1
(ï /9 3z c
HANDLEIDING
TOT DE BEOEFENING
VAN HET
NEDERLANDSCH BURGERLIJK RECHT.
RIJKSUNIVERSTTEtT UTRECHT
29G
2782
\\ 3ZZ
HANDLEIDING
TOT DE
BEOEFENING
VAN HET
Nederlandscli Burgerlijk Recht.
DOOR
MR. C. ASSER,
Hoogleeraar te Leiden,
MET MEDEWERKING VAN
MK. PH. W. VAN HEUSDE,
Vice-President der Arrondissernents-Rechtbank te \'sGravenhjige.
EERSTE DEEL.
Derde druk, bewerkt door ]VIr. C. ASSER.
ZWOLLE, W. E. J. TJEENK WILLINK. 1 89 6.
BIBLIOTIiEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
VOORBERICHT.
Bij hei schrijven van het werk, waarvan het eerste deel thans voltooid is, is het mijn streven eene handleiding te vervaardigen, hoofdzakelijk ten dienste van hen, die hunne studiën van het hedendaagsche recht aanvangen, en hij wie het er op aankomt vóór alles in groote trekken de beginselen van ons Burgerlijk recht te leeren kennen, zonder reeds in den aanvang in al te veel bijzonderheden te treden, of zich met de beantwoording van ingewikkelde rechtsvragen te vermoeien.
Men zie derhalve in de verschijning van dit werk geen gemis aan waardeering van de bestaande geschriften onzer voortreffelijkste rechtsgeleerden ; het heeft veeleer ten doel den toekomstig en jurist een zoodanig overzicht van de rechtsstof te doen verkrijgen, dat hij met meer vrucht en met de noodige zelfstandigheid de meer uitgebreide werken zal hunnen raadplegen.
Bij de bewerking heb ik de uitmuntende en tot ieders leedwezen slechts voor een klein deel verschenen Handleiding van Mr. J. van Hall, Hoogleeraar te Utrecht, min of meer als voorbeeld gekozen; ware dims werk voltooid, dan voorzeker zou ik mijnen arbeid niet hebben aangevangen.
Wellicht ook zou zulks niet zijn geschied, indien ik had kunnen voorzien dat reeds spoedig na het verschijnen der eerste afeveringen door de benoeming eener Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, hij Koninklijk Besluit van \'28 Febr. 1880 n . 8, het uitzicht zou worden geopend op vrij belangrijke wijzigingen in den tekst dier wet. Sedert is daarom nog meer dan vroeger mijn streven daarheen gericht mij tot de beginselen te bepalen en de talrijke rechtsvragen , waartoe de bestaande wet aanleiding geeft, slechts terloops te vermelden.
voorbericht.
De hennis dier beginselen toch zal voor den ioekomstigen rechtsgeleerde altijd onmisbaar blijven, ook wanneer enkele stellige wetsvoorschriften in het vervolg mochten worden gewijzigd, of zelfs geheele ouderdeelen van het Burgerlijk Wetboek in anderen vorm gegoten.
Groote vermeerdering van werkzaamheden voor mij voortvloeiende uit de instelling van voormelde Staatscommissie, heeft mij de medewerking doen inroepen van mijnen vriend en ambtgenoot Mr. ph. W. vanheusde, aan wiens bereidwilligheid verscheiden onderwerpen, in dit deel behandeld, te danken zijn. inzonderheid nagenoeg hei geheele huwelijksvermogensrecht, de afstamming, afwezigheid en burgerlijke stand.
Is er eenerzijds wellicht eenig voordeel aan verbonden, dat een werk als het tegenwoordige wordt verricht door hen, die de wet niet slechts bestudeeren, maar haar dagelijks zien werken en tot hare toepassing geroepen zijn, aan de andere zijde is het te betreuren dat juist hierin de oorzaak gelegen is, dat de voortzetting van dezen arbeid niet met meer spoed kon plaats hebben, ja zelfs dat de bewerking thans ongeveer twee jaren — een tijdvak, waarin drukke ambtsbezigheden ons beider beschikbaren tijd geheel in beslag namen — heeft moeten stilstaan. Thans hoop ik het iverk weder met meer regelmaat te kunnen voortzetten.
Wat den omvang betreft, laat het zich voorzien dat bij gelijke bewerking het aantal afeveringen grooter zal worden dan de uitgever aanvankelijk had gemeend. Ik mag er mij wel mede vleien, dat de inteekenaren hiervan den uitgever geen grief zullen maken, en van mij niet zullen verlangen dat de volledigheid worde opgeofferd, aan het streven om eene zoo uitgebreide stof binnen een vooruit bepaald aantal afeveringen samen te dringen.
Ik grond dit vertrouwen op de welwillende beoordeelingen, die aan de eerste afeveringen zijn te beurt gevallen, ivaardoor ik mij aangemoedigd gevoel de eenmaal gekozen wijze van bewerking te blijven volgen.
\'s gravenhage, c a
Augustus 1885.
vi
VOORBERICHT RIJ DEK TWEEDEN DRUK.
Gevolg gevende aan het verzoek van den uitgever dezer Handleiding, tot het bezorgen van een tweeden druk van de tot hiertoe verschenen afleveringen, heb ik mij bij het bewerken daarvan, ten einde de aansluiting aan de verdere gedeelten onveranderd te doen plaats hebben, gnhesl aan den vorm en de inrichting van den eersten druk gehouden, met herstelling can eenige daarin voorkomende fouten en vergissingen.
Be tusschentijds in sommige opzichten veranderde wetgeving heeft het noodig gemaakt hier en daar van den oorspronkelijken tekst af te wijken en bij de verwijzingen naar andere wetten met de veranderde toestanden rekening te houden. Vooral geldt dit voor de aanhalingen der Grondwet en de vele punten van aanraking van burgerlijk recht met strafrecht, terwijl ook enkele gedeelten van de aan curateele gewijde paragraaf met het oog op de nieuwe krankzinnigenwet zijn omgewerkt.
Ook het in 1886 ingediend Ontwerp van de Staatscommissie tot Herziening van het Burgerlijk Wetboek mocht niet onvermeld blijven. Bij de voornaamste leerstukken is de aandacht daarop gevestigd. Echter heb ik bij die aanhalingen, die veelal in den vorm van noten, somtijds waar het verhand het toeliet^ in den tekst zelf voorkomen, steeds naar beknoptheid gestreefd, om niet voor hem, die zijne studiën aanvangt, te uitvoerig te worden, terwijl de meer geoefende wel niet in gebreke zal blijven het Ontwerp zelf met de daarbij behoorende Memorie van Toelichting ter hand te nemen.
Van de welwillende opmerkingen der kritiek heb ik in deze uitgave ruimschoots gebruik gemaakt.
\'s GRAVENHAGE,
November 1888.
VOORBERICHT RIJ DEN DERDEN DRUK.
Spoediger wellicht dan met het oog op de geregelde voortzetting van dit werk wenschelijk ware geweest, moest een derde druk van de reeds verschenen gedeelten het licht zien. Deze wijkt slechts weinig van den vorig en af. Het voornaamste verschil bestaat in de nieuwe bewerking van de aan nationaliteit gewijde paragraaf, noodig geworden door de in werking treding der wet van 12 Dec. 1892, Stbl. n. 368, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap. Verder is zooveel mogelijk rekening gehouden met hetgeen op wetgevend gebied in de laatste jaren is tot stand gekomen, terwijl ook van de jongste rechtspraak en litteratuur hier en daar melding is gemaakt.
LEIDEN,
October 1895.
C. A.
t
INHOUD.
INLEIDING.
HOOFDSTUK I.
Algemeen \'gedeelte.
Bladz.
§ 1. Begrip van recht in het algemeen..........1
§ 2. Publiek recht. — Privaatrecht...........2
§ 3. Verdeeling van het privaatrecht. Materieel — formeel recht.
Burgerlijk recht — handelsrecht..........5
§ 4. Bronnen van het recht. Geschreven recht. Gewoonterecht. gt; Codificatie..................7
HOOFDSTUK II.
Ontwikkeling der wetgeving in Nederland, inzonderheid met betrekking tot het Burgerlijk recht.
§ 1. Toestand van het recht vóór het Koningschap van Lode wijk
Napoleon..................10
§ 2. De ontwikkeling van het recht in Frankrijk; samenstelling
van den Code Napoléon en andere wetboeken......13
§ 3. De wetgeving onder Koning Lode wijk Napoleon......15
§ 4. De inlijving bij Frankrijk. Invoering der Fransche wetgeving. 17 § 5. Het tgdperk van de herstelling onzer onafhankelijkheid tot aan
de invoering der Nederlandsche wetboeken.......18
§ 6. Wetten sedert 1 Oct. 1838 , waardoor het Burgerlyk Wetboek wijziging heeft ondergaan, of waarbij onderwerpen zijn geregeld, die nauw daarmede samenhangen.......25
§ 7. Herziening van het Burgerlyk Wetboek........29
INHOUD.
HOOFDSTUK III.
De Nederlandsche wel; — hare verbindende kracht, werking, toepassing en uitlegging.
Bladz.
§ 1. De wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van
het koningrijk................32
§ 2. De verbindende kracht der Nederlandsche wet en de grenzen
daarvan, ten opzichte van den duur harer werking. ... 34
A. Begin der verbindende kracht........34
B. Einde der verbindende kracht........41
C. Verhouding der wet tegenover de vóór hare in
voering of na hare afschaffing geldende wetgeving. — Transitoir recht........44
§ 3. De verbindende kracht der Nederlandsche wet tegenover het
gewoonterecht................47
§ 4. De verbindende kracht der Nederlandsche wet, met betrekking tot de plaats harer werking, en tot de personen en goederen, aan haar gezag onderworpen. Internationaal privaatrecht. . 51 § 5. Gevolgen van de verbindende kracht der wet ten opzichte van hare naleving door de personen aan hare werking onderworpen en de door hen verrichte rechtshandelingen .... 69 § 6. De wet, als richtsnoer voor den rechter. Regelen van wets-
uitlegging..................75
HET NEDERLANDSCH BÜEGERLIJK RECHT.
Algemeen overzicht der rechtsstof.
§ 1. De mensch in zijne verhouding tot de buitenwereld.....92
§ 2. Gebied van het recht..............93
§ 3. Verdeeling der rechtsstof.............95
EEESTE APDEELING — PEESONENEECHT.
HOOFDSTUK I.
Inleiding.
§ 1. Begrip van personenrecht.............97
§ 2. Begrip van persoon. Verdeeling van personen in natuurlijke
en rechtspersonen. Bepaling aan beide categoriën gemeen. . 97
X
INHOUD.
HOOFDSTUK II.
Over natuurlijke personen.
Bladz.
Ontstaan der natuurlijke persoonlijkheid........99
Einde der natuurlijke persoonlijkheid.........103
HOOFDSTUK III.
Omstandigheden, hoedanigheden en eigenschappen, welke op den rechtstoestand van natuurlijke personen van algemeenen invloed kunnen zijn.
Vrijheid...................107
Godsdienst. Maatschappelijke stand..........109
Nationaliteit.................110
Woonplaats..................118
Geslacht...................140
Huwelyk...................144
A. Algemeen gedeelte............144
B. Vereischten tot het aangaan van een huwelijk;
huwelijksbeletselen...........146
C. Vervolg. Uitwendige vereischten tot het aangaan
van een huwelyk; aangifte; afkondiging; recht van stuiling; voltrekking des huwelijks. . . . 165
D. Bewijs van de voltrekking des huwelijks. Huwe
lijks-akte. Ontbreken dier akte......189
E. Huwelijken in strijd met de wet aangegaan. Nietig
heid. Nietig-verklaring.........191
F. Gevolgen van het huwelyk, met betrekking tot de v personen der echtgenooten en hunne algemeene
rechtsbevoegdheid...........202
G. Huwelijks vermogensrecht.........215
I. De wettelijke gemeenschap van goederen . . 215
II. Huwelijksche voorwaarden.......231
III. Invloed van tweede en verder huwelyk op
net vermogen der echtgenooten.....254
IV. Scheiding van goederen........263
H. Ontbinding van het huwelyk........275
I. Opheffing van de verplichting tot samenwoning . . 303
XI
INHOUD.
Bladz
§ 7. Afstamming..................312
A. Afstamming van wettige kinderen......312
B. Afstamming van natuurlijke kinderen.....330
C. Wettiging..............341
D. Bloedverwantschap en zwagerschap......345
§ 8. Eechten en verplichtingen van ouders en kinderen.....348
A. Ingeval van minderjarigheid. — Onderlijk gezag . 348
B. Afgescheiden van den leeftijd der kinderen, en met
uitbreiding tot sommige bloed- en aanverwanten . 364 § 9. Leeftijd. Minderjarigheid. Voogdij. Handlichting. . . \' . . 368
A. Algemeen gedeelte............368
B. Voogdij. Algemeene beginselen.......372
C. Personen tot de roogdy geroepen, of als voogd
benoemd..............377
I. Voogdy van den langstlevende der ouders. . 377
II. Voogdij, door den vader of de moeder op
gedragen ............382
III. Voogdij door den kantonrechter opgedragen . 384
IV. Voogdij van kinderen, die in gestichten van
weldadigheid zijn opgenomen.....38G
D. Onbevoegdheid tot de voogdij, uitsluiting en afzetting. 390
E. Verplichting tot aanvaarding der voogdij. Redenen
van verschooning...........398
F. Uitoefening der voogdij..........405
I. Toezicht over den persoon des minderjarigen . 405 II. Bestuur van den voogd........406
G. Einde der voogdij. Rekening en verantwoording. . 431
H. Toeziende voogdij............437
I. Handlichting.............443
§ 10. Krankzinnigheid. Zwakheid van geestvermogens. Verkwisting . 451
A. Begrip van curateele...........451
B. Oorzaken van curateele..........455
C. Rechtspleging.............456
D. Werking en gevolgen der curateele......463
E. Einde der curateele...........471
§ 11. Misdryf...................472
§ 12. Geldeiyk onvermogen...............476
§ 13. Afwezigheid..................477
A. Invloed van afwezigheid op vermogensrecliteiyke
betrekkingen.............479
I. Tydperk der voorloopige voorzieningen . . .479
XII
INHOUD.
Bladz.
II. Tijdperk van vermoedelijk overlijden . . . 483
III. Tijdperk der definitieve erfopvolging . . . 492 B. Invloed van afwezigheid op familiebetrekkingen . . 495
HOOFDSTUK IV.
Verzekering van den burgerlijken staat der personen, door akten
van den burgerlijken stand......497
HOOFDSTUK V.
Over rechtspersonen.
1. Algemeen begrip................512
2. Rechtspersonen in het Romeinsch recht bekend......516
3. Geschiedenis onzer wetgeving ten aanzien van rechtspersonen . 517
4. Rechtspersonen onder onze wetgeving bestaande......518
I. Zedelgke lichamen............518
II. Stichtingen..............532
III. Naamlooze Vennootschappen........536
IV. Coöperatieve Vereenigingen.........537
XUI
ADDENDA.
BI. 39, reg. 4. Bij de wet van 33 Juni 1893, Stbl. nquot;. Ill, is bepaald dat in
art. 3 der Wet van 26 April 1852 voormeld, in plaatB van „vijfdenquot; wordt gelezen „tweeden.quot;
„ 66, , 9. Evenzoo Mr. H. A. E, Modderman, Internationaal erfrecht, Acad.
Pr., den Haag, 1895.
„ 113, „ 11, Bij de litteratuur over de Wet op het Nederlanderschap, nog te
vermelden: L. F. G. P. Scheeuder, Wet van 12 Deo. 1892, Stil. nquot;. 268, enz., \'s Gravenhage 1894 en Mr. C. E. Achterberg, Nederlanders, Vreemdelingen en ingezetenen, Groningen 1895.
„ 210, „ 28 in te voegen: Voor het bekomen ten haren name van spaarbankboekjes en het doen van inlagen in de Rijkspostspaarbank, alsmede het ontvangen van terugbetalingen (art. 9 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. n». 88, tot instelling eener Rijkspostspaarbank, gewijzigd bij art. 5 der wet van 20 Juli 1895, Stbl. nquot;. 135).
„ 219, na reg. 15. Ook hier geldt hetgeen op bl. 210 ten aanzien van inlagen enz.
ten name der vrouw in de Rijkspostspaarbank behoort te worden vermeld. Dergelijke inlagen, ofschoon tot de gemeenschap be-hoorende, zijn aan het beheer van den man onttrokken.
„ 256, laatste regel. Tijdens het afdrukken van dit deel is de litteratuur over het vermogensrecht bij tweede en verder huwelijk weder belangrijk nitgebreid. Men zie uitvoerige verhandelingen van Mrs. N. K. F. Land en H. J. Koenen in het Bijvoegsel bij het W. v. Not.-ambt en Registratie, n°. 1331, strekkende tot praeadvies van hetgeen in de Alg. verg. der Broederschap van Cand. Notarissen op 19 Ang. 1895 te Assen zou worden besproken, alsmede eene reeks artikelen van Mr. H. J. Hamaker in hetzelfde Weekblad n0. 1333 en v. Zie ook A. H. v. d. Does de Bye, het Goederenrecht der echlg. in tweede en verder huwelijk, \'s Gravenhage 1895 en het Verslag van voormelde vergadering in hetzelfde Weekblad nquot;. 1342 en v.
„ 358, reg. 7 en v. | Be bepalingen omtrent inlagen, terugbetalingen en vruchtgenot
„ 360, sub 4°. | van gelden van minderjarigen op de Rijkspostspaarbank zijn thans te vinden in art. 5 der wet van 20 Juli 1895, Stbl. nquot;. 135, ten deze in hoofdzaak overeenstemmende met art. 9 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. n°. 88.
Bij art. 3 der wet van 1895 is verder het maximum van rentedragend kapitaal van f 800.— op ƒ 1200.— gebracht, zoodat voortaan de hoogste rente voor denzelfden inlegger jaarlijks f 31.68 kan bedragen.
x-
INLEIDING.
hooïdsïuk: i.
Algemeen gedeelte.
§ 1-
B F, G III P VAN RECHT IN HET ALGEMEEN.
In elke beschaafde maatschappij toont zich op gebiedende wijze de behoefte aan zekeren band, die de personen, waaruit die maatschappij gevormd is, in ruimer of engeren kring aan elkander verbindt.
Hierdoor zijn ontstaan: de verschillende staten, provinciën, waterschappen, gemeenten en andere grootere of kleinere, openbare of bijzondere vereenigingen van personen, die door een zelfde belang aan elkander zijn verbonden.
Aan sommige dier vereenigingen ligt eenheid van ras of taal ten grondslag; aan andere, als b.v. de provinciën, waterschappen en gemeenten inzonderheid de aardrijkskundige indeeling des lands, soms beheerscht door den loop der stroomen of andere natuurlijke oorzaken, soms het gevolg van geschiedkundige herinneringen, niet zelden van geheel toevallige omstandigheden.
Zij nu, die door gelijke belangen worden vereenigd, hebben behoefte aan regelen, die hunne verhouding onderling en naar buiten, tegenover andere vereenigingen, beheerschen en waardoor niet zelden in het algemeen belang een gedeelte van hunne vrijheid van handelen wordt ten offer gebracht.
Asser, Burgerl. Recht. I. 3e druk. J[
begrip van recht.
Oeze regelen, in welken vorm zij ook mochten voorkomen, zijn het uitvloeisel eener gemeenschappelijke overtuiging, welke zich op velerlei wijze kan hebben geopenbaard. Het samenstel van zoodanige regelen, als richtsnoer van ons doen en laten, van onze bevoegdheden en verplichtingen, noemt men het Recht.
§ 2-
PUBLIEKRECHT - PUI VAAT KECHT.
Men onderscheidde zoowel voorheen als thans publiekrec\\\\i enprioaat-recht; twee begrippen, waarvan de juiste bepaling niet gemakkelijk te geven is, al moge ons natuurlijk gevoel in de meeste gevallen duidelijk aangeven tot welk gebied ieder stellig rechtsvoorschrift behoort. Daarnevens echter stuit men in de toepassing op voorschriften, waaromtrent twijfel kan rijzen of men met het eene of het andere recht te maken heeft, een gevolg daarvan, dat het, bij gemis van eene iii elk opzicht bevredigende bepaling, onmogelijk is altijd de juiste grens tusschen beide begrippen te trekken.
