

896

209

851

173a

897

210

Afd. 5.

898

211

852

173a

899

212

853

174

854«

57

Titel II.

b

58 a

900

213

855

59

901

856

58?)

902

I

214, 215

857

174

903

858

57

904

216

859

59a

905a

217,221

860

58a

6

229a

861

596

c

217

862

180

d

218, 219

863«

180a

906

217e

b

71

907a

864

183

6

217d

865

184,187a

908

2216

866

909

867a

184

910

b en c

186

911

223

868

185

912

222

869

913

224

870

188

914

225,2266

871a

1806

915

226a en c

ö en c

179

916

230

872

190

917

234

873

918

231

874

191a

919

232

875

1916

920

233

876

921

235

877

922

236

878

136

923

238

879

185

-ocr page 747-

WETBOEK

VAN

BURGERLIJKE REGTSVORDERING. 1)

Vg. de Wet van 25 Juli 1871 (Stb. n0.91), ftoitdencte regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt, gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 9 November 1875 (Stb. n®. 201), van 15 April 1886 (Stb. n0. 63), en van 16 December 1888 (Stb. n0. 204), afgedrukt blz. 1375.

EERSTE BOEK.

van de wijze van procederen voor de kantongeregten, arrondissements-regtbanken, hoven en den uoogen raad.

EERSTE TITEL.

Algemeene Bepalingen.

eerste afdeeling.

Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en beteekening.

Artikel 1.

Elke regtsingang vangt aan met eene dagvaarding, door eenen deurwaarder die tot het exploiteren in de plaats bevoegd is; hij is verpligt afschrift van het exploit te laten aan den persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde.

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaardinggelden. (Pr. 4,68; B. 1905. — R. O. 43; B. 289, 490; Rv. 285, 286, 290, 486, 558, 727, .735a en b, 758, 770a, 778, 804, 816,821a, 826,847; F. 122, 152, 185; Markenw., a. 12b en c, 26d en e, zie chron. lijst, blz. 1454; Merkenw,, a. % en 10, zie chron. lijst, blz. 1487; R. IV, a. 1, 2, 8; Stb. 1879 nM43; Rv. 95,866. — B. 74 v.; Rv. 2, 3, 4, 7 v., 16, 92, 343, 453.)

1

De aldus gemerkte artikelen zijn gewijzigd bij de Wet van 7 Juli 1890 iStb, no. 103). Zie die wet bij de bijlagen tot By.

-ocr page 748-

666 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

2. In geval de deurwaarder noch den gedaagde, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan dengenen die hem vervangt, die het oorspronkelijke stuk kosteloos met « gezien » zal moeten teekenen, en het afschrift, zoo mogelijk, aan den gedaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.

De deurwaarder moet van die terhandstelling melding maken op de oorspronkelijke dagvaarding en op het afschrift van dezelve. (Pr. 4, 68; Rv. 1, 4 n0. 9a en d, 80, 92,343, 453; Gem.w., a. 77.)

8- A.an elk der gedaagden moet een afschrift van het exploit gelaten worden.

Echter zal aan echtgenooten, niet van tafel en bed, of van goederen gescheiden zijnde, slechts één afschrift worden gelaten. (B. 165, 241 v., 288 v.; Rv. 1, 4 n0. 6, 92, 343.)

4. (*) De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:

1°. Ten aanzien van den Koning, de leden van het koninklijk huis en den Staat, aan den persoon of in het parket van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad; a) (Rv. 6)

Aldus gewijzigd bij art. 2 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n0. 93).

2°. Ten aanzien van openbare instellingen of stichtingen en zedelijke ligchamen, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd des bestuurs, of ter plaatse waar het bestuur deszelfs zitting of kantoor houdt; (B. 1692; Markenw., a. 5, 8 j0. 37, zie chron. lijst.)

3°. Ten aanzien van gemeenten, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan den persoon of de woonplaats van dengeen die hem vervangt; (Gem.w., a. 71a, 77, 194/i, 199.)

4°, Ten aanzien van vennootschappen van koophandel, aan haar gemeenschappelijk kantoor, en, zoo er geen is, aan den persoon of de woonplaats van een der besturende vennooten, en na de ontbinding, aan den persoon of de woonplaats van een der vereffenaars; (K. 17, 32, 44, 56.)

5». Ten aanzien van den boedel eens gefailleerden, of van iemand die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard, aan den persoon of de woonplaats van een der bewindvoerders; (F. 14a, 23, 25, 26, 122.)

6°. Ten aanzien van overledenen, aan de gezamenlijke erfgenamen en in ééns, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, ter laatste woonplaats van den overledene; edoch niet langer dan gedurende een jaarna

a) Oorspronkelijk volgden aan het slot van dit nummer nog de woorden: „in regtsvorderingen welke voor dat collegie moeten ge-brngt worden, en aan den persoon, of het huis van den commissaris des Konings in de provincie, waarin het goed gelegen is, wanneer het zakelijke regtsvorderingen geldtquot;;

-ocr page 749-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 2—4.

het overlijden; (B. 80, 880, 1002, 1147; F. 199, 201; Rv. 3.)

7®. Ten aanzien van hen, die geene bekende woonplaats in het koningrijk hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf.

Indien deze plaats niet bekend is, gelijk mede in geval in regten worden opgeroepen houders van aandeelen in geldleeningen of maatschappijen, welke niet op naam staan, en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, zal het exploit worden aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des regters, voor wien de vordering gebragt wordt of aanhangig is, d) en zal een tweede afschrift moeten worden overgegeven aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat regterlijk collegie, die het oorspronkelijke met «gezien» zal teekenen.

Daarenboven moet het gedaan exploit worden aangekondigd in een der dagbladen van de plaats, waar de regtbank zitting houdt, of, bij gebreke daarvan, van eene naburige plaats.

Gelijkelijk zal worden gehandeld ten aanzien van naamlooze vennootschappen, bestaande of ontbonden, bij gebreke van gemeenschappelijk kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of vereffenaar geen bekende woonplaats en geen bekend werkelijk verblijf binnen het koningrijk heeft, a)

Indien het exploit niet een te voeren of aanhangig regtsgeding betreft, moet het worden aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal der regtbank, binnen wier ressort de verzoeker zijne woonplaats heeft, het tweede afschrift aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij die regtbank worden overgegeven en de aankondiging in een der dagbladen van die woonplaats of, bij gebreke daarvan, van eene naburige plaats, geschieden, a) (B. 74; K. 36, 40a, 41,44,56a; Rv. 9, 11, 301.)

8°. Ten aanzien van hen, die in de koloniën van den Staat of buiten \'s lands wonen, voor zoo verre zij binnen het koningrijk geen bekend verblijf hebben, aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk collegie, voor hetwelk de vordering moet gebragt worden of aanhangig is, h) en die het oorspronkelijke met ((gezien» zal teekenen en het afschrift van het exploit, ten behoeve der eerstgemelden aan het departement der koloniën, en van laatstgemelden aan dat van buitenlandsche zaken zal toezenden.

667

Indien het exploit niet een te voeren of aanhangig regtsgeding betreft, zal het gedaan worden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regt-

o) In art. 4 (oud) ontbraken in no. 7 tweede lid achter de woorden : „voor wien de vordering gebragt wordtquot; de woorden: „of aanhangig isquot; en ontbraken het vierde en vijfde lid van dat nummer. h) Zie noot a op de volgende bladzijde.

-ocr page 750-

668 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

bank, binnen wier ressort de verzoeker zijne woonplaats heeft, welke ambtenaar daarmede zal handelen als in het eerste lid is omschreven, a)

Indien in het geval van het tweede en het vierde lid van n0. 7 en in dat van het eerste lid vann0.8, hierboven voorzien, de zaak voor den kantonregter moet dienen of dient, zal het tweede afschrift van het exploit worden overgegeven aan den persoon of de woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur of van dengeen, die hem vervangt, welke hetzelve ten einde als bij de voorzeide nummers is vermeld, moet doen toekomen aan den officier bij de arron-dissements-regtbank, binnen welker regtsgebied het kanfongeregt gevestigd is. a) (Gem.w., a. 77.)

9°. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed gescheiden vrouw, wat betreft de dagvaardingen en alle andere exploiten, die haar ten verzoeke van haren echtgenoot worden uitgebragt, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en, wanneer dit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haar in persoon, of, zoo de deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene, die hem vervangt, in voege als in artikel 2 van dit wetboek is voorgeschreven, terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden aangekondigd in een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke daarvan, van eene naburige plaats en een afschrift van die aankondiging zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het door hen bewoonde huis.

Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagtee-kening van het exploit, de aanwijzing van den persoon ten wiens verzoeke, en van de persoon aan wie het exploit is gedaan, de vermelding van den deurwaarder, die het gedaan heeft en van den persoon aan wien afschrift van het exploit gelaten is; voorts, indien de aankondiging eene dagvaarding betreft, de aanwijzing van den regter voor wien, en van dag en uur der teregtzitting, tegen welke gedagvaard is, en indien de aankondiging de beteekening van eene regterlijke uitspraak of beschikking betreft, de aanwijzing van den regter door wien, en van den dag waarop die uitspraak gewezen of die beschikking genomen is.

Het aangeplakte afschrift der aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den deurwaarder on-middellyk moeten verwijderd worden.

Indien de vrouw haar werkelijk verblijf niet heeft

a) In art. I (oud) no. 8 eerste lid ontbraken achter de woorden: „voor hetwelk de vordering moet gebragt wordenquot; de woorden: „of aanhangig isquot;; ontbrak het tweede lid en luidde het begin van het derde lid, toen tweede lid: „Indien in het geval van het tweede lid van no. 7 en van no. 8, hierboven voorzien, de zaak voor den kantonregter moet dienen, zal het tweedequot; enz.

-ocr page 751-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 5—6.

ter woonplaats van den man en de deurwaarder aan dat werkelijk verblijf niemand aantreft, zal artikel 2 moeten worden toegepast.

Indien de vrouw geen bekend verblijf binnen het koningrijk heeft, zal het exploit moeten geschieden op de wijze, bij n0. 7 van dit artikel omschreven, a) (B. 78; Gem.w., a. 77 ; Pr. 69; Rv. 80,92, 343,430c.)

5. Het exploit van dagvaarding zal moeten behelzen: (Pr. 1, 61; Rv. 92.)

1°. Den dag, de maand en het jaar; den voornaam,den naam en de woonplaats des eischers, met opgave van de door hem gekozene woonplaats in de gemeente waar de regter zitting houdt; (Rv. 14,15. — B. 74 v. — B. 81, 82, 1441 n0. 6; Rv. 1226, 133a en b, 406e, 439£i, 536b, 661 n». 2, 668, 672 n». 1.)

2°. Den voornaam, den naam en de woonplaats van den deurwaarder, den naam en de woonplaats van den gedaagde, en de vermelding van den persoon aan wien afschrift van het exploit van dagvaarding gelaten is.

Indien de eischende of verwerende partij eene corporatie, maatschap of bandelsvereenigingis, zal deze hare benaming in de plaats van naam en voornaam moeten worden uitgedrukt; (R. IV, a. 1 v. — Rv. 5 n0. 1; B. 1655 v. 1690 v.; K. 14 v,286,308,320 v.; W. coöp. ver., zie chron. lijst; Prov. w.; Gem. w.; Rv. 1 v.)

3°. De middelen en het onderwerp van den eisch, met eene duidelijke en bepaalde conclusie; (Rv. 48, 134, 343, 390b, 406.)

4°. De aanwijzing van den regter die van de zaak moet kennis nemen; (R. O. 30 v., 46 v. 60 v., 83 v.; Rv. 97, 98, 126.)

5°. Den dag cn het uur waarop de gedaagde in regten moet verschijnen. (Rv. 7 v., 13.)

Het exploit en het afschrift daarvan zullen door den deurwaarder moeten worden geteekend. (R. IV, a. 11; Rv. 133; Zegelw., j®. Stb. 1856 n0. 165, a. 3; Loidu22Frim. an VH (Fortuijn, I, 484 v.), a. 20, 49 v., 68 § I n0. 30, jquot;. Stb. 1824 nquot;. 36, a. 11; Stb. 1843 n0. 39 (Tar. a. 53 v.); R. IV, a. 12. —Rv. 92.)

6. In alle gedingen waarin de Koning als eischer optreedt, zal het exploit geschieden en de zaak worden voortgezet, ten name van en door zoodanigen gemagtigde als hij zal aanwijzen.

Alle gedingen tegen den Koning worden voortgezet ten name van zoodanigen gemagtigde als hij zal aanwijzen. Indien zoodanige gemagtigde ten beteekenden regtsdage niet verschijnt, wordt indien daartoe termen bestaan, het verstek verleend en vonnis gewezen ten name van den procureur-generaal bij denhoogen raad. (B. 1829 v.; Rv. 4, n0.3, 75, 76.) Aldus gewijzigd bij art. 3 der Wet van 22 Juni 1893. (Stb. n». 93). b)

a) In art. i (oud) ontbrak no. 9.

b) Oorspronkelijk luidde het slot van het tweede lid: „voortgezet ten name van de ambtenaren respectievelijk bij artikel 4, no. 1, hierboven vermeld.quot;

669

-ocr page 752-

670 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

7. (*) De gewone termijn van dagvaarding is voor hen, die in het koningrijk wonen of hun verblijf houden: voor den kantonregter van ten minste vijf dagen en voor de regter-lijke collegiën van ten minste acht dagen.

In spoedeischende zaken kan de kantonregter op mondeling verzoek des eischers vergunnen, den termijn van dagvaarding te verkorten, in welk geval de vergunning aan het hoofd van het exploit gesteld en hiermede gelijktijdig geregistreerd wordt.

Evenzeer kan de president van het regterlijk collegie in spoedeischende zaken op mondeling of schriftelijk verzoek des eischers den termijn van dagvaarding verkorten; in het eerste geval wordt gehandeld, zooals hierboven ten aanzien van den kantonregter is bepaald, terwijl in het laatste geval de president zijn beschikking op het request plaatst, a) (Pr. 5, 6, 72; B. 81; Rv. 8 v., 11, 12, 92, 122«, 135amp;, 136, 291, 301, 302, 312, 321, 352, 353, 407, 611c; Stb. 1869 n0. 124, a. 17 (27a, al. c en d), Zie onder art. 97.)

8. De dag van het exploit en de dag van verschijning worden niet mede gerekend onder den algemeenen termijn, bepaald voor dagvaardingen, aanzeggingen en beteekeningen.

Deze termijn zal met ten minste acht dagen verlengd worden, wanneer de gedaagde binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woont dan waarin de regter, welke van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt. (Pr. 1033; Rv. 5 n0. 4, 7, 9, 11, 12, 92, 136, 301, 353, 407, 4776, 5676, 738b; K. 152.)

Geivijziqd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n#. 138).

9. In het geval in het tweede lid van artikel 4, n0. 7, uitgedrukt, zal de termijn van dagvaarding zijn ten minste twee maanden. (Rv. 7, 8, 10 v., 136, 353, 407.)

10. Wanneer de gedaagde niet in het koninkrijk woont, is de termijn:

van ten minste eene maand, zoo hij woont in Groot-Brit-tannie en Ierland, Frankrijk, Belgie, Luxemburg, Duitsch-land, met uitzondering van Oostenrijk, of Zwitserland;

van ten minste twee maanden, zoo hij woont elders in Europa;

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in de niet-Europesche kustlanden der Middellandsche of der Zwarte Zee;

a) Art. 7 (oud). De gewone termijn van ilagvaaniing voor den kantonregter is voor degenen, die in het koningrijk wonen of hun verblijf houden, van ten minste vijf dagen; echter zal hij in spoed vereischende zaken, op mondeling verzoek van den eischer, kunnen toestaan om dien termijn te verkorten; zullende hij in dat geval zijne bewilliging aan het hoofd van het exploit moeten stellen.

De gewone termijn van dagvaarding voor de arrondissements-regtbanken en voor de hoven is voor degenen, die in het koningrijk woonachtig zijn of verblijf houden, van ten minste acht dagen.

In gevallen, die spoed vereischen, zal de president van het hof of de regtbank, bij een op het request gegeven bevelschrift, kunnen vergunnen om op eenen korteren termijn te dagvaarden.

-ocr page 753-

BOEK r, TITEL I, ARTT. 7—15.

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in eene der koloniën Suriname of Curagao;

van ten minste zes maanden, zoo hij woont op Java, Sumatra of Madura;

van ten minste vijf maanden, zoo hij woont buiten Europa in een der hierboven niet vermelde landen aan deze zijde van de straat van Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn;

van ten minste acht maanden, zoo hij woont in een der hierboven niet vermelde landen aan gene zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn, dezen daaronder begrepen. (Pr. 73; Rv. 7, 8 v., 11 v., 92, 13R, 353, 407; K. 116, 207.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij de Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 54). a)

11. Indien een exploit aan iemand, buiten het koningrijk woonachtig, aan zijnen persoon binnen het koningrijk gedaan wordt, of indien deze in eene bepaalde zaak, woonplaats binnen hetzelve heeft gekozen, gelden de termijnen voor ingezetenen vastgesteld, naar gelang van den afstand der plaats waar het exploit aan hem gedaan wordt. (Pr. 74; B. 81; Rv. 4 n0. 7 en 8, 7 v., 92, 439.)

12. Wanneer meer personen wegens dezelfde vordering op verschillende termijnen moeten gedagvaard worden, zullen allen gedagvaard worden tegen den dag van verschijning, voor den verst verwijderd wonenden bepaald. (Pr. 151; Rv. 7 v., 92, 136, 301, 353, 407.)

13. De dagvaardingen, aanzeggingen of oproepingen, om tegenwoordig te zijn bij deze of gene akte van procedure of van instructie, zullen alleen de plaats, den dag en het uur van de eerste teregtzitting of rol moeten uitdrukken; zij zullen niet behoeven herhaald te worden, ofschoon de teregtzitting op eenen anderen dag verlegd of voortgezet worde. (Pr. 1034; Rv. 4, 5, n«. 5, 114, 245.)

14. Geenerlei exploit zal op eenen Zondag mogen gedaan worden, ten ware uit krachte van de vergunning van den kantonregter of voorzitter van het collegie. Indien de laatste dag van den termijn, binnen welken het exploit geschieden kan, op eenen Zondag invalt, zal hetzelve des anderen daags kunnen gedaan worden. (Pr. 63, 1037; Rv. 92, 122, 289f», 601, 723; K. 154, 179b; R. I, a. 68.)

15. (*) Geenerlei exploit of ten uitvoerlegging van vonnissen zal kunnen geschieden vóór zeven uren des morgens en na acht uren des avonds, ten ware de kantonregter of voorzitter van het collegie, in zaken welke buitengewonen spoed ver-eischen, daartoe verlof mogt hebben verleend, b) (Pr. 1037; Rv. 5 n«. 1, 92, 430, 601.)

а) De oorspronkelijke redactie luidde: Wanneer de gedaagde niet in het koningrijk woont, zal de termijn zijn van ten minste vier maanden, indien hij woont in Europa ;

Van ten minste zes maanden, indien hij woont buiten Europa, maar aan deze zijde van de kaap de Goede Hoop of van kaap Hoorn-,

En van ten minste een jaar, indien hij aan gene zijde van dezelve woonachtig ia.

б) Art. 15 (oud). Geenerlei exploit of ten uitvoerlegging van von-

671

-ocr page 754-

672 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

16. Geen exploit mag duor eenen deurwaarder worden gedaan voor zijne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie onbepaaldelijk, en in de zijdlinie tot den graad van broeders- en zusters-kinderen ingesloten. In geval van beletsel, uit dien hoofde, zal het exploit worden gedaan door eenen deurwaarder daartoe door den regter aan te wijzen. De kantonregter zal, in geval er geen ander deurwaarder in het kanton aanwezig is, eenen bepaalden persoon tot het doen van het exploit aanwijzen. (Pr. 4, 66; B. 345 v.; Rv. 92, 95; R. IV, a. 10.)

17. Indien een exploit door toedoen van den deurwaarder nietig verklaard wordt, zal hij in de kosten van het exploit en van de vernietigde procedure verwezen kunnen worden, onverminderd de schaden en interessen van de partij, naaide omstandigheden. (Pr. 71, 1030, 1031; Rv. 58, 96; B. 1279 v., 1401 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de tercgtzitlingen.

18. De teregtzittingen worden in het openbaar gehouden op den voet van de voorschriften van artikel 20 der Wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie. (Pr. 8, 87; G. 161; Rv. 822, 826.)

19. (*) De regter kan in alle gevallen en in eiken stand der zaak, wanneer dezelve hem voor minnelijke schikking vatbaar schijnt, het zij op verzoek van partijen of van ééne derzelve, het zij ambtshalve, partijen gelasten om in persoon of door of met derzelver praktizijns, voor zich of voor een of meer regters-commissarissen te verschijnen, ten einde eene vereeniging te beproeven.

Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt, wanneer partijen zulks verlangen, een proces-verbaal opgemaakt en geteekend door partijen, of derzelver tot dat einde bijzonderlijk gemagtigden, waarin de verbindtenissen, die partijen ten gevolge dier schikking op zich nemen, worden uitgedrukt.

De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in execu-torialen vorm.

Indien geen minnelijke schikking tot stand komt, bepaalt de regter den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, a) (Pr. 48 v.; B. 1888; Rv. 49, 430.)

20. De partijen mogen hare eigene zaak bepleiten, echter zal de regtbank of het hof de raagt hebben haar dit te

nissen zal kunnen geschieden, in de maanden October, November, December, Jamiarij, Februarij en Maart Tour acht uren des morgens en na vijf uren des namiddags, en in de overige maanden van het jaar vóór zes uren des morgens en na acht uren des avonds, ten ware de kantonregter of voorzitter van het collegie, in zaken welke buitengewonen spoed vereischen, daartoe verlof mogt hebben verleend, (i) In art. 19 (oud) ontbrak het vierde lid.

-ocr page 755-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 16—24.

ontzeggen, in geval dezelve bevinden dat zij door drift of door onbedrevenheid buiten staat zijn hare zaak met de vereischte betamelijkheid, en met die duidelijkheid, die tot des regters onderrigt noodig is, voor te dragen. (Pr. 85; Rv. 22, 29amp;, 99.)

21. De partijen mogen hare zaken doen bepleiten door een bij het regts collegie toegelaten procureur, onverminderd het voorschrift van art. 99 en de bepalingen om;rent de wijze van procederen in cassatie.

Wordt het bepleiten der zaak aan een niet als procureur toegelaten advocaat opgedragen, dan moeten niettemin, behalve in cassatie, de dingtalen door een procureur worden gevoerd. (Rv. 133, 136a, 137 v., 398 v.; R. Ill, a. 4, 7, 22 v.; Stb. 1843 nquot;. 67, a 1, 3 (Tar. a 43, 45.); Rv. 57.)

Aldus vastgesteld bij art. 1 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n®. 75). a)

22. De partijen en hare praktizijns zullen gehouden zijn de zaak voor den regter met bezadigdheid te bepleiten, en in alles den eerbied in acht te nemen en te bewaren, dien men aan de justitie schuldig is. Wanneer zij zich daarin te buiten gaan, zal de regter hen dit herinneren.(Pr. 10; Rv. 20, 21: R. Ill, a. 5, 20, 21, 24, 28; R. I, a. 47; R. II, a. 4.)

Aldus gewijzigd hij art. 1 der Wet van 26 A-pril 1884 (Stb. n0. 94). h)

23. De toehoorders zullen de teregtzittingen met onge-dekten hoofde bijwonen, en voorts een betamelijk ontzag en stilzwijgen bewaren; al wat de president tot handhaving der goede orde beveelt, zal stiptelijk en terstond ten uitvoer gelegd worden. (Pr. 88; R. I, a. 48; R. Ill, a. 21; R. IV, a. 6.)

24. In geval een of meer personen gedurende de openbare teregtzitting de stilte storen, of teekens van goed- of afkeuring geven, of, hetzij ter gelegenheid van de verdediging der partijen, het zij ter gelegenheid dat de regters of het openbaar ministerie het woord voeren, het zij bij de aanmaning .of waarschuwing van den voorzitter, het zij bij

a) De oorspronkelijke redactie luidde :

In zaken welke, yolgens de wet op de zamcnstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, tot de bevoegdheid der arrondisse-ments-regtbanken in het hoogste ressort behooren, staat het aan partijen vrij hare zaak door eenen voor de regtbank geadmitteerden procureur te doen bepleiten.

In zaken, welke tot de bevoegdheid der arrondissements-regtbanken, volgens evengemelde wet, slechts in het eerste ressort behooren, staat het aan partijen vrij insgelijks hare zaak door eenen procureur te doen bepleiten, mits dezelve in regten gegradueerd zij; anderzins moeten zij daartoe den bijstand van eenen advokaat gebruiken,

In zaken voor do provinciale hoven en voor den hoogen raad, worden wel de dingtalen door eenen procureur gevoerd, maar het bepleiten der zaak moet aan eenen advokaat worden opgedragen. — Bij art. 8 der Wet van 2G Juni 1876 was, in de laatste alinea, achter de woorden: „Hoogen Raadquot;, ingelascht: „anders dan in cassatiequot;.

b) Oorspronkelijk volgden nog de woorden: „in geval dit andermaal gebeurt zal hij hen tot eene boete kunnen verwijzen, die do som vau vijftig guldon niet zal mogen te boven gaan.quot;

673

43

-ocr page 756-

674 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

het uitspreken van vonnissen of bevelschriften, op welk eene wijze ook, geraas maken of beweging verwekken, en zij, op de waarschuwing van den deurwaarder, zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken, en die zich daartegen verzet zal aangehouden en terstond in een huis van arrest in bewaring gesteld worden voor den tijd van vier en twintig uren; zij zullen aldaar ingenomen worden op vertoon van het bevelschrift van den kanton-regter of voorzitter van het collegie. a)

Dit bevel zal op het audientieblad vermeld worden. (Pr. 89; Sv. 151b; Sr. 185.)

25. Indien het geraas of de beweging veroorzaakt is door eenen deurwaarder of bediende van het regterlijk collegie, zal hij, bóven en behalve de voorzeide straf b), door dat collegie in zijne bediening geschorst mogen worden. Deze schorsing zal den tijd van zes weken niet mogen te boven gaan, en aan geen hooger beroep onderworpen zijn. (Pr. 90; R. IV, a. 1 v., 14, 15 v.)

26. Wanneer de opschudding op de teregtzitting van eene arrondissements-regtbank, een geregtshof of den Hoogen Raad vergezeld is geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren, welke het kenmerk van misdrijf dragen, zullen de daders dadelijk op dezelfde teregtzitting, zonder eenige dagvaarding, kunnen worden teregtgesteld, en, nadat de feiten tot klaarheid gebracht zijn, na verhoor van het openbaar ministerie kunnen worden veroordeeld. (Sr. 267, 285; Sv. 196.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 8 der Wet van 15 April 1886 (Stb. n0. 64). c)

27. Indien de beoordeeling van het feit de bevoegdheid van den regter te boven gaat, zal de regter, na, zoo daartoe gronden zijn, den dader te hebben doen vatten, procesverbaal van het ter teregtzitting voorgevallene opmaken, en dat stuk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar

a) De strafbepaling van dit artikel is, als niet gehandhaafd bij de invoeringswet, vervallen en vervangen door die van art. 185 W. v. Sr. — De bevoegdheid van den burgerlijken rechter om de straf terstond op te leggen, is echter behouden. Zie Tijdsch. v. Strafrecht, I blz. 418 v.

b) Zie noot a.

c) Het oorspronkelijke artikel luidde: Wanneer de opschudding op de teregtzetting vergezeldis geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren in het waarnemen hunner bedieningen, welke gronden opleveren tot correction-nele- of policie-strafEen, zullen deze straffen op de teregtzitting en dadelijk na het tot klaarheid brengen der feiten, het openbaar ministerie, daar waar hetzelve bestaat, in deszelfs conclusien gehoord zijnde, kunnen worden uitgesproken, namelijk:

lo. De straften van policie door de kantonregters en door de arron-dissemonts-regtbanken, de hoven en den hoogen raad;

2o. De correctionnele straffen door de arrondissements-regtbanken, de hoven en der. hoogen raad;

De regters zullen hierbij de bepalingen in acht nemen welke door het Wekboek van Strafvordering zijn voorgeschreven.

-ocr page 757-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 25—30.

ministerie ter verdere vervolging opzenden. (Pr. 92; Rv. 26; R. O. 44, 56; Sv. 196.)

Aldus gewijzigd hij art. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. nquot;. 9i). a)

28. Indien de beieedigingen of bedreigingen tegen regters of ambtenaren van het openbaar ministerie in het waarnemen hunner bedieningen, doch buiten de teregtzittingen, hebben plaats gehad, zullen deze mede, na, zoo daartoe gronden zijn, de daders te hebben doen vatten, procesverbaal van het voorgevallene opmaken, en hetzelve aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie ter verdere vervolging opzenden. (Pr. 91; Rv. 20, 219 v., 600 n*. 4, 658; Sv. 80.)

DERDE AFDEELING.

Van de regters en van het wraken der zelve.

29. De regters in werkelijken dienst, de procureurs-generaal, de advocaten-generaal, de officieren van justitie of hunne substituten, de griffiers en substituut-griffiers, zullen zich niet mogen belasten met het verdedigen van de zaken der partijen, het zij mondeling, het zij schriftelijk, het zij onder den naam van consultatie, zelfs niet voor andere hoven of regtbanken dan die bij welke zij hunne functien waarnemen.

Echter zullen zij bij alle hoven en regtbanken hunne eigene zaken en die hunner vrouwen, bloedverwanten of aangehuwden in de regte lijn en hunner pupillen mogen bepleiten.

Zij zullen ook geene scheidslieden mogen zijn. (Pr. 86; R. O. 8, 11 n». 4c, 23, 24, 47; B. 345 v.; Rv. 20 v., 622; R. I, a. 78 n0. 1c.)

30. Geen regter zal mogen gewraakt worden, dan om de navolgende reder.en; (Pr. 44, 378; Rv. 273 v.; Sv.321.)

1°. Indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft; (B. 1950 n». 3; Rv. 30 n». 6 en 7.)

2°. Indien hij aan eene der partijen in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in den vierden graad ingesloten; (B. 345 v., 352, 1950 nquot;. 1.)

675

3°. Indien er, binnen het jaar vóór de wraking, tegen eene der partijen of derzelver echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de regte linie, eene vervolging wegens misdrijf op zijn beklag of door zijn toedoen

a) Oorspronkelijk luidde de aanvang yan het artikel: „Indien de beoordeeling van het misdrijf do bevoegdheid van den regtor te bovengaat, of wel indien de daad bij do wet mogt worden verklaard te zijn misdaad, zal de regter euz.quot;

-ocr page 758-

676 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

heeft plaats gehad; (B. 345 v., 352; Sr. 64 v.; Sv. 10 v., 31, 33, 36 v.; R. O. 73.)

Aldus gewijzigd bij art. 3 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 94). a)

4®. Indien hij een schriftelijk advijs in de zaak gegeven heeft; (Rv. 29.)

5°. Indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd, en hij deze belofte heeft aangenomen; (R. O. 29; Rv. 30 n®. 8; B. 1950 nó. 3; Sr. 178, 364.)

6°. Indien de regter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, een verschil over eeri gelijksoortig onderwerp hebben, als hetwelk tusschen partijen in geschil is; (B. 345,352; R.v. 30 n0. 1, n0. 3 en n®. 7.)

7*. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den regter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, en eene der partijen hangende is; (B. 345 v., 352; Rv. 30 n0. 1, n0. 3 en n0. 6, 850.)

8°. Indien de regter voogd, toeziende voogd, curator, of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde is van eene der partijen, of indien eene der partijen zijn vermoedelijke erfgenaam is; (B.231 v., 386 v., 422 v., 487 v., 503, 879 v., 1703 v.; Rv. 30 n». 5.)

9,l. Indien hij is bewindvoerder van eenige stichting, maatschappij of ligchaam van bestuur, welke partij in de zaak is; (B. 1655 v., 1690 v.; K. 14 v., 286, 308, 320 v.; W. vereenig. en verg., zie chron. lijst; W. coöp. ver., zie chron lijst.)

10°. Indien er een hooge graad van vijandschap bestaat tusschen hem en eene der partijen; (Rv.30n0.H.)

11°. Indien er tusschen den regter en eene der partijen sedert den aanleg van het regtsgeding, of binnen zes maanden voor de wraking, hebben plaats gehad be-leedigingen of bedreigingen. (Rv. 30 n0. 10.)

31. Ieder regter, uitgezonderd de kantonregter, die weet dat er eenige reden van wraking tegen hem bestaat, zal gehouden zijn dezelve aan het collegie waarin hij zitting heeft op te geven, hetwelk beslissen zal of hij zich van de zaak onthouden moet. (Pr. 380; Rv. 30, 38, 41, 324 n». 4; Sv. 329.)

32. De redenen om welke een regter kan gewraakt ■worden zijn toepasselijk op het openbaar ministerie, wanneer hetzelve geen hoofdpartij in het geschil is, mitsgaders op de griffiers en substituut-griffiers.

De wraking dezer ambtenaren geschiedt op dezelfde wijze als die der regters. (Pr. 381; Rv. 30, 33 v,, 323.)

a) Oorspronkelijk Tverden, in plaats van de woorden: „eenevervolging wegens misdrijf op zijn beklagquot;, gelezen de woorden: „een cri-miueel of een correctiouneel regtsgeding op zijne klagte\'*.

-ocr page 759-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 31-42.

33. De partij die een regter wraken wil, moet de wraking met redenen bekleed voorstellen, op straffe van verlies van het regt daartoe, uiterlijk vóór den aanvang der pleidooijen, of, indien de zaak in geschrifte wordt behandeld, vóór den afloop der termijnen, ten ware de redenen of aanleiding tot de wraking later mogten zijn ontstaan.

Mot uitzondering van het laatste geval, moet de wraking van eenen regter-commissaris geschieden vóórdat hij zijne werkzaamheden als zoodanig aanvangt.

De akte van wraking zal moeten geteekend zijn door de partij, of derzelver bijzonderen en bij authentieke akte daartoe gevolmachtigde, en zal aan den griffier worden ter hand gesteld, die, na een bewijs van ontvangst daarvan gegeven te hebben, dezelve onmiddellijk aan den gewraakten regter zal mededeelen. (Pr. 45, 382: Rv. 37, 140 v., 144, 164 v., 274; Sv. 323, 328.)

34. De regter zal gehouden zijn, binnen den termijn van twee dagen, onder de akte eene schriftelijke verklaring te stellen, houdende, of berusting in de wraking, of weigering, om zich van de kennisneming der zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen in de akte uitgedrukt. (Pr. 46, 386; Rv. 35 v.)

35. Indien de gewraakte regter in de wraking berust, moet hij zich van de zaak onthouden. (Pr. 388.)

36. Indien hij in de wraking niet berust, zal het hof of de regtbank de redenen van wraking onderzoeken, en dezelve bewezen en gegrond bevindende, de wraking toestaan. (Pr. 47, 389; Rv. 324 nquot;. 4; Sv. 326a.)

37. Indien de wrakende partij vermeent meer dan ééne reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij allen te gelijk voordragen. (Rv. 30, 33; Sv. 324.)

38. Indien eene partij meer dan één lid van hetzelfde regterlijk collegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen voordat over de voorafgaande beslist is. (Rv. 31, 32, 273 v.; Sv. 325.)

39. Geen der leden van het regterlijk collegie mag zich verschoonen om aan de raadplegingen over en de beslissing van de wraking deel te nemen. (Rv. 31; Sv. 326amp;.)

40. In geval van het wraken van een\' kantonregter, zal de akte van wraking en van des regters verklaring door den griffier, ter begeerte van de eerst gereede partij, verzonden worden aan den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank waaronder het kantongeregt behoort, ten einde daarover door de regtbank beslist worde. (Pr. 47 v.; R. O. 31, 33; Ry. 31, 32, 33, 34, 35, 36, 42; Sv. 327.)

41. Indien tengevolge van toegelaten wraking of van toegegeven reden van verschooning, noch de kantonregter, noch zijne plaatsvervangers van een geschil kunnen kennis nemen, zal de meest gereede partij zich aan de arrondisse-ments-regtbank wenden met verzoek om eenen anderen kantonregter binnen haar regtsgebied, tot beslissing van het geding, aan te wijzen. (Rv. 35, 36, 40, 273 v.; Sv. 330, 331.)

42. De uitspraak in zake van wraking is in geen geval

677

-ocr page 760-

678 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVOR DERING.

aan hooger beroep, revisie of cassatie onderworpen. (Pr. 391 v.; R. O. 95 v.; Rv. 332 v., 359 v., 389 v.; Sv. 334.) 43. Ingetrokken hij art. 4 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). a)

VIERDE AFDEELING.

Van vonnissen in het algemeen.

44. Indien de eischer of de gedaagde ten beteekenden dage niet verschijnt, wordt gehandeld zooals bij de zesde afdeeling van dezen titel is bepaald. (Pr. 19; Rv. 75 v., 138.)

45. Indien partijen verschijnen, worden zij over en weder in hunne belangen gehoord, met inachtneming van de voorschriften der volgende titels van dit boek.

De regter zal, na het voldingen en bepleiten der zaak, zich de stukken doen overgeven en het zij dadelijk, het zij op eenen naderen door hem te bepalen regtdag, uitspraak doen. (Pr. 13; G. 161; R. O. 20; R. 1, a. 47, 49; Rv. 47a, 77, 99fc, 112, 324 v.)

46. De regter kan, al/orens de zaak definitief te beslissen, eene praeparatoire of eene interlocutoire uitspraak doen.

Voor praeparatoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften welke gegeven zijn tot instructie der zaak, en welke strekken om het proces in staat van wijzen te brengen, zonder dat zulks op de zaak ten principale van eenigen invloed kan zijn. (Rv. 51, 53 n0. 8, 56, 66, 126wi n0. 3, 269, 270. 336, 337, 348 n». 3, 632, 790.)

Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften, waarbij de regter, alvorens regt te doen, een bewijs, een onderzoek of eene instructie beveelt, waarvan de beslissing der zaak zelve kan afhankelijk zijn. (Pr. 28 v., 452; R. 1966 v., 1977 v.; Rv. 56amp;, 103 v., 162, 199 v., 219 v., 222 v., 237 v., 336.)

47. Indien er geene uitspraak heeft plaats gehad uiterlijk drie maanden na het eindigen der pleidooijen en het hooren der conclusien van het openbaar ministerie (in zaken waarin dezelve worden vereischt), hebben partijen of eene derzelve de bevoegheid om te vorderen dat de zaak andermaal worde bepleit. (Rv. 45, 144, 324, 325.)

Indien de regter den dag heeft bepaald waarop de uitspraak zal plaats hebben en partijen met elkander in onderhandeling tot een minnelijk vergelijk zijn getreden, kunnen

a) Artikel 13 luidde: „De eischer, die in zake van wraking in het ongelijk gesteld wordt, zal verwezen worden in eene boete, die geen vijftig gulden te hoven zal mogen gaan, onverminderd de actie van den regter tot herstel van eer en vergoeding van schaden en inte-rossen, zoo daartoe gronden zijn. In geval de gewraakte regter zoodanige actie wil instellen, moet hij zich onthouden van de kennisneming der zaak, waarin hij gewraakt Is geworden.quot;

-ocr page 761-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 43—53.

zij den regter verzoeken de uitspraak gedurende eenen bepaalden tijd uit te stellen. (B. 1888.) ^ ,v

48. De regters moeten bij hunne beraadslagingen van ambtswege de regtsgronden aanvullen welke niet door de partijen mogten zijn aangevoerd. (R. O. \'21, 06, 27, 28; B. 1977, 4987; Rv. 103b, 156, 157, 162, 1996, 219, 222.)

49. Indien de regter eene verschijning van partijen beveelt, zal hij den dag en het uur daartoe bij het vonnis bepalen. (Pr. 119; Rv. 19, 66, 239.)

50. Elk vonnis waarbij een eed wordt opgelegd, zal de daadzaken uitdrukken waarop de eed gedaan moet worden, en de eedsaflegging zal geschieden in tegenwoordigheid van de tegenpartij, of deze behoorlijk opgeroepen.

Indien eene partij, aan welke een eed is opgelegd, door hare wederpartij is opgeroepen om dien af te leggen, en zij niet verschijnt, zal zij geacht worden den eed te hebben geweigerd, behoudens haar verzet, in geval zij bewijst uit hoofde van een wettig beletsel te zijn verhinderd geweest. (Pr. 120, 121; B. 1966 v., 1969, 1977 v., 1979,1981,1982; Rv. 66, 242.)

51. Indien er een provisionele eisch gedaan is, en de zaak zoo ten principale als op de provisie in staat van wijzen is, zal de regter op beide bij één en hetzelfde vonnis uitspraak kunnen doen. (Pr. 134; B. 245, 267—269, 301, 511, 617, 1775; Rv. 53 n#. 8, 566, 66, 247 v., 337, 348 n°. 3, 632, 718, 792.)

52. (*) De voorloopige tenuitvoerlegging der vonnissen niettegenstaande hooger beroep of verzet zal bevolen worden;

1°. indien de uitspraak berust op een authentieken titel;

2°, indien zij berust op een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door dengene, tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk regtens voor erkend wordt gehouden, welke erkenning mede aangenomen wordt, in geval regt wordt gedaan bij verstek;

3°. indien er is een voorafgegane veroordeeling bij een vonnis, hetwelk voor geen verzet of hooger beroep vatbaar is. a)

Het wordt aan het oordeel van den regter overgelaten dit bevel te geven met of zonder borgtogt. (Pr. 17, 135, 439; B. 1857 v., 1867,1905,1907,1908,1912,1913,1954 V.; K. 380; Rv. 53, 54, 55. 80, 826, 176 v., 181, 183c, 3426, 350 v., 398c en d, 590; Stb. 1840 n0. 1, a. 22; Stb. 1850 n0. 63, a. 11c, zie deze beide regl. achter Rv.)

53. (*) De voorloopige ten uitvoerlegging der vonnissen niettegenstaande hooger beroep of verzet kan bevolen worden met of zonder borgtogt, in gevallen, betreffende:

679

1°. Verzegeling en ontzegeling of boedelbeschrijving; (Rv. 658 v., 669 v , 678 v.)

a) In art. 52 (oud) luidde het eerste lid: „De voorloopige ten uitvoerlegging der vonnissen niettegenstaande hooger beroep of verzet zal bevolen worden, indien er is een authentieke titel, een erkend handschrift, of eene voorafgegane veroordeeling bij een vonnis, hetwelk voor geen verzet of hooger beroep vatbaar is.quot;

-ocr page 762-

080 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

2°. Dringende reparatien; (R. O. 39 n0.2; Rv. 98n0.2; B. 1587, 1591.)

3°. Ontruiming van het gehuurde, wanneer er geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur aanwezig is, of wanneer de huur geëindigd is; (R. O. 41, 42; Rv. 123.)

4°. De benoeming van sequesters, commissarissen en bewaarders; (B. 1773, 1775; Rv. 450, 506, 565, 585 n«. 5.)

5®. Het aannemen van borgen en achterborgen; (B. 1857, 18600; Rv. 619.)

6°. De benoeming van voogden, curators en andere bewindvoerders en het doen van derzelver rekening; (B. 403, 417,\' 418, 424, 425, 467 v., 503 v., 519 v., 1026, 1173; F. 14; Rv. 771 v.)

7°. Jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud en in het algemeen voldoening eener bepaalde geldsom; a) (B. 268 v., 280 v., 376 v.)

8°. Alle provisionele toewijzingen; (Rv. 51.)

9°. Bezitregt; (R. O. 54 n0. 4; Rv. 130 v.; B. 585 v.)

En verder in alle die bijzondere gevallen in welke de wet zulks heeft toegelaten of voorgeschreven. (Rv. 278c n°. 2amp;, 293, 311, 315, 733, 835,840; F. 4c; Stb. 1869 n0. 124, a. 17 (27a, al. f.) (Zie onder art. 97.); Stb. 1869 nquot;. 139, a. 5, zie chron. lijst. — Pr. 17, 135, 439; Rv. 590.)

51. Indien de regter de voorloopige ten uitvoerlegging niet bevolen heeft, kan hij zulks niet bij nader vonnis doen, onverminderd nogtans het regt van partijen om in hooger beroep dit te vorderen. (Pr. 136; Rv. 351, 352, 864, 398; Stb. 1840 n®. 1, a. 22, zie dit regl. achter Rv.)

55. De voorloopige ten uitvoerlegging kan geene plaats hebben ten aanzien der kosten, al waren die ook in de plaats van schaden en interessen toegewezen. (Pr. 137; B. 1279 v., 1401 v.; Rv. 56, 456, 543, 611, 732, 739, 748, 750.)

56. Al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden. Echter zullen de kosten in het geheel of ten deele gecompenseerd mogen worden tusschen echtgenooten, bloedverwanten in de regte linie, broeders en zusters of aangehuwden in denzelfden graad, mitsgaders indien de partijen over en weder op eenige punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook zal de regter de kosten, die noode-loos werden aangewend of veroorzaakt, kunnen laten voor rekening der partij, die ze aanwendde of veroorzaakte.

Bij provisionele, praeparatoire en interlocutoire vonnissen kan de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis worden voorbehouden.

Het bedrag der kosten, waarin de verliezende partij wordt verwezen, wordt, voor zooveel die kosten vóór de uitspraak en niet door haar zelve zijn gemaakt, bij het vonnis bepaald.

In zaken waarin de wet de verrigtingen van advocaten

a) In art. 53 (oud) no. 7 ontbraken de woorden: „en in het algemeen voldoening eener bepaalde geldsom.quot;

-ocr page 763-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 54—59.

of procureurs vereischt of toelaat, worden onmiddellijk na het voldingen of bepleiten der zaak of na het nemen der conclusie door het openbaar ministerie, door de procureurs en in cassatie door de advocaten, de rekeningen der kosten aan den regter overgelegd. Bij gebreke daarvan geschiedt de bepaling van het bedrag der kosten uitsluitend volgens de begrooting des regters. (Pr. 130,131; Rv. 21, 46,58ji3 17 en 96, 277, 278c n». 2, 282amp;; B. 345 v.; Rv, 612 v., 615; Stb. 1843 nquot;. 87, a. 15; Stb. 1843 n». 38, a. 7; Stb. 1843 n». 66, a. 4 v.; Stb. 1848 n0. 67, a. 10 (Tar. a. 15,28, 32 v., 43 v.); Markenw., a. 32, zie chron. lijst.)

De laatste zinsnede van het eerste lid, alsmede het derde en vierde lid bijgevoegd bij art. 2 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 75).

67. Van de kosten der tegenpartij kunnen in de zaken, bij de voorlaatste zinsnede van het vorig artikel bedoeld, geene andere bij de uitspraak ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebragt, dan de salarissen en verschotten van den procureur dier tegenpartij, indien alléén een procureur voor haar werkzaam was.

Werd hare zaak mede door een advokaat behandeld, dan wordt zijn salaris onder de bij het eerste lid bedoelde kosten begrepen, met dien verstande, dat in geen geval, wegens het behandelen der zaak door een advocaat, aan de in het ongelijk gestelde partij door de tegenpartij meer kosten in rekening kunnen worden gebragt, dan indien alleen een procureur met de behandeling ware belast geweest.

Ten aanzien van de zaken in cassatie komen in plaats van de salarissen en verschotten van den procureur, die ten laste van de in het ongelijk \'gestelde partij kunnen gebragt worden, de salarissen en verschotten van één advocaat, onverminderd de bepaling van het tweede lid van art. 418.

Voor het overige betaalt elke partij haar eigene kosten.

De salarissen worden berekend overeenkomstig bij de wet vastgestelde tarieven. (Stb. 1843 n0. 66, 67 (Tar.Tit. III en IV); Rv. 21, 99, 133 v., 135 v., 406, 408; R. Ill, a. 8.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 3 der Wet van 23 April 1879 (Stb. nquot;. 75). a)

58. De advokaten, procureurs en deurwaarders, die zich in hunne bedieningen te buiten mogten gaan, en alle diegenen, welke de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd verwaarloozen, zullen persoonlijk en uit hunne eigene beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen mogen worden, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn, zonder die op hunne principalen te kunnen verhalen. (Pr. 132; Rv. 17, 56, 96, 263, 271; B. 386-v., 461, 503 v., 520, 1026, enz.)

681

59. Het vonnis, zoodanig als hetzelve door den regter

a) Het oorspronkelijke artikel luidde; „In zaken waarin de wet de verrigtingen van advokaten en procureurs vereischt of toelaat, zijn de salarissen en verschotten van beide in de uitspraak over de kosten begrepen, volgens de tarieven, welke daarvan zullen worden gemaakt.quot;

-ocr page 764-

682 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

wordt uitgesproken, moet behelzen: (Pr. 141 v.; Rv. 45amp;, 62 v., 637; R. I, a. 49.)

1°. De namen en de woonplaats der partijen, en de namen der procureurs, indien partijen die gehad hebben; (Rv. 5 n4. 1 en 2, 99, 133, 137.)

2°. De slotsom der conclusie van het openbaar ministerie in de gevallen waarin hetzelve is gehoord geworden; (Rv. 324 v.; Stb. 1843 n». 38, a. 4 (Tar. a. 256).) en

3°. De gronden der uitspraak, zoo wat de daadzaken als het regtspunt, ieder afzonderlijk, betreft, en de beslissing. (G. 161; R. O. 20, 99,105; Rv. 48, 406,409,410.)

Aan het slot van hetzelve worden vermeld de namen der regters, welke over de zaak hebben geoordeeld, en die van den ambtenaar van het openbaar ministerie, welke daarbij is tegenwoordig geweest. (R. O. 21, 50, 70, 100; Rv. 322; Sv. 221c; R. I, a 60.)

60. Het vonnis wordt door den griffier op het audientie-blad gebragt, en door den president en den griffier uiterlijk binnen tweemaal vier en twintig uren onderteekend. (Sv. 226; Sr. 462.)

Bij de kantongeregten moet de kantonregter verrigten al wat bij dit artikel aan den president is opgedragen. (Pr. 138; R. I, a. 64.)

61. Indien de president zich in de onmogelijkheid bevindt om op het audientie-blad te teekenen, wordt zulks verrigt door het oudste lid hetwelk over de zaak gezeten heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan uitdrukkelijk op het audientie-blad melding gemaakt. Indien de kantonregter zich in de onmogelijkheid bevindt om op het audientie-blad te teekenen, zal daarvan door den griffier op dat blad melding worden gemaakt. (Rv. 60.)

62. De expeditie of uitgifte van het vonnis wordt zonder medewerking der partijen opgemaakt, en behelst, behalve hetgeen bij artikel 59 is vermeld: (Pr. 142 v.; Rv.64,430, 838, 843.)

1°. De conclusien der partijen, en wanneer die bij den kantonregter niet schriftelijk zijn genomen, alsdan de daarvan door den griffier gehoudene aanteekenin-gen; te dien einde wordt een afschrift van de schriftelijke conclusien, of, wanneer die niet schriftelijk zijn genomen, van de gehoudene aanteekeningen, door den griffier aan het audientie-blad gehecht; (Rv. 99, 137, 140, 141, 142; R I, a. 44; Stb. 1843n». 37,a. 11b; Stb, 1843 n0. 38, a. 4amp; (Tar. Hb, 25ft).)

2°. De vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken; (G. 161; R, O. 20.)

3°. Den dag der uitspraak. (Rv. 59.)

63. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 94). Zie Sr. 462. a)

a) Art. 63 luidde; „De griffiers, welke eene expeditie van een vonnis uitgeven vóórdat hetzelve is ge teek end, kunnen in hunne hediening geschorst of daarvan ontzet worden, behoudens de vervolging tot straf ter zake van valschheid, zoo daartoe gronden zijn.quot;

-ocr page 765-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 60—68.

64. De griffiers zijn verpligt om op aanvraag der partijen aan haar zoodra mogelijk expeditie van het vonnis uit te reiken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (Rv. 62, 838; R. I, a. 66.)

65. Alle vonnissen, welke wederkeerige verpligtir.gen aan beide partijen opleggen, of waaruit regten en verpligtingen ten behoeve of ten laste van beide partijen voortvloeijen, kunnen door elke van dezelve in haar belang worden ten uitvoer gelegd. (Rv. 430 v., 771 v., 816 v.)

66. (*) De vonnissen en bevelschriften, in art. 46 bedoeld, behoeven niet beteekend te worden, tenzij dit ingevolge de bepalingen van het tweede boek van dit wetboek tot verhaal van geldelijke verpligtingen, welke de wederpartij krachtens dezelve te vervullen heeft, noodig mogt zijn. a) (Rv. 56, 68e, 80, 86, 106b, 430c, 439, 599.)

67. (*) Ingetrokken, b)

V IJ F D E A F D E E L I N G.

Van vrijwaring,

68. (*) Indien de verweerder vermeent gronden te hebben, om iemand in vrijwaring op te roepen en hij die oproeping niet heeft gedaan voor den dag, waarop de zaak heeft moeten dienen, zal hij zijne daartoe strekkende, met redenen omkleede conclusie vóór alle weren moeten nemen op den dag, voor het voordragen der verwering bepaald.

In die conclusie zal het, met afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 141, geoorloofd zijn de exceptie van onbevoegdheid op te nemen, en zal deze, zoo dit niet geschied is, voor gedekt gehouden worden, tenzij de regter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp des geschils.

Indien de eischer vermeent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, zal hij het verzoek daartoe bij met redenen omkleede conclusie moeten doen ten dage bepaald voor het dienen van repliek.

Indien het verzoek toegewezen wordt, zal de regter eenen

a) Art. (iG (oud). Indien er een procureur in de zaak is, zal het vonnis niet ten uitvoer kunnen worden gelegd dan nadat hetzelve aan den procureur is beteekend. op straffe van nietigheid.

De vonnissen bij voorraad en de eindvonnissen die veroordeelingen, inhouden, zullen bovendien aan den persoon of aan de woonplaats van de partij beteekend worden, en daarbij zal van de beteekening aan procureur melding worden gemaakt.

h) Art. 07 (oud). Indien de procureur overleden is of zijne bediening heeft nedergelegd, zal de beteekening aan de partij genoegzaam zijn, maar zal daarbij melding moeten worden gemaakt van den dood des procureurs of van het nederleggen van deszelfs bediening.

683

-ocr page 766-

684 WETI30EK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

voldoenden termijn verleenen, naarmate van den afstand van des waarborgs woonplaats en den dag bepalen, waarop zoowel de oorspronkelijke zaak, als die in vrijwaring weder ter rolle zal worden opgeroepen.

Het vonnis, waarbij de dagvaarding in vrijwaring is toegestaan, zal aan den waarborg niet behoeven beteekend te worden. De dagvaarding zal den inhoud van hetzelve moeten behelzen, en daarbij zal moeten worden overgegeven kopij der stukken, welke aan of door den eischer in vrijwaring beteekend zijn.

Indien het verzoek afgewezen wordt, bepaalt de regter bij die beslissing den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, a) (Pr. 32, 175, 180; B. 1130 v., 1510, 1527 v., 1570, 1594 v.; Rv. 59 n». 3, 66, 99, 133d, 137, 141, 142, 154, 156, 157, 247 v. — Rv. 7, 8 v.)

69. Indien het verzoek tot vrijwaring op den bovenge-melden regtdag niet gedaan is, of indien de dagvaarding tot vrijwaring niet gedaan is binnen den bepaalden tijd, zal er zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak worden voort-geprodeceerd. (Pr. 33, 179; Rv. 68; B. 1539.)

70. (*) In geval van vrijwaring wegens onderzetting of andere zakelijke regten, zal de waarborg altijd de zaak van den gewaarborgde mogen overnemen, welke buiten proces zal gesteld worden, indien hij zulks vordert voordat er eenig vonnis tusschen hem en zijn oorspronkelijke wederpartij is gewezen.

Echter zal de gewaarborgde, wanneer hij zulks verkiest, in het proces kunnen blijven tot bewaring van zijn regt; ook zal de wederpartij van den gewaarborgde tot bewaring van het zijne mogen vorderen dat de gewaarborgde in de zaak blijve. b) (Pr. 182; B. 584, 1252; R. O. 38 n0. 1, 54 n°. 3; Rv. 72, 247 v., 285.)

71. De vonnissen tegen de waarborgen gewezen, bij het vorige artikel vermeld, zullen tegen den gewaarborgde worden ten uitvoer gelegd.

a) Art. 68 (oud). Indien do verweerder vermeent gronden te hebben om iemand tot vrijwaring op te roepen, en hij die oproeping niet reeds heeft gedaan vóór den dag waarop de zaak heeft moeten dienen, zal hij daartoe vóór of op den dag, op welken hij ten principale moet antwoorden, verzoek moeten doen.

Dit incident zal summierlijk beslist worden, en i^ien het verzoek toegewezen wordt zal de regter eenen voldoenden termijn verleenen, naar mate van den afstand van des waarborgs woonplaats. Gedurende dezen termijn zal de oorspronkelijke zaak geschorst worden.

Het vonnis, waarbij de dagvaarding in geval van vrijwaring is toegestaan, zal aan den waarborg niet behoeven beteekend te worden. De dagvaarding zal den inhoud van hetzelve moeten behelzen, en daarbij zal moeten worden overgegeven kopij der stukken, welke aan den oorspronkelijken gedaagde beteekend zijn.

b) In art. 70 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: „zijn oorspronkelijke wederpartij\'\',gelezen de woorden: „deneischerquot;. In het tweede lid weiden, in plaats van de woorden: „de wederpartij van den gewaarborgdequot;, gelezen de woerden: „de oorspronkelijke eischerquot;.

-ocr page 767-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 69—76.

Het zal voldoende zijn het vonnis aan de gewaarborgden te beteekenen, het zij dezelve buiten proces gesteld zijn geworden, of dat zij in het proces gebleven zijn, zonder dat er eenige andere eisch of regtsvordering noodig is.

Wat de kosten, schaden en interessen betreft, zal de vereffening daarvan en de ten uitvoerlegging niet dan tegen den waarborg geschieden kunnen.

Echter zal, in geval van kennelijk onvermogen van den waarborg, de gewaarborgde de kosten moeten dragen, indien hij niet buiten proces gesteld is geworden, gelijk ook de schaden en interessen, indien de regter oordeelt dat daartoe gronden zijn. (Pr. 185; B. 1150, 1243, 1329amp;, 1532 n0. 3; Rv. 56, 65, 70, 72, 430 v., 612 v.)

72. In zaken van eenvoudige vrijwaring, zal de waarborg zich slechts mogen voegen, zonder de zaak van den gewaarborgde, over te nemen. (Pr. 183; B. 1880; Rv. 70, 285.)

73. (*) In geval de oorspronkelijke eisch en die ter vrijwaring te gelijk in staat van wijzen zijn, zal daarop gezamenlijk regt gedaan worden; is dit het geval niet, dan wordt de hoofdzaak, wanneer de oorspronkelijke eischer of verweerder dit vordert, afzonderlijk beslist, a) (Pr. 184; Rv. 255amp; ene.)

74. Die ter zake van vrijwaring gedagvaard zijn, zullen gehouden zijn, voor den regter, voor wien de oorspronkelijke zaak aanhangig is, te procederen, zelfs wanneer zij ontkennen moglen waarborgen te zijn; doch indien duidelijk bleek, dat de oorspronkelijke eisch alleen gedaan is om hen van hunnen eigen regter af te trekken, zullen zij derwaarts verwezen worden. (Pr.l81;G. 156; B.1529jis. 1530, 1531, 1711; Rv. \'126o, 154.)

ZESDE AFDEELING.

Van vonnissen bij verstek en van verzet.

75. Indien de eischer ten beteekenden regtdage niet verschijnt, zal er verstek tegen hem verleend worden, en de verweerder zal van de instantie worden ontslagen, met verwijzing van den eischer in de kosten. In dit geval zal er geen verzet mogen plaats hebben, maar zal de eischer den aanleg op nieuw kunnen beginnen, na voorafgaande betaling dier kosten van het verstek. (Pr. 19 v., 154, 434; R. I, a. 42; Rv. 44, 45, 89, 139; B. 1465.)

685

76. Indien de gedaagde niet verschijnt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, zal er tegen hem verstek verleend worden, en de conclusien van den eischer zullen toegewezen worden, ten ware zij den

a) In art. 73 (oud) werd do laatste zinsnede aldus gelezen: „zoo niet, zal de oorsproukelijke eiücher zijne vordering afzonderlijk mogen doen uit wijzen \'.

-ocr page 768-

686 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

regter onregtmatig of ongegrond voorkomen. (Pr. 19, 149, 150, 434;quot;Rv. 1—16, 44, 81, 89, 89A, 92b, 137, 138, 140, 261.)

77. Elk verstek zal bij het uitroepen van de zaak op de teregtzitting verleend worden; echter zal de regter de stukken ter tafel kunnen doen nederleggen, om op de conclusien van den eischer op eene volgende teregtzitting uitspraak te doen. (Pr. 150; Rv. 45, 75, 76, 312; R. I, a. 38 v.)

78. Alle uitgeroepene en niet verschijnende partijen zullen in een en hetzelfde vonnis van verstek begrepen moeten zijn. (Pr. 152, Rv. 75, 76, 77.)

79. Indien van meerdere gedaagden één of meer niet verschijnen, wordt de zaak ten opzigte van de verschijnenden aangehouden en tegen de niet-verschijnenden verstek verleend. leder der verschenen partijen heeft het regt om dit verstek aan de niet-verschenen partijen te doen beteekenen, met oproeping van alle partijen tegen den dag waarop zij de zaak opnieuw ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten in acht genomen worden de voor dagvaardingen voorgeschreven termijnen.

Tusschen al de partijen wordt uitspraak gedaan bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten. (Pr. 153; Rv. 1, 7 v., 12,89,89A, 335f), 789, 790.)

Het eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 1 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n0. 230). a)

80. De vonnissen bij verstek gewezen, zullen niet ten uitvoer gelegd kunnen worden, dan na verloop van acht dagen na de beteekening aan de partij in persoon of ter harer woonplaats, op de wijze als bij artikel 2 en 4 voor de dagvaarding is bepaald.

In alle gevallen van dringende noodzakelijkheid zal de ten uitvoerlegging vóór den ailoop van dezen termijn bij het vonnis mogen bevolen worden. (Pr. 155; Rv. 52 v., 86,316.)

81. De gedaagde, die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan den veroordeelde in persoon, of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen ten uitvoerlegging hem bekend is.

Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd.

De veroordeelde, die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen. (Pr. 20, 157, \'•.58;

o) Het oorspronkelijke eerste lid luidde: Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt de zaak ten opzigte des verschijnenden aangehouden en tegen de niet verschijnenden verstek verleend. Dit verstek wordt aan laatstgenoemden beteekend, met dagvaarding tegen don dag, waarop de eischer de zaak op nieuw ter rolle wil doen oproepen.

-ocr page 769-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 77—83.

F. 8b; Rv. 50b, 76, 7%, 82, 87, 335, 400, 401, 403 v., 425, 641, 790, 793.)

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 2 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n0. 230). a)

82. (*) Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn: in geval van geregtelijke ten uitvoerlegging op de roerende

goederen, na den verkoop;

in geval van arrest onder derden op uit te keeren gelden, na de uitbetaling van deze aan den arrestant;

in geval van geregtelijke uitwinning van onroerende goederen, op den veertienden dag na den aanslag of de aanplakking der in de artikelen 515 en 517 vermelde billetten:

Dit gedeelte van het eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 3 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n». 230). b)

in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, nadat het aan den gedaagde beteekend is en openbaar gemaakt op de wijze, bij art. 828 van dit wetboek voorgeschreven, en zoowel negentig dagen na de beteekening, als dertig dagen na de laatste aankondiging, bedoeld in artikel 811 3°., zijn verloopen. c)

Het verzet binnen de bovengezegde termijnen, en in de hierna voorgeschrevene vormen gedaan zijnde, stuit de ten uitvoerlegging, indien dezelve niet bevolen is niettegenstaande liet verzet. (Pr. 159; Rv. 52 v., 80, 81, 89, 382, 403 v., 438, 462 v., 751 v., 816 v., 826.)

Art. 126. Overgangsbepalimj der Wet van 7 Juli 1896, houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering (Stb. n0. 103):

Met uitzondering der bepaling van artikel 11 {zijnde het artikel waarbij aan art. 82a de laatste zinsnede wordt toegevoegd) is deze wet niet van toepassing op gedingen, ten aanzien waarvan bij hare inwerkingtreding geen uiterlijk gewijsde bestaat.

83. (*) Het exploit van verzet zal summierlijk behelzen de middelen van de partij, en dagvaarding aan den persoon of ter gekozene woonplaats van den oorspronkelijken eischer.

De oorspronkelijke eischer heeft de bevoegdheid om.

a) Oorspronkelijk ontbraken het tweede en het derde lid, en luidde de tweede zinsnede van het eerste lid: „Dit verzet zul ontvankelijk zijn totdat het vonnis zal zijn ten uitvoer gelegd.quot;

h) Het oorspronkelijke eerste lid luidde: Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn, wanneer de in beslag genomene roerende goederen verkocht zijn geworden, of wanneer de veroordeelde in hechtenis gestéld of aanbevolen geworden is, of veertien dagen nadat de aanplakking der aanslag-biljetten tot verkoop van in beslag genomene onroerende goederen, vermeld bij artikel 515 en 517, zal hebben plaats gehad, of wanneer de kosten betaald zijn, of eindelijk wanneer er eenige daad is gepleegd, -waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de uitvoering van het vonnis bij den defaillant bekend was.

lt;\') In art. 82 (oud) eerste lid ontbrak, ook na de wijziging in dat lid gebracht bij art. 3 der Wet van 23 December ISSG (Stb. uo. 230), de laatste zinsnede.

687

-ocr page 770-

688 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

overeenkomstig artikel 436 van dit wetboek, tegen een vroegeren dan den in het exploit van verzet uitgedrukten regtsdag op te roepen, a) (Pr. 20, 460 v., 437; B. 84).

84. Het verzet zal ook kunnen gedaan worden, het zij bij buitengereglelijke akte, het zij ter gelegenheid van de beteekening van het vonnis of van elke andere akte, dienende om dat vonnis ten uitvoer te leggen, behalve de aanplakking der aanslag-billetten bij artikel 82 vermeld, onder verpligting van den opposant om zijn verzet overeenkomstig het vorige artikel, en binnen drie dagen te herhalen.

De deurwaarder die met de ten uitvoerlegging belast is, zal, op straffe van kosten, schaden en interessen, gehouden zijn van het verzet melding te maken op zijn proces-verbaal. (Pr. 462, 438; Rv. 80, 83.)

85. De partij, welke verzet heeft gedaan, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie op een daartoe bestemd register te doen aanteekening houden, met vermelding dei-namen van de partijen, de dagteek ening van het vonnis bij verstek gewezen, en die van het gedaan verzet. (Pr. 468; Rv. 86, 433.)

86. Geen vonnis bij verstek kan tegen eenen derde worden ten uitvoer gelegd, dan acht dagen na deszelfs beteekening aan den defaillant in persoon of te zijner woonplaats, en met overlegging van de verklaring des griffiers, dat er op zijne registers geen verzet tegen het vonnis is aange-teekend. (Pr. 464; Rv. 80, 85, 432.)

87. De opposant, die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, zal niet meer ontvangen worden tot het doen van een nieuw verzet. (Pr. 22, 465; Rv. 75,400)

88. Ingetrokken hij art. 4 der Wet van 23 December 4886 (Stb. n4. 230). b)

89. De kosten van het verstek, die van het vonnis daaronder begrepen, mitsgaders die, welke als het gevolg dei-niet verschijning van den defaillant kunnen worden beschouwd, komen ten laste van den defaillant, ten ware het verstek verleend ware op eene dagvaarding, die nietig verklaard wordt. (Rv. 55, 56, 75, 76, 926, 96.)

89A. (*) De gedaagde, tegen wien verstek verleend is, heeft, zoolang ten profijte daarvan het vonnis nog niet gewezen is, de bevoegdheid om ten dienenden dage alsnog in regten te verschijnen, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleend verstek vervallen, behalve ten aanzien van do daardoor veroorzaakte kosten, waarop artikel 89 vati dit wetboek toepasselijk is. c) (Rv. 76, 77, 137.)

а) In art. 83 (oud) ontbrak het tweede lid en volgden achter het nu laatste woord van het eerste lid de woorden: „tegen de eerstkomende teregtzitting, behoudens inachtneming van de termijnen en formaliteiten ten aanzien der dagvaardingen voorgeschreven.quot;

б) Art. 88 luidde: De vonnissen bij verstek, waarvan de ten uitvoerlegging niet begonnen is binnen zes maanden na derzelver uitspraak, zullen als niet gewezen gehouden worden.

o) Art. 8i)A is nieuw bijgevoegd.

-ocr page 771-

BOEK I, TITEL I, ARTT. 8i—96.

ZEVENDE AFDEELING.

Van nietigheid.

90. Geenerlei exploit of akte van regtspleging kan nietig verklaard worden, indien de wet de nietigheid van dezelve niet uitdrukkelijk bevolen heeft. (Pr. 1030a; Rv. 92, 133a, 343b, 439d, 476, 536, 736.)

91. Ingetrokken hij art. 4 der Wet van 26 4pri71884 (Stb. n0. 94). a)

92. Al hetgeen in de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8,10,11, 12, 14, 15 en 16 is voorgeschreven, moet op straffe van nietigheid worden in acht genomen.

Bij niet verschijning van den gedaagde, kan de regter geen verstek tegen denzelven verleenen, en zal de regter de nietigheid uitsprekende, den eischer veroordeelen in de kosten. (Rv. 76, 89, 94 v., 3436.)

93. (*) Ingetrokken b)

94. (*) Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit inroept, kan de regter die exceptie verwerpen, wanneer het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, en alzoo geen belang heeft zich van de nietigheid te bedienen.

De regter zal echter in die gevallen, zoo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering der onregelmatigheden ten koste van den aanlegger bevelen. c) (Rv. 92, 120, 343amp;.)

95. Indien echter het exploit niet door eenen bevoegden deurwaarder is beteekend, is de regter verpligt de nietigheid daarvan in alle gevallen uit te spreken. (A. 14; Rv. 1, 16, 92. 94, 348b, 866; R. IV, a. 8 v.)

96. De kosten der akten d) van regtspleging, die nietig of overbodig zijn, zullen ten laste komen van de procureurs of de deurwaarders, die zich zoodanige akten veroorloofd hebben, en zullen die regtsbedienden bovendien, naar ver-eisch van zaken, deswege tot vergoeding van schaden en interessen aansprakelijk zijn, en zelfs in hunne bediening

a) Art. 91 luidde: „In de gevallen, waarin de wet geene nietigheid bevolen heeft, zal de procureur of deurwaarder, zoo wel wegens verzuim, als wegens overtreding, tot eene boete kunnen veroordeeld worden, welke niet minder dan twee gulden zal zijn, en geen vijftig gulden te boven zal gaan.

b) Art. 93 (oud.) Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit niet inroept vóór alle weren en excep-tien, behalve die van onbevoegdheid des regters, wordt dezelve voor gedekt gehouden.

c) In art. 9i (oud) luidden de eerste woorden: „Indien hij daarentegen bij zijne verschijning de nietigheid van het exploit inroeptquot; enz. en volgden op het nu laatste woord nog de woorden: „of aan den gedaagde tot zijne verdediging uitstel verleenen.quot;

d) O. E. 1838 en ü. E. 189(5: akte.

689

44

-ocr page 772-

690 WETBOKK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

kunnen geschorst worden. (Pr. 1031; Rv. 17, 58, 3436; B. 1279, 1401, 1837, 1838; R. Ill, a. 28; R. IV, a. 14.)

TWEEDE TITEL.

Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze van procederen voor den kantonregter.

97. In zaken die zuiver personeel zijn of tot roerende goederen betrekking hebben, zal de dagvaarding geschieden voor den regter in wiens kanton de gedaagde woonachtig is; (Rv. 98, i26a, 129a; R. O. 38 n0. 1, 40; B. 74a.)

Indien er meer gedaagden zijn, voor den regter in wiens kanton een hunner woonachtig is, ter keuze van den eischer. (Rv. I263.)

Indien de gedaagde geene woonplaats heeft, zal hij gedagvaard worden voor den regter van het kanton van zijn werkelijk verblijf; indien hij geen werkelijk verblijf in het koningrijk heeft, voor den kantonregter van den eischer. (Rv. 126b en c, 1276; B. 74ö.)

Indien de gedaagde openbaar ambtenaar is, doch zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den kantonregter van die woonplaats of van a) dien van de plaats in welke hij zijne ambtsverrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (Bv. B. 77.)

Indien er meer eischers zijn die in verschillende kantons woonachtig zijn, voor den kantonregter der woonplaats van een hunner, te hunner keuze. (Bv. 97c, 126e.)

Indien de Staat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel heeft. (Rv. 97a, 126s. — Pr. 2; Rv. 314; R. O. 38 v., 43.)

Het laatste lid bijgevoegd bij art. 4 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n». 93).

Art. 27a der Wet van 1 Juni 1861 (Stb. n0. 53), houdende bepalingen omtrent den doortogt en het vervoer van landverhuizers, bijgevoegd bij art. \\1 der Wet van 15 Juli 1869 (Stb.n0.124): De kantonregters ter plaatse der inscheping nemen kennis van alle persoonlijke of tot roerende zaken betrekkelijke regtsvor-deringen door of tegen landverhuizers ingesteld, voor zooveel deze regtsvorderingen ontstaan uit overeenkomsten of daden ter plaatse der inscheping of ten aanzien van vreemde landverhuizers bij hunnen doortogt hier te lande aangegaan of verricht; behoudens hooger beroep, indien de vordering meer dan f 400.— bedraagt.

Zoo ter plaatse der inscheping meer dan een kanton-geregt is, wordt de vordering ingesteld voor een van dezen ter keuze van den eischer.

a) Aldus ö. E. 183S, Stb. 1837 no. 25, a. 1 en O. E. 189B. Lees: voor.

-ocr page 773-

BOEK I, TITEL It, ARTT. 97-100.

De gewone termijn van dagvaarding is van ten minste twee vrije dagen.

In spoedvereischende gevallen kan de kantonregter verlof verleenen om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden op de wijie, voorgeschreven bij art. 7 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering,.

Art. 152 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is op landverhuizers niet van toepassing.

De kantonregter kan in alle gevallen bevelen de voor-loopige uitvoerbaarheid van het vonnis op de minuut vóór de registratie, met of zonder borgtocht.

De in het geding overgelegde stukken zijn vrij van registratie.

98. De dagvaarding moet geschieden voor den regter van het kanton waarin het goed gelegen is, indien de regtsvordering strekt:

1°. Tot vergoeding van schade het zij door menschen, het zij door dieren toegebragt aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten; (R. O. 39 n0.1; B. 1401 v.)

2°. Tot zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van den huurder komt; (R. O. 39 nquot;. 2; B. 1185 n®. 2, 1619, 1620.)

3°. Tot vergoeding van schade door den huurder aan het verhuurde goed toegebragt; (B. 1600, 1602.)

4°. Tot ontruiming van huizen, gehouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders, kelders, pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, mitsgaders tot ontbinding van huur, in de gevallen waarin de kantonregter, volgens artikel 41 en 42 der wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, bevoegd is.

Indien onroerende goederen, te welker aanzien de regtsvordering plaats heeft, in verschillende kantons gelegen zijn, geschiedt de dagvaarding voor den regter van het kanton onder welks gebied de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk eene hoofdplaats voor een der regters binnen wiens kanton een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 126/, 496. — Pr. 3; R. O. 43.)

99. Ten dage en ure bij de dagvaarding bepaald of tus-schen partijen bestemd, zullen zij in persoon of bij gemag-tigde voor den kantonregter verschijnen. De aanlegger zal zijnen eisch en de gedaagde zijne verdediging voordragen, zonder beteekening van eenige schriftelijke dingtalen.

De kantonregter zal, zoo mogelijk, de zaak op de eerste teregtzitting beslissen, of de uitspraak naar eene volgende teregtziUing verwijzen. (Fr. 9; R. I, a. 27; R. O. 43; B. 1830; Rv. 45, 62 n». 1, 75 v.)

100 Wanneer eene der partijen verklaart een stuk als valsch of vervalscht te beschouwen, het schrift of eene handteekening ontkent, of verklaart die niet te erkennen, zal de regter daarvan akte geven, het stuk waarmerken,

(391

-ocr page 774-

692 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

en de zaak naar den regler verwijzen, die daarvan, naar aanleiding van de vijfde afdeeling van den volgenden titel, kennis moet nemen, en die te gelijk over de hoofdzaak bij een en hetzelfde eindvonnis uitspraak kan doen, indien de zaak voor zoodanige beslissing vatbaar is. (Pr. 14; B. IDIS, 1914; Rv. 56b, 176, 178 v.; Sv. 273 v.)

101. In geval de kantonregter zich naar eene plaats in geschil begeeft, het zij tot bezigtiging, het zij tot het hooren van getuigen of van deskundigen, zal hij vergezeld zijn van den griffier, die de minuut van het vonnis, waarbij de ver-rigting bevolen is, zal mede brengen.

De deskundigen zullen bij hetzelfde vonnis ten getale van drie worden benoemd, ten ware beide partijen mogten verzoeken dat het onderzoek slechts aan éénen deskundige worde opgedragen. Zij worden door de meest gereede partij gedagvaard, met vermelding van de plaats, den dag en het uur en van liet dispositief van het vonnis, ten aanzien der bevolene verrigting.

De deskundigen zullen voor den aanvang hunner verrig-tingen worden beëedigd op straffe van nietigheid.

De kantonregter kan op de plaats zelve, na afloop der bevolen verrigting en na verhoor van partijen, dadelijk uitspraak doen. (Pr. 30, 41 v.; Rv. 46, 103 v., 125, 219 v., 222, 223, 225 v., 236, 321c; Sr. 192 n». 2.)

102. In zaken aan beroep onderworpen, zal door den griffier proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk het berigt van de deskundigen zal inhouden en van den door hen afgelegden eed doen blijken.

Het proces-verbaal zal door den kantonregter, den griffier en de deskundigen geteekend worden, en indien deze laatste niet teekenen kunnen, zal daarvan melding worden gemaakt.

In zaken, niet aan hooger beroep onderworpen, wordt geen proces-verbaal opgemaakt, maar wordt in het vonnis vermeld de eedsaflegging van de deskundigen en de slotsom van hun berigt. (Pr. 42, 43; R. O. 38 v.; Rv. 101, 411, 222 v., 236, 283\')

103. (*) Indien partijen het omtrent de daadzaken niet eens zijn, het bewijs bij getuigen door de wet is toegelaten, en de daadzaken tot de beslissing der zaak kunnen leiden, zal de kantonregter, op verzoek van eene der partijen, getuigenverhoor bevelen.

Hij kan zulks in dat geval ook ambtshalve bevelen, indien hij tot de beslissing der zaak zulks dienstig en noodig acht.

Het vonnis zal vermelden de daadzaken welke moeten worden bewezen, mitsgaders de plaats waar en den dag en het uur waarop de getuigen zullen worden gehoord, a.) (Pr 34; B. 1932 v.; K. 1amp;; Rv. 104amp;, 120, 1amp;9.)

104. (*) Het tegenbewijs staat van regtswege vrij. Dit verhoor wordt gehouden op de plaats, den dag en het uur.

a) In art. 10.*} (oud) volgde nog een vierde lid luidende: „Het tegenbewijs staat van rechtswege vrij.\'\'

-ocr page 775-

BOEK I, TITEL II, ARTT. 101—108.

bij liet vonnis of dadelijk na alloop van het verhoor der voor het bewijs gehoorde getuigen te bepalen.

Indien een der partijen verlenging van de in dit of het vorig artikel bedoelde termijnen verzoekt, zal dit incident dadelijk, zonder eenige voorziening daartegen, beslist worden, d) (Rv. 99, 103, 108a, 120, 200).

105. De getuigen zullen in persoon of te hunner woonplaats worden gedagvaard, ten minste drie dagen vóór den dag van het verhoor. Deze termijn zal met éénen dag voor elke zes uren afsfands worden vermeerderd.

De dagvaarding zal melding maken van het vonnis, van de plaats, van den dag en van het uur der verschijning, en de daadzaken behelzen, welke bewezen moeten worden. (Pr. 260, 408; Rv. 94, 120, 200.)

106. (*) De namen en woonplaatsen der getuigen worden ten minste drie dagen vóór het verhoor aan de wederpartij beteekend.

Daarbij zal, indien het vonnis, hetwelk het getuigenverhoor beveelt, niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, afschrift van het vonnis worden overgegeven, zoo dit niet reeds vroeger is geschied.

Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig zijn, zal van die tegenwoordigheid op het audientie-blad worden melding gemaakt, b) (Pr. 28; Rv. 94, 103c, 104, 120, 200; R. I, a. 64.)

107. Ten bepaalden dage zullen de getuigen, alvorens hunne getuigenis af te leggen, op straffe van nietigheid, elk op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte doen van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De kanton-regter zal hun derzelver namen, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats of verblijf afvragen, mitsgaders of zij aan partijen of eene derzelve in den bloede of door aanhnwelijking bestaan, en zoo ja in welken graad, en of zij loon- of huisbedienden van dezelve zijn. (Pr. 35; G. 167; B. 345 v., 19466,1947,1948,1949a, 1950; Rv. 109amp;, 110. 120, 200; Sv. 161.)

108. Partijen moeten hunne wrakingen vóór het afleggen der getuigenissen voordragen. De getuige wordt deswege gehoord en de regter doet uitspraak, zonder hooger beroep.

Indien de wraking wordt geldig verklaard, zal het getni-

a) Art. 101 (oud). Indien eene der partijen verlenging van dien tormijn verzoekt, zal dit incident dadelijk beslist worden.

b) Art. 10G (oud). Indien het vonnis, hetwelk het getuigenverhoor beveelt, niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, zal hetzelve aan hare woonplaats beteekend worden, ten minste drie dagen vóór het verhoor.

Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig zijn, geldt die uitspraak voor beteekening, en zal van de tegenwoordigheid van partijen op het audientie-blad worden melding gemaakt.

In allen gevalle, zullen de namen en woonplaatsen der getuigen, binnen den bij het eerste lid bepaalden termijn, aan haar beteekend worden.

693

-ocr page 776-

094 WFTBOEK VAN EUPGERLIJKE REGTSVOBDER1NG.

genis van den gewraakte niet worden afgenomen. (Pr. 36, 282; 13. 1950; Rv. 33, 108A, 110, 111, 200, 225.)

108A. (*) Indien een getuige, brhoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt geworden, kan de belanghebbende partij aan den regter eenen naderen termijn verzoeken. a) (Rv. (oud) 217; Rv. 104b, 105, 116, 1176, 120, 200; Sr. 192 n0. 2, 444.)

109. De getuigen zullen ieder afzonderlijk op de feregt-zitting gehoord worden, het zij de partijen tegenwoordig zijn of niet, en zullen geen geschreven opstel mogen voorlezen.

De partijen zullen de getuigen niet in de rede mogen vallen, maar de kantonregter kan ten verzoeke van de partijen, en zelfs van ambtswege, aan eiken getuige, na het afleggen van zijne getuigenis, zoodanige vragen doen als hy zal noodig oordeelen. (Pr. 37, 271; R. O. 20; Rv. 120, 200.)

110. In zaken die in het hoogste ressort worden beslist, zal geen proces-verbaal worden opgemaakt, maar het vonnis zal moeten inhouden, behalve de vermelding der opgaven, verklaringen en eedsallegging bij artikel 107 aangeduid, de wrakingen en de antwoorden op dezelve, en den snmmieren inhoud van de afgelegde getuigenissen. (Pr. 40, 410; R. O. 38 v.; Rv. 111, 119b, 121, 200a.)

111. In zaken aan hcoger beroep onderworpen wordt door den griffier een proces-verbaal van het getuigenverhoor opgemaakt; hetzelve bevat al hetgeen hierboven bij artikel 110 is vermeld, met dit onderscheid alleen, dat de verklaringen der getuigen zich niet tot den summieren inhoud bepalen, maar in derzelver geheel moeten worden opgenomen.

Dit proces-veibaal zal aan ieder getuige worden voorgelezen voor dat gedeelle hetwelk hem betreft. Hij zal daarin zoodanige veranderingen en bijvoegingen mogen maken, als hem goeddunkt, en welke onder of op den kant van zijne getuigenis zullen opgeschreven worden. Dit zal aan hrm worden voorgelezen.

De getuige zal zijne verklaring teekenen, of er zal melding gemaakt worden dat hij niet kan teekenen.

Het proces-verbaal zal wijders worden onderteekend door den regter en den griffier. (Pr. 39, 411; R. O. 38 v.; Rv. 107, 121, 200.)

112. De kantonregter zal uitspraak doen onmiddellijk na het afleggen der getuigenissen, en na vei hoor van partijen of van die welke tegenwoordig is, of op eene volgende docr hem te bepalen teregtzitting. (Pr. 39; Rv. 45, 202.)

113. Indien de getuige schadeloosstelling vordert, zal dezelve worden begroot door den regter op het afschrift der dagvaarding. waarvan zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal. (Pr. 277; Stb. 1843 n0. 40, a. 6 en 7 (Tar. a. 65, 66, nquot;. 2); Rv. 200.)

m. In geval de getuigen niet op éénen dag gehoord kunnen worden, zal de regter het verdere hooren tot een\'

o) Art. 10SA is nienw quot;bijgevocgcl.

-ocr page 777-

BOEK I, TITEL IF, AUTT. 108A—119.

naderen dag en uur uitstellen, en er zal noch aan de getuigen, noch aan de partij, eenige nieuwe dagvaarding geschieden, ofschoon ook deze laatste niet verschenen ware. (Pr. 267; Rv. 13, 200.)

115. De partij die meer dan vijf getuigen over hetzelfde feit zal hebben doen hooren, zal de kosten der verdere getuigenissen aan hare wederpartij niet kunnen in rekening brengen. (Pr. 281; Rv. 56, 200.)

116. De gedagvaarde getuige welke niet verschijnt, of verschenen zijnde, weigert den eed of zijne verklaring af te leggen, zal worden veroordeeld tot vergoeding der vergeefs aangewende onkosten, a) (Sr. 192 n0. 2, 444.)

Hij zal op nieuw worden gedagvaard te zijnen koste. (Pr. 263; B. 1946; Rv. 105, 107, 117,200; Sv. 67 v., 157 v.. F. 66c.)

117. Indien de op nieuw gedagvaarde getuige andermaal in gebreke blijft te verschijnen, of het afleggen van den eed of van zijne verklaring weigert, zal hij ten tweeden male worden veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten, en daarenboven in de schade en interessen der partijen, a) (Sr. 192 n0. 2, 444.)

De regter kan bevelen dat de gebrekige getuige door de openbare magt worde voor hem gebragt om aan zijne ver-pligting te voldoen.

Indien de getuige ook dan weigerachtig blijft om zijne verklaring af te leggen, zal de regter ten verzoeke der belanghebbende partij kunnen bevelen, dat hij ten koste dier partij in gijzeling zal worden gesteld, totdat hij aan zijne verpligting zal hebben voldaan. (Pr. 264; Rv. 200, 585 n0. 11; Sv. 67 v., 157 v.; F. 66c.)

118. Indien de getuige bewijst dat hij door goede redenen verhinderd is geweest om op den bepaalden dag te verschijnen, zal de regter hem, na het afleggen van zijne verklaring, ontheffen van alle de tegen hem gewezene veroordeelingen. (Pr. 265; Rv. 119, 200; Sv. 159; F. 66c.)

119. (*) Indien de getuige wettiglijk verhinderd is, uit hoofde van ziekte of anderzins, om voor den regter te verschijnen, zal de laatstgenoemde zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijne verklaring.

Indien de getuige in dat geval buiten het regtsgebied van den kantonregter woont, zal de regter verzoek doen aan den regter van de woonplaats des getuigen om denzelven op de aan hem opgegevene vraagpunten te hooren. Van deze ondervraging zal door laatstgemelden regter proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan het oorspronkelijke zal worden ingezonden. (Pr. 266, 412. 1035; R. O. 25; Rv. 200; Sv. 71 v.)

695

Indien de getuigen buiten \'s lands wonen, kan de regter aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land hunner woonplaats verzoeken het verhoor te houden, of dat verhoor opdragen aan den Nederlandschen consulairen ambte-

a) De oorspronkelijke slotwoorden: „en tot eene boete niet te boven gaande vijf en twintig gulden,quot; zijn ingevolge art. Sd der Invoeringswet vervallen en vervangen door art. 192 no. 2 en 4i4 W. v. Sr.

-ocr page 778-

696 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGT3VORDERING.

naar, tot wiens ressort de woonplaats dier getuigen behoort.

De regter zal dan tevens den termijn bepalen, die in acht genomen moet worden bij het beteekenen aan de wederpartij van dag, uur en plaats, waarop dit verhoor zal gehouden worden en mede den dag vaststellen, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen.

Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van den Nederlandschen regter. a) (Rv. 106, 112, 120, 200; F. 66c; Consul, w., zie chron. lijst; Stb. 1894 n0. 146; Stb. \'1896 nquot;. 81; Stb. 1898 n0. 42.)

120. Buiten hetgeen bij artikel 107 omtrent het afleggen van den eed is voorgeschreven, zal het nalaten van eene of andere der formaliteiten bij artikel 103 en volgende vermeld, alleen dan nietigheid des verhoors van den getuige ten- gevolge hebben, wanneer de belanghebbende partij daardoor in zijne verdediging is benadeeld, en de begane ongeregeldheid niet kan worden hersteld; in het tegenovergesteld geval kan de belanghebbende partij van den regter, zoo daartoe gronden zijn, de bevoegdheid bekomen om de begane ongeregeldheden te zijnen koste te herstellen. (Rv. 94k, 200.)

121. De kantonregter vergezeld van zijnen griffier, kan in alle gevallen, op alle plaatsen van zijn regtsgebied, ei! zonder voorafgaande beteekeningen of dagvaardingen, de verklaringen ontvangen van de getuigen, welke, door de beide partijen gezamenlijk medegebragt, uit eigene beweging voor hem verschijnen.

Het proces-verbaal zal worden opgemaakt in voege voorschreven bij artikel 110 en 111. (R. O. 43; Rv. 103, 200.)

122. Wanneer overeenkomstig artikel 41 der wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, de ontruiming wordt gevorderd van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders of van pachthoeven, tot het bedrag in bovengemeld artikel uitgedrukt, en de huurder geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur voortbrengt en in gebreke blijft het perceel te ontruimen, kan de kantonregter op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, overeenkomstig artikel 7 van dit wetboek, de dagvaarding der wederpartij bevelen, zelfs van uur tot uur, en den zondag ingesloten.

Indien de eischer niet woonachtig is in de gemeente, waar het verhuurde gelegen is, moet hij bij de dagvaarding in die gemeente woonplaats kiezen. (B. 81 v.; Rv. 5 n6.-, 14, 289; R. I, a. 29.)

123. De kantonregter kan alsdan de onmiddellijke ten uitvoerlegging van zijn vonnis tot ontruiming bij voorraad bevelen, niettegenstaande hooger beroep of verzet met of zonder borgstelling, en zulks op de minute, ook vóór der-zelver registratie, en zonder andere formaliteit dan de vertooning dier minute ter woonplaats van de veroordeelde partij. (R. 0.41c; Rv. 53 n0.3,297,430 v. — Stb. 1869 n0.124, a. 17 (27a. al. ƒ), zie onder 97 Rv.)

tf) In urt. 11\'J (oud) ontbraken het derde, vierde en vijfde lid.

-ocr page 779-

BOEK I, TITEL II EN III, ARTT. 120—126. 697

124. De ontruiming zal daarna zonder verdere aanmaning of andere formaliteiten door den deurwaarder, bijgestaan door twee daartoe door den kantonregter te benoemen getuigen, worden ten uitvoer gelegd, behoudens de beteekening der minute van het vonnis des noods zonder voorafgaande registratie, binnen vier- en twintig uren aan de veroordeelde partij, en onverminderd de ten uitvoerlegging van den verderen inhoud van hetzelve op de gewone wijze. (Rv. 123, 297, 430 v., 529amp;.)

125. De bepalingen in den derden titel voorkomende, opzigtelijk de voorloopige verzoeken en exceptien, de wrakingen van deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele vorderingen, de reconventie, het schorsen en hervatten van het regtsgeding, het doen van afstand der instantie, het vervallen der instantie, en de voeging en tusschenkomst, gelijk mede de bepalingen van den negenden titel van dit boek, handelende van verzet door derden, en die van den zesden titel van het tweede boek, handelende van het vereffenen van kosten, schaden en interessen mitsgaders van de kosten van den processe, zijn te dezen toepasselijk. (Rv. 152 v., 225 v., 237 v., 247 v., 250 v., 254 v., 277 v., 279 v., 285 v., 376 v., 612 v.)

DERDE TITEL.

Van de manier van procederen, bijzonder belrekkclijk tot de arrondissements-recjtbanken, de hoven en den hoogen raad, regt doende in eersten aanleg.

EERSTE AFDEELING.

Van de dagvaardingen.

126. (a.) De verweerder zal in zuiver persoonlijke zaken, of in die welke roerend goed betreffen, worden gedagvaard voor den regter van zijne woonplaats. (Rv. 97a, 129a; R. O. 38 n». 1, 53, 54 n». 2, 55, 66, 89; B, 74a.)

(6.) Indien hij geene bekende woonplaats in het koningrijk heeft, voor den regter van zijn werkelijk verblijf. (Rv. 4 n0. 1, 97ca; B. 74amp;.)

(c.) Indien hij mede geen erkend verblijf in het koningrijk heeft, voor den regter van de woonplaats des eischers. (Rv. 97c6, 127a.)

(cZ.) Indien worden opgeroepen houders van aandeelen in geldleeningen of maatschappijen welke niet op naam staan en waarvan de eigenaren uit dien hoofde onbekend zijn, zullen zij insgelijks voor den regter van de woonplaats des eischers worden gedagvaard. (Rv. 4 n0. 7b.)

(e.) Indien er in de boven gemelde gevallen meer eischers zijn, voor den regter van de woonplaats van één hunner, ter hunner keuze. (Rv. 97e.)

(/quot;.) Indien de verweerder openbaar ambtenaar is, doch

-ocr page 780-

098 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORUERTNG.

zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den regter van die woonplaats of voor dien van de plaats waarin hij zijne ambtsverrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 97d; B. 77.)

(g.) Bijaldien er meer verweerders zijn, voor den regter van de woonplaats van een hunner, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 97amp;.)

(h.) In zake van aanspraak op een onroerend goed zelf, voor den regter onder wiens regtsgebied het goed waarover het geschil loopt gelegen is. (Rv. 1296; B. 562 v.;R.O. 53, 54 n0. 3, 55, 56.)

(j.) Indien de onroerende goederen in verscheidene arrondissementen gelegen zijn, zullen de voorschriften worden gevolgd van de laatste zinsnede van artikel 98. (Rv. 98amp;.)

(k.) In zaken van gemengden aard, behoudens hetgeen in dit artikel volgt ten aanzien van zaken van erfenis, voor den regter onder wiens regtsgebied het onroerend goed gelegen is, of voor dien alwaar de verweerder zijne woonplaats heeft, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 129c, i26igt;i,)

(l.) In zaken van maatschap of vennootschap, zoo lang zij duurt, voor den regter der plaats alwaar zij gevestigd is, en na de ontbinding, het zij voor denzelfden regter, het zij voor dien van de woonplaats van een der vereffenaars. (B. 1655 v.; K. 14 v.; Rv. 4 n0. 4.)

(m.) In zaken van eifenis: (B. 877 v., 921 v.)

1°. Wegens onderlinge vorderingen der erfgenamen tot aan de boedelscheiding ingesloten en wegens ver-nietisiiiEreener gemaakte boedelscheiding ; (B.1112 v., 1158 v., 1170;quot; Rv. 695.)

2°. Wegens vorderingen die door des overledenen schuld-eischers, vóór de boedelscheiding, gedaan zouden mogen worden; (B. 1146 v., 1153; Rv. 4 n0. 6) en 3°. Wegens vorderingen betrekkelijk tot de uitvoering van beschikkingen ter zake van overlijden, tot aan het eindvonnis toe; (B. 1001 v., 1004 v., 1052 v.; Rv. 133c.)

voor den regter binnen wiens regtsgebied de erfenis is opengevallen. (B. 80.)

(«.) In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen hoogeren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd. (F. 2, 3, 85, 86; Rv. (oud) 884, 885 n0. 1, 895, 896; Rv. 4 n0. 5.)

Lid n aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

a) Het oorspronkelijke lid n luidde: „In zaken Tan faillissement of verklaard kennelijk onvermogen, voor den regter, in wiens reg-.s-gobied de woonplaats van den gefailleerde of onvermogende zich bevindt.quot;

-ocr page 781-

BOEK f, TITEI, UI, ARTT. 127 —130.

(o.) In zaken van vrijwaring, voor den regter voor wien de oorspronkelijke vordering aanhangig is. (Rv. 74.)

(p.) In zaken van het doen van rekening, ten aanzien der van regtswege aangestelde rekenpligtigen, voor de regters welke dezelve hebben benoemd, en ten aanzien van voogden en curators, voor de regtbank binnen welker regtsgebied de voogdij of curatele is opgedragen; of in beide gevallen, voor de regtbank van de woonplaats der verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B. 467 v., 506, 519, 528, 1030; Rv. 771 v.)

(q.) Indien er woonplaats is gekozen, voor den regter dier gekozene woonplaats, of voor den regter van de werkelijke woonplaats des verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B 81, 82.)

(r.) In zaken wegens kosten en verdiensten door prakti-zijns of deurwaarders gevorderd wordende, voor den regter waar de kosten gemaakt zijn. (Rv. 57, 615; Stb. 1843 n». 37, a. 14 v.; Stb. 1843 n°. 38, a. 7; Stb. 1843 nquot;. 66, a. 5, 11; Stb. 1843 n0. 67, a. 10 (Tar. 14 v., 28, 33, 39, 52); B. 2007, 2011.)

(s.) Indien de Staat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel heeft. (Rv. 97f. - Pr. 59, 60; Rv. 314; K.567, 757amp;; Stb. 1869 nquot;. 139, a. 1, 3.)

Het laatste lid bijgevoegd bij art. 4 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n°. 93).

127. Een vreemdeling kan, zelfs wanneer hij in Nederland zijn verblijf niet houdt, voor den Nederlandschen regter worden gedagvaard ter zake van verbindtenissen door hem jegens eenen Nederlander, het zij in Nederland, of in een vreemd land, aangegaan.

Deze bepaling is ook op dagvaardingen voor de kanton-geregten toepasselijk. (C. 14; A. 9; Rv. 97c, 126amp;en r,768.)

128. In zakelijke regtsvorderingen of in regtsvorderingen van renen gemengden aard, zal het vaste goed in de dagvaarding bij deszelfs ligging en, zoo veel mogelijk, bij des-zelfs naam en aard worden omschreven. (Pr. 64; Rv. 90, 98ft. 126/i en j, 129amp; en c, 504 n®. 8, 515 n». 2.)

129. De persoonlijke regtsvordering is de zoodanige, welke tot onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke ver-bindtenis, uit overeenkomst of uit de wet voortvloeijende. (B. 1269 v.)

De zakelijke regtsvordering is dezoodanige, waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak of wel eenig ander zakelijk regt geëischt wordt. (B. 584.)

De gemengde regtsvoi dering is dezoodanige welke te gelijk persoonlijk en zakelijk is, te weten:

De vordering tot verkrijging eener erfenis; (B. 881.)

Die tot boedelscheiding; (B. 1112 v.)

Die tot deeling van gemeenschap; (B. 628.)

Die tot afpaling van bij elkander gelegene erven. (B. 678 v.— R. O 38 v., 54 v., 65 v., 88 v.)

130. De regtsvordering over het bezitregt, en die over het regt tot de zaak (petitoir), zullen nooit vereenigd mogen

699

-ocr page 782-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORÜERIKG.

zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den regter van die woonplaats of voor dien van de plaats waarin hij zijne ambtsverrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 97d; B. 77.)

(g.) Bijaldien er meer verweerders zijn, voor den regter van de woonplaats van een hunner, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 976.)

(h.) In zake van aanspraak op een onroerend goed zelf, voor den regter onder wiens regtsgebied het goed waarover het geschil loopt gelegen is. (Rv. 129b; B. 562 v.; R. O. 53, 54 n°. 3, 55, 56.)

(j.) Indien de onroerende goederen in verscheidene arrondissementen gelegen zijn, zullen de voorschriften worden gevolgd van de laatste zinsnede van artikel 98. (Rv. 98amp;.)

(fe.) In zaken van gemengden aard, behoudens hetgeen in dit artikel volgt ten aanzien van zaken van erfenis, voor den regter onder wiens regtsgebied het onroerend goed gelegen is, of voor dien alwaar de verweerder zijne woonplaats heeft, ter keuze van den aanlegger. (Rv. 129c, 126m,)

{l.) In zaken van maatschap of vennootschap, zoo lang zij duurt, voor den regter der plaats alwaar zij gevestigd is, en na de ontbinding, het zij voor denzelfden regter, het zij voor dien van de woonplaats van een der vereffenaars. (B. 1655 v.; K. i4 v.; Rv. 4 n0. 4.)

(m.) In zaken van erfenis: (B. 877 v., 921 v.)

4°. Wegens onderlinge vorderingen der erfgenamen tot aan de boedelscheiding ingesloten en wegens vernietiging eener gemaakteboedelscheiding; (B. 1112 v., 1158 v., 1170; Rv. 695.)

2°. Wegens vorderingen die door des overledenen schuld-eischers, vóór de boedelscheiding, gedaan zouden mogen worden; (B. 1146 v., 1153; Rv. 4 n®. 6) en 3°. Wegens vorderingen betrekkelijk tot de uitvoering van beschikkingen ter zake van overlijden, tot aan het eindvonnis toe; (B. 1001 v., 1004 v., 1052 v.; Rv. 133c.)

voor den regtfr binnen wiens regtsgebied de erfenis is opengevallen. (B. 80.)

(n.) In zaken van faillissement of van kennelijk onvermogen, voor de regtbank die den schuldenaar in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen heeft verklaard, en wier uitspraak tevens regtsgevolgen heeft; indien de faillietverklaring door eenen hoogeren regter is uitgesproken, voor de regtbank uit wier leden de regter-commissaris is benoemd. (F. 2, 3, 85, 86; Rv. (oud) 884, 885 n#. 1, 895, 896; Rv. 4 n0. 5.)

098

Lid n aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

o) Het oorspronkelijke lid u luidde: „In zaken van faillissement of verklaard kennelijk onvermogen, voor den regter, in wiens regtsgebied de woonplaats van den gefailleerde of onvermogende zkh bevindt.quot;

-ocr page 783-

BOEK I, TITEI, III, ARTT. 127—180.

(o.) In zaken van vrijwaring, voor den regter voor wien de oorspronkelijke vordering aanhangig is. (Rv. 74.)

(p.) In zaken van het doen van rekening, ten aanzien der van reglswege aangestelde rekenpligtigen, voor de regters welke dezelve hebben benoemd, en ten aanzien van voogden en curators, voor de regtbank binnen v/elker regtsgebied de voogdij of curatele is opgedragen; of in beide gevallen, voor de regtbank van de woonplaats der verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B. 467 v., 506. 549, 528, 1030; Rv. 771 v.)

(q.) Indien er woonplaats is gekozen, voor den regter dier gekozene woonplaats, of voor den regter van de werkelijke woonplaats des verweerders, ter keuze van den aanlegger. (B 81, 82.)

(r.) In zaken wegens kosten en verdiensten door prakti-zijns of deurwaarders gevorderd wordende, voor den regter waar de kosten gemaakt zijn. (Rv. 57, 615; Stb. 1843 n®. 37, a. 14 v.; Stb. 1843 n». 38, a. 7; Stb. 1843 n». 66, a. 5, 11; Stb. 1843 n°. 67, a. 10 (Tar. 14 v., 28, 33, 39, 52); B. 2007. 2011.)

(s.) Indien de Slaat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel heeft. (Rv. 97f. - Pr. 59, 60; Rv. 314; K. 567, 7576; Stb. 1869 nquot;. 139, a. 1, 3.)

Het laatste lid bijgevoegd bij art. 4 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n0. 93).

127. Een vreemdeling kan, zelfs wanneer hij in Nederland zijn verblijf niet houdt, voor den Nederlandschen regter worden gedagvaard Ier zake van verbindtenissen door hem jegens eenen Nederlander, het zij in Nederland, of in een vreemd land, aangegaan.

Deze bepaling is ook op dagvaardingen voor de kanton-geregten toepasselijk. (C. 14; A. 9; Rv. 97c, 126ft en r, 768.)

128. In zakelijke regtsvorderingen of in regtsvorderingen van renen gemengden aard, zal het vaste goed in de dagvaarding bij deszelfs ligging en, zoo veel mogelijk, bij des-zelfs naam en aard worden omschreven. (Pr. 64; Rv. 90, 98h. 126/i en J, 129amp; en c, 504 nquot;. 3, 515 n0. 2.)

129. De persoonlijke reglsvordering is de zoodanige, welke tot onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke ver-bindfenis, uit overeenkomst of uit de wet voortvloeijende. (B. 1269 v.)

De zakelijke reglsvordering is dezoodanige, waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak of wel eenig ander zakelijk regt geëischt wordt. (B. 584.)

De gemengde regtsvoi dering is dezoodanige welke te gelijk persoonlijk en zakelijk is, te welen:

De vordering tot verkrijging eener erfenis; (B. 881.)

Die tot boedelscheiding; (B. 1112 v.)

Die tot deeling van gemeenschap; (B. 628.)

Die tot afpaling van bij elkander gelegene erven. (B. 678 v.— R. O 38 v., 54 v., 65 v., 88 v.)

130. De reglsvordering over het bezilregt, en die over het regt tot de zaak (petit oir), zullen nooit vereenigd mogen

699

-ocr page 784-

700 WETBOEK VAN RURGERLIJKE REGTSVORDERING.

worden ingesteld. (Pr. 25; B. 606, 613, 618, 619, 629; R. O. 54 n0. 4; Rv. 131, 132, 201, 250 n°. 3.)

131. Die eene regtsvordering over het regt tot de zaak zelve heeft ingesteld, is niet meer ontvankelijk tot het instellen eener regtsvordering over het bezitregt. (Pr. 26; B. 621amp;; Rv. 130, 132.)

132. De verweerder in zake van het bezitregt zal geene regtsvordering over het regt tot de zaak zelve mogen instellen, zoo lang die ten aanzien van het bezitregt niet is afgeloopen.

Wanneer hij in de laatstgemelde is veroordeeld, zal hij niet ontvankelijk zijn ten aanzien van het regt op de zaak zelve, dan na volkomen te hebben voldaan aan de tegen hem uitgesproken veroordeeling; ten ware de uitvoering van het vonnis in gebreke gebleven of vertraagd ware door de schuld van de partij, die hetzelve verkregen had; in welk geval de regter voor wien de regtsvordering tot het regt op de zaak zelve behoort, eenen termijn kan bepalen na verloop van welken die regtsvordering kan worden ingesteld. (Pr. 27; Rv. 56, 130, 131, 250 n0. 3; B. 617a, 1775 n». 2.)

133. (*) De aanlegger is gehouden bij het exploit van dagvaarding procureur te stellen, op stratfe van nietigheid. (Rv. 5, 90, 92, 99, 323, 343, 353, 406d; F. 4226; Loi du 27 Ventóse an IX, a. 17 (Fortuijn, II, 153); Succ.w., a. 62.)

De woonplaats, waarvan in artikel 5 n0. 1 van dit Wetboek gesproken wordt, wordt geacht gekozen te zijn bij dien procureur, ten ware de aanlegger eene andere keuze had uitgedrukt. (B. 81; Rv. 137c, 406e.)

Alle akten der procedure tot aan a) het eindvonnis zullen aan die woonplaats worden beteekend, en zal de procureur verpligt zijn de memoriën en schrifturen te teekenen, waarvan in dezen titel en in den volgenden wordt melding gemaakt. (B. 816; Rv. 135, 140, 142, 164—166, 179 v., 188, 219, 224, 237, 256, 263, 274, 278, 286 enz.; Sv. 203.)

De aanlegger zal voorts bij het exploit moeten overleggen afschrift van de stukken waarop de eisch gegrond is. Bij gebreke van deze afschriften, zullen diegene welke de aanlegger gehouden is, hangende den loop van het regtsgeding, te geven, niet mogen berekend worden onder de kosten, ten ware die stukken door de verdediging van den gedaagde mogten noodzakelijk worden of daaruit voortvloeijen, often ware door den regter mogt bevolen zijn dat de zaken zullen worden geïnstrueerd bij geschrifte. (B. 1923,1925; Rv. 14\'\', 165 v., 168. — Pr. 61, 65; Rv. 21, 146, 254 n0. 4, 263 v.; B. 1971, 2011.)

134. De eischer is bevoegd tot den afloop der zaak zijnen eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nogtans het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen. (Rv. 5 n0. 3, 348, 501; B. 1937.)

a) In art. 133 (oud) derde lid werden oorspronkelijk, in plaats van de woorden; „tot aan het eindvonnisquot;, gelezen de woorden: „tot en met het eindvonnisquot;.

-ocr page 785-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 131—137.

TWEEDE AFDEELING.

Van de verwering en het voldingen der zaak. a)

(Verg. art. 9b, 10—13 der Merkenw., afgedrukt in de chron. lijst.)

135. (*) De procureur van den eischer doet de zaak op de rol inschrijven niet later dan daags vóór den in de dagvaarding uitgedrukten of overeenkomstig het volgend artikel vervroegden regtsdag.

Indien hij in zaken, waarin de dagvaarding op korte termijnen gedaan is, dientengevolge niet in staat is aan dit voorschrift te voldoen, doet hij de zaak zoo spoedig mogelijk inschrijven, b) (Rv. 5 n0. 5, 7c, 75, 133, 139, 853; R. 1, a. 37, 64.)

136. (*) De verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan den procureur des eischers beteekende akte, tevens inhoudende procureurstelling, dezen tegen een vroegeren dan den in de dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen.

Die oproeping moet op straffe van nietigheid geschieden op een termijn van ten minste vijf dagen vóór den in die akte uitgedrukten dag.

Zijn er medegedaagden, dan moet de oproeping, voor zooveel zij niet mede van hen uitgaat, bij deurwaarders-exploit ook aan hen gedaan worden, met inachtneming van zoodanigen termijn tusschen dat exploit en den vervroegden dag van verschijning, als waarop ieder hunner, als gedaagde, volgens de wet zou kunnen aanspraak maken.

Wordt door meer dan één gedaagde, niet gezamenlijk optredende, van het regt van anticipatie gebruik gemaakt, dan geldt, met inachtneming van het tweede en het derde lid van dit artikel, de oproeping tegen den vroegsten regtsdag. c) (Rv. 5 n0. 5, 7a, 8, 9, 10, 137, 139, 353, 407.)

187. (*) Behoudens het geval in het vorig artikel bedoeld.

a) De artikelen 135 tot 149 van deze afdeeling hebben de oorspronkelijke artikelen 135 tot 151 van deze afdeeling vervangen.

b) Art. 135 (oud). De verweerder is verpligt binnen het tijdverloop tusschen de dagvaarding en den dag op welken hij verschijnen moet, procureur te stellen. Dit geschiedt bij eene eenvoudige akte van wege den gestelden procureur aan dien des eischers beteekend.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur.

Tegen den verweerder die verzuimd heeft procureur te stellen, of wiens gestelde procureur ten dage dienende niet verschijnt, wordt verstek verleend, en verder gehandeld zoo als in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald.

c) Art. 130 (oud). Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens eenen anderen te stellen; zoo lang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerst gestel den.

701

-ocr page 786-

702 WUrBOEK VAN U\'JiIGERUJKB UliGTSVUllDKlUN\'O.

verklaart de procureur, die voor den verweerder optreedt, dit bij de oproeping der zaak. ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het audientie-blad.

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur, a) (Rv. (oud) 135 a en b, 137a; B. 81; Rv. 133a en b, 138, 141, 353, 408; F. 12-26; R. I, a. 64.)

138. (*) Tegen den verweerder, voor wien zich geen procureur stelt, wordt verstek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, b) (Rv. (oud) 135c; Rv. 76, 136, 137, 254 n°. 4 v.; R. I, a. 42.)

139. (*) Indien de in artikel 135 van dit wetboek bedoelde inschrijving niet heeft plaats gehad, is de procureur van den verweerder bevoegd, onder overlegging van de dagvaarding en van de oproeping bij anticipatie, zoo die geschied is, de zaak ter teregtzitting op de rol te doen inschrijven.

Tegen den niet-verschenen eischer wordt verstek verleend en verder gehandeld, zooals in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald, tenzij ingeval van anticipatie de voorschriften van artikel 136 niet zijn in acht genomen, c) (Rv. 75.)

140. (*) Ten dienenden dage of op eenen naderen te be ■ palen dag wordt door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen en bij afschrift aan den procureur des verweerders gelijktijdig ter teregtzitting overgegeven, d) (Rv. (oud) 138; Rv. 5 n0. 5, 133a, 138, 141, 143, 145; R. 1, 38, 39, 40, 44.)

a) Art. 137 (oud). Indien do eisch overeenkomstis het derde lid van artikel 7 van dit Wetboek is ingesteld op korten termijn, volstaat de verweerder met ten dienenden dage zijnen procureur ter audientie te stellen.

Ten zelfden dage wordt door den procureur des eischers de met redenen omkleede conclusie van den eisch voorgedragen en afschrift daarvan aan dien des gedaagde overgegeven.

Deze draagt terstond en met gelijke overgifte van afschrift, zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten. De regter kan tot het nemen der conclusien of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der partijen in derzelver belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen.

b) Art. 138 (oud). In zaken, welke vatbaar zijn om summierlijk te worden behandeld, wordt mede ten dienenden dage of op eenen naderen te bepalen dag, door den procureur des eischers zijne me\'j redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen, en bij afschrift aan den procureur des verweerders medegedeeld.

c) Art. 139 (oud). Daarna draagt deze tenzelfden dage of op eenen naderen daartoe te bepalen dag zijne verwering voor, bij met redenon omkleede conclusie, waarvan, alsmede van de stukken van welke hij zich ter zijner verwering wil bedienen, hij een afschrift overgeeft; vervolgens worden partijen toegelaten tot de pleidooijen of daartoe een nadere dag bepaald.

rt) Art. 110 (oud). Voor summiere behandeling zijn vatbaar:

lo. Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen t;.tel waarvan het bestaan niet betwist wordt;

-ocr page 787-

BOEK r, TITEL lit, A.RTT. 138 —144.

141. (*) Daarna draagt tenzelfden dage of op eenen naderen te bepalen dag de procureur van den verweerder zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waarvan hij een afschrift aan den procureur des eischers gelijktijdig ter teregtzitting overgeeft. (Rv. (oud) 139; Rv. 136, 137, 145amp;; R. I, a. 44.)

Hij is gehouden alle exceptiën en zijn antwoord ten principale tegelijk voor te dragen, op straffe van verval der niet voorgedragene exceptiën, en, indien niet ten principale geantwoord is, van het regt om zulks te doen.

Echter zullen erfgenamen, weduwen en vrouwen, hetzij uit den echt, hetzij van tafel en bed of van goederen gescheiden, die in termen van beraad zijn, hunne verwering tot een beroep daarop kunnen bepalen, a) (B. 188, 189, 193, 287, 298, 1070 v., ■107-2; Rv. 152,154, 2476, 4116 en c.)

142. (*) Nadat de conclusie van antwoord ter teregtzitting is voorgedragen, wordt aan den procureur van den eischer op zijn verlangen gelegenheid gegeven tot het nemen eener conclusie van repliek, welke de procureur van den verweerder des verkiezende kan beantwoorden met eene conclusie van dupliek.

De regter kan op eenparig verzoek van partijen het nemen van nog meer conclusiën toestaan. 6) (Rv. 141,143,144,247c,347.)

143. (*) De termijnen voor het nemen der conclusiën worden door den regter bepaald in overeenstemming met hetgeen de partijen verlangen. In geval van verschil tusschen partijen beslist de regter, daarbij ook letterde op den tijd, welken de belanghebbende partij mogt aantoonen te behoeven, ten einde zich .de noodige bewijsstukken te verschaffen, c) (Rv. 140, 141a, 142, 1456, 2476, 347, 411.)

144. (*) Na het wisselen der conclusiën worden partijen toegelaten tot de pleidooijen of wordt daarvoor een nadere dag bepaald, tenzij partijen op de stukken regt verlangen. (Rv. (oud) 139.)

•2o. Voorloopige vorderingen en alle vorderingen welke spoed ver-eischen;

3o. De vorderingen van huur- en paohtpenningen, mitsgaders die wegens koopschat van vruchten te velde;

4o. De vorderingen in zake van bezitregt; ei

5o. In het algemeen dezoodanige, welke om derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partijen, of, bij verschil, door den regter voor summiere behandeling worden vatbaar geacht, of bij de wet als summier zijn aangewezen.

a) Art. 141 (oud). Incidentele vorderingen, tusschenkomst en voegingen worden in summiere zaken ten dienenden dage ter audientie ingesteld bij gemotiveerde conclusiën.

b) Art. 142 (oud). In zaken van gewone behandeling kan de verweerder volstaan met door zijnen procureur, op de oproeping der zaak ten dienenden dage, te doen aankondigen, dat laatstgemelde zich procureur gesteld heeft.

c) Art. 143 (oud). Binnen veertien dagen na den dag, op welken de procureur des verweerders is gesteld, doet de verweerder zijn antwoord of verwering, door zijnen procureur onderteekcnd, door ecnon deurwaarder beteekenen aan den procureur des eischers.

703

-ocr page 788-

704 quot;WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De regter is bevoegd bij de pleidooijen aan de partijen of hare praktizijns ophelderingen te vragen omtrent den inhoud van hunne schriftelijke of mondelinge voordragten. a) (Rv. 440, 141a, 142, 145, 247b, 255b en c, 347, 411, 412.)

145. (*) Indien de eisch overeenkomstig het tweede b) lid van artikel 7 van dit wetboek is ingesteld op korten termijn, wordt ten dienenden dage door den procureur des eischers de met redenen omkleede conclusie van eisch voorgedragen en gelijktijdig ter teregtzitting afschrift daarvan aan dien des gedaagden overgegeven.

Deze draagt terstond en met gelijke overgifte van afschrift zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden des verlangd daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten.

De. regter kan tot het nemen der conclusiën of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der partijen in haar belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen, c) (Rv. (oud) 137; Rv. 45, 135?gt;, 137, 138, 140 v, 143, 255?) en c, 291,611 c; R. I, a. 37, 38, 44, 45; R. Ill, a. 21.)

146. (*) Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens een anderen te stellen; zoolang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerstgestelden. d) (Rv. (oud) 136; R. 1850,1851, 2011 ; Rv. 133a, 137a, 254 v., 263 v., 347, 4176.)

147. (*) De partij, die zich bij conclusie op eenig stuk beroept is verpligt daarvan, tegelijk met het afschrift barer conclusie, afschrift te geven, tenzij zulks reeds bij de dagvaarding geschied is, of de procureur der wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen. Rovendien is zij verpligt, indien de wederpartij bij akte van procureur tot procureur verklaart inzage te verlangen van het stuk zelf, dit het zij ter griffie neder te leggen, het zij tegen recepis aan den procureur der wederpartij over te geven.

Indien eene partij, nadat de dag voor het houden der pleidooijen bepaald is, nog eenig stuk in het geding wenscht

Hij doet daarbij aanbod van eon afschrift der stukkeu, -waarop hij zijne verwering grondt, en welke hij aan den voet van zijn antwoord opgeeft.

а) Art. 144 (ond). Binnen de volgende acht dagen doet de eischer op gelijke wijze zijn repliek aan des gedaagdens procureur betee-kenen, indien hij zulks in zijn belang noodig acht, en de verweerder heeft alsdan gelijken termijn en gelijke bevoegdheid tot het betee-kenen van zijn dupliek; insgelijks met aanbod van afschrift der stukken, welke hij nader zoude willen overleggen.

б) Aldus art. 18 der Wet van 7 Juli 181)G (Stb. no. 103). Lees: derde.

c) Art. 145 (oud). Indien de verweerder zijn antwoord of verwering binnen de veertien dagen niet heeft beteekend, kan de eischer de zaak onmiddellijk vervolgen bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur, met oproeping tegen eenen bepaalden regtdag um conclusiën te nemen ter audientie.

d) Art. 146 (oud). Na verloop der hiervoren bepaalde termijnen, of wanneer binnen dezelve geen repliek of dupliek respectievelijk is beteekeud, kan de meest goreede partij de zaak vervolgen, in voege als bij het voorgaande artikel is bepaald.

-ocr page 789-

BOEK I, TITEL III, ARTT. quot;145—151.

te Lrengen, geschiedt dit door mededeeiing van afschrift aan den procureur der wederpartij met gelijktijdige neder-legging van het stuk ter griffie, of overgifte daarvan tegen recepis.

Indien ten aanzien van eenig stuk aan eenig voorschrift van dit artikel niet is voldaan, of zóó laat, dat de wederpartij dientengevolge buiten staat is, daarop voldoende te antwoorden, zal zij alleen bij de pleidooijen zich op die omslandigheid kunnen beroepen. De regfer zal alsdan zoodanig stuk terzijde kunnen leggen en daarmede bij zijne beslissing geen rekening behoeven te houden.

De stukken zullen ongezegeld en ongeregistreerd ter griffie nedergelegd kunnen worden, a) (Rv. (oud) 148; B. 1923, 1925; Rv. 133d, 140, 141a, 142, 145, 148 v., 164—166, 247amp;, 347, 413; Zegelw., a. 1, 8, 27; Loi du 22 Frim. an VII (Fortuijn, I, 484 v.), a. 42ji» B. 429amp;, 521a en Rv. 775b.)

148. (*) De stukken moeten worden teruggegeven binnen acht dagen na dagteekening van het recepis of van de kennisgeving aan de wederpartij, dat de stukken ter griffie zijn nedergelegd. h) (Bv. (oud) 149; Bv. 247b.)

149. (*) Indien de stukken niet zijn teruggegeven binnen dien termijn, zal de gebrekige bij een bevelschrift van den president daartoe worden genoodzaakt, zelfs bij lijfsdwang, onverminderd vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. c) (Bv. (oud) 150; B. 1279 v., 1401 v.; Bv. 2476, 585 n®. 7, 612 v., B. I, a. 75.)

150. (*) Ingetrokken, d)

151. (*) Ingetrokken, e)

lt;i) Art. 147 (ond). Ten dage dienende worden conclusiën genomen, even als ten aanzien Tan zaken van summiere behandeling bij de artikelen 138 en 139 is bepaald, en de regtbank of het hot bepaalt eenen dag van pleidooij, ten zij partijen, daarvan afziende, op het geding en de overgelegde stukken regt verzoeken.

b) Art. 118 (ond). De partijen kunnen in alle soort van zaken het zij op korte termijnen, het zij summiere, het zij van gewone behandeling, . gedurende den loop van het geding, wederkeerig vragen de mededeeling of de overlegging ter griffie van de oorspronkelijke stukken welke tegen hen worden gebruikt.

In zaken op korte termijnen en in summiere zaken wordt deze mededeeling gevraagd bij eene schriftelijke conclusie ten dage dienende; iu zaken van gewone behandeling bij akte van procureur tot procureur.

e) Art. Ito (oud). De stukken moeten worden terug gegeven binnen den tijd bepaald bij het recepis of bij de uitspraak waarbij de mededeeling bevolen is. Indien de termijn niet bepaald is, zal dezelve zijn van drie dagen.

cl) Art. 150 (oud). Indien de stukken niet zijn teruggegeven binnen den termijn, zal de gebrekige partij of deszelfs procureur, bij een bevelschrift van den president, daartoe worden genoodzaakt, zelfs bij lijfsdwang, en op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

e) Art. 151 (oud). De termijnen, voorgeschreven bij de artikelen 187,

705

45

-ocr page 790-

701) WETBOEK VAN BURGERLIJKE R■■quot;GTSVORDERING.

Ü E R 1) E A F D E E L I N Ci.

Van voorloopige verzoeken en van de exceptie van onbevoegdheid. (*) d)

152. Alle vreemdelingen, eischers zijnde, of in eene aangelegde regtszaak zich voegende, of tusschenkomende, zijn gehouden ten verzoeke van de wederpartij, alvorens deze eenige weren van regten of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en der schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden, b)

De partij, welke het stellen van zekerheid verzoekt, wordt niet geacht daardoor de competentie van den regter te hebbenquot; erkend. (C. 16; Pr. 166, 423; A. 9; B. v.; Rv. 425, 153, 154, 158, 247, 285, 853,855; W. Nederl. sch., a. 12 en overgangsbepaling, derde lid (zie chron. lijst), j0. B. (oud) 8; Stb. 18ö9 n0. 124, a. 17, zie onder Rv. 97; Stb. 1884 n0. 214; Stb. 1893 n». 244.)

153. Het vonnis waarbij het stellen van zekerheid bevolen wordt, zal de som uitdrukken, tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. De eischer of tusschenkomende partij welke deze som zal geconsigneerd hebben, of welke zal bewezen hebben dat zijne onroerende goederen, gelegen in de Nederlanden, voldoende zijn om de vastgestelde som daaraan te kunnen verhalen, zal worden ontslagen van het stellen van zekerheid, mits hij, in het laatste geval, op die goederen eene hypothecaire inschrijving toesta. (Pr. 167; B. 1217, 1867; Stb. 1843 n». 38, a. 2amp; (Tar. a. 23/o); Rv. 353, 356, 616 v.)

154. Die voor eenen regter geroepen is welke onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen, zal mogen vorderen dat de regter zich onbevoegd verklare. (Pr. 168; G. 156; R. O. 1, 38 v., 53 v., 65, 66, 88 v., 9öfc; Rv. 74, 125,126, 324 n°. 3, 333, 353, 357 v., 421.)

155. (*) Ingetrokken, c)

156. C) In geval de regter onbevoegd mogt zijn uit hoofde

1S9, 143 en 14-t, moeten stiptelijk worden nagekomen, ten zij de belanghebbende partij aantoont dat zij ter harer verdediging bewijsstukken behoeft, en buiten de mogelijkheid is dezelve binnen den gewonen termijn voort te brengen. In dat geval kan de regter op verzoek van de belanghebbende partij statering van het geding ver-leenen gedurende eenen bepaalden tijd.

De uitspraak daarop is aan hooger beroep ouderworpen, o) Oorspronkelijk luidde het opschrift van deze afdeeling: „Van voorloopige verzoeken en van exoeptiënquot;.

h) Uitzonderingen; Stb. 18(i9 no. 37 en 75, a. 30; Stb. 18CÜ no. 121, a. 17 (27u.) (Zie onder art. \'J7.);_iStb. 1884 no. 214 en 227, a. 3; Stb. 1893 no. 244.

c) Art. 153 (oud). In geval de regter onbevoegd is uit hoofde van den persoon des verweerders, is deze gehouden deze zijne exceptie en de conclusie daartoe strekkende voor te stellen, alvorens eenigo andere weren van regten of eenige andere verdediging voor te dragen.

-ocr page 791-

BOEK r, TITEL III, A.RTT. 152—159.

van het onderwerp des geschils, is hij, ook al is de exceptie van onbevoegdheid niet voorgesteld, ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren, a) (R. O. 38 v., 53 v., 65,66, 88 v., 9%; Rv. 125, 154, 157, 324 n«. 3, 333, 421.)

157. (*) Indien een geding, hetwelk tot de kennisneming behoort van den kantonregter, bij de arrondissements-regt-bank is aanhangig gemaakt, en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteld, zal de arrondisse-ments-regtbank, als gewone regter, de zaak aan zich behouden en daarin ia het hoogste ressort regt spreken, h) (R. O. 38 v., 53, 54; Rv. 154, 156.)

158. (*) In zaken welke reeds te voren door eene dagvaarding voor eenen anderen regter zijn aanhangig gemaakt tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of welke reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor dezelve aanhangig zijn, of in geval het geschil aan eene zaak verknocht is, die reeds voor eenen anderen regter of scheidsmannen aanhangig is, mag de verwijzing gevraagd worden naar dien anderen regter of naar de benoemde scheidsmannen. Dit moet geschieden bij met redenen omkleede conclusie vóór alle weren, op den dag voor het voordragen der verwering bepaald.

Die verwijzing kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van eisch. c) (Pr. 171; B. 124ta; Rv. 125, 126/; g, k, I, p, q, 141amp;, 152, 276, 285, 353, 431, 620.)

159. (*) Ingeval voor denzelfden regter tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp te gelijk zaken aanhangig zijn, of voor denzelfden regter verknochte zaken aanhangig zijn, kan daarvan de voeging worden gevraagd.

Indien dit gevorderd wordt door den gedaagde, is daarop toepasselijk het voorlaatste lid van het vorig artikel.

Die voeging kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van eisch d.) (Rv. 140,141amp;, 145a, 158, 250, 285.)

а) Art. 136 (oud). In geval echter de regter onbevoegd mogt zijn uit het hoofde van het onderwerp des geschils, zal de exceptie van onbevoegdheid in eiken stand des gedings mogen worden voorgesteld, en indien zij niet wordt voorgesteld, is de regter ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren.

б) In art. 157 (oud) werden, ia plaats van de woorden; „en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet heeft voorgesteldquot;, gelezen de woorden: „en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet overeenkomstig art. 155 hierboven heeft voorgesteldquot;.

c) In art. 158 (oud) ontbrak het tweede lid en luidde de laatste zinsnede van het eerste, toen eenige, lid : „Dit moet echter geschieden alvorens eenige andere weren van regten, of eenige andere verdediging voor te dragen, met uitzondering alleen van de exceptie vermeld in artikel 155.quot;

(I) Art. 159 (oud). Dilatoire exeeptien moeten gezamenlijk, en vóór de exception waarvan in het volgende artikel wordt gehandeld, en vóór alle antwoorden ten principale worden voorgesteld.

707

-ocr page 792-

708 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

160. (*) Ingelrokkcn. a)

161. (*) Ingetrokken, h)

VIERDE A F D E E LI N G.

Van de behandeling bij geschrifte.

162. Indien eene zaak niet vatbaar schijnt voor eene mondelinge voordragt, kan de regter, het zij op verzoek van eene der partijen, het zij ambtshalve, bevelen, dat zij bij geschrifte worde behandeld, om op het rapport van eenen daartoe te benoemen regter te worden afgedaan. (Pr. 95; Rv. 46amp;, 262, 353.)

163. (*) Ingetrokken, c)

164. Binnen veertien dagen na de uitspraak van hetzelve, zal de eischer aan den verweerder eene schriftuur, inhoudende zijne middelen en conclusie, doen beteekenen en afschrift daarvan doen overgeven: dezelve zal eindigen met eenen staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

Deze schriftuur en stukken zullen binnen vier en twintig uren na de beteekening ter griffie worden overgelegd.

De akte van overlegging moet worden beteekend. (Pr. 96; Rv. 66, 140.)

Niettemin zullen erfgenamen, ivefluwen en Trouwen, liet zü uit den echt, het zij van tafel en bed, of goederen gescheiden, aanvankelijk kunnen volstaan met als dilatoire exceptie voor te dragen, dat zij nog zijn in termen van beraad.

a) Art. 160 (oud). Alle overige exceptien moeten met het antwoord te gelijk worden voorgesteld, op straffe van verwijzing in de kosten door het niet nakomen van dit voorschrift veroorzaakt.

Hiervan zijn uitgezonderdi

lo. De exceptie Tan gewijsde zaak, het zij door een regterlijk vonnis, het zij door een uitspraak van scheidsmannen:

2o. De exceptie van dading;

So. De exceptie dat de aanlegger de hoedanigheid niet bezit welke hij zich toeschrijft, of dat de verweerder de hoedanigheid niet bezit in welke hij is gedaagvaard.

Deze exceptien alleen kunnen vóór het antwoord ten principale worden voorgesteld.

Indien de verweerder van die bevoegdheid geen gebruik maakt, maar deze exceptien met zijne verdediging ten principale vereenigt, moet hij alle dezelve gezamenlijk voorstellen.

I) Art. 161 (oud). Alle exceptien, welke door partijen vóór het antwoord ten principale moeten of mogen worden voorgesteld, zullen summierlijk worden behandeld.

Die exceptien moeten op zich zelve worden uitgewezen, en mogen niet aangehouden of gevoegd worden bij de hoofdzaak.

c) Art. 1(33 (oud). Het regterlijk bevel, waarbij de schriftelijke behandeling bevolen wordt, zal worden ten uitvoer gelegd zonder dat het noodig zal aijn hetzelve te ligten of te beteekenen.

-ocr page 793-

BOEK I, TITEL III, A.RTT. 160—174.

165. Binnen de veertien dagen na de beteekening dier schriftuur, zal de verweerder inzage nemen en afschrift kunnen vragen der ter griffie overgelegde stukken, en zal zijn antwoord, houdende zijne middelen en conclusie, aan den eischer doen beteekenen, onder hetwelk zal worden gesteld een staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

Dit antwoord en deze stukken zullen insgelijks, met aanbod van afschrift, door hem worden overgelegd ter griffie, binnen vier en twintig uren na de beteekening en de akte van overlegging zal worden beteekend. (Pr. 97; Rv. 66, 141, 168, 170.)

166. Binnen gelijke termijnen kunnen de partijen schrifturen van re- en dupliek aan elkander doen beteekenen, welke op gelijke wijze, met de daartoe behoorende stukken, ter griffie moeten worden overgelegd. (Rv. 66, 142, 168.)

167. (*) In de gevallen der drie a) voorgaande artikelen kunnen de partijen elkander onderling in der minne stukken mededeelen onder recepis; artikel 149 is hier toepasselijk. 6) (Rv. 147 v., 170.)

168. Geene verdere schrifturen of stukken, welke partijen daarna mogten willen overleggen of aan elkander mededeelen, kunnen in de begrooting der kosten worden aangenomen. (Pr. 105; Rv. 96, 133d)

169. Bijaldien binnen den hier boven bepaalden termijn, eene der partijen hare stukken niet overgelegd of medegedeeld, noch ook hare schrifturen heeft doen beteekenen, kan de zaak worden beoordeeld op de stukken van de andere partij. (Pr. 98, 99, 101; Rv. 164, 165, 167.)

170. Na alloop van den hierboven bepaalden termijn, zal de griffier, ter begeerte van de meest gereede partij, de schrifturen en stukken aan den rapporteur ter hand stellen, die dezelve tegen renversaal zal overnemen. (Pr. 109; Rv. 164 v., 175, 255clt;.)

171. Bijaldien uit eenigen hoofde de rapporteur buiten staat is zijn rapport te doen, zal er een ander op de teregt-zitting worden benoemd, ten verzoeke van de meest gereede partij. (Pr. 110; Rv. 162)

172. Bijaldien het proces moet worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, zal de rapporteur zorgen dat deze mededeeling in tijds geschiede, opdat het vonnis daardoor niet worde vertraagd. (Pr. 112; Rv. 324.)

173. Het openbaar ministerie, na kennis genomen te hebben der stukken, zal dezelve binnen den kortst mogelijken termijn aan den rapporteur doen terugkomen. (Rv. 172.)

174. Het rapport zal op de teregtzitting worden gedaan, en zal daarvan op eene vorige teregtzitting aankondiging gedaan worden.

De rapporteur zal de daadzaken en de middelen opnemen, zonder zijn gevoelen te uiten.

a) O. E. 1838 en O. E. 189G; beide.

h) In art. 167 (oud) luidden de laatste woorden: artikel 150 is hier toepasselijk.quot;

709

-ocr page 794-

710 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De partijen mogen het woord niet voeren: zij kunnen alleenlijk aan den president schriftelijke aanteekeningen ter hand stellen, indien zij vermeenen dat de eene of de andere daadzaak onvolledig of niet juist door den rapporteur is voorgedragen.

Het openbaar ministerie zal worden gehoord in zaken waarin zulks volgens de wet wordt vereischt of toegelaten.

De regter zal uitspraak doen op eene door hem te bepalen teregtzitting. (Pr. 111, 112; R. O. 26a; Rv. 18, 46amp;, 324, 325, 328.)

175. Na het rapport zal de rapporteur de stukken ter griffie terug bezorgen en zijn renversaal terug nemen. (Pr. 114; Rv. 170.)

VIJFDE AFDEELING.

Van de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften en het geregtelijk onderzoek deswege.

176. Er zal een geregtelijk onderzoek plaats kunnen hebben naar de echtheid of onechtheid van geschriften, waarvan partijen zich willen bedienen:

1°. Wanneer de partij, welke men beweert een onder-handsch geschrift geschreven of onderteekend te hebben, ontkent hetzelve te hebben geschreven of onderteekend; (B. 1912 v.; Rv. 177.)

2°. Wanneer de partij, tegen wie men gebruik maakt van een onderhandsch geschrift door een\' derde geschreven of geteekend, verklaart het geschrift of de onderteekening van dengenen, dien men beweert zulks geschreven of geteekend te hebben, niet te erkennen; (B. 1912 v.; Rv. 177.)

3°. Wanneer eene der partijen beweert dat een stuk valsch of vervalscht is. (B, 1909; Rv. 178; Sr. 225 v.; Sv. 273 v, — Pr. 14, 193, 214; Rv. 353.)

177. In de gevallen bij n0. 1 en 2 van het voorgaande artikel vermeld, zal de partij, welke de echtheid van het door haar overgelegde, doch door hare wederpartij betwiste geschrift staande wil houden en zich daarvan wil bedienen, kunnen vorderen dat zij worde toegelaten om de echtheid van hetzelve, het zij door bescheiden, het zij door deskundigen of door getuigen, te staven. (Pr. 195; B. 1904 v., 1932 v.; Rv. 179, 182, 222 v.)

178. In het geval bij n0. 3 van het voorlaatste artikel vermeld, zal de partij welke beweert dat een overgelegd stuk valsch of vervalscht is, kunnen vorderen om tot bewijs daarvan te worden toegelaten, het zij door bescheiden., het zij door deskundigen, het zij door getuigen.

Zij zal echter daartoe niet worden toegelaten, dan na alvorens, ter griffie van de regtbank te hebben overgelegd

-ocr page 795-

DOEK I, TITtX Hf, ARTT. 175—182.

eene akte door haar zelve geleekend, of wel door eenen bijzonderen gevolmagtigde, daartoe, bij authentieke akte, bepaaldelijk gemagtigd, en inhoudende de stellige verklaring dat het bewuste stuk door haar voor valsch of ver-valscht wordt gehouden, mitsgaders de daadzaken, omstandigheden en bewijsmiddelen, door welke zij zich voorstelt die valschheid of vervalsching te zullen bewijzen. (Pr. 229, 232; Rv. 179, 182, 222 v.; Sv. 273; B. 1904v., 1909,1932.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 7 April 1869 (quot;Stb. n0. 55). a)

179. In de gevallen, bij de twee laatste artikelen vermeld, zal de meest gercede partij het gerezen geschil aan des regters onderzoek en uitspraak onderwerpen, bij eenvoudige akte van procureur tot procureur. (Pr. 199, 218.)

180. Ten dage dienende zal de partij welke het stuk heeft overgelegd, moeten verklaren of zij zich daarvan wil bedienen.

Indien zij weigert te antwoorden, of verklaart zich van het stuk niet te willen bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden.

Indien zij niet verschijnt, beveelt de regter eene tweede oproeping, te beteekenen op de wijze als bij het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-verschijning op die tweede oproeping, bij weige-ring om te antwoorden, of bij verklaring dat zij zich van het stuk niet wil bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden. (Pr. 199, 216, 217; Rv. 133, 137, 182.)

181. Bijaldien de partij verklaart dat zij zich van het stuk denkt te bedienen, zal de andere partij moeten verklaren, of zij er bij blijft om, het zij het geschrift of de handteekening te ontkennen, het zij dezelve niet te erkennen, het zij het stuk van valschheid te betichten.

Indien zij weigert te antwoorden of niet volhardt bij hare eerste verklaring, zal het stuk in het geding worden toegelaten.

Indien zij niet verschijnt, handelt de regter, zoo als bij het derde lid van het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-verschijning op de tweede oproeping, bij weigering om te antwoorden, of bij niet-volharding in hare eerste verklaring, wordt het stuk in het geding toegelaten. (Pr. 194, 199. 217, 218; Rv. 176, 180, 182.)

711

182. Bij verschijning van beide partijen en volharding bij hare vroegere beweringen, beveelt de regter dat ten dage door hem te bepalen, doch ten minste na veertien dagen, over de echtheid of onechtheid des stuks geregtelijk onderzoek zal plaats hebben, en voor zoo verre hij niet gevoeglijk zelf dat onderzoek kan verrigten, benoemt hij te dien einde eenen regter-commissaris benevens drie deskundigen. (Sr. 192 n». 2.)

a) Oorspronkelijk werden tussclien de woorden „alvorensquot; en „ter griffiequot; nog gelezen de woorden: „onder consignatie eener som van honderd vijftig gulden.quot;

-ocr page 796-

712 WETBOEK VAN BUUGliUUJKE KEGTÖVOUDERIXG.

Voor zoo verre echter partijen mogten kunnen overeenkomen in de keus der deskundigen, zal de regter daarin kunnen berusten.

Deze uitspraak zal tevens den last inhouden dat het betwiste stuk, behoorlijk omschreven en door den voorzitter en den griffier gewaarmerkt, ter griffie overgebragt en aldaar bewaard worde, behoudens het vermogen van partijen om van hetzelve, mitsgaders van de akte van omschrijving en overbrenging ter griffie, aldaar, visie of afschrift te kunnen nemen. (Pr. 196, 198, 203, 218 v., 225 v., 228, 232; B. 1914; Rv. 176,177,178,22-2 v.,324 nMl; Sv. 273 v., 283.)

183. Ten bepaalden dage moeten de partijen voor den regter of voor den regter-commissaris verschijnen, ten einde overeen te komen wegens de stukken van vergelijking.

Indien eene der partijen niet verschijnt, beveelt de regter eene nadere oproeping tegen eenen te bepalen dag. Wanneer op dien dag de partij, welke van het stuk wil gebruik maken, niet verschijnt, wordt het stuk buiten het geding gehouden.

Bij niet-verschijning van de wederpartij, verklaart de regter dat het stuk wordt gehouden voor erkend.

Indien beide partijen voor de eerste reize wegblijven, kan de regter den aanleg in het stuk van valschheid dadelijk vervallen verklaren of eene tweede verschijning bevelen. (Pr. 199, 234, 236 n®. 1; Rv. 180, 181, 184 v., 324 nMl.)

184. Bijaldien de partijen niet overeenkomen over de stukken van vergelijking, zal de regter geene andere als zoodanige mogen aannemen, dan;

1°. Authentieke akten; (B. 1905 v.)

2°. Onderhandsche geschriften door de partijen erkend; (B. 1911, 1912 v.)

36. Het overige gedeelte van het overgelegde stuk, bijaldien het verifiëren alleen een gedeelte daarvan betreft; of,

4®. Hetgeen de partij gehouden zal zijn te schrijven, achtervolgens mondelinge vóórzegging en in tegenwoordigheid van den regter of regter-commissaris.

De weigering van schrijven kan tengevolge hebben de erkenning van het stuk. (Pr. 200, 236; B. 1959; Sv. 279 v.)

185. In geval de stukken ter vergelijking dienende in handen van openbare of andere bewaarders zijn, zal de regter of regter-commissaris bevelen dat de houders dier stukken dezelve overbrengen op den door den regter of regter-commissaris vastgestelden dag en uur, en ter plaatse waar het onderzoek gedaan zal worden, op straffe dat de openbare bewaarder van zoodanige stukken bij lijfsdwang, en de andere langs den gewonen weg van regten, daartoe genoodzaakt zullen worden, behoudens ook het middel van lijfsdwang ten aanzien der laatste, in geval daartoe termen zijn. (Pr. 201; Rv. 188, 324 n0. 11, 585 n». 6, 589; B. 1275; Sv. 276 v.; Sr. 193 n0. 2.)

186. In geval de stukken ter vergelijking niet overgebragt kunnen worden, of de woonplaats der houders te zeer verwijderd is, wordt het aan het doorzigt van den regter overgelaten, op het verslag van den regter-commissaris

-ocr page 797-

BOEK r, TITEL. Ill, AHTT. 183 —189.

en na het openbaar ministerie gehoord te hebben, te bevelen dat het onderzoek zal geschieden bij den regter ter plaatse alwaar de houder woonachtig is of van de naast daaraan gelegene plaats, of wel dat binnen eenen bepaalden termijn de stukken ter griffie ingezonden zullen worden, op zoodanige wijze als de regter zal voorschrijven. (Pr. 20\'2; B. 16 v.; R. O. 25; Rv. 187, 324 n®. 11.)

187. Bijaldien, in dit laatste geval, de houder een openbaar persoon is, zal hij vooraf een afschrift van de stukken maken, hetwelk tegen het oorspronkelijke vergeleken en geteekend zal worden door den voorzitter der regtbank van zijn arrondissement, die daarvan proces-verbaal zal opmaken. Dat afschrift zal door den bewaarder bij zijne oorspronkelijke stukken of minuten gelegd worden, om in de plaats te treden van het oorspronkelijke stuk of stukken, tot op de terugzending van het laafstgemelde, en hij zal daarvan grossen en uitgiften mogen uitleveren, met vermelding van het proces-verbaal daarvan opgemaakt.

De kosten worden door den eischer van verificatie aan den bewaarder te goed gedaan, volgens de begrooting of waardering daarvan te doen door den regter die het procesverbaal heeft opgemaakt, naar hetwelk het bevel van ten uitvoerlegging uitgevaardigd zal worden. (Pr. 203; Rv. 176, 186, 189; Sv. 279; W. not. ambt, a. 41.)

188. De meest gereede partij zal bij exploit doen oproepen de deskundigen, indien er zoodanigen benoemd zijn, en de bewaarders, om zich te laten vinden ter plaatse, ten dage en ure bij het bevelschrift van den regter of regter-commissaris bepaald, en wel de deskundigen om den eed af te leggen, en om eenen aanvang te maken met het onderzoek en om hun berigt op te maken, voorts de bewaarders, ten einde over te leggen de stukken van vergelijking, en van dit alles zal proces-verbaal worden opgemaakt.

De partij zal worden opgeroepen, bij eene akte beteekend ter gekozene woonplaats, ten einde daarbij tegenwoordig te zijn. (Pr. 204; Rv. 5, 13, 133, 137, 185 v., 222 v., 324 n0. 11; Sr. 444.)

189. Wanneer de stukken door de houders vertoond zijn, wordt het aan het doorzigt van den regter of regter-commissaris overgelaten te bevelen, dat zij ter bewaring van gezegde stukken bij het doen van het onderzoek tegenwoordig zullen blijven, en dezelve bij elke daartoe noodige zitting terug nemen en wederom leveren, of wel te bevelen dat de stukken in handen van den griffier ter bewaring gesteld zullen worden.

In hot laatste geval zal de houder, indien hij een openbaar persoon is, afschrift daarvan mogen nemen, zoo ais bij artikel 187 gezegd is, en zulks, ofschoon de plaats, waar het onderzoek geschiedt, buiten het arrondissement ligt waarin de houder het regt heeft akten te maken.

In dat geval geschiedt de vergelijking bij den voorzitter der arrondissements-regtbank onder welks gebied het stuk zich tijdelijk bevindt. (Pr. 205; B. 1905; W. not. ambt, a. 7; Rv. 324 n0. 11.)

713

-ocr page 798-

714 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

190. (♦) De deskundigen zullen beëedigd worden.

De stukken zullen hun worden medegedeeld, waarna zij hun berigt schriftelijk en met redenen bekleed uitbrengen.

De bepalingen van artikel 225, 227, 2-29, 232, 235 en 236 zijn ten deze mede toepasselijk, a) (Pr. 197,207,208,210a, 236; Rv. 101c, 107, 120, 188, 230, 231, 232; Sv. 283; Sr. 192 n0. 2.)

191. Als getuigen kunnen worden gehoord de zoodanigen welke het geschrift hebben zien schrijven of teekenen, of die kennis hebben van de daadzaken, welke dienen kunnen om de waarheid te ontdekken.

De ontkende stukken, of die, welke niet erkend zijn of beticht zijn van valschheid, worden hun vertoond, door hen gewaarmerkt, en verder worden nagekomen de voorschriften op het getuigenverhoor. (Pr. 211 v., 234; B. 1932 v.; Rv. 177, 178a, 199 v.; Sv. 281; Sr. 192 n». 2, 444.)

192. (♦) Wanneer het onderzoek is afgeloopen, zal de meest gereede partij de zaak op de teregtzitting brengen, en voort-procederen bij eenvoudige akte van procureur tot procureur, b) (Pr. 238; Rv. 182a, 186, 188a.)

193. Indien uit het geding vermoedens van valschheid of van vervalsching tegen nog levende personen ontstaan, beveelt de regter dat de stukken in handen van het openbaar ministerie worden gesteld, ten einde bij den bevoegden regter in strafzaken te worden onderzocht.

Het burgerlijk geschil blijft geschorst tot na de beslissing van den regter in strafzaken. (Pr. 239, 240; B. 1909,1955; Rv. 325; Sv. 4, 5, 23 v., 275; Sr. 69, 225 v.)

194. Wanneer de burgerlijke regter, bij het afdoen van de beweerde valschheid, het ter zijde leggen, verscheuren of doorhalen, in het geheel of ten deele, of zelfs het verbeteren en in orde brengen der valsche of vervalscht verklaarde stukken beveelt, zal de uitvoering van dit punt van het vonnis opgeschorst blijven, zoo lang de termijn om in hooger beroep te komen, request civiel of cassatie te verzoeken, voor den veroordeelde loopende is, of hij niet in het vonnis berust heeft. (Pr. 241; Rv. 334, 839, 361, 385, 398, 399.)

195. Het vonnis waarbij uitspraak gedaan wordt over de echtheid of de onechtheid van het betwiste geschrift, zal tevens moeten bevelen den termijn, binnen welken, en de wijze waarop de door de partijen, getuigen of bewaarders overgelegde stukken moeten worden terug gegeven. (Pr. 242; Rv. 183 v., 324 n». 11; Sv. 286.)

196—198. Ingetrokken hij art. 1 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). c)

o) In art. 190 (oud) derde lid ontbrak de toepasselijk-verklaring van art. 232.

h) In art. 192 (oud) volgden aan het slot nog do woorden: „tevens met betcekening van het proces-verbaal van onderzoekquot;.

c) Zij luidden;

Artikel 196. In geval het bewezen is, dat het stuk geschreven is

-ocr page 799-

BOEK I, TITEL III, lt;VRTT. 190—200.

ZESDE AFDEELING.

Van getuigenverhoor.

199. Indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn, en het bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, zal de regter, op verzoek van eene der partijen, een getuigenverhoor bevelen.

Hij kan dit ook ambtshalve bevelen, indien hij tot de beslissing der zaak zulks dienstig en noodig acht.

Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (Pr. 253 v., 256; B. 1903, Ï932 v.; K. 16; Rv. 103, 200, 853.)

200. (*) liet getuigenverhoor wordt bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij den tweeden titel van dit boek, met uitzondering van het bepaalde bij het eerste en het tweede lid van artikel 119 en bij artikel 121, en met dien verstande, dat de in artikel 106 bedoelde overgifte van afschrift van het vonnis zal geschieden, ook al is de procureur der wederpartij bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig geweest. (Rv. 103—121.)

Indien de getuigen te verre verwijderd wonen of verhinderd worden om te kunnen opkomen, kan de regter het verhoor opdragen aan eenen regter-commissaris of aan den kantonregter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97.)

Indien de getuigen wonen buiten het regtsgebied van het regterlijk collegie, kan dit het verhoor opdragen aan de arrondissements-regtbank of den kantonregter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97, 126.)

In de gevallen, bedoeld in het tweede en het derde lid van dit artikel, is het bepaalde bij het vierde )id van artikel 119 toepasselijk en wordt van het verhoor altijd procesverbaal opgemaakt. Niettemin vervalt het voorschrift be

door dengeen die liet had ontkend, zal hij bij hetzelfde vonnis in eene boete van honderd gulden worden verwezen, onverminderd do vergoeding van kosten, schaden en interessen, zelfs bij lijfsdwang te verhalen.

De lijfsdwang kan zelfs ten aanzien der hoofdzaak worden uitgesproken.

Artikel 117. In geval, door des regters uitspraak, een stuk, door eene der partijen van valschheid beticht, verklaard wordt niet valsch te zijn, zal die partij verwezen worden in eene boete van niet minder dan honderd vijftig en niet hooger dan drie honderd gulden, en bovendien tot vergoeding van kosten, schaden en interessen aan hare partij.

Deze veroordeelingen kunnen zelfs bij lijfsdwang worden ten uitvoer gelegd.

Ten aanzien der hoofdzaak geldt de bepaling van het laatste lid des vorigen artikels.

Artikel UK Do teruggave van de geconsigneerde boete zal worden bevolen in het geval waarin het stuk zal zijn verklaard valsch of ver-valscht, of wanneer hetzelve uit het geding verworpen is.

715

-ocr page 800-

716 WBTBOEIC VA.N BÜRGËRUJKE REGTSVORDEUFNG.

treffende de in artikel 119 bedoelde beteekening, indien het verhoor ten huize van den getuige plaats heeft. a)(Rv. 110, 111. — Pr. 407 v., 1035; Rv. 226b.)

201. Wanneer in zaken van bezitregt, het bezit of de stoornis ontkend wordt, zal het verhoor van getuigen, dat dienaangaande bevolen wordt, zich niet mogen uitstrekken tot het regt op de zaak zelve (het petitoir). (Pr. 24; B. 606, 613, 618, 619, 629; Rv. 103c, 130 v., 250 n0. 3.)

202. (*) Na afloop van het getuigenverhoor, of indien dit achterwege blijft, bepaalt de regter den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, b) (Rv. 112, 119cJ, 199 v.)

203. (*) Behoudens het bepaalde bij het derde lid van artikel 119 en bij het tweede en derde lid van artikel 200, en voor zooveel ontslag, overlijden, ziekte van langdurigen aard of eene andere dergelijke oorzaak het niet noodzakelijk maakt, zullen regters, die het getuigenverhoor niet hebben bijgewoond, niet mogen medewerken tot de uitspraak over de zaak, waarin dat verhoor gehouden is.

Van de afwijking van dezen regel en de oorzaak daarvan wordt in de uitspraak melding gemaakt. De noodzakelijkheid der afwijking wordt uitsluitend door het collegie, dat haar toepast, beoordeeld, zonder dat daartegen eenige voorziening openstaat, c) (Rv. 109a j0 200a, 332; R. I, a. 22 v., 26.)

204. (*) Ingetrokken, d)

205. (*) Ingetrokken, ë)

a) In art. 2)0 (oud) luidde liot eerste lid; „In zaken vaq summiere behandeling wordt het getuigenverhoor bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij deu tweeden titel van dit boek, met uitzondering van het bepaalde bij artikel 119 en 121quot;; en luidde het vierde lid: „In deze gevallen wordt altijd van hot verhoor proces-verbaal opgemaakt.quot;

h) Art. 202 (oud). In zaken van gewone behandeling moeten de daadzaken, welke eene partij door getuigen wil bewijzen, bepaaldelijk worden uitgedrukt bij eene akte van conclusie, van procureur tot procureur te beteekenen.

Zij moeten bij gelijke akte binnen acht dagen worden ontkend of erkend, en kunnen anderzins voor erkend worden gehouden.

c) Art. 203 (oud). Indien de daadzaken, die ontkend worden ter zake dienende en afdoende zijn, wordt het getuigenbewijs bij vonnis bevolen.

ri) Art. 201 (oud). Bij dit vonnis, liet zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve gewezen, bevoelt de regter dat hot getuigenverhoor zal plaats hebben op de teregtzittiug of voor eenen door hem benoemden regter-commissaris.

e) Art. 205 (oud). In de gevallen, bedoeld bij het tweede lid van artikel 200, wordt gehandeld ovcreenkoinstig hetgeen daar is bepaald.

In die gevallen wordt altijd van het verhoor proces-verbaal opgemaakt.

Het getuigenverhoor zal altijd met gesloten deuren plaats hebben.

-ocr page 801-

BOEK I, T1TEI, III, ARTT. \'201 — 218.

206—218. (*) Ingetrokken, a)

a) Deze artikelen luidden i

Art. 20(i (ond). Indien liet verhoor plaats heeft op de teregtzitting, moeten de regelen, voorgeschreven in summiere z.iken, worden nagekomen.

Art. 207 (oud). Indien het verhoor voor eenen rugter-commissaris plaats heeft, moeten de volgende regelen worden in acht genomen.

Art. 208 (oud). Het vonnis moet, behalve de daadzaken welker bewijs wordt toegelaten of Ijevolen, inhouden:

lo. De benoeming van eenen regter-commissaris;

2o. Den termijn binnen welken het bevel ter dagvaarding der getuigen aan den regter-commissaris moet worden gevraagd.

Deze termijn begint te loepen van den dag der beteekening van het vonnis door de meest gereede partij.

Art. 209 (oud). Binnen dezen termijn moet de partij, aan welke het getuigenverhoor is opgelegd, zich bij requeste wenden tot den regter-commissaris, ten einde te bekomen het bevel tot dagvaarding der getuigen op de plaats, den dag en het uur door denzelven te bepalen.

Bij verzuim hiervan zal zij niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten.

Art. 210 (oud). Die partij is verder verpligt, op straffe van nietigheid, ten minste vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, het bevel aan. hare wederpartij te doen beteekenen, met opgave van de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren.

Deze beteekening zal geschieden aan den procureur der wederpartij, zoo er een is, en anders aan derzelver persoon of woonplaats.

Art. 211 (oud). Indien cle wederpartij van hare zijde voor het tegenbewijs, waartoe de wet haar liet regt geeft, insgelijks getuigen mogt willen doen hooren, kan zij dezelve mede tegen den bepaalden dag doen oproepen. Zij zullen echter niet mogen gehoord worden, indien hunne namen en woonplaatsen niet ten minste vier en twintig uren vóór den bepaalden dag aau den proeureur der partij zijn beteekend.

Art. 212 (oud). Van het getuigenverhoor zal altijd proces-verbaal worden opgemaakt.

Art. 213 (oud). De partijen zijn gehouden hare wrakingen met de redenen derzelve vóór liet afleggen van het getuigenis op te geven; de gewraakte getuige is -verpligt zich hierop te verklaren.

Art. 211 (oud). Indien de partij, die eenen getuige gewraakt heeft, in hare wraking blijft volharden, kan de gewraakte getuige voor-loopig niet gehoord worden, maar zal de regter-commissaris partijen zonder nadere dagvaarding of sommatie naar eene door hem te bepalen teregtzitting verwijzen, alwaar over de wraking summierlijk zal worden beslist.

De regter-commissaris zal intusschen met het hooren der andere getuigen kunnen voortgxan.

Indien echter partijen, zonder voorbehoud van hooger beroep, zich aan de uitspraak van den regter-commissaris over de wraking mogten willen onderwerpen, zal deze over de wraking onmiddellijk zelf kunnen beslissen.

Art. 215 (oud). De bepalingen van de artikelen 105, 107, 109, 111, 11S, 114, 115, 116, 117, 118, 119 cn 120 zijn mede op het getuigenverhoor voor den regter-commissaris toepasselijk.

Art. 210 (oud). Indien de wederpartij ten gevolge van het getuigen-

717

-ocr page 802-

718 WETBOEK VA.X BURGERLIJKE REGIS VORDERING.

ZEVENDE AFDEELING.

Van geregtelijke plaatsopneming en bezigtiging. (*) a)

219. (*) Indien het hof of de regtbank, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een of meerder leden welke over de zaak hebben gezeten, verzeld van den griffier, zich zullen begeven op de plaats welke in oogenschouw moet worden genomen, ten einde derzei ver staat en gelegenheid op te nemen, en daarvan eene akte van bevinding uit te brengen,, het zij alleen, het zij met behulp van deskundigen.

Op gelijke wijze en met gelijk doeleinde kan bij vonnis bevolen worden eene bezigtiging van roerende zaken, die niet of bezwaarlijk ter teregtzitting kunnen worden over-gebragt.

Het vonnis bepaalt den tijd der plaatsopneming of den tijd en de plaats der bezigtiging, den termijn, binnen welken het in artikel 2*20 bedoelde proces-verbaal ter griffie moet zijn nedergelegd, en de teregtzitting, waarin partijen zullen worden toegelaten om voort te procederen, b) (Pr. 295 v.; B. 565 v.; Rv. 46, 101, 202, 22la, 353).

220. (*) De griffier £al proces-verbaal der handelingen, welke op de plaats zijn voorgevallen, opmaken, c)

verhoor noodig mogt oorduelou om voor tegenbewijs nog nadere getuigen te doen hooren, zal zij daartoe bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor verzoek doen, en de regter-commissaris zal haar eenen termijn verleenen, met bepaling van den dag en het uur waarop dat r ider getuigenverhoor zal plaats hebben. Zij is verpligt, op straffe van nietigheid, uiterlijk vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren, aan hare partij te doen betee-kenen; er zal echter aan. die partij geene nadere oproeping gedaan worden.

Art. 217 (oudgt;. Indien een getuige, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt: geworden, kan de belanghebbende partij bij het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan den regter-commissaris mede eenen naderen termijn verzoeken.

Art. 218 (oud). De termijn om het verhoor te houden verstreken zijnde, zal de meest gereede partij afschrift der processen-verbaal aau de wederpartij doen beteekenen en de zaak voortzetten.

o) Oorspronkelijk ontbraken aan het opschrift van deze afdeeling de woorden; „en bezigtigingquot;.

Ij) In art. 219 (oud) ontbrak het tweede lid en werden in plaats van het nu derde lid gelezen het toen tweede en derde lid luidende: „Het benoemde lid of de benoemde leden bepalen bij bevelschrift de plaats, den dag en het uur der opneming, ten verzoeke van de moeste gereede party.

De bevelschrift wordt bij akte van procureur tot procureur be-teekend, en geldt als oproeping.quot;

c) In art. 220 (oud) volgden aan het slot nog de woorden: „De

-ocr page 803-

BOEK I, TITEL UI, ARTT. 219—224.

221. (*) De reiskosten zullen door de partij, te wier verzoeke de opneming of bezigtiging geschiedt, voorgeschoten en ter griffie overgebragt te worden.

Indien de regter de plaatsopneming of bezigtiging ambtshalve beveelt, zal hij tevens bevelen door wien de kosten zullen worden voorgeschoten, a) (Pr. 301; Rv. 56.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van berigt van deskundigen.

222. Indien het hof of de regtbank, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een onderzoek of opneming door deskundigen worde bewerkstelligd.

Dit vonnis zal het voorwerp van het onderzoek of van de opneming duidelijk uitdrukken, benevens de benoeming van drie deskundigen.

Indien echter beide partijen verzoeken dat het onderzoek zal gedaan worden door slechts éénen deskundige, zal er niet meer dan één worden benoemd. (Pr. 302 v.; B. 454cJ, 536, 1123d, 1122, 1264, i605; Rv. 46, 101, 178a, 182,223, 244, 247, 353.)

223. (*) Indien partijen op de teregtzitting overeengekomen zijn omtrent den persoon of de drie personen, welke zij als deskundigen verlangen, zullen deze bij hetzelfde vonnis worden benoemd.

Indien partijen over de personen niet zijn overeengekomen, zal het vonnis bevelen dat partijen dezelve binnen acht dagen na de uitspraak zullen noemen, en dat bij gebreke van dien tot de bevolene verrigting zal worden overgegaan door deskundigen bij hetzelfde vonnis ambtshalve te benoemen, h)

Binnen den bovengemelden termijn zullen partijen, wanneer zij omtrent de benoeming van deskundigen zijn overeengekomen, daarvan verklaring ter griffie doen. (Pr. 304 v.; Rv. 80, 222)

224. {*) Bij het vonnis in het voorgaande artikel gemeld zal bepaald worden de dag en het uur der eedsaflegging van de benoemde deskundigen.

Echter zal het hof of de regtbank mogen bevelen dat

meest gereetle partij zal daarvan een afschrift beteekenen aan hare wederpartij en zal voortprocederen bij akte van procureur tot procureur.quot;

a) In art. 221 (oud) ontbraken in het eerste lid en in het tweede lid de woorden : „of bezigtigingquot;.

b) In art. 223 (oud) tweede lid werden, in plaats van de woorden: „acht dagen na de uitspraakquot;, gelezen de woorden : „drie dagen na de beteekeningquot;.

719

-ocr page 804-

720 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

die eed worde afgelegd voor den regter van het kanton waarin de bevolene verrigting moet plaats hebben.

Na verloop van den in het voorgaande artikel bepaalden termijn zal de meest gereede partij de deskundigen oproepen om den eed af te leggen bij een exploit, dat de regterlijke opdragt inhoudt: deze oproeping zal gedaan worden ten minste drie dagen voor den dag tot het afleggen van den eed bepaald. Partijen behoeven bij de eedsaflegging niet tegenwoordig te zijn. a) (Pr. 305, 307; Rv. 101, 229, 230.)

225. (*) De deskundigen van ambtswege benoemd, kunnen gewraakt worden uit denzelfden hoofde als de getuigen.

De deskundigen door partijen aangewezen, kunnen niet gewraakt worden dan uit hoofde van oorzaken, welke na de benoeming en vóór de aflegging van den eed mogten zijn opgekomen.

De wraking moet altijd vóór de eedsaflegging worden voorgesteld. Ue deskundige wordt, zoo hij verschijnt, gehoord; de regter doet uitspraak zonder hooger beroep, h) (Pr. 308, 310 v.; B. 1950; Rv. 42, 108, 125, 190c, 226, 227.)

226. (*) De wraking moet worden voorgesteld binnen drie dagen na de benoeming, bij eenvoudige akte, houdende de gronden der wraking, en de bewijzen daartoe strekkende, of het aanbod om de wraking met getuigen te staven.

In het laatste geval kan de regter het bewijs door getuigen bevelen. Na verloop van voormelden termijn wordt de wraking niet meer toegelaten, c) (Pr. 309, 311; Rv. 200, 225.)

227. In geval de wraking aangenomen wordt, zal of zullen bij hetzelfde gewijsde van ambtswege een of meer nieuwe deskundige personen, in plaats van den gewraakten of de gewraakte benoemd worden. (Pr. 313; Rv. 190e, 222c, 225o.)

Het tweede lid is ingetrokken bij art. 4 der Wet van 1 April 1869 (Stb n0. 55). d)

228. (*) De regter bepaalt bij eene in het proces-verbaal der eedsaflegging op te nemen beslissing, na verhoor der des-

a) In art. 221 (ond) laatste lid werden, in plaats van de woorden: „do deskundigen oproepen om den eed af te leggen bij een exploit, dat de regterlijke opdragt inliondtquot;, gelezen de woorden: „hot vonnis aan de \'benoemde deskundigen doen beteekenen, met cproe-ping om den eed af te leggenquot;.

h) In art. 225 (oud) luidde de laatste zinsnede; „Zij zal summierlijk beslist worden en het vonnis zal niet vatbaar zijn voor hooger beroepquot;.

c) In art. 22G (oud) tweede lid volgden achter de eerste zinsnede nog de woorden; „op de wijze ten aanzien van het getuigenverhoor in summiere zaken voorgeschreven.quot;

d) Het luidde: „In geval de wraking verworpen wordt, zal de partij, die haar voorgesteld heeft, in zoodanige schaden en interessen verwezen worden alp. bevonden zal worden te behooren, zelfs jegens den gewraakten persoon, indien hij zulks vordert; maar in dit laatste geval, kan hij in de zaak in geschil niet als deskundige blijven.quot;

-ocr page 805-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 2-25—232.

kundigen en der partijen, voor zooverre deze tegenwoordig zijn, de plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de deskundigen tot het onderzoek zullen overgaan, den termijn binnen welken zij hun schriftelijk berigt ter griffie zullen inleveren en de teregtzitting bestemd tot de voortzetting der zaak.

Wanneer op dien dag het berigt van deskundigen nog niet mogt zijn ingekomen, zal de regter op verzoek van partijen of eene van haar een naderen dag tot de voortzetting der zaak kunnen bepalen, a) (Pr. 315; Rv. 101,219c, 224,232a; Stb. 1843 n0. 37, a. 1c en 7; Stb. 1843 n0. 38, a. 2cn0.5 en d (Tar., 1c en 7, 23c n0. 5 en d.).)

229. Indien een benoemde deskundige de benoeming niet aanneemt, of ten opgegeven dage en ure niet verschijnt, het zij ter aflegging van den eed, het zij tot de bevolene verrigting, zullen partijen dadelijk overeenkomen omeenen anderen in zijne plaats te benoemen; bij gebreke van dien kan de regter de benoeming ambtshalve doen.

De benoemde die, na den eed te hebben afgelegd, de aargenomen verrigting niet uitvoert, kan door den regter, die hem benoemd heeft, verwezen worden in alle de kosten door de nalatigheid veroorzaakt, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 316; Rv. 190c, 222, 223, 233; B. 1854; Sr. 192 n». 2, 444.)

230. Het afschrift van de regterlijke uitspraak en de benoodigde stukken zullen aan de deskundigen worden ter hand gesteld.

Partijen zullen bij het onderzoek aan de deskundigen zoodanige voordragten en vorderingen mogen doen, als zij zullen goedvinden, en daarvan zal melding gemaakt worden bij het berigt. (Pr. 317; Rv. 224c, 235.)

231. De deskundigen maken, na raadpleging, hun berigt met redenen bekleed schriftelijk op, bij meerderheid van stemmen.

In geval van verschil van gevoelen, mogen zij echter de onderscheidene gevoelens met de gronden van dien opgeven, zonder bekend te maken welk het persoonlijk gevoelen van ieder van hen is.

Het berigt wordt gedagteekend en door allen onderteekend.

Indien geen der deskundigen zich daartoe in staat bevindt, wordt hetzelve door den griffier van het kantongeregt van de plaats waar de werkzaamheden zijn verrigt, opgemaakt en door hem medegeteekend. (Pr. 317,318; Rv. 102amp;, 111c, 230amp;; B. OSG/.)

232. (*) De deskundigen zullen gehouden zijn, op straffe

a) Art. 228 (oud). Het proces-verbaal van eedsaflegging moet iu-hondou de opgave van de plaats, den dag en het uur door de deskundigen te doen tot het verrigten hunner werkzaamheden.

Indien partijen bij de eedsaflegging tegenwoordig zijn, geldt deze opgave als oproeping.

De afwezige partij zal bij akte van procureur tot procureur, of, indien er geen procureur is, bij exploit aan den persoon of de woonplaats worden opgeroepen.

4ti

721

-ocr page 806-

722 WETBOEK VAN EÜRGERLIJKE REGTSVORDERING.

van schaden en interessen, het berigt op de griffie van het hof of van de regtbank, die de opneming bevolen heeft, over te brengen binnen den volgens artikel 228 van dit wetboek bepaalden termijn; de griffier zal van die overbrenging doen blijken, a) (Sr. 192 nquot;. 2.)

Hunne vacatiën zullen door den voorzitter aan den voet van de minuut begroot worden, en daarvan zal een bevelschrift van ten uitvoerlegging uitgegeven worden, ten laste van de partij die de opneming verzocht heeft, of die dezelve, in geval zij van ambtswege bevolen is geweest, vervolgd heeft. (Pr. 319; Rv. 120, 190c, 224f, 229; Stb. 1843 n0. 40, a. 2 v. (Tar., a. 61 v).)

233. (.*) Bij weigering of vertraging van hetgeen in het eerste lid des vorigen artikels is voorgeschreven, kunnen de deskundigen door de meest gereede partij bij denregter welke hen heeft benoemd, worden gedagvaard, ten einde zelfs bij lijfsdwang tot het ter griffie nederleggen van het berigt te worden veroordeeld.

De regter doet uitspraak, de verschenen deskundigen gehoord, zonder voorafgaande conclusiên. b) (Pr. 320; Rv. 229, 232, 585 n». 11.)

234. (*) Ingetrokken, c)

235. Indien de regter in het berigt de vereischte inlichting niet bevindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, welke aan de vroegere zoodanige ophelderingen mogen vragen als zij oirbaar achten. (Pr. 322; Rv. 190c, 222, 230, 231.)

236. De regter is in geen geval verpligt het door de deskundigen geuit gevoelen te volgen, indien zijne overtuiging daartegen strijdt. (Pr. 323; B. 1945; Rv. 190c, 231.)

NEGENDE A E D E E L I N G.

Van het hooren der partijen.

237. (*) Partijen mogen bij incidentele conclusie verzoeken om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren. De conclusie zal de feiten en vraagpunten inhouden.

Indien eene partij, nadat de dag voor het houden der pleidooijen reeds bepaald is, zoodanig verhoor nog wenscht

lt;0 In art. \'232 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: „binnen den volgens artikel 228 van dit wetboek bepaalden termijnquot;, gelezen de woorden: „binnen den termijn door den regter de bepalenquot;

b) In art. 233 (oud) werd het laatste lid gelezen: „De regtsple-ging hierover geschiedt summierlijk en zonder verdere instructiequot;.

c) Art. 23t (oud). De meest gereede partij zal aan de wederpartij een afschrift van het berigt doen beteekenen, en voortprocederen bij akte van procureur tot procureur.

-ocr page 807-

BOEK I, TITEL UI, ARTT. 233-241.

te vragen, zal zij daartoe aan den regter een verzoekschrift moeten inleveren, de feiten en vraagpunten inhoudende, en dit aan de wederpartij doen beteekenen. De behandeling van dit verzoek zal alsdan, zonder nadere conclusie van de verzoekende partij, geschieden tegelijk met die pleidooijen, als wanneer de wederpartij geregtigd zal zijn op dat verzoek mondeling en ook bij conclusie te antwoorden.

Indien de wederpartij in een der gevallen, bij het eerste of tweede lid van dit artikel bedoeld, de gestelde feiten erkent, zal het verhoor vervallen, a) (Pr. 324, 323; B. \'1960 v.; Rv. 125, 133c. 144, 145b en c, 199, 247, 274, 287, 345, 353.)

238 (*) De regter zal naauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn; hij zal de zoo-danigen, die hij als strikvragen beschouwt, ter zijde stellen, of het verhoor der partij, zoo daartoe termen zijn, geheel van de hand wijzen.

De regter zal dit laatste evenzeer kunnen doen, indien in het geval in het tweede lid van artikel 237 omschreven, het verzoek zoo laat is geschied, dat de wederpartij buiten staat is, zich daarover uit te laten, b) (Rv. 46, 99, 147c, 247; Sv. 103.)

239. (*) Indien de regter het hooren der partijen toestaat, zal hij bij een vonnis gelasten dat dezelve, voor hem in de raadkamer, ten bepaalden dage en ure verschijnen, ten einde op vraagpunten te worden gehoord, c) (Pr. 327, 329; Rv, 46, 66, 237, 241.)

240. In geval van verwijderde woonplaats of van wettige verhindering, zal het hof of de regtbank, na het hooren der partij te hebben toegestaan, den regter van het kanton van derzelver woonplaats daartoe mogen magtigen. (Pr. 326,328; R. O. 25; Rv. 245.)

241. (*) De partij zal in persoon, zonder eenig geschreven opstel te mogen voorlezen, antwoorden op de vragen, welke aan hem door den regter luidens het vonnis of ook ambtshalve zullen worden gedaan.

De partij, die het verhoor heeft verzocht, kan daarbij tegenwoordig zijn evenals de procureurs en advocaten van beide partijen.

re) Art. 237 (oud). De partijen mogen in alle zaken en in eiken stand van het geding verzoek doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren.

De partij, die hare wederpartij wil doen hooren, zal aan den regter een verzoekschrift inleveren, de feiten en vraagpunten inhoudende, hetwelk aan de wederpartij moet worden beteekend.

i) Art. 238 (oud). Na verhoor van de wederpartij ten aanzien van hare gehoudenheid om op vraagpunten te antwoorden, zal de regter naauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn; hij zal de zoodanige die hij als strikvragen beschouwt ter zijde stellen, of het verhoor der partij, zoo daartoe termen zijn, geheel van de hand wijzen.

c) In art. 239 (oud) volgden achter de woorden: „in de raadkamerquot; de woorden: „of voor eenen regter-oommissaris daartoe aangewezenquot;.

723

-ocr page 808-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Door de verzoekende partij of hare praktizijns zullen door tusschenkomst van den voorzitter, uitsluitend over het onderwerp in de vraag genoemd, naar aanleiding van de gegeven antwoorden vragen mogen worden gedaan; in geval van verzet der wederpartij kan de regter weigeren de vraag te doen, zonder dat daartegen eenige voorziening is toegelaten. a) (Pr. 333; B. 441, 478; Rv. 19, 109, 238, 242; K. 44.)

242. (*) De besturen van openbare instellingen, stichtingen en zedelijke ligchamen zullen een hunner leden benoemen om op de aan hen bij vonnis gestelde vraagpunten te antwoorden; zij zullen te dien einde eenen bijzonderen last geven, waarbij de antwoorden opgegeven en waarachtig verklaard zullen worden; deze last mag worden voorgelezen. b)

De partij behoudt het vermogen om de bestuurders van zoodanige instellingen, stichtingen en zedelijke ligchamen over feiten die hen persoonlijk betreffen, te doen hooren, ten einde daarop bij den regter zoodanig te worden acht geslagen als bevonden zal worden te behooren. (Pr. 356; B. 1692, 1832; Rv. ?37, 241.)

243. (*) Het proces-verbaal van ondervraging zal worden opgemaakt door den griffier en aan den ondervraagde worden voorgelezen, welke daarin vervolgens nog kan maken zoodanige veranderingen en bijvoegingen in zijne antwoorden, als hij zal noodig oordeelen, en welke zullen geschreven worden aan het einde of op den kant van het verhoor. Hiervan zal hem insgelijks voorlezing worden gedaan, en het proces-verbaal zal worden geteekend door den ondervraagde, den president, of den kantonregter en den griffier, c) (Pr. 334; Rv. 111, 239, 240.)

244. Indien, zonder wettige verhindering, de partij niet verschijnt, of indien zij weigert te antwoorden, zal daarvan melding gemaakt worden ten processe-verbaal, en de daadzaken over welke de vragen loopen, zullen kunnen worden gehouden voor erkend.

Indien echter de niet verschenen zijnde partij zich nog vóór de uitspraak ten principiale daartoe aanmeldt, kan zij worden gehoord onder verpligting tot betaling der kosten, door haar wegblijven veroorzaakt, mitsgaders van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 330, 331; B. 1912 v.; Rv. 89a, 245.)

a) Art. 211 (oud). De partij zal in persoon, zonder door eenen praktizijn te zijn bijgestaan en buiten de tegenwoordigheid van don verzoeker of diens praktizijn en zonder eenig geschreven opstel te mogen voorlezen, antwoorden op de vragen, welke aan hem door den regter op de aan hem beteekende feiten en vraagpunten, of zelfs ambtshalve, naar aanleiding van dezelve, zullen worden gedaan.

b) In art. 242 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: „bij vonnis gestelde vraagpuntenquot;, gelezen de woorden: „beteekende feiten en vraagpuntenquot;.

c) In art. 248 (oud) volgden achter de woorden: „den presidentquot; nog de woorden: „den regter-commiasarisquot;.

724

-ocr page 809-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 242—249.

245. (*) In geval ten dage tot het hooren bepaald, de partij van wettige verhindering blijken doet, zal de regter eenen anderen dag tot het hooren bepalen, a) (Pr. 332: Rv. 240 )

246. De antwoorden door de partij op de vraagpunten gegeven, zullen slechts in het aanhangig geding mogen dienen, en in geen geval als eene erkenning mogen worden beschouwd, ten opzigte van andere zaken. (B. 1961—1963.)

TIENDE A F DEELING.

Van incidentele vorderingen.

247. (*) Incidentele vorderingen worden ten dienenden dage ter audientie gedaan bij gemotiveerde conclusiën.

Op die tusschengeschillen zijn de bepalingen der artikelen 441, 143, 144 en 147 tot en met 149 van dit wetboek toepasselijk.

De regter kan op eenparig verzoek van partijen het nemen van conclusiën van repliek en van dupliek toestaan, h) (Pr. 337; Rv. 51, 68, 125, 142, 159, 176, 199, 219, 222, 237, 263, 273, 285, 353, 824, 826, jquot; B. 268, 269 en 301.)

248. A.lle incidentele vorderingen worden in eens gedaan.

De kosten van dezulke welke naderhand mogten worden

gedaan en waarvan de oorzaken reeds te gelijker tijd met j de vroegere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd.

(Pr. 332; Bv. 56, 133(i, 1416.)

249. (*) De incidentele vorderingen zullen eerst en vooraf worden uitgewezen, indien de zaak het medebrengt. Voor zooveel de zaak het toelaat, zal de regter bij de beslissing op het incident tevens den dag bepalen, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, c)

In zaken, waarin schriftelijke behandeling bevolen is, zal het tusschengeschil op de teregtzitting worden gebragt, om daarover te worden uitspraak gedaan zoo als bevonden zal worden te behooren. (Pr. 338; Bv. 51, 162 v.)

a) In art. 245 (oud) werden, in plaats van de woorden: „de partijquot;, gelezen de woorlen: „de gedaagde partijquot; en volgden aan het slot nog de woorden: „zonder nienwe dagvaardingquot;.

h) Art. 2t7 (oud). Alle incidentele vorderingen zullen geschieden . bij eena eenvoudige akte, houdende de middelen en de conclusiën,

met aanbod van mededeeling der bewijsstukken onder recepis of bij overbrenging ter griffie.

De verweerder in dit tusschengeschil zal zijn antwoord bij eenvoudige akte, houdende zijne middelen en conclusie, indienen. c) In art. 240 (oud) ontbrak de laatste zinsnede van het eerste lid.

725

-ocr page 810-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ELFDE AFDEELING.

Van reconventie.

250. De gedaagde is bevoegd om in alle zaken eisch in reconventie te doen, uitgezonderd:

1°. Wanneer de eischer in conventie is opgetreden in eene qualiteit, en de reconventie hem persoonlijk zoude betreffen en wederkeeriglijk; (B. 441, 506, 1692 v.)

2°. Wanneer de regter voor wien de eisch in conventie aanhangig is, onbevoegd is om kennis te nemen van de reconventie met betrekking tot het onderwerp van het geschil; (R. O. 38 v., 53 v., 65 v., 88 v.; Rv. 97 v., 126, 154, 156; 314.)

Gewijzigd bij art. 5 der Wet van 22 Juni 1893 (Stb. n0. 93). a)

3°. In zaken van bezitregt, wanneer de eisch in reconventie het regt op de zaak zelve (petitoir) zoude betreffen; (Rv. 130 v.)

4°. In zaken van verschil over de ten uitvoerlegging van een vonnis. (Rv. 289, 435.)

Indien in eersten aanleg geen eisch in reconventie is gedaan, kan dezelve in hooger beroep niet meer gedaan worden. (Rv. 848. — B. 1461 v.; Rv. 125, 158.)

251. (*) De eisch in reconventie moet dadelijk bij het antwoord van den verweerder in conventie worden gedaan. 6) (Rv. 139, 141, 145b, 165.)

252. (*) De zaken in conventie en in reconventie zullen te gelijk voldongen en bij een en hetzelfde eindvonnis beslist worden, ten ware het hof of de regtbank mogt bevinden dat de eene vroeger dan de andere kon worden afgedaan, in welk geval zulks zal vermogen plaats te hebben, blijvende niettemin de alsdan nog onafgedane eisch in conventie of reconventie bij hetzelfde hof of dezelfde regtbank aanhangig tot het eindvonnis daarin te vallen, c) (Rv. 51, 139, 141—145, 253.)

258. Het hooger beroep wordt toegelaten, indien het beloop van den eisch in conventie, gevoegd bij dien in reconventie, te boven gaat de regtsmagt van den regter, om in het hoogste ressort regt te spreken.

Wanneer niettemin de beide gedingen mogten zijn ge-

a) Oorspronkelijk volgdon aan het slot van no. 2 nog de woorden: „of wanneer hij daartoe onhevoegd is met betrekking tot den persoon, tegen wien de reconventie zoude worden gerigt, ingevolge artikel 05 no. 1 en 87 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.quot;

b) Art. 251 (oud) had nog een tweede lid luidende: „In sumraiore zaken geschiedt zulks op de teregtzitting.quot;

c) Art. 252 (oud) had nog een tweede lid luidende: „In geval een van beide gedingen van den aard is om summier te worden behandeld, zal de splitsing moeten plaats hebbenquot;.

726

-ocr page 811-

BOEK I, TITEL III, ARTT. 250—258.

splitst, en daarin afzonderlijk gevonnisd, zullen de gewone regelen opzigtelijk de bevoegdheid tot hooger beroep worden gevolgd. (R. O. 38 v., 53 v.; Rv. 252.)

TWAALFDE AFDEELING.

Van het schorsen en het hervatten van het regtsgeding.

254. De loop van een regtsgeding wordt geschorst:

1°. Door den dood van eene der partijen;

2°. Door verandering van den persoonlijken staat van eene der partijen; (B. 160, 161, 385, 487; F. 1 23, 27 v.)

3°. Door het ophouden der betrekkingen waarin zij het geding voerde; (B. 467 v., 516; F. 161, 193.)

4°. Door den dood of door het verlies van de betrekking van den gestelden procureur. (Rv. 133,137,271b; R.II1, a. 28 j». 12 v. — Pr. 342, 345; Rv. 125, 146,193b, 252, 255, 266, 274c, 276, 325, 353,378,389Zgt;; Sv. 4.)

255. In geen dezer gevallen zal de schorsing plaats hebben of de beslissing van het regtsgeding opgehouden worden, wanneer hetzelve in staat van wiizen is.

In de drie eerste gevallen in het voorgaande artikel vermeld, wordt, wat deze schorsing betreft, een regtsgeding gehouden in staat van wijzen te zijn, zoodra do conclusien op de teregtzitting zijn genomen. (Rv. 14Ö—142, 145.)

In het laatste geval na den afloop der pleidooijen. (Rv. 144; R. I., a. 45; R. Ill, a. 30.)

In eene behandeling bij geschrifte staat de volledigheid der instructie, of het verloopen zijn der wettelijke termijnen daarmede gelijk. (Rv. 164—166, 169. — Pr. 342, 343.)

256. De oorzaak der schorsing van het regtsgeding moet, indien hetzelve niet is in staat van wijzen, van wege de belanghebbenden aan de party worden beteekend, en zonder zoodanige beteekening, kan het regtsgeding, al mogten zoodanige oorzaken bestaan, worden voortgezet.

Alle procedures na deze beteekening, zijn nietig en zonder eenig gevolg. Alleen in het vierde geval van artikel 254 wordt die beteekening niet gevorderd en heeft de schorsing van zelve plaats. (Pr. 344, 345; Rv. 259, 341.)

257. De beteekening in het vorige artikel vermeld moet de verklaring behelzen dat het regtsgeding wordt hervat op de laatste gedingstukken, benevens eene nieuwe procureur-stelling. (Rv. 99, 125, 133, 137.)

258. Indien de beteekening dit een en ander niet inhoudt, heeft de wederpartij het regt om op de gewone wijze te dagvaarden tot hervatting van het regtsgeding, achtervolgens de laatste gedingstukken.

Hetzelfde heeft plaats in het geval dat de gestelde procureur, die overleden is of zijne betrekking heeft verloren, niet is vervangen. (Pr. 346; Rv. 1 v., 146, 256, 279.)

727

-ocr page 812-

728 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

259. Het regtsgeding wordt hervat en zoodanige procureur vervangen bij eene eenvoudige beteekende akte. (Pr. Si?; Rv. -133, 137, 256, 257, 258 )

260. (*) Ingetrokken, a)

261. Indien op de dagvaarding tot hervatting van het regtsgeding verstek wordt verleend, zal, als het profijt van hetzelve, het regtsgeding hervat worden verklaard, achtervolgens de laatste gedingstukken.

Bij het niet vervangen zijn van den procureur, zal bij verstek ten principale dadelijk kunnen worden regt gedaan. (Pr. 349; Rv. 75 v., 80 v., 138, 258.)

262. Het verzet tegen de uitspraken bij verstek in het vorige artikel vermeld, zal zelfs in eene behandeling bij geschrifte op de teregtzitting kunnen worden behandeld. (Pr. 351; Rv. 81, 162 v.)

DERTIENDE A.FDEELING.

Van onlkcntenissen van gereglelijke verrigtingen.

263. Indien gedurende den loop van een geding, in naam van eene der partijen, eenige aanbiedingen zijn gedaan en aangenomen, erkenningen hebben plaats gehad, toestemmingen zijn gegeven en aangenomen, zonder dat die partij daartoe eene bijzondere en bepaalde schriftelijke volmagt gegeven heeft, zal deze zoodanige verrigtingen in het ge-regt kunnen ontkennen, en bij eene eenvoudige akte, be-teekend zoo wel aan den procureur van de wederpartij als aan den procureur wiens daden zijn ontkend, den regter kunnen verzoeken, dat die daden zullen worden beschouwd als niet gepleegd, en dat alle daaruit voortgevloeide akten van den processe en vonnissen, gewezen om de zaak in staat van wijzen te brengen, zullen worden verklaard van onwaarde. (B. 1834, 1844b, 1971; Rv. 33c, 278,8470; F. 214.)

De beteekening aan den procureur geldt voor dagvaarding tot verwering op de ontkentenis.

Dezelve moet den dag van verschijning in regten aanwijzen. (Rv. 5 n®. 5. — Pr. 352—354; Rv. 2i7, 353.)

264. In gevalle de procureur uit zijne bediening is getreden, zal de ontkentenis aan zijne woonplaats door eenen deurwaarder worden beteekend, en indien de procureur overleden is, aan zijne erfgenamen met dagbeteekening voor den regter voor welken de zaak hangende is, en aan de partijen in de zaak worden bekend gemaakt bij akte van procureur tot procureur. (Pr. 355; Rv. 1, 4 n0. 6, 146, 254 n». 4, 267.)

a) Art. 200 (oud). De geschillen over dat hervatten van het geding en de vervanging van procureur worden anmmieilijk behandeld en afgedaan.

-ocr page 813-

BOEK I, TfTEL III, ARTT. 259—272.

265. De ontkentenis moet altijd gebragt worden voor den regter voor welken de ontkend wordende verrigting in regten is gebragt, ofschoon ook de zaak waarin zij voorvalt voor eenen anderen regter hangende is.

Zij zal aan partijen in de hoofdzaak moeten worden be-teekend, en deze moeten in het geding van ontkentenis opgeroepen worden. (Pr. 356; Rv. 264, 267, 269.)

266. Het geding in de hoofdzaak wordt geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis, op straffe van nietigheid.

De regter kan echter de ontkennende partij bevelen dat zij het geding van ontkentenis binnen zekeren te bepalen tijd voortzette, of dat anders zal worden regt gedaan. (Pr. 357; Rv. 254, 324 n0. 12.)

267. Indien de ontkentenis eene zaak betreft, waarover geen regtsgeding hangende is, moet de eisch worden gebragt voor den bevoegden regter van den verweerder. (Pr. 358; Rv. 97, 126, 264, 265, 314.)

268. Indien de ontkentenis deugdelijk verklaard wordt, zal de ontkende verrigting en het vonnis hetwelk daarop mogt zijn gewezen of hetgeen in de bapalingen van het vonnis betrekking heeft tot de punten waarover de ontkentenis gaat, nietig en van onwaarde zijn. (Pr. 360; Rv.46b, 263, 271.)

269. Bijaldien echter in de zaak reeds een eindvonnis is gevallen, en zoo de termijnen van appel nog niet zijn ver-loopen, kan de partij de nietigheid der in het voorgaande artikel vermelde akten en vonnissen doen uitspreken in appel en de zaak ten principale doen vervolgen. (Rv. 46a, 268,339.)

270. Bijaldien dat eindvonnis is gewezen in het hoogste ressort of in kracht van gewijsde zaak gegaan is, zal de benadeelde partij tot op het oogenblik dat het vonnis ten uitvoer gelegd is, van den regter, die hetzelve heeft gewezen, de intrekking daarvan kunnen vorderen.

Hangende het geding daarover, wordt de ten uitvoerlegging van het vonnis geschorst. (Pr. 362; R. O. 54 v., 65 v., 88 v.; Rv. 334, 359 v.)

271. De procureur tegen wien de eisch tot ontkentenis wordt toegewezen, zal jegens den eischer en jegens de andere partij in de kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn.

Hij kan ook, naarmate van het vergrijp, door den regter in zijne bediening worden geschorst of daarvan ontzet.

Indien de eischer in het ongelijk wordt gesteld, zal hij ter vergoeding van kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn. (Pr. 360, 361; Rv. 58, 96; R. IH, a. 28 11 v.)

729

272. (*) Indien eene der partijen ontkent, dat de voor haar opgetreden procureur van haar daartoe opdragt gekregen heeft, zijn de bepalingen dezer afdeeling toepasselijk, a) (Rv. 133, 136a, 137, 267.)

a) Art. 272 (oud). Alle gedingen in zaken van ontkentenis van geregtelijke verrigtingen worden behandeld als summiere zaken, •ielfs bij korte termijnen, indien daartoe gronden zijn.

-ocr page 814-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REG TSVORDERING.

VEERTIENDE AFDEELING.

Yan venvijzingen naar een ander geregt en van jurisdictie-quaestien.

273. Indien ten gevolge van toegelaten wraking of van toegelaten reden van verschooning, de leden der hoven of der regtbanken niet meer in genoegzamen getale zijn om van het geschil kennis te nemen, zal de eisch tot verwijzing naar een ander hof of eene andere regtbank, in het eerste geval aan den hoogen raad, en in heL laatste geval aan het geregtshof kunnen worden gedaan. (Pr. 368; R. O. 21, 47, 50, 70; Rv. 29 v., 41; R. I, a. 78 1», d.)

274. De eisch zal vóór depleidooi, en, in zaken van schriftelijke behandeling, vóór den geheelen afloop der instructie worden ingesteld bij een verzoekschrift, inhoudende de middelen. Hetzelve zal worden beteekend aan de wederpartij, met aanmaning om daarop, binnen veertien dagen, te dienen van antwoord met middelen, en daarna ter griffie van het hof of van den hoogen raad worden nedergelegd.

Het antwoord van de wederpartij zal binnen gelijken termijn insgelijks ter griffie worden gebragt.

De loop van het regtsgeding zal worden geschorst van den dag der beteekening in het tweede lid a) van dit artikel vermeld. (Pr. 364 v., 369 v.; Rv. 33, 41,140,141,170,254.)

275. Na afloop des tennijns zal het hof of de hooge raad uitspraak doen over den eisch, en zoo daarvoor redenen zijn, den regter aanwijzen die van het geschil zal moeten kennis nemen. (Pr. 373, 375; Rv. 41, 324n0. 4,358; O. 54.)

276. De twee voorgaande artikelen zijn insgelijks toepasselijk op de behandeling van j urisdictie-quaestien, welke bij de Wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie, respectievelijk aan de beslissing der arrondissements-regtbanken, der hoven en van den hoogen raad zijn opgedragen. (Pr. 363 v.; R. O. 54 nquot;. 1,65, 88; Rv. 158, 324 n®. 4; R. I, a. 78 1«. h.)

VIJFTIENDE AFDEELING.

Van het doen van afstand der instantie.

277. De eischer kan onder betaling der kosten afstand doen van de instantie, mits zulks geschiede vóór het antwoord.

Na het antwoord kan de afstand slechts plaats hebben met de toestemming der wederpartij. (Rv. 56, 99,125,141, 145amp;, 353.)

730

278. De afstand kan gedaan werden het zij op de teregt-zitting, indien partijen in persoon tegenwoordig of hunne

a) Lees: de tweede zinsnede van het eerste lid.

-ocr page 815-

BOEK 1, TITEL HI, ARTT. 273—283.

procureurs van volmagt daartoe voorzien zijn, het zij met gelijke volmagt bij eenvoudige akte van procureur tot procureur beteekend.

Zij kan op gelijke wijze worden aangenomen. (Rv. 263.) Dezelfde brengt van regtswege mede:

1°. Dat alles over en weder in denzelfden staat isterug-gebragt, als waarin de zaak was vóór de dagvaarding; (B. 2016, 2018.)

2°. Verplichting van de partij welke afstand heeft gedaan, tot betaling der kosten, waartoe zij zal worden genoodzaakt op het enkel bevelschrift van den voorzitter, gesteld aan den voet van de waardering der kosten. (Rv. 56 v., 612 v.; Stb, quot;1843 nquot;. 66, a. 11, j0. Stb. 1843 n0. 67, a. 10 (Tar., a. 39 j®. 52).)

Dit bevelschrift zal bij voorraad ten uitvoer kunnen worden gelegd. (Rv. 53. — Pr. 402, 403; Rv. 252,339c.)

ZESTIENDE AFDEELING.

Fan het vervallen der instantie.

279. Alle instantie vervalt, indien de zaak binnen drie jaren tijds niet is voortgezet.

Die termijn zal worden vermeerderd met zes maanden, in gevallen waarin eisch tot hervatting van de zaak kan plaats hebben. (Pr. 397; B. 326; Rv. 125, 254 v., 353; B. I, a. 40 en 42.)

280. De tijd, tot het vervallen der instantie vereischt, loopt tegen den staat, de openbare instellingen, minderjarigen, en in het algemeen tegen alle personen, zonder onderscheid, behoudens het verhaal van alle de eerstgemelden tegen hunne bewindvoerders en voogden. (Pr. 398; B. 362, 448, 506, 1401, 1690, 1991, 2024.)

281. De instantie vervalt niet van regtswege. De verval-len-verklaring kan worden voorgekomen door behoorlijke proces-akten door eene der partijen verrigt, voordat de eisch tot vervallenverklaring is gedaan. (Pr. 399; B. 1987, 2016; O. 54.)

282. Het vervallen van de instantie zal worden uitgesproken op de teregtzitting op eene eenvoudige akte, aan de partij beteekend, of ter barer woonplaats.

De vervallenverklaring van de instantie vernietigt geenszins de actie, maar alleen het aangevangen regtsgeding; de kosten van het laatste worden ten gevolge dier vervallenverklaring, voor gecompenseerd gehouden. (Pr. 400, 401; Rv. 56, 133, 137, 278, 284; B. 2018.)

283. Bij het op nieuw instellen der actie zijn de partijen over en weder geregtigd om wederom gebruik te maken van de eeden, geregtelijke erkentenissen en verklaringen, door haar in den loop van het vorige regtsgeding afgelegd, mitsgaders van de verklaringen van gestorven getuigen, wanneer

731

-ocr page 816-

732 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

dezelve blijken uit processen-verbaal in behoorlijken vorm opgemaakt. (Pr. 401; B. 1962, 1966 v.; Rv. 111 j0. 200, 237.)

284. Door het vervallen van de instantie in hooger beroep, verkrijgt het vonnis waarvan men in beroep gekomen is, kracht van gewijsde zaak. (Pr. 469; Rv.\'-ftSi, 339.)

ZEVENTIENDE AFDEELING.

Van voeging en tusschenkomst.

285. (*) Een ieder welke een belang heeft in een regts-geding, hangende tusschen andere partijen, kan vorderen daarin zich te mogen voegen of te mogen tusschenko-men. a) (B. 243, 1594; F. 122e; Rv. 70, 72, 125,353,376, 538 v.)

286. (*) Dit incident wordt aangebragt bij conclusie ter teregtzitting ten dienenden dage vóór of op dien, waarop de laatste conclusie in het aanhangig regtsgeding wordt genomen.

In zaken van schriftelijke behandeling wordt het incident aangebragt bij aan beide partijen beteekende akte met exploit van oproeping om ter teregtzitting te verschijnen, b) (Rv. 140—142, 145, 162 v., 247, 255, 287, 539; S.v.202 v.)

287. (*) De conclusie, waarbij tevens procureur moet worden gesteld, houdt de opgave in van den voornaam, den naam en de woonplaats van dengene, door wien de vordering geschiedt, en van de gronden, waarop zij berust, alles op straffe van nietigheid. Hij wordt geacht bij den gestelden procureur woonplaats te hebben gekozen, ten ware in de conclusie eene andere keuze mogt zijn uitgedrukt, c) (Rv. 5 n®. 1 en 3, 92, 133.)

288. (*) Wanneer de regter, het incident beslissende, partijen beveelt voort te procederen, bepaalt hij bij hetzelfde vonnis den dag, waarop zij gehouden zullen zijn tot dat einde ter teregtzitting te verschijnen, d) (Rv. 46,247,249amp;.)

a) In art. 285 (oud) werden, in plaats van de woorden; „kan vorderenquot;, gelezen de woorden: „kan aan den regter verzoGkenquot;.

b) Art. 286 (oud). Het verzoekschrift daartoe strekkende, waarbij tevens procureur moet worden gesteld en woonplaats gekozen, zal moeten inhouden de gronden op welke het verzoek wordt gedaan.

Afschrift van hetzelve zal worden beteekend aan de gekozene woonplaats van partijen, en de stukken tot staving van hGt verzoek zullen door den verzoeker worden overgebragt ter griffie, met aanbod van afschriften van dezelve te geven aan de belanghebbenden op derzelver verzoek.

c) Art. 287 (oud). Indien de voeging of tusschenkomst betwis.t wordt, zal dit incident, zelfs indien de zaak bij geschrifte wordt behandeld, op de teregtzitting worden gebragt bij eenvoudige akte on summierlijk worden behandeld.

d) Art. 288 (oud). Nadat de conclusiën door partijen op de teregt-

-ocr page 817-

BOEK I, TITEL Ilf, ARTT. \'284—293.

A.GHTTIENDE AFDEELING.

Van het kort geding voor den president der arrondissements-reglhank.

289. In alle zaken, waarin uit hoofde van on verwijlden spoed, eene onmiddellijke voorziening wordt vereischt, het zij ten aanzien van de ten uitvoerlegging van een vonnis of van eenen executorialen titel, het zij in geval van verschil over verzegeling of ontzegeling, het zij ten aanzien van de verpligting eens kantonregters tot het staan over eenige wettelijke akte, welke geen uitstel kan lijden, of wegens dergelijke verpligtingen van notarissen, en voorts in alle gevallen, waarin het belang van partijen eenige onverwijlde voorzieningen bij voorraad vordert, kan de vordering worden ingebragt op eene teregtzitting te dien einde door den president te houden op de daartoe door hem bepaalde vaste dagen.

Bij nog meer spoed vereischende omstandigheden, kan de dagvaarding worden bevolen op den dag en het uur, den zondag ingesloten, op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, door hem voor elk geval te bepalen.

De president kan in dit geval ook gelasten, dat de teregtzitting te zijnen huize zal worden gehouden. (Pr. 806—808; Rv. 291, 438, 604, 665, 6746, 675 n0. 8,682,688,694,724, 727, 729Ö, 731; G. 161c; R. O. 20, 41, 42; Rv. 18.)

290. In het laatste geval geeft de president mondelingen last aan eenen deurwaarder tot het doen der dagvaarding, waarvan deze in het hoofd van zijn expoit melding maakt.

Partijen kunnen, in de gevallen bij het vorige artikel vermeld, ook vrijwillig voor den president in kort geding verschijnen (R. O. 43; Rv. 289; Stb. 1843 n0. 67, a. 2 (Tar. a. 44))

291. Indien aan den president op de teregtzitting blijkt dat zonder groot of onherstelbaar nadeel de zaak uitstel gedoogt om, het zij op de gewone wijze, het zij op korten termijn, voor de regtbank zelve te worden behandeld, of wanneer de zaak niet vatbaar is om op het kort geding genoegzaam te worden toegelicht, verwijst hij partijen naar de gewone wijze van regtspleging, of verleent aan den aanlegger verlof tot dagvaarding op korten termijn voor de regtbank in zaken waarin dezelve bevoegd is. (Rv. 7c, 145, 290.)

292. De beslissingen bij voorraad brengen geen nadeel toe aan de zaak ten principale. (Pr. 809; Rv. 289,688,694.)

733

293. De president is bevoegd de tenuitvoerlegging zijner uitspraken te bevelen bij voorraad, met of zonder borgtogt, niettegenstaande verzet of hooger beroep in de gevallen, waarin het hooger beroep is toegelaten. (Pr. 809; R. 0,53, 54; Rv. 52 v., 297, 315.)

zitting genomen zijn, kan geene voeging of tusschenkomst meer plaats hebben.

-ocr page 818-

784 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

294. (*) Het verzet wordt gebragt voor de arrondisse-ments-regtbank. a) (Pr. 809; Rv. 81 v.)

295. (*) Het hooger beroep kan dadelijk na de uitspraak worden ingesteld, het zij dezelve al dan niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, b)

Het wordt gebragt voor het geregtshof.

Hetzelve is niet meer ontvankelijk na verloop van veertien dagen, te rekenen van den dag van de uitspraak, c) (Pr. 809; R. O. 53, 54, 69, 95; Rv. 293, 339, 342, 343, 430.)

296. De minuten der uitspraken van den president worden ter griffie ingeschreven in een afzonderlijk register en door den president en den griffier onderteekend. (Pr. 810; Rv. 60; R. I, a. 43.)

297. Indien zulks in het belang der zaak noodzakelijk is, kan de president de ten uitvoerlegging bevelen op de minuut van de uitspraak, des noods zonder voorafgaande registratie. (Pr. 811; Rv. 123, 124, 293, 430.)

VIERDE TITEL.

Van reglspleging in zaken van koophandel.

298. Zaken van koophandel worden behandeld op de gewone teregtzitting en gelden daarin de gewone regelen van regtspleging, voor zooverre daarvan niet bij dezen titel is afgeweken. (Pr. 414; K. 1, 3—5; R. O. 38 v., 53 v.; Rv. 563 v., 586.)

299. (*) Ingetrokken, d)

300. O De regter kan, op verzoek van eene der partijen, de behandeling eener zaak van koophandel laten voorafgaan aan die van andere zaken, e) (R. I, a. 39.)

301. De gewone termijn van dagvaarding in zaken van koophandel is van ten minste twee vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen de gemeente alwaar de regter zitting houdt, voor welken hij geroepen is.

a) In art. 291 (oud) volgde aan het slot nog de zinsnede: „Het wordt summierlijk behandeld en afgedaanquot;.

h) In art. 2lJ5 (oud) eerste lid werden, in plaats van de woorden: „na de uitspraakquot;, gelezen de woorden: „na het beteekenen der uitspraakquot;.

c) In art. 295 (oud) derde lid werden, in plaats van de woorden: „dag der uitspraakquot;, gelezen de woorden: „dag der beteekening van de uitspraakquot;. Daarop volgde nog een vierde lid luidende: „He*; wordt summierlijk behandeld en afgedaan.quot;

il) Art. 299 (oud). Alle zaken van koophandel zullen als summiere zaken worden behandeld, tenzij in zaken, welke om derzelver meer omslagtigen aard daarvoor niet mogten vatbaar zijn, de regter, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, de gewone behandeling mogt bevelen.

e) In art. 300 (oud) luidden de slotwoorden: „andere, ook summiere zakenquot;.

-ocr page 819-

BOEK I, TITEL III EN IV, ARTT. 294—306. 735

Die termijn is van ten minste vier vrije dagen, indien de gedaagde binnen eene andere gemeente van hetzelfde arrondissement woonachtig is.

Die termijn is van ten minste zes vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen een ander arrondissement onder het regtsgebied van hetzelfde geregtshof.

Wanneer de gedaagde binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woont dan waarin de regter, welke van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt, zal de termijn zijn van tien vrije dagen. Overigens zuilen ten opzigte van de bovengemelde termijnen de verdere algemeene bepalingen, voorkomende in den eersten titel van dit boek, worden in acht genomen. (Pr. 415, 416, 1033; Rv. 7, 8 v., 92 v., 567.)

Gewijziqd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n». 138).

302. (*) In zaken die spoed vereischen, kan de kanton-regter of de president van het regterlijk collegie, op verzoek des eischers, overeenkomstig art. 7, verlof verleenen om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden, a) (Pr. 417; Kv. 76 en c, 312.)

303. (*) De president kan zelfs aan den houder van eenen wisselbrief, welke van non-betaling is geprotesteerd, verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en de endossan-ten. b) (Co. 172; K. 146, 186; Rv. 306 v., 309,3216,727 v., 770Aa.)

301. Gelijk verlof kan door hem verleend worden aan den houder van een orderbiljet of van eene assignatie, van non-betaling geprotesteerd, op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en de endossanten, doch alleen ten laste van diegenen welke kooplieden zijn. (Co. 172, 187; K. 2, 4 n». 2, 209, 210, 219; Rv. 306 v., 309, 321b, 727 v., 770Aa.)

305. (*) Zoodanig verlof kan almede worden verleend wegens andere schuldvorderingen uit daden van koophandel voortspruitende, indien van de deugdelijkheid der schuldvordering suminierlijk blijkt, en er gegronde vrees bestaat, voor verduistering van des schuldenaars roerende of onroerende goederen, c) (Pr. 417; K. 3, 4; Rv. 306 v., 309,321b, 727 v., 770Aa.)

306. Bij het verleend verlof wordt het bedrag der schuldvordering, tot welker verzekering het beslag gevraagd wordt, uitgedrukt. (Rv. 728.)

a) In art. 302 (oud) luidden de eerste woorden: „In zaken, die spoed vereischen, kan de president, op een daartoe ingediend ver-aoekscbrift, verlet verleenenquot;.

h) In art. 303 (oud) werd, in plaats van de woorden; „De presidentquot;, gelezen het woord: „Hijquot;.

c) In art. 305 (oud) werden, in plaats van de woorden; „voor verduistering van des schuldenaars roerende of onroerende goederenquot;, gelezen de woorden: „wegens verduistering van des schuldenaars roerende goederenquot;.

-ocr page 820-

736 WETBOEK VAN liURGERLIJKE REGTSVORDERING.

307. De president kan in de gevallen bij artikel 305 vermeld, alvorens het verlof te verleenen, vorderen, dat de eischer zekerheid stelle voor de kosten, schaden en interessen welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt. (Pr. 417; Rv. 729a.)

308. Bij het verzoekschrift tot verkrijging van het verlof in de vijf vorige artikelen bedoeld, moet woonplaats wordea gekozen binnen de gemeente waar het beslag gelegd wordt, (Pr. 415, 422; B. 81; Rv. 439d, 730.)

309. Het beslag vervalt van regtswege indien niet binnen drie dagen, nadat hetzelve is gelegd, een eisch tot van waardeverklaring is ingesteld.

Dien \'onverminderd kan hij tegen wien het verlof, bij de artikelen 303, 304 en 305 vermeld, verleend is, onverwijld daartegen opkomen voor de reglbank. (Rv. 302, 32lö, 731, 732, 734.)

310. De regtbank is verpligt na verhoor van partijen het beslag onverwijld op te helfen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het noodelooze of ondoelmatige van het beslag voor de zekerheid van den eischer mogt blijken.

Die opheffing moet altijd geschieden, tegen genoegzame zekerheid. (Rv. 307, 616, 732a.)

311. De uitspraak van de regtbank wegens het conservatoir beslag kan worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Pr. 417; Rv. 52 v., 82b, 350, 398c en d.)

312. In zeezaken of die daarmede zijn gelijk gesteld, wanneer er partijen zijn die geene vaste woonplaats hebben, en voorts in zaken wegens scheepstuig, scheepsvoor-raad, scheepsgezellen, timmeringen aan schepen die zeilree liggen, en andere zaken die onmiddellijk voorziening bij voorraad vereischen, kan de dagvaarding van dag tot dag en van uur tot uur, zonder bevelschrift, gedaan worden, en het verstek kan dadelijk worden beslist. (Pr. 418; K. 309 v., 748 v.; Rv. 77, 302, 582.)

313. Alle dagvaardingen aan scheepsboord geëxploiteerd voor eenen schipper, officier of scheepsgezel of voor eenen passagier, zijn van waarde. (Pr. 419; Rv. 1, 2 v.)

3li. De eischer kan te zijner keuze dagvaarden:

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de verweerder woonachtig is; (Rv. 97a v., 126a v., 127.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de verbindte-nis is aangegaan; (B. 1349.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de waar is geleverd; (B. 667 v., 1271, 1513.)

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de betaling had moeten geschieden. (B. 1429, 1550. — Pr. 420.)

315. Ook buiten de gevallen vermeld bij artikel 52, a) kan in handelszaken de voorloopige ten uitvoerlegging bevolen worden onder borgtogt of aanwijzing van voldoende zekerheid. (Pr. 439; Rv, 52 v., 616 v.)

fl) O. E. 1S33 en O. E. IS\'lu; 55,

-ocr page 821-

BOEK I, TITEL IV, ARTT. 307—321,

816. Vonnissen op verstek gewezen, kunnen worden ten uitvoer gelegd één dag na de beteekening en totdat er verzet worde gedaan. (Pr. 435; Rv. 80, 82b, 439, 440, 502, 503, 599.)

317. (*) Indien er verdeeling bij averij-grosse moet plaats hebben, zullen deskundigen, ten verzoeke van eene der partijen door de arrondissements-regtbank worden benoemd, ten ware partijen het omtrent de keuze zijn eens geworden. a) (Co. 414; K. 696 v., 699, 722 v., 724a en b, 726; Rv. 222 v., 321c.)

318. De schipper, en b), bij gebreke van denzelven, de scheepsreeders zijn gehouden, binnen acht dagen nadat de deskundigen, het zij door partijen, het zij door de regtbank, zullen zijn benoemd, ter griffie der arrondissements-regtbank over te leggen: (K. 357.)

4°. Het manifest der lading, inhoudende het getal, de merken en nommers der koopmanschappen, den naam der bevrachters, inladers en dien van degenen aan welke de koopmanschappen zijn geconsigneerd; (K. 357 n». 5.)

2°. Den staat en de grootte van het schip, en melding van de verdiende vracht. (K. 455 n0. 5.)

In denzelfden tijd moeten de eigenaars der lading ter griffie overleggen eenen staat der waarde, welke de goederen zoo ten tijde der lading als ten tijde der lossing hadden.

De partijen zullen, des gevorderd, de waarheid van den inhoud der door haar overgelegde stukken met eede bevestigen. (K. 727; Sr. 207.)

319. Nadat de deskundigen zullen zijn beëedigd, zal de griffier hun de stukken ter griffie nedergelegd, tegen bewijs van ontvangst, overgeven. De deskundigen zullen tot de verdeeling overgaan, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Koophandel, zelfs dan wanneer eene der partijen hare stukken niet ter griffie mogt hebben nedergelegd. (K. 724c, 727 v.)

320. Het verslag van de deskundigen zal met de door hen ontvangene stukken ter griffie worden ingeleverd.

De eerst gereede partij zal daarvan homologatie verzoeken bij de regtbank, welke, partijen gehoord of behoorlijk opgeroepen zijnde, zal vonnissen. (K. 724d; Rv. 232, 321c.)

321. De bepalingen in dezen titel voorkomende zijn mede toepasselijk op handelszaken, welke bij den kantonregter moeten worden aangebragt.

Echter zal het verlof tot het leggen van conservatoir beslag van den president der arrondissements-regtbank moeten

a) Art. 317 (oud). Indien er verdeeling bij averij-grosse moet plaats hebben en de belanghebbende partijen het niet hebben kunnen eens worden over de benoeming van deskundigen, zullen deze ten verzoeke van eene der partijen, nadat de andere behoorlijk zijn gedagvaard, door de arrondissements-regtbank worden benoemd.

b) O. E. 1838 en O. E. 1896: of.

737

47

-ocr page 822-

738 WETBOEK VA.N BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

gevraagd worden en de oppositie tegen dat beslag door de arrondissements-regtbanken beslist worden, hoe gering ook het bedrag wezen moge der vordering, waarover geschil is.

Ook de benoeming van deskundigen tot de verdeeling van averij-grosse benevens de homologatie van hun rapport zal altijd door de arrondissements-regtbank geschieden. (R. O. 38, 53 v.; Rv. 303 v., 317, 320b.)

VIJFDE TITEL.

Van het openbaar ministerie.

322. Het openbaar ministerie is altijd op de teregtzitting tegenwoordig. (R. O. 3—6; Rv. 26, 32, 324, 325; R. I, a. 52—55, 57, 58.)

323. Wanneer het openbaar ministerie als hoofdpartij werkzaam is, zal het de gewone wijze van regtsvordering volgen. (R. O. 96, 9%; Rv. 6 j0. 4 n0. 1, 133 v., 854; B. 120, 141, 143—145, 147, 438, 439, 489, 512, 519, 521, 1173; F lb; W. vereenig. en verg., a. 10, zie chron. lijst.)

324. Het openbaar ministerie zal gehoord moeten worden in de zaken welke betreffen; (Rv. 285, 325.)

1°. De openbare orde, den Staat, de domeinen, de provinciën, de gemeenten, de armeninrigtingen en andere openbare stichtingen; (A. 14; Rv. 4 n0.1; Prov. w.; Gem. w.; Armenw.; B. 1690.)

2°. Den staat der personen, de aanvullingen en verbeteringen der akten van den burgerlijken stand; (B. 26 v., 70 v., 305 v.; Rv. 829.)

3°. De exceptie wegens onbevoegdheid van den regter; Rv. 154 v.)

4°. Jurisdictie-geschillen, wraking van regters, het verwijzen uit hoofde van bloedverwantschap of aanhuwe-lijking en de regtsweigeringen; (Rv. 30 v., 273 v.. 276, 844 v.)

5°. Vrouwen door hare mans niet gemagtigd; (B. 167, 169; Rv. 798 v.)

6°. Minderjarigen, onder curatele gestelden, afwezenden en in het algemeen, alle personen die door eenen curator verdedigd worden: (B. 365, 385 v., 487,496, 519 v., 525, 1121, 1173; F. 85,122,153, 210,236 v.; Rv. 703.)

7°. Echtscheidingen, en de scheidingen van tafel en bed, of van goederen; (B. 241 v., 258, 262 v., 288; Rv. 804 v., 816 v., 826.)

8°. Beroep in cassatie; (Rv. 398 v., 418.)

Qquot;. Revisie; (Rv. 359 v.)

106. Requesten-civiel; (Rv. 382 v.)

11°. Geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften; (Rv. 176 v.)

12°. Ontkentenis van geregtelijke verrigtingen; (Rv. 263 v.)

13°. Geschillen over ten uitvoerlegging van lijfsdwang en

-ocr page 823-

BOEK I, TITEL V EN VI, ARTT. 322—331.

over ontslag uit de gijzeling; (Rv. 599 v., 604, 610, 611.)

14°. Verzoek tot boedelafstand; (Rv. 705).

En voorts in alle zaken waarin zulks door de wet is voorgeschreven. (Rv. 785 enz. — Pr. 83,202,251, 359, 498, 795, 805, 879, 900; Markenw., a. 7c, zie chron. lijst.)

325. Het openbaar ministerie zal bovendien rnededeeling mogen vorderen van alle zaken waarin het zulks in deszelfs betrekking noodig zal oordeelen.

De regter zal de rnededeeling ook van ambtswege mogen bevelen. (Pr. 83; R. O. 4; Rv. 324.)

326. (*) Ingetrokken, a)

327. Het openbaar ministerie zal onmiddellijk na de plei-dooijen of op eene daartoe te bepalen nadere teregtzitting conclusien nemen. (R. O. 11, 14; R. I, a. 59.)

328. De partijen of hunne verdedigers zullen, onder geen voorwendsel, na de conclusien van het openbaar ministerie, het woord bekomen.

Alleen mogen zij eenvoudige aanteekeningen tot wederlegging der feiten, waarin zij zouden mogen oordeelen dat het openbaar ministerie gedwaald heeft, onmiddellijk aan den president ter hand stellen. (Rv. 174c; R. Ill, a. 30.;

ZESDE TITEL.

Van prorogatie van regtspraak aan het geregtshof.

329. In alle voor hooger beroep aan het geregtshof vatbare geschillen, in welke dading of compromis kan plaats hebben, staat het aan partijen vrij, mits daaromtrent bij eene akte zijnde overeengekomen, die geschillen bij den aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het geregtshof, hetwelk in hooger beroep over dezelve uitspraak zoude hebben gedaan. (G. 156; R. O. 43, 55, 66; Rv. 157, 355b, 357, 358a n». 1, 620, 623; B. 1888amp;, 1889a, 1890a.)

330. Voogden, curators of bewindvoerders zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in achtnemende de verplig-tingen aan hen bij de wet opgelegd. (B. 362, 387, 418, 425, 441, 465, 506, 836, 1025, 1030, 1066, 18896 en c; F. 104; Rv. 620.)

331. Voor het geregtshof gelden bij deze regtsgedingen, de voorschriften, ten aanzien van het regtsgeding in eersten aanleg.

739

Hetzelve doet uitspraak in het eerste en hoogste ressort, behoudens request-civiel of cassatie, indien daartoe gronden zijn. (R. O. 66; Rv. 133 v., 382 v., 398 v.)

a) Art. S2G (oud). In zake van gewone behandeling moeten de processtukken door de partijen aan het openbaar ministerie worden medegedeeld ten minste drie dageu vóór den bepaalden dag van pleidooi.

-ocr page 824-

740 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ZEVENDE TITEL.

Van het regtsgeding in hooger beroep hij de arrondisse-

mcnts-regtbanken, de hoven en den hoogen raad. a)

EERSTE AFDEELING.

Van de zaken aan hooger beroep onderworpen.

332. De partijen kunnen in hooger beroep komen van vonnissen, gewezen bij kantonregters, regtbanken en hoven, in zaken waarin deze allen niet anders dan in het eerste ressort kunnen oordeelen. (Pr. 453; P,. O. 38—43, 53, 65, 88 v., 90; Rv. 42, 253, 295, 335, 359—361, 646, 832, 875; F. 8 v., 11, 85, i54, 211, 218.)

333. In geschillen over onbevoegdheid, zal het beroep ontvankelijk zijn, ofschoon ook de regter, wiens bevoegdheid betwist wordt, mogt kunnen kennis nemen in het hoogste ressort van de zaak ten principale. (Pr. 454: R. O 99b-Rv. 154, 361.)

334. Elke partij, welke zal berust hebben in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hooger beroep. (Rv. 82. 339, 361, 399.)

335. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.

In het geval echter bij het slot van artikel 79 voorkomende, zal de achterblijvende partij zich in hooger beroep kunnen voorzien, mits vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoende, dan zelfs wanneer bij dat vonnis de voorloopige ten uitvoerlegging niet mogt bevolen zijn. (Pr. 443, 455; Rv. 75, 81, 87,\'339, 361, 616.)

336. Het beroep van een praeparatoir vonnis zal niet mogen worden ingesteld dan binnen denzelfden termijn, en gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis.

Dit beroep zal ontvankelijk zijn, zelfs wanneer het praeparatoir vonnis, zonder voorbehouding van dengene die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. (Pr. 45t: Rv. 46b, 339«, 361, 399.) e amp; v

a) Vg. het Besluit van 11 Januari 1SI0 (Stb. no. 1), houdende vaststelling van een Reglement voor Het hooper beroep aan den Hoor/en Raad van vonnissen, in hurgerlijlce zaken gewezen door het GeregUhof in Suriname; de Wet van 1 April 18(59 (Stb. no. 3fgt;), tot voorloopige regelino der regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische /coloniale zaken; het Besluit van 28 September ]850(Stb. no.63), houdende vaststelling van een Reg lenient betrejf \'ende het hooner beroep aan den Hoogen Baad der Nederlanden van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog Geregtshof van Neder-landsch-Indie, alle afgedrukt achter Rv., alsmede de Consulaire wet, a. 17, 75 in de chron. lijst.

-ocr page 825-

BOEK I, TITEL VII, ARTT. 332—340.

337. (*) Van vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd, kan hooger beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis geslagen is.

Hetzelfde kan plaats vinden ten aanzien van incidentele en interlocutoire vonnissen, tenzij de regter daarbij verklaard hebbe, dat het hooger beroep daarvan niet dan tegelijk met het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld, a) (Pr. 451; Rv. 46c, 51, 52 v, 339, 361, 399.)

338. (*) Ingetrokken, b)

TWEEDE AFDEELING.

Va7i den termijn van beroep.

339. (*) De termijn van beroep zal zijn van drie maanden, te rekenen van den dag der uitspraak van het vonnis, c) (Rv. 45, 295, 340, 361, 487, 5i3d, 542, 558c, 803; B. 259, 296; F. 8a, 11a en b, 154, 218a; Markenw., a. 10a, zie chron. lijst.)

De gedaagde in hooger beroep kan echter van zijne zijde incidenteel beroep instellen, zelfs na verloop van dezen termijn en na berusting in het vonnis. Het incidenteel beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij de conclusie van antwoord, c) (Rv. 334, 335, 347, 412, 415.)

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen. (Pr. 443; Rv. 278, 284.)

310. (*) Ingetrokken, d)

a) Art. S37 (oud). Het hooger beroep van een interlocutoir vonnis kan worden ingesteld voordat liet eindvonnis geslagen is.

Hetzelfde heeft plaats opzigtelijk vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd.

h) Art. 338 (oud). Hij die mogt willen beweren dat eene zaak, uit welken hoofde ook, niet vatbaar is voor hooger beroep, zal de exceptie van niet ontvankelijkheid daartoe strekkende, moeten instellen vóór alle andere weren van regten, en is niet verpligt zich, hangende dat geschil, in het geding over de zaak zelve in te laten.

e) In art. 339 (oud) eerste lid werden, in plaats van de slotwoorden: „den dag der uitspraak van hot vonnisquot;, gelezen de woorden: „den dag der beteekening van het vonnis, het zij aan den persoon, het zij aan deszelfs woonplaats.quot;, en luidde het tweede lid:

„De gedaagde in beroep kan echter van zijne zijde incidenteel beroep instellen, zelfs dan, wanneer hij het vonnis had doen betee-kenen zonder eenige voorbehouding ; hij moet dit doen bij zijne schriftuur van antwoord te voren, of bij eenvoudige akte aan den procureur zijner wederpartij beteekend.quot;

cl) Art. 310 (oud). Na verloop van den termijn, bij het vorige artikel vermeld, kan geen beroep meer plaats hebben.

Die termijn loopt tegen alle partijen, voorbehoudens hun verhaal, als naar regten.

Die termijn loopt niet tegen den minderjarige, welke geene hand-ligting bekomen heeft, dan van den dag waarop het vonnis aan den voogd zal zijn beteekend.

741

-ocr page 826-

742 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

341. (*) Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij gedurende den loop van den termijn voor hethooger beroep, kan het beroep door hare erfgenamen of regtver-krijgenden nog worden ingesteld binnen drie maanden na het overlijden, of, zoo zij van het regt van beraad gebruik maken, binnen eene maand na afloop van den daarvoor gestelden termijn, a) (B. 1070 v., 2029; Rv. 254n0.1, 339, 361, 886, 399.)

342. Het hooger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, kan niet worden ingesteld binnen de eerste acht dagen na den dag van deszelfs uitspraak; indien het hooger beroep binnen dat tijdvak plaats heeft, wordt de appellant niet ontvankelijk verklaard, behoudens zijn vermogen om zijn beroep te herhalen, indien de termijn niet verstreken is.

De uitvoering der vonnissen, welke niet bij voorraad kunnen worden ten uitvoer gelegd, wordt gedurende de acht dagen geschorst. (Pr. 449; Bv. 52 v., 295a, 339, 350, 361, 432, 513d, 583amp;; B. 481; Stb. 1874 n0. 68, a. 2. Zie onder B. 365.)

DERDE AFDEELING.

Van de regtspleging in hooger beroep en de gevolgen van hetzelve.

343. Het hooger beroep wordt aangevangen door eene dagvaarding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als die in eersten aanleg, zonder dat zij, behalve in het geval dat de dagvaarding eene nieuwe vordering behelst, zoodanig als bij artikel 348 is toegelaten, de middelen, op welke het hooger beroep gegrond is, behoeft uit te drukken noch daarbij afschrift der stukken behoeft te worden gevoegd; zij wordt op dezelfde wijze beteekend.

De bepalingen van de zevende afdeeling van den eersten titel van dit boek zijn ook op het hooger beroep toepasselijk. (Pr. 456; Rv. 1 v., 4, 5 v., 90 v., 133,349,353,364, 432, 433.)

344. (*) Ingetrokken, h)

a) Art. 341 (oud). De loop der termijnen van het beroep wordt geschorst door den dood van de partij die in eersten aanleg in het ongelijk is gesteld.

Die termijnen beginnen niet weder te loopen dan na de beteeke-ning van het vonnis ter laatste woonplaats van den overledene, en van het eindigen der termijnen van boedelbeschrijving en van het regt van beraad, in geval het vonnis is beteekend geweest ler deze termijnen verstreken waren.

Deze beteekening zal aan de gezamenlijke erfgenamen en in eens kunnen geschieden, zonder uitdrukking van namen en hoedanigheden.

lgt;) Art. 344 (oud). De gedaagde in hooger beroep kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, vervroegen, door bij de akte van procureur-

-ocr page 827-

BOEK J, TITEL Vil, ARTT. ^341—348.

345. (*) Het hooger beroep van beschikkingen op reques-ten wordt bij den hoogeren regter insgelijks bij requeste aangebragt.

Hetzelve moet worden ingesteld door dengeen, die zoodanige beschikking heeft verkregen, binnen twee maanden na de dagteekening der beschikking, en binnen twee maanden na derzelver beteekening door de overige belanghebbenden. o) (Rv. 364; B. 296, 490.)

346. (*) Ingetrokken, h)

347. (*) In hooger beroep zal worden geprocedeerd op de wijze, als voor den eersten aanleg is voorgeschreven, met dit onderscheid alleen, dat slechts eene conclusie van eisch en eene conclusie van antwoord ter rolle worden genomen.

Niettemin zal ingeval van incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, den appellant, op zijn verlangen, een termijn verleend worden om het incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden, c) (Pr. 461, 462; Rv. 435—141, 143—149, 3396.)

348. (*) In hooger beroep kan geen nieuwe eisch worden gedaan, ten zij het zake ware:

1°. Van interessen, renten, huren en andere zaaksgevolgen, sedert het vonnis van eersten aanleg verschenen of ontstaan; (B. 556 v., 558,643,1286,1596no.2,1802.)

2°. Van kosten, schaden en interessen wegens geleden nadeel sedert dat vonnis; (B. 1279.)

3°. Van eenen eisch bij voorraad. (Rv. 51.)

De oorspronkelijke verweerder kan echter nieuwe weren van regten, eene verdediging ten principale opleverende, inbrengen, tenzij dezelve in het geding ter eerster instantie zijn gedekt, waaronder niet begrepen is het geval, dat het regt om ten principale te antwoorden ingevolge artikel 141 vervallen is, doch zal dezelve, al mogt hij ten principale worden in het gelijk gesteld, niettemin kunnen worden veroordeeld in de kosten der procedures tot op het voordragen

stelling den dag te bepalen op welken hij de zaak op de teregtzitting zal aanbrengen, en daartoe zijne wederpartij op te roepen.

a) In art. 315 (oud) tweede lid werden tweemaal, in plaats van de woorden: „twee maandenquot;, gelezen de woorden: „drie maandenquot;.

1/) Art. 346 (oud). In zaken, volgen? de bepalingen van dit Wetboek voor eene summiere behandeling vatbaar, zal in hooger beroep worden geprocedeerd zoo als in eersten aanleg in summiere zaken is voorgeachreven.

De hoogere beroepen van vonnissen door kantonregters gewezen, zijn summiere zaken.

c) Art. 317 (oud). In zaken van gewone behandeling zal worden geprocedeerd gelijk zulks voor den eersten aanleg voor zoodanige zaken is voorgeschreven, met dit onderscheid alleen, dat slechts twee schrifturen mogen worden beteekend, te weten: van de zijde des appellants, eene memorie, inhoudende zijne bezwaren, en daarna van de zijde des gedaagden in hooger beroep eene memorie van antwoord.

De termijn voor de beteekening van elke dezer memorien is van veertien dagen.

743

-ocr page 828-

744 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

dier weren van regten gevallen, indien hij dezelve in eersten aanleg had kunnen doen gelden, a) (B. 497, 1462, 1988; Rv. 69, 156, 250b, 343, 349, 353, 364; Pr. 464.)

349. (*) Zoo wel in het principaal als in het incidenteel beroep, kunnen de nieuwe vorderingen en verweringen, waarvan in het voorgaande artikel is gesproken, gedaan worden bij met redenen omkleede conclusiën. b) (Pr. 465; Rv. 247, 343, 348, 353, 364.)

350. Het hooger beroep schorst de ten uitvoerlegging van het vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen waarin dit is toegelaten. (Pr. 457; Rv. 52 v., 3426, 364, 398d, 432 v., 590.)

351. (*) Indien de ten uitvoerlegging bij voorraad niet gelast is in de gevallen, waarin dit bij de wet is bevolen of toegelaten, zal de gedaagde in beroep alsnog bij eene conclusie, de ten uitvoerlegging bij voorraad kunnen vorderen, ten dage tot de eerste teregtzitting bepaald, c) (Pr. 458; Rv. 52, 53, 54, 247, 311, 348 n0. 3, 364, 398c.)

352. Wanneer buiten de gevallen bij de wet voorzien de provisionele ten uitvoerlegging van een vonnis bevolen is, kan de appellant op de teregtzitting verzoek doen dat de executie worde gestaakt; hij kan ook zijn wederpartij tot dat einde na bekomene vergunning bij dagvaarding op korte termijnen oproepen. (Pr. 459; Rv. 7c, 52, 53, 247, 311, 364, 379.)

353. (*) De bepalingen van den derden titel van dit boek, betrekkelijk de inschrijving ter rolle, de procureur-stelling, de anticipatie, de voorloopige verzoeken en exceptien, de behandeling bij geschrift, de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften, het getuigen-verhoor, de ge-regtelijke plaatsopneming en bezigtiging, de berigten van deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele vorderingen, de schorsing en hervatting van het regtsgeding, de ontkentenis van geregtelijke verrigtingen, het doen van afstand van de instantie, het vervallen derzelve, de voeging en tusschenkomst, zijn in hooger beroep toepasselijk. (Pr. 470; Rv. 133, 135, 136, 137, 139o, 152 v., 162 v., 176 v., 199 v., 219 v., 222 v., 237 v., 247 v., 254 v., 263 v., 277 v., 279 v., 285 v. — Rv. 250amp; j0. 348, 347, 364.)

Niettemin zijn de artikelen 152 en 153 niet anders van toepassing dan behoudens de navolgende bepalingen:

De oorspronkelijke gedaagde, eischer wordende in hooger

a) In art. 318 (oud) tweede lid luidde het eerste gedeelte; „De oorspronkelijke verweerder kan echter nieuwe weren van regten inbrengen, mits dezelve eene verdediging ten principale opleveren en niet in het geding ter eerster instantie zijn gedekt, dochquot; enz.

b) In art. 349 (oud) luidden de slotwoorden: „bij conclusion met middelen aan den procureur der wederpartij beteekendquot;.

c) In art. 851 (oud) werden, in plaats van de woorden: „zal de gedaagde in beroep alsnog bij eene conclusiequot;, gelezen de woorden: „zal de gedaagde in beroep summierlijk en bij eene eenvoudige aktequot;.

-ocr page 829-

BOEK I, TITEL, VII, ARTT. 349—357.

beroep, is niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.

De gedaagde in hooger beroep is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.

De in eersten aanleg gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van hooger beroep.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van regten. a) (Rv. 339amp;, 343.)

354. In geval het vonnis is bekrachtigd, zal hetzelve ten uitvoer worden gelegd bij den regter die in eersten aanleg heeft uitspraak gedaan.

In geval het vonnis is te niet gedaan, het zij voor het geheel of voor een gedeelte, zal de uitspraak in hooger beroep ten uitvoer gelegd worden bij den regter die dezelve gewezen heeft, of bij dien welke bij deze uitspraak daartoe zal zijn aangewezen; behoudens de gevallen van vordering tot nietigverklaring, van gijzeling in h) zaken van gedwongene onteigening en andere in welke de wet regts-magt opdraagt. (Pr. 472; Rv. 59, 426, 456b, 495,496b, 6H, 741, 773.)

355. In geval van beroep van een interlocutoir vonnis, of van een vonnis, bij hetwelk niet anders dan op een tus-schengeschil uitspraak gedaan is, zal de regter in beroep, wanneer hij het vonnis bekrachtigt, de zaak verwijzen naar den regter van eersten aanleg om op de hoofdzaak te worden beslist.

Niettemin zal de regter in beroep de hoofdzaak in het hoogste ressort zelve afdoen op onderlinge vordering van alle de partijen, en hij zal hetzelfde ook kunnen doen indien het geding in dien staat is, dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist. (Pr. 473; Rv. 46c, 247, 329, 356, 357, 358« n0. 1, 373.)

356. Wanneer een interlocutoir vonnis zal zijn te niet gedaan, kan de regter in hooger beroep de zaak tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale vonnissen.

Bij de te nietdoening van een vonnis op een tusschen-geschil gewezen, zal de regter in hooger beroep dit insgelijks doen in het eerste, en hij kan dit doen in het tweede der beide gevallen, in het laatste lid van het voorgaande artikel gemeld. (Pr. 473; Rv. 355, 374.)

357. (*) Wanneer in het geval van het tweede lid van artikel 68 een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de regter van eersten aanleg zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te nemen, zal de regter in hooger beroep dezelve aan hem verwijzen, om ten principale te worden beslist, ten zij partijen begeerd mogten hebben, dat de hoogere regter

c.) In art. 353 (oud) eerste lid ontbraken achter het woord: „betrekkelijkquot; de woorden: „de inschrijving ter rollequot;, achter de woorden: „de procureurs tellingquot; de woorden: „de anticipatiequot; en achter het woord: „plaatsopnemingquot; de woorden: „en bezigtigingquot;. Dan ontbraken het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid.

b) Lees : nietigverklaring van gijzeling, in.

745

-ocr page 830-

746 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

de hoofdzaak zal afdoen, a) (Rv. 329, 355,3o8a n0.1,375.)

358. Indien de eerste regter zich onbevoegd had verklaard en deze uitspraak wordt te niet gedaan, zal de hoogere regter de zaak ten principale naar denzelfden regter verwijzen, uitgezonderd:

1°. Wanneer beide partijen vorderen dat de hoogere regter de zaak aan zich zal houden; (Rv. 355, 357.)

2°. Wanneer de hoogere regter naar den aard van het geding gronden vindt tot verwijzing der zaak naar eenen anderen regter. (Rv. 273.)

In het laatste geval zal die verwijzing gedaan worden aan eenen regter van eersten aanleg, binnen het regtsgebied van het geregtshof, daartoe bij de uitspraak te noemen.

Indien het hooger beroep van de uitspraak van eenen kantonregter is ingesteld, zal de zaak, in het onder n0. 2 vermelde geval, worden verwezen naar eenen anderen kantonregter in hetzelfde arrondissement. (Rv. 374.)

Gewijzigd hij art. 1 der Wet van 26 April i876 (Stb. n0. \'86). b)

ACHTSTE TITEL.

Van revisie,

359. Partijen kunnen ingevolge de Wet op de zamen-stelling der regterlijke magt en het beleid der justitie in revisie komen van arresten, door den hoogen raad in eersten aanleg gewezen. (R. O. 88 v., 90.)

360. Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in die zaken, waarin, zoo zij voor den gewonen regter gebragt hadden kunnen worden, door dezen in het hoogste ressort zou zijn beslist, noch in zake van regtsweigering.

In die gevallen oordeelt de hooge raad in eersten aanleg bij arrest. (R. O. 38 v., 54 v., 88 v.; Rv. 361 jls. 333,335, 336, 337, 846.)

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 2 der Wet van 26 April 4876 (Stb. n0. 86.) c)

a) In art. 357 (oud) luidden de aanvangswoorden: „Wanneer een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de regter van eersten o.anleg eeniglijk zich bevoegd heeft verklaard omquot; enz.

b) Oorspronkelijk werden in het tweede lid, in plaats ^ an de woorden: „het regtsgebied van het geregtshofquot;, gelezen de woorden : „de provinciequot;, en ging aan het laatste lid nog een lid vooraf, luidende: „Indien de provincie slechts één arrondissement bevat, kan de zaak worden verwezen naar eene arrondissements-regtbank in eene aangrenzende provincie.quot;

c) De oorspronkelijke redactie luidde; „Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in zaken, gelijkstaande met die, welke, voor de provinciale geregtshoven in eersten aanleg aangelegd zijnde, door dezelven in het hoogste ressort zouden zijn beslist.

In dat geval oordeelt de hooge raad in eersten aanleg bij arrest.quot;

-ocr page 831-

BOEK I, TITEL VU EN VIII, ARTT. 358—368.

361. De bepalingen der eerste en tweede afdeelingen van den zevenden titel van dit boek zijn op het middel van revisie toepasselijk. (Rv. 832—342.)

362. De partij welke in revisie wil komen, moet, alvorens hare wederpartij te doen dagvaarden, haar voornemen daartoe bij requeste aan den hoogen raad te kennen geven en bepaling vragen van eenen dag, tegen welken zij, met in achtneming der termijnen voor de dagvaardingen voorgeschreven, hare wederpartij kan doen dagvaarden. (Rv. 7 v., 361 jis. 339a, 341, 342, 364 j™. 343, 345.)

363. De hooge raad zal daarop onverwijld beschikken en bij een eenvoudig appointement op het request dien dag bepalen.

Hij zal tevens twee raden-commissarissen uit deszelfs midden benoemen, ten overstaan van welke de dingtalen, voor zooverre dezelve door partijen ter teregtzitting moeten worden gebragt en behandeld, zullen worden gevoerd. (Rv. 364 v.)

364. In revisie zullen alleen de vormen voor de regts-pleging in hooger beroep voorgeschreven bij de artikelen 343, 345, 348, 349, 350, 351, 352 en 353 van de derde afdeeling van den zevenden titel van dit boek, toepasselijk zijn.

365. (*) De termijn van dagvaarding kan niet worden vervroegd en het geding zal gevoerd worden als in eersten aanleg, a) (Rv. 135, 136, 137—149, 347, 353, 364.)

366. In geval door partijen in revisie op de teregtzitting voor raden-commissarissen eenig voorloopig verzoek wordt gedaan of eenige exceptie wordt voorgesteld, of tusschen partijen eenig incident opkomt, hetwelk eene regterlijke beslissing vordert, wordt zoodanig geschil voor radencommissarissen voldongen, en verwijzen deze de partij naar eene teregtzitting van den hoogen raad, zamengesteld als bij artikel 368 is bepaald. (Rv. 364 j0. 353, 372.)

367. De zaak ten principale wordt mede voor radencommissarissen voldongen, en nadat door partijen conclusiën zijn genomen, heeft gelijke verwijzing plaats. (Rv. 364 ji3. 348, 349.)

368. Ten dage dienende houdt de hooge raad, zamengesteld uit elf leden, de president of de raadsheer die hem vervangt daaronder begrepen, eene openbare teregtzitting.

De zeven leden welke van de zaak in eersten aanleg hebben kennis genomen, zullen over het geding in revisie vonnissen.

De hooge raad zal tot op het bepaald getal raadsheeren worden aangevuld door de oudste leden welke niet wettig mogten verhinderd zijn.

747

Er zal op gelijke wijze worden voorzien in de aanvulling van een of meer der eerste regters, in geval van overlijden, wraking, uit hoofde van eene oorzaak sedert het vroeger gewijsde ontstaan, of wettig beletsel. (R. O. 83, 100 v.; R. 1. a. 78 n». 4; Rv. 29 v., 366.)

a) Art. :i(gt;5 (oud). Dienvolgens kan de termijn van dagvaarding niet overeenkomstig artikel 3tt dier afdeeling worden vervroegd, en het geding moet altijd gevoerd worden als in zaken van gewone behandeling, al ware het in eersten aanleg summierlijk behandeld.

-ocr page 832-

748 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

369. De procureurs der partijen dragen ten dage dienende, vóór den aanvang der pleidooijen, de slotsom hunner genomen conclusiën nogmaals voor. (R. I, a. 45.)

370. Een der raden-commissarissen, ten welker overstaan het geding gevoerd is, doet summier rapport van den loop van hetzelve. (Rv. 363b.)

371. De hooge raad doet in revisie uitspraak in voege als ten aanzien van het hooger beroep bij de hoven is bepaald. (Rv. 324 n». 9, 373 v.)

372. (*) Verzoeken om verstek worden almede aan de uitspraak op de teregtzitting van den hoogen raad in voege vermeld verwezen en, na gehoorde conclusie van de verschenen partij, en des noods na gehouden pleidooi, beslist, a) (Rv. 75 v., 366.)

373. De bepaling van artikel 355 is ook in revisie toepasselijk.

374. In het geval van artikel 356 en 358 zal de hooge raad in revisie de zaak altijd tot zich trekken, en ten principale uitspraak doen.

375. De bepaling bij artikel 357 is mede in revisie toepasselijk.

NEGENDE TITEL.

Van verzet door derden.

376. Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in

persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tusschenkomst geene partij zijn geweest. (Pr. 474; B. 354, 441, 506, 880, 1002, 1954; F. 10, 25; Rv. 125, 285, 380.)

377. Dit verzet wordt beoordeeld door den regter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen. Het wordt aangebragt door eene dagvaarding tegen alle de partijen tusschen welke hetzelve is gevallen, en de algemeene voorschriften wegens de wiize van procederen zijn op dit verzet toepasselijk. (Pr. 475 v.; Rv. 1 v., 97 v., 125, 126 v.; B. 2004.)

378. Indien zoodanig vonnis aan eenen derde is tegengeworpen in een regtsgeding, en het verzet daartegen is ingesteld op den voet van het vorige artikel, staat het vry aan den regter voor wien dat regtsgeding aanhangig is, indien daartoe gronden bestaan, de schorsing van hetzelve toe te staan, totdat het ingestelde verzet zal zijn uitgewezen. (Pr. 447; Rv. 254 v., 377, 389.)

379. De regter, die over een verzet van derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering van het aangevallen vonnis schorsen, totdat het verzet zal zijn uitgewezen. (Pr. 478(gt;; Rv. 350, 392, 432.)

380. Bij wettiging van het verzet wordt het vonnis,

a) In art. 372 (oud) werden, in plaats van de woorden: „de verschenen partijquot;, gelezen de woorden: „den eischerquot;.

-ocr page 833-

BOEK I, TITEL VHI, IX EN X, ARTT. 369—382. 749

waartegen dit gerigt is geweest, alleen in zoo verre verbeterd als het de regten van derden heeft benadeeld, ten zij het onsplitsbare der gevallene uitspraak eene geheele vernietiging daarvan noodzakelijk mogt maken. (Rv. 376.)

381. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). a)

TIENDE TITEL.

Van requeste civiel.

382. (*) De vonnissen op tegenspraak in het laatste ressort gewezen, en die welke op verstek gewezen en niet meer vatbaar voor verzet zijn, kunnen herroepen worden, op het verzoek van degenen die partij geweest of geroepen zijn, om de volgende redenen: (R. O. 38 j». Rv. 397; R. O. 53 v., 66 v., 88 v.; Rv. 81 v., 382 v., 336, 337,339, 397, 648.)

1°. Indien de beslissing berust op na derzei ver uitspraak ontdekt bedrog of arglist der wederpartij in de procedures gepleegd of een opgelegde eed door den strafregter is verklaard valschelijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt den beslissenden eed in artikel 1966,1®. Burgerlijk Wetboek bedoeld; b) (B. 1364, 1403, 1485, 1966 n0. 2, 1973, 1977 v.; K. 10; Sr. 207; Rv. 382 n«. 7, 387, 397, 649 n°. 10.)

2°. Indien uitspraak is gedaan omtrent zaken welke niet waren geëischt; (Rv. 5 n0. 3, 649 n0. 4).

3°. Indien meer is toegewezen dan geëischt was geworden; (Rv. 5 n0. 3, 649 n0. 4.)

4°. Indien verzuimd is op een der gedeelten van den eisch uitspraak te doen; (Rv. 649 n0. 6.)

5°. Indien tusschen dezelfde partijen, op dezelfde gronden en door denzelfden regter, tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort gewezen zijn; (Rv. 388, 427.)

6°. Indien in hetzelfde vonnis tegenstrijdige beschikkingen zijn; (Rv. 382 n0. 5.)

7°. Indien gevonnisd is op stukken, die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn; (Rv. 382 n®. 1, 387, 397; Sr. 225 v.)

8°. Indien men, na het vonnis, stukken van eenen beslissenden aard nader in handen heeft bekomen, welke

a) Artikel 381 luidde : „Bij verwerping van het verzet kan hij, die hetzelve heeft ingesteld, verwezen worden in eene boete de som van / 50,— niet te boven gaande, onverminderd de vordering tegen den-zelve tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden mogten zijnquot;.

b) In art. 382 (oud) no. 1 ontbraken de laatste woorden: „of een opgelegde eed door den strafregter is verklaard valschelijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt den beslissenden eed in artikel I9CC, lo. Burgerlijk Wetboek bedoeldquot;.

-ocr page 834-

750 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGT3VORDERING.

door toedoen van de wederpartij waren achter gehouden. (B. 1910; Rv. 387, 649 n0. 9. — Pr. 480.)

383. Minderjarigen zullen daarenboven tot het verzoeken van zoodanige herroeping nog ontvankelijk zijn, indien zij niet verdedigd zijn geweest. (Pr. 481; B. 354, 385, 441, 506, 1482 v.; Rv. 385amp;.)

384. Indien er slechts grond is om herroeping te verzoeken van een gedeelte van het vonnis, zal dat gedeelte alleen worden herroepen, ten zij de andere deelen van het vonnis daarvan afhangen. (Pr. 482; Rv. 394.)

385. (*) Het request civiel zal beteekend worden met dagvaarding binnen drie maanden, te rekenen van den dag waarop het vonnis, waarover men zich beklaagt, is uitgesproken of, zoo dit bij verstek gewezen is, van den dag, waarop het niet meer vatbaar is voor verzet.

Deze termijn gaat in het geval van artikel 383 eerst in op den dag der meerderjarigheid, a) (Pr. 483, 484; B. 385, 474; Rv. 339, 361, 386, 387, 388, 390, 398.)

386. Indien de partij die in het ongelijk is gesteld overleden mogt zijn binnen de hierboven genoemde termijnen, is de bepaling van art. 341 toepasselijk. (Pr. 487; Rv. 254 n0. 1, 256, 385.)

387. Indien het request civiel gegrond is op valsch-heid, bedrog, arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, zullen de termijnen slechts loopen van den dag af, op welken het zij de valschheid, het zij het bedrog of de arglist bekend, of de stukken ontdekt zullen zijn, mits, in die laatste gevallen, die dag bij geschrifte kunne bewezen worden. (Pr. 488; Rv. 382 n«. 1, 7 en 8, 385, 650; B. 1904 v.)

388. (*) Indien er strijdigheid van vonnissen plaats heeft, loopt de termijn sedert de uitspraak van het laatste vonnis of, zoo dit bij verstek gewezen is, van den dag, waarop het niet meer vatbaar is voor verzet, h) (Pr. 489; Rv. 81, 382 n». 6, 385.)

389. Het request civiel wordt aan denzelfden regter ingediend, welke het beklaagde vonnis heeft gewezen.

Indien het beklaagde vonnis wordt overgelegd in eene zaak hangende voor eene andere regtbank, kan deze naar de omstandigheden, in de behandeling dier zaak voortgaan of dezelve schorsen. (Pr. 490,491,493; Rv. 158,254,378,395.)

390. Het request civiel zal worden ingediend door eene dagvaarding in den gewonen vorm, en beteekend worden aan de partij of aan hare woonplaats.

Hetzelve zal de middelen behelzen waarop het verzoek

a) In art. 385 (oud) eerste lid luidden de laatste woorden; „het vonnis, waarover men zich beklaagt, aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn beteekendquot;, terwijl het tweede lid werd jjelezen:

„Tegen minderjarigen zal, in het geval van artikel 383, de termijn van drie maanden niet loopen dan van den dag na hunne meerderjarigheid, op welken de beteekening van het vonnis aan hun persoon of ter hunner woonplaats gedaan isquot;.

b) Art. 388 (oud). Indien er strijdigheid van vonnissen plaats heeft, loopt do termijn sedert den dag der beteekening van het laatste vonnis.

-ocr page 835-

BOEK I, TITEL X, ARTT. 383—397.

gegrond is; geene andere middelen dan deze kunnen, noch op de teregtzitting, noch bij schrifture, worden aangevoerd. (Pr. 492, 499; Rv. 1 v., 5 n0. 3, 140 v., 2376, 274«, 324 n». 10, 385, 389.)

391- Ingetrokken bij art. 2 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). a)

392. Het request civiel verhindert de ten uitvoerlegging van het beklaagde vonnis niet, en deze zal door geen reg-terlijk bevel belet kunnen worden. (Pr. 497; Rv. 82ö, 350, 379, 389amp;, 394.)

393. Ingetrokken hij art. 2 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). b)

394. Indien het request civiel wordt aangenomen, zal het vonnis worden herroepen en de partijen in denzelfden staat teruggebragt, in welken zij vóór het vonnis waren; hetgeen ten gevolge van de veroordeeling bij het vonnis uitgesproken genoten of ontvangen is, zal worden teruggegeven.

Indien het request civiel wordt aangenomen ter zake van strijdigheid van vonnissen, wordt bij de uitspraak bevolen dat het eerst gewezen vonnis alleen van kracht zal zijn. (Pr. 501; Rv. 382 n». 5, 384, 388.)

Gewijzigd hij art. 2 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55). c)

395. Het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis zal gewezen zijn, zal gevoerd worden voor dezelfde regtbank, d) die over het request civiel gevonnisd heeft. CPr. 502; Rv. 389.)

396. Na een eerst request civiel, het zij hetzelve aangenomen of verworpen zij, zal men geen tweede kunnen indienen, het zij tegen het vonnis op het request civiel gewezen, het zij tegen het vonnis, hetwelk, na de aanneming van dat request, ten principale zal hebben beslist. (Pr. 503; Rv. 87, 335, 382; R. O. 95, 99.)

397. Men kan geen gebruik maken van het middel van request civiel tegen de vonnissen van kantonregters, dan alleen in het geval vann0. 1 en 7 van artikel 382. (R. O. 99amp;; Rv. 382«, 389.)

a) Art. 391 luidde: „Alle partijen, uitgezonderd die welke voor de belangen van den Staat opkomt, zullen gehouden zijn, voordat zij het request civiel laten beteekenen, en op straffe van vervallenverklaring, eene som van honderd gulden als boete, en eene som van vijftig gulden voor schaden en interessen harer wederpartij, in consignatie te brengen, onverminderd hoogere schaden en interessen, indien hiertoe termen zijn**.

h) Art. 393 luidde; „Het vonnis, waarbij het request civiel verworpen wordt, zal den eischer verwijzen in de hier-boven bepaalde boete, schaden en interessen, onverminderd hoogere schaden en interessen, indien daartoe termen zijn.quot;

c) Oorspronkelijk luidden de aanvangswoorden van de laatste zinsnede van het eerste lid: „de geconsigneerde gelden, en hetgeenquot; enz.

d) Lees: denzelfdcn regter. Vg. art. 389a.

751

-ocr page 836-

752 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ELFDE TITEL.

Van de wijze van \'procederen in cassatie, a)

398. (*) Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van den dag, waarop het arrest of vonnis waartegen wordt opgekomen, is uitgesproken. b) (a. 165; R. O. 94—99, 103; Rv, 399 p. 336 en 337, 400, 401, 421, 423, 427; R. 1, a. 82.)

In de gevallen waarin de wet voor het hooger beroep eenen korteren termijn heeft voorgeschreven, wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort, en gesteld op het dubbeld van den termijn in die gevallen voor het hooger beroep bepaald. (Rv. 295, 339, 345b, 428b, 487, 513d, 542, 558c, 559, 803; F. 12.)

De regter mag of moet de voorloopige ten uitvoerlegging van een vonnis of arrest niettegenstaande cassatie bevelen in dezelfde gevallen en op dezelfde wijze waarin hem is toegelaten of bevolen de voorloopige ten uitvoerlegging te gelasten, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Rv. 52,53.)

Buiten de gevallen, waarin de regter de voorloopige ten uitvoerlegging heeft bevolen, heeft het beroep in cassatie eene schorsende kracht. (Rv. 82b, 350, 351, 352, 379,392.)

399. De bepalingen van artikel 334, 336, 337 en 341 van dit Wetboek zijn ook op het regtsgeding in cassatie toepasselijk.

400. Die, het zij in het eerste en het hoogste ressort, het zij in hooger beroep, bij verstek veroordeeld is, kan geen beroep in cassatie doen. (Rv. 76 v., 138; R. O. 103.)

401. De partij welke zoodanig vonnis heeft verkregen tegen eenen defaillant, en welke uit hoofde van de geheele of gedeeltelijke ontzegging van zijnen eisch, of uit hoofde van andere bezwaren tegen hetzelve, vermeent grond te hebben tot cassatie van zoodanig vonnis, moet dezelve instellen en zijne partij doen oproepen in cassatie, evenals of deze geen defaillant ware geweest, en tevens van het exploit aankondiging doen in een der openbare dagbladen van de plaats, waar de Hooge Raad zitting houdt en van de plaats waar

а) Na reeds in enkele bepalingen te zijn gewijzigd bij de Wet van 7 April 1869 (Stb. no, 55), onderging deze titel eeue omvangrijke wijziging bij de Wet van 26 Juni 1876 (Stb. no. 121). De oorspronkelijke tekst der vervangen bepalingen en de verdere wijzigingen zijn in de noten aangegeven, mat cursiveering van het bij de eerste wet reeds vervallene. Bij de Wet van 7 Juli 1896 (Stb. no. 103) werden, behalve eenige noodzakelijk geworden veranderingen in de verwijzingen in den tekst naar andere artikelen, geene andere veranderingen in dezen titel gemaakt dan de aangegeven wijziging van art. 398.

б) In art. 398 (oud) werden, in plaats van de twee laatste woorden: „is uitgesprokenquot;, gelezen de woorden: „aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn bcteekend, op straffe van vervalquot;. (Wijziging Wet van 7 Juli 1890, Stb. no. 103.)

-ocr page 837-

BOEK I, TITEL XI, AR TT. 398—406.

het voorschreven vonnis is gewezen, of bij gebreke van zoodanig dagblad, in dat van eene nabij gelegene plaats. (R. O. 99; Rv. 4 n0. 7, 400, 402, 403 v., 425.)

402. Indien het bestreden vonnis, het zij bij verstek tegen den gedaagde in cassatie, het zij na deszelfs tegenspraak, wordt te niet gedaan, doet de Hooge Raad in cassatie uitspraak, overeenkomstig artikel 105 en 106 der Wet op de regterlijke organisatie, met in achtneming van de bepalingen in dezen titel voorgeschreven. (Rv. 403 v.)

403. Indien in het geval van artikel 401 de cassatie wordt verworpen, kan de eischer die het bestreden vonnis of arrest bij verstek daartegen heeft verkregen, hetzelve ten uitvoer leggen, behoudens het verzet van den veroordeelde bij verstek, binnen den bij de wet bepaalden tijd. (Rv. 81 v., 404, 425.)

404. Indien in het geval van datzelfde artikel het beroep in cassatie van een vonnis bij verstek gewezen, door den verkrijger van hetzelve wordt gedaan binnen den nog loopenden termijn van verzet des defaillants, kan deze alsnog, zoolang hij zich niet op de zaak in cassatie heeft ingelaten, van zijn regt van verzet tegen het bestreden vonnis gebruik maken. (Rv. 81 v., 334 j0. 399, 405.)

405. In dat geval vervalt het regtsgeding in cassatie, doch de cassatie kan tegen het vonnis op het verzet gewezen, opnieuw door den vorigen beroeper worden ingesteld, indien deze vermeent daartoe gronden te hebben. (R. 0.99; Rv. 400, 427.)

406. a) Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij eene dagvaarding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als in eersten aanleg, behoudens de volgende wijzigingen: (Rv. 1 v.)

Art. 5, n®. 3, blijft ten deze buiten toepassing.

De dagvaarding bevat eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing het zij van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of van de wettelijke voorschriften, die de eischer beweert te zijn verzuimd, geschonden of verkeerdelijk te zijn toegepast, het zij van de beweerde overschrijding van regtsmagt en de daartoe betrekkelijke wetsbepalingen. (R. O. 99; Rv. 90 v.)

De eischer is gehouden in het exploit van dagvaarding

a) Art. 400 (oud). De verzoeker in materie van cassatie zal zijn beroep aanvangen, cloor ter griffie van den hoogen raad voor boete te consigneren eene som van honderd gulden, en voorts aldaar over te leggen eene memorie, in den vorm van verzoekschrift ingerigt en door zijnen proonrenr onderteeltend. Die memorie zal inbonden; lo. Alle de middelen van cassatie; geene andere dan deze kunnen, het zij op de teregtzitting, het zij bij schrifturen, door partijen worden aangevoerd;

2o. De aanwijzing der wetten, welke men beweert te zijn ge-

schonden of verkeerdelijk toegepast;

3o. De voor het hof to nemen conclusien;

fo. Keuze van woonplaats bij eeneu procureur bij den hoogen raad toegelaten.

753

-ocr page 838-

754 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

een advokaat bij den Hoogen Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen, op straffe van nietigheid. (Rv. 21, 133a.)

Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij dien advokaat, ten zij het exploit eene andere binnen de gemeente \'s-Gravenhage gekozen woonplaats uitdrukt. (B. 81; Rv. 5 n». 1. 1336, 429; Stb. 1876 n». 124, a. 9.)

407. a) De verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan de gekozen woonplaats des eischers beteekend exploit dezen tegen een vroe-geren dan den in het exploit van dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen. (Rv. 136, 353, 365.)

408. t») De advokaat bij den Hoogen Raad, die voorden verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der zaak ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het zittingblad.

De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijnen advokaat. Hij kan echter ook eene andere woonplaats, mits binnen de gemeente \'s-Gravenhage, in het zittingblad opgeven. (R. I, a. 64; Rv. 137; Stb. 1876 n0.124, a. 9, zie onder Bijlagen tot Rv.)

409. c) De feitelijke grondslag der middelen van cassatie kan alleen worden bewezen door het aangevallen arrest of vonnis en, voor zoover zij betreffen vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, ook door de stukken, waaruit van dat verzuim kan blijken. (R. O. 99; Rv. 90 v.)

410. d) De verweerder, van zijne zijde in cassatie wen-

a) Art. 407 (oud). Bij dezo memorie zullen door den verzoeker worden gevoegd:

lo. De justifioatoiro bescheiden, onder inventaris;

2o. Het bewijs, dat de boete is voldaan of dat hij daarvan is vrijgesteld:

So. Het beteekend afschrift of de authentieke expeditie van liet arrest of vonnis, waartegen wordt opgekomen.

b) Art. 408 (oud). Het overleggen van de memorie en stukken zal worden bevestigd door eene aanteekening, welke daarvan door den griffier zal worden gesteld en geteekend aan den voet der memorie, bij artikel 406 vermeld, met bijvoeging der dagteekenirg.

Deze aanteekening moet worden overgeschreven in een daartoe bestemd openbaar register, waaruit eeu ieder een uittreksel zal kunnen vorderen, of wel eene verklaring dat er geen beroep in cassatie heeft plaats gehad.

e) Art. 409 (oud). De gronden, waarop de cassatie gevraagd wordt, kunnen op geene andere wijze worden bewezen dan door middel van stukken, welke gediend hebben bij het hof of de regtbank, die het vonnis of arrest, waartegen men opkomt, heeft gewezen, of wel door het vonnis of arrest zelf.

De hooge raad vermag geen acht te slaan op gronden, welke niet op voorschreven wijze zijn bewezen.

d) Art. 410 (oud). Binnen den tijd van acht dagen nadat de memorie ter griffie is overgelegd, zal de verzoeker afschrift van dezelve benevens opgave der overgelegde stukken doen beteekenen aan de wederpartij of aan hare woonplaats.

-ocr page 839-

BOEK I, TITEL XI, ARTT. 407—413.

schende te komen, doet dit, op straffe van verval, bij zijne conclusie van antwoord.

Die conclusie bevat alsdan eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in artikel 406 vermeld.

De verweerder is in dit incidenteel beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel 398 gestelde termijnen en zelfs na berusting in het arrest of vonnis.

Artikel 409 geldt ook voor het incidenteel beroep.

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen. (Rv. 334, 339.)

411. (*) a) Wanneer de verweerder niet reeds op den eersten regtsdag zijne conclusie van antwoord neemt, wordt hem tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend.

Hij is gehouden alle exception met zijn antwoord ten principale te vereenigen, op straffe van verval.

Alleen de in artikel 141, derde lid, bedoelde exceptie wordt ook in cassatie, op straffe van verval, afzonderlijk vóór alle weren van regten, behalve de vordering tot zekerheidstelling, voorgedragen, b) (Rv. 141a en b, 145Ö, 152.)

412. c) In geval van incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, wordt den eischer, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend om het incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.

Is het een of ander het geval niet, dan wordt onmiddellijk na het nemen der conclusie van antwoord de dag van pleidooi bepaald, ten zij partijen, zonder overlegging der stukken, daarop regt vragen. (Rv. 142, 144, 339, 3476, 410.)

413. d) Partijen zijn gehouden de stukken, waarop zij zich beroepen, elkander over en weder mede te deelen in afschrift of door nederlegging van het oorspronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen. (Rv. 147, 148, 149, 167 v.)

a) Art. «1 (ond). De wederpartij is verpligt om. binnen den tijd van ééne maand na voorschreven beteekening, hare memorie van antwoord, door eenen procureur bij den hoogen raad toegelaten onderteekend, aan den procureur van den verzoeker van cassatie te doen beteekenen, eu daarvan afschrift over te geven.

b) In art. 411 (oud) werden, in plaats van de woorden: „artikel UI, derde lidquot;, gelezen de woorden: „artikel 159, tweede lidquot;. (Wijziging Wet van 7 Juli 189G, Stb. no. 103.)

c) Art. il2 (oud). Binnen den tijd van acht dagen na die beteekening zal de gedaagde gehouden zijn deszelfs antwoord met en benevens de stukken onder inventaris ter griffie van den hoogen raad over te leggen, en zijn de bepalingen van het eerste lid van artikel 408 te dezen toepasselijk.

d) Art. 413 (oud). De hooge raad kan aan den gedaagde een uitstel van ééne maand verleenen, wanneer deze doet blijken, dat hij zich buiten staat heeft bevonden om binnen den termijn, bij artikel 411 voorgeschreven, te antwoorden.

Het verzoek om uitstel zal bij een eenvoudig request gedaan en daarover in de raadkamer beslist worden.

Indien het uitstel verleend wordt, zal het appointement aan den procureur dor wederpartij worden beteekend.

755

-ocr page 840-

756 WETBOEK VA.N BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

414. De gronden door den gedaagde aangevoerd, kunnen niet anders worden bewezen dan op de wijze bij artikel 409 hierboven vermeld.

416. (*) a) De artikelen 152 en 153 zijn van toepassing in cassatiG.

Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende in cassatie, niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.

De verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep.

De in vroegere instantien gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle weren van regten. (Rv. 353, 364.) b)

416. c) De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie ter rolle.

De verweerder op het incident neemt in dezelfde of in eene nadere door den Hoogen Raad te bepalen teregtzitting zijne conclusie van antwoord op het incident, dat door den Hoogen Raad, na partijen, zoo zij dit verlangen, in de mondelinge toelichting harer conclusiën en het openbaar ministerie te hebben gehoord, afzonderlijk wordt beslist. (Rv. 247 v., 411, 412.) .

417. (*) d) Overlegging ter griffie of mededeelmg m afschrift van de volmagt van den volgens art. 406 e) of art. 408 aangewezen advokaat kan door de wederpartij worden gevorderd.

Hij blijft de partij vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander advokaat bij den Hoogen Raad is aangewezen bij aan de wederpartij beteekend exploit, of hij zelf aan deze laatste bij beteekend exploit of ter teregtzitting heeft aangezegd, dat hij zich aan de verdere behandeling der zaak onttrekt. (Rv. 146, 254 v.)

418. f) Ten dage dienende, wordt de zaak bij den Hoogen Raad bepleit, en vervolgens het Openbaar Ministerie gehoord. (R. I. a. 78, 1°. e; Rv. 324 n». 8.)

a) Art. 415 (oud). Geeue andere schrifturen zullen mogen worden ingediend dan de memorie van den aanlegger en het antwoord van den gedaagde.

b) In art. 415 (oud) laatste lid werden de laatste woorden gelezen: „vóór alle andere weren van regtenquot;. (Wijziging Wet van 7 Juli 1S9C, Stb. no. 103.)

c) Art. 416 (oud). Na verloop der termijnen zal de meest gereede partij aan den hoogen raad een verzoekschrift inleveren, ten einde door denzelve de dag der pleidooijea bepaald worde.

cl) Art. 417 (oud). Binnen drie dagen na de dagteekening van het bevel, waarbij de dag der pleidooijen is bepaald, zal hetzelve door den verkrijger worden beteekend aan den procureur der wederpartij.

e) In art. 417 (oud) werd in plaats van „400quot; gelezen; „407quot;. (Wijziging Wet van 7 Juli ISOO, Stb. no. 103.)

ƒ) Art. 118 (oud), Ten dage dienende wordt de zaak bij den hoogen raad bepleit, eu vervolgens het openbaar ministerie gehoord.

-ocr page 841-

BOEK I, TITEL XI, ARTT. 414—426.

De pleidooijen kunnen ook gehouden worden door andere dan de volgens de artt. 406 a) en 408 aangewezen advokaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is. (Rv. 21 v., 56,57.)

419. Na gehoudene raadpleging doet de Hooge Raad uitspraak, het zij dadelijk, het zij op eenen daartoe te bepalen dag.

Hij zal zich te dien opzigte regelen naar de voorschriften van artt. 105 en 106 der Wet op de Regterlijke Organisatie.

Geen andere middelen van cassatie komen bij de uitspraak in aanmerking dan die, welke overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 406 en 410zijn voorgesteld.(R.0.100; R. I, a. 84; Rv. 45, 56, 254 jquot;. 125, 353, 364, 42%.) b)

420. Rij de toepassing van artikel 105 van de in het vorige artikel vermelde Wet zal de Hooge Raad in acht nemen de regelen bij de volgende artikelen aangeduid. (R. O. 99a n0. 2 en 3, 99b; Rv. 402, 421 v.)

421. Indien het arrest wordt vernietigd ter zake van onbevoegdheid, verwijst de Hooge Raad partijen daar en waar het behoort. (R. O. 99a n0. 2, 99amp;; Rv. 154, 422.)

422. Indien een interlocutoir vonnis wordt vernietigd, verwijst de Hooge Raad het geding, volgens den aard der zaak, naar den regter welke in eersten aanleg of in hooger beroep heeft kennis genomen, ten einde met in achtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen. (Rv. 4Cc, 424.)

423. Indien een arrest wordt vernietigd ter zake van overschrijding van regtsmagt, of van verkeerde toepassing of schending der wet, beslist de Hooge Raad de hoofdzaak even en in diervoege als de regter, welke het vernietigde arrest heeft gewezen, had behooren te doen, met in achtneming der bepaling in het volgende artikel voorgeschreven. (R. O. 99a n0. 2 en 3, 99amp;, 105.)

424. Indien de definitieve beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of van regtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst de Hooge Raad het geding op den voet en de wijze bij artikel 422 omschreven. (R. O. 105, 423.)

425. Er wordt geen verzet toegelaten tegen arresten door den Hoogen Raad bij verstek in cassatie gewezen c) dan aileen wanneer er gronden waren tot nietigverklaring van de dagvaarding of het beroep was ingesteld na verloop van den wettelijken termijn en mits het verzet geschiede binnen veertien dagen na beteekening van het arrest. (R. O. 94; Rv. 81, 89, 90, 398, 411, 412, 419, 430.)

426. Indien de Hooge Raad, krachtens artikel 105 der Wet op de Regterlijke Organisatie, in de zaak zelve heeft regt

a) In art. 118 (oud) werd in plaats van „406quot; gelezen: „407quot;. (Wijziging Wet van 7 Juli 18U(i, Stb. no. 103.)

h) Het derde lid ontbrak in art. 419 (oud).

e) In art. 4Sa luidde het volgende: „dan alleen wanneer de memorie van den aanlegger niet ia beteekend geworden binnen den termijn bij artikel 410 bepaald, en mits,quot; enz.

757

-ocr page 842-

758 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

gedaan, gelden ten aanzien van de tenuitvoerlegging van het vonnis de bepalingen van artikel 334. (Rv. 423.)

427. Behalve de gevallen waarin bij de Wet op de Reg-terlijke Organisatie voorziening in cassatie is toegelaten, zal men zich in cassatie kunnen voorzien, indien door verschillende hoven of regtbanken in het hoogste ressort tegenstrijdige vonnissen gewezen zijn tusschen dezelfde partijen en op dezelfde gronden door partijen aangevoerd.

De Hooge Raad het laatstgewezen arrest of vonnis vernietigende, zal gelasten dat het eerste naar zijnen vorm en inhoud zal worden tenuitvoergelegd. (Pr. 504; G. 165; R. O. 99; Rv. 382 nquot;. 5, 394.)

428. (*) a) Het beroep in cassatie tegen beschikkingen op request wordt bij den Hoogen Raad insgelijks bij request aangebragt. (G. 165; Rv. 345a.)

De artikelen 334, 336, het tweede b) lid van art. 337, het tweede lid van artikel 345, het tweede lid van art. 398 en art. 409 zijn op dit beroep van toepassing.

429. c) Het verzoekschrift bevat eene omschrijving der middelen van cassatie met aanwijzing als in art. 406 vermeld.

Geene andere middelen komen bij \'s Hoogen Raads beslissing in aanmerking. (Rv. 4i9c.)

Ten aanzien van die beslissing gelden de bepalingen van de artikelen 421, 422, 423 en 424.

TWEEDE BOEK.

VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN EN AUTHENTIEKE AKTEN.

EERSTE TITEL.

Algemeene regelen omtrent geregtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

430. De grossen van de vonnissen in de Nederlanden gewezen, zullen kunnen worden ten uitvoer gelegd in het geheele Rijk. (G. 1 ; Rv. 4 n0. 8; Stb. 1854 n0. 129, a. 104; Stb. 1865 n». 55, a. 140; Stb. 1865 n0. 56, a. 161; Stb. 1869 nquot;. 124, a. 17 (27a, lid f), zie onder Rv. 97;

а) Art. 428 (oud). Indien het vei zoek in cassatie verworpen wordt, zal de aanlegger veroordeeld worden in de boete van honderd fulden, mitsgaders in vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

б) In art. 428 (oud) werden, in plaats van de woorden: „het tweede lid van art. :537quot;, gelezen de woorden: „het eerste lid van art. 837quot;. (Wijziging Wet van 7 Juli 189G, Stb. no. 103.)

c) Art. 429 (oud). Indien de hooge raad het arrest of vonnis vernietigt, zal hij de teruggave der geconsigneerde boete bevelen.

-ocr page 843-

BOEK II, TITEL I, ARTT. 427—435.

Consul, w,, a. 7 v., zie chron. lijst; Krankz. w., a. 17, zie chron. lijst; Rv. 123, 124, 297, 4856, 489, 5576, 619; F. 4c, 86, 159, 196.)

Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: «In naam des Konings». a) (G. 149; Rv. 436.)

Zij zullen moeten worden beteekend aan den persoon zeiven, of te zijner woonplaats, of op de wijze bij artikel 4 van dit Wetboek voorgeschreven. (Bv. 4 n0. 7 en 8, 66, 133c. — Pr. 545, 547 j«. 146 v.; Rv. 64, 65,438,644,838, 841, 842, 843.)

431. Behalve in de gevallen uitdrukkelijk bij de wet vermeld, kunnen geene vonnissen door vreemde regters of regtbanken gewezen binnen het koningrijk worden tenuit-voergelegd. (K. 658, 724e; Sr. 68; Rv. 436; Stb. 1869 n0. 37, a. 40, zie chron. lijst; F. 203.)

De gedingen kunnen op nieuw bij den Nederlandschen regter worden behandeld en afgedaan. (G. 1954.)

In de hierboven gemelde uitgezonderde gevallen wordt het vonnis van vreemde regters of regtbanken niet in dit rijk tenuitvoergelegd, dan na een op verzoekschrift verkregen verlof van executie in den vorm bij het voorgaande artikel gemeld, van de regtbank van het arrondissement in hetwelk zooodanig vonnis moet worden tenuitvoergelegd.

Bij het verzoeken en verleenen van dit verlof, wordt de zaak zelve niet aan een nieuw onderzoek onderworpen. (Bv. 430c. — Pr. 546.)

432. Geen vonnis waarvan de voorloopige tenuitvoerlegging niet is bevolen kan tegen eenen derde worden tenuitvoergelegd, noch daaraan door dien derde worden voldaan, dan acht dagen na deszelfs beteekening aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van de verklaring des griffiers, dat er op zijne registers geen hooger beroep of cassatie tegen het vonnis is aangeteekend. (Pr. 548: Rv. 52 v., 85, 86, 350, 392, 398d, 433, 770Fc.)

433. De partij welke in hooger beroep gekomen is of zich in cassatie heeft voorzien, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het kollegie dat het beklaagde vonnis heeft uitgesproken, aanteekening te doen houden, met vermelding der namen van de partijen, de dagteeke-ning van het vonnis en die van het hooger beroep of van de cassatie. (Pr. 549; Rv. 85, 332 v., 398 v., 432.)

434. De overhandiging van het vonnis, welks uitvoering men begeert, aan den deurwaarder, magtigt denzelve in die zaak tot het doen van de geheele executie, uit dat vonnis voortvloeijende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang, waartoe eene bijzondere volmagt vereischt wordt. (Pr. 556; R. IV, a. 1; B. 20116; Bv. 436, 589, 599.)

759

435. De geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen van de kantonregters moeten voor de arrondisse-

a) Volgens art. 1 der Wet van 22 Juni 1891 (Stb. no. 125) (ziecliron. lijst) worden, zoolang eene Koningin de Kroon draagt, bij het gebruik van dit formulier, in plaats der woorden „des Koningsquot;, gebruikt de woorden: „der Koninginquot;.

-ocr page 844-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ments-rcgtbanken worden gebragt. (Rv. 125 j0. 612 v., 250 n». 4, 289, 604.)

436. Aan de grossen van authentieke akten, binnen dit koningrijk verleden, en aan het hoofd voerende de woorden: a In naam des Konings» a) wordt dezelfde kracht toegekend als aan de vonnissen der regterlijke magten, en zijn de bepalingen van art. 430, het eerste lid van artikel 431, en artikel 434 insgelijks daarop toepasselijk. (Pr. 545, 547; Stb. 1891 n0. 125; B. 1218, 1905; W. not. ambt, a. 40,43, 44; Consul.w., a.7 v., ziechron. lijst; Rv. 841,843; F. 159,196.)

437. Het staat aan den executant van een vonnis of akte vrij te gelijker tijd beslag op de roerende en onroerende goederen van de veroordeelde of verbondene partij \'te leggen. (B. 1177; Rv. 439 v., 470, 502 v., 528, 598.)

438. (s) De wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde stuit den aanvang of de voortzetting der executie niet, behoudens de bevoegdheid van den geëxecuteerde, om daarop door den president der Arrondissements-Regtbank bij kort geding te doen beslissen, b) (Pr. 607; Rv. 826,846, 250 n». 4, 289, 350, 354, 379,398d, 426,435,533, 604, 611.)

TWEEDE TITEL.

Van de gereytélijke tenuitvoerlegging op roerende goederen.

EERSTE AFDEELING.

Van beslag op roerende goederen.

439. Geen executoriaal beslag op roerende goederen zal mogen worden gelegd, dat uit krachte van een vonnis of van eene authentieke akte in executorialen vorm. (Rv. 430, 436. — Rv. 303 v., 441, 722, 727, 735a en 6, 758, 764.)

Hetzelve moet zijn voorafgegaan van een exploit van eenen deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan het vonnis of aan de akte te voldoen. (Rv. 1 v.)

Indien bij het beteekenen van het vonnis of van de akte tevens het voorgeschrevene bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt. (Rv. 66, 430.)

Bij het bevel of de beteekening moet de woonplaats worden gekozen door den executant, tot aan het uiteinde der executie, binnen de gemeente waar de executie moet plaats hebben, ten ware hij binnen die gemeente mogt woonachtig zijn, en zulks op straffe van nietigheid van het exploit, (ii. 816.)

De schuldenaar kan aan deze gekozene woonplaats alle

a) Zie de noot op Rv. 430.

b) In art. 488 (oud) ging aan het nu eenige lid een eerste lid vooraf luidende:

„Belioudens de bepalingen wegens het kort geding voot den president der arrondissemcnts-regtbank en wegens het procederen op korte termijnen, worden de geschillen, ontstaan over of bij de tenuitvoerlegging van vonnissen of van akten in artikel 4oG vermeld, summierlijk behandeld.quot;

760

-ocr page 845-

BOEK II, TITEL I EN IT, ARTT. 436—445.

beteekeningen laten doen, zelfs van werkelijk aanbod, van verzet en van hooger beroep. (B. 81amp;, 4441 n0. 6; Rv. 81, 83 v., 343. — Pr. 583,584; Rv. 437,502, 563, 760.)

MO. Na verloop dier twee dagen, kan het beslag worden gedaan. Hetzelve geschiedt bij exploit van eenen deurwaarder die houder is van het stuk, dat ten uitvoer moet worden gelegd. (Rv. 80, 316, 342amp;, 434, 439b, 808Ba.)

Hetzelve zal, behalve de gewone formaliteiten der exploiten, inhouden een herhaald bevel om te voldoen aan hetgeen, waarvoor het beslag gelegd wordt. (Rv. 5, 439b.)

De deurwaarder zal worden bijgestaan door twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in het proces-verbaal vermelden zal: zij zullen het oorspronkelijke stuk en de afschriften teekenen. (W. not. ambt, a. 23; B. 20, 991. — Pr. 585, 586; Rv. 564, 760, 808Ba.)

Ml. Dit beslag kan niet worden gedaan dan voor eene bepaalde schuld of vordering. Indien dezelve niet is vereffend, worden alle verdere vervolgingen gestaakt, tot dat de vereffening is geschied. (Pr. 551; Rv. 470, 499.)

M2. Indien de persoon, tegen wien het beslag gedaan wordt, niet onmiddellijk betaalt, of voldoet aan hetgeen waarvoor de inbeslagneming is gedaan, met de kosten, kan de deurwaarder voorloopig, het zij in het huis, het zij aan de deur van den gearresteerde, bewaarders stellen, ten einde het verduisteren der goederen te beletten. (Rv. 440b, 450; Sr. 198.)

M3. De deurwaarder zal dadelijk, of uiterlijk op den volgenden dag overgaan tot de meer bijzondere aanduiding der goederen, welke hij in beslag neemt, en zal hij dezelve op de daarvan door hern te vervaardigen akte of procesverbaal naauwkeurig beschrijven, met opgave van derzelver getal, gewigt en maat, overeenkomstig derzelver aard; de partij die de inbeslagneming laat doen, mag bij het in beslagnemen niet tegenwoordig zijn. (Pr. 585, 588 v.; Rv. 442, 445 v., 450, 565, 666, 725, 808Ba.)

Mé. Bijaldien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede bijaldien geweigerd wordt eenige kamer of stuk huisraad te openen, mitsgaders wanneer bij niet-tegenwoordigheid van den persoon tegen wien het beslag geschiedt, er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij het hoofd, of een lid van het gemeentebestuur, dat a) hem vervangt, of bij eenen commissaris van politie daartoe door den burgemeester aangewezen, in wiens tegenwoordigheid de opening der deuren en van het huisraad zal gedaan worden. Van de tegenwoordigheid van dezen ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de beide volgende artikelen, zal zijn verrigt, zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal van beslag, hetwelk, nadat hetzelve zal gesloten zijn, door denzelven zal onderteekend worden. (Pr. 587, 591; G. 158; Rv. 442, 465, 808Ba; Stb. 1851 n». 85, a. 77.)

761

M5. Indien er bij de inbeslagneming gereede penningen

tt) Stb. 1828 no. 30: die.

-ocr page 846-

762 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERTNG.

worden gevonden, zal het getal en de muntsoort vermeld worden; de deurwaarder zal dezelve benevens al het geldswaarde hebbende papier ter griffie overbrengen, ten ware de executant en de geëxecuteerde, benevens de opposanten (indien er die zijn) omtrent eene andere plaats van bewaring mogten zijn overeengekomen. (Pr. 590; B. 668c; F. 92; Rv. 435, 474.)

M6. Indien er bij de inbeslagneming andere papieren worden gevonden, zal de deurwaarder dezelve moeten verzegelen. (Pr. 591; Rv. 471, 475; Sr. 199.)

447. Geen beslag op roerende goederen mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden:

1°. Op zaken, welke de wet verklaart voor onroerend goed door bestemming; (B. 563; Rv. 491 n0. I.) , 2°. Op het noodige bed en beddegoed van de personen, tegen welke het beslag gedaan wordt, of van hunne bij hen inwonende kinderen, noch op de kleederen, waarmede de eerstgenoemde en hunne kinderen gekleed en gedekt zijn ;

3°. Op de toerusting van personen in krijgsdienst, volgens hunnen dienst en graad; (Schutterijw., a. 38, 41,56.)

4°. Op de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behoorende; (Rv. 448a n0. 2.)

5°. Op den in het huis voorhanden zijnden voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin, gedurende eene maand. (Pr. 592; Rv. 448, 756 n0. i, 808Ba; P. 21 n». 4; B. 1177.)

Art. 9c der Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0.124), tot regeling van het auteursrecht: Het (auteursrecht) is niet vatbaar voor beslag.

448. Insgelijks kan er geen beslag gelegd worden:

1°. Op de boeken betrekkelijk tot het beroep van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt tot de som van twee honderd gulden, te zijner keuze;

2°. Op de werktuigen en gereedschappen, dienende tot eenig onderwijs, of beoefening van kunsten en wetenschappen, ten bedrage van dezelfde som en te zijner keuze; (Rv. 447 n®. 4.)

3°. Eindelijk, op eene koe, of twee zwijnen, of twee geiten, of vier schapen, ter keuze van dengenen tegen wien het beslag gedaan wordt, met het benoodigde stroo en voeder voor dat vee gedurende eene maand. (Rv. 45\'t.)

Echter zullen de zaken in dit artikel opgenoemd, kunnen worden in beslag genomen:

1°. Wegens levensbehoeften, verstrekt aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 1195 n0. 5.)

2°. Wegens de gelden verschuldigd aan personen welke die voorwerpen vervaardigd, hersteld of verkocht hebben; (B. 1185 n0. 3—5.)

3°. Wegens huren en pachten van onroerende goederen, waarin of waarop de gemelde zaken voorhanden zijn. (B. 1186. — Pr. 592, 593; Rv. 447, 756, 808Ba; F. 21 n®. 1.)

-ocr page 847-

BOEK II, TITEL II, ARTT. 446—456.

449. Het proces-verbaal zal behelzen opgave van den dag en van het uur, waarop de in beslag genomene goederen zullen verkocht worden.

Indien die opgave niet dadelijk kan geschieden, zal de deurwaarder zulks bij beteekende akte nader kunnen doen, uiterlijk binnen driemaal vier en twintig uren na het opmaken van voorschreven proces-verbaal. (Pr. 595,614; Rv. 5, 84, 438, 4406, 442, 443, 444, 450, 452, 465, 467.)

450. De deurwaarder zal eenen geschikten bewaarder aanstellen.

Tot bewaarders over het goed zullen niet aangesteld mogen worden de arrestant of zijne echtgenoote, zijne bloed- en aanverwanten, tot den zesden graad ingesloten, noch zijne bedienden; maar daarentegen zullen met toestemming van den arrestant, de persoon tegen wien het beslag gedaan is, zijne echtgenoote, bloed- of aanverwanten en huisgenooten, wanneer zij er in bewilligen, tot bewaarders kunnen worden aangesteld. (Pr. 596—598; B. 345 v.,-1366 v., 1776; Rv. 452,

454, 760, 808ö; Stb. 1843 n4. 40, a. 1. (Tar. a, 60).)

451. Indien beesten of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde welke reeds van den grond zijn afgescheiden, zijn in beslag genomen, kan de kantonregter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing of inzameling zorg te dragen. (Pr. 594; Rv. 448a n®. 3, 450, 491 v. j0.B. 562 n0. 3; Rv. 761.)

452. Het proces-verbaal zal oogenblikkelijk op de plaats zelve opgemaakt worden; het zal op het oorspronkelijke en op het afschrift door den bewaarder geteekend worden. In geval hij niet teekenen kan, zal daar melding van gemaakt worden. Afschrift van het proces-verbaal zal hem worden gelaten. (Pr. 599; Rv. 440, 449, 450, 808Ba.)

453. Afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming zal worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, of te zijner woonplaats. Bijaldien dezelve niet tegenwoordig is, zal de beteekening gedaan worden aan den ambtenaar die de deuren zal hebben geopend. (Pr. 601, 602; Rv. 2, 444, 449, 808Ba)

454. De bewaarder mag de in beslag genomene goederen niet gebruiken, verhuren of uitleenen, op straffe van gemis van zijn bewaarloon en van schaden en interessen, tot betaling van welke hij bij lijfsdwang kan worden genoodzaakt. (Pr. 603; B. 1275 v., 1401, 1749, 1776; Rv. 450,

455, 585 n0. 5, 808Ba; Stb. 1843 n0. 40, a. 1 (Tar. a. 60); Sr. 198c en d.)

455. Indien de in beslag genomene goederen eenige voordeelen of inkomsten voortgebragt hebben, is hij op dezelfde wijze als bij het vorige artikel tot verantwoording verpligt. (Pr. 604; B. 1755a; Rv. 451.)

456. (*) Die eigenaar beweert te zijn der in beslag genomene goederen of van een gedeelte daarvan, kan zich tegen den verkoop verzetten bij eene middelen inhoudende dagvaarding van den arrestant en van den persoon, tegen wien het be-

763

-ocr page 848-

764 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

slag gedaan is, en aan den bewaarder beteekend; alles op straffe van nietigheid.

De regtbank van het arrondissement, in hetwelk het beslag gedaan is, zal deswege uitspraak doen. d)

De eischer, welke in het ongelijk gesteld wordt, zal worden veroordeeld, bijaldien daartoe redenen zijn, tot vergoeding van schaden en interessen aan den beslaglegger. (Pr. 608; B. 205, \'210, 219, 1186, 4189, 1191, 1192, 1377, 1401; K. 230, 244; Rv. 56, 450, 808D.)

457. De schuldeischers van dengene wiens goederen zijn in beslag genomen, kunnen, uit welken hoofde ook, zelfs niet uit hoofde van verschuldigde huur, eenige andere oppositie doen dan tegen de afgifte der kooppenningen. Die oppositie moet worden gedaan vóór den verkoop, en zal

\' behelzen de gronden waarop zij berust, het beloop der som waarvoor dezelve wordt gedaan, of indien dat beloop niet is uitgemaakt of verevend, het bedrag waarop dezelve door den opposant wordt geschat.

Die oppositie moet beteekend worden aan den arrestant en aan den deurwaarder met den verkoop belast, met keuze van woonplaats ter plaatse alwaar het beslag gelegd is; alles op straffe van nietigheid der oppositie en vergoeding van schaden en interessen tegen den deurwaarder, zoo daartoe termen zijn.

Oppositien welke na den verkoop zijn beteekend, zijn nietig en van onwaarde, en worden bij de verdeeling niet in aanmerking genomen. (Pr. 609; B. 1186v.; Rv. 17,122, 439d, 458 v., 461, 470, 480, 586, 578, 753, 758.)

458. De opposant kan geene andere vervolging aanvangen dan tegen de partij, welker goederen zijn in beslag genomen, ten einde vonnis tegen haar te verkrijgen; tegen den opposant zullen geene procedures worden gevoerd, behoudens het onderzoek der wettigheid van zijne oppositie ter gelegenheid van de verdeeling der penningen. (Pr. 610; Rv. 439, 482, 537, 554)

459. Indien een deurwaarder wil beslag leggen, en bevindt dat de goederen reeds bevorens zijn in beslag genomen, zal hij niet op nieuw beslag kunnen leggen: doch hij heeft het vermogen om de in beslag genomene goederen met het proces-verbaal te vergelijken, hetwelk aan hem te dien einde door den bewaarder moet worden vertoond. Hij zal alsdan kunnen beslag leggen op de goederen welke niet in het proces-verbaal zijn begrepen, en aan den eersten arrestant bevel doen om alles gezamenlijk te verkoopen binnen den termijn bij artikel 462 bepaald; het proces-verbaal van vergelijking geldt als oppositie tegen de afgifte der kooppenningen. (Pr. 611; Rv. 440, 452, 453, 457, 461.)

460. Indien de arrestant in gebreke blijft, om binnen den termijn bij artikel 462 vermeld, den verkoop tot stand te brengen, kan ieder opposant, die eenen executorialen titel heeft, overgaan tot de vergelijking van de in beslag

a) In ar\':. 430 (oud) tweede lid werd tuaschen de woorden: „deswegequot; en „uitspraakquot; gelezen het woord: „summierlijkquot;.

-ocr page 849-

BOEK 11, TITEL II, ARTT. 457—466.

5 op genomen goederen op het afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming, hetwelk de bewaarder gehouden is aan het hem te vertoonen, mitsgaders tot de aanvulling der voorwerpen, welke niet bij de vroegere inbeslagneming mogten vor- zijn opgeschreven, en dadelijk daarna tot den verkoop der joe- goederen; alles na het doen van een bevel aan den arrestant ger. beteekend, doch zonder dat er een eiscb tot subrogatie zal 377, gevorderd worden. (Pr. 612; Rv. 450, 461.)

461. Indien de arrestant het beslag opheft, of indien het-zijn zelve te zijnen aanzien, uit welken hoofde ook, buiten het :elfs geval van nietigheid in den vorm, wordt opgeheven, blijft op- het beslag stand houden ten aanzien van eiken opposant. Die die eenen executorialen titel heeft, en zoodanig opposant zal heeft het vermogen in het vorige artikel gegeven.

som Het regt van alle overige opposanten op de uitdeeling der

niet kooppenningen, blijft wijders, in de gevallen bij dit en het oor vorige artikel uitgedrukt, in zijn geheel. (Rv. 17, 58, 96, 457 v.)

462. De verkoop der in beslag genomene goederen mag :ant geen plaats hebben vóór acht dagen, en moet geschieden uze binnen veertien dagen, te rekenen van den dag der inbe-is; slagneming; in beide gevallen op straffe van vergoeding

ling van kosten, schaden en interessen.

zoo Deze termijn kan verkort of verlengd worden bij onder

linge toestemming van partijen en der opposanten, indien zijn er zoodanige zijn, of ook door een bevel van den regter. liet (Pr. 613; Rv. 449, 459, 460, 465.)