Sedert de Romeinsch-rechtelijke definitie (§ 4 Inst. de just, et jure 1,1) quot;Publicum jus est, quod ad statum rei Romanae spectat; privatum, \'/quod ad singulorum utilitatem pertinetquot;, waarmede men oudtijds, bij de nog geringe ontwikkeling van het publiekrecht Kon volstaan, heeft men herhaaldelijk pogingen gedaan een ander en beter criterium te vinden, dat eene scherpere verdeeling mogelijk zou maken; telkens ziet men echter de rechtsgeleerden tot de oude bepaling in meer of min gewijzigden vorm wederkeeren. Zoo leert Mr. C. W. Opzoomer, Het Burgerlijk Wetboek verklaard, I, bl. 3 en v. quot;In het publieke //recht is het geheel, in het privaatrecht het individu als doel te be-//schouwenquot;; ook wij zouden bezwaarlijk een ander kenmerk durven aanwijzen, dan dat in het publieke recht de gemeenschap (Staat, Provincie, Waterschap, Gemeente enz.) als zoodanig optreedt.
Tot dat recht behooren dan het staatsrecht, dat zijn de voorschriften die den Staat of zijne organieke onderdeden als zoodanig betreffen ; die de verhouding van den Staat en die onderdeelen jegens elkander regelen; of wel de verhouding van den Staat of zijne onderdeelen tegenover de ondergeschikten (staatsburgers, ingelanden, ingezetenen enz.), somtijds ook tegenover hen, die vreemd zijn aan zoodanig verband.
2
PUBLIEKKECHT —
3
PRIVAATRECHT.
Tot het publiek recht behoort ook het strafrecht, welks doel voornamelijk gezocht moet wordeu in de bescherming van de maatschappij tegen hen die hare rust of veiligheid in gevaar brengen; evenzoo de strafvordering.
Verder het volkenrecht, dat de verhouding der Staten onderling betreft.
Het privaatrecht daarentegen beheerscht uitsluitend de samenleving, het vermogen en het verkeer der bijzondere personen of met deze gelijkgestelde vereenigingen van personen of kapitalen.
Het bevat het burgerlijk recht in den ruimsten zin, alzoo met inbegrip van het handelsrecht en de leer der rechtsvordering, d. i. de wijze om de uit het burgerlijk recht voortvloeiende rechten langs wettelijken weg te handhaven.
Het zou de grenzen van dit werk overschrijden, indien wij de verschillende theorien omtrent publiek- en \'privaatrecht wilden ontwikkelen; toereikend zij het enkele aan te stippen met vermelding van de namen der schryvers aan wie zij vooral te danken zijn.
Het naast aan de Romeinsehreehtelijke bepaling staan Opzoomer, t. a. p., en vóór hem v. Savigny, Syst. des heut. Kim. Rechts, I, bl. 22 en v., intussehen met dit groote onderscheid, dat laatstgenoemde de Burgerlijke Rechtsvordering tot het publieke recht brengt, hetgeen overtuigend door Opzoomer, t. a. p. bl. \'1 wordt wederlegd; zie hieromtrent ook Mr. J. A. Lor.ff, Publ. recht tegenover priv. recht, acad. pr., Leiden, 1887, bl. 11 en v., die in navolging van Dr. A. Thon, Rechtsnorm und Suhjectives Recht, bl. 110 het Romeinsch-rechtelijk criterium verwerpt, daar het vaak niet mogelijk is het algemeen en bijzonder belang zoo scherp tegenover elkander te stellen.
Laatstgenoemde schrijver, die uitvoerig alle bestaande theorien vermeldt en aan kritiek onderwerpt, zoekt het kenmerkend ouderscheid in de rechtsgevolgen, die de niet-nakoming van eenig voorschrift met zich brengt. Is eenig recht geschonden en heeft het benadeelde individu een middel tot herstel tot zijne willekeurige beschikking („zum beliebigen Grebrauehequot;), dan is daaraan te onderkennen dat men op privaatrechtelijk gebied staat; heeft alleen het publiek gezag de beschikking over het middel tot herstel of tot dwang, dan blijkt daaruit, dat het voorschrift tot het publieke recht behoort. Deze leer zal wel weinigen bevredigen. Sommige voorschriften (Normen) toch zijn slechts zoogenaamde leges inperfectae, tegen welker niet-nakoming geene rechtsmiddelen bestaan; andere weder hebben gevolgen van gemengden aard en geven aanleiding tot rechtsmiddelen, die deels door den Staat, deels
1*
— f r i v a a \'i\' k\'e c h ï.
door de individuen kunnen worden aangewend; maar bovenal is het in den grond verkeerd den aard van een recht te willen afleiden uit de middelen, die tot herstel van krenking kunnen worden aangewend (vgl. Dr. Bierling, zur Kritik der juristischen Grundbegriffe, II, bi. 153, en v., Loeff, t. a. p., bl. 25 en v.).
Bierling, t. a. p. bl. 159 zoekt het verschil daarin, dat het publiekrecht uitsluitend te maken heeft met de verhouding van de gemeenschap als eenheid tot alle personen of lichamen, die aan haar recht onderworpen zijn, terwijl het privaatrecht de onderlinge betrekkingen der ondergeschikten (personen of lichamen) regelt. Hier staat dus de verhouding van ondergeschiktheid tegenover de verhouding van gelij kheid; eene theorie, die ook in groote trekken aan de opvatting van Mr. Loeff, t. a. p. bl. 45, 49 enz. ten grondslag strekt, welke schrijver echter o. i. te ver gaat, door te ontkennen dat de staat, die zelf de hoogste macht vertegenwoordigt, tevens, als ware hij een gewoon individu of onderdaan van zichzelf, in privaatrechtelijke verhouding tot andere aan zyn gezag onderworpen personen zou kunnen staan (zie bl. 52 en v.). Een andere fout is o. i. hierin gelegen dat zoowel bij de bepaling van publiek- als bij die van privaatrecht, telkens wordt gesproken van onderdanen, terwijl toch het eerste evengoed gebod- of verbodsbepalingen jegens vreemdelingen, het tweede verhoudingen tusschen onderdanen en vreemdelingen of van de laatsten onderling kan betreffen. Daarenboven is in de bepalingen der beide laatste schrijvers geen plaats aangewezen aan het volkenrecht, in welke recht de eene hoogste macht tegenover eene andere hoogste macht, dus gelijke tegenover gelijke staat; en toch zal het niemand invallen het volkenrecht tot het privaatrecht te brengen.
Min gelukkig, in ieder geval, achten wij de pogingen van hen, die één der beide rechten als hoofdzaak\' beschouwende, het andere slechts uit de ontkenning van het eerste leeren kennen; b. v. Wachter, Handb. des im Kgr. Würltemberg geitenden Pnvatrechts 1, § 1, die slechts aan negatieve kenmerken wil zien of eenig onderwerp tot het privaatrecht behoort; als n.1. zoodanige stof niet beheerscht wordt door de regelen van het staatsrecht (in uitgebreiden zin). Mr. G. TDiephuis, Het Ned. Burg. Regt, 1870, deel I, bl. 5, volgt juist een tegenovergesteld beginsel en geeft kortelijk de onderwerpen van het privaatrecht op; „wat daarbuiten ligt, wordt door een ander recht beheerschtquot;.
Weder een anderen weg betreedt Mr. H. J. Hamaker in eene voordracht over „de tegenstelling van publiek- en privaatrechtquot; (Versl. en Med. der Kon. Akad. v. Wetensch.; afd. Letterk. 3C Eeeks, deel XI, bl. 46—74), die, vooral op historischeu grondslag bouwende, in het privaatrecht het recht bij uitnemendheid ziet, „het geheel van al die
publiekrecht
veedeeling van het recht.
„in stilte wordende, door niemand bedachte, gedragsregelen, van wier „bestaan de menschheid ten allen tijde het gevoel en het besef gehad „heeftquot;, terwijl het publiekrecht daarentegen wordt voorgesteld als het „overheidsbevel in den vorm der wetquot;, een recht door den wetgever gemaakt ten meesten nutte der maatschappij, en naar zijn goedvinden ingericht. Van het publiekrecht, maar ook alleen daarvan, zegt schr., kan men zeggen dat het te vinden is in de wet, en dat er buiten deze geen recht is. Het mag o. i. worden betwijfeld of dit laatste in allen deele juist is; wij zouden dit althans alleen voor het strafrecht durven onderschryven; vgl. over ditzelfde punt ook Loefp, t. a. p. bl. 42 en v., die te recht de onjuistheid van hetzelfde stelsel voor het administratief recht aantoont. Evenmin verdient het o. i. aanbeveling bij het zoeken van een kenmerk tusschen beide soorten van recht de wyze van bet ontstaan zoozeer op den voorgrond te stellen. Zij moge met de strekking van het recht nauw samenhangen, maar vormt toch een slecht criterium.
§ 3.
ver de kling van het privaatrecht. mateiuekl - formeel recht.
burgerlijk recht - handelsrecht.
De aloude onderscheiding van Jus nalurale, gentium en civile, is voor den tegenwoordigen rechtsbeoefenaar zonder belang. Allereerst zij opgemerkt dat het begrip van jus nat ar ale, gelijk Ulpianus dit in de lex. 1 § 3 1). de just, et jure (I, 1) aangeeft, buiten het gebied van liet recht valt. Het recht veronderstelt overtuiging en bewustzijn, die niet bij redelooze dieren zijn aan te nemen. Beter ongetwijfeld is de tweeledige verdeeling van Gajus, I, § 1, jus gentium en jus civile. Onder het eerste (wel te onderscheiden van het jus gentium of volkenrecht in de tegenwoordige beteekenis van dat woord) verstond men de rechtsbeginselen, die bij alle volken gelden, omdat zij geput zijn uit de natuur van den mensch; het jti,s civile was dat recht dat eigen was aan eenig volk in het bijzonder.
Het oude jus gentium, is eenigermate verwant aan datgene, wat wij thans natuurrecht of rechtsphilosophie noemen, met dat onderscheid , dat het eerste gekend werd door de praktijk, terwijl het laatste zich a priori, op wijsgeerige wyze, met den oorsprong en de natuur der verschillende rechtsinstellingen bezig houdt.
5
6 verdeeling v a .v het peiva at recht.
In den tegenwoordigen tijd verdeelen wij het privaatrecht ia mata-rieel en formeel privaatrecht.
Het eerste, ook wel stellig recht genaamd, regelt den rechtstoestand der personen, hunne rechtsbetrekkingen onderling en hun vermogen. Het laatste schrijft.de vormen voor, waarop de door het stellige recht gegeven regelen, langs wettelijken weg, kunnen of be-hooren te worden gehandhaafd. Het geeft mitsdien voorschriften, door partijen voor den rechter in acht te nemen, en door dezen te volgen; het leert verder hoe diens uitspraken kunnen worden ten uitvoer gelegd; het bevat eindelijk de vormelijke regeling van een aantal onderwerpen buiten het eigenlijke recntsgeding gelegen.
Verscheidene Dnitsche rechtsgeleerden rekenen het formeele recht als tot het publieke recht beboerende (vgl. bl. 3 supra). — Hcgo ut: Groot (/«/., I, 2), eu op diens voetspoor de tegenwoordige Nederlandsche juristen, beschouwen het als een onderdeel van het privaatrecht. Eveneens Zachaeiae, Hrmdb. des Franz. Civil Rechts. Inleidintj, II, § 7, enz.
Terwijl in vroeger tijd het handelsrecht niet afzonderlijk werd behandelde, doch slechts bij sommige onderwerpen op verbintenissen uit den koophandel ontstaande werd gewezen, is sedert het einde der vorige eeuw het handelsrecht als eene afzonderlijke, op zich zelf staande wetenschap beschouwd en bearbeid geworden.
Het materieel privaatrecht omvat derhalve tegenwoordig:
a. het burgerlijk recht in engeren zin;
h. het handelsrecht.
Dit laatste leert den aard, het wezen en de gevolgen kennen der rechtsbetrekkingen, door den koophandel ontstaan.
Men zij indachtig dat wij hier niet het oog hebben op zoodanige onderwerpen van handelsrecht, als welke tot het staatsrecht of volkenrecht behooren, gelijk daar zijn : scheepvaartwetten, handelstarieven, verordeningen omtrent het loodswezen, quarantaine, trac-taten van handel en scheepvaart, vragen over het recht der onzijdige mogendheden enz.
Het formeel privaatrecht vindt hoofdzakelijk zijn uiting in het Wetboek van Burgerlijke Eechtsvordering; maar ook in de aan het materieel recht gewijde wetboeken en wetten komen vele voorschriften van formeelen aard voor. Men denke b.v. aan talrijke bepalingen betreffende den burgerlijken stand, de voogdij, curateele, uiterste wilsbeschikkingen, het faillissement enz.
GESCHREVEN EEC UT; GEW DON TEKECHT. /
Een onderdeel van het procesrecht, het zoogenaamde materieele procesrecht of actiënrecM houdt als het ware het midden tusschen het materieele en het formeele recht. Het leert den inhond, het wezen der verschillende rechtsmiddelen kennen. Het beantwoordt de vragen; onder welke voorwaarden de rechten op onderzoek en erkenning voor den rechter kunnen worden uitgeoefend? Wien het recht tot het instellen van eisch en tot verdediging toekomt? Welke daartoe de middelen zijn? Wat bewezen moet worden, door wien en door welke middelen ? Welke de kracht van een vonnis is enz. (Zie Mr. van Boneval Faurk, het Ned. Burg. Procesrecht, 3e uitg., 1, bl. 4). Eene codificatie van dat recht is eenigermate beproefd in het Ontw. B. W. van 1820, Boek IV. In onze wetboeken is het slechts zeer fragmentarisch behandeld, deels in het 4e boek van het Burgerlyk Wetboek, deels in het Wetboek van B. Eechtsv. Hoogst wetenschappelyk is de behandeling in voormeld werk van Mr. vak Bdnf.val Fauke.
§ 4.
BRONNEN VAN HET RECHT. GESCHREVEN RECHT. GEWOONTERECHT.
CODIFICATIE.
Het recht, zeiden wij, berust op eene gevestigde overtuiging, en de vormen, waarin die overtuiging zich openbaart, kunnen talrijk zijn.
In liet Romeinsche recht openbaarde het zich vooreerst als/w.? scriptum of beschreven recht. Dit had wederom vele gedaanten ; het had den vorm van eene wet, van een plebiscit, een senatusconsult, van eene keizerlijke verordening, een edict van den magistraat, of een rechtskuudig advies van zoodanige rechtsgeleerden, als tot het geven van eene verbindende beslissing de bevoegdheid hadden.
Eene niet geringe plaats bekleedde daarnevens het jus non scriptum, of gewoonterecht, waaronder men dat recht verstaat dat, zonder invoering op een bepaald tijdstip, iu werkelijkheid als recht wordt uitgeoefend.
In Frankrijk onderscheidde men eertijds tusschen usages en cou-tnmes. Onder de eerstgemelden verstond men het gewoonterecht, dat niet te boek gesteld en derhalve niet door den Koning was bekrachtigd; de laatsten waren verzamelingen van het gewoonterecht eener provincie of stad, die in eene verzameling ter nedergeschreven, door de regeering werden bekrachtigd en aldus kracht van wet hadden verkregen.
Ook bij ons onderscheidde men gewoonten en costumen.
CODIFICATIE.
De rechtsovertuiging van een volk, blijkende uit de toepassing van eenig beginsel, met den wil dit als recht te doen gelden, is de meest oorspronkelijke en rechtstreeksche wijze van openbaring van het recht en derhalve oudtijds de belangrijkste rechtsbron; eene meer uitvoerige wetgeving, toont eerst een lateren trap van ontwikkeling van eenig volk aan. Naarmate de wetgeving zich ontwikkelt, treedt het gewoonterecht op den achtergrond; bij den grooteren omvang van het verkeer wordt de rechtstreeksche openbaring eener overtuiging, vooral bij grootere volken, steeds moeielijker; het gewoonterecht trekt zich in enger plaatselijke grenzen terug.
De wijze van verzameling van geschreven wetten in den vorm van wetboeken (de coditicatie) dagteekent vooral sedert het begin dezer eeuw. Zij heeft haar ontstaan grootendeels te danken aan de Fransche revolutie.
Grootendeels, want reeds vroeger bestonden er in onderscheidene Janden geschreven rechtsverzamelingen, gelijk in Frankrijk de Ordonnances du Commerce en de la Marine onder Lodewijk XIV tot stand gekomen, in Prnissen het Allgem. Landrecht für die Preussischen Staaten.
Van codificatie sprekende, heeft men het oog gevestigd op die wetboeken, waarin de geheele rechtsstof, tot zekere categorie van recht behoorende, wordt samengevat, met uitsluiting en afschaffing van alle oude rechtsbronnen, welke die zelfde stof beheerschen.
Met hevigeu strijd ging deze nieuwe vorm van openbaring van het recht gepaard; de tegenstand tegen de codificatie ging vooral in Duitschland uit van de zoogenaamde Historische School, welker grondlegger Gusïav Hugo (1764—184.4), en welker grootste sieraad en erkend hoofd Friedrich Gael von Savigny (1779—1861) was. In een beroemd geschrift Ueber den Beruf unserer Zeit für Rechts-wissenschaft und Gesetzgebung (1814) als tegenschrift tegen een geschrift van Thibaut, iiber die Nothwendigkeit eines allgem. burgerl. Rechts für Deutschland in het licht gegeven, ontwikkelt hij de stelling dat eene verbetering in den rechtstoestand slechts van de wetenschap, niet van de wetgeving te verwachten is; het recht wordt uiet gemaakt; het ontstaat en ontwikkelt zich (es id und wird) inet het volk.
Ontegenzeggelijk is er veel voor deze stelling te zeggen; de vele vormen, b.v. waarin het Romeinsclie recht zich kon openbaren, de groote plaats aan het gewoonterecht ingeruimd, de bevoegdheid der
8
CODIFICATIE.
uitstekendste rechtsgeleerden, om verbindende adviezen te geven, en de daardoor levendig gehouden prikkel om het recht niet alleen te verklaren, maar ook tot grootere volkomenheid te brengen; vooral ook de macht des praetors die met behoud van het goede, elk jaar in de gelegenheid was door middel van zijn edict nieuwe en als nuttig erkende beginselen in toepassing te brengen, dit alles was oorzaak van de groote volmaaktheid, welke het Romeinsche recht in den loop van vele eeuwen heeft bereikt; eene volmaaktheid, welke nog steeds de kennis van dat recht ten grondslag doet strekken aan elke eenigszins grondige studie der rechtswetenschap; ook daar waar, gelijk ten onzent, het Eomeinsche recht heeft opgehouden kracht van wet te hebben.
Houdt men echter het oog gevestigd op den toestand van het recht in de meeste landen vóór de invoering der wetboeken, dan ziet men allerwege gemis aan rerMszekerheid en aan eenvormigheid.
Zoo gold in vele staten in de vorige eeuw allereerst het Romeinsche recht, voor zoover dit nog op latere toestanden kou worden toegepast; verder eene menigte wetten en verordeningen van velerlei aard en door de meest verschillende autoriteiten en besturen vastgesteld: de leer der rechtsgeleerde schrijvers; soms de uitspraken der rechtbanken en eindelijk het gewoonterecht.
Behalve nu de groote moeielijkheid om te weten wat onder die omstandigheden recht is, is er ook een groot bezwaar in gelegen, indien in de onderscheiden deelen van denzelfden staat een verschillend recht geldt.
Aan deze bezwaren nu komt de codificatie voor een groot gedeelte te gemoet,; door haar wordt met zekerheid gekend wat recht is. en gelijkheid van recht voor alle onderdanen van denzelfden staat geschapen.
Men zou echter zeer dwalen door te meenen dat, door de invoering van een algemeen wetboek, de rechtsstof, die zoodanig wetboek bevat, als een geheel is afgesloten, zóó dat alle rechtsvragen daardoor zijn opgelost, en daarbuiten geen recht bestaat. Aan zoodanige dwaling maakten zich verscheiden Romeinsche keizers zoowel als Napoleon I schuldig.
Het recht kan ook bij het bestaan van eene algemeene wetgeving de voorlichting der wetenschap niet missen; er blijft steeds behoefte bestaan aan verklaring van het bestaande recht; aan toepassing van de geldende rechtsbeginselen op niet voorziene gevallen; aan aanvul-
9
«
becht in neue11land v00k louewijk napoleon.
ling of verbetering van de wet in gevallen, waar veranderde maatschappelijke toestanden of eene meer ontwikkelde rechtsovertuiging zoodanige verandering der wet noodig maken.
Wil men derhalve dat de codificatie niet belemmerend op de ontwikkeling van het recht werke, zoo make men ruim gebruik van de gelegenheid tot wijziging of aanvulling der bestaande wetboeken, altijd in het oog houdende dat door partieele wijzigingen geene tegenstrijdigheden of nieuwe verwikkelingen ontstaan, welke maar al te vaak kunnen voorkomen, waar men met onbedachtzame hand ingrijpende veranderingen wil tot stand brengen.