22, 463. De verkoop zal in het openbaar gehouden worden op

de plaats der inbeslagneming zelve, ten zij de partijen en de an- opposanten onderling anders mogten overeenkomen, of de lag regtbank, ten verzoeke van de eene of andere derzelve, en jen wanneer de omstandigheden zulks vorderen, eene andere quot;d , meer geschikte plaats mogt bepalen. (Pr. 614; Rv. 452, 464, itie 474, 573; Loi du 22 Pluvióse an VII (Fortuijn II bl. 2).) 10; 464. In de gemeenten binnen welke de verkoop zal ge

schieden, zullen, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten wor-idt den aangeslagen, houdende aanduiding van de plaats, den zal dag en het uur van den verkoop, mitsgaders van den aard iiet der voorwerpen, doch zonder bepaalde stuksgewijze belet schrijving derzelve.

ide De biljetten worden bovendien aangeslagen aan het huis

an van den geëxecuteerde. (Pr. 617, 618; R-v. 466, 473.) iet 465. Het aanslaan der biljetten moet geschieden na het

int sluiten van het proces-verbaal of na het beteekenen der en akte in het tweede lid van artikel 449 vermeld, en zulks ten 5r- minste vier dagen voor den verkoop; ten ware die termijn door ■n- de regtbank mogt zijn verkort. (Pr. 617; Rv. 462, 464, 467.)

466. De verkoop zal daarenboven worden bekend geen maakt in een dagblad van de plaats alwaar de verkooping nd zal geschieden, en bij gebreke van zoodanig dagblad, in

en dat eener naburige plaats.

ag Deze bekendmaking wordt echter niet vereischt, indien

het bedrag der in beslag genomen goederen blijkbaar minder !3. dan vierhonderd gulden bedraagt.

De verkoop zal in de gemeente waarin dezelve plaats

765

-ocr page 850-

766 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

moet hebben, worden afgekondigd, volgens plaatselijk gebruik bij vrijwilligen verkoop. (Pr. 617; A. 3; Rv. 464.)

467. De deurwaarder zal aan den voet van zijn procesverbaal van beslag moeten aanteekening doen van den gedanen aanslag der biljetten en van de afkondiging van den verkoop, indien zoodanige afkondiging heeft plaats gehad. (Pr. 619; Rv. 465, 466.)

468. Geen zilver of goud mag verkocht worden, ten zij de gehalte en het gewigt daarvan zij opgegeven. (Pr. 589; Stb. 1852 n». 178; Stb. 1859 n®. 31.gt;

469. De verkoop wordt gehouden bij opbod en de toewijzing zal geschieden aan den meestbiedende en tegen gereede betaling.

De deurwaarder is bevoegd te vorderen, dat hem door eiken bieder de geboden koopsom worde ter hand gesteld en deze onder zich te houden, totdat het voorwerp is toegewezen.

Stelt een bieder, na de in het vorig lid bedoelde vordering de geboden koopsom aan den deurwaarder niet ter hand, dan wordt het bod niet aangenomen en die persoon gedurende de geheele verkooping niet meer als bieder toegelaten.

Indien de deurwaarder gebruik heeft gemaakt van de hem bij het tweede lid toegekende bevoegdheid en er, nadat een bieder in gebreke is gebleven de geboden koopsom aan den deurwaarder ter hand te stellen, geen hooger bod wordt verkregen, blijft de hoogste bieder, wiens bod is aangenomen, daaraan gehouden en wordt hem het goed toegewezen.

Bij gebreke van betaling zal het goed terstond weder verkocht worden ten laste van hem wien het toegewezen is. (Pr. 624; B. 1548; Rv. 470, 474, 530)

Aldus gewijzigd bij het eenig artikel der Wet van 8 April 1893 (Stb. n«. 61). a)

470. Wanneer de waarde der in beslag genomene goederen het beloop van hetgeen waarvoor de in beslagneming geschied is en waarvoor de opposition gedaan zijn, te boven gaat, zal men niet verder gaan dan tot verkoop van hetgeen genoegzaam is om de noodige som ter betaling der schulden en kosten op te brengen.

Te dien einde kan de schuldenaar tegen wien het beslag gedaan is, de orde regelen, volgens welke de goederen zullen worden geveild. (Pr. 622; Bv. 441, 457,469, 480,528.)

471. Indien onder de in beslag genomene goederen worden gevonden inschulden, waarvan bij titels of bescheiden blijkt, kan tot verkoop van zoodanige inschulden worden overgegaan, evenals ten aanzien van andere roerende goederen is bepaald, of wel, voor zoo verre die inschulden opeischbaar zijn, bij beslag onder derden worden geprocedeerd, op de wijze als bij de volgende afdeeling is bepaald. (B. 668«; Rv. 446, 462 v., 464 v., 475 v.)

a) Het oorspronkelijk art. 469 luidde:

„De toewijzing zal geschieden aan den meestbiedende en tegen gereede betaling; bij gebreke van betaling, zal het goed terstond weder verkocht worden ten laste van hem dien het toegewezen is.quot;

-ocr page 851-

BOEK If, TITEL II, ARTT. 467—477.

472. )it beslag wordt in allen gevalle mede beteekend aan den derden schuldenaar, met verbod van betaling aan den geëxecuteerde, op straffe van onwaarde der gedane betaling. (B. 1424; Rv. 475, 476.)

473. In geval van verkoop, moeten de titels op de biljetten worden omschreven, met opgave van het bedrag der in-schuld, van den naam der schuldenaars, van den aard van den titel, van de renten welke daarbij mogten zijn bepaald, en van al hetgeen verder kan dienstig zijn, om derzelver waarde te doen kennen. (Rv. 464 v., 471.)

474. De deurwaarders zijn verantwoordelijk voor den koopschat en moeten in hunne processen-verbaal denamen en woonplaatsen der koopers opteekenen.

Zij zijn insgelijks verpligt den koopschat ter griffie over te brengen, ten ware de partijen omtrent eene andere plaats van bewaring mogten zijn overeengekomen.

Zij mogen in de veilconditien niet stellen, dat de koopers een zeker gedeelte boven den koopschat moeten betalen, het zij onder den naam van kosten of anderzins.

Zij mogen geene som ontvangen boven den prijs waarvoor het goed verkocht is, op straffe van ter zake van knevelarij te worden vervolgd. (Pr. 625,657; B. 4185 n0.1,1195 n0.1, 1776c; Rv. 443, 445, 450, 480, 585 n0. 7; Sr. 366.)

TWEEDE AFDEELING.

Van executoriaal beslag onder derden.

475. Het beslag op inschulden welke de geëxecuteerde van derden mogt te vorderen hebben, of op goederen van hem, welke onder derden mogten berusten, moet, behalve de gewone vereischten van exploiten, inhouden de keuze van woonplaats binnen de gemeente, waaronder die derde woont, met bevel om het beslagene onder zich te houden, op straffe van onwaarde der gedane betaling of afgifte.

Afschrift van het exploit zal aan den derden beslagene worden gegeven, met afschrift van het vonnis of den execu-torialen titel waarvan de ten uitvoerlegging geschiedt. (B. 567 n®. 3, 1424; Rv. 5, 439, 446, 471 v., 545, 598, 735 v.)

476. Binnen acht dagen na het doen van dit beslag, moet hetzelve, op straffe van nietigheid, aan den geëxecuteerde worden beteekend, zonder dat tegen dezen eene deugdelijk-verklaring wordt vereischt. (Rv. 472, 479, 738.)

477. Binnen acht dagen na de beteekening in het vorige artikel vermeld, kan de geëxecuteerde, indien hij meent daartoe gronden te hebben, tegen dit beslag in verzet komen, en doet in dat geval zijn verzet binnen acht dagen daarna aan den derden beslagene beteekenen.

Deze laatste termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de derde beslagene binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woont. (Rv. 8b.)

767

-ocr page 852-

768 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Het verzet moet worden gebragt voor den bevoegden regter van den geëxecuteerde. (Rv. 435. — B. 1823 j0. Rv. 756 n°. 3; Rv. 438, 478.)

Gewijzigd bij arJ. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Slb. n0. 138). a)

478. Indien het verzet van den geëxecuteerde bevonden wordt gegrond te zijn, en hij dienvolgens opheffing van het beslag bekomt, zal de executant, indien daartoe gronden zijn, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten behoeve van den geëxecuteerde. (B. 1401 v.; Rv. 477, 739.)

479. Indien de geëxecuteerde het verzet in artikel 477 gemeld, niet heeft gedaan, of indien hetzelve, gedaan zijnde, is afgewezen, wordt de derde beslagene (in het laatste geval met beteekening van het afwijzend vonnis) gedagvaard om verklaring te doen op dezelfde wijze, en met dezelfde gevolgen, als bij de artikelen 740 en volgende is bepaald. (Rv. 741, 742, 751.)

DERDE AFDEELING.

Van de verdeeling van de opbrengst der executie.

480. Indien er geen schuldeischer is die verzet gedaaa heeft, wordt aan den beslaglegger, na aftrek der kosten van executie, de som betaald welke hem verschuldigd is, tot het bedrag van de opbrengst der executie.

Indien er overschot is, wordt hetzelve aan den geëxecuteerde verantwoord. (B. 1185 n0. 1, 1195 n0. 1; Rv. 445, 451, 470, 474, 479, 562, 581amp;, 108b, 751, 752, 808Cb.)

481. Bijaldien binnen de acht dagen, te rekenen van den afloop des verkoops, de persoon die het beslag gelegd heeft, en de geëxecuteerde en de opposanten niet kunnen overeenkomen over de verdeeling der penningen, zal degene tegen wien het beslag gedaan is, zoowel als degene die hetzelve gelegd heeft, of de meest gereede opposant, verzoek doen aan den president der regtbank, waaronder de verkoop plaats gehad heeft, dat er een regter-commissaris benoemd worde, ten overstaan van wien de verdeeling zal moeten plaats hebben.

Dit verzoek zal in een daartoe ter griffie aangelegd register worden gedaan. (Pr. 656, 657, 658; Rv. 457, 458,479 iis. 753 en 754, 482, 551, 552, 581amp;.)

482. Binnen de veertien dagen, te rekenen van den dag waarop de benoeming van den regter-commissaris zal zijn beteekend aan dengenen tegen wien het beslag is gedaan, mitsgaders aan de opposanten, zullen de schuldeischers, op

l ■ r ■

a) Oorspronkelijk werden in het tweede lid, in plaats van de woorden; „het regtsgebied van een ander geregtshofquot;, gelezen de woorden : „eene andere provinciequot;.

-ocr page 853-

BOEK II, TITEL II, ARTT. 478—487.

straffe van in de verdeeling niet te worden begrepen, gehouden zijn aan dien regter-commissaris ter hand testellen hunne titels. Zij zullen woonplaats bij eenen procureur moeten kiezen en door dezen doen overleggen en teekenen eene schriftelijke vordering, ten einde, het zij als bevoor-regte, het zij als concurrente schuldeischers te worden gerangschikt. (Pr. 659 v.; Rv. 133a en b, 457, 458, 483 553. 554, 560, 581b; B. li85, 1195.)

483. Na afloop der veertien dagen bij het voorgaande artikel bepaald, zal de regter-commissaris, naar aanleiding van de overgelegde stukken, eenen staat opmaken van verdeeling. (Pr. 663; Rv. 480, 555, 5815; B. 1185 n1. 1, 1195 n». 1.)

m. (*) De staat wordt door den regter-commissaris ter griffie nedergelegd en van dat nederleggen binnen acht dagen daarna door hem, die de rangregeling vervolgt, aan de overige in artikel 481 bedoelde partijen bij exploit van eenen deurwaarder kennis gegeven met vermelding van dag en uur, waarop alle partijen zich bij den regter-commissaris zullen kunnen vervoegen tot het voorstellen hunner wederspraak, a) (Pr. 663; Rv. 485, 555,556,581amp;.)

485. Indien binnen den tijd van veertien dagen na de in het vorige artikel vermelde kennisgeving, geene wederspraak is gedaan, zal de regter-commissaris zijn procesverbaal sluiten, en bij bevelschrift den houder der penningen gelasten tot uitbetaling aan de schuldeischers van hetgeen hun, volgens den staat, toekomt.

Deze bevelschriften worden uitgegeven in den vorm, bij artikel 480 bepaald.

De wederspraak wordt gedaan op het proces-verbaal van den regter-commissaris. (Pr. 665; Rv. 474, 480, 482, 484, 486, 489, 557, 5815, 585 n0. 4.)

486. (*) In geval van tegenspraak zal de regter-commissaris degenen, die zich bezwaard achten, zonder andere aanmaning, naar de teregtzitting, welke hij bepalen zal, verwijzen.?;) (Pr. 666; Rv. 487, 489, 558.)

487. (*) Het beroep kan onmiddellijk geschieden en moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonms. c)

769

49

1

Art. 180 (oud). In geval van wederspraak verwijst de regter-commissaris bij zijn proces-verbaal partijen naar de teregtzitting.

De zaak wordt vervolgd, bij akte van procureur tot procureur, door de meest gereede partij en wordt summierlijk behandeld.

c) In art. 487 (oud) luidde het eerste lid: „Het beroep moet worden ingesteld binnen tien dagen na de beteekening van het vonnis aan den procureurquot;.

-ocr page 854-

770 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Het beroep moet worden beteekend aan den procureur der wederpartij, en moet inhouden de dagvaarding, benevens de uitdrukking der bezwaren van de beroepende partij.

Op dit beroep zullen geene anderen worden gedagvaard, dan die bij de wederspraak partijen zijn geweest.

De beteekening van het beroep moet mede geschieden aan den griffier der Regtbank, welke het vonnis gewezen heeft. (Pr. 669; R. O. 54; Rv. 342, 343,398b, 485, 486, 558,581 ft.)

488. (*) Het vonnis in beroep zal, ten verzoeke van de eerst gereede partij, worden beteekend aan den griffier, welke dat vonnis aan den regter-commissaris zal ter hand stellen, a) (Pr. 669; Rv. 486, 487ci, 5816.)

489. Na deze beteekening zal de regter-commissaris, .indien er geen beroep in cassatie is gedaan, zijn procesverbaal sluiten, en de uitgifte bevelen van het bevelschrift tot betaling, overeenkomstig artikel 485. (Pr. 670 v.; Rv. 3986 en d, 487, 559, 58 iö.)

490. Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeeling, hebben de belanghebbenden onderling geen regt meer tot de interessen van hetgeen aan hen is aanbedeeld. (Pr. 672; B. 1551; Rv. 559, 581b.)

DERDE TITEL.

Van de geregtelijke uitwinning van onroerende goederen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

491. De schuldeischer van een vonnis of anderen execu-torialen titel voorzien, kan de onteigening bij executie vorderen:

1°. Van onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zooverre dit laatste als onroerend goed beschouwd wordt; (B. 562 v.; Rv. 507.)

2°. Van het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehooren; (B. 564 n0. 1, 803 v.)

3°. Van de regten van opstal en erfpacht; (R. 564 n0.3 en 4, 758, 767.)

4°. Van de grondrenten, het zij in geld, het zij in mtura verschuldigd; (R. 564 n0. 5, 784 v.; Rv. 544 v.)

5°. Van het tiendregt; (B. 564 n0. 6, 787 v.)

6°. Van het regt van beklemming. (B. 564 n0. 7,1654 v. — G. 2204; R. 1210; Rv. 492.)

492. Niettemin kan het aandeel van eenen mede-erfge-naam in de onroerende goederen eener nalatenschap, door zijne personele schuldeischers niet ter koop aangeslagen worden, voordat de boedel door verdeeling gescheiden is,

o) In art. 488 (oud) luidden de eerste woorden: „Dit beroep wordt suminierlijk behandeld, en expeditie van het vonnis in beroep zalquot; enz.

-ocr page 855-

BOEK n, TITEL 11 EN UI, ARTT. 488 —499.

welke scheiding zij, zulks geraden oordeelende, mogen vorderen. (C. 2205; B. 183, 1112 v., 1129,1177,1212; Rv.583.)

493. Indien een met hypotheek bezwaard goed aan eenen derde is overgegaan, executeert de hypothekaire schuld-eischer het goed tegen den derden bezitter, behoudens zijne verpligting tot het doen van een bevel aan den schuldenaar, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 1242 en 1243 van het Burgerlijk Wetboek. (C. 2166 v.; Rv. 436, 502.)

494. De schuldeischer kan met den verkoop van onroerende goederen, die aan hem niet gehypothekeerd zijn, niet voortgaan, dan in geval de aan hem gehypothekeerde goederen ontoereikende zijn. (G. 2209; Rv. 497.)

495. De verkoop geschiedt voor de regtbank van het arrondissement waarin het goed gelegen is. (C. 2210; Rv. 522, 537a.)

496. De verkoop van goederen, in onderscheidene arrondissementen gelegen, kan niet gedaan worden, dan van het eene goed na het andere, ten ware die goederen tot eene en dezelfde bebouwing behoorden.

Die verkoop wordt gedaan bij de regtbank onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing gelegen is, of, bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, dat gedeelte der goederen hetwelk, volgens het register der grondlasten, de meeste inkomsten opbrengt. (C. 2210; Rv. 986,126/\', 495, 497,537a.)

497. Indien de goederen aan den schuldeischer gehypothekeerd en de niet gehypothekeerde goederen of de goederen in onderscheiden arrondissementen gelegen, een gedeelte van eene en dezelfde bebouwing uitmaken, wordt de verkoop van beide te gelijk vervolgd, indien de schuldenaar zich niet daartegen verzet, en men berekent den prijs volgens den regel van artikel 1264 van het Burgerlijk Wetboek. (G. 2211; Rv. 494, 496, 528.)

498. (*) Indien de schuldenaar door authentieke huurce-dullen of onderhandsche huurcedullen, die eene zekere dag-teekening bekomen hebben vóór de inbeslagneming bewijst, dat de zuivere en vrije inkomsten van zijne onroerende goederen, gedurende één jaar, tot betaling van de verschuldigde hoofdsom, interessen en kosten, voldoende zijn, en indien hij aanbiedt dezelve aan den schuldeischer bij delegatie over te dragen, kan de geregtelijke vervolging door de Regtbank worden geschorst, behoudens derzelver hervatting, indiener eenig belet of belemmering in de betaling opkomt, a)

De Regtbank zal echter deze schorsing niet toestaan, indien daardoor aan den schuldeischer een merkelijk nadeel zoude worden toegebragt. (G. 2212; B. 558c, 1453, 1585 v., 1905, 1911, 1917; Rv. 758 v.)

499. De gedwongen verkoop van onroerende goederen, kan alleen vervolgd worden voor eene bepaalde en verevende schuld of vordering.

771

Indien de schuld of vordering betrekkelijk is tot zaken

a) In art. 498 (oud) ontbraken de woorden „of onderhandsche huurcedullen, die eene zekere dagteekening bekomen hebben vóór de inbeslagnemingquot;.

-ocr page 856-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

welker geldelijk beloop of waarde nog niet is bepaald, is de geregtelijke vervolging van waarde, maar de verkoop kan eerst na de verevening geschieden. (C. 2213; Pr. 551; B. 1221, 1299, 1301; Rv. 439, 441, 501, 528.)

500. Die bij overdragt eigenaar geworden is van eenen titel of bewijs van schuld, kracht van executie hebbende, kan tot de uitwinning van vaste goederen niet overgaan, dan nadat van de overdragt aan den schuldenaar bij insinuatie kennis gegeven is. (C. 2214; B. 668; Rv. 502, 584.)

501. De geregtelijke vervolging kan niet vernietigd worden op grond dat de schuldeischer dezelve begonnen zoude hebben voor eene grootere som dan hij te vorderen had. (C. 2216; Rv. 134, 499, 584.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het in beslag nemen van onroerende goederen.

502. (*) Het beslag op onroerende goederen moet worden voorafgegaan door een bevel van betaling, hetwelk bij exploit van den deurwaarder aan den schuldenaar zal gedaan worden.

Hetzelve zal melding maken van den titel uit krachfe waarvan de vervolging plaats heeft, en zal inhouden de keus van woonplaats, in de plaats waar de Regtbank die van de zaak moet kennis nemen, zitting houdt; hetzelve zal uitdrukken dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot het in beslag nemen van de onroerende goederen van den schuldenaar.

Indien bij het beteekenen van het vonnis of van de akte tevens het voorgeschrevene bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt. a) (C. 2217; Pr. 673; Rv. 90, 430, 439, 440, 495, 533, 770A v., 770D.)

503. (*) Geen beslag zal op onroerende goederen gedaan mogen worden dan twee dagen na het bevel; indien de schuldeischer een jaar na het bevel laat verloopen, zal hij gehouden zijn hel bevel te hernieuwen. 6) (Pr. 674; Rv. 8a, 90, 279, 533.)

504. Na verloop van voorschreven termijn, zal het beslag gedaan worden bij een proces-verbaal van den deurwaarder, hetwelk zal inhouden:

1°. De vermelding dat de deurwaarder zich op het goed begeven heeft, en de vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den inbeslagnemer en van den schuldenaar; (Rv. 564a.)

2°. De vermelding van den titel uit krachte van welken de vervolging plaats heeft; (Rv. 430, 502b.)

o) In art. 502 (oud) eerste lid werden, achter het woord: „deurwaarderquot;, gelezen de woorden: „aan den persoon of aan de woonplaats vanquot;, en ontbrak het derde lid.

b) In art. 503 (oud) werden, in plaats van de woorden: „twee dagenquot;, gelezen de woorden: „dertig dagenquot;.

772

-ocr page 857-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 500—506.

34. Den aard van de in beslag genomen onroerende goederen, hunne ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling, en, indien het landelijke eigendommen zijn, de grootte van dezelve, zoo veel mogelijk; (Rv. 515 n». 2.)

4°. De aanwijzing der regtbank waarvoor de verkoop zal geschieden, en de keuze van woonplaats bij eenen procureur bij dezelve. (Rv. 495, 496, 502, 522. — Pr. 675; Rv. 90, 533, 565, 770Da.)

505. (*) Afschrift van het proces-verbaal der inbeslagneming zal gelaten worden aan dengenen, tegen wien het beslag gedaan is. (Rv. 2, 453.)

Hetzelve zal overgeschreven worden in de registers van den bewaarder der hypotheken, binnen den kring van wiens kantoor de in beslag genomene goederen gelegen zijn, met aanteekening van het uur, van den dag, de maand en het jaar, waarin die overschrijving is gevraagd. (Rv. 513a.)

De bewaarder der hypotheken zal van dit uur, dien dag, die maand en dat jaar ook melding maken op het oorspronkelijke stuk, hetwelk hem zal worden aangeboden.

Te rekenen van den dag dier overschrijving, zal de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de in beslag genomen onroerende goederen niet mogen vervreemden, hypothekeren of verhuren; overeenkomsten, in strijd met dat verbod aangegaan, kunnen tegen den inbeslagnemer niet worden ingeroepen. De huurcontracten vóór dien dag aangegaan, zullen van kracht zijn, zoo zij niet zijn gemaakt om de regten van den schuldeischer te verkorten, a) (B. 1377, 1917.)

De door artikel 671 van het burgerlijk wetboek gevorderde overschrijving van vroeger opgemaakte akten of de inschrijving van vroeger verleende hypotheken, na den dag der overschrijving van het proces-verbaal der inbeslagneming, kan aan de regten van den inbeslagnemer geen nadeel toebrengen. (B. 1225. — Pr. 677 v., 691 v.; Rv. 507, 508, 566, 770Ba.)

Het tweede lid gewijzigd bij art. 2 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb nquot;. 138), en het laatste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faülissementswet. b)

506. Gedurende de inbeslagneming, zal de partij, tegen welke dezelve gedaan is, als geregtelijke bewaarder, in het bezit blijven van de in beslag genomene en niet verhuurde of verpachte goederen.

Dezelve zal geen hout mogen hakken of eenige vermin-

a) In art. 505 (oud) vierde lid werden, in plaats van de woorden: „overeenkomsten, in strijd met dat verbod aangegaan, kunnen tegen den inbeslagnemer niet worden ingeroepenquot;, gelezen de woorden: „ten nadeele van den inbeslagnemerquot;.

b) Oorspronkelijk werden in het tweede lid, in plaats van de woorden : „binnen den kring van wiens kantoorquot;, gelezen de woorden: „van het arrondissement waarinquot;, en luidde het laatste lid: „Vroeger wettig verleende hypotheken zullen in de registers kunnen worden ingeschreven tot op den dag van de overschrijving van hot vonnis van toewijzing.quot;

773

-ocr page 858-

1 i

lrt

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

dering van waarde aan het goed mogen toebrengen, op straffe van schade en interessen, te betalen zelfs bij lijfsdwang.

De regtbank zal echter, op het met redenen bekleed verzoek van eenen of meer schuldeischers, eenen anderen bewaarder mogen benoemen, wiens werkzaamheden zullen eindigen op den dag van de overschrijving van het vonnis van toewijzing. (Pr. 688, 690; B. 1776b en c; Rv. 450,451, 454, 585 n0. 5, 770Ba; Stb. 1843 n«. 40, a. 1 (Tar. a. 60); Sr. 198.)

507. (*) De vruchten, welke na de overschrijving van de inbeslagneming ingezameld zijn, of in staat zijn om ingezameld te kunnen worden, zullen voor onroerend goed gehouden worden, en de schuldeischers zullen de tak- en wortelvaste te veld staande vruchten en gewassen kunnen doen\' inzamelen of verkoopen; de nog niet betaalde huur-en pachtpenningen zijn van regtswege in het beslag begrepen, en worden, na de aanzegging bij deurwaardersexploit aan den huurder of pachter, betaald aan den schuldeischer, teneinde dezelve met de opbrengst van het vaste goed, naar den rang der schuldvorderingen, kunnen worden verdeeld, a) (Pr. 688, 689, 691; B. 556, 558, 562 n°. 3, 810; Rv. 475 v., 491 n». 1, 505.)

508. (*) In geval van beding bij artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, zal de executant het door hem gedaan beslag uiterlijk binnen vier dagen na de overschrijving in artikel 505 vermeld, aan den schuldeischer, die dit beding gemaakt heeft, aan de door denzelven op de registers der hypotheken gekozene woonplaats, doen beteekenen en daarvan aanteekening doen houden ter griffie der regtbank, waaronder het beslag is gelegd, b) (B. 1231 n0. 1; Rv. 8a, 504 nquot;. 4, 509, 511 v.. 770Db.)

509. Indien deze, krachtens het voorzeide artikel 1223, uit hoofde der niet voldoening door den schuldenaar aan de jegens hem aangegane verpligtingen, bevoegd is om het verbonden perceel te doen verkoopen, en hij van dit zijn regt wil gebruik maken, geschiedt de verkoop op de wijze bij bovengemeld artikel van het Burgerlijk Wetboek bepaald.

Hij is echter gehouden om, behalve de formaliteiten bij dat artikel voorgeschreven, den dag van den verkoop, ten minste dertig dagen vóór de toewijzing, aan den executant te doen beteekenen, ten ware met den verkoop reeds vóór de inbeslagneming een aanvang was gemaakt. (B. 81b, 1255; Rv. 504 n0. 4, 511, 512, 533, 537a.)

510. Hij is verder gehouden om de opbrengst van het verkochte voorwerp, na aftrek van het aan hem verschul-

U

a) In art. 507 (oud) werden, in plaats van de woorden; „de nog niet betaalde huur- en pachtpenningenquot; tot aan de woorden: „te-taald aan den schuldeischerquot;, gelezen de woorden: „zij kunnen ook doen in beslag nemen de huur- en pachtpenningen, welke sedert hetzelfde tijdstip verschenen zijnquot;.

b) In art. 508 (oud) ontbraken de woorden: „en daarvan aanteekening te doen houden ter griffie der regtbank, waaronder het beslag is gelegdquot;.

774

-ocr page 859-

BOEK 11, TITEL III, ARTT. 507—513.

digde ter zake der vordering waarvoor hij zijn ragt uitoefent, met de interessen en kosten, ter griffie van de regfbank, waaronder het beslag gelegd is, over te brengen en daarvan aan den executant binnen vier dagen kennis te geven aan de door denzelven gekozene woonplaats. (B. 1185 n0. 1, 1253; Rv. 504 n°. 4, 551 v.)

511. Indien de schuldeischer bevoegd en geneigd is om van dit aan hem toegekende regt gebruik te maken, zal hij verpligt zijn zulks binnen veertien dagen, na de betee-kening van het beslag met opgave van den termijn, binnen welke door hem tot den verkoop zal worden overgegaan, kenbaar te maken aan den procureur van den executant, welke bij gebreke van dien, bevoegd zal zijn om met de executie voort te gaan. (B. 1223; Rv. 508, 509, 512, 513,537amp;.)

512. Indien deze termijn te lang mogt zijn gesteld of wel indien de schuldeischer mogt in gebreke blijven, om binnen denzelven tot. den verkoop over te gaan, kan de executant hem in regten oproepen ten einde door den regter een termijn worde bepaald, binnen welken hij zal verpligt zijn tot den verkoop over te gaan, en na verloop van welken, hij, bij gebreke van dit te doen, van zijn regt daartoe zal zijn verstoken en de executant bevoegd zijn om met de executie voort te gaan. (Rv. 289, 506, 509, 511.)

513. (*) Bijaldien meer schuldeischers den verkoop eischen van dezelfde goederen, zal de toeschatting plaats hebben, op de vervolging van diengenen welke het eerst het procesverbaal van beslag, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 505, zal hebben doen overschrijven, en zullen de andere beslagleggers verpligt zijn op te houden met hunne vervolging.

De regtbank kan echter bij wege van subrogatie de voorkeur geven aan eenen schuldeischer welke later het beslag gelegd heeft:

1°. Bijaldien er plaats heeft arglist van den schuldeischer, die het eerste beslag heeft gelegd, of zamen-spanning van denzelven met de partij tegen welke het beslag gedaan is;

2°. Bijaldien de eerste beslaglegger verwaarloost het in-achtnemen van eenige formaliteiten, of de voorge-schrevene termijnen heeft laten verloopen, zonderde daden te doen van vervolging. In het eerste geval kan de schuldeischer, uit hoofde van de arglist ofzamen-spanning tot schadevergoeding worden veroordeeld. (B. 1364, 1436 v.; Rv. 516c, 521, 533, 534.)

Dit tusschenopkomend geschil zal worden aangebragt bij akte van procureur tot procureur, a) (Rv. 247.)

Het beroep van het daarop te wijzen vonnis zal niet meer ontvankelijk zijn na verloop van acht dagen sedert deszelfs uitspraak. (Bv. 339«, 3986.)

775

Degene, in wiens plaats een ander bij dat vonnis zal zijn gesubrogeerd, zal gehouden zijn de stukken aanlaatst-gemelden tegen recief over te geven, en zullen hem zijne

a) Aan het slot van art. 513 (oud) derde lid volgden nog de woorden: „en summierlijk worden behandeldquot;.

-ocr page 860-

776 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

weltiglijk gemaakte kosten niet betaald worden dan na de toewijzing van den verkoop. (Pr. 679, 719 v.)

5U. (*) Ten minste veertig dagen na de overschrijving van het proces-verbaal van beslag, zal openlijk bij gedrukte biljetten worden bekend gemaakt, dat de verkoop der in beslag genomene goederen, aan den meestbiedenden of hoogst afmijnenden zal plaats hebben, a) (Pr. 680 v.; Rv. 505, 515, v., 523, 530, 533, 536, 537C, 537H, 569.)

515. De aanslag-biljetten zullen inhouden:

lö. De plaats, den dag en het uur waarop de verkoop en toewijzing zullen plaats hebben;

2°, Den aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging en omschrijving, volgens de kadastrale indeeling, en derzelver grootte, zooveel mogelijk indien het landelijke goederen zijn; (Rv. 504 n0. 3.)

3°. De begrooting der opkomsten, volgens den grondslag van het register der grondbelasting; het bedrag der huren, zoo hetzelve bekend is;

4°, De vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den executant en den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 74, 81; Rv. 502?gt;, 539.)

5°. De lasten waarmede het vaste goed mogt zijn bezwaard, ten dage der overschrijving van het procesverbaal van beslag; (Rv. 516.)

6°. Eenen inzet welken de executant gehouden is te doen, en welke de plaats vervangt van het eerste bod. (Rv. 526. — Pr. 682, 697; Rv. 82, 8i, 548, 570.)

516. (*) De executant zal zich door den bewaarder der hypotheken doen afgeven een extract van alle de bestaande inschrijvingen op de in beslag genomene goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, en hij zal hetzelve nederleggen ter griffie van de regtbank.

Een exemplaar van het gedrukte aanslag-biljet zal worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, en aan ieder ingeschreven schuldeischer ter gekozene woonplaats, in zijne inschrijving vervat.

De executant zal de veilconditien ter griffie nederleggen ten minste dertig dagen vóór den verkoop, b) (Rv. 523c. — Pr. 687, 695, 697 v.; B. 1231 n». 1, 1265; Rv. 495, 505d en e, 514 v., 533, 537d, 543.)

517. De aanslag of aanplakking der afkondigingen zal gedaan worden:

1°. Buiten aan het huis van den schuldenaar en aan de in beslag genomen gebouwen, zoo die er zijn;

2°. Op plaatsen welke bestemd zijn tot openbare aanplakking in de gemeente alwaar de persoon tegen wien het beslag gedaan is, woonachtig is; in de plaats alwaar de goederen gelegen zijn, en in die

a) In art. 514 (oud) werden, in plaats van de woorden; „veertig dagenquot;, gelezen de woorden: „twintig dagenquot;.

h) In art. ölfi (oud) derde lid werden, in plaats van de woorder.: „ten minste dertig dagen voor den verkoopquot;, gelezen do woorden: „op den dag van liet aanslaan der eerste biljettenquot;.

-ocr page 861-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 514—524.

alwaar de regtbank zitting houdt, voor welke de verkoop wordt voortgezet;

3°. Aan het gebouw en in de gehoorzaal van de regtbank welke de toewijzing doen moet. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Pr. 684; Rv. 82, 84, 495, 549, 569.)

518. Van het aanslaan der biljetten zal moeten blijken bij eene akte, waaraan een exemplaar van het biljet vastgehecht zal zijn. Bij deze akte zal de deurwaarder verklaren dat de aanplakking geschied is op de plaatsen bij de wet voorgeschreven, zonder die plaatsen, een voor een, op te noemen. (Pr. 685; Rv. 517, 533.)

619. (*) Ingetrokken, a)

520. (*) Alle geschillen over de veilconditien moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd, aanhangig worden gemaakt tegen de eerstvolgende teregt-zitting na den dag van het exploit met inachtneming van den wettelijken termijn, op straffe van verval, h) (Rv. 1, 7 v., 339, 513c, 516c, 533, 537G.)

521. (*) Binnen acht dagen na de aanplakking, en in geval van gerezene geschillen, binnen acht dagen na de beslissing, zal in een der dagbladen der gemeente, binnen welke de verkoop zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats, eene bekendmaking worden gedaan, houdende:

1°. Vermelding van den naam, voornaam en de woonplaats van den executant en van den persoon tegen wien het beslag gedaan is;

2°. Ben aard der te verkoopen goederen, derzelver ligging naar aanleiding der kadastrale indeeling, en de grootte zoo veel mogelijk, bijaldien het landelijke goederen zijn;

3°. De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de toewijzing zal plaats hebben, c) (Pr. 683, 763; Rv. 513, 514, 520, 522, 533, 537H.)

а) Art. 510 (oud). Ten minste veertien dagen na de dagteekening der akte, voorgeschreven bij artikel 518, zullen de \'biljetten op nieuw worden aangeplakt op de bij artikel 517 bepaalde plaatsen. Men zal van deze aanplakking op dezelfde wijze doen blijken als ten aanzien van de eerste.

Deze tweede aanplakking zal geen plaats hebben, indien het in beslag genomen goed, volgens de kohieren der grondbelasting, geen inkomen van tweehonderd en vijftig gulden oplevert.

б) Art. 520 (oud). Alle geschillen over do veilconditien moeten binnen acht dagen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd, op de teregtzittlng worden gebragt, op straffe van vervalling.

Dezelve zullen sutnmierlijk worden behandeld en beslist.

c) In art. 521 (oud) luidden de eerste woorden: „Binnen acht dagen na de tweede aanplakking der biljetten, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, en, in geval vanquot; enz. en volgde nog een tweede lid luidende: „Indien er twee aanplakkingen hebben plaats gehad, zal de bekendmaking twee reizen, van acht tot acht dagen, in het dagblad geplaatst worden, doch zal in het tegenovergestelde geval slechts écne bekendmaking worden vereischtquot;.

777

-ocr page 862-

778 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

522. (*) Ten minste dertig dagen na de aanplakking, zal er worden overgegaan tot den verkoop en de toewijzing der in beslag genomene goederen voor de regtbank van het arrondissement waarin dezelve gelegen zijn. a) (Pr. 706; Rv. 495 v., 514, 529, 533, 537A v., 572, 584.)

Het vonnis van verkoop en toewijzing zal niet zijn onderhevig aan hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 398 v., 551.)

623. De verkoop en toewijzing zullen op de teregtzitting der regtbank plaats hebben, eerst bij opbod en vervolgens bij afslag.

Ten minste drie dagen vóór den aanvang van den verkoop, zal een door den president der regtbank getaxeerde staat der kosten, waarvan in artikel 527 van dit Wetboek melding wordt gemaakt, worden aangeplakt in de gehoorzaal der regtbank.

Alvorens tot den verkoop over te gaan, worden de veilconditien door den griffier voorgelezen. (Rv. 516c.)

Het bedrag van de som waarmede men zal mogen opbieden en afslaan, zal des noods door de regtbank worden bepaald.

De opbieder is niet meer verbonden, zoodra een nieuw opbod is gedaan, al ware dit laatste van onwaarde verklaard.

Bij den afslag wordt het goed aan den eersten afmijner toegewezen.

Indien op dezelfde som door meer dan een mogt worden gemijnd, oordeelt de regtbank wie de eerste afmijner is. Indien bij de regtbank daaromtrent twijfel bestaat, kan deze dadelijk eenen vernieuwden afslag bevelen. (Pr. 707; Rv. 528, 537A, 572, 770D.)

524. De opbiedingen en de afmijning geschieden door tusschenkomst van procureurs, bij de regtbank aangesteld, of door notarissen, hun beroep uitoefenende binnen het arrondissement der regtbank.

Zij kunnen niet worden genoodzaakt zich als gevelmag-tigden te wettigen, maar zijn verpligt binnen de vier en twintig uren welke daarop volgen, aan den voet van het proces-verbaal der toewijzing te verklaren voor wien zij geboden hebben; bij gebreke waarvan zij zullen worden gehouden voor zich zelve gekocht te hebben, en als zoodanig te voldoen aan alle de lasten en gevolgen der toewijzing. (Pr. 707, 709; B. 1504; Rv. 572.)

525. De persoon tegen wien het beslag gedaan is, kan geen kooper zijn; de verklaring dat het opbod of de afmijning voor hem en ten zijnen voordeele gedaan is, is van onwaarde. Een ieder welke voor denzelven kooper mogt zijn geworden, blijft persoonlijk en onmiddellijk verantwoordelijk voor de schaden en interessen, tot betaling waarvan hij, zelfs bij lijfsdwang, zal kunnen worden genoodzaakt.

Diegenen, welke koopers geworden mogten zijn voor reke-

a) In art. quot;gt;22 (outl) luidden de eerste woorden: „Ten minste dertig dagen na de tweede aanplakking, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na do eerste aanplakking, zalquot; enz.

-ocr page 863-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 522—532.

\'er ning van personen, welke kennelijk onvermogend zijn, ^er zullen daarvoor, zelfs bij lijfsdwang, aansprakelijk en verant-het woordelijk zijn, voor hen zeiven en voor hunne eigene reke-ning, niettegenstaande de verklaring dat zij voor eenen ander het opbod of de afmijning gedaan hebben. (Pr. 713; er- B. 457, 1243, 1248, 13296, 1505, 1836; Rv. 493, 524è, 530,

537C, 585 n®. 11.)

111S 526. De executant blijft kooper voor den inzet indien ;ns geeu hooger opbod of afmijning plaats heeft. (Pr. 698; Rv. 515 n0. 6.)

^Pi 527. De kosten van executie-toewijzing a) zullen bij \'er voorregt worden betaald uit den koopprijs. (Pr. 715, 716, rdt 768; B. 1185 n°. 1; Rv. 480, 523, 528, 529, 557.) 1ii- 528. Indien door den achtervolgenden verkoop en de (\'e toewijzing van meerdere onroerende goederen in dezelfde inbeslagneming vervat, de prijs van het verkochte toerei-lequot; kende is om den executant en de opposanten met de kosten en te voldoen, zal de schuldenaar zich kunnen verzetten tegen den verkoop der overige goederen, mits daartoe eisch doende lw op de teregtzitting.

:rquot; Indien die eisch niet op de teregtzitting is gedaan, is de

verkoop van waarde. (Rv. 470, 523, 527, 537J.) er 529. (*) De eigendom der toegewezen goederen gaat op den kooper over, uit krachte van de overschrijving van het r11 vonnis van toewijzing, hetwelk aan hem niet zal worden ls- uitgegeven, dan nadat hij aan den griffier het bewijs zal ze hebben geleverd van voldaan te hebben aan de voorwaarden des verkoops.

De geëxecuteerde zal tot ontruiming kunnen genoodzaakt )r worden op de wijze bepaald bij artikel 124. b) (Pr. 715; ^ B. 671, 1550; Rv. 505d, 530, 535, 5371, 584.)

530. (*) Bij gebreke van den kooper om te voldoen aan de voorwaarden van den verkoop zal men te zijnen laste, op verzoek van een ieder die in de zaak belang heeft, over-

Q gaan tot de herveiling en toewijzing, en de bepalingen van artikel 514 en volgende of, indien de verkoop op de wijze lJ als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, 1 de artikelen 537D en volgende zullen toepasselijk, zijn. c) (Pr. 715, 737 v.; Rv. 529a, 531 v., 5746.)

531. Ingeval echter degene, wien het goed bevorens was toegewezen, bewees dat hij aan de voorwaarden had voldaan, en de som, door de regtbank tot betaling der kosten van herveiling bepaald, in geregtelijke bewaring bragt, zal niet voortgegaan mogen worden tot eenen nieuwen verkoop en toewijzing. (Pr. 743; Rv. 529a, 530.)

582. De gebrekige kooper is bij lijfsdwang aansprakelijk

wegens het verschil tusschen den prijs waarvoor hem het .--

u) O. E. 183S en O. E. 1890: van executie en van toeicijziny.

b) In art. 529 (oud) tweede lid volgden op liet woord; „ontruimingquot; de woorden: „van liet gehuurdequot;.

c) In art. 530 (oud) ontbraken de woorden: „of, indien de verkoop op de wijze als bij artikel 537A is voorgeschreven heeft plaats gehad, de artikelen 537D en volgendequot;.

779

-ocr page 864-

780 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGT3VORDERING.

goed was toegewezen en dien van de herveiling, zonder dat hij nogtans het meerdere, dat de herveiling zou mogen opgebragt hebben, zal kunnen vorderen; dit meerdere zal aan de schuldeischers, of, zoo deze niet meer te vorderen hebben, aan dengenen tegen wien het beslag gedaan is,

betaald worden. (Pr. 744; Rv. 530, 562, 585 n®. 11.)

533. (*) Indien de formaliteiten om tot den verkoop te komen, voorgeschreven bij de vorige artiken of bij de artikelen 537D en volgende, niet mogten in acht genomen zijn, kunnen diegenen tegen welke het beslag gedaan is, of de ingeschreven schuldeischers vorderen dat dezelve vervuld worden, maar zij zullen in deze vordering niet ontvankelijk zijn, zoo zij dezelve niet gebragt hebben op de teregtzitting ten minste twintig dagen vóór die welke tot de toewijzing is bepaald.

Het hooger beroep tegen het te wijzen vonnis moet worden ingesteld, binnen acht dagen na den dag der uit- verkl; spraak, tegen de eerstvolgende teregtzitting na den dag van de et het exploit met inachtneming van den wettelijken termijn, a) van (Pr. 733 v.; Rv. 1, 7. v., 90 v., 94,120,389, 398,502—521, het I 513amp;, 520, 534 ) De

534. Wanneer, in het geval van het voorgaande artikel, van ■ de regtbank beveelt dat eene verzuimde formaliteit zal hersteld worden, zullen alle formaliteiten welke daarna hebben plaats gehad, op nieuw moeten vervuld worden, en zullen de kosten vallen ten laste van dengenen die dezelve heeft veroorzaakt. (Rv. 946, 96.)

535. De overschrijving van het vonnis van toewijzing geeft aan den kooper geene andere regten op den eigendom, dan die, welke degene tegen wien het beslag gedaan is, heeft gehad. (Pr. 731; Rv. 529; B. 1555, 1559.)

536. (*) De schuldeischers van hem wiens onroerende goederen zijn in beslag genomen, kunnen tot aan de toewijzing verzet doen tegen de afgifte der kooppenningen, b)

Dat verzet moet, behalve de vereischten van de gewone exploiten, inhouden de gronden waarop het berust, en keuze van woonplaats in de gemeente alwaar het beslag gelegd is,

indien de opposant aldaar niet woonachtig is.

Het wordt beteekend aan den arrestant, en aan deszelfs procureur, en de opposant doet daarvan aanleekening houden ter griffie.

Alles op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 90, 457, 504 n». 4, 528, 551, 553, 562, 5766.)

537. De bepalingen van artikel 458 zijn ook ten deze toepasselijk.

a)

a) In art. 5S3 (oud) eerste lid ontbraken de woorden: „of Dij de artikelen 537D en volgendequot;, werden de laatste woorden ge\'.o/.en: „welke tot den verkoop en de toewijzing is bepaaldquot; en luidde het tweede lid: „Deze vordering zal summicrlijk beslist worden, en het beroep zal niet aangenomen worden na verloop van acht dagen sedert de uitspraak*\'.

b) In art. 536 (oud) eerste lid werden in plaats van het woord: „toewijzingquot;, gelezen de woorden: „geregtelijke toewijzingquot;.

53

52-2

de r( maar ris z hebb( Welb de t( word 53 na d( nen 1 schul Burgi

overij geho(

Tei toege

53

de b( ar tik ( en m van I ning bekei bekei verzo

He ten, zijn !

53

veert aanw waar veilcc

.Hij hypol

vinge

overs

getuij

vinge

5726.

53

zond(

-ocr page 865-

BOEK II, TITEL III, ARTT. 533-537E.

537A. (*) Met afwijking van het bepaalde in de artikelen 522 en 523 van dit wetboek kan ten verzoeke der eerste gereed e partij of van iederen ingeschreven schuldeischer, de regtbank bevelen, dat de verkoop niet ter teregtzitting, maar ten overstaan van een door haar aan te wijzen notaris zal geschieden, en zal alsdan de veiling moeten plaats hebben op de wijze, als bij artikel 1255 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, met uitzondering alleen, dat de tegenwoordigheid van den kantonregter niet vereischt vuld wordt, a) (B. 1223amp;; Rv. 463, 572amp;.)

elijk 537B. (*) Dit verzoek zal niet vroeger dan twintig dagen ting na de overschrijving van het proces-verbaal van beslag kun-zing nen worden ingediend, tenzij vóór dien tijd de hypothecaire schuldeischer, die het beding van artikel 1223 van het noet Burgerlijk Wetboek gemaakt heeft, schriftelijk mogt hebben uit- verklaard, van zijn regt geen gebruik te willen maken, of van de eerst ingeschreven hypotheek genomen zij tot zekerheid ! van een der verbindtenissen, bedoeld in artikel 1259 van 521 het Burgerlijk Wetboek.

\' De verzoekende partij zal gehouden zijn van de indiening ikel van het verzoek kennis te geven aan de wederpartij en de zal overige beslagleggers, die door den regter kunnen worden irna gehoord.

den Tegen de beslissing op het verzoek is geen voorziening dié toegelaten, a) (Rv. 505, 508, 511, 572amp;.)

537C. (*) In geval het verzoek wordt toegestaan blijven zing de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering van de jen- artikelen 514 tot en met 519, 521 tot en met 524, 526 tot laan en met 528 en het eerste lid van art. 529 van dit wetboek, van toepassing, en zullen de eventueel reeds vóór de indiende ning van het verzoek gemaakte kosten van aanplakking en toe- bekendmaking der geregtelijke verkooping en die van de . b) bekendmaking van het vervallen dier verkooping door de one verzoekende partij moeten worden gedragen en betaald.

luze Het verzoek zal niet worden ingewilligd voordat die kos-J iS) ten, tot een door den voorzitter begroot bedrag, ter griffie

zijn gedeponeerd, a) (Rv. 523b, 572b.)

;elfs 537D. (*) De notaris over de verkooping staande zal binnen iou- veertien dagen, nadat hem van de door den regter gedane aanwijzing is kennis gegeven, ter griffie van de regtbank \'.4, waaronder het beslag gelegd is, een authentiek afschrift der

veilconditien nederleggen.

leze Hij zal daarbij overleggen een door den bewaarder der hypotheken afgegeven staat van alle de bestaande inschrijvingen op de in beslag genomen goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, of een door dezen afgegeven de getuigschrift, dat op die goederen geene hypothecaire inschrijvingen bestaan, a) (Rv. 516a en c, 537A, 537G, 537H, 572b.)

781

nder

3gen 3 zal eren n is.

p te elen zijn, f de

en: het het lert

537E. (*) Bij de veilconditien zullen de kosten, met uitzondering van die in artikel 537G genoemd, gebragt worden

rd:

a) De artikelen 537A—337J zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 866-

782 WETBOEK VAN BURGERUJKK REGIS VORDERING.

voor rekening van den kooper. a) (B. 1502; Rv. 527,537 Da, 572amp;.)

537F. (*) De betaling der kooppenningen zal moeten ge- I schieden ter griffie van de regtbank, waaronder het beslag is gelegd, a) (B. 1550; Rv. 469a, 495 v., 537Da, 5371, 572amp;.)

537G. (*) Op geschillen over de veilconditien is artikel 620 toepasselijk, a) (Rv. 5726.)

537H. (*) De verkooping zal niet kunnen geschieden dan i* na verloop van dertig dagen, nadat de veilconditien ter griffie zijn nedergelegd en de verkooping minstens veertien dagen te voren door aanplakking volgens plaatselijk gebruik en door aankondiging in een dagblad der gemeente, binnen welke de verkooping zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad in dat eener naburige gemeente, zal zijn bekend gemaakt.

In die bekendmaking zal moeten worden vermeld, dat de verkooping krachtens regterlijk bevel geschiedt, a) (Rv. 462, 464, 521, 522, 537Da, 572amp;.)

5371. (*) De eigendom der toegewezen goederen gaat over j op den kooper door de overschrijving van een afschrift of uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing, welk afschrift of uittreksel echter aan hem niet zal worden afgegeven dan op vertoon van het door den griffier geteekend bewijs, dat de kooppenningen door hem zijn voldaan of ingevolge de bepalingen van art. 1257, 3de lid en artikel 1260 van het Burgerlijk Wetboek, onder hem zijn verbleven, a) (B. 671; Rv. SOSd, 529, 530 v., 535, 537F, 5726.)

537J. O Indien door den achtervolgenden verkoop en de toewijzing van meerdere onroerende goederen in dezelfde beslagneming vervat, de prijs van het verkochte toereikende is om den executant en de opposanten, met de kosten, te voldoen, is de notaris, over den verkoop staande, gehouden met den verkoop der overige goederen niet voort te gaan, tenzij de schuldenaar verklare dien voortgang te verlangen, a) (Rv. 470, 513, 528, 537E, 5726.)

DERDE AFDEELING.

Van opvordering van eigendom.

538. Zij die vóór de toewijzing het geheel of een gedeelte der in beslag genomen goederen als hun eigendon?, willen opvorderen, kunnen zulks doen, door zich als tus-schenkomende partijen in de executie te stellen. (Pr. 727; B. 629, 1507; Rv. 285 v., 376, 456, 529, 535, 5371.)

539. (*) De tusschenkomst zal geschieden bij een verzoekschrift, hetwelk zal inhouden:

1®. Eene naauwkeurige opgaaf van het teruggevorderde voorwerp;

o) De artikelen 537A—587J zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 867-

BOEK II, TITEL 111, ARTT. 537F—544.

2quot;. De middelen en conclusien;

3°. Den dag en het uur waarop de partijen in regten moeten verschijnen.

Afschrift van hetzelfde zal beteekend worden aan den executant aan de bij het proces-verbaal van inbeslagneming gekozen woonplaats, en aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, of aan zijne woonplaats, a)

De titels en bewijsstukken van eigendom van deneischer bij tusschenkomst zullen tor griffie worden overgelegd, alwaar de partijen er inzage en afschrift van kunnen nemen, en het exploit van beteekening zal melding maken van die overlegging. (Pr. 727, 728; Rv. 286, 504 n0. 4, 521.)

540. Zoo dikwijls er eene opvordering van eigendom plaats heeft, zal de verkoop van de teruggevorderde goederen geschorst worden. (Rv. 543.)

511. Indien de opvordering van eigendom slechts een gedeelte der in beslag genomene goederen betreft, kan de regtbank óf overgaan tot den verkoop der overige goederen, óf wel de schorsing van het geheel bevelen. (Pr. 729; Rv. 543.)

542. (s) Ten dage dienende zal de regtbank uitspraak doen over de opvordering van eigendom, en geen beroep van dat vonnis zal ontvankelijk zijn na verloop van den veertienden dag na de uitspraak, b) (Pr. 730; Rv. 45, 126/i, 128, 339, 398, 504 n0. 4).

543. Wanneer de verkoop vetraagd is door eene opvordering van eigendom, kan men met den verkoop niet voortgaan, dan na vernieuwde bekendmaking en aanplakking der biljetten, overeenkomstig artikel 516 en volgende van dezen titel. De kosten vallen ten lasten van dengenen, die in zijne opvordering van eigendom is in het ongelijk gesteld.

Hij zal daarenboven, zoo daartoe gronden zijn, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den arrestant worden veroordeeld. (Pr. 732; B. 1401; Rv. 56, 350, 456c, 537H, 541 v., 612.)

VIERDE AFDEELING.

Van executoriaal beslag op grondrenten.

544. Behoudens de navolgende wijzigingen, zullen bij de executie op grondrenten, vermeld in artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde formaliteiten worden in acht genomen als bij de inbeslagneming en verkoop van

«) In art. 530 (oud) werden, in plaats van de woorden: „aan de bij het proces-verbaal van inbeslagneming gekozen woonplaatsquot;, gelezen de woorden: „te zijner woonplaats, bij de aangeslagene bekendmakingen gekozenquot;.

b) In art. 542 (oud) werd, tusschen de woorden „regtbankquot; en „uitspraakquot;, gelezen het woord; „summierlijkquot; en luidden de slotwoorden : „den veertienden dag sedert de beteekening van hetzelve aan den persoon of aan zijne woonplaatsquot;.

783

-ocr page 868-

784 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

andere onroerende goederen. (Pr. 638 v.; B. 564 n0. 5; Rv. 491 n». 4, 50\'2 v.)

515. Het beslag op grondrenten zal door exploit van eenen deurwaarder worden beteekend aan den schuldenaar en bovendien aan den rentpligtige. (Pr. 636, 637; Rv. \'1 v., 475, 476, 502, 505, 547.)

546. De rentpligtige kan door den executant worden opgeroepen om verklaring te doen van den aard en de hoegrootheid der verschuldigde rente.

In dat geval, zal die verklaring geschieden overeenkomstig de voorschiften en met de gevolgen vermeld in de derde afdeeling van den vierden titel des derden boeks van dit Wetboek. (Pr. 637, 638; Rv. 479, 742—755.)

547. Door het bovengemeld exploit, worden ook de reeds verschenen en de nog te verschijnen renten, tot het uiteinde der executie toe, in beslag genomen. (Pr. 640; Rv. 545.)

548. De verkoop zal worden voorafgegaan door eene aankondiging, welke zal moeten inhouden:

1°. De voornamen en namen van den persoon die het beslag doet, van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, en van den rentpligtige;

2°. De aanduiding van het goed waarop de rente gevestigd is;

3°. Het bedrag der rente;

4°. De vermelding der hypothekaire inschrijvingen, indien er zoodanige op de grondrente genomen zijn;

5°. Den inzet, welken de executant gehouden is te doen;

6°. De plaats, den dag en het uur van den verkoop. (Pr. 643; Rv. 495, 515.)

549. De aankondiging zal worden aangeplakt:

1». Aan de woning van den persoon tegen wien het beslag geschiedt;

2°. Op de plaatsen daartoe bestemd, in de gemeente waar de rentpligtige woonachtig is, en in die waar de verkoop moet plaats hebben;

3°. Aan het gebouw van de regtbank ten overstaan van welke de verkoop geschiedt. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Pr. 644, 645; Rv. 517, 518, 544, 550)

550. Indien de in beslag genomene rente de som van vijf en twintig gulden te boven gaat, zal eene dergelijke aankondiging, binnen acht dagen na de aanplakking, geschieden in een der dagbladen, op de wijze voorgeschreven bij artikel 521. (Pr. 646; Rv. 549.)

V IJ F D E A F D K E L I N G.

Over de regeling van den voorrang en de verdeeling van den koopprijs.

551. Indien de schuldeischers en de partij, tegen welke het beslag gedaan is, zich niet hebben verstaan over de

-ocr page 869-

BOEK ir, TITEL III, ARTT. 545-556.

verdeeling- der kooppenningen of van het in artikel 510 bedoelde overschot, zal de meest gereede sclmldeischer, of de kooper, of de partij, tegen welke het beslag gedaan is, de benoeming van eenen regter-commissaris kunnen verzoeken, voor wien tot regeling van den voorrang zal overgegaan worden, a) (Pr. 749, 750; B. 1240, 1254-, 1256; Rv. 480 v., 556, 562, 581; F. 180.)

652. (*) Te dien einde wordt ter griffie een register van toewijzingen gehouden, waarop degene, die de regeling van voorrang begeert, zijne verklaring moet stellen. Deregtbank benoemt alsdan eenen regter-commissaris, en deze stelt zijn bevelschrift onder de verklaring van den verzoeker, b) (Pr. 751; Rv. 481, 553, 554.)

653. (*) Die de regeling van den voorrang vervolgt, zal het bevelschrift van den regter-commissaris ligten, welke het proces-verbaal van regeling zal openen op den dag door hem bepaald, bij hetwelk zal gevoegd worden het uittreksel van alle de begaande inschrijvingen en der overgeschreven beslagen, af te geven door den bewaarder der hypotheken, alsmede eenen staat der schuldeischers, welke verzet hebben gedaan, c) (Pr. 752; Rv. 505e, 516, 536, 537Damp;, 562.)

654. Uit krachte van het bevelschrift zal de verzoeker de schuldeischers ter door hem d) gekozene woonplaats doen oproepen, ten einde, binnen eene maand na het exploit, hunne bescheiden aan den regter-commissaris in te leveren, met de vordering om in de rangregeling begrepen te worden. Hij zal te gelijker tijd woonplaats bij eenen procureur moeten kiezen, ter plaatse waar de regtbank hare zitting houdt. De regter-commissaris zal van de overgelegde bescheiden en vordering in zijn proces-verbaal melding maken. (Pr. 753 v., B. 1231 li». 1; Rv. 133, 458, 482, 536, 537, 555.)

565. Nadat de verzoeker zal hebben doen blijken dat de bij het vorige artikel bepaalde termijn verstreken is, zal de regter-commissaris, uit de overgelegde stukken, de rangregeling opmaken, en in het proces-verbaal de plaats, den dag en het uur aanwijzen, waarop de partijen moeten verschijnen. (Pr. 755; Rv. 483, 553, 560.)

556. De verzoeker zal zoowel aan de geëxecuteerden, als aan de schuldeischers, aan hunne bij het doen van eisch

a) Art. 551 (oud). Indien binnen eene maand na de toewijzing, of, indien daartegen binnen dien tijd beroep in cassatie is gedaan, binnen eene maand na de uitspraak daarover, de schuldeischers en de partij, tegen welke het beslag gedaan is, zich niet hebben kunnen verstaan over de verdeeling der koopponningon, zal de meest gereede sohuldeischor, ot de kooper, of de partij, togen welke het beslag gedaan is, de benoeming van eenen rogter-eómmissaris kunnen verzoeken, voor wien tot regeling van den voorrang zal overgegaan worden.

b) In art. 552 (oud) werd in plaats van liet laatste woord „verzoekerquot; gelezen het woord: „sclmldeischerquot;.

c) In art. 553 (oud) ontbraken de woorden: „en der ovcrgeschre-vene beslagenquot;.

(!) Lees: Zie van den Honert ^ 55t,

785

50

-ocr page 870-

786 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING

ter rangschikking gekozene woonplaats doen beteekenen, dat de rangregeling is opgemaakt, en een ieder daarvan visie ter griffie kan nemen, met aanmaning om voor den regter-commissaris op de bepaalde plaats, dag en uur te verschijnen, ten einde op het proces-verbaal de door den regter-com-missaris gedane plaatsing tegen te spreken, indien daartoe gronden zijn. (Pr. 755; Rv. 484, 554.)

557. O In geval er geene tegenspraak gedaan wordt, zal de regter-commissaris de rangregeling sluiten en de kosten vereffenen, welke als bevoorregt zullen worden gebragt. Hij zal de afgifte der borderellen van plaatsing van degenen die batig geplaatst zijn, en de doorhaling der inschrijvingen en der overgeschreven beslagen van de niet batig geplaatsten bevelen, a)

Tot de bevoorregte kosten behooren het salaris en de verschotten van de procureurs, die bij het beslagleggen en bij de rangregeling voor partijen zijn opgetreden, b)

Deze borderellen, mitsgaders die welke bij het volgende artikel worden vermeld, worden uitgegeven, overeenkomstig de voorschriften van artikel 430. (Pr. 759; B. 1257 v.; Rv. 485, 504 n°. 4, 505amp;, 527, 554, 559.)

558. In geval van tegenspraak, zal de regter-commissaris degenen die zich bezwaard achten, zonder andere aanmaning, naar de teregtzitting, welke hij bepalen zal, verwijzen. Niettemin zal hij de rangregeling van de inschulden, welke boven de betwiste bevoorregt zijn, vaststellen, en de afgifte van de borderellen van plaatsing van die schuldeischers bevelen.

De zaak wordt hierna, op rapport van den regter-commissaris, na genomene conclusien en des noods gehoudene pleidooijen uitgewezen.

Geen beroep van het vonnis zal ontvankelijk zijn, indien het niet binnen de veertien dagen na de uitspraak van hetzelve ingesteld is. c) (Pr. 758, 761 v.; Rv. 140 v., 339, 342, 346, 398, 581; F. 185.)

559. (*) Veertien dagen na het uitwijzen der gedane tegenspraak, en ingeval van beroep of cassatie, veertien dagen na de beteekening van het gewezen arrest aan den griffier, zal de commissaris de orde der schulden waarover tegenspraak gevallen is, en van die, welke na deze moeten volgen, bepaaldelijk vaststellen; on zulks achtervolgens hetgeen bij artikel 557 is voorgeschreven. De interessen en renten der

i.

a) In art. 557 (oud), eerste lid, ontbraken de woorden: „en der overgeschreven beslagenquot;.

Volgens art. 97, derde lid, der Wet van 7 Juli 1896 (Stb. no. 103\', houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordu-ring, worden in het eerste lid van art. 567 ingevoegd de woorden: „en der overgeschreven beslagenquot;. In plaats van „567quot; moet in dat artikel klaarblijkelijk worden gelezen „557quot;. Zie O. E. 1896 op art. 567 noot.

b) In art. 557 (oud) ontbrak het nu tweede lid.

c) Art. 558 (oud) had nog een vierde lid luidende: „Dit beroep wordt summierlijk behandeldquot;.

-ocr page 871-

BOEK II, TITEL III EN IV, ARTT. 557—564.

schuldeischers die batig geplaatst zijn, zullen ophouden tus-schen hen onderling berekend te worden, behoudens elks regt tegen den schuldenaar, a) (Pr. 767; Rv. 350,398,433, 487 v., 558.)

560. De scbuldeischers die na de hierboven bepaalde termijnen, doch vóór de sluiting der rangregeling, stukken mogten overleggen of tegenspraak doen, zullen hunne te laat gedane overlegging of tegenspraak kunnen doen gelden, tegen betaling der kosten, schaden en interessen, uit die vertraging voortspruitende. (Pr. 757; B. 1282; Rv. 482.)

561. De bewaarder der hypotheken zal gehouden zijn de doorhalingen te doen op het bloote vertoon, het zij van het bevel van den regter, het zij van de akte van toestemming van den schuldeischer. (Pr. 773; B. 1239 v, 1257; F. 188; Stb. 1840 n0. 6, a. 3, zie onder Hyp. en Scheepsbew.)

562. Na de betaling der hypothekaire schulden en dei-kosten, zal het overschot der kooppenningen worden verdeeld tusschen de personele schuldeischers, die verzet hebben gedaan; en zoo er geen zoodanige zijn, aan den schuldenaar worden uitgekeerd; alles overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeeling van den vorigen titel. (Rv. 480 v., 536, 553 v., 80816.)

VIERDE TITEL.

Van executoriaal beslag op en verkoop van schepen.

563. Geen executoriaal beslag op schepen kan gelegd worden, dan krachtens een vonnis of anderen executorialen titel. (Rv. 439a, 491, 584 jquot;. 500, 727 v.)

Hetzelve moet worden voorafgegaan door een bevel, vier en twintig uren bevorens te beteekenen aan den persoon of de woonplaats van den eigenaar of boekhouder, of op de wijze, bij artikel 4 van den eersten titel van het eerste boek voorgeschreven. (Rv. 2, 4390, 502a.)

Indien er echter vrees bestaat dat het schip spoedig naar eene andere plaats zal vertrekken, kan de schuldeischer, na daartoe verlof te hebben bekomen van den president der regtbank, binnen welker arrondissement hetzelve is liggende, ook zonder voorafgaand bevel, tot de inbeslagneming overgaan. (Co. 197, 198, 199, 200; B. 566; K. 309, 311; Rv. 564c«, 573, 581, 582, 584.)

561. Het beslag op schepen moet worden gedaan aan boord van dezelve. (Rv. 504 n0. 1.)

787

De deurwaarder zal daarbij vergezeld zijn van twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in het procesverbaal zal vermelden, en die het oorspronkelijke stuk en de afschriften zullen teekenen.

a) In art. 559 (oud) worden in plaats van de woorden: „na de be-teekeuing van hot gewezen arrest, aan dun griffierquot; gelezen de woerden : „na do lietcekening vau het arreat in beroep of iu cassatiequot;.

-ocr page 872-

788 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Het moet beteekend worden aan den persoon des eigenaars of boekhouders, of aan deszelfs woonplaats, met overlegging van een afschrift des titels, indien dezelve niet reeds is beteekend. (Rv. 563a, 567, 583; K. 320, 327.)

Indien het beslag gedaan wordt voor eene op het schip bevoorregte schuld, of wel voor eene schuld, waarvoor het schip, volgens de voorschriften van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel aansprakelijk is, kan het proces-verbaal van inbeslagneming aan boord aan den schipper worden beteekend. (K. 313 v., 321, 349, 372, 391, 452, 750, 751. — Co. 199, 201; Rv. 502.)

565. De deurwaarder moet in zijn proces verbaal van inbeslagneming uitdrukken: (Rv. 5.)

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van den schuldeischer;

Den titel uit krachte van welken hij executeert; (Rv. 563a.)

De sommen waarvan hij de betaling vordert; (Rv. 584 j». 501.)

De keuze van woonplaats door den schuldeischer gedaan, in de plaats waar het schip is liggende, en bij eenen procureur in de plaats waar de arrondissements-regtbank, voor welke de verkoop wordt vervolgd, zitting houdt; (B. 81; Rv. 133.)

De namen van den eigenaar of boekhouder, indien de een of ander bekend is, en van den schipper; (K. 320, 327.)

Den naam, de soort en de ruimte van het schip; (K.455 n0. 1, 507 n0. 4, 592 n0. 1.)

De algemeene beschrijving van de sloepen, booten, tuigagie, gereedschappen, wapenen, krijgsbehoeften en levensmiddelen.

Hij moet voorts eenen bewaarder aan boord stellen, na de noodige maatregelen te hebben genomen om het vertrek van het schip te beletten. (B. 1776; Rv. 450, 506; Sr. 198. — Co. 200; Rv. 564, 567.)

506. Het proces-verbaal van inbeslagneming van scheden, grooter dan tien lasten, zal worden overgeschreven in de registers vermeld in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel.

Na den dag dier overschrijving, zullen geene nieuwe pand-of verhand-brieven op het in beslag genomene schip meer mogèn worden afgegeven.

Vroeger afgegeven pand- of verband-brieven kunnen na den dag dier overschrijving niet meer worden ingeschreven. (K. 309, 315 n0. 2, 750 nquot;. 1; Stb. 1836 n4. 41, zie onder Hyp. en Scheepsbew.; Rv. 505.)

Gewijzigd bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

567. Indien de scheeps-eigenaar of de boekhouder woont binnen het arrondissement van de regtbank waaronder hat beslag gedaan is, moet de arrestant hem binnen drie dagen

a) Oorspronkelijk luidde het laatste lid : „Vroeger afgegeTen pand-of verbandbrieven kunnen worden ingeschreven tot de overschrijving van het vonnis van toewijzing in de bovenvermelde registers.quot;

-ocr page 873-

BOEK II, TITEL IV, ARTT. 565—570.

afschrift van het proces-verbaal van beslaglegging doen beteekenen. a)

Die termijn is van acht dagen, indien hij woont binnen een ander arrondissement onder het regtsgebied van hetzelfde geregtshof, en van veertien dagen, indien hij binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woont.

Indien hij buiten het koningrijk woont of onbekend is, wordt de beteekening aan den schipper of deszelfs plaats-bekleeder gedaan.

Bij gebreke van een en ander, wordt de beteekening aan het schip aangeplakt. (Co. 201: K. 320, 327, 341: Rv. 7 v., 564c en d.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n». 138). fo)

568. Er zullen twee afkondigingen worden gedaan en wel van acht tot acht dagen aan de beurs, zoo die ter plaatse des verkoops bestaat, en op het voornaamste openbaar plein van de plaats alwaar het schip is liggende.

Eene kennisgeving wordt daarenboven geplaatst in een dagblad van de gemeente, alwaar de regtbank zitting houdt voor welke de inbeslagneming vervolgd wordt en bij gebreke van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats. (Co. 202; K. 59; Rv. 464 v., 514 v., 570, 573.)

569. Binnen twee dagen na elke afkondiging, moeten biljetten worden aangeplakt:

Aan den mast van het in beslag genomen schip;

Aan het gebouw van de regtbank;

Aan de beurs, zoo die aldaar bestaat, en ter plaatse waar het schip is liggende. (Co. 203; K. 59; Rv. 514, 517, 549, 570.)

570. De afkondigingen en biljetten moeten inhouden:

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van

dengenen die executeert;

De titels uit krachte van welke hij de vervolging doet;

Het beloop der aan hem verschuldigde som;

De keus van woonplaats door hem gedaan in de plaats der zitting van de regtbank, en in de plaats waar het schip is liggende;

Den naam en de woonplaats van den eigenaar of boekhouder van het in beslag genomen schip, indien de een of ander bekend is;

Den naam van het schip, en indien hetzelve uitgerust is, dien van den schipper;

De scheepsruimte;

De plaats waar hetzelve is liggende;

De eerste inzet van den executant;

De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer da

a) Zie noot a op art. 5570.

b) Oorspronkelijk werden in liet tweede lid, in plaats van de woorden: „onder het regtsgebied -van het zelfde geregtshofquot; en „het regtsgebied van een ander geregtshofquot;, gelezen de woorden: „van dezelfde provinciequot; en „eene andere provinciequot;.

789

-ocr page 874-

790 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

toewijzing zal plaats hebben, o) (Co. 204; K. 3^0 v.; Rv. 515, 520, 548, 565, 568, 569, 572, 573.)

571. Twee dagen na de eerste afkondiging zal degene die de inbeslagneming vervolgt, een afschrift van de biljetten beteekenen aan de schuldeiscliers, ingeschreven in het daartoe bestemde register, vermeld in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel, en wel aan de door hen bij die inschrijving gekozene woonplaats. (K. 309, 3\'15amp;, 750 n0. 1; Rv. 566, 568.)

572. (*) Veertien dagen na de tweede afkondiging zullen de verkoop en toewijzing voor de arrondissements-regtbank, ter openlijke teregtzitting gedaan worden, op dezelfde wijze als bij den verkoop van onroerende goederen plaats heeft.

De bepalingen van de artikelen 537A tot en met J van dit quot;wetboek zijn ook hier van toepassing, b) (Co. 205,206; Rv. 523 v., 584 j®. 522?..)

673. Indien het beslag gelegd is op schuiten, sloepen of andere vaartuigen van tien lasten of minder, zal de verkoop geschieden als van andere roerende goederen, na afkondiging op de plaats waar het vaartuig is liggende, gedurende drie achtereenvolgende dagen, met aanplakking aan den mast, of bij gebreke van dien op eene andere in het oog vallende plaats van het vaartuig. (Co. 206; Pr. 620; K. 309«, 750 n». 1; Rv. 462, 463.)

574. Degene aan wien een schip, van welke grootte ook, is verkocht en toegewezen, is gehouden de kooppenningen binnen acht dagen te betalen, of zonder kosten in geregte-lijke bewaring te brengen ter griffie van de arrondissements-regtbank, op straffe van lijfsdwang.

Rij gebreke van betaling of van het in bewaring brengen, zal het vaartuig weder ten verkoop worden aangeslagen, en toegewezen na verloop van drie dagen na eene nieuwe afkondiging en aanplakking, ten laste van den eersten kooper, welke insgelijks bij lijfsdwang verbonden is voor het te kort, mitsgaders voor de schaden en interessen en de kosten. (Co. 209; Rv. 532, 537F, 571, 578, 585 n®. 11.)

575. Door den geregtelijken verkoop wordt het schip ontlast van alle bevoorregte schulden waarvoor hetzelve was verbonden. (Co. 197; K. 311 v., 313 v., 316, 750; F. 188b; Rv 564, 578, 584 j®. 529.)

576. De eischen tot reclame zullen ter griffie van de regtbank worden ingebragt vóór de toewijzing.

Indien dezelve eerst na de toewijzing worden ingebragt, zullen zij van regtswege gehouden werden voor oppositie

a) Bij ai-t. 10 der Wei van 10 Mei 18o7 (Stb. no. S9) werden de beiae laatste alinea\'s vastgesteld ter vervanging van twee andere. Dat art. 10 zegt bij vergissing dat de twee nieuwe alinea\'s het voorlaatste lid vervangen. In O. E. 1888 en eveneens in O. E. 1S90 is mitsdien het vroeger laatste lid nevens het nieuw vastgestelde laatste lid afgedrukt. Dat vroeger laatste lid luidt: „De dagen van teregtzitting, op welke do opbiedingen zullen worden ontvangen en de toewijzing zal worden gedaan.quot;

I) In art. 572 (oud) ontbrak het tweede lid.

-ocr page 875-

BOEK ir, TITEL IV, ARTT, 571 —58o.

tegen de uitbetaling der kooppenningen. (Co. 210; Rv. 456 v., 538 v., 577 v.)

577. (*) Hij, die de reclame instelt, of de opposant, vervolgt zijn regt voor de regtbank, indien hij zulks verlangt op korten termijn, d) (Co. 211; Rv. 5, 133, 135 v., 456, 539, 543 j». B. 1401 )

578. Geen verzet van schuldeischers tegen de uitbetaling der kooppenningen wordt toegelaten na de toewijzing of verkoop. (Go. 212; Rv. 457, 536, 576amp;.)

579. De schuldeischers die verzet doen, zijn gehouden den titel van hunne inschuld ter griffie over te leggen, binnen de acht eerstkomende dagen nadat zij verzet gedaan hebben, en zonder aanmaning; bij gebreke van dien, zal men voortgaan tot de uitbetaling der kooppenningen, zonder hen daarin te begrijpen. (Co. 213; Rv. 578.)

580. De rangschikking der schuldeischers en de verdeeling der penningen, worden gedaan tusschen de bevoorregte schuldeischers, in de orde voorgeschreven in den eersten en den laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel; en tusschen de andere schuldeischers in de evenredigheid hunner inschulden.

Elk schuldeischer wordt geplaatst voor de hoofdsom, interessen en kosten. (Co. 214; K. 313 v., 750)

581. De bepalingen vervat in de vijfde afdeeling van den derden titel van het tweede boek, zijn mede toepasselijk op de verdeeling van de opbrengst van bij executie verkochte schepen boven de tien lasten. (Rv. 551—562.)

Ten aanzien der verdeeling van de opbrengst van kleinere schepen, gelden de bepalingen van de vierde b) afdeeling van den tweeden titel van het tweede boek. (Rv. 480—490.)

582. Een zeeschip of zoodanig schip of vaartuig dat volgens den laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel met een zeeschip is gelijkgesteld, gereed zijnde om onder zeil te gaan, kan niet worden in heslag genomen, ten zij voor schulden, gemaakt ten behoeve van de reis die hetzelve gaat ondernemen; en zelfs kan zoodanige inbeslagneming belet worden door borgstelling voor die schulden.

Het schip wordt geacht zeilree te zijn, zoodra de schipper van de noodige papieren is voorzien om te kunnen vertrekken. (Co. 215; K. 357, 748; Rv. 563c, 735(1)

583. Schuldeischers van eenen medereeder van een schip of vaartuig, van v eiken aard het ook moge zijn, kunnen hetzelve niet in beslag nemen of verkoopen, maar zij kunnen de scheepsportie van hunnen schuldenaar in beslag nemen en verkoopen.

De inbeslagneming van eene scheepsportie geschiedt door een exploit beteekend aan den schuldenaar, en aan den boekhouder der reederij.

a) Art. 577 (oud). Hij, die de reclame instelt, of de opposant vervolgt zijn regb voor de regtbank, het zij op korte termijnen, het zij als eene summiere zaak.

/gt;) Lees: derde, zooals in O. E. 1^38 en O. E. 1S9G.

791

-ocr page 876-

792 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De verkooping van eene scheepsportie zal geschieden overeenkomstig de regelen in dezen titel voorgeschreven, met inachtneming vau het onderscheid tusschen het bedrag der scheepslasten; behoudens dat de biljetten op het vaartuig niet zullen worden aangeplakt. (Co. 210; K. 321, 326, 3-29, 335, 336, 751; B. 1678; Rv. 492, 563, 581.)

584. De bepalingen van artikel 500 en 501, van het tweede lid van artikel 522, en van artikel 529, zijn ook op het beslag op en den verkoop van schepen toepasselijk.

VIJFDE TITEL.

Yan lijfsdwang en van deszeifs tenuitvoerlegging.

EERSTE AFDEELING.

Van lijfsdwang.

585. Lijfsdwang heeft alleen plaats in de gevallen, bij dit en het volgende artikel aangeduid; (Pr. 126; C. 2059, 2060, 2065, 2066; Rv. 586, 588, 589, 591, 598, 599, 601.)

1°. Wegens stellionaat, hetwelk bestaat:

wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanbiedt, of mindere onderzettingen opgeeft clan die met welke die goederen bezwaard zijn. (D. 671, 1224 v.)

Gewijzigd bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissemcn tstvet. d)

2°. Ingeval van herstelling in het bezit, na en tengevolge van feitelijke ontzetting, voor de teruggave van vruchten, welke de overweldiger wederregtelijk, gedurende het bezit heeft genoten, en voor de aan de regtheb-benden toegewezene vergoeding van kosten, schaden en interessen; (B. 619, 634.)

3°. Wegens bewaargeving uit noodzaak; (B. 1740,1746.)

4°. Voor de teruggave van penningen, welke gesteld zijn in bewaring van daartoe op openbaar gezag aangestelde personen; (B. 1442 n0. 2; Loi du 28 Nivóse an XIII (Fortuijn II, bl. 330); K. B. van 1 Deo 1843 n0. 45 (Circ. v. d. Min. v. Fin., A. afd. Dom.); R\\. 445, 474.)

5°. Voor de uitlevering van zaken, welke in handen zijn gesteld van sequesters, commissarissen en andere bewaarders; (B. 1767, 1776; Rv. 53 n0. 4, 454,455, 506, 761.)

6°. Tegen alle openbare ambtenaren, voor de vertooning van hunne minuten, wanneer dezelve in regten bevolen is; (Rv. 185.)

a) Oorspronkelijk luidde no. 1: „Wegens stellionaat omschreven st

bij artikel 711f „i

-ocr page 877-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 584—58(5.

7°. Teg-en notarissen, deurwaarders en andere openbare ambtenaren, voor de teruggave der aan hen, ter zake van hunne ambtsverrichtingen, toevertrouwde titels, en van de penningen, welke zij in dezelve hoedanigheid voor hunne meesters hebben ontvangen; (Rv, 149, 485; B. 2011.)

8°. Voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, de som van een honderd en vijftig gulden te boven gaande, waartoe iemand jegens de beleedigde partij is veroordeeld, ter zake van een strafbaar feit of eene onregtmatige daad; (R. O. 56c; B. 1401; Sv. 202.)

Geiuijzind bij art. 5 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n». 94). a)

9°. Voor het slot van rekening, verschuldigd door voogden, curators, geregtelijke bewaarders en beheerders van gemeentelijke en andere openbare gestichten, die tot het doen van rekening en verantwoording verpiigt zijn, en voor alle teruggaven, welke, ten gevolge van gemelde rekening, moeten plaats hebben; (B. 471, 503, 506; Rv. 584 n». 4 en 5, 779.)

, bij 059,

01.) 10°. Tegen alle vreemdelingen, welke gecne vaste woonplaats binnen het Koningrijk hebben, voor alle schul-velk den, zonder uitzondering, ten behoeve van Neder-

loor landers aangegaan; (A. 9; W. Nederl. sch., a. 12,

zie chron. lijst; Rv. 768.)

■ren 11°. In alle gevallen, waarin de wet uitdrukkelijk den lijfs-eeft dwang toelaat; (Rv. 117c j0. 200, 149, 233, 454 v.,

;ijn. 506, 525, 532, 574, 768, 772ci, 839fc; Stb. 1850

n0. 45, a. 17.)

)an Tegen gehuwde of ongehuwde vrouwen wordt de lijfsdwang alleen toegelaten in de gevallen bij n0. 1, 2, 3, 5, Jge 8 en 10, hierboven voorzien; (B. 408, 436 n0. 3,505,506; ch- Rv. 5866.)

ide Tegen personen welke den vollen ouderdom van zeventig sb- jaren hebben bereikt, heeft in burgerlijke zaken alleen len lijfsdwang plaats in de gevallen bij n0. 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9

en 10 vermeld. (Rv. 586, 5916.)

6.) 586. Lijfsdwang heeft mede plaats: (Co. 113,637; F. 87; ijn Rv. 588.)

je- 1°. Tegen alle kooplieden voor handels-schulden, zelfs voor •se de zoodanige, tot welke zij verbonden zijn jegens

43 personen die geene kooplieden zijn; (K. 2 v.)

1*. De orderbriefjes, assignatiën en andere handels

papieren, door eenen koopman onderteekend, worden jn geacht voor zijnen handel te zijn aangegaan, indien

re daarin geen andere oorzaak is uitgedrukt; (K. 4 n0. 2,

5, 208, 209, 210 v., 221 v.; B. 1371 v., 1958.)

2\'\'. Tegen alle personen zonder onderscheid, die eenen ig wisselbrief hebben geteekend, als trekkers, acceptanten

i- of endossanten, of denzelven door den borgtogt, aval

793

lieden ■even, edrag vaar-326,

i het ik op

-ocr page 878-

794 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

genaamd, gewaarborgd hebben; (K. 100,115,131,133v.)

3°. Tegen personen, geene kooplieden zijnde, welke orderbriefjes, assignatien of andere handelspapieren hebben geteekend, of wel zoodanige wisselbrieven, welke, naar luid van artikel IG\'i des A^etboeks van Koophandel, slechts voor gewone schuldbekentenissen worden gehouden, doch alleen indien de bovengenoemde personen zich verbonden hebben ter zake van koophandel; (K. 208, 209, 210 v., 221 v.)

4°. Tegen alle personen, zonderonderscheid, voor de uitvoering van contracten van zeehandel of van dien welke daarmede bij de wet is gelijk gesteld. (K. 453 v., 568 v., 592 v. enz., 748 v.)

Tegen gehuwde en ongehuwde vrouwen, geene openbare koopvrouwen zijnde, zijn de bepalingen van n0. 2, 3 en 4 van dit artikel niet toepasselijk. (B. Ï68; Rv. 585fe.)

587. In geen geval wordt lijfsdwang aan kinderen en verdere afstammelingen toegestaan, tegen hunne bloed- en aanverwanten in de opgaande linie. (B. 345, 347.)

588. Behalve in de gevallen bij de twee vorige artikels a) vastgesteld, of die welke in het vervolg van tijd bij de wet mogten worden bepaald, kan geen lijfsdwang plaats hebben: alle hiermede tegenstrijdige overeenkomsten zijn van regtswege nietig, zelfs wanneer die buiten \'s lands zijn aangegaan. (C. 20C3; A. 14; Rv. 653.)

589. Lijfsdwang mag nimmer worden ten uitvoer gelegd, dan uit kracbte van een vonnis, waarbij dezelve is uitgesproken. (G. 2067; Rv. 439, 491, 563,588,590,599,653.— Rv. 117 j«. 200 149, 768.)

590. Verzet, hooger beroep of cassatie, belet geenszins het ten uitvoer leggen van den lijfsdwang, uitgesproken bij een vonnis, hetwelk bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd; mits in dit geval zekerheid worde gesteld voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, waartoe de arrestant mogt worden veroordeeld. (C. 2068; B. 1208 v, 1857 v., 1867; Bv. 52, 53, 350, 398d, 611, 768; F. 33,231 )

591. Niemand kan ter zake van dezelfde schuld langer dan vijf jaren in gijzeling worden gehouden.

Buiten de gevallen bij het laatste lid van artikel 585 van dezen titel vermeld, houdt de lijfsdwang in burgerlijke zaken op, zoodra de schuldenaar den vollen ouderdom van zeventig jaren heeft bereikt. (Pr. 800 n0. 5; Rv. 011.)

592. Bij de uitoefening van lijfsdwang is de schuldeischcr verpligt iedere dertig dagen voor te schieten eene toereikende som tot onderhoud van den schuldenaar, volgens een door den Koning vastgesteld tarief.

Indien de schuldeischer in gebreke blijft voor den een en dertigsten dag aan deze verpligting te voldoen, zal de schuldenaar zijn ontslag kunnen vorderen, mits voegende bij zyn verzoek een getuigschrift door den cipier afgegeven, waaruit blijkt dat het onderhoud niet voorgeschoten is.

a) Lees; bij de ortiKelen 585 en 586.

1

-ocr page 879-

BOEK II, TITEL V, ARTT. 587—596.

fadien evenwel de schuldeischer, die in gebreke is gebleven om het onderhoud voor te schieten, dit voorschot nog doet voordat de schuldenaar zijn ontslag gevraagd heeft, is die vordering niet meer ontvankelijk. (Pr. 791, 803; Rv. 595, 60(3 n«. 5, 610, 611; Stb. 1843 n». 36; Stb. 1856 n°. 74; Slb. 1873 n0. 40. — Zegelw. a. 27 A n®. 19; Besl. v. 29 Deo. 1842 n0. 95 (Bijv. t. h. Stb. n®. 388).\')

593. De schuldenaar kan in gijzeling aanbevolen worden door anderen, die insgelijks regt hebben om lijfsdwang tegen hem uit te oefenen.

Die gevangenisstraf of hechtenis ondergaat of zich wegens een strafbaar feit in verzekerde bewaring bevindt, kan ook worden aanbevolen, en hij zal, krachtens de aanbeveling, worden aangehouden, niettegenstaande zijn ontslag in de strafzaak mogt bevolen of de tijd van zijne gevangenis mogt geëindigd zijn. (Pr. 792; Rv. 434, 589, 594, 596 n0. 2, 608.) Gcivijzigd bij art. 6 der Wet van 26 April 1884 (Stb. nquot;. 94). a)

594. De nietigheid der gijzeling heeft, om welke reden dezelve ook moge zijn uitgesproken, geenszins de nietigheid der aanbevelingen ten gevolge. (Pr. 796; Rv. 461,593, 597,611.)

595. Die de aanbeveling heeft gedaan, is gehouden, des gevorderd zijnde, bij gelijke deelen tot de betaling van het onderhoud van den gearresteerde bij te dragen, en in dat geval mogen de gelden tot onderhoud verstrekt, niet zonder des-zelfs toestemming door den arrestant worden teruggenomen.

Die vordering kan gedaan worden voor de regtbank van het arrondissement, in hetwelk de gegijzelde in gevangenis is sresteld. (Rv. 592, 597, 604, 606 n0. 3, 608, 611.)

596. De schuldenaar, die op eene wettige wijze is in gijzeling gesteld, verkrijgt zijn ontslag: (Rv. 604, 611.)

1°. Door de toestemming van den schuldeischer, die hem heeft doen gijzelen, en van degenen die hem aanbevolen hebben, indien er zoodanige zijn;

Deze toestemming tot ontslag van den schuldenaar kan gegeven worden, hetzij voor eenen notaris, het zii in het register waarin de gegijzelden zijn ingeschreven; (Rv. 589, 593, 607.)

2°. Door de betaling of geregtelijke bewaargeving der golden, welke zoowel aan den schuldeischer, die den lijfsdwang uitgeoefend heeft, als aan degenen die hem aanbevolen hebben, verschuldigd zijn, mitsgaders vat de verschenen interessen, van de vereffende kosten, van de kosten der gijzeling, en van de gelden tot zijn onderhoud voorgeschoten; (Rv. 609, 794 ; B. 1418 v., 1440 v.)

34. Door boedelafstand. (Rv. 705, 70ü;F. 33amp;. — Pr. 798, quot; 800 n0. 1, 2 en 3, 801; Rv. 591amp;, 562ö en c.)

Gewijzigd hij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. b)

a) Oorspronkelijk luidde het begin van het tweede lid; „Wie zich wegens een misdrijf in hechtenis bevindt, kan ookquot; enz.

b) Oorspronkelijk luidde no. 3: „Door den vrij willigen of geregtelijke u boedelafstand.quot;

795

-ocr page 880-

796 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

597. De schuldenaar wiens gijzeling nietig is verklaard of bij gebreke van voorschot tot zijn onderhoud is ontslagen, kan voor dezelfde schuld niet wederom in gijzeling worden gesteld, dan ten minste één dag na deszelfs ontslag. (Pr. 797, 804; Rv. 592, 595, 610, 611.)

598. Door de uitoefening van den lijfsdwang wordt het vervolgen en ten uitvoer leggen van beslag op de goederen geenszins belet noch geschorst.

Evenmin wordt door de ten uitvoerlegging van beslag op goederen, de uitoefening van den lijfsdwang belet of geschorst. (C. 2069; Rv. 439 v., 475 v., 502 v., 544 v., 563 v., 890; F. 33, 231.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de ten uitvoerlegging van lijfsdwang.

599. Geen lijfsdwang kan worden ten uitvoergelegd dan eenen dag na de beteekening van het vonnis, waarbij de opneming in de gijzeling is bevolen. (Rv. 66, 430, 589.)

De president van de arrondissernents-regtbank kan echter, indien daartoe gronden zijn, verlof verleenen tot de dadelijke ten uitvoerlegging van den uitgesproken lijfsdwang. (Rv. 563c, 602, 60i, 758, 768.)

Deze beteekening zal behelzen een bevel om te betalen en de keus van eene woonplaats in de gemeente waarin de regtbank, waardoor het vonnis gewezen is, zitting houdt. (Pr. 780; Rv. 439amp;, 502a, 611; B. 81.)

600. De schuldenaar mag niet worden gegijzeld:

4°. In de aan den godsdienst gewijde gebouwen gedurerde den eeredienst;

2°. Op de plaats en gedurende den tijd der zittingen van gestelde rnagten;

3°. Op de beurs, gedurende den beurstijd; (K. 59.)

4°. In het huis door hem bewoond, of in eenig bijzonder huis, dat niet voor een iegelijk openstaat, ten ware de deurwaarder vergezeld zij door den kanton-regter in de gemeente, waar deze zijne woonplaats heeft, en in andere gemeenten, door het hoofd van het gemeentebestuur of dengenen, die hem vervangt; (G. 158; Sth. 1890 n0. 127, a. 6, zie chron. lijst.)

5°, Zoo lang een vrijgeleide duurt, waarvan de tijd moet bepaald worden door den regter die hetzelve heeft afgegeven, ten einde den schuldenaar voor zich te doen verschijnen. (Pr. 781, 782.)

601. De gijzeling kan worden ten uitvoergelegd, ook op zondag en op zoodanige uren, waarop anders, volgens artikel 15 van dit Wetboek, het doen van exploiten niet wordt toegelaten. (Pr. 781; Rv. 14, 723.)

602. Het proces verbaal van gijzeling moet, behalve de gewone vereischten van een exploit, bevatten:

i®. Herhaling van het bevel tot betaling;

-ocr page 881-

BOEK n, TITEL V, ARTT. 597—607.

2°. De keus van eene woonplaats in de gemeente, alwaar de schuldenaar in de gijzeling wordt gesteld.

De deurwaarder zal door twee getuigen worden bijgestaan. (Pr. 783; B. 81; Rv. 5, 434, 599, 604b, 605, 606 n0. 6, 611; Stb. 1843 n°. 39, a. 3d (Tar. a. 55).)

603. In geval van feitelijken wederstand, kan de deurwaarder eene wacht aan de deuren plaatsen, ten einde de ontsnapping van den schuldenaar te voorkomen, en de hulp van de openbare burgerlijke magt in te roepen; onverminderd de vervolging tot straf, indien daartoe gronden zijn. (Pr. 785; Sr. 180 v.; Stb. 1843 n0. 39, a. 3e (Tar. a.55).)

604. Ingeval de schuldenaar zich tegen de wettigheid der gijzeling verzet en vordert, dat er eene onverwijlde uitspraak geschiede, zal hij dadelijk worden gebragt voor den voorzitter van de regtbank van het arrondissement, in hetwelk de gijzeling geschiedt is, dewelke onverwijld en bij voorraad uitspraak zal doen.

Het bevelschrift van den voorzitter moet op het procesverbaal van den deurwaarder worden gesteld, en terstond worden ten uitvoer gelegd. (Pr. 786, 787; Rv. 293,295, 297, 324 n». 13, 611; Stb. 1843 n0. 39, a. 3e (Tar. a. 55).)

605. De gegijzelde schuldenaar die geen verzet doet, of wiens verzet wordt afgewezen, zal worden overgebragt in de gevangenis der plaats zijner aanhouding, en indien aldaar geene gevangenis bestaat, in die eerier naastbijgelegene gemeente, en is de deurwaarder verpligt van de in gevangenisstelling dadelijk eene akte op te maken en te onderteekenen.

De deurwaarder en alle anderen, die den schuldenaar mogten overbrengen, ontvangen of vasthouden in eene plaats, niet wettiglijk tot bewaring van gegijzelden verordend, zullen vervolgd worden ter zake van willekeurige gevangenhouding. (Pr. 788; Sr. 282, 283; Stb. 1843 n°. 39, a. 3d(Tar. a. 55).)

606. De akte van ingevangenisstelling van den gegiizelde moet vermelden;

1°. Het vonnis waarbij de lijfsdwang is uitgesproken; (Rv. 589.)

2°. Den naam, voornaam en de woonplaats van den schuldeischer;

3°. De keus van eene woonplaats in de gemeente alwaar de schuldenaar in de gijzeling wordt gezet; (B. 81; Rv. 602 n». 2, 611.)

4°. De namen en de woonplaats van den gegijzelde;

5°. Het voorschot van onderhoud voor ten minste dei tig dagen ; (Bv. 592.)

6°. Eindelijk, de vermelding dat zoowel van die akte als van het proces-verbaal van gijzeling door den deurwaarder zeiven aan den gegijzelde afschriften zijn overhandigd, hetgeen onmiddellijk zal moeten plaats hebben. (Pr. 7S9; Rv. 605; R, IV, a. 8; Stb. 1843 nquot;. 39, a 3d (Tar. a. 55).)

607. De cipier moet de akte van ingevangenisstelling in zijne registers overschrijven, mitsgaders een uittreksel van het vonnis waarbij de gijzeling wordt bevolen, en het dis-positirf in deszelfs geheel. (Rv. 59 n0. 3, 589.)

797

-ocr page 882-

798 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGT3VORDERING

Indien de deurwaarder in gebreke blijft om dat vonnis te vertoonen, moet de cipier weigeren den schuldenaar te ontvangen. (Pr. 790; Rv. 606 n0. 1, 6H; Sr. 464.)

608. De vereischten, voor de gijzeling voorgeschreven, moeten voor de aanbevelingen worden inachtgenomen; evenwel zal de deurwaarder van geene getuigen worden vergezeld, en behoeft degene die de aanbeveling doet, geen onderhoud uit te keeren, indien hetzelve reeds voorgeschoten is. (Pr. 793; I\\v. 434, 589, 592, 593, 595, 599, 602, 604,

606, 607.)

609. In het geval van artikel 596 n0. 2 zal de verschuldigde som aan den cipier in bewaring worden gegeven, zonder dat daartoe eenig regterlijk bevel vereischt wordt.

In geval van weigering van den cipier om die penningen in bewaring te nemen, zal hij op korten termijn voor de regtbank der plaats worden gedagvaard, krachtens een daartoe verleend verlof. (Pr. 802; Rv. 7c, 145, 794; B. 1440 v.)

610. In geval het ontslag bevolen is bij gebreke van voorschot van onderhoud, mag de schuldeischer den schuldenaar niet wederom doen gijzelen, dan na hem de kosten, tot bekoming van zijn ontslag gedaan, te hebben vergoed, of dezelve, op zijne weigering, onder den cipier in bewaring gesteld en tevens zes maanden onderhoud te hebben voor-uitgeschoten.

Men zal de formaliteiten welke de gijzeling voorafgegaan zijn, niet behoeven te hervatten. (Pr. 804; Rv. 592, 597, 599.)

611. (*) Bij gebreke van inachtneming der hierboven voorgeschreven formaliteiten, kan de schuldenaar de nietigverklaring der gijzeling eischen en deze vordering zal, evenals die tot ontslag, gebragt worden voor de regtbank van het arrondissement alwaar hij in gijzeling is gesteld.

De vordering tot nietigverklaring, welke gegrond is op middelen, rakende de zaak ten principale, moet gebragt worden voor de regtbank, welke met de uitvoering van het vonnis belast is.

De dagvaarding zal mogen geschieden op korten termijn, en ter woonplaatse, op het register van den cipier gekozen; de schuldeischer zal kunnen veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. a) (Pr. 794, 805; Bv. 7c, 324 n0. 13, 354, 591, 592, 594, 596, 597, 599c, 602 n». 2, 606 n». 3,

607, 609; B. 1282.)

J-»

ZESDE TITEL.

Van het vereffenen van kosten, schaden en interessen, mitsgaders van de kosten van den processe.

612. De regter, die eene partij verwijst tot vergoeding

«) In art. Cll (oud) dorde lid luidden do eerste woorden van de laatste zinsnede: „do zaak zal summiorlijk worden uitgewezen en de schuldeischer zalquot; enz.

-ocr page 883-

BOEK n, TITEL VI EN VII, ARTT. 608—618.

van kosten, schaden en interessen, moet het beloop daarvan in het vonnis bepalen; indien hij dit beloop niet heeft kunnen bepalen, moet daarvan door de wederpartij worden opgemaakt een staat, en dezelve ter gekozene woonplaats der partij worden beteekend; de tot bewijs strekkende bescheiden zullen tegen recief aan de partij worden medegedeeld of ter griffie nedergelegd. (Pr. 128, 523; B. 81,461, 661, 663, -1279 v., 1282, 1401 v.; Rv. 125, 271, 435, 456c, 4570, 462a, 5i3; R. O. 3S v.; Rv. 5 n0. 1, 133, 137.)

613. Binnen veertien dagen na de beteekening, is de verweerder gehouden een aanbod van zoodanige som tot vergoeding van kosten schaden en interessen te doen, als hij zal te rade worden. (Pr. 524; B. 1441; Rv. 612, 794.)

614. (*) Indien partijen zich niet kunnen verstaan, zal het geschil bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur, op de teregtzitting worden gebracht, a) (Pr. 524; Rv. 55, 826, 140 v., 350, 354, 398d, 426 )

615. De vorenstaande bepalingen zijn insgelijks toepasselijk op de taxatie der proceskosten, waarin eene der partijen verwezen is, welke in voege voorschreven worden vereffend met uitzondering van die bedoeld in het derde lid van art. 56. (Pr. 543, 544; Rv. 56, 57, 612 v.; Stb. 1843 n0. 66, a. 3 v. (Tar. a. 31 v.); Stb. 1843 n0. 67, a. 10 (Tar. a. 52).)

Aldus gewijzigd hij art. 4 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n», 75). 5)

ZEVENDE TITEL.

Van het stellen van zekerheid.

616. Het vonnis, waarbij bevolen wordt zekerheid te stellen, zal den termijn bepalen, binnen welken dezelve zal moeten zijn gesteld, en dien, binnen welken dezelve zal moeten zijn aangenomen of betwist. (Pr. 517; B. 390,506c, 528, 539c, 781, 831, 833, 836, 866, 1029, 1081, 1196,1208, 1217c, 1864, 1865, 1867; K. 163, 165, 177, 242; Rv. 52, 53, 152. 153, 293, 307, 335amp;, 618, 702, 729.)

617. De zekerheid zal moeten worden aangeboden bij eene enkele akte van procureur tot procureur beteekend. Dezelve zal op gelijke wijze worden aangenomen. (Pr. 518, 519; Rv. 133.)

618. (*) Indien de genoegzaamheid der zekerheid betwist wordt, is de partij die tegenspraak doet, verpligt de zaak binnen den bij het vonnis bepaalden termijn ter teregtzit-

a) In art. 611 (oud) volgden op het slot nog de woorden: „en sum-mierlijk -worden nitgewezen, ten ware de zaak voor zoodanige summiere afdoening niet mogt vatbaar zijn.quot;

b] Oorspronkelijk ontbraken do slotwoorden; „mot uitzondering van diequot; enz.

799

-ocr page 884-

800 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ting te brengen in den bij het vorig artikel bepaalden vorm. a) (Pr. 520; Rv. 140 v., 435, 616.)

619. Indien de zekerheid bestaat in eenen borg, en die borg aangenomen of toegelaten wordt, zal hij zich ter griffie schriftelijk verbinden bij eene akte, welke op bevelschrift van den president, uitgegeven in den vorm, bij art. 430 voorgeschreven, zal kunnen worden ten uitvoer gelegd. (Pr. 519, 522; B. 1217, 1864, 1865; Rv. 53 n». 5.)

I\'.s l-j

BI

DERDE BOEK.

VAN REGTSPLEGING VAN ONDERSCHEIDEN AARD.

EERSTE TITEL.

Van de uilsprdken van scheidsmannen.

EERSTE AFDEEL ING.

Van het compromis en van de benoeming der scheidsmannen.

620. Ieder kan de geschillen omtrent de regten waarover hij de vrije beschikking heeft, aan de uitspraak van scheidsmannen onderwerpen. (B. 163, 249, 385 v., 487 v., 1889a en c; F. 23, 230.)

Allen die op regterlijk gezag zijn aangesteld, of die overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Welhoek, of van dat van Koophandel geregtelijke magtiging tot het aangaan eener dading, of tot verkoop van goederen behoeven, mogen, zonder dergelijke magtiging, in hunne betrekking geene zaken aan de beslissing van scheidsmannen onderwerpen. (B. 465, 479, 506, 519, 537,1026,1067,1081,1173, 1367, 1482, 1833, 1834, 1889Ö en c; Rv. 703; F. 14a, 104, 221a n0. 1; Consul, w., a. 6 n0. 2, zie chron. lijst.)

Men kan zich zelfs vooraf verbinden om geschillen welke in het vervolg mogten kunnen opkomen, aan de uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen. (B. 1354; Rv. 654. — Pr. 1003.)

Art. 24c der Wet van 10 Mei 1886 (Stb. n0.104), houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling der markgronden: Zij, die krachtens ingezetenschap tot het genot gerechtigd waren, blijven zulks voor wat betreft het aan de gemeente of afdeeling toebedeelde aandeel, tenzij hun recht worde afgekocht tegen schadeloosstelling, door scheidsmannen in oneffen getal

-ocr page 885-

BOEK 111, TITEL I, ARTT. 619—626. 80Ï

te bepalen, op wier benoeming, werkzaamheden en beslissing de artikelen C24 en volgende van den eersten titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering toepasselijk zijn.

621. Men kan, op strafte van nietigheid, geen compromis aangaan ter zake van giften en legaten tot levensonderhoud, huisvesting of kleeding, van scheidingen tusschen echtge-nooten, het zij uit den echt, het zij van tafel en bed, het zij van goederen, van geschilpunten die den staat van eenen persoon aangaan, noch van eenige andere geschillen waarover de wet geene dading toelaat. (Pr. 1004; B. 140 v., 241 v., 262 v.. 288 v.. 305 v., 384 v., 1890; Rv. 447 n°. 2. 649\' nquot;. 2. 756 nquot;. 2.)

622. Behoudens de bepalingen van artikel 29 van dit Wetboek kan ieder die lasthebber kan wezen ook tot scheidsman worden benoemd.

Hiervan zijn uitgezonderd vrouwen en minderjarigen. (B. 385, 478, 506, 1835; Rv. 649 n». 2.)

623. De akte van compromis moet in geschrifte worden gesteld en door de partijen geteekend; indien de partijen niet teekenen kunnen, zal dezelve voor eenen notaris en getuigen worden opgemaakt.

Dezelve zal bevatten de onderwerpen van geschil en de voornamen, namen en woonplaats van de partijen, mitsgaders de namen en woonplaats van den scheidsman of der scheidsmannen, welke steeds in oneffen getal moeten zijn.

Alles op straffe van nietigheid. (Pr. 1005,1006; B. 1888amp;; Rv. 19, 621, 625, 629, 636, 640, 646, 649 n0. 2 en 6,657; W. not. ambt, a. 21 v.)

624. Indien, in het geval bij het derde lid van artikel 620 voorzien, de partijen bij het ontstaan van het geschil niet onderling kunnen overeenkomen over de keus, zullen de scheidsmannen benoemd worden, ten verzoeke van de meest gereede partij, door den regter, welke bevoegd zoude zijn geweest om kennis te nemen van het geschil, bijaldien het compromis geen plaats had gehad. (R. O. 38 v., 53 v,; Rv. 97 v., 126, 314, 317, 6576.)

625. Het compromis zal den termijn bepalen binnen welken de zaak, aan de scheidsmannen onderworpen, zal moeten beslist zijn; en bijaldien zulks niet bepaald is geworden, zal de last aan de scheidsmannen opgedragen, zes maanden voortduren, te rekenen van den dag dat zij hunne benoeming hebben aangenomen.

Gedurende dien termijn kunnen de scheidsmannen niet herroepen worden dan met eenstemmig overleg van partijen. (Pr. 1007, 1008; Rv, 628, 633, 634, 649 n0. 2, 656; B. 1374.)

626. De scheidsmannen welke niet door den regter zijn benoemd, kunnen niet worden gewraakt, ten zij om redenen na de benoeming opgekomen. (Rv. 225amp;.)

De scheidsmannen door den regter benoemd, kunnen, indien de partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend in hunne benoeming hebben berust, niet worden gewraakt, ten zij om redenen later opgekomen.

T

51

-ocr page 886-

802 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

De redenen van wraking zijn dezelfde als voor de reg-ters; zij zullen summierlijk worden beoordeeld door de regtbank bij artikel 624 aangewezen. (Rv. 30, 33, 140 v.; Pr. 1014.)

627. De aanneming van den last der scheidsmannen geschiedt schriftelijk.

Dezelve kan op de akte van hunne benoeming worden gesteld. (B. 1830; Rv. 623, 624, 656 n». 2.)

628. De scheidsmannen welke hunnen last hebben aangenomen, kunnen zich daaraan vervolgens niet meer onttrekken, ten zij om redenen door den regter goed te keuren. Zij kunnen worden veroordeeld tot vergoeding van schaden en interessen jegens de partijen, bijaldien zij zonder wettige redenen geene uitspraak hebben gedaan binnen den termijn daartoe bepaald. (Pr. 1014; B. 1837; Rv. 625, 627, 631.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het geding voor scheidsmannen.

629. Het geding zal gevoerd worden op de wijze en binnen de termijnen bij het compromis, en, bij gebreke daarvan, door de scheidsmannen bepaald. (Pr. 1009; liv. 623, C25, 632, 649 n®. 7)

630. Na afloop van die termijnen, zullen de scheidsmannen gehouden zijn alleen op do ingediende memorien en stukken regt te doen. (Pr. 1016; Rv. 169,631 ; Zegehv. a. 8; Loi du 22 Frimaire an Vil (Fortuijn I, 484 v.), a. 47.)

631- Bijaldien geene der partijen eenig stuk heeft ingediend, kunnen de scheidsmannen ten verzoeke van dezelve eenen nieuwen termijn bepalen, of verklaren dat hun last geëindigd is. (Rv. 628, 630.)

632. Alle bevelen bij voorraad, door de scheidsmannen afgegeven, en elke door hen gemaakte schikkincr nopens den aanleg van het geding, zullen zonder verdere formaliteiten kunnen worden ten uitvoer gelegd, te rekenen van den dag waarop de scheidsmannen daarvan aan partijen kennis gegeven hebben. (Pr. 1021; Rv. 46, 51, 629.)

633. Indien er geregtelijk onderzoek moet plaatshebben over de echtheid of onechtheid van geschrift, of indien eenig tusschengeschil van eenen lijfstraffelijken aard in de zaak voorkomt, zullen de scheidsmannen de partijen naar den gewonen regter verwijzen.

In dat geval zullen de termijnen hunnen loop hernemen van den dag dat het vonnis of arrest op het incident gewezen, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. (Pr. 1015; Rv. 176 v., 193, 634, 649 n». 8; R. O. 4.)

634. De bepaling van het tweede lid van artikel 633 is mede van toepassing wanneer door scheidsmannen op een incident wordt uitspraak gedaan, of door hen eene interlocutoire uilspraak wordt gegeven. Zij mogen zelfs in het

-ocr page 887-

BOEK in, TITEL I, ARTT. 627—640.

laatste geval den voor de einduitspraak gestelden termijn verlengen. (Rv. 46c, 247, 625, 629.)

635. Indien een getuigenverhoor door de scheidsmannen is bevolen, en de getuigen niet vrijwillig verschijnen, of weigeren den eed of hunne verklaring af te leggen, zal de meest gereede partij zich bij requeste wenden tot de regt-bank van het arrondissement waarin dat getuigenverhoor is bevolen, met verzoek om eenen regter-commissaris te benoemen voor wien het getuigenverhoor zal worden gehouden op dezelfde wijze als in gewone zaken.

Inmiddels wordt de loop der termijnen geschorst tot dat het getuigen-verhoor zal zijn afgeloopen. (Rv. 116,117,200, 244; B. 1969.)

DERDE AFDEELING.

Van de uitspraak der scheidsmannen.

636. De scheidsmannen zullen naar de regelen desregts uitspraak doen, ten ware het compromis hun de bevoegdheid mogt toegekend hebben om als goede mannen naar billijkheid te oordeelen. (Pr. 1019; Rv. 623, 629, 630.)

637. De uitspraak moet inhouden:

De voornamen, namen en woonplaats van de partijen;

De slotsom harer wederzijdsche beweringen;

De beweegredenen en de beslissing. (Rv. 636; R. 0.27.)

Dezelve wordt gedagteekend met vermelding van de plaats waar de beslissing is gevallen en door ieder der scheidsmannen onderteekend. (Pr. 1016; R. O. 20; Rv. 56 v., 59, 625, 638, 649 n». 6, 655.)

638. Rijaldien de minderheid weigert te teekenen, zullen de andere scheidsmannen daarvan melding maken, en de beslissing zal dezelfde kracht hebben alsof dezelve door allen geteekend was. (Pr. 1016; Rv. 628, 637.)

639. Binnen de acht dagen, te rekenen van den dag der beslissing, zal de minuut daarvan door een der scheidsmannen worden nedergelegd ter griflie van de regtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de beslissing is gevallen. (Rv. 624, 626, 640, 642.)

De akte van nederlegging zal geschreven worden aan den voet of op den kant van de nedergelegde minuut, en geteekend worden door den griffier, alsmede door hem welke de nederlegging gedaan heeft.

De griffier zal die akte moeten opmaken; geene kosten, zoo dier akte als van registratie, noch eenige voorschotten te dier zake, mogen van de scheidsmannen worden gevorderd, doch zullen alleen door pat tijen zelve moeten worden verstrekt, of op dezelve kunnen worden verhaald. (Rv. 56, 57, 623, 643, 650; Pr. 1020.)

640. De scheidsmannen zijn gehouden om met en benevens hunne beslissing tevens ter griffie neder te leggen

803

-ocr page 888-

804 WETBOEK VAN UURGERUJKE REdTS VORDER ING.

de oorspronkelijke akte van hunne benoeming, of een authentiek afschrift daarvan. (Rv. 623.)

641. Geene uitspraak van scheidsmannen van welken aard ook is voor verzet vatbaar. (Pr. 1016; Rv. 623,629,630, 646 v.)

642. De beslissing van scheidsmannen zal worden ten uitvoer gelegd uit krachte van een bevelschrift van den president\'der arrondissements-regtbank gemeld bij artikel 639.

Dit bevel zal geschreven worden op de minuut en worden overgeschreven op de uitgifte daarvan. (Pr. 1020: Rv. 643, 644, 650«, 652a.)

643. Indien de beslissing van eene zaak in eersten aanleg bij den gewonen regter behandeld, in hooger beroep aan scheidsmannen wordt opgedragen, zal de uitspraak van deze worden nedergelegd ter griffie van het regterlijk kol-legie, hetwelk in hooger beroep van de zaak had moeten kennis nemen, en het bevelschrift zal door den president van dat kollegie gegeven worden. (Pr. 1020; R. O. 38 v., 53. 54, 69; Rv. 332 v., 623, 629, 639 v., 642.)

644 . De beslissing van scheidsmannen, voorzien met het bevelschrift van den voorzitter der daartoe bevoegde regt-bank, zal worden ten uitvoer gelegd langs den gewonen weg van executie. (Pr. 1021; Rv. 430 v., 650a.)

645. Het regterlijk kollegie door welks voorzitter dit bevel gegeven is, zal kennis nemen van de geschillen rakende de ten uitvoerlegging van de beslissing der scheidsmannen. (Pr. 1021; Rv. 435, 438, 642, 643.)

VIERDE AFDEEL ING.

Van de voorziening tegen de beslissing van scheidsmannen.

646. Geen beroep van eene beslissing van scheidsmannen zal worden toegelaten, zoo het vermogen daartoe bij het compromis niet is voorbehouden.

Deze voorbehouding zal echter nietig zijn, wanneer zij rnogt plaats hebben omtrent zaken in welke de regter, voor wien het geschil anderzins had moeten gebracht zijn, zonder beroep zouden hebben moeten vonnissen. (Pr. 1010; Rv. 623; R. O. 38, 39, 54, 69.)

647. Het beroep van de beslissing van scheidsmannen zal worden gebragt voor den regter die over hetzelve kennis zoude hebben genomen, indien de uitspraak was gedaan door den gewonen regter, ter plaatse waar de nederlegging ter griffie is geschied. (Pr. 1023; Rv. 624, 639; R. O. 54 n®. 5, 69.) f ,

648. Geene voorziening in cassatie, noch het regtsmiddel van request civiel zullen kunnen worden ingesteld tegen eene beslissing van scheidsmannen, zelfs niet al hadden de partijen dit bedongen. (Pr. 1026—1028; G. 165; R. O. 99, 104 v.; Rv. 382 v., 398 v., 647, 649, 655.)

649. De beslissing van scheidsmannen kan, wanneer zy

-ocr page 889-

BOEK UI, TITEL I, ARTT, 641—652.

niet vatbaar is voor beroep, als nietig bestreden worden, in de volgende gevallen: (Rv. 646.)

1°. Indien de beslissing gewezen is buiten de grenzen

van het compromis; (Rv. 623.)

S4. Indien de beslissing gewezen is op een compromis hetwelk van onwaarde of vervallen is; (Rv. 621,622, 623, 625, 656.)

3°. Indien dezelve gewezen is door eenige scheidsmannen welke niet bevoegd waren te vonnissen in afwezend-heid van de anderen; (Rv. 623amp;, 6576.) ian_ 4°. Indien er uitspraak gedaan is over zaken welke niet zijn geëischt, of wanneer daarbij meer is toegekend dan gevorderd is; (Rv. 382 n0. 2 en 3.)

:oep

,™,n 5°. Indiende beslissing inhoudt tegenstrijdige bepalingen; (Rv. 382 n0. 6.)

^ ei! 6°. Indien de scheidsmannen hebben nagelaten uitspraak , v te doen over een of meer der punten aan hun oor-

deel ten gevolge van het compromis, onderworpen; (Rv. 382 n0. 4, 623.)

7°. Indien de vormen der procedures welke zijn voor-^ quot; geschreven op straffe van nietigheid, zijn overtreden,

we^ doch dit alleen in het geval wanneer, bij een uit-

drukkelijk beding bij het compromis, de scheidsman-... 1 nen verpligt zijn geworden de regelen der gewone

procesorde na te komen; (Rv. 107, 200, 629.)

8°. Indien er beslist is op stukken welke na de beslissing van scheidsmannen voor valsch zijn erkend of als zoodanig verklaard; (Rv. 382 nquot;. 7, 633, 650amp;.)

9°. Indien, na de beslissing afdoende stukken door toedoen van de partij teruggehouden, mogten gevonden zijn; (Rv. 382 n0. 8, 650amp;.)

10°. Indien de beslissing berust op ontdekt bedrog of arglist, in de procedures gepleegd. (Rv. 382 n0. 1, lcn- 3 6506. — Pr. 1028; Rv. 653.)

650. (*) De eisch tot vernietiging zal niet ontvankelijk \'quot;elJ zijn, ten zij dezelve zij ingesteld binnen de drie maanden, het (e rekenen van den dag der nederlegging ter griffie van de

uitspraak van scheidsmannen, a)

Z1J Echter zal, in de gevallen opgenoemd onder n0. 8, 9 en fter, -|o van het vorige artikel, de termijn van drie maanden niet iwv beginnen te loopen dan van den dag waarop, het zij de valschheid, het zij het bedrog of de arglist zijn gebleken, of de stukken ontdekt zijn, met dien verstande dat in deze men gevallen geen ander dan schriftelijk bewijs ten aanzien van e\'ve dien dag zal worden toegelaten. (Rv. 387, 651 v., 653.) w^s 651. De eisch tot vernietiging zal gedaan worden bij de exploit van dagvaarding, houdende verzet tegen het bevel van uitvoering. (Pr. 1028; Rv. 1 v., 652 v.)

652. Deze eisch zal worden gebragt voor de regtbank,

!gen

1 de ^11 arfc* 6\'rgt;0 (ou^) werden, in plaats van de woorden: „den dag

gg der nederlegging ter griftie van de uitspraak van scheidsmannenquot;,

\' gelezen de woorden: „den dag der beteekening van de uitspraak van

, •• scheidsmannen aan den persoon of te zijner woonplaatsquot;.

zij

805

een

iard 6v.) ten den 639. den 643,

-ocr page 890-

806 WETBOEK VAN BDRGERLIJKE REGTSVORDERING.

door welker voorzitter het bevel tot uitvoering gegeven is. (Rv. 645.)

De regtbank zal over dien eisch uitspraak doen, en de partijen kunnen zich, zoo daartoe gronden zijn, tegen dit vonnis voorzien, evenals in gewone reglszaken. (Pr. 1028; Rv. 332, v., 382 v., 398 v., 642, 651.)

653. Indien de scheidsmannen den lijfsdwang tegen de veroordeelde partij in het hoogste ressort hebben uitgesproken, en deze vermeent dat de wet dit dwangmiddel, in het gegeven geval, niet toelaat, kan zij, bij den regter in artikel 652 vermeld, de vernietiging van dat gedeelte der uitspraak vorderen, binnen den termijn en op de wijze bij artikel 650 en 651 voorgeschreven, en zulks niettegenstaande alle daarmede strijdige bepalingen, welke bij de akte van compromis mogten zijn gemaakt. (A. 14; Rv. 585 v., 588.)

VIJFDE AFDEELING.

Van het uileinde der gedingen voor scheidsmannen,

654. De dood van eene der partijen zal de gevolgen van het compromis of van het beding in het laatste lid van artikel 620 vermeld, niet doen ophouden; de macht der scheidsmannen zal ook niet geacht worden daardoor te zijn herroepen.

De loop der termijnen van het compromis, zal echter ten aanzien van de erfgenamen van den overledene worden ge-schorts, tot na het einde der termijnen van boedelbeschrijving en van het regt van beraad. (Pr. 1013; Rv. 254 n6.1,256; B. 1071, 1354, 1850c.)

655. De last der scheidsmannen houdt op door derzelver beslissing. (Rv. 636 v.)

656. Dezelve houdt insgelijks op:

1°. Door verloop van den termijn bij het compromis bepaald, of hangende het geding, door partijen verlengd; (Rv. 625.)

2°. Na verloop van zes maanden te rekenen van de dag-teekening der akte van aanneming indien geen. andere termijn bepaald is; (Rv. 625, 627.)

3°. Doorde herroepingderscheidsmanneneenstemmigdoor partijen gedaan. (B, 1850a, 1851; Rv. 625b ; Pr. 1012.)

657. De last der scheidsmannen houdt insgelijks op door den dood, de aangenomen wraking of het ontslag van eenen of meer hunner. (Rv. 626, 628.)

Indien echter het tegendeel niet is gedongen, zullen in die gevallen, of door partijen, of, zoo deze deswege niet onderling kunnen overeenkomen, op de vordering van eene of van beide de partijen, door den regter bij artikel 624 aangewezen nieuwe scheidsmannen worden benoemd, met last om het geding op de laatste akten voort tezetten (Pr. 1012.)

-ocr page 891-

BOEK III, TITEL II, ARTT. 653—660.

TWEEDE TITEL.

Van procedures betrekkelijk erfenissen.

EERSTE AFDEELITIG.

Van de verzegeling.

658. In de gevallen waarin, na overlijden, verzegeling moet plaats hebben, geschiedt zulks door den kantonregter van de plaats waarin verzegeld moet worden, in tegenwoordigheid van den griffier. (R. O. 31 ; B. 880, 4174.)

Hij zal zich te dien einde van een daartoe besterad zegel bedienen.

Hij stelt eenen bewaarder van de gelegde zegels aan, en benoemt daartoe bij voorkeur den persoon door de belanghebbenden aangeboden, indien deze hem toeschijnt de ver-eischten daartoe te bezitten. (B. 1366, 1738; Stb. 1843 n0. 40, a. 1 (Tar. a. 60). — Pr. 907, 908, 912; B. 245, 270, 301, 520, 880c, 1174; Rv. 659, 661, 6G6, 808, 825; F. 7. 93; Sr. 199.)

059. De verzegeling kan worden gevorderd;

1°. Door den overgebleven echtgenoot en door alle degenen welke mogten beweren eenig regt te hebben tot de nalatenschap of de gemeenschap; (B.181n0.l, 182, 441, 459 v., 506, 879, 880, 1002, 1004 v.)

2quot;. Door de schuldeischers der nalatenschap, voorzien van eenen executorialen titel of anders na summier onderzoek van de gegrondheid hunner vordering en van hun belang bij eene verzegeling, op een verlof van den president der arrondissements-regtbank; (B. 1153; Rv. 430, 661 n°. 3.)

3°. Ingeval de personen onder n0. 1 vermeld niet tegenwoordig mogten zijn, door diegenen die in dienst waren van den overledene, of met hem te zaraen woonden; (Rv. 671, 679.)

4°. Door de uitvoerders van den uitersten wil; (B. 1052 v., 1056, 1064.)

5°. Door de naastbestaanden van belanghebbende minderjarigen, of onder curatele gestelden, indien deze van geene voogden of curators voorzien of hunne voogden of curators niet tegenwoordig zijn. (B. 345, 352; Rv. 660, 670 v. — Pr 909, 910; C. 820,1031; B, 1174; Rv. 665, 671, 677, 679.)

060. De verzegeling heeft ambtshalve plaats in geval de minderjarige of onder curatele gestelde in eene nalatenschap belang- of medebelanghebbende, geenen voogd of curator heeft, of indien de voogd of curator of de echtgenoot van den overledene of een der erfgenamen niet tegenwoordig is, of indien de overledene is openbare bewaarder van eenige zaken. (B. 478, 483, 1056; W. not. ambt,a. 62; Rv. 659 n°. 5, 670; F. 7.)

In dit laatste geval zal de verzegeling geen plaats hebben.

807

-ocr page 892-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE liEGTSVORDERING.

dan ten aanzien der voorwerpen in deze bewaarhouding begrepen.

De verzegeling uit hoofde van niet tegenwoordigheid zal echter geen plaats hebben, indien de niet tegenwoordige bij schriftelijke volmagt eenen gemagtigde heeft aangesteld, ten einde hem in de nalatenschap of nalatenschappen, welke hem mogten te beurt vallen, te vertegenwoordigen, en deze zich tegen de verzegeling verzet. (B. 1830,1833. — Pr. 911.)

661. Van de verzegeling moet door een proces-verbaal blijken, hetwelk zal inhouden:

1°. De vermelding van den dag en het uur, mitsgaders van de beweegredenen der verzegeling. (Rv. 659, 660.)

Indien deze mogt gevorderd of gedaan zijn, eerst na de begrafenis, moet ook daarvan de reden worden opgegeven;

Den voornaam, naam en de woonplaats van hem op wiens vordering de verzegeling gedaan mogt zijn, en de keuze van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien hij daar niet woont; (B. 81; Rv. 672 nquot;. 3b.)

3°. De magtiging van den voorzitter, indien dezelve verleend is, of wel de vermelding van den executorialen titel, uit kracht waarvan de vordering is gedaan; (B. 659 n0. 2.)

4°. De verschijning en de vorderingen der partijen; (Rv. 659.)

5°. De opgave der plaatsen en der voorwerpen waarop het zegel gezet is, en eene korte beschrijvir.g der goederen welke buiten verzegeling zijn gebleven; (Rv. (560b, 662 v., 666.)

6°. De namen, de woonplaats en het beroep van den bewaarder; (Rv. 658c.)

7°. Den eed bij de sluiting der verzegeling, welke moet worden afgelegd door degenen welke het huis bewonen, alwaar de verzegeling is gedaan, dat zij niets verduisterd hebben, noch gezien hebben, noch weten dat er iets verduisterd is, het zij middellijk of onmiddellijk. (Pr. 913, 914.)

662. Indien bij de verzegeling eenige niet verzegelde uiterste wil mogt worden gevonden, zal daarvan in het proces-verbaal melding worden gemaakt, en indien eene zoodanige onder-handsche beschikking wordt gevonden als bedoeld is bij artikel 982 van het Burgerlijk Wetboek, zal bovendien daarmede worden gehandeld overeenkomstig artikel 983 van hetzelfde Wetboek. (Pr. 920; B. 979, 985, 990; O. 49; W. not. ambt, a. 41 v.; Rv. 661 n0. 5, 663 v., 681 n0.8.)

663. Bijaldien er bij de verzegeling verzegelde papieren gevonden zijn, zal de kantonregter van den uitwendigen toestand daarvan doen blijken, gelijk mede van het zegel en van het opschrift, zoo er een is; hij zal voorts den omslag met de tegenwoordige partijen waarmerken, bijaldien dezelve kunnen schrijven, en dag en uur opgeven waarop het pakket door hem zal worden geopend. Hij zai van alles melding maken ia zijn proces-verbaal, hetwelk door de par-

808

-ocr page 893-

BOEK m, TITEL It, ARTT. 661—666.

tijen zal worden geteekend; zoo niet, zal er melding gemaakt worden van hunne weigering of onvermogen.

Indien uit het opschrift of anderzins blijkt dat de papieren niet tot de nalatenschap behooren, dat derzelver opening is verboden, of dat de overledene deswege eene bijzondere bestemming heeft aangeduid, zal de kantonregter, na oproeping der belanghebbenden, die papieren gesloten aan hen overgeven, indien niemand zich daartegen verzet, of anderzins bevelen dat dezelve ongeopend ter griffie van het kan-tongeregt zullen worden overgelegd, ten einde naderhand te worden uitgereikt aan wien zal bevonden worden te behooren. (Pr. 916, 919; B. 987d; Rv. 661 n0.5.662,681 n0. 8.)

664. Ten bepaalden dage, en zonder dat er eenige dagvaarding noodig is, zal de kantonregter de pakketten openen welke niet behooren tot degene waarvan in het laatste lid van het vorige artikel wordt gehandeld; hij zal van den staat daarvan doen blijken, en de voorloopige overlegging daarvan ter griffie van het kantongeregt ter beschikking van de belanghebbenden bevelen. Alles onverminderd de formaliteiten bij den twaalfden titel des tweeden boeks van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van het openen van geheime uiterste willen voorgeschreven, a) (Pr. 918; Rv. 663a, 681 n». 8; B. 987, 989.)

665. Indien iemand zich tegen de verzegeling verzet, of indien men bij dezelve beletselen ontmoet, of ook indien zich, hetzij vóór, het zij gedurende de verzegeling zwarigheden opdoen, zal daarover in kort geding door den president der arrondissements-regtbank worden beslist. Te dien einde zal de verzegeling worden gestaakt en zullen door den kantonregter, buiten of naar gelang van omstandigheden zelfs binnen het huisbewaarders worden gesteld, en hij zal de zaak onmiddellijk aan de beslissing van den president onderwerpen.

De kantonregter kan echter, indien de zaak geen uitstel gedoogt, bij voorraad daarover beschikken, behoudens zijne verpligting om dezelve naderhand aan de beslissing van den president te onderwerpen. (Pr. 921; Rv. 53 n®. 1,289,296, 658c, 661, 675 n0. 8.)

666. Indien er in den boedel geene roerende goederen hoegenaamd worden gevonden, zal de kantonregter daarvan bij eene op te maken akte doen blijken.

Wanneer er zich in den boedel roerende goederen bevinden, welker gebruik noodzakelijk is voor de huisgenooten, of die niet gevoegelijk kunnen worden verzegeld, zal de kantonregter daarvan procesverbaal opmaken, bevattende eene summiere beschrijving dier niet verzegelde voorworpen.

809

Indien handelspapier in den boedel gevonden wordt, hetwelk niet buiten schade zoude kunnen worden verzegeld, zal de kantonregter daarvan eene beschrijving doen in zijn proces-verbaal, en hetzelve aan de belanghebbenden uitreiken. (Pr. 924; Rv. 661 n». 5; F, 93.)

a) O. E. 1838 en O. E. ISOG geven de laatste zinsnede als een tweede lid.

-ocr page 894-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERIXG.

TWEEDE A.FDEELING.

Yan het verzet tegen de ontzegeling.

667. Diegenen welke regt hebben om tegenwoordig te zijn bij het opmaken van den inventaris, kunnen tegen het ligten der zegels in hunne afwezendheid verzet doen. (C. 821; Rv. 668, 672 n». 3, 673, 680.)

668. Het verzet tegen het ligten der zegels zal gedaan worden bij eene geschrevene of mondelinge verklaring van den opposant, dewelke hij op het proces-verbaal van verzegeling zal doen inschrijven, en welke verklaring bevatten zal de redenen van verzet en keus van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling plaats heeft, zoo de opposant ■daar niet woont. (Pr. 926, 927; 13. 81 v.; Rv. 53 n0.1,90, 661.)

DERDE AFDEELING.

Van ontzegeling.

669. Het zegel mag niet worden opgeheven, behalve in het geval van dringende noodzakelijkheid, waaromtrent de kantonregter beslist, dan na drie volle dagen sedert de begrafenis, indien hetzelve vóór de begrafenis gelegd is, of sedert dat het zegel gelegd is, indien dit eerst na de begrafenis heeft plaats gevonden. (Pr. 928; Rv. 53 n0. 1, 6ol n0. 1b, 675; B. 1401.)

670. Indien de erfgenamen of eenigen van hen minderjarig en zonder voogden zijn, zal er tot de ontzegeling niet mogen worden overgegaan, alvorens in derzelver voogdij voorzien is geworden. (Pr. 929; B. 444, 473, 483; Rv. 659 n». 5, 660, 677.)

671. Alle degenen welke volgens artikel 659 van dit Wetboek regt hebben om verzegeling te laten doen, kunnen ook de ontzegeling vorderen; uitgezonderd alleen zij welke het zegel hebben doen leggen krachtens nquot;. 3 van dat artikel. (Pr. 930; B. 444; Rv. 659 n0. 4 j0. 13. 1055; Rv. 059 n0. 5 j». 670.)

672. De formaliteiten om tot ontzegeling te kunnen overgaan, zijn:

1°. De vordering daarvan, op het verbaal van verzegeling aangeteekend mot keuze van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien de verzoeker aldaar niet woont en indien zulks niet reeds geschied is; (D. 81; Rv. 661 nquot;. 2, 668.)

2quot;. Een bevel van den kantonregter, den dag en het uur voor de ontzegeling bepalende; (Rv. 661, 675 n0.3.)

3,,. Eene aanmaning om bij de ontzegeling tegenwoordig te zijn, welke ten minste vier en twintig uren voor de ontzegeling gedaan moet worden aan den overgebleven echtgenoot, aan de vermoedelijke erfgenamen.

810

-ocr page 895-

BOEK Iir, TITEL II, ARTT. 667—675.

voor zoo verre die bekend zijn, aan de uitvoerders van den uitersten wil, aan de schuldeischers op wier vordering de verzegeling gedaan is, en aan allen welke tegen eene ontzegeling buiten hunne tegenwoordigheid zijn opgekomen. (B. 441, 506; Rv. 659, 668)

De aanmaning zal gedaan worden aan de gekozene woonplaats voor de laatstgenoemde schuldeischers en opposanten, en het zal overigens niet noodig zijn dezelve te laten doen aan de overige opgenoemde personen, indien zij buiten het arrondisfernent woonachtig zijn, doch de kantonregter zal voor hen te hunnen koste, eenen notaris of ander vertrouwd persoon stellen om hen, bij hunne afwezigheid, bij de opheffing der zegels en de beschrijving des boedels te vertegenwoordigen. (B. 1057; Rv. 13, 661 nö. 2, 668, 672 n°. 1, 675 n». 4, 680. — Pr. 931.gt;

673. De overgeblevene echtgenoot, de vermoedelijke erfgenamen, of degenen die hen vertegenwoordigen, en de uitvoerders van den uitersten wil, kunnen bij alle de zittingen van ontzegeling en boedelbeschrijving tegenwoordig zijn.

Het staat den kantonregter vrij om na de eerste zitting, de overige, volgens het voorgaande artikel, geroepenen bij de volgende zittingen niet anders toe te laten dan gezamenlijk door éénen gemagtigde, en te hunnen koste, vertegenwoordigd, omtrent wien zij zonder uitstel zullen overeenkomen of die anders door den benoemd. (B. 1848.)

Indien een dezer belanghebbenden echter bijzondere of tegenstrijdige belangen mogt beweren, kan hij op vergunning van den kantonregter, in persoon blijven verschijnen of wel zich te zijnen koste, door eenen bijzonderen gemagtigde laten vertegenwoordigen. (Pr, 932, 933; Rv. 672.)

674. De ontzegeling wordt gedaan door den kantonregter in tegenwoordigheid van den griflier.

Indien de kantonregter, na daartoe gedane vordering, mogt weigeren de zegels op te heften, zal dit verschil door den voorzitter der arrondissements-regtbank in kort geding worden uitgemaakt. (Rv. 289.)

675. Het proces-verbaal van ontzegeling moet bevatten;

1°. De vermelding van dag en uur waarop die gedaan

wordt; (Rv. 661 n». 1.)

2°. Den naam en woonplaats of gekozene woonplaats van hem die de ontzegeling gevorderd heeft; (Rv. 671, 672 n0. 1.)

3°. De vermelding van het bevel tot ontzegeling; (Rv. 672 n». 2.)

4°. De vermelding der aanmaning bij n0. 3 van artikel 672 voorgeschreven;

5°. De verschijning en alle de vorderingen of beweringen van partijen;

6°. De herkenning van de zegels, en de bevinding der-zelve als gaaf en ongeschonden. Indien zij dit niet mogten zijn, de vermelding van den toestand waarin zij worden gevonden en van de maatregelen welke

811

kantonregter zal worden

-ocr page 896-

812 WETBOEK VANT BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

door den kantonregter dientengevolge noodig geoordeeld en genomen mogten zijn; (Sr. 199; Sv. 10.)

7°. De benoeming van eenen notaris en van schatters, indien daartoe gronden zijn, door de belanghebbenden te kiezen, of bij verschil door den kantonregter te benoemen, mitsgaders de eedsaflegging der schatters; (Rv. 289, 675 n«. 8, 676, 681 n0. 1, 682.)

8°. De opgave der zwarigheden en verschillen bij de ontzegeling ontstaan, waarop eene uitspraak zal moeten vallen. In dat geval verwijst de kantonregter partijen voor den president der arrondissements-regtbank in kort geding. (Rv. 289, 665.)

Het bevelschrift, houdende diens beslissing, wordt op het proces-verbaal van ontzegeling ter neder geschreven. (Pr. 936.)

676. Indien bij opheffing der zegels de reden van der-zelver legging niet is vervallen, en bij die opheffing eene boedelbeschrijving moet plaats vinden, worden de zegels opgeheven naar gelang deze beschrijving gedaan wordt; aan het einde van elke zitting worden dezelve weder op het nog niet beschrevene doch reeds ontzegelde, gelegd. (Pr. 937; Rv. 661 n». 1, 677, 679, 681.)

677. Ingeval de reden der verzegeling vervalt eer de ontzegeling is geschied of terwijl deze geschiedt, worden de zegels ineens opgeheven en houdt de verdere tegenwoordigheid op van den kantonregter bij de boedelbeschrijving, indien deze gedaan mogt worden. (Pr. 940; li. 444, 1055 j0.1056, 1057, 1071, 1174; Rv. 661 n«. 1, 679.)

VIERDE Al\'quot; DEELING.

Van inventarisatie of boedelbeschrijving.

678. Boedelbeschrijving zal na de opheffing der zegels, indien daaromtrent de belanghebbenden eenstemming zijn, onderhands kunnen worden opgemaakt in alle de gevallen waarin de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel mogt hebben bepaald. (B. 182, 444, 520, 830c-, 1028, 1037,1174; K.430; F. 94.)

De akte van boedelbeschrijving door partijen onderteekend, moet ter griffie van het kantongeregt waar het sterfhuis gevallen is, na door partijen voor den kantonregter beëedigd te zijn, worden overgebragt, op dezelfde wijze als dit ten aanzien van minderjarigen bij artikel 444 van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. (B. 80; Rv. 681.)

679. Alle degenen welke volgens artikel 659 van dit Wetboek het regt hebben om verzegeling te laten doen, hebben het regt om bij ontzegeling de inventarisatie of boedelbeschrijving te vorderen, uitgezonderd alleen zij welke het zegel hebben doen leggen krachtens n0. 3 van dat artikel. (Pr. 941; B. 1087, 1195 n». 1 ; Rv. 671, 676, 680.)

-ocr page 897-

BOEK IN, TITEL ir, ARTT. (570—681.

680. indien bij de opheffing der zegels tot eene boedelbeschrijving wordt overgegaan, zal dit in de tegenwoordigheid geschieden van de personen opgenoemd bij n0. 3 van artikel 672, en op den voet gelijk dat aldaar voor de ontzegeling is bepaald. (Pr. 932, 942; Rv. 673, 675 n0.7,676, 679; B. 1057.)

681. In de gevallen waarin ook buiten verzegeling, eene boedelbeschrijving in de wet wordt voorgeschreven, of waarin eene boedelbeschrijving op eene ontzegeling volgt, zal de boedelbeschrijving behalve de formaliteiten van alle openbare of a) onderhandsche akten moeten bevatten: (B. 182, 444; K. 430; Rv. 678amp;; F. 94; W. not. ambt, a. 21 v.; B. 1905, 1911, 1917.)

1°. De voornamen, namen en woonplaatsen van de tegenwoordige of vertegenwoordigde personen en van hunne vertegenwoordigers; van de niet tegenwoordige, indien zij bekend en daartoe opgeroepen zijn, en van de schatters; (Rv. 675 n0. 7, 680; B. 182, 448amp;, 830«, 1028, 1037, 1124.)

2°. De opgave der plaats waar de beschrijving gedaan is, en de goederen zijn gevonden; (Rv. 658.)

3°. De korte beschrijving der goederen met de vermelding der waardering van de roerende goederen; (Rv. 681 n0. 1.)

4°. De opgave van de muntspecien, alsmede van de hoedanigheden, het gewigt en de keur van het gouden zilverwerk; (Rv. 468; Stb. 1852 n0. 178: Stb. 1859 nquot;. 31.)

5°. De opgave van aanteekenings-Loeken of registers, zoo er die zijn. Indien de beschrijving notarieel wordt opgemaakt, zullen doze op de eerste en laatste bladzijde door den notaris worden gewaarmerkt, en indien de boedelbeschrijving onderhands is, zal dit door eenen der belanghebbenden, bij overeenkomst daartoe te kiezen, worden gedaan; (B. 1918; K. 6 v.)

6°. De vermelding der gevondene titels en de schriftelijke verbind tenissen ten laste of bate des boedels; (B. 1921 v., 1928.)

7°. De vermelding van den eed bij het sluiten der boedelbeschrijving, het zij in handen van den notaris het zij in handen van den kanlonregter afgelegd, door hen die vóór dezelve in het bezit der goederen zijn geweest, of het huis bewoond hebben, waarin dezelve zich bevinden, dat zij niets hebben verduisterd, noch gezien hebben, noch weten dat iets verduisterd is; en eindelijk (B. 444, 1949; Rv. 661 n°. 7, 678amp;.)

81c!

8°. Dat gehandeld is met in den boedel gevonden testamenten en met papieren niet tot de nalatenschap behoorende, overeenkomstig het voorschrift van artikel 662, 663 en 664, en de vermelding aan wien de effecten en papieren des boedels zijn overgegeven, het zij krachtens de wet, het zij volgens overeen-

In O. E. ontbreekt het woord: of.

-ocr page 898-

814 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

komst der belanghebbenden. (B. 982 v., 1054; Stb. 1842 n0. 20, a. 30, 31 j». W. not. ambt, a. 31; B. 1911. — Pr. 9i3.)

682. Indien bij de boedelbeschrijving zwarigheden of verschillen ontstaan, zullen de partijen, benevens de notaris die dezelve mogt opmaken, zich vervoegen voor den voorzitter der arrondissements-regtbank van de plaats waar de boedelbeschrijving gedaan wordt, om daarop in kort geding bij voorraad te doen beslissen. (Pr. 944; Rv. 289 v., 296, 604b, 665ö, 674amp;, 675 n0. 8h.)

VIJFDE AFDEELING.

Van den verkoop der roerende goederen.

683. Indien alle de erfgenamen meerderjarig zijn, en het vrije beheer hunner goederen hebben, zal de verkoop der roerende goederen, behoorende tot eene nalatenschap, kunnen worden gedaan op zoodanige plaats en wijze als de belanghebbenden zullen overeenkomen. (Pr. 952; B. 163, 385, 478, 487 v., 1059amp;, 1080, 1116; Rv. 684, 689, 701.)

684. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van roerende goederen waarin minderjarigen, onder curatele gestelden of afwezigen belang hebben, of wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal de verkoop in het openbaar door eenen bevoegden ambtenaar worden gedaan, overeenkomstig de plaatselijke gebruiken. (Pr. 945, 946;

A. 3; Rv. 686, 690, 704; Loi du 22 Pluviöse an VII (Fortuijn II, 2).)

685. Indien echter alle belanghebbenden daarin toestemmen, zal de kanfonregter, ook wanneer onder de be- ] belanghebbenden minderjarigen of onder curatele gestelden zijn, naar gelang der omstandigheden kunnen toelaten dat de verkoop geschiede op eene der andere wijzen voorgeschreven bij artikel 447 van hot Burgerlijk Wetboek. (Pr. 945; Rv. 463 v., 691, 704.)

686. Wanneer de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de kantonregter, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan.

Hij zal daartoe den dag bepalen, en den openbaren ambtenaar aanwijzen door wien dezelve zal worden gedaan, zoo do partijen deswege niet zijn overeengekomen.

Hij zal tevens gelasten dat van dit een en ander aan de overige belanghebbenden kennis worde gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodanigen tijd als hij naar de omstandigheden zal vermeenen te behooren. (Pr. 946, 947;

B. 447; Rv. 684, 687, 692.)

687. De verkoop zal plaats hebben zoo wel in afwe-zendheid als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen. (Pr. 950; Rv. 686c, 693.)

-ocr page 899-

BOEK III, TITEL II, ARTT. 682—694.

688. Ingeval er zwarigheden rijzen, zal daarop door den voorzitter der arrondissements-regtbank bij voorraad inkort geding worden beslist. (Pr. 948; Rv. 289, 292, 094.)

ZESDE AFDEELING.

Van den verkoop der onroerende goederen.

689- Bijaldien de onroerende goederen alleen aan meerderjarigen toebebooren, die het vrije beheer hunner goederen hebben, zullen dezelve verkocht kunnen worden, op zoodanige wijze als dezelve zullen overeenkomen. (B. 163, 385, 478, 479, 4846, 487 v., 1059b, 1080, 1116: Rv. 683, 690, 701.)

690. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van onroerende goederen voor het geheel of ten deele toebehoorende aan minderjarigen, onder curatele gestelden of afwezigen, of ook wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal die verkoop plaats hebben op de wijze voorgeschreven bij artikel 453 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 953, 954; Rv. 084, 692, 704; B. 1122.)

691. Wanneer alle de belanghebbenden er in toestemmen, zal, ook ingeval dat minderjarigen of onder curatele gestelden onder die belanghebbenden zijn, de arrondissements-regtbank, naar gelang der omstandigheden, kunnen toelaten dat de verkoop der onroerende goederen geschiede op de wijze, voorgeschreven bij artikel 454 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 954; B. 506, 1122; Rv. 685; Stb. 1874 nquot;. 68.)

692. Indien de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de arrondissements-regtbank, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan.

Indien partijen deswege niet overeengekomen zijn, zal zij daartoe den dag bepalen en den notaris benoemen ten wiens overstaan de verkoop zal geschieden. Zij zal tevens gelasten dat van dit alles aan de overige belanghebbenden kennis worde gegeven, op zoodanige wijze en binnen zoo-danigen tijd als zij naar gelang der omstandigheden zal vermeenen te behooren. (Pr. 955 v.; B. 453,1122; Rv. 68G.)

693. Be verkoop zal zoowel buiten als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen plaats kunnen hebben. (13. 1122; Rv. 687, 6926.)

694. In geval er zwarigheden ontstaan, zal daarop door den president der arrondissements-regtbank bij voorraad en bij kort geding worden beslist. (B. 1122; Rv.\'289,292, 688.)

81t

-ocr page 900-

81G WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

ZEVENDE A F D E E L I N G.

Van de verdeeling.

(Verg. de Wet van 10 Mei 1886 (Slb. n0.104), tot bevordering van de verdeeling van markgronden, afgedrukt blz. 1454.)

De artikelen 695, 696 en 698 van deze afdeeling zijn vastgesteld bij de Wet van 31 Mei 1843 (Stb nó.23).

695. De regtsvordering tot boedelscheiding wordt voor de regtbank van het arrondissement ingesteld bij dagvaarding in den gewonen vorm. (Pr. 966; B. 183, 628, 1112, 1689; Rv. 126ni nquot;. 1, 129e.)

696. Het vonnis waarbij een boedelscheiding wordt bevolen, zal inhouden de benoeming van eenen notaris, ten wiens overstaan dezelve zal worden tot stand gebragt, indien de belanghebbenden zich over de keuze van den notaris niet kunnen verslaan.

Daarbij kan de dag bepaald worden, waarop partijen gehouden zullen zijn te verschijnen, zonder dat het in dat geval noodig zal zijn dezelve op te roepen. (Pr. 976; B. 1115, 1117, 1118 v.)

697. Bijaldien in den loop der werkzaamheden van de scheiding zwarigheden ontstaan, zal de notaris daarvan een afzonderlijk proces-verbaal opmaken, behelzende de beweringen van partijen.

Een afschrift van hetzelve zal door hem gebragt worden ter griffie, en de meest gereede partij zal hare wederpartij voor de arrondissements-regtbank doen dagvaarden. (Pr. amp;73; B. 1121e; Rv. \'289.)

698. Wanneer, gedurende de werkzaamheden der sciiei-ding, het noodig bevonden wordt, dat eenige roerende goederen verkocht worden, wordt daartoe overgegaan, overeenkomstig de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek en der vijfde afdeeling van dezen titel. (Pr. 970,972; B. 447; Rv. 683 v.)

699. De notarissen zijn verpligt aan elk der partijen zoodanige afschriften of extracten van de akte van scheiding af te geven als de belanghebbenden zullen vorderen. (Pr. 983; B. 1922; Rv. 839, 840; W. not. ambt, a. 40.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van het voorregt van boedelbeschrijving.

700. Bijaldien de erfgenaam die zich beraadt, overeenkomstig artikel 1073 des Burgerlijken Wetboeks, zich wil doen magtigen tot den verkoop van roerende goederen tot de nalatenschap beboerende, zal hij te dien einde verzoek doen aan de regtbank van het arrondissement, in wier regts-

-ocr page 901-

BOEK III, TITEL II EN III, ARTT. 695—705.

ebied de nalatenschap is opengevallen. (Pr. 986; B. 80, Ï073amp;; K. 803; Rv. 784.)

701. Wanneer er moet worden overgegaan tot den verkoop van roerende of onroerende goederen van de nalatenschap, zal de erfgenaam, welke dezelve onder voorregt van boedelbeschrijving zal hebben aanvaard, gehouden zijn zich te gedragen naar de voorschriften, vervat in artikel 1080 van het Burgerlijk Wetboek. (Pr. 986, 987 v.; B. 451,1075.)

702. Indien een beneficiaire erfgenaam, op de daartoe aan hem gedane sommatie van schuldeischers of belanghebbenden, weigert of nalaat de zekerheid te stellen, vermeld in artikel 1081 Burgerlijk Wetboek, kan hij daartoe, na verloop van acht dagen, in regten worden geroepen, en indien hij alsdan weigerachtig blijft of niet verschijnt, zal door de arrondissements-regtbank een curator worden benoemd, om te handelen zooals bij het tweede lid van voorschreven artikel is voorgeschreven. (Pr. 992 v.; Rv. 12Ctn n°. 1, 616, 617 v., 700, 703.)

703. De regtsvorderingen welke een beneficiaire erfgenaam ten laste der nalatenschap mogt hebben, zullen door hem tegen de overige erfgenamen worden ingesteld, en indien er geene andere erfgenamen zijn. of indien die regtsvorderingen door allen worden ingesteld, zal dit geschieden tegen eenen curator over de onder voorregt van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, die op dezelfde wijze zal worden benoemd als de curator over eene onbeheerde nalatenschap. (Pr. 996; B. 1078 n0. 2, 1173a; Rv.324n0.6.)

NEGENDE AFDEELING.

Van den curator over eene onbeheerde nalatenschap.

817

704. De curator van eene onbeheerde nalatenschap, die zal willen overgaan tot den verkoop van roerende of onroerende goederen tot die nalatenschap behoorende, zal gehouden zijn na te komen de formaliteiten, ten aanzien van den verkoop van goederen, aan minderjarigen toebehoorende, voorgeschreven bij artikel 684, 685 en 690 hierboven. (Pr. 1000, 1001; B. 1172, 1473; Rv. 784.)

DERDE TITEL.

Van boedelafstand, a) 706. Boedelafstand geschiedt, wanneer een schuldenaar,

a) Het opschrift van den derden Titel is aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 5 der Wet ter invoering van de Faillissementawet. Oorspronkelijk luidde dat opschrift: „Van boedelafstand en de vormen van dienquot;.

52

-ocr page 902-

818 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

die zich buiten staat bevindt zijne schulden te betalen, alle zijne goederen aan zijne schuldeischers overlaat. (G. 1265, 1266; Go. 566; B. 1177, 1178; Rv. 447 n°. 2 v., 448, 706, 708, 756 n0. 1.)

706. Boedelafstand behoeft de vrijwillige aanneming van de schuldeischers. Hij heeft geen ander gevolg dan hetgeen voortspruit uit de bepalingen van de overeenkomst zelve tusschen hen en den schuldenaar aangegaan; behoudens de bepaling van artikel 708 hieronder. (G. 1267; Co. 567; B. 1374; Rv. 596 nquot;. 3.)

707. Ingetrokken.

708- Boedelafstand, draagt den eigendom aan de schuldeischers niet over; zij geeft hun alleenlijk het regt om de goederen ten hunnen voordeele te doen verkoopen, en er de vruchten van te trekken tot de verkooping toe.

Hetgeen na de voldoening van alle de schuldeischers mogt overschieten van de opbrengst van den verkoop zal aan den schuldenaar worden uitgekeerd. (G. 1269; Go. 574; Pr. 904; Rv. 480amp;, 562, 706.)

709—720. Artt. 705, tweede lid, 707 en 709—IK} ingetrokken, en art. 706 en 708 gewijzigd bij artt. 2 en 5 der Wet ter invoering van de Faillissementswet.

VIERDE TITEL,

Van middelen tot bewaring van zijn regt.

EERSTE AFDEELING.

Van het beslag tot revindicatie van roerende goederen.

721. (*) Ieder, die regt heeft tot revindicatie of reclame van roerend goed, kan dit in beslag nemen, a) (B. 565 v., 629, 637, 638, 1191, 1739, 2014; K. 230,240,242,243,244, 555.)

722. Tot dit beslag mag niet worden overgegaan, dan krachtens een bevelschrift door den voorzitter der regtbank uitgevaardigd, op een verzoekschrift, waarbij de goederen kortelijk moeten zijn omschreven, op strafte van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo wel tegen de partij, als tegen den deurwaarder, die tot inbeslagneming, zonder zoodanig bevelschrift, zal zijn overgegaan. (Pr.826 v.; Rv. 17, 58, 96, 456.)

723. De voorzitter kan verlof verleenen om dit beslag zelfs op zondag te doen. (Pr. 828; Rv. 14,122a, 2896, 601.)

724. Indien degene bij wien de goederen, welke men wil in beslag nemen, zich bevinden, de deuren weigert te

a) Arb. 721 (oud). De eigenaar van roerend goed, welke regt heeft tot revindicatie of reclame, kan hetzelve onder eiken bezitter in beslag nemen.

-ocr page 903-

BOEK III, TITEL III EN IV, ARTT. 706—727.

openen, of zich tegen de inbeslagneming verzet, zal men zich onverwijld vervoegen tot den president der arrondisse-ments-regtbank, en ter plaatse waar geene regtbank gevestigd is, tot den kantonregter, doch inmiddels het beslag moeten staken, onverminderd de bevoegdheid van den arrestant om eene wacht aan de deur te plaatsen. (Pr. 829; Rv. 289, 442 v., 603.)

725. Dat beslag zal in denzelfden vorm geschieden als de inbeslagneming bij executie van roerende goederen. (Pr. 830; Rv. 439 v., 440c, 443, 450 v.; Sr. 198.)

726. (*) Binnen acht dagen na het beslag zal er een eisch worden ingesteld tot van-waarde verklaring van het beslag. Deze eisch, mitsgaders de eisch tot opheffing van het beslag, zullen gebragt worden voor den bevoegden regter van den persoon tegen wien de inbeslagneming gedaan is.

De dagvaarding, waarbij de eisch is ingesteld, zal, indien deze niet is gerigt tegen hem, bij wien de goederen in beslag zijn genomen, binnen acht dagen nadat zij is gedaan, aan laatstgenoemde worden beteekend.

Indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld en de dagvaarding, in het geval in het vorig lid bedoeld, niet is beteekend binnen de daarvoor gestelde termijnen, vervalt het beslag van regtswege. a) (Pr. 831; Rv. 7 v., 90, 126« v., 314, 732b, 738, 763c, 770G.)

Art. 22 der Wet van 28 /wnilSSl (Stb. n0. 124), tot regeling van aMtewrsrecftf (afgedrukt blz. 1435): Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag-nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.

TWEEDE AFDEELING.

Van de inbeslagneming of arrest in handen van den schuldenaar.

819

727. (*) De president van de arrondissements-regtbank kan aan iederen schuldeischer, die summierlijk van de deugde-

o) In art. 726 (oud) ontbraken het nu tweede en derde lid en luidde het toen tweede lid: „Indien de eisch tot van-waarde verklaring niet binnen den voorzeiden termijn is ingesteld, vervalt het beslag van regtswegequot;.

-ocr page 904-

820 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

lijkheid zijner schuldvordering doet blijken, en aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering door den schuldenaar van diens roerende of onroerende goederen, verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van dien schuldenaar; hij kan ook, daartoe gronden vindende, laatstgemelde vooraf in kort geding in zijn belang hoeren, a) (Co. 172; B. 1177 v.;Rv. 289, 303 v., 308, 3216, 733, 768 770A.)

728. Bij het verleend verlof, wordt het bedrag der schuldvordering tot welker verzekering het beslag verleend wordt, uitgedrukt. (Rv. 306, 441, 736, 770Aamp;.)

729. De president kan, dit verlof verleenende, tevens gelasten, dat het beslag niet zal mogen geschieden dan onder het stellen van zekerheid voor de kosten, schaden en interessen, welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt.

In dat geval moet de zekerheid worden aangeboden bij het exploit van inbeslagneming, en zal het den gearresteerde vrijstaan om, de aangebodene zekerheid niet voldoende achtende, zich deswege voor den president in kort geding te voorzien. Desniettemin zal alsdan het beslag voorloopig kunnen worden gelegd. (Rv. 289, 307, 618, 732, 735c, 770A6.)

730. De formaliteiten, voorgeschreven voor de inbeslagneming bij executie van roerende goederen, zijn ook ten deze toepasselijk. (Rv. 439 v., 4406; Sr. 198.)

731. Degeen tegen wien het verlof tot inbeslagneming zijner roerende goederen verleend is, kan onverwijld daartegen opkomen, het zij in kort geding voor den preident, het zij voor de arrondissements-regtbank. (Rv. 289, 309, 732, 770A6.)

732. De opheffing van het beslag zal worden gelast, indien door den schuldenaar genoegzame zekerheid wordt gesteld voor de schuldvordering, waarvoor het beslag is gelegd, alsmede, indien na verhoor van partijen, summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het onnoodige van het beslag mogt blijken. (Rv. 310, 727, 728, 733.)

Van regtswege vervalt dit beslag, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen nadat hetzelve is gelegd. (Rv. 8, 309a, 734.)

In alle deze gevallen kan de arrestant worden verwezen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (B. 1282, 1401; Rv. 612 v., 770A6, 770E.)

733. De ten uitvoerlegging der bevelschriften en der uitspraken van den president, in de vorige artikelen vermeld, kan worden bevolen met of zonder borgtogt niet-

a) In art. 727 (oud) werden, in plaats van de woorden; „en aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering door den schuldenaar van diens roerende of onroerende goederenquot;, gelezen de woorden: „en aantoont dat zijn schuldenaar heeft aangevangen met het verduisteren van zijr.e roerende goederenquot;.

-ocr page 905-

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 7-28—737.

dat tegenstaande verzet, hooger beroep of cassatie. (Rv. 53amp;,

den 293, 297, 311, 398c, 616 v., 770Aamp;, 808Ba.)

ren, 734. De eisch tot van-waarde verklaring van het beslag

• de zal worden gebragt voor de arrondissements-regtbank,

)ok, welke bevoegd is, om over de schuldvordering, voor welke

lort het beslag gedaan is, kennis te nemen, i\'llv. 126a v., 314,

Rv. 321, 770Ab.)

ild- _

rdt,

ge- DERDE AFDEELING.

der

\'te- Van arrest onder derden.

er-

735. Behoudens het geval, in de tweede afdeeling van bij den tweeden titel des tweeden boeks van dit Wetboek es- vermeld, kan ieder schuldeischer, uit krachte van autben-ol- tieke of onderhandsche bescheiden, beslag leggen, onder ort handen van derden, op de gelden en goederen aan zijnen ag schuldenaar verschuldigd of toebehoorende, of zich tegen }2, derzelver afgifte verzetten. (Rv. 475 v.; B. 1905, 1911 v.)

Indien er geene bescheiden bestaan, kan de president g- der regtbank van het arrondissement, waarin de schuldeen naar woont, en zelfs die van het arrondissement, waarin derden, onder welke gelden en goederen zich bevinden, ig woonachtig zijn, op een verzoekschrift verlof geven tot het r- arrest.

it, De bepalingen van artikel 729 zijn in dit geval mede

9, toepasselijk.

Het arrest zal echter kunnen worden opgeheven tegen ;t, behoorlijke borgstelling voor het bedrag der som, voor

it welke hetzelve gedaan is. (Rv. 616 v., 732,738, 739, 757A.— is Pr. 557, 558; B. 1424; F. 232.)

k 736. (*) Ieder exploit van arrest moet bevatten de om-

e schrijving van de bescheiden of de vermelding van\'s regters verlof, mitsgaders de som waarvoor de inbeslagneming gedaan is. (Rv. 735.)

i Niet vereffende vorderingen en de kosten waarin de schul

denaar zal kunnen worden veroordeeld, worden door den i regter voorloopig begroot, a) (Rv. 728.)

i Het exploit moet insgelijks bevatten de verkiezing van

, eene woonplaats ter plaatse alwaar de derde, onder wien

beslag gelegd is, woonachtig is, indien de inbeslagnemer aldaar zijne woonplaats niet heeft. (B. 81.)

Alles op straffe van nietigheid van het gedaan arrest. (Rv. 90. — Pr. 559; Rv. 5, 440amp;, 757B.)

737. Het exploit van eene inbeslagneming onder ontvangers of andere bewaarders van openbare kassen of gelden,

821

moet gedaan worden aan die ambtenaren of degenen, die _

a) In art. 7Sfl (oud) luidde het tweede lid: „Indien de vordering niet vereffend is, zal dezelve voorloopig1 door den regter begroot worden.

-ocr page 906-

822 WETBOEK VAN BURGEPU.IJKE REGTSVORDERING.

zich aan het hoofd van het kantoor bevinden, en door deze op het oorspronkelijke voor «gezien» worden gefeekend. In geval van weigering, moet de deurwaarder daarvan melding maken. (Pr. 561; Rv. 757.)

7S8. (*) Binnen acht dagen na het doen van het beslag, is de arrestant, op straffe van nietigheid van het arrest, ver-pligt hetzelve aan den schuldenaar te beteekenen, en den-zelven te dagvaarden tot van-waarde verklaring voor de regtbank van het arrondissement waarin hij woont, die ook kennis zal nemen van den eisch tot opheffing van het arrest.

De bovengemelde termijn zal met acht dagen worden verlengd, wanneer de schuldenaar niet woont binnen het regtsgebied van het geregtshof, waarbinnen de schuldeischer , woont.

De arrestant is daarenboven verpligt, mede op straffe van nietigheid van het arrest, afschrift van de dagvaarding tot van-waarde verklaring aan den derden gearresteerde te beteekenen binnen acht dagen, nadat die dagvaarding is uitgebragt. a) (Pr. 563, 567; R. O. 38, 54; Rv. 8, 126a, 726, 732, 734, 735c, 789, 740, 751, 757B, 770amp;.)

739. Indien de schuldenaar opheffing van het arrest bekomt, zal de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (B. 1282; Rv. 757B.)

740. Indien de inbeslagneming van-waarde verklaard is, zal het vonnis aan den derde, onder wien het beslag is gelegd, binnen den tijd van eene maand, na de uitspraak worden beteekend; wanneer de arrestant dien termijn laat verloopen, zullen de betalingen door dien derde gedaan, van waarde zijn. (B. 1424; Rv. 86, 432, 479.)

741. Te gelijk met de beteekening van het vonnis, waarbij het beslag is van-waarde verklaard, moet de derde gearresteerde voor deszelfs bevoegden regter worden gedagvaard, ten einde verklaring te doen van hetgeen hij van den gearresteerde onder zich heeft, of aan hem verschuldigd is; voorts om te worden veroordeeld, om dat, wat dienvolgens blijken zal aan den gearresteerde toe te komen, af te geven, of ter executie over te geven, ten behoeve van den arrestant, ten einde daaraan diens vordering te verhalen, en om, bij gebreke van het doen der voormelde verklaring, te worden verwezen tot de voldoening van het bedrag der vordering, waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, met de interessen en de kosten, evenals ware hij daarvan zuivere schuldenaar. (Rv. 426a, 432, 479, 746, 752, 754, 755.)

Bij deze dagvaarding worden de gewone termijnen in acht genomen. (Rv. 7 v. — Pr. 570, 577.)

742. De verklaring zal met redenen moeten omkleed zijn; zij zal inhouden: eenen staat der gelden of roerende

a) In art. 788 (oud) ontbraken het nu tweede en derde lid. Het toen tweede lid, reeds gewijzigd bij art. 1 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. no. 138), luidde: „De bovengemelde termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de schuldenaar binnen het regtsgebied van een ander geregtshof woontquot;.

-ocr page 907-

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 738—750.

goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak, en van het bedrag van deszelfs schuld; van de betalingen op rekening, zoo die mogten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuld-, is kwijting, indien de derde gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in allen gevalle de andere inbeslagnemingen welke onder hem mogten zijn gedaan. (Pr. 573, 578; B. 1371 v., 1417; Rv. 546.)

743. Zij wordt ten dage dienende ter audientie gedaan en moet schriftelijk, door of namens den derden gearresteerde onderteekend, worden overgegeven. (Pr. 571 v.; Rv. 135 v., 141.)

744. Indien de derde gearresteerde zijne verklaring uitbrengt, en deze wordt deugdelijk bevonden, en indien hij niet betwist de gevraagde veroordeeling tot afgifte, moeten hem alle de kosten aan zijne zijde gevallen, worden goed-gedaan, en hij kan niet verpligt worden tot eenige af- of overgifte, dan tegen voldoening of onder korting derzelve. (Pr. 576; B. 1961; Rv. 745, 755.)

745. (*) Indien de derde gearresteerde vermeent wettige gronden te hebben, om het doen der verklaring tegen te spreken, zal hij, indien zijne gronden worden verworpen, verwezen worden, om alsnog, op eenen bepaalden dag, zijne verklaring uit te brengen, tevens met verwijzing in de kosten, a) (Rv. 56 v, 744.)

746. Indien hij op de dagvaarding ter verklaring, of op den dag bij het vorig artikel vermeld, nalatig blijft in het uitbrengen der verklaring, wordt tegen hem verleend verstek, en hij, uit krachte daarvan, verwezen in het bedrag der vordering waarvoor het beslag gedaan is, met de interessen en kosten; even als ware hij daarvan zuivere schuldenaar. (Pr. 577; Rv. 76 v., 138, 741, 744 v., 747.)

747. Tegen dit vonnis is het hem echter toegestaan in verzet te komen, mits aanbiedende om de kosten te voldoen; en indien alsdan, na gedane verklaring, blijkt dat hij aan dengenen, tegen wien beslag gedaan is, niets verschuldigd is, of dat hij van dezen niets onder zich heeft, zal hij op het verzet worden ontlast van de tegen hem gevallene verwijzing in het bedrag der vordering waarvoor het beslag is gedaan. (Rv. 81 v., 89, 748.)

748. Indien op dit verzet blijkt dat hij minder dan het bedrag der vordering van den arrestant onder zich heeft of verschuldigd is, volstaat hij met de voldoening of afgifte daarvan, benevens de vergoeding der door zijne nalatigheid geledene kosten, schaden en interessen. (Rv. 744, 746.)

749. De arrestant kan den derde, onder wien het beslag gelegd is, noodzaken de waarheid zyner verklaring met eede te bevestigen. (Pr. 571; Rv. 742; B. 1966, 1969.)

823

750. (*) Indien bij betwisting der verklaring de derde

a) In art, 745 (oud) werden, in plaats van de woorden: „zal hij, indien zijne gronden worden verworpen\'*, gelezen de woorden: „zal dit geschil summierlijk worden behandeld, en hij zal, indien zijne gronden worden verworpen,.quot;

-ocr page 908-

824 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

gearresteerde in het ongelijk gesteld wordt, zal de verklaring\' door den regter worden verbeterd, en de derde gearresteerde alzoo worden verwezen tot voldoening of afgifte van hetgeen zal zijn gebleken door hem verschuldigd te zijn of onder hem te berusten.

Hij kan in dat geval bovendien worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, a) (Pr. 570; Rv. 56, 742, 745, 746, 755; B. 1282.)

751. De gelden welke alzoo blijken van den gearresteerde onder den derde te berusten of door dezen aan den gearresteerde verschuldigd te zijn, zullen door den derden gearresteerde aan den arrestant worden uitbetaald, tot het bedrag van de aan hem bij het vonnis van deugdelijk verklaring toegewezene vordering, en des noods op den derden gearresteerde, uit krachte van het tegen hem gewezen vonnis, bij executie worden verhaald. (Rv. 82A.b, 470, 471, 757Cfa.)

752. Op gelijke wijze kan de derde gearresteerde worden gedwongen tot afgifte der gearresteerde goederen, welke zijn gebleken onder hem te berusten; deze worden bij executie verkocht, en de kooppenningen aan den arrestant tot het bedrag van het aan hem verschuldigde uitbetaald. (Pr. 579; Rv. 462 v., 470, 480, 741, 757C6.)

753. Oppositie tegen de afgifte van de opbrengst van de in beslag genomene goederen wordt niet toegelaten. (Rv. 457 v., 7570).)

754. Indien echter, voordat het vonnis tot afgifte tegen den derden gearresteerde, overeenkomstig de vordering bij artikel 741 vermeld, is gewezen, meerdere inbeslagnemingen door andere schuldeischers, onder den derden gearresteerde, zijn gedaan, zal het vonnis tot afgifte worden geacht, ten behoeve van allen te zijn gewezen, en het gearresteerde of de opbrengst van dien, onder allen worden verdeeld, naar het bedrag waarvoor elke vordering zal zijn deugdelijk verklaard, op de wijze, als in de derde afdeeling van den tweeden titel des tweeden boeks van dit Wetboek is bepaald. De derde gearresteerde zal tot de afgifte niet kunnen worden verpligt voordat alle de onder hem gedane beslagnemingen zullen zijn van waarde verklaard of opgeheven.

Ieder arrestant, wiens arrest is van waarde verklaard, kan, wanneer andere arrestanten hunne vordering tol deugdelijk-verklaring niet vervolgen op de termijnen van regtspleging bij dit Wetboek voorgeschreven, in het tot dat einde hangend geding tusschenkomen, en incidenteel vorderen, dat een termijn van afdoening worde gesteld, na verloop waarvan het arrest, voor zooverre het alsdan niet deugdelijk zal zijn verklaard, als opgeheven zal beschouwd worden. (Pr 575, 579; Rv. 285, 480-490, 511, 512, 742, 757D.)

a) In art. 75(1 (oud) ging aan het nu eerste en tweede lid vooraf een toon eerste lid luidende: „Indien de verklaring wordt betwist, wordt de zaak als eene summiere zaak voortgezet en afgedaan, ten zij de regter, op verzoek van eene der partijen, mogt bevelen, dat dezelve op de gewone wijze zal worden behandeld.quot;

De aanvang van het nu eerste, toen tweede lid luidde: „Indiende derde gearresteerde in het ongelijkquot; enz.

-ocr page 909-

BOEK UI, TITEL IV, ARTT. 751—7o7A. 825

755. Indien deze schuldeischers mogten vermeenen niet te kunnen berusten in de verklaring, door den derden gearresteerde gedaan, of door den regter verbeterd, kunnen zij, behoudens hun regt van tusschenkomst, hangende het geding nopens de verklaring, den derden gearresteerde als nog oproepen tot nadere verklaring en verwijzing, overeenkomstig artikel 741; mits daartoe andere gronden en bewijsmiddelen bijbrengende, dan in het afgeloopene geding met andere schuldeischers zijn gebezigd. (Rv. 285, 744, 7S0, 754, 757D.)

756. Dit beslag zal niet gelegd mogen worden; 1°. Op de goederen, welke de wet verklaard heeft voor

geene inbeslagneming vatbaar te zijn; (Rv. 447,448.) 2°. Op in regten toegewezene gelden tot onderhoud:

(B. 280, 301, 376 v.)

3°. Op gelden en jaarwedden tot onderhoud, welke door den erflater of schenker voor geene inbeslagneming vatbaar zijn verklaard. (B. 4823; F. 21 n#. 1.) Evenwel kunnen de voorwerpen, in n0. 2 en 3 begrepen, worden in beslag genomen wanneer zij mogten dienen tot verhaal van onderhoud waarop de arrestant zelf aanspraak heeft. (Pr. 581, 582; B. 1177, 1178; Rv. 757Bb; F, 21.) Art. 2lc der Wet van 7 Mei 1856 (Stb. n0. 82), omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen (afgedrukt blz. 1328): Op de gagie (van den schipper en de schepelingen) kan geen beslag gelegd worden.

Art. 14amp; der Wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62), (afgedrukt blz. 1045): De uitgaanskas is .... niet vatbaar voor beslag.

Art. 23b der Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 87), tot regeling der brieven pesterij: Behoudens de gevallen voorzien in art. 28 dezer wet en de gevallen bij de wet omschreven, wordt beslag op stukken aan de zorg der posterijen toevertrouwd, niet toegelaten.

757. Bezoldigingen en pensioenen wegens ambten of bedieningen kunnen niet in beslag worden genomen dan voor zoodanig gedeelte, en op zoodanige wijze, als door de bijzondere wetten wordt bepaald. (Pr. 580; F. 22; Rv. 737, 757B; Stb. 1815 n0. 5; Stb. 1846 n». 24, a.40, Stb. 1851 nquot;. 127, a. 68; Stb. 1851 n0. 129, a. 67; Stb. 1890 n». 78, a. 30; Stb. 1890 n°. 79, a. 22.)

757A. (*) Het beslag in deze afdeeling vermeld kan door den schuldeischer, uit krachte van authentieke of onder-handsche bescheiden, ook gelegd worden onder zich zeiven.

Echter zal het beslag krachtens onderhandsche bescheiden niet kunnen worden gelegd, dan na op het daartoe ingeleverd verzoekschrift verkregen verlof van den president der regt-bank van het arrondissement, waarin de beslaglegger woont.

Het arrest zal kunnen worden opgeheven tegen behoorlijke borgstelling of betaling van het bedrag der som, voor welke hetzelve gedaan is. a) (B. 1463; Rv. 735, 766.)

e

a) De artikelen 757A, 757B, 757C on. 757D zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 910-

826 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

757B. (*) Het arrest wordt gelegd bij een exploit gedaan aan dengene, ten wiens laste het arrest gelegd wordt.

Dit exploit moet bevatten de omschrijving van de bescheiden en, indien het onderhandsche bescheiden zijn, bovendien de vermelding van \'s regters verlof, voorts eene naauwkeurige vermelding van de goederen of schuldvorderingen waarop, en van de som waarvoor de inbeslagneming gedaan wordt.

Niet vereffende vorderingen en de kosten, waarin de gearresteerde zal kunnen worden veroordeeld, worden door den regter voorloopig begroot.

Het exploit moet wijders inhouden dagvaarding voor de regtbank van het arrondissement, waarin de gearresteerde woont, tot van-waarde verklaring van het arrest en tot aanwijzing van hetgeen daaronder valt. Deze regtbank zal ook kennis nemen van den eisch tot opheffing van het arrest.

De artikelen 739, 756 en 757 zijn ook op dit arrest van toepassing, a) (Rv. 736, 738, 741, 742.)

757C. (*) De regter zal over de geheele bij de dagvaarding gedane vordering bij één vonnis uitspraak doen, tenzij hij mogt bevinden, dat een deel daarvan vroeger dan het andere kan worden afgedaan, in welk geval zulks zal mogen geschieden.

Indien de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de arrestant bevoegd zijn op datgene wat volgers het vonnis onder het arrest valt, het hem verschuldigde te verhalen overeenkomstig de bepalingen der artikelen 751,752 en 753 van dit Wetboek, a) (Rv. 757B.)

757D. (*) Indien echter, voordat een vonnis gewezen is, krachtens hetwelk verhaal kan plaats hebben, meerdere inbeslagnemingen door andere schuldeischers onder den arrestant zyn gedaan, zal dat vonnis ten aanzien van allen gelden, en zullen overigens de artikelen 754 en 755 van dit Wetboek toepasselijk zijn, met dien verstande dat aan deze schuldeischers het in artikel 755 bedoelde regt toekomt, indien zij beweren, dat meer dan waarop de arrestant beslag heeft gelegd, onder hem berust of door hem verschuldigd is.

Evenzoo zal, indien voordat het beslag van artikel 757A gelegd is, onder den in dat artikel bedoelden schuldeischer door andere schuldeischers beslag is gelegd, het bepaalde in de artikelen 754 en 755 ook aan eerstgenoemden schuldeischer ten goede komen, a) (Rv. 742.)

VIERDE AFDEELING.

Van pandbeslag voor huren en pachten,

758. De verhuurders van gebouwen en landelijke eigendommen, hetzij daarvan eene huurcedul is opgemaakt of niet,

a) De artikelen 757A, 757B, 757C en 757D zijn nieuw bijgeYoegd.

-ocr page 911-

BOEK III, TITEL IV, A.RTT. 757B—763.

kunnen éénen dag, na gedaan bevel, zonder verlof van den president der arrondissements-regtbank, of ook dadelijk, zonder voorafgaand bevel met zoodanig verlof, voor verschenen huren in beslag doen nemen, de goederen, welke bij artikel 1186 en 1188 van het Burgelijk Wetboek voor de huurpenningen verbonden zijn verklaard. (Pr. 819; B. 1185n0.2, 1189, 1617, 1625; Bv. 8, 439b, 447, 448amp; n». 3, 502, 563, 760 j«. 4406.)

759. De goederen van denzelfden aard, voor zooveel die aan onderhuurders toebehooren, kunnen in beslaggenomen worden voor huren, door den eersten huurder verschuldigd, maar zij zullen opheffing van het beslag bekomen, wanneer zij bewijzen dat zij zonder arglist hebben betaald.

Zij kunnen geene betalingen doen gelden bij voorraad gedaan, dan voor zoover zulks geschied is overeenkomstig artikel 1618 des Burgerlijken Wetboeks. (Pr. 820; B. 11866.)

760. Het beslag zal gedaan worden op gelijke wijze als het beslag op roerende goederen; de persoon, tegen wien het beslag gelegd is, kan worden aangesteld tot bewaarder, ten zij het vruchten gelde, welke nog tak- of wortelvast zijn; in welk geval de veldwachter bij voorkeur tot bewaarder zal worden benoemd. (Pr. 821; Bv. 439 v., 440b, 450; Sv. 19; Sr. 198.)

761. Indien beesten, of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde, welke reeds van den grond zijn afgescheiden, of de zoodanige welke nog tak- en wortelvast zijn, in beslag zijn genomen, kan de kantonregter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing en inzameling der vruchten zorg te dragen. (Bv. 451; Sr. 198.)

762. Indien vruchten te velde, het zij dezelve reeds van den grond zijn afgescheiden, het zij dezelve nog tak- en wortelvast zijn, in beslag worden genomen, zal het procesverbaal van inbeslagneming moeten inhouden de opgave van ieder stuk gronds waarop dezelve zich bevinden, des-zelfs inhoud zoo na mogelijk, zijne ligging en ten minste twee belendingen, alsmede de soort der vruchten. (Pr. 627; B. 1186; Bv. 128.)

763 (*) De in pandbeslag genomen goederen kunnen niet worden verkocht, dan nadat het beslag bij vonnis van de arrondissements-regtbank, en na oproeping van dengenen tegen wien hetzelve is gelegd, zal zijn van-waarde verklaard.

Indien het beslag, overeenkomstig artikel 1188 van het Burgerlijk Wetboek, onder eenen derde is gedaan, zal ook deze geroepen worden, om hetzelve van-waarde te hoeren verklaren.

827

Het beslag vervalt van regtswege, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat het is gelegd, a) (Pr. 824; Bv. 726, 732, 738, 757Bd, 767, 770, 770C.)

a) In art. 763 (oud) ontbrak het derde lid.

-ocr page 912-

826 ■WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

757B. (*) Het arrest wordt gelegd bij een exploit gedaan aan dengene, ten wiens laste het arrest gelegd wordt.

Dit exploit moet bevatten de omschrijving van de bescheiden en, indien het onderhandsche bescheiden zijn, bovendien de vermelding van \'s regters verlof, voorts eene naauwkeurige vermelding van de goederen of schuldvorderingen waarop, en van de som waarvoor de inbeslagneming gedaan wordt.

Niet vereffende vorderingen en de kosten, waarin de gearresteerde zal kunnen worden veroordeeld, worden door den regter voorloopig begroot.

Het exploit moet wijders inhouden dagvaarding voor de regtbank van het arrondissement, waarin de gearresteerde woont, tot van-waarde verklaring van het arrest en tot aanwijzing van hetgeen daaronder valt. Deze regtbank zal ook kennis nemen van den eisch tot opheffing van het arrest.

De artikelen 739, 756 en 757 zijn ook op dit arrest van toepassing, a) (Rv. 736, 738, 741, 742.)

757C. (*) De regter zal over de geheele bij de dagvaarding gedane vordering bij één vonnis uitspraak doen, tenzij hij mogt bevinden, dat een deel daarvan vroeger dan het andere kan worden afgedaan, in welk geval zulks zal mogen geschieden.

Indien de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de arrestant bevoegd zijn op datgene wat volgens het vonnis onder het arrest valt, het hem verschuldigde te verhalen overeenkomstig de bepalingen der artikelen 751,752 en 753 van dit Wetboek, a) (Rv. 757B.)

757D. (*) Indien echter, voordat een vonnis gewezen is, krachtens hetwelk verhaal kan plaats hebben, meerdere inbeslagnemingen door andere schuldeischers onder den arrestant zijn gedaan, zal dat vonnis ten aanzien van allen gelden, en zullen overigens de artikelen 754 en 755 van dit Wetboek toepasselijk zijn, met dien verstande dat aan deze schuldeischers het in artikel 755 bedoelde regt toekomt, indien zij beweren, dat meer dan waarop de arrestant beslag heeft gelegd, onder hem berust of door hem verschuldigd is.

Evenzoo zal, indien voordat het beslag van artikel 757A gelegd is, onder den in dat artikel bedoelden schuldeischer door andere schuldeischers beslag is gelegd, het bepaalde in de artikelen 754 en 755 ook aan eerstgenoemden schuld-eischer ten goede komen, a) (Rv. 742.)

VIERDE AFDEELING.

Van pandbeslag voor huren en pachten,

I

758. De verhuurders van gebouwen en landelijke eigendommen, hetzij daarvan eene huurcedul is opgema;ikt of niet,

a) De artikelen 757A, 757B, 757C en 757D zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 913-

BOEK III, TITEL IV, ARTT. 757B—763.

kunnen éénen dag, na gedaan bevel, zonder verlof van den president der arrondissements-regtbank, of ook dadelijk, zonder voorafgaand bevel met zoodanig verlof, voor verschenen huren in beslag doen nemen, de goederen, welke bij artikel 1186 en 1188 van het Burgelijk Wetboek voor de huurpenningen verbonden zijn verklaard. (Pr. 819; B, 1185n0.2, 1189, 1617, 1625; Rv. 8, 439amp;, 447, 448amp; nquot;. 3, 502, 563, 760 j». 440b.)

759. De goederen van denzelfden aard, voor zooveel die aan onderhuurders toebehooren, kunnen in beslag genomen worden voor huren, door den eersten huurder verschuldigd, maar zij zullen opheffing van het beslag bekomen, wanneer zij bewijzen dat zij zonder arglist hebben betaald.

Zij kunnen geene betalingen doen gelden bij voorraad gedaan, dan voor zoover zulks geschied is overeenkomstig artikel 1618 des Burgerlijken Wetboeks. (Pr. 820; B. H86amp;.)

760. Het beslag zal gedaan worden op gelijke wijze als het beslag op roerende goederen; de persoon, tegen wien het beslag gelegd is, kan worden aangesteld tot bewaarder, ten zij het vruchten gelde, welke nog tak- of wortelvast zijn; in welk geval de veldwachter bij voorkeur tot bewaarder zal worden benoemd. (Pr. 821: Rv. 439 v., 440b, 450; Sv. 19; Sr. 198.)

761. Indien beesten, of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde, welke reeds van den grond zijn afgescheiden, of de zoodanige welke nog tak- en wortelvast zijn, in beslag zijn genomen, kan de kantonregter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschik ten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing en inzameling der vruchten zorg te dragen. (Rv. 451; Sr. 198.)

762. Indien vruchten te velde, het zij dezelve reeds van den grond zijn afgescheiden, het zij dezelve nog tak- en wortelvast zijn, in beslag worden genomen, zal het procesverbaal van inbeslagneming moeten inhouden de opgave van ieder stuk gronds waarop dezelve zich bevinden, des-zelfs inhoud zoo na mogelijk, zijne ligging en ten minste twee belendingen, alsmede de soort der vruchten. (Pr. 627; B. 1186; Rv. 128.)

763. (*) De in pandbeslag genomen goederen kunnen niet worden verkocht, dan nadat het beslag bij vonnis van de arrondissements-regtbank, en na oproeping van dengenen tegen wien hetzelve is gelegd, zal zijn van-waarde verklaard.

Indien het beslag, overeenkomstig artikel 1188 van het Burgerlijk Wetboek, onder eenen derde is gedaan, zal ook deze geroepen worden, om hetzelve van-waarde te hooren verklaren.

827

Het beslag vervalt van regtswege, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat het is gelegd, a) (Pr. 824; Rv. 726, 732, 738, 757Bd, 767, 770, 770C.)

a) In art. 763 (oud) ontbrak het derde lid.

-ocr page 914-

828 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

n bes

VIJFDE AFDEELING. 768, 7

Van beslag tegen schuldenaren, die geene bekende woon plaats hebben, en tegen vreemdelingen.

761. Ieder schuldeischer, zelfs die geen schriftelijk bewijs in handen heeft, kan zonder voorafgaand bevel, maar met vergunning van den president der regtbank van het arron dissement waarin zich de goederen bevinden, en zelfs van den kantonregter in plaatsen waar geene arrondissements regtbank zitting heeft, beslag doen leggen op de goederen van zijnen schuldenaar indien deze geene bekende woonplaats binnen het rijk heeft. (Pr. 822; B. 74; Rv. 305 v., 43%, 502, 563, 765 jquot;. 440b, 727 v., 758, 769, 770Aa.)

765. De formaliteiten, in dit Wetboek voorgeschreven ten aanzien van het executoriaal beslag op roerende goederen, zijn op dit beslag toepasselijk. (Pr. 825; Rv. 440 v.)

766. De arrestant zelf is van regstwege bewaarder der in beslag genomene goederen, ingeval deze zich onder hem bevinden: zoo niet, wordt daarover een bewaarder aangesteld. (Pr. 823; Rv. 450, 757A v.; B. 1185 n0. 6 en 7, 1193; Sr. 198.)

767. De voorschriften van het eerste lid van artikel 763, gelden ook voor dit beslag, en de eisch tot van-waarde verklaring wordt ingesteld voor de regtbank, binnen welker regtsgebied het beslag gelegd is. (Pr. 824.)

768. Vreemdelingen, welke geen vast verblijf binnen het koningrijk hebben, kunnen, zonder dat er een vonnis ten hunnen laste bestaat, op bevel van den voorzitter der arrondissement-regtbank, bij voorraad worden gegijzeld, ter zake eener vervallen en opeischbare schuld, jegens eenen Nederlander aangegaan.

De formaliteiten, bij de tweede afdeeling van den vijfden titel van het tweede boek van dit Wetboek voorgeschreven, zijn ook op deze gijzeling toepasselijk. (Loi du 10 Septembre 1807 (Rondonneau I, 423); A, 9; Rv. 585 n#. IC, 589, 600 v., 769; W. Nederl. sch., a. 1—3, 12, zie chron. lijst.)

769. De opheffing der inbeslagneming en gijzeling, in deze afdeeling bij de artikelen 764 en 768 vermeld, kan worden gevorderd tegen het stellen van behoorlijken borg togt of andere voldoende zekerheid voor de schuld met de interessen en kosten. (Rv. 324 n0. 13, 616, 732, 770.)

770. O De inbeslagneming en gijzeling houder, van regts wege op, of de gestelde zekerheid vervalt, indien de eisch tot van-waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat de goederen in beslag zijn genomen, of de schuldenaar is gegijzeld. ve)

Hetzelfde geldt ten aanzien van de inbeslagneming, indien gr zij onder derden is gedaan, wanneer de dagvaarding tot van-waarde verklaring niet binnen acht dagen, nadat zij is uitgebracht, is beteekend aan dengene, bij wien de goederen

77(

305, 1 word* te wi Op

laatst

731, 502, 77\'

de g( verm niet bege geno van B( op s wier inge

7;

nadi tot doei van te 1 770 7

ove besl de afd( dit I

het

(H\' f

dit bir tot

-ocr page 915-

quot;

BOEK Ut, TITEL IV, ARTT. 7 64—770E. 829

n beslag genomen zijn. a) (Rv. 8, 738, 757fW, 763c, 764, ■ quot; 769, 770C.)

ZESDE AFDEELING

Van het beslag op onroerend goed.

770A. (*) In de gevallen, voorzien bij de artikelen 303, 304, 305, 727 en 764 van dit Wetboek, kan ook verlof verleend worden om beslag te leggen op een of meer bepaald aan te wijzen onroerende goederen van den schuldenaar.

Op dit beslag zijn van toepassing de bepalingen van de laatste zinsnede van artikel 727 en de artikelen 728, 729, 731, 732, 733 en 734 van dit Wetboek, h) (B. 562 v.; Rv. 502, 544.)

770B. (*) Het beslag wordt gelegd in den vorm en met de gevolgen in de artikel 504, 505 en 506 van dit Wetboek vermeld, met deze uitzondering, dat de deurwaarder zich niet op het in beslag te nemen onroerend goed behoeft te begeven en dat in plaats van den titel, in artikel 504, 2°, genoemd, het verlof moet worden vermeld, uit krachte waarvan de inbeslagneming geschiedt. (Rv. 808F.)

Bovendien moet in het proces-verbaal van inbeslagneming op straffe van nietigheid worden aangewezen de regter, voor wien de vordering tot van-waarde verklaring zal worden ingesteld, b) (Rv. 730, 770C, 770F.)

770C. O De arrestant is verpligt om binnen veertien dagen, nadat dit beslag is gelegd, de door hem ingestelde vordering tot van-waarde verklaring tegen vertoon der dagvaarding te doen aanteekenen ter griffie van het in het proces-verbaal van beslag genoemd regterlijk collegie in een tot dat doel te houden register, h) (Rv. 726, 734, 738, 757Bd, 763, 770, 770B, 770F.)

770D. (*) Zoodra na van-waarde verklaring van het beslag overgegaan wordt tot uitvoering van het vonnis, wordt dat beslag als een executoriaal beslag aangemerkt en geschiedt de verkoop overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeeling van den derden titel van het tweede boek van dit Wetboek.

De termijn van artikel 508 gaat in op den dag, waarop het vonnis van van-waarde verklaring wordt beteekend. b) (Rv. 502 v., 528 v., 770C.)

in b 768,

bewijs r met irron s van aents-deren A\'oon-35 v.,

reven goe-:0 V. r der hem mge 3n 7,

770E. (*) Onverminderd het bepaalde in artikel 732 van dit Wetboek is de arrestant, die het gelegd beslag niet binnen den daartoe gestelden termijn door eene vordering tot van-waarde verklaring vervolgt, verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen, zoo daartoe gronden zijn, de overschrijving in de openbare registers te

a) In art. 770 (oud) ontbrak het tweede lid. h) De artikelen 770A—770G zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 916-

830 WKTUOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

doen doorhalen, binnen acht dagen, nadat de termijn voor het instellen der vordering tot van-waarde verklaring is verstreken, a) (B. 1401; Rv. 739, 770Bamp;, 770G, 770P.)

770F. (*) Indien de arrestant niet voldaan heeft aan het voorschrift van het vorig artikel,quot; wordt de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming in de openbare registers doorgehaald uit kracht van eene verklaring van den griffier van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 7708, in het proces-verbaal van beslag aangewezen regterlijk collegie, vermeldende, dat binnen den in het vorig artikel vermelden termijn bij hem geen aanteekening is geschied van het instellen der vordering tot van-waarde verklaring.

De doorhaling der overschrijving in de openbare registers zal evenzeer geschieden:

1°. uit kracht van de toestemming tot doorhaling der overschrijving van hem, ten wiens verzoeke zij is geschied, blijkende in voege als bepaald in artikel 1240 Burgerlijk Wetboek. (Elv. 770A..)

2°. uit kracht van het vonnis, houdende last tot opheffing van het beslag. (Rv. 770Ab J®. 732.)

Buiten de toestemming der belanghebbenden wordt de overschrijving niet doorgehaald dan met inachtneming der bepaling van artikel 432 van dit Wetboek met deze wijziging, dat de termijn van acht dagen na de beteekening van het vonnis vervangen wordt door dien van ééne maand na de uitspraak.

3°. uit kracht van eene verklaring van den griffier, vermeldende, dat van de instantie is afstand gedaan of dat dezelve is vervallen. (Rv. 277 v., 279 v.)

Indien de zaak naar een ander regterlijk collegie verwezen is, moet de hier bedoelde verklaring, met vermelding van het vonnis der verwijzing, worden afgegeven door den griffier van het collegie, waar de zaak ten gevolge der verwijzing behandeld is. a) (Rv. 273 v.—Rv. 770Baj#.505, 808G; B. 1239 v.)

7706r. (*). De akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemagtigd of een authentiek afschrift van zoodanige akte, alsmede de verklaringen, in het vorig artikel vermeld, blijven onder den hypotheekbewaarder berusten.

Een authentiek uittreksel van het vonnis houdende last tot opheffing van het beslag wordt hem ter hand gesteld, a) (B. 1240, 1905; Rv. 770Ab j». 732, 770F, 808G.)

VIJFDE TITEL.

Van hel doen van rekening en verantwoording.

771. Rekenpligtigen, die nalatig zijn in het doen van rekening, worden daartoe door de belanghebbenden, bij

a) De artikelen 770A—770G zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 917-

BOEK III, TITEL IV EN V, ARTT. 770F—776.

gewone dagvaarding, opgeroepen, en het geding wordt op de gewone wijze gevoerd. (Pr. 527; B 160, 179, 362, 363, 3876, 467, 503, 506, 521, 528, 532, 538, 541, 837, 1061, 1082, 1176, 1390, 1839;. Rv. 1 v., 126a en p, 135 v., 782.)

772. Bij het vonnis, waarbij het doen van rekening gelast wordt, moet de tijd worden bepaalc1, binnen welken dit geschieden moet, en een regter-commissaris benoemd, ten wiens overstaan de rekening zal worden gedaan.

De regter-commissaris bepaalt den dag, waarop de rekening zal worden gedaan.

Indien de rekenpligtige in gebreke blijft om op den bepaalden dag te verschijnen, of rekening te doen, zal hij, indien dit geëischt is, daartoe worden genoodzaakt, door de inbeslagneming en den verkoop zijner goederen, tot zoodanig bedrag, als bij het vonnis zal worden bepaald.

De lijfsdwang kan ook tegen hem worden uitgesproken, indien de regter zulks noodig oordeelt. (Pr. 530 v., 534; Rv. 56, 441, 499, 585 n°. 4, 9 en 11, 598; B. 468, 1064.)

778. Indien in hooger beroep een vonnis wordt vernietigd, waarbij een eisch tot het doen van rekening en verantwoording was afgewezen, zal de rekening gedaan en beoordeeld worden voor den regter, voor wien de eisch is ingesteld geweest, of voor zoodanigen anderen regter, als bij de uitspraak in hooger beroep daartoe zal worden aangewezen. (Pr. 528; Rv. 354, 772.)

774. De rekening moet de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten. In geval de ontvangsten de uitgaven te boven gaan, kan degene, aan wien de rekening gedaan wordt, van den regter commissaris vorderen een bevelschrift tot de uitbetaling van dat meerdere; zonder dat hij geacht wordt daardoor de rekening te hebben goedgekeurd. Dit bevelschrift zal worden uitgegeven in den vorm vermeld in artikel 430. (Pr. 533, 535; Rv. 778, 781, 792.)

775. (*) De rekening zal aan de wederpartij worden be-teekend, en de tot bewijs strekkende bescheiden tegen recief, of door middel van de griffie, worden medegedeeld. Deze beteekening zal binnen een termijn, door den regter-commissaris bij het doen der rekening vast te stellen, moeten geschieden.

Deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overgelegd.

Ingeval binnen voorzegden termijn de beteekening niet heeft plaats gehad, zijn op den rekenpligtige van toepassing het derde en het vierde lid van art. 772 van dit Wetboek, a) (Pr. 536, 537; Loi du 22 Frim. an VII (Fortuijn I, 484 v.) a. 42; Zegelw. a. 8, 27jis. B. 429b en 521a en Rv. 147(i; Rv. 773, 776, 777c, 787b.)

831

776. Indien zij, aan wie de rekening gedaan moet worden, verschillende procureurs hebben gesteld, en echter hetzelfde belang hebben, zal de hierboven vermelde beteekening en

a) In art. 775 (oud) eerste lid ontbrak de laatste zinsnede; ook ontbrak het derde lid.

-ocr page 918-

832 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDER1NG.

mededeeling alleen aan den oudsten procureur gedaan worden.

Indien zij echter verschillende belangen hebben, zal die mededeeling afzonderlijk geschieden aan ieder der door hen gestelde procureurs. (Pr. 529, 536; Rv. 775.)

777. Binnen den tijd van eene maand na de beteekening zal degene, aan wien de rekening gedaan wordt, dezelve goedkeuren, of anders aan zijne wederpartij eene schriftuur van debat doen beteekenen, ten zij de regter-commissaris, om billijke redenen, aan hem een langer uitstel verleend hebbe. (Rv. 775a.)

Binnen eenen gelijken termijn, na de beteekening der schriftuur van debat zal het aan hem, die de rekening gedaan heeft, vrijstaan aan zijne wederpartij een memorie van contra-debat te doen beteekenen, tot regtvaardiging van zijne rekening en oplossing van de daar tegen ingebragte bedenkingen. De wederzijdsche bescheiden zullen aan het slot der memorie worden vermeld, en zal daarvan mededeeling worden gegeven, tegen recief of door middel van de griffie.

Ook deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overgelegd. (Rv. 775b, 787b. — Pr. 537, 538; Rv. 781.)

778. Veertien dagen ten langste na de beteekening van deze memorie van contra-debat, of dadelijk na het verloop van den daartoe verleenden termijn, zal de regter-commissaris, ten verzoeke van de eerstgereede partij, gelasten dat partijen, op den dag en het uur bij het bevelschrift bepaald, voor hem zullen verschijnen, ten einde zich omtrent de betwiste artikelen te verklaren, en, ware het mogelijk, het daaromtrent eens te worden. Indien partijen niet kunnen overeenstemmen, zal de regter-commissaris van alles proces-verbaal opmaken, hij zal op den door hem te bepalen dag zijn verslag ter teregtzitting uitbrengen, en partijen zullen gehouden zijn zich, zonder nadere aanmaning, aldaar te bevinden, ten einde hare belangen mondeling te kunnen voordragen. (Pr. 539: Rv. 174b, 78\'1.)

779. Bij het vonnis, dat op het debat van rekening valt, zal het bedrag van den geheelen ontvang en uitgaaf opgemaakt, en het saldo bepaald worden. (Pr. 540; Rv. 585 no. 9, 774. — R. O. 54; Rv. 354b, 773.)

780. Geene herrekening zal toegestaan worden, op grond van misslagen van berekening, weglatingen, valsche of dubbel gebragte posten, maar het zal partijen alleen vrijstaan daarvan de herstelling voor dezelfde regters te vorderen. (Pr. 541 ; Rv. 779.)

781. Indien hij, aan wien de rekening gedaan moet worden, verzuimd heeft zijne schriftuur van debat te doen beteekenen, of later op de bij artikel 778 bepaalde wijze, zijne belangen voor te dragen, wordt uitspraak gedaan op de overgelegde stukken, zonder dat tegen deze uitspraak verzet wordt toegelaten. (Rv. 81, 777, 778.)

Indien, ten gevolge van deze uitspraak, de rekenpligtige eenige gelden verschuldigd is, zal hij dezelve, totdat zij worden opgevorderd, zonder daarvoor interessen verschuldigd te zijn, onder zich kunnen behouden. (B. 471,1286c, 1842. — Pr. 542.)

II

llf

iê iï\'^

i7

j

i i

-ocr page 919-

BOEK m, TITEL V, ARTT. 777—789.

782. Alle rekenpligtigen, die verlangen rekening te doen, kunnen bij weigering of nalatigheid van de belanghebbenden, om dezelve op te nemen en te sluiten, deze op de gewone wijze daartoe doen dagvaarden voor den regter waarvoor de rekenpligtige tot het doen van rekening zou kunnen worden geroepen. (Rv. 126a en p, 771.)

788. In dit geval, wordt tot het benoemen van eenen reg-ter-commissaris, ten wiens overstaan de rekening kan geschieden, en tot het opnemen, debatteren en sluiten derzelve geprocedeerd, op de gewone wijze, en met inachtneming der bijzondere voorschriften van dezen titel. (Rv. 771 v., 788.)

784. Indien echter beneficiaire erfgenamen, curators in nalatenschappen, welke onder het voorregt van boedelbeschrijving zijn aanvaard, curators in onbeheerde nalatenschappen of andere rekenpligtigen, verlangen rekening te doen, en dezelve moet gedaan worden, het zij aan eene massa van belanghebbenden, het zij aan belanghebbenden welke slechts ten deele bekend zijn, het zij er eindelijk afwezigen onder dezelve behooren, vervoegen zich de rekenpligtigen bij requeste tot den regter in artikel 782 vermeld, met verzoek om bepaling van eenen bekwamen termijn, tegen welken alle, zoo bekende als onbekende of afwezige belanghebbenden bij openbare dagvaarding zullen worden opgeroepen. (B. 1081, 1082, 1176; Rv. 4 n0. 7amp;, 786, 793.)

785. Die termijn wordt, nadat het openbaar ministerie is gehoord, bepaald naar gelang van den vermoedelijken afstand der woon- of verblijfplaatsen van de belanghebbenden en tevens bevolen dat de dagvaarding, naar mate der meerdere of mindere belangrijkheid der zaak, het zij eens het zij meermalen, zal worden geplaatst in een of meer dagbladen, bij het bevel aan te wijzen, en tevens, dat afschrift daarvan worde aangeplakt aan de vergaderplaats van het regterlijk kollegie. (B. 523, 1082; Rv. 3246, 784, 787,789.)

786. Het bevel houdt in den last om daarenboven de bekende belanghebbenden op te roepen, bij circulaire brieven, door middel der griffie; de verzoeker duidt te dien einde, bij zijn verzoekschrift, de namen en woonplaatsen derzelve aan. (F. 109; Rv. 784, 787, 789.)

787- De rekenpligtige legt zijne te doene rekening met de bescheiden, tegen recief gedurende den loop des termijns, ter griffie neder, ter inzage der belanghebbenden, en kondigt zulks aan in de dagvaarding en in de circulaire. (Rv. 785, 786.)

Deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden overgelegd. (Rv. 7756, 777c.)

788. Ten dage dienende, wordt, tot het einde bij artikel 783 uitgedrukt, tusschen de verschijnende partijen, op de gewone wijze, en met inachtneming der verdere bijzondere bepalingen van dezen titel, geprocedeerd. (Rv. 784, 785, 789, 790.)

789. Tegen alle andere zoo bekende als onbekende belanghebbenden wordt verstek verleend en voor het profijt van dien, eene tweede oproeping bevolen, op gelijke wijze als bij de artikelen 785 en 786 is voorgeschreven, en zal de zaak ten opzigte der gedaagden die verschenen zijn, worden

833

53

-ocr page 920-

834 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

aangehouden, tot den dag waarop dezelve op nieuw moet dienen om alsdan tusschen deze te worden voortgepro-cedeerd, en tegen alle anderen een tweede verstek te erlangen. (Rv. 79, 135c, 141, 142, 788, 790.)

790. Het eindvonnis daarna te vallen is tusschen alle partijen verbindende, en geen verzet daartegen wordt aan de defaillanten toegelaten. (Rv. 79,335, 778, 779, 788,789, 793.)

791. Indien er rangregeling moet plaats hebben, geschiedt dezelve overeenkomstig de voorschiften daaromtrent in dit Wetboek voorkomende. (B. 1083, 1084; Rv. 482 v., 551 v.)

792. De rekenpligtigen kunnen zich, hangende de geschillen over de rangregeling ontlasten van het onder hen berustende saldo, door overstorting in de kas der geregtelijke consignafien, en die overstorting kan ook op de vordering van belanghebbenden bevolen worden. (B. 1442 n®. 2;Rv. 774.)

793. Indien, in de gevallen bij artikel 784 vermeld, op de dagvaarding aldaar voorgeschreven niemand verschijnt, wordt verstek verleend, en voor het profijt van dien, eene tweede dagvaarding en oproeping bevolen, en indien daarop mede niemand verschijnt, de rekening gesloten en het saldo zoodanig bepaald als de regter overeenkomstig de bescheiden regtmatig oordeelt. Tegen dit vonnis wordt geen verzet toegelaten. (Rv. 796, 790.)

ZESDE TITEL.

Van eenigc bijzondere regtsplegingen.

EERSTE AFDEELING.

Van aanbieding van betaling en geregtelijke bewaargeving of consignatie.

794. Het proces-verbaal van aanbod van betaling moet de zaken of den aard der geldspecien welke men aanbiedt behelzen. (B. 1441 n0. 7, 1442 n0. 3; W. not. ambt, a. 23 v., 2G; Rv. 5, 468, 681 n0. 4.)

Hetzelve moet geschieden aan den persoon of de woonplaats van den schuldeischer, en in hetzelve moet vermeld worden het antwoord van den schuldeischer of indien hij afwezig is van den persoon aan wien het aanbod is gedaan. (B. 1441 n0. 6; Rv. 2)

Dit antwoord wordt door den schuldeischer of bij des-zelfs afwezendheid door den persoon die het antwoord gegeven heeft onderteekend.

Indien de schuldeischer of de persoon die het antwoord gegeven heeft weigeren te teekenen of verklaren zulks niet te kunnen doen, moet daarvan melding worden gemaakt in het proces-verbaal hetwelk door den notaris of deurwaarder moet worden gedagteekend en geteekend en waarvan afschrift aan den persoon of de woonplaats van den schuld-

-ocr page 921-

BOEK III, TITEL V EN VI, ARTT. 790—798.

eischer moet worden gelaten, alles op straffe van nietigheid. (Rv. 5b; W. not. ambt, a. 30.— Rv. 90.)

Ingeval de notaris of deurwaarder noch den schuld-eischer, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, handelt hij als in artikel 2 van dit Wetboek is bepaald. (Pr. 812, 813; B. 143!, 1443.)

795. Indien de aangebodene zaak of geldsom door den schuldeischer niet wordt aangenomen, mag de schuldenaar dezelve in geregtelijke bewaring stellen, mits in acht nemende hetgeen voorgeschreven Is in de tweede afdeeling van den vierden titel des derden hoeks van hel Burgerlijk Wetboek. (Pr. 814; B. 1440, 1442, 1448; Loi du 28 Nivóse an XIII, a. 7 (Fortuijn II, 330); K. B. v. 1 Dec. 1843 (Circ. van den Min. v. Fin., A, afd. Dom.).)

796. (*) De eisch tot van-waarde of tot nietigverklaring der gedane aanbiedingen of der bewaargeving wordt als eene gewone vordering behandeld. Indien zoodanige aanbieding of bewaargeving in eene hangende zaak voorkomt, wordt zij als een incident behandeld, a) (Pr. 815; R. O. 38, 54; B. 1441 n®. 6, 1442; Rv. 126a v., 133, 135 v., 247, 314 )

797. De vrijwillige of geregtelijke bewaargeving verkort geenszins de regten welke uit gedane inbeslagneming, zoo die heeft plaats gehad, zijn ontstaan, en moet aan de arrestanten en opposanten worden beteekend. (Pr. 817; B. 1442, 1445, 1448; Rv. 66, 430, 475, 735, 796.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de magtiging een er getrouwde vrouw.

798. Indien een man, het zij omdat hij onder curatele gesteld is, of om andere redenen zich in de onmogelijkheid bevindt om zijne vrouw te magtigen, of indien hij een tegenstrijdig belang heeft, moet de vrouw, die magtiging noodig heeft, om deze te verkrijgen een verzoekschrift indienen aan den kantonregter, die daarop zijne beschikking stelt. (Pr. 863, 864; B. 78, 163 v., 109, 180; Stb. 1874 n0. 68, a. 2, afgedrukt onder art. 365 E.; Sv. 202b.)

Gewijzigd bij art. 3 der Wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 68). b)

a) In art. 790 (oud) werden, in plaats van de woorden: „als eene gewone vordering behandeldquot;, gelezen de woorden; „summierlijk behandeldquot;.

Volgens de letter van art. 112 der Wet van 7 Juli 1896 (Stb. no. 103), waarbij dit artikel werd gewijzigd, in verband met den vroegeren tekst van dit artikel, volgt abusievelijk achter de woorden: „gewone vorderingquot; tweemaal het woord „behandeldquot;. Zie de noot op dit artikel in O. E. 1896.

h) Oorspronkelijk luidde art. 798:

„Indien een man onder curatele gestold is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijne vrouw te magtigen, of indien hij een

835

-ocr page 922-

836 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REG TSVORDERING.

799. Indien de vrouw beweert dat de man die de mag-tiging kon geven dezelve weigert, kan de regtbank op het verzoek geen uitspraak doen, dan na den man te hebben gehoord of nadat hij behoorlijk zal zijn opgeroepen. (Pr. 861; B. 78, 167; Rv. 324 n0. 5, 332 v., 345.)

800. Wanneer in een regtsgeding tegen eene getrouwde vrouw, de man is opgeroepen om haar te magtigen, en deze niet verschijnt, zal de regter die magtiging verleenen. (G. 218; B. 160, 165 v.)

DERDE AFDEELING.

Van het stuiten des huwelijks.

801. Bij stuiting des huwelijks moet het verzet gedaan worden bij eene akte, zoowel aan den ambtenaar van den burgerlijken stand, als aan de partij tegen welke het verzet gerigt is, door eenen deurwaarder beteekend. (Rv. 1 v., 5; B. 43, 107, 125, 126 n». 6.)

Deze akte zal bevatten de gronden van het verzet, en de hoedanigheid welke aan den opposant regt geeft om tegen het huwelijk op te komen. (B. 115 v., 122.)

Dezelve zal insgelijks bevatten de keus van eene woonplaats in de gemeente of gemeenten, waar het huwelijk moest voltrokken worden; alles op straffe van nietigheid. (B. 81, 108, 131. — C. 176; B. 114 v., 123.)

802. De eisch tot opheffing van het verzet moet op de gewone wijze worden aangebragt en behandeld voor de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort woonplaats is gekozen, en welke daarop met den meest mogelijken spoed beslissen zal (B. 121; Rv. 1 v., 801c.)

Indien woonplaats is gekozen onder het ressort van meer dan ééne arrondissements-regtbank, zal de zaak worden aangebragt voor eene dier regtbanken ter keuze van den aanlegger. (B. 81, 108, 131; Rv. 801c. - C. 177; B. 124; Rv. 56.)

803. (*) Van het vonnis, waarbij op de vordering tot opheffing van het verzet tegen het huwelijk is uitspraak gedaan, kan onmiddellijk het hooger beroep geschieden en moet liet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak; en ook voor het hooger beroep geldt de bepaling des vorigen artikels, a) (G. 178; Rv. 8, 81 v., 839, 342, 382 v., 398 v. 430.)

tegenstrijdig belang heeft, moet de vrouw, die magtiging noodig heett, daartoe aan de Regtbank een verzoekschrift indienen, waarop in de raadkamer zal worden beschikt.quot;

a) In art. 803 (oud) werden, in plaats van de woorden: „kanonmiddellijk bet hooger beroep geschieden en moet het worden ingesteld binnen veertien dagen na do uitspraakquot;, gelezen de woorden; „kan hot hooger beroep alleen binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis worden ingesteldquot;.

-ocr page 923-

BOEK III, TITEL \\I, ARTT. 799— 808.

VIERDE AFDEEL1NG.

Fan de scheiding van goederen.

804. Geen regtsgeding tot scheiding van goederen zaJ door de vrouw kunnen worden aangevangen, zonder autorisatie van den president der regtbank van het arrondissement binnen hetwelk haar man woonachtig is. (Pr. 865; B. 165, 166 n0. 2, 241, 298.)

805. Tot dat einde zal de vrouw welke scheiding van goederen vraagt, zich tot den president wenden met een verzoekschrift hare gronden bevattende, en zal deze bij bevelschrift op hetzelve geplaatst, partijen gelasten om op eenen bepaalden dag en een bepaald uur in persoon voor hem te verschijnen, ten einde tusschen dezelve, zoo mogelijk, eene bevrediging door zijne tusschenspraak te bewerken.

Van dit bevelschrift en verzoekschrift zal ten minste drie dagen vóór den bepaalden dag van verschijning een afschrift aan den man beteekend worden. (Pr. 865; Rv. 8, 806, 808A, 817, 818.)

806. (*) Ingeval de vrouw ten bepaalden dage niet verschijnt, zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt haar verzoek beschouwd als vervallen.

Indien partijen, beide verschenen zijnde, niet vereenigd hebben kunnen worden, of indien de man behoorlijk geroepen, niet is verschenen, verleent de president aan de vrouw de gevraagde autorisatie tot dagvaarding voor de regtbank.

Van den uitslag dezer verschijning wordt een procesverbaal opgemaakt, a) (Rv. 819.)

807. De eisch tot scheiding zal openbaar worden bekend gemaakt, door middel van aankondigingen, aangeplakt in de gehoorzaal en aan het gebouw van de regtbank, en geplaatst in een der dagbladen van de provincie, of, bij gebreke daarvan, in dat eener naburige provincie.

Die aankondigingen moeten behelzen:

1°. De vermelding van den eisch tot scheiding van goederen, en de dagteekening daarvan;

2°. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten.

De aanplakking geschiedt door eenen deurwaarder, en deze zal daarvan proces-verbaal opmaken. (Pr. 866—868, 871; Rv. 1 v., 5 v., 7 v., 286, 809, 811; B. 242, 243,247.)

808. (*) De maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek mag in het werk stellen, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en v/aar-dering van goederen, conservatoir beslag op de roerende goederen van de gemeenschap of van de vrouw, en conservatoir beslag op de onroerende goederen der gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van de tien volgende artikelen, h)

a) In art. 806 (oud) ontbrak het derde lid.

b) Art. 808 (oud). De maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek, met bewilliging

837

-ocr page 924-

838 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

(Rv. 247, 658 v., 678 v., 681 n°. 3, 727 v., 770A v., 8Ü9,825.)

808A. (*) Het verlof om een of meer dezer maatregelen te nemen zal aan den president de regtbank kunnen worden gevraagd bij of na het indienen van het verzoekschrift in artikel 805 bedoeld.

De president kan alvorens die bewilliging te verleenen, indien hij dit noodig oordeelt, den man oproepen, a) (B. 245; Rv. 289, 727, 770A, 825.)

808B. (*) Op het beslag op de roerende goederen van de gemeenschap of van de vrouw zijn toepasselijk de tweede zinsnede van het eerste lid en het derde lid van artikel 440, de artikelen 443, 444, 447, 448, het eerste lid van artikel 450, de artikelen 452, 453, 454 en 733 van dit Wetboek.

Tot bewaarders van het goed zullen niet mogen worden aangesteld de arrestante, noch de kinderen of kleinkinderen der beide echtgenooten of van een hunner, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van den gearresteerde, a) (Rv. 450b, 808. 825.)

808C. (*) Onder het beslag zullen niet begrepen worden de roerende goederen, welke door den gearresteerde worden aangetoond, niet tot de gemeenschap of niet aan de vrouw te behooren, alles behoudens ieders regt, waarover hetzij krachtens artikel 808D, het zij bij de toepassing van het laatste lid van artikel 808E, de beslissing des regters kan worden ingeroepen, d) (Rv. 289, 448, 449, 825.)

808D. (*) Die eigenaar beweert te zijn der in beslag ge-nomene goederen of van een gedeelte daarvan, kan tegen de inbeslagneming opkomen op de wijze in artikel 456 bedoeld. a) (Rv. 808, 808E, 825.)

808E. (*) Het vonnis houdende afwijzing van den eisch tot scheiding beveelt tevens de opheffing van het beslag.

Bij toewijzing der scheiding houdt het beslag op door de werkelijke verdeeling der goederen van de gemeenschap of door de afgifte aan de vrouw van hare goederen, a) (B. 246, 249; Rv. 808B, 812, 825)

808F. (*) Op het beslag op de onroerende goederen van de gemeenschap is het bepaalde bij het eerste lid van artikel 770B toepasselijk, a) (Rv. 504, 505, 506, 808G, 825.)

808G. (*) De overschrijving van het beslag op de onroerende goederen wordt in de openbare registers doorgehaald:

1°. uit kracht van de toestemming der vrouw tot doorhaling van de overschrijving, blijkende in voege als bepaald in artikel 1240 van het Burgerlijk Wetboek. (Rv. 808A.)

2°. uit kracht van het vonnis houdende afwijzing van den eisch tot scheiding of last tot opheffing van het beslag. Buiten de toestemming der belanghebbenden wordt de overschrijving niet doorgehaald dan met inachtneming der bepaling van artikel 432 van dit Wetboek met deze wijziging, dat de termijn van acht

van den regter mag in het werk stellen, zijn de verzegeling, boedel-■besohrijving en waardering van goederen.

o) De artikelen S0SA—808J zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 925-

DOEK III, TITEL VI, ARTT. 808A—811.

dagen na de beteekening van het vonnis vervangen wordt door dien van ééne maand na de uitspraak.

3°. uit kracht van eene verklaring van den griffier bij het regterlijk collegie, waar de eisch tot scheiding laatstelijk aanhangig was, dat van de instantie is afstand gedaan of dat dezelve is vervallen. (Rv. 277 v., 279 v.)

4°. ambtshalve door den hypotheekbewaarder bij de overschrijving van de akte van scheiding der huwelijksgemeenschap of een uittreksel daarvan. (B. 181 v.)

Artikel 770G van dit wetboek is ook hier van toepassing. a) (B. 1239 v.; Rv. 808F j0. 770Ba en 505, 808H, 825.)

808H. (*) Opheffing van het beslag op de roerende of onroerende goederen, hetzij geheel, of ten deele, wordt tegen voldoende zekerheidsstelling op verzoek van den man bevolen door den regter, voor wien de eisch tot scheiding aanhangig is.

Magtiging tot vervreemding of bezwaring van de in beslag genomen goederen kan door denzelfden regter worden verleend, onder zoodanige voorwaarden, als door hem noodig zullen worden geacht om te voorkomen, dat de belangen der vrouw daardoor worden benadeeld.

In beide gevallen wordt de vrouw vooraf gehoord of moet blijken, dat zij tot dat einde behoorlijk is opgeroepen, a) (Rv. 732a, 769, 770Aamp;, 808B, 808F, 825.)

8081. (*) Het beslag op de roerende of onroerende goederen verhindert niet de inbeslagneming en uitwinning daarvan door derden wegens schulden vóór de inbeslagneming aangegaan.

Het overschot van de opbrengst eener door derden vervolgde uitwinning wordt ten behoeve van de belanghebbenden geconsigneerd, a) (Rv. 439 v., 480b, 491 v., 562, 794 v., 808 v., 825.)

808J. (*) Het beslag op de roerende of onroerende goe-laat ongedeerd het aan den man toekomend genot der inkomsten, onverminderd zijne verpligtingen tegenover zijne vrouw krachtens de wet of huwelijksche voorwaarden, a) (B. 162, 177, 195b, 201; Rv. 808, 8081.)

809. Behoudens de voorzieningen, strekkende tot bewaring van regt, mag er op den eisch van scheiding geen vonnis worden uitgesproken, dan eene maand nadat de hierboven voorgeschrevene formalifeilen zullen zijn in acht genomen. (Pr. 869; Rv. 324 n0. 7, 807, 808 v.; B. 243.)

810. De enkele bekentenis van den man geldt niet als bewijs, al ware het ook dat er geene schuldeischers mogten zijn. (Pr. 870; B. 241b, 243, 1962; Rv. 237.)

811. De scheiding van goederen zal openbaar worden aangekondigd:

839

1°. Door een uittreksel van het vonnis, hetwelk gedurende een jaar aangeplakt zal zijn in de gehoorzaal der regtbank van het arrondissement, alwaar de man zijne woonplaats heeft; (Rv. 812.)

quot;) De artikelen S08A—808J zijn nieuw bijgevoegd.

-ocr page 926-

840 WETBOEK VAN HÜRGERLIJKE REÖTSVORDERING.

2°. Door het aanplakken van een gelijk uittreksel in de gemeente alwaar de man zijne woonplaats heeft, op de plaatsen alwaar zulks te doen gebruikelijk is;

3°. Door de driemaal herhaalde plaatsing van zoodanig uittreksel in een der dagbladen der provincie, of, bij gebreke van dien, in een dagblad, van eene naburige provincie, en zulks met tusschenpozing van eene maand t\'elken reize.

Dat uittreksel moet bevatten de dagteekening van het vonnis en de aanduiding der regtbank, door welke hetzelve gewezen is; de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten. (Pr. 872. — B. 244a; Rv. 804, 807, 828.)

812. De vrouw mag niet beginnen het vonnis ten uitvoer te leggen dan van den dag af, waarop de bij het voorgaande artikel voorgeschrevene formaliteiten zullen vervuld zijn, zonder dat zij echter behoeve te wachten totdat de termijn van een jaar, vastgesteld bij n0. 1 van het voorgaande artikel, verloopen zij. (Pr. 872; B. 246; Rv. 809.)

813. Indien de vereischten, in deze afdeeling voorgeschreven, inachtgenomen zijn, zal, nadat de termijn watirvan in het voorgaande artikel gesproken wordt, verschenen is, het vonnis van scheiding ook ten aanzien van de schuld-eischers van den man geldig zijn. (Pr. 873; B. 243, 2446, 247, 1377; Rv. 376.)

814. De van goederen gescheiden vrouw, die van de gemeenschap wil afstand doen, moet deswege hare verklaring afteggen ter griffie van de regtbank, door welke op den eisch van scheiding is regt gesproken. (Pr. 874; B. 78,181 n°. 5, 183, 187; Rv. 804.)

815. De akte, waarbij de gemeenschap van goederen wordt hersteld, moet op dezelfde wijze worden bekend gemaakt als bij artikel 811, n0. 2 en 3, ten aanzien der scheiding van goederen is voorgeschreven. (B. 251, 252, 2536.)

VIJFDE AFDEELING.

Van echtscheiding.

816. De echtgenoot, die eenen eisch tot echtscheiding wil doen, is verpligt aan de regtbank in te dienen een verzoekschrift, bevattende de opgave der daadzaken en der te nemen conclusiën, met bijvoeging der tot bewijs streks-kende stukken. (B. 78. 165, 166 n®. 2, 262, 264, 265.)

Dit verzoekschrift moet aan den voorzitter, of aan den regter die deszelfs plaats vervult, overhandigd worden door den eischenden echtgenoot in persoon, aan welken die voorzitter zoodanige bedenkingen zal voorhouden, als hij zal oordeelen te behooren.

Indien de eischer wettiglijk verhinderd is om zich bij den president te vervoegen, zal deze zich naar deszelfs woon-

-ocr page 927-

BOEK III, TITEL VI, ARTT. 81\'2—821. 841

plaats begeven, om hem zijne bedenkingen onder het oog te brengen.

Indien de eischer woonachtig is buiten de plaats alwaar de regtbank is gevestigd, kan de president dit aan den kan-tonregter opdragen, welke daarvan een proces-verbaal zal opmaken en dit zonder verwijl aan hena inzenden. (R. O. 25. — G. 236; Pr. 875, 1035; B. 265; Rv. 804.)

817. Indien de eischer volhardt, zal de voorzitter aan den voet of kant van het verzoekschrift gelasten, dat beide echtgenooten op eenen bepaalden dag en uur voor hem zullen verschijnen. (Rv. 816.)

Een afschrift van dat bevel zal door den griffier aan den verweerder worden toegezonden. (Rv. 4 n0. 7, 786, 805; F. 109; C. 237, 238; Pr. 876.)

818. De echtgenooten zijn gehouden in persoon te verschijnen, zonder zich door nabestaanden of raadslieden te kunnen doen bijstaan. (Pr. 877.)

819. Op den bepaalden dag maakt de president aan beide echtgenooten of aan den eischer, indien deze alleen verschenen is, zoodanige aanmerkingen als hij raadzaam oordeelt om eene verzoening te weeg te brengen. Ingeval de eischer niet verschijnt zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt het verzoek van echtscheiding gehouden voor vervallen.

Van den uitslag van deze verschijning wordt een procesverbaal opgemaakt. (C. 239; Pr. 878; Rv. 806, 821.)

820. (*) De president kan, bij niet-vereeniging, de vrouw magtigen in hetzelfde proces-verbaal, om bij voorraad haren intrek te nemen in zoodanig huis, als partijen zullen zijn overeengekomen of als hij van ambtswege zal aanwijzen, en tevens bevelen dat de goederen tot haar dage-lijksch gebruik strekkende, aan haar zullen worden ter hand gesteld. Insgelijks kan hij bij voorraad bepalen bij wien der echtgenooten de kinderen inmiddels zullen verblijven.

De president zal ook, daartoe gronden vindende, de som kunnen bepalen welke voorloopig door den echtgenoot zal worden verstrekt, tot onderhoud van de vrouw en de kinderen welke bij laatstgemelde mogten verblijven.

Deze beschikkingen behouden gedurende het regtsgeding hare kracht, totdat de regter omtrent het onderwerp dier beschikkingen mogt hebben uitspraak gedaan, a) (C. 267,268; Pr. 878; B. 78, 161b, 267 v., 280 v.; Rv. 821, 824.)

821. Indien de president de echtgenooten niet heeft kunnen vereenigen, verleent hij aan den eischer verlof om bij gewone dagvaarding den eisch tot echtscheiding in te stellen.

Indien de vrouw eischeres is, zal zij dien eisch moeten instellen binnen veertien dagen na het daartoe verleende verlof; bij gebreke van dien zullen de voordeelen vervallen, welke haar krachtens het vorige artikel mogten zijn toegekend. (C. 240; Pr. 878; Rv. 1 v., 5, 8, 820.)

a) In art. 820 (oud) ontbrak het derde lid.

-ocr page 928-

842 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

822. De zaak zal behandeld worden in denzelden vorm, welke voor andere vorderingen is vastgesteld; zij zal met geslotene deuren worden bepleit, doch het vonnis zal in het openbaar worden uitgesproken. (C. ^41; Pr. 879, 881; Rv. 133 v., 135 v., 824 n®. 7; B. 262, 263 j». Rv. 76; R. O. 20 j0. Rv. 18.)

823. Indien er gronden zijn om bewijs bij getuigen toe te laten, zal het verhoor der getuigen op de teregfzitting, doch met gesloten deuren, plaats hebben. (C. 253; Rv. 199 v., 827; R. O. 20 jquot;. Rv. 18.)

824. (*) De incidentele vorderingen, gedaan naar aanleiding van artikel 268 en 269 van het Burgelijk Wetboek en die tot wijziging of opheffing der presidiale beschikkingen bedoeld bij artikel 820 van dit Wetboek, zullen bij met redenen omkleede conclusiën worden gedaan, a) (Pr. 878; B 267; Rv. 247 v.)

825. (*) De maatregelen, welke de vrouw naar aanleiding van artikel 270 van het Burgerlijk Wetboek mag nemen tot bewaring van haar regt, zijn dezelfde als die, welke haar ingeval van aangevraagde scheiding van goederen in artikel 808 van dit Wetboek zijn toegekend. Zij zal echter tot het leggen van conservatoir beslag alleen verlof kunnen bekomen in geval van gegronde vrees voor verduistering. 6) (C. 270; Rv. 727, 808A—808J, 826.)

826. De formaliteiten voor de echtscheiding voorgeschreven, zijn mede toepasselijk op de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning, wegens bepaalde oorzaak. (Pr. 881; B. 288a j°. 264, 289, 301 jquot; 267 en 268; Rv. 822, 827, 828; B. 265 jquot;. 301. — B. 291- 296.)

827. Het voorschrift van artikel 1951 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk, zoowel bij de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning wegens bepaalde oorzaak, als bij de vordering van echtscheiding; met deze bepaling echter voor de beide regtsgedingen, dat de ouders en kinderen der echtgenooten zich van het geven van getuigenis zullen kunnen verschoonen. (C. 251; B. 262 v., 288«. 1947, 1950; Rv. 816 v.)

828. De vonnissen, waarbij echtscheiding of de scheiding van tafel en bed uitgesproken wordt, moeten openbaar worden gemaakt op de wijze bij artikel 811 hiervoren vastgesteld. (Pr. 880; B. 48, 276; Rv. 334, 339.)

a) Art. 824 (oud). De incidentele vorderingen, gedaan naar aanleiding van artikel 208 en 209 van het Burgerlijk Wetboek, zullen bij eene eenvoudige akte ter rolle worden gebragt en summier beslist.

h) Art. 825 (oud). De maatregelen, welke de vrouw, naa:: aanleiding van artikel 270 van hetzelve Wetboek, bij regterlijke magtiging mag nemen tot bewaring van haar regt, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering der goederen.

II

-ocr page 929-

BOEK m, TITEL VI, ARTT. 822—836.

ZESDE A F p E E L I N G.

Van de aanvulling of verbetering van de akten van den burgerlijken stand.

829. Degene die, krachtens artikel 70 van het Burgerlijk Wetboek, de aanvulling of verbetering van eene akte van den burgerlijken stand in regten wil doen bevelen, moet daartoe aan de regtbank, waarvan in artikel 71 van hetzelve quot;Wetboek is melding gemaakt, een met redenen bekleed verzoekschrift indienen. (Pr. 855; B. 26; Bv. 830.)

830 Indien de regtbank beveelt dat de belanghebbende partijen zullen opgeroepen worden, geschiedt zulks bij dagvaarding of indien het ■verzoek gedaan wordt in een aanhangig regtsgeding bij akte van procureur tot procureur. (Pr. 856; Bv. 1, 5 v., 138c )

831. De zaak zal op den bepaalden dag ter rolle gebragt en als eene gewone vordering behandeld worden, a) (B. 1., a. 37 v.; Bv. 133 v., 135 v, 324 n°. 2; B. 71, 72.)

832. Het vonnis is aan hooger beroep onderworpen, al ware ook de verzoeker van aanvulling of verbetering alleen in het geding.

In het laatstgemelde geval zal het hooger beroep worden vervolgd op een eenvoudig verzoekschrift. (Pr. 858; B. 71, 72, 73; Bv. 345)

ZEVENDE A.FDEELING.

Van dwanguitgifte van akten.

833- Die zich in den loop van een geding een afschrift of uittreksel wil doen afleveren van eene akte, waarin hij geene partij is geweest, moet zijnen eisch tot dwanguitgifte doen bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur. (Pr. 846, 847; W. not. ambt, a. 42; B. 1923; Bv. 5,834, 836, 838, 839.)

834 (*) De eisch zal ten dage bij de akte bepaald, op de teregtzitting gebragt worden. 6) (Pr. 847; B. I, a. 37 v.)

835. De tenuitvoerlegging van het vonnis, niettegenstaande verzet of hooger beroep, kan, indien de regter daartoe gronden vindt, bevolen worden. (Pr. 848; Bv. 52 v., 833.)

836. Op de vertooning van het vonnis moet het afschrift of uittreksel der akte door den notaris of be waarder worden afgeleverd, en daarvan proces-verbaal door hem worden opgemaakt.

a) In art. 831 (oud) werd, in plaats van de woorden: „als eene gewone vorderingquot;, gelezen het woord „summierlijkquot;.

b) In art. 834 (oud) werden, in plaats van de woorden: „op de teregtzitting gebragt wordenquot;, gelezen de woorden; „op de teregtzitting gebragt, en summierlijk behandeld wordenquot;.

843

-ocr page 930-

844 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Partijen kunnen bij het opmaken van dat proces-verbaal tegenwoordig zijn, en hunne aanmerkingen in hetzelve bijvoegen. a) (Pr. 849, 850; Rv. 432.)

837. Indien er geschillen deswege mogten ontstaan, zullen dezelve op eenen bij het proces-verbaal bepaalden dag en zonder eenige nadere aanzegging ter rolle worden gebragt; de bewaarder der akte zal dezelve moeten medebrengen, indien gronden daartoe aanwezig zijn.

De regtbank zal in dat geval, na de oorspronkelijke akte met het afschrift of het uittreksel vergeleken te hebben, deswege uitspraak doen.

De kosten van het proces-verbaal, en die van de reis of verplaatsing des bewaarders, benevens die van het afschrift of uittreksel, moeten door den eischer voorgeschoten worden. (R. I, a. 37; Rv. 133d, 289, 585 n0. 6, 836a; Stb. 1847 n0. 12, a. 7, afgedrukt blz. 1217. — Pr. 851, 852.)

838. De griffiers en andere bewaarders van openbare registers moeten daarvan, zonder regterlijk bevel, tegen betaling der hun toekomende regten, afschrift of uittreksel afleveren aan alle degenen die zulks vorderen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. Niettemin zullen aan hen die geene partijen in de zaak zijn geweest geene uitgiften van arresten of vonnissen in strafzaken kunnen worden uitgereikt, zonder magtiging van den voorzitter van het hof of de regtbank, welke dezelve geveld heefr,, en het verzoek daartoe zal alleen worden toegestaan op het bewijs, dat de verzoeker daaabij belang heeft. (Pr. 853; R. I, a. 61 v.; Rv. 433; B.24,265,1265a, 1268,1274,1441.)

839. De notarissen of andere houders van minuten of akten moeten daarvan tegen betaling der kosten afschrift uitreiken, zoowel aan de onmiddellijk belanghebbende personen als aan hunne erfgenamen of regtverkrijgenden.

In geval van weigering, kunnen zij daartoe veroordeeld worden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn, en zelfs bij lijfsdwang. (Pr. 839, 843; W. not. ambt, a. 42, 43; B. 879,880,1002, 1004, 1279 v., 1354; Rv. 56, 585 n0. 11, 841.)

840. (*) Het geschil deswege wordt als eene gewone vordering behandeld, en de regter kan, indien hij daartoe gronden vindt, de ten uitvoerlegging van het vonnis bij voorraad bevelen, niettegenstaande verzet of hoogerbercep. 6) (Rv. 53, 133 v., 135 v., 836, 837.)

Ten aanzien van de schadevergoeding echter is dit laatste alleen toegestaan tegen voldoende zekerheid. (R v. 55.—Pr. 840.)

841. De partij, welke zich eene tweede of verdere grosse wil doen afgeven, zal tot dat einde een verzoekschrift indienen bij de regtbank van het arrondissement waarin de bewaarder zijne woonplaats heeft; zij moet, krachtens het bevelschrift dat daarop vallen zal, bevel doen aan den bewaarder om op eenen bepaalden dag en uur de afgifte

a) Lees: doen bijvoegen,

b) In art. 810 (oud) eerste lid werd. in plaats van de ■woordem „als eene gewone vorderingquot;, gelezen het woord: „summierlijkquot;.

i if

I

-ocr page 931-

BOEK in, TITEL VI, ARTT. 837—847,

te doen en aan de belanghebbende partijen, om bij de afgifte tegenwoordig te zijn; aan den voet van de tweede a) grosse moet melding worden gemaakt van dat bevelschrift, mitsgaders van de som voor welke het stuk ten uitvoer kan worden gelegd, indien de schuldvordering gedeeltelijk is voldaan of afgestaan. (Pr. 844; W. not. ambt, a. 43, 44: Rv. 7, 10, 430, 836.)

842. (*) In geval van tegenspraak wordt het geschil voor de regtbank gebragt. a) (Pr. 845; Rv. 435 v., 432, 837; W. not. ambt, a. 44b.)

843. Aan dezelfde partij mag geene tweede of verdere uitgifte in executorialen vorm van een vonnis gedaan worden, dan krachtens een bevelschrift van den voorzitter der regtbank, door welke hetzelve gewezen is; en moeten hieromtrent daarenboven worden in acht genomen do vormen welke voorgeschreven zijn ter bekoming van tweede h) grossen van akten. (Pr. 854; Rv. 430, 841 v.)

ACHTSTE AFDEEL1NG.

Van regtsweigering.

844. Er bestaat regtsweigering, indien de regters weigeren op verzoekschriften te beschikken, of een voor hen aanhangig regtsgeding te beslissen. (Pr. 506; A. 13; R. I, a. 59; Rv. 628, 846.)

845. liet bewijs van regtsweigering wordt daargesteld door twee geregtelijke aanmaningen aan de regters gedaan in den persoon van den griffier, en beteekend van drie tot drie dagen ten minste, ten aanzien van de kantonregters, en van acht tot acht dagen ten minste ten aanzien der andere regters. Alle deurwaarders, daartoe verzocht, zijn gehouden deze aanmaningen te doen, op straffe van afzetting.

De regter kan, zes dagen na de tweede aanmaning, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden vervolgd. (Pr. 507, 508; Rv. 1 v., 8; R. IV, a. 8. 10, 14; B. 1274, 1282, 1401, 1402.)

846. De regtsvordering uit hoofde van regtsweigering tegen eenen kantonregter, tegen eene arrondissements-regt-bank of tegen iemand van hare leden, zal gebragt worden in het eerste en hoogste ressort voor liet geregtshof.

De regtsvordering tegen een geregtshof, of tegen een van deszelfs leden, mitsgaders tegen een lid van den hoogen raad, zal gebragt worden voor den hoogen raad. (Pr. 509; G. 165; R. O. 65; Rv. 360.)

847. De voorschreven regtsvordering zal worden aangelegd bij wege van een verzoekschrift, ingediend bij het hof hetwelk er kennis van moei nemen.

a) In art. 812 (oud) volgden nog de woorden: „en summierlijk behandeldquot;.

h) Lees; tweede of verdere.

845

-ocr page 932-

846 WETBOEK. VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

Het verzoekschrift zal, behalve door den procureur, ook geteekend worden door den verzoeker of zijnen bij authentieke en bijzondere volmagt daartoe gemagtigde, en welke volmagt bij het verzoekschrift zal worden gevoegd; alles op straffe van nietigheid.

De bewijsstukken, indien er eenige zijn, zullen er worden bijgevoegd, en de verzoeker zal woonplaats kiezen in de plaats daar het hof zitting houdt. (Pr. 511; B. 81, 1971; Rv. 90, 133, 278, 743; F. 214.)

848. Het hof zal bevelen, dat het verzoekschrift worde medegedeeld aan den regter tegen wien het gerigt is. Daartoe zal een afschrift van dat bevel en van het verzoekschrift, met de daarbij gevoegde bewijsstukken, binnen eenen termijn van veertien dagen, ter griffie van dien regter worden beteekend. (Pr. 514; Rv. 8.)

849. Binnen veertien dagen na die beteekening, is deze regter gehouden zijne middelen van verdediging in te brengen bij een schriftelijk antwoord ter griffie van het hof, dat over de aanklagte oordeelt, en dat antwoord aan den verzoeker te beteekenen. (Pr. 514; Rv. 8, 851.)

850. De regters, tegen welke de vordering gerigt is, zullen zich, gedurende het onderzoek daarvan, onthouden van de kennisneming van het bij hen aanhangig geding, waarin de beweerde regtsweigering heeft plaats gehad, mitsgaders van alle zaken, welke hij, die vordering heeft, gedaan, bij hunne regtbank mogt aanhangig hebben, op straffe van nietigheid der vonnissen.

Zij zullen zich, op gelijke wijze en mede op straffe van nietigheid, moeten onthouden van de kennisneming der bij hunne regtbank aanhangige zaken waarin naastbe-staanden in de regte linie van hem die de vordering gedaan heeft of deszelfs echtgenoot partij zijn, indien zulks door deze wordt gevorderd. (Pr. 514; Rv. 30 n0. 790.)

851. Het hof, waarvoor de vordering wegens regtsweigering aanhangig is gemaakt, zal op de stukken, na den afloop van de hiervoren bepaalde termijnen, uitspraak doen, ten zij hetzelve het indienen van nadere memorien mogt toelaten.

Die memorien zullen beteekend worden op dezelfde wijze als bij de artikelen 847 en 848 a) is voorgeschreven. (Pr. 515; Rv. 170 v., 324 n». 4, 398, 846, 849.)

852. Indien de regtsvordering gegrond is, zal de regter worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den verzoeker.

Het geding waarin eene regtsweigering heeft plaats gehad, zal, zoo daartoe gronden zijn, naar eenen anderen regter worden verwezen. (B. 1282; Rv. 612.)

853. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 7 April \'1869 (Stb. n». 55). b)

a) Waarschijnlijk bedoeld: S48 en 849.

b) Art. 853 luidde: „Indien het verzoek wordt afgewezen, zal de verzoeker verwezen worden in eene boete van honderd gulden.

-ocr page 933-

BOEK m, TITEL VI, .VRTT. 848 —856.

NEGENDE AFDEELING.

Van overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren.

854. De overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren, waarvan, volgens de wet, de burgerlijke regter kennis neemt, zullen, zoowel in den eersten aanleg als in hooger beroep, op dezelfde wijze als strafzaken ter kennisneming van de arron• dissements-regtbank worden vervolgd en beregt. (C. 50; Loi du 25 Ventóse an XI, a. 53 (Fortuijn It, 231); W. not. ambt, a. 54 j®. Inv. 10 n0.6; W. kerkgenootsch. a. 9 en 10 a. (zie chron. lijst) j». Inv. 10 n0. 10, 11a; R. 0.50,70,100; Sv. 141 v.; Stb. 1843 n0. 37, a. 19 (Tar. a. 19) j0. Inv. 10 n0. 7; Stb. 1869 n0. 57, a. 30 j0. Inv. 10 n0. 22 en 11a; Sr. 468D.)

Aldus gewijzigd hij artA. {quot;.der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265). «)

TIENDE AFDEELING.

Van de toelating om kosteloos te procederen.

Vg. de Besluiten van 2 Februari 1814 n0. 4 (Stb.

1821 n0. 27) en van 26 Mei 1824 (Stb. n0. 35).

856. Aan zoodanige personen, welke, eischende of verwerende, in regten mogten willen optreden, en die van hun onvermogen om proceskosten te dragen kunnen doen blijken, kan door den regter, bij wien het regtsgeding of geschil moet worden aangevangen of hangende is, vergunning worden verleend om kosteloos te procederen (B. 1690, 1692.)

Arme of onvermogende vreemdelingen, mitsgaders buiten-landsche armen-directiën of kerkbesturen zijn hiervan uitgesloten, ten zij bij uitdrukkelijke overeenkomst anders mogt zijn bedongen. (W. Nederl. sch., a. 12, zie chron. lijst; Stb. 1884 no. 214; Stb. 1884 nquot;. 227; Stb. 1822 n0. 41; Stb. 1826 n0. 40; Stb. 1841 n0. 27; Stb. 1884 n». 214 en 227; Stb. 1893 nquot;. 224; Stb. 1894 n0. 10; — F. 16; R. Ill, a. 13—17.)

847

856. Die vergunning wordt verzocht, bij requeste op ongezegeld papier geschreven, en door eenen procureur, des noods door den president daartoe aangewezen, onderteekend, indien het verzoek aan een hof of aan eene arrondisse-ments-regtbank is gerigt. (Rv. 133 v., 857 v., 859, 860, 867, 871 n0. 1.)

a) Oorspronkelijk werden, in plaats van de woorden: „strafzaken ter kennisneming van de arrondissemonts-regtbank,quot; gelezen de woorden: „correctionele zaken.quot;

-ocr page 934-

848 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

867. Hetzelve bevat de voordragt der daadzaken en summiere opgave van de gronden der vordering of verdediging des verzoekers.

858. Bij hetzelve moet worden overgelegd een certificaat van het onvermogen des verzoekers, afgegeven door het hoofd van het bestuur zijner woonplaats, op het getuigenis, het zij van wijk- of buurtmeesteren, het zij van ten minste twee bekende en geloofwaardige manspersonen. (Rv. 855; Stb. 1827 n#. 6; Zegelw., a. 27, A. 6° ; Sr. 230.)

859. Het hof of de regtbank beveelt, bij eenvoudig appointe-ment op het request, de oproeping van de wederpartij des verzoekers tegen eenen bekwamen termijn, voor twee com-

■ missarissen uit haar midden, bij het appointement benoemd, en voegt, naar gelang der zaak, aan den verzoeker, eenen procureur of eenen advokaat en procureur toe, om hem op de comparitie bij te staan. (Rv. 21, 860, 864, 867, 871, n0. 2 en 3; R. Hf, a. 17 v.)

860. Het request en appointement wordt van wege den verzoeker, door eenen deurwaarder ten minste vier dagen vóór den bepaalden dag der comparitie, aan den persoon of aan de woonplaats der wederpartij kosteloos beteekend, met achterlating van een afschrift van hetzelve.

Dit exploit zal gratis worden geregistreerd en, evenals het daarvan te geven afschrift, vrij van zegel zijn. (Rv. 1 v., 7, 8, 856, 859, 866 v., 871 n°. 2.)

861. (*) Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd voor commissarissen verschijnt, zal zij het verzoek kunnen tegenspreken, a) (Rv. 137, 859, 860, 862, 871 n0. 2.)

862. (*) Het hof of de regtbank onderzoekt, op rapport van commissarissen, of genoegzaam van het onvermogen des verzoekers blijft, en staat in dat geval het verzoek toe, tenzij de regter reeds bij voorraad mogt bevinden, dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot, b) (Rv. 855, 858, 871 n0. 2, 874; B. 1904; K. 444.)

863. (*) Ingetrokken, c)

864. (*) Bij toewijzing wordt aan den verzoeker een procureur of een advokaat en een procureur toegevoegd.

.

a) Art. 801 (oud). Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd niet Toor commissarissen verschijnt en alzoo geeno tegenspraak doet, onderzoekt het hof of de regtbank op rapport van commissarissen, of genoegzaam van het onvermogen des verzoekers blijkt, eu staat in dat geval het verzoek toe, ten zij de regter reeds bij voorbaat mogt bevinden, dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot.

b) Art. 8G2 (oud). Bij verschijning der geroepene wederpartij, kan zij het verzoek tegenspreken, op grond dat reeds aanvankelijk volkomen van de ongegrondheid van des verzoekers beweren blijkt, het zij wat de daadzaken betreft, door afdoende bewijsstukken, het zij wat het regt betreft, uit hoofde van uitdrukkelijke wetsbepaling

c) Art. 803 (oud). De tegenspraak kan ook geschieden op grond dat het bewijs van onvermogen ontbreekt of gebrekkig is, of op grond eener aanwijzing van genoegzaam bezit van vermogen det verzoekers.

-ocr page 935-

BOEK UI, TITEL VI, ARTT. 857—869.

indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos bij te staan, a) (Rv. 856, 859, 871 n0. 3, 875.)

865. Indien de verkrijger der kostelooze toelating in eersten aanleg is in het ongelijk gesteld, zal hij in hooger beroep of in cassatie, niet kosteloos kunnen procederen, alvorens van den hoogeren regter op nieuw daartoe te zijn toegelaten, op dezelfde wijze als voor den eersten aanleg is voorgeschreven.

Indien hij echter in eersten aanleg in het gelijk is gesteld, behoeft hij geene nadere toelating om in hooger beroep of cassatie kosteloos te procederen, en wordt hem alleen op zijn verzoek een advocaat en procureur toegevoegd. (Rv. 855,862.)

866. Alle exploiten zullen worden gedaan door eenen deurwaarder, woonachtig in het kanton, binnen hetwelk het exploit moet geschieden, of indien er geen is, door eenen deurwaarder uit een nabij gelegen kanton. (Rv. 860, 867.)

867. Het vonnis van toelating om kosteloos te procederen, mitsgaders al de akten, welke hetzelve zijn voorafgegaan, zijn vrij van zegel en zullen gratis worden geregistreerd ; ook zullen daarvan geene salarissen van deurwaarders, procureurs of advokaten kunnen worden berekend, noch in eenig geval, het zij op den verzoeker, het zij op de wederpartij, kunnen worden verhaald. (Rv. 856,8C0, 864, 866, 869.)

868. Het gevolg van de verleende toelating om kosteloos te procederen, is, dat de geregtelijke akten van de zijde des verkrijgers in debet voor zegel zullen worden geviseerd en geregistreerd, h) mitsgaders dat aan hem, die de toelating verkregen heeft, geen salaris van praktizijns of deurwaarders, aan zijne zijde gevallen, kan worden in rekening gebragt. (Stb. 1843 n0. 37, a. 21; Stb. 1843 nö. 38, a. 7 (Tar. a. 21, 28); Stb. 1869 n#. 55; B. 498, 523c, 549 enz.; Rv. 869.)

869. Indien de wederpartij van hem die de toelating verkregen heeft in het ongelijk gesteld, en dienvolgende in de kosten verwezen wordt, zullen de salarissen van practi-zijns en deurwaarders, mitsgaders de zegel- en registratie-regten c) op dezelve kunnen worden verhaald, evenals of er niet kosteloos ware geprocedeerd. (Rv. 56 v., 866, 867, 868; Zegelw., a. 21 (Tar. a. 21).)

a) Art. SCI (oud). Op het rapport van commissarissen wordt het vorzoelc toe- of afgewezen, en bij toewijzing aac den verzoeker eeu procureur of een advucaat en een procureur toegevoegd, indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos hij te staan.

/gt;) De oorspronkelijk hier voorkomende woorden: „en dat ook de daarop verschuldigde griffie-regten en judiciële boeten in debet zullen worden gesteldquot;, zijn vervallen ten gevolge van de afschaffing der gvitïie-rechten en judiciële boeten bij de Wetten van 31 December 1S1C (Stb. no. 105) en van 7 April 1869 (Stb. no. 55). Zie de noot op dit artikel in O. E. 1896.

c) Oorspronkelijk werden hier gelezen de woorden: „griffie-, zegelen registratie-regten en judiciële boeten;quot; de woorden: „griffie-rogtenquot; en „judiciële boetenquot; zijn vervallen bij de wetten vermeld in de vorige noot.

849

54

-ocr page 936-

850 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

870. Indien daarentegen de verkrijger der toelating bij eindvonnis in het ongelijk gesteld, en in de kosten verwezen wordt, staat het de wederpartij vrij, om de kosten van hare zijde gevallen, op hem, zoo mogelijk, te verhalen. (Rv. 56, 868, 869.)

871- (*) Indien er grond is om bij eenen kantonregter kosteloos te procederen, gelden ook daar de vorenstaande bepalingen, onder de navolgende wijzigingen:

1°. Dat het verzoekschrift alleen door of namens den verzoeker behoeft te zijn onderteekend; a) (Rv.856.)

\'2°. Dat de wederpartij voor den kantonregter wordt opgeroepen, en door dien wordt gehandeld en beslist overeenkomstig de artikelen 860, 861, 862 en 863;

3°. Dat geene toevoeging van praktizijn, bij artikel 864 vermeld, plaats heeft. (Rv. 859.)

872. (*) Indien in het algemeen behoeftigen in dezen titel omschreven, buiten eigenlijk regtsgeding, eenige geregtelijke magtiging, goedkeuring of andere regterlijke beschikking op eenvoudige requesten of andere aanvragen behoeven, kunnen zij, voorzien van het bewijs van onvermogen, bij artikel 858 vermeld, hunne requesten daartoe strekkende, met overlegging van dat bewijs, op ongezegeld papier indienen, en zal de beschikking vrij zijn van zegel en gratis worden geregistreerd, en wijders vrij van alle andere kosten aan hen worden uitgereikt.

Ook kan aan behoeftigen vergunning worden verleend tot het kosteloos tenuitvoerleggen van regterlijke beschikkingen en executeeren van grossen, b) (B. 70 v., 169, 431, 451 v., 458, 475; Rv. 430 v., 439 v., 491 v., 563 v., 585 v., 798, 829 v.. 858, 808, 873; Zegelw., a. 24; Stb. 1843 n°. 38, a. 7 (Tar. a. 21, 28); Stb. 1815 nquot;. 24; W. not. ambt, a. 6amp;.)

873. (*) Zoo noodig wordt aan de behoeftigen, indien zij niet van eenen procureur voorzien zijn, door den president een procureur aangewezen en toegevoegd, c) (Rv. 864, 868,872.)

874. Armeninrigtingen, besturen van gods-en gasthuizen, benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het rijk, kunnen op gelijke wijze, met gelijk gevolg als in dezen titel, ten aanzien van onvermogenden is bepaald, kostelooze toelating vragen en erlangen, zonder verpligt te zijn tot overlegging van een bewijs van onvermogen. (Rv. 855 v., 658; Armenw. a. 76.)

875. De uitspraken der hoven, regtbanken en kanton-regters, aangaande de toelating om kosteloos te procederen, zijn aan geen hooger beroep onderworpen. (G. 165; R. O. 95; Rv. 333, 398.)

a) In art. 871 (oud) lo. ontbraken achter het woord: „doorquot; de woorden ,.of namensquot;.

b) In art. 872 (oud) ontbrak het tweede lid.

c) In art, 873 (oud) werden, in plaats van de aanvangs-woorden: „Zoo noodigquot;, gelezen de woorden: „In dat gevalquot;.

-ocr page 937-

BOEK UI, TITEL VI, ARTT. 870 -880.

ELFDE AFDEELING.

Van voorloopig getuigenverhoor.

876. Wanneer in de gevallen, waarin bij de wet h.et bewijs door getuigen is toegelaten, vóór dat nog een geding aanhangig is of vóór dat in een aanhangig geding het verhoor kan plaats hebben, gevaar bestaat, dat dit bewijswiiddel zoude verloren gaan, het zij uit hoofde van ouderdom of ziekte der personen, die als getuigen zouden moeten worden gehoord, het zij uit hoofde dat zij hebben voorgenomen het land te verlaten, het zij om andere dergelijke, door den regter te beoordeelen, redenen, kan de belanghebbende bij verzoekschrift vragen, dat onverwijld een getuigenverhoor zal worden bevolen. (B. 1932 v.; K. 1b; Rv. 880.)

Aldus gewijzigd bij art. 5 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n®. 230). a)

877. Het verzoek wordt gedaan aan de regtbanlc ran het arrondissement, waarin de personen, die men als getuigen wil doen hooren, of het grootste getal van dezelve woonachtig zijn. (B. 74 v.)

Het verzoekschrift houdt in:

1°. De redenen, welke een voorloopig getuigenverhoor noodzakelijk maken; (Rv. 876.)

2°. De daadzaken, welke men wil bewijzen; (Bv. 103c j0. 200.)

3°. De namen en woonplaatsen der personen, die men als getuigen wil doen hooren. (Rv. 106 j». 200.3

878. Indien de regtbank het verzoek toestaat, L epaalt zij den dag en het uur, waarop het getuigenverhoor zal plaats hebben, en benoemt een harer leden als regter-cctminissaris, voor wien hetzelve zal moeten worden gehouden. CHv.\'103c j4. 200, 203.)

879. De bepalingen van artikel 105, 107, 108, 309, 111, 113, 114, 116, 117, 118, 119, b) zijn mede op dit geltiigenverhoor toepasselijk, met uitzondering van hetgeen aldaar ten aanzien van de wederpartij is bepaald. (Rv. 881.)

880. De verklaringen der getuigen, in een roorloopig verhoor afgelegd, mogen niet als bewijs worden aangenomen

u) Oorspronkelijk luidde art. S7G: „Wanneer in de gevalLea,-vaariii bij de wee het bewijs door getuigen is toegelaten, er, vóór dat nog een geding aanhangig is, gevaar bestaat dat dit bewijsmi ddel zoude verloren gaan, hetzij uit hoofde van den ouderdom of zielcle der personen, die als getuigen\' zouden moeten worden gehoord., hotzij uit hoofde dat zij hebben voorgenomen het rijk te verlaten, botzij om andere dergelijke, door den regter te beoordeelen, redea.eu, kan de belanghebbende zich bij verzoekschrift tot den regter w eiiden, ten einde onverwijld tot het getuigen?verhoor te worden toegelaten.quot;

h) De hier oorspronkelijk^volgende woorden: „in verband met artikel 214quot; zijn vervallen tengevolge van de Intrekking y au art. 211.

851

-ocr page 938-

i

852 WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

i

\'i\' ^

Ij ;:|

zoolang het mogelijk is, hen op de gewone wijze in het geding te hooren. (Rv. 103—121 j0. 200, 876 v.)

Aldus gewijzigd bij art. 6 der Wet van 23 December 1886 (Stb. n0. 230). a)

881. Indien zulks door overlijden of afwezigheid der getuigen, of uit hoofde van andere dergelijke redenen, niet meer mogelijk mogt zijn, zal het proces-verbaal ingevolge artikel 879 opgemaakt, in het geding mogen worden overgelegd. Aan hetzelve zal zoodanige bewijskracht worden toegekend, als de regter naar de omstandigheden zal verineenen te behooren. (B. 1945, 1959.)

■ Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (Rv. 103ci jquot;. 200.)

WEI

van i

ZEVENDE TITEL.

D

Van den staat van kennelijk onvermogen.

Bur van

882-899.

Deze Titel ingetrokken hij art. 2 der Wet Ier invoering van de Faillissementswet.

G

1 li

a) Oorspronkelijk lukUe art. SPO: „luclien er later een geüiug ontstaat, waarin men van het getnigenTorlioor zou willen gebruik maken, zal de verklaring der getuigen, op de hierboven gemelde w jze afgelegd, niet ala bewijs mogen worden aangenomen, zoolang /jet quot; mogelijk is deze getuigen op de gewone wijze in het geding to hooren.quot;

van

ilinl

t

vor

p!

|

P.\'

(

li if]

11 ïi

Ij

var

:

11

Bu

ar

irg

ge

li

-ocr page 939-

BIJLAGEN

TOT HET

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

WET

van 31 Mei 1843 (Stb. nquot;. IS), tot intrekking en ver vanging van de artikelen 695, 696 en 698 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering,

Eenig artikel.

De artikelen 695, 696 en 698 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden ingetrokken en vervangen door de navolgende bepalingen :

{Zie art. 695, 696 en 698 Rv.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 31 Mei 1843.

WET

van 7 April 1869 (Stb. n0. 54), houdende verkorting der termijnen van dagvaarding van hen, die huiten het Koningrijk wonen.

Eenig artikel.

Artikel 10 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt:

{Zie art. 10 Rv.)

Gegeven te \'s Gravenhage, 7 April 1869.

WET

van 7 April 1869 (Stb. n0. 55), houdende afschaffing van eenige bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering over judiclële boeten en schadeloosstellingen.

Artikel 1.

Het tweede lid van art. 178 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt; {Zie art. 1786 Rv.)

De artikelen 196, 197 en 198 van dat Wetboek worden ingetrokken.

2. De artikelen 391 en 393 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden ingetrokken.

-ocr page 940-

BIJLAGEN TOT HET

Het eerste lid van art. 394 van dat Wetboek wordt gelezen als volgt: (Zie art. 394« Rv.)

3. De eerste zinsnede van art. 406 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt: (Zie art. 406a Rv.)

Art. 407 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt: (Zie art. 407 Rv.)

De artt. 428 en 429 van dat Wetboek worden ingetrokken.

4r. De artt. 43, 227, tweede lid, 381 en 853 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

De gelden, in aanhangige zaken geconsigneerd, ter voldoening aan de door deze wet afgeschafte bepalingen, worden aan de belanghebbenden teruggegeven.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 7 April 1869.

WET

van IS April 1874 (Stb. n0. 68), tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-regtbanken bij de kantonregters.

(Zie die wet, welker art. 3 wijziging brengt in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, afgedrukt onder de Bijlagen tot het Burgerlijk Wetboek, op blz. 473.)

WET

van 10 November 1875 (Stb. n0. 204), tot opheffing van de provinciale geregtshoven en instelling van nieutve geregtshoven,

(Zie die vjet en speciaal haar art. 6 afgedrukt onder de Bijlagen tot de Wet op de Regterlijke Organisatie, op blz. 116.)

WET

van 26 April 1876 (Slb. n0. 86), tot wijziging van de artikelen 358 en 360 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Artikel 1.

In de vierde alinea van art. 358 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt, in plaats van «de provincie», gelezen: «het regtsgebied van het geregtshof». De vijfde alinea van genoemd artikel vervalt.

854

-ocr page 941-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING. 855

2. Art. 360 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering wordt gewijzigd als volgt: (Zie art. 360 Rv.)

3. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging. Gegeven te Amsterdam, 26 April 1876.

WET

van 26 Juni 1876 (Stb. n0. 124), tot wijziging van dehepa-

lingen omtrent de wijze van procederen in cassatie in hurgerlijke zaken.

Artikel 1.

De artikelen 406 en 407 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, gelijk zij gewijzigd zijn bij art. 3 der wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55), benevens de artikelen 408 tot 413 van dat Wetboek worden ingetrokken en vervangen door de volgende artikelen: {Zie art. 406—413 Rv.)

2. De artikelen 415 en 416 van genoemd Wetboek worden ingetrokken en vervangen door de volgende artikelen: {Zie art. 415 en 416 Rv.)

3. Art. 417 van genoemd Wetboek wordt ingetrokken en vervangen door het volgend artikel: {Zie art. 417 Rv.)

4. Aan art. 418 van genoemd Wetboek wordt toegevoegd een nieuw tweede lid van den volgenden inhoud: {Zie art. 418?) Rv.)

5. Aan artikel 419 van genoemd Wetboek wordt toegevoegd een nieuw derde lid van den volgenden inhoud: {Zie art. 419c Rv.)

6. Art. 425 van genoemd Wetboek wordt gewijzigd als volgt: {Zie art. 425 Rv.)

7. Na art. 427 van genoemd Wetboek worden opgenomen twee nieuwe artikelen van den volgenden inhoud: {Zie art. 428 en 429 Rv.)

8. In artikel 21, laatste lid, van genoemd Wetboek worden achter de woorden «en voor den Hoogen Raad» ingevoegd de woorden: «anders dan in cassatie». (Stb. 1879 n0. 75, a. i.)

9. De procureurs, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet in functie bij den Hoogen Raad, zijneven als de advocaten bij den Raad bevoegd tot de vertegenwoordiging van partijen en het houden der pleidooien in cassatie in burgerlijke zaken.

Het eerste lid van artikel 66 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering blijft buiten toepassing.

10. Deze wet is niet van toepassing op zaken vóórhaar in werking treden in cassatie aanhangig gemaakt.

11. Deze wet treedt in werking 1 September 1876.

Gegeven op het Loo, 26 Juni 1876.

-ocr page 942-

BIJLAGEN TOT HET

WET

van 30 Mei dB?? (Stb. n0. 138), tot wijziging van de artt.

8, 301, 477, 505, 567 en 738 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Artikel 1.

In art. 8, tweede lid, art. 301, vierde lid, art. 477, tweede lid, en in art. 738, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden de woorden: «in eene andere provincie», vervangen door: «binnen het regtsgebied van een ander geregtshof».

In art. 301, derde lid, worden de woorden: « van dezelfde provincie», vervangen door: «onder het regtsgebied van hetzelfde geregtshof».

Art. 567, tweede lid, wordt gelezen: (Zie art. 567amp; Rv.)

2. In het tweede lid van art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden de woorden; « van het arrondissement waarin», vervangen door: «binnen den kring van wiens kantoor».

Gegeven op het Loo, 30 Mei 1877.

WET

van 23 April 1879 (Stb. n0. 75), tot wijziging der regeling van de kosten in burgelijke zaken en van de bevoegdheid der procureurs tot het bepleiten dier zaken.

Artikel 1.

Art. 21 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, gelijk het gewijzigd is bij art. 8 der wet van 26Junijl876 (Stb. n0. 124), wordt gelezen als volgt: {Zie art. 21 Rv.)

2. Art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Begtsvor-dering wordt gewijzigd in dier voege:

dat aan het slot van het eerste lid wordt gevoegd de volgende zinsnede; «Ook zal de regter de kosten, die noodeloos worden aangewend of veroorzaakt, kunnen laten voor rekening der partij, die ze aanwendde of veroorzaakte».,

en dat aan het artikel als derde en vierde lid wordt toegevoegd: {Zie art. 56c en d Rv.)

3. Art. 57 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt: {Zie art 57 Rv.)

4. Aan art. 615 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt aan het slot toegevoegd: «met uitzondering van die, bedoeld in het derde lid van art. 56».

5. De artt. 29d, 41 en 42 van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken, zijnde art. \\d, 13 en 14 van den derden titel van dat tarief, vastgesteld bij de wet van 29 December 1843 (Stb. n0. 66), worden ingetrokken.

6. In art. 43 van genoemd tarief, zijnde art. 1 van den

856

-ocr page 943-

WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING. 857

vierden titel, vastgesteld bij de wet van 29 December 1843 (Stb. nquot;. (57), worden uit letter d weggelaten de woorden: «wanneer die door hen zonder medewerking van een advocaat worden opgesteld», en wordt aldaar f 1.00 veranderd in f 1.80.

7. Het eerste lid van art. 45 van genoemd tarief, zijnde art. 3 van den vierden titel, vervalt, en het tweede lid wordt gelezen als volgt: «De procureurs, die zelve de zaken bepleiten, berekenen hun salaris voor de pleidooijen en de voorbereiding daartoe even als de advocaten».

Art. 51 van genoemd tarief, zijnde art. 9 van den vierden titel, wordt ingetrokken.

8. Deze wet is niet van toepassing op de bij haar in werking treden aanhangige regtsgedingen, voor zooveel betreft de behandeling bij het collegie, waarbij zij aanhangig zijn. Voor die zaken blijven de bij deze wet gewijzigde wetsbepalingen gelden, als of zij niet waren gewijzigd.

9. De procureurs, op het tijdstip van het in werking treden dezer wet bij de verschillende regstcollegien in funclie, zijn bevoegd bij die collegien te blijven fungeren als zoodanig en pleidooijen te houden in burgelijke zaken.

Na het in werking treden dezer wet wordt niemand als procureur toegelaten, dan die den graad heeft van doctor in de regten of in de regtswetenschap.

10. Deze wet treedt in werking 1. Augustus 1879.

Gegeven te Amsterdam, 23 April 1879.

WET

van 26 April 1884 (Slb. n0. 94), houdende wijzigingen in hel Wetboek van Burgerlijke Regisvordering.

Artikel 1.

In artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering vervallen de woorden: «ingeval dit andermaal gebeurt zal hij hen tot eene boete kunnen verwijzen, die de som van vijftig gulden niet zal mogen te boven gaan».

2. In artikel 27 van gemeld Welhoek worden de woorden «het misdrijf» vervangen door «het feit» en vervallen de woorden: «of wel, indien de daad bij de wet mogt worden verklaard te zijn misdaad».

3. In artikel 30, nquot;. 3 van gemeld Wetboek worden de woorden: «een crimineel of een correctioneel regtsgeding op zijne klagte» vervangen door de woorden: «eene vervolging wegens misdrijf op zijn beklag».

i. De artikelen 63 en 91 van gemeld Wetboek worden ingetrokken.

5. In artikel 585, nquot;. 8 van gemeld Wetboek worden de woorden: «misdrijf of» vervangen door: «een strafbaar feit of eene».

-ocr page 944-

BIJLAGEN TOT HET

6. In artikel 593, tweede lid, van gemeld Wetboek worden de aanvangswoorden: «Die zich wegens een misdrijf in hechtenis bevindt» vervangen door: «Die gevangenisstraf of hechtenis ondergaat of zich wegens een strafbaar feit in verzekerde bewaring bevindt».

7. Artikel 710, n#. 2 van gemeld Wetboek wordt gelezen: «Die als bankbreukigen of ter zake van een der in de

artikelen 342, 343 en 346 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven veroordeeld zijn».

8. Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

■ Gegeven op Oranje-Nassau, 26 April 1884.

WET

van 15 April 1886 (Stb. n0. 64).

(Zie deze wet, de Inv., welker art. 8 wijziging brengt in art. 26 Rv., achter Sr.)

858

i

\'• al ■:

WET

van 23 December 1886 (Slb. n0.230), houdende wijzigingen in het Welhoek van Burgerlijke regtsvordering.

Artikel 1.

Het eerste lid van art. 79 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering wordt gelezen als volgt: (Zie art. 19a Rv.)

2. De tweede zinsnede van art. 81 van genoemd Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen: (Zie art. 81a, b en c Rv.)

3. Het eerste lid van art. 82 van genoemd Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen : (Zie art. 82a Rv.)

4. Art. 88 van genoemd Wetboek wordt ingetrokken.

5. Art. 876 van genoemd Wetboek wordt gelezen als volgt: (Zie art. 876 Rv.)

6. Art. 880 van genoemd Wetboek wordt gelezen als volgt: (Zie art. 880 Rv.)

Gegeven op het Loo, 23 December 1886.

\'■ ! j

ii ;r :1

i !

WET

van 31 December 1887 (Stb. n0. 265), tot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende strafwetgeving, in het Burgerlijk Wetboek.

(Zie art. \\ n0. 1 dier wet afgedrukt achter Inv., op Uz. 1034.)

11

I

iï tl

üa

-ocr page 945-

-WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

WET

van 8 April 1893 (Stb. n0. 61), tot wijziging van artikel 469 van het Wetboek van Burgerlijke Bechtsvordering.

Eenig artikel.

Art. 469 van het Wetboek van Durgerlijke Rechtsvordering wordt vervangen door de volgende bepaling:

(Zie Rv. 469.)

WET

van 22 Juni 1893 (Stb. n®. 93), tot intrekking van artikel 87 van de «wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie », en in verhand daarmede tot wijziging van eenige bepalingen der bestaande wetgeving.

(Zie die wet afgedrukt onder de bijlaaen tot R.O. op blz. 121.)

WET

ter invoering van de Faillissementswet.

(Zie de artt. 1 en 5 dier wet, afgedrukt achter de Faillissementswet, cp blz. 656.)

WET

van 7 Juli 1896 (Stb. n0. 103), houdende wijzigingen in hel Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Artikel 1.

Artikel 4 nos. 7 en 8 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering worden gelezen als volgt:

(Zie art. 4 Rv.)

2. enz.

125. Bij de toepassing van wetten en wettelijke verordeningen, waarin bepalingen voorkomen, waaraan de onderscheiding tusschen de gewone en de summiere procesorde ten grondslag ligt, wordt, met afwijking van die bepalingen, deze wet gevolgd.

Overgangsbepaling.

859

126. Met uitzondering der bepaling van artikel 11 a) is deze wet niet van toepassing op gedingen, ten aanzien waarvan bij hare inwerkingtreding geen uiterlijk gewijsde bestaat.

a) Bij art. 11 werd art. 82a Rv. gewijzigd. Zie aldaar.

-ocr page 946-

860 bijlagen tot het wetb. van burgerl. regtsvord.

Slotbepaling.

127. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijd.stip.

Gegeven te Soestdijk, 7 Juli 1896.

BESLUIT

van 31 Juli 1896 (Stb. n0. 146), houdende bepaling van den dag waarop de ivet van 7 Juli 1896 (Stb. n0.103), \' houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, in werking treedt.

Wij EMMA, enz.

Gelet op artikel 127 der wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0.103); Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen, dat de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n0. 103), houdende wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zal in werking treden op 1 Januari 1897. Soestdijk, 31 Juli 1896.

BESLUIT

van 16 September 1896 (Stb. n0. 156), ter bekendmaking van den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zooals die is gewijzigd in verschillende wetten, laatstelijk bij de wet van 7 Juli 1896 (Stb. n®. 103).

Wu EMMA, enz.

Gelet op de wetten van 31 Mei 1843 (Stb. n0. 23), 7 April 1869 (Stb. n0. 54), 7 April 1869 (Stb. n®. 55), 18 April 1874 (Stb. n®. 68), 10 November 1875 (Stb. n®. 204), 26 April 1876 (Stb. n®. 86), 26 Juni 1876 (Stb.n®. 124),30Mei 1877 (Stb. n®. 138), 23 April 1879 (Stb. n®. 75), 26 April 1884 (Stb. n®. 94), 15 April 1886(Stb. üquot;. 64), 23 December 1886 (Stb. n®. 230), 31 December 1887 (Stb. n®. 265). 8 April 1893 (Stb. n®. 61), 22 Juni 1893 (Stb. n®. 93), 20 Januari 1896 (Stb. n®. 9) en 7 Juli 1896 (Stb. n®. 103), waarbij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zooals dit op 1 October 1838 is ingevoerd, achtereenvolgens is gewijzigd;

Hebben goedgevonden en verstaan, den tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, zooals die bij de hierboven genoemde wetten is gewijzigd, algemeen bekend te maken, door bijvoeging van dien gewijzigden tekst in zijn geheel, bij dit besluit, a)

Soestdijk, 16 September 1896.

a) De als bijlage tot dit Besluit in het Staatsblad opgenomea tekst van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is in deze uitgave aangehaald als O. E. 1S9G.

-ocr page 947-

REGLEMENTEN

WEGENS HET HOOGER BEROEP AAN DEN HOOGEN RAAD VAN VONNISSEN IN BURGERLIJKE ZAKEN GEWEZEN DOOR DE HOVEN VAN JUSTITIE IN DE KOLONIËN.

I.

BESLUIT

van 11 Januari 4840 (Stb. n0. 1), houdende vaststelling

van een Reglement wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad van votinisscn in Burgerlijke zaken gewezen door het Geregtshof in Suriname.

Wjj WILLEM, enz.

Gezien artikel 91 der wet op de zamenstelling der Regterlijke Magt en het beleid der Justitie;

Gezien mede artikel 2 litt. d van Ons besluit van den lOden April 1838 (Stb. n0. 12);

Gelet op het ontwerp van reglement, ter voldoening van laatstgemeld artikel, door den Hoogen Raad der Nederlanden aan Ons ingediend;

Op het rapport van Onzen Minister van Justitie van den 27sten Julij 1839 n0. 64;

Den Raad van State gehoord;

Gezien het rapport van Onzen Minister van Koloniën van den 6den December 11. n0. 5, en nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 6den dezer n0. 35;

Hebben besloten en besluiten, te arresteren en vast te stellen, gelijk wordt gearresteerd en vastgesteld bij dezen, het aan dit besluit gehechte Reglement wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door het Geregtshof in Suriname, aan Ons voorbehoudende, om het gemelde reglement nader te wijzigen of te veranderen, in dier voege, als Ons, in vervolg van tijd mogt blijken noodzakelijk te zijn.

Onze Ministers van Justitie en van Koloniën zijn, ieder voor zoo veel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst, en in de West-Indische koloniën en bezittingen van den Staat, in den gebruikelijken vorm zal worden afgekondigd, en hetwelk aan den Raad van State zal worden medegedeeld, ter informatie.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 11 Januarij 1840.

-ocr page 948-

REGLEMENTEN

REGLEMENT

wegens het hooger beroep aan den Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke zaken, gewezen door het Geregtshof in Suriname.

EEKSTE A.FDEELING.

Van de zaken aan hooger beroep onderworpen.

Artikel 1.

Van alle vonnissen in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Geregtshof in Suriname, van welke (volgens de aldaar nog bestaande regtspleging) appel vrij stond aan het Hoog Geregtshof te \'s-Gravenhage, zal men behoudens en met inachtneming der bij dit Reglement vastgestelde bepalingen, mogen komen in hooger beroep aan den Hoogen Raad.

Dit beroep wordt echter voortaan alleen toegelaten in zaken, welker onderwerp de geldswaarde van duizend Nederlandsche guldens (ƒ 1000), interessen of proceskosten daaronder niet gerekend, te boven gaat.

In alle zaken tot of beneden dat bedrag zal het Geregtshof in Suriname voortaan wijzen bij arrest. (R. O. 91n0.2; Reg. Ned. Ind., a. 1.)

2. Het hooger beroep geschiedt en moet blijken door eene aanteekening ter Griffie van het Geregtshof, te doen binnen veertien dagen na den dag der uitspraak van het vonnis, waarvan men in hooger beroep komen wil. Deze termijn verstreken zijnde zonder dat zoodanige aanteekening ter Griffie is gedaan, wordt men geacht in het vonnis berust te hebben, en is men in hooger beroep niet meer ontvankelijk. (Rv. 334, 339, 432; Reg. Ned. Ind., a. 2, zie hierachter.)

3. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep aan de zijde van den veroordeelden; doch, indien de oorspronkelijke eischer van zoodanig vonnis in hocger beroep komt, zal ingelijks de gedaagde, hoezeer bij verstek veroordeeld, alle zijne verdedigingen, zelfs bij wege van incidenteel appel, in het hooger beroep kunnen doen gelden. (Rv. 335a; Reg. Ned. Ind., a. 3.)

4. Van een praeparatoir vonnis kan niet anders hooger beroep worden ingesteld, dan gelijktijdig met dat van het eindvonnis.

Het beroep van een praeparatoir vonnis is ontvankelijk, niettegenstaande het door dengenen, die zich daarmede bezwaard acht, zelfs zonder voorbehoud is ten uitvoer gelegd. (Rv. 336; Reg. Ned. Ind., a. 4.)

5. Het hooger beroep van een interlocutoir vonnis in zaken, waarin het eindvonnis zal appellabel zijn, kan

862

-ocr page 949-

WEGENS HKT HOOGER BEROEP, ENZ.

worden ingesteld vóór dat het eindvonnis geslagen is, en afzonderlijk worden vervolgd. (Rv. 387; Reg. Ned. Ind., a. 5, zie hierachter.)

6. Voor praeparatoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften, die gewezen of uitgevaardigd zijn tot instructie der zaak, en die strekken moeten om het proces in staat van wijzen te brengen, zonder dat zulks op de zaak ten principale van eenigen invloed kan zijn.

Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften, waarbij de regter, alvorens ten principale regt te doen, een bewijs, een onderzoek, of eene instructie beveelt, waarvan de beslissing der zaak zelve kan afhankelijk zijn. (Rv. 46.)

TWEEDE AFDEELING Van de voortzetting van het hooger beroep.

7. De voortzetting van het ter Griffie van het Geregthof in Suriname aangeteekende hooger beroep geschiedt door eene dagvaarding, ingerigt op die wijze en met zoodanige termijnen als hierna zal worden bepaald. (Art. 2; Rv. 343.)

Deze dagvaarding zal moeten geschieden binnen zes maanden na den dag der aanteekening van het hooger beroep ter Griffie. (Rv. 339a; Stb. 1869 n0. 36, a. 1 n0. 1 en a. 2 n0. 2°; Reg. Ned. Ind., a. 7.)

8. De gedaagde in hooger beroep kan van zijne zijde, zonder aanteekening ter Griffie te hebben gedaan, incidenteel appel instellen. Hij moet dit doen bij zijne schriftuur van antwoord, of bij eene eenvoudige akte, te voren aan den Procureur zijner wederpartij beteekend.

De afstand van het principaal appel doet het ingesteld incidenteel appel niet vervallen. (Rv. 3396 en c; Reg Ned. Ind., a. 8.)

9. Indien de termijn bij artikel 7 gesteld is verloopen, zonder dat de dagvaarding is geschied, zal men van het hooger beroep, ofschoon behoorlijk ter Griffie van het koloniaal Geregtshof aangeteekend, vervallen zijn. (Art. 2; Rv. 340; Reg. Ned. Ind, a. 9.)

10. Het hooger beroep van beschikkingen op requesten, door het Geregsthof in Suriname uitgevaardigd, voor zoo verre zoodanige beschikkingen in de koloniën aan revisie of hooger beroep onderworpen zijn, en met in achtneming van het geen bij art. 1 omtrent de geldswaarde is bepaald, wordt bij den Hoogen Raad insgelijks bij requeste aangebragt. (Rv. 345.)

De aanteekening van het hooger beroep zal ter Griffie van het Geregtshof moeten geschieden binnen den termijn bij art. 2 bepaald, en het request van hooger beroep zal binnen één jaar na den dag dier aanteekening aan den Hoogen Raad moeten zijn ingediend. (Art. 2: Stb. 1869 n0. 36, a. 1 n0. 1°. en a. 2 n0. 2*.)

863

-ocr page 950-

REGLEMENTEN

DERDE AFDEELING.

Van de regtspleging in hoog er beroep en de gevolgen van hetzelve.

11. De dagvaarding in hooger beroep moet behelzen:

1°. Den dag, de maand en het jaar, den voornaam, den geslachtnaam en de woonplaats des eischers in hooger beroep, met opgave van de door hem gekozene woonplaats in de gemeente, alwaar de Hooge Raad gevestigd is.

Indien hij niet uit eigen hoofde, maar in eenige hoedanigheid of betrekking procedeert, zal die hoedanigheid of betrekking in de dagvaarding mede moeten vermeld worden.

2°. Den voornaam, den geslachtsnaam en de woonplaats van den Deurwaarder of Exploiteur.

3®. Den voornaam, den geslachtsnaam en de woonplaats van den gedaagde in hooger beroep, en de vermelding van den persoon, aan wien afschrift van het exploit van dagvaarding is gelaten.

Indien die gedaagde niet uit eigen hoofde, maar in eenige hoedanigheid of betrekking wordt aangesproken, zal die hoedanigheid of betrekking mede in de dagvaarding moeten vermeld worden.

Indien die eischende of verwerende partij eene corporatie, maatschap, of handels-vereeniging is, zal hare benaming in de plaats van naam en voornaam moeten worden uitgedrukt.

46. De dagteekening der uitspraak, waarvan het hooger beroep is ingesteld, en van de aanteekening, welke van c\'at beroep ter Griffie is gedaan. (Art. 2.)

5°. Het onderwerp van den eisch, met eene duidelijke en bepaalde conclusie, zonder dat het noodig zij de middelen, op welke het hooger beroep gegrond is, daarbij uit te drukken, of afschrift der stukken daarbij te voegen.

In geval echter de dagvaarding in hooger beroep eene nieuwe vordering betreft, zoodanige, als bij art. 20 van dit Reglement is toegelaten, zal zij tevens eene opgave der middelen voor die nieuwe vordering moeten bevatten, en in zoodanig geval zullen, bij het afschrift der dagvaarding, tevens afschriften moeten gevoegd worden van de stukken, op welke die nieuwe vordering gegrond is, ten ware die stukken reeds ter eerster instantie, ïnogten zijn in het geding gebragt, of aan de partij waren medegedeeld geworden.

Bij gebréke van deze afschriften zullen die gene, welke de eischer, hangende den loop van het regtsgeding in hooger beroep, daarvan zal geven, niet bij de kosten mogen worden berekend.

6°. De aanwijzing van den dag en het uur, waarop de gedaagde in hooger beroep voor den Hoogen Raad zal moeten verschijnen.

7°. Den naam van den Procureur, die de zaak voor den eischer in hooger beroep zal waarnemen, en van dien, welke hij (des verkiezende) voor het geval van overlijden, of verhindering van den eersten, ter vervanging van den-zelven mogt gesteld hebben.

864

-ocr page 951-

WEGENS HET HOOGER BEROEP, ENZ.

De woonplaats, waarvan bij n#. 1 van dit artikel gesproken is, wordt geacht gekozen te zijn bij dien Procureur, of deszelfs plaatsvervanger, indien de eischer geene andere keuze heeft uitgedrukt. (Rv. 5, 133, 136, 254 n#. 4, 343; Reg. Ned. Ind., a. 11, 14.)

12. De dagvaarding in hooger beroep moet gedaan worden aan de woonplaats (domicilie) van den gedaagde.

Indien echter de gedaagde, ofschoon zijne woonplaats (domicilie) in de West-Indische koloniën of bezittingen van den Staat hebbende, echter ook een bekend verblijf in Nederland mogt hebben, of aldaar in persoon mogt kunnen aangetroffen worden, of omgekeerd, indien hij zijne woonplaats (domicilie) in Nederland mogt hebben, doch in de West-Indische koloniën of bezittingen van dit Rijk een bekend verblijf mogt hebben, of aldaar in persoon mogt kunnen worden aangetroffen, zal de dagvaarding, indien de eischer in hooger beroep zulks geraden mogt achten, aan dat bekend verblijf, of aan den persoon des gedaagden kunnen gedaan worden.

In Nederland geschiedende, worden de dagvaardingen gedaan door eenen Deurwaarder, bevoegd tot het doen van exploiten op de plaats, waar dezelve worden beteekend, en met inachtneming der bepalingen, welke, in den eersten titel van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering in Nederland, omtrent exploiten van dagvaarding voorkomen. (Rv. 1 v.; Reg. Ned. Ind,, a. 12.)

13. Indien de gedaagde in hooger beroep, noch in Nederland, noch in de West-Indische koloniën en bezittingen van het Rijk zijne woonplaats (domicilie) of bekend verblijf mogt hebben, maar elders in Europa, of in eenig ander werelddeel zijn woonplaats heeft, geschiedt de dagvaarding met inachtneming der bepalingen van het Nederlandsche Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, aan den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad, die de oorspronkelijke acte van dagvaarding voor gezien zal teekenen, en het afschrift van het exploit ten behoeve van den gedaagden zal zenden aan het Departement van Buitenlandsche Zaken (Rv. 4 n8 7en8;Reg.Ned. Ind.,a. 13.)

14. Indien de woonplaats (domicilie), of het verblijf van den gedaagden in hooger beroep geheel onbekend is, gelijk mede, in geval in regten worden opgeroepen houders van aandeelen in geldleeningen, of maatschappijen, welke niet op naam staan, en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, geschiedt de dagvaarding aan den Procureur-Generaal bij het Geregtshof in Suriname, die het oorspronkelijke zal teekenen. Afschrift daarvan zal worden aangeplakt aan de hoofddeur van het gebouw voor het Geregtshof te Suriname bestemd, en het exploit zal in de Surinaamsche Courant worden afgekondigd. Gelijk afschrift zal, ten minste twee maanden vóór den dag der verschijning, door eenen deurwaarder bij den Hoogen Raad, aan de hoofddeur van het gebouw voor dat Collegie bestemd, worden aangeplakt, en zal het relaas van die aanplakking door den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad voor gezien worden geteekend. (Rv. 4 n#. 7 en 8; Stb. 1869 n«. 36, a. 2 n». 3, 4 en 5; Reg. Ned. Ind, a 13.)

865

55

-ocr page 952-

REGLEMENTEN

15. De termijn van dagvaarding, indien dezelve geschiedt ingevolge de artikelen 12 en 13, zal zijn ten minste van zes maanden, indien de gedaagde woont, het zij in de VVest-Indische koloniën of bezittingen van den Slaat, het zij in Nederland, het zij elders in Europa of daar buiten, maar aan deze zijde van de Kaap de Goede Hoop of van Kaap Hoorn; en van ten minste een jaar, indien hij aan gene zijde van dezelve woonachtig is, alles onverschillig, of de dagvaarding in Nederland, dan wel in de West-Indische koloniën of bezittingen van den Staat wordt beteekend.

Wanneer de dagvaarding geschiedt ingevolge artikel 14, ■ zal de termijn van dagvaarding ten minste acht maanden zijn. (Rv. 10 v.; Stb. 1869 n0. 36, a. 1 n0. 2°; Reg. Ned. Ind., a. 15.)

16. Al hetgeen in de artikelen 11 tot en met 15 van dit Reglement is voorgeschreven, moet op straffe van nietigheid worden in acht genomen.

De dagvaardingen in Nederland gedaan wordende, moeten op gelijke straffe van nietigheid, voldoen aan de verdere ver-eischten, welke bij het Nederlandsche Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, op straffe van nietigheid, zijn voorgeschreven, voor zoo verre die vereischten op voorzieningen in hooger beroep van koloniale vonnissen van toepassing zijn.

Bij niet verschijning van den gedaagden in hooger beroep zal de Hooge Raad tegen denzelven geen verstek verleenen, en zal de Raad, de nietigheid uitsprekende, den eischer veroordeelen in de kosten. (Rv. 90, 92.)

17. Indien de gedaagde in hooger beroep op de dagvaarding verschijnt, en de nietigheid van het exploit niet inroept voor alle weren en exceptien, behalve die van onbevoegdheid van den Hoogen Raad, zal de nietigheid voor gedekt gehouden worden. (Rv. 93.)

Indien hij daarentegen bij zijne verschijning de nietigheid van het exploit inroept, zal de Hooge Raad die exceptie kunnen verwerpen, wanneer het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, en alzoo geen belang heeft om zich van die nietigheid te bedienen.

De Hooge Raad zal in die gevallen, zoo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of van de onregelmatigheden bevelen, of aan den gedaagden tot zijne verdediging uitstel verleenen, altijd met verwijzing vin den eischer in de kosten. (Rv. 94.)

18. Wanneer het exploit niet door een bevoegden Deurwaarder of Exploiteur is beteekend, is de Hooge Raad verpligt de nietigheid daarvan in allen gevalle uit te spreken ^Rv- ^5.)

19. De gedaagde in hooger beroep kan den termijn, tegen welken hij gedagvaard is, vervroegen, door bij de acte van procureur-stelling den dag te bepalen, op welken hij de zaak op de teregtzitting van den Hoogen Raad zal aanbrengen, en door zijne wederpartij tegen dien vervroegden termijn op te roepen. (Rv. 344.)

20. In hooger beroep kan geen nieuwe eisch worden gedaan, ten z\'y het zake ware:

866

-ocr page 953-

WEGENS HET HOOGER BEROEP, ENZ.

I. Van interessen, renten, huren of andere zaak\'s gevolgen, sedert het koloniaal vonnis verschenen of ontstaan.

II. Van de kosten, schaden en interessen, wegens geleden nadeel sedert dat vonnis.

III. Van eenen eisch bij voorraad.

De verweerder kan echter nieuwe weren van regten inbrengen, mits dezelve eene verdediging ten principale opleveren, en daarvan niet uitdrukkelijk of stilzwijgend in het geding van het koloniaal Geregtshof is afgezien; doch zal dezelve, al mogt hij ten principale worden in het gelijk gesteld, niet te min kunnen worden veroordeeld in de kosten der procedures, tot op het voordragen dier weren van regten gevallen, indien hij dezelve voor het koloniaal Geregtshof had kunnen doen gelden. (Rv. 348.)

21. Zoo wel in het principaal als in het incidenteel hooger beroep kunnen de nieuwe vorderingen en ver-weringen, waarvan in het vorig artikel is gesproken, gedaan worden bij conclusien met middelen, aan den Procureur der partij beteekend. (Rv. 349.)

22. Het hooger beroep aan den Hoogen Raad schorst de ten uitvoerlegging der vonnissen door het Geregtshof te Suriname in eersten aanleg gewezen. (Reg. Ned. Ind., a. 11c.)

Indien nogtans door de belanghebbende partij bij haren eisch gevorderd is, dat het vonnis zal worden verklaard bij voorraad executabel niettegenstaande hooger beroep, zal het voornoemde Geregtshof die executabel-verklaring bij principaal vonnis kunnen bevelen in al die gevallen, waarin de zaak, naar het oordeel des regters, na uiterlijk gewijsde is reparabel, en zulks met of zonder cautie, naar gelang van de meerdere of mindere twijfelachtigheid van het geschil en van de omstandigheden der partijen.

In geval de executabel-verklaring onder cautie is bevolen, zal de executant, alvorens de executie aan te vangen, dezelve cautie, het zij reële, het zij personele, genoegzaam om daaraan het bedrag der executie met de gevolgen van dien, en alzoo de schadeloosstelling der geëxecuteerden te verhalen, aan zijne wederpartij aanbieden, en dezelve stellen des noods ter beoordeeling van den regter.

In geval van zekerheid door borgtogt zal dezelve alleen volstaan kunnen, indien de borg genoegzaam vast goed, gelegen in de kolonie, tot het bedrag van den borgtogt verbindt. (Rv. 350 jis. 52 v., 616.)

23. Indien de ten uitvoerlegging bij voorraad, in de gevallen bij het voorgaand artikel vermeld, niet door het Geregtshof in Suriname mogt zijn bevolen, zal de gedaagde in hooger beroep dezelve voorloopig kunnen vorderen op de eerste teregtzitting in hooger beroep of bij zijne eerste acte van verwering. (Rv. 351.)

24. Indien daarentegen de ten uitvoerlegging in eersten aanleg mogt zijn bevolen buiten de gevallen, in art. 23 vermeld, kan de appellant bij zijne vordering in appel voor-ioopig verzoek doen, dat de executie worde gestaakt en schadeloos afgedaan. (Rv. 352.)

25. De wijze van procederen in hooger beroep zal dezelfde

867

!

-ocr page 954-

868 REGLEMENTEN

zijn, als die, welke in de gewone regtspleging voor den Hoogen Raad is voorgeschreven. (Rv. 347,353; Beg.Ned. Ind., a.46.)

26. Het vonnis, waarvan hooger beroep is gevallen, zal, het zij hetzelve wordt bekrachtigd, het zij voor het geheel of ten deele vernietigd, en zonder onderscheid of de uitvoering in Nederland dan wel in de koloniën plaats heeft, moeten ten uitvoer gelegd worden op den voet en de wijze, en volgens de bepalingen, voorgeschreven of gebruikelijk ter plaatse, alwaar het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.

Alle geschillen deswege zullen voor den regter dier plaats moeten worden gebragt. (Rv. 354, 438; Reg. Ned. Ind., a. 48.)

27. In geval van hooger beroep van een interlocutoir vonnis of van een vonnis, bij hetwelk niet anders dan op een tusschengeschil (incident) uitspraak gedaan is, zal de Hooge Raad, wanneer dezelve liet vonnis bekrachtigt, de zaak verwijzen naar het Koloniaal Geregtshof om op de hoofdzaak te worden beslist.

Niettemin zal de Hooge Raad de hoofdzaak in het hoogste ressort kunnen afdoen, op onderlinge vordering van al de partijen, gelijk ook indien het geding in dien staat is, dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist. (Rv. 355.)

*28. Wanneer een interlocutoir vonnis of een vonnis op een tusschengeschil (incident) gewezen, wordt te niet gedaan, kan de Hooge Raad, indien partijen zulks verlangen of de zaak daartoe in staat geoordeeld wordt, dezelve tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale uitspraak doen. (Rv. 356.)

29. Wanneer een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij het Koloniaal Geregtshof eeniglijk zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te nemen, zal de Hooge Raad dezelve aan dat Geregtshof verwijzen, om ten principale te worden beslist, ten zij partijen mogten hebben begeerd dat de Hooge Raad de hoofdzaak zal afdoen, en de Raad zulks zal oorbaar achten. (Rv. 357.)

30. Indien het Koloniaal Geregtshof zich onbevoegd heeft verklaard en deze uitspraak wordt te niet gedaan, zal de Hooge Raad de zaak ten principale naar hetzelfde Geregtshof verwijzen, ten zij partijen gevorderd mogten hebben dat de Hooge Raad de zaak aan zich zal houden en beslissen, en deze zulks zal oorbaar achten. (Rv. 358,)

. i. iisi

VIERDE A.FDEELING.

Algemeene voorzieningen.

i

31. De bepalingen ten aanzien van het hooren van het Openbaar Ministerie, in zaken van gewoon hooger beroep voor den Hoogen Raad, waarin de wet dit vordert, zijn ook op de hoogere beroepen van koloniale vonnissen toepasselijk. (Rv. 324.)

32. De stukken van het proces, in eersten aanleg gevoerd, zullen in bundels worden vereenigd, en zullen daarbij moeten gevoegd worden inventarissen, door den Griffier bij het Geregtshof in Suriname of door deszelfs plaats-

m.

itf

Ul

-ocr page 955-

WEGENS HET HOOGER BEROEP, ENZ.

bekleedende ambtenaren onderteekend, en met het zegel van het Koloniaal Geregtshof voorzien.

Deze handteekeningen zullen door den Gouverneur-Generaal, of deszelfs function waarnemend, moeten zijn gelesraliseerd. (Stb. 1869 n0. 36, a. 2 n0. 6°.)

33. Van alle burgerlijke zaken in de West-Indische koloniën bereids aanhangig gemaakt, alvorens dit Reglement aldaar wettiglijk zal zijn bekend gemaakt, wordt in hooger beroep gekomen op den voet van en volgens de thans nog bestaande verordeningen, alleen met dit onderscheid, dat het hooger beroep, in plaats van voor het Hoog Geregtshof te \'s-Gravenhage, worde gebragt voor den Hoogen Raad, en daarin geprocedeerd volgens de vormen bij dit Reglement voorgeschreven. (O. 53; Reg. Ned. Ind., a. 20.)

34. De appellen van het Geregtshof in Suriname in burgerlijke zaken, welke reeds bij het voormalig Hoog Geregtshof te \'s-Gravenhage waren aanhangig gemaakt, zullen, voor zoo verre zulks niet reeds geschied is, na de wettige afkondiging van dit Reglement in die kolonie, door middel van eene enkele acte aan den persoon van den gedaagde in hooger beroep of ter zijner woonplaats (domicilie) beteekend, kunnen worden overgebragt bij den Hoogen Raad, om op de laatste dingtalen te worden voortgezet.

De overbrenging zal dadelijk kunnen geschieden, indien al de in het geding betrokkene partijen hierin toestemmen. (O. 54.)

35. De in de West-Indische koloniën en bezittingen van den Staat thans geldende bepalingen en verordeningen, voor zoo verre die met het tegenwoordige Reglement mogten strijden, worden bij deze afgeschaft en buiten elfect gesteld.

Goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 11 Januarij 1840 (Staatsblad n0. 1).

WET

van 4 April 1869 (Stb. n0. 36), lot voorloopiga regeling der

regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken.

Wu WILLEM III, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het, met het oog op de aanstaande invoering der nieuwe wetgevingen in do koloniën Suriname en Curasao, wenschelijk is voor-loopig eenige regelen vast te stellen omtrent de regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Van de vonnissen en de beschikkingen op request in burgerlijke zaken in eersten aanleg gewezen en gegeven door het Hof van Justitie in de kolonie Suriname kan in hooger beroep worden gekomen bij den Hoogen

869

-ocr page 956-

REGLEMENTEN

Raad der Nederlanden, in de gevallen en op de wijze bij het Reglement, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 11 Januarij 1840 (Stb. n0. 1), bepaald voor de uitspraken in burgerlijke zaken in eersten aanleg van het Geregsthof in Suriname.

Ten aanzien van dit hooger beroep gelden al de verdere bepalingen van genoemd Reglement, behoudens de volgende wijzigingen:

1°. dat de termijn, voorkomende in art. 7, alin. 2, als ook die bepaald in art. 40, alin. 2, voor het indienen van het request, worden gesteld op de helft van den aldaar respectievelijk bepaalden tijd;

2». dat de in art. 15 bepaalde termijn van zes maanden, indien de dagvaarding geschiedt ingevolge art. 12, mede wordt gesteld op de helft, en de aldaar bepaalde termijn van acht maanden, indien de dagvaarding plaats heeft ingevolge art. 14, op zes maanden.

2 Van de vonnissen en de beschikkingen op request in burgerlijke zaken in eersten aanleg gewezen en gegeven door het Hof van Justitie in de kolonie Curacao kan in hooger beroep worden gekomen bij den Hoogen Raad der Nederlanden, in de gevallen waarin, ingevolge de bepaling va;i het voorgaande artikel, hooger beroep van de uitspraken van het Hof van justitie in Suriname vrijstaat, en op dezelfde wijze.

Ten aanzien van dit hooger beroep gelden mede al de verdere bepalingen van het Reglement, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 11 January 1840 (Stb. n0. 1) behoudens de volgende wijzigingen:

1°. dat de aanteekening van het beroep geschiedt ter griffie van het hof van justitie op Curasao; (Reg. a. 2.)

2°. dat de verkorting der terniijnen, bij bet voorgaande artikel aangenomen, mede geldt voor Curagao;

3°. dat, in de gevallen van het eerste lid van art. 14, de dagvaarding geschiedt aan den Procureur-Generaal op Curagao, en door dezen voor gezien wordt geteekend;

4°. dat de aanplakking van het afschrift der dagvaarding, bij het tweede lid van art. 14 voorgeschreven, ge-scheidt aan de hoofddeur van het gebouw, voor het Hof van justitie op Curasao bestemd;

5°. dat de afkondiging van het exploit, bij hetzelfde tweede lid van art. 14 bevolen, gedaan wordt in de Cura^aosche courant;

6°. dat de inventarissen, in art. 32 bedoeld, door den Griffier van het Hof van justitie op Curagao, of den ambtenaar, die hem vervangt, worden onderteekend.

3. De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden kan zich in het belang der wet in cassatie voorzien bij dien Raad tegen alle uitspraken in strafzaken, door de Hoven van Justitie in de koloniën Suriname en Curagao gewezen.

De door den Hoogen Raad op deze voorziening te wijzen arresten kunnen geen nadeel toebrengen aan de regten, door belanghebbenden verkregen. (R. O. 98.)

4- Deze wet treedt in werking met den dag van de

870

-ocr page 957-

wegens het hooger beroep, enz.

invoering der nieuwe wetgevigen in de koloniën Suriname en Guragao.

5. Ten aanzien van het hooger beroep der uitspraken van het Geregtshof in Suriname en van de regtbanken op de eilanden Guragao, St. Martin en St. Eustatius blijven van kracht de bepalingen, die vóór de invoering der nieuwe wetgevingen golden. (Reg. a. 33, 34.)

Lasten en bevelen, enz.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 4 April 1869.

II.

BESLUIT

van 28 September 1850 (Stb. n0. 63), houdende vaststelling

van een Reglement betreffende het hoorjer beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden, van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog- Geregtshof van Nederlandsch Tndie.

Wu WILLEM III, enz.

Gezien art. 91 der wet op de zamenstelling der regter-lijke magt en het beleid der Justitie;

Gezien art. 37 van het reglement op het beleiil der Regering van Nederlandsch Indie, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 20 February 1836, n0. 91; (Stb. 1854 n0. 129, a. 103.)

Gezien de artt. 159 en 160 van het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Neder-landsch-lndie, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 16 Mei 1846, n0. 1;

Gezien art. 2, litt. d, van het Koninklijk besluit van 10 April 1838 (Stb. n«. 12);

Gezien het rapport van Onzen Minister van Koloniën, van 2 Junij 1849, litt. a, n0. 1; het advies van den Hoogen Raad der Nederlanden, van 6 April 1850; het rapport van Onzen Minister van Justitie, van 3 Julij 1850, n0. 90, benevens het daarbij overgelegd ontwerp van Reglement, betreffende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie;

Den Raad van State gehoord (advies van 26 Augustus 11., n0. 4);

Gezien de nadere rapporten van Onze Ministers van Justitie, van 23 September 1850, n0. 63, en van Koloniën, van den 27sten daaraanvolgende, litt. A, n0. 4;

Hebben besloten en besluiten: het Reglement, betreffende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden, van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie, wordt vastgesteld, zoodanig als hetzelve is gevoegd bij Ons tegenwoordig besluit.

Onze Ministers van Justitie en van Koloniën zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit

871

-ocr page 958-

REGLEMENTEN

besluit hetwelk in het Staatsblad geplaatst, in Nederlandsch Indie in den gebruikelijken vorm afgekondigd, en aan den Raad van State en den Hoogen Raad der Nederlanden, tot narigt, medegedeeld zal worden.

\'s-Gravenhage, 28 September 1850.

REGLEMENT

betreffende het hooger beroep aan den Hoogen Raad der

Nederlanden van de arresten in burgerlijke zaken, in eersten aanleg gewezen door het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie.

AFDEELING I.

Van de zaken aan het hooger beroep onderworpen.

Artikel 1.

Het hooger beroep aan den Hoogen Raad der Nederlanden van arresten, door het Hoog Geregtshof in Nederlandsch Indie in eersten aanleg in burgerlijke zaken gewezen, is toegelaten, indien de Gouverneur-Generaal of de Regering van Nederlandsch Indie, als vertegenwoordigende den lande, worden aangesproken als gedaagden wegens eene niet v.ake-lijke, en geene belasting of pachten betreiTende vordering, waarvan het onderwerp niet blijkt eene waarde te hebben van tien duizend gulden of minder. (R. O. 87, 91 n0. 2; Regt. Org. N. I., a. 159 v.)

Aldus gewijzigd bij art. 1 van het Besluit van 21 Junij 1887 (Stb. n0. 108).

2. Elke partij, welke zal berust hebben in een arrest, zal niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hooger beroep. (Rv. 834; Reg. Surin., a. 2.)

3. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het arrest in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.

Wanneer van twee of meerdere gedaagden in eersten aanleg de een verschijnt, de andere niet, kan de achterblijvende partij zich in hooger beroep voorzien tegen een op tegenspraak tusschen alle partijen gewezen arrest.

De achterblijvende partij voldoet echter vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het arrest, ook dan zelfs wanneer daarbij de voorloopige ten uitvoerlegging niet bevolen is. (Rv. 335 j®. 79; Reg. Surin., a. 3.)

4. Het beroep van een praeparatoir arrest zal niet mogen ■worden ingesteld dan binnen denzelfden termijn en gelijktijdig met het beroep van het eind-arrest.

Dit beroep zal ontvankelijk zijn, zelfs wanneer het praeparatoir arrest zonder voorbehoud van dengenen, die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. (Rv. 336; Reg. Surin,, a. 4.)

872

-ocr page 959-

WEGENS HET HOOGER BEROEP, ENZ.

5. Het hooger beroep van een interlocutoir arrest kan worden ingesteld vóór dat het eind-arrest geslagen is.

Hetzelfde heeft plaats opzigteiijk arresten, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd. (Rv. 337; Reg. Surin., a. 5.)

6. Hij die mogt willen beweren, dat eene zaak, uit welken hoofde ook, niet vatbaar is voor hooger beroep, zal de exceptie van niet-ontvankelijkheid, daartoe strekkende, moeten instellen vóór alle andere weren van regten, en is niet ver-pligt zich, hangende dat geschil, in het geding over de zaak zelve in te laten. (Rv. 338.)

AFDEELING II.

Van den termijn van hooger beroep.

7. De termijn van hooger beroep is, te rekenen van den dag der beteekening van het arrest, het zij aan den persoon, het zij aan deszelfs woonplaats,

van drie maanden voor den beteekende, die woonachtig is op Java en Madura;

van zes maanden voor den beteekende, die woonachtig is op een eiland van Nederlandsch Indie, behoorende tot de bezittingen buiten Java en Madura;

van acht maanden voor den beteekende, die buiten Nederlandsch Indie woont. (Rv. 339a; Reg. Surin., a. 7.)

8. De gedaagde in beroep kan van zijne zijde incidenteel beroep instellen, zelfs dan wanneer hij het arrest had doen beteekenen zonder eenig voorbehoud; hij moet dit doen bij zijne schriftuur van antwoord, of te voren bij eenvoudige akte aan den procureur zijner wederpartij beteekend.

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen. (Rv. 339ö en c; Reg. Surin., a. 8 )

9. Na verloop van den termijn, bij art. 7 vermeld, kan geen beroep meer plaats hebben.

Die termijn loopt tegen alle partijen, voorbehoudens hun verhaal als naar regten.

Dezelve loopt niet tegen den minderjarige, welke geene handligting bekomen heeft, dan van den dag waarop het arrest zoowel aan den toezienden voogd, hoezeer deze niet in het geding zij opgetreden, of aan de weeskamer, wanneer deze met de toeziende voogdij is belast of den toezienden voogd vertegenwoordigt, als aan den voogd, zal zijn beteekend.

De onder curatele gestelde staat ten deze gelijk met den minderjarige. (Rv. 340; B. 441, 506,2024; Reg. Surin., a. 9.)

10. De loop van den termijn van beroep wordt geschorst door den dood van de partij, die in eersten aanleg in het ongelijk is gesteld.

Die termijn begint niet weder te loopen, dan na de beteekening van het arrest aan de erfgenamen van den overledene, of wel na het eindigen van den termijn van boedelbeschrijving en beraad, in geval het arrest is beteekend geweest eer deze termijn was verstreken.

873

-ocr page 960-

REGLEMENTEN.

De beteekening kan geschieden aan de gezamenlijke erfgenamen en in eens, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, ter laatste woonplaats der overledene partij, edoch niet langer dan gedurende zes maanden na het overlijden. (Rv. 4 n0. 6, 341.)

A.FDEELING III.

Van de regtspleging in hooger beroep en de gevolgen daarvan.

11. Het hooger beroep wordt aangevangen door eene dagvaarding, houdende aanstelling van eenen Procureur bij den Hoogen Raad, die de zaak voor den eischer zal waarnemen, en van dien, welken hij (des verkiezende), voor het geval van overlijden of verhindering van den eersten, ter vervanging van dezen, mogt gesteld hebben, doch overigens in denzelfden vorm en met dezelfde ver-eischten als die in eersten aanleg, zonder dat zij, behalve in het geval dat de dagvaarding eene nieuwe vordering behelst, voor zoo verre die bij het Reglement op de Burgerlijke Regtsvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie is toegelaten, de middelen waarop het hooger beroep gegrond is, behoeft uit te drukken, noch daarbij afschrift der stukken behoeft te worden gevoegd.

De dagvaarding wordt, behoudens het bepaalde bij de twee volgende artikelen, beteekend op de wijze bij voormeld Reglement omtrent het beteekenen van dagvaardingen voorgeschreven.

Zij schorst de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hoog-Geregtshof, indien daarbij niet is bepaald dat het bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd. (Rv. 343, 350; Reg. Surin., a. H, 22.)

12. Wanneer de gedaagde in hooger beroep te Batavia woont, geschiedt de dagvaarding, onmiddellijk en zonder tusschen-komst van het Hoog-Geregtshof, door eenen Deurwaarder, daarmede door of namens den eischer in hooger beroep belast.

Indien de gedaagde elders in Nederlandsch Indie woonachtig is. geschiedt de dagvaarding of op gelijke wijze, of, ter keuze van den belanghebbende, op diens daartoe strekkend verzoekschrift, door tusschenkomst van het Hoog-Geregtshof, in voege bij art. 5 van het Reglement op de Burgerlijke Regtsvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hoog-Geregtshof in Nederlandsch Indie is bepaald. (Rv. 1 v., 343; Reg. Surin., a. 12.)

13. Ten aanzien van hen die niet in Nederlandsch Indie wonen, zal, voor zooverre zij aldaar geen bekend verblijf hebben, de dagvaarding in hooger beroep worden gedaan aan den Procureur-Generaal bij het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie, die het oorspronkelijke met gezien zal teekenen, en het afschrift van het exploit ten behoeve der belanghebbenden zal toezenden aan de Regering van Nederlandsch Indie ter verdere verzending.

874

-ocr page 961-

WEGENS HET HOOGER BEROEP, ENZ.

Indien de gedaagde in hooger beroep in Nederland woonachtig is of een bekend verblijf heeft, gelijk mede wanneer hij aldaar in persoon mogt kunnen worden aangetroffen, staat het ter keuze van den eischer of hij de dagvaarding op de bij het eerste lid van dit artikel omschreven wijze, dan wel onmiddellijk aan de woonplaats, het bekend verblijf of den persoon van den gedaagde wil doen beteekenen. (Rv. 4 n0. 7 en 8; Reg. Surin., a. IS, 14.)

Aldus gewijzigd bij art. 3 van het Besluit van 6 November 1871 (Stb. n0. 121).

14. De dagvaarding moet de opgave inhouden van de door den eischer in hooger beroep gekozene woonplaats in de gemeente alwaar de Hooge Raad gevestigd is.

Rij gebreke hiervan wordt de woonplaats geacht gekozen te zijn bij den gestelden procureur. (Rv. 5 n0. 1, 133b, 343; Reg. Surin., a. 11.)

15. De termijn van dagvaarding is:

van ten minste veertien dagen, zoo, ingevolge het slot van de 2de zinsnede van artikel 13 van het Reglement, de dagvaarding aan de woonplaats, het bekend verblijf of den persoon van den gedaagde in Nederland wordt beteekend;

van ten minste drie maanden, zoo de gedaagde woont in Nederland (buiten het in de vorige zinsnede bedoeld geval), in Groot-Rrittannie en Ierland, Frankrijk, Relgie, Luxemburg, het Duitsche Rijk of Zwitserland;

van ten minste vier maanden, zoo hij woont elders in Europa, in Nederlandsch Indie, in Achter-Indie, Voor-Indie, het Chineesche Rijk, Japan, de Oost-Indische eilanden, die niet behooren tot de Nederlandsche bezittingen, of Egypte;

van ten minste vijf maanden, zoo hij woont in de niet-Europesche kustlanden der Zwarte of der Middellandsche Zee (met uitzondering van Egypte), in Perzie, in de koloniën Suriname of Curagao of in Australië;

van ten minste zeven maanden, zoo hij woont in een der hierboven niet vermelde landen, van Nederland uitgaande gelegen aan deze zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn;

van ten minste tien maanden, zoo hij woont in een der boven niet vermelde landen, van Nederland uitgaande gelegen aan deze a) zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn dezen daaronder begrepen. (Rv. 7—10; Reg. Surin., a. 15.)

Aldus gewijzigd bij art. 4 van het Besluit van 6 November 1871 (Stb. n0. 121).

16 • De wijze van procederen in hooger beroep is dezelfde als die, welke voor het regtsgeding in hooger beroep bij het wetboek van Rurgerlijke Regtsvordering is voorgeschreven. (Rv. 343 v.; Reg. Surin , a. 25.)

17. Indien gedurende het geding in hooger beroep een getuigenverhoor, eene plaatselijke opneming of eenige andere geregtelijke in Nederlandsch Indie te bewerkstelligen verrig-ting wordt bevolen, draagt de Ilooge Raad zoodanige verrig-

u) Lees gene.

875

-ocr page 962-

REGLEMENTEN.

ting op aan het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie.

Het Hoog-Geregtshof kan het getuigenverhoor vooreenen door hetzelve benoemden Raadsheer-Gomnaissaris doen houden, of ook, op de wijze toegelaten bij liet tweede en derde lid van art. 190 van het Reglement op de Burgerlijke Regtsvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch Indie.

Het getuigenverhoor of onderzoek van deskundigen heeft voortgang niettegenstaande eene voorgestelde wraking.

De termijn van art. 219 van gemeld Reglement is bij de wraking van deskundigen buiten toepassing.

De voor de wraking aangevoerde gronden en bewijzen, alsmede de deswege afgelegde verklaring van den ge-wraakten getuige of deskundige worden in het procesverbaal van getuigenverhoor of in dat van eedsaflegging van den deskundige opgeteekend, of bij hetzelve gevoegd.

De Hooge Raad beslist over de wraking. De verhooren en berigten der getuigen en deskundigen, welker wraking is aangenomen, blijven buiten het geding.

Met inachtneming van het bovenstaande, zijn de bepalingen vervat in de Vide. Vilde en VHIste Afdeeüng van den Ilden Titel van het Iste Boek van meergemeld Reglement, bij het plaats hebben dier verrigtiugen, van toepassing. (R O. \'25; Rv. 103 v., 199 v.)

18. Het arrest, waarvan hooger beroep is gevallen, het zij het worde bekrachtigd, het zij voor het geheel of ten deele vernietigd, wordt ten uitvoergelegd in Nederland of in Nederlandsch Indie, op de wijze en volgens de bepalingen voorgeschreven of gebruikelijk daar, waar de tenuitvoerlegging geschiedt.

Van geschillen ontstaan over of bij de tenuitvoerlegging neemt kennis, wanneer de tenuitvoerlegging plaats heeft in Nederlandsch Indie, het Hoog-Geregtshof aldaar, wanneer zij plaats heeft in Nederland, de Hooge Raad, behoudens de gevallen, waarin de wet regtsmagt opdraagt.

Van de uitspraken van het Hoog-Gegtshof in zoodanige geschillen, valt hooger beroep aan den Hoogen Raad. (Rv. 354 v., 438; Reg. Surin, a. 26 v.)

19. De kosten in hooger beroep, welke in Nederland gemaakt zijn, worden geregeld volgens de aldaar bes\'.aande tarieven en bepalingen. (Stb. 1843 n4. 37 v. (Tar.))

20. Het tegenwoordige Reglement is niet van toepassing op arresten vóór zijne afkondiging in Nederlandsch Indie door het Hoog-Geregtshof gewezen.

Ten aanzien van deze arresten is art. 90 van ie voor Nederlandsch Indie vastgestelde bepalingen, op de invoering van en den overgang tot de nieuwe wetgeving van kracht. (O. 53 v.; Reg. Surin., a. 33 v.)

Goedgekeurd bij Zijner Majesteits besluit van 28 September 1850 (Staatsblad n0. 63).

876

-ocr page 963-

TAEIEI

VAN JUSTITIE-KOSTEN EN SALARISSEN IN BURGERLIJKE ZAKEN.

Vastgesteld hij de Wetten van 28 Augustus en 29 December 1843 (Slb. n0. 37, 38, 39, 40, 41, 66, 67). a)

Algemeene considerans.

Wu WILLEM II, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben de noodzakelijkheid om het, krachtens de wet van 15 December 1838 (Stb. n0. 43), bij reglement van openbaar bestuur van 30 November 1839 (Stb. nquot;. 49) vastgestelde en krachtens de wet van 15 December 1842 (Stb. n0. 26) nog in werking zijnde tarief van justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken door wettelijke bepalingen te doen vervangen;

Zoo is het, enz.

ALGEMEENE BEPALING.

{Sth. 1843 nquot;. 37.)

De kantonregters, hunne griffiers, de griffiers bij de regterlijke kollegien, de procureurs en deurwaarders mogen, uit welken hoofde en onder welk voorwendsel ook, geene andere of hoogere regten of belooningen vorderen of ontvangen, of. doen vorderen of ontvangen, dan die welke hun bij de wet zijn toegestaan; bij overtreding zijn zij tot teruggave en vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden verpligt, onverminderd de straffen bij het Wetboek van Strafregt hierop gesteld,, indien daartoe termen zijn. (Sr. 366.)

■i\\

li

a) De bepalingen der bij verschillende wetten vastgestelde titels werden ingevolge art. 2 der wet van 28 Augustus ISIS (Stb. no. 41) in eene doorloopende reeks van artikels vervat, en bij die wet en bij die van 29 December 1813 (Stb. no. (i8) de invoering bepaald deels op 1 September 1S4S, deels op 1 Januari 1814.

i

-ocr page 964-

878 TARIEF VAN JUSTITIEKOSTEN EJi SALARISSEN

EERSTE TITEL.

Van de kantonregters en hunne griffiers, a)

Artikel 1.

De kantonregters kunnen ten laste der belanghebbenden de volgende vacatiën berekenen:

a. Voor hunne werkzaamheden in de gevallen voorzien bij de artikelen 95,98, 99,100 tot 104, 127, 128,20G, 390, 391 394, 395, 403, 404, 405, 407, 408, 412, 413, 418,419, 420, 422, 424, 426, 431, 444, 446, 447, 448, 458, 461, 462, 463,480,4^1, 503, 505, 506, 514, 553, 554, 983, 984 en 989 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 380, 383,384 en 748 van het Wetboek van Koophandel, art. 678 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, art. 34 van het Koninklijk besluit van 22 December 1819 n®. 56, wanneer de te ontvangene som meer dan f 25 bedraagt, en in de gevallen vermeld in het besluit van 29 Maart 4839 n0. 85, mitsgaders voor de benoeming van schatters, bewaarders en deskundigen, ééne vacatie, waarvoor aan hen, zonder dat de daarvoor bestede tijd in aanmerking zal komen, verschuldigd is f 3.00;

Indien onderscheidene der in de voormelde artikelen aangeduide werkzaamheden betrekking hebben tot denzelTden persoon, boedel of zaak, en vatbaar zijn om op denzelfden dag te kunnen worden verrigt, wordt daarvan slechts ééne akte opgemaakt, en indien die werkzaamheden binnen den tijd van drie uren na den aanvang der vacatie zijn verrigt, is daarvoor niet meer dan eene enkele verschuldigd;

Ingeval die onderscheidene werkzaamheden meer tijd dan drie uren vereischen, is voor ieder volgend uur of gedeelte daarvan verschuldigd f 1.00, zonder dat echter in eenig geval de som van f 6.00 te boven gegaan kan worden;

b. Voor aan hen door de wet opgedragen werkzaamheden bij verzegelingen, ontzegelingen, boedelbeschrijvingen, boedelscheidingen en openbare verkoopingen, ééne vacatie van drie uren of minder, waarvoor verschuldigd is f 3.00, en voor ieder volgend uur of gedeelte daarvan f 1.00, zonder dat echter meer dan f 9.00 op eenen dag mag worden berekend ; (Rv. 658 v., 669 v., 678 v.)

c. Voor de beëediging van ambtenaren, van schatters, deskundigen, bewaarders en dergelijken, en voor de beëediging der memorien van aangifte voor het successie-regt, voorzoover dit een of ander, ten verzoeke van de belanghebbenden, op eenen anderen tijd of plaats dan de gewone teregtzitting geschiedt, eene halve vacatie of /quot; 1.50, onver-

a) De bepalingen van dezen titel, aangevuld bij art. 1 der quot;.vet van 18 April 1871 (Stb. no. 68) (zie hierboven bl. 185), hebben eene aanmerkelijke verandering ondergaan door het gewijzigde art. 3(gt;a K. O. Art. 1 en 3 zijn daardoor, voorzooveel den kantonregter betreft, vervallen, art. 2 slechts tijdelijk gehandhaafd bij Stb. 1877 no. 73, a. 56. Voorzoover den griffier betreft, zijn die bepalingen tijdelijk gehandhaafd bij a. 5a derzelfde wet. (Zie hierboven bl. 130.)

-ocr page 965-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 1—5.

schillig of de eed door eeu of meer tot dezelfde zaak betrekking of belang hebbende personen wordt afgelegd. (Stb. 1859 n0. 36, a. 28 v.)

2. De kantonregter, die zich, tot het doen van verrigtingen waarvoor hij vacatieloon mag berekenen, buiten zijne woonplaats, anders dan naar de hoofdplaats van het kanton begeeft, berekent boven zijn vacatieloon ƒ1.50 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen de hoofdplaats van het kanton en de plaats waar de verrigting moet geschieden, of, indien deze nader bij de woonplaats van den kantonregter is gelegen, alsdan voor den afstand van dezelve, zonder in eenig geval voor de terugreize te kunnen rekenen.

Het gedeelte van vijf mijlen wordt, wanneer hetzelve minder dan de helft bedraagt, niet berekend, doch dien afstand te boven gaande, geldt hetzelve voor volle vijf mijlen.

De noodzakelijke transportkosten worden door den kantonregter, gespecificeerd en des gevorderd door quitantien bewezen, in rekening gebragt. (Stb. 1877 nquot;. 73, a. 5.)

3. Wanneer er door den kantonregter vacatieloon berekend wordt, wordt de duur van den besteden tijd of het bedrag van het berekende loon in de akte zelve uitgedrukt.

Bij gebreke hiervan kan daarvoor geene belooning gevorderd, en, indien er vacatieloon betaald was, het genotene teruggeêischt worden.

4. Wanneer de kantonregter, of een ambtenaar op zijnen last, zich, ter verrigting van eenige werkzaamheid in het belang van het rijk of de gemeenten, buiten de hoofdplaats van het kanton of buiten zijne woonplaats, anders dan naar de hoofdplaats, moet begeven, is de ambtenaar of het kollegie, welke de verrigting heeft gevorderd of in wiens belang dezelve geschiedt, verpligt tot voldoening der kosten, door de reis veroorzaakt en daarvoor besteed, nadat dezelve des noods door den voorzitter der arron-dissements-regtbank zijn begroot.

5. Aan de griffiers der kantongeregten is in regtszaken, waarin de vordering slechts ƒ25.00 of minder bedraagt, geene belooning verschuldigd.

In regtszaken waarin de vordering meer dan f 25.00 bedraagt, mitsgaders in die bij artt. 41—43 der wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der justitie vermeld, zijn hun de volgende belooningen verschuldigd:

a. Voor de aanteekening op het audientieblad van het in eene zaak op iedere teregtzitting verhandelde /quot;0.25, en indien meer dan ééne partij in een geding, het zij als eischer of als verweerder, voorkomt, /\'0.25 daarenboven voor iedere partij;

Personen, welke een gelijk belang bij eene zaak hebben, worden slechts als ééne partij aangemerkt.

Deze regten worden voldaan door de partij, welke de zaak aangebragt of het geding vervolgd heeft;

Door de partij, welke geene schriftelijke conclusie heeft overgelegd, wordt bovendien aan den griffier, voor de daarvan te houden aanteekening, betaald ƒ0.50;

b. Wegens regt van redactie:

879

-ocr page 966-

TARIEF VAN JUSTITIEKOSTEN EN SALARISSEN

1°. Van een interlocutoir of praeparatoir vonnis, f 0.50; (Rv. 46.)

Onder praeparatoire vonnissen worden niet begrepen eenvoudige uitstellen ter teregtzitting of het enkel verleenen van verstek;

2°. Van een eindvonnis, f i.00;

3°. Van een proces-verbaal van getuigenverhoor, voor één getuige f 0.50, voor eiken getuige daarenboven, ƒ 0.25; (Rv. 411.)

4°. Van een proces-verbaal wegens het hooren op vraagpunten, f 1.00; (Rv. 125 jis 243 v.)

Dit regt wordt voldaan door de partij welke de zaak vervolgt, of ten wiens verzoeke de verrigting heeft plaats gehad.

6. Van eedsafleggingen en andere verrigtingen, die geen gevolg zijn van eenig regtsgeding en waarvan geene afzonderlijke akte of proces-verbaal wordt opgenaaakt, wordt door den belanghebbende voor de aanteekening op het audientieblad voldaan f 0.25; indien daarvan eene afzonderlijke akte of proces-verbaal wordt opgemaakt, heeft er geene aanteekening op het audientieblad plaats.

7. In de gevallen, waarin aan de kantonregters het berekenen van vacatieloon is toegestaan en waarbij de tegenwoordigheid van den griffier vereischt wordt, berekent deze voor de minuut der akte of van het proces-verbaal drie vijfden van het vacatieloon des kantonregters.

8. Voor de minuten van elke andere akte of proces-verbaal, welke ten overstaan van den kaï.tonregter, in tegenwoordigheid van den griffier of door laatstgenoemde alleen, wordt opgemaakt, ingeschreven, of overgeschreven, wordt door den griffier berekend f 1.00, met bepaling dat, indien dezelve meer dan 1200 lettergrepen bevatten, voor elke 300 lettergrepen daar te boven verschuldigd is ƒ 0 25.

9. In de gevallen, bij art. 2 vermeld, berekent de griffier voor den tijd, tot de heen- en wederreize benoodigd,/quot;1.00, voor iedere vijf mijlen afstand tusschen de hoofdplaats van het kanton en de plaats waar de verrigting moet plaats hebben.

De verdere bepalingen van art. 2 zijn ook op den griffier toepasselijk.

10. Voor het nazoeken in het archief van stukken, waarvan geene grossen of afschriften worden aangevtaagd, wordt door den griffier berekend f 0.30 voor het aangewezer jaar; indien geen of meer clan één jaar is aangewezen, f 0.3Ó voor het eerste, en f 0.15 voor ieder ander jaar waarin de nazoeking plaats heeft.

Voor nazoeken van stukken gedurende het loopende jaar mag geene belooning worden gevorderd.

Indien de grilfier zich, tot het doen van die nazoeking, buiten de hoofdplaats van het kanton moet begeven, berekent hij, ook zelfs dan wanneer er grossen of afschriften zijn aangevraagd, bovendien voor den lijd, tot de heen- en wederreize benoodigd, f 1,00 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen de hoofdplaats van het kanton en de plaats waar de nazoeking moet geschieden.

Het gedeelte van vijf mijier, wordt, wanneer hetzelve

880

-ocr page 967-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 6—15. 880a

minder dan de helft bedraagt, niet berekend; doch, dien afstand te boven gaande, geldt hetzelve voor volle vijf mijlen.

De noodzakelijke transportkosten worden door den griffier, gespecificeerd en des gevorderd door quitantien bewezen, in rekening gebragt. (Stb. 4891 n0. 82.)

11. Als schrijfloon van alle stukken, welke door de griffiers worden uitgegeven, wordt door hen in rekening gebragt, voor elke bladzijde gewoon papier houdende 25 regels, elk van 12 lettergrepen of gedeelten daarvan, f 0,20.

De gronden en motieven van de door partijen genomene conclusien worden in de grossen en afschriften van vonnissen niet overgenomen.

12. Aan de griffiers der kantongeregten is verschuldigd voor protesten van non-acceptatie of non-betaling van wissels, order-biljetten en dergelijke (kopij en overschrijving op het register daaronder begrepen), f 3.00. (K. 182.)

Voor akten van interventie, aan den voet der protesten, f 0.75. (K. 121 v., 170 v.)

Voor ieder getuige bij een protest, ƒ 0.25.

Indien de griffier zich, tot het doen van een protest, buiten de hoofdplaats van het kanton moet begeven, berekent hij bovendien voor den tijd, tot de heen- en wederreize benoo-digd, mitsgaders voor de kosten aan het transport verbonden, f 1.00 voor iedere vijf mijlen afstand tusscheu de hoofdplaats van het kanton en de plaats waar het protest moet geschieden.

Het gedeelte van vijf mijlen wordt, wanneer hetzelve minder dan de helft bedraagt, niet berekend, doch dien afstand te bovengaande, geldt hetzelve voor volle vijf mijlen.

Indien het protest op onderscheidene in dezelfde rigting gelegene plaatsen moet geschieden, wordt alleen de afstand van de verst gelegene plaats in aanmerking genomen.

Voor reis- en transportkosten van ieder der getuigen wordt de helft van het hierboven bepaalde berekend.

13. De griffiers zijn verpligt om, in dorso van alle door hen afgegeven stukken, het bedrag der daarvoor verschuldigde regten of belooning, mitsgaders de zegel- en registratie-regten, afzonderlijk aan te teekenen, op straffe eener boete van ten hoogste 20 gulden voor ieder stuk, hetwelk zonder zoodanige aanteekening is afgegeven.

Bij de invordering van regten, belooningen, zegel- en regisfratie-regten, ter zake van werkzaamheden welke geene afgifte van stukken ten gevolge hebben, moeten zijr op gelijke boete, het bedrag van het verschuldigde insgelijks afzonderlijk omschrijven.

Aldus gewijzigd gehandhaafd hij ari. 10 n0. 7 en 11 Inv.; zie Sr. 468 A.

14. Bij weigering of verzuim der voldoening van aan de kantonregters of griffiers verschuldigde regten, belooningen, zegel- en registratie-regten, wordt op de volgende wijze geprocedeerd.

15. Het bedrag van het verschuldigde wordt aan den voet van eene door den kantonregter of griffier ingeleverde rekening begroot door den voorzitter der regtbank van het arron-

ooa

-ocr page 968-

880amp; TARIEF VAN JUSTITIEKOSTEN EN SALARISSEN

dissement, waartoe het kantongeregt behoort, of door een der leden, daartoe door hem benoemd, en daaronder door dezen gesteld een bevelschrift van tenuitvoerlegging, hetwelk op de minuut tenuitvoer kan worden gelegd.

De kantonregter of griffier kan de herziening der begrooting aan de regtbank verzoeken bij een verzoekschrift, waarop niet wordt beschikt dan nadat de belanghebbenden voor twee commissarissen, uit de regtbank daartoe benoemd, zijn opgeroepen, ten einde in hunne belangen te worden gehoord.

16. De begrootingen van den regter zijn niet aan reg-ten van registratie of griffie onderworpen.

17. De schuldenaar wordt tot de betaling genoodzaakt, het zij krachtens het bevelschrift van tenuitvoerlegging van den voorzitter of benoemden regter, het zij krachtens de beschikking, door de regtbank op een verzoek tot herziening genomen.

18. Degene, ten wiens laste zoodanig bevelschrift is afgegeven, kan daartegen verzet doen.

Dit verzet wordt gebragt voor het kollegie, welks voorzitter of benoemd lid het bevelschrift heeft afgegeven, en wordt als eene summiere zaak afgedaan.

De uitspraak op het verzet en de beschikking op een verzoek om herziening zijn niet vatbaar voor verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie.

19. Ingeval door een griffier eene overtreding is begaan waarop bij deze wet eene geldboete is gesteld, neemt, op de vervolging van het openbaar ministerie, de burgerlijke regter daarvan kennis.

De vervolging wordt, wat den vorm van procederen en dus ook de bewijsmiddelen, mitsgaders wat de bevoegdheid tot hooger beroep en cassatie betreft, behandeld als eene strafzaak ter kennisneming van de arrondissements-regt-bank; des echter dat omtrent het ophouden en te niet gaan van deze vervolgingen en omtrent de tenuitvoerlegging van arresten en vonnissen de bepalingen van den 8sten Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafregt en van den 16den titel van het Wetboek van Strafvordering mede toepasselijk zijn. (Sr. 68 v.; Sv. 141 v., 335 v.)

Gewijzigd bij art. 3 litt. d, en art. 10 n0. 7 Inv., en bij art. 1, 2°. Wet 31 December 1887 (Stb. n0. 265).

20. Vervallen ingevolge art. 3 litt. d Inv.

21. In de gevallen, waarin aan onvermogenden toelating is verleend om kosteloos te procederen, wordt door de griffiers geene belooning hoegenaamd berekend, behoudens de bevoegdheid daartoe in het geval voorzien bij art. 869 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Evenmin mogen de kantonregters en hunne griffiers eenig vacatie-, redactie- of schrijfloon berekenen voor werkzaamheden, welke ten gevolge van het bewezen onvermogen der belanghebbenden kosteloos worden verrigt.

-ocr page 969-

1

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. IB—23.

TWEEDE TITEL.

Van de griffiers bij de arrondissements-regtbanken, de geregtshoven en den hoog en raad.

(Stb. 1843 n». 38.)

22. Onverminderd de griffieregten, wélke, naar de thans daaromtrent bestaande of later vast te stellen wetten, ten behoeve der schatkist bij de ontvangers der registratie worden ingevorderd, en behoudens het genot van het aandeel, hetwelk daarvan aan de griffiers is of zal worden toegekend, kunnen de griffiers daarenboven voor hunne werkzaamheden in burgelijke zaken, ten laste der partijen, de volgende belooningen berekenen.

Het gecursiveerde vervallen ten gevolge van de afschaffing der griffieregten bij Stb. 1856 n0. 165, a.1.

23. Aan de griffiers is verschuldigd:

o. Wegens rolregt, voor alle zaken zonder onderscheid, ƒ0.75;

Dit regt wordt voldaan door de partij welke de inschrijving heeft verzocht;

b. Voor de aanteekening op het audientieblad van het in eene zaak op iedere teregtzitting verhandelde, /\'0.25; (R. I, a. 64.)

Dit regt wordt voldaan door iedere partij; zullende verschillende personen, bij een en denzelden procureur verschijnende, voor ééne partij gerekend worden;

c. Wegens regt van redactie:

1°. Van een interlocutoir of praeparatoir vonnis, van voorloopige beschikkingen op requesten aan de regt-banken, geregtshoven of hoogen raad, mitsgaders van de uitspraken van den president in kort geding, ƒ 0.75;

Onder praeparatoire vonnissen worden niet begrepen eenvoudige uitstellen ter teregtzitting of het enkel verleenen van verstek; (Rv. 46.)

2°. Van een eindvonnis of beschikking op request aan de regtbanken, geregtshoven of hoogen raad, f 1.50;

3°. Van een proces-verbaal van eetuieen-verhoor: (Rv. 205.)

Van één getuige, f 0.75;

Van eiken getuige daarenboven, f 0.30;

4». Van een proces-verbaal wegens het hooren op vraagpunten, f 1.50; (Rv. 243 v.)

5°. Van alle processen-verbaal, welke door hen volgens de wet moeten worden opgemaakt, ƒ1.00; met bepaling dat, indien dezelve meer dan 1,200 lettergrepen bevatten, voor elke 300 lettergrepen daar te boven is verschuldigd f 0.25;

Dit regt wordt voldaan door de partij, welke de zaak vervolgt of ten wiens verzoeke de verrigting heeft plaats gehad;

d. Van eedsafleggingen en andere verrigtingen, geen ge-

880.

-ocr page 970-

88(M TARIEF VAN JQSTITIEKOSTEN EN SAGARISSEN

volg zijnde van eenig regtsgeding, waarvan geene afzonderlijke akte of proces verbaal wordt opgemaakt, wordt door den belanghebbende voor de aanteekening op het audientie-blad voldaan f 0.50; indien daarvan eene afzonderlijke akte of proces-verbaal wordt opgemaakt, heeft er geene aanteekening op het audientieblad plaats;

e. Voor het aanteekenen van eene ter griffie overgebragte akte of exploit, in de gevallen waarin de wet dit vordert, mitsgaders van de afgifte van zoodanige akte of exploit en van de processtukken, f 0.25;

f. Voor de minute van elke akte ter griffie gepasseerd wordende, behalve die van bewaargeving der registers van den burgerlijken stand, en voor de inschrijving of overschrijving eener akte aldaar, f 1.00, met bepaling dat, indien dezelve meer dan twaalf honderd lettergrepen bevatten, voor elke drie honderd lettergrepen daar te boven is verschuldigd ƒ 0.25;

g. Voor oproepingen bij circulaire brieven, per brief, f 0.25;

h. Voor het geven van inzage aan de belanghebbenden van ter griffie nedergelegde stukken of van de in openbare registers ingeschreven akten, f 0.30 voor ieder uur, de gedeelten voor een vol uur gerekend;

i. Voor het nazoeken in het archief van stukken, waarvan geene grossen of afschriften worden aangevraagd, f 0.50 voor het aangewezen jaar;

Indien geen of meer dan één jaar is aangewezen, f 0.50 voor het eerste, en f 0.25 voor ieder ander jaar waarin de nazoeking plaats heeft;

Voor het nazoeken van stukken gedurende het loopende jaar mag geene belooning worden gevorderd;

k. Voor het in ontvang nemen, bewaren en weder afgeven van ter griffie overgebragte gelden of geldswaarde hebbende papier van sommen beneden de f 500, een half ten honderd; van het meerdere tot f 1000, een vierde ten honderd, en van het bedrag boven de /\'1000, een achtste ten honderd in het jaar, met dien verstande dat, zoo de gelden of het papier slechts zes maanden of korter bewaard worden, de helft der belooning verschuldigd is;

l. Voor de voorlezing der veilconditien van bij executie verkocht wordende onroerende goederen of schepen, ƒ0.50;

m. Voor de veiling en afslag derzeive, f 1.00 van iedere f 1000 koopprijs van elk perceel;

Sommen of gedeelten daarvan beneden ƒ1000 zullen voor f 1000 worden gerekend.

24. Aan de griffiers wordt betaald;

Voor de legalisatie van een of meer handteekeningen op notariële of andere akten, ƒ0.25;

Voor de legalisatie der handteekeningen op eene akte van den burgerlijken stand, ƒ0.15.

25. Als schrijfloon van alle stukken, door de griffiers uitgegeven, wordt door hen in rekening gebragt, voor elke bladzijde gewoon papier houdende 20 regels, elk van acht of tien lettergrepen of gedeelten daarvan, ƒ0.15.

De gronden en motieven van de door partijen genomene

-ocr page 971-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 24—29.

conclusien worden, evenmin als die van het openbaar ministerie, in de grossen en afschriften van vonnissen of arresten overgenomen.

26. De bovenstaande bepalingen zijn verbindend voor de griffiers bij alle regtbanken zonder onderscheid.

De daarbij bepaalde belooningen worden voor de griffiers bij de geregtshoven en den hoogen raad met één vijfde verhoogd.

27. Aan den griffier bij den hoogen raad wordt betaald;

Voor brieven van venia aetatis, /\'5.00. (B. 474.)

De verdere bepalingen van dit artikel vervallen ten gevolge van art. 3 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 55) en van art. 1 der Wut wm 26/tmi 1876 (Stb. n®. 124).

28. De bepalingen, in de artikelen 13, 14, 15, 16,17,18, 19, (20) en 21 vervat, zijn insgelijks van toepassing op de griffiers bij de arrondissements-regtbanken, de geregtshoven en den hoogen raad, met dien verstande echter, dat de voorzitter van het kollegie, tot hetwelk de griffier behoort, of een der leden, daartoe door hem benoemd, de begrooting doet en het bevelschrift uitvaardigt, en dat de griffier voor hetzelfde kollegie teregtstaat wegens door hem begane overtreding dezer wet.

Gehandhaafd hij art. 10 n0. 8 Inv.— De verwijzing naar art. 20 vervalt echter.

DERDE TITEL.

Van de Advocaten.

(Stb. 1843 n0. 66.)

29. Aan de advocaten is verschuldigd:

a. Voor elke besogne of conferentie met of voor hunne clienten f 1.80, des echter dat zij voor elk besogne of conferentie, welke langer dan een uur duurt, gelijke /1.80, gedeelten voor het geheel genomen, per uur mogen berekenen;

b. Voor eene comparitie ƒ3.60;

c. Voor eene vacatie buiten de plaats hunner woning /quot;12.00 voor eenen geheelen dag, en ƒ6.00 voor een gedeelte van den dag, zes uren of minder bedragende, onverminderd, in beide gevallen, hetgeen voor de gedurende dien tijd verrigte werkzaamheden verschuldigd is, mitsgaders de reis- en verblijfkosten;

d. Ingetrokken bij art. 5 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n». 75).

e. Voor het schrijven van eenen brief en voor het lezen van eenen ontvangen brief ƒ 0.90;

Indien dezelve buitengewoon groot of van veel gewigt is, alsdan naar mate van den tijd, welke daartoe noodig mogt zijn geweest, berekend op den voet sub. litt. a vermeld.

880e

-ocr page 972-

880f TARIEF VAN JUSTITIEKOSTEN EN SALARISSEN

30. Voor werkzaamheden, niet in het vorige artikel vermeld, berekenen de advocaten het hun verschuldigde salaris, naar mate van het belang en de moeijelijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden.

31. De advocaten zijn verpligt aan hunne clienten, des gevorderd wordende, te geven gespecificeerde rekeningen, met opgave van den dag waarop de werkzaamheden zijn verrigt en van den besteden tijd, voorzooverre de hoegrootheid van het salaris daarvan afhankelijk is.

Voor werkzaamheden ten behoeve van personen, die het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, alsmede in vacante boedels, onderwerpen de advocaten hunne rekeningen vooraf aan de begrooting van den voorzitter der regt-bank van het arrondissement waarin hunne woonplaats is gevestigd, of van een der leden daartoe door hem benoemd; van die begroote rekening wordt een ongezegeld afschrift aan de clienten uitgegeven.

32. Buiten de gevallen, in het 2de lid van art. 31 vermeld, geschiedt, in geval van verschil over het salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend, de begrooting door de raden van toezigt en discipline in de hoofdplaats var. het arrondissement, waarin de advocaat woonachtig is, of, indien aldaar geen raad van toezigt aanwezig is, door dien in de residentie van het geregtshof, waaronder de woonplaats van den advocaat behoort; en indien ook aldaar geen zoodanige raad bestaat, alsdan door dien gevestigd in de residentie van den hoogen raad. (R. Ill, a. 9 v.)

33. Indien de advocaat met de begrooting van den raad van toezigt geen genoegen neemt, of de cliënt weigerachtig blijft het bedrag daarvan te voldoen, wordt het bedrag van het verschuldigde nader vastgesteld door den voorzitter van het col-legie waar de zaak, waarin het salaris berekend is, gediend heeft, of door een der leden daartoe door hem benoemd.

Indien de zaak voor geen regterlijk collegie is aanhangig geweest, geschiedt zulks door den voorzitter der regtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van den advocaat is gevestigd, of door een der leden daartoe door hem benoemd.

34. De begrooting geschiedt op gezegelde rekeningen, waarop iedere post, zoo van salaris als verschot, behoorlijk is omschreven en het bedrag daarvan afzonderlijk uitgedrukt, en waarop, naast de uitgetrokkene som, een wit vak is opengelaten.

Onder de rekening wordt gesteld: «ter begrooting ingediend door»......, met onderteekening en dagteekening,

zonder dat er eenige andere vorm bij de indiening ter begrooting in acht genomen behoeft te worden.

35. De regter, door wien de begrooting geschiedt, is bevoegd de overlegging der justificatoire stukken te vorderen.

Hij slaat bij de begrooting acht op de omstandigheid, of de gemaakte kosten en verschotten en de gedeclareerde vacatiën, naar den aard der zaak, nuttig, doelmatig ofnoo-dig kunnen geacht worden of door den cliënt zijn ver-

-ocr page 973-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 30—42. 880(/

langd, en wijzigt, roijeert of vermindert de zoodanige, welke daarbij geoordeeld worden overbodig te zijn of de palen eener billijke gematigdheid te overschrijden, daarbij in aanmerking nemende het gewigt der zaak er de moeijelijkheid die zij mogt hebben opgeleverd.

36. quot;Wanneer in de rekeningen als verschot worden gebragt posten, die uit eigen hoofde aan begrooting onderworpen doch niet begroot zijn, zijn deze posten nog steeds voor vermindering vatbaar en worden alleen geleden tot zoodanig bedrag, als waarop de regter dezelve begroot, onverminderd het verhaal tegen hem, die aldus blijken mogt te veel te hebben ontvangen.

Posten wegens betaalde zegel-, griffie- en registratie-regten, mits van derzelver voldoening behoorlijk blijke, zijn niet aan vermindering onderworpen,

37. Het bedrag der te hoog gestelde of onaannemelijke posten wordt doorgehaald en in het daarvoor opengelaten wit vak de verschuldigde som, of wel «nihil», gesteld.

Aan het slot der rekening wordt door den regter gesteld:

«goedgekeurd ter somma van»......, met uitdrukking,

in letters, van het geheel bedrag waarop dezelve is begroot, en daaronder een bevelschrift van tenuitvoerlegging, het welk op de minuut tenuitvoer wordt gelegd.

De advocaat kan de herziening der begrooting aan het collegie, welks voorzitter of benoemd lid dezelve heeft gedaan, verzoeken bij een verzoekschrift, waarop niet wordt beschikt dan nadat de belanghebbenden voor twee commissarissen uit het collegie, daartoe benoemd, zijn opgeroepen, om in hunne belangen te worden gehoord.

38. De begrootingen van den regter zijn niet aanregtea van registratie of griffie onderworpen.

39. De schuldenaar wordt tot de betaling genoodzaakt, het zij krachtens het bevelschrift van tenuitvoerlegging van den voorzitter of benoemden regter, het zij krachtens de beschikking, door het collegie op een verzoek tot herziening genomen.

40. Degene, ten wiens laste zoodanig bevelschrift is afgegeven, kan daartegen verzet doen.

Dit verzet wordt gebragt voor het collegie, welks voorzitter of benoemd lid het bevelschrift heeft afgegeven, en wordt als eene summiere zaak afgedaan.

De uitspraak op het verzet en de beschikking op een verzoek om herziening, zijn niet vatbaar voor verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie.

él en 42. Ingetrokken bij art. 5 der Wet van 25 April 1879 (Stb. n». 75).

-ocr page 974-

880/» TARIEF VAN JUSTIT1EICOSTEN EN SAIARISSEN

VIERDE TITEL.

Van de Procureurs.

(Stb. 1843 n». 67.)

43. Het salaris van de procureurs wordt in alle zaken, zonder onderscheid, berekend op den volgenden voet:

a. Voor regt van retenue, bij den aanvang van iedere zaak waarin eene regterlijke uitspraak wordt gevraagd, het zij op verzoekschrift, het zij op eene dagvaarding, f 1.00;

b. Voor besognes, comparitien, met of voor de clienten of met den advocaat, op het stellen en op het resumeren en arresteren van akten, exploiten, requesten, judiciële akten of op eenige belangrijke akte van een regtsgeding, voor conferentien met partij of derzelver practizijns tot mededeeling van hetgeen in den loop der zaak gebeurt of tot daarstelling van schikkingen; voor vacatiën bij het doen van vooiioopige opnemingen van plaatsen of werken; voor die op de kantoren van de bewaring der hypotheken en andere, tot het doen van onderzoek, het ter overschrijving aanbieden en ligten van stukken; voor die ter griffie tot het kennis nemen van aldaar nedergelegde stukken; voor die met de deurwaarders over het doen van exploiten en het resumeren van dezelve, met uitzondering nogtans der akten welke van procureur aan procureur worden beteek end; en eindelijk voor het in orde brengen der stukken, welke aan den regter worden overgelegd, het formeren van de lijst of inventaris daaronder begrepen, voor elk uur of gedeelte daarvan f i .00;

c. Voor het onderzoek van ontvangen of beteekende stukken en documenten en het resumeren van door den advocaat ontworpen akten en schrifturen, naar mate van derzelver getal, den omvang en den tijd daartoe vereischt, voor elk uur of gedeelte daarvan ƒ1.00;

d. Voor het opstellen van akten en exploiten, requesten, judiciële akten, memorien of andere stukken, mits niet vallende in de categorien van die judiciële stukken of akten, welke hierna, sub litt. n, o en p, bepaaldelijk zijn opgenoemd en berekend, voor elk uur of gedeelte daarvan ƒ 1.80;

Dit nummer is aldus gewijzigd bij art. 6 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n0. 75).

e. Voor het grosseren, kopijeren van requesten, akten en schrifturen, met gelijke uitzondering, voor elke drie honderd lettergrepen, f 0.20;

f. Voor afschriften van processen-verbaal, vonnissen, in het algemeen van alle akten die ter griffie zijn uitgeleverd, en voorzooverre die noodig zijn om te worden beteekend of overgelegd, per bladzijde, berekend naar het getal bladzijden van het origineel, ƒ0.20;

g. Voor het resumeren en teekenen van judiciële akten en stukken, met uitzondering van die welke hierna, sub litt. n, o

-ocr page 975-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ART. 43.

en p bepaaldelijk zijn opgenoemd, voor zooverre die teekening bij de wet wordt vereischt, en anders niet, per stuk f 0.25;

h. Voor het schrijven van eenen brief en voor het lezen van eenen ontvangen brief f 0.50. Indien dezelve buitengewoon groot of van veel gewigt is, alsdan naar male van den tijd welke daartoe noodig mogt zijn geweest, berekend op den voet sub Htt. b, c en d vermeld;

i. Voor elke vacatie tot het doen inschrijven eener zaak ter rolle, het nederleggen en terugnemen van stukken ter griffie, het doen van mededeeling van stukken aan het openbaar ministerie, of het doen opmaken, teekenen en ligten van akten en andere stukken ter griffie of elders, f 1.00;

k. Voor elke vacatie ter teregtzitting, wanneer de behandeling eener zaak of van eenige verrigting in dezelve tot eenen anderen dag wordt uitgesteld, f 1.00;

l. Voor elke vacatie ter teregtzitting, vereischt tot het doen van eenig verzoek of van eenige verklaring, anders dan die welke strekt tot het uitstellen der zaak; voor elke vacatie tot het nemen of hooren van conclusion of regter-lijke uitspraken, het tegenwoordig zijn bij pleidooijen, bij getuigenverhoor, bij regterlijke plaatsopneming, bij het onderzoek van deskundigen en dergelijke werkzaamheden, mitsgaders op de bevolen comparitien voor den president of bij commissarissen, f 1.50;

In geen geval wordt daarvoor meer dan ééne vacatie op denzelfden dag in rekening gebragt, des echter dat voor adsistentie bij pleidooijen, mitsgaders bij getuigenverhoor, geregtelijke plaatsopneming, onderzoek van deskundigen en dergelijke werkzaamheden, indien dezelve langer dan een uur duren, voor ieder volgend uur of gedeelte daarvan, eene gelijke som van f 1.50 wordt berekend;

m Voor noodzakelijke en ter zake dienende vacatiën, buiten de plaats hunner woning, per dag of gedeelte daarvan, buiten de besognes en werkzaamheden aldaar te houden oftever-rigten, reis en verblijfkosten daaronder niet begrepen, f6.00\', wordende echter voor deze vacatie met de besognes en werkzaamheden nimmer meer dan f 12.00 berekend;

n. Voor alle eenvoudige akten van procureur aan procureur, als die van procureur-stelling, tot vervolging van de zaak ter teregtzitting, tot het vragen of het doen van mededeeling van stukken en andere van gelijken aard:

Voor het origineel........f 0.75

Voor elk afschrift........- 0.25;

o. Voor alle akten van procureur aan procureur van meerderen omvang, die verklaringen, verzoeken of ongemotiveerde conclusion inhouden:

Voor het origineel........ƒ 1.50

Voor elk afschrift........- 0.50;

p. Voor alle eenvoudige, niet aan de wederpartij vooraf beteekende requesten, gerigt aan den president van het collegie, in de gevallen waarin bij de wet tot het bekomen eener bijzondere vergunning zoodanig verzoekschrift is voorgeschreven; alsmede voor eenvoudige requesten

880i

-ocr page 976-

880/ TARIEF VAN JUSTITIE KOSTEN EN SALARISSEN

aan den president of aan de benoemde commissarissen, om eenige benoeming of tijdsbepaling, f 150;

Voor het stellen, grosseren, resumeren, teekenen der akten of requesten, sub litt. n, o en p bedoeld, wordt niet afzonderlijk berekend;

q. Voor het opmaken van den staat van kosten, door de veroordeelde partij verschuldigd, voor elk artikel dat geheel of ten deele wordt toegewezen, f 0.05.

44. Voor de behandeling eener zaak in kort geding bij den ■president, de dagvaarding en hetgeen daaraan is voorafgegaan, het ligten der uitspraak (des gevorderd) daaronder begrepen, wordt door de procureurs berekend in eens af en zonder deswege, onder welke benaming ook, meer in rekening te mogen brengen:

a. Bijaldien de zaak door den procureur zonder bijstand van eenen advocaat is behandeld en er eene beslissing van den president is gevolgd, f 10.00, en in geval van verwijzing naar de regtbank, f 5.00;

b. Bijaldien de procureur door eenen advocaat is bijgestaan, wordt in beide gevallen slechts de helft der hierboven vermelde sommen berekend.

45. De procureurs, die zelve de zaken bepleiten, berekenen hun salaris voor de pleidooijen en de voorbereiding daartoe evenals de advocaten.

Aldus qewijziqd bij art 7 der Wet van 23 April 1879 (Stb. nquot;. 75).

46. Onverminderd de berekening der vacatiën en werkzaamheden, naar den bij art. 43 vermelden maatstaf, wordt bij geregtelijke uitwinning en verkoop van onroerende goederen en schepen, grooter dan tien lasten, aan den procureur van den executant toegekend, op den prijs waarvoor de goederen zijn toegewezen: (Rv. 491 v., 563 v.)

wanneer de prijs de som van f 3,000 of minder bedraagt, één ten honderd;

van sommen boven de f 3,000 tot f 10,000, één half ten honderd van het hoogere;

van sommen boven de f quot;10,000 tot f 25,000, één vierde van het hoogere; en

van sommen boven de f 25,000, onbepaald tot welit eene som, één achtste ten honderd van het hoogere.

Bij gelijktijdigen verkoop van verschillende perceelen bepalen de prijzen, te zamen genomen, de afnemende gradatie in de percentsgewijze belooning.

47. De bovenstaande bepalingen zijn verbindend voor de procureurs bij alle regtbanken, zonder onderscheid.

De daar bij bepaalde belooningen worden voor de procureurs bij de geregtshoven en bij den hoogen raad met \'/s verhoogd.

48. De procureurs zijn bevoegd om, het zij bij den aanvang, het zij gedurende den loop eener zaak, van hunne clienten te vorderen het storten van zekere som, ter bestrijding der door hen te doene uitschotten.

Het eerste door den aanlegger eener zaak te doene voorschot wordt bepaald op f 60, hoven en behalve de

-ocr page 977-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 44—53. 880A

geregtelijke geldboeten, ivelke volgens de wet moeten worden geconsigneerd. (Stb. 1869 n0. 55.)

Voor een gedaagde of verweerder in eene zaak wordt het te doene voorschot op de helft bepaald.

De procureurs zijn verder bevoegd om, indien daarvoor redenen bestaan, vermeerdering van het gedane voorschot te vragen, en in geval van verschil daarover beslist daaromtrent de voorzitter van het collegie bij hetwelk de zaak aanhangig is, op verzoek van den procureur, des noods na verhoor van den cliënt.

49. De procureurs mogen zich aan de zaak onttrekken, indien de gevraagde of bevolene storting niet is gedaan, mits zij daarvan ten minste drie dagen te voren bij insinuatie aan hunnen cliënt kennis gegeven, en het origineel daarvan nedergelegd hebben ter griffie van het collegie waar de zaak aanhangig is.

De kosten van deze insinuatie en nederlegging komen ten laste van den cliënt welke het voorschot heeft geweigerd.

De bepalingen van dit en het vorige artikel zijn niet van toepassing op zaken uit de koloniën van den Staat bij den hoogen raad behandeld wordende.

50. Behalve voor de registratie-regten van vonnissen of arresten, welke op de minuten derzelve worden geheven, zijn de procureurs bij de regterlijke collegien persoonlijk aansprakelijk voor alle regten, belooningen, zegel-, registratie-en griffie-regten, door hunne clienten aan den griffier verschuldigd, in zaken, welke door hen zijn behandeld, of voor stukken, waarvan de opmaking of afgifte door hen is verzocht.

51. Ingetrokken bij art. 7 der Wet van 23 April 1879 (Stb. n». 75).

52. De bepalingen, vervat in art. 31, zijn insgelijks van toepassing op de procureurs, welke, ingeval van weigering of verzuim der voldoening van het aan hen verschuldigde salaris en voorschot, handelen overeenkomstig de voorschriften, in de artikelen 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39 en 40 vervat.

VIJFDE TITEL.

Van de deurwaarders.

(Stb. 1843 n0. 39.)

53. Aan de deurwaarders is verschuldigd voor het doen van ieder exploit, van welken aard ook, indien hetzelve gesteld aan hen is ter hand gesteld:

Wanneer die betrekking hebben tot een geding voor een kantonregter, ƒ 0.50;

Wanneer die betrekking hebben tot een geding voor de arrondissements-regtbanken, de geregtshoven, den hoogen raad, of scheidsmannen, of ook wanneer die geene betrekking hebben tot een eigenlijk regtsgeding, en niet elders afzonderlijk zijn opgenoemd, ƒ0.75;

-ocr page 978-

880/ TARIEF VAN JUST1T1EKOSTEN EN SALARISSEN

aan den president of aan de benoemde commissarissen, om eenige benoeming of tijdsbepaling, f 150;

Voor het stellen, grosseren, resumeren, teekenen der akten of requesten, sub litt. n, o en p bedoeld, wordt niet afzonderlijk berekend;

q. Voor het opmaken van den staat van kosten, door de veroordeelde partij verschuldigd, voor elk artikel dat geheel of ten deele wordt toegewezen, f 0.05.

U. Voor de behandeling eener zaak in kort geding bij den president, de dagvaarding en hetgeen daaraan is voorafgegaan, het ligten der uitspraak (des gevorderd) daaronder begrepen, wordt door de procureurs berekend in eens af en zonder deswege, onder welke benaming ook, meer in rekening te mogen brengen:

a. Bijaldien de zaak door den procureur zonder bijstand van eenen advocaat is behandeld en er eene beslissing van den president is gevolgd, f 10.00, en in geval van verwijzing naar de regtbank, f 5.00;

h. Bijaldien de procureur door eenen advocaat is bijgestaan, wordt in beide gevallen slechts de helft der hierboven vermelde sommen berekend.

15. De procureurs, die zelve de zaken bepleiten, berekenen hun salaris voor de pleidooijen en de voorbereiding daartoe evenals de advocaten.

Aldus qcwiiziqd bij art 7 der Wet van 23 April 4879 (Stb. n0. 75).

46. Onverminderd de berekening der vacatiën en werkzaamheden, naar den bij art. 43 vermelden maatstaf, wordt bij geregtelijke uitwinning en verkoop van onroerende goederen en schepen, grooter dan tien lasten, aan den procureur van den executant toegekend, op den prijs waarvoor de goederen zijn toegewezen: (Rv. 491 v., 563 v.)

wanneer de prijs de som van f 3,000 of minder bedraagt, één ten honderd;

van sommen boven de f 3,000 tot f 10,000, één half ten honderd van het hoogere;

van sommen boven de f 10,000 tot ƒ 25,000, één vierde van het hoogere; en

van sommen boven de f 25,000, onbepaald tot welk eene som, één achtste ten honderd van het hoogere.

Bij gelijktijdigen verkoop van verschillende perceelen bepalen de prijzen, te zamen genomen, de afnemende gradatie in de percentsgewijze belooning.

47. De bovenstaande bepalingen zijn verbindend voor de procureurs bij alle regtbanken, zonder onderscheid.

De daar bij bepaalde belooningen worden voor de procureurs bij de geregtshoven en bij den hoogen raad met \'/s verhoogd.

48. De procureurs zijn bevoegd om, het zij bij den aanvang, het zij gedurende den loop eener zaak, van hunne clienten te vorderen het storten van zekere som, ter bestrijding der door hen te doene uitschotten.

Het eerste door den aanlegger eener zaak te doene voorschot wordt bepaald op f CO, hoven en behalve de

-ocr page 979-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 44—53.

gereglelijke geldboeten, welke volgens de wet moeten worden geconsigneerd. (Stb. 1869 n0. 55.)

Voor een gedaagde of verweerder in eene zaak wordt het te doene voorschot op de helft bepaald.

De procureurs zijn verder bevoegd om, indien daarvoor redenen bestaan, vermeerdering van het gedane voorschot te vragen, en in geval van verschil daarover beslist daaromtrent de voorzitter van het collegie bij hetwelk de zaak aanhangig is, op verzoek van den procureur, des noods na verhoor van den cliënt.

49. De procureurs mogen zich aan de zaak onttrekken, indien de gevraagde of bevolene storting niet is gedaan, mits zij daarvan ten minste drie dagen te voren bij insinuatie aan hunnen cliënt kennis gegeven, en het origineel daarvan nedergelegd hebben ter griffie van het collegie waar de zaak aanhangig is.

De kosten van deze insinuatie en nederlegging komen ten laste van den cliënt welke het voorschot heeft geweigerd.

De bepalingen van dit en het vorige artikel zijn niet van toepassing op zaken uit de koloniën van den Staat bij den hoogen raad behandeld wordende.

50. Behalve voor de registratie-regten van vonnissen of arresten, welke op de minuten derzelve worden geheven, zijn de procureurs bij de regterlijke collegien persoonlijk aansprakelijk voor alle regten, belooningen, zegel-, registratie-en griffie-regten, door hunne clienten aan den griffier verschuldigd, in zaken, welke door hen zijn behandeld, of voor stukken, waarvan de opmaking of afgifte door hen is verzocht.

51. Ingetrokken hij art. 7 der Wet van 23 April 1879 (Stb. nquot;. 75).

52. De bepalingen, vervat in art. 31, zijn insgelijks van toepassing op de procureurs, welke, ingeval van weigering of verzuim der voldoening van het aan hen verschuldigde salaris en voorschot, handelen overeenkomstig de voorschriften, in de artikelen 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39 en 40 vervat.

VIJFDE TITEL.

Van de deurwaarders.

(Stb. 1843 n0. 39.)

53. Aan de deurwaarders is verschuldigd voor het doen van ieder exploit, van welken aard ook, indien hetzelve gesteld aan hen is ter hand gesteld:

Wanneer die betrekking hebben tot een geding voor een kantonregter, /quot;0.50;

Wanneer die betrekking hebben tot een geding voor de arrondissements-regtbanken, de geregtshoven, den hoogen raad, of scheidsmannen, of ook wanneer die geene betrekking hebben tot een eigenlijk regtsgeding, en niet elders afzonderlijk zijn opgenoemd, /\'0.75;

880/c

-ocr page 980-

880Z TARIEF VAN JOSTITIEKOSTEN EN SALARISSEN

Voor schrijlloon, zoowel van het origineel als van elk afschrift, genieten zij voor elke drie honderd lettergrepen, ƒ 0.10;

Wanneer zij zijn belast geweest met het opmaken van het exploit, mogen zij daarvoor bovendien éénmaal rekenen eene gelijke som, als aan hen hierboven voor het doen van het exploit in onderscheidene gevallen is toegekend.

Indien het exploit aan het parket van het openbaar ministerie of eenige andere autoriteit of kollegie wordt gedaan, of eenige akte aldaar moet worden beteekend, en er op het origineel een visa wordt vereischt, of wel indien hetzelve of eenige andere stukken worden aangeplakt, afgekondigd of in een dagblad aangekondigd, rekenen de deurwaarders, boven het salaris, hun bij het vorige artikel toegestaan, voor ieder dezer bemoeijenissen f 0.30, voor ieder stuk, waaromtrent een der hierboven bedoelde werkzaamheden heeft plaats gehad.

55. Aan de deurwaarders is verschuldigd:

a. Voor protesten van non-acceptatie of non-betaling van wissels, order-biljetten en dergelijke (kopij en overschrijving op het register daaronder begrepen), f 3.00; (K. 182.)

Voor akten van interventie aan den voet der protesten, ƒ 0 75; (K. \'HO.)

Voor iederen getuige bij een protest, f 0.25;

b. Voor eene vacatie van niet langer dan drie uren, tot ontruiming van woningen of gebouwen, inbeslagneming van roerende en onroerende goederen of schepen, nazieniug en verkoop, en tot het schrijven van het origineel en de kopijen van de daarvan op te maken processen-verbaal, f 3.00; (R. O. 41, 42; Rv. 440, 502, 563 enz.)

Voor elk uur of gedeelte daarvan, bovendien f 1.00;

Voor ieder der getuigen, zoo hunne tegenwoordigheid niet langer dan drie uren gevorderd wordt, f 0.75;

Voor ieder uur of gedeelte daarvan, bovendien f 0.25;

Ingeval er kosten van transport van goederen, werklieden, enz., gevorderd worden, worden dezelve aan den deurwaarder naar billijkheid als uitschotten in rekening geleden, op vertoon der quitantien van de personen, door hem gebezigd, en des noods ter taxatie van den voorzitter der reglbank van het arrondissement, waarin de werkzaamheid is verrigt;

c. Voor vacatie om gelden of geldswaarde hebbende papier bij eene inbeslagneming of wel de opbrengst van den verkoop in bewaring te brengen ter plaatse bij de wet voorgeschreven, f 1.00; (Rv. 445, 474.)

d. Voor het proces-verbaal van gijzeling en de akte van ingevangenisstelling van eenen schuldenaar, daaronder begrepen de twee den deurwaarder vergezellende getuigen, mitsgaders de afschriften, f 20.00; (Rv. 602, 606.)

e. Voor vacatie ter verkrijging van de noodige adsistentie, ingeval zulks vereischt wordt, mitsgaders bij den voorzitter der regtbank, in geval van kort geding op de inhechtenisneming, het melding maken op het proces-verbaal daaronder begrepen, f 3,00; (Rv. 603, 604.)

f. Voor alle andere processen-verbaal in het algemeen, in de gevallen waarin de deurwaarder verpligt is het verrigte

-ocr page 981-

IN BITRGERLIJKE ZAKEN, ARTT, 54—59. 880m

door zoodanige akte te constateren, de afschriften daaronder begrepen, f 2,75;

Voor ieder der getuigen, indien die daarbij vereischt mogten worden, ƒ 0.25;

g. Voor het bewaren van eenen gefailleerde, per dag, kost en onderhoud daaronder begrepen, f 3.00;

Indien de bewaring aan eenen dienaar der openbare magt is opgedragen, wordt daarvoor aan dezen de helft dezer belooning toegekend; (K. 789.)

h. Voor afschriften van alle stukken, welke bij de onderscheidene exploiten worden overgegeven, voor zooverre die door de deurwaarders zijn gemaakt en geteekend geworden, voor elke drie honderd lettergrepen, f 0.15.

56. De deurwaarder die zich, tot het doen van eenige verrigting, buiten zijne woonplaats begeeft, berekent, boven de aan hem voor die verrigting toegekende belooning, f 1.00 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen zijne woonplaats en de plaats waar de verrigting geschiedt, zonder voor de terugreis te kunnen rekenen

Het gedeelte van vijf mijlen wordt, wanneer hetzelve minder dan de helft bedraagt, niet berekend, doch, dien afstand te boven gaande, geldt hetzelve voor vijf volle mijlen.

Indien eenige verrigting in dezelfde zaak op onderscheidene in dezelfde rigting gelegene plaatsen geschiedt, wordt alleen de afstand naar de verst gelegene plaats in aanmerking genomen.

Voor reiskosten van ieder der getuigen wordt, indien dezelve vereischt worden, de helft van het hierboven bepaalde berekend.

57. Aan de deurwaarders wordt als uitschot in rekening geleden de belooning aan den cipier te betalen, voor het overschrijven der akte van ingevangenisstelling en verdere stukken in zijn register, voor elke drie honderd lettergrepen, f 0.15. (Rv. 607.)

58. Aa i de eerste deurwaarders bij de regterlijke kol-legien is verschuldigd voor de beteekening van alle stukken van procureur aan procureur:

bij de arrondissements-regtbanken, f 0.30;

bij de geregtshoven, f 0.50;

bij den hoogen raad, f 0.75.

59. De deurwaarder, ter rolle dienst doende, berekent voor de oproeping van iedere zaak: (R. I, 38.)

bij de kantongeregten, in zaken waarin de vordering meer dan f 25 bedraagt, mitsgaders in die bij art. 41 tot 43 der wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der justie behandeld, f 0.20;

bij arrondissements-regtbanken, f 0.80;

bij de geregtshoven, f 0.50;

bij den hoogen raad, f 0.80;

bij den verkoop van onroerende goederen of schepen ƒ 1.00, voor ieder perceel of schip dat in veiling wordt gebragt. (Rv. 523 v., 572 v.)

Deze kosten worden voldaan door de partij of den procureur, welke de zaak heeft vervolgd.

-ocr page 982-

TARIEF VAN JUSTITIEKOSTEN EN SALARISSEN.

De deurwaarders mogen, bij comparitien voor den kanton-regter of bij regters of raden-commissarissen, gelijk emolument als voor de oproeping eener zaak ter rolle vorderen van de partij, ten wier verzoeke de comparitie wordt gehouden.

Indien de comparitie ambtshalve plaats heeft, wordt deze belooning door de belanghebbenden ieder voor een gelijk aandeel voldaan.

11:

KSB-f ■1 lil li I

11

I

11 jlii

I

H

i.üaJ

ZESDE TITEL.

Fan de bewaarders, deskundigen en getuigen.

(Stb. 1843 n®. 40.)

60. Aan den gestelden bewaarder over in beslag genomen of verzegelde goederen wordt, wanneer hij geen medebewoner is van het huis of de plaats, waarin de inbeslagneming of verzegeling heeft plaats gehad, of zelf bij de bewaring daarvan geen belang heeft, of wanneer hij daarmede in geene andere betrekking is belast, voor eiken dag, kost en onderhoud daaronder begrepen, toegelegd per dag /l.OO.

Indien een medebewoner van het huis of de plaats, waarin de inbeslagneming of verzegeling heeft plaats gehad, die zelf bij de bewaring daarvan geen belang heeft, of daarmede in geene andere betrekking is belast, tot bewaarder over de in beslag genomen of verzegelde goederen wordt gesteld, wordt aan dezen daarvoor toegekend per dag f G.40. (Rv. 450, 658, 760.)

61. Aan deskundigen wordt toegelegd een vacatiegeld, geëvenredigd aan hunnen maatschappelijken stand, beroep en het belang der verrigting, ter beoordeeling van den regter, welke het onderzoek heeft bevolen, doch niet hooger dan f 2.00 voor iedere vacatie van een uur, tot de aan hen opgedragene werkzaamheden besteed. (Rv. 222 v.)

Het gedeelte van een uur wordt voor een geheel gerekend,

62. Voor de eedsaflegging, mitsgaders voor de overbrenging van het rapport van deskundigen ter griffie, wordt eene vacatie geleden. (Rv. 228, 232.)

63. Indien deskundigen zich tot het verrigten hunner werkzaamheden van hunne woonplaats moeten verwijderen, wordt hun een gelijk vacatiegeld toegestaan, voor den tijd tot de heen- en terugreize benoodigd.

61. Aan houders of bewaarders van stukken, die opgeroepen worden om stukken, onder hunne berusting of bewaring zijnde, voor den regter over te brengen, wordt voor iedere vacatie toegelegd: (Rv. 185 v.)

1°. Aan den griffier bij den hoogen raad en aan

de griffiers bij de geregtshoven.......f 6.00

aan de griffiers bij de arrondissements-regtbanken » 4.00 aan de griffiers bij de kantongeregten . ... ygt; 8.00

2°. Aan de notarissen..........» 4.00

3°. Aan de deurwaarders.........» 2.00

4°. Aan andere ambtenaren........» 4.00

880n

-ocr page 983-

IN BURGERLIJKE ZAKEN, ARTT. 60—67.

5°. Aan particulieren, in verhouding tot hunnen maatschappelijken stand en beroep, ter beoordeeling van den regter, doch niet hooger dan ... ƒ 4.00

65. Aan getuigen wordt, almede naar mate van hunnen maatschappelijken stand en beroep, in verband met hunne dagelijksche verdiensten, voor zooverre die in aanmerking behooren te komen, eene schadeloosstelling toegelegd voor eiken dag dat hunne tegenwoordigheid wordt vereischt.

Het minimum is van f 0.50 en het maximum van /quot;4.00 per dag, gedeelten van dagen voor geheele dagen gerekend. (Rv. 199 v.)

66. Voor reiskosten en tijdverlies wordt goedgedaan:

1°. Aan deskundigen en aan de houders der stukken,

bedoeld bij art. 64, het bedrag der door hen voor reiskosten gedane verschotten, naar billijkheid en ter beoordeeling van den regter.

2°. Aan de getuigen, welke zich verder dan vijf mijlen van hunne woonplaats moeten verwijderen, voor iedere vijf mijlen afstand of gedeelte daarvan:

a. aan die, woonachtig in de provinciën Zuid- en Noord-Holland, indien zij blijven binnen het arrondissement, waarin hunne woonplaats gevestigd is, f 0.75, en indien zij zich daar buiten begeven, f 1.00;

h. aan die, woonachtig in de overige provinciën, indien zij blijven binnen het arrondissement, ƒ 0.50, en indien zij zich daar buiten begeven, f 0.75; en eindelijk

c. in het algemeen aan getuigen welke zich begeven buiten de provincie, waarin hunne woonplaats gevestigd is, f 1.25.

Ingevalle echter de verplaatsing zich bepaalt tot een arrondissement, grenzende aan de provincie, waarin de getuige woonachtig is, wordt hem in de provinciën Zuid- en Noord-Holland slechts f 1.00, en in de overige provinciën f 0.75 voor iedere vijf mijlen afstand goedgedaan.

De kosten en de tijd, voor de terugreis gevorderd, geven in geen geval tot eenige vergoeding aanleiding.

In de arrondissementen, waar, door de onvermijdelijke overvaart van wateren en rivieren, gevoegd bij het gemis van min kostbare reisgelegenheden, de reiskosten noodwendig grooter zijn, wordt het aan de beoordeeling des regters overgelaten eene billijke verhooging voor dezelve toe te kennen.

Indien de tegenwoordigheid van elders wonende getuigen langer dan eenen dag wordt vereischt, wordt hun daarenboven voor eiken dag eene schadeloosstelling toegelegd.

Het minimum is van f 1.00 en het maximum van /4.00 per dag, gedeelten van dagen voor geheele dagen gerekend.

67. In de gevallen, waarin de partijen, ten gevolge van eene regterlijke uitspraak, tot het doen eener reis verpligt zijn, worden de kosten, daardoor veroorzaakt, gebragt ten laste van de in de kosten veroordeelde partij, overeenkomstig de daarvan door den regter te doene begrooting.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 28 Augustus 1843, » » » 29 December 1843.

880o

-ocr page 984-

WET VAN 31 DECEMBER 1897.

WET

van den 31sien December 1897 (Stb. n®. 275), tot goedkeuring van hel op 14 November 1896 te \'s-Gra-venhage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht, op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende, en het daarbij hehoorend op 22 Mei 1897 te \'s-Gravenhage geteekend additioneel protocol, a)

Wu EMMA, ENZ.

Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het op 14 November 1896 te \'s-Gravenhage gesloten verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende en het daarbij behoorend op 22 Mei 1897 te \'s-Gravenhage geteekend additioneel protocol, bepalingen inhouden, wettelijke rechten betreffende en die aan het Rijk geldelijke verplichtingen zullen opleggen;

Gelet op artikel 59 der Grondwet, 2de en 3de lid;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Het nevens deze wet in afschrift gevoegde verdrag tot het vaststellen van gemeenschappelijke regelen ten aanzien van sommige onderwerpen van internationaal privaatrecht, op de burgerlijke rechtsvordering betrekking hebbende, den 14den November 1896 te \'s-Gravenhage tusschen België, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zwitserland gesloten en waartoe op 1 Februari 1897 Ziveden en Noorwegen, op 9 November 1897 Duitschland en Oostenrijk-Hongarije en op 18 December 1897 Denemarken zijn toegetreden, benevens het daarbij behoorend eveneens in afschrift bij deze wet gevoegd, den 22sten Mei 1897 te \'s-Gravenhage geteekend additioneel protocol, waartoe op 9 November 1897 Duitschland en Oostenrijk-Hongarije en op 18 December 1897 Denemarken zijn toegetreden, worden goedgekeurd.

2. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor tot het sluiten van nadere overeenkomsten betreffende de kosten van beteekening van gerechtelijke en buiten-gerechtelijke stukken en der uitvoering van rogatoire commission ingevolge het bij artikel 1 dezer wet vermelde verdrag.

3. Het bewijs van ontvangst, afgegeven ingevolge artikel 3 van het in artikel 1 dezer wet bedoelde verdrag, is vrij van zegel.

880p

De exploiten van beteekening van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, op grond van het in artikel 1 dezer wet bedoelde verdrag zijn vrij van zegel en worden gratis

a) Bij het afdrukken dezer editie is het verdrag nog niet in werking getreden. Zie de noot op pag. 8Süv.

-ocr page 985-

wet VAN SI DECEMnEP, 1897.

geregistreerd, voor zoover bij nadere overeenkomsten, ingevolge artikel 2 dezer wet, is overeengekomen, dat de Neder-landsche Staat de kosten der beteekening niet van den vreemden Staat kan terugvorderen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den Sisten December 1897.

E M M A.

Br. Minister van Buitenlandsche Zaken,

w. h. de beaufort.

De Minister van Justitie,

cort v. d. linden.

Uitgegeven den elfden Januari 1898.

De Minister van Justitie,

cort v. d. linden.

Afschrift.

Sa Majesté le Roi des Beiges, Sa Majesté le Roi d\'Espagne, et en Son Nom Sa Majesté la Reine-Régente du Royaume, le Président de la République Frai^aise, Sa Majesté le Roi d\'Italie, Son Altesse Royale le Grand-Duc de Luxembourg, Due de Nassau, Sa Majesté la Reine des Pays-Bas et en Son Nom Sa Majesté la Reine-Régente du Royaume, Sa Majesté le Roi de Portugal et des Algarves, etc., etc. et le Conseil Fédéral Suisse,

désirant établir des régies communes concernant plusieurs matieres de droit international privé, se rapportant a la procédure civile, ont résolu de conclure un traité a eet effet et ont nommé pour Leurs plénipotentiaires, savoir: Sa Majesté le Roi de Beiges:

le Comte Degrelle-Rogier, Son envoyé extraordinaire et ministre plénipotentiaire prés la Cour Royale des Pays-Bas;

Sa Majesté le Roi d\'Espagne et en Son Nom Sa Majesté la Reine-Régente du Royaume:

M. Arturo de Baguer, Son envoyé extraordinaire et ministre plénipotentiaire prés la Cour Royale des Pays-Bas; Le Président de la République Frangaise:

Ie comte de Ségur d\'Aguesseau, chargé d\'affaires de France a la Haye, et M. Louis Renault, professeur de droit des gens a l\'université de Paris, jurisconsulte conseil au département des affaires étrangéres;

Sa Majesté Ie Roi d\'Italie:

le marquis Paul de Gregorio, Son chargé d\'affaires a la Haye;

55b

-ocr page 986-

wet van 31 december 1897.

Son Altesse Royale le Grand-Duc de Luxembourg, Due de Nassau:

le comte de Villers, Son chargé d\'affaires a Berlin;

Sa Majesté la Reine-Régentc du Royaume des Pays-Bas:

M.M. jonkheer J. Röell, ministre des affaires étrangères, W. van der Kaay, ministre de la justice, et T.M. C.Asser, membre du conseil d\'état, président des conférences de droit international privé, qui ont eu lieu a la Haye dans les années 1893 et 1894;

quot; Sa Majesté le Roi de Portugal et des Algarves, etc., etc.:

le comte de Sélir, Son envoyé extraordinaire et ministre plénipotentiaire prés la Cour Royale des Pays-Bas;

Le Conseil Fédéral Suisse:

M. Ferdinand Koen, consul-général de la Confédération Suisse a Rotterdam,

lesquels, après s\'ètre communiqué leurs pleins pouvoirs, trouvés en bonne et due forme, sont convenus des dispositions suivantes:

a. Communication d\'actes judiciaires 011 extra-judiciaircs.

Article premier.

En matière civile ou commerciale, les significations d\'actes a destination de l\'étrariger se feront dans les Etats contrac-tants sur la demande des officiers du ministère public ou des tribunaux d\'un de ces Etats, adressée a l\'autorité compétente d\'un autre de ces Etats.

La transmission se fera par la voie diplomatique, a moins que la communication directe ne soit admise entre les autorités des deux Etats.

2. La signification sera faite par les soins de l\'autorité requise. Elle ne pourra étre refusée que si l\'Etat, sur le territoire duquel elle devrait étre faite, la juge de nature a porter atteinte a sa souveraineté ou a sa sécurité.

3. Pour faire preuve de la signification, il suffira d\'un récépissé daté et légalisé ou d\'une attestation de l\'autorité requise, constatant le fait et la date de la signification.

Le récépissé ou l\'attestation sera transcrit sur l\'un des doubles de l\'acte a signifier ou annexé a ce double, qui aurait été transmis dans ce but.

4. Les dispositions des articles qui précédent ne s\'oppo-sent pas:

1°. a la faculté d\'adresser directement, par la voie de la poste, des actes aux intéressés se trouvant a l\'étranger;

2°. a la faculté pour les intéressés de faire faire des significations directement par les soins des officiers minis-tériels ou des fonctionnaires compétents du pays de destination;

3°. a la faculté pour chaque Etat de faire faire, par les soins de ses agents diplomatiques ou consulaires, les significations destinées a l\'étranger.

Dans chacun de ces cas, la faculté prévue n\'existe, que si les lois des Etats intéressés ou les conventions intervenues entre enx Tadmettent.

880/\'

-ocr page 987-

WET VAN 31 DECEMBER 1897.

b. Commissions rogatoires.

5. En matière civile ou commerciale, l\'autorifé judiciaire d\'un Etat contractant pourra, conformément aux dispositions de sa législation, s\'adresser par commission rogatoire a l\'autorité compétente d\'un autre Etat contractant pour lui demander de faire, dans son ressort, soit un acte d\'instruction, soit d\'autres actes judiciaires.

6- La transmission des commissions rogatoires se fera par la voie diplomatique, a moins que la communication directe ne soit admise entre les autorités des deux Etats.

Si la commission rogatoire n\'est pas rédigée dans la langue de l\'autorité requise, elle devra, sauf entente contraire, être accompagnée d\'une traduction, faite dans la langue convenue entre les deux Etats intéressés, et certifiée conforme.

7. L\'autorité judiciaire a laquelle la commission est adressée, sera obligee d\'y satisfaire. Toutefois elle pourra se refuser a y donner suite:

1°. si l\'authenticité du document n\'est pas établie;

2°. si dans l\'Etat requis l\'exécution de la commission rogatoire ne rentre pas dans les attributions du pou voir judiciaire.

En outre, cette exécution pourra être refusée, si l\'Etat, sur le territoire duquel elle devrait avoir lieu, la juge de nature a porter atteinte a sa souveraineté ou a sa sécurité.

8. En cas d\'incompétence de l\'autorité requise, la commission rogatoire sera transmise d\'office a l\'autorité judiciaire compétente du mème Etat, suivant les régies établies par la législation de celui-ci.

9. Dans tous les cas ou la commission rogatoire n\'est pas exécutée par l\'autorité requise, celle-ci en informera immé-diatement l\'autorité requérante, en indiquant, dans le cas de l\'article 7, les raisons pour lesquelles l\'exécution de la commission rogatoire a été refusée et, dans le cas de l\'article 8, l\'autorité a laquelle la commission est transmise.

10. L\'autorité judiciaire, qui procédé a l\'exécution d\'une commission rogatoire, appliquera les lois de son pays, en ce qui concerne les formes a suivre.

Toutefois, il sera déféré a la demande de l\'autorité requérante tendant a ce qu\'il soit procédé suivant une forme spéciale, méme non prévue par la législation de l\'Etat requis, pour vu que la forme dont il s\'agit, ne soit pas prohibée par cette législation.

c. Caution ojudicatum solvi».

11. Aucune caution ni dépót, sous quelque dénomination que ce soit, ne peut être imposé, a raison soit de leur qualité d\'étrangers, soit du défaut de domicile ou de résidence dans le pa^fs, aux nationaux d\'un des Etats contraclants, ayant leur domicile dans 1\'un de ces Etats, qui seront demandeurs ou intervenants devant les tribunaux d\'un autre de ces Etats.

12. Les condamnations aux frais et dépens du procés, prononcées dans un des Etats contractants contre le deman-deur ou l\'intervenant dispensés de la caution ou du dépót, en

880*

-ocr page 988-

WET VAN 31 DECEMBER 1897.

vertu soit de 1\'article 11, soit de la loi de l\'Etat oü Taction est intentée, seront rendues exécutoires dans chacun des autres Etats contractants par Tautorité compétente, d\'après la loi du pays.

13. L\'autorité compétente se bornera a examiner:

1°. si, d\'après la loi du pays ou la condamnation a été prononcée, l\'expédition de la décision réunit les conditions nécessaires a son authenticité;

2°. si, d\'après la même loi, la décision est passée en force de chose jugée.

d. Assistance judiciaire gratuite.

14. Les ressortissants de chacun des Etats contractants seront admis dans tous les autres Etats contractants au bénéfice de l\'assistance judiciaire gratuite, comme les nationaux eux-mêtnes, en se conformant a la législation de l\'Etat ou l\'assistance judiciaire gratuite est réclamée.

15. Dans tous les cas, le certificat ou la déclaration d\'indigence doit ètre délivré ou regu par les autorités de Ia résidence habituelle de l\'étranger, ou, a défaut de celle-ci, par les autorités de sa résidence actuelle.

Si le requérant ne reside pas dans le pays ou la demande est formée, le certificat ou la déclaration d\'indigence sera légalisé gratuitement par un agent diplomatique ou consulaire du pays oü le document doit ètre produit.

16. L\'autorité compétente pour délivrer le certificat ou recevoir la déclaration d\'indigence pourra prendre des re:n-seignements sur la situation de fortune du requérant auprss des autorités des autres Etats contractants.

L\'autorité chargée de statuer sur la demande d\'assistance judiciaire gratuite conserve, dans les limites de ses attributions, le droit de contróler les certificats, déclarations et renseignements qui lui sont fournis.

e. Contrainte par corps.

17. La contrainte par corps, soit comme moyen d\'exécution, soit comme mesure simplement conservatoire, ne pourra pas, en matière civile ou commerciale, être appliquée aux étrangers appartenant a un des Etats contractants dans les cas oü elle ne serait pas applicable aux ressortissants du pays.

Dispositions finales.

I. La présente Convention sera ratifiée. Les ratifications en seront déposées a la Haye le plus tót possible.

II. Elle aura une durée de cinq ans a partir de la date du dépót des ratifications.

III. Elle sera renouvelée tacitement de cinq ans e:a cinq ans, sauf dénonciation, dans un délai de six mois avant l\'expiration de ce terme par l\'une des Hautes Parties contractantes.

La dénonciation ne produira son effet qu\'a l\'égard du ou

880*

-ocr page 989-

wet van 31 december 1897.

des pays qui l\'auraient notifiée. La Convention restera exécutoire pour les autres Etats.

IV. Le protocole d\'adhésion a la présente Convention pour les Puissances qui ont pris part a la Conférence de la Haye de Juin/Juillet 1894, restera ouvert jusqu\'au 1 janvier 1898.

En foi de quoi les plénipotentiaires respectifs ont signé la présente convention et Tont revêtu de leurs sceaux.

Fait, a la Haye le 14 novembre 1896, en un seul exem-plaire, qui restera déposé dans les archives du Gouvernement des Pays-Bas et dont des copies, certifiées conformes, seront remises par la voie diplomatique aux Etats signataires ou adhérents.

880w

(Z. S.) Comte Degrelle-Rogier. (L. S.) Ségur d\'Aguesseau. (L. S.) L. Renault.

(L. S.) Comte de Villers. (L. S.) Comte de Sélir.

(L. S.) Artüro de Baguer. (L. S.) P. de Gregorio. (L. S.) J. Röell. (L. S.) van der kaay.

(L. S.) T. M. C. Asser. (L. S.) F. Koch.


protocole d adhesion.

Pour la Suedc et la Norv\'ege:

Pour VEmpire d\'Allemagne:

Pour la Monarchie Austro-

Hongroise:

Pour le Danemark: (L. S.) Aug. F. Gyldenstolpe.

le 1 février 1897. {L. S.) Brincken.

le 9 novembre 1897. (L. S.) Okolicsanyi.

le 9 novembre 1897. (l. s.) C. m. viruly. le 8 décembre 1897.


PROTOCOLE ADDITIONNEL.

Les Gouvernements de Belgique, d\'Espagne, de France, d\'Italie, de Luxembourg, des Pays-Bas, de Portugal, de Suisse, Etats signataires de la convention de droit international privé du 14 novembre 1896, et de Suède et de Nor-vège, Etats adhérents a cette convention, ayant jugé opportun de compléter ladite convention, les soussignés, aprés s\'étre communiqué leurs pleins pouvoirs trouvés en bonne et düe forme, sont convenus des dispositions suivantes:

ad Article 11.

II est bien entendu que les nationaux d\'un des Etats con-tractants, qui aurait conclu avec un autre de ces Etats une convention spéciale d\'après laquelle la condition de domicile, contenue dans l\'article 11, ne serait pas requise, seront, dans les cas prévus par cette convention spéciale, dispensés, dans l\'Etat avec lequel elle a été conclue, de la caution et du dépot mentionnés a l\'article li, méme s\'ils n\'ont pas leur domicile dans un des Etats contractants.

-ocr page 990-

WET VAN 31 DECEMBER 1897.

vertu soit de l\'article 11, soit de la lol de I\'Etat oü 1\'action est intentêe, seront rendues exécutoires dans chacun des autres Etats contractants par l\'autorité compétente, d\'après la loi du pays.

13. L\'autorité compétente se bornera a examiner;

1°. si, d\'après la loi du pays oü la condamnation a été prononcée, l\'expédition de la décislon réunit les conditions nécessaires a son authenticité;

2°. si, d\'après la même loi, la décision est passée en force de chose jugée.

d. Assistance judiciaire gratuite.

14. Les ressortissants de chacun des Etats contractants seront admis dans tous les autres Etats contractants au bénéfice de l\'assistance judiciaire gratuite, comme les nationaux eux-mêmes, en se conformant a la législation de I\'Etat oü l\'assistance judiciaire gratuite est réclamée.

15. Dans tous les cas, le certificat ou la déclaration d\'indigence doit être délivré ou recu par les autorités de la résidence habituelle de l\'étranger, ou, a défaut de celle-ci, par les autorités de sa résidence actuelle.

Si le requérant ne réside pas dans le pays oü la demande est formée, le certificat ou la déclaration d\'indigence sera légalisé gratuitement par un agent diplomatique ou consulaire du pays oü le document doit être produit.

16. L\'autorité compétente pour délivrer le certificat ou recevoir la déclaration d\'indigence pourra prendre des ren-seignements sur la situation de fortune du requérant auprès des autorités des autres Etats contractants.

L\'autorité chargée de statuer sur la demande d\'assistar.ce judiciaire gratuite conserve, dans les limites de ses attributions, le droit de contróler les certificats, déclarations et renseignements qui lui sont fournis.

e. Contrainte •par corps.

17. La contrainte par corps, soit comme moyen d\'exécution, soit comme mesure simplement conservatoire, ne pourra pas, en matière civile ou commerciale, étre appliquée aux étrangers appartenant a un des Etats contractants dans les cas oü elle ne serait pas applicable aux ressortissants du pays.

Dispositions finales.

I. La présente Convention sera ratifiée. Les ratifications en seront déposées a la Haye le plus tót possible.

II. Elle aura une durée de cinq ans a partir de la date du dépót des ratifications.

III. Elle sera renouvelée tacitement de cinq ans en cinq ans, sauf dénonciation, dans un délai de six mois avant l\'expiration de ce ter me par l\'une des Hautes Parties contractantes.

La dénonciation ne produira son effet qu\'a l\'égard du ou

880«

-ocr page 991-

wet van 31 december 1897.

des pays qui l\'auraient notifiée. La Convention restera exécutoire pour les autres Etats.

IV. Le protocole d\'adhésion a la présente Convention pour les Puissances qui ont pris part a la Conférence de la Haye de Juin/Juillet 1894, restera ouvert jusqu\'au 1 janvier 1898.

En foi de quoi les plénipotentiaires respectifs ont signé la présente convention et l\'ont revêtu de leurs sceaux.

Fait, a la Haye le 14 novembre 1896, en un seul exera-plaire, qui restera déposé dans les archives du Gouvernement des Pays-Bas et dont des copies, certifiées conformes, seront remises par la voie diplomatique aux Etats signataires ou adhérents.

{L. S.) Comte Degrelle-Rogier. (L. S.) Artüro de Baguer. (L. S.) Ségur d\'Aguesseau. (L. S.) P. de Gregorio. (L. S.) L. Renault. (L. S.) J. Röell.

(l. S.) van der kaay.

(L. S.) Comte de Villers. (L. S.) T. M. C. Asser. (L. S.) Comte de Sélir. (L. S.) F. Koen,

protocole d\'adhésion.

880m

Pour la Suede et la Norvège :

Pour l\'Empire d\'Allemagne:

Pour la Monarchie Austro-

Hongroise:

Pour le Danemark:

(L. S.) Aug. F. Gyldenstolpe.

le 1 février 1897. (L. S.) Brincken.

le 9 novembre 1897. (L. S.) Okolicsanyi.

le 9 novembre 1897. (L. S.) C. M. Viruly. le 8 décembre 1897.


PROTOCOLE ADDITIONNEL.

Les Gouvernements de Belgique, d\'Espagne, de France, d\'Italie, de Luxembourg, des Pays-Bas, de Portugal, de Suisse, Etats signataires de la convention de droit international privé du 14 novembre 1896, et de Suéde et de Norvège, Etats adhérents a cette convention, ayantjugé opportun de compléter ladite convention, les soussignés, aprés s\'étre communiqué leurs pleins pouvoirs trouvés en bonne et düe forme, sont convenus des dispositions suivantes:

ad Article 11.

II est bien entendu que les nationaux d\'un des Etats con-tractants, qui aurait conclu avec un autre de ces Etats une convention spéciale d\'après laquelle Ia condition de domicile, contenue dans l\'article 11, ne serait pas requise, seront, dans les cas prévus par cette convention spéciale, dispensés, dans l\'Etat avec lequel elle a été conclue, de la caution et du dépot mentionnés a l\'article 11, même s\'ils n\'ont pas leur domicile dans un des Etats contractants.

-ocr page 992-

wet van 31 december 1897.

ad Articles I et II des dispositions finales.

Le dépot des ratifications pourra avoir lieu dès que la majorité des Hautes Parties contractantes sera en mesure de Ie faire et il en sera dressé un procés-verbal, dont une copie, certifiée conforme, sera remise par la voie diplomatique a tous les Etats contractants.

La présente convention entrera en vigueur quatre semaines aprés Ia date dudit procés-verbal, a)

Le terme de cinq ans visé a l\'article II commencera a courir de cette date, même pour les Puissances qui auront fait le dépot aprés cette date.

ad Article III des dispositions finales.

Les mots: asauf dénonciation dans un délai de six mois avant l\'expiration», etc. seront entendus dans ce sens, que la dénonciation doit avoir lieu au moins six mois avant l\'expiration.

Le présent protocole additionnel fera partie intégrante de la convention et sera ratifié en même temps que celle-ci.

En foi de quoi, les plénipotentiaires respectifs ontsignéle présent protocole additionnel et Font revétu de leurs sceaux.

Fait a La Have, le 22 Mai 1897, en un seul exemplaire, que restera déposé dans les archives du Gouvernement des Pays-Bas et dont des copies, certifiées conformes, seront remises par la voie diplomatique aux Etats signataires ou adherents.

pour la Belgique, (L.S.)ComtedeGrelle-Rogier.

pour VEspagne, (L. S.) Arturo de Baguer.

pour la France, (L. S.) Ségur d\'Aguesseau.

pour VItalië, (L. S.) P. de Gregorio.

pour le Luxembourg, (L. S.) Cojite de Villers.

pour les Pays-Bas, {L. S.) J. Röell.

(L. S.) van der Kaay.

(L. S.)T. M. C. Asser.

pour le Portugal, (L. S.) Gomte de Sélir.

pour la Suède el la Norvhge, (L. S.) Aug. F. Gyldenstolpe. pour la Suisse, (L. S.) F. Koon.

protocole d\'adhesion.

Pour VEmpire d\'Allemagne, (L. S.) Brincken.

Ie 9 novembrel897. Pour la Monarchie Austro-IIongroise, (L. S.) Okolicsanyi,

Ie 9 novembre 1897. Pour le Danemark, (L. S.) C. M. Viruly.

880u

Ie 18 décembre \'1897.

a) Bij het afdrukken dezer editie hoeft het hier vermelde dépot des ratifications nog niet plaats gehad.

-ocr page 993-

---

5C

_

-ocr page 994-

WETBOEK VAN STRAEKECIÏ.

EERSTE BOEK.

Algemeene Bepalinyen.

TITEL I.

Omvang van de werkinrj der strafwet.

1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. (C. P. 4; O. 52a. — A. 3, 4; Sv. 1; Crim. Wetb. v. h. krijgsv. t. lande, a. 17.)

Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast. (O. 52amp;, c. — A. 5; Inv. 30 v., 44v.)

2. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. (A. 8. — Sr. 8; Inv. 4,1°; Sv. 22a,24, 2ibis.)

3. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten het rijk in Europa aan boord van een Neder-landsch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. (Sr. 7, 8; Sv. 25.)

4. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt:

1°. aan een der in de artikelen 92—96,105 en 108—110 omschreven misdrijven;

2°. aan eenig misdrijf ten opzichte van rijksmuntspecien, rijksmuntpapier, of van rijkswege uitgegeven zegels of merken; (Sr. 208 v., 216 v.)

3#. aan valschheid hetzij in schuldbrieven of certificaten van schuld van den Nederlandschen staat of van eene Nederlandsche provincie, gemeente of openbare instelling, hetzij in de tot een dezer stukken behoorende talons, dividend- of rentebewijzen, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven, of aan het opzettelijk gebruik maken van eenig der hier vermelde geschriften; (Sr. 226a n0. 2, 4 en b.)

4°. aan een der in de artikelen 381, 382 en 385 omschreven misdrijven. (Sv. 8 oud. — Sr. 8; R. O. 93; Sv. 26, 294 v.)

5. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op der. Nederlander die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt:

1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, en in de artikelen 206, 237, 388 en 389;

2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandsche strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land, waar het begaan is, straf is gesteld.

-ocr page 995-

WETBOEK VAN STRAFRECHT, BOEK l, ARTT. 1—10. 883

De vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander wordt. (Sv. 9 oud. — Sr. 8, 83; W. Nederl.sch., zie chron. lijst; Vreemd.w., a. 19, zie chron. lijst; Uitl.w., a. 22, zie chron. lijst; Sv. 26.)

A. Art. 22 der Consulaire wet (zie chron. lijst): Op strafbare feiten, door Nederlanders gepleegd binnen het ressort der volgens art. 1c aangewezen consulaten, is het Nederlandsche strafregt van toepassing, voor zooverre daarvan in deze wet niet is afgeweken.

6. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op den Nederlandschen ambtenaar die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek. (Sr. 8,84, 355 v.; Sv, 26.)

7. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig, die zich buiten het rijk in Europa, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek. (Sr. 3, 8, 85, 381 v., 469 v.; Sv. 26.)

8. De toepasselijkheid der artikelen 2—7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. (A. 3.)

TITEL II.

Straffen.

9. De straffen zijn:

a. hoofdstraffen:

4°. gevangenisstraf, (Sr. 10—17, 19,21,22,26,27,35;

Stb. 1884 n0. 3, a. 1, 6, 7, zie onder Inv. Sr.) 2®. hechtenis, (Sr. 18—27, 35, Stb. 1884 n®, 3, a. 3

n0. 1, 6, zie onder Inv. Sr.)

3°. geldboete; (Sr. 23—27, 35.)

b. bijkomende straffen:

10. ontzetting van bepaalde rechten, (Sr. 28—31.) 2°. plaatsing in eene rijkswerkinrichting, (Sr. 32, 35,

Stb. 1884 n0. 3, a. 8, zie onder Inv. Sr.) 3°. verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen, (Sr. 33—35.)

4°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. (Sr. 36) —(C. P. 6—11, 464.)

10. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

De duur der tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren. (Inv. 76.)

Zij kan voor ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafver-hooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden. (Sr. 92, 98, 976, 1026, 1086, 1156, 157 nquot;. 3, 1C46, 166 n®. 3, 168 n®. 2, 170 n*. 3, 1726, 1746, 288, 289, 57, 421—423.)

-ocr page 996-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Zij kan in geen geval den lijd van twintig jaren te boven gaan. (Stb. 1884 nquot;. 3, a. 1, 2, zie onder Inv. Sr.)

11. Gevangenisstraf van vijf jaren of minder wordt geheel, gevangenisstraf van langeren duur gedurende de vijf eerste jaren in afzondering ondergaan. (Stb. 1^86 n0. 62, a. 8.)

JL. Art. 8 der Wet van 14 Avril 1886 (Stb. n0. 62) iot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen, {zie onder Inv. Sr.) De veroordeelden in de strafgevangenissen ...... ontvangen in den regel gedurende

de twee eerste etmalen van hun straftijd niet anders dan water en brood.

In geval van veroordeeling tot gevangenisstraf van langeren duur dan van vijf jaren, kan het hoofd van het Departement van Justitie, op verzoek van den veroordeelde, hem vergunnen zijn verderen straftijd geheel of ten deele in afzondering door te brengen. (Stb. 1851 n0. 68; Stb. 1854 n». 102 a. 7; Stb. 1871 n». 84. — Stb. 1884 n». 3, a. 6, 7 n0. 1, zie onder Inv. Sr.)

12. De afzonderlijke opsluiting wordt niet toegepast;

1°. op hen die tijdens hunne veroordeeling den leeftijd

van veertien jaren nog niet hebben bereikt;

2°. op gevangenen boven den leeftijd van zestig jaren, tenzij op eigen verzoek;

3°. op gevangenen die daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn. (Stb. 1884 n®. 3, a. 7 n0. 2 en 3, zie onder Inv. Sr.)

13. De gevangenen die hunne straf in gemeenschap ondergaan, worden verdeeld in klassen. (Sr. 11a, 12; Stb. 1886 nquot;. 62, a. 11, zie onder Inv. Sr.)

14. De gevangene is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 22 gegeven. (Stb. 1886 n0. 62, a. 12 v., zie onder Inv. Sr.)

15. De tot gevangenisstraf veroordeelde kan, wanneer hij drie vierden van zijn straftijd en tevens ten minste drie jaren in de gevangenis heeft doorgebracht, voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

Deze invrijheidstelling is te allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden.

De tijd verloopen tusschen de invrijheidstelling en het besluit van herroeping wordt niet in rekening gebracht op den duur der straf.

De gevangene wiens invrijheidstelling is herroepen, kan niet opnieuw voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

De gevangenisstraf wordt geacht geheel te zijn ondergaan, indien zonder herroeping de straftijd is verstreken.

16- De besluiten van voorwaardelijke invrijheidstelling en die van herroeping worden genomen door het hoofd van het Departement van Justitie, de eerste op voorstel of na ingewonnen bericht van het bestuur der gevangenis.

De aanhouding van den voorwaardelijk in vrijheid gestelde, die zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden, kan in

884

-ocr page 997-

BOEK I, TITEL II, ARTT. 11—22.

het belang der openbare orde worden bevolen door het hoofd van de gemeentepolitie ter plaatse waar hij zich bevindt of door den officier van justitie van het arrondissement waartoe die plaats behoort, onder verpligting om daarvan onverwijld kennis te geven aan het Departement van Justitie.

Volgt daarna de herroeping, dan wordt zij geacht bevolen te zijn op den dag der aanhouding.

17. Het formulier der verlofpassen en de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 15 en 16 worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (Stb. 1889 n0. 107, zie onder Inv. Sr.)

18- De duur der hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar. (Inv. 1b, 11c, 19ö.)

Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van één jaar wordt overschreden. (Sr. 57, 423 )

Zij kan in geen geval den tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan. (Stb. 1884 n0. 3 a. 1, 3 n®. l,zie onder Inv. Sr.)

19. Behoudens de bepaling van art. 25, worden hechtenis en gevangenisstraf niet in hetzelfde gesticht ondergaan. (Stb. 1884 n0. 3, a. 5, 10, zie onder Inv. Sr.)

Den veroordeelde wordt, op zijn verzoek, vergund de hechtenis in afzondering te ondergaan.

Artikel 12 is van toepassing op de hechtenis.

A. Art. 8 der Wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62) (zie onder Inv. Sr.): De veroordeelden in.... de huizen van bewaring ontvangen in den regel gedurende do twee eerste etmalen van hun straftijd niet anders dan water en brood. (Zie hierboven op art. 11.)

20. De tot hechtenis veroordeelde houdt zich bezig met zoo-danigen arbeid als hij verkiest, behoudens de voorschriften van orde en tucht ter uitvoering van artikel 22 gegeven.

Over de opbrengst van zijn arbeid heeft hij de vrije beschikking.

Wanneer hij in gebreke blijft zich met eenigen arbeid bezig te houden, kan hij onderworpen worden aan de bepaling van artikel 14.

21. De duur der tijdelijke gevangenisstraf en der hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan. (Sr. 88.)

22. De wet wijst de gestichten aan waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan. (Stb. 1884 n». 3, zie onder Inv. Sr.)

De inrichting en het beheer dezer gestichten, de verdeeling der gevangenen in klassen, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht worden, naar beginselen bij de wet te stellen geregeld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (Stb. 1886 n0. 62 en 159; Stb. 1887 n0. 19, zie deze wet en besluiten onder Inv. Sr.)

885

-ocr page 998-

886 WETBOEK VA.N STRAFRECHT.

Huishoudelijke reglementen voor elk gesticht worden door de besturen ontworpen en door den Koning vastgesteld.

23. Het bedrag der geldboete is ten minste vijftig cents, (Inv. 7/., \\\\d, 19b, 226, 27a, 43.)

Bij veroordeeling tot geldboete wordt die boete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis. (Sv. 335 v.)

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zoovele dagen als het maximum der bedreigde geldboete vijftallen guldens bevat, of, indien dit maximum negen honderd gulden te boven gaat, zes maanden. (Stb. 1880 n0. 86, a. 1c j0. Inv. 23cZ. Zie chron. lijst onder Wet van 15 Juli 1818 (Stb. n». 30.).)

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden der opgelegde boete in de plaats treedt.

De hechtenis kan vooif ten hoogste acht maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhoo-ging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de som van negen honderd gulden wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van acht maanden te boven gaan. (Stb. 1864 n0. 29. — Inv. 7 c—f, 10 n0. 4,19c, 48.)

A- Art. 71 Wet van 11 April 1827 (Stb. nquot;. 17), houdende oprigting van Schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijks, gehandhaafd bij art. 10 n0. 4 der Invoeringswet. Bekeurde of gevonnisde leden dei-schutterijen de hun opgelegde straffen of vergoedingen, bij deze wet bepaald, binnen acht dagen na de bekeuring of na het vonnis niet hebbende betaald, zullen door de boden der schuttersraden tot die betaling worden aangemaand ef geïnsinueerd, welke aanmaning of insinuatie, bij verder in gebreke blijven, van acht dagen tot acht dagen, nog tweemaal zal worden herhaald. Het verschuldigde alsdan binnen 48 uren na deze laatste aanmaning of insinuatie niet zijnde voldaan met de kosten, zal de bekeurde of gevonnisde daartoe worden geconstringeerd door middel van provoost-arrest, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur op te leggen, en welk arrest insgelijks ten koste van den bekeurden of gevonnisden zal zijn, doch den tijd van veertien dagen niet zal mogen te boven gaan.

B. Art. 7, lid c—f der Invoeringsivet. De in zake van Bijksbelastingen thans geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten en gerechtskosten blijven van kracht.

Gevangenisstraf tot verhaal van geldboete of gerechtskosten of van beide wordt vervangen door hechtenis van gelijken duur doch den tijd van één jaar niet overschrijdende. Het algemeen minimum van het Wetboek van Strafrecht is ook voor deze hechtenis van toepassing.

Lijfsdwang tot verhaal van geldboete ofgeregtskosten

-ocr page 999-

BOliK I, TITEL II, ARTT. 23—28.

blijft bestaan in de gevallen waarin hij thans kan worden toegepast.

De lijfsdwang zal bij gebleken onvermogen nimmer den duur van zes maanden te boven gaan, behoudens hervatting indien de veroordeelde later in staat geraakt om het verschuldigde te voldaan.

24. De veroordeelde kan de hechtenis ondergaan, zonder den termijn van betaling af te wachten. (Sr. 23amp;.)

Hij is altijd bevoegd zich van de hechtenis te bevrijden door betaling van de boete.

Nadat de uitvoering der hechtenis is aangevangen, bevrijdt de betaling van een evenredig gedeelte der boete van de verdere uitvoering; dat gedeelte staat in dezelfde verhouding tot de geheele boete als het nog overblijvend gedeelte der hechtenis staat tot den geheelen duur der hechtenis. (Sr. 23 d—f.)

26. Bevindt de veroordeelde, die de hechtenis ter vervanging van de boete moet ondergaan, zich in een gesticht bestemd tot de uitvoering van gevangenisstraf, dan kan op zijn verzoek de hechtenis terstond na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen. (Sr. 19.)

26. De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak, voor zooveel elke dezer straffen betreft. (Stb. 1854 no.\'102, a. 21b. — Sv. 335 v., 342; Inv. 48.)

27. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk zal worden in mindering gebracht; wat de geldboete betreft volgens den in het derde lid van artikel 24 bepaalden maatstaf.

De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde zich voorloopig in verzekerde bewaring bevindt. (Stb. 1854 n0. 102, a. 21 c—e. — Inv. 48.)

28. De rechten waarvan de schuidige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

l1. het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten;

2quot;. het dienen bij de. gewapende macht;

3°. het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen; {Verg. op art. 125.)

4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder en het zijn van voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen dan eigen kinderen;

5°. de vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderen;

6°. de uitoefening van bepaalde beroepen. (G. P. 42; Stb. 1854 n». 102, a. 8. — Sr. 195)

Ontzetting van leden der rechterlijke macht, die hetzij

887

-ocr page 1000-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

voor hun leven, hetzij voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, of van andere voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald. (G. 166, -179c, d; R. O. 11, 31b; Stb. 1841 n«.40, a. 3; Prov. fnstr. H. Mil. Ger. 7.)

29. Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. (Sr. 44, 355 v.)

30. Ontzetting van de vaderlijke macht en van de voogdij, de toeziende voogdij, de curateele en de toeziende curateele, zoowel over eigen kinderen als over anderen, kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling van:

1°. ouders of voogden die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen;

\'2°. ouders of voogden die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige eenig misdrijf plegen, omschreven in de Titels XIII, XIV, XV, XVIII, XIX en XX van het Tweede Boek.

31. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt:

1°. bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;

2°. bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;

3°. bij veroordeeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren.

De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelogd. (Stb. 1854 n0. 102, a. 21a. — Sv. 335 v.)

32. In de bij de wet bepaalde gevallen kan de rechter gelasten, dat de veroordeelde in eene rijkswerkinrichting worde geplaatst voor ten minste drie maanden en ten hoogste drie Jaren. (Sr. 434, 45\'Sd.)

De bepalingen der artikelen 14, 21 en 22 zijn toepasselijk op de straf van plaatsing in eene rijkswerk-inrichting.

De straf gaat in op den dag waarop de hoofdstraf eindigt. (Stb. 1854 n®. 102, a. 19. — Sv. 342; Stb. 1884 n«. 3, a. 8a en b, zie onder Inv. Sr.)

33. Voorwerpen den veroordeelde toebehoorende, door middel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is gepleegd, kunnen worden verbeurdverklaard.

Bij veroordeeling wegens misdrijf, niet opzettelijk gepleegd, of wegens overtreding, kan gelijke verbeurdverklaring worden

888

-ocr page 1001-

BOEK I, TITEL It, ARTT. 29—34.

uitgesproken in de bij de wet bepaalde gevallen. (C. P. li, 464, 470, —G. 160; Inv. Tg.)

34. Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen wordt, ingeval die voorwerpen niet worden uitgeleverd of het geldelijk bedrag waarop zij bij de uitspraak geschat worden, niet wordt betaald binnen twee maanden na den dag waarop de rechteriijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis.

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zes maanden.

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald, dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden van het in het eerste lid bedoeld geldelijk bedrag in de plaats treedt.

Op deze hechtenis zijn de artikelen \'24 en 25 van toepassing.

Ook de uitlevering van de voorwerpen bevrijdt van de hechtenis. (G. 100; Sv. 343, 344; Inv. 10 n0. 14, 22.)

A. Art. 45 der Wel van 13 Jttni 1857 (Stb. n0. 87), tot regeling der jagt en visscherij, gehandhaafd bij art. 10 n0. 14 der Invoeringswet (zie chron. lijst): Zijn ten behoeve van \'s Rijks schatkist verbeurd:

o. het jagt- en vischtuig, waarvan het gebruik, volgens deze wet, of de verordeningen, bedoeld in artt. 9 en 10, niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van artt. 15 en 41e opgenoemd, daaronder begrepen;

b. het geoorloofde jagt- en vischtuig, in het bezit van iemand, jagende of visschende of, in strijd met art. 20 met geladen schietgeweer zich in het veld bevindende, in gesloten jagt- of vischtijd, of zonder de vereischte jagt- of vischacte, de kostelooze vergunning, hot consent of de buitengewone magtiging van artt. 6, 16 of 26 te hebben verkregen; wordende het schietgeweer, waarvan de overgave ter onderzoeking wordt geweigerd, voor geladen gehouden;

c. het wild, de visch, de konijnen of ander schadelijk gedierte en eijeren, onwettig gevangen of geraapt, verkocht doch nog niet geleverd, te koop gesteld, uitgevent of vervoerd.

De beambten, in art. 36 bedoeld, zullen die voorwerpen in beslag nemen of de geldswaarde daarvan bepalen, waarvan alsdan in het relaas of proces-verbaal melding wordt gemaakt. De regter, daartoe termen vindende, kan deze geldswaarde veranderen.

Tirassen, lange netten, damnetten en wild- of konijnen-strikken worden niet gewaardeerd, maar altijd in beslag genomen.

De door de bevoegde beambten in beslag genomen jagt- en vischtuigen en andere voorwerpen worden binnen vier dagen na de bekeuring door die beambten gewaarmerkt en ter griffie van het kantongeregt, onder welks regtsgebied de bekeuring plaats had, overgebragt, hetzij door de beambten zeiven, hetzij

889

-ocr page 1002-

i

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

door tusschenkomst van den burgemeester hunner woonplaats.

Zoo geene inbeslagneming of waardering, ingevolge het 2de lid des artikels, van de hiervoren vermelde voorwerpen heeft kunnen plaats hebben, of de bedoelde beambten zulks mogten hebben verzuimd, wordt de waarde dier voorwerpen bij de veroordeeling door den regter bepaald.

De veroordeelde wordt tot betaling der ingevolge het 2de lid, of in het geval van het laatstvoorgaande lid bepaalde geldswaarde, bij gebreke eener latere uitlevering dier voorwerpen, verwezen.

De in strijd met litt. a, b en c van dat artikel in beslag genomen voorwerpen worden op bevel des regters, of, zoo de zaak niet wordt voortgezet, op bevel van den officier van justitie, aan den vroegeren houder teruggegeven.

Onder jagttuig zijn in dit artikel de valken, havikken en honden niet begrepen.

B- Art. 34 der Wet van 7 April iSBO (Stb. n0. 57), betreffende de maten, gewigten en iveegwerktuigen. gehandhaafd bij art. 10 n0. 22 der Invoeringswet. Valsche en andere dan wettelijke maten, gewigten en meet- en weegwerktuigen worden bij het ontdekken of constateren van een straf baar feit waartoe zij mogten gediend hebben, in beslag genomen, en in geval van veroordeeling verbeurd verklaard en vernietigd; zelfs bij een vonnis van vrijspraak of ontslag van regts-vervolging kan de verbeurdverklaring en vernietiging worden bevolen.

Maten, gewigten en meet- en weegwerktuigen, van het afkeuringsmerk, vermeld in het tweede lid van art. 20, of niet van de vereischte stempelmerken voorzien, worden in beslag genomen en in geval van veroordeeling verbeurd verklaard.

35. Alle kosten van gevangenisstraf, hechtenis en plaatsing in eene rijkswerkinrichting komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van den staat. (C. P. 446; Stb. 1839 n®. 53; Stb. 1841 n». 42, a. 23, zie chron. lijst; Stb. 1855 n0. 102, a. 4; Gem.w., a. 164; Stb. 1863 n®. 73, a. 3; Stb. 1874 n0. 66, a. 71 (Tar. in str.r.); Stb. 1880 n0. 65 a. 2; W. auteursr., a. 21 — Inv. 19c, 48, 49; Schutterijw., a. 36 nquot;. 1; Stb. 1841 n0. 42. a. 22b j®. Inv. 10 n0. 5, zie chron. lijst; Gem.w., a. 282; Stb. 1886 n0. 7, a. 15, zie onder Inv. Sr.)

A. Art. 36 n0. 1 der Wet van 11 April 1827 (Stb n0.17), houdende oprigting van schutterijen over de geheels uitgestrektheid des Rijks, gehandhaafd bij art. 10 nquot;. 4 der Invoeringswet. De kosten op de dienstdoende schutterijen vallende, zullen gevonden worden:

1°. uit de boeten, de bijdragen en contributien, bij deze wet bepaald, door de schuttersraden in te vorderen en aan de gemeente-besturen te verantwoorden.

B. Art. 22 der Wet van 9 October 1841 (Stb. n0. 42),

890

i ■ I

I

til I ipi)- i I ■

J ii\'/i ï?\' r

«k\' f

V ,

-ocr page 1003-

BOEK I, TITEL 11 EN III, A.RTT. 35—37.

betrekkelijk de regtsmagt der hoogere en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen, gewijzigd bij art. 10 n0. 5 der Invoeringswet, (zie chron. lijst.) Het zal aan de collegien en besturen, bij art. 1 en 2 bedoeld, vrijstaan, om met de bekeurden, ter zake voorschreven, in schikking te treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschap.

C- Art. 282 der Gemeentewet, gehandhaafd bij art. 15a der Invoeringswet. De opbrengst der boeten en verbeurdverklaringen (in zake van plaatselijke belasting) komt ten voordeele der Gemeente.

36. In de gevallen waarin de rechter krachtens de wet de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan dien last op koste van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven. (Sv. 342; Sr. 106,176, 309, 325, 339, 349.)

A. Art. 71 lid a der Wet van 28 Augustus 1851 (Stb. n0. 127), tot regeling der militaire pensioenen bij de zeemagt, gewijzigd bij art. 15 der Invoeringswet. Veroordeeling tot gevangenisstraf van driejaren of zwaardere, tenzij door geheele kwijtschelding der straf opgevolgd, doet het genot van pensioen of onderstand ophouden gedurende een door den regter bij het vonnis te bepalen tijd.

891

Hel eerste lid van art. 70 der Wet van 28 Augustus 1851 (Stb. n®. 129), tot regeling der militaire pensioenen bij de Landmagt, bevat eene gelijkluidende bepaling, en is op gelijke wijze bij art. 15 der Invoeringswet gewijzigd. Tengevolge van die wijziging heeft het verlies van het genot van pensioen het karakter van eene straf bekomen. Hetzelfde was insgelijks het geval met de andere in art. 15 der Invoeringswet vermelde pensioenwetten. Deze zijn echter sedert vervangen door Stb. 1890 n0. 78 en 109, alsmede Stb. 1892 n0. 144, waarbij is bepaald dat gezegde veroordeelden het genot van hun pensioen zullen missen van het tijdstip waarop die veroordeeling onherroepelijk is geworden totdat de straf zal zijn ondergaan of daarvan kwijtschelding bekomen, terwijl ingeval van voorwaardelijke invrijheidstelling het pensioen gedurende die invrijheidstelling evenzeer wordt genoten. Daardoor is het karakter van straf weder vervallen.

TITEL III.

Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid.

37. Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekend. Blijkt dat het begane feit hem wegens de gebrekkige

-ocr page 1004-

892

ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter gelasten dat hij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende een proeftijd den termijn van een jaar niet te bovengaande (C. P. 64. — Krankz. w., a. 18 j0. Inv. w. n0. 46, zie chron. lijst.)

38. Een kind wordt niet strafrechtelijk vervolgd wegens een feit, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt.

Valt het begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop gevangenisstraf is gesteld en dat niet alleen op klachte vervolgbaar is of in die der overtredingen a) omschreven in artikel 432, dan kan de burgerlijke rechter, op vordering van het Openbaar Ministerie, gelasten dat het kind in een rijksopvoedingsgesticht zal geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van achttien jaren. (Inv. 7y.)

Dezelfde rechter kan altijd het ontslag gelasten. (C. P. 66. — Stb. 1884 n°. 3, a. 8«, c; Stb. 1886 n0. 7; Stb. 1886 n®. 62, a. 24 v., zie deze wetten onder Inv. Sr.)

39. Bij strafrechtelijke vervolging van een kind wegens een feit, begaan voordat hel den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, onderzoekt de rechter of het met oordeel des onderscheids gehandeld heeft.

Blijkt niet dat het met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt op het kind geene straf toegepast. Valt het begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop gevangenisstraf is gesteld en dat niet alleen op klachte vervolgbaar is of in die der overtredingen a) omschreven in art. 432, dan kan de rechter gelasten dat het kind in een rijksopvoedingsgesticht zal geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van achttien jaren. (Inv. Tg.)

Dezelfde rechter kan altijd het ontslag gelasten. (Stb. 1884 n». 3, a. 8a, c; Stb. 1886 n°. 7; Stb. 1886 n0. 62, a. 24 v., zie deze wetten onder Inv. Sr.)

Blijkt dal het kind met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt het maximum der hoofdstraffen, op hel strafbare feit gesteld, met een derde verminderd.

Geldt hel een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De in artikel 9igt; 1°. en 4°. vermelde bijkomende straffen worden niet opgelegd. (C. P. 66—69.)

40. Niet strafbaar is hij die een feil begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen. (C. P. 64.)

41. Niet strafbaar is hij die een feil begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed legen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij hel onmiddellijk ge-

(i) Bij art. 11 der quot;Wet van 15 Januari 1880 (Stb. no. 0) werd het woord ,gt;ovc^trec^ingen,, gesteld in de plaats van het woord „overtredingquot;.

-ocr page 1005-

BOEK I, TITEF. Ill EN IV, ARTT. 38—45.

volg is geweest van eene hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. (C. P. 328, 329.)

42. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. (C. P. 327.)

43. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag.

Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen. (C. P. 327, 114, 190, 198, 462.)

A. Art. 5C, lid d, der Weiwaji 9 1875(Stb. n0.67), tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, gehandhaafd hij art. 10 nquot;. 30 der Inv. Zij (de beambten en bedienden van den spoorweg) zijn niet strafbaar, zoo hunne weigering of overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst gegeven.

B- Art. 9, laatste lid, der Wet van 23 April 1880 (Stb. n0. 67), betreffende de openbare middelen van vervoer, enz. gehandhaafd bij art. 10 n0. 41 der Inv. De beambten en bedienden zijn niet strafbaar, zoo hunne overtreding een gevolg is van den last door den ondernemer of bestuurder gegeven.

C. Art. 3, lid d, der Wet van 28 October 1889 (Stb. nquot;. 146), tot nadere regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, ivaarop uitsluitend met beperkte snelheid ivordt vervoerd. De beambten en bedienden zijn niet strafbaar, zoo hunne overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst gegeven.

44. Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd. (G. P. 166—168, 198, 462. - Sr. 29, 84.)

TITEL IV.

Poging.

45. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid. (Inv. 25amp;, j0. Gem.w., a. 273.)

Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf, waarop levenslange gevangenis-

893

-ocr page 1006-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

straf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf. (C. P. 2, 3; Stb. 1854 n0. 102^.10, 17, 18; Stb. 1860 nquot;. 102; Stb. 1870 n0. 162, a. 6. — Sr. 46, 78, 154e, 254d. 300e, 79.)

46. Poging tot overtreding is niet strafbaar. (Inv. 11b, 19igt;, 25amp; j0. 28 en Gem.w., a. 271 en 273.)

A. Art. 11, lid b, der Invoeringswet. De in de wetten in het vorig artikel bedoeld met name genoemde poging blijft als zelfstandige overtreding strafbaar.

Art. 19, lid b. Art. 11 dezer wet is daarbij van toepassing. (Zie o. a. art. 429, art. 442 P en Q, art. 474 E.)

B. Art. 271 der Gemeentewet, gehandhaafd hij art. 15 der Invoeringswet. Ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belastingen, de poging daartoe of de medepligtigheid daaraan, worden gestraft met enz.

TITEL V.

Deelneming aan strafbare feiten.

47. Als daders van een strafbaar feit worden ges,raft:

1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;

2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag,

geweld, bedreiging of misleiding het feit opzetlelijk uitlokken. (Sr. 203, 204.)

Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen. (C. P. 59, 60a, 102, 203, 217, 293, 313, 380amp;. —Sr. 43 A, B en C, 49d, 50.)

48. Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft;

1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van

het misdrijf;

2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. (C. P. 59, 60amp;, c, 61—63; Stb. 1829 nB. 34, a. 1; Stb. 1837 n0. 21, a. 9. —Sr. 49, 50, 52 v., 73, 203, 204; Inv. 25ö j0. Gem.w , a. 273.)

A. Art. 60 der Wet van 11 A-pril 1827 (Stb. n0. 17), houdende oprigting van schutterijen enz., gehandhaafd bij art. 10 n®. 4 der Invoeringswet. Die in geval van oproer, zich onaer de wapenen wederstrevig tegen de orders hunner meerderen gedragen, zich feitelijk tegen dezelve verzetten, of de muitelingen door gebaren, woorden of daden aanmoedigen mogten, zullen als medepligtigen worden beschouwd. In deze gevallen, gelijk mede in alle andere, waar de vergrijpen tegen de ondergeschiktheid mogten gepaard gaan met verzwarende omstandigheden, welke bij het Wetboek van Strafregt onder de misdrijven worden gerangschikt, zullen

894

-ocr page 1007-

BOEK I, TITEL IV EN V, ARTT. 46—54.

de schuldigen aan den burgerlijken regter worden overgeleverd.

49. Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd. (Sr. 375.)

Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van fen hoogste vijftien jaren.

De in artikel % l4., 3°. en 4°. vermelde bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf.

Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen. (C. P. 59. — Sr. 476, 50.)

50. De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffen. (Sr. 476, 49d.)

51. In de gevallen waarin wegens overtreding straf wordt bepaald tegen bestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissen, wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd. (Sr. 429A, a. 57d, e.)

52. Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar. (Inv. 256 j0. 28 en Gem.w., a. 271, 273.)

A. Art. 271 der Gemeenteivet, gehandhaafd bij art. 25 der Invoeringswet. Zie art. 46B.

53. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den uitgever is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was. (C. P. 283 v.; Stb. 1814 n®. 17, a. 5; Stb. 1816 n». 51, a. 2 v.; Stb. 1829n».34, a. 1. — G. 7; Sr. 48, 54, 418, 420.)

5é. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den drukker is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon, op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was. (C. P. 283 v.; Stb. 1814 n0.17,a. 5; Stb. 1816 n®. 51, a. 2 v.; Stb. 1829 n«. 34, a. 1. —G. 7: Sr. 48,53, 410, 420.)

A. Art. 54 Grondw. De Koning is onschendbaar; enz.

B- Art. 97 Grondw. De leden der Staten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de ver-

895

-ocr page 1008-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

gadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

C. Art. 74 der Provinciale Wet, gehandhaafd bij art.13, lid a, der Invoeringswet. Zij (de leden der Provinciale Staten) zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening, door hen in de vergadering geuit.

D Art. 47 der Gemeenteivet, gehandhaafd hij art. 24, lid a, der Invoeringswet. Zij (de leden van den Gemeenteraad) zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de stem of meening, door hen in de vergadering geuit.

TITEL VI.

Samenloop van strafbare feiten.

55. Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts ééne dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. (Sr. 61.)

Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.

56. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. (Sr. 61.)

Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid, valsche munt of munt-schennis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of munt-schennis gepleegd is. (Sr. 208 v., 216 v., 225 v.)

57. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt ééne straf uitgesproken.

Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum. (Sv. (oud) 207b—d. — Sr. 10c en d, IBb en c, 23e en f, 58, 59 v.)

58. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve slaande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elke dier straffen uitgesproken, doch mogen deze te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen.

Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het maximum der bedreigde vervangende hechtenis. (Sv. (oud) 2076—d — Sr. 23, 57, 59—61.)

59 Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen, en openbaar-

8%

-ocr page 1009-

BOEK I, TITEL V EN VI, ARTT. 55—62.

making van de rechterlijke uitspraak. (Sr. 10a, 28—31,33, 34, 36.)

60. In de gevallen der artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van bijkomende straffen de volgende bepalingen:

\'1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande, of ingeval geene andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren; (Sr. 31.)

2°, de straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;

3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden, evenals de vervangende hechtenis bij niet-uitlevering dier voorwerpen, voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd. (Sv. (oud) 207d.)

De straffen van vervangende hechtenis mogen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan. (Sr. 23e, f, 346.)

61. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 9.

Waar den rechter de keuze tusschen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking.

De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum.

De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum.

62. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd, ((nv. Th, 10 n0. 14 j0. .lagtvv., a. 44, zie chron. lijst.)

De straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begrepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan.

De straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden opgelost in ééne straf waarvan de duur wordt bepaald binnen de grenzen van artikel 32.

A. Art. 44 der Wet van 13 Juni 1857 (Stb. n0. 87), tot regeling der jagt en visscherij, gehandhaafd bij art. 10 n1. 14 der Invoeringswet {zie chron. lijst.)-. Bij zamenloop van meerdere door denzelfden persoon of dezelfde personen gelijktijdig begane overtredingen wordt slechts ééne straf toegepast, en wel de zwaarste, indien verschillende straffen zijn bedreigd.

Het vorenstaande is niet toepasselijk op de overtreding van art. 2, le lid, welke altijd afzonderlijk wordt gestraft.

B. Art. 33 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 57), betreffende de maten en geioigten enz. gehandhaafd

897

57

-ocr page 1010-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

bij art. 10 n0. 22 der Inv. Het voorhanden hebben of het gebruik van ieder voorwerp, alsmede iedere aankondiging in haar geheel, waardoor de straffen in artt. 28—32 toepasselijk worden, maakt eene overtreding uit. Er kunnen echter niet meer dan tien geldboeten voor gelijktijdig gepleegde overtredingen worden uitgesproken.

63. Indien iemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing der bepalingen van dezen titel voor het geval van gelijktijdige berechting. (Sv. (oud) 208, 227 n0. 6—8. — Sr. 55 v.)

TITEL VII.

Indiening en intrekking der klachte hij misdrijven alleen

op klachte vervolgbaar. (Sv. (oud) 226. — Sr. 241,245, 204, 269—273, 273 A, B, 281, 284, 316, 319,324,, 338, 348, 349 quater, 353, 420; Alg.w., a. 247e;

W. min. verantw., a. 4 v. j0. Sv. 301; Hin-derw., a. 23d.; Arbeidsw., a. 20d;W.

verm. bel., a. 47d; W. bedr. bel.,

a. 47 § 2 c; Veiligheidsw.,

a. 23d ; Stoomw., a. 32d.)

64. Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, gepleegd is tegen iemand die den leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt of die, anders dan wegens verkwisting, onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wettigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken. (B. 354, 355, 441, 506; Sr. 241c.)

Is deze de persoon tegen wien de klachte moest geschieden, dan kan de vervolging plaats hebben op klachte van den toezienden voogd of curator, van de echfgenoote, van een bloedverwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad ingesloten. (Sr. 188, 241c; Sv. 13, 14; C. 365, 427, 506.)

65. Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen den in het volgende artikel gestelden termijn overlijdt, kan, zonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden op klachte van de ouders, van de kinderen of van den overlevenden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene eene vervolging niel gewild heeft. (Sr. 241c, 270, 271c.)

66. De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tol klachte gerechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit, indien hij binnen Europa, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij buiten Europa verblijf houdt. (Sv. 13, 14; Rv. 10.)

67. Hij die de klachte indient, blijft gedurende acht dagen na don dag der indiening bevoegd haar in te trekken. (Sv. 15; Sr. 241c.)

898

-ocr page 1011-

BOEK I, TITEL VI, VU EN VIII, ARTT. 63—71. 899

TITEL VUL

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf.

68. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van den Nederlandschen rechter, of van den rechter in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere wereld-deelen, onherroepelijk is beslist. (Sv. 375 v.)

Is het gewijsde afkomstig van een anderen rechter, dan heeft tegen denzelfden persoon wegens hetzelfde feit geene vervolging plaats ingeval van:

1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

2°. veroordeeling gevolgd door geheele uitvoering, gralie of verjaring der straf. (Sv. (oud) 8a in fine, 10, 218.)

69. Het recht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte. (Sv. (oud) 7 n0. 1, 466. — Sr. 91; Sv. 410 v.)

70. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

1°. in één jaar voor alle overtredingen en voor de misdrijven door middel van de drukpers gepleegd;

2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

3°. in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4°. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld. (Sv. (oud) 7 n0. 2, 457, 459—461, 463; Stb. 1841 n0. 42, a. 24fgt;, zie chron. lijst; W. kerkgenootsch., a. 13, zie chron. lijst; W. Min. verantw., a. 33a; Jagtw., a. 54, zie chron. lijst. — B. 1416, 1983; Sv. 419; W. not.ambt a. 55 j0. Inv. 10 n0. 6.)

A. Art. 55 der Wet van 9 Jidi 1842 (Stb. n0. 20), op het Notarisambt, gehandhaafd hij art 10 n0. 6 der Invoeringswet. De regtsvordering tot schorsing van eencn notaris in de uitoefening zijner bediening, tot afzetting of tot veroordeeling in geldboeten ter zake van overtredingen dezer wet, en in de gevallen daarbij voorzien, zal zijn verjaard na verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de overtreding, op de wijze bij art. 59 dezer wet vermeld, heeft kunnen worden geconstateerd.

B. Art. 13, lid b, der Wet van 10 September 1853 (Stb. n0. 102), tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, gehandhaafd bij art. 10 n0. 10 der Invoeringswet (zie chron. lijst). De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door verloop van twee jaren.

71. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:

1°. bij valschheid, valsche munt of muntschennis vangt de termijn aan op den dag na dien waarop gebruik

-ocr page 1012-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is; (Sr. 209, 211 v., 216 v., 225 v.)

2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 278,279 en 282, op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is; (Sv. (oud) 458; W. min. verantw., a. 336.)

3°. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en 467, op den dag na dien, waarop ingevolge artikel 22 van het Burgerlijk Wetboek de aldaar bedoelde registers waaruit zoodanige overtreding blijkt ter griffie van de arrondissements-rechtbank zijn overgebracht. (B. 27, 28, 137; Stb. 1887 nquot;. 265, a. 3—5, zie onder Inv. Sr.)

N0. 3 bijgevoegd bij art. 3 der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265).

72. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij de wet voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij. (Sv. 7,144.)

Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. (Sv. (oud) 458; W. min. verantw., a. 33o.)

73. De schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschil schorst de verjaring. (Sv. 5, 6; Sr. 241 lt;?, 265c, 281d.)

74. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen waarop geene andere hoofdstraf gesteld is dan geldboete, vervalt door vrijwillige betaling van het maximum der boete, op machtiging van den bevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministerie binnen den termijn door hem te stellen.

Aldus gewijzigd bij art. 9 der Wet van 15 April 18\'JG (Stb. n0. 70). a)

Is nevens geldboete verbeurdverklaring op het feit gesteld, dan moeten tevens de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen worden afgegeven of de waarde waarop zij geschat zijn, worden voldaan. (Sr. 34.)

In de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling, is die verhooging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger gepleegde overtreding volgens het eerste en tweede lid van dit artikel is vervallen. (Sv. (oud) 254; W. not.ambt, a. 58; Stb 1843 n0. 37, a. 20. — Stb. 1841 n0. 42, a. 22 j0. Inv. 10 n0.5, zie chron. lijst; Jagtw., a. 39 j0. Inv. n0. 14, zie chi\'on. lijst; Inv. 19c.)

A. Art. 22 der Wet van 9 October 1841 (Stb. r.0. 42). Zie art. 35B.

B- Art. 33, lid a, der internationale overeenkomst van 6 Mei 1882, tot regeling van de policie der visscherij in de Noordzee, buiten de territoriale ivateren, goedgekeurd bij de Wet van 15 Juni 1883 (Stb. n0. 73), gehandhaafd bij art. 6 der Invoeringswet. Lcrsquele fait impute n\'est pas de nature grave, mais que néan-

a) Oorspronkelijk werden tusschen de woordent „der boetequot; en „op machtigingquot; nog gelezen de woorden: „en van de kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad.quot;

900

-ocr page 1013-

BOEK I, TITEL VIII EN IX, ARTT. 72—80.

moins il a occasionné des dommages a un pccheur quelconque, les commandants des batiments croiseurs peuvent concilier a la mer les intéressés et fixer rindem-nité a payer, s\'il y a consentement des parties en cause.

C- Art. 8 der Wet van 7 December 1883 (Stb. n0. 202), ter uitvoering van bovengemelde overeenkomst, gehandhaafd bij art. 10 n0. 45 der Invoeringswet. Wanneer de commandanten der kruisers gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid, hun bij art. 33 der overeenkomst toegekend, vervalt het recht tot strafvordering wegens de overtredingen, welke tot de in dat artikel bedoelde schikkingen hebben aanleiding gegeven.

75. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door den dood van den veroordeelde. (Sv. (oud) 455a. — Sr. 91; Sv. 418a.)

76. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring. (Sv. 419.)

De termijn dezer verjaring is bij overtredingen twee jaren, bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd vijf jaren, en bij andere misdrijven een derde langer dan de termijn der verjaring van het recht tot strafvordering. (Sr. 70.)

In geen geval is de termijn der verjaring korter dan de duur der opgelegde straf. (Sv. (oud) 462; Stb. 1851 n0. 44; W. min. verantw., a. 34.)

77. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht of de. inrichting waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchting. Bij herroeping eener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der herroeping. (Sv. 269; Sr. 156 v.)

De termijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroordeeling, in verzekerde bewaring is. (Sv. 336, 338 v., 374, 375 v., 415 v.)

TITEL IX.

Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.

78. Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan en poging tot dat misdrijf begrepen, voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt. (Sr. 45, 48.)

79. Aanslag bestaat zoodra eene strafbare poging tot het voorgenomen feit aanwezig is. (C. P. 88. — Sr. 45, 92—94, 108, 115.)

80. Samenspanning bestaat zoodra twee of meer per-

901

-ocr page 1014-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

sonen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen. (C. P. 89. — Sr. 96. i03, 135, 394, 398. Vg. Sr. 140,14-1, 154 v., 182, 274 v., 311 n». 4, 312 n°. 2, 315 n». 2,3176, 381 v., 388 v., 396, 433.)

81. Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. (Sr. 47 n». 2, 95, 121—125, 143, 145, 179, 180, 242, 246, 252, 279, 281, 284, 312, 317, 395, 396; Sr. 141c, 381c, 382.)

82. Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts-of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht eener vrouw.

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft. (Sr. 154, 181, 182, 248, 257, 282, 283, 300—303, 306, 308, 312, 395, 396.)

83. Nederlander is hij die dezen staat bezit volgens de wet tot uitvoering van artikel 7 {thans 6) der Grondwet. (W. Nederl.sch.)

Met den Nederlander slaat gelijk ieder ander wiens uitlevering bij de wet is verboden. (Vreemd, w., a, 19; Uitl. w., a. 22; B. 5, 6, 116.; Sr. 5, 101, 197.)

84. Onder ambtenaren worden begrepen alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen. (Verg. op art. 125.)

Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht uitoefenen.

Allen die tot de gewapende macht behooren, worden mede als ambtenaren beschouwd. (Sr. 6,44,139,177—185, 196, 249 n». 3, 267, 304 n». 2, 355 v., 462 v.)

85- Onder schipper wordt verstaan elk gezagvoerder van een vaartuig of die dezen vervangt.

Opvarenden zijn allen die zich aan boord bevinden, met uitzondering van den schipper.

Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden. (Sr. 7, 275, 276, 381 v., 469 v.)

86. Onder Nederlandsche schepen worden alleen verstaan die vaartuigen welke door de wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag als zeeschepen worden aangemerkt. (Sr. 7, 381 v., 469 v.; W. zeebr.)

87. Onder vijand worden begrepen opstandelingen. (Sr. 102, 104.)

Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog. (Sr. lOOnM, 101, 407, 311 n0. 2, 381.)

Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is. Tijd van oorlog wordt mede geacht te bestaan, zoodra de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele, door den Koning buitengewoon is bijeengeroepen en zoolang die buitengewoon onder de wapenen blijft. (G. 185, 187; Sr. 100 n». 2,102,104,105,203,204,331,332.)

902

-ocr page 1015-

BOEK 1 EN II, TITEL IX EN I, ARTT. 81—95. 903

88. Door dag wordt verslaan een tijd van vier en twintig uren, door maand een tijd van dertig dagen. (G. P. 40c, d, 465b. — Sr. 10amp;, 48, 21, 23, 32.)

89. Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende. (C. P. 397. — Sr. 138,139,202, 311,312.)

90. Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen. (C. P. 398.— Sr. 138, 139, 202, 311, 312.)

SLOTBEPALING.

91. De bepalingen der acht eerste Titels van dit boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. (G. P. 5, 484. — Inv. 6, 7, 9-11, 19; Sv. 410 v.)

TWEEDE BOEK.

Misdrijven. (Inv. Ih, %, \\1h.)

TITEL I. (Sr. 5 nquot;. 1.)

Misdrijven tegen de veiligheid van den slaat.

92. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (G. P. 86. — Sr. 106a, 28 n0. 1—5, 79, 4 n». 1; G. 10 v., 30 v., 38; Sr. 96, 108-110, 115, 278 v., 287 v., 302, 303 j». 82.)

93. De aanslag ondernomen met het oogmerk om het rijk geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sr. 1066, 28n0.l—3, 79, 4n0.l; G. 1, 3b; Sr. 96.)

94. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den grondwettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen, of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (G. P. 876, c. — Sr. 1066, 28 n0. 1-3, 79, 4 n°. 1; G. 10 v., 194 v.; Sr. 96.)

95. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vergadering van den Regeeringsraad uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt, of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van den Regeeringsraad verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten

-ocr page 1016-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

hoogste zes jaren. (C. P. 121. — Sr. 1066, 28 n0. 1—3, 81, 4 n6. 1; G. 38b, 39, 44, 45; Sr. 96, 121—124, 143, 145, 179 v., 282, 284, 285.)

96. De samenspanning tot een der in de artikelen 92—95 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. (C. P. 86, 87, 125. — Sr. 106amp;, 28 n0. 1—3, 80, 4 n». 1, 103, 135.)

97. Hij die met eene buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of het voeren van oorlog tegen den staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar daarbij hulp toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (C. P. 76. — Sr. 106b, 28 n0. 1—3, 80.)

98. Hij die opzettelijk bescheiden, berichten of inlichtingen omtrent eenige zaak waarvan hij weet dat de geheimhouding door het belang van den staat wordt geboden, hetzij openbaarmaakt, hetzij aan eene buitenlandsche mogendheid mededeelt of in handen speelt, wordt gestraft mat gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 78, 80. — Sr. 106b, 28 n0. 1—3, 44, 102 a en b nquot;. 2, 272, 430.)

99. Hij die eene hem van regeeringswege opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheia opzettelijk ten nadeele van den staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 106b, 28 n°.-1—3, 44, 102a.)

100. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft: (Sr. 106b, 28 ii0. 1—3.)

1°. hij die, in geval van een oorlog waarin Nederland niet betrokken is, opzettelijk eenige handeling verricht waardoor de onzijdigheid van den staat wordt in gevaar gebracht, of eenig bijzonder voorschrift tot handhaving der onzijdigheid van regeeringswege gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt; (C. P. 84, 85. — Sr. 87b, 388, 389, 405.)

2°. hij die, in tijd van oorlog, eenig voorschrift van regeeringswege in het belang der veiligheid van den staat gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt. (Sr. 87c.)

101. De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met Nederland in oorlog is, of in het vooruitzicht van een oorlog met Nederland, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (C. P. 75. — Sr. 106b, 28 nu. 1—3, 83, 87b; B. 9 n0. 2; W. Nederl.sch., a. 7 n0. 4.)

102. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den staat tegenover den vijand benadeelt. (C. P. 77. —Sr. 106b, 28 n». 1—3, 87, 103, 107.)

904

-ocr page 1017-

905

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader: (Sr. 1066, 28 n0. 1—3.)

1°. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad of eenige krijgskas, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in \'s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt; (C. P. 77, 95.)

2°. eenige kaart, plan, teekening ofbeschrijving van militaire werken, of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt; (C. P. 81, 82. — Sr. 98, 272, 430.)

3°. hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk teweegbrengt of bevordert; (C. P. 77; Stb. 1817 n». 33. — Sr. 104 n*. 2, 131 v., 203,204; C. W. krijgsv. te water, a. 85 v., 106 v.; G. W. krijgsv. te lande, a. 81 v., 107 v.)

4°. als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt. (C. P. 83. — Sr. 104 n0. 1.)

103. De samenspanning tot een der in artikel 102 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren. (Sr. lOGö, 28 nquot;. 1—3,80,107,135.)

104. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk:

10. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt ;

2°. desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, teweegbrengt of bevordert. (C. P. 83; Stb. 1817 n0. 83. — Sr. 87, 107, 1026 n». 3 en 4,131 v., 203; C. W. krijgv. te water, a. 112 v.; C. W. krijgsv. te lande, a. 116 v.)

105. Hij die, in tijd van oorlog, eenige bedrieglijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de vloot of het leger, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat. (C. P. 430—433. — Sr. lOöc, 28 nquot;. 1—4 en 6, 36, 87, 107, 4 n0. 1, 44, 332.)

106. Bij veroordeeling wegens het in artikel 92 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—5, vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 114a, 120a.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 93—103 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 105 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en

-ocr page 1018-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

van de in artikel 28 n®. 1—4 vermelde rechten, en kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. (Sr. 28 n0. 6, 36.)

107. De straffen gesteld op de in de artikelen 102—105 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondge-nooten van den staat in een gemeenschappelijken oorlog. (C. P. 78, 79, 816. — Sr. 876.)

TITEL II.

Misdrijven tegen de \'koninklijke waardigheid.

108. De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regeerende Koningin, van den troonopvolger of van een lid van het koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen., wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (C. P. 87. — Sr. 114a, 28nc. 1—5, 79, 4 n0. 1, 92, 109 v.. 115, 278 v., 287 v.)

109- Elke feitelijke aanranding van den persoon des Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden. (Sr. 1146, 28 nquot;. 1—4, 4 n®. 1, 92. 108, 110, 116, 284 v., 300 v.)

110. Elke feitelijke aanranding van den persoon van den troonopvolger, van een lid van het koninklijk huis, of van den Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 1146, 28 n». 1—4, 4 nquot;. 1, 92, 108, 109, 116, 284 v., 300 v.)

111. Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1830 n». 15. — Sr. 114c, 28 n». 1—3, 112, 117, 118, 261 v.)

112. Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van het koninklijk huis of den Regent aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier .iaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1830 n». 15. — Sr. 114c, 28 n». 1—3, 111, 117, 118, 2\'31 v.)

113. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor den Koning, de Konir.gin, den troonopvolger, een lid van het koninklijk huis of den Regent, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren

-ocr page 1019-

BOEK II, TITEL I, II EN III, ARTT. 107—119. 907

zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 28 n0. 6, 119, 261 v., 271, 418—420.)

114. Bij veroordeeling wegens het in art. 108 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artt. 28 n0. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 106a, 120a.)

Bij veroordeelirg wegens een der in de artt. 109 en 110 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in art. 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 120b.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 111 en 112 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in art. 28 n0. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 120c.)

TITEL III.

Misdrijven Ir.cjen hoofden en vertegemvoordigers van bevriende staten.

115. De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (Sr. 120o, 28 n0. 1—5, 79, 92,108, 116, 278 v., 287 v.)

116. Elke feitelijke aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 120b, 28 nquot;. 1—4, 109, 110, 115, 284 v., 300 v.)

117. Opzettelijke beleediging een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1816 n0. 51. — Sr. 120c, 28 n». 1—3, 111, 112, 118, 261 v.)

118. Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Nederlandsche regeering in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 120c, 28 n®. 1—3, 111, 112, 117, 261 v.)

119. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden slaat of voor een vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Nederlandsche regeering in zijne hoedanigheid, met het

o) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 1S8G (Stb. no. 6). Oorspronkelijk werd gelezen : „sedert hij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeldquot;.

-ocr page 1020-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat i en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere \'veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan hij van de uitoefening var dat beroep worden ontzet. (quot;Slb. 1816 n0. 51. — Sr. 28 n0. 6, 113, 261 v., 271, 418—420.)

120. Bij veroordeeling wegens het in artikel 115 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 n0.1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 106a, 114a.)

Bij veroordeeling wegens het in artikel 116 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 114(gt;.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 117 en 118 omschreven misdrijven, kan ontzetting van do in artikel 28 n0. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 114c.)

TITEL IV.

Misdrijven betreffende de uitoefening van staats-\'plichten en staatsrechten.

121. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal of van eene dezer uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (G. P. 121. — Sr. 130a, 28 nquot;. 1—3, 81; G. 78 v., 86; Sr. 95a, 123, 143, 145, 179 v., 282, 284, 285.)

122. Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van eene der kamers van de Stalen-Generaal verhindert de vergadering bij te wonen of daarin Tij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 121. — Sr. 130fc, 28 n0. 3, 81; G. 78 v., 86, 97; Sr. 956, 124, 179 v., 282, 284, 285.)

908

123. Hij die door geweld of bedreiging met gewald eene vergadering van de staten eener provincie of van den raad eener gemeente uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt, of den voorzitter of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 130a, 28 n0. 1—3, 81;

a) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 188ö(Stb. no. C). Oorspronkelijk werd gelezen: „sedert hij wegens hebzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld\'*.

-ocr page 1021-

BOEK II, TITEL III EN IV, ARTT. 120—130.

G. 127 v.; Prov. w., a. 63 v., 72; Gem.w., a. 31 v., 45; Sr. 95a, 121, 143, 145, 179 v., 282, 284, 285.)

124. Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk den voorzitter of een lid van de staten eener provincie of van den raad eener gemeente verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 130amp;, 28 nquot;. 3, 81; G. 127 v., 131, 141 v.; Prov. w., a. 29, 35, 72, 74; Gem.w., a. 45, 47, 66, 77; Sr. 95b, 122, 179 v., 282, 284, 285.)

125. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (C. P. 109. — Sr. 130amp;, 28 n°. 3, 81; G.80—83,127,143,189 v.; Kiesw.; Prov. w., a. 3 v.; Gem.w., a. 5 v.; Stb. 1822n0.7 j0. Stb. 1850 n0. 16; Stb. 1896 nquot;. 76, a. 5 v.; Stb. 1897 n0. 141, a. 14 v.; Sr. 282, 284, 285.)

126. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dezelfde straf wordt toegepast op den kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopeu. (C. P. 113. - Sr. 130b, 28 n». 3, 177, 178, 302—364. Vg. op eert. 125.)

127. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, eenige bedriegelijke handeling pleegt waardoor de stem van een kiezer van onwaarde wordt of een ander dan de door dien kiezer bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. (C. P. 111,112. — Sr. 130b, 28 n0. 3. Vg. op art. 125.)

128. Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 130b, 28 n0. 3. Vg. op art. 125.)

129. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene plaats gehad hebbende stemming verijdelt of eenige bedrieglijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. (Sr. 130b, 28 n0. 3. Vg. op art. 125.)

130. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 121 en 123 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 128 n0. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 122 en 124—129 omschreven misdrijven, kan ontzetting van

909

-ocr page 1022-

quot;WETBOEK VAN STRAFRECHT.

de in artikel 28 n0. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL V.

Misdrijven tegen de openbare orde.

131. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 102, 202, 203, 217, 285 j0.289, 293; Stb. 1829 n0. 34, a. 1; Stb. 1830 n0. 15, a. 3; W. vereenig. en verg., a. 176. — Sr. 47 n0. 2, 1026 n0. 3, 104 n®. 2, 132, 203, 204, 397.)

132. Hij die een geschrift waarin tot eenig strafbaar feit wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten loon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn verloopcn, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (C. P. 102, 205, 206, 217, 285, 286, 293; Stb. 1829 n0. 34, a. 1; Stb. 1830 n0. 15, a. 3, 4; W. vereenig. en verg., a. 176. — Sr. 28 nquot;. 6, 47 nquot;. 2, 131, 418—420.)

133. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 48 n0. 2, 134.)

134-. Hij die een geschrift waarin wordt aangeboden inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig strafbaar feit te plegen, met het oogmerk om aan dat aanbod ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt or aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drielunderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 28 n0. 6, 48 nquot;. 2, 133, 418—420.)

910

135. Hij die, kennis dragende van eene samenspanning tot een der in de artikelen 92—95 of 102 bedoelde niis-

o) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 1886 (Stb. no. 6). Oorspronkelijk werd gelezen: „sedert hij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld.quot;

-ocr page 1023-

BOEK n, TITEL V, ARTT. 13 (—138.

drijven, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 103—106. — Sr. 80,96, 103; Sv. 10, 11a, 66a.)

136. Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van een der in de artikelen 92—110 omschreven misdrijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, menschenroof of verkrachting of tot een der in Titel VII van dit Boek omschreven misdrijven voor zoover daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van eenig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daarvan gelijke kennisgeving te doen. (C. P. 103—106, 108, 136, 144, —Sv. 10, 11a, 66a;C. W. Krijgsv. te water, a. 53 v., 68 v., 106 v., 112 v.; C. W. Krijgsv. te lande, a. 55 v., 73 v., 107 v., 116 v.; Sr. 289, 291, 292, 278, 242, 157 v.)

137. De bepalingen van de artikelen 135 en 136 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor eene strafvervolging zou doen ontstaan voor zich zeiven, voor een zijner bloedverwanten of aange-huwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen. (C. P. 107. — Sv. 11b, 666 en c, 162, 163; Sr. 189f).)

138. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1890 n®. 127, zie chron. lijst.)

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen. (Sr. 89, 90.)

911

-ocr page 1024-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer ver-eenigde personen het misdrijf plegen. (G. 158; Sr. 139, 202, 370, 311a n0. 3-5, 3126 n». 1—3.)

139. Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen. (Sr. 89, 90.)

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van m.ddelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer ver-eenigde personen het misdrijf plegen. (G. 158; Sr. 138, 370, 202, 311a nquot;. 3—5, 3126 n°. 1-3.)

140. Deelneming aan eene vereeniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Deelneming aan eene andere bij de wet verboden vereeniging wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze straffen met een derde worden verhoogd. (C. P. 265 v., 291 v.; W. vereenig. en verg., a. 4. — G. 9; W. vereenig. en verg., a. 2, 3, 16, 23, zie chron. lijst.)

141. Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; (Sr. 82).

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge heeft.

Artikel 81 blijft buiten toepassing. (C. P. 96; 440—442; — Sr. 285.)

912

-ocr page 1025-

913

142. Hij die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (Sr. 431.)

143. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene geoorloofde openbare vergadering verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden. (Sr. 81; G. 9; W. vereenig. en verg., a. 18—22, zie chron. lijst; Sr. 95, 121, 123, 144, 145.)

144. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (G. 9; W. vereenig. en verg., a. 18—22, zie chron. lijst; Sr. 146, 185; Sv. 80, 151, 1796, 289.)

145. Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (C. P. 261; Begraf.w., a. 41 n0. 12. — Sr. 81; Gr. 9, 168, 170; W. Kerkgenootsch., a. 6; Begraf.w., a. 4, zie beide wetten in chron. lijst; Sr. 95, 121, 123, 143, 146.)

146. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (C. P. 261. — G. 9, 168, 170; W. Kerkgenootsch., a. 6; Begraf.w., a. 4, zie beide wetten in chron. lijst; Sr. 144, 147, 185.)

147. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden wordt gestraft:

1».

hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;

hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt. (C. P. 262. — G. 167, 168, 170; W. Kerkgenootsch., a. 2, 6, zie chron. lijst; Sr. 146.)

148. Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene begraafplaats of het geoorloofd vervoer van een lijk naar eene begraafplaats verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (Begraf.w., a. 41 n®. 12. — Begraf.w., a. 3, 4, 6, 11, zie chron. lijst.)

149. Hij die opzettelijk een graf schendt of eenig op eene begraafplaats opgericht gedenkteeken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Begraf.w., a. 43 n0. 5, zie chron. lijst; — Sr. 350.)

150. iiijquot; die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf

58

-ocr page 1026-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

-van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Begraf.w., a. 43 n0. 1. — Begrafw., a. 12, zie chron. lijst; Sr. 310.)

151. Hij die een lijk begraaft, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het overlijden of de geboorte te verhelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Begraf.w., a. 43 n®. 2—4;— Sr. 189a, n». 2, 190, 236.)

TITEL V I.

Tweegevecht.

152. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft:

1°. hij die iemand tot eene uitdaging tot tweegevecht of tot het aannemen van eene uitdaging aanzet, indien daarop een tweegevecht volgt; (Sr. 47 n®. 2, 153, 156b nquot;. 1.)

2*. hij die opzettelijk eene uitdaging overbrengt, indien daarop een tweegevecht volgt. (Sr. 48.)

153. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hij die iemand in het openbaar of in tegenwoordigheid van derden verwijtingen doet of hem aan bespotting prijsgeeft, omdat hij niet tot tweegevecht heeft uitgedaagd of omdat hij eene uitdaging heeft afgewezen. (Sr. 266.)

154. Tweegevecht wordt ten aanzien van hem die zijne tegenpartij geen lichamelijk letsel toebrengt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. (Sr. 300e).

Hij die zijne tegenpartij eenig lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 300a, 301a.)

Hij die zijne tegenpartij zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 82, 3006, 3016. 302a, 303a.)

Hij die zijne tegenpartij van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of, indien het tweegevecht op leven of dood was aangegaan, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 300c, 301c, 3026, 3036, 287, 289, 293.)

Poging tot tweegevecht is niet strafbaar. (Sr. 45, 300e.)

155. Op hem die in een tweegevecht zijne tegenpartij van het leven berooft of haar eenig lichamelijk letsel toebrengt, worden de bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling toegepast: (Sr. 82, 287, 289, 300 v.)

l». indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld; (Sr. 1566 n0. 1.)

2quot;. indien het tweegevecht niet plaats heeft in tegenwoordigheid van wederzijdsche getuigen; (Sr. 156.)

S®. indien de dader, opzettelijk en ten nadeele van de tegenpartij, zich aan eenige bedrieglijke handeling schuldig maakt of van de voorwaarden afwijkt. (Sr. 1566 n®. 2, c.)

914

-ocr page 1027-

BOEK II, TITEL V, VI EN VII, ARTT. 151—158. 915

156. Getuigen en geneeskundigen die een tweegevecht bijwonen, zijn niet strafbaar. (Sr. 48, 155 n4. 2.)

De getuigen worden gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld, of indien zij partijen tot voortzetting van het tweegevecht aanzetten; (Sr. 47 nquot;. 2, 152 n®. 1, 155 n0. 1.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien zij, opzettelijk en ten nadeele van eene of beide partijen, zich aan eenige bedrieglijke handeling schuldig maken of eenige door partijen gepleegde bedrieglijke handeling toelaten, of toelaten dat van de voorwaarden wordt afgeweken. (Sr. 155 n0. 3, 156c.)

De bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling worden toegepast op den getuige bij een tweegevecht waarin eene der partijen van het leven is beroofd of haar eenig lichamelijk letsel is toegebracht, indien hij, opzettelijk en ten nadeele van die partij, zich aan eenige bedrieglijke handeling heeft schuldig gemaakt cf eenige bedrieglijke handeling heeft toegelaten, of heeft toegelaten dat ten nadeele van den verslagene of verwonde van de voorwaarden is afgeweken. (Sr. 82, 155, 1566 nquot;. 2.)

TITEL VII.

Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht.

157. Hij die opzettelijk brand sticht, eene ontploffing teweegbrengt of eene overstrooming veroorzaakt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (C. P. 95, 484, 435, 437; Stb. 1854 n». 102, a. 13 n®. 5. — Sr. 176a, 28 n®. 6, 328, 352, 428.)

158. Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstrooming te wijten is, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste

-ocr page 1028-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (C. P. 457, 458; Stb. 1869 nquot;. 97, a. 24?. — Sr. 176a, 28 n». 6, 428, 429; Hinderw.; Stb. 1884 n0. 81; Stoomw.; Inv. 21.)

159. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van brand bluschgereedschappen of bluschmiddelen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, of op eenige wijze de blussching van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 176a, 28 n0. 6.)

160. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, eenige poging tot herstel van dijken of andere waterstaatswerken verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstrooming tegenwerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 438; Stb. 1823 n0. 33. — Sr. 176a, 28 n°. 6.)

161. Hij die opzettelijk eenig werk dienende tot water-keering of waterloozing vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt, indien daarvan gevaar voor overstrooming te duchten is, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (G. P. 437. — Sr. 176a, \'28 n0. 6.)

162. Hij die opzettelijk eenig werk dienende voor het openbaar verkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of een ten aanzien van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (C. P. 437. — Sr. 176a, 28 ns. 6.)

163. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig werk dienende voor het openhaar verkeer wordt vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, eenige openbars land-of waterweg versperd of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor het verkeer onveilig wordt;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176a, 28 n®. 6, 427.)

164. Hij die opzettelijk gevaar veroorzaakt voor het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Spoorw.w., a. 60. — Sr. 176a, 28 n0. 6.)

916

-ocr page 1029-

BOEK ir, TITEL VII, AUTT. 159—169.

165. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat voor het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. (Spoorw.w., a. 61. — Sr. 167«, 28n0.6; Spoorw.w.; Stb. 1889 n0. 146.)

166. Hij die opzettelijk een voor de veiligheid der scheepvaart gesteld teeken vernielt, beschadigt, wegneemt of verplaatst, zijne werking verijdelt of een verkeerd teeken stelt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf Jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit het zinken of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (G. P. 437; Stb. 1820 n«. 6; Stb. 1865 nquot;. 173, a. 6. —Sr. 176a. 28 n0. 6.)

167. Hij aan wiens schuld vernieling, beschadiging, wegneming of verplaatsing van een voor de veiligheid der scheepvaart gesteld teeken of verijdeling zijner werking of het stellen van een verkeerd teeken te wijten is, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor de scheepvaart onveilig wordt;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien het feit het zinken of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Stb. 1820 n0. 6. — Sr. 176a, 28 n0. 6.)

168. Hij die eenig vaartuig opzettelijk en wederrechtelijk doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

2\'. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor eea ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (C. P. 434, 435; Stb. 1872 n0. 23, a. 3. —Sr. 176a, 28 n0. 6, 169, 328, 352; K. 867, 699 ti°. 15.)

169. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig vaar-

917

-ocr page 1030-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

tuig zinkt of strandt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

2*. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Stb. 1882 nquot;. 86, a. 2b—d. — Sr. 176a, 28 n0. 6, 168, 352; Stb. 4882 n0. 86, a. 1, Stb. 1891 n». 91, zie beide wetten in chron. lijst; Stb. 4892 n0. 102; Stb. 4885 n®. 168 j». Stb. 4896 n0. 473.)

170. Hij die eenig gebouw of getimmerte opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft;

4*. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (C. P. 437. — Sr. 476a, 28 n0. 6, 352.)

171. Hij aan wiens schuld de vernieling of beschadiging van eenig gebouw of getimmerte te wijten is, wordt gestraft;

4°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

34. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176a, 28 n0. 6.)

172. Hij die in een put, pomp, bron of in eene ten algemeenen nutte of tot gezamenlijk gebruik van cf met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof aanbrengt, wetende dat daardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sr. 476a, 28 n0. 6.)

173. Hij aan wiens schuld te wijten is dat in een put, pomp, bron of in eene ten algemeenen nutte of tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof wordt aangebracht, waardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

918

-ocr page 1031-

HOEK II, T1TKI- Vil EN VHF, ARTT. 170—178. 919

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. (Sr. 176a, 28 n0. 6.)

174. Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (C. P. 318; Stb. 1829 n0.35. — Sr. 176, 28 n®. 6, 36, 3\'30.)

175. Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor het leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd of uitgedeeld worden, zonder dat de kooper of verkrijger met dat schadelijk karakter bekend is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

De waren kunnen worden verbeurdverklaard. (C. P. 318; Stb. 1829 n». 35. — Sr. 176, 28 n». 6, 33, 34, 36, 330; Stb. 1876 n«. 150.)

176. Bij veroordeeling wegens eenig in dezen Titel omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft. (Sr. 9b n®. 1, 28, 31.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 174 en 175 omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten. (Sr. 9b n0. 4, 36.)

TITEL VIII.

Misdrijven tegen het openhaar gezag.

177 . Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die een ambtenaar eene gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

2°. hij die een ambtenaar eene gift doet ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door dezen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

Ontzetting van de in artikel 28 n®. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 179, 180, 242. — Sr. 84, 126, 178, 362 v.)

178. Hij die een rechter eene gift of belofte doet met het oogmerk om invloed te oefenen op de beslissing van eene aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien die gift of belofte gedaan wordt met het oogmerk om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen,

-ocr page 1032-

920 WETBOEK VAN STKAl\'RECHT.

wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Ontzetting van de in artikel 28n0.\'l—i vermelde rechten kan worden uitgesproken. (G. P. 172—182. — Sr. 846,126, 177, 362 v.; R. O. 29(1)

179. Hij die door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot het volvoeren eener ambtsverrichting of het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 179, 209, 218, 305 v. —Sr. 81, 84, 95, 121—125, 181—184, 284 v., 395 v.)

180- Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleenen, wordt, als schuldig aan wederspannig-heid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 209, 218; Gem.w., a. 270; Stb. 1883 n0. 202, a. 9c. —Sr. 81, 84, 95, 121—125, 181—184, 284 v., 395 v., 446; Sv. 51, 52; Gem.w., a. 192.)

181. De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82)

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (Sr. 183.)

182. De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven, door twee of meer personen met ver-eenigde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 396.)

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.)

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (C. P. 210-216, 218—220. — Sr. 183.)

183. Met ambtenaren worden ten aanzien der artikelen 179—182 gelijkgesteld de bestuurders benevens de beëedigde beambten en bedienden van spoorwegdiensten. (Spoorw.w., a. 62. — Sr. 84)

184. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard

-ocr page 1033-

BOEK II, TITEL VIII, ARTT. 179—187.

tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden (Sv. 8, 22,34,56, 298.)

Met den in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast. (Sr. 84.)

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden a) kunnen de straffen met een derde worden verhoogd, b)

A. Art. 4 der Wet van 15 April 1886 (Stb. n®. 65), houdende maatregelen ter uitvoering van de internationale overeenkomst tot bescherming van onder-zeesche telegraafkabels, gewijzigd hij art. 3 der Wet van 4 Juni 1887 (Stb. n0 109). Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden zal worden gestraft hij, die opzettelijk niet voldoet aan de bevelen, op grond der meergenoemde overeenkomst gegeven door de officieren, bevel voerende over oorlogschepen van een der tot die overkomst toegetreden Staten of over door deze opzettelijk tot handhaving van die overeenkomst uitgezonden vaartuigen. (Sr. 351A, 351bis A, 474G.)

185. Hij die bij eene terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of van wege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (Rv. 26 (oud); Sv. 305 (oud), — Inv. 8; Rv. 2i v.; Sv. 80, 151b, 289.)

186. Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (G. P. 97 v., 210 v. — Sr. 182; Gem.w., a. 186.)

187. Hij die eene bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 447.)

a) Gewijzigd bij art. 1 van de Wet van 15 Januari 1880 (Stb. no. G). Oorspronkelijk werd gelezen : „sedert hij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeldquot;.

b) Dit art. strekt tot vervanging van tallooze bepalingen in bijzondere wetten. Zie eene breede lijst bij Sraidt, II, bl. 175—178.

921

-ocr page 1034-

WETBOEK VAN STHAFRECIIT.

188. Hij die aangifte of klachte doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sv. \'12—14, 31, 36, 37; Sr. 64 v., 268.)

189. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt ter zake van eenig misdrijf, verbergt of hetn behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren der justitie of politie; (C. P.248a; Stb. 1817 nquot;. 33,a. 1.— Sr. 102b n0. 4, 104 n». 1, 184a.)

2°. hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambienaren der justitie of politie onttrekt. (Sr. 150, 151, 184a, 190,\'198 v.)

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot. (C. P. 2486. —Sr. 137; Sv. 116, 666 en c, 162, 163.)

190. Hij die opzettelijk eene gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 359; Stb. 1869 n0. 65, a. 43 n®. 6. — Begraf.w., a. 2, 3, zie chron. lijst; Sr. 151, 189.)

191. Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijdt of bij zijne zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (C. P. 238c, 239c, 2406, 241 v. — Sr. 367.)

192. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan eenige wettelijke verplichting die hij als zoodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:

1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden; (Sv. 51 (oud), 69, 180, 227 n0. 3,253 n». 3. — Sv. 52a, 66, 166, 176, 187, 281, 283 v.; Schutterijw.. a. 70; Regtspl. v. d. Zeemagt 66 v., 78, 86 v., 154; Regtspl. v. d. Landmagt 87 v,, 99, 107; Prov. Instr. H. Mil. Ger. 76.)

2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. (Rv. 116,117,200, 2296, 232; Stb. 1850 n0. 45, a. 17; Onteigen.w., a. 33, zie chron. lijst; Militiew., a. 186.- Ti. 1946; K. 805; Rv. 101 v, 105 v., 182, 188, 199 v., 200, 222 v.; Stb. 1850 n0. 45, a. 3 v., 15; Militiew., a. 80, 89, 191.)

922

-ocr page 1035-

BOEK 11, TITEL VIII, ARTT. 188—198.

193- Hij die opzettelijk niet voldoet aan een wettig bevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met een ander waarvan de valschheid of vervalsching beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:

1°. in straf/aken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden; (Sv. 276, 278 v.)

2°. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. (Rv. 185.)

19é. Hij die, in staat van faillissement of van kenlijk onvermogen verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde, met wien hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Slb. 1837 nquot;. 21, a. 3 n0. 2, 6 n». 2 jquot;. C. P. 402 v. — B. 1655 v., 1690 v.; K. 36 v., 44, 286, 308; W. vereen, en verg.; W. coöp. ver., zie deze beide wetten in chron. lijst; F. 1. 2/quot;.)

Gewijzigd hij art. 6 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

195. Hij die een recht uitoefent, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sr. 9ti n0. 1,28—31,411.)

196. Hij die opzettelijk onderscheidingsteekenen draagt of eene daad verricht behoorende tot een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 93, 127 v., 196, 197, 258, 259; Stb. 1859 n0. 93, a. 11. — R. O. 11—13; Sr. 28, 29; Stb. 1879 n®. 191 en 193, a. 4 A n0. 3, B. n». 2—4, 8, 9, 11—13.)

197. Een vreemdeling die in strijd met \'s Konings last of \'s rechters bevel, ter uitvoering van de wet gegeven, binnen het Rijk in Europa terugkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. (Vreemd.w., a. 14, 15. — Vreemd.w., a. 10 v., zie chron. lijst; Inv. 5; Stb. 1854 n®. 102, a. 19d.)

923

198. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan eene gerechtelijke seque-stralie onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is,

a) Oorspronkelijk luidden de aanvangswoorden van dit artikel: „Hij die, in staat van faillissement of van kenlijk onvermogen verklaard of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereenigin?, wettelijk opgeroepen totquot; enz. en werden tnsschen de woorden „inlichtingen te gevenquot; en „hetzij opzettelijkquot; nog gelezen de woorden: „of ze overeenkomstig do wet te beëedigen.quot;

-ocr page 1036-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

De bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien een dezer feiten ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (Sr. 44, 202; B. 1773 v.; Rv. 303 v., 439 v., 563 v., 721 v., 727 v., 758 v., 764 v.; Sv. 41 v., 46 v., 188, 190, 212, 216, 268, 273 v.)

199. Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zoodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (C. P. 249—252, 256. — Sr. 44, 202; Rv. 658 v.; Sv. 49.)

200. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 254, 255, 439. — Sr. 84, 202, 361; K. 12; Rv. 147 v., 164 v., 182 v., enz.; Sv. 41 v., 46 v., enz.)

201. Hij die opzettelijk brieven of andere stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in een postbus gestoken, aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 44, 202, 371 v.; G. 159; Postw.. a. 22, 23.)

202. Indien de schuldige aan een der in de artikelen 198—201 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, kan de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd. (Sr. 89, 90, 138, 139, 311a n». 3—5, 3126 n0. 1-3.)

203. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 n0. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met

924

-ocr page 1037-

BOEK II, TITEL VIII EN IX, ARTT. 199—207.

gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. (Stb. 1817 n0. 33. — G. W. krijgsv. te water, a. 134 v.; C. W. krijgv. te lande, a. 133 v.; Militiew., a. 130, 145.)

204. Hij die, in tijd van vrede, apzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 n0. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (G. W. krijgsv. te water, a. 85 v.; G. W. krijgsv. te lande, a. 81 v.)

205. Hij die, zonder toestemming des Konings, iemand voor vreemden krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden. (G. P. 92.)

206. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

1quot;. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de militie of bij de schutterij ongeschikt maakt of laat maken;

2°. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt.

Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd. (Militiew., a. 185. — Sr. 5 n0. 1.)

ï I T E L IX.

Meineed.

207. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (G. P. 361—366; W. zeebr. a. 18. — B. 127c, 128, 1903c, f, 1932 v., 1948, 1966 v.; K. 10, 13b, 384, 450; F. 1196, 120; Rv. 107, 200, 318c, 6786; Sv. 100c, 161, 174 v., 375 n». 3, 378, 392 n°. 1, 396 v., 401; Stb. 1850 n®. 45, a. 25; Succ.w., a. 28, 37; Stb. 1890 nquot;. 1, a. 12; W. verm. bel., a. 33d; W. bedr. bel., a. 47 § 1.)

A. Art. 47 § 1 der Wef tjan2 Oc/ober 1893(Stb. n®. 149), tot heffing eener belasting op Bedrijfs- en andere inkomsten. Hij, die persoonlijk of bij een bijzonder daartoe gemachtigde opzettelijk eene valsche verklaring, als bedoeld bij art. 29 aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

925

-ocr page 1038-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Ontzetting van de in art. 28 nos. 1—4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.

TITEL X. (Sr. 4 n». 2.)

Munlmisdrijven.

208. Hij die muntspecien of muntpapier namaakt of ver-valscht, met het oogmerk om die muntspecien of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan valsche munt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 132, 133, 139; Stb. 1836 nu. 13, a. 2, 4, 6; Stb. 1852 n». 90, a. 10; Stb. 1854 n0. 102, a. 13 n0. 1; Stb. 1870 nquot;. 162, a. 3. —Sr. 212,215, 28 nquot;. 1-4,44; Stb. 1854 n». 75, a. 21.)

209. Hij die opzettelijk als echte en onvervalschte muntspecien of muntpapier uitgeeft muntspecien of muntpapier waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 132, 133, 139; Stb. 1836 n0. 13, a. 2, 4; Stb. 1852 n0. 90, a. 10.- Sr. 212, 215, 28 nquot;. 1—4, 44, 220, 222b, 232; Stb. 1854 n». 75, a. 21.)

210. Hij die muntspecien in waarde vermindert, met het oogmerk om ze aldus in waarde verminderd uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan muntschennis, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (C. P. 132, 133; Stb. 1836 n». 13, a. 3, 4. — Sr. 212, 215, 28 n0. 1—4, 44; Stb. 1854 n0. 75, a. 21.)

211. Hij die opzettelijk als ongeschonden muntspecien uitgeeft muntspecien waarvan de schennis hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als ongeschonden uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (G. P. 132, 133; Stb. 1836 nquot;. 13, a. 3, 4. — Sr. 212,215, 28 nquot;. 1-4, 44.— Stb. 1854 nquot;. 75, a. 21.)

212. Indien een der in de artikelen 201—211 omschreven misdrijven ten opzichte van buitenlandsche muntspecien of buitenlandsch muntpapier wordt gepleegd, wordt het maximum der gevangenisstraf met twee jaren verminderd. (C. P. 134; Stb. 1836 n». 13, a. 5 —Sr. 44.)

213. Hij die opzettelijk valsche, ver valschte of geschonden muntspecien of valsch of vervalscht muntpapier weder uitgeeft nadat de valschheid, vervalsching of schennis hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 135, 139. — Sr. 233 )

214. Hij die stoffen of wei ktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een muntmisdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten

926

-ocr page 1039-

BOEK II, TITEL X EN XI, ARTT. 208—218.

hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9b nquot;. 3, 33, 223, 234).

215. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 208—211 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XI. (Sr. 4 n». 2.)

Valschheid in zegels en merken.

216. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die van rijkswege uitgegeven zegels namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2°. hij die, met gelijk oogmerk, zoodanige zegels vervaardigt door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (C. P. 140, 141; Stb. 1850 n». 15, a. 9ö; Stb. 1870 n». 138, a. 5; Stb. 1880 n». 88, a. 22; Stb. 1882 n0. 93, a. 11. — Sr. 224, 28 n®. 1—4, 220, 222, 223.)

217. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren wordt gestraft:

1°. hij die op gouden of zilveren werken valsche rijks-merken of door de wet vereischte meesterteekenen plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken of teekenen echt en onvervalscht waren;

2». hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde werken merken of teekenen plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

3°. hij die echte rijksmerken of door de wet vereischte meesterteekenen inzet, aanvoegt of overbrengt in, aan of op andere gouden of zilveren werken dan die waaraan zij oorspronkelijk zijn aangebracht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken of teekenen oorspronkelijk daarop waren geplaatst. (C. P. 140—143; Stb. 1852 n». 178, a. 9f), 13d. — Sr. 224, 28 nu. 1—4, 219, 220; Inv. la)

218. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

1°, hij die op voorwerpen aan ijk onderworpen valsche rijksmerken plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (Sr. 224, 28 n*.l—4, 219—221; Stb. 1874 n». 143.)

927

-ocr page 1040-

WliTUOliK VAN STRAFRKCHT.

het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

De bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien een dezer feiten ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (Sr. 44, 202; B. i 773 v.; Rv. 303 v., 439 v,, 563 v., 721 v., 727 v., 758 v., 764 v.; Sv. 41 v., 46 v., 188, 190, 212, 216, 268, 273 v.)

199. Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zoodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (C. P. 249—252, 256. — Sr. 44, 202; Rv. 658 v.; Sv. 49.)

200. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 254, 255, 439. — Sr. 84, 202, 361; K. 12; Rv. 147 v., 164 v., 182 v., enz.; Sv. 41 v., 46 v., enz.)

201. Hij die opzettelijk brieven of andere stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in een postbus gestoken, aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 44, 202, 371 v.; G. 159; Postw., a. 22, 23.)

202. Indien de schuldige aan een der in de artikelen 198—201 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, kan de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd. (Sr. 89, 90, 138, 139, 311a n0. 3—5, 3126 n0. 1 — 3.)

203. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 n0. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met

924

-ocr page 1041-

BOEK n, TITEL VIII EN IX, ARTT. 199—207. 925

gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden. (Stb. 1817 n0. 33. — C. W. krijgsv. te water, a. 134 v.; C. W. krijgv. te lande, a. 133 v.; Militiew., a. 130, 145.)

204. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in diénst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 n0. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. W. krijgsv. te water, a. 85 v.; C. W. krijgsv. te lande, a. 81 v.)

205. Hij die, zonder toestemming des Konings, iemand voor vreemden krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden. (C. P. 92.)

206. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

1quot;. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de militie of bij de schutterij ongeschikt maakt of laat maken;

2°. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt.

Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd. (Militiew., a. 185. — Sr. 5 n0. 1.)

TITEL IX.

Meineed.

207. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 361—366; W. zeebr. a. 18. — B. 127c, 128, 1903c, ƒ, 1932 v., 1948, 1966 v.; K. 10, 13b, 384, 450; F. 1196, 120; Rv. 107, 200, 318c, 6785; Sv. 100c, 161, 174 v., 375 n«. 3, 378, 392 n°. 1, 396 v., 401; Stb. 1850 n®. 45, a. 25; Succ.w., a. 28, 37; Stb. 1890 n®. 1, a. 12; W. verm. bel., a. 33d; W. bedr. bel., a. 47 § 1.)

A. Art. 47 § 1 der Wet van 2 October 1893 (Stb. n#. 149), tot heffing eener belasting op Bedrijfs- en andere inkomsten. Hij, die persoonlijk of bij een bijzonder daartoe gemachtigde opzettelijk eene valsche verklaring, als bedoeld bij art. 29 aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

v.;

-ocr page 1042-

WETBOEIC TAN STRAFRECHT.

Ontzetting van de in art. 28 nos. 1—4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.

TITEL 1. (Sr. 4 n». 2.)

Munlmisdrijven,

208. Hij die muntspedea of muntpapier namaakt of ver-valscht, met het oogmerk om die muntspecien of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als scliuldig aan valsche munt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 132, 133, 139; Stb. 1836 nu. 13, a. 2, 4, 6; Stb. 1852 n0. 90, a. 10; Stb. 1854 n0. 102, a. 13 n0. 1; Stb. 1870 nquot;. 162, a. 3, —Sr. 212,215, 28 n». 1-4,44; Stb. 1854 n». 75, a. 21.)

209. Hij die opzettelijk als echte en onvervalschte muntspecien of muntpapier uitgeeft muntspecien of muntpapier waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 182, 133, 139; Stb. 1836 n0. 13, a. 2, 4; Stb. 1852 n». 90, a. 10.- Sr. 212, 215, 28 n0. 1—4, 44, 220, 222b, 232; Stb. 1854 nquot;. 75, a. 21.)

210. Hij die muntspecien in waarde vermindert, met het oogmerk om ze aldus in waarde verminderd uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan muntschennis, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (G. P. 132, 133; Stb. 1836 n«. 13, a. 3, 4.— Sr. 212, 215, 28 nquot;. 1—4, 44; Stb. 1854 n0. 75, a. 21.)

211. Hij die opzettelijk als ongeschonden muntspecien uitgeeft muntspecien waarvan de schennis hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als ongeschonden uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (G. P. 132, 133; Stb. 1835 n0. 13, a. 3, 4, —Sr. 212,215, 28 nquot;. 1—4, 44. — Stb. 1854 nu. 75, a. 21.)

212. Indien een der in de artikelen 201—211 omschreven misdrijven ten opzichte van buitenlandsche muntspecien of buitenlandsch muntpapier wordt gepleegd, wordt het maximum der gevangenisstraf met twee jaren verminderd. (C. P. 134; Stb. 1836 n0. i3, a. 5 — Sr. 44.)

213. Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of geschonden muntspecien of vaisch of vervalscht muntpapier weder uitgeeft nadat de valschheid, vervalsching of schennis hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 135, 139. — Sr. 233 )

214. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot liet plegen van een muntmisdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten

926

-ocr page 1043-

BOEK II, TITEL X EN Xf, ARTT. 208—218.

hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9amp; n». 3, 33, 223, 234).

215. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 208—211 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XI. (Sr. 4 nquot;. 2.)

Valschheid in zegels en merken.

216. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die van rijkswege uitgegeven zegels namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2\'\'. hij die, met gelijk oogmerk, zoodanige zegels vervaardigt door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (C. P. 140, 141; Stb. 1850 n0. 15, a. 9amp;; Stb. 1870 n®. 138, a. 5; Stb. 1880 n». 88, a. 22; Stb. 1882 n0. 93, a. 11. — Sr, 224, 28 n°. 1—4, 220, 222, 223.)

217. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

1°. hij die op gouden of zilveren werken valsche rijks-merken of door de wet vereischte meesterteekenen plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken of teekenen echt en onvervalscht waren;

2«. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde werken merken of teekenen plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

3°. hij die echte rijksmerken of door de wet vereischte meesterteekenen inzet, aanvoegt of overbrengt in, aan of op andere gouden of zilveren werken dan die waaraan zij oorspronkelijk zijn aangebracht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken of teekenen oorspronkelijk daarop waren geplaatst. (C. P. 140—143; Stb. 1852 n®. 178, a. 9b. 13d. — Sr. 224, 28 nquot;. 1—4, 219, 220; Inv. 7a.) \'

218. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

1°. hij die op voorwerpen aan ijk onderworpen valsche rijksmerken plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (Sr. 224, 28 n*. 1—4, 219—221; Stb. 1874 n». 143.)

927

-ocr page 1044-

WETBOEK VAN STKAFRECIIT.

A. Art. 39, lid c, der Wel van 20 Juli 1870 (Sib. uquot;. 131), tot regeling van het veeartsenijkundig staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 12 n0. 1 der Invoeringswet. Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar het namaken of het bedriegelijk gebruikmaken van de in deze wet vermelde ken- of merkteekenen.

219. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

1°. hij die andere dan de in de artikelen 217 en 218 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hunne verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valschelijk plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of hunne verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

Squot;. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hunne verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de .bedoelde merken daarvoor bestemd waren. (Sr. 224,28 n0.1—4, 217, 218, 220, 337; Stb. 1881 n». 76, a. 15 jquot; Jnv. 10 n». 43, 11.)

220. Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of wederrechtelijk vervaardigde zegels, teekenen of merken, of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, als waren die zegels, teekenen of merken echt en onvervalscht en niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden, wordt gestraft met dezelfde straffen als in de artikelen 216—219 zijn bepaald, naar de daar gemaakte onderscheidingen. (C. P. 140—143; Stb. 1850 n°. 15, a. 9amp;; Stb. 1870 iiü. 138, a. 5; Stb. 1880 n». 88, a. 22; Stb. 1882 n0. 93, a. 11; Stb. 1852 n0.178, a. 9amp;, 13tZ; Stb. 1880 n0. 85, a. 10, 11. —Sr. 224, 28 n0. 1—4, 209, 222amp;, 232; Stb. 1870 n0. 131, a.39cj0.Inv. 12 n®. 1.) {Verg. art. 218A.)

221. Hij die voorwerpen aan ijk onderworpen ontdoet van het daarop geplaatste afkeuringsmerk. met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij niet afgekeurd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk deze van het afkeuringsmerk ontdane voorwerpen gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of ten verkoop in voorraad heeft, als waren zij niet afgekeurd. (Stb. 1874 nó. 143, a. 20, 346. — Sr. 224, 28 n0.l—4, 222.)

222. Hij die van rijkswege uitgegeven zegels, welke reeds tot gebruik hebben gediend, ontdoet van het merk bestemd om ze voor verder gebruik ongeschikt te maken,

928

-ocr page 1045-

BOEK II, TITEL XI EN XII, ARTT. 219—226.

met het oogmerk om die zegels te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij nog niet gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Met dezelfde straften wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, als waren zij nog niet gebruikt. (Stb. 1855 n0. 6i, a. 3; Stb. 1870 n0. 138, a. 5; Stb. 1880 n». 88, a. 22; Stb. 1882 n0. 93, a. 11. — Sr. 224, 28 n». 1—4, 216, 221.)

223. Hij die stoften of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 216 omschreven misdrijf, wordt gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9b n». 3, 33, 214, 234.)

22é. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 216—222 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XII.

Valschheid in geschriften.

225. Hij die een geschrift waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen, valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valsche of vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan. (C. P. 150, 151, 407. — Sr. 285, 28 n0. 1—4, 44; B. 1902, 1904 v.; Rv. 176 v.; Sv. 273 v.)

226. De schuldige aan valschheid in geschrift wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren, indien zij gepleegd is:

\'1°. in authentieke akten; (B. 1905 v.)

2°. in schuldbrieven of certificaten van schuld van eenigen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling;

3°. in aandeelen of schuldbrieven of certificaten van aandeel of schuld van eenige vereeniging, stichting of vennootschap;

4°. in talons, dividend- of rentebewijzen behoorende tot een der onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;

5°. in voor omloop bestemd krediet- of handelspapier.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk ge-

929

59

-ocr page 1046-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

bruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan. (C. P. 139, 145—148; Stb. 1885 n0. 142, a. 16,— Sr. 235,28 n0.!—4, 4 n». 3, 44, 227, 232 v., 360.)

227. Hij die in eene authentieke akte eene valsche opgave doet opnemen aangaande een feit, van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om de akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijne opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan. (C. P. 146,148. — Sr. 235, 28 n0.1—4, 44; B. 13; K. 379 v.)

228. De geneeskundige die opzettelijk eene valsche schriftelijke verklaring afgeeft nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de verklaring wordt afgegeven met het oogmerk om iemand in een krankzinnigengesticht te doen opnemen of terughouden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden opgelegd. (Krankz. w., a. 7 v., 17, 21, 226, 24c, 29, 30c, 31c, zie chron. lijst.)

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzette.\'ijk van de valsche verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid. (C. P. 160. — Sr. 235, 28 nquot;. 1—4, 229.)

229. Hij die eene schriftelijke geneeskundige verklaring nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars te misleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijk oogmerk, van de valsche of vervalschte verklaring gebruik maakt als ware zij echt en onvervalscht. (G. P. 159.— Sr. 235, 28 n0. 1—4.)

230. Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of andere omstandigheden valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken tot het verkrijgen van eene indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht getuigschrift als ware het echt en onvervalscht. (C. P. 161. — Rv. 858 v.)

231. Hij die een reispas, veiligheidskaart of reisorder valschelijk opmaakt of vervalscht, of die zoodanig stuk op ■een valschen naam of voornaam of met aanwijzing eener

930

-ocr page 1047-

BOEK 11, TITEf, XII, ARTT. 227—235.

valsche hoedanigheid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware het echt en onvervalscht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of ver-valscht stuk als ware het echt en onvervalscht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, (C. P. 153—158.)

232. Hij die biljetten eener krachtens de wet opgerichte Nederlandsche circulatiebank, waarvan de valschheid of ver-valsching hem toen hij ze ontving bekend was, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren. (C. P. 139. — Sr. 235, 28 n0. 1—4,209,226a n». 5; Stb. 1863 n». 148; Stb. 1888 n°. 122.)

233. Hij die opzettelijk valsche of vervalschte biljetten eener krachtens de wet opgerichte Nederlandsche circulatiebank weder uitgeeft nadat de valschheid of vervalsching hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 139. — Sr. 213; Stb. 1863 n0. 148; Stb. 1888 n», 122.)

234. Hij die stoffen of werktuigen voerhanden heeft waarvan hij weet, dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in art. 226 nquot;. 2—5 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stollen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9b n0. 3, 33, 214, 223.)

235. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 225—229 en 232 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

A. Art. 149 der Kieswet. Hij, die in de aangiften bij art. 13 bedoeld, opzettelijk eene valsche opgaaf doet aangaande een feit, waarvan de plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar.

Art. 150. Hij, die bij het onderzoek in art. 25 en 26 bedoeld, opzettelijk eene valsche opgaaf doet aangaande een feit, waarvan de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon, dien het onderzoek geldt afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Art. 151. Hij, die eene opgave, als bedoeld in art. 51 inlevert, wetende dat zij voorzien is van handteekeningen van personen, die niet bevoegd zijn tot deelneming aan de verkiezing, waarvoor de inlevering geschiedt, terwijl

• zonder die handteekeningen geen voldoend aantal voor eene wettige opgave zou overblijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of eene

931

-ocr page 1048-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

Met gelijke straf wordt gestraft hij, die wetende dat hij niet bevoegd is tot deelneming aan de verkiezing, eene voor die verkiezing ter inlevering bestemde opgave, als bedoeld bij art. 51, heeft onderteekend.

Art. 157. De in artt. 149, 150 en 151 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven beschouwd.

Art. 158. Bij veroordeelingr wegens een der in de artt. 149 en 150 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28 n0. 3 van het Strafwetboek vermelde rechten worden uitgesproken.

B. Art. 39 der Wet op de Kamers van arbeid. Hij die opzettelijk, hetzij ter staving zijner verkiesbaarheid tot lid der Kamer, hetzij ter verkrijging van het kiesrecht voor de Kamer, eene valsche opgave doet omtrent een feit, waarvan zijne verkiesbaarheid of zijne plaatsing op de kiezerslijst afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Art. 40. Hij die opzettelijk in de opgaven en inlichtingen, voor de beoordeeling van eens anders verkiesbaarheid of voor het opmaken of het vaststellen der kiezerslijsten of voor de beslissing van geschillen over de plaatsing op de kiezerslijsten krachtens wettelijk voorschrift van hem gevorderd, eene valsche opgave doet of eene valsche inlichting verschaft omtrent een feit, waarvan de verkiesbaarheid of de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon wien het onderzoek geldt afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Art. 43. Als misdrijven worden beschouwd de in de artt. 39 en 40____strafbaar gestelde feiten.

Art. 44. Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 39 en 40 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28, 3°., van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XIII.

Misdrijven tegen den burgerlijken staat.

236. Hij die door eenige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt, als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Ontzetting van de in art. 28 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 345a. — Sr. 30 n®. 2, 28 n0. 5, 151; B. 805 v., 323.)

237. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft:

1°. hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat;

2°. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat.

Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de wederpartij zijn gehuwden staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

932

-ocr page 1049-

BOEK II, TITEL XII, XHI EN XIV, ARTT \'236—241. 933

Ontzetting van de in art. 28 nü. i—5 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 340a. — Sr. 5 n0.1,379a; B. 84, 115, 126 nu. 4, 254.)

238. De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de wederpartij verzwijgende dat daartegen eenig wettig beletsel bestaat, wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (B. 85 v., 140 v.; Sr. 379b.)

TITEL XIV.

Misdrijven tegen de zeden.

239. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. openbare schennis van de eerbaarheid;

2°. schennis van de eerbaarheid waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is. (G. P. 330. — Sr. 251a, 28 n0.1—5.)

240. Hij die eenige voor de eerbaarheid aanstootelijke afbeelding of vliegend blaadje waarvan hij den inhoud kent, verspreidt, openlijk ten toon stelt, aanslaat, of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden a), kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (C. P. 287 v. — Sr. 28 n0. 6, 113, 119, 132, 261b, 271, 418—420.)

241. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft:

1°. de gehuwde die overspel pleegt;

2°. de ongehuwde die het feit medepleegt, wetende dat de medeschuldige gehuwd is.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den beleedigden echtgenoot, b) binnen den tijd van drie maanden gevolgd door een eisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed op grond van hetzelfde feit.

Ten aanzien van deze klachte zijn de artikelen 64, 65 en 67 niet van toepassing.

De klachte kan worden ingetrokken zoolang het onderzoek ter terechtzitting niet is aangevangen.

Aan de klachte wordt geen gevolg gegeven, zoolang niet het huwelijk door echtscheiding is ontbonden of het vonnis, waarbij scheiding van tafel en bed is uitgesproken, onherroepelijk is geworden, b) (G. P. 336—339; Sv. (oud) 22b.—

a) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 1886 (Stb. no. 6), Oorspronkelijk werd gelezen: „sedert hij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld.quot;

h) Art. 2» is gewijzigd bij art. i van de Wet van 15 Januari 1886 (Stb. no. 6). Oorspronkelijk ontbrak het slot van lid bt „binnen den tijd van drie maanden enz.quot;, alsmede het laatste lid.

-ocr page 1050-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Sr. 251a, 28 n0. 1—5; Sv. 6; B. 264 nquot;. 1,271,276,288a, 300, 303.)

242. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vrouw dwingt met hem buiten echt vleeschelijke gemeenschap te hebben, wordt, als schuldig aan verkrachting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (G. P. 331.— Sr. 251a, 28 n0. 1—5, 81, 248amp;.)

243. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 251a, 28 n0.1—5,248.)

244. Hij die vleeschelijke gemeenschap heeft met een meisje beneden den leeftijd van twaalf jaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 251a, 28 n0. 1—5, 248b.)

245. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Vervolging heeft, buiten de gevallen van artikel 243, niet plaats dan op klachte. (Sr. 251a, 28 n0. 1—5, 248.)

246. Hij die door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (C. P. 331. — Sr. 251a, 28 n0. 1—5, 81, 248.)

247- Hij die met iemand van wien hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert of met iemand beneden den leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelden tot het plegen of dulden van zoodanige handelingen of, buiten echt, van vleeschelijke gemeenschap met een derde verleidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 251a, 28 n0. 1—5, 248.)

248- Indien een der in de artikelen 243 en 245—247 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd. (Sr. 82.)

Indien een der in de artikelen 242—247 omschreven misdrijven den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd. (Sr. 251a, 28 n0.1—5.)

249. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jarer. wordt gestraft ontucht gepleegd:

1°. door ouders, voogden, toeziende voogden, godsdienstleeraars of onderwijzers met aan hunne zorg of opleiding toevertrouwde minderjarigen;

2°. door bestuurders of opzichters in werkinrichtingen, werkplaatsen of fabrieken met hunne minderjarige bedienden of ondergeschikten;

3°. door ambtenaren met personen die aan hun gezag zijn onderworpen of aan hunne waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;

4°. door bestuurders, geneeskundigen, onderwijzers, beambten, opzichters of bedienden in gevangenissen,

934

-ocr page 1051-

BOEK If, TITEL XIV, ARTT. 242—252. 935

rijkswerkinrichtingen, a) huizen van verbetering, opvoedingsgestichten, weeshuizen, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten of instellingen van weldadigheid, met personen daarin opgenomen. (C. P. 333. — Sr. 251, 28 n1. 1—6.)

250. Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, ieder ander die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt. (C. P. \'334. — Sr. 251, 28 n». 1—6.)

251. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241 —250 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken.

Indien de schuldige aan een der misdrijven in de beide vorige artikelen omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (C. P. 335. — Sr. 28 n0. 6.)

252. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die aan iemand die in kenlijken staat van dronkenschap verkeert, bedwelmenden drank verkoopt of b) toedient;

2°. hij ,die een kind beneden den leeftijd van zestien jaren b) dronken maakt;

3°. hij die iemand door geweld of bedreiging met geweld dwingt tot bet gebruik van bedwelmenden drank.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet, (Drankw., a. 19, 20. — Sr. 30, 28, n0. 4—6, 453, 454.)

1

De woorden „verkoopt ofquot; zijn eerst bij art. S der Wet van 15 .Tannari 188fi (Stb. no. (!) toegevoegd, terwijl tevens in no. 2 het woord „opzettelijkquot; achter het woord Jarenquot; voorkomende, is verklaard vervallen.

-ocr page 1052-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

253. Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind be naden den leeftijd van twaalf jaren aan een ander afstaat of overlaat, wetende dat het tot of bij het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke kunstverrichtingen of van gevaarlijken of de gezondheid ondemijnenden arbeid zal worden gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 30, 28 n0. 4 en 5; Arbeidsw.)

254. Mishandeling van een dier wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

Indien het misdrijf in het openbaar gepleegd wordt, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden opgelegd.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kunnen de straften met een derde worden verhoogd.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. (Stb. 1875 n0.110, a. 7a. — Sr. 45, 350, 455.)

TITEL XV.

Verlating van hulpbehoevenden.

255. Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloozen toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. (Sr. 2G0, 30, 28 n0. 4 en 5.)

256. Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven Jaren te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (C. P. 349, 350, 352, 353. — Sr. 258-260, 30, 28 n0. 4 en 5.)

257. Indien een der in de artikelen 255 en 256 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden. (Sr. 82.)

Indien een dezer feilen den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 351. — Sr. 258—260, 30, 28 n0. 4 en 5.)

258. Indien de schuldige aan het in art. 256 omschreven misdrijf de vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 256 en 257 bepaalde straften met een derde worden verhoogd. (Sr. 259, 260 30, 28 n0. 4 en 5.)

259. Indien de moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der in de artikelen 256 en 257 vermelde straffen tot de helft verminderd. (Sr. 258, 260, 30, 28 n0. 4 en 5, 290. 291.)

a) Gewijzigd bij art. I van de Wet van 15 Januari 1880 (Stb. no. (»). Oorspronkelijk werd gelezen: „sectert liij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld.quot;

93G

-ocr page 1053-

BOEK II, TITEL XIV, XV EN XVI, ARTT. \'253—266. 937

260. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 255—259 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 30.)

TITEL XVI.

Beleediging.

261. Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. (C. P. 367 v.; Stb. 1829 n0. 34, a. 2. — Sr. 111, 112, 117, 118, 262,266,267,269.)

262. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt ingeval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en de telastlegging tegen beter weten is geschied, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren.

Ontzetting van de in artikel 28 n0.1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 367 v. — Sr. 263—265: Sv. 392 v.)

263. Het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit wordt alleen toegelaten in de volgende gevallen:

1°. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeeling van de bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft; (Sr. 261c.)

2°. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan in de uitoefening zijner bediening wordt te laste gelegd. (Sr. 84.)

264. Het in artikel 263 bedoeld bewijs is niet toegelaten, indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte kan worden vervolgd en geene klachte is gedaan.

265. Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is veroordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als volkomen bewijs der onwaarheid van het feit aangemerkt.

Indien tegen den beleedigde wegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te laste gelegde feit is beslist. (G. P. 872. — B. 1955 v.; Sv. 152c.)

266. Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het

-ocr page 1054-

WETBOEK VAN STRAERECIIT.

openbaar mondeling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 375, 376, 471 n0. 11. — Sr. 111, 112, 117, 118, 261, 267, 269.)

267. Be in de voorgaande artikelen van dezen titel bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de beleediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening. (C. P. 222—227. — Sr. 84, 261, 262, 266, 269.)

268- Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid eene valsche klachte of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van dien persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (C. P. 373. — Sv. 12—14; Sr. 188, 261.)

269. Beleediging, strafbaar krachtens dezen titel, wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, behalve in het geval van artikel 267. (Sv. (oud) 226. — Sr. 271c.)

270. Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt dat, ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte hetzij van een der bloedverwanten of aangehuwden van den overledene in de rechte linie of zijlinie tot den tweeden graad, hetzij van zijn echtgenoot. (Sr. 261, 269.)

271. Hij die een geschrift of afbeelding van beleedigenden of voor een overledene smadelijken inhoud, met het oogmerk om aan den beleedigenden of smadelijken inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

938

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in artikel 269 en het tweede lid van artikel 270 aangewezen personen. (C, P. 369. — Sr. 28 n0. 6, 113,119,261, 266, 270, 418—420.)

a) Gewijzigd bij art. 1 van de Wet van l\'i Januari 1880 (Stb. no. (i). Oorspronkelijk werd gelezen: „sedert hij wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld.quot;

-ocr page 1055-

BOEK U, TITEL XVI EN XVII, ARTT. 267—273.

TITEL XVII.

Schending van geheimen.

272. Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig letzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte. (G. P. 378; Stb. 1852 n0. 48, a. 10; Hinderw., a. 23 (oud) — Sv. Wh, 66, 163; Sr. 98, 273; R. O. 28; Prov. Instr. H. Mil. Ger. 22, 90, 106, 132: Regtspl. bij de Zeemagt, 87, 130, 250, 261, 264; Regtspl. bij de Landmagt, 108, 144, 315, 331, 396; W. not. ambt., a. 18, 42; W. R. v. St., a. 19, 44; Stb. 1878 n0. 222, a. 21; Hinderw., a. \\9d; Stb. 1896 n«. 29, a. 24; Stb. 1875 n0. 240, a. 2; Sr. 378.)

273. Hij die opzettelijk aangaande eene onderneming van handel of nijverheid bij welke hij werkzaam is of geweest is, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van het bestuur der onderneming. (C. P. 418. — Sr. 272.)

A. Art. 20 der Arbeidswet.

De bij art. 18 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen dezer of eener andere wet.

Hij die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft mot hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.

Art. 21. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van art. 20, die als misdrijven worden beschouwd.

939

B. Art. 3d—h der Wet ua/z 19/anwari 1890 (Sb. nó. 1), houdende voorbereidende maatregelen tot het verkrijgen van 7ioodige kennis van feiten en toestanden ter beoordeeling in hoeverre aanvulling van de sociale wetgeving vereischt wordt, a)

a) Ingevolge art. 26a dezer Wet, gewijzigd bij Stb. 1891 no. 213, blijft deze gehcele wet slechts van kracht tot 1 October 1892. Toch

-ocr page 1056-

940 WETBOEK V/VN STRAFRECHT.

De leden der Staatscommissie zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in fabrieken en werkplaatsen omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover hun door het hoofd of den bestuurder van het bedrijf geheimhouding is verzocht.

Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf.

De hier strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven.

C. Art.. 47 der Wet op de Vermogensbelasting. Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.

Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

D. Art. 47 § 2 der Wet op de Bedrijf belasting. Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geene vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

worJt ze hier vermeld, daar de vraag zou kunnen rijzen, in hoeverre eon voortdurende plicht tot geheimhouding is ontstaan, die wel twijfelachtig is, maar toch zeker wenschelijk ware.

-ocr page 1057-

BOEK II, TITEL XVII, ART. 273.

Art. 48. De feiten straf baar volgens art. 47 § 1 en § 2 dezer wet worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van art. 57 en 58 van het Wetboek van Strafrecht, in de plaats waarvan wordt toegepast art. 62 1ste en 2de lid van dat Wetboek.

E. Art. 23 der Veiligheidswet. De in artikel 21 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens artikel 22 binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet.

Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming.

Art. 24. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van artikel 23, die als misdrijven worden beschouwd.

F. Art. 32 der Stoomwet. De in artikel 7 bedoelde ambtenaren en leden der commissie zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens deze wet binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet.

Hij, die opzettelijk de bij het vorige lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van hem, die het bestuur uitoefent of het hoofd is van het bedrijf of de onderneming.

Art. 33. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van artikel 32, die als misdrijven worden beschouwd.

G. Art. 23 der Hinderwet. Hij, die opzettelijk de in het slot van artikel 19 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd

941

-ocr page 1058-

942 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

gulden, met of zonder ontzetting van het recht ok ambten of bepaalde ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheim\' houding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van den concessionaris.

De bij dit artikel strafbaar gestelden feiten worden beschouwd als misdrijven.

TITEL XVIII.

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

(Sr. 82, 108, 1\'15.)

274. Hij die voor eigen of vreemde rekening slaven handel drijft of opzettelijk daaraan middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestaft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf iaren. (Stb. 1818 nquot;. 39, a. 1; Stb. 1824 nquot;. 75 a. 1. —Sr. 286, 28 n». 1—4; Stb. 1848 n0. 79.)

275. Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, of het daartoe gebruikende, wordt ge straft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het vervoer den dood van een of meer slaven ten gevolge heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (Stb. 1818 n0. 39, a. 2; Stb 1824 n0. 75, a. 1. — Sr. 286, 28 n0. 1—4, 85a, 38Ianquot;. 1,382.)

276. Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dit gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Stb. 1818 nquot;. 39, a. 2 en 3; Stb. 1824 n0. 75, a. 1 en 2. — Sr. 286, 28 no. \\—4) 85c, 381a n0. 2; K. 440 j0. Stb. 1884 n0. 95, a. 2.)

277. Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Stb. 1818 n0. 39, a 1 en 4; Stb. 1824 n0. 75, a. 1 en 2. — Sr. 286,28 n0.1—4, 383, 384; K. 453 v., 592 v.)

278. Hij die iemand over de grenzen van het rijk in Europa voert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen of om hem in hulpeloozen toestand te verplaatsen, wordt, als schuldig aan menschenroof, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 286, 28 n0. 1—4, 30 n0. 2, 44, 136, 282.)

279. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene \'die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt opgelegd, indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

(G. 1 280, 28 is of gezai over amb met min( geni 30 i 21

-ocr page 1059-

BOEK II, TITEL XVIIf, ARTT. 274—283.

(C. P. 354, 355. — Sr. 286, 28 n». 1—4, 30 n4. 2, 81, 280, 281; B. 354, 385, 421, 441.)

280. Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 286, 28 n0.l—4, 30 n0. 2, 48 nquot;. 2, 279, 281, 282d; B. 354, 385,421,441.)

281. Als schuldig aan schaking wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hij die eene minderjarige vrouw, zonder den wil van hare ouders of voogden, doch met hare toestemming wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren; (B. 354, 385,421,441.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die eene vrouw door list, geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren. (C. P. 355, 356. — Sr. 286, 28 n°. 1—4, 81, 279, 280.)

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte.

De klachte geschiedt:

a. indien de vrouw tijdens de wegvoering minderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door iemand wiens toestemming zij tot het aangaan van een huwelijk behoeft; (B. 92 - 98; Sr. 64.)

h. indien zij tijdens de wegvoering meerderjarig is hetzij door haar zelve, hetzij door haren echtgenoot.

Indien de schaker met de weggevoerde een huwelijk heeft gesloten, heeft geene veroordeeling plaats, dan nadat de nietigheid vau het huwelijk is uitgesproken. (C. P. 357. — B. 146; Sv. 6, 152c, 153.)

282. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit don dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrij-heidsrooving eene plaats verschaft. (C. P. 114,341—344.— Sr. 286, 28 n0. 1—4, 30 n«. 2, 44,\'48 n0. 2, 278; G. 157; Rv. 605; Sv. 386.)

283. Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met hechtenis van ten hoogste negen maanden. (Sr. 82.)

943

-ocr page 1060-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Indien het feit den dood ten gevolge heelt, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar. (Krankz.w., a. 36 n0. 4. — Sr. 30 n0. 2, 136, 368; Sv. 10, 31, 36, 37, 386, 387, 389, 390.)

284. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die een ander door geweld of bedreiging met geweld wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden; (Sr. 81, 44, 95, 121—125, 138c, 139c, 143, 145, 179—183, 242, 246, 252 n». 3, 281 n0. 2, 285, 312, 317, 358, 365, 381 v., 395 v.) hij die een ander door bedreiging met smaad of smaadschrift dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden. (Sr. 153, 261, 318.)

het geval onder 2°. omschreven, wordt het misdrijf niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is. (C. P. 412; Stb. 1872 n0. 24. — Sr. 30 n0. 2.)

285. Bedreiging met openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, met eenig misdrijf waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met eenig misdryf tegen het leven gericht, met zware mishandeling of met, brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 141, 157 v., 242, 264, 284, 287 v., 302 v., 350 v.)

Indien deze bedreiging schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt zij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (C. P. 305 v., 436; Stb. 1872 nquot;. 24. — Sr. 286, 28 n0. 1—4, 30 n». 2.)

286. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 274—282 en in het tweede lid van art. 285 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in art. 28 n®. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XIX.

Misdrijven tegen het leven gericht.

287. Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (C. P. 295, 299—302. — Sr. 299, 28 nquot;. 1-5, 30 n°. 2. — Sr. 92, 108, 115, 154, 155, 285, 288 v.)

288. Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (C. P. 304; Stb. 1854 n®. 102, a. 13 n». 3. — Sr. 299, 28 nM-5,30 n«. 2, 287; Sv. 39, 40 v.)

289. Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een

944

In

-ocr page 1061-

BOEK n, TITEL XVIll EN XIX, A.HTT. 284 298. 945

ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (C. P. 296—298, 301, 302. — Sr. 299, 28 n0. 1—5, 30 nu. 2, 92, 108, 115, 154, 155, 285, 287, 291 v., 30 J, 303.)

290. De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Stb. 1854 u0.102, a. 13 n0. 4.— Sr. 30 n0. 2, 292, 259, 287, 291.)

291. De moeder die, ter uitvoering van een onder da werking van vrees voor de ontdekking van hare aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kindermoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Stb. 1854 n0. 102, a. 13n0.4. — Sr. 30n°.2, 292, 259, 289, 290.)

292. De in de artt. 290 en 291 omschreven misdrijven worden ten aanzien van anderen, die er aan deelnemen, als doodslag of als moord aangemerkt. (Sr. 47, 48, 50, 287, 289.)

293. Hij die een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 299, 28, n0. 1—5, 30 n0. 2.)

291. Hij die opzettelijk een ander tot zelfmoord aanzet, hem daarbij behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfmoord volgt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 30 n1. 2, 48.)

295. De vrouw die opzettelijk de afdrijving of den dood van hare vrucht veroorzaakt of door een ander laat veroorzaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 317Ö. — Sr. 30 n0. 2. 297, 298.)

296. Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw zonder hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (C. P. 317a. — Sr. 299,23 n0.1—5,30 n0. 2,298.)

297. Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw met hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 317a. — Sr. 299, 28 n°. 1—5, 30 n°.2,298.)

298. Indien een geneeskundige, vroedvrouw of artsenijbe-reider medeplichtig is aan het misdrijf in artikel 295, of schuldig of medeplichtig aan een der misdrijven in de artikelen 296 en 297 omschreven, kunnen do in die artikelen bepaalde straffen met een derde worden verhoogd, en kan hij van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaat worden ontzet. (G. P. 317c. — Sr. 299, 28 n0. 1—6,c50no.2, 47, 48; Besl. 6 December 1815 (Dijv. Stb. VII 1616))

60

-ocr page 1062-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

299. Bij veroordeeling wegens doodslag, wegens moord of wegens een der in de artikelen 293, 296 en 297 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 287—289.)

TITEL XX.

Mishandeling. (Sr. 109, 110, 116.)

300. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeeling der gezondheid.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. (G. P. 309, 311 a.— Sr. 30 n0. 2, 304, 45 i54e, 254, 301 v.)

301. Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wcrdt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 310, 3116. — Sr. 304, 305, 28 n». 1—4, 30 n». 2, 289, 303 v.)

302. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. (C. P. 309, 311, 316. — Sr. 30 n0. 2, 82, 304.)

303 Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (C. P. 310, 3116, 31ü. — Sr. 304, 305, 28 n°. 1—4, 30 n0. 2, 289, 301.)

304. De in de artikelen 300—303 bepaalde straffen kunnen mei een derde worden verhoogd;

1°. ten aanzien van den schuldige die het misdrijf begaat tegen zijne moeder, zijn wettigen vader, iijn echtgenoot of zijn kind; (G. P. 312. — Sr. 258.)

2°. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening; (G. P. 228—233. — Sr. 84, 179 v., 267.)

3°. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen. (Sr. 305, 28 n0. 1—4, 30 n0. 2.)

305. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 301 en 303 omschreven misdrijven kan ontzetting van de

946

-ocr page 1063-

BOEK II, TITEL XIX, XX, XXI EN XXII, ARTT. 299—3 H. 947

in artikel 28 n0.1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

306. Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten, gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de aanval of vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; (Sr. 82.)

2C\'. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien de aanval of vechterij iemands dood ten gevolge heeft.

TITEL XXI.

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld.

307. Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden. (C. P. 319. — Sr. 136b.)

308. Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zoodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden. (C. P. 320. — Sr. 82, 84.)

309. Indien de in dezen titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de uitoefening van eenig ambt of beroep, kan de straf met een dorde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van liet beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten. (Sr. 28 nquot;. 6, 36, 84.)

TITEL XXII.

Diefstal en strooperij.

310. Hij die eenig goed dat geheel of ten deele aaneen ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van tan hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (C. P. 379, 409. — Sr. 313, 28 n0. 1—4.)

311. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft;

1°. diefstal van vee uit de weide; (G. P. 388.)

2°. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorlogsnood;

3°. diefstal gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd, in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen den wil van den rechthebbende bevindt; (C. P. 386 n». 1. —Sr. 138, 139, 312 nquot;. 1.)

4°. diefstal door twee of meer vereenigde personen; (Sr. 312 n». 2.)

5°. diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

-ocr page 1064-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum. (C. P. 384; Stb. 1854 n°. 102, a. 14 n». 4. — Sr. 89, 90, 312 n0.3.)

Indien de in n0. 3 omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in n0. 4 en 5 vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren opgelegd. (C. P. 385,386 n0. 1; Stb. 1854 n0.102, a. 14 n0.5. — Sr. 313,28 n0.1—4.)

312. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om dien diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het ge-stolene te verzekeren. (C. P. 3826, 385.)

Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt opgelegd:

1°. indien het feit wordt gepleegd hetzij gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat; hetzij op den openbaren weg; hetzij in een spoortrein die in beweging is; (C. P. 383. — Sr.311 n0. 3.)

2°. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer vereenigde personen;

3Ü. indien de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum; (C. P. 384. — Sr. 89,90,311 n0.5.)

4Ö. indien het feit zwaar lichamelijk letsel tengevolge heeft. (Sr. 82.)

Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd, indien het feit den dood ten gevolge heeft. (Sr. 313, 28 n». 1—4, 81.)

313. Bij veroordeeling wegens diefstal lean ontzetting van de in artikel 28 n0.1—4 vermelde rechten worden uil gesproken.

314. Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen personen, geheel of ten deele aan een ander toebehoorende klei, bagger, ongesneden veen, zand, aarde, grind, puin, mest-specien, zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, bieze i, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak-of sprokkelhout, ongaplukte of afgevallen boomvruchten of bladeren, te veld staand gras of te veld staande of na den oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan st roperij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogte twee maanden.

a) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van )5 Januari 188(i (Stb. no. CO. Oorsponkelijk werd gelezen: „Sedert de schuldige wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeld.quot;

948

-ocr page 1065-

BOEK II, TIT KL XXII, XXIII EN XXIV, ARTT. 31 2—321. 949

315. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden a) wordt gestraft:

1°. strooperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens, trek- of lastdieren;

2°. strooperij gepleegd onder eene of meer der in artikel 311 n®. 2—5 vermelde omstandigheden.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

316. Indien de dader van of medeplichtige aan een der ia dezen titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen dien dader of dien medeplichtige uitgesloten.

Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in den tweeden graad dor zijlinie, heeft de vervolging, voor zoover hem betreft, alleen plaats op eene tegen hem gerichte klachte van dengene tegen wien het misdrijf is gepleegd. (C. P. 880a. — Sr. 47,48,319, 324,338, 348?gt;, 353.)

TITEL XXIII.

Afpersing en afdreiging.

317. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het teniet doen van esne inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

De bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 312 zijn op dat misdrijf van toepassing. (C. P. 400. — Sr. 320, 28 n». 1—4, 81, 284 n0. 1.)

318. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is. (C. P. 400. — Sr. 320, 28 n0.1—4, 284 n0. 2.)

319. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

320. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. quot;1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

T I T E L X X IV.

Verduistering.

321. Ilij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten

a) De woorden „of geldboete van ten hoogste zestig guldenquot; zijn bijgevoegd bij art. 5 der Wet van 15 Januari 1886 (Stb. no. fi).

-ocr page 1066-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

deele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aau verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (C. P. 408. — Sr. 325, 28 n0.1 — 4 en 6, 36.)

322. Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (C. P. 386 n0. 4, 387, 408. — Sr. 325, 28 n». 1—4 en 6, 36.)

328. Verduistering gepleegd door hem vvien het goed uit noodzaak in bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen of beheerders van instellingen van weldadigheid of van stichtingen, ten opzichte van eenig goed dat zij als zoodanig onder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren. (C. P. 408. — Sr. 325, 28 n0.1—4 en 6, 36, 359, 3736; B. 1740, 1746.)

324. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

325. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel 28 nquot;. 1—4 vermelde rechten.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 28 n0. G.)

TITEL XXV.

Bcdrnrf.

326. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valschen naam of van eene valsche hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 405. — Sr. 339, 28 n«. 1-4 en 6, 36.)

327. Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze eene overeenkomst sluit die bij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 339«, 28 n0. 6, 36; K. 251, 253,269 v., 282.)

328. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadeele van den verzekeraar of van den wettigen houder van een bodemerijbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen, brand sticht of eene ontploffing teweegbrengt in eenig tegen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig dat verzekerd is of waarvan de lading of de te verdienen vrachtpenningen zijn verzekerd, of waarop bodemerijpenningen zijn geschoten, doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste

950

-ocr page 1067-

BOEK II, TITEL XXIV EN XXV, ARTT. 322—335. 951

vier jaren. (G. P. 434, 435; Stb. 1854 n0. 102, a. 13 n0.5; Stb. 1872 ntt. 32, a. 2. — Sr. 339, 28 n0. 1—4 en 6, 36, 157 v., 352; K. 246 v., 276, 287 v., 290—292, 569, 592 v.)

329. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft de verkooper die den kooper bedriegt:

1°. door hem die een bepaald aangewezen voorwerp kocht, opzettelijk iels anders daarvoor in de plaats te leveren;

2°. ten opzichte van den aard, do hoedanigheid of de hoeveelheid van het geleverde, door het aanwenden van listige kunstgrepen. (C. P. 423. — Sr. 339a, 28 n». 6, 36)

330. Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat zij vervalscht zijn en die vervalsching verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisslraf van ten hoogste drie jaren.

Eet- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht wanneer door bijmenging van vreemde bestanddeelen hunne waarde of hunne bruikbaarheid verminderd is. (C. P. 475 n0. 6. — Sr. 339a, 28 n0. 6, 36. — Sr. 442S.)

331. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft de aannemer of de bouwmeester van eenig werk of de verkooper van bouwmaterialen, die bij de uitvoering van het werk of de levering der materialen eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van personen of goederen, of de veiligheid van den slaat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht,

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over het werk of over de levering der materialen belast, de bedrieglijke handeling opzetteliik toelaat. (Sr. 339, 28 n». 1—4 en 6, 36, 163, 171.)

332. Ilij die, bij levering van benoodigdheden ten dienste van de vloot of het leger, eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van den staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat. (C. P. 430—433. — Sr. 339, 28 n0. 1—4 en 6, 36, 44, 105.)

333. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetgeen tot afbakening der grenzen van erven dient vernielt, verplaatst, verwijdert of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (C. P. 456 —Sr. 339a, 28 nü. 6, 36.)

334. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door het verspreiden van een logenachtig bericht, den prijs van koopwaren, fondsen of geldswaardig papier doet stijgen of dalen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (C P. 419,420.— Sr. 339a, 28 n». 6, 36.)

835. Hij die, zich belastende met of zijne medewerking ver-leenende tot het plaatsen van schuldbrieven van eenigen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling, of van aan-deelen in of schuldbrieven van eenige vereeniging, stichting

-ocr page 1068-

952 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

of vennootschap, het publiek tot inschrijving of deelneming tracht te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware of voorspiegelen van valsche feiten of omstandigheden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 339a, 28 n#. 6, 36.)

336. De koopman, de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die opzettelijk eenen onwaren staat of balans openbaarmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 339a, 28 n0. 6, 36; K. 2, 8, 86 v.; F. 214; W. coöp. ver , ziechron. lijst.)

337. Hij die opzettelijk waren, welke zelve of op hare verpakking valschelijk voorzien zijn van den naam, de firma of het merk waarop een ander recht heeft, of, ter aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichten naam of firma, a) of op welke of op wier verpakking zoodanige naam, firma of merk, zij het ook met eene geringe afwijking, zijn a) nagebootst, binnen het rijk in Europa invoert zonder klaarblijkelijke bestemming om weder te worden uitgevoerd, a) verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijfjaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, a) kan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden worden opgelegd. (Stb. 1880 n0. 85, a. 10,11; Stb. 4885 n0.140, a. 4. — Sr. 339a, 28 n0. 6, 30; Merkenw.; Stb. 1884 n0. 53.)

338- De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

339. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft. (Sr. 28 n0. 6, 36.)

Bij veroordeeling wegens een der in deartikelen 326,328, 331 en 332 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

A. Art. 150 der Kieswet. Hij, die bij het onderzoek in art. 25 en 26 bedoeld, opzettelijk eene valsche opgaaf doet aangaande een feit, waarvan de plaatsing op de kiezerslijst van den persoon, dien het onderzoek geldt, afhankelijk kan zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Art. 157. De in de artt.... 150.... bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven____beschouwd.

a) Gewijzigd bij art. G der Wet van 15 Januari ISSO (Stb. no. (5). Oorspronkelijk ontbraken in liet eerste lid de woorden: „of, ter aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichten naam of firmaquot;, alsmede de woorden: „binnen het rijk in Europa invoert zonder klaarblijkelijke bestemming om weder te worden uitgevoerdquot;, terwijl in plaats van het woord „zijnquot; werd gelezen „isquot;, en in het tweede lid werd gelezen: „sedert de schuldige wegens hetzelfde misdrijf onherroepelijk is veroordeeldquot;.

-ocr page 1069-

BOEK U, TITEL XXV EN XXVI, ARTT. 336—342. 953

TITEL XXV [.

Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden.

340. Do koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

1°. indien zijne verteringen buitensporig zijn geweest; indien hij, met het oogmerk om zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen heeft gedaan;

indien hij de boeken die hij gehouden heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt. (C. P. 402,404; Stb. 1837 n». 21, a. 2-4; K. (oud) 364; Rv. (oud) 707, 709 v. — Sr. 3496, 30, 342; K. G v.; F. 1, 42 v.)

341. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan bedriegelijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers:

1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt; eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. (C. P. 402, 404; Stb. 1837 n®.21,a. 5—8; K. (oud) 704; Rv. (oud) 707, 709 v. — Sr. 349, 28 n». 1—4, 36, 343; K. 6 v.; F. 1,20,23,42—48,92.)

342. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

1°. indien hij heeft medegewei kt of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, waaraan de door de vennootschap of vereeniging geleden verliezen geheel of grootendeels zijn te wijten;

2°. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennootschap of vereeniging uit te stelleri. wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden; indien het aan hem te wijten is dat niet geregeld is boek gehouden, of dat de boeken die gehouden zijn, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht. (Sr. 349t», 36, 340; K, 6 v, 36, 44 v.; F. 1 ; W. coöp. ver., zie chron. lijst.)

O o

3°.

2«.

3».

4°.

3».

-ocr page 1070-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

343. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers van de vennootschap of vereeniging;

1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

\'2°. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

3°. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren (Sr. 343, 28 n*. 1—4, 30, 341; K. 6 v. 36, 44 v., F. 1,20, 23, 42—48, 92; \\V. coüp. ver., zie chron. liist.)

Ui. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers;

1°. ingeval van gerechtelijken boedelafstand ot van faillis sement, of in het vooruitzicht van het een of het ander, indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd eenig goed aan den boedel onttrekt, of betaling aanneemt hetzij van eene niet opeischbare schuld hetzij van eene opeischbare schuld, in het laa.ste geval wetende dat het faillissement van den schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met den schuldenaar;

2°. bij verificatie derschuldvorderingeningevalvangerech-telijken boedelafstand of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden. (C. P. 403; Stb. 1837 n0. 21, a. 9; Rv. (oud) 707,709 v.— Sr. 349,28 n0.l—4 36, 341 nu. 1, 343 n». 1; F. 1, 20, 23, 42—48.)

Aldus gewijzigd hij art. 0 der Wel ter invoering van de Faillissementswet. a)

345. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeelen heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast cp den schul-

a) Oorspronkelijk werd no. 1 van art. SU gelezen: „ingeval van gereehtelijken boedelafstand van een koopman of van faillissement, of in het vooruitzicht van het een of het ander, eenig goed aan den hoedel onttrekt, in het laatste geval indien he; faillissement of do boedelafstand is gevolgd;quot;

In no. 2 volgden op het woord: „boedelafstandquot; neg de woorden „van een koopman.quot;

954

-ocr page 1071-

BOEK II, TITEL XXVI, ARTT. 343—3496i9.

denaar of op den bestuurder of commissaris der gefailleerde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, die zoodanige overeenkomst sluit. (Sr. 349, 36; F. 1, 2f, 138 v., quot;153 n®. 3.)

Aldus gewijzigd bij art. 6 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

346. Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, in staat van faillissement is verklaard, of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, hetzij ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, op een tijdstip dal hij wist dat liet een of het ander niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt. (Rv. (oud) 707, 709 v., 882; Sr. 349, 28 n0.1—4 36, 341; F. 4 v.)

Aldus gewijzigd hij art. 0 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. b.)

347- De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die, buiten het geval van artikel 342, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereeniging buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden. (Sr. 342 n0. 1 ; K. 45fgt;; W. coöp. ver., zie chron. lijst.)

348. Hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van den eigenaar eene hem niet toebehoorende zaak onttrekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vruchtgebruik of gebruik heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

De bepaling van artikel 316 is op dit misdrijf van toepassing.

349. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 841, 343, 344 en 346 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de in artikel 28 nquot;. 1—4 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 340—346 ornschrèven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. (Sr. 36.)

Si9bis. c) Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders

lt;/) Oorspronkelijk werden in het tweede lid van art. St.quot;, in plaats van de woorden: „vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting,quot; gelezen de woorden; „naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging.quot;

It) Oorpronkelijk luidde het begin van art. :U0; „Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten,quot; enz. en ontbraken de woorden : „ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, op een tijdstip dat hij wist dat het een of het ander nier, kon worden voorkomen.quot;

c) Vastgesteld bij art. 7 der Wet van 15 Januari 188G (Stb. no. 0).

955

-ocr page 1072-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

343. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers van de vennootschap of vereeniging:

1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

2°. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;

3°. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4°. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. (Sr. 343, 28 n\\ 1-4, 30, 341; K. 6 v. 36, 44 v., F. 1,20, 23, 42—48, 92; W. coöp. ver., zie chron. liist.)

344. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers:

1°. ingeval van gerechtelijken boedelafstand o:rvan faillissement, of in het vooruitzicht van het een o f het ander, indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd, eenig goed aan den boedel onttrekt, of beialing aanneemt hetzij van eene niet opeischbare schuld hetzij van eene opeischbare schuld, in het laatste geval wetende dat het faillissement van den schuldenaar reeds was aangevraagd of ten gevolge van overleg met den schuldenaar;

2°. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van gerechtelijken boedelafstand of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden. (C. P. 403; Stb. 1837 n0. 21, a. 9; Rv. (oud) 707,709 v.— Sr. 349, 28 n0.l—4, 36, 341 nquot;. 1, 343 n». 1; F. 1, 20, 23, 42—48.)

Aldus gewijzigd bij art. 0 der Wet ter invoering van de Faülissementswel. a)

345. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeelen heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schul-

«) Oorspronkelijk werd no. I van art. ;!U gelezen: „ingeval van gerechtelijken boedelatstand van een koopman of van faillissement, of in het vooruitzicht van het een of het ander, eenig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of do hoedelaf^tand is gevolgd

In no. 2 volgden op het woord: „boedolafstandquot; nog de woorden „van een koopman.quot;

954

-ocr page 1073-

BOEK II, TITEL XXVI, ARTT. 343—349öiS.

denaar of op denbestuurder of commissaris der gefailleerde vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, die zoodanige overeenkomst sluit. (Sr. 349, 36; F. i, 2f, 138 v., 153 n». 3.)

Aldus gewijzigd hij art. 6 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

346. Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, in staat van faillissement is verklaard, of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, heizij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, hetzij ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, op een tijdstip dat hij wist dat het een of het ander niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt. (Rv. (oud) 707, 709 v., 882; Sr. 349, 28 n0.1-4 3C, 341; F. 1 v.)

Aldus gewijzigd hij art. G der Wet ter invoering van de Faillissementswet. b.)

347. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die, buiten het geval van artikel 342, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereeniging buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden. (Sr. 342 n0. 1 ; K. 456; W. coöp. ver., zie chron. lijst.)

348- Hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van c|en eigenaar eene hem niet toebehoorende zaak onttrekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vruchtgebruik of gebruik heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

De bepaling van artikel 316 is op dit misdrijf van toepassing.

349. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 341, 343, 344 en 340 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de in artikel 28 nquot;. 1—4 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 340—346 omschrèven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. (Sr. 36.)

349bis. c) Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders

(/) Oorspronkelijk werden in liet tweede lid van art. SI;quot;, in plaats van de woorden: „vennootschap, maatschappij, vereeniging of .stichting,quot; gelezen de woorden; „naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging.quot;

h) Oorpronkelijk luidde het begin van art. 346: „Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten,quot; enz. en ontbraken de woorden: „ter gelegenheid van zijn kenlijk onvermogen, boedelafstand of faillissement, op een tijdstip dat hij wist dat het een of het ander niet kon worden voorkomen.quot;

c) Vastgesteld bij art. 7 der Wet van 15 Januari 188G (Stb, no. C).

955

-ocr page 1074-

956

auteursrecht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste twee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de don schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben worden verbeurdverklaard. (W. auteursr., a. 18. —W. auteursr., a. 1 v., 21, zie chron. lijst.)

SlO/er. a) Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren worden verbeurdverklaard. (W. auteursr , a.-19.)

34:9qtiater. a) De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. (W. auteursr., a. 20.)

TITEL XXVII.

Vernieling of beschadiging van goederen.

350. Hij die opzettelijk eu wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Gelijke straf wordt toegepast op hem die op2;ettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt. (C. P. 257, 443 v., 452 v., 479 n0. 1; Stb. 1872 n°. 24. — Sr. 354, 141, 198ö, 200, 201, 254.)

351. Hij die spoorweg- of telegraafwerken, werken dienende tot waterkeering of waterloozing, gas- of waterleidingen of riolen, voor zoover deze werken, leidingen of riolen ten alge-meenen nutte gebezigd worden, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 257, 437; Stb. 1852 nu. 48, a. 12; Spoorw. w , a. 59. — Sr. 354,161,162.)

A. Art. 2 der Wel van 15 /IpriZ 1886 (Stb. n0. 65),/iow-dende maatregelen tot uitvoering vandeinternationale overeenkomst tot bescherming van onderzeesche telegraafkabels, gewijzigd bij art 1 der Wel van 4 Juli 1887 (Stb. no.109): Hij, die een in artikel 1 bedoelden amp;) telegraafkabel opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, on-bruikbaar maakt of zoodanig beschadigt, dat de tele-graphische gemeenschap verbroken of bemoeilijkt zou kunnen worden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

a) Vastgesteld bij art. 7 der Wet van 1\') Januari ISS-quot;» (Stb. no. (5).

I) Art. 1 luidt: „De bepalingen dezer wot gelden voor alle buiten de territoriale wateren op wettige wijze aangelegde onderzeesche telegraafkabels, aan land komende op het grondgebied van een of meerdere der tot de internationale overeenkomst van U Maart 188 goedgekeurd bij de wet yan 18 April 1885 (Stb. no. 89), toegetreden of nog toetredende Staten, of aan land komende in de koloniën of bezittingen van die Staten, voor zoover de overeenkomst ook op die koloniën en bezittingen toepasselijk is.quot; — De overeenkomst van 1881 is met de verklaring en het slot,protocol nader geplaatst in Stb. 1888 no. 74.

-ocr page 1075-

BOEK II, TITEL XXVI, XXVII EN XXVIII, ARTT. 349;«-—355. 957

Hij aan wiens schuld zoodanige vernieling, onbruik-baarmaking of beschadiging te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste ééne maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De vorenstaande strafbepalingen zijn niet toepasselijk in de gevallen, voorzien in het tweede lid van artikel 2 der internationale overeenkomst van 14 Maart \'1884, goedgekeurd bij de wet van 18 April 1885(Stb. n0. 89) en in het eerste lid van de internationale verklaring van 21 Mei 1886, goedgekeurd bij de wet van 31 Mei 1887 (Stb. n0. 90). (Sr. 184A, 474G.)

351amp;is. a) Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig in het vorig artikel bedoeld werk vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt wordt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden. (Sr. 351, 163.)

A. Zie Sr. 351 yl, lid 2 en 3.

352. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig gebouw of vaartuig dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (C. P. 95, 257, 434, 435, 437; Stb. 1854 nquot;. 102, a. 13 n°. 5; Stb. 1872 n». 23, a. 1.- Sr. 354, 157, 168, 328.)

353. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

354. Indien een der in dezen titel omschreven misdrijven door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt kan de straf met een derde worden verhoogd. (Sr. 141.)

ï IT E L XXVIII. (Sr. 6, 29.)

Ambtsmisdrijven.

355. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, met of zonder ontzetting van het in artikel 28 n0. 3 vermelde recht, worden gestraft de hoofden van ministerieele departementen ;

1°. die hunne medeonderteekening verleenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat daardoor de grondwet of andere wetten of alge-meene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden;

2°. die uitvoering geven aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat deze niet van de vereischte medeonderteekening van een der hoofden van de ministerieele departementen zijn voorzien;

3°. die beschikkingen nemen of hevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven wetende dat daardoor de grondwet of andere wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden;

4quot;. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen der grondwet of andere wetten of algemeene

a) Viistgosleld bij art. S der Wet vau 15 Januari ISSti (Stb. no. (i).

-ocr page 1076-

i;

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, voor zoover die uitvoering wegens den aard des onder-werps tot hunne ministerieele departementen behoort of uitdrukkelijk hun is opgedragen. (W. min. verantw., a. 3 a—e, 29-31, —Sr. 29, 28 n». 1 en 2; G. 54,72, 77, 121; Sv. 301 v.; W. min. verantw., a. 1, 2; Stb. 1854 n0. 129, a. 38, 39; Stb. 1865 n0. 55 en 56, a. 22.)

356. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden worden gestraft de hoofden van ministerieele departementen aan wier grove schuld te wijten is dat de in artikel 355 n0. 4 omschreven uitvoering wordt nagelaten. (W. min. verantw., a. 3f, 32. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2.)

357. De bevelhebber der gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat, op de wettige vordering van het bevoegde burgerlijk gezag, de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 234. — Sr. 29, \'28 n0. 1 en 2,184; Sv. 27, 96fi, 106, 342Ö; Gem.w., a. 184, 185.)

358. De ambtenaar die opzettelijk den bijstand der gewapende macht inroept tegen de uitvoering van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (C. P. 92—94,124,188—191. — Sr. 29,28nM en 2,84, 179 v.)

359. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk geld of geldswaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde slaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 169—173. — Sr. 29, 380, 28 n0. 1—4, 84, 321 v.)

360. De ambtenaar ol\' een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend ol\' tijdelijk belast persoon die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie, valschelijk opmaakt of vcrvalscht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 145; W. St. lot., a. 18. — Sr. 29, 28 n0.1 en 2,84. 226,227.)

361. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat Jat zij door een ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (C. P. 169—173, 255. — Sr. 29, 28 n». 1 en 2, 84, 200.)

362. De ambtenaar die eene gift of belofte aanneemt.

958

-ocr page 1077-

BOEK II, TITEL XXVIII, ARTT. 35G—367.

wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijne bediening iets te doen of na te laten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 177, 178. — Sr. 29, 28 n». 1 en 2, 84, 177, 363 v.)

363. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten;

2°. die eene gift aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening is gedaan of nagelaten. (C. P. 177, 178. — Sr. 29, 380, 28 n0. 1—4, 81, 177, 362, 364.)

364. De rechter die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde invloed te oefenen op de beslissing van eene aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien die gift of belofte wordt aangenomen met het bewustzijn dat zij gedaan wordt om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (C. P. 177, 178, 181—183.— Sr. 29, 380, 28 n». 1—4, 84b, 178,363 v.; Rv. 30 n0. 5; Sv. 321 n0. 5.)

365. De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (C. P. 186. — Sr. 29, 28 n°. 1 en 2, 84, 43, 44, 47 n0. 2, 284.)

366. De ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening, als verschuldigd aan hem zeiven, aan een ander ambtenaar of aan eenige openbare kas, vordert of ontvangt of bij eene uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 174; Rv. 474.—Sr. 29, 380, 28 n°. 1—4, 84.)

A. Art. 17 der Wet van 23 Juli 1885 (Stb. n0. 142), lot regeling der Staatsloterij, gehandhaafd bij art. 12 n0. 2 der Invoeringswet. De collecteur of debitant, die opzettelijk een hoogeren dan den bij art. 7 vast-gestelden prijs vordert of ontvangt, of bij de uitbetaling van prijzen of premien eene grootere korting terughoudt, dan bij art. 5 is bepaald, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

367. De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd hem opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne

959

-ocr page 1078-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

schuld te wijten is, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 237 v. — Sr. 29,28 n0.1 en 2,84,191,413.)

368. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

1°. de ambtenaar, met het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de vordering om van eene wederrechtelijke vrijheidsrooving te doen blijken of daarvan aan de hoogere macht opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;

2°. de ambtenaar die, na in de uitoefening van zijne bediening kennis te hebben bekomen dat iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aan een ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.

De ambtenaar aan wiens schuld eenig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wftrdt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 119. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 84, 278, 282, 283; Sv. 8, \'10, 389, 390.)

369. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van een rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengesticht, die weigert te voldoen aan eene wettige vordering cm iemand, die in het gesticht is opgenomen, te vertoonen of om inzage te geven van het register van inschrijving of van de akte waarvan de wet de inschrijving vordert. (C. P. 120. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 404; Sv. 380 v.)

370. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die, ter gelegenheid eener huiszoeking, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt. (C. P. 184. — Sr. 29. 28 n0. 1 en 2, 84; G. 158; Sr. 138, 139; Sv. 426, 47, 48, 110 v., 298c; Alg. w., a. 190—204; Gem.w., a. 276; Stb. 1852 n0.178, a. 80; Stb. 1853 n0. 83; W. vereen, en verg., a. 10, zie chron. lijst; Spoorw.w., a. 10; Stb. 1865 n0. 58, a. 4; Stb. 1869 n0. 57, a. 27; Stb. 1870 n0. 131, a. 33; Drankw., a. 26, zie chron. lijst; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst, Arbeidsw., a. 19; Veiligh.w., a. 22; Stoomw., a. 10 enz.)

371. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag neemt een aan eenige openbare instelling van vervoer toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket, of een telegraphisch bericht dat zich in handen bevindt van een ambtenaar der telegraphie

960

*

-ocr page 1079-

DOKK II, TITEL XXVIII, ARTT. 308—370.

of van andere personen belast met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telegraafinrii hting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (G. P. 187. —Sr. 29, 28 nu. 1 en 2, 84; G. 159; Sv. Ill v.; Postw., a. 23b, 28; Spoorw. w., a. 8; Telegr. w. a. 1 en 2.)

372 De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. (C. P. 187. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2; G. 159; Sr. 374 n». 1, 375.)

373. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeëigent, of den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeëigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (Sr. 29, 28 n0. 1 en 2.)

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toeëigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 29, 380, 28 n0. 1—4 —C. P. 187. — Sr. 321, 322, 374 n°. 2, 375.)

374. De ambtenaar der telegraphie of eenig ander persoon belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien hij den inhoud van een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeëigent of den inhoud wijzigt. (Telegr.w., a. 10 j0. C. P. 187. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 372, 373, 375; Postw., a. 2.)

375. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer of der telegraphie of eenig ander in artikel 374 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat dat een ander een der in de artikelen 372—374 vermelde feiten pleegt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld. (Sr. 48, 49.)

376. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden wordt gestraft de ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk:

1°. aan aannemingen of leverantien waarover hem op het tijdstip der handeling geheel of ten deele het bestuur

961

61

-ocr page 1080-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

of toezicht is opgedragen; (C. P. 175. — Stb. 1841 n0. 40, a. 7; Gem.w., a. 24f.)

2°. aan het bezorgen van plaatsvervangers of nummer-verwisselaars voor de militie, bij wier keuring of toelating hij geroepen is ambtshalve werkzaam te zijn. (Militiew., a. 187 n0. \'3. — Militiew., a. 75. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 84.)

377. De ambtenaar van het muntwezen, behalve de muntmeester, of de ambtenaar van den waarborg die handel drijft in edele metalen of daarvan vervaardigde voorwerpen, of opzettelijk aan zoodanigen handel middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden. (Sr. 29, 28 n0.1 en 2 ; Stb. 1850 nquot;. 25, a. 9.)

378. De ambtenaar van den waarborg die een te zijnen kantore aangeboden goud- of zilverwerk afdrukt of natrekt of daarvan eene beschrijving geeft aan een ander dan die van ambtswege bevoegd is haar te vorderen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1852 nquot;. 178, a. 27. — Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 272; Inv. 7a.)

379. De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat deze daardoor een dubbel huwelijk aangaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (C. P. 340b. — Sr. 29 380, 28 n0. 1—4, 237; B. 44, 84, 115, 12G n». 4, 254.)

De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat daartegen eenig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gidden. (Sr. 29, 28 n0. 1 en 2, 238; B. 41, 43, 44i, 85 v.)

380. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 359, 303, 364, 366, 373, laatste lid, en 379, eerste lid, omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 n0. 3 en 4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 29.)

TITEL XXIX. (Sr. 7, 85.)

Scheepvaarlmisdrij ven.

381. Als schuldig aan zeeroof wordt gestraft:

lquot;. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behooren; (Sr. 85a.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden. (Sr. 85c; K. 440 jö. Stb. 1884 n0. 95, a.2.)

9G2

-ocr page 1081-

BOEK ir, TITEL XXVIII EN X.V1X, ARTT. 377—390. 963

Met het gemis van machtiging wordt gelijkgesteld het overschrijden van de machtiging alsmede het voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlogvoerende mogendheden.

Artikel 81 blijft buiten toepassing. (Sr. 415, 28 n4. \'!—4, 87, 4 n». 4, 275, 276, 312, 317, 382—384.)

382. Indien de in art. 381 omschreven daden van geweld den dood van een der zich op het aangevallen vaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de schipper en worden zij die aan de daden van geweld hebben deelgenomen, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gestraft. (Sr. 415, 28 n0. 1—4, 85a, 4 n0. 4, 2756.)

383. Hij die voor eigen of vreemde rekening een vaartuig uitrust met de in artikel 381 omschreven bestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 415, 28 n0. 1—4, 274, 277; K. 320 v.)

384. Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat liet de in artikel 381 omschreven bestemming heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 415, 28 n». 1-4, 277; K. 453 v., 592 v.)

385. Hij die een Nederlandsch vaartuig opzettelijk inde macht van zeeroovers brengt, wordt gestraft;

1°, indien hij de schipper is, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren; (Sr. 85a.)

2°. in alle andere gevallen, met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 415, 28 n». 1—4, 411°.4.)

386. De opvarende van een Nederlandsch schip die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 415, 28 n0. 1—4, 401, 85b, 86.)

387. De schipper van een Nederlandsch schip die het schip aan den eigenaar of de reederij onttrekt en ten eigen bate gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden. (Sr. 415, 28n0. l—4, 85a, 86.)

388. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de Nederlander die zonder vergunning van de Nederlandsche regeering een kaperbrief aanneemt, of als schipper dienst neemt of dianst doet op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederlandsche regeering voor de kaapvaart bestemd is. (Sr. 83, 85a, 5 n0.1, 100, 275, 381 n». 1.)

389. De Nederlander die als schepeling dienst neemt op • een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederlandsche regeering voor de kaapvaart bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dat gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 401, 83, 85c, 5 n0. 1, 100, 276, 381 n°. 2; K. 440 j».Stb.l884 nü. 95, a. 2.)

390. Wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, de

-ocr page 1082-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

schipper van een Nederlandseh schip die, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het schip onttrekt; (W. tucht koopv., a. 2, 3, zie chron. lijst.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schipper van een Nederlandseh zeevisschersvaartuig die, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, a) zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het vaartuig onttrekt. (Stb. 1881 n0. 98, a. 3. — Sr. 85a, c, 86;K. 341 v., 354, 356, 361 v.)

391. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie vóór den aanvang der reis:

lu. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandseh schip verbonden heeft, niet medemaakt; (W. tucht koopv, a. 2, zie chron. lijst.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandseh zeevisschersvaartuig verbonden heeft, niet medemaakt. b) (Stb. 1881 n0. 98, a. 1. — Sr. 401. 394, 85c, 86; K. 394 v., 299 v.)

392- Wordt gestraft, als schuldig aan desertie gedurende de reis:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandseh schip verbonden heeft, niet verder medemaakt; (W. tucht koopv., a. 3, zie chron. lijst.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandseh zeevisschersvaartuig verbonden heeft, niet verder medemaakt. (Stb. 1881 n®. 98, a. 2. — Sr. 401,394,85c, 86; K. 394 v, 401 v.)

393. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie na den alloop der reis:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling van een Nederlandseh schip die, na den afloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverrichtingen onttrekt; (W. tucht koopv., a. 3c, zie chron. lijst.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling van een Nederlandseh zeevisschersvaartuig

а) Bij art. fl der Wet van 15 Januari 1SSG (Stb. no. (!) werden de woorden „na deu aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenisquot; gesteld in de plaats der woorden „gedurende de reis.quot;

б) Bij art. 9 der Wet van 15 Januari 18SG (Stb. no. (i) werd no. 2 Vim dit artikel bijgevoegd.

964

-ocr page 1083-

BOEK II. TIT KL XXIX, AllTT. 391-quot;iOG.

die, na den afloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zicli opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verderedienstverrichtingen onttrekt, a) (Sr. 401, 394, 85c, 86; K. 446.)

394. De in de artt. 391—393 bepaalde straffen kunnen worden verdubbeld, indien twee of rneer personen gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning hel misdrijf plegen. (Sr. 80.)

h) De reeder, boekhouder of schipper van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig die een schepeling in dienst neemt, wetende dat er nog geene maand is verstreken sedert deze zich aan zijne verbintenis voor een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig heeft onttrokken op de wijze in een der artt. 391—393 omschreven, wordt gestraft inet gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Niet strafbaar is het feit indien de indienstneming buiten liet rijk in Europa geschiedt met toestemming van den Nederlandschen consul of, zoo die er niet is, op verzoek van de plaatselijke overheid. (Stb. 1881 n0. 98, a. 4. — Sr. 85a, c, 86.)

395. De opvarende van een Nederlandsch schip of zee-visschersvaartuig die aan boord den schipper, of de schepeling die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt, zich met geweid of bedreiging met geweld tegen hem verzet of hem opzettelijk van zijne vrijheid van handelen berooft, wordt, als schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.)

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (C. P. 209, \'218; W. tucht koopv., a. 11. — Sr. 401, 81, 85, 86, 179, 180, 181; W. tucht koopv., a. 6 v.. zie chron. lijst.)

396. Insubordinatie gepleegd door twee of meer ver-eenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.)

a) Bij art. 1) der Wet van 15 Januari 188(5 (Stb. no. 0) werd no. 2 van dit artikel bijgevoegd.

b) Vastgesteld bij art. 9 der Wet van 15 Januari 1880 (Stb. no. 6).

9(35

-ocr page 1084-

966 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

-------

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (C. P. 210—216, 218; W. tucht koopv., a. 11. — Sr. 395, 401, 182.)

397. Hij die aan boord van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig tot muiterij op dat schip of vaartuig opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. (G. P. 217; W. tucht koopv., a. 11. — Sr. 396, 401, 80. HG, 131.)

398. Dienstweigering door twee of meer schepelingen van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig, gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning gepleegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 401, 80. 85c, 86.)

399. Wordt gestraft:

lu. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, de schepeling van een Nederlandsch schip die, na wegens dienstweigering disciplinair te zijn gestraft, bij zijne dienstweigering volhardt; (W. tucht, koopv., a. 9, zie chron. lijst.)

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste zestig gulden, de schepeling van een Nederlandsch zeevisschersvaartuig die zich gedurende de reis schuldig maakt aan dienstweigering. (Sr. 401, 85c, 86.)

400. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de opvarende van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig;

lu. die opzettelijk niet gehoorzaamt aan eenig bevel des schippers tot herstel der orde aan boord gegeven;

2°. die, wetende dat de schipper van zijne vrijheid van handelen beroofd is, hem niet naar vermogen te hulp komt;

3°. die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig aan den schipper kennis te geven.

De onder n0. 3 vermelde bepaling is niet van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd. (Sr. 401, 85a, c, 86, 145; K. 404)

401. De in de artikelen 386, 389, 391—393, 395—400 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven scheepsofficier is. (Sr. 85c.)

402. De schipper van een Nederlandsch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te be-voordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, hetzij het schip verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebehooren of den scheepsvoorraad, hetzij goederen van de lading of van den scheepsvoorraad verkoopt of verpandt, hetzij verdichte schaden of uitgaven in rekening brengt, hetzij het vereischte dagregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt, hetzij bij het verlaten van het schip niet zorgt voor het behoud der scheepspapieren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste

-ocr page 1085-

BOEK II, TITEL XXIX, ARTT. 397—410. 9fi7

zes jaren. (Sr 415, 28 n#. i—4, 85a, 86; K. 358 v., 362, 375, 376.)

403. De schipper van een Nederlandsch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te be-voordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, van koers verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 415, 28 n0. 1—4, 85«, 86; K. 638, 639.)

404. De schipper van een Nederlandsch schip die, buiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift, gedurende de reis het schip verlaat, en ook aan zijn scheepsvolk daartoe last of vergunning geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (Sr. 85a, 86; K. 362, 401.)

405. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den eigenaar of de reederij, handelingen pleegt of gedoogt, wetende dat deze het vaartuig of de lading aan opbrenging, aanhouding of ophouding kunnen blootstellen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

De opvarende die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den schipper, met gelijke wetenschap gelijke handelingen pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sr. 85a, b, 86; K. 3G4 v., 370.)

406. De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft datgene wat hij verplicht is hem te verschaften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (W. tucht koopv., a. 22. — Sr. 85a, b, 86; K. 395 v.; W. tucht koopv., a. 20—24, zie chron. lijst.)

407. De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85a, 86; K. 367 v.)

408- Hij die lading, scheepsvoorraad of scheepsbehoefte, aan boord van een vaartuig aanwezig, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 168, 328, 352.)

409. De schipper die de Nederlandsche vlag voert wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste oen jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (W. Zeebr., a. 17. — Sr. 85a; W. Zeebr., a. 1, 6, 11—13, zie chron. lijst.)

410. De schipper die opzettelijk door het voeren van eenig onderscheidingsteeken aan zijn vaartuig den schijn geeft alsof het een Nederlandsch oorlogsvaartuig ware, of een loodsvaartuig in Nederlandsche wateren of zeegaten dienst doende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1859 n0. 93, a. 10. — Sr. 85a, 19G.)

-ocr page 1086-

WKTUOEK VAN STRAFRECHT.

411- Hij die buiten noodzaak op een Nederlandsch schip optreedt als schipper, stuurman of machinist, wetende dat hem krachtens wettelijk voorschrift de bevoegdheid daartoe is ontnomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sr. 85a, 86, 195; W. tucht koop v., a. 25a, zie chron. lijst.)

412. De schipper van een Nederlandsch schip die zonder geldige reden weigert te voldoen aan een wettelijke vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijne zaak betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Cons.w., a. 25 (oud). — Sr. 85a, 86, 413; Cons.w., a. 25, zie chron. lijst)

413. De schipper van een Nederlandsch schip die een beklaagde of veroordeelde, dien hij op eene wettelijke vordering aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt, of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld is te wijten, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85a, 86, 412, 307; Cons, w., a. 25, zie chron. lijst.)

414. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die aan vaartuigen, schippers of opvarenden, wetende dal zij in nood zijn, niet zoodanige hulp verleent als waartoe hij bij machte is, zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zich zeiven aan ondergang bloot te stellen, wordt, indien de nood het gevolg is van aanvaring of aandrijving met het vaartuig waarover hij bevel voert, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (C. P. 475 n®. 12. — Sr. 85a, amp;, 446, 450, 474.)

415. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 381—387, 402 en 403 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 nu. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XXX.

Begunstiging.

416. Hij die opzettelijk eenig door misdrijf verkregen voorwerp koopt, inruilt,, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verbergt, wordt, als schuldig aan heling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 439 nB. 1.)

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit de opbrengst van eenig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt. (C. P. 62, 63, 3806. — Sr. 417.)

417. Hij die eene gewoonte maakt van het opzettelijk koopen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, wordt gestraft mot gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

968

-ocr page 1087-

BOEK II, TITEL XXIX, XXX ICN XXXI, ARTT. 411—422. 969

De schuldige kan worden ontzet van de in artikel 28 n0. 1 —4 vermelde rechten en van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft. (Sr. 416, 28 n0. 6 )

418. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding uitgeeft van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden, indien:

1quot;. de dader noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2°. de uitgever wist of moest verwachten, dat de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn. (C. P. 283 v.; Stb. 1814 nquot;. 17.— Sr. 53.)

419. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding drukt van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien:

1°. de persoon op wiens last het stuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2°. de drukker wist of moest verwachten, dat de persoon op wiens last het stuk gedrukt is, op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn. (C. P. 283 v.; Stb. 1814 n0. 17. —Sr. 54.)

420. Indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klachte vervolgbaar is, kan de uitgever of drukker in de gevallen der beide voorgaande artikelen alleen vervolgd worden op klachte van hem tegen wien dat misdrijf gepleegd is.

TITEL XXXI.

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen. (Inv. 29.)

421. De in de artikelen 105, 174, 208—212, 216—222, 225—229, 232, 310—312,315,317, 318,321—323,326—332, 341, 343, 344, 346, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416 en 417 bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens diefstal, verduistering of bedrog krachtens de militaire wetten uitgesproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard. (Stb. 1852 n0. 20; Stb. 1854 nquot;. 102, a. 11, 12. — Sr. 10c, d.)

422. De in de artikelen 108, eerste lid, 109, 110, 115, eerste lid, 116, 141, 181, 182, 287, 290, 291, 293, 296, 297, 300 — 303, 381, 382, 395 en 396 bepaalde gevangenis-

-ocr page 1088-

970 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

straf, alsmede de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen 92, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 288 en 289, kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens gewelddadig verzet tegen of mishandeling van meerderen in rang of schildwachten, of van geweldenarijen tegen personen krachtens de militaire wetten uitgesproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard. (Stb. 1852 n0. 20; Stb. 1854 n0. 102, a. 11, 12.— Sr. 10c, d.)

423. De in de artikelen 111—113, 117—119, 201—271, 418 en 419 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens hot plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard. (Stb. 1854 n°. 102, a. 11, 12. —Sr. 18b.)

DERDE BOEK.

Overtredingen. (Inv. 6b, Ha, 19, 28.)

TITEL I.

Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen en goederen.

424. Hij die op of aan den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats, tegen personen of goederen eenige baldadigheid pleegt, waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht, wordt, als schuldig aan straatschenderij, gestraft met geldboete var ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere verocrdeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd. (C P. 475 n°. 8 )

425. Met hechtenis van ten hoogste zes cagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft;

1°. hij die een dier op een mensch aanhitst of een

a) Gewijzigd bij art. 1 der Wet, van 15 Januari 1886 (Stb. no. f»). Oorspronkelijk werd gelezen; „Sedert de schuldige wegens dezelfde overtreding onherroepelijk is veroordeeld.*\' — Gelijke wijziging had plaats in art. 420, 436—439, U0, 455 en 471.

-ocr page 1089-

BOEK II 1-N 111, TITEL XXXI EN 1, ARTT. 4\'23—428. 971

onder zijne hoede staand dier, wanneer het een mensch aanvalt, niet terughoudt;

2°. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijne hoede staand gevaarlijk dier. (C. P. 475 n®. 7, 479 n0. 2.)

426. Hij die, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij eenige handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of voorzorgen worden vereischt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 453 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, a) wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken. (Drankw., a. 21. - Sr. 309, 453.)

427. Met geldbDete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

1°. de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders, onder-aardsche lokalen en ruimten, waar die op den openbaren weg uitkomen, niet de noodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de veiligheid der voorbijgangers;

2°. hij die niet zorgt dat eene door hem of op zijn last op een openbaren weg gedane op- of uitgraving of een door hem of op zijn last op den openbaren weg geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke teekenen voorzien is;

3°. hij die bij eene verrichting op of aan den openbaren weg niet de noodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen;

4°. hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zoodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van den openbaren weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden;

5°. hij die op den openbaren weg een rij-, trek- of lastdier laat staan, zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen;

6°. hij die, zonder verlof van het bevoegd gezag, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of het verkeer daarop belemmert. (C. P. 471 nquot;. 4—6 en 12, 475 nquot;. 3 en 4, 479 n0. 4; Sr. 162, 163, 420B, a. 41 nquot;. 2, 429C en D.)

428. Hij die, zonder verlof van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed in brand steekt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden. (Sr. 157 v., 328.)

a) Gewijzigd bij arb. 1 der Wet van 15 Januari ISSC» (Stb. no. fi). Zie de noot op art. 424£.

-ocr page 1090-

972 WETIiOEK VAN STRAFRECHT.

429. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt op zoo korten afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan;

2°. hij die een luchtbol oplaat, waaraan brandende stoffen gehecht zijn. (C. P. 458, 471 n0. 2, 479 n0. 3; Wet 19 Januari 1808 [van de Poll. bl. 415].)

A. Art. 45 der Wet van 21 Igt;ece»7i?gt;er 1853 (Stb. n0.128), houdende hepalinyen betrekkelijk het houwen, planten en maken van andere werken binnen zekeren afstand van vestingwerken van den Staat, r/ehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 11 en 11 der Invoeringswet. Indien meer gedaan is dan, volgens de beschikking in art. 39 vermeld, geoorloofd was, wordt de belanghebbende tot dadelijke wegruiming van dat meerdere dooiden minister van oorlog aangeschreven.

Ingeval de belanghebbende nalatig is in het voldoen aan die aanschrijving, zijn de bepalingen van art. 57, voor zooveel het meerder gedane betreft van toepassing.

Art. 57. Die hoopen of stapels heeft ncdergelegd of doen leggen op plaatsen, alwaar dit volgens de bepalingen dezer wet niet geoorloofd is, of verzuimt die weg te nemen of te doen wegnemen na het verstrijken van den tijd aan het slot van art. 26 vermeld; die werkzaamheden, bedoeld in de artt. 22, 30, 31 en 33, doet of heeft doen uitvoeren, zonder de volgens de artt. 24, 32, 38 en 37 vereischte kennisgeving aan den eerstaan-wezenden ingenieur te hebben gedaan, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijfentwir.tig gulden.

Die, op eenige andere wijze, in strijd met de bepalingen dezer wet, nalatig is gebleven in het doen wegruimen van gemaakte werken, of eenig werk heeft gemaakt of doen maken, of houtgewassen heeft geplant of doen planten, wordt gestraft rnet een geldboete van ten hoogste vijfenzeventig gulden.

Voor zooveel het geene werkzaamheden, bedoeld in de artt. 22, 30, 31 en 33 betreft, beveelt de regter tevens, dat het alzoo gemaakte, geplante of geplaatste, binnen eenen door hem te bepalen tijd, welke zoo kort mogelijk en nimmer langer dan een jaar zal mogen wezen, worde weggeruimd, met verklaring, dat «ulks, alsdan niet geschied zijnde, op kosten van den veroordeelde, van wege den Staat zal kunnen geschieden.

Ingeval de handeling, het verzuim of d3 nalatigheid, met deze wet strijdig, heeft plaats gehad krachtens een besluit van een zedelijk ligchaam, zijn zij, die tot dat besluit hebben medegewerkt, persoonlijk aansprakelijk.

Is er geen besluit voorafgegaan, dan zijn zij persoonlijk aansprakelijk, die met het doorloopend beheer van de ■ zaken van het zedelijk ligchaam zijn belast (Sr. 51.) Art. 58. De verbods- en strafbepalingen dezer wet zijn

-ocr page 1091-

BOEK rir, TITEI, I, ART. 429.

van toepassing, hoezeer de staten en plans in de artt. 11 en 20 vermeld niet zijn afgewerkt.

B. Art. 41 der Wet van 14 September 1866 (Stb. n0.138), houdende bepalingen betrekkelijk de inkwartieringen enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art. 9a, 10n0.20 en 11 der Invoeringswet. Die eigendunkelijk:

1°. nalaat of weigert geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de vorderingen, hem krachtens deze wet gedaan, of deze voldoening verhindert oi\' belemmert:

2°. het gebruik der openbare wegen of andere middelen van gemeenschap en van de daartoe behoo-rende werken aan het krijgsvolk of de militaire transporten weigert, of dat gebruik verhindert of belemmert;

wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

In tijden van oorlog, alsmede in de omstandigheden, vermeld in art. 28, is het bovenstaande ook van toepassing ten opzigte van niet openbare wegen. (Sr. 162, 163, 427 n0. 6.)

Die zonder geldige redenen binnen den door burgemeester en wethouders gestelden termijn de in art. 21 vermelde opgaaf niet doet, wordt gestraft

met eene geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden;

Art. 44, lid a en b. Met de straffen, voorkomende in de reglementen van krijgstucht voor het krijgsvolk te water en te lande, wordt, behoudens de toepassing van zwaardere straffen overeenkomstig de algemeene of militaire strafwet, gestraft elk krijgsman, die in de woning, waar hij ingekwartierd is, of met betrekking tot geleverde middelen van vervoer en de daarbij be-hoorende personen, of ten opzigte van de leverantien, zedelooze, baldadige of kwellende handelingen heeft gepleegd of doen plegen.

De manschappen der nationale militie, die ter aflevering of ter inlijving worden opgezonden en zich aan de bovenstaande strafbare feiten schuldig maken, worden gestraft met hechtenis van één tot vijf dagen, behondens de toepassing van zwaardere straHen, volgens het algemeen strafwetboek.

C. Art. 12 der Publicatie van 24 Februari 1806, houdende bepalingen omtrent een algemeen rivier- of waterregt, gehandhaafd en gewijzigd bij art. i0 n0.1 en 11 der Invoeringswet. Zoodra ontdekt wordt, dat iemand tegen deze wet mogt gehandeld hebben, zal dezelve telkenreize verbeuren eene boete van ten hoogste zeshonderd gulden; en zulks onverminderd de verplig-ting van den contraventeur, om al hetgene contrarie deze bepalingen gemaakt of gedaan is, op last van de commissie van superintendentie over den Waterstaat der Bataafsche Republiek, dadelijk ten zijnen kosten, te amoveren, zonder dat hem daarvoor eenig dedomma-gement zal gegeven worden.

Zullende zulks anderzins van wegens den Lande ten

973

-ocr page 1092-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

zijnen koste, op last der commissie geëllectueerd, en : op zijne Bezittingen des noods, bij parate executie ver- ■ haald worden. (Sr. 162, 163, 427 n0. 6.)

D. Art. 7 van Titel XX VIII van de Ordonnance des eaux et forêls du mois d\'Aoüt 1669, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 1 der Invoeringswet. Les propriétaires des heritages aboutissant aux rivières navi-gables, laisseront le long des bords vingt-quatre pieds au moins de place en largeur pour chemin royal et trait des chevaux, sans qu\'ils puissent planter arbres ni tenir closlure ou have plus prés que trente pieds du costé que les bateaux se tirent, et dix pieds de l\'autre bord, a peine de geldboeten van ten hoogste honderd gulden, confiscation des arbres, et d\'etre les contrevenans contrahits a réparer et remettre les chemins en état a leurs frais.

Art. 42 van Titel XXVII derzelfde Ordonnance, gehandhaafd voor zoover het hertogdom Limburg betreft en gewijzigd bij art. 10 n0.1 der Invoeringswet. Nul, soit propriétaire, soit engagisle, ne poura faire moulins batardeaux, écluses, gords, pertuis, murs, plants d\'arbres, amas de pierres, de terres de fascines, autres edifices ou ernpèchements nuisibles au cours de l\'eau, dans les fleuves et rivières navigables et llottables, ni mème y jeter aucunes ordures, immond ces, ou les amasser sur les quais et rivages op eene geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Enjoignons a toutes personnes de les óter dans trois mois; et si aucuns se trouvent subsister aprts ce temps, voulons qu\'ils soient incessamment otés et levés aux frais et dépens de ceux qui les auront faits ou causés, sur peine de geldboeten van ten hoogste honderd gulden tant contre les particuliers que contre les fonctionnaires publics qui auront négligé de le faire.

Art. 43. Ceux qui ont fait batir des moulins, écluses, vannes, gords et autres édifices dans l\'étendue des fleuves et rivières navigables et llottables, sans en avoir obtenu la permission, seront tenus de les démolir; sinon, le seront a leurs frais et dépens.

Art. 44. Défendons a toutes personnes de détourner l\'eau des rivières navigables et llottables, oa d\'en affai-blir ou altérer le cours par tranchées, fosses ou canaux, a peine, contre les contrevenans d\'être pur.is, met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden etleschoses réparées a leurs dépens. (Sr. 162, 163, 427 n0. 6.)

E. Art. 53 der Wet van 9 April 1875 (Stb. n0. 67), tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 30 en 11 der Invoeringswet. De bestuurders eener spoorwegdienst worden gestraft:

zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden;

974

-ocr page 1093-

BOEK Ut, TITEL I, ART. 429. 975

zoo zij de bepalingen, van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden;

zoo zij de dienst op den spoorweg openen, alvorens het dienstreglement, in art. 6 bedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen, hetzij hervatten, alvorens de in het 1ste lid van art. 7 bedoelde magtiging verleend is, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden bij de openstelling of hervatting van de dienst, en van ten hoogste duizend gulden, voor eiken dag dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd;

zoo zij de dienst voortzetten na bevel tot staking, of die hervatten zonder de toestemming, in art. 20 bedoeld, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van ten hoogste duizend gulden voor eiken dag, dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd;

zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming in het laatste lid van art. 7 voorgeschreven, zijn gemagtigd, met eene boete van ten hoogste duizend gulden voor elke zoodanige locomotief, tender, rijtuig of wagen;

zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken in art. 14 bedoeld of aan den in de voorlaatste alinea van art. 13 bedoelden last, met eene boete van ten hoogste vijf honderd gulden voor eiken dag verzuim;

zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, of een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met eene boete van ten hoogste vijf duizend gulden.

Art. 54, lid h. De boete, in het voorlaatste lid van art. 53 bedreigd kan niet hcoger gaan dan tot vijf duizend gulden. De aldaar bedoelde tijd houdt op te loepen, zooilra art. 15 wordt toegepast.

Art. 56 aanhef, lid b en c. De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft:

zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur overtreden, met eene boete van ten hoogste duizend gulden;

zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor

-ocr page 1094-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

zoover daaromtrent niet. in het bijzonder is voorzien, met eene boete van ton hoogste duizend gulden.

Art. 56 lid d. Zie ait. 43A.

Art. 58. Overtreding van de artl. 36, 37 en 38 of van de voorwaarden gesteld bij Onze besluiten, naar aanleiding van art. 39 genomen, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste honderd gulden.

De overtreders worden daarenboven, op de vordering van het openbaar ministerie, veroordeeld om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn, de zaken in den vorigen stand te herstellen.

Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak, wordt, na verloop van den gestelden termijn, het vonnis van Regeringswege ten koste van den overtreder ten uitvoer gelegd door een ambtenaar of ambtenaren met het toezigt op de spoorwegdienst belast.

De kosten worden op den overtreder verhaald door den ontvanger der registratie, naar een staat opgemaakt door den ambtenaar, met de uitvoering van het vonnis belast.

Art. 63. Overtreding van de artt. 42, 43 en 44 wordt gestraft met eene boete van ten hoogste tweehonderd gulden of met hechtenis van ten hoogste eene maand.

Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen, in het tweede lid van art. 35 bedoeld, of die hen, volgens de wet, vertegenwoordigen, wanneer zij de sluiting der hekken geplaatst aan uit- of overwegen, waarvan zij genot hebben, verzuimen. Zijn door hen personen met de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim strafschuldig.

Art. 64, zooals het is vastgesteld bij de Wet van 8 April 1893 (Stb. n0. 62).

Overtreding van de bepalingen van een algemeenen maatregel van bestuur in art. 27 bedoeld, door anderen dan de in art. 53 en 56 genoemden, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

De beambten en bedienden van den spoorweg kunnen hen, die zich aan die overtreding schuldig maken, uit de rijtuigen weren of verwijderen.

F. Art. 3, lid a—d, der Wet van 28 October 1889 (Stb. n0. 146), tot nadere regelinr/ van den diensten het gebruik der spoorwegen waarop uitsiuitend met beperkte snelheid wordt vervoerd. Overtreding van de bepalingen van den in art. 1 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Indien zij plaats heeft door bestuurders van een spoorwegdienst, met eene boete van ten hoogste vijfduizend gulden.

Indien zij plaats heeft door beambten of bedienden van den spoorwegdienst, met eene boete van ten hoogste duizend gulden.

De beambten en bèdienden zijn niet strafbaar, zoo hunne overtreding een gevolg is van den last, door de

976

-ocr page 1095-

BOEK III, TITEL I, ART. 4\'2[).

bestuurders van den spoorwegdienst gegeven. (Sr. 43 A-C.)

G. Art. 22, lid a en h der Hinderwet, liet hoofd der onderneming wordt gestraft:

a. met eene geldboete van vijftig cents tot twee honderd gulden of eene hechtenis van een dag tot zestig dagen, indien hij zonder de vereischte vergunning, of op eene andere plaats dan in de vergunning is aangewezen, eene in art. 2 omschreven inrichting in werking brengt of houdt, in strijdt handelt met het verbod, bedoeld in art. 4, sub 2, of in een der gevallen, vermeld in art. 20 (3de lid) en 21, met de werkzaamheden voortgaat.

b. met eene geldboete van vijftig cents tot honderd gulden of eene hechtenis van een dag tot veertien dagen, indien hij in strijd met de gestelde voorwaarden handelt.

Bij de ontdekking van een der in dit artikel genoemde strafbare feiten kunnen de aanwezige gevaarlijke of schadelijke stoffen in beslag worden genomen, en bij het veroordeelend vonnis kan vernietiging of onbruik-baarmaking van die stoffen worden bevolen.

Art. 22?ns. Nalatigheid in de voldoening aan het voorschrift van het eerste lid van artikel 11ter wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Het in dit artikel strafbaar gestelde feit wordt beschouwd als eene overtreding.

Art. 29. Op inrichtingen, tot welker oprichting krachtens de vóór het in werking treden dezer wet geldende Koninklijke besluiten vergunning is verleend, zijn de artt. 14, 17, 18, 19, 20 en 21 van toepassing en ten aanzien van overtredingen van die artikelen gepleegd, art. 22.

Art. 29bis. Is eene inrichting, als in het vorige artikel bedoeld, tevens eene fabriek of werkplaats in den zin der Veiligheidswet, dan zijn ook de artikelen 17ois, 17lt;er, 20f»s, 21?hs, 22?)is en 23 van toepassing.

H. Art. 21 der Invoeringswet. Hij die het reglement betrekkelijk de ontginning van steenkolenmijnen, behoo-rende bij ons besluit van 28 Juni 1877 (Stb. n0. 155), overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

I. Art. 30 n0. 2 en 3 der Wet van 4 Deeernher 1872 (Stb. n0.134), tot voorziening tegen besmettelijke ziekten, gehandhaafd en geiuijzigd bij art. 10 n0. 27 en \'11 der Invoeringswet. Met eene boete van ten hoogste vijf en twintig gulden of hechtenis van ten hoogste drie dagen, wordt gestraft:

2°. overtreding van art. 11, 1ste en 2de lid, 14, 15, 16 en 17.

Wegens het in de school zenden van kinderen in de gevallen, voorzien bij artt. 14 en 17, zijn de ouders of voogden dier kinderen strafbaar.

Wegens overtreding van art. 17 zijn verder strafbaar

977

62

-ocr page 1096-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

de hoofden of de bestuurders der scholen, die de onderwijzers of onderwijzeressen hebben toegelaten, en de onderwijzers en onderwijzeressen zeiven, die onderwijs op de school hebben gegeven.

3®. overtreding van artt. 8 en 9, 4de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was.

Art. 31 n®. 2. Met eene boete van ten hoogste honderd gulden, of hechtenis van ten hoogste eene maand, wordt gestraft:

Qquot;. overtreding van artt. 9, 3de lid, 10, 11, 2de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was, en van art. 19.

K. Art. 2 n0. 1 der We? van 26 .4pr!71884 (Stb. nquot;. 80), houdende buitengewone maatregelen tot afwending van eenige besmettelijke ziekten enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art. 19 j0. 11 der Invoeringswet.

Onverminderd de toepassing van bij andere wetten bedreigde straffen, zoo daartoe termen zijn, worden gestraft met hechtenis van een dag tot een jaar of geldboete van vijftig cent tot twee duizend gulden:

1°. hij die een der voorschriften door Ons krachtens het voorgaande artikel gegeven, overtreedt.

Art. 3. Indien tijdens het plegen van het straf bare feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden, kunnen de in art. 2 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd.

Art. 4. Hetgeen in strijd met Onze in arr. 1 bedoelde voorschriften ingevoerd, doorgevoerd of vervoerd is en alle voer- of vaartuigen en andere voorwerpen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren o\'quot; vervoeren, of het plegen van eenige handeling, die bij art. 2 strafbaar is gesteld, worden in beslag genomen en kunnen door den rechter in geval van veroordeeling verbeurd verklaard worden.

Echter heeft verbeurdverklaring der voer- of vaartuigen, die gebruikt zijn tot het invoeren, doorvoeren of vervoeren, alleen dan plaats zoo het strafbare feit door den vervoerder is gepleegd. (Stb. 1884 n0.164, a. 1.)

L. Art. 19 der Wet van 28 Maart 1877 (Stb. n0. 35), tot wering van besmetting door uit zee komende schepen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 38 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van de bepalingen der artt. 3, 4, 5, 6 en alinea 3 van art. 11 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vijf honderd gulden.

De straf tegen het niet hijschen der vlag, zooals dat bij het eerste lid van art. 3 is voorgeschreven, is niet toepasselijk op hem, die tijdens het verzuim met de besmetverklaring niet bekend was.

M. Art. 6, lid ad, f en g, der Wet van 5/an i 1875 (Stb. n0, 110), tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid, gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0. 32 en 11 der Invoeringswet.

978

-ocr page 1097-

BOEK III, TITEL I, ART. 429.

De eigenaar, houder of hoeder van honden, die het bevelschrift van den burgemeester of van Onzen Gom-* missaris, in art. 3 bedoeld, overtreedt, is strafbaar met eene geldboete van ten hoogste tien gulden.

Bij ontdekking van deze overtreding wordt de hond in beslag genomen, of, indien daartoe geene gelegenheid is, of blijkbaar gevaar bestaat, afgemaakt en alsdan met de overblijfselen gehandeld, zooals in art. 5 is voorgeschreven. s

Bij het veroordeelend vonnis wordt de hond verbeurd verklaard, indien hij nog in wezen is.

In ieder geval kan bij het vonnis de afmaking van den in beslag genomen hond worden bevolen.

Ingeval de eigenaar, houder of hoeder het maximum der boete betaalt, beslist het hoofd der politie of de hond hem kan worden teruggegeven of moet worden afgemaakt.

Is de eigenaar, houder of hoeder onbekend, dan wordt de hond, die bevonden wordt zonder muilkorf rond te loopen, door of van wege de politie afgemaakt.

Art. 7b. Honden en katten, die zonder opzigt rond loopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of bruiker worden gedood.

Art. 8. Verzuim van de in art. 1 voorgeschreven kennisgeving wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden of hechtenis van ten hoogste zeven dagen.

N. Art. 35 der Wet van 20 Juli 1870 (Stb. n0. 131), tot regeling van het veeartsenijkundij Staalstoezigt enz., gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 nquot;. 26 t\'n 11 der Invoeringswet. Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze, krachtens do artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of met don algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet, en van hetgeen door Ons, krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.

Roerende voorwerpen, waarin of waarmede de over-, treding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den regter bij veroórdeeling verbeurd verklaard, en, voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of hot onschadelijk maken

979

-ocr page 1098-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

daarvan bevolen. Vernietiging of onschadelijkmaking wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van regtsvervolging, wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den regter te bepalen.

Art. 36. Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn, worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Zij wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd.

Art. 37. Levend vee wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, vrijgegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na de inbeslagneming liet bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeenteontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op magtiging van den kanton-regter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting beslaat, eveneens op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, onmiddelijk bij den gemeente-ontvanger mogt worden gestort.

In de gevallen bedoeld in bet 2de en 3de lid van dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden de kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in \'s Rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging aan den eigenaar van het vee of ander goed, dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

Art. 38. Is, in de gevallen, bij de twee vorige artikelen bedoeld, de eigenaar niet in het Rijk te vinden, en wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea\'s van art. 26 en de laatste van art. 27 van toepassing.

Art. 39. Overtreding van art. 13 wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijfenzeventig gulden.

980

-ocr page 1099-

BOEK III, TITEL I, ART. 429.

Het laten losloopen van honden in de gemeenten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd, bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijfentwintig gulden.

O- Art. 12, lid h en c, der Wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 98), tot regeling van de uitoefening der veeartsenij kunst, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 28 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van het tweede of derde lid van art. 3, van de artt. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 18 of 19 dezer wet wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

Bij herhaling van eene der in de vorige zinsnede bedoelde overtredingen binnen twee jaren sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan de boete tot het dubbele gebragt of hechtenis van ten hoogste 8 dagen opgelegd worden.

P. Art. 2 der Wet van 5 Juni 1875 (Stb. n0. 113), betrekkelijk het nemen van maatregelen tegen overbrenging van den Colorado-kever, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 nquot;. 33 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van de krachtens deze wet uit te vaardigen besluiten, alsmede het afgeven van valsche verklaringen van oorsprong of herkomst van uit den vreemde aangevoerde aardappelen of andere voorwerpen, in art. 1 bedoeld, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijfhonderd gulden of hechtenis van ten hoogste eene maand.

Bij ontdekking dezer overtreding worden de voorwerpen, ten opzigte waarvan die gepleegd is, in beslag genomen; bij het veroordeelend vonnis worden die verbeurd verklaard en kan de vernietiging daarvan worden bevolen.

Q. Art. 2 der Wet van 28 Juni 1876 (Stb. n0. 150), houdende maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaan, gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0.86, 11 en 19 der Invoeringswet. Overtreding Onzer krachtens deze wet uit te vaardigen besluiten wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden, of hechtenis van ten hoogste zes maanden.

De strafbare poging tot het in dit artikel omschreven strafbaar feit wordt gestraft met bovengemelde boete of hechtenis van ten hoogste vier maanden. (Verg. Inv. 11b.)

Het voer- of vaartuig waarmede het strafbaar feit of de poging daartoe heeft plaats gehad, wordt met zijn inventaris en zijne lading, voor zoover deze uit de in art. 1 bedoelde stoffen en hare verpakking bestaat, bij ontdekking van een dier strafbare feiten in beslag genomen. Voor zoover een en ander niet op last der in art. 4 genoemde ambtenaren naar buiten \'s lands is vervoerd, worden, in geval van veroordeeling, de ver-

981

-ocr page 1100-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

giftige stolfen waarmede het voer- of vaartuig beladen is, en hare verpakking verbeurd verklaard, üe regter kan, in hetzelfde geval, het voer- of vaartuig met zijn inventaris mede verbeurd verklaren. Tevens kan bij vonnis de vernietiging of onschadelijkmaking van de in beslag genomen voorwerpen worden bevolen, voor zoover dit in het belang der openbare gezondheid gevorderd wordt.

E. Art. 2 der Wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 81), omtrent het vervoer, den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 19 j0. 11 der Invoeringswet. Overtreding van Onze krachtens art. 1 dezer wet uit te vaardigen besluiten wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zes honderd^gulden — of hechtenis van ten hoogste een jaar.

Art. 3, lid e. In geval van veroordeeling kunnen de in beslag genomen stoffen met hare verpakking, en zoo het feit door den vervoerder is gepleegd, ook het voertuig of vaartuig met zijnen inventaris door den rechter worden verbeurd verklaard.

Art. 8. Indien tijdens het plegen van het strafbare feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden kunnen de in art. 2 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd.

S. Art. 2 der Wet van 28 Februari 1891 (Stb. n0. 09), tot vaststelling van bepalingen belreffende \'s Rijks ivaterstaatswerken. (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

T. Art. 19 der Veiligheidswet. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

a. overtreding van een der artikelen 8,11,\'12,1ste lid, 13, 1ste lid, en 27;

b. overtreding van eene dor bepalingen van eenen algemeenen maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6 of artikel 7;

c. het niet voldoen aan een voorschrift kracluens eenen algemeenen maatregel van bestuur uitgevaardigd ingevolge artikel 7.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene overtreding als hiervoor sub a, b of c genoemd, onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Art. 20. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft het hoofd of de bestuurder van eene fabriek of werkplaats, die eene onjuiste opgave doet van het in artikel 13 voorgeschrevene.

Art. 24. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten.

982

-ocr page 1101-

BOEK III, TITEL I, ART. 429.

strafbaar gesteld by het tweede en derde lid van art. 23, die als misdrijven worden beschouwd. (Sr. 273E.) ü. Art. 29 der Stoomwet. De gebruiker van eenstoom-toestel wordt gestraft:

a. met hechtenis van ten hoogste zes maamden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij dat stoomtoestel in werking heeft, zonder aan den bevoegden ambtenaar op diens vordering het schriftelijk bewijs der in artikel 4 bedoelde vergunning te toonen; indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen akte, wordt eene geldboete opgelegd van ten hoogste drie gulden;

b. met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij in strijd handelt met de in de akte vermelde voorwaarden ;

c. met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, zoo hij niet nakomt eene der verplichtingen hem bij artikel 24 opgelegd.

Art. 30. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

a. de gebruiker van een stoomtoestel waarvoor eene akte van vergunning uitgereikt is en hetwelk of welks toebehooren niet beantwoordt aan een der eischen bedoeld in artikel 6, sub b, en bepaald bij een ingevolge der aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur;

b. hij die niet in acht neemt eene der verplichtingen bedoeld in artikel 21, sub a, en hem opgelegd bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur.

Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden, wordt gestraft de gebruiker van een stoomtoestel, die niet in acht neemt eene der verplichtingen, bedoeld in artikel 21, sub b, en hem opgelegd bij een ingevolge den aanhef van dat artikel uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur.

Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van artikel 17.

Art. 31. Indien tijdens het plegen van eene overtreding van deze wet of van een ingevolge deze wet uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur nog , geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens ee«e dezer overtredingen, onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

Art. 33. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van

983

-ocr page 1102-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

artikel 32, die als misdrijven worden beschouwd. (Sr. 273F.)

V. Art. 3 der Wet van 2 April 1898 (Stb. n0. 79),/iow-dende bepalingen tot wering van voor den land-, tuin-of boschbouw schadelijke dieren en va7i plantenziekten. Overtreding van de krachtens deze wet vast te stellen bepalingen weiden gestraft met geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden of hechtenis van ten hoogste eene maand.

Art. 4. Roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en kunnen door den rechter bij veroordeeling worden verbeurd verklaard en, voor zooveel ter wering van voor den land-, tuin-of boschbouw schadelijke dieren of van plantenziekten noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uit hoofde van gevaar voor den land-, tuin- of boschbouw niet ter bewaring geschikt zijn, worden zij, na te zijn gewaardeerd op de wijze in artikel 5 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den ontvanger der accijnzen in bewaring gegeven. Zij wordt in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd, en in geval van veroordeeling in \'s Rijks schatkist gestort.

Is in de gevallen bij het vorig lid bedoeld de eigenaar niet in het Rijk te vinden of wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan wordt de bedoelde geldsom in de kas der gerechtelijke en vrijwillige con-signatiën gestort. Voor het overbrengen der gelden naar die kas zijn de vormen, voorgeschreven bij artikel 1442 van het Burgerlijk Wetboek, niet toepasselijk.

De rechthebbende kan zich gedurende vijf jaren na de consignatie, aan de consignatiekas aanmelden, om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in consignatie gekort.

Na verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in dit geval ten laste van het Rijk.

Art. 7. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

T I T E L I I.

Overtredingen betreffende de openbare orde.

430. Hij die zonder verlof van het bevoegd gezag eene opneming doet, eene teekening of beschrijvhig maakt van eenig militair werk, of die openbaarmaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete

984

-ocr page 1103-

BOEK III, TITEL I EN II, ARTT. 430—436.

van ten hoogste driehonderd gulden. (Loi 10 Juillet 1791,1, a. 41. — Sr. 44, 98, 100 n°. 2, 102^ n». 2, 272, 463.)

431. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord. (C. P. 479 n0. 8. — Sr. 142.)

432. a) Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen wordt gestraft:

1°. als schuldig aan bedelarij, hij die in het openbaar bedelt;

2°. als schuldig aan landlooperij, hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft. (C. P. 269 v.; Stb. 1854 n0. 102, a. 19.)

433. Bedelarij of landlooperij, gepleegd door drie of meer personen boven den leeftijd van zestien jaren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden. (C. P. 269 v.; Stb. 1854 n». 102, a. 19.)

434. De schuldige aan eene der in de beide vorige artikelen omschreven overtredingen kan bovendien, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste drie jaren. (G. P. 269 v.; Stb. 1854 n«. 102, a. 19. — Sr. 32; Inv. 5.)