Men 2;ie omtrent de wenschelykheid eener condiflcatie een merk-waardigen brief van Prof B. Voorda, medegedeeld door Mr. A. de Pinto in zijne Handleiding tot het B. W., 5\' druk, II, bl. 748—750, 6\' druk, II, bl. 795—797; zie ook Mr. J. van Hall, Handleidimj tot de beoefening van het B. R. Voorrede, bl. Ill—V.
HOOFDSTUK II.
Ontwikkeling der wetgeving in Nederland inzonderheid met betrekking tot het Burgerlijk recht.
§ I-
toestand van het hecht voor het koningschap van lode wijk napoleon.
Tijdens de republiek was ten onzent aan geene eenheid van wetgeving te denken. Elke provincie was souverein, en het wetgevend gezag berustte bij de Staten van het gewest, die echter in de meeste provinciën aan het private recht weinig aandacht schonken. Van algemeen geldend gezag waren slechts de edicten eertijds door Karel V en Philips II ingevoerd.
Van daar de meest groote verscheidenheid van stad- en landrechten, costumeu en gewoonten, privilegiën en octrooien uit vroegere eeuwen, die alle gehandhaafd bleven, terwijl de Staten niet dan bij groote
10
recht in nederland voor lode wijk napoleon.
onzekcrlieid of volkomen verwarring, op enkele punten regelend tusschen beide traden.
Behalve het inlandsche recht gold hier te lande het Romeinsche recht, omtrent welks invoering evenwel niets met zekerheid te bepalen is. Hugo de Groot , Lnl. tot de Ho 11. Rechts gel., 1, 2 , § 22, zegt dienaangaande: quot;alsoo de Roomsche wetten, inzonderheid sulks, als quot;die ten tyde des Keyzers Justiniaen vergadert zijn geweest, by ver-quot;standige luyden bevonden werden wysheydts ende billikheydts vol te \'/zvn, soo zyn dezelve eerst als voorbeelden van wysheydt ende billik-quot;heydt ende metter tyd door gewoonte als wetten aangenomenquot;.
Zeker derhalve is het dat het Romeinsche recht hier te lande van grooten invloed was, hetzij het als recht gold daar, waar geschreven recht en gewoonterecht zwegen, hetzij het met deze beide rechtsbronnen geheel op ééne lijn stond.
Groot is de roem die de Oad-Hollandsche en Friesche rechtsgeleerden zich zoowel ten onzent als in het buitenland ten opzichte der rechtswetenschap hebben verworven; het zij hier toereikend de namen te noemen der grootste juristen van de 16% 17e en 18e eeuw; Viglius Zuichem ab Ayta f 1577, P. Merüla j 1607, Hugo de Gkoot f 1645, S. Gkoenkvvegen f 1652, Arnold Vinniüs f 1657, S. van Leeuwen f 1682, Ulricüs Hüber f 1694, Joh. Voet f1713, Ger. Noodt f 1725, Anton Schultingh f 1734, J. O. Westenberg f 1737, C. van Bijnkebshoek j 174.3, enz.
Vele onderwerpen werden verder beheerscht door het Canonieke recht, andere door de beginselen van het Leenrecht, terwijl eindelijk ook nog afzonderlijke krijgs- en kerkelijke wetten hunnen invloed deden gelden.
Geen wonder dus dat reeds vóór de omwenteling van 1795, maar inzonderheid daarna, zich de behoefte aau eenheid in de wetgeving sterker deed gevoelen, zoodat in 1796 door de Nationale Vergadering werd besloten tot invoering eener volledige en algemeene landswet zoo in burgerlijke als in lijfstraffelijke zaken. Dit besluit bleef echter zonder gevolg, tot dat door de Staatsregeling van 1 Mei 1798 op nieuw het uitzicht op eene algemeene wetgeving werd geopend. Art. 28 luidde:
quot;Er zal een Wetboek gemaakt worden, zoowel van Burgerlijke quot;als van lijfstraffelijke wetten, tegelijk met de wijze van Regts-quot;vordering, op gronden, door de Staatsregeling verzekerd en alge-quot;ineen voor de gansche Republiek.quot;
11
recht in nederland voor lodevvijk napoleon.
«Deszelfs invoering zal zijn, uiterlijk binnen twee jaren na de quot;invoering der Staatsregeling.quot;
Bij decreet van het Vertegenwoordigend Ligchaam van 5 Sept. 1798 werd het uitvoerend bewind gelast eene commissie te benoemen. Dit geschiedde op 28 Sept. 1798. De commissie bestond uit 3 2 rechtsgeleerden, waarvan 7 zich met het Burgerlijk- en 5 met het Lijfstraffelijk recht zouden bezig houden.
Zie omtrent deze en de volgende bijzonderheden: Kempeb, crim.
Wetb. v. //. Kon. Holl., Inl., bi. 81 en vlgg.
Nog vóór dat deze commissie haren arbeid gereed had — allee» het procesrecht in burgerlijke- en strafzaken en het strafrecht benevens eene algemeene inleiding vóór het Wetboek waren gereed — kwam de Staatsregeling van 16 Oct. 18ül in werking, welker artikel 84 luidde;
«Het Staats-Bewind zorgt dat een algemeen Civil en Crimineel quot;Wetboek, na dat op de daar van gemaakte ontwerpen de considera-quot;tiën van het Nationaal Gerechtshof zullen zijn ingenomen, ten quot;spoedigsten aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging worde quot;aangeboden.quot;
De geest des tijds echter, toenmaals meer provinciaal gestemd, scheen de vooruitzichten op eene algemeene wetgeving tegen te werken. Het gevoelen scheen veld te winnen, alsof voor liet minst een algemeen Burgerlijk Wetboek onmogelijk was. Zelfs het Gouvernement scheen onder den invloed van dat denkbeeld te zijn.
Op 3 October 1804 werden drie ontwerpen ingeleverd als:
a. Inleiding over het regt in het algemeen, in elf hoofdstukken;
h. Lijfstraffelijk Wetboek, in vier boeken;
c. Wetten omtrent het bewijs, in zes hoofdstukken.
Volgens den Hoogleeraar Kemper waren deze ontwerpen als zoovele meesterstukken te beschouwen, die aan den roem der ontwerpers teu volle beantwoordden.
De Staatsregeling van 26 April 1805 (Raadpensionarisschap) zweeg echter omtrent het samenstellen van eene nieuwe algemeene wetgeving.
Het Hoog Nationaal Gerechtshof was nog bezig met het onderzoek der zooeven genoemde ontwerpen, toen weder eene geheel nieuwe orde van zaken ontstond door het Koningschap van Lodewijk Napoleon in 1806.
12
SA.MENSTKLLTNG VAN DEN CODE NAPOLÉON.
Kort na de invoering der constitutie van 7 Aug. 1806 verscheen het rapport van het Hoog Nationaal Gerechtshof (24 Oct. 1806), dat niet gunstig was voor gemelde ontwerpen, en waarbij o. a. quot;de meer leerstellige daii wetgevende toon en wijze van behandelingquot; werd afgekeurd. De opgang, dien de Fransche Code Civil sedert eenige jaren in Frankrijk en Europa maakte, was hieraan, volgens Kempeu, niet vreemd. Ook de Staatsraad bevestigde dit oordeel en daarmede werden de ontwerpen ter zijde gelegd.
§ 2-
DE ONTWIKKELING VAN HET HECHT IN FRANKRIJK; SAMENSTELLING VAN DEN CODE NAPOLÉON EN ANDERE WETBOEKEN.
Bij den invloed, dien\' van dit tijdstip af.de Fransche wetgeving op de onze heeft gehad, is het niet overbodig den rechtstoestand van Frankrijk en de aldaar ingevoerde codificatie kortelings na te gaan.
Vóór de revolutie had Frankrijk geen algemeen, in alle deelen van den Staat geldend wetboek van burgerlijk recht. De provinciën des lands werden met betrekking tot het aldaar geldend burgerlijk recht verdeeld in de landen van het geschreven recht {\'pays du droit écrit) en die van het gewoonterecht [pays du droit coutumier). In de eerste was het Eomeinsche recht, in de laatste het gewoonterecht der bijzondere steden en provinciën de hoofdbron.
Dit recht nu was in volmaakten strijd met de grondstellingen der revolutie: eenheid van den Staat, afscheiding van Kerk en Staat, gelijkheid van het recht, opheffing van het leenrecht, enz. Maar het afbreken van het oude was gemakkelijker dan het in de plaats stellen van een geheel nieuw stelsel, en ofschoon verscheidene afzonderlijke wetten werden gemaakt naar de behoeften van het oogenblik, bepaaldelijk betreffende den burgerlijken stand, het huwelijksrecht, de ouderlijke macht, het erfrecht enz., bleef het plan tot een algemeen wetboek nog onuitgevoerd.
De Constituante had in de Staatsregeling van 1791 een algemeen wetboek toegezegd: II sera fait un Code de lois civiles, communes ii tout le rojaume. De Nationale Conventie belastte Cambacérès met het vormen van een ontwerp, dat deze den 9 Aug. 1793 inleverde, en hetwelk bijna geheel diens werk was. Dit ontwerp vond echter geen bijval bij de Conventie. Men meende daarin nog
13
SAMENSTELLING VAN DEN CODE NAPOLÉON.
te zeer het civielrecht der vroegere tijden te zien. Men miste nieuwe denkbeelden, groote en eenvoudige beginselen, gelijk deze voor het wedergeboren Frankrijk pasten. Na nog eenige mislukte proeven werd een nieuw ontwerp, dat echter met dat van 1793 voor een goed deel overeenstemde, den 24 Prair. an IV, aan den Raad der vijfhonderden door Cambackrks ingeleverd, doch ook hieraan viel geen gustiger lot ten deel.
Zoo stonden de zaken, toen Napoleon Bonaparte eerste consul werd. In de wet van 18 Brum, an VII, waarbij het consulaat werd ingevoerd, werd een algemeen wetboek beloofd en reeds den 24 Therm, an VIII (12 Aug. 1800) benoemde Napoleon eene commissie, van vier rechtsgeleerden, die de vorige ontwerpen zouden herzien en een bepaald voorstel voor een Burgerlijk Wetboek ten spoedigste zouden indienen. Deze waren Tronchet, Pürtalis (wiens voortreffelijke rede tot aanbeveling van het ontwerp aiom bekend is), Bigot ue Pbéameneu en de Maleville.
Dit ontwerp was in ruim vier maanden gereed, werd door alle Staatslichamen onderzocht, hier en daar gewijzigd en bij onderdeden aangenomen en afgekondigd; al deze afzonderlijke wetten zijn bij de wet van 30 Ventose an XII (21 Maart 1804) onder den naam van Code Civil des Francais tot één wetboek vereenigd, waarbij tevens de innerlijke verdeeling in Boeken, Titels en hoofdstukken enz. werd geregeld.
Na de verheffing van Napoleon I tot Keizer, was eene herziening noodig; deze kwam 3 September 1807 tot stand. De veranderingen betroffen minder den inhoud (slechts weinige zinsneden zijn weggelaten of bijgevoegd, b. v. in art. 17, 427, 896, 2261) dan wel sommige uitdrukkingen, die meer aan republikeinsche instellingen herinnerden. Ook de naam van het wetboek werd veranderd in dien van Code Napoléon.
Groot was het aandeel van Napoleon zelf in het tot stand brengen dezer wetgeving, die met het oog op de omstandigheden, waarin zij ontstaan is, den spoed, waarmede zij is bewerkt, en de nieuwheid van vele onderwerpen, daarin behandeld, een merkwaardig werk mag heeten.
De grootste lofrede, die daaraan kon te beurt vallen, is de omstandigheid dat toen Europa het Fransche juk had • afgeschud en men allerwege naar eene zelfstandige wetgeving streefde, slechts weinig Staten zich van het overwegend gezag van liet Fransche recht hebben
14
WETGEVING ON DEK LODEW1JK NAPOLEON. 15
weten los te maken. Vooral ook heeft men aan den Code het gebruik van eene wetgevende taal te danken. \')
De overige wetboeken (Code de procédure civile, Code de Commerce , Code d\'instruction crimmelle en eindelijk de Code pénal), waarvan de wordingsgeschiedenis hier ter plaatse niet afzonderlijk behoeft vermeld te worden, kwamen achtereenvolgens in 1806, 1807, - 1808 en 1810 tot stand.
Van belang is nog in de wet van 30 Ventösean XII (21 Maart 1804) de bepaling, waarbij van den dag der invoering van den Code Civil de Romeinsche metten, de ordonnantiën, de algemeene of plaatselijke contumes, de statuten en reglementen ophouden van kracht te zijn. voor zoover hunne onderwerpen bij den Code zijn geregeld.
§ 3.
de wetgeving ondee koning lode wijk napoleon.
Den IS1-» November 1807 werden door Koning Lodewijk Napoleon drie commissiën benoemd en wel:
1°. Eene commissie tot herziening en bewerking van het Crimineel Wetboek, bestaande uit de H.H. Mr. J. E. Reuvens, O. T. Elout en P. van Musschenbroek. Hun arbeid had de invoering van het Crimineel Wethoeh voor het Koningrijk Holland op 1 Febr. 1809 ten gevolge.
2°. Eene commissie tot bewerking van den Code Napoléon voor het Koningrijk Holland, bestaande uit de H.H. Mr. A. van Gennep, B. P. van Wesele Scholten en J. J. Loke.
De arbeid dezer commissie werd, na in den Staatsraad te zijn overwogen, oj) 9 Deo. 1808 bij het Wetgevend Ligchaam ingediend, op 24 Febr. 1809 door den Koning gearresteerd en op 1 Mei 1809 ingevoerd, onder den titel van Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland.
\') Hoezeer dit waar is, blijkt uit de woorden van Zachariae, Handb. des Fr. Civil\' rechts, § 32, „Dass dagegen der Styls die Fassang der einzelnen Artikel, ein Meisterstück ist, wird der Deutsche Jurist nm so mehr fühlen, je weniger er in dieser Rücksicht durch die meisten Vaterlandisehen Gesetze verwöhnt ist.
16 wetgeving onuee lode w uk napoleon.
Dit wetboek is voor een groot deel aan den Code Napoléon ontleend. Wat vorm en verdeeling betreft is het Fransche voorbeeld nagenoeg geheel gevolgd. Titel VIII en IX van het le boek van den Code Napoléon zijn vervangen door eenen titel van de betrekking tusschen ouders en kinderen; titel IX is afzonderlijk gewijd aan de leer der emancipatie, die in den Code bij den titel van meerderjarigheid en voogdij was gevoegd. In het tweede boek is niet alleen een titel van bezitrecht opgenomen, maar ook hoofdstukken Over tiendrecht, opstal en cyns- of tijnsrecht. In het derde boek is de leer van schenking onder de levenden afgescheiden van die der uiterste willen, en opgenomen onder de verbintenissen uit overeenkomst voortspruitende, terwijl de leer der huwelijksche voorwaarden naar het eerste boek is overgebracht. In den titel van huur is ook de erfpacht en beklemming opgenomen. De volgorde der titels is ook in dit boek aanmerkelijk gewyzigd.
Van groot practiscli gewicht is liet Kon. Besluit van 24 Febr. 1809, te vinden o. a. bij van de Poll , Verz. van Vad. Wetten euz., bl. 434, bij welks artikel 3 zijn afgeschaft: a. het Roomscbe recht. h. alle wetten en ordonnantiën tot het Burgerlijk recht betrekking hebbende, die, onder welke benaming ook, vroeger liier te lande in vigeur waren geweest, ten ware zij uitdrukkelijk bij het wetboek mochten zijn uitgezonderd. Bij art. 4 zijn evenwel gehandhaafd alle wetten en costnmen betrekkelijk tot societeiten van koophandel, het wisselrecht, de assurantiën, averijen en zeezaken, mitsgaders tot alle andere zaken van commercie, waaromtrent in het wetboek geenerhande bepalingen waren vastgesteld.
3°. Eene commissie tot het ontwerpen van de organisatie der regterlijke magt en de algemeene manier van procedeeren, bestaande uit de H.H. Mrs. A. L. Eahjon, Both Hendriksen en Fockema.
Het door hen vervaardigde ontwerp van Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging van het Koningrijk Rolland op 20 April 1809 ingediend, werd op 14 Juli 1809 afgekondigd, doch de invoering afhankelijk gesteld van de oprichting van het Hoog Gerechtshof, de Hoven van Appèl en de Vierscharen, welke niet gevolgd is.
Terwijl art. 4 van het Besluit van 24 Febr. 1809 de wetten en gebruiken van handels- en zeerecht voorloopig handhaafde, was evenwel reeds te voren en wel bij Besluit van 29 Oct. 1808 eene commissie benoemd tot het opstellen van een Wetboek van Koophandel.
inlijving b ij f r a n k r ij k.
Deze commissie bestoud uit de H.H. Mrs. A. van Gennep, M. S. Assee eu J. van deh Linden. Huu ontwerp werd op 9 Juni 1809 aan deu Koning aangeboden. Ten gevolge van de inlijving van Nederland bij Frankrijk is dit ontwerp nooit tot wet verheven.
Mr. J. D. Meijer getuigt omtrent dit laatste ontwerp, dat er geen deel onzer wetgeving is, waarop wij meerder reden hebben ons grootsch te toonen, dan het ontwerp van een Wetboek voor den Koophandel in 1809 vervaardigd. Wat het zeeregt aangaat, getuigt de volledigheid van het wetboek van de langdurige ondervitiding der ontwerpers en het oordeelkundig gebruik, dat zij daarvan hebben weten te maken; zoodat hij wenschen zou dat dit gedeelte letterlek en zonder de minste verandering bij onze aanstaande wetgeving werd overgenomen.
Inderdaad is dit ontwerp, inzonderheid het zeeregt, bijna geheel in ons W. v. Koophandel en in vele Europeesche wetboeken overgenomen; vgl. Mag. r. Handehr., deel I, Mengel, bl. 75. Eene afzonderlijke uitgave van dit ontwerp verscheen te Amsterdam, 1866, bij G-ebr. Kkaay , met eene voorrede van Mr. T. M. C. Asser.
Daar het ouder Koning Lode wijk Napoleon in Nederland geldende recht niet uitdrukkelijk bij de invoering der Fransche wetten is afgeschaft, maar veeleer daaraan is gederogeerd, is de vraag niet onbelangrijk of nevens den Code Napoléon, bepalingen van het Wetboek Lodewijk Napoleon, betreffende de in het Fransche recht niet geregelde onderwerpen, kracht van wet hebben behouden.
§ 4.
de inlijving bij frankrijk. invoering der fransche wetgeving.
Nadat bij tractaat van 16 Maart 1810 een gedeelte van het Koninkrijk aan Frankrijk was afgestaan, met name Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen daaronder begrepen, de Bommelerwaard en het land van Altena, werd bij Keizerlijk decreet van 8 Nov. 1810 (te vinden bij Mr. C. J. Fortuijn, Verzameling van weiten, besluiten en andere regtsbronnen van Fran-schen oorsprong, in zooverre deze ook sedert de invoering der nieuwere wetgeving in Nederland van toepassing zijn, I, bl. 13 en volgende) de invoering van de vijf Fransche wetboeken en van eene reeks van bijzondere Fransche wetten en verordeningen met 1 Januari 1811
Assbb , Burgerl. Recht. I. 3e druk. 2
17
hekstelling onzee onafhankelijkheid.
bepaald. Sommige verordeningen werden reeds vroeger, andere later dau dit tijdstip ingevoerd.
Niet lang daarna deelde ook het overige deel des Koninkrijks, en wel de rechter Rijnoever, in hetzelfde lot, toen bij Keiz. decreet van 9 Juli 1810, art. 1 was bepaald: //La Hollande est réunie a TEmpirequot;.
De invoering der meergemelde vijf Fransche wetboeken en van eene reeks bijzondere wetten en verordeningen moest ook voor dit gedeelte des lands plaats hebben en geschiedde op 1 Maart 1811, krachtens decreet van 6 Jan. 1811. (Iortuijn , Verz., T, bl. 69.)
Inmiddels was de Code jSTapoléon in andere Europeesche Staten ingevoerd, en wel:
In het Koninkrijk Westphalen op 1 Jan. 1808.
In Hannover (in 1810 met Westphalen vereenigd), op 1 September 1810.
In het Groot-Hertogdom Warschau op 1 Mei 1808, en gedeeltelijk op 15 Aug. 1810.
In het Vorstendom Arenberg op 1 Juli 1808.
In het Koninkrijk Napels op 1 Jan. 1809.
In het Hanseaüsch Departement, het Groot-Hertogdom Berg eu het Groot-Hertogdom Baden op 1 Jan. 1810.