435. Met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft;

1°. hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een Neder-landschen adelijken titel voert of een Nederlandsch ordeteeken draagt;

2°. hij die zonder \'sKonings verlof, waar dit vereiseht wordt, een vreemd ordeteeken, titel, rang of waardigheid aanneemt;

3quot;. hij die, door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valschen naam opgeeft. (C. P. 259. — G. 65-67.)

436. Hij die, niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die, toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen zijnen bevoegd-

a) De artt. 432—434 zijn gewijzigd bij art. lü der Wet van lö Januari 1880 (Stb. no. (i). Zij luidden oorspronkelijk:

Art. 432. Hij die in het openbaar bedelt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen.

Art. \'133. Bedelarij door drie of meer vereeuigde personen boven den leeftijd van zestien jaren, wordt gestraft met hechtenis van teu hoogste drie maanden.

Art, 431. Indien tijdens het plegen van eene der in de beide vorige artikelen omschreven overtredingen nog geen jaar is ver-loopen, sedert de schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is veroordeeld, kan de straf met een derde worden verhoogd en de schuldige zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in\' eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste drie jaren.

985

-ocr page 1104-

WETBOKK VAN STRAFI\'.KCIIT.

heid overschrijdt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, in het geval van het eerste lid hechtenis van ten hoogste twee maanden, in het geval van het tweede lid hechtenis van ten hoogste eene maand worden opgelegd.

437. De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, uitdrager, winkelhoudende opkooper of tagrijn, die geen doorloopend register houdt of in dat register geene aan-teekening houdt van alle door hem gekochte goederen, of daarin niet vermeldt den koopprijs, de namen en woonplaatsen der verkoopers, of die nalaat dat register op aanvrage te vertoonen aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere voroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste zes dagen worden opgelegd. (Stb. 1B52 n®. 178, a, 37. — Sr. 439 n». 2.)

438. Hij die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen en geen doorloopend register houdt, of nalaat in dat register aan te teekenen of te doen aanteekenen de namen, beroep of betrekking, woonplaats, dag van aankomst en van vertrek van de personen die een nacht in zijn huis hebben doorgebracht, of die nalaat dat register op aanvrage te vertoonen aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste zes dagen worden opgelegd. (C. P. 475 nquot;. 2.)

439. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden worat gestraft:

1°. hij die van een krijgsman beneden den rang van officier goederen behoorende tot de klceding, uitrusting of wapening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt, in pand, gebruik of bewaring neemt, of zoodanige goederen voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, zonder schriftelijke vergunning door of vanwege den bevelvoerenden officier afgegeven; (Sv. 253 n0. 5.— Sr. 416.)

986

2°. de koopman die, eene gewoonte makende van het koopen van zoodanige goederen, de bij algemeenen

a) Gewijzigd bij .art. 1 der Wet van 15 Januari 188f» (\'Stb. no. 6). Zie de noot op art. 1246.

-ocr page 1105-

HOEK m, TITEL II, AH TT. 437—442.

maatregel van inwendig bestuur gegeven voorschriften omtrent liet daarvan te houden register niet naleeft. (Stb. i888 n». 87. — Sr. 437.)

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, et) kunnen de straffen worden verdubbeld. (Stb. 1859 n0. 44.)

440. Hij die drukwerken of stukken metaal in een vorm die ze op munt- of bankpapier of op muntspecien doet gelijken, vervaardigt, verspreidt of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

De voorwerpen waarmede de overtreding plaats heeft, kunnen worden verbeurdverklaard.

441. Ingetrokken hij art. 2 der loet ter invoering van de Faillissementswet. b)

442. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft:

1°. hij die, surséance van betaling verzoclit of verkregen hebbende, eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd;

2°. de bestuurder of commissaiis eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting welke surséance van betaling verzocht of verkregen heeft, die eigenmachtig daden verricht, waartoe do medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd. (F. 213.)

Gewijzigd hij art. 6 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. c)

A. Art. 6 en 7 der Wet van I AfaarHSlS (Stb. n0. 21), houdende voorschriften ter viering der dagen aan de openbare Christelijke Godsdienst toegeivijd, gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0. 3 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

B. Art. 9, 12 en 13 der Wet van 10 September 1853 (Sib. n0. 1C2), tot regeling van het toezigt op de onderscheidene Kerkgenootschappen, gehandhaafd en ge-

ti) Zie vorige ncot.

h) Het luidde: Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft:

lo. hij die in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichting tót aangifte dat hij heefc opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd;

2o. de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichting tot aangifte dat de vennootschap of vereeniging heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd. (Verg. K. (oud) 7C5.)

lt;•) Oorspronkelijk werden in no. 1, in plaats van de woorden: „vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting,\'* gelezen de woorden : „naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging.quot;

087

-ocr page 1106-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

wijzigd hij art. 10 n0. 10 en 11 der Invoeringswet, (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

C. Art. 23 der Wet van 22 April 4855 (Stb. n®. 32), Jof regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering, gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n®. 13 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

D. Art. 27 der Wet van 15 April 1891 (Stb. n®. 87), tot regeling der brievenposterij. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

1®. hij die brieven vervoert in strijd met artikel 2 dezer wet.

Indien de overtreding is gepleegd door een ondernemer van een openbaar middel van vervoer, een bestuurder van eene onderneming tot exploitatie van een openbaar middel van vervoer, of een persoon in dienst van den ondernemer of de onderneming, kan geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden worden opgelegd.

Alle vervoer, bijeenverzameling of bestelling van brieven, door een der personen in de vorige zinsnede bedoeld, wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, gerekend tegen genot van vracht te geschieden, tenzij het betreft de papieren, betrekking hebbende op de onderneming;

2°. hij die in dienst der posterijen zijnde, stukken vervoert ten behoeve van anderen dan den Staat, hem zeiven of personen tot zijn huisgezin behoorende;

3°. hij die in stukken, waarvoor overeenkomstig artikel 24 vrijstelling van port is toegestaan, opneemt of insluit mededeelingen of voorwerpen, die niet betreffen den openbaren dienst;

4°. hij die, niet in dienst der posterijen zijnde, gesloten brieven, niet afkomstig van één afzender of van personen behoorende tot één huisgezin, onder één omslag vereenigd of op andere wijze bijeengevoegd, door den dienst der posterijen, buiten den kring van één post-of hulpkantoor doet vervoeren.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens gelijke overtreding, onherroepelijk is geworden, kan in plaats van geldboete, hechtenis van ten hoogste één maand en, in het geval van het 2e lid van nquot;. 1, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

Art. 29. De strafbare feiten in deze wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen.

E. Art. 23 der Wet van 1 Juni 1861 (Stb. n°. 53), houdende bepalingen omtrent den doortogt en het vervoer van landverhuizers, gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1869 (Stb n®. 124), gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n®. 16 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van het \'1ste lid der artt. 7 en 17 wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf honderd gulden;

van het 2de lid van art. 7, ook wanneer zij gepleegd

988

-ocr page 1107-

BOEK III, TITEL II, ART. 442.

wordt door de personen, bij art. 17 bedoeld, en van art. 16, met eene boete van ten hoogste vijf en twintig gulden voor iederen dag verzuim;

van de artt. 9, 18 en 22 met eene boete van ten hoogste honderd gulden;

van art. 20 met eene boete van ten hoogste honderd gulden voor iederen landverhuizer, van wien belooning is gevorderd;

van art. 21 met eene boete van ten hoogste honderd gulden voor iederen landverhuizer, wien het verkochte biljet geldt, of een biljet is aangeboden.

F. Art. 49, lid a en b, der Wet van 1 Juni 1865 (Stb. n0. 60), regelende de uitoefening der geneeskunst, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 nquot;. 18 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van andere voorschriften dezer wet en het verzuim van kennisgeving aan den inspecteur binnen 24 uren door den geneeskundige van het verrigten eener kunstbewerking, waartoe hij niet dan in geval van nood, bevoegd is, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste tweehonderd gulden.

Bij herhaling van dezelfde overtreding binnen twee jaren nadat de eerste veroordeeling onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald kan de boete tot vijfhonderd gulden gebragt of eene hechtenis van ten hoogste een jaar opgelegd worden.

(J. Art. 31, lid a en b, der Wet van 1 Juni 1865 (Stb. n0. 61), regelende de uitoefening der artsenij-bereidkunst, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 19 en 11 der Invoeringswet. Elke overtreding van de voorschriften dezer wet (behalve die van art. 1, die van art. 12 tweede lid, voor zoover afschriften door regterlijke of geneeskundige ambtenaren gevraagd worden, die van art. 19 en die van art. 25) wordt gestraft met eene boete van ten hoogste tweehonderd gulden. In geval van herhaling derzelfde overtreding binnen twee jaren nadat de eerste veroordeeling onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald kan de boete tot driehonderd gulden gebragt of hechtenis opgelegd worden voor den tijd van ten hoogste één jaar.

Art. 32, lid a, b en c. Voor elk geneesmiddel dat bij het onderzoek volgens artt. 26 en 27 ondeugdelijk wordt bevonden, en voor elk geneesmiddel, dat volgens art. 4 van deze wet en art. 9 van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, voorhanden moet zijn, doch ontbreekt, wordt eene boete van ten hoogste drie gulden opgelegd.

Wanneer bij hervisitatie het ontbrekende niet is aangevuld, of de niet-deugdelijke geneesmiddelen niet door deugdelijke zijn vervangen, wordt deze boete verdubbeld.

Wanneer bij een derde onderzoek, onder inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van art. 26,

989

-ocr page 1108-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

de toestand der apotheek nog onvoldoende wordt bevonden, wordt de apotheker gestraft met eene boete van ten hoogste zeshonderd gulden of hechtenis voor den tijd van ten hoogste een jaar.

H. Art. 36 nquot;. 3, 37 en 38 der Wet van 27 April 1884 (Stb. n0. 96), tot regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 46 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

I. Art. 9, lid b, der Wet van 24 Juni 1876 (Stb. n0.117), houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 35 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van art. 8 wordt gestraft met eene boete van ten hoogste honderd gulden.

J. Art. 14 der Wet van 28 Juli 1885 (Stb. n0. 142), tot regeling der Staatsloterij, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 47 en 11 der Invoeringswet. Hij die, zonder daartoe volgens deze wet bevaegd te zijn, zijn bedrijf maakt van het verkoopen of uitgeven van loten of gedeelten van loten, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit neg geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere varoordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

Art. 15. De collecteur of debitant, die handelt in strijd met art. 9, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste ééne maand worden opgelegd.

De loten of gedeelten van loten, waarmede het feit gepleegd is, worden verbeurd verklaard.

Art. 19. De collecteur, die de bij art. 13 bedoelde registers niet overeenkomstig de daar bedoelde voorschriften bijhoudt of die de bij dat artikel bedoelde inzage weigert, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis, van ten hoogste zes dagen worden opgelegd.

990

K. Art. 9 der Wet van 23 April 1880 (Stb. n0. 67), betreffende de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 41 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lij -t.)

a) Zie de noot op art. U2K.

-ocr page 1109-

BOEK III, TITEL U, ART. 442.

L. Art. 65 der Wet van 21 April 1876 (Stb. n®. 102), houdende regcliny van het hooger onderwijs, zooals het nader is vastgesteld bij art. i der Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 107), gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n#. 34 en 11 der Invoeringswet. Hij die zonder daartoe geregtigi te zijn eens of meermalen het onderwijs aan eene Rijks-universiteit bijwoont, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste tweehonderdvijftig gulden, voor de eerste maal, bij herhaling met eene geldboete van ten hoogste driehonderd gulden en vervolgens telkens met een geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden.

Art. 102, lid a. Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 en 101, wordt gestraft mot eene boete van ten hoogste vijfentwintig gulden en bij herhaling van ten hoogste honderd gulden. Bij de derde overtreding wordt bovendien bij regterlijk vonnis de sluiting der school bevolen.

M. Art. 22, lid a, der Wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227), lot regeling der Coöperatieve vereeni-gingen, gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0. 37 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

N. Art. 28 n0. 1, der IVef i;a)j 7 y4pri7 1869 (Stb. n®. 57), gewijzigd bij de Wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 96), betreffende de maten, gewigten enz., gehandhaafd en gewijzigd, bij art. 10 nquot;. 22 en 11 der Invoeringswet. Met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden of hechtenis van ten hoogste zeven dagen, wordt gestraft:

1°. het gebruiken, bezitten, of voorhanden hebben van valsche maten, gewigten, meet- of weegwerktuigen op de plaatsen, vermeld in het eerste lid van art. 11, onverminderd de zwaardere straffen, toepasselijk wanneer bedriegelijke benadeeling door middel van die voorwerpen heeft plaats gehad.

Art. 29. Met eene geldboete van ten hoogste twintig gulden wordt gestraft:

1°. liet gebruiken, bezitten of voorhanden hebben van andere dan wettelijke maten, gewigten, weeg werk tuigen en gasmeters op de plaatsen, vermeld in het eerste lid van art. 11;

2°. het hebben van bijzondere merkteekenen op de maten, met het doel om bij andere dan wettelijke maten te verkoopen;

3°. het gebruiken, bezitten of voorhanden hebben op de plaatsen, vermeld in het eerste lid van art. 11, van maten, gewigten, meet- of weegwerktuigen, voorzien van het afkeuringsmerk, vermeld in het tweede lid van art. 20, of niet voorzien van de vereischte stempel-merken.

Art. 31. Met eene geldboete van ten hoogste tien gulden wordt gestraft:

991

-ocr page 1110-

992 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

het gebruik van maten, gewigten, meet- of weegwerktuigen op de plaatsen, vermeld in het eerste lid van art. 11, in strijd met het voorschrift in art. 15, lit. b.

De geldboete kan tot honderd gulden gaan, wanneer gebruik gemaakt wordt van een gasmeter, in strijd met het voorschrift in art. 15, lit. b.

Art. 32. Met eene geldboete van ten hoogste vijf gulden wordt gestraft:

het doen van aankondigingen in strijd met het voorschrift van art. 10.

Art. 33. Zie art. 62B.

Art. 34. Zie art. 34B.

Art. 35. Wanneer voorwerpen, bedoeld in art. 6, eenen valschen inhoud aanwijzen, worden zij met valschc maten gelijk gesteld.

O- Art. 10 der Wel van 28 Maart 1877 (Stb. n0. 43), tot vervanging der koperen door bromen pasmunt, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 39 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van de bepalingen der art. 8 en 9 wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens dezelfde overtreding onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald, kan die geldboete tot vijfhonderd gulden worden verhoogd.

P. Art. 40, 41, aanhef en nos. 1—11, 43, aanhef en nos. 2, 3, 4, 7 der van 10 ^priH869 (Stb. nquot;. 65), tot vaststelling van bepalingen betredende het begraven van lijken, enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art.\\0 n#. 23, 11 en 19 der/nvomngfswrf. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

Q. Art. 20, 40, 41 der Wet van 13 Juni 1857 (Stb. n0. 87), lot regeling der jagt en visscherij, gehandhaafd en geivijzigd bij art. 10 n0. 14 en 11 der Invoeringswet, alsmede art. 10 dier Wet, in verband met art. 2 der Wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 61). (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

R. Art. 6 der Wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 89), tot bescherming der diersoorten, nuttig voor landbouw of houtteelt, gehandhaafd eyi gewijzigd bij art. 10 n0. 42 en 11 der Tnvoeringswet. Behoudens de uitzonderingen in de drie voorgaande artikelen aangewezen, wordt overtreding van de artt. 1 en 2 gestraft met geldboete van vijftig cents tot twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geene twee jaren verloopen zijn sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van hetzelfde artikel dezer wet onherroepelijk is geworden, a) wordt

«) Deze wijziging wordt in art. 10 no. 42 der Invoeringswet uitdrukkelijk aldus geformuleerd, zonder bijvoeging der woorden „of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald.quot; De

-ocr page 1111-

BOEK III, TITEL II, ART. 442.

het maximum der boete verdubbeld en kan in plaats van de boete hechtenis van ten minste een dag en ten hoogste zeven dagen worden opgelegd.

S. Art. 7 der Wet van 23 Juni 1889 (Stb. n0. 82), houdende bepalingen tot voorkoming van bedrog in den boterhandel. Overtreding van eene der bepalingen van artikel 2 dezer wet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of eene geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden, en indien tijdens het plegen van. het feit nog geen jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van eene der bepalingen dezer wet onherroepelijk is geworden, met hechtenis van ten hoogste vier maanden of eene geldboete van ten hoogste vierhonderd gulden.

Niet strafbaar is hij, die in geval van overtreding van artikel 2, eerste lid, bewijst, dat de waar, waarmede de overtreding gepleegd is, door hem te goeder trouw voor boter werd gehouden.

Art 8. Bij veroordeeling kan door den rechter openbaarmaking op kosten van den veroordeelde worden gelast van de rechterlijke uitspraak of van een uittreksel daarvan. (Sr. 36.)

Art. 9. De feiten bij deze wet strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen.

T. Art. 2 der Wet van 26 October 1889 (Stb. n0.135), tot vaststelling van bepalingen tegen het visschen door opvarenden van vreemde vaartuigen in de territoriale wateren van hel Rijk. Indien in strijd met artikel 1 van boord van een vreemd vaartuig in de in dat artikel bedoelde territoriale wateren van het Rijk netten worden uitgeworpen of opgehaald of gevischt wordt, op welke wijze ook, wordt de gezagvoerder of die dezen vervangt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Het vischtnig waarmede de overtreding wordt gepleegd, kan worden verbeurdverklaard.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de geldboete met een derde worden verhoogd.

Het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid van artikel 23 Wetboek van Strafrecht is ten deze niet van toepassing, ingeval is gehandeld overeenkomstig het eerste lid van artikel 4 dezer wet.

Art. 8. Het strafbare feit bij deze wet voorzien wordt beschouwd als overtreding.

993

Met de vervolging daarvan is belast de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht, tot

algemcone wijzigingstciialiiig van art. Uf blijft mitsdien buiten toepassing, terwijl de toepasselijkheid van art. 74e van het Wetboek van Strafroclit door art. 1U aanhef van de Invoeringswet is uitgesloten.

(33

-ocr page 1112-

WKTBOEK VAN STRAFRECHT.

welks rechtsgebied de haven behoort waar het schip werd opgebracht.

Heeft geene opbrenging plaats gehad, dan zijn de artt. 22 en 24öis van het Wetboek van Strafvordering ten deze toepasselijk.

U- Art. 2 der Wet van 9 Mei 1890 (Stb. n0. 81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

V. Art. 41 der Wet van 13 Juli 1895 (Stb. nquot;. 113), houdende bepalingen omtrent verveningen. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

TITEL III.

Overtredingen betreffende het openbaar gezag.

443. Hij die een algemeen voorschrift van politie, krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden door | den burgemeester of den commissaris des Konings in de provincie uitgevaardigd en afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (Gem.w., a. 187.)

444. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig gulden. (Rv. 116a, 215; Sv. (oud) 51, 66a, 177b, 253 n0. 2; Stb. 1850 n0. 45, a. 12, 14; Onteigen.w., a. 33, zie chron. lijst; Militiew., a. 186.— B. 1946; F. 66, 221 n0. 2; Rv. 101 v., 105 v., 182, 188, 199 v.; Sv. 52a, 66, 166, 176, 187,281, 283 v.; Schutterijw., a. 70; Stb- 1850 n0. 45, a. 3 v.; Militiew., a. 80, 89, 101; Stb. 1890 n0. 1, a. 10; Regtspl v. d. Zeemagt 66 v., 78, 86 v., 154; Regtspl. v. d. Landmagt 87 v., 99, 107; Prov. Instr. H. Mil. Ger. 76.)

A. Art. 70 der Wet van 11 April 1827 (Stb. n0. 17), houdende oprigting van schutterijen, gehandhaafd bij art. 10 n0. 4 der Invoeringsivet. Leden der schutterij, die, voor den schuttersraad opgeroepen zijnde om getuigenis der waarheid te geven, zonder wettige reden, niet verschijnen op den bepaalden tijd, welke dezelfde zal moeten zijn als die in het laatstvoorgaande artikel vermeld, zullen voor de eerste maal door den raad verwezen worden tot geldboete; voor de tweede maal niet voldoende aan de oproeping, zullen zij door den bode van den schuttersraad, op een schriftelijk bevel van medebrenging, door dien raad afgegeven, voor denzelven worden gebragt, onverminderd de toepassing van dezelfde boete voor eene tweede maal, welke echter de som van zes gulden niet zal mogen te boven gaan.

Indien de opgeroepene getuigen geene leden der schutterij zijn, zal er te dezen opzigte gehandeld worden overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de regtspleging bij de landmagt, bij Ons besluit van 20 Juli 1814 gearresteerd, en wel in den tweeden titel, het tweede hoofdstuk, artt. 92 tot 98 is voorgeschreven.

445. Hij die, in zaken van minderjarigen of van onder

994

-ocr page 1113-

BOEK III, TITEL III, ARTT. 443—447.

curateele te stellen of gestelde personen, of van hen die in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen, als bloedverwant, aangehuwde, echtgenoot, voogd of toeziende voogd, curator of toeziende curator, voor den rechter geroepen om te worden gehoord, noch in persoon, noch, waar dit is toegelaten, door tusschenkomst van een gemachtigde verschijnt, zonder geldige reden van verschooning, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig gulden. (B. 389d, j0. Stb. 1876 n®. 195, a. 2; B. 5ö6b; Krankz.w., a. 39. — B. 95,98, 388, 389, 506; Krankz.w., a. 17c, 33d. Zie chron. lijst.)

446. Hij die, bij het bestaan van gevaar voor de alge-meene veiligheid van personen of goederen of bij ontdekking van een misdrijf op heeter daad, het hulpbetoon weigert dat de openbare macht van hem vordert en waartoe hij, zonder zich aan dadelijk gevaar bloot te stellen, in staat is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (C. P. 475 n0. 12. — Sr. 136, 157 v., 414, 450, 474; Sv. 39 v.)

447. Hij die eene bekendmaking, van wege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden. (Sr. 187.)

A. Art. 11, lid a, der Wet van 28 Juni 1854 (Stb. n0.100), tot regeling van het armbestuur, gewijzigd door de Wet van 1 Juni 1870 (Stb. n0. 85), gehandhaafd en gewijzigd bij art 10 nquot;. 12 en 11 der Invoeringswet. De bestuurders die niet voldoen aan het voorschrift van art. 10, worden elk met geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden gestraft.

Art. 12, lid a en b. De besturen der kerkelijke, gemengde en bijzondere instellingen van weldadigheid moeten, des gevraagd, aan de burgerlijke besturen opgeven, of een arme, die zich bij een burgerlijk bestuur heeft aangemeld, van hen al dan niet onderstand kan erlangen.

De bestuurders, die deze opgaven niet doen binnen veertien dagen na de aanvraag, worden elk met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden gestraft.

B- Art. 183 der Wet van 19 Augustus(Stb n0.72), op de nationale militie, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n®. 17 en 11 der Invoeringswet Met boete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft de overtreding van de artt. 18 en 24.

Art. 184. Met boete van ten hoogste honderd gulden of hechtenis van ten hoogste ééne maand, wordt gestraft:

1°. hij, die niet overeenkomstig art. 57 voor den burgemeester of Gedeputeerde Staten is verschenen;

2°. hij, die niet aan de oproeping, bedoeld in de artt. 73, 111 en 174, heeft voldaan.

C. Art. 3 der Wet van 6 April 1869 (Stb. n0. 39), houdende intrekking der wetten van 29 Floréaljaar X en 7 Ventóso jaar XII (Vervoer van vrachten op de landwegen), gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 21 en 11 der Invoeringswet. Het vervoer van vrachten bij invallend dooiweder kan tijdelijk op de

995

-ocr page 1114-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

wegen, in onderhoud bij het Rijk, door de Commissarissen des Konings in de provinciën, op voordragt van den betrokken hoofdingenieur van den waterstaat, worden verboden of beperkt.

Overtreding van de bepalingen, krachtens het eerste lid van dit artikel door de Commissarissen des Konings uitgevaardigd, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijf en twintig gulden, onverminderd de ver-pligting der overtreders tot vergoeding der aan de wegen toegebrachte schade.

D. Art. 9, lid a, der Wet van 17 Augustus 1878 (Stb n0. 127), tot regeling van het lager onderwijs, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 40 en 11 der Invoeringsivet. Hij, die in strijd met het voorschrift van art. 5 schoolonderwijs geeft in een afgekeurd lokaal, of die, als hoofd der school, daarin kweekelingen toelaat anders dan op den voet, bij het voorgaand artikel bepaald, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden voor de eerste maal; bij herhaling met eene boete van ten hoogste honderd gulden of hechtenis van ten hoogste veertien dagen, en vervolgens telkens met hechtenis van ten hoogste een jaar.

E. Artt. 5, 6 en 18c der Wel van 20 Juli 1895 (Stb. W\'AZQ), tot uitvoering van art.\\§\\ der Grondwet. (Zie deze Wet hierachter in de chron lijst.)

F. Art. 30c der Sloonnvel. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van art. 17.

Art. 31 en 33, zie Sr. 429V.

G. Art. 152 der Kieswet. Hij die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd in art. 26, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste drie gulden.

Art. 153. De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet of niet behoorlijk voldoen aan de voorschriften vervat in de artt. 23 en 32, worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 154. Overtreding van de artt. 57 en 58 dezer wet wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van len hoogste vijf en zeventig gulden.

Art. 155. De voorzitter, de leden en de ter vervanging opgeroepen plaatsvervangende leden van het stembureau, die gedurende de stemming buiten noodzaak afwezig zijn, worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 156. De kiezer die niet voldoet aan de bij art. 81 opgelegde verplichting tot teruggave van het stembiljet wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste drie honderd gulden of hechtenis van ten hoogste twaalf dagen.

Art. 157. De in de artt. 149, 150 en 151 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, die in de artt. 152, 153, 154, 155 en 156 bedoeld, worden als overtredingen beschouwd. (Sr. 235A.)

H. Art. 41 der Wet op dc kamers van arbeid. Over-

996

-ocr page 1115-

BOEK Iir, TITEL III, IV, V EN VI, ARTT. 448—451. 997

treding van art. 17 of 18 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Art. 42. Hij die wederrechtelijk niet voldoet aan eene hem in eenigen krachtens deze wet uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur opgelegde verplichting, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Art. 43. Als misdrijven worden beschouwd de in de artt. 39 en 40, als overtredingen de in de artt. 41 en 42 strafbaar gestelde feiten.

TITEL IV.

Overtredingen betreffende den burgerlijken staat.

448. Hij die niet voldoet aan eene wettelijke verplichting tot aangifte aan den ambtenaar van den burgerlijken stand voor de registers van geboorte of overlijden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (C. P. 346, 347.— B. 29, 30, 33, 54, 57.)

449. De bedienaar van den godsdienst die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd. (C. P. 199, 200. — B. 136.)

TITEL V.

Overtreding betreffende hulpbehoevenden.

450. Hij die, getuige van het oogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaat dezen die hulp te verleenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zich zeiven of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verleenen of verschaffen kan, wordt, indien de dood van den hulpbehoevende volgt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 475 n0. 12. — Sr. 414, 446, 474.)

TITEL V 1.

Overtredingen betreffende de zeden.

451. Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft: 1°. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aan-stootelijke liederen zingt;

a) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 388G (Stb. no. 6). Zie de noot op art. 4246.

-ocr page 1116-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

2°. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aan-stootelijke toespraken houdt;

3°. hij die op eene van den openbaren weg zichtbare plaats voor de eerbaarheid aanstootelijke woorden of teekeningen stelt. (Sr. 239.)

452. De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorcnde vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze, in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekendgemaakt met het bedrijf dat in dat huisa) wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogte driehonderd gulden.

453. b) Hij die zich in kenlijken staat van dronkenschap op den openbaron weg bevindt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere vercordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 426 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

Bij tweede herhaling binnen een jaar nadat de eerste veroordeeling wegens herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis van ten hoogste twee weken opgelegd.

Bij derde of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen een jaar nadat de laatste veroordeeling wegens tweede of volgende herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie weken en kan de schuldige daarenboven, zoo hij tot werken in staat is, i.ot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste een jaar. In geval van herhaling van overtreding na te zijn geplaatst geworden in eene rijkswerkinrichting, vangt de termijn van een jaar, bedoeld in de vorige zinsnede, aan op den dag van het ontslag uit de rijkswerkinrichting. (Drankw., a. 2\'2. — Sr. 32, 252, 426.)

454. De verkooper van sterken drank of zijn vervanger die in de uitoefening van het beroep aan een kind beneden

a) Bij art. 12 van de Wet van 15 Januari 1888 (Btb. no. (5) zijn de woorden „in dal huisquot; gesteld in de plaats van het woord „aldaarquot;.

b) Bij art. 3 van do Wet van 15 Januari 188C (Stb. no. G) zijn de drie laatste leden van dit artikel gewijzigd. Zij luidden oorspronkelijk:

„Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen zes maanden zijn verloopen, sedert de schuldige wegens dezelfde of de in art. l-f\' omschreven overtreding onherroepelijk is veroordeeld, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

Bij tweede herhaling binnen een jaar na de eerste veroordeeling wordt hechtenis van ten hoogste twee weken opgelegd.

Bij derde of volgende herhalingen telkens binnen zes maanden na de laatste veroordeeling gepleegd, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie weken en kan de schuldige daarenboven, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichtiiig worden veroordeeld voor ten hoogste een jaar.

998

-ocr page 1117-

BOEK in, TITEf, VI, AFt TT. 452—457.

aan- de zestien jaren sterken drank toedient of verkoopt a), wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geld-bare boete van ten hoogste honderd gulden. (Drankw., a. 17 rden n®. 1. — Sr. 252.)

455. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

1°. hij die door dieren doet trekken of dragen een last

welke kenlijk hunne krachten te boven gaat; 2°. hij die het vervoer door trek- of lastdieren doet plaats hebben op eene noodeloos pijnlijke of kwellende wijze; 3°. hij die dieren vervoert op eene noodeloos pijnlijke of

kwellende wijze.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding of wegens het in artikel 254 omschreven misdrijf onherroepelijk is geworden, b) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd. (Sr. 254.)

456. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden wordt gestraft:

1°. hij die een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, opricht of houdt of in de onderneming daarvan deelneemt;

2°. hij die in zoodanig huis van hazardspel als bankier

of opzichter over het spel werkzaam is;

3°. hij die tot het houden van zoodanig huis van hazardspel eene plaats verstrekt. (C. P. 410.)

457. Met geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt gestraft:

1°. hij die in een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, aan het spel deelneemt; 2°. hij die, zonder verlof van den burgemeester, gelegenheid geeft tot het houden van hazardspel op den openbaren weg.

999

A. Art. i der Wet van 22 Juli 1814 (Stb. nquot;. 86),/iow-dende verbod van alle vreemde of particuliere loterijen. gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0. 2 der Invoeringswet. Niemand binnen de Vereenigde Nederlanden zal vermogen aan te leggen, of aangelegd zijnde, te continueren, eenigerhande particuliere Loterijen van kontante penningen, roerende of onroerende goederen, effecten of waren van wat aard, natuur, waarde of importantie die ook zouden mogen wezen, wordende hieronder wel expresselijk begrepen alle zoogenaamde verkoopingen bij verdeeling, kansreederijen,

a) De woorden „of verkooptquot; zijn bij art. 3 der Wet van 15 Januari 1886 (Stb. no. 6) bijgevoegd.

h) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 188G (Stb. no. 6). Zie de noot op art. 4246.

£

-ocr page 1118-

_L-

Loterijen op Loterijen, alsmede alle negotie-Loterijen; d

met dien verstande nogtans, dat hierdoor niet worden bi

gerekend verboden te zijn zoodanige negotiatien, waarbij e

premien worden uitgeloofd, welke ten behoeven van steden, d

plaatsen ol\'korporatien, op daartoe, door Ons te verleenen v

konsenten, zullen kunnen plaats hebben, des nogtans, dat g

bij dezelven wel premien, boven de algemeene som van ( den inleg te genieten, doch in geene gevallen eenige

nieten of prijzen, die de uitgave minder dan den inleg \\

zouden doen bedragen, zullen worden worden gedoogd, a) \\

Insgelijks zal niemand binnen deze landen vermogen i te collecteren of doen collecteren voor Loterijen buiten

dezelve aangelegd, directelijk of indirectelijk, \'t zij met 1

inschrijvingen aan te nemen, of aandeelen, of verband- ;

brieven daarop uit te geven, of onder welke benaming (

zulks ook zoude mogen wezen, op eene boete van ten C-hoogste een honderd gulden voor dengene die zoodanige loterij aanlegt, continueert, collecteert of doet collecteren,

welke boete bij herhaalde overtreding, telkens zal worden verdubbeld; zullende daarenboven het ingelegde geld worden geconfiskeerd.

Art. 5. Onder de bepalingen in art. i vermeld, zijn echter niet begrepen onderhandsche loterijen vanslagt-vee, meubilaire goederen, boeken, liefhebberijen, zijden of andere stoffen, kleederen of dergelijke objecten, alle

beneden de waarde van honderd guldens ; zullende echter 41

de stedelijke of gemeentebesturen verpligt zijn zorg uitv

te dragen, dat daarvan geen misbruik worde gemaakt, groi

terwijl Wij voor het overige aan Ons wel expresselijk geld

reserveren, om op speciale verzoeken, daartoe door de 4

belanghebbenden aan Ons te doen, in bijzondere ge- loof

vallen permissie te geven tot het doen aanleggen van of 1

loterijen van zoodanigen aard, wanneer de goederen plai

welke men begeeren mogt te verloten, meerder mogten gen

waardig zijn dan honderd guldens. vijf

B. Art. 17 der Arbeidswet. Overtreding van een der 4

bepalingen dezer wet, — behalve die van art. 5, 3de eer

lid, door den burgemeester, die van art. 14 en art. IC bez

door een in die artikelen bedoelden ambtenaar, en die van dui

art. 20, — van een der bepalingen van de algemeene we

maatregelen van bestuur, overeenkomstig art. 4, art. 5 hoi

of art. 7 dezer wet uitgevaardigd, alsmede van een der (

voorwaarden, waaronder wijziging of vernindering van eei

den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 bli;

dezer wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis rij(

van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten tei

hoogste vijf en zeventig gulden. StI

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling

van den schuldige wegens gelijke of eene andere over- | treding dezer wet, behalve die van art. 20, of van een

o) Het verbod in liet eerste lid van dit artikel .vroeger gehandhaafd ^ door art. 110 C. P., i?, nu dat artikel door Inv. niet is in stand ge-houden, niet meer door eene strafbepaling gedekt.

-ocr page 1119-

BOEK HI, TITRL Vf, VII EN VIII, ARTT. 458—462. 1001

H--

der bepalingen van de in het vorige lid van dit artikel bedoelde algemeene maatregelen van bestuur of van een der voorwaarden, waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het tweede lid van art. 6 dezer wet is toegestaan, onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld. (Sr. 74c.)

Een afzonderlijke straf wordt opgelegd ten opzichte van eiken persoon met welken of ten aanzien van welken overtreding is gepleegd en voor ieder etmaal in den loop waarvan die overtreding is gepleegd.

Art. 21. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, behalve de fe?ten, strafbaar gesteld bij het tweede en derde lid van art. 20, die als misdrijven worden beschouwd. (Sr. 273 A.)

C. Art. 16, 17, 18, 23 en 27 der Wel mu 28/uni 1881 (Stb. n®. 97), tot regeling van den kleinhandel in sterken drank enz., gewijzigd, bij de Wet van 16 April 1885 (Stb. n0. 1$), gehandhaafd en gewijzigd hij art. \\0 n0. 44 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

TITEL VII.

Overtredingen betreffende de veldpolitie.

458. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zijn niet-uitvliegend pluimgedierte laat loopen in tuinen of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

459. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, vee laat loopen in tuinen, hakbosschen of rijswaarden, op eenig wei-of hooiland of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (G. 1\'. 471 n0. 14, 475 n0. 10.)

460- Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, loopt op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, of gedurende de maanden Mei tot en met October op eenig wei- of hooiland, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden. (Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

461. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, over eens anders grond waarvan de toegang op eene voor hem blijkbare wijze door den rechthebbende is verboden, loopt, rijdt of vee laat loopen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden. (G. P. 471 n0. 13, 475 n0. 9.— Stb. 1890 n®. 127, zie chron. lijst.)

TITEL VIII.

Ambtsovertredingen.

462. De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifte van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zoodanig afschrift of uittreksel uitgeeft alvorens het vonnis behoorlijk is ondertee-

-ocr page 1120-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

kend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogte vijftig gulden. (Rv. 63; Sv. (oud) 2l\\d.)

463. De ambtenaar die zonder verlof van het bevoegd gezag afschrift maakt of uittreksel neemt van geheime regeeringsbescheiden of die openbaar maakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 44, 98, 100 n0. 2, 102Ö n®. 2, 272, 430.)

461. Het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van een rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengesticht, die iemand in het geslicht opneemt of houdt, zonder zich het bevel van de bevoegde macht of de rechterlijke uitspraak te hebben laten vertoonen, of die nalaat van deze opneming en van het bevel of de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijne registers de vereischte inschrijving te doen, wordt gestraft met hechtenis van len hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden. (C. P. 120 j». Sv. (oud) 418. — Sv. 382; Rv. 607; Krankz. w., a. 18, zie chron. lijst; Stb. 1886 n0. 7, a. 11, zie onder Inv. Sr.; Sr. 369.)

465 De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat vóór de voltrekking van een huwelijk zich de bewijsstukken of de verklaringen te laten geven die de burgerlijke wet vordert, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 193, 194. — B. 126—128.) a)

466. De ambtenaar van den burgerlijken stand die in strijd handelt met eenig voorschrift der burgerlijke wet omtrent de registers of de akten van den burgerlijken stand of omtrent de formaliteiten vóór of de voltrekking van een huwelijk, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (B. (oud) 27c, 137. — B. 13 v., quot;105 v, 126 v.) a)

A. Art. 42 der Wet van 10 April 1869 (Stb. n0. 65), tot vaststelling van bepalingen betreffende het hegraven van lijken, enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 23 der Invoeringswet. (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

467. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat eene akte in de registers in te schrijven of eene akte op een los blad schrijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (C. P. 192; B. 16, 27c. — B. 27a en b.)

468. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

1°. de ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert; a)

a) De strafbepalingen van art. Wifi, KiT en 4G8 lo., maar bepaald tot geldboete van ten hoogste honderd gulden, kunnen nu ook worden toegepast op andere bewaarders van de registers van den burgerlijken stand, terwijl alle overtredingen dezer artikelen, alsmede die van art. 465, ter kennisneming van den burgerlijken rechter staan. Zie B. 27o, ff, en 137 (nien-w).

1002

-ocr page 1121-

1

BOEK III, TITEL VIII ARTT. 463—468.

2®. de ambtenaar die nalaat aan den ambtenaar van den burgerlijken stand de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert. (B. 37, 50c, 54, 56 v., 60c, 417.)

A. Art. 13 der Wet mn 28 1843 (Stb. n0. 37),

houdende, vaststelling van den eersten Titel van het Tarief van justitie kosten en salarissen in burgerlijke zaken, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 7 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze Wet hiervoor achter Rv.)

B Art. 7 (Tarief, a. 28) der Wet van 28 Augustus 1843 (Stb. n0. 38), houdende vaststelling van den tweeden Titel van voornoemd Tarief, gehandhaafd hij art. 10 n0. 8 der Invoeringswet. (Zie deze wet hiervoor achter Rv.)

C- Art. 187 n0. 1 en 2 der Wet van 19 Augustus 1861 (Stb. nquot;. 72), op de yiationale militie, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 17 en 11 der Invoeringswet. Met boete van ten hoogste tweehonderd gulden wordt gestraft:

1°. de ambtenaar van den burgerlijken stand, die in strijd handelt met art. 8, 128 of 157;

2°. de ambtenaar, belast met de monstering van scheepsofficieren en scheepsgezellen, of de schipper, die in strijd handelt met art. 8, 129. of de laatste zinsnede van art. 156.

D. Art. 30 der Wet van 7 April 1869 (Stb. n®. 57), betreffende de maten, gewigten, enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n®. 22 en 11 der Invoeringswet. Op de overtreding van art. 7 dezer wet door notarissen is art. 37 der wet van 9 Julij 1842 (Stb. n6. 20) van toepassing.

Geschiedt die overtreding door andere ambtenaren, dan worden deze gestraft met eene geldboete van ten hoogste tien gulden voor elke overtreding. Van deze overtredingen neemt, op de vervolging van hel openbaar ministerie, de burgerlijke regter kennis, overeenkomstig art. 854 van het Wetboek van Burgerlijke Regts vordering.

Secretarissen van openbare besturen en griffiers van regts- en andere collegien zijn alleen in de gevallen in dit artikel bedoeld boetpligtig, wanneer zij tot het opmaken van de in overtreding zijnde stukken hebben medegewerkt. In andere gevallen, waarin het verbod van art. 7 zonder medewerking van secretaris of griffier is overtreden door hoofden, voorzitters of leden van besturen of door regters, zijn deze zelve uitsluitend aansprakelijk.

Evenzeer zijn aansprakelijk voor do overtreding van art. 7 alle onderteekenaren, deskundigen, scheidsmannen, procureurs, deurwaarders en alle andere ambtenaren in dat artikel bedoeld.

1003

-ocr page 1122-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

TITEL IX. (Sr. 7.)

Scheepvaartovertredingen.

469. De schipper van een Nederlandsch schip die vertrekt alvorens de monsterrol is opgemaakt en geteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (K 398 j0. Stb. 1884 n0. 95, a. 1. — Sr. 85a, 86.)

470. De schipper die niet alle door of krachtens wettelijke bepalingen gevorderde scheepspapieren, boeken of bescheiden aan boord heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (Sr. 85a; K. 357.)

471. Met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. de schipper van een Nederlandsch vaartuig die het bij de wet vereischte dagregister of strafregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt of niet vertoont wanneer en waar de wet dit vordert;

2°. de schipper van een Nederlandsch vaartuig die, bij gemis van strafregister, nalaat den rechter de bij de wet gevorderde mededeelingen te doen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtre-dinger. onherroepelijk is geworden, a) kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd. (W. tucht koopv., a. 19b, 2bf, zie chron. lijst. — Sr. 85a; K. 358, 359; W. tucht koopv., a. 12—15, 27, zie chron. lijst.)

472 De schipper van een Nederlandsch vaartuig die niet voldoet aan zijne wettelijke verplichting betreffende de inschrijving en kennisgeving van geboorten of sterfgevallen die gedurende eene zeereis plaats hebben, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (Sr. 85a; B. 35, 36, 60; K. 358 v.)

473. De schipper of schepeling die niet in acht neemt de wettelijke voorschriften vastgesteld tot voorkoming van aanvaring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Stb. 1882 n0. 86, a. 2a, 3ö. — Sr. 85a en c, 169; Stb. 1882 n0. 86, a. 1 j0. Stb. 1897 nquot;. 107; Stb. 1891 n0. 91 jquot;. 1892 n0. 102 enz.)

474. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die nalaat aan vaartuigen, schippers of opvarenden in nood zoodanige hulp te verleenen als waartoe hij bij macht is zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zien zeiven aan ondergang bloot te stellen, wordt gestraft \'.net hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85, 414, 446, 450.)

A. Art. 26, lid a en b, der Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 87), tot regeling der brievenposterij. De gezagvoerders van uit zee komende schepen zijn verplicht de brieven, waarvan het vervoer hun is opgedragen,

«) Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 15 Januari 188G (Stb. no. 6). Zie de noot op art. 424/gt;.

-ocr page 1123-

BOEK III, TITEL IX, ARTT. 469- 474.

zoo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 24 uren, nadat zij eene haven of reede des Rijks hebben aangedaan, af te geven aan den directeur van het naast-bijgelegen postkantoor, tenzij die brieven reeds door een ambtenaar der posterijen zijn opgevraagd en aan hem ter hand gesteld.

Voldoen zij niet aan bovenvermelde verplichting en worden na het verstrijken van den vastgestelden termijn bij hen brieven aan boord gevonden, dan vallen zij in de straf bij art. 27 sub 1 bepaald. (Zie Sr. 442D.)

B. Art. i\'1 der Wet van 20 AwjuslusAamp;öQ (Stb, n0. 93), houdende bepalüigen op de loodsdienst voor zeeschepen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 40 n0.15 en 11 der Invoeringsiuet. Een tot het loodsen niet gereg-tigd persoon, niet behoorende tot de scheepsbemanning, op eenig schip als loods handelende, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste honderd vijftig gulden, of met hechtenis van ten hoogste zes weken, wanneer bewezen wordt, dat vóórgaats op de daarvoor aangewezen posten, in het zeegat of op de rivieren en binnenwateren, een bevoegd loods is te bekomen geweest.

C. Art. 2 der Wet van 2 Januari 1892 (Stb. n0. 11), houdende goedkeuring van de op 4 Mei 1891 te \'s Gravenhage tnsschen Nederland en België gesloten overeenkomst tot wijziging van art. 59 van het reglement, betreffende het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht op de Schelde en de andere daarin genoemde wateren, behoorende bij de op 20 Mei i843 te Antwerpen tnsschen voorzegde Bijken gesloten overeenkomst (Stb. 1843 n0. 45), en strafbaarstelling van de overtredingen in dat artikel bedoeld.

De overtredingen, bedoeld bij art. 59 van het reglement betreffende het loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht op de Schelde, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Art. 3. De strafbare feiten in artikel 2 dezer wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen.

Art. 19 en 20 der Wet van 28 Mei 1869 (Stb. n0.96), betrekkelijk de afgifte van zeebrieven, enz., gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 24 en 11 der Invoeringswet. (Zie deze wet hierachter in de chron. lijst.)

D. Art. 19 der Wet van 28 Maart 1877 (Stb. n0. 35). Zie Sr. 429N.

E. Art. 14 der Wet van 21 Juni 1881 (Stb. n0. 76), houdende bepalingen omtrent de zeevisscherijen, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 43 en 11 der Invoeringswet, en nader gewijzigd bij de Wet van 14 Juni 1890 (Stb. n0. 95). Bij overtreding van het bepaalde in de arü. 2 en 5, wordt de gezagvoerder gestraft met eene boete van ten hoogste vijfenzeventig gulden of hechtenis van ton hoogste zeven dagen.

1005

-ocr page 1124-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Blijkt het, dat de overtreding heeft plaats gehad met medewerking of goedvinden van den eigenaar, van bestuurders der naamlooze vennootschap, aan welke het vaartuig behoort, of van den boekhouder der reederij, dan worden deze gestraft met gelijke straf. (Sr. 47.)

Art. 15. Hij, die tonnen of vaten voorziet van merken, als vroeger van Regeringswege werden gebezigd, om de hoedanigheid van den haring aan te duiden; hij, die haring pakt in deze tonnen of vaten of in tonnen of vaten van vroegere Regeringsmerken voorzien, of daarin gepakten haring verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, of ten verkoop in voorraad heeft, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste duizend gulden.

De visch, tonnen en vaten, waarmede de overtreding is gepleegd, worden in beslag genomen en kunnen worden verbeurd verklaard.

Art. 16. Overtreding van het bepaalde in art. 7 wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijfenzeventig gulden, of hechtenis van ten hoogste 7 dagen.

De overtreding wordt geacht te bestaan, telkens wanneer meer dan één twintigste gedeelte van den inhoud eener partij visch van kleiner afmeting is, dan de minima, in gemeld artikel aangenomen.

Art. 18. Hij, die in strijd met hel verbod van art. 10, robben doodt of vangt, of poogt te dooden of te vangen, wordt gestraft met eene boete van ten hoogste drieduizend gulden. Met gelijke straf wordt gestraft hij, die als boekhouder eener reederij, als bestuurder eener naamlooze vennootschap of als eigenaar, een Neder-landsch schip uitrust of als gezagvoerder dienst doet op een Nederlandsch schip, met de wetenschap, dat het bestemd of gebruikt wordt voor de robbenvangst, in strijd met gemeld verbod. (Sr. 47.)

F. Art. 6 der Wel van 7 JJecember 1883 (Stb. n0. 20\'2), ter uitvoering van de internationale overeenkomst van 6 Mei 1882 tot regeling van de politie op de visscherij in de Noordzee buiten de territoriale wateren, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 45 en 11 der Invoeringswet. Overtreding van het bepaalde in de artt. 3, 4, alinea 2, en 5 wordt gestraft met eene boete van ten hoogste vijfenzeventig gulden of hechtenis van ten hoogste zeven dagen.

Met gelijke straf wordt gestraft de reeder en de boekhouder der reederij, of zoo geen reederij beslaat, hij die het schip of vaartuig te zijnen bate gebruikt, van wien blijkt dat hij tot de overtreding van het bepaalde in de artt. 4, alinea 2, en 5 zijne medewerking of goedkeuring heeft verleend.

Blijkt hel dat de overtreding is gepleegd buiten toedoen van den persoon, in deze wet met de naleving van de voorschriften der overeenkomst belast, dan wordt tegen hem geen straf uitgesproken, maar is degene strafbaar, die zich aan de overtreding heeft schuldig gemaakt.

1006

-ocr page 1125-

BOEK III, TITEL IX, ART. 475. 1007

Art. 1. Het vervaardigen, verkoopen, aan boord brengen of doen brengen van gereedschappen, blijkbaar uitsluitend bestemd om op zee de netten en lijnen van andere visschersvaartuigen door te snijden of te vernielen, is verboden op de straffen in het voorgaande artikel bedoeld.

G. Art. 3 der Wet van 15 April 1886 (Stb, n0. 65), houdende maatregelen ter uitvoering van de internationale overeenkomst tot bescherming van onder-zeesche telegraafkabels gewijzigd bij art. 3 der Wet van 4 Juli 1887 (Stb. n». 109). Met geldboete van ten hoogste drie honderd gulden zullen worden gestraft:

1°. de gezagvoerder of die hem vervangt, die zich met zijn vaartuig niet terugtrekt, of dit niet ten minste één zeemijl (van 60 in een graad) verwijderd houdt van een vaartuig, bezig- met het leggen of herstellen van in artikel 1 bedoelde kabels en voerende de voor deze vaartuigen voorgeschreven seinen, zoodanig dat zij van het andere vaartuig zichtbaar zijn;

2°. hij, die zijn vischtuigen of netten niet op den sub 1°. genoemden afstand houdt.

Niettemin zullen visschersbooten, van waar een tele-graafvaartuig, de gezegde seinen voerende, wordt gezien of kan gezien worden, ten hoogste vier en twintig uren, gedurende welke zij in hunne bewegingen niet bemoeilijkt mogen worden, den tijd hebben zich overeenkomstig de aldus gegeven waarschuwing te gedragen ;

3°. de gezagvoerder of die hem vervangt, die zijn vaartuig niet ten minste een kwart zeemijl (van 60 in een graad) verwijderd houdt van de voor hem zichtbare boeien, bestemd om bij het leggen, bij verstoring of bij verbreking de ligging der kabels aan te geven;

4°. hij, die zijn vischtuigen of netten niet op den sub 3°. genoemden afstand houdt. (Vg. Sr. 184A, 351A, 351 bis A.)

H. Art. 4—12, 21 der Wet van 15 April (Stb. n0. 84), houdende bepalingen ter uitvoering van de op 16 November 1887 te \'s Gravenhage gesloten internationale overeenkomst, strekkende tot het tegengaan der misbruiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank onder de visschers op de Noordzee, buiten de territoriale ivateren, goedgekeurd bij de Wet van 7 Augustus 1888 (Stb. n®. 123), en tot het tegengaan van soortgelijke misbruiken in de territoriale wateren des Rijks, gewijzigd bij de Wet van 30 December 1893 (Stb. n0. 262) (Zie deze Wet hierachter in de chron. lijst.)

ALGEMEENE SLOTBEPALING.

475. Het in werking treden van dit wetboek wordt nader bij de wet geregeld. (Inv. 2.)

A. Art. 9 der Wet van 11 April 1827 (Stb. n0. 17),

-ocr page 1126-

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

houdende oprigting van schutterijen over de geheele uilgestreklheid des Rijks, gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 4 en 11 der Invoeringswet. Die bevonden zullen worden zich niet vóór den Isten Junij te hebben doen inschrijven, zullen door het plaatselijk bestuur ambtshalve ingeschreven worden, en door den na te melden schuttersraad worden verwezen tot eene geldboete, terwijl zij, daarenboven, zonder loting bij de schutterij zullen worden ingelijfd, indien het zal blijken, dat er, tijdens de verzuimde inschrijving, geene redenen tot uitsluiting of vrijstelling ten hunnen aanzien bestonden.

Art. 27. Die van woonplaats veranderen gedurende den tijd, dat zij tot eene schutterij behooren, zijn daardoor niet ontslagen, maar, na alvorens van dit hun voornemen kennis gegeven te hebben aan het bestuur der door hen te verlaten gemeente, verpligt, om het overige van hunnen diensttijd te volbrengen bij de schutterij van derzelver nieuwe woonplaats.

Binnen acht dagen na hunne aankomst in de nieuwe gemeente, zijn zij verpligt, aan het plaatselijk bestuur aldaar bij behoorlijk bewijs aan te toonen, in welke betrekking zij zich tot de schutterij in derzelver vorige woonplaats bevonden. Daaraan nalatig blijvende, zullen zij, onverminderd derzelver verpligting, om het bewijs alsnog te bezorgen, door den schutters-raad verwezen worden in eene geldboete.

Art. 55. Schutters, die eenen hun toevertrouwden post, en officieren of onderofficieren en korporaals, die eenen zoodanigen post, of wel een aan lunne zorg overgelaten detachement verlaten, zullen gestraft worden:

de eerstgemelden, met geldboete of wegzending uit de schutterij; en

de laatstgenoemden met geldboete, en hij verzwarende omstandigheden, met degradatie of wegzending uit de schutterij.

Art. 56. Zij, die de bekomen wapenen of wapenrustingen , of andere voorwerpen, zonder onderscheid, welke hun in derzelver betrekking van leden der schutterij, tot een bepaald gebruik, als zoodanig worden toevertrouwd, mogten bederven of onbruikbaar maken, verzetten, verpanden, verkoopen, of op eenige andere wijze afhandig maken, zullen, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding der waarde, met geldboete worden gestraft, voor zooverre de omstandigheden niet van dien aard zijn mogten om hen, wegens moedwillig misbruik van vertrouwen, te dezer zake, voor den burgerlijken regter te doen teregt staan, en als zoodanig te straften.

Art. 57. Die tot eenige dienst geroepen zijnde, te laat komen, zich te vroeg verwijderen, of in het geheel niet verschijnen, alsmede de zoodanigen, van welken het blijken mogt dat zij, na tot eenige dienst te zijn geroepen, zonder voorkennis hunner superieuren, of

10U8

-ocr page 1127-

koek nr, titel ix, art. 475.

ook slechts ter ontduiking van de dienst, de gemeente hebben verlaten, zullen met geldboete worden gestraft.

Art. 58. Alle pligtverzuim of gedrag tegen de ondergeschiktheid, waaromtrent bij deze wet geene bijzondere bepalingen zijn gemaakt, alsmede alle misbruiken van gezag tegen onderhebbenden, zullen, naar bevind van zaken, worden verbeterd of gestraft met zoodanige boeten of straffen, als niet te boven zullen gaan die welke bij deze wet zijn bepaald.

Art. 61. De geldboeten, waartoe ingevolge de wet zal kunnen worden verwezen, zullen, voor zooverre zulks bij dezelve niet in het bijzonder anders mogt zijn bepaald, de som van vijftien guldens, telkens, niet mogen te boven gaan; in de gevallen, wanneer de schutterijen bij brand, bedreigde of reeds gestoorde rust, of wel, buiten hunne gemeente moeten dienst doen, kunnen deze boeten tot eene som van honderd guldens worden verhoogd.

Op het verzwarende, uit die omstandigheden ontstaande, zal steeds, bij de bepaling der hoegrootheid van de boeten, moeten worden acht gegeven.

Art. 62. Die uit de schutterij zullen worden weggezonden, zullen tevens, onder goedkeuring des plaatselijken bestuurs, worden verwezen in eene boete, die bij wijze van contributie, over hunnen nog overigen vijfjarigen diensttijd zal worden omgeslagen en waarvan het jaarlijksch bedrag niet meerder dan honderd vijftig gulden zal kunnen beloopen.

B. Art. 5, 20. 24, 26, 28, 30, 32, 33, 36, 37, 38,40,42, 43, 44, 45, 48, 53, 55, 56, 57, 64, 66, en 69 der Wet van 9 Juli 1842 (Stb. n0. 20) op het Notarisambt^ gewijzigd bij de Wetten van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29) en 26 April 1876 (Stb. n®. 85), gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 n0. 6 en 11 der Invoeringswet. (Zie hierachter de Wet op het Notarisambt.)

C- Art. 141 der WW wa?i 19 ^Im^ms/us 1861 (Stb. n0. 72), op de nationale militie, gehandhaafd bij art.\\0 n0. der Invoeringswet. Behoudens het bepaalde in art. 130 kan een arrest van twee tot zes dagen, te ondergaan in de naastbij gelegen provoost of het naastbij zijnde huis van bewaring of arrest, door den militie-commissaris worden opgelegd aan den verlofganger;

1°. die zonder geldige reden niet bij het onderzoek verschijnt;

2°. die, daarbij verschenen zijnde, zonder geldige reden, niet voorzien is van de in het voorgaand artikel vermelde voorwerpen;

3°. wiens kleeding- of uitrustingstukken bij het onderzoek niet in voldoenden staat worden bevonden;

4°. die kleeding- of uitrustingstukken, aan een ander behoorende, als de zijne vertoont.

1009

64

-ocr page 1128-

BIJLAGEN

TOT HET

WETBOEK VAN STRAFRECHT. «)

WET

ter invoering van de Faillissementswet. {Zie de ar 11. 2 en 6 dezer wel, afgedrukt achter de Faillissementswet.)

WET

van 15 April 1896 (Stb. n0. 70), houdende regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken.

Artikel 9.

In art. 74 van het Wetboek van Strafrecht verballen de woorden: «en van de kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad.»

(Zie de arlt. 1—8 en 10—18 dezer wet onder de Bijlagen tot het Wetboek van Strafvordering.)

a) De wet van 15 Januari ISSfi (Stb. no. 0), waarbij vóór de iuvoe-ring nog wijzigingen zijn gebracht in liet Wetboek van Strafrecht, is hier weggelaten, omdat die wijzigingen van den aanvang der in werking treding integreerend deel van het Wetboek zijn geweest. Op de betreffende plaatsen zijn echter die wijzigingen vermeld. Zie ook art. Ö der Wet van .\'11 December 1S87 (Stb. no. 265) hierachter onder Inv. Sr.

-ocr page 1129-

INVOERING

VAN HET

WETBOEK VAN STRAFRECHT. quot;)

WET

van 15 April 4886 (Stb. n0. 64), houdende bepalingen, regelende hel in werking treden van het hij de Wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0. 35) vastgestelde Welhoek van Strafrecht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te-brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek.

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 475 van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0.35) vastgestelde «Wetboek van Strafrecht» het in werking treden van dat Wetboek bij de wet moet worden geregeld, terwijl het tevens noodzakelijk is zoowel om bepalingen vast te stellen omtrent den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, als om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek;

Zoo is het, enz.

§ I-

Algemeene bepalingen.

Artikel 1.

De wetten van \'10 Juni 1840 (Stb. n0. \'20—26) zijn ingetrokken.

2. Het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht treedt in werking op den Isten September 1886. (Sr. 475.)

§ II-

Bepalingen, houdende afschaffing, handhaving of wijziging van ivetten die thans in werking zijn.

3. Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn afgeschaft:

a) De tot deze rubriek behoorende wetten tot wijziging van de wet op de R. O. en de vier andere wetboeken zijn onder de Bijlagen tot deze geplaatst, de wet tot wijziging van de Consulaire wet is in die wet opgenomen.

-ocr page 1130-

WET VAN 15 APRIL 1880.

a. het Fransche Wetboek van Strafrecht (Code Pénal), voor zoover het thans nog hier te lande van kracht is;

b. het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 Januari 1814 (Stb. n0. 17), omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken, voor zooverre dit besluit nog niet is afgeschaft; (Sr. 53, 54, 418—420.)

c. de wetten van:

0 October 1791, concernant les biens et usages ruraux et la police rurale; (Sr. 314, 333, 350, 450, 458—461.)

28 September 1816 (Stb. n0. 51), «tot vaststelling van straffen voor hen, die vreemde Mogendheden beleedigen»; (Sr. 117, 119.)

12 December 1817 (Stb. n0. 33), «houdende straffen tegen degenen, die, niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstigen»; (Sr. 104 n°. 2, 189, 203.)

20 November 1818 (Stb. n6. 39), «houdende strafbepalingen om den slavenhandel te beteugelen»; (Sr. 274—277.)

23 December 1824 (Stb. n®. 75), «houdende daarstelling van nadere maatregelen tot wering en uitroeijing van den slavenhandel»; (Sr. 274—277.)

16 Mei 1829 (Stb. n0. 34), «houdende aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Stralregt»;(Sr. 131 — 134, 267.)

19 Mei 1829 (Stb. n0. 35), «strekkende om de vermenging van vergiftige of andere schadelijke zelfstandigheden in eet- en drinkwaren te beteugelen»; (Sr. 174, 175.)

1 Juni 1830 (Stb. n0. 15), «tot een beteugeling- van hoon en laster en andere vergrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust»; (Sr. 111—113.)

24 April 1836 (Stb. n®. 13), «betrekkelijk de misdaden van valsche munt en muntschennis»; (Sr. 208v.)

10 Mei 1837 (Stb. n®. 21), «houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreuk»; (Sr. 194, 340 v.)

3 Mei 1851 (Stb. n®. 44), «regelende de verjaring der straffen, uitgesproken wegens de misdrijven, vermeld in de wetten van 16 Mei 1829 (Stb. n®. 34) en 1 Juni 1830 (Stb. n®. 15)»; (Sr. 76.)

28 Juni 1851 (Stb. n®. 68), «tot invoering van het stelsel van eenzame opsluiting ten aanzien van enkele op te leggen straffen»; (Sr. 11 v.; Stb. 1886 n®. 62.)

3 Maart 1852 (Stb. n0. 20), «regelende de gevolgen van door den militairen strafregter uitgesproken veroordeelingen bij later gepleegde misdaad of wanbedrijf»; (Sr. 421 v.)

29 Juni 1854 (Stb. n®. 102), «houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld»;

3 Juni 1859 (Stb. n0. 44), «houdende wijziging en aanvulling der wet van 12 December 1817 (Stb. n®. 33), met opzigt tot het koopen, in pand of bewaring nemen, of ontvangen van militaire kleedingstukken enz.»; (Sr. 439; Sv. 253 n®. 5.)

25 December 1860 (Stb. n#. 102), «houdende aanvulling

1012

-ocr page 1131-

INVOERINGSWET, ARTT. 3—(5 1013

van art 10 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. n®. 102), omtrent strafbare poging tot misdaad»; (Sr. 45.)

22 April 1864 (Stb. n0. 29), «houdende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten in strafzaken»; (Sr. 23 v.)

17 September 1870 (Stb. n®. 162), «tot afschaffing der doodstraf». De artt. 2 en 7 dezer wet blijven van kracht; (Inv. 9.)

2\'t Juli 1871 (Stb. n0. 84), tot wijziging van art. 7 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. 102), «houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteld»; (Sr. 11,)

12 April 1872 (Stb. n®. 23), «houdende bedreiging van straf tegen de vernieling en de onbruikbaarmaking van schepen en andere vaartuigen door andere dan de in artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen»; (Sr. 168, 169, 32S, 852 )

12 April 1872 (Stb n0.24), «tot vervanging van de artt 414, 415 en 416 van het Wetboek van Strafrecht door andere bepalingen»; (Sr 284, 350.)

31 December 1875 (Stb. n0. 255), «tot toepasselijk verklaring van art. 55 van het Wetboek van Strafrecht, voor zooveel de aansprakelijkheid voor de gerechtskosten betreft, op hen, die wegens ééne en dezelfde overtreding veroordeeld worden»; (3v. 253 jquot;. 214d.)

d. de strafbepalingen alsmede alle bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, welke in andere dan de onder a, amp; en c genoemde wetten voorkomen, voor zoover die wetten vóór 1 Maart 1886 zijn in werking getreden en de bedoelde bepalingen niet in deze wet worden gehandhaafd.

Disciplinaire voorschriften worden niet als bepalingen beschouwd, onder letter d bedoeld. (R. O. 11—14; R. I, a. 74, III, a 11, 12, 28, IV, a. 14; Rv. 25.63,96,271,845; K. 71, 72; Stb. 1842 n». 20, a. 50; Stb. 1856 n0. 32, a. 7, 10; Stb 1879 nquot;. 190; Stb. 1879 n®. 25.)

4. Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn mede afgeschaft:

1°. het avis du Conseil d\'Etat van ^ ^pyember quot;^06 sur

la competence en matière de délits commis a bord des vaisseaux neutres dans les ports et rades de France; (Sr. 2, 8.)

2°. de wet van 29 Juni 1854 (Stb. n#. 103), «houdende uitbreiding van de regtsmagt der kantonregters in straf-zaken». (R O. 44.)

5. De bepalingen krachtens welke de Regeering vreemdelingen, wegens bedelarij of landlooperij veroordeeld, over de grenzen doet leiden, blijven van kracht. (Stb. 1854 n#. 102, a. lOd.)

6. Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in verdragen met buitenlandsche Mogendheden.

-ocr page 1132-

WKT VAN 15 APRIL 188(3.

Feiten, bij deze verdragen strafbaar gesteld, worden, voor zoover deze strafbaarstelling niet geschiedt door toepasselijk-verklaring van het nationale recht, beschouwd als overtredingen. (G. 59; Sr. ia, 191; Sv. 1; Stb. 1843 n0. 45; Stb. 1869 n». 37; Sr. 7413.)

7. Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het quot;Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in wetten rakende zaken van Bijksbelastingen, met uitzondering van het tweede lid van art. 9, het vierde lid van art. 13 en art. 27 der wet van 18 September 1852 (Stb. n0. 178) «omtrent den waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken.» (Sr. 217, 378.)

Het maximum der daarin bepaalde gevangenisstraffen wordt met de helft verminderd. De minima van het Wetboek van Strafrecht zijn toepasselijk zoowel voor die straffen als voor de geldboeten, welke volgens de tegenwoordige belastingwetten, bij het bestaan van verzachtende omstandigheden, voor vermindering vatbaar zijn. (Sr. 1(Mgt;, 23a.)

De in zake van Rijksbelastingen thans geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten en gerechtskosten blijven van kracht.

Gevangenisstraf tot verhaal van geldboete of gerechtskosten quot;of van beide wordt vervangen door hechtenis van gelijken duur doch den tijd van één jaar niet overschrijdende. Het algemeen minimum van het Wetboek van Strafrecht is ook voor deze hechtenis van toepassing. (Sr. 23.)

Lijfsdwang tot verhaal van geldboete of gerechtskosten büjft bestaan in de gevallen waarin hij thans kan worden toegepast.

De lijfsdwang zal bij gebleken onvermogen nimmer den duur van zes maanden te boven gaan, behoudens hervatting indien de veroordeelde later in staat geraakt om het door hem verschuldigde te voldoen. (Sv. 2156.)

Ook bij in- of vervoer van goederen in strijd met de Rijksbelastingwetten door kinderen beneden den leeftijd van tien, of, indien niet blijkt, dat door hen Tiet oordeel des onderscheids is gehandeld, beneden den leeftijd van zestien jaren, kan de rechter, in het tweede lid van de artt. 38 en 39 van het Wetboek van Strafrecht aangewezen, op vordering van het bestuur der belastingen, de verbeurdverklaringen der aangehaalde goederen uitspreken. (Sr. 33.)

De feiten, in het eerste lid van dit artikel bedoeld, a) worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van art. 62 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. (Sr. 91.)

v

a) Men leze: „de feiten strafbaar ingevolge de strafbepalingen, iu b

het eerste lid van dit artikel bedoeld.quot;

1014

-ocr page 1133-

INVOEHINGSWET, AKTT. 7 — 9.

8. Art.\'* 26 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering wordt gelezen:

«Wanneer de opschudding op de teregtzilting van eene arrondissements-regtbank, een geregtshof of den Hoogen Raad vergezeld is geweest van heleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren, welke het kenmerk van misdrijf dragen, zullen de daders dadelijk op dezelfde teregtzitting, zonder eenige dagvaarding, kunnen worden teregtgesteld en, nadat de feiten tot klaarheid gebracht zijn, na verhoor van het openbaar ministerie kunnen worden veroordeeld.»

In het tweede lid van art. 13 der wet op de Regterlyke Organisatie en het beleid der justitie worden de woorden; «een bevel van dagvaarding in persoono, vervangen door: «regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding.»

Art. 10 van de wet van 15 Januari 1886 (Stb. n0. 5) ondergaat de volgende wijzigingen:

In het onder dat artikel voorkomende art 88 (86) worden de woorden: «of de in de artt. 390, 1°., 391» vervangen door: «of de in de artt. 390, 1°., 391, 1°.»,

aan de tweede zinsnede van het tweede lid van het onder voormeld art. 10 voorkomende art. 123d (138) wordt toegevoegd : «en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor geslclden tijd gegeven»;

aan voormeld art. 10 wordt toegevoegd:

In art. 105 (109) worden de woorden «den cipier» vervangen door «het hoofd».

Art. 12 van laatst gemelde wet ondergaat de volgende wijziging:

In het tweede lid van het onder dat artikel voorkomende art. 221 u (211) vervallen de slotwoorden: «en over de verwijzing in de kosten, door de beleedigde partij gemaakt».

Art. 20 van laatstgemelde wet ondergaat de volgende wijzigingen:

Hot eerste lid van het onder dat artikel voorkomende art. 320 (299) wordt gelezen:

«Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft gekregen van een gepleegd misdrijf, als bij art. 315 (294) bedoeld en van den persoon, die zich daaraan heeft schuldig gemaakt en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan den hoogen raad aan.»

Het laatste lid van het onder voormeld art. 20 voorkomende art. 325 (304) vervalt.

9. De militaire strafwetten en de bepalingen van militair strafrecht, in andere wetten voorkomende, blijven van kracht, behoudens de hieronder volgende wijzigingen. (Sr. 91.)

Ieder feit, strafbaar volgons die wetten en bepalingen, wordt, voor zoover het niet als disciplinair vergrijp te beschouwen is, beschouwd als misdrijf.

1015

-ocr page 1134-

WET VAN 15 APRIL 1886.

In art. 7 der wet van 17 September 1870 (SlB. n0.162), «tot afschaffing dor doodstraf^, worden de woorden «tuchthuisstraf van vijf tot vijf en twintig jaren» vervangen door: «militaire gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren»; en de woorden: «kruiwagenstraf van vijf tot vijftien jaren» door: «militaire gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren».

De wetten van 14 November 1879 (Stb. n0. 191 en nü. 193), tot «wijziging van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te lande» en tot «wijziging van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te water», ondergaan de navolgende wijzigingen:

Het eerste lid van art. 2, in beide wetten, wordt vervangen door de navolgende bepaling:

«Bij veroordeeling tot eene gevangenisstraf van driejaren of meer spreekt de militaire regter tevens de in art. 11 vermelde vervallenverklaring uit».

In het tweede lid van art 2 in beide wetten, worden de woorden: «Bij veroordeeling tot eene der andere straffen van het gemeene regt» vervangen door: «Bij veroordeeling tot gevangenisstraf van minder dan drie jaren ».

In het tweede lid van art. 3, in beide wetten, wordt het woord «gevangenisstraf» vervangen door: «hechtenis».

Art. 4, B lu., in beide wetten, vervalt.

Het tweede en derde lid van art. 5, in beide wetten, vervallen.

Het eerste en tweede lid van art. 7, in beide wetten, worden gelezen:

«De militaire gevangenisstraf beslaat in opsluiting in eene strafgevangenis.

Haar duur is ten minste één dag en, behoudens de gevallen waarin zij de straf van den strop vervangt en die van strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, ten hoogs!e vijftien achtereenvolgende jaren.

Bij strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven is zij ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren».

In het derde en vierde lid van art. 7 in beide wetten, wordt het woord «vijf» vervangen door: «drie».

In het vierde lid van art. 7, in beide wetten, worden de woorden: «spreekt. . . . uit», vervangen door: «kan. . . uitspreken».

Het vijfde en zesde lid van art. 7, in beide wetten, worden gelezen:

«Op deze militaire gevangenisstraf zijn toepasselijk de regelen, in het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de gevangenisstraf geschreven».

Art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0 191) en het eerste, vierde en vijfde lid van art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) worden gelezen:

«De straf van militaire detentie bestaat in opsluiting in een huis van bewaring, of, zoo de gelegenheid ontbreekt daarvan gebruik te maken, in een huis van provoost, voor den tijd van ten minste één dag en ten hoogste twee

1016

..

-ocr page 1135-

INVOERINGSWET, ART. 9.

achtereenvolgende jaren, behoudens het geval van straf-verhooging ter zake van samenloop van misdrijven, in welk geval haar duur ten hoogste twee jaren en acht maanden is.

Op de militaire detentie zijn toepasselijk de regelen, in het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de hechtenis geschreven.

Het verzoek van den veroordeelde om de detentie in afzondering te ondergaan wordt alleen toegestaan zoo daartoe gelegenheid bestaat».

In het derde lid van art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) vervallen de woorden: «of zelfs de verdere uitvoering geschorst».

In het derde lid van art. 13 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 191) en in het tweede lid van art. 13 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) worden de woorden «militaire detentie of tot correctionele gevangenisstraf, wanneer» vervangen door: «militaire detentie, tot militaire gevangenisstraf, of tot gevangenisstraf, beide van minder dan drie jaren, voor zlover de regter niet tevens de in art. 12 vermelde ontzegging heeft uitgesproken en».

Het eerste lid van art. 15 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 191) en van art 16 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) wordt gelezen:

«Wanneer een militair tot militaire gevangenisstraf of tot gevangenisstraf zonder de in art. 12 vermelde ontzegging, tot hechtenis of tot militaire detentie is veroordeeld geweest, wordt de tijd zijner opsluiting, ook der preventieve, niet als diensttijd medegerekend».

In het eerste lid van art. 16 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 191) en van art. 17 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) worden de woorden «wanneer tegen het voltooid misdrijf de doodstraf met eerloosverklaring of de tuchthuisstraf is bedreigd» vervangen door: «wanneer op het voltooid misdrijf door het Crimineel Wetboek de doodstraf met den strop werd gesteld».

In het tweede lid van laatstgemelde beide artikelen worden de woorden «tuchthuisstraf van vijf tot twintig jaren» vervangen door: «militaire gevangenisstraf van ten hoogste dertien jaren».

Het eerste lid van art 17 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 191) en van art. 18 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) vervalt. Aan deze artikelen wordt als nieuw lid toegevoegd de navolgende bepaling:

«De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige militaire hoofdstralfen wordt bepaald door de volgorde van art. 4; die van burgerlijke en militaire straffen door deze volgorde: doodstraf, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, militaire detentie, hechtenis, geldboete, met dien verstande, dat de voorrang der gevangenisstraf boven de militaire gevangenisstraf en der militaire detentie boven de hechtenis eerst bij gelijke maxima der gestelde straffen in aanmerking komt».

1017

-ocr page 1136-

1018 WliT VAN \'15 APRIL 1886.

Art. 18 der wet van 14 November 1878 (Stb. n0. 191) en art. 19 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) worden vervangen door de volgende bepaling:

«Het regt tot strafvordering wegens militaire misdrijven vervalt door verjaring:

1°. in zes jaren voor de misdrijven waarop militaire detentie of militaire gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld met uitzondering van het misdrijf van desertie;

2°. in achttien jaren voor de misdrijven waarop in het Crimineel Wetboek de doodstraf met den strop werd gesteld;

3°. in taaalf jaren voor het misdrijf van desertie en alle andere misdrijven, niet in nos. 1 en 2 bedoeld.»

In het eerste lid van art. 19 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 191) en in het tweede lid van art. 20 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) worden de woorden «met eerloosverklaring» vervangen door: «met de in art. 11 vermelde vervallenverklaring.»

In de beide voormelde artikelen en de door deze gewijzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water en te lande vervallen de minima van den duur der militaire gevangenisstraf en der militaire detentie.

De .naxima van den duur der militaire gevangenisstraf krachtens een dier beide artikelen en door deze gewijzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water en te lande op te leggen, worden verminderd:

bijaldien meer dan tien jaren kon worden opgelegd, met vijf jaren;

bijaldien tien jaren of minder kon worden opgelegd tot de helft.

Art. 21 der wet van 14 November 1879 (Stb. n0. 193) vervalt.

10. De volgende strafbepalingen en bepalingen omtrent onderwerpen in de eerste acht Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld blijven, behoudens de in deze wet vermelde wijzigingen, van kracht:

1°. Art. 12 van de publicatie van 24 Februari 1806, houdende bepalingen omtrent een algemeen rivier- of waterregt, art. 7 van Titel XXV111 en, voorzocver het hertogdom Limburg betreft, de artt. 42, 43 en 44 van Titel XXVII van de Ordonnance des eaux et forets du mois d\'Aout 1669; (Sr. 429 C en D.)

de woorden, voorkomende in het eerste lid van art. 12 voormeld «te verdeelen» tot en met de woorden «waar de contraventie is geschied» alsmede de woorden in het tweede lid van dat artikel «op dubbel gewin» vervallen;

De in artt. 7 en 42, tweede lid, bepaalde geldboeten van 500 livres worden vervangen door geldboeten van ten hoogste honderd gulden. Overtreding van art. 42, eerste lid, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. De in art. 44 bepaalde straf «d\'être punis

T

-ocr page 1137-

INVOERINGSWET. ART. 10.

comme usurpateurs» wordt vervangen door eene geldboete van ten hoogste honderd gulden;

2°. de artt. quot;l en 5 van de wet van 22 Juli 1814 (Stb. r0. 86), houdende «verbod van alle vreemde of particuliere loterijen»: (Sr. 457A.)

in het tweede lid van art. 1 worden de woorden «van een honderd zilveren dukatons» vervangen door «van ten hoogste een honderd gulden»;

3°. de arlt. 6 en 7 van de wet van 1 Maart 1815 (Slb. n0. 21), houdende «voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Cbristelijken Godsdienst toegewijd o; (Sr. 442A.)

4°. de artt. 9, 27, 36, 55, 56, 57, 58, GO, 61, 62, 70 en 71 van de wet van 11 April 1827 (Stb. n0. 17), houdende «oprigting van schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijks»; (Sr. 23A, 35A, 48A, 444A, 475A.)

in art. 4 wordt na het woord «straf» ingevoegd; «of tot eene gevangenisstraf van een jaar of langer»; in art. 60 vervallen de woorden «misdaden of»;

5U. art. 2\'2 van de wet van 9 Oct. 18i1 (Slb. n0. 42), betrekkelijk de regtsmagt der hooge en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen; (Sr. 35B.)

Aan dit artikel wordt als tweede lid toegevoegd;

«De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van liet waterschap» ;

6». de artt. 5, 20, 24, 26, 28, 30, 32, 33, 36, 37, 38, 40, 42, 43, 44, 45, 48, 53, 55, 56, 57, 6i, C6 en 69 van de wet van 9 Juli 1842 (Stb. n0. 20) op «het Notarisambt», gewijzigd bij de wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29) en bij die van 26 April 1876 (Stb. n«. 85); (Sr. 70A, 475B.)

van art. 51 dezer wet vervalt hel Isle lid en in het tweede lid, gewijzigd bij art. 7 der wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29), vervallen het woord «correctionele» en de woorden; «met uilzondering van de gevangenisstraf die de geldboete vervangt»;

in art. 54 worden de woorden: «correctionele zaken» vervangen door: «strafzaken ter kennisneming van de arrondissements-regtbauk», en de woorden; «van den 23sten en» door; «van den 8slen Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht en van den»;

7°. art. 13 van de wet van 28 Augustus 1843 (Stb. n0. 37), houdende «vaststelling eener algemeene Lepaling en van den eersten Titel van het tarief van justitiekoslen en salarissen in burgerlijke zaken»; (Sr. 468A.)

in art. 19 dezer wet worden de woorden «als eene correctionele zaak» vervangen door: «als eene strafzaak ter kennisneming van de arrondissements regtbank»; en de woorden «van den 23sten en» door: «van den achtsten Tilel, eerste Bock van hel Wetboek van Strafrecht en van den»;

8°. art. 7 der wet van 28 Augustus 1843 (Stb. n0. 38), houdende «vaststelling van den tweeden Titel van het

1019

-ocr page 1138-

WET VAN 15 APRIL 1886.

tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken»; (Sr. 468B.)

9°. Vervallen tengevolge van art. 30 der Wet van 15 April 4891 (Stb. n0. 87), tot regeling der brieven-posterij. (Zie Sr. 4i2D, 474A.)

10°. de artt. 9, 12 en 13 van de wet van 10 September 1853 (Stb. n0. 102), tot «regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen»; (Sr. 70B, 442B.)

11°. de artt. 45, 57 en 58 van de wet van 21 December 1853 (Stb. n0. 128), houdende «bepalingen betrekkelijk het bouwen, planten en het maken van andere werken binnen zekeren afstand van vestingwerken van den Staat»; (Sr. 429A.)

in de eerste zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: «of, bij wanbetaling, met gevangenis van een tot drie dagen, met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14»;

in de tweede zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: «of, bij wanbetaling, met gevangenis van drie tot zeven dagen, mede met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14»;

12°. de artt. 11, eerste lid, en 12, eerste en tweede lid, van de wet van 28 Juni 1854 (Stb. n0. 100), tot «regeling van het armbestuur», gewijzigd door de wet van 1 Juni 1870 (Stb. n0. 85); (Sr 447A.)

13°. art. 23 van de wet van 22 April 1855 (Stb. n0.32), tot «regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering» voor zooveel betreft de verwijzing naar de artt. 16, 18, 20 en 21; (Sr. 442G.)

in voormeld artikel worden de woorden: «guldenen» vervangen door: «gulden of» en vervallen de woorden: «gezamenlijk of afzonderlijk»;

14°. de artt. 20, 40, 41, 42, 44 en 45 van de wet van 13 Juni 1857 (Stb. n0. 87), tot «regeling der jagt en vis-scherij»; (Sr. 34A, 62A, 442Q)

aan art. 14 wordt een nieuwe littera f toegevoegd, luidende: (.personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer zijn veroordeeld, indien nog geen vijf jaren zijn verloopen na het ondergaan der straf»;

in art. 39, tweede lid, worden de woorden «de gevallen en op de wijze, in artt. 51 en 52gt;- vervangen door: «in het geval en op de wijze in art. 74 van het Wetboek van Strafrecht»;

in den aanhef van de artt. 41 en 42 worden de woorden «met of zonder» vervangen door «of»; de artt. 43 en 58 vervallen;

in art. 47, derde lid, worden de woorden «is art. 22 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. n0.102) van toepassing» vervangen door: «is het onder art. 12 der wet van 15 Januari 1886 (Stb. n0. 5) voorkomende art. 221ee van toepassing»;

15°. art. 11 van de wet van 20 Augustus 1859 (Stb. n0.93), houdende «bepalingen op de loodsdienst voor zeeschepen»; (Sr. 474B.)

i020

-ocr page 1139-

INVOKRINGSWET, ART. 10.

art. 12 der wet van 20 Augustus 1859 (Stb. n®. 93) vervalt;

Het overige deel van dit nummer vervallen tengevolge van art. 7 der Wet van 20 April 1895 (Stb. n0. 71).

10°. art. 23 van de wet van 1 Juni 1861 (Stb. n®. 53), houdende «bepalingen omtrent den doorlegt en het vervoer van landverhuizers)», gewijzigd bij de wet van 15 Juli 1869 (Stb. n®. 124); (Sr. 442E.)

17°. de artt. 141, 183, 184 en 187 aanhef en 1°. en 2°. van de wet van 19 Augustus 1861 (Stb. n®. 72), «betrekkelijk de nationale militie», laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 April 1884 (Stb. n0. 70); (Sr. 447B, 468C, 475C.)

in art. 24, Iste lid, wordt tusschen «weldadigheid» en «en» gevoegd: «van Rijkswerkinrigtingen»;

in art. 24, 2de lid, wordt het woord «misdrijf» vervangen door «strafbaar feit»;

aan art. 55 wordt een nieuw nummer toegevoegd luidende:

«3°. die tot een gevangenisstraf van één jaar of langer onherroepelijk is veroordeeld»;

in art. 56, n®. 2, wordt het woord «wanbedrijf» vervangen door: «een strafbaar feit»;

in art. 181, 1ste lid, wordt het woord «misdrijven» vervangen door: «strafbare feiten»;

in de artt. 56, 1ste en 2de, en 181, 2de lid, wordt het woord «hechtenis» vervangen door «verzekerde bewaring» ;

in art. 184 vervallen de woorden: «te zamen of afzonderlijk» en wordt het woord «en» vervangen door; «of»;

18°. het eerste en tweede lid van art. 19 van de wet van 1 Juni 1865 (Stb. n®. 60), regelende «de uitoefening der geneeskunst», aangevuld door de wet van 23 April 1880 (Stb. nquot;. 65); (Sr. 442F.)

in voormeld tweede lid worden de woorden «en daarenboven» vervangen door xof»;

19°. art. 31, eerste en tweede lid, en art. 32, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 1 Juni 1865 (Stb. n0. 61), regelende «de uitoefening der artsenijbereidkunst», (Sr. 442G.)

in het eerste lid van art. 31 wordt achter de woorden «dezer wet» gevoegd: «behalve die van art. 1, die van art. 12, tweede lid, voor zoover afschriften door regterlijke of geneeskundige ambtenaren gevraagd worden, die van art. 19 en die van art. 25» en in het tweede lid van voormeld artikel worden de woorden «en daarenboven» vervangen door «of»;

in het derde lid van art. 32 worden de woorden «en kan hen daarenboven» vervangen door «of» en vervallen de woorden: «worden opgelegd»;

20®. art. 41 en het tweede lid van art. 44 van Je wet van 44 September 18C6 (Stb. n®. 138), houdende «bepalingen betrekkelijk de inkwartiering en het onderhoud

1021

-ocr page 1140-

WET VAN 15 APRIL \'18SG.

van liet krijgsvolk, en de transporten en leverantien voor \'s Konings legers of vestingen gevorderd», gewijzigd bij de wet van 29 Maart 1877 (Stb. nquot;. 53); (Sr. 42913.) in de artt. 42, 2de lid, en 44, 2de lid van eerstge-melde wet worden dc woorden «misdrijf» en «misdrijven» vervangen door: «strafbaar feit» en «strafbare feiten »;

21°. art. 3 van de wet van G April 18G9 (Stb. n0. 39), houdende «intrekking der wetten van 19 Floréal jaar X en 7 Ventose jaar XII (Vervoer van vrachten op de landwegen)» ; (Sr. 447 C.)

22°. art. 28 aanhef en n0. 1, artt. 29 tot en met 35 van de wet van 7 April 1869 (Stb. n0. 57), gewijzigd bij de wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 96), betrelïende «de maten, gewigten, weegwerktuigen en gasmeters»; (Sr. 34B, 62 B, 442N, 468D.)

in den aanhef van art. 28 wordt het woord «en» vangen door «of» en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk»;

in art. 34 worden de woorden ^constateren eener overtreding of van een zwaarder misdrijf» vervangen door: «constateren van een strafbaar feit»;

23°. art. 40, aanhef en i0 en 2°., art. 41, aanhef en nos. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11, art. 42 en art. 43, aanhef en nos. 2, 3, 4 en 7 van de wet van 10 April 1869 (Stb. n0. 65), tot «vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenis-regten»; (Sr. 442 P, 466A..)

in art. 39 wordt het woord «misdrijven» vervangen door: «feiten»;

in art. 42 worden de woorden «het 3de lid van art. 27 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «artikel 466 van het Wetboek van Strafrecht»;

in den aanhef van art. 40 wordt het woord «en», waar dit de tweede maal voorkomt, en in den aanhef van de artt. 41 en 43 wordt dat woord vervangen door «of», en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk» ;

24°. de artt. 19 en 20 van de wet van 28 Mei 1869 (Stb. n®. 96), betrekkelijk «de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag»; (Sr. 474C.)

25°. Vervallen tengevolge van art. 37 der Stoomwet.

26quot;. de artt. 35, 36, 37, 38, 39, 1ste en 2de lid van de wet van 20 Juli 1870 (Stb. iió. 131), tot «regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezigt en de vceartsenijkundige politie», aangevuld en gewijzigd door de wetten van 2 Juni 1875 (Stb. n0. 94), 8 Augustus 1878 (Stb. n0. 115) en 1 Augustus 1880 (Stb. nquot;. 123); (Sr. 429 N.)

in art. 27, 2de lid, van eerstgemelde wet wordt het woord «misdrijven» vervangen door «strafbare feiten»; Art. 35, eerste lid, wordt gelezen als volgt: «Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krach-

1022

-ocr page 1141-

1023

tens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met cat artikel, of met den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. \'14, 21 en 32 dezer wet, en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste vijf honderd gulden»;

in art. 3, 2de lid, van de wet van 2 Juni 1875 (Stb. n0. 94), wordt het woord «misdrijf» vervangen door: «strafbaar feit»;

27°. art. 30, aanhef en n03 2 en 3, en art. 31, aanhef en n0. 2 van de wet van 4 December 1872 (Stb. n0. 134), tot «voorziening tegen besmettelijke ziekten», aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 3 December 1874 (Stb. n0.188) en 28 Maart 1877 (Stb. n°. 36); (Sr. 4291.)

in art. 19 van eerstgemelde wet wordt achter het woord «gevangenissen» ingevoegd: «van Rijksopvoedingsgestichten, van Rijkswerkinrigtingen»;

in den aanhef van de artt. 30 en 31 van eerstgemelde wet wordt het woord «en» vervangen door «of» en vervallen ae woorden «te zamen of afzonderlijk»;

28°. art. 12, 2de en 3de lid van de wet van 8 Juli 1874 (Stb. n0. 98), tot «regeling van de uitoefening der vee-artsenijkunst», gewijzigd door de wet van 4 April 1875 (Stb. n0. 37); (Sr. 4290.)

in het voormeld tweede lid vervallen de woorden, «en weigering door de veeartsen om den districtsveearts in hunne woning toe te laten»;

in voormeld derde lid worden de woorden «en daarboven» vervangen door «of»;

29°. Vervallen ten gevolge van art. 26 der Wet van 5 Mei 1889 (Stb. n0. 48).

30°. de artt. 53, 54, tweede lid, van de wet van 9 April 1875 (Stb. n0. 67), tot «regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen», art. 56, aanhef en 2de lid, met uitzondering der strafbaarstelling van het niet voldoen aan een krachtens art. 22 gegeven bevel of verbod; art. 56, 3de en 4de lid; artt. 58 en 63 dier wet; (Sr. 43A, 429E.)

in het eerste lid van art. 63 wordt het woord «honderd» vervangen door «twee honderd» en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk»;

in art. 71 wordt het woord «misdrijven» vervangen door: «strafbare feiten»;

31°. art. 22, met uitzondering van het voorlaatste lid, en art. 29, voor zooveel betreft de toepasselijkverklaring

-ocr page 1142-

WET VAN 15 APRIL 1886.

van art. *2% van de wet van 2 Juni 1875 (Sib. n0. 95), tot «regeling van het toezigt bij het oprigten van inriglingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken»; (Sr. 429G.)

in art. 22, laatste lid, wordt het woord «wanbedrijven» vervangen door: «strafbare feiten»;

in het eerste lid van voormeld art. 22 vervallen sub a en amp; de woorden «te zamen of afzonderlijk» en wordt het woord «en», sub a waar het de eerste maal en sub b waar het de tweede maal voorkomt, vervangen door: «of»;

32°. art. 6, met uitzondering van het 5de lid, art 7, 2de lid van de wet van 5 Juni 1875 (Stb. n®. 110), tot «vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid» en art. 8 dezer wet doch alleen voor zoover het de strafbaarstelling betreft van het verzuim der kennisgeving bedoeld bij art. 1; (Sr. 429M.)

in voormeld art. 8 wordt het woord «en» waar het de derde maal voorkomt, vervangen door «of» en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk»;

33°. art. 2 van de wet van 5 Juni 1875 (Stb. n0. 113) betrekkelijk «het nemen van maatregelen tegen overbrenging van den Colorado-kever»; (Sr. 429P.)

in de 1ste alinea van voormeld artikel vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk» en wordt het woord «en» vervangen door «of»;

34°. de artt. 65 en 102, eerste lid, van de wet van 28 April 1876 (Stb. n0. 102), tot «regeling van het hooger onderwijs», gewijzigd bij de wetten van 7 Mei 1878 (Stb. n0. 33), van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 107), van 15 Juni 1883 (Stb. n0. 75) en van 23 Juni 1885 (Stb. n0.141); (Sr. 442L.)

35°. art. 9, tweede lid, van de wet van 24 Juni 1876 (Stb n0. 117), houdende «regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst; (Sr. 4421.)

36°. art. 2, 2de en 3de lid, van de wet van 28 Juni 1876 (Stb. n0. 150), houdende «maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaan»; (Sr. 429Q.)

in art. 2, 2de en 3de lid, wordt het woord «misdrijf» en «misdrijven» vervangen door: «strafbaar feit» en «strafbare feiten»;

in art. 2, 2de lid, wordt het woord «en» vervangen door «of» en vervallen de woorden «gezamenlijk of afzonderlijk»;

37°. art. 22, met uitzondering van het laatste lid, van de wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227), tot «regeling der coöperatieve vereenigingen»; (Sr. 442M.)

38u. art. 19 van de wet van 28 Maart 1877 (Stb. nu. 35), tot «wering van besmetting door uit zee aankomende schepen»; (Sr. 429L )

in art. 19 wordt het woord «en», waar dit de tweede

1024

-ocr page 1143-

IN VOERING S WET, ART. 10.

maal voorkomt, vervangen door «of» en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk»;

39°. art. 10 van de .wet van 28 Maart 1877 (Slb. n0. 43), tot «vervanging der koperen door bronzen pasmunt»; (Sr. 4420.)

40°. art. 9, 1ste lid, van de wet van 17 Augustus 1878 (Stb. n1. 127), tot «regeling van het lager onderwijs», gewijzigd door de wetten van 27 Juli 1882 (Stb. nquot;. 117), 3 Januari 1884 (Stb. n*. 2) en 11 Juli 1884 (Stb. n0.123); (Sr. 447E.)

in het eerste lid van art. 9 vervallen de woorden: «zonder daartoe bevoegd te zijn lager onderwijs geeft of», wordt het woord «en», waar dit de tweede maal voorkomt, vervangen door «of» en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk»;

art. 105 der eerstgenoemde wet wordt gelezen: «tot eene der straffen omschreven in art. 28 nos. 4 en 5 van het Wetboek van Strafrecht»;

41°. art. 9, met uitzondering van het voorlaatste lid, van de wet van 23 April 1880 (Stb. nquot;. 67), betreffende «de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten» ; (Sr. 43B, 442K.)

42quot;. art. 6 van de wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 89), tot «bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw of houtteelt»; (Sr. 442R.)

in het tweede lid van voormeld artikel worden de woorden: «sinds de schuldige krachtens dezelfde strafbepaling werd veroordeeld» vervangen door: «sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van hetzelfde artikel der wet onherroepelijk is geworden»;

43quot;. de artt. 14, 15, 16, 17 en 18 van de wet van 21 Juni 1881 (Stb. n0. 76), houdende «bepalingen omtrent de zeevisscherijen», aangevuld bij de wet van 7 October 1884 (Stb. n0. 211); (Sr. 474E.)

44°. de artt. 16, 17, aanhef en n0. 2, 18, 23 en 27 van do wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 97), houdende «wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap» ; gewijzigd bij de wetten van 23 April 1884 (Slb. n0. 54) en 16 April 1885 (Stb. n0. 78); (Sr. 457C.)

nu. 4 van art. 3 wordt gelezen: «Wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering van die van art. 23, of wegens een der feiten omschreven in art. 184, voor het geval het feit betrekking heeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet of de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 252, 426, 458 en 454 van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurt»;

in art. 18 worden de woorden; «artikel 19» ver-

1025

65

-ocr page 1144-

WET VAN 15 APRIL 1886.

vangen door; «artikel 252, 2°. en 3°., van het Wetboek van Strafrecht»;

45quot;. de artt. 6, 7 en 8 van de wet van 7 December 1883 (Stb. n0. 202), «ter uitvoering van de op 6 Mei 1882 te \'s-Gravenhage gesloten internationale overeenkomst tot regeling van de politie op de visscherij in de Noordzee buiten de territoriale wateren»; (Sr. 74C, 474F; Stb. 1883 n®. 73.)

46°. de artt. 36, aanhef en 3°., 37, met uitzondering van het laatste lid, en 38 van de wet van 27 April 1884 (Stb. nquot;. 96), tot «regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen» ; (Sr. 442H.)

het 2de en 3de lid van art. 18 worden vervangen door de navolgende bepaling: «Ingeval de rechter oor-deelende in strafzaken, met toepassing van het 2de lid van art. 37 van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt»;

47°. de artt. 14, 15 en 19 van de wet van 23 Juli 1885 (Stb. n0. 142), tot «regeling der Staatsloterij»; (Sr. 442J.) in het tweede lid van de voormelde artikelen worden de woorden «sedert de schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is veroordeeld» vervangen door «sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is geworden.»

11. De feiten in het vorig artikel bedoeld, worden beschouwd als overtredingen. Zij worden als zoodanig berecht voor zoover niet in de bijzondere wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaald is. (Rv. 854; Schutterijw., a. 63; Wet not. ambt, a. 54; Stb. 1843 n0. 37, a. 19; Stb. 1843 n0. 38, a. 7; W. kerkgenootsch., a. 10; Stb. 18G9 n®. 57, a. 30b.)

De in de wetten in het vorig artikel bedoeld met name genoemde poging blijft als zelfstandige overtreding strafbaar. (Sr. 429Q, 4421\' en Q, 474E.)

De op in het vorig artikel bedoelde feiten gestelde gevangenisstraf wordt vervangen door hechtenis met een maximum van gelijken duur doch den tijd van een jaar niet overschrijdende en met een minimum van één dag.

Het minimum der geldboete wordt gesteld op of verminderd tot vijftig cents.

Wanneer op herhaling van overtreding zwaardere straf is gesteld, zonder vermelding van eenig tijdvak, binnen hetwelk die herhaling moet hebben plaats gehad, is die bepaling slechts dan van kracht wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald.

Waar een andere aanvangstijd van den termijn voor de herhaling vastgesteld, is bepaald, wordt de in het vorige lid bedoelde tijd van aanvang daarvoor in de plaats gesteld.

102(3

-ocr page 1145-

T

INVOERINGSWET, ARTT. 11—17.

12. Blijven van kracht:

1°. art. 39,3de lid, van de wet van 20 Juli 1870 (Stb. n®. 131), tot «regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie», aangevuld door de wetten van 2 Juni 1875 (Stb. n0. 94), 8 Augustus 1878 (Stb. n0.115) en 1 Augustus 1880 (Stb. nquot;. 123); (Sr. 218A.)

in voormeld artikel worden de woorden: «De artt. 142 en 443 van het Strafwetboek, het laatste in verband met art. 5 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. nquot;. 102), zijn toepasselijk op» vervangen door: «Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar»;

2quot;\'. art. 17 van de wet van 23 Juli 1885 (Stb. n0. 142), tot «regeling der Staatsloterij». (Sr. 366A.)

De feiten in dit artikel bedoeld, worden beschouwd als misdrijven.

13. De bij bijzondere wetten en verordeningen verleende bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten blijft gehandhaafd, ook voorzoover tegen die feiten thans in het Wetboek van Strafrecht is voorzien. (Sv. 8 n0. 7.)

14. In art. 10 der wet van 30 April 1815 (Stb. nquot;. 33) «houdende instelling van de Militaire Willemsorde» en in art. 12 der wet van 29 September 1815 (Stb. n0. 47) «houdende instelling van de orde van den Nederlandschen Leeuw», worden de woorden: «een onteerend vonnis» vervangen door: «eene onherroepelijke veroordeeling tot gevangenisstraf van drie jaren of tot zwaardere straf».

15. In art. 27 der wet van 9 Mei 1846 (Stb. n0. 24) «betreffende de burgerlijke pensioenen», laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 (Stb. n0. 64), in art. 71 der wet van 28 Augustus 1851 (Stb. n0. 127) «tot regeling der militaire pensioenen bij de zeemagt», art. 70 der wet van 28 Augustus 1851 (Stb. n0. 129), «tot regeling der militaire pensioenen bij de landmagt», art. 43 der wet van 24 Juni 1854 (Stb. nquot;. 92) «betrefiende het verleenen van pensioen aan mindere geëmployeerden, werklieden en bedienden», en art. 21 der wet van 20 Augustus 1859 (Stb. n0. 94), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 April 1876 (Stb. n0. 92), «betreffende het verleenen van pensioen en anderstand aan schippers, loodsen, loodskweekeliugen en hulploodsen bij de loodsdienst voor zeeschepen», worden de woorden «lijf- of onteerende» vervangen door: «gevangenisstraf van driejaren of zwaardere», en de woorden «tot op de rehabilitatie» of «tot aan de rehabilitatie» door: «gedurende een door den regter bij het vonnis te bepalen tijd». (Sr. 36A. Zie de aant. aldaar.)

16. Art. 28 van de wet van 7 Mei 1856 (Stb. n0. 32) «houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen» wordt gelezen:

«Bij de monstering worden de artt. 5—9, 17, 20, 21,23, 24 en 26 dezer wet en de artt. 391—401, 406 en 408 Wetboek van Strafrecht aan de schepelingen voorgelezen».

17. Art. 7 van de wet van 2 Mei 1863 (Stb. n®. 50), gewijzigd door de wetten van 28 Juni 1876 (Stb. n®. 143)

1027

de

-ocr page 1146-

WET VAN IS APRIL 1880.

en van 25 April 1879 (Stb. n0. 87), «houdende regeling van het middelbaar onderwijs», vervalt.

Art. 8, eerste lid b, van eerstgenoemde wet wordt gelezen: «tot eene der straffen omschreven in art. 28, n0°. 4 en 5, van het Wetboek van Strafrecht».

18. De wet van 6 April 1875 (Stb. n0. 66) «totregeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten», blijft van kracht, behoudens de navolgende wijzigingen.

De navolgende nummers van art. 2 dier wet worden gelezen als volgt:

1°. a. aanslag, ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander hoofd van een bevrienden Staat van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeren ongeschikt te maken; (Sr. 92, 115.)

b. aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regerende Vorstin, van den Troonopvolger of van een lid van het Vorstelijk Huis; (Sr. 108.)

2°. doodslag of moord, kinderdoodslag of kindermoord; (Sr. 287—291.)

3°. bedreigingen strafbaar gesteld bij het tweede lid van art. 285 van het quot;Wetboek van Strafrecht;

4°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar ze.\'ve of door anderen; (Sr. 295—297.)

5°. mishandeling die zwaar lichamelijk letsel of den dood ten gevolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mishandeling; (Sr. 300{), c, d, 301—303.)

6°. verkrachting of een der misdrijven tegen de zeden strafbaar gesteld bij de arft. 243 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht; (Sr. 242—247.)

7°. koppelarij; (Sr. 250.)

11°. het namaken of vervalschen, met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspeciën of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of vervalschte muntspeciën of muntpapier; (Sr. 208, 209, 212.)

12°. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artt. 216 en 217 van het Wetboek van Strafrecht;

13°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Strafrecht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten eener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerichte circulatiebank, waarvan de valschheid of vervalsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven; (Sr. 232.)

14°. meineed; (Sr. 207.)

15®. omkooping van ambtenaren strafbaar gesteld bij de artt. 178, 363 en 364 van het Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijk gestelden; (Sr. 321 v. j#. 44, 373, 374 n#. 2.)

ie®, brandstichting in de in ait. 157 en art. 328 van

1028

-ocr page 1147-

INVOERINGSWET, ARTT. 18—10.

het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gevallen;

17°. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar gesteld bij art. 352 van het Wetboek van Strafrecht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen ;

18°. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafrecht;

19°. het in de in art. 168 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederregtelijk doen zinken of stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaartuigen;

25°. verduistering. (Sr. 321 v.)

In de artikelen 6 en 7 wordt het woord «misdrijf» vervangen door «strafbaar feit» en in artikel 10 het woord «hechtenis» door: «verzekerde bewaring».

§ m.

Bepalingen omtrent overtredingen van Algemeene Maatregelen van inwendig bestuur, van Provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, van gemeenteverordeningen en van politieverordeningen of keuren van waterschappen.

19. Blijven van kracht, voor zoover betreft feiten waartegen in eenige andere wet niet is voorzien, de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, alsmede de strafbepalingen, bij eenige bijzondere wet vastgesteld ten opzichte van overtreding van eenigen alge-meenen maatregel van inwendig bestuur tot uitvoering dier wet uitgevaardigd.

Art. 11 dezer wet is daarbij van toepassing.

De bepalingen voorkomende in de wetten bedoeld in het eerste lid van dit artikel omtrent solidariteit bij veroordeeling tot boete, voorziening in geval van wanbetaling van boete, bestemming van boete en van verbeurdverklaarde, niet vernietigde of onbruikbaar gemaakte voorwerpen , verval van het recht van strafvordering door transactie of door vrijwillige betaling van het maximum der boete, alsmede omtrent verzachtende omstandigheden blijven of zijn ingetrokken.

In art. 2, 1ste lid, van de wet van 28 Juni 1876 (Stb. n0. 150), houdende «maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaan», wordt het woord «en» vervangen door «of* en vervallen de woorden «te zamen of afzonderlijk».

In art. 3 van de wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 80) «houdende buitengewone maatregelen tot afwending van

1029

-ocr page 1148-

quot;WET VAN 15 APRIL 1886.

eenige besmettelijke ziekten en tot wering barer uitbreiding en gevolgen» en in art. 6 van de wet van 26 April 1884 (Stb. n0. 81) «houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffen» worden de woorden «sedert de schuldige wegens hetzelfde feit onherroepelijk is veroordeeld» vervangen door: «sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden».

20. Waar in de thans bestaande wetten het geven van nadere voorschriften aan algemeene maatregelen van inwendig bestuur is overgelaten, zonder bepaling van straf tegen de overtreding van voorschriften bij die algemeene maatregelen van inwendig bestuur gegeven, zal die overtreding gestraft worden met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

21. Hij die het reglement betrekkelijk de ontginning van steenkolenmijnen, behoorende bij Ons besluit van 28 Juni 1877 (Stb. n0. 155), overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 4291.)

22. Onverminderd de bepalingen van de drie quot;oorgaande artikelen blijft art. 1 van de wet van 6 Maart 1818 (Stb. n0. 12) tot den Isten September 1888 van kracht, a) (Sr. 447A.)

In voormeld artikel worden de woorden: «met eene boete van ten minste tien en ten hoogste honderd gulden, of eene gevangenis van ten minste één en ten langste veertien dagen, of met boete en gevangenis te zamen, mits binnen de evengenoemde beperkingen respectivelijk begrepen zijnde» vervangen door: «met hechtenis van een tot veertien dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden».

23. Art. 74 der wet van 6 Juli 1850 (Stb. n0. 39), regelende «de zamenstelling en magt van de Provinciale Staten» blijft van kracht. (Sr. 54C.)

Art. 1 der wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 86) «tot herziening der wet van 6 Maart 1818 (Slb. n0. 12) omtrent de straffen tegen overtreders van algemeene verordeningen, enz.» blijft van kracht.

In het eerste lid van voormeld artikel worden de woorden «geldboete van één tot vijf en zeventig gulden en gevangenisstraf van een tot zeven dagen, te zamen of afzonderlijk» vervangen door: «hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden».

1030

Aan voormeld artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

a) Bij verschillende wetten is deze termijn telkens een jaar verlengd. Stb. 1888 no. 1(13; Stb. 1881» no. 112; Stb. IS\'JO no. 108; Stb. 1S»1 no. llfi, en eindelijk het laatst tot 1 September 1893 bij Stb. 1892 no. 1S1.

-ocr page 1149-

INVOERINGSWET, AH TT. 20—28.

I«De duur der vervangende hechtenis is in geval het maximum der bepaalde boete zestig gulden te bovengaat, ten hoogste twaalf dagen».«De duur der vervangende hechtenis is in geval het maximum der bepaalde boete zestig gulden te bovengaat, ten hoogste twaalf dagen».

24:. Art. 47 van de wet van 29 Juni 1851 (Stb. n0. 85), regelende «de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen», blijft van kracht. (Sr. 54D.)

De artt. 161—165 van voormelde wet worden vervangen door de twee navolgende bepalingen:

Art. 161. «De raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen niet bij eene wet, eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelden toebehooren».

Art. 162. «Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken».

25. De artt. 271, 272, 274—282 der in het vorig artikel bedoelde wet blijven van kracht. (Sr. 35C, 4613.)

Art. 273 van voormelde wet wordt gelezen: «Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging en medepligtigheid gelden de eischen, in de artt. 45 en 48 van het Wetboek van Strafrecht voor strafbare poging tot en medepligtigheid aan misdrijf gesteld».

In de artt. 272, 274, 275 en 277 van voormelde wet wordt het woord «misdrijven» vervangen door: «overtredingen».

In de artt. 274 en 275 van voormelde wet worden de woorden «de artt. 270 en» vervangen door: «artikel».

26. Ingetrokken hij art. 20 der Wet van 20 Juli 1895 (Stb. n0. 139). (Zie die wet in de chron. lijst.)

27. In de bestaande provinciale-, gemeente- of waterschapsverordeningen, reglementen, reglementaire voorschriften of keuren wordt de gevangenisstraf vervangen door hechtenis, het minimum der hechtenis op één dag en dat der geldboete op vijftig cents gesteld.

Wanneer gevangenisstraf en geldboete te zamen of afzonderlijk op het feit zijn gesteld, kan de rechter slechts één van beide opleggen.

Behoudens het bij dit artikel bepaalde blijft art. 3 van de wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 86) van kracht.

28. De strafbare feiten, bedoeld in de artt. 20—27, worden beschouwd als overtredingen.

1031

-ocr page 1150-

10;i2 WET VAN 15 AI\'HIL 188l3.

§ IV.

Algemcenc bepaling omtrent herhaling van strafbare feiten.

29. De bepalingen van het Wetboek van Strafrecht omtrent strafverzwaring, in geval van herhaling van strafbare feiten, worden toegepast ook indien de vroegere veroordeeling wegens soortgelijk feit of de vrijwillige betaling van de boete onder de heerschappij der oude wetgeving plaats had, zelfs wanneer in die wetgeving aan het eerste feit eene andere qualificatie werd gegeven.

Bepalingen betreffende strafbare feiten vóór 1 September 1886 gepleegd en op of na dien dag te berechten.

30. Ter bepaling van de bevoegdheid van den rechter en de wijze van rechtspleging, wordt uitsluitend de wetgeving toegepast in werking op het tijdstip waarop rechtsingang werd verleend of, voor de eerste maal, rauwelijks voor de openbare terechtzitting gedagvaard. (Sv. 85,441,145.)

31. In alle zaken waarin vóór 1 September 1886 reeds, al ware het bij verstek, een eindvonnis gewezen is, worden, ook na verzet of na gebruik van het middel van hooger beroep of van cassatie, uitsluitend de oude strafrechtelijke bepalingen toegepast. (Sv. 222, 264.)

Indien daarentegen wegens een feit voor 1 September 1886 gepleegd, eerst op of na dien dag het eerste eindvonnis gewezen wordt, gelden de bepalingen der vijftien volgende artikelen en van art. 48.

32. Indien in de oude wetgeving levenslange tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren in de plaats.

33. Indien in de oude wetgeving vijf tot vijf en twintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren in de p\'aats.

34. Indien in de oude wetgeving vijf tot twintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren in de plaats.

35. Indien in de oude wetgeving vijf tot vijftienjarige tuchthuisstraf of deportatie is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren in de plaats.

36. Indien in de oude wetgeving vijf tot tienjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren in de plaats.

37. Indien in de oude wetgeving verbanning is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden in de plaats.

38. In de gevallen in de artt. 32—37 bedoeld is de rechter bevoegd, ontzetting uit te spreken van de in art. 28,

-ocr page 1151-

INVOliaiNtiSWliT, AKTT. \'29 — 46.

n0. 1, 2, 3 en 4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curatele over eigen kinderen, voor den duur in artikel 31 van dat Wetboek aangewezen.

39. Indien in de oude wetgeving correctioneele gevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor in de plaats gevangenisstraf waarvan het maximum wordt verminderd tot de helft.

40. Indien naar de oude wetgeving ontzetting had kunnen worden uitgesproken van al de in art. 8 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. n0. 102) vermelde rechten, treedt daarvoor \'s rechters bevoegdheid tot ontzetting van de in art. 28 n0.1, 2, 3 en 4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curateele over eigen kinderen, in de plaats.

41. Indien naar de oude wetgeving ontzetting had kunnen worden uitgesproken van sommige der in art. 8 der wet van 29 Juni 1854 (Stb. n°. 102) vermelde rechten, kan die ontzetting slechts plaats hebben in zoover die rechten ook in art. 28 van het Wetboek van Strafrecht vermeld zijn.

Het laatste lid van voormeld art. 8 blijft buiten toepassing.

42. Indien in de oude wetgeving politiegevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor hechtenis van gelijken duur in de plaats.

43. Ten aanzien van het minimum der gevangenisstraf, hechtenis en geldboete, gelden de bepalingen der artt. 10, 18 en 23 van het Wetboek van Strafrecht.

44. Indien de strafbepalingen der nieuwe wetgeving voor den schuldige minder ongunstig mochten zijn dan die van de oude wetgeving na de verwisseling in de artt. 32—37, 39 en 42 dezer wet voorgeschreven, worden alleen de bepalingen der nieuwe wetgeving toegepast.

Alleen de maxima der gestelde straffen worden in vergelijking gebracht.

Bij cumulatieve of alternatieve strafbedreiging worden alleen de zwaarste straffen in vergelijking gebracht.

Bijkomende straffen worden niet in vergelijking gebracht.

Voor zooveel geldboeten betreft, wordt alleen het bedrag der boeten, niet de duur der subsidiaire gevangenisstraf of hechtenis in vergelijking gebracht.

45. Opzending van bedelaars of landloopers naar een bedelaarsgesticht of werkhuis, kan slechts worden gelast voor zoover krachtens de nieuwe wetgeving veroordeeling tot plaatsing in eene Rijkswerkinrichting zou kunnen worden uitgesproken. (Sr. 434, 453o(.)

De opzending is in geen geval verplichtend.

46. Indien hetzij naar de oude, hetzij naar de nieuwe wetgeving, het feit alleen op klachte vervolgbaar is, wordt de strafvordering niet ontvankelijk verklaard tenzij de klacht is gedaan.

De in art. (36 van het Wetboek van Strafrecht vastge-

1033

-ocr page 1152-

1034 INVOERINGSWET, ARTT. 47—50.

stelde termijn vangt aan op den dag in art. 2 dezer wet bedoeld.

Ten aanzien van klachten vóór dien dag ingediend vangt op dien dag de termijn aan bedoeld in art. 67 van het Wetboek van Strafrecht.

47- De artt. 63—67 der wet van 28 Juni 1854 (Stb. n0. 400) «tot regeling van het armbestuur», gewijzigd bij de wet van 1 Juni 1870 (Stb. n0. 85), blijven gelden voor hen wier overbrenging krachtens rechterlijk vonnis, gewezen vóór het in werking treden van deze wet, zal zijn geschied, zoolang zij in zoodanig gesticht verblijven.

De in het eerste lid vermelde artikelen zijn afgeschaft zoodra de laatste landlooper of bedelaar uit de bedelaarsgestichten is ontslagen.

48. Alle bepalingen in het Wetboek van Strafrecht gemaakt, betrekkelijk den ingang, de wijze en de kosten van tenuitvoerlegging van straffen, daaronder begrepen de bepalingen betrekkelijk de bestemming van boete en van verbeurdverklaarde voorwerpen en de straffen die, bij gebreke van voldoening aan de rechterlijke uitspraak, daarvoor in de plaats treden, zijn toepasselijk.

§ VI.

Bepaling omtrent straffen vóór \\ Septrvibcr opyelegd.

49. Art. 35 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op straffen, die ten uitvoer worden gelegd krachtens vonnissen vóór 1 September 1886 geweien.

Slotbepaling.

50. Deze wet treedt in werking op den Isten September 1886.

Geivijzind bij art. 1 der Wet van 19 April 1886 (Stb. n». 92).

Gegeven te \'s Gravenhage, 15 April 1886.

WET

van 31 December 1887 (Stb. n0. 265), lot wijziging van bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met het Wetboek van Strafvordering, in het Wetboek van Strafrecht en, in verband met de thans geldende strafwetgeving, in het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1.

Wordt gelezen:

1°. In art. 854 van het Wetboek van Burgerlijke Regts-

-ocr page 1153-

WET VAN 31 DECEMBER 1887.

vordering, in plaats van «correctionele zaken», «strafzaken ter kennisneming van de arrondissements-regfbank.»

2°. In het 2de lid van art. 54 der wet van 9 Juli 1842 (Stb. n®. 20) op het notarisambt, gewijzigd bij art. 10, sub. 6, der wet van 15 April 1886 (Stb. nquot;. 64) en in art. 19 der wet van 28 Augustus 1843 (Stb. n». 37), houdende vaststelling eener algemeene bepaling en van den eersten titel van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken, gewijzigd bij art. 10, sub 7, der wet van 15 April 1886 (Stb. n0. 64), in plaats van «17den titel», dBden titel».

3°. In het 2de lid van art. 30 der wet van 12 April 1850 (Stb. nquot;. 15) tot vaststelling van het briefport en tot regeling der aangelegenheden van de brievenposterij in het 3de lid van art. 72 der wet van 9 April 1875 (Stb. n0. 67) tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen en in art. 11 der wet van 7 December 1883 (Stb. n». 202) ter uitvoering van de op 6 Mei 1882 gesloten internationale overeenkomst tot regeling van de politie op de visscherij in de Noordzee buiten de territoriale wateren, in plaats van: «artikel 437», «artikel 401».

4°. In het 1ste lid van art. 10 der wet van 5 Augustus 1850 (Stb. na. 45) tot regeling van het regt van onderzoek (enquête), in plaats van «correctionele zaken», «strafzaken ter kennisneming van de arrondissements-regtbank/, en in het 2de lid van voormeld artikel in plaats van; «XVllden en XXIIlsten titel», «16den titel.»

5°. In het 2de lid van art. 100 der wet van 18 September 1852 (Stb. n8. 178) omtrent den waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken, in plaats van: «strafvordering», «strafrecht».

6°. in het 2de lid van art. 10 der wet van 10 September 1853 (Stb. n0. 102) tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, in plaats van: «art. 31», «art. 33».

7°. In het 1ste lid van art. 25ci en in het 2de lid van art. 25gf der wet van 7 Mei 1856 (Stb. nquot;. 32), houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen, zooals die zijn vastgesteld bij art. 1 der wet van 13 November 1879 (Stb. n0. 190), in plaats van «art. 224», «art. 144».

2. Waar in bestaande wetten wordt verwezen naar art. 11 van het Wetboek van Strafvordering wordt daarvoor gelezen: «art. 8».

3. Aan art. 71 van het Wetboek van Strafrecht wordt aan het slot een nieuwe zinsnede toegevoegd, luidende:

«3®. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en 467, op den dag na dien, waarop ingevolge artikel 22 van het Burgerlijk Wetboek de aldaar bedoelde registers waaruit zoodanige overtreding blijkt ter griffie van de arrondissements-rechtbank zijn overgebracht.»

4r. Het derde en het vierde lid van art. 27 van het Burgerlijk Wetboek worden vervangen door de volgende bepalingen :

1035

-ocr page 1154-

WET VAN 31 ÜECKMBEll 1887.

«Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 466, 467 en 4681°. van liet Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis.

In geval van overtreding tegen die voorschriften door andere bewaarders begaan, kunnen deze door den Burgerlijken regter worden verwezen in eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.»

5. Art. 137 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelezen als volgt:

«Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 465 en 466 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis.»

Gegeven te \'s Gravenhage, 31 December 1887.

BESLUIT

van 9 Januari 1888 (Stb. n0. 2), tot wijziging van bestaande Koninklijke besluiten, ten einde die in cvereenstcmming te brengen met het Wetboek van Strafvordering.

Wu WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Financien, van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Onzen Minister van Staat, Minister van Binnen-landsche Zaken, van 24 Maart 1887, afdeeling 2a/1, n0. 134; van 7 April 1887, n0. 86, Invoerrechten en Accijnzen; van 26 April 1887, La. B, afdeeling Secretariaat B; van 28 April 1887, n0. 1888, afdeeling Binnenlandsch Bestuur;

Overwegende, dat het noodzakelijk is eenige Koninklijke besluiten te wijzigen, ten einde die in overeen stemming te brengen met het Wetboek van Strafvordering;

Den Raad van State gehoord (advies van den 14den Juni 1887, n». 13);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Justitie, van Financien, van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Onzen Minister van Staat, Minister van Bin-nenlandsche Zaken, van 4 Januari 1888, afdeeling 2a, n0. 161, 6 Januari 1888, n0. 91, Invoerrechten en Accijnzen, 6 Januari 1888, Litt. G, afdeeling Secretariaat B, en 6 Januari 1888, nquot;. 5697, afdeeling Binnenlandsch bestuur;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Wordt gelezen:

In art. 50 van het bij Koninklijk besluit van 14 Sep-

10J6

-ocr page 1155-

BESLUIT VAN 9 JANUARI 1888.

tember \'1838 (Stb. n0. 36) vastgesteld reglement d0. i, betreffende de wijze van Eedsaflegging der onderscheidene Regterlijke Ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling en de orde van de inwendige dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de Hoven en Regtbanken, in plaats van «art. 222, nquot;. 2», «art. 141, n0. 2»;

In art. 79, 1°. sub b. van voormeld reglement, in plaats van; «16den titel», «15den titel»;

In art. 79, 1°. sub d. van voormeld reglement, in plaats van: «lOden titel», «9den titel»;

In art. 79, 1°. sub e. van voormeld reglement, in plaats van: «19den titel», \'18den titel».

2. Waar in bestaande Koninklijke besluiten wordt verwezen naar art. 11 van het Wetboek van Strafvordering, wordt daarvoor gelezen: art. «8».

3. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

\'s Gravenhage, 9 Januari 1888.

1

f-Ü; \'l

9 il

WET

van 15 Januari 1886 (Stb. n0. 7), houdende hrpcdinrjcn tot uitvoering van de artikelen 38 en 39 van het Wetboek van Strafrecht.

§ 1. Bepalingen, regelende de wijze waarop de last van den burgerlijken rechter wordt verkregen tot plaatsing van een kind in een rijksopvoedingsgesticht.

Artikel 1.

In de gevallen, waarin de wet de plaatsing van een kind in een rijksopvoedingsgesticht toelaat wegens feiten, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt, kan de last daartoe binnen een jaar nadat die feiten zijn begaan gevorderd worden door den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement:

1°. waarin het kind woont,

2Ó. waarin het verblijf houdt, of 3\'\'. waarin het feit is begaan.

Wordt de kennisneming der zaak gelijktijdig aan meer dan een van de drie genoemde rechtbanken onderworpen, zoo blijft met uitsluiting van de overige, die rechtbank bevoegd, welke bij de bovenstaande rangschikking vroeger is geplaatst. (Sv. 23, 24.)

2. Ten aanzien van de opsporing van de in het vorig artikel bedoelde feiten en de voorloopige informatien gelden de voorschriften van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat hetgeen wordt voorgeschreven ten opzichte van den verdachte geldt ten opzichte van het kind,

1037

-ocr page 1156-

1038 WET VAN 15 JANUARI 4886.

en dat in de plaats van de voorloopige aanhouding bij ontdekking op heeter daad, door den betrokken rechtercommissaris, officier of hulpofficier van justitie kan worden bevolen dat het kind voorloopig onder behoorlijk toezicht in verzekerde bewaring worde gesteld. (Sv. 41, 45 j». 43e en 55.)

Het bevel vervalt, wanneer het niet binnen drie dagen door de rechtbank is bekrachtigd. (Sv. 54.)

Gelijk bevel kan in eiken stand der zaak door de rechtbank worden verleend op vordering van den officier van justitie. (Sv. 227.)

Het bevel der rechtbank geldt, behoudens verlenging, voor niet langer dan dertig dagen, en kan door de rechtbank steeds worden ingetrokken. (Sv. 116, 227.)

Hangende appèl en cassatie blijft het bevel van kracht, (Sv. 8 v., 56 v.)

3. Wanneer de zaak tot genoegzame klaarheid is gebracht en er naar het oordeel van den officier van justitie grond bestaat tot plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, dient hij zijne daartoe strekkende vordering met de stukken bij de rechtbank in. (Sv. 141.)

4. Indien ter zake van hetzelfde feit tegen andere personen eene strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld, wordt de behandeling der zaak geschorst tot dat de straf-

! rechter zal hebben beslist. rechter zal hebben beslist.

De rechtbank zal aan de uitspraak van den strafrechter zoodanige kracht toekennen, als zij zal meenen te be-hooren.

5. Alvorens te beschikken, zal de rechtbank, tenzij reeds dadelijk van oordeel, dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is, het verhoor bevelen van het kind, van zijn wettigen vertegenwoordiger, van de getuigen en van alle andere personen, wier verhoor noodig voorkomt.

De oproeping wordt beteekend door een deurwaarder of dienaar van de openbare macht. In die van het kind en zijn vertegenwoordiger wordt het feit vermeld.

Bij niet-verschijning van de in het eerste lid bedoelde personen kan de rechtbank een bevel van medebrenging verleenen. (Sv. 7, 141 v., 144, 1586.)

6. Na afloop der verhoeren doet de rech\'.bank op de conclusien van het openbaar ministerie bij gemotiveerde beschikking uitspraak.

Indien het feit voldoende is gebleken en de wet plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht wegens dat feit toelaat, wijst de rechtbank, zoo zij van ooi-deel is dat voor zoodanige plaatsing termen bestaan, de vordering toe. (Sv. 214 v , 221.)

7. De beschikking, waarbij de plaatsing is bevolen, wordt aan het kind en zijn vertegenwoordiger beteekend op de wijze voorgeschreven bij art. 5.

8. Het kind en zijn vertegenwoordiger kunnen binnen acht dagen na de beteekening van het bevel daartegen bij verzoekschrift aan het hof, in te dienen ter griffie der rechtbank die het vonnis gewezen heeft, in hooger beroep komen. (Sv. 228 v.)

-ocr page 1157-

WET VAN 15 JANUARI 1886.

9. Indien liet hof de beschikking der rechtbank bekrachtigt, of de plaatsing voor een anderen tijd gelast, kunnen het kind en zijn vertegenwoordiger daartegen beroep in cassatie doen binnen acht dagen nadat \'s hofs beschikking hun is beteekend. (Sv. 846, 856.)

10. De cassatie wordt aangeteekend bij verzoekschrift aan den Hoogen Raad, houdende middelen, in te dienen ter griffie van het hof. (Sv. 858 )

De Ilooge Raad doet, zonder dat beteekening aan de wederpartij of oproeping van partijen plaats vindt, uitspraak op de conclusien van het openbaar ministerie. (Sv. 369.)

11. De opneming in het rijksopvoedingsgesticht geschiedt tegen overlegging van een extract van de beschikking, waarbij de plaatsing is bevolen. (Sv. 881, 382: Sr. 464.)

12. Waar in deze paragraaf gesproken wordt van de rechtbank, het hof of den Hoogen Raad, wordt daarmede bedoeld de raadkamer voor burgerlijke zaken dier colleges.

§ 2. Bepalingen, regelende de ivijze, waarop de last tot ontslag uit het rijksopvoedingsgesticht wordt verkregen vóórdat de bij het vonnis bepaalde termijn is verstreken.

13. Het ontslag uit het rijksopvoedingsgesticht vóórdat de tijd verstreken is gedurende welken het kind ingevolge de uitspraak van den burgerlijken of den strafrechter daarin zou moeten verblijven, kan door denzelfden rechter worden bevolen op de vordering van den officier van justitie of op verzoek van den vertegenwoordiger van het kind.

De officier van justitie, het ontslag vorderende, levert zijne daartoe strekkende vordering, met de stukken, welke hij noodig acht over te leggen, bij de rechtbank in, die bij eenvoudig appointement op de vordering, de oproeping gelast van den vertegenwoordiger, tegen een bekwamen termijn om op de vordering te worden gehoord. De rechtbank kan ook de oproeping van het kind gelasten.

Het verzoek van den vertegenwoordiger geschiedt bij een door hem onderteekend verzoekschrift. Het wordt door de rechtbank gesteld in handen van den officier van justitie, ten einde daarop verslag te doen en zijn gevoelen aan de rechtbank kenbaar te maken. De rechtbank kan, alvorens op het verzoek te beslissen, de oproeping gelasten tegen een bekwamen termijn zoowel van den vertegenwoordiger als van het kind.

Vorderingen of verzoeken tot ontslag van kinderen uit het rijksopvoedingsgesticht worden in raadkamer behandeld en beslist door dezelfde rechtbank, die de plaatsing heeft bevolen.

Tegen de beslissing is geen hooger beroep toegelaten. (Sr. 38c, 39c.)

1039

-ocr page 1158-

wet van 15 januari 1880.

14. Indien de plaatsing van het kind in een rijksopvoedingsgesticht in hooger beroep, met vernietiging van een vonnis der rechtbank, door het hof is bevolen, wordt het verzoek of de vordering tot ontslag van het kind, in het vorige art. bedoeld, bij dat collegie aanhangig gemaakt.

Al hetgeen in het vorige artikel van den officier van justitie en de rechtbank is bepaald, geldt in dat geval voor den procureur-generaal en het hof.

§ 3. Bepalingen aan de twee vorige paragrafen gemeen.

15. Al de kosten, zoowel die welke door de vordering tot plaatsing van het kind in een rijksopvoedingsgesticht worden veroorzaakt, als die welke zoodanige plaatsing en de aanvrage tot ontslag doen ontstaan, blijven voor rekening van den Staat. (Sv. 214 v., 249, 370.)

16. Alle stukken, ter uitvoering van deze wet opgemaakt, zijn vrij van zegel en registatie.

De salarissen der griffiers en deurwaarders en de schadeloosstellingen der getuigen, tolken en deskundigen worden berekend naar de tarieven voor strafzaken vastgesteld. (Stb. 1874 n0. 66 en 212.)

17. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 15 Januari 1886.

WET

van 3 Januari 1884 (Stb. n0. 3), tot aanwijzing der gcslichten waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis ivordt ondergaan en van aanverwante gestichten, gewijzigd bij de Wetten van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 130), 10 December 1888 (Stb. n0. 176),

6 Mei 1889 (Stb. n0.51)en 29 October 1892 (Stb.

n0. 241).

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens art. 22 van het Wetboek van Strafrecht, de wet de gestichten aanwijst waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan, en het bovendien noodig is ook omtrent andere aanverwante gestichten eenige algemeene regelen te stellen;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De gevangenissen worden onderscheiden in strafgevan genissen, huizen van bewaring en passantenhuizen.

1040

-ocr page 1159-

WET VAN 3 JANUARI 1884.

2. I» de strafgevangenissen wordt, behoudens het bepaalde bij art. 25 van het Wetboek van Strafrecht, uitsluitend de burgerlijke en militaire gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. (Sr. 9a n0. 1, 19a; Stb. 1879 n0. 191 en 193, a. 4A n0. 2.)

3. De huizen van bewaring zijn bestemd;

1°. tot opneming van hen, die de straffen van hechtenis of van militaire detentie moeten ondergaan; (Sr. 9a n0. 2; Stb. 1879 nquot;. 191 en 193, a. 4A n». 4.) 2°. tot opneming van alle anderen, wier vastzetting, aanhouding, gevangenneming of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking geschiedt, voor zooverre geene andere plaats voor hen is bestemd; 3°. tot verblijf voor doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen.

4. De passantenhuizen hebben uitsluitend de in het vorig artikel onder n0. 3 omschreven bestemming.

5. Gebouwen bestemd tot strafgevangenissen kunnen niet tevens dienen tot huizen van bewaring of passantenhuizen. (Sr. 19a.)

6. In iedere arrondissementshoofdplaats of in eene onmiddellijk aangrenzende gemeente is een huis van bewaring en, voor zooveel noodig, eene gewone strafgevangenis gevestigd.

Door Ons wordt bepaald op welke andere plaatsen huizen van bewaring of passantenhuizen zijn gevestigd.

7. Er zijn bijzondere strafgevangenissen bestemd;

1°. tot opneming van hen die levenslange gevangenisstraf, of tijdelijke gevangenisstraf van meer dan vijf jaren moeten ondergaan. (Sr. 11.)

Deze gevangenissen zijn gevestigd: voor de mannen te Leeuwarden, voor de vrouwen te Gorinchem; tot opneming van hen die eene gevangenisstraf van meer dan drie maanden en niet moer dan vijf jaren moeten ondergaan en verkeeren in een der gevallen bedoeld in het tweede of derde lid a) van art. 12 van het Wetboek van Strafrecht. (Sr. 11a, 12 nquot;. 2 en 3.)

Deze gevangenissen zijn gevestigd ; voor de mannen te \'s-Hertogenbosch. voor de vrouwen te Eindhoven; tot opneming van hen die eene gevangenisstraf van meer dan drie maanden moeten ondergaan, bij den ingang der gevangenisstraf den leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en ingevolge het eerste of derde lid b) van art. 12 van het Wetboek van Strafrecht gemeenschappelijk moeten worden opgesloten. (Sr. 11a, 12 n0. 1 en 3.)

1041

2°.

3quot;.

Deze gevangenissen zijn gevestigd: voor de jongens te \'s-Hertogenbosch, voor de meisjes te Montfoort.

o) Bedoeld is het tweede of derde nummer. W Bedoeld is het eerste of derde nummer.

66

-ocr page 1160-

WET VAN 3 JANUARI 1884.

Gewijzigd hij art. \'1 der Wet van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 130), en de Wei 6 jV/ei 1889(Stb. n0.51).

Door Ons kan worden aangewezen eene bijzondere strafgevangenis bestemd voor militairen of daarmede ge-lijkgestelden, voor zooverre zij militaire gevangenisstraf in gemeenschap moeten ondergaan. (Stb. 1879 n0. 191 en 193, a. 7 j0. Inv. 9.)

8. De Rijkswerkinrichtingen en de Rijksopvoedingsgestichten zijn, zoowel onderling, als van de andere in deze wet genoemde gestichten, gescheiden.

De Rijkswerkinrichtingen zijn gevestigd: voor de mannen te Veenhuizen en te Hoorn, voor de vrouwen in de gemeente Oegstgeest. (Sr. 9b n0. 2, 32.)

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 10 December 1888 (Stb. n0. 176).

De Rijksopvoedingsgestichten zij gevestigd: voor de jongens te Alkmaar, aan den Kruisberg bij Doetinchem en te Veldzicht, gemeente Avereest, voor de meisjes te Montfoort, (Sr. 38, 39.)

Gewijzigd bij de Wet van 29 October 1892 (Stb. n0. 241).

9. De wet van 20 Juni 1855 (Stb. n0. 48) en alle met de tegenwoordige wet strijdende voorschriften zijn ingetrokken.

O vergangsbepal in gen.

10. Voor zooveel reeds bestaande gebouwen betreft, kan door Ons voor een bepaalden tijd worden toegelaten dat de gewone strafgevangenis en het huis van bewaring in hetzelfde gebouw zijn gevestigd, mits beiden van elkander zijn afgescheiden.

Zoolang de gebouwen voor de bijzondere strafgevangenis te Gorinchem, bedoeld in art. 7 sub 1, die voor de bijzondere strafgevangenissen te \'s-Hertogenbosch en te Eindhoven, bedoeld in art. 7 sub 2, en die voor de bijzondere strafgevangenis te \'s Hertogenbosch, bedoeld in art. 7 sub. 3 dezer wet, nog niet zijn voltooid, worden door Ons andere strafgestichten aangewezen to; opneming der veroordeelden, waarvoor de genoemde bijzondere strafgevangenissen bestemd zijn. Zoolang de bijzondere strafgevangenis te Amersfoort nog niet is voltooid, wordt door Ons een ander gesticht aangewezen tot opneming van de veroordeelden, waarvoor de genoemde bijzondere strafgevangenis is bestemd.

Zoolang in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden de inrichting tot afzonderlijke opsluiting nog niet is tot stand gebracht, ondergaan de mannen, die tot gevangenisstraf van langeren duur dan vijf jaren zijn veroordeeld, hunne straf, voor zoover die in afzondering moet worden ondergaan, in de gewone strafgevangenis te Groningen.

Gewijzigd bij art. 2 der Wet van 28 Augustus 188C (St. n°. 130).

1042

-ocr page 1161-

wet van 14 april 1886.

11. De bestaande cellulaire gevangenissen te Goes, Sneek, Deventer en Appingedam blijven, als gewone strafg\'evan-nissen, in gebruik.

12. De vonnissen, uitgesproken vóór de in werking treding dezer wet, worden, naar regelen door Ons te stellen, in de bij deze wet bedoelde of andere bepaaldelijk door Ons daartoe aangewezen gestichten ten uitvoer gelegd.

13. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 3 Januari 1884.

WEÏ

van 14 April 1886 (Stb. n0. 62), lot vaststelling der beginselen van het yevangeniswezcn, gewijzigd bij de Wet van 10 December 1888 (Stb. n0. 176).

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat, volgens art. 22 van het Wetboek van Strafrecht, de wet de beginselen stelt waarnaar de inrichting en het beheer der gevangenissen, de verdeeling der gevangenen in klassen, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur zullen worden geregeld; dat art. 32 van dat Wetboek dezelfde voorziening eischt ten aanzien van de Rijkswerkinrichtingen, terwijl zij ten aanzien van de Rijksopvoedingsgestichten mede wenschelijk is;

Zoo is het, enz.

TITEL I.

Inrichting en beheer.

Artikel 1.

Het opperbeheer der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen berust bij Onzen Minister van Justitie.

2. Het beheer van de in het vorig artikel genoemde gestichten wordt gevoerd door een directeur of door een cipier onder de bevelen van colleges van regenten.

De leden worden door Ons benoemd en ontslagen.

Bij tijdelijke ontstentenis van colleges van regenten wordt in de vervulling hunner werkzaamheden door Ons op andere wijze voorzien.

Ten opzichte van het college van regenten oven ie Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen worden door Ons afzonderlijke regelen gesteld. (Stb. 1886 n». 159, a. 8 v., 21 v.)

1043

-ocr page 1162-

WET VAN 14 APRIL 1886.

3. De directeuren worden door Ons benoemd en ontslagen ; de cipiers en overige beambten door Onzen Minister van Justitie, na de colleges van regenten te hebben gehoord.

4. De gevangenen, bedoeld in art. 3, 2° en 3®. van de wet van 3 Januari 1884 (Stb. n®. 3), worden aan geene andere beperkingen onderworpen dan die voor het doel hunner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

5. In de verschillende gestichten worden mannen en vrouwen te allen tijde van elkander gescheiden.

6. Zij, die in gemeenschap geplaatst zijn, worden gedurende den nacht onderling afgezonderd.

In buiteng-ewone gevallen staat het college van regenten uitzonderingen op «lien regel toe. (Sr. 12 n0. 3, 19c.)

7. Bij de regeling van den werktijd, van het arbeidsloon en van de kantine staan de veroordeelden in de strafgevangenissen ten achter bij de veroordeelden in de huizen van bewaring en in de Rijkswerkinrichtingen.

8. De veroordeelden in de strafgevangenissen en in de huizen van lewaring ontvangen in den regel gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niet anders dan water en brood. (Sr. HA, 19A.)

9. De pistole bestaat alleen in de huizen van bewaring.

10. Aan gevangenen en verpleegden kan van Rijkswege bij hun ontslag reisgeld of reisgelegenheid worden verstrekt.

Onder gevangenen wordt verstaan de bevolking der gevangenissen; order verpleegden die der Rijkswerkinrichtingen. (Zie art. 25.)

TITEL II.

Indeelinj in klassen.

11. Rij de klassenindéeling der gevangenen er. der verpleegden wordt hoofdzakelijk gelet op het verleden, het gedrag en het feit, waarvoor de veroordeeling heeft plaats gehad, en daarlij tevens zooveel mogelijk rekening gehouden met den leeftijd en de mate van ontwikkeling alsmede met den duur der straf, alles in onderling verband.

De indeeling in klassen geschiedt door het college van regenten, met dien verstande, dat de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden steeds van de andere gevangenen gescheiden blijven. (Sr. 13.)

TITEL III.

Arbeid en arbeidsloon.

12. De verplichte arbeid zal zich bij voorkeur uitstrekken

1044

-ocr page 1163-

WET VAN 14 APRIL -1886.

tot den huisdienst en over voorwerpen voor \'s Rijks dienst. (Sr. 44, 20c.)

13. Het door den gevangene of verpleegde verdiend arbeidsloon is zijn eigendom.

Dit loon wordt in de strafgevangenissen, behalve voor hen die tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld zijn, en in de Rijkswerkinrichtingen verdeeld in uitgaanskas en zakgeld.

Het laatste blijft onder bewaring van hel bestuur van het gesticht, doch is ter beschikking van den gevangene of verpleegde, volgens daaromtrent te stellen regelen. (Sr. 20igt;.)

14. Moedwillig door den gevangene of verpleegde tijdens zijn straftijd toegebrachte schade kan zoowel op de uitgaanskas als op het zakgeld worden verhaald.

De uitgaanskas is overigens onvervreemdbaar en niet vatbaar voor beslag.

Zij wordt den gevangene of verpleegde bij of na zijne in vrijheidstelling uitgekeerd. De uitkeering kan ook in termijnen geschieden.

15. In de strafgevangenissen geldt als regel, dat de gevangenen eiken werkdag gedurende ten minste 40 uur arbeiden.

16. Aan eiken gevangene en verpleegde wordt minstens één etmaal per week als rustdag gegund.

TITEL IV.

Onderwijs en godsdienstoefeningen.

17. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt onderwijs in lezen, schrijven en rekenen als regel, behoudens persoonlijke uitzonderingen, gegeven aan de veroordeelden voor meer dan drie maanden, die den leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt.

Voortgezet en vakonderwijs kan naar de behoefte, in verband met den persoonlijken aanleg der gevangenen en verpleegden, worden verstrekt.

18. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt gelegenheid gegeven om godsdienstonderwijs te ontvangen.

4045

19. Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling nemen de gevangenen en verpleegden aan de godsdienstoefeningen, die te hunnen behoeve worden gehouden, deel.

li

TITEL V.

Tucht.

20. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen is de oplegging der navolgende disciplinaire straffen geoorloofd: 4°. opsluiting in eene volstrekt donkere strafcel;

-ocr page 1164-

WET VAN 14 APRIL 1886.

2°. gewone sluiting in de boeien;

3». opsluiting in eene gewone strafcel;

4°. opsluiting in eene gewone cel;

5°. verstrekking van water en brood in plaats van het gewone voedsel;

Gquot;. onthouding van arbeid, van het genot der vrije lucht, van lectuur, van bezoek, van het schrijven of ontvangen van brieven, van het gebruik maken der kantine of van andere voorrechten.

Meerdere dezer straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd.

De straf sub 1°. wordt opgelegd voor ten hoogste 48 uren.

De straffen sub 2°, 3° en 5° worden opgelegd voor ten hoogste 4 weken.

De straf sub 4° wordt opgelegd voor ten hoogste 6 maanden.

De straf sub 5° wordt, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen slechts om den anderen dag toegepast.

Het genot der vrije lucht kan voor niet langer dan 7 dagen worden onthouden.

21. Behalve de straffen, in het vorig artikel genoemd, kan in de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen ook verplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn als straf worden opgelegd.

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van \\0 December iSSS (Stb. n0. 176).

22. Behalve de stralfen in artikel 20 genoemd, kan in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden ook de lijfstraf worden opgelegd.

23. Geen straf wordt opgelegd, dan nadat de overtreder door hem, die de straf geeft, is gehoord.

TITEL V 1.

Rijksopvoedingsgestichten.

24-. Op de Rijksopvoedingsgestichten zijn toepasselijk artikel 1, artikel 2, artikel 3, artikel 6, artikel \'10 alinea 1, artikel 13 alinea 1, artikel 14, artikel 16 en artikel 19 dezer wet.

25. De daarin geplaatste minderjarigen worlen als verpleegden aangemerkt.

26. Het geheele bedrag van het verdiend arbeidsloon wordt in de Rijksopvoedingsgestichten als regel tot uit-gaanskas bewaard.

27. Aan de verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten wordt gegeven gewoon lager onderwijs en ambachtsonder-wijs, alsmede, behoudens de uitzonderingen door het college van regenten aan te wijzen, godsdienstonderwijs.

1046

-ocr page 1165-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

28. Tn de Rijksopvoedingsgestichten is de oplegging geoorloofd der disciplinaire straffen in artikel 20 dezer wet vermeld sub 2°, 3°, 5° en 6°.

De straf sub 2° wordt opgelegd voor ten hoogste 3 dagen;

de straf sub 3° voor ten hoogste 7 dagen;

de straf sub 5° voor ten hoogste 14 dagen en, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen, slechts om den anderen dag.

Het genot der vrije lucht kan voor niet langer dan 3 dagen worden onthouden.

29. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 14 April 1886.

BESLUIT

van 31 Augustus 1886 (Stb. n0. 159), tot vaslslelling van den algemeencn maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek van Strafrecht.

Wu WILLEM III, enz.

Gelet op de wet van 3 Januari 4884 (Stb. nquot;. 3);

Gezien art. 22 en art. 32, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0. 35);

Gezien de wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62);

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 23 Juni 1886, 4de afdeeling, n0. 107;

Den Raad van State gehoord (advies van 10 Augustus 1886, n0. 10);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 25 Augustus 1886, 4de afdeeling, n0. 120;

Hebben goedgevonden en verstaan, tot regeling van de inrichting en het beheer, de verdeeling der gevangenen en verpleegden in klassen, den arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht in de gevangenissen, Rijksopvoedingsgestichten en Rijkswerkinrichtingen, vast te stellen den maatregel van inwendig bestuur, aan dit besluit gehecht.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Soestdijk, 31 Augustus 1886.

10i7

-ocr page 1166-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

ALGEMEENE MAATREGEL van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek van Strafrecht. Gewijzigd hij K. B. 20 Juli 1887 (Stb. n?. 139), 19 November 1889 (Stb. n0. 171) a) en 30/««i 1891 (Stb. n0. 143).

TITEL 1.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Artikel 1.

Voor zooveel het tegendeel niet uitdrukkelijk is bepaald, zijn de achterstaande bepalingen van toepassing zoowel op de gevangenissen, waaronder worden verstaan de strafgevangenissen, huizen van bewaring en passantenhuizen, als op de Rijkswerkinrichtingen en op de Rijksopvoedingsgestichten.

Al deze inrichtingen zijn derhalve onder de generieke benaming «gestichten)) begrepen.

2. In de achterstaande bepalingen en daaruit voortvloeiende verdere voorschriften wordt de bevolking der gevangenissen aangeduid met de benaming van «gevangenen,» die der Rijkswerkinrichtingen en Rijksopvoedingsgestichten met die van «verpleegden.»

3. In gevallen van krankzinnigheid en van ernstige of besmettelijke ziekten onder gevangenen en verpleegden is Onze Minister van Justitie bevoegd de lijders naar krank-zinnigengesiichten of andere ziekeninrichtingen te doen overbrengen en ze daar tijdelijk op\'s Rijks kosten te doen verplegen.

li

TITEL II.

INRICHTING EN BEHEER.

§ 1. Inrichting.

•4. Wanneer in eenig gesticht personen van verschillende seksen moeten worden opgenomen, wordt zoo mogelijk eene afzonderlijke afdeeling van het gesticht voor de opneming van vrouwen bestemd.

Door Onzen Minister van Justitie kan worden aangewezen, in welke gestichten slechts personen van ééne sekse zullen worden opgenomen.

5. Van de cellen in de huizen van bewaring aanwezig wordt steeds zooveel mogelijk gebruik gemaakt.

1048

Ook wordt in die gestichten vermeden meer dan 5 personen bij elkaar te plaatsen.

u) Bij dit K. B. is deze Algemeene Maatregel, voor zoover die toepasselijk is op de llijkswerkinrichting te Hoorn, ook toepasselijk verklaard op de Rijkswerkinrichting, te vestigen in de Gemeente Oegst,geest, behoudens wijziging van art. ül en S7.

i

-ocr page 1167-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

Dit laatste geldt niet voor de gemeenschappelijke slaapplaatsen, van alcoves voorzien.

6. Voor zooveel de inrichting der gebouwen het toelaat, worden de gemeenschappelijk geplaatste gevangenen en verpleegden des nachts in ijzeren alcoves onderling afgezonderd.

Op grond van jeugdigen leeftijd, van ouderdom en van iichaams- of zielstoestand, kunnen door de colleges van regenten op dien regel uitzonderingen worden toegestaan.

Waar de gelegenheid tot plaatsing van alcoves voorloopig nog ontbreekt, wordt daarin zoodra mogelijk voorzien. Door Onzen Minister van Justitie wordt daarvoor bij de Staats-begrooting jaarlijks eene som in raming gebracht.

7. Bij elk gesticht — alleen de passantenhuizen uitgezonderd — moet de gelegenheid bestaan om de bevolking de vrije lucht te doen genieten.

Waar die gelegenheid voorloopig nog ontbreekt, wordt daarin zoodra mogelijk voorzien.

§ 2. Beheer van de gevangenissen, de Rijkswerkinrichting te Hoorn en de Rijksopvoedingsyestichten.

8. In elke gemeente, waar een of meer der bij § 2 bedoelde gestichten aanwezig zijn, wordt het beheer gevoerd door een college van regenten, voor zooveel onder diens bevelen de hoofden der gestichten er niet mede zijn belast.

9. Het aantal leden dezer colleges bedraagt ten minste drie, doch wordt overigens door Ons, ook met het oog op de ligging en de uitgebreidheid der gestichten, voor elk college nader geregeld.

10. Behoudens het bepaalde bij art. 19 worden de leden en de voorzitter door Ons benoemd na ontvangst eener aanbeveling van twee personen, bij vacature door het college zelf aan den Minister van Justitie in te zenden.

Het college kiest uit zijn midden een secretaris en een thesaurier, tenzij door Ons termen worden gevonden om aan het college een bezoldigden secretaris toe te voegen.

Gewijzigd bij Stb. 1887 n0. 139, a. i.

11. De leden ontvangen geene bezoldiging; het college ontvangt een door Ons vast te stellen jaarlijksch abonnement ter vergoeding van bureel- en sclirijfbehoeften, rijtuig-huur en andere kleine onkosten. Het overschot wordt door het college aan den secretaris, zoo deze geene bezoldiging geniet, en aan den thesaurier, ter vergoeding hunner werkzaamheden, uitgekeerd.

Indien daartoe door Ons termen worden gevonden, kan aan den thesaurier bovendien een door ons vast te stellen jaarlijksch abonnement voor schrijfloonen worden toegekend.

Het tweede lid bijgevoegd bij Stb. 1887 n0.139, a. 2.

12. Het toezicht over alle aangelegenheden van de gestichten is aan het college van regenten opgedragen

Het ziet inzonderheid toe op het gedrag, den dienstijver

1049

-ocr page 1168-

AVET VAN 14 APRIL 1886.

2U. gewone sluiting in de boeien;

3#. opsluiting in eene gewone strafcel;

4°. opsluiting in eene gewone cel;

5°. verstrekking van water en brood in plaats van het gewone voedsel;

6°. onthouding van arbeid, van het genot der vrije lucht, van lectuur, van bezoek, van het schrijven of ontvangen van brieven, van het gebruik maken der kantine of van andere voorrechten.

Meerdere dezer straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd.

De straf sub i0. wordt opgelegd voor ten hoogste 48 uren.

De straffen sub 2°, 3° en 5° worden opgelegd voor ten hoogste 4 weken.

De straf sub 4° wordt opgelegd voor ten hoogste 6 maanden.

De straf sub 5° wordt, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen slechts om den anderen dag toegepast.

Het genot der vrije lucht kan voor niet langer dan 7 dagen worden onthouden.

21. Behalve de straffen, in het vorig artikel genoemd, kan in de Rijkswerkinrichtingen te Veenhui;;en ook verplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn als straf worden opgelegd.

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 10 December 1888 (Stb. n0. 176).

22. Behalve de straffen in artikel 20 genoemd, kan in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden ook. de lijfstraf worden opgelegd.

23. Geen straf wordt opgelegd, dan nadat de overtreder door hem, die de straf geeft, is gehoord.

TITEL VI.

Rijksopvoedingsgestichten.

24. Op de Rijksopvoedingsgestichten zijn toepasselijk artikel 4, artikel 2, artikel 3, artikel 6, artikel 10 alinea 1, artikel 13 alinea 1, artikel 14, artikel 16 en artikel 19 dezer wet.

25. De daarin geplaatste minderjarigen worden als verpleegden aangemerkt.

26. Het geheele bedrag van het verdiend arbeidsloon wordt in de Rijksopvoedingsgestichten als regel tot uit-gaanskas bewaard.

27. Aan de verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten wordt gegeven gewoon lager onderwijs en ambachtsonder-wijs, alsmede, behoudens de uitzonderingen door het college van regenten aan te wijzen, godsdienstonderwijs.

1046

-ocr page 1169-

besluit van 31 augustus 1886.

28. In de Rijksopvoedingsgestichten is de oplegging ge-oorloofil der disciplinaire straffen in artikel 20 dezer wet vermeld sub 2°, 3°, 5° en 6°.

i het De straf sub 2° wordt opgelegd voor ten hoogste 3 dagen;

de straf sub 3° voor ten hoogste 7 dagen;

ucht, de straf sub 5° voor ten hoogste 14 dagen en, ingeval ont- zij langer duurt dan 2 dagen, slechts om den anderen dag. der Het genot der vrije lucht kan voor niet langer dan 3 dagen worden onthouden.

i op- 29. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wet

boek van Strafrecht.

iren. Gegeven te \'s-Gravenhage, 14 April 488G.

ten

e 6 -

BESLUIT

van 31 Augustus quot;1886 (Stb. n0. 159), lot vaststelling van den algemeencn maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Welhoek van Strafrecht.

Wij WILLEM III, enz.

Gelet op de wet van 3 Januari 1884 (Stb. nquot;. 3);

Gezien art. 22 en art. 32, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb.

n0. 35);

Gezien de wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62);

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 23 Juni 1886, 4de afdeeling, n®. 107;

Den Raad van State gehoord (advies van 10 Augustus 1886, n0. 10);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 25 Augustus 1886, 4de afdeeling, n0. 120;

Hebben goedgevonden en verstaan, tot regeling van de inrichting en het beheer, de verdeeling der gevangenen en verpleegden in klassen, den arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht in de gevangenissen. Rijksopvoedingsgestichten en Rijkswerkinrichtingen, vast te stellen den maatregel van inwendig bestuur, aan dit besluit gehecht.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst. Soestdijk, 31 Augustus 1886.

4047

-ocr page 1170-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

ALGEMEENE MAATREGEL van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek van Strafrecht. Gewijzigd lij K. B. 20 Juli 1887 (Stb. n®. 139), 19 November 1889 (Stb. n0. \\1\\) a) cn 30 Juni 1891 (Stb. n0. 143).

TITEL 1.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Artikel 1.

Voor zooveel het tegendeel niet uitdrukkelijk is bepaald, zijn de achterstaande bepalingen van toepassing zoowel op de gevangenissen, waaronder worden verstaan de strafgevangenissen, huizen van bewaring en passantenhuizen, als op de Rijkswerkinrichtingen en op de Rijksopvoedingsgestichten.

Al deze inrichtingen zijn derhalve onder de generieke benaming «gestichten» begrepen.

2. In de achterstaande bepalingen en daaruit voortvloeiende verdere voorschriften wordt de bevolking der gevangenissen aangeduid met de benaming van «gehangenen,» die der Rijkswerkinrichtingen en Rijksopvoedingsgestichten met die van «verpleegden.»

3. In gevallen van krankzinnigheid en van ernstige of besmettelijke ziekten onder gevangenen en verpleegden is Onze Minister van Justitie bevoegd de lijders naar krankzinnigengestichten of andere ziekeninrichtingen te doen overbrengen en ze daar tijdelijk op \'s Rijks kosten te doen verplegen.

TITEL II.

INRICHTING EN BEHEER.

§ 1. Inrichting.

4. Wanneer in eenig gesticht personen van verschillende seksen moeten worden opgenomen, wordt zoo mogelijk eene afzonderlijke afdeeling van het gesticht voor de opneming van vrouwen bestemd.

Door Onzen Minister van Justitie kan worden aangewezen, in welke gestichten slechts personen van ééne sekse zullen worden opgenomen.

5. Van de cellen in de huizen van bewaring aanwezig wordt steeds zooveel mogelijk gebruik gemaakt.

1048

Ook wordt in die gestichten vermeden meer dan 5 personen bij elkaar te plaatsen.

a) Bij dit K. B. is deze Algemeene Maatregel, voor zoover die toepasselijk is op de Hijkswerkinrichting te Hoorn, ook toepasselijk verklaard op de Rijkswerkinrichting, te vestigen in de Gemeente Oeg.^tgeest, behoudens wijziging van art. Cl en 87.

-ocr page 1171-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

Dit laatste geldt niet voor de gemeenschappelijke slaapplaatsen, van alcoves voorzien.

6. Voor zooveel de inrichting der gebouwen hot toelaat, worden de gemeenschappelijk geplaatste gevangenen en verpleegden des nachts in ijzeren alcoves onderling afgezonderd.

Op grond van jeugdigen leeftijd, van ouderdom en van iichaams- of zielstoestand, kunnen door de colleges van regenten op dien regel uitzonderingen worden toegestaan.

Waar de gelegenheid tot plaatsing van alcoves voorloopig nog ontbreekt, wordt daarin zoodra mogelijk voorzien. Door Onzen Minister van Justitie wordt daarvoor bij de Staats-begrooting jaarlijks eene som in raming gebracht.

7. Dij elk gesticht — alleen de passantenhuizen uitgezonderd — moet de gelegenheid bestaan om de bevolking de vrije lucht te doen genieten.

Waar die gelegenheid voorloopig nog ontbreekt, wordt daarin zoodra mogelijk voorzien.

§ 2. Beheer van de gevangenissen, de Rijkswerkinrichting te Hoorn en de Rijksopvoedingsgestichten.

8. In elke gemeente, waar een of meer der bij § 2 bedoelde gestichten aanwezig zijn, wordt het beheer gevoerd door een college van regenten, voor zooveel onder diens bevelen de hoofden der gestichten er niet mede zijn belast.

9. Het aantal leden dezer colleges bedraagt ten minste drie, doch wordt overigens door Ons, ook met het oog op de ligging en de uitgebreidheid der gestichten, voor elk college nader geregeld.

10- Behoudens het bepaalde bij art. 19 worden de leden en de voorzitter door Ons benoemd na ontvangst eener aanbeveling van twee personen, bij vacature door het college zelf aan den Minister van Justitie in te zenden.

Het college kiest uit zijn midden een secretaris en een thesaurier, tenzij door Ons termen worden gevonden om aan het college een bezoldigden secretaris toe te voegen.

Gewijzigd bij Stb. 1887 n0. 139, a. 1.

11. De leden ontvangen geene bezoldiging; het college ontvangt een door Ons vast te stellen jaarlijksch abonnement ter vergoeding van bureel- en schrijfbehoeften, rijtuig-huur en andere kleine onkosten. Het overschot wordt door het college aan den secretaris, zoo deze geene bezoldiging geniet, en aan den thesaurier, ter vergoeding hunner werkzaamheden, uitgekeerd.

Indien daartoe door Ons termen worden gevonden, kan aan den thesaurier bovendien een door ons vast te stellen jaarlijksch abonnement voor schrijlloonen worden toegekend.

Het tweede lid bijgevoegd bij Stb. 1887 n0.139, a. 2.

12. Het toezicht over alle aangelegenheden van de gestichten is aan het college van regenten opgedragen

Het ziet inzonderheid toe op het gedrag, den dienstijver

1049

-ocr page 1172-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

en de plichtsbetrachting van de onderscheidene beambten; op de behoorlijke behandeling (verpleging, voeding, kleeding, ligging, werkverschaffing enz.) van de gevangenen of verpleegden; op de handhaving van orde en tucht, en voorts in het algemeen op de nauwkeurige naleving van de bestaande of later vast te stellen bepalingen omtrent het gevangeniswezen.

13. Behoudens het gezag, aan de hoofden toegekend, gaan in het algemeen alle bevelen omtrent den dienst van de gestichten van het college van regenten uit.

14. Het college van regenten stelt eene instructie vast, waarbij het zijne werkzaamheden regelt en verdeelt.

15. Het college van regenten is bevoegd in dringende omstandigheden de beambten in hunne betrekking te doen bijstaan, alsmede om hen te schorsen in de waarneming van hunnen dienst, met gedeeltelijk of geheel gemis van traktement voor ten hoogste 14 dagen.

Hel college brengt zijne beschikking tot schorsing ter kennis van Onzen Minister van Justitie.

Schorsing voor langeren tijd kan alleen door dien Minister worden opgelegd.

Behoudens kennisgeving aan dien Minister en onder zijne goedkeuring is het college van regenten ook bevoegd, bij ziekte of ontstentenis van beambten, of bij andere daartoe bestaande noodzakelijkheid, tijdelijke plaatsvervangende beambten in dienst te nemen.

16. Het college van regenten zendt jaarlijks \'\'óór! Maart aan den Minister van Justitie een verslag omtrent den toestand der inrichtingen, aan zijn beheer toevertrouwd.

De wijze van samenstelling van dat verslag wordt door Onzen Minister van Justitie voorgeschreven.

17. In de levering der benoodigdheden zoowel voor den huishoudelijken dienst als voor den arbeid en den landbouw wordt bij voorkeur door jaarlijksche openbare aanbesteding voorzien.

18. Alle declaratien wegens leveringen of werkzaamheden aan de gestichten voor zooveel de last daartoe niet rechtstreeks door Onzen Minister van Justitie of den ingenieurarchitect voor de gevangenissen en rechtsgebouwen is gegeven, zijn aan het onderzoek en de goedkeuring van het college van regenten onderworpen.

19. De gestichts-besturen welke bij de inwerkingtreding van dit besluit bestaan, treden zonder nadere benoeming als college van regenten op. De vice-presid enten zijn te rekenen van dat tijdstip voorzitter.

20. Het college van regenten vergadert ten minste eenmaal in de veertien dagen.

§ 3. Beheer der Rijkswerkinrichtingen Yeenhuizen.

21. Het beheer wordt onder de leiding van een hoofddirecteur gevoerd door de hoofden der gestichten.

Op den gang van zaken wordt naar eene door Ons vast te stellen instructie toezicht uitgeoefend door een college van regenten.

-ocr page 1173-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

22. Het aantal leden van het college van regenten bedraagt ten minste zeven.

De leden en de voorzitter worden door Ons benoemd — bij vacature na ontvangst eener aanbeveling van twee personen, door het college zelf aaa den Minister van Justitie in te zenden.

Het college kiest uit zijn midden een secretaris, tevens thesaurier, tenzij door Ons termen worden gevonden om aan het college een bezoldigden secretaris-thesaurier toe te voegen.

Gewijzigd bij Stb. 1887 n0. 137, a 1.

23. De leden ontvangen geene bezoldiging; het college ontvangt een door Ons vast te stellen jaarlijksch abonnement, ter vergoeding van bureel- en schrijfbehoeften, rijtuighuur en andere kleine onkosten. Het overschot wordt door het college aan den secretaris, tevens thesaurier, zoo deze geene bezoldiging geniet, ter vergoeding zijner werkzaamheden, uitgekeerd.

Indien daartoe door Ons termen worden gevonden, kan aan den secretaris, tevens thesaurier, bovendien een door Ons vast te stellen jaarlijksch abonnement voor schrijf-loonen worden toegekend.

Het tweede lid bijgevoegd bij Stb. 1887 n0. 139, a. 3.

24. De hoofddirecteur heeft de bevoegdheden, bij art. 15 aan de colleges van regenten over de gevangenissen toegekend.

26. De dienst van den hoofddirecteur en van de hoofden en verdere beambten bij de gestichten Veenhuizen wordt door Onzen Minister van Justitie bij instructie geregeld.

26. De artt. 14 en 17 van § 2 zijn ook toepasselijk op het beheer der Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.

27. Ten einde het beheer door contante betaling op de meest spaarzame wijze te doen voeren, kan door Onzen Minister van Justitie aan de hoofden der gestichten Veenhuizen een doorloopend krediet worden toegestaan.

§ 4. Beambten.

28. Aan het hoofd van de drie Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen en het Rijksgesticht Ommerschans — zoolang dit laatste nog bestemd blijft tot verpleging van hen, die wegens bedelarij of landlooperij tot opzending naar een bedelaarsgesticht zijn veroordeeld — staat een hoofddirecteur.

De hoofden van elk der gestichten Veenhuizen en van alle overige gestichten voeren den titel van directeur, directrice of cipier.

Ter bepaling van den titel en de bezoldiging van de hoofden worden de gestichten verdeeld in vier klassen.

De rangschikking der gestichten in eene der vier klassen geschiedt door Ons op voordracht van Onzen Minister van Justitie.

In de gestichten der eerste klasse geniet het hoofd eeno jaarwedde van meer dan f 1H00; in de gestichten

1051

-ocr page 1174-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

der tweede klasse van meer dan f 1000 doch niet hooger dan f 1000; in de gestichten der derde klasse van meer dan f 500 doch niet hooger dan f 1000; in de gestichten der vierde klasse van minder dan f 500.

De hoofddirecteur van de gestichten Veenhuizen geniet eene jaarwedde van ten minste f 2000.

Aan het hoofd van verschillende onderling afgescheiden, doch nevens elkander gelegen gestichten kan door Ons één directeur of directrice worden gesteld.

29. Ten aanzien van de benoeming van geestelijken treedt Onze Minister van Justitie, zooveel noodig, in overleg met de kerkelijke overheid. Behoort naar de eischen der godsdienstige gezindte de benoeming door die overheid te geschieden, dan heeft dit plaats, doch blijft de benoemde, alvorens in dienst te treden, aan de toelating des Ministers onderworpen.

Voor de benoeming van Proteslantsche en Israëlietische geestelijken te Veenhuizen blijven de thans bestaande bepalingen van kracht.

30. De hoofddirecteur en de verdere beambten in de drie gestichten Veenhuizen en de hoofden van de overige gestichten hebben boven hunne jaarwedde het genot van vrije woning voor zich en hun gezin.

Dit genot kan door Onzen Minister van Justitie ook aan andere beambten worden toegekend.

Aan ongehuwde portiers en bewaarders kan door hem gelegenheid worden gegeven tot kostelooze inwoning in de gestichten.

31. Alle beambten zullen, des verlangd, ten koste van het Rijk geneeskundig worden behandeld en van geneesmiddelen voorzien, mits zich onderwerpende aan de bepalingen, welke met opzicht tot den geneeskundigen dienst in de gestichten zullen worden in acht genomen.

In de bij § 2 van dezen titel bedoelde gestichten is het bepaalde bij dit artikel niet van toepassing op de geestelijken, godsdienstleeraars en godsdienstonderwijzers.

32. De hoofddirecteur van de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen en de hoofden en verdere beambten der gestichten zijn aan de colleges van regenten ondergeschikt en verplicht hunne bevelen op te volgen.

Voor zooveel dit niet reeds is geschied bij die besluit of zal geschieden bij de door Ons vast te stellen huishoudelijke reglementen of bij de door Ons of Onzen Minister van Justitie vast te stellen instruction, worden door de colleges van regenten voor de beambten bijzondere instruction vastgesteld.

33. De hoofden der gestichten en de verdere beambten mogen geene andere bediening bekleeden dan met goedkeuring van den Minister van Justitie. Zij mogen geene nering drijven, hetzij op hun eigen naam, hetzij op dien hunner huisgenooten.

Het bepaalde bij dit artikel is niet van toepassing op de geestelijken, de geneesheeren, de apothekers, de onderwijzers en de onderwijzeressen. Bij de gestichten

-ocr page 1175-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS -1886.

Veenhuizen wordt ook voor dezen de goedkeuring ver-eischt van den Minister van Justitie.

34. Alle beambten worden bij het aanvaarden hunner betrekking door den voorzitter van het college van regenten, bijgestaan door den secretaris, beêedigd. Het formulier van eed wordt door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

Bij verplaatsing of bevordering is eene herhaling van den eed niet noodig.

35. De hoofden der gestichten zullen in den regel als onbezoldigd Rijksveldwachter beêedigd worden ten einde bij proces-verbaal te kunnen constateeren de strafbare feiten waaraan de gevangenen of verpleegden zich mochten schuldig maken.

36. Bij goed gedrag wordt aan de beambten, die het verlangen, jaarlijks veertien dagen verlof verleend. Is het noodig hen gedurende dien tijd te vervangen, dan geschiedt dit voor \'s Rijks rekening.

Verlof voor eene afwezigheid van meer dan 14 dagen achtereenvolgens wordt door Onzen Minister van Justitie verleend. Verlof voor korteren lijd wordt verleend door of namens het college van regenten.

37. Alle misbruiken, verkeerdheden of overtredingen in eenig onderdeel van den dienst worden door tusschenkomst van de hoofden der gestichten zonder uitstel ter kennis van het college van regenten gebracht.

Wanneer de aard van het geval het medebrengt, kan elk beambte zich rechtstreeks tot het college van regenten wenden.

Ten opzichte van het bepaalde in dit artikel wordt voor de gestichten Veenhuizen voor «het college van regenten); gelezen «den hoofddirecteur».

De kennisgeving aan het college van regenten geschiedt door hem.

38. De bewaarders, portiers en boodschaploopers bij de gevangenissen, de Rijksopvoedingsgestichten voor jongens en de Rijkswerkinrichting te Hoorn, zoomede de cipier bij de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen dragen een uniform en worden door de zorg van het gevange-nisbeheer ten koste van het Rijk gekleed. De overige mannelijke beambten in alle gestichten met uitzondering van de geestelijken, den geneesheer, den apotheker en de onderwijzers, dragen binnen het gesticht een onderschei-dingsteeken. Een en ander wordt door Onzen Minister van Justitie nader geregeld.

39. Aan de bewaarders wordt van Rijkswege een sabel verstrekt.

Aan Onzen Minister van Justitie wordt overgelaten te beslissen, of het noodig is ook andere beambten van wapenen te voorzien.

De wapenen blijven Rijkseigendom.

40. Zonder goedkeuring van de hoofden der gestichten mogen de andere beambten geen werk voor hunne rekening aan gevangenen en verpleegden opdragen.

1053

-ocr page 1176-

1054 BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

41. Bij het bezoeken van eene afdeeling voor vrouwen dat wordt een mannelijk beambte steeds door eene vrouwelijke een I beambte vergezeld.

Het bepaalde bij dit artikel is niet van toepassing op de geestelijken, godsdienstleeraars, godsdienstonderwijzers, geneesheeren en onderwijzers.

42. Bij het bezichtigen van gestichten door rechterlijke autoriteiten en door hoofdambtenaren van het Departement van Justitie zijn de beambten verplicht tot het geven van inlichtingen.

43. Alle gevangenen en verpleegden worden bij aankomst ingeschreven in het register bedoeld bij art. 380 van het Wetboek van Strafvordering.

Wanneer personen zich vrijwillig in arrest begeven, neemt liet hoofd van het gesticht hen niet op, tenzij hij behoorlijk van hunne identiteit is verzekerd.

44. De hoofden der gestichten zijn verantwoordelijk voor de behoorlijke bewaking der gevangenen of verpleegden,

voor de veiligheid, de goede orde en tucht, en in het bijzonder ook voor de getrouwe naleving, zoowel van dit reglement, als van de .verdere reeds gemaakte of nog te maken wettelijke bepalingen of administratieve verordeningen. Zij kunnen bij volstrekte noodzakelijkheid zoodanige maatregelen nemen, als zij voor de veiligheid va.a het gesticht geraden zullen oordeelen.

Aan hunne zorg en bewaring worden toevertrouwd al do in het magazijn en voor den dienst in het gesticht opgeslagen goederen.

45. De hoofden der gestichten hebben het gezag over de verdere beambten van het gesticht.

Zij regelen en verdeelen hunne werkzaamheden onder goedkeuring wat de gestichten Veenhuizen betreft, van den hoofddirecteur, voor alle andere gestichten, van het college van regenten.

De hoofden of, bij hunne afwezigheid, degene die hen vervangt, zijn bevoegd om in zeer dringende omstandigheden, beambten oogenblikkelijk hun dienst te doen staken.

46. De hoofden der gestichten mogen zonder voorkennis en goedvinden van het college van regenten nimmer des nachts buiten het gesticht of hunne woning verblijven.

Voor de gestichten Veenhuizen wordt alleen het goedvinden van den hoofddirecteur vereischt.

47. Uit de gestichts-bibliotheek kunnen ook de beambten boeken ter lezing bekomen.

48 • Ingeval van verplaatsing met of zonder bevordering — zij hot ook op eigen verzoek — kunnen de daardoor veroorzaakte kosten door Ons geheel of gedeeltelijk van Rijkswege worden vergoed.

§ 5. Geneeskundige dienst.

49. De waarneming van den geneeskundigen dienst in de gestichten en bij de beambten en hunne gezinnen wordt op plaatsen waar garnizoen aanwezig is in den regel toevertrouwd aan een officier van gezondheid van

-ocr page 1177-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

dat garnizoen — waar een burger-geneesheer.

Waar garnizoen aanwezig is, wordt door Onzen Minister 0P van Justitie eene voordracht gevraagd van den inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht.

Waar geen garnizoen aanwezig is, of wanneer geen officier van gezondheid voor de waarneming van den dienst kan worden beschikbaar gesteld, wordt genoemde inspecteur over de keuze van een burger-geneesheer geraadpleegd.

50. Officieren van gezondheid in activiteit ontvangen voor die waarneming, ten laste der begrooting van het Departement van Justitie, eene toelage boven hun activiteitstraktement.

51. De geneeskundige dienst in de gestichten wordt, ook waar burger-geneesheeren dien waarnemen, uitgeoefend onder het oppertoezicht van den inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht. Zijne bevelen — ook die van administratieven aard — worden door de genees-heeren opgevolgd.

52. Aan de gestichten, waarin geen Rijks-apotheek bestaat, worden de geneesmiddelen op plaatsen waar garnizoen aanwezig is, uit de garnizoens-apotheek geleverd.

De militaire apotheker ontvangt daarvoor, ten laste der begrooting van het Departement van Justitie, eene toelage boven zijn activiteits-traktement.

Is er geen garnizoen aanwezig, dan wordt de levering van geneesmiddelen bij contract opgedragen aan eenen apotheker. Dat contract wordt door Onzen Minister van Justitie vóór de goedkeuring onderworpen aan de beoordeeling van den inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht.

53- Over de regeling van den dagelijkschen dienst en de verhouding van de in actieven dienst zijnde officieren van gezondheid tot de colleges van regenten en de hoofden der gestichten, te omschrijven in de door Ons vast te stellen huishoudelijke reglementen, wordt de inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht vooraf door Onzen Minister van Justitie gehoord.

54. Aan apotheken in de gestichten worden de geneesmiddelen geleverd uit \'s Rijks magazijn van geneesmiddelen te \'s-Gravenhage.

De kosten dezer verstrekkingen en van de leveringen uit de garnizoens-apotheken komen ten laste der begrooting van het Departement van Justitie.

§ 6. Algemeene voorschriften.

55. Met gevangenen of verpleegden kunnen in het gesticht worden opgenomen kinderen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden.

Deze kinderen, alsook de kinderen in het gesticht geboren, worden zoo mogelijk verwijderd, zoodra zij de zorg der ouders kunnen ontberen.

1055

■ii

In alle behoeften van deze kinderen wordt ten laste van het Rijk voorzien.

geen garnizoen aanwezig is, aan

-ocr page 1178-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

56. In den regel wordt voor het onderhoud der gevangenen en verpleegden in alle onderdeelen direct in eigen beheer van Rijkswege zorg gedragen.

In gestichten met geringe bevolking — ter beoordeeling van Onzen Minister van Justitie — kan de zorg daarvoor, tegen betaling eener vergoeding per hoofd daags, worden aanbesteed.

57. De voeding der gezonde gevangenen en verpleegden wordt door Onzen Minister van Justitie geregeld.

De voeding voor zieken, gebrekkigen en reconvalescenten wordt in elk bijzonder geval door den geneesheer van het gesticht voorgeschreven, in overeenstemming met de daaromtrent vastgestelde regelen voor de militaire ziekeninrichtingen.

58. Onveroordeelde gevangenen, voor zooveel zij daaraan behoefte hebben, en veroordeelde gevangenen, wier straf den tijd van drie maanden te boven gaat, worden van Rijkswege gekleed.

Veroordeelde gevangenen, wier straf den tijd van drie maanden niet te boven gaat, blijven in den regel hun eigen kieeding dragen.

De verpleegden worden allen van Rijkswege gekleed.

Voor kleeding van Rijkswege worden door Onzen Minister van Justitie voorschriften vastgesteld.

59. De eigen kleederen van gevangenen en verpleegden, waarvan het gebruik in het gesticht hun niet wordt toegestaan, en welke ook niet kunnen worden bewaard tot het einde van den straf- of verpleegtijd, worden te hunnen voordeele verkocht.

60. De bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden, de passantenhuizen en de Rijksopvoedingsgestichten uitgezonderd, bestaan bij alle andere gestichten kantines.

61. De lijst van hetgeen in de kantine verkrijgbaar zal zijn, wordt voor elke categorie van gestichten vastgesteld door Onzen Minister van Justitie.

Tabak en snuif zullen alleen verkrijgbaar mogen zijn in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden voor hen die tot tuchthuisstraf of vóór het in werking treden van het nieuwe Wetboek van Strafrecht tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, en in de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.

Bij K. B. van 19 November 1889 (Slb. n0. 171) is het laalate lid, voor zoover betreft snuif, toepasselijk verklaard op dc Rijkswerkinrichting te Oegstgeest.

62. De levering der kantine-artikelen wordt voor zooveel noodig jaarlijks aanbesteed. Zij worden aan de gevangenen en verpleegden verstrekt tegen de prijzen waarvoor de levering is aangenomen.

63. Het gebruik maken van de kantine is ontzegd aan:

a. gevangenen en verpleegden die op hunne rekening niet meer te goed hebben dan zij schuldig zijn;

b. veroordeelde gevangenen voor den tijd van ééne maand en daar beneden.

1056

-ocr page 1179-

T

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

c. gevangenen en verpleegden, die, wegens misdraging in het gesticht, door het college van regenten tijdelijk van het genot der kantine zijn uitgesloten;

voor de gestichten Veenhuizen wordt voor «het college van regenten» gelezen: «den hoofddirecteur»;

d. gevangenen en verpleegden, wien door den geneesheer het gebruik van de kantine is verboden.

Aan gevangenen en verpleegden die tot het verrichten van arbeid ongeschikt zijn en uit dien hoofde geen zakgeld bezitten, of wier door arbeid verdiend loon ontoereikend is om van de kantine gebruik te maken, kan door de colleges van regenten worden vergund voor het koopen van kantinewaren over eigen gelden te beschikken.

Gevangenen kunnen driemaal- verpleegden viermaal \'s weeks kantine-artikelen bekomen.

64. In elk gesticht, met uitzondering der passantenhuizen, moet eene bibliotheek aanwezig zijn, waaruit aan de gevangenen en verpleegden boeken ter lezing worden verstrekt.

Het lezen van couranten wordt aan dezen in geen geval vergund.

65. Alle gevangenen en verpleegden nemen dagelijks, wanneer het weder het toelaat, gedurende ten minste een half uur beweging in de open lucht, op de daarvoor ingerichte plaatsen.

Aan de verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten kan, voor zooveel zij zich goed gedragen, door de colleges van regenten worden vergund, onder behoorlijk geleide, buiten het gesticht te gaan wandelen.

66. In de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden en in de Rijksopvoedingsgestichten zal het college van regenten er op bedacht zijn, bij jeugdige personen, die een zeer geruimen tijd in het gesticht doorbrachten, den overgang tot de vrijheid iets meer geleidelijk te maken, door hun tegen het tijdstip van hun ontslag meerdere vrijheid toe te kennen.

Hun zal daartoe zelfs het verrichten van boodschappen buiten het gesticht en zonder geleide kunnen worden opgedragen.

67. Aan hen die eene straf in afzondering ondergaan, wordt een celkap verstrekt, die zij in strafgevangenissen verplicht en in de huizen van bewaring bevoegd zijn te dragen, zoo dikwijls zij door medegevangenen kunnen worden gezien.

68. In de huizen van bewaring zijn ook de onveroordeelden verplicht de bevelen op te volgen, die hun in het belang van den dienst door of namens de hoofden worden gegeven.

69. In de strafgevangenissen dragen de mannen, wier straf den tijd van drie maanden te boven gaat, kort afgesneden hoofdhaar en geen baard.

Alle andere gevangenen en verpleegden worden daartoe genoodzaakt, als dit uit het oogpunt van reinheid noodig wordt geacht.

70. De briefwisseling van of met gevangenen en ver-

1057

;

1 if it

|

a!, 1

li Hl »■ 1! t

iiir

1 li

I i d

67

-ocr page 1180-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

pleegden staat onder controle van het gestichtsbestuur.

Brieven, die niet mogen worden uitgereikt aan den geadresseerden gevangene of verpleegde, alsmede brieven waarvan de verzending niet wordt toegelaten, worden vernietigd.

71. Op tijden, te bepalen bij de door Ons vast te stellen huishoudelijke reglementen, kan aan de gevangenen en verpleegden worden toegestaan familiebetrekkingen te spreken.

Hiertoe zal in de strafgevangenissen minder gelegenheid worden verschaft dan in de andere gestichten.

72. De colleges van regenten over de strafgevangenissen zijn bevoegd jaarlijks eene voordracht te doen tot het ver-leenen van af- en ontslag aan gevangenen, die door goed gedrag en vlijt hebben uitgemunt, en zenden hunne daartoe strekkende aanbevelingslijsten vóór of op den eersten October van ieder jaar aan Onzen Minister van Justitie. (Stb. 1887 n0. 215, a. 15 v.)

73. Bij het opmaken der voordracht tot af- en ontslag wordt door de colleges van regenten als maatstaf aangenomen, dat jaarlijks hoogstens ongeveer een tiende deel der gevangenen in het gesticht tot af- of ontslag kan worden voorgedragen.

74. Behoudens omstandigheden van bijzonderen aard worden geene andere gevangenen op de aanbevelingslijsten gebracht dan die tot een straf van langer dan twee jaren zijn veroordeeld, en die op het tijdstip der voordracht althans de helft van den hun opgelegden straftijd ondergaan hebben, terwijl verder daarbij wordt in het oog gehouden, dat in den regel ter belooning van goed gedrag en betoonde vlijt gedurende het laatst verloopen jaar een afslag van hoogstens drie maanden voldoende is te achten.

Ten aanzien van gevangenen, wier overige straftijd nog minder dan een jaar bedraagt, wordt daarbij in het bijzonder er op gelet of het jaargetijde, waarin de tot afslag voorge-dragene zijn vrijheid zal herkrijgen, geschikt kan worden geacht voor het spoedig vinden van een middel van bestaan.

75. De naar aanleiding van die aanbevelingslijsten door Onzen Minister van Justitie op te maken voordracht tot af-of ontslag wordt Ons door dien Minister zoo mogelijk vóór of op den 15den Maart van ieder jaar aangeboden.

76. Aan alle gevangenen en verpleegden, die naar het oordeel van de colleges van regenten of van den hoofddirecteur der gestichten Veenhuizen niet in het bezit zijn van eene voldoende uitgaanskas kan bij ontslag voor het terugkeeren naar hunne woonplaats of de door hen opgegeven plaats van bestemming ten koste van het Rijk reisgeld of reisgelegenheid worden verstrekt.

Dat reisgeld mag in gewone omstandigheden niet meer bedragen dan 20 cents per 51/2 kilometer.

Indien de plaats van bestemming minder dan 28 kilometer verwijderd is, mag het alleen worden verstrekt, indien de ontslagene niet in staat is te loopen, of verplicht veer- of overvaartgelden te betalen.

1058

-ocr page 1181-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

TITEL III.

Verdeeling in klassen.

77. Voor de levenslang veroordeelden is een afzonderlijk gedeelte van het gesticht bestemd, zoo mogelijk aan eene afzonderlijke wandelplaats verbonden. Zij arbeiden in hunne afdeeling of de daarbij behoorende wandelplaats, en worden niet toegelaten tot de scholen en ziekenzalen, waar de andere gevangenen verblijven.

78. De tot tijdelijke gevangenisstraf veroordeelden worden, voor zoover zij hun straf in gemeenschap ondergaan, verdeeld in drie klassen:

1°. de eerste of straf klasse:

hiertoe behooren de gevangenen die door het college van regenten wegens aanslagen tegen de veiligheid van het gesticht, tegen beambten of lotgenooten, wegens andere ernstige vergrijpen of wel wegens doorgaand slecht gedrag daartoe worden verwezen.

Een gevangene wordt nooit onmiddellijk bij aankomst in het gesticht in die klasse ingedeeld;

2°. de tweede of recidivistenklasse:

hiertoe behooren de gevangenen die vroeger reeds eene gevangenisstraf van minstens één jaar hebben ondergaan, voor zoover zij niet in de eerste klasse zijn ingedeeld;

3°. de derde klasse:

hiertoe behooren de overigen.

De tweede en derde klassen worden onderverdeeld met inachtneming van art. 11 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62). (Zie die wet blz. 1043.)

79- Geen gevangene wordt uit de eerste klasse ontslagen en teruggebracht naar de klasse waarbij hij behoort , tenzij gedurende ten minste drie maanden door hem geen reden tot ontevredenheid is gegeven. Bij herhaling in deze klasse geplaatst moet hij — om daaruit te kunnen worden ontslagen — zich ten minste zes maanden goed hebben gedragen.

80. De gevangenen der verschillende klassen worden in verschillende verblijfzalen gehuisvest en wandelen afzonderlijk. Zij worden ook overigens steeds onderling afgezonderd, doch bij den arbeid, bij het onderwijs, bij de godsdienstoefeningen en op de ziekenzalen kan van de afzondering in verschillende lokalen worden afgeweken.

De in de eerste klasse geplaatsten staan ten aanzien van briefwisseling, bezoeken of andere voorrechten bij de overige bevolking ten achter. Ook wordt hun het genot der kantine ontzegd en mogen zij die er tweemaal in geplaatst zijn geweest, niet worden opgenomen in de voordracht, bedoeld in art. 74 van dit besluit.

81. De bepalingen der drie voorgaande artikelen zijn mede van toepassing op de verpleegden in de Rijkswerkinrichtingen, met deze wijzigingen nochtans:

a. dat de plaatsing in de eerste klasse wordt bevolen door den raad van tucht, hierna in art. 115 genoemd:

b. dat tot de tweede klasse behooren de personen, die

1059

j

I

I

|li

1 I

-ocr page 1182-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

reeds vroeger in een Rijksbedelaarsgesticht of Rijkswerkinrichting werden verpleegd;

c. dat de mannelijke bevolking te Veenhuizen die naar de eerste klasse wordt verwezen, reeds alleen daarom dadelijk uit de gestichten Veenhuizen naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn wordt overgebracht.

82. In de huizen van bewaring en in de Rijksopvoedingsgestichten zijn slechts twee klassen; de gewone en de straf klasse. Tot de plaatsing in de strafklasse wordt besloten om de redenen hiervoren in art. 78 sub 1°. vermeld.

Voorts wordt in de huizen van bewaring zorg gedragen dat de onveroordeelderi zooveel mogelijk afgezonderd worden geplaatst, dat zij in ieder geval niet met de veroordeelden in aanraking komen en dat ook de verschillende categoriën van veroordeelden zooveel mogelijk van elkander worden afgezonderd.

TITEL IV.

Arbeid en opbrengst van den verplichten arbeid.

83- De arbeid bestaat uit arbeid voor rekening van het Rijk en arbeid voor rekening van particulieren.

84. De arbeid voor rekening van het Rijk wordt jaarlijks in hoofdzaak bij een algemeen plan van arbeid geregeld en over verschillende gestichten verdeeld.

Aan dien arbeid wordt zooveel mogelijk uitbreiding gegeven.

85. Ter aanvulling van den Rijksarbeid wordt in elk gesticht arbeid voor rekening van particulieren toegelaten. De regeling daarvan wordt voor de gestichten Veenhuizen aan den hoofddirecteur, voor alle andere gestichten aan de colleges van regenten overgelaten, die daarbij zorg dragen, mede ten einde de particuliere nijverheid zoo weinig mogelijk te benadeelen, dat door den werkgever een hooger loon wordt betaald dan volgens de na te me\'.den tarieven door het Rijk aan de gevangenen of verpleegden wordt uitgekeerd. Het bedrag dat niet aan de gevangenen of verpleegden wordt uitgekeerd, wordt in \'s Rijks kas gestort of ten bate van het Rijk geboekt.

86. Door Onzen Minister van Justitie worden tarieven vastgesteld, waarnaar in de gevangenissen. Rijksopvoedingsgestichten en Rijkswerkinrichtingen een gering arbeidsloon , zooveel mogelijk bij de taak berekerd, zal worden toegekend.

De in dit artikel bedoelde tarieven worden toegepast, onverschillig of het Rijksarbeid dan wel arbeid voor rekening van particulieren betreft.

87.; Van het door den veroordeelde verdiend loon wordt in de strafgevangenissen en de Rijkswerkinrichting te Hoorn, voor zooveel de daarin tot straf geplaatsten betreft, de helft — in de Rijkswerkinrichtingen te Veen-

1060

-ocr page 1183-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

huizen en te Oegstgeest een derde gedeelte als uitgaans-kas afgezonderd.

Gewijzigd ingevolge het K. B. van 19 November 1889 (Stb. nquot;. 171).

Het overige gedeelte wordt evenmin uitbetaald, maar op de rekening van den gevangene of verpleegde als zakgeld geboekt. Dat gedeelte kan gedurende den straftijd ten behoeve van den gevangene of verpleegde worden aangewend of met zijne toestemming voor andere doeleinden worden gebezigd.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden, en de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden.

88. Voor de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden en in de huizen van bewaring wordt het verdiend loon geheel als zakgeld beschouwd.

89. In de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden en in de Rijksopvoedingsgestichten wordt het geheele bedrag van het verdiend loon als uitgaanskas bewaard.

90. In de uitgaanskas zal worden gestort het eigen geld, bij de opneming van den gevangene of verpleegde in zijn bezit gevonden, de opbrengst van de goederen eventueel te zijnen bate verkocht, de gelden welke te zijnen behoeve tijdens zijn verblijf in het gesticht mochten worden ontvangen, alsmede het gedeelte van het zakgeld waarover hij niet mocht hebben beschikt. Van een en ander zal hem op het tijdstip van ontslag verantwoording worden gedaan.

Het tweede lid van art. 14 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62) wordt beschouwd alleen het in de uitgaanskas gestort loon te betreffen. (Zie die wet blz. 1043).

91. De uitgaanskas wordt, zoo dikwijls het bedrag daartoe aanleiding geeft, en wanneer grond bestaat voor de overtuiging, dat de ontslagene werkelijk het voornemen heeft zich ter plaatse te vestigen, na met het noodige reisgeld verminderd te zijn, in ééns of in termijnen ter uitreiking gezonden aan den burgemeester der gemeente, waarheen de gevangene of verpleegde zich bij ontslag begeeft.

Voor zooveel aangaat militaire gevangenen, die weder bij hun korps terugkeeren, zal de uitgaanskas aan de administratie van dat korps worden overgemaakt.

92. Op Zon- en erkende godsdienstige feestdagen behoeven de gevangenen of verpleeegden geen arbeid te verrichten.

De Israëlieten zijn op hunne sabbat en hooge feestdagen van den arbeid vrijgesteld.

93. Met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 7 en 15 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62), wordt de verdeeling van den dag in de verschillende categoriën van gestichten bij ééne beschikking door Onzen Minister van Justitie vastgesteld. (Zie die wet blz. 1043.)

10G1

tl-

11

-ocr page 1184-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886.

TITEL V.

Onderwijs.

94. Naar gelang der behoefte worden aan elk gesticht een of meer onderwijzers verbonden. De passantenhuizen en de kleinere huizen van bewaring buiten de arrondissementshoofdplaatsen zijn hiervan uitgezonderd.

95. In de strafgevangenissen, in de huizen van bewaring en in de Rijkswerkinrichtingen zijn de veroordeelden beneden den leeftijd van 40 jaar, indien zij eene straf van drie maanden of langer moeten ondergaan en indien na onderzoek bevonden is dat zij onderwijs behoeven, tot het ontvangen daarvan verplicht.

96. Voor het gewoon onderwijs bestaan twee klassen. Tot de eerste behooren zij die ongeoefend zijn, tot de tweede behooren zij die voortgezet onderwijs behoeven.

97. Voor het doen geven van vakonderwijs wordt in elk bijzonder geval de toestemming vereischt van Onzen Minister van Justitie.

98. Aan hen die afzonderlijk geplaatst zijn, wordt het onderwijs uitsluitend in de cel gegeven.

99. Aan het onderwijzend personeel is ten strengste verboden zich met godsdienstonderwijs te bemoeien.

100. De duur van het onderwijs wordt door de colleges van regenten geregeld, met dien verstande dat zij, die volgens de wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62) onderwijs moeten ontvangen, ten minste tweemaal \'s weeks dit verkrijgen. (Zie die wet blz. 1043.)

101. In de Rijksopvoedingsgestichten wordt aan hen, die den leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt, iederen werkdag onderwijs gegeven.

TITEL VI.

Godsdienstoefeningen en Godsdienstonderwijs.

102. Met uitzondering der passantenhuizen en der kleinere huizen van bewaring, buiten de arrondissements-hoofd-plaatsen gelegen, worden aan elk gesticht verbonden een Protestantsch, een Roomsch-katholiek en een Israëlitisch geestelijke. De onderscheidene protestantsche kerkgenootschappen worden daarbij als ééne gezindte aangemerkt.

De behartiging van de godsdienstige belangen van de Protestantsche en Israëlitische gevangenen en verpleegden kan ook aan godsdienstonderwijzers worden opgedragen.

Voor de drie gestichten Veenhuizen, waaraan thans zijn verbonden twee Protestantsche en twee Roomsch-katholieke geestelijken, zoomede een Israëlitisch geestelijke, wordt de bestaande toestand gehandhaafd.

103. Zooveel mogelijk worden op alle Zon- en erkende godsdienstige feestdagen in de gestichten of daartoe be-hoorende kerkgebouwen godsdienstoefeningen gehouden.

De bevolking der Rijksopvoedingsgestichten kan onder

1062

-ocr page 1185-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886. 1063

behoorlijk geleide buiten het geslicht de gewone openbare godsdionstoefening gaan bijwonen,

104. De geestelijken zijn ook belast met het geven van godsdienstonderwijs, voor zooveel dit mogelijk blijkt. Hun kan intusschen te dien einde «en godsdienstonderwijzer worden toegevoegd.

105. Het is aan geestelijken en godsdienstonderwijzers verboden zich uit eigen beweging of zonder toestemming van het college van regenten op eenige wijze in betrekking te stellen met gevangenen of verpleegden die niet tot hunne gezindte behooren.

106. De hoofden der gestichten zijn bevoegd gevangenen of verpleegden eenmaal op hun verzoek van het bijwonen der godsdienstoefeningen vrij te stellen, wanneer bij hen met het oog op den dienst in het gesticht hiertegen geen bezwaar bestaat.

Meer vrijstellingen achter elkander aan denzelfden persoon worden niet door hen verleend; alsdan wordt de beslissing van het college van regenten vereischt.

Wordt een verzoek tot vrijstelling door het hoofd afgewezen , dan kan de gevangene of verpleegde bij het college van regenten in hooger beroep komen.

Voor de gestichten Veenhuizen wordt ten aanzien van de in dit artikel bedoelde vrijstelling het college van regenten vervangen door den hoofddirecteur.

TITEL VII.

Tucht.

107. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen kunnen, onverminderd de toepassing der strafwet, elke inbreuk op de orde en tucht, de regelen van zindelijkheid, arbeidzaamheid en gezondheid, en alle moedwillige beschadiging van goederen, behoorende aan het gesticht of aan derden, naarmate van de zwaarte der overtreding worden gestraft met eene der disciplinaire straffen, genoemd in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62). (Zie die wet blz. 1043.)

Bij de door Ons vast te stellen huishoudelijke reglementen en het Reglement voor den Raad van tucht bij de gestichten Veenhuizen wordt voor elk gesticht afzonderlijk bepaald, welke der hiervorcn bedoelde straffen kunnen worden toegepast.

108. Verpleegden in de gestichten Veenhuizen 2 en 3 kunnen als zij zich aan eene overtreding van ernstigen aard of wel bij herhaling aan minder ernstige overtredingen schuldig maken, naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn worden verplaatst.

Gewijzigd higevolye K. B. van 30 Juni 1891 (Stb. n0.143).

De verplaatsing wordt door den raad van tucht, bedoeld in art. 114, voor niet langer dan één jaar opgelegd.

Bij wangedrag in het gesticht te Hoorn, kan het door den Raad van tucht opgelegd verblijf aldaar door het college

-ocr page 1186-

1064 BESLUIT VAN 31 AUOUSTC\'S 188G.

van regenten over dat gesticht, mits binnen de grenzen van den straftijd, naar goedvinden worden verlengd.

Bij K. B. van 19 November 1889 (Stb. n0. 171) is dit art. toepasselijk verklaard op al de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.

109. Voortdurende verstoring der orde en aanslagen tegen personen kunnen in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden toepassing van de lijfstraf ten gevolge hebben.

110. De strafbare feiten, waaraan gevangenen of verpleegden zich schuldig maken, worden door de hoofden der gestichten of hunne adjuncten bij proces-verbaal geconstateerd en ter kennis van het openbaar ministerie gebracht.

111. De hoofden der gestichten kunnen de straffen, in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. n®. 62) sub. 2°. tot en met 6°. vermeld, op eigen gezag opleggen — die sub 2°., 3quot;. en 4°. genoemd, echter voor niet langer dan 5 dagen. (Zie die wet blz. 1043.)

Van elke door hen opgelegde straf geven zij onverwijld kennis aan den voorzitter van het college van regenten. Deze beoordeelt of hij zich daarmede kan vereenigen. Is dit het geval, dan keurt hij de straf goed en is daarmede de zaak beslist.

Is dit het geval niet, dan wijzigt hij de straf of heft hij haar op.

112. De straf in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. n6. 62) sub. 1°. vermeld, kan alleen door den voorzitter van het college van regenten worden opgelegd.

Hij brengt alle door hem opgelegde of verzwaarde straffen in de eerstvolgende vergadering van het college van regenten ter kennis van het college.

113. In afwachting der beslissing van den voorzitter van het college van regenten, zijn de hoofden van de gestichten bevoegd den gevangene of verpleegde voor zich zeiven en anderen door afzondering of door het bezigen van een dwangbuis of andere middelen onschadelijk te maken.

Art. 111—113, aldus gewijzigd, vastgesteld bij K. B. van 30 Juni 1891 (Stb. n0. 143).

114. De bepalingen der drie voorgaande artikelen zijn niet van toepassing op de gestichten te Veenhuizen.

In die gestichten kunnen de straffen, in art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62) sub. 6°. genoemd, op eigen gezag worden opgelegd door het hoofd van het gesticht.

Behoudens het bepaalde in de voorafgaande alinea worden voorts alle straffen, ook die genoemd in art. 21 der gemelde wet, aldaar opgelegd door een rtiad van tucht, bestaande uit het hoofd en vier andere door Onzen Minister van Justitie aan te wijzen beambten van het betrokken gesticht.

115. De raad van tucht in het vorig artik el vermeld vergadert tweemaal \'s weeks.

Voorstellen tot plaatsing van een verpleegde in de eerste of strafklasse worden dan tevens door het hoofd van het gesticht in den raad aanhangig gemaakt.

Van de beslissing van den raad van tucht, zoowel in

f

-ocr page 1187-

besluit van 20 januari 1887.

geval van plaatsing in de eerste klasse als van andere bestraffingen, kan de hoofddirecteur bij Onzen Minister van ) is | Justitie in hooger beroep komen.

iin- 116. De lijfstraf, bedoeld in art. 22 der wet van 14 April 1886 (Stb. nquot;. 62), bestaat in het toebrengen van \'gen hoogstens 50 slagen op het achterdeel door middel van

te bullepees of roltang. (Zie die wet blz. 1043.)

ben. De vergadering van het college van regenten waarin

ver- lot de oplegging der straf wordt besloten, moet minstens der door vijf leden worden bijgewoond. De meerderheid der aanwezige leden beslist. Bij staking der stemmen beslist de voorzitter.

Bij de tenuitvoerlegging zijn de geneesheer en minstens drie leden van het college van regenten aanwezig.

Slotbepaling.

Deze algemeene maatregel van inwendig bestuur geldt niet voor hen, die krachtens rechterlijk vonnis, gewezen vóór het in werking treden van het Wetboek van Strafrecht, zijn overgebracht in de militaire en burgerlijke strafgevangenis nabij Leiden, en in de bedelaarsgestichten.

1065

BESLUIT

van 20 Januari 1887 (Stb. n0. 19), houdende vaststelling van een reglement van tucht voor de Bijkstverk-inrichtingen Veenhuizen n0. 1, 2 en 3.

Wu WILLEM III, enz.

Gezien artikel 22 en artikel 32, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n». 35);

Gelet op de wet van 3 Januari 1884 (Stb. n0. 3);

Gezien de wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62);

Gezien de artikelen 107 en 114 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Ons besluit van 31 Augustus 1886 (Stb. n0. 159);

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 9 October 1886, n0. 93, 4de afdeeling;

Den Raad van State gehoord (advies van 23 November 1886, n0. 9);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 14 Januari 1887, n0. 142, 4de afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan vast te stellen het reglement van tucht voor de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen n0. 1, 2 en 3, zooals het aan dit besluit is gehecht.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

\'s-Gravenhage, 20 Januari 1887.

1 ;

IS

-ocr page 1188-

BESLUIT VAN 20 JANUARI 1887.

REGLEMENT voor den Raad van Tucht bij de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen n0. 4, 2 en 3; gewijzigd hij K. B. van 12 November 1891 (Stb. n0. 176).

Artikel 1.

Bij elke Rijkswerkinrichting is een Raad van Tucht.

2. De directeur is als zoodanig lid en tevens voorzitter van den Raad van Tucht.

Voor zoover hij of de andere leden van den Raad bij de aanvaarding van hun ambt niet zijn beëedigd, leggen zij, alvorens in den Raad zitting te nemen, de volgende verklaring af:

«Ik beloof plechtig de beschuldigingen, welke bij den Raad van Tucht inkomen, steeds met alle nauwgezetheid en onpartijdigheid te zullen onderzoeken en toetsen aan het reglement van tucht en dienovereenkomstig uitspraak te zullen doen »

Het afleggen dier verklaring geschiedt door den voorzitter in geschrifte aan den hoofddirecteur der Rijkswerkinrichtingen en door de andere leden mondeling aan den voorzitter.

3. De Raad vergadert in den regel eiken Dinsdag en Vrijdag.

Indien op die dagen geen zaken te behandelen zijn, geeft

de voorzitter hiervan kennis aan de leden.

Geen e zaken kunnen behandeld worden indien niet ten minste drie leden tegenwoordig zijn.

Bij afwezigheid van den voorzitter wordt deza vervangen door hem, die onder de aanwezige leden de hoogste in rang is of bij gelijkheid van rang door den oudsten van dien rang in dienstjaren.

Door den directeur wordt een der ambtenaren der Rijkswerkinrichting als secretaris aan den Raad toegevoegd.

4. De Raad neemt uitsluitend kennis van de overtredingen, waartegen bij dit reglement straf is bedreigd.

Oordeelt de Raad, dat eene overtreding onder het bereik der Strafwet valt, dan doet hij die, door tusschenkomst van den directeur, ter kennis brengen van den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie.

De directeur doet gelijke mededeeling omtrent feiten niet bij dit reglement voorzien, welke onder het bereik der strafwet vallen.

5. De Raad hoort de beklaagden, doet de getuigen zoo tot bezwaar als ter verdediging voor zich verschijnen en ondervraagt hen ieder afzonderlijk.

Nadat de beklaagde het laatst tot zijne verdediging het woord heeft gehad, verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en worden de beklaagden en de getuigen verwijderd.

Onmiddellijk daarna beslist de Raad bij hoofdelijke mondelinge stemming zoowel over de vraag of de te laste gelegde feiten en de schuld van den beklaagde aan die feiten al dan niet zijn gebleken, als over de op te leggen tuchtiging.

Zij geschiedt naar rang van betrekking, aanvang nemende bij hem die den laagsten rang bekleedt. Bij het bekleeden van denzelfden rang door meer dan één lid, stemt de jongste in dienstjaren het eerst.

De voorzitter brengt het laatst zijne stem uit.

4066

-ocr page 1189-

1067

Bij het staken van stemmen wordt de uitspraak gewezen ten voordeele van den beklaagde.

6. Van de uitspraak wordt onmiddellijk kennis gegeven aan den hoofddirecteur, die daarvan binnen vier dagen bij den Minister van Justitie in hooger beroep kan komen.

De hoofddirecteur geeft binnen denzelfden termijn kennis aan den Raad of hij al dan niet in hooger beroep is gekomen en deelt in geval van hooger beroep, de daarop door den Minister genomen beslissing onmiddellijk aan den Raad mede.

Indien geen hooger beroep is ingesteld, wordt de uitspraak van den Raad en, in het tegenovergesteld geval, de beslissing van den Minister, zoodra mogelijk ter kennis van den beklaagde gebracht en, zoo die eene veroordeeling bevat, onmiddellijk daarna ten uitvoer gelegd.

De Minister van Justitie is bevoegd de door den Raad opgelegde straf binnen de grenzen van dit reglement te verzwaren of die te verlichten of op te heffen.

Van de door den Raad gedane uitspraken worden maandelijks uittreksels aan den Minister van Justitie gezonden.

7. De secretaris houdt, staande de vergadering, nauwkeurig aanteekening van het verhandelde, meer bepaald van de verklaringen der getuigen, van hetgeen de beklaagde bekent en van de door hem aangevoerde redenen van verschooning.

De aanteekening wordt binnen vier en twintig uren door den secretaris overgebracht in een daartoe bestemd, door den voorzitter geteekend en op elke bladzijde gewaarmerkt boek. Die aanteekening wordt vervolgens door den voorzitter en den secretaris geteekend.

8. Ieder is bevoegd en ieder die met eenig gezag in de gestichten is bekleed, verplicht, aan den voorzitter van den Raad van Tucht schriftelijk of mondeling aangifte te doen van de overtredingen, welke te zijner kennis komen.

9. De duur der straffen wordt in de uitspraak aangewezen in dagen en maanden, niet in gedeelten daarvan. Door dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig uren, door maand een tijd van dertig dagen.

10. Onzindelijkheid, achteloosheid en het zonder vergunning aan mede-verpleegden overdoen van kantine- of winkelartikelen, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 6 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 12 dagen en het laatste feit bovendien met onthouding van het genot der kantine voor ten hoogste 1 maand; bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste, 6 dagen en het laatste feit bovendien met onthouding van het genot der kantine voor ten hoogste 3 maanden.

11. Het dragen van andere dan gestichtskleederen, het zonder vergunning veranderen van gestichtskleederen en het niet naleven van de gemaakte bepalingen op het schrijven of in ontvangst nemen van brieven, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 12 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 18 dagen en het laatste feit

-ocr page 1190-

BESLUIT VAN 20 JANUARI 4887.

bovendien met intrekking der vergunning\' tot het schrijven 16-van brieven voor ten hoogste 1 maand; bij verdere herha- opsluit: ling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste herhal 12 dagen en het laatste feit bovendien met intrekking der wone vergunning tot het schrijven van brieven voor ten hoogste ^ halin8 3 maanden. hoogst

12. Beleediging, schelden, kijven, vechten van en door 17-verpleegden onderling en wat op eenigerlei wijze de rust naar verstoort, worden gestraft met opsluiting in eene gewone het 1 cel voor ten hoogste 18 dagen; bij herhaling voor de eerste werke maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste speler 24 dagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene vergu gewone strafcel voor ten hoogste 12 dagen.

Indien het feit van ernstigen aard is, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

13. Onzedelijkheid in woorden (ontuchtige gesprekken), in gebaren, in schrifturen of in teekeningen wordt gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 18 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 24 dagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 18 dagen.

14. Ongehoorzaamheid, onbescheidenheid in woorden, gebaren, geschriften of teekeningen tegen de ambtenaren, bedienden of opzieners, het doen van aangifte van eenig vergrijp ten laste van een ambtenaar, bediende of opziener, waarvan de ongegrondheid gebleken is; het vragen of aannemen van fooien, zoomede het aanwenden van pogingen bij ambtenaren, bedienden of opzieners tot net toelaten of bevorderen van eenige bij dit reglement voorziene overtreding, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 24 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 1 maand en bij verdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

Indien bij het vragen van fooien dwang wordt uitgeoefend of dat vragen met dreigementen gepaard gaat,

kunnen de straffen worden verdubbeld, of wanneer daardoor strijd zou ontstaan met art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. n0. 62), worden verhoogd tot het daarbij gestelde maximum. (Zie die wet blz. 1043.)

15. Het aanvoeren, voorhanden hebben, gebruiken, koo-pen of verkoopen van andere waren dan in de kantine .of den winkel zijn verkrijgbaar gesteld, zoomede van boeken, couranten en tijdschriften niet in de bibliotheek voorhanden, of van zaken niet door de administratie verstrekt of bij aankomst in het bezit van den verpleegde gelaten,

worden indien art. 19 niet toepasselijk is, gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 1 maand; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 42 dagen en bij verdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

1068

-ocr page 1191-

BESLUIT VAN \'20 JANUARI 1887.

16. Luiheid en het weigeren van werk worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 36 dagen ; bij herhaling voor de eerste maal, net opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 48 cagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

17. Het door verpleegden-opzieners inleveren van niet naar waarheid opgemaakte of ingevulde schrifturen met het kennelijk doel om aan verpleegden meer dan het werkelijk verdiende loon te doen toekennen; dobbelen en spelen, dit laatste voor zoover het niet door de directie is vergund, al dan niet om geld, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 42 dagen; bij herhaling, voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 54 dagen, en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor te hoogste 24 dagen.

18. Ontvreemding, beschadiging, vernieling, het koopen, verkoopen, wegschenken, verpanden of verruilen van goederen, in gebruik gegeven aan of eigendom van verpleegden; het verbergen, opkoopen of voorhanden hebben van die ontvreemde, verruilde ten geschenke gegeven of verpande goederen, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 48 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 60 dagen, en bij verdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

19. Het koopen, verkoopen. aanvoeren, voorhanden hebben of gebruiken van sterken drank, gelijk mede ontvluchting of poging daartoe, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 60 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 3 maanden, en bij verdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

20. Feitelijk verzet tegen de ambtenaren, bedienden of verpleegden-opzieners; dronkenschap; het voor den Raad van Tucht afleggen eener valsche verklaring ten voor- of ten nadeele van een beklaagde; onzedelijkelijkheid in daden; samenspanning tot eenige overtreding of tot feitelijk quot;Verzet tegen de ambtenaren, bedienden of verpleegden-opzieners; liet op eenigerlei wijze beleedigen van den Voorzitter, de leden of den secretaris van den Raad van Tucht tijdens eene vergadering van dien Raad, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 3 maanden; bij herhaling voor de eerste maal met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 120 dagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 30 dagen.

21. Wangedrag tijdens het verblijf in eene cel wordt gestraft met opsluiting in eene volstrekt donkere strafcel, telkens voor ten hoogste 48 uren, met of zonder sluiting in de boeien.

22. Wegens de overtredingen, vermeld in de artt. 12 tot en met 20, kan aan verpleegden die den leeftijd van 16 jaar

1069

hrijven herha-

i : i É

..

I II

-ocr page 1192-

BESLUIT VAN 20 JANUA.RI 1887.

hebben bereikt, boven en behalve de daarbij bepaalde straffen, worden opgelegd de straf van verstrekking van water en brood in plaats van het gewone voedsel, voor ten hoogste 24 dagen of zooveel korter als de straftijd korter duurt.

Die straf wordt echter, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen, slechts om den anderen dag toegepast.

23. Wegens de overtredingen vermeld in de artt. 12 tot en met 20 begaan door verpleegden, die den leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, kan bij derde en verdere herhaling, in plaats van de bij die artikelen bedreigde straffen, worden toegepast de straf van verplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn, voor ten hoogste 12 maanden.

24. Bijaldien de tijd van het gedwongen verblijf van de in artikel 23 bedoelde verpleegden, na de uitspraak van den Raad van Tucht niet langer dan 3 maanden zou duren, wordt de straf van verplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn niet opgelegd.

25. De in de vorige artikelen vermelde straffen zijn ook toepasselijk op hen, die opzettelijk bij het plegen van de overtreding behulpzaam zijn geweest of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft hebben.

Bij herhaling van de bij dit artikel omschreven medeplichtigheid wordt met inachtneming van het laatste lid van dit artikel de straf toegepast, op herhaling van de overtreding zelve gesteld.

Voor medeplichtigen wordt het maximum der straffen met een derde verminderd.

26. Het maximum der straffen, op de in de artikelen 12 tot en met 21 vermelde overtredingen of de in art. 25 omschreven medeplichtigheid gesteld, wordt voor hen, die tijdens het begaan der overtreding of medeplichtigheid den leeftijd van 16 jaren niet hebben bereikt, tot de helft verminderd.

De artt. 19—24 en 26 zijn, in plaats der oorspronkelijke, vastqesteld bij Besluit van 12 Nojcniber IS\'Jl (Stb. n°. 176).

27. Bij samenloop van meerdere feiten, welke als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere overtredingen opleveren, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd, doch mogen de straffen voor de overtredingen gezamenlijk niet de bij art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stb. nquot;. 62) gestelde maxima te boven gaan. (Zie die wet blz. 1043.)

28. Herhaling van overtreding heeft plaats indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen sedert de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk veroordeeld is geworden.

29. Dit reglement wordt den verpleegde bij aankomst in de Rijkswerkinrichting geheel voorgelezen; een afdruk daarvan wordt in elke zaal opgehangen.

1070

-ocr page 1193-

besluit van 17 augustus 1889.

BESLUIT

van 17 Augustus 1889 (Stb. 107), houdende vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 17 van het Wetboek van Strafrecht.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van den 19den Juni 1889, afdeeling 2a, n0. 150;

Gezien de artikelen 15, 16 en 17 van het Wetboek van Strafrecht;

Den Raad van State gehoord (advies van den 30sten Juli 1889, n0. 16);

Gezien het nader rapport van voornoemden Minister, van den 12den Augustus 1889, afdeeling 2a, n0. 133;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

De voorstellen of in te winnen berichten, bedoeld bij het eerste lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, houden in:

1°. de zoo nauwkeurig mogelijke aanduiding van den persoon des veroordeelden;

2°. de vermelding van de rechterlijke uitspraak, uit kracht waarvan deze zich in de gevangenis bevindt, en van den dag waarop de straftijd is ingegaan en dien waarop deze zal eindigen;

3°. al wat het bestuur der gevangenis bekend is omtrent het verleden van den veroordeelde voor zoover dit ter zake dienende kan worden geacht, het beroep of bedrijf, dat hij vóór zijne opneming in het gesticht uitoefende of tijdens zijn verblijf daarin heeft geleerd, zijn gedrag gedurende dat verblijf, de mogelijkheid om bij invrijheidstelling in eigen onderhoud te voorzien, en in verband hiermede een voorstel omtrent het al dan niet verstrekken aan den voorwaardelijk in vrijheid te stellen persoon van gelden uit diens uitgaanskas;

4°. bijaldien geen voorstel van het bestuur is uitgegaan, zijn- advies;

5°. de voorwaarden welke, naar het oordeel van het bestuur, in elk bijzonder geval aan de invrijheidstelling zouden hehooren te worden verbonden, als hoedanig onder meer kan worden gesteld het verblijf in of buiten een bepaalde plaats.

2. Bij de voorstellen of berichten, bedoeld bij artikel 1, worden overgelegd:

1°. het extract uit de rechterlijke uitspraak, uit kracht waarvan de veroordeelde zich in de gevangenis bevindt;

2°. een door den directeur onderteekende staat, vermeldende alle straffen door den veroordeelde tijdens zijn verblijf in het gesticht beloopen;

1071

-ocr page 1194-

BESLUIT VAN 17 AUGUSTUS 1889.

3°. het door den directeur opgemaakt relaas van verhoor van den veroordeelde, bevattende de verklaringen van dezen omtrent de gemeente waarheen hij zich na mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling denkt te begeven en de wijze waarop hij voornemens is alsdan in zijn onderhoud te voorzien;

4#. zoo mogelijk de onderteekende verklaring van den-gene die zich heeft bereid verklaard om den veroordeelde na ontslag te onderhouden of in dienst te nemen;

5°. alle berichten en adviezen krachtens art. 3 ingewonnen of afschriften daarvan.

3. Aan de besturen der gevangenissen worden op hun verzoek door alle besturen of hoofden van andere gevangenissen en door alle ambtenaren van justitie en van politie de inlichtingen verstrekt die zij, ter nakoming van de voorschriften van de artikelen 1 en 2, behoeven.

4. Wanneer het hoofd van het Departement van Justitie oordeelt, dat er termen zijn tot voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt het besluit daartoe medegedeeld aan het bestuur der gevangenis waarin de veroordeelde verblijft, dat voor de uitvoering zorg draagt.

Het wordt tevens gebracht ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het rechterlijk college, krachtens welks uitspraak de veroordeelde in het gesticht verbleef, alsmede, zoo den voorwaardelijk in vrijheid gestelde een bepaalde verblijfplaats is aangewezen of ontzegd, aan het hoofd of de hoofden der politie in de betrokken gemeente of gemeenten en aan den officier of de officieren van justitie van het arrondissement of de arrondissementen waartoe zoodanige plaats behoort.

5. Bij het ontslag wordt den voorwaardelijk in vrijheid gestelde door het bestuur der gevangenis een verlofpas uitgereikt, volgens het formulier aan dit besluit gehecht.

6. Aan den voorwaardelijk in vrijheid gestelde kan bij zijne invrijheidstelling voor de reis naar de hem aangewezen verblijfplaats of, bij gebreke van zoooanige aanwijzing, naar de gemeente waarheen hij zich begeven wil, reisgelegenheid of reisgeld worden verstrekt ton laste van zijne uitgaanskas of, indien deze ontoereikend is, ten koste van het Rijk.

Dit reisgeld mag in gewone omstandigheden niet meer bedragen dan 20 cents per 5Va kilometer.

Indien de plaats van bestemming minder dan 28 kilometer verwijderd is, mag ten koste van het Rijk alleen dan reisgelegenheid of reisgeld worden verstrekt, indien de in vrijheid gestelde niet in staat is te loopen, of verplicht is veer- of overvaartgelden te betalen.

7. Bij elk besluit van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt tevens beslist of en zoo ja, tot welk bedrag aan den betrokken persoon gelden uit diens uitgaanskas worden uitgekeerd.

De niet uitgekeerde gelden worden, voor zoover zij niet voor de reis zijn aangewend, verder bewaard tot onher-

1072

-ocr page 1195-

BESLUIT VAN 17 AUGUSTUS 1889.

roepelijk ontslag of wel tot herroeping\' van de voorwaardelijke invrijheidstelling, gepaard met opsluiting in eene andere gevangenis, in welk laatste geval dat bedrag daarheen ter bewaring wordt overgebracht.

8. De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is verplicht binnen 2 X ^4 uren na de invrijheidstelling zijn verlofpas te vertoonen aan het hoofd van politie der gemeente, waartoe de hem aangewezene verblijfplaats behoort of, bij gebreke van zoodanige aanwijzing, van die waarheen hij zich begeven wil.

Zoolang zijn straftijd niet is verstreken, geldt hetzelfde bij verandering van verblijfplaats, indien hem deze als voorwaarde is gesteld of hem daartoe de bevoegdheid niet is ontzegd, met dien verstande dat hij in dit geval den pas tevens ten minste 8 dagen vóór zijn vertrek moet vertoonen aan het hoofd der politie in de gemeente van vertrek, welke ambtenaar van de voorgenomen verandering van verblijfplaats ten spoedigste mededeeling doet aan dien van de gemeente waarheen de voorwaardelijk in vrijheid gestelde zich begeven wil.

De hoofden der gemeente-politie hiervoren bedoeld teekenen den pas voor «gezien» en geven van de aanbieding of van het verzuim daarvan onmiddellijk kennis aan den officier van justitie, welke voor mededeeling aan het Departement van Justitie zorg draagt.

Voormelde officier neemt, bij verzuim van aangifte, onmiddellijk de noodige maatregelen tot opsporing van den nalatige.

De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is tevens verplicht, zoolang zijn straftijd niet is verstreken, van den hem uit-gereikten verlofpas te allen tijde inzage te verleenen aan de in het 2de lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht aangewezen ambtenaren, tot welk einde hij bij elke verwijdering buiten de gemeente, waar hij verblijfplaats heeft, dezen pas te allen tijde bij zich moet dragen.

Wordt hem door Ons vermindering van straf verleend, zoo geschiedt hiervan aanteekening op den verlofpas door of op last van den ambtenaar van het openbaar ministerie te wiens kennis Onze beslissing wordt gebracht.

9. In geval van verlies of vermissing van dien verlofpas doet de voorwaardelijk in vrijheid gestelde daarvan onmiddellijk aangifte bij een der ambtenaren, bedoeld bij het 2de lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, onder opgave van alle omstandigheden, waaronder zulks heeft plaats gehad.

Den aangever wordt daarvan een bewijs afgegeven door dezen ambtenaar, die zorgt voor de onmiddellijke toezending van de aangifte aan het hoofd van het Departement van Justitie, onder bijvoeging van zoodanige inlichtingen als ter zake dienende worden geacht.

Het hoofd van voormeld departement kan den aangever een duplicaat-verlofpas doen uitreiken.

Zoolang zulks niet is geschied, geldt hetgeen in het vorige artikel omtrent de verplichting tot vertoon van den

1073

68

-ocr page 1196-

1074 BESLUIT VAN 17 AUGUSTUS 1889.

verlofpas is bepaald, ten aanzien van het afgegeven bewijs.

10. De kennisgeving van de aanhouding, bedoeld bij het 2de lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, geschiedt bij wege of met bijvoeging van een procesverbaal, houdende de redenen, die tot de aanhouding hebben geleid, en zoo mogelijk met bijvoeging van den verlofpas.

Geschiedt de aanhouding op bevel van het hoofd der politie eener gemeente, zoo geeft deze daarvan tevens onmiddellijk kennis aan den officier van justitie van het arrondissement waarin die gemeente is gelegen.

11. Wanneer het hoofd van het Departement van Justitie besluit tot de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt zulks, onder toezending van het extract uit de rechterlijke uitspraak krachtens art. \'2 overgelegd, gebracht ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het rechterlijk college, dat de straf heeft opgelegd, die voor de uitvoering zorg draagt, met inachtneming van het 3de lid van art. 15 en van het laatste lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht en van de aan den veroordeelde mogelijk verleende vermindering van straf.

Door de zorg van dezen ambtenaar geschiedt aantee-kening van de herroeping op het extract.

Gelijktijdig geschiedt kennisgeving van dat besluit aan het gezag, dat de voorloopige aanhouding bewerkstelligde.

Worden in het geval, bedoeld bij art. 10, geene termen gevonden tot herroeping, zoo wordt zulks onder bijvoeging zoo mogelijk van den verlofpas, gebracht ter kennis van den in dat artikel bedoelden officier van justitie, die voor de opheffing van de aanhouding en de wederuitrei king van den pas, of, zoo de uitreiking van een duplicaat krachtens het Üde lid van art. 9 is bevolen, van dit duplicaat op zijne aanvrage door het betrokken gevangenis-bestuur af te geven, zorg draagt.

Van de aanhouding en de opheffing geschiedt in dit geval door dien officier aanteekening op den verlofpas.

Verstrijkt de straftijd zonder dat herroeping heeft plaats gehad, zoo wordt het extract uit de rechterlijke uitspraak krachtens art. 2 overgelegd, door de zorg van het Depar tement van Justitie teruggezonden aan het bij dat artikel bedoelde gestichtsbestuur.

12. De inhoud van den verlofpas bedoeld bij art. 5, de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een aan den voorwaardelijk in vrijheid gestalde verleende vermindering van straf worden door de zorg van het Departement van Justitie gebracht ter kennis van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en recht banken en van de hoofden der politie in de gemeenten, voor zooverre zulks niet reeds is geschied ingevolge d-voorschriften van artikel 11.

13. De inhoud van dit besluit en van de artikelen 15 en 16 van het Wetboek van Strafrecht worden vermeld op den verlofpas.

-ocr page 1197-

T

besluit van 6 juni 1888.

14. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

Het Leo, 17 Augustus 1889.

FORMULIER, bedoeld bij art. 5 van het Koninklijk besluit van 17 Augustus 1889 (Stb. nü. 107).

Voorwaardelijke invrijheidstelling.

Verlofpas voor:

Signalement:

Het Bestuur der gevangenis te.........

Gezien het besluit van den Minister van Justitie, dd. ..............luidende:

(Inhoud van het besluit.)

Gelet op art. 5 van het Koninklijk besluit van denl7den Augustus 1889 (Stb. n0. 107);

Gehoord voormelden................., die, na

gedane voorlezing van de artt. 15 en 16 van het Wetboek van Strafrecht en van de voorwaarden waaronder zijne voorwaardelijke invrijheidstelling is bevolen, heeft verklaard zich stiptelijk naar die voorwaarden te zullen gedragen ;

Stelt, onder uitreiking van dezen verlofpas, voormelden

.........................voorwaardelijk in

vrijheid.

Gedaan te

. . ., den..........

Het Bestuur voornoemd,

ih» VAf

i ■ U

i :i I

Gezien door het hoofd der politie

in de gemeente

den

BESLUIT

van 6 Juni 1888 (Stb. nquot;. 87), tot vaststelling van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld bij artikel 439, nquot;. \'2, van het Wetboek van Strafrecht.

Wu WILLEM 111, enz.

Gezien artikel 439, nquot;. 2, Wetboek van Strafrecht;

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, Onzen Minister van Oorlog en Onzen Minister van Marine, van 28 Februari 1888, afdeeling ia, nquot;. 114, van 8 Maart 1888, 1ste afdeeling, n0. 21, van 12 Maait 1888, lett. B. n0. 2; Den Raad van State gehoord (advies van 1 Mei 1888, n0.10); Gezien het nader rapport van Onze genoemde Ministers, van 17 Mei 1888, afdeeling 2a, n0. 94, van 29 Mei 1888, 1ste afdeeling, n0. 59, van 1 Juni 1888, lett. B. n0. 2. Hebben goedgevonden en verstaan:

1075

i

-ocr page 1198-

BESLUIT VAN 6 JUNI 1888.

Artikel 1.

De koopman, bedoeld in artikel 439, n0. 2, van het Wetboek van Strafrecht, is verplicht een register te houden, waarvan de bladen van een doorloopend nommer zijn voorzien en door den burgemeester of den commissaris van politie zijner woonplaats worden gewaarmerkt.

In dit register zal door hem, onmiddelijk nadat de goederen door hem in ontvang zijn genomen, aanteekening worden gedaan van iederen koop, iedere inruiling, aanneming als geschenk, in pand, gebruik of bewaring van goederen, behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening van een krijgsman beneden den rang van officier, alsmede van zoodanige goederen, welke hij voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft.

De inschrijving geschiedt zonder witte vakken, gapingen of tusschenruimten, met aanduiding van den dag waarop, van den persoon van wien, of van den verkoop op openbaar gezag, waarbij de goederen verkregen zijn.

De schriftelijke toestemming, door of vanwege den bevelvoerenden officier, waar zij vereischte is, verleend, wordt aan het register gehecht.

De bedoelde koopman zal tevens in het register aan-teekenen, op dezelfde wijze als in het derde lid van dit artikel is voorgeschreven, aan wien en op weikan dag goederen, als in het tweede lid zijn vermeld, voor zich zeiven of namens zijnen lastgever door hem zijn verkocht, verruild, in pand gegeven of op eenige andere wijze met zijn medeweten of door zijn toedoen uit zijn bezit zijn ge-aakt.

2. De koopman, bedoeld in artikel 439, n0. 2, van het Wetboek van Strafrecht, is verplicht het door hem als zoodanig gehouden register op aanvrage te vertoonen aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, alsook aan den bevelvoerenden officier of aan den door dezen aangewezen officier of onderofficier.

Het Loo, 6 Juni 1888.

1076

-ocr page 1199-
-ocr page 1200-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

AL6EMEENE BEPALINGEN,

Artikel 1. (1)

Niemand mag tot straf vervolgd of veroordeeld worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien. (G. 450; R. O. 1, 2; Sr. 1 v.)

2. (2) Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren, welke bij de wet daartoe bevoegd zijn verklaard. (I. 1; R. O. 3, 4; Sv. 22 v., 141, 252, 289, 295 v., 302; Alg.w., a. 247 v.; W. bedr. bel., a. 50; W. pers. bel., a. 75.)

3. (3) Behalve in de gevallen bij de wet voorzien, kan de vergoeding van schade, door eenig strafbaar feit veroorzaakt, alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regts-vordering vervolgd worden. (I. 2, 3, 4; R. O. 44c, 56c;, 92c; Sv. 202 v., 211, 245; O. 56; B. 1401 v., 1890.)

4. (4) Gedurende den loop van de regtsvervolging tot straf, blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den burgerlijken regter geschorst, onverminderd de behoedmiddelen bij de wet veroorloofd. (I. 3; B. 1955, 1956; Rv. 193, 194; Sv. 207.)

5. (5) Geene regtsvervolging tot straf kan gestuit of geschorst worden door het afzien van de burgerlijke regtsvordering, ten zi] in de gevallen bij de wet voorzien. (I. 4; B. 323, 1890b; Sv. 6; Sr. 241, 281cJ.)

6. (6*) Indien de verdediging van den beklaagde een geschilpunt van burgerlijk regt betreft, van welks beslissing de regter oordeelt dat de waardering van het feit afhangt, aan denzelven te laste gelegd, zal de regtsvervolging met of zonder tijdsbepaling worden geschorst.

Indien de beklaagde in bewaring is, zal de regter zijne voorloopige invrijheidstelling kunnen gelasten. (B. 323; Sv. 3, 5, 227; Sr. 73, 241e, 265c, 281 d.)

7. Alle dagvaardingen en beteekeningen van stukken op last of van wege het openbaar ministerie of van wege andere ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigc, geschieden door eenen deurwaarder of dienaar van de openbare magt, op de wijze voorgeschreven bij art. 144. a) (Sv. 30; R. IV, a. 1; Alg.w., a.\'320; Stb. 1856 n0. 114, a. 3 i, zie chron. lijst.)

a) Dit art. strekt tot vervanging van tallooze herhalingen van het voorschrift. Zie de artt. (oud) G0r7, 01rrt 05, I W*», 221 enz.

Dc artt. (oud) 7—10 zijn vervallen, als bevattende bepalingen geregeld in Sr. I, tit. 1 en 8.

-ocr page 1201-

TITEL I, ARTT. 1 —10.

EERSTE TITEL.

Van het opsporen der strafbare feiten.

EERSTE AFDEELING.

Van de ambtenaren belast r iet de opsporing der strafbare feiten.

8. (11*) Met het opsporen der strafbare feiten zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgende ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëedigd: (I. 9; Sv. 9.)

1°. De veld- en boschwachters; (Sv. 19 v.; Gem.w., a. 190, 191; Stb. 1856 n0. 114, zie chron. lijst; Loi du 29 Septembre et du 6 Octobre 1791, en Décret du 11 Juin 1806 (Fortuijn 1,189 v., 212 v., II393 v.).)

2°. De officieren en onder-officieren der maréchaussée; (Besluit van 30 Januari 1815 (d\'Engelbronner 1,175); Stb. 1845 n». 8.)

3°. De directeuren en commissarissen van policie en de waterschouten; (Sv. 9, 16 v.; Gem.w., a. 190, 191; Stb. 1851 n». 166.)

4°. De burgemeesters, of degenen die hen vervangen, doch alleen in de gemeenten alwaar geen commissarissen van policie zijn; (Sv. 16 v., 21; Gem.w., a. 77, 190, 191.)

5°. De kantonregters; (R. O. 30 v.; Sv. 22.)

6°. De ambtenaren van het openbaar ministerie, behalve die bij de kantongeregten; (R. O. 3; Sv. 22, 23 v.)

7°. Alle andere beambten in zaken bij bijzondere wetten en wettige verordeningen aan hunne waakzaamheid toevertrouwd. (Inv. 13; Alg.w., a. 233; W. pers. bel., a. 74; Stb. 1852 n0. 178, a. 86 v.; Jagtw., a. 36 v., zie chron. lijst; Stb. 1876 n0. 289, a. 2 enz.— Sv. 12, 22c, 34, 78.)

9. (12) In de gemeenten, die in verscheidene afdeelin-gen van policie verdeeld zijn, zullen de commissarissen van policie hunne ambtsverrigtingen uitoefenen over de geheele uitgestrektheid der gemeente, in welke zij zijn geplaatst, zonder zich van deze verpligting te kunnen ver-schoonen, op grond dat de feiten gepleegd zouden zijn buiten de bijzondere afdeeling waarover zij zijn gesteld. (I. 12, 13; Sv. 8 nquot;. 3, 16 v.)

10. (13*) Elke gestelde magt, elk openbaar ambtenaar die in de uitoefening van zijne bediening kennis bekomt van een strafbaar feit, zal gehouden zijn daarvan dadelijk den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regtbank, binnen welks regtsgebied het feit begaan is, of waarin de verdachte woont of mogt kunnen gevonden worden, berigt te geven, en aan denzelven ambtenaar alle de bescheiden, processen-verbaal en akten, die tot de zaak be-

1079

-ocr page 1202-

WETBOEK VAN STRA.FV0RÜE1UNG.

trekkelijk zijn, in te zenden. (I. 29; Sv. 23 v., 36, 41, 289, 294, 297; Sr. 368.)

11. (14*) Een ieder die getuige is geweest van eenen aanslag, het zij tegen de openbare rust of veiligheid, het zij tegen iemands leven of eigendom, zal desgelijks gehouden zijn daarvan dadelijk berigt te geven aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regtbank, het zij van het arrondissement waarin de daad gepleegd is, het zij van dat alwaar de verdachte woont of kan worden gevonden, of aan een\' der hulp-oflicieren.

De vorenstaande bepaling is niet toepasselijk op de personen bij het tweede en derde lid van art. 66 vermeld. (I. 30; Sv. 12, 23 v., 34, 36; Sr. 135 v., 189, 418, 419, 440.)

12. (15*) Ieder tegen wien een strafbaar feit is gepleegd of die daarvan kennis draagt, is bevoegd daarvan aangifte te doen bij een der ambtenaren, genoemd in art. 8.

De schriftelijke aangiften zullen moeten worden onderteekend.

De mondelinge aangiften zullen door den ambtenaar, die dezelve ontvangt, in geschrifte worden gesteld, en zoo door hem, als door den aangever, worden onderteekend, zoo deze kan schrijven. In geval van beletsel wordt de reden daarvan vermeld. (1. 31, 65; Sv. li, 16, 36; Sr. 188.)

13. Bij misdrijven alleen op klagte vervolgbaar geschiedt de klagte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, het zij door den tot de klagte geregtigde in persoon, het zij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmagt voorzien.

De mondelinge klagte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt in geschrift gesteld en na voorlezing door hem met den klager of diens gevolmagtigde onderteekend. Indien deze niet teekenen kan, wordt de reden van het beletsel vermeld. De schriftelijke volmagt of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte vastgehecht.

De schriftelijke klagte wordt door den klager, of, onder overlegging van de schriftelijke volmagt, of, in het geval bedoeld in het vorige lid, van een authentiek afschrift daarvan, door den gevolmagtigde onderteekend.

Alles op straffe van nietigheid. (Sr. 64 v., 188, 241, 245, 264, 269—273, 273 A, B, 281, 284, 316, 319, 324, 338, 348, 349 quater, 353, 420.)

14. Tot het ontvangen der klagte is elk officier en elk hulp-officier van justitie bevoegd en verpligt. (Sv. 23 v., 34.)

16. De intrekking der klagte geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in den vorm voor het doen der klagte bij de artt. 13 en 14 bepaald. (Sr. 67, 241c.)

1080

NT

I

i

li

-ocr page 1203-

TITEL I, ARTT. 11—20. 1081

TWEEDE A F DEELING.

Van de burgemeesters en commissarissen van policie, met betrekking tot strafbare feiten aan de kennisneming van den kantonregter onderworpen.

16. (16*) De commissarissen van policie, en, in de gemeenten waar geene commissarissen van policie zijn, de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, zullen de strafbare feiten aan de kennisneming van den kantonregter onderworpen nasporen, zelfs ook de zoodanige die tot het bijzonder toezigt van de veldwachters en boschwachters behooren. Zij zullen de berigten en aangiften ontvangen tot de voornoemde feiten betrekkelijk.

De processen-verbaal door hen te dien einde op te maken, zullen inhouden den aard en de omstandigheden der feiten, den tijd wanneer, en de plaats waar dezelve zijn bedreven, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van de vermoedelijk schuldigen. (I. 11; Sv. 8 n0. 3 en 4, 17—19, 21, 401.)

17. In gemeenten, in welke niet meer dan één commissaris van policie is, zal, bij wettig beletsel van den-zelven de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, den gezegden dienst waarnemen, of door tijdelyke aanstelling van eenen persoon tot vervanging van den commissaris van policie, in diens dienst voorzien. (1. 14; Sv. 8n#.3en4, 9, 16, 18, 21.)

18. (18*) De burgemeester of die deszelfs plaats vervult, of wel de commissaris van policie, zal aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht alle de stukken en narigten doen geworden, ten iangste binnen den tijd van drie dagen, de dag, op welken het feit tot zijne kennis is gekomen, daaronder begrepen. (I. 15; Sv. 8 n0. 3 en 4, 16, 21, 22.)

DERDE AFDEELING.

Van de veld- en boschwachters.

19. (19) De veld- en boschwachters zijn voornamelijk belast met het opsporen der strafbare feiten, strekkende tot benadeeling van veld- en boscheigendommen. (1. 16; Sv. 8 n0. 1, 16, 22c, 27amp;.)

20. (20*) De veld- en boschwachters staan, voor zoo verre het opsporen der strafbare feiten betreft, die tot de bevoegdheid van de regtbank behooren, onder het toezigt van den officier van justitie van het arrondissement, onverminderd hunne onderhoorigheid aan de ambtenaren der administratieve magt, die boven hen ziin gesteld. (R. O. 56a.)

Zij zullen van alle strafbare feiten processen-verbaal opmaken, ten einde te doen blijken van den aard, de

289,

-ocr page 1204-

WETHOEK VAN STRAFVORDEHING.

omstandigheden, den tijd en de plaats van de begane strafbare feiten, zoo als ook van de bewijzen en aanwijzingen die zij daarvan hebben kunnen inwinnen. (I. 16, 17; Sv. 19, 27fgt;, 39, 401.)

21. (21) De veld- en boschwachters moeten hun procesverbaal binnen den tijd van vier en twintig uren doen toekomen aan den commissaris van policie, en binnen de gemeenten, alwaar geen commissaris van policie is, aan den burgemeester of dengenen die hem vervangt. Deze zijn verpligc de processen-verbaal, uiterlijk binnen vier en twintig uren na de ontvangst, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie in te zenden. (I. 20, 21; Sv. 16 v., 20.)

VIERDE A F D E E L I N G.

Van de ambtenaren van het openhaar ministerie.

22. De ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt is belast met de vervolging van het in het kanton gepleegde strafbaar feit, dat tot de bevoegdheid van den kanton-regter behoort. (Sv. 24 bis, 26; Sr. 442 T.)

Hij is bevoegd, naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden processen-verbaal nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen.

Hij kan die nasporingen of dat nader onderzoek opdragen aan de hulp-officieren van justitie, — de kanton-regters uitgezonderd — zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, 1°. en 7°. (R. O. 3, 4, 30 v., 44; Sv. 2, 8 n0. 6.)

23- {11*) De officieren van justitie zijn belast met de nasporing en vervolging van alle strafbare feiten, waarvan de kennisneming behoort aan de arrondissements-regtbanken. (I. 22; R. O. 3, 4, 48, 56 v.; Sv. 2, 8 n0. 6, 24 v., 81 v., 141 v., 295 enz.)

24. (23*) Tot de waarneming der ambtsverrigtingen, bij het vorige artikel aan de Officieren van justitie opgedragen, zijn gelijkelijk geregtigd:

Die van het arrondissement waarin het feit is begaan; (Sv. 25; Stb. 1869 n». 37, a. 35.)

Die van het arrondissement waarin de verdachte woont; (B. 74 v.)

Die van het arrondissement waarin de verdachte wordt gevonden;

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene officieren van justitie, zal diegene hunner steeds met de vervolging der zaak belast blijven, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst. (I. 23; Sv. 10, 11, 23, 26 v.)

24?\'is. De ambtsverrigtingen van de ambtenaren van het openbaar ministerie worden, bij vervolging van straf-

1082

-ocr page 1205-

TITEL I, ARTT. 21—26. 1083

bare feiten op het niet tot het regtsgebied van eenig kantongeregt behoorende watergebied van het Rijk in Europa gepleegd, vervuld door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de arrondissements-regtbank of het kantongeregt, onder wier ressort de verdachte woont, gevonden wordt of zijne laatst bekende verblijfplaats heeft gehad.

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie blijft diegene hunner steeds met de vervolging belast, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, of wanneer meerdere van hetzelfde feit verdachten in de ressorten van verschillende arrondissements-regtbanken of kantongeregten wonen, gevonden worden of hunne laatst bekende verblijfplaats hebben gehad, worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitgeoefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank te Alkmaar of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt te Hoorn. (Sv. 22, 25, 26; Sr. 442 T.)

Art. 24 bis tusschengevocrjd hij art. 1 der Wet van 23 Juni 1889 (Stb. n0. 83).

25. Strafbare feiten, buiten het Rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, worden, ter bepaling van de bevoegdheid van den vervolgenden ambtenaar, geacht te zijn begaan ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig woont of de reederij is gevestigd. (Sr. 3; Sv. 10, 11, 24; B. 74; K. 320 v.; W. tucht Koopv.; Stb. 1869 nü. 139, a. 1, zie beide wetten in chron. lijst.)

26. (24*) De ambtsverrigtingen van de ambtenaren van het openbaar ministerie worden, onverminderd de bepalingen van de wet op de consulaire regtsmagt, bij vervolging van strafbare feiten buiten het Rijk in Europa niet aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, vervuld door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt, onder wier ressort de verdachte woont, gevonden wordt, of zijne laatst bekende verblijfplaats heeft gehad. (Consul, w., zie chron. lijst.)

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie blijft diegene hunner steeds met de vervolging der zaak belast, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, of wanneer meerdere van hetzelfde feit verdachten in de ressorten van verschillende arrondissements-regtbanken of kantongeregten wonen, gevonden worden of hunne laatst bekende verblijfplaats hebben gehad, worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitgeoefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt n0. 1

-ocr page 1206-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

te Amsterdam. (Sr. 4 v., 442 T.; Sr. 10,11,24,24bis; B. 74 v.)

Gewijzigd bij art. 2 der Wet van 23 Juni 1889 (Stb. n°. 83). a)

A. Art. 23 der Consulaire Wet: Wanneer de bij artikel 22 bedoelde feiten in de bepaling van een misdrijf vallen, waarop, als maximum, eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, met uitzondering van de misdrijven, genoemd in de artikelen 181, 1°., 310 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, behoort de kennisneming daarvan aan de arrondissements-regtbank te Amsterdam of aan den raad van justitie te Batavia, naar mate zij zijn gepleegd in landen, gelegen aan deze of gene zijde van de Kaap de Goede Hoop en van Kaap Hoorn.

B. Art. 24a der zelfde Wet. De consulaire ambtenaren kunnen de door de consulaire regtbanken tot meer dan zes maanden gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde Nederlanders opzenden naar Nederland of naar Nederlandsch-Indie, volgens de onderscheiding bij art. 23 gemaakt, ten einde deze veroordeelden door de tusschenkomst van den officier van justitie bij de arron-dissements-regtbank te Amsterdam of bij den raad van justitie te Batavia aldaar hunne straf ondergaan.

27. (26) De ambtenaren, met het nasporen der strafbare feiten belast, hebben het regt om, in de uitoefening van hunne ambtsverrigtingen, de openbare burgerlijke, of de gewapende magt onmiddellijk in te roepen.

De veld- en boschwachters zijn hiervan uitgezonderd; deze zullen zich te dien einde vervoegen bij de hoofden der plaatselijke besturen van de gemeenten alwaar zij hun ambt uitoefenen. (I. 25; Sv. 8, 19 v., 42, 96, 106, 342; Gem.w., a. d84 v.; Sr. 184, 857, 358, 446.)

28. (27*) De officieren van justitie zijn gehouden om, zoodra strafbare feiten, die tot de kennisneming van de regtbank behooren, tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bij het geregtshof daarvan berigt te geven.

Onverminderd hunne verpligting tot vervolging moeten zij de voorschriften opvolgen die deze hun, tot het doen van onderzoek, of tot vervolging van die feiten zal geven. (I. 27; R. O. 5, 56; Sv. 29, 31; R. I, a. 54.)

29. De bepaling van het voorgaand artikel geldt eveneens ten aanzien van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten tegenover den officier van justitie bij de regtbank met betrekking tot de feiten, die tot de kennisneming van den kanton-regter behooren. (R. O. 5, 44; R. I, a. 55.)

1084

30. (28*) De ambtenaren van het openbaar ministerie zullen zorg dragen voor de verzending, de beteekening en de uitvoering der bevelschriften die door den regter, in het beleid der zaak, zullen worden gegeven. (I. 28; Sv. 7, 61, 98, 109, 127 enz.)

u) Oort-pronkolijk ontbraken in het derde lid de woorden: „of wanneerquot; tot „verblijfplaats hebben gehad.quot;

-ocr page 1207-

TITEL I, ARTT. 27—37.

31. (29*) Wanneer een officier van justitie door klagte of aangifte, of op eenige andere wijze is onderrigt, dat in zijn ressort een strafbaar feit is gepleegd, of dat iemand, die daaraan vermoed wordt schuldig te zijn, zich binnen hetzelve bevindt, zal hij verpligt zijn, naar omstandigheden, aanvankelijk alle narigten te verzamelen en in te winnen, welke dienstig kunnen zijn om over de zaak licht te verspreiden. (I. 47; Sv. 10 v., 36 v., 39 v.)

32. (30) De officier van justitie zal, wanneer daartoe termen zijn, de stukken aan den regter-commissaris doen toekomen, met zoodanige requisitoiren als hij zal geraden achten. (I. 45, 53; Sv. 36, 37, 43, 53, 59 v.)

33. (31*) Indien de reglbank, op beklag van den belanghebbende, of op eene andere voldoende wijze, bevindt, dat er verzuim plaats heeft in het vervolgen van een strafbaar feit aan hare kennisneming onderworpen, zal zij den officier van justitie kunnen belasten om te dien aanzien aan haar verslag te doen, en hem voorts kunnen bevelen om ter zake der opgegeven daadzaken, zoo daartoe termen zijn, vervolgingen in te stellen. (R. O. 56, 73, 109; Sv. 115; W. Kerkgenootsch., a. iOb, zie chron. lijst.)

VIJFDE AFDEELING.

Van de hulp-officieren.

34. (32*) Hulp-officieren zijn de in art. 8 nos. 2—5 genoemde ambtenaren. (I. 48, 50; Sv. 8, 11 v., 35 v., 55, 78.)

35. (33) In geval van gelijktijdige bemoeijing van de officieren van justitie en van de hulp officieren, zullen laatst-gemelde zich van alle verdere bemoeijingen onthouden en dezelve aan den officier van justitie overlaten, ten ware deze hen gelasten mogt in de door hen aangevangen ver-rigtingen voort te gaan of hem behulpzaam te zijn. (I. 51 v.; Sv. 38, 55, 295.)

36. (34) De hulp-officieren zullen de aangiften, de processen-verbaal en andere akten, door hen in zaken van hunne bevoegdheid opgemaakt, onverwijld aan den officier van justitie inzenden, welke gehouden zal zijn daarmede te handelen, zoo als in art. 31 en 32 hierboven is gezegd.

De processen-verbaal zullen zijn gedagteekend, en zoo veel mogelijk inhouden den aard en de omstandigheden van het strafbaar feit, den tijd wanneer en de plaats waar hetzelve is begaan, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van den vermoedelijk schuldige. (I. 53; Sv. 11 v., 295, 401.)

37. (35) Zij zullen dit insgelijks doen, in geval van klagte of aangifte van andere strafbare feiten, dan met welker onderzoek en nasporing zij onmiddellijk belast zijn, en de officier van justitie zal gehouden zijn daarmede insgelijks overeenkomstig het bepaalde bij art. 31 en 32 te handelen. (I. 54; Sv. 11 v., 39, 295.)

1085

-ocr page 1208-

1086

38. (30*) De hulp-officieren zijn gehouden om, op de vordering van den officier van justitie, alle zoodanige narigten te geven en onderzoek te bewerkstelligen ter zake van feiten aan de kennisneming der regtbank onderworpen, als met welker vervolging deze ambtenaren worden belast, gelijk ook, in het beheer der justitie en regterlijke policie, de bevelen na te komen, welke hun door den-zelven worden gegeven. (I. 52; Sv. 22, 23, 35, 78, 295; R. O. 56.)

ZESDE A F D E E L I N G.

Van ontdekking op heeler daad.

(Vergelijk de Wet van 21 Juli 1890, Stb. n®. 127, lot

verzeker ine/ van de toepassing van lij de wet bevolen of toegelaten vrijheidsbeneming, afgedrukt in de chron. lijst.)

39. (37) In geval van ontdekking of vervolging van een strafbaar feit op heeter daad, zullen de ambtenaren bij art. 8 vermeld, verpligt en gehouden zijn onmiddellijk alles aan te wenden wat dienstig kan zijn, niet alleen om het feit tot klaarheid te brengen, maar ook om den dader in handen te krijgen; alles overeenkomstig hetgeen bij de volgende artikelen is vastgesteld. (I. iGd, 49 v.; G. 157; Sv. 81, 40 v., 297; Sr. 184, 189, 446; Stb. 1890 n«. 127, zie chron. lijst.)

40. (38) Ontdekking op heeter daad heeft plaats, wanneer het strafbaar feit, terwijl hetzelve gepleegd wordt, of terstond nadat hetzelve is gepleegd, ontdekt wordt, of wanneer iemand terstond daarna als dader door het openbaar gerucht wordt vervolgd, of bij hem goederen, wapenen, werktuigen of papieren worden gevonden, welke aanduiden dat hij dader of medepligtig is. (I. 41; Sv. 41 v., 45.)

41. (39*) In geval een strafbaar feit op heeter daad wordt ontdekt, is elk dienaar van de openbare rnagt verpligt, en een iegelijk bevoegd, den verdachte aan te houden en voor den officier van justitie of een\' der hulp-officieren te brengen. (Stb. 1890 nquot;. 127, zie chron. lijst.)

In de gevallen waarin geene voorloopige aanhouding is toegelaten, zal de officier van justitie, of deszelfs hulpofficier, proces-verbaal opmaken, en den aangehoudene dadelijk in vrijheid stellen.

Wanneer er volgens de wet grond is tot voorloopige aanhouding en de verdachte door eenen bijzonderen persoon of door eenen hulp-officier is gevat geworden, zal deze den verdachte dadelijk, met de in beslag genomen goederen, wapenen, werktuigen of papieren, aan den officier van justitie overleveren, ten einde te worden gehandeld.

-ocr page 1209-

TITEL I, ARTT. 38-

zoo als bij art. 53 en 54 is voorgeschreven. (I. 106; Sv. 8, 31, 39 v., 79—81, 86, 19(3; Sr. 184, 189, 446.)

42. (40) De tot aanhouding bevoegde ambtenaren zullen zich te dien einde de sterke hand doen verleenen dooiden burgemeester van de gemeente, of door dengenen die deszelfs plaats vervult, welke zich daaraan niet zullen mogen onttrekken. (Sv. 8, 27, 39, 41,106; Stb. 1890 n». 127, zie chron. lijst; Sr. 189 j®. 44)

Weggenomen goederen zullen zij, in dat geval, ter plaatse waar die mogten zijn heen gevoerd, nasporen en in bewarende hand stellen; nogtans zullen zij in de huizen, werkplaatsen, getimmerten en de daaraan belendende omschutte en omheinde plaatsen niet mogen binnen treden, dan in het bijzijn van den kantonregter, of van den commissaris van policie, of den burgemeester der gemeente, of die deszelfs plaats vervult, en het daarvan op te maken proces-verbaal zal moeten worden onderteekend door hem te wiens overstaan het opgemaakt is. (1. 16c, d, 39, 107; G. 158; Sv. 46, 110 v., 188, 219,268; Sr. 370.)

43. (41*) In het geval van strafbare feiten, waartegen als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, zal de officier van justitie handelen, zoodanig als bij dit en bij de volgende artikelen tot en met art. 54 is voorgeschreven.

11 ij begeeft zich, indien zulks noodig is, onverwijld naaide plaats alwaar de daad gepleegd is, om aldaar de ver-eischte processen-verbaal op te maken, ten einde te doen blijken van het bestaan van het feit, den staat van deszelfs voorwerp en de gesteldheid der plaats, en om de verklaringen in te winnen van degenen die tegenwoordig mogten zijn geweest, of van de buren, huisgenooten of anderen, die men vermoeden kan in staat te zijn om ophelderingen of narigten nopens het feit te geven, welke allen hunne verklaringen zullen moeten teekenen; zullende, bij weigering, daarvan melding moeten worden gemaakt.

Hij zorgt, zoo noodig, dat de vereischte policie-beambten ter plaatse aanwezig zijn.

Hij is verpligt den regter-commissaris onverwijld te verwittigen, dat hij zich naar de plaats waar het misdrijf is gepleegd begeelt, doch hij behoeft dien ambtenaar niet af te wachten.

Zoodra de regter-commissaris op die plaats tegenwoordig is, zullen alle bemoeijingen, in deze afdeeling vermeld, door hem op requisitoir van het openbaar ministerie worden verrigt. (I. 32, 33, 39, 59; Sv. 55, 59, 86, 101, 297; Sr. 184, 189, 446.)

44. (42*) De officier van justitie zal mogen bevelen dat niemand, wie het ook zij, het huis verlate of zich van de plaats verwijdere, tot na den atloop van het onderzoek te dier plaatse.

De overtreders van zoodanig bevel zullen kunnen worden gevat en tot na het sluiten van het proces-verbaal aangehouden. (!. 34; Sv. 43, 55; Sr. 184.)

1087

-ocr page 1210-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

45. (43*) Hij zal, in de gevallen van ontdekking op heeter daad, mogen bevelen dat de vermoedelijk schuldigen in verzekering worden genomen en voor hem gebragt; na derzelver verhoor, zal hij, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, tegen hen een bevel van voorloopige aanhouding mogen uitvaardigen, en daarbij aanduiden de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt. (I. 40, 45; G. 157; Sv. 40, 41, 43, 54, 55, 81, 98, 108, 382; Stb. 1890 n0. 127, zie thron. lijst.)

46. (44) Hij zal in beslag nemen de wapenen en al hetgeen tot het plegen van het strafbaar feit blijkt of schijnt gediend te hebben of bestemd te zijn geweest, gelijk ook alles wat dienen kan om de waarheid aan den dag te brengen.

Hij zal den verdachte aanmanen om zich te verklaren over de in beslag genomen voorwerpen, welke hem zullen worden vertoond.

Hij zal van dit alles een proces-verbaal opmaken, hetwelk onderteekend zal worden door den verdachte, of bij weigering, zal daarvan worden melding gemaakt. (I. 35; Sv. 42, 53, 55, 188, 219.)

47. (45) Indien de aard van het strafbaar feit zoodanig is, dat het bewijs waarschijnlijk kan worden verkregen uit de papieren of andere stukken en zakpn in het bezit van den verdachte, zal de officier van justitie, vergezeld van den kanton-regter, of, wanneer deze zich niet op de plaats bevindt, of op eenige andere wijze verhinderd is, van den burgemeester of die denzelven mogt vervangen, zich terstond ter woonstede van den verdachte begeven, om aldaar datgene op te sporen wat hij nuttig zal oor-deelen om de waarheid aan het licht te brengen.

Hij zal daarvan proces-verbaal opmaken, en de papieren of andere stukken onder zich nemen. (I. 36, 37,42; G. 158, 159; Postw, a. 23b; Sv. 31, 43, 50, 53, 55, 111, 113 v., 177; Sr. 370.)

48. (46) Hij zal tot de ontdekking van het straf baai-feit hetzelfde onderzoek mogen doen, zoo wel in de woning van den verdachte, als in herbergen, koffijhuizen en andere openbare plaatsen. (I. 87, 88; Sv. 31, 47, 50, 53, 110,114; Sr. 370.)

49. (47) De door hem in beslag genomene voorwerpen zullen besloten en verzegeld worden in eenen omslag, waarop door hem gesteld zal worden de behoorlijke aantee-kening van den dag waarop zij in beslag genomen zijn.

Indien dezelve niet geschikt zijn om in eenen omslag te worden gesloten, zal aan dezelve door hem eene strook papier met zijn zegel worden vastgehecht, op welke de bovengemelde aanteekening door hem zal gesteld en onderteekend zijn. (I. 38; Sv. 43, 46, 50, 53, 55, 114.)

50. (48*) De verrigtingen in de drie voorgaande artikelen voorgeschreven, zullen geschieden in bijwezen van den verdachte, in geval hij gevat is geworden; de voorwerpen zullen hem worden voorgehouden, ten einde dezelve te erkennen, en te waarmerken, zoo daartoe termen zijn, en

1088

-ocr page 1211-

TITEL I EN II, ARTT. 45—56.

in geval van weigering, zal daarvan in het proces-verbaal melding worden gemaakt. (I. 39, 109: Sv. 43, 55, 113, 188, 274, 288.)

51. (49*, 50a*) De officier van justitie zal, indien hij het noodig oordeelt, zich van een of meer deskundigen doen vergezellen of bijstaan, ten einde zich door hen te doen voorlichten en van hen zoodanige verslagen te vragen, als in het belang van het onderzoek worden vereischt. (I. 43, 44; Sv. 43, 47, 52, 55, 102, 17G, 402; Stb. 1818 n». 30; Begraf.w., a. 5, zie beide in chron. lijst.)

52. (50amp;*, 51*) Ieder die als deskundige daartoe wordt opgeroepen, is verpügt zijne diensten aan de justitie te leenen.

De deskundigen zullen in handen van den officier van justitie den eed afleggen dat zij hom verslag naar hun geweten zullen geven. (I. 44; Sv. 102, 176; Sr. 192, 444; Stb. 1874 n0. 66 (Tar. in strafz.), a. 11 v., 46, 47.)

53. (52) De processen-verbaal, akten, stukken en instrumenten, ingevolge de voorgaande artikelen opgemaakt of in beslag genomen, zullen onverwijld door den officier van justitie, met de requisitoiren, welke hij ten dienste der justitie noodzakelijk zal achten, overeenkomstig het vastgestelde bij art. 32, aan den regter-commissaris worden ingediend. (I. 45, 61; Sv. 41, 43, 40, 49, 177. 297.)

54. (53*) Het bevel van voorloopige aanhouding, bedoeld bij art. 45, is slechts gedurende zes dagen van kracht.

Op de vordering van den officier van justitie kanderegt-bank in raadkamer, alvorens regtsingang te verleenen, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, bij eene met redenen omkleede beschikking het bevel eenmaal verlengen voor een tijd door de regtbank te bepalen, maar in geen geval voor langer dan zes dagen.

Is niet binnen zes dagen na de dagteekening, het zij de verlenging toegestaan, het zij gevangenneming of gevangenhouding overeenkomstig art. 85 bevolen, of is in geval van verlenging niet binnen den gestelden termijn gevangenneming of gevangenhouding bevolen, dan is de aangehoudene van regtswege vrij. (1. 45; G. 157; Sv. 41, 45, 55, 79, 80, 81, 82, 84, 98, 104, 175, 381.)

55. (54) Bij verhindering cl\' bij ontstentenis van den officier van justitie, zullen de hulp-oflicieren de bemoeijingen waarnemen, waarvan in art. 43 tot en met art. 52 gehandeld wordt. (I. 49 v.; Sv. 34 v., 295.)

TWEEDE TITEL.

Van den regter-commissaris en van de voorloopige informatien.

56. (55) Het geregtshof benoemt, bij iedere arrondisse-ments-regtbank, uit derzelver leden een of meer regters-commissarissen, belast met de instructie der strafzaken.

69

1089

-ocr page 1212-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

(I. 55 v.; R. O. 46, 59; Sv. 32, 58 v., 117, 193, 213, 243, 297, 328, 384.)

57. (56) De regters-commissarissen worden voor den tijd van twee jaren aangesteld.

Echter zal de instructie eener zaak worden voortgezet en ten einde gebragt door dengenen die dezelve heeft begonnen.

De regters-commissarissen zijn steeds weder benoembaar.

Niemand zal echter, na den afloop van zijnen diensttijd verpligt zijn die functien te blijven waarnemen, voor dat hij gedurende twee jaren daarvan is bevrijd geweest. (I. 55; R. O. 59.)

58. (57) Indien de regter-commissaris tijdelijk mogt zijn verhinderd, zal de regtbank eenen anderen tot de waarneming van zijnen dienst benoemen.

Daar, waar meer dan één regter-commissaris is, zal de dienst van dengenen die verhinderd is, bij voorkeur dooiden anderen worden waargenomen. (I. 56, 58; Sv. 56, 59, 328.)

59. (58) De regter-commissaris kan geene voorloopige informatien inwinnen, zonder requisitoir van het openbaar ministerie, overeenkomstig de bepalingen van art. 32 hier boven.

Indien de regter-commissaris verklaart dat er geene termen tot het inwinnen van informatien bestaan, zal de officier van justitie de verklaring van dien ambtenaar ter kennis der arrondissements-regtbank kunnen brengen, ten einde daaromtrent door die regtbank worde beslist.

In geval de regtbank beslist dat de zaak behoort te worden vervolgd, zal zij daartoe eenen anderen regter-commissaris kunnen benoemen. (1. 61; Sv. 43, 53, 58, 60 v., 79 v., 81, 83, 84, 95.)

60. (59) De regter-commissaris moet, bij al zijne ambts-verrigtingen, door den griffier of eenen substituut-griffier worden bijgestaan. (Stb. 1841 n0.18, a. 2a, zie Dijl. tot El. O.)

De officier van justitie kan bij de verhoeren tegenwoordig zijn, indien de regter-commissaris hem daartoe uitnoodigt.

Zoo dikwijls de officier van justitie bij de verhoeren tegenwoordig is, wordt daarvan bij het proces-verbaal melding gemaakt en hij is bevoegd aan den regter-commissaris de vragen, die hij verlangt gedaan te worden, op te geven, waarop de regter-commissaris, naar bevind van zaken, zal beschikken.

De regter-commissaris is verpligt, telken reize, de verhoeren en ingewonnen informatien aan den officier van justitie, op diens verlangen, mede te deelen, ten einde dezen in staat te stellen om de vereischte requisitoiren te doen. (I. 62. 78, 76; Sv. 43, 63 v., 74, 79-81, 101, 103, 117.)

61. (60*) De regter-commissaris zal de dagvaarding bevelen van de personen, welke hem als getuigen door het openbaar ministerie zijn opgegeven.

Hij kan insgelijks doen oproepen den verdachte en de

1090

.1

-ocr page 1213-

TITEL U, ARTT. 57—66.

getuigen die door dezen zijn aangeduid, of die hij ambtshalve vermeent te moeten hooren.

Bij zijn proces-verbaal wordt melding gemaakt van alle de door den verdachte, als getuigen, opgegeven personen, om het even of de regter-commissaris die al of niet heeft laten oproepen.

De dagvaarding der getuigen of verdachten geschiedt op last van het openbaar ministerie. (I. 71, 72: Sv. 7, 30, 66, 67, 71 v., 290 v.)

62. (61) De getuigen zullen door den regter-commissaris ieder afzonderlijk worden gehoord; hij kan dezelve echter met elkander confronteren. (I. 73; Sv. 60, 100, 160—162.)

68. (62) De getuigen zullen beloven de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen; de regter-commissaris zal hun hunne namen, voornamen, ouderdom, staat, beroep en woonplaats afvragen, alsmede of zij zijn dienstboden van den verdachte of hem door bloedverwantschap of door aanhuwelijking bestaan en, zoo ja, in welken graad.

De regter-commissaris zal de belofte en opgaven, mitsgaders alle de vragen en de antwoorden der getuigen, door den griffier behoorlijk in geschrift doen stellen. (I. 75; B. 345 v., 350; Sv. 60, 65, 100, 161, 167; Rv. 107 v.)

64. (63*) Het alzoo in geschrift gestelde zal onderteekend worden door den regter-commissaris, den griffier en de getuigen of verdachten, nadat hetzelve zal zijn voorgelezen, en laatstgenoemden verklaard hebben daarbij te volharden. Ingeval de getuigen of verdachten niet teekenen kunnen of willen moet daarvan melding worden gemaakt. (I. 76; Sv. 60, 63, 65; Rv. 111.)

65. (64*) Tusschen de regels zal niet mogen worden ingeschreven.

De doorschrappingen en de verwijzingen zullen door den regter-commissaris, den griffier en de getuigen of verdachten goedgekeurd en onderteekend moeten worden; het tusschen de regels ingeschrevene, mitsgaders de niet goedgekeurde doorhalingen en verwijzingen, zijn nietig en van onwaarde. (I, 78; Sv. 60, 63, 64.)

66. (65) Een ieder die gedagvaard is om getuigenis der waarheid te geven, is gehouden voor den regter-commissaris te verschijnen, en getuigenis af te leggen.

Des verdachten bloedverwanten en aangehuwden in de regte linie; deszelfs broeders, zusters en aangehuwden in gelijken graad; deszelfs ooms, moeijen en deszelfs broeders-en zusters-kinderen, mitsgaders de echtgenoot zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden getuigenis af te leggen.

Hetzelfde is toepasselijk op hen, die, uithoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen, als zoodanig is toevertrouwd. (I. 80, 156, 322: B. 345 v., 350 v., 1946 v.; Rv. 116 v.; Sv. 11, 67, 70, 71, 100, 162 v., 290 v., 396, 409; Sr. 137, 1896, 192, 444; W. min. verantw., a. 11;

1091

!

-ocr page 1214-

WETBOEK VAN STRAFVORDERFNG.

W. not. ambt, a. 18, 42; Sfb. 1850 nfl. 45, a. 3—20; Stb. 1878 n0. 222, a. 21; Sr. 272 v., 273A—273Z.)

67. (66*, 78*) Indien een getuige op de hem gedane dagvaarding niet verschijnt, zal de regter-commissaris op nieuw zijne oproeping kunnen bevelen en het zij te gelijker tijd, het zij later, daarbij een bevel tot medebrenging kunnen voegen. (I. 80; Rv. 116 v.; Sv. 61, 66, 71, 96,100, 106, 158, 190; Sr. 444.)

Bij niet-verschijning van den verdachte, zal deze daartoe door geene dwangmiddelen kunnen worden verpligt. (Sv. 45, 59 v.; W. min. verantw., a. 126.)

68. (68*) Indien de getuige op de eerste of tweede dagvaarding verschenen, of, voor den regter-commissaris ge-bragt zijnde, weigert getuigenis der waarheid af te leggen, kan de regtbank, op verslag van den regter-commissaris, na verhoor of behoorlijke oproeping van den getuige en op de conclusie van het openbaar ministerie, bevelen dat de getuige in gijzeling worde gebragt en gehouden, totdat hij aan zijne verpligting zal hebben voldaan.

Het vonnis van de regtbank zal bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep.

De gijzeling duurt niet langer dan dertig dagen. Zij kan zoolang de behandeling der zaak niet is afgeloopen, op vordering van den officier van justitie door de regtbank telkens van dertig dagen tot dertig dagen worden verlengd. (I. 80; Rv. 117, 585 n». 11; Sv. 67, 100, 162 v., 166,280; Sr. 192.)

69. Indien de getuige of verdachte de Nederlandsche taal niet verstaat, is de regter-commissaris bevoegd eenen tolk te benoemen, die den ouderdom van acht\'.ien jaren moet hebben bereikt en beveelt zijne dagvaarding.

De tolk legt naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.

Indien de getuige of verdachte doofstom is, tijdelijk het gebruik van zijn gehoor- en spraakvermogen of een dezer vermogens tijdelijk of voortdurend mist, doet de regter-commissaris zijne vragen door den griffier in geschrift stellen, waarop door den getuige of verdachte schriftelijk wordt geantwoord.

Kan de in het vorig lid bedoelde getuige of verdachte niet lezen of schrijven, dan benoemt de regter commissaris eenen daartoe geschikten persoon tot tolk en beveelt zijne dagvaarding. Het tweede lid van dit artikel is dan van toepassing. (Sv. 183—189; Sr. 192, 444; Stb. 1874 nquot;. 66 (Tar. in strafz. n0. 1), a. 15 n®. 2, 46, 47a.)

70. (70) Wanneer een getuige schadeloosstelling vraagt, zal dezelve door den regter-.commissaris worden begroot, op vertooning van de akte van dagvaarding. (I. 82; Sv. 66, 100, 217; Stb. 1874 n0. 66 (Tar. in strafz. n0. 1), a. 24 v., 48 v.)

71. (71*) Wanneer een getuige of verdachte door verklaringen van eenen arts of heelmeester doet blijken dat hij buiten staat is van op de hem gedane dagvaardingen te

1092

-ocr page 1215-

TITEL II, ARTT. 67—79.

kunnen verschijnen, zal de regter-comrnissaris zich te zijner woning begeven. (1. 83; Rv. 119; Sv. 61, 100, 158, 159; Sr. 228, 229; Zegelw., a. 27 A. n0. 16.)

72. (72*) Indien een getuige of verdachte in een ander kanton woont, dan waartoe de gemeente behoort, binnen welke de regtbank zitting houdt, kan de regter-commissaris den kantonregter magtigen, om dien getuige of verdachte te hooren. (I. 83; R. O. 25; Rv. 119; Sv. 73, 74, 77 78, 100.)

73. (73) Zoo dikwijls getuigen zullen moeten gehoord worden, welke woonachtig zijn in een ander arrondissement, zal de regter-commissaris de ontworpen vraag-artikelen overzenden aan den regter-commissaris binnen wiens arrondissement die getuigen woonachtig zijn, ten einde hen, op of naar aanleiding dier vraag-artikelen te hooren.

Indien echter de woonplaats van den getuige nader gelegen is bij de hoofdplaats van het arrondissement alwaar de instructie geschiedt, dan bij die van het arrondissement waarin hij woont, is de regter-commissaris bevoegd, den getuige voor zich te doen ontbieden, al ware des getuigen woonplaats in eene andere provincie gelegen. (I. 84; R. O. 25: Sv. 60, 66, 72, 74 v., 77, 100, 298.)

74. (74) Indien, in het geval van het eerste lid van het vorig artikel, de ambtenaar van het openbaar ministerie het volstrekt noodzakelijk mogt achten dat zoodanige getuigen worden opontboden om gehoord te worden, zal hij deswege een met redenen bekleed verslag aan de regtbank doen, welke daarop naar bevind van zaken zal beschikken. (Sv. 70, 75, 100, 298.)

75. (75) Wanneer de regtbank in de overkomst dier getuigen bewilligt, zullen zij daartoe gedagvaard worden, en melding daarvan zal in de akte van dagvaarding worden gemaakt. (Sv. 60, 73, 74, 100.)

76. Indien de verdachte in een ander arrondissement woont, kan de regter-commissaris de ontworpen vraag-artikelen overzenden aan den regter-commissaris, binnen wiens arrondissement de verdachte woonachtig is, ten einde hem op of naar aanleiding dier vraag-artikelen te hooren. (Sv. 61, 67b, 72, 73, 77.)

77. (76*) Hij, die op verzoek van eenen regter-commissaris verklaringen heeft ingewonnen, zal het proces-verbaal besloten en verzegeld aan laatstgenoemden overzenden. (I. 85; Sv. 63 v., 72, 73, 76.)

78. De regter-commissaris kan, zooveel mogelijk in overleg met den officier van justitie, in het belang der door hem gevoerd wordende informatien en instructien, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de hulp-officieren van justitie, zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, 1°. en 7°. (Sv. 8, 34, 38, 43e, 55, 72.)

79. (77*) Wanneer in den loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen den verdachte ontstaat, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, op de vordering van den officier van

1093

-ocr page 1216-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

justitie, tegen den verdachte een bevel van voorloopige aanhouding verleenen met aanduiding van de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.

Is het bevel niet onmiddellijk op het hooren van den verdachte gevolgd, dan wordt hij binnen vier en twintig uren, na zijne opneming in de gevangenis, gehoord. (Sv. 80c, 98amp;, mb, 439.)

Art. 54 is op het bevel in dit artikel bedoeld van toepassing. (I. 61, 91, 93, 248; G. 157; Sv. 41, 43, 54,59,81, 95, 98, 381; W. min. verantw., a. 23; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

80. (305*—307*) Wanneer gedurende het onderzoek van den regter-commissaris een der aanwezigen de stilte stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door den regter-commissaris is gewaarschuwd of het bevel van dezen om zich te verwijderen, niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd.

Heeft gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit plaats, dan maakt de regter-commissaris daarvan procesverbaal op en zendt dit aan den officier van justitie. Hij kan tevens, op de gronden en in de gevallen vermeld in art. 86, een bevel van voorloopige aanhouding tegen den verdachte verleenen.

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn dan van toepassing. (I. 504; G. 157; Rv. 24; Sv. 41, 151, 179b, 196, 257, 289; Sr. 185.)

DERDE TITEL.

Van het verleenen van regtsingang en de verdere geregtelijke instructie.

81. (83*) Zoodra de officier van justitie voldoende aanwijzing heeft verkregen van een gepleegd strafbaar feit, aan de regtsmagt der regtbank onderworpen en van den persoon, die zich daaraan schuldig heeft gemaakt en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan de regtbank aan.

Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, het zij verwijzing der zaak naar de teregtzitting, het zij dat de instructie der zaak worde gelast.

Op deze vordering wordt door de regtbank in raadkamer beslist. (I. 127 j«. 94; R. O. 56; Sv. 23, 54, 59 v., 82 v., 94, 99, 104, 115, 125, 136, 137, 145, 175.)

82. (84*) Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming en de instructie der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, zal zij dezelve naar den bevoegden regter verwijzen. De officier van justitie zal de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie, bij zoodanig kollegie, doen toekomen. (I. 129; Sv. 81, 92, 94, 127, 137, 138, 218, 308.)

1094

-ocr page 1217-

TITEL 11 EN III, ARTT. 80—87.

Wanneer de verdachte zich in hechtenis bevindt, kan de regtbank bevelen, dat hij in hechtenis zal verblijven.

Wanneer binnen zes dagen daarna door den bevoegden regter geen nieuw bevel van gevangenhouding is verleend, wordt de verdachte in vrijheid gesteld. (Sv. 54, 84, 86, 127, 371.)

83. (85*) Indien ter zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is, weigert de regtbank den regtsingang en stelt zij den verdachte buiten vervolging. (I. 128; G. 97; Sv. 81, 83, 92, 94, 127, 137, 139, 153; Sr. 38, 53,54,64 v., 68 v., 241e; B. 323; Prov.w., a. 74; Gem.w., a. 47; Inv. 22a, 23a.)

84. (86*) Indien geene voldoende aanwijzing bestaat omtrent den aard van het feit of dat hetzelve is gepleegd of van de schuld van den verdachte, weigert zij den regtsingang en stelt den verdachte buiten vervolging of beveelt de voortzetting van het voorloopig onderzoek, en is in dat geval bevoegd om, voor zoover dit nog niet overeenkomstig het tweede lid van art. 54 heeft plaats gehad, ook ambtshalve, met inachtneming van het aldaar bepaalde, het bevel van voorloopige aanhouding éénmaal te verlengen. (1. 91, 128; Sv. 59, 81, 92, 94, 126, 137.)

85. (87*, 88*) In alle andere gevallen verleent zij den regtsingang en verwijst zij de zaak naar de teregtzitting of gelast zij instructie, in het een en ander geval met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding. (I. 130—134; Sv. 54, 81, 86, 92—94.)

Op straffe van nietigheid kan echter in geen geval ter zake van een misdrijf verwijzing naar de teregtzitting plaats hebben zoolang de verdachte niet door den regter-commis-saris is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen. (Sv. 45 j o. 43, 61, 71 v., 796.)

86. (88*) Gevangenneming, of, zoo de verdachte voorloopig is aangehouden, gevangenhouding, kan, bij het ver-leenen van regtsingang, worden bevolen indien tegen het misdrijf als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd of indien de regtsingang wordt verleend wegens verduistering, opligting of de in de artt. 390 1°, 391 1°, 392 1°, 395 en 416 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, wegens medepligtigheid aan of poging tot de misdrijven, in dit artikel vermeld of wegens de in de artt. 432 en 433 omschreven overtredingen, doch alleen op grond het zij van gegronde vrees voor vlugt van den verdachte, het zij van eenige andere ge-wigtige reden van maatschappelijke veiligheid.

De reden wordt op straffe van nietigheid in de beschikking met name vermeld.

In alle andere gevallen wordt, zoo de verdachte voorloopig is aangehouden, diens invrijheidstelling bevolen. (G. 157; Sv. 45, 54. 79, 80, 98, 104, 121, 175, 196, 220, 227; Sr. 321, 326, 78; Inv. 8.)

87. (129*) In geval de aan de regtbank gelijktijdig overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot zamenhangende feiten of tot feiten door denzelfden persoon begaan en het belang

1095

-ocr page 1218-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

van het onderzoek zich niet tegen de voeging verzet, zal de regtbank over deze allen bij eene en dezelfde beschikking uitspraak doen. (I. 226; Sv. 88 v, 127, 141.)

88. (130) Strafbare feiten worden geacht zamenhangende te zijn, wanneer zij begaan zijn:

1°. door verscheidene vereenigde personen gelijktijdig;

2°. door verschillende personen op onderscheidene tijden of plaatsen, doch ten gevolge van eene door hen vooraf gemaakte afspraak;

3°. met het oogmerk om zich de middelen te verschaffen tot het begaan van een ander strafbaar feit of de uitvoering daarvan te bevorderen of tot stand te brengen of wel om zich tegen de straf van een ander strafbaar feit te beveiligen. (I. 227; Sv. 87, 127, 141.)

89. De regtbank doet eveneens bij eene en dezelfde beschikking uitspraak, wanneer buiten de gevallen bij art. 87 bedoeld de gelijktijdig aan de regtbank overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot meerdere strafbare feiten, tusschen welke verband bestaat en de voeging in het belang van het onderzoek is. (Sv. 90, 91, 127, 141.)

90. Indien in de gevallen van de artt. 87 en 89 de strafbare feiten ieder afzonderlijk aan de kennisneming van dezelfde regtbank zijn onderworpen, kan deze in eiken stand der zaak, het zij ambtshalve, het zij op de vordering van den officier van justitie of op verzoek van den beklaagde, de voeging bevelen. (Sv. 127, 141.)

91. (165*) Indien buiten de gevallen van art. 87 meerdere strafbare feiten gelijktijdig aan de kennisneming van dezelfde regtbank worden onderworpen, kan de regtbank in eiken stand der zaak, zoowel ambtshalve als op de vordering van den officier van justitie of op het, verzoek van den beklaagde, de splitsing bevelen.

Dit bevel is verpligtend indien geen der gevallen, bedoeld bij art. 87 en art. 89, aanwezig is. (Sv. 127, 141.)

92. (94*) De beschikkingen, bij de artt. 82, 83, 84 en 85 bedoeld, houden in:

den naam, of, als die onbekend is, de aanwijzing zoo duidelijk mogelijk, van den verdachte;

het feit in hoofdzaak dat hem ten laste wordt gelegd;

de vordering van het openbaar ministerie;

do beslissing, met de gronden waarop zij rust. (1.95, 96; G. 157, 161; Sv. 86, 94, 127, 129, 143.)

93. (94*, 95*) De beschikking, waarbij regtsingang wordt verleend, vermeldt, behalve het bij het voorgaand artikel bepaalde, de artikelen der wet, waarbij het feit is strafbaar gesteld. (I. 96; G. 161.)

Zij wordt den beklaagde zoodra mogelijk, en in ieder geval vóór of uiterlijk te gelijk met de eerstvolgende akte van vervolging, van wege het openbaar ministerie beteekend. (I. 97; G. 157; Sv. 7, 127, 129, 144, 227.)

94. (89*) In de gevallen, voorzien bij artt. 82—85 kan de officier van justitie, binnen den tijd van vier en twintig uren na de uitspraak van de regtbank, daartegen verzet

1096

-ocr page 1219-

TITEL III, ARTT. 88—98.

doen, door middel van eene verklaring ter griffie der regt-bank afgelegd.

De akte van verzet moet, benevens de processtukken, des noods vergezeld van eene memorie, bevattende de redenen, voor zoo verre die niet bij de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren door den officier van justitie aan den procureur-generaal bij het geregtshof worden opgezonden, welke, binnen drie dagen na de ontvangst, dezelve met zijn verslag en requisitoir indient bij het hof.

Het hof, zamengesteld uit vijf leden, zal binnen drie dagen daarna de uitspraak der regtbank goedkeuren of te niet doen, en bevelen hetgeen bevonden zal worden te be-hooren. (R. O. 21.)

Binnen drie dagen na de uitspraak, zal de procureur-generaal het arrest van het hof aan den officier doen toekomen. (I. 135; Sv. 130.)

95. (90*) Indien instructie is gelast, beveelt de regter-commissaris, zoodra de stukken in zijne handen zijn gesteld, de verschijning van den beklaagde om door hem te worden gehoord op het feit, bij het bevel in hoofdzaak uitgedrukt.

De beklaagde, die in vrijheid is, wordt door tusschenkomst van het openbaar ministerie gedagvaard. (I. 93; Sv. 7, 61, 67b, 69, 71, 72, 76, 85, 96 v.)

96. (91*) Indien de beklaagde niet op de dagvaarding verschijnt, kan de regter-commissaris hem andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel van mede-brenging.

De beambte, met dat exploit belast, zal, des noodig zijnde, de openbare burgerlijke of de gewapende magt van de plaats, of die der naastbij gelegene plaats, ter zijner hulp inroepen. Zij is verpligt onmiddellijk aan die vordering te voldoen. (I. 91, 93, 99; Sv. 7, 27, 42, 67, 97, 106; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst; Sr. 357.)

97. (92*). Gedurende den loop der instructie doet de regter-commissaris, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt, den beklaagde, zoo deze in verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen, of, zoo hij in vrijheid is, daartoe dagvaarden. Bij elke niet-verschijning van den beklaagde, wordt door den regter-commissaris gehandeld, zoo als bij het eerste lid van het vorige artikel is bepaald. (I. 91: Sv., 95 v., 108, 189.)

98. (93*) Bij het ontstaan van meer gewigtige bezwaren tegen den beklaagde die in vrijheid is, of op grond van omstandigheden, na het verleenen van den regtsingang bekend geworden, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, het zij ambtshalve, het zij op de vordering van den officier van justitie een bevel van voorloopige aanhouding tegen den beklaagde verleenen.

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing.

De officier van justitie biedt de stukken met zijne vordering aan de regtbank aan, die in raadkamer, metinacht-

1097

-ocr page 1220-

1098

neming van art. 86, de gevangenhouding of de invrijheidstelling beveelt. (1. 94; G. quot;157; Sv. 60, 81, 85, 95, 104, 137, 139; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

99. (274*) In de gevallen waarin de beklaagde niet voor den regter-commissaris kan worden gebracht of niet kan worden gevangen genomen of na zijne in verzekerde be-waringstelling is ontvlugt wordt de instructie niettemin aangevangen of voortgezet en zooveel mogelijk ten einde gebragt. (I. 244, 456 v.; Sv. 95 v., 100, 117, 264.)

100. (96*; Stb. 1873 n0. 175.) Na het eerste verhoor van den beklaagde, zal de regter-commissaris met de instructie voortgaan, en denzelven zoo dikwijls hooren en, des noods, met de getuigen of deze onderling confronteren, als hij, het zij ambtshalve, het zij op het requisitoir van het openbaar ministerie, het zij op verzoek van den beklaagde, zal noodig achten.

Alle bepalingen van den vorigen Titel betrekkelijk het hooren van getuigen, en derzelver verpligting om getuigenis der waarheid af te leggen, mitsgaders de bevoegdheid tot het aanwenden van het middel van lijfsdwang, zijn te dezen toepasselijk. (I. 71 v., 91 v.; Sv. 61 v.)

In geval de beklaagde na behoorlijke oproeping niet verschijnt, of een tegen hem uitgevaardigd bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming niet is kunnen worden ten uitvoer gelegd, en er vermoeden bestaat, dat hij voort-vlugt.\'g is en dat de overlegging van beëedigde getuigenissen noodig zal zijn om zijne uitlevering te verkrijgen, gelast de regter-commissaris. op de vordering van het openbaar ministerie, dat de getuigen, alvorens hun getuigenis af te leggen, elk op de wijze van zijne godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte zullen doen van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de personen, bedoeld in art. 164 van het Wetboek van Strafvordering.

Van den gedanen eed of de gedane belofte geschiedt aan-teekening door den griffier. (Sv. 66, 161 v.)

101. (97) De officier van justitie is geregtigd aan den regter-commissaris de vragen op te geven, die hij verlangt dat aan den beklaagde zullen worden gedaan, en waarop de regter-commissaris, naar bevind van zaken, beschikken kan.

Hij kan bij dat verhoor tegenwoordig zijn, indien de regter-commissaris hem daartoe uitnoodigt. Het derde lid van art. 60 is te dezen toepasselijk. (I. 59; Sv. 103.)

102. (98*) Indien de regter commissaris zulks noodig acht, zal hij het vereischte verslag kunnen vragen van een of meer deskundigen.

De deskundigen zullen in handen van den regter-commissaris den eed afleggen, dat zij hun verslag, naar hun geweten zullen geven.

Op deze deskundigen is de bepaling van het eerste lid van art. 52 van toepassing. (I. 43, 44; Sv. 51 v., 176,283, 402; Stb. 1874 n0. 66 (Tar. in strafz. n0. 1), a.11 v.,47v.)

103. (99) Geene strikvragen zullen in den geheelen loop van eenig proces aan eenige beklaagden of getuigen

-ocr page 1221-

TITEL III, ARTT. 99—107.

mogen worden gedaan, en de regter zal geen acht mogen slaan op de antwoorden welke op zoodanige strikvragen mogten zijn gegeven.

Vragen in welke eene daadzaak, door den beklaagde of jde getuigen niet beleden of opgegeven, als waarheid wordt aangenomen of voorondersteld, zullen ook als strikvragen moeten worden beschouwd. (Sv. 60 v., 101, 161, 169 v., 178 v.; Rv. 238.)

104. (100*) Wanneer uit de instructie gewigtige bezwaren tegen anderen dan den beklaagde ontstaan, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, tegen dezen, op de vordering van den ofllcier van justitie, een bevel van voorloopige aanhouding verleenen.

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing.

De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81.

De zaak wordt verder op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld. (G. 157; Sv. 81 v., 98; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

105. (101*) De bevelen van gevangenneming en de beschikkingen waarbij regtsingang is verleend kunnen in de geheele uitgestrektheid van het koningrijk worden ten uitvoer gelegd. (Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

Indien de beklaagde gevonden wordt buiten het arrondissement van den regter, die het bevel van gevangenneming heeft uitgevaardigd, zal hij, alvorens hij in de gevangenis worde gesteld, gebragt worden voor den kan-tonregter, of den burgemeester, of commissaris van policie van de plaats waar hij gevat is, welke het bevel voor gezien zal teekenen. (I. 98; Sv. 27, 42, 47, 85, 86, 92, 93, 107 v,, 381; Rv. 430.)

106. (102) Indien hij, die met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast is, het noodzakelijk acht voorzorgen te nemen, ten einde de beklaagde zich niet aan de vervolging der justitie onttrekke, zal hij den bijstand der openbare burgerlijke, of der gewapende magt kunnen inroepen van de plaats of van de naburige plaats, waar de gevangenneming moet geschieden. De openbare burgerlijke of de gewapende magt is verpligt, op de vertooning van het regterlijk bevel, onmiddellijk aan de aanvrage te voldoen. (I. 99 j». 108; Sv. 27, 42, 96; Sr. 357; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

107. (103) In geval de beklaagde niet kan worden gevat, zal het bevel van gevangenneming aan zijne woonplaats, of wanneer die onbekend is, aan deszelfs laatste verblijf worden beteekend, en er zal een proces-verbaal van de gedane nasporing worden opgemaakt, hetwelk voor gezien zal moeten worden geteekend door den kan-tonregter, den commissaris van policie of den burgemeester van de plaats.

Het bevel van gevangenneming en het proces-verbaal zullen aan den officier van justitie worden teruggebragt. (1. 105, 109, 111; Sv. 92 v., 105 v., 144, 357; Rv. 2, 4, n0. 7.)

1099

-ocr page 1222-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

108. (104) De beklaagde, die uit krachte van een bevel van gevangenneming is gevat, zal zonder verwijl worden gebragt in de gevangenis, bij het bevel vermeld. (I. 110; Sv. 92, 93, 109, 303, 380 v.)

109. (105*) De deurwaarder of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast, zal den beklaagde aan het hoofd van de gevangenis overgeven, welke op vertooning van het bevel, denzelven zal innemen, en schriftelijk zal verklaren zulks te hebben gedaan; de deurwaarder, of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel belast, zal vervolgens de stukken tot den gearresteerde betrekkelijk, ter griffie brengen en schriftelijk bewijs nemen dat dezelve aldaar overgenomen zijn.

Hij zal deze beide schriftelijke bewijzen binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie vertoonen, welke dezelve voor gezien zal teekenen, met bijvoeging van de dagteekening. (I. 107, 111; Sv. 92, 93, 107, 108, 380 v.; Sr. 464.)

110. (1C6) Buiten het geval van betrapping op heetcr daad, zal geene huiszoeking mogen plaats hebben, zonder verlof van de arrondissements-regtbank.

Er zal evenwel, in geval van dringende noodzakelijkheid, zonder dit verlof, door den regter-commissaris, ter requisitie van den officier van justitie, huiszoeking mogen geschieden:

l6. In de woning van den beklaagde;

2°. In de woning waarin het misdrijf gepleegd is;

3°. In herbergen, koffijhuizen en andere openbare plaatsen. (I. 87, 88; G. 158; Sv. 39, 40, 42, 47, 48, 111, 298; Sr. 370a.)

111. (107) In alle gevallen eener huiszoeking, al had die zelfs plaats met verlof van de regtbank, zal het den regter-commissaris niet geoorloofd zijn geschriften, boeken en andere papieren te onderzoeken of in beslag te nemen, zonder dat hij daartoe uitdrukkelijk door de regtbank zij gemagtigd. (I. 36, 37, 89; G. 150; Postw, a. 23b; Sv. 47,

49, HO, 113, 298; Sr. 370amp;.)

112. (108) De huiszoekingen zullen door den regter-commissaris in tegenwoordigheid van den officier van justitie geschieden.

Indien deze mogten belet zijn, kan de regter-commissaris zich door den kanton-regter en de officier van justitie door den burgemeester doen vervangen. (1. 52, C2; Sv. 42, 110, 113, 298.)

113. (109) Indien de papieren of boeken van den beklaagde moeten onderzocht worden, zal hij daarbij in persoon of bij een\' gemagtigde kunnen tegenwoordig zijn.

Het proces-verbaal zal door den beklaagde of zijnen gemagtigde worden onderteekend, indien de een of ander daarbij tegenwoordig is, of er zal melding worden gemaakt van zijne weigering. (I. 39; G. 159; Postw., a. 23amp;; Sv. 47,

50, 111, 188, 298.)

114. (110) De regter-commissaris zal daarenboven de

1100

-ocr page 1223-

TITEL III, ARTT. 108—119.

voorschriften nakomen van art. 47 en 49 van dit quot;Wetboek, a) (I. 36, 38, 80; Sv. 110, 298.)

115. (113*) De regtbanken kunnen, het zij ambtshalve, het zij op verzoek van den beklaagde, zich de stukken doen voorleggen en bevelen dat de instructie spoedig worde voleindigd, of dezelve sluiten, zoo daartoe gronden zijn.

Zij zullen bijzonder acht slaan dat, wanneer er eene voorloopige aanhouding heeft plaats gehad, de zaak met den vereischten spoed worde voortgezet. (Sv. 33, 54, 79, 80,95, 98, 104, 116, 117, 227.)

116. Alle bevelen tot gevangenneming of gevangenhouding zijn voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag, waarop zij zijn ten uitvoergelegd.

Indien aan het eind van dien termijn de instructie niet is afgeloopen of de zaak niet is beregt, wordt de beklaagde onmiddellijk in vrijheid gesteld, ten zij de regtbank op vordering van den officier van justitie het bevel bij gemotiveerde beschikking voor ten hoogste dertig dagen hebbe verlengd. Hetzelfde zal nog daarna telkens van dertig dagen tot dertig dagen kunnen geschieden, indien de regtbank na den laatst verleenden termijn zulks noodig oordeelt. Op deze beschikkingen is het tweede lid van art. 93 van toepassing. (Sv. 86, 127 v., 138, 140, 227, 302d.)

117. (111*, 112*) Na afloop der instructie of wanneer, in het geval van art. 99, deze wegens ontstentenis van den beklaagde niet is kunnen worden voltooid, deelt de regter-commissaris de stukken mede aan den officier van justitie.

Oordeelt deze de instructie niet volledig, dan vordert hij, met aanduiding van hetgeen hij daartoe noodig acht, dat zij meer volledig wordt gemaakt. (I. 61, 127; Sv. 59, 84, 101, 115, 117, 125, 126, 193; Consul, w,, a. 152 v., zie chron. lijst.)

118. (120d*) Zoodra de instructie is ten einde gebragt, doet de officier van justitie den beklaagde bij exploit aanzeggen, dat de instructie gesloten is, met vermelding van het requisitoir dat tegen hem genomen zal worden. (1.135; Sv. 7. 115, 117, 119, 126b.)