In Frankfort op 1 Jan. 1811.
In Anhalt-Köthen op 1 Maart 1811.
In het Hertogdom Nassau op 1 Jan. 1812.
In het Groot-Hertogdom Hessen-Darmstadt was de invoering mede vastgesteld, in Spanje voorbereid, en in vele landen nagevolgd.
Zie hieromtrent uitvoeriger in Zachariae, Fr. Civ. Hecht, Einl. § 27, van Hall, Handleiding tot de beoefening v. h. burgerlijk regt in Nederland, bl. 37 en 38.
§ 5.
het tijdperk van db heestelling onzee onafhankelijkheid tot aan de invoering dek nederlandsche wetboeken.
Na de herstelling onzer onafhankelijkheid eischte de nieuwe Grondwet (van 30 Maart 1814, art. 100) een nieuw Burgerlijk Wetboek,, aan welks voltooiing en invoering evenwel bijna 25 jaren werden besteed.
18
ontwerp bubgeblijk wetboek van 1816.
Inmiddels bleef de Code Napoléon hier te lande gehandhaafd, doch ten aanzien vau enkele onderwerpen gewijzigd en aangevuld.
Vermelding verdienen :
de wet van 12 Juni 1816, Staatsbl. n0. 26, omtrent boedelscheidingen, waarin minderjarigen zijn betrokken;
die van 2 Aug. 1822, Staatsblad nquot;. 33, over de afkondiging van wetten en den aanvang barer verbindende kracht;
die van 10 Jan. 1824, Staatsbl. n0. 13 en 14, over de rechten van opstal en erfpacht, eerst bij de wet van 25 Dec. 1824, Stbl. n°. 78, vervolgens bij de wet van 19 Deo. 1833, Stbl. n0. 65, gewijzigd in werking gebracht.
die van 23 April 1827, Stbl. n0. 22, waarbij eene vroegere wet over huwelijksdispensatiën werd in werking gebracht;
die van 22 December 1828, nquot;. 84, betreffende de afschaffing der hernieuwing om de tien jaren van de inschrijvingen der hypotheken.
Bij besluit van 18 April 1814 werd eene commissie belast met het ontwerpen van een algemeen wetboek van Burgerlijk recht, Lijfstraffelijk recht, van den Koophandel, van de zamenstelling van het Justitiewezen en de manier van procederen.
Leden dier commissie waren de H.H. Mrs. J. M. Kemper, A. W. Philipse, A. van Gennep, A. L. Farjon, C. Bijlevelu, J. P. van Wesele Scholten, F. H. Moorrees, H. van der Burgh, D. Westenbergh en J. Walraven.
Het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek werd bij de onderlinge verdeeling der werkzaamheden opgedragen aan de H.H. van Wesele Schülten, Moorrees en Westenbergh, met toevoegiug van Kemper.
Alras ontstond er verschil van meening onder de leden dezer commissie, omtrent de vraag, of bij de bewerking van het Burgerlijk Wetboek, meer of min de Fransche wetgeving moest worden gevolgd. De Hoogleeraar Kempeb, wiens meening door den Koning werd gesteund, vertegenwoordigde, de ricliting om een wetboek te vervaardigen, gegrond op nationale rechten, zeden en gewoonten.
Na verlenging van den termijn, tot indiening vastgesteld, werd op 5 Maart 1816 het ontwerp van een Burgerlijk Wetboek ingediend.
De vereeniging evenwel van de Belgische provinciën met de Noord-Nederlandsche, ten gevolge van het tractaat van Weenen van 1815, had ten gevolge dat de ingediende ontwerpen, en daaronder dat van 1816 van het Burgerlijk Wetboek, aan het nader onderzoek van Belgische rechtsgeleerden werden onderworpen.
19
2*
20 ontwerp burgeklijk wetboek van 18 20.
Het resultaat van dit onderzoek was ongunstig eu had een voorstel ten gevolge, om een geheel nieuw ontwerp te maken, waaraan de Code Napoléon weder hoofdzakelijk ten grondslag zou liggen.
Na bestrijding hiervan door Kemper,, werd ten slotte de beraadslaging van het bestaande ontwerp bij den Raad van State, bij Besluit van 20 Augustus 18.17 geregeld; terwijl volgens de Koninklijke Besluiten van 15 en 23 Mei 1818, de Minister van Justitie en Kemper, alsook de referendarissen Mrs. A. P. A. Laubry en C. Asser aan de deliberatiën zouden deelnemen.
Hieruit is ontstaan het gewijzigd of tweede ontwerp van Burgerlijk Wetboek, eerst gedeeltelijk en later na aanmerkingen deswege van de commissie van onderzoek der Tweede Kamer, in zijn geheel, en wel op 22 November 1820, ingediend.
Dit ontwerp is voor het publiek verkrijgbaar gesteld, en later in 1864 met eene voorrede van Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper herdrukt. De Geschiedenis der beraadslagingen, gevoerd in de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het Ontwerp van Burgerlijk Wetboek (van 1820), zijn uitgegeven door J. J. F. Noordziek, \'sGravenhage 1866 en 1867.
Het ontwerp bevatte 3631 artikelen, en ofschoon men mag be-twijfelen of het, wegens den zeer leerstelligen aard, waarmede de onderwerpen zijn behandeld, in de praktyk zou hebben voldaan, is de studie daarvan nog heden, zoowel voor de rechtswetenschap als tot goed verstand van ons hedendaagsch recht, van groot nut.
Een gunstige ontvangst viel echter aan dit ontwerp niet ten deel.
De Inleiding, bestaande uit 73 artikelen, werd door de groote meerderheid der Kamer, in comité-generaal afgekeurd, terwijl de Kamer den wensch uitte, om in de plaats daarvan met eenige wijziging de zes eerste artikelen, vormende den Titre préliminaire van den C. N., voorgesteld te zien.
Ofschoon van de wenschelijkheid niet overtuigd, gaf de Regeering niettemin aan het verlangen der meerderheid tóe, en zoo ontstond een Nieuw Ontwerp van Inleiding, uit 15 artikelen bestaande, bij Kon. Boodschap van 15 Maart 1821 ingezonden.
Nadat bij besluit van 28 April 1821, n0. 72, de commissie van redactie met eenige nieuwe leden was vermeerderd — zij bestond toen uit de Heereu; Baron J. H. Mollehus, A. O. Membuède, A. G. Raoux, Jhr. J. M. Kempek, J. F. Gendebien, J. van Grombrugghe en P. F. Nicolaï, met assistentie van de referendarissen Asser en Laubry voormeld — en eene nieuwe wijze van beraadslaging was
stand uer wetgeving tüsschen 1821 en 1831. 21
aangei.omeu, ter bespoediging van de behandeling dezer omvangrijke stof, kwamen achtereenvolgens al de titels van het Burgerlijk Wetboek, thans meer en meer tot het Wetboek Napoleon toenaderende, in behandeling en werden door de beide Kamers in de jaren 1821— 1826 aangenomen; enkele, zooals die over eigendom, (B. II Titel 3), eerst na herhaalde wijzigingen. Zij werden voorloopig afgekondigd in het Staatsblad van 1822 nquot;. 10—14, 25—29; 1823 n°. 7—13, 60 en 61; 1824 n°. 6—17; 1825 nquot;. 12—30, 32—41; 1826 n°. 13, en nogmaals op enkele punten gewijzigd, zie Staatsblad 1829 n0. 12, 13, 16—27, en 36, bij welke gelegenheid ook de Algemeeue Bepalingen van liet Burg. Wetb. werden afgescheiden en zeer te recht tot eene afzonderlijke wet gemaakt. Nog werd in art. 7 der wet van 16 Mei 1829 (Stbl. n0. 33) bepaald dat alle wetboeken in eene door-loopende reeks artikelen zouden worden vervat, met inachtneming der bij de vastgestelde titels aangenomen of nader bepaalde orde.
Zonder op de vaststelling van een Wetboek van Strafrecht te wachten, zouden de wetboeken «worden ingevoerd op 1 Febr. 1831 en van verbindende kracht zijn met den klokslag van middernacht tusschen den laatsten Januarij en den eersten February van dat jaar.quot; (Kon. Besluit van 5 Juli 1830, Stbl. n0. 41.)
Deze verzameling van wetboeken, dikwijls vermeld onder den naam van Wetboeken van 1830, is uitgegeven zoowel in de Fransche als in de Nederlandsche taal.
Niettegenstaande zij nooit in werking zijn getreden, is het voor elk rechtsgeleerde aanbevelenswaardig den tekst dier wetten te raadplegen, inzonderheid ter oplossing van rechtsvragen by de behandeling der thans geldende wetgeving ontstaande, waarover de woordenkeus, de Fransche tekst en de interpunctie der Wetboeken van 1830 somtijds een helder licht verspreidt.
Nogmaals moest de invoering van een nationaal wetboek vertraging ondervinden. In Augustus 1830 had de opstand der zuidelijke provinciën plaats en werd daardoor de toepassing van het Kon. Besluit van 5 Juli van dat jaar verijdeld. De openingsrede van 18 Oct. 1830 vermeldde dit, en de Staten-Generaal berustten daarin bij hun adres van antwoord. Voor onbepaalden tijd werd de invoering der wetgeving geschorst (Besl. v. 5 Jan. 1831, Stbl. n0. 1) en nogmaals werd het herzieningswerk bevolen (Kon. Besluit van 24 Febr. 1831, Stbl. n0. 6), ten einde quot;de reeds aangenomen wetboeken, benevens
invoering van het burgebiijk wetboek in 1838.
«de Wet op de organisatie der Regterlijke Magt en het beleid der quot;Justitie, te doen herzien en in overeenstemming te brengen met de quot;belangen van de Oud-Nederlandsche provinciën.quot;
Aan de vier destijds overgebleven leden der commissie van redactie, de H.H. Mrs. T. Sijpkens, Jhr. Beelaeets van Blokland, H. J. Uijckmeesïeu en C. Asser, werden vijf nieuwe leden toegevoegd: nl. de H.H. Mrs. Jhr. H. M. A. J. van Asch van Wijck, W. B. Donker Ourtius, Jhr. M. W. de Jonge, F. Frets en J. Op den Hooff; later werd nog Mr. G. A. G. van Maanen aan de commissie als secretaris toegevoegd.
Vrij spoedig volbracht die commissie hare taak, want reeds in de jaren 1832 en 1833 werden de 19, 17, 16 en 7 ontwerpen van wet, betreffende de vier boeken van het Burgerlijk Wetboek ingediend, behandeld, aangenomen en voorloopig afgekondigd. (Zie Staatsbl. 1832 n0. 20—26, 31—42; 1833 n° 7, 8, 10—13, 17—20, 24—26, 28—31; u°. 32—48, 49—55; 1834 n°. 16—18.)
De beraadslaging was ditmaal van geringer omvang, daar de ontwerpen weinig tegenstand vonden, behalve die betreffende de leer van voorrecht, pand en hypotheek. (Boek II, titel 18, 19, 20j; van groot belang zijn echter de Memoriën van Toelichting en de redevoeringen van de leden der commissie.
Eene officieele uitgave der wetboeken werd bevolen en nadat ook de herzieuiug. der overige wetboeken was voltooid, werd bij Koninklijk Besluit van 10 April 1838, Stbl. n0. 12, bepaald dat de ^Neder-landsche wetboeken zouden worden ingevoerd op 1 Oct. 1838, en van verbindende kracht zijn met den klokslag van middernacht, tusschen 30 Sept. en 1 October van dat jaar; terwijl voor het Hertogdom Limburg de wetgeving eerst begon te werken met 1 Januari 1842 (Besluit van 10 Oct 1841, Stbl. n0. 43).
Te recht wordt door sommigen, o. a. Mr. Diephuis, Het Ned. Burg. Recht, Gron. 1870, deel I, bl. 138 en v., opgemerkt dat deze wijze van invoering niet strookt met de voorschriften van art. 3 der wet van 14 Juni 1822, Stbl. n0. 10, en van de wet van 2 Aug. 1822, Stbl. n0. 33, betrekkelijk de afkondiging der wetten en omtrent het tijdstip, waarop dezelve aanvangen verbindende te zijn.
Dat toch de afkondiging der afzonderlijke titels van onze wetboeken in de Staatsbladen van 1832 en volgende jaren, slechts eene voor-loopige was (met uitzondering van die onderwerpen, waarbij de wet
22
invoering van het burgerlijk wetboek in 1838.
„van stonden of aanquot; zoude van kracht zijn), volgt uit vele bewijsgronden, nader ontwikkeld bij Diephuis t. a. p. en van Hall, Handl., bl. 46 en vlgg.
Ofschoon nu strikt genomen eene wet zou zyn noodig geweest om het B. W. en de andere wetboeken in hun geheel in te voeren en het tijdstip van in werking treding daarvan te regelen, is een en ander een voldongen feit, waaraan door geen rechtsbeoefenaar de rechtsgeldigheid wordt ontzegd.
Men zij steeds voorzichtig met het raadplegen van de officieel e uitgave der wetboeken; eensdeels wegens de menigvuldige drukfouten en onnauwkeurigheden, die daarin voorkomen, en welke o. a. zorgvuldig zijn aangeteekend in de uitgave der wetboeken van Mr. S. P. Lipman, en in de tweede plaats, wegens de onderscheidene latere wetten, waardoor onze wetgeving, somtijds op ingrijpende wijze, verandering heeft ondergaan. Yoor het dagelijksch gebruik verdient inzonderheid aanbeveling de uitgave van Mr. J. A. Fruin, welker derde druk, bewerkt door Mr. M. S. Pols e. a., in 1893 is verschenen.
De nieuwe wetboeken zijn met eenige door de omstandighedeu voorgeschreven wijzigingen op 1 Mei 1848 ingevoerd in ÜVederlandsch Indië\') en op 1 Mei 1869 in de West-Indische koloniën.
Op liet oogenblik nu van de invoering van onze definitieve wetgeving hier te lande, is de Code Napoléon afgeschaft, met al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen; aldus bepaalde art. 1 der wet van 16 Mei 1829, Stbl. n0. 33, omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken, op het tijdstip der invoering van de nationale wetboeken.
Bij hetzelfde artikel zijn, te rekenen van hetzelfde tijdstip, afgeschaft de algemeene en plaatselijke gebruiken in de stoffen, welke bij het nieuwe wetboek worden behandeld; terwijl de afschaffing van het wettelijk gezag van het Romeinsche Techt gehandhaafd bleef.
23
Eigenaardige moeielijkheden ontstaan uit de vraag wat met juistheid te verstaan is onder de uitdrukking besluiten en verordeningen,
\') Krachtens Publicatie van den Gouvernenr-Generaal van Nederl. Indië van 3 Dec. 1847 Stbl. N. I. nquot;. 57) in verband met nadere vóór die invoering genomen beslaiten, zijn echter enkele onderdeelen buiten werking gelaten en vooralsnog gebleven. Zie de Publ. van 3 Maart 1848 (Stbl. N. I. nquot;. 10).
24 afschaffing vas oudere rechtsbronnen.
voorkomende in gemeld art. 1, en vooral doet zich omtrent menig onderwerp de vraag voor, of die stof al of niet kan gezegd worden tot den Code Nap. te behoor en; welke moeilijkheden niet verminderen , als men den tekst der wet vergelekt met dien van den 14 Juni 1822, Stbl. n0. 10, waarbij was bepaald, dat „alle burgerlijke wetten, algemeene en plaatselijke verordeningen en statutenquot; zullen ophouden kracht van wet te hebben, ten aanzien der onderwerpen in het B. W. voor het Kon. der Nederlanden behandeld en geregeld; met de hier te lande niet executoir verklaarde Fransche wet va.n 30 Ventóse an XII, waarby was bepaald: A compter du jour oü ces lois sont exécutoires, les ordonnances, les coutumes générales ou locales, les statuts, les réglements, cessent d\'avoir force de loi générale ou particuliere dans les matières qui sont 1\'objet des dites lois, composant le présent Code; en eindelijk met art. 3 van het besluit van Koning Lodewijk Napoleon van 24 Febr. 1809, omtrent de invoering van het Wetb. Napoleon voor Holland, luidende: „Bij „de invoering van dit Wetboek zullen zgn afgeschaft het Eoomsche „Eegt; mitsgaders alle wetten en ordonnantiën tot het burgerlijk „recht betrekking hebbende, en welke tot nu toe in het Koningrijk „of eenig gedeelte van hetzelve in vigueur zijn geweest, hetzij „dezelve zijn bekend geweest onder de benaming van plakkaten, „publicatiën, ordonnantiën, landregt, reglementen, keuren, statuten, „octrooijen, costumen, of onder welke benaming zulks zoude mogen „zijn, zonder dat aan eenige van dezelve, voor het vervolg, eenige „kracht van wet zal mogen worden toegekend, tenzij dezelve uit-„drukkelijk bij dit wetboek zijn uitgezonderd.quot;
Bij de bestaande rechtsonzekerheid dienaangaande, werd het dan ook noodig geoordeeld bij Kon. Besl. van 5 Febr. 1849, Stbl. nc. 5, eene commissie te benoemen, bestaande uit de H.H. Mrs. L. Metman , A. de Pinto en N. Olivier, ten einde te onderzoeken: „a. welke „algemeene wetten en verordeningen van vroegeren oorsprong, hier „te lande van kracht, reeds dadelijk zonden behooren te worden „afgeschaft, welke behouden of gewijzigd behooren te worden, en „i. in het algemeen, wat zoude kunnen worden gedaan om zekerheid „te erlangen omtrent het bestaan en het verband van alle algemeene „wetten, decreten en besluitenmaar ofschoon deze commissie in 1850 en 1851 een zeer uitvoerig rapport stelde, dat in twee deelen is uitgegeven en bij Kon. Besl. van 24 Febr. 1850, Stbl. n°. 9, \'s Konings dank en tevredenheid aan de commissie is betuigd, is de zaak gebleven zoo als zij was, en slechts enkele zeer weinige wetten van Franschen oorsprong zijn buiten werking gesteld; terwijl eene
wetgeving na 1 october 1838.
menigte wettelijke verordeningen aanwezig is, wier bestaan somtijds vrij moeielijk is op te sporen, en omtrent welker rechtskracht groote twijfel kan ontstaan.
Behalve de officieele verzamelingen der wetten als: Bulletin des lois 1810—1813, Staatsblad der Vereenigde Nederlanden, later tot op heden, van het Koningrijk der Nederlanden, (voor België ook als Journal official de la Belgique 1813—1830 in het Fransch uitgegeven), zijn de volgende verzamelingen inzonderheid belangrijk voor de kennis van de op zich zelf staande wetten en verordeningen, die vóór en nevens de algemeene wetboeken hier te lande zijn ingevoerd;
Mr. «T. van de Poll, Verzameling van vaderlandse he wetten en hesluiten, uitgevaardigd sedert 22 Jan. 1798 tot 10 Julij 1810, in zooverre zij ook sedert de invoering der nieuwere wetgeving in Nederland middellijk of onmiddellijk van toepassing zijn. Amsterdam 1840.
Mr. C. J. Fortuijn, Verzameling van Wetten, Besluiten en andere regtshronnen van Franschen oorsprong, in zooverre deze ook sedert de invoering der nieuwe wetgeving in Nederland van toepassing zijn. 3 dl. Amsterdam 1839—1841.
L. Rondonneau, Collection de lois Francaises exécutoires dans les Bépartements de la Hollande. Paris 1811, 6 vol. 8°.
G. Luttenbekg, Chronologische Verzameling der Wetten en Besluiten betrekkelijk het Openbaar Bestuur in de Nederlanden, sedert de herstelde orde van zaken in 1813, vervolgd door L. N. Scuuuiiman, Zwolle, van welk werk in 1878 de tweede geheel omgewerkte druk, door L. N. Schuurman en G. D. Swanenbukg de Veije bewerkt, voltooid werd. Dit werk wordt geregeld jaarlijks vervolgd.
Mr. J. B. Breukelman, Wetten en Verordeningen van Franschen en anderen oorsprong hier te lande executoir verklaard of uitgevaardigd. Zwolle 1892.
§ 6.
wetten sedkrt 1 oct. 1838, waardoor het burgerlijk wetboek
wijziging heeft ondergaan, of waarbij onderwerpen zijn geregeld, die nauw daarmede samenhangen.
Als zoodanig behooren hier te worden vermeld:
a. de wet van 26 Mei 1841, Stb. n0. 14, houdende nadere be-
25
WETGEVING NA 1 OCTOBER 1838.
palingen nopens de consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen of aan onder curateele gestelde personen toebehooren.
Deze wet staat in verband met de artt. 391 en 506 B. W. Hierbij komt nog in aanmerking het Kon. Besl. van 1 Febr. 1876, Stbl. n0. 36, ter uitvoering van voormelde wet.
b. De wet van 29 Mei 1841, Stbl. n0. 20, op de gestichten van krankzinnigen en de wijze hunner opneming in en ontslag uit dezelve, met het daarbij behoorende Besluit van 5 October 1841, Stbl. n0. 41. Deze wet is ingetrokken en vervangen door de wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, hierna sub x te vermelden.
c. De wet van 31 Mei 1843, Stbl. n0 22, waarbij de artikelen 1112 tot en met 1131 B. W. zijn ingetrokken en door nieuwe artikelen vervangen.
Bij eene wet van dezelfde dagteekening, Stbl. nquot;. 23, zijn in verband met deze wijziging ook de artt. 695, 696 en 698 W. v. B. Rv. veranderd.
d. De wet van 28 Aug. 1851, Stbl. n0. 125, regelende de onteigening ten algemeenen nutte.
Deze wet, bedoeld by art. 147 der Grondwet van 1848, behoort te worden beschouwd in verband met den 3en titel van het IP boek van het B. W. (van eigendom). Zy is op enkele punten gewijzigd by de wetten van 1 Juni 1861, Stbl. n0. 54, en van 29 Maart 1877, Stbl. n0. 52. In 119,11 w verband met dit onderwerp staan nog de wetten betreffende de onteigening tot afwering van besmetting, van 4 Dec. 1872, Stbl. n0. 134, en van 28 Maart 1877, Stbl. n0. 35 (art. 14), beide betreffende het gevaar van voor menschen besmettelijke ziekten; alsmede die van 20 Juli 1870, Stbl. nquot;. 131 (art. 23 en v.), van 2 Juni 1875, Stbl. n°. 94, en van 5 Juni 1875, Stbl. n0. 110, ter zake van ziekten van vee, paarden en huisdieren.
e. De wet van 22 April 1855, Stbl. n0. 32, tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereeniging en vergadering, en de daarbij behoorende wet van 14 Sept. 1866, Stbl. nquot;. 123.
ƒ. De wet van 9 Juli 3855, Stbl. n0. 67, houdende uitzondering op de artt. 523, 526 en 549 van het Burgerlijk Wetboek, ten opzichte van vermiste personen, bij vermoedelijke of bekende scheepsrampen.
26
WETGEVING NA. 1 OCTOBER 1838.
g. De wet van 13 Juni 1857, Stbl. nquot;. 87, tot regeling der jagt €ii visscherij.
(Deze wet staat in verband met art. 641 B. W.)
h. De wet vau 22 Dec. 1857, Stbl. n0. 171, tot buiten werking stelling en vervanging der wet van 3 Sept. 1807 op de interesten.
(Deze wet staat in verband met art. 1804 B. W.)
i. De wet van 7 April 1869, Stbl. n0. 56, houdende afschaffing der artikelen 884 en 957 van het Burgerlijk Wetboek.
Behalve beide genoemde artikelen is ook art. 1718 B. W. bij deze -wet gewijzigd.
j. De wet van 10 April 1869, Stbl. n0. 65, tot vaststelling van bepalingen, betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisrechten, waarbij art. 53 en 55 van het Burgerlijk Wetboek zijn ingetrokken en door andere bepalingen vervangen.
k. De wet van 17 Sept. 1870, Stbl. n0. 162, tot afschaffing ■der doodstraf\'.
(Te beschouwen in verband met art. 59 B. W.)
I. De wet van 25 Juli 1871, Stbl. n0. 91, houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten en van de consulaire rechtsmacht, gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 9 November 1875, Stbl. n0. 201, van 15 April 1886, Stbl. n0. 63 en van 16 Dec. 1888, Stbl. n0. 204.
Krachtens Kon. Besl. van 15 Juli 1887, Stbl. nquot;. 138, is de wet, gelijk zij toen was gewijzigd, nogmaals in haar geheel in het Staatsblad geplaatst.
m. De wet van 12 April 1872, Stbl. n0. 25, tot af koopbaar-stelling der tienden.
n. De wet van 18 April 1874, Stbl. n0. 68, tot overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-rechtbanken bij de kantonrechters.
Deze wet brengt wijziging in de artt. 169, 180, 365, 373, 387, 447, 451, 452, 454, 456, 457, 459, 460, 465, 466, 479 en 1722 B. W. en in het derde lid van art. 28 der thans afgeschafte wet van 29 Mei 1841, Stbl. nquot;. 20. Vgl. art. 33 der wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96.
27
WETGEVING NA 1 OCTOBEB. 1838.
o. De wet vau 4 Juli 1874, Stbl. n». 91, waarbij art. 480 en vlgg. B. W., betreffende handlichting, geheel of gedeeltelijk zijn vervangen.
p. De wet van den 8 Juli 1874, Stbl. n0. 95, waarbij de artt. 1197—1202 B. W., betreffende pandrecht, zijn ingetrokken en door andere artikelen vervangen.
De wet van 15 Nov. 1876, Stbl. n0. 195, tot aanvulling van de artt. 388, 389 en 414 B. W. Vgl. art. 445 Sr. en art. \'Ad der Invoeringswet.
r. De wet van 17 Nov. 1876, Stbl. n0. 227, tot regeling der coöperatieve vereenigingen, aangevuld bij de wet van 7 Mei 1878, Stbl. n0. 41.
s. De wet van 5 Juni 1878, Stbl. nquot;. 89, tot aanvulling van art. 1240 B. W.
t. De wet van 5 Juni 1878, Stbl. n0. 90, tot vernieuwing der bestaande hypothecaire inschrijvingen.
u. De wet van 24 Juni 1879, Stbl. n0. 132, tot wijziging der artt. 13, 14 en 22 B. W.
v. De wet van 28 Juni 1881, Stbl. n0. 124, tot regeling van het auteursrecht.
w. De wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93, houdende wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek (in verband met het nieuwe Wetboek van Strafrecht).
x. De wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, tot regeling van het staatstoezicht op de krankzinnigen (vervangende de sub b supra vermelde wet).
y. De wet van 4 Juli 1887, Stbl. n0. 110, tot voorziening in het gemis van de dubbelen van de registers van den burgerlijken stand, die bij den in 1866 te Maastricht gewoed hebbenden brand zijn verloren gegaan.
z. De wet van 31 Dec. 1887, Stbl. n0. 265, art. 4 en 5, houdende wijziging in de bepalingen der artt. 27 en 137 B. W.
aa. De wet van 15 April 1891, Stbl. n0. 83, ter voorziening in het gemis van de dubbelen van de registers van den burgerlijken stand, die bij den in 1890 te Alkmaar gewoed hebbenden brand zijn verloren gegaan.
bb. De wet van 18 Juni 1892, Stbl. n0. 146, tot aanvulling vau de artikelen 980 en 988 B. W.
cc. De wet van 12 December 1892, Stbl. n0. 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (houdende o. a. afschaffing van
28
herziexing vax het burgerlijk wetboek. 29
den 2en titel van het Ie Boek van het B. W., behoudens het bepaalde in de overgangsbepaling van voormelde wet).
Tn voorbereiding is eene wet, houdende bepaling omtrent het in werking treden van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling van 30 September 1893, Stbl. n0. 140 die, onder meer, vermoedelijk ook afschaffing of wijziging van verscheidene artikelen van het B. W. zal inhouden.
De wetten en besluiten die, behalve de aangehaalde, in eenig min of meer verwijderd verband staan tot. de bepalingen onzer wetboeken, zijn doorgaans met de vereischte nauwkeurigheid, in de verschillende niet-officieele uitgaven, aau het hoofd van eiken titel of achter de wetsartikelen aangehaald. Ook hier zij vooral verwezen naar de uitgave der Nederl. wetboeken van Mr. J. A. Fruun, bewerkt door Mr. M. S. Pols e. a., ütr. en \'s Grav. 1893.
§ 7.
herziening van het bukgerlijk wetboek.
Wij zagen boven dat eene codificatie slechts dan heilzaam kan werken, als er een ruim en oordeelkundig gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid tot wijziging en aanvulling der wetboeken, zoo die blijken niet meer aan de behoefte te voldoen.
Het Burgerlijk Wetboek, dat voor een goed deel aan den Code Napoléon is ontleend. en daarenboven een aantal beginselen bevat, die op beter grondslag berusten dan in het Fransche recht, of welker regeling daarin ten eenenmale ontbreekt (men denke slechts aan de afschaffing van den burgerlijken dood, de leer van den eigendomsovergang, de zakelijke rechten, het hypothecaire stelsel, het erfrecht, het huwelijksvermogensrecht, de zedelijke lichamen enz.), levert, even als iedere wetgeving hier en daar leemten op, die dringend aanvulling eischen \'); de woordenkeus is somtijds min gelukkig uitgevallen, waardoor niet zelden onzekerheid omtrent de bedoeling bestaat; verder is ten aanzien van sommige onderwerpen de wetenschap vooruitgegaan en bijgevolg de rechtsovertuiging gewijzigd.
\') Men zie de opmerkelijke zinsnede van Poktalis, Disc. prél. du Project de Code Civil, bij LocrÉ, C. C., i, bl. 156: ,Un code, quelque complet qu\'il puisse parattre, „n\'est pas plutot achevé , que mille questions inattendues viennent s\'offrir au magistrat.quot;
30 herziening van het burgerlijk wetboek.
Zie omtrent den somtijds ongepasten vorm, dien de kritiek dei-wet ten onzent heeft aangenomen en de nadeelige gevolgen, die daaruit voor het gezag, de kennis en de toepassing der wet kunnen voortvloeien, de voorrede van Mr. ï. M. C. Asser, voor het Eerste Ontwerp van een Ned. Wetb. v. Kooph. Amst., 1866 bl. X en v.
Op voordracht van den Minister van Justitie, Mr. A. E. J. Modderman is bij Kon. besluit van 28 Febr. 1880, n0. 8, eene Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek ingesteld, bestaande uit de H.H. Mrs. J. J. van Meerbeke , tevens algemeen voorzitter, J. M. Smits, P. R. Feith, R. T. H. P, L. A. van Boneval Faure, C. W. Opzoomer, G. Diephuis, M. A. van den Acbler, W7. J. Triebels (later vervangen door Mr. B. J. L. Baron de Geer van Jutfaas), E. W. Guljé, A. E. J. Nijsingh, L. J. van Oppen, A. P. Th. Eijssell, W. A. van Hoek, T. van Hettinga Tromp, J. O. de Vries en C. Asser, tevens algemeen secretaris, met toevoeging van de H.H. Mrs. G. J. Ph. Graaf Schimmelpenninck , W. J. Wintgens en J. W. S. A. Versteeg als adjunct-secretarissen; aan haar was opgedragen de noodige voorstellen tot herziening te doen in den vorm van wetten met daarbij behoorende memorien van toelichting.
Deze zeer talrijke commissie moest hare werkzaamheden voorbereiden in drie afdeelingen, die te \'s Gravenhage, Utrecht en Zwolle zouden bijeenkomen, terwijl de volledige commissie te \'s Gravenhage zou vergaderen. Na eenige jaren was door uittreding van sommige leden het aantal tot twaalf gedaald en werd bij Kon. Besl. van 5 Maart 1884 n0. 15 de wijze van werken vereenvoudigd door de indeeling der Commissie in twee afdeelingen, met opheffing van de afdeeling, die vroeger te Utrecht werkzaam was. Nadat de Commissie het ontwerp van het le Boek aan den Koning had aangeboden, is op haar eigen aandrang eene nieuwe regeling gemaakt, ten gevolge waarvan bij Kou. Besl. van 22 Aug. 1887, n0. 24!, de Commissie werd ontbonden en eene nieuwe Staatscommissie ingesteld //tot voortzetting der herziening van het Burgerlijk Wetboek.quot; Van de oorspronkelijke Commissie hadden zich de H.H. Mrs. van Meerbeke, Feith en Eijssell bereid verklaard de taak voort te zetten, terwijl nevens hen de H.H. Mrs. H. J. Hamaker en Jhr. D. G. van Tet-lingen tot leden, de laatste tevens tot secretaris, werden benoemd; als adjunct-secretaris is Mr. R. J. H. Patijn aan de Commissie toe-
HERZIENING VAN HET BUBGEHLIJK WETBOEK. 31
gevoegd (zie uitvoeriger, met de aan liet Besluit voorafgegaue stukken, de Staatscourant van 35 Aug. 1887, n0. 199). Bij Koninkl. Besl. van 29 Maart 1890, n0. 35, werd in de plaats van laatstgenoemde Mr. H. de Eanitz benoemd.
De oorspronkelijke Commissie heeft in overleg met de Regeering op 15 Juli 1882 het Ontwerp eener quot;wet tot uitvoering van art. 7 (thans 6) der Grondwetquot;, met daarbij betrekkelijke Memorie van Toelichting aan den Koning aangeboden.
Hoe dringend het ook noodig mocht heeten aan den bedenkeiijken toestand van het tweeledig Nederlanderschap een eind te maken, toch heeft het geruimen tijd geduurd, eer de Regeering, desgevraagd, de 2quot; Kamer der Staten-Generaal met den tekst heeft bekend gemaakt, en zulks ter gelegenheid van een ander wetsontwerp. Bij het ontwerpen van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 Dec. 1892, Stbl. n0. 268 is men van een geheel ander beginsel uitgegaan, dan hetwelk aan het voorstel der Commissie ten grondslag strekte.
Verder bood de Commissie op 21 November 1882 aan den Koning aan het ontwerp eener wet ter vervanging van den lequot; Titel van het le Boek en den 10en Titel van het 3e Boek van het B. W., met daarbij behoorende Memorie van Toelichting; dit ontwerp bevat eene regeling der vereenigingen, die als rechtspersoueu optreden, en der stichtingen.
Deze aanbieding geschiedde volgens een vroeger aan de Commissie geopen baarden wensch der Regeeriug.
Nadat ook deswege geen wetsvoorstel werd ingediend, zijn deze titels volgens hunne oorspronkelijke bestemming in het Ontwerp van het eerste Boek opgenomen.
Het Ontwerp van het eerste Boek van het herziene Burgerlijk Wetboek is op 30 Nov. 1886 aan Z. M. den Koning aangeboden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Het is verdeeld in 21 titels en bevat 572 artikelen; de volgorde der titels wijkt niet belangrijk van die van het B. W. af, met uitzondering van de vereenigingen en de stichtingen, die aan het slot van dit boek als titel 20 en 21 voorkomen. Uit den inhoud blijkt dat het Ontwerp een doorloopend nieuwen tekst heeft, waarvan de noodzakelijkheid in het verslag der commissie aan den Koning, bl. IV, wordt aangetoond. Sommige onderwerpen zijn nieuw en zelfstandig geregeld; b. v. de 3e titel „van namenquot;; de in den 6en titel voor-
dk wet houdende algemeene bepalingen.
komende bevoegdheid tot overname door de vrouw van het „beheerquot; harer eigen goederen; de in den laatsten titel behandelde leer der stichtingenquot;. Nu eens zijn de voorschriften der bestaande wet vereenvoudigd, dan weder zijn de onderwerpen uitvoeriger geregeld. Verder heeft de Commissie gestreefd naar zuiverheid van taal en juistheid van woordenkeus, zonder angstvallige vermijding echter van enkele, wel is waar uitheemsche, maar door het gebruik gewettigde uitdrukkingen, welker behoud met het oog op de ondubbelzinnige beteekenis daarvan wenschelijk scheen. Ofschoon er jaarlijks, inzonderheid by gelegenheid der begrootingsdiscussien in de Kamer en ook daarbuiten stemmen opgaan om dit eerste Boek, althans belangrijke onderdeelen daarvan, tot wet te verheffen, is ook aan dit werk tot heden geene andere bejegening ten deel gevallen dan aan de beide vroeger gemelde afzonderlijke ontwerpen.
Men zie o. a. de beoordeeling van dit ontwerp door Mr. Nquot;. K. F. Land, in Themis 1887 en 1888.
In het vervolg van dit werk zal nu en dan op dit ontwerp worden gewezen, inzonderheid waar het in beginsel belangrijk van de bestaande wet afwijkt. Voor hem, die met de studie van het burgerlijk recht aanvangt, zijn zoodanige verwijzingen voldoende; eene meer uitvoerige vergelijking zou gevaar voor verwarring van het geldend recht met het ontwerp kunnen doen ontstaan. Den meer geoefende daarentegen zij de lezing van het Ontwerp zelf met de Memorie van Toelichting aanbevolen.
HOOFDSTUK III.
De Nederlandsche wet; — hare verbindende kracht, werking, toepassing en uitlegging.
§ 1-
de wet houdende ai.gemeene bepalingen dek, wetgeving van het koningeijk.
Aan het voorschrift der Staatsregeling van 1798 en 1801, overgenomen in de Grondwet van 1814 (art. 100), in die van 1815 (art. 163), van 1840 (art. 161), van 1848 (art. 146) en de tegen-
32
DE WET HOUUBNUE ALGEMEBNE BEPALINGEN. 33
quot; ti£gt;
woordig geldende Grondwet (art. 150), was derhalve op 1 Oct. 1838 voldaan. Eene nationale wetgeving was ingevoerd met uitzondering van den Gode Pénal, die, ofschoon door latere wetten gewijzigd en verzacht, nog tot 1 Sept. 1886 van kracht is gebleven.
Te recht evenwel had onze wetgever begrepen, buiten de eigenlijk gezegde wetboeken eenige regelen te moeten stellen, betreffende de verbindbaarheid, werking en toepassing onzer wetten; regelen van zoo algemeenen aard, dat die niet in eenig onderdeel der wetgeving, bepaaldelijk niet in het Burgerlijk Wetboek op hunne plaats zouden zijn.
Deze regelen zijn uitgedrukt in de Wet van 15 Mei 1829, Stbl. n0. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
In de vroegere ontwerpen en wetboeken kwamen soortgelijke bepalingen voor als inleiding tot het Burgerlijk Wetboek, omdat men dit als het voornaamste der wetboeken beschouwde.
Zoo vindt men de bepalingen in hoofdzaak terug in den Titre preliminaire van den Code Napoléon, hetwelk in de motieven daarvan aldus werd gerechtvaardigd: „Elles (ces maximes) n\'appartiennent „a aucnn Code particulier; elles sont eomme les prolégomènes de „tous les Codes. Mais il nous a paru que leur veritable place était „en avant du Code civil, paree que cette espèce de Code est celle qui, „plus que tout antre, embrasse l\'universalité des choses et des ,.pe.\'80nne8.quot;
Die beginselen waren eveneens in het Ontwerp van het Burgerlijk Wetboek van 1820 ingelijfd, in den vorm der 73 eerste artikelen van dat ontwerp. Zij vormden eene algemeene Inleiding, welke voor de wetenschap nog steeds van groote waarde is. Na de verwerping dezer Inleiding door de Kamer, kwam de wet van den 14cn Juni 1822, Stbl. n°. 10, tot stand, welke uit 15 artikelen bestond en eveneens algemeene bepalingen van wetgeving bevatte, doch even als bij den Code Napoléon als integreerend deel van het Burgerlijk Wetboek was aan te merken. Een beter stelsel werd aangenomen bij de wet van 15 Mei 1829, Stbl. n0. 28, waarbij de 14 laatste artikelen der vorige wet onder den reeds genoemden titel werden overgenomen en buiten de overige wetboeken geplaatst, terwijl art. 1 der wet van 14 Juni 1822, Stbl. n0. 10, gewijzigd werd overgenomen in de reeds vermelde afschaffings-wet van 16 Mei 1829, Stbl. n0. 33.
De gelijktijdige invoeriug dezer wet met de wetboeken van 1838 heeft de vraag doen outstaau, in hoever de wet houdende Algemeene
Asskb, Bnrgerl. Hecht. 1. 3e druk. q
ub veebinuende kkacht der xederlandsche wet.
Bepalingen, wat hare voorschriften betreft, alleen toepasselijk is op gemelde wetboeken, dan wel eene ruimere strekking heeft, en bepaaldelijk of voorschriften als van art. 2 ook op wetten van publiekrechtelijken aard van toepassing zijn.
0. i. kunnen de redenen, meest van historischen aard, die voor
»
eene beperkte werking dier wet zouden pleiten, niet in aanmerking komen tegenover de krachtiger argumenten geput:
a. uit de omstandigheid dat men in 1829 deze wet tot eene zelfstandige wet heeft verheven, tot vaststelling van algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk;
b. uit den tekst der. bepalingen, die geene beperkende uitlegging gedoogt;
c. uit de omstandigheid dat de wet ook bepalingen van strafrecht bevat en derhalve ook betrekking heeft op publiek recht;
d. uit de strekking van art. 2, hetwelk alleen betrekking kan hebben op wetten na de wetboeken van 1838 in te voeren, daar gemelde wetboeken gelijktydig met de wet van 1829 zijn ingevoerd en rechtskracht hebben gekregen, niet krachtens art. 2 A. B., maar wel krachtens vroegere afkondiging, in verband met het Koninklyk Besluit van 10 April 1838, Stbl. n0. 12.