119. (124b*, 153b*, 154*) De beklaagde kan, binnen acht dagen na de beteekening van de sluiting der instructie, eene memorie ter griffie van de regtbank inleveren. De bevoegdheid daartoe wordt hem bij het exploit, in het voorgaand artikel bedoeld, op straffe van nietigheid, kenbaar gemaakt.

1101

De beklaagde kan in het exploit de verklaring doen opnemen, dat hij van deze bevoegheid afstand doet. Hij kan die verklaring ook later doen. De verklaring wordt door hem geteekend. Zoo hij zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit melding gemaakt. (I. 217; Sv. 118, 120 v., 125, 126, 130, 131, 225.)

a) De officieele editicn verwijzen verkeerdelijk ook naar art. (46 oud).

-ocr page 1224-

1102 WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

120. (1246*) De beklaagde kan zich omtrent het indienen eener memorie beraden met een raadsman, door hem met inachtneming van art. 133 gekozen. (Sv. 119, 121 v., 134.)

121. (1246*) De beklaagde, die wegens misdrijf vervolgd wordt en zich ingevolge art. 86 te dier zake in verzekerde bewaring bevindt, kan zich omtrent het indienen der memorie beraden met een raadsman, hem op zijn verzoek door den president der regtbank ambtshalve toegevoegd. (Sv. 132 v.)

122. De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs in het arrondissement gevestigd. Zij wordt den benoemde, alsmede den beklaagde, door of namens den president dadelijk kenbaar gemaakt. (Sv. 1326, 133; R. Ill, a. 3, 4 § 1, 18, 23—26).

123. Gedurende den tijd voor de inlevering der memorie bepaald, heeft de toegevoegde raadsman van den beklaagde toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, alleen spreken.

Gedurende dienzelfden tijd kan de raadsman, alsmede de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, ter griffie inzage nemen van de stukken. (Sv. 134.)

124. De memorie kan ook door den raadsman worden onderteek end. (Sv. 179c, 199, 230b, 232, 355a.)

Van de inlevering der memorie wordt aan deagene die haar overlegt, door den griffier schriftelijk bewijs gegeven. (Sv. 3586.)

125. (114*) De griffier teekent den dag der inlevering op de memorie aan en zendt die binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie.

De officier van justitie dient haar, binnen arie dagen na die inlevering, met de stukken en met zijne vordering bij de regtbank in.

Is geene memorie ingeleverd, dan dient de officier van justite de stukken met zijne vordering, bij de regtbank in binnen drie dagen na verloop van den termijn, voor de inlevering der memorie bepaald of, zoo de afstand is gedaan, in het tweede lid van art. 119 bedoeld, binnen drie dagen na de dagteekening van het aldaar vermelde exploit.

Op de vordering van den officier van justitie wordt door de regtbank in raadkamer beslist. (Sv. 81, 126, 1376.)

126. Indien de regtbank de instructie niet volledig oordeelt, beveelt zij, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek. (Sv. 84.)

Zoodra het bevolen onderzoek is afgeloopcn, wordt gehandeld overeenkomstig de artt. 118, 119 en 125.

De termijnen in het eerste lid van art. 419 en het derde lid van art. 125 worden bepaald op twee dagen.

127- (115*, 116*—120*, 129*, 130*, 164*, 165*). Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kenisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

aanw schul bekla Ine zijn open: welk In tereg De Sv. i 12 verv valle beve war: 138. li en ( dier 1

de ver

-ocr page 1225-

TITEL III, ARTT. 120—132.

Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing. (Sv. 135.)

Indien ter zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is of de instructie geene voldoende aanwijzing van schuld tot verdere vervolging heeft opgeleverd, stelt zij den beklaagde te dier zake buiten vervolging.

Indien in de instructie of na den afloop daarvan vormen zijn verzuimd, beveelt zij herstel van dat verzuim of heropening van het onderzoek van de laatst geldige akte af, welke aan het verzuim is voorafgegaan.

In alle andere gevallen verwijst zij de zaak naar de teregtzitting.

De artt. 87—91 zijn van toepassing. (I. 128 v., 307, 308; Sv. 82-85, 129, 130, 138.)

128. (116*, 117% 118*) Wanneer de beklaagde buiten vervolging wordt gesteld of, bij verwijzing, geen der gevallen of gronden vermeld in art. 86, meer aanwezig is, beveelt de regtbank, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, zijne invrijheidstelling. (I. 128, 129, 131;Sv. 86c, 138, 227.)

129. Op de beschikkingen bij art. 127 vermeld, is art. 92, en op die, houdende verwijzing, naar de teregtzitting, bovendien art. 93 van toepassing.

130- (121*, 124*—126*). Tegen de beschikkingen, waarbij de beklaagde ter zake van misdrijf naar de teregtzitting is verwezen, kan deze, en tegen die, vermeld in art. 127 eerste en vierde lid, kan de officier van justitie verzet doen.

Het verzet geschiedt door middel eener verklaring ter griffie, af te leggen door den officier binnen twee dagen na de uitspraak en door den beklaagde binnen acht dagen na de beteekening der beschikking.

In geval van verzet van den officier van justitie, verzendt deze de akte van verzet, vergezeld van eene memorie, bevattende de redenen, wanneer die niet in de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren aan den procureur-generaal van het geregtshof.

Ingeval van verzet van den beklaagde, kan deze binnen voornoemde acht dagen eene memorie ter griffie indienen en geschiedt de verzending aan den procureur-generaal binnen vier en twintig uren na verloop van dezen termijn of na de indiening der memorie.

In het een en ander geval dient de procureur-generaal, binnen drie dagen na de ontvangst, zijn verslag en requisitoir bij het hof in en wordt voorts gehandeld overeenkomstig art. 94, derde en vierde lid. (I. 135, 217 v.; Sv. 94, 119 v.)

131. De beklaagde kan van het regt, in het voorgaand artikel bedoeld, afstand doen. (Sv. 119amp;.)

132. (148*, 160*) Indien bij de verwijzing naar de teregtzitting ter zake van een misdrijf de beklaagde zich te dier zake ingevolge art. 86 in verzekerde bewaring bevindt en wordt gehouden of daarbij zijne gevangenneming wordt bevolen, bepaalt de regtbank, dat aan den beklaagde ambtshalve een raadsman zal worden toegevoegd.

1103

-ocr page 1226-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

De toevoeging geschiedt door den president der regtbank uit de advocaten en procureurs, in het arrondissement gevestigd. Zij wordt den beklaagde gelijktijdig met de beschikking, waarbij de zaak naar de teregtzitting is verwezen, beteekend.

De toegevoegde raadsman kan daarna alsnog door een gekozen raadsman worden vervangen, indien deze uiterlijk twee dagen vóór de teregtzitting ter griffie verklaring aflegt, dat hij bereid is ten bepaalden dage de verdediging van den beklaagde op zich te nemen. De griffier geeft hiervan onverwijld kennis aan den toegevoegden raadsman. De toegevoegde heeft de bevoegdheid eenen anderen raadsman in zijne plaats te doen optreden, mits hij daarvan vooraf aan den voorzitter kennis geve. (I. 294; Sv. 121 v., 236.)

133. (160*) Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten en procureurs binnen het Rijk de praktijk uitoefenende. (Sv. 120 v., 236; R. Ill, a. 4 § 2 en 3, 8, 26.)

134. (161*—163*) Na beteekening van de beschikking, houdende verwijzing naar de teregtzitting, heeft, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, de gekozen of toegevoegde raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt, alleen spreken.

Hij, zoowel als de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, kan ter griffie inzage nemen van de stukken, zonder de voortzetting der zaak op te houden.

De beklaagde kan van de stukken, voor zoover hij dit verlangt, ten zijnen koste afschriften doen nemen.

Bij onvermogen, ter beoordeeling van de regtbank, kan deze gelasten, dat de afschriften, welke zij noodig acht, kosteloos worden afgegeven. In dat geval worden de kosten der afschriften als geregtskosten aangemerkt. (I. 302, 305; Sv. 120 v., 142, 214, 215, 217, 236; Stb. 1874 n«.66(ïar. in Strafz. n0. 1), a. 30.)

135. In alle gevallen waarin, na gehouden instructie, de regter blijkt onbevoegd te zijn, blijft echter de instructie van kracht. (Sv. 127a)

136. (167*—169*) Niemand kan, buiten vervolging zijnde gesteld, ter zake van hetzelfde feit in regten worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.

Als nieuwe bezwaren worden aangemerkt de verklaringen van getuigen, stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke niet zijn onderzocht geworden, doch echter van dien aard zijn, dat zij of de bewijzen versterken, welke de regtbank te zwak heeft geoordeeld of de feiten meer ontwikkelen tot betere ontdekking der waarheid.

In dat geval biedt de officier van justitie de stukken wederom aan de regtbank aan, met zoodanige vorderingen, als hij, met inachtneming van het bepaalde bij art. 81, raadzaam oordeelt en wordt de zaak op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld. (I. 246-248; Sv. 83, 84, 94, 127.)

137. (94a*, 836*, 1146*, 142*) Alle uitspraken der raadkamer vermelden, op straffe van nietigheid, de namen der

H04

-ocr page 1227-

TITEL UI EN IV, ARTT. 133—141.

leden van het regtskollegie, door wie zij zijn gewezen en worden door ieder hunner en door den griffier onderteekend.

Zoo dikwijls de regtbank in raamp;dkamer eene beschikking neemt, is zij zamengesteld uit drie leden. (R. O. 21, 57: Sv. 226.)

138. (89e*) Alle bevelen van gevangenneming en gevangenhouding zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet van den beklaagde.

De bevelen tot invrijheidstelling op grond van onvoldoende aanwijzing van schuld zijn uitvoerbaar niettegenstaande elk beroep. Van de andere kan het openbaar ministerie de uitvoering opschorten gedurende den termijn, binnen welken het tegen de beschikking kan opkomen, en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd gegeven. Hetzelfde geldt voor het geval, dat tengevolge van onbevoegdverklaring overeenkomstig de artt. 82 en 127 de invrijheidstelling zou moeten plaats hebben. (I. 135: Sv. 82—85, 94, 127, 128, 130, 227.)

139. (90a*) De beklaagde, krachtens bevel van gevangenneming aangehouden, wordt, binnen vier en twintig uren na zijne opneming in de gevangenis, door den regter-commissaris gehoord. (I. 93; G. 157; Sv. 19b, 80c, 98b, 1046, 108.)

140- (956*) Bij verzuim of bij nietigheid van eenige in dezen Titel voorgeschreven beteekening kan de beklaagde, mits bij zijne eerste verschijning, de nietigverklaring vorderen van de dagvaarding waarbij hij, zoo instructie is gelast, voor den regter-commissaris, of, zoo de zaak naar de teregtzitting is verwezen, ter teregtzitting is opgeroepen. (G. 157; Sv. 936, 118, 129, 227ö.)

VIERDE TITEL. .

Van hel rcylsycdincj op de teregtzilling van de arron-

dissemcnts-rcglbank. (Consul.w., a. 154 v., zie chron. lijst.)

§ 1. Van het aanhangig maken der zaak.

141. (222*) De zaak wordt ter teregtzitting aanhangig gemaakt:

1°. door eene dagvaarding, van wege den officier van justitie aan den beklaagde beteekend, hetzij regt-streeks, hetzij ten gevolge van verwijzing. (R. 0.106; Sv. 85, 127/p, 130e, 140, 2476, 332, 376—378.)

2°. door eene dagvaarding, beteekend van wege andere ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigd. (Sv. 2, 201, 251, 411; Alg. w., a. 247 v.; W. bedr.bel., a. 50: W. pers. bel., a. 75.)

De artt. 87—91 zijn toepasselijk op zaken, welke regt-streeks bij dagvaarding worden aanhangig gemaakt. (1.182: R. O. 56; Sv. 142 v., 146, 252, 343.)

1105

70

-ocr page 1228-

1106 WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

142. (174*) Bij de dagvaarding worden levens opgegeven de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, de aanduiding, zoo naauw-keurig mogelijk, van de getuigen en deskundigen, die van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van het vorige artikel bedoelden ambtenaar zullen worden gedagvaard.

In geval van regtstreeksche dagvaarding zijn de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van art. 134 van toepassing, zoodra de beteekening der dagvaarding is geschied. (Sv. 146, 154 v., 190, 192, 193, 204, 212, 238.)

143. (223*) De dagvaarding behelst eene opgave van het feit, dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welken tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; alles op straffe van nietigheid.

Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden, waaronder het feit zou gepleegd zijn. (I. 183; Rv. 1, 5; Sv. 92, 95, 153, 191, 192, 197, 346.)

144. (224*) De dagvaarding wordt, met afgifte of achterlating van een afschrift, beteekend aan den persoon van den beklaagde of, zoo deze niet in verzekerde bewaring is, aan zijn persoon of zijne woonplaats; indien hij hier te lande geene bekende woonplaats heeft, aan zijn laatste verblijfplaats hier te lande.

In geval de beambte, met de beteekening der dagvaarding belast, noch den beklaagde, noch iemand van diens huis-genooten aan zijne woon- of verblijfplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur of aan dengene die hem vervangt, die het oorspronkelijk stuk voor gezien zal moeien teekenen, en het afschrift zoo mogelijk aan den beklaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.

Indien de beklaagde hier te lande geene bekende woon-of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening der dagvaarding door middel van aanplakking van het afschrilt aan het gebouw, waar de regtbank zitting houdt.

Alles op straffe van nietigheid. (Sv. 148, 266ci.)

Bij bekende verblijfplaats buitenslands wordt door den beambte met de beteekening der dagvaarding belast tevens een afschrift van de dagvaarding bij aange.eekenden brief aan den beklaagde verzonden. (1. 145; B. 74 v.; Rv. 1 v.; Sv. 7, 107, 148, 237, 266d, 346, 357, 366; Alg.w., a. 320.)

145. Indien regtstreeks van wege den officier van justitie is gedagvaard, kan de beklaagde verzoeken, dat de zaak door de regtbank in raadkamer worde onderzocht en daartoe tegen de dagvaarding verzet doen bij exploit, binnen vijf dagen na de dagvaarding te beteekenen aan den officier van justitie.

Dit verzet doet de dagvaarding van regstwege vervallen.

De officier biedt daarop, na des noods den beklaagde door den regter-commissaris te hebben doen hooren, de stukken aan de regtbank aan met zoodanige vordering als hij, met inachtneming van art. 81, raadzaam acht en zorgt

-ocr page 1229-

TITEL IV, ARTT. 142—151.

voor de intrekking van de dagvaarding van getuigen, zoo deze heeft plaats gehad.

De zaak wordt alsdan behandeld volgens de voorschriften betreffende het onderzoek in raadkamer, evenals ware geene dagvaarding geschied. (Sv. 59, 61, 67b, 81 v.)

146. Onverminderd de bevoegdheid van den beklaagde om zelf getuigen en deskundigen te doen dagvaarden, kan op zijn verzoek de president van de regtbauk bevelen, dat deze van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van art. 141 bedoelden ambtenaar worden gedagvaard.

De beklaagde geeft, ten minste tweemaal vier en twintig uren vóór de teregtzitting, overeenkomstig het bepaalde bij art. 142, van de getuigen en deskundigen, door hem gedagvaard of te dagvaarden, bij exploit kennis aan den officier van justitie, of, indien de dagvaarding is geschied van wege den in nummer 2 van het eerste lid van art. 141 bedoelden ambtenaar, aan dien ambtenaar. (Sv. 142, 154, 176, 190, 192, 193, 212, 217, 238.)

147. (225quot;, 172quot;) Op straffe van nietigheid moet tusschen den dag waarop de dagvaarding aan den beklaagde is be-teekend en dien der teregtzitting een termijn van ten minste tien dagen verloopen.

Met toestemming van den beklaagde kan deze termijn worden verkort, mits in het exploit van dagvaarding de verklaring van den beklaagde, houdende zijne toestemming, worde opgenomen en door hem geteekend. Zoo de beklaagde zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit meldin? gemaakt. (I. 184; Sv. 148, 193,237, 266d, 346.)

148. (225\':) Vrijwillige verschijning van den beklaagde op eene dagvaarding, beteekend in strijd met de voorschriften van art. 144 of met die van het voorgaand artikel, dekt de nietigheid. (I. 184; Sv. 147,193, 237, 266rf.)

A

§ 2. Van hel onderzoek ter teregtzitting.

149. (171*) De regter, die als regter-commissaris de zaak heeft onderzocht, neemt, op straffe van nietigheid, aan het onderzoek ter teregtzitting geen deel.

De regtbank zal bij voorkeur zijn zamengesteld uit regters, die niet over de verwijzing naar de teregtzitting hebben gezeten. (I. 257; R. O. 57; Sv. 56 v., 85, 95 v., 127, 322, 346.)

150. (226*) In zaken betreffende strafbare feiten, op \\yelke geene gevangenisstraf is bedreigd, kan de beklaagde zich laten vertegenwoordigen door eenen advocaat of procureur, bepaaldelijk daartoe door hem gevolmagtigd, ten ware de regtbank mogt bevelen, dat hij in persoon ver-schijne.

Het tweede lid van art. 190 is van toepassing. (I. 185; Sv. 133, 253 n». 2, 2646.)

151. (1706*, 305*) De president handhaaft de orde op

1107

-ocr page 1230-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

de teregtzittingf en geeft daartoe de noodige bevelen. (I. 267; R. I, a. 48.)

Indien een der aanwezigen de stilte of orde op de teregt-zitting stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of het bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd en zoo noodig gedurende den tijd der teregtzitting worden in bewaring gehouden. (I. 504; Rv. 24; Sv. 80,1790,196,289; Sr. 185.)

152. (173% 228% 219*) De president doet het onderzoek een aanvang nemen door den beklaagde, of, zoo er meer dan één beklaagde is, ieder hunner, in de orde waarin zij zijn gedagvaard, af te vragen zijnen naam, zijne voornamen, zijnen ouderdom, zijne geboorteplaats, zijne woon-of verblijfplaats en zijn beroep. Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren. (1.310, 313; Sv. 178,240,)

Hij doet het bevel van verwijzing, zoo deze heeft plaats gehad, door den griffier voorlezen. (I. 313; R. O. 106; Sv. 85, 127/\', 130e, 247b, 332, 376—378.)

Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet, behoudens de gevallen, waarin de wet schorsing toelaat of de regtbank die, om daarbij te vermelden redenen, noodig oordeelt. (I. 353; Sv. 6, 150?gt;, 153e, 1556, 157, 158, 166, 167, 174, 176a, 183, 185, 187, 190, 192—194, 212, 213, 243.)

153. In de gevallen, waarin van nietigheid der dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of onbevoegdheid van de regtbank, zonder onderzoek der zaak zelve, kan blijken, is de beklaagde of zijn raadsman bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging, in het voorgaand artikel bedoeld, voor te dragen en toe te lichten.

De officier van justitie kan daarop antwoorden.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen andermaal en, zoo de officier van justitie daarna weder het woord verlangt, nogmaals het woord voeren.

De regtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.

Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek der zaak zelve onmiddellijk voortgezet. (G. 150, 156, 164; R. O. 2, 56; Sv. 1, 2, 13 v., 127a, 130, 136, 137a, 140, 143, 145, 216c, 218, 259, 323, 350, 354; Sr. 38, 64 v., 68, 70, 74, 241d, e, 265c; Prov.w., a. 74; Gem.w., a. 47.)

154. (174*, 228*) De officier van justitie draagt de zaak voor.

Hij legt eene lijst over der getuigen, die ten zijnen verzoeke of ten verzoeke van den beklaagde zijn gedagvaard. (Consul.w., a. 155, zie chron. lijst.)

Deze lijst wijst geene andere getuigen aan dan die, van welke, met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 142 en 146, van wege den officier aan den beklaagde of van wege dezen aan den officier opgave is gedaan, of die, welke ten verzoeke van den beklaagde door den officier zijn ge-

1108

-ocr page 1231-

TITEL IV, ARTT. 152—160.

dagvaard. (I. 315, 324; Sv. 155, 157, 160, 190, 192. 204, 212, 238.)

155. (174*, 227* nquot;. 1) Op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde mits gedaan vóór den aanvang van het getuigenverhoor worden ook gehoord getuigen, niet op de lijst voorkomende, doch ter teregtzitting tegenwoordig.

In dit geval, alsmede in geval een getuige bij de opgave niet voldoende is aangeduid, kan op de vordering van den officier van justitie, indien het verhoor is verzocht door den beklaagde of op het verzoek van dezen, indien het verhoor is gevorderd door den officier van justitie, het onderzoek door de regtbank voor eenen bepaalden tijd worden geschorst. (Sv. 142, 154.)

156. De president kan om bijzondere redenen aan een of meer getuigen, op daartoe gedaan verzoek, met toestemming van den officier van justitie en den beklaagde vergunnen zich vóór het afleggen hunner verklaring tot een doorhem te bepalen tijdstip te verwijderen. (Sv. 160, 171.)

157. (176*) Indien een op de lijst vermelde getuige blijkt niet te zijn verschenen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor bepaalden of onbepaalden tijd schorsen.

Op gelijke wijze kan worden gehandeld, indien een verschenen getuige bij de verdere behandeling der zaak is achtergebleven, of, na de vergunning om zich te verwijderen, ten bepaalden tijde niet is teruggekeerd.

De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing bij niet-verschijning, of bij het achterblijven, gedurende de verdere behandeling, van den raadsman van den beklaagde. (I. 354; Sv. 132 v., 154, 156, 158, 187.)

158. (177*) In de gevallen, bij het voorgaand artikel bedoeld, wordt de getuige, tenzij blijke van geldige verhindering, op de vordering van den officier van justitie, bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, veroordeeld tot betaling der dien ten gevolge noodeloos gemaakte geregtskosten, bij lijfsdwang op hem te verhalen. (Rv. 585 n». 11; Sv. 159, 214 v.; Sr. 444.)

De regtbank beveelt tevens, dat hij tegen den dag voor de nadere teregtzitting bepaald of te bepalen andermaal worde gedagvaard en des noods door een deurwaarder of dienaar der openbare raagt voor haar worde gebrast. (1. 355: Sv. 67, 166, 176, 187.)

159. (178*) De getuige kan van de kosten geheel of gedeeltelijk worden ontheven, indien hij op de nadere teregtzitting voor zijn achterblijven gegronde redenen of verschoonende omstandigheden ter beoordeeling van de regtbank aanvoert.

De officier van justitie wordt in ieder geval op het verzoek gehoord. (I. 356; Sv. 158, 187, 266ti.)

160. (182*, 183a*, 187a*) De president beveelt, behoudens het bepaalde bij art. 156, dat de getuigen zich begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van den eersten, dien hij voor zich doet verschijnen.

1109

-ocr page 1232-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Nadat deze zijne verklaring heeft afgelegd, worden achtereenvolgens de overigen, in de orde bij de lijst aangewezen, ieder afzonderlijk opgeroepen, eerst zij, die ten verzoeke van den officier van justitie, daarna zij, die ten verzoeke van den beklaagde moeten worden gehoord.

De orde kan echter door den president worden veranderd, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde. (Sv. 178)

De president neemt, zoo noodig, maatregelen om de getuigen te beletten, dat zij zich vóór het afleggen van hunne getuigenis, onder elkander over het ten laste gelegde feit, over den beklaagde of over het door hen gegeven of nog te geven getuigenis onderhouden. (I. 316, 317; Sv. 142, 146, 154 v., 171.)

161. (183*) De president vraagt den getuige af zijnen naam, zijne voornamen, zijnen ouderdom, zijn beroep en zijne woon- of verblijfplaats; of hij den beklaagde gekend heeft vóór het feit waarvoor deze te regt staat; of hij bloedof aanverwant is van den beklaagde en in welken graad, en of er dienstbetrekking tusschen hem en dien beklaagde beslaat of bestaan heeft.

De getuige doet hierna, op straffe van nietigheid, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte van de geheele waarheid en niets dan de waar heid te zullen zeggen. (G. 167; Sv. 100, 162—165, 409.)

Daarop wordt hij door den president ondervraagd. Hij legt zijne verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen. (Sv. 103, 398.)

De regtbank kan echter om bijzondere redenen den getuige toestaan, bij zijne verklaring van die geschriften of schriftelijke aanteekeningen gebruik te maken, welke zij veroorloven zal. (I. 317; Rv. 109.)

162. (188*) Als getuigen zullen niet mogen worden gehoord en kunnen zich verschoonen:

1°. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de regte lijn;

2°. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de zijlinie tot den derden graad ingesloten ;

3°. des beklaagden of medebeklaagden echtgenoot, of vroegere echtgenoot na echtscheiding.

Het hooren der voorschreven personen brengt geenc nietigheid te weeg, indien zij getuigenis hebben afgelegd met gezamenlijke toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde.

Zij kunnen zelfs zonder die toestemming door de regtbank worden toegelaten om zonder eedsaflegging inlichtingen te geven. (I. 322; B. 345—352, 1946, 1947; Sv. 66, 100, 161, 396, 399, 409.)

163. (189*) Van het geven van getuigenis, en zelfs van het afleggen van onbeëedigde verklaring, kunnen zich ook verschoonen zij, die uit hoofde van hunnen stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verpligt zijn, doch

ilio

-ocr page 1233-

TITEL IV, ARTT. 161—167.

alleen omtrent hetgeen, waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig- is toevertrouwd. (B. 1946 n0. 3; Sv. 66, 100, 166; Sr. 98 j0. 44, 272, 273, 372, 374 n0. 1, 378, 430 j0. 44; W. not. ambt, a. 18, 76; Stb. 1878 n0. 222, a. 21 ; Sr, 273 A—G.)

164. (190*, 1°. en 2°.) Zullen niet anders dan tot het geven van inlichtingen en buiten eede kunnen worden gehoord:

1°. zij, die den vollen ouderdom van zestien jaren niet hebben bereikt; (I. 79; B. 1949; Sr. 39.)

2°. zij, die wegens ziekelijke storing der verstandelijke vermogens onder curatele of op regterlijke magti-ging in bewaring zijn gesteld, al hebben zij bij tus-schenpoozen het gebruik dier vermogens. (B. 1949, 487 v.; Sr. 37; Krankz.w., a. 12 v. — Sv. 100, 396, 409).

165. (190*, 3° ) De regtbank kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, dat niet anders dan buiten eede worden gehoord zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, eene vervolging na verleenden regtsingang aanhangig is. (Sv. 85, 86. 378, 396, 409; Sr. 207.)

166. (179*) Indien een getuige, op de eerste of de nadere dagvaarding verschenen, of voor de regtbank gebragt, zonder wettigen grond weigert den eed of de belofte te doen of zijne verklaring af te leggen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen.

In dat geval is het eerste lid van art. 158 van toepassing. De regtbank beveelt tevens, dat de getuige in gijzeling worde gesteld, of daarin gehouden, zoo hij ter zake van gelijke weigering bij het voorloopig onderzoek of in de instructie zich reeds in gijzeling bevindt, en dat hij op den bepaalden dag weder voor haar worde gebragt.

liet bevel wordt gewezen op de vordering van den officier van justitie, nadat de getuige in zijne verdediging, door hem of zijnen raadsman voorgedragen, is gehoord. (I. 355; Sv. 68, 187, 196; Sr. 192.)

167. (175*) Indien een getuige, bij het voorloopig onderzoek of de instructie gehoord, overleden is, of niet is kunnen worden gedagvaard, of op de dagvaarding niet is verschenen, of verschenen zijnde weigert getuigenis te geven, en de zaak niet wordt geschorst, of wanneer, in geval van schorsing, de getuige bij zijne weigering volhardt, kan de regtbank bevelen, dat de vroeger afgelegde verklaringen door den griffier worden voorgelezen.

De voorlezing heeft, op straffe van nietigheid, plaats, wanneer zij door den officier van justitie gevorderd, of door den beklaagde verzocht wordt. (Sv. 199.)

De regtbank zal op deze voorgelezen verklaringen zoo-

mi

-ocr page 1234-

1112 WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

danig acht kunnen slaan als zij, met inachtneming van de voorschriften van art. 403, zal meenen te behooren. (Sv. 63 v., 77, 100, 157 v, 162c, 164—166, 176, 293.)

168. (185!gt;, 191) Men zal den getuige niet in de rede mogen vallen. (I. 319.)

De getuigen mogen op de leregtzitting met elkander niet in woordenwisseling treden. (1. 325; Sv. 172, 176.)

169. (185*) Nadat de getuige zijne verklaring heeft afgelegd, kunnen hem door de regters en den officier van justitie vragen worden gedaan. De president geeft hun, op hun verlangen, daartoe het woord.

De president geeft voorts aan den beklaagde en aan zijnen raadsman de gelegenheid den getuige vragen te doen en tegen den getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

De ondervraging der getuigen door den beklaagde of zijn raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de regtbank toesta, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. De toestemming kan steeds worden, ingetrokken.

De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier van justitie of van den beklaagde, beletten, dat aan eenige vraag, door den beklaagde of diens raadsman of door den officier van justitie gedaan, worde gevolg gegeven. (1. 319; Sv. 103, 132 v., 170, 172, 176, 181, 205, 398.)

170. Gedurende den verderen loop van het onderzoek kunnen den getuige, die reeds zijne verklaring heeft afgelegd, met inachtneming der bepalingen van het voorgaand artikel, nog vragen worden gedaan. (Sv. 169,172,182,189e.)

171- (186*) Na het afleggen zijner verklaring blijft de getuige in de gehoorzaal, tenzij de regtbank met toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde, en, zoo noodig, met bevel om op eenen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwezig te zijn, hem vergunt zich te verwijderen. (I. 320; Sv. 160, 168b.)

172. (192*) De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, getuigen met elkander confronteren.

Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten en dat een of meer hunner opnieuw worden binnengelaten, ten einde, het zij af/.onderlijk, het zij in elkanders bijzijn, nogmaals te worden gehoord. (I. 326, Sv. 62, 170, 171, 173, 180.)

173. (193*) Op gelijke wijze als bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de president bevelen, dat een of meer beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde eer. getuige buiten hunne tegenwoordigheid worde ondervraagd.

In dat geval wordt, op straffe van nietigheid, daarna met het onderzoek der zaak niet voortgegaan, dan nadat vooraf de beklaagde is onderrigt van hetgeen in zijne afwezigheid is voorgevallen. (I. 327; Sv. 169, 172, 179?), 180, 346.)

174. (195*) Indien een getuige verdacht wordt zich op

-ocr page 1235-

TITEL IV, AKTT. 168-178.

de teregtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, dienaangaande onderzoek bevelen, met schorsing, zoo noodig, der zaak tot na den alloop van dat onderzoek. (Sv. 194, 195.)

In dat geval wordt door den griffier dadelijk procesverbaal opgemaakt en met den president en de regters onderteekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van den getuige.

De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en door hem onderteekend. Bij gebreke van onderteekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.

De regtbank kan daarop regtsingang verleenen volgens de bepalingen van den derden Titel.

liet proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld van den officier van justitie. (I. 330, 331; Sv. 12, 23, 64, 85 v., 175, 196, 241, 375 n0. 3, 378; Sr. 207.)

175. (195*) Wanneer in het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, de regtbank geen regtsingang verleent, kan zij echter, op de gronden vermeld in art. 86, de voorloopige aanhouding van den getuige bevelen.

De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81.

Art. 54 is toepasselijk.

De zaak wordt verder volgens de voorschriften van den derden Titel behandeld (Sv. 84, 174, 196, 197, 241.)

176. Alle bepalingen in deze paragraaph ten aanzien van getuigen voorkomende zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen, behoudens dat de deskundigen den eed of de belofte afleggen, voorgeschreven bij art. 52.

Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het afleggen van den eed of de belofte de voor beiden bestemde eeden worden voorgehouden. (Sv. 154—173, 183a, d, 184c, 185, 188, 402; Sr. 192, 4i4.)

177 Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden op last van den president, wanneer deze of een der regters of wel de officier van justitie dit verlangt, door den griffier voorgelezen.

Gelijke voorlezing heeft plaats op het verzoek van den beklaagde, tenzij de regtbank ambtshalve, of op het verzet van den officier van justitie anders beveelt.

Ten bezware van den beklaagde wordt, op stralfe van meligheid, op geene stukken acht geslagen, dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen. (Sv. 10, 13, 206, 21, 36, 426, 436, 46c, 47, 51, 806, 102, 111, 113, 136, 167, 1746, 182, 184d, 186, 190, 191, 1926, 204, 2126, 283, 289, 293, 400—402.)

178- (198*) Nadat alle getuigen en deskundigen zyn gehoord, wordt de beklaagde door den president ondervraagd, behoudens diens bevoegdheid om reeds vroeger en zelfs vóór den aanvang van het getuigenverhoor aan den beklaagde vragen te doen.

1113

-ocr page 1236-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

danig acht kunnen slaan als zij, met inachtneming van de voorschriften van art. 403, zal meenen te behooren. (Sv. 63 v., 77, 100, 157 v, 162c, 164—166, 176, 293.)

168. (185b, 191) Men zal den getuige niet in de rede mogen vallen. (I. 819.)

De getuigen mogen op de teregtzitting met elkander niet in woordenwisseling treden. (I. 325; Sv. 172, 476.)

169. (185*) Nadat de getuige zijne verklaring heeft afgelegd, kunnen hem door de reglers en den officier vau justitie vragen worden gedaan. De president geeft hun, op hun verlangen, daartoe het woord.

De president geeft voorts aan den beklaagde en aan zijnen raadsman de gelegenheid den getuige vragen te doen en tegen den getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

De ondervraging der getuigen door den beklaagde of zijn raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de regtbank toesta, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. De toestemming kan steeds worden ingetrokken.

De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier van justitie of van den beklaagde, beletten, dat aan eenige vraag, door den beklaagde of diens raadsman of door den officier van justitie gedaan, worde gevolg gegeven. (I. 319; Sv. 103, 132 v., 170, 172, 176, 181, 205, 398.)

170. Gedurende den verderen loop van het onderzoek kunnen den getuige, die reeds zijne verklaring heeft afgelegd, met inachtneming der bepalingen van het voorgaand artikel, nog vragen worden gedaan. (Sv. 169,172,182,189e.)

171. (186*) Na het afleggen zijner verklaring blijft de getuige in de gehoorzaal, tenzij de regtbank met toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde, en, zoo noodig, met bevel om op eenen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwezig te zijn, hem vergunt zich te verwijderen. (I. 320; Sv. 160, 168amp;.)

172. (192*) De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, getuigen met elkander confronteren.

Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten en dat een of meer hunner opnieuw worden binnengelaten, ten einde, het zij afzonderlijk, het zij in elkanders bijzijn, nogmaals te worden gehoord. (I. 326, Sv. 62, 170, 171, 173, 180.)

173. (193*) Op gelijke wijze als bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de president bevelen, dat een of meer beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde een getuige buiten hunne tegenwoordigheid worde ondervraagd.

In dat geval wordt, op straffe van nietigheid, daarna met het onderzoek der zaak niet voortgegaan, dan nadat vooraf de beklaagde is onderrigt van hetgeen in zijne afwezigheid is voorgevallen. (I. 327; Sv. 169, 172, 179b, 180, 346.)

174. (195*) Indien een getuige verdacht wordt zich op

1112

-ocr page 1237-

TITEL IV, ARTT. 168 -178.

de teregtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, dienaangaande onderzoek bevelen, met schorsing, zoo noodig, der zaak tot na den afloop van dat onderzoek. (Sv. 194, 195.)

In dat geval wordt door den griffier dadelijk procesverbaal opgemaakt en met den president en de regters onderteekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van den getuige.

De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en door hem onderteekend. Bij gebreke van onderteekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.

De regtbank kan daarop regtsingang verleenen volgens de bepalingen van den derden Titel.

Het proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld van den officier van justitie. (I. 330, 331; Sv. 12, 23, 64, 85 v., 175, 196, 241, 375 n0. 3, 378; Sr. 207.)

175. (195*) Wanneer in het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, de regtbank geen regtsingang verleent, kan zij echter, op de gronden vermeld in art. 86, de voorloopige aanhouding van den getuige bevelen.

De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81.

Art. 54 is toepasselijk.

De zaak wordt verder volgens de voorschriften van den derden Titel behandeld (Sv. 84, 174, 196, 197, 241.)

176. Alle bepalingen in deze paragraaph ten aanzien van getuigen voorkomende zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen, behoudens dat de deskundigen den eed of de belofte afleggen, voorgeschreven bij art. 52.

Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het afleggen van den eed of de belofte de voor beiden bestemde eeden worden voorgehouden. (Sv. 154—173, 183a, d, 184c, 185, 188, 402; Sr. 192, 444.)

177 Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden op last van den president, wanneer deze of een der regters of wel de officier van justitie dit verlangt, door den griffier voorgelezen.

Gelijke voorlezing heeft plaats op het verzoek van den beklaagde, tenzij de regtbank ambtshalve, of op het verzet van den officier van justitie anders beveelt.

Ten bezvvare van den beklaagde wordt, op straffe van nietigheid, op geene stukken acht geslagen, dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen. (Sv. 10, 13, \'206, 21, 36, 426, 436, 46c, 47, 51, 806, 102, 111, 113, 136, 167, 1746, 182, 184c*, 186, 190, 191, 1926, 204, 2126, 283, 289, 293, 400—402.)

178. (198*) Nadat alle getuigen en deskundigen zyn gehoord, wordt de beklaagde door den president ondervraagd, behoudens diens bevoegdheid om reeds vroeger en zelfs vóór den aanvang van het getuigenverhoor aan den beklaagde vragen te doen.

1113

f |

1

-ocr page 1238-

WETBOEK VAN STFtAFVORDERING.

Is er meer dan één beklaagde, dan geschiedt de ondervraging in de orde, waarin die, bedoeld bij art. 152 heeft plaats gehad.

Het derde lid van art. 160 is hier van toepassing. (I. 334; Sv. 160b, 176, 179 v., 188, 402 v.)

179. (199quot;—201*) Indien de beklaagde weigerachtig of in gebreke blijft gedane vragen te beantwoorden, wordt niettemin met de zaak voortgegaan. (Sv. 178.)

Zoo de beklaagde de stilte of de orde op de teregtzitting stoort, en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of het bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan de regtbank zijne verwijdering uit de gehoorzaal bevelen, en zoo noodig, dat hij gedurende den tijd der teregtzitting in bewaring worde gehouden. De behandeling der zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt, evenals ware de beklaagde tegenwoordig gebleven. (Sv. 151, 198, 224; R. I, a. 48.)

In de beide gevallen, bij dit artikel bedoeld, blijft de raadsman van den beklaagde met de verdediging belast. (Sv. 132, 199.quot;)

180. De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, bevelen, dat een of meer der beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde een ander hunner buiten tegenwoordigheid van dien beklaagde worde ondervraagd.

Het tweede lid van art. 173 is dan van toepassing. (Sv. 172, 173.)

181. Ook de regters en de officier van justitie kunnen aan den beklaagde vragen doen. De president geeft hun daartoe op hun verlangen het woord.

De beklaagde of zijn raadsman kan ook aan zijnen mede-beklaagde vragen doen.

Het derde en vierde lid van art. 169 zijn hier van toepassing. (Sv. 169.)

182. Na de ondervraging van den beklaagde kunnen aan getuigen of deskundigen op nieuw vragen worden gedaan of stukken worden voorgelezen. (Sv. 170, 172, 177, 189e.)

183. (196quot;) Indien een beklaagde of getuige de Neder-landsche taal niet verstaat, kan het onderzcek, op straffe van nietigheid, geen plaats hebben zonder bijstand van een tolk.

De tolk wordt van wege den officier van justitie ter teregtzitting gedagvaard, tenzij de tolk ter teregtzitting aanwezig mogt zijn.

De regtbank kan ook, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de dagvaarding van eenen tolk bevelen, indien op de teregtzitting de bijstand blijkt noodig te zijn. Het voorgaand lid is dan van toepassing.

De beklaagde kan den tolk wraken, mits laarvoor redenen gevende. De regtbank doet daarover terstond uitspraak. (I. 332; Sv. 69a, 184 v.; Stb. 1878 n0. 30, zie chron. lijst.)

184. (196*) De tolk mnet den ouderdom hebben bereikt van achttien jaren.

1114

-ocr page 1239-

TITEL IV, ARTT. \'179—189.

Hij Jegt, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen. (Sv. 69a, b.)

Geen der getuigen of der regters, die van de zaak kennis nemen, wordt als tolk toegelaten. (Sv. 176.)

Hetgeen in strijd met de bepalingen van dit artikel is vertolkt, wordt geacht niet vertolkt te zijn. (Sv. 177, 183, 185 v., 191amp;.)

185. (197*) De bijstand van eenen tolk wordt mede, op straffe van nietigheid gevorderd, wanneer een beklaagde of getuige het gehoor- en spraakvermogen of één dezer vermogens mist en niet schrijven kan.

In dat geval wordt als tolk gedagvaard iemand, die geschikt is met hem om te gaan.

De twee voorgaande artikelen zijn hier van toepassing, behoudens dat in dit geval de tolk slechts den ouderdom van zestien jaren behoeft te hebben bereikt.

Indien de hier genoemde beklaagden en getuigen schrijven kunnen, zal de griffier hun de vragen en opmerkingen, aan hen te doen, bij geschrifte ter hand stellen, en zullen zij bij geschrifte daarop antwoorden, al hetwelk vervolgens door den griffier zal worden voorgelezen. Op gelijke wijze zal door de hier genoemde getuigen de eed of de belofte worden afgelegd. (I 333; Sv. 69, 183, 184, 186, 187.)

186. In de gevallen, bij de artt. 183 en 185 bedoeld, wordt hetgeen ter teregtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor den beklaagde vertolkt te zijn, voor zoover dit ten zijnen nadeele strekt, geacht niet te zijn gesproken of voorgelezen. (Sv. 1776quot;, 184ci, 191amp;.)

187. Bij niet-verschijning van den gedagvaarden tolk, of bij diens weigering om den eed of de belofte af te leggen of zijne diensten te leenen, alsmede bij het aannemen eener voorgestelde wraking en in het geval, bij het derde lid van art. 183 voorzien, zijn de artt. 157, 158, 159 en 166 van toepassing. (Sv. 183 v.; Sr. 192, 444.)

188. (194*) In den loop van of na het getuigenverhoor zal de president den beklaagde en zoo noodig den getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen, vertoonen en hen daaromtrent hooren. (I. 329: Sv. 40 v., 46 v., 190, 204, 212, 219, 268, 273 v., 407 n0. 3.)

189. (202*) Nadat, behoudens het bepaalde bij art. 182, de ondervraging van den beklaagde heeft plaats gehad, kan de officier van justitie het woord voeren, en legt hij, na voorlezing, zijne vordering aan de regtbank over.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen hierop antwoorden.

De officier van justitie kan daarna andermaal het woord voeren.

Aan den beklaagde en zijnen raadsman wordt echter, op straffe van nietigheid, het regt gelaten om het laatst te spreken.

Ook daarna is art. 182 van toepassing en kan ook de beklaagde nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de officier van justitie en de beklaagde en zijn raadsman nogmaals, op den hiervoren vermelden voet, het woord

1115

-ocr page 1240-

WETBOEK V\\N STRAFVORDERING.

voeren. (I. 335; Sv. 132, 154, 206, 209; R. I, a. 47; R. III, a. 20, 21.)

190. (181*) Indien aan de regtbank, naar aanleiding van den loop van het onderzoek, de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van ter teregtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, of van de inzage, het onderzoek of de bezigtiging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet ter teregtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de oproeping dier getuigen of deskundigen, zoo noodig met last aan den deurwaarder of dienaar der openbare magt om hen dadelijk ter teregtzitting mede te brengen, of de overlegging van die bescheiden of van die stukken van overtuiging.

De regtbank kan daartoe het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.

Art. 177, derde lid, is op deze bescheiden van toepassing. (I. 269; Sv. 67, 154—157, 158b, 177, 188, 192, 212, 242.)

191. (203*) Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden, die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond geven, maakt de officier van justitie den beklaagde daarop opmerkzaam.

Bij gebreke daarvan wordt door de regtbank, op strafte van nietigheid, op die omstandigheden geen acht geslagen. (I. 338; Sv. 143, 177c, 184d, 186, 211, 221.)

192. (203*) In het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de regtbank tot nader onderzoek dier omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, hel onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.

Op de bepaalde teregtzittingen kunnen nog niet gehoorde getuigen of deskundigen of nog niet overgelegde bescheiden of stukken van overtuiging worden bijgebragt.

Van de dagvaarding van nog niet gehoorda getuigen of deskundigen geschiedt beteekening, overeenko.Tistig art. 142 of het laatste lid van art. 146.

Op de nieuwe bescheiden is art 177, derde lid, van toepassing. (I. 338; Sv. 190, 193, 213.)

193. Indien gedurende den loop van hef onderzoek de noodzakelijkheid blijkt van instructie of van aanvulling van eene gevoerde instructie, beveelt de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek en stelt zij daartoe, met schorsing der zaak tot na den afloop, de stukken in handen van den regter-commissaris.

De instructie geschiedt volgens de voorschriften van den derden Titel.

1116

-ocr page 1241-

TITEL IV, ARTT. 190—198.

Na afloop wordt gehandeld overeenkomstig art. 117 en wordt de beklaagde bij exploit, hem van wege den officier van justitie beteekend, tot voortzetting van het geding ter teregtzitting, voor de nadere behandeling bepaald, opgeroepen.

De artt. 142, 146, 147 en 148 zijn dan van toepassing. (Sv. 85, 145, 174, 190, 192, 212, 213, 243, 375 nlt;\'.3,378.)

194. In alle gevallen, waarin schorsing van het geding plaats heeft, wordt de zaak op de nadere teregtzitting hervat in den stand, waarin zij zich op het tijdstip der schorsing bevond. De regtbank is bevoegd om, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, te bevelen, dat het onderzoek ter teregtzitting op nieuw worde aangevar.gen. (Sv. 6, 150amp;, 152, 155b, 157, 158, 1C6, 167,174,176«, 183, 185, 187, 190, 192, 193, 195, 209d, 212, 213, 243.)

195. In alle gevallen, waarin de zaak voor eenen bepaalden tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt door den president aan den beklaagde en aan de verschenen getuigen, deskundigen en tolken de dag aangezegd, waarop zij, zonder daartoe op nieuw gedagvaard te worden, ter teregtzitting moeten verschijnen.

Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op den aangezegden dag, wordt gehandeld evenals waren zij niet verschenen op de dagvaarding. (Sv. 6, 150i), 1556, 157—159, 166, 167, 176, 187, 190, 192, 194; Sr. 444.)

196. (306*, 308*, 309*) Indien op de teregtzitting eenig strafbaar ftit wordt gepleegd, wordt de verdachte met de getuigen onmiddellijk ondervraagd en daarvan door den griffier proces-vei baal opgemaakt en met den president en de regters onderteekend.

Het proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld van den officier van justitie.

In de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, kan de regtbank, op de vordering van den officier van justitie of ambtshalve, tevens de voorloopige aanhouding van den verdachte bevelen. Het tweede, derde en laatste lid van art. 175 zijn dan van toepassing. (I. 181, 504 v.; Rv. 26, 27; Sv. 10, 41, 80, 166, 174, 175, 197, 244, 289; Sr. 185)

197- (220*, 221*) Indien uit het onderzoek ter teregtzitting voldoende aanwijzing ontstaat, dat de beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan een ander strafbaar feit dan waarvoor hij teregt staat, wordt, wanneer de officier van justitie het vordert, op de wijze bij het eerste lid van het voorgaand artikel bepaald, proces-verbaal opgemaakt, houdende de verklaringen van de getuigen en van den verdachte ten aanzien van dat feit.

Het tweede en derde lid van het voorgaand artikel zijn dan van toepassing. (I. 361, 379; Sv. 191—193, 196, 244.)

198. (217*, 184*, 227* n0. 4) De griffier houdt procesverbaal der teregtzitting, waarin achtereenvolgens aan-teekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak ter teregtzitting voorvalt.

\\\\\\1

-ocr page 1242-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Het behelst tevens den zakehjken inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen en van de opgaven van den beklaagde.

De president kan gelasten, dat daarin van eenige omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening wordt gedaan.

Gelijke aanteekening geschiedt, wanneer een der regters het verlangt, alsmede op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde.

Het proces-verbaal wordt door den president en den griffier vastgesteld en onderteekend binnen den termijn, bij het eerste lid van art. 226 vermeld. (I. 318, 372; Sv. 64, 169, 176, 178, 196, 197, 226, 244, 246; R. I, a. 65.)

199. In alle gevallen, waarin bij deze paragraaph aan den beklaagde de bevoegdheid wordt toegekend tot het doen van eenig verzoek of verzet, komt die bevoegdheid mede toe aan den raadsman van den beklaagde. (Sv. 132, 153, 155—157, 160c, 1626, 165,166a, 1670,169—174,177b, 179c, 180—183, 185, 187, 189, 190, 192—194, 198, 20Ü, 201, 205.)

200. Weigering of verzuim orn te beslissen over eene vordering of een verzet van den officier van justitie of een verzoek of verzet van den beklaagde, naar aanleiding van eenige bepaling van dezen Titel gedaan, heef; nietigheid ten gevolge. (Sv. 145, 199, 205, 346.)

201- (230*) Indien de zaak overeenkoms.\'.ig nummer \'2 van het eerste lid van art. 141 door andere ambtenaren wordt vervolgd, zal zij ter teregtzitting op de gewone wijze worden behandeld, behoudens dat te dier zake de bemoeijin-gen aan den officier van justitie opgedragen door die ambtenaren of van hunnentwege worden verrigt.

De regtbank zal daarna do stukken stellen in handen van den officier van justitie, die, hetzij in dezelfde, hetzij in eene volgende teregtzitting zijne conclusie zal nemen.

De beklaagde zal het regt hebben om dadelijk tegen die conclusie schriftelijke bedenkingen aan de regtbank aan te bieden. (Rv. 328: Alg.w., a. 247, 325; Sv. 251.)

§ 3. Van de beleedigde partij.

202. (231*) Indien de beleedigde partij hare vordering om schadevergoeding tot 150 gulden of minder beperkt en niet bij den burgerlijken regter heeft aanhangig gemaakt, kan zij zich in het geding over de strafzaak voegen. Dit geschiedt door eene verklaring op de openbare teregtzitting onmiddellijk na de ondervraging van den beklaagde, bij art. 152 bedoeld, of, zoo deze niet is verschenen, ra het verleenen van het verstek. (I. 63 v.; R. O. 56c; Sv. 3, 203, v., 207, 211b, 218d, 245, 264, 345.)

Zij die, om in eene burgerlijke zaak in regten te verschijnen, bijstand behoeven, of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, dien bijstand of die vertegenwoordiging van noode. (B. 160,165 v., 362, 441, 506, 519; Rv. 798 v.; F. 23, 25.)

203. (231*) De beleedigde partij kan zich op hare kosten

1118

-ocr page 1243-

TITEL IV, A.RTT. 199—209.

doen vertegenwoordigen door eenen gemagtigde en zich doen bijstaan door eenen raadsman. Als gemagtigde en als raadsman worden alleen toegelaten zij, die als raadsman van eenen beklaagde kunnen optreden. (B. 1829 v.; Sv. 133, 150)

Heeft de beleedigde partij hare woonplaats buiten de gemeente waar de regtbank is gevestigd, dan is zij verpligt in die gemeente woonplaats te kiezen. (I. 183; Rv. 5n0. 1; B. 74 v.)

204. (231*) De beleedigde partij mag harerzijds tot bewijs dat door haar, ten gevolge van het ten laste gelegde feit, schade is geleden, of tot staving van het opgegeven bedrag der schade, stukken overleggen, doch geene getuigen of deskundigen aanbrengen. (H. 1902, 1904 v., 1932, 1955; Sv. 205, 400.)

205. De beleedigde partij of de raadsman, die haar bijstaat, kan aan de getuigen vragen doen, doch alleen voor zoover die vragen betreffen het bewijs van de geleden schade of van het bedrag dier schade.

De ondervraging der getuigen door de beleedigde partij of haren raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de regtbank toestaat, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. De toestemming kan steeds wor-ingetrokken.

De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier van justitie of van den beklaagde of diens raadsman, beletten, dat aan eenige vraag, door of namens de beleedigde partij gedaan, gevolg worde gegeven. (Sv. 169.)

206. (231s) De beleedigde partij kan haren eisch toelichten of door haren raadsman doen toelichten, nadat de officier van justitie zijne vordering, overeenkomstig het eerste lid van art. 189, heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweeden male het woord te voeren. (I. 335; Sv. 189.)

207. De beleedigde partij kan, op straffe van niet-ontvankelijkheid, geene vordering doen, die reeds is aanhangig gemaakt bij den burgerlijken regter, of die eene hoogere of andere is dan die, waarover door de regtbank gelijktijdig met de strafzaak kan worden uitspraak gedaan. (R. O. 5G; Sv. 3, 4, 202.)

208. De regtbank doet over de vordering der beleedigde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak.(Sv. 2IIft, 218.)

§ 4. Van de beraadslaging en uitspraak.

209. (204*, 205*) Nadat overeenkomstig art. 189 de beklaagde het regt op het laatste woord heeft kunnen uitoefenen, sluit de president het onderzoek en deelt mede wanneer, volgens beslissing der regtbank, de uitspraak zal plaats vinden. (I. 335; Sv. 222)

Ten bepaalden tijde kan de uitspraak tot een naderen dag worden uitgesteld. (Sv. 212.)

In geen geval mag de uitspraak bepaald worden later dan

1119

vergaven j

-ocr page 1244-

quot;WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

op den veertienden dag na het sluiten van het onderzoek.

Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande dagvaarding op nieuw onderzocht. (Sv. 194, 212.) ■

210. (205c*) De president en regters kunnen, zoowel vóór de teregtzitting als na het sluiten van het önderzoek, inzage der processtukken nemen. (R. I, a. 51.)

211. (206*) De regtbank beraadslaagt naar aanleiding van de dagvaarding en van het onderzoek op de teregtzitting over het bewezene of niet bewezene der feiten, over derzelver qualificatie, over het bewezene der schuld van den beklaagde, en over de toepassing van de straf bij de wet bepaald.

Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan beraadslaagt de regtbank tevens over de ontvankelijkheid en gegrondheid der vordering, door deze ingesteld. (R. O. 26 v.; R. I. 60; Sv. 1, 141, 143, 191, 202,207,208, 212 v., 221, 223, 246, 391 v.; Sr. 1.)

212. Blijkt onder de beraadslaging, dat het onderzoek niet volledig is geweest, dan kan de regtbank, bij een met redenen omkleed bevel gelasten, dat op eene door haar te bepalen teregtzitting het onderzoek worde hervat.

Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen of deskundigen, wier verhoor, of de bescheiden of stukken van overtuiging, welker inzage of bezigtiging de regtbank noodig acht.

De aangewezen getuigen of deskundigen, alsmede de beklaagde, tenzij deze bij de uitspraak tegenwoordig zij, worden door den officier van justitie tegen den bepaalden dag bij exploit ter teregtzitting opgeroepen.

Het onderzoek ter teregtzitting geschiedt voorts naar de regelen, in dezen Titel vervat. (Sv. 190, 192, 194,195,209.)

213. In het geval, bij het voorgaand artikel voorzien, kan ook de regtbank, indien nieuwe bezwaren zijn bekend geworden, met aanduiding van het onderwerp, eene nadere instructie bevelen en de stukken daartoe stellen in handen van den regter-commissaris.

Het tweede, derde en vierde lid van art. 193 zijn dan van toepassing. (Sv. 85, 126, 192—194, 243.)

214. (207*; C. P. 55; Stb. 1875 n0. 255.) Bij schuldig-verklarirg wordt de straf opgelegd op het feit gesteld. (1.365; Sr. 1, 37, 39 v., 47 v., 55 v., 68 v., 280d; Sv. 1,211,218d, 221; B. 1955.)

De kosten blijven, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, voor rekening van den Staat.

Kosten, door of ten behoeve van den beklaagde gemaakt, zijn alleen in zooverre onder de geregtskosten begrepen, als zij zijn verooi zaakt door de afgifte van kostelooze afschriften van stukken aan den beklaagde en de oproeping van getuigen of deskundigen, die ingevolge verzoek van den beklaagde op bevel van den president zijn gedagvaard. (J. 368; Sv. 134c, d, 146, 249, 370, 418; Rv. 56.)

1120

H

-ocr page 1245-

TITEL IV, A.RTT. 210—217.

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 1 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). d)

215. (C. P. 52*, 53*) In de gevallen waarin de veroordeelde in de kosten wordt verwezen, wordt die veroordeeling uitvoerbaar verklaard ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur door de regtbank wordt bepaald.

De veroordeelde kan voor de kosten waarin hij bij de uitspraak wordt verwezen, in geen geval langer dan zes maanden in gijzeling worden gehouden. (Sr. 23c.)

De lijfsdwang kan niet meer worden toegepast, wanneer vijf jaren na de geheele uitvoering der straf zijn ver-loopen, of, wanneer het regt tot uitvoering der straf door verjaring is vervallen. (Rv. 585 n0. 11, 589; Sv. 2, 343; Sr. 76, 77; Inv. 7.)

Het eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 2 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). h)

216. (210*, 284*) Indien de regtbank niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat het ten laste gelegde feit is gepleegd of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij. (I. 358; Sv. 84, 127d, 391 v.)

Indien het feit of de dader niet strafbaar is, ontslaat zij den beklaagde van alle regtsvervolging te dier zake. (1.364; Sr. 1 v., 37 v.. 137, 156, 1896; Sv. 83, 157d.)

Indien uit anderen hoofde ter zake van het feit geen regt tot strafvordering aanwezig is, verklaart zij den officier van justitie niet ontvankelijk. (Sr. 38, 53, 54, 64 v., 68 v., 241e; B. 323; Sv. 83, 127c*, 153; G. 97; Prov. w., a. 74; Gem.w., a. 47; Inv. 22a, 23a.)

217. (187fr, c*) In de gevallen, voorzien bij het voorgaand artikel, beveelt de regtbank dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken, met uitzondering van die kosten, welke de regtbank verklaart noodeloos te zijn gemaakt, den beklaagde door den Staat worden vergoed.

Het bedrag der vergoeding wordt bij het vonnis vastgesteld.

a) Oorspronkêlijk werd, in plaats vau het tegenwoordige tweede lid, gelezen ;

Be veroordeelde wordt tevens verwezen in do kosten.

Zijn meerdere feiten ten laste gelegd, en wordt de beklaagde slechts ter zake van sommige dier feiten veroordeeld, dan kan do verwijzing in de kosten ook voor een deel der kosten plaats hebben.

Bij veroordeeling van mede-beklaagden wegens hetzelfde misdrijf heeft hoofdelijke verwijzing in de kosten plaats.

Worden mede-beklaagden niet wegens hetzelfde misdrijf veroordeeld, dan wordt voor ieder der veroordeelden hot aandeel in de kosten bij het vonnis bepaald.

Indien mede-beklaagden niet allen worden veroordeeld, kan, ten aanzien van den veroordeelde, verwijzing in de kosten ook voor oen deel plaats hebben.

/\') Oorspronkelijk luidde het begin van het eerste lid; „De veroor-deoling in de kosten wordt uitvoerbaar verklaardquot; enz.

1121

71

-ocr page 1246-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Door den president wordt daarvoor, zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven. (I. 321; Sv. 146, 177, 249.)

218. (232*, 233*, 207*) Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing, wanneer het feit een misdrijf of eene overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan den kantonregter behoort en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd. In dat geval kan aan de beleedigde partij, die zich in het geding heeft gevoegd, de vordering slechts tot zoodanig beloop worden toegewezen als waarvoor de kanton-regter gelijktijdig met de strafzaak had kunnen uitspraak doen,

De beklaagde kan in het geval, bij het vorig lid van dit artikel bedoeld, van het vonnis niet komen in hooger beroep. (I. 161, 192, 365; Sv. 82, 127, 153, 253 n». 4, 304; R. 0. 44.)

219. (216*; Stb. 1854 n0. 102, a. 22) In alle gevallen beveelt de regtbank de teruggave der voorwerpen, die als stukken van overtuiging hebben gediend, na verloop van acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan den met name in het vonnis te vermelden persoon, die de voorwerpen tijdelijk als stukken van overtuiging heeft afgestaan of bij wien zij zijn in beslag genomen, tenzij de regtbank beslisse, dat deze de voorwerpen door misdrijf heeft verkregen, in welk geval zij de teruggave kan gelasten aan den met name in het vonnis te vermelden persoon aan wien de voorwerpen weder-regtelijk zijn onttrokken, of tenzij daarop dooi\'den eigenaar of regthebbende binnen den voormelden termijn onder den griffier beslag zij gelegd, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

De vernietiging of otibruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen, vervaardigd, geschiiU gemaakt of gediend hebbende tot het plegen van een strafbaar feit, kan in het vonnis worden gelast. (I. 366, 474; Sv. 40 v., 46 v., 188, 190, 204, 212, 268, 273 v., 407 n». 3; Sr. 33; B. 637, 2014; Bv. 721 v., 735 v.; Jagtw., a. 47, zie chron. lijst.)

220. (210c*) Bij het vonnis wordt de invrijheidstelling bevolen van den beklaagde, die in verzekerde bewaring is, wanneer hij niet wordt veroordeeld of veroordeeld wordt wegens een strafbaar feit, niet vermeld, in art. 86. (I. 358; Sv. 128, 214«, 216, 227.)

221. (211*) Het vonnis moet met redenen omkleed zijn en het strafbaar feit uitdrukken met alle omstandigheden,

1122

-ocr page 1247-

TITEL rv, ARTT. 248—227.

die volgens de wet tot verzwaring of verligting van straf aanleiding geven.

Het moet wijders inhouden de beslissing der regtbank over de punten bij art. 211 vermeld, mitsgaders in geval van veroordeeling, de artikelen der wet welke worden toegepast en de straf waartoe de beklaagde wordt veroordeeld.

Het bevat eindelijk de namen der regters door wie het is gewezen, den naam van den griffier, die in de raadkamer aanwezig is geweest, en den dag van de uitspraak. (G. 161; R. O. 21; Sv. 137.)

222. (211*) Het vonnis wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of een der regters, die over de zaak hebben geoordeeld. (I. 369; G. 161; R. O. 20; R. I, a. 21.)

223. (21i*) Niet nakoming van eene of meer der bepalingen van de twee voorgaande artikelen heeft nietigheid ten gevolge. (Sv. 346a.)

224. (212*) De beklaagde, die in verzekerde bewaring is, moet bij de uitspraak tegenwoordig zijn.

Is hij daartoe niet in staat of heeft, naar aanleiding van art. 179, de uitspraak buiten zijne tegenwoordigheid plaats gehad, dan wordt het vonnis hem door den griffier in de gevangenis voorgelezen, met de kennisgeving in het volgend artikel voor den president voorgeschreven. Van dit een en ander wordt door den griffier op het vonnis melding gemaakt. (I. 369; Sv. 93b, 129, 225, 229.)

225. (215*) Na het uitspreken van het vonnis geeft de president den veroordeelde, indien hij tegenwoordig is, kennis van het regtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat en van den termijn binnen welken dat regtsmiddel kan kan worden aangewend. (1. 371; Sv. \'119a, 228, 229, 335, 346, 354, 356.)

226. (211*) Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak door de regters, die over de zaak hebben geoordeeld, en den griffier onderteekend.

Zijn één of meer hunner daartoe buiten staat, dan wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.

Zoodra het vonnis is geteekend, kunnen de raadsman van den beklaagde en de beklaagde zelf, zoo hij niet in verzekerde bewaring is, daarvan en van het proces-verbaal der teregtzitting inzage nemen. (I. 370; Sv. 134, 137, 198, 222.)

227. In eiken stand van het geding, zoowel gedurende den loop van de instructie als van het onderzoek ter teregtzitting en bij de einduitspraak, kan de regtbank, zoowel ambtshalve, als op de voordragt van den regter-commissaris, zoolang deze met de instructie is belast, op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de invrijheidstelling van dezen, indien hij in verzekerde bewaring is en, eveneens ambtshalve of op de vordering van den officier van justitie, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, de gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde bevelen.

4123

-ocr page 1248-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Op de bevelen van gevangenneming of gevangenhouding is het tweede lid van art. 93 toepasselijk. Zij zijn uitvoerbaar niettegenstaande elk beroep.

Op de bevelen tot invrijheidstelling is het laatste lid van art. 138 van toepassing. (Sv. 6, 54, 79, 80, 82 v., 98, 115, 116, 126 v., 138, 153, 174, 175, 191 v., 196 v., 209,212 v., 220, 266c.)

VIJFDE TITEL.

Van het hooger beroep van vonnissen van de arrondis-sements-regtbanken.

228. (241% 242quot;) Tegen de daarvoor vatbare vonnissen, door de arrondissements-regtbanken na het onderzoek ter teregtzitting of in den loop van dat onderzoek gewezen, kan hooger beroep worden ingesteld door den officier van justitie en door den beklaagde. (1. 199 v.; R. O. 56, 68; Sv. 218«, 258, 271, 320, 334; Rv. 26,854; Stb. 1869 n». 139, a. 2a, zie chron. lijst; Consul.w., a. 46,143 v., zie chron. lijst.)

Van vonnissen bij verstek kan alleen de officier van justitie in hooger beroep komen. Dit beroep vervalt van regtswege, indien binnen acht dagen na de aanzegging, bedoeld bij art. 234, de veroordeelde bij verstek tegen het vonnis verzet doet. (Sv. 264 v.)

Indien tegen hetzelfde vonnis door den officier van justitie hooger beroep en door den beklaagde beroep in cassatie, of door den officier van justitie beroep in cassatie en dooiden beklaagde hooger beroep is ingesteld, wordt aan het hooger beroep geen gevolg gegeven, zoolang geen uitspraak is gedaan op het beroep in cassatie.

In dat geval vervalt het hooger beroep van regtswege, wanneer de voorziening in cassatie door den hoogen raad ontvankelijk wordt geoordeeld. (R. O. 103; Sv. 353.)

Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat van het eindvonnis toegelaten. (Sv. 354.)

229. (242quot;) Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis.

In het geval echter, bedoeld bij het tweede \'.id van art. 224, loopt de termijn van den dag, waarop het vonnis den beklaagde is voorgelezen.

230. (242quot;) Het hooger beroep wordt ingesteld door eene verklaring af te leggen door dengene, die van het middel gebruik maakt, ter griffie van de regtbank, die het vonnis heeft gewezen.

De verklaring van den beklaagde kan ook namens hem geschieden door zijnen raadsman, of door eenen bijzonder daartoe schriftelijk gemagtigde.

Verlangt de beklaagde, die in verzekerde bewaring is, de verklaring zelf af te leggen, dan begeeft de griffier zich tot hem, om haar aan te nemen. (Sv. 237,251 nu. 1, 256,355 v.)

1124

-ocr page 1249-

TITEL V, A.RTT. 228—235.

231. Van de verklaring, in het voorgaand artikel vermeld, wordt door den griffier kosteloos eene akte opgemaakt, die door hem met dengene, die de verklaring aflegt, wordt ge-teekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.

De schriftelijke volmagt, in liet tweede lid van het voorafgaand artikel bedoeld, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de verklaring gehecht.

Van het hooger beroep wordt aanteekening gedaan in een daartoe bestemd ter griffie berustend register. (Sv. 237.)

232. (243) Binnen veertien dagen na de verklaring van in hooger beroep te komen, zal de beroepende partij aan het geregtshof eene memorie kunnen indienen, behelzende de middelen en gronden, waarop zij haar hooger beroep steunt. Deze memorie moet door dezelfde partij of haren raadsman onderteekend zijn; zij zal bij de stukken worden gevoegd en zal daarvan door de tegenpartij of haren raadsman inzage kunnen worden genomen. (I. 204; Sv. 119 v., 130, 1346, 251 n0. 2, 358 v.; R. I, a. 51.)

233. (244) De griffier van de regtbank, welke het vonnis gewezen heeft, zal, binnen drie dagen na de aanteekening van het hooger beroep, de stukken van het geding moeten overzenden ter griffie van het geregtshof. (I. 207; Sv. 251 n0. 2 en 5, 361; R. I, a. fi2.)

234. Indien het hooger beroep is ingesteld door den officier van justitie, wordt van wege dezen aan den beklaagde daarvan bij exploit aanzegging gedaan.

De aanzegging geschiedt, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, binnen drie dagen, in andere gevallen binnen acht dagen na het afleggen der verklaring.

Bij gebreke hiervan wordt, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter teregtzitting van het geregtshof daartoe verzoek doet, de zaak voor eenen bepaalden tijd uitgesteld. (Sv. 2280, 251 n0. 2.)

Aldus gewijzigd hij art. 3 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). a)

235. De beklaagde, die buiten de plaats waar het geregtshof gevestigd is in verzekerde bewaring is, wordt, nadat hij zijne verklaring heeft afgelegd of de in het voorgaande artikel bedoelde aanzegging hem is gedaan, en de termijn voor het instellen van hooger beroep voor hem is verstreken, ten spoedigste overgebragt naar de gevangenis, bestemd tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar het geregtshof is gevestigd.

1125

Zoodra die overbrenging is geschied, heeft zijn raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het ver-eischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt alleen spreken. (Sv. 134, 243.)

a) Oorspronkelijk volgden aan het slot van het laatste lid nog de woorden: „zonder dat de door het uitstel veroorzaakte kosten ten laste van den beklaagde kunnen worden gebragt.quot;

-ocr page 1250-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

236. Den beklaagde, die ter zake van het feit, waarvoor hij teregt staat, in verzekerde bewaring is, wordt door den president van het geregtshof een raadsman toegevoegd.

De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs, in het arrondissement, alwaar het geregtshof zitting houdt, gevestigd. Zij wordt dadelijk door of namens den president aan den beklaagde kenbaar gemaakt.

Het laatste lid van art. 432 is toepasselijk.

Op de verdediging in hooger beroep zijn voorts de artt. 133 en 134, tweede, derde en vierde lid toepasselijk. (Sv. 132 v.)

237. (246*) De zaak wordt in hooger beroep aanhangig gemaakt door eene dagvaarding, van wege den procureur-generaal aan den beklaagde beteekend. (Sv. 141, 251 n6. 2 en 3, 366.)

De artt. 147 en 148 zijn hier van toepassing.

Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan doet de procureur-generaal haar bij exploit den dag aanzeggen, waarop de zaak ter teregtzitting zal worden behandeld. (Sv. 202 v., 208, 245.)

Zoolang niet gedagvaard is, kan hij, die in hooger beroep is gekomen, van het beroep afstand doen. De afstand geschiedt en wordt gestaafd op de wijze, voorgeschreven bij de artt. 230 en 231. De griffier geeft hiervan onverwijld kennis aan den procureur-generaal.

Van den afstand, door den officier van justitie gedaan, geschiedt van wege dezen bij exploit aanzegging aan den beklaagde. (Sv. 1196, 131.)

238. (247amp;*) De procureur-generaal en Je beklaagde kunnen zoowel in eersten aanleg gehoorde ais nieuwe getuigen of deskundigen doen hooren.

Zij kunnen ook nieuwe bescheiden overleggen.

Ten aanzien van de dagvaarding van getuigen of deskundigen in hooger beroep gelden de voorschriften van de artt. 142, eerste lid, en 146. (I. 210; Sv. 154,155,190,212.)

239. (2470*) Behoudens de bepalingen in de volgende artikelen van dezen Titel vervat, zijn de artt. 150 tot en met 227 op het regtsgeding bij het geregtshof van toepassing.

Al hetgeen in die artikelen voorkomt ten aanzien van de regtbank, den president en de leden van en de ambtenaren bij de regtbank, geldt ook ten aanzien van het geregtshof, den president en de leden van en de ambtenaren bij het geregtshof. (I. 211; Consul w., a. 148 v., zie chron. lijst.)

240. (245*, 247c*) Na de ondervraging, by art. 152 bedoeld, wordt verslag uitgebragt door een raadsheer-rapporteur, door den president te benoemen binnen acht dagen, nadat de stukken ter griffie zijn gebragt.

De beklaagde kan daarna mondeling zijne bezwaren tegen het vonnis opgeven of door zijnen raadsman doen opgeven. (I. 209, 210; Sv. 364 v.; R. 1, a. 34.)

241. In het geval, voorzien bij de artt. 174 en 175, wordt het proces-verbaal, met de stukken van het geding, door den procureur-generaal toegezonden aan den officier van justitie bij de regtbank, die in eersten aanleg heeft ge-

4126

-ocr page 1251-

TITEL V, ARTT. 236—249.

vonnisd en is die regtbank bevoegd om van het misdrijf kennis te nemen.

De verdachte wordt, indien zijne voorloopige aanhouding door het geregtshof is bevolen, naar de gevangenis dier regtbank, tot bewaring van beklaagden bestemd, over-gebragt. (Sv. lOS, 235, 244, 247.)

242. Art. 190 is van toepassing ten aanzien van de in eersten aanleg gehoorde en niet in hooger beroep gedagvaarde getuigen en deskundigen.

243. In de gevallen, voorzien bij de artt. quot;193 en 213, wordt de instructie gevoerd door den regter-commissaris bij de regtbank, die in eersten aanleg heeft gevonmsd. Na afloop van het bevolen onderzoek deelt de regter-commissaris de stukken mede aan den procureur-generaal. (Sv. 95,117.)

244. In de gevallen, bedoeld bij de artt. 196 en 197, wordt het proces-verbaal door den procureur-generaal toegezonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de vervolging belast.

Is de voorloopige aanhouding van den verdachte door het geregtshof bevolen, dan wordt deze overgebragt naar de tot bewaring van beklaagden bestemde gevangenis bij de regtbank, tot kennisneming van het misdrijf bevoegd. (Sv. 108, 235, 241.)

245. De beleedigde partij, die zich niet overeenkomstig art. 202 in het geding in eersten aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hooger beroep.

Heeft de voeging in eersten aanleg plaats gehad, dan duurt zij van regtswege voort in hooger beroep, ook al is de beleedigde partij daarin niet verschenen. (Sv. 202 v , 208.)

246. De beraadslaging, bedoeld bij art. 211, geschiedt naar aanleiding zoowel van het onderzoek op de teregt-zitting in hooger beroep, als van het onderzoek op de teregt-zitting in eersten aanleg, zooals dit volgens het procesverbaal dier teregtzitting heeft plaats gehad. (Sv. 198, 238 v.)

247. Het geregtshof bevestigt het vonnis, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met geheele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, datgene wat de regtbank had behooren te doen. (R. O. 71; Sv. 369.)

Indien echter de hoofdzaak niet door de regtbank is beslist en het onderzoek daarvan het gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het geregtshof daartoe de zaak naar dezelfde of eene aangrenzende regtbank binnen zijn regtsgebied. (R. O. 106; Sv. 241, 249.)

248. (250quot;) Indien alleen de beklaagde in hooger beroep is gekomen, kan hij tot geene zwaardere straf worden veroordeeld dan hem bij het vonnis is opgelegd. (Sv. 208, 214a, 221b.)

1127

249. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n». 70). a)

a) Art. 249 luidde: „De kosten van het hooger beroep komen niet ten laste van den beklaagde, indien, op het beroep van den officier van justitie alleen, het vonnis in zijn geheel wordt bevestigd of in

-ocr page 1252-

WETBOEK VAN STRAFVORDERtNG.

250. Het arrest van het geregtshof wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president ot\'een der leden, die over de zaak hebben geoordeeld. (G. 161; R. O. 20; R. I, a. 21; Sv. 222.)

251. (251*) Indien de zaak in eersten aanleg is aanhangig gemaakt door of van wege de ambtenaren bij art. 141,2°. aangeduid, zullen ten aanzien van het hooger beroep van deze procedure en de daaraan verbonden vervolging door de ambtenaren van het openbaar ministerie ingesteld, de vorenstaande bepalingen gelden, onder de navolgende wijzigingen:

1°. dat de verklaring bij art. 230 vermeld, zal geschieden door de partij welke in beroep is gekomen, binnen den termijn van een en twintig dagen na de betee-kening van het vonnis;

2°. dat de bepalingen van de artt. 232, 233, 234 en 237 op dat beroep niet toepasselijk zijn;

3°. dat de partij welke in beroep is gekomen, op straffe van verval, binnen een en twintig dagen na hare verklaring, hare wederpartij zal doen dagvaarden, om te verschijnen op de eerste teregtzitting van het hof, welke na acht vrije dagen zal worden gehouden, met aanduiding van dag en uur;

4°. dat het geding op de teregtzitting zal worden behandeld overeenkomstig hetgeen bij art. 201 is voorgeschreven ;

5°. dat beide partijen hare stukken onder inventaris aan het hof moeten overleggen;

0°. Ingetrokken bij art. 5 der Wet van 15 April 1896 (Stb. nu. 70). a)

ZESDE TITEL.

Van de heregting van strafzaken die tot de bevoegdheid van den kanton-regter behooren, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep.

252. (252*) Rij de kanton-geregten zal de .kennisneming van strafbare feiten aanhangig worden gemaakt door de dagvaarding van wege het openbaar ministerie bij het kanton-geregt. (I. 145; R. O. 44 v.; Sv. 16, 22, 82,127a, 141 nö.1, 218, 259, 308 v.)

het voordeel van den beklaagde gewijzigd. Het geregtshof is bevoegd die kosten niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, indien, op het beroep van den beklaagde, het vonnis in diens voordeel wordt gewijzigd, of, op het beroep van den officier van justitie en den beklaagde beide, het vonnis wordt bevestigd.

Bij verwijzing overeenkomstig het tweede lid van art. 247, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbeslissing.quot;

a) Art. 251 no. G luidde: dat de bedoelde ambtenaren in de kosten van den procespe kunnen worden veroordeeld.

1128

-ocr page 1253-

TITEL V EN VJ, ARTT. 250—254.

253. (253-; Stb. 1854 n4. lOS, a 3amp;.)Op het regtsgeding bij het kanton geregt is de vierde Titel van toepassing; hetgeen daarin ten aanzien van de regtbank, den president, de regters of de ambtenaren bij de regtbank voorkomt, geldt ook ten aanzien van de kanton-regters of de ambtenaren bij het kantongeregt, behoudens: (I. 153, 155—165; Sv. 141 v.)

1°. dat de termijn van dagvaarding is van acht vrije dagen; (Sv. 147.)

2Ó. dat de beklaagde, tenzij hij vervolgd wordt ter zake van strooperij of de kanton-regter beveelt, dat hij in persoon verschijne, zich ter teregtzitting kan doen vertegenwoordigen door eenen daartoe bij bijzondere volmagt gemagtigde; de volmagt, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt overgelegd en aan het procesverbaal der teregtzitting gehecht; (I. 152; Sv. 150, 2640; Sr. 314.)

3°. dat de bepalingen betrekkelijk de beteekening van de lijsten der wederzijdsche getuigen, de geregtelijke instructie, den regter-commissaris, het bevel van verwijzing, de verzekerde bewaring en het verzet tegen de dagvaarding niet toepasselijk zijn; (Sv. 142, 145, 146, 1526, 1546, c, 174d, 175, 193, 196c, 197, 213, 218c, 227.)

4°. dat de vordering der beleedigde partij zich niet verder dan tot de som van 50 gulden kan uitstrekken; (Sv. 202, 218d; R. O. 44c.)

5°. dat in geval van veroordeeling wegens overtreding van art. 439, 1°. van het Wetboek van Strafrecht de kanton-regter in het vonnis beveelt, dat de in dat artikel bedoelde goederen, welke als stukken van overtuiging gediend hebben, voor zoover zij bij den veroordeelde werden in beslag genomen, aan het militair gezag zullen worden uitgeleverd; (Sv. 219.)

0°. dat de veroordeelde voor de kosten, waarin hij bij de uitspraak wordt verwezen, in geen geval langer dan eene maand in gijzeling kan worden gehouden. (Sv. 215.)

254. (254*) Indien iemand overeenkomstig de bepalingen van art. 74 van het Wetboek van Strafrecht de vervolging wenscht te voorkomen, zal hij, voorzien van eene schriftelijke magtiging van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, binnen den termijn bij die magtiging daartoe bepaald, te kantore van den met de invordering der boeten belasten ambtenaar, het maximum van de bedreigde boete moeten betalen en de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen moeten afgeven of de waarde, waarop zij zijn geschat, moeten voldoen.

Aldus gewijzigd bij art. amp; der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). a)

a) Oorspronkelijk werden, tnsschen de woorden: „bedreigde boetequot; en „moeten betalenquot; nog gelezen de woorden: „met de reeds gemaakte kosten.quot;

1129

-ocr page 1254-

■WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

In het exploit van dagvaarding wordt de bevoegdheid vermeld, den beklaagde bij art. 74 van het Wetboek van Strafrecht verleend. (Stb. 1841 n0. 42, a. 23, zie chron. lijst; Stb. 1843 n0. 37 en 38 (Tar. I en 11), a. 20, 28; Jagtw., a. 51 en 52, zie chron. lijst.)

255. (255*) In de gevallen waarin volgens de wet hooger beroep wordt toegelaten, kan zulks geschieden door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt en door den veroordeelde. (R. O. 44, 58; Sv. 228 v.)

256. (256*) Op het hooger beroep van vonnissen van de kanton-geregten is de vijfde Titel van toepassing met uitzondering van de artt. 230 laatste lid, 235, 236, 239, 241, 243, 244 en 250.

Hetgeen in de artt. 230—233 voorkomt omtrent de griffie of den griffier van de regtbank of van het ge-regtshof, geldt ten aanzien van de griffie of den griffier van het kanton-geregt of van de regtbank. Hetgeen in de overige toepasselijke artikelen voorkomt ten aanzien van het geregtshof of de ambtenaren van het geregtshof geldt ten aanzien van de regtbank of de ambtenaren bij de regtbank.

257. (256*) Behoudens het bepaalde bij artt. 253, 256 en 258 zijn de artt. 150 tot en met 226 op het regtsge-ding bij de regtbank in hooger beroep van toepassing.

258. (256 n0. 1*) Wanneer de regtbank bevindt, dat het feit reeds in eersten aanleg ter barer kennisneming behoort, doet zij de zaak zelve af.

Haar vonnis is in dit geval vatbaar voor hcoger beroep. (R. O. 56, 68; Sv. 228.)

ZEVENDE TITEL.

Van strafvordering tegen regtarlijke ambtenaren.

259. Met uitzondering van den hoogen raad neemt geen regterlijk kollegie of kanton-regter kennis van eene zaak, waarin een regterlijk ambtenaar, tot het kollegie of het kanton-geregt behoorende, als verdachte is betrokken.

Bovendien neemt geene arrondissements-regtbank kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van het geregtshof, tot welks regtsgebied de regtbank behoort, als verdachte is betrokken.

Evenmin neemt een kantongeregt kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van de regtbank, tot welker regtsgebied het kanton-geregt behoort, als verdachte is betrokken.

Indien grond voor vervolging bestaat, wordt tot de behandeling der zaak een ander regterlijk kollegie van gelijken rang of een andere kanton-regter aangewezen. (Sv. 22, 24 v., 87 v., 127, 141; R. O. 92, 93, 95 jquot;. Sv. 307.)

260. (269*) De aanwijzing, in het voorgaand artikel vermeld, geschiedt door den hoogen raad.

4130

-ocr page 1255-

TITEL VI, VII EN VIII, ARTT. 255—266.

Zij geldt tevens ten aanzien van medeverdachten van den regterlijken ambtenaar. (Sv. 307.)

261. De aanwijzing geschiedt in raadkamer met zeven leden, nadat de procureur-generaal is gehoord, op verzoekschrift, met de stukken in te dienen door den ambtenaar van het openbaar ministerie, die naar de gewone regelen met de vervolging zou zijn belast. (R. O. 100.)

262. De beschikking van den hoogen raad wordt van wege den procureur-generaal aan den verdachte beteekend. (Sv. 7, 144, 319, 833b.)

De procureur-generaal doet tevens afschrift van de beschikking met de stukken toekomen aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het aangewezen kollegie of kanton-geregt, waarna de verdere vervolging op de gewone wijze geschiedt. (Sv. 22, 23, 30, 333.)

263. Ten aanzien van het opsporen der strafbare feiten bij dezen Titel bedoeld blijven de voorschriften van den eersten Titel van kracht. (Sv. 8 v.)

H31

Wi

ACHTSTE TITEL.

Van afwezig gebleven beklaagden.

264. (270*) Tegen hem, die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter teregtzitting te verschijnen of zich, in de gevallen bij de wet voorzien, door eenen gemagtigde te laten vertegenwoordigen, wordt verstek verleend, waarna dadelijk wordt overgegaan tot het onderzoek en de beregting overeenkomstig den vierden, vijfden of zesden Titel.

Eveneens wordt verstek verleend tegen den gedaagde, die niet voldoet aan het in de artt. 150 en 253, n0. 2 vermelde bevel om in persoon te verschijnen. (I. 149, 152, 185 v.; Sv. 141, 150, 252, 305; Rv. 75 v.)

265. (271*) Het vonnis bij verstek gewezen, waarbij de beklaagde is veroordeeld of waarbij zijne opzending naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, moet aan hem van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie worden beteekend. (Sv. 7, 30, 144, 214; Sr. 39ö.)

266. (272*) De veroordeelde of hij, wiens opzending naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, kan bij exploit aan het openbaar ministerie beteekend verzet doen, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na dien, waarop hij is aangehouden ter tenuitvoerlegging van de tegen hem uitgesproken plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, of van de gevangenisstraf of hechtenis; wat de laatste betreft, zoowel van die, waartoe hij is veroordeeld, als die voor eene hem opgelegde boete in de plaats treedt, of nadat lijfsdwang op hem toegepast, of beslag op zijne goederen gelegd is tot verhaal van eene tegen hem uitgesproken boete. (Sv. 342, 343.)

lil ;i\'

li

ra

m,

-ocr page 1256-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Door het verzet wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. (Sv. 315.)

Het bevel van gevangenneming verleend overeenkomstig art. 227 is uitvoerbaar niettegenstaande verzet. (1.151, 187, 208; Sv. 148, 228, 237, 264 v., 316; Rv. 81.)

Aldus gewijzigd bij art. 7 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n«. 70). a)

267. (273*) Het verzet brengt van regtswege dagvaarding mede op de eerstkomende gewone teregtzitting; hetzelve zal worden vervallen verklaard, wanneer degene die in verzet gekomen is, niet ten dage dienende in regten verschijnt, en het vonnis, bij verstek gewezen, zal ten uitvoer worden gelegd. (I. 188, 208; Sv. 147, 228, 264 v.)

Wanneer degene, die in verzet gekomen is, ten dage dienende verschijnt, wordt de zaak behandeld overeenkomstig de voorschriften van den vierden, vijfden of zesden Titel. De regter bekrachtigt de bij verstek gewezen uitspraak, of doet met geheele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak op nieuw regt. (Sv. 247.)

268. (283*) Na de uitspraak bij verstek kan uitvoering worden gegeven aan de beslissing, die de regtbank ten aanzien van de stukken van overtuiging gegeven heeft, nadat van dezelve eene naauwkeurige beschrijving door den griffier zal zijn opgemaakt en ter griftïe nedergelegd.

De regter kan van de teruggave of vernietiging uitzonderen zoodanige voorwerpen als hij noodig vindt. (I. 474; Sv. 219.)

NEGENDE TITEL.

Fan de herkenning van veroordeelden die ontvlugt en weder achterhaald zijn.

269. (284) Wanneer een veroordeelde ontvlugt is, en iemand mogt gevat zijn die voor den ontvlugte is gehouden, doch omtrent de eenzelvigheid van wiens persoon twijfel of onzekerheid is ontstaan; of die ontkent dat hij degene is voor wien men hem houdt, zal het geregtshof, of de regtbank door welke de veroordeeling was uitgesproken, op requisitoir van het openbaar ministerie, bevelen dat op eene te bepalen teregtzitting zal worden overgegaan tot het onderzoek van de eenzelvigheid van dien persoon. (I. 518; Sv. 270 v., 305, 377; Sr. 77amp;; R. I, a. 79, 1« d.)

H3\'i

270. (285) Het openbaar ministerie zal, te dien einde, op de teregtzitting zijne getuigen doen dagvaarden, gelijk mede die op welke de achterhaalde zich beroept.

a) Oorspronkelijk volgde nog een vierde lid, dat aldus luidde: „Niettegenstaande zijne vrijspraak, blijven alle de kosten, door het verstek veroorzaakt, ten laste van dengene die in verzet is gekomen, ten ware de dagvaarding mogt zijn nietig verklaard, of hij mogt bewijzen in de onmogelijkheid te zijn geweest van te kunnen ver-schynen.quot;

-ocr page 1257-

TITEL VIII, IX EN X, ARTT. 267—276. 1133

Hetzelve zal insgelijks den achterhaalde doen dagvaarden om op die teregtzitting tegenwoordig te zijn; de getuigen en de achterhaalde zullen vervolgens worden gehoord, en het hof of de regtbank zal uitspraak doen overeenkomstig de voorschriften van den vierden titel. (I. 519; Sv. 141 v., 154 v., 209 v., 237 v.)

271. (287) Indien het vonnis door eene arrondissements-regthank is uitgesproken, is hetzelve voor hooger beroep vatbaar. (Sv. 228 v.; R. O. 56, 65.)

272. (288) Het openbaar ministerie en de achterhaalde kunnen zich in cassatie voorzien, in de vormen en binnen de termijnen nopens cassation bij dit Wetboek vastgesteld. (I. 520; R. O. 95 v.; Sv. 354 v.)

TIENDE TITEL.

Van de regtspleging ter zake van valschheid.

273. (289) In alle strafzaken betrekkelijk tot valschheid in geschriften, zal het stuk dat beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn, ter griffie worden overgelegd, en tevens onderteekend en op iedere bladzijde gewaarmerkt door den griffier, die een uitvoerig proces-verbaal van de gesteldheid van het stuk zal opmaken, mitsgaders door dengenen door wien die overlegging wordt gedaan, en eindelijk door den ambtenaar, onder wiens bewaring het is geweest, indien hetzelve uit eene openbare bewaarplaats is genomen. (1.448, 449; Rv. 176 v, 198; Sv. 47 v.. Ill v., 274,277,281,288; Sr. 225 v.; quot;W. not. ambt, a. 41, 69)

274. (290) Bij de verhooren van den beklaagde over dat stuk zal hetzelve mede door dezen, en ook bovendien door den regter-commissaris en den griffier onderteekend worden. (I. 4L0; Sv. 50, 277, 281, 288.)

275. (291*) Het misdrijf kan altijd worden vervolgd, ook dan wanneer de stukken, die er het onderwerp van zijn, tot grondslag gediend hebben van geresrteliike of burgerlijke akten. (I. 451; Rv. 193.)

276. (292) Alle openbare of bijzondere bewaarders van stukken, welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn, zijn verpligt, op straffe van daartoe bij lijfsdwang genoodzaakt te worden, dezelve, op een bevelschrift van het geregtshof of van de arrondissements-regtbank, ter griffie van den hove of der regtbanjc in bewaring te geven; van deze inbewaringgeving zal een proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk, met en benevens het bevelschrift, den bewaarder zal strekken tot ontlasting jegens alle belanghebbenden.

Het staat aan denzelven vrij, van de door hem in bewaring gegeven stukken en van het proces-verbaal kosteloos afschriften te vorderen.

De kosten tot overbrenging der stukken worden onder de justitie kosten begrepen. (I. 452; Rv. 185; Sv. 278, 285; Sr. 193; W. not. ambt, a. 41, 69; R. 1, a. 61.)

-ocr page 1258-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

277- (293) De stukken die geleverd zullen worden om tot vergelijking te dienen, zullen, even als de stukken welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn, worden onderteekend en gewaarmerkt, op de wijze in de twee eerste artikelen van dezen titel gemeld. (I. 453; Sv. 273 v., 286, 288.)

278. (294) De bepaling van artikel 276 hierboven, is insgelijks toepasselijk op alle openbare bewaarders van stukken, ter vergelijking kunnende dienen. (I. 454; Rv. 185; Sr. 193.)

279. (295) Indien de overgave van een authentiek stuk vereischt en gevorderd wordt, zal aan dengenen, die hetzelve in zijne bewaring heeft, een afschrift daarvan worden gelaten, hetwelk met het oorspronkelijke door den voorzitter van de arrondissements-regtbank zal worden vergeleken, die daarvan een proces-verbaal zal opmaken; indien zoodanig authentiek stuk onder bewaring is van een openbaar persoon, zal het voorzeide afschrift door dezen gelegd worden onder zijne oorspronkelijke stukken, om in de plaats van het oorspronkelijke te strekken, tot de terugzending van het laatstgemelde, en met bevoegdheid om daarvan grossen of afschriften uit te geven, mits daarbij melding makende van het proces-verbaal.

Indien nogtans het stuk een gedeelte uitmaakt van een register, zoo dat het daarvan niet voor eenen tijd kan worden afgescheiden, kan de regtbank het overbrengen van het register ter inzage bevelen, en vrijstelling verleenen van de formaliteit bij dit artikel vastgesteld. (I. 455; Sv. 276, 278, 286; Rv. 187.)

280. (296) Onderhandsche geschriften kunnen insgelijks als stukken van vergelijking overgelegd en als zoodanig aangenomen worden, indien volkomen van derzelver echtheid blijkt.

Echter kunnen de bijzondere personen welke, zelfs volgens hunne eigene erkenning, onderhandsche geschriften bezitten, niet onmiddellijk tot derzelver afgifte worden genoodzaakt, maar indien zij voor het hof of de regtbank zijn gedagvaard en hunne gronden van weigering niet zijn geldig verklaard, kan bij regterlijk bevel de overgave, zelfs bij lijfsdwang, worden bevolen. (I. 456; Sv. 68, 270, 278, 282; Rv. 184, 585 n». 11; Sr. 193.)

281. (297) De getuigen welke gehoord zullen worden over eenig stuk of stukken, in het geding overgelegd, zijn gehouden dezelve insgelijks te waarmerken en te onderteekenen. (I. 457; Sv. 50, 274, 278, 288; Rv, 191; Sr. 192.)

282. (298) De beklaagde, daartoe door den regter gelast, is verpligt, in diens tegenwoordigheid, een geschrift te vervaardigen, of wel andere stukken, door hem geschreven, over te leggen. (I. 461; Sv. 288; Rv. 184.)

283. (299) In de voorloopige geregtelijke instructie, zal de regter-commissaris eenen of meer deskundigen kunnen benoemen, ten einde het stuk, welks valschheid of verval-sching beweerd wordt, en de stukken van vergelijking, te onderzoeken, en een schriftelijk verslag van hunne bevin-

1134

-ocr page 1259-

TIT1L X EN XI, ARTT. 277—289.

ding uit te brengen, hetwelk bij het geding zal worden gevoegd. (Sv. 102, 284, 402; Rv. 182 v.; Stb. 1874 n0. 66, a. 15 n®. 2, 47 v., zie achter Sv.)

284:. (300*) Indien de beklaagde wordt teregt gesteld, kunnen de in het vorige artikel vermelde deskundigen worden gehoord.

Het hof of de regtbank kan ook op requisitoir van het openbaar ministerie, of ten verzoeke van den beklaagde andere deskundigen hoeren, (\'iv. 154, 176 v , 190,198, 204, 212, 238 v., 283.)

285. (301*) Indien de beklaagde ter zake van valschheid in eene authentieke akte wordt veroordeeld, zal de regtbank het zij verklaren dat het geheele stuk valsch is, het zij bepaaldelijk aanduiden, waarin de vervalsching bestaat. Van die verklaring wordt door den griffier proces-verbaal opgemaakt en door den president en hem onderteekend.

Zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zal afschrift van het proces-verbaal, door den griffier onderteekend, aan het valsche of vervalschte stuk worden gehecht, en bij de uitgifte van grossen of afschriften van het stuk, zal steeds aan den voet afschrift van het procesverbaal moeten gevoegd worden.

Eindelijk zal op het valsche of vervalschte stuk, door den griffier eene aanteekening worden gesteld, waarbij naar het aangehechte proces-verbaal wordt verwezen. (1. 463; Sv. 273, 279; Rv. 194; B. 1955.)

286. (302) De stukken van overtuiging en van vergelijking worden binnen veertien dagen, nadat het arrest of vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, terug gebragt ter plaatse, van waar zij gekomen zijn, of terug gegeven aan degenen, die dezelve hebben medegedeeld. (I. 463; Sv. 219, 268, 277 v.)

287. (303) Voor het overige heeft de instructie ter zake van valschheid op dezelfde wijze plaats, als ten aanzien van andere misdrijven is bepaald. (I. 464; Sv. 81 v.)

288. (304) Indien de bewaarder of de getuigen weigeren of niet in staat zijn de overgelegde of hun vertoond wordende stukken te waarmerken en te onderteekenen, of indien de beklaagden weigeren de stukken te teekenen, of in \'s regters tegenwoordigheid te schrijven, zal zulks in het proces-verbaal vermeld worden. (I. 457; Sv. 64, 273 v., 277, 281, 282; Sr. 192.)

ELFDE TITEL.

Van de wijze van reglspleging jegens hen, die den eerbied schenden, aan de openbare magt verschuldigd.

289. (310*) In geval op plaatsen, waar en tijdens de Commissaris dos Konings in de provinciën, de leden der Provinciale en Gedeputeerde Staten, de hoofden en leden

1135

-ocr page 1260-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

van de gemeentebesturen, mitsgaders de ambtenaren van administratieve of regterlijke policie in het openbaar eenige ambtsverrigtingen waarnemen, een of meer personen de stilte storen of teekenen van goed- of afkeuring geven, of, op welke wijze ook, geraas of beweging verwekken en zij op de eerste waarschuwing zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken en die zich daartegen verzetten zullen verwijderd en tot na afloop van de ambtsverrigtingen in bewaring gehouden worden; de voormelde ambtenaren maken van een en ander proces-verbaal op, hetwelk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie wordt toegezonden. (1. 509; Sv. 10, 41, 80, 151, 257; Sr. 185, 84.)

TWAALFDE TITEL.

Van de wijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het koninklijk geslacht zullen worden ontvangen.

290. (311) De prinsen en prinsessen van het koninklijk geslacht zullen nimmer voor den regter-commissaris, noch ook ter teregtzitting van een hof of eene regtbank, als getuigen kunnen worden gedagvaard, ten zij de Koning, door een bijzonder besluit, tot dat einde strekkende, hoogstdezelve tot die verschijning mocht hebben gemagtigd. (1.510; Sv. 61, 157 v.; W. min. verantw., a. 28.)

291. (312) Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden, gedurende de voorloopige instructie, zal dezelve afgenomen en in geschrift worden gesteld door den president van het geregtshof, binnen welks regtsgebied de prinsen of prinsessen zich op dat oogenblik bevinden, en zal de president zich naar hoogstderzelver paleis tot dat einde begeven.

Hij zal daarna de alzoo door hem ingewonnen verklaringen terstond toezenden aan den regter-commissaris, die met de instructie der zaak is belast. (I. 511 v.; Sv. 61, 73, 77, 100, 293.)

292. (313) Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden op eene teregtzitting, en zij tot aflegging van dezelve aldaar bij koninklijk besluit gemagtigd zijn, zal hetzelve besluit tevens de piegtigheden regelen, welke ten aanzien van hoogstdezelve ir oeten worden in acht genomen. (I. 513; Sv. 290.)

293. (314) Wanneer de prinsen of prinsessen niet gemagtigd zijn geworden om in persoon te verschijnen, zullen hunne getuigenissen op de teregtzitting wordon gelezen, op straffe van nietigheid, en het zal aan den regter geoorloofd zijn, om derzelver inhoud, naar gelang der omstandigheden, tot bewijsmiddel te doen dienen. (1. 512: Sv. 167, 290, 291, 409.)

1136

-ocr page 1261-

TITEL XII EN XIII, ARTT. 290—297.

DERTIENDE T 1 T E L.

Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderivorpen.

§ 1-

Van strafvordering ter zake van misdrijven bedoeld in art. 93 van de ivet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

294. (25*) Behoudens het bepaalde bij de artt. 295, 296 en 297 blijven ten aanzien van de opsporing van misdrijven volgens art. 93 der Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen, de voorschriften van den eersten Titel van kracht. (Sv. 8 v.)

295. (25-) De procureur-generaal bij den hoogen raad waakt voor de rigtige opsporing van misdrijf, als in het voorgaand artikel bedoeld. (Sv. 8 n0. 6, 23, 31, 43 v.)

De bevelen, die hij daartoe geeft aan de officieren van justitie en de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, worden door dezen opgevolgd. (Sv. 28 v., 38.)

Op de officieren van justitie en de hulp-officieren rusten tegenover den procureur-generaal gelijke verplichtingen als bij den eersten Titel aan de hulp-officieren tegenover den officier van justitie zijn opgelegd. (Sv. 21, 34 v., 41. 55.)

296. (316*) Wanneer de procureur-generaal kennis heeft bekomen van een misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, doch geene voldoende gronden vindt tot dagvaarding of tot het vorderen van regtsingang, wint hij, naar omstandigheden, zelf de narigten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen of stelt daartoe, met zoodanige vordering als hij geraden acht, de stukken in handen van den raadsheercommissaris, op zijne vordering door den hoogen raad in raadkamer uit de leden van den raad benoemd. (I. 487; Sv. 31, 32; R. I, a. 80.)

297. (317*) In geval van ontdekking op heeter daad, wordt door den officier van justitie, de hulp-officieren en den regter-commissaris datgene verrigt, wat hun voor dat geval naar de gewone regelen is opgedragen. (I. 484; Sv. 39 v.)

De officier van justitie zendt de stukken, tot de zaak betrekkelijk, en de in beslag genomen voorwerpen ten spoedigste aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (Sv. 36.)

Zoodra deze op de plaats bedoeld bij art. 43 tegenwoordig is, houdt de beraoeijing van den officier van justitie op en wordt door den procureur-generaal verrigt hetgeen bij de artt. 43 tot 53 aan den officier van justitie is opgedragen. (Sv. 35, 55.)

Zoodra ook de raadsheer-commissaris op de bedoelde plaats tegenwoordig is, wordt hetzelfde verrigt door dezen, op de vordering van den procureur-generaal. (Sv 43e.)

4137

72

-ocr page 1262-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

van de gemeentebesturen, mitsgaders de ambtenaren van administratieve of regterlijke policie in het openbaar eenige ambtsverrigtingen waarnemen, een of meer personen de stilte storen of teekenen van goed- of afkeuring geven, of, op welke wijze ook, geraas of beweging verwekken en zij op de eerste waarschuwing zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken en die zich daartegen verzetten zullen verwijderd en tot na afloop van de ambtsverrigtingen in bewaring gehouden worden; de voormelde ambtenaren maken van een en ander proces-verbaal op, hetwelk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie wordt toegezonden. (1. 509; Sv. 10, 41, 80, 151, 257; Sr. 185, 84.)

TWAALFDE TITEL.

Fan de ivijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het koninklijk geslacht zullen worden ontvangen.

290. (311) De prinsen en prinsessen van het koninklijk geslacht zullen nimmer voor den regter-commissaris, noch ook ter teregtzitting van een hof of eene regtbank, als getuigen kunnen worden gedagvaard, ten zij de Koning, door een Lijzonder besluit, tot dat einde strekkende, hoogstdezelve tot die verschijning mocht hebben gemagtigd. (1.510; Sv. 61, 157 v.; W. min. verantw., a. 28.)

291. (312) Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden, gedurende de voorloopige instructie, zal dezelve afgenomen en in geschrift worden gesteld door den president van het geregtshof, binnen welks regtsgebied de prinsen of prinsessen zich op dat oogenblik bevinden, en zal de president zich naar hoogstderzelver paleis tot dat einde begeven.

Hij zal daarna de alzoo door hem ingewonnen verklaringen terstond toezenden aan den regter-commissaris, die met de instructie der zaak is belast. (I. 511 v.; Sv. 61, 73, 77, 100, 293.)

292. (313) Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden op eene teregtzitting, en zij tot aflegging van dezelve aldaar bij koninklyk besluit gemagtigd zijn, zal hetzelve besluit tevens de plegtigheden regelen, welke ten aanzien van hoogstdezelve noeten worden in acht genomen. (1. 513; Sv. 290.)

293. (314) Wanneer de prinsen of prinsessen niet gemagtigd zijn geworden om in persoon te verschijnen, zullen hunne getuigenissen op de teregtzitting worden gelezen, op straffe van nietigheid, en het zal aan den regter geoorloofd zijn, om derzelver inhoud, naar gelang der omstandigheden, tot bewijsmiddel te doen dienen. (I. 512: Sv. 167, 290, 291, 409.)

-1136

-ocr page 1263-

TITEL XII EN XIII, ARTT. 290—297.

D E a T 1 E N D E Tl T E L.

Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort ondenuorpen.

Van strafvordering ter zake van misdrijven bedoeld in art. 93 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

294. (25s) Behoudens het bepaalde bij de arlt. 295, 296 en 297 blijven ten aanzien van de opsporing van misdrijven volgens art. 93 der Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der Justitie, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen, de voorschriften van den eersten Titel van kracht. (Sv. 8 v.)

295. (25*) De procureur-generaal bij den hoogen raad waakt voor de rigtige opsporing van misdrijf, als in het voorgaand artikel bedoeld. (Sv. 8 n0. 6, 23, 31, 43 v.)

De bevelen, die hij daartoe geeft aan de officieren van justitie en de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, worden door dezen opgevolgd. (Sv. 28 v., 38.)

Op de officieren van justitie en de hulp-officieren rusten tegenover den procureur-generaal gelijke verplichtingen als bij den eersten Titel aan de hulp-officieren tegenover den officier van justitie zijn opgelegd. (Sv. 21, 34 v,, 41, 55.)

296. (316*) Wanneer de procureur-generaal kennis heeft bekomen van een misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, doch geene voldoende gronden vindt tot dagvaarding of tot het vorderen van regtsingang, wint hij, naar omstandigheden, zelf de narigten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen of stelt daartoe, met zoodanige vordering als hij geraden acht, de stukken in handen van den raadsheercommissaris, op zijne vordering door den hoogen raad in raadkamer uit de leden van den raad benoemd. (I. 487; Sv. 31, 32; R. I, a. 80.)

297. (317*) In geval van ontdekking op heeter daad, wordt door den officier van justitie, de hulp-officieren en den regter-commissaris datgene verrigt, wat hun voor dat geval naar de gewone regelen is opgedragen. (1. 484; Sv. 39 v.)

De officier van justitie zendt de stukken, tot de zaak betrekkelijk, en de in beslag genomen voorwerpen ten spoedigste aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (Sv. 36.)

Zoodra deze op de plaats bedoeld bij art. 43 tegenwoordig is, houdt de bemoeijing van den officier van justitie op en wordt door den procureur-generaal verrigt hetgeen bij de artt. 43 tot 53 aan den officier van justitie is opgedragen. (Sv. 35, 55.)

Zoodra ook de raadsheer-commissaris op de bedoelde plaats tegenwoordig is, wordt hetzelfde verrigt door dezen, op de vordering van den procureur-generaal. (Sv 43e.)

1137

72

-ocr page 1264-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

298. Op het voorloopig onderzoek van den raadsheer-commissaris zijn de bepalingen van den Tweeden Titel en de artt. 110—114 van toepassing, behoudens:

dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheer-commissaris tot opdragt van verhoor, overeenkomstig art. 73, in geen geval bewilliging tot dagvaarding als bij art. 75 bedoeld, wordt gevorderd;

dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheercommissaris en den procureur-generaal om zich bij huiszoeking te doen vervangen op de wijze, bedoeld bij het tweede lid van art. 112, de huiszoeking in ieder geval door hen zeiven kan geschieden. (Sv. 59 v., 302.)

299. Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft verkregen van een gepleegd misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, en van den persoon die zich daaraan heeft schuldig gemaakt, en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan den hoogen raad aan.

Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verwijzing der zaak naar de teregtzitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.

Op deze vordering wordt door den hoogen raad in raadkamer beslist. (Sv. 81 v.)

300. (335quot;) De bepalingen van den derden Titel zijn op het onderzoek in raadkamer bij den hoogen raad van toepassing, behoudens: (Sv. 81 v.)

1°. dat, indien de hooge raad instructie gelast, hij tevens een zijner leden tot raadsheer-commissaris benoemt, tenzij zoodanige benoeming reeds krachtens art. 296 heeft plaats gehad; (Sv. 85, 95 v.)

2°. dat de arresten, door den hoogen raad op de vordering tot regtsingang of na afloop der instructie gewezen, niet vatbaar zijn voor eenig beroep. (Sv. 94, 130; R. O. 94.)

§ 2.

Van slrafvordering Ier zake van de ambtsmisdrijven en

ambtsovertredingen, vermeld bij art. 92 der wet op de rcgterlijke organisatie en het beleid der justitie.

301. (318*—324*) De artt. 4 tot en met 19 der wet van den 22slen April 1855 (Stb. nquot;. 33) houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden dar Ministeriele Departementen blijven van kracht.

Zij zijn van toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de in art. 92 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justiiie opgenoemde personen. Al hetgeen in die artikelen voorkomt omtrent Ministers en Hoofden van Ministeriele Departementen geldt ook bij de vervolging van deze wegens andere ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen dan die zijn omschreven in de artt. 355 en 356 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede bij de vervolging wegens ambtsmisdrijven en ambts-

1438

-ocr page 1265-

TITEL XIII, ARTT. 298—305.

overtredingen begaan door aUe andere in art. 9\'2 voormeld bedoelde personen. (G. 164; Sr. 355 v., 462 v., 44,84; 11.0.92b; Prov.w., a. 1, 35; Stb. 1854 n0. 129, a. 1, 4, 37 v., 101; W. R. v. St.; Stb. 1865 n°. 55, a. 11, 21 v., 26, 27; Stb. 1865 n®. 56, a. 11, 21 v., 26, 27.)

302. (325*—333*; W. min. verantw., a. 20—26*) De procureur-generaal bij den hoogen raad is verpligt aan den ontvangen last onmiddellijk gevolg te geven

Hij vordert van den hoogen raad de benoeming van een zijner leden tot raadsheer-commissaris, ten einde voorloopig onderzoek worde ingesteld. (R. I, a. 80.)

Op dit voorloopig onderzoek is art. 298 van toepassing.

Geene vordering geschiedt tot het verleenen van regts-ingang, tot last tot instructie of tot verwijzing der zaak naar de teregtzitting. (Sv. 81.) Wordt door den procureur-generaal gevangenneming of gevangenhouding noodig geoordeeld, dan beslist de hooge raad, op de vordering van den procureur-generaal, alleen omtrent de gevangenneming of gevangenhouding. Art. 116 is op deze arresten van den hoogen raad van toepassing. (Sv. 86, 227.)

Zoodra het onderzoek, in het tweede lid bedoeld, is afge-loopen, of, heeft zoodanig onderzoek geen plaats gehad, zoodra de last tot vervolging is ontvangen, wordt de verdachte van wege den procureur-generaal ter teregtzitting gedagvaard en zijn de volgende artikelen van dezen Titel van toepassing. (Sv. 141 v.)

De dagvaarding bevat, op straffe van nietigheid, de opgave van het feit, in den last tot vervolging uitgedrukt. (Sv. 143, 153.)

§ 3.

Bepalingen aan de in de tivee vorige paragraphen bedoelde gedingen gemeen.

303. In de gevallen, waarin bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming is verleend, wordt de aangehoudene onmiddellijk, na de uitvoering van het bevel, overgebracht naar de gevangenis tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar de hooge raad is gevestigd. (Sv. 108, 138, 139.)

304. (333*; W. min. verantw., a. 27a) Het regtsgeding in het eerste en laatste ressort bij den hoogen raad wordt gevoerd op de wijze, bij den vierden Titel voorgeschreven, behoudens:

dat de uitzondering, vervat in het vierde lid van art. 218, geldt zoo dikwijls het feit een misdrijf of overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan eenen anderen regter behoort, en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd, in welke gevallen aan de beleedigde partij, die zich, waar dit was toegelaten, in het geding heeft gevoegd, de vordering slechts tot zoodanig beloop kan worden toegewezen, als waarover de bevoegde regter gelijktijdig met de strafzaak uitspraak had kunnen doen. (R. O. 44, 56.)

305. (334*; W. min. verantw., a. 28) De achtste Titel

1139

-ocr page 1266-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

is op het regtsgeding bij verstek bij den hoogen raad van toepassing. (Sv. 264 v.)

306. (25*) Al hetgeen in de toepasselijk verklaarde Titels voorkomt omtrent de arrondissements-regtbanken, de presidenten en de leden van of de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers bij die kollegien is, behoudens de wijzigingen uit dezen Titel voortvloeijende, van toepassing op den hoogen raad, den president en de leden van en den procureur-generaal en den griffier bij den hoogen raad.

307. (3364) De vervolging der medeverdachten van den-gene, die voor den hoogen raad te regt staat, heeft bij hetzelfde kollegie plaats. (Sv. 2606.)

VEERTIENDE TITEL.

Van de regeling van regtsgebied.

308. (337) Er zal regeling van regtsgebied kunnen plaats hebben in de navolgende gevallen: (R. O. 54 n0. 4,65,88; R. I, a. 79 1 quot;a; Rv. 276; Sv. 317, 330.)

10. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien ofregters, aan welke bij de grondwet of andere wettelijke bepalingen regtsmagt is opgedragen, zich de kennisneming van dezelfde of van zamenhangende straf bare feiten hebben aangetrokken; (I. 526; 527; R. 0.44, 56, 58, 68, 92 v.; Sv. 22 v., 88 v.)

2°. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien of regters, door een van welke de strafzaak noodwendig behoort te worden beregt, zich hebben or bevoegd verklaard daarvan kennis te nemen. (Sv. 82, 127, 153, 218, 239, 247, 253, 256 v., 304.)

309. (338) De verzoeken tot regeling van regtsgebied worden gedaan bij request; zij worden alleenlijk bij memo-rien behandeld. (I. 525; Sv. 311 v., 315, 318.)

310. (339) Op het ingekomen verzoek, met de daartoe behoorende stukken, zal de regter bevelen dat alles worde medegedeeld aan de partijen, of wel dadelijk zonder mede-deeling beslissen, behoudens verzet. (I. 528; Sv. 313, 315, 316, 318.)

311. (340) Wanneer op het verzoek van den beklaagde, tot regeling van regtsgebied, de mededeeling aan partijen wordt bevolen, zal het bevelschrift beide de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de regterlijke ligchamen, voor welke die zaak gelijktijdig is aanhangig gemaakt, gelasten de stukken van het geding over te zenden, met bijvoeging van een met redenen bekleed advijs over het geschil wegens de bevoegdheid. (I. 529; Sv. 309, 312 v.)

312. (341) Wanneer de mededeeling bevolen is op het verzoek, tot regeling van regtsgebied, van een der gemelde ambtenaren, zal het bevelschrift den andere bevelen om de stukken, en zijn met redenen bekleed advijs, over te zenden. (I. 530, Sv. 309 v.)

1140

-ocr page 1267-

TITEL XUI EN XIV, 306—3\'20.

313. (342) Bij het bevel van mededeeJing wordt, naar mate van den afstand der plaatsen, de termijn bepaald, binnen welken de stukken en de met redenen bekleede advijzen ter griffie moeten worden ingezonden.

Dit bevel wordt, benevens afschrift van het verzoek tot regeling van regtsgebied, aan partijen beteekend en door die beteekening wordt de eindelijke beslissing der zaak geschorst, behoudens den voortgang der instructie.

De beklaagde kan zijne middelen omtrent het regtsgebied in geschrift indienen, uiterlijk binnen den tijd van acht dagen na de beteekening van het bevel van mededeeling. (I. 531; Sv. 310—312.)

314. (343) De zaak zal worden afgedaan op de teregt-zitting, op een rapport, en na de conclusie van het openbaar ministerie te hebben gehoord. (Sv. 240, 364, 365, 367, 368.)

315. (344*) Wanneer op het verzoek tot regeling van regtsgebied, dadelijk en zonder bevolene mededeeling uitspraak is gedaan, zal het vonnis van wege het openbaar ministerie worden beteekend aan den ambtenaar van het het openbaar ministerie bij de hoven, regtbanken of regters, welke tot het geschil hebben aanleiding gegeven.

Het zal mede worden beteekend aan den beklaagde, welke daartegen in verzet zal kunnen komen binnen acht dagen.

Dit verzet schorst van regtsvvege het uitwijzen der zaak. (I. 532 v.; Sv. 309, 310, 316, 318 v.)

316. (345*) De beklaagde die zich niet in verzekerde bewaring bevindt, wordt niet tot het doen van verzet toegelaten, ten zij hij vóór of uiterlijk binnen acht dagen na de beteekening, woonplaats hebbe gekozen binnen de gemeente, waarin een der beide kollegien of regters, over welker bevoegdheid geschil is, zitting heeft.

Bij gebreke hiervan zal hij zich niet daarop kunnen beroepen, dat hem geene mededeeling is gedaan, waartoe de verzoeker, in dat geval, ongehouden is. (I. 535; Sv. 203b, 264, 310, 315.)

317 (346) De hooge raad, het geregtshof, of de arron-dissements-regtbank, zal tevens de uitspraak doen over alle handelingen en vonnissen, welke door den regter, aan wien de zaak onttrokken wordt, mogten gedaan of gewezen zijn. (I. 536; Sv. 308, 320; R. O. 106.)

318. (347) De arresten of vonnissen, in zake wegens geschil van regtsgebied gewezen, zullen door geen verzet kunnen worden bestreden, wanneer er een bevel van mededeeling is vooraf gegaan en behoorlijk ten uitvoer gebragt. (I. 537; Sv. 310, 315, 316, 319.)

319. (348) Het arrest of vonnis gewezen, het zij na een bevel van mededeeling, het zij na gedaan verzet, zal aan de partijen in dezelfde vormen worden beteekend, als ten aanzien der beteekening van het bevel van mededeeling zijn voorgeschreven. (I. 538; Sv. 311, 313.)

320. (350) De eindvonnissen der arrondissements-regt-banken en hoven, in zake wegens geschil van regtsgebied

1141

-ocr page 1268-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

zijn respectievelijk vatbaar voor hooger beroep en cassatie (R. O. 54 n0. i, 65, 88; Sv. 228, 346, 353.)

VIJFTIENDE TITEL.

Van de wraking en verschooning van regters en da verzending van de zaak uit dien hoofde naar eenen anderen regter.

321. (351*) Een lid van den hoogen raad, van de ge-regtshoven, van de arrondissements-regtbanken of een kan-tonregter, kan zoo wel door den beklaagde, als door het openbaar ministerie worden gewraakt, om de volgende redenen:

1°. Indien hij den beklaagde in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in den vierden graad ingesloten; (Rv. 30 n0. 2.)

2°. Indien hij persoonlijk belang bij de zaak heeft; (Rv. 30 n«. 1.)

S0. Indien, binnen het jaar vóór de wraking, tegen den beklaagde, of tegen deszelfs echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de regte linie, eene vervolging wegens misdrijf op klagte of aangifte van den ge-wraakten regter heeft plaats gehad; (Rv. 30 n0. 3; Sv 10 v.; Sr. 64 v.)

4°. Indien de regter een schriftelijk ad vijs in de zaak gegeven heeft; (Rv. 30 n0. 4.)

5°. Indien hij, hangende het geding, geschenken van iemand, die bij de zaak belang heeft, heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd, en hij deze belofte heeft aangenomen; (Rv. 30 n0. 5.)

6°. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den regter, zijne vrouw, of hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, ten eenre, en den beklaagde, ter andere zijde, aanhangig is; (Rv. 30 n®. 6, 7.)

7°. Indien de regter is voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde van den beklaagde; (Rv. 30 n0. 8.)

8°. Indien er een hooge graad van vijandschap tusschen den regter en den beklaagde bestaat; (Rv. 30 n0.10.)

9°. Indien er tusschen den regter en den beklaagde sedert den aanleg van het regtsgeding of binnen zes maanden vóór de wraking, hebben plaats gehad beleedigingen of bedreigingen. (Rv. 30 n0. 11. — R. O. 11, 40c, 23, 24; Rv. 32; Sv. 324 v., 329 v.; R. I, a. 79ö; B. 345 v., 1950.;

322. (352*) Behoudens hetgeen bij art. 328 ten aanzien van de wraking van den regter-commissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur is bepaald, kan een regter alleen worden gewraakt ter gelegenheid der openbare teregt-zitting. (Sv. 323, 326.)

1142

-ocr page 1269-

TITEL XV, ARTT. 321—331.

323. (353) De wraking moet mondeling of bij schriftelijke conclusie worden voorgedragen, zoodra het onderzoek ter teregtzitting aanvang neemt. In den loop des onderzoeks is men daartoe niet meer ontvankelijk. (Rv. 33; Sv. 153.)

324. (354) Indien de wrakende partij vermeent meer dan eene reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij alle te gelijk voordragen. (Rv. 37; Sv. 321.)

325. (355) Indien zij meer dan één lid van het regterlijk kollegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen, vóór dat over de voorgaande is beslist. (Rv. 38; Sv. 326.)

326. (356) De hooge raad, het geregtshof of de arron-dissements-regtbank zal, na de conclusien van het openbaar ministerie, of, indien hetzelve de wrakende partij is, na deszelfs requisitoir, dadelijk over de wraking raadplegen en vervolgens ter openbare teregtzitting uitspraak doen.

Geen der leden, behalve de gewraakte regter, mag zich verschoonen aan de raadplegingen over, en de beslissing van de wraking deel te nemen. (Rv. 35, 36, 39; R. 0.20.)

327. (357) Indien een kantonregter wordt gewraakt, zal de wrakende partij eene schriftelijke akte van wraking, met redenen bekleed, aan den kanton-regter ter hand stellen.

Deze zal met het onderzoek der strafzaak niet kunnen voortgaan, en zal de voorschrevene akte, benevens zijn schriftelijk advys, onmiddellijk aan de arrondissements-regtbank inzenden, welke op de concltsien van het openbaar ministerie uitspraak doet.

In geval de wraking wordt geldig verklaard, zal een der plaatsvervangers van den kanton-regter optreden. (R. O. 31; Rv. 33, 34, 36, 40; Sv. 331)

328. (358) In geval van wraking van eenen regter-commissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur, wordt de akte van wraking, met redenen bekleed, door de wrakende partij ingeleverd, aan de arrondissements-regtbank, het geregtshof of den hoogen raad, bij welke de strafzaak aanhangig is, welke, na het bericht van den gewraakte te hebben ingewonnen, op requisitoir of op de conclusien van het openbaar ministerie uitsoraak doet. (Rv. 33, 34, 36; Sv. 56, 296, 322; R. O. 23.)

329. (359) Indien een regter zich wil verschoonen om eene der redenen, in art. 321 vermeld, of op andere billijke gronden, zal hij die aan het kollegie, waartoe hij behoort voordragen, en zich aan deszelfs beslissing moeten onderwerpen. (Rv. 31.)

330. (360) Wanneer ten gevolge van geidig verklaarde wraking of van vrijwillige verschooning, de leden van een geregtshof of eene regtbank niet meer in genoegzamen getale mogten zijn om van de zaak kennis te nemen, zal dezelve naar een ander geregtshof of eene andere regtbank verzonden worden. (Rv. 41; Sv. 331 v.; R. I, a. 79c.)

331. (361) Het verzoek tot verzending zal door de belanghebbende partij worden gedaan aan den hoogen raad, wanneer de regtsvervolging plaats heeft voor een geregts-

1143

-ocr page 1270-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

hof en aan het geregtshof, wanneer de regtsvervolging plaats heeft voor eene arrondissements-reglbank, of aan de arrondissements-regtbank wanneer de wraking van den kanton-regter mogt zijn geldig verklaard, en de plaatsvervangers ontbreken of gewraakt zijn. (I. 542; Rv. 41; Sv. 259d, 260, 308.)

332. (362) Het verzoek wordt gedaan bij request, op hetwelk de hooge raad, het hof of de regtbank, na het openbaar ministerie te hebben gehoord, zal beschikken, en, indien het verzoek wordt toegestaan, den regter aanwijzen, aan welken de kennisneming wordt opgedragen. (Sv. 261, 309, 814, 330, 331.)

333. (363*) De uitspraak zal door of van wege den procureur-generaal of den officier van justitie worden gebragt ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hof, de regtbank of het kanton-geregt, aan welke de zaak is verwezen.

Die uitspraak wordt aan den beklaagde van wege het openbaar ministerie beteekend. (Sv. 30, 262, 319, 332.)

334. (364) De arresten en vonnissen, ter zake van wraking, veschooning en verzending gewezen, zijn, in geen geval, aan hooger beroep of cassatie onderworpen. (Rv. 42; Sv. 320.)

ZESTIENDE TITEL.

Van het ten uitvoer legyen van arresten cn vonnissen.

335. (365) Geen arrest of vonnis, in kracht van gewijsde gegaan, mag worden ten uitvoer gelegd, zoo lang: (Sv. 228, 256, 266, 272, 320, 334, 353; R. 0. 4, 44b, 566, 58, 68, 94.)

1°. de termijn tot het aanteekenen van cassatie niet is verstreken; (Sv. 225, 356.)

2°. in geval van beroep in cassatie, de hooge raad niet bij eindvonnis heeft beslist. (Sv. 338, 369, 374. — I. 373 v.)

336. (366*) Indien de termijn tot het aanteekenen van hooger beroep of van cassatie is verstreken of er door den hoogen raad uitspraak is gedaan, blijft niettemin, indien de veroordeelde dit uitdrukkelijk verlangt, de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis geschorst gedurende den tijd van acht dagen daarna. (Sr. 335, 337, 341.)

337. (367) Binnen den voorschreven termijn kan de veroordeelde een verzoekschrift om gratie, ongesloten, inleveren of doen inleveren ter griffie van het kollegie, hetwelk de veroordeeling heeft uitgesproken.

Deze inlevering heeft het gevolg, dat de ten uitvoerlegging geschorst wordt.

De griffier houdt naauwkeurige aanteekening van den dag der inlevering van zoodanig verzoekschrift; hij geeft daarvan kennis aan den ambtenaar van het openbaar ministerie

1144

-ocr page 1271-

TITEL XV EN XVI, ARTT. 332—343.

met de tenuitvoerlegging van het arrest of vonnis belast, en verzendt onmiddellijk het verzoekschrift aan het departement van justitie, ten einde aan den Koning te worden ingeleverd. (G. 68; Stb. 1887 n0. 215, zie chron. lijst; R. I, a. 79n0.2, 85 v.; Sv. 336, 339, 340.)

338. (368*) In het geval bij art. 374 voorzien, wordt de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis ten aanzien van de mede veroordeelden, die zich niet in cassatie hebben voorzien, zoo zij dit uitdrukkelijk verlangen geschorst, tot na den eindelijken afloop der zaak. (Sv. 335 n0. 2, 374.)

339. (369) De ten uitvoerlegging van alle arresten en vonnissen blijft van regtswege geschorst zoolang de Koning over een verzoek om gratie raadpleegt. (Sv. 337, 341.)

340. (370) Te dien einde is de procureur-generaal bij den hoogen raad verpligt, om, zoodra een verzoek oir, gratie door den Koning aan den hoogen raad is ingezonden, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den ambtenaar met de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast. (G. 68; Sv. 337 v.)

341. (371) Indien de veroordeelde geene gratie heeft verzocht, of zijn verzoek is afgewezen, geschiedt de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis, zoo dra mogelijk, na verloop van den termijn bij art. 336 aangewezen. (I. 375; Sv. 339, 375.)

342. (372*) De straffen van gevangenis, hechtenis, plaatsing in eene rijkswerkinrichting en openbaarmaking van de regterlijke uitspraak worden ten uitvoer gelegd op bevel van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk kollegie of kanton-geregt, dat de veroordeeling heeft uitgesproken. (Sr. 9a n0. 1 en 2, b n0. 2 en 4, 23 v., 32, 36; Stb. 1890 n0. 127, zie chron. lijst.)

Die ambtenaar kan daarbij de hulp inroepen van de openbare burgerlijke of gewapende magt. (1. 376; R. O. 4; Sv. 27, 42, 96, 106; Sr. 357.)

A. Art. 24, lid a, der consulaire Wet (zie chron. lijst.); De consulaire ambtenaren kunnen de door de consulaire reglbank tot meer dan zes maanden gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde Nederlanders opzenden naar Nederland of naar Nederlandsch-Indiè, volgens de onderscheiding bij art. 23 gemaakt, ten einde deze veroordeelden door de tusschenkomst van den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank te Amsterdam of bij den raad van justitie te Batavia aldaar hunne straf ondergaan.

343. (373*) De vervolging tot verhaal van boeten, verbeurdverklaarde voorwerpen en kosten, heeft plaats in maniere als volgt:

Indien de zaak bij den hoogen raad, of bij het geregts-hof is beslist, of wel bij de regtbank is aanhangig gemaakt, overeenkomstig de voorschriften van art. 141, n0. 1, geschiedt de ten uitvoerlegging in naam van den ambtenaar van liet openbaar ministerie, door het daartoe bevoegd bestuur.

Indien de ambtenaren, bij art. 141, n®. 2, aangeduid,

1145

-ocr page 1272-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

het geding hebben aangelegd, geschiedt de ten uitvoerlegging ter requisitie van diezelfde ambtenaren. (I. 197, R. O. 4; Stb. 1832 n0. 29 a. 16c en d; Sr. 23 v., 33 v., 91; Sv. 214, 215, 410 v.; Inv. 7 c—ƒ.)

344. (374*) Bij strafbare feiten, waarvan de kanton-regter kennis neemt, worden de boeten, verbeurdverklaarde voorwerpen en kosten verhaald in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt, door den daartoe bevoegden ontvanger. (R. O. 4; Stb. 1832 n0. 29, a. 16c en d; Sr. 23 v., 33 v., 35, 91; Sv. 253 n0. 5 en 6, 254; Inv. 10 n». 5, 18.)

345. (375) Indien, in de gevallen bij de wet voorzien, aan de beleedigde partij eene som tot schadevergoeding is toegelegd, geschiedt de vervolging door haar zelve. (I. 147; R. O. 44, 56, 92; Sv. 3 v., 202 v., 218d, 253 n0. 4.)

ZEVENTIENDE TITEL.

Van het beroep in cassatie.

EERSTE AFDEELtNG.

Van het beroep in cassatie in het algemeen

346. (380*) Wanneer in den loop van het regtsgeding voor het geregtshof, de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt eenige vormen mogten zijn geschonden of nagelaten, welke bij dit Wetboek op straffe van nietigheid, zijn voorgeschreven, zal zoodanig verzuim of scnending, op de vordering van den veroordeelde of van het openbaar ministerie, gronden opleveren tot vernietiging van het arrest of vonnis en van hetgeen daaraan is vooraf gegaan, te rekenen van de eerste nietige akte af. (Sv. 13, 65, 85b, 86b, 936, 107a, 1166, 118, 129, 137, 140, 143, 144, 148, 149a, 162, 183 v., 189d, 1916, 221—223.)

Hetzelfde zal plaats hebben, zoo wel in de gevallen van onbevoegdheid, als in geval er nagelaten of geweigerd is uitspraak te doen, hetzij op eene of meer vorderingen van den beklaagde, hetzij op eene of meer vorderingen van het openbaar ministerie, gestrekt hebbende om gebruik te kunnen maken van eene bevoegdheid, of van een regt, hetwelk door de wet is toegekend; ofschoon ook de straf van nietigheid niet woordelijk verbonden zij aan het nalaten der formaliteit, waarvan de uitvoering gevraagd of gevorderd was. (R. O. 44, 56 v., 67; A. 13; Rv. 844; Sv. 91, 1416,145,153,155,157, 165, 166, 169—174, 177, 180—183, 189, 190, 192-194, 197,198d, 199, 200, 201, 205c, 227, 323.)

Eindelijk wordt ook de cassatie toegelaten, zoo wel wegens verkeerde toepassing of schending der wet, als wegens overschrijding van regtsmagt, (R. O. 1, 2, 44, 56 v., 67. — I. 177, 408; G. 165; R. O. 20, 21, 95 v.; Sv. 347 v., 353.)

347. (381) In geval de beklaagde is vrijgesproken, op

1146

-ocr page 1273-

TITEL XVI EN XVII, ARTT. 344—353. H47

grond dat deszelfs schuld niet is bewezen, kan de cassatie van het vonnis of arrest, door den procureur-gene-raal bij den hoogen raad, alleen vervolgd worden in het belang der wet, zonder den vrijgesprokene te benadeelen. (I. 409; G. 165; R. O. 98; Stb. 1869 n». 36, a.3;Sv.216; R. I, a. 82.)

348 (382) Indien de beklaagde van alle regtsvervol-ging is ontslagen, op grond dat het feit noch misdrijf, noch overtreding oplevert, kan de cassatie door het openbaar ministerie worden gevorderd, op de wijze bij de tweede afdeeling van dezen Titel voorgeschreven. (I. 410; Sv. 216, 350, 354 v.)

849. (383) Indien de nietigheid berust op de veroordeeling tot eene andere straf dan die, welke bij de wet tegen het misdrijf of de overtreding is bepaald, kan de cassatie insgelijks op voorschreven wijze worden gevorderd, zoo wel door het openbaar ministerie als door den veroordeelde. (I. 410; Sv. 346, 850, 354 v.)

350. (384) In het geval bij de artikels 348 en 349 voorzien, kan de beklaagde incidenteel en zonder voorafgaande aanteekening, zich in cassatie beroepen, ter zake van informaliteiten bij gelegenheid der teregtstelling begaan.

Zoodanig incidenteel verzoek wordt vooraf geïnstrueerd en beslist.

Indien het vonnis of arrest te dier zake wordt vernietigd, handelt de hooge raad overeenkomstig artikel 106 van de wet op de regterlijke organisatie.

Indien daarentegen de eisch tot cassatie wordt verworpen, wordt het beroep van den procureur-generaal voortgezet en beslist. (Sv. 346, 358.)

351- (385*) Wanneer de opgelegde straf dezelfde is als die der wet welke op het misdrijf of de overtreding toepasselijk is, zal de veroordeelde de vernietiging van het arrest of vonnis niet kunnen vorderen, op grond dat er een misslag begaan is in de aanhaling van de artikelen der wet; onverminderd het regt van het openbaar ministerie om de vernietiging alleen in het belang der wet te kunnen vorderen. (I. 411; G. 161a; R. O. 20c, 98; Sv. 2216, 223, 346a.)

352. (386) Wanneer de hooge raad de instructie eener zaak vernietigt, zal dezelve, indien er zeer grove misslagen mogten hebben plaats gehad, bevelen dat de kosten van het vernietigd geding komen zullen ten laste van den ambtenaar welke de nietigheid begaan heeft. (1. 415; Rv. 17, 96.)

353. (387) In geenerlei strafzaken, zijn partijen ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoo lang de gewone manier van procederen toereikende is. (I. 177, 414; R. O. 103; Sv. 228, 255, 266.)

-ocr page 1274-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

TWEEDE AFDEELING.

Van de wijze van procederen in cassatie.

354. (388) Het beroep in cassatie tegen voorbereidende gewijsden en tegen gewijsden van instructie of gelijksoortige vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, zal niet openstaan dan na het eindvonnis; de vrijwillige voldoening aan zoodanige voorbereidende gewijsden of vonnissen kan. in geen geval, worden tegengeworpen als een grond van niet ontvankelijkheid.

De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk op de gewijsden of vonnissen over onbevoegdheid, noch over excep-tien van verjaring en van gewijsde zaak. (I. 416; R. 0. 95: Sv. 82, 94c, 130, 153, 228e; Sr. 68, 70 v.)

355. (389*) De aanteekening van beroep in cassatie zal door den beklaagde of zijnen raadsman of gemagtigde, ter griffie worden gedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring doet, als door den griffier.

Indien degene, die de verklaring doet, niet teekenen kan, zal de griffier er melding van maken.

De verklaring zal in een daartoe bestemd openbaar register kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk ge-regtigd is zich uittreksels te doen geven. (I. 417; Sv. 132 v., 230 v., 357, 358.)

356. (390*) De beklaagde zal drie dagen vrij hebben, na den dag op welken het arrest of vonnis i.s uitgesproken, ten einde zijne verklaring te doen. Dezelfde termijn wordt aan het openbaar ministerie toegestaan. (I. 373; Sv. 229, 335 n0. 1.)

357. (391*) Indien het openbaar ministerie, bij het ge-regtshof, de arrondissements-regtbank of het kantongeregt zich van het middel van cassatie bedient, geschiedt de aanteekening op dezelfde wijze als bij het eerste en derde lid van art. 355 is voorgeschreven, en moet in dat geval die aanteekening aan den beklaagde worden kenbaar gemaakt in maniere als volgt:

Indien hij in verzekerde bewaring is, wordt de aanteekening aan denzelven, binnen drie dagen nadat dezelve heeft plaats gehad, door den griffier voorgelezen en hem daarvan afschrift gelaten.

Indien hij in vrijheid is, wordt hem de aanteekening binnen veertien dagen van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie beteekend.

Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving binnen den daarvoor gestelden termijn wordt, wanneer van wege den beklaagde op de teregtzitting daartoe verzoek gedaan wordt, uitstel verleend, met last dat de aanzegging alsnog geschiede. (I. 418; Sv. 7, 118,144,234,262, 333, 366, 367.)

358. (393*) De beklaagde zal, het zij \'bij het doen van zijne voornoemde aanteekening, het zij binnen de tien volgende dagen, ter griffie van het hof of van de regtbank, waar het beklaagde arrest of vonnis gewezen is, een ver-

1148

-ocr page 1275-

TITEL XVII, ARTT. 354—367.

zoekschrift kunnen indienen, houdende zijne middelen van cassatie.

De griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs geven. (I. 422; Rv. 406; Sv. 130, 132 v., 232, 355, 360, 361 v.)

359. (394:\':) Indien het openbaar ministerie zich in cassatie beroept, is hetzelve op straffe van niet ontvankelijkheid verpligt om, op dezelfde wijze en binnen denzelfden termijn, als in het vorige artikel is vermeld, eene memorie ter griffie van het hof, de regtbank of het kanton-geregt in te dienen, houdende zijne middelen van cassatie. (Sv. 141 n0. 2, 232, 251, 357, 358, 360.)

360. (395) Onverminderd de middelen van cassatie bij de wederzijdsche memorien vermeld, kunnen nog andere worden voorgedragen, behoudens de bevoegdheid van den hoogen raad, om aan de wederpartij, zoo daartoe gronden zijn, eenen bekwamen tijd van uitstel te verleenen. (Rv. 419; Sv. 358, 359.)

361. (396) Binnen drie dagen na het verloopen van den termijn bij art. 358 vermeld, zal de griffier, onder inventaris, welke kosteloos wordt opgemaakt, alle de stukken van het geding overzenden aan den griffier bij den hoogen raad, die dezelve ter griffie zal nederleggen en daarvan dadelijk kennis geven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (I. 423,424; Sv. 233, 251 n0. 2, 363; R. I, a. 62.)

362. (397:;:) De beklaagde kan het verzoekschrift of de memorie, of wel de beteekende uitgifte of afschriften van het vonnis of arrest, of afschrift van zijnen eisch tot cassatie, dadelijk aan den sriffier van den hoogen raad inzenden. (I. 424; Sv. 358 v.)

363. (398) Zoodra de stukken ter griffie van den hoogen raad zijn nedergelegd, kan, zoo wel de procureur-generaal als de beklaagde, of zijn advocaat daarvan inzage nemen. (Sv. 1236, 134b, 226c. 236d, 358 v., 364.)

364. (399) Nadat de stukken, gedurende den tijd van acht dagen, ter griffie hebben berust, zal de procureur-generaal dezelve onmiddellijk, tegen een bewijsschrift, ligten en aan den hoogen raad inleveren.

De president zal, bij appointement eenen rapporteur benoemen, en den dag bepalen op welken het verslag ter teregtzitting zal worden uitgebragt.

Er zullen ten minste veertien dagen moeten verloopen tusschen den dag van het gemeld appointement en den dag voor de teregtzitting bepaald. (I. 424, 425; Sv. 240, 361, 363, 365, 367; R. I, a. 34, 50.)

365. (400) Binnen tweemaal vier en twintig uren na het appointement van den president, zal de griffier de stukken aan den rapporteur moeten ter hand stellen. (Sv. 364.)

366. (401*) Zoodra de president den dag heeft bepaald, geeft hij daarvan kennis aan den procureur-generaal, welke die tijdsbepaling ten minste acht dagen vóór den dag der teregtzitting aan den beklaagde doet beteekenen. (Sv. 7, 144, 237, 357c?.)

367. (402) Op den bepaalden dag doet de rapporteur zijn verslag, hetwelk moet behelzen een summier voorstel

1449

-ocr page 1276-

1148 WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

TWEEDE AFDEELING.

Van de wijze vayi procederen in cassatie.

354. (388) Het beroep in cassatie tegen voorbereidende gewijsden en tegen gewijsden van instructie of gelijksoortige vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, zal niet openstaan dan na het eindvonnis; de vrijwillige voldoening aan zoo- ternnj danige voorbereidende gewijsden of vonnissen kan, in geen ter g geval, worden tegengeworpen als een grond van niet ontvankelijkheid.

De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk op de gewijsden of vonnissen over onbevoegdheid, noch over excep-tien van verjaring en van gewijsde zaak. (I. 416; R. 0.95; Sv. 82, 94c, 130, 153, 2-28e; Sr, 68, 70 v.)

355. (389*) De aanteekening van beroep in cassatie zal door den beklaagde of zijnen raadsman of gemagtigde, ter griffie worden gedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring doet, als door den griffier.

Indien degene, die de verklaring doet, niet teekenen kan,

zal de griffier er melding van maken.

De verklaring zal in een daartoe bestemd openbaar register kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk ge-regtigd is zich uittreksels te doen geven. (L 417; Sv. 132 v., 230 v., 357, 358.)

356. (390*) De beklaagde zal drie dagen vrij hebben,

na den dag op welken het arrest of vonnis is uitgesproken, ten einde zijne verklaring te doen. Dezelfde termijn wordt aan het openbaar ministerie toegestaan. (I. 373; Sv. 229, 335 n0. 1.)

357- (391*) Indien het openbaar ministerie, bij het ge-regtshof, de arrondissements-regtbank of het kantongeregt zich van het middel van cassatie bedient, geschiedt de aanteekening op dezelfde wijze als bij het eerste en derde lid van art. 355 is voorgeschreven, en moet in dat geval die aanteekening aan den beklaagde worden kenbaar gemaakt in maniere als volgt:

Indien hij in verzekerde bewaring is, wordt de aanteekening aan denzelven, binnen drie dagen nadat dezelve heeft plaats gehad, door den griffier voorgelezen en hem daarvan afschrift gelaten.

Indien hij in vrijheid is, wordt hem de aanteekening binnen veertien dagen van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie beteekend.

Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving binnen den daarvoor gestelden termijn wordt, wanneer van wege den beklaagde op de teregtzitting daartoe verzoek gedaan wordt, uitstel verleend, met last dat de aanzegging alsnog geschiede. (I. 418; Sv. 7, 118,144,234,262, 333, 366, 367.)

358. (393*) De beklaagde zal, het zij bij het doen van zijne voornoemde aanteekening, het zi] binnen de tien volgende dagen, ter griffie van het hof of van de regtbank,

waar het beklaagde arrest of vonnis gewezen is, een ver-

zoeksc\' cassati

De (I. 42 358 satie heid

-ocr page 1277-

TITEL XVII, ARTT. 354—367.

zoekschrift kunnen indienen, houdende zijne middelen van cassatie.

De griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs geven. (I. 422; Rv. 406; Sv. 130, 132 v., 232, 355, 360, 361 v.)

359. (394Indien het openbaar ministerie zich in cassatie beroept, is hetzelve op straffe van niet ontvankelijkheid verpligt om, op dezelfde wijze en binnen denzelfden termijn, als in het vorige artikel is vermeld, eene memorie ter griffie van het hof, de regtbank of het kanton-geregt in te dienen, houdende zijne middelen van cassatie. (Sv. 141 n». 2, 232, 251, 357, 358, 360.)

360. (395) Onverminderd de middelen van cassatie bij de wederzijdsche memorien vermeld, kunnen nog andere worden voorgedragen, behoudens de bevoegdheid van den hoogen raad, om aan de wederpartij, zoo daartoe gronden zijn, eenen bekwamen tijd van uitstel te verleenen. (Rv. 419; Sv. 358, 359.)

361. (396) Binnen drie dagen na het verloopen van den termijn bij art. 358 vermeld, zal de griffier, onder inventaris, welke kosteloos wordt opgemaakt, alle de stukken van het geding overzenden aan den griffier bij den hoogen raad, die dezelve ter griffie zal nederleggen en daarvan dadelijk kennis geven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (I. 423,424; Sv. 233, 251 n0.2, 363; R. I, a. 62.)

362. (397:i:) De beklaagde kan het verzoekschrift of de memorie, of wel de beteekende uitgifte of afschriften van het vonnis of arrest, of afschrift van zijnen eisch tot cassatie, dadelijk aan den griffier van den hoogen raad inzenden. (I. 424; Sv. 358 v.)

363. (398) Zoodra de stukken ter griffie van den hoogen raad zijn nedergelegd, kan, zoo wel de procureur-generaal als de beklaagde, of zijn advocaat daarvan inzage nemen. (Sv. 123b, 1346, 226c. 236d, 358 v., 364.)

364. (399) Nadat de stukken, gedurende den tijd van acht dagen, ter griffie hebben berust, zal de procureur-generaal dezelve onmiddellijk, tegen een bewijsschrift, ligten en aan den hoogen raad inleveren.

De president zal, bij appointement eenen rapporteur benoemen, en den dag bepalen op welken het verslag ter teregtzitfing zal worden uitgebragt.

Er zullen ten minste veertien dagen moeten verloopen tusschen den dag van het gemeld appointement en den dag voor de teregtzitfing bepaald. (I. 424, 425; Sv. 240,361,363, 365, 367; R. I, a. 34, 50.)

365. (400) Binnen tweemaal vier en twintig uren na het appointement van den president, zal de griffier de stukken aan den rapporteur moeten ter hand stellen. (Sv. 364.)

366. (401*) Zoodra de president den dag heeft bepaald, geeft hij daarvan kennis aan den procureur-generaal, welke die tijdsbepaling ten minste acht dagen vóór den dag der teregtzitting aan den beklaagde doet beteekenen. (Sv. 7, 144, 237, 357d.)

367. (402) Op den bepaalden dag doet de rapporteur zijn verslag, hetwelk moet behelzen een summier voorstel

1149

i ®

li

f i i i i I

i i Si

-ocr page 1278-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

der feiten, en de juiste aanduiding van de middelen van cassatie, indien en voor zoo ver die zijn voorgedragen. (Sv. 240, 357d, 364.)

368. (403) Daarna zal de procureur-generaal, benevens de advokaat van den beklaagde, indien er een voor den-zelven verschijnt, het woord voeren. (Rv. 328,418; Sv. 240; R. I, a. 59.)

369. (404) De hooge raad zal hierop in raadkamer raadplegen, en den eisch in cassatie, het zij op de aangevoerde gronden, het zij op andere gronden welke de hooge raad zelf mogt oordeelen te bestaan, ontzeggen, of het arrest of vonnis vernietigen.

In het laatste geval handelt dezelve overeenkomstig de voorschriften en onderscheidingen in de artt. 105 en 106 van dè wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie voorkomende.

Het arrest zal ter openbare teregtzitting worden uitgesproken. (I. 426, 427; G. 161; Rv. 402, 419; Sv. 211, 246; R. I, a. 60.)

370. De kosten van het beroep in cassatie blijven, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, voor rekening van den Staat.

Kosten, door of ten behoeve van den beklaagde gemaakt, zijn niet onder de geregtskosten begrepen. (Sv. 214 v., 217, 418.)

Lit artikel aldus vastgesteld hij art. 8 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). a)

371. (405*) De beklaagde welke in verzekerde bewaring is, en die, ten gevolge van de vernietiging van het arrest of vonnis eene nieuwe teregtstelling moet ondergaan, wordt in dien staat aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie overgeleverd. (I. 435; R. O. 106.)

372. (406) Wanneer een eisch tot cassatie ontzegd is zal de partij die denzelven had gedaan, onder geen voorwendsel hoegenaamd, of op welke wijze ook, eenige verdere voorziening tot cassatie tegen hetzelfde arrest of vonnis kunnen aanwenden. (I. 438; Sv. 335, 375.)

a) Oorspronkelijk luidde het artikel: „De beklaagde, wiens veroordeeling tengevolge van de beslissing van den hoogen raad geheel of gedeeltelijk stand houdt, wordt verwezen in de kosten op het beroep gevallen.

De kosten komen echter niet ten zijnen laste, wanneer de veroordeeling stand houdt ten gevolge van de verwerping van een beroep, ingesteld door het openbaar ministerie alleen.

De hooge raad is bevoegd de kosten van het quot;oeroep niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, indien, op het beroep van het openbaar ministerie of van den beklaagde, het vonnis of arrest in het voordeel van laatstgenoemde wordt gewijzigd of een beroep van het openbaar ministerie en van den beklaagde beide wordt verworpen.

Bij verwijzing der zaak naar denzelfden of eenen anderen regter, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbe-slissing.quot;

1150

-ocr page 1279-

TITEL XVII EN XVIIi, ARTT. 368—376.

373. (407) Het arrest, waarbij een eisch tot cassatie ontzegd is, zal binnen drie dagen, bij een eenvoudig uittreksel, door den griffier onderteekend, en door den president gewaarmerkt, worden uitgegeven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad, en door dezen worden verzonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hof of de regtbank, welke het beklaagde arrest of vonnis heeft gewezen. (I. 439; R. I, a. 84.)

374. (4083:) Indien bij het vonnis of arrest van veroordeeling meerdere medebeklaagden zijn veroordeeld, en slechts één of eenigen hunner, zich in cassatie hebben beroepen, zal, ingeval van vernietiging van de uitspraak, zulks ten aanzien van allen gelden.

De beklaagde die niet in cassatie is opgekomen, kan echter, bij een nieuw arrest, tot geene zwaardere straf worden veroordeeld, dan diegene, waartoe hij bevorens verwezen was. (Sv. 248, 338.)

ACHTTIENDE TITEL.

Van de opschorting en vernietiging van arresten en

vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden.

375. (409*) De arresten of vonnissen, waarbij iemand tot straf is veroordeeld, kunnen, zelfs in het geval dat het verzoek om cassatie is afgewezen, door den hoogen raad, het zij ter requisitie van den procureur-generaal bij dat kollegie, of op een verzoekschrift van den veroordeelde, worden geschorst en zelfs vernietigd, in de drie volgende gevallen; (Sv. 335 v., 340, 341, 372, 379; R. I, a. 79c.)

1°. Indien twee of meer beklaagden bij onderscheidene arresten of vonnissen als daders van hetzelfde strafbare feit zijn veroordeeld, en die arresten niet zijn overeen te brengen, maar het bewijs van onschuld van den eenen of den anderen der veroordeelden medebrengen; (I. 443; Sv. 376.)

2°. Indien, na de veroordeeling wegens moord, doodslag of eenig misdrijf met doodelijk gevolg, er stukken worden te berde gebragt, waaruit aanvankelijk genoegzaam blijkt dat de persoon, wiens vooronderstelde dood aanleiding tot de veroordeeling heeft gegeven of bij de bepaling der straf in aanmerking is genomen, nog in leven is; (I. 444; Sv. 377.)

3°. Indien, na de veroordeeling van eenen beklaagde, om welk strafbaar feit ook, een of meer getuigen, welke te zijnen laste getuigenis hebben afgelegd, ter zake van meineed in dat geding, in regten worden betrokken. (I. 445; Sv. 174, 175, 378; Sr. 207.)

376. (410*) In het geval bij n0. 1 van het vorige artikel vermeld, zal de hooge raad, na onderzoek, de beide gewijsden of vonnissen vernietigen, en de beklaagden verzenden naar eene der arrondissements-regtbanken, welke van het

4151

-ocr page 1280-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

strafbaar feit, aan de beklaagden ten laste gelegd, geene kennis hoegenaamd genomen heeft, en zulks ten einde de zaak op nieuw te onderzoeken en daarin ragt te doen. (I. 443; R. O. 56, 106.)

377. (411*) In het geval bij n0. 2 van art. 375 hier boven vermeld, zal de hooge raad de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis schorsen, en eene regtbank benoemen en magtigen, om geregtelijk onderzoek en uitspraak te doen wegens de eenzelvigheid van den persoon, en om daarna de stukken, benevens het vonnis deswege te vellen, aan den hoogen raad in te zenden, welke laatstgenoemde alsdan, naar bevind van zaken, de schorsing zal intrekken, of wel het arrest of vonnis van veroordeeling zal te niet doen, en tevens op het requisitoir van den procureur-generaal een nader onderzoek der zaak zal bevelen, voor zoo verre daartoe gronden zouden mogen zijn. (I. 444; Sv. 269 v., 335, 341.)

378. (412^) In het geval bij n0. 3 van art. 375 vermeld, zal de hooge raad insgelijks de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis van veroordeeling schorsen, tot dat over de schuld van de beklaagde getuigen zal z\\jn uitspraak gedaan.

Indien de getuigen worden vrijgesproken, zal de hooge raad bevelen, dat het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen de beklaagden gewezen, worde ten uitvoer gelegd.

Wanneer de getuigen daarentegen ter zake van meineed worden veroordeeld, zal de hooge raad het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen den beklaagde gewezen, vernietigen, en de zaak naar eene arrondissements-regtbank verzenden, welke noch van de oorspronkelijke zaak, noch van die, betrekkelijk tot den meineed kennis heeft genomen.

De getuigen, die wegens meineed zijn veroordeeld, zullen in het nieuw onderzoek niet mogen gehoord worden. (I. 445, 446. Sv. 165, 174. 335, 341; Sr. 207.)

379. (413) Indien in een der gevallen bij art. 375 vermeld, na den definitieven afloop der zaak, van de onschuld van eenen persoon mogt blijken, welke reeds zijne straf heeft ondergaan, zal, op diens verzoek, de hooge raad den veroordeelde in zijne eer herstellen bij een arrest, hetwelk ten koste van den staat zal worden afgekondigd.

Indien de veroordeelde mogt zijn overleden, zal het verzoek daartoe door eenen zijner nabestaanden, of, bij het ontbreken derzelve, door eenen curator ad hoe, door den hoogen raad te benoemen, mogen gedaan worden, en zal, in dat geval, de hooge raad de nagedachtenis van den overledene ontlasten van de veroordeeling welke tegen hem was uitgesproken. (I. 447; B. 1411,1395 v. j18-Sv. 343—345, 418.)

1152

-ocr page 1281-

TITEL XVIII, EN XIX, ARTT. 377— 484.

NEG J\' N ï 1 ]• N D E T [TEL.

Van gevangenissen. (Sr. 22; Stb. 1884 n°. 3, jis- 1886

n0. 130, 1888 n». 176, 1889 n». 51, 1892 n». 241 (zie blz. 1040), Stb. 1886 nquot;. 62, j\'. 1888 n0.176 (blz. 1043); Stb. 1886 n M 59, 1887 nM 39,1889 nM 71, 1891 n0. 143 (blz. 1043); Stb. 1887 n0.19, j®. 1891 nquot;. 176 (blz. 1066).)

380. (410*) De hoofden van alle gevangenissen en rijks-werkinrigtingen zijn vorpligt een register te houden.

Dat register zal op de eerste en laatste bladzijde door den president van de arrondissements-regtbank geteekend en voorts op alle andere bladen door hem gewaarmerkt zijn. (I. 607; B. 54; Sr. 369.)

381. (417*) Elk, die een bevel van voorloopige aanhouding, een bevel van gevangenneming, of een arrest of vonnis van veroordeeling ten uitvoer legt, moet bij de overlevering van den persoon aan het hoofd van het gesticht, door dezen op deszelfs registers doen inschrijven:

1°. Den voornaam, naam, het beroep en zoo mogelijk de geboorteplaats en de woonplaats van den gearresteerde;

2°. De opgave van het regterlijk kollegie of van den ambtenaar welke de aanhouding of de in gevangenisstelling heeft bevolen;

3°. De dagteekening van bet bevel, vonnis of arrest; (Sv. 54, 116.)

4°. Den dag der overlevering; (Sv. 108, 139.) en

5°. Bij veroordeeling, den tijd der straf.

Deze inschrijving wordt door hem benevens het hoofd van liet gesticht geteekend.

Het hoofd van het gesticht stelt hem een uittreksel uit zijn register tot zijne ontlasting ter hand.

Hij is eindelijk verpligt het bevel, vonnis of arrest aan het hoofd van het gesticht te vertoonen. (I. 608; Sv. 45,

108, 109, 151, 342, 383; Sr. 368, 464.)

382. (418*) Geen hoofd van eene gevangenis of rijks-werkinrigting mag iemand in het gesticht innemen of houden dan uit krachte van een bevel daartoe door de bevoegde magt verleend, of van een vonnis of arrest, en zonder dat zoodanig bevel, vonnis of arrest, in voege voormeld, in zijn register is ingeschreven. (I. 609; G. 157 v.; Sv. 45, 105,

109, 151, 227, 235, 289, 303, 342, 381, 386; Sr. 368 n».2, 369, 464.)

383. (419*) Op het bovengemeld register zal insgelijks door het hoofd van het gesticht, ter zijde der akte van overneming, worden aangeteekerd de dag van het vertrek van den gevangene of verpleegde, alsmede het bevelschrift, arrest of vonnis, uit kracht van hetwelk hij vertrokken is. (I. 610; Sv. 54, 116, 227, enz.)

384. (420*) Gedurende de instructie eener strafzaak is de regter-commissaris, of, in de gevallen waarin de instructie door een raadsheer-commissaris geschiedt, deze bevoegd in de gevangenis ten opzichte van den beklaagde zoodanige

1153

eene

e de

oen.

hier

van

tnen

te

om

len,

mde

ien,

niet

;ur-

oor

44;

ner

ing

tot

tyn

Dge

jen

in-

an-

er-

nk

ch

3n,

en

ir5.

;r-dd

\'af

sn

Ik

r-

et

■n

tl,

n

Tl

5,

m

ij ,

li)

m

I.

I

If l|

II

1 M

| Hl

: ij \'li

i,y, .

73

-ocr page 1282-

1154

bevelen te geven als hij in het belang der instructie noodig1 stemd acht. kennis

Indien nogtans door den procureur-generaal of officier dissen van justitie, of ook door den regter-commissaris of raadsheer- geregl commissaris, noodzakelijk mogt worden geacht dat een ge- n0. 3, vangene, na den dag zijner gevangenneming, langer dan 39( zes dagen buiten toegang behoorde te worden gehouden, umbts zal de voortduring daarvan geen plaats mogen hebben, dan ;slond uit kracht van een bevel van den hoogen raad, van het hof, persoi of van de regtbank. (1. 613 v.; Sv. 95, 300, 1°.) reden

385. (421*) De arrondissements-regtbanken zijn verpligt voor om de gevangenissen en rijkswerkinrigtingen van tijd tot Zij tijd door commissarissen uit hun midden te doen bezigtigen, make ten einde voor de nakoming van de voorschriften van dezen en den volgenden titel te zorgen.

Dezelfde verpligting rust op de officieren van justitie bij die kollegien. (1. 611, 612; Sr. 368, 369; Sv. 380 v.,368v.)

Aldus gewijzigd hij de Wet van 4 Juli 1887 (Stb. n0. Ill), a)

TWINTIGSTE TITEL.

Van de middelen om de persoonlijke vrijheid te verzekeren ter/en onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen. (Verg. ook Stb. 1875 n0. 66, a. 9 v., zie chron. lijst.)

386-388, hoewel niet uitdrukkelijk irgelrokken, zijn van zelf vervallen door de intrekking van art. 152 Gr. 1848, hij de herziening in 1887. h)

385). (425) Een ieder die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt in eene plaats, die niet wettig be-

a) Oorspronkelijk luidde hot begin van liet eerste lid: „Do hoogo raad, de hoven en de arrondissements-regtbanken zijn verpligt enz.quot; en luidde het tweede lid: „Dezelfde verpligting rust op den procureur-generaal en de officieren van justitie bij die collegien.quot;

h) Zij luidden: Art. 3S0. (422*) Wanneer, in het geval van art. 152 van de grondwet, het politiek gezag een ingezeten des rijks uiogt hebben doen arresteren, zal, onverminderd de verpligting, in zoodanig geval, aan het politiek gezag, hetwelk de aanhouding bevolen heeft, opgelegd, degene in wiens bewaring zoodanig ingezeten is overgeleverd, gehouden zijn daarvan onmiddellijk kennis te geven aan het geregtshof, mitsgaders aan de arrondissements-regtbank.

Art. S87. (123) Indien het politiek gezag niet heeft nagekomen de verpligtingen welke bij het voornoemd artikel der grondwet zijn voorgeschreven, zal het hof of de regtbank, na verhoor van den procureur-generaal of van den officier van justitie, bevelen dat de gearresteerde worde in vrijheid gesteld.

Art. S88. (121) Indien hot politiek gezag voldaan heeft aan het voorschrift van art. 152 der grondwet, zal ten aanzien van den gearresteerde gehandeld worden overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek.

-ocr page 1283-

TITEL XX EN XXI, ARTT. 385—393.

loodig stemd is om tot gevangenis te dienen, is gehouden daarvan kennis te geven aan den oflicier van justitie bij de arron-disseinents-regtbank, of aan den procureur-generaal bij het geregtshof. (I. 615; Sv. 10, 390; Sr. 136,137, 368; Stb. 1884 n0. 3, zie blz. 1040.)

390. (420) Deze ambtenaren zijn verpligf, het zij van ambtswege, het zij op daarvan bekomen berigt, zich terstond naar de plaats te begeven, en den gevangen gehouden it hof, persoon in vrijheid te doen stelien, of, zoo er eene wettige reden van aanhouding gegeven wordt, denzelven dadelijk rpligt voor den bevoegden regter te doen brengen.

id tot Zij zullen van dat alles een behoorlijk proces-verbaal op-\'igen, maken. (I. 616; Sr. 368; Sv. 43.)

Jezen

EEN EN TWINTIGSTE TITEL.

Van het bewijs der strafbare feiten,

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

391. (4-27) Niemand kan wegens misdrijf of overtreding veroordeeld worden, ten zij de regter, door wettige bewijsmiddelen, de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk heeft plaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is.

Op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand veroordeeld worden. (Sv. 211, 221, 393, 395, 397«, 404.)

A. Art. 9 der Arbeidswet. Wanneer een persoon beneden zestien jaren of eene vrouw in de werkuren aangetroffen wordt op eene besloten plaats waar arbeid wordt verricht, die niet tevens een woonvertrek is, en wanneer een persoon beneden zestien jaren aangetroffen wordt aan boord van een vaartuig, dat niet bestemd is tot het vervoer van reizigers en aan boord waarvan die persoon niet woont, wordt die geacht aldaar zelf arbeid te verrichten, tenzij het tegendeel blijke. a)

392. (428) Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

1°. Bewijs door getuigen; (0. 1932 v.; Sv. 61 v.,396 v.;

Consul.w., a. 155, zie chron. lijst.)

2°. Schriftelijke bescheiden; (^B. 1904 v.; Sv. 400 v.;

Stb. 1876 n0. 289, a. 2.)

Squot;. Bekentenis; (B. 1960 v.; Sv. 403 v.)

4°. Aanwijzingen. (13. 1952 v.; Sv. 406 v.—B. 1903.)

«55

393. (429) Deze bewijsmiddelen kunnen, zoo wel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd, tot daarstelling van regterlijke overtuiging dienen, voor zoo verre zij met de hierna volgende voorschriften overeenkomen. (Sv. 395, 397a, 404.)

a) De plaats dezer bepaling is onzeker, vermits twijfelachtig is of eene uitzondering is bedoeld op krt. 391amp;, 392, S95, 40C of 408.

-ocr page 1284-

1156

394. (430) Alle soort van bewijsmiddelen kan door tegeji-bewijs worden ontzenuwd.

395. (431) Geenerlei bewijsmiddel zal ter veroordeeling van eenen beklaagde verpligtend zijn, wanneer de regter niet volkomen overtuigd is dat deze het hem ten laste gelegde strafbaar feit waarlijk heeft begaan of daaraan mede-pligtig is. (I. 342; Sv. 216, 269, 391, 403, 406.)

TWEEDE A F D E E L I N G.

Van bewijs door getuigen.

39fi. (432) Tot het geven van getuigenis in strafzaken zijn allen bevoegd, die daarvan niet zijn uitgesloten bij de artt. 1G2, 164 en 165 van dit Wetboek. (B. 1932 v., 1946 v.; Sv. 161, 163, 378d. 409.)

397. (433) De afzonderlijke getuigenis van eenen enkelen getuige kan niet als wettelijk bewijs gelden.

Echter kunnen afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene feiten als wettelijk bewijs gelden, wanneer zij door hunnen zamenloop en hun verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak.

De beoordeeling hiervan wordt aan de voorzichtigheid van den regter overgelaten. (B. 1942, 1943; Sv. 399, 406, 408.)

398. (434) Iedere afgelegde getuigenis moet loopen over feiten welke de getuige zelf gehoord, gezien of ondervonden heeft, en moeten daarbij tevens uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.

Bijzondere meeningen of gissingen, bij redenering opgemaakt, zijn geene getuigenissen. (B. 1944; Sv. 43amp;, 174,375 n». 3, 378, 409.)

399. (435) In de beoordeeling der waarde van de getuigenis, moet de regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenstemming der getuigen; op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak en het geding bekend is; op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen; op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen; en, in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben. (B. 1945; Sv. 62, 103,142,146,1546,155?), 160, 161 v., 170 v., 182, 188, 189e, 395, 408.)

DERDE A F DEELING.

Van schriftelijke bescheiden.

400. (436*) De voorschriften omtrent de kracht van bewijs van openbare en bijzondere schriftelijke bescheiden in burgerlijke zaken, moeten ook ten aanzien van het bewijs in strafzaken in acht genomen worden. (B. 1904 v.; Sv. 47,29n.)

-ocr page 1285-

TITEL xxr, ARTT. 394—407.

401. (437) De verklaringen, verbalen of relazen van hen, die in eenige openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, moeten, om als schriftelijke bescheiden te gelden, door hen afgelegd zijn op den eed bij den aanvang hunner bediening gedaan, of wel daarna met eede bevestigd worden. (Sv. 8, 16, 19 v., enz.; Stb. 1841 nquot;. 42, a. 21, zie chron. lijst; Stb. 1850 n0. 45, a. 11, 25c; Gem.w., a. 275; Stb. 1876 n0. 289, a. 2; Stb. 1890 n». 1, a. 10, 12.)

402. (438*) De rapporten van deskundigen, van ambtswege benoemd om over de bijzonderheden of gesteldheid cener zaak hun oordeel en hunne bevinding te verklaren, kunnen alleen dienen om tot des regters inlichting te verstrekken. (Sv. 51 v., 102, 177, 283; Stb. 1850 n0. 25, a. 10 en 11; Stb. 1889 n«. 82, a. 6.)

VIERDE AFDEELING.

Van bekentenis.

403. (439) Eene bekentenis, door den beklaagde voor den regter afgelegd, dat hij het aan hem ten lasle gelegde feit heeft gepleegd, en vergezeld van eene bepaalde en naauwkeurige opgave van omstandigheden, welke ook, het zij uit eene verklaring van den persoon tegen wien het feit is gepleegd, of uit andere bewijsmiddelen, bekend zijn, en daarmede overeenstemmen, kan een volledig bewijs van schuld opleveren. (B. 1962; Sv. 95, 100, 103, 139, 178 v., 196, 197, 1986, 244 274, 409.)

404. (440) Eene bloote bekentenis van schuld, door geenerlei in het geding bekende omstandigheden bevestigd, is nimmer genoegzaam om een wettelijk bewijs daar te stellen. (Sv. 891, 393, 395.)

405. (441) De herroeping eener geregtelijke bekentenis van schuld maakt dezelve niet krachteloos, ten zij die herroeping op aannemelijke redenen gegrond zij. (13. 1963 v.; Sv. 403.)

V IJK D E AFDEELING. Van aanwijzingen.

406. (442) Door aanwijzingen worden verstaan daadzaken, gebeurtenissen of omstandigheden, welker bestaan en overeenstemming, zoo onderling, als met het ten laste gelegde feit zelf, klaarblijkelijk aantoonen dat er een strafbaar feit gepleegd is, en wie hetzelve bedreven heeft. (B. 1952, 1959; Sv. 36, 408.)

407. (443) Het bestaan dezer aanwijzingen kan niet anders worden bewezen dan:

1®. Door getuigen; (Sv. 392 n0. 1, 396 v., 409)

2°. Door schriftelijke bescheiden; (Sv. 392 nu. \'2, 400 v.)

1157

deeling regter ste ge-mede-

-ocr page 1286-

H58 WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

3°. Door persoonlijk onderzoek of bezigtiging, bij den regter voor gedaan; (Sv. 40 v., 47, 110, 188, 190, 102, 273 v.) door

4°. Door eigen erkentenis van den beklaagde, zelfs buiten het ^ het geregt gedaan. (Sv. 41, 45, 46,50,856, 392 n0. 3, of di 403 v.)

408. (444) De beoordeeling der kracht van bewijs welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben, wordt aan de bescheidenheid des regters overgelaten. Deszelfs geweten wordt op het ernstigste belast met de inachtneming van de alleruiterste zorgvuldigheid en naauwkeurigheid in dat onderzoek. (B. 1959; Sv. 211 v., 395, 399.)

ZESDE A F D E E L I N G.

Van de kracht van onbeëediyde verklaringen.

409. (445) In de gevallen waarin de wet toelaat personen te hooren die onbevoegd zijn om als getuigen op te treden, zal derzelver verklaring alleen als toelichting mogen worden aangemerkt.

De regter zal alzoo geen volkomen geloof mogen hechten aan hetgeen zoodanige onbevoegde getuigen verklaren te hebben gehoord, gezien en ondervonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met en op het spoor te geraken van daadzaken, welke van elders kunnen blijken of bevestisd worden. (B. 1949; Sv. 1G2, 1G4, 1G5, 167, 293, 3Ü6, 403.)

TWEE EN TWINTIGSTE TITEL.

Van hel ophouden en te niet yaan van vervolgingen en straffen.

EERSTE AFDEELING.

Van den dood of de zinneloosheid der verdachten, beklaagden of veroordeelden.

410. (447) De bepaling van art. 69 van het Wetboek van Strafrecht lijdt uitzondering, voor zooveel aangaat het verhaal van boete of van verbeurte van bepaalde voorwerpen in zake van landelijke, plaatselijke en andere openbare belastingen, alles volgens de bepalingen en onderscheidingen in artt. 411, 412, 413 en 414 voorkomende. (Sr. 9I;Inv. 7, 226, 24a; Prov. w., a. 116; Stb. 1880 n0. 86, a. 1, zie chron. lijst onder Stb. 1818 n0. 12, a. 2; Gem.w., a. 271 v.; Sv. 416, 418.)

411. (448) Indien in het geval van het vorige artikel, het geding nog niet aanhangig is gemaakt, wordt hetzelve,

-ocr page 1287-

TITEL XXI EN XXH, ARTT. 408—417.

voor zoo veel die boeten en verbeurdverklaringen betreft, door de ambtenaren bij artikel 141, n0. 2, vermeld, of door het openbaar ministerie, tegen de erfgenamen van den dader of diens vertegenwoordigers aangelegd en vervolgd, bij denzelfden regter en op dezelfde wijze, als tegen den overledene zoude hebben plaats gehad, indien deze alleen boete of verbeurdverklaring, of beiden, zoude hebben beloopen. (Sv. 410, 416.)

412. (449) Indien de vervolging reeds vóór het overlijden van den dader was aangevangen, zal hij tegen de erfgenamen of vertegenwoordigers worden voortgezet, door eene dagvaarding in den vorm en binnen de termijnen in burgerlijke zaken voorgeschreven, strekkende ten einde het regtsgeding te hervatten, en, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stuk, volgens de laatste gedingstukken, voort te zetten op de wijze als in strafzaken var. dien aard gebruikelijk is. (Rv. 1, 5, 7 v., 254, 256, 257. 258 v.; Sv. 410, 414, 416.)

413. (450) Indien de strafzaak reeds in het hoogste ressort is beslist, doch de termijn tot cassatie nog niet is verloopen, of een beroep in cassatie aanhangig is, wordt op dezelfde wijze gehandeld als in het vorige artikel is voorgeschreven. (Sv. 335, 354 v., 410, 414, 416.)

414. (451) Indien in de gevallen bij de twee vorige artikelen voorzien, de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene belang hebben bij de afdoening van het geding, kunnen zij hetzelve hervatten, door middel van eene verklaring aan den ambtenaar, welke de vordering heeft ingesteld, beteekend; en zal in dat geval de zaak tot het uiteinde worden voortgezet volgens de laatste gedingstukken, overeenkomstig het bepaalde bij art. 412.

Indien het geding vóór het overlijden van den dader nog niet was aangevangen, kunnen de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene als aanleggers optreden, wanneer eenig voorwerp mogt zijn in beslag genomen. (Rv. 258 v.; Sv. 410, 417, 418.)

415. (452) Indien een persoon na het plegen der daad, welke tot strafvordering kan aanleiding geven, is krankzinnig geworden, en die staat wordt erkend door den regter welke van het strafbaar feit moet kennis nemen, wordt de strafvordering geschorst tot na het herstel van den beklaagde; alles behoudens de bepalingen en onderscheidingen in art. 416 en 417 voorkomende. (B. 487 v.; Sr. 37; Krankz.w. a. 27 v., zie chron. lijst.)

416. (453) De vordering tot boete en verbeurdverklaring, bij art. 410 vermeld, kan, indien de beklaagde is onder curatele gesteld, tegen den curator, of anderzins tegen eenen curator ad hoe worden aangevangen of voortgezet, op dezelfde wijze, als bij vorenstaande artikelen, ten aanzien van erfgenamen of vertegenwoordigers van eenen overledene, is voorgeschreven. (B. 487 v.; Sv. 411 v., 415.)

417. (454) De curator heeft, van zijne zijde, dezelfde bevoegdheid tot het aanvangen of doen vootzetten van het geding, als bij het tweede lid van art. 414 aan de erfge-

1159

i!

-ocr page 1288-

WKTÜOLCK VAN STK.VKVOR DEP.ING.

namen of vertegenwoordigers is toegekend. (B. 461, 506; Sv. 415.)

418. (455*) Indien in de gevallen bij art. 410 vermeld de dader is overleden, nadat de veroordeeling tot straf kracht van gewijsde heeft bekomen, worden alle boeten en verbeurdverklaringen, mitsgaders de kosten, op de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene verhaald.

Bij krankzinnigheid wordt in dat geval tegen den curator gehandeld, onverminderd de uitvoering der andere straffen tegen den veroordeelde, zoodra hij hersteld is. (B. 441,506, 880, 1002; Sv. 415 v.; Krankz.w., a. 27 v., zie chron. lijst.)

TWEEDE A F D E E L I N fi.

Van verjaring.

419. (464*) De ambtenaren van het openbaar ministerie en de regters geven ambtshalve acht op do verjaring, al ware liet dat zij\'niet door de beklaagden wordt ingeroepen. (B. 1987; Sv. 22 v., 83, Mid, 153, 216o; Sr. 70 v., 76 v.)

BIJLAGEN

TOT HET

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

WET

van 15 Januari 1886 (Stb. n0. 5), houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij Inv. 8.

Artikel 30.

Op Onzen last wordt het Wetboek van Strafvordering met de daarin door deze en andere wetten gebrachte wijzigingen, in eene doorloopende reeks van Titels en artikelen samengevat en in het Staatsblad geplaatst. (Stb. 1886 n0. 80.)

31. Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip als het Wetboek van Strafrecht. (Inv. 2.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 15 Januari 1886.

WET

van 4 Juli 1887 (Stb. n0. I ll), tol wijziging van art. 385 van het Wetboek van Strafvordering.

Eenig artikel.

In art. 385 van het Wetboek van Strafvordering vervallen in het eerste lid de woorden:

« hooge raad, de hoven en de»;

-1160

-ocr page 1289-

UIJLAGEN. VVliTB. VAN Srii.VKVOKUEHING. 1161

en io hot tweede lid de woorden: «den procureur-generaal en».

Gegeven te Soestdijk, 4 Juli 1887.

WET

van 23 Juni 1889 (Stb. nquot;. 83), tot aanvulling van de vierde afdeeling van den eersten titel van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 1.

Achter artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: {Zie art. Übis W. v. Sv.)

2. In het derde lid van artikel 26 van het Wetboek van Strafvordering worden ingevoegd achter de woorden: «bekende verblijfplaats heeft gehad,» de woorden: «ofwanneer meerdere van hetzelfde feit verdachten in de ressorten van verschillende arrondissements-regtbanken of kantongeregten wonen, gevonden worden of hunne laatst bekende verblijfplaats hebben gehad.»

Gegeven op het Loo, 23 Juni 1889.

WET

va)i 15 April 1896 (Stb. n0. 70), houdende regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken.

Artikel 1.

In art. 214 van het Wetboek van Strafvordering worden het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid vervangen door de volgende bepaling:

«De kosten blijven, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, voor rekening van den Staat.»

2. Het eerste lid van art. 215 van het Wetboek van Strafvordering wordt gelezen:

«In de gevallen waarin de veroordeelde in de kosten wordt verwezen, wordt die veroordeeling uitvoerbaar verklaard ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur door de regtbank wordt bepaald.»

S. Het laatste lid van art. 234 van het Wetboek van Strafvordering wordt gelezen:

«Bij gebreke hiervan wordt, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter teregtzitting van het geregtshof daartoe verzoek doet, de zaak voor eenen bepaalden tijd uitgesteld.»

4. Art. 249 van het Wetboek van Strafvordering vervalt.

5. Art. 251, n0. 6, van het Wetboek van Strafvordering vervalt.

6. In art. 254 van het Wetboek van Strafvordering vervallen de woorden «met de reeds gemaakte kosten.»

7. Het vierde lid van artikel 266 van het Wetboek van Strafvordering vervalt.

-ocr page 1290-

BIJLAGEN. WKTB. VAN STUAKVOKUEIllNO.

8. Art. 370 van het Wetboek van Strafvordering wordt gelezen;

«De kosten van het beroep in cassatie blijven, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, voor rekening van den Staat.

Kosten, door of ten behoeve van den beklaagde gemaakt, zijn niet onder de geregtskosten begrepen.»

9. In art. 74 van het Wetboek van Strafrecht vervallen de woorden «en van de kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad».

10. Letter a van art. 1 der wet van 18 April 1874 (Stb. n®. 66), gewijzigd door de wetten van 28 Juni 1876 (Stb. nu. 141) en van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 131) wordt gelezen:

«de geregtskosten in strafzaken, hieronder begrepen die wegens overtredingen waarvan de burgerlijke regter kennis neemt;». (Tar. in strafz.)

11. in het laatste lid van art. 209 der wet van 26 Augustus 1822 (Stb. n0. 38) vervallen de woorden: «mitsgaders dc kosten op de aanhaling gevallen».

In art. 215 van evengenoemde wet vervallen de woorden: «en der gevallen kosten».

In art. 218, 2de lid, vervallen de woorden: «ontslag worden verleend voor de kosten, en».

In art. 225, zooals dat gewijzigd is bij art. 11 der wet van 22 Mei 1873 (Stb. n0. 67) en art. 7 der wet van 15 April 18^6 (Stb. n0. 64), vervallen de woorden: «en de gemaakte geregtskosten».

In de artt. 85, 219 en 222 worden onder kosten of onkosten verstaan de werkelijk gemaakte kosten bij de inventarisatie, alsmede de kosten voor transport, bewaring en onderhoud der in beslag genomen goederen.

12. In art. 100, 2de lid, der wet van 18 September 1852 (Slb. n0. 178), zooals dat gewijzigd is bij art. 1, n0. 5 dei-wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265), worden de woorden: «afstand van de in beslag genomen voorwerpen, welker verbeurdverklaring gevorderd wordt en voldoening der gemaakte kosten» vervangen door: «en afstand van de in beslag genomen voorwerpen welker verbeurdverklaring gevorderd wordt».

In art. 101, laatste lid, der evengenoemde wet van 18 September 1852 (Stb. n0. 178), zooals dat gewijzigd is bij art. 7 der wet van 15 April 1886 (Stb. n0. 64gt;, vervallen de woorden: «en de geregtskosten».

13. In art. 50 der wet van 29 Maart 1833 (Stb. n0. 4) vervallen de woorden; «en tot toewijzing der gevallene kosten, buiten die voor de schattingen en tellingen». (Vervallen door intrekking dezer wet bij Stb. 1896 n0.178, a. 4.)

14. In art. 17, laatste lid, van de wet van 22 Mei 1845 (Stb. nquot;. 22), zooals dat gewijzigd is bij art. 7 der wet van 15 April 188G (Stb. n0. 64), vervallen de woorden: «en de gemaakte geregtskosten». (Zie die wet in chron. lijst.)

15 De processen-verbaal, dagvaardingen, acten van transactie, exploten en alle verdere stukken van vervolging in

11

strafz malit In verv: gaan In

_

-ocr page 1291-

BIJLAGEN. WETB. VAN STRAKVORÜEKINC.

strafzaken, rakende \'s Rijks belastingen, zijn vrij van de formaliteit van registratie en van het recht van zegel.

In art. 238 der wet van 26 Augustus 1822 (Stb. n0. 38) vervallen de woorden: «tof de registratie wil laten voorafgaan» en «na den dag der registratie».

In art. 93 der wet van quot;18 September 1852 (Stb. n0.178) vervallen de woorden: «na den dag der registratie».

In art. 94 der evengenoemde wet vervallen de woorden: «of wel wanneer de registratie niet binnen den gestelden termijn is geschied».

In art. 46, § 1, der wet van 29 Maart 1833 (Stb. n0. 4) vervallen de woorden: «na de registratie». (Zie onder a. 18.)

16. In art. 9 der wet van 10 September 1853 (Stb. nquot;. 102) vervallen de slotwoorden: «en veroordeeld in de kosten». (Zie die wet in chron. lijst.)

17. Het recht van den Staat, tot verhaal van de in.straf-zaken, waarvan de gewone rechter kennis neemt, aangewende gerechtskosten, in welke veroordeelden zijn verwezen, doch welke volgens deze wet voor rekening van den Staat zouden zijn, en die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet nog niet zijn voldaan, vervalt.

De op het tijdstip van het in werking treden dezer wet daartoe reeds aangevangen vervolging wordt gestaakt.

18. Aan de tegenwoordige griffiers wordt, zoolang zij bij hetzelfde rechtscollege of kantongerecht in dat ambt werkzaam blijven, eene vaste jaarlijksche toelage verleend ter vergoeding van de vermindering hunner belooningen, bedoeld bij art. 30, letter c, der wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 66), die van deze regeling betrekkelijk de gerechtskosten in strafzaken het gevolg zal zijn. (Tar. in strafz.)

Die toelage wordt door Ons bepaald op het gemiddeld jaarlijksch bedrag dier vermindering, berekend over de laatste drie jaren, voorafgaande aan het jaar, waarin deze wet in werking treedt.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 15den April 1896.

1163

Ie

. !

i

I É.

|

li i

11

i

.i,

-ocr page 1292-

TARIEVEN

VAN GEREGTSKOSTEN IN STEA.EZAKEN.

I.

WET

uan 18 April 1874 (Slh. nquot;. 60)), tot vaststelU7ig der tarievoi

van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt; gewijzigd door de Wetten van

28 Jwui 1876(Stb. n#. 141), van 28 1886

. (Stb. no.131)enwanl5i4pgt;\'in896(Stb.no.70).

Hoofdstuk I.

Algemeene bepalingen.

Arikel 1.

Op den voet bij deze wet bepaald worden berekend:

a. de geregtskosten in strafzaken, hieronder begrepen die wegens overtredingen waarvan de burgerlijke regter kennis neemt;

b. de kosten, ambtshalve gemaakt in zaken waarin het openbaar ministerie optreedt in het belang of ter uitvoering der wet en waarvan de burgerlijke regter kennis neemt; en de kosten van vorderingen, door het bestuur der belastingen bij den burgerlijken regter aanhangig gemaakt, tot verbeurdverklaring van aangehaalde goederen.

Aldus gewijzigd bij art. 1 der Wet van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 131) en art. 10 der Wet van \\5 April 1896 (Stb. n0. 70).

c. de kosten tot invordering van boeten door den regter in burgerlijke zaken opgelegd;

d. de kosten van verplaatsing en rangschikking van geregte-lijke archieven en van minuten en registers van notarissen.

2. Tot het maken van buitengewone en bij dit tarief niet voorziene kosten in de zaken, bij art. 1 bedoeld, wordt ver-eischt eene voorafgaande schriftelijke magtiging of eene nadere goedkeuring van den procureur-generaal bij het geregtshof, en in de zaken, die bij den hoogen raad dienen, van den procureur-generaal bij den hoogen raad.

3. Behoudens de uitzonderingen bij dit tarief bepaald, wordt voor de berekening der reiskosten tot uitgangspunt genomen de plaats, waar elks hoofdverblijf is gevestigd.

Voor getuigen kan de tijdelijke verblijfplaats tot uitgangspunt worden genomen, indien de regter, met de toeschatting belast, overtuigd is dat de getuige zich buiten zijn hoofdverblijf ophield en naar die tijdelijke verblijfplaats moet terugkeeren.

Voor schippers, die in een schip wonen, wordt de tijdelijke ligplaats als uitgangspunt aangenomen.

-ocr page 1293-

tarief in strafzaken enz., artt. 1—11. 1165

4. Aan personen, die uit den aard hunner maatscliap-pelijke betrekking kosteloos worden vervoerd en niet verhinderd zijn van dat kosteloos vervoer gebruik te maken, wordt geene schadeloosstelling voor reiskosten toegestaan.

Zoo noodig, wordt de getuige omtrent een en ander, door den regter met de toeschatting belast, gehoord.

6. De kosten van exploiten van wege beklaagden en veroordeelden gedaan op grond van het Wetboek van Strafvordering en de schadeloosstellingen van door hen opgeroepen getuigen en deskundigen, worden berekend op den voet van dit tarief.

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 2 der Wet van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 131).

6. Ingetrokken hij art. 3 der Wet van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 131).

7. De regeling der schadeloosstelling voor reiskosten geschiedt overeenkomstig vast te stellen afstandstafelen.

Ingeval de plaats, die als uitgangspunt moet genomen worden, niet is gelegen in een met name in de afstandstafelen genoemd onderdeel der gemeente, dan wordt de hoofdplaats der gemeente als uitgangspunt genomen.

De afstand, op de heenreis en die op de terugreis afgelegd, worden te zamen gevoegd en het alsdan overschietende gedeelte eens kilometers voor een geheel gerekend.

hoofdstuk ii.

Van de kosten van vervoer van gevangenen, van personen die in gijzeling moeten worden gesteld en van overtuigingsstukken.

8. Voor het vervoer van gevangenen, van personen, die in gijzeling moeten worden gesteld, en van overtuigingsstukken worden de verschuldigde vrachtprijzen of de werkelijk gedane uitgaven in rekening gebragt.

9. Ten laste van den staat blijven;

a. de kosten van het vervoer met cellulaire rijtuigen;

h. de kosten van verpleging van gevangenen in de gevangenis, waar zij, vervoerd wordende, nachtverblijf moeten houden.

10 Moet het vervoer met afzonderlijk rijtuig geschieden, dan wordt de zorg daarvoor opgedragen aan den burgemeester.

De kosten van dat vervoer en, zoo het op verklaring van een geneeskundige geschiedt, ook van deze verklaring worden door de gemeente voorgeschoten.

Hoofdstuk III.

Van het honorarium en de vacatiegelden van deskundigen.

11. Aan genees-, heel- en verloskundigen is verschuldigd:

1°. voor het eerste onderzoek van een verwonde, daaronder begrepen het eerste verband, f 3;

2°. voor ieder nader bevolen onderzoek, f 1;

3°. voor eene uitwendige lijkschouwing, f 3;

4®. voor lijkopeningen tot onderzoek naar de oorzaak des

-ocr page 1294-

TARIEF IN STRAFZAKEN

doods en den staat van het lijk, daaronder begrepen de uitwendige schouwing, f 9;

5°. voor andere door den genees-, heel- of verloskundige behoorlijk te omschrijven kunstbewerkingen, rnoeijelijker dan het onderzoek bedoeld bij n0.l en 2 van dit artikel, f 6;

6°. voor het onderzoek naar den toestand van krankzinnigen, ten einde te kunnen geraken tot de opneming in een gesticht, f 2.50 j

7°. voor het eerste onderzoek naar den zielstoestand van beklaagden, f 2.50;

8Ó. Voor ieder nader bezoek, f i.

12. Aan vroedvrouwen is verschuldigd:

voor ieder bevolen onderzoek, f 1.50.

13. Aan veeartsen is verschuldigd:

1°. voor ieder bevolen onderzoek, f 1.50;

2°. voor eene lijkopening, f 2.50.

14. Voor verdere behandeling na het bevolen onderzoek wordt geene vergoeding toegestaan.

15. V oor andere verrigtingen, dan in de artikelen 11, 12 en 13 omschreven, is verschuldigd voor iedere vacatie van drie uren en voor ieder schriftelijk verslag:

1°. aan genees-, heel- en verloskundigen, scheikundigen en burgerlijke ingenieurs, f 3;

2°. aan tolken, veeartsen, bouwkundigen, landmeters en aan deskundigen voor het onderzoek van geschriften, f 2;

3°. aan alle andere deskundigen, vroedvrouwen daaronder begrepen, en aan arnbachtslieder of andere personen, die ten dienste der justitie werkzaamheden verrigten, f 1.50.

De eerste vacatie wordt geheel berekend, al is het onderzoek ook binnen den tijd van drie uren afgeloopen.

Zoo de eindvacatie minder dan drie uren bedraagt, wordt voor ieder uur een derde deel berekend; gedeelten van een uur komen niet in aanmerking.

De berekende vacatiën worden door den regter, met de begrooting belast, naar billijkheid verminderd, indien hij van oordeel is dat de rekening overdreven is.

16. Kosten voor benoodigdheden, tot het onderzoek ver-eischt, worden in rekening geleden, hetzij aan de deskundigen, hetzij aan de leveranciers, of aan hem die de kosten heeft voorgeschoten.

Tot het houden van het geregtelijk genees- of heelkundig onderzoek wordt, op daartoe gedane aanvraag van den ambtenaar die het onderzoek heeft bevolen, door de gemeente een lokaal beschikbaar gesteld. De uitschotten, daardoor veroorzaakt, worden haar vergoed.

17. Voor het aankoopen, het gebruik, de beschadiging of het onbruikbaar worden van werktuigen en gereedschappen worden aan de deskundigen geene kosten vergoed, tenzij de aard van het onderzoek de werktuigen en gereedschappen voor verder gebruik ongeschikt make.

18. Ingeval voor het begraven van een lijk, dat vóór

1166

-ocr page 1295-

nu DKN GEWONEN REGTER, ARTT. 12—24.

ile begrafenis op regterlijk gezag is geschouwd, door de nabestaandoii of betrekkingen of door armbesturen niet wordt gezorgd, wordt daarin door den burgemeester voorzien, even als in gevallen, waarin geene geregtelijke schouwing heeft plaats gehad.

De kosten voor de opgraving van lijken ea voor het weder begraven na de schouwing worden onder de ge-regtskosten in strafzaken gerekend. Zij worden berekend naar het plaatselijk tarief. Indien deze grondslag van berekening ontbreekt, is nquot;. 3 van art. 15 van toepassing.

19. Voor schriftelijke vertalingen is verschuldigd voor iedere bladzijde van 25 regels, iedere regel van 12 tot 14 lettergrepen, f 0.75.

De eerste bladzijde wordt voor eene geheele gerekend, al is de uitgebreidheid van het stuk minder.

Indien het stuk, behalve de volgeschrevene, ook nog eene slechts gedeeltelijk beschrevene bladzijde beslaat, wordt niets gerekend voor de helft of kleinere gedeelten van eene bladzijde; grootere gedeelten dan de helft worden voor eene geheele bladzijde gerekend.

20. Aan niet aan de geneeskundige dienst van de gevangenissen verbonden genees- of heelkundigen is verschuldigd voor het onderzoek, of een over te brengen gevangene of een persoon, die in gijzeling moet worden gesteld, al dan niet in staat is de reis te voet te doen, f 1.

21. Wanneer deskundigen, in dit hoofdstuk bedoeld, worden geroepen om den regter mondeling voor te lichten met gronden van wetenschap en kunst, wordt hun een vacatiegeld toegelegd, naar den maatstaf en volgens de onderscheidingen van art. 15, benevens reis- en verblijfkosten naar den maatstaf bij het VlIIste hoofdstuk voor deskundigen vastgesteld.

22. Geen honorarium wordt toegestaan voor de eeds-ailegging, voor het overnemen der te onderzoeken voorwerpen of stukken of voor de overbrenging van het verslag of de geneeskundige verklaring.

23. Onder het honorarium, bedoeld bij de artt. 11, 12, 13 en 20, is begrepen het honorarium voor het schriftelijk verslag of de geneeskundige verklaring.

Hoofdstuk IV.

Van de schadeloosstellingen voor tijdverzuim aan getuigen.

24. Aan getuigen, voor den regter verschenen tot het afleggen van getuigenis of tot het geven van inlichtingen, wordt, wanneer zij het verlangen, wegens schadeloosstelling voor tijdverzuim toegeschat ƒ 0.50.

Wanneer, naar het oordeel van den regter met de toeschatting belast, het tijdverzuim, naar gelang van den tijd door de tegenwoordigheid van den getuige gevorderd, op meer dan vijf uren moet worden berekend, wordt de schadeloosstelling bepaald op f 0.75.

Is dn tegenwoordigheid van den getuige meer dan één dag noodig, dan geldt hetzelfde ook voor lederen volgenden dag.

H67

-ocr page 1296-

TARIEF IN STRAFZAKEN

26. Aan door den Staaf, de provincie of de gemeente bezoldigde personen, aan militairen in werkelijke dienst, aan bezoldigde beambten en bedienden, bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten of tot het opmaken van daartoe betrekkelijke verklaringen, verbalen en relazen, en aan gevangenen, als getuigen of tot het geven van inlichtingen verschenen, wordt geene schadeloosstelling voor tijdverzuim toegeschat.

Op personen, die alleen voor nachtdiensten worden bezoldigd, is deze bepaling niet toepasselijk.

HOOFDSTUK V.

Van de bewaarders van st ukken en van de bewaring van inbeslaggenomen roerende goederen.

26. Aan openbare of bijzondere bewaarders of houders van stukken, opgeroepen om onder hunne bewaring of berusting zijnde stukken, welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn of ter vergelijking moeten dienen, ter griffie over te leggen, wordt een vacatiegeld toegelegd van ƒ 2.50.

Aan door den Staat bezoldigde personen wordt dat vacatiegeld niet toegestaan.

27 Aan den gestelden bewaarder over verzegelde of in beslag genomen roerende zaken wordt, wanneer hij geen medebewoner is van het huis of de plaats, waar de inbeslagneming of verzegeling heeft plaats gehad, noch zelf bij de bewaring daarvan belang heeft, noch daarmede in eene andere betrekking is belast, voor iederen dag, kost en onderhoud daaronder begrepen, toegelegd f i.

Indien een medebewoner van het huis of de plaats, waar de inbeslagneming of verzegeling heeft plaats gehad, die zelf bij de bewaring daarvan geen belang heeft, noch daarmede in eene andere betrekking is belast, tot bewaarder over de inbeslaggenomen of verzegelde roerende zaken wordt gesteld, wordt aan dezen daarvoor toegekend per dag ƒ 0.40.

28. De kosten van onderhoud van inbeslaggenomen dieren worden berekend volgens het plaatselijk gebruik, tenzij daaromtrent anders mogt zijn overeengekomen.

Hij, aan wien, behalve het onderhoud, ook de bewaring is opgedragen, heeft geen regt op bewaarloon.

Hij, aan wien het onderhoud is opgedragen en die daarbij zelf belang heeft, heeft geen aanspraak op vergoeding voor onderhoud of bewaarloon.

29. De voorzitter van het regtscollegie, de regter-commissaris of de kantonregter, die van de zaak moet kennis nemen, kan magtiging verleenen om inbeslaggenomen goederen, aan spoedig bederf onderhevig, en levende dieren, in afwachting van het eindvonnis, te verkoopen, indien een of ander niet aan den eigenaar kan worden teruggegeven.

De verkoop geschiedt in het openbaar, aan de meestbiedenden, door het bestuur der registratie of der belastingen.

Zijn de voorwerpen van geringe waarde, dan kan dat bestuur door den in het eerste lid van dit artikel aangewezen regter worden gemagfigd tot een onderhandschen verkoop.

1168

-ocr page 1297-

lifj DEN GEWONEN REGTER, ARTT. 25— 34. 1169

Do zuivere opbrengst wordt gestort in de kas van den ontvanger van bovengemeld bestuur, ter beschikking van de regthebbenden.

De voorschriften van andere wetten omtrent de in dit artikel genoemde zaken blijven voor de daarbij bedoelde gevallen van kracht.

Hoofdstuk VI.

Van de griffiers.

30. Voor extracten, grossen of afschriften, gevorderd door het openbaar ministerie, door Onzen Minister van Justitie of door de partijen, die de afgifte verzoeken te hunnen koste, kunnen de griffiers de volgende belooningen berekenen:

a. voor ieder extract uit vonnissen, arresten, registers of andere stukken, een vast regt van f 0.25;

h. als schrijfloon voor grossen of afschriften, voor iedere bladzijde houdende 25 regels, iedere regel van 12 tot 14 lettergrepen, f 010.

De eerste bladzijde wordt voor eene geheele gerekend, al is ook de uitgebreidheid van het stuk minder.

Indien het stuk, behalve de volgeschrevene, ook nog eene slechts gedeeltelijk beschrevene bladzijde beslaat, wordt niets gerekend voor de helft of kleinere gedeelten van eene bladzijde; grootere gedeelten dan de helft worden voor eene geheele bladzijde gerekend;

c. voor een afschrift van den staat van kosten, bij art. 76 bedoeld, f 0.25.

31. Bij uitzondering op het bepaalde bij letter a van het vorige artikel, wordt de belooning voor het bij art. 83 van het Reglement | n0. 1], vastgesteld bij Koninklijk besluit van 14 September 1838 (Stb. n0. 36), bedoelde extract uit vonnissen of arresten berekend per bladzijde, naar den maatstaf voor afschriften vastgesteld.

32. Geene kosten worden in rekening gebragt voor de door de griffiers op te maken cn bij de processtukken te voegen inventaris, evenmin als \\oor liet geven van inzage van ter griffie nedergelegde stukken of van de in de openbare registers ingeschreven akten, noch voor het doen van nazoekingen of het geven van inlichtingen, het opmaken van staten, liet vervaardigen van minuten en andere ver-i\'igtingen van dergelijken aard.

33. De gronden en motieven van de genornea conclusion en requisitoiren en de tekst van de toegepaste artikelen worden niet in de extracten, grossen of afschriften overgenomen.

Hoofdstuk VII.

Van de salarissen der deurwaarders.

34. Wegens het doen van exploiten is aan dedeurwaar-Jirs verschuldigd:

a. voor het origineel van ieder gedaan exploit, f 0.35;

74

-ocr page 1298-

1170 TARIEF IN STRAFZAKEN

b. voor ieder overgegeven of aangeplakt afschrift, f O.-iö;

Het schrijfloon is hieronder begrepen.

Slechts één origineel wordt in rekening geleden, indien dezelfde akte door denzelfden deurwaarder wordt beteeltend aan meerdere personen.

35. Gevangennemingen worden bij voorkeur opgedragen aan rijksveldwachters of andere dienaren der openbare magf.

Wanneer de deurwaarders de gevangenneming hebben gedaan, is hun daarvoor verschuldigd:

a. voor de gevangenneming van iederen verdachte of beklaagde, ter uitvoering van bevelen van voorloopige aanhouding, medebrenging of gevangenneming en voor de door den regter bevolen medebrenging van een getuige, van een deskundige of van een tolk, f 2.50;

b. voor de gevangenneming van iederen veroordeelde, die gevangenisstraf moet ondergaan voor niet langer dan eene maand en van iederen veroordeelde tot hechtenis of tot plaatsing in eene Rijkswerkinrigting, f 1.50;

c. voor do gevangenneming van iederen veroordeelde, die gevangenisstraf moet ondergaan van meer dan eene maand en niet langer dan een jaar, /quot; 2;

d. voor de gevangenneming van iederen veroordeelde, die gevangenisstraf moet ondergaan van meer can een Jaar en niet langer dan vijfjaren, f 3;

e. voor de gevangenneming van iederen veroordeelde, die gevangenisstraf moet ondergaan van langer dan vijf jaren, f 0.

Het exploit van beteekening en het afschrift van het bevel, vonnis of arrest zijn onder deze salarissen begrepen.

Aldus qcwiizirtd bij art. 6 der Wet van 28 Auaustus •1886 (Stb. n0. 131).

36. Bij uitzondering kan voor gevangennemingen, die, hetzij door de moeijelijkheid der opsporing, hetzij door de omstandigheden waaronder de aanhouding heeft plaats gehad, als gevangennemingen van meer gewichtigen aard zijn te beschouwen, ter beoordeeling van Onzen Minister van Justitie, aan de rijksveldwachters, de maréchaussée en andere dienaren der openbare rnagt het salaris worden toegekend bij het vorige artikel vastgesteld, a\'s belooning voor bijzondere plichtsbetrachting en tot verdere aanmoediging, indien de gevangenneming is geschied buiten de tegenwoordigheid eens deurwaarders.

37. Voor de gevangenneming wordt geen salaris toegekend, indien de aan te houden personen zich reeds in de magt der justitie of politie bevinden of zich vrijwillig aanmelden.

38 Voor afschriften van stukken, welke bij de exploiten worden overgegeven of welke moeten worden aangeplakt, voorzooverre die door de deurwaarders zijn vervaardigd en geteekend, rekenen zij voor iedere bladzijde van 28 regels en 15 of 16 lettergrepen per regel, f 0,10.

De eerste bladzijde wordt voor eene geheele gerekend, al is ook de uilgebreidheid van hot stuk minder.

Indien het stuk, behalve de volgeschrevene, ook nog

-ocr page 1299-

bij lien gewonen regteh, artt. 35—43. 1171

eene slechts gedeeltelijk beschrevene bladzijde beslaat, wordt niets gerekend voor de helft of kleinere gedeelten van eene bladzijde; grootere gedeelten dan de helft worden voor eene geheele bladzijde gerekend.

39. Is het te beteekenen stuk gedrukt, dan komt den deurwaarder voor de onderteekening van eiken over te geven of aan te plakken afdruk toe, f 0.10.

40. Aan de deurwaarders is verschuldigd:

a. voor de uitvoering van den lijfsdwang, daaronder begrepen het proces-verbaal van gijzeling en de akte van ingevangenisstelling, het schrijfloon daarvan en het salaris der getuigen, f 5;

b. voor eene vacatie van niet langer dan drie uren tot inbeslagneming van roerende of onroerende goederen of schepen, naziening en verkoop en tot het schrijven van het origineel en de afschriften van de daarvan op te maken processen-verbaal, f 1.80;

voor ieder uur of gedeelte daarvan bovendien, f 0.G0;

voor ieder der getuigen, zoo hunne tegenwoordigheid niet langer dan drie uren gevorderd wordt, f 0.45;

voor ieder uur of gedeelte daarvan bovendien, f 0.15. Ingeval er kosten van transport van goederen, werklieden, enz., gevorderd worden, worden die aan den deurwaarder naar billijkheid in rekening geleden.

c. voor vacatie om gelden of geldswaarde hebbende papieren bij eene inbeslagneming, of wel de opbrengst van den verkoop in bewaring te brengen, ter plaatse bij de wet voorgeschreven, f 0.00;

d. voor alle andere processen-verbaal in het algemeen, in de gevallen waarin de deurwaarder verpligt is het ver-rigte door zoodanige akte te constateren, de afschriften daaronder begrepen, f 1.65;

voor ieder der getuigen, indien die daarbij vereischt worden, f 0.25.

De reiskosten van de getuigen, in dit artikel bedoeld, hunne kosten van gedwongen verblijf onderweg en van verblijf van den eenen dag tot den anderen buiten hunne woonplaats, worden berekend naar den maatstaf van het 1ste lid van art. 48, van n0. 2 van art. 54, en van het 1ste lid van art. 55.

41. Indien, op het herhaalde bevel, de schuld in handen des deurwaarders wordt voldaan, wordt door hem berekend het salaris bedoeld in art. 34, benevens de hem toekomende reis- en verblijfkosten der getuigen.

42. Slechts één proces-verbaal van nasporing wordt in rekening geleden voor iederen beklaagde, tegen wien een bevel van gevangenneming is verleend, al is het ook dat de nasporing meermalen is herhaald. Hot exploit van beteeke-ning en het afschrift van het bevel zijn begrepen onder het salaris voor het proces-verbaal van nasporing toegekend.

Hoofdstuk VIII.

Van dc reis- en verblijf kosten. 43. Wanneer regterlijke ambtenaren en beëedigde klerken

|

li ! i

i.1 s .lli.

i 11

li

-ocr page 1300-

TARIEF IN STRAFZAKEN

ter griffie zich builen hunne woonplaats moeten begeven tot plaatselijk onderzoek of andere bij de wet bevolen ver-rigtingen, worden door hen in rekening gebragt de uitgegeven vrachtpenningen naar de eerste klasse van het tarief van het gebezigde openbare vervoermiddel.

Indien de gelegenheid ontbreekt om van een openbaar vervoermiddel gebruik te maken of dit uit anderen hoofde niet mogelijk of in het belang der zaak niet wenschelijk is, wordt de uitgegeven huurprijs van een afzonderlijk rijtuig in rekening gebragt.

Indien de plaats niet anders dan door buitengewone middelen van vervoer te water te bereiken is, wordt de betaalde huurprijs voor een afzonderlijk vaartuig berekend.

Veer-, brug- en tolgelden worden insgelijks teruggegeven.

Daarenboven wordt wegens verblijfkosten voor iederen dag genoten door alle regterlijke ambtenaren ƒ 6, door de becedigde klerken ter griffie f 4.

Die op denzelfden dag heen- en terugreist en dus niet buiten zijne woonplaats vernacht, geniet slechts de helft der verblijfkosten.

Die een of meer nachten buiten zijne woonplaats heeft vertoefd, erlangt insgelijks voor den dag der terugkomst de helft der verblijfkosten.

46. Reizen op geen verderen afstand dan van vijf kilometers builen de woonplaats geven geen aanspraak op vergoeding voor reiskosten of voor kosten van vervoermiddelen, bedoeld in het 1ste en het 2de lid van art. 43, en evenmin op vergoeding voor verblijfkosten, ingeval de reis op een en denzelfden dag heen en weder wordt afgelegd. Op deze bepaling kunnen uitzonderingen worden toegelaten door Onzen Minister van Justitie.

Door Onzen Minister van Justitie wordt ook beoordeeld, of in de gevallen, bedoeld in het 2de en het 3de lid van art. 43, noodzakelijkheid bestaat of bestaan heeft om van een afzonderlijk vervoermiddel gebruik te maken.

46. Aan genees-, heel- en verloskundigen, vroedvrouwen, veeartsen, tolken en andere deskundigen, ambachtslieden en andere personen, die ten dienste der justitie werkzaamheden verrigten, bewaarders van stukken en deurwaarders, wordt, ingeval zij zich in deze hoedanigheid vorder dan twee kilometers buiten hunne woonplaats moeten begeven, toegekend eene schadeloosstelling voor reiskosten.

47. Deze vergoeding wordt vastgesteld, voor iederen kilometer afgelegden afstand, als volgt:

a. voor genees-, heel- en verloskundigen, veeartsen, tolken en andere deskundigen, aangewezen in n0.1 en 2 van art. 15, en voor bewaarders van stukken, op f 0.12;

b. voor de deskundigen, ambachtslieden en andere personen, aangewezen in n0. 3 van dat artikel, en voor de deurwaarders, op f 0 07.

48. Aan getuigen, die zich verder dan twee kilometers buiten hunne woonplaats of, in liet geval bedoeld bij art. 3, buiten hunne tijdelijke verblijfplaats of tijdelijke

1172

-ocr page 1301-

BIJ DEN GEWONEN REGTEK, ARTT. 44—54. quot;HTS

ligplaats moeten begeven, wordt, indien zij liet verlangen, voor iederen kilometer afstand, op de heen- en op de terugreis afgelegd, eene schadeloosstelling voor reiskosten toe-geschat van f 0.05.

Boven de vergoeding voor reiskosten wordt toegeschat de vergoeding voor tijdverzuim, bepaald in art. 24.

Aldus gewijzigd hij de Wet van 28 Juni 1876 (Stb. n0. 141).

4:9. Wanneer, door volstrekt onvermijdelijke overvaart van wateren of kanalen en de daaraan verbonden uitgaven van veer- en overvaartgelden, de reiskosten van getuigen, vastgesteld in het vorige artikel, mogten blijken ontoereikend te zijn, kan de regter, met de toeschatting belast, na den getuige daaromtrent zoo noodig te hebben gehoord, de schadeloosstelling met een gedeelte of het geheele bedrag der veer- of overvaartgelden verhoogen, met dien verstande dat het toe te schatten bedrag voor reiskosten het werkelijk bestede niet te boven ga.

50. Aan buitenlandsche getuigen wordt toegeschat de schadeloosstelling, vastgesteld bij dit tarief, tenzij daaromtrent in met vreemde mogendheden aangegane overeenkomsten anders mogt zijn bepaald.

Stelt de getuige zijne vrijwillige overkomst afhankelijk van eene andere of hoogere schadeloosstelling, dan wordt die vooraf geregeld, na bekomen magtiging of onder nadere goedkeuring van Onzen Minister van Justitie.

51. Aan militairen in werkelijke dienst, beneden den rang van officier, daaronder niet begrepen de maréchaussee, wordt geene schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten naar de regels van dit tarief toegeschat, wanneer zij als getuigen worden geroepen. Zij genieten de schadeloosstelling door Ons te bepalen.

52. Door de deurwaarders worden, voor verrigtingen in een ander kanton dan waarin zij wonen, geene hoogere reiskosten berekend dan naar mate van den afstand tusschen de plaats der verrigting en de hoofdplaats van het kanton, waartoe die plaats behoort.

De afstand wordt echter berekend van hunne woonplaats, indien de afstand vandaar minder bedraagt.

Ingeval zij, bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den deurwaarder in het kanton of in spoed vereischende zaken, worden belast met exploiten of verrigtingen buiten het kanton hunner woonplaats, wordt de werkelijk afgelegde afstand berekend.

Dit artikel is niet toepasselijk op de deurwaarders der directe belastingen.

53. De schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten, in dit hoofdstuk bedoeld, wordt niet meer dan eenmaal genoten voor al de verrigtingen te zamen, die in den loop eener zelfde reis zijn volbragt, onverschillig of de verrigtingen al dan niet tot dezelfde zaak betrekkelijk zijn.

54. Aan de personen, bedoeld in de artt. 46 en 48, worden geene verblijfkosten toegestaan op de dagen der reis.

Wanneer zij echter onderweg door onvoorziene omstandig-

-ocr page 1302-

TARIEF IN STRAFZAKEN

heden, onafhankelijk van hunnen wil, worden opgehouden, wordt voor iederen dag gedwongen verblijf eene schadeloosstelling toegelegd, te weten:

1°. aan de personen opgenoemd onder a van art. 47, ƒ 3;

2°. aan die opgenoemd onder b van dat artikel, en aan getuigen, ƒ1.50.

55. Indien getuigen, ter plaatse waar zij moeten verschijnen, verpligt zijn van den eenen dag tot den anderen verblijf te houden en zij aldaar niet wonen of zij, in het geval voorzien bij art. 3, aldaar hunne tijdelijke verblijfplaats of tijdelijke ligplaats niet hebben, wordt hun voor iederen dag verblijf toegeschat f l.öO.

Aan de andere in het vorig artikel aangewezen personen wordt, indien het verlengde verblijf buiten de woonplaats volstrekt onvermijdelijk is, voor iederen dag verblijf toegelegd :

a. aan de personen opgenoemd onder a van art. 47i/,3;

h. aan die opgenoemd onder b van dat artikel, f 1.50.

56. Aan getuigen, die door ziekte of ligchaamsgebreken zich noodzakelijk door een ander moesten doen vergezellen, kan het dubbel van het bedrag der schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten worden toegeschat.

Deze bepaling is ook toepasselijk op kinderen beneden den leeftijd van 15 jaren, indien zij op reis vei gezeld worden door een hunner ouders of een ander daartoe aangewezen geleider.

De regter, met de toeschatting belast, beoordeelt of het geleide noodzakelijk was.

57. Aan gevangenen en aan personen, in de bedelaarsgestichten of Rijkswerkinrigtingen opgenomen en onder geleide van dienaren der openbare magt vervoerd, wordt geene schadeloosstelling voor reis- en verblijfkosten toegeschat, wanneer zij als getuigen moeten worden gehoord.

Gewijzigd bij art. 7 der Wet van 28 Augustus 1886 (Stb. n0. 131).

De bepalingen omtrent het vervoer van gevangenen zijn ten deze toepasselijk.

58- Bij onvermijdelijk verblijf buiten de standplaats, kan ieder burgerlijk beambte, belast met de overbrenging van gevangenen en van overtuigingsstukken, voer verblijf van den eenen dag tot den anderen f 1.50 in rekening brengen.

Verschotten wegens werkelijk bestede reiskosten kunnen door hen in uitgaaf worden gebragt, alsmede kleine noodzakelijke onkosten ten behoeve van de gevangenen.

59. De thans geldende bepalingen, waarnaar worden geregeld de reis- en verblijfkosten van rijksveldwachters voor verrigtingen in strafzaken, blyven van kracht, voor zoover daarin bij dit tarief niet op eene andere wijze is voorzien. (Stb. 1856 n0. 114, a. 13 j». Stb. 1876 n0. 116.)

hoofdstuk ix.

Van de uitleveringskosten.

60. De kosten van uitlevering van misdadigers aan vreemde

li 74

-ocr page 1303-

nu DEN GEWONEN REC.TER, ARTT. 55—65. 1175

mogendheden krachtens aangegane overeenkomsten, de uilgaven van de bij die overeenkomslen bedoelde rogaloire commissien, van het hoeren van getuigen, van het confronteren van misdadigers, van de mededeeling van stukken van overtuiging of\'bescheiden en alle verdere uitgaven worden berekend op den voet en met inachtneming der voorschriften van dit tarief.

61. De kosten ter verkrijging van uitlevering door vreemde mogendheden worden tot het werkelijk uitgegeven bedrag in rekening geleden.

De declaratien vereischen tot staving harer deugdelijkheid geen ander bewijs dan eene goedkeuring van Onzen Minister van Justitie en zijn overigens aan geene verdere formaliteiten onderworpen.

11 o o F D s t u K X.

Van de tonschallmrj en hegrooliny der srhuhlvorderingm cn dc bclalinrj.

62. De kosten worden onderscheiden in dringende en niet dringende.

Dringende kosten zijn:

a. de schadeloosstellingen aan getuigen;

h. de schadeloosstellingen aan deskundigen, in het geval bedoeld in art. 21;

c. de kosten van vervoer van overtuigingsstukken.

AI de overigen zijn niet dringende.

De kosten, onder b en c bedoeld, worden, zoo de belanghebbenden het verzoeken, als niet dringende behandeld.

63. De dringende kosten worden toegeschat aan den voet der dagvaardingen, oproepingen of requisitoiren.

Is de last mondeling verstrekt, dan wordt eene afzonderlijke toeschatting afgegeven, waarin van die omstandigheid wordt melding gemaakt, alsmede van de zaak, waarin getuigenis is afgelegd, of van den aard der lastgeving.

De toeschatting geschiedt door de voorzitters, de regters-commissarissen of de kantonregters.

64. De dringende kosten worden voldaan door de ontvangers der registratie, in wier kring de regter zetelt, die het betalingsstuk heeft afgegeven, op quitantie of een geldig bewijs van uitbetaling van de regthebbenden.

65. De van de niet dringende kosten op te maken declaratien worden, op de vordering en met mede-ondertee-kening van den ambtenaar van het openbaar ministerie, aan den voet begroot door de voorzitters, de regters-com-missarissen of dc kantonregters.

De reden van afwijzing of van vermindering van berekende kosten wordt op de declaratie aangeteekend.

De declaratien wegens reis- en verblijfkosten van kantonregters en van griffiers bij de kantongeregten worden begroot door den voorzitter van de regtbank in het arrondissement, waartoe het kantongeregt behoort, ter requisitie van den officier van justitie.

-ocr page 1304-

H76

Be declaratien wegens kosten, gevallen op het vervoer van gevangenen, worden begroot door den voorzitter van den Hoogen Raad, van liet geregtshof of van de regtbank van het arrondissement.

66. Toeschatting on begrooting van kosten kunnen door de voorzitters, de regters-commissarissen of de kantonregters niet worden geweigerd alleen op grond dat die kosten niet zijn gemaakt op hunnen last, indien overigens de verrigtingen door een bevoegden ambtenaar zijn bevolen of zonder bevel konden worden gedaan.

67. De declaratien worden bij het Departement van Justitie onderzocht en met de niet voor goedkeuring vatbare posten verminderd.

68. De schadeloosstellingen aan getuigen en deskundigen, door beklaagden opgeroepen, worden toegeschat om door dezen te worden voldaan.

Gewijzigd bij art. 8 der Wel van \'28 Augustus 188G (Stb. n0. 131).

69. Van het bedrag der gemaakte kosten dat krachtens \'s regters uitspraak en het door don voorzitter van het rogtscollogie of door den kantonregter afgegeven bevelschrift van tenuitvoerlegging door den Staat aan don beklaagde moet worden vergoed, wordt door den beklaagde opgemaakt eeno declaratie in duplo.

Do declaratie is niet aan begrooting onderworpen.

Aldus qewijzind bij art. 9 der Wet van 28 Auqustus 188G (Stb. n0. 131).

70. Hetgeen te veel of ten onrogle is tcegeschat, wordt voorzooveel de dringende kosten betreft, van den regter, die de kosten heeft toegeschat, teruggevorderd, nadat hij omtrent de tegen do toeschatting gerezen bedenking is gehoord, behoudens zijn verhaal op hem, die het te veel toegeschatte bedrag heeft genoten.

Do terugvordering geschiedt bij een staaf, afgegeven door Onzen Minister van Justitie.

Do ontvangers der registratie zijn met de invordering belast.

Het verschuldigde kan des noods bij de uitbetaling van de jaarwedde worden ingehouden.

71. De kosten, voortvloeijende uit vervolgingen wegens overtredingen ter zake van rijks-, provinciale of plaatselijke belastingen, worden niet gekweten uit de gelden, bestemd voor gorogtskosten in strafzaken.

Behoudens verhaal op de veroordeelden, worden die uitgaven verevend en voldaan door de zorg van de administratie of de gemeente, in wier belang de vervolging plaats heeft.

De dringende kosten betrekkelijk overtredingen ter zake van provinciale belastingen worden voorgeschoten door de ontvangers der registratie, en door het provinciaal bestuur aan hen teruggegeven, tegen overlegging der bewijsstukken.

72. De kosten, bedoeld in art. \\b, komen, ingeval van toewijzing of inwilliging der vordering van het openbaar ministerie, ten laste van dengone tegen wien die vorde-

-ocr page 1305-

BIJ DEN GEWONEN REGTEK, ARTT. (56—78. 1177

ring is gerigt, of, zoo zij niet togen iemand gerigt is, ten laste van dengene in wiens belang zij is gedaan, in beide gevallen door den regter bij zijne beschikking aan te wijzen.

Die kosten worden uit de gelden, bestemd voor geregts-kosten in strafzaken voorgeschoten.

73. De kosten wegens geregtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten tot verhaal van geldelijke veroor-deelingen en verbeurdverklaarde voorwerpen, alsmede van de kosten in het vorige artikel bedoeld, worden berekend op den voet van dit tarief, doch niet gekweten uit de gelden, bestemd voor geregtskosten in strafzaken.

Behoudens verhaal op hen, die tot de betaling verpligt zijn, worden die kosten voldaan door de zorg van den ontvanger of van de ambtenaren met de invordering belast, aan wie de declaratien daartoe betrekkelijk regtslreeks worden ingediend.

De declaratien zijn niet aan begrooting onderworpen.

Hoofdstuk XI.

Van dc vereffening der kosten van hel reglsgeding.

74. De kosten van hot regtsgeding, waarin de veroordeelde wordt verwezen en waaronder, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, worden verstaan al de kosten door de vervolging veroorzaakt, daaronder begrepen de kosten van het extract bedoeld in art. 31, worden begroot bij staat.

75. Door den griffier wordt opgemaakt, ten einde bij de processtukken te worden gevoegd, een staat van de kosten, die bij veroordeeling moeten worden verhaald.

Die staat wordt onderworpen aan de beoordeeling en de goedkeuring van den ambtenaar van het openbaar ministerie, die, na zich te hebben overtuigd dat daarin al de gemaakte kosten zijn opgenomen, deze voor «gezien» teekent.

76. De staat van de kosten, waarin de veroordeelde verwezen is, wordt vereffend en uitvoerbaar verklaard door den voorzitter of door den kantonregter, op de vordering van den ambtenaar van het openbaar ministerie.

77. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn toepasselijk in de gevallen, bedoeld in art. 72.

Slotbepalingen.

78. Bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden voorschriften gegeven omtrent:

a. de afstandstafelen;

b. het vervoer van gevangenen en van overtuigings-stukken;

c. het vervoer van personen, die in gijzeling moeien worden gesteld;

(?\'■ de afgifte van extracten, afschriften en grossen, en de afgifte en verzending van minuten en processtukken;

e. de reis- en verblijfkosten van militairen in werkelijke dienst, beneden den rang van officier, daaronder niet begrepen de maréchaussée;

-ocr page 1306-

TARIEF IN STRAFZAKEN Br,I DEN

/\'. liet aan getuigen te verstrekken voorschot voor reis-en verblijfkosten;

g de porten van brieven en pakketten, waarvoor geen vrijdom is verleend;

h het drukwerk en de aankondigingen of bekendmakingen in de dagbladen of nieuwspapieren;

i. de kosten van verplaatsing of vervoer en rangschikking van geregtelijke archieven;

k. de kosten van verplaatsing of vervoer en rangschikking van minuten en registers van notarissen;

l. de over te leggen bewijsstukken, de opmaking, indiening en verzending der declaratien en de daarop te stellen verklaringen;

m. de wijze van verrekening der door de ontvangers der registratie betaalde dringende kosten;

n. de zorg voor de verzending van stukken tot invordering van hetgeen op de veroordeelden moet worden verhaald;

o. de modellen der declaratien, toeschatlingen en verdere tot de betaling betrekkelijke stukken;

j). de modellen betrekkelijk de begrooting en vereffening der kosten van het regtsgeding;

(]. de door de ambtenaren van het openbaar ministerie te houden registers. (Slb. 1874 n0. 212; zie hierachter.)

79. Alle staten en stukken, die krachtens deze wet en den in het vorig artikel bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur worden opgemaakt en afgegeven, zijn vrij van zegel en registratie.

De stukken, bedoeld bij art. 5, zijn insgelijks vrij van zegel en registratie.

80. De Keizerlijke decreten van 18 Junij 1811 en 7 April 1813, de Koninklijke besluiten van 8 Junij 1829 (Stb. n0. 44), 7 February 1860 (Stb. n0. 9), 5 Mei 1860 (Stb. n0. 18), de besluiten van 1 en 16 Nivóse an V, en alle tot dusver bestaande tarieven van kosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt, zijn ingetrokken.

81. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (1 Januari 1876: Slb. 1875 n0.123.)

1178

-ocr page 1307-

gewonen regtep., artt. 79-«1 en alitt. 1—3. 1179

BESLUIT

van 18 December 1874 (Stb. n0. 212), houdende voorschriften omtrent de onderwerpen, aangewezen bij art. 78 der wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 66), tot vast-stelling van een tarief van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt, gewijzigd bij Besluit van 26 September 1886 (Stb.

n». 171).

Afdeeling I.

Van de afstandstafelen.

Artikel 1.

De afstandstafelen tot regeling der schadeloosstelling voor reiskosten worden vastgesteld door Onzen Minister van Justitie, door wien tot toepassing en gebruik dier tafelen voorschriften worden gegeven.

(Dit is geschied bij beschikking van 15 September 1875, 5e afd. n0. 102.)

Afdeeling II.

Van het vervoer van gevangenen, van personen die in gijzeling moeten worden gesteld en van overtuigingsstukken.

2. Gevangenen worden, onder geleide van rijksveldwach-tes-s of andere dienaren der openbare magt, vervoerd met cellulaire rijtuigen binnen den kring, waar deze voor de dienst beschikbaar zijn, met spoortreinen en met scheepsgelegenheid. Bij voorkeur wordt van de spoortreinen gebruik gemaakt.

Ontbreekt de gelegenheid om van die vervoermiddelen gebruik te maken, dan worden de gevangenen te voet naar de bestemmingsplaats overgebragt.

Tot vervoer met spoortreinen wordt afgegeven een reis-order, tot vervoer met scheepsgelegenheid een passagebiljet of een ander schriftelijk bewijs

In buitengewone gevallen kan het vervoer zoowel binnen de gemeente als naar elders met afzonderlijk rijtuig plaats hebben, krachtens met redenen omkleede requisitoiren.

Tot vervoer van veroordeelden van het, naastbij gelegen spoorwegstation naar de Rijkswerkinrigtingen te Veenhuizen en naar het Rijksgesticht te Ommerschans kan, op schriftelijke magtiging, van een afzonderlijk rijtuig worden gebruik gemaakt.

liet vervoer, in dit artikel bedoeld, geschiedt op verzoek van de ambtenaren van het openbaar ministerie of van de hulp-officieren van justitie.

S. Wanneer de gevangenen door ziekte of ligchaamsge-breken niet in staat zijn de reis te voet te doen of voort te zetten, of uit dien hoofde het vervoer met spoortreinen of met scheepsgelegenheid onraadzaam wordt geoordeeld, kan op schriftelijke magtiging van de ambtenaren, in

-ocr page 1308-

1180 TARIEF IN STRAFZAKEN

het laatste lid van het vorige artikel aangewezen, insgelijks van afzonderlijk rijtuig worden gebruik gemaakt. Van de noodzakelijkheid tot het verschaffen van afzonderlijk rijtuig moet blijken door eene aan het requisitoir te hechten verklaring van een genees- of heelkundige.

Bij weigering, afwezigheid, belet of ontstentenis van een genees- of heelkundige, is een met redenen omkleed requisitoir van den lastgever voldoende.

Indien op de eerste en volgende wisselplaatsen het verder vervoer met afzonderlijk rijtuig blijkbaar door den toestand van den gevangene wordt gevorderd, wordt geene nieuwe geneeskundige verklaring vereisjht. In het op de eerste wisselplaats af te geven requisi\'.oir wordt melding gemaakt van de uitgereikte geneeskundige verklaring ter plaatse van het eerste vertrek, en in de op de volgende wisselplaatsen af te geven requisitoiren, dat üb gevangenen aldaar met afzonderlijk rijtuig zijn aangebragt.

4. Het vervoer wordt, zoo mogelijk, zoodanig geregeld dat de geleiders geen nachtverblijf buiten hunne standplaats behoeven te houden, maar denzelfden dag kunnen terug-keeren, en dus in dier voege dat, indien de eindbestemming te ver verwijderd is, de geleiders in tusschengelegen plaatsen door anderen kunnen worden vervangen.

5. Behoudens hetgeen in het vierde en in het vijfde lid van art. 2 en in het eerste lid van art. 3 is bepaald, kunnen de gevangenen verzoeken, tegen voorafgaande betaling van de daarop vallende kosten, met afzonderlijk rijtuig te worden vervoerd, zoowel binnen de gemeente als naar elders.

Dat verzoek wordt gedaan aan de ambtenaren, in het laatste lid van art. 2 aangewezen, en door dezen niet dan om overwegende redenen geweigerd. Bij de toestemming worden de noodige maatregelen ter voorkoming van ont-vlugting voorgeschreven. _

6. Indien op den dag van vertrek de eindbestemming niet kan worden bereikt, worden de vervoerde gevangenen onder weg in de ter plaatse aanwezige gevangenis opgenomen, totdat de reis kan worden voortgezet.

7. Personen, die in gijzeling moeten worden gesteld, worden te voet naar de bestemmingsplaats overgebragt, tenzij vervoer met openbare vervoermiddelen raadzaam wordt geacht.

In geval van ziekte of ligchaamsgebreken kan, op mag-tiging van den burgemeester, van een afzonderlijk rijtuig worden gebruik gemaakt. Van de nooazakelijkheid tot het verschaffen van afzonderlijk rijtuig moet blijken door eene aan de magtiging te hechten verklaring van een genees-of heelkundige.

Bij weigering, afwezigheid, belet of ontstentenis van een genees- of heelkundige, is een met redenen omkleede magtiging voldoende.

8. Behoudens het bepaalde in het vorige artikel, kumen de personen, die in gijzeling moeten worden gesteld, verzoeken, tegen voorafgaande betaling van de daarop vallende kosten, met afzonderlijk rijtuig te worden vervoerd, zoowel binnen de gemeente als naar elders.

-ocr page 1309-

BIJ DEN GEWONEN REGTER, ARTT. 4—15. 1181

Dat verzoek wordt niet dan om overwegende redenen geweigerd.

9. Overtuigingsstukken worden overgebragt door de dienaren der openbare magt of met openbare of bijzondere middelen van vervoer, ter beoordeeling van den ambtenaar van het openbaar ministerie of van den hulpofficier van justitie.

|

j:; i

!■

i

|

■t1;

li \' ■i,

•i

i; Jf :

A F D E E L 1 N G III.

Van de afgifte van extracten, afschriften en grossen, en van de afgifte en verzending van minuten en processtukken.

10. Voor de uitvoering van gevangenisstraf of hechtenis wordt slechts één extract uit het arrest of uit het vonnis in rekening geleden, indien de daarbij veroordeelden de straf in hetzelfde gesticht moeten ondergaan.

Op deze bepaling kunnen uitzonderingen worden toegelaten door Onzen Minister van Justitie.

11. Aan den voet der stukken, waarvoor de belooning per bladzijde wordt berekend, wordt door de griffiers aangeteekend het getal bladzijden en het verschuldigde bedrag.

12. De grossen, afschriften en extracten worden door de ambtenaren van het openbaar ministerie voor «gezien» ge-teekend.

13. Processtukken en, buiten de gevallen bij de wet bepaald, bevelschriften en in raadkamer genomen beschikkingen worden verzonden in minuut.

Op deze bepaling kunnen uitzonderingen worden toegelaten door Onzen Minister van Justitie.

Onder processtukken worden niet verstaan de vonnissen en arresten in de openbare teregtzitting gewezen, de pro-■^lessen-verbaal van het voorgevallene op de teregtzitting, en de aanteekeningen of verklaringen, die in krachtens de wet te houden openbare registers worden ingeschreven.

14. De arresten of vonnissen, die beteekend moeten worden binnen de gemeente, waar het regtscollegie of het kanton-geregt door hetwelk zij gewezen zijn zitting houdt, worden beteekend op de minuut.

Beschikkingen in raadkamer genomen en bevelen tot voor-loopige aanhouding, gevangenhouding, gevangenneming en medebrenging, worden op de minuut tenuitvoergelegd en beteekend, indien de beteekening of tenuitvoerlegging geschiedt binnen het Rijk.

De minuten worden afgegeven aan de beambten met de uitvoering belast.

Op deze bepalingen kunnen uitzonderingen worden toegelaten door Onzen Minister van Justitie.

15 Voor de geregtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten tot verhaal van geldelijke veroordeelingen wordt aan elk der belanghebbenden op zijn verzoek en, behoudens verhaal op de veroordeelden, ten zijnen koste eene grosse afgegeven.

II

-ocr page 1310-

tarief in stiufz.vki-n

Afdeeling IV.

Van de reis- en verblijfkosten van militairen in werkelijke dienst, heneden den rang van officier.

16. De kosten der reis en van het verblijf van militairen in werkelijke dienst beneden den rang van officier (daaronder niet begrepen de maréchaussée), die zich tot het afleggen van getuigenis naar elders moeten begeven, worden geregeld en berekend op den voet der tarieven, met toepassing der afstandstafelen of volgens de regels voor militairen vastgesteld of gebruikelijk. De te dier zake door de zorg van de Departementen van Marine en van Oorlog gedane betalingen worden, evenals de verschuldigde veer-en overvaarlgelden en de kosten van andere verschafte vervoermiddelen, bij voorschot gekweten uit de gelden, bestemd voor geregtskosten in strafzaken.

Afdeeling V.

Van het aan getuigen te verstrekken voorschot voor reis- en verblijfkosten.

17. Aan getuigen, die niet in staat zijn om in de kosten der reis te voorzien, kan door den regter van het kanton hunner woonplaats of van hunne tijdelijke verblijfplaats of van de ligplaats van hun vaartuig een voorschot worden verstrekt, waarvoor wordt afgegeven een mandaat, betaalbaar bij een naburigen ontvanger der registratie. Het op rekening te geven bedrag mag niet tebovengaan de helft der schadeloosstelling voor reiskosten, waarop de getuige aanspraak heeft.

Indien het noodig is voorloopig in de verblijfkosten van zoodanige getuigen te voorzien, worden door den regter, voor wien zij verschenen zijn, van dag tot dag insgelijks voorloopige mandaten op den ontvanger der registratie afgegeven, ter nadere verrekening.

Door den ontvanger, met de betaling der mandaten belast, wordt van het gegeven voorschot melding gemaakt op de dagvaarding of oproeping.

Door den ontvanger, met de betaling der toegeschatte schadeloosstelling belast, wordt het voorschot afgetrokken.

afdeeling vi.

Van de porten van brieven en pakketten.

18. De porten en frankeergelden van brieven en pakketten, waarvoor geen vrijdom is verleend, worden voorgeschoten door en in rekening geleden aan do ambtenaren, die de brieven of pakketten hebben onzvangen of verzonden.

Afdeeling VII.

Van het drukiverk en de aankondigingen of bekendmakingen in de dagbladen of nieuwspapieren.

19. Geene andere kosten voor drukwerk worden in rekening geleden dan voor:

1182

-ocr page 1311-

■■

bij den gewonen kegter, artt. 16—\'24. 1183

1°. extracten uit arresten of vonnissen, welke moeten worden aangeplakt;

2°. signalementen van aan te houden personen en lijsten van gestolen goederen;

3°. stukken, waarvan het drukken uit krachte der wet of van eene regterlijke uitspraak moet piaats hebben of bij Koninklijk besluit of door Onzen Minister van Justitie is toegestaan;

4°. aankondigingen of bekendmakingen in de dagbladen of nieuwspapieren, bij de wet of bij eene regterlijke uitspraak bevolen.

20. De gedrukte stukken, bestemd om te worden aangeplakt, worden, indien van de gedane aanplakking geene akte moet worden opgemaakt, aan de burgemeesters gezonden, door wie voor de aanplakking wordt gezorgd. De uitschotten, daardoor veroorzaakt, worden aan de gemeente vergoed.

ifj il

quot;V

a f d e e l i n g viii.

f

Van gerr.gtclijke archieven en van minuten on registers van notarissen.

21. De kosten van verplaatsing of vervoer en rangschikking van geregtelijke archieven, van registers en stukken ter griffie berustende, en van minuten en registers van notarissen, berustende in de algemeene bewaarplaatsen, worden geregeld door den procureur-generaal, den officier van justitie of den kantonregter, na bekomen magtiging en goedkeuring van Onzen Minister van Justitie.

De declaratien der kosten vereischen, tot staving hunner

tl 1

\'

deugdelijkheid, geen ander bewijs dan eene goedkeuring van Onzen Minister van Justitie, en zijn overigens aan geene verdere formaliteiten onderworpen.

afdeeling ix.

Van de bewijsstukken, de opmaking, indiening en verzending der declaratien, en de daarop te stellen verklaringen.

22. Bij de declaratien wegens buitengewone en bij het tarief niet voorziene kosten wordt gevoegd de schriftelijke magtiging van den procureur-generaal tot het maken dier kosten, of, zoo geene schriftelijke magtiging is gegeven, de nadere goedkeuring van dien ambtenaar.

23. Bij de declaratien voor het vervoer van gevangenen met scheepsgelegenheid of met afzonderlijk rijtuig worden overgelegd de afgegeven passage-biljetten, de requisitoiren of de schriftelijke magtiging en, zoo het vervoer op verklaring van een genees- of heelkundige is geschied, ook deze verklaring.

24. Bij de declaratien voor het vervoer met afzonderlijk rijtuig van personen, die in gijzeling moeten worden gesteld, wordt overgelegd de magtiging van den burgemeester en, zoo het vervoer op verklaring van een genees- of heelkundige is geschied, ook deze verklaring.

-ocr page 1312-

TARIEF IN STRAFZAKEN

25. Het requisitoir of de magliging tot vervoer met afzonderlijk rijtuig wordt op de eerstvolgende plaats van aankomst door den ambtenaar van het openbaar ministerie, door den hulpofficier van justitie of door den eerst aan-wezenden beambte van het gesticht, waarin de vervoerden worden opgenomen, van eene verklaring voorzien dat zij aldaar met afzonderlijk rijtuig zijn aangekomen, met vermelding van het getal paarden der bespanning.

26. Het schriftelijk afgegeven requisitoir tot vervoer van overtuigingsstukken wordt voorzien van eene verklaring van den ambtenaar, die de stukken overneemt, dat de voorwerpen ter bestemmingsplaats zijn aangekomen en ontvangen.

Het requisitoir wordt bij de declaratie overgelegd, indien de kosten als niet dringende worden behandeld.

27. Bij de declaratien van deskundigen worden overgelegd de requisitoiren, indien het onderzoek of de verrigting heeft plaats gehad op schriftelijken last.

28. Aan den voet van het uitgebragt schriftelijk verslag wordt door de deskundigen melding gemaakt van liet bedrag der kosten van het onderzoek of der verrigting.

29. Declaratien, wegens kosten voor benoodigdheden tot een aan deskundigen opgedragen onderzoek vereischt, worden voorzien van eene verklaring van den ambtenaar, die het onderzoek heeft bevolen, dat het geleverde ten dienste der justitie heeft gestrekt.

30. V oorzoover betreft de afschriften van stukken die, krachtens lastgeving van het regtscollegie, kosteloos aan den beklaagde worden afgegeven, wordt door de grifüers bij hunne declaratie een bewijs overgelegd van de beklaagden of hunne raadslieden, dat de afschriften zijn ontvangen.

In de declaratie wordt de dagteekening vermeld van de lastgeving van het regtscollegie.

31. Tot het doen van exploiten of verrigtingen buiten het kanton van de woonplaats van den deurwaarder, bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den deurwaarder in het kanton of in spoed vereischende zaken, wordt afgegeven eene met redenen omkleede schriftelijke lastgeving.

Die lastgeving wordt bij de declaratie van den deurwaarder overgelegd.

32. Bij de declaratien van drukkers of uitgevers van dagbladen of nieuwspapieren wordt overgelegd een exemplaar van ieder gedrukt stuk of van het dagblad of het nieuwspapier, waarin de aankondiging of bekendmaking is geplaatst.

Bij de declaratie van gemaakte kosten, die door den Staat aan den beklaagde moeten worden vergoed, wordt overgelegd het door den voorzitter van het regtscollegie of door den kantonregter afgegeven bevelschrift van tenuitvoerlegging

33. Bij den staat van de kosten van dagvaardingen en de schadeloosstelling der door den beklaagde of beschuldigde opgeroepen getuigen worden overgelegd de originele dagvaardingen, de toeschattingen aan de getuigen en het bewijs, dat de in uitgaaf gebragte kosten aan don deurwaarder en de getuigen zijn uitbetaald.

1184

-ocr page 1313-

BIJ DEN GEWONEN REGTER, AR-TT. 25—41. 1185

Die staat wordt voorzien van eene verklaring van denambtenaar van het openbaar ministerie, vermeldende de regterlijke uitspraak, waarbij de beklaagde of beschuldigde van de betaling der kosten is vrijgesteld en dat het vonnis of arrest is gegaan in kracht van gewijsde.

u. De declaratien wegens verblijfkosten van burgerlijke beambten, belast met de overbrenging van gevangenen en van overtuigingsstukken, en de declaratien van rijksveldwachters wegens verblijfkosten voor verrigtingen in strafzaken, worden voorzien van eene verklaring van den lastgever, dat aan den last is voldaan en dat de beambte op den dag der heenreis zijne standplaats niet weder heeft kunnen bereiken, noch te voet, noch met een openbar-.r middel van vervoer. In de verklaring wordt melding gemaakt van het doel der reis en van den dag van terugkomst op de standplaats.

35. Bij de declaratien wegens door de zorg vran de Departementen van Marine en van Oorlog gedane betalingen aan militairen in werkelijke dienst, die zich tot het geven van getuigenis naar elders hebben moeten begeven, worden overgelegd de dagvaardingen, de reiswijzers of de lastgevingen.

De regter, voor wien de militairen verschenen zijn en die anders met de toeschatting zou zijn belast, voorziet de dagvaarding, den reiswijzer of de lastgeving van eene verklaring, dat de getuige op den bepaalden dag is verschenen, met vermelding van het tijdstip waarop hem verlof is gegeven om weder naar zijn garnizoen of zijne verblijfplaats terug te keeren. Op passage-biljetten wordt die verklaring niet vereischt.

36. Gedwongen verblijf onderweg wordt bewezen door eene verklaring van een hulpofficier van justitie.

De verklaring wordt overgelegd bij de toeschatting of bij de declaratie.

37. Van de oorzaak van verlengd verblijf wordt melding gemaakt in de toeschatting of in de declaratie.

38- Het tijdelijk verblijf van getuigen buiten hun hoofdverblijf of de tijdelijke ligplaats van schippers, die in een schip wonen, worden bewezen door eene verklaring van den burgemeester of van den commissaris van politie der tijdelijke verblijf- of ligplaats.

De verklaring wordt aan de toeschatting gehecht.

39. Van de aanleidende oorzaak tot verhooging der schadeloosstelling voor reiskosten van getuigen met een gedeelte of het geheele bedrag der veer- of overvaartgelden wordt in de toeschatting melding gemaakt.

40. Wegens voorgeschoten vrachtpenningen voor openbare vervoermiddelen worden geene quitantien gevorderd, evenmin als voor betaalde lol-, brug- en veergelden.

Voor andere voorschotten worden alleen dan quitantien overgelegd, indien de uitgaaf / 3 of meer bedraagt.

41. Onze Minister van Justitie kan, boven en behalve do bescheiden welke bij de declaratien moeten worden gevoegd, de overlegging vorderen van zoodanige andere bewijsstukken als hij tot staving der schuldvorderingen zal noodig oordeelen.

75

-ocr page 1314-

TARIEF IN STRAFZAKEN

é2. Van de niet dringende kosten worden opgemaakt declaratien in duplo, voor ieder dienstjaar afzonderlijk, en ingediend aan den ambtenaar van het openbaar ministerie.

43. De declaratien, die uit de gelden bestemd voor ge-regtskosten in strafzaken moeten worden voldaan, worden door de griffiers en de deurwaarders ingediend na afloop van ieder kwartaal of na afloop van ieder half jaar. Door andere belanghebbenden naar keuze.

U. De schuldvorderingen moeten worden ingediend of ter uitbetaling worden aangeboden binnen zes maanden, volgende op het jaar waarover zij loopen.

Is dit niet geschied, dan worden zij gehouden voor verjaard en vernietigd, tenzij om bijzondere redenen de voir doening, vóór de afsluiting der betrokken begrooting door Ons mogt worden toegestaan.

45. De begrootte declaratien, die uit de gelden bestemd voor geregtskosten in strafzaken moeten worden voldaan, worden, met de daarbij behoorende bewijsstukken, door de kantonregters binnen de eerste acht dagen van iedere maand gezonden aan den officier van justitie bij de retgbank in het arrondissement, die ze, onder bijvoeging van de aan hem ingediende declaratien, binnen de daarop volgende acht dagen inzendt aan den procureur-generaal.

Vóór den 25sten dag van iedere maand worden de ingekomen declaratien, vergezeld van eene lijst, door de procureurs-generaal ingezonden aan het Departement van Justitie.

Door den procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden de declaratien, dat college betrelïende, afzonderlijk aan het Departement van Justitie ingezonden, binnen den termijn bij het tweede lid van dit artikel bepaald.

Afdeel ING X.

Van de verrekening der door de ontvangers der registratie betaalde dringende kosten.

46. Van de dringende door de ontvangers der registratie voor rekening van het Departement van Justitie betaalde kosten worden staten in duplo opgemaakt, voor ieder dienstjaar afzonderlijk, en wel door de ontvangers in de hoofdplaatsen der kantons na afloop van ieder kwartaal, en door die in de hoofdplaatsen der arrondissementen na het einde van iedere maand.

Daarbij worden overgelegd de betalingsstukken.

De betalingsstukken, bij den staat behoorende, worden geklasseerd en van omslagen voorzien, in dier voege dat de stukken van dezelfde soort en hetzelfde bedrag in één omslag worden gevoegd, waarop wordt aangewezen het getal stukken, het bedrag van ieder stuk en het gezamenlijk bedrag.

Van de toeschattingen betrekkelijk tot verschillende regts-collegien of kantongeregten worden voor ieder regtscollegie of kantongeregt afzonderlijke staten opgemaakt.

47. Dc staten en bewijsstukken worden, vergezeld van een borderel, voor ieder dienstjaar afzonderlijk, door de

1186

-ocr page 1315-

bij den gewonen regter, artt. 42—54. 1187

ontvangers der registratie gezonden aan de directeuren der registratie en domeinen.

48. De staten en bewijsstukken, in het vorige artikel bedoeld, worden bijeenverzameld en in den aanvang van iedere maand, met een borderel en een verzamelstaat, voor ieder dienstjaar afzonderlijk, door de directeuren der registratie en domeinen aan het Departement van Justitie ingezonden, ten einde aldaar te worden onderzocht.

49. De verzamelstaten worden door Onzen Minister van Justitie van een bewijs van ontvangst voorzien, behoudens nader onderzoek der bewijsstukken.

50. De verzamelstaten worden met het bedrag der afgegeven staten van terugvordering en met hetgeen, waarvoor vroeger ten onregte décharge is verleend, verminderd.

Afdeeling XI.

Van de verzending van stukken tot invordering van hetgeen op de veroordeelden moet worden verhaald.

51. Hetzij de zaak alleen in eersten aanleg, hetzij zij ook in hooger beroep en in cassatie is behandeld, zorgt de ambtenaar van het openbaar ministerie, met de tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de beschikking belast, binnen de eerstvolgende veertien dagen nadat tot de tenuitvoerlegging kan worden overgegaan, voor de uitreiking van een afschrift van iederen vereffenden en uitvoerbaar verklaarden staat van kosten aan het met de invordering belaste bestuur, in dier voege dat het bestuur zoomogelijk in ééns eene opgave verkrijge van al hetgeen moet worden verhaald.

52. Moeten van den veroordeelde tot geldboete geene kosten worden verhaald, dan wordt door de zorg van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regtscollegie of bij het kantongeregt, waarbij de zaak behandeld is, een extract uit het vonnis, uit het arrest of uit de beschikking uitgereikt aan den ontvanger die met de invordering der geldboete is belast.

Afdeeling XII.

Van de modellen.

53. De modellen der declaratien, toeschattingen en verdere tot de betaling, begrooting en vereffening der kosten betrekkelijke stukken worden vastgesteld door Onzen Minister van Justitie.

(Dit is geschied hij beschikking van 15 September 1875, 5e afd. n0. 101, gewijzigd hij beschikking van 13 October 1886, 5e afd. n0. 107.)

Afdeeling xiii.

Van de registers.

54. Door de ambtenaren van het openbaar ministerie wordt gehouden:

-ocr page 1316-

1188 TARIEF IN STRAFZAKEN BIJ DEN GEW. EN MIL.

a. een register waarin worden aangeteekend de stukken, die door de griffiers op hunne vordering zijn afgegeven;

h. een register van de aan deurwaarders opgedragen exploiten of andere geregtelijke verrigtingen.

De in te dienen declaratien worden met het register vergeleken.

Slotbepalingen.

55. Ons besluit van 19 February 1863 (Stb. n0.10) wordt ingetrokken.

56. Dit besluit treedt in werking op een nader door ons te bepalen tijdstip. (1 Januari 1876: Stb. 1875 n0. 123.)

n.

WET

van 18 April 1874 (Stb. n0. 67), tot vaststelling van een tarief van geregtskosten in strafzaken, waarvan de militaire regter kennis neemt.

Artikel 1.

In strafzaken, waarvan de militaire regter kennis neemt, worden de geregtskosten, voorzooverre de wijze van regts-pleging in die zaken tot het maken der kosten aanleiding geeft, berekend, toegeschat, begroot en betaald op den voet en met toepassing der bepalingen van hot tarief van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt, behoudens hetgeen in de volgende artikelen is voorgeschreven.

2. De voorafgaande schriftelijke magtiging tot het maken van buitengewone en bij het tarief niet voorziene kosten, of de nadere goedkeuring, wordt verleend door den advocaatfiscaal.

3. De magtiging om in beslag genomen goederen, aan spoedig bederf onderhevig, en levende dieren, in afwachting van het eindvonnis, te verkoopen, indien een of ander niet aan den eigenaar kan worden teruggegeven, wordt verleend door den voorzitter van het Hoog Militair Geregtshof, door den fiscaal van den zeekrijgsraad of door den auditeurmilitair.

4. Voor extracten, grossen of afschriften, die door de belanghebbenden ten hunnen koste worden verlangd, kan door den griffier van het Hoog Militair Geregtshof, de fiscaals bij de zeekrijgsraden, de auditeurs-militair en de secretarissen der krijgsraden de belooning worden in rekening gebragt naar den maatstaf, vastgesteld in art. 30 van het tarief, bedoeld in art. 1.

In alle andere gevallen worden geene belooningen voor extracten, grossen of afschriften of voor andere verrigtingen in strafzaken in rekening geleden.

5. De verblijfkosten van den advocaat-fiscaal, van de leden en van den griffier van het Hoog Militair Geregtshof, van officieren-commissarissen, van de leden der krijgsraden, van de fiscaals en secretarissen bij de zeekrijgsraden en van de auditeurs-militair worden berekend naar de klassen

-ocr page 1317-

KEGTER, AhTT. 55 EN 56, ARTT. i —11 EN ART. 1. 1189

van het tarief, vastgesteld bij Ons besluit van 15 December 1849 (Stb. n0. 62), en, voor zoover betreft oflicieren-cora-missarissen, de leden der krijgsraden en de fiscaals en secretarissen bij de zeekrijgsraden, volgens hunnen militairen rang.

De verdere bepalingen van het in art. 1 bedoelde tarief, betrekkelijk de reis- en verblijfkosten van regterlijke ambtenaren, zijn op hen toepasselijk.

6. Aan den exploiteur van het Hoog Militair Geregtshof wordt geene belooning in rekening geleden voor gedane exploiten en andere geregtelijke verrigtingen.

Ten aanzien der vergoeding voor reis- en verblijfkosten wordt hij met de deurwaarders gelijk gesteld.

7. De toeschatting der dringende kosten geschiedt door den voorzitter van het Hoog Militair Geregishof, de radencommissarissen, de fiscaals bij de zeekrijgsraden of de auditeurs-militair.

Artikel 70 van het in art. 1 bedoelde tarief is op hen toepasselijk.

8. De declaratien wegens reis- en verblijfkosten van de personen, opgenoemd in art. 5, worden begroot door den voorzitter van het Hoog Militair Geregtshof.

De overige niet dringende kosten worden begroot dooiden voorzitter van het Hoog Militair Geregtshof, de fiscaals bij de zeekrijgsraden of de auditeurs-militair.

9. Zijn de getuigen gehoord door den burgerlijken reg-ter, of is de last uitgevoerd door den burgerlijken ambtenaar van het openbaar ministerie, dan worden de kosten toegeschat of begroot door den burgerlijken regter.

10. Artikel 78 van het in art. 1 bedoelde tarief is, voor zooveel noodig, ten deze toepasselijk.

Het eerste lid van artikel 79 van dat tarief geldt ook voor de in deze wet bedoelde zaken.

11. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (1 Januari 1876: Stb. 1875 n0. 123.)

BESLUIT

van 18 December 1874 (Stb. n0. 213), houdende voorschriften omtrent de ondenverpen, bedoeld hij het eerste lid van art. 10 der wet wan 18 1874 (Stb. n0. 67), tot vaststelling van eenigebepalingen ten aanzien der berekening, toe-schatting, begrooting en betaling van geregtskosten in strafzaken, waarvan de militaire regter kennis neemt.

Artikel 1.

Ons besluit, waarbij de noodige voorschriften zijn gegeven omtrent de onderwerpen, aangewezen bij art. 78 der wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 66), houdende vaststelling van een tarief van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt, is voor zooveel

-ocr page 1318-

1190 TARIEF IN STRAFZ. BM DEN MIL. REGTER, ARTT. 26.^

nooilig toepasselijk in strafzaken, waarvan de militaire regter kennis neemt, behoudens hetgeen in de volgende artikelen is bepaald.

2. De wijze van vervoer van militaire gevangenen en van overtuigingsstukken wordt overgelaten aan het militair gezag.

Bij ontstentenis of op verzoek van het militair gezag, zijn de bepalingen omtrent het vervoer van gevangenen, die naar elders moeten worden overgebragt, en van overtuigingsstukken, in strafzaken, waarvan de burgerlijke regter kennis neemt, toepasselijk.

Kleine noodzakelijke onkosten ten behoeve der gevangenen worden in rekening geleden.

3. De kosten van verplaatsing of vervoer en rangschikking van geregtelijke archieven en van registers worden geregeld door den advokaat-fiscaal, den secretaris bij den zeekrijgsraad of den auditeur-militair, na bekomen magtiging en goedkeuring van Onzen Minister van Justitie.

4. Do declaration wegens niet dringende kosten worden ingediend aan den advokaat-fiscaal, den fiscaal bij den zeekrijgsraad of den auditeur-militair.

5. De begrootte declaration met de daarbij behoorende bewijsstukken worden door de fiscaals bij de zeekrijgsraden en de auditeurs-militair binnen de eerste acht dagen van iedere maand gezonden aan den advokaat-fiscaal, die ze, onder bijvoeging van de aan hem ingediende declaration en vergezeld van eene lijst, binnen de daarop volgende acht dagen inzendt aan het Departement van Justitie.

6. Dit besluit treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (1 Januari 1876; Stb. 1875 n0. 123.)

-ocr page 1319-

NOTAKIAAT.

i.

WET

van 9 Juli 1842 (Stb. n0. 20), op hel Notarisamhl, gewijzigd

bij die van 2G April 1876 (Stb. n0.85), van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29), van 15 April 1886 (Stb. n0. 64) en van 31 December 1887 (Stb. n0. 265). a)

HOOFDSTUK I.

Van de ambtsbediening en het ressort der notarissen.

Artikel 1.

De notarissen zijn openbare ambtenaren, uitsluitend bevoegd om authentieke akten te verlijden wegens alle handelingen, overeenkomsten en beschikkingen, waarvan de wet gebiedt of de belanghebbenden verlangen dat bij authentiek geschrift blijken zal; daarvan de dagteekening te verzekeren; de akten in bewaring te houden en daarvan grossen, afschriften en uittreksels uit te geven; alles voorzoover het verlijden dier akten door de wet niet ook aan andere ambtenaren opgedragen of aan dezelve geheel voorbehouden is. (Consul, w., a. 17, zie chron. lijst.)

2. De notarissen worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

8. De notarissen oefenen hunne ambtsbediening uit in den geheelen omtrek van het arrondissement, waarin hunne standplaats is gevestigd.

De Koning bepaalt bij een reglement van algemeen bestuur, dadelijk bij het in werking brengen dezer wet uit te vaardigen, het maximum van het getal notarissen, welke voor ieder arrondissement kunnen worden aangesteld, des echter dat hetzelve in geen arrondissement meer zal kunnen bedragen dan één notaris op de vier duizend zielen. (Stb. 1892 n». 228.)

Art. 15 der Wet van 9 April 1877 (Stb. n0. 80). De notarissen, aangesteld vóór het in werking treden dezer wet, zijn, onverminderd hunne bevoegdheid in den geheelen omtrek van het nieuwe arrondissement, tevens

o) Do wijzigingen zijn in don tekst opgenomen met vermeliling tier wijziging, maar zonder opneming van den oorspronkelijken tekst. De wijzigingen door de wet van la April 1880 (de Invoeringswet) alleen betreffende de straf minima en de herhaling zijn in den tekst opgenomen zonder vermelding (Inv. IIgt;.

-ocr page 1320-

1 192 NOTARIAAT.

bevoegd hunne bediening uit te oefenen in den geheelen te ve omtrek van het voormalige arrondissement waarin hunne art. standplaats gevestigd is. verm

4. Aan iederen notaris wordt bij hot besluit zijner be- 7. noeming eene bepaalde standplaats aangewezen. zijne

Met uitzondering van de steden, welke uit meer dan één Bi kanton bestaan, worden deze standplaatsen zoodanig over en t hot geheele arrondissement verdeeld, dat er ten minste twee en notarissen in ieder kanton gevestigd zijn. van

Met inachtneming van het bepaalde bij het vorige lid, (B. kan de aangewezene standplaats door den Koning, op ver- 8 zoek van den notaris, binnen het arrondissement, waarin lijk* dezelve is gevestigd, worden veranderd. daa

5. Ieder notaris is verpligt niet alleen zijne woonplaats van te hebben, zijn kantoor te houden en zijne akten te bewaren in de hem aangewezene standplaats, maar ook om aldaar zijn werkelijk en gestadig verblijf te houden. \'I

Bij overtreding hiervan, zal hij voor den tijd van ten ont minste drie en ten langste zes maanden in zijn ambt worden an( geschorst. sec

Een notaris, zich langer dan veertien dagen van zijne be: standplaats willende verwijderen, heeft daartoe verlof noodig van den officier bij de regtbank van het arrondissement, se: waarin die standplaats is gelegen. hi

Indien de afwezigheid langer dan ééne maand moet duren, th hebben de notarissen daartoe het verlof noodig van den procureur-generaal bij het geregtshof. v;

Bij overtreding dezer bepalingen, zal de afwezige notaris w worden gestraft met eene boete van ten hoogste honderd gulden, en, in geval van herhaling, met schorsing in zijn o ambt voor den tijd van ten minste drie en ten langste zes n maanden. h

Bij het verleenen van het verlof zal de officier of de procu- g reur-generaal, op voordragt van den notaris, en bij gebreke \\ daarvan ambtshalve, eenen naburigen notaris aanwijzen, ten c einde gedurende de afwezigheid van zijnen ambtgenoot, ten aanzien van deszelfs minuten en van de aan hern in bewa- 1 ring gegevene stukken, al datgene te verrigten, waartoe deze, ■ tegenwoordig zijnde, bevoegd en verpligt zoude zijn.

De notaris is verpligt aan den ter zijne tijdelijke vervanging aangewezen ambtgenoot den vrijen toegang tot zijn archief te verleenen, op straffe van in zijne bediening te worden geschorst voor een tijd van drie tot zes maanden.

De regtbank kan, bij het niet verleenen van toegang tot het notarieel archief, op het requisitoir van het openbaar ministerie, den aangewezen notaris magtigen, zich dezen, des noods met behulp der openbare magt, te verschaffen.

De heide laatste alinea\'s toegevoegd bij art. i der Wet van 6 Mei 1878 (Stb, n». 29).

6. Buiten gegronde redenen, mogen de notarissen hun dienst niet weigeren, wanneer zij tot het leenen daarvan worden verzocht. Zij zijn voorts verpligt om, op last van den voorzitter der regtbank van het arrondissement in hetwelk zij hunne bediening uitoefenen, hunne dienst kosteloos

-ocr page 1321-

HOOFDSTUK I EN II, ARTT. 4—10. \'1193

te verleenen aan zoodanige personen, welke, op de wijze bij art. 858 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering vermeld, van hun onvermogen doen blijken.

7. Het is aan eiken notaris verboden, buiten zijn ressort zijne ambtsbediening uit te oefenen.

Bij overtreding zal tiij voor den tijd van ten minste drie en ten langste zes maanden in zijn ambt worden geschorst, en zulks onverminderd zijne gehoudenheid tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden. (B. 1282.)

8. De notarissen mogen niet tevens zijn leden der regter-lijke magt, de plaatsvervangers der regters en kantonregters daaronder niet begrepen, noch ook de bediening uitoefenen van procureur, solliciteur of deurwaarder.

Gewijzigd bij art. 2 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. nquot;. 29).

Zij mogen wijders niet zijn commissarissen van policie, ontvangers of ambtenaren der registratie of van eenige andere rijksbelasting, noch hypotheekbewaarders, hoofden, secretarissen, ontvangers of thesauriers van eenig plaatselijk bestuur.

Het zal intusschen den Koning vrijstaan, aan de notarissen, om zeer bijzondere redenen, te vergunnen, met deze hunne betrekking die van hoofd, secretaris, ontvanger of thesaurier van eenig plaatselijk bestuur uit te oefenen.

In geval van twijfel of eenige betrekking met het ambt van notaris bestaanbaar zij, zal zulks door den Koning worden beslist. (R. O. 8.)

9. Een notaris, welke tot eene der met zijne bediening onvereenigbare betrekkingen wordt benoemd, en dezelve aanneemt, met uitzondering van het geval, dat hij voor die, bij het 3de lid van liet vorige artikel vermeld, bijzondere vergunning des Konings mogt hebben verkregen, zal geacht worden van het notarisambt afstand te hebben gedaan, en op de gewone wijze worden vervangen.

Wanneer daarentegen iemand, eene der opgemelde betrekkingen bekleedende, tot notaris wordt benoemd, zal hij, door de aanneming van het notarisambt, zonder gelijke vergunning des Konings, met opzigt tot die betrekkingen, welke in het 3de \'iid van het vorige artikel zijn vermeld, geacht worden van zijne vroegere betrekkingen afstand te hebben gedaan.

HOOFDSTUK 11.

Van de vereischlen om tot notaris benoemd te worden, en van de wijze van benoeming.

10. Niemand is tot notaris benoembaar, dan hij, die: 1°. Nederlander is in het volle genot der burgerlijke en

burgerschapsregten;

2°. den leeftijd van vijf en twintig jaren heeft bereikt; 3°. doet blijken van een goed zedelijk gedrag door middel van een of meer verklaringen, op het getuigenis van

hunne

3r be-

ii één

over

twee

e lid,

ver-

aarin

)laats

3 be-

om

ten

rden

zijne

odig

lent.

ren

den

aris

erd

zijn

zes

cu-

eke

ten

ten

va-

ze.

m-

■jn

te

;n.

et

li

es

?r

n

n

n

S

-ocr page 1322-

i 194 NOTARIAAT.

-----

vier bekende en geloofwaardige mannen, afgegeven door den burgemeester of de burgemeesters der gemeente of gemeenten, waar hij gedurende de laatste zes jaren voortdurend verblijf heeft gehad;

4quot;. het hierna te melden examen met goed gevolg heeft afgelegd;

5°. een werktijd van twee jaren, nadat hij dat examen met goed gevolg heeft afgelegd, op één of meer notariskantoren heeft volbragt.

Art. 13 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29). Zij die vóór het in werking treden dezer wet het getuigschrift, bedoeld bij het bij deze wet ingetrokken art. 16 der Wet van 9 Julij 1842 (Stb. n0. 20), hebben verkregen, behouden de bevoegdheid om tot notaris te worden benoemd, mits zij tevens voldoen aan de vereischten,

gesteld bij het gewijzigde art. 10, n03. 1, 2 en 3,

dier wet.

11. Het examen wordt afgelegd voor eene Staatscommissie bestaande uit zeven leden, jaarlijks door Onzen Minister van Justitie, met aanwijzing van een voorzitter uit hun midden, te benoemen, waaraan een secretaris, door Onzen voornoemden Minister benoemd, wordt toegevoegd.

Door Onzen voornoemden Minister worden tevens vijf plaatsvervangende leden benoemd.

De commissie vergadert jaarlijks eenmaal.

De vergadering vangt aan in de maand Julij.

De dag van aanvang van het examen en de plaats, waar het wordt gehouden, worden door Onzen voornoemden Minister bij het besluit van benoeming der commissie bepaald.

12. Tot verkrijging van het in art. 15 bedoelde getuigschrift wordt vereischt grondige kennis van het burgerlijk regt en van de wetten en besluiten op het notarisambt, alsmede van die gedeelten van het handelsregt, de burgerlijke regtsvordering, het zegel-, registratie- en successieregt, het kadaster en de hypothecaire boekhouding, welke betrekking hebben op het notarisambt, benevens praktische bedrevenheid in de toepassing van het regt en het ontwerpen van notariële akten.

Zij, die den graad van doctor in de regten of in de regts-wetenschap bezitten, zijn vrijgesteld van het theoretisch examen in het burgerlijk regt, het handelsregt en de burgerlijke regtsvordering. \'

13. Het examen is mondeling en schriftelijk.

Het wordt van ieder adspirant afzonderlijk afgenomen.

Het mondeling examen is openbaar.

14. Ieder, die zich tot het afleggen van het examen aanmeldt, betaalt twintig gulden.

Nadere voorschriften omtrent het examen, het programma, benevens de vacatiegelden en de reis- en verblijfkosten voor de leden, de plaatsvervangende leden en den secretaris der commissie worden door Ons bij algemoenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld. (Stb. 1878 n0. 81; Stb. 1883 n». 21; Stb. 1892 n». 127; Stb. 1895 n». 75; Stb. 1898 n«. 69,

zie pag. 1213.)

-ocr page 1323-

HOOFDSTUK If EN III, ARTT. H—21.

15. De geboorte-akte, de verklaring of verklaringen van goed gedrag, het getuigschrift van met goed gevolg afgelegd examen en de verklaring of verklaringen van den volbragten werktijd, afgegeven door den notaris of de notarissen, bij wie de belanghebbende is werkzaam geweest, en bevestigd door den officier van justitie van het arrondissement, worden bij het verzoek om plaatsing aan den Koning overgelegd.

De artt. 10 — 15 zijn in de plaats van de oorspronkelijke artt. 10—17 gesteld bij art. 3 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. nquot;. 29).

18. De notarissen moeten, binnen twee maanden na de dagteekening van hunne benoeming, voor de arrondisse-ments-regtbank, tot welker ressort hunne aangewezene standplaats behoort, ieder naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed (belofte) afleggen:

«Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gchoor-«zaamheid aan de grondwet, eerbied voor de regterlijke «autoriteiten; dat ik mijnen post met eerlijkheid, naauw-«keurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten, op «het notarisambt gemaakt of nog te maken, met de meeste «naauwgezetheid zal opvolgen; dat ik de meest mogelijke «geheimhouding omtrent den inhoud der akten, overeen-«komstig de voorschriften der wet, zal in acht nemen; en «dat ik voorts, middellijk noch onmiddellijk, onder eenigen «naam of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling, «aan iemand, wie het ook zij, iets heb gegeven of beloofd, «noch zal geven of beloven.»

De Koning is bevoegd verlenging van den tot het afleggen van den eed bepaalden termijn te verleenen.

Bij verzuim van den voorschreven eed tijdig te doen, wordt de benoeming geacht vervallen te zijn, en wordt er tot eene andere benoeming overgegaan.

19. Vóór hunne eedsaflegging mogen de benoemde notarissen geenerlei werkzaamheden verrigten, tot hunne ambtsbediening behoorende, op straffe bij het Wetboek van Strafregt hierop gesteld, onverminderd hunne gehoudenheid tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden. (Sr. 196; B. 1282.)

20. Binnen veertien dagen na de eedsaflegging moeten zij, het zij zeiven, het zij door eenen schriftelijk gemagtigde, hunne handteekening en paraaph nederleggen ter griffie der regtbank van het arrondissement, waartoe hunne standplaats behoort, en zulks op stralfe van ten hoogste tien gulden boete voor iederen dag verzuim.

Gewijzüjd bij art. 1 der Wet van 26 April 1876 (Stb. n». 85).

HOOFDSTUK III.

Van de akten en derzelver vorm, van de minuten, grossen, afschriften en repertoria.

21. De notarissen mogen geene akten verlijden, waarin zij zei ven, hunne vrouwen, hunne bloedverwanten of aan-

H95

iquot;

i

-ocr page 1324-

N0TAK1AAT.

gehuwden in de regte linie, zonder onderscheid van graden en in de zijdlinie tot den derden graad ingesloten, het zij in persoon, het zij door gemagtigden, het zij in hoedanigheid, als partij voorkomen.

Dit verbod is echter niet toepasselijk in de gevallen dat de gemelde vrouwen, bloedverwanten of aangehuwden als koopers, huurders, pachters, aannemers of borgen verschijnen in akten, waarbij in het openbaar gehouden verkoopingen, verhuringen, verpachtingen of aanbestedingen worden geconstateerd, of als leden van vergaderingen, waarin van het verhandelde door eenen notaris procesverbaal wordt opgemaakt.

In geval van overtreding heeft de akte alleen kracht van onderhandsch geschrift, mits zij door de verschijnende personen onderteekend zij, en is de notaris tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden gehouden. (Rv. 16; B. 1911 v.)

22. De notariële akten mogen geene beschikkingen of bepalingen inhouden ten voordeele van den notaris, ten wiens overstaan zij zijn verleden, van de getuigen, van zijne of hunne vrouwen, zijne of hunne bloedverwanten, of aangehuwden in de regte linie, zonder onderscheid van graden, en in de zijdlinie tot den derden graad ingesloten. Hetgeen hiertegen strijdig is, wordt voor niet geschreven gehouden, blijvende echter de akte overigens in haar geheel.

Door de bepaling van dit artikel wordt geene verandering gebragt in de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek omtrent uiterste willen. (B. 954, 958, 1718.)

23. De akten zullen, behoudens da voorschriften der wet omtrent den vorm van sommige derzelve, worden verleden voor éénen notaris, in tegenwoordigheid van twee getuigen. De getuigen moeten aan den notaris bekend zijn of derzelver identiteit en bevoegdheid aan hem, door een of meer der verschijnende personen, verklaard, en daarvan in de akte melding gemaakt worden. Zij moeten zijn van het mannelijke geslacht, meerderjarig en ingezetenen van het koningrijk, hunnen naam kunnen teekenen en de taal verstaan, waarin de akte verleden wordt.

24. Behoudens de in het Burgerlijk Wetboek gemaakte bepalingen, mogen bloedverwanten of aangehuwden, het zij van den notaris, het zij van de verschijnende personen, tot in den derden graad ingesloten, alsmede de huisbedienden van den notaris, niet tot getuigen worden genomen. (B. 991.)

Bij overtreding van dit of van het vorige artikel, zal de akte, voorzooverre die geene uiterste-wilsbeschikking inhoudt, alleen kracht van onderhandsch geschrift hebben, mits zij door de verschijnende personen onderteekend zij, onverminderd de verpligting van den notaris tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden, indien daartoe termen zijn; zullende echter het verzuim der vermelding, in het vorige artikel voorgeschreven, alleen met eene geldboete van ten hoogste tien gulden worden gestraft. (B. 1282, 1911 v.)

Bloedverwanten of aangehuwden, tot in den derden graad

1196

-ocr page 1325-

HOOFDSTUK III, ARTT. 22—28.

--

ingesloten, van koopers, huurders, pachters, aannemers of borgen bij openbare verkoopingen, verhuringen, verpachtingen of aanbestedingen, mitsgaders van leden van vergaderingen, waarin van het verhandelde door eenen notaris procesverbaal wordt opgemaakt, zullen daarbij echter als getuigen kunnen worden genomen. (W. not. ambt, a. 21.)

25. De verschijnende personen moeten den notaris bekend zijn, of worden bekend gemaakt door twee getuigen, alle vereischten bezittende om bij notariële akten als zoodanig te dienen, des echter dat bloed- of aanverwantschap met den bekend gemaakten persoon geene reden van uitsluiting oplevert. (W. not. ambt, a. 23.)

Van dit een of ander moet in de akte uitdrukkelijk melding worden gemaakt.

26. Alle akten moeten de voornamen, den naam en de standplaats van den notaris uitdrukken.

Dezelve moeten daarenboven inhouden de voornamen, den naam, het beroep of de maatschappelijke betrekking en de woonplaats van ieder der verschijnende personen en der door hen vertegenwoordigden, voorzooverre het beroep of de maatschappelijke betrekking en woonplaats door hen kan worden opgegeven; voorts de betrekkingen of lioedanig-heden waarin, en de vermelding der volmagten of beschikkingen krachtens welke wordt gehandeld; de voornamen, den naam, het beroep of de maatschappelijke betrekking en de woonplaats van ieder der getuigen, ook van die in het vorige artikel bedoeld; eindelijk de plaats, het jaar, de maand en den dag op welken de akten verleden zijn.

Bij overtreding van een of meer der bij dit en het vorige artikel vastgestelde bepalingen, zal de notaris voor elk der-zelve verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden, en zal bovendien de akte, bijaldien de plaats, het Jaar, de maand of de dag daarin niet mogten vermeld zijn, alleen kracht van onderhandsch geschrift hebben, mits zij door de verschijnende personen onderteekend zij. (B. 1911 v.)

27. Vervallen tengevolye der afschaffing van de Wet op de patenten door W. bedrijfsbel.. a. 60. et)

28. De notariële akten moeten leesbaar, in onafgebroken zamenhang, zonder verkortingen, witte vakken, gapingen of tusschenruimten worden geschreven, ten ware voor sommige door eenige autoriteit vastgestelde gedrukte formulieren mogten bestaan; de noodzakelijk opengebleven onbeschreven vakken in het ligchaam der akten moeten vóór de onderteekening, door een of rneer duidelijke inktstrepen, voor verdere beschrijving onbruikbaar gemaakt worden; alle getallen ter bepaling van de hoeveelheid of hoegroot-

a) Het luidde: „Indien door eenen notaris eene akte wordt verleden in eene plaats, welke, volgens de quot;Wet op de patenten, is van hoogeren rang dan die waarin zijne standplaats is gevestigd, zal hij verpligt zijn van het in die plaats verkregen snppletoire patent in het hoofd dor akte melding tc maken, op eene boete van ten minste vijf on twintig on ton hoogste vier honderd gulden, voor iedere overtreding, onverminderd deszelfs gehondenlieid tot voldoening der snppletoire regten voor een vol jaar.quot;

i 197

ü

i

i

-ocr page 1326-

NOTARIAAT.

heid der zaken, welke in de akte worden vermeld, mitsgaders de dagteekeningen, moeten in schrijfletters worden uitgedrukt, doch kunnen in cijfers worden herhaald of vooraf-* gesteld; zullende de notaris voor iedere overtreding van dit j artikel verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden.

Het is echter geoorloofd om in volmagten, welke in originali worden uitgegeven, den naam van den gevolmagtigde oningevuld te laten, mitsgaders om in die, welke in minuut worden verleden, de voornamen van de gevolmagtigden alleen door de eerste letters aan te duiden, met bijvoeging echter van het beroep of de maatschappelijke betrekking en de] woonplaats, voorzooverre die aan den lastgever bekend zijn.

29. De akten kunnen worden verleden in de taal, welke partijen verkiezen, mits de notaris dezelve versta.

De uiterste wil bij openbare akte, de akte van bewaargeving van eenen olographischen uitersten wil, en de akte van superscriptie van een besloten testament, moeten worden opgesteld in de taal, waarin de erflater zijnen wil verklaard, de bewaarneming verzocht of het besloten testament aangeboden zal hebben. (B. 979 v., 985 v., 987 v.; Consul.w., a. 18, zie chron. lijst.)

30. De akten moeten door elk der verschijnende personen, onmiddellijk na voorlezing, worden onderteekend, ten ware zij mogten verklaren hunnen naam niet te kunnen teekenen of daarin verhinderd worden; zullende alsdan van deze hunne verklaring, alsmede van de reden van verhindering, uitdrukkelijk melding worden gemaakt.

Bijaldien echter een of meer der verschijnende personen alleen bij een bijzonder gedeelte der akte belang hebben, of alleen bij zulk een gedeelte, als gehandeld hebbende, voorkomen, zal het voldoende zijn, dat dit gedeelte aan de zoodanigen voorgelezen en door hem of hen geteekend worde, en dat die voorlezing en onderteekening bij dit gedeelte der akte uitdrukkelijk worde vermeld.

Bovendien moeten de akten door de getuigen, waaronder ook die in art. 25 opgenoemd begrepen zijn, mitsgaders door den notaris worden onderteekend.

Bij overtreding van elk der genoemde bepalingen, zal de akte alleen kracht van onderhandsch geschrift hebben, voorzooverre dezelve door de verschijnende personen geteekend is. (B. 1911 v.)

Van de voorlezing en onderteekening moet uitdrukkelijk in het slot der akte worden melding gemaakt, op eene boete van ten hoogste tien gulden.

31. Wanneer bij akten van boedelbeschrijving, van openbaren verkoop, openbare verhuring of aanbesteding en bij andere akten, die niet opgemaakt worden tot bewijs van de verklaringen der verschijnende personen, maar alleen tot bewijs van handelingen of daadzaken, die ten overstaan van don notaris tijdens het verlijden der akte plaats hebben, een of meer der verschijnende persoren weigeren hunnen naam te teekenen of zich vóór de sluiting der akte hebben verwijderd, zonder onderteekening, heeft de akte niettemin kracht van authentiek geschrift, indien van deze omstandigheid, en

H98

-ocr page 1327-

HOOFDSTUK III, ARTT. \'29—35.

ingeval de reden van de weigering om te teekenen wordt opgegeven, ook daarvan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt in de akte.

Gewijzigd bij art. 5 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29).

32. De volmagten, waaruit de handelende personen hunne bevoegdheid ontleenen, zullen aan de minuten worden vastgehecht. Onderhandsche of buiten het Rijk verledene volmagten moeten vooraf door de lasthebbers, in tegenwoordigheid van den notaris en van de getuigen, voor echt worden erkend en, ten blijke daarvan, door hen allen zijn geteekend, tenware de eerstgenoemden verklaarden hunnen naam niet te kunnen teekenen of daarin verhinderd worden; in welk geval daarvan op de volmagt melding gemaakt, en die verklaring de redenen der verhindering inhoudende, door den notaris en de getuigen onderteekend zal worden; van welk een of ander in de akte zal worden melding gemaakt.

Indien partijen krachtens mondelinge volmagt handelen, moet zulks in de akte worden vermeld.

Voor iedere overtreding van eene dezer bepalingen, zal de notaris verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden.

33. Van de aanhechting, bij het vorige artikel voorgeschreven, worden vrijgesteld:

1°. Volmagten, in minuut berustende onder den notaris, die over de akte staat waarbij de lasthebber verschijnt;

2°. Volmagten, welke reeds zijn vastgehecht aan akten, voor denzelfden notaris verleden en onder zijne minuten verbleven, mits hiervan in de akte worde melding gemaakt; bij verzuim waarvan de notaris in ieder geval zal verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden.

34. Alle veranderingen en bijvoegingen moeten op den kant der akten geschreven worden, doch zijn alleen geldig voorzooverre die ieder afzonderlijk door de verschijnende personen, welke de akte geteekend hebben, door den notaris en door de getuigen onderteekend of gewaarmerkt zijn.

Ingeval eene verandering of bijvoeging te wijdloopig is om op den kant der akte te worden geschreven, zal die achteraan, doch vóór het slot der akte, worden geplaatst, mits de bladzijde en de regel worden aangeduid, waartoe dezelve behoort, op straffe van nietigheid van elke op eene andere wijze of zonder deze aanduiding gedane verandering of bijvoeging.

Het getal der bijgevoegde woorden of letters zal bij de bijvoeging of verandering moeten worden vermeld.

De laatste alinea bijgevoegd hij art. 4 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. nquot;. 29).

35. Het is niet geoorloofd om in eene akte of in de veranderingen en bijvoegingen, welke op den kant of vóór het slot derzelve zijn gesteld, eenige overschrijving, tusschenvoeging of bijvoeging van woorden of letters te doen, of die op de eene of andere wijze uit te schrappen of te doen verdwijnen en andere in derzelver plaats te stellen, op straffe van nietigheid der over of in do plaats geschrevene en der tusschen-of bijgevoegde woorden of letters.

1199

-ocr page 1328-

NOTARIAAT.

36. Indien de doorhaling van woorden of letters in eene akte noodig mogt zijn, zal zulks moeten geschieden op zoodanige wijze, dat de doorgehaalde woorden of letters leesbaar blijven; derzelver getal zal op den kant der bladzijde naast de doorhaling of onder de verandering of bijvoeging, met aanduiding van den regel waarin de doorhaling heeift plaats gehad, worden vermeld; iedere vermelding zal afzonderlijk, evenals de veranderingen en bijvoegingen, worden onderteekend of gewaarmerkt, of wel het getal van al de in eene akte doorgehaalde woorden of letters vóór het slot derzelve worden vermeld, mits de bladzijde en de regel worden aangeduid, waarin die voorkomen.

Voor iedere overtreding van eene der bepalingen, voorkomende in dit of in de twee vorige artikelen, zal de notaris verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden, en zelfs, in geval van kwade trouw, van zijn ambt worden ontzet; onverminderd de verpligting tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden.

37. De notarissen mogen in hunne akten geene andere benamingen van munten, maten en gewichten gebruiken dan die, welke bij de wetten en besluiten omtrent het munt- of tientallig stelsel zijn aangenomen, onder verbeurte eener boete van ten hoogste tien gulden voor iedere overtreding, onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden indien daartoe termen zijn. (Stb. 1869 n0. 57, a. 7; Sr. 4080.)

De gebouwde en ongebouwde eigendommen zullen in alle akten, bestemd om in de registers der bewaring van de hypotheken te worden ingeschreven, overgeschreven, vermeld of aangeteekend, op gelijke boete worden aangeduid door de opgave van de gemeente, de sectie en het nummer, waaronder elk perceel in de schrifturen van het kadaster bekend is, behoudens verdere omstandige beschrijving, indien deze door de belanghebbenden verlangd of door bestaande wetten of reglementen gevorderd wordt.

Van deze bepalingen zijn uitgezonderd akten van uiterste wilsbeschikkingen, akten houdende toestemming tot het doorhalen van inschrijvingen, waarbij de kadastrale indee-ling niet is aangeduid, akten van boedelbeschrijving, voor zooverre daarbij in den boedel gevonden vreemde muntspeciën worden vermeld of bescheiden en titels worden beschreven, waarin de afgeschafte benamingen mogten zijn gebezigd; en voorts alle akten in het algemeen, in welke van buitenlandsche fondsen, aandeeler. in vreemde negotiation of onroerende goederen, buiten \'s lands gelegen, de rede is, of bij gelegenheid dat daarin uitdrukkingen worden aangehaald of overgenomen, uit bescheiden waarin oude benamingen gebruikt zijn.

Ten aanzien van tienden en grondrenten, waaromtrent niet bepaaldelijk kan worden opgegeven, welke bijzondere perceelen daarmede zijn belast, zal de juiste omschrijving en aanwijzing der schuldpligtige streek, gemeente of polder in de akte voldoende zijn. (B. 1219.)

38. De notarissen zijn verpligt minuut op te maken van

1200

-ocr page 1329-

IIOOOFDSTUK III, ARTT. 31—40.

alle te hunnen overstaan verleJene akten, bij gebreke waarvan dezelve geene kracht van authentieke akte bezitten, en de notaris gehouden is tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden.

Van deze verpligting zijn uitgezonderd akten van huwelijksaangifte en van huwelijkstoestemming, van bekendheid, van volmagt of magtiging, van verklaring van eigendom of van het in leven zijn van personen, van erfregt, van kwijting, van aanbod van betaling, van protest, van toestemming tot doorhaling of vermindering van hypothecaire inschrijvingen of scheepsverbanden, met of zonder afstand van het regt van hypotheek of verband, alsmede van verbanden en aanteekeningen op de grootboeken der nationale schuld en van overschrijving van processen-verbaal van inbeslagneming van onroerende goederen of schepen in de openbare eigendomsregisters, verandering der bij eene hypothecaire inschrijving gekozen woonplaats, van verhuring van huizen of landerijen, wanneer de huurprijs niet meer bedraagt dan f 50 in het jaar, benevens andere akten, waarvan de uitgifte in originali bij bijzondere wetten is toegelaten.

Gewijziijd hij art. 6 der Wel van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29).

Het zal geoorloofd zijn van deze alzoo in originali uit te geven akten, met uitzondering der volmagten waarin de naam van den gevolmagtigde oningevuld is gebleven, twee, drie of meer gelijkluidenden op hetzelfde oogenblik te verlijden en te doen teekenen, doch zal, op straffe eener boete van ten hoogte tien gulden, door den notaris te verbeuren, in elk der gelijkluidenden van derzelver getal uitdrukkelijk melding worden gemaakt, terwijl alle slechts voor één en één voor alle in regten zullen gelden.

39. De notarissen zijn gehouden om, in geval van overlijden of afwezigverklaring van den testateur, binnen veertig dagen nadat zij daarvan kennis dragen, de belanghebbenden te verwittigen, dat de uiterste-wilsbeschikkingen van den overledene of afwezige onder hunne minuten berusten. Hetzelfde is van toepassing op akten, waarbij een uiterste wil is herroepen en op huwelijkscontracten, voorzooverre dezelve schenkingen ter zake des doods behelzen. (13. 990.)

40. Behalve in de gevallen, bij het 6de lid van art. 5 en bij de artt. 53 en 56 dezer wet voorzien, is alleen de notaris, bewaarder der minuten, bevoegd tot het afgeven van grossen, afschriften en uittreksels.

Ieder notaris heeft echter het regt om afschriften en uittreksels af te geven van alle akten, welke ten zijnen kantore als minuten nedergelegd of aan eene andere akte vastgehecht zijn.

De notarissen mogen ook afschriften en uittreksels maken van alle akten en stukken, welke te dien einde aan hen vertoond en, na met afschrift of uittreksel vergeleken te zijn, teruggegeven worden.

Behoudens de bij de wet daaromtrent bepaalde uitzonderingen, moeten de uittreksels gelijkluidend zijn met do over-

7G

-ocr page 1330-

NOTARIAAT.

genomen gedeelten, en zal altijd het hoofd en slot der akte met de quitantie der registratie, alsmede de vermelding van al de handelende personen, derzelver betrekkingen of hoedanigheden, in het uittreksel moeten voorkomen. Aan het slot moeten worden gesteld de woorden: «Uitgegeven voor woordelijk gelijkluidend uittreksel.» Alles op eene boete van ten hoogste vijftig gulden, door den notaris te verbeuren.

Bij het uitgeven eener eerste grosse zullen, op verbeurte van eene boete van ten hoogste honderd gulden, de dag der uitgifte en de naam van dengene, ten wiens verzoeke dezelve geschiedt, door de notarissen op de minuut aange-teekend, en die aanteekening door hen gewaarmerkt worden.

41. De notarissen mogen, met uitzondering van eenen aan hen in bewaring gegeven olographischen uitersten wil, geene minuut hoegenaamd uit hunne handen geven, anders dan in de gevallen bij de wet voorzien en krachtens een vonnis of bevelschrift van den regter, met inachtneming der bepalingen, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering en dat van Strafvordering voorgeschreven. (B. 981; Rv. 187, 189; Sv. 279.)

42. De notarissen mogen geer.e grossen, afschriften of uittreksels, noch inzage of rnededeeling van den inhoud der akten geven, anders dan aan de onmiddellijk belanghebbende personen, hunne erfgenamen of regtver-krijgenden, ten zij ten gevolge van een vonnis, onverminderd de bepalingen van de Wet op de Registratie en de overschrijving in de openbare reghters, ten aanzien van sommige akten bij de wet bevolen alles op stralfe eener boete van ten hoogste honderd gulden, en, in geval van herhaalde overtreding, van schorsing in hunne bediening gedurende ten minste drie en ten langste zes maanden, behoudens de vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden. (Rv. 839.)

43. Aan iederen onmiddellijk belanghebbende bij eene notariële akte, deszelfs erfgenamen of regtverkrijgenden, kan daarvan ééne grosse worden afgegeven.

Deze moet, evenals de arresten en vonnissen, tot hoofd hebben de woorden; «In naam das Konings», a) en tot slot: «Uitgegeven voor eerste grosse», met vermelding van den naam van dengene ten wiens verzoeke, en van den dag waarop de uitgifte is geschied, alles op eene boete van ten hoogste vijftig gulden

1202

Uittreksels of gedeelten van akten mogen niet als grossen worden uitgegeven, met uitzondering nogtans van boedelscheidingen en van processen-verbaal van openbare verkoo-pingen, verhuringen, verpachtingen en aanbestedingen, waarvan het geoorloofd is voor iedere afzonderlijke toe-

a) Volgens art, 1 der Wet van \'2i Juni IS\'Jl {Stb. no. 125) (zie chron. lijst) wordt, zoolang eene Kon ngin de Kroon draagt, bij het gebruik van dit formulier, in plaats van het vvoord „Koningquot;, het woord „Koninginquot; gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk wordende taalkundige veranderingen.

-ocr page 1331-

HOOFDSTUK ]I1, ARTT. 41—48,

deeling, koop, huur, pacht of aanneming, of voor al de dooreen en denzelfden persoon of personen gezamenlijk gedane koo-pen, huren, pachten of aannemingen, een uittreksel als grosse uit te geven, voorzooverre die personen het procesverbaal mede geteekend of, bij verhindering, verklaard hebben door daarin opgenoemde beletselen niet te hebben kunnen teekenen; — de voorwaarden van verkooping, verhuring, verpachting of aanbesteding zullen echter, voor zooverre zij de betrokkene koopen, huren, pachten of aannemingen aangaan, in derzelver geheel in zoodanig uittreksel moeten opgenomen worden. (Rv. 430.)

44. Het afgeven van eene tweede of verdere grosse aan denzelfden belanghebbende zal niet anders mogen geschieden dan op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering bepaald, en zulks op straffe van schorsing in de bediening gedurende ten minste drie en ten langste zes maanden.

Van dit uitgeven der tweede of verdere grosse zal bovendien op de minuut zelve aanteekening worden gemaakt, op de wijze en boete, bij het 5de lid van art. 40 dezer wet bepaald. (Rv. 841, 843.)

45. Ieder notaris moet een zegel hebben, bevattende het Koninklijk wapen en in het randschrift de eerste letters der voornamen, den naam, het ambt en de standplaats van den notaris.

Alle door hem uit te geven akten, grossen, afschriftenen uittreksels zullen een afdruk van dat zegel dragen, en daarmede zal alle aanhechting van stukken geschieden; op eene boete van ten hoogste tien gulden voor iedere overtreding.

46. De legalisatie der handteekening van den notaris op door hem als zoodanig uitgegeven stukken geschiedt, indien zij vereischt of door belanghebbenden verlangd wordt, door den voorzitter der regtbank van het arrondissement, waartoe zijne standplaats behoort.

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 26 April 1876 (Stb. nu. 85).

47. Behalve de akten bij de Wet op de Registratie opgenoemd, zijn de notarissen ook nog, op de boete daarbij vermeld, verpligt om op het door hen te houden repertorium dag voor dag te vermelden de afschriften of uittreksels van vertoonde akten of stukken. (Loi du 22 Frim. An VII, a. 49 v. (Fortuijn 1, bl. 498 v.).)

De in original! uitgegeven akten, waarvan twee, drie of meer gelijkluidenden op hetzelfde oogenblik zijn verleden, zullen op dit repertorium onder één nummer worden vermeld. (W. not.ambt, a. 38.)

48. De notarissen zijn verpligt om, het zij zeiven, hetzij door eenen schriftelijk gemagtigde, binnen de twee eerste maanden van ieder jaar ter griffie van de arrondissements-regtbank hunner standplaats over te brengen een door hen echt verklaard dubbel van het repertorium der akten, welke zij gedurende het afgeloopen jaar hebben verleden, op verbeurte eener boete van ten hoogste tien gulden voor de eerste, ten hoogste twintig gulden voor de tweede

1203

-ocr page 1332-

NOTARIAAT.

en ten hoogste dertig gulden voor de derde ingegane maand verzuim.

Ingeval een notaris in den loop van een jaar geene akten verleden, noch afschriften of uittreksels van aan hem vertoonde akten of stukken vervaardigd heeft, zal hij binnen denzelfden termijn, op gelijke boeten, daarvan eene verklaring ter griffie moeten overleggen, of door eenen schriftelijk gemagtigde doen overleggen.

Indien de overbrenging van het dubbel der repertoria of van de verklaring niet voor den eersten Junij van ieder jaar heeft plaats gehad, zal de notaris, onverminderd deszelfs gehoudenheid tot betaling der boete in het eerste lid vermeld, voor den tijd van drie maanden in zijne bediening worden geschorst, en indien zulks vóór het eindigen derzelve nog niet is geschied, daarvan worden ontzet.

Wanneer de laatste dag der maand Februarij op eenen Zondag invalt, zal die in beide gevallen niet in den termijn begrepen zijn, en de overbrenging alzoo uiterlijk den vorigen dag moeten geschieden.

49. Van deze overbrenging moet blijken door eene akte van bewaarneming, door den griffier opgemaakt en door den notaris of zijnen gemagtigde mede-onderteekend; deze akte zal door den griffier worden ingeschreven in een afzonderlijk register, gekantteekend door den voorzitter van de arrondissements-regtbank.

De volmagten zullen aan het register worden vastgehecht.

HOOFDSTUK IV.

Van het toezüjt over de notarissen en van derzelver honorarium.

50. Indien een notaris zijne ambtspligten verwaarloost of zich schuldig maakt aan handelingen, strijdig met de wet of met de eer of waardigheid van zijn ambt, wordt zulks door het openbaar ministerie bij de regtbank van het arrondissement, waarin zijne standplaats is gevestigd, ter kennis van die regtbank gebragt.

Buiten de gevallen, waarin bij deze wet bepaalde straffen zijn vastgesteld; is de arrondissements-regtbank bevoegd den notaris, na verhoor of behoorlijke oproeping, te waarschuwen of te berispen.

Wanneer een notaris, bereids eenmaal gewaarschuwd of berispt, daartoe andermaal aanleiding mogt geven, zal hij door de regtbank, op requisitoir van het openbaar ministerie, voor een tijd van drie tot zes maanden in zijne bediening kunnen worden geschorst.

Bij eene derde aanleiding tot waarschuwing of berisping zal hij, insgelijks op requisitoir van het openbaar ministerie, door de regtbank in zijne bediening voor een tijd van vijf tot negen maanden kunnen worden geschorst of daaruit kunnen worden ontzet.

De oproeping van een notaris, bedoeld in dit artikel en in de verdere gevallen bij deze wet voorgeschreven, geschiedt, ten minste veertien dagen vóór het verhoor, door

1204

-ocr page 1333-

HOOFDSTUK III EN IV, ARTT. 49—53.

den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regts-collegie, waarvoor het verhoor moet plaats hebben, bij gesloten brief, welke bij deurwaardersexploit aan den notaris bezorgd wordt. (R. O. 11.)

Geivijzigd bij arl. 7 der Wet van 6 Mei 1878(Stb. n0.29).