Men zie hierover in verschillenden zin: Opzoomer, Aant. op de wet houd. alg. bep. 1857, hl. 1, 1873, bl. 9 en vlgg.; Nienhuis, Akad. voorl., bl. 152; Van Hall, Randl. bl. 56; Ue Pinto, Handl. tot het B. W., 6° druk 1885, le deel, bl. 34 en v.; Diephdis, Het Ned. Burg. Regt, 1870, I., bl. 22 en vlgg.; Erüin , N. Bijdr., 1865, Bl. 433—437 en 1874, bl. 535; Gilöüin, Jaarb., XII, bl. 311;. Mr. Gr. Belinfante in Themis, 1873, bl. 137—179.
§ 2.
DE VERBINDENDE KRACHT DER NEDERLANDSCHE WET EN DE GRENZEN
DAARVAN, TEN OPZICHTE VAN DEN DUUR HARE li, WERKING.
A. Begin der verbindende kracht.
\'/Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen en \'/door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden quot;door den Koning afgekondigd.quot;
Aldus luidt art. 121 der Grondwet met eenige wijziging overgenomen van art. 115 der Grondwet van 1848. Artikel 72, beantwoordende aan het vroeger- artikel 116 der Gw. van 1848, bepaalt
34
begin deb verbindende kracht.
dat de wijze van afkondiging der wetten, en het tijdstip, waarop zij aanvangen verbindende te zijn, door de wet worden geregeld en bepaalt vervolgens het formulier van afkondiging.
Aan het voorschrift der opvolgende Grondwetten was reeds voldaan door art. 1 en 3 A.. B.; welke in overeenstemming met datgene, wat reeds bij besluit van den Souvereinen Vorst van 18 Dec. 1813, Stbl. 1814 n0. 1, was bepaald, voorschrijven dat geene wet verbindende is, zoolang zij niet behoorlijk is afgekondigd ; en dat zij verbindende zijn in het geheele Koninkrijk uit kracht dier afkondiging, t. wijl zij werken terstond nadat de afkondiging in alle deelen van het Koninkrijk zal kunnen bekend zijn, hetwelk gerekend wordt het geval te zijn op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin de wet geplaatst is. Doch de wet zelve kan een ander tijdstip voor hare in werking treding vaststellen.
Het ligt in den aard der zaak dat eene wet slechts kan verbinden voor zooverre zij behoorlijk is afgekoivdigd en bekend gemaakt aan degenen, die zij moet verbinden. De wetenschap onderscheidt tusschen de afkondiging (promnlgatie) en de bekendmaking (publicatie) eener wet. De promnlgatie is het bevel dat het opperhoofd van den Staat uitvaardigt, ten einde de wet door de onderdanen te doen naleven. De publicatie is de bekendmaking van dit bevel; zoodat volgens sommigen na de promulgatie de onderdanen het recht hebben een bepaald voorschrift als wet te beschouwen, terwijl de publicatie het tijdstip aanwijst, waarop de onderdanen verplicht zouden zijn zich naar de wet te richten. (Zachariae, Handh. des Fr am. Civilr., Einl. § 9; Grolman , Ausführl. Handl. üb. d. C. N., I. 9.)
Deze laatste onderscheiding is echter o. i. onjuist. In een wel-geordenden Staat kunnen geene twee wetgevingen gelijktijdig gelden, hetgeen het geval zou zgn als na de promulgatie doch vóór de publicatie de onderdanen bevoegd zouden zijn het nieuwe recht te doen werken. (Zie Opzoomer Aant. op de wet houdende A. B., ad art. 1.)
Ten onzent geschiedde de bekendmaking oudtijds op verschillende wijzen, door aflezing, aanplakking enz. (v. Leeuwen, H. H. Recht, I, 3, 14; Voet, ad tit. D. de legip. 9, 10). Deze wyze, hoogstens bruikbaar voor gemeenten of kleinere kringen, binnen welke het recht moet gelden, maakte dan ook te recht plaats voor de uitgave der wetten en verordeningen in officiëele verzamelingen.
By de Grondwet en de wet houdende Alg. Bep. (deze laatste, op het voetspoor van art. 1 C. N., hetwelk echter minder doelmatig is
3*
35
VKKBINDENDE KRACHT DER NEDERLANDSCHE WET.
dan ons art. 2 A. B.), worden beide begrippen van promulgatie en publicatie tot ééne handeling vereenigd, zoodat de onderscheiding daarvan voor ons geene practische waarde meer heeft.
De dagteekening van liet Staatsblad, waarin de wet geplaatst is, is wel te onderscheiden van den datum, waarnaar de wetten gewoonlijk worden genoemd, zijnde die, waarop de Koning de wet met last tot plaatsing daarvan in het Staatsblad heeft onderteekend.
Geene wetsbepaling noodzaakt de Regeering rechtstreeks binnen zekeren termijn de wetten af te kondigen of in het Staatsblad te doen opnemen. Inzonderheid zou dit bij zoodanige wetten, waarin geene tijdsbepaling voor hare in werking treding voorkomt, of waarbij de bepaling van dat tijdstip niet aan den Koning is overgelaten, in strijd met de bedoeling der wetgevende macht, tot vertraging der invoering kunnen leiden. Zoo heeft zich het geval voorgedaan dat eene wet van 20 Juni 1862, Stbl. n0. 62, omtrent den accijns op het buitenlandsch gedistilleerd, eerst den 16l\'n Mei 1863 was uitgegeven, zoodat hare in werking treding nagenoeg een jaar was vertraagd. Dit heeft aanleiding gegeven tot den wensch der Tweede Kamer om de uitgave van het Staatsblad (welke vroeger, krachtens Besl. van 1813 was toevertrouwd aan de algemeene Staatssecretarie, en bij Kon. Besl. van 22 Dec. 1H40, Bijv. t. h. Stbl. n0. 346, sedert de vereeniging daarvan met het Kabinet des Konings aan den Directeur van het Kabinet) te doen plaats hebben door de zorg van een daarvoor verantwoordelijken Minister, ten gevolge waarvan bij Kon. Besl. van 22 Dec. 1863, Stbl. n0. 149, de Minister van Justitie belast is met de zorg voor de uitgave van het Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, en in het by zonder voor de plaatsing daarin van wetten en van door den Koning genomen besluiten.
Uit de bepaling dat de wet (behoudens het geval dat deze een ander tijdstip voor hare iu werking treding aanwijst) van kracht is, zoodra het wettelijk vermoeden van bekendheid bestaat, moet men niet afleiden dat zij reeds geldt, wanneer zij feitelijk op een vroegeren dag dan den twintigsten dag na dien der dagteekening van het Staatsblad wordt gekend.
Evenmin volgt daaruit, hetgeen door enkelen is beweerd, dat zij niet van kracht zou zijn, wanneer door eene geheel bijzondere omstandigheid de kennisneming daarvan voor eenig gedeelte van ons land onmogelijk zou zijn.
36
begin der verbindende kracht.
De tweede alinea toch van art. 2 A. B. „zij (de wetten) werken „terstond nadat derzelver afkondiging in alle deelen van het „Koningryk zal kunnen bekend zynquot; duidt meer het motief van de derde alinea aan, dan dat zij een wettelijk voorschrift behelst. De derde alinea drukt de wettelyke fictie uit dat op gemelden dag de wet door het geheele land bekend is; eene fictie die veelal evenzeer in strijd met de waarheid is, als de dikwijls gebezigde stelling dat iedereen geacht moet worden de wet te kennen. Men ziet hieruit hoe gevaarlijk het kan. zyn als de wetgever zich niet bepaalt tot het stellen van regels, of het geven van voorschriften, maar de beweegredenen die hem daartoe leiden in den vorm ■ van wetsartikelen ter nederschrijft. De taal der wet zij eenvoudig en duidelijk: de voorschriften moeten de vrucht zijn van overwegingen, die zoo noodig elders kunnen worden gerechtvaardigd.
Verscheidene schrijverg als Mr. Nienhuis, Acad, voorl., I, 154; Grolman, t. a. p. , I, 17; Touiluer, le droit civ. Frang. V, n0. 62, zijn echter van oordeel dat omtrent het wettelijk vermoeden der bekendheid van de wet tegenbewijs toelaatbaar is. Zij verliezen o. i. uit het oog dat hier meer eene /ictie dan een vermoeden aanwezig is.
Bij art. 2 A. B., is aan den wetgever de bevoegdheid gegeven een ander tijdstip vast te stellen tot in werking treding der wet.
Dit heeft inzonderheid plaats:
a. in spoed eischende gevallen (als b. v. bij de wet van 17 Oc- quot; tober 1865, Stbi. nquot;. 131, buitengewone maatregelen vaststellende tot afwending van besmettelijke veeziekten en tot wering harer uitbreiding en gevolgen, welke wet in werking is getreden met den dag harer afkondiging);
b. in gevallen, waarin slechts de Regeeriug aan hare voorschriften behoeft gevolg te geven (zie b. v. de wet van 22 April 1855, Stbl. n0. 20, tot regeling van het fonds der bakengelden), als wanneer de feitelijke bekendheid met de wet over het geheele land minder noodig is, en dus ten korter termijn voldoende kan zijn;
c. in gevallen, waarin de werking der wet nog van andere omstandigheden moet afhangen, die op het oogenblik der behandeling van de wet nog niet voldoende zijn voorbereid, ais wanneer in de wet een later tijdstip wordt bepaald, of de bepaling daarvan aan eene latere wet of aan den Koning wordt overgelaten. Men zie b. v. de wet van 25 Juli 1871, Stbl. nquot;. 91, houdende regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren enz., welke blijkens art. 160 in
37
VERBINDENDE KRACHT DER NEDERLANDSCHE WET.
werking treedt op een nader door den Koning te bepalen tijdstip (1 Januari 1873, volgens Kon. Besl. van 19 Sept. 1872, Stbl. 1872 n0. 93, art. 1); art. 475 W. v. Strafrecht; «Het in werking treden van dit wetboek wordt nader bij de wet geregeldquot; (1 Sept. 1886, krachtens art. 2 der wet van 15 April 1886, Stbl. n0. 64).
Dat men in bijzondere gevallen by het bepalen van den dag van in werking treding eener wet voorzichtig moet zyn, toont de wet van 29 Dec. 1866, Stbl. nquot;. 233. Bij de reeds genoemde wet toch, tot beteugeling der besmettelijke veeziekten, van 17 Oct. 1865, Stbl. n0. 121, was bepaald dat zij niet langer van kracht zou zyn dan tot 1 Jan. 1867. De wet echter van 29 Dec. 1866 bevatte niets dan eene verlenging van laatstgemelden termijn, tot 1 Jan. 1868, en het Staatsblad, waarin zy stond, werd eerst uitgegeven op den 3lsteu December 1866.
Nu ontstond de vraag of gemelde wet\', die niets dan eene verlenging der vorige beoogde, wat hare verbindbaarheid betreft, zich daaraan onraiddellyk aansloot, dan wel of deze eerst begon te werken 20 dagen na de plaatsing in het Staatsblad. Daar nu de wet zelve omtrent hare eigen in werking treding geene voorschriften bevatte, moest het laatste worden aangenomen, overeenkomstig den algemeenen regel van art. 2 A. B. (Arrest van den H. R. v. 21 Mei 1867, N. R. B. XVIII, bl. 303; idem v. 30 Juli 1867, ff. n0. 2936.)
Ten aanzien van de in werking treding der Koninklijke Besluiten bestond vroeger onzekerheid, en gold bepaaldelijk de vraag of men, voor zooverre die Besluiten in het Staatsblad waren geplaatst, bij analogie, evenals bij wetten, die verbindende kracht moest doen aanvangen op den 20en dag na de dagteekening van het Staatsblad.
Deze onzekerheid is opgeheven, sedert de wetgever gevolg heeft gegeven aan het voorschrift van art. 117 der Grondwet van 1848 (vgl. art. 72 der tegenwoordige Grondwet), en wel door de wet van 26 April 1852, Staatsbl. n0. 92, houdende regeling der afkondiging van algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat.
Deze wet bepaalt dat bedoelde algemeene maatregelen van inwendig bestuur verbindend zijn uit kracht van hunne afkondiging door den Koning gedaan.
Deze geschiedt door plaatsing in het Staatsblad; of door plaatsing in het Staatsblad en de Staatscourant gelijktijdig.
De afkondiging wordt geacht in liet geheele Koninkrijk bekend te zijn op den 20™ dag na dien der dagteekening van het Staatsblad
38
algemeene maatregelen van bestuur. 39
■waarin de algemeene maatregel van inwendig bestuur is opgenomen, of zoo bij het besluit, houdende vaststelling van zoodanigen maatregel, behalve de plaatsing in het Staatsblad, ook gelijktijdig opneming in de Staatscourant is bevolen, op den 5en dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin de maatregel geplaatst is.
Wat met juistheid onder algemeene maatregelen vut inwendig bestuur te verstaan is, heeft geruimen tyd een punt van verschil tus-schen de rechtsgeleerden opgeleverd.
Deze benaming kwam voor het eerst voor in art. 73 der Grondwe\' van 1815 en is in de opvolgende Grondwetten overgenomen, totdat zij bg de laatste herziening in 1887 bij art. 56, is veranderd in dien van algemeene maatregelen van bestuur; tevens werd dit begrip eenigszins nader bepaald. Wat bij zoodanigen maatregel verordend kan worden hangt samen met de vraag hoever in het algemeen de macht des Konings op wetgevend gebied reikt. Hieromtrent ontmoet men hoofdzakelijk twee stelsels, die althans vóór de laatste Grondwetsherziening scherp tegenover elkander stonden.
Volgens het ééne strekt die macht zeer ver, en wordt zij alleen beperkt 1°. door de Grondwet, die de regeling van bepaalde onderwerpen aan de wet opdraagt; 2°. door de wet, die door zich onderwerpen aan te trekken, ze aan het regelend gezag van den Koning onttrekt; 3°. door het beginsel dat bij het bedreigen van straffen deze altijd in eene wet moeten worden omschreven (zie b. v. Mr. J. Heemskerk Azn., De Praktijk onzer Grondwet II, bl. 57, Mr. J. G. Kist, de Alg. maatr. v. Into. Best., Amsterdam 1879, bl. 16).
Anderen meenen dat elke regeling op het gebied der wetgeving van de wet moet uitgaan; het gevolg is dat de bedoelde maatregelen slechts regelingen zouden mogen bevatten, die of rechtstreeks door de wet aan den Koning zijn opgedragen óf iti elk geval op eene wet steunen, daaruit voortvloeien. Deze leer is reeds door Thor-becke, Bijdr. tot de herz. der Groudw., Leiden 1848, bl. 64 en v. voorgestaan, waar hij wenschte dat de herziene Grondwet eene bepaling inhield als deze: „elke maatregel van bestuur rust op eene „wet, die er het onderwerp en het gebied van bepaalt.quot; Zy is door den Hoogen Eaad, in afwijking van de steeds gegolden hebbende jurisprudentie voor het eerst explicite aangenomen bij het bekende arrest van 13 Jan. 1879. Nog verder gaat Mr. A. A. de Pinto, Alg. Maatr. v. Inw. Best. enz., Amsterdam • 1879, die zelfs iedere delegatie van eigenlijke wetgevende macht op den Koning ongeoorloofd acht (bl. 20),
a l g e m e £ n e m a a t b e g e l f. x vax bestuur.
Niet veel licht verspreidt de definitie in 1848 door de Regeering, in antwoord op eene vraag aan de dubbele Kamer gegeven, waarbij zij als A. M. v. I. B. aanwijst; „alle Koninklijke besluiten, bevelen „en beschikkingen, gegeven of genomen ter uitvoering eener wet „of behandelende onderwerpen, niet vatbaar voor wettelijke regeling , „voorzoover die besluiten, bevelen of beschikkingen bestemd zgn „algemeen te werken, of met andere woorden, voorzoover ze zijn „generaal, niet speciaal.quot;
Door de Grondwet van 1887 is de vraag voor een goed deel beslist. Art. 56 luidt; „Door den Koning worden algemeene maat-„ regelen van bestuur vastgesteld.
„Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.
„De wet regelt de op te leggen straffen.quot;
Uitdrukkelijk is dus de latere leer van den Hoogen Raad voor zooveel betreft de bepalingen door straffen te handhaven door den Grondwetgever gehuldigd. Regelingen, waaraan geen strafbepalingen verbonden zijn, behoeven echter naar het schijnt zulken wettelijken grondslag niet. Hetzelfde is ook uitdrukkely k door de Regeering in hare Memorie van Antwoord gezegd (Aentzenius , Hand. over de herz. der Gw. II, hl. 26).
Toch is het onderwerp o. i. nog niet uitgeput, en bepaaldelijk niet geregeld waar in het laatste geval de grens tusschen het gebied van de wet en dat van de bedoelde maatregelen gelegen is; en evenmin welk kenmerkend verschil er bestaat tusschen die maatregelen en de Kon. Besluiten, geene Alg. Maatr. v. Bestuur zijnde. Bezwaarlijk toch zal men geheel bevredigd zijn door de regeerings-definitie. „Het kenmerk dier Alg. Maatregelen van Bestuur is geniegen in hunne algemeenheid wat het onderwerp betreft, maar „tevens iu de beperking van het reglementeerend gezag, door het-„geen de wetgever over dat onderwerp heeft bepaald (Aentzenius , m, bi. 30).
Men zie met betrekking tot de laatste Grondwetsherziening Abnt-zenius, II, bl. 26 en 317, III, bl. 29 en v., V., bl. 621—649.
De bij de Gw. bedoelde wet, die de op te leggen straffen regelt, was tot voor korten tijd die van 6 Maart 1818, Stbl. n0. 12. Yolgens art. 22 der wet van 15 April 1886, Stbl. n0. 64, zou zij slechts tot den l8ten September 1888 van kracht blijven. Sedert echter is her-haaldelijk de in gemeld art. 22 bedoelde termyn met een jaar verlengd, het laatst quot;by de wet vaii 10 Aug. 1892, Stbl. nquot;. 181. Het gevolg was dat de wet van 6 Maart 1818 nog tot 1 September 1893 heeft gegolden. Ten slotte heeft men haar voortbestaan niet meer
EINDE DEE VERBINDENDE KRACHT.
noodzakelijk geacht. Men zie verder in verband met dit onderwerp de artt. 19, 20 en 21 van de wet van 15 April 1886 voornoemd.
Van gewone Koninklyke Besluiten, geen Algemeene Maatregelen van Bestuur zijnde, kan eveneens de plaatsing in het Staatsblad worden bevolen (art. 4 van het Besluit van 22 Deo. 1863, Stbl. n0. 149).
Van deze besluiten zoowel als van de voornoemde Alg. Maatregelen van Bestuur moeten worden onderscheiden:
a. Besluiten van den Souverein, vóór de aanneming der Grondwet van 1814 in de noordelijke en van 1815 in de zuidelyke gewesten, als wanneer de wetgevende macht, zonder wettelijke beperking, in handen van den Souverein was.
In de noordelijke provinciën was van 21 Nov. 1813 tot 2 Dec. 1813 de Sonvereiniteit bij het Algemeen Bestuur; later, van 2 December 1813 tot 30 Maart 1814 bij den Prins van Oranje, Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden. In de zuidelyke provinciën achtereenvolgens by verschillende autoriteiten, en eindelijk bij den Souverein der Vereenigde Nederlanden, volgens Procl. van 1 Augustus 1814; by den Koning, sedert de Procl. van 16 Maart 1815.
b. Besluiten van den Souvereinen Vorst, sedert 30 Maart 1814.
De verordeningen, uitgevaardigd door den provincialen en den gemeente wetgever of door eenig ander bestuur, omtrent onderwerpen, welker regeling binnen diens grondwettige bevoegdheid gelegen is, worden bekend gemaakt en werken volgens de regelen, gesteld in de afzonderlijke wetten, die hieromtrent zijn tot stand gekomen.
Zie de wet, regelende de zamenstelling en magt van de Provinciale Staten, van 6 Juli 1850, Stbl. nquot;. 39, art. 100—102, en de wet, regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der Gemeentebesturen, van 29 Juni 1851, Stbl. nu. 85, art. 168 en vlgg.
B. Einde der verbindende kracht.
Art. 5 der wet houdende Algemeene Bepalingen luidt:
wEeue wet kan alleen door eene latere wet, voor het geheel of gedeeltelijk, hare kracht verliezen.quot;\'
Deze bepaling is duidelijk; slechts op dezelfde wijze als de wetten tot stand komen kan de werking worden opgeheven.
Intusschen kan het voorkomen — en wij hebben daarvan reeds een voorbeeld vermeld bij de op bl. 35 genoemde wet vau 17 October 1865, Stbl. n0. 121, buitengewone maatregelen vaststellende
41
VERBINDENDE KRACHT DEE NEUEKLANDSCHK WET.
tot afwending van besmettelijke veeziekten en tot wering barer uitbreiding en gevolgen, — dat de wet zelve niet slechts het begin, maar ook het einde barer werking bepaalt, en alsdan, behoudens verlenging of vernieuwing door de wetgevende mac lit, in zich zelve krachteloos wordt.
De afschaffing eener wet door eene latere kan zijn:
a. uiidrukkelijk, hetzij gebeél of gedeeltelijk;
b. stilzwijgend.
Het laatste heeft plaats, wanneer de inhoud eener \' latere wet van zoodanigen aard is, dat deze niet gelijktijdig met de vroegere wet bestaanbaar is.
Vgl. lex. 4 D. de const, princ. (I. 4) „!ex posterior derogat priori, quatenus ei contraria est.quot; Zie ook art. 36 eu 65 Ontw. v. 1820.
De wetgever handelt steeds voorzichtig door uitdrukkelijk te bepalen welk wetsvoorschrift door eene nieuwere wet wordt afgeschaft. In het tegenovergestelde geval wordt de vraag, of zekere vroegere bepaling al dan niet biyft werken, overgelaten aan de wetenschap; en in menig geval zal hare uitspraak twgfelachtig kunnen zyn. (Men denke aan de onzekerheid ontstaan tengevolge der meergemelde afschaf-fingswet van 16 Mei 1829, Stol. n0. 33, vgl. blz. 23 en v. boven.) Inzonderheid kan er groote moeielijkheid ontstaan, indien de latere wet van ruimer of enger strekking is dan de vroegere; en ofschoon de rechtsgeleerden, zich min of meer grondende op de beginselen dei-logica, dienaangaande eenige voorschriften hebben gegeven (zie Diep-Hüis, Het N. B. R., deel I, bl. 36, Winuscheid, Lehrhuch des Fandektenrechls, I, § 31. Unger, I, § 16, bl. 104 en v.), komt het ons voor, dat het veiliger is in elk bijzonder geval den inhoud der beide wetten met elkander te vergelijken en aan den vermoe-delijken wil des lateren wetgevers te toetsen.
Wel te onderscheiden van het einde der verbindende kracht eener wet, is het geval dat de omstandigheden zoozeer zijn veranderd, dat de toepassing der wet onmogelijk is geworden. Alsdan is alleen de werking der wet feitelijk opgeheven, maar niet hare
verbindende kracht.
De Duitsche rechtsgeleerden spreken daarom ook van aeussere en innere Erlöschungsff hinde eines Gesetzes. Zoo zou het b. v. kunnen voorkomen, dat door het algemeen gebruik maken van de bevoegdheid om tienden af te koopen, geene tiendplichtige landen meer
42
einde dek verbindende kracht.
aanwezig waren, zoodat dan ook geene der wetsbepalingen van tiendrecht voor uitoefening vatbaar zou zijn.
Eene eenigszins inoeielijk op te lossen vraag kan deze zijn: of door de intrekking eener afschaffiugswet, de vóór deze geldende wet herleeft.
In het algemeen moet rneu hier aannemen, dat zulks niet het geval is, althans indien het tegendeel niet uitdrukkelijk is bepaald, of met noodwendigheid uit de laatste afschaffiugswet voortvloeit.
Zoo zal bij voorbeeld de oorspronkelijke wet herleven, wanneer de laatste wet niets anders behelst dan de opheffing der vorige afschaffiugswet, en deze op hare beurt zich alleen bepaalde tot intrekking der vóór haar geldende wet. Zie een voorbeeld van iets soortgelijks in de Wet van 10 Nov. 1875 (Stbl. n0. 202), waarbij de wet van 29 Mei 1849 (Stbl. n0. 21) is ingetrokken. Laatstgenoemde wet had eenige bepalingen van de Wet op de Regt. Org. en van het W. v. Strv. gewijzigd, ten gevolge waarvan in verscheiden gevallen de kamers van den Hoogen Raad, de Gerechtshoven enz. voortaan uit een minder aantal leden werden samengesteld. De enkele intrekking dezer wet herstelde de kracht der bepalingen van de tusschentgds gewijzigde wetsartikelen.
Uit art. 5 Alg. Bep. volgt nog, dat eeue wet niet kan worden afgeschaft;
hetzij door gewoonte of onbruik (vgl. art. 36 Ontw. v. 1820.) ;
hetzij bij Koninklijk Besluit, uitgevaardigd omtrent onderwerpen, die slechts tot de bevoegdheid des wetgevers behooren;
hetzij door verordeningen van eenig provinciaal-, gemeente- of ander bestuur.
Zelfs zal dit het geval zyn, indien het onderwerp, vroeger tJt de algemeene wetgevende macht behoorende, door eene gewijzigde orde van zaken tot de bevoegdheid en den werkkring eener andere macht is gebracht, in welk geval eene wet noodig zal zijn om de vroegere wettelijke regeling af te schaffen.
Zie Mr. T. M. C. Asser, Bydr. tot de Kennis v. li. Staatsbestuur, VII, bl. 311 en v., IX, bl. 133 en vlgg. Deze leer, later ook door den H. Raad gehuldigd, is bestreden door Jhr. Mr. C. J. van Nispen tot Pasnekden, Themis, 2e verz., VI, bl. 1—30, 349—359, X, bl. 313—360, en Mr. P. van Bemme:.en , N. Bijdr., XIII, bl. 627—686; vgl. ook N. Bijdr., X, bl. 249 en vlgg., XIV, bl. 89 en vlgg.
43
verbindende kracht der nedehlandsche wet.
C. Verhoadiiig der wet tegenover le vóór hare invoering of na hare afschaffing geldende wetgeving. — Transitoir recht.
De wet bepaalt wat als recht geldt gedurende den tijd harer werking; en die werking vangt aan op het tijdstip hierboven vermeld.
Het zou in strijd zijn met elke natuurlijke opvatting, zoo de wet moest gelden ook voor datgene, wat aan hare in werking treding voorafgaat.
Zoo bepaalde o. a. de lex. 7. G. de leg. (I, 14): quot;Leges et con-quot;stitutiones futuris eer turn, est dare for mam negotiis, non ad facta quot;praeterita reoocari.
Eveneens leest men in art. 2. C. Nap.: «La loi ne dispose que quot;pour l\'avenir, elle nquot;a point d\'eft\'et rétroactif ;quot; en in art. 4 Alg. Bep.: quot;üe wet verbindt alleen voor het toekomende, en heeft geene terugwerkende kracht.quot;\'
Het ontwerp v. 1820, art. 23, onderwierp het tegenwoordige en het toekomende aan de werking der wet; wellicht met meer juistheid. Evenwel is het tegenwoordige (d. i. het ondeelbare oogenbllk der in werking trediug zoo voorbijgaand, dat men voor de praktijk aan de bepaling van ons art. 4 toereikend heeft.
De Pinto, Handl. B. W. II, § 4, ziet in dit beginsel wellicht den grond van het veelvuldig gebruik van den toekomenden tijd in de wetboeken, en acht dit gebruik minder juist, omdat de wet ook voor het tegenwoordige verbindt. Is er werkelijk dien ten gevolge ooit eenig bezwaar in de praktijk ontstaan? dit is met genoegzame zekerheid ontkennend te beantwoorden; tenzij men wellicht denke aan het alleenstaande voorbeeld van art. 125, al. 2 B. W., waar ten gevolge eener minder duidelijke redactie, twijfel rijst of de wetgever heeft bedoeld: „en (zal) het huwelijk worden nietig verklaard,quot; dan wel: „en (zal) het huwelijk kunnen worden nietig verklaard;quot; welke zinsnede door het gebruik van den tegenwoordigen tijd ongetwijfeld duidelijker ware geweest.
Deze bepaling bindt alleen den rechter, niet deu wetgever, zoodat deze iu bijzondere gevallen anders kan bepalen en aan de nieuwe wet terugwerkende kracht kan. verleenen.
Dat de wetgever omgekeerd ook in sommige gevallen de werking van de oude wet gedurende de werking der nieuwe mag handhaven, lijdt geen twijfel en volgt uit art. 5 A. B.
De uitzonderingen op den regel van art. 4 A. B. mogen niet dan met groote behoedzaamheid worden in het leven geroepen. In
44
tbansitoir hecht.
het algemeen eischt het belang der maatschappij dat meu zekerheid hebbe omtrent datgene, wat op het tegenwoordig oogenblik als recht geldt; het vertrouwen op de wet zou zeer geschokt worden, indien eene latere wetgeving zonder buitengewone en overwegende redenen op vroegere toestanden werd toepasselijk verklaard.
Geldt deze bepaling eveneens voor wetten, waarvan de strekking is den zin eener vorige wet te verklaren (zoogenaamde interpretatieve wetten), doch waarbij men niet liet maken van nieuwe bepalingen op liet oog had?
Hierover is groot verschil van meaning. Het komt ons voor dat ook daar de bepaling van art. 4 van kracht is. De nieuwe wet is in geenen deele onderscheiden van andere wetten, wat hare rechtskracht betreft; de uitdrukking „verklarende,quot; of „interpretatievequot; wet is daarenboven niet juist. Zoodanige wet verklaart niet de vorige volgens de regelen der wetenschap, maar bepaalt krachtens haar eigen gezag, in welken zin zekere rechtsregel behoort te gelden; en zoo zij zelve, niet uitdrukkelijk hare terugwerkende kracht gebiedt, is er voor den rechter geene aanleiding om deze aan te nemen.
Zie hieromtrent o. a. Opzoomer, t. a p., ad art. 4 .A. B.; Diepuuis, het N. B. R. , 1870 I, bl. 38, 39 en de aldaar aangehaalde schryvers in utramque partem. Vgl. ook art. 31 Ontw. van 1820.
Een recht onder eene vorige wetgeving verkregen, behoort volgens het beginsel van art. 4 Alg. Bep., ook onder eene veranderde wetgeving te worden gehandhaafd,
De toepassing van dit schijnbaar eenvoudig beginsel is echter met groote moeielijkheden gepaard en heeft aanleiding gegeven tot een geheel afzonderlijk onderdeel der rechtswetenschap, het transitoir- of overgangs-rec/d.
(Zie de rijke litteratuur over dit onderwerp opgegeven bij Diephüis, t. a. p., bl. 40; voor ons recht is van het grootste belang; J . D. Meijee, Principes sur les questions transitoir es etc. Amst. et Paris 1813, tweede editie, bezorgd door Mr. A. A. de Pinto, Leiden 1858; verder is lezenswaardig: Mr. A. W. Huidekopek, Bijdragen tot rechtsg. en Wetgev., I, bl. 160 en vlgg.; Ontw. v. 1820, art. 23—35.)
De voornaamste vraagstukken dienaangaande, die zich in ons recht konden voordoen, zijn beslist bij de wet van Ifi Mei 1829, Stbl. n0. 29, op den overgang van de vroegere tot de nieuwere wetgeving, gewijzigd bij de wet van 23 Dec. 1837, Stbl. nquot;. 78. In deze wet worden
45
TRANSITOIR RECHT.
een tal vau bijzondere bepalingen, betreffende onderscheidene onderwerpen van Burgerlijk reclit, Strafrecht, Kechtsvordering en Strafvordering geregeld1). Daarenboven is bij art. 50 dier wet, gehandhaafd: art. 1 van het Keizerlijk Decreet van 24 Jan. 1812 en dientengevolge art. 155 van het Keizerlijk Decreet van 4 Juli 1811, betreflende de tideïcommissaire subsitutiën. Eindelijk bevatten de artt. 802 en 2030 B. W., bepalingen omtrent de handhaving van rechten, onder eene vorige wetgeving verkregen, of welker verkrijging nog niet geheel voltooid was.
De wet van 16 Mei 1829 voormeld, bevat in art. 1 de handhaving van onder vroegere wetgevingen verkregen rechten.
Eene bepaling van dit begrip is niet zeer gemakkelijk te geven, doch uit de nadere voorschriften der wet voor de byznndere daarin geregelde gevallen, leeren wij dat men niet ver van de waarheid verwijderd is door aan te nemen, dat over het algemeen een verkregen recht is een zoodanig recht dat middellijk uit de wet voortvloeit, in tegenstelling van die rechten en bevoegdheden, die, onafhankelijk van eenige rechtshandeling, een onmiddellijk uitvloeisel der wet zijn.
Is dus b. v. een rechtstoestand ontstaan ten gevolge eener daad van eigendotnsverkrijging of verbintenis, welke plaats heeft gehad onder de werking der vroegere wetgeving, dan blijven de rechtsgevolgen van deze wetgeving daaraan verzekerd (art. 1, 3, 51 enz. Overgangswet). Evenzoo als eenige rechtshandeling, als huwelijk, voogdijbenoeming , enz., vermogensrechtelijke gevolgen medebrengt, welke alsdan volgens het vorige recht blijven gelden. Zoo worden de in het Fransche recht bestaande wettelijke hypotheken ten behoeve van getrouwde vrouwen, minderjarigen en andere onder voogdij gestelde personen, gehandhaafd, behoudens de verplichting tot inschrijving dier hypotheken binnen zekeren tijd (art. 14—37). Zoo worden b. v. de rechten van echtelieden, vóór de invoering van het B. W. gehuwd, ten opzichte hunner goederen, geregeld volgens de wetten, die van werking waren op het oogenblik van het huwelijk (beter: van de huwelijksvoltrekking), art. 38.
46
Greldt het daarentegen een hoedanigheid of bevoegdheid, die de wet
\') Sedert de in werking treding van het tegenwoordig Wetboek van Strafrecht hebben de bepalingen betreffende Strafrecht, voorkomende in de wet van 16 Mei 1829, alle belang verloren. Zie art. 1 , lid 3 Sr., en de bepalingen voorkomende in art. 29 en v. der wet van 16 April 1886 (Stbl. n». 64), houdende bepalingen omtrent het in werking treden van het quot;W. v. Str. en den overgang van de onde tot de nieuwe Strafwetgeving, enz.
tkamsitoir ekcht.
rechtstreeks verleent, dan is er nog geen sprake van een verkregen recht; dergelijke hoedanigheid of bevoegdheid kan door de nieuwe wet worden ontnomen; maar ook hier bevat de overgangswet uitzonderingen, die men met het oog op de billijkheid heeft meenen te moeten maken.
Zoo worden b. v. de meerderjarigheid, de leeftijd om een huwelijk aan te gaan, enz., beheerscht door de nieuwe wetgeving; behoudens dat zij, die vóór den dag der invoering van het B. Wquot;., reeds volgens het Fransche recht meerderjarig waren, deze hoedanigheid behielden (art. 5 Overgangswet), en dat jonge dochters, welke bij de invoering der Ned. wetgeving den ouderdom van 15 jaren hadden bereikt, ook na die invoering de bevoegdheid bleven behouden, een huwelijk aan te gaan. (Art. 6 dier wet.)
Wat den vorm der handelingen betreft, deze wordt beoordeeld naar de wet, die van kracht was op het tijdstip, waarop die handelingen hebben plaats gehad (art. 2).
Dit beginsel is ten aanzien, van testamenten nader uitgewerkt, en ten opzichte van olographische testamenten eenigszins gewijzigd (zie de artt. 48 en 49 der Overgangswet).
Het erfrecht regelt zich naar het tijdstip van den dood des erflaters, vóór hetwelk van geen verkregen recht der erfgenamen sprake is (art. 4 Overgangswet).
(Het tegenovergestelde wordt, ten aanzien van testamenten, abu-sievelijk door Mr. Diephuis, /iet N. ö. iJ., D. I, bl. 46, medegedeeld.)
Omtrent de vereischten eener verjaring, waarvan de termyn begonnen is te loopen gedurende de oude wetgeving, doch welke nog niet voltooid is, geldt de oude wetgeving (art. 2030 B. W.). Deze bepaling was noodzakelijk, want bij het niet voltooid zijn van den termijn, was er in streng rechtskundigen zin nog geen verkregen recht, en toch kwam het doelmatig voor, de eens begonnen verjaring aan de vroegere rechtsregelen te onderwerpen.
De artt. 802 en 2U30 B. W. zouden echter ongetwijfeld beter op hunne plaats geweest zijn in de Wet op den Overgang.
§ 3.
de verbindende kracht dee nederlandsche wet tegenover het gewoonterecht.
Hebben wij in Hoofdstuk 1, § 4, het gewoonterecht onder de bronnen van recht in het algemeen genoemd, bij ons te lande is het binnen zeer enge grenzen teruggedreven.
47
GEWOONTEKECHT.
Art. 3 Alg. Bep. toch bepaalt:
quot;Gewoonte geeft geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop \'/verwijst.quot;
Deze bepaling is een noodwendig gevolg van de codificatie. Deze toch heeft in de voornaamste plaats rechtszekerheid en gelijkheid van het recht voor ons geheele land ten doel.
Geen van beiden is te bereiken, waar nevens de wet eene voorname plaats aan het gewoonterecht blijft ingeruimd, dal uit zijnen aard moeielijker te kennen en aan engere geographische grenzen gebonden is.
Inderdaad behelzen onze wetboeken, inzonderheid het Burger]yk Wetboek en het Wetboek van Koophandel talrijke verwijzingen naaide gewoonten of plaatselijke gebruiken. Inzonderheid in de afdee-lingen betreffende het gevolg der overeenkomsten (B. W., Boek III, Titel 2, afd. 3, art. 1375) en de uitlegging der overeenkomsten (Boek III, Titel 2, afd. 4, art. 1382, 1383) wordt aan het plaatselijk gebruik een grooten invloed toegekend, en ook elders in art. 453, 670, 690 lid 2, 703, 713, 733, 738, 788, 792, 813, 816 lid 2, 817, 819, 843, 1201, 1202, 1255, 1547, 1607, 1614, 1618, 1619, 1621, 1622, 1623, 1635, 1639, en 1654 B. W., zijn de plaatselgke gebruiken geëerbiedigd. Van nog grooter invloed is de gewoonte op het handelsrecht, dat een groot aantal overeenkomsten regelt, die eveneens volgens de wet door de gewoonte worden aangevuld en verklaard.
Hoewel nu de gewoonte ten onzent op zich zelf niet als rechtsbrou erkend kan worden, daar, in de gevallen waarin de wet daarnaar verwijst, het veeleer de wet is, die haar rechtskracht verleent, zoo kan het toch, volgens sommigen, van belang zijn de gewoonten na te gaan:
a. indien de wet omtrent eeuig onderwerp geene bepaling inhoudt:
b. indien de wet tot verschillende opvattingen aanleiding geeft; een en ander in verband met de verplichting des rechters, om in alle gevallen recht te spreken, ook daar waar de wet zwijgt (Art. 13 Alg. Bep.).
Hierop zal nader by de behandeling der wetsuitlegging en de verplichtingen des rechters worden teruggekomen.
In verband met het beginsel van art. 4 Alg. Bep., dat wetten alleen voor het toekomende verbinden en geene terugwerkende kracht hebben — een beginsel dat in de vorige paragraaf behandeld is — is de vraag ontstaan in hoeverre eene vóór 1 October 1838 gevestigde
48
GEWOON TEaïCH T.
gewoonte, voor zooverre zij, niet in strijd is met de nieuwe wetgeving, als bron van recht is blijven bestaan.
Deze vraag is te beschouwen in verband met art. 1 der meergemelde wet van 16 Mei 1829, omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken, Stbl. n0. 33, waarbij te rekenen van den dag der invoering van het B. W. in Nederland, zijn afgeschaft de algemeene en plaatselijke gebruiken in de stoffen, welke bij het itiemoe wetboek worden behandeld.