51. Bij het vonnis of arrest, waarbij een notaris tot eene gevangenisstraf wordt veroordeeld, kan, op requisitoir van het openbaar ministerie, zijne ontzetting uit het notarisambt worden uitgesproken.

De notaris, die in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is, geregtelijken afstand van goederen aan zijne schuldeischers gedaan en hen niet ten volle betaald heeft, of wegens schulden gegijzeld is, kan op requisitoir van het openbaar ministerie, na verhoor of behoorlijke oproeping, door de arrondissements-regtbank uit zijn ambt worden ontzet. (F. 1; Rv. (oud) 705, 882 v.; Rv. 585 v.)

Zoowel in de gevallen bedoeld bij het vorige artikel, als in het geval bedoeld bij het vorige lid van dit artikel, heeft het onderzoek plaats door den burgerlijken regter in raadkamer. De straffen van waarschuwing en berisping worden den beklaagde in raadkamer mondeling door den voorzitter aangezegd, of, indien hij daartoe opgeroepen, niet in raadkamer verschijnt, wordt hem daarvan schriftelijk mededeeling gedaan door den griffier. De uitspraak van de straffen van schorsing en ontzetting geschiedt in het openbaar.

Gewijzigd hij art. 7 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29) en bij Inv. 10 n0. 6.

52. Wanneer een notaris, door ouderdom, zwakte of aanhoudende ziels- of ligchaams-ziekten, tot de uitoefening zijner bediening ongeschikt mogt zijn geworden, zal de officier bij de arrondissements-regtbank daarvan verslag doen aan den procureur-generaal bij het geregtshof, en kan, op eene daartoe door dezen te doene voordragt, na verhoor van den belanghebbenden notaris of deze behoorlijk geroepen zijnde, en na ingewonnen advies van het geregtshof, aan zoodanigen notaris door den Koning een eervol ontslag worden verleend. (R. O. 12.)

53. Wanneer een notaris, door ziekte of andere omstandigheden, tijdelijk verhinderd wordt om zijne bediening uit te oefenen, zal, op daartoe door hem, deszelfs echtgenoot of een zijner bloedverwanten of aangehuwden te doen verzoek of, bij verzuim, op requisitoir van het openbaar ministerie, door de regtbank van het arrondissement, waarin deszelfs standplaats gevestigd is, een der naburige notarissen worden aangewezen om, ten aanzien der minuten van den verhinderden notaris en van de aan hem in bewaring gegeven stukken, tijdelijk al datgene te verrigten, waartoe deze anders bevoegd en verpligt zoude zijn.

De in de uitoefening van zijne bediening tijdelijk verhinderde notaris is verpligt aan den alzoo aangewezene den vrijen toegang tot zijne minuten en tot de aan hem in bewaring gegeven stukken te verleenen, op straffe van in zijne bediening te worden geschorst voor een tijd van drie tot zes maanden.

1205

-ocr page 1334-

NOTARIAAT.

De regtbank kan, bij het niet verleenen van toegang tot het nolariëel archief, op het requisitoir van het openbaar ministerie, den aangewezen notaris magtigen, zich dezen, desnoods met behulp van de openbare magt, te verschaffen.

De redenen der verhindering vervallen zijnde, zal die aanwijzing, op verzoek van den notaris of op requisitoir van het openbaar ministerie, door de regtbank worden ingetrokken.

Gcwijzigdbij art.i der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0.29).

54. Van de overtredingen dezer wet neemt, op de vervolging van het openbaar ministerie, de burgerlijke regter kennis.

De vervolgingen worden, wat den vorm van procederen en dus ook de bewijsmiddelen, mitsgaders wat de bevoegdheid tot hooger beroep en cassatie betreft, behandeld als strafzaken ter kennisneming van de arrondissements-regt-bank; des echter dat, omtrent het ophouden en te niet gaan van deze vervolgingen en omtrent de tenuitvoerlegging van arresten en vonnissen, de bepalingen van den 8sten titel, eerste boek van het Wetboek van Strafrecht en van den 16den titel van het Wetboek van Strafvordering mede toepasselijk zijn. (Rv. 854; Sr. 68 v.; Sv. 336 v.)

Gewijzigd hij Inv. 10 n0. 6 en bij art. 1 n0. 2 der Wet van 31 December 1887 (Stb. n0. 265); zie die laatste wet achter Inv.

55. De regtsvordering tot schorsing van eenen notaris in de uitoefening zijner bediening, tot afzetting of tot ver-oordeeling in geldboeten ter zake van overtredingen dezer wet, en in de gevallen daarbij voorzien, zal zijn verjaard na verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de overtreding, op de wijze bij att. 59 dezer wet vermeld, heeft kunnen worden geconstateerd.

56. Bij ieder vonnis, waarbij een notaris voor eenen bepaalden tijd in de uitoefening zijner bediening wordt, geschorst, zal tevens een der naburige notarissen worden aangewezen om gedurende dien tijd, ten aanzien der minuten van den geschorsten notaris en van de aan hem in bewaring gegeven stukken, al datgene te verrigten, waartoe deze anders bevoegd en verpligt zoude zijn.

De in de uitoefening van zijne bediening geschorste notaris is verpligt aan den alzoo aangewezene den vrijen toegang tot zijne minuten en tot de aan hem in bewaring gegeven stukken te verleenen. op straffe van uit zijne bediening te worden ontzet.

De regtbank kan, bij het niet verleenen van toegang tot het notarieel archief, op het requisitoir van het openbaar ministerie, den aangewezen notaris magtigen zich dezen, desnoods met behulp van de openbare magt, te verschaffen.

GewijzigdbijartA der Wet van 6Mei 1878(Stb.n0.29).

57. Bijaldien de straf van schorsing, krachtens de bepalingen dezer wet, eenmaal tegen een notaris is uitgesproken, zal, wanneer hij andermaal schuldig wordt geoordeeld aan eene overtreding, welke zijne schorsing ten gevolge zou kunnen hebben, en tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de vroegere ver-

1206

-ocr page 1335-

T

HOOFDSTUK IV EN V, ARTT. 54—62.

oordeeling onherroepelijk is geworden deze straf door zijne afzetting kunnen worden vervangen.

Bij eene derde overtreding van zoodanigen aard moet de afzetting uitgesproken worden.

Tegen het vonnis, waarbij uit kracht het zij van art. 50 of art. 51, derde lid, het zij van dit artikel, de straf van schorsing of ontzetting is uitgesproken, wordt hooger beroep toegelaten bij het geregtshof, tot welks regtsgebied de arrondissements-regtbank, die de straf heeft uitgesproken, behoort.

Het wordt ingesteld bij verzoekschrift binnen veertien dagen na den dag der uitspraak en behandeld bij do burgerlijke kamer van het geregtshof.

Het hof doet geen uitspraak dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den appellant en na het openbaar ministerie te hebben gehoord.

liet onderzoek heeft plaats in raadkamer.

De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Gewijzigdbijart. 8 dei\' Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0.29).

58. Vervallen door Sr. 74.

59. De ambtenaren der registratie zijn verpligt om, zoodra zij in de uitoefening hunner bediening eene overtreding van deze wet ontdekken, daarvan terstond bij procesverbaal te doen blijken en binnen drie dagen een afschrift van hetzelve aan den notaris uit te reiken.

De processen-verbaal zullen, binnen eene maand na der-zelver opmaking, aan den bevoegden officier worden opgezonden.

60. Tot bepaling der hoegrootheid en vorm van taxatie van het honorarium der notarissen, gelijk mede van de verschotten, welke aan hen in rekening zullen worden geleden, zal, bij reglement van openbaar bestuur, een tarief worden vastgesteld.

Het is aan de notarissen niet geoorloofd om voor de werkzaamheden, welke door hen als zoodanig worden verrigt, eenige andere belooning, onder welke benaming ook, in rekening te brengen, dan die welke bij het tarief is bepaald.

Binnen den tijd van drie jaren na deszelfs invoering, zal dit tarief bij eene wet geregeld worden. (Stb. 1844 n». 48; Stb. 1847 n». 12.)

UB fill

If

fjli

I

HOOFDSTUK V.

Van het bewaren en overbrengen van minuten, registers en repertoria.

61. De notarissen zullen hunne minuten, registers en repertoria zorgvuldig in eene regelmatige orde bewaren, en die steeds op eene voegzame en veilige plaats wegsluiten.

62. Binnen vier en twintig uren na het overlijden van eenen notaris, is de bewind voerende in zijnen boedel verpligt daarvan kennis te geven aan den officier bij de regt-bank van het arrondissement, waarin de standplaats van den overledene gevestigd is geweest.

1207

j|gt;|! lil\' ni\' lil

IB l-jjl;

-ocr page 1336-

NOTAKIAAT.

leder uit zijne betrekking ontslagen of naar een ander kanton verplaatste notaris is tot eene gelijke kennisgeving, binnen gelijken termijn na deszelfs ontslag of verplaatsing, verpligt.

Voor iedere twaalf uren, welke de standplaats van de hoofdplaats van het arrondissement is verwijderd, zal de hierboven bepaalde termijn met vier en twintig uren worden verlengd.

63. Het openbaar ministerie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de standplaats van den overleden, ontslagen of verplaatsten notaris is gevestigd geweest, zal, na ontvangst dezer kennisgeving of, bij gebreke van dien, ambtshalve, zoo spoedig mogelijk zorg dragen, dat tot de hierna te melden einden een ander naburig notaris door de arrondissements-regtbank worde aangewezen.

Hetzelfde zal plaats hebben, zoodra het vonnis, waarbij een notaris van zijn ambt is ontzet, in kracht van gewijsde is gegaan.

64. De alzoo aangewezen notaris zal de minuten van den overleden, ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris bijeenverzamelen, voor derzelver registratie zorgen en in het algemeen al die werkzaamheden verrigten, waartoe de overleden, ontslagen, verplaatste of afgezette notaris, indien hij nog in leven of in betrekking ware, bevoegd en verpligt zoude zijn geweest.

Hij zal van de door hem overgenomen minuten, registers en repertoria een summieren staat opmaken, en een dubbel van dien, binnen den tijd van zos weken nadat hem de beschikking der regtbank, waarbij hij wordt aangewezen, zal zijn bekend gemaakt, nederleggen ter griffie van de arrondissements-regtbank, op verbeurte eener boete van ten hoogste tien gulden voor iedere ingegane week verzuim.

Op verbeurte eener gelijke boete, zal de aangewezen notaris binnen denzelfden termijn een door hem geteekend afschrift van dien staat moeten overhandigen aan den bewindvoerder in den boedel van den overleden of aan den ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris. (Zie de Errata achter Stb. 1843 n0. 62.)

Indien de nederlegging of de overhandiging in het 2de en 3de lid vermeld, niet binnen den tijd van drie maanden nadat hem de beschikking der regtbank, waarbij hij wordt aangewezen, zal zijn bekend gemaakt, heeft plaats gehad, zal de notaris voor den tijd van drie maanden in zijne bediening worden geschorst, en, indien zulks vóór het eindigen van den duur der schorsing nog niet is geschied, daarvan worden ontzet.

65- He minuten, registers, repertoria en verdere aan den overleden, ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris in bewaring gegeven en door den aangewezen notaris overgenomen stukken zullen voorloopig onder den alzoo aangewezen notaris blijven berusten, totdat in de plaats van den overleden, ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris een ander zal zijn benoemd, in welk geval hij al de door hem overgenomen minuten, registers, repertoria en verdere

-ocr page 1337-

HOOFDSTUK V, AUTT. 63—68.

stukken, de laatste voorzooverre deze niet reeds aan eigenaars of regthebbenden zijn teruggegeven, binnen veertien dagen nadat de nieuwbenoemde zijne betrekking zal hebben aanvaard, aan dezen zal overhandigen.

Gewijzigd bij art. 9 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29).

Indien de opengevallen plaats niet mogt worden vervuld, zullen de minuten, registers en repertoria, welke onder den overleden, ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris berustende waren en op den eersten Januarij van het jaar, waarin het overlijden, ontslag, de verplaatsing of afzetting heeft plaats gehad, minder dan dertig jaren oud waren, benevens die van dat jaar zelf, bij voortduring onder den aangewezen notaris blijven berusten; terwijl de overige, binnen den tijd van drie maanden nadat het besluit, waarbij het niet vervullen der opengevallen plaats is beslist, ter zijner kennis zal zijn gekomen, door hem zullen moeten worden overgebragt in de, naar aanleiding van art. 69 dezer wet, voor ieder arrondissement ingestelde algemeene bewaarplaats.

De nieuw benoemde notaris is tot eene gelijke overbrenging verplicht binnen den tijd van drie maanden, nadat hij die stukken van den tijdelijk aangewezen notaris zal hebben overgenomen.

66. Indien de overhandiging of overbrenging niet binnen de bij het vorige artikel bepaalde termijnen zal zijn geschied, zal de nalatige notaris verbeuren eene boete van ten hoogste tien gulden voor iedere ingegane week verzuim, en het openbaar ministerie bij de arrondissements-regtbank, na daartoe bekomen magtiging van dezelve, ver-pligt zijn de overhandiging of overbrenging te doen plaats hebben; zullende de vermeerdering der boete eerst eindigen, wanneer de overhandiging of overbrenging geheel zal zijn volbragt.

67. De nieuw benoemde notaris zal bij de overhandiging, en de naar aanleiding van art. 69 met de bewaring der minuten belaste notaris bij de overbrenging, onder het laatste der overgelegde repertoria eene verklaring van de overneming der minuten, registers en repertoria stellen.

Indien er eenige van deze ontbreken, zullen zij daarvan, met aanduiding van derzelver jaartal en nummers, uitdrukkelijk melding maken.

Van deze verrigtingen zal telken reize een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een afschrift zal worden gegeven aan den notaris, welke de overhandiging of overbrenging zal hebben verrigt.

Gewijzigd hij art. 11 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n0. 29).

68 Al hetgeen bij de vorige artikelen bepaald is omtrent de aanwijzing, die in geval van ontslag of overlijden van een notaris door de arrondissements-regtbank moet geschieden ter voorloopige bewaring der minuten, mitsgaders wegens de latere overbrenging van die minuten bij den tot opvolger benoemden notaris, zal buiten toepassing blijven wanneer

1209

-ocr page 1338-

NOTARIAAT.

de eervol ontslagen of overleden notaris, bij notariële akte of bij een onderhandsch door hem geheel geschreven, gedag-teekend en onderteekend stuk, eenen in dezelfde gemeente of hetzelfde kanton woonachtigen notaris tot bewaarder zijner minuten als geschikt hebbende aanbevolen, deze door de arrondissements-regtbank zal zijn aangewezen.

Een authentiek afschrift van bedoelde notariële akte of, wanneer de aanbeveling is geschied bij onderhandsche akte, dat stuk zelf, zal bij de in art. 62 bevolen kennisgeving worden overgelegd, ten einde door den officier bij de arrondissements-regtbank aan het oordeel der regtbank te worden onderworpen.

De eerste en tweede alinea\'s zijn in de plaats van de oorspronkelijke eerste alinea gesteld bij art. 10 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. n®. 29).

Op den alzoo aangewezen notaris berusten dezelfde ver-pligtingen, welke in de vorige artikelen zijn omschreven ten aanzien van de bewaring en overbrenging der minuten van eenen overleden, ontslagen, verplaatsten of afgezetten notaris, wiens plaats niet wordt vervuld.

69. In de hoofdplaats van elk arrondissement wordt in het gebouw, alwaar de regtbank zitting houdt, of in zoodanig ander gebouw als daartoe door Ons zal worden aangewezen, eene algemeene bewaarplaats der minuten, registers en repertoria opgerigt.

Door de regtbank wordt, na verhoor van het openbaar ministerie, uit de notarissen, standplaats hebbende in de hoofdplaats van het arrondissement, aangewezen:

l4. een notaris, aan wien de bewaring der zich aldaar bevindende stukken zal zijn opgedragen en die bevoegd en verpligt zal zijn om ten aanzien daarvan al datgene te verrigten, waartoe de notarissen ten aanzien van hunne minuten, registers en repertoria bevoegd en verpligt zijn, zonder dat eenig stuk buiten de bewaarplaats zal mogen worden gebragt, anders dan in de gevallen bij art. 41 vermeld, op straffe eener boete van ten hoogste vijftig gulden bij iedere overtreding;

2°. een notaris, bestemd om, bij afwezigheid, schorsing, ontzetting, ontslag, verplaatsing of overlijden van den sub 1°. bedoelden notaris, dezen tijdelijk onder gelijke gehoudenheid te vervangen.

Deze vervanging duurt bij afwezigheid of schorsing gedurende den geheelen tijd daarvan, en in de overige gevallen totdat door de regtbank, na verhoor van het openbaar ministerie, een ander als bewaarder zal zijn aangewezen, ten welken einde de plaatsvervanger gehouden zal zijn, zoodra hij als zoodanig optreedt, daarvan onmiddellijk aan het openbaar ministerie kennis te geven.

De aanwijzing door de regtbank geschiedt voor den tijd van vijf achtereenvolgende jaren, doch kan, op verzoek of met toestemming van den betrokken notaris, na verhoor van het openbaar ministerie.

1210

-ocr page 1339-

HOOFDSTUK V EN VI, ARTT. 69—75.

telkens voor denzelfden termijn worden verlengd.

Gewijzigd hij art. 11 der Wet van G Mei 1878 (Stb. n«. 29).

70. Al de zich in een arrondissement in openbare bewaarplaatsen bevindende minuten van overleden of ontslagen notarissen zullen, binnen den tijd van zes maanden na het in werking brengen dezer wet, naar de in dat arrondissement opgerigte bewaarplaats worden over-gebragt.

71. De notarissen zijn bevoegd van de arrondissements-regtbank de magtiging te vragen om de onder hen berustende minuten, welke ouder dan dertig jaren zijn, in de algemeene bewaarplaats over te brengen.

De magtiging verkregen zijnde, zal de overbrenging geschieden op de wijze, als bij art. 67 dezer wet is vermeld.

72. Ingetrokken bij art. 11 der Wet van 6 Mei 1878 (Stb. nquot;. 29).

HOOFDSTUK VI.

Algemeene bepalingen.

73- Behalve in de gevallen, waarin zulks uitdrukkelijk bij deze wet is bepaald, kunnen de notarissen, indien daartoe termen bestaan, tot vergoeding van kosten, schaden , en interessen jegens de belanghebbenden worden veroordeeld, indien de akten, voor hen verleden, uit hoofde van gebrek in den vorm, in regten worden ver

nietigd

tl!

of geoordeeld worden slechts als onderhandsche

akten te kunnen gelden, en verder in alle gevallen, waarin, volgens de artt. 1401, 1402 en 1403 van het Burgerlijk Wetboek, verpligting bestaat tot schadevergoeding.

Gewijzigd bij art. 12 der Wet van G Mei 1878 (Stb. n«. 29).

74. Tot tijd en wijle het bij art. 60 der wet vermelde tarief zal zijn vastgesteld en in werking gebragt, zullen de notarissen hun honorarium op den thans bestaanden voet blijven berekenen en hunne declaration zullen, in geval van verschil daarover, door den voorzitter der regtbank van het arrondissement, waarin hunne standplaats is gevestigd, worden getaxeerd.

Voor werkzaamheden in boedels, waarbij minderjarigen, onder curatele gestelden, beneficiaire of afwezige erfgenamen belang hebben, of van hen, welke in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen zijn verklaard, alsmede in vacante boedels, zal deze taxatie altijd moeten plaats hebben.

75. Al de vóór het in werking brengen dezer wet aangestelde notarissen zullen hunne bediening, op den bij deze wet bepaalden voet, blijven uitoefenen in de geheele uitgestrektheid van het arrondissement, waarin hunne standplaats gevestigd is.

12H

-ocr page 1340-

NOTARIAA.T.

De zoodanigen, die met hun ambt bedieningen, welke daarmede, volgens art. 8 dezer wet, onbestaanbaar zijn, vereenigen, zullen dezelve kunnen blijven bekleeden.

76. De alzoo in hunne bediening bevestigde notarissen moeten, binnen den tijd van ééne maand na het in werking brengen dezer wet, op de straf bij art. 18 derzelve bepaald, voor de arrondissements-regtbank, tot welker ressort hunne standplaats behoort, ieder naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed (belofte) afleggen.

«Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoor-«zaamheid aan de grondwet, eerbied voor de regterlijke «autoriteiten; — dat ik mijnen post met eerlijkheid, naauw-«keurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten, op «het notarisambt gemaakt of nog te maken, met de meeste «naauwgezetheid zal opvolgen, en dat ik de meest mo-«gelijke geheimhouding omtrent den inhoud der akten, «overeenkomstig de voorschriften der wet, zal in acht nemen.»

De Koning is bevoegd verlenging van den tot het afleggen van den eed bepaalden termijn te verleenen.

Binnen denzelfden termijn zullen zij moeten voldoen aan het voorschrift van art. 20 dezer wet, op de boete daarbij bepaald, mitsgaders zich aanschaffen, en na verloop van denzelven bedienen van het zegel, in art. 45 van dezelve vermeld.

77. Zij, die, den ouderdom van drie en twintig jaren bereikt hebbende, vóór den eersten Januarij 1842, van eene der kamers van notarissen \'nebben verkregen het certificaat, vermeld in art. 43 der wet van 25 Ventóse, jaar XI, worden, des verkiezende, van het afleggen van verder examen vrijgesteld, en zijn bevoegd om tot notaris te worden benoemd in het arrondissement, waarin die kamer was gevestigd, mits zij bij het verzoek, daartoe strekkende, tevens overleggen de bewijzen van volbragten leertijd, bij die wet voor eene benoeming tot notaris van den tweeden rang gevorderd.

78- De Koning is bevoegd om daar, waar het thans in een arrondissement aanwezige getal notarissen het maximum, bij art. 3 van deze wet bepaald, mogt overschrijden, de door overlijden, ontslag, verplaatsing of afzetting opengevallen plaatsen door nieuwe benoemingen aan te vullen, totdat het thans aldaar bestaande getal tot het bepaalde maximum zal zijn teruggebragt, door telken reize van twee ontstane vacatures slechts ééne te vervullen.

79. De archieven van de ten gevolge der invoering dezer wet afgeschaft wordende kamers van notarissen zullen door den laatst als secretaris gefungeerd hebbenden notaris, binnen drie maanden na het in werking brengen dezer wet, worden overgebragt naar de volgens art. 69 voor ieder arrondissement opgerigte algemeene bewaarplaats der minuten.

Aan den in ieder arrondissement met de bewaring der minuten belasten notaris wordt ten aanzien van de alzoo in de bewaarplaats overgebragte stukken gelijke bevoegdheid

1212

-ocr page 1341-

HOOFDSTUK VI, ARTT. 76—81. BESI.UIT, ARTT. i—3. 1213

verleend, als aan hem bij art. 69, ten aanzien van de onder zijne bewaring- overgebratfte minuten, is toegekend.

80. Het tijdstip, waarop do tegenwoordige wet zal aanvangen te werken, wordt door den Koning vastgesteld, en houden alsdan op van eenige kracht te zijn de wet van den 25sten Ventóse, jaar XI, het arrèté van den 2den Nivóse, jaar XII, en alle andere wetsbepalingen en verordeningen betreffende het notarisambt. (Foktuijn II, 231 v., 283 v.; Sib. 1842 n». 24.)

81. De wet van den 22sten Pluvióse, jaar VII, en al de daarmede in verband staande verordeningen blijven in stand. (Fortuijn II, 2 v.)

II.

BESLUIT

vcm 4 Juni 1878 (Stb. n0. 81), houdende voorschriften ter

uitvoering van artikel 14 van de ivet op het Notarisambt, gewijzirjd hij besluiten van 6 Februari 1883 (Stb. n0. 21), van 23 Mei 1892 (Stb. n». 127), van 22 ApyHl 1895 (Stb. n0. 75), en van 28 Maart 1898 (Stb. n0. 69).

Artikel 1.

Het besluit, houdende benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden der Staatscommissie bedoeld bij artikel 11 der Wet op het Notarisambt, en van haren secretaris, benevens de aanwijzing van haren voorzitter, van de plaats waar het examen wordt gehouden en van den dag van aanvang daarvan, wordt openbaar gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant.

Bij tijdelijke verhindering van den voorzitter, wordt deze vervangen door een der leden van de commissie, in de volgorde waarin zij benoemd zijn.

Bij verhindering- van een of meer leden der commissie, worden ter hunner vervanging van wege den voorzitter opgeroepen die der plaatsvervangende leden, welke door hem daartoe worden aangewezen.

2. Het examen, overeenkomstig de artt. 11 en 13 der genoemde wet te houden, wordt gesplitst in drie gedeelten.

Het als bijlage bij dit besluit gevoegde programma wijst de vakken aan, waarover ieder gedeelte van het examen loopt en den omvang der kennis, die in elk vak van den examinandus wordt gevorderd.

3. Het eerste en tweede gedeelte van het examen is mondeling. Ieder gedeelte duurt één uur.

Van het eerste gedeelte zijn, overeenkomstig het 2de lid van art. 12 van genoemde wet, vrijgesteld zij, die den graad van doctor in de regten of in de regtswetenschap bezitten.

Het derde gedeelte is schriftelijk, onverminderd de vragen ten aanzien en naar aanleiding van het schriftelijke werk te doen. Het schriftelijke werk moet op twee achtereenvol-

-ocr page 1342-

NOTARIAAT.

De zoodanigen, die met hun ambt bedieningen, welke daarmede, volgens art. 8 dezer wet, onbestaanbaar zijn, vereenigen, zullen dezelve kunnen blijven bekleeden.

76. De alzoo in hunne bediening bevestigde notarissen moeten, binnen den tijd van ééne maand na het in werking brengen dezer wet, op de straf bij art. 18 derzelve bepaald, voor de arrondissements-regtbank, tot welker ressort hunne standplaats behoort, ieder naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed (belofte) afleggen.

«Ik zwere (belove) getrouwheid aan den Koning, gehoor-«zaamheid aan de grondwet, eerbied voor de regterlijke «autoriteiten;—-dat ik mijnen post met eerlijkheid, naauw-«keurigheid en onzijdigheid zal waarnemen; de wetten, op «het notarisambt gemaakt of nog te maken, met de meeste «naauwgezetheid zal opvolgen, en dat ik de meest mo-«gelijke geheimhouding omtrent den inhoud der akten, «overeenkomstig de voorschriften der wet, zal in acht nemen.»

De Koning is bevoegd verlenging van den tot het afleggen van den eed bepaalden termijn te verleenen.

Binnen denzelfden termijn zullen zij moeten voldoen aan het voorschrift van art. 20 dezer wet, op de boete daarbij bepaald, mitsgaders zich aanschaffen, en na verloop van denzelven bedienen van het zegel, in art. 45 van dezelve vermeld.

77. Zij, die, den ouderdom van drie en twintig jaren bereikt hebbende, vóór den eersten Januarij 1842, van eene der kamers van notarissen hebben verkregen het certificaat, vermeld in art. 43 der wet van 25 Ventóse, jaar XI, worden, des verkiezende, van het afleggen van verder examen vrijgesteld, en zijn bevoegd om tot notaris te worden benoemd in het arrondissement, waarin die kamer was gevestigd, mits zij bij het verzoek, daartoe strekkende, tevens overleggen de bewijzen van volbragten leertijd, bij die wet voor eene benoeming tot notaris van den tweeden rang gevorderd.

78. De Koning is bevoegd om daar, waar het thans in een arrondissement aanwezige getal notarissen het maximum, bij art. 3 van deze wet bepaald, mogt overschrijden, de door overlijden, ontslag, verplaatsing of afzetting opengevallen plaatsen door nieuwe benoemingen aan te vullen, totdat liet thans aldaar bestaande getal tot het bepaalde maximum zal zijn teruggebragt, door telken reize van twee ontstane vacatures slechts ééne te vervullen.

79. De archieven van de ten gevolge der invoering dezer wet afgeschaft wordende kamers van notarissen zullen door den laatst als secretaris gefungeerd hebbenden notaris, binnen drie maanden na het in werking brengen dezer wet, worden overgebragt naar de volgens art. (39 voor ieder arrondissement opgerigte algemeene bewaarplaats dei-minuten.

Aan den in ieder arrondissement met de bewaring dei-minuten belasten notaris wordt ten aanzien van de alzoo in de bewaarplaats overgebragte stukken gelijke bevoegdheid

12t2

-ocr page 1343-

hoofdstuk VI, artt. 76—81. besluit, artt. 1—3. 1213

verleend, als aan hem bij art. 69, ten aanzien van de onder zijne bewaring overgebra£;te minuten, is toegekend.

80. Het tijdstip, waarop de tegenwoordige wet zal aanvangen te werken, wordt door den Koning vastgesteld, en houden alsdan op van eenige kracht te zijn de wet van den 2osten Ventóse, jaar XI, hel arrèté van den 2den Nivóse, jaar XII, en alle andere wetsbepalingen en verordeningen betreffende het notarisambt. (Fortui,in II, 231 v., 283 v.; Stb. \'1842 nu. 24.)

81. De wet van den 22sten Pluviose, jaar VII, en al de daarmede in verband staande verordeningen blijven in stand. (Fortuijn II, 2 v.)

II.

BESLUIT

van 4 Juni 1878 (Stb. n0. 81), houdende voorschriften ter

uitvoering van artikel 14 van de wet op het Notarisambt, gewijzigd bij besluiten van G Februari 1883 (Stb. n0. 21), van 23 Mei 1892 (Stb. n0. 127), van 22 April 1895 (Stb. n0. 75), en van 28 Maart 1898 (Stb. n0. 69).

Artikel 1.

Het besluit, houdende benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden der Staatscommissie bedoeld bij artikel 11 der Wet op het Notarisambt, en van haren secretaris, benevens de aanwijzing van haren voorzitter, van de plaats waar het examen wordt gehouden en van den dag van aanvang daarvan, wordt openbaar gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant.

Bij tijdelijke verhindering van den voorzitter, wordt deze vervangen door een der leden van de commissie, in de volgorde waarin zij benoemd zijn.

Bij verhindering van een of meer leden der commissie, worden ter hunner vervanging van wege den voorzitter opgeroepen die der plaatsvervangende leden, welke door hem daartoe worden aangewezen.

2. Het examen, overeenkomstig de artt. 11 en 13 der genoemde wet te houden, wordt gesplitst in drie gedeelten.

Het als bijlage bij dit besluit gevoegde programma wijst de vakken aan, waarover ieder gedeelte van het examen loopt en den omvang der kennis, die in elk vak van den examinandus wordt gevorderd.

3. Het eerste en tweede gedeelte van het examen is mondeling. Ieder gedeelte duurt één uur.

Van het eerste gedeelte zijn, overeenkomstig het 2de lid van art. 12 van genoemde wet, vrijgesteld zij, die den graad van doctor in de regten of in de regtswetenschap bezitten.

Het derde gedeelte is schriftelijk, onverminderd de vragen ten aanzien en naar aanleiding van het schriftelijke werk te doen. Het schriftelijke werk moet op twee achtereenvol-

-ocr page 1344-

NOTARIAAT.

gende dagen worden gereed gemaakt en aan de commissie ingeleverd.

3!hs. Het onderzoek van het schriftelijke werk, ingeleverd door de adspiranten voor het derde gedeelte van het examen, geschiedt niet in bijeenkomsten, maar door de daartoe aangewezen leden der examen-commissie ieder afzonderlijk.

Voor de bespreking van verschilpunten in de beoordeeüng, en voor de eindbeslissing, kunnen bijeenkomsten worden gehouden, voor zoover deze door den voorzitter der commissie noodzakelijk worden geacht.

4. Zij, die tot het examen wenschen te worden toegelaten, moeten zich ten minste veertien dagen vóór den aanvang daarvan schriftelijk aanmelden bij den voorzitter der commissie, met opgave of zij zich aan het geheele examen, dan wel slechts aan een of meerdere gedeelten daarvan wenschen te onderwerpen.

Zij leggen daarbij over hunne geboorte-acte.

De voorzitter bepaalt den dag, waarop ieder der examinandi tot het afleggen van het examen voor de commissie moet verschijnen, en draagt zorg dat de secretaris hun daarvan tijdig kennis geeft.

5. Om tot het eerste gedeelte van het examen te worden toegelaten, wordt overlegging aan de commissie gevorderd van het bewijs dat de daarvoor gevorderde som bij den secretaris is gestort.

Van hen, die den graad van docior in de regten of inde regtswetenschap bezitten, wordt oe overlegging van het bewijs daarvan en van de gedane storting gevorderd, om tot het tweede gedeelte van het examen te worden toegelaten.

Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van art. 3, wordt niemand tot het tweede gedeelte toegelaten voordat hij met goed gevolg het eerste gedeelte van het examen heeft afgelegd, en eveneens niemand tot het derde gedeelte voordat hij het tweede gedeelte met goed gevolg heeft afgelegd.

6. Omtrent den uitslag van ieder afgelegd gedeelte van het examen wordt bij meerderheid van stemmen der leden van de commissie beslist.

Van dien uitslag wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk aan Onzen Minister van Justitie wordt ingezonden.

7. Aan hem, die het eerste of tweede gedeelte van het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt daarvan een bewijs afgegeven, indien hij niet dadelijk een volgend gedeelte van het examen aflegt, of wel in dat volgende gedeelte niet slaagt.

Dat bewijs moet later worden overgelegd om tot een volgend gedeelte van het examen te worden toegelaten.

8. Aan hem, die het derde gedeelte van het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt het getuigschrift, bedoeld bij artikel 15 der genoemde wet, uitgereikt.

Het model van dat getuigschift wordt door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

9. De presentiegelden van de leden en de plaatsvervangende leden der commissie en van haren secretaris voor de vereischte bijeenkomsten bedragen acht gulden per dag.

1214

-ocr page 1345-

BESLUIT VAN 4 JUNI 187^.

De leden, de plaatsvervangende leden en do secretaris der commissie warden ten aanzien der vergoeding van reis-en verblijfkosten gerangschikt onder de tweede klasse van het tarief, vastgesteld bij Ons besluit van 15 December 1849 (Stb. n0. G2), behalve ten opzigte van hen, die eene betrekking bekleeden tot de eerste klasse behoorende, in welk geval zij ook als leden der commissie in die klasse worden gerangschikt.

9bis. Voor het onderzoek, hetwelk niet in bijeenkomsten wordt gehouden, wordt aan ieder der daarmede belaste leden als vergoeding toegekend een bedrag van twee gulden voor iederen adspirant, die aan het derde gedeelte van het examen heeft deelgenomen.

10. De gelden, voor de toelating tot de examens betaald, worden, na aftrek van de uitgaven tot het afnemen daarvan gedaan, waaronder echter niet gerekend worden de reis-en verblijfkosten, de presentiegelden en de verdere vergoeding van de leden en de plaatsvervangende leden der commissie en van haren secretaris, aan Onzen Minister van Justitie verantwoord.

Het batig saldo wordt door Onzen voornoemden Minister, zonder overlegging van bewijsstukken, als eene toevallige bate in \'s Rijks schatkist gestort.

11. Dit besluit treedt in werking den vijfden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant waarin het geplaatst is.

Het Leo, 4 Juni 1878.

PROGRAMMA.

I. EERSTE GEDEELTE VAN HET EXAMEN.

A. Het burgerlijk recht.

Hieronder worden begrepen:

a. een overzicht van de geschiedenis der samenstelling van het Burgerlijk Wetboek, met opgave van de voornaamste bronnen, waaruit de wetgever geput heeft;

b. het Burgerlijk Wetboek en die wetten en besluiten, die of voorzooverre zij het burgerlijk recht betreffen.

Daartoe behooren mede de wet, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, de wet van 16 Mei 1829 (Stb. nquot;. 29) op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, zooals zij is gewijzigd bij de wet van 23 December 1837 (Stb. n®. 78), de wet van 16 Mei 1829 (Stb. n0. 33) omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken, de wet van 18 April 1874 (Stb. ii0. 68) tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-rechtbanken bij de kantonrechters en de wet van 17 November 1876 (Stb. n0. 227) tot regeling der coöperatieve vereenigingen;

c. in hoofdtrekken de bepalingen omtrent de gevolgen van het huwelijk ten opzichte van der goederen der echt-

1215

-ocr page 1346-

NOTARIAAT.

genoolen, erfopvolging, uiterste willen en boedelscheiding volgens het wetboek Napoleon, ingericht voor het Koninkrijk Holland, en den Code Civil.

13. Het handelsrecht.

Hieronder zijn begrepen :

die gedeelten van het Wetboek van Koophandel, welke betrekking hebben op het notarisambt.

Daartoe behooren meer bepaaldelijk de bepalingen omtrent kooplieden en daden van koophandel, koopmansboeken, vennootschappen van koophandel, makelaars, commission-nairs, wisselbrieven en ander handelspapier, verzekering in het algemeen en verzekering tegen de gevaren van brand, zeeschepen en de schepen en vaartuigen, welke de binnenwateren bevaren, bodemerij en faillissement.

Deze onderwerpen moeten worden gekend in verband met de algemeene beginselen van handelsrecht, nedergelegd in het Wetboek van Koophandel.

C. De burgerlijke rechtsvordering.

Hieronder zijn begrepen:

die gedeelten van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, welke betrekking hebben op het notarisambt.

Daartoe behooren meer bepaaldelijk de bepalingen omtrent de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten, de uitspraken van scheidsmannen, de procedures betrekkelijk erfenissen, den boedelafstand, de middelen tot bewaring van zijn recht, het doen van rekening en verantwoording, de aanbieding van betaling en gerechtelijke bewaargeving, dvvanguitgifte van akten en den staat van kennelijk onvermogen.

II. TWEEDE GEDEELTE VAN HET EXAMEN.

A. Be wetten en besluiten op het notarisambt en de notarieele praktijk.

Hiertoe behooren:

a. een overzicht van de geschiedenis der wetgeving op het notarisambt;

h. in alle bizonderheden de wetten op het notarisambt en de verdere wetten en voorschriften, die of voorzooveel zij bij de uitoefening der notarieele praktijk in aanmerking komen;

c. de bepalingen betreffende de in- en overschrijving op de grootboeken der nationale schuld;

d. de bepalingen, regelende de bevoegdheid van provinciale- en gemeente-besturen en van besturen van instellingen van weldadigheid, tot het aangaan van burgerlijke handelingen.

B. Het zegel-, registratie- en successierecht.

Hiertoe behooren die gedeelten onzer wetgeving en der voorschriften van fiskalen aard, betreffende het zegel-, registratie- en successierecht en de openbare verkoopingen

1216

-ocr page 1347-

WET VAN 31 MAART 1847.

van roerende goederen, welke betrekking hebben op het notarisambt.

C. Het kadaster en de hypothecaire boekhouding.

Hieronder worden begrepen:

a. de tot het notarisambt betrekkelijke bepalingen omtrent de inrichting en bestemming van de kadastrale en hypothecaire boekhouding in haar onderling verband ;

b. de tot het notarisambt betrekkelijke voorschriften, strekkende ter uitvoering van de bepalingen omtrent hypotheken en de levering van en het leggen van verband op schepen.

III. DERDE GEDEELTE VAN HET EXAMEN.

Dit betreft de practische bedrevenheid in de toepassing van het recht en het ontwerpen van notarieele akten.

Daartoe behoort het schriftelijk beantwoorden van ten minste ééne eenvoudige rechtsvraag, die met de notarieele praktijk in verband staat, en het ontwerpen van ten minste twee notarieele akten, waarvan ééne van meer ingewikkelden aard.

Bij de beoordeeling van deze stukken zal, behalve op den inhoud, daarop worden gelet, of de examinandus zijn gedachten duidelijk weet uit te drukken, waartoe in de eerste plaats behoort een goede stijl en dat geen taalfouten worden gemaakt, die tot onduidelijkheid of dubbelzinnigheid aanleiding kunnen geven.

Behoort bij Zijner Majesteits besluit van 6 Februari 1883 n0. 24 (Stb. n0. 21).

III.

WET

van 31 Maart 1847 (Stb. n0. 12), houdmde vaststellimj van het tarief tot bepaling van de hoegrootheid en van den vorm van taxatie van het honorarium der notarissen, gelijk mede van verschotten, welke aan hen in rekening zullen worden geleden.

Artikel 1.

Voor alle akten, waarvan den notarissen de uitgifte in originali bij de wet is toegestaan, onverschillig of daarvan al dan niet eene minuut wordt opgemaakt, met uitzondering van die in art. 2 vermeld, wordt door hen een vast honorarium berekend.

Hetzelve bedraagt voor het voorbereiden, het opmaken en minuteren, het verlijden van zoodanige akten, en de verdere werkzaamheden daaraan verbonden f 3.00.

Wanneer deze akten van eenen buitengewonen omvang zijn, kan het honorarium tot /\' 4,50 worden verhoogd.

Indien van deze akten twee of meer gelijkluidenden op hetzelfde oogenblik worden verleden en onderteekend, wordt voor de eerste het volle en voor iedere volgende het halve honorarium berekend.

Wanneer van deze akten eene minuut is opgemaakt,

1217

77

-ocr page 1348-

NOTARIAAT.

zonder dat daarbij uitdrukkelijk van het verlangen dei-verschijnende personen tot het maken van zoodanige minuut blijkt, kunnen geene kosten voor de eerste afschriften of uittreksels berekend worden.

2. Aan de notarissen is verschuldigd:

a. voor protesten van niet-acceptatie of niet-betaling van wissels, order-biljetten en dergelijken (kopij en overschrijving op het register daaronder begrepen) f 3,00, en voor akten van interventie aan den voet der protesten f 0.75;

b. voor akten inhoudende aanbod van betaling of consignatie van aangebodene doch niet aangenomene gelden, de afschriften daaronder begrepen, f 2.75;

c. voor iederen getuige bij de in dit artikel vermelde akten f 0 25.

De notaris, die zich tot het doen van eenige der bij dit artikel bedoelde verrigtingen buiten zijne woonplaats begeeft, berekent, boven het aan hem voor die verrigting toegekende honorarium, voor den tijd tot de heen- en wederreize be-noodigd, mitsgaders voor de kosten aan het transport verbonden, f 1.00 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen zijne woonplaats en de plaats waar de verrigting geschiedt, zonder voor de terugreis te kunnen rekenen.

Het gedeelte van vijf mijlen, wanneer hetzelve minder dan de helft bedraagt wordt niet berekend; doch, dien afstand tebovengaande, geldt hetzelve voor volle vijf mijlen.

Indien eenige der bij dit artikel bedoelde verrigtingen in dezelfde zaak op onderscheidene in dezelfde rigting gelegene plaatsen geschieden, wordt alleen de afstand naar de verst gelegene plaats in aanmerking genomen.

Voor reis- en transportkosten van ieder der getuigen wordt de helft van het hierboven bepaalde berekend.

3. Voor alle akten, waarvan volgens de wet minuut moet worden opgemaakt, berekenen de notarissen hun honorarium bij vacatiën. Het bedrag daarvan wordt bepaald op f 1.50 voor elk uur of gedeelte van dien, vereischt tot het voorbereiden, het opmaken, het minuteren, het verlijden der akten en de verdere werkzaamheden daaraan verbonden.

4. Onverminderd het honorarium bij het vorige artikel vermeld, wordt aan de notarissen toegekend:

a. bij openbaren verkoop van zaken in de artikelen 562, 563, 564 en 567 van het Burgerlijk Wetboek omschre-• ven, met uitzondering van de zoodanige, tot welker verkoop de notarissen, krachtens de Wet van 22 Plu-vióse, jaar VII, en de daarmede in verband staande verordeningen, gelijkelijk met de griffiers en deurwaarders bevoegd zijn; voorts nog bij openbaren verkoop van schepen en vaartuigen, grooter dan tien lasten, alles op den prijs waarvoor de goederen zijn toegewezen: (F o r t u ij n II, 2 v.)

wanneer de prijs de som van f 3.000 of minder bedraagt, één ten honderd;

van sommen boven de f 3.000 lot f 10.000, een half ten honderd van het hoogere;

-l^is

-ocr page 1349-

WET VAN 31 MAART 1847.

van sommen boven de f 10.000 tot f 25.000, een vierde ten honderd van het hoogere;

van sommen boven de f 25.000, onbepaald tot welk eene som, een achtste ten honderd van het hoogere.

Bij gelijktijdigen verkoop van verschillende perceelen, ten verzoeke van dezelfde belanghebbenden, bepalen de prijzen, te zamen genomen, de evenredigheid der afdaling in de percentsgewijze belooning.

h. bij openbare verhuring of verpachting, een half ten honderd van den huur- of pachtprijs.

In geval van verhuring of verpachting voor meer dan twee jaren, wordt dit evenredige loon over het bedrag van den huur- of pachtprijs der twee eerste jaren ten volle, en over dat der volgende jaren voor de helft berekend.

5. Aan de notarissen is verschuldigd:

a. voor uitgifte der grossen, afschriften of uittreksels van akten, te hunnen overstaan verleden, mitsgaders voor afschriften of uittreksels van akten en stukken, welke onder hunne minuten berusten of aan hen worden vertoond, f 0.50 voor elke geheel beschrevene bladzijde, houdende 27 regels, elk van twaalf lettergrepen, de bladzijden en lettergrepen door elkander en de gedeeltelijk beschrevene voor vol gerekend.

Voor ongeteekende afschriften van ontworpen akten, wordt, wanneer deze worden gevorderd, naar den voormeliien maatstaf de helft van het zooeven genoemde berekend.

h. voor het schrijven van eenen brief ter zake hunner werkzaamheden als zoodanig, of voor het lezen van eenen, mede als zoodanig ontvangen brief, f 0.75. Indien dezelve buitengewoon groot of van veel ge-wigt is, naarmate van den tijd welke daartoe noodig mogt zijn geweest, berekend op den voet bij art. 3 vermeld.

6. Behalve de kosten der gebruikte zegels en de betaalde registratie-regten en briefporten, wordt aan de notarissen als verschot in rekening geleden, voor belooning aan getuigen te betalen, voor iedere vacatie bij het verlijden van akten niet in art. 2 genoemd, of bij andere werkzaamheden, voor elk uur of gedeelte daarvan/quot;0.25 voor iederen getuige.

Deze belooning mag nimmer meer dan f 1.50 voor iederen getuige op éénen dag bij eene en dezelfde akte of verrigting bedragen.

7. De notaris, die zich tot het doen van eenige werkzaamheden, behalve die in art. 2 vermeld, het zij op de vordering van belanghebbenden, het zij krachtens de voorschriften der wet, buiten zijne woonplaats begeeft, berekent, boven het honorarium voor die werkzaamheden, f 1.50 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen die woonplaats en de plaats waar die werkzaamheden geschieden moeten, zonder voor de terugreis te kunnen rekenen.

Het gedeelte van vijf mijlen, wanneer hetzelve minder bedraagt dan de helft, wordt niet berekend, doch dien afstand tebovengaande, geldt hetzelve voor volle vijf mijlen.

Do reis- en verblijfkosten worden daarenboven door den

1219

-ocr page 1350-

NOTARIAAT.

notaris in rekening gebragt en zooveel mogelijk door quitantiën bewezen.

8. De notarissen zijn verpligt aan hunne cliënten, dit gevorderd wordende, te geven gespecificeerde rekeningen, inet opgave van den dag waarop de werkzaamheden zijn verrigt en van den besteden tijd, voorzooverre de hoegrootheid van het honorarium daarvan afhankelijk is.

Deze rekeningen mogen geene andere posten, het zij voor honorarium, het zij voor verschotten, inhouden, dan de zoodanige, welke betrekking hebben tot werkzaamheden welke door den notaris als zoodanig zijn verrigt.

9. Bij weigering of verzuim van betaling worden deze rekeningen, op de wijze hierna bepaald, aan taxatie onderworpen.

Voor werkzaamheden ten behoeve van personen die het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, alsmede van onbeheerde of onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschappen, behalve in het geval dat voor de akten in art. 1 vermeld geen hooger honorarium dan het daarbij gestelde maximum wordt berekend, mitsgaders met uitzondering der akten vermeld in art. 2, heeft eene specificatie en taxatie der door den notaris opgemaakte rekening altijd plaats.

10. De taxatie geschiedt door den voorzitter der regtbank van het arrondissement waarin de standplaats van den notaris is gevestigd, of door een der leden van die regtbank, daartoe door den voorzitter benoemd, en wordt gesteld op gezegelde rekeningen, waarop iedere post, zoo van honorarium als van verschot, behoorlijk is omschreven en het bedrag daarvan afzonderlijk uitgedrukt, en waarop, naast de uitgetrokkene som, een wit vak is opengelaten.

Onder de rekening wordt gesteld; «Ter taxatie ingediend

door.....», met onderteekening en dagteekening, zonder

dat eenige andere vorm bij de indiening der taxatie in acht genomen behoeft te worden.

11. Alvorens tot de taxatie over te gaan, stelt de voorzitter der regtbank, of het daartoe benoemde lid, de ingediende rekening in handen van het openbaar ministerie, ten einde deszelfs bedenkingen daaromtrent schriftelijk mede te deelen.

Zoowel het openbaar ministerie als de regter, door wien de taxatie geschiedt, zijn bevoegd om de belanghebbenden uit te noodigen tot de overlegging der stukken in de rekening vermeld.

liet openbaar ministerie slaat bij het onderzoek, en de regter bij de begrooting der rekening, acht op de omstandigheid, of de gedeclareerde vacatiën naar den aard der zaak nuttig, doelmatig ol\' noodig kunnen geoordeeld worden of door den cliënt zijn verlangd; zoomede of de rekening ook bevat posten van honorarium of van voorschotten voor werkzaamheden, welke niet door den notaris als zoodanig zijn verrigt. De regter haalt de laatste door, en wijzigt, haalt door of vermindert voorts zoodanige posten, welke geoordeeld worden de palen eener billijke gematigdheid te overschrijden, daarbij in aanmerking

1220

-ocr page 1351-

WET VAN 31 MAART 1847.

nemende het gewigt der zaak on de moeite welke zij bij de behandeling heeft gevorderd of opgeleverd.

12. Bij de taxatie wordt het bedrag der te hoog gestelde of onaannemelijke posten doorgehaald, en in het daarvoor opengelaten wit vak de verschuldigde som, of wel «nihil» gesteld.

Aan het slot der rekening wordt door den regter gesteld:

«Goedgekeurd ter somma van.....», met uitdrukking, in

letters, van het geheele bedrag waarop dezelve is begroot, en daaronder een bevelschrift van tenuitvoerlegging. Dit bevelschrift wordt op de minuut ten uitvoer gelegd.

13. De notaris kan de herziening der taxatie vorderen door de regtbank, wier voorzitter of benoemd lid dezelve heeft gedaan.

Dit geschiedt bij verzoekschrift, waarop niet wordt beschikt dan nadat de belanghebbenden voor twee commissarissen uit de regtbank, daartoe benoemd, zijn opgeroepen om in hunne belangen te worden gehoord. Commissarissen doen van den afloop daarvan verslag aan de regtbank, en het openbaar ministerie wordt daarna in deszelfs conclusiën gehoord.

14. De taxatiën van den regter zijn niet aan regten van registratie of griffie onderworpen.

15. De schuldenaar wordt tot de betaling genoodzaakt, het zij krachtens het bevelschrift van tenuitvoerlegging van den voorzitter of benoemden regter, het zij krachtens de beschikking door de regtbank op een verzoek tot herziening genomen.

16. Hij, te wiens laste zoodanig bevelschrift is afgegeven, kan daartegen verzet doen.

Dit verzet wordt gebragt voor de regtbank, welker voorzitter of benoemd lid het bevelschrift heeft afgegeven, en wordt als eene summiere zaak, nadat het openbaar ministerie in deszelfs conclusiën zal zijn gehoord, afgedaan.

17. De uitspraak op het verzet en de beschikking op een verzoek om herziening zijn niet vatbaar voor verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie.

18. De bepalingen in deze wet vervat, zijn niet van toepassing op openbare verkoopingen, waartoe de notarissen, krachtens de wet van 22 Pluvióse, jaar VII, en de daarmede in verband staande verordeningen, gelijkelijk met de griffiers en deurwaarders, bevoegd zijn, waarvoor de notarissen hun honorarium op den thans bestaanden voet blijven berekenen, en hunne declaratiën worden in geval van verschil daarover, getaxeerd door den voorzitter der regtbank van het arrondissement waarin hunne standplaats is gevestigd. (Fortuijn II, 2 v.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 31 Maart 4847.

4221

-ocr page 1352-

ZEGELWET.

WET

van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), op het Regt van Zegel, gewijzigd en aangevuld door de Wetten van 24 en 31 December 1856 (Stb. n0. 130 en 165), van 7 Juli 1867 (Stb. n6. 85), van 9 April 1869 (Stb. n0. 60), van i Juli 1874 (Stb. n». 87), van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 93), en van 31 December 1885 (Stb. n0. 264). a)

EERSTE TITEL.

Algemeene bepalingen.

Artikel 1.

Er zal, onder de benaming van regt van zegel, eene belasting geheven worden op het papier of perkement, dat gebruikt wordt voor alle geregtelijke en burgerlijke, hel zij administrative, openbare of onderhandsche acten, mitsgaders voor alle geschriften, die in regten c is bewijs kunnen overgelegd worden, en voor alle andere stukken hierna opgenoemd.

Er bestaan geene uitzonderingen, dan die bij name in deze wet zijn uitgedrukt.

Art. 1 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 93): Aan een vast zegelregt van vijf centen zijn onderworpen alle zonder tusschenkomst van een openbaar ambtenaar opgemaakte of niet uitdrukkelijk van zegelregt vrijgestelde quitantien en andere eenzijdige acten of geschriften, bevattende de erkenning door of namens den schuld-eischer van het geheel of gedeeltelijk te niet gaan eener geldschuld, onverschillig in welken vorm die stukken overigens zijn opgemaakt, al ware het in dien van be-rigten of brieven.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de quitantien voor betaalde Rijks-, provinciale- of plaatselijke belastingen, polder-, dijk-, molen- of sluisgelden en andere waterschapslasten, waaromtrent de bestaande bepalingen blijven gelden. (Zegelw., a. 27 A nos 45—51).

2. Het bij artikel 1 bepaalde regt komt, zoo niet het

a) De wijzigingen door de latere wetten zijn in den tekst opgenomen met vermelding der wijziging, zonder opneming van den oorspronkelijken tekst. Voorts is het tegenwoordig bedrag tier rechten en boeten, ingevolge de bij art. 13 der Wet van 1882 (zie blz. 1228) bepaalde verhooging met öO opcenten, telkens tusschen haakjes bijgevoegd.

-ocr page 1353-

n

TITEL 1, AKT. 1.

tegendeel bedongen is, ten laste van den schuldenaar. (B. •1431.)

De voldoening van dat regt moet geschieden, zoo de daaraan onderworpen stukken hier te lande worden opgemaakt, door daarvoor te gebruiken het van Rijkswege uitgegeven gezegeld papier of het op verzoek van belanghebbenden gestempelde papier of perkament, of eindelijk door opplakking van een plakzegel vóór de onder-teekening.

Is dit voorschrift niet nageleefd, dan wordt eene boete van vijf en twintig gulden door den schuldeischer verbeurd.

Zoo de voormelde stukken buiten \'s lands zijn opgemaakt, geschiedt de voldoening van het regt tegen eene daarop te stellen quitantie van \'s Rijks ambtenaar.

3. Het in het vorig artikel bedoelde gezegeld papier, van wege het Rijk uitgegeven, zal de hoogte en de breedte hebben bij artikel 20 der Wet van 3 October 1843 (Stb. n». 47) vastgesteld voor het gezegeld papier, klein formaat, bestemd voor stukken, aan evenredig zegelregt onderworpen.

Ten aanzien van het in artikel 1 bedoelde bijzondere zegel gelden overigens de bepalingen der Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), voor zoover de tegenwoordige wet daarvan niet afwijkt.

10. Het plakzegel, bedoeld in de artikelen 2 en 9 dezer Wet, wordt van wege het Rijk uitgegeven; de vorm daarvan wordt door Ons bepaald, en artikel 6 der Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47) is daarop toepasselijk.

De wijze waarop het behoort gebruikt te worden, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

Zijn de daarbij vastgestelde voorschriften niet alle nagekomen, dan wordt het stuk beschouwd alsof het zegel daarop niet geplakt ware. (Zie art. 9 dezer Wet onder art. 21 n0. 2.)

12. Alle door hier te lande wonende personen opgemaakte stukken, genoemd in artikel 1 dezer wet, en alle handteekeningen, welke zoodanige personen hebben gesteld op die stukken of op stukken, bedoeld in artikel 21, n0. 2, der Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), worden, behoudens tegenbewijs, geacht hier te lande geschreven te zijn, ook al is daarop het tegendeel vermeld.

13. Voor zoover niet anders wordt bepaald bij de Wet, houdende aanwijzing voor elk jaar van de middelen tot dekking der uitgaven des Rijks, worden vijftig opcenten geheven op alle regten en boeten van zegel, met uitzondering alleen:

a. van de regten en boeten, verschuldigd krachtens het bij artikel 5 dezer Wet gewijzigde nommer 2 van artikel 21 der Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47);

b. van het regt, bedoeld in het eerste lid van artikel 1 dezer Wet; en

c. van de boeten, bedreigd in artikel 2 dezer Wet;

1223

Uil \' iiill

| fil

II; i Él

i\'l

Jbll

!l

i

i-ii

m

-ocr page 1354-

I quot;224 ZEGELWET.

op welke regten en boeten geene opcenten geheven worden.

Van de betaling der voormelde opcenten zal op liet aan zegel onderhevige papier of perkament blijken op nader door Ons te bepalen wijze. (Stb. 1882 n0. 127; hierachter afgedrukt.)

15. Deze wet treedt in werking 1 Januarij 1883.

Alle niet gedagteekende acten en stukken worden geacht na dat tijdstip te zijn opgemaakt, behoudens bewijs van het tegendeel.

2. Deze belasting bestaat in:

I. het zegelregt, naar de oppervlakte van het papier;

II. het zegelregt voor de patenten en buitenlandsche paspoorten ;

III. het zegelregt, geevenredigd aan de sommen en geldswaarden ;

Alles op de wijze hierna omschreven.

Gewijzigd tengevolge van de Wet van 9 April 18G9 (Stb. n0. 60). Zie voorts art. 1 der Wet van 11 Juli 1882, onder art. 1.

3. Het papier, van wege het rijk uitgegeven, zal, behalve van het zegel, van een bijzonder merkteeken zijn voorzien.

De zegelstempel zal aan de bovenzijde van het papier worden afgedrukt. (Stb. 1844 n0. 18, a. 2—4. Zie bijlage blz. 1231.)

4. De afdruk van den zegelstempel mag, zoo min op de voor- als keerzijde, door letters bedekt, of op eenige wijze onkenbaar gemaakt of beschadigd worden.

Alle acten en schrifturen, zonder onderscheid, moeten ter hoogte van, of onder den afdruk van den zegelstempel aangevangen en vervolgd worden.

Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete van vijf gulden (/quot; 7.50) door een bijzonder persoon, en van tien gulden (/\'15) door een ambtenaar, de overtreding in zijne betrekking begaan hebbende.

Eene vierde alinea vervallen door de Wet van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

5- Wanneer eenig stuk niet op het daarvoor bestemde maar op een ander gezegeld papier van hetzelfde of van een hooger regt is gesteld, zal deswege geene boete verschuldigd zijn.

6. Het is een ieder, die niet door of van wege het departement van Financiën daartoe aangesteld of gemagtigd is, verboden gezegeld papier te verkoopen of uit te geven.

Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete van vijf en zeventig gulden (ƒ 112.50); onverminderd de verbeurdverklaring van het gezegelde papier bij den overtreder gevonden wordende, indien hij niet bewijzen kan hetzelve bij eenen ontvanger der registratie of van het zegel te hebben aangekocht. ( Verg art. 10a der Wet van \\\\ Juli 1882, onder art. 1.)

7- Een gezegeld papier, hetwelk reeds tot eenige acte (of) geschrift gebruikt is, al ware die acte (of) dat geschrift ook doorgehaald of op eenige andere wijze vernietigd, mag niet tot eenig ander geschrift gebezigd worden.

-ocr page 1355-

ms

In geval van overtreding, wordt alles, wat op zoodanig gezegeld papier is geschreven, met betrekking tot deze wet beschouwd op ongezegeld papier gesteld te zijn.

Gewijzigd ten gevolge van de Wet van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

Echter kunnen achter elkander of op hetzelfde gezegelde papier geschreven worden:

a. Alle acten en geschriften, welke, overeenkomstig de bepalingen der bestaande wetten, in registers of achter of naast elkander geschreven worden;

h. Boedelbeschrijvingen, processen-verbaal en verdere acten, welke niet in ééne zitting kunnen worden voltooid, daaronder begrepen de vordering tot ontzegeling en de processen-verbaal van herkenning en opheffing van zegels;

c. De verschillende certificaten of verklaringen van oorsprong van inlandsche fabrikaten;

d. De uittreksels uit acten van of certificaten betrekkelijk tot huwelijks-afkondigingen, bestemd om op denzelfden dag te worden aangeplakt;

e. De onderscheidene quitantien voor de, in mindering van eene en dezelfde schuldvordering of van eenen en denzelfden huur- of pachttermijn, ontvangen sommen.

Voorts kunnen worden gesteld:

1°. De conclusien van het openbaar ministerie, alsmede de regterlijke beschikkingen en vonnissen, op de daartoe betrekkelijke requesten;

2*. De legalisatien van handteekeningen en de bekrachtigingen van acten, op de acten en stukken welke daartoe betrekking hebben, en, in het algemeen, de vermelding van de verrigting van formaliteiten, op de stukken, welke die formaliteiten hebben ondergaan;

3°. De quitantien, endossementen, acceptatien, avals en verlengingen van den termijn van betaling, op bode-merij- en wisselbrieven en op orderbriefjes of promessen aan order, assignation en ander papier aan toonder; — voorts de quitantien, op de processen-verbaal en contracten van koop en verkoop en op de acten van schuldbekentenis;

4°. De acten van insinuatie of beteekening, met of zonder bevel, op het vonnis ol\' stuk, waarvan kopij gelaten wordt, zoomede de vermelding van de beteekening van protesten, op de acten van protest;

5°. De processen-verbaal van veiling, verkooping, verpachting, verhuring, toewijzing of aanbesteding, op de memorien van voorwaarden of lasten;

6°. Die van opbieding of prijsverhooging en die van herveiling ten schade eens nalatigen koopers, op de processen-verbaal van veiling, van voorloopige toewijzing of van verkoop;

7°. De verklaringen van lastgeving, op de acten van verkoop, tot welke dezelve betrekkelijk zijn;

8°. De verklaringen van geregtigdheid ten behoeve van schuldeischers van den Staat, alsmede de quitantien

-ocr page 1356-

ZEGELWET.

en endossementen, op alle mandaten, ordonnantiën van betaling of betaalsrollen;

9°. De aanteekening of vermelding van het afleggen van eenen ambtseed, op de acte van aanstelling;

10°. De bevestiging onder eede van processen-verbaal, ambtshalve opgemaakt, op die processen-verbaal;

11°. De verklaringen dat schepen binnen dit Rijk zijn gebouwd, op de bijlbrieven;

12°. De quitantien wegens inlage of premie, op de polissen van verzekering of bewijzen van verwaarborging;

13°. De acten van verandering van onderpand, op de acten van beleening;

Gewijzigd bij de Wet van 4 Juli 1874 (Stb. n0. 87).

,I40. liet recepis of bewijs van ontvangst, op destukken die in regten worden overgelegd;

15°. De acten van herroeping van volmagt of van uiterste wilsbeschikking, op de acten welke worden herroepen.

8. Het is verboden, aan regters, scheidsmannen, departementen van algemeen bestuur, besturen van provinciën, steden en gemeenten, of andere openbare collegien, gestichten of instellingen, hoe ook genaamd, om vonnis te wijzen, regt te doen, te besluiten, of handteekeningen te legaliseren, op eenig stuk, het zij binnen \'s lands, het zij buiten \'s lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk opgemaakt, dat niet van behoorlijk zegel, volgens de wet, is voorzien, of waarvoor het zegelregt niet is voldaan, ten ware hetzelve uitdrukkelijk van het regt zij vrijgesteld, of wel van het bewijs van registratie zij voorzien.

Het is wijders aan regters, scheidsmannen, deskundigen, notarissen, procureurs, deurwaarders, griffiers van den hoo-gen raad, van hoven, regtbanken en kantongeregten, griffiers van provinciale staten, secretarissen-generaal, griffiers en secretarissen van ministeriële departementen of collegien van algemeen bestuur, van stedelijke of gemeentebesturen, van hooge en andere heemraadschappen, dijk- of polderbesturen, wateringen en waterschappen, en aan alle andere ambtenaren, bevoegd om acten te verlijden of exploiten te doen, verboden, krachtens of ten gevolge van eenig stuk, het zij binnen \'s lands, het zij buiten \'s lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk opgemaakt, hetwelk niet van behoorlijk zegel, volgens de wet, is voorzien of waarvoor het zegelregt niet is voldaan, ten ware hetzelve uitdrukkelijk van het regt zij vrijgesteld of wel van het bewijs van registratie zij voorzien, eenige acte op te maken, hetzelve aan hunne minuten vast te hechten, daarvan grossen, afschriften of uittreksels te geven, hetzelve ten behoeve van den houder in hunne acten te vermelden, of daarop handteekeningen te legaliseren.

Hiervan zijn uitgezonderd:

a. Acten van protest, welke kunnen worden opgemaakt van wisselbrieven of ander handelspapier, voor welke het verschuldigde zegelregt nog niet is voldaan;

h. Scheidingen, voorzooveel betreft de daarin onder de

1226

-ocr page 1357-

TITEL 1, ARTT. 8—10.

baten van den te verdeelen inboedel voorkomende onderhandsche en andere acten en stukken, voorts boedelbeschrijvingen, mitsgaders processen-verbaal van ver- en ontzegeling, waarin kunnen worden aangehaald ongezegelde of niet behoorlijk gezegelde stukken, welke in boedels gevonden en beschreven moeten worden;

c. Zoodanige andere acten van notarissen, nevens welke, bij derzelver registratie, gelijktijdig worden overgelegd de stukken, voor welke het verschuldigde zegelregt niet is voldaan, waaruit in die acten is gehandeld of waarvan afschriften of uittreksels zijn opgemaakt.

Bijaldien van de bevoegdheid, hiervoor bij de letters a en c verleend, wordt gebruik gemaakt, zullen de notarissen, griffiers of deurwaarders, bij de registratie hunner acten, betalen de zegelregten en boeten, welke voor de vorenbedoelde acten en stukken verschuldigd zijn, behoudens verhaal op wien het behoort.

d. De olographische en geheime testamenten en de stukken, bedoeld bij de artikelen 982 en 983 van het Burgerlijk Wetboek, welke, met derzelver omslagen voorzien, in bewaring genomen, waarop de vereischte aantee-keningen en acten van superscriptie geschreven, en die voorts in acten van teruggave vermeld, en eindelijk beschreven mogen worden, al mogten ook deze stukken niet van zegel zijn voorzien. (B. 979 v., 987 v.)

Bij de registratie van deze uiterste willen of van de vorenbedoelde aanteekeningen, acten van superscriptie of van beschrijving, zullen de verschuldigde zegelregten worden betaald.

Er is voor iedere overtreding van dit artikel door de voormelde besturen, collegien, ambtenaren en verdere personen, verbeurd eene boete van vijftig gulden (f 75.).

Zij zijn bovendien gehouden tot de betaling der regten en boeten, verschuldigd voor de stukken niet van behoorlijk zegel volgens de wet, voorzien, of waarvoor het zegelregt niet is voldaan, behoudens verhaal op wien het behoort.

9. Het is iederen regter of openbaren ambtenaar verboden, een register, aan zegel onderhevig, te kantteekenen en te waarmerken, wanneer niet alle bladen van het register gezegeld zijn.

Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete van twintig gulden (ƒ\' 30.).

10. Voor alle huisselijke papieren, brieven of zoodanige geschriften, welke, ofschoon niet bij name onder de vrijstellingen begrepen, echter, volgens derzelver aard, aanvankelijk niet op gezegeld papier behoefden geschreven te worden, moet het zegelregt worden voldaan, alvorens dezelve in regten kunnen worden overgelegd of voordat daarvan authentieke afschriften of uittreksels worden afgegeven, of op eenige wijze, in eene openbare acte, ten behoeve van den houder daarvan worde gebruik gemaakt, behoudens de uitzonderingen, vermeld onder letter h en c van art. 8.

1L2\'27

-ocr page 1358-

ZEGELWET.

Voor iedere overtreding van dit artikel is door de besturen, collegien, ambtenaren, en verdere personen, bij art. 8 opgenoemd, verbeurd eene boete van vijftig gulden (ƒ\' 75,).

TWEEDE TITEL.

Van den aard der belasting.

EERSTE AFDEELING.

Van hel zegelregl naar de oppervlakte van het papier.

lias

11. Van het naar de oppervlakte gezegelde papier, van wege het rijk uitgegeven, z\\jn het regt, de benaming en grootte als volgt:

Grootte v. h. papier, het vel opèngeslagen.

Oppervlakte.

Hoogte

Breedte

palmen

4,520 3,857 3,220 3,220 2,500

palmen

25,76 19.32 12,88 0,44 4,25

palmen

5,700 5,010 4,000 2,000 1,700

. 1 van f 1,00 groot registerpapier

2 » - 0,75 registerpapier . . .

3 » - 0,50 gewoon papier. . .

4 » - 0,25 half vel gew. papier.

5 » - 0,15 klein papier . . . .

(Zie over het zegel van f 0.05 art. 3 der Wel van 11 Juli 1882 onder art. 1, Wz. 1223.)

12. Aan het zegelregt, hierboven vermeld, is onderhevig: al het papier of perkement, gebruikt wordende voor minuten, brevetten, grossen, expeditien of afschriften, kopijen, dubbelen en uittreksels van burgerlijke, geregtelijke, buitenge-regtelijke, administrative en onderhandsche ac\'.en, van arresten en vonnissen, zoomede voor registers en boeken, verzoekschriften, zelfs in den vorm van memorien of brieven, me-morien van aangifte voor het regt van successie en het regt van overgang, en eindelijk, in den uitgebreidsten zin, voor alle stukken en geschriften, welke eenigen titel, regt of voordeel opleveren, of tot eenig bewijs strekken.

Op de bepalingen van dit artikel zijn geene andere uitzonderingen, dan voorzoover betreft de acten, registers, stukken en geschriften, welke bij deze wet van het regt geheel vrijgesteld zijn of aan een ander zegelregt zijn onderworpen.

13. Alle acten en geschriften, in het laatstvoorgaande artikel aangeduid, binnen dit rijk opgemaakt, moeten, behoudens de in het volgende artikel toegestane uitzonderingen, worden gesteld op het gezegelde papier van wege het rijk uitgegeven.

-ocr page 1359-

TILEL II, ARTT. 11—14.

Er mag echter geen kleiner gezegeld papier dan van 25 centen (/\'0.37») worden gebruikt voor:

1°. Acten die door notarissen in brevet of als oorspronkelijk worden uitgegeven ;

2*. Acten van protest van non-acceptatie en non-beta-ling van wisselbrieven en ander handelspapier, door deurwaarders opgemaakt;

Gewijzigd hij art. 3 der Wet van 31 December 1856 (Stb. n0. 165).

3°. Onderhands geteekende, wederzijds verbindende acten en geschriften, door of tusschen bijzondere personen of ambtenaren in hun persoonlijk belang, zonder tusschenkomst van eenig openbaar ambtenaar, opgemaakt, polissen van verzekering en bewijzen van verwaarborging daaronder niet begrepen.

liet gezegelde papier van 15 centen (ƒ0.22 quot;O kan slechts worden gebruikt voor:

1°. Eenzijdige onderhandsche akten en geschriften, zonder tusschenkomst van eenig openbaar beambte opgemaakt; {Zie art. 1 der Wet van 11 Juli 1882, onder art. 1, blz. 1222).

2quot;. Verklaringen van geregtigdheid ten behoeve van schuldeischers van den Staat, en de attestatien de vita, benoodigd tot het ontvangen van lijfrenten, pensioenen of riddersoldijen ten laste van den Staat;

3°. Mandaten en ordonnantiën van betaling en betaals-rollen;

4°. Quitantien wegens betaalde rijks-, provinciale- of plaatselijke belastingen, polder-, dijk-, molen- of sluisgelden;

5°. Acten van procureurs en exploiten van deurwaarders, uitgezonderd de acten van protest van nonacceptatie en non-betaling van wisselbrieven en ander handelspapier, en alle overige acten, tot het opmaken waarvan deurwaarders gelijkelijk met andere ambtenaren bevoegd zijn: zullende daarvoor door hen geen kleiner gezegeld papier mogen worden gebruikt, dan aan die andere ambtenaren is toegestaan.

iV#. 5 bijgevoegd bij art. 3 der Wet van 31 December 1856 (Stb. n». 165).

Voor alle andere stukken en geschriften, bij art. 12 bedoeld, moet het gezegelde papier worden gebruikt, opgenoemd onder N0. i, 2 of 3 van art. 11.

Bij overtreding van dit artikel, door een ambtenaar in zijne betrekking begaan, is verbeurd eene boete van vijf-en twintig gulden (/■ 37-50), en van tien gulden (ƒ15) voor overtreding door een bijzonder persoon.

14. Diegenen echter die zich van ander papier, dan dat van wege het Rijk uitgegeven, of wel van perkement willen bedienen, kunnen hetzelve doen stempelen, alvorens daarvan gebruik te maken.

Bij het stempelen van dat papier of perkement zal alleen de oppervlakte van hetzelve in aanmerking geno-

1229

mi

-ocr page 1360-

1230 ZEGELWET.

men worden, in dier voege dat papier of perkement, eene oppervlakte hebbende van 425 vierkante Nederlandsche duimen en minder, zal worden voorzien van een zegel van 15 centen (ƒ0.\'22\'); boven de 425 tot en met 644 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel van 25 centen (f 0.37s); boven de 644 tot en met 1288 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel van 50 centen (ƒ0.75); boven de 1288 tot en met 1932 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel van 75 centen (ƒ1.125) boven de 1932 tot en met 2576 vierkante Nederlandsche duimen, van een zegel van een gulden (ƒ1.50); en voorts, bij opklimming, van een zegel van 25 centen (ƒ0.376), voor iedere, zelfs onvolledige, reeks van 644 vierkante Nederlandsche duimen.

Van de vergunning, in dit artikel verleend, kan, voor-zoover het papier betreft, geen gebruik worden gemaakt door de griffiers van den hoogen raad, van hoven, regt-banken of kantongeregten; noch door notarissen, procureurs of deurwaarders.

15. De grossen, expeditien of afschriften, kopijen, dubbelen en uittreksels van arresten en vonnissen, van acten van regters en griffiers van den hoogen raad, van hoven, regtbanken en kantongeregten, van scheidsmannen en van notarissen mogen niet meer bevatten, de bladzijden door elkander gerekend, dan:

39 regels van 17 lettergrepen, op elke bhdzijde van het groot registerpapier;

33 regels van 15 lettergrepen, op elke bladzijde van het registerpapier;

27 regels van 12 lettergrepen, op elke bladzijde van het gewoon papier.

Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete van tien gulden (ƒ15) voor ieder stuk,

16. Voor acten en geschriften, buiten \'s lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk opgemaakt, andere dan die in de derde afdeeling van dezen titel opgenoemd, moet het zegelregt worden voldaan, alvorens daarvan, op de wijze bij art. 8 vermeld, eenig gebruik of melding kan worden gemaakt, behoudens echter de uitzondering, opgenoemd bij laatstgemeld artikel, onder de letters b en c.

TWEEDE A F 11 E E M N G.

Van het zegelregt op de patenten en huitenlandsche paspoorten.

17. Van een bijzonder zegel, ongeacht de grootte van het daartoe te gebruiken papier, moeten vóór derzelver afgifte worden voorzien;

1°. Van een zegel van vijf en twintig centen (ƒ0.375), de patenten op neringen, bedrijven en scheepvaart, zoo mede derzelver afschriften, behoudens de vrijstelling vermeld bij N0. 38, letter A, van art. 27;

2°. Van een zegel van twee gulden vijftig centen (ƒ 3.75), de buitenlandsche paspoorten voor een persoon;

-ocr page 1361-

TITEL II, ARTT. 15—21.

3°. Van een zegel van vijf gulden (/\'7.50), de buitenland-sche paspoorten voor twee of meerder personen.

In geval van overtreding h door den met de uitgifte belasten ambtenaar eene boete van vijf en twintig gulden (ƒ 37.50) verbeurd, voor iedere acte of ieder stuk, ongezegeld of van ontoereikend zegel voorzien.

18 en 19. Vervallen tengevolge van de Wet van 9 April 1869 (Stb. n». 60).

DERDE AFDEELING.

Van het zegelregt, ge\'évenredigd aan de sommen en geldswaarden.

20. Het papier, bestemd voor stukken aan evenredig zegelregt onderhevig en van wege het rijk uitgegeven, zal zijn gestempeld als volgt;

Het geringste zegel zal hebben een stempel van 5 centen en het hoogste eenen stempel van f 20.

Wanneer het volgens de wet verschuldigde zegelregt meer bedraagt dan f 20, zullen de ontvangers van de betaling van dit meerdere doen blijken door quitantie of bijstempel, nevens den gewonen stempel te stellen.

Het evenredige regt op de stukken, genoemd in n0. 2 van het volgende artikel, zal opklimmen met 5 centen tot 25 centen, en voorts, even als het overige evenredige regt, telkens met 25 centen tot 5 gulden, en boven de vijf gulden, telkens met 50 centen.

Al 2 en 4 qewijziqd bij art. 4 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n». 93).

Het gezegelde papier, in deze afdeeling behandeld, zal, van wege het rijk, in groot en in klein formaat worden uitgegeven; het groot formaat zal hebben eene hoogte van 3 palmen 2 duimen en 2 strepen en eene breedte van 4 palmen, en het klein formaat eene hoogte van 8 duimen, 8 strepen en 4 lijnen en eene breedte van 2 palmen en 5 duimen.

Degenen die zich willen bedienen van ander papier dan dat van wege het rijk uitgegeven, kunnen hetzelve doen stempelen, alvorens daarvan gebruik te maken. (Zie art. 3 der Wet van 11 Juli 1882, onder art. 1, hlz. 1223.)

Aan het papier, in deze afdeeling behandeld, zal ongezegeld papier mogen worden aangehecht, wanneer hetzelve niet toereikende is voor het daarop te stellen geschrift.

21. Aan het zegelregt, in deze afdeeling behandeld, is onderhevig al het papier, gebruikt wordende voor de na te noemen acten en stukken, welke, voorzooverre zij binnen dit rijk zijn opgemaakt, moeten worden gesteld op het gezegelde papier, van wege het rijk uitgegeven, of op verzoek der belanghebbenden gestempeld.

Wanneer sommen of waarden, in de acten of stukken uitgedrukt en waarover het regt verschuldigd is, minder bedragen dan de ronde sommen, hieronder bepaald, zal het volle regt over die ronde sommen worden berekend.

1231

-ocr page 1362-

ZEGELWET.

De acten en stukken, onderhevig aan het zegelregt geëven-redigd aan de sommen en geldswaarden, zijn de navolgende :

1°. Alle onderhandsche acten van verhuring, onderverhuring, huurvernieuwing, overdragt of wederafstand van huur van onroerende goederen, zoomede al de dubbelen dier acten, zijn, behoudens de vrijstelling vermeld onder n#. 69 litt. A van art. 27, onderhevig aan een regt van vijf en twintig centen (/quot;0.376) van iedere honderd gulden.

Het bedrag, waarover het regt verschuldigd is, bestaat:

In den huurprijs, over den geheelen huurtijd berekend, wanneer deze op twee jaar of minder is bepaald, doch voor verhuringen voor een bepaalden tijd van meer dan twee jaren, in den huurprijs over de twee eerste jaren, met bijvoeging van de helft van den huurprijs voor den geheelen overigen huurtijd.

Bijaldien voor een of meer jaren een andere prijs mogt zijn bedongen dan voor de overige, zal de jaarlijksche huurprijs gemiddeld worden berekend over den geheelen huurtijd. De jaren, ter keuze of opzegging van huurders of verhuurders staande, worden onder den huurtijd begrepen, voorzooverre niet mogt bedongen zijn, dat, bij het treden in dezelve, eene nieuwe acte van verhuring zal worden gemaakt.

Wanneer de verhuring voor het leven is, in tienmaal den jaarlijkschen huurprijs; eindelijk, wanneer de huurtijd onbepaald is, in twintigmaal den jaarlijkschen huurprijs.

Onder den huurprijs wordt verstaan de som, door den huurder aan den verhuurder te betalen, benevens al de lasten, die de huurder voor zijne rekening neemt, ter ontlasting van den verhuurder.

Voor de verhuringen, waarvan de prijs in natura of door een gedeelte der vruchten betaalbaar is gesleld, zal de berekening geschieden op den voet zooals bij de bestaande wetten voor de registratie is bepaald.

Het regt wordt berekend over de ronde sommen van/quot;100 tot aan een bedrag van f 2000, en boven de f 2000 over ronde sommen van f 200.

I3ij overtreding is voor ieder stuk, in dit nummer bedoeld, eene boete verbeurd ten beloope van vijf ten honderd (71/J 0/0) van de som waarvoor het regt verschuldigd is, bijaldien het stuk is ongezegeld; van welke som echter, ingeval een ontoereikend zegel is gebruikt, voor de berekening der boete zal worden afgetrokken dat gedeelte, waarvoor het gebezigde zegel, naar den aard van het stuk, had kunnen worden gebruikt.

Wanneer de voormelde stukken buiten \'s lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk zijn opgemaakt of verleden, moet daarvan het zegelregt worden voldaan, alvorens van dezelve, op de wijze bij art. 8 vermeld, binnen het rijk eenig gebruik of melding kan worden gemaakt, behoudens echter de uitzondering, opgenoemd bij laatstgemeld artikel, onder de letters h en c.

2». Alle wissels, orderbriefjes, assignatiën, bank-en ander papier aan toonder en ander handelspap er, binnen het Rijk betaalbaar, alsmede de duplicaten of kopijen van al deze

123\'i

-ocr page 1363-

TITEL 11, ART. 21. ItKtö

stukken, (behoudens de uitzonderingen in dit nommer en de vrijstellingen onder nos. 35, 48 en G2 van art. 27 litt. A vermeld) zijn onderhevig aan een regt van vijf cents van iedere honderd gulden.

Het regt wordt berekend over de som in het stuk uitgedrukt, over ronde sommen van honderd gulden tot een bedrag van f 500; boven de f 500 over ronde sommen van vijf honderd gulden tot een bedrag van f 10.000 en boven de f 10.000 over ronde sommen van duizend gulden.

Wissels en alle ander handelspapier, buiten het Rijk betaalbaar, alsmede het binnen het Rijk betaalbare zoogenaamde kort papier, waardoor deze wet verstaat dat, hetwelk betaalbaar is gesteld het zij op zigt of vertoon, het zij uiterlijk drie dagen na zigt of vertoon of wel uiterlijk acht dagen na zijne dagteekening, is slechts onderhevig aan een vast regt van vijf centen.

Het daarvoor te bezigen gezegeld papier van wege het Rijk uitgegeven zal de hoogte en breedte hebben, vastgesteld in art. 20 het daarvoor bedoelde gezegeld papier, klein formaat.

In geval van overtreding van cene der vorenstaande bepalingen is eene boete verbeurd van honderd maal het niet betaalde regt, doch minstens vijf en twintig gulden.

Is een aan evenredig regt onderhevige, in het buitenland getrokken wissel in meer dan één exemplaar opgemaakt, of zijn daarvan kopijen vervaardigd, dan zijn de meerdere exemplaren en kopijen vrij van het regt, mits:

a. op den prima- of den oorspronkelijken wissel het regt behoorlijk zij voldaan;

h. de houder of de acceptant, die binnen het Rijk op een der meerdere exemplaren of der kopijen het eerst zijne handteekening zet, aan die handteekening de daardoor tevens bekrachtigde verklaring doe voorafgaan:

«Het zegelregt is op den.... (prima- of oorspronkelijken) wissel behoorlijk voldaan.»

Hij, die deze verklaring in strijd met de waarheid onderteekent, beloopt duizend gulden boete.

Wanneer de aan het zegelregt onderhevige stukken builen \'s lands zijn opgemaakt, moet daarvan het regt worden voldaan (behoudens de vrijstelling vermeld onder n». 62 van art. 27, litt. A), alvorens hier te lande verhandeld, geaccepteerd, geëndosseerd, betaald, gequiteerd of voor aval geteekend te worden, of eindelijk vóórdat wegens non-acceptatie of non-betaling dier stukken protest wordt opgemaakt.

Eene boete van honderd maal het niet overeenkomstig de wet betaalde regt, doch minstens van vijf en twintig gulden wordt verbeurd door ieder, die eenig in dit nommer bedoeld stuk, hetwelk niet van behoorlijk zegel is voorzien, onverschillig of het binnen- of buiten \'s lands is opgemaakt, hier te lande heeft verhandeld, geaccepteerd, geëndosseerd, betaald, gequiteerd of voor aval geteekend, of eindelijk wegens non-acceptatie of non-betaling van zoodanig stuk eene acte van protest heeft doen opmaken, zonder vooraf hel zegelregt te voldoen.

78

-ocr page 1364-

ZEGELWET.

Deze voldoening kan door iederen houder van een wissel orderbriefje, assignatie of ander handelspapier, wiens hand-teekening niet of niet in strijd met de wet op het stuk voor komt, zonder betaling van boete geschieden, waarna dat stuk ten aanzien van dien houder en van latere houders, als behoorlijk gezegeld wordt aangemerkt.

Ieder houder is tot deze voldoening verpligt, op straffe van aansprakelijkheid jegens den Staat voor de boeten door vroegere houders beloopen.

Als betaling vóór het protest geldt de terhandstelling van het verschuldigde regt door den houder, die protest doet opmaken, aan den hiermede belasten ambtenaar, mits deze in zijne acte die terhandstelling vermelde en het zegelregt in \'s Rijks schatkist overstorte bij de aanbieding dier acte ter registratie.

De aanduiding «zonder kosten») en elke andere daarvoor in de plaats tredende vermelding op het stuk, alsmede iedere overeenkomst, ten doel hebbende den houder te ontheffen van zijne verpligting om protest te doen opmaken, is nietig, indien zij betrekking heeft op een handelspapier, dat niet of niet voldoende gezegeld is.

Aldus vaslgesléld bij art. 5 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n». 93).

Art. 9 derzelfde wet: De zegelregten, verschuldigd volgens het bij artikel 5 dezer Wet gewijzigde artikel 21, nommer 2, der Wet van 3 October 1B43 (Stb. ^.47), kunnen door den trekker of onderteekenaar, den acceptant, den endossant en den houder, die quiteert, worden voldaan door opplakking van een plakzegel.

Art 12. (Zie onder art, 1, biz. 1223.)

3°. a) De certificaten nationale werkelijke schuld, door administratie-kantoren uitgegeven, en alle andere aandeelen in binnenlandsche, alsmede alle aandeelen in buitenlandsche geldleeningen en renten; alle aandeelen in maatschappijen of ondernemingen welker kapitaal door aandeelen vertegenwoordigd wordt; de voorloopige bewijzen van storting op die aandeelen, en in het algemeen alle stukken, die, onder welke benaming ook, gerangschikt kunnen worden onder de effecten of publieke fondsen, zijn (behoudens de vrijstel ling onder art. 27 letter A, n0. 33, vermeld) onderhevig aan een zegelrecht van vijf cent van iedere vijfug gulden.

i 234

Aan hetzelfde recht zijn onderhevig de aandeelen, bewijzen of stukken die bij inwisseling of intrekking van andere of bij vernieuwing of verandering van schuld, of bij andere gelegenheden hier te lande worden uitgegeven of in omloop gebracht, om het even of de oorspronkelijke stukken vóór of na de invoering dezer wet opgemaakt of uitgegeven zijn.

«) Dit nummer is aldus vastgesteld bij art. 2 eer Wet van :il December 1885 (Stb. no. 2ftl). Dat art. 2 is echter ingetrokken bij art. 18 der Wet van 21 Mei 1897 (Stb. no. 155), tot nadere regeling van het zegelrecht vim effecten, afgedrukt hierachter blz. 1251). Daar het tijdstip waarop die laatste wet zal in werking treden bij het ter perse gaan dezer uitgave nog niet is bepaald (zie art. 19 dier wet) wordt no. 3 hier nog afgedrukt.

-ocr page 1365-

ms

liet recht wordt berekend over het kapitaal in het stuk uitgedrukt, en wel over ronde sommen van vijftig gulden tot een bedrag van tweehonderd vijftig gulden; over ronde sommen van tweehonderd vijftig gulden tot een bedrag van vijf duizend gulden en boven de vijf duizend gulden over ronde sommen van vijfhonderd gulden.

Indien geen kapitaal is uitgedz-ukt, wordt het twintigvoud van de uitgeloofde jaarlijksche rente daarvoor genomen.

Is kapitaal of rente alleen in vreemde munt uitgedrukt, Jan wordt deze herleid tot Nederlandsche munt naar den maatstaf, die ter berekening van de nominale waarde der effecten wordt aangenomen bij het verhandelen ter beurze te Amsterdam.

Van de zoogenaamde oprichtersaandeelen, restantbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid [actions de jouissance] en dergelijke, die, na aflossing der oorspronkelijke aandeelen, aan de houders verblijven of uitgereikt worden, is het zegelrecht verschuldigd naar de oppervlakte van het papier.

De in dit nommer bedoelde stukken moeten, indien zij buiten het Rijk of in de overzeesche bezittingen van het Rijk zijn opgemaakt, van zegel voorzien worden vóór dat zij binnen het Rijk uitgegeven, in omloop gebracht, overgedragen, verpand of beleend, afgelost, of geconverteerd worden.

In geval van conversie kunnen echter de oude stukken ongezegeld blijven, mits de nieuwe, die daarvoor in de plaats worden gegeven, van behoorlijk zegel zijn voorzien.

liet zegelrecht, dat betaald is voor behoorlijk gezegelde voorloopige bewijzen van storting op de in dit nommer bedoelde aandeelen, wordt teruggegeven of verrekend voor zoover die bewijzen van storting ten genoege van \'s Rijks ambtenaar onbruikbaar zijn gemaakt en door behoorlijk gezegelde aandeelen zijn vervangen.

Niet van zegelrecht vrijgestelde stukken zijn niet leverbaar, ten zij zij behoorlijk gezegeld zijn.

De directie van het Grootboek zal geen certificaten nationale werkelijke schuld viseeren, welke niet van behoorlijk zegel zijn voorzien.

Eene boete van honderdmaal het niet betaalde recht, doch minstens honderd gulden voor ieder stuk, is verbeurd door elk, die niet behoorlijk gezegelde stukken als in dit nommer bedoeld binnen het Rijk uitgegeven, in omloop gebracht, overgedragen, verpand of beleend, afgelost of in niet behoorlijk gezegelde stukken geconverteerd zal hebben.

Hij die niet behoorlijk gezegelde stukken in ontvang neemt, is, op straffe van gelijke boete, verplicht die stukken, onder opgaaf aan \'s Rijks ambtenaar van naam en woonplaats van den afleveraar, binnen acht dagen na de ontvangst \'e doen zegelen, en is bevoegd het daarvoor betaalde van den afleveraar terug te vorderen.

Elke overeenkomst, die de niet-vervulling dezer verplichting of de verkorting dezer bevoegdheid ten doel heeft, is nietig.

Zij, die stukken, als in dit nommer zijn bedoeld, op eigen naam of voor hunne meesters hebben over te dragen, te verpanden of te beleenen of ter aflossing aan te bieden, zijn,

-ocr page 1366-

ZEGELWET.

op verbeurte der voorschreven boete, verplicht de niet behoorlijk gezegelde stukken vóór de levering, vóór het sluiten van het pand- of beleencontract, of vóór de aanbieding ter aflossing te doen zegelen, en zijn bevoegd het daarvoor betaalde aan hunne lastgevers of meesters in rekening te brengen.

Alle leden van eene vennootschap onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de rechten en boeten, welke op grond van dit artikel door de firma verschuldigd zijn.

Nquot;. 3 aldus vastyeslcld bij art. 2 der Wet van 31 December 1885 (Stb. nquot;. 264).

Art. 4 derzelfde wet: Van de rechten en boeten bedoeld in het bij deze Wet vastgesteld nornmer 3 van art. 21 der Wet van 3 October 1843 (Stb.n^. 47) worden geen opcenten geheven.

5. Niet zegelplichtig volgens deze wet zijn:

1quot;. de effecten vóór het in werking treden dezer wet binnen het Rijk opgemaakt;

2°. de effecten buiten het Rijk of in de overzeesche bezittingen van het Rijk opgemaakt en hier te lande reeds van zegel voorzien.

Rinnen zes maanden na het in werking treden dezer wet kunnen de onder nommer 1 bedoelde effecten, indien zij niet voorzien zijn van behoorlijk zegel volgens de wet, die tijdens hunne opmaking van kracht was, zonder boete gezegeld worden tegen voldoening van het recht, volgens die wet verschuldigd.

De door kantoren van administratie vóór de invoering der wet van 3 October 1843 (Stb. n\'. 47) uitgegeven certificaten nationale werkelijke schuld, die ongezegeld zijn, worden beschouwd van zegelrecht te zijn vrijgesteld.

6. leder kan de stukken, bedoeld in het bij deze wet vastgestelde nommer 3 van art. 21 der wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), voor zoover zij buiten het Rijk ot in de overzeesche bezittingen van liet Rijk vóór het in werking treden dezer wet zijn opgemaakt en niets reeds volgens vroegere wetten zijn gezegeld, laten zegelen, tegen betaling van een vijfde van het bepaalde recht, zoo zij daartoe binnen zes maanden en tegen de helft van het bepaalde recht indien zij daartoe later doch binnen negen maanden na het in werking treden dezer wet zijn aangeboden.

De wijze waarop zal blijken van de voldoening van het zegelrecht op de stukken, bedoeld ir dit artikel en in het tweede lid van het vorige artikel, wordt door Ons bepaald.

4quot;. Ingetrokken hij de Wet uan 4 ZtiZi 1874 (Stb. n0. 87).

5°. Ingetrokken bij art. 1 der We\', van 31 December 1885 (Stb. n». 264).

6°. Alle acten betrekkelijk de jagt en visscherij uitgegeven wordende:

Het regt bedraagt dertig centen (/ 0.45) van iederen gulden, berekend over het bedrag der volgens de acte verschuldigde recognitie-regten, en wel over reeksen van/2.50 tot aan een bedrag van ƒ 15, en boven de /quot;15, over de reeksen van ƒ5.

I\'236

-ocr page 1367-

TITEL 11 EN 1», ARTT. \'i\'i—\'27.

VIERDE AFDEELING.

Van hel zcgelregt voor gedrukte stukken.

22-26. Vervallen ingevolge de Wet van 9 April 18(39 (Stb. n0. 60).

DERDE TITEL.

Van de vrijstellingen.

27. A. Van het zegelregt zijn vrijgesteld:

l». De minuten, afschriften en uittreksels van of uit alle besluiten en beschikkingen des Konings, welke niet aan bijzondere personen of aan ambtenaren, in hun persoonlijk belang, worden uitgereikt, noch bestemd zijn om aan openbare acten vastgehecht te worden; voorts de acten en verbalen der Staten-Generaal;

2°. De minuten, afschriften en uittreksels van of uit alie acten, besluiten en beschikkingen van departementen van algemeen bestuur, welke niet aan bijzondere personen of aan ambtenaren, in hun persoonlijk belang, worden uitgereikt, noch bestemd zijn om aan openbare acten vastgehecht te worden;

3°. De minuten van acten, besluiten en beschikkingen van alle verdere openbare besturen en instellingen, betrekkelijk zaken van orde en beheer, welke aan geene regten van registratie onderhevig zijn;

4°. De verzoekschriften of requesten van onvermogende personen, mits van het onvermogen dier personen door eone verklaring van het bestuur hunner woonplaats blijke, en die verklaring aan het request worde gehecht;

5°. De op laatstgemelde requesten genomen besluiten en beschikkingen, onverschillig of dezelve in originali, bij afschrift of bij uittreksel, aan de requestranten worden uitgereikt, wanneer daarin van de verklaring van onvermogen is melding gemaakt;

6°. De certificaten van onvermogen of bewijzen van armoede, mitsgaders de acten, welke, krachtens art. G dei-Wet van 9 Julij 1842 (Stb. n0. 20) a), door notarissen voor onvennogenden worden opgemaakt;

7°. De certificaten en bewijzen van goed gedrag, door plaatselijke besturen aan behoeftigen uitgereikt, mits, uit de stukken zelve, van het onvermogen, door eene verklaring van opgemelde besturen, blijke, gelijk mede de bewijzen van vertrek of aankomst in eene gemeente, de uittreksels uit de registers van bevolking en van ingezetenen, door de plaatselijke besturen aan alle personen zonder onderscheid afgegeven;

8°. De binnenlandsche paspoorten en de aan onvermogende personen uitgereikte buitenlandsche paspoorten, mits van het onvermogen dier personen, door oene verklaring van het bestuur hunner woonplaats, blijke;

1237

9quot;. Alle stukken betrekkelijk de erkenning van natuurlijke kinderen door personen, waarvan het onvermogen bewezen

a) Zie blz.

-ocr page 1368-

ZEGELWET.

is door een getuigschrift van het bestuur hunner woonplaats;

10°. De acten en stukken tot het aangaan van huwelijken vereischt, alsmede de acten van benoeming en beëediging van voogden en toeziende voogden, van curators en toeziende curators, gelijk ook de acten en stukken betrekkelijk de verbetering van acten van den burgerlijken stand, mitsgaders de volmagten om in zaken van voogdij en curatele de opgeroepene bloedverwanten te vertegenwoordigen, ingeval het onvermogen van de betrokken personen blijkt uit een getuigschrift van het bestuur hunner woonplaats, mits op de acten en stukken van dat getuigschrift worde melding gemaakt;

11°. De geheel afwijzende beschikkingen, genomen op alle requesten zonder onderscheid, mitsgaders de beschikkingen, waarbij de belanghebbenden naar elders verwezen worden;

12°. De toestemmingen tot het aangaan van huwelijken, de aanstellingen, getuigschriften, reis- en ontslag- of afscheidsbrieven, van regeringswege verleend of uitgereikt wordende aan personen, heneden den rang van officier, tot de land- en zeemagt behoorende. Alle stukken en quitantien betrekkelijk de dienstnemingen, aanwervingen, afrekeningen van soldij, kleeding, enz. van personen beneden den rang van officier;

De verlofpassen en reisbrieven, aan alle personen, zonder onderscheid, tot de land- en zeemagt behoorende, uitgereikt wordende;

Alle declaratien en quitantien van gemeentebesturen wegens schuldvorderingen, waarvan het bedrag bij voorschot uit de kassen der gemeenten ten behoeve van de land- en zeemagt is betaald; mitsgaders declaratien en quitantien wegens alle voor de land- en zeemagt gedane uitschotten, die door het rijk moeten terugbetaald worden;

IS0. De certificaten van regeringswege aan vrijwilligers voor de krijgsdienst uit te reiken, de attesten of certificaten van voldoening aan de nationale militie, voorts de certificaten en bewijsstukken, welke bij de wetten op de nationale militie en schutterij worden gevorderd, mitsgaders de daartoe betrekkelijke uittreksels uit de registers van den burgerlijken stand, voorzoover uit de stukken zelve, door eene daarop gestelde aanteekening van den ambtenaar met de uitgifte daarvan belast, blijkt, dat zij moeten dienen voor de dienst der nationale militie of schutterij, en dat zij alzoo tot geen ander einde kunnen worden gebraikt.

Hieronder zijn niet begrepen de contrac\'.en met plaatsvervangers en nommerverwisselaars aangegaan, noch de getuigschriften en verdere acten, door dezen over te leggen.

14°. De acten van aanstelling, beëediging of ontslag, van niet bezoldigde officieren en onder-officieren der schutterij; de citation en alle andere acten van vervolging tegen de leden der schutterij, door de schuttersraden uit te vaardigen; de vonnissen daarop volgende; de acten ter invordering der bij die vonnissen en bij de wetten op de schutterij bepaalde boeten en kosten (de processen-verbaal van verkoop uitgezonderd); gelijk mode alle verdere acten en registers, het beheer der schutterij betrell\'ende;

1238

-ocr page 1369-

TITEI, III, ART. 27.

15quot;. De journalen, ingevolge het voorschrift van het Wet boek van Koophandel door de schippers gehouden wordende, alsmede de zeebrieven en Turksche paspoorten. (K. 358; W. zeebr., zie chron. lijst.)

16°. De acten, processen-verbaal, arresten en vonnissen in criminele, correctionele en policie-zaken, a) mitsgaders al de stukken, arresten en vonnissen in zake van vervolging voor de militaire hoven en krijgsraden; de dagvaardingen van getuigen ter ontlasting van beschuldigden, b) in zaken van voormelden aard, de verklaringen van geneeskundigen, in de gevallen van de artt. 71, 175 en 178 {thans 71, 157 en 159) van het Wetboek van Strafvordering overgelegd, en voorts alle stukken, welke in strafzaken door onvermogen-den worden overgelegd, mits van het onvermogen dier personen door eene verklaring van het bestuur hunner woonplaats blijke;

17°. De bevelen tot voldoening van justitie-kosten, uit der-zelver aard voor onmiddellijke betaling vatbaar, in mmi«eZe, correctionele en policie-zaken, a) mitsgaders de daarop gestelde quitantien;

18°. De acten, vonnissen en alle andere stukken betrekkelijk tot de lossing van in slavernij gevallen schepelingen, mitsgaders tot de schadeloosstelling te dier zake verschuldigd;

19quot;. De acten van decharge wegens voorwerpen welke ter griffie berusten, in criminele, correctionele en policie-zaken a) gediend hebbende, mitsgaders de stukken bedoeld in art. 592 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvorde-ring, welke een gegijzelde voor schulden noodig heeft om in het daarbij aangewezen geval uit de gijzeling te worden ontslagen, mits het onvermogen uit eene verklaring van het plaatselijk bestuur blijke;

20°. De registers, ter griffie van de kantongeregten, arron-dissements-regtbanken, hoven en den hoogen raad, ingevolge wettelijke voorschriften, aangehouden wordende, daaronder niet begrepen de audientie-bladen, de repertoria en de registers van protest der griffiers;

21°. De bewijzen, welke de griffiers van den hoogen raad, de hoven en regtbanken afgeven wegens de ontvangst van acten, waarbij regters worden gewraakt, en de verklaringen van laatstgemelden, houdende hunne berusting in de wraking of hunne weigering om zich van de kennisneming der zaak te onthouilen;

22°. De minuten en afschriften van alle acten en stukken, welke, volgens de wet, in debet worden geregistreerd;

De stukken, welke in regtsgedingen door tot het kosteloos procederen toegelaten partijen worden overgelegd, kunnen, ongezegeld, alleen dienen in het kosteloos gevoerde proces.

23,,. De acten van vervolging en alle andere stukken (met uitzondering van de processen-verbaal van overtreding en van verkoop), zoo eischende als verwerende, ten onderwerp hebbende de invordering van \'s lands belastingen en alle

lt;i) Lees thans: in strafzaken aan de rechtsmacht van den gewonen rechter onderworpen.

Lees; thans; beklaagden.

1239

ü

i1!

i i

m

li

m

m

tl

i

11

1

Hl

\' i

I

jL

-ocr page 1370-

ZEGELWET.

andere sommen aan den lande verschuldigd ; van provinciale en plaatselijke belastingen, polder-, dijk-, molen- en sluis-gelden en andere soortgelijke omslagen, alsmede de arresten en vonnissen daarop vallende, alles voorzoover het gevorderde bedrag de som van dertig gulden niet tebovengaat; (Stb. 1896 n0. 70, a. 15, zie onder Bijlagen tot Sv.)

24°. De rekeningen en verantwoordingen van \'s rijks rekenpligtigen, en de boeken en registers, door deze en andere rijks-ambtenaren in hunne betrekking gehouden wordende, uitgezonderd de dagregisters en de registers van in- en overschrijving der hypotheekbewaarders;

25fl. De minuten of originelen der rekeningen en verantwoordingen van ontvangers, gaarders of rentmeesters van plaatselijke besturen, openbare gestichten en instellin-lingen, voorzoover die minuten onder opgemelde besturen, gestichten en instellingen blijven berusten, en niet strekken tot ontlasting van de rekenpligtigen;

26°. De ontvang-registers van plaatselijke belastingen, voorzoover dezelve bij wijze van opcenten op en te gelijk met \'s rijks accijnsen en andere rijksmiddelen geheven worden, en voorts alle andere registers van plaatselijke ontvangers, rentmeesters, gaarders en pachters van stedelijke of gemeente-belastingen, omslagen, regten en inkomsten, geene registers van ontvang zijnde;

27°. De registers of journalen tot de entvangst van den rijksaccijns, bij admodiatie en abonnement door gemeenteontvangers ingevorderd wordende, gelijk mede de deswege af te geven quitantien;

28°. De stedelijke registers van doorvoer en transport;

29°. De registers van openbare autoriteiten, besturen en instellingen, betrekkelijk zaken van orde en huishoudelijk beheer, waarin niet geschreven worden acten aan de registratie onderhevig;

30°. De registers van kerkbesturen en van besturen van gevangenissen, die van cipiers, van besturen van godshuizen en armeninrigtingen, ook die van ontvang en uitgaaf; voorts de registers van ondernemingen en veren van middelen van vervoer te water en te lande; zoomede de koopmansboeken, voorgeschreven bij het Wetboek van Koophandel, gelijk ook die welke door kooplieden gehouden worden, ter voldoening aan de wetten op \'srijks belastingen; (K. G v.)

31°. De dagregisters of repertoria van de deurwaarders der directe belastingen;

32°. De registers van plaatselijke policie, alsmede die van herbergiers en logementhouders, gehouden ter inschrijving van personen, welke zij huisvesting geven;

33°. De grootboeken der nationale schuld, de bewijzen van in- en afschrijving, alsmede de memorien, vereischttot verrigtingen bij de grootboeken; en eindelijk alle andere effecten en schuldbrieven ten laste van den staat, mitsgaders de quitantien van den daarop betaalden interest;

Onder de stukken in dit nommer bedoeld zijn niet begrepen de certificaten, vermeld bij art. 21, nquot;. 3.

1240

-ocr page 1371-

TITEL III, ART. 27.

(Zie Stb. 1885 n0. 264, a. 5, afgedrukt onder a. 21 n® 3.)

3i#. De coupons of bewijzen van rentebetaling van obli-gatien, certificaten of aandeelen in openbare geldleeningen, zonder uitzondering, mitsgaders de dividendbewijzen van naamlooze maatschappijen, en eindelijk de coupons, bij de certificaten nationale werkelijke schuld afgegeven wordende;

35°. De renversalen, recepissen en bankbiljetten, welke door de directie der Nederlandsche bank, gedurende den loop van het octrooi, zullen worden uitgegeven, mitsgaders alle assignation en quitantien op de bank af te geven, zooals ook de boeken, bij de bank te houden;

36°. De verklaringen van geregtigdheid, ten behoeve van schuldeischers van den staat afgegeven, wanneer de schuldvordering de som van vijf en twintig gulden niet teboven-gaat, mits zulks uit die verklaringen blijke:

37°. De attestation de vita tot ontvang van lijfrenten, pensioenen, gagementen en riddersoldijen, ten laste van den staat, alsmede de daarvoor afgegevene quitantien, wanneer het jaarlijksche bedrag de som van drie honderd gulden niet tebovengaat;

38°. De patenten, waarvan het regt, buiten de opcenten, minder bedraagt dan zes gulden;

39°. De acten van aanstelling, beëediging en ontslag van alle ambtenaren, zoomede van bedienden en leden van bijzondere administration of commission, geone bezoldiging of belooning noch abonnement voor kantoorkosten genietende, mits zulks uit de stukken blijke, mitsgaders die van de leden van armbesturen, instellingen en gestichten van liefdadigheid, in hetzelfde geval vorkoorende;

40°. De aanstellingen van geestelijken van alle gezindheden, en van onderwijzers bij lagere scholen;

41°. De commission, acten van aanstelling of agreatie, zoomede do eedsafleggingen van:

a. Schatters van het slagtvee, voor de hoedanigheid van buitengewoon commies bij de rijksmiddelen;

b. Commiesen der directe belastingen, in hoedanigheid van tijdelijke buitengewone opzieners der jagt en visscherij;

c. Yeldwachters der gemeenten ten platten lande, in hoedanigheid van buitongev/one opzieners der jagt en visscherij;

d. Militairen, gebezigd als tijdelijke en buitengewone commiesen tot beteugeling van don sluikhandel op de grenzen;

n. Plaatselijke beambten, in hoedanigheid van rijkswoger en motor van steenkolen, zonder tractement, on eindelijk de eedsafleggingen, waartoe werklieden in de moe-stoven gehouden zijn;

42°. Do getuigschriften en staten, door de bewaarders der hypotheken en van het kadaster, in \'s rijks belang af te geven, mits van zoodanige bestemming in die getuigschriften worde molding gemaakt;

43°. Do door bovengemelde ambtenaren af te geven uittreksels uit de kadastrale plans, loggers on aanwijzende tafels;

44°. AJle acten en schrifturen, welke, ten gevolge van ver-

1241

-ocr page 1372-

ZEGELWET.

ordeningren der regering, worden opgemaakt en uilsluilend betrekkelijk zijn tot bevordering van de veeteelt of de verbetering van het ras der paarden, mitsgaders de certificaten, vereischt tot het ontvangen van premien voor het vangen of dooden van schadelijk gedierte, alsmede de quitantien voor die premien, op zoodanige certificaten gesteld; en eindelijk alle stukken en bescheiden, welke door de belanghebbenden moeten worden overgelegd, ten einde te doen blijken van de bevoegdheid tot het ontvangen van schadevergoeding, bedoeld bij de Wet van 30 Mei 1840 (Stb. n». 16); (Stb. 1870 nquot;. 131, a. 43.)

45°. Alle quitantien, wegens betaalde rijksbelastingen, niet meer bedragende dan twintig gulden en niet ten onderwerp hebbende betalingen op rekening of tot geheele voldoening van eene grootere som; voorts alle stukken en bescheiden, welke door of aan belastingschuldigen voor de regeling van de door hen aan den lande verschuldigde belastingen behooren te worden uitgereikt of van \'s rijks collectief zegel zijn voorzien, a) behoudens het zegel op de patenten en memorien van aangifte voor de successie;

46°. De quitantien voor teruggave van ten onregte geheven rijks- of plaatselijke belastingen en boeten;

47°. De quitantien wegens teruggave van alle door \'s rijks ambtenaren voor den lande, bij voorschot, gedane betalingen;

48°. De quitantien of recepissen van overstorting, welke aan \'s rijks rekenpligtigen, aan gaarders cf ontvangers van \'s lands-, provinciale of plaatselijke belastingen worden afgegeven, mitsgaders de assignatien aan order, door de agenten van de schatkist afgegeven wordende op de hun te dien einde geopende credieten bij hunne ambtgenooten, en eindelijk de de assignatien wegens de ter verzending op de postkantoren gedeponeerde gelden, en de daarop gestelde quitantien;

49#. De quitantien wegens plaatselijke belastingen, die, bij wijze van opcenten, te gelijk met \'s rijks belastingen worden ingevorderd, wanneer daarvoor slechts ééne quitantie wordt uitgereikt, niet meer bedragende dan twintig gulden en niet ten onderwerp hebbende betalingen op rekening of tot geheele voldoening van eene grootere som;

50°. De quitantien wegens onderstand of schadeloosstelling aan onvermogenden, of ingeval van brand, overstrooming, veepest en andere onheilen verleend, mitsgaders de stukken, welke tot bewijs daarvan worden overgelegd;

51°. Alle andere en hiervoren niet opgenoermle, alleen door de schuldeischers ondcrteekende, quitantien en aden van ontheffing, onverschillig door wien afgegeven, niet meer dan tien gulden bedragende en niet strekkende op rekening of tot geheele voldoening van eene grootere som;

1242

52°. De mandaten of ordonnantiën van Detaling en betaals-rollen van openbare autoriteiten en instellingen, niet meer dan tien gulden bedragende, en de daarop gestelde quitantien, en voorts de mandaten of ordonnantiën van betaling en

a) Het collectief zegel deels afgeschaft, deels vervallen door art. t der Wet van 15 Mei 1859 (Stb. 110. 38), en de Wet van \'U December 1803 (Stb. no. 220).

-ocr page 1373-

TITEL III, ART. 27.

belaalsrollen, mitsgaders de quitantien, op die mandaten of afzonderlijk afgegeven, voor bezoldiging van ambtenaren en bedienden, zoo civiele als militaire zonder onderscheid, in geval het jaarlijksch bedrag der bezoldiging de som van drie honderd gulden niet tebovengaat;

53°. De loten en gedeelten van loten in \'srijks loterijen;

54°. De gezondheidsverklaringen, door de gemeentebesturen af te geven bij den uitvoer van vee;

55°. De door plaatselijke-, polder- of dijksbesturen genomen beschikkingen, waarbij vergunning wordt verleend tot handelingen, voor welke, krachtens de bestaande reglementen of verordeningen van policie, derzelver toestemming of vergunning moet worden gevraagd;

56°. De summiere staat en de processen-verbaal, bedoeld inde artt. 64 en 67 der Wet van 9 Juli 1842 op het Notarisambt, benevens de dubbelen en de afschriften van die stukken;

57°. De acten van handligting en de stukken daartoe betrekkelijk, ten behoeve van kinderen in godshuizen opgenomen;

58°. De acten, registers en stukken betreffende het beheer der spaarbanken, binnen het rijk opgerigt; alsmede de bewijzen van geldplaatsing of livretten en rekeningen, door bewindhebbers dezer spaarbanken aan de deelnemers afgegeven; waarvan echter uitdrukkelijk zijn uitgesloten de acten, betrekking hebbende tot het uitzetten van gelden bij derden, of tot andere ondernemingen van zoodanige spaarbanken, waarin derden betrokken zijn;

59°. De registers van banken van leening, de processen-verbaal van verkoop van goederen in die banken ingebragt, en alle andere acten betrekkelijk tot beleeningen in dezelve gedaan;

60°. De vrachtlijsten, vrachtbrieven en cognoscementen, zoowel de binnenlandsche als die welke, buiten \'s lands opgemaakt. binnen het rijk worden gebruikt;

61°. Vervallen ingevolge art. 6 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 93).

62°. De wisselbrieven, briefjes aan order of toonder en ander handelspapier, in de overzeesche bezittingen van het rijk opgemaakt en aldaar van zegel voorzien;

63°. De acten en vonnissen betrekkelijk regtsgedingen, in de overzeesche bezittingen van het rijk gevoerd en aldaar van zegel voorzien, doch alleen voorzoover dezelve hier te lande in hooger beroep worden overgelegd;

64°. Alle stukken betrekkelijk regtsgedingen in zake van de Rhijnvaart;

65°. De ontwerpen der statuten van naamlooze maatschappijen, over te leggen bij de kennisgeving tot oprigting der-zelve aan het departement waartoe zulks behoort;

66°. De memorien van aangifte in zake van successie, wanneer de aangevers onvermogend zijn, mits van het onvermogen dier personen door eene verklaring van het bestuur hunner woonplaats blijke; gelijk mede de negative memorien van aangifte, mitsgaders alle minuten en expeditien van acten van eedsaflegging, ter voldoening aan de wetten op het regt van successie.

1243

-ocr page 1374-

zegelwet.

67°. De klagten of bezwaren, in te dienen door ingezetenen, die vermeenen verkeerd of te hoog te zijn aangeslagen op het goedgekeurde kohier van den accijns bij uitkoop of admodiatie;

68°. Het afschrift van de tienjarige tafels van den burgerlijken stand, ter griffie van de regtbank blijvende berusten;

69°. De onderhandsche acten van verhuring, onderverhuring, huurvernieuwing, overdracht of wederafstand van huur van onroerende goederen, wanneer de huurprijs en lasten, zooals in art. 21, n0.1, is bepaald, te zamen genomen, over den geheelen huurtijd de som van /quot;50 niet te bovengaat.

70°. De exploiten en alle verdere stukken, het vonnis van toewijzing voorafgaande, mitsgaders de vonnissen betrekkelijk de geregtelijke uitwinning van onroerende goeile-ren, tot invordering der directe belastingen;

71°. Eindelijk worden in stand gehouden de vrijstellingen, bepaald:

a. Bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering; (B. 429, 506, 521, 1121; Rv. 147d, 856 v., 860, 867—870, 872, 874).

b. Bij de Wet van 11 Julij 1814 (Stb. n0. 79), op de jagt en visscherij;(Stb. 1857 n0.87,a 2,26,27, zie chron. lijst).

c. Vervallen ingevolge de W. pers. bel., verg. a. 71 dier wet.

d. Vervallen ingevolge de Wet van 13 Juli 1855 (Stb. n0. 103).

e. Vervallen ingevolge de Wet van 31 December 1863 (Stb. n». 220).

/\'. Bij de Wet van 6 Junij 1840 (Stb. n0. 17), omtrent den vrijdom van lasten ter zake van landontginningen en land verbeteringen;

g. Bij artt. 4 en 9 der Wet van 30 Mei 1840 (Stb. n0.16), betrekkelijk de wederinvoering eener belasting op de runderen, paarden en schapen, enz. (Stb. 1842 n0. 21; Stb. 1870 n0. 131.)

h. Bij art. 16 Wet van 26 Mei 1841 (Stb. n®. 14) houdende nadere bepalingen nopens de consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curatele gestelde personen toebehooren; (zie chron. lijst.)

i. Bij art. 10 der Wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 1(J), betrekkelijk de onteigening ten algemeenen nutte; (Stb. 1851 nquot;. 125, zie chron. lijst.)

k. Bij art. 29 der Wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 20), houdende bepalingen omtrent de gestichten voor krankzinnigen; (Stb. 1884 n0. 96, a. 42, zie chron. lijst.)

I. Bij art. 8 der Wet van 9 October 1841 (Stb. no. 42), betrekkelijk de regtsmagt der hoogen andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen, enz.; (zie chron. lijst) en

mi. Bij de Wet van 4 Julij 1842 (Stb. nquot;. 16), betrekkelijk de overbrenging der onder de vroegere wetgeving ingeschreven hypotheken en privilegiën in de thans bestaande nieuwe registers. (Stb. 1845 n0. 22, a. 23, zie chron. lijst; Vreemd. W., a. 21, zie chron lijst;

1244

1

-ocr page 1375-

TITEL III EN IV, ARTT. 27—29.

Stb. 4850 n0. 45, a. 27; Gem.w., a. 260«,\'; Stb. 1852 n®. 478, a. 42, 43; Stb. 1853 n0. 428, a. 51; Armenw., a. 77; Succ.w., a. 33; Militiew., a. 40, 99; W. R. v. St., a. 50; W. inkw. a. 45; Begr.w., a. 4, zie chron. lijst; Stb. 4870 nquot;. 63, a. 47; W. grondbel., a. 57; Afkoop tiendenw., a. 22, zie chron. lijst; Stb. 1874 nquot;. 66 (Tar. in strafz.) a. 79; W. coöp. ver., a. 16/quot;, zie chron. lijst; Stb. 1884 n». 485, a. Gc; Arbeidsw., a. 25; W. verm.bel., a. 49; F. ilb; W. bedr.bel., 46; Stb. 1895 nquot;. 54, a. 31; W. postsp.b., a. 20cJ; Veiligh.w., a. 31; Stb. 1896 n8. 70, a. 15; Kiesw. a. 50.)

B. cn C. Vervallen ten gevolge van de Wet van 9 April 1869 (Stb. nquot;. 60).

VIERDE TITEL.

Algemeene Verpligtingen.

28. In alle zaken, waarin het rijk met bijzondere personen, met openbare of aan openbaar gezag onderworpene instellingen, provinciale of plaatselijke besturen is betrokken, zal het zegelregt door dezen worden gedragen.

Insgelijks zullen bijzondere personen, welke aan opga-melde instellingen en besturen quitantie geven of quitantie van dezelve ontvangen, het daarv oor verschuldigde zegelregt moeten dragen, ten ware daaromtrent anders mogt zijn overeengekomen,

Niettemin zullen voormelde instellingen en besturen jegens het rijk aansprakelijk blijven voor de regten, zoo mede voor de beloopen boeten, behoudens derzelver verhaal op de bijzondere personen. (Slb. 1882 n*. 93, a. 2. Zie onder artikel 4.)

29. De ambtenaren van den burgerlijken stand, de ontvangers en pachters van plaatselijke belastingen en inkomsten, de secretarissen, gaarders, ontvangers en rentmeesters van stedelijke en gemeentebesturen, van gestichten, dijken polderbesturen, heemraadschappen, wateringen en waterschappen en van alle openbare instellingen, mitsgaders alle verdere ambtenaren, belast met het houden of bewaren van registers en stukken, en een iegelijk, aan wien het bewaren van archieVen en minuten van openbare aden bij de wetten is opgedragen, — zijn verpligt om hunne acten en registers aan het zegel onderhevig, zonder verplaatsing derzelve, aan de ambtenaren van het zegel te vertoonen, en toe te laten dat deze daarvan inzage nemen, zoo dikwijls zij, ter verzekering van de rigtige toepassing dezer wet, zulks noodig zullen oordeelen.

Van deze vertooning zijn uitgezonderd de acten van uitersten wil, en alle andere acten, uitsluitend houdende beschikkingen ter zake des doods, alsmede de daartoe be-hoorende omslagen, acten van superscriptie en van teruggave, en zulks gedurende het leven dergenen, op wier verzoek dezelve zijn opgemaakt.

Geene inzage zal gevorderd kunnen worden op Zondagen, noch anders dan tusschen acht uren des voormiddags en vier uren des namiddags, en zullen de ambtenaren, tijdens

1245

-ocr page 1376-

1246

hunne verificatien, niet kunnen vorderen dezelve langer dan vier uren daags voort te zetten.

In geval van weigering van vertoon of inzage, of van verzet tegen het ter plaatse opmaken der processen-verbaal van overtreding, zullen de beambten zich doen vergezellen door eenen commissaris van policie of door zoodanig ambtenaar die deze functien bekleedt, welke een en ander gehouden zijn om aan de uitnoodiging daartoe onmiddellijk gevolg te geven, op straffe van persoonlijk verantwoordelijk te blijven voor de hierna vermelde boete.

liet proces-verbaal, wegens de bovengemelde weigering opgemaakt, zal door beide de beambten onderteekend worden.

Er zal door de personen, in den aanhef van dit artikel opgenoemd, verbeurd zijn eene boete van vijftig gulden (f 75), telkens wanneer zij weigeren hunne registers, acten en schrifturen aan de opgeroeide beambten te vertoonen, daarvan inzage te geven, of van de bevondene overtredingen het noodige proces-verbaal te laten opmaken.

30. Het is aan de ambtenaren van de registratie en het zegel verboden eenig stuk, hetwelk niet overeenkomstig de wet is gezegeld, zonder betaling van boete, van zoodanig zegel te voorzien, behoudens het geval van het tiende lid van art. 21 n0. 2.

Gewijziad bij art. 7 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 93).

Het is wijders aan de ambtenaren der registratie verboden acten of stukken te registreren, welke niet op het vereisclite zegel geschreven of niet daarvan voorzien zijn, alvorens de verschuldigde zegelregten en boeten betaald zijn, gelijk mede om acten van protest van wisselbrieven en ander handelspapier te registreren, zonder zich het geprotesteerde stuk te doen vertoonen.

Nogtans zullen de bewaarders der hypotheken de krachtens zoodanige acten, van hen gevorderde formaliteiten mogen bewerkstelligen, maar die acten terughouden, ten einde de invordering der daarvoor verschuldigde regten en boeten te vervolgen.

Voor iedere overtreding van dit artikel is verbeurd eene boete van vijf en twintig gulden {f 37.50).

VIJFDE TITEL.

Van de vervolgingen en verjaringen.

31. In geval van overtreding moet, behalve de boete, gelijktijdig het niet of te min betaalde regt, hetwelk nog mogt verschuldigd zijn, worden betaald.

Gewijzigd bij art. 7 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 92).

Er is voor eene en dezelfde overtreding, ofschoon twee-of meermalen in hetzelfde stuk begaan, slechts ééne boete verschuldigd.

32. Voor de zegelregten en boeten zij\'i, ieder voor het geheel, aansprakelijk:

1°. Al de contracterende partijen in wederzijds verbindende onderhandsche acten;

-ocr page 1377-

1247

2°. Al de onderteekenaren van eenzijdige onderhandsche

acten;

3°. Ingetrokken bij art. 1 der Wet van 31 December 1885 (Stb. n0. 2Gi).

4°. Al degenen, welke de aan het zegel onderhevige registers houden of voor hen door anderen doen houden.

De laatste alinea is vervallen ten gevolge van de Wet van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

33. De ambtenaren van de registratie en het zegel zijn verpligt alle acten, stukken en registers, welke hun ter hand komen of hun worden aangeboden, en welke niet van behoorlijk zegel zijn voorzien of niet naar het voorschrift van art. 15 zijn opgemaakt, aan te houden, ten einde, na beteekening van het proces-verbaal, in het volgende artikel vermeld, bij hetzelve te worden gevoegd, ten zij partijen, duor mede-onderteekening van het proces-verbaal, de daarin vermelde daadzaak erkennen of de verbeurde boeten en verschuldigde regten betalen.

Wanneer de in dit artikel bedoelde acten, stukken en registers berusten in openbare bewaarplaatsen, zullen de ambtenaren kunnen volstaan met daarvan in het op te maken proces-verbaal van overtreding te doen blijken. Onder de bepalingen van dit artikel zijn niet begrepen de stukken, vermeld bij n0. 2 van art. 21.

34. De ambtenaren van de registratie en het zegel zullen van alle overtredingen in zake van zegel, door hen ontdekt, dadelijk proces-verbaal opmaken, wanneer de regten en boeten niet onmiddellijk worden betaald.

I3ij ontdekking van overtreding van artikel 21 dezer Wet in of ten aanzien van de aldaar in n0. 2 genoemde stukken neemt \'s Rijks ambtenaar den letterlijken inhoud van zoodanige stukken, met al de daarop gestelde verklaringen en handteekeningen in zijn proces-verbaal over, hetwelk ook te dien aanzien volledig geloof zal verdienen behoudens tegenbewijs.

Deze alinea is ingevoegd bij art. 8 der Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 93). De oorspronkelijke tweede alinea ivas vervallen ingevolge de Wet van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

De processen verbaal zullen, binnen dertig dagen na de opmaking, aan partijen worden beteekend, bij gebreke waarvan het regt tot vervolging zal vervallen zijn.

35. De invordering der regten en boeten, in zake van zegel verschuldigd, zal geschieden bij dwangbevel, uitgevaardigd door een ambtenaar van het bestuur en uitvoerlijk verklaard door den kantonregter der plaats, alwaar die ambtenaar zijne gewone functien uitoefent.

Het dwangbevel en het proces-verbaal, waaruit de overtreding blijkt, zullen bij een en hetzelfde exploit aan partijen beteekend worden.

De verdere vervolgingen en regtsgedingen zullen, behoudens het bepaalde bij het volgende artikel, behandeld worden op den voet en op de wijze bij de wetten op de registratie vastgesteld.

ii

r 1 !j

{il!

I

| mmm

-ocr page 1378-

■liéS ZEGELWET.

36. Het bewijs door getuigen is toegelaten ten aanzien van alle overtredingen van de artt. G en 21 nquot;. 3.

Gewijzigd hij art. 3 der Wet van 31 December 1885 (Stb. n°. 264).

37. Door verloop van twee jaren verjaren:

a. De vordering van regt en boeten, verschuldigd wegens overtreding van art. 8, te rekenen van den dag der registratie van acten en vonnissen, waarbij van stukken, niet van behoorlijk zegel voorzien en niet van het zegel vrijgesteld, is kennis genomen, of waarin uit dezelve is gehandeld of gebruik gemaakt ;

b. Vervallen ten gevolge van de Wet van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

c. De vordering van niet of te weinig geheven regt en boeten, verschuldigd op stukken, welke zijn geregistreerd, te rekenen van den dag der registratie;

d. De vordering van teruggave van te veel betaalde rekten en boeten, in alle gevallen, waarin de zegelregten of boeten op vordering der ambtenaren van de registratie en het zegel zijn voldaan, te rekenen van den dag der betaling.

Gewijzigd ingevolge de Wel van 9 April 1869 (Stb. n0. 60).

Voor verkeerdelijk gebruikte zegels wordt geene vordering van teruggave toegelaten.

38. De verjaring wordt gestuit door regtsvorderingen, beteekend aan degenen welke men de verjaring wil beletten, vóór het verstrijken van den termijn; wanneer echter de aangevangen regtsvervolging gedurende een jaar niet wordt voortgezet, is de vordering vervallen.

39. In de termijnen, bij deze wet vastgesteld, is niet begrepen de dag van welken zij beginnen te loopen, doch wel die waarop zij eindigen.

Indien de laatste dag eens termijns op eenen Zondag invalt, zal dezelve eerst den volgenden dag verloopen zijn.

Transitoire Bepalingen.

40. Al de thans bestaande zegelstempels, mitsgaders al het overeenkomstig vroegere wetten gezegelde papier, hetwelk thans nog ongebruikt voorhanden is, met uitzondering echter van de formaatzegels van 15 centen, en behoudens het bepaalde bij artt. 41 en 42, worden op het oogenblik van de invoering dezer wet buiten gebruik gesteld.

Het voormelde buiten gebruik gestelde gezegelde papier zal, mits het zich in zoodanigen staat bevinde als waarin hetzelve door het bestuur werd uitgegeven, gedurende ééne maand na de invoering dezer wet, bij de ontvangers met het debiet van het zegel belast, tegen nieuw gezegeld papier van eene gelijke of hoogere waarde, met bijbetaling van het suppletoire regt, zoo dat verschuldigd is, kunnen worden ingewisseld.

41. Onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel, zal het formaatzegel, hetwelk op het oogenblik van de invoering

r

-ocr page 1379-

TITEI. V, ARTquot;. 36—45.

dezer wet nog onbeschreven in de registers van den burgerlijken stand, de repertoria en alle verdere registers voorhanden is, bij voortduring kunnen worden gebruikt, mits vooraf, doch in allen gevalle binnen den tijd van eéne maand na de invoering dezer wet, voor suppletoir regt worden bijbetaald, zonder bijvoeging van opcenten;

10 centen van ieder ongebruikt zegel van 90 ct. 15 » » » » » » 60 »

05 » » » » » » 15 »

en van deze bijbetaling door eene verklaring van den ontvanger van de registratie en van het zegel blijke.

Zullende de zegels van 30 centen, welke zich in opge-melde registers bevinden, zonder bijbetaling van eenige verhooging, kunnen worden gebruikt.

Voorts zal het naar de vroegere wetten buitengewoon gezegeld papier voor dagbladen, catalogussen en andere drukwerken, gedurende eene maand na de invoering dezer wet, kunnen worden gebruikt.

42. Het gezegelde papier, mitsgaders het ongestempelde zegelpapier, hetwelk bij de invoering dezer wet, bij het bestuur zal voorhanden wezen, kan, zoolang die voorraad strekt, en na vooraf overeenkomstig deze wet te zijn gestempeld, worden gebruikt als volgt:

liet groot register-papier van 90 centen, tot het gezegelde papier vermeld bij art. li n0. 1.

Het register-papier van 60 centen, tot het gezegelde papier vermeld bij art. 11 n0. 2.

Het middelbaar papier van 45 centen, alsmede het gezegelde papier bestemd voor huurcedullen, tot het gezegelde papier vermeld bij art. 11 nu. 3, mitsgaders tot het gezegelde papier in groot formaat, vermeld bij de 5de zinsnede van art. 20.

flet klein papier a 30 centen, tot het gezegelde papier vermeld bij art. 11 n0. 4, en eindelijk het papier bestemd voor wisselbrieven, enz. tot het gezegelde papier in klein formaat, vermeld bij de 5de zinsnede van art. 20.

43. Een afdruk van iederen nieuwen zegelstempel, op het midden van het vel geschroefd of geslagen, zal van wege het departement van Financien worden nedergelegd ter griffie van den hoogen raad, van de hoven en arron-dissements-regtbanken en een gelijke afdruk toegezonden aan de Algemeene Rekenkamer.

Slotbepalingen.

44. Het is aan den Koning voorbehouden, in bijzondere gevallen, of in het algemeen belang, kwijtschelding of vermindering van regt en boeten te verleenen.

45. Te rekenen van den dag van het in werking brengen dezer wet, zijn alle vroegere wettelijke verordeningen op het regt van zegel vervallen, behoudens de vrijstellingen, vermeld in art. 27 onder n0. 71.

Zij blijven echter derzelver kracht en toepassing behouden ien aanzien van alle acten, stukken, geschriften

1249

79

-ocr page 1380-

1250 ZEGELWET.

en drukwerken, waarvan het bewezen is dat zij vóór dat tijdstip opgemaakt of gedrukt zijn.

46. Deze wet zal in werking komen op het nader door den Koning te bepalen tijdstip. (1 April 1844: Stb. 1844 n0.18.) Gegeven te \'s-Gravenhage, 3 October 1843.

WET

van 24 Mei 1897 (Stb. n0. 155), lot nadere regeling van het zegelrecht van ejfcclen. a)

Artikel 1.

Het zegelrecht bedraagt:

a. voor de bewijzen van aandeel in premieleeningen een gulden van iedere honderd gulden;

b. voor de bewijzen van aandeel in niet hier te lande gevestigde maatschappijen of ondernemingen, welke kapitaal geheel of gedeeltelijk door aandeelen wordt vertegenwoordigd, dertig cent van iedere honderd gulden ;

c. voor de pandbrieven van hier te landt: gevestigde hypotheekbanken, welker bedrijf, wat het ter leen verstrekken van geld betreft, volgens hare statuten, is; beperkt tot het geven van geld tegen hypotheek op onroerende zaken hier te lande gelegen of gevestigd, tien cent van iedere honderd gulden ;

d. voor alle andere stukken, die, onder welke benaming ook, gerangschikt kunnen worden onder de effecten of publieke fondsen, twintig cent van iedere honderd gulden;

De voorloopige bewijzen van storting zijn onderworpen aan dezelfde rechten als de definitieve stukken.

De stukken, die ter vervanging van andere worden uitgegeven, zijn, behalve in het geval van hec eerste lid van artikel 6, mede aan de hiervoor bepaalde zegelrechten onderworpen, om het even of de oorspronkelijke stukken vóór of na de invoering dezer wet zijn opgemaakt of uitgegeven.

Stukken, die bij conversie worden gewijzigd door afstempeling of op andere wijze, worden ais nieuwe stukken be schouwd en zijn mitsdien — ongeacht het daarvan reeds betaalde zegelrecht — opnieuw aan zegelrecht onderworpen. Van de betaling van het zegelrecht na de wijziging moet blijken door zegeling met een bijzonderen stempel.

2. Het zegelrecht bedraagt ten minste 5 cent; dit recht klimt op met 5 cent tot 25 cent, boven de 25 cent met 25 cent tot vijf gulden en boven de vijf gulden met 50 cent.

Het zegelrecht wordt berekend over het kapitaal in het stuk uitgedrukt of daarin aangewezen door de vermelding van den rentevoet of op andere wijze. || Is in het stuk geen kapitaal uitgedrukt of aangewezen,

dan wordt het vijf en twintigvoud der uitgeloofde jaarlijk-sche rente daarvoor genomen.

Is kapitaal of rente alleen in vreemde munt uitgedrukt.

a) Zie de noot op blz. 1234.

i ■i.

-ocr page 1381-

WKT ZEGELRECHT VAN EFFECTEN.

dan wordt deze herleid tot Nederlandsche munt naar den maatstaf, die daarvoor wordt aangenomen bij het verhandelen ter beurze te Amsterdam.

Ligt het bedrag van het naar deze grondslagen berekend recht tusschen twee der door het eerste lid van dit artikel bepaalde zegelrechten, dan is het hoogste van die beide zegelrechten verschuldigd.

3. Het zegelrecht moet, voor zoover de stukken hier te lande worden opgemaakt, worden voldaan door gebruik van gezegeld papier vanwege het Rijk uitgegeven, of van papier dat, vóór de voltooiing der stukken, op verzoek van belanghebbenden van den zegelstempel is voorzien.

Niet hier te lande opgemaakte stukken moeten van den zegelstempel worden voorzien, vóór dat zij hier te lande uitgegeven, in omloop gebracht, overgedragen, verpand of in beleening gegeven, afgelost of geconverteerd worden, of vóórdat daarvoor binnen het Rijk door administratiekantoren certificaten worden uitgegeven.

4. In geval van conversie van niet hier te lande opgemaakte stukken kunnen de oude stukken ongezegeld blijven, wanneer de nieuwe, die daarvoor in de plaats worden uitgegeven, van behoorlijk zegel zijn voorzien.

5. Het zegelrecht, dat betaald is voor behoorlijk gezegelde voorloopige bewijzen van storting, wordt teruggegeven of verrekend, voor zoover het zegel op die bewijzen van storting door \'s Rijks ambtenaar is vernietigd en zij door behoorlijk gezegelde stukken zijn vervangen.

6. Nieuwe stukken, uitgegeven ter vervanging van andere, zonder eenige verandering in de rechtsbetrekkingen, kunnen zonder betaling worden gezegeld, wanneer, met inachtneming van de daarvoor door den Minister van Financiën te stellen regelen wordt aangetoond, dat de oude stukken behoorlijk zijn gezegeld.

Deze bepaling geldt niet bij splitsing of samenvoeging van stukken.

7. Van:

a. de oprichters-aandeelen, de bewijzen van deelgerech-tigdheid (actions de jouissance), alsmede de restantbewijzen en dergelijke die, na aflossing der oorspr onkelijke aandeelen, aan de houders verblijven of uitgereikt worden;

b. de bewijzen van overneming van effecten, afgegeven door hen, die zich met het behartigen van de belangen van fondsenhouders belasten, of door vereenigingen van houders van fondsen, die ten doel hebben de belangen van hare leden bij die fondsen te behartigen en de certificaten van aandeel door administratie-kantoren uitgegeven, indien, met inachtneming van de daarvoor door den Minister van Financiën te stellen regelen, wordt aangetoond, dat de effecten, ter zake waarvan de bewijzen of certificaten zijn uitgegeven, behoorlijk gezegeld zijn,

is het bij de artikelen 11 en 14 der wet van den Squot;1611 October 1843 (Stb. n0. 47) naar de oppervlakte van het papier vastgestelde zegelrecht verschuldigd.

liet gezegeld papier van 15 centen kan voor deze stukken

1251

s

HI u

V gt; ■

I

Ift!

K I

P

i\'ii

I

1

ii

-ocr page 1382-

ZEGELWET.

worden gebruikt, al worden zij met medewerking van eenig openbaar ambtenaar opgemaakt.

De onder letter h vermelde stukken moeten, ten blijke dat aan de daarvoor gestelde voorwaarde is voldaan, met den in artikel 1 bedoelden bijzonderen stempel gezegeld worden.

8. Geen afzonderlijk zegelrecht is verschuldigd van akten van overdracht of volmachten tot overdracht die gesteld worden op de behoorlijk gezegelde effecten, waartoe zij betrekking hebben.

9. Het zegelrecht van de in deze wet vermelde stukken komt, zoo niet het tegendeel is bedongen:

van de hier te lande opgemaakte stukken, ten laste van de uitgevers, en

van de niet hier te lande opgemaakte stukken, ten laste van hem, die ze hier te lande uitgeeft, in omloop brengt, overdraagt, verpandt of in beleening geeft, of ter allossing of conversie aanbiedt.

10. Niet van zegelrecht vrijgestelde stukken zijn niet leverbaar, tenzij zij behoorlijk gezegeld zijn.

11. De directie van het Grootboek zal geene certificaten Nationale Werkelijke Schuld viseeren, welke niet van behoorlijk zegel zijn voorzien.

12. Hij die niet behoorlijk gezegelde effecten in ontvangst neemt — anders dan bij inbewaargeving en behoudens het bepaalde bij artikel 4 — is verplicht die stukken, onder opgaaf aan \'s Rijks ambtenaar van naam en woonplaats van hem, van wien zij zijn ontvangen, binnen acht dagen na de ontvangst te doen zegelen, en is bevoegd het daarvoor betaalde van hem, van wien hij de stukken ontving, terug te vorderen.

Elke overeenkomst die de niet-vervulling van deze verplichting of de verkorting van deze bevoegdheid ten doel heeft, is nietig.

Zij die effecten, op eigen naam of voor hunne meesters, hebben uil te geven, in omloop te brengen, over te dragen, te verpanden of in beleening te geven, ter allossing of ter conversie aan te bieden, af te lossen of te converteeren of daarvoor certificaten van een administratiekantoor hebben uit te geven, zijn — behoudens het bepaalde bij art. 4 — verplicht de niet behoorlijk gezegelde stukken vóór de uitgifte, vóór het in omloop brengen, vóór de levering, vóór het sluiten van het pand- of beleen-contract, vóór de aanbieding ter aflossing of ter conversie, vóór de aflossing of conversie of vóór het uitgeven der certificaten te doen zegelen, en zijn bevoegd het daarvoor betaalde aan hunne lastgevers of meesters in rekening te brengen.

13. Iedere overtreding van het vorig artikel wordt ge straft met eene boete van honderdmaal het niet betaalde recht, doch minstens honderd gidden voor ieder stuk ten opzichte waarvan de overtreding is begaan.

Alle leden van eene vennootschap onder firma zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de boeten welke door de firma zijn verbeurd.

1252

-ocr page 1383-

WET ZEGELRECHT VAN EFFECTEN. 1253

De vereenigingen, naamlooze vennootschappen en zedelijke lichamen zijn tegenover de schatkist aansprakelijk voor de boeten welke door hunne bestuurders of vertegenwoordigers in deze hoedanigheid zijn verbeurd.

Zij die alleen of met anderen zijn belast met het bewaren van effecten, waarvoor door administratiekantoren certificaten zijn uitgegeven, en zij die de certificaten mede onderteekend hebben, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de boeten welke wegens het niet behoorlijk zegelen van die effecten of certificaten zijn verbeurd.

14. Het bewijs door getuigen is toegelaten ten aanzien van alle overtredingen dezer wet.

15. Van de rechten en boeten bij deze wet vastgesteld worden geene opcenten geheven.

16. Aan het bij deze wet vastgestelde zegelrecht zijn i. iet onderworpen:

a. de effecten, vóór het in werking treden dezer wet hiei te lande opgemaakt.

Deze effecten blijven onderworpen aan het zegelrecht, dat daarvan verschuldigd was volgens de wetten, die op het tijdstip van de opmaking in werking waren,

b. de effecten elders dan hier te lande opgemaakt en hier te lande reeds van behoorlijk zegel voorzien.

De door kantoren van administratie vóór de invoering dei-wet van 3 October 1843 (Stb n0. 47) uitgegeven certificaten Nationale Werkelijke Schuld, die ongezegeld zijn, worden beschouwd van zegelrecht te zijn vrijgesteld.

17. De bepalingen van de wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47) zijn van toepassing op het zegelrecht van effecten, voor zoover daarvan niet is afgeweken bij deze wet.

18. De wet van 31 December 1885 (Stb. n0. 264) wordt ingetrokken, behoudens het bepaalde bij artikel 1 dier wet en hetgeen bij artikel 3 dier wet is vastgesteld omtrent het getuigenbewijs ten aanzien van overtredingen van artikel 6 der wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47).

19. Deze wet treedt in werking op een bij de wet te bepalen tijdstip, a)

Gegeven te Alt-Aussee, den 24stei1 Mei 1897.

ge-dde ten

oof\' ma

n) Zio de noot op blz. 12:U.

-ocr page 1384-

BIJLAGEN.

BESLUIT

van 13 Maart 1844 (Stb. n0. 18), betrekkelijk hel in werking brengen van de Wet op het regt van zegel, ddquot;. 3 October 1843 (Stb. n0. 47), gewijzigd bij Besluiten van 21 September 1877 (Stb. n0.184), 13 Maart 1883 (Stb. n0. 32), 8 April 1897 (Stb. n0. 80) en 25 Januari 1898 (Stb. n°. 28).

Artikel 1.

De wet op het regt van zegel van 3 October 1843 (Stb. n0.47) zal met den eersten April 1844 in werking worden gebragt, en van verbindende kracht zijn met den klokslag van middernacht tusschen den een en dertigsten Maart en den eersten April dezes jaars.

2. De zegelstempel bestaat in \'s rijks wapen.

Het bedrag van het regt in hoofdsom wordt ter zijde van hetzelve uitgedrukt.

De stempels, welke volgens het bepaalce bij art. 4 in blaauwen inkt worden afgedrukt en die waarmede aan de kantoren van het buitengewoon zegel te Amsterdam en tc Rotterdam de in artikel 7 bedoelde drooge stempeling geschiedt, wijzen bovendien aan: te Rotterdam den naam der gemeente en in de overige plaatsen den naam der provincie, alwaar de stempeling plaats heeft.

3. Het gezegelde papier, van wege het rijk uitgegeven, is voorzien van een watermerk bestaande in het woord: «Nederlanden».

4. Het papier, van wege het rijk uitgegeven, alsmede het papier en perkement bedoeld hierna in art. 7, wordt droog geschroefd.

Alle andere zegelstempeling geschiedt met blaauwen inkt.

Op het papier, van wege het rijk uitgegeven, wordt de stempel gesteld bovenaan, ter linkerzijde van het blad, het vel toegeslagen zijnde; op al het andere papier of perkement, bovenaan ter regter zijde.

5. Het gezegelde papier wordt uitgegeven aan de kantoren daartoe aangewezen bij Onze besluiten van 7 September 18i2 n*. 82 en van 18 December 1843 n0. 64.

6. Het papier of perkament, bedoeld in artikel 14 en in het voorlaatste lid van artikel 20 der Wet van 3 October 1843 (Stb. n0. 47), wordt met betaling der daarvoor verschuldigde rechten aangeboden aan een der kantoren van het buitengewoon zegel te Amsterdam, \'s-Gravenhage, Rotterdam, \'s-IIertogenbosch, Arnhem, Middelburg, Utrecht, Leeuwarden, Zwolle, Groningen, Assen of Maastricht.

-ocr page 1385-

nESUJIT VAN 13 MAAKT 1844.

Aan de drie eerstgenoemde kantoren wordt het papier of perkament onmiddellijk van den vereischten zegelstempel voorzien.

Aan de overige kantoren wordt het papier of perkament gestempeld met de woorden «te zegelen», waarna het, met een ongezegeld bewijs van de betaling der rechten, ter zegeling wordt overgebracht;

te \'s-Hertogenbosch, Arnhem, Zwolle, bissen en Maastricht :

ten kantore van de hypotheken en het kadaster; te Middelburg, Leeuwarden en Groningen:

ten kantore der registratie voor de burgerlijke akten; en te Utrecht:

ten kantore der successierechten.

7. Van de bij het vorig artikel bedoelde stempeling met de woorden; «te zegelen» is uitgezonderd:

a. het papier of perkement, waarvoor een andere stempel met blaauwen inkt wordt vereisclit dan in de kantoren in art. G opgenoemd voorhanden zijn;

h. het papier of perkament, waarvoor de drooge stempel wordt verlangd.

Dit papier of perkement wordt, van den droogen zegelstempel voorzien aan de kantoren van het buitengewoon zegel te Amsterdam en te Rotterdam, wanneer het aldaar ter zegeling wordt aangeboden en de verlangde zegelstempel aldaar voorhanden is, en door de tusschenkomst van de bij artikel G laatstelijk genoemde ambtenaren ten algemeenen zegelkantore te \'s-Graven-hage, in alle andere gevallen.

Onze Minister van Financien is gemagtigd om, naar gelang der behoeften, te bepalen, welke zegelstempels aan de kantoren van het buitengewoon zegel zullen worden verstrekt.

S en 9. Vervallen door de Wet van G April quot;1860 (Stb. n». 60).

10. De ontvangers van het zegel of bewaarders dei-hypotheken en van het kadaster doen van de betaling van het regt, op het reeds gebruikte papier verschuldigd, mitsgaders van de betaling der boeten, ingeval dezelve verschuldigd zijn, blijken, door de volgende quitantie op de stukken te stellen:

Ontvangen voor zegelrecht.......gulden

......cents, en voor boete......gulden

......cents.

Te......den......

(hand teek ening)

De ontvangers in de steden Amsterdam, \'s-Gravenhage en Rotterdam doen van de betaling der regten, verschuldigd op buiten \'s lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk opgemaakte stukken aan evenredig zegelregt onderworpen, blijken door de aanhechting van een droog zegel en door hunne handteekening.

11—13. Vervallen als van tijdelijken aard.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 13 Maart 4844.

1255

-ocr page 1386-

1256 UIJLAGEN TOT UË ZEGELWET.

BESLUIT

van 16 September 1882 (Stb. n0. 127), lot vaststelling

van de wijze, waarop van de betaling van opcenten blijken zal op het aan zegelregt onderhevige papier of perkament.

Artikel 1.

Vuu de belaling der opcenten op het aan zegel onderhevige papier of perkament, bedoeld in het tweede lid van artikel 13 der Wet van 11 Julij 1882 (Stb. n0. 93), zal na 1 January 1883 op dat papier of perkament blijken door aanwijzing van het getal opcenten.

2. Deze aanwijzing zal geschieden:

a. op het papier of perkament, bestemd voor de stukken onderworpen aan het evenredige zegelregt, bedoeld bij artikel 21 n0. 1, 3, 5 en 6 der Wet van 3 October 1843 (Sth. n0. 47), voor zooveel dat regt meer dan ƒ 1 bedraagt, door het stellen van een bijstempel, bet getal opcenten vermeldende; en

b. op het overige papier of perkament, door de vermelding van het getal opcenten in den zegelstempel onder het Rijkswapen.

3 De bijstempel, onder letter a van het vorig artikel bedoeld, heeft een langwerpig vierkanten vorm en wordt omniddellijk onder den zegelstempel droog ingeschroefd.

4. Op het van Rijkswege uit te geven gezegeld papier, bedoeld onder letter b van artikel 2 hiervoor, dat op 1 Januarij 1883 nog aan het Algemeen Zegolkantoor voorhanden en van de thans bestaande zegelstempels voorzien is, zal van de betaling der opcenten blijken door bijstempeling, op gelijke wijze als in dat artikel onder letter a is voorgeschreven.

5 Van het zegelregt betaald wegens de onbeschreven gedeelten van gezegelde registers, kunnen de belanghebbenden, gedurende ééne maand na de invoering der meergenoemde wet van 11 Julij 1882 (Stb. n0. 93), de nog verschuldigde twaalf opcenten bijbetalen. Van de betaling dezer opcenten zal blijken uit eene door den ontvanger van het zegel op het register te stellen kwitantie.

Gedeeltelijk onbeschreven bladen worden als geheel onbeschreven beschouwd.

Het Loo, 16 September 1882.

-ocr page 1387-

HYPOTHEKEN

en

SCHEEP SB E W IJ Z E N.

{Vcj. het Besluit van 1 Augustus 18\'28(Stb. n0.52), dende voorbereidende bepalingen voor de invoering van het nieuw hypothecair stelsel, gewijzigd door dat van 8 Augustus 1838 (Stb. n0. 27), dat ucm\'2-Mei 1877 (Stb. ii0. Ü6), dat wm 30/tWi 1878 (Stb. n0.104), /icf brengen van ivijziging in de hypothecaire boekhouding en dat van 11 September 1881 (Stb. n0.156); het Besluit van \'22 Augustus \'1838 (Stb. n0. 30), houdende voor-loopige maatregelen ten aanzien van de tezamen-stellingen der bewaringen van de hypotheken en het kadaster; de Wet van 4 Juli 1842 (Stb. n0.16), betrekkelijk de overbrenging der onder de vroegere wetgeving ingeschrevene hypotheken en privilegiën in de thans bestaande nieuwe registers, gewijzigd door die van 21 December 1852 (Stb. n0. 228), betreffende de bewaring van de oude hypotheekregisters; hot Besluit van 6 Juli 1859 (Stb. n0. 77), vaststellende het formulier van eedsaflegging voor de bewaarders der hypotheken, van het kadaster en der scheepsbewijzen; en de Wet van 5 Juni 1878 (Stb. i^.QO^totvernieu-wing der bestaande hypothecaire inschrijvingen.)

BESLUIT

vati 21 Juni 1836 (Stb. n0. 41), waarbij de uitvoering geregeld wordt van de voorschriften vervat in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel.

Wij WILLEM, enz.

Willende de uitvoering regelen van de voorschriften vervat in den eersten en laatsten titel des tweeden boeks van het Wetboek van Koophandel, betrekkelijk het op de openbare registers overschrijven der overdragt van zeeschepen, van schepen en vaartuigen welke met zeeschepen worden gelijk gesteld, en van schepen en vaartuigen welke uitsluitend bestemd zijn tot de scheepvaart binnen \'s lands, zoowel op de stroomen, rivieren, kanalen en vaarten als op de binnen-landsche zeeën en meeren en langs de wadden, voorzooveel dezelve de grootte hebben van tien of meerdere lasten, gelijk mede betrekkelijk het inschrijven op gemelde registers van verbanden op dezelve schepen en vaartuigen;

-ocr page 1388-

HYPOTHEKEN EN SCHEEI\'SBEWIJZEN.

Gezien de rapporten van Onze Ministers van Justitie en van Financiën;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

De overschrijving van alle akten van eigendomsoverdragt, hetzij geheel, hetzij bij gedeelten, van zeeschepen, van schepen en vaartuigen met zeeschepen gelijkgesteld, en van schepen en vaartuigen eene groote hebbende van tien of meerdere lasten, welke uitsluitend tot de vaart binnen \'s lands zijn bestemd, zoowel op de stroomen, rivieren, kanalen en vaarten als op de binnenlandsche zeeën en meeren en langs de wadden, zoo mede de inschrijvingen welke op die schepen en vaartuigen, volgens den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel, kunnen genomen worden, zuilen plaats hebben op de kantoren van bewaring van de hypotheken en het kadaster, en op alle zoodanige plaatsen als nader door Ons zullen worden aangewezen.

Aldus geivijzigd bij art. 3 van het Besluit van 2 Mei 1877 (Stb. n». 96).

De voorschriften, vervat in de artt. 17,18,19, 20, 21 en 25 van Ons besluit van 1 Augustus 1828 (Stb. n0. 52), zullen daaromtrent worden in acht genomen, net uitzondering van hetgeen in art. 25 van dat besluit, ten aanzien van de betaling der hypolheekregten is vastgesteld. (K. 309, 315, 748 v.)

2. Er zal te \'s-Gravenhage, onder den titel van hoofdkantoor van bewaring der scheepsbewijzen, een algemeen kantoor van alle eigendomsbewijzen van zee- en andere schepen en vaartuigen, in art. 1 bedoeld, worden opgerigt, bestemd om het verband tusschen de gezamenlijke kantoren in stand té houden en het vereischte toezigt ten aanzien van de overschrijvingen en inschrijvingen in dezelve uit te oefenen.

3. De borgtogt, door de bewaarders, overeenkomstig art. 8 van Ons bovengemeld Besluit gesteld, is, gedurende het daarbij vermelde tijdvak, mede verbonden voor hunne verantwoordelijkheid tot het vervullen der formaliteiten, bij dit besluit omschreven.

Wij behouden Ons voor, om, in het tweede jaar na de invoering der Nationale Wetgeving, het bedrag der verhooging van den borgtogt te bepalen, welke, naar de aangelegenheid der scheepsbewaringen, zal blijken noodzakelijk te zijn, gelijk mede naar de hoegrootheid van den borgtogt van den ambtenaar, met het beheer van het hoofdkantoor belast.

Die laatstgemelde ambtenaar zal echter dadelijk en voor-loopig borgtogt stellen, ter wezenlijke waarde van tienduizend guldens, hetzij in inschrijvingen op het Grootboel; der Nationale Schuld, hetzij in vaste goederen, binnen dit rijk gelegen.

4. In ieder kantoor zal een dagregister worden gehouden, waarop de verklaringen en stukken, ter overschrijving of inschrijving ingeleverd, dagelijks, bij volgorde van nommers.

1258

-ocr page 1389-

BESLUIT VAN 21 JUNI J 1836.

zullen worden gebragt, naarmate dezelve inkomen. Een letterlijk afschrift van hetzelve zal wekelijks aan het hoofdkantoor worden ingezonden.

Bovendien zullen op ieder kantoor registers van overschrijving en inschrijving gehouden en aan het hoofdkantoor een algemeen register aangelegd worden, verdeeld in zoo vele afdeelingen als de ondervinding zal doen noodig oor-deelen.

De hiervoren bedoelde registers der bijzondere kantoren zullen genommerd, gewaarmerkt en geteekend worden door den kantonregter, ter plaatse alwaar het kantoor gevestigd is Die van het hoofdkantoor door den voorzitter of een der leden van het Hof te \'s-Gravenhage.

De bepalingen, vervat in de artt. 23, 24, 30, 32,33,34 en 35 van Ons bovengemeld besluit van 1 Augustus 1828, zijn toepasselijk op de bemoeijenissen, bij het eerste lid van dit artikel aan den bewaarder opgedragen.

5- Onze Minister van Financien zal de modellen bepalen, volgens welke de registers zullen worden ingerigt.

Hij zal bovendien op elk kantoor de noodige hulpboeken doen aanleggen, ten einde de nazoekingen gemakkelijk te maken en misslagen te voorkomen. Deze boeken worden door den Directeur of provincialen Inspecteur der Registratie op elke bladzijde genommerd en gewaarmerkt.

De bewaarders mogen geene andere boeken of registers gebruiken dan die aan hen van wege het hoofdbestuur zullen worden toegezonden.

6. Zoodra een schip of vaartuig voor de eerste maal zal zijn te boek gesteld, zal de naam van het kantoor, het nommer van het register van overschrijvingen en het jaartal op eene in het oog vallende plaats van het schip en op eene onuitwischbare wijze door eenen beëedigden scheepsmeter in hetzelve worden ingebrand, en van deze inbranding door diens getuigschrift moeten blijken, zonder welks overlegging de bewaarders de ter overschrijving of inschrijving ingeleverde stukken niet zullen vermogen af te geven.

De scheepsmeter zal voor iedere inbranding genieten een loon, waarvan het bedrag nader door Ons, op voordragt van Onzen Minister van Financien, zal worden bepaald.

7. Degeen die een schip of vaartuig in art. 1 bedoeld heeft doen bouwen, zal, voordat hetzelve in de vaart wordt gebragt, daarvan eene verklaring van eigendom inleveren, ingerigt naar het formulier, bij de Wet van 28 Mei 1869 (Stb. n0. 96) en het Besluit van 21 September 1869 (Stb nquot;. 153) bepaald, welke verklaring op het register der eigendommen van schepen en vaartuigen zal worden overgeschreven.

Indien een schip of vaartuig aan meer dan één persoon toebehoort, zal de overschrijving der bewijzen van eigendom of van de voorzegde verklaring de opgave bevatten van den naam en van de aandeden of portien van iederen medereeder of medeëigenaar.

8. De eigenaars hebben het vermogen om de eigendomsbewijzen hunner schepen en vaartuigen, al mogten dezelve

1259

-ocr page 1390-

HYPOTHEKEN EN SCHEEPSBEWIJZEN.

vóór het in werking brengen van het Wetboek van Koophandel zijn gedagteekend, voor de eerste maal te doen overschrijven op zoodanig kantoor van bewaring als zij zullen goedvinden.

De volgende overschrijvingen, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, en de inschrijvingen zullen alleen kunnen geschieden ten kantore alwaar de eerste teboek-stelling is bewerkstelligd.

Te dien einde zal in de akten van eigendomsoverdragt, mitsgaders in de pand- of verband brieven, de naam en het nommer worden vermeld van het kantoor, alwaar de vorige overschrijving heeft plaats gehad.

Ingeval zulks niet is geschied, zullen de belanghebbenden gehouden zijn, daarin, door eene geteekende en door eenen openbaren ambtenaar gelegaliseerde verklaring, onder aan de akte te voorzien.

9. Om eene inschrijving op een schip of vaartuig of aandeel daarin te bewerkstelligen, stelt de schuldeischer, hetzij in persoon, hetzij door een derde, aan den bewaarder, ten wiens kantore het schip of vaartuig is teboekgestekl, ter hand twee door den schuldeischer of den derde onder-teekende borderellen, waarvan het eene op den aan den bewaarder te vertoonen titel of op de uitgegevene expeditie van denzei ve kan gesteld worden.

Deze borderellen moeten bevatten:

1°. Eene bepaalde aanduiding van den scnuldeischer en van den schuldenaar, mitsgaders de opgaven der woonplaats, door eerstgemelde gekozen binnen den kring van het kantoor.

Wanneer de eigenaar van het schip of vaartuig of aandeel daarin overleden is, zal men bij het nemen vB.n inschrijving kunnen volstaan met de eenvoudige aanduiding van den overledene.

2°. De dagteekening en aard van den regtstitel, met opgave van den ambtenaar door of ten overstaan van welken de akte is verleden.

3°. Het beloop der inschuld of de begrooting der voorwaardelijke en onbepaalde regten, welke verzekerd worden, zooals dezelve in de vertoonde akte zijn opgegeven, mitsgaders den tijd waarop de schuld opeischbaar is.

4quot;. Den naam, tonnelast of scheepsruimte van het schip of vaartuig, het kantoor, de dagteekening en het nommer van overschrijving van hetzelve, en de haven of plaats welke hetzelve binnen dit rijk gewoonlijk bevaart. ^B. 1231.)

10. De bewaarder behoudt een der borderellen, ten einde hetzelve in zijn dagregister in te schrijven, onder de dagteekening van de overgave. Hij geeft onmiddellijk aar. dengene, die de inschrijving verzocht heeft, het andere borderel terug, aan den voet van hetwelk hij den dag der overgave vermeldt.

Hij is eindelijk verpligt, indien zulks gevorderd wordt, uiterlijk binnen -24 uren op dat borderel naderhand bij te voegen het nommer, waaronder de inschrijving op zijne registers heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen worden door hem onderteekend. (B. 1232.)

11. Bijaldien uit de registers mogt blijken, dat een en

1260

-ocr page 1391-

BESLUIT VAN \'il .UINU \'183Ü.

hetzelfde schip of vaartuig meer dan eens mogt zijn geboekt, zal de ambtenaar bij het hoofdkantoor der scheepsbewijzen daarvan aan de bewaarders, die zulks aangaat, moeten opgave doen, en zullen laatstgemelden verpligt zijn om die opgave ter zijde van de teboekstellingen te vermelden.

In geval van verzuim zullen zoowel de ambtenaar bij het hoofdkantoor als de bijzondere bewaarders tot vergoeding van kosten, schade en interessen, zoo daartoe gronden bestaan, gehouden zijn.

12. Wanneer een schip of vaartuig, dat hier te lande in de daartoe bestemde registers is teboekgesteld, buiten \'s lands aan buitenlanders is verkocht, zal de schipper, of de bevelhebber die hem vervangt, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen, verpligt zijn om, binnen veertien dagen na zijne terugkomst binnen het rijk, ten meest nabij gelegenen kantore aangifte te doen van den verkoop. De bewaarder zal op gelijke straf gehouden zijn een duplicaat der aangifte, door hem voor echt verklaard, uiterlijk binnen drie dagen op te zenden naar het kantoor, tot hetwelk het vaartuig behoort, ten einde aldaar ter zijde van d.e overschrijving te worden aangeteekend.

Gelijke verpligting als op den schipper of zijn plaats-bekleeder, berust op de eigenaars of reeders, voorzooverre zij vóór de terugkomst van denzelve, door briefwisseling als anderzins, van den verkoop hebben kennis gedragen.

Van het bewerkstellingen dezer aangiften zullen de belanghebbenden, des begeerende, een bewijs kunnen ligten.

Hetzelfde geldt ingeval een schip of vaartuig genomen, vergaan of vernield is.

13. quot;Voor de werkzaamheden, welke aan de bewaarders, krachtens ons tegenwoordig Besluit, zijn opgedragen, zullen zij, voorloopig en totdat daaromtrent nadere voorzieningen zullen zijn gemaakt, niets anders kunnen vorderen dan het zegelregt, zoo voor de registers als voor de door hen uit-gegevene uittreksels en getuigschriften, en het salaris, zooals hetzelve bij het Fransch Decreet van 23 Mei 1810 is bepaald.

Het voormelde salaris zal tusschen de bijzondere bewaarders en dien bij het hoofdkantoor worden verdeeld naar eene evenredigheid, welke nader door Ons, op voordragt van Onzen Minister van Financien, zal worden vastgesteld.

14. De bepalingen, voorkomende in de derde en in de zesde afdeeling van den 20sten titel des Ilden hoeks van het Burgerlijk Wetboek zijn insgelijks ten deze toepasselijk. (B. 1239 v., 1265 v.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, den 21 Junij des jaars quot;1836, en van onze Regering het drie en twintigste.

1261

lil

■lü a

11®

i

-ocr page 1392-

1262 hypotheken un scheepsbewuzen.

W E T

van 30 December 1839 (Stb. n0. 58), houdende bepaling van den duur der verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken cn het kadaster en der scheepsbeivijzen, en maytiging tot vaststelling van een tarief van derzelver salarissen.

Wij W[LLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het door de invoering van het hypothecaire stelsel, bij het Nederland-sche Burgerlijk Wetboek aangenomen, is noodzakelijk geworden om den duur der verantwoordelijkheid van de bewaarders van de hypotheken en het kadaster en der scheepsbewijzen te bepalen en de tarieven van derzelver salarissen nader te regelen:

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De duur van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken opgelegd bij art. 1266 van het Burgerlijk Wetboek, wordt bepaald op tien jaren, te weten;

voor de verzuimen, bedoeld bij 1°. en 3quot;. van dat artikel, te rekenen van den dag waarop de wettelijke formaliteiten door de belanghebbenden zijn aangevraagd, en voor die, bedoeld bij Squot;. en 4°. van hetzelfde artikel, te rekenen van den dag der afgifte van de afschriften of getuigschriften.

De duur hunner verantwoordelijkheid, met betrekking tot de verrigtingen, welke den bewaarders bij Ons Besluit van 21 Junij 1836 (Stb. n0. 41) zijn opgelegd, wordt op denzelfden tijd bepaald.

2. De tarieven van salarissen en emolumenten voor de verschillende werkzaamheden voor de boekhouding van de hypotheken en die van het kadaster, alsmede die van de overdragten van schepen en vaartuigen en daarop in te schrijven bevoorregte schulden, door de belanghebbenden te voldoen, zullen worden ingesteld bij reglementen van openbaar bestuur.

De aldus vast te stellen tarieven zullen niet langer verbindende kracht hebben dan gedurende vijf jaren na de afkondiging dezer, en binnen dat tijdvak nader door do wet worden geregeld. (Stb. 1841 nu. 7; Stb. \'1844 n0. 62.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 30 December des jaars 1839, van Onze Regering liet zeven en twintigste.

BESLUIT

van 11 Maart 1840 (Stb. n®. (3), waarbij, in verband mei het tegenwoordige hypothecaire stelsel, maatregelen worden voorgeschreven omtrent d3 doorhaling van de overschrijvingen der processen-verbaal van inbeslagneming van onroerende goederen, alsmede van schepen en vaartuigen.

Wu WILLEM, enz.

Gezien den 3den titel van het 2de boek van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering; (Rv. 491 v.)

-ocr page 1393-

WET V. 30 DECKMRER 1839 EN BESLUIT V. 11 MAART 1840. 12C3

Gelet mede op den 4den titel van hetzelfde boek van het gemelde Wetboek, in verband met den eersten en laatsten titel van het 2de boek van het Wetboek van Koophandel; (Rv. 563 v.; K. 309 v.; 748 v.)

Gezien Onze besluiten van 1 Augustus 18-28 (Stb. n0.52), van 8 Augustus 1838 (Stb. nquot;. 27) en van 21 Junij 1836 (Stb. n0. 41);

Op de rapporten van Onzen Minister van Staat, belast ad interim met het bestuur der Financien, en van Onzen Minister van Justitie, van den 20/27 February 1840, n0. 143/528 Registratie en 47;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

m\\

•i

Behalve de gevallen, dat de doorhaling van inbeslagnemingen van onroerende goederen bij regterlijk gewijsde is bevolen, zal die doorhaling in de registers van de bewaarders der hypotheken ook kunnen geschieden op de toestemming van den schuldeischer, die het beslag heeft gelegd. (Rv. 557, 561; K. 870.)

2- Wanneer meerdere beslagleggingen op dezelfde goederen hebben plaats gehad, zal de toestemming van al de beslagleggers worden vereischt.

3. De doorhaling van de voren bedoelde inbeslagnemingen zal door de bewaarders der hypotheken niet mogen worden bewerkstelligd, dan op overlegging van een authentieke akte of authentiek afschrift van zoodanige akte, of van een vonnis daartoe strekkende, hetwelk in het hoogste ressort is gewezen of in kracht vail gewijsde is gegaan.

4. Op de toestemmingen, door derden verleend, zal de doorhaling niet kunnen geschieden, tenzij ook ten genoege van den betrokken hypotheekbewaarder voldoend bewijs worde geleverd, dat zij in de regten van de beslagleggers zijn getreden.

5. Wanneer de doorhaling wordt bewerkstelligd, zal van het vonnis of van de verleende toestemming in het register behoorlijke melding worden gemaakt, ter zijde van de plaats gehad hebbende overschrijving van het proces-verbaal.

6. De vorenstaande bepalingen zijn ook van toepassing op de inbeslagnemingen van schepen en vaartuigen waaraan, naar de bestaande wettelijke verordeningen, de processen-verbaal in de openbare registers moeten worden overgeschreven. (Rv. 566.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 11 Maart des jaars 1840, van Onze Regering het zeven en twintigste.

-ocr page 1394-

hypotheken en scheepsllewi.izicn.

WET

van 14 December 1844 (Stb. n0. (32), tot vastslcllmy van de salarissen der bewaarders van de hypotheken, van het kadaster en van de schcepsbewijzen.

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat er noodzakelijkheid bestaat, om het, krachtens de Wet van 30 December \'1839 (Stb. n0. 58), bij reglement van openbaar bestuur van 4 February 1841 (Stb. n0. 7) vastgestelde tarief van salarissen van de bewaarders der bypot heken, van het kadaster en der scheepsbewijzen door wettelijke bepalingen te doen vervangen;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De bewaarders van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen kunnen ten laste der belanghebbenden de salarissen berekenen, bij de twee volgende artikelen bepaald.

Salarissen voor verrigtinyen betrekkelijk onroerende zaken, schepen en vaartuigen.

2. § I. Wegens overschrijving van borderellen in de regislers, daartoe bestemd, voor iederen regel schrift van ten minste 10 lettergrepen, één cent, ƒ 0.01.

In geen geval echter minder dan 50 cents voor ieder borderel, hetwelk wordt overgeschreven.

Wanneer eene inschrijving geschiedt voor eene som van minder dan f 1000 en dezelve meer dan honderd regels in de bovenbedoelde regislers beslaat, kan, onverminderd het salaris van f \'1, ingevolge het bepaalde bij deze paragraaph, voor eiken regel daarboven slechts één halve cent in rekening worden gebragt.

§ 11. Wegens de overschrijving van alle andere akten en stukken in de registers, daartoe bestemd, voor iederen regel schrift van ten minste 12 lettergrepen, één cent, f 0.01.

In geen geval echter minder dan 50 cents voor iedere akte of ieder stuk, hetwelk wordt overgeschreven.

§ III. V egens de geheele of gedeeltelijke doorhaling van hypothecaire inschrijvingen, het daarvan af te geven bewijs daaronder begrepen:

a. wanneer de som, waarvan opheffing wordt verleend, ƒ 1000 of meerder bedraagt, een gulden, f 1;

b. warneer de som minder dan f 1000 beloopt, of bij gedeeltelijke doorhaling geen bedrag is uitgedrukt, vijftig cents, f 0.50.

§ IV. Wegens het verleenen van inzage in de registers of het geven van inlichtingen:

a. voor inzage van iedere rekening, voorkomende in het algemeen register, of voor ieder stuk overgeschreven in de registers, onder de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoeld, vijftig cents, f 0.50 j

1264

-ocr page 1395-

WET VAN 14 DECEMBER 1844.

b. wanneer blijkt dat de opgegevene persoon of het aangeduide perceel, schip of vaartuig in de zooeven bedoelde registers niet bekend is, voor ieder persoon of perceel, schip of vaartuig, vijf en twintig cents, ƒ 0.25.

Het salaris in deze paragraaph bedoeld is niet verschuldigd wanneer de inzage plaats heeft bij het ligten der stukken, ter verzekering dat de daaraan gegevene formaliteiten naar behooren zijn vervuld, of wel wanneer de gevraagde inlichtingen of de inzage onmiddellijk wordt gevolgd door eene aanvrage van daartoe betrekkelijke staten, uittreksels of getuigschriften.

§ V. Wegens de afgifte van gecertificeerde staten van inschrijvingen of gecollationeerde afschriften uit de registers, voor iederen regel van ten minste 12 lettergrepen, één cent, f 0.01.

In geen geval echter minder dan 50 cents voor iederen staat of ieder afschrift.

§ VI. Wegens de op een staat van inschrijvingen bijgevoegde verklaring, dat er geene andere inschrijvingen bestaan, en wegens eenvoudige getuigschriften van onbezwaardheid, de vermelding der doorgehaalde inschrijvingen daarin begrepen:

a. wanneer de staat of het getuigschrift op naam wordt afgegeven, wegens iederen eigenaar, vijftig cents,/ 0.50, zonder dat het tijdperk, waartoe de staat betrekking heeft, in dit geval tot eenige verhooging aanleiding kan geven;

b. wanneer de staat of het getuigschrift op kadastrale perceelen, schepen of vaartuigen wordt afgegeven:

voor ieder kadastraal perceel,

gebouwd, tien cents, f 0.10,

ongebouwd, vijf cents, ƒ 0.05;

doch in geen geval minder dan 50 cents voor ieder getuigschrift.

voor ieder schip of vaartuig, vijftig cents, f 0.50.

Salarissen voor verrigtingen betrekkelijk het kadaster.

3 — 4. Ingetrokken bij art. 6 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n0. 132).

5. Door de bewaarders wordt uitgekeerd:

o. de helft van het bij hen ontvangen salaris voor verrigtingen betrekkelijk schepen en vaartuigen, aan den ambtenaar belast met het hoofdkantoor van bewaring der scheepsbewijzen, en

b. Ingetrokken bij art. 6 der Wet van 30 Mei 1877 (Stb. n®. 132).

6. De bewaarders zijn verpligt om op alle door hen afgegeven stukken het bedrag der daarvoor verschuldigde zegel-regten en belooningen afzonderlijk aan te teekenen, op straffe eener boete van ten minste f5 en ten hoogste/quot;20 voor ieder stuk, hetwelk zonder zoodanige aanteekening is afgegeven.

7. De bewaarders mogen, uit welken hoofde en onder welk voorwendsel ook, geene andere of hoogere belooningen

1265

it i j | -

Ml

k

i

80

-ocr page 1396-

hypotheken en scheepsbewijzen.

vorderen of ontvangen dan die, welke hun bij de wet zijn toegestaan; bij overtreding zijn zij tot teruggave en vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de belanghebbenden verpligt, onverminderd de straffen bij het Wetboek van Strafregt hierop gesteld, indien daartoe termen zijn. (Sr. 366.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 14 December 1844.

WET

van 5 Juni 1878 (Stb n0.90), tot vernieuwing der bestaande h ypothecaire inschrijvingen.

Wu WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om, met afwijking van de bepaling van art. 1236 van het Burgerlijk Wetboek, de bestaande hypothecaire inschrijvingen te onderwerpen aan vernieuwing en bepalingen te maken omtrent de vernieuwing der overschrijving van processen-verbaal van inbeslagneming;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Met afwijking van de bepaling van art. 1236 Burgerlijk Wetboek zijn alle bij het in werking treden dezer wet bestaande hypothecaire inschrijvingen binnen twee jaren na dat in werking treden onderworpen aan vernieuwing.

2. De aanvraag tot vernieuwing geschiedt door den schuld-eischer of door een derde, namens hem.

Te dien einde worden ten kantore van bewaring overgelegd twee door hem, die de aanvraag doet, onderteekende borderellen, bevattende:

1°. den woordelijken inhoud van het ingeschreven borderel, met vermelding van de dagteekening waarop en het deel en nommer waarin de inschrijving daarvan heeft plaats gehad, zoomede van de nevens die inschrijving gestelde kanttee-keningen;

2°. het verlangen des schuldeischers tot geheele of gedeeltelijke vernieuwing der inschrijving, met aanduiding van den aard en de ligging der goederen waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding van de kadastrale inceeling dier goederen op het tijdstip der vernieuwing, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van art. 1219 Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van tiend- en grondrenten;

3°. opgaven van de wijze waarop of van de titels uit welke de opvolgende schuldeischer regt op inschrijving heeft verkregen.

Bij de borderellen wordt overgelegd een uittreksel van den kadastralen legger, waarin, bü veranderde kadastrale aanwijzing, nevens de nieuwe indeeling de vervallen sectie en nommers, in de inschrijving vermeld, worden aangewezen.

Indien de borderellen andere kadastrale perceelen bevatten dan volgens het uittreksel van den legger uit de

1266

-ocr page 1397-

1267

vervallen kadastrale perceelen zijn voortgekomen, wordt dit door den bewaarder nevens de inschrijving en tevens op de borderellen aangeteekend.

Voorts wordt gehandeld gelijk in art. 1232 Burgerlijk Wetboek is bepaald, en het uittreksel uit den kadastralen legger met een der borderellen aan hem, die de vernieuwing verzocht, teruggegeven.

Op de vernieuwde inschrijvingen zijn alle bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de inschrijvingen van toepassing, voorzooveel daarvan bij deze wet niet uitdrukkelijk wordt afgeweken.

3. Wegens de vernieuwing der inschrijving worden geene andere kosten in rekening gebragt dan het salaris van den hypotheekbewaarder, dat, tenzij het tegendeel bedongen is, voor rekening van den schuldeischer is en bepaald wordt op de helft van het gewone salaris voor de vernieuwingen aangevraagd in het jaar 1879, op drie vierden van dat salaris voor de vernieuwingen aangevraagd in de zes eerste maanden van het jaar 1880, en op het volle salaris voor die aangevraagd in de laatste zes maanden van dat jaar.

De tot de vernieuwing vereischte borderellen worden gesteld op ongezegeld papier.

4. De vernieuwing, binnen den bij art. 1 gestelden termijn aangevraagd, verzekert aan de belanghebbenden denzelfden rang en dezelfde regten, die zij door de inschrijving verkregen hadden.

Is de vroegere inschrijving binnen dien termijn niet vernieuwd, zoo houdt zij op van kracht te zijn, kan zij niet meer worden vernieuwd, en wordt zij door den bewaarder der hypotheken op het door hem af te geven afschrift of getuigschrift, bedoeld in art. 1265 Burgerlijk Wetboek niet vermeld.

De schuldeischer kan de binnen genoemden termijn niet vernieuwde inschrijving op nieuw doen bewerkstelligen overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, doch in dat geval worden de kracht en de rang bepaald naar de dagteekening der nieuwe inschrijving, en is art. 3 niet van toepassing.

5. De toeziende voogd en de toeziende curator zijn, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt toe te zien, dat de hypothecaire inschrijvingen tot zekerheid van het beheer van den voogd of den curator genomen, binnen den bij art. 1 gestelden termijn worden vernieuwd. (B. 390, 428.)

De getrouwde vrouw, die bij huwelijksche voorwaarden hypotheek heeft bedongen, kan, zonder bijstand van haren man of magtiging van den regter, de hypothecaire inschrijving doen vernieuwen. (B. 1217d.)

6. De overschrijvingen van processen-verbaal van beslag op onroerende goederen, die, krachtens art. 505 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, vóór het in werking treden dezer wet hebben plaats gehad, kunnen binnen den bij art. 1 gestelden termijn worden vernieuwd

-ocr page 1398-

HYPOTHEKKN EN SCHEEPSBEWIJZEN.

op het oorspronkelijke proces-verbaal van inbeslagneming, dat te dien einde door den executant of zijnen procureur aan den hypotheekbewaarder zal worden aangeboden.

Alle overschrijvingen, waarvan op het tijdstip van het verstrijken van dien termijn de vernieuwing niet is geschied of aangevraagd, vervallen van regtswege en worden ambtshalve kosteloos doorgehaald.

7. Deze wet treedt in werking den eersten January 1879.

Gegeven op het Loo, 5 Junij 1878.

4268

-ocr page 1399-

i;

BIJZONDEEE WETTEN EN BESLUITEN.

(CHRONOLOGISCH GERANGSCHIKT.)

BESLUIT

VAN DEN SOUVEREINEN VORST

van 18 December 1813 n0. 5 (Stb. 1814 n0.1), betrekkelijk

de daarstelling van ccn Staatsblad der Vereenigde Nederlanden.

Artikel 1.

Er zal, van gouvernementswege, ten koste en ten behoeve van den Lande, een Staatsblad der Vereenigde Nederlanden worden uitgegeven, te beginnen met 1 Januarij 1814.

2. In het Staatsblad zullen alleenlijk geplaatst worden alle wetten, proclamatien, publicatien, en voorts zoodanige besluiten van den Souverein, als waarvan de publickmaking noodig of nuttig wordt geoordeeld.

3. De inseitie dezer stukken in het Staatsblad wordt beschouwd als derzelver publicatie, en als vervangende de bevorens gebruikelijke toezending van gedrukte exemplaren; zullende alle Gemeentebesturen uit dien hoofde verpligt zijn, zich van hetzelve, ten hunnen koste, te voorzien, (A. 2; Stb. 1852 n0. 92, zie hierachter.)

4. Het Staatsblad zal in octavo worden gedrukt, en, zonder vaste tijdsbepaling, worden uitgegeven, in diervoege als de stofte, daartoe voorhanden, zal vorderen.

5. Geen der voorz. stukken zal in eenig nieuwspapier opgenomen of publiek gemaakt mogen worden, voordat hetzelve in het Staatsblad is geinsereerd geweest.

6. Vervallen ingevolge art. 1 van het besluit van 22 December 1863 (Stb. n0. 149).

7. Vervallen als van tijdelijken, voorbijgaanden aard.

Gegeven in \'s-Gravenhage, 18 December des jaars 1813, en van onze Regering het eerste.

W i ffifii

11

ill

1

W

T-i\' ||

rf

i|

!i I

j

If i

t

i

1

^1ÉU

li li in

-ocr page 1400-

1270 bmzondere wetten en besluiten.

WET

van 1 Maart 1815 (Stb. n0. 21), houdende voorschriften

ter viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd.

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben de noodzakelijkheid om, op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, die daarop steeds den hoogsten prijs stelden, de pligtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den openbaren christelijken godsdienst toegewijd, door eenparige en voor de geheele uitgestrektheid der Vereenigde Nederlanden algemeen werkende maatregelen te verzekeren;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Dat op zondagen en op zoodanige godsdienstige feestdagen, als door de kerkgenootschappen van den christelijken godsdienst dezer landen algemeen erkend en gevierd worden, niet alleen geene beroepsbezigheden zullen mogen verrigt worden, welke den godsdienst zouden kunnen storen, maar dat in het algemeen geen openbare arbeid zal mogen plaats hebben, dan ingeval van noodzakelijkheid, als wanneer de plaatselijke regering daartoe schriftelijke toestemming zal geven.

2. Dat op deze dagen, met uitzondering van geringe eetwaren, geene koopwaren hoegenaamd op markten, straten of openbare plaatsen, zullen mogen worden uitgestald of verkocht, en dat kooplieden en winkeliers hunne waren niet zullen mogen uitstallen noch met opene deuren verkoopen.

3. Dat gedurende den tijd, voor de openbare godsdienstoefening bestemd, de deuren der herbergen en andere plaatsen, alwaar drank verkocht wordt, voorzooverre dezelve binnen den besloten kring der gebouwen liggende zijn, zullen gesloten zijn, en dat ook gedurende dien zelfden tijd geenerhande spelen, hetzij kolven, balslaan of dergelijke mogen plaats hebben.

4. Dat geene openbare vermakelijkheden, zooals schouwburgen, publieke danspartijen, concerten en harddraverijen, op de zondagen en algemeene feestdagen zullen gedoogd worden; zullende het aan de plaatselijke besturen worden vrijgelaten hieromtrent eene uitzondering toe te staan, mits niet dan na het volkomen eindigen var. alle godsdienstoefeningen.

5. Dat de plaatselijke policie zorg zal dragen, ten einde alle hinderlijke bewegingen en gerucht in de nabijheid der gebouwen, tot den openbaren eeredienst bestemd, en in het algemeen alles wat denzelve zoude kunnen hinderlijk zijn, voor te komen of te doen ophouden.

6. Dat de overtredingen tegen de bepalingen van dit besluit, naar gelang van personen en omstandigheden, zullen gestraft worden met eene boete van niet hoogerdan

-ocr page 1401-

WET V. 1 .MAART \'1815 EN BL\'SL. V. 15 JÜH IHIH. 1271

vijf-en-twintig guldens, of met hechtenis van niet langer dan drie dagen voor de overtreders die buiten staat mogten zijn deze boete te betalen.

7. Dat, wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, de boete of straf zal verdubbeld worden, en wijders alle de te koop gelegde of uitgestalde goederen verbeurd verklaard, en de herbergen of andere publieke plaatsen voor ééne maand gesloten.

En dat door deze algemeene verordeningen alle daarmede niet overeenkomstige provinciale of plaatselijke reglementen en inrigtingen zullen worden gehouden voor vervallen.

Art. amp; en 1 gehandhaafd en yeivijzigd bij art. 10 n0. 3 en 11 der Invoeringswet.

Gegeven in \'s-Gravenhage, 1 Maart des jaars 1815, het Tweede van Onze Regering.

*

BESLUIT

van 15 Juli 1818 (Stb. n0. 30), houdende verordeningen, betrekkelijk het doen van geregtelijke schouwingen.

Wij WILLEM, enz.

Overwegende de noodzakelijkheid, dat het doen van geregtelijke schouwingen en het opmaken van oordeelkundige visa reperta, ten gevolge van dezelve, alleen toevertrouwd zij aan zoodanige geneeskunst-oefenaren, welke daartoe de bekwaamheid en geschiktheid hebben;

En willende de rigtige wijze van handelen te dien opzigte op eene doelmatige wijze verzekeren:

Hebben goedgevonden en verstaan te arresteren, enz.

Artikel 1.

De geregtelijke schouwingen van lijken van zoodanige personen, welke op eene gewelddadige wijze zijn of schijnen te zijn omgekomen, hetzij zonder eenige vóór den dood toegebragte genees- of heelkundige hulp, hetzij na eene vruchtelooze aanwending daarvan, zullen moeten geschieden door beëedigde geregtelijke arrcndissements-medicinae doctores en heelmeesters, welke te dien einde zullen aangesteld worden, en ter requisitie en ten overstaan van zoodanige justiciële en politieke autoriteit, onder wier jurisdictie of ressort het voorval plaats heeft, met adsistentie, daar het zijn kan, van eenen openbaren leeraar in de ontleedkunde.

Tot het bijwonen dier schouwingen moeten geroepen worden die doctores en heelmeesters, welke den doode eenige hulp mogten hebben toegebragt.

2. De schouwcedel, door de gerequireerden in te leveren

-ocr page 1402-

bijzondere wetten en besluiten.

on door allen, ook door de doctores en heelmeesters die den doode geadsisteeid hebben, te onderteekenen, moet alleen behelzen een getrouw en naauwkeurig relaas van hetgeen door hen aan zoodanig lijk gezien en gedaan is, waarbij gevoegd moet worden een relaas van hetgeen de doctores en heelmeesters, die den doode bijgestaan hebben, van den beginne der behandeling af tot den dood aan denzelve gezien en gedaan hebben, door dezen gegeven en geteekend.

3. In gevalle van vermoedelijke vergiftiging zullen ge-requireerden tot de schouwingen eenen apotheker, of, in plaatsen waar dezelve gevonden wordt, een openlijken leeraar in de scheikunde kunnen adsumeren, die dan bij de schouwcedel een relaas zal moeten voegen, niet alleen het resultaat behelzende van de proeven, tot het ontdekken van het vergif door hem genomen, maar de proefnemingen zelve beschrijvende, zooals die in tegenwoordigheid van de gerequireerden tot de schouwingen zullen zijn in het werk gesteld.

4. Van deze enkele verklaringen der visa reperta bij de schouwcedel moet afgescheiden zijn het oordeel, over het voorhanden zijnde geval uit te brengen, als moetende dit bestaan in eene oordeelkundige conclusie, op reden en ondervinding steunende, nopens de wijze en het gevaar der toegebragte wonde of ander gedaan geweld en de ware oorzaak des doods.

5. Tot het opmaken dier conclusie en het vellen van dat oordeel moeten de doctores en heelmeesters, die den doode bijgestaan hebben, niet geroepen worden; maar zulks moet geschieden door den geregtelijken arrond ssements-doctor en heelmeester, met adsumtie, wanneer het belang der zaak en de moeijelijkheid van uitspraak in sommige gevallen zulks mogten vorderen, van één of twee leden uit de provinciale of plaatselijke geneeskundige commissie, door hunne professie daartoe gequalificeerd.

6. De bepalingen in bovenstaande artikelen vervat, zullen insgelijks toepasselijk zijn en inachtgenomen worden bij geregtelijke schonwingen, ingeval van verwondingen, kneuzingen, enz. die op eene gewelddadige wijze zijn of schijnen te zijn toegebragt, of van vermoedelijke vergiftiging, zonder dat de dood des lijders daarvan het gevolg geweest is.

BESLUIT

van 14 November 1827 (Stb. n0. 51), betrekkelijk hel helleer van gelden en goederen van zeelieden, die, ter koopvaardij uitvarende, op de reis komen te overlijden of vermist raken.

Wij WILLEM, enz.

Gezien de rapporten Onzer Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie, alsmede van het Amortisatie-Syndicaat,

1272

-ocr page 1403-

-

BESLUIT VAN 14 NOVICMBKR 1827.

op een verzoek van het weldadig zeemansfonds te Amsterdam, omtrent de gelden en goederen van zeelieden, die ter koopvaardij zijn uitgevaren en op de reis zijn overleden of vermist geraakt;

Den Raad van State gehoord ;

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den 24 Augustus 1.1., n0. 43;

Den Raad van State nader gehoord;

Gezien de wet van den 20 December 1823 (Stb. n0.53);

Gezien art. 52, II Boek, IV Titel van het intevoeren Wetboek van Koophandel (Stb. van 1826 n0. 82; K. 430.)

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

De schippers, eigenaars of boekhouders der koopvaardij-chepen zullen de nagelaten goederen, gelden en verdiende gagien van zoodanige schepelingen, welke gedurende de reize overleden, achtergebleven of vermist zijn, en bijaldien de erfgenamen of representanten onbekend of uitlandig mog-ten wezen, of zich niet mogten aanmelden, doen overbrengen in de kas der geregtelijke consignatien, ten einde daarmede op den voet der wet van den 20 December 1823 (Stb. n0,53) te worden gehandeld.

Voor zooverre het nagelatene geheel of gedeeltelijk mogt bestaan uit andere voorwerpen dan gereede penningen, zullen die voorwerpen in het voorgestelde geval, op de wijze bij de administratie gebruikelijk, in het openbaar verkocht, en de opbrengst daarvan in de kas der geregtelijke consignatien gestort worden.

2. Voorzooverre de overledene, achtergeblevene of vermiste schepelingen buitenlanders of vreemdelingen mogten geweest zijn, van wier natie zich hier te lande een konsul of ander agent bevindt, zal van het overlijden, achterblijven of vermissen aan den konsul of agent worden kennis gegeven door den waterschout, wanneer zich zoodanig ambtenaar op de plaats der aankomst van het vaartuig bevindt, of anderzins door het gemeentebestuur van zoodanige plaats, ten einde het overlijden, achterblijven of vermissen worde gebragt ter kennisse der belanghebbenden, en ten einde dezen tot het doen der vereischte reclames in staat te stellen.

3. De waterschouten of, bij ontbreken van dezelven, de gemeentebesturen zullen mede aan de ambtenaren van liet domein doen toekomen een uittreksel uit de monsterrol, voorzooveel betreft de overledene, achtergeblevene of vermiste schepelingen, en zullen daarbij vermelden of de erfgenamen, representanten of andere belanghebbenden al dan niet bekend zijn, en wie als zoodanig zijn opgegeven.

4. Insgelijks zullen in de kas der geregtelijke consignatien worden overgebragt alle van vroegeren tijd nog aanwezige gelden en goederen van den voorz. aard, naar welke door de ambtenaren van het domein de vereischte naspo-fingen zullen worden gedaan: zullende de waterschouten,

1273

!

-ocr page 1404-

bijzondere wetten en besluiten.

gemeentebesturen en alle andere autoriteiten daaromtrent aan die ambtenaren op hunne aanvrage alle mogelijke inligtingen geven.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 14 November 1827, van Onze Regering het veertiende.

BESLUIT

van 30 Augustus 1829 (Stb. n0. 6i), houdende bepalinc/pn nopens hel verlossen uit de slavernij van slaaf gemaakte schepelingen.

Wij WILLEM, enz.

Gezien art. 40, tweede lid, mitsgaders artt. 41 en 42 van den vierden titel des lleu boeks van het Wetboek van Koophandel (Wet van 23 Maart 1826, n0.32); (K. 433, 434,435.)

En willende vaststellen en bepalen al hetgeen betrekkelijk is tot het bedrag, de wijze van betaling en het gebruik der gelden, bestemd om een schepeling, in het geval van het eerste lid van art. 40 van voorschreven titel verkeerende, uit de slavernij te verlossen;

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van 19 Juni 11, n». 116;

Den Raad van State gehoord;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

Wanneer een schepeling, in het geval vermeld bij het eerste lid van art. 40 van den vierden titel des IIen boeks [art. 433] van het Wetboek van Koophandel, is slaaf gemaakt, is de schipper of de reederij van het schip gehou-den, om, binnen acht dagen na de behouden aankomst van het schip, zich bij verzoekschrift, met overlegging van een uittreksel uit het scheepsjournaal, tot die gebeurtenis betrekkelijk, te wenden aan de regtbank van het arrondissement, binnen welks ressort het schip te huis behoort, ten einde te doen bepalen het geheele bedrag der som wegens schadeloosstelling van den losprijs verschuldigd, in verhouding tot het erkende getal gevangen genomen zeelieden.

2. De regtbank zal daarna een dag bepalen, waarop de schipper of de reederij, mitsgaders (zoo daartoe, naar aanleiding van het 2de lid van art. 41 van voorschreven titel [art. 434], termen zijn) de eigenaars der lading zullen worden gehoord, en zal voorts de geheele som regelen, welke door de reederij, of door deze en de eigenaars der lading, als losprijs zal behooren gestort te worden.

3. Het bedrag der schadeloosstelling wordt bepaald op vijf honderd guldens (ƒ 500) per hoofd, voor ieder gevangene of slaaf.

4. De door de regtbank als losprijs bepaalde som zal.

1274

-ocr page 1405-

13ESL. V. 30 AUG. 1829 EN V. 16 JUNI 1830,

binnen den tijd van 14 dagen na uitspraak der regtbank, worden gestort in handen van een curator, daartoe bij diezelfde uitspraak te benoemen.

Ingeval die storting mogt achterblijven, zal de benoemde curator gehouden zijn om de uitspraak tegen de reeders van het schip, of tegen het schip en de eigenaars der lading, tenuitvoer te doen leggen.

5. De curator zal, onder het toezigt van den daartoe aantewijzen regter-commissaris, alle middelen in het werk stellen om den schepeling te doen loskoopen, en zal inmiddels de renten van den losprijs doen strekken tot verzachting van het lot van den schepeling of van zijne teruggeblevene huisvrouw of kinderen.

6. Indien de schepeling vóór zijne loskooping mogt komen te overlijden, zal de bij art. 2 vermelde som aan zijne erfgenamen worden uitgekeerd.

Indien de schepeling zijne vrijheid door zijne eigene pogingen op eenige andere wijze heeft bekomen, zal hij niettemin geregtigd zijn om den losprijs te vorderen.

7. Het verzoek tot de bepaling van den losprijs zal, bij ontstentenis of verzuim van den schipper of der reeder ij, door de nabestaanden van den schepeling kunnen worden gedaan.

8. Al hetgeen hierboven is vastgesteld zal plaats hebben zonder vorm van proces, en zullen alle stukken daartoe betrekkelijk gratis voor zegel en registratie worden geviseerd.

Gegeven te Brussel, 30 Augustus des jaars 1829, het zestiende van Onze Regering.

BESLUIT

van 16 Juni 1830 (Stb. n0. 26), regelende de uitvoering van art. 30 van den iden titel des eersten hoeks van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

Wu WILLEM, ENZ.

Gezien art. 30 van den 4den titel des Isten boeks van liet Burgerlijk Wetboek (Wet van 26 Juni 1822 (Stb. n0.12); (B. 111.)

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van 28 Mei 11. n0. 68;

Den Raad van State gehoord;

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 12 dezer, n0. 79;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen, gelijk geschiedt bij deze, dat de Officieren van Justitie bij de arron-faements-regtbanken de bevoegheid zullen hebben, om, in Onzen naam, uit hoofde van gewigtige redenen, dispensatie \'e verleenen van de tweede huwelijksafkondiging; zullende ^ gemelde Officieren van Justitie in dat geval verpligt zijn ongt; de oorspronkelijke akte, waarbij de dispensatie is ver-

1275

-ocr page 1406-

b1.iz0ndkre wetten en besluiten.

leend, neder te leggen ter griffie van de arrondissements-regtbank van derzelver ressort.

Het Loo, 16 Juni 1830.

WET

van 26 Mei 1841 (Stb. nquot;. 14), houdende nadere bepa-linqen nopens do consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curatele gestelde personen toehehooren.

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat, naar de voorschriften, vervat in de artikelen 391 en 506 van het Burgerlijk Wetboek, in de daarbij bedoelde gevallen, de consignatie kan worden bevolen van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curatele gestelde personen toebehooren, en zoowel het belang der ingezetenen als dat van den Staat vordert, dat met betrekking tot de bedoelde consignatien nadere bepalingen worden vastgesteld.

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De bewaring dor effecten aan toonder, welke, naar de voorschriften van artikelen 391 en 506 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden geconsigneerd, wordt opgedragen aan de bewaarders van de hypotheken en het kadaster in de residentien der Geregtshoven gezamenlijk met de griffiers dier hoven. Wij behouden Ons voor, om ook in zoodanige arrondissements-hoofdplaatsen, als door Ons noodig of nuttig mogt worden bevonden, die bewaring voor het arrondissement op te dragen aan den aldaar gevestigden bewaarder van de hypotheken en hel kadaster, gezamenlijk met den griffier van de Arrondissements-Regtbank.

Besluit van 1 Februari 1876 (Stb. n0. 36), ter uitvoeringvan art.\\ der Wetvan 26Meil841 (Stb.n0.14): De bewaring der effecten aan toonder, welke, naar de voorschriften van de artikelen 391 en 506 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden geconsigneerd, wordt in de provinciën Zeeland, Utrecht, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, voor ieder arrondissement, opgedragen aan den in de hoofdplaats van het arrondissement gevestigden bewaarder der hypotheken, gezamenlijk met den griffier der arrondissement-regt-bank.

2. De bewaring zal worden gedaan, aan de kantoren van de eerstgenoemde ambtenaren, in kasten of kisten welke behoorlijke zekerheid aanbieden tegen schade van brand als anderzins, voorzien van twee ongelijk werkende sloten, waarvan één sleutel zich zal bevinden in handen van den

1276

-ocr page 1407-

WET VAN 26 MEI 1844.

bewaarder van de hypotheken en het kadaster en de tweede in die van den betrokken griffier.

3. De kasten of kisten, waarin de effecten aan toonder zijn geconsigneerd, zullen nimmer mogen worden geopend of gesloten dan in tegenwoordigheid van beide de ambtenaren aan wie de bewaring der sleutels is opgedragen.

é. In geval van z ekte of afwezendheid van de vorenbedoelde ambtenaren, zullen zij respectivelijk worden vervangen door dengene aan wien de waarneming hunner betrekking tijdelijk is opgedragen.

5. De inbewaarstellingen zullen niet anders kunnen geschieden dan aan het kantoor in de provincie of in het arrondissement alwaar de bewaargever zijne woonplaats heeft gevestigd.

6. Geene inbewaarneming van elfecten aan toonder of teruggave van dezelve, met uitzondering van de vervallene coupons van interest, zal mogen plaats hebben dan tegen overlegging, in behoorlijk authentiek afschrift, van het door den kantonregter of, in gevalle van hooger beroep, door de Arrondissements-Regtbank gegeven regterlijk bevel tot consignatie of tot teruggave, waarin de in bewaring te stellen of terug te geven stukken naauwkeurig zullen moeten zijn omschreven.

7. De coupons van interest zullen na derzelver respective vervaldagen, uiterlijk binnen acht dagen nadat de aanvrage tot afgifte zal zijn gedaan, aan de daarop regthebbenden worden uitgereikt.

8. Wanneer, hetzij tot het verkrijgen van stellen nieuwe coupons, hetzij tot eenig ander einde, de overlegging der eitecten of der zoogenaamde talons wordt vereischt, zal die overlegging of opzending door de bewaargevers zeiven en op hunne verantwoording geschieden, doch de tijdelijke afgifte der stukken niet anders kunnen worden gedaan dan krachtens een regterlijk bevel, zooals in art. (3 hier-voren is vermeld, in welk bevel tevens zal moeten zijn bepaald, binnen welken termijn de stukken weder in bewaring zullen moeten zijn gebragt.

Deze termijn zal ten verzoeke der bewaargevers, des noodig, bij nader regterlijk bevel kunnen worden verlengd.

9. Indien de bewaargevers in gebreke blijven om de stukken binnen den bepaalden termijn weder in bewaring te brengen, zal de bewaarder van de hypotheken en het kadaster daarvan kennis geven aan den betrokken kantonregter, die, des noods na verhoor van de personen, bij art. 890 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, zal kunnen bevelen, dat de hypotheek worde vergroot, behoudens de verdere maatregelen welke de toeziende voogd mogt geraden oordeelen, en onverminderd de tusschenkomst der bloedverwanten en aangehuwden des minderjarigen, of zelfs van het openbaar ministerie indien er vermoeden van ontrouw mogt bestaan.

10. De inbewaargevingen of teruggaven van stukken, daarin ook begrepen de ver-vallen coupons, zullen altijd geschieden tegen afgifte of overneming van een bewijs.

1277

-ocr page 1408-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

waarin de geconsigneerde of teruggegevene stukken behoorlijk zullen moeten zijn omschreven.

11. Het toezigt over de verrigtingen der ambtenaren betrekkelijk de consignatie in deze bedoeld wordt bepaaldelijk opgedragen aan de hoofdambtenaren van de registratie.

12. Het rijk is, ter zake der in bewaring zijnde stukken, jegens de belanghebbenden aansprakelijk naar de regelen, bij artikelen 1743 en 1745 van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de vrijwillige bewaargevingen vastgesteld.

13. De bewaarders van de hypotheken en het kadaster zijn jegens het rijk verantwoordelijk voor al de schade, welke door de schatkist zou moeten worden vergoed ter zake van verliezen uit verkeerde handelingen of de niet opvolging van gemaakte bepalingen voortspruitende.

14. De ambtenaar, met de bewaring van den tweeden sleutel belast, zal met den betrokken bewaarder solidair verantwoordelijk zijn, voorzooverre de verliezen ook aan zijne verkeerde handelingen of aan nalatigheid van zijne zijde rnogten zijn toe te schrijven.

15. Wegens de verrigtingen ter zake van de hiervoren gemelde consignatien zal ten laste van de minderjarigen of onder curatele gestelde personen een bewaarloon kunnen worden gevorderd, ten beloope van twee ten honderd van de renten, welke de effecten over den tijd dat de consignatie duurt zullen opleveren, invorderbaar bij gelegenheid en naar gelang der afgifte van de verschenen coupons of van de ellecten.

Dit bewaarloon zal door de ambtenaren met de bewaring belast worden genoten, te weten; drie vierden door den bewaarder van de hypotheken en het kadaster, en een vierde door den griffier. Wanneer het bewaarloon meer mogt bedragen dan het een derde van de overige bezoldiging en salarissen van den bewaarder, zal dat meerdere bedrag aan het rijk vervallen.

16. Al de stukken tot in deze bedoelde consignatien be-betrekkelijk zijn vrij van zegel, en in de gevallen dat de registratie dier stukken wordt vereischt zal de formaliteit gratis worden verleend, en zullen geene vacatiën door de kantonregters en griffiers voor hunne werkzaamheden in deze mogen in rekening gebragt worden.

17. Wij behouden Ons voor om al wat lot de uitvoering dezer wet behoort, in verband met de vorenstaande bepalingen, te regelen of te doen regelen.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 26 Mei 1841.

1278

-ocr page 1409-

WET VAN 9 OCTOBER 1841.

WET

van 9 October 1841 (Stb. n0. 4\',2), betrekkelijk de regts-

magt der hooge en andere heemraadschappen, dijken polderbesturen, enz., gewijzigd door art. 3d en 10 nquot;. 5 der Invoeringswet.

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen de noodzakelijkheid om de magt der hooge en andere heemraadschappen, wateringen, waterschappen, dijk- en polderbesturen en andere dergelijke kollegien in overeenstemming te brengen met de tegenwoordige regterlijke instellingen, en tevens te zorgen dat, bij het vervallen van de door sommige van die kollegien uitgeoefende regtsmagt, de gewichtige belangen, die aan hun beheer zijn toevertrouwd, genoegzaam verzekerd blijven;

Gelet op art. 164, in verband met het IXde hoofdstuk der grondwet; (G. 155.)

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De hooge en andere heemraadschappen, wateringen, waterschappen, dijk- en polder-besturen en andere dergelijke kollegien zullen geene regtsmacht hebben of kunnen uitoefenen.

2. De kollegien en besturen, in art. 1 genoemd, die reeds op openbaar gezag bestaan of als zoodanig in het vervolg mogten ingesteld worden, zullen het regt hebben:

1°. Om de door hen noodig gekeurde werken en opruimingen, hetzij gewone of buitengewone, zoowel bij weigering of nalatigheid van de daartoe verpligten als bij dringend of dreigend gevaar, ten koste van dezelven te doen uitvoeren. (Stb. 1895 n0. 139, zie hierachter.)

2°. Om, in gevallen van dringend of dreigend gevaar, de voorwerpen, tot waterkeering benoodigd, welke zich iu den omtrek bevinden, aan derden toebehoorende, behoudens behoorlijke schadevergoeding, tot zich te nemen.

3°. Om aarde te mogen halen, ter naaster lage en minster schade, tot het maken, verleggen, verbeteren of herstellen van dijken en waterkeeringen, inachtnemende de bijzondere verordeningen daaromtrent bij de bestaande of nader te maken keuren en reglementen vastgesteld of vast te stellen; alles behoudens behoorlijke schadevergoeding, zoo mogelijk vooraf te begrooten. Hiervan zijn uitgezonderd die gronden waarop de verpligting tot aardlevering zonder vergoeding, of wel tegen eenen bepaalden prijs, mogt rusten. (Onteigen.w., a. 62 v., zie hierachter.)

3. De kollegien en besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, zullen bij dwangbevel, medebrengende het regt van parate executie, dat is het regt om de goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten, kunnen invorderen.

a. Van de dijk , polder-, schot- en andere pligtigen, alle

1279

-ocr page 1410-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

de omslagen en lasten, het dijksdistrict of den polder betreflende ;

b. Van de daartoe verpligten, alle de kosten der werken en opruimingen, bij n0. 1 van art. 2 bedoeld, of van al wat in strijd met de bestaande reglementen en gebruiken of de voorschriften, naar aanleiding daarvan gegeven, mogt zijn gebouwd, geplaatst, gemaakt, gedaan of geplant, met uitzondering nogtans van de beloopene boeten;

c. Van hunne ontvangers, rentmeesters, penningmeesters, gaarders of andere hoe ook genaamde rekenpligtigen, gelijk mede van derzelver borgen, de gelden, aan de kollegien of besturen toebehoorende of verschuldigd, en welke in de kassen dier opgenoemde rekenpligtigen aanwezig zijn of moeten zijn, en wijders alle andere voorwerpen, het eigendom dier kollegien uitmakende.

4. Voorzoover nogtans door sommige der in art. 1 en 2 bedoelde kollegien en besturen, de dijk- en polder-omslagen, of verdere lasten, volgens derzelver instellingen of reglementen, niet regtstreeks van de dijk- en polderpligtigen of andere schuldpligtigen worden ingevorderd, maar de gemeente-, ambachts- of polderbesturen daarvoor worden aangeslagen, zullen die omslagen en lasten, bij wanbetaling, worden verhaald volgens de bepalingen, te dien opzichte bij de bestaande reglementen gemaakt of nader vast te stellen.

5. Het regt om bij dwangbevel en parate executie te procederen zal in de gevallen, bij art. 3, litt. a en b bedoeld, niet langer openstaan dan gedurende den tijd van drie jaren, nadat de omslagen of ce kosten der werken of opruimingen invorderbaar verklaard zijn.

6. Alvorens van het bedoelde regt gebruik worde gemaakt, zal de ontvanger of andere hoe ook genaamde rekenpligtige aan iederen schuldpligtige, vallende in de termen van art. 3, litt. a en b, eene schriftelijke waarschuwing doen toekomen, houdende opgave der verschuldigde som, van de oorzaak der schuld, de keur, het reglement of de beschikking, waarop de vordering gegrond is, het tijdvak waarover, of wel het werk of de opruiming waarvoor de betaling gevraagd wordt, voorts van de plaats der betaling en den tijd, binnen welken deze betaling zal moeten geschieden.

Deze tijd zal niet korter mogen zijn dan van veertien dagen.

7. Geene betaling binnen den gestelden tijd gevolgd zijnde, zullen de ontvangers of andere hoe ook genaamde rekenpligtigen den schuldpligtige in persoon of aan zijne woonplaats door eenen bode of bediende van het kollegie of bestuur of door eenen deurwaarder, daartoe bijzonder gevolmagtigd, doen sommeren om binnen eenen bepaalden tijd, die niet minder zal zijn dan van zeven vrije dagen, het verschuldigde te voldoen. Van die sommatie zal afschrift worden uitgereikt.

8- De sommatie en de waarschuwing, in artt. 6 en 7 vernield, zijn vrij van zegel en registratie.

1280

-ocr page 1411-

WET VAN 9 OCTOBER 1841.

9. Ingeval de schuldpligtige niet woonachtig is binnen het district of den polder, alwaar de goederen gelegen zijn waarvoor het achterstallige verschuldigd is, zal de bedoelde waarschuwing, alsmede de sommatie, worden afgegeven, ter woonplaats van den bruiker van het goed, of wel van den zaakgelastigde van den schuldpligtige, of, bij ontstentenis van den een\' en den anderen, aan het hoofd van het plaatselijk bestuur.

10. Indien op de gedane sommatie geene betaling volgt, zal het dwangbevel worden uitgevaardigd.

Dit dwangbevel zal op de gewone wijze en voorts gelijk bij art. 6 ten opzigte der waarschuwing is vastgesteld worden ingerigt.

De afgifte zal geschieden door den ontvanger of anderen rekenpligtige nadat het dwangbevel uitvoerbaar zal zijn verklaard door den president van het koliegie of het bestuur uit welks naam de betaling wordt gevorderd of hetwelk, volgens de bijzondere reglementen, daartoe bevoegd is. (Stb. 1855 n». 102, a. 17.)

11. De beteekening en verdere tenuitvoerlegging zal geschieden door den bij art. 7 bedoelden bode of bediende van het koliegie of bestuur of door eenen deurwaarder, alles op de wijze bij het Wetboek van Durgerlijke Regtsvordering ten aanzien van het geregtelijk tenuitvoerleggen van vonnissen en authentieke akten bepaald, of bij nadere wetten te bepalen. (Rv. 430 v.)

Tusschen de beteekening van het dwangbevel en het inbeslagnemen der goederen zal een tijdsverloop moeten zijn van zeven vrije dagen.

12. Degene, tegen wien het dwangbevel is uitgevaardigd, zal daartegen kunnen komen in verzet totdat het dwangbevel, volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering ten aanzien der vonnissen vastgesteld, zal gerekend kunnen worden ten uitvoer te zijn gelegd.

Dit verzet, binnen den bovengemelden termijn en in de hierna voorgeschreven vormen gedaan zijnde, stuit voor-loopig de uitvoering van het dwangbevel; zullende bij de akte van verzet de middelen, waarop het gegrond is, duidelijk moeten worden omschreven. (Rv. 82.)

13. Het verzet op grond dat de schuldpligtige, ofschoon zijne dijk- of polderpligtigheid niet ontkennende, echter beweert in de dijk- of polderlasten te hoog te zijn aangeslagen, of wel dat de kosten van werken of opruimingen, welke, ingevolge art. 3, litt. b, ten zijnen laste gebragt worden, onnoodig of te hoog berekend zijn, of dat hem de noodige tijd om die zelf te verrigten, niet gegund is, zal geschieden, buiten eenigen vorm van proces, bij request, in te dienen bij het koliegie of bestuur hetwelk de zaak aangaat, en dat hierop naar bevind van zaken zal beschikken. Voorzoover de geëxecuteerde daarbij in het ongelijk mogt worden gesteld, zal hij zich binnen den tijd van eene maand, te rekenen van den dag waarop hem die beschikking zal be-teekend zijn, mede bij request kunnen wenden tot Gedeputeerde Staten der provincie, waaronder het vorderend koliegie

1281

81

-ocr page 1412-

BIJZüNDKKE WETTEN EN BESLUITEN.

of bestuur behoort, mits voorafgaande voorloopige betaling van het verschuliligde.

In beide gevallen zal binnen 24 uren na het indienen van het request het gedaan verzet aan hem die het dwangbevel heeft uitgevaardigd moeten beteekend worden. (Stb. 1855 n». 102, a. 18.)

14. Gedeputeerde Staten zullen partijen gelasten hare zaak mondeling of schriftelijk te verdedigen, naar mate de omstandigheden dit zullen vereischen, en voorts, na verhoor van het betrokken kollegie of bestuur, zoodanige eindbeschikking nemen als zij, in overeenstemming met de reglementaire voorschriften, zullen vermeenen te behooren.

15. Alle verzet, op eenen anderen grondslag gedaan dan die in art. 13 vermeld is, en de opvordering van eigendom der in beslag genomene goederen door derden, zullen, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, moeten worden aangebragt bij de Arron-dissements-Regtbank, waaronder de kollegien of besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, behooren of de goederen gelegen zijn, ten einde daaromtrent summierlijk in het laatste ressort of behoudens hooger beroep, naar gelang der zaak, uitspraak te doen. (Rv. 538 v.)

16. Het verzet wegens verzuim in de vormen zal niet worden toegelaten, wanneer de geëxecuteerde reeds van het middel van verzet, bij art. 13 vermeld, zal hebben gebruik gemaakt.

17. In de gevallen, bij art. 15 bedoeld, zullen zoowel ten aanzien van het bewijs der daadzaken, die tot de executie aanleiding gegeven hebben, als ten opzichte der schuld-pligtigheid, de gewone regelen van regten niet worden gevolgd, maar die daadzaken en die schuldpligtigheid als in regten voor bewezen worden gehouden, wanneer dezelve zullen zijn geconstateerd, of daarvan blijken zal op zoodanige wijze als met de reglementen van ieder der voormelde kollegien of besturen overeenstemt, behoudens het tegenbewijs.

18. In dezelfde gevallen zal de partij, die het verzet heeft ingesteld, van de daaromtrent gedane uitspraak niet in hooger beroep worden toegelaten dan na voorafgaande provisionele betaling van het verschuldigde, waarvan het bewijs aan den hoogeren regter zal moeten worden overgelegd. Hiervan zullen nogtans zijn uitgezonderd de gevallen, die de opvordering van eigendom der in beslag genomen goederen door derden betreffen.

19. Wanneer van het regt van parate executie gebruik wordt gemaakt tegen de ontvangers en andere rekenpligtigen en derzelver borgen, zal het dwangbevel tegen hen door de kollegien en besturen, waaronder zij behooren, zelve worden afgegeven en door den president executoir worden verklaard. (Stb. 1855 n0. 102, a. 17.)

20. Alle vervolging ter betaling van boeten, wegens overtredingen of het niet naleven der keuren of reglementen van de kollegien of besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, zal, met inachtnemirg der bepalingen der Wet op de Regter-

1282

i

-ocr page 1413-

WET VAN 9 OCTOBER 1841.

lijke Organisatie, ter kennisse en beslissing van den gewonen regter gebragt en door het openbaar ministerie bij denzelve vervolgd worden: zijnde de bepalingen in art. 17 vervat op de hier bedoelde gevallen mede toepasselijk.

liet verhaal der boeten, zal geschieden in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie.

21. De presidenten, de leden en de beëedigde beambten van gedachte kollegien of besturen, zijn, evenals de kolle-gien of besturen zeiven, bevoegd overtredingen te constateren.

Hunne processen-verbaal zullen geloof verdienen totdat het tegendeel wordt bewezen.

22. Het zal aan de kollegien en besturen, bij artt. 1 en 2 bedoeld, vrijstaan om met de bekeurden, ter zake voorschreven, in schikking te treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschap.

23. Vervallen.

24. Alle vorderingen ter zake van onvoldane omslagen of herstellingen, de kollegien en besturen bij artt. 1 en 2 bedoeld betreffende, mitsgaders ter zake van de kosten der door die kollegien of besturen noodig gekeurde werken en opruimingen, zullen na verloop van vijf jaren zijn verjaard, te rekenen van het tijdstip dat dezelve omslagen en kosten invorderbaar verklaard zijn, of, ingeval van vervolging, van het oogenblik der laatste geregtelijke akte.

De verjaring van alle actiën ter zake van invorderingen van de ontvangers of andere hoe ook genaamde beambten der meergenoemde kollegien of besturen en derzelver borgen zal dezelfde zijn als bij het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. (B. 2004 v.)

25. Aan de kollegien en besturen, in artt. 1 en 2 bedoeld, wordt voor de dijk- en polderomslagen, herstellingen of andere lasten, het dijk- en polderbestuur betreffende, op de gronden, land en andere eigendommen, welke aan die lasten of omslagen onderworpen zijn, het regt van privilegie toegekend.

Dit privilegie zal stand houden gedurende twee jaren, te rekenen van den dag waarop de verschuldigde omslagen en lasten invorderbaar zijn geworden in dier voege, dat, wanneer binnen dien tijd de goederen voor de verschuldigde achterstallige lasten niet bepaaldelijk zullen zijn aangesproken en vervolgd geworden, het voorschreven privilegie zal vervallen zijn.

Hetzelve privilegie zal geenerlei nadeel toebrengen aan zoodanige verbanden of privilegiën, als vóór de afkondiging dezer wet zijn verkregen, maar daarentegen drukken op alle dezoodanige, die na dat tijdstip ontstaan, en boven welke hetzelve alzoo den voorrang hebben zal.

Het voorschreven privilegie wordt in alles gelijk gesteld met dat in art. 1185 nö. 4 van het Burgerlijk Wetboek omschreven, en zal mitsdien uitgeoefend en gerangschikt worden, zooals te dien aanzien in artt. 1193 en 1194 van het voorschreven wetboek is bepaald. (Stb. 1855 n0.102,a. 22.)

1283

-ocr page 1414-

•1284

26. Alle vroegere wetten met de tegenwoordige wet gehouden voor afgeschaft.

Gegeven te \'s-Gravenhage, en bepalingen, voorzoover die strijdig mogten zijn, worden

9 October 1841.


BESLUIT

van 25 Augustus 1843 (Stb. n0. 36), betrekkelijk dekasten

van onderhoud van gegijzelde schuldenaren, gewijzigd bij besluit van 15 Maart 1873 (Stb. n0. 40).

Wu WILLEM, enz.

In aanmerking nemende, dat bij art. 592 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering aan schuldeischers de verpligting is opgelegd om bij de uitoefening van lijfsdwang, iedere dertig dagen voor te schieten eene toereikende som tot onderhoud van den schuldenaar, volgens een door Ons vastgesteld tarief;

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van 27 Julij 1843, n». 60;

Den Raad van State gehoerd (advies van 11 Augustus 1843, n0. 3);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 21 Augustus 1843, n0. 39;

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 2.

In geval van ontslag of overlijcen van eenen gegijzelde, gedurende zijn verblijf in de gevangenis, is de cipier ver-pligt tot teruggave van hetgeen ten gevolge van het vroeger ontslag of overlijden bij voorschot te veel betaald is.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 25 Augustus 1843.

Art. 1 en 3 van dit Besluit zijn vervangen eerst door het Besluit van 27 Juli 1856 (Stb. n0. 74), daarna door het Besluit van 15 Maart 1873 (Stb. n\'1. 40) bepalende :

Dat, te rekenen van 1 April 1873 voor het onderhoud van gegijzelde schuldenaren door de schuldeischers, iedere dertig dagen, aan de directeuren of cipiers dei-gevangenissen zal worden voorgeschoten een gulden twintig cents (f 1,20) per dag gedurende de maanden April, Mei, Junij, Julij, Augustus en September, en een gulden veertig cents (f 1.40) per dag gedurende de andere maanden van het jaar.

-ocr page 1415-

BESI.UIT V. 25 AUGUSTUS 1843 KN WET V. 22 MEI 1845. 1285

WET

van 22 Mei 1845 (Stb. n0. 22) op de invordering van

\'s Rijks directe belastingen, gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1869 (Stb. n0. 133), de Invoeringswet, de Wel op d? Bedrijfsbelasting, de Wet op de Personede belasting en bij de Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). d)

Wij WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de invordering van \'s rijks directe belastingen en den voorrang van \'srijks schatkist te dier zake bij eene algemeene wet te regelen;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De invordering der directe belastingen geschiedt krachtens de door den provincialen inspecteur executoir verklaarde en door het hoofd van het plaatselijk bestuur afgekondigde kohieren.

De afkondiging houdt in, dat het kohier aan den ontvanger ter invordering is ter hand gesteld, en dat ieder verpligt is zijnen aanslag, op den bij de wet bepaalden voet, te voldoen.

Van de afkondiging en overgave van het kohier wordt door het hoofd van het plaatselijk bestuur aanteekening gedaan op het kohier, met vermelding van den dag waarop een en ander is geschied.

2. Na de overneming van het kohier, zendt de ontvanger, zoodra mogelijk en kosteloos, aan ieder belastingschuldige een gedagteekend aanslagbiljet, bevattende den naam van den belastingschuldigde, mitsgaders aanwijzing van het bedrag van den aanslag, van de plaats van betaling, van de dagen en uren waarop de ontvanger zitting houdt, van den ambtenaar of het collegie, bij welke de bezwaarschriften kunnen worden ingediend, en van den termijn daartoe bij de wet bepaald, en eindelijk uitnoodiging tot betaling vóór of op de vervaldagen, op straffe van vervolging.

Wanneer, wat de grondbelasting betreft, de belastingschuldige niet woont in eene der gemeenten, tot het kantoor van ontvangst behoorende alwaar hij is aangeslagen, kan het aanslagbiljet worden toegezonden aan den huurder, pachter of bruiker, of, tot meerdere perceeien betrekking hebbende, aan den huurder, pachter of bruiker van dat gedeelte der goederen, hetwelk, volgens de registers van het kadaster, het hoogste inkomen oplevert, mits zoodanige huurder, pachter of bruiker in eene van die gemeenten woonachtig zij.

a) Volgens art. 53 dor \\V. vcrm. bel. is deze wet niet van toepassing op de invordering van de vermogensbelasting.

-ocr page 1416-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

3. De ontvangers zijn verpligt voor iedere betaling onmiddellijk quitantie op het aanslagbiljet te stellen.

Indien het aanslagbiljet in het ongereede mogt zijn geraakt, moet een duplicaat van hetzelve opgemaakt, en tegen betaling van vijf cents, behalve het zegelregt, indien dc quitantie daaraan onderworpen is, aan den belastingschuldige uitgereikt worden.

4. De toerekening en afschrijving der betalingen geschiedt in de navolgende orde:

1°. op de kosten van schatting, telling of herziening en van vervolging, zoo die verschuldigd zijn;

2°. op de zegelregten der quitantien;

3°. op de oudste der openstaande aanslagen of vervallen termijnen.

5. Iedere aanslag is in zijn geheel verschuldigd door dengene, ten wiens name dezelve op het kohier voorkomt.

Niettemin kunnen de verkeerde tenaamstellingen, in den loop des dienstjaars in de kohieren der grondbelasting ontdekt, welke eene verandering of splitsing van den aanslag noodig maken, bij eenvoudig bevelschrift van den provincialen inspecteur der directe belastingen worden hersteld.

Dat bevelschrift heeft dezelfde kracht als het executoir verklaarde kohier; hij, die zich met zijnen daarin voorkomenden aanslag bezwaard mogt achten, kan daartegen opkomen bij Gedeputeerde Staten der provincie, op denzelfden voet als voor de gewone aanslagen op de kohieren is bepaald. De termijn daartoe gaat in met den dag der kennisgeving van het bevelschrift.

Bij eigendoms-overgang van onroerende goederen, zijn de nieuwe verkrijgers aansprakelijk voor de grondbelasting van het loopende en het vorige jaar, wegens die goederen verschuldigd, en kunnen zij tot de aanzuivering daarvan, evenals de schuldenaar zelf, regtstreeks en in hunne eigen goederen worden aangesproken.

6. Mede-eigenaars, welke niet bij name op het kohier der grondbelasting zijn aangeslagen, zijn niet aansprakelijk, dan in het onroerend goed waarvan zij den mede-eigendom hebben. De uitwinning kan echter plaats hebben ten name van den op het kohier bekenden mede-eigenaar.

7. Huurders, pachters of bruikers, ontvangers, rentmeesters, zaakwaarnemers, notarissen, griffiers, deurwaarders, ondernemers van openbare verkoopingen, curators in boedels van gefailleerden of van in slaat van kennelijk onvermogen verkeerende belastingschuldigen, en alle andere houders of schuldenaars van penningen, aan dezelve toekomende, zijn verpligt, op de daartoe gedane vordering van den ontvanger, voor rekening van den belastingschuldige, voorzooverre de penningen onder hsn berustende of door hen verschuldigd, strekken, de directe belastingen door dezen verschuldigd te betalen, zonder daartoe eene verificatie en beêediging van schuldvordering, eene rangregeling of regterlijke uitspraak te mogen afwachten, tenzij onder hen beslag gelegd of verzet gedaan ware ter zake van inschulden, waaraan bij art. 12 voorrang boven \'s rijks schatkist is toegekend. Zij

1286

-ocr page 1417-

WET VAN 22 MEI 1845.

zijn zelfs bevoegd, die betaling uit eigen beweging te doen, vóórdat zij tot de afgifte der penningen of tot voldoening van het verschuldigde overgaan.

De quitantien der betaalde belasting moeten hun in rekening worden geleden.

De in dit artikel bedoelde houders of schuldenaars van penningen, in gebreke blijvende aan de vordering des ontvangers te voldoen, worden door dezen bij executoriaal beslag vervolgd, op de wijze bij het 2de boek, 2de titel, 2de afdeeling, van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering bepaald. De kosten van vervolging komen in dat geval voor hunne rekening, zonder te dier zake eenig verhaal op de belastingschnldigon zeiven te kunnen uitoefenen. (Rv. 475 v.)

8. Voorzooverre bij de belastingwetten de betaling bij termijnen niet geheel of gedeeltelijk is verboden, en behoudens de uitzonderingen, daaromtrent bij het volgende artikel gemaakt, zijn de aanslagen in de directe belastingen op de vol,jaarskohieren invorderbaar in tien gelijke termijnen.

De eerste termijn vervalt den laatsten dag der tweede maand van het dienstjaar; de tweede termijn den laatsten dag der derde maand, en zoo vervolgens.

Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden bepaalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedrijfs-en andere inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf gelijke termijnen; voor zooveel de betaling bij termijnen niet geheel of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonderingen bij het volgend artikel gemaakt. De eerste termijn vervalt den laatsten Augustus, de tweede den laatsten October, de derde den laatsten December, de vierde den laatsten Februari en de vijfde den laatsten April van het belastingjaar.

De aanslagen naar tijdsgelang zijn invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er, na de maand, waarin het kohier is afgekondigd, nog maanden van het belastingjaar overblijven. Op den laatsten dag van elke dier maanden vervalt een termijn. Is het kohier later dan in de voorlaatste maand van het belastingjaar afgekondigd, dan is de aanslag dadelijk in zijn geheel invorderbaar.

Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel bepaalde is voor aanslagen op kohieren welke na den laatsten Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na de maand, waarin de afkondiging plaats had, nog tijdvakken van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar overblijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting dadelijk in haar geheel invorderbaar.

9- De directe belastingen zijn dadelijk en in eens invorderbaar :

-1°. wanneer de belastingschuldige in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard, gelijk mede in geval van inbeslagneming van roerende of onroerende goederen, van wege het rijk, of van verkoop derzelve ten

1287

-ocr page 1418-

BIJZONUERE WETTEN EN BESLUITEN.

gevolge van eene inbeslagneming namens derden; (K. 778; Rv. 891.)

2quot;. voor zooveel de personeele belasting betreft, wanneer blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met der woon wil verlaten met wegvoering der meubelen;

3°. voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, onderlinge verzekeringmaatschappijen en reederijen of uit-deeling van winstaandeelen aan buitenslands gevestigde ven-nooten, of wel buitenslands gevestigden, die hier te lande geene vaste inrigtingen, kantoren of in Nederland gevestigde vertegenwoordigers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belastingschuldigde het Rijk met der woon wil verlaten, met wegvoering der meubelen.

10. De verpligting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van bezwaarschriften tegen den aanslag, noch door verkrijging van surseance van betaling, evenmin door het voorbehouden regt van beraad, of door de aanvaarding onder het voorregt van boedelbeschrijving.

11. De directe belastingen, welke gedurende drie jaren, te rekenen van den dag der afkondiging van het kohier, of van de dagteekening van het bevelschrift in art. 5 vermeld, of sedert de laalstbeteekeade acte van vervolging, oningevorderd zijn gebleven, zijn verjaard.

12. \'s Rijks schatkist heeft het regt van voorrang;

A. Wat de grondbelasting aangaat:

1°. op de aan den belastingschuldige toebehoorende velden boomvruchten, turf te velde, en verdere opbrengst dei-goederen aan de belasting onderworpen, mitsgaders op de verschuldigde en verschuldigd wordende pacht- of huurpenningen, en op de tot zekerheid der belasting wegens te verveenen gronden geconsigneerde waarborgspenningen;

2°. op de goederen zelve aan de belasting onderworpen.

B. Wat de overige directe belastingen aangaat:

op al de roerende en onroerende goederen van den belastingschuldige.

liet regt van voorrang bij dit artikel toegekend geldt boven alle andere, zelfs boven pand en hypotheek, met uitzondering alleen van de bevoorregte inschulden in de artt. 1185 nfl. 1 en 1195 nquot;. 1 van het Burgerlijk Wetboek opgenoemd.

Hetzelve houdt stand twee jaren na den dag der afkondiging, in art. 1 of na de dagteekening van het bevelschrift in art. 5 bedoeld. De bepalingen van dit artikel brengen geen nadeel toe aan verbanden of privilegiën, vóór de afkondiging dezer wet verkregen. ( B. 1183; a. 24 dezer Wet.)

13. Wanneer de belastingpligtige in gebreke blijft het verschuldigde vóór of op den verschijndag aan te zuiveren, zendt de ontvanger hem eene waarschuwing om, binnen drie dagen, aan zijne verpligting tot betaling te voldoen. Indien op deze waarschuwing de betaling niet volgt, doet de ontvanger hem eene aanmaning toekomen om, binnen

1288

-ocr page 1419-

WKT VAN 22 ME[ 1845.

een nieuwen termijn van drie dagen, het verschuldigde te betalen, onder kennisgeving dat hij daartoe anders door middelen, bij de wet bepaald, zal worden gedwongen.

Voor de waarschuwing wordt in de steden vijf cents en ten platten lande tien cents aan de belastingschuldigen in rekening gebragt; voor de aanmaning het dubbel dier sommen. (a. 24 dezer Wet.)

14. De invordering der directie belastingen geschiedt bij dwangbevel, medebrengende het regt van parate executie, dat is, het regt om de roerende en onroerende goederen des schuldenaars zonder vonnis aan te tasten.

Het dwangbevel kan onderscheiden personen betrefl\'en en over verschillende dienstjaren en directe belastingen loopen. Hetzelve wordt uitgevaardigd door den ontvanger, in naam des Konings, en executoir verklaard door den regter van het kanton, waarin het kantoor gevestigd is, alwaar de belastingschuldige ten kohiere is gebragt; het wordt aan de schuldenaars, ieder voor zoo veel hem aangaat, beteekend, met bevel tot betaling, en voorts ten uitvoer gelegd op den voet en de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke acten voorgeschreven. (Rv. 430 v.; Stb. 1891 n0. 125, a. 1, zie hierachter.)

15. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, met redenen bekleed.

Dit verzet kan nimmer tegen de wettigheid of de hoegrootheid van den aanslag gerigt, noch gegrond zijn op de bewering dat het aanslagbiljet, de waarschuwing of aanmaning niet ontvangen zouden zijn.

Hetzelve wordt beteekend aan den ontvanger, die de betaling vervolgt, of ter zijner woonplaatse, en moet, op straffe van nietigheid, bevatten, keuze van domicilie binnen het geregtelijk arrondissement waarin het kantoor van ontvangst gevestigd is, met dagvaarding voor de regtbank van dat arrondissement tegen eenen bekwamen regtsdag, invallende binnen den veertienden dag na de beteekening der dagvaarding.

Dit verzet wordt voor de regtbank als summiere zaak behandeld en afgedaan, met begrooting der kosten. (Stb. 1896 n0. 103, a. 125, zie achter Rv.)

Het verzet afgewezen zijnde, is geen hooger beroep of cassatie ontvankelijk, dan na voorafgaande consignatie van de belasting en van al de kosten, in handen van den ontvanger door wien de betaling wordt vervolgd.

Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de hoegrootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten, vermogen, uit keeringen of uitdeelingen van den aangeslagene betreffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van aanslagbiljet, waarschuwing of aanmaning.

Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van Financien voor de arrondissements-regtbank,

1289

-ocr page 1420-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

tot welker gebied het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend aan den ontvanger van dit kantoor.

16. Ingeval bij eene inbeslagneming van roerende goederen, derden op de daarin hegrcpene voorwerpen geheel of gedeeltelijk regt meenen te hebben, kunnen zij hunne bezwaarschriften te dier zake, door tusschenkomst van den ontvanger en tegen een door denzelve af te geven bewijs, indienen bij den commissaris des Konings in de provincie, welke, zoodra mogelijk en uiterlijk binnen acht dagen, eene beschikking neemt, waarbij de tot bewijs overgelegde stukken moeten worden vermeld. De verkoop mag niet plaats hebben dan acht dagen na de beteokening dier beslissing aan den reclamant en aan dengene, tegen wien het beslag is gelegd, met nadere bepaling van den dag van verkoop.

Ingeval het bezwaarschrift door den commissaris des Konings wordt afgewezen, kan degene, die tegen het beslag opkomt, de zaak voor den gewonen regter brengen, mits de dagvaarding doende binnen drie dagen na evengemelde be-teekening.

Behoudens het regt van terugvordering, toegekend bij art. 2014 van het Burgerlijk Wetboek en bij art. 230 en volgende van hel Wetboek van Koophandel, kunnen derden geene bezwaren inbrengen, noch eenig verzet in regten doen tegen de inbeslagneming ter zake van die belastingen welker voorrang bij letter B. van art. 12 hiervoren geregeld is, wanneer de ingeoogsle of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende goederen tot stoifering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land, zich tijdens de inbeslagneming op den bodem van den belastingschuldige bevinden. (B. 1186 v.)

17. Alvorens tot de uitvaardiging van dwangbevelen tegen achterlijke belastingschuldigen over te gaan, kan de ontvanger, op daartoe bekomen magtiging van den kanton-regter, den nalatige, mits hem daarvan ten minste 24 uren te voren schriftelijk kennis gevende, door inlegering tot betaling dwingen, en hem te dien einde een krijgsman zenden, voorzien van een bevel tot inlegering, hetwelk door den ontvanger uitgevaardigd en door het hoofd van het plaatselijk bestuur voor gezien geteekend wordt. In de aanvrage ter bekoming van deze magtiging worden vermeid de persoon of personen bij wie de inlegering zal plaats hebben met opgave hunner woonplaats.

De magtiging mag niet woröen geweigerd dan om zeer gewigtige redenen, welke door den kantonregter worden vermeld op de aanvraag welke aan den ontvanger wordt teruggegeven.

De belastingschuldige is verpligt aan den ingelegerde huisvesting, een nachtleger, voeding en eene plaats aan den gemeenen haard te geven, benevens vijftig cents daags gedeelten van dagen voor geheele gerekend.

De inlegering mag slechts tien volle dagen worden voortgezet. Indien de nalatige binnen dien tijd het gevorderde, met

1290

-ocr page 1421-

WET VAN \'22 MEI quot;1845.

inbegrip der kosten voldoet, wordt de ingelegerde door den ontvanger dadelijk teruggeroepen.

Wanneer de nalatige belastingschuldige weigeren mogt den ingelegerde huisvesting, een nachtleger, voeding of eene plaats aan den gemeenen haard te geven, wordt hij veroordeeld in eene boete van hoogstens f 100, en in eene hechtenis van ten hoogste zes maanden, voor het geval van wanbetaling.

De ingelegerde vervoegt zich in dat geval bij den com missaris van policie, of, in gemeenten waar geen zoodanig ambtenaar aanwezig is, bij het hoofd van het plaatselijk bestuur, welke ambtenaren, na persoonlijk onderzoek bij den nalatigen belastingschuldige, van die weigering een proces-verbaal opmaken, hetwelk, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie ter vervolging wordt opgezonden. (Sv. 36.)

Dat proces-verbaal levert wettig bewijs op overeenkomstig de regelen bij het Wetboek van Strafvordering nopens schriftelijke bescheiden vastgesteld, en de daaruit voortvloeijende vordering verjaart, wanneer de zaak niet is vervolgd binnen den tijd van zee maanden na de dagtee-kening van het proces-verbaal. Opvolgende betaling van de boete ontslaat van alle verdere gevangenis. (Sv. 401.) a)

18. Voor de berekening der verschuldigde kosten van vervolging, waarvan het bedrag niet reeds bij deze wet is bepaald, zullen door Ons tarieven worden vastgesteld, welke, uiterlijk binnen vijf jaren na de afkondiging dezer wet, door nadere wettelijke bepalingen zullen vervangen worden. (Stb. 1850 n». 26 )

19. De betaling der kosten van vervolging geschiedt, tegen quitantie, in handen van den ontvanger.

Zij, welke zich met de hun in rekening gebragte kosten van vervolging, niet voortspruitende uit de geregtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel, bezwaard achten, kunnen hunne bezwaarschriften deswege indienen bij Gedeputeerde Staten der provincie, mits dit doende binnen veertien dagen na de dagteekening van de acte van de vervolging waarbij die kosten gevorderd worden. Dezen doen daaromtrent, na onderzoek der gronden van beklag, uitspraak, overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

De indiening dezer bezwaarschriften neemt echter niet weg de verpligting tot betaling der kosten, behoudens teruggaaf van dezelve, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt.

1291

20. Alle exploiten en acten, betreftende de vervolgingen voor de invordering der directe belastingen, of wegens boeten in zake dier belastingen, namens het bestuur der belastingen beteekend of uitgevaardigd, geschieden door deurwaarders, voor eene of meerdere gemeenten daartoe

a) Volgens W. bedr. bel., a. 5S $ 1, laatste lid, is dit artikel niet van toepassing bi.i de invordering der bedrijfsbelasting.

-ocr page 1422-

BUZONDKRE WETTEN EN BESLUITEN.

aangesteld, en door den regter van het kanton, waarin zij resideren, kosteloos beëedigd.

De deurwaarders moeten hunne acten van aanstelling, waarop van de beëediging door den kantonregter melding wordt gemaakt, steeds bij zich dragen, op daartoe gedane aanvrage vertoonen en daarvan, zoowel als van hunne beëediging, in alle hunne acten en exploiten, op straffe van nietigheid, melding maken.

De hoedanigheid van deurwaarder der directe belastingen is met die van deurwaarder bij de kantongeregten of arrondissements-regtbanken vereenigbaar.

21. Wanneer de belasting, boete en kosten, ter gelegenheid eener inbeslagneming, aan den deurwaarder worden aangeboden, is hij verpligt de gelden aan te nemen, mits daarvoor dadelijk quitantie gevende en daarvan melding makende op zijn repertorium en op den kant van het oorspronkelijke van het exploit.

In alle andere gevallen is het hem verboden, gelden tot betaling van belasting, boete of kosten aan te nemen, of zich met de overbrenging van dezelve naar het kantoor van den ontvanger te belasten.

De belastingschuldige, welke hem zoodanige gelden mogt toevertrouwen, is, des noods, gehouden ten tweeden male te betalen, behoudens zijn verhaal op den deurwaarder.

22. De verpligtingen, bij de bestaande wetten ten aanzien van het houden van een repertorium van alle acten en exploiten vastgesteld, zijn op de deurwaarders der directe belastingen toepasselijk.

Het repertorium wordt gekantteekend en gewaarmerkt door den arrondissements-directeur der directe belastingen of door zoodanigen anderen hoofdambtenaar, als daartoe in het vervolg door Ons mogt worden aangewezen.

23. De waarschuwingen, aanmaningen, dwangbevelen, processen-verbaal, exploiten en verdere geregtelijke en buitengeregtelijke acten, namens de administratie uitgevaardigd of beteekend; — de aanslagbiljetten en de bezwaarschriften, in art. 16, beide voor zoo ver die aanslag niet meer bedraagt dan ƒ20; — de afzonderlijk af te geven quitantien, die som niet te boven gaande, noch ten onderwerp hebbende betalingen op rekening of tot geheele voldoening eener hoogere som, en alle andere stukken, zonder onderscheid (de processen-verbaal van verkoop en de vonnissen van toewijzing daaronder niet begrepen), betreffende de invordering der directe belastingen, zoo in hoofdsom als opcenten, boeten en kosten; — de acten van aanstelling en beëediging der deurwaarders, en de daarop te stellen aanteekening der eedsaffegging, mitsgaders de repertoria, door hen te houden, — zijn vrij van zegel en van het regt van registratie.

24. De bepalingen dezer wet omtrent den voorrang en de vervolgingen strekken zich niet alleen uit tot de belasting zelve, maar ook tot de opcenten en tot de aangewende kosten van beschrijving, aanslag, zegel, schatting, telling, herziening en vervolging, (art. 12 v. dezer Wet.)

1292

-ocr page 1423-

WET VAN \'22 ME11845 EN WET VAN 13 AUGUSTUS 1849. \'! 293

25. Deze wet, met uitzondering van art. 8, komt in werking op het nader door Ons te bepalen tijdstip. (Stb. 1845 n0. 52.) Na hetzelve zijn vervallen:

de bepalingen op de invordering der directe belastingen, voorkomende in de wetten van 2 October 1791,17 Brumaire Vde jaar, en 3 Frimaire Vilde jaar;

de wet var- 4 Messidor Vilde jaar (Bulletin des lois n0.292), op de afkondiging der kohieren;

het reglement van 16 Thermidor VlIIste jaar (Bulletin des lois n0. 38), op de invordering der directe belastingen;

de wet van 12 November 1808 (Bulletin des lois n0.213), betrekkelijk den voorrang van \'s Rijks schatkist, mitsgaders voor zoo ver noodig de artt. 9, 15, 19 en 22 van de wet van 11 February 1816 (Stb. n0. 14), nopens het legaal verband voor de voldoening der directe belastingen aan de schatkist toegekend.

Art. 8 komt in werking met het dienstjaar dat na de invoering dezer wet een aanvang neemt.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 22 Mei 1845.

WET

van 13 Augustus 1849 (Stb. n0. 39), tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen, a)

Wu WILLEM III, EN/..

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens art. 3 {thans 4) der Grondwet, de toelating en uitzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten, behooren geregeld te worden bij de wet;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben, of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven.

2. De toelating heeft plaats op een regelmatig buiten-landsch paspoort.

Buitenlandsche paspoorten zijn regelmatig, wanneer zij zijn:

a) Vg. de missive van den Minister van Justitie, dd. 2S A iigjnttis 1S49, over de uitvoering en toepassing dezer wet, bij I.nttenherg, Chrouol. Verzam. II (ISSl—1850) bl. 1S10 v.

-ocr page 1424-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

a. afgegeven door of van wege de regering van het land waartoe de vreemdeling behoort;

b. geviseerd voor de reis herwaarts door eenen Neder-landschen diplomatieken of consulairen agent bij die regering;

c. niet verjaard.

3. Ook het bezit van andere geleibrieven kan de toelating wettigen, mits daaruit blijke wie de houder is, en van waar en met welk doel hij herwaarts komt.

4. Zelfs kunnen vreemdelingen worden toegelaten op bloote aanmelding van hunne personen, met opgave wie zij zijn en van waar en met welk doel zij herwaarts komen.

In dit geval kan gevorderd worden een bewijs van bekendheid, door twee of meer bij de policie bekende personen geteekend.

5. De toelating geschiedt door het hoofd van policie der gemeente aan de grenzen of ter plaatse van eerste aankomst, met uitreiking van een reis- en verblijfpas, hetzij al dan niet tegen inbewaargeving van het buitenlandsche paspoort of van andere vertoonde geleibrieven.

6. De reis- en verblijfpassen zijn geldig voor den tijd van drie maanden. Zij kunnen worden verlengd door het hoofd van policie, ter plaatse waar de vreemdeling zich bevindt.

De verlenging dezer passen kan alleen worden geweigerd wegens gemis van de vereischten, bij art. 1 bedoeld.

Wanneer de betrokken ambtenaar van policie meent, dat de verlenging van de reis- en verblijfpas niet kan worden toegestaan, zal hij de weigering onverwijld aan de beoordeeling van den kantonregter onderwerpen, om daaromtrent te handelen overeenkomstig art. 11.

7. De vreemdelingen zijn verpligt hunne reis- en verblijfpassen en de buitenlandsche paspoorten of andere geleibrieven, die in hun bezit zijn, te vertoonen aan de ambtenaren van policie, die zulks mogten vorderen, en aan de bewoners der huizen, waarin zij worden opgenomen.

8. Aan vreemdelingen, die binnen \'s lands zonder reis-en verblijfpas worden aangetroffen, kan door het hoofd van policie der gemeente, binnen welke zij zich bevinden, zoodanige pas alsnog worden afgegeven, met inachtneming der regelen voor de toelating van eerst aankomende vreemdelingen vastgesteld.

9. Niet toegelaten vreemdelingen, die geen reis- en verblijfpas kunnen bekomen, binnen \'s lands gevonden wordende, moeten over de grenzen worden gebragt.

10. Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden gebragt dan op bevel van den kantonregter der plaats, waar zij zich ophouden, of op Onzen last. (Inv. 5; Stb. 1854 n0. 102, a. 1%.)

11. De kantonregter kan geene uitzetting bevelen dan wegens gemis der vereischten, in art. 1 omschreven, en na den vreemdeling te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen.

1294

-ocr page 1425-

WKT VAN 18 AUGUSTUS 1849. 1295

Van dit verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.

Indien de vreemdeling niet is verschenen, wordt daarvan in het bevel tot uitzetting melding gemaakt.

Het bevel van uitzetting moet met redenen omkleed zijn.

Van het proces-verbaal en het bevel van uitzetting zendt de kantonregter afschriften aan Onzen commissaris in de provincie.

Wij behouden Ons de bevoegdheid voor om het bevel van uitzetting of de uitvoering ervan op te heffen.

Het is echter uitvoerbaar, niettegenstaande een beroep op Ons of, overeenkomstig art. \'20, op den Hoogen Raad.

12 De vreemdeling, gevaarlijk voor de publieke rust, kan op Onzen last worden uitgezet.

De vreemdeling, wiens uitzetting door Ons is bevolen, is verpligt binnen veertien dagen na bekomen kennisgeving het rijk te verlaten. Gedurende dien tijd kan hij gebruik maken van de bevoegdheid, bij art. 20 dezer wet verleend, en inmiddels in verzekerde bewaring gesteld worden.

Wanneer hij van die bevoegdheid geen gebruik maakt of de Hooge Raad zijne bezwaren ongegrond bevonden heeft, wordt aan den last tot uitzetting onmiddellijk gevolg gegeven.

Hij wordt dan verwijderd, zoo mogelijk over die grens welke hij zelf zal aanwijzen.

13. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor om aan vreemdelingen, gevaarlijk voor de publieke rust, eene bepaalde plaats binnen het koningrijk tot verblijf aan te wijzen of hun het verblijf op bepaalde plaatsen van het rijk te ontzeggen.

Van de Koninklijke besluiten, in dit en art. 12 bedoeld, wordt mededeeling gedaan aan de Kamers der Staten-Generaal.

14 en 15« zijn afgeschaft bij art. 3d der Invoeringswet en vervangen door art. 197 Sr.

15. In de gevallen, bij dit en het voorgaande artikel voorzien, worden de veroordeelden na afloop der straf over de grenzen gebragt.

16—18. Ingetrokken bij de beneden afgedrukte Wet van 6 April 1875 (Stb. n0. 66). regelende de algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vi-eemdelingen, verdragen niet vreemde mogendheden kunnen gesloten worden.

19. De bepalingen dezer wet zijn niet toepasselijk op vreemdelingen, die, naar arf. 8 van het Burgerlijk Wetboek, met Nederlanders zijn gelijkgesteld en met betrekking tot deze wet voor ingezetenen worden gehouden, noch op den binnen het rijk gevestigden vreemdeling, die met eene Nederlandsche vrouw is gehuwd of gehuwd geweest en uit haar een kind of kinderen heeft, in Nederland geboren.

20. Allen, op wie deze wet van toepassing mogt worden gemaakt, en die beweren Nederlanders te zijn of in de uitzonderingen van het voorgaande artikel te vallen, kunnen zich, doch alleen op die gronden, bij verzoekschrift en in de gevallen bij de artt. 12 en 18, met inachtneming

-ocr page 1426-

buzondkre wetten en besluiten.

van den termijn bij die artikelen gesteld, tot den Hoogen Raad wenden, ten einde te doen verklaren, dat deze wet op hen van geene toepassing is.

De Hooge Raad beoordeelt deze vraagpunten, na den procureur-generaal te hebben gehoord, en doet alleen daarop uitspraak.

21. Alle acten en stukken ten gevolge dezer wet op te maken of af te geven, zijn vrij van zegel- en registratie-regten.

Gegeven op het Loo, 13 Augustus 1849.

WET

van 28 Augustus 1851 (Stb. n0. 125), regelende de onteigening ten algemeenen nutte.

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodzakelijk is de onteigening ten algemeenen nutte, in overeenstemming met art. 147 {thans 151) der Grondwet, bij de wet te regelen;

Zoo is het, enz.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Artikel 1.

Onteigening ten algemeenen nutte kan in het publiek belang van den Staat, van eene of meer provinciën, van eene of meer gemeenten, en van een of meer waterschappen plaats hebben. (B. 625.)

2. In dat publiek belang kan ook ten name van bijzondere personen of vereenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend.

3. Als eigenaars van het goed waarvan sprake is, worden zij beschouwd die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen, en bij gevneenen eigendom, uit die registers blijkbaar, ook de mede-eigenaars. (B. 671.)

Desniettegenstaande kan ieder, die beweert eigenaar of mede-eigenaar te zijn en niet in het geding van onteigening is geroepen, aan den regter verzoeken daarin te mogen tusschenkomen, zoolang de eindconclusien door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde regt hebben derde belanghebbenden, waaronder verstaan worden huurders en zij die zakelijke regten op het goed hebben. (Rv. 285 v.; B. 584.)

Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, medeeigenaar of derde belanghebbende, wordt de onteigening

1296

-ocr page 1427-

WET VAN \\ 3 AUG. 4849 EN WET VAN 28 AUG. 1851. l^Q?

met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert eenig regt op de zaak te hebben, dit alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dit geval wordt geconsigneerd.

4. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regts-vordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voorzooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

TITEL I.

Over onteigening in gewone gevallen.

Hoofdstuk I.

Over hetgeen aan de verklaring van het algemeen nut vooraf behoort te gaan.

5 ■ Geene verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld hunne bezwaren daartegen te doen hooren.

6. Te dien einde doet, nadat eenig werk van algemeen nut is ontworpen, het betrokken Departement van algemeen bestuur aan het bestuur van iedere gemeente, binnen welke vermoedelijk ten behoeve van dat werk eigendommen zullen te onteigenen zijn, een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten en grondteekeningen van dat gedeelte, hetwelk onder die gemeente gelegen is, toekomen.

De vermoedelijk te onteigenen eigendommen worden, met hunne kadastrale nominers en de namen hunner in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, duidelijk aangewezen.

7. Ten minste gedurende dertig dagen worden die plannen, kaarten en grondteekeningen op de secretarieu dei-gemeenten, ter inzage van een ieder, nedergelegd.

Van die nederlegging wordt door de hoofden der gemeentebesturen èn in de Staatscourant èn in een der dagbladen hunner provincie en gemeente, of, bij het ontbreken daarvan, in dat eener naburige plaats kennis gegeven. Zij wordt daarenboven door hen op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

De kosten worden door den Staat vergoed, die ze verhaalt op hen ten wier name het werk wordt ontworpen.

8- De belanghebbenden moeten binnen dertig dagen na de aan het slot van het vorige artikel vermelde bekendmaking hunne bezwaren, mondeling of schriftelijk, aan het collegie van burgemeester en wethouders der gemeente, binnen welke de aangewezen goederen gelegen zijn, opgeven. Dit brengt die bezwaren, waarvan het in het eerste geval proces-verbaal, door belanghebbenden Ie onderteekenen, opmaakt, ten spoedigste ter kennis van het bij het werk

82

-ocr page 1428-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

betrokken Departement van algemeen bestuur, en voegt er zijn advies over de ingebragte bezwaren bij.

9. Wanneer, tot het maken van het plan, gravingen, opmetingen of het stellen van teekenen op iemands grond noodig geacht worden, moeten de bruikers dier goederen dit gedoogen, mits hun dit tweemaal vier en twintig uren te voren door het hoofd van het gemeentebestuur schriftelijk zij aangezegd.

De schade, daardoor veroorzaakt, wordt door den kanton-regter begroot en door den Staat vergoed. Deze verhaalt de kosten op hen, ten wier name het werk wordt ontworpen.

Hoofdstuk II.

Over de eindaanwijzing der te onteigenen perceelen.

10. Het voorstel van wet tot verklaring van het algemeen nut wijst den aard en de strekking, zoomede de hoofdpunten ter bepaling der algemeene rigting van het werk, aan, en, bij kanalen en wegen, zooveel mogelijk de gemeenten, door welke zij zullen loopen.

Nadat die verklaring wet is geworden, benoemen Gedeputeerde Staten eene of meer commission uit hun midden, die, bijgestaan door eenen van wege het algemeen bestuur aan te wijzen ingenieur en het hoofd van het betrokken gemeentebestuur, zich in alle gerr.eenten vervoegen binnen welke, volgens het plan, één of meer perceelen te onteigenen zijn, ten einde de bezwaren der belanghebbenden tegen dat plan aan te hooren.

Die commission moeten hare werkzaamheden, met inbegrip van de inzending van het proces-verbaal, in art. 13 vermeld, binnen zes weken, van den dag barer benoeming af, volbragt hebben.

11. Uiterlijk veertien dagen voordat de commissie zich naar eenige gemeente begeeft, wordt, door de zorg van het hoofd van het gemeentebestuur, tijd en plaats, op welke de commissie bijeen zal komen, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt. Een en ander wordt tevens in de Staatscourant, benevens in een of meer dagbladen der provincie, door Gedeputeerde Staten daartoe aan te wijzen, aangekondigd. De kosten komen ten laste van hen, ten wier name het werk wordt uitgevoerd.

De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.

12. Zoo spoedig mogelijk, en ten minste veertien dagen vóór de zamenkomst der commissie binnen eenige gemeente, moeten de uitgewerkte plans van het werk met de kaarten en grondteekeningen, voorzooverre deze stukken die gemeente betreffen, op de secretarie dier gemeente ter inzage van een ieder nedergelegd worden. Het tweede lid van art. 6 is liier toepasselijk. De bekendmaking geschiedt op de wijze en ten koste als in liet vorige artikel vermeld.

1298

-ocr page 1429-

WET VAN 28 AUGUSTUS 1851.

De stukken blijven ter inzage van een ieder liggen totdat de commissie hare werkzaamheden binnen die gemeente heeft volbragt.

Een uitgewerkt plan van het geheele werk is van het tijdstip, in art. 11 aangewezen, totdat de commissie hare werkzaamheden heeft volbragt, ter inzage van een ieder, hetzij ter secretarie van eene der gemeenten, door welke het werk loopt, hetzij ter griffie van de provincie.

13. Van de mondeling bij haar ingekomen klagten maakt de commissie proces-verbaal, door de klagers te onderteekenen, op, en zendt dit met de haar schriftelijk medegedeelde bezwaren, benevens hare meening daaromtrent, aan het bij het werk betrokken Departement van algemeen bestuur.

Van dat proces-verbaal en dal advies moet een afschrift op de secretarien der gemeenten, binnen welke de commissie hare zittingen gehouden heeft, voor ieder die dit verlangt, ter lezing liggen. Ieder kan er ten zijnen koste een afschrift van nemen.

14. Nadat de stukken bij het Departement zijn onderzocht, geschiedt de eindelijke aanwijzing der perceelen, welke onteigend moeten worden, door aanhaling van de plans of kaarten, waarop die perceelen naauwkeurig zijn aangewezen, en vermelding van hunne kadastrale nommers en de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars. Die aanwijzing geschiedt door Üns binnen acht maanden nadat de commissien haren arbeid hebben volbragt.

Wanneer Ons besluit niet binnen dien tijd genomen is, vervalt de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is. Geene nieuwe wet mag daaromtrent voorgesteld worden dan nadat op nieuw de formaliteiten, bij art. 5 en volgende voorgeschreven, plaats hebben gehad.

Indien andere perceelen, dan welke bij het eerste plan vermeld zijn, moeten worden onteigend, worden de bepalingen der vier voorgaande artikelen ten aanzien dier perceelen toegepast.

15. Ons besluit wordt in de Staatscourant en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen openbaar gemaakt, liet wordt daarenboven door de hoofden der gemeentebesturen, binnen welke perceelen te onteigenen zijn, op de gebruikelijke wijze aan de ingezetenen bekend gemaakt.

16. Perceeien, die onteigend moeten worden ten gevolge van veranderingen in de door de aanwijzing, in art. 14 genoemd, vastgestelde rigting, worden mede door Ons op de wijze en binnen den tijd, bij dat artikel bepaald, aangewezen.

Ons besluit deelt de redenen mede, welke de verandering hebben doen noodig keuren. Het wordt op de wijze, bij art. 15 vermeld, ter algemeene kennis gebragt.

liet heeft geenerlei kracht, zoo de formaliteiten, bij artt. 10, 11, 12 en 13 voorgeschreven, daaraan niet zijn voorafgegaan.

1299

-ocr page 1430-

bijzondere wetten en besluiten.

Hoofdstuk III.

Van het cjediny tol onteigening.

17. Zoodra Ons besluit het te onteigenen goed heeft aangewezen, moet de onteigenende partij den eigendom, vrij van alle lasten en regten, daarop rustende, bij minnelijke overeenkomst pogen te verkrijgen.

Zij kan er echter erfdienstbaarheden op gevestigd laten.

Wanneer het eigendommen betreft, welker vervreemding volgens de wet niet zonder magtiging van regterlijke of administratieve magt kan plaats hebben, is die magtiging ook in dit geval noodig. De eigendom mag voor geenen lageren prijs worden afgestaan dan waarop die vóór de magtiging geschat zal wezen door drie deskundigen, door de bevoegde arrondissements-regtbank te benoemen.

De acte van overdragt wordt op de wijze bij de wet bepaald, in de openbare registers ten koste der verkrijgers overgeschreven.

18. Ingeval de onteigenende partij geene overeenkomst heeft kunnen treffen, doet zij de eigenaars, in Ons besluit aangewezen, voor de arrondissements-regtbank, onder wier regtsgebied die goederen gelegen zijn, dagvaarden, ten einde de onteigening dier perceelen te hooren uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te hooren vaststellen.

Indien de aan denzelfden eigenaar toebehoorende goederen, die onteigend moeten worden, in verschillende arrondissementen zijn gelegen, wordt de dagvaarding gedaan voor de regtbank, onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing behoort, en, bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, voor eene der regtbanken, binnen welker ressort een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze van de onteigenende partij. (Rv. 98, \'126 j.quot;)

19. In het geding ter onteigening treden, wanneer de uitvoering van het werk aan bijzondere personen of ver-eenigingen is toegestaan, deze als eischende partij op. Waar dit het geval niet is, wordt het geding op naam van Onzen Commissaris in de provincie gevoerd, of, indien de onteigening alleen binnen eene enkele gemeente gevorderd wordt, op naam van het hoofd van het gemeentebestuur.

In het publiek belang van een waterschap kan het geding ook op naam van het bestuur van dat waterschap worden gevoerd.

20. Wanneer de eigenaar buiten het koningrijk woont of zijne woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen den gevolmagtigde of bewindvoerder, indien een zoodanige binnen het koningrijk bekend is, en, zoo ook deze onbekend is, tegen een derde, binnen het ressort der regtbank wonende, en] door deze, op verzoek en ten koste der onteigenende partij, te dien einde te benoemen. De alzoo benoemde kan, bij het ophouden zijne]1 betrekking, het loon van den bewindvoerder eens afwezigen, en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen. (13. 522.)

1300

-ocr page 1431-

WKT VAN 28 AUGUSTUS 1851. 1301

Desniettemin is de eigenaar geregtigd, ten dage in art. 23 genoemd, op de dagvaarding, aan den gevolmagtigde, bewindvoerder of door den regter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de dagvaarding als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.

21. De onteigening van al de binnen het regtsgebied derzelfde arrondissements-regtbank voor het werk noodige en niet bij minnelijke overeenkomst verkregene eigendommen moet ie gelijker tijd gevraagd worden, op straffe van veroordeeling van den eischer in al de kosten van de gedingen, over later aangevraagde onteigeningen gevoerd.

Deze bepaling is niet van toepassing op perceelen, krachtens art. 16 ter onteigening aangewezen.

22. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.

23. Ten minste drie dagen vóór de verschijning legt de onteigenende partij tot staving van haren eisch, ter griffie van de regtbank over:

1°. Ons besluit, waarbij de te onteigenen perceelen worden aangewezen;

2°. een door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden zitting gehouden heeft in de gemeente, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is; alsmede de Staatscourant, waarin die zitting ten minste veertien dagen te voren is bekend gemaakt;

3°. een mede door het hoofd van het gemeentebestuur afgegeven bewijs, dat de uitgewerkte plans met de daarbij behoorende kaarten en grondteekeningen, overeenkomstig art. 12, op de secretarie der gemeente gelegen hebben, en, zoo het plan, in het laatste lid van dat artikel genoemd, ter griffie van de provincie was nedergelegd, een daarvan door den griffier der Staten afgegeven bewijs.

24. De regtbank behandelt zaken, aangaande onteigening ten algemeenen nutte, vóór elke andere.

Ten dage dienende concludeert de aanlegger tevens tot benoeming van één of meer deskundigen, ter opneming der schade door de onteigening aan de eigenaars en derde belanghebbenden te veroorzaken.

Op denzelfden dag, of uiterlijk acht dagen daarna, geven de verweerders de gronden hunner tegenspraak bij conclusie op.

Partijen kunnen in dezelfde teregtzitling hare conclusien bij pleidooi breeder ontwikkelen.

Alle gronden van verdediging, zoo exceptien als die welke de hoofdzaak aangaan, worden, op verbeurte van het regt om de overige in te brengen, te gelijker tijd voorgesteld. (Rv. 141.)

Oproeping tot vrijwaring wordt niet toegelaten. (Rv. C8 v.)

Indien van twee of meer gedaagden de een verschijnt, de ander niet, wordt met den verschijnenden onmiddellijk voortgeprocedeerd, en de uitspraak geschiedt tusschen al de

-ocr page 1432-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

partijen bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd en waartegen geen verzet wordt toegelaten. (Rv. 79.)

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusie in dezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting doet de regt-bank uitspraak.

25. De regtbank kan aan de onteigenende partij haren eisch niet toewijzen:

1°. wanneer de wet ontbreekt, waarbij het algemeen nut van het werk verklaard is;

2°. wanneer Ons besluit, waarbij de aanwijzing ter onteigening der in de dagvaarding vermelde goederen is geschied, niet wordt overgelegd;

3°. wanneer het blijken mogt, dat de commissie tot aanhooring van de bezwaren der belanghebbenden bij de rigting van het werk in de gemeenten, binnen welker kring het goed, welks onteigening gevorderd wordt, gelegen is, geene zitting gehouden heeft, of wel dat de zitting niet vooraf in de Staatscourant bekend is gemaakt;

4°. wanneer de uitgewerkte plans met de daarbij be-hoorende kaarten en grondteekeningen niet, overeenkomstig art. 12, op de secretarien der gemeenten ter inzage gelegen hebben.

26. Tegen de uitspraak des regters, houdende nietigverklaring van de dagvaarding of ontzegging van den eisch om eenige andere reden, wordt hooger beroep toegelaten.

27. Buiten de gevallen, in bet voorgaande artikel genoemd. benoemt de regtbank een of meer deskundigen in oneffen getale.

Zij benoemt voorts een harer leden, om, vergezeld van den griffier, als Commissaris bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn, en wijst het dagblad aan, waarin de aankondiging door het openbaar ministerie, in het volgende artikel vermeld, moet geschieden.

28. Ifet vonnis der regtbank wordt door de onteigenende partij aan de wederpartij beteekend ten minste acht dagen vóór dien, waarop het onderzoek is bepaald, met oproeping om daarbij tegenwoordig te zijn. Bij afwezigheid der wederpartij gaat het onderzoek door.

Binnen acht dagen nadat het vonnis is gewezen, wordt het door de meest gereede partij aan de deskundigen beteekend.

De regter-commissaris bepaalt met inachtneming van den meest mogelijken spoed, tijd en plaats van het onderzoek der deskundigen, en geeft daarvan onmiddellijk kennis aan het openbaar ministerie. Dit doet daarvan aankondiging in het dagblad, in het vonnis ac.ngewezen. De griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij dat onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooten.

29. De deskundigen leggen op de plaats des onderzoeks in handen van den regter-commissaris den eed af.

Zij kunnen, op de gronden in art. 1950 van het Bur-

1302

-ocr page 1433-

WET VAN 28 AUGUSTUS ISSI.

gerlijk Wetboek vermeld, door partijen gewraakt worden.

Do regter-commissaris beslist over de redenen van wraking, die niet dan vóór de eedsaflegging mogen worden voorgesteld. Van zijne beslissing valt noch hooger beroep noch cassatie.

In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn of weigerer. aan hunne verpligtingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen welke hij de wraking heeft aangenomen, benoemt hij anderen. Indien ten gevolge hiervan het onderzoek moet worden uitgesteld, bepaalt de regter-commissaris daarvoor eenen naderen lijd, waarvan noch beteekening door partijen noch aankondiging door het openbaar ministerie geschiedt.

De regter-commissaris brengt de bepaling dezer wet omtrent de begrooting der scbadeioosstelling, voorzooveel ter zake vereiscbt wordt, onder de aandacht der deskundigen.

30. Partijen kunnen aan den regter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededeelen en al de gronden opgeven, welke volgens haar oordeel tot eene juiste bepaling der schade kunnen leiden.

31. Ook ambtshalve kan de regter-commissaris ton allen tijde die personen voor zich en voor de deskundigen doen verschijnen, wier inlichtingen hij tot betere beoordeeling der zaak nuttig mogt achten.

Indien deze personen schadeloosstelling vorderen, wordt die door den regter-commissaris begroot en daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

32. De formaliteiten, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van deskundigen, ziin ten deze niet toepasselijk. (Rv. 199 v., 222 v.)

33. Wanneer de deskundigen of de personen, wier verschijning de regter-commissaris gelast heeft, op den bepaalden tijd, schoon behoorlijk geroepen, niet opkomen, of, zonder wettige redenen, weigeren den eed te doen of de van hen gevraagde inlichtingen te geven, worden zij door den regter-commissaris veroordeeld tot vergoeding der te vergeefs gedane onkosten; a) alles onverminderd hunne gehoudenheid jegens de partijen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Hij kan hen echter op hun verzet bij ongezegeld verzoekschrift, om billijke redenen, van de tegen hen uitgesprokene veroordeeling vrijstellen.

34. De griffier maakt een proces verbaal op, door den regter-commissaris en hem te onderteekenen, van het bij het onderzoek gebeurde.

1303

Hij neemt daarin de verklaringen op der personen, bij het onderzoek gehoord, welke verklaringen hun worden voorgelezen en door hen onderteekend. De deskundigen doen hun advies in het proces-verbaal opnemen of voegen het

lt;0 De hier nog volgende strafbepaling is vervallen ingevolge Inv. amp;?, en vervangen door die van Sr. 192 no. 2 en 441.

-ocr page 1434-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

er onderteekend bij. In het eerste geval teekenen zij mede het proces-verbaal.

Ingeval een deskundige of ander gehoord persoon niet kan teekenen of weigert dit te doen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal, met opgave der redenen.

De deskundigen verklaren de gronden, waarop hunne bepaling der schadeloosstelling rust.

Zij begrooten ook de schadeloosstellingen, aan derde belanghebbenden te betalen, voorzooverre die bij deze wet niet zijn geregeld.

In het proces-verbaal wordt de dag vermeld, waarop de nederlegging ter griffie, in het volgende artikel voorgeschreven, zal plaats hebben.

35- Een en ander wordt gedurende veertien dagen ter inzage der partijen als ook der derde belanghebbenden op de griffie nedergelegd, waarvan door den griffier in een dagblad, door den regter-commissaris aan te wijzen, kennis wordt gegeven.

36. Gedurende die veertien dagen kunnen partijen en derde belanghebbenden hunne bezwaren, na die aan de wederpartij le hebben beteekend, schriftelijk aan den regter-commissaris indienen.

37. Na alloop dier veertien dagen brengt de regter-commissaris, in de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde teregtzitting, zijn rapport uit, zonder dat er eenige verdere oproeping van partijen ver-eischt wordt.

Op dezelfde teregtzitting kunnen derde belanghebbenden conclusien nemen, en, zoowel als partijen, hunne conclusien nader bij pleidooi doen ontwikkelen. Het openbaar ministerie neemt zijne conclusien in dezelfde teregtzitting of uiterlijk binnen acht dagen daarna.

Uiterlijk veertien dagen na die teregtzitting doet de regt-bank, indien zij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, in art. 235 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering toegekend, uitspraak over de onteigening en over de schadeloosstelling, aan de eigenaars en derde belanghebbenden uit te keeren.

38. Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen.

Ditzelfde zal met erven moeten geschieden, wanneer deze door de onteigening tot een vierde hunner uitgestrektheid verminderen of kleiner dan tien vierkante Nederlandsche roeden worden.

Deze overneming kan echter niet gevorderd worden, wanneer het overgebleven stuk gronds onmiddellijk aan een ander erf van denzelfden eigenaar grenst.

39. Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederlegging ter inzage, in art. 7 of in art. 12 bepaald, naar gelang het goed volgens het plan in eerstgemeld,

1304

-ocr page 1435-

WET VAN l28 AUGUSTUS 1851.

of volgens dat in laatstgemeld artikel genoemd, ter onteigening is aangewezen.

40. Alleen de werkelijke waarde der goederen, niet de denkbeeldige welke zij uitsluitend voor den persoon des eigenaars hebben, komt in aanmerking.

41. Bij de berekening der schadeloosstelling wordt acht gegeven op de mindere waarde, welke voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is.

42. Bij de onteigening van een verhuurd goed wordt dooide onteigenende partij aan den huurder, wiens huurtijd nog één of meer jaren moet duren, tot schadeloosstelling eene som betaald, gelijkstaande aan den huurprijs van twee jaren.

Indien nogtans de te velde staande vruchten, of de onkosten welke de huurder aantoont gedurende de laatste twee jaren aan het goed te hebben besteed, meer beloopen dan de tweejarige huurprijs, wordt de waarde dier vruchten of het bedrag dier onkosten als schadeloosstelling betaald.

Indien de huurder minder dan een jaar huur had, wordt hem de huurprijs van een vol jaar, of de waarde der te velde staande vruchten, zoo die meer beloopt, vergoed.

Indien de verhuring of hare verlenging na een der termijnen, in art. 39 volgens de daarbij vermelde onderscheiding aangewezen, heeft plaats gehad, wordt door de onteigenende partij aan den huurder geene schadeloosstelling betaald, maar heeft deze eene vordering tot schadevergoeding tegen den verhuurder, ten ware anders mogt zijn overeengekomen.

43. De hypotheekhouder heeft geen regt op eenige afzonderlijke schadevergoeding. Hij oefent zijn regt alleen uit op de som, die aan den van zijn erf onteigende is toegekend, en zulks onverschillig of zijne schuldvordering al dan niet opeischbaar zij.

Hij heeft geen regt de betaling zijner geheele schuldvordering te eischen, wanneer slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed onteigend wordt.

Wanneer de hypotheek tot zekerheid eener voorwaardelijke schuld of eener schuld van onbepaalde grootte is gesteld, kan de schuldeischer vorderen, dat die som, tot het beloop der in de acte opgegevene waarde, in een van de grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, worde ingeschreven; in het eerste geval totdat de onzekerheid omtrent het bestaan der schuld hebbe opgehouden. (B. 1215, 1221.)

Wanneer de hypotheek tot zekerheid van altijddurende renten is gesteld, wordt het twintigvoudig bedrag der jaar-lijksche renten uit de schadeloosstelling voldaan. (B. 1807.)

44. Wanneer ten gevolge der onteigening een regt van erfdienstbaarheid verloren wordt, zal de vergoeding uit de aan den onteigende toegekende som worden gevonden, en daarop bij de bepaling dier som worden gerekend. Bij de berekening wordt vooral de meerdere of mindere noodzakelijkheid dier erfdienstbaarheid, en de mogelijkheid haar door eene andere te doen vervangen, in het oog gehouden. (B. 721.)

45. Hij die op het onteigende goed een regt van vrucht-

4305

-ocr page 1436-

1300

gebruik had, heeft slechts aanspraak op de interessen van de aan den onteigende als schadeloosstelling toegekende som, welke, op zijn verlangen, in een der grootboeken der nationale werkelijke schuld, ter zijner keuze, wordt ingeschreven. (B. 803.)

Hetzelfde geldt voor hen, die een regt van gebruik of bewoning op het onteigende goed hebben, doch alleen tot oen bedrag, berekend naar gelang van hun genot, door de deskundigen te bepalen. (B. 865.)

Bij onteigening van fideicommissaire goederen, doet de bezwaarde erfgenaam de schadeloosstelling in een der grootboeken inschrijven. (B. 1020 v)

46. Zij, die door de onteigening een regt van grondrenten of tienden verliezen, hebben uit de som, tot schadeloosstelling aan den schuldpligtige toegewezen, regt op den afkoopprijs, bij de vestiging bepaald, en, bij gebreke van zoodanige bepaling, op het twintigvoudig bedrag der jaarlijk-sche of gemiddelde opbrengst, volgens de regels in arlt. 799 en 800 van het Burgerlijk Wetboek gesteld. (B. 784.)

47. Bij verlies tengevolge van onteigening van eenen in tijdelijke erfpacht bezeten grond, wordt de vergoeding, aan den erfpachter verschuldigd, door de deskundigen begroot, die daarbij letten op den tijd, dien het regt waarschijnlijk nog zou hebben geduurd. (B. 767.)

Op gelijke wijze bepalen zij, wat uit de schadeloosstelling aan hem, die een regt van opstal verliest, zal worden betaald. (B. 758.)

Bij onteigening van erven, aan het regt van beklemming onderworpen of in eeuwigdurende erfpacht bezeten, worden zoowel de eigenaar als de beklemde meijer, of de erfpachter in het geding geroepen en de aan elk hunner verschuldigde schadeloosstelling afzonderlijk begroot. (B. 1654.)

48. Bij onteigening ingeval van bepoldering en droogmaking van verdronken landen wordt aan de onteigenden, overeenkomstig de bepaling van art. 649 van het Burgerlijk Wetboek, slechts de waarde betaald, waarop die gronden als verdronken land zullen worden geschat.

49. Wanneer de onteigening niet den geheelen grond, waarop de in de vorige artikelen genoemde regten rusten, maar slechts een gedeelte treft, wordt de schadeloosstelling, in evenredigheid van het niet onteigende tot het onteigende gedeelte, naar de bovenstaande regels berekend.

quot;■ 50. Wanneer de bij het vonnis bepaalde schadevergoeding meer bedraagt dan het gadane aanbod, wordt de onteigenende partij, en in de overige gevallen de verweerder, in de kosten veroordeeld.

51. Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen acht dagen na de beteekening, op de wijze in het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven, in verzet komen. (Rv. 81 v.)

52. Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.

De voorziening in cassatie moet binnen drie dagen na de uitspraak plaats hebben.

-ocr page 1437-

WET VAN iü AUGUSTUS 1851.

Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die het vonnis heeft gewezen.

53 Deze verklaring wordt binnen acht dagen met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende, voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, teregtzitting na den in het volgende lid bepaalden termijn.

De tegenpartij heeft veertien dagen om, desverkiezende, te antwoorden.

In de genoemde teregtzitting nemen de partijen hare conclusien, des verkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde teregtzitting, nader te ontwikkelen.

Het openbaar ministerie neemt zijne conclusien in diezelfde teregtzitting, of uiterlijk binnen vijf dagen daarna.

Uiterlijk acht dagen na de teregtzitting spreekt de ITooge Raad zijn arrest uit.

54. Binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, doet het openbaar ministerie het bij uittreksel in een dagblad der provincie, bij het vonnis aangewezen, plaatsen.

Hetzelfde hoeft, met inachtneming van denzelfden termijn, op last van het openbaar ministerie bij den Hoogen Raad, plaats, Manneer de voorziening is cassatie tegen het vonnis, waarbij de onteigening werd uitgesproken, verworpen is, of wanneer de Hooge Raad, het vonnis des eersten regters vernietigende, de onteigening uitspreekt, in welk geval zijn arrest het dagblad aanwijst.

Hoofdstuk IV.

Over de hclalinr/ van de schadeloosstelling.

55. Hot vonnis van onteigening vervalt, wanneer niet binnen zes maanden nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, do schadeloosstelling betaald, of, in de gevallen waarin dit volgens deze wet kan geschieden, geconsigneerd is. De onteigenende partij is alsdan gehouden tot vergoeding der schade, welke de wedei partij daardoor mogt hebben geleden. Onder die schade zijn echter niet begrepen de proceskosten, waarin de onteigenende mogt zijn veroordeeld, noch ook het verlies der voordeelen, die de onteigende uit de onteigening zou hebben getrokken. (Rv. 56 v.)

Onder de schadeloosstelling zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den achtsten dag nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. (Stb. 1857 n0. 171, a. 2.)

56. Wanneer zij, tegen wie de onteigening is uitgesproken, de bepaalde schadeloosstelling weigeren aan te nemen, kan de onteigenende partij zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed, mits de schadeloosstelling aangeboden

-ocr page 1438-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

en geconsigneerd zij, op de wijze in de Tweede Afdeeling van den Vierden Titel van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek bepaald. (B. 1440 v.)

67. In het geval van het voorgaande artikel wordt de onteigenende partij, op bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, des noods door middel van den sterken arm in het bezit der onteigende goederen gesteld.

Bij haar verzoekschrift aan dien voorzitter moet zij een afschrift van het vonnis overleggen, waarbij de onteigening uitgesproken is, en eene verklaring van den griffier der arrondissements regtbank, of, zoo er voorziening in cassatie heeft plaats gehad, van den griffier bij den Hoogen Baad, dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Ook de acte, waaruit van het aanbod van gereeds betaling en van de daarop gevolgde consignatie, of wel alleen van de consignatie in het geval van het volgende artikel, blijkt, moet worden overgelegd, (a. 56.)

58. Wanneer onder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling gelegd, of wanneer er rangregeling gevraagd mogt worden, doet zij terstond, zonder eenig aanbod, de gelden consigneren en zich op de hierboven bepaalde wijze in het bezit stellen.

5U. Het vonnis van onteigening wordt, tegen overlegging van een duplicaat der quitantie van betaalde schadeloosstelling of van een afschrift der beschikking van den voorzitter der arrondissements-regtbank, waarbij de inbezitneming wordt toegestaan, in de openbare registers, bedoeld bij art. 671 van het Burgerlijk Wetboek, overgeschreven.

Door die overschrijving gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op het onteigende goed gevestigd blijven, doch niet dan met goedvinden der onteigenende partij.

60. Dijk- en soortgelijke lasten en alle belastingen hoegenaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard of die daarvan worden betaald, gaan van den dag, waarop het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, of waarop, in het geval van art. 57, de inbezitneming heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.

61. Indien, ten gevolge van oorzaken welke de onteigenende bij magte was uit den weg te ruimen, met het werk, waartoe werd onteigend, niet binnen een jaar, nadat het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, aanvang is gemaakt, of de arbeid daaraan meer dan een jaar mogt zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te toonen, dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebragt, kan de onteigende bij den regter het afgestane goed terugvorderen in den toestand, waarin het zich alsdan bevindt, doch onder gehoudenheid om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de schadeloosstelling terug te geven.

1308

-ocr page 1439-

wet van 28 augustus 1851.

T I T E L II.

Over de onteigening hij vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting of andere dringende omstandigheden.

Hoofdstuk I.

Over de onteigening bij vestingbouw, den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken.

62. Onteigening van onroerenue zaken, ten behoeve van vestingbouw, den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken, heeft plaats uit kracht van een door Ons, den Raad van State gehoord, genomen besluit, waarbij de goederen, die onteigend moeten worden, naauwkeurig, met opnoeming hunner kadastrale nummers en van de namen der in de registers van het kadaster aangeduide eigenaars, worden aangewezen.

Dat besluit wordt in het Staatsblad geplaatst. (G. 151^ )

63. Alvorens dit besluit te nemen, worden de belanghebbenden in staat gesteld hunne bezwaren tegen de rigting van het werk kenbaar te maken aan eene commissie, zamen-gesteld op de wijze bij art. 10 bepaald.

Wanneer het den aanleg, het herstel of het onderhoud van dijken gekit, wordt de commissie mede bijgestaan door een lid van een der ter plaatse bestaande collegien of besturen, in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 (Stb. n0. 42) vermeld.

Deze commissie houdt in alle gemeenten, onder welke goederen te onteigenen zijn, ten minste ééne zitting.

64. Art. 9, het laatste lid van art. 10 en de artt. 11 tot en met 61 zijn ten deze toepasselijk, met uitzondering van n0. 1 van art. 25.

65. Wanneer niet de grond zelf onteigend wordt, maar slechts tot het verrigten van in dezen titel vermelde werken zekere specien uit den grond noodig geacht worden, mag dit ook op een besluit van Gedeputeerde Staten of wel der in art. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 (Stb. n0. 42) vermelde collegien en besturen geschieden.

Het besluit, door Ons of door de zooeven genoemde collegien of besturen genomen, wijst zoo naauwkeurig mogelijk de oppervlakte aan waarover, en de diepte tot welke de uitgraving zal plaats hebben.

Behalve de plaatsing in het Staatsblad, in art. 62 voorgeschreven, wordt het in de Staatscourant en in een dagblad der provincie opgenomen.

De schadeloosstelling bepaalt zich in dat geval tot de waarde der weggenomen specien en de schade, door die wegneming aan den grond toegebragt, met inachtneming der bepaling van art. 41.

66. Bij gebreke van minnelijke schikking benoemt de

1309

-ocr page 1440-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

arrondissements-regtbank, in het geval van het voorgaande artikel, op het verzoekschrift hetzij van hem die onteigent, of van den eigenaar van den grond, een of meer deskundigen, in oneffen getale, om een berigt over de schadeloosstelling te geven.

Bij het verzoekschrift moet een exemplaar van het Staatsblad, waarin Ons besluit, of van de Staatscourant en het dagblad der provincie, waarin dat der Gedeputeerde Staten of der andere genoemde collegien of besturen is opgenomen, worden overgelegd.

De regtbank benoemt een barer leden, om als commissaris, vergezeld van den griffier, bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn.

Zij bepaalt tevens den dag en de plaats, waar en wanneer dat onderzoek zal geschieden. Ten minste tweemaal vier en twintig uren te voren wordt dit aan de wederpartij beteekend en afschrift van het exploit ter griffie van de regtbank nedergelegd. Bij gebreke dier beteekening vervalt het vonnis.

Het vonnis wordt aan het gebouw der regtbank aangeplakt, en de griffier roept de deskundigen op.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begrooteu.

De regter-commissaris bepaalt, bij het onderzoek den dag, waarop hij zijn rapport aan de regtbank zal uitbrengen. Deze dag wordt aan de wederpartij beteekend, zoo zij niet is verschenen bij het onderzoek, en afschrift van het exploit ter griffie nedergelegd. Inmiddels liggen het proces-verbaal van den regter-commissaris en het advies der deskundigen op de griffie ter lezing.

Op den bepaalden dag nemen, na het rapport van den regter-commissaris, partijen en dei de belanghebbenden hunne conclusien, welke zij, mits op dezelfde teregtzitting, bij pleidooi breeder kunnen ontwikkelen.

De regtbank beslist, na het openbaar ministerie gehoord te hebben, terstond of op de eerstvolgende teregtzitting.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

Tegen het vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten.

Het 2de en 3de lid van art. 20, het laatste lid van art. 24, de artt. 29 en 33 en de vijf eerste leden van art. 34 zijn op de regtsvordering, in dit artikel omschreven, van toepassing.

67. De wegneming der specien heeft niet plaats dan nadat de onteigenende partij de schadeloosstelling heeft betaald of geconsigneerd.

De artt. 55 tot 58 zijn ook hier van toepassing.

68. De artt. 65 tot en met 67 zijn niet toepasselijk ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen o.?zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, mogt rusten. Geen nieuwe verpligting van dezen aard kan

1310

-ocr page 1441-

WET VAN 28 AUGUSTUS 1851.

na de afkondiging dezer wet door gewoonte of verordening worden gevestigd.

£)it artikel is aldus gewijzigd vastgesteld hij do. Wet van 1 Juni 1861 (Stb. n0. 54).

Hoofdstuk II.

Over onteigening bij besmetting, a)

69. Onteigening ter afwering eener gevreesde, of tot het stuiten van den voortgang eener aanwezige besmetting heeft plaats uit kracht van een besluit, door Ons genomen, verklarende dat daarvoor genoegzame reden bestaat. Wanneer echter het gevaar slechts voor eene provincie in het bijzonder te duchten is, kan die verklaring ook bij besluit van Gedeputeerde Staten geschieden.

In zeer dringende gevallen kunnen de gemeentebesturen hiertoe overgaan, mits van hun besluit binnen twee maal vier en twintig uren aan Gedeputeerde Staten kennis gevende.

In het besluit, zoo van Ons als van Gedeputeerde Staten of van het gemeentebestuur, worden de goederen, die onteigend moeten worden, met opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen, en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van eenen deskundige, waaruit van de noodzakelijkheid dier onteigening blijkt.

Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt en in een of meer daarbij aan te wijzen dagbladen geplaatst.

Indien het besluit de onteigening betreft van besmette of van besmetting verdachte voorwerpen, kunnen die voorwerpen onmiddellijk of later door of van wege het bestuur, met de onteigening belast, worden in beslag genomen.

Gedeputeerde Staten kunnen de toepassing van hun besluit aan de gemeentebesturen opdragen. (G. 1516.)

70. Bij gebreke van minnelijke schikking dient, in het geval van het voorgaande artikel, het bestuur, met de onteigening belast, een verzoekschrift aan den kantonregter in, strekkende dat de onteigening door hem worde uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald.

Bij het verzoekschrift moet het besluit, volgens het voorgaande artikel genomen, worden overgelegd.

1311

De kantonregter benoemt daarop onmiddellijk een of

a) Verg. art. 23 v., der Wet van 20 Juni 1S70 (Stb. no. 131), (ot regelbuj eau het ceeartsenijleumliij Stuutstoesiijt en de ceeartsenijkundhje politie»

-ocr page 1442-

1312 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

meer deskundigen, in oneffen getale, welke na beëedigd te zijn hun oordeel omtrent de hoegrootheid der schadeloosstelling uitbrengen. (Stb. ISTS n0. ISi, a. 5.)

71 De kantonregter is met zijnen griffier bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig. Hij laat terstond van hunne meening en de gronden, daarvoor door hen aangevoerd, door zijnen griffier proces-verbaal opmaken, en bepaalt onmiddellijk daarna, of uiterlijk drie maal vier en twintig uren later, de verschuldigde schadevergoeding.

De eigenaar wordt, indien hij binnen de gemeente woont waar het onderzoek moet plaats hebben, door den kantonregter, zooveel noodig schriftelijk, uitgenoodigd bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn; desgelijks, indien het de onteigening van een besmet voorwerp geldt, de personen bij welke het gevonden is.

Derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begroeten.

De artikelen 29 en 33 zijn ook hier toepasselijk, behoudens dat hetgeen daar van den regter-commissaris gezegd is, op den kantonregter toepasselijk wordt.

Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te worden genomen.

De termijnen worden, naar gelang der omstandigheden, door den kantonregter, des noods van uur tot uur, bepaald.

Tegen het vonnis des kantonregters, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch verzet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten. (Stb. 1872 n0.134, a. 5.)

72. De overgang van den eigendom, voorzooverre het roerende goederen betreft, heeft n:et plaats dan nadat van wege het bestuur, met de onteigening belast, de schadeloosstelling is betaald of geconsigneerd; het laatste wanneer binnen de gemeente, waar het onteigende goed zich bevindt, de gelegenheid ontbreekt de betaling te doen, of de onteigende weigeren mogt, op het hem gedane aanbod, de schadevergoeding te ontvangen, of wel wannneer er beslag op die penningen mogt zijn gelegd. Art, 55 is ook hier van toepassing.

Bij onroerende goederen gelden de bepalingen van het Vierde Hoofdstuk van den Eersten Titel, behoudens dat hetgeen daar van den president der regtbank gezegd is, op den kantonregter toepasselijk wordt, en de overlegging van de verklaringen des griffiers, in art. 57 voorgeschreven, vervalt.

De schadeloosstelling wordt door het bestuur, met de onteigening belast, voorgeschoter. en komt ten laste van den Slaat. In die provinciën echter waar provinciale belastingen tol het te keer gaan der besmetting worden geheven, komen de kosten ten laste der provincie. (Stb. 1872 no. 134, a. 5.)

-ocr page 1443-

1313

TITEL UI.

Over onteigening hij oorlog, brand of watersnood.

73. Wanneer in geval van oorlog, brand of watersnood oogenblikkelijke inbezitneming volstrekt noodzakelijk geacht wordf, kan deze op last van de hoogste burgerlijke of militaire overheid, ter plaatse aanwezig, geschieden.

Ingeval van watersnood kan die last ook door de betrokken collegien en besturen, in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 (Stb. nquot;. 42) vermeld, of door de hoofden dier collegien en besturen, gelijk door hunne daartoe gemagtigde leden, worden gegeven.

Oorlog in den zin dezer wet wordt geacht aanwezig te zijn, niet alleen bij uitgebroken krijg, maar ook zoodra de toestand zoo dreigend voor \'s lands defensie is, dat de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele, buitengewoon krachtens art. 184 (thans 185) der Grondwet door Ons is bijeengeroepen, en zoolang die als zoodanig onder de wapenen blijft. (Sr. 87c)

Dit derde lid is aldus gewijzigd vastgesteld hij de Wet van 29 Maart 1877 (Stb. n0. 52).

Door watersnood wordt niet enkel het geval verstaan dat dijken zijn doorgebroken of overstroomingen hebben plaats gehad, maar ook dat van dringend of dreigend gevaar voor doorbraak of overstrooming.

De eigendom gaat onmiddellijk op dengene over, in wiens naam de inbezitneming is geschied, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alle in art, 60 genoemde lasten of belastingen, waarmede het onteigende goed is bezwaard, gaan van den dag der inbezitneming op hem over. (G. 151c.)

74. Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen heeft, aan de onteigenden geregtolijk eene schadevergoeding doen aanbieden, of in de gevallen, in art. 58 genoemd, consigneren.

Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is geschied, alsmede wanneer met het aangebodene of geconsigneerde geen genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de onteigenden worden gevorderd.

In het eerste geval kan de Staat, de provincie, de gemeente of het waterschap de bedoelde schadeloosstelling van hen, die de onteigening gelast hebben, persoonlijk terugvorderen, ten ware het verzuim builen hunne schuld most hebben plaats gehad.

75. De wettelijke interessen der verschuldigde schadevergoeding moeten van den dag der inbezitneming aan de onteigenden worden betaald. (Stb. 1857 n0. 171, a 2, zie chron. lijst.)

76. Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, den eigendom van het goed niet langer voor het beoogde doel noodig acht, en er nog geenc drie jaren sedert de onteigening verloopen zijn, is de onteigende bij voorkeur boven alle

83

-ocr page 1444-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

anderen tegen de betaling van den prijs, door deskundigen te begrooten, tot de verkrijging daarvan geregtigd.

Slotbepalingen.

77. Op de gevallen, waarin volgens art. 187 {thans 186; der Grondwet moet worden voorzien, is deze wet niet toepasselijk. (Stb. 1866 n0. 138; Stb. 1867 n«. 18; Stb. 1875 nu. 19.)

78. De wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0.19) is ingetrokken.

Zij blijft intusschen toepasselijk op regtsvorderingen tot

onteigening, vóór de afkondiging dezer wet aangevangen.

Het zal desniettemin aan de onteigenende partij vrijstaan van hare volgens de vorige wet aangevangen regtsvordering, zoolang nog geen vonnis in de zaak is gewezen afstand te doen, en eene nieuwe volgens deze wet in te stellen. In dat geval moet zij alle kosten, door de wederpartij tot op het doen van dien afstand gemaakt, betalen.

Zij kan tot die betaling genoodzaakt worden op het enkel bevelschrift van den voorzitter der arrondissements-regtbank, gesteld aan den voet van den door de wederpartij opge-maakten staat van kosten.

Dit bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 28 Augustus 1851.

BESLUIT

van 17 December 1851 (Stb. n0. 166), houdende nadere bepalingen omtrent het beheer en beleid der algemeene of Rijks-politie. a)

Wu WILLEM 111, EN/,.

Overwegende, dat het belang van den Staat vordert, dat het beheer en beleid der algemeene of Rijks-politie op nieuwe grondslagen worden gevestigd, en dat de dienst van dezen tak van bestuur over alle deelen des Rijks op eenen eenparigen voet worde geregeld an in overeenstemming gebracht met de beginselen voor de gemeente-politie vastgesteld bij de wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad n0. 85);

mi

Herzien de Koninklijke besluiten van 19 Maart 1818, n0. 74, 6 Junij 1819, litt. S1, 3 November 1822, n0. 23 en 23 Maart 1836, nquot;. 80, houdende instructien voor de pro-

tt) Vg. het Besluit van den 7 Februari 1851- (Stb. no. 10), houdende vaststelling van een onderscheldinjateeken voor de ambtenaren en beambten van de Rijkspolitie.

-ocr page 1445-

WET V. 28 AUG. \'1851 EN BESLUIT V. 17 DEC. 1851. 1315

cureurs-generaal bij de geregtshoven, de voormalige procureurs-crimineel, en de directeuren van politie in de groote steden des Rijks, alle betrekkelijk de dienst der Rijks- en plaatselijke politie;

Gelet op de Koninklijke beschikking van 7 October 1842, n0. 2;

Gelet op de artt. 184 en volgende der aangehaalde wet van 29 Junij 1851 (Stb. n0. 85);

Op de voordngt van Onzen .Minister van Justitie, van den 8 December 1851, n0. 81a;

Den Raad van State gehoord (advies van 15 December 1851, n«. 10);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie van 16 daaraanvolgende, n0. 260;

Hebben besloten en besluiten:

Arikel 1.

liet gezag over de algemeene of Rijks-politie berust bij Onzen Minister van Justitie.

2. Voor het beheer der algemeene of Rijks-politie wordt het Rijk in vijf districten verdeeld.

Het eerste district omvat de provincie Noordbrabant en het hertogdom Limburg;

het tweede de provinciën Gelderland en Overijssel;

het derde de provinciën Zuidholland en Zeeland;

het vierde de provinciën Noordholland en Utrecht;

het vijfde de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe.

3. Voor ieder dezer districten wordt door Ons, zoodra het belang van \'s Rijks dienst dit vordert, een directeur van pclitie benoemd.

De standplaats van ieder directeur van politie wordt door Ons bij het besluit van benoeming aangewezen en naargelang van omstandigheden veranderd.

4. Aan de directeuren van politie wordt eene bezoldiging van minstens f 2000 en hoogstens f 3000 toegelegd, door Ons, naar gelang van plaatselijke omstandigheden, te regelen.

Bovendien wordt aan hen voor bureau-kosten, mede van Staatswege, eene som van minstens f 300 en hoogstens f 1000 verstrekt, door Ons insgelijks naar gelang van plaatselijke omstandigheden te regelen.

5. De directeuren van politie zijn belast met het beheer en beleid der algemeene of Rijks-politie, in den dienstkring waarvoor zij zijn aangesteld.

Zij waken voor de handhaving van de wetten, reglementen van algemeen bestuur en van Onze besluiten, voor de rust en veiligheid van den Staat, voor de bescherming van personen en goederen. Zij zorgen inzonderheid dat de voorschriften der wet van 13 Augustus 1849 (Stb. n0. 39), regelende de toelating en uitzetting van vreemdelingen, in de gemeenten van hun district behoorlijk en op gelijken voet worden nageleefd.

-ocr page 1446-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

In het nasporen van misdrijven, die zij niet hebben kunnen voorkomen, zijn zij der justitie behulpzaam, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, en de bijzondere instructien van Onzen Minister van Justitie. (Sv. 34 v.)

6. Alle ambtenaren van Rijks-politie staan onder de bevelen van den directeur van politie van het district.

7. De directeuren van politie treden voortdurend in overleg met de burgemeesters der gemeenten van hun district, ten aanzien van de dienstregeling der commissarissen, inspecteuren, dienaren, veldwachters en andere beambten van plaatselijke politie, die tevens aan de algemeene politie dienstbaar zijn, en voorts ten aanzien van alle andere onderwerpen van politie, voorzooverre die met de Rijks-politie in betrekking staan.

8. De burgemeesters doen aan den directeur van politie van het district mededeeling van alle verordeningen van politie en bevelen van algemeenen aard, binnen hunne gemeenten uitgevaardigd.

De directeur van politie wijst hun de verbeteringen aan, die de aangelegenheden der politie in hunne gemeenten, uit het oogpunt van Rijks-politie schijnen te vorderen.

9. De directeuren van politie doen, zoodikwerf het hun noodzakelijk toeschijnt om in de gemeenten van hun district zich persoonlijk te overtuigen van de geschiktheid van het personeel, den goec\'en gang der administratie en de gezette naleving der gegeven voorschriften, daartoe een gemotiveerd voorstel aan Onzen Minister van Justitie.

Deze bepaalt de gemeenten, die in de rondreize en inspectie van den directeur zullen zijn begrepen.

De directeuren zenden van hunne bevinding een uitvoerig verslag aan Onzen Minister van Justitie.

10 De directeuren van politie zijn in elk geval verpligl om zich onmiddellijk te begeven naar zoodanige plaats van hun district, waar het algemeen belang hunne tegenwoordigheid vordert, en zulks overeenkomstig de instructien hun door Onzen Minister van Justitie te geven.

11. Wanneer de directeuren van politie in de uitoefening hunner dienst, of ter uitvoering van een hun opgedragen last, zich buiten hunne standplaats moeten verwijderen, voorzien zij zelve in de tijdelijke waarneming van hun ambt, met kennisgeving van de daaromtrent gemaakte schikkingen aan Onzen Minister van Justitie en Onze Commissarissen in de provinciën van hun district.

12. Voor de verplaatsing in de voorgaande artikelen bedoeld, genieten de directeuren van politie reiskosten, naaiden maatstaf der tweede klasse, vastgesteld bij art. 2 van Ons besluit van 15 December 1849 (Stb. n0. t2).

13. Wanneer de directeuren van politie zich, buiten ambtsverrigting, van hunnen post willen verwijderen, doen zij het verzoek daartoe aan Onzen Minister van Justitie, met voordragt der wijze van voorziening in de waarneming hunner dienst.

Van het toegestaan verzoek en de goedgekeurde wijze

1316

-ocr page 1447-

BESLUIT VAN 17 DECEMBER 1851.

van waarneming, wordt door Onzen Minister van Justitie aan Onze Commissarissen in de betrokkene provinciën kennis gegeven.

14. Wanneer Commissarissen van politie zicli van hunnen post verwijderen, wordt van de wijze van voorziening in de tijdelijke waarneming hunner dienst door den burgemeester der gemeente onmiddellijk kennis gegeven aan den directeur van politie van het district.

15. Onze Commissarissen in de provinciën kunnen steeds aan den directeur van politie van het district zoodanigen last opdragen en van hem zoodanige inlichtingen en opgaven vragen, als zij zullen vermeenen met het belang van Onze dienst overeen te komen.

16. De directeuren van politie, de commissarissen, waterschouten, inspecteuren en verdere beambten leggen, alvorens in dienst te treden, behalve den eed van zuivering, voorgeschreven bij Koninklijk besluit van 25 Februarij 1817 (Stb. n0. 13), af den volgenden ambtseed:

«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, dat (dk de wetten van den Staat zal nakomen en onder-«bouden, en dat ik mij in de dienst naauwgezet zal toe-«leggen op de vervulling mijner pligten, zooals een braaf «politie-ambtenaar betaamt».

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig.»

17. De eed wordt afgelegd door de directeuren van politie, voor het geregtshof, waaronder hunne standplaats behoort; door commissarissen van politie en waterschouten, voor de regtbank van het arrondissement; door de overige beambten, in handen van den kantonregter. (Stb. 1854 n0. 3.)

18 • Onze Minister van Justitie stelt de noodige reglementaire bepalingen en instruction vast op de goede geregelde waarneming van de dienst, en van al hetgeen tot bevordering en verzekering daarvan wordt vereischt.

19. Bij de invoering van dit besluit zijn ingetrokken de Koninklijke besluiten van 19 Maart 1818, n0. 74,6 Julij 1819, litt. SJ, 3 November 1822, n0. 23, en 23 Maart 1836, n0. 80, en daarbij vastgestelde instructien voor de procureurs-generaal en crimineel, en de directeuren van politie in de groote steden des Rijks.

20. Ons tegenwoordig besluit komt in werking op 1 January 1852.

Overgangsbepaling.

Wij behouden ons voor om in die provinciën, waar het algemeen belang de dadelijke aanstelling van directeuren van politie niet vordert, met de hierboven voor dezen vastgestelde verrigtingen tijdelijk te belasten zoodanige regter-lijke of politie-ambtenaren als Wij zullen bevinden te behooren, zoo mede om op zoodanige punten, waar Onze

1317

-ocr page 1448-

bijzondere wetten en besuuten.

dienst zulks mogt behoeven, van Rijks wege bijzonrlere politie-ambtenaren aan te stellen.

\'s-Gravenhage, 17 December 1851.

WET

van 20 April 1852 (Stb. n0. 92), houdende regeling der

afkondiging van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat gewijzigd hij de Wet van 23 Juni 1893 (Stb. n0. 111).

Wu WILLEM, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, ingevolge art. 117 (thans 72) der Grondwet, de wijze van afkondiging van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en het tijdstip, waarna zij zullen werken, moeten worden bepaald bij de wet;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat, zijn in het geheele Koningrijk verbindend, uit kracht van hunne afkondiging door den Koning gedaan.

Zij werken terstond, nadat hunne afkondiging in alle deelen van het koningrijk bekend kan zijn. (A. 2.)

2. De afkondiging geschiedt:

door plaatsing in het Staatsblad,

door plaatsing in het Staatsblad en in de Staatscourant gelijktijdig.

Ingeval gelijktijdige plaatsing in het Staatsblad en de Staatscourant bevolen is, wordt het tijdstip, waarna de maatregel, overeenkomstig art. 3 dezer wet, zal werken, daarbij uitgedrukt.

3. De afkondiging wordt gerekend in het geheele koningrijk bekend te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuiir is opgenomen, of, indien bij het besluit, houdende vaststelling van zoodanigen maatregel, behalve de plaatsing in het Staatsblad, ook gelijktijdige opneming in de Staatscourant is bevolen, op den tweeden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur geplaatst is. (A. 2.)

Gegeven te Groningen, 26 April 1852.

1318

-ocr page 1449-

WET V. 26 APRIL 1852 EN BESf.. V. 23 AÜGUSTIS 1852. 1319

BESLUIT

van 23 Augustus 1852 (Stb. n0. 141), houdende vaststelling van bepalingen op de strandvonderij.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 9 Junij 1852, n0. 192, 2de afd.;

Gezien het rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 6 Julij 1852, n®. 21;

Den Raad van State gehoord (advies van 8 Augustus 1852, nquot;. 3);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 16 Augustus 1852, n0. 304, 2de afd., en van Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van 20 Augustus 1852, n®. 21;

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking der reglementaire instructie nopens het beheer der strandvonderij, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 9 November 1838, n0. 35, vast te stellen de volgende bepalingen:

Artikel 1.

Het beheer der strandvonderij behoort in elke gemeente, zoover haar gebied strekt, aan den burgemeester.

Op het eiland Rottumeroog echter kan het worden opgedragen aan een door Ons daartoe aan te stellen persoon, op wien het bij dit besluit ten aanzien van den burgemeester bepaalde van toepassing is. (Stb. 1871 n0. 120.)

2. De gevallen waarin de burgemeester zich het beheer van gestrande schepen en goederen moet aantrekken, zijn uitsluitend die, vermeld bij artt. 550 en 551 van het Wetboek van Koophandel.

Desniettemin doet hij, wanneer zoodanige schepen en goederen aan wal worden gebragt in tegenwoordigheid van den schipper, bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde, zich, zoodra mogelijk, als hoofd van het gemeentebestuur kennen, en verleent hij, zoo dit wordt begeerd, de noodige hulp en redding.

3. Hij houdt het oog, of doet het oog houden op de stranden onder zijne gemeente. Hij zorgt dat hetgeen krachtens het Wetboek van Koophandel onder zijn beheer behoort, daaraan niet worde onttrokken. Hij waakt tegen ontvreemding of verduistering der onder zijn beheer zijnde goederen.

4. Hij ondersteunt de pogingen van redding-maatschappijen zooveel mogelijk.

5. Hij zorgt, dat er voor het redden en beheeren van gestrande schepen en goederen geene meerdere kosten worden gemaakt dan de waarde daarvan kan bedragen.

6. De opgevischte goederen, waarvan het zeker is dat zij aan den Staat behooren, worden door hem, zonder vordering van beheerloon, onmiddellijk ter beschikking van het betrokken departement van algemeen bestuur gesteld.

-ocr page 1450-

1320

7. Door geen rijksambtenaar worden bij hem aange-bragte goederen aangenomen, dan wanneer hij oordeelt dat die goederen aan den Staat behooren. Hij verwijst de aanbrengers van alle andere goederen naar den burgemeester.

De artikelen 6 en 7 aldus gewijzigd bij art. 1 van het Besluit van 19 Januarij 1879 (Stb. n0. 10).

8. De burgemeester verwittigt de directie der Marine, binnen welker ressort hij woont, zoo spoedig mogelijk van liet aanbrengen van ankers, tot welker opvordering geene geregtigden stellig bekend zijn.

9. Ingeval de door hem in beheer genomen goederen tot een vreemd schip blijken te behooren, geeft hij van de stranding terstond kennis aan den naast bij wonenden consul-generaal, consul, vice-consul of anderen consulairen agent, dien het aangaat.

10. Onze Commissaris in de provincie wijst het nieuwspapier aan, waarin de kennisgevingen en oproepingen bij art. 555 van het Wetboek van Koophandel bedoeld, worden geplaatst.

11. De verkoopingen, bedoeld bij artt. 554 en 557 van het Wetboek van Koophandel, geschieden ten overstaan van een daartoe bevoegden ambtenaar.

Bij art. 2 van hot Besluit van 8 Mei 1863 (Stb. n0. 56) is als zoodanig aangewezen «de ambtenaar belast met het beheer der strandvonderij».

12. De burgemeester zendt, zoo spoedig mogelijk nadat gestrande schepen en goederen zijn afgegeven of verkocht, zijne rekening en verantwoording deswege in duplo, waarvan eene op zegel, aan Gedeputeerde Staten zijner provincie.

13. Hij geeft, wanneer de rekening en verantwoording betrekking heeft op gereclameerd goed, vóór de inzending daarvan kennis aan de reclamanten of hunne ge-magtigden, dat de rekening en verantwoording met de bescheiden gedurende eene maand, te rekenen van den dag der kennisgeving, ter hunner visie zal liggen.

14. Op verzoek der reclamanten of van hunne gemag-tigden wordt hun, ten hunnen koste, afschrift dier stukken op ongezegeld papier gegeven.

15. De inzending der rekening en verantwoording wegens gereclameerd goed geschiedt, zoodra de reclamanten of hunne gemagtigden in die inzending hebben toegestemd. Zij wordt echter niet langer opgehouden dan ééne maand na de in art. 13 bedoelde kenn.sgeving of ingeval afschrift is verzocht, na de afgifte hiervan.

16. Onder de rekening en verantwoording wordt de volgende verklaring door den rendant te teekenen, gesteld:

«De rendant verklaart, dat de vorenstaande rekening en «verantwoording, voorzooveel hem is bekend, deugdelijk en «ter goedertrouw is ingerigt; dat al de goederen en gelden, «ter zake der bij deze rekening verantwoorde stranding of «berging onder hem of onder zijne ondergeschikten ge-«komen, zonder uitzondering, :in deze rekening verantwoord «worden; dat daarvan niets door hein, noch, zooveel hem

-ocr page 1451-

BESLUIT VAN -23 AUGUSTUS 1852. 1321

«bekend is, door zijne onderlioorigen is verzwegen of achter-gehouden.»

De rekening en verantwoording wegens gereclameerde goederen moet bovendien de verklaring behelzen, dat zij met de bescheiden aan de reclamanten ter visie is aangeboden; of daarvan door hen is gebruik gemaakt, en of hun een afschrift der stukken is afgegeven.

17. Ingeval van rekening en verantwoording wegens on-gereclameerde goederen, stort, bij goedkeuring daarvan door Gedeputeerde Staten, de burgemeester het batig saldo ten kantore van den ontvanger der registratie, waaronder zijne gemeente behoort, en doet hij van die storting blijken aan genoemd collegie, hetwelk daarvan kennis geeft aan den Minister van Financiën.

18. Het loon, bedoeld bij art. 552 van het Wetboek van Koophandel, wordt naar de bruto waarde der beheerde goederen bepaald:

1°. in geval van verkoop der goederen door den burgemeester-strandvonder, op 10% van de eerste f 500; 8% van de volgende f 500; G% van de volgende f 1000; 4% van de volgende f 1000; 3% van de volgende /\'1000; 2% van hetgeen de f 4000 te boven gaat;

2°. bij afgifte der goederen aan de belanghebbenden of bij verkoop ten overstaan van een ander ambtenaar dan de burgemeester, op 8% van de eerste f 500; 6% van de volgende f 500; 4% van de volgende f 1000; 3% van de volgende f 1000; 2% van de volgende f 1000; l1/3% van hetgeen de f 4000 te boven gaat.

Gewijzujd bij art. 1 van het Besluit van 19 Januari] 1879 (Stb. n0. 10).

19. Wegens hot beheer van schepen en goederen, gestrand voor het tijdstip, waarop volgens de wet van 26 April 1852 (Stb. n0. 92) dit besluit in werking treedt, wordt het loon genoten in art. 19 der reglementaire instructie nopens het beheer der strandvonderij bepaald. (Bijv. t. h. Stb. XXV. 364.)

20. Vóór dat tijdstip wordt door de tegenwoordige opper-strandvonders het beheer van de gestrande goederen en van al wat de strandvonderij betreft, overgedragen aan de betrokken burgemeesters.

21. De bepalingen van dit besluit en van den zevenden Titel van het 11de Boek van het Wetboek van Koophandel worden in de Nederlandsche, Fransche, Engelsche en Hoog-duitsche talen in vier kolommen nevens elkander gedrukt, en in elke aan zee gelegene gemeente voor de belanghebbenden, tegen voldoening der kosten, verkrijgbaar gesteld. (K. 545 v.)

Door tusschenkomst van Onzen Minister van Buitenland-sche Zaken worden de regeringen der zeevarende vreemde natiën, alsmede Onze diplomatieke en consulaire agenten, bekend gemaakt met de verordeningen hier te lande ten aanzien der strandvonderij, door toezending van exemplaren der in het eerste lid van dit artikel vermelde bepalingen.

\'s-Gravenhage, 23 Augustus 1852.

Dit besluit is aangevuld bij het hier volgende:

-ocr page 1452-

1322

BESLUIT

van 25 Maart 1854 (Stb. n0. 18), houdende aanvulling van dat van 23 Augustus 1852 ^Stb. n0. 141), nopens de strandvonderij.

Wu WILLEM III, enz.

Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 12 December 1853, n0. 150, 2de afdeeling;

Gezien Ons besluit van 23 Augustus 1852 (Stb. n0.141);

Den Raad van State gehoord (advies van 3 Januarij 1854, nquot;. 1);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 17 Maart 1854, n0. 216, 2de afdeeling, en het rapport van Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van den 20sten daaraanvolgende, n0. 11.

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

In gemeenten, wier kom op eenigen afstand van do zee gelegen is, of wier grondgebied zich ver langs het strand uitstrekt, kunnen, op verlangen en op de voordragt van den betrokken burgemeester, een of meer strandvonders door Onzen Commissaris in de provincie worden aangesteld, ten einde het beheer over gestrarde schepen en goederen op zich te nemen, totdat de burgemeester op de plaats aanwezig is.

2. Alvorens in dienst te treden, leggen zij in handen van onzen Commissaris den eed of belofte af, dat zij met trouw, ijver en naauwgezetheid de belargen der regthebbenden op de gestrande goederen behartigen en de voorschriften betrekkelijk de strandvonderij in acht nemen zullen.

3. Zoolang zij als zoodanig in dienst zijn, dragen zij een koperen plaat, met het woord: «strandvonder», erop gegraveerd, aan een breeden rooden band of lint om den linkerarm.

4. Voor hun beheer over gestrande goederen wordt geen afzonderlijk loon in rekening gebragt.

\'s-Gravenhage, 25 Maart 1854.

WET

van 10 September 1853 (Stb. no.102), tot regeling van het loezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, gewijzigd bij art. 16 der Wet van 15 April 1896 (Stb. n0. 70). a)

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het noodig

«) Zie deze wijzigingswet op blz. 1101.

-ocr page 1453-

BESLUIT V. 25 MAART 1 854 EN WET V. 10 SFPT. 1853. 1323

is eenige wettelijke bepalingen vast. te stellen ter uitvoering van oiiflerscheidene voorschriften van het Vide hoofdstuk der Grondwet en ter vervanging van op dit onderwerp bestaande verordeningen, opdat Wij gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen in het rijk kunnen verleenen en waken, dat zij zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd, alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen. (G. 168.)

De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voorzooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede, vóór of bij het in werking brengen daarvan, op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.

Voorzooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd.

2. Vreemdelingen aanvaarden geene kerkelijke bediening, dan na daartoe Onze toestemming te hebben verkregen.

Alleen in het belang der openbare orde en rust kan die toestemming geweigerd worden. (G. 5.)

3. De titulaturen, in de kerkgenootschappen aan de bedienaren der openbare godsdienst toegekend, geven noch ten opzigte van het wereldlijk gezag, noch ten opzichte van andere kerkgenootschappen, eenige aanspraak, rang of voorregt.

In de aanraking met het wereldlijk gezag worden die titulaturen alleen gebezigd met vermelding van den geslachtsnaam der titularissen.

4. De ter aanwijzing van kerkelijk gebied door kerkgenootschappen gebezigde namen van provinciën of gemeenten worden slechts als van kerkelijken aard beschouwd en hebben geen verder gevolg.

5. Synodale vergaderingen en hoofden, die kerkgenootschappen vertegenwoordigen of besturen, behoeven Onze goedkeuring op de plaats van vestiging.

Voorzooveel deze goedkeuring bij de afkondiging dezer wet nog niet is verleend, wordt, na met hen gehouden overleg, door Ons, den Raad van State gehoord, over de geschiktheid der aangewezene vestigingsplaats uitspraak gedaan.

Alleen in het belang der openbare orde en rust en bij een met redenen omkleed en openbaar gemaakt besluit kan

-ocr page 1454-

BIJZONDERE WETTEN EN BKSLUITEN.

eene aangewezen vestigingsplaats als zoodanig door Ons ongeschikt worden verklaard.

6. De bedienaren der openbare godsdienst dragen het gewaad, voor kerkelijke plegtigheden of bij de uitoefening van de openbare godsdienst in hun kerkgenootschap gebruikelijk, niet dan binnen gebouwen en besloten plaatsen, of daar waar de openbare godsdienstoefening, naar het 2e lid van art. 167 (thans 170) der Grondwet, is toegelaten.

7. Elke oprigting of inrigting van een gebouw tot uitoefening van de openbare godsdienst, binnen den afstand van twee honderd ellen van eene bestaande kerk, vereischt in het belang der openbare orde een onderzoek omtrent de plaats van vestiging.

Voordat de oprigting of inrigting wordt toegelaten, wordt daaromtrent door het gemeentebestuur beslist. Deze beslissing is vatbaar voor een beroep op Gedeputeerde Staten, en bij bezwaar, ook tegen de beslissing van deze, wordt hunne uitspraak aan Onze eindbeslissing onderworpen. Het besluit door Ons te nemen, na den Raad van State te hebben gehoord, wordt met redenen omkleed en openbaar gemaakt. (Prov. W., a. 468.)

Wanneer de oprigting of inrigting zonder verlof heeft plaats gehad, wordt het gebouw gesloten.

8. Het klokkengelui tot viering van kerkelijke plegtigheden of om de ingezetenen tot de godsdienstoefening op te roepen, kan in gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenootschap zijn, in het belang der openbare orde \' en rust door Onzen commissaris in de provincie worden verboden.

Klokkengelui tot andere einden heeft geene plaats dan met vergunning der plaatselijka politie.

9. Hij die aan deze wet niet voldoet, hare voorschriften overtreedt, of, elders dan art. 167 {thans 170) der Grondwet toelaat, de openbare godsdienst uitoefent, wordt verklaard «in strijd met de wet te hebben gehandeld». (Inv. 10 n0. 10).

10. De officieren van Justitie bij de arrondissements-regtbanken eischen, overeenkomstig met de bepalingen van art. 854 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, voor de regtbank, ter burgerlijke teregtzitting de toepassing van het voorgaande artikel.

Geene vervolging kan door hen worden ingesteld dan op magtiging van den procureur-generaal, onder wiens bevelen zij staan, of op last des regters in de gevallen, voorzien bij art. 31 (thans 33) van het Wetboek van Strafvordering en art. 73 van de wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der justitie. (Stb. 1887 n0. 265, a. 1, 6°.)

11. Van het vonnis word\', appel, van het arrest cassatie toegelaten.

12. Die, na eenmaal ter zake van overtreding dezer wet te zijn veroordeeld, zich aan herhaling daarvan schuldig maakt binnen den tijd van vijf jaren nadat de vroegere veroordeeling onherroepelijk is geworden, wordt gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgerschapsregten.

1324

-ocr page 1455-

wet v. 1 O september 4853 en v. 22 april 1855.

voor den tijd van drie lot tien jaren, a) en met hechtenis van ten hoogste een jaar, te zamen of afzonderlijk.

Gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n0.10 en art. 1! der Invoeringswet.

13. De regtsgedingen, krachtens het voorgaande artikel ter zake van herhaalde overtreding gevoerd, worden op de gewone wijze voor den gewonen strafregter behandeld.

De vervolging wegens overtredingen van deze wet verjaart door verloop van twee jaren. (Inv. 10 n0. 10; Sr. 70.)

14. Bij het inwerkingkomen dezer wet zijn, behoudens de bepalingen der wetten en reglementen bedoeld in art. 167 der Grondwet, afgeschaft de wet van 18 Germinal jaar X en alle andere met de tegenwoordige wet strijdige bepalingen.

Gegeven in het Kamp bij Zeist, 40 September 4853.

WET

van 22 April 4855 (Stb. n0. 32), lot regeling en beperking der uitoefening van hel regt van vereeniging en vergadering.

Wij WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het 5de additionele artikel der Grondwet {van 1848) de vaststelling eener wet tot uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering voorschrijft, en artikel 10 {thans 9) der Grondwet de uitoefening van dat regt door do wet wil geregeld en beperkt hebben in het belang der openbare orde;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Tot de oprigting eener vereeniging wordt geene rnagti-ging gevorderd. (G. 9.)

2. De vereeniging stiijdig met de openbare orde is verboden. (A. 14.)

3. Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeniging, welke ten doel heeft;

1°. ongehoorzaamheid aan of overtreding van de wet of eene wettelijke verordening;

2°. aanranding of bederf der goede zeden;

1325

3°. stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij.

a) Deze straf is die van art. 12 c. p., gewijzigd bij art. 8 der Wet van 21) Juni 1854 (Stb. no. 102), welke wetsbepalingen mitsdien, hoewel bij de Invoeringswet onvoorwaardelijk afgeschaft, voor dit geval zijn gehandhaafd.

-ocr page 1456-

BIJZONDERli WETTEN EN BESLUITEN.

4. Afgeschaft door art. 3d der Invoeringswet, en vervangen door art. 140 Sr.

5. Geene vereeniging, buiten die door de Grondwet of andere wetten ingesteld, treedt als regtspersoon op dan na of door eene wet, of door Ons te zijn erkend. (B. 1690 v.)

Alle voor onbepaalden tijd of voor langer dan dertig jaren aangegane vereenigingen, welke als regtspersonen willen optreden, behoeven eene erkenning door de wet.

Dergelijke vereenigingen, voor minder dan dertig jaren aangegaan, kunnen door Ons worden erkend.

6. De erkenning geschiedt door goedkeuring van de statuten of reglementen der vereeniging.

Die statuten of reglementen bevatten het doel, de grondslagen, den werkkring en de overige regelen der vereeniging.

7. De erkenning wordt door Ons alleen geweigerd op gronden ontleend aan het algemeen belang.

Het besluit van weigering is met redenen omkleed.

8. Wijziging of verandering der goedgekeurde statuten vereischt nadere goedkeuring.

9. De goedgekeurde statuten, wijzigingen of veranderingen worden door de Staats-Courant openbaar gemaakt.

10. De afwijking van goedgekeurde statuten geeft aan het openbaar ministerie de bevoegdheid om bij den burgerlijken regter de vervallen-verklaring der vereeniging van hare hoedanigheid van regtspersoon te vorderen.

De regter de vervallen-verklaring uitsprekende, kan aan de vereeniging, niettegenstaande hooger beroep of voorziening in cassatie, de bevoegdheid tot het plegen van burgerlijke handelingen bij voorraad ontzeggen.

De verevening der zaken eener van hare regtspersoon-lijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder toezigt des regters, die de vervallen-verklaring uitsprak, op de wijze en met inachtneming der vormen omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld. (B. 1172.)

11. Nadat door den benoemden curator de roerende en onroerende goederen der vereeniging verkocht en de schulden betaald zijn, wordt het batig slot, zoo er een is, aan hen, welke op het oogenblik der vervallen-verklaring leden der vereeniging zijn, of aan hunne regthebbenden, elk voor het aandeel dat zij in de vereeniging hebben, uitgekeerd.

12. Vereenigingen, niet als regtspersonen volgens deze wet ingesteld of erkend, kunnen als zoodanig geene burgerlijke handelingen aangaan.

De overeenkomsten, namens haar gesloten, en de goederen, namens haar verkregen, werden ten opzigte van het rijk en van derden beschouwd als volgende de personen, welke de overeenkomst gesloten en de goederen aanvaard hebben, al is het ook dat in de overeenkomsten en titels de handelende personen slechts als gemagtigden of beheerders der vereeniging zijn aangewezen.

13. De onderlinge verhouding der leden van vereenigingen, welke niet als regtspersonen kunnen optreden, regelt zich

1326

-ocr page 1457-

WET VAN 22 APRIL, 1855.

naar de door hen vastgestelde reglementen en de algemeene regelen van het burgerlijk regt.

De bepalingen van artt. 1700 en 1701 van het Burgerlijk Wetboek blijven op deze vereenigingen, ofschoon niet als regtspersonen beschouwd, van toepassing.

14. De bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toepassing op de burgerlijke maatschap of vennootschap, noch op vennootschappen van koophandel, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen en scheepsreede-rijen.

De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Koophandel blijven op deze onderwerpen van toepassing. (B. 1655 v.; K. 14 v., 286, 320 v.)

Aldus gewijzigd, met terugwerking der wijziging tot op den dag der invoering der Wet van \'22 April 1855 (Stb. n0. 32), bij de Wet van 14 September 1866 (Stb. n0. 123).

15. Vereenigingen, welke vóór het in werking komen dezer wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn opgerigt.

16. Vreemdelingen, geene ingezetenen zijnde, kunnen niet zijn leden van staatkundige vereenigingen.

17. Vervallen door de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht.

18. Openbare vergaderingen tot gemeenschappelijke beraadslagingen worden in de opene lucht niet toegelaten dan op bekomene vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur, verleend vijf dagen voordat de vergadering wordt gehouden.

Onze Commissaris in de provincie kan zoodanige vergunning intrekken, of, hij weigering der vergunning door het hoofd van het gemeentebestuur, haar van zijnen kant op verzoek van belanghebbenden verleenen.

19. Tot alle vergaderingen in gebouwen, waarbij het publiek wordt toegelaten, hebben de ambtenaren van algemeene en plaatselijke politie den vrijen toegang.

Weigering van toegang geeft regt aan de ambtenaren der politie om, bijgestaan door het hoofd van het gemeentebestuur, zich den toegang te verschaffen. (Sr. 184.)

20- liet dragen van wapenen is verboden in de vergaderingen, in de twee voorgaande artikelen bedoeld.

Dit verbod is niet toepasselijk op militaire officieren en onderofficieren, in uniform gekleed.

21. Bijeenkomsten om zich in het hanteren van wapenen te oefenen worden op plaatsen, in den regel voor het publiek toegankelijk, of wanneer zij door meer dan tien personen worden bijgewoond, niet toegelaten dan met vergunning van het hoofd van het gemeentebestuur.

Deze vergunning wordt niet verleend dan ten minste vijf dagen voordat de bijeenkomst wordt gehouden en onder de voorwaarden, in het belang der openbare veiligheid gevorderd.

Het 2de lid van art. 18 is ten deze toepasselijk.

22. Elke vergadering, waarin de openbare orde wordt

1327

-ocr page 1458-

-1328 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

gestoord of tegen de bepalingen dezor wet wordt gehandeld, gaat op de opvordering der politie terstond uiteen. (Sr. 184.)

23. Onverminderd de straffen, vastgesteld op bijzondere misdrijven in geoorloofde of ongeoorloofde vereenigingen en vergaderingen, of ter gelegenheid daarvan gepleegd, worden zij, die artt. 16, 18, 20 en 21 overtreden, gestraft met geldboete van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van een dag tot twee maanden.

Gehandhaafd en gewijzigd hij art. 10 n4. 13 en 11 der. Invoeringswet.

Gegeven op het Loo, 22 April 1855.

WET

van 7 Mei 1856 (Stb. ^.31), houdende bepalingen omtrent

de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen, gewijzigd hij de Wet van 13 November 1879 (Stb. n®. 190) en art. 16 der Invoeringswet.

Artikel 1.

De schipper en het scheepsvolk zijn, ook in de gevallen niet door het gewone strafregt voorzien, wegens het verzuim of de overtreding hunner verpligtingen disciplinair strafbaar, naar de onderscheidingen in deze wet gemaakt.

De bepalingen dezer wet laten ongekrenkt de burgerlijke regtsvordering, voortvloeijende uit de niet-nakoming der verbindtenis van den schipper jegens de reeders of jegens het scheepsvolk en van het scheepsvolk jegens den schipper. (K. 320 v., 341 v., 394 v.)

2-4. Vervangen door Sr. 390—394 en Sv. 80.

5. Zij, die ingevolge art. 402 van het Wetboek van Koophandel met den sterken arm tot vervulling van hunne dienst worden genoodzaakt, kunnen tot het oogenblik der afreis in verzekerde bewaring worden gehouden.

De kosten, welke op de opsporing, aanhouding en bewaring vallen, komen ten laste van den schuldige en worden op zijne gagie gekort.

6 Allen die aan boord zijn moeten de bevelen des schippers betrekkelijk het behoud en de zekerheid van schip en lading en de bevordering dor reis opvolgen. Bij weigering is de schipper gerugtigd hen daartoe te noodzaken.

De schipper wordt, ook ten opzichte der passagiers, tot het bewijs van het tegendeel, geacht tot gemeen behoud en uit geoorloofde zelfverdediging te hebben gehandeld. (K. 528.)

7. De schipper oefent oen disciplinair gezag over de scheepsgezellen uit, en kan hen wegens verwijdering van

-ocr page 1459-

13^

boord zonder verlof, verlengde afwezigheid na afloop van verlof, verzuim van dienst, cn wegens elke inbreuk op hunne verpligtingen met de verbeurte van een tot vijftien dagen gagie straften.

Dronkenschap, twist en stoorniswekkende onzedelijkheid kunnen met gelijke verbeurte van gagie door den schipper worden gesfraft.

8. Hij, d e eenmaal op grond van art. 7 is gestraft, kan, in geval van herhaling in den loop derzelfde reis, door den schipper disciplinair van één tot drie dagen ragt in de boeijen worden gesloten.

9. Muiterij, gewelddadig verzet,dienstweigering, bedreiging jegens meerderen in rang, of jegens hen, die niet eenig tijdelijk gezag zijn bekleed, en weigering van bijstand bij muiterij of gewelddadig verzet en bij het arresteren van schepelingen, kunnen met gelijke disciplinaire sluiting in de boeijen gedurende drie dagen, zelfs verhoogd door krom-sluiting in de boeijen gedurende den dag, door den schipper worden gestraft.

In de gevallen, voorzien in dit en het vorige artikel, kan de verbeurte van gagie tot dertig dagen worden uitgestrekt.

Indien de schipper gebruik maakt van de bepalingen van artt. 436 en 437 van het Wetboek van Koophandel, kan hij geene disciplinaire straf opleggen.

10. De monsterrol wijst de bestemming van de gelden aan, voortvloeijende uit de verbeurde gagie.

De schipper kan, welke ook de bestemming dier gelden zij, nimmer eenig deel derzelve genieten. (K. 397.)

11. Vervangen door Sr. 395—397.

12. Aan boord van het schip is, behalve de stukken in het Wetboek van Koophandel gevorderd, aanwezig een strafregister, hetwelk bij de aanmonstering door den ambtenaar, te wiens overstaan de monstering plaats heeft, kosteloos wordt geparapheerd. (K. 357.)

13. In het strafregister wordt achtervolgens, zonder meerdere tusschenruimte dan voor de onderteekening noodig zij, elke opgelegde straf, met de opgave der overtreding, door den schipper ingeschreven en onderteekend.

De schipper doet quot;elke aanteekening in het strafregister door twee schepelingen, bij voorkeur door de stuurlieden, medeonderteekenen. Kan dit geen plaats hebben, dan vermeldt de schipper het in het register met de reden ervan.

14. Misdrijven buitengaats aan boord gepleegd, strafbaar naar deze of andere rijkswetten, worden op het strafregister vermeld.

De schipper neemt ten aanzien van hen die ze hebben gepleegd, zoowel passagiers als schepelingen, al die maatregelen van voorzorg welke de aard der zaak vordert; hij kan hen, zoo hun vrij verkeer gevaarlijk is, in overleg met de stuurlieden, in verzekerde bewaring stellen; hij verzamelt de bewijzen van het gepleegde feit, maakt een relaas op van de verklaringen der getuigen, vermeldt de genornene maatregelen op het strafregister en deelt bij zijne aankomst hier te lande, met overlegging van

84

-ocr page 1460-

BIJ/ON IJ KR E WI2TTEN EN BESLUITEN.

het strafregister en iie verzamelde bewijzen, het gebeurde aan den kantonregter der plaats van zijne bestemming mede, ter bevordering der vereischte vervolging.

Buiten \'s lands en in de koloniën ol\' bezittingen van het rijk in andere werelddeelen binnenloopende, doet hij die mededeeling aan den bevelvoerder van de Nederlandsche oorlogsschepen welke zich daar mogten bevinden, en bij gebreke van dezen, aan den Nederlandschen consul, zoo die er is, en anders aan de plaatselijke autoriteit. Hij neemt aldaar den raad dier autoriteiten in, en besluit tot die maatregelen, waardoor de misdadiger, met de verzamelde bewijzen, spoedig en met zekerheid aan den bevoegden regter in het moederland kan worden overgeleverd.

De bepalingen van dit artikel zijn ook toepasselijk indien iemand op reis krankzinnig mogt worden.

Van de voorvallen, in dit en het vorige artikel voorzien, wordt ook in het scheepsjournaal melding gemaakt.

15. Schippers, die, daartoe verpligt, geen strafregister aan boord hebben of het niet behoorlijk hebben ingevuld, of, zoo daarin hetzij misdrijven, naar \'s rijks wetten strafbaar, hetzij inbewaarstellingen van personen als veiligheidsmaatregelen zijn vermeld, het niet binnen veertien dagen na hunne aankomst ter plaatse van bestemming hier te lande aan den kantonregter hebben vertoond, zijn strafbaar, voor de eerste maal met boete van f 50 tot f 300, en bij herhaling met het maximum eer boete en gevangenzetting van drie dagen tot eene maanc\'.

De kantonregter stelt een door hem geteekend en gedag-teekend « gezien» op het hem vertoonde strafregister. (K. 379 v.)

De strafbepalingen zijn vervangen door Sr. 470 en 471.

16. De straffen van verbeurde gagie, op het strafregister niet vermeld, worden geacht ten onregte te zijn toegepast.

17. De schepeling, die zich bij de betaling der gagie met de korting als opgelegde straf bezwaard acht, kan, binnen \'s lands bij den kantonregter der plaats waar de betaling geschiedt, en buiten \'s lands, indien daar de afbetaling ge-geschiedt, binnen drie dagen na de afbetaling bij don Nederlandschen consul, bij eenvoudig verzoekschrift vorderen, dat de schipper het strafregister en het journaal overlegge, dat hij worde gehoord, en dat naar zijne bezwaren tegen de toepassing dezer straf onderzoek worde gedaan.

De schipper en de klagende schepeling worden op een bevel van den kantonregter of van den consul gelast om op een bepaalden dag te verschijnen en mondeling hunne belangen voor te dragen of te doen voordragen.

De ingeroepen autoriteit handhaaft, matigt of vernietigt de opgelegde korting zonder \'looger beroep.

In de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelen kan de plaatselijke autoriteit op gelijken voet worden ingeroepen en uitspraak doen.

Indien buiten \'s lands, ter plaatse waar de betaling geschiedt, geen Nederlandsche consul aanwezig is, behoudt de schepeling gedurende driejaren het regt om van den kanton-

1330

-ocr page 1461-

WET VAN 7 MEI \'185G.

regter van de plaats, van waar do laatste reis liier te lande ondernomen was, op denzelfJen voet herziening der liern opgelegde korting te vragen.

18. Misbruik van de bevoegdheid tot sluiting in de boeijen of tot inbewaringstelling naar art. 14 kan aanleiding geven tot burgerlijke en strafregtelijke vervolging en tot toepassing van art. 25 dezer wet.

Het vermelden der sluiting in de boeijen op het strafregister strekt tot bewijs dat die straf te regt is opgelegd, totdat van het tegendeel blijkt.

Het niet of het onjuist vermelden dezer straf levert een vermoeden van misbruik op.

19. Schippers, die geen strafregister aan boord hebben, zijn desniettemin bevoegd, in de gevallen bij art. 14 bedoeld, de maatregelen, daar voorgeschreven, te nemen.

Zij zijn verpligt daarvan en van aan boord gepleegde misdrijven, naar \'s rijks wetten strafbaar, binnen veertien dagen na hunne aankomst ter plaatse van bestemming hier te lande, aan den kantonregter mededeeling te doen. (Sr. 471 n0.2.)

20. De gagie, voeding, ruimte tot ligging en verblijf en betamelijke behandeling der schepelingen worden in de monsterrol omschreven en het regt daarop door volgende bepalingen verzekerd. (K. 307.)

21. De gagie, zoowel van den schipper als van de overige schepelingen, wordt aan hen persoonlijk of aan hunnen ge-magtigde uitbetaald.

De volrnagt, door hen afgegeven, is steeds herroepelijk, al ware zij in verband met andere verbindtenissen gebragt.

Op de gagie kan geen beslag gelegd worden; zij kan evenmin met eenig gevolg worden afgestaan dan ten behoeve van ouders, huisvrouwen en kinderen voor de helft, en ten behoeve van andere bloed- of aanverwanten tot in den vierden graad voor één derde.

De gagie der schepelingen is echter verbonden voor de kortingen, door den schipper als straf opgelegd, en voor die uit de toepassing van art. 5 dezer wet, in verband met art. 402 van het Wetboek van Koophandel, voortvloeijende.

De gagie van den schipper is verbonden voor de vergoeding, welke hij, door het te kort doen aan zijne verbindtenis of door wangedrag, aan de eigenaren van het schip schuldig is.

Deze voorregten kleven ook op het afgestane deel der gagie, voorzooverre het niet is voldaan; zij worden echter bij voorkeur op het niet afgestane deel verhaald.

De bepalingen van de 2de en 3de zinsnede van dit artikel zijn niet van toepassing op de verbindtenissen, vóór de af kondiging dezer wet aangegaan, doch [dan?] alleen voorzoover daarvan binnen één maand na die afkondiging door de belanghebbenden kennis zal zijn gegeven aan den ambtenaar voor wien de monsteringen plaats hebben. Die kennisgevingen worden door voormelden ambtenaar in een daartoe aan te leggen register ingeschreven. (K. 321.)

22. De schipper, die zonder noodzaak een deel der in de monsterrol toegestane voeding onthoudt, is, onverminderd de verpligting tot vergoeding, strafbaar na afloop der

-1381

-ocr page 1462-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

reis, op de klagt der schepelingen, met gevangenzetting van acht dagen tot zes maanden.

De strafbepaling is vervangen door Sr. 406.

Is de inhouding noodzakelijk, de schepeling heeft regt om in evenredigheid verhooging van gagie te vorderen. (K. 397 n°. 8.)

23. Ten verzoeke van een derde van het scheepsvolk heeft buiten \'s lands een onderzoek plaats naar de deugdzaamheid en genoegzaamheid der victualie. Dit onderzoek wordt op dat verzoek door den Nederlandschen consul of, bij gebreke van dezen, en in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere vverelddeelen, door de plaatselijke autoriteit ingesteld.

De schipper is verpligt de onbruikbare victualie, op last dezer autoriteiten, tegen bruikbare te verwisselen en het noodige zich aan te schaffen.

24. Door een gelijk deel van het scheepsvolk kan bij dezelfde autoriteiten buiten \'s lands en in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere vverelddeelen over onvoldoende ligging of ruimte, na de afreis ontstaan, worden geklaagd, en wordt onderzoek daarnaar ingesteld.

De schipper is op last der autoriteiten verpligt in het gebrekkige te voorzien.

De schipper, die aan de hem, overeenkomstig dit en het vorige artikel, gegeven bevelen niet heeft voldaan, wordt geacht zich jegens het scheepsvolk te hebben misdragen.

25. Ingetrokken bij de Wet van 13 November 1879 (Stb. n0. 190) en vervangen door de volgende artt. 25a—n.

25a. Den schipper, die zich ten opzichte van schip, lading, scheepsvolk of passagiers op eenigerlei wijze heeft misdragen, kan, onafhankelijk van de burgerlijke en de strafvordering, door den raad van tucht do bevoegdheid worden ontnomen om gedurende een bepaalden tijd, twee aren niet te boven gaande, als schipper op een Nederlandsch schip te varen.

Desgelijks kan den schipper, stuurman of machinist de bevoegdheid worden ontnomen, om gedurende een bepaalden tijd,quot; tien jaren niet te boven gaande, in eene of meer dezer betrekkingen op een Nederlandsch schip te varen,wanneer de raad van tucht oordeelt, dat door zijne daad of nalatigheid is veroorzaakt schipbreuk, stranding, verlating van het schip of eenige zeeramp die den dood van een mensch ten gevolge heeft.

25b. De raad van tucht heeft zitting te Amsterdam. Hij bestaat uit een voorzitter, zes laden, een plaatsvervangend voorzitter en vier plaatsvervangende leden. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden door Ons benoemd voor den tijd van drie jaren. Zr, zijn bij aftreding op nieuw benoembaar.

De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter moeten den graad van doctor in de regten of in de regtswetenschap hebben verkregen. Onder de leden moeten zijn twee zeeofficieren, in of buiten werkelijke dienst, drie koopvaardijschippers in of buiten werkelijke dienst, en één reeder of oud-reeder. Onder de plaatsvervangende leden is één zeeofficier in of buiten werkelijke dienst.

1332

-ocr page 1463-

WET VAN 7 MEI 4856.

Geene uitspraak van den raad geschiedt door minder dan vijf personen.

De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers onthouden zich van do behandeling van zaken, die hen, hunne echt-genooten of hunne bloed- of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, persoonlijk aangaan, of waarin zij als ge-lastigden zijn betrokken.

Aan den raad wordt een secretaris toegevoegd, door Ons te benoemen.

25c. Het onderzoek ter zake van de in art. 25a bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe termen zijn, plaats op eene aanklagt van den boekhouder, van een of meer van de reeders, van de assuradeurs, van het scheepsvolk of van de passagiers; dat ter zake van de overige in art. 25a vermelde handelingen en verzuimen op eene aanklagt van den boekhouder, van een of meer der reeders, der assuradeurs of der passagiers, of wel op last van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

De aanklagt moet bij den raad van tucht inkomen binnen drie weken hetzij na de aankomst van het schip ter plaatse van bestemming hier te lande, hetzij na de aankomst hier te lande van den aangeklaagde, indien deze zonder het schip terugkeert.

Indien een der tot het doen eener aanklagt geregtigden, zich bevindende in het buitenland of in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere werelddeelen, grond heeft om te vermoeden verhinderd te zijn binnen den bepaalden termijn zijne aanklagt aan den raad in te zenden, kan hij binnen drie weken na daartoe in de gelegenheid te zijn, onder opgave van de redenen van verhindering, zijne aanklagt indienen aan den consulairen ambtenaar of aan het plaatselijk gezag, door wiens tusschenkomst zoodanige aanklagt wordt verzonden aan den raad van tucht.

Ook na het verstrijken van den termijn voor de indiening der aanklagt gesteld, kan de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde last nog gedurende drie maanden worden gegeven.

25d. De aangeklaagde wordt door den voorzitter van den raad van tucht ten minste acht dagen vóór den dag van behandeling zijner zaak opgeroepen bij deurwaarders-exploit, beteekend of aangeplakt overeenkomstig art. 224 (thans 144) van het Wetboek van Strafvordering, onder vermelding van de tegen hem in de aanklagt of in den last aangevoerde grieven. (Stb. 1887 n0. 265. a. 1, 7°, zie blz. 1035 )

Hij heeft het regt zich door een raadsman te doen bijstaan of door een gemagtigde te doen vertegenwoordigen, behoudens de bevoegdheid van den raad om steeds de verschijning van den aangeklaagde in persoon te gelasten.

25e. De bepalingen van de artt. 4—6, 7, tweede en derde lid, 8—17, 19, 23, eerste lid, en 25 der wet van 5 Augustus 1850 (Stb. n0. 45) zijn van toepassing op het onderzoek, in te stellen door den raad van tucht. Deze heeft de bevoegheid, bij die artikelen aan de commissie van onderzoek toegekend.

1333

-ocr page 1464-

1334 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Van het afleggen van verklaringen als getuige of deskundige kunnen zich verschoonen des aangeklaagden echtgenoot en zijne bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten.

Aan getuigen en deskundigen wordt, zoo zij dit verlangen, door den raad eene schadeloosstelling toegelegd naar den maatstaf der tarieven van geregtskosten in strafzaken, waarvan de gewone regter kennis neemt. (Stb. 1874 n0. 66 (Tar. in strafz.), zie blz 1164.)

25/\'. De raad is bevoegd de overlegging binnen een bepaalden termijn te vorderen van het strafregister, van het scheepsjournaal en van alle andere voor het onderzoek noodige bescheiden.

Bij verzuim van overlegging binnen den bepaalden termijn wordt door den raad ten blijke daarvan een proces-verbaal opgemaakt, waarmede gehandeld wordt als bepaald is bij art. 16 der wet van 5 Augustus 1850 (Stb. nquot;. 45), en dat de bewijskracht bezit in art. 11 dier wet omschreven.

Het vroegere derde lid is vervallen door art. 3d der Invoeringswet. Verg. Sr. 471 n». 1.

25.7. De uitspraak van den raad houdt de gronden in waarop zij berust, en wordt nedergelegd ter griffie van de arrondissements-regtbank te Amsterdam.

Indien art. 25a op den aangeklaagde wordt toegepast, wordt de uitspraak bovendien, op last des voorzitters van den raad. aan hem beteekend, of aangeplakt overeenkomstig art. 224 {thans 144) van het wetboek van strafvordering, en hij veroordeeld in de kosten op de behandeling der zaak gevallen, volgens begrooting van den raad, verhaalbaar bij lijfsdwang. (Stb. 1887 n0. 265, a. 1. 7°, zie blz. 1035.)

In dat geval wordt een uittreksel der uitspraak, door den voorzitter executoir verklaard, gezonden aan den ontvanger der registratie te Amsterdam, die met de invordering dei-kosten is belast.

Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegenwoordigheid van den aangeklaagde of zijnen gemag-tigde, zoo kan de onbevoegd verklaarde, binnen veertien dagen nadat de uitspraak ter zijner kennis is gebragt, zijne bezwaren daartegen bij schriftelijke memorie aan den raad indienen. Was de onbevoegd verklaarde tijdens het betee-kenen of het aanplakken der uitspraak niet hier te lande, dan geldt voor deze memorie hetgeen bij het tweede lid van art. 25c omtrent de aanklagt is bepaald.

De raad beslist op deze memorie bij einduitspraak. Hij kan ook het onderzoek heropenen. Art. 25rf is dan van toepassing.

Op de einduitspraak van den raad zijn do drie eerste zinsneden van dit artikel van toepassing.

Aan belanghebbenden wordt, desverkiezende, kosteloos inzage en voor hunne kosten extract of afschrift van de uitspraken van den raad door den griffier verstrekt, berekend volgens het tarief voor extracten of afschriften van vonnissen in strafzaken.

25/(. Het regt van onderzoek vervalt wegens verjaring.

-ocr page 1465-

WET VAN 7 ME[ 1856.

door verloop van één jaar, nadat de aanklagt of de last bij den raad van tucht is ingekomen.

Elke daad van onderzoek stuit de verjaring, mits blijke, dat die daad ter kennis van den aangeklaagde gebragt zij. (B. 2015 v.; Sr. 70, 72.)

25i De zittingen van den raad van tucht worden in het openbaar gehouden, tenzij de raad om gewigtige redenen mogt bevelen, dat de behandeling eener zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaats hebbe.

De uitspraak geschiedt altijd in het openbaar. (R. O. 20.)

Zij wordt binnen vier en twintig uren onderteekend door alle leden die aan de behandeling, der zaak hebben deelgenomen. Zijn een of meer hunner daartoe buiten staat, dan wordt hiervan aan het slot van de uitspraak melding gemaakt.

Behoudens het bepaalde in dit en vorige artikelen, is de raad aan geen vorm van proces gebonden.

Eene bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen instructie houdt de voorschriften in, die verder tot geregelde afdoening van zaken en tot geldelijke schadeloosstelling van den voorzitter, de leden en den secretaris van den raad van tucht worden vereischt. (Stb.\'1880 n0. 21.)

25k. Wij behouden Ons voor, na ingewonnen advies van den raad van tucht, gehecle of gedeeltelijke ontheffing van eene uitgesproken onbevoegd-verklaring te verleenen.

25/. Vervangen door Sr. 411.

25)quot;. Vervallen door de invoering van het Welhoek van Strafrecht.

25n. Alle uit deze wet voortvloeijende stukken zijn vrij van zegel en worden, voorzoover zij aan registratie onderhevig zijn, gratis geregistreerd.

26. Waar in deze wet wordt gesproken van den schipper, wordt daardoor ook hij verstaan die den schipper vervangt. (Sr. 85a).

Slotbepalingen.

27. Voor schepen beneden de honderd lasten is in de kleine vaart, het aanhouden van een strafregister niet ver-pligtend. Indien zij van zoodanig register niet zijn voorzien, zijn op dezelve niet van toepassing de artt. 8, 9, 12,13, 15, 16 en het 2de en 3de lid van art. 18. Art. 14, art. 17 en het eerste lid van art. 18, voorzooveel betreft de in verzekerde bewaring stelling, zijn ook op deze schepen, met uitzondering van hetgeen daar omtrent het strafregister is bepaald, van toepassing.

Indien schepen beneden de 100 lasten een strafregister aan boord hebben of in de groote vaart komen door eene reis te ondernemen buiten Europa of naar eene aan de Middellandsche Zee of daar beoosten gelegen

13H5

-ocr page 1466-

bijzondere wetten en besluiten.

haven, zijn alle bepalingen dezer wet op hen van toepassing.

28. Bij monstering worden de artt. 5—9, 17, 20,21,23, 24 en 26 dezer wet en de artt. 391—401, 406 en 408 van het Wetboek van Strafrecht aan de schepelingen voorgelezen.

Aldus gewijzigd vastgesteld hij art. 16 Inv.

Gegeven op het Loo, 7 Mei 1856.

BESLUIT

van 11 November 1856 (Stb. n0. 114), houdende bepalingen omtrent de dienst der llijksveldwachters.

Wij WILLEM III, enz.

Up de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van 4 September 11, n0. 119;

Gezien Onze besluiten van 17 January en 7 February 1854 (Stb. nis. 3 en 10) en dat van 17 December 1851 (Sib. n0. 16G);

Den Raad van State gehoord, advies van 24 October 11., n0, 12;

Gelet op het nader rapport, van Onzen voornoemden Minister, van 10 dezer, n0. 134,

Hebben goedgevonden en verstaan, vast te stellen do navolgende bepalingen omtrent de dienst der Rijksveldwachters:

Artikel 1.

De dienst van geregtsdienaar, van rijksveldwachter en van bezoldigd opziener der jagt en visscherij wordt vereenigd onder de benaming van Rijksvcldwacht.

2. De Rijks veld wacht wordt uitgeoefend door inspecteurs, rijksveldwachters-rechercheurs, brigadiers-majoor, brigadiers, gewone rijksveldwachters en rijksveldwachters-jagtopzieners.

Behoudens de hun aan te wijzen ressorten en standplaatsen, worden zij aangesteld en beëedigd voor het geheele grondgebied des Rijks.

Onder de benaming rijksveldwachter worden al de in dit artikel vermelde beambten begrepen.

Van de verdere artikelen van dit besluit zijn op de rijks-veldwachters-rechercheurs alleen toepasselijk de artikelen 3f, 5, tweede lid, 6, 7, 9, 10, 11 en 13.

Aldus gewijzigd bij Besluiten van 15 Mei 1893 (Stb. n0. 84) en van 21 Maart 1897 (Stb. n0. 74).

1336

-ocr page 1467-

BESLUIT VAN 11 NOVEMBER 1856.

3. De Rijksveldwacht bestaat in het algemeen in:

a. het doen van dag- en nacht-rondes zoo binnen den bebouwden kring der gemeenten, als inzonderheid ten platten lande, ter handhaving der openbare orde, ter beveiliging van personen en goederen en ter voorkoming van misdrijven, en voorts in het bijzonder

b. het waken tegen bedelarij en landlooperij;

c. het toezigt op vreemdelingen;

d. de bewaking van het jagtveld en de visscherij;

c. het in bewaring nemen van zwervende, beschonkene en verlaten personen;

ƒ. het opsporen van misdadigers en het inwinnen van informatien nopens gepleegde misdrijven; (Sv. 8.)

g. het dienstbaar zijn tot de handhaving der orde op de openbare teregtzittingen der onderscheidene regts-collegien;

h. het overbrengen of transporteren van gevangenen;

i. de beteekening van dagvaardingen en andere geregte-lijke stukken in strafzaken.

4. De rijksveldwachter beneden den rang van inspecteur kan tijdelijk tot ondersteuning der gemeentepolitie worden gerequireerd, aan welke vordering hij voldoet, behoudens zijne bevoegdheid om bedenkingen daartegen aan het oordeel van den inspecteur te onderwerpen.

Aldus gewijzigd bij Besluiten van 15 Mei 1893 (Stb. n0. 34) en van \'24 Maart 1897 (Stb. n0. 74).

5. De Rijksveldwachters, uniform gekleed en gewapend, worden verdeeld in drie klassen, en in brigaden, naargelang de dienst dit zal vereischen, ingedeeld.

De rijksveldwachters-rechercheurs staan onder de onmiddellijke bevelen van den procureur-generaal, fungeerend directeur van politie, binnen wiens rechtsgebied zij geplaatst zijn.

Hnl tweede lid toegevoegd bij Besluit van 24 Maart 1897 (Stb. n». 74).

6. De inspecteurs der rijksveld wacht worden door de Koningin benoemd en ontslagen. De aanstelling en het ontslag der overige rijksveldwachters geschiedt door den Minister van Justitie.

Hij voorziet hen van de noodige instructie.

Aldus gewijzigd bij Besluit van 15 Mei 1893 (Stb. n0. 84).

7. De Kosten van wapening en uitrusting en, voor wat rijksveldwachters beneden den rang van inspecteur betreft, die van uniforme bovenkleeding, komen ten laste van het Rijk.

Aldus gewijzigd bij Besluiten van 15 Mei 1893 (Stb. n0. 84) en van 24 Maart 1897 (Stb. n0. 74).

8. Bij de aanstelling van inspecteurs der rijksveldwacht wordt bij voorkeur gelet op commissarissen, inspecteurs en andere ambtenaren van de gemeentepolitie en op officieren van het leger, hetzij als zoodanig nog in dienst of eervol ontslagen.

Voor bevordering tot brigadier of brigadier-majoor komen in aanmerking de rijksveldwachters die in lageren rang

1337

-ocr page 1468-

1338 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

door goed gedrag, trouwe dienst en ijverige waarneming hunner betrekking hebben uitgemunt en blijken hebben gegeven geschiktheid voor brigade-commandant te bezitten.

Bij de aanstelling van de overige rijksveldwachters wordt bij voorkeur gelet op dienaren van de gemeentepolitie, onbezoldigde rijksveldwachters, eervol ontslagen militairen, alsmede op bewaarders in gevangenissen en beambten in rijks-werkinrigtingen, die zich als zoodanig door goed gedrag, ijver, betrouwbaarheid en bekwaamheid hebben onderscheiden.

Aldus gewijzigd bij Besluit van 45 Mei 1893 (Stb. n». 74).

9. De Rijksveldwachter, die op den eersten dag eener maand in dienst is, geniet het volle bedrag der jaarwedde over die maand.

Bij overlijden wordt de Jaarwedde uitgekeerd aan zijne erven of regthebbenden. In geval van ontslag op eigen verzoek of wegens wangedrag wordt de jaarwedde niet verder gekweten dan tot en met den dag van aftreding.

10. Bij eerste aanstelling of bij bevordering tot eenen hoogeren rang, ten gevolge van vacature, gaat de jaarwedde of de verhooging niet vroeger in dan met den eersten dag der maand, volgende op de maand waarin de vacature is ontstaan, of, zoo de benoemde zijne betrekking later aanvaardt, met den dag waarop hij in functie treedt.

Aldus gewijzigd hij Besluit va?i 15 Mei 1893 (Stb. n4. 84).

11. De Rijksveldwachter geniet vrijdom van alle rijks-veeren en tollen, zoo voor zich, als voor de transporten onder zijn geleide.

12. De Rijksveldwachter beneden den rang van inspecteur geniet geen vergoeding van verblijfkosten, indien hij op den dag der heenreis, hetzij te voet, hetzij met een openbaar middel van vervoer, zijne standplaats weder had kunnen bereiken.

Aldus gewijzigd hij Besluit van 15 Mei 1893 (Stb. n0. 84).

13. Al wat verder betreft de dienst en de tucht van het personeel der rijksveldwacht, de kleeding en wapening en verdere uitrusting, de indeeling in brigaden en districten, de aanwijzing van standplaatsen en het toezigt op de dienst wordt door den Minister van Justitie geregeld en vastgesteld.

Aldus gewijzigd hij Besluit van 15 Mei 1893 (Stb. nquot;. 84).

14. Het aanstellen tot onbezoldigd rijksveldwachter van daartoe geschikte personen, tot handhaving der orde in of bij inrigtingen of werken van het Rijk of een ander publiekregtelijk ligchaam, of ter bescherming van bijzondere landeigendommen en gebouwen, of wel van wegen, pleinen en erven aan particulieren toebehoorende, blijft aar. den Minister van Justitie overgelaten, die tevens de voorwaarden dezer aanstelling en eene instructie voor die beambten vaststelt.

Dergelijke aanstellingen kunnen ook door hem worden

-ocr page 1469-

BESLUIT V. 11 NOVEMBER 1856 EN WETV. 13 JUNIJ 1857. 1339

verleend aan gemeentebeambten op daartoe strekkend voorstel van den burgameester, ingediend door tusschenkomst van den Commissaris der Koningin in de provincie.

Aldus ijewijzigd bij Besluit van 15 Mei 1893 (Stb. n#. 84).

\'s-Gravenhage, 11 November 1856.

WET

van 13 Junij 1857 (Stb. n0. 87), lot regeling der Jagt

en Visscherij, gewijzigd bij de Wetten van 14 en 15 April 1886 (Stb. iios. 61 en 64) en van 13 Juli 1896 (Stb. n0. 105).

Artikel 1.

Ieder, die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jagtregt heeft of waarin hij tot visschen geregtigd is, bejaagt of bevischt, moet voorzien zijn van eene daartoe betrekkelijke acte, op de eerste vordering te vertoonen aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren. (B. 641.)

2. Om eens anders grond of jagt of vischwater bij vergunning, huur of paclit te kunnen bejagen of bevisscben, moet men daarenboven voorzien zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende, overeenkomstig het vorig artikel te vertoonen.

Deze bepaling is niet toepasselijk, wanneer het jagen of visschen plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, noch ook op pachters of huurders, tenware het jagt- of vischregt bij de overeenkomst van pacht of huur zij voorbehouden.

Ten aanzien van de gronden en wateren, vermeld in artt. 577 en 579 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de Staat als regthebbende beschouwd.

Tot het visschen in deze wateren, met den hengel in de hand, wordt noch acte noch vergunning vereischt.

Het schriftelijk bewijs, in het 1ste lid bedoeld, is, evenals de verdere in deze wet gevorderde schriftelijke vergunningen van eigenaar of regthebbende, vrij van zegel en registratie.

3 • Het jagt- en vischregt, dat derden op gronden of wateren van anderen hebben, kan door dezen worden afgekocht, al ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

Het bestuur der domeinen is tot dien afkoop bevoegd op de voorwaarden, door Ons vast te stellen.

Bij geschil over don afkoopprijs, wordt deze door de regtbank van het arrondissement, waarin de gronden of wateren zijn gelegen, na verhoor van deskundigen, bepaald.

Bij vervreemding kan het jagt- of vischregt niet van den eigendom van den grond of het water worden afgescheiden.

-ocr page 1470-

BIJZONDERE WETTItN EN UESLIIITEN.

4. Behoudens de regten van derden, wordt aan Ons de beschikking opgedragen over de jagt:

der heerlijkheden het Loo en Borculo, van Naaldwijk en den Oranjepolder, zoolang de afkoop van het jagtregt, waarop art. 3 toepasselijk is, niet zal zijn geschied; en voorts op de volgende domeingronden:

a. de zeeduinen van den Hoek van Holland tot aan het dorp Noordwijk aan Zee;

h. de Kroondomeinen.

5. De jagt- en vischacten worden, bij verzoekschrift op ongezegeld papier, aangevraagd aan Onzen Commissaris in de provincie, waarin de verzoeker woonachtig is, en door dien Commissaris, volgens het door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister vastgestelde model, uitgegeven.

Voor minderjarigen worden de verzoekschriften ingediend door hunne ouders of voogden.

De acten gelden van den Isten Julij tot en met den 30sten Junij van het daarop volgende jaar en zijn voor geheel het rijk van kracht.

6. Onverminderd het zegelreg: volgens de wet, hetwelk, ook bij niet-afhaling der eenmaal aangevraagde acte, ten laste des verzoekers blijft, wordt betaald:

voor eene groote jagtacte tot alle geoorloofde jagtbedrijf, dertig gulden;

voor eene groote jagtacte als boven, met uitzondering van de lange jagt en de valkenjagt, vijftien gulden;

voor eene Ideine jagtacte tot de jagtbedrijven in art. 15 lilt. e, f en g genoemd, vijf gulden;

voor eene groote vischacte tot het gebruik van alle geoorloofd vischtuig, vijf gulden;

voor eene kleine vischacte tot het gebruik van één geoorloofd vischtuig, in de acte te vermelden, een gulden en vijftig cents.

Het blijft aan Onzen Commissaris in de provincie voorbehouden, aan daglooners of arbeiders voor de uitoefening van het jagtbedrijf, vermeld bij art. 15 litt. y en aan kennelijk onvermogenden voor de uitoefening der visscherij met één vischtuig, kostelooze vergunning te verleenen, mits van het onvermogen voldoende blijke, en door belanghebbenden de schriftelijke toestemming der eigenaren worde overgelegd, waarvan in de vergunning melding wordt gemaakt.

De kostelooze vergunning wordt aan de ambtenaren, met het toezigt belast, op de eerste vordering vertoond. (Rv. 855 v.)

7 Eene acte dient alleen voor hem, op wiens naam zij is afgegeven.

De meester kan echter ook eene acte bekomen ten behoeve van zijn jager of visscher.

Inwonende zonen beneden den ouderdom van achttien jaren mogen, zonder acten op eigen naam, hunnen vader of diens jager jagende vergezellen.

8 Eene groote jagt- of grocte vischacte geeft de bevoegdheid tot uitoefening van alle jagt of visscherij, niet verboden

13i0

-ocr page 1471-

WET VAN 13 JUNIJ 1857.

bij deze wet of bij de verordeningen, bedoeld in de beide volgende artikelen.

9. Voorzooverre daarin niet reeds voorzien is, wordt voor elke provincie door de Staten, onder Onze goedkeuring, een reglement op de uitoefening der jagt en visscherij vastgesteld, tot aanwijzing:

a. van de plaatsen voor de uitoefening der afzonderlijke jagten op waterwild;

b. van den tijd, waarop het jagen op grof wild zal zijn toegelaten;

c. van de soor( der vischtuigen en de grootte van de mazen der vischnetten; en

d. van de breedte, vereischt voor de grachten bedoeld bij artt. 12 en 13.

10. De wijze van uitoefening der zalm- en elftvisscherij wordt door Ons, na Gedeputeerde Staten gehoord te hebben, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld.

Aldus gewijzigd hij art. 1 der Wet van 14 April 188(j (Stb. n0. 61).

Art. 2 dier Wet luidt: Met wijziging dier wet (d. i. de wet op de jacht en visscherij) worden de straffen gesteld op de overtredingen van de verordening, bedoeld in art. 10, in de gevallen bij art. 40 voorzien, bepaald op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste twee honderd gulden; in de gevallen van art. 41 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste vier honderd gulden of hechtenis van ten minste één dag en ten hoogste drie maanden; in de gevallen van art. 42 op eene boete van ten minste vijftig cents en ten hoogste zes honderd gulden of hechtenis van ten minste één dag en ten hoogste vier maanden, met verdubbeling overeenkomstig het laatste lid van art. 42.

11. Gedeputeerde Staten bepalen jaarlijks den tijd van opening en sluiting der jagt en visscherij, mitsgaders de dagen in de week, waarop de korte of de lange jagt mag worden uitgeoefend, en Onze Commissaris in de provincie doet daarvan aankondiging, ten minste acht dagen vóór de opening en sluiting.

Op gelijke wijze bepalen zij, naar mate de wildstand of plaatselijke omstandigheden zulks vereischen, of de jagt op eenige wildsoort, alsmede of eenige visscherij niet geopend dan wel beperkt moet worden, hetzij in de geheele provincie, hetzij in bepaalde plaatsen, alsmede hoe vele stukken grof wild van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, en hoe vele hazen op éénen dag door één jager, en bij klop- of drijfjagten door alle jagers te zamen, mogen worden geschoten of gevangen; en voorts den tijd gedurende welken de kooi-eenden door den kooiman moeten worden opgesloten of gehokt.

12. Geene jagtacte noch buitengewone magtiging wordt vereischt:

a. voor het jagen door den eigenaar of regthebbende in

1341

-ocr page 1472-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

lust- of bouwhoven of buitenplaatsen, door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten;

h. voor het schieten van schadelijke vogels in tuinen of fruitboomgaarden, door of op last van den eigenaar of regthebbende.

13. Geene vischacte wordt vereischt:

a. voor hen, die den houder eener vischacte, daarbij zelf tegenwoordig, behulpzaam zijn in het hanteren van een vischtuig, dat door één persoon niet kan worden beheerd, do zalm- en prikvisscherij, alsmede het visschen met schakels of wargarens daaronder begrepen;

h. voor het bevisschen door den eigenaar of i-egthebbende van vischvvater, dat met geen ander in verbinding staat, of van vischwater gelegen in buitenplaatsen en lust- of bouwhoven, door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten; de gracht van afsluiting zelve onder zoodanig vischwater begrepen;

c. voor het visschen met den hengel in de hand.

14. fagtacten worden geweigc;rd aan:

a. maréchaussées beneden den rang van officier; beambten van \'s Rijks middelen, niet boven den rang van commies; dienaars van justitie en politie, de laatsten, voorzooverre zij bezoldigd zijn, behoudens de bevoegdheid der amb enaren van rijkspolitie tot het schieten van schadelijk gedierte overeenkomstig art. 29;

h. personen onder curatele gesteld, tenware zij tot het vragen van acte door hunnen curator zijn gemagtigd;

c. personen beneden de achttien jaren;

d. personen, aan welke bij de wel of bij regterlijk gewijsde het regt om schietgeweer of wapenen te dragen is ontzegd; (Stb. 1854 n0. 102, a. Xf.)

c. personen, die een onteerend vonnis hebben ondergaan, zoolang zij niet zijn gerehabiliteerd;

f. personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer zijn veroordeeld, indien nog geen vijf jaren zijn verloopen na het ondergaan der straf.

Lilt. f bijgevoegd bij art. lü n0. 14 der Invoeringswet.

l)e personen, vermeld onder d en e kunnen echter worden toegelaten tot de jagtbedrijven genoemd in art. 15 litt. e, ƒ, g en h.

Binnen de twee eerste jaren, te rekenen van den dag dat eene veroordeeling wegens jagen zonder acte of wegens eene der overtredingen, strafbaar gesteld in art. 41 of 42 dezer wet, kracht van gewijsde heeft verkregen, kan eene acte aan den veroordeelde worden geweigerd.

15. Onder jagen wordt in deze wet verstaan de uitoefening van een der volgende geoorloofde jagtbedrijven;

a. met valken of havikken, mits zonder honden;

h. met windhonden (lange jagt), mits zonder schietgeweer en met niet meer dan vijf honden;

c. met geweer en met of zonder staande honden of brakken;

1342

-ocr page 1473-

WET VAN \'IS .lüNIJ 1857.

d. liet schieten van waterwild;

e. het weispel van kwarteion met steekgaren of vliegnet;

f. liet vangen van waterwild, aangeduid in art. 17, met slagnetten;

rj. het vangen van houtsnippen rnet laat-, war- of val-flouwen;

h. het vangen van eendvogels in eene eendenkooi of daarmede gelijkstaanden toestel.

Alle andere pogingen of middelen om wild op te sporen, te bemagligen of te dooden, als met zoogenaamde afdraaijers, stokgeweren, pistolen of andere verborgene wapenen, tirassen, lange netten, damnetten en wild- of konijnen-strikken, zijn verboden.

Het is insgelijks verboden zich mer, die voorwerpen in het veld te bevinden buiten openbare wegen of voetpaden.

16. Het brengen van staande honden voor het wild in het veld, gedurende den gesloten jagttijd, het houden van klop-jagten, op grof wild en schadelijk gedierte ook op spoor-sneeuw, het opvangen en vervoeren van fazanten en korhoenders, kan geschieden na bekomen consent, kosteloos af te geven door Onzen Commissaris in de provincie.

Do aanvrage om consent, zoowel als het consent zelf, zijn vrij van zegel.

Het consent wordt op de eerste vordering aan de met het toezigt belaste ambtenaren vertoond.

17. Onder wild wordt verstaan:

«grof wild»: herten en reeën;

«klein wild»: hazen, fazanten, korhoenders, patrijzen, houtsnippen en kwartels;

«waterwild»; eenden, duikers, waterhoenders, watersnippen, schi\'ieken, kemphanen, strandloopers, wulpen en plevieren.

18. Het is verboden te jagen:

a. op Zondag;

h. vóór zonsopgang en na zonsondergang, met uitzondering van de uitoefening dor jagtbedrijven vermeld onder litt, e, f, g en h van art. 15, en van het schieten van eenden, alle welke jagtbedrijven geoorloofd zijn een half uur vóór zonsopgang en een half uur na zonsondergang;

c. op spoorsneeuw, met uitzondering van de klopjagten in art. 16 vermeld, van het schieten van waterwild aan het zeestrand en aan de oevers van rivieren, meren en pl.issen; voorts van de jagtbedrijven vermeld onder litt. y en /t van art. 15;

d. bij hoog water, dat is daar waar de grond, met uitzondering van de hoogten waarop het wild schuilplaats vinden kan, onder water staat;

e. op andere dan in art. 15/t bedoelde wijze, binnen den kring eener geregistreerde en afgepaalde eendenkooi, zells aan den eigenaar of bruiker, of ten gevolge van door hen verleende vergunning;

f. op korhoenders uit zoogenaamde loerhutten of dergelijke schuilhoeken of hinderlagen, anders dan bij drijf-

1343

-ocr page 1474-

1314 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

jagten, en om pogingen te werk te stellen om dat wild op die wijze te bemagtigen.

Binnen den in lit. e bedoelden kring is het bovendien verboden op eenigerlei wijze buiten noodzakelijkheid geraas te maken of iets te verrigten waardoor de eenden in den kring verstoord of verjaagd kunnen worden.

19. Het is verboden te jagen of te visschen in gesloten jagt- of vischtijd.

In open jagt- of vischtijd mag niet anders worden gejaagd en gevischt dan met inachtneming van hetgeen bij deze wet en bij de reglementen en verordeningen, in de art. 9, 10 en 11 bedoeld, is voorgeschreven.

Dit artikel is niet van toepassing op eigenaren of regt-hebbenden van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat.

20. Hij, die zonder de vereischte jagtacte of in gesloten jagttijd, zonder het consent in art. 16, of de buitengewone magtiging in art. 26 bedoeld, in het veld eenige poging doet om wild op te sporen, te bemagtigen of te dooden, is volgens art. 40, 1ste lid, strafbaar.

Daaronder is begrepen zoo hij zich met geladen schietgeweer in het veld bevindt, of niet de behoorlijke zorg draagt om te beletten, dat de hond of de honden, die hij bij zich heeft, wild opsporen, drijven of grijpen. (Inv. 10 n0. 14.)

21. Het is verboden;

a. kievitten of nachtegalen te vangen, te dooden, te vervoeren, te verkoopen, af te leveren, of ten verkoop in voorraad te hebben;

h. de nesten van nachtegalen te verstoren;

c. pogingen aan te wenden om kievitten of nachtegalen te vangen of te «looden.

d. de strikken tot het vangen van lijsters lager te stellen dan minstens één el boven den grond;

e. lijsters, leeuwrikken of vinken op gronden van derden te vangen, anders dan met schriftelijke vergunning of in gezelschap van den eigenaar of regthebbende.

Om zeer bijzondere redenen kan door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister vergunning worden verleend tot hetgeen onder litt. a en b van dit artikel is verboden.

Levende kievitten of nachtegalen, bij bekeuringen aangehaald, worden, zoodra zij niet meer ten behoeve van het regtsgeding noodig zijn, in vrijheid gesteld.

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 1 der Wet van 13 Juli 1896 (Stb. n0. 105).

22. Het is verboden de eijeren van wild te zoeken of te rapen, te verkoopen, te koop uit te stallen of te vervoeren.

Dit verbod is niet toepasselijk op de eijeren van bergeenden, noch, gedurende de maanden February, Maart en April, op de eijeren van waterwild, in art. 17 genoemd, en van kievitten, mits het zoeken of rapen op gronden van derden plaats hebbe in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, of met diens schriftelijke vergunning, op de

-ocr page 1475-

wet van 13 junij 1857. 1345

eerste vordering aan de ambtenaren, in art. 3ti bedoeld, te vertoonen.

Het verkoopen, te koop uitstallen of vervoeren van kievits-eijeren wordt tot en met den 5den Mei toegelaten.

23. Houders van acten, gronden moetende overgaan waarop zij niet bevoegd zijn te jagen, zijn verpligt hunne honden vast te houden.

Wanneer honden op zoodanigen grond wild zoeken of vervolgen, is de actehouder verpligt hen terug te roepen of op te halen.

In het laatste geval is hij, met het geweer jagende, verpligt het af te leggen, alvorens zich op eens anders grond te begeven.

24. Door visschen wordt verstaan het te water brengen, ligten of ophalen van vischnetten, korven of andere visch-tuigen, alsmede het bezigen van alle andere middelen om visch te vangen of te dooden.

25. Behalve in de wateren, bedoeld in art. 136, is hot verboden:

a. kuit van visch op te vangen;

b. met de zegen visschende, den kuil uit het water te halen alvorens dien in het water te hebben omgekeerd;

c. te visschen elders dan in rivieren, stroomen, meren en plassen, wanneer het water met ijs bedekt is, tenzij met toestemming van Onzen Commissaris in de provincie;

cl. visch te vangen door vergif of bedwelmende middelen;

e. door keernetten of andere daarmede gelijkstaande middelen den visch den doortogt te beletten, hieronder begrepen het gebruik van vischnetten tot keering van visch. Deze bepaling is niet van toepassing op het gebruik van val- of digtnetten ter verlenging dei-vleugels van de fuiken, gesteld tot het vangen van aal en paling;

f. te visschen met den harpoen of met strikken.

26. Tegen de nadeelen, uit te groote vermenigvuldiging van wild of schadelijk gedierte ontstaande, worden door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister maatregelen verordend.

Hij is bevoegd, buitengewone magtigingen tot het schieten of op andere wijze bemeesteren van wild of schadelijk gedierte in gesloten of open jagttijd te verleenen of te la(en verleenen, met toekenning der bevoegdheid om honden te gebruiken.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige magtigingen, zoowel als de magtigingen zelve, zijn vrij van zegel.

De laatste worden aan de ambtenaren, met. het toezigt op de jagt en visscherij belast, op de eerste vordering vertoond.

27. Het verkoopen, te koop uitstallen, vervoeren van wild of visch in gesloten jagt- of vischfijd is verboden, maar wordt nog gedurende veertien dagen na die sluiting toegelaten.

Ook in open jagttijd is vervoer van wild verboden, in het

85

-ocr page 1476-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

veld en buiten openbare wegen en voetpaden, tenzij de vervoerder zelf of degeen, welken hij vergezelt, voorzien zij van eene jagtacte, of tot den vervoer door het hoofd van het bestuur der gemeente, waar de vervoerder woont, eene kostelooze magtiging zij verleend, op de eerste vordering aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren te vertoonen.

Wild of visch, vervoerd uit eene provincie waar de jagt en visscherij is geopend, naar of door eene provincie waar die is gesloten, wordt gedekt door eene verklaring van oorsprong, ook bij splitsing, af te geven door het hoofd van het bestuur der gemeente, waar de afzender woonachtig of waar het wild geschoten of de visch gevangen is.

Het vervoer van visch, afkomstig uit vischwater dat met geen ander in verbinding staat, vermeld in art. 13, litt. b, wordt op dezelfde wijze gedekt.

Wild of visch, van buiten \'s lands in- of het rijk doorgevoerd, wordt gedekt door een buitenlandsch of transito-paspoort.

De aanvragen ter bekoming van zoodanige verklaring van oorsprong of van het paspoort, alsmede die stukken zelve, zijn vrij van zegel.

Laatstbedoelde worden, bij de eerste vordering, aan de met het toezigt op de jagt en visscherij belaste beambten vertoond.

In den gesloten jagt- of vischtijd zijn de beambten, vermeld in art. 36 dezer wet, mits, met uitzondering der maréchaussée, voorzien van hunne acten van aanstelling, bevoegd de middelen van vervoer en de goederen die gedragen worden te onderzoeken, en na te gaan of er wild of visch of eijeren vervoerd of verkocht worden in strijd met de wet of de verordeningen, in artt. 9,10 en 11 bedoeld.

De in het vorige lid bedoelde beambten hebben te allen tijde dezelfde bevoegdheid tot opsporing en staving van overtredingen van artikel 21, eerste lid, litt. a.

Het oorspronkelijke laatste lid vervallen door art. 3d der Invoerinysivet en vervangen door art. i 84 Sr. on het tegenwoordige laatste lid bijgevoegd door art. 2 der Wet van 13 Juli 1896 (Stb. n0. 105).

28. liet vangen van vossen, dassen, marters, fluwijnen, bunsings, wezels, verwilderde kaften, otters en roofvogels, met klemmen, vallen of stappen, en van konijnen door middel van fretten en buidels, zoomede het uitgraven of delven van het genoemd, daarvoor vatbaar, gedierte, is geoorloofd, mits op eigen grond of met schriftelijke toestemming van den eigenaar of regthebbende, op de eerste vordering der met het toezigt belaste beambten te vertoonen. Zoodanige schriftelijke toestemming wordt echter niet vereischt wanneer de handeling plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende.

Door deze bepaling wordt niet verminderd de bevoegdheid van waterschapsbesturen om ten aanzien van dat uitgraven of delven, in het belang van de waterkeering, verordeningen vast te stellen.

1346

-ocr page 1477-

WET VAN 13 JUNIJ 1857.

29. Voor schadelijk gedierte, gedood op eigen grond of op een grond waar men bevoegd is te jagen of het gedierte te dooden, mits deze gronden in Nederland zijn gelegen, kan Onze met de zaken der jagt en visscherij belaste Minister, wanneer deze, het hoofd van het gemeente-bestuur gehoord, de voormelde omstandigheden voldoende bewezen acht, de navolgende premien toekennen;

voor eene moervos............f 1.50

» een rekel vos.............»1.00

» » niet-volwassen moer- of rekelvos. . » 0.75 » » marter, een fluwijn, een bunsing,

een hermelijn, een wezel.....» 0.30

» » arend.............. »1.00

» » valk, een havik, een sperwer, een

wouw, een buizerd........ » 0.30

De premien worden niet toegekend dan voorzooverre het gedoode schadelijk gedierte vertoond is aan het hoofd van het gemeentebestuur, die daaraan een kennelijk teeken geeft.

De premien kunnen op gelijke wijze door Onzen voornoemden Minister worden toegekend aan de ambtenaren van rijkspolitie, voor schadelijk gedierte, door hen met toestemming van den eigenaar of regthebbende gedood.

Voor het viervoetig gedierte, met uitzondering van de hermelijnen en de wezels, worden de premien slechts genoten voorzoover het is gedood tusschen den Isten Mei en den Isten November, en voor moer- en andere vossen, volwassen of niet volwassen, tusschen den Isten Maart en den Isten November van ieder jaar.

30. Ter verzekering van zijn regt is de eigenaar eener zwanendrift, van eene erkende eendenkooi en van eene erkende duiventil verpligt, die, behoudens de regten van derden, jaarlijks te doen registreren bij Onzen Commissaris in de provincie, waarin de drift, kooi of til gelegen is.

Op het nalaten dezer registratie zijn de strafbepalingen dezer wet niet toepasselijk. De eigenaar der zwanendrift, eendenkooi of duiventil wordt alsdan gerekend van zijn regt afstand te doen, gedurende den tijd der nalating van registratie. (Art. 18e)

31. Van de registratie wordt door Onzen Commissaris in de provincie een kosteloos bewijs afgegeven.

32. Om de bescherming dezer wet te genieten moet:

o. de eigenaar eener zwanendrift deze doen registreren, en moeten de zwanen gemerkt zijn met een merk, bij de registratie aan te geven;

b. de eigenaar eener eendenkooi deze doen registreren en op den afstand, door de Provinciale Staten vastgesteld, doen afpalen met palen, ten opschrift hebbende: «Eendenkooi van , met regt van afpaling, op ellen, gerekend uit het midden der kooi.»

33. Door duiventil wordt verstaan elk toestel, waarop zoogenaamde tilduiven of veldvlugters worden gehouden.

34. Behoudens het 2de lid dezes artikels is het aan elk ander dan den eigenaar eener geregistreerde zwanendrift

1347

-ocr page 1478-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

of duiventil verboden, binnen haren kring eenige daartoe behoorende zwanen, tilduiven of veldvlugters te schieten, te vangen of op eene andere wijze te dooden, eijeren te rapen van zwanen tot die drift behoorende, of broedende zwanen te verstoren.

Des eigenaars knecht is mede bevoegd tot de hiervoren vermelde verhandelingen, mits in gezelschap zijns meesters of voorzien van diens schriftelijke toestemming, op de eerste vordering aan de in art. 36 bedoelde ambtenaren te ver-toonen.

35. Geene zwanendriften, eendenkooijen of duiventillen worden opgerigt zonder Onze toestemming, en zonder bewilliging van de eigenaren der betrokken gronden, de Gedeputeerde Staten vooraf gehoord.

Ten aanzien van duiventillen zijn betrokken gronden, die ingesloten worden door den kring, op een afstand van 1500 ellen beschreven om de plaats, waar de til zal worden opgerigt.

In het bewijs van toestemming wordt het getal paren duiven, hetwelk op de til kan worden gehouden, vermeld.

De regter, eene veroordeeling wegens overtreding van dit artikel uitsprekende, gelast tevens de opruiming, ten koste der overtreders, van hetgeen buiten Onze toestemming is opgerigt.

36. De beambten der rijkspolitie zijn belast met het toezigt op de jagt en visscherij, zoowel in het algemeen, als diegenen in het bijzonder, welke daartoe door Onzen met de zaken der jagt en visscherij belasten Minister bepaaldelijk zullen worden aangesteld.

Zij waken tegen de overtredingen van deze wet en der in artt. 9, 10 en 41 bedoelde verordeningen.

Tot gelijke waakzaamheid zijn de maréchaussée, de dienaars van justitie en gemeentelijke politie, de beambten dei-rijks- en plaatselijke middelen verpligt.

Onze met de zaken der jagt en visscherij belaste Minister stelt, op verzoek der eigenaren van of regthebbende op gronden en wateren, en in hun belang, ook onbezoldigde beambten van rijkspolitie aan, en ontslaat hen des noodig.

Tot het opsporen en staven van overtredingen dezer wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen zijn alle voormelde beambten bevoegd, alle gronden behalve die in art. 12a genoemd, te betreden. (Stb. 1856 n0. 114, zïc hiervoor hlz. 1336.)

37. De in art. 36 vermelde beambten, met uitzondering der maréchaussée, zijn verpligt, bij bekeuringen of andere ambtsverrigtingen, hunne acte van aanstelling, des gevorderd, te vertoonen.

38. De beambten, in art. 36 opgenoemd, doen van de overtredingen dezer wet en der in artt. 9,10 en 11 bedoelde verordeningen blijken bij schriftelijke relazen of processen-verbaal, die op heeterdaad, immers zoo spoedig mogelijk, worden opgemaakt op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd, of wel binnen twee maal vier en twintig uren na de sluiting worden beeedigd voor den kantonregter

1348

-ocr page 1479-

1849

of voor het hoofd van het gemeentebestuur, hetzij ter plaatse waar de daad gepleegd is, hetzij waar de beambten, of één hunner, wonen.

De overtredingen kunnen, ook zonder zoodanig verbaal, door de bewijsmiddelen, in het Wetboek van Strafvordering vermeld, worden gestaafd. (Sv. 391 v.)

39. De opgemaakte relazen of processen-verbaal worden aan den officier van justitie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de daad gepleegd is, opgezonden.

Indien de zaak niet in het geval en op de wijze, in art. 74 van het Wetboek van Strafrecht vermeld, wordt afgedaan, zendt de officier het relaas of proces-verbaal aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt, onder welks regtsgebied het feit gepleegd is, ten einde volgens het Wetboek van Strafvordering te worden behandeld en vervolgd. (Sv. 22.)

Het derde en vierde lid van dit art. zijn vervallen, ingevolge art. 3d der Invoeringswet.

40. De overtredingen dezer wet en der verordeningen, in artt. 9, 10 en 11 a) bedoeld, worden, behoudens het bepaalde in de twee volgende artikelen, gestraft: de jagt-overtredingen met eene boete van vijftig cents tot twintig gulden, de visscherij-overtredingen met eene boete van vijftig cents tot tien gulden.

Indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen acte, kostelooze vergunning, het consent of de buitengewone magtiging, wordt eene boete opgelegd van vijftig cents tot drie gulden in zake van jagt, of van vijftig cents tot een gulden in zake van visscherij.

De verbeurdverklaring van het geoorloofde jagt- ofvisch-tuig en andere voorwerpen, in art. 45c opgenoemd, wordt in de gevallen van het 2de lid van dit artikel niet toegepast.

41. Het dubbel der bij het vorig artikel bedreigde boeten, of hechtenis van ten hoogste zeven dagen, wordt opgelegd, wanneer de overtreding is begaan:

a. door een der beambten, in art. 36 vermeld;

b. des nachts, waardoor verstaan wordt meer dan een uur vóór zonsopgang of meer dan een uur na haren ondergang;

c. bij feiteiijken wederstand tegen de bevoegde beambten, onverminderd de ter zake van dien wederstand ingevolge het Wetboek van Strafregt op te leggen straf; (Sr. 179 v.)

d. terwijl tijdens het plegen daarvan nog geen twaalf maanden zijn verloopen, sedert eene veroordeeling van den schuldige wegens overtreding der verordeningen op de jagt en visscherij onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald; — deze bepaling is niet toepasselijk op de gevallen van het 2de lid van art. 40;

ii) Do vernijziug naar art. 10 is vervallen door de Wet, van 14 April 1881J (Stb. no. 01).

-ocr page 1480-

1350 bijzondere wetten en besluiten.

e. met behulp van zoogenaamde afdraaijers, stokgeweren, pistolen of andere verborgene wapenen, lange netten, damnetten, wild- ol\' konijnenstrikken of middelen om den visch door bedwelming te vangen;

f. op de gronden of wateren, omschreven bij art. 12a en art. 13?gt;.

Dezelfde straf wordt opgelegd wanneer de overtreder tijdens de bekeuring bevonden wordt bij zich te hebben een of meer der voorwerpen bedoeld onder litt. e van dit

artikel. .

42. Eene geldboete van vijftig cents tot zestig gulden, ot hechtenis van een tot veertien dagen, wordt opgelegd:

a. wanneer de overtreder tijdens de bekeuring vermomd, zwart of op eenigerlei wijze onkenbaar gemaakt is, of een valschen naam heeft opgegeven;

h. wegens het bezigen of in het veld bij zich hebben van tirassen;

c. wanneer de overtreding is begaan bij vereeniging van meer dan vier personen.

De straf wordt verdubbeld in de gevallen van het voorgaande artikel.

Art. 39—42 aldus gewijzigd door art. 10 n». 14 en art. 11 der Invoeringswet.

43. Ingetrokken bij art. 10 n0. 14 der Invoeringswet.

44. Bij zamenloop van meerdere door denzelfden persoon of dezelfde personen gelijktijdig begane overtredingen wordt slechts ééne slraf toegepast, en wel de zwaarste, indien verschillende straffen zijn bedreigd.

Het vorenstaande is niet toepasselijk op de overtreding van art. 2, 1ste lid, welke altijd afzonderlijk wordt gestraft. (Inv. 10 n®. 14.)

45. Zijn ten behoeve van \'srijks schatkist verbeurd:

a. het jagt- en vischtuig, waarvan het gebruik, volgens deze wet of de verordeningen, bedoeld in artt. 9 en 10, niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van artt. 15 en 41e opgenoemd, daaronder begrepen;

h. het geoorloofde jagt- en vischtuig, in het bezit van iemand, jagende of visschende of, in strijd met art. 20, met geladen schietgeweer zich in het veld bevindende, in gesloten jagt- of vischtijd, of zonder de vereischte jagt- of vischacte, de kostelooze vergunning, het consent of de buitengewone magtiging van artt. 6, 16 of 2G te hebben verkregen; wordende het schietgeweer, waarvan de overgave ter onderzoeking wordt geweigerd, voor geladen gehouden.

c. het wild, de visch, de kievitten en nachtegalen, die niet overeenkomstig het laatste lid van art. 21 in vrijheid zijn gesteld, de konijnen of ander schadelijk gedierte en eijeren, onwettig gevangen of geraapt, verkocht doch niet geleverd, te koop gesteld, uitgevent of vervoerd.

Het eerste lid aldus gewijzigd bij art. 3 der Wet van 13 Juli 189G (Stb. nquot;. 105).

-ocr page 1481-

WET VAN \'13 JUNI.I 1857.

De beambten, in art. 3G bedoeM, zullen die voorwerpen in beslag nemen of de geldswaarde daarvan bepalen, waarvan alsdan in het relaas of proces-verbaal melding wordt gemaakt. De regter, daartoe termen vindende, kan deze geldswaarde veranderen.

Tirassen, lange netten, damnetten en wild- of konijnen-strikken worden niet gewaardeerd, maar altijd in beslag genomen.

De door de bevoegde beambten in beslag genomen jagt-en vischtuigen en andere voorwerpen worden binnen vier dagen na de bekeuring door die beambten gewaarmerkt en ter griffie van het kantongeregt, onder welks regtsgebied de bekeuring plaats had, overgebragt, hetzij door de beambten zeiven, hetzij door tusschenkomst van den burgemeester hunner woonplaats.

Zoo geene inbeslagneming of waardering, ingevolge het 2de lid des artikels, van de hiervoren vermelde voorwerpen heeft kunnen plaats hebben of de bedoelde beambten zulks mochten hebben verzuimd, wordt de waarde dier voorwerpen bij de veroordeeling door den regter bepaald.

De veroordeelde wordt lot betaling der ingevolge het 2de lid, of in het geval van het laatstvoorgaande lid, bepaalde geldswaarde, bij gebreke eener latere uitlevering dier voorwerpen, verwezen.

De in strijd met litt. a, b en c van dit artikel in beslag genomen voorwerpen worden op bevel des regters, of, zoo de zaak niet wordt voortgezet, op bevel van den officier van justitie aan den vroegeren houder teruggegeven.

Onder jagttuig zijn in dit artikel de valken, havikken en honden niet begrepen. (Inv. 10 n0. 14.)

46. De jagt- of vischtuigen en andere voorwerpen, door onbekende overtreders achtergelaten, verblijven aan \'s rijks schatkist, ingeval zij niet binnen den tijd van drie jaren daarna zijn teruggevorderd door dengene, die bewijst dat zij hem ontstolen of door hem verloren zijn. (B. 2014.)

47. De in beslag genomen of later uitgeleverde jagt- en vischtuigen, waarvan het gebruik volgens deze wet en de in artt. 9 en 10 bedoelde verordeningen niet geoorloofd is, worden vernield.

De regter beveelt de vernieling, wanneer het feit aan zijne kennisneming is onderworpen.

Ten aanzien van niet verboden jagt-en vischtuig is art. 219 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.

48. In beslag genomen wild, visch, eijeren, kievitten en nachtegalen, die niet overeenkomstig het laatste lid van art. 21 in vrijheid zijn gesteld, konijnen en ander schadelijk gedierte worden aan de ambtenaren van het openbaar ministerie bij het kantongeregt onder welks regtsgebied de aanhaling geschiedt is, zoodra doenlijk uitgeleverd, en op diens magtiging verkocht.

De geldelijke opbrengst blijft, zooveel bekende overtreders betreft, onder hem berusten totdat de zaak bij regterlijke uitspraak of anderzins is afgedaan, en wordt, wat onbekende

1351

-ocr page 1482-

UIJ/.ONUUHE VVKTTKN EN BESLUITEN.

overtreders aangaat, ter griffie van het kantongeregt over-gebragt.

liet eerste lid aldus gewijzigd vastgesteld bij art.

3 dey Wet van 13 Juli 1896 (Stb. nquot;. 405).

49. De beambten, in art. 36 vermeld, kunnen de bekeurden, die hun onbekend zijn, aanhouden en naar den naastbij zijnden officier van justitie of hulp-officier geleiden om in bewaring te blijven, totdat de officier of de regter de invrijheidstelling zal hebben gelast, of totdat borgtogt zal zijn gesteld voor de boete en de waarde der voorwerpen aan verbeurdverklaring onderworpen, of die voorwerpen zullen zijn uitgeleverd. Het bedrag van den borgtogt wordt bepaald door den officier.

De officier, daartoe termen vindende, vaardigt binnen twee maal vier en twintig uren een bevel van voorloopige aanhouding uit. Dit bevel wordt door de regtbank binnen zes dagen na de aanhouding, ingevolge het 1ste lid des artikels, bekrachtigd, bij gebreke waarvan de beklaagde van regtswege en zonder eenigen anderen vorm, in vrijheid wordt gesteld.

Zoodra de redenen tot aanhouding vervallen, wordt de onmiddellijke invrijheidstelling gelast.

Is het bevel van voorloopige aanhouding nog niet door de regtbank bekrachtigd, de invrijheidstelling wordt bevolen door den officier, is het reeds bekrachtigd, door de regtbank.

50. Aan de in art. 36 vermelde beambten kan op de wijze en tot het bedrag, nader door Ons te bepalen, eene premie worden toegekend voor elke bekeuring, welke de inbeslagneming of latere uitlevering heeft ten gevolge gehad van jagt- of vischtuig, waarvan het gebruik volgens deze wet of de daarbij bedoelde verordeningen niet geoorloofd is, de verborgene en andere wapenen en voorwerpen, in de slotbepaling van art. 45 en 41e opgenoemd, daaronder begrepen.

51—54. Vervallen door art. 3d der Invoeringswet.

55. In zaken de jagt en visscherij betreffende zijn alle de in art. 36 bedoelde beambten, behalve de maréchaussée, bevoegd, en, met uitzondering der onbezoldigde beambten, verpligt tot het kosteloos doen van exploiten en alle verdere geregtelijke verrigtingen, die anders door deurwaarders worden gedaan.

56. Op de overeenkomsten van pacht of huur, vóór de afkondiging der wet van 6 Maart 4852 (Stb. n0. 47) gesloten, is het tweede lid van art. 2 der tegenwoordige wet zonder invloed.

De beklemde meijer evenwel, wiens overeenkomst vóór de afkondiging der eerstbedoelde wet was gesloten, en die noch uit de overeenkomst noch uit anderen hoofde het genot der jagt en visscherij op den beklemden grond bezit, kan zich dat genot voor den duur der overeenkomst verschaffen tegen een prijs, op de in art. 3 omschreven wijze te bepalen. (B. 4654.)

57. Vervallen door de Wet van 24 Juni 1803 (Stb. n°. 73).

1352

-ocr page 1483-

wett. v. 13 junm en 2\'2 dec. 1857 en besl. v. 30 skpt. 18Ü\'i. 1353

58. Ingetrokken hij art. 10 n0. 14 der Invoeringswet.

59. Deze wet treedt in werking 1 Julij 1857 en kan worden aangehaald onder den titel van Jagtwet.

Aldus gewijzigd vastgesteld bij art. 4 der Wet van 13 Juli 1896 (Stb. n0. 105).

Gegeven te \'s-Gravenhage, 13 Junij 1857.

WET

van 22 December 1857 (Stb. n0. 171), lot buiteneffecl-stellling en vervanging der Fransche Wet van 3 September 1807 op de interesten.

Wij WILLEM Hf, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wen-schelijk en noodzakelijk is, de wet van 3 September 1807 in te trekken en te vervangen door eene wet, welke de wettelijke interesten bepaalt, zonder het beding van hoogere in het algemeen te verbieden;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De wet van 3 September 1807 (Bulletin des Lois n0. 2740) wordt buiten werking gesteld.

2. De wettelijke interesten bedragen in burgerlijke zaken vijf en in handelszaken zes ten honderd in het jaar. (B. 1804.)

Gegeven te \'s-Gravenhage, 22 December 1857.

BESLUIT

van 30 September 1862 (Stb. n0.176), houdende bepalingen omtrent ten behoeve van den Slaat verbeurdverklaarde en andere op de griffien der regterlijke collegien en kanlongeregten berustende voorwerpen.

Wu WILLEM III, enz.

Op de voordragt van Onze Ministers van Justitie en van Financien, van 8 Maart 1862, n0. 155, 1ste afd., en van den 13den daaraanvolgende, n0. 65, Domeinen;

Gezien de Koninklijke besluiten van 16 Junij 1823 n0. 286, 30 April 1825 n0. 100, en 6 Augustus 1851 n0. 74; Overwegende:

dat die besluiten voorschriften inhouden omtrent den verkoop of de vernietiging of onbruikbaarmuking van de daarbij

-ocr page 1484-

1354 RUZOKOERE WETTEN EN RESUJITEN.

aangewezen, ter griffie van de hoven of regtbanken berustende, voorwerpen;

dat echter de beperking dier voorschriften tot hetgeen berust ter griffie van de hoven of regtbanken, en het gemis van behoorlijke overeenstemming tusschen sommige dier voorschriften en de tegenwoordige wetgeving nadere regeling noodzakelijk maakt;

Den Raad van State gehoord (advies van 16 Junij 1862, n0. 4);

Gelet op het nadere rapport van Onze Ministers voornoemd, van 20 September 1862 n0. 114, 1ste afd., en van den 27sten daaraanvolgende n0. 84, Domeinen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Jaarlijks, in de maand April, worden door de griffiers bij de regterlijke collegien en kanlongeregten aan de ambtenaren, bij het volgende artikel vermeld, overgegeven:

1°. de voorwerpen ter griffie berustende, die bij reglerlijk gewijsde ten behoeve van \'s rijks schatkist zijn verbeurdverklaard; (Sr. 33, 34.)

2°. de voorwerpen, die, als door misdrijf verkregen of als gediend hebbende tot het plegen van misdrijf, inbeslag genomen, of in het algemeen als stukken van overtuiging overgelegd, ter griffie zijn overgebragt, doch die krachtens bevel van den regter of uit anderen hoefde aan de daarop regthebbenden moeten worden teruggegeven, wanneer deze voorwerpen gedurende drie jaren ter griffie hebben berust, zonder dat de teruggave, bij gebreke v.in opvordering en bij onbekendheid met den regthebbende, heeft kunnen plaats hebben. (Sv. 219a.)

Onder de voorwerpen bij n0. 1 genoemd zijn niet begrepen die, wier vernietiging of onbruikbaarmaking door de wet wordt bevolen, door den regter is gelast, of door den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest belast, in het belang der openbare orde noodig wordt geoordeeld. Hetgeen na de onbruikbaarmaking verkoopwaarde behoudt, wordt in de bij het eerste lid vermelde overgifte begrepen. (Sv. 219fe.)

2. De overgifte, in het voorgaande artikel vermeld, geschiedt:

door de griffiers bij den Hoogen Raad, bij de geregts-hoven en bij de arrondissements-regtbanken aan den ontvanger der registratie en domeinen ter plaatse waar het regterlijk collegie is gevestigd;

door de griffiers bij de kantongeregten aan den ontvanger der registratie en domeinen, tot den kring van wiens kantoor de gemeente, waar het kantongeregt is gevestigd, behoort.

De overgifte geschiedt onder overlegging eener lijst der in de overgifte begrepen goederen, door den griffier in

-ocr page 1485-

HESI.UIT VAN 30 SEPT. \'1862 EN BESLUIT V. \'22 DEO. 1863. 1355

dubbel opgemaakt en door den ambtenaar van het openbaar ministerie voor «gezien» geteekend.

Een der dubbelen, voorzien van het bewijs van overname door den ontvanger, blijft onder berusting van den griffier.

3. De overgegeven voorwerpen worden, voorzoover die niet bestaan in gelden of gelcswaarden, door den ontvanger in het openbaar verkocht.

De opbrengst wordt, met de overgegeven gelden of geldswaarden, in \'s rijks schatkist gestort.

4. Op gelijke wijze als bij het voorgaande artikel is bepaald, wordt gehandeld met voorwerpen, die, bij regterlijk gewijsde ten behoeve van \'s rijks schatkist verbeurdverklaard, door den veroordeelde aan den ontvanger worden uitgeleverd. (Sr. 34.)

Het laatste lid van art. 1 is ook op deze voorwerpen van toepassing.

5. De Koninklijke besluiten van \'16 Junij 1823 n0. 286, 30 April 1825 n0. 100, en 6 Augustus 1851 n0. 74, zijn afgeschaft.

\'s-Gravenhage, 30 September 1862.

\'■tól

BESLUIT

van 22 Decrmher 1863 (Stb. n0. 149), ter nadere recjeUng van de wijze cn den vorm van afkondiging van wetten en Koninklijke hesluiten.

Wij WILLEM UI, enz.

Overwegende dat het ter rigtige afkondiging van wetten en door Ons genomen besluiten wenschelijk is, de zorg voor de uitgave van het Staatsblad, thans rustende op den Directeur van Ons Kabinet, aan eenen daarvoor verantwoordelijken Minister op te dragen;

Gelet op art. 6 van het besluit van den Souvereinen Vorst van 18 December 1813 (Stb. n0. 1);

Op de voordragt van Onzen Minister van Justitie, van 10 Augustus 1861 nquot;. 122, A. S.;

Den Raad van State gehoord (advies van 18 October 1861, nquot;. 5);

Gelet op de nadere rapporten van Onzen Minister van Justitie, van 16 en 21 December 1863, n0. 135 en 166;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Artikel 1.

De zorg voor de uitgave van het Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, en in het bijzonder voor de plaatsing daarin van wetten en van door Ons genomen besluiten, wordt opgedragen aan Onzen Minister van Justitie.

2. De wetten en de algemeene maatregelen van inwendig

-ocr page 1486-

bijzondere wetten en besluiten.

bestuur van den Staat worden, na door Ons onderteekend en na door het hoofd van het departement van algemeen bestuur, dien het aangaat, rnede-onderteekend te zijn, door dezen verzonden aan Onzen Minister van Justitie.

Wanneer de wet of de algemeene maatregel van inwendig bestuur de mede-onderteekening behoeft van meer dan één hoofd van een departement van algemeen bestuur, geschiedt de verzending door hem die het laatst teekent.

3. Onze Minister van Justitie voorziet de wet of den algemeenen maatregel van inwendig bestuur van het navolgende onderschrift:

«Uitgegeven den .......

(Invullen dagteekening en jaartal.)

De Minister van Justitie»

Hij zorgt tevens voor de onmiddellijke plaatsing van de wet of van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in het Staatsblad, en, is van zoodanigen maatregel gelijktijdige plaatsing in de Staatscourant bevolen, ook voor de onmiddellijke plaatsing in die courant.

De oorspronkelijke stukken worden daarna door hem teruggezonden aan het kabinet des Konings, om in het archief dier instelling te verblijven.

4. De bepalingen van de artt. 2 en 3 zijn mede van toepassing op de door Ons genomen besluiten, geene algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat zijnde, waarvan de plaatsing in het Staatsblad door Ons bevolen is.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteekening van het Staatsblad en de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

\'s-Gravenhage, 22 December 1863.

BESLUIT

van 5 October 4867 (Stb. n0. 104), houdende vervanging

van het Koninklijk Besluit van 8 September 1861 {Stb. nquot;. 81) door nadere bepalingen^ ter uitvoering van art. 396 Wetboek van Koophandel.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is Ons besluit van 8 September 1861 (Stb. n0. 8!) door nadere bepalingen, ter uitvoering van art. 396 van het Wetboek van Koophandel, te vervangen;

Gelet op de ingewonnen berigten van de besturen der betrokken gemeenten en van de kamers van koophandel en fabrieken, voorzooverre aldaar gevestigd;

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onzen Minister van Justitie en van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 6/29 Junij 1866 n0.130,2de afd., en n®. 161, 2de afd.;

135Ü

-ocr page 1487-

BESLUIT V. 5 OCTOBER 1867 EN WET V. 10 APRIL 1869. 1357

Den Raad van State gehoord (advies van 26 Maart jl., n0.9);

Gelet op de nadere gemeenschappelijke voordragt van Onze voornoemde Ministers, van 25 September 1867 nquot;. 107, 2de afd., en van 3 October 1867 n0. 192, 2de afd.;

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van Ons besluit van 8 September 1861 (Slb. n0. 81), het navolgende vast te stellen:

Artikel 1.

De in artikel 396 van het Wetboek van Koophandel bedoelde monstering van scheepsvolk geschiedt ten overstaan van den waterschout, door Ons in de gemeente, waar de monstering plaats heeft, aangesteld ; bij gebreke of verhindering van dien, van den commissaris van politie aldaar, of, zijn er méér dan één, van een hunner, door den burgemeester aan te wijzen, of, bij gebreke of verhindering van den commissaris van politie, van den burgemeester of van dengene die hem als zoodanig vervangt.

2. De door Ons benoemde waterschouten bekleeden geenerlei ambt of bediening, hun door de gemeentebesturen of anderen opgedragen, «lan met Onze toestemming.

Zij kunnen ten alle tijde door Ons worden ontslagen.

3. Met het daarbij hehoorende tarief ingetrokken hij Besluit van 29 Juni 1878 (Stb. n0. 99), waarbij levens een nieuw tarief iverd vastgesteld.

4. Dit besluit treedt in werking op 1 Januarij 1868.

liet Loo, 5 October 1867.

WET

van 10 April 1869 (Stb. n0. 65), lot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten.

§ 1. Van het begraven van lijken.

Artikel 1.

Elk overleden persoon en doodgeboren kind wordt in eene gesloten kist begraven op eene begraafplaats, overeenkomstig deze wet aangelegd of volgens de overgangsbepalingen dezer wet toegelaten.

Zoo de niet gescheiden echtgenoot, of, bij ontstentenis of niet aanwezigheid van echtgenoot, de naaste ter plaatse van het sterfgeval aanwezige meerderjarige bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten en, ook deze niet tegenwoordig zijnde, de aanwezige meerderjarige erfgenamen of diegenen die anderzins voor de begrafenis te zorgen hebben, verlangen of vergunnen, dat een lijk niet

-ocr page 1488-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

begraven, maar ontleed of bewaard worde, of zoo do overledene dergelijke beschikking over zijn lijk bij uitersten wil of bij eene akte, zooals omschreven is in art. 982 van het Burgerlijk Wetboek, heeft bev.olen, kan dit met verlof van den burgemeester geschieden.

Dij weigering van dit verlof, is beroep binnen 24 uren op Onzen Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk beschikt.

Voor lijkopening of gedeeltelijke ontleding, door of onder toezigt van een geneeskundige,, waardoor de begraving binnen den na te melden termijn niet wordt verhinderd, is het verlof des burgemeesters niet noodig. Voor onderzoek van lijken op regterlijk gezag wordt noch dat verlof, noch de toestemming der personen, in het tweede lid van dit artikel genoemd, vereischt.

2. Lijken, die, uit hoofde van den staat van ontbinding, niet naar eene begraafplaats kunnen worden overgebragt, worden ter plaatse waar zij gevonden zijn of in de onmiddellijke nabijheid zonder kist, mits ter diepte van ten minste één meter, begraven, met ongebluschte kalk ter hoogte van twee decimeters en verder met aangestampte aarde overdekt.

Is het niet mogelijk, dat de begraving, in dit artikel bedoeld, in Rijks- of gemeentegrond geschiede, dan moeten de eigenaars of bruikers van den grond, dien de burgemeester daartoe aanwijst, de begraving aldaar gedoogen.

De schade, die aan den eigendom mogt worden veroorzaakt, wordt door den kantonregter begroot en door den Staat of de gemeente vergoed naar de onderscheiding, gemaakt in art. 37. Als schade komt niet in aanmerking de aanwezigheid van het graf zelf.

Met de uitvoering der voorschriften van dat artikel is de burgemeester belast.

3. Een algemeene maatregel van inwendig bestuur bepaalt de wijze, waarop met lijken van personen, aan boord van in zee zijnde Nederlandsche schepen overleden, moet worden gehandeld, alsmede waarop het vervoer van lijken uit Nederland naar het buitenland en uit het buitenland naar Nederland kan worden toegelaten.

Besluit van 18 October 18(59 (Stb. n0. 162).

Art. 1. Het lijk van een persoon, aan boord vaneen Nederlandsch schip dat zich in zee bevindt overleden, wordt uiterlijk op den vijfden dag, doch niet vroeger dan 36 uren na het overlijden, over boord gezet.

Het wordt in een stevig omhulsel genaaid en bezwaard met zoodanig gewigt dat het zinken en onder water blijven van het lijk gewaarborgd is.

2. Hij, die op het schip bavel voert, kan, na overleg met den geneeskundige of, bij gebreke van dezen, met twee der officieren of, zoo deze er niet zijn, met twee der schepelingen, het lijk zelfs binnen de 36 uren na het overlijden over boord doen zetten.

Hij kan zulks ook later dan vijf dagen na het overlijden doen plaats hebben, zoo hiervoor bijzondere reden

1358

-ocr page 1489-

WET VAN 10 APRIL 1869.

beslaat en langere bewaring- van het lijk geen nadeel aan de gezondheid der bemanning kan toebrengen.

In beide gevallen wordt van het gehouden overleg proces-verbaal opgemaakt, en van de toepassing van dit artikel, alsmede van de daartoe leidende redenen, melding gemaakt in het dagregister, bedoeld bij art. 358 van het Wetboek van Koophandel.

3. Heeft het overlijden plaats, wanneer het schip den wal op zoo korten afstand genaderd is dat deze naar alle waarschijnlijkheid binnen vijf dagen bereikt zal zijn, dan kan het lijk aan boord bewaard blijven ter begraving aan wal, mits het in eene waterdigt gesloten kist, beschut tegen zon en regen, op het bovendek, of, waar hiertoe de gelegendheid bestaat, in eene buiten boord hangende sloep geplaatst zij, en de bewaring voor den gezondheidstoestand der bemanning niet na-deelig geacht wordt.

4. liet lijk, mits bewaard in een hermetisch gesloten omhulsel, kan gedurende de geheele reis van het schip aan boord blijven, wanneer het gebalsemd, door inspuiting van bederfwerende vochten tegen ontbinding gevrijwaard, of geplaatst wordt in eene waterdigte van binnen gepekte en met rottingwerende stof bedeelde kist, of wel ingekuipt wordt in vaatwerk, onder bijvoeging van een of ander bederfwerend vocht, als rum, brandewijn of jenever.

Het lijk wordt alsdan in de open lucht, beschut tegen zon en regen, op het bovendek of in eene der builen boord hangende sloepen geplaatst en onmiddellijk na de aankomst van het schip begraven.

5. Het vervoer van een lijk uit Nederland naar het buitenland of uit het buitenland naar Nederland wordt toegelaten, mils het lijk besloten zij in eene hermetisch gesloten metalen kist en geplaatst worde bij vervoer te water op het bovendek van het schip of in eene buiten boord hangende sloep, en bij vervoer te lande op een niet gesloten wagen, in beide gevallen met beschutting legen zon en regen.

6. Lijken, ingevolge artt. 3, 4 of 5 van dit besluit hier te lande aangebragt, worden len spoedigste begraven, tenzij de termijn, in art. 6 der wet van 10 April 1869 (Slb. n0. 65) voor het begraven gesteld, nog niet verloopen mogt zijn.

7. Het vervoer van een lijk over de grenzen geschiedt ongehinderd, mits aan de ambtenaren der in- en uitgaande regten aan het grenskanloor eene verklaring worde overgelegd, afgegeven door het bestuur der gemeente vanwaar het lijk wordt aangebragt, vermeldende den naam van den overledene en de plaats waarheen het lijk wordt vervoerd.

Bij invoer uit zee van een lijk van een aan boord van het schip overleden persoon wordt de voormelde verklaring vervangen door een extract uit het dagregister, in art. 358 van het Wetboek van Koophandel bedoeld.

1359

-ocr page 1490-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

é. Geene begraving geschiedt zonder schriftelijk verlof van den ambtenaar van den burgerlijken stand, vrij van zegel en kosteloos af te geven, waarin de begraafplaats, of de in art. 2 bedoelde plaats, waar het lijk ter aarde zal worden besteld, wordt vermeld.

Ligt deze begraafplaats buiten de gemeente, dan geeft die ambtenaar onmiddellijk kennis van het verleend verlof aan den burgemeester der gemeente, waarin de begraafplaats ligt.

Ligt de algemeene begraafplaats eener gemeente op het grondgebied eener andere gemeente, dan kan van de vorenstaande zinsnede worden afgeweken bij de verordening, bedoeld in art. 29 dezer wet.

Bij het vragen van verlof wordt overgelegd de schriftelijke verklaring, bedoeld in art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Stb. n0. 60). Ontbreekt zoodanige verklaring, dan wordt de doodschouw verrigt en de verklaring afgegeven door een geneeskundige, jaarlijks door burgemeester en wethouders daartoe aan te wijzen en te becedigen. Het formulier van den eed wordt door Ons vastgesteld. (Stb. 1809 n0. 109.)

5. Wanneer er teekenen of aanduidingen van een\' geweldigen dood aanwezig zijn, of andere omstandigheden dien doen vermoeden, geschiedt de begraving niet dan nadat het lijk geregtelijk is geschouwd en de officier van justitie of de regter-commissaris, met het geregtelijk onderzoek belast, schriftelijke toestemming heeft gegeven, welk stuk aan den ambtenaar van den burgerlijken stand moet worden vertoond.

Bij het verbaal der schouwing worden, zooveel mogelijk, de voornamen, de naam, de ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats van den overledene opgegeven.

6. Geene begraving geschiedt vroeger dan 36 urer, of later dan op den vijfden dag na het overlijden.

Ontheffing van deze bepaling kan door den burgemeester, na verhoor van een geneeskundige, schriftelijk worden verleend.

Wanneer een geneeskundige verklaart, dat bespoediging of uitstel der begraving noodig is, kan het begraven op een vroeger of later tijdstip, dan in het 1ste lid van dit artikel is bepaald, door den burgemeester schriftelijk worden gelast.

Door burgemeester en wethouders kan in het belang der volksgezondheid worden bevolen, dat overledenen aan eene bepaald aangewezen ziekte, op eenen zelfs binnen de 36 uren na het overlijden te bepalen tijd, worden overgebragt naar een lijkenbuis, indien dit aanwezig is. (Stb. 1872 n0.134, a. 13.)

7. De tijd van begraven wordt vastgesteld bij plaatselijke verordening, die daartoe ten minste drie achtereenvolgende uren van eiken dag bestemt.

De tijd wordt zóó gesteld, dat het mogelijk is op den eigen dag der begraving de lijkplegtigheden te vervullen, welke, volgens de leer der godsdienstige gezindte waartoe de overledene behoorde, aan do begraving moeten voorafgaan.

8. Plaatselijke verordeningen regelen hetgeen in het belang der openbare orde en gezondheid bij het brengen van lijken naar de begraafplaats is in acht te nemen.

4360

-ocr page 1491-

WET VAN 10 APRIL 1869.

lof Zij bepalen de wijze waarop de lijken, die op kosten der

•an gemeente begraven worden, naar de begraafplaats zullen

of worden gebragt.

zal 9. Ingeval voor het begraven van een lijk door de nabestaanden of betrekkingen of door armbesturen niet wordt

die gezorgd, wordt daarin door den burgemeester voorzien,

tan 10. Wordt de toegang tot de woning ter verrigting der

gt. doodschouw of der geregtelijke schouwing, of de afgifte

iet van het lijk hetzij ter begraving, hetzij ter vervoer naar het

;n- lijkenhuis geweigerd, dan kan de woning, ondanks den

ng, bewoner, door de daarmede belaste personen op elk uur worden binnengetreden, mits in bijzijn van den burge-

\'te- meester, den kantonregter of commissaris van politie.

;65 11. Tijdens het heerschen eener besmettelijke ziekte

de kan het vervoer van lijken uit eene gemeente, op wier

en grondgebied eene of meer begraafplaatsen zijn, door Ons

?rs worden verboden of slechts worden toegestaan onder door

an Ons te stellen voorwaarden. (Stb. 1872 n0. 134, a. 11 v.)

) 12. Geene opgraving, noch vervoer van een opgegraven lijk

fe- mag, behalve op regterlijk gezag, geschieden, dan met toe-

en stemming van den eigenaar van het graf en met verlof van

an den burgemeester der gemeente, waar het begraven Is. Bij

an weigering van dit verlof staat hooger beroep bij Ons open.

;r- Eigenaar van een graf is hij, die het uitsluitend regt tot

ilk begraven in eene bepaalde grafruimte voor onbepaalden tijd

\'et heeft.

Degene, die een tijdelijk uitsluitend regt op eene graf-jk, ruimte bezit, is gedurende den tijd, waarvoor dat regt gets, geven is, met een eigenaar gelijk.

in.

of § 2. Van de begraafplaatsen.

13. Elke gemeente heeft ten minste ééne algemeene be-

1- graafplaats. Van dit voorschrift kan door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord, tijdelijke ontheffing verleend worden.

ig Ten behoeve van twee of meer gemeenten kan eene ge-

m zamenlijke begraafplaats worden ingerigt.

el 14. Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd

\'t- met verlof en onder toezigt van burgemeester en wet-

sr houders der gemeente, waarin de daarvoor bestemde grond

ie is gelegen.

■i Verlof tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats

ii\' ten behoeve der leden van eene kerkelijke gemeente wordt

\'•) aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer

:c de aangewezen plaats niet aan de voorschriften der wet

Ie voldoet.

Ingeval burgemeester en wethouders weigeren het aan-11 leggen eener bijzondere begraafplaats te vergunnen, kan

ei hij, die daartoe verlof vroeg, tegen die weigering bij Gede-

iquot;- puteerde Staten bezwaren indienen.

Van het besluit van Gedeputeerde Staten is binnen eene

2- maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

n 15. De eigenaar van een niet tot begraafplaats bestem

den grond kan op dien grond, mits op den in het volgende

S6

1361

-ocr page 1492-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

artikel gemelden afstand van elke bebouwde kom eener d

gemeente, één of meer graven of een grafkelder aanleggen, sl

ten einde daarin zijn hjk en de lijken der leden van zijn v

geslacht worden begraven. n

De aanleg geschiedt niet dan na bekomen verlof en onder

toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente, h waarin die grond gelegen is. Wordt dit verlof geweigerd,

dan kan hij, die het vroeg, tegen die weigering bij Gede- e

puteerde Staten bezwaren indienen. b

Van het besluit van Gedeputeerde Staten is binnen eene o

maand hooger beroep bij Ons toegelaten. a

Op graven, volgens het iste lid van dit artikel aangelegd, d zijn de artt. 23 en 25 toepasselijk.

16. Geene begraafplaats wordt aangelegd dan op den h afstand van ten minste 50 meters van elke bebouwde kom d eener gemeente.

Geschillen over de toepassing van het eerste lid van dit h artikel worden beslist door Gedeputeerde Staten. Van hunne 0 uitspraak is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten. b Binnen gelijken afstand van de begraafplaats worden s geene gebouwen opgerigt of putten gegraven, dan na be- g komen verlof van Gedeputeerde Staten, na verhoor van den v geneeskundigen inspecteur in de provincie. Van hunne uit- 0 spraak is binnen ééne maand hooger beroep bij Ons toegelaten. g

In dit verbod zijn niet begrepen lijkenhuizen, doodgraverswoningen en bedehuizen of kapellen, met pastorijen of d kostershuizen, ten dienste der begraafplaats te stichten. ];

De toegang of ingang van een graf of grafkelder mag

echter niet in eene kerk of ander gesloten gebouw zijn. a

17. Elke algemeene begraafplaats heeft eene uitgestrektheid van minstens tienmaal de oppervlakte benoodigd voor v het vermoedelijk getal der aldaar jaarlijks te begraven b lijken. v

18. Elke begraafplaats wordt door een muur, heining, rasterwerk of heg, ter hoogte van ten minste twee meters, n afgesloten. d

Hiervan kan door Ons ontheffing worden verleend, indien n op andere wijze behoorlijk in de afsluiting is voorzien.

19. De algemeene begraafplaatsen worden zóó aangelegd, j; dat, op verlangen van het bestuur eener kerkelijke gemeente

die geen eigen begraafplaats bezit, de lijken van de leden e

dier kerkelijke gemeente in eea afzonderlijk, uitsluitend voor b

hen bestemd gedeelte kunnen worden begraven. I

Ieder zoodanig gedeelte heeft een afzonderlijken ingang, d

behoudens dat één hoofdingang voor de geheele begraafplaats S

kan dienen. n

De inrigting van elk dezer gedeelten wordt door het

gemeentebestuur geregeld, na daarop het bestuur van de v

betrokken kerkelijke gemeenten te hebben gehoord. o

De afscheiding dier gedeelten geschiedt overeenkomstig

art. 18. s

20. Indien daartoe voldoende ruimte bestaat, wordt op t

___I

1362

-ocr page 1493-

1363

de algemeene begraafplaatsen gelegenheid gegeven, het uitsluitend regt om lijken in een bepaald graf te doen begraven, hetzij voor onbepaalden tijd, hetzij voor den tijd van minstens tien jaren, te verkrijgen.

De hiervoor te betalen prijs wordt op dezelfde wijze als het in art. 30 bedoelde begrafenisregt vastgesteld.

21. Omtrent het stichten van grafkelders, gedenk teekenen en kruisen, het. aanleggen van graftuinen, het planten van boomen of andere gewassen, het plaatsen van zerken en het onderhoud van al deze voorwerpen worden, voor zooveel de algemeene begraafplaats betreft, bij plaatselijke verordening de vereischte voorschriften gegeven.

Voor die stichting, aanleg, aanplanting, plaatsing en onderhoud kan betaling worden gevorderd op dezelfde wijze als de in art. 30 bedoelde begrafenisregten.

22. De onderlinge afstand der graven, zoo aan het hoofd-voeteneinde als aan de zijden, bedraagt minstens 0,3 meter.

Twee of meer lijken kunnen boven elkander worden begraven, mits boven elke kist eene laag aarde van minstens 0,3 meter dikte worde aangebragt, die bij eene volgende begraving niet mag worden geroerd. De bovenste kist wordt met eene laag aangestampte aarde van minstens 0.65 meter bedekt.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gemetselde grafkelders.

23- De graven mogen niet dan met toestemming van den eigenaar en na verloop van tien jaren, nadat er het laatst een lijk in geplaatst is, geroerd worden.

De overblijfselen van lijken en kisten worden in een afgesloten gedeelte van de begraafplaats begraven.

24. Eene begraafplaats, waarvan geen gebruik meer wordt gemaakt, wordt bij een besluit van het gemeentebestuur, aan Gedeputeerde Staten mede te deelen, gesloten verklaard.

Wordt van eene bijzondere begraafplaats geen gebruik meer gemaakt, dan geeft het bestuur dier begraafplaats daarvan kennis aan het gemeentebestuur, hetwelk het berigt mededeelt aan Gedeputeerde Staten.

25. Eene gesloten begraafplaats blijft gedurende tien jaren onaangeroerd liggen.

Na dien tijd is het verbod van art. 16,3de lid, opgeheven en mag de grond tot bezaaijing of beplanting worden gebruikt, mits hij niet dieper dan 0.5 meter worde vergraven. Uitgraving ter meerdere diepte is binnen dertig jaren na de sluiting niet dan met vergunning van Gedeputeerde Staten geoorloofd. Van hunne beslissing is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

Eigen graven op eene gesloten begraafplaats worden, voor zoover in hun onderhoud behoorlijk wordt voorzien, onaangeroerd gelaten.

26. Elke begraafplaats staat met inachtneming der plaatselijke verordeningen, bedoeld in de artt. 8 en 28, onder toezigt van burgemeester en wethouders.

-ocr page 1494-

1364

27. Instructien van doodgravers, opziglers en andere beambten der algemeene begraafplaats worden bij besluit van den raad der gemeente, aan welke de begraafplaats behoort, vastgesteld.

28. Bij plaatselijke verordening wordt geregeld hetgeen in het belang der openbare orde en gezondheid op de in de gemeente gelegen begraafplaatsen in acht moet worden genomen.

29. Ligt de algemeene begraafplaats eener gemeente op het grondgebied eener andere gemeente, dan worden de verordeningen omtrent die begraafplaats door de raden van beide gemeenten, met inachtneming van het bepaalde in art. 121 en art. 173, laatste lid der wet van 29 Junij 1851 (Stb. n®. 85), vastgesteld.

Weigert de raad der gemeente, op wier grondgebied de algemeene begraafplaats ligt, daartoe mede te werken, dan worden de verordeningen door den raad der gemeente aan wie de begraafplaats behoort, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, vastgesteld.

Wordt uit anderen hoofde geene eenstemmigheid tusschen de beide gemeenteraden over dit onderwerp verkregen, dan stellen Gedeputeerde Staten de verordeningen vast.

Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan geschiedt deze vaststelling door Ons, Gedeputeerde Staten gehoord.

Het laatste lid is vervallen door Inv. 3d.

§ 3. Van de begrafcnisregten en kosten.

30. Voor het begraven van een lijk op de algemeene begraafplaats kan, ten behoeve der gemeentekas, een be-grafenisregt worden geheven.

31. Het begrafenisregt bestaat voor elke soort van graven uit eene som, die overeenkomstig art. 254 der wet van 29 Junij 1851 (Stb. n0. 85) niet hooger mag zijn, dan noodig is ter voldoening der kosten en lasten van aanleg, der kosten van het onderhoud der begraafplaats en der bezoldiging van doodgravers, opzigters en andere beambten der begraafplaats.

32. Behalve de in het vorig artikel bedoelde som, de betalingen aangewezen in artt. 20 en 21 en een matig regt voor het begraven op buitengewone uren, voor het luiden der klok van de burgerlijke gemeente en voor het verstrekken van benoodigdheden voor de begraving van wege de gemeente, mag geene betaling voor het gebruiken der begraafplaats worden gevorderd.

Het onderhoud van eigen graven is echter ten laste van hen, die, hetzij voor onbepaalden tijd, hetzij voor den tijd van minstens tien jaren, regt hebben daarin lijken te doen begraven; daarin kan door het heffen van een regt worden voorzien. Voor het inschrijven en het overboeken van eigen graven in een daartoe bestemd register mag voor iedere boeking of overschrijving f 3 worden geëischt.

-ocr page 1495-

WET VAN 10 APRir. 1869.

De regten, in dit artikel bedoeld, worden op dezelfde wijze als het begrafenisregt vastgesteld.

33. Indien twee of meer gemeenten eene gezamenlijke algemeene begraafplaats bezitten., worden de daarop, behoudens Onze goedkeuring, te heffen regten en de wijze van invordering vastgesteld bij verordeningen door de raden van beide gemeenten, met inachtneming van het bepaalde bij art. 121 der wet van 29 Junij 1851 (Stb. n0. 85).

Wordt geene eenstemmigheid tussehen de gemeenteraden over dit onderwerp verkregen, dan stellen Gedeputeerde Staten die regten, voor zoo veel zij oordeelen dat die moeten geheven worden, onder Onze goedkeuring en de wijze van invordering bij besluit vast.

Liggen de gemeenten in verschillende provinciën, dan worden die regten, voor zooveel die moeten geheven worden, en de wijze van invordering door Ons vastgesteld, na Gedeputeerde Staten te hebben gehoord.

Indien de algemeene begraafplaats van eene of meer gemeenten op het grondgebied eener andere gemeente ligt, dan worden niettemin de daarop te heffen regten, behoudens Onze goedkeuring, en de wijze van invordering geregeld door den raad of de raden der gemeente of gemeenten, ten wier behoeve de heffing moet plaats vinden.

34. Voor de begraving van kinderen beneden het jaar wordt niet meer dan een vierde, voor die van kinderen beneden de 12 jaren niet meer dan de helft van de in art. 31 bedoelde som gevorderd.

35. Ten behoeve der gemeentekas mag geen regt geheven worden van lijken, die, hetzij buiten, hetzij binnen de gemeente, op eene andere dan de algemeene begraafplaats der gemeente worden begraven.

36. De lijken van onvermogenden worden, voor zoover diakonien, armbesturen of andere instellingen, of het Rijk daarvoor niet zorgen, op kosten der gemeente begraven.

De begrafeniskosten van onvermogende krijgslieden in werkelijke dienst, beneden den rang van officier, worden volgens de regelen, door Ons te stellen, gedragen dooiden Staat.

Dit geldt insgelijks van krijgslieden, die met bepaald verlof zijn.

Aldus rjewijzijd bij art. 3 der Wet van 22 Juli 1885 (Stb. n°. 138).

37. De kosten van het begraven der op het strand der zee aangespoelde en uit zee aangebragte lijken worden, voor zoover zij door de bij de lijken gevonden goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, gedragen door den Staat.

De begrafeniskosten van lijken die op eene andere plaats binnen eene gemeente verlaten liggen, of voor welker begraving noch door nabestaanden, erfgenamen of executeurs-testamentair, noch door armbesturen gezorgd wordt, komen ten laste der gemeente. Voor zoover zij door de bij de lijken gevonden goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, heeft de gemeente voor die kosten verhaal op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en

1365

-ocr page 1496-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

aanverwanten, die krachtens artt. 376 tot 383 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van den overledene ver-pligt zouden zijn geweest.

38. Het staat ieder vrij, voor het vervoer van lijken naar de begraafplaats zoodanige personen en middelen te gebruiken als hij wil, mits zich gedragende naar de plaatselijke verordeningen, in art. 8 dezer wet bedoeld.

Dezelfde vrijheid bestaat voor het vervoer naar het graf binnen de algemeene begraafplaats.

§ 4. Strafbepalingen.

39. Onverminderd de straffen bij de gewone strafwet gesteld tegen andere feiten, die gelijktijdig of in zamenbang met de in deze wet genoemde mogten worden gepleegd, worden de navolgende handelingen gestraft als volgt.

40. Met eene boete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden of hechtenis van een tot drie dagen, wordt gestraft:

1°. het begraven en het doen begraven na den vijfden dag van het overlijden, behoudens het bepaalde in het 2de lid van art. 6;

2°. het vervoeren en het doen vervoeren van een lijk naar eene andere gemeente, in strijd met het verbod of de vergunning in art. 11 bedoeld;

3°. de overtreding der voorschriften van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 3. (Inv. 19.)

41. Met eene boete van 50 cents tot honderd gulden of hechtenis van een dag tot eene maand, wordt gestraft:

1°. de overtreding van het 1ste lid van art. 1;

2°. het ontleden of bewaren van een lijk, zonder het verlof in het 2de lid van art. 1 vermeld;

3°. de overtreding van het eerste lid van art. 4;

4°. het begraven binnen de 36 uren na het overlijden;

5®. het niet voldoen aan het bevel, in het 3de of 4de lid van art. 6 bedoeld;

6°. het verhinderen of belemmeren der doodschouw of de poging daartoe, en de weigering tot aangifte van een lijk in art. 10 bedoeld; (Inv. \\ih.)

7°. het zonder verlof van Gedeputeerde Staten oprigten van gebouwen of graven van pulten binnen den verboden afstand van begraafplaatsen;

Bij het veroordeelend vonnis wordt de opruiming van de gebouwen en putten, in strijd met het verbod gemaakt, ten koste des overtreders gelast;

8°. het begraven op bijzondere begraafplaatsen, in strijd met art. 22;

9U. het roeren van een of meer graven, in strijd met art. 23;

10°. het begraven op eene gesloten begraafplaats;

11°. het gebruik maken van zoodanige begraafplaats, in strijd met art. 25;

12ö. Vervallen en vervangen door Sr. 148.

42. Op den ambtenaar van den burgerlijken stand, die het bij art. 4 bedoelde verlof verleent, zonder dat aan hem is overgelegd eene der volgens die bepaling vereischte ver-

1366

-ocr page 1497-

T

WET VAN 10 APRIL 1869.

klaringen, of zonder dat aan hem is vertoond de schriftelijke toestemming, bedoeld bij art. 5, is art. 466 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk.

43. Met eene boete van vijftig cents tot honderd gulden of hechtenis van een dag tot een jaar. wordt gestraft:

i0. Vervallen en vervangen door Sr. 150.

2®. het verbergen van het lijk van iemand, die aan een geweldigen dood is gestorven, of de poging daartoe; (Inv. 11b.)

3°. het vervoeren of begraven van een lijk in het geval van art. 5, in strijd met dat artikel;

4°. het wegnemen van een lijk uit eene begraafplaats of een lykenhuis, of de poging daar toe; (Inv. 11b.)

5°. Vervallen en vervangen door Sr 149.

6°. Vervallen en vervangen door Sr. 190.

7°. het verrigten van lijkopening of ontleding van een lijk door iemand die geen geneeskundige is, of buiten toe-zigt van een geneeskundige.

44. Vervallen door de invoering van het Strafwetboek.

Arlt. 39—44 zijn deels vervallen, deels gehandhaafd

en gewijzigd door artt. 3d, 10 n®. 23, 11 en 19 der Invoeringswet.

Overgangsbepalingen.

45. De thans aanwezige begraafplaatsen, mits op een afstand van 35 meters van eene bebouwde kom gelegen en overigens aan de vereischten dezer wet voldoende, kunnen blijven bestaan.

Geschillen over de toepassing van het eerste lid van dit artikel worden beslist door Gedeputeerde Staten. Van hunne uitspraak is binnen eene maand hooger beroep bij Ons toegelaten.

46. De thans bestaande begraafplaatsen, welke niet op den in art. 45 bepaalden afstand van eene bebouwde kom liggen, worden, zoo zij schadelijk zijn voor de volksgezondheid, na ingewonnen advies van den geneeskundigen inspecteur, krachtens besluit van Gedeputeerde Staten door den burgemeester gesloten.

Van dat besluit is binnen ééne maand beroep bij Ons toegelaten.

47. Binnen vijf jaren na de afkondiging dezer wet worden alle, zoo bijzondere als algemeene, thans bestaande begraafplaatsen, welke, niet aan art. 18 en, voor zoo verre de algemeene begraafplaatsen betreft, niet aan art. 17 voldoen, overeenkomstig de voorschriften dezer wet ingerigt.

Bij gebreke hiervan worden zij krachtens besluit van Gedeputeerde Staten door den burgemeester gesloten.

48. Het verbod van art. 16, 3de lid, is op de bestaande begraafplaatsen toepasselijk, doch beperkt tot 35 meters of voor iedere begraafplaats tot zooveel minder als de kortste afstand bedraagt, waarop zij van eene bebouwde kom eener gemeente verwijderd is.

49. Vóór den Isten Januarij 1870 worden alle voor het

1367

-ocr page 1498-

BIJZONDEllE WETTEN EN BESLUITEN

begraven op algemeene begraafplaatsen geheven reglen overeenkomstig deze wet herzien en aan Onze goedkeuring onderworpen.

De regten vervallen, wanneer Onze goedkeuring op de besluiten tot heffing niet vóór 1 Januarij 1871 is verleend.

50. Artt. 53 en 55 van het Burgerlijk Wetboek, artt. 358, 359 en 360 van het Strafwetboek (G. P.) en de algemeene en provinciale bij de afkondiging dezer wet geldende bepalingen omtrent het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten zijn ingetrokken.

De plaatselijke verordeningen omtrent het begraven en de begraafplaatsen worden vóór 1 Januarij 1870 herzien. Bij gebreke hiervan zijn zij na afloop van dat tijkvak vervallen.

51. De bepalingen dezer wet omtrent de inrigting en het gebruik van en het toezigt op begraafplaatsen, alsmede omtrent de begrafenis- en andere regten en de wijze van begraven, zijn niet toepasselijk op de begraafplaats en het begraven van leden van het Koninklijk Huis.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 10 April 1869.

WET

van \'28 Mei 1869 (Stb. n0. 96),\'betrekkelijk de afgifte van zeebrieuen en vergunningen lot hel voeren der Nederlandsche vlag a).

Artikel 1.

Elk zeeschip, dat de Nederlandsche vlag voert, moet voorzien zijn van een zeebrief, afgegeven overeenkomstig de voorschriften dezer wet. (K. 357 nquot;. 2.)

Onder zeeschepen worden in deze wet verstaan alle schepen, varende buiten de tonnen in zee, met uitzondering van:

a. oorlogsschepen;

b. vaartuigen van zeilvereenigingen of jachtclubs, als zoodanig door Onzen Minister van Financien erkend;

c. vaartuigen in dienst bij \'s rijks loodswezen, betonning en bebakening, en in het algemeen alle vaartuigen in dienst van het rijk;

d. reddingsvaartuigen;

1368

e. visschersvaartuigen, uitsluitend tot vischvangst of schelp-visscherij of tot het vervoeren van visch of schelpen gebezigd wordende;

n) Vg. het Roslnit van 30 Januari lS7t (Stb. no. 15), tot vaststelling van een reglement op de zeebrieven en jaarpassen in Ned. Indie, en zulks met intrekking van dat van 15 December 1858 (Trui. Stb. no. 8i) aangevuld bij Besluit van 11 Mei 187G (Stb. no. 101) en gewijzigd bij dat van 29 Aiujustus 1878 (Stb. no. 131), en van 27 Maart 1888 (Stb. no. 68).

-ocr page 1499-

WET VAN 28 MEI 1809.

f\'. binnenschepen, die bij uitzondering buiten de tonnen varen. (K. 748.)

2. Zeebrieven worden alleen afgegeven voor zeeschepen, voor meer dan de helft toebehoorende aan:

a. ingezetenen van Nederland;

b. vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, gevestigd in Nederland, mits minstens de helft der vennooten onder de firma of minstens de helft der hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten der commanditaire vennootschap ingezeten van Nederland zij;

c. naamlooze vennootschappen van koophandel of ver-eenigingen die regtspersoonlijkheid bezitten, beide gevestigd in Nederland en opgerigt volgens de aldaar geldende wettelijke voorschriften, mits minstens de helft der bestuurders ingezeten van Nederland zij. (K. 16 v.; Stb. 1855 nquot;. 32.)

Het bestuur, bedoeld bij art. 330 van het Wetboek van Koophandel, moet altijd in Nederland gevoerd worden.

Ingezetenen van Nederland zijn in den zin dezer wet:

1°. Nederlanders in Nederland woonachtig; (B. 5 v.)

2°. alle andere personen, die in Nederland gewoond hebben gedurende het jaar, geëindigd met den dag waarop de zee-brief wordt aangevraagd.

Geene zeebrieven worden afgegeven voor schepen, op den voet van oorlog uitgerust, noch voor schepen, van welke Wij vermoeden dat zij, in strijd met de onzijdigheid van den Staat, op voet van oorlog uitgerust zullen worden.

3. De zeebrief vermeldt:

a. den naam van het schip;

b. den inhoud waarop het volgens de bestaande wettelijke bepalingen is gemeten;

c. de soort en andere voornaamste kenmerken van het schip;

d. den naam van den schipper;

e. in de gevallen, bedoeld bij de artt. 10 en 11, de volgens die artikelen vereischte bijzonderheden.

4. Zeebrieven worden in Onzen naam uitgereikt door Onzen Minister van Financien a), onverminderd het bepaalde bij de artt. 10 en 11, op de schriftelijke met eed (belofte) bevestigde verklaring, dat het schip voldoet aan de voorwaarden, gesteld bij art. 2.

Deze verklaring wordt afgelegd door den eigenaar, door den boekhouder der reederij, door één der vennooten onder de firma, door één der hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten van de commanditaire vennootschap, of door één der bestuurders van de naamlooze vennootschap of vereeniging, naarmate het schip aan één of meer personen, of wel aan eene vennootschap van koophandel of vereeniging toebehoort.

a) Tengevolge van het Besluit van (5 November 1877 (Stb. no. 194),

tot imtelliny van een Departement ran algemeen bestuur, dat (Jen naam zal dragen van Ministerie van Water staat. Handel en Nijverheid, geschiedt deze uitreiking thans door den Minister van Waterstaat. Handel en Nijverheid.

1369

-ocr page 1500-

1370 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

\'

Het formulier der verklaring wordt door Ons vastgesteld.

(Stb. 1869 n0. 153; Stb. 1875 n®. 242.) gj

5. Tot het afleggen van den eed (belofte), volgens art. 4 ijf gevorderd, wendt de belanghebbende zich bij verzoekschrift

tot den kantonregter zijner woonplaats, onder overlegging van; W)

a. de te bevestigen verklaring; bi

b. een meetbrief, afgegeven volgens de bestaande wet- ni telijke voorschriften; (Stb. 1855 n0. 105; Stb. 1875 nls. 101,

146, 182.) vo

c. het bewijs dat het schip hier te lande is in- of over- ge geschreven in de daartoe bestemde openbare registers; m (K. 309; Stb. 1836 n». 41.) lo(

d. den koop- of bijlbrief. (K. 357, 1°.)

Wanneer een of meer dezer bescheiden ontbreken of niet m

in overeenstemming zijn met de aangeboden verklaring, of de

wel wanneer daaruit blijkt, dat het schip in een of ander tij opzigt aan de vereischten ter verkrijging van een zeebrief

niet voldoet, wordt de bevestiging der verklaring geweigerd. sti

Ten blijke hiervan wordt eene met reden omkleede

beschikking op het verzoekschrift gesteld. bi-

De bevestigde verklaring en de meetbrief worden bij de inj

aanvrage om den zeebrief overgelegd. kr

6. De zeebrieven vervallen:

a. door het verloop van vier jaren na den dag van afgifte; bu

b. wanneer de eigendom van het schip ophoudt te vol- vo doen aan de voorwaarden, gesteld in art. 2; tei

c. door naamsverandering van het schip; bh

d. door gebruik van het schip tot kaapvaart, zeeroof of slavenhandel;

e. wanneer het schip wordt gesloopt, door schipbreuk of ze( stranding vergaat, verbrandt of wel door zeeroovers of ar vijanden is genomen.

Wanneer echter de termijn, onder a bepaald, vervalt, of bu

het geval, onder b bedoeld, zich voordoet, terwijl het schip ve

zich buiten \'s lands bevindt, blijft de zeebrief tot de terug- m. komst van het schip in Nederland van kracht.

7. De zeebrieven vervallen altijd door geheelen overgang ge van het schip in vreemden eigendom. Ne

8. Vervallen zeebrieven worden door den schipper met sc] de eerste gelegenheid ingezonden aan de autoriteit die ze ku heeft afgegeven, behoudens de gevallen, voorzien bij de tei artf. 10 en 14, laatste zinsneden, en art. 15, tweede zinsnede. Ne

Wanneer het schip buiten \'s lands verongelukt, wordt

gesloopt of verkocht, geschiedt die inzending door tusschen- we

komst van den naastbijzijnden Nederlandschen gezant, consul, wc

vice-consul, consulairen agert of kolonialen Nederlandschen rei

ambtenaar. voi

De oorzaak van het vervallen van den zeebrief wordt bij ee(

de inzending opgegeven. bo

Voor den ingezonden zeebrief wordt den schipper een cj0,

bewijs van ontvangst uitgereikt. ge]

9. In de gevallen, bedoeld bij art. 6, litt. a en c, wordt ]ar op aanvraag der belanghebbenden een nieuwe zeebrief uit- ter gereikt. ]

-ocr page 1501-

WET VAN 28 MEI 1869.

Deze aanvraag, met den vervallen zeebrief in te zenden, gaat vergezeld van eene nieuwe, overeenkomstig artt. 4 en 5 bevestigde, verklaring en van den meetbrief.

Nieuwe zeebrieven kunnen op bovenstaanden voet mede worden uitgereikt, wanneer voldoende blijkt dat de vroegere buiten schuld der belanghebbenden is verloren gegaan of niet kon worden overgelegd.

10. Bij aarkoop of aanbouw van schepen buiten \'s lands voor rekening van personen, vennootschappen of vereenigin-gen, vallende in de termen van art. 2, wordt door Onzen Minister van Financien voor het bedoelde schip een voor-loopige zeebrief verleend.

Deze zeebrief vermeldt den inhoud naar de buitenlandsche meting en is geldig voor den termijn, daarin met overleg der belanghebbenden uit te drukken, doch die nimmer den tijd bij artt. 6, lit. a, bepaald^ mag overschrijden.

Hij wordt niet anders afgegeven dan op vertoon der geregistreerde bewijzen van eigendom.

Bij de aankomst in Nederland wordt de voorloopige zeebrief bij de inklaring door de daarmede belaste ambtenaren ingetrokken, en worden de wettelijke formaliteiten tot verkrijging van een gewonen zeebrief vervuld.

11. Onze Minister van Financien kan, zoo noodig, een buitengewonen zeebrief verleenen voor schepen, hier te lande voor buitenlandsche rekening gebouwd, gekocht of uitgerust, ten einde die schepen onder Nederlandsche vlag regtstreeks binnen een bepaalden termijn naar het land hunner bestemming kunnen worden overgevoerd.

Bij aankomst ter bestemmingsplaats wordt met deze zeebrieven gehandeld volgens de drie laatste volzinnen van art. 8.

quot;Wanneer van eenen op den voet van dit artikel verleenden buitengewonen zeebrief misbruik is gemaakt, of gegrond vermoeden bestaat dat zoodanig misbruik zal worden gemaakt, wordt die zeebrief terstond buiten werking gesteld.

12. Voor schepen, alléén voor de rivier- en kustvaart geschikt, daartoe buiten Europa gebruikt wordende door Nederlanders aldaar gevestigd of door personen, vennootschappen of vereenigingen, vallende in de termen van art. 2, kunnen de door Ons aangewezen consuls of andere autoriteiten tijdelijk vergunning verleenen tot het voeren der Nederlandsche vlag.

Deze vergunning is geldig voor één jaar, na verloop van welken tijd zij voor denzelfden termijn vernieuwd kan worden. Zij wordt aan den schipper of de eigenaren uitgereikt op vertoon der bewijzen van overdragt en na aflegging voor den consul of andore bevoegde autoriteit eener met eed (belofte) bevestigde verklaring, dat het schip aan de bovengestelde voorwaarden voldoet. Van de uitreiking wordt door den consul of de betrokken autoriteit met de eerste gelegenheid kennis gegeven aan Onzen Minister van Buitenlandsche zaken, met overlegging van gewaarmerkte afschriften der bewijzen van eigendom.

Bij de vernieuwing kan andermaal de aflegging gevorderd

1371

-ocr page 1502-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITÉN.

worden eener met eed (belofte) bevestigde verklaring als

boven bedoeld. De vervallen vergunning wordt daarbij inge- n trokken, tenzij voldoende blijkt, dat deze buiten schuld der

belanghebbenden is verloren gegaan of niet kan worden vi

overgelegd. si

Het bepaalde bij litt. b tot e van art. 6 en bij de eerste w

zinsnede van art. 8 is ook van toepassing op de vergun- bl

ningen, waarvan in dit artikel sprake is. ki

Bij ontdekking van misbruik worden zij onverwijld inge- te trokken door den consul, vice-consul, consulairen agent of

autoriteit, binnen wiens ressort het schip zich bevindt. v;

13. Alvorens van eenigen zeebrief gebruik wordt gemaakt, ai moet de schipper daarop zijne gewone onderteekening stellen

in tegenwoordigheid van, en die doen bekrachtigen door den di

eerstaanwezenden ambtenaar der in- en uitgaande regten rr

ter ligplaats van het schip, of wel, wanneer dit laatste zich hlt; buiten \'s lands bevindt, door den naastbijzijnden consul,

vice-consul of consulairen agent. te

Gelijke onderteekening moet worden gesteld op de ver- m

gunningen, uit te reiken volgens art. 12, en wel in tegen- w woordigheid en met bekrachtiging van den consul, door wien zij worden afgegeven.

De onderteekening van den schipper op den zeebrief of

de vergunning kan door de ambtenaren ter eerste wacht, gi

consuls, vice-consuls en consulaire agenten, bedoeld in de di

artt. 14 en 15, worden geverifieerd, wanneer zij dit noodig bc achten.

Het bovenstaande is mede van toepassing bij tijdelijke bi

of definitieve vervanging van den schipper, waarvan door sti zijn opvolger of door een der personen, aangewezen bij art. 4, tweede zinsnede, mededeeling moet worden gedaan aan den betrokken ambtenaar, consul, vice-consul of consulairen agent.

In buitengewone gevallen, waarin dit mogt noodig zijn, W(

kunnen uitzonderingen op de bepalingen van dit artikel va worden toegestaan door Onzen Minister van Financien, of

bij vergunningen, bedoeld in art. 12, door den consul of de

autoriteit die ze uitreikt. vei

U. Alle schippers van zeeschepen, zoo Nederlandsche als te

vreemde, zijn gehouden bij het in- en uitvaren van havens vei

of zeegaten van het koningrijk een zeebrief of ander geldig sta

bewijs der nationaliteit van hun schip te vertoonen aan de ter

ambtenaren, belast met de in- of uitklaring. Bij gemis van jn^

dergelijken zeebrief of bewijs, wordt door die ambtenaren be

geen expeditie verleend, en Kunnen zij het schip desnoods ee( aanhouden, totdat het vereischte document wordt overgelegd.

Bij het binnenkomen kan echter Onze Minister van Finan- bei

cien, onder de noodige voorwaarden, vergunning verleenen vo(

om zoodanig schip naar de bestemmingsplaats over te eei

brengen en om daar of elders de lading op te slaan. des

Op dezelfde wijs wordt gehandeld, wanneer de schipper pa;

een Nederlandschen zeebrief aanbiedt, die niet beantwoordt aan ]

de voorschriften dezer wet, onverminderd de toepassing der gel

strafbepalingen van deze wet, zoo daartoe termen bestaan. (

k \'

1372

-ocr page 1503-

WET VAN 28 MEI 1869.

s Ongeldige of vervallen zeebrieven worden door de ambte-

i- naren bij de in- of uitklaring ingetrokken,

r 15. De schippers van Nederlandsche zeeschepen, die eene

ti vreemde haven binnenvallen, waar een Nederlandsch con

sul, vice-consul of consulair agent gevestigd is, zijn verpligtom, e wanneer zij aldaar langer dan vier en twintig uren ver-

t- blijven, uiterlijk op den tweeden dag na dien hunner aan

komst, zich in persoon bij dien ambtenaar te vervoegen, ;- ten einde hun zeebrief of vergunning te doen afteekenen.

)f Zeebrieven, vallende in de termen der laatste zinsnede

van art. 14, worden door den consul, vice-consul of consulairen t, agent ingetrokken.

n De schippers van stoombooten, varende in geregelde

:n dienst op vreemde havens, moeten hunne zeebrieven een-

in maal in \'t jaar, en wel bij de eerste binnenkomst in die

:h havens op de bedoelde wijs doen afteekenen.

il, 16. De naam van het schip en die der plaats, waar het

tehuis behoort, moeten door de zorg van den schipper r- met duidelijke goed zigtbare letters op het achterschip

n- worden vermeld.

m 17. Vervallen en vervangen door Sr. 409.

18. Vervallen en vervangen door Sr. 207. of 19. Het niet inzenden van vervallen zeebrieven of ver-

it, gunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, zooals

de dit bij deze wet is voorgeschreven, wordt gestraft met eene ig boete van vijftig cents tof tweeduizend gulden.

20. Overtreding van deze wet, voorzooveel die niet reeds ke bij de voorgaande bepalingen is strafbaar gesteld, wordt ge-or straft met eene boete van vijftig cents tot duizend gulden, bij Art. 19 en 20 gehandhaafd en gewijzigd bij art.

an 10 nquot;. 24 en 11 der Invoeringswet.

u- 21. Vervallen door de invoering van het Strafwetboek.

22. Waar in deze wet wordt gesproken van den schipper, jn, wordt daardoor ook hij verstaan, die den schipper verhel vangt. (K. 402; Sr. 86a.)

of 23. Door de ambtenaren der in- en uitgaande regten en

of de consuls, vice-consuls of consulaire agenten wordt procesverbaal opgemaakt wegens alle overtredingen dezer wet, die als te hunner kennis komen. De aldus opgemaakte processen-sns verbaal gelden als wettig bewijsmiddel der daarin gecon-1\'g stateerde overtredingen, mits zij voldoen aan de voorschrif-de ten van art. 401 van het Wetboek van Strafvordering, of, ran ingeval ze zijn opgemaakt door een consulair ambtenaar, ■en bevestigd worden door zijn daarin opgenomen schriftelijken ids eed (belofte).

rfd. De regtbank van het arrondissement, waarin het bestuur,

in- bedoeld bij art. 330 van het Wetboek van Koophandel, geien voerd wordt, of waarin de betrokken vennootschap of verte eeniging gevestigd is, neemt kennis van alle overtredingen dezer wet, voorzoover bij andere wetten niet anders is be-per paald.

tan 24. De wet van 14 Maart 1819 (Stb. nquot;. 12) wordt in-

der getrokken.

an. Op de zeebrieven, afgegeven en alsnog geldig op het

1873

-ocr page 1504-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

tijdstip van inwerkingtreding der tegenwoordige wet, blijven de bepalingen van art. 10 der eerstgenoemde wet van toe- vv( passing, behoudens naleving van het voorgeschrevene bij va deze wet in de gevallen, onder litt. b, c, d en e van art. 6 genoemd. w(

t6

Gegeven op het Loo, 28 Mei 1869.

W(

WET

van 16 Julij 1869 (Stb. n0. 139), tot uilvoering der bepalingen van de artikelen 33, 36, 37 en 38 der herziene akte omtrent de Rijnvaart. (Verg. de noot op K. 748., blz. 601.)

Artikel 1.

De kantonregters en de arrondissements-regtbanken nemen, binnen de gewone grenzen hunner bevoegdheid, kennis;

1°. van de binnen hun ressort gepleegde in art. 34 I der herziene Rijnvaart-akte bedoelde overtredingen;

2°. van de in art. 34 K dier akte bedoelde burgerlijke vorderingen, voorzooverre de betaling der verschuldigde regten binnen hun ressort moest geschied zijn, of de schade binnen hun ressort is toegebragt.

2. In strafzaken wordt steeds hooger beroep toegelaten bij de regterlijke collegien, die, volgens de bestaande Neder-landsche wetten, bevoegd zijn in hooger beroep kennis te nemen van de daarvoor vatbare, door de kantongeregten en de arrondissements-regtbanken in eersten aanleg gewezen, vonnissen. (R. O. 58, 68.)

In burgerlijke zaken kunnen partijen bij dezelfde regterlijke collegien in hooger beroep komen tegen de vonnissen, die, volgens art. 37 der herziene Rijnvaart-akte, niet in het hoogste ressort zijn gewezen. (R. O. 54 n0. 5, 69.)

3. Zoowel in burgerlijke als in strafzaken gelden bij de door deze wet aangewezen regters en regterlijke collegien de gewone regelen van regtspleging, onverminderd het bepaalde bij art. 36 der hierciene Rijnvaart-akte.

De burgerlijke zaken worden steeds summierlijk behandeld. (Stb. 1896 n0. 103, 125, zie onder Bijlagen tot Rv.)

4. De beteekening van het hooger beroep, volgens art. 37 der herziene Rijnvaart-akte, aan den regter van eersten aanleg geschiedt ter griffie der regtbank of van het kanton-geregt.

De partij, die in hooger beroep is gekomen, legt binnen den bij die akte gestelden termijn van vier weken, met hare memorie van grieven, de processtukken en een afschrift van die memorie over ter griffie, het een en ander tegen bewijs van ontvangst.

1374

-ocr page 1505-

WET VAN 16 JUI-I.1 1869 EN VAN 25 JULI 1871. 1375

De mededeeling van het afschrift der memorie aan de wederpartij geschiedt, tegen gedagteekend bewijs van ontvangst, door tusschenkomst van den griffier.

De wederpartij is gehouden haar antwoord binnen vier weken na de mededeeling der memorie van grieven over te leggen ter griffie, en kan daarbij voegen alle verdere stukken, waarvan zij de inzending aan de centrale commissie wenscht, het een en ander tegen bewijs van ontvangst.

De regter van eersten aanleg verzendt de oorspronkelijke memorien met de verdere door partijen ter griffie overgelegde processtukken, dadelijk na verloop van den in de voorgaande zinsnede bepaalden termijn, aan de centrale commissie voor de Rijnvaart te Mannheim. (Rv. 343 v.)

5. De vordering tot voorloopige uitvoerbaarverklaring van het in eersten aanleg gewezen vonnis, in het geval voorzien bij de laatste zinsnede van art. 37 der herziene Rijnvaartakte, geschiedt bij verzoekschrift.

De regter beveelt de oproeping van de wederpartij bij eenvoudig appointement op het verzoekschrift.

Het verzoekschrift en liet daarop gestelde appointement worden gelijktijdig met het exploit van oproeping, minstens twee dagen voor den bepaalden dag der verschijning, betee-kend aan de wederpartij.

Geen eindbeslissing op het verzoekschrift wordt genomen dan na verhoor of behoorlijke oproeping der wederpartij. (Rv. 52 v.)

6. Deze wet treedt in werking 1 Julij 1869.

De op het tijdstip der invoering dezer wet aanhangige Rijnvaartzaken worden verder behandeld en afgedaan door de provinciale geregtshoven en arrondissements-regtban-ken, die daartoe tijdens de invoering dezer wet bevoegd waren.

Gegeven op het Loo, 16 Julij 1869.

WET

van 25 Juli 1871 (Stb. n0. 91), houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de coyisulaire regtsniagt, zooals die is gewijzigd en aangevuld bij de Wetten van 9 November 1875 (Stb. n0. 201), van 15 April 1886 (Stb. n0. 63) en van 16 December i88G (Stb. n0. 204) a).

«) Voor deze wet is gevolgd de nieuwe oftieieele uitgave, waarin de wijzigingen en aanvullingen zijn opgenomen en die bij K. B. van 15 Juli 1887 onder no. l:{8 in het Staatsblad is geplaatst. Alleen de wijzigingen bij de wet van 188S zijn nader vermeld.

-ocr page 1506-

1376

E E H S T E H O O E D S T U K.

Alyemeene bepalingen.

Artikel 1.

Aan de consulaire ambtenaren, door Ons bij algemeenen maatregel, den Raad van State gehoord, aan te wijzen, en binnen het daarbij te bepalen ressort wordt toegekend :

a de bevoegdheid tot het opmaken van akten van den burgerlijken stand ;

b. de bevoegdheid tot het opmaken van andere burgerlijke akten;

c. de uitoefening van regtsmagt; een en ander volgens de regelen bij deze wet te stellen. (Stb. 1894 n0. 146; Stb. 1896 nö. 81; Stb. 1898 n°. 42.)

2. Onder consulaire ambtenaren verstaat deze wet de consuls-generaal, de consuls, de vice-consuls en de consulaire agenten.

3. Bij afwezigheid of verhindering van den, ingevolge art. 1 aangewezen, consulairen ambtenaar, wordt deze vervangen door den ter plaatse zijner vestiging aanwezigen consulairen ambtenaar van minderen, rang, en, bij ontstentenis van zoodanigen ambtenaar, door den persoon, die tot het waarnemen zijner betrekking aangewezen is.

4. De ingevolge art. 1 aangewezen consulaire ambtenaar kan, in het belang der dienst, eenen kanselier of eenen tolk benoemen, aan wien hij tevens de functien van griffier of deurwaarder kan opdragen, of, bij voorkomende omstandigheden, een persoon tijdelijk met de betrekking van kanselier, tolk, griffier of deurwaarder belasten.

5. De personen, krachtens het voorgaande artikel aangewezen of benoemd, leggen, alvorens hunne betrekking te aanvaarden, in handen van den consulairen ambtenaar, den volgenden eed (belofte) af:

«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan do Nederlandsche wetten, alsmede dat ik mijne betrekking getrouw zal waarnemen.»

Vreemdelingen zijnde, zweren (beloven) zij, dat zij hunne betrekking getrouw en overeenkomstig de Nederlandsche wetten zullen waarnemen.

De eed kan door vreemdelingen ook in eene vreemde taal worden afgelegd.

6. Onverminderd de bijzondere regtsmagt, overeenkomstig het derde hoofdstuk dezer wet uitgeoefend door de ingevolge art. 1c aangewezen ambtenaren, doen de hoogste consulaire ambtenaren, ter plaatse aanwezig, en bij ontstentenis van dezen zij, die hen vervangen, in het hoogste ressort uitspraak:

1°. in geschillen, waarvan de kennisneming krachtens de met vreemde Staten gesloten of te sluiten verdragen tot hunne bevoegdheid behoort;

2Ü. in geschillen tusschen Nederlanders, die zich binnen hun ressort bevinden, mits deze bevoegd zijn tot het aangaan

-ocr page 1507-

WET VAN 25 .IUU 1871.

van dading of compromis en het onderwerp van het geschil daarvoor vatbaar is; (B. 1889 v.; Rv. G20 v.)

3°. in geschillen, betreffende de gagie of in \'t algemeen de nakoming van verbindtenissen tusschen den schipper en de leden der bemanning of de passagiers van Neder-landsche koopvaardijschepen. (K. 341 v., 394 v., 5\'2I v.)

In de beide laatste gevallen, omschreven sub 2°. en 3°., alleen ingevolge van vrijwillige opdragt van alle in de zaak betrokken partijen.

7. De grossen van uitspraken en van akten, krachtens deze wet gedaan of verleden, voeren aan het hoofd de woorden: «In naam des Konings». (Stb. 1891 n0. 125, zie chron. lijst.)

Deze grossen, mits in behoorlijken vorm opgemaakt en van de vereischte legalisatie voorzien, zijn uitvoerbaar in het Koningrijk en in zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (Rv. 430.)

8. Voor alle vonnissen, beschikkingen en akten, uit kracht van deze wet door de consulaire ambtenaren of hunne kanseliers opgemaakt of verleden, is het gebruik van elke levende taal geoorloofd, mits de gebezigde taal verstaan worde door partijen en door allen, die bij het opmaken of verlijden der akten verschijnen; of wel de inhoud vertolkt worde aan hen, die de gebezigde taal niet verstaan, door eenen volgens art. 68 dezer wet be-öedigden tolk.

9. Voor de toepassing dezer wet worden met Nederlanders gelijk gesteld zij, die, overeenkomstig de Staatsverdragen of het gebruik, onder de bescherming staan van een Nederlandsch gezantschap of van Nederlandsche consulaten.

10. De ingevolge art. 1c aangewezen consulaire ambtenaren kunnen, binnen de grenzen van hun ressort en onder goedkeuring van het hoofd van het Nederlandsche gezantschap, zoo er een is, zoodanige politie-reglementen vaststellen als waartoe zij, krachtens de Staatsverdragen of het gebruik, bevoegd zijn.

Deze zijn niet verbindbaar voordat zij, door aanplakking aan het consulaatsgebouw, zijn afgekondigd en in druk verkrijgbaar zijn gesteld.

Zij worden onmiddellijk na hunne af kondiging in afschrift medegedeeld aan Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken en daarna bekend gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant.

11. De overtreding dezer reglementen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (Gem.w. j0. Inv. 24.)

De feiten, strafbaar gesteld bij deze reglementen, worden beschouwd als overtredingen in den zin van het Wetboek van Strafrecht.

1377

87

-ocr page 1508-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot hel opmaken van burgerlijke akten.

12. De consulaire ambtenaren, door Ons aangewezen ingevolge art. ia dezer wet, zijn, binnen hun ressort, ten behoeve van de aldaar aanwezige Nederlanders, bevoegd tot alle verrigtingen, aan de ambtenaren van den burgerlijken stand bij de Nederlandsche wetten opgedragen.

De aldus, overeenkomstig die wetten, door hen opgemaakte akten van den burgerlijken stand hebben gelijke kracht, als waren zij in het Koningrijk opgemaakt.

Met afwijking van het bij art. 29 van het Burgerlijk quot;Wetboek bepaalde, moeten de aangiften van geboorte in de consulaire ressorten binnen dertig dagen na de bevalling worden gedaan.

13. De afkondigingen, welke van huwelijken, door Nederlanders in een vreemd land aangegaan, volgens art. 138 Burgerlijk Wetboek, binnen het Koningrijk moeten plaats hebben, zijn ten aanzien van huwelijken, ten overstaan van een\' consulairen ambtenaar gesloten, niet verpligtend, wanneer de echtgenooten geene woonplaats hebben, noch gedurende de laatste zes maanden gehad hebben binnen het Rijk.

Art. 139 Burgerlijk Wetboek is ten deze toepasselijk.

14. De door de consulaire ambtenaren opgemaakte akten van den burgerlijken stand worden in één of meer registers ingeschreven.

Deze registers worden gehouoen op de wijze bij het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven; zij worden gewaarmerkt en gekantteekend door een daartoe door Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken aan fa wijzen ambtenaar van dat Departement. (B. 13 v.; Stb. 1876n0.100; Stb. 1878n0. 79; Stb. 1886 n0. 41.)

Een der dubbelen wordt bewaard in de archieven van het consulaat; het andere aan Onzen voornoemden Minister opgezonden, door wiens tusschenkomst het ter griflie van de arrondissements-regtbank te \'s-Gravenhage wordt overgebracht.

Gewijzigd bij art. 1 der Wet van 16 December 1888 (Stb. n0. 204).

15. De volmagten en andere stukken, welke bij de akten van den burgerlijken stand worden gevorderd, blijven aangehecht aan de registers, welke ter griffie van de arrondissements-regtbank te \'s-Gra\\enhage moeten worden overgebracht.

16. Ten opzichte van de in het vorig artikel bedoelde registers worden aan den griffier der arrondissements-regtbank te \'s-Gravenhage dezelfde verpligtingen opgelegd als met betrekking tot de overige ter griffie der regtbank zich bevindende registers van den burgerlijken stand op hem rusten.

Artikel 24 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk op

1378

-ocr page 1509-

WET VAN 25 JULI 1871.

de uittreksels uit de in den aanhef van dit artikel bedoelde registers.

Art. 15 en 16 zijn aldus, ter vervanging der oorspronkelijke bepalingen, vastgesteld bij art. 2 en 3 der Wet van 16 December 1888 (Stb. n0. 204). a)

Art. 4 derzelfde Wet van 1888. De dubbelen der registers, ingevolge art. 14 der wet van 25 Juli 1871 (Stb. n0. 91), vóór 1 Januari 1890 door de consulaire ambtenaren aan Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken opgezonden, worden ter griffie van de arrondis-sements-regtbank te \'s-Gravenhage overgebracht.

Art. 16 der gemelde wet, zooals het is gewijzigd bij art. 3 dezer wet, is toepasselijk op de in de vorige zinsnede bedoelde registers en op de daaruit af te geven uittreksels.

Art. 5. Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1890.

16a. Indien aan de consulaire ambtenaren binnen eenig ressort wel de bevoegdheid tot het opmaken van akten van den burgerlijken stand, maar niet de uitoefening van regtsmagt is toegekend, wordt van de verzoeken tot aanvulling of verbetering der registers van den burgerlijken stand, die binnen zoodanig ressort zijn of hadden behooren te worden gehouden, behoudens hooger beroep, kennis genomen door de arrondissements-regtbank te \'s-Gravenhage. (B. 70 v.)

17. De consulaire ambtenaren, door Ons aangewezen ingevolge art. \\b dezer wet, zijn binnen hun ressort, ten behoeve van de aldaar aanwezige Nederlanders, bevoegd tot alle verrigtingen den notaris bij de Nederlandsche wetten opgedragen. (W. not. ambt.)

De door hen of te hunnen overstaan, overeenkomstig die wetten, verleden akten hebben gelijke kracht, als waren zij in het Koningrijk verleden.

De tarieven, voor de notarissen in Nederland van kracht, gelden ook voor de consulaire ambtenaren. (Stb. 1847 n0. 12, zie blz. 1217.)

Nadere bepalingen dienaangaande kunnen door Ons, den Raad van State gehoord, worden vastgesteld. (Stb. 1875 n0. 26.)

18. De olographische en geheime testamenten door

a) Do oorspronkelijke artikelen luidden:

Art. 15. Afschriften der akten van geboorte, vau overlijden en van huwelijksvoltrekking worden door den Minister van Buitenlandsche Zaken verzonden aan de ambtenaren van den burgerlijken stand der gemeenten, waar de ouders van hen, wier geboorte is aangegeven, woonplaats hebben of de overledenen woonplaats hadden, waar de huwelijks-afkondigingen hebben plaats gehad, of. zoo dit in meer dan eene gemeente is geschied, waar de bruidegom tijdens of binnen zes maanden vóór die afkondigingen gevestigd was.

Art. Ifi. De afschriften der akten, waarop het vorig artikel niet knn worden toegepast, worden verzonden aan den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank te Amsterdam en ter griffie van die regtbank bewaard.

1379

-ocr page 1510-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUrTEN.

Nederlanders binnen het ressort van een der in het vorig artikel vermelde ambtenaren opgemaakt, overeenkomstig de voorschriften van het Nederlandsche regt, zijn geldig, na bij dien ambtenaar in bewaring te zijn gesteld, mede met inachtneming van hetgeen dienaangaande in het Nederlandsche regt is bepaald. (B. 979 v., 987.)

19. Alle- akten, opgemaakt ten overstaan der consulaire ambtenaren, zijn geldig, ook wanneer de formaliteiten, bij de Nederlandsche wetten voorgeschreven, daarbij niet zijn in acht genomen, mits de redenen vermeldende, waarom het verzuim der voorgeschreven formaliteiten onvermijdelijk was. (A, 10.)

DERDE HOOFDSTUK.

Consulaire regtsmagt.

EERSTE AFDEELING.

Algcmeene Bepalingen.

20. De consulaire regtsmagt wordt volgens deze wet uitgeoefend door den consulc.iren ambtenaar alléén of door de consulaire regtbank.

Zoowel de consulaire ambtenaar als de consulaire regtbank wordt in de uitoefening der regtsmagt bijgestaan door een\' griffier.

21. Burgerlijke geschillen, aan de kennisneming der consulaire regters onderworpen, worden beslist volgens het Nederlandsch burgerlijk regt. In handelszaken komen ook behoorlijk bewezen handelsgebruiken, binnen het ressort van het consulaat of ter plaatse der handeling van kracht, in aanmerking. (A. 3.)

22. Op strafbare feiten, door Nederlanders gepleegd binnen het ressort der volgens art. 1c. aangewezen consulaten, is het Nederlandsch strafregt van toepassing, voor zooverre daarvan in deze wet riet is afgeweken. (Sr. 5.)

22a. In de gevallen waarin in Nederlandsch-Indie gevangenisstraf moet worden ondergaan, wordt deze ondergaan overeenkomstig de aldaar geldende voorschriften, als gevangenisstraf.

Wanneer de veroordeelde behoort tot de inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indie, wordt de straf, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht voer inlanders in Nederlandsch-Indie, vervangen door dwangarbeid buiten de ketting of wegzending naar een oord van ballingschap.

22\'gt;. In de gevallen waarin in Nederlandsch-Indie hechtenis moet worden ondergaan, wordt deze ondergaan overeenkomstig de aldaar geldende voorschriften, als gevangenisstraf.

1380

-ocr page 1511-

WET VAN 25 J[TLI 1871.

Wanneer de veroordeelde behoort tot de inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indie, wordt de hechtenis vervangen door de straffen, vermeld in de artikelen 5, 7quot;., 11 en 8 van het Wetboek van Strafrecht voor inlanders in Nederlandsch-lndie, volgens de aldaar gemaakte onderscheidingen.

23. Wanneer de bij artikel 22 bedoelde feiten in de bepaling van een misdrijf vallen, waarop, als maximum, eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, met uitzondering van de misdrijven, genoemd in de artikelen 181, I0., 310 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, behoort de kennisneming daarvan aan de arrondissements-regtbank te Amsterdam of aan den raad van Justitie te Batavia, naar mate zij zijn gepleegd in landen, gelegen aan deze of gene zijde van de Kaap de Goede Hoop en van Kaap Hoorn.

24. De consulaire ambtenaren kunnen de door de consulaire regtbanken tot meer dan zes maanden gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde Nederlanders opzenden naar Nederland of naar Nederlandsch-fndie, volgens de onderscheiding bij art. 23 gemaakt, ten einde deze veroordeelden door de tusschenkomst van den officier van Justitie bij de arrondissements-regtbank te Amsterdam of bij den raad van justitie te Batavia aldaar hunne straf ondergaan.

De kosten van deze opzending, alsmede van die van beklaagden, welke in Nederland of in Nederlandsch-Indie teregt moeten staan, zijn begrepen onder de geregtskosten, die bij veroordeeling te hunnen laste worden gebragt.

25. Schippers van Nederlandsche schepen, op weg naar Nederland of Nederlandsch-Indie, zijn, tenzij zij geldige reden voor weigering hebben, verpligt te voldoen aan de vordering der consulaire ambtenaren om veroordeelden of beklaagden, benevens de stukken van overtuiging of tot de zaak betrekkelijk, tegen behoorlijke vergoeding aan boord te nemen. (Sr. 412, 413.)

Zij kunnen in geen geval genoodzaakt worden meer veroordeelden of beklaagden in te schepen dan ten bedrage van één vijfde der bemanning.

26. In de gevallen, waarin door den consulairen regter gevangenisstraf of hechtenis wordt opgelegd van niet meer dan zes maanden, staat het hem vrij te bepalen, dat deze binnen een bij het vonnis te stellen termijn zal kunnen worden vervangen door eene geldboete van niet minder dan één en niet meer dan vijf gulden voor eiken dag gevangenisstraf of hechtenis.

27 De geldboete en geregtskosten in strafzaken, bij de consulaire vonnissen ten laste der veroordeelden gebragt, worden verhaald op de goederen van dezen en zelfs bij lijfsdwang.

De langste duur van den lijfsdwang wordt bij het vonnis bepaald. Deze kan in geen geval langer dan zes maanden duren.

De lijfsdwang kan niet meer worden toegepast wanneer vijf jaren na de geheele uitvoering der straf zijn verloopen,

1381

-ocr page 1512-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

of wanneer het regt tot uitvoering der straf door verjaring is vervallen. (Sv. 215.)

28. De tarieven voor de geregtskosten, zoo in burgerlijke als in strafzaken worden, zooveel mogelijk in overeenstemming met de in Nederland geldende, door Ons, den Raad van State gehoord, vastgesteld. (Stb. 1872 n0.92; Stb. 1874 nquot;. 123.)

29. De consulaire ambtenaar handhaaft, als eenig of als voorzittend regter, de orde bij de teregtzittingen.

De Nederlanders hebben vrijen toegang tot deze, behalve in de gevallen waarin, volgens de Nederlandsche wetgeving, de zaak met gesloten deuren kan worden behandeld. (R. O. 20; Rv. 205, 822.)

30 Van alle vonnissen en arresten, krachtens deze wet in het hoogste ressort gewezen, met uitzondering van de vonnissen der consulaire ambtenaren en van de vonnissen in strafzaken der consulaire regtbanken, is voorziening in cassatie toegelaten op de wijze en in de gevallen bij de Nederlandsche wetgeving of, met inachtneming van de onderscheiding der artt. 23 en 46 bij de Nederlandsch-Indische wetgeving vastgesteld. ( Sv. 346 v.; Rv. N. I. 402 v.; Sv. N. I. 303 v.)

Over de vonnissen, door den raad van justitie te Batavia, uit kracht dezer wet, in strafzaken in eersten aanleg of in hooger beroep gewezen, oordeelt het hoog geregtshof van Nederlandsch-Indie in revisie. (Sv. N. I. 282 v.)

31. De bepalingen der vierde en vijfde afdeeling van dit hoofdstuk, betrekkelijk de regtspleging van de consulaire regters, zoo in burgerlijke als in strafzaken, worden voor zooveel noodig aangevuld door de voorschriften der Nederlandsche wetboeken van Burgerlijke Regtsvordering en van Strafvordering.

32. Veranderingen in het Nederlandsche regt, geldende binnen het ressort der Nederlandsche consulaten, zijn verbindend in de landen gelegen aan deze zijde van de Kaap de Goede Hoop en van Kaap Hoorn, binnen drie maanden, en in de landen gelegen aan gene zijde van die kapen, na verloop van zes maanden na hare inwerkingtreding in Nederland. (A. 2.)

TWEEDE AF3EELING.

Rcglerlijke bevoegdheid van den consulair en ambtenaar.

33. De consulaire ambtenaar neemt kennis, alléén en zonder hooger beroep, van alle vorderingen tegen Nederlanders in zijn ressort wonende of verblijvende, wanneer de vordering niet meer dan vijf en zeventig gulden beloopt. (B. O. 38.)

34. Hij neemt kennis, alléén en zonder hooger beroep, van alle overtredingen door Nederlanders hinnen zijn res-

4382

-ocr page 1513-

WET VAN 25 JULI 1871.

sort gepleegd, waarop geen zwaardere straf is gesteld dan hechtenis van zes dagen en eene geldboete van zestig gulden, alternatief of afzonderlijk.

Over de burgerlijke vordering tot vergoeding van kosten en schade, mits vijf en zeventig gulden niet te boven gaande, alsmede over eiken anderen eisch tot betering, ingesteld door de beleedigde partij, die zich in het geding over de strafzaak gevoegd heeft, doen de consulaire ambtenaren gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. (R. O. 44c: Sv. 202 v., 2HÖ, 253 n0. 4.)

35. Alle buitengeregtelijke handelingen, naar de Neder-landsche wetten in burgerlijke zaken aan de kantonregters en presidenten der arrondissements-regtbanken opgedragen, worden, overeenkomstig die wetten, door de consulaire ambtenaren verrigt.

DERDE AFDEELING.

Zamenstelling en bevoegdheid der considaire regibanken.

Voorziening tegen hare uitspraken.

36. De consulaire regtbank is zamengesteld uit den consulairen ambtenaar, als voorzitter, en twee bijzitters. (R. O. 50, 57.)

37. Drie of, zoo mogelijk, vier bijzitters worden telkens voor den tijd van een jaar benoemd door het hoofd van het Nederlandsche gezantschap en, bij ontstentenis, door den consulairen ambtenaar.

Wanneer deze door gewigtige redenen belet wordt deel uit te maken van de consulaire regtbank, wordt hij vervangen door een der bijzitters, door hem daartoe aan te wijzen.

38. De bijzitters moeten binnen het ressort van het consulaat of het gezantschap woonachtig zijn en den ouderdom van drie en twintig jaren hebben bereikt.

Bij voorkeur worden zij uit Nederlanders gekozen. (R. O. 48.)

39. Van de benoeming der bijzitters wordt door den gezant of door den consulairen ambtenaar onmiddellijk kennis gegeven aan Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken.

40. De bijzitters leggen, alvorens hunne bediening te aanvaarden, in handen van den consulairen ambtenaar den eed (de belofte) af, dat zij den bun toevertrouwden last getrouw en overeenkomstig de Nederlandsche wet zullen vervullen, en zullen handelen zoo als een braaf en eerlijk regterlijk ambtenaar betaamt.

Van deze eedsaflegging wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat blijft berusten in de registers der akten van de kanselarij. (R. O. 29.)

41. Bevindt de consulaire ambtenaar zich in de volstrekte onmogelijkheid, de consulaire regtbank te doen zitting

1383

-ocr page 1514-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

nemen, dan neemt hij de funcfien van die regtbank alleen waar.

In dit geval moeten in iedere uitspraak de redenen worden vermeld, die het zitting nemen der consulaire regtbank hebben verhinderd.

Zoodanige uitspraak is aan beroep in cassatie of hooger beroep onderworpen, even als ware zij door de consulaire regtbank gewezen.

42. De consulaire regtbank neemt kennis van alle vorderingen tegen Nederlanders binnen haar ressort wonende of verblijvende, behalve over die in art. 33 vermeld.

Zij doet uitspraak in het hoogste ressort, wanneer het onderwerp der vordering de som van zes honderd gulden niet te boven gaat, (R. O. 54.)

43. Zij neemt in eersten aanleg kennis van alle misdrijven door Nederlanders binnen haar ressort gepleegd waarvan de kennisneming niet, ingevolge art. 23, aan de arrondissements-regtbank te Amsterdam of den raad van justitie te Batavia is opgedragen. Zij neemt in het hoogste ressort kennis van alle overtredingen door Nederlanders binnen haar ressort gepleegd, behalve van die vermeld in artikel 34.

Over de burgerlijke vordering tot vergoeding van kosten en schade, mits zes honderd gulden niet te boven gaande, alsmede over eiken anderen eisch tot betering, ingesteld door de beleedigde partij, die zich in de strafzaak gevoegd heeft, doet de consulaire regtbank gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. (R. O. 56c; Sv. 202 v., 211b, 253 n0. 4.)

44. De consulaire regtbanken zijn bevoegd tot het ver-rigten, overeenkomstig de Nederlandsche wetten, van alle handelingen volgens die wetten aan de arrondissements-regtbanken opgedragen in zake van voogdij, handligting, curatele, afwezigheid, huwelijk, erfenis of burgerlijken stand. (B. 386 v., 473 v., 487 v.. 519 v., 83 v., 877 v., 13 v.)

45. In zake van faillissement, surséance van betaling, boedelafstand of kennelijk onvermogen van Nederlanders zijn de consulaire regtbanken bevoegd tot het verrigten van alle handelingen, bij de Nederlandsche wetten aan de arrondissements-regtbanken opged ragen.

De tusschenkomst van het openbaar ministerie waar die bij de handelingen in dit en de andere artikelen dezer wet bedoeld door de Nederlandsche wetten vereischt wordt, vervalt. (K. 764 v., Rv. 705 v. F. 2, 85.)

46 De uitspraken der consulaire regtbanken, in strafzaken in het eerste ressort gewezen, zijn onderworpen aan hooger beroep wanneer zij gewezen zijn in landen gelegen aan deze zijde van de Kaap de Goede Hoop en van Kaap Hoorn, bij het geregtshof te Amsterdam, en wanneer zij gewezen zijn in landen aan gene zijde van die kapen gelegen, bij den raad van justitie te Batavia.

47. Het vorig artikel geldt mede voor de burgerlijke uitspraken in het eerste ressort gewezen, behalve voor die der consulaire regtbanken, gevestigd binnen het ressort van Ons gezantschap in Turkije.

1384

-ocr page 1515-

WET VAN 25 JULI 1871.

Het hooger beroep van die uitspraken wordt aangebragt bij een hof van appel te Konstantinopel, zamengesteld uit Onzen gezant aldaar en twee bijzitters, en bijgestaan door eenen griffier.

Voor de benoeming der byzitters en voor de beëediging van dezen en van don griffier gelden de artt. 37 tot 40.

V I E R ü K A F D E E L I N U.

Regtsgeding in burgerlijke zaken.

48. Elke regtsingang voor de consulaire ambtenaren of regtbanken vangt aan met een verzoekschrift door den belanghebbende in persoon of door diens gemagtigde in te dienen.

Dit verzoekschrift houdt in den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats des eischers, den naam en de woonplaats van den verweerder, voor zoover deze bekend zijn, het onderwerp van den eisch en eene summiere opgave der middelen.

Het verzoekschrift kan worden vervangen door eene mondelinge verklaring, houdende dezelfde opgaven als boven, gedaan ter kanselarij van het consulaat.

Van die verklaring wordt door den griffier proces-verbaal opgemaakt, en afschrift daarvan afgegeven aan den belanghebbende of aan diens gemagtigde.

49. De consulaire ambtenaar be/eelt, naar aanleiding van het verzoekschrift of van het proces-verbaal, bij het vorig artikel bedoeld, de verschijning van partijen, met bepaling van plaats, dag en uur, naar gelang der omstandigheden, voor zich of voor de consulaire regtbank.

Tusschen de verschijning en de beteekening van het daartoe strekkend bevel moeten in den regel minstens twee vrije dagen verloopen.

De consulaire ambtenaar kan echter, in spoed ver-eischende gevallen, partijen gelasten te verschijnen op korteren termijn en zelfs één uur na de uitvaardiging van het bevel. (Rv. 1 v., 5 v., 7 v., 301 v., 312.)

50. Ilet bevel tot verschijning mag door den consu-lairen ambtenaar niet worden geweigerd, ook al acht hij de vordering ongegrond of zich zei ven of de consulaire regtbank onbevoegd om daarvan kennis te nemen.

51. Het verzoekschrift of het proces-verbaal en het bevel van verschijning worden, met de stukken tot staving van den eisch, beteekend door den persoon, belast met de functien van deurwaarder.

Indien de stukken tot staving van den eisch te talrijk of te uitgebreid zijn om te worden verplaatst, of in het algemeen bij dagvaarding op korteren dan den gewonen termijn, worden zij nedergelegd ter kanselarij van het cou-sulaat, waar de verweerder er inzage van kan nemen.

ISSS

-ocr page 1516-

BIJZONDERE WETTEN EN BESUIITEN.

52. De beteekening van het bevel van verschijning en van de verdere in het vorig artikel vermelde stukken geldt voor dagvaarding.

Zij geschiedt aan den persoon of aan de woonplaats van den gedaagde, met achterlating van een afschrift van het exploit.

Wanneer de gedaagde geen bekende woonplaats heeft binnen het ressort van het consulaat, geschiedt de beteekening ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

Wanneer geen zijner huisgenooten aan zijne woon- of verblijfplaats gevonden wordt, geschiedt de beteekening door aanplakking aan de hoofddeur der kanselarij van het consulaat, alsmede aan die van zijne woon- of verblijfplaats.

Het exploit en het afschrift vermelden den persoon, aan wien het afschrift is ter hand gesteld, of de aanplakking, zoo die heeft plaats gehad.

Het exploit en het afschrift worden onderteekend door den persoon met de functien van deurwaarder belast, alles op straffe van nietigheid. (Rv. 1 v., 97 v., 426.)

53. Ten aanzien van schepelingen of passagiers, die binnen het ressort van het consulaat geen andere woon-of verblijfplaats hebben dan het schip, geschiedt de dagvaarding aan boord, op de wiize bij het voorgaand artikel bepaald. (Rv. 313.)

54. Ten dage, plaatse en ure bij de dagvaarding bepaald, verschijnen partijen, in persoon of bij gemagtigde, voor den consulairen ambtenaar of de consulaire regtbank.

Zij kunnen echter, in geval van behoorlijk gestaafde verhindering om voor den regter te verschijnen, volstaan met het doen overleggen van onderteekende dingtalen, houdende de middelen van den eisch of der verdediging, en vergezeld van de stukken tot staving daarvan.

De volmagten en dingtalen worden overgelegd ter kanselarij van het consulaat. (Rv. 99, 133, 135, 140.)

55. De consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank kan in eiken stand van het geding de persoonlijke verschijning van partijen gelasten, hetzij om te beproeven eene vereeniging tot stand te brengen, hetzij om andere redenen.

Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, dat, door partijen onderteekend, in executorialen vorm uitgegeven wordt. (Rv. 19, 49.)

56. De consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank doet, zoo de zaak daarvoor vatbaar is, uitspraak in dezelfde teregtzitting, waarin zij is behandeld. (Rv. 45, 99.)

57. In geval van veroordeeling bij verstek kan de verweerder in verzet komen.

Het verzet moet worden ingesteld, op de wijze voorgeschreven bij art. 48, binnen drie weken na de beteekening van het vonnis of na gedaan bevel aan den veroordeelde in persoon.

Wanneer de beteekening of het bevel niet aan hem in persoon is geschied, is het verzet ontvankelijk zoolang het vonnis niet is ten uitvoer gelegd.

1386

-ocr page 1517-

WET VAN 25 JULI 1871,

Op het verzet wordt zoo spoedig mog-elijk uitspraak gedaan, met inachtneming van de artt. 54 en 55.

De kosten van het bij verstek gewezen vonnis en alle verdere kosten, die door het niet-verschijnen van den verweerder zijn veroorzaakt, komen in elk geval te zijnen laste, tenzij het verstek is verleend op eene dagvaarding, die nietig wordt verklaard. (Rv. 81 v.)

58. Wanneer het hooren van eene der partijen, die door een wettig beletsel verhinderd wordt te verschijnen, noodig wordt geoordeeld, begeeft de consulaire ambtenaar of de persoon die, als daartoe de noodige geschiktheid bezittende, door den consulairen ambtenaar of de consulaire regtbank zal zijn aangewezen, zich naar de woning der verhinderde partij.

Is de aangewezen persoon geen lid van de consulaire regtbank of geen ambtenaar van het consulaat, dan wordt door hem schriftelijk, in het na te melden proces-verbaal, afgelegd de eed (belofte), dat hij de hem opgedragen werkzaamheden getrouw en behoorlijk zal waarnemen.

De consulaire ambtenaar of de persoon, aangewezen om hem ten deze te vervangen, wordt bijgestaan door den griffier.

Deze maakt van het verhoor een proces-verbaal op, dat door hem, benevens door den consulairen ambtenaar of zijn plaatsvervanger, en door de partij wordt onderteekend. Ingeval deze niet kan of niet wil teekenen, wordt daarvan melding gemaakt.

59. Indien eene geregtelijke plaatsopneming noodig is, kan de consulaire ambtenaar zich begeven of kan de consulaire regtbank bevelen, dat een of meer barer leden zich begeven op de plaats, waar het onderzoek moet geschieden.

De plaatsopneming kan ook worden opgedragen aan een anderen persoon, op wien alsdan de bepalingen van het vorig artikel van toepassing zijn.

Bij het vonnis worden de dag en het uur der plaatsopneming bepaald.

Zij geschiedt in tegenwoordigheid van partijen, of nadat deze behoorlijk zijn opgeroepen.

Van de plaatsopneming wordt door den griffier een procesverbaal opgemaakt, waarop het laatste lid van het vorig artikel van toepassing is. (Rv. 101, 219 v.)

60. Wanneer een onderzoek van deskundigen noodig is, benoemt de consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank, ambtshalve of op de vordering van eene der partijen, één of drie deskundigen.

Door dezen wordt tot het bevolen onderzoek overgegaan, in tegenwoordigheid van partijen, of nadat deze behoorlijk zijn opgeroepen. Het hiervan op te maken proces-verbaal wordt ter kanselarij van het consulaat nedergelegd.

Alvorens tot het onderzoek over te gaan, leggen de deskundigen den eed (de belofte) af, dat zij den hun toevertrouwden last getrouw zullen vervullen. (Rv. 101 v., 222v.)

61. Indien de consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank zich door het verslag der deskundigen niet genoegzaam ingelicht acht, kan de ambtenaar of de regt-

1387

-ocr page 1518-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

bank ambtshalve een nieuw onderzoek bevelen door een of meer deskundigen, door hem of door de regtbank te benoemen. Dezen kunnen van de vroeger benoemde deskundigen zoodanige inlichtingen vragen als zij noodig oordeelen.

De bepalingen van het voorgaand artikel zijn op hen toepasselijk. (Rv. 235.)

62. Van de processen-verbaal,quot; bedoeld in de voorgaande artikelen, heeft geene beteekening plaats aan partijen. Deze kunnen, op aanvrage, daarvan afschrift bekomen, en schriftelijk hare bedenkingen daartegen doen kennen. (Rv. 2\'20.)

63. Indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn en het bewijs door getuigen bij de wet niet is uitgesloten, beveelt de consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank, ambtshalve of op vordering van eene der partijen, dat een getuigenverhoor zal worden gehouden ter teregtzitting op dag en uur, bij het bevel te bepalen. (B. 103 v., 199 v.)

64. De getuigen, Nederlanders zijnde, worden, wanneer zij ongezind zijn vrijwillig te verschijnen, uit kracht van het regterlijk bevel gedagvaard.

Indien de tegenpartij, bij het verleenen van het bevel, niet tegenwoordig is, wordt zij mede gedagvaard. (Rv. 105, 106.)

65. Nederlanders, die, als getuigen gedagvaard, ten dage, uur en plaatse bij de dagvaarding bepaald, niet verschijnen, of, verschenen zijnde, zonder wettige reden weigeren den eed of hunne verklaring af te leggen, kunnen onverminderd het bepaalde bij de artikelen 192 en 444 van het Wetboek van Strafrecht worden veroordeeld tot vergoeding der vergeefs aangewende kosten.

De consulaire ambtenaar kan daarenboven, in de landen waar hij daartoe, krachtens de Staatsverdragen of het gebruik, de macht bezit, den getuige, die weigert te verschijnen, daartoe bij lijfsdwang noodzaken.

Indien de getuige bewijst, dat hij door wettige redenen verhinderd is geweest te verschijnen, ontheft de consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank hem, na het afleggen zijner verklaring, van de tegen hem gewezen veroordeeling. (Rv. 116 v.)

66. Ten aanzien der getuigen, die geen Nederlanders zijn, wendt de consulaire ambtenaar alle middelen aan, die in het land waar hij gevestigd is gebruikelijk zijn, om hen, zooveel mogelijk, door tusschenkomst der plaatselijke overheid te doen verschijnen.

67. Alvorens zijne verklaring te doen, legt de getuige den eed (de belofte) af van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De consulaire ambtenaar vraagt hem af zijnen naam, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats of verblijf, alsmede of hij aan een der partijen in den bloede of door aanhuwelijking bestaat, en, zoo ja, in welken graad; en of hij loon- of huisbediende is van eene van deze.

Het proces-verbaal vermeldt de vragen aan den getuige

1388

-ocr page 1519-

WET VAN 25 JULI 1871.

gedaan en de antwoorden door hem gegeven. (Rv. 107.)

68. In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt vereischt, legt deze, alvorens zijne fimctien te aanvaarden, in handen van den consulairen ambtenaar den eed (de belofte) af, dat hij die function getrouw zal waarnemen.

69. Onmiddellijk na beteekening van het vonnis en na gedaan bevel, op de wijze voorgeschreven bij de artt. 51, 52 en 53, kan tot de tenuitvoerlegging worden overgegaan door alle middelen gebruikelijk in het land waar het is gewezen.

Niettemin kan geen tenuitvoerlegging plaats hebben door middel van lijfsdwang dan in de gevallen, waarin deze, met inachtneming van het volgend artikel, is bevolen. (Rv. 439, 502, 585 v.)

70. De tenuitvoerlegging der vonnissen bij lijfsdwang wordt gelast in al de gevallen, waarin lijfsdwang bij de Nederlandsche wetten wordt toegelaten. (Rv. 585 v.)

71. Van eindvonnissen, gewezen in zaken van wisselbrieven, orderbriefjes, vastgestelde rekeningen-courant of andere schriftelijke verbindtenissen, aangegaan hetzij bij authentieke, hetzij bij erkende onderhandsche akte, wordt de voorloopige uitvoerbaarheid, niettegenstaande verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie, met of zonder voorafgaande zekerheidstelling, bevolen. (Rv. 52, 303 v., 311.)

72. In geschillen over mondelinge of niet-erkende schriftelijke verbindtenissen en niet-gesloten rekeningencourant kan de voorloopige uitvoerbaarheid, niettegenstaande verzet, hooger beroep of voorziening in cassatie, worden bevolen, behoudens voorafgaande zekerheidstelling. (Rv. 53.)

73. De zekerheidstelling geschiedt door consignatie ter kanselarij van het consulaat of door middel van borgtogt.

74. De partij, die, in de gevallen voorzien bij de artt. 71 en 72, een vonnis verlangt ten uitvoer te leggen, binnen den termijn van art. 76 dezer wet, uf waartegen de wederpartij verzet heeft gedaan of in hooger beroep of cassatie is gekomen, doet aan den consulairen ambtenaar een verzoekschrift toekomen of legt ter kanselarij van het consulaat eene verklaring af, aanwijzende waarin de zekerheid zal bestaan.

De consulaire ambtenaar gelast partijen voor zich te verschijnen ter plaatse, dag en ure door hem te bepalen, ten einde de aangeboden zekerheid, zoo deze voldoende wordt bevonden, van waarde te verklaren.

Het verzoekschrift of proces verbaal van verklaring en het dien ten gevolge verleend bevel van verschijning worden aan den verweerder beteekend op de wijze voorgeschreven bij de artt. 51 en 52.

75. Tegen vonnissen, die geen eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat van het eindvonnis toegelaten.

Zij, die bij verstek veroordeeld zijn, kunnen tegen die veroordeeling niet opkomen in hooger beroep. (Rv. 335 v.)

1389

-ocr page 1520-

1390 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

76. De aanteekening van het hooger beroep van vonnissen van consulaire regtbanken en van de voorziening in cassatie tegen de vonnissen van die regtbanken en van die van het hof van appel te Konstantinopel geschiedt binnen 10 dagen na de beteekening van het vonnis, door de in het ongelijk gestelde partij in persoon of door haren gemagtigde, ter kanselarij van het consulaat, of van het gezantschap der plaats, waar de uitspraak gewezen is.

Gedurende dien termijn, en tot de beslissing in hooger beroep of in cassatie, wanneer zoodanige voorziening is ingesteld, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst, onverminderd het bepaalde bij de artt. 71 en 72. (Rv. 339, 850.)

77. De in het vorig artikel bedoelde aanteekening moet bevatten de verkiezing van woonplaats; in geval van hooger beroep bij het hof van appel te Konstantinopel, te Konstantinopel; in geval van hooger beroep bij het geregtshof te Amsterdam, te Amsterdam; in geval van hooger beroep bij den raad van justitie te Batavia, in die stad; in geval van voorziening in cassatie bij den Hoogen Raad der Nederlanden, te \'s-Gravenhage, en in geval van gelijke voorziening bij het Hoog-Geregtshof van Nederlandsch-Indie, te Batavia.

Bij gebreke daarvan worden de beteekeningen aan den appellant of aan den eischer in cassatie gedaan, hetzij aan Onzen gezant te Konstantinopel, hetzij aan den prokureur-generaal bij het geregtshof te Amsterdam, hetzij aan den officier van justitie bij den raad van justitie te Batavia, hetzij aan den prokureur-generaal bij den Hoogen Raad, hetzij eindelijk aan [den prokureur-generaal bij het Hoog-Geregtshof in Nederlandsch-Indie, zonder verlenging van de termijnen naar mate van den afstand.

78. De verweerder in hooger beroep of in cassatie doet aan den eischer aan diens gekozen of door het vorig artikel aangewezen domicilie aanzeggen, waar door hem, verweerder, domicilie is gekozen te Konstantinopel, Amsterdam, Batavia of \'s-Gravenhage, en zulks binnen ééne maand na de dagteekening der voorziening in geval van hooger beroep bij het hof te Konstantinopel, en binnen drie maanden in al de overige gevallen vermeld bij het vorig artikel.

Bij gebreke van zoodanige aanzegging binnen den gestelden termijn, geldt ook voor de beteekeningen aan den verweerder het tweede lid van het vorig artikel.

79. Binnen eene maand na de aanzegging of, bij gebreke daarvan, na verloop van de termijnen in het vorig artikel vermeld, wordt de voorziening voortgezet, op straffe van verval, door de indiening van aen verzoekschrift aan Onzen gezant te Konstantinopel overeenkomstig het bepaalde bij art. 48, door eene dagvaarding in hooger beroep voor het hof te Amsterdam of den raad van justitie te Batavia, of in geval van beroep in cassatie, door de nederlegging eener memorie, ter griffie van den Hoogen Raad of van het Hoog-Geregtshof in Nederlandsch-Indie.

-ocr page 1521-

WET VAN 25 JOU 1871.

80. Het regtsgeding in hooger beroep bij het hof van appel te Konstantinopel wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeeling.

Voor de voorzieningen bij den Hoogen Raad en bij het hof te Amsterdam gelden de voorschriften der Nederlandsche, en voor die bij het HDOg-Geregtshof in Nederlandsch-Indie en den raad van justitie te Batavia, die der Neder-landsch-Indische regtsvordering, behoudens het bepaalde bii artt. 81 en 82.

81. Wanneer in hooger beroep een getuigenverhoor, eene plaatsopneming, een onderzoek door deskundigen of een verhoor van partijen wordt bevolen, kan dat worden opgedragen aan den plaatselijken regter. (Rv. 190 v., 219 v., 222 v., 237 v.)

82. Wanneer de Hooge Raad of het Hoog-Geregtshof in Nederlandsch-Indie, de aangevallen uitspraak vernietigende, geene eindbeslissing kan geven, wordt de zaak ter verdere behandeling en afdoening verwezen naar den regter, die daarvan in eersten aanleg of in hooger beroep heeft kennis genomen. (R. 0. 104 v.)

V IJ F D E AFDEELING.

Regtsrjedinrj in strafzaken.

§ 1. Algemeene bepalingen.

83. De consulaire ambtenaren zijn. overeenkomstig de voorschriften der twee volgende paragraphen, belast met het inwinnen van voorloopige informatien en met het voeren der instructie, hetzij op klagt of aangifte, hetzij ambtshalve, van alle strafbare feiten, door Nederlanders binnen hun ressort gepleegd. (Sv. 43 v., 56 v., 95 v.)

84. De klagte en de intrekking daarvan geschieden bij de consulaire ambtenaren, binnen het ressort van het consulaat, waarin het misdrijf is gepleegd, op de wijze en in de vormen bij het Nederlandsche Wetboek van Strafvordering vastgesteld. (Sv. 13 v.)

85. De klagte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klagte geregtigde kennis heeft bekomen van het misdrijf, indien hij binnen het ressort van het consulaat waarin het is gepleegd, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij daar buiten verblijf houdt. (Sr. 66.)

1391

87. a) De voorloopige invrijheidstelling van den verdachte of den beklaagde, tegen wien, ter zake van een misdrijf waarvan de kennisneming in eersten aanleg tot de bevoegdheid van de consulaire regtbank behoort, een

o) Art. 86 is vervallen.

-ocr page 1522-

CUZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming ooi

of gevangenhouding is uitgevaardigd, kan, vóór het eind- of

vonnis in eersten aanleg, in eiken stand van het geding do(

worden bevolen door de consulaire regtbank in raadkamer sla

vergaderd, mits door hem zekerheid worde gesteld voor wo

zijne wederverschijning op de eerste oproeping aan de ]

door hem bij het verzoek om invrijheidstelling te kiezen vai

woonplaats, ter plaatse waar die regtbank is gevestigd. ]

(Sv. 227.) doe

Het bedrag der zekerheid wordt door de consulaire regt- dig

bank bepaald. J

Zij wordt gesteld door middel van consignatie ter kanselarij pla

van het consulaat of van een door de regtbank voldoend vaa

geachten borgtogt. wc-

88. Getuigen, die de taal niet verstaan waarin het onder- lt; zoek geschiedt, worden bij de voorloopige informatien, de del instructie en ter teregtzitting van den consulairen ambtenaar wie of de consulaire regtbank verhoord door tusschenkomst doe van eenen beëedigden tolk van het consulaat, of van var zoodanigen tolk als de consulaire ambtenaar zal aanwijzen. i In dit laatste geval legt de tolk den eed (belofte) af, voor- ner geschreven bij art. C8. Van die eedsaflegging wordt een voo proces-verbaal opgemaakt, dat bij de stukken wordt ge- ^ voegd. Dezelfde eed is voldoende voor alle akten van doe voorloopig onderzoek en instructie in dezelfde zaak ge- blij houden. paa

Al deze akten worden door den tolk mede-onderteekend. beti

(Sv. 183, 184.) tigi

8

§ 2. Voorloopige informAtien, der

den

89. Het voorloopig onderzoek, bij deze paragraaph voor- vei£ geschreven, moet plaats hebben ter zake van de misdrijven tigc ingevolge artikel 23 tot de kennisneming van de arron- -i dissements-regtbank te Amsterdam of den raad van justitie su]£ te Batavia behoorende. vre(

In zaken, behoorende tot de bevoegdheid van den consu- doo

lairen ambtenaar of de consulaire regtbank, kan het worden 2

ingesteld. stra

90. Wanneer de consulaire ambtenaar, ten gevolge eener klagt of aangifte of van de openbare bekendheid,

kennis dragende van een strafbaar feit door een Nederlander binnen zijn ressort gepleegd, een plaatselijk onderzoek noodig oordeelt, begeeft hij zich, vergezeld van den griffier, zoo spoedig mogelijk naar de plaats waar het strafbaar feit is gepleegd, ten einde aldaar proces-verbaal op te maken van zijne bevinding.

Hij neemt de stukken van overtuiging in beslag, en is bevoegd alle huiszoekingen en nasporingen te doen in de woon-, verblijf- of werkplaats van den beklaagde.

In geval van een strafbaar feit gepleegd op een Neder-landsch schip, begeeft de consulaire ambtenaar zich, zoo noodig, aan boord van dat schip. (Sv. 43 v.)

91. De consulaire ambtenaar zal, indien hij het noodig

1392

zwa 11 toef I

den de

S

aan vaa con ein( I ges ree( twi]

-ocr page 1523-

WET VAN 25 JULI 1871.

ïiiwg oordeelt, zich behalve door den griffier, doen vergezellen van sind- of bijstaan door een of meer deskundigen, ten einde zich \'ding door hen te doen voorlichten en van hen zoodanige ver-imer slagen te vragen als in het belang van het onderzoek voor worden vereischt.

i de Het derde lid van artikel 60 is op deze deskundigen iezen van toepassing.

gt;tigd. Hunne verslagen worden opgenomen in het proces verbaal door den consulairen ambtenaar, den griffier en de deskun-regt- digen te onderteekenen. (Sv. 51.)

92. De consulaire ambtenaar wint zooveel mogelijk ter jlarij plaatse waar het feit is gepleegd, zonder voorafgaande dag-oend vaarding, de verklaringen in van hen, die daarbij zijn tegenwoordig geweest. (Sv. 43.)

ider- 93. De vice-consuls en consulaire agenten geven onmid-

ii de dellijk kennis aan den consul-generaal of consul, binnen naar wiens regtsgebied zij zijn aangesteld, van de strafbare feiten omst door Nederlanders binnen hun ressort gepleegd, alsmede

van van Je bij }ien ingediende klagten of aangiften.

jzen. jn aiie zoodanige gevallen maken zij proces-verbaal op, i\'oor- nemen de stukken van overtuiging in beslag, en winnen

een voorloopig de verklaringen van getuigen in.

1 ge\' Tot de gevangenneming van den beklaagde en tot het van doen van huiszoeking of nasporingen in diens woon-, ver-gequot; blijf- of werkplaats zijn zij, met inachtneming van het bepaalde bij het volgend artikel, alleen bevoegd in geval van tend, betrapping op heeterdaad of krachtens eene bijzondere mag-tiging van den consul-generaal of consul. (Sv. 34 v., 39 v.)

94. De consulaire ambtenaar is bevoegd, naar aanleiding der feiten opgenomen in het proces-verbaal, na verhoor van den verdachte, de voorloopige aanhouding van dezen te be-i/oor- velen, op de wijze gebruikelijk in het land waar hij geves-ijven tigd is:

Ton- | o _ ingeval de verdachte binnen hef ressort van het con-stitie sulaat geene vaste woon- of verblijfplaats heeft, of gegronde vrees bestaat voor vlugt van den verdachte of vernietiging msu- door dezen van de sporen van het misdrijf;

rden 2quot;. ingeval het misdrijf wordt bedreigd met zoodanige straf, die, volgens de wet, als de zwaarste, of als de in quot;o\'g6 zwaarte daarop volgende is aan te merken.

heid, j)e bepalingen van n0. 1 van dit artikel zijn niet van 5dei- toepassing bij overtreding.

zoek Het bevelschrift van voorloopige aanhouding wordt door ffier, den consulairen ambtenaar onmiddellijk medegedeeld aan baar de consulaire regtbank. (Sv. 45, 54, 79)

aken 95. De verdachte, tegen wien geen bevel van voorloopige aanhouding is verleend, wordt zoo spoedig mogelijk gedag-?n is vaard om te verschijnen ter plaatse, dag en ure, door den n do consulairen ambtenaar bij de dagvaarding te bepalen, ten

einde te worden ondervraagd.

2der- De verdachte aangehouden en in verzekerde bewaring , zoo gesteld zijnde, hetzij te land, hetzij aan boord van een ter reede liggend Nederlandsch schip, wordt binnen vier en )odig twintig uren door den consulairen ambtenaar ondervraagd.

1393

88

-ocr page 1524-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Het verhoor wordt, na voorlezing, door den beklaagde en

onderteekend. Indien hij niet kan of wil teekenen, wordt nie

daarvan melding gemaakt, met opgave der redenen. amp;el

Het verhoor wordt, op iedere bladzijde, door den consu-

lairen ambtenaar gewaarmerkt en door hem en den griffier wo

onderteekend. (Sv. 61, 95.) ZÜ(

96. De consulaire ambtenaar is bevoegd de verschijning do( van den beklaagde te gelasten en zijne ondervraging te herhalen, zoo dikwijls hij dit voor het onderzoek noodig wo acht. (Sv. 97, 100.) ■

97. Wanneer de consulaire ambtenaar schrifturen ont- zaa dekt, welke strekken kunnen als bewijsmiddel, neemt hij f301 deze in beslag en voegt ze, behoorlijk door hem gewaar- \'n merkt, bij de processtukken. Zij worden den beklaagde m\' vertoond. De consulaire ambtenaar vraagt hem of hij die bes heeft geschreven of onderteekend, en of hij die wil of kan • erkennen. In alle gevallen wordt de verdachte aangemaand, m\'; die schrifturen te waarmerken. (Sv. 47 v., Ill v.) arr

98. Indien de verdachte weigert de in beslag genomen vai schrifturen of de daarop gestelde handteekening te erken- dei nen, tracht de consulaire ambtenaar zich stukken van ver- fro gelijking te verschaffen, welke mede gewaarmerkt en bij dei de processtukken gevoegd worden, na den verdachte te vai zijn vertoond op de wijze voorgeschreven bij het voor- Sel gaande artikel, en met gelijke aanmaning. \'

Het onderzoek naar de echt- of valschheid der schrifturen am

of handteekeningen heeft plaats voor den regter, aan wien ac^

de kennisneming der zaak ten principale is opgedragen. 1

(Sv. 273 v.) wo

99. De schrifturen, door den consulairen ambtenaar in gei beslag genomen, worden, gedurende het onderzoek, ook vertoond aan de getuigen, welke worden aangemaand zich te § ^ verklaren omtrent de kennis, die zij van die stukken mogten \' hebben. (Sv. 188, 281.)

100. Al de stukken van overtuiging worden ter kanselarij

van het consulaat in bewaring genomen. 1

Het deswege op te maken proces-verbaal wordt door hel

den consulairen ambtenaar en den griffier onderteekend. r\'n

De bij dit artikel bedoelde stukken worden aan den hei

verdachte en aan de getuigen bij het onderzoek vertoond. SU1

Zoowel den verdachte als den getuigen wordt afgevraagd, en

of zij die stukken kennen. (Sv. 188.) 1

101. Buiten het geval, bij art. 92 voorzien, gelast de da^ consulaire ambtenaar de verschijning der getuigen bij bevel- u\'t schrift, vermeldende de plaats, den dag en het uur, waarop \' zij zullen worden gehoord. onn

De bepalingen der artt. 64, 65 en 66 zijn op de dagvaar- hij;

ding en het verhoor der getuigen toepasselijk. (Sv. 61.) }

102. De getuigen leggen hunne verklaring mondeling en laquot; afzonderlijk, de een na den anderen, af. 1

Van de verklaring van elk der getuigen wordt een \'IS\'

proces verbaal opgemaakt, dat, nadat het den getuige is 1

voorgelezen en deze heeft verklaard daarbij te volharden, en»

door hem, benevens door den consulairen ambtenaar de

•1394

-ocr page 1525-

WET VAN 25 JULI 1871,

igde en Jen griffier, wordt onderteekend. Indien de getuige jrdt niet kan of niet wil teekenen, wordt daarvan melding

gemaakt. (Sv. 62 v.)

isu- 103. De processen-verbaal van voorloopig onderzoek ffier worden door den consulairen ambtenaar op iedere bladzijde gewaarmerkt en de voorloopige informatien worden ling door hem gesloten krachtens een bevelschrift, waarbij, of; cr te l0* wanneer dit noodig schijnt, eene nadere instructie □dig wordt gelast; of

2°. in de gevallen, voorzien bij de artt. 34 en 43, de ont- zaak wordt verwezen naar de teregtzitting, hetzij van den : hij consulairen ambtenaar, hetzij van de consulaire regtbank, aar. in het laatste geval met of zonder bevel van gevangenne-igde ming of gevangenhouding als daartoe, volgens art. 94, grond die bestaat; of

kan 3quot;. wanneer er gegrond vermoeden bestaat van een ancl) misdrijf, ingevolge artikel 23 tot de kennisneming van de arrondissements-regtbank te Amsterdam of van den raad men van justitie te Batavia behoorende. eene nadere bevestiging ken- der door de getuigen afgelegde verklaringen en hunne con-ver- frontatie met den beklaagde, overeenkomstig de voorschriften , bij der volgende artikelen wordt bevolen met of zonder bevel g te van gevangenneming of gevangenhouding, als daartoe, vol-oor- gens art. 94, grond bestaat.

Alles onverminderd de bevoegdheid van den consulairen uren ambtenaar om ook in andere gevallen, wanneer hij dit noodig ivien acht, de getuigen met den beklaagde te confronteren, gen. Het bevelschrift van gevangenneming of gevangenhouding wordt door den consulairen ambtenaar onmiddellijk mede-ir in gedeeld aan de consulaire regtbank. (Sv. 81 v.)

ver-

h te § 3. Instructie in zake van misdrijf, ivaarvan de kennis-gten neming in eersten aanleg de bevoegdheid van de consulaire regtbank te boven gaat.

ilarij

104. Wanneer er termen bestaan om, overeenkomstig door het derde nommer van het voorgaand artikel, de verkla-;end. ringen der getuigen nader door hen te doen bevestigen en

den hen met den beklaagde te confronteren, bepaalt de con-i0nd. sulaire ambtenaar bij het te verleenen bevelschrift den dag lagd, en het uur der verschijning. (Sv. 104.)

105. Dit bevelschrift wordt den beklaagde beteekend drie gt;t de dagen vóór den dag voor de verschijning bepaald, onder evel- uitreiking van een afschrift der ingewonnen informatien. iarop De beklaagde wordt tevens bekend gemaakt met zijn regt

om zich bij de confrontatie door eenen raadsman te doen raar- bijstaan.

) Indien hij van dat regt geen gebruik maakt, kan de consu-

ig en laire ambtenaar hem ambtshalve eenen raadsman toevoegen.

De raadsman mag den beklaagde alleen spreken. (Sv. 120 v., een 132 v.)

ge is 106. De consulaire ambtenaar doet de vroeger gehoorde, rden, eni 700 noodig, nieuwe getuigen voor zich verschijnen op inaar de wijze, voorgeschreven bij art. 101.

1395

-ocr page 1526-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

De getuigen, Nederlanders zijnde, zijn in al de hierboven gemelde gevallen gehouden te verschijnen. (Sv. 66, 100; Sr. 444.)

Bij niet-verschijning worden zij op nieuw gedagvaard. De consulaire ambtenaar kan ten allen tijde, zelfs bij de eerste niet-verschijning, tegen den nalatigen getuige een bevel van medebrenging verleenen. (Sv. 67, ICO, 157 v.)

107. Alvorens over te gaan tot het confrontatie-verhoor, wordt aan ieder getuige afzonderlijk en alleen zijne verklaring door den griffier voorgelezen, en hem gevraagd, of hij verlangt iets daarbij te voegen of daarvan in te trekken, en of hij bij zijne verklaring volhardt. De consulaire ambtenaar kan aan de getuigen ook andere vragen doen tot toelichting of verduidelijking hunner verklaring.

108. Na het in het vorig artikel omschreven afzonderlijk verhoor worden de getuigen met den beklaagde geconfronteerd.

Te dien einde wordt deze gelast voor den consulairen ambtenaar te verschijnen, en wordt in zijne tegenwoordigheid door elk der getuigen de eed afgelegd, voorgeschreven bij art. 67.

Nieuwe getuigen worden in tegenwoordigheid van den beklaagde beöedigd en verhoord. Te hunnen aanzien gelden mede het derde, vierde en vijfde lid van art. 109, benevens de artt. 111 en 113.

109. De verklaring van den getuige wordt den beklaagde voorgelezen.

Den eerstgenoemde wordt daarna afgevraagd, of de beklaagde hem bekend is, en of hij ook nu nog bij zijne vroegere verklaringen volhardt.

Indien de beklaagde of zijn raadsman in de verklaring van den getuige eenige tegenspraak ontwaart, of eenige omstandigheid, die tot verdediging van den eerste kan strekken, kunnen beiden den consulairen ambtenaar verzoeken den getuige daarop opmerkzaam te maken.

De beklaagde en zijn raadsman mogen, door tusschen-komst van den consulairen ambtenaar, den getuige alle zoodanige ophelderingen vragen als ter verduidelijking der feiten of ter verklaring van de afgelegde getuigenis kunnen strekken. Zij mogen den getuige niet in de rede vallen. (Sv. 168,169.)

110. Wanneer een getuige bij de confrontatie niet kan verschijnen, wordt zijne verklaring voorgelezen in tegenwoordigheid van den beklaagde en van zijnen raadsman, wier aanmerkingen in het proces-verbaal worden opgenomen. (Sv. 167.)

111. De beklaagde kan in eiken stand van het onderzoek hetzij zelf, hetzij door tusschenkomst van zijnen raadsman, de gronden aanvoeren, welke hij heeft om de onpartijdigheid van den getuige te verdenken en dezen te wraken.

Indien de beklaagde van die bevoegdheid gebruik maakt bij de confrontatie met den getuige, wordt deze aangemaand zich deswege te verklaren, en wordt in het proces-verbaal melding gemaakt van hetgeen door den beklaagde en den getuige te dien aanzien zal zijn aangevoerd.

•1390

\\A

-ocr page 1527-

WET VAN 25 JUU 1871.

)ven 112. Indien er twee of meer beklaagden zijn, worden zij 100; mede onderling geconfronteerd, nadat aan ieder hunner afzonderlijk zal zijn afgevraagd, of hij volhardt bij zijne vroegere verklaringen, welke hem te dien einde zullen j de worden voorgelezen op de wijze ten aanzien der getuigen een voorgeschreven bij art. 107.

.) 113. De processen-verbaal der confrontatien en van het

oor, daaraan voorafgegaan afzonderlijk verhoor worden door den ver- beklaagde, door de getuigen, den consulairen ambtenaar en , of den griffier onderteekend. Zij worden daarenboven op elke een, bladzijde gewaarmerkt door den consulairen ambtenaar, bte- Indien de beklaagde of getuige niet kan of niet wil teeketoe- nen, wordt daarvan melding gemaakt.

114. De beklaagde kan, in eiken stand van het onder-Ier- zoek, feiten ter zijner verdediging aanvoeren. Het bewijs :on- dier feiten wordt toegelaten, zelfs wanneer daarvan noch bij de verhooren, noch bij eenige vroegere akte van het geding ren sprake is geweest.

lig- Zoodra die feiten door den beklaagde zijn aangevoerd, ven wordt deze aangemaand de getuigen aan te wijzen.

Van dat alles wordt proces-verbaal opgemaakt, houdende len tevens bevel van den consulairen ambtenaar tot dagvaarding ien der getuigen om te verschijnen ter plaatse en ten tijde door ens hem te bepalen, overeenkomstig de voorschriften ten aanzien

der voorloopige informatien vastgesteld.

jde 115. De in het vorig artikel bedoelde getuigen worden in de eerste plaats aangemaand zich te verklaren omtrent be- de feiten in het proces-verbaal vermeld. De consulaire ambte-jne naar kan hun daarna alle zoodanige vragen doen, als hij

voor de ontdekking der waarheid dienstig acht. ing 116. Indien de beklaagde voortvlugtig is, wordt door den ige consulairen ambtenaar een proces-verbaal opgemaakt, door ;k- hem en den griffier onderteekend, vermeldende dat de open sporing van den beklaagde heeft plaats gehad, doch te vergeefs, en dat het niet mogelijk geweest is zich van zijn in- persoon meester te maken.

30- 117. De consulaire ambtenaar neemt al de goederen,

en stukken en papieren, den voortvlugtige toebehoorende, voor ;n. zooverre die als stukken van overtuiging kunnen dienen, in 9.) beslag, na daarvan door den griffier eene beschrijving te an hebben doen opmaken.

in- 118. In het geval bij de twee voorgaande artikelen he

in doeld, wordt de instructie buiten tegenwoordigheid van den re- beklaagde voortgezet.

De getuigen worden alsdan beeadigd vóór den aanvang ek van het in art. 107 voorgeschreven verhoor. (Sv. 99, in, 264 v.)

g- 119. Na afloop der instructie wordt de zaak aan de kennis

neming der consulaire regtbank in raadkamer onderworpen, kt (Sv. 125.)

ad 120. De consulaire regtbank doet uitspraak overeenkom-

a) stig de volgende bepalingen:

jn Indien het feit niet valt in de bepaling van eenig strat-

baar feit of indien er geene voldoende bezwaren tegen den

1397

-ocr page 1528-

1398 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

beklaagde gerezen zijn, verklaart de regtbank dat er geene termen tot vervolging bestaan.

Indien de regtbank bevindt dat het feit tot de kennisneming van den consulairen ambtenaar behoort, wordt de beklaagde verwezen naar dien ambtenaar om voor hem te-regt te staan, overeenkomstig art. 127 en volgende.

In deze beide gevallen wordt de beklaagde, zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, in vrijheid gesteld, en indien hij zekerheid gesteld heeft, wordt deze opgeheven. (Sv. 127, 128.)

121. Indien de regtbank bevindt dat het feit tot hare bevoegdheid behoort en dat er voldoende bezwaren aanwezig zijn, wordt de beklaagde naar hare teregtzitting verwezen, met of zonder bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, indien daartoe, volgens art. 94, gronden bestaan. (Sv. 1-27.)

122. Indien het feit ingevolge artikel 23 tot de kennisneming van de arrondissements regtbank te Amsterdam of van den raad van justitie te Batavia behoort, en er voldoende bezwaren aanwezig zijn, beveelt de regtbank de gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde en zijne opzending overeenkomstig art. 152. (Sv. 127.)

123. Wanneer de consulaire regtbank, overeenkomstig art. 120, tweede lid, heeft verklaard dat er geen termen tot verdere vervolging bestaan, kan de prokureur-generaal bij het geregtshof te Amsterdam of de officier van justitie te Batavia in verzet komen, naar mate de uitspraak is gewezen in de landen aan deze of aan gene zijde van de Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn. (Sv. 130.)

124. De consulaire ambtenaren zenden afschriften der in de vorige artikelen vermelde bevelschriften, uiterlijk binnen eene maand nadat deze zijn uitgevaardigd, aan het Departement van Buitenlandsche Zaken of aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie, naar mate hun consulaat aan deze of aan gene zijde van de Kaap de Goede Hoop of van Kaap Hoorn gevestigd is.

Deze afschriften worden door het Departement van Buitenlandsche Zaken verzonden aan het Departement van Justitie en door den Gouverneur-Generaal aan den proku-reur-generaal bij het Hoog Geregtshof van Nederlandsch-Indie.

125. De prokureur-generaal bij het geregtshof te Amsterdam en de officier van justitie bij den raad van justitie te Batavia zijn bevoegd, de verzending der stukken van de zaak te gelasten.

Wanneer de prokureur-generaal of de officier van justitie van zijn regt van verzet gebruik maakt, doet hij daarvan verklaring ter griffie, respectivelijk van het geregtshof of van den raad van justitie.

Hij doet die verklaring beteekenen aan den beklaagde, met sommatie om zijne middelen van verdediging, des verkiezende, in te dienen.

Deze beteekening moet geschieden binnen zes maanden, te rekenen van de dagteekening der bevelschriften.

-ocr page 1529-

WET VAN 25 JULI 1871.

126. Het verzet wordt onderworpen aan het oordeel van het geregtshof te Amsterdam of van den raad van justitie te Batavia, die beslissen volgens de regelen gesteld in de laatste paragraaph dezer afdeeling.

§ 4. Regtsgeding in eersten aanleg voor den consulaircn ambtenaar en voor de consulaire regtbank.

127. Wanneer de zaak, hetzij regtstreeks, hetzij inge-gevolge het bevelschrift, vermeld in art, 103, 2°., hetzij uit kracht der verwijzing bij de artt. 120, 121 en 136 bedoeld, aan de kennisneming van den consulairen ambtenaar of van de consulaire regtbank wordt onderworpen, wordt gehandeld overeenkomstig de volgende bepa.\'ingen.

128. De dag der teregtzitting wordt door den consulairen ambtenaar bij bevelschrift bepaald.

Wanneer de beklaagde zich bevindt ter plaatse waar het consulaat gevestigd is. moeten er minstens 8 dagen verloo-pen tusschen de dagvaarding en de verschijning. Zoo de beklaagde zich daar niet bevindt, bepaalt het bevel, naar mate van den afstand, den termijn der verschijning. (Sv. 147.)

129. De dagvaarding behelst de opgave van het feit, dat ten laste wordt gelegd.

Zij geschiedt op de wijze, voorgeschreven bij art. 52.

Een en ander op straffe van nietigheid. (Sv. 143, 144.)

130. De beklaagde is gehouden voor de consulaire regtbank in persoon te verschijnen, wanneer het hem ten laste gelegde feit een misdrijf oplevert.

In de andere gevallen en in het algemeen voor den consulairen ambtenaar kan hij zich door eenen bijzonder daartoe gemagtigde doen vertegenwoordigen, tenzij de consulaire ambtenaar of de consulaire regtbank zijne persoonlijke verschijning mogt bevelen. (Sv. 150, 253 n0. 2.)

131. Indien de beleedigde partij zich in het geding over de strafzaak wil voegen, geschiedt dit door eene verklaring ter teregtzitting vóór den aanvang van het getuigenverhoor. (Sv. 202 v.)

132. Het onderzoek op de teregtzitting geschiedt als volgt:

Het bevel tot verwijzing, zoo die heeft plaats gehad en de

processen-verbaal of rapporten van plaatsopneming of van deskundigen, zoo er die zijn, worden voorgelezen.

Over de wraking of verschooning der getuigen wordt beslist.

De getuigen over en weder worden gehoord, nadat de eed, bij art. 67 voorgeschreven, door hen is afgelegd.

De verklaringen van de getuigen, die, uit hoofde hunner verwijderde woonplaats of om andere wettige redenen, niet kunnen verschijnen, worden voorgelezen. In alle andere gevallen kunnen de niet-opgekomen getuigen worden veroordeeld en genoodzaakt te verschijnen overeenkomstig de artt. 65 en 66.

De stukken van overtuiging worden aan de getuigen en aan de beklaagden vertoond.

De beklaagde wordt ondervraagd.

1399

i

if

1 I

i

-ocr page 1530-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

De beleedigde partij, zoo zij zich in het geding over de strafzaak heeft gevoegd, wordt gehoord.

De beklaagde of zijn raadsman draagt de verdediging voor.

De beleedigde partij kan daarop antwoorden; maar de beklaagde of zijn raadsman heeft het laatste woord.

Van de inachtneming dezer formaliteiten moet blijken uit het door den griffier te houden proces-verbaal, dat tevens de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats van beklaagden en getuigen en den hoofdzakelijken inhoud van de getuigenissen en van de opgaven der beklaagden vermeldt. (Sv. 152 v.)

133. De uitspraak van het vonnnis geschiedt onmiddellijk na de behandeling der zaak of in eene volgende teregt-zitting uiterlijk binnen acht dagen. (Sv. 209.)

134. Het vonnis houdt in:

den naam van den beklaagde;

het hem ten laste gelegde feit;

de vordering der beleedigde partij, zoo deze er is;

de namen van den regter of regters, door wie het is gewezen, en den dag van de uitspraak;

voorts nog, in geval van veroordeeling, de qualificalie van het strafbaar feit waaraan de beklaagde wordt schuldig verklaard, met alle omstandigheden, die, volgens de wet, aanleiding geven tot verzwaring of verlichting van straf, en den tekst der wet waarop de veroordeeling rust;

alles voor de in het eerste ressort gewezen vonnissen der consulaire regtbanken op straffe van nietigheid. (Sv. 221 v.)

135. Wanneer de beklaagde wordl vrijgesproken of ontslagen van regtsvervolging, wordt hij onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij hij om andere redenen in verzekerde bewaring moet blijven, of wel de door hem gestelde zekerheid opgeheven. (Sv. 216, 220.)

136. Ingeval, naar aanleiding van het onderzoek ter teregtzitting van den consulairen ambtenaar, het den beklaagde ten laste gelegde feit bevonden wordt te behooren tot de kennisneming van de consulaire regtbank, wordt hij verwezen naar die regtbank. (Sv. 218 j0. 253)

137. Ingeval, naar aanleiding van het onderzoek ter teregtzitting van de consulaire regtbank, het den beklaagde ten laste gelegde feit bevonden wordt te behooren tot de bevoegdheid van den consulairen ambtenaar wordt de daarop gestelde straf niettemin door de consulaire regtbank uitgesproken.

De beklaagde kan tegen deze veroordeeling niet in hooger beroep komen. (Sv. 218.)

138. Ingeval, naar aanleiding van het onderzoek ter teregtzitting, bevonden wordt, dat het den beklaagde ten laste gelegde feit tot de kennisneming van de arrondisse-ments-regtbank te Amsterdam of den raad van justitie to Batavia behoort, wordt gehandeld als volgt:

Indien de beklaagde, regtstreeks o(\' ingevolge een bevelschrift van den consulairen ambtenaar, ter teregtzitting is gedagvaard, wordt eene instructie der zaak gelast overeenkomstig de derde paragraaph dezer afdeeling, met of zonder bevel

1400

-ocr page 1531-

WET VAN 25 JULI 1871.

van gevangenneming of gevangenhouding als daartoe, volgens art. 94, grond bestaat.

Indien de beklaagde naar de teregtzitting is verwezen ten gevolge van het bevel, bedoeld bij art. 121, verleent de consulaire regtbank tegen hem een bevel van gevangenneming of van gevangenhouding, met last van opzending overeenkomstig art. 152.

139. Tegen den beklaagde, die op de dagvaarding niet ter teregtzitting, hetzij in persoon, hetzij waar dit is toegelaten, door eenen gemagtigde verschijnt, wordt, zoo bij de dagvaarding de voorgeschreven termijnen en vormen zijn in acht genomen, verstek verleend, en dadelijk overgegaan tot de behandeling der zaak.

De regter is echter bevoegd om gewigtige redenen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van den beklaagde, de zaak voor een bepaalden of voor een onbepaalden tijd uit te stellen. (Sv. 264 v.)

140. De veroordeelde kan tegen de uitspraak verzet doen tot op den veertienden dag nadat hij tot het ondergaan der straf is aangehouden, of door zijne gijzeling, of door op zijne goederen gelegd beslag, de uitspraak is ten uitvoer gelegd.

Het verzet geschiedt bij verklaring door den veroordeelde of zijnen bijzonder tot dat einde gemagtigde afgelegd ter kanselarij van het consulaat, met keuze van woonplaatster plaatse waar het consulaat gevestigd is.

Het doet van regtswege de veroordeeling vervallen. (Sv. 266.)

141. De veroordeelde, die in verzet gekomen is, wordt op nieuw gedagvaard, op de wijze voorgeschreven bij de artt. 128 en 129, zonder dat er echter in dat geval meer dan één dag tusschen de dagvaarding en de verschijning behoeft te verloopen.

Verschijnt de beklaagde op de nieuwe dagvaarding, de zaak wordt op de gewone wijze behandeld.

Verschijnt hij niet, het verzet wordt vervallen verklaard en de uitspraak bij verstek ten uitvoer gelegd of verder uitgevoerd.

De regter is echter bevoegd, bij niet-verschijning van den beklaagde, de behandeling der zaak uit te stellen, overeenkomstig het bepaalde bij het tweede lid van art. 139. (Sv. 267.)

142. De kosten, waarin de veroordeelde bij verstek is verwezen, en die, welke ter uitvoering van de uitspraak reeds zijn gemaakt, blijven altijd te zijnen laste, tenzij op het verzet de oorspronkelijke dagvaarding worde nietig verklaard, of, in geval van vrijspraak, de beklaagde bij de handeling van het verzet hebbe bewezen, dat hij in de onmogelijkheid is geweest op de dagvaarding te verschijnen.

In het laatste geval kan hij, ook bij veroordeeling, worden ontheven van de kosten, waarin hij bij verstek is verwezen. (Sv. 266d.)

§ 5. Regtsgeding in hooger beroep.

143. Zoowel de niet bij verstek veroordeelden, als de

1401

-ocr page 1532-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

prokureur-generaal bij het geregtshof te Amsterdam of de officier van justitie bij den raad van justitie te Batavia, zijn bevoegd in hooger beroep te komen van de uitspraken in strafzaken door de consulaire regtbanken gewezen, met inachtneming der volgende bepalingen:

De genoemde ambtenaren kunnen alleen in hooger beroep komen van vonnissen, houdende vrijspraak, ontslag van regtsvervolging of onbevoegd-verklaring.

Deze beperking geldt niet in het geval dat de veroordeelde mede in hooger beroep is gekomen.

Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat van het eindvonnis toegelaten.

Ten aanzien van de eindvonnissen der consulaire regtbanken gelden art. 124 en het 1ste lid van art. 125. (Sv. 228 v.)

Ui. De termijn om in hooger beroep te komen is voor den beklaagde van veertien dagen, voor den prokureur-generaal bij het geregtshof te Amsterdam en voor den officier van justitie bij den raad van justitie te Batavia van zes maanden, na de uitspraak van het vonnis.

145. Het hooger beroep wordt ingesteld door den veroordeelde bij eene verklaring, door hem of zijnen tot dat einde bijzonder gemagtigde afgelegd ter kanselarij van het consulaat, en door de in het vorig a rtikel genoemde ambtenaren bij eene verklaring ter griffie van het geregtshof te Amsterdam of van den raad van justitie te Batavia, welke binnen den in het vorig artikel gestelden termijn aan den beklaagde moet worden beteekend. (Sv. 230.)

146. De veroordeelde, indien hij zich in verzekerde bewaring bevindt, wordt door den consulairen ambtenaar naar Nederland of Nederlandsch-Indie gezonden, en gebragt naar het huis van bewaring of van arrest te Amsterdam of te Batavia. (Sv. 235.)

147. Onmiddellijk na aankomst der stukken en van den veroordeelde, zoo hij zich in verzekerde bewaring bevindt, wordt het appel aangebragt ter teregtzitting van het geregtshof te Amsterdam of van den raad van justitie te Batavia. (Sv. 237.)

148. Het hooger beroep wordt behandeld overeenkomstig de voorschriften hetzij van het Nederlandsche Wetboek van Strafvordering, betrekkelijk het hooger beroep van vonnissen der arrondissements regtbanken, hetzij van die van het Heglement op de Strafvordering in Nederlandsch-Indie betrekkelijk het hooger beroep in zake van overtreding, naar mate de zaak bij het geregtshof te Amsterdam of bij den raad van justitie te Batavia wordt aangebracht. (Sv. 239; Sv. N. I. Ï88 v.)

149. De veroordeelde, wiens voorloopige gevangenneming niet is gelast, of aan wien het vergund is zekerheid te stellen, is niet verpligt in persoon te verschijnen, en kan zich laten vertegenwoordigen door een bijzonder daartoe gemagtigde.

1402

151. a) Indien de regter in hooger beroep bevindt, dat

a) Art. 150 is vervallen.

-ocr page 1533-

WET VAN 25 JULI 1871.

f .4e het feit, waarvan de consulaire regtbank heeft kennis ge-zlJn nomen, een misdrijf oplevert, tot de kennisneming van de n m arrondissements-regtbank te Amsterdam of den raad van in\' justitie te Batavia behoorende, wordt gehandeld als volgt:

Wanneer het voorloopig onderzoek gevolgd is geweest roep varl je bevestiging en confrontatie der getuigen, overeen-van komstig § 3 van deze afdeeling, wordt de beklaagde verwezen naar \'s hofs of \'s raads openbare teregtzitting, met elde bevel tot gevangenneming of gevangenhouding.

Wanneer de gehouden instructie onvolledig of niet ge-\'g61* volgd is geweest van de bevestiging en confrontatie der toequot; getuigen, draagt het hof of de raad, alvorens te handelen als in de voorgaande zinsnede bepaald is, de aanvulling van ^anquot; het onderzoek op aan den bevoegden consulairen ambtenaar, \'v-) of, wanneer daartoe mogelijkheid bestaat, aan een raads-TOor heer of regter-commissaris, met of zonder bevel van ge-

eVrquot; vangenneming of gevangenhouding. (Sv. 243,)

icier

zes § 6. Rcgtsgcding in zake van misdrijf, ivaarvan de kennisneming in eersten aanleg de bevoegdheid van de consulaire regtbank te boven gaat.

het 152. In de gevallen, voorzien bij de artt. 122 en 138, |?tequot; derde lid, wordt het bevelschrift der consulaire regtbank \'* te onmiddellijk aan den beklaagde beteekend.

elke £)e beklaagde wordt daarna door den consulairen ambte-(\'en naar bij de eerste geschikte gelegenheid naar Nederland of Nederlandsch-Indie gezonden en, met overlegging der proces-quot;equot; . stukken en stukken van overtuiging, verwezen naar den laar officier van justitie bij de arrondissements-regtbank te Am-;^aar sterdam of naar den oflicier van justitie bij den raad van justitie te Batavia, volgens de onderscheiding in art. 23 gemaakt. . 153. De officier van justitie brengt, binnen tien dagen na ontvangst der stukken, verslag uit in de raadkamer, ntquot;i door welke verder gehandeld wordt overeenkomstig de é?6- Nederlandsche of Nederlandscli-Indische wetgeving, onver-J te minderd het bepaalde bij het volgend artikel.

De beklaagde kan vóór den afloop van den in het eerste lstlg lid van dit artikel gestelden termijn eene memorie aan de van regtbank of aan den raad inleveren. De bevoegdheid daartoe ssen wor(]t hem bij de in het vorig artikel bevolen beteekening

kenbaar gemaakt. (Sv. 130; Sv. N. I. 101 v.) be- 154. Indien de raadkamer bevindt dat het feit behoort iaar lot de bevoegdheid van de consulaire regtbank of den con-den sulairen ambtenaar, en dat er genoegzame gronden zijn tot -3quot;; verdere vervolging, verwijst zij de zaak naar de openbare teregtzitting, om te worden behandeld op de wijze, voor-geschreven bij den zesden {thans vierden) titel van het llen, Wethoek van Strafvordering of bij den vijfden titel van aten het Reglement op de Strafvordering in Nederlandsch-Indie, gde. of bij de wettelijke bepalingen, waardoor die titels later dat vervangen mogten worden. Zij kan in dat geval de invrijheidstelling van den beklaagde gelasten. (Sv. 141 v.; Sv. N. 1. 106, 177 v.)

1403

-ocr page 1534-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

155. De regtbank of de raad van justitie, krachtens het vorige artikel met de behandeling der zaak belast, regelt zich naar de bepalingen der Nederlandsche of Nederlandsch-Indische wetgeving, behoudens de volgende uitzonderingen:

Ter teregtzitting wordt voorlezing gedaan van de stukken der zaak en kan worden volstaan met de oproeping der getuigen, die zich tijdens de behandeling in Nederland of Nederlandsch-Indie bevinden.

De beêedigde verklaringen, in de instructie afgelegd door de overige getuigen, gelden als wettig bewijsmiddel.

De beklaagde, die zich op vrije voeten bevindt, kan zich door een bijzonderen gemagtigde doen vertegenwoordigen.

De regtbank of de raad van justitie kan de gevangenisstraf of hechtenis vervangen door eene boete, overeenkomstig art. 26. (Sv. N. I. 177 v.)

166. Wordt de beklaagde ter zake van een misdrijf, ingevolge artikel 23 tot de kennisneming van de arrondissements-regtbank te Amsterdam of van den raad van justitie te Batavia behoorende, naar de openbare teregtzitting verwezen, dan wordt het vonnis van verwijzing hem gelijktijdig met de dagvaarding of akte van beschuldiging beteekend.

Ten aanzien van de voorziening in cassatie of het verzet tegen het vonnis van verwijzing en var. de toevoeging van een raadsman gelden de bepalingen van het Nederlandsche of Nederlandsch-Indische regt. (Sv. 129 v.; Sv. N. 1.120 v., 72, 110 v.)

157. De zaak wordt op de teregtzitting behandeld en afgedaan overeenkomstig den vijfden {thans vierden) titel van het quot;Wetboek van Strafvordering of den vierden titel van het Reglement op de Strafvordering in Nederlandsch-Indie, of de bepalingen, waardoor die titels later vervangen mochten worden, behoudens de volgende uitzonderingen:

Ter teregtzitting wordt voorlezing gedaan van de stukken der zaak, en kan worden volstaan met de oproeping der getuigen, die zich tijdens de behandeling in Nederland of in Nederlandsch-Indie bevinden.

De beêedigde verklaringen, in de instructie afgelegd door de overige getuigen, gelden als wettig bewijsmiddel. (Sv.141 v.; Sv. N. I. 126 v.)

158. Indien de beklaagde voortvlugtig is, wordt gehandeld overeenkomstig de bepalingen, voor dat geval in Nederland of Nederlandsch-Indie van kracht. (Sv. 264 v.; Sv. N. I. 209 v.)

O vergangshepalinc.

159. De hangende regtsgedingen blijven onderworpen aan de kennisneming des regters, voor wien zij, vóór het in werking treden dezer wet, zijn aanhangig gemaakt. (O. 53 v.j Inv. 30.)

Slotbepaling.

100. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (Stb. 1872 n0. 93.)

1404

-ocr page 1535-

WET VAN 25 JÜLÏ 1871 EN VAN 12 APRIL 1872. 1405

Art. 23 der Wet van 15 April 188G (Stb. n0. 63) luidt: «Deze wet treedt in werking op hetzelfde tijdstip waarop, ingevolge artikel 32 van de wet houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten, en van de consulaire regtsmagt, het Wetboek van Strafrecht binnen het ressort der Nederlandsche consulaten verbinden wordt.»

WET

van 12 April 1872 (Stb. n®. 25) tot af koopbaarstelling der tienden.

§ 1. Van de afkoopbaarheid.

Artikel 1.

Alle vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek gevestigde schuldpligtigheid van tienden of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, hetzij in deze, hetzij in geld te voldoen, is, al ware het tegendeel bedongen, op de vordering van den pligtige afkoopbaar. (B. 787 v. 802.)

2. De schuldpligtigheid, welke zich als een geheel over zekere oppervlakte uitstrekt of die, hoezeer op onderscheidene gronden gevestigd, een geheel uitmaakt, is, op vordering van een of meer der pligtigen, tenzij de heffer met afkoop van een deel genoegen neme, slechts afkoop-baar voor het geheel of voor zoodanig deel of perceel, als gewoonlijk jaarlijks afzonderlijk in het openbaar verpacht wordt.

In dat geval treden zij, op wier vordering de afkoop geschiedt, of, indien dit dadelijk bij den afkoop wordt geregeld, één of meer hunner in de plaats des heflers over die gronden, door wier eigenaars tot den afkoop niet is medegewerkt.

Ieder der pligtigen kan voor zijn deel de schuldpligtigheid van hen afkoopen.

§ 2. Van den af koopprijs.

3. Bij gebreke van overeenkomst tusschen pligtige en heffer, bestaat de afkoopprijs in het twintigvoud van de jaarlijksche opbrengst.

Tot maatstaf daarvan strekt de gemiddelde zuivere opbrengst der vijftien laatste jaren, na aftrek der twee voor-deeligste en der twee nadeeligste.

De waarde der jaarlijksche opbrengst wordt bepaald door de verpachtingen en, bij gebreke van deze, door de landelijke marktprijzen.

Kan de waarde aldus niet worden bepaald, dan wordt de afkoopprijs door den regter vastgesteld na verhoor van deskundigen. (B. 799 v.)

-ocr page 1536-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

§ 3. Van het geding tot afkoop. zvv;

de

4. Van de vordering tot afkoop wordt in eersten en hoog- wa sten aanleg kennis genomen door de arrondissements-regt- voc bank, onder wier gebied de met de schuldpligtigheid belaste rek grond of het voornaamste deel daarvan, naar het kadastraal I inkomen berekend, is gelegen. (R. O. 53 v.) ove

De vordering wordt als summiere zaak behandeld. (Stb. ge\\

1896 n0. 103,\'a. 125, zie onder Bijlagen tot Rv.) the

Op straffe van nietigheid bevat de dagvaarding de som, I

die als afkoopprijs wordt aangeboden. (Rv. 5.) hy[

5. Aan vorderingen tot afkoop, welke gedurende de maan- ] den April tot en met September worden ingesteld, wordt cor eerst na afloop van laatstgemelde maand gevolg gegeven. bep

bij

g 4. Van de ontheffing van de schuldpligtigheid. I

den

6. De grond des afkoopers wordt van de schuldpligtig- 1 heid ontheven door de overschrijving van den titel van af- hyp koop in de registers van den bewaarder der hypotheken in en het arrondissement, waarin de grond is gelegen. (B. 784.) beti

Ligt de grond in onderscheidene arrondissementen, dan con

geschiedt de overschrijving in de registers van de bewaar- ver:

ders der hypotheken in elk dier arrondissementen. hee

7. De overschrijving heeft geen plaats dan tegen over- ver legging: V

I6. van het bewijs, hetzij dat de heffer in de overschnj- n0.

ving toestemt, hetzij dat de afkoopprijs is betaald, I:

of dat, bij weigering van den heffer om de betaling afk

te ontvangen, gehandeld is overeenkomstig art. 1440 con

van het Burgerlijk Wetboek; F

2°. van eene verklaring van den bewaarder der hypo- toef

theken, dat, ten dage der overschrijving, op het regt 1

op de schuldpligtigheid geene hypothecaire inschnj- sigr

ving bestaat, en er ook geene exploiten overeen- al c

komstig art. 14 zijn overgeschreven. (B. 1210 n0. 4 1lt;

en 5, 1265.) afki

Wanneer het regt op de schuldpligtigheid bezwaard was, den

heeft de overschrijving geen plaats dan tegen overlegging: 1

1°. van het bewijs van de consignatie, in art. 9 bedoeld, en deli

2°. van het bewijs, dat de hypothecaire inschrijvingenen gesi

de overschrijving van de exoloiten, bedoeld bij art. 14, art.

zijn doorgehaald. der

Door de overschrijving gaat tevens het regt over op hen, gro(

die, overeenkomstig het tweede lid van art. 2, in de plaats wor

van den vorigen heffer zijn getreden. heiii

8. Onverminderd het bepaalde in artt. 6 en 7, behoudt (B. de heffer, wiens regt afgekocht is, dat regt ten opzigte van V den oogst des loopenden jaars, indien de overschrijving niet rent vóór 15 April van dat jaar heeft plaats gehad. het

afk(

§ 5. Van de regten van derden. 1\'

paal

1406

9. Wanneer het afgekochte regt met hypotheek is be- op

.

-ocr page 1537-

WET VAN 12 APRIL 1872.

zwaard, wordt de af koopprijs door den afkooper gestort in de consignatiekas der hoofdplaats van het arrondissement, iog- waarin het met de schuldpligtigheid belaste goed of het 2gt- voornaamste deel daarvan, naar het kadastraal inkomen be-iste rekend, gelegen is.

raai De storting wordt niet aangenomen, tenzij daarbij worde overgelegd een door den bewaarder der hypotheken afge-3tb. geven staat der op het afgekochte regt ingeschreven hypotheken tot en met den dag, aan de storting voorafgaande, om, Binnen acht dagen na de consignatie wordt deze aan de

hypotheekhouders betoekend. (B. 1265.)

lan- 10. De hypotheekhouder heeft, na de beteekening der ordt consignatie, veertien dagen om, op grond dat hij door de ven. bepaling van den afkoopprijs benadeeld is, tegen den afkoop bij den in art. 4 aangewezen regter in verzet te komen.

Het verzet wordt aangebragt door eene dagvaarding tegen den heffer en den pligtige gezamenlijk.

?tig- 11. Het verzet wordt, op straffe van nietigheid, door dien i af- hypotheekhouder aan de overige hypothecaire schuldeischers n in en aan den bewaarder der consignatie kas beteekend. Deze ^84.) beteekening geldt voor den laatste als verbod om den ge-dan consigneerden afkoopprijs af te geven, zoolang niet of de in \'aar- verzet gekomen hypothecaire schuldeischer hem beteekend heeft dat hij van zijn verzet afziet, of het vonnis, op het )ver- verzet gewezen, in kracht van gewijsde is gegaan.

Het verzet wordt als summiere zaak behandeld. (Stb. 1896 ihrij- n0. 103, a. 125, zie onder Bijlagen tot Bv.)

aald. Indien de regter het gegrond oordeelt, verklaart hij den aling afkoop van onwaarde, met bevel tot teruggave van de ge-144Ó consigneerde gelden aan den pligtige.

Hooger beroep van de beslissing des regters wordt niet lypo- toegelaten.

; regt 12. De hypotheekhouder oefent zijn regt uit op den gecon-ehrij- signeerden afkoopprijs, onverschillig of zijne schuldvordering reen- al dan niet opeischbaar zij.

n0. 4 Is de schuldvordering slechts voor een gedeelte uit den afkoopprijs gekweten, dan wordt het overige gedeelte door was, den afkoop niet opeischbaar.

ging: 13. Wanneer de hypotheek tot zekerheideenervoorwaar-Id, en delijke schuld of eener schuld van onbepaalde grootte is en en gesteld, kan de schuldeischer, behoudens het bepaalde bij quot;t. 14, art. 16, vorderen, dat do geconsigneerde som tot het beloop der in de hypotheekakte opgegeven waarde in één van de ) hen, grootboeken der nationale werkelijke schuld te zijner keuze plaats worde ingeschreven, in het eerste geval totdat de onzekerheid omtrent het bestaan der schuld hebbe opgehouden, houdt (B. 1221.)

;e van Wanneer de hypotheek tot zekerheid van altijddurende g niet renten is gesteld, dan wordt, eveneens behoudens art. 16, het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche renten uit den afkoopprijs voldaan. (B. 1807 v.)

14. Wanneer uit de opbrengst der schuldpligtigheid bepaalde betalingen moeten gedaan worden, kan hij, die regt is be- op die betalingen heeft, voor het geldelijk bedrag van dien

1407

i

-ocr page 1538-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

last zijn regt op den geconsigneerden af koopprijs uitoefenen, mits hij vóór de consignatie zijn regt aan den bewaarder of de bewaarders der hypotheken, in art. 6 genoemd, heeft doen beteekenen.

Het exploit wordt in de openbare registers overgeschreven.

Het geldelijk bedrag van den last wordt, wanneer deze bestaat in eene bepaalde uitkeering op vaste termijnen, berekend op het twintigvoud van hetgeen uit dien hoofde jaarlijks wordt uitgekeerd.

Wanneer de last bestaat in eene uitkeering op onbepaalde tijden of tot een onbepaald bedrag, zoo wordt het geldelijk bedrag van den last berekend op het twintigvoud van hetgeen in de laatste vijftien jaren deswege gemiddeld, bij het jaar berekend, is betaald.

15. Hetgeen met betrekking tot de hypotheekhouders bepaald is in de artt. 9 tot en met 12 geldt ook voor hem, die het exploit vermeld in art. 14, in de openbare registers heeft doen overschrijven.

16. Mogten onderscheidene hypothecaire schuldeischers of belanghebbenden, als bedoeld in het vorige artikel, op de geconsigneerde som hunne reg~.en willen uitoefenen en zich omtrent de verdeeling van den af koopprijs, hetzij onderling, hetzij met hem wiens regt wordt afgekocht, niet kunnen verstaan, zoo wordt door den eerstgereede hunner aan den voorzitter der arrondissements-regtbank, binnen wiens regtsgebied de consignatie heeft plaats gehad, verzocht dat een regter-commissaris benoemd worde, te wiens overstaan de verdeeling zal geschieden.

Ook de afkooper is bevoegd tot zoodanig verzoek.

Dat verzoek wordt in een daartoe ter griffie aangelegd register gesteld. Daarbij wordt een staat gevoegd van de op het afgekocht wordende regt ristende hypotheken en van de exploiten, volgens art. 14 dezer wet in de openbare registers overgeschreven.

17. De verzoeker doet de benoeming van den regter-commissaris beteekenen aan de overige belanghebbenden in het vorige artikel vermeld.

Binnen veertien dagen, tenzij door den regter-commissaris daartoe een langere termijn wordt gesteld, moeten de belanghebbenden, op straffe van anders niet in de verdeeling begrepen te worden, hunne bewijzen aan den regter-commissaris indienen, en hem door een procureur schriftelijk hunne vordering doen overleggen.

18. De regter-commissaris maakt, na verloop van den termijn bij het laatste lid van het vorige artikel bepaald, naar aanleiding van de overgelegde stukken, eenen staat van verdeeling op. Op dien staat worden in de eerste plaats gebragt de kosten, op de verdeelirg vallende, en daarna de schuldvorderingen, tot zekerheid van welke hypotheken zijn genomen, naar rang van de inschrijving dier hypotheken, alsmede de lasten overgeschreven op de wijze bij art. 14 bepaald. De rang van deze schuldvorderingen en lasten onderling wordt bepaald door het tijdstip van de inschrijving der hypotheken en van het ontslaan van de lasten. (B. 1226.)

1408

-ocr page 1539-

WET V. l\'i APRIL 187\'2 EN V. 6 APRIL \'1875. 1409

19. De regter-commissaris legt den opgemaakten staat ter griffie neder, hetgeen door den verzoeker binnen de acht volgende dagen aan de overige bij de verdeeling belanghebbenden wordt beteekend, met vermelding als in het slot van art. 484 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is voorgeschreven.

De artt. 485 tot en met 489 van dat Wetboek zijn hier mede van toepassing.

Het bevelschrift tot betaling houdt tevens in den last tot doorhaling der hypolhecaire inschrijvingen en der overschrijvingen van de exploiten in art. 14 bedoeld.

Nadat de schuldvorderingen, die uit het geconsigneerde bedrag moeten worden gekweten, door den bewaarder der consignatiekas zijn afbetaald, keert deze het overschot uit aan hem, wiens regt is afgekocht.

20. Indien een ander dan de eigenaar van den met de schuldpligtigheid belasten grond het genot heeft van den oogst, wordt het, in geval van afkoop der schuldpligtigheid, aan zijne keus overgelaten, gedurende den nog overigen tijd van zijn genot aan den eigenaar van den grond jaarlijks vijf ten honderd van den af koopprijs te betalen, of de schuldpligtigheid voortaan aan hem te voldoen.

§ 6. Slotbepalingen.

21. De artt. 1239 tot en met 1241, gelijk ook de artt. 12G5 tot en met 1268 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op de volgens deze wet op de openbare registers overgeschreven exploiten, akten en vonnissen.

22. Alle stukken, exploiten, akten en regterlijke bevelschriften en uitspraken, uit deze wet voortvloeijende, zijn vrij van zegel en worden, voorzooverre zij aan registratie zijn onderworpen, gratis geregistreerd.

Voor de overschrijving der exploiten, akten en vonnissen, in deze wet vermeld, worden geene kosten dan het loon van den hypotheekbewaarder in rekening gebrast. (Stb. 1844 n0. 62, zie blz. 1264.)

23. Alle wettelijke verordeningen betreffende den afkoop of de verwisseling in grondrente van schuldpligtigheden, als bij deze wet bedoeld, zijn afgeschaft.

Gegeven te Amsterdam, 12 April 1872.

WET

van 6 April 1875 (Stb. n0. 66), tot regeling dei* algcineene voorwaarden op welke, ten aanzien van de uitleve-ring van vreemdelingen, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten, gewijzigd bij art. 18 der Invoeringswet.

Wu WILLEM III, enz.

Ahoo Wij in overweging genomen hebben, dal het wen-

89

-ocr page 1540-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

schelijk is, tot uitvoering van art. 3 {thans 4) der Grondwet, met intrekking van de bepalingen omtrent de uitlevering in de wet van 13 Augustus 1849 (Stb. n». 39), nader te regelen de algemeene voorwaarden op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

De artikelen 16, 17 en 18 der wet van 13 Augustus 1849 (Stb. n0. 39) worden ingetrokken.

Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen dezer wet.

2. Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan wegens de volgende misdrijven, buiten het rijk gepleegd:

1®. a. aanslag, ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander hoofd van een bevrienden Staat van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeren ongeschikt te maken; (Sr. 92, 115.)

b. aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regerende Vorstin, van den Troonopvolger of van een lid van het Vorstelijk Huis; (3r. 108.)

2°. doodslag of moord, kinderdoodslag of kindermoord; (Sr. 287-291.)

3°. bedreigingen strafbaar gesteld bij het tweede lid van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht;

4°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen; (Sr. 295—297.)

5°. mishandeling die zwaar ligchamelijk letsel of den dood ten gevolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mishandeling; (Sr.300b,c,d, 301—303.)

6°. verkrachting of een der misdrijven tegen de zeden strafbaar gesteld bij de artt. 243 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht; (Sr. 242—247.)

7°. koppelarij; (Sr. 250.)

8°. dubbel huwelijk; (Sr. 237.)

9®. opligting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind; (Sr. 236.)

104. opligting of wegvoering van een minderjarige; (Sr. 279 v.)

11°. het namaken of vervalschen, met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspecien of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of vervalschte muntspecien of muntpapier; (Sr. 208, 209, 212.)

12°. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artt. 216 en 217 van het Wetboek van Strafrecht;

13°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Straf-

1410

-ocr page 1541-

WET VAN 6 APRIL 1875.

recht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten eener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerigte circulatiebank, waarvan de valschheid of vervalsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven; (Sr. 232.)

14°. meineed; (Sr. 207.)

15°. omkooping van ambtenaren strafbaar gesteld bij de artt. 178, 363 en 364 van het Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijk gestelden; (Sr. 321 v. j0. 4i, 373, 374 n0. 2.)

16». brandstichting in de in art. 157 en art. 328 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gevallen;

17°. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar gesteld bij art. 352 van het Wetboek van Strafrecht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen;

18°. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafrecht;

19°. het in de in art. 168 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederreg-telijk doen zinken of stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaartuigen;

20°. muiterij en verzet van passagiers tegen den schipper, en van mindere schepelingen jegens hunne meerderen in rang; (Sr. 895 v.)

21°. het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein; (Sr. 164.)

22°. diefstal; (Sr. 310 v.)

23°. opligting; (Sr. 326.)

24°. misbruik van eene handteekening in blanco; (Sr. 225.)

25°. verduistering; (Sr. 321 v.)

26°. bedriegelijke bankbreuk. (Sr. 341, 343.)

3. De uitlevering kan geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medepligtigheid daaraan, voorzoover die poging of die medepligtigheid ook hier te lande strafbaar is. (Sr. 45,48 v., 2 v., 59 v.)

4. Geene uitlevering wordt toegestaan zoolang de vreemdeling wegens het buiten het rijk gepleegde misdrijf hier te lande wordt vervolgd, of wanneer hij deswege hier te lande heeft teregt gestaan, en hetzij veroordeeld, hetzij van regts-vervolging ontslagen of vrijgesproken is. (Sr. 68.)

5. Geene uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding hier te lande of zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de regt-bank te worden gehoord, naar de Nederlandsche wetgeving is verjaard. (Sr. 70, 76 v.)

6. Indien de vreemdeling wegens een ander strafbaar feit dan dat waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd,

1411

-ocr page 1542-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

hier te lande vervolgd wordt of straf ondergaat, kan de uitlevering niet worden toegestaan dan na den alloop der hier te lande ingestelde vervolging, en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan, of hem daarvan gratie zal zijn verleend.

Deze bepaling belet niet dat de vreemdeling tijdelijk worde uitgeleverd, ten einde in den vreemden Staat teregt te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek worde teruggevoerd.

7. Geene uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor eenig in het verdrag niet genoemd strafbaar feit, vóór zijne uitlevering gepleegd, dan nadat hij, na zijne uitlevering, eene maand de vrijheid heeft gehad om het land weder te verlaten.

8. De uitlevering wordt aangevraagd langs diploma-tieken weg.

Zij wordt niet toegestaan dan na advies van de regtbank, onder welker regtsgebied de opgeëischte persoon is aangehouden of zich bevindt.

De regtbank beslist bij haar advies, welke der in beslag genomen goederen, in geval van uitlevering, aan den op-geëischten persoon zullen worden teruggegeven, welke, als stukken van overtuiging, zullen worden afgegeven.

9. In afwachting van de aanvrage langs diplomatieken weg kan de vreemdeling, wiens uitlevering kan worden aangevraagd, op last van een officier of een hulp-officier van justitie voorloopig worden aangehouoen, op aanvrage van de magt, in den vreemden Staat tot voorloopige aanhouding bevoegd en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

De op en bij hem zijnde goederen kunnen in beslag genomen worden.

Geschiedt de aanhouding op last van een hulp-officier van justitie, dan stelt deze den aangehoudene onverwijld ter beschikking van den officier. (Sv. 34 v.)

10. De officier kan, na den aangehoudene te hebben gehoord, een bevel van voorloopige aanhouding tegen hem uitvaardigen, dat aan den aangehoudene binnen tweemaal vier en twintig uren wordt beteekend. (Sv. 45.)

De officier beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van den aangehoudene, tenware hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag genomene goederen, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, jen en ander indien hem geene aanvrage tot uitlevering, met de daarbij noodige bescheiden, is medegedeeld binnen een termijn, bij het verdrag te bepalen, en van niet langer dan

1°. twintig dagen na de dagteekening van het bevel van aanhouding, indien de aanvrage tot aanhouding namens eene Europeesche regering is gedaan;

2°. drie maanden na die dagteekening, indien zij namens eene niet-Europeesche regering is gedaan.

Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen den gestel-

1412

-ocr page 1543-

WET VAN 6 APRIL 1875.

den termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 13 tot en met 18.

11. Bij de aanvrage tot uitlevering door de vreemde regering gedaan, moet, in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift, worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeeling, hetzij het vonnis van instaatvanbeschul-digingstelling of van regtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij eene daarmede gelijk te stellen akte, in den vreemden Staat gebruikelijk en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

12. Vreemdelingen, wier uitlevering krachtens verdrag wordt aangevraagd, kunnen, voorzoover dit niet reeds geschied is, worden aangehouden.

Het bevel van aanhouding moet hun binnen twee maal vier en twintig uren worden beteekend.

De op en bij hen zijnde goederen kunnen worden in beslag genomen.

Binnen vier en twintig uren na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan den officier van justitie bij de regt-bank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.

13. De officier requireert binnen drie dagen na de aanhouding, en, zoo deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, binnen drie dagen na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëischte persoon door de regtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.

14. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëischte persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlange, of wel de regtbank, om gewigtige redenen bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, bevele, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.

De opgeëischte persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Als raadsman kan gekozen worden ieder, die bevoegd is voor den strafregter tot verdediging van beklaagden op te treden.

15. Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de regtbank haar advies en hare beslissing, in art. 8 bedoeld, met de tot de zaak behoorende stukken aan Onzen Minister van Justitie.

16. De voorloopig aangehouden of opgeëischte persoon, die beweren mogt dat hij Nederlander en deze wet op dien grond niet op hem van toepassing is, kan dit beweren, mits niet later dan op den\' veertienden dag na zijn verhoor door de regtbank, bij verzoekschrift aan de beslissing van den Hoogen Raad onderwerpen.

Hij wordt, zoo spoedig mogelijk na zijne aanhouding, door den officier van justitie bekend gemaakt met, en bij zijn verhoor voor de regtbank herinnerd aan die bevoegdheid, onder mededeeling dat hij zich daaromtrent met een raadsman kan verstaan.

De griffier van den Hoogen Raad geeft onmiddellijk

1413

-ocr page 1544-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

kennis aan Onzen Minister van Justitie, dat het verzoekschrift is ingediend.

17. De Hooge Raad doet uitspraak, na den prokureur-generaal te hebben gehoord.

Beslist de Hooge Raad dat de verzoeker Nederlander is, dan beveelt de Raad, indien hij aangehouden is, zijne onmiddellijke invrijheidstelling, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven.

De prokureur-generaal bij den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van Justitie van de gevallen uitspraak.

Is daarbij beslist dat de verzoeker Nederlander is, dan worden de in beslag genomen goederen teruggegeven, tenware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, en vervalt de procedure bij de reglbank, indien die reeds aangevangen en nog niet geëindigd is.

18. Is vóór of op den dag in art. 16 bepaald de beslissing van den Hoogen Raad niet ingeroepen, of is door dezen beslist dat de opgeëischte persoon geen Nederlander is, dan wordt, nadat het advies der regtbank is ontvangen, door Onzen Minister de uitlevering gelast of geweigerd.

In geval van weigering wordt de opgeëischte, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, tenware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de in beslag genomen goederen teruggegeven, ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.

19. Is de opgeëischte persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door de regtbank te worden gehoord, niet verschenen, can gaan de termijnen, in artt. 15 en 16 genoemd, in met den dag waarop het verhoor door de regtbank is bepaald.

20. De Regering kan vergunnen, dat een vreemdeling, wiens uitlevering door eene vreemde mogendheid aan eene andere vreemde mogendheid is toegestaan, over het Neder-landsch grondgebied, onder medegeleide van Nederlandsche beambten, worde vervoerd, mits met de mogendheid, aan welke de uitlevering geschiedt, door Nederland een uitleveringsverdrag zij gesloten, en het misdrijf, waarvoor uitlevering toegestaan is, in dat verdrag vermeld zij.

21. Vreemdelingen, die hier te lande in voorloopige hechtenis zijn of straf ondergaan, kunnen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in eenen vreemden Staat aanhangig zijn, op last der Regering tijdelijk worden overgezonden.

Indien die vreemdelingen hier te lande straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.

22. Als Nederlanders beschouwt deze wet hen, die het zijn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren.

Aldus gewijzigd hij de slotbepaling van de Wet op het Nederlanderschap, zie die wet hierachter.

1414

-ocr page 1545-

WET V. 6 APRIL 1875 EN WET V. 9 APIUL 1875. 1415

De krachtens art. 8 van dat Wetboek a) met Nederlanders gelijk gestelden worden, voor de toepassing dezer wet, als vreemdelingen beschouwd.

23. Alle akten en stukkeu, ten gevolge dezer wet op te maken, zijn vrij van zegel en registratie en worden kosteloos afgegeven.

24. Deze wet is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen. (K. 402; W. tucht koopv., a. 3 v., zie blz. 1328.)

D

i

Gegeven te \'s-Gravenhage, 6 April 1875.

WET

van 9 April 1875 (Stb. n0. 67), tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, en zidks met intrekking der wet van 21 Augustus 1859 (Stb. n®. 98).

Hoofdstuk I. Algeneene bepalingen. Artikel 1.

Ondernemers eener spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening der dienst geleden, tenware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan. (K. 91, 345.)

2. Ten aanzien van ondernemers van spoorwegdiensten geldt hetgeen bij het Wetboek van Koophandel betrekkelijk voerlieden, schippers en ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen is bepaald. (K. 91 v.)

3. Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd hunne verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner verpligtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief, of door bijzondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der regels, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen. (A. 14 B. 1374; K. 90; Stb. 1876 n®. 7; Stb. 1883 n®. 127 Stb. 1885 n°. 195; Stb. 1887 n®. 87; Stb. 1891 n®. 100 Stb. 1894 n®. 4)

4. enz.

I |

* I

Él

a) Lees: van het Burgerlijk Wetboek.

i

-ocr page 1546-

KIJZONDERE WKTTEN EN BESLUITEN.

WET

van 17 Novcniher 1876 (Stb. n0. 227), tot regeling der

coöperatieve vereenigingen, aangevuld bij de wet van 7 Mei 1878 (Stb. n0. 41) en gewijzigd bij I. F.

Artikel 1.

De coöperatieve vereeniging wordt geregeld door de overeenkomsten der partijen, door de bepalingen dezer wet, door het burgerlijk regt, en, wanneer zij zich eene handelsonderneming ten doel stelt, ook door de bijzondere wetten van den koophandel. (K. 15.)

2. Onder coöperatieve vereenigingen verstaat de wet vereenigingen van personen, waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten, en die de bevordering van de stoffelijke belangen der leden ten doel hebben, als door middel van gemeenschappelijke uitoefening van hunne nering of ambacht, door aanschaffing van hunne benoodigdheden of het hun verstrekken van voorschotten of crediet.

Eene vereeniging, welke aan deze vereischten voldoet, verliest haar karakter niet, indien de statuten haar veroorloven haren werkkring ook tot derden uit te strekken.

3. De naam der vereeniging moet de aanwijzing bevatten van haar doel, en daarin moet het woord «coöperatief» voorkomen.

4. De acte van oprigting der coöperatieve vereeniging en die, waarbij verandering wordt gebragt in hare voorwaarden, of haar duur wordt verlengd, worden, op straffe van nietigheid, notarieel verleden. (K. 22, 38a.)

5. De leden zijn verpligt de acte in haar geheel te doen inschrijven ter griffie van het kantongeregt in welks gebied de vereeniging is gevestigd, op de daartoe bestemde openbare registers, en die acte openhaar te maken in de Neder-landsche Staatscourant.

Daarenboven moet door hen in een der nieuwspapieren der gemeente, alwaar de vereeniging is gevestigd, en bij gebreke van zoodanig nieuwspapier, in dat eener naburige gemeente, eene aankondiging worden gedaan, houdende be-rigt van het bestaan der vereeniging met aanduiding van de dagteekening en het nommer van de Staatscourant, waarin de acte is geplaatst.

Deze bepalingen gelden ook ten aanzien van veranderingen in de voorwaarden en verlenging der vereeniging.

De openbaarmaking der acte in de Staatscourant geschiedt kosteloos en in dier voege, dat al de acten krachtens deze wet in die courant opgenomen doorloopend worden ge-nomrnerd.

Een exemplaar der courant of van het bijvoegsel, waarin de acte is opgenomen, wordt door Onzen Minister van Justitie aan ieder kantongeregt toegezonden en daar bewaard, ter kostelooze inzage voor de belanghebbenden.

Ieder kan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde registers kosteloos inzien en daarvan te zijnen koste uittreksels bekomen. (K. 23 v., 38 v.)

1416

-ocr page 1547-

f

WICT VAN 17 NOVEMBER 1876.

6. Alvorens de acte van oprigting eener coöperatieve ver-eeniging en de veranderingen in de voorwaarden of verlenging der vereeniging, op de wijze voorgeschreven in het vorige artikel, zijn ingeschreven en openbaar gemaakt, geldt een en ander tegen derden niet. Zoolang de acte van oprigting niet is ingeschreven of niet is openbaar gemaakt, zijn de bestuurders persoonlijk en ieder voor het geheel verantwoordelijk voor de handelingen, ten name der vereeniging, door hen of op hun last verrigt.

Eerst na inschrijving en openbaarmaking der acte van oprigting treedt de vereeniging als regtspersoon op. (Stb. 1855 n®. 32, a. 5, v., zie blz. 1325.)

In geval van verschil tusschen het ingeschrevene en het in de Staatscourant bekend gemaakte geldt tegen derden alleen het laatste. (K. 29, 39.)

7. De acte van oprigting bevat op straffe van nietigheid:

1°. den naam der vereening, in overeenstemming met

art. 3, en der gemeente waar zij gevestigd is;

2°. het voorwerp barer onderneming;

3°. eene voldoende aanwijzing van naam en woonplaats der oprigters;

4°. de bepaling in welke mate de leden persoonlijk aansprakelijk zijn voor de verbindtenissen der vereeniging;

5°. de regeling van het bestuur der vereeniging en van het toezigt op zijne handelingen;

6°. den tijd waarvoor de vereeniging is aangegaan, welke echter in geen geval langer mag zijn dan dertig jaren, behoudens hare verlenging telken reize na het verloop van dien tijd;

7°. den dag van aanvang van het dienstjaar;

8°. de voorwaarden van in- en uittreding der leden;

9°. aanwijzing, voor elders wonende leden, van een gekozen domicilie binnen de gemeente, waar de vereeniging haren zetel vestigt. (K. 26.)

8. Voor zooverre bij de acte niet anders is bepaald:

1°. wordt het bestuur uit de leden gekozen;

2°. is het lidmaatschap persoonlijk.

9. Het bestuur en de commissarissen, zoo zij er zijn, worden door de leden gekozen.

Hun last is ten allen tijde herroepelijk, ook indien zij voor een bepaalden tijd zijn aangesteld.

Het bestuur vertegenwoordigt de vereeniging in en buiten regten.

Afwijking bij de statuten van het bij dit artikel bepaalde is niet geoorloofd. (K. 44; A. 14.)

10. Op schriftelijk verzoek van minstens een vijfde der leden is het bestuur tot bijeenroeping eener algemeene vergadering verpligt.

Indien aan dit verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen zij zeiven tot die bijeenroeping overgaan.

De bevoegdheid, bij dit artikel toegekend, kan niet worden beperkt bij de statuten. (A. 14.)

1417

|

. t

Ü * \'

i

i

Ü1

I è

I

-ocr page 1548-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

11. In het kantoor der vereeniging, ter plaatse harer vestiging, wordt een door den kantonregter vooraf gekant-teekend en gewaarmerkt ongezegeld register gehouden, behelzende:

1°. de statuten der vereeniging;

2°. eene voldoende aanwijzing van naam en woonplaats der leden, bestuurders en commissarissen, zoo die er zijn;

3°. het tijdstip van de toetreding tot en de uittreding of ontzetting uit het lidmaatschap der vereeniging;

4°. het bedrag der door ieder lid gestorte en der aan hen terugbetaalde gelden.

5°. de aanwijzing, voor elders wonende leden, van een gekozen domicilie binnen de gemeente, waar de vereeniging haren zetel vestigt. Bij gebreke van zoodanige aanwijzing, worden zij ten opzigte van derden geacht domicilie te hebben gekozen ten kantore tier vereeniging. (B. 81.)

Dit register wordt dagelijks bijgehouden.

Ieder heeft, gedurende den tijd dat het kantoor geopend is, regt op kostelooze inzage van het register en kan daarvan voor zijne rekening afschrift of uittreksel bekomen.

12. De toetreding tot de vereeniging wordt ten aanzien van de leden en van derden alleen bewezen door de gedag-teekende onderteekening van het in art. 11 bedoelde register der vereeniging of door eene notariële acte in afschrift aan dat register gehecht.

13. De opzegging van het lidmaatschap wordt ten aanzien van de leden en van derden alleen bewezen door de inschrijving eener daartoe strekkende verklaring op den kant van het in art. 11 bedoelde register naast den naam van het uittredende lid of door eene notariële acte in afschrift aan het register gehecht.

Deze inschrijving wordt gedagteekend en door het uittredend lid en het bestuur onderteekend.

14. Bij weigering van het bestuur om tot de in het vorige artikel bedoelde inschrijving mede te werken, wordt de verklaring afgelegd ter griffie van het kantongeregt, in welks gebied het kantoor der vereeniging is gevestigd.

De griffier maakt daarvan proces-verbaal op.

Binnen 24 uren zendt de griffier bij aangeteekenden brief afschrift van dit proces-verbaal aan het bestuur.

Het bestuur is verpligt dat afschrift vast te hechten aan en daarvan tevens onmiddellijk aanteekening te houden in het bij art. 11 bedoelde register.

Het proces-verbaal en het afschrift zijn vrij van zegel- en registratieregten.

15. Ontzetting van het lidmaatschap, in de gevallen en op de wijze bij de statuten bepaald, heeft geen gevolg vóór hare inschrijving in het bij art. 11 bedoelde register, met inachtneming van het bij n0. 3 van dat artikel bepaalde.

16. Het bestuur doet op eene algemeene vergadering binnen de eerste zes maanden na afloop van het dienstjaar rekening en verantwoording, onder overlegging van de noodige bescheiden.

1418

-ocr page 1549-

WET VAN 17 NOVEMBER 1876. 1419

Na verloop van dien tijd kan ieder lid de aflegging der rekening en verantwoording onder overlegging van de noo-dige bescheiden van het bestuur in regten vorderen.

De rekening en verantwoording wordt door het bestuur binnen ééne maand na hare goedkeuring nedergelegd ter griffie van het kantongeregt, in welks gebied de zetel der vereeniging is gevestigd.

Ieder kan daarvan kosteloos inzage en ten zijnen koste afschrift bekomen.

Ontheffing van de bij dit artikel aan het bestuur opgelegde verpligting is niet geoorloofd. (A. 14.)

De rekening en verantwoording, voorzien van het bewijs der goedkeuring, is vrij van zegel- en registrafitregt.

De laatste alinea bijgevoegd bij art. 2 der Wet van 7 Mei 1878 (Stb. n». 41).

17. Ingetrokken bij art. 2 der Wet ter invoering van de Faillissementswet. a)

18. De vereeniging eindigt;

1°. door het verstrijken van den tijd, voor welken zij is aangegaan;

2°. door hare ontbinding krachtens besluit der algemeene vergadering;

3°. door hare verklaring in staat van faillissement. (B. 1683 v.; K. 31, 46.)

19. Indien bij de geregtelijke of buitengeregtelijke vereffening van den boedel der vereeniging blijkt, dat hare goederen ontoereikend zijn om aan hare verbindtenissen te voldoen, zijn zij, die bij de ontbinding leden waren, of in het jaar daaraan voorafgaande zijn uitgetreden, tot dekking van het tekort, en wel, indien bij de statuten niet anders is bepaald, voor gelijke deelen verpligt, met dien verstande, dat zij ook gezamenlijk voor de betaling van ieders aandeel in den omslag borg blijven. De aansprakelijke personen zijn gehouden tot onmiddellijke betaling van hun aandeel in den omslag, vermeerderd met vijftig ten honderd, of zooveel minder als de vereffenaar of curator voldoende acht, tot voorloopige dekking van een naderen omslag voor de kosten van invordering en voor het aandeel van hen, die in gebreke mogten blijven aan hunne verplichting te voldoen. (K. 32 v., 56.)

20. Indien de voordeelen der vereeniging volgens de acte van oprigting ongelijk tusschen de leden worden verdeeld, naar mate van het bedrag der inleggelden of eenigen anderen maatstaf, kan bij de acte van oprigting worden bepaald, dat de omslag van het tekort geheel of ten deele naar denzelfden maatstaf zal geschieden.

In dat geval kan de aansprakelijkheid ook worden be-

a) Art. 17 luidde: „Bij niet-volcloening aan hare verbindtenissen worden coiiperatieve vereenigingen, onverschillig of zij al dan niet oene handelsonderneming ten doel hebben, in staat van faillissement verklaard, en is de eerste Titel van het derde Boek van hot Wetboek van Koophandel daarbij toepasselijk.quot;

-ocr page 1550-

1420 BIJZONDERE WETTEN EN 11ESLUITEN.

perkt tot eene in verhouding tot den aangenomen maatstaf bepaalde som.

Bij toepassing dezer bepaling worden teruggaven van inleggelden in het jaar, aan de ontbinding voorafgaande, als niet geschied beschouwd.

21. In de gevallen, bij art. 18 voorzien, wordt de vereeni-ging geacht te blijven bestaan alleen voorzooverre als tot hare vereffening noodig is. (K. 32.)

Met de vereffening is in de gevallen, bedoeld bij ni3. 1 en 2 van dat artikel, tenzij de statuten anders bepalen, het bestuur belast. (K. 56.)

22. Met eene geldboete van vijftig cents tot vijftig gulden worden gestraft de bestuurders:

1quot;. indien zij niet dagelijks het bij art. 11 bedoelde register bijhouden of weigerachtig zijn kosteloos inzage te geven van dat register, of daarvan tegen betaling afschrift of uittreksel te geven;

2°. indien zij de rekening en verantwoording niet op het bij het derde lid van art. 16 bepaalde tijdstip ter griffie van het kantongeregt, in welks gebied de zetel der vereeniging is gevestigd, hebben nedergelegd. Gehandhaafd en gewijzigd n/.et intrekking van een tweede lid bij art. 10 n0. 37 en 11 Inv.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 17 November 1876.

WET

uan 6 Mei 1878 (Slb. n». 30), houdende bepalingen omtrent de beëedigde vertalers.

Artikel 1.

Hij die bevoegd is tot het geven van middelbaar onderwijs in een of meer vreemde talen, wordt op zijn verlangen door de arrondissements-regtbank zijner woonplaats als vertaler voor een of meer dier talen beêedigd, wanneer hij tevens voldoende blijken geeft van kennis der Nederlandsche taal, ter beoordeeling van de regtbank, en een getuigschrift overlegt van goed zedelijk gedrag, afgegeven door burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar hij gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond. (Stb. 1863 n». 50.)

2. Ook anderen dan de in art. 1 genoemden worden, op hun verlangen, door de arrondissements-regtbank hunner woonplaats als vertaler voor een of meer talen becedigd, wanneer zij voldoende blijken geven van kennis van die taal of talen en van de Nederlandsche taal, ter beoordeeling van de regtbank, en een getuigschrift overleggen van goed zedelijk gedrag, afgegeven door burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar zij gedurende de twee laatste jaren hebben gewoond.

-ocr page 1551-

WETTEN V. 6 MEI 1878 EN V. 23 APRIL i 879.

3- Hij, die aan de vereischten van art. 1 of art. 2 voldoet, legt ter openbare tereglzitting van de regtbank den eed of de belofte af, dat hij zijne pligten als vertaler met naauwgezetheid zal vervullen.

Hem wordt, na nederlegging van zijne handteekening ter griffie, eene acte uitgereikt, houdende zijne toelating als beëedigd vertaler voor de daarin vermelde taal of talen.

4. De legalisatie der handteekening van den beëedigden vertaler op door hem als zoodanig uitgegeven stukken geschiedt, indien zij vereischt of door belanghebbenden verlangd wordt, door den president der regtbank, voor welke hij den eed heeft afgelegd, of, bij verandering van woonplaats, door den president der regtbank van het arrondissement, waartoe zijne nieuwe woonplaats behoort, mits hij, met vertooning zijner acte van toelating, ter griffie dier regtbank zijne handteekening heeft nedergelegd.

5. De acte van toelating geeft de bevoegdheid om in het geheele rijk als beëedigd vertaler op te treden voor de taal of talen, in de acte vermeld.

6. De acte van toelating kan ten allen tijde worden herroepen door de arrondissements-regtbank der woonplaats van den vertaler, op grond dat hij is gebleken onbekwaam of \'onbetrouwbaar te zijn.

Van die herroeping geschiedt openbare aankondiging in de nieuwsbladen door de zorg van het openbaar ministerie.

7. De artikelen 5 en 6 dezer wet zijn mede van toepassing op hen, die vóór hare in werking treding als vertalers door eenig regterlijk collegie waren beëedigd.

De legalisatie, bedoeld in artikel 4, geschiedt door den president van de arrondissements-regtbank hunner woonplaats, mits zij, met vertooning hunner acte, ter griffie dier regtbank hunne handteekening hebben nedergelegd.

Gegeven te Amsterdam, 6 Mei 1878,

WET

van 23 April 1879 (Stb. n0. 72), lot regeling der heffing van regten wegens de verriglingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand.

Artikel 1.

Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in de gevallen en op de wijze bij deze wet voorzien.

2. Onverminderd de bepalingen der wetten omtrent de regten van zegel en registratie, is verschuldigd een regt:

a. van veertig cents voor ieder afschrift van of uittreksel uit de akten van huwelijk of echtscheiding;

b. van vijf en twintig cents voor alle andere afschriften

1421

■quot;

lil

I

hl

1!

l

-ocr page 1552-

1422

van of uiltreksels uit akten van den burgerlijken stand, met uitzondering der afschriften en uittreksels, bedoeld in de artt. 50, 56 en HO van het Burgerlijk va Wetboek, welke kosteloos worden uitgegeven. (Loi du 22 Frim. An VII; Zegelw.)

Van de betaling van deze regten zijn vrijgesteld:

10. zij die, liet aangevraagde afschrift of uittreksel noodig hebbende in hun persoonlijk belang, van hun onvermogen iloen blijken door een getuigschrift, door den tot burgemeester hunner woon- of verblijfplaats afge- ga; geven; !

2°. de openbare ambtenaren, besturen en instellingen vai wegens de afschriften of uittreksels, door hen aange- c

vraagd in het openbaar belang.

3. De regten, krachtens art. 2 geheven, komen ten bate

van de gemeentekas. I

Zij worden door den ambtenaar van den burgerlijken stand bij de uitreiking van het afschrift of uittreksel, op welk stuk het verschuldigde bedrag wordt vermeld, ingevorderd en op de wijze door Ons te bepalen verantwoord.

4. Er wordt minstens tweemaal \'s weeks in de gemeenten boven de tien duizend zielen en minstens eenmaal \'s weeks in alle andere gelegenheid gegeven tot kostelooze huwelijksvoltrekking.

De ambtenaar van den burgerlijken stand bepaalt de dagen 3

en de uren daarvoor bestemd. a

Indien in het geval, in art. 132 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, de huwelijksvoltrekkir.g buiten het gemeentehuis plaats vindt, geschiedt zij eveneens kosteloos, indien van het onvermogen der partijen blijkt door een getuigschrift, door den burgemeester hunner woon- of verblijfplaats afgegeven.

5. Het lokaal, in het huis der gemeente voor de huwe- b lijksvoltrekking bestemd, wordt door de gemeente verstrekt.

Voor huwelijksvoltrekking, op anderen tijd of andere wijze als waarop zij ingevolge het voorschrift van het voorgaande artikel kosteloos plaats heeft, kan door de gemeente regt c. worden gevorderd.

Op zoodanig regt is art. 238 der Wet van 29 Junij 1851 d (Stb. n0. 85), regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen, van toepassing.

6. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Met het in werking treden dezer wet zijn het Keizerlijk decreet van 12 Julij 1807 en alle andere verordeningen tot e. de heffing van regt ter zake van het opmaken van akten of f. andere verrigtingen van den burgerlijken stand vervallen.

Gegeven te Amsterdam, 23 April 1879. ^

in a daar wijzlt;

-ocr page 1553-

WET VAN \'23 APRIt, 1880.

WET

van 23 April 1880 (Stb. n0. 67), betreffende de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten.

Artikel 1.

Tot het in werking brengen van een openbaar middel tot vervoer van personen of goederen wordt geene voorafgaande vergunning gevorderd.

2. De ondernemer van een openbaar middel tot vervoer van personen is verpligt vóór den aanvang der dienst:

a. aankondiging te doen in een dagblad van de hoofdplaats tier provincie of van elk der provinciën, waarin het vervoer zal plaats hebben;

b. een door hem geteekende afdruk of afschrift van die aankondiging met een exemplaar van het dagblad, waarin ze is geplaatst, tegen bewijs van ontvangst, in te zenden aan Gedeputeerde Staten van elke provincie, waarin het vervoer zal plaats hebben, aan de besturen van alle gemeenten, waar de wagens of vaartuigen zullen stilhouden tot in- en uitlaten van reizigers, en aan de officieren van justitie bij de regtbanken, in welker arrondissementen deze gemeenten zijn gelegen.

3. De aankondiging, bedoeld in art. 2, houdt in:

a. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den ondernemer of de ondernemers.

Is de ondernemer eene vennootschap, eene vereeni-ging of een zedelijk ligchaam, dan moet bovendien eene aanwijzing geschieden van den persoon of de personen, aan wie het bestuur der onderneming is opgedragen.

b. eene omschrijving van de soort van het vervoermiddel en eene opgaaf van het aantal plaatsen, dat voor de reizigers bij den aanvang van elke reis minstens beschikbaar zal zijn;

c. den land- of waterweg, waarlangs de onderneming zal uitgeoefend worden;

d. de plaatsen, alwaar geregeld zal worden stilgehouden tot het in- en uitlaten van reizigers, met aanduiding van een hoofdkantoor in een dezer plaatsen, binnen het Koningrijk gelegen, alwaar de ondernemer, voor alles wat de onderneming betreft, geacht wordt woonplaats te hebben gekozen;

e. het tijdstip waarop de dienst een aanvang zal nemen;

f. de dagen en uren, waarop het openbaar middel van vervoer van elk der onder d bedoelde plaatsen zal vertrekken en aldaar zal aankomen;

g. de vrachtprijzen voor de reizigers en hunne bagage van en naar die plaatsen.

4. In geval van verandering in de bepalingen, bedoeld in art. 3, of van het doen eindigen van de dienst, wordt daarvan aankondiging gedaan en berigt ingezonden, op de wijze bedoeld in art. 2.

1423

-ocr page 1554-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Deze aankondiging en inzemling geschieden ten minste acht dagen te voren.

Is de verandering het gevolg van veranderde dienstregeling

op de spoorwegen of van stoombooten, dan geschieden de jian(

aankondiging en inzending zoo spoedig mogelijk, uiterlijk 2 3

tweemaal vier en twintig uren na de verandering. jjli (

5. De ondernemer of, waar deze overeenkomstig art. 3a za| . is aangewezen, de bestuurder zorgt, dat een door hem ge- zaj waarmerkte afdruk of afschrift van de aankondiging bedoeld wor( in art. 2, op elk der plaatsen, waar gelegenheid bestaat tot jjgj in- en uitlaten van reizigers, en in elk middel van vervoer gedurende de uitoefening van de dienst op eene voor allen zigtbare plaats, ten dienste van het publiek aanwezig is.

6. De ondernemer is verantwoordelijk voor de schade in door de reizigers bij de uitoefening der dienst geleden, ten

ware de schade buiten zijne schuld of die zijner beambten fen(]

of bedienden zij ontstaan. in

Insgelijks is hij verpligt tot vergoeding der schade, ver- jgj.

oorzaakt door niet nakoming der bepalingen omtrent de ter

dienst in de aankondigingen opgenomen, of door verzuim maj{

van de aankondigingen bij art. 4 bedoeld. eenÉ

Voor de in dit artikel bedoelde schadevergoedingen zijn q

de ondernemers hoofdelijk aansprakelijk. (K. 91, 345; Spoorw. a]ge

w , zie blz. 1415.) met

7. De bepalingen tot verzekering der veiligheid van de d, reizigers met openbare middelen van vervoer worden door 0Vgr Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast- 0f gesteld. (Stb. 1880 nquot;. 121. Zie hierachter.)

8. De ondernemers zijn verpligt, tegen schadeloosstelling,

op aanvraag van het bestuur der posterijen de brievenmalen k

te vervoeren. voer

De schadeloosstelling wordt bij gebreke van minnelijke ]],[

schikking, op een verzoekschrift van het bestuur der poste- wer]

rijen, na verhoor of behoorlijke oproeping van den onder- jing

nemer of bestuurder, door den kantonregter, in wiens in

ressort de gekozen woonplaats gelegen is, bepaald. acht

Zij zijn verantwoordelijk voor het in goeden staat be- over

waren der brievenmalen en zijn verpligt ze onverwijld na conc aankomst ter plaatse van bestemming aan den ambtenaar

met de ontvangst belast af te leveren. ■.v001

De ondernemers zijn bovendien gehouden om, bij ontoe- verst reikendheid van de gewone middelen van vervoer van het dien; bestuur der posterijen, op aanvraag van de postdirecteuren, en : de pakketten, \'s rijks dienst betreffende, kosteloos in hunne de 1 voer- of vaartuigen mede te nemen. weg

9. Hij, die een openbaar middel tot vervoer van personen Ue

in werking brengt of houdt zonder de bij de artt. 2 en 3 voor- de 0 geschreven aankondiging en inzending te hebben gedaan, 12

wordt gestraft met eene geldboete van f 0.50 tot f 75. te bi

De ondernemer of bestuurder van een openbaar middel tot vervoer van personen, die in gebreke blijft te voldoen aan de bepalingen van de artt. 4 en 5, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ0.50 tot f25.

De ondernemer of bestuurder van een openbaar middel

1424

-ocr page 1555-

WET VAN 23 APRIL 1880.

tot vervoer van personen, of hunne beambten en bedienden worden gestraft:

indien zij buiten het geval van noodzakelijkheid in strijd handelen of doen handelen met hetgeen ingevolge de artt. 2, 3 en 4 is aangekondigd omtrent het aantal plaatsen, dat bij den aanvang van elke reis voor de reizigers beschikbaar zal zijn, den land- of waterweg, waarlangs de onderneming zal uitgeoefend worden, de plaatsen alwaar geregeld zal worden stilgehouden tot het in- en uitlaten van reizigers, het tijdstip waarop de dienst een aanvang zal nemen of de dagen en uren van vertrek en aankomst, of indien zij hoogere dan de aangekondigde vrachtprijzen vorderen of doen vorderen, met eene geldboete van ƒ 0.50 tot ƒ25;

indien zij weigeren de hun overeenkomstig art. 8 aangeboden brievenmalen of pakketten, \'s rijks dienst betreffende, te vervoeren, met eene geldboete van ƒ0.50 tot ƒ75;

indien door hunne schuld of nalatigheid de overbrenging der brievenmalen of pakketten, of de aflevering daarvan ter plaatse van bestemming, wordt vertraagd, of brievenmalen of pakketten verloren gaan of beschadigd worden, met eene geldboete van ƒ0.50 tot ƒ50.

Overtreding der bepalingen van den in art. 7 bedoelden algemeenen maatregel van inwendig bestuur wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 0.50 tot ƒ 25.

De beambten en bedienden zijn niet strafbaar, zoo hunne overtreding een gevolg is van den last door den ondernemer of bestuurder gegeven.

Gehandhaafd en geivijzigd bij art. 10 n0. 41 en 11 Invoeringswet.

10. De ondernemer van een bestaand middel tot vervoer van personen is, op straffe als bepaald in het eerste lid van art. 9, verpligt, binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet, alsnog de aankondiging en inzending te doen, bij de artt. 2 en 3 voorgeschreven.

Inmiddels wordt hij voor de toepassing dezer wet geacht de aankondiging en inzending te hebben gedaan, overeenkomstig de bepalingen der hem vroeger verleende concessie.

11. Voor de toepassing van deze wet worden onder de woorden «openbare middelen tot vervoer van personen» verstaan de rijtuigen, met uitzondering van die der spoorwegdiensten bedoeld bij de wet van 9 April 1875 (Stb. n0. 67) en art. 1 der wet van 9 Augu^u\'s 1878 (Stb. n0. 124), en de vaartuigen, bestemd om geregeld langs een bepaalden weg de personen, die zich daartoe aanmelden, te vervoeren.

Het vervoer van personen binnen eene gemeente, alsmede de overzetveren, worden door deze wet niet geregeld.

12. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (Stb. 1880 n0. 122.)

Met dat tijdstip vervallen de Koninklijke besluiten van: 1 Maart 1818 (Stb. n0. 9),

21 Augustus 1818 (Stb. n0. 83),

4 September 1819 (Stb. n0. 46),

24 November 1829 (Stb. n®. 73),

1425

90

-ocr page 1556-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

6 Junij 1831 (Stb. n#. 14), 31 Julij 1841 (Stb. n». 26), 19 December 1845 (Stb. n®. 91), 9 Mei 1846 (Stb. n». 23), 6 February 1847 (Stb. n0. 3), 30 January 1848 (Stb. n0. 3) en 12 February 1850 (Stb. n4. 7).

Gegeven op het Loo, 23 April 1880.

BESLUIT

van 31 Juli 1880 (Stb. n0. 121), houdende bepalingen, ter verzekering van de veiligheid der reizigers met openbare middelen van vervoer.

Artikel 1.

In dit besluit worden onder rij- en vaartuigen verstaan die, welke door den ondernemer van een openbaar middel tot vervoer van personen, als bedoeld bij art. 11 der wet van 23 April 1880 (Stb. nquot;. 67), voor de uitoefening zijner dienst worden gebezigd.

2. De dienst mag niet worden aangevangen, alvorens de rij- of vaartuigen door of van wege het gemeentebestuur der plaats, waar het hoofdkantoor der onderneming is gevestigd, met het oog op de veiligheid der reizigers, zijn goedgekeurd.

Bij weigering dier goedkeuring, kan de beslissing van den Commissaris des Konings in de provincie worden ingeroepen.

Van de verleende goedkeuring wordt den ondernemer een bewijs uitgereikt.

De bepalingen van dit artikel gelden ook ten opzigte van het in gebruik nemen van andere rij- of vaartuigen in eene bestaande dienst.

3. Buiten op elk rij- of vaartuig wordt met duidelijk zigt-bare letters vermeld: de naam van den ondernemer of van de onderneming, het grootste getal personen waarvoor het bestemd is en het grootify\'gewigi, hetwelk daarop bovendien mag worden geladen, benevens, zoo er meerdere rij-of vaartuigen voor de uitoefening derzelfde dienst worden gebezigd, een onderscheidende naam of nummer.

4. Indien naar het oordeel der ambtenaren, met de handhaving van dit besluit belast, de onvoldoende toestand van het rijtuig, van zijne bespanning, of van het tuig, of de onvoldoende toestand, uitrusting of bemanning van het vaartuig, ^ gevaar oplevert voor de veiligheid der reizigers, wordt het njel v vertrek of de voortzetting der reis door hen verboden. |g

1426

In zoodanig geval mag het vertrek of de voortzetting der nej^,\', reis niet plaats hebben, tenzij het gebrekkige zij hersteld,

.

-ocr page 1557-

BESLUIT VAN 31 JULI 1880.

of het bezwaar door het hoofd van het gemeentebestuur ongegrond wordt geoordeeld.

5. Het is verboden, personen beneden den achttienjarigen leeftijd als voerlieden der rijtuigen, en beneden den twintigjarigen leeftijd, als gezagvoerders of stuurlieden der vaartuigen of als machinisten, in dienst te hebben, of personen, die zich in kennelijk beschonken toestand bevinden, als zoodanig te bezigen.

6. Personen, in kennelijk beschonken toestand, of lijdende aan besmettelijke ziekten, of die wegens andere redenen voor hunne medereizigers gevaarlijk zijn, worden niet in de rij- of vaartuigen toegelaten, en, zoo de omstandigheid eerst gedurende de reis ontdekt wordt, daaruit verwijderd; alles, tenzij er gelegenheid besta tot afzonderlijke plaatsing, en behoudens inachtneming van de bepalingen der wet van 4

ler December 1872 (Stb. n0. 134), tot voorziening tegen besmettelijke ziekten.

7. Gevaarlijke en zieke dieren mogen met de rij- en vaartuigen niet worden vervoerd, tenzij onder behoorlijk geleide, en met zoodanige voorzorgen als de veiligheid dei-reizigers vordert.

g_ Het is verboden, buskruid of andere ligt ontplofbare k*6\' stoffen met de rij- of vaartuigen te vervoeren. ,wet Hiervan zijn uitgezonderd de munitiën, welke tot de uit-lner rusting van in dienst reizende militairen behooren, en het buskruid, hetwelk kan geacht worden tot de uitrusting van \' het vaartuig te behooren, of hetwelk reizigers in niet grootere .uur hoeveelheid dan van één kilogram, mits in behoorlijk ge-Spquot; sloten metalen verpakking, met zich voeren.

zlJn Geladen geweren worden nooit toegelaten.

9. Rondom de vaartuigen moet, ter plaatse, door of van van wege het in art. 2 bedoelde gemeentebestuur aan te wijzen, n8e\' met eene afstekende kleur, eene lijn zijn geverwd, aanwijzende den grootsten geoorloofden diepgang.

• een jn gevai van bezwaar tegen de aanwijzing van het gemeentebestuur, kan de beslissing van den Commissaris des ivan Konings in de provincie worden ingeroepen.

eene ]Iet is verboden het vaartuig zoo zwaar te laden, dat eenig deel dezer lijn beneden de oppervlakte van het water kome. Z1gt_ Onverminderd het instellen van bekeuring, is het vertrek of de voortzetting der reis verboden, totdat het vaartuig r het zooverre is geligt, dat de lijn weder boven de oppervlakte wen- van jjgj- water kome.

2 quot;Jquot; 10. Waar aanlegplaatsen zijn, moet daarvan voor het )rden in. en uitiaten van reizigers door de vaartuigen worden gebruik gemaakt, tenzij dit gebruik door laag water of ander land- gevai van overmagt onmogelijk of gevaarlijk is. 1 van gjj jjgt naderen eener boot, tot het aan boord bren-

invol- gen 0f daarvan af halen van reizigers, moeten de werktuigen ^u\'8i van een stoomvaartuig tijdig worden gestopt. Zij mogen It het njet Weder worden aangezet, voordat de boot buiten gevaar is. ■ 12. Voor de overtredingen van dit besluit is, met inacht-

«5 neming van de voorlaatste zinsnede van art. 9 der wet van •steld, \'23 April 1880 (Stb. n0. (37), aansprakelijk de ondernemer.

1427

-ocr page 1558-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

of waar deze, overeenkomstig art. 3a dier wet is aangewezen, de bestuurder der onderneming.

13. Met de handhaving van dit besluit zijn, behalve de ambtenaren, aangewezen in art. 11 {lhans art. 8) van het Wetboek van Strafvordering, ook belast de ambtenaren en beambten van den rijks- en van den provincialen waterstaat, alsmede van de rijks- en van de gemeentelijke politie.

Deze zijn bevoegd de voor het publiek bestemde wachtkamers en kantoren, alsmede de rijtuigen, binnen te treden, en zich op en in de vaartuigen te begeven.

14. De bepalingen van dit besluit treden in werking op den door Ons, tot het in werking treden van de wet van 23 April 1880 (Stb. n0. 67), nader te bepalen dag.

WET

van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 97), houdende wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, gewijzigd bij de Wetten van 23 April 1884 (Stb. n0.54) en 16 April 1885 (Stb. nquot;. 78) alsmede arM0no.44 en 11 der Invoeringswet, a.)

Artikel 1.

Hij die sterken drank in het klein verkoopen wil, vraagt, behoudens de uitzonderingen in art. 15 vermeld, daartoe vooraf vergunning aan burgemeester en wethouders der gemeente binnen welke hij dat bedrijf wenscht uit te oefenen.

Onder verkoop in het klein wordt verstaan verkoop bij hoeveelheden van minder dan twee liter.

Het verzoekschrift om vergunning bevat eene naauw-keurige opgave van de localiteiten, waar men sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, en van de namen, voornamen, ambten, beroepen ea bedrijven, zoowel van den verzoeker als van hen, die het huis, waarin de localiteiten zijn of waarbij die behooren, bewonen en ouder zijn dan zestien jaren.

De vergunning wordt alleen geweigerd in de gevallen bij de wet vermeld.

2. Het aantal te verleenen vergunningen mag niet meer bedragen dan:

1428

in gemeenten met meer dan 50.000 zielen, 1 op 500 inwoners;

a) Deze wet is afgedrukt naar de uitgave van den gewijzigden tekst bij Besluit van 10 Mei 1885 sub no. 118 in het Staatsblad geplaatst, zooals die tekst op nieuw door do invoering van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd.

-ocr page 1559-

WET VAN 28 JUNI 1881.

in gemeenten met meer dan 20.000 en ten hoogste 50.000 zielen, 1 op 400 inwoners;

in gemeenten met meer dan 10.000 en ten hoogste 20.000 zielen, 1 op 800 inwoners;

in de overige gemeenten 1 op 250 inwoners;

een en ander met dien verstande dat toeneming dei-bevolking geene verlaging van het maximum meèbrengt.

Door Ons kan, Gedeputeerde Staten gehoord, en op voorstel van den betrokken gemeenteraad, naar aanleiding van bijzondere plaatselijke omstandigheden, eene verlaging of verhooging van het maximum der volgens de eerste zinsnede van dit artikel in eene gemeente te verleenen vergunningen, worden vastgesteld. Deze vaststelling geschiedt voor een bepaalden termijn, die, des gevorderd, op gelijke wijze kan worden verlengd.

Vergunningen boven het vastgestelde maximum kunnen in bijzondere gevallen door burgemeester en wethouders eener gemeente, na magtiging van Gedeputeerde Staten, worden verleend bij gemotiveerd besluit, in de Staatscourant te vermelden. Zij worden, zoodra zich daartoe de gelegenheid voordoet, binnen de grenzen van het maximum teruggebragt.

Bij plaatselijke verordening kan de gemeenteraad, onverminderd zijne bevoegdheid krachtens art. 135 der gemeentewet :

l6. wijken, buurten of straten aanwijzen waar verkoop van sterken drank in het klein niet of niet dan onder zekere voorwaarden mag worden vergund;

eischen stellen voor de localiteiten waar verkoop van sterken drank in het klein mag worden vergund. De in art. 1 bedoelde vergunning wordt geweigerd: wanneer door het verleenen der vergunning in strijd zou worden gehandeld met de bepalingen van art. 2 of met eene in dat artikel bedoelde plaatselijke verordening ;

wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit, die voor de openbare dienst wordt gebruikt, of die met zoodanige localiteit binnen \'s huis gemeenschap heeft;

wanneer de verzoeker tot eene gevangenisstraf van een jaar of tot eene zwaardere straf onherroepelijk is veroordeeld en er nog niet vijf jaren zijn verloopen nadat hij zijne straf heeft ondergaan;

wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering van die van art. 23, of wegens een der feiten omschreven in art. 184, voor het geval het feit betrekking heeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet of de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 252, 426, 453 en 454 van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurt;

1429

2®.

3.

2°.

3».

-ocr page 1560-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

5°. wanneer de verzoeker het genot van zijne burgerlijke of burgerschapsregten krachtens een onherroepelijk strafvonnis geheel of gedeeltelijk heeft verloren, zoolang het gemis van dat genot voortduurt;

6°. wanneer het verzoek strekt tot drank verkoop in bordeelen;

7°. wanneer binnen de laatste vijf jaren eene vroegere vergunning den verzoeker verleend, werd ingetrokken krachtens art. 9, n0. 3;

8°. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of loten worden verkocht in de Neder-landsche Staatsloterij of die met zoodanige localiteiten binnen \'shuis gemeenschap heeft.

Onder andere winkelnering wordt niet verstaan het bedrijf van slijter in sterke dranken, wijnen of bieren, restaurateur, societeit-, billard-, kolfbaan-, kegelbaan- en opentafelhouder, koffijhuis-, wijnhuis-of bierhuishouder;

9°. wanneer de verzoeker of een bewoner van het huis waarin hij sterken drank in het klein wenscht te verkoopen, tolgaarder, brugwachter, brugwaker, sluiswachter, sluismeester of sluisknecht is, of wanneer de verzoeker eenig openbaar ambt bekleedt;

10°. wanneer de verzoeker is de tusschenpersoon voor iemand, die in een der onder nos. 3, 4, 5, 7 en 9 vermelde gevallen verkeert.

4. Van het verbod, vervat in art. 3, n0. 2, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel betreft gebouwen, tot de Rijks- of provinciale dienst gebruikt, door Ons; voor zooveel betreft gebouwen, tot eene andere openbare dienst gebruikt, door Gedeputeerde Staten. Voor de localiteiten tot de openbare dienst der gemeente gebruikt, wordt geen vrijstelling verleend.

Op voordragt van burgemeester en wethouders kan door Gedeputeerde Staten vrijstelling worden verleend van het verbod, vervat in art. 3, n0. 8, voor kommen van dorpen, voor gehuchten of voor afzonderlijk gelegen buurten, waar op niet meer dan twee plaatsen sterke drank in het klein wordt verkocht.

Van het verbod, vervat in art. 3, n0. 9, kan vrijstelling worden verleend, voor zooveel Rijksambten of bedieningen betreft door Ons, voor zooveel andere ambten of bedieningen aangaat door Gedeputeerde Stater, in beide gevallen burgemeester en wethouders gehoord.

5. Het in art. 1 bedoelde verzoekschrift om vergunning wordt, zoodra het is ingekomen, door burgemeester en wethouders op de in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt.

Binnen eene maand, nadat deze bekendmaking geschied is, wordt op het verzoek schriftelijk beschikt.

6. Onverminderd de bepalingen der wet van 21 Mei\'1819 (Stb. n0. 34), heeft de vergunning, in art. 1 bedoeld, geene kracht vóór de betaling van een gemeentelijk vergunningsrecht, door den gemeenteraad vast te stellen.

1430

-ocr page 1561-

WET VAN 28 JUNI 1881.

Als grondslag voor de berekening van het vergunningsrecht wordt aangenomen de jaarlijks te schatten huurwaarde, die de localiteit, in verband met den omvang van het bedrijf, waarvoor de vergunning strekt, kan geacht worden te bezitten.

Dit vergunningsregt mag niet lager zijn dan vijf gulden en niet hooger dan twaalf gulden vijftig cents voor elke vijftig gulden huurwaarde of gedeelte daarvan, met dien verstande dat het regt voor eene vergunning tot 30 April 1890 niet lager dan vijftien gulden, van 1 Mei 4890 tot 30 April 1895 niet lager dan twintig gulden en daarna niet lager dan vijf en twintig gulden zij.

Het bedrag wordt met vijf en twintig ten honderd verminderd voor de localiteiten waar geen sterke drank verkocht noch geschonken wordt tusschen Zaturdagavond tezes en Maandagochtend te zes ure.

De regeling van dit vergunningsregt geschiedt met inachtneming van de artikelen 232 tot 236 der wet van 29 Junij 1851 (Stb. n». 85).

7 • De vergunning wordt verleend voor één jaar, loopende van 1 Mei tot 30 April. Zij kan ook tusschentijds worden verleend; alsdan loopt de eerste termijn tot 30 April daaraanvolgende; voor dit tijdvak wordt het vergunningsregt bij kwartalen berekend en geldt een gedeelte van een kwartaal voor een geheel.

De vergunning wordt telkens geacht weder voor één jaar te zijn verlengd, indien vóór het eindigen van den termijn het verschuldigde vergunningsregt voor den volgenden termijn is betaald en burgemeester en wethouders art. 9 van deze wet niet hebben toegepast.

8. De vergunning geldt uitsluitend voor de daarin vermelde localiteiten. Zij geldt, behoudens de uitzonderingen in het tweede lid van dit artikel vermeld, uitsluitend voor den persoon des verzoekers.

Bij overlijden of tijdelijke onbevoegdheid of verhindering van den geregtigde tot uitoefening van het bedrijf, kan dit gedurende het loopende vergunningsjaar, zonder nadere vergunning worden voortgezet, in het eerste geval door de erfgenamen of een of meer hunner, in het tweede geval door hen die, hetzij krachtens de wet, hetzij krachtens opdragt van den geregtigde, daartoe bevoegd zijn.

9. De vergunning wordt door burgemeester en wethouders ingetrokken:

1°. wanneer omstandigheden zich voordoen op grond waarvan, waren ze vroeger aanwezig of bekend geweest, zij krachtens art. 3; nos. 2—10 zou zijn geweigerd ;

2°. wanneer van eene verleende vergunning gedurende drie maanden achtereen opzettelijk niet wordt gebruik gemaakt;

3°. wanneer zich in de localiteiten ten gevolge van dronkenschap feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de voortduring der vergunning een gevaar zou opleveren voor de openbare orde of veiligheid.

1431

-ocr page 1562-

l\'.MZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

10. Afwijzende beschikking op het verzoek, alsmede intrekking der vergunning is met redenen omkleed en wordt den belanghebbende in gesloten omslag gezonden.

11. Tegen de weigering of de intrekking der vergunning kan de belanghebbende, en tegen het verleenen der vergunning of het weigeren der intrekking de burgemeester in hooger beroep komen bij Gedeputeerde Staten, en wel de belanghebbende binnen veertien dagen nadat de beschikking van burgemeester en wethouders te zijner kennis is gebragt, en de burgemeester binnen veertien dagen na dagteekening van de beschikking of weigering tot intrekking.

De beslissing van Gedeputeerde Staten wordt genomen bij een met redenen omkleed besluit, binnen drie maanden nadat het beroep is ingesteld, ten ware zij vooraf bij afzonderlijk besluit mogt verdaagd zijn.

Hangende de termijnen tot en de behandeling van het hooger beroep blijft de vergunning of hare intrekking buiten werking.

Wordt het besluit van Gedeputeerde Staten door Ons vernietigd, dan hebben deze op nieuw over de zaak uitspraak te doen, met inachtneming van Onze beslissing.

12. Burgemeester en wethouders zenden jaarlijks aan Gedeputeerde Staten eene opgave van het getal der gedurende het vorige jaar verleende en ingetrokken vergunningen, van den daarvoor betaalden prijs, alsmede van de in de gemeente bestaande inrigtingen waar, krachtens vergunning, sterke drank in het klein wordt verkocht.

Deze opgaven worden opgenomen in het provinciaal verslag en in de Staatscourant.

13. In elke inrigting waar krachtens vergunning sterke drank in het klein wordt veritocht, moet een door den gemeentesecretaris gewaarmerkt afschrift der vergunning, alsmede een gedrukt exemplaar van de wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, duidelijk leesbaar zijn opgehangen. Tevens moet boven of ter zijde van de buitendeur, die toegang geeft tot de inrigting, met duidelijke letters te lezen zijn:

1°. de naam van hem, aan wien de vergunning is verleend;

26. het woord «Vergunning»;

3°. voor de localiteiten, in de vierde zinsnede van art. 6 bedoeld, de tijd gedurende welken daarin geene sterke drank verkocht noch geschonken wordt.

Binnen acht dagen moet het in het eerste lid bedoelde afschrift, in geval van het vervallen of intrekken der vergunning, aan burgemeester en wethouders worden teruggezonden en het woord Vergunning worden weggenomen.

14. Wanneer zonder de vereischte vergunning sterke drank in het klein wordt verkocht, verbieden burgemeester en wethouders het voortzetten van dien verkoop en doen zij dien des noods beletten.

15. De artt. i—14 zijn niet van toepassing:

1°. op drankverkoop in logementen aan logeergasten;

1432

-ocr page 1563-

WET VAN 28 .lUNI 1881.

2°. op drankverkoop aan boord van vaartuigen aan de opvarenden;

3°. op drankverkoop door marketentsters aan militairen op marsch, in legerplaatsen of in localiteiten aan het militair gezag onderworpen, door diegenen aan wie dit door de militaire overheid wordt toegelaten.

Strafbepalingen.

16. Onverminderd de strall\'en wegens overtreding der wetten op het patent of wegens het houden van een huis van hazardspel, wordt met hechtenis van één tot een-en-twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden gestraft;

1*. hij die zonder de vereischte vergunning sterken drank in het klein verkoopt, te koop aanbiedt of ten verkoop in voorraad heeft;

2°. hij die in eene voor het publiek toegankelijke locaii-teit, waarvoor geen vergunning is verleend, sterken drank schenkt of in het klein toedient;

3°. hij die in eene localiteit waar sterke drank in het klein verkocht wordt, op eenigerlei wijze aan koop van sterken drank eene kans op winst verbindt;

4°. hij die eene der handelingen in de drie vorige nommers omschreven, in zijne woning toelaat.

17. Met hechtenis van één tot een-en-twintig dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden wordt gestraft:

1°. Vervangen door Sr. 454.

2°. de verkooper of zijn vervanger, die bij gelegenheid van eene openbare verkooping den kooper of gegadigde om niet sterken drank toedient of doet toedienen.

18. De in de artt. 16 en 17 bedreigde straffen van hechtenis kunnen met een derde worden verhoogd, indien, tijdens het plegen van het feit, nog geene twee jaren zijn verloopen sedert de schuldige wegens een der in die artikelen of in artikel 252 nquot;. 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten onherroepelijk is veroordeeld, a)

19—22. Vervangen door Sr. 252, 426 en 453.

23. Met geldboete van vijftig cents tot vijftien gulden wordt gestraft de overtreding van elk der bepalingen van art. 13.

1433

Indien de vergunning is verleend aan eene vennootschap onder eene firma of eene naamlooze vennootschap of een zedelijk ligchaam of aan het bestuur van deze, is voor de hierbedoelde overtredingen aansprakelijk degene aan wien de verkoop van sterken drank in het klein is opgedragen,

a) Deze aanvangstermijn voor de herhaling is voor art. 3 no. 1 dezer wet nitdrnkkelijk gehandhaafd en bevestigd bij Inv. 10 no. 44. De bepaling van Inv. 11/ moet dns geacht worden op deze wet niet toepasselijk te zyn.

-ocr page 1564-

4434 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

en bij gebreke van zoodanig persoon ieder der beheerende vennooten of bestuurders.

24. Vervallen.

25. Met het opsporen van de overtredingen dezer wet en van de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen zijn, behalve de bij art. 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de maréchaussée en alle ambtenaren van de rijks- en gemeente-politie.

De voormelde ambtenaren hebben ten allen tijde vrijen toegang tot alle localiteiten waar sterke drank in het klein wordt \'verkocht. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien des noods met inroeping van den sterken arm.

Is de localiteit tevens eene woning of alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier-en-twintig uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Overgangsbepalingen.

26. Voor de localiteiten waarin op 1 Mei 1881, zonder strijd met wet of verordening, sterke drank werd verkocht, kan, zoolang aan die localiteiten de bestemming om voor verkoop van sterken drank in het klein te worden gebruikt niet door eene daad van den eigenaar of gebruiker is ontnomen, de vergunning, tenzij ir, de gevallen bedoeld bij art. 3, nos. 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10, niet geweigerd worden:

a. aan hem, die op voormeld tijdstip daarin het bedrijf uitoefende, zoolang hij leeft;

b. aan anderen gedurende de eerste twintig jaren na voormeld tijdstip.

Na 30 April 1885 wordt, tenzij de vergunning verleend is op grond van eene vrijstelling krachtens het tweede lid van art. 4, de vergunning voor de bovengemelde localiteiten, waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of die met zoodanige localiteit binnen \'s huis gemeenschap hebben, bij tijdige betaling van het vergunningsregt slechts geacht verlengd le zijn onder voorwaarde:

1°. dat de verkoop van sterken drank geschiede in gesloten flesschen, kannen of kruiken;

2°. dat in de voor het publiek toegankelijke localiteiten geen aangebroken vaten, fiesschen, kannen of kruiken, sterken drank inhoudende, aanwezig mogen zijn; en

3°. dat het drinken van sterken drank in die localiteiten niet worde toegelaten.

Vergunningen, bedoeld in het vorige lid, waarvan de termijn afloopt tusschen 4 Mei 1884 en 1 Mei 1885, worden geacht onder de in dat lid bedoelde voorwaarden verlengd te zijn, indien de betaling van het vergunningsregt tot 1 Mei 1886 geschiedt vóór 1 Junij 1884.

-ocr page 1565-

WET VAN 28 JUNI \'1881.

27. De niet-inachtneming der voorwaarden, genoemd in het voorlaatste lid van art. 26, wordt gestraft met geldboete van vijftig cents tot vijf en twintig gulden. De vergunning van dengene, die te dezer zake onherroepelijk is veroordeeld, wordt ingetrokken.

28. Tot 1 Mei 1887 kan van het verbod, vervat in art. 3, n0. 2, vrijstelling worden verleend door Gedeputeerde Staten voor zooveel betreft gebouwen tot de openbare dienst van een of meer gemeenten gebruikt.

29. De termijn van alle vergunningen, die in het jaar aanvangende met 1 Mei 1885, verlengd worden, wordt geacht op 30 April 1886 te eindigen.

Van het vergunningsregt voor dezen termijn wordt zooveel twaalfden betaald als de termijn maanden bevat. Een gedeelte van eene maand geldt voor een geheele.

30. Alle plaatselijke verordeningen, regelende het heffen van vergunningsregt, worden overeenkomstig de bepalingen dezer wet herzien vóór 1 Januari 1886; de thans geldende blijven niet langer dan tot 1 Mei 1886 van kracht.

§ 26 der wet van 16 April 1885 (Stb. n*. 78).

De tegenwoordige wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.

(Deze wet is afgekondigd op 1 Mei 1885.)

WET

van 28 Juni 1881 (Stb. n0. 124), tot regeling van het auteursrecht.

§ 1. Begrip en omvang van het auteursrecht.

Artikel 1.

Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneel-werken en mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden toe.

Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke uit- of opvoering, die, tegen betaling voor eens of voor meermalen, toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd wordt.

2. Met auteurs worden gelijkgesteld:

a. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen van onderscheidene medearbeiders;

h. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;

c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.

Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene

4435

-ocr page 1566-

ï

1430 BMZÜNDERE WETTEN EN BESLUITEN.

mede-arbeiders behoudt bovendien ieder mede-arbeider liet auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage, voorzoover Zj

niet anders is bedongen.

Ten aanzien van de onder a en h van dit artikel vermelde ei rechthebbenden blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.

3. Bij werken, zonder naam van auteur of onder een § verdichten naam door den druk gemeen gemaakt, wordt

de uitgever en, zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als recht- g, hebbende heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 d en 11 bepaald, met uitzondering van den in art. 10 gestel- b den termijn van inzending. k

4. Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat d er geen auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen h en van hetgeen verder in woord of schrift, door of van ti wege eenige openbare macht, ter algemeene kennis gebracht is. d

5. Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitende j) recht om door den druk gemeen te maken vertalingen van:

a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, e

daaronder begrepen zijne mondelinge voordrachten;

h. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, in- d

dien hij zich bij de oorspronkelijke uitgave, op het i

titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van 0

het werk, dit uitsluitende recht voor een of meer bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en c zijne vertaling binnen drie jaren na de oorspronkelijke c uitgave door den druk heeft gemeen gemaakt.

Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen \\

bestaan, wordt deze termijn voor elk deel of elke aflevering i

afzonderlijk berekend. t

6. Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onder- j

scheidene talen wordt slechts ééne uitgave als de oorspron- 2

kelijke aangemerkt en gelden de overige als vertalingen.

De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke beschouwt.

Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave ,

in de moedertaal des auteurs als de oorspronkelijke aan- \\

gemerkt. i

7. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet, dat daaruit ter aankondiging j of beoordeeling, aanhalingen in andere werken worden op- j genomen.

Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten ,

of opstellen uit dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.

8. Het auteursrecht van mondelinge voordrachten belet niet dat verslag gegeven worde van hetgeen in eene openbare bijeenkomst verhandeld is.

-ocr page 1567-

WET VAN 28 JUNI 1881.

9. Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak. (B. 565 v.)

Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over bij erfopvolging. (B. 667 v., 877 v., 921 v.)

Het is niet vatbaar voor beslag. (Rv. 439 v., 447.)

§ 2. Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door den druk gemeen gemaakte werken.

10. Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt, zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van den in art. 5b gestelden termijn.

Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Bijk gevestigde drukkerij is gedrukt.

11. Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgaaf gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.

12. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren gaat verloren zoodra die werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt.

§ 3. Duur van het auteursrecht.

13. Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.

Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.

14. Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood.

15. De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:

1°. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven van den auteur en dertig jaren na zijn dood;

1437

-ocr page 1568-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

2°. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende bevoegdheid werd voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.

16. De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van vertalingen duurt:

1°. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken mondelinge voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat;

2°. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.

17. Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan, wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering afzonderlijk berekend.

§ 4. Handhaving van het auteursrecht.

18—20. Vervangen voor Nederland door Sr. 349?ns— quater.

21. De ingevolge de artt. 18 en 19 {thans art. 3496is en ter van het Strafwetboek) verbeurdverklaarde exemplaren worden aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien dezen zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze exemplaren vernietigd.

Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.

22. Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.

Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze tot eigen gebruik hebben verkregen.

De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.

23. Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.

§ 5. Overyangshepalingen.

24. Kopierecht of eenig ander recht van dezen aard, verkregen onder eene vroegere wetgeving, blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring inzendt bij het Departement van Justitie.

De artt. 18—23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.

25. Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet voor recht van kopie vatbaar

1438

-ocr page 1569-

WET VAN 28 JUNI 1881.

was of omtrent hetwelk de destijds vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen, kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave.

Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur van hei auteursrecht, behoudens tegenbewijs.

Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.

26. Het Departement van Justitie geeft aan de in de artikelen 24 en 25 bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs ran ontvangst af.

Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening uittreksel of afschrift kan ontvangen.

Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de ingezonden werken.

§ 6. Slotbepalingen.

27. Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch Indiö gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of in Nederlandsch Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in Nederland of in Nederlandsch Indië gehouden mondelinge voordrachten.

28. Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch Indië.

De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken be-

hooren te worden ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan opgaaf gedaan wordt in de Java-sche Courant, en op wien verder de verplichtingen rusten, bij deze wet aan het Departement van Justitie opgedragen.

De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.

In het geval, bedoeld in art. 22, zijn voor Nederlandsch Indië van toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen de wetgeving voor de Euro peanen en met dezen gelijkgestelden en die voor de inlanders en met dezen gelijkgestelden.

Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in Nederlandsch Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt overeenkomstig art. 25.

28. Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het

143Ö

-ocr page 1570-

I

1440 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

recht van kopie, van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.

30. Deze wet treedt in werking den Isten Januari 1882. Gegeven te Wildungen, 28 Juni 1881.

WET

van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 86), houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee.

Artikel 1.

Door Ons worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, voorschriften vastgesteld, op de vaartuigen der Koninklijke Nederlandsche Marine, de Nederlandsche loods-vaartuigen, de Nederlandsche zeeschepen en de Nederlandsche zeevisschersvaartuigen, na te leven ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee. (Stb. 1897 n0. 107.)

2. Vervangen door Sr. 473.

3. Vervallen door Inv. Sd.

4. Behalve de ambtenaren naar de wetten daartoe bevoegd, zijn met de opsporing der in deze wet bedoelde over-tredingen belast de Officieren der Koninklijke Nederlandsche Marine en de loodsen.

Alle Nederlandsche consulaire ambtenaren ontvangen klagten en aangiften.

De processen-verbaal worden opgezonden aan den Minister, zin onder wiens Departement de verbalisant behoort, en door vri dezen aan den ambtenaar met de vervolging belast. hu

5. Van de in deze wet bedoelde strafbare feiten wordt ( kennis genomen: in

indien zij zijn gepleegd aan boord van de vaartuigen der Koninklijke Nederlandsche Marine, door het Hoog Militair Geregtshof;

indien zij zijn gepleegd aan boord van zeevisschersvaartuigen, door de Arrondissements-Reglbank te\'s-Gravenhage;

in alle andere gevallen door de Arrondissements-Regtbank te Amsterdam.

6. Vervallen.

7. Deze wet treedt in werk.\'ng op den dag harer afkondiging. Hare bepalingen zijn van toepassing op de na dat tijdstip gepleegde overtredingen van Ons besluit van OJunij 1880 (Stb. n0.109), tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvarirgen op zee, zooals het is gewijzigd en aangevuld bij O.is besluit van 5 October 1881 (Stb. n0. 162).

-ocr page 1571-

wet van \'27 april 1884.

WET

gt;

van 27 April 1884 (Stb. n0.96), lot regdiny van het Staatstoezicht op krankzinnigen, gewijzigd door art. 3d, 10 n0. 46 en 11 der Invoeringswet en door de Wet van 7 December 1896 (Stb. n0. 191).

Wu WILLEM III, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, met intrekking van de wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 20), bepalingen vast te stellen betreffende het Staatstoezicht op krankzinnigen;

Zoo is het, enz.

§ 1. Staatstoezicht op krankzinnigen en krank-zinn igengestich ten.

Artikel 1.

II

:i.\'

I

Het Staatstoezigt op krankzinnigen en krankzinnigengestichten wordt, volgens de bepalingen dezer wet en de krachtens haar door Ons en van Onzentwege te geven voorschriften, uitgeoefend door ten minste twee door Ons te benoemen inspecteurs, onverminderd hetgeen bij deze wet en andere wettelijke bepalingen aan rechterlijke en geneeskundige ambtenaren en burgemeesters is opgedragen.

Deze inspecteurs oefenen geene geneeskundige praktijk uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

2. Het Staatstoezicht strekt zich uit over alle krankzinnigen, met uitzondering van hen die, zonder van hunne vrijheid te zijn beroofd, in hunne eigene woning of in die hunner ouders of echtgenooten worden verpleegd.

Onverminderd het toezicht dat op krankzinnigengestichten in verband met hunnen oorsprong volgens de bestaande voorschriften wordt uitgeoefend door provinciale en plaatselijke besturen, zijn alle krankzinnigengestichten aan het Staatstoezicht onderworpen.

3. Hij die een krankzinnige verpleegt over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt, is gehouden hiervan aangifte te doen aan den burgemeester der gemeente van zijn werkelijk verblijf binnen tweemaal vier en twintig uren na den aanvang dier verpleging.

Binnen gelijk tijdsverloop geeft de burgemeester van deze aangifte kennis aan den officier van justitie en aan een der inspecteurs.

4. Zij, aan wie het Staatstoezicht is opgedragen, zijn bevoegd de woningen binnen te treden waar krankzinnigen verpleegd worden, omtrent wie de in art. 3 vermelde aangifte is gedaan, of wier verplegers wegens gemis van aangifte krachtens art. 38 n0. 1 zijn veroordeeld.

Zij treden de woning eens ingezetenen tegen den wil des bewoners niet binnen dan voorzien van een schriftelijken last van den burgemeester of van den kantonrechter en in

1441

91

-ocr page 1572-

BIJZONDERE WETTEN EN BES/,UITEN.

het bijzijn, hetzij van den kantonrechter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, hetzij van een commissaris van politie.

Van dit binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die daarbij krachtens de bepaling van het voorgaande lid tegenwoordig was, binnen tweemaal vier en twintig uren een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk melding maakt van den schriftelijken last des burgemeesters of des kantonrechters en aan den ingezetene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld. (G. 158.)

In de krankzinnigengestichten wordt te allen tijde vrije toegang verleend aan de inspecteurs en aan den officier van justitie.

Zij, die een krankzinnige verplegen over wien het Staatstoezicht zich uitstrekt of die een krankzinnigengesticht besturen, alsmede de daaraan verbonden geneeskundigen geven aan de genoemde ambtenaren de door hen verlangde inlichtingen. (Sr. 369.)

Van elke toepassing van een dwangmiddel op een verpleegde in een krankzinnigengesticht wordt dagelijks aan-teekening gehouden in een register ingericht naar een door Ons vast te stellen model. Dit register wordt aan eiken inspecteur op zijn verlangen voorgelegd. (Stb. 1884 n0. 110.)

5. De inspecteur, bevindende dat een krankzinnige buiten een krankzinnigengesticht verwaarloosd wordt, geeft daarvan onverwijld kennis aan den officier van justitie na eene vergeefsche poging om verbetering in de behandeling van den krankzinnige te verkrijgen.

6. Onverminderd de hun ingevolge art. 4, zoo dikwijls dit noodig is, te verleenen toegang, bezoeken de officieren van justitie, vergezeld van den geneeskundigen inspecteur of adjunct-inspecteur, of zoo deze verhinderd zijn van een door dien inspecteur aan te wijzen niet met den geneeskundigen dienst van eenig gesticht belast lid of plaatsvervangend lid van den geneeskundigen raad, op onbepaalde tijden, ten minste eenmaal in de drie maanden, de gestichten in hun arrondissement, om zich te verzekeren dat niemand wederrechtelijk daarin geplaatst of teruggehouden wordt en dat de verpleegden behoorlijk worden behandeld.

De besturen der gestichten zenden aan de officieren van justitie in het arrondissement, waarin het gesticht gelegen is, en in dat, waarin de machtiging tot verpleging is gegeven, binnen vier en twintig uren aene schriftelijke kennisgeving van elke opneming, verplaatsing, verlof, ontslag en overlijden van een verpleegde, met vermelding van de redenen van de verplaatsing, het verlof of het ontslag en met opgave van den persoon die de aanvraag mocht hebben gedaan.

§ 2. Oprichting en sluiting van krankzinnigengestichten.

7. Tot oprichting van aen gesticht voor krankzinnigen wordt Onze vergunning vereischt.

Als gestichten worden beschouwd alle woningen waarin

1442

-ocr page 1573-

WET VAN 27 APRIL 1884. 1443

iemand meer dan twee krankzinnigen, die niet tot zijn gezin behooren, verpleegt.

De gestichten zijn uitsluitend tot verpleging van krankzinnigen bestemd.

8. Geene vergunning tot oprichting van een krankzinnigengesticht wordt verleend tenzij behoorlijk voldaan is aan de volgende vereischten:

1°. eene ruime, gezond gelegen woning, met voldoende gelegenheid tot beweging in de open lucht;

2°. afscheiding der seksen, behalve bij kinderen beneden de tien jaren;

3°. voldoende gelegenheid tot afzondering naar den aard en het getal der krankzinnigen;

4°. voldoende voorziening in den geneeskundigen dienst en in den huisdienst naar den aard en het getal der krankzinnigen, met dien verstande dat door Ons voor elk gesticht na verhoor van het bestuur en na ingewonnen advies van Gedeputeerde Staten, het maximum bepaald wordt van het getal verpleegden en het minimum van het getal geneeskundigen. (Art. 43 dezer wet.)

Elke weigering van vergunning is met redenen omkleed.

9. Indien een gesticht voor krankzinnigen niet meer aan de vereischten bij deze wet of bij de krachtens haar uitgevaardigde besluiten gesteld voldoet, en indien na een door Onzen Minister van. Binnenlandsche Zaken gestelden termijn de onvoldoende toestand voortduurt, kan de vergunning door Ons ingetrokken en het gesticht, het bestuur en Gedeputeerde Staten gehoord, op Onzen last gesloten worden.

Ons besluit tot sluiting van een gesticht wordt met redenen omkleed en in de Staatscourant geplaatst. Van dat besluit wordt kennis gegeven aan hen, voor wier rekening of te wier verzoeke de krankzinnigen in het gesticht geplaatst zijn.

Bij sluiting van een gesticht worden de daarin verpleegde krankzinnigen door hen, voor wier rekening zij verpleegd worden, binnen een door Ons te stellen termijn naar andere gestichten overgebracht.

Wordt de lijder voor eigen rekening verpleegd, dan geschiedt die overbrenging door hem die de aanvraag tot opneming heeft gedaan, of, is er machtiging tot verlenging van het verblijf verleend, door hem op wiens verzoek de laatste verlenging is toegestaan.

Bij gebreke van overbrenging door de zorg van belanghebbenden binnen den gestelden termijn worden de krankzinnigen op Onzen last naar andere gestichten overgebracht door de zorg van ambtenaren met het Staatstoezicht belast en ten koste van wien het aangaat.

10. In de verpleging zoowel van de krankzinnigen, wier onderhoud komt ten laste van het Rijk, als van hen, wier plaatsing in een krankzinnigengesticht door den daartoe bevoegden rechter in strafzaken, overeenkomstig het 2de lid van artikel 18, wordt gelast, wordt voorzien hetzij door inrichting van één of meer Rijksgestichten hetzij door over-

-ocr page 1574-

1444 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

eenkomsten met de besturen van andere gestichten. Bovendien kan in de verpleging van eerstbedoelde krankzinnigen worden voorzien door overeenkomsten met particulieren.

Voor zoover in het Rijksgesticht of de Rijksgestichten de plaatsruimte dit toelaat, kunnen aldaar ook behoeftige krankzinnigen voor rekening van gemeentebesturen worden opgenomen.

De voorwaarden der opneming en verpleging worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. (Stb. 1884 nquot;. 203; Stb. 1885 11«. 127; Stb. 1886 n\'. 129.)

Aldus gewijzigd bij art. 1 der Wet van 7 December 1896 (Stb. n0. 191).

11. Voor zoover niet op andere wijze in de behoefte aan gestichten tot opneming van de in eenige provincie wonende of verblijvende krankzinnigen wordt voorzien, zorgt het bestuur der provincie, hetzij afzonderlijk, hetzij in ver-eeniging met de besturen van andere provinciën, voor de oprichting en instandhouding van gestichten voldoende aan de door deze wet gestelde eischen. (Prov. w. a. 107, 127.)

§ 3. Plaatsing en verblijf in een krankzinnigengesticht.

12. Ieder meerderjarig bloedverwant of aangehuwde, in de rechte linie onbepaald, in de zijlinie tot den derden graad ingesloten, alsmede de echtgenoot, voogd of curator van een krankzinnige zijn bevoegd om schriftelijk aan den kantonrechter van de woon- of ve.rblijfplaatsdeskrankzinnigen, machtiging te verzoeken, hem voorloopig in een gesticht te doen plaatsen, hetzij dit in het belang der openbare orde of in dat van den lijder zeiven wordt vereischt.

13. De officier van justitie bij de arrondissements-recht-bank van de woon- of verblijfplaats des krankzinnigen kan bij ontstentenis van de in art. 12 vermeldepersonen, bij schriftelijk requisitoir machtiging tot plaatsing in een gesticht verzoeken aan den president der rechtbank. De officier is tot gelijk requisitoir bevoegd, wanneer hij eene der kennisgevingen ontvangt bij artt, 5 en 14 vermeld.

Hij is daartoe verplicht, wanneer hij de plaatsing van den krankzinnige onder verzekerd toezicht in het belang der openbare orde of ter voorkoming van ongelukken noodzakelijk acht of wanneer het hem gebleken is, dat een krankzinnige verwaarloosd wordt.

14. In spoedeischende gevallen kunnen krankzinnigen door den burgemeester der gemeente van hun werkelijk verblijf in bewaring worden gesteld. Hij geeft daarvan binnen vier en twintig uren kennis aan den officier van justitie binnen wiens ressort de krankzinnige is in bewaring gesteld, met bijvoeging van de bescheiden, waaruit de krankzinnigheid blijkt.

Deze in bewaringstelling geschiedt bij voorkeur in een krankzinnigengesticht, alleen bij onvermijdelijke noodzakelijkheid in eene gevangenis.

De duur dezer inbewaringstelling kan nimmer den tijd van acht dagen te boven gaan, tenzij de officier van justitie verlenging van dien termijn noodzakelijk acht.

-ocr page 1575-

WET VAN 27 APRIL 1884.

15. Ieder meerderjarige die gevoelt dat zijn toestand verpleging in een krankzinnigengesticht wenschelijk maakt, kan zijne plaatsing overeenkomstig art. 12 en, in een spoed-eischend geval zijne inbewaringstelling overeenkomstig art. 14 verzoeken.

16. In de in artt. 12, 13 en 15 vermelde verzoeken en requisitoiren wordt het gesticht genoemd waarin plaatsing verlangd wordt. 3ij die in artt. 12 en 13 vermeld, moet worden overgelegd eene uiterlijk zeven dagen vóór het verzoek opgemaakte, onderteekende en met redenen omkleede verklaring van iemand bevoegd om hier te lainde de geneeskunst uit te oefenen en die niet aan dat gesticht verbonden is, waaruit blijkt dat de persoon voor wien plaatsing verzocht wordt in een toestand van krankzinnigheid verkeert. (Sr. 2286.)

Bij de verzoeken kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overgelegd worden waaruit de staat van krankzinnigheid nader blijkt.

17. Wanneer de verklaring van den geneeskundige, hetzij alleen, hetzij in verband met de vermelde omstandigheden en overgelegde bescheiden, het bestaan van krankzinnigheid aanvankelijk genoegzaam aantoont, of wanneer in het geval bij art. 15 vermeld de staat van krankzinnigheid voldoende blijkt, zoo verleent de kantonrechter, of in het geval bedoeld bij art. 13 de president van de arron-dissements-rechtbank, de verzochte machtiging.

Zij kan op het verzoekschrift of requisitoir gesteld worden en is uitvoerbaar op de minuut en vóór de registratie.

De kantonregter en de president zijn bevoegd, alvorens op het verzoek te beschikken, den persoon wiens plaatsing verzocht is, zijne bloedverwanten of aangehuwden, echtgenoot, voogd of curator daarover te hooren, wat eerstgenoemde betreft, al of niet in tegenwoordigheid van een geneeskundige door den rechter aan te wijzen.

Vindt de kantonregter of de president geene voldoende redenen om machtiging tot plaatsing te verleenen, zoo verklaart hij dit op het verzoekschrift of requisitoir. De president brengt dit stuk onverwijld ter kennis van de arrondissementsrechtbank. De kantonregter zendt het ten spoedigste onder aangeteekenden omslag aan de rechtbank waaronder zijn rechtsgebied ressorteert of laat het aldaar legen bewijs van ontvangst ter griffie afgeven. De rechtbank beslist in het hoogste ressort volgens de voorschriften van dit artikel.

De machtiging van den kantonrechter, van den president of van de rechtbank wordt, evenals verdere beschikkingen der rechtbank krachtens deze wet niet beteekend aan den persoon wiens plaatsing is verzocht. Zij kan na veertien dagen sedert hare dagteekening niet meer ten uitvoer worden gelegd.

18. Opneming van een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen overlegging van eene expeditie der machtiging tot plaatsing of, indien de uitvoering gelast is op de minuut, op vertoon van die minuut, waarvan dan in afwachting van de expeditie, ten spoedigste door den griffier op te zenden, onmiddellijk in hot gesticht een afschrift of uittreksel wordt genomen.

1445

-ocr page 1576-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Ingeval de rechter oordeelende in strafzaken, met toepassing van het 2e lid van art. 37 van het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsing beveelt.

Dit 2e lid is in de plaats van het oorspronkelijke 2e en 3e lid gesteld bij Inv. 10 n0. 46.

Dit uittreksel en de expeditie van de in het eerste lid en in de artt. 23, 24, 30, *31 en 32 bedoelde rechterlijke beschikkingen, moeten aan het bestuur van het gesticht worden overgelegd; zij worden vermeld in en bewaard bij een register, ingericht naar een daarvan door Ons vast te stellen model. (Stb. 1884 n0. 110.)

Dit register wordt aan de inspecteurs en aan den officier van justitie voorgelegd, zoo dikwijls zij dit verlangen. (Sr. 464.)

19. Bij elke plaatsing van een krankzinnige in een gesticht ten gevolge van eene machtiging van den kantonrechter of een door het openbaar ministerie genomen requisitoir geeft in het eerste geval de kantonrechter, in het tweede geval de officier vin justitie daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester der laatste woon- of verblijfplaats des krankzinnigen.

De burgemeester deelt die kennisgeving onverwijld mede aan de bekende naaste bloedverwanten of aangehuwden, of aan den echtgenoot, voogd of curator van den krankzinnige.

20. Gedurende de eerste veertien dagen na iemands opneming houdt de geneeskundige van het gesticht of, wanneer meer geneeskundigen daarin werkzaam zijn, die der afdeeling waarin de opgenomene geplaatst is, dagelijks in een daartoe bestemd register, aanteekening van zijne bevinding.

Van deze aanteekeningen wordt aan de inspecteurs op hun verlangen inzage gegeven.

Na den afloop der eerste veertien dagen geschiedt gelijke aanteekening gedurende een half jaar, minstens wekelijks, en daarna minstens maandelijks.

21. Van de aanteekeningen des geneeskundigen wordt uiterlijk drie dagen na den dag der opneming afschrift gezonden aan den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is, met vermelding, zoo de opgenomene geene blijken van krankzinnigheid gegeven heeft, of hetgeen vóór zijne opneming met hem voorgevallen is, in verband met hetgeen in het gesticht bij hem is waargenomen, zijne verdere afzondering van de maatschappij in zijr. belang of in dat der openbare orde schijnt te rechtvaardigen.

22. Binnen vier weken na de ingevolge art. 17 verleende machtiging wordt een afschrift van de in art. 20 bedoelde aanteekeningen met een nader verzoekschrift door een procureur onderteekend, of requisitoir om den opgenomene gedurende een bepaalden tijd, die van één jaar niet te

1446

-ocr page 1577-

WET VAN 27 APRIL 1884. 1447

boven gaande, in een krankzinnigengesticht te doen verblijven, overgelegd aan de rechtbank van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.

Het verzoekschrift of requisitoir gaat vergezeld van eene gemotiveerde verklaring van den geneesheer van het gesticht omtrent het noodzakelijke of wenschelijke eener verdere verpleging in een krankzinnigengesticht. (Sr. 228b.)

23. Over het verzoek of requisitoir kan, na verhoor van het openbaar ministerie, door de rechtbank worden beschikt op de in art. 22 vermelde stukken.

De rechtbank kan echter nader bewijs door getuigen of andere middelen gelasten en zelfs het verhoor van den verpleegde bevelen.

Wordt het verhoor van den verpleegde bevolen, dan geschiedt dit in het gesticht, al of niet in tegenwoordigheid van een der daaraan verbonden geneeskundigen.

Hangende het onderzoek der rechtbank, blijft de verpleegde in het gesticht.

De rechtbank kan het verhoor opdragen aan een daartoe door haar te benoemen rechter-commissaris of aan den kantonrechter in wiens ressort het gesticht is gelegen.

Bij gelegenheid van het verhoor van den verpleegde kunnen tevens de geneeskundigen en andere personen, die zich in het gesticht bevinden, als getuigen worden gehoord zonder voorafgaande oproeping of schadeloosstelling.

De beschikking der rechtbank wordt gesteld op het verzoekschrift of requisitoir. Zij is aan geen hooger beroep onderworpen.

Zij wordt niet uitgesproken, noch aan den verpleegde beteekend.

24. Ten hoogste veertien en ten minste acht dagen vóór het verstrijken van den tijd waarvoor de rechtbank iemands verblijf in een krankzinnigengesticht heeft vergund, kan aan haar een nader verzoekschrift of requisitoir worden ingediend tot verlenging van dien tijd met ten hoogste één jaar.

De officier van justitie neemt, zoo daartoe termen zijn, een gelijk requisitoir bij de rechtbank binnen wier ressort iemand zich krachtens art. 18, alinea 2, van deze wet, in een krankzinnigengesticht bevindt, veertien dagen vóór het verstrijken van een jaar, nadat die persoon aldaar ter uitvoering van een bevel van den strafrechter is opgenomen.

Bij het verzoekschrift of requisitoir worden overgelegd de aanteekeningen van den geneeskundige bij art. 20 bedoeld, sedert de vorige machtiging, en daarop wordt beschikt met inachtneming van de in art. 23 gegeven voorschriften.

Telkens bij het verstrijken van den termijn der laatst verleende machtiging kan op gelijke wijze eene nieuwe machtiging worden verleend voor ten hoogste één jaar.

De verpleegde ten wiens aanzien machtiging tot verlengd verblijf in een gesticht is verzocht, blijft daarin, hangende het onderzoek der rechtbank.

De beschikkingen uit kracht van dit artikel gegeven zijn niet onderworpen aan hooger beroep.

25. De krankzinnige die krachtens machtiging van den

-ocr page 1578-

1448 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

kantonrechter, van den president, van den strafrechter of van de arrondissernents-rechtbank in een gesticht is opgenomen, kan zonder nadere machtiging naar een ander gesticht worden overgebracht binnen den termijn bij de laatst verleende machtiging gesteld.

In dat geval worden de hem betreffende stukken bij zijne overbrenging door het bestuur van het eene gesticht aan dat van het andere toegezonden.

26. Wie iemand die hier te lande woon- of verblijfplaats heeft of binnen de laatste zes maanden gehad heeft, in eene buitenlandsche inrichting voor krankzinnigen doet opnemen, is verplicht binnen acht dagen daarvan bericht te zenden aan den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de laatste woon- of verblijfplaats hier te lande van den in de inrichting opgenomen persoon gelegen is.

Bij het bericht is gevoegd eene uiterlijk drie weken vóór de opneming afgegeven, onderteekende en met redenen omkleede verklaring van een ter plaatse bevoegd geneeskundige, waaruit blijkt dat de opneming wenschelijk was. (Sr. 2286.)

§ 4. Verlof en ontslag uit een krankzinnigengesticht.

27. Door den geneeskundige of, zoo er meer zijn, door den eersten geneeskundige vaa een gesticht kan aan ieder die daarin is opgenomen, met toestemming van hem die de opneming heeft verzocht, verlof worden verleend om het gesticht voor een bepaalden tijd te verlaten. Ingeval de verpleegde onder vaderlijke macht, voogdij of curateele staat, is daartoe ook de toestenr. ming van den vader, of zoo deze ontbreekt, van de moeder, van den voogd of den curator noodig.

Het ingaan van het verlof en de terugkeer in het gesticht worden op het in art. 18 vermelde register aangeteekend.

28. Ontslag wordt verleend door het bestuur van het gesticht:

1°. op schriftelijke verklaring van den geneeskundige of, zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht, dat de verpleegde geene blijken van krankzinnigheid heeft gegeven, of dat hij van zijne krankzinnigheid genoegzaam is hersteld;

2°. op verlangen van het openbaar ministerie.

Ontslag kan worden verleend door het genoemde bestuur:

3°. op verzoek van hem op wiens aanvraag de opneming geschied, of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, ol\', bij ontstentenis van dezen, op verzoek van een anderen bloedverwant of aangehuwde, bedoeld bij art. 12 en in beide gevallen met de toestemming van de in art. 27 genoemde personen;

4°. wanneer de overeenkomst krachtens welke de lijder in het gesticht is opgenomen, niet wordt nageleefd

L.

-ocr page 1579-

WET VAN 27 APRIL 1884.

en de schuldenaar zonder gevolg is in gebreke gesteld om te betalen.

Het ontslag wordt op het in art. 18 vermeld register aangeteekend.

De terugkeer in de maatschappij wordt door het bestuur geregeld in overleg met hem op wiens aanvraag de opneming geschied of het verblijf in het gesticht het laatst verlengd is, of, bij ontstentenis van dezen, met iemand dergenen die bevoegd waren de opneming te vragen of, bij gebreke hunner medewerking, met den burgemeester van de laatste woon- of verblijfplaats des verpleegden, en zoo die woon- of verblijfplaats niet bekend is, met den burgemeester der gemeente waar het gesticht gelegen is. Bij het ontslag van hen die op eigen verzoek in het gesticht zijn opgenomen, wordt het in de vorige zinsnede vermeld overleg niet vereischt.

29. Over het verleenen van ontslag in ieder der gevallen in art. 28 sub 2°, 3° en 4° vermeld, geeft de geneeskundige, of, zoo er meer zijn, de eerste geneeskundige van het gesticht, vooraf schriftelijk advies aan het bestuur.

Zoo dat advies de verklaring inhoudt, dat het ontslag niet kan plaats hebben zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken, zendt het bestuur van het gesticht die verklaring met het verzoek aan den officier van justitie bij de rechtbank in wier ressort het gesticht gelegen is. (Sr. 228amp;.)

De officier vraagt onmiddellijk na ontvangst dezer stukken de beslissing der rechtbank, die, op zijn requisitoir recht doende, in het hoogste ressort óf het ontslag beveelt na zich verzekerd te hebben dat de noodige maatregelen genomen zijn om het gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken te verhoeden, óf bepaalt dat het ontslag, als gevaarlijk, niet binnen den termijn der laatste machtiging zal geschieden.

Zoolang de rechtbank beraadslaagt, wordt het gevraagd ontslag niet verleend. De rechtbank kan vóór hare beslissing een nader onderzoek bevelen; het tweede lid en de volgende zinsneden van art. 23 zijn daarbij van toepassing.

Duurt het gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken voort na het verstrijken van den in het 3de lid van dit artikel vermelden termijn, zoo is art. 30 van toepassing

30. Wanneer de termijn in het 1ste lid van art. 22 gesteld, of die voor welke de plaatsing krachtens deze wet is verleend, verstreken is, geeft het bestuur van het gesticht binnen acht dagen hiervan kennis aan den officier van justitie in wiens ressort het gesticht gelegen is.

Die officier beveelt onmiddellijk na ontvangst dier kennisgeving, of nadat hem op andere wijze van het verstrijken van den bedoelden termijn blijkt, indien geen nader verzoek aan de rechtbank is ingediend, het ontslag, tenzij dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden.

Zoo het bestaan van dat gevaar blijkt uit eene met

1449

-ocr page 1580-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

redenen omkleede verklaring van den geneeskundige, of zoo er meer zijn, van den eersten geneeskundige van het gesticht, requireert de officier, in de hiervoren omschreven vormen, de machtiging der rechtbank tot verder verblijf van den krankzinnige in een gesticht. (Sr. 228b)

31. Bevindt de officier van justitie dat een verpleegde in een krankzinnigengesticht op onwettige wijze is opgenomen of gehouden, zoo beveelt hij diens onmiddellijk ontslag, tenzij dit niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken kan geschieden, ifi welk geval het 3de lid van art. 30 van toepassing is.

Treft de officier van justitie in een gesticht een verpleegde aan die, ofschoon daarin op grond van eene rechterlijke machtiging verblijvende, naar zijn oordeel niet meer krankzinnig is, dan kan hij diens ontslag alleen bevelen zoo de geneeskundige, of zoo er meer zijn, de eerste geneeskundige van het gesticht daarmede instemt.

Bij gemis van die instemming vraagt de officier de beslissing der rechtbank, die vooraf den geneesheer van het gesticht hoort, en een nader onderzoek kan bevelen; het tweede lid en de volgende zinsneden van art. 23 zijn daarbij van toepassing. (Sr. 368.)

§ 5. Beheer der goederen van verpleegden in een krankzinnigengesticht en hunne onder curateélestelling.

32. Ieder meerderjarige die ter zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst, verliest het beheer over zijne goederen en over die van anderen, indien hem dit mocht zijn opgedragen.

Op de verbintenissen door hem aangegaan is art. 1367 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk.

Wat de artikelen 501 en 50S van het Burgerlijk Wetboek betreft, staat hij gelijk met iemand, wiens curateele verzocht of verleend is.

33. Indien het noodzakelijk is, om in het geheel of gedeeltelijk beheer der goederen van een verpleegde in een krankzinnigengesticht of in de waarneming zijner belangen in welk opzicht ook te voorzien, wordt een provisioneele bewindvoerder benoemd door de rechtbank van het arrondissement zijner laatste woon- of verblijfplaats, en bij gebreke van woon- of verblijrplaats hier te lande, door die van het arrondissement waarin het gesticht gelegen is.

Die benoeming geschiedt op verzoek van hen die bevoegd zijn de opneming in het gesticht te vragen of van andere belanghebbenden, of zoo dezen stilzitten, op requisitoir van het openbaar ministerie, hetwelk overigens altijd moet worden gehoord.

De vrouw kan tot provisioneele bewindvoerster voor haren man benoemd worden.

De bewindvoerder kan geene andere daden dan van zuiver beheer verrichten tenzij op machtiging des kantonrechters. Die machtiging wordt alleen verleend om gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping der

1450

-ocr page 1581-

WET VAN 27 APRIL 1884.

vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van den echtgenoot, zoo zij er zijn.

De bepalingen van de artt. 2 en 4 der wet van 18 April 1874 (Stb. n0. 68) zijn op deze machtiging des kantonrechters van toepassing, behoudens de in laatstgemeld artikel voorkomende bepaling omtrent de vacatiën der kantonrechters, welke vervallen is door art. 3 der wet van 9 April 1877 (Stb. n». 73).

De bevoegdheid van den provisioneelen bewindvoerder houdt op wanneer de verpleegde uit het gesticht is ontslagen in een der gevallen in art. 28, sub 1quot;. en 2°. vermeld, alsmede wanneer een curator over hem is aangesteld, en de provisioneele bewindvoerder op wettige wijze van dit een of ander in kennis is gesteld.

3é. Indien het na de eerste machtiging tot verlengd verblijf uit kracht van art. 24 verleend, noodzakelijk is, dat een verpleegde in een krankzinnigengesticht onder curateele wordt gesteld, hetgeen, zoo niet andere daartoe bevoegden dit tijdig vragen, ook buiten de gevallen bedoeld in art. 489 Burgerlijk Wetboek, door het openbaar ministerie kan worden gerequireerd, worden de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in acht genomen, met de volgende wijzigingen:

1®. bij het verzoekschrift wordt geene opgave van getuigen vereischt; geene andere bewijsstukken behoeven te worden overgelegd dan eene door den geneeskundige of, zoo er meer zijn, door den eersten geneeskundige van het gesticht afgegeven verklaring waaruit de voortdurende staat van krankzinnigheid blijkt, benevens een afschrift der laatste rechterlijke machtiging tot verblijf in het gesticht, voor zoover de curateele wordt aangevraagd bij eene andere rechtbank dan die de machtiging heeft verleend;

2°. wanneer de sub 1°. vermelde stukken zijn overgelegd, houdt de rechtbank het bij art. 492 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verhoor;

3°. de beteekening bedoeld bij art. 493 van dat Wetboek kan geschieden aan het bestuur van het gesticht ingeval een aan het gesticht verbonden geneeskundige aan den deurwaarder verklaart, dat de beteekening aan den verpleegde in persoon voor dezen schadelijk wezen zou. Die verklaring wordt dan in het exploot vermeld en door den geneeskundige onderteekend, een en ander op straffe van nietigheid van het exploot;

4». de bij art. 493 en art. 497 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verhoeren hebben plaats in het gesticht en zoo noodig in tegenwoordigheid van een daaraan verbonden geneeskundige; het 5de en 6de lid van art. 23 zijn daarbij van toepassing;

5Ó. na afloop van het verhoor doet de rechtbank uitspraak zonder nadere oproeping van partijen, onverminderd hare bevoegdheid om ingevolge art. 494 van het Burgerlijk Wetboek een getuigenverhoor te bevelen;

1451

-ocr page 1582-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

6°. de beteekening aan den krankzinnige van het vonnis of arrest waarbij curateeJe verleend wordt geschiedt aan hem in persoon, of, in het geval sub 3°. voorzien, op de aldaar voorgeschreven wijze;

7°. de schriftelijke conclusien van het openbaar ministerie kunnen op het verzoekschrift gesteld worden.

35. Van de benoeming van provisioneele bewindvoerders, van de verleende onder curateelestelling en van de benoeming van curators en toeziende curators wordt binnen drie dagen na de dagteekening der stukken waarbij zij plaats hebben, door de griffiers der arrondissements-rechtbanken en der kantongerechten bij brief kennis gegeven aan het bestuur van het gesticht waarin de krankzinnige wordt verpleegd.

Die brief wordt bij het in art. 18 vermeld register bewaard, nadat daarin van den zakelijken inhoud aantee-kening is gehouden.

§ 6. Strafbepalingen.

36. Met hechtenis van eea dag tot zes maanden of geldboete van vijftig cent tot zeshonderd gulden wordt gestraft;

3°. hij die een krankzinnigengesticht opricht zonder Onze vergunning of daarin krankzinnigen blijft verplegen nadat die vergunning is ingetrokken.

Nos. 1, 2 en 4 van het iste lid, en het Ue lid zijn vervallen en vervangen door Sr. 184 en 283.

37. Met geldboete van vijftig cent tot driehonderd gulden worden gestraft de bestuurders van krankzinnigengestichten die:

1*. nalaten de vereischte kennisgeving aangaande de opneming, verplaatsing, verlof, ontslag of overlijden van een krankzinnige te doen aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften;

2°. bij de opneming van krankzinnigen nalaten zich te doen overleggen de bij de wet gevorderde stukken;

3°. nalaten de in de wet genoemde registers te houden overeenkomstig de wettelijke voorschriften;

4°. tot een ontslag overgaan in strijd met de wettelijke voorschriften, of indien een aangevraagd ontslag niet zonder gevaar voor stoornis van de openbare orde of voor ongelukken geschieden kan, nalaten daarvan de vereischte verklaring te zenden aan het bevoegd gezag.

Het 2de lid is vervallen en vervangen door Sr. 51.

38. Met geldboete van vijftig cent tot driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die nalaat aan het bevoegd gezag met inachtneming van de wettelijke voorschriften te doen de in art. 3, eerste lid, voorgeschreven aangifte en het in art. 26 voorgeschreven bericht;

2*. de geneeskundige verbonden aan een krankzinnigengesticht die nalaat, met inachtneming van de wettelijke voorschriften, de aanteekeningen te houden of

1452

-ocr page 1583-

WET VAN yi APRIL \'1884.

te verzenden, of de verklaringen op te maken bij deze wet voorgeschreven.

39. Vervallen en vervangen door Sr. 445.

ïj 7. Voorschot en verhaal van kosten.

40. Door den Staat worden bij gebreke van tijdige betaling op andere wijze, als voorschot voldaan de kosten, voortvloeiende uit:

1°. het, bij sluiting van een krankzinnigengesticht op Onzen last, overbrengen van krankzinnigen naar andere gestichten volgens het zesde lid van art. 9 en hunne opneming en verpleging aldaar;

2°. de overbrenging naar en de opneming en verpleging in een gesticht van krankzinnigen omtrent wie het onzeker is door wien de kosten moeten worden gedragen of wier plaatsing of verdere verpleging ingevolge deze wet geschiedt op requisitoir van het openbaar ministerie;

3°. het vervoer en de verpleging, waar ook, van krankzinnigen op bevel van den burgemeester of die hem vervangt, in bewaring gesteld in spoed vereischende gevallen ingevolge deze wet.

Deze kosten worden door den Staat verhaald;

a. op de bestuurders der gestichten, indien de uitgaaf het gevolg is van nalatigheid of verzuim hunnerzijds; en anders:

h. op de inkomsten en bezittingen van den verpleegde, en voor zoover deze daartoe ontoereikend zijn:

c. op zijne bloed- of aanverwanten die naar de artt. 376, 377, 378 en 383 van het Burgerlijk Wetboek tot zijn onderhoud verplicht zijn;

d. op de gemeente die volgens de wet tot regeling van het armbestuur de verplegingskosten van den krankzinnige heeft te voldoen.

De kosten die niet verhaald kunnen worden op de wijze sub amp; en c van dit artikel vermeld, worden beschouwd als voor armen te zijn gedaan.

De kosten van verpleging in een Rijksgesticht worden aan de personen of gemeenten, sub b, c en d genoemd, in rekening gebracht.

Het laatste lid gewijzigd bij art. 2 der Wet van 7 December 1896 (Stb. nquot;. 191).

41. Het verhaal geschiedt uit kracht van een bevelschrift van tenuitvoerlegging, gesteld op aan den rechter overgelegde, behoorlijk gesplitste en, zooveel mogelijk, door bewijsstukken gerechtvaardigde staten van kosten.

Het bevelschrift wordt verleend door den kantonrechter der woonplaats van hem tegen wien het verhaal wordt uitgeoefend of, geschiedt dit tegen meer dan één persoon, der woonplaats van een hunner.

Is geen rechter binnen het Rijk in Europa bevoegd krachtens de bepaling van het vorige lid, dan wordt het bevelschrift verleend door den kantonrechter te \'s-Gravenhage.

U53

-ocr page 1584-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Tegen het bevelschrift wordt verzet toegelaten bij den kantonrechter of, indien het gevorderde bedrag zijne bevoegdheid overschrijdt, bij de arrondissements-regtbank.

Art. 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daarbij van toepassing.

§ 8. Slot- en overgangsbepalingen.

42. De stukken vereischt tot de opneming, het verblijf, de verplaatsing, het verlof en het ontslag van personen in en uit krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden, voor zoover zij aan registratie onderworpen zijn, gratis geregistreerd.

43. De artt. 509 en 510 en het tweede lid van art. 518 van het Burgerlijk Wetboek zijn ingetrokken.

De wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 20) is ingetrokken.

Echter gelden de krachtens die wetten verleende rechterlijke machtigingen voor de termijnen daarin uitgedrukt.

De krachtens de wet van 29 Mei 1841 (Stb. n0. 20) erkende gestichten voor krankzinnigen en bewaarplaatsen kunnen blijven bestaan, mits hunne besturen zich gedragen overeenkomstig de bepalingen dezer tegenwoordige wet.

Door Ons kan aan die besturen een termijn worden verleend om hunne inrichting in overeenstemming te brengen met deze wet.

Binnen zes maanden.na het in werking treden dezer wet wordt door Ons voor elke der bestaande inrichtingen eene bepaling vastgesteld als bedoeld in art. 8, 4°. (Stb. 1885 n». 173, 177, 178, 184, 186; Stb. 1886 n». 39 enz.)

Aan bestuurders van gestichten of bewaarplaatsen onder vigueur der wet van 29 Mei 1841 (Stb. n®. 20) bestaande, kan door Ons gedurende eer- tijdvak van ten hoogste drie jaren worden vergund van art. 7 al. 3 der tegenwoordige wet af te wijken.

44. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. (1 October 1884; Stb. 1884 n0. 186.)

Gegeven op Oranje-Nassau, 27 April 1884.

WET

van 10 Mei 1886 (Stb. n®. 104), houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling van markgronden.

Wu WILLEM III, ENZ.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is nieuwe bepalingen vast te stellen ter bevordering van de verdeeling van markgronden;

Zoo is het, enz.

1454

-ocr page 1585-

WET VAN 10 MEI 1886.

§ 1. Inleidende bepalingen.

Artikel 1.

Onder markgronden verstaat deze wet gronden, die van oudsher in onverdeelden eigendom bezeten worden onder de namen van marken, maaischappen, holtingen, meen-scharen, meenten, buurten, buurtschappen of andere soortgelijke namen.

2. Onder markgenooten verstaat deze wet de medegerechtigden in markgronden, en onder marken de vereeni-gingen, bekend onder de in art. 1 bedoelde namen.

§ 2. Van de vordering tot verdeeling.

3. Ieder markgenoot is gerechtigd de verdeeling van de markgronden te vorderen. (B. 628, 1112 v.)

4. Niemand is in eene vordering tot verdeeling van markgronden ontvankelijk, tenzij hij vooraf het bestuur der mark vruchteloos tot vrijwillige verdeeling gerechtelijk heeft aangemaand.

De aanmaning wordt geacht vruchteloos te zijn gedaan:

1°. wanneer niet binnen veertien weken daarna aan hem, van wien zij uitging, een besluit der markgenooten tot vrijwillige verdeeling is beteekend;

2°. wanneer het besluit tot vrijwillige verdeeling niet binnen twee jaren nadat het genomen werd, is ten uitvoer gelegd door overschrijving der akte van scheiding en deeling in de openbare registers.

5. De gerechtelijke aanmaning geschiedt aan den persoon of ter woonplaats van ieder der bestuurders van de mark.

Zij wordt bovendien aangeplakt ter plaatse van de gewone afkondigingen in de gemeente of gemeenten, waar de markgronden gelegen zijn.

6. Binnen ééne maand na die aanmaning roept het bestuur de markgenooten op ter bijwoning van eene binnen twee maanden te houden vergadering, om over het ver-deelen der markgronden te beslissen, alles op de bij de mark gebruikelijke wijze.

Waar die wijze niet bij reglement is voorgeschreven of door gewoonte bepaald, beslist de meerderheid der ter vergadering tegenwoordige markgenooten over de vordering tot verdeeling.

De leden van het bestuur der mark zijn aansprakelijk voor de gevolgen door het verzuim dezer oproeping veroorzaakt.

In geval van zoodanig verzuim is hij, die het bestuur der mark tot vrijwillige verdeeling gerechtelijk heeft aangemaand, bevoegd de markgenooten op een termijn van eene maand op te roepen ter bijwoning van eene vergadering, als in het eerste lid bedoeld.

De bepalingen van de artikelen 19, 20, 21, 22, 24 en 30 zijn ook bij vrywillige verdeeling van toepassing, met dien verstande echter dat het bestuur der mark in de plaats

1455

-ocr page 1586-

BIJZONDERE WETTEN EN UESLUITEN.

treedt van de in die artikelen genoemde rechter-commissaris en commissie en de landmeter door het bestuur wordt benoemd.

§ 3. Van het geding tot verdeeling.

7. Van de vordering tot verdeeling wordt in eersten aanleg kennis genomen door de arrondissements-rechtbank, onder wier gebied de markgronden of het voornaamste deel daarvan, naar de belastbare opbrengst berekend, zijn gelegen. (R. O. 53; Rv. 126/j, j, 129/\', 695.)

De vordering wordt als summiere zaak behandeld. (Stb. 1896 n0. 103, a. 125, zie onder Bijlagen tot Rv.)

Indien de ontvankelijkheid der vordering wordt betwist met de bewering, dat de gronden, waarvan de verdeeling wordt gevorderd, geen markgronden zouden zijn, wordt over dit geschilpunt het openbaar ministerie gehoord.

8. De vordering wordt aanhangig gemaakt door dagvaarding van het bestuur.

Deze dagvaarding geschied\'; en wordt aangeplakt overeenkomstig hetgeen in artikel 5 ten opzichte van de aanmaning is bepaald.

Alle andere gerechtelijke exploten voor de mark bestemd, geschieden op gelijke wijze, doch daarvan wordt geene aanplakking vereischt. (Rv. 1 v., 4 n0. 2.)

9. Bij het vonnis waarbij de verdeeling der markgronden wordt gelast, benoemt de rechtbank een rechter-commissaris, door wien, na verhoor of behoorlijke oproeping van het markbestuur, eene commissie van drie of vijf personen, bij voorkeur uit de markgenooten, en een landmeter worden benoemd.

10. De termijn van hooger beroep van elk vonnis in de procedure tot verdeeling van markgronden is van ééne maand, te rekenen van den dag der uitspraak.

Zoodra het vonnis of arrest, waarbij de verdeeling van markgronden is gelast, in kracht van gewijsde is gegaan, wordt door den rechter-commissaris een uittreksel daarvan openbaar gemaakt door aanplakking ter plaatse in artikel 5 omschreven en door aankondiging in een of meer door hem aan te wijzen nieuwsbladen.

§ 4. Van de gerechtelijke verdeéling.

11. De rechter-commissaris bepaalt tijd en plaats der bijeenkomst, waarop allen die, hetzij als markgenooten, hetzij wegens de uitoefening van eenig zakelijk recht, hetzij wegens eene huurovereenkomst, bij de verdeeling belang hebben, voor hem kunnen verschijnen, persoonlijk of bij schriftelijk daartoe gemachtigden.

Hij doet zijne beschikking aanplakken op de wijze in art. 5 omschreven.

12. Op den bepaalden tijd wordt de bijeenkomst gehouden onder voorzitterschap van den rechter-commissaris, bijgestaan door den griffier der rechtbank en in het bijzijn

1456

-ocr page 1587-

*

WET VAN 10 MEI 1886.

der in artikel 9 vermelde commissie, of deze daartoe opgeroepen zijnde, die zoo noodig inlichtingen geeft.

Indien er geschil blijkt te bestaan over iemands aandeel in, of recht op de markgronden of over iemands recht als huurder van die gronden, en de rechter-commissaris partijen niet kan vereenigen, verwijst hij haar, voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem te bepalen zitting van de rechtbank.

Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.

De zaak wordt als summiere zaak behandeld. (Stb. 1896 n0. 103, a. 125, zie achter Rv.)

13. Van de verschijning en de opgaven der belanghebbenden en van hunne verwijzing naar de rechtbank wordt door den rechter-commissaris proces-verbaal opgemaakt.

Tevens wordt door hem eene voorloopige lijst samengesteld van hen wier rechten niet zijn betwist, met vermelding van den aard en den omvang van ieders recht.

Indien de werkzaamheden niet op één dag kunnen afloopen, verdaagt de rechter-commissaris de zitting tot een anderen dag zonder nadere oproeping en maakt daarvan melding in het proces-verbaal.

U. De lijst van rechthebbenden ligt met het procesverbaal gedurende vier weken op de griffie der rechtbank, en een door den rechter-commissaris geteekend afschrift daarvan op de secretarie der gemeente of gemeenten, waarin de markgronden gelegen zijn, kosteloos ter inzage, terwijl ieder daarvan voor zijne rekening afschrift of uittreksel kan bekomen.

Van deze nederlegging wordt door den rechter-commissaris kennis gegeven door aanplakking op de wijze in artikel 5 omschreven, met bepaling van tijd en plaats waarop eene nadere bijeenkomst zal gehouden worden.

15. In de nadere bijeenkomst is ieder belanghebbende, ook de tot dusver niet verschenen, bevoegd, zijne rechten te doen kennen en het recht van anderen te betwisten, onverschillig of deze al dan niet reeds op de lijst van rechthebbenden zijn geplaatst.

De bepalingen van de artikelen 12 en 13 zijn op de nadere bijeenkomst van toepassing.

16. De lijst van rechthebbenden, volgens de nadere opgaven gewijzigd en aangevuld, wordt met het proces-verbaal door den rechter-commissaris ter griffie der rechtbank, en een door den rechter-commissaris geteekend afschrift daarvan op de secretarie der gemeente of gemeenten, waarin de markgronden gelegen zijn, nedergelögd, op den voet van artikel 14.

Van die nederlegging wordt door hem kennis gegeven door aanplakking op de wijze in artikel 5 omschreven.

Binnen vier weken na die aanplakking kunnen belanghebbenden tegen den inhoud dezer lijst bij de rechtbank in verzet komen.

Die bevoegdheid wordt in de bij het tweede lid voorgeschreven kennisgeving vermeld.

Het verzet wordt als summiere zaak behandeld. (Stb. 1896 iig. 103, a. 125, zie achter Uv.)

li 457

i

92

-ocr page 1588-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

17. Indien bij het einde van dat tijdsverloop geen verzet is gedaan, en geen geschil als bedoeld bij artikel 12 aanhangig is, wordt de lijst door den rechter-commissaris gesloten en onderteekend.

Is op dat tijdstip verzet gedaan of eenig geschil aanhangig, zoo geschiedt de sluiting en onderteekening van de lijst, zoodra de uitspraak des rechters in kracht van gewijsde is gegaan.

Na de sluiting en onderteekening van de lijst wordt niemand dan die daarin als zoodanig vermeld wordt, als rechthebbende erkend.

18. Zoodra de lijst van rechthebbenden is gesloten, wordt overgegaan tot het opmaken van een plan van verdeeling der markgronden door den rechter-commissaris, onder voorlichting van de in artikel 9 vermelde commissie of deze althans daartoe opgeroepen zijnde, bijgestaan door den landmeter.

19. De rechter-commissaris doet door den landmeter eene kaart der markgronden vervaardigen, waarop worden aangewezen, zoowel de bestaande wegen en waterleidingen die onveranderd behouden worden, als die welke ten openbaren dienst, door de zorg der commissie, voor rekening der mark moeten worden aangelegd of verbeterd.

De in art. 9 bedoelde commissie geeft zoowel den rechter-commissaris als den landmeter de inlichtingen, die zij wenschelijk acht te verstrekken of die van haar worden verlangd.

Een afschrift der kaart met eene beschrijving, behelzende de breedte der wegen en de breedte en diepte der waterleidingen, wordt door den rechter-commissaris ter goedkeuring toegezonden aan het bestuur der gemeente of gemeenten waarin de markgronden gelegen zijn.

20. Indien door het bestuur eener gemeente binnen drie weken geen beschikking aan den rechter-commissaris door een daartoe bevoegden ambtenaar is beteekend, wordt, voor zooveel die gemeente betreft, de goedkeuring geacht te zijn verleend. Van die al of niet beteekening geeft de rechter-commissaris kennis aan ieder der leden van de in art. 9 bedoelde commissie.

Indien een gemeentebestuur zijne goedkeuring weigert, is de rechter-commissaris zoowel als de commissie bevoegd, binnen drie weken na de beteekening daarvan, in hooger beroep te komen bij Gedeputeerde Staten.

Wordt het besluit van Gedeputeerde Staten door Ons op grond van strijd met de wet of het algemeen belang vernietigd, dan hebben deze opnieuw over de zaak uitspraak te doen met inachtneming van Onze beslissing.

21. Het onderhoud van de ten openbaren dienst bestaande of door de zorg der commissie aan te leggen of te verbeteren wegen en waterleidingen met de daartoe behoo-rende kunstwerken komt, tegen eene billijke vergoeding, ten laste van de gemeenten waarin de markgronden gelegen zijn.

Bij verschil tusschen de commissie en een gemeentebestuur over de aanvaarding in onderhoud dezer wegen

1458

-ocr page 1589-

WET VAN 10 MEI 1886. 1459

en waterleidingen, kan de beslissing van Gedeputeerde Staten worden ingeroepen en is het laatste lid van artikel 20 van toepassing.

Geschillen over de billijke vergoeding voor dit onderhoud te ontvangen, beslist de rechter.

22. Door de gerechtelijke verdeeling worden de bestaande overeenkomsten van huur en verhuur van mark-gronden verbroken, behoudens schadeloosstelling van de huurders overeenkomstig artikel 23.

23. De commissie waardeert de verschillende gronden met het oog op hun aard en ligging.

Zij bepaalt den aard en de hoegrootheid der schadeloosstelling te ontvangen voor het gemis van zakelijke rechten en voor het verbreken van verhuringen.

Zij maakt de kavelingen waarbij aan ieder rechthebbende zijn aandeel wordt toegedeeld, met inachtneming van het bij art. 24 bepaalde.

Zij doet op de kaart brengen de uit- en overwegen naar en van den openbaren weg en de waterloozingen naar de openbare waterleiding.

Zij onderwerpt een en ander aan de goedkeuring van den rechter-commissaris.

24:. Aan hen, die alleen krachtens ingezetenschap tot het genot van markgronden gerechtigd zijn, zonder zelf een eigendomsrecht te hebben, wordt geen aandeel toebedeeld, doch aan de gemeente of afdeeling eener gemeente, aan welker ingezetenschap zij dat genot ontleenen, wordt een derde gedeelte toebedeeld van het aandeel, dat zij verkrijgen zouden indien hun recht dat van eigendom ware, welk gedeelte wordt gekort op het aandeel van ieder der overige markgenooten naar evenredigheid.

Die toebedeeling aan de gemeente of afdeeling heeft niet plaats indien deze zelve een recht van eigendom heeft op het gedeelte, tot welks genot hare ingezetenen gerechtigd zijn, en haar op dien grond een aandeel wordt toebedeeld.

Zij, die krachtens ingezetenschap tot het genot gerechtigd waren, blijven zulks voor wat betreft het aan de gemeente of afdeeling toebedeelde aandeel, tenzij hun recht wordt afgekocht tegen schadeloosstelling, door scheidsmannen in oneffen getal te bepalen, op wier benoeming, werkzaamheden en beslissing de artikelen 624 en volgende van den eersten titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepasselijk zijn.

25. De door den rechter-commissaris goedgekeurde verkaveling, met vermelding van het bedrag der toegekende schadeloosstellingen, ligt met toelichting gedurende vier weken voor belanghebbenden ter inzage op het huis der gemeente of gemeenten, waar de markgronden gelegen zijn.

De rechter-commissaris geeft van deze nederlegging kennis door aanplakking op de wijze in artikel 5 omschreven, met bepaling van tijd en plaats waarop belanghebbenden voor hem kunnen verschijnen, persoonlijk of bij schriftelijk daartoe gemachtigden, ten einde hunne bezwaren te doen kennen.

-ocr page 1590-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

26. Op de bijeenkomst met belanghebbenden is de commissie tegenwoordig tot het geven van inlichting.

Indien belanghebbenden bezwaren hebben of onderling van stukken grond wenschen te ruilen, geven zij dat op die bijeenkomst te kennen.

Van het aldaar verhandelde wordt door den rechtercommissaris proces-verbaal opgemaakt.

Bij gebreke van overeenstemming, verwijst de rechtercommissaris partijen naar eene door hem te bepalen zitting der rechtbank.

Deze verwijzing vervangt de dagvaarding.

De zaak wordt als summiere zaak behandeld.

27- Indien naar aanleiding der bijeenkomst wijziging wordt gebracht in de verkaveling of schadeloosstelling, liggen deze wijzigingen, met het proces-verbaal, gedurende veertien dagen andermaal voor belanghebbenden ter inzage.

Voor deze nederlegging en de daarop volgende bijeenkomst zijn de bepalingen van de artikelen 25 en 26 van toepassing.

28. Na afloop der laatste bijeenkomst of, indien er dan nog eenig geschil aanhangig is, zoodra de uitspraak des rechters in kracht van gewijsde is gegaan, maakt een door den rechter-commissaris aangewezen notaris eene akte van scheiding op.

Zij wordt onderteekend door de commissie en den rechtercommissaris, en overgeschreven in de openbare registers, ten bewijze van overdracht der toegedeelde en geruilde gronden.

Zoolang de akte van scheiding niet in haar geheel in de openbare registers is overgeschreven, kan ieder, aan wien daarbij gronden worden toegedeeld, een uittreksel der akte voor wat betreft de hem toegedeelde en door hem in ruil genomen gronden in de openbare registers doen overschrijven ten bewijze van overdracht.

25). Gedurende de werkzaamheden tot de gerechtelijke verdeeling kunnen, nadat vooraf de markgenooten door het bestuur zijn opgeroepen, de markgronden verkocht worden, wanneer een verkoop van het geheel bij meerderheid van stemmen der aanwezige markgenooten, of van een deel door den rechter-commissaris, op voordracht der commissie, noodzakelijk wordt geacht.

In beide gevallen geschiedt die verkoop in het openbaar door het markbestuur, ten overstaan van den door den rechter-commissaris aangewezen notaris.

Indien binnen zes maanden na de dagteekening van het besluit der markgenooten tot verkoop of na de mededeeling aan het markbestuur door den rechter-commissaris van zijne zienswijze omtrent gedeeltelijken verkoop, het markbestuur dien verkoop niet heeft doen plaats hebben, geschiedt deze door de zorg der in art. 9 vermelde commissie.

30. De verdeeling, alsmede de daartoe noodige verkoop van markgronden, hebben plaats ook indien daarin het Kroondomein, de Staat, provinciën, gemeenten of waterschappen medegerechtigd zijn, en indien er onder de be-

1460

-ocr page 1591-

wet van 10 Mi:r 1886.

langhebbenden mochten zijn afwezigen, minderjarigeii of andere personen, die de vrije beschikking over hunne goederen missen, zonder dat voor hen eene bijzondere machtiging vereischt wordt.

Bewindvoerders, voogden en curators zijn verplicht de afwezigen, de minderjarigen en de onder curateele gestelden bij deze verdeeling of verkoop te vertegenwoordigen en hunne belangen waar te nemen.

De vermoedelijke erfgenamen en legatarissen, die in het bezit van de goederen van een afwezige zijn getreden, overeenkomstig de artikelen 528 en 531 van het Burgerlijk Wetboek, oefenen bij deze verdeeling of verkoop dezelfde rechten uit als aan den afwezige zelf zouden toekomen.

31. Aan de commissie wordt op hare aanvraag door de bewaarders kosteloos inzage gegeven van de betrekkelijke kadastrale stukken, plans en registers.

32. Alle kosten uit de verdeeling voortvloeiende benevens die van de verdeeling zelve der markgronden komen ten laste van de medegerechtigden en in evenredigheid van ieders aandeel; die van de geschillen ten laste van de verliezende partij, behoudens de toepasselijkheid van art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

33. Indien de kas der mark niet toereikend is om de kosten uit de verdeeling voortvloeiende en die van de verdeeling zelve te bestrijden, kan zoowel de rechter-commis-saris als de in art. 9 bedoelde commissie een voorschot vorderen van dengene, die eene vordering tot verdeeling heeft ingesteld.

34. De commissie doet rekening van hare werkzaamheden aan den rechter-commissaris en draagt het saldo met het afschrift der goedgekeurde rekening aan het bestuur der mark over.

35. De laatste bestuurders zijn met de verevening der zaken en het opmaken der siotrekening belast.

Deze rekening wordt gedaan aan de gewezen markgenooten op dezelfde wijze als gedurende het bestaan der mark plaats vond.

Door de gewezen markgenooten wordt naar evenredigheid van ieders aandeel het voordeelig slot genoten of het nadeelig slot gedragen.

Alle boeken, kaarten en papieren die tot het markbeheer behoord hebben, worden overgebragt naar de verzameling van \'s Rijks oude archieven in de provincie, waarin de markgronden of het grootste deel daarvan gelegen waren.

Belanghebbenden hebben recht tot kostelooze inzage en tot het verkrijgen van afschriften of uittreksels voor hunne

rekening.

§ 5. Slot- en overgangsbepalingen.

36. Zij, die op den Isten Januari 1886 als markgenooten in de boeken of schrifturen der mark bekend staan, worden als zoodanig aangemerkt, behoudens tegenbewijs.

Zij, die op hetzelfde tijdstip als bestuurders der mark in

1461

-ocr page 1592-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

de boeken of schrifturen der mark bekend staan, of op andere wijze als zoodanig zijn erkend, blijven als zoodanig aangemerkt totdat zij door anderen op de bij de mark gebruikelijke wijze zijn vervangen, of een bestuur overeenkomstig het eerste lid van art. 37 is benoemd.

37. Binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet doen de bestuurders opgaaf van hunne namen en woonplaatsen, alsmede van de plaats voor de zittingen bestemd, aan het bestuur der gemeente of aan de besturen der gemeenten waarin de markgronden gelegen zijn.

Zoodra in deze namen of plaatsen eenige verandering voorvalt, geschiedt daarvan gelijke opgaaf.

Deze opgaven worden niet beschouwd als eene erkenning, dat de betrokken gronden markgronden in den zin dezer wet zijn.

Van de ingekomen opgaven wordt door het gemeentebestuur openbare bekendmaking gedaan en aanteekening gehouden in een openbaar register.

Alle gerechtelijke exploten worden gedaan aan de besturen, voor zoover zij in de daarvoor gehouden registers bekend staan, en anders aan het hoofd van het gemeentebestuur of aan de hoofden der gemeentebesturen, die het oorspronkelijke voor «gezien» zullen teekenen.

38- Indien eene mark op den Isten Januari 1886 geen bestuur heeft of geen bestuurders volgens het eerste lid van artikel 36 zijn opgegeven of de bestuurders aftreden zonder door andere te worden vervangen op de bij de mark gebruikelijke wijze, wordr, door den Commissaris des Konings in de provincie waarin de markgronden of het grootste deel daarvan gelegen zijn, een bestuur van drie leden, bij voorkeur uit de markgenooten, benoemd.

Bij de benoeming wordt tevens voorgeschreven, op welke wijze de in artikel 6 vermelde oproeping en stemming zulllen plaats hebben wanneer geene reglementen van de mark daaromtrent bestaan.

De benoemden geven binnen drie maanden na hunne benoeming aan het gemeentebestuur de plaats op, waar zij zitting zullen houden.

De bepalingen van het tweede, vierde en vijfde lid van het voorgaand artikel zijn in dit geval toepasselijk.

39. Bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis van een lid der commissie wordt door den rechter-commissaris een ander benoemd om dat lid voor zoolang noodig te vervangen.

De leden der commissie die buiten de markgenooten zijn benoemd, ontvangen een door den rechter-commissaris te bepalen salaris.

Deze regelt insgelijks het salaris van den landmeter in overleg met de commissie.

40. Van het recht van registratie zijn vrijgesteld:

a. de gerechtelijke stukken en uitspraken in rechtsgedingen op grond van deze wet ingesteld;

h. de akten en processen-verbaal door den rechter-commissaris of door de in artikel 9 vermelde commissie krachtens deze wet opgemaakt.

1462

-ocr page 1593-

wet VAN quot;10 MEr 1886 EN BESLUIT VAN 1 3 DEC. 1887. 1463

In geval van verkoop van markgronden aan een mark-genoot worden de rechten van registratie en overschrijving slechts geheven na aftrek van des koopers aandeel in al de verkochte markgronden.

Het laatste lid van artikel 7 en artikel 9 der wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 92), tot wijziging der bepalingen betreffende de heffing der rechten van registratie, zijn niet van toepassing op de akten van verdeeling van mark-gronden.

41. De wetten van 16 Grasmaand 1809 ter bevordering van het ontginnen van woeste gronden, en van 10 Bloeimaand 1810 over de wijze van stemmer bij marken enz. worden ingetrokken.

Gegeven op het Loo, 10 Mei 1886.

BESLUIT

van 13 Decertiber 1887 (Stb. n0. 215), tot uitvoering van art. 68, tweede lid, der Grondwet, en tot vaststelling van eenige regelen, welke hij de behandeling van verzoeken om gratie en van de jaarlijksche voordrachten tot het verleenen van afslag en ontslag aan gevangenen behoor en te worden in acht genomen.

Wij WILLEM III, enz.

Gezien artikel 68 der Grondwet;

Gelet op de artt. 337, 389 en 340 van het Wetboek van Strafvordering;

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van den 14den November 1887, 2de afdeeling, n0. 148;

Den Raad van State gehoord (advies van den 6den December 1887, n0. 16);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van den lOden December 1887, 2de afdeeling, n®. 83;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1.

Omtrent verzoeken overeenkomstig de wettelijke voorschriften aan Ons ingediend, om vermindering, verwisseling of kwijtschelding van straffen, door vonnissen of arresten van een rechter in het Rijk in Europa opgelegd, wordt, alvorens daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van den rechter, die de straf heeft opgelegd, behalve wanneer op het tijdstip der indiening van het verzoek reeds meer dan drie jaren zijn verloopen sedert den dag, waarop de straf werd opgelegd, in welk geval omtrent de hier bedoelde verzoeken het advies van de kamer voor strafzaken van den Hoogen Raad wordt ingewonnen.

2. Omtrent verzoeken overeenkomstig de wettelijke voor-

f

-ocr page 1594-

1404 BIJZONDERK WETTEN EN BESLUITEN.

schriften aan Ons ingediend, om vermindering, verwisseling of kwijtschelding van straffen, door vonnissen of arresten van een rechter in de koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, van een consulaire rechtbank of van een con-sulairen ambtenaar opgelegd, wordt, alvorens daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van de kamer voor strafzaken van den Hoogen Raad, behalve indien het verzoek strekt tot het bekomen van gratie van de doodstraf, in welk geval het advies wordt ingewonnen van den Hoogen Raad, die dit in eene algemeene vergadering vaststelt.

3. De artikelen 1 en 2 van dit Ons besluit zijn niet toepasselijk op verzoeken om gratie van straffen, door vonnissen of sententiën van een militairen rechter opgelegd.

Omtrent zoodanige, overeenkomstig de wettelijke voorschriften aan Ons ingediende verzoeken wordt, alvorens daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van het Hoog Militair Gerechtshof en, indien het verzoek strekt tot het bekomen van gratie van de doodstraf, tevens van den Hoogen Raad, die dit in eene algemeene vergadering vaststelt.

4. Na ontbinding of opheffing van het rechterlijk college of het kantongerecht, hetwelk volgens de artikelen 1 of 3 tot het uitbrengen van advies zou zijn geroepen, treedt in de plaats daarvan die rechter, aan welken de rechtsmacht is opgedragen, te voren door dat college of kantongerecht uitgeoefend.

5. Verzoeken om gratie, aan Ons ingediend door gevangenen of door verpleegden in Rijkswerkinrichtingen, behooren voorzien te zijn van het visum van het college van regenten over of van het hoofd van het gesticht waarin de verzoeker is opgenomen.

Is zoodanig verzoek gegrond op ziekte van den gevangene of den verpleegde, dan wordt daarbij overgelegd eene desbetreffende verklaring van den geneeskundige van het gesticht.

6. Een overeenkomstig de wettelijke voorschriften aan Ons ingediend verzoek om vermindering, verwisseling of kwijtschelding van straffen wordt door tusschenkomst van Onzen Minister van Justitie toegezonden aan den tot het uitbrengen van advies aangewezen rechter, die het onverwijld in handen stelt van het openbaar ministerie, ten einde hem daarover verslag te doen.

De ambtenaar van het openbaar ministerie, in wiens handen zoodanig verzoek gesteld is, zorgt, indien de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest niet reeds begonnen is, dat de tenuitvoerlegging van de straf, waarvan gratie is verzocht, niet aanvange zoolang Wij over dat verzoek raadplegen.

7. Indien overeenkomstig het slot van artikel 1 de Hooge Raad advies behoort uit te brengen, en het verzoek ten gevolge van de niet vermelding daarin van den dag, waarop de straf werd opgelegd, aan een anderen rechter is toegezonden, doet deze het met opgave van dien dag onverwijld toekomen aan den Hoogen Raad.

-ocr page 1595-

BESLUIT VAN 13 DKCEMBKR 1887. 1465

8. Het in artikel 6 bedoelde verslag bevat opgaven omtrent den leeftijd, het gedrag van den veroordeelde, zoowel vóór als na zijne veroordeeling, en omtrent zoodanige andere omstandigheden als op de beoordeeling van het verzoek van invloed kunnen zijn.

Bij dat verslag worden gevoegd alle zoodanige bescheiden als ter toelichting dienstig worden geacht en eene tabel, houdende nauwkeurige aanwijzing van de namen en de woonplaats des veroordeelden, van de qualificatie van het strafbaar feit, van den dag waarop en den rechter door wien de straf is opgelegd, van reeds verleende vermindering of verwisseling van straf, mitsgaders van den dag waarop iedere opgelegde straf is ingegaan en zal eindigen.

Alle andere ambtenaren van het openbaar ministerie zijn verplicht te voldoen aan aanvragen van den betrokken ambtenaar om inlichtingen, benoodigd voor de samenstelling van dat verslag en de tabel.

9. Het uit te brengen advies behelst eene korte omschrijving van het gepleegde feit en van de omstandigheden waaronder het gepleegd werd, benevens eene beknopte ontwikkeling van de gronden, die voor of tegen het ver-leenen van gratie pleiten met achtgeving voor zooveel noodig op de door of ten behoeve van den veroordeelde aangevoerde redenen van verschooning.

Het advies kan voor een en ander verwijzen naar het verslag, voor zoover dit aan de eischen van dit artikel voldoet en de rechter zich met den inhoud daarvan vereenigt.

10. Indien het advies van een rechterlijk college niet met eenparigheid van stemmen is vastgesteld, wordt het gevoelen der minderheid met de daarvoor aangevoerde gronden en onder opgave van de verhouding der stemmen tevens aan Ons medegedeeld indien het college zulks in het belang der zaak nuttig acht, een lid der minderheid zulks verlangt of van Onzentwege daarom is verzocht.

11. Het advies wordt onder overlegging van het verslag van het openbaar ministerie en van de daarbij gevoegde bescheiden of van afschriften van een en ander, vergezeld van de daarbij behoorende tabel, hetzij rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van daartoe bij administratieve voorschriften aangewezen ambtenaren, toegezonden aan Onzen Minister van Justitie, die al deze stukken aan Ons doet toekomen met zijn voorstel omtrent de op het verzoek te nemen beschikking.

12. Indien de bijzondere aard van het feit het wenschelijk maakt, dat, alvorens op een verzoek om gratie wordt beschikt, eenig ander Departement van algemeen bestuur daaromtrent gehoord zij, en zoodanig verzoek niet reeds aanvankelijk van Onzentwege aan dat Departement tot het uitbrengen van een afzonderlijk of een in overeenstemming met het Departement van Justitie te ontwerpen gemeenschappelijk rapport is verzonden, wordt het gevoelen van het hoofd van dat Departement door Onzen Minister van Justitie ingewonnen en de betrekkelijke ambtsbrief bij het

-ocr page 1596-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

voorstel van dezen aan Ons overgelegd, of wel een gemeenschappelijk voorstel door de hoofden der betrokken Departementen aan Ons gedaan.

13. Indien zulks door Ons wordt verlangd of door Onzen Minister van Justitie wenschelijk wordt geacht, wordt, behalve het advies van den anderen tot het uitbrengen daarvan bij dit besluit aangewezen rechter, ook het advies ingewonnen van de kamer voor strafzaken van den Hoogen Raad of dat van den rechter, die de straf heeft opgelegd, en door Onzen genoemden Minister aan Ons overgelegd.

14. Wanneer Wij geene gunstige beschikking op een verzoek om gratie meenen te moeten nemen, en Onze raadpleging over dat verzoek mitsdien heeft opgehouden, wordt zulks door Onzen Minister van Justitie ter kennis gebracht van den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de ten uitvoerlegging van de betrekkelijke straf belast, en door dezen aan den belanghebbende medegedeeld.

15. Omtrent de aanbevelingslijsten tot het verleenen van afslag en ontslag aan gevangenen, bedoeld bij de artikelen 72 en volgende van den maatregel van inwendig bestuur, gehecht aan Ons besluit van 31 Augustus 1886 (Stb. nquot;. 159), wordt, alvorens naar aanleiding daarvan wordt beschikt, het advies ingewonnen van den rechter in de artikelen 1, 2, 3 en 4 van dit besluit aangewezen, met inachtneming van de daar gemaakte onderscheidingen.

Bij de beoordeeling, welke rechter volgens artikel 1 van dit besluit tot het uitbrengen van advies omtrent die aanbevelingslijsten is aangewezen, treedt de dag van 1 October van het loopende jaar in de plaats van dien der indiening van een verzoek.

16. Indien Wij het geraden oordeelen gratie te verleenen zonder dat een daartoe strekkend verzoek aan Ons is ingediend, wordt, alvorens een besluit in dien zin te nemen, dienaangaande het advies ingewonnen van den rechter in de artikelen 1, 2, 3 en 4 van dit besluit aangewezen, met inachtneming van de daar gemaakte onderscheidingen.

Bij de beoordeeling, welke rechter volgens artikel 1 van dit besluit tot het uitbrengen van het hier bedoelde advies is aangewezen, treedt de dag, waarop van Onzentwege de last tot het inwinnen van advies is verstrekt, in de plaats van dien der indiening van een verzoek.

17. De rechter, volgens de beide voorgaande artikelen tot het uitbrengen van advies geroepen, noodigt het openbaar ministerie uit hem ter zake verslag te doen, terwijl verder de artikelen 8, 9,10,11 en 13 van dit besluit ten dezen toepasselijk zijn.

18. De artikelen 1 en volgende van dit Ons besluit blijven van toepassing ook ingeval eene door den rechter opgelegde straf door Ons, bij wege van gratie, is verwisseld in eene andere straf en daarvan alsnog vermindering, verwisseling of kwijtschelding verzocht wordt.

19. Tegelijk met het in werking treden van dit besluit vervalt Ons besluit van 21 October 1856 (Stb. n0. 95).

1466

-ocr page 1597-

besluit van 4 november 1888.

20. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

Het Loc, 13 December 1887.

BESLUIT

van 4 November 1888 (Stb. n0. 158), tot herziening der voorschriften omtrent de wijze, waarop het overlijden van krijgslieden, die te velde, in den slag, of in \'s Rijks dienst buiten het Koninkrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand moet ivor-den ingeschreven.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Justitie, van 21 Juli 1887, litt. H3 5, Kabinet, en van 28 Juli 1887, n0. 87, 1ste afdeeling;

Den Raad van State gehoord (advies van 30 Augustus 1887, n». 17);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 15 October 1888, Kabinet, litt. A»8, en van 3 October 1888. n0. 145, 1ste afdeeling;

Gezien art. 61 van het Burgerlijk Wetboek;

Overwegende, dat de voorschriften omtrent de wijze, waarop het overlijden van krijgslieden, die te velde, in den slag, of in \'s Rijks dienst buiten het Koninkrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand moet worden ingeschreven, zooals ze zijn vastgesteld bij Koninklijk besluit van 13 Juli 1830 (Stb. n». 53), herziening vereischen;

Hebben goedgevonden en verstaan, met intrekking van evengemeld Koninklijk besluit, het navolgende te bepalen:

Artikel 1.

Met het opmaken der akten van overlijden van krijgslieden, te velde, in den slag, of in \'s Rijks dienst buiten het Koninkrijk gestorven, worden belast de officieren der militaire administratie, bij den troep aanwezig, of degenen, die als zoodanig fungeeren.

2. De akten worden ingeschreven in een daartoe door de in artikel 1 bedoelde personen aan te houden register.

De eerste en laatste bladzijde van het register moeten zijn gekantteekend en voorts alle de bladen daarvan gewaarmerkt door den hoofd-intendant.

3. Na de inschrijving der akte .wordt daarvan een afschrift gezonden aan het Departement van Oorlog.

4. Het hoofd van het Departement van Oorlog doet het in art. 3 vermelde afschrift, door hem gelegaliseerd, toe-

1467

-ocr page 1598-

liIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

komen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der laatste woonplaats van den overledene, ten einde door dezen in de loopende registers te worden ingeschreven en daaraan te worden vastgehecht.

Het Loo, 4 November 1888.

WET

van 9 Mei 1890 (Stb. n0.81), houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen.

Artikel 1.

Het is verboden op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben.

Onder wapenen verstaat deze wet: geweren, karabijnen, revolvers, pistolen en andere vuurwapenen, windroeren, dolken, dolkmessen, sabels, degens, degenstokken, priem-stokken, wapenstokken er. diergelijke voorwerpen.

2. Overtreding van het verbod in het vorige artikel gesteld wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zeven dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Het wapen waarmede de overtreding plaats heeft, kan worden verbeurd verklaard.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens ge:ijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste vier weken of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden worden opgelegd.

3. De bepaling van art. 1 is niet van toepassing op openbare ambtenaren of beambten die krachtens voorschrift, gegeven door of vanwege het hoofd van het departement van algemeen bestuur waaronder hun werkkring behoort, het wapen bij zich mogen hebben, en voorts op hen die:

1°. een wapen bij zich hebben dat behoort bij hunne ambtskleeding of bij de door hen met vergunning van het boven hen gesteld openbaar gezag gedragen kleeding;

2°. deel uitmaken van de gewapende macht, van de rijks- of van de gemeente-politie, voor zoover het wapen dat zij bij zich hebben tot hunne uitrusting behoort;

3°. op weg zijn naar of van bijeenkomsten, bedoeld bij art. 21 der wet van 22 April 1855 (Stb. n0. 32) tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering, mits voor het houden van die bijeenkomsten, voor zoover zij gevorderd wordt, vergunning zij verleend;

1468

-ocr page 1599-

WET VAN 9 MEI 1890.

4®. zonder lid te zijn van eene door Ons erkènde ver-eeniging als in art. 4 bedoeld, onder leiding van militairen deelnemen aan vrijwillige oefeningen in den wapenhandel, en zulks gedurende den tijd voor die oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd oir zich naar en van de loopplaatsen te begeven;

o#. krachtens de bepalingen van de wet op de jacht en visscherij bevoegd om hetzij in open, hetzij in gesloten jachttijd buiten openbare wegen en voetpaden zich met schietgeweren in het veld te bevinden, van die bevoegdheid gebruik maken, zich daartoe op weg bevinden of zich, na van die bevoegdheid gebruik te hebben gemaakt, naar huis begeven;

6°. in dienst van personen in het vorige nummer bedoeld, deze vergezellen of door hen belast zijn met het overbrengen van het wapen van of naar het jachtveld;

7°. geen ander wapen vervoeren dan dat zoodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend;

8°. van den burgemeester hunner woonplaats schrifte-telijke machtiging hebben om als deelnemer aan een optocht een in de machtiging aangewezen wapen bij zich te hebben, gedurende den tijd mede in de machtiging uitgedrukt;

9°. voorzien zijn van eene machtiging tot het bij zich hebben van een wapen, voor een bepaalden tijd afgegeven door Onzen Commissaris in de provincie waar de aanvrager woont, welke machtiging te allen tijde kan worden ingetrokken.

Het model dezer machtiging wordt door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

De bepaling van artikel 1 is mede niet van toepassing op voor het publiek toegankelijke plaatsen, waar met vergunning van het bevoegd openbaar gezag oefeningen in het schieten worden gehouden, doch alleen voor zoover betreft het soort van wapen waarop de vergunning betrekking heeft.

4. Onder de gewapende macht bedoeld in artikel 3 worden begrepen de door Ons erkende vereenigingen tot oefening in den wapenhandel, gedurende den tijd voor die oefeningen bestemd, daaronder begrepen de tijd om zich naar en van de loopplaatsen te begeven.

5. Het feit bij deze wet strafbaar gesteld wordt beschouwd als overtreding.

6. De Déclaration du Roi van 23 Maart 1728 en het Decreet van 2 Nivöse an XIV worden ingetrokken.

Gegeven op hot Loo, 9 Mei 1890.

1469

-ocr page 1600-

1470 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

WET

van 21 Juli 1890 (Stb. n0. 127), tot verzekering van de toepassing van bij de wet bevolen of toegelaten vrijheidsbeneming.

Artikel 1.

Tot vrijheidsbeneming bij de wet bevolen of toegelaten kan, met uitzondering van eene woning, waarvan de toegang door den bewoner wordt geweigerd, elke plaats waar de te vatten persoon zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden, worden betreden door de tot aanhouding bevoegde openbare macht.

2. In geval van ontdekking van een misdrijf, terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd, is, zoolang de openbare macht niet is opgetreden, een ieder bevoegd, ten einde den verdachte aan te houden, elke plaats, waar deze zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden, te betreden, met uitzondering van eene woning, waarvan de toegang door den bewoner wordt geweigerd.

3. Tot vrijheidsbeneming, bedoeld bij artikel 1, kan de tot aanhouding bevoegde openbare macht tegen den wil van den bewoner binnentreden in eene woning, waarin de te vatten persoon zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden, op vertoon:

ló. ingeval van ontdekking van een strafbaar feit terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd, van een schriftelijken algemeenen of bijzonderen last van den tot opsporing daarvan bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie of van een schriftelijken bijzonderen last van den tot opsporing daarvan bevoegden hulp-officier van Justitie;

2°. in alle andere gevallen, van een schriftelijken bijzonderen last, hetzij van de macht, die het bevel of de machtiging tot vrijheidsbeneming heeft gegeven, hetzij van die, op wier bevel de tenuitvoerlegging daarvan geschiedt, of van den ambtenaar die deze vervangt.

De last mag niet gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene andere woning dan die van den te vatten personen worden uitgevoerd, tenzij de last uitdrukkelijk ir.houdt dat de uitvoering daarvan te allen tijde mag plaats hebben.

Van het binnentreden in dit artikel bedoeld en van de reden daarvan wordt door dengene die deze handeling heeft verricht proces-verbaal opgemaakt en aan dengene, m wiens woning is binnengetreden, binnen tweemaal vier en twintig uren in afschrift medegedeeld.

4. De bijzondere last, bedoeld bij art. 3, duidt de woning aan, waarin tegen den wil van den bewoner zal kunnen worden binnengetreden, alsmede, zoo nauwkeurig mogelijk, den persoon, die aldaar zal kunnen worden gevat.

-ocr page 1601-

WET V. 21 JULI 1890 EN WET V. 28 FEBRUARJ 1891. 1471

5. Tot vrijheidsbeneming, bedoeld bij art. 1, behalve bij ontdekking van een strafbaar feit terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd, en tot eene aanhouding krachtens art. 2 kan niet worden binnengetreden

1°. in de vergaderzaal van de Staten-Generaal, van de Staten eener provincie of van den raad eener gemeente gedurende de vergadering;

2°. in de lokalen, voor den openbaren godsdienst bestemd gedurende de godsdienstoefening;

3°. in de lokalen, waarin openbare terechtzittingen worden gehouden gedurende de terechtzittingen.

6. Deze wet is niet van toepassing op de gijzeling of lijfsdwang in burgerlijke zaken, tot tenuitvoerlegging waarvan echter, behoudens het bij artikel 600 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde, elke plaats, waar de te vatten persoon zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden, kan worden betreden door de tot die tenuitvoerlegging bevoegde macht en de getuigen.

7. Met uitzondering van art. 1 en art. 5 is deze wet niet van toepassing op het provoost-arrest, bedoeld bij art. 71 der wet van \'11 April 1827 (Stb n0.17), ten aanzien waarvan de wet van 16 December 1886 (Stb. n0.213) van kracht blijft.

Gegeven op het Loo, 21 Juli 1890.

WET

van 28 Februari 1891 (Stb. n0. 69), tot vaststelling van bepalingen betreffende \'s Rijks waterstaatswerken.

Artikel 1.

Door Ons worden, ter bescherming van \'s Rijks waterstaatswerken, alsmede ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik dier werken, voor zoover daarin niet door eene wet of door Ons krachtens eene wet is voorzien, bij algerneenen maatregel van bestuur vastgesteld door straffen te handhaven bepalingen, betreffende:

1°. het met vaartuigen, vlotten of andere voorwerpen gebruik maken van openbare wateren, onder beheer van het Rijk, waaronder in deze wet mede verstaan worden de territoriale wateren;

2». het gebruik maken van kribben, dammen, steigers, veerponten, veerbooten, duikers, dukdalven, remmings-werken en andere werken in, over of onder de sub 1°. vermelde wateren; alsmede van sluizen en bruggen, alles voor zoover die werken zijn waterstaatswerken onder beheer van het Rijk;

3°. het gebruik maken van de zeestranden, zeekeerende duinen en andere zeeweringen en van kaden, los-

-ocr page 1602-

1472 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

plaatsen, meerpalen, dijken, bermen, glooiingen, wallen en oevers, onder beheer van het Rijk;

4°. het veranderen of het opzettelijk belemmeren van den loop van de wateren, sub 1°. vermeld;

5°. het baggeren, graven en slikkeren, alsmede het vis-schen, aalgeeren of rapen van schelpdieren of mosselzaad op of langs de sub 2®. en 3®. vermelde werken en in de sub 1°. vermelde wateren, of de daarin opgekomen slikken, gorzen of gronden, voor zoover de laatste onder beheer zijn van het Rijk;

6°. het gebruik maken van wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen, slooten, bruggen, duikers, beschoeiingen en andere werken;

7°. het werpen of nederleggen van vaste stoffen in de sub 40. vermelde wateren en op of in waterstaatswerken onder beheer van het Rijk, alsmede op de tot die werken behoorende gronden, voor zoover deze tot het gebruiken of het instandhouden dier werken vereischt worden;

8®. het maken van werken tot het afleiden van water -uit kanalen onder beheer van het Rijk.

2. Op de overtreding van krachtens art. 1 gemaakte bepalingen kan door Ons bij algemeenen maatregel van bestuur straf worden gesteld, doch geene andere of hoogere dan:

a. hechtenis van ten hoogste zestig dagen of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden, voor zoeveel betreft eene overtreding der in art. 1 sub 1®. bedoelde bepalingen, indien zij gepleegd is ten aanzien van wateren, bestemd otn te worden bevaren met zeeschepen, en die van de in art. sub 2°. en 3°. bedoelde bepalingen, indien zij gepleegd is in, op, onder of tegen werken als daarbij vermeld, liggende in, over, onder, langs of bij genoemde wateren;

b. hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden, voor eene overtreding der in art. 1 sub 4°. en 8®. bedoelde bepalingen, gelijk mede van die sub\'i®., 2®. en 3°. bedoeld, niet begrepen onder letter a;

c. geldboete van ten hoogste honderd gulden, voor eene overtreding der in art. 1 sub 5®., 6quot;. en 7®. bedoelde bepalingen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen Jaar is verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de rechter hechtenis of geldboete tot het dubbel van het voor elk in den algemeenen maatregel van bestuur bepaalde maximum uitspreken.

3. De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, desnoods bijgestaan door de ambtenaren van de Rijks- of gemeente-politie en op kosten der overtreders, te doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen hetgeen in strijd met de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.

-ocr page 1603-

WET VAN 28 FEBRUARI 1891.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

4. De schippers van vaartuigen en vlotten zijn, onverminderd hun recht van verhaal, verantwoordelijk voor de betaling van alle kosten, zoo wegens de schade, welke door hunne schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid of door die van opvarenden aan de in art. 1 sub. 2°. en 3°. vermelde werken wordt toegebracht, als wegens de te hunnen aanzien krachtens art. 3 genomen maatregelen.

Die kosten worden door de ambtenaren, door Ons aan te wijzen, geraamd en vermeld in een proces-verbaal.

De schipper is verplicht de geraamde sommen in handen van den ambtenaar, door wien het proces-verbaal is opgemaakt, te storten of daarvoor tot diens genoegen borg te stellen, onverminderd zijne verplichting om ook de meerdere kosten van herstelling te voldoen, en behoudens zijne bevoegdheid om de beslissing van een hoogeren, door Ons aan te wijzen ambtenaar in te roepen.

Bij gebreke van betaling of borgstelling zijn de in art. 3 bedoelde ambtenaren bevoegd, des noods met behulp van den sterken arm, het voortzetten der reis, het ondernemen van den terugtocht of het aanvangen eener nieuwe reis, ook zoo het vaartuig of vlot inmiddels binnen eene andere gemeente is gebracht, te beletten.

5. Zoo de werkelijke kosten blijken minder te bedragen dan hetgeen door den schipper is gestort, wordt het meerdere op last van Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ter beschikking van den schipper gesteld.

6. De door Ons aan te wijzen ambtenaren zijn bevoegd, voor zoover daarin niet bij andere wetten is voorzien, ter verzekering der uitvoering en handhaving van de krachtens deze wet uitgevaardigde voorschriften, zich te allen tijde te begeven aan boord der vaartuigen en vlotten die zich in de in art. 1 vermelde wateren bevinden.

Zij zullen evenwel niet tegen den wil des bewoners binnentreden in de gedeelten van het vaartuig of vlot, tot woning bestemd, dan op vertoon van eenen schriftelijken last van den kantonrechter of van den burgemeester der gemeente, waarin het vaartuig of vlot zich bevindt.

Van dit binnentreden wordt door dengene, die deze handeling heeft verricht, proces-verbaal opgemaakt en aan dengene, in wiens woning is binnengetreden, binnen tweemaal vier en twintig uren in afschrift medegedeeld.

7. De strafbare feiten, in deze wet bedoeld, worden beschouwd als overtredingen.

8. Deze wet treedt in werking met den dag harer afkondiging.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 28 Februari 1891.

1473

93

-ocr page 1604-

1474 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

WET

van 15 April 1891 (Stb. n0. 84), houdende bepalingenter uitvoering van de op 16 November 1887 te \'s-Graven-hage gesloten internationale overeenkomst, strekkende tot het tegengaan der misbruiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank onder de visschers op de Noordzee, buiten de territoriale ivateren a), goedgekeurd bij de wet van 7 Augustus 1888 (Stb. n®. 123), en tot het tegengaan van soortgelijke misbruiken in de territoriale wateren des Rijks, ge-ivijzigd bij de Wet van 30 December 1893 (Stb. n0.262).

Artikel 1.

Alle personen, die zich aan boord bevinden van een schip of vaartuig in Nederland tehuis behoorende, houden zich aan de voorschriften, vervat in de internationale overeenkomst den 16den November 1887 te \'s-Gravenhage gesloten tot het tegengaan der misbruiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank onder de visschers op de Noordzee, buiten de territoriale wateren, goedgekeurd bij de wet van 7 Augustus 1888 (Stb. n®. 123), zooals die overeenkomst, blijkens het protocol, geteekend te \'s-Gravenhage, den 14den Februari 1893, goedgekeurd bij de wet van 22 Juni 1893 (Stb. n®. 92), is gewijzigd en aangevuld.

Behalve de Staten, die tot het in de vorige alinea bedoelde protocol hebben medegewerkt, zijnde: Nederland, Duitscbland, België, Denemarken en Groot-Brittannië en Ierland, zal verder als tot de overeenkomst toegetreden Staat in den zin dezer wet ook die worden aangemerkt, welke gebruik mocht maken van de bevoegdheid bij artikel 10 der overeenkomst en § 2 van bovengenoemd protocol bedoeld en wel van het tijdstip af, waarop de daar voorgeschreven bekendmaking aan de Nederlandsche Begeering zal zijn gedaan.

Aldus gewijzigd hij de Wet van 30 December 1893 (Stb. n®. 262).

2 De bepalingen dier overeenkomst gelden tevens voor alle schepen en vaartuigen in de territoriale wateren des Rijks voor zoover daarvan niet bij deze wet is afgeweken.

3. Als grenzen van de Noordzee en van de territoriale wateren, in de artt. 1 en 2 bedoeld, gelden die, welke de artt. 2, 3 en 4 der overeenkomst van 6 Mei 1882, goedgekeurd bij de wet van 15 Juni 1883 (Stb. n0. 73), aanwijzen.

é. Hij die, zich aan boord bevindende van of behoorende tot een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, in de Noordzee of in de territoriale wateren des Rijks sterken drank verkoopt aan, of tegen eenig voorwerp ruilt met hem, die zich aan boord van een ander schip of vaartuig, zijnde een visschersvaartuig, bevindt of tot een zoodanig

a) Deze overeenkomst is geplaatst in Stb. 1891 no. 59.

-ocr page 1605-

WET VAN 15 APRIL 1891.

ander vaartuig behoort, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden.

Hij die, zich aan boord bevindende van of behoorende tot een in Nederland te huis behoorend visschersvaartuig, in de Noordzee of in de territoriale wateren des Rijks sterken crank koopt van of tegen eenig voorwerp ruilt met hem, die zich aan boord van een ander schip of vaartuig bevindt of daartoe behoort, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

De in de twee voorgaande alinea\'s bedoelde ruil wordt, wanneer deze geschiedt tegen visch, voorwerpen van scheepsuitrusting of vischtuig, gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De gezagvoerder van een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig of hij die hem vervangt, wordt, voor het geval dat hij de overtredingen van de eerste drie alinea\'s niet verhindert, terwijl hij daartoe bij machte was, gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

De bepalingen van de vier voorgaande alinea\'s zijn in de territoriale wateren des Rijks ook ten aanzien van andere dan de in Nederland te huis behoorende schepen en vaartuigen van toepassing.

Als sterke drank wordt beschouwd elk vocht door distillatie verkregen, dat meer dan vijf liter alcohol op eiken hectoliter bevat bij een warmtegraad van vijftien graden aan den honderddeeligen thermometer.

5. De in art. 3 der overeenkomst bedoelde vergunning wordt ten aanzien van een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, afgegeven door den burgemeester der gemeente waar het schip of vaartuig te huis behoort, en gesteld ten name van den eigenaar, boekhouder of gebruiker.

Die vergunning is ingericht naar de voorschriften dienaangaande door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te geven.

Gelijke vergunning, af te geven door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, wordt vereischt voor den in art. 3 der overeenkomst bedoelden handel, gedreven in de territoriale wateren des Rijks, aan boord van een schip of vaartuig, te huis behoorende in een niet tot de overeenkomst toegetreden Staat.

6. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die, zich aan boord bevindende van of behoorende tot een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, in de Noordzee of in de territoriale wateren des Rijks den in art. 3 der overeenkomst voorwaardelijk toegelaten handel drijft zonder dat de in liet eerste lid van het vorige artikel bedoelde vergunning op de eerste vordering wordt vertoond aan de anabte-

1475

-ocr page 1606-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

naren, belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet;

2°. hij die, zich aan boord bevindende van of behoorende tot een schip of vaartuig, te huis behoorende in een anderen tot de overeenkomst toegetreden Staat, in de territoriale wateren des Rijks den in art. 3 der overeenkomst voorwaardelijk toegelaten handel drijft zonder dat eene vergunning, als bedoeld in dat artikel, afkomstig van den Staat, waarin het schip of vaartuig te huis behoort, op de eerste vordering wordt vertoond aan de ambtenaren, belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet;

3°. hij die, zich aan boord bevindende van of behoorende tot een schip of vaartuig, te huis behoorende in eenen niet tot de overeenkomst toegetreden Staat, in de territoriale wateren des Rijks den in art. 3 der overeenkomst voorwaardelijk toegelaten handel drijft zonder dat de in het laatste lid van het vorige artikel voorgeschreven vergunning op de eerste vordering wordt vertoond aan de ambtenaren, belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet.

7. Indien op een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, ten behoeve waarvan eene vergunning volgens het eerste lid van art. 5 is afgegeven, in de Noordzee of in de territoriale wateren des Rijks niet gevoerd wordt het merkteeken, dat door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zal worden vastgesteld en in de Staatscourant bekend gemaakt, wordt c\'e gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Indien het merkteeken gevoerd wordt op een in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, zonder dal de vergunning op de eerste vordering wordt vertoond aan de ambtenaren belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet, wordt de gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste twee honderd gulden.

8. Indien op een in een anderen, tot de overeenkomst toegetreden Staat te huis behoorend schip of vaartuig, ten behoeve waarvan eene vergunning volgens art. 3 dierover-eenkomst is afgegeven, in de territoriale wateren des Rijks niet gevoerd wordt het krachtens dat artikel door de betrokken Regeering vastgestelde merkteeken, wordt de gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Indien het merkteeken, bedoeld in art. 3 der overeenkomst, in de territoriale wateren des Rijks gevoerd wordt op een in een anderen tot de overeenkomst toegetreden Staat te huis behoorend schip of vaartuig, zonder dat eene vergunning als in de vorige alinea bedoeld, op de eerste vordering wordt vertoond aan de ambtenaren, belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet, wordt de gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden.

1476

-ocr page 1607-

WET VAN 15 APRIL 1891.

Indien op een in een niet tot de overeenkomst toegetreden Staat te huis behoorend schip of vaartuig, ten behoeve waarvan eene vergunning volgens art. 5, laatste lid, is afgegeven. in de territoriale wateren des Rijks niet gevoerd wordt het merkteeken, dat door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zal worden vastgesteld en in de Staatscourant bekend gemaakt, wordt de gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Indien het merkteeken, bedoeld in art. 3 der overeenkomst, in de territoriale wateren des Rijks gevoerd wordt op een in een niet tot de overeenkomst toegetreden Staat te huis behoorend schip of vaartuig, zonder dat eene vergunning als in de vorige alinea bedoeld, op de eerste vordering wordt vertoond aan de ambtenaren, belast met de opsporing van de overtredingen dezer wet, wordt de gezagvoerder of die hem vervangt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste tweehonderd gulden.

9. Overtreding van eene der voorwaarden, waaronder eene in art. 5 bedoelde vergunning verleend is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

10. De gezagvoerder van een in Nederland tehuis behoorend visschersvaartuig en van een schip of vaartuig ten behoeve waarvan eene in art. 5 bedoelde vergunning is afgegeven, of hij die den gezagvoerder vervangt, is op straffe van eene geldboete van ten hoogste vijftig gulden verplicht een exemplaar dezer wet, alsmede een exemplaar der internationale overeenkomst van 16 November 1887, aan boord te hebben.

Dezelfde verplichting bestaat ten aanzien van latere wetten, internationale overeenkomsten en protocollen waarbij in de in het vorige lid bedoelde wet en internationale overeenkomst wijziging gebracht wordt.

11. De in de artt. 4, 6, 7, 8 en 9 bedoelde straffen kunnen met één derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn ver-loopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is geworden.

12. Bij veroordeeling op grond van de artt. 4, 6, 7, 8 of 9 zal de rechter openbaarmaking van zijne uitspraak gelasten en vervalt van rechtswege de vergunning, die door de Nederlandsche autoriteit mocht zijn afgegeven ten behoeve van het schip of vaartuig, waartoe de veroordeelde behoort of waarvan hij eigenaar, boekhouder of gebruiker is.

Door den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie wordt van dit vervallen, onmiddellijk nadat de veroordeeling onherroepelijk is geworden, kennis gegeven aan de autoriteit, die de vergunning afgaf.

Nadat zoodanige veroordeeling onherroepelijk is geworden wordt aan hem, te wiens name de vervallen vergunning was verleend, en ten behoeve van hetzelfde schip of vaartuig geen vergunning afgegeven alvorens sedert dat tijdstip twee jaren zijn verloopen.

1477

-ocr page 1608-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Eene vergunning afgegeven ten name en ten behoeve als in het vorig lid omschreven na zoodanige veroordeeling, doch vóór dat deze onherroepelijk is geworden, heeft geen kracht indien de veroordeeling in stand blijft.

Hij. te wiens name de in het vorig lid bedoelde of eene vervallen vergunning was verleend, is, op straffe van eene geldboete van ten hoogste honderd gulden, verplicht deze binnen veertien dagen nadat de veroordeeling onherroepelijk is geworden terug te zenden aan de autoriteit, die haar heeft afgegeven.

13. De bevelvoerders van de kruisers der Mogendheden, welke met Nederland het in artikel 1 bedoelde protocol hebben geteekend of nader tot de internationale overeenkomst van 16 November 1887 mochten toetreden, worden ten aanzien van hunne verrichtingen, binnen de grenzen der bevoegdheid hun bij art. 7 daarvan toegekend, gelijkgesteld met ambtenaren, bedoeld in de artikelen 180 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

14. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet, in de territoriale wateren des Rijks gepleegd, zijn belast de bevelvoerders van de Nederlandsche oorlogsschepen, de ambtenaren der recherche te water, de waterschouten en de verdere ambtenaren der Rijks- en gemeente-politie.

15. De bevelvoerders van de Nederlandsche oorlogsschepen, die, krachtens de bevoegdheid hun bij de overeenkomst of bij deze wet toegekend, proces-verbaal hebben opgemaakt, doen dit ten spoedigste toekomen aan den Minister van Marine, die voor de verdere verzending zorg draagt.

Mochten bevelvoerders van vreemde kruisers een procesverbaal, door hen ten aanzien van eenig Nederlandsch vaartuig opgemaakt, in handen stellen van eene Nederlandsche autoriteit, dan zorgt deze dat dit proces-verbaal ten spoedigste aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de vervolging belast, worde toegezonden.

16. De processen-verbaal, opgemaakt door de bevelvoerders der Nederlandsche oorlogsschepen of van vreemde kruisers, krachtens de bevoegdheid hun bij de overeenkomst of bij deze wet toegekend, hebben bewijskracht in rechten, mits voldaan zij aan een der eischen in art. 401 van het Wetboek van Strafvordering gesteld.

17. Bij ontdekking op heeterdaad van eene overtreding van deze wet, gepleegd in de territoriale wateren des Rijks door iemand, zich aan boord bevindende van of behoo-rende tot een niet in Nederland te huis behoorend schip of vaartuig, zal dit laatste zoo mogelijk door een Nederlandsch oorlogsschip worden opgebracht naar de naaste of meest gelegene Nederla.idsche haven, tenzij in handen van den bevelvoerder van laatstgenoemd vaartuig wordt gestort eene som van vijfhonderd gulden of daarmede gelijkstaande waarde in vreemde muntspecie of bankbiljetten als waarborgsom voor de voldoening van, in geval van veroordeeling, te betalen boeten en kosten.

In geval van zoodanige storting zal de bevelvoerder van laatstbedoeld vaartuig daarvoor een bewijs van ontvangst

1478

-ocr page 1609-

WET VAN 15 APRIL 1891.

geven en desgeraden den gezagvoerder van het vreemde vaartuig of hem die dezen vervangt gelasten zich met dit laatste onmiddellijk buiten de territoriale wateren te begeven, of bij onwil, hem met geweld daartoe noodzaken.

Ingeval is gehandeld overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, is het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht ten deze niet van toepassing.

18. Het naar eene Nederlandsche haven, ingevolge het eerste lid van art. 17 opgebracht vaartuig zal daar door de zorg van den waterschout of bij gebreke van dezen door die van den burgemeester met den inventaris worden in bewaring gehouden, totdat de in dat artikel genoemde waarborgsom in handen van den burgemeester of van een Nederlandschen consul in het land waar de reederij van het vaartuig gevestigd is, zullen zijn gestort tegen bewijs van ontvangst, of totdat het recht fot strafvordering zal zijn vervallen door den dood van den verdachte, door ververjaring of op grond van art. 74 van het Wetboek van Strafrecht, of totdat de vrijspraak of het ontslag van rechtsvervolging of de niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie onherroepelijk zal zijn geworden, of totdat het recht tot uitvoering van de straf zal zijn vervallen door den dood van den veroordeelde, of eindelijk totdat aan het veroordeelend vonnis zal zijn voldaan of dit zal zijn ten uitvoer gelegd op de in het volgend artikel bepaalde wijze en de kosten waarin de veroordeelde is verwezen zullen zijn voldaan.

19. Ingeval is gehandeld overeenkomstig het eerste lid van artikel 17 dezer wet, kan tegen het bij verstek gewezen vonnis geen verzet meer worden gedaan indien twee maanden zijn verloopen sedert het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd.

Indien twee maanden verloopen zijn sedert de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd en het opgebrachte vaartuig alsdan nog overeenkomstig het vorige artikel in bewaring wordt gehouden, zal zoodra mogelijk door den met de bewaring belasten ambtenaar zooveel van den inventaris in het openbaar worden verkocht als noodig is tot verhaal van boete en kosten, waarna het schip of vaartuig met den verderen inventaris ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbenden, zoo noodig door tusschenkomst van den consulairen ambtenaar te naaster plaatse in het land waar de reederij van het vaartuig gevestigd is.

20. De in handen van den burgemeester of van den bevelvoerder van het Nederlandsch oorlogsschip gestorte waarborgsom zal zoodra mogelijk worden overgebracht ten kantore van den ontvanger der registratie, binnen het ressort van het kantongerecht, hetwelk van de overtreding kennis neemt, ten einde na berechting der zaak, onder aftrek van eventueel beloopen boete en kosten, langs diplo-matieken weg te worden teruggegeven aan hem, die de waarborgsom heeft gestort.

1479

-ocr page 1610-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Is de storting bij een consul geschied, zoo zullen de gelden onder dezen blijven berusten en door hem na berechting der zaak aan de rechthebbenden worden verantwoord, onder aftrek van eventueel beloopen boete en kosten.

21. De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

In geval van opbrenging van een schip of vaartuig naar eene Nederlandsche haven ingevolge het eerste lid van art. 17, wordt in zooverre afgeweken van het bepaalde in de vierde afdeeling van den eersten titel van het Wetboek van Strafvordering, dal met de vervolging van de overtreding is belast de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht, tot welks rechtsgebied de haven behoort, waar het schip of vaartuig werd opgebracht.

22. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip. (23 Mei 1894 : Stb. 1894 n0. 60.)

Gegeven te Gersau, 15 April 1891.

WET

van 15 April 1891 (St5. n0. 91), houdende bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openslaan.

Artikel 1.

Door Ons worden bij a.gemeenen maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld, door schippers of schepelingen in acht te nemen, tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. (Voor de Merwede, de Noord en de Nieuwe Maas: Stb. 1897 n0. 268; voor andere binnenwateren: Stb. 1892 n0. 102, gewijzigd bij Stb. 1897 n0. 179 en Stb. 1898 n0. 153; zie voor den Rijn met inbegrip van de Waal en de Lek: Stb. 1897 n0. 204, strafbepaling art. 32 der Rijnvaartacte in Stb. 1869 nquot;. 37.)

2. De besturen der provinciën en gemeenten zijn bevoegd tot het vaststellen van bepalingen tot voorkoming van aanvaring of aandrijving op eenig voor de scheepvaart openstaand vaarwater of gedeelte daarvan, onder hun beheer, voor zoover die niet in strijd zijn met de krachtens art. 1 dezer wet door Ons uitgevaardigde voorschriften.

Onder hetzelfde voorbehoud kunnen zoodanige bepalingen ook worden vastgesteld door de besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders, die tot het maken van verordeningen van politie bevoegd zijn.

8. Deze wet treedt in werking met den dag harer afkondiging.

1480

-ocr page 1611-

wetten v. 15 ai\'rii, I89I, v. 22 juni 1891 en29 oct. 1892. 1481

WET

van 22 Juni 1891 (Stb. n0. 125), betreffende de ivellelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieel e benamingen in verband met het overgaan van de Kroon op eene Koningin.

Artikel 1.

Zoolang eene Koningin de Kroon draagt, wordt bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieele benamingen, waarin het woord «Koning» voorkomt, in plaats daarvan het woord «Koningin» gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk wordende taalkundige veranderingen.

2. Voor de rechtsgeldigheid van de toepassing sedert den overgang van de Kroon op Hare Majesteit WILHELMINA. aan wettelijk vastgestelde voorschriften betreffende formulieren, ambtstitels en officieele benamingen gegeven, maakt het geen onderscheid of daarbij het woord «Koning» dan wel het woord «Koningin» met inachtneming van de daardoor nooilzakelijk geworden taalkundige veranderingen, gebezigd is.

3- Deze wet is ook verbindend voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Zij treedt in werking op den Isten September 1891.

Gegeven op het Loo, 22 Juni 1891.

WET

van 29 October 1892 (Stb. no.240), houdende voorloopige maatregelen tot behoud van vicariegoederen, gewijzigd bij de Wet van 12 Juli 1895 (Stb. nquot;. 99).

Artikel 1.

Ten aanzien van goederen van kerkelijken oorsprong, eertijds hoofdzakelijk voor kerkelijke diensten en tot opleiding en onderhoud van de daartoe geroepen geestelijke beneficianten bestemd, voor zoover die thans niet van Staatswege of vanwege eenig kerkgenootschap beheerd worden, en die onder de benamingen van vicariegoederen, capellanie-goederen, memoriegoederen of praebenden bekend staan, gelden de volgende voorschriften.

2. Het vervreemden of bezwaren van onroerende zaken en van inschrijvingen op een der Grootboeken van de Nationale Schuld en van andere op naam staande effecten en inschulden, voor zoover deze onroerende zaken, inschrijvingen, effecten en inschulden staan ten name van de in het vorig artikel aangeduide goederen, mag slechts plaats hebben met Onze toestemming, die, zoo noodig, eerst verleend wordt

-ocr page 1612-

1482 bijzondere wetten en besluiten.

na het vervullen van de voorwaarden voor elk bijzonder geval door Ons te stellen.

3. Alle handelingen en overeenkomsten in strijd met het voorgaand artikel, worden, behalve op de vordering van belanghebbenden, ook op de vordering van het openbaar ministerie nietig verklaard of ontbonden door de rechtbank onder wier rechtsgebied de handeling is gepleegd of de overeenkomst is aangegaan.

Het eindvonnis, waarbij een handeling is nietig verklaard of eene overeenkomst is ontbonden, wordt, wanneer het onroerende zaken betreft, ingeschreven in de registers van de bewaarders der hypotheken in de arrondissementen, waarin de gronden zijn gelegen, of, wanneer het inschrijvingen betreft op een der Grootboeken van de Nationale Schuld, aan de directie dier Grootboeken beteekend.

De inschrijving in de registers en de beteekening geschieden door de zorg van het openbaar ministerie binnen 3 maanden nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

4. Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging en geldt gedurende een tijdvak van niet langer dan acht jaren.

Aldus gewijzigd bij de Wet van 12 Juli 1895 (Stb. n0. 99).

Gegeven op het Loo, 29 October 1892.

WET

van 12 December 1892 (Stb. n0.268), op het Nederlanderschap en hel ingezetenschap.

Wij EMMA, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is, ter vervanging van den titel van het Burgerlijk Wetboek: «Van Nederlanders en vreemdelingen», en van de wet van 28 Juli 1850 (Stb. n0. 44), gewijzigd bij die van 3 Mei 1851 (Stb. nquot;. 46), algemeene bepalingen omtrent het Nederlanderschap vast te stellen, en dat ter voldoening aan art. 6 der Grondwet de wet mede moet verklaren wie ingezetenen zijn en eveneens bij de wet de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde behooren te worden geregeld;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Nederlanders door geboorte zijn:

a. het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens do geboorte de vader den staat van Nederlander bezit.

-ocr page 1613-

WET VAN IS DECEMBER 4892.

h. het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed;

c. het alléén door de moeder erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit;

d. het noch door den vader doch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Rijk geboren.

2. Nederlanders zijn ook:

a. het kind van een ingezetene des Rijks — hetzij vader, hetzij moeder, naar de in art. 1 gemaakte onderscheidingen — die zelf geboren is uit eene in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke dat het kind als vreemdeling tot een ander land behoort;

b. hel in het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind, zoolang van zijne afstamming, hetzij als wettig of gewettigd kind, hetzij door erkenning, niet blijkt.

3. Nederlanderschap door naturalisatie wordt verkregen door het in werking treden der wet waarbij zij verleend wordt.

Voor elke naturalisatie is aan \'s lands kas verschuldigd honderd gulden.

Bij het verzoek om naturalisatie legt de verzoeker het bewijs over:

1°. dat hij meerderjarig is in den zin der Nederlandsche wat;

2°. dat hij het Nederlanderschap verloren heeft of dat hij gedurende de laatste vijf jaren zijne woonplaats of zijn hoofdverblijf in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gehad heeft;

3». dat hij bij een ontvanger der registratie eene som van honderd gulden heeft gestort.

Indien de verzoeker tot een ander land behoort, kan van hem de overlegging gevorderd worden van een bewijs, dat de wetgeving van dat land geen beletsel tegen zijne naturalisatie in Nederland oplevert.

Ingeval de naturalisatie niet verleend wordt, wordt de gestorte som aan den verzoeker teruggegeven.

4. Naturalisatie kan ook om redenen van staatsbelang worden verleend. Daarbij is artikel 3 niet van toepassing.

De wet, waarbij zij verleend wordt, regelt in ieder bijzonder geval de voorwaarden, aan die naturalisatie verbonden.

5. De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren man.

Een verzoek om naturalisatie kan niet door eene gehuwde vrouw worden gedaan.

De naturalisatie, verleend aan den man, strekt zich van rechtswege uit tot zijne vrouw.

Na ontbinding des huwelijks geldt artikel 8 of artikel 9.

6. Het wettig of gewettigd kind van een als Nederlander genaturaliseerden vader, vóór diens naturalisatie geboren, gelijk mede het door zijn als Nederlander genaturaliseerden vader erkend natuurlijk kind, vóór diens naturalisatie geboren, wordt als mede-genaturaliseerd beschouwd, e^

1483

-ocr page 1614-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

houdt den staat van Nederlander totdat het, meerderjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, mits binnen het jaar daarna, aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar het woont, zijn wil te kennen geeft om in de naturalisatie niet langer te zijn begrepen.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd kind, indien de moeder, weduwe geworden, genaturaliseerd is, en ten aanzien van het natuurlijk kind, alléén door zijne moeder erkend en vóór hare naturalisatie geboren.

7. Nederlanderschap wordt verloren:

1°. door naturalisatie in een ander land, of, voor zooveel een minderjarige betreft, door liet deelachtig worden van eene vreemde nationaliteit door de naturalisatie hetzij van den vader hetzij van de moeder, naar de in artikel 1 gemaakte onderscheidingen, in een ander land;

2°. door huwelijk van de Nederlandsche vrouw die, door of tengevolge van haar huwelijk, krachtens artikel 5 vreemdeling wordt;

3°. door het verkrijgen van eene vreemde nationaliteit door den wil van den verkrijger;

4°. door zonder Ons verlof zich te begeven in vreemden krijgs- of staatsdienst;

5°. door, behalve ter zake van \'s lands dienst, woonplaats te hebben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gedurende tien achtereenvolgende jaren, tenzij de afwezige vóór het verstrijken van dien termijn aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur zijner laatste woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar hij woont, kennis geve, dat hij Nederlander wenscht te blijven.

Van den dag waarop die kennisgeving ontvangen is, begint de tienjarige termijn opnieuw te loopen.

Ten opzichte van minderjarigen begint de tienjarige termijn te loopen met den dag hunner meerderjarigheid in den zin der Nederlandsche wet.

8. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander verloren heeft, bekomt dien door de ontbinding van het huwelijk terug, mits zij binnen het jaar daarna haren wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur barer woonplaats in het Rijk of zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen of aan den Nederlandschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het land, waar zij woont, te kennen geeft.

9. De vrouw, die door of ten gevolge van haar huwelijk den staat van Nederlander bekomen heeft, behoudt dien na

1484

-ocr page 1615-

WET VAN 12 DECEMBER 1892.

irig de ontbinding des huwelijks, tenzij zij binnen het jaar len daarna haren wil om dien niet langer te behouden aan den fan burgemeester of het hoofd van het plaatselijk bestuur ijk harer laatste woonplaats in het Rijk of aijne koloniën of of bezittingen in andere wereiddeelen of aan den Nederlandschen ien gezant of een Nederlandschen consulairen ambtenaar in het ijn land, waar zij woont, te kennen geeft.

te 10. Het wettig, gewettigd of erkend natuurlijk kind van

een Nederlander, geboren vóór dat deze in een ander gd land werd genaturaliseerd, ten gevolge waarvan het kind rd mede den staat van Nederlander verloor, bekomt dien terug,

ior mits het, meerderjarig geworden in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar daarna zijn wil om dien terug te bekomen aan den burgemeester of het hoofd van het plaat-io- selijk bestuur zijner woonplaats in het Rijk of zijne koloniën ig of bezittingen in andere wereiddeelen of aan den Neder-Je landschen gezant of een Nederlandschen consulairen ambte-ie naar in het land, waar het woont, te kennen geeft, \'i- Hetzelfde geldt ten aanzien van het wettig of gewettigd

kind, indien de moeder, weduwe geworden, in een ander e, land was genaturaliseerd en ten aanzien van het natuurlijk

is kind, alléén door zijne moeder, die in een ander land werd

genaturaliseerd, erkend.

\'t 11. Eenmaal \'sjaars doet de Minister van Justitie van de

kennisgevingen, volgens deze wet in het buitenland gedaan, n aankondiging in de Staatscourant.

12. Allen die volgens deze wet den staat van Nederlander \'■ niet bezitten, zijn vreemdelingen.

11 18. Ingezetenen van het Rijk zijn zij, die hunne woon-

e plaats in het Rijk hebben en haar gedurende de vooraf-

6 gaande achttien maanden in het Rijk of zijne koloniën of

bezittingen in andere wereiddeelen gehad hebben. \' 14. Het Rijksingezetenschap houdt op door vestiging dor

1 woonplaats buiten het Rijk.

1 15. Een minderjarige in den zin der Nederlandsche wet,

wiens vader of voogd Rijksingezetene is, wordt als zoodanig 3 aangemerkt.

Meerderjarig geworden, behoudt hij de hoedanigheid van i Rijksingezetene, indien hij zijne woonplaats in het Rijk

vestigt.

16. De bepalingen van ingezetenschap, in bijzondere 1 wetten voorkomende, gelden alleen voor zooveel betreft de

1485

onderwerpen, in die wetten behandeld.

Overgangsbepaling.

Met uitzondering van hen, die in Nederlandsch-Indië ingevolge de wet van 2 September 1854 (Stb. n0. 129) als inlanders en met dezen gelijkgestelden worden beschouwd, zijn zij die op het tijdstip, waarop deze wet in werkiquot;\' treedt, den staat van Nederlander bezitten, Nederland den zin van deze wet, totdat zij het Nederlanderschai.

-ocr page 1616-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

gens deze wet verliezen. Voor hen die op dat tijdstip hunne woonplaats hebben buiten het Rijk en zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, begint de termijn van tien jaren, bedoeld in art. 7, sub 5°., van genoemd tijdstip af te loopen.

Hij die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, in het Rijk uit aldaar niet gevestigde ouders geboren en geen 24 jaren oud is, verkrijgt den staat van Nederlander door eene kennisgeving van zijn voornemen om in het Rijk te blijven wonen, te doen aan den burgemeester zijner woonplaats binnen het jaar na dat tijdstip, of, indien hij nog minderjarig is in den zin der Nederlandsche wet, binnen het jaar na zijne meerderjarigheid.

Ten aanzien van de vreemdelingen, die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, voldaan hebben aan artikel 8 van het Rurgerlijk Wetboek, blijft, wat de toepassing betreft van het burgerlijk recht en van artikel 19 der wet van 13 Augustus 1849 (Stb. n0. 39), gewijzigd bij de wet van 6 April 1875 (Stb. n0. 66), de gelijkstelling met Nederlanders gehandhaafd, zoolang zij hunne woonplaats in het Rijk behouden.

Slotbepaling.

Behoudens het bepaalde in de voorgaande overgangsbepaling, vervallen bij het inwerkingtreden dezer wet de artikelen 5 tot en met 12, uitmakende den tweeden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, en de wetten van 28 Juli 1850 (Stb. n0. 44) en 3 Mei 1851 (Stb. n0. 46), gelijk mede de wet van 21 December 1850(Stb. n0.75). (Stb. 1893 n». 91.)

In de wetten, waarin sprake is van Nederlanders, hetzij volgens het Burgerlijk Wetboek, hetzij volgens de wet ter uitvoering van art. 7 der Grondwet (wetten van 28 Juli 1850, Stb. n0. 44, en 3 Mei 1851, Stb. n0. 46), wordt, in plaats daarvan gelezen: «Nederlanders volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap», behalve in art. 22 der wet van 6 April 1875 (Stb. n®. 66), waarin de woorden: «volgens het Burgerlijk Wetboek» vervangen worden door: «volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren».

Deze wet treedt in werking op 1 Juli 1893.

Gegeven te \'s-Gravenhage, 12 December 1892.

1486

-ocr page 1617-

WET VAN 30 SEPTEMBER 1893.

WET

van 30 September 1893 (Stb. nquot;. 146), houdende bepalingen op de fabrieks- en handelsmerken.

§ 1. Van hel Bureau en de Hulpbureaux voor den industrieelen eigendom.

Artikel 1.

Er is een Bureau voor den industrieelen eigendom voor het Rijk in Europa en zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, tevens dienende tot centrale bewaarplaats, als bedoeld bij art. 12 der internationale overeenkomst tot bescherming van den industrieelen eigendom, den 20sten Maart 1883 te Parijs gesloten en goedgekeurd bij de wet van 23 April 1884 (Stb. n0. 53).

Aan het hoofd van dit Bureau, dat te \'s-Gravenhage is gevestigd, staat een Directeur. Deze en de aan hem ondergeschikte ambtenaren en bedienden, worden door Ons benoemd en ontslagen.

De verdere inrichting van dat Bureau wordt geregeld door het Hoofd van het Departement van Justitie, en de kosten daarvan worden gebracht op het hoofdstuk der Staatsbe-grooting, genoemd Departement betreffende.

De gelden bij dit Bureau ontvangen op grond van deze wet of van de overeenkomst betreffende de internationale inschrijving van fabrieks- en handelsmerken, den 14den April 1891 te Madrid gesloten en goedgekeurd bij de wet van 12 December 1892 (Stb. n0. 270), komen voor zoover zij niet aan het Internationale Bureau der Unie tot bescherming van den industrieelen eigendom te Bern moeten worden overgemaakt, ten bate van \'s Rijks schatkist. Zij worden door den Directeur verantwoord.

2. Door Ons worden de Hulpbureaus voor den industrieelen eigendom, tevens hulpbewaarplaatsen, belast met de openbare mededeeling van de fabrieks- en handelsmerken in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, aangewezen, en de verdere werkzaamheden dezer Hulpbureaux, benevens de daarmede verband houdende verrichtingen van het in het eerste lid van art. 1 bedoeld Bureau voor den industrieelen eigendom, geregeld. (Stb. 1893 n». 159, 160 en 161.)

§ II. Inschrijving, internationale inschrijving, vernieuwing of vervallen van inschrijvingen en overgang van merken.

3. Het recht tot uitsluitend gebruik van een merk ter onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die van anderen komt toe aan dengene, die het eerst tot omschreven doel van dat merk in het Rijk in Europa of in de koloniën of bezittingen in andere werelddeelen gebruik heeft gemaakt, doch alleen voor die soort van waren, waar-

1487

-ocr page 1618-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

voor het door hem gebruikt is, en niet langer dan drie jaren na het laatste gebruik.

Behoudens bewijs van het tegendeel en het bepaalde bij het volgende lid wordt hij, die het eerst voldeed aan de voorschriften van art. 4 geacht de eerste gebruiker van het ingezonden merk te zijn.

Hij die binnen de termijnen, bepaald bij art. 4 der voormelde internationale overeenkomst van Parijs aan het Bureau voor den industrieelen eigendom een merk heeft ingezonden, hetwelk hij met inachtneming van art. 6 der evengenoemde overeenkomst in een der tot die overeenkomst toegetreden Staten a) regelmatig heeft gedeponeerd, wordt geacht van dat merk reeds bij den aanvang van den toepasselijken termijn in het Rijk in Europa gebruik te hebben gemaakt.

4 Ter verkrijging van de inschrijving van een merk zendt de belanghebbende aan het Bureau voor den industrieelen eigendom een voldoend cliché van dat merk, ter lengte en breedte van ten minste 1,5, en ten hoogste 10 centimeters en ter dikte van 2,4 centimeters, benevens twee onderteekende exemplaren eener duidelijke afbeelding en daarmede overeenstemmende nauwkeurige beschrijving van zijn merk. In deze beschrijving moeten tevens worden vermeld de soort van waren, waarvoor het merk bestemd is, en de woonplaats van den inzender.

De inzending kan ook geschieden door een schriftelijk daartoe gemachtigde.

Het merk mag geene woorden of voorstellingen bevatten in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het mag niet bevatten, zij het ook met eene geringe afwijking, een wapen van het Rijk, eene provincie, gemeente of eenig ander publiekrechtelijk lichaam.

Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van tien gulden te voldoen, waarvan in geen geval teruggave geschiedt.

5. Het overeenkomstig het vorige aitikel ingezonden merk wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, door het Bureau voor den industrieelen eigendom binnen drie dagen na den dag der ontvangst ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register, waarvan het model door den Minister van Justitie wordt vastgesteld.

De beide overgelegde exemplaren van de afbeelding en beschrijving worden gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteekening en het nommer waaronder de inschrijving \'•in het register plaats heeft.

Eén dier exemplaren wordt binnen drie dagen daarna aan den inzender teruggezonden.

Aan het andere exemplaar wordt in het geval, bedoeld in het tweede lid van art. 4, de volmacht gehecht.

1488

6. Door de zorg van het Bureau voor den industrieelen eigendom worden in de Nederlandsche Staatscourant van

o) Nederland, Frankrijk, Spanje, Portugal, België, Zwitserland, Italië, Tunis, Brazilië en de koloniën der vier eerstgenoemde Staten.

-ocr page 1619-

WET VAN 30 SEPTEMBER 1893.

-ie den eersten dag van iedere maand de in art. 4 bedoelde beschrijvingen opgenomen, elke met een afdruk van het jij cliché, van de sedert de laatste openbaarmaking ir;ge-ie schreven merken, met opgave van de soort van waren m waarvoor zij bestemd zijn en van de woonplaatsen der inzenders.

r- Deze openbaarmakingen worden geplaatst in afzonderlijke

et bijlagen van de Staatscourant, die afzonderlijk algemeen ft verkrijgbaar worden gesteld.

3r Daarna wordt het cliché aan den inzender desverlangd

i- teruggegeven.

d, 7. De Nederlander en de vreemdeling binnen het Rijk

n in Europa wonende of daar zijne voornaamste inrichtingen

k van nijverheid of handel hebbende, die zich de bescherming

wil verzekeren van zijn ingevolge art, 4 ingezonden merk •k ook in andere Staten, toegetreden tot de voormelde over-

3- eenkomst van Madrid a), zendt aan het Bureau voor den

gt;r industrieelen eigendom nog drie exemplaren, waarvan een

0 onderteekend, eener duidelijke afbeelding van dat merk en

se een cliché, beantwoordende aan de bij art. 4 gestelde

n eischen.

u Het tweede lid van art. 4 is ten deze toepasselijk.

Genoemd Bureau bewaart het onderteekende exemplaar 3, der afbeelding, hetwelk wordt gewaarmerkt, zorgt verder,

indien of zoodra het merk overeenkomstig art. 5 is inge-k schreven, met inachtneming van de bestaande voorschriften,

voor de onverwijlde aanvrage van inschrijving aan het n Internationaal Bureau te Bern en deelt al hetgeen door

j laatstgenoemd Bureau betreffende het merk te zijner kennis

d wordt gebracht en voor den inzender van belang kan wor-

t den geacht, aan dezen mede.

Wordt het merk, ingevolge art. 4 ingezonden, niet over-j eenkomstig art. 5 ingeschreven, dan geeft het Bureau voor

3 den industrieelen eigendom aan den inzender kennis, dat

ook de aanvrage van inschrijving aan het Internationaal ! Bureau te Bern voorshands niet kan volgen.

t Bij de inzending is voor elk merk een bedrag van vijf

i en vijftig gulden te voldoen, waarvan in geen geval terug

gave geschiedt.

[ 8- Door het Bureau voor den industrieelen eigendom

wordt, behoudens het bepaalde bij art. 9, binnen drie dagen i na de ontvangst van wege het Internationaal Bureau te

. Bern van de bekendmaking, voorgeschreven bij art. 3 der

voormelde overeenkomst van Madrid, het merk, waarop die bekendmaking betrekking heeft, ingeschreven in het daartoe bestemde openbare register, waarvan het model door den Minister van Justitie wordt vastgesteld.

De ontvangen bekendmaking wordt gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteekening en het nommer waaronder de inschrijving in het register plaats heeft.

1489

Indien het internationaal ingeschreven merk overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom

a) Zie de noot op art. 3.

94

-ocr page 1620-

1490 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

was ingezonden, geeft dit aan den inzender zoodra mogelijk bericht van de internationale inschrijving en een gedagtee-kend bewijs van de inschrijving in het eerste lid van dat artikel bedoeld.

Aan genoemd Bureau wordt het bijvoegsel tot het «Journal» van het Internationaal Bureau te Bern, waarin de aankondiging van de internationaal ingeschreven merken is opgenomen, algemeen verkrijgbaar gesteld.

Telkens geschiedt van die verkrijgbaarstelling mededeeling in de Nederlandsche Staatscourant.

9. Indien het ingevolge art. 4 ingezonden merk of het bij art. 8 bedoeld buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat, hetwelk voor dezelfde soort van waren ten name van een ander is ingeschreven of door een ander vroeger is ingezonden, of indien het in strijd is met de bepaling van het voorlaatste lid van art. 4, kan het Bureau voor den industrieelen eigendom de inschrijving weigeren, waarvan het schriftelijk kennis geeft binnen drie dagen na den dag der ontvangst van het merk aan den inzender, of binnen drie dagen na dien der ontvangst van de in art. 8 bedoelde bekendmaking aan het Internationaal Bureau te Bern.

De inzender ingevolge art. 4 of de inzender van het bij art. 8 bedoelde merk kan zich bij door hem of zijn gemachtigde onderteekend verzoekschrift tot de arrondisse-ments-rechtbank te \'s-Gravenhage wenden, ten einde de inschrijving worde bevolen. De inzender ingevolge art. 4 doet dit binnen ééne maand, die van het bij art. 8 bedoelde merk binnen zes maanden na die kennisgeving.

10. Indien het overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk of het overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt met dat, waarop een ander voor dezelfde soort van waren recht heeft krachtens art. 3, kan deze zich, voor wat betreft een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, binnen zes maanden na de bij art. 6 voorgeschreven openbaarmaking in de Staatscourant, en voor wat aangaat een overeenkomstig art. 8 ingeschreven buitenlandsch merk binnen negen maanden na de daar aan het slot voorgeschreven mededeeling, bij door hem of zijn gemachtigde onderteekend verzoekschrift tot de arrondissements-rechtbank te \'s-Gravenhage wenden, ten einde de inschrijving worde nietig verklaard.

Binnen hetzelfde tijdsverloop kan, indien het merk in strijd is met de bepding van het voorlaatste lid van art. 4, door den Officier van Justitie bij de in het vorige lid genoemde rechtbank worden gevorderd, dat de inschrijving worde nietig verklaard.

11. Van elk in art. 9 of art. 10 bedoeld verzoek, en van elke in art. 10 bedoelde vordering van den Officier van Justitie, wor^t door den Griffier binnen drie dagen aan het Bureau voor den industrieelen eigendom schriftelijk kennis gegeven.

12. De rechtbank beslist in raadkamer.

De beslissing op een verzoek krachtens art. 9 gedaan,

-ocr page 1621-

WET VAN 30 SEPTEMBER 1893.

wordt niet gegeven dan nadat de verzoeker in de gelegenheid is gesteld om zijn recht op de inschrijving van het merk, en de Directeur van het Bureau voor den industri-eelen eigendom om de weigering van inschrijving voor de rechtbank mondeling te verdedigen.

De beslisssing op een verzoek of eene vordering krachtens art. 10 gedaan, wordt niet gegeven dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den inzender van het merk op den door de rechtbank bij eenvoudig appointement op het verzoek of de vordering bepaalden dag, welke aan het Bureau voor den industrieelen eigendom door den Griffier schriftelijk wordt medegedeeld, en, indien het een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk betreft, aan den inzender ten minste veertien dagen te voren wordt bekendgemaakt door beteekening van het verzoek of de vordering en het daarop gegeven appointement.

Geldt het een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom van het verzoek of de vordering kennis aan het Internationaal Bureau te Bern en deelt aan dit Bureau zoodra mogelijk den door de rechtbank voor het verhoor bepaalden dag mede, en wel ten minste eene maand of drie maanden te voren, naar gelang de inzender in of buiten Europa woont.

Bij het verhoor kan de verzoeker, en in het geval voorzien bij het tweede lid van art. 10 de Officier van Justitie de gronden, waarop zijn verzoek of zijne vordering berust, mondeling uiteenzetten.

Vóór het sluiten van een verhoor, als in dit artikel voorgeschreven, bepaalt de rechter den dag, waarop hij zijne beslissing geven zal.

13. Hooger beroep van de beslissing der rechtbank is niet toegelaten.

Binnen ééne maand na den dag der beslissing kan beroep in cassatie worden ingesteld.

Het daartoe strekkend verzoekschrift wordt, indien het een ingevolge art. 4 ingezonden of een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk betreft, aan de belanghebbende wederpartij berekend.

Indien het beroep strekt ten einde de inschrijving van een merk worde bevolen, wordt het Bureau voor den industrieelen eigendom als belanghebbende wederpartij beschouwd.

Van elk ander beroep in cassatie, hetwelk niet is ingesteld door het Bureau voor den industrieelen eigendom, wordt door den Griffier bij den Hoogen Raad binnen drie dagen aan dat Bureau schriftelijk kennis gegeven.

Geldt het beroep in cassatie een merk als bij art. 8 bedoeld, dan geeft het Bureau voor den industrieelen eigendom daarvan kennis aan het Internationaal Bureau te Bern.

14. Hij die geene woonplaats binnen het Rijk in Europa heeft, moet bij de inzending bij art. 4 of art. 7 bedoeld, en bij de indiening van een verzoekschrift volgens art. 9, art. 10 of art. 13, woonplaats binnen het Rijk kiezen.

1491

-ocr page 1622-

1492 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

Alle exploten geschieden dan aan die gekozen woonplaats.

15. Van de beslissing der rechtbank wordt binnen drie dagen door den Griffier schriftelijk kennis gegeven aan het Bureau voor den industrieelen eigendom.

Gelijke kennisgeving geschiedt door den Griffier bij den Hoogen Raad van den uitslag van het beroep in cassatie.

Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, zoodra die in kracht van gewijsde is gegaan, of van den Hoogen Raad, indien deze de hoofdzaak heeft beslist, wordt door genoemd Bureau het merk ingeschreven of van de nietigverklaring der inschrijving aanteekening gedaan in de daartoe bestemde kolom van het openbare register, waarin het merk werd ingeschreven.

De inschrijving wordt alsdan geacht te zijn geschied op den dag der inzending of der ontvangst van de in art. 8 bedoelde bekendmaking.

Genoemd Bureau deelt de in dit artikel voorgeschreven kennisgevingen, voor zoover zij betreffen een merk als bij art. 8 bedoeld, mede aan het Internationaal Bureau te Bern zoodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

16. Door de zorg van het Bureau voor den industrieelen eigendom wordt aankondiging gedaan van:

1°. de weigering van inschrijving van een merk overeenkomstig art. 8, ;?oodra de termijn, voorgeschreven in het tweede lid van art. 9 is verloopen zonder dat een verzoekschrift als daar bedoeld is ingediend, of zoodra de afwijzende beslissing op zoodanig verzoekschrift in kracht van gewijsde is gegaan;

2°. de nietigverklaring der inschrijving van een merk waarvan hetzij de beschrijving reeds werd openbaar gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant, hetzij de aankondiging van internationale inschrijving reeds werd opgenomen in het bijvoegsel tot het «Journal» van het Internationaal Bureau te Bern;

3°. het vervallen van de kracht eener inschrijving om eene der redenen in art. 18, n08. 1 of 3 genoemd;

4°. den overgang van een overeenkomstig art. 5 ingeschreven merk, die overeenkomstig art. 20 is aange-teekend.

De aankondigingen, voorgeschreven in dit artikel, worden geplaatst in de in het tweede lid van art. 6 bedoelde afzonderlijke bijlagen van de Nederlandsche Staatscourant.

17. De bij de artt. 5 en 8 bedoelde registers liggen voor ieder kosteloos ter inzage in de lokalen van het Bureau voor den industrieelen eigendom.

Ieder kan daarvan voor zijne rekening uittreksel of afschrift bekomen, waarvan de kosten worden berekend op den voet van art. 11 van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.

Tegen betaling van vijftig cents, desverkiezende in postzegels van Nederland, van Nederlandsch-Indië, van Suriname, van Curasao of van een der andere Staten, toegetreden tot de voormelde overeenkomst van Parijs, kan ieder eene schriftelijke inlichting van genoemd Bureau bekomen.

-ocr page 1623-

WET VAN BO SEPTEMBER \'1893.

18. De kracht eener inschrijving vervalt:

1°. door doorhaling op verzoek van dengene, te wiens name de inschrijving is gesteld of de overgang ingevolge art. 20 is aangeteekend;

2°. door verloop van twintig jaren na den dag, waarop de inschrijving overeenkomstig art. 5 of art. 8 is geschied, indien deze niet vóór het verstrijken van dien termijn is vernieuwd of indien de vernieuwing niet binnen gelijken termijn is herhaald;

3°. door het vervallen van de kracht of het weigeren der inschrijving in het land van oorsprong.

Het vervallen van de kracht der inschrijving om eene der redenen in nos. 1 of 3 genoemd, wordt, met vermelding van die reden, aangeteekend in de daartoe bestemde kolom van het openbare register, waarin het merk werd ingeschreven.

19. De inschrijving van een merk wordt vernieuwd indien de rechthebbende vóór het einde van den in het vorige artikel onder nommer 2 gestelden termijn dezelfde formaliteiten vervuld heeft als voor de eerste inzending bij art. 4 zijn vastgesteld.

De overgelegde exemplaren, bedoeld bij het eerste lid van art. 4, worden gewaarmerkt met bijvoeging van de dag-teekening der vernieuwde inschrijving.

De vernieuwde inschrijving geschiedt door het Bureau voor den industrieelen eigendom door invulling van de dag-teekening in de daartoe bestemde kolom van het openbare register, waarin het merk werd ingeschreven.

Na de vernieuwde inschrijving van een merk, ingeschreven overeenkomstig art. 5, wordt aan den rechthebbende binnen drie dagen teruggegeven een der in het tweede lid van dit artikel bedoelde exemplaren.

Het vierde lid van art. 5 en art. 6 zijn verder ten deze toepasselijk.

Ten aanzien van een merk, ingezonden tot vernieuwde inschrijving met inachtneming van de bij art. 7 vastgestelde formaliteiten, geldt het derde lid van dat artikel.

De vernieuwde inschrijving van een overeenkomstig art. 8 ingeschreven merk heeft niöt plaats vóór de ontvangst van wege het Internationaal Bureau te Bern van de bij dat artikel bedoelde bekendmaking.

Deze bekendmaking wordt gewaarmerkt met bijvoeging van de dagteekening, waaronder de vernieuwde inschrijving in het register plaats heeft.

Van de vernieuwde inschrijving hier te lande van een opnieuw internationaal ingeschreven merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, wordt aan den rechthebbende binnen drie dagen een gedagteekend bewijs afgegeven.

20. De overgang aan een ander van een merk, overeenkomstig art. 5 ingeschreven, wordt alleen aangeteekend indien tevens de fabriek of handelsinrichting, tot onderscheiding van welker waren het merk bestemd is, aan denzelfden persoon is overgegaan.

1493

-ocr page 1624-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

liet bewijs van dit laatste wordt geleverd door overlegging van een gewaarmerkt uittreksel van de betrekkelijke akte aan het Bureau voor den industrieelen eigendom.

De overgang wordt aangeteekend aan den kant van de inschrijving, voor wat betreft merken overeenkomstig art. o ingeschreven, op schriftelijk verzoek van partijen, voor wat betreft merken overeenkomstig art. 8 ingeschreven, nadat van het Internationaal Bureau te Bern bericht van den overgang zal zijn ontvangen.

Voor kosten van aanteekening van den overgang van een merk, overeenkomstig art. 5 ingeschreven, is een bedrag van vijf gulden verschuldigd, bij het verzoek tot die aanteekening te voldoen.

21. Van het vervallen van de kracht der inschrijving, gelijk mede van den overgang, van een internationaal ingeschreven merk, dat overeenkomstig art. 7 aan het Bureau voor den industrieelen eigendom was ingezonden, geeft dit onverwijld kennis aan het Internationaal Bureau te Bern.

§ III. Overgangs- en slotbepalingen.

22. De merken, die op het tijdstip van het in werking treden dezer wet reeds overeenkomstig de voorschriften der wet van 25 Mei 1880 (Stb. n0. 85), zooals die gewijzigd is bij de wet van 22 Juli 1885 (Stb. n0. 140), zijn ingeschreven, genieten dezelfde bescherming als waren zij overeenkomstig deze wet ingeschreven. De twintig jaren, bedoeld in art. \'18, 2°., beginnen voor die merken te loopen van den dag, waarop de inschrijving ingevolge eerstgenoemde wet geschiedde.

Voor de toepassing van art. 7 dezer wet worden die merken geacht overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden, en kan het daar geëischte cliché worden vervangen door eene onderteekende Fransche vertaling van de beschrijving, welke werd ingezonden ingevolge art. i der eerstgenoemde wet.

23. Een merk, op het tijdstip van het in werkingtreden dezer wet reeds door den Griffier eener rechtbank aangeteekend, wordt, op schriftelijke aanvrage van den inzender, door het Bureau voor den industrieelen eigendom onverwijld ingeschreven in het in art. 5 bedoelde openbare register, behoudens het bepaalde bij art. 9.

Op zoodanig merk zijn toepasselijk art. 5, tweede en derde lid, art. 6, eerste en tweede lid, en de verdere artikelen dezer wet, met dien verstande echter dat:

1». wat art. 6 betreft, alleen dan in de openbaarmaking de afbeelding van het merk wordt opgenomen, indien bij de aanvrage om inschrijving een cliché is overgelegd, beantwoordende aan de bij art. 4 gestelde eischen, welk cliché na gemaakt gebruik aan den inzender desverlangd wordt teruggeven;

2°. wat art. 7 betreft, het merk geacht wordt overeenkomstig art. 4 te zijn ingezonden en het daar geëischte cliché kan worden vervangen door eene onder-

1494

-ocr page 1625-

WET VAN 30 SEPT. 1893 EN BESLUIT VAN 30 JULI 1894. 1495

teekende Fransche vertaling van de beschrijving, welke werd ingezonden ingevolge art. 1 der wet van 25 Mei ISSO (Slb. n0. 85), gewijzigd bij de wet van 22 Juli 1885 (Stb. n». 140);

3°. weigering van inschrijving niet geoorloofd, en een verzoek of een vordering tot nietigverklaring van de inschrijving niet ontvankelijk is, indien op voormeld tijdstip reeds zes maanden zijn verloopen sedert de openbaarmaking in de Staatscourant, voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;

4°. de termijn van zes maanden, in art. 10 gesteld, met zoovele maanden wordt verkort als er op voormeld tijdstip reeds verloopen waren sedert de openbaarmaking in de Staatscourant, voorgeschreven bij art. 2 der evengenoemde wet;

5°. verzoeken of vorderingen als bedoeld bij art. 3 der evengenoemde wet, die op voormeld tijdstip reeds mochten zijn aanhangig gemaakt bij eenige rechtbank of bij den Hoogen Raad, door dat college met inachtneming van de artikelen 11 tot en met 15 dezer wet worden behandeld en afgedaan als strekten zij tot nietigverklaring van de inschrijving.

24. Op het tijdstip van het in werking treden dezer wet worden alle registers en verdere bescheiden betreffende fabrieks- en handelsmerken van de griffiën der rechtbanken, waar zij berusten, overgebracht naar de lokalen van het Bureau voor den industrieelen eigendom.

25. Deze wet is niet van toepassing op merken, die van overheidswege zijn vastgesteld.

26. Met het in werking treden dezer wet vervalt de wet van den 25sten Mei 1880 (Stb. n0. 85), zooals die is gewijzigd bij de wet van den 22sten Juli 1885 (Stb. n0. 140).

27. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen dag. (Stb. 1893 n0. 156: 1 December 1893.)

Gegeven op het Loo, den 30sten September 1893.

BESLUIT

van den 30sten Juli 1894 (Stb. 141), houdende bepalinr/en omtrent meting van Rijkswege van binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kosten.

Artikel 1.

Onder binnenvaartuigen verstaat dit besluit alle vaartuigen, niet of slechts bij uitzondering varende buiten de tonnen in zee.

2. § 1. Door inhoud van een binnenvaartuig wordt verslaan het scheepshol, verminderd volgens art. 19. § 2. Door scheepshol wordt verstaan:

-ocr page 1626-

1496 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

a. in vaartuigen met een dek, dat over de geheele scheeps- 01 lengte doorloopt (vaartuigen der eerste soort), de ruimte (I benedendeks; 11

b. in de overige vaartuigen (vaartuigen der tweede soort),

de ruimte beneden den bovenkant der vaste boorden. d

Bij meting van vaartuigen met halfdekken en kampagnes d

wordt bet dek geacht, ter plaatse van die inrichtingen, vol- g

gens zijne zeeg door te loopen, en door scheepshol verstaan, de ruimte beneden het dek of zijn verlengde. v

Zetboorden, waarmede het vaste boord is verhoogd, blijven g

voor de meting buiten aanmerking, tenzij zij daarmede waterdicht zijn vereenigd.

Luiken, die een gedeelte van het vaste boord vervangen, s

worden bij de meting met dat boord gelijkgesteld, onver- t

schillig of zij al dan niet waterdicht zijn te sluiten.

3. De inhoud van een binnenvaartuig wordt uitgedrukt t in kubieke meters.

4. Bij de meting worden onderdeelen van centimeters, ] wanneer zij vijf millimeters of minder bedragen, verwaar- , loosd en anders voor één centimeter genomen.

Bij berekeningen worden breuken van duizendste deelen, wanneer zij vijf tienduizendste of minder bedragen, verwaarloosd en anders voor één duizendste genomen.

6. De lengte wordt gemeten langs eene rechte lijn, gespannen over het dek of, in vaartuigen der tweede soort, ter hoogte van den bovenkant van het vaste boord, in beide gevallen tusschen de twee punten, waar de binnenkant der wegering gesneden wordt door het langsscheepsche vlak, gaande door het midden van het vaartuig.

6. Bedraagt de volgens art. 5 bepaalde lengte, twintig meter of minder, dan wordt de oppervlakte van vijf, bedraagt zij meer dan twintig meter, dan wordt de oppervlakte van zeven dwarsdoorsneden berekend.

Deze doorsneden worden doorloopend genommerd, te beginnen in het voorschip.

7. Zoowel de voorste doorsnede (n0. 1), als de achterste (n0. 5 of 7) wordt genomen:

in vaartuigen van 20 meter lengte of minder op 1J18 der lengte;

in de overige vaartuigen op der lengte.

Dit 1/ia of l/je wordt uit de eindpunten der lengte uitgezet naar het midden van het vaartuig.

Vervolgens wordt c.e afstand tusschen de punten, waar de eerste en laatste doorsneden genomen worden, verdeeld: voor eerstgenoemde vaartuigen in vier, voor laatstgenoemde in zes gelijke deelen.

De overige doorsneden worden genomen ter plaatse van de aldus gevonden drie of vijf doelpunten.

8. In vaartuigen der eerste soort wordt van iedere doorsnede de holte gemeten midscheeps van den onderkant van het dek tot den bovenkant der buikdenning (bindhelling) of van den vloer.

Indien het dek, op de plaats waar eene doorsnede moet worden genomen, eene opening heeft, wordt aan den

-ocr page 1627-

BKSLUIT VAN 30 JULI 1894.

onderkant van het dek, dwarsscheeps eene lijn gespannen (bovenste wijdte) en de holte gemeten, te beginnen bij die lijn, waarna de bocht van het dek wordt bijgeteld.

In vaartuigen der tweede soort wordt dwarsscheeps over den bovenkant der vaste boorden eene lijn gespannen en de holte op den voet van het eerste lid van dit artikel gemeten, te beginnen bij die lijn.

9. In elke dwarsdoorsnede worden, behoudens het bij het voorlaatste lid van dit artikel bepaalde, drie wijdten genomen.

De bovenste wordt gemeten:

in vaartuigen der eerste soort tusschen de twee punten aan beide zijden van het vaartuig, waar de onderkant van het dek met de wegering samenkomt;

in vaartuigen der tweede soort tusschen de wegering ter hoogte van den bovenkant van het vaste boord.

De onderste wijdte is de lijn, die evenwijdig met de bovenste wijdte tusschen de wegering door het eindpunt der holte gaat.

Indien de punten, waar die lijn de wegering snijdt, door oneffenheden der buikdenning of van den vloer niet zijn te bepalen, wordt de onderste wijdte vijf centimeter boven het eindpunt der holte genomen, doch verminderd met tien ten honderd.

De middelste wijdte wordt evenwijdig met de bovenste op de helft der holte genomen, van de binnenkant der wegering van het eene boord tot den binnenkant der wegering van het andere.

Indien de holte der middelste doorsnede meer dan 1,8 meter bedraagt, worden in elke doorsnede, op de wijze bepaald bij het vorig lid, nog twee wijdten genomen, de eene op de andere op der holte.

De wijdten worden genommerd, te beginnen van boven: n03. 1, 2 en 3 of n03. 1, 2, 3, 4 en 5.

10. Indien drie wijdten genomen zijn, wordt bij de bovenste en de onderste (nos. 1 en 3) gevoegd viermaal de middelste wijdte.

Indien vijf wijdten genomen zijn, worden bij de bovenste en de onderste (nos. 1 en 5) gevoegd viermaal de wijdten n09. 2 en 4 en tweemaal de middelste wijdte (n0. 3).

Ter bepaling van de oppervlakte der dwarsdoorsnede wordt de aldus verkregen som vermenigvuldigd met de holte en het product gedeeld, in het eerste geval door zes, in het tweede geval door twaalf.

11. Bij een en een half maal de oppervlakte van de eerste en van de laatste doorsnede wordt gevoegd;

wanneer vijf doorsneden zijn genomen tweemaal die der doorsnede n0. 3 en viermaal die der doorsneden nos. 2 en 4;

wanneer zeven doorsneden zijn genomen tweemaal die der doorsneden nos. 3 en 5 en viermaal die der doorsneden nos. 2, 4 en 6.

Ter bepaling van het scheepshol wordt de aldus verkregen som vermenigvuldigd met tweemaal de lengte en het product gedeeld, in het eerste geval door 27, in het tweede geval door 39.

4497

-ocr page 1628-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

12. Als buikdenning, wegering of vloer gelden bij de meting alleen betimmeringen, kennelijk bestemd om tot duurzame bedekking van leggers (vrangen), kromhouten, spanten of oplangers te dienen.

Eene wegering, uit latten bestaande, komt alleen dan als wegering in aanmerking, wanneer de onderlinge afstand der latten niet grooler is dan hare breedte.

13. In vaartuigen zonder buikdenning, wegering of vloer worden de afmetingen genomen tot het vlak, waarin de boven- of binnenkant der leggers, kromhouten, spanten of oplangers is gelegen.

Indien een vaartuig geene leggers, kromhouten, spanten of oplangers heeft, wordt gemeten tot den binnenkant der huid.

14. Bedraagt de afstand van den bovenkant der buikdenning of van den vloer of, zoo deze ontbreken, de afstand van den bovenkant der leggers tot de huid meer dan tien ten honderd der grootste wijdte in de middelste dwarsdoorsnede, gemeten van den binnenkant der huid aan de eene zijde, tot den binnenkant der huid aan de andere zijde, dan wordt die bovenkant, voor de meting der holte, geacht te liggen op een afstand van de huid van tien ten honderd der aldus gemeten wijdte.

Is de binnenkant der wegering of, zoo die ontbreekt, de binnenkant der kromhouten, spanten of oplangers verder van de huid verwijderd dan vijf ten honderd der grootste wijdte in de middelste dwarsdoorsnede, mede op bovenomschreven wijze gemeten, dan wordt die binnenkant voor de meting der wijdte geacht te liggen op een afstand van de huid van vijf ten honderd dier grootste wijdte.

15. Indien eenige afmeting, volgens dit besluit genomen, kennelijk afwijkt van het normale, te beoordeelen naar de aangrenzende gelijksoortige afmetingen, dan wordt zij tot het normale herleid.

16. Bij de meting van klepschouwen wordt de binnenkant der luchtkasten in de zijden dier vaartuigen voor wegering gehouden.

17. Kan eene afmeting wegens de inrichting van het vaartuig niet in ééns worden genomen, dan wordt bij gedeelten gemeten.

Kan eene wijdte eener dwarsdoorsnede door de betimmering van het vaartuig niet in haar geheel worden gemeten, dan wordt de halve wijdte tweemaal genomen.

Indien de onderste wijdte eener doorsnede (n0. 3 of 5) krachtens artikel 14 beneden den vloer of onder den bovenkant der leggers moet worden genomen en de meting wegens de betimmering bezwaren ondervindt, wordt die wijdte gelijkgesteld aan negentig ten honderd van de aangrenzende wijdte (n0. \'2 of 4).

Het vorig lid mag op niet meer dan twee doorsneden worden toegepast.

18. Kan de voorste of de achterste dwarsdoorsnede wegens de betimmering van het vaartuig niet gemeten worden, dan wordt hare oppervlakte afgeleid uit die van twee andere, genomen op plaatsen, waar de noodige afmetingen wél zijn tenemen.

1498

-ocr page 1629-

BESLUJT VAN 30 JULI 1894.

de De eene doorsnede wordt genomen op den kleinst moge

tot lijken afstand van de plaats der doorsnede, wier oppervlakte

611 gt; wordt gezocht, en de andere aan denzelfden kant op drie

maal dien afstand.

als Van tweemaal de oppervlakte van eerstgemelde doorsnede

nd wordt afgetrokken de oppervlakte van laatstbedoelde. Het

verschil geldt voor de oppervlakte der doorsnede, die niet \'er kan worden gemeten.

de 19. Ter bepaling van den inhoud van een vaartuig wordt

of het scheepshol verminderd:

1°. voor visschersvaartuigen, bekend onder den naam van of hoogaartsen, blazers, hengsten, botters of schokkers, en voor

\'d. opene visschersvaartuigen, bekend onder den naam van

k- kotters en aken, met vijftig ten honderd;

ld 2°. voor stoombooten met veertig ten honderd;

3n 30 voor alle overige vaartuigen met vijf en twintig ten

r- honderd.

ie In de einduitkomst worden gedeelten van een kubieken

o» meter verwaarloosd.

\'it 20. De meting der binnenvaartuigen geschiedt door

\'d scheepsmeters.

De Minister van Financiën regelt hunne benoeming, \'e bevordering en ontslag en bepaalt het district, waarin zij

-r werkzaam zijn.

e 21. De meting geschiedt op schriftelijke aanvraag van

gt;- den belanghebbende bij den scheepsmeter over de plaats

e waar het vaartuig zich bevindt.

e De kosten der meting zijn voor rekening van den belang

hebbende.

22. De in het vorig artikel bedoelde kosten worden be-2 rokend naar [het volgend tarief:

t 1°. voor de meting van het vaartuig...../\'0,50

Te verhoogen voor eiken kubieken meter inhoud t boven tien kubieken meter met.......- 0,05

2°. voor reiskosten buiten de standplaats van den scheepsmeter, voor ieder uur afstand, de terugreis daaronder begrepen............- 0,50

Voor volle vierde deelen van een uur wordt het bedrag naar evenredigheid berekend.

Wanneer terzelfder tijd en plaats meer dan een vaartuig wordt gemeten, worden de reiskosten over de belanghebbenden omgeslagen.

De scheepsmeter kan, alvorens tot de meting over te gaan, zekerheid vorderen voor het bedrag van het meetloon en de verdere kosten.

23. Voor elk gemeten vaartuig wordt een meetbrief afgegeven nadat de kosten der meting zijn voldaan.

Voor den meetbrief zeiven wordt niets gerekend.

De meetbrief is geldig voor den tijd van vijf jaren, ingaande met den dag van afgifte.

Hij vermeldt den inhoud van het vaartuig volgens artikel 19 en is overigens ingericht naar de voorschriften van den Minister van Financiën.

1499

-ocr page 1630-

1500 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

24. Bij verandering van den naam van het vaartuig vervalt de meetbrief.

De inspecteur der invoerrechten en accijnsen, in wiens inspectie het vaartuig ligt, kan op schriftelijk verzoek van den belanghebbende de naamsverandering doen aanteekenen op den meetbrief die alsdan geldig blijft.

25. Bij vertimmering van het vaartuig, welke van invloed is of kan zijn op den volgens dit besluit bepaalden inhoud, vervalt de meetbrief.

26. De belanghebbende is bevoegd eene hermeting van het vaartuig door een anderen scheepsmeter te vorderen, mits hij die schriftelijk aanvraagt bij den in artikel 24 genoemden inspecteur binnen acht dagen na de dagteekening van den meetbrief en het vaartuig sedert de afgifte daarvan niet is vertimmerd.

De hermeting is beslissend.

Voor hermeting zijn geene kosten verschuldigd indien de daarbij bevonden inhoud grooter of kleiner is dan die bevonden bij de eerste meting en het verschil meer bedraagt dan:

een kubieke meter voor vaartuigen van meer dan 40 kubieke meter;

twee kubieke meter voor vaartuigen van 41 tot en met 125 kubieke meter;

drie kubieke meter voor vaartuigen van 126 tot en met 250 kubieke meter;

vier kubieke meter voor grootere vaartuigen; als inhoud genomen dien, bevonden bij de eerste meting.

Is het verschil kleinequot;, dan betaalt de belanghebbende voor de hermeting het dubbel bedrag der in artikel 22 bepaalde kosten van meting.

Het laatste lid van artikel 22 is ten deze toepasselijk.

De scheepsmeter vermeldt de uitkomst der hermeting op den meetbrief.

27. Bij meting of hermeting moet de gebruiker van het vaartuig den scheepsmeter en die hem vergezellen veilig aan boord en weder aan den wal brengen of doen brengen; hem in de gelegenheid stellen om alle plaatsen van het vaartuig te bereiken, waar hij afmetingen wil nemen; hem alle gevorderde inlichtingen geven, losse voorwerpen op zijne aanwijzing verplaatsen en luiken openen, die de juiste opmeting kunnen belemmeren, en, zoo hij dit noodig oordeelt, de lading geheel of gedeeltelijk verstuwen of lossen.

Bij weigering of nalatigheid om aan een of ander te voldoen, wordt de meting of de hermeting geweigerd of gestaakt.

28. De meetbrieven, bij invoering van dit besluit, krachtens de wet van 22 April 1852 (Stb. n0. 61) afgegeven, blijven van kracht gedurende vijf jaren na den dag der afgifte.

Gedurende dien tijd wordt de daarin vermelde inhoud beschouwd als inhoud van het vaartuig volgens dit besluit.

29. De bepalingen van artikel 24,1ste zinsnede, en artikel 25 zijn van toepassing op de in het vorig artikel bedoelde

-ocr page 1631-

BESLUITEN VAN 30 JULI EN VAN 28 NOVEMBER 1894. 1501

meetbrieven en de vaartuigen, -waarvoor zij zijn afgegeven of worden gebruikt.

30. Het toezicht op de metingen en de handelingen der scheepsmeters wordt opgedragen aan de inspecteurs dei-directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, ieder in zijne inspec:ie.

De Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Soestdijk, 30 Juli 1894.

BESLUIT

van den 28sfen November 1894 (Stb. nquot;. 174), houdende bepalingen omtrent het ijken van Rijnschepen.

Artikel 1.

In elke der gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid een ijkcommissaris en zoo noodig een assistent-ijkcommissaris voor de Rijnvaart benoemd.

2. De in art. 1 genoemde ambtenaren staan onder toezicht van de in hun standplaats gevestigde commissie voor de Rijnvaart. De voorzitter dier commissie of die hem vervangt heeft de bevoegdheid hen te hooren.

Zij zijn verplicht aan de Rijnvaart-commissie de inlichtingen te geven, die door den voorzitter of die hem vervangt namens haar worden verlangd.

3. Alvorens hunne benoeming te aanvaarden leggen de ijkcommissarissen en de assistent-ijkcommissarissen in handen van den Inspecteur voor de Rijnvaart den eed (belofte) af: »dat zij de werkzaamheden, verbonden aan de betrekking van ijkcommissaris (assistent-ijkcommissaris) overeenkomstig de te dier zake bestaande of nader vast te stellen wetten, besluiten en voorschriften met nauw-gezetten ijver, stipte onpartijdigheid en eerlijkheid, naar hun beste vermogen zullen waarnemen.

4. Het ijken der Rijnschepen geschiedt op verlangen van de eigenaars der schepen of van de schippers, die zich daartoe wenden tot een der in art. 1 genoemde ambtenaren.

Deze kunnen, alvorens tot het ijken over te gaan, zekerheid vorderen voor het bedrag van het ijkloon.

5. De wijze van opmeting der schepen, het bepalen van hun laadvermogen en de verdere werkzaamheden van de ambtenaren voor den Rijnijk, alsmede de hun door het Rijk toe te kennen belooningen worden geregeld bij een instructie door Ons vast te stellen.

6. Belanghebbenden, die hunne schepen wenschen te

-ocr page 1632-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

doen ijken, moeten hunne schepen aanwijzen met schriftelijke opgave van naam, hoofdbouwmateriaal en hoofdafmetingen.

Zij leggen daarbij aan den ambtenaar over een door hen onderteekenden inventaris van alle gereedschappen en losse voorwerpen, die zich aan boord bevinden en moeten bevinden ; van elk van deze voorwerpen wordt daarbij zoo nauwkeurig mogelijk het gewicht opgegeven.

De schippers zijn gehouden alle op de ligging van het vaartuig en op de plaatsing der losse voorwerpen gedurende de opmeting betrekking hebbende voorschriften van de in art. 1 genoemde ambtenaren nauwkeurig op te volgen.

De ligplaats van het schip moet zoodanig zijn, dat het, naar het oordeel van den ambtenaar, van alle zijden toegankelijk is.

De schippers verleenen de noodige hulp bij de opmeting en bij het aanbrengen der ijkschalen en stellen daartoe een stevige roeiboot met twee kloeke schippersgezellen beschikbaar.

7. De grootste toe te laten diepgang wordt door den ambtenaar aangenomen zooals die door de commissie van deskundigen voor de Rijnvaart is vastgesteld.

8. Bij het ijken van stoombooten mogen zich noch steenkolen noch andere brandstoffen aan boord bevinden.

9. IJzeren en stalen schepen, die ter ijking worden aangeboden, moeten volkomen waterdicht zijn: mocht zich op den bodem eenig water bevinden dan moet dit door den schipper vooraf worden verwijderd.

Bij houten schepen moet het op den bodem aanwezige water door den schipper vooraf worden verwijderd tot op zoodanige diepte als door den ambtenaar wordt bepaald.

10. Dadelijk na volbrachte meting en alvorens de schipper eene lading mag innemen, moet hij aan zijn vaartuig en wel op eene in het oog vallende plaats met letters en met cijfers, ter grootte van 15 cM. doen schilderen den naam van het schip, het nummer waaronder en de plaats alwaar het schip is geijkt.

De ijkbrief wordt niet uitgereikt, voordat aan dit voorschrift voldaan is.

11. De ijknagels, streepen of inkervingen en getallen dooiden ijkcommissaris aangebracht, moeten door de schippers steeds duidelijk zichtbaar worden onderhouden met heldere kleuren (wit of geel) op een donkeren grond of zwart op een helderen grond.

12. De door belanghebbenden, ten behoeve van het Rijk aan de met den ijk belaste ambtenaren te betalen ijkloonen zijn vastgesteld als volgt:

voor een schip van 50 tot 200 centenaars ƒ 1,50

1502

400 » » 2,00

800 » » 3,00

1200 » » 4,50

1600 » » 7,00

» » » » 1601 » 2000 » » 8,50

» » » » 2001 » 2500 » » 10,00

»

» » » » 201 » » » » 401 » » » » 801 1201

-ocr page 1633-

BESLUIT VAN 28 NOVEMBER 1894.

voor een schip van 2501 tot 3000 centenaars f 11,50 » » » » 3001 » 4000 » » 14,25 » » » » 4001 » 5000 » » 17,00 » » » » 5001 » 8000 » » 20,00 » » » » 8001 » 12000 » » 24,00 » » » » 12001 » 20000 » » 30,00 » » » » 20001 en hooger » » 40,00

13. Belanghebbenden, die een herijk van hun vaartuig verlangen wenden zich tot een der voor den ijk aangewezen ambtenaren die zich met de herziening belast.

Wordt de vorige ijk als juist erkend dan is de helft van het ijkloon volgens het tarief van art. 12 verschuldigd; worden de ijkschalen vernieuwd of wordt een nieuwe ijkbrief uitgereikt, dan is het volle bedrag volgens dat tarief verschuldigd.

14. Wordt, ten gevolge van wijziging of herstelling van een vaartuig een herijk aangevraagd en blijkt daaruit dat geen verandering der ijkschalen, maar slechts eene verandering van de diepte van inzinking van het ledige schip noodig is, dan is daarvoor slechts de helft van het ijkloon volgens art. 12 verschuldigd.

15. De in art. 1 genoemde ambtenaren oefenen hunne werkzaamheden uit in de gemeenten waarvoor zij zijn benoemd.

Op verzoek van belanghebbenden kan het opmeten en ijken der schepen ook bij uitzondering plaats hebben in eene andere gemeente, na vooraf bekomen machtiging van de commissie voor de Rijnvaart.

In dat geval worden de door genoemde ambtenaren en hunne helpers gemaakte reis- en verblijfkosten door den aanvrager vergoed, die van de ambtenaren volgens de derde klasse en die van de helpers volgens de vijfde klasse van het tarief tot regeling van de vergoeding voor reis-en verblijfkosten, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 5 Januari 1884 (Stb. n0. 4).

16. Door de in art. 1 genoemde ambtenaren worden geen andere dan de in de artikelen 12, 13, 14 en 15 van dit besluit genoemde kosten aan belanghebbenden in rekening gebracht.

17. Binnen drie maanden na het in werking treden van dit besluit treden de bestaande ijkcommissarissen af, of worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in hunne functie bevestigd.

18. Bij het in werking treden van dit besluit vervallen alle op dat tijdstip geldende voorschriften betreffende den Rijnijk.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad geplaatst en aan den Raad van State, in afschrift zal worden medegedeeld.

Het Loo, 28 November 1894.

1503

-ocr page 1634-

1504 bijzondere wetten en besluiten.

WET

van 13 Juli 1895 (Stb. n®. 113), houdende bepalingen omtrent verveningen.

Wij EMMA, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wen-schelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen omtrent verveningen;

Gezien de artikelen 188 en 190 der Grondwet;

Zoo is het, enz.

Artikel 1.

Aan de Staten der provinciën behoort het vaststellen, onder Onze goedkeuring, van de noodige voorschriften omtrent hooge en lage verveningen, met inachtneming der regels hierna gesteld.

2. Voor het vervenen wordt vergunning gevorderd van Gedeputeerde Staten, voor zoover het niet bij provinciale verordening uitdrukkelijk, hetzij voorwaardelijk, hetzij onvoorwaardelijk, is vrijgelaten.

Op eene aanvrage om vergunning tot het vervenen in waterschappen, veenschappen of veenpolders wordt niet beschikt, dan nadat het advies van de besturen dezer instellingen is gevraagd.

De provinciale verordening kan op aan te wijzen plaatsen het vervenen onvoorwaardelijk verbieden.

3. De provinciale verordening wijst de gevallen aan, waarin eene vergunning door Gedeputeerde Staten kan worden gewijzigd of ingetrokken.

Zoolang in eene provincie geene verordening omtrent verveningen bestaat, worden die gevallen door Gedeputeerde Staten in elke vergunning aangewezen.

4. De provinciale verordening stelt regels ter verzekering dat, waar dit noodig en mogelijk is, de vervening geschiede volgens een door Gedeputeerde Staten goed te keuren werkplan en onder voorwaarde, dat door betaling van afkoop-, waarborg-, last-, slik- of turfgelden of consignatiepenningen, of óp andere wijze, fondsen worden bijeengebracht ter voorziening in de kosten van aanleg en onderhoud der in verband !net de vervening noodige werken, in de betaling van grond- en andere lasten en in de kosten van eventueele inpoldering en droogmaking der gronden na uitvening.

Tot die regels behooren ook bepalingen betreffende het beheer der in het eerste lid genoemde fondsen, en hun geheele of gedeeltelijke teruggaaf naar gelang het doel, waarvoor zij worden bijeengebracht, is bereikt.

5. Van de besluiten van Gedeputeerde Staten, waarbij eene vergunning tot vervening wordt verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken, of eene beschikking, volgens de regeling, krachtens artikel 4 vast te stellen, wordt gegeven, is beroep op Ons toegelaten.

-ocr page 1635-

WKT VAN \'13 JULI 1895.

Dit beroep kan worden ingesteld door ieder belanghebbende binnen dertig dagen nadat de beslissing van Gedeputeerde Staten overeenkomstig de bepalingen bij provinciale verordening te stellen of, zoolang zoodanige bepalingen niet bij provinciale verordening zijn gemaakt, in een dagblad der provincie, ter openbare kennis is gebracht.

Het adres van beroep wordt aan Ons gericht, maar ingediend bij den Commissaris des Konings in de provincie, die daarop den dag van ontvangst aanteekent en het adres vervolgens aan Ons opzendt. Hij geeft een bewijs van de ontvangst af.

Het beroep kan, met inachtneming van den termijn in het tweede lid bepaald, ook door den Commissaris des Konings in de provincie worden ingesteld.

6. De besluiten en beschikkingen, in het eerste lid van het vorig artikel vermeld, treden niet in werking, voordat de termijn van beroep is verstreken of, ingeval beroep is ingesteld, voordat door Ons op dat beroep is beslist.

Niettemin kunnen Gedeputeerde Staten, hangende den termijn van beroep of, ingeval beroep is ingesteld, hangende de beslissing daarop, de gedeeltelijke of geheele staking bevelen der vervening, voor welke de vergunning door hen is gewijzigd of ingetrokken.

Het bevel tol staking kan te allen tijde door Ons worden ingetrokken.

7. Ordonnantiën, plakkaten en andere verordeningen omtrent verveningen in eenig gewest door het vroeger bevoegd gezag uitgevaardigd, kunnen bij provinciale ver-

, ordening, onder Onze goedkeuring, worden ingetrokken.

Hetzelfde geldt ten aanzien der beschikkingen, krachtens artikel 5 van het Koninklijk besluit van \\1 Februari 1819 (Stb. nquot;. 6) omtrent verveningen genomen.

De thans voor eenige vervening geldende voorschriften en beschikkingen, door het vroeger bevoegd gezag gegeven, blijven voor haar van kracht, totdat zij volgens de regels, overeenkomstig artikel 3 te stellen, of krachtens de voor die vervening geldende voorschriften en beschikkingen zijn gewijzigd of ingetrokken.

8. Tot verzekering der nakoming van de bepalingen en voorwaarden der vergunning, tot het doen naleven der bestaande voorschriften omtrent verveningen en tot bevordering der belangen van de vervening, kunnen de Staten een veenschap of een veenpolder oprichten.

Zij stellen reglementen voor die instellingen vast.

9. De bepalingen, welke in wetten vóór de herziening der Grondwet in 1887 uitgevaardigd, voorkomen omtrent de rechten en verplichtingen van waterschappen, hunne besturen of de door hen geheven lasten, gelden ook voor de veenschappen en veenpolders, hunne besturen en de door hen geheven lasten.

De dwangmiddelen, die volgens die wetten tegen waterschappen kunnen worden aangewend, kunnen evenzeer worden aangewend togen veenschappen of veenpolders.

Waar in genoemde wetten een verbod voorkomt om

1505

95

-ocr page 1636-

1506 BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

lid of beambte van een waterschapsbestuur te zijn, sluit dit verbod tevens in het verbod om lid of beambte van het bestuur van een veenschap of veenpolder te wezen.

10. Bij provinciale verordening kan het geven van nadere voorschriften omtrent verveningen aan de besturen van waterschappen, veenscbappen of veenpolders worden opgedragen of overgelaten.

Waar de bevoegdheid tot het geven van voorschriften tot hiertoe aan die besturen was toegekend of wettig door ben uitgeoefend, blijven zij daarin gehandhaafd voor zoover niet de Staten onder Onze goedkeuring anders bepalen.

11. Vervening zonder de vereischte vergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste f 100.

Het strafbare feit wordt beschouwd als overtreding.

De voorwerpen door middel van overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, kunnen, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren, worden verbeurd verklaard.

12. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om de verveningen, in strijd met de wet ondernomen, feitelijk te doen beletten en om het terrein op kobten der verveners zooveel mogelijk in den vorigen toestand te doen herstellen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, dan nadat de belanghebbenden schriftelijk zijn gewaarschuwd.

13. Bij het in werking treden van deze wet vervallen , de artikelen 83—86 der wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n0. 225), de wet van 1 Augustus 1893 (Stb. n». 133), gewijzigd bij die van 9 Juli 1894 (Stb. n0. 104), en het Koninklijk besluit van 17 Februari 1819 (Stb. n0. 6).

Gegeven op het Loo, den 13den Juli 1895.

WET

van 20 Juli 1895 (Stb. n®. 139), ter uitvoering van artikel IJl der (xrondwet.

Artikel 1.

De besturen van waterschappen, veenschappen en veen-polders kunnen verordeningen maken in het huishoudelijk belang van die instellingen.

Het reglement der instelling wijst aan welk gezag de verordeningen maakt.

2. De verordeningen worden terstond aan Gedeputeerde Staten, voor zoover dit door hen is voorgeschreven of wanneer zij daartoe aanvraag doen, medegedeeld.

-ocr page 1637-

WET VAN 20 JULI 1895.

3. De verordeningen mogen geene bepalingen inhouden omtrent punten, waaromtrent bij eene wet, een algemeanen maatregel van bestuur, eene provinciale verordening, of het reglement der instelling is voorzien.

De bepalingen dier verordeningen, in welker onderwerp wordt voorzien door eene wet, een algemeenen maatregel van bestuur, eene provinciale verordening, of het reglement der instelling, houden van rechtswege op te gelden.

4. Keuren of politieverordeningen kunnen alleen door die besturen van waterschappen, veenschappen of veen-polders worden gemaakt, aan welke de bevoegdheid daartoe bij het reglement der instelling uitdrukkelijk is toegekend.

Besturen van waterschappen welke die bevoegdheid tot hiertoe wettig hebben uitgeoefend, behouden die bevoegdheid totdat door de Staten, onder Onze goedkeuring, anders is beslist.

5. Op overtreding dier keuren of politieverordeningen kan hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden worden gesteld, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelden toebehooren.

De feiten aldus strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen.

6. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis of geldboete tot het dubbel van het gestelde maximum worden opgelegd.

7. Eene keur of politieverordening wordt niet vastgesteld, dan nadat het ontwerp op de bij het reglement omschreven wijze aan de belanghebbenden is bekend gemaakt, en deze gelegenheid hebben gehad hunne bezwaren schriftelijk aan het bestuur in te zenden gedurende een mede bij het reglement te bepalen termijn.

Daarenboven wordt aan de besturen der gemeenten, op welker grondgebied de keur of politieverordening kracht zal hebben, het ontwerp te gelijk met die bekendmaking toegezonden.

De vastgestelde keur of politieverordening wordt aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring ingezonden, vergezeld van de ingediende bezwaarschriften en de beschouwingen van het bestuur daaromtrent.

8. Het besluit van Gedeputeerde Staten waarbij de goedkeuring wordt geweigerd, wordt met redenen omkleed.

9. Gedeputeerde Staten deelen hunne beslissing, zoodra die gevallen is, aan het bestuur der instelling dat de keur of politieverordening ter goedkeuring heeft aangeboden en aan de besturen der gemeenten, in het tweede lid van artikel 7 bedoeld, mede.

Tegen eene onthouding der goedkeuring kan eerstgenoemd bestuur binnen 30 dagen na de ontvangst der beslissing van Gedeputeerde Staten bij Ons voorziening vragen.

Is de keur of politieverordening door Gedeputeerde Staten

1507

-ocr page 1638-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

goedgekeurd, dan brengt het gezag met het dagelijksch bestuur der instelling belast, deze beslissing van Gedeputeerde Staten onmiddellijk ter openbare kennis op de wijze voor de bekendmakingen dier instelling voorgeschreven en legt te gelijker tijd de keur of politieverordening gedurende 30 dagen na de dagteekening dier bekendmaking voor belanghebbenden ter visie.

Binnen genoemd tijdvak van dertig dagen staat voor ieder belanghebbende en voor den Commissaris des Konings in de provincie beroep op Ons open.

10. Het adres van beroep wordt aan Ons gericht, maar ingediend bij den Commissaris des Konings in de provincie, die daarop den dag van ontvangst aanteekent en het adres vervolgens aan Ons opzendt. Hij geeft een bewijs van de ontvangst af.

Zoodra hij een adres van beroep van belanghebbenden heeft ontvangen of zelf in beroep is gekomen, geeft hij van het beroep kennis aan het bestuur, dat de keur of politieverordening ter goedkeuring heeft aangeboden.

11. De keur of politieveroi\'dening verbindt niet dan wanneer zij overeenkomstig het reglement der instelling is afgekondigd.

Tot die afkondiging wordt niet overgegaan dan nadat de in artikel 9 gestelde termijn verstreken is, zonder dat een adres van beroep is ingediend, of, indien zoodanig adres is ingediend, door Ons op het beroep h beslist.

12. De keuren of politieverordeningen treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien waarop zij zijn afgekondigd.

13. Te gelijk mol de afkondiging worden do keuren of politieverordeningen voor oen ieder tor lezing gelogd voor den tijd van drie maanden. Tevens worden zij, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld en medegedeeld aan het kanton-

Sgerecht, de arrondissements-rechtbank en het gerechtshof waaronder de instelling behoort, en aan het openbaar ministerie bij dat kantongerecht en die colleges.

Het oorspronkelijk stuk wordt in het archief der instelling bewaard.

14. Het reglement wijst het bestuur aan met de zorg voor de uitvoering der keuren of politieverordeningen belast.

Onder de uitvoering behoort de bevoegdheid tot het op kosten der overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorigen toestand herstellen van hetgeen in strijd met die keuren of politieverordeningen is of wordt gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.

Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

15. Metr de^opsporing van de overtredingen der keuren of politieverordeningen zijn belast de voorzitter en de leden van het in het eerste lid van artikel 14 bedoelde bestuur en de beëedigde beambten der instelling, evenals dat bestuur zelf, ieder voor zooveel zijn waterschap, veenschap of veen-polder betreft.

1508

-ocr page 1639-

WET VAN 20 JULI 1895.

Het bestuur kan gedurende dertig dagen na de bekeuring met de bekeurden in schikking treden.

De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van de instelling.

De betaling van het bij schikking bepaalde doet het recht tot strafvordering vervallen.

16. Elke keur of politieverordening wordt binnen tien jaren na hare goedkeuiig herzien.

Die termijn kan door Gedeputeerde Staten of door Ons eens of meermalen, maar in het geheel met niet meer dan één jaar, worden verlengd, wanneer eene herziening bij Gedeputeerde Staten of bij Ons in onderzoek is, of de goedkeuring aan eene herziene keur of politieverordening is onthouden.

Verlenging van den termijn wordt ten spoedigste bekend gemaakt op de wijze, waarop de afkondiging der keuren of politieverordeningen geschiedt.

Na ■verloop van den termijn is de niet herziene keur of politieverordening vervallen.

Van de keuren of politieverordeningen die meer dan vijf jaar vóór het in werking treden dezer wet zijn goedgekeurd, heeft de eerste herziening binnen vijf jaren na dat in werking treden plaats. Het tweede lid van dit artikel is op dezen termijn van toepassing.

17. Jaarlijks in de maand Februari wordt door Gedeputeerde Staten der provincie in het Provinciaal Blad eene opgaaf geplaatst van de titels der keuren of politieverordeningen in het afgeloopen jaar goedgekeurd, met vermelding van de dagteekening der goedkeuring.

Daarbij worden vermeld de verordeningen voor welke de termijn voor de herziening is verlengd, met opgaaf van den duur der verlenging.

18. Indien de keur of politieverordening verbiedt zonder vergunning van het uitvoerend bestuur iets te doen of na te laten, kan dat bestuur aan zijne vergunning voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden mogen uitsluitend strekken tot bescherming van die belangen, om welke het vereischte van vergunning is gesteld.

Onder handhaving der gegeven vergunning kunnen voorwaarden door het bestuur in strijd met dit voorschrift gesteld, worden vernietigd overeenkomstig de regels omtrent de vernietiging van besluiten van de besturen van waterschappen, veenschappen of veenpólders gesteld of te stellen.

Op overtreding der aan de vergunning verbonden voorwaarden is artikel 5 toepasselijk.

19. Bepalingen eener keur of politieverordening door Gedeputeerde Staten of door Ons goedgekeurd, die later blijken met het algemeen belang te strijden, kunnen door Ons, den Raad van State gehoord, worden vernietigd.

20. De artikelen 4 tot 6 der wet van 12 Juli 1855 (Stb. n0. 402) tot voorloopige voorziening in sommige waterstaatsbelangen, en artikel 26 der wet van 45 ApriH886 (Stb. n0. 64) houdende bepalingen, regelende het in werking

1509

-ocr page 1640-

BIJZONDERE WETTEN EN BESLUITEN.

treden van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stb. n0. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe Wetboek, zijn vervallen.

Gegeven op het Loo, den 20sten Juli 1895.

1510

-ocr page 1641-

ALFABETISCH REGISTER

VAN DE

WETTEN, HARE TITELS EN AFDEELINGEN.

A.

Aandrijven. K. 534 v. — Wet van 11 Juli 1882 (Stb. n0. 86), bl. 1440.—Wet van 15 April 1891 (Stb. n0.91), bl. 1480. — en de noot op blz. 562.

Aangifte. Zie Huwelijk.

Aanneming (van werk). B. 1640 v.

Aanvaren. Zie Aandrijven.

A a n w ij z i n g e n. Sv. 406 v.

Aanzegging. (Exploiten van) Rv. 1 v.

Aanzeilen. Zie Aandrijven.

Abandonnement K. 663 v.

Acceptatie (van wisselbrieven). K. 112 v., 140 v., 175 v. Achterhaalden. Zie Herkenning.

Additioneele artikelen der Grondwet, bl.31. Adoptie. O. 12.

Adsistentie. (Vóór de invoering van de nieuwe wetgeving verkregen gerechtelijke) O. 5 v.

Advocaten. R. n®. 111. 1 v.; bij de opgeheven Prov. Gerechtshoven bl. 118 noot — bij de ontbonden Arr.-Rechtbanken ingeschreven bl. 109 noot.

--(Costuum der) R. n®. II. 4.

--Zie tarief van Justitiekosten in burgerlijke zaken.

Afdreiging Sr. 318 v.

Afkondiging. Zie Bestuur (Algemeene maatregelen

van), Wetten.

Afkondigingen. Zie Huwelijksafkondigingen. Afpersing. Sr. 817 v.

Afschaffing. Zie Wetgeving (nieuwe).

Afslag. Zie Gratie.

Afstammelingen. Zie Ouders.

Afstamming. Zie Vaderschap.

Afwezig gebleven beklaagden. Sv. 264 v. Afwezige. (Rechtrn opgekomen aan een) B. 545 v. A fwezigheid. Voorloopige voorzieningen. B. 519 v. — Gevolgen met betrekking tot het huwelijk en de kinderen. B. 549 v. — Wet van 9 Juli 1855 (Stb. n0. 67), bl. 472.

--Zie Overlijden (Verklaring van vermoedelijk).

---(der rechterlijke ambtenaren) B. n0. I. 6 v.

Akkoord (in het faillissement). F. 138 v.

-ocr page 1642-

ALFABETISCH REGISTER.

Akten. Zie burgerlijken stand, Dvvanguitgifte, Echtscheiding, Geboorlen, Huwelijk, Overlijden.

--(van rechtspleging). Nietigheid. Rv. 90 v.

Alternatieve. Zie Verbintenissen.

Altijddurende renten. Zie Renten.

Ambtenaren. (Overtredingen van) Rv. 85i.

--Zie Consulaire Rechtsmacht, Openbaar Ministerie, Opsporen, Rechterlijke ambtenaren.

A m b t s m i s d r ij v e n. Sr. 355 v.

Ambtsovertredingen. Sr. 462 v.

Appèl. Zie Reroep. (Hooger)

Arbeidswet. Strafbepalingen. Sr. 273A, 457B.

Archieven (der opgeheven prov. Gerechtshoven) bl. 148 noot.

--(van de ontbonden rechtbanken en kantongerechten)

bl. 110 noot.

--(rechterlijke), van voor de invoering der Fransche

wetgeving bl. 122.

Armbestuur. G. 193. — Strafbepalingen Sr. 447A.

Arrest. Zie Beslag.

---(Conservatoir) of inbeslagneming in handen van den

schuldenaar. Rv. 727 v.; — onder derden. Rv. 735 v.— op onroerende goederen. Rv. 770A.

Arresten. Zie vonnissen.

Arrondissements-rechtbank. (Kort geding voor den President der) Rv. 289 v.

Arrondissements-rechtbanken. (R. O. 46v.;R. n0. I. 89 v. — Klassen en samenstelling bl. 79 v. — Jaarwedden bl. 103 v. — Rechtsgeding in burg. zaken in eersten aanleg. Rv. 126 v., 135 v. — dito in hooger beroep. Rv. 332 v. — Rechtsgeding in strafzaken in eersten aanleg. Sv. 141 v. — dito in hooger beroep. Sv. 228 v.

--(Beëediging en aanstelling van de nieuwe) bl. 111 noot.

--(Personeel der ontbonden) bl. 106.

--(Wet tot overbrenging op de Kantonrechters van

enkele bevoegdheden der) bl. 473.

Artsen ij bereid kunst. (Wet op de uitoefening der) Strafbepalingen Sr. 442 G.

A s s i g n a t i ë n. K. 210 v.

Assurantie. Zie Verzekering.

Auteursrecht. (Regeling van het) bl. 1435. — Begrip en omvang bl. 1435. — Voorwaarden tot uitoefening bl. 1437. — Duur bl. 1437. — Handhaving bl. 1438. — Overgangsbepalingen bl. 1438. — Slotbepalingen bl. 1439.

Authentieke akten. Zie uitvoerlegging. (Ten)

Aval. K. 130 v.

A var ij in liet algemeen. K. 996 v. — Omslag en dragen der avarij-grosse of gemeene avarij. K. 722 v.

B.

Bedrog. Sr. 326 v.

Bedrijfsbelasting. (Wet op de) Strafbepalingen. Sr. 207A, 2731).

Beëedigde Vertalers, bl. 1420.

1512

-ocr page 1643-

ALFABETISCH REGISTER.

Begraven (Wet op het) bl. 1357, Sr. 442P, 460A. — Van op zee overledenen bl. 1358.

Begrooting. G. 123 v.

Begunstiging. (Strafbare) Sr. 416 v.

Behandeling bij geschrifte. Rv. 162 v.

Bekentenis. B. 1960 v.; Sv. 403 v.

Beklaagden (afwezig gebleven) Sv. 264 v.

--Zie Dood, Zinneloosheid.

Beklemming. (Recht van) B. 1654.

Belastingen. (Wet op de invordering der directe) bl. 1285 v.

B e 1 e e d i g i n g. Sr. 261 v.

Benadeeling. (Tenietdoening ter zake van) O. 51.

--van schuldeischers of rechthebbenden. Sr. 340 v.

Bepalingen der Wetgeving van het Konink-r ij k. (Algemeene) bl. 157 v.

Beraad. (Recht van) B. 1070 v.

Bergloon. K. 562 v.

Beroep (Hooger) in burgerlijke zaken. Rv. 332 v. — Zaken daaraan onderworpen. Rv. 332 v. — Termijn. Rv. 339 v. — Rechtspleging en gevolgen. Rv. 343 v.

--in strafzaken. Van vonnissen der rechtbanken. Sv.

228 v. — der Kantonrechters. Sv. 255 v.

--aan den Hoogen Raad van vonnissen in burgerlijke

zaken gewezen door het gerechtshof in Suriname, bl. 861 v. — Zaken daaraan onderworpen, bl. 861. — Voortzetting. bl. 863. — Rechtspleging en gevolgen, bl. 864 v. — Algemeene Voorzieningen, bl. 868 v. — Zie bl. 869 v.

--aan den Hoogen Raad van arresten in burgerlijke

zaken in eersten aanleg gewezen door het Hoog Gerechtshof van Nederl. Indië. bl. 871 v. — Zaken daaraan onderworpen, bl. 872 v. — Termijn, bl. 873 v. — Rechtspleging en gevolgen, bl. 874 v.

Beschadiging. Zie Vernieling.

Beslag. Zie Arrest. Revindicatie.

--- (tegen schuldenaren die geene bekende woonplaats

hebben, en tegen vreemdelingen). Rv. 764 v.

--(Executoriaal) op roerende goederen. Rv. 439 v. —

Onder derden. Rv. 475 v. — Verdeeling van de opbrengst. Rv. 480 v.

--(of uitwinning) op onroerende goederen. Rv. 491 v.

--Algemeene Bepalingen. Rv. 491 v. — Van het inbe-

slagnemen. Rv. 502 v. — Opvordering van eigendom. Rv. 538 v. — Op grondrenten. Rv. 514 v. — Regeling van den voorrang en verdeeling van den koopprijs. Rv. 551 v.

Beslag op schepen (en verkoop daarvan). Rv. 563 v.

Beslagneming. (In) Zie Arrest.

--Doorhaling der processen-verbaal van inbeslagneming

van onroerende goederen en schepen, bl. 1262 v.

Besmettel ij ke ziekten. Zie Ziekten.

Bestuur. (Algemeene maatregelen van inwendig). Afkondiging bl. 1318.

Betaling. B. 1418 v.

1513

-ocr page 1644-

ALFABETISCH REGISTER.

Betaling. Zie Schulden, Wisselbrieven.

--(Aanbod van gereede) gevolgd door consignatie of

bewaargeving. B. 1440 v.; Rv. 794 v.

Beteekening. (Exploiten van) Rv. 1 v.

Beteekenis van uitdrukkingen in het Strafwetboek. Sr. 78 v.

Beurzen (van koophandel). K. 59 v.

Bevoorrechte Schulden. Zie Schulden.

Bevrachting (en verhuring) van schepen. Vorm en voorwerp van het contract. K. 453 v. — Rechten en plichten van vervrachter en bevrachter. K. 464 v. — Ontbinding der contracten. K. 499 v. — Cognoscementen. K. 507 v. — Passagiers op buitenlandsche zeereizen. K. 521 v.

Bewaarders. Zie Hypotheken, Tarief van Justitiekosten in Burgerlijke Zaken, Tarief in Strafzaken.

Bewaargeving in het algemeen en verschillende soorten. B. 1731 v. — Eigenlijk gezegde. B. 1788 v. — Sequestratie en derzelver verschillende soorten. B. 1767 v.

Bewaarplaatsen. Zie Notarissen.

Bewaring van zijn recht. (Middelen tot) Rv. 721 v.

Bewindvoerders. Zie uiterste willen.(Uitvoerdersvan)

Bewoning. (Recht van) B. 865 v.

B e w ij s. O. 47.

--in burgerlijke zaken in het algemeen. B. 1902 v. —

Schriftelijk. B. 1904 v. — door getuigen. B. 1982 v.

--Zie Bekentenis. Eed. Vermoedens.

--in zaken van Koophandel. K. 1.

--der stralbare feiten. A^gemeene Bepalingen. Sv. 391 v.

— door getuigen. Sv. 396 v. — door schriftelijke bescheiden. Sv. 400 v. — door bekentenis. Sv. 403 v. — door aanwijzingen. Sv. 406 v. — onbeëedigde verklaringen. Sv. 409 v.

Bezit. Aard en voorwerpen, die daarvoor vatbaar zijn. B. 585 v. — Hoe het verkregen, behouden en verloren wordt. B. 594 v. — Bechten die er uit voortvloeien. B. 604 v.

Bloedverwantschap. B. 345 v.

B o d e m e r ij. K. 569 v.

Boedelafstand. Rv. 705 v.

Boedelbeschrijving (in procedures betrekkelijk erfenissen). Rv. 678 v.

--(Voorrecht van) B. \'\'.070 v.; Bv. 700 v.

Boedelscheiding (en hare gevolgen). B. 1112 v. — Inbreng. B. 1132 v. — Betaling der schulden. B. 1146 v.— Vernietiging. B. 1158 v. — Boedelvei deeling door den vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie, tusschen hunne nakomelingen gemaakt. B. 1167.

B o e d e 1 v e r d e e 1 i n g. Zie Boedelscheiding.

Boekhouders (van reederijen). K. 320 v.

Borgtocht. Aard. B. 1857 v. — Gevolgen tusschen schuld-eischer en borg. B. 1868 v. — Gevolgen tusschen schuldenaar cn borg en tusschen de borgen onderling. B. 1876 v. — Te niet gaan. B. 1882 v.

1514

-ocr page 1645-

ALFABETISCH REGISTER.

B o s c h w a c h t e r s. Sv. 19 v.

Boterhandel. (Bedrog in den) Sr. 442S.

Bouwen en planten. Zie vestingwerken.

Brandassurantie. K. 287 v.

Brievenposterij. Strafbepalingen. Sr. 442D,474A. — Zie ook onder Rv. 756.

Bruikleening. Algemeene bepalingen. B. 1777 v. — Verplichtingen van den ontvanger. B. 1781 v. — Verplichtingen van den uitleener. B 1787 v.

Burgemeesters (met betrekking tot strafbare feiten). Sv. 16 v.

Burgerlijke rechten. (Genot en verlies der) B. 1 v.

Burgerlijken Stand. (Akten van den) B. 13 v. — Verbetering en aanvulling. B. 70 v.; Rv. 829 v.

--(Ambtenaren van den) Overtredingen van. Rv. 854.

--(Registers van den) B. 13 v.

--(Heffing van rechten wegens de verrichtingen van

den ambtenaar van den) bl. 1421 v.

--(Strafbepalingen tegen bewaarders van den) Sr. 466

noot a.

C.

Cassatie (in burgerlijke zaken). Wijze van procedeeren. Rv. 398 v.

--(in strafzaken) in het algemeen. Sv. 346 v. — Wijze

van procedeeren. Sv. 354 v.

--tegen arresten door het Hoog Gerechtshof te \'s-Gra-

venhage en tegen vonnissen door de rechtbanken binnen het ressort van dat Hof gewezen. O. 58.

Christel ij ken Godsdienst. (Viering der dagen toegewijd aan den) bl. 1270 v.

Cognoscement. K. 507 v.

C o 1 o r a d o-k ever. Sr. 429P.

Commandite (Vennootschap en) K. 19 v.

Commissarissen van Politie (met betrekking tot strafbare feiten). Sv. 16 v.

Commissionairs. K. 76 v.

Compensatie. B. 1461 v.

C ompromis Zie Scheidsmannen.

C onsignatie. Zie Betaling. (Aanbod van gereede)

---(van effecten aan toonder, toebehoorende aan minderjarigen en onder curateele gestelden) bl. 1276 v.

Consulaire rechtsmacht. (Wet op de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten en op de consulaire rechtsmacht). Algem. Bepalingen, bl. 1376 v. — Bevoegdheid tot het opmaken van burgerlijke akten, bl. 1378 v. — Rechtsmacht; Algemeene bepalingen, bl. 1380 v. — Bevoegdheid van den consulairen ambtenaar, bl. 1382. —Samenstelling en bevoegdheid der Consul. Rechtbank, en voorziening tegen hare uitspraken, bi. 1383 v. — Rechtsgeding in burgerlijke zaken, bl. 1385 v. — Rechtsgeding in strafzaken, bl. 1391 v. — Overgangs- en slotbepalingen, bl. 1404.

1515

-ocr page 1646-

ALFABETISCH REGISTER.

Consultatie. (Bureau van) R. n0. III. 13 v.

Contract. Zie Overeenkomst.

Coöperatieve Vereenigingen. bl. 1416 v.; Sr. 442M.

Costuum (der rechterlijke Ambtenaren, Advocaten, Procureurs en Deurwaarders) R. n0. II.

C u r a t e e 1 e. B, 487 v.

--(Onder — gestelden). Zie Consignatie.

Curators (in het faillissement). F. 68 v. — Hun beheer F. 87 v.

--Zie Nalatenschappen (Onbeheerde).

D.

Dading. B. 1888 v.

Dagvaarding. (Exploiten van) Rv. 1 v.

--(voor de rechtbanken, de Hoven en den Hoogen

Raad in burgerlijke zaken, in eersten aanleg). Rv. 126v.

Deelbare. Zie Verbintenissen.

Deelneming (aan strafbare feiten). Sr. 47 v.

Defensie. G. 180 v.

D é s a v e u. Zie Gerechtelijke verrichtingen. (Ontkentenis van).

Deskundigen. (Bericht van) Rv. 222 v.

--Zie tarief van Justitiekosten in Burgerlijke zaken,

Tarief in Strafzaken.

Deurwaarders. Organisatie en dienst. R. n». IV. — Getal en tractementen. bl. 155.

--bij de ontbonden Arr.-Rechtbanken en Kantongerechten. bl. 106 v., 109 noot.

--Costuum. R. n0. II. 5.

---Zie Tarief van Justitiekosten in Burgerlijke zaken,

Tarief in Strafzaken.

D iefstal. Sr. 310 v.

Dienst. (Afwisseling en orde van den inwendigen) bij de rechterlijke colleges. R. n0. 1.

Dienstboden. Zie Huur en Verhuur.

Diersoorten nuttig voor landbouw of veeteelt. (Bescherming van) Sr. 442R.

Discipline. (Raad van toezicht en) R. nquot;. III. 9 v.

Dispensatie. Zie Huwelijksafkondigingen.

Domicilie. B. 74 v.

Dood (der verdachten, beklaagden of veroordeelden). Sv. 410 v.

--(Veroorzaken van den) door schuld. Sr. 307 v.

Drank. (Regeling van den kleinhandel in sterken drank en beteugeling van openbare dronkenschap) bl. 1428 v.; Sr. 457C. — Aan visschers op de Noordzee en in de territoriale wateren. b(. 1474; Sr. 474H.

Dwanguitgifte van akten. Rv. 833 v,

D ij k b e s t u r e n. Zie Heemraadschappen.

E.

Echtelieden (vóór de invoering van het nieuwe Burg. Wetboek getrouwd). Rechten der. O. 38.

Echtgenooten. (Rechten en verplichtingen der) B. 158 v.

1516

-ocr page 1647-

ALFABETISCH REGISTER.

Echtgenooten. Zie Giften.

Echtheid of onechtheid van geschriften. (Gerechtelijk onderzoek van geschillen over de)Rv. 176v.

Echtscheiding. O. 39 v.; B. 262 v.; Rv. 816 v.

--(Akten van) B. 48.

Eed, (Gerechtelijke) B. 1966 v.

Eedsaflegging. Zie Rechterlijke ambtenaren.

Eerbied aan de openbare Macht verschuldigd. (Rechtspleging jegens de schenders van den) Sv. 289.

Eigendom. Algemeene Bepalingen. B. 625 v. —Wijzen waarop verkregen wordt. B. 639 v.

--van onroerende goederen. (Opvordering van) Rv. 538 v.

--Zie naburige Erven. Revindicatie.

Emancipatie (voor de invoering van het nieuwe B. Wetboek verkregen) O. 5 v.

Endossement (van wisselbrieven). K. 133 v., 146.

Erfdeel. (Wettelijk) Zie legitieme Portie.

Erfdienstbaarheden. Aard en onderscheidene soorten. B. 721 v. — Op hoedanige wijze zij worden daarge-gesteld. B. 742 v. — Op hoedanige wijze zij tenietgaan. B. 750 v.

Erfenissen. (Aanvaarden van) B. 1090 v. — Verwerpen van) B. 1103 v.

--(Procedures betrekkelijk) Rv. 685 v. — Verzegeling.

Rv. 658 v. — Verzet tegen de ontzegeling. Rv. 607 v. — Ontzegeling, Rv. 669 v. — Inventarisatie of boedelbeschrijving. Rv. 678 v. — Verdeeling. Rv. 695 v. — Voorrecht van boedelbeschrijving. Rv. 700 v. — Curator over eene onbeheerde nalatenschap. Rv. 704.

--Zie nalatenschappen.

Erfopvolging bij versterf. Algemeene Uepalin-gen. B. 877 v. — in de wettige nederdalende, opgaande en zijdlinie. B. 899 v. — wanneer er natuurlijke kinderen zijn. B. 909 v.

E r f p a c h t s r e c h t. B. 767 v.

Erfstellingen. B. 1001 v.

--over de hand. O. 48 v. — Decreten van 24 Jan. 1812

en 4 Juli 1811, bl. 49, 50.

--ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van

broeders en zusters. B. 1020 v.

--in hetgeen de erfgenaam of legataris, onvervreemd of

onverteerd zal nalaten. B. 1036 v.

Erkenning van natuurlijke kinderen. B.335v.

Exceptie. Rv. 152 v.

Executie. Zie Arrest, Beslag, Uitvoerlegging (Ten), Uitwinning.

Expediteurs. K. 86 v.

E x p 1 o i t e n. Zie Aanzegging, Beteekening, Dagvaarding.

--Nietigheid van. Rv. 90 v.

F.

Fabrieks- en Handelsmerken, blz. 1487 v.

Faillietverklaring. Zie Faillissement.

1517

-ocr page 1648-

ALFABETISCH REGISTER.

Faillissement. Faillietverklaring. F. 1 v. — Gevolgen der faillietverklaring. F. 20 v. — Bestuur over den faillieten boedel. F. 64 v. — Voorzieningen na de faillietverklaring en beheer des curators F. 87 v. — Verificatie der schuldvorderingen. F. 108 v. — Akkoord. F. 138. v. — Vereffening des boedels. F. 173 v. — Rechtstoestand des schuldenaars na aüoop der vereffening. F. 195 v. — Faillissement eener nalatenschap. F. 198 v. — Internationaal recht. F. 203 v. — Rehabilitatie. F. 206 v.

Faillissementswet. bl. 609. — Invoering der Fail-lissementswet. bl. 656.

Financiën. G. 174 v.

Firma. (Vennootschap onder eene) K. 16 v.

G.

Geboorten. (Akten van) B. 29 v.

Gebruik. (Recht van) B. 865 v.

Geheimen (Schending van) Sr. 272 v.

Geldschieting. (Vennootschap bij wijze van) K. 19 v.

Gemeen e rekening. Zie Handelingen.

Gemeenschap van goederen. (Wettelijke) B. 174 v.

— Beheer. B. 179 v. — Ontbinding en recht van afstand. B. 181 v. — bij tweede ot verder huwelijk. B. 235 v.

--van winst en verlies. B 210 v.

--van vruchten en inkomsten. B. 219 v.

Gemeentebesturen, G. 138 v.

Gemeentewet. Sr. 35 C, 46 B, 52 A, 54 D; Inv. 2\'lt;\', 25.

Geneeskunst. (Wet op de uitoefening der) Strafbepalingen. Sr. 442F.

Gerechtelijke schouwingen, bl. 1271.

Gerechtelijke verrichtingen. (Ontkentenis van) [Désaveu] Rv. 263 v.

Gerechtshoven. R. O. 60 v.; R. nquot;. 1. 89 v. — Opheffing der provinciale en instelling van nieuwe, bl. 116. v.

— Jaarwedden, bl. 79 — Boëediging en installatie dei-nieuwe. bl. 118 noot. — Rechtsgeding (in burgerlijke zaken) in eersten aanleg voor de gerechtshoven. Rv. 126 v., 135 v. — Dito in hooger beroep. Rv. 332 v. — In strafzaken. Sr. 228 v.

--Archieven der opgeheven, bl. 118 noot.

Gerechtskosten. Zie Tarief. — Regeling der gerechtskosten in strafzaken, bl. 1161 v. -

Geschriften. Zie Echtheid, Valschheid, Bewijs.

Gestichten (tot het ondergaan van straffen en dergelijke). Aanwijzing der — bl. 1040.

Getuigen. Zie Tarief van Justitiekosten in burgerlijke zaken. Tarief in strafzaken.

Getuigenbewijs. B. 1932 v.; Sv. 396 v.; K. i.

Getuigenis, (der leden van het Koninklijk geslacht) hoe te ontvangen in strafzaken. Sv. 290 v.

Getuigenverhoor (in burgerlijke zaken). Rv. 199 v.

— Voorloopig. Rv. 876 v.

Gevangenen, (vervoer van) Zie Tarief van gerechtskosten in strafzaken.

1518

-ocr page 1649-

ALFABETISCH RKGISTER.

Gevangenen. Zie Gratie.

Gevangenissen. Sv. 380 v.

Gevangenis, Gevangeniswezen. Wet tot vaststelling der beginselen. Inrichting en beheer, blz. 1043 v., 1048 v. — Indeeling in klassen, bl. 1044, 1059 v. — Arbeid en arbeidsloon, bi. 1044, 1060 v. — Onderwijs en godsdienstoefeningen, bl. 1045, 1062. — Tucht, bl. 1045 v., 1063 v.

Gevestigde renten. Zie Renten.

Gewichten. Zie Maten.

Giften, tusschen de aanstaande echtgenooten. B. 223 v.

Giften aan de aanstaande echtgenooten of de kinderen uit hun huwelijk. B. 231 v.

--Zie Legitieme Portie.

Godsdienst. G. 167.

Gratie. (Regelen bij de verzoeken om gratie en afslag en ontslag van gevangenen in acht te nemen) bl. 1463 v.

Griffierechten, bl. 880c.

Griffiers. R. nquot;. I. 61 v,

--Zie Substituut-Griffiers, Tarief van Justitiekosten in

burgerlijke zaken. Tarief in strafzaken.

Grondrente n. B. 784 v. — (Executoriaal beslag op) Rv. 544 v.

Grondwet, bl. 1. — Veranderingen daarin te makeu.G. 1Ü4 v.

G ij z e 1 i n g. Onderhoudskosten van gegijzelde schuldenaren. bl. 128i v.

--(Personen te stellen in) Vervoer van. Zie tarief in

Strafzaken.

--Zie Lijfsdwang.

H.

Handels- en Fabrieksmerken, bl. 1487.

Handelingen voor gemeeue rekening. K. 57 v.

Handlichting. B. 473 v.

Heemraadschappen (hooge en andere), dijk- en polderbesturen. (Rechtsmacht der) bl. 1279 v.; Sr. 35B.

Heeterdaad. (Ontdekking op) Sv. 39 v.

Herhaling van strafbare feiten. Sr. 421 v.; Inv. 29.

Herkenning (van veroordeelden die ontvlucht en achterhaald zijn). Sv. 269 v.

Hervatting (van het rechtsgeding). Rv. 254 v.

Hinderwet. Strafbepalingen. Sr. 273G, 429G.

Hondsdolheid. Sr. 429M.

Hoofdei ij ke verbintenissen. Zie Verbintenissen.

Hooge Raad. G. 162 v. — R. O. 83 v.; R. n0.1. 77 v. — Zetel bl. 78. — Jaarwedden bl. 78. — Rechtsgeding (in burgerlijke zaken) in eersten aanleg. Rv. 126 v,, 135 v. — Dito in hooger beroep. Rv. 332 v. — Dito in strafzaken in eerste en laatste ressort. Sv. 294 v.

--Zie Beroep (Hooger), en West-Indische.

Hoog Gerechtshof. Zie Cassatie.

Hulpbehoevenden. (Verlating van) Sr. 255 v. — Overtreding. Sr. 450.

H u 1 p 1 o ü n. K. 561 v.

1519

-ocr page 1650-

ALFABETISCH REGISTER.

Hulp-officieren. Sv. 34 v.

Huur en verhuur. Algemeene bepalingen. B. 1583 v.

--Regelen gemeen aan verhuringen van huizen en

landen. B. 1586 v. — Regelen bijzonder betrekkelijk tot huur van huizen en huisraad. B. 1617 v. — Regelen bijzonder betrekkelijk tot huur van landerijen. B. 1624 v.

— Huur van dienstboden en werklieden. B. 1637 v. — Zie Scheepsgezellen, Scheepsofficieren, Schepen.

H u w e 1 ij k. Algemeene Bepaling. B. 83. — Vereischte hoedanigheden en voorwaarden tot het aangaan. B. 84 v.

— Formaliteiten, welke aan de voltrekking moeten voorafgaan. B. 105 v. — Stuiting. B. 114 v. — Voltrekking. B. 126 v. — Nietigheid. B. 140 v. — Bewijs van het bestaan. B. 155 v. — Ontbinding in het algemeen. B. 254 v.; O. 39 v. — Ontbinding na scheiding van tafel en bed. B. 255 v.

--(Aangiften en afkondiging van het) bij den burgerlijken stand. B. 39 v.

--(Akten van) B. 44 v.

Huwelijken, (buiten \'s lands voltrokken). B. 138 v. Huwelijksafkondiging. (Dispensatie: Besluit van 16 Juni 1830) bl. 1275.

--Zie Huwelijk. (Aangiften en afkondigingen van het).

Huwelyksche Voorwaarden in het algemeen.

B. 194 v. — bij tweede en verder huwelijk. B. 235 v. Hypotheek. Algem. Bepalingen. B. 1208 v. — Inschrijving en vorm daarvan. B. 1224v. — Doorhaling. B. 1239 v.

— Gevolgen tegen derde bezitters. B. 1242 v. — Tenietgaan. B. 1253. — Openbare bekendheid der registers en verantwoordelijkheid der bewaarders. B. 1265 v.

Hypotheken (en derzelver zuivering). O. 14 v.

--(Bewaarders der hypotheken, van het kadaster en van

de scheepsbewijzen. Duur hunner verantwoordelijkheid, bl. 1262. — Tarief van salarissen, bl. 1264 v.

I.

Inbeslagneming. Zie Arrest.

I n b r e n g. B. 1132 v.

Incidenteele vorderingen. Rv. 247 v.

I n d i ë. (Nederlandsch) Hoog Gerechtshof van. Zie Beroep (Hooger).

Indische (W e s t-). Zie West-Indische.

Informatie n. (Voorloopige) Sv. 56 v. Ingezetenschap. Wet van 12December 1892 (Stb. n0.268) bl. 1482.

Inkorting. Zie Legitieme Portie.

Inkwartieringen. (Wet op de) Strafbepalingen. Sr. 429B.

Inrichtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken. (Wet betreffende de oprichting van) Strafbepalingen. Sr. 429G.

Insolventie (in het faillissement) F. 173 v. Instantie. (Afstand van de) Rv. 277 v.

Instructie. (Gerechtelijke, in strafzaken) Sv. 81 v.

1520

-ocr page 1651-

ALFABETISCH REGiSTEK.

Interessen. (Guiten-effect-stelling en vervanging der Fransche Wet op de) bl. \'1353.

--Zie Verbruikleening.

Internationaal recht. Zie Faillissement.

Internationaal Privaatrecht. Wet van 31 December 1897 (Slb. n». 275). bi. 880p v.

Inventaris. (Benefice van) Zie Boedelbeschrijving. (Voorrecht van)

Inventarisatie. Zie Boedelbeschrijving.

Invoering der Wetgeving van 1838. bl. 33 v. — Van het Strafwetbopk. bl. 1011 v.— Van de Faillissementswet bl 656.

Invrijheidstelling. (Voorwaardelijke) Zie Voorwaardelijke.

J.

Jacht en Visscherij. (Wet tot regeling der) bl. 1339 v. — Zie ook Sr. 34A, 62A, 442Q.

J urisdictie-quaestiën. Rv. 276; Sv. 308 v.

Justitie. G. 149 v.

--(Wet van 26 Mei 1841 (Stb. nquot;. 18), regelende sommige punten betreffende den dienst der) bl. 113.

Justitielcosten. Zie Tarief.

K.

Kadaster. Zie Hypotheken. (Bewaarders der)

Kamers van Arbeid. (Wet op de) Straf bepalingen. Sr. 235B, 447H.

Kansovereenkomsten. Algemeene Bepaling. B 1811.

--Zie lijfrenten.

Kantongerechten. R. O. 30 v.; R. n0. I, 89 v. — Klassen en samenstelling, bl. 79 v. — Jaarwedden, bl. 105 v. — Personeel der ontbonden, bl. 106 v.

Kantonrechter. (Wijze van procedeeren voor den) Rv. 97 v. — in strafzaken. Sv. 252 v.

Kantonrechters. Wet tot overbrenging van enkele bevoegdheden der Arrond.-Rechtb. bij hen. bl. 473 v.

--Zie Tarief van Justitiekosten in burgerlijke zaken.

Kassiers. K. 74 v.

Kassierspapier. K. 221 v.

Kerkgenootschappen. (Toezicht op de onderscheidene) bl. 1322 v. — Zie ook Sr. 70B, 442B.

Kieswet. Strafbepalingen. Sr. 235A, 447G.

Kind. Zie Vaderlijke Macht.

Kinderen. Zie Natuurlijke, Ouders, Wettige,

Kinderenwet. Strafbepalingen. Sr. 457B.^

K1 a c h t e bij misdrijven. (Indiening en intrekking der) Sr. 64.

Klassificatie. (Klassen en samenstelling). Zie Arron-dissements-Rechtbanken, Kantongerechten.

Koning. Troonsopvolging. G. 10. — Inkomen. G. 24. — Voogdij. G. 31. — Regentschap. G. 36. — Inhuldiging. G. 51 v. — Macht. G. 54 v.

1521

06

-ocr page 1652-

AI.FABETISCn REGISTER.

Koningin. (Wijzigingen in formulieren, ambtstitels en officieele benamingen, in verband met het overgaan van de Kroon op eene) Wet van 22 Juni 1891 (Stb. n®. 125). bl. 1481,

K o n i n k 1 ij k geslacht. Zie Getuigenis.

K o n i n k 1 ij k e Waardigheid. (Misdrijven tegen de) Sr. 108 v.

Koop en verkoop. Algemeene bepalingen. B. 1493.

— Verplichtingen des verkoopers. B. 1509 v. — quot;Verplichtingen des koopers. B. 1549 v. — Recht van weder-inkoop. B. 1555 v. — Koop en verkoop van inschulden en andere onlichamelijke rechten. B. 15G9 v.

Koop van militaire kleedingstukken, enz. bl. 1076.

Koophandel. (Daden van) K. 3 v.

--Reclame in zaken van kooph. K. 230 v. — Rechtspleging in zaken van kooph. Rv. 298 v.

Kooplieden. K. 2 v.

Koopmansboeken. K. 6 v.

Koopvaard ij schepen. (Wet houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de) bl. 1328 v.

Kort geding voor den President der Arrond.-Rechtb. [Reféré]. Rv. 289 v.

Kosteloos [pro Deo] procedeeren. (Toelating tot) Rv. 855 v.

Kosten, schaden en interessen, wegens het niet nakomen eener verbintenis. (Vergoeding van) B. 1279 v.

— (Vereffening van) Rv. 612 v.

Kosten. Zie Proceskosten.

Krankzinnigen. (Staatstoezicht op) bl. 1441 v.

Kroon. (Inkomen der) G. 24 v.

K w ij t s c h e 1 d i n g. B. 1474 v.

L.

Laad dagen. Zeevaart K. 457; Riviervaart K. 748 en 755. K. B. van 3 Januari 1898 (Stb. n0. 1) bl. 601 v.

Landbouw. (Verzekering der voortbrengselen van den) K. 299 v.

Landverhuizers. (Vervoer en doortocht). Strafbepalingen. Sr. 442E.

Lastgeving. Aard. B. 1829 v. — Verplichtingen van den lasthebber. B. 1837 v. — Verplichtingen van den lastgever. B. 1844 v. — Verschillende wijzen waarop lastgeving eindigt. B. 1850 v.

Legaten. B. 1004 v.

Legitieme Portie (en inkorting der giften, welke haar zouden verminderen). B. 960.

Leven. (Misdrijven tegen het) Sr. 287 v.

Levensverzekering. K. 302 v.

Lichamelijk letsel. (Veroorzaken van) door schuld. Sr. 307 v.

Limburg. Zie Rechterlijke Organisatie, Wetgeving (nieuwe).

Loodswezen. Strafbepalingen. Sr. 474B en C.

Losdagen. Zie Laaddagen.

L o t e r ij e n. (Verbod van) Sr. 457A.

1522

-ocr page 1653-

ALFABETISCH REGISTER.

Lijfrenten en derzei ver gevolgen. B. 1812 v.

L ij f s d w a n g. 0. 45 v.; Rv. 585 v. — Tenuitvoerlegging

Rv. 529 v. — Zie Gijzeling.

L ij k e n van overledenen aan boord van in zee zijnde Nederl. schepen. (Hoe mede te handelen en hoe te vervoeren) bl. 1358.

M.

Maatregelen (van bestuur). Zie Bestuur. Maatschap. (Burgerlijke) Algem. Bepalingen. B. 1655v.

— Verbintenissen der vennooten onderling. B. 1661 v.

— Verbintenissen der vennooten ten aanzien van derden. B. 1679 v. — Hoe zij eindigt. B. 1683 v.

--Zie Vennootschap.

Macht. Zie Koning, Vaderlijke Macht, Openbare Macht,

Wetgevende Macht, Provinciale Staten.

Makelaars. K. 62 v, — in zee-assurantie. K. 681 v. Markgronden. (Bepalingen tot bevordering van de verdeeling der) bl. 1454 v.

Maten en gewichten. (Wet betreffende de) Strafbepalingen. Sr. 34B, 62B, 442N, 468D.

Meineed. Sr. 207.

Meerderjarigheid (vóór de invoering van het nieuwe

B. W. verkregen). O. 5 v.

Merken. (Valschheid in) Sr. 216 v.

Meting. (Bepalingen omtrent de — van Rijkswege van binnenvaartuigen en de daarvoor in rekening te brengen kosten), bl. 1495 v.

Militaire rechter. Zie Tarief.

Militie. (Wet op de Nationale) Sr. 447B, 468C, 475C. Minderjarigheid. B. 385.

Ministeriëele Departementen. Zie Raad van State.

Mishandeling. Sr. 300 v.

Monstering (van scheepsvolk). Besluit van 5 October

1807 (Stb. nquot;. 104) bl. 1350 v.

M u n t m i s d r ij v e n. Sr. 208 v. — Omloop van vreemde koperen, bronzen en nikkel munten. Sr. 4420.

N.

Naamlooze Vennootschap. K. 36v,

Naamsveranderingen. B. 63v,

Naburige erven. (Rechten en verplichtingen der

eigenaars van) B. 672 v.

Nalatenschappen. (Onbeheerde) B. 1172 v. — Curator. Rv. 704. — Faillissement eener nalatenschap. F. 198 v.

Natuurlijke kinderen. Zie Erfopvolging,Erkenning, Wettiging.

Nederlanders. —Wet van 12December 1892 (Stb.n,,.268) bl. 1482.

Nederlandsch Indië. (Hoog Gerechtshof van) Zie

Beroep (Hooger).

Noord-Holland. Zie Rechterlijke Organisatie.

1523

-ocr page 1654-

ALFABETISCH REGISTER.

Notarissen. Amblsbediening en ressort, bl. 1191 v.— Vereischlen en wijze van benoeming, bl. 1193 v. — Hunne akten en derzelver vorm, minuten, grossen, afschriften, repertoria, bl. 1195 v. — Toezicht en honorarium. bl. 1204 v. — Bewaren en overbrenging van minuten enz. bl. 1207 v. — Algemeene bepalingen, bl. 1211 v. — Strafbepalingen. Sr. 70A, 475B.

--Examen, bl. 1213 v.

--Ambtskring. bl. 106 v.

--Tarief van honorarium en verschotten, bl. 1217 v.

--Bewaarplaatsen der minuten en registers, bl. 110 noot.

O.

Onbeheerde. Zie Nalatenschappen.

Ondeelbare. Zie Verbintenissen.

Onderwijs. G. 192 v. — Ilooger. Sr. 442L. — Lager. Sr. 447D.

Onderzetting. Zie Hypotheek.

Onechtheid. Zie Echtheid

Onroerende zaken of goederen. B. 562 v. — Executoriaal beslag op. Hv. 491 v. — Verkoop (in procedures betrekkelijk erfenissen). Bv. 689 v.

Ontdekking. Zie Heeter daad.

Onteigening (ten algemecnen nutte). Algem. Bepalingen. bl. 1296 v, — in gewone gevallen, bl. 1297; wat aan de verklaring van het algemeen nut moet voorafgaan. bl. 1297 v.; eindaanwijzi.ng der percrelen. bl. 1298 v.; geding, bl. 1300 v.; betaling der schadeloosstelling, bl. 1807 v. — bij vestingbouw, Oen aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bl. 1309 v. — hij besmetting, bh 1311 v. — hij oorlog, brand of watersnood, bl. 1313 v. — Slotbepalingen, bl. 1314.

Ontk entenis. Zie Gerechtelijke verrichtingen.

Ontoerekenbaarheid. Sr. 37 v.

Ontslag. Zie Gratie.

Ontzegeling. Hv. 669 v. — Verzet daartegen. Rv. 667 v.

Openbaar gezag. (Misdrijven tegen het) Sr. jl 77 v. — Overtredingen. Sr. 443 v.

Openbaar Ministerie. Bv. 322 v.; B. n0. I, 52 v.

--(Ambtenaren van het; bij de opsporing (in strafzaken). Sv. 22 v.

Openbare Macht. Zie Eerbied.

Openbare Orde. (Misdrijven tegen de) Sr. 131 v. — Overtredingen. Sr. 430 v.

Opschorting van vonnissen en arresten in strafzaken. Sv. 375.

Opsporen van strafbare feiten. Sv. 8 v.

--(Ambtenaren belast met het) Sv. 8 v.

Opstal (Recht van) B. 758 v.

Orderbriefjes. K. 208 v.

Ouders. Wederzijdsche verplichtingen tusschen ouders, voorouders en kinderen of verdere afstammelingen. B. 875 v.

1524

-ocr page 1655-

ALFABETISCH REGISTER.

Overeenkomst. Verbintenissen daaruit. B. 1349 v. — Voorwaarden tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten. B. 1306 v. — Gevolgen. B. 1374 v. — Uitlegging. B. 1378 v.

Overgang (Wet op den) bl. 40 v.; Inv. 30 v.

O v e r 1 i g g e I d. Zie Laa Idagen.

O v e r 1 ij d e n. (A.kten van) B. 50 v. — van krijgslieden , te velde in den slag of buiten het Koninkrijk gestorven, bl. 1467.

--(Verklaring van vermoedelijk) B. 523 v. — Rechten

en verplichtingen van vermoedelijke erfgenamen en andere belanghebbenden daarna. B. 528 v.

Overzeilen. Zie Aandrijven.

P.

Pandbeslag (voor huren en pachten). Rv. 758 v.

Pandrecht. B. 1196 v.

Papier aan t o o n d e r. K. 221 v.

P a r t ij e n. (Hooren der) Rv. 237 v.

Passagiers (op buitenlandsche zeereizen). K. 521 v.

Pensioenen, (Wetten op de) Sr. 36A.

Plaatsopneming. (Gerechtelijke) Rv. 219 v.

Plantenziekten. (Wet houdende bepalingen tot wering van voor den land-, tuin- of boschbouw schadelijke dieren en van —). Strafbepalingen. Sr. 429 v.

P o e n a 1 i t e i t. (Beding van) Zie Verbintenissen.

Poging. Sr. 45 v.

Polderbesturen. Zie Heemraadschappen.

Politie. (Beheer der Rijks-) bl. 1314.

--Zie Commissarissen.

Privilegiën. O. 14 v.

--Zie Schulden. (Bevoorrechte).

Procedeeren. (Kosteloos). Zie Kosteloos procedeeren.

Proceskosten. (Vereffening van) Rv. 615.

Procureurs. R. n0. 111, 22 v. — bij de opgeheven Prov. Gerechtshoven, bl. 118 noot; — bij de ontbonden Arr.-Rechtbanken. bl. 109 noot.

--Costuum. R. n0. II, 4.

--Zie Tarief van Justitiekosten, in burgerlijke zaken.

Pro D e o. Zie Kosteloos procedeeren.

Promessen aan order. K. 208 v.

Prorogatie van rechtspraak (voor het Gerechtshof) Rv. 329 v.

Provinciale Staten. Samenstelling. G. 127 v. — Macht. G. 133 v. — Zie ook Sr. 54C; Inv. 23.

R.

Raad van State en Ministeriëele Departementen. G. 74 v.

R e c i d i e v e. Zie Herhaling.

Reclame of terugvordering in zaken van koophandel. K. 230.

1525

-ocr page 1656-

ALFABETISCH REGISTER.

Reconventie. Rv. 250 v.

R e e d e r ij e n. K. 320 v.

R é f é r é. Zie Kort geding.

Regentschap. G. 36 v.

Registers. Zie Burgerlijke stand.

Reglementen (van openbaar bestuur), ter voldoening aan art. 19 R. O. bl. 124 v.

Recht. (Middelen tot bewaring van zijn) Rv. 721 v.

Rechten. (Burgerlijke) Zie Burgerl. rechten.

R e c h t e r - C o m rn i s s a r i s. Sv. 56 v.

Rechter. (Militaire) Zie Tarief.

Rechterlijke ambtenaren. (Strafvordering tegen) Sv. 259 v.

--Eedsaflegging. R. n0. I, 1 v.

--Titulatuur en Costuum. R. II.

--Zie Vacantie.

R e c h t e r 1 ij k e I n d e e 1 i n g. bl. 79 v.

Rechterlijke macht. G. 162.

Rechterlijke Organisatie. Algemeene Bepalingen. R. O. 1 v. — Bijzondere voorzieningen. R. O. 111. v. — Van Limburg, bl. 37.

--Wijziging van art. 84 en den staat behoorende bij

art. 110 v. bl. 115.

Rechterlijke Tucht. (Wet tot wijziging van de wettelijke bepalingen omtrent de) bl. 114.

Rechters. (Wraking en verschooning, in strafzaken, en verzending van de zaak uit dien hoofde naar een anderen rechter.) Sv. 321 v.

--(Wraking, in burgerlijke zaken.) Rv. 29 v.

Rechtsbedienden. (Organisatie en Dienst.) R. n0. IV, 15 v.

Rechtsgebied (Regeling van) in strafzaken. Sv. 308 v.

--(Prorogatie van) Rv. 329 v.

Rechtsgeding. (Schorsing en hervatting van het) Rv. 254 v.

Rechtsingang, (tiet verleenen tegen een beklaagde van) Sv. 81 v.

Rechtsweigering. Rv. 844 v.

Rehabilitatie (in het faillissement). F. 206 v.

Rekening. (Gemeene) Handelingen voor, K. 57 v.

Rekening en verantwoording. (Van het doen van) Rv. 771 v.

Renten. (Gevestigde of altijddurende) B. 1807 v.

Requeste-civiel. Rv. 382 v.

Revindicatie van roerende goederen. (Conservatoir beslag tot) Rv. 721 v. — van onroerende goederen (Executoriaal beslag tot) Rv. 538 v.

Revisie. Rv. 359 v.

Rivier- en waterrecht. (Verordeningen op het algemeene) Sr. 429C en D.

Roerende zaken of goederen. B. 565 v. — (Executoriaal beslag op) Rv. 439 v. — Verkoop (in procedures betrekkelijk erfenissen). Rv. 683 v.

--Zie Revindicatie.

1526

-ocr page 1657-

ALFABETISCH REGISTER.

Ruiling. B. 1577 v.

R ij k en zijne inwoners. (Het) G. 1 v.

Rijksopvoedingsgesticht. (Plaatsing in een) Procedure. bl. 1037. — Inrichting, bl. 1046.

Rijksveld wachters. (Bepalingen omtrent den dienst der) b\'. 1336 v.

R ij ks werkinrichtingen. (Begl. van tucht voor de) bl. 1065 v.

Rijnschepen. (Bepalingen omtrent het ijken van —) bl. 1501.

R ij n v a a r t. (Wet tot invoering van de artt. 33, 36, 37, 38 der herziene akte omtrent de) bl. 1374 v.

S.

Samenloop (van strafbare feiten). Sr. 55 v.

Scheepsbewijzen. Besluit van 21 Juni 1836 (Stb. nquot;. 41), tot uitvoering van den eersten en laatsten titel van boek II Wetb. van Kooph. bl. 1257 v.

--Zie hypotheken.

Scheepsgezellen. (Huren van) K. 394 v.

Scheepsofficieren. (Huren van) K. 394 v.

Scheepvaartmisdrijven. Sr. 381 v.

Scheepvaartovertredingen. Sr. 409 v.

Scheiding van goederen. B. 241 v.; Rv. 804 v.

--van tafel en bed. O. 39 v.; B. 288 v.

—— Zie Huwelijk. (Ontbinding van het)

Scheidsmannen. Compromis en benoeming. Rv. 620 v. — Geding. Bv. 629 v. — Uitspraak. Bv. 630 v. — Voorziening tegen hunne beslissing. Rv. 646 v. — Uiteinde der gedingen. Rv. 654 v.

Schending van geheimen, Sr. 272.

Schenkingen. Algemeene Bepalingen. B. 1703 v. — Bekwaamheid om bij wege daarvan te beschikken en te genieten. B. 1713 v. — Vorm. B. 1719 v. — Herroepen en te niet doen. B. 1725 v.

--Zie giften.

Schepelingen. (Verlossing uit de slavernij van slaaf gemaakte) bl. 1274 v.

Schepen. Zie zeeschepen.

--(Eigenaars, medereeders en boekhouders van) K. 320 v.

--(Bevrachting en verhuring van) K. 453 v.

--Executoriaal beslag op en verkoop van) Rv. 563 v.

--(Doorhaling der overschrijvingen van processen-verbaal

van inbeslagneming van) bl. 1262 v.

--rivieren en binnenwaleren bevarende. K. 748 v.

Schipbreuk. K. 545 v.

Schipper. K. 341 v.

Schippers, rivieren en binnenwateren bevarende. K. 91 v.

Schorsing van het rechtsgeding. Bv. 254 v.

Schouwingen. (Gerechtelijke) Besluit van 15 Juli 1818 (Stb. n0. 30), bl. 1271 v.

Schriftelijk bewijs. B. 1904 v.; Sv. 400 v.

Schriftelijke behandeling (van rechtszaken), Rv. 162 v.

1527

-ocr page 1658-

ALFABETISCH REGISTER.

Schuld. (Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door) Sr. 307 v.

Schulden. (Betaling der) B. 1146 v.

--(Bevoorrechte) in het algemeen. B. 1177 v. — op

bepaalde goederen. B. 1185 v. — op al de goederen in het algemeen. B. 1195 v.

Schuldvergelijking. B. 1461 v.

Schuldvermenging. B. 1472 v.

Schuldvernieuwing. B. 14i9 v.

S c h u 11 e r ij. (Bepalingen uit de wet op de) Sr. 23A, 35A., 48A, 444A, 475A.

Sequestratie en hare verschillende soorten. B. 1767 v.

S 1 a v e r n ij. Zie Schepeling, Verzekering.

Solidaire verbintenissen. Zie verbintenissen.

Spel en Weddingschap. B. 1825 v.

Spoorwegdiensten. (Verantwoordelijkheid der ondernemers van) bi. 1415 v. Zie ook Sr. 43A, 429E, F.

Staat. (Misdrijven tegen de veiligheid van den) Sr. 92 v.

--(Misdrijven tegen den burgerlijken) Sr. 236 v. —

Overtredingen. Sr. 451 v.

Staatsblad. (Besluit van 18 December 1813, tot daar-stelling van het) bl. 1269.

S t a a t s 1 o t e r ij. Sr. 366A, 4i2J.

Staatsplichten en Staatsrechten. (Misdrijven betreffende de) Sr. 121 v.

Staten. (Bevriende) Misdrijven tegen de hoofden en vertegenwoordigers. Sr. 115 v.

Staten-Generaal. Samenstelling. G. 78 v. — Tweede Kamer. G, 84 v. — Eerste Kamer. G. 90 v. — Beschikkingen aan beide Kamers gemeen. G. 93 v.

Steenkolenmijnen. (Regl. op de) Sr. 429H.

Stoomwet. Strafbepalingen. Sr. 273F, 429U, 447F.

Straf. (Beding van) Zie Verbintenissen.

Strafbaarheid. (Uitsluiting, vermindering en verhooging der) Sr. 37 v.

Straffen. (Toepassing der) O. 52.

- in zake van strafbare feiten. Sr. 9 v.

--Zie Verval.

Strafvordering. Algemeene bepalingen. Sv. 1 v. — tegen rechterlijke ambtenarec. Sv. 259 v.

--Zie Verval.

Strafwet. (Omvang van de werking der) Sr. 1 v.

Stranding. K. 545 v.

Strandvonder ij. (Bepalingen op de) bl. 1319 v., 1322 v.

S trooper ij. Sr. 314 v.

Stukken van overtuiging. (Vervoer van) Zie Tarief in Strafzaken.

Substituut-griffiers. R. n0. I, 1 v.

Suriname. (Gerechtshof in) Zie Beroep. (Hooger.)

Surséance van betaling. F. 213 v.

T.

T and heelkunst. (Uitoefening der) Sr. 4421.

1528

-ocr page 1659-

ALFABETISCH REGISTER.

Tarief van Justitiekoslen en salarissen in burgeriijke zaken. bl. 876 v. — Invoering, bl. 876 noot. — Kantonrechters en hunne griffiers, bl. 878 v. — Griffiers bij de Arrond.-Rechtbanken, de Hoven en den H. Raad. bl. 880c v. — Advocaten, bl. 880e v. — Procureurs, bl. 880,;i v. — Deurwaarders, bl. 880/c v. — Bewaarders, Deskundigen en Getuigen, bl. 880/1 v.—Strafbepalingen. Sr. 468r\\. en B.

--van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone

rechter kennis neemt. Algemeene bepalingen, bl. 1164 v. — Vervoer van gevangenen en in gijzeling te stellen personen en van overtuigingsstukken, bl. 1165 — Honorarium enz. van deskundigen, bl. 1165 v. — Schadeloosstellingen voor tijdverzuim aan getuigen, bl. 1167 v. --Bewaarders van stukken en bewaring van in beslag genomen roerende goederen, bl. 1168 v. — Griffiers bl. 1169. — Deurwaarders, bl. 1169 v. — Reis- en verblijfkosten. bl. 1171 v. — Uitleveringskosten. bl. 1174 v. — Toeschatting en begrooting der schuldvorderingen en betaling, bl. 1175 v. — Vereffening der kosten van het rechtsgeding, bl. 1177 — Slotbepalingen, bl. 1177 v.

--Voorschriften tot uitvoering van art. 78. bl. 1179.

--van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de militaire

rechter kennis neemt. bl. 1188 v.

--Voorschriften tot uitvoering van art. 10, lida, bl. 1189 v.

Telegraafkabels. (Bescherming van onderzeesche). Strafbepalingen. Sr. 351A, 474G.

Terechtzitting van de Arrond.-Rechtbank in strafzaken. (Rechtsgeding op de) Sv. 141 v.

Terechtzittingen (in burgerlijke zaken.) Rv. 18 v.

Testamenten. (Mutueele) O. 48 v. — (Olografische) O. 48 v.

--Zie Uiterste willen.

Tienden. B. 787 v.

--(Wet tot afkoopbaarstelling van de) bl. 1405 v.

Titulatuur der rechterlijke ambtenaren. R. n®. If, 1.

Toeziende Voogd. Zie Voogd.

Toezicht. Zie Discipline.

T r a n s i t o i r e Wet. Zie Overgang. (Wet op den)

Troonsopvolging. G. IGv.

Tucht. Zie Koopvaardijschepen, Rechterlijke Tucht.

Tusschenkomst. Rv. 285 v.

Twistgedingen (aanhangig bij de invoering der nieuwe wetgeving). O. 53 v.

Tweegevecht. Sr. 152 v.

Tijdsbepaling. Zie Verbintenissen.

U.

Uiterste willen. Algemeene Bepalingen. B. 921 v.— Bekwaamheid om daarbij te beschikken en daaruit voordeel te genieten. B. 942 v. — Vorm. B. 977 v. — Herroepen en vervallen. B. 1039 v.

—— (Uitvoerders van) en Bewindvoerders. B. 1052 v.

1529

-ocr page 1660-

ALFABETISCH REGISTER.

Uitlevering van vreemdelingen. (Algemeene voorwaarden voor verdragen met vreemde mogendheden over de) bl. 1409 v.

Uitsluiting der strafbaarheid. Sr. 37 v.

Uitvoerlegging (Ten) van vonnissen en authentieke akten. Algemeene regelen. Rv. 430 v.

--van arresten en vonnissen in strafzaken. Sv. 335 v.

--Zie Beslag, Lijfsdwang.

Uitwinning. Zie Beslag.

V.

Va can tie der rechterlijke ambtenaren. R. n®. I, 6. v.

Vaderlijke Macht. Gevolgen ten opzichte van den persoon van het Kind. B. 353 v. — ten opzichte van de goederen van het kind. B. 302 v.

Vaderschap en afstamming der kinderen. B. 305 v.

Valse h beid in zegels en merken. Sr. 216 v. — in geschriften. Sr. 225 v.

--(Rechtspleging ter zake van) Sv. 273 v.

Veeartsen ij kundig Staatstoezicht. Strafbepalingen. Sr. \'ilSA, 429N.

Veeartsen ij kunst. (Uitoefening der) Strafbepalingen. Sr. 4290.

Veiligheid van den Staat (Misdrijven tegen de) Sr. 92 v.

—-—• van personen of goederen. (Misdrijven tegen de algemeene) Sr. 157 v. — Overtredingen. Sr. 424 v.

Veiligheidswet. Strafbepalingen. Sr. 273E, 429T.

Veldpolitie. (Overtredingen betreffende de) Sr. 458 v.

Veldwachters. Sv. 19 v.

Vennootschap van Koophandel. Algemeene bepalingen. K. 14 v. — Onder eene firma. K. 16 v. — Bij wijze van geldschieting of en commandite. K. 16 v.

— Naamlooze. K. 36 v. — Kandelingen voor gemeene rekening. K. 57 v.

--Zie Maatschap.

Verbeurdverklaarde voorwerpen. (Bepalingen omtrent) bl. 1353 v.

Verbintenissen. Algemeene Bepalingen. B.1269v.— om iets te geven. B. 1271 v. — Om iets te doen of niet te doen. B. 1275 v.--Schadevergoeding wegens liet niet nakomen. B. 1279 v. — Voorwaardelijke. B. 1289 v. — Met tijdsbepaling. B. 1304 v. — Alternatieve. B. 1308 v.

— Solidaire of hoofdelijke. B. 1314 v. — Deelbare en ondeelbare. B. 1332 v. — Onder beding van straf of poenaliteit. B. 1340 v. — Tenietgaan, B. 1417 v. — Nietigheid en Vernietiging. B. 1482 v.

--Zie Overeenkomst, Wet, Zeehandel.

Verbruikleening. Algemeene Bepalingen. B. 1791 v.

— Verplichtingen des uilleeners. B. 1796 v. — Verplichtingen des leeners. B. 1800 v. — Terleengeving op interessen. B. 1802 v.

Verduistering. Sr. 321 v.

1530

-ocr page 1661-

ALFABETISCH REGISTER.

Vereeniging en vergadering. (Wet tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van) bl. 1325v. Zie ook Sr. 442G.

Vereenigen. Zie Coöperatieve Vereenigingen. Vergadering. Zie vereeniging.

Vergiftige stoffen. (Vervoer enz. van) Sr. 429Q. Verhooging der Strafbaarheid, Sr. 37 v.

Verhoor op vraagpunten. Rv. 237 v.

Verhuur. Zie Huur.

Verificatie (der schulden in het faillissement) F. 108 v. Verjaring in het algemeen. B. 1983 v. — als middel om iets te verkrijgen. B. 2000 v. — als middel om van eene verplichting bevrijd te worden. B. 2004 v. — Oorzaken die haar stuiten. B. 2015 v. — Oorzaken die haar loop schorsen. B. 2023 v. — Algemeene, transitoire bepaling. B. 2030.

--van vervolgen en straffen. Sv. 419.

Verklaringen. (Onbeëedigde) Sv. 409 v.

Verkoop. Zie Koop.

V e r k o o p i n g e ii. Zie Bieden.

Vermindering der Strafbaarheid. Sr. 37 v. Vermoedens. B. 1952 v.

Vermogensbelasting. (Wet op de) Strafbepalingen. Sr. 273C.

Vernieling of beschadiging van goederen. Sr. 350 v. Vernietiging (van arresten en vonnissen in strafzaken). Sv. 375 v.

Veroordeelden die ontvlucht en achterhaald zijn. (Herkenning van) Sv. 269 v.

--Zie Dood. Zinneloosheid.

Verpachtingen. Zie Bieden.

Verschooning van rechters in strafzaken. Sr. 321 v. Verschuldigde zaak. (Vergaan der) B. 1480 v. Verstek. Rv. 75 v.

Vertalers. Zie Beëedigde Vertalers.

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf. Sr. 68 v.

Vervaltijd (van wisselbrieven). K. 149 v. Verveningen, blz. 1504.

Vervoer. (Openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten) bl. 1423 v. Zie ook Sr. 43B, 442K.

--(van vrachten op de landwegen). Strafbepalingen.

Sr. 447C.

Vervrachter. Zie Bevrachting.

Verwijzingen naar een ander gerecht. Rv. 273 v.;

Sv. 321 v.

Verzegeling. Rv. 658 v.

Verzekering in het algemeen. K. 246 v.j — tegen brand. K. 287 v.; — van de voortbrengselen van den landbouw. K. 299 v.; — van het leven. K. 302 v.; — tegen\' de gevaren der zee en der slavernij (vorm en inhoud). K. 592; — begrooting van het verzekerde. K. 619 v.; — begin en einde van het gevaar. K. 624 v.; —

1531

-ocr page 1662-

ALFABETISCH REGISTEK.

rechten en plichten van verzekeraar en verzekerde. K. 635 v.; — abandonnement. K. 636; — makelaars in zeeassurantie. K. 681 v.; — tegen de gevaren van het vervoer te land en op rivieren en binnenwateren. K. 696 v.

--der veiligheid van reizigers, bl. 1426 v.

Verzending. Zie Rechters.

Verzet tegen vonnissen bij verstek. Rv. 81 v.

--tegen ontzegeling. Rv. 667 v.

--door derden. Rv. 376 v.

Verzoeken. (Voorloopige) Rv. 152 v.

Vestingwerken. (Bepalingen op het bouwen, planton enz. binnen zekeren afstand van) Sr. 429A.

Vicariegoederen. (Voorloopige maatregelen tot behoud van) bl. 1481.

Visscherij, Zie Jacht.

Vlag. (Wet op de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche) bl. 1368 v.; Sr. 474C.

Voeging. Rv. 285 v.

Voerlieden. K. 91 v.

Vonnissen (in burgerlijke zaken) in het algemeen. Rv. 4i v.; — bij verstek, en verzet daartegen. Rv. 75 v.; — Ten uitvoerlegging. Rv. 430 v.

--(in strafzaken). Zie Vernietiging.

Voogd. Toezicht op den persoon van den minderjarige. B. 441 v.; — Bestuur. B. 443 v.

--(Toeziende) B. 422 v.

V o o g d ij. (Officieuse) O. 13.

--in het algemeen. B. 386 v.; — van vader en moeder.

B. 400 v.; — door vader of moeder opgedragen. B. 409 v.; — door den kantonrechter opgedragen. B. 413 v.; — van kinderen in een gesticht opgenomen. B. 421; — redenen die van voogdij en toeziende voogdij verschoonen. B. 433 v ; — bevoegdheid tot en uitsluiting of afzetting van en tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij. B. 436 v.; — rekening en verantwoording. B. 467 v.

V o o g d ij. Zie Koning.

Voornaamsveranderingen. B. 63 v.

Voorouders. Zie Ouders.

Voor waar del ij ke invrijheidstelling. Besl. van 17 Augustus 1889 (Stb. nquot;. 107) bl. 1071 v.

Voorwaarden. Zie Huwelijksche Voorwaarden, Verbintenissen.

Vraagpunten. (Verhoor op) Rv. 237 v.

Vreemdelingen, bl. 1485.

--(Toelating en uitzetting van) bl. 1293 v.

--Zie Beslag, Uitlevering.

Vrouw. (Machtiging eener getrouwde) Rv. 798 v.

Vruchtgebruik. Aard en wijze van verkrijging. B. 803 v.; — Rechten van den vruchtgebruiker. B. 808 v.; — Verplichtingen van den vruchtgebruiker. B. 829 v.; — Hoe het eindigt. B. 854 v.

V r ij h e i d. (Misdrijven tegen de persoonlijke) Sr. 274 v.

1532

-ocr page 1663-

ALFABETISCH REGISTER.

V r ij h e i d. Middelen om de persoonlijke vrijheid te verzekeren. Sv. 386 v.

V r ij h e i d s b e n e m i n g. (Verzekering van de toepassing van bij de wet bevolen of ioegelaten) bl. 1470.

V r ij w a r i n g. (Processueele) Rv. 68 v.

W.

Wapenen. (Verbodsbepalingen tegen het dragen van) bl. 1468.

Waterstaat. G. 188 v.; Inv. 26. Waterstaatswerken (Bepalingen betreffende) bl. 1471.

Strafbepalingen. Sr. 429S.

Weddingschap. B. 1823 v.

Wederinkoop. (Recht van) B. -1555 v.

Werking der strafwet. (Omvang van de) Sr. 1 v. Werklieden. Zie Huur en Verhuur. West-Indische Koloniale Zaken. (Voorloopige regeling der rechtsmacht van den H. Raad in) bl. 869 v. Wet. (Verbintenissen uit de) B. 1388 v.

Wetboek. (Burgerlijk) toepassing op zaken van koophandel. K. 1.

Wetgevende macht. G. 109 v.

Wetgeving van h e t K o n i n k r ij k. Zie bepalingen. (Algemeene)

Wetgeving. (Nieuwe) Tijdstip van invoering, bl. 34 v.; — in Limburg, bl. 37.

--Afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken op

het tijdstip der invoering van de nieuwe, bl. 33 v. --Zie Twistgedingen.

Wettel ij k Erfdeel. Zie Legitieme Portie.

Wetten. (quot;Wijze en vorm van afkondiging), bl. 1355. Wettige Kinderen. B. 305 v.

Wettiging (van natuurlijke kinderen). B. 327 v. Wisselbrieven. Aard en vorm. K. 100 v.; — Verbintenissen tusschen trekker en nemer. K. 104 v.;—Acceptatie en aval. K. 112 v.; — Endossement. K. 133 v.; — Verbintenissen tusschen trekker en acceptant, houder en acceptant en houder en endossanten. K. 140 v.; — Vervaltijd en betaling. K. 149v.; — Rechten en verplichtingen van den houder bij non-acceptatie of non-betaling. K. 175 v.;

— Tenietgaan van wisselschuld. K. 204 v. Woonplaats. B. 74 v.

Wraking (van rechters). Rv. 29 v.; Sv. 321 v.

IJ.

IJ ken. Zie Rijnschepen.

Z.

Zaak. (Verschuldigde) Zie Verschuldigde Zaak.

Zaken in het algemeen. B. 555 v.; — onderscheiding. B. 559 v.; — onroerende. B. 562 v.: — roerende. B. 565 v.;

— met betrekking tot hare bezitters. B. 575 v.

1533

-ocr page 1664-

1534 ALFABETISCH REGISTER.

Z a l in v i s s c h e r ij. (Uitoefening der) bl. 1341.

Zedelijke lichamen. B. 1C90 v.

Zeden. (Misdrijven tegen de) Sr. 239 v. Overtredingen.

Sr. 451 v.

Zee-assurantie. Zie Verzekering.

Z e e b r i e v e n. (Wet op de afgifte van) bl. 1368 v. —

Strafbepalingen. Sr. 474C. , x ,

Zeehandel. (Verbintenissen uit den) Tenietgaan van

K 741 v

Zeelieden (ter koopvaardij). (Beheer der gelden en goederen van op reis vermiste of overledene) bl. \'U/- v. Zeeschepen. K. 309 v.

Zeevisscherijen. Sr. 474E, F.

Zeevonden. K. 545 v. ,ooo

Zegelrecht. Algemeene Bepalingen, bl. 1222 v.; —■ aard der belasting, bl. 1228 v.; — vrijstellingen, bl. 1237 v., — algemeene verplichtingen, bl. 1245 v.; vervolgingen en verjaringen, bl. 1246 v.; — transitoire- en slotbepalingen. bl. 1248 v. .i . \\ c*

Zeeels en merken. (Valschheid in) Sr. -.16 v. Zegelwet. In werking breriging. bl. 1266. —Bewijs van

betaling der opcenten, bl. 1268.

Zekerheid. (Stellen van) Bv. 616 v.

Ziekten. (Besmettelijke) Strafbepalingen. Sr. 4291, K, L. —

Zie ook Veeartsenijkundig Staatstoezicht. Zinneloosheid der veroordeelden, verdachten of beklaagden. Sv. 410 v.

Zondagswet, bl. 1270 v. Zie ook Sr. 442A. Zuivering. Zie Hypotheken.

Zwagerschap. B. 350 v.

-ocr page 1665-

VERKORTINGEN

Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bl. 157.

Wet van 12 April 1872 (Stb. n». 25) tot af koopbaarstelling der tienden, bl. 1405.

Algemeene wet van 26 Augustus 1822 (Stb. n0. 38) over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnsen, alsmede van het tonnengeld der zeeschepen, gewijzigd bij verschillende andere wetten.

Arbeidswet, Wet van 5|Meil889 (Stb. n0. 48), tot het tegengaan van overmatigen en gevaarlijken arbeid van jeugdige personen en van vrouwen, gewijzigd bij art. 30 der Veiligheidsw. en bij de wetten van 20 Juli 1895 (Stb. n0. 138) en van 31 December 189C (Stb. n0. 259).

Wet van 28 Juni 1854 (Stb. n». 100), tot regeling ^van het Armbestuur, gewijzigd bij de Wet van 1 Juni 1870 (Stb. n0. 85).

Burgerlijk Wetboek, bl. 159. Wet van 10 Aprill869(Stb.n0.65), tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenis-regten, bl. 1357.

Code Civil.

Code de Commerce.

Wet van 25 Juli 1871 (Stb. n0.9l), houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten , en van de consulaire regts-magt, gewijzigd bij de wetten van 9 November 1875 (Stb. n0. 201), van 15 April 1886 (Stb. n°. 68) en van 16 Dec. 1886 (Stb. n°. 204), bl. 1375.

Code Pénal.

beteekent:

Afkoop Tiendenw.

Alg. vv.

Arbeidsw.

Armenw.

13.

Begraf.w.

G.

Co.

Consul, w.

C. P.

-ocr page 1666-

VERKORTINGEN.

Drankw. beleekent: Wet van 28 Juni 1881 (Slb. n0.97),

houdende wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, gewijzigd bij de wetten van 23 April 4884 (Stb. n0. 54), van 16 April

1885 (Stb. n0. 78) en bij Inv,, bl. 1428.

F. ygt; Faillissementswet, Wet van 30

September 1883 (Stb. n0. 140), op het faillissement en de surséance van betaling, gewijzigd bij de Wet van 6 September 1895 (Stb. n0. 155), blz. 609.

G. » Grondwet, bl. 1.

Gem.w. » Gemeentewet, Wet van 29 Juni

1851 (Stb. nquot;. 85), regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der Gemeentebesturen, gewijzigd bij tal van wetten, het laatst bij de Wet van 14 Juli 1898 (Stb. n®. 178).

Hinderw. » Hinderwet, Wet van 2 Juni 1875

(Stb. n0. 95), tot regeling van het toezig4. bij het oprigten van inrig-tingen , welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, gewijzigd bij verschillende wetten en daarna in haar geheel geplaatst in Stb. 1896 n0. 222.

I. » Code d\' Inctruction Criminelle.

Jagtw. » Wet van 13 Juni 1857 (Stb. n0.87),

tot regeling der Jagt en Visscherij, gewijzigd bij de wetten van 14Apri]

1886 (Stb. n0. 61), van 15 April 1886 (Stb. n®. 64) en van 13 Juli 1896 (Stb. nquot;. 105), bl. 1339.

I. F. » Wet ter Invoering van de Faillisse

mentswet, bl. 656.

Inv. » Wet regelende het in werking tre

den van het Strafwetboek, bl. 1011.

K. » Wetboek van Koophandel, bl. 479.

Kiesw. » Kieswet, Wet van 7 September

1896 (Stb. n®. 154), tot regeling van het Kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, gewijzigd bij de wetten van 31 December 1896 (Stb. n®. 245) en van 31 December 1897 (Stb. n». 309).

Krankz.w. » Wet van 27 April 1884 (Stb. nquot; 96),

tot regeling van het Staatstoezicht

1536

-ocr page 1667-

VERKORTINGEN.

op krankzinnigen, gewijzigd bij Inv. en by de Wet van 7 December •1896 (Stb. n». 191), blz. 1441.

Markenw. beteekent: quot;Wet van 10 Mei 1886 (Stb. n®. 104),

houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling van mark-gronden, bl. 1454.

Merkenw. » Wet van 30 September 1893 (Stb.

n0. 146), houdende bepalingen op fabrieks- en handelsmerken, bl. 1487.

Militiew. » Wet van 19 Augustus 1861 (Stb.

n0. 72), betrekkelijk de Nationale Militie, gewijzigd bij tal van wetten, het laatst bij de wet van 2 Juli 1898 (Stb. n». 170).

O. » Wet op den Overgang, bl. 40.

Onteigen.w. » Wet van 28 Augustus 1851 (Stb.

n0. 125), regelende de onteigening ten algemeenen nutte, bl. 1296.

Postw. » Wet van 15 April 1891 (Stb. n0.87),

tot regeling der brievenposterij.

Pr. » Code de Procédure Civile.

Prov, w. » Provinciale wet, Wet van 6 Juli

1850 (Stb. nquot;. 39), regelende de zamenstelling en magt van de Provinciale Staten, gewijzigd bij de Wet van 28 April 1897 (Stb. n0.112).

R. » Reglement van openbaar bestuur,

bl. 124.

Regl. verv. » Koninklijk besluit van 9 Januari

1876 (Stb. n0. 7), houdende vaststelling van een algemeen reglement voor het vervoer op de spoorwegen, gewijzigd bij verschillende besluiten, het laatst bij Besluit van 9 Januari 1894 (Stb. n0 4).

R. O. » Wet op de regterlijke organisatie

en het beleid der justitie, bl. 51.

Rv. » Wetboek van Burgerlijke Regts-

vordering, bl. 665.

Schutterijvv. » Wetvanl l ApriH827(Stb. n0.17),

houdende oprigting van Schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijks, gewijzigd bij Inv.

Spoorw.w. » Wet van 9 Apriri875 (Stb. n0. 67),

tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, gewijzigd bij verschillende wetten, het laatst bij de wet van 8 April 1893 (Stb. n0. 62), artt. 1—3, bl. 1415.

Sr. » Wetboek van Strafrecht, bl. 882.

Stb. » Staatsblad.

Stoomw. » Stoomwel, Wet van 15 April 1896

1537

97

-ocr page 1668-

VERKORTINGEN.

(Stb. n#. 69), houdende toezicht op het gebruik van stoomtoestellen. beteekent: Wetboek van Strafvordering, bl. 1078.

» Wet van 13 Mei 1859 (Stb. n0.36), op het regt van successie en van overgang, gewijzigd bij verschillende wetten, het laatst bij de wet van 24 Mei 1897 (Stb. n». 154).

» Tarief.

» Wet van 7 Maart 1852 (Stb. n®. 48), tot regeling der gemeenschap door electro-magnetische telegrafen, ge-wiizisd bii de wet van 3 Dec. 1869 (Stb. n0. 200).

» Wet van 6 April 1875 (Stb. nquot;. 66), tot regeling der algemeene voorwaarden op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten, gewijzigd bij Inv. bl. 1409.

» en volgende.

» Veiligheidswet, Wet van 20 Juli 1895 (Stb. n0. 137), houdende bepalingen tot beveiliging bij het verblijven in fabrieken en werkplaatsen.

» Wet van 13 Augustus 1849 (Stb. n0. 39), tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen, bl. 1293.

» Wet van 28 Juni 1881 (Stb. n0., 124), tot regeling van het auteursrecht, bl. 1435.

» Wet van 2 October 1893 (Stb. n0. 149), tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten. Wet van 4 December 1872 (Stb. n0. 134), tot voorziening tegen besmettelijke ziekten.

Wet van 17 Nov. 1876 (Stb. n0. 227), tot regeling der coöperatieve vereenigingen, gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878 (Stb. n». 41), bij Inv. en bij I. F., bl. 1416. Wet van 26 Mei 1870 (Stb. n0. 82), betrekkelijk de grondbelasting, gewijzigd bij de wet van 80 December 1887 (Stb. n0. 259). Wet van 28 April 1876 (Stb. n0. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, gewijzigd bij verschillende wetten, het laatst bij de wet van 9 Mei 1890 (Stb. n0. 78).

1538

Sv.

Succ.w. T.

Telegr.w. Uillev.w.

Veiligli.w.

Vreemd.vv.

W. auteursr.

W. bedr.bel.

W. besm. ziekten

W. coöp. ver. »

W. grondbel.

W. hooger onderw. «

-ocr page 1669-

VERKORTINGEN. ■1539

W. kerkgenootsch. »

\\V. k. v. arb. »

quot;W. lager onderw. »

W. landverh. »

W.middelb. onderw. »

VV. min. verantw. »

W. inkw. beteekent:

\\V. Nederl.sch. »

W. not. ambt; » W. pers. bel. »

W. postsp.b.

W. R. v. St.

Wet van 14 September 1866 (Stb. n0. 138), houdende bepalingen, betrekkelijk de inkwartieringen en hel onderhoud van het krijgsvolk, en de transporten en de lever-antien voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, gewijzigd bij verschillende wetten en daarna in haar geheel geplaatst in Stb. 1892 n®. 214. Wet van 10 September 1853 (Stb. n®. 102), tot regeling vanhettoe-zigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, gewijzigd bij Inv. en bij de Wet van 15 April 1896 (Stb. n». 70), bl. 1322.

Wet van 2 Mei 1897 (Stb. n0.141), tot oprichting van kamers van arbeid.

Wet van 17 Augustus 1878 (Stb. n0. 127), tot regeling van het lager onderwijs, gewijzigd bij verschillende wetten en daarna in haar geheel geplaatst in Stb. 1897 n0. 57. Wet van 1 Juni 1861 (Stb. n0.53), houdende bepalingen omtrent den doorfogt en het vervoer van landverhuizers, gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1869 (Stb. n°. 124) en bij Inv.

Wet van 2 Mei 1863(Stb. n0.50), houdende regeling van het middelbaar onderwijs, gewijzigd bij verschillende wetten, het laatst bij Inv. Wet van 22 April 1855(Stb.n®.33), houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der ministeriele departementen.

Wet van 12 December 1892 (Stb. n®. 268), op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, bl. 1482. Wet op het Notarisambt, bl. 1191. Wet van 16 Aprill896(Stb.n0.72), tot regeling der personeele belasting.

Wet van 25 Mei 1880 (Stb. n«. 88), tot instelling eener Rijkspostspaarbank, gewijzigd bij de wet van 20 Juli 1895 (Stb. n». 135). Wet van 21 December 1861 (Stb. n®. 129), houdende regeling der zamenstelling en de bevoegdheid van den Raad van State, gewijzigd bij de wetten van 28 Juni 1881


-ocr page 1670-

VKRKOKTINGEN.

(Stb. n0. 123) en van HJuli 1884 (Stb. n». 122).

beteekent: Wet van 23 Juli 1885 (Stb.n0.142), tot regeling der Staatsloterij. » Wet van 7 Mei 1856(Stb. n0.82), houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen, gewijzigd bij de Wet van 13 November 1879 (Stb. n0. 190) en bij Inv., bl. 1328. » Wet van 27 September 1892 (Stb. n0. 223), tot heffing eener vermogensbelasting.

» Wet van 28 Mei 1869 (Stb. n0.96), betrekkelijk de afgifte van zee-brieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, gewijzigd bij Inv., bl. 1308. » Wet op het Regt van zegel, bl. 1223.

1540

W. St. lot. W. tucht koopv.

W. verm.bel.

W. zeebr.

Zegelw.

VERBETERINGEN.

Blz. 123. In art. 3« staat; ^898; lees: 1899 (Wijziging aangebracht bij Besluit van 16 Dec. 1897 (Stb. n . -62). » 501. In art. 137a staat: dieren dossementen; lees: dier

endossementen.

» 523. In het opschrift van titel X staat: tegen die

waarvan; lees: tegen die waaraan.

» 562. Het in de noot vermelde Stb. 1892 n0. 102 is nosr gewijzigd bij Stb. 1897 n». 179 en bij Stb. 1898 n». 153. Zie blz. 1480 onder art. 1 der Wet van 15 April 1891 (Stb. n0. 91). j * v, i

» 1259. Onder art. 7a is verzuimd te vermelden dat het Besluit van 21 September 1869 (Stb. 110- ^3) gewijzigd is bij Besluit van 13 December 1875 (Stb. n0. 242).

-ocr page 1671-
-ocr page 1672-
-ocr page 1673-
-ocr page 1674-