Ofschoon eene oppervlakkige lezing van den tekst van art. 3 Alg. Bep., in verband met gemeld art. 1 der wet van 16 Mei 1829, alliclit tot eene bevestigende beantwoording dezer vraag zou kannen leiden, gelijk zij ook door verscheidene schrijvers, als Mr. Nienhuis, de Pinto en anderen, bevestigend beantwoord is, zoo schijnt het met het oog, a. op den algemeenen en duidelijken tekst van art. 3 A. B., b. op de overweging, dat het handhaven van gewoonten in andere materiën, dan behandeld zyn in onze burgerlijke wetgeving, slechts argumento a eontrario volgt uit de wet van 16 Mei 1829, en vooral c. op de geschiedenis van art. 3 Alg. Bep., vergeleken met art. 1 en 4 der wet van 14 Juni 1822, Stb. n0. 10, en art. 4 Ontw. van 1820, in verband met hetgeen daaromtrent tusschen de Regeering en de Kamer is verhandeld (zie Vookduin, Gesch. en Eer/., I, bl. 18 en volgg.), niet twijfelachtig dat men\'zoo algemeen mogelijk de kracht der gewoonte heeft willen beperken tot de gevallen, dat de wet daarop verwyst. Men zie uitvoeriger hieromtrent; Diephüis, het N. B. R., I, bl. 102 en vlgg.; Opzoomek, ad art. 3 A. B., 1873, bl. 84 en vlgg.; P. van Bemmelen, R. Bijdr. 1885, A, bl. 7 en v. en een Arr. v. d. H. Raad van 27 Maart 1863 v. d. Ho.veiit, B. R.y d XXVII, bl. 325—338, W. n0. 2471.
Volgens de regelen der wetenschap is tot liet bestaan van gewoonterecht een vereischte:
a. dat de gewoonte beruste op de overtuiging eener rechtsnood-zakelijkheid;
Eene bloot toevallige herhaling van feiten vestigt geen gewoonterecht.
b. dat zij gedurende een niet al te kort tijdsverloop zij uitgeoefend;
c. dat zij gelijkmatig zij uitgeoefend en niet worde opgewogen door eene meer dan toevallig tegenstrijdige toepassing;
d. dat de overtuiging, welke aan de gewoonte ten grondslag\'ligt,
Asseb, Burgerl. Recht. I. 3e druk. A
49
gewoonterecht.
niet het uitvloeisel zij eener bloote dwaling, die door het gebruik is gehandhaafd.
(Zie o. a. Goüdsmit, Pandekten-Systeem, bl. 30 en volgg., met diens verwijzingen naar het Hom. recht en de werken der Dnitsche rechtsgeleerden.)
Gewoonterecht openbaart zich op velerlei wijzen, b. v. door de uitoefening daarvan door het volk, of in den vorm van rechtskundige adviezen.
Van het bestaan van gewoonterecht kan blijken door de waarneming van gelijkvormige handelingen, door geloofwaardige getuigenissen (turbes), rechterlijke vonnissen, enz. Juiste regelen, volgens welke de rechter het bestaan van gewoonterecht moet aannemen, zijn niet te geven. Staan den rechter niet de noodige middelen ter kennisneming van eene gewoonte ten dienste, dan is het raadzaam dat de partij, die zich op de gewoonte beroept, haar bestaan aantoone; maar voor het bewijs van de feiten, die aan het gewoonterecht ten grondslag liggen, gelden stellig niet de ge wone bewijsregelen, die de wet stelt tot het bewijs van feiten.
Zie v. Savigny, System, I, bl. 188 en vlgg.; Wtndscheid, Lehrb. des Fandektenrechts, I, § 17 en de door dezen aangehaalde schrijvers; Opzoomer, A. B., 1873, bl. 100 en vlgg.
Omtrent dit laatste punt zijn ten onzent de schrijvers het oneens. Men zie Diephüis, II, bl. 295. Het komt ons echter voor, dat laatstgemeld algemeen rechtsbeginsel ook ten onzent moet gelden. Zoodra toch de wet de gewoonte erkent (art. 3, A. B.) vloeit daaruit recht — het gewoonterecht — voort, en is dit laatste derhalve even als de wet zelve, aan de rechtstreeksehe kennisneming des rechters onderworpen. Ook vergete men niet, dat het hier het objectieve bestaan van de gewoonte geldt, en niet datgene, wat in een bijzonder proces, als tusschen de twistende party en vaststaande, moet worden aangenomen. In gelijken zin besliste de H. R. 10 April 1884, W. n°. 5025, 26 Maart 1»85, W. n0. 5152; 27 Maart 1885, W. n0. 5157, 30 Nov. 1888, W. n0. 5652; zie ook van Boneval Fa ure, Het Ned. Burp. Procesr. IV, bl. 12 en v.; in denzelfden zin nog § 265 der Duitsche Civilprozessordnung.
Het ontwerp van 1820 bevatte in art. en vlgg. eenige regelen voor liet bestaan van gewoonterecht, in hoofdzaak met het boven-vermèlde overeenstemmende.
50
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT.
Ouze wet behelst dienaangaande geene bepalingen. Men zal echter, bij het stilzwijgen der wet, bovenstaande algemeene rechtsregelen , voor zoover zij daarvoor vatbaar zijn, ook ten onzent moeten in acht nemen.
Men zie over gewoonterecht: Dr. Gr, F. Püchta, üas gewohn-heitsrecht, 2. Th., Erlangen 1828, 1837, zie ook Mr. S. J. Hingst, Richting der rechtshervorming. R. Bijdr. 1886, A. bl. 77 en v.
§ 4..
de verbindende kracht der nederlandsche wet, met betrekking
tot de plaats barer werking, en tot de personen en goederen, aan haak, gezag ondekworpen.
internationaal privaatrecht.
Volgens oudere rechtsbeginselen strekt zich de werking eener wet niet uit buiten de grenzen van den Staat waarvoor zij geldt, en omgekeerd, behoeft iedere Staat binnen zijne grenzen slechts de toepassing zijner eigen wetgeving te dulden. Oudtijds althans werden vreemdelingen bijkans als vijanden beschouwd, en de eerbiediging hunner rechten geschiedde niet dan op zeer gebrekkige wijze en als uitvloeisel van internationale welwillendheid.
Het toenemende verkeer echter tusschen de onderdanen van beschaafde natiën, moest noodwendig conflicten van wetgeving doen ontstaan, gelijk eveneens het geval was daar, waar, gelijk voorheen ten onzent, elke provincie, landstreek of stad hare eigen rechten, costumen, privilegiën enz., had.
Telkens ontstaat de vraag; naar welk recht moet de staat en de bevoegdheid der personen worden beoordeeld? welke wet beheerscht hunne goederen? wat is rechtens omtrent de door hen verrichte handelingen en gesloten overeenkomsten?
De wetenschap, die deze vragen leert beantwoorden, was ten tijde van den bloei van het Romeinsclie recht nog nagenoeg geheel onbekend.
Eerst bij de Griossatoren komen eenige sporen daarvan voor. (Zie Mittermaier; Zeitschr. f. Rechtsw., d. XI, bl. 268.)
In de zeventiende eeuw is deze wetenschap, thans bekend als die van het internationaal privaatrecht, meer opzettelijk beoefend, en groot zijn te dien opzichte de verdiensten van onze Oud-Hol-
4*
51
52 internationaal PRIVAAT KECH -Ï.
landsche rechtsgeleerden als N. Buugundus, Chu. Eodenburg, Abr. a VVesel, Paulus Voet, Joh. Voet en Ulr. Huber.
Ook in Duitschland, frankrijk, Engeland, Amerika en Italië ■ trok het internationaal privaatrecht meer en meer de aandacht, en thans is die wetenschap reeds zoodanig ontwikkeld, dat de studie daarvan een der meest belangrijke, en voor de praktijk nuttige onderdeelen van de rechtswetenschap kan worden genoemd.
Men zie omtrent den oorsprong, de ontwikkeling en den tegen-woordigen stand der wetenschap, Mr. T. M. C. Asser, Schets van het Internationaal privaatregt, Haarlem 1B78, bl. 1—30.
Bij gebreke van positieve wetsvoorschriften in de verschillende Staten en van gelijkvormigheid in de beginselen ter toepassing van de eene of\' de andere wetgeving, blijft ook thans nog ie beantwoording van vele vraagpunten van internationaal privaatrecht, geheel aan de wetenschap overgelaten.
Bij de onmogelijkheid om voor alle Staten hetzelfde recht in te voeren, hetwelk afstuit op de zelfstandige wetgevende bevoegdheid van eiken Staat, moet het streven der wetenschap dan ook daarheen gericht blijven : zekerheid te verkrijgen omtrent de vraag welk recht moet worden toegepast; deze zekerheid zooveel mogelijk te doen grondvesten op eenvormige regelen in alle Staten, omtrent de toepassing van de verschillende wetgevingen onderling; vaste regelen tnsschen die Staten wederzijds te doen stellen, zoowel omtrent een aantal punten van materieel recht, inzonderheid huwelijksrecht, erfrecht, faillietrecht, erkenning en bevoegdheid van buitenlandsche naamlooze vennootschappen enz., als omtrent procesrecht, b. v. de wijze van beteekening van akten in den vreemde, de berechting van geschillen tusschen ingezetenen van verschillende Staten en de daarmede samenhangende rechtskracht en uitvoerbaarheid van vreemde vonnissen en rechterlijke beschikkingen, het gevolg geven aan rogatoire com missiën, enz. „Dit doelquot; — zoo schreven wij in de vorige uitgaven — „is nog op verre na niet be-„reikt, en al moge eene gewensohte regeling door de werken der „rechtsgeleerden, door de oprichting van periodieke tijdschriften en van „internationale vereenigingen van de uitstekendste rechtsgeleerden „krachtig zyn voorbereid, zoo is voor de regeeringen en de wetgevende „macht der verschillende landen, nog een zeer ruim veld ter bewerking „overgebleven.quot;
Sedert echter — en wij mogen er met eenigen nationalen trots op wijzen — is het groote werk van de codificatie van het Internationaal Privaatrecht met kracht aangevangen.
Niet lang geleden mocht men nog slechts wijzen op enkele tractaten
txtkrnattoxa.a.l privaatrech t.
tusschen bepaalde Staten over zeer byzoudere onderwerpen gesleten, b. v. over toelating van wederzydsclie onderdanen tot het voorrecht van kostelooze procedure, somtyds met vrijstelling van de voor vreemdelingen zoo bezwarende zekerheidstelling (cautio judicatum solvi).
Daarnevens bestaat reeds geruimen tijd een belangrijk document van internationale samenwerking, nl. de Rynvaart-akte, waarby tusschen de Rijnoever-Staten eenparige regelen eerden aangenomen omtrent de scheepvaart op die rivier en hare met de uitwatering samenhangende vertakkingen, terwijl de beslissingen der daartoe bevoegd verklaarde rechts-collegiën uitvoerbaar zyn verklaard in al de andere tot die vereeniging behoorende Staten (zie de wet van 4 April 1869, Stbl. n0. 37, houdende goedkeuring van de herziene akte omtrent de Rijnvaart, o. a. de artt. 33—40 en de daarmede samenhangende wet van 16 Juli 1869, Stbl. nquot;. 139).
Merkwaardig verder is de Bernsche Spoorweg-Conventie van 14 October 1890 (goedgekeurd voor zooveel ons land betreft bij de wet van 18 Juni 1892, Stbl. nquot;. 145 en op 1 Januari 1893 in werking getreden), waarbij Nederland, Dnitschland, Oostenrijk-Hongarye, België, Frankryk, Italië, Luxemburg, Rusland en Zwitserland eenvormige regelen hebben gesteld met betrekking tot het internationaal goederen-vérvoer op de spoorwegen. Op geenerlei gebied doet zich in den Jaatsten tyd de eenheid van regeling zoo sterk gevoelen als op dat van het spoorwegverkeer, dat uit den aard der zaak veelal een internationaal karakter heeft. De grondslag van elke daarbij bedoelde internationale zending van goederen is volgens die conventie de rechtstreeksche vrachtbrief, zoodat alle spoorwegen, over welker lijnen het goed vervoerd wordt, tegenover den afzender of ontvanger als één worden beschouwd, terwijl ook hier de vonnissen, door de bevoegde rechters gewezen, over en weder in de verschillende Staten uitvoerbaar zyn verklaard (art. 1, 56 der overeenkomst). Men zie over deze conventie Mr. C. D. Assee Jr., Intern. Goederenverv. lang* Spoorw. enz. Acad. Pr., \'s Grav. 1887; en van denzelfden schr. in meer beknopten vorm de Bernsche Conventie. \'s Grav. 1893; zie ook Mr. T. M. C. Asser, Schets v. h. Ned. Handelsr., 6e druk, bl. 184 en v.
Maar hoe gewichtig ook deze internationale regelingen mogen genoemd worden, zy kunnen enkel als voorloopers worden beschouwd van het groote werk der codificatie van de voornaamste gedeelten van het Internationaal Privaatrecht dat op initiatief van Nederland in het jaar 1893 is aangevangen. Op uitnoodiging van onze Regeering toch, heeft van 12 tot 27 September van dat jaar de eerste conferentie voor het Internationaal Privaatrecht te \'s Gravenhage, onder voorzitterschap van Mr. T. M. C. Asser, lid van den Raad van State, plaats gehad;
53
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT.
daarbij waren de volgende Europeesebe Staten vertegenwoordigd: Duitschland, Oostenrijk-Hongarye, België, Denemarken, Spanje, Frank-rijk, Itaiië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Rumanië en Rusland.
Als vertegenwoordigers van ons land waren behalve den Voorzitter nog aangewezen: Jhr. Mr. G. J. Th. Beelaebts van Blokland, Mrs. P. R Feith en E. N. Rahüsen. Van het in den vorm van vraagpunten van wege onze Regeering ontworpen programma werd een gedeelte ter hand genomen, in afdeelingen voorbereid en na verder onderzoek als slotprotocol aangenomen, ten einde die besluiten aan de beoordeeling van de Regeering der verschillende Staten te onderwerpen.
Van 25 Juni tot 13 Juli 1894 had eene tweede conferentie, eveneens te \'s Grravenhage, plaats, waarbij behalve voormelde Staten nog Zweden en Noorwegen waren vertegenwoordigd. Ook deze vergadering werd door Mr. T. M. C. Asser voorgezeten. Behalve de herziening van hetgeen ten vorigen jare was vastgesteld, werden nog andere onderwerpen in behandeling genomen. Het onderzoek zou ioopen: 1°. ovér de gevolgen van het huwelijk ten opzichte van de personen en goederen der echtgenooten, de ontbinding en nietigheid des huwelijks en de scheiding van tafel en bed; 2°. over voogdij en curateele; 3°. over gelijkstelling van vreemdelingen en landgenooten ten aanzien van sommige onderwerpen van procesrecht; 4°. over faiilietrecht; 5\'. over erfrecht. Het eindresultaat werd wederom nedergelegd in een slotprotocol, hetwelk tevens dat van het vorige jaar met geringe wyzigingen bevat; de inhoud is overeenkomstig het bovenstaande in vijf rubrieken verdeeld.
Voor hen, die volledig kennis willen nemen van de werkzaamheden dezer conferentie, zij de lezing aanbevolen der officieele „Actes de la Conférence de la Hayequot; enz., ter Landsdrukkerij te \'s (ïravenhage in 1893 en 1894 uitgegeven. Zie ook een verkort verslag in Themis 1893, bl. 597 en v., 1894, bl. 87 en v. Daarenboven hebben verschillende schrijvers in tijdschriften en monographiën beschouwingen aan dezen arbeid gewijd; o. a. ten onzent Mr. J. B. Breukelman (die behoorde tot de aan de conferentie toegevoegde secretarissen) in Themis 1894, bl. 161 en v., 443 en v., 596 en v.
In onze wet hondende Algerneene Bepalingen komen, in navolging van den Code Nap. en het Ontwerp van 1820. eenige alleenstaande voorschriften van internationaal privaatrecht voor, waarbij deze stof niet dan op onvolledige wijze is geregeld, te weten:
Art. 6. //De wetten, betreffende de regten, den staat en de bevoegd-quot;heid der personen, verbinden de Nederlanders, ook wanneer zij zich quot;buiten \'s lands bevinden.quot;
Art. 9. \'/Het burgerlijk regt voor het Koningrijk is hetzelfde
54
RECHTEN EN BEVOEGDHEDEN DEB NEDERLANDERS. 55
\'/voor vreemdelingen , als voor de Nederlanders, zoo lang de wet quot;niet bepaaldelijk liet tegendeel vaststelt.quot;
Art. 7. quot;Ten opzigte van onroerende goederen, geldt de wet van \'/het land of der plaats, alwaar die goederen gelegen zijn.quot;
Art. 10. quot;De vorm v\'an alle handelingen wordt beoordeeld naar de quot;wetten van het land of de plaats, alwaar die handelingen zijn verrigt.quot;
Daarenboven treft men in de afzonderlijke wetboeken hier en daar bepalingen aan van internationaal privaatrechtelijken aard, waarop later zal worden teruggekomen.
In voormelde bepalingen vindt men vrg duidelijk de oudere leer der statutu personalia, realia en mixta terug. Men onderscheidde namelijk:
1°. de rechtsvoorschriften, die den staat der personen heheerschen; dat is hunnen rechtstoestand (als gehuwd, ongehuwd, meerderjarig, wettig kind enz.) en de daaruit voortvloeiende bekwaamheid of onbekwaamheid om handelingen te verrichten;
2quot;\'. de rechtsvoorschriften, die op zaken betrekking hebben, onafhankelijk van de bekwaamheid der personen, die tot die zaken in betrekking staan, als b. v. den aard der zaken, of zij roerend of onroerend zijn, de rechten uit eigendom, bezit, erfdienstbaarheid, enz. voortvloeiende; en eindelijk
\'ó°. de rechtsvoorschriften, die de rechtshandelingen naar vorm en inhoud heheerschen.
Het zwakste punt dezer onderscheiding vormt vooral de derde soort van statuten, waarvan het begrip vrij onbestemd is, en die niet altijd scherp zyn af te scheiden van de personeele en reëele statuten, waarmede zij telkens punten van samenhang opleveren.
Het voorschrift van art. 6 A. B. heeft ten doel de rechten en bevoegdheden, die den Nederlander persoonlijk eigen zijn, ook te doen gelden, als hij iu het buitenland vertoeft. Dit is niet op te vatten in dien zin dat de vreemde rechter zich naar dit voorschrift moet gedragen, hetgeen onze wet niet zou kunnen gebieden, maar het strekt als regel voor den Nederlandschen rechter, voor zoover hij de rechten zal hebben te beoordeelen van den zich iu den vreemde bevindenden Nederlander.
De woorden „regten, staat en bevoegdheid der personen,quot; voorkomende in art. 6 zijn vermoedelijk in dezen zin op te vatten, dat het woord staat (hier in engen zin genomen) duidt op den rechtstoestand waarin eenig persoon, door zijne hoedanigheid als Nederlander,
internationaal phivaatrecht.
door zijnen ouderdom en familietoestand, of wel door bijzomlere wettelijke voorschriften of verrichtingen hem persoonlijk betreffende — als b. v. afwezigheid, onder cnrateele stelling, handlichting enz. gebracht is.
In nauw verband met dien staat, is zijne bevoegdheid (beter: bekwaamheid) tot het verrichten van rechtshandelingen. Terwijl in art. 3 Code Nap. alleen sprake was van Vétat et la capacité des per-sonnes, heeft dit woord ten onzent door de bijvoeging van het woord reyten eene engere beteekenis verkregen.
Uit de geschiedenis van dit artikel (te vinden bij Voorduim, Gesch. en Beg., deel I, bl. 259, II, bl. 346—352, enz.) blijkt volgens sommigen, dat men onder bevoegdheid wilde verstaan de aan den persoon verknochte bekwaamheid om zeker recht uit te oefenen, terwijl de uitdrukking regten zou slaan op den inhoud der handelingen, krachtens die bekwaamheid door hem verricht. Die inhoud zou derhalve, even als de bekwaamheid van den persoon, door den Neder-landschen rechter aan ons recht moeten worden getoetst — behoudens de door de wet zelve in art. 7 gemaakte uitzondering ten aanzien der onroerende goederen. Verreweg beter schynt het ons echter toe met den Heer Nicolaï aan te nemen, dat men door de invoeging van het woord regten de beteekenis van art. 3 C. N. niet heeft willen uitbreiden, maar alleen verduidelyken. Vgl. Mr. T. M. C. Asser, Observations sur un passage de M. Foelix, concernant le Droit Neerlandais ; Revue de droit international, I, bl. 113 en vlgg.
Het blijft evenwel niet te ontkennen dat, niettegenstaande geschiedkundige nasporingen, de onderlinge verhouding der begrippen van staat, bevoegdheid en rechten der personen niet met volkomen juistheid te bepalen is.
Het recht dat op vreemdelingen ten onzent toepasselijk is, wordt geregeld door art. 9 Alg. Bep.
Dit artikel bepaalt dat, behoudens de in de wet uitgezonderde gevallen, liet burgerlijk recht van liet Koninkrijk hetzelfde is, voor Nederlanders eu vreemdelingen.
Ter juiste beoordeeling van artikel 9 Alg. Bep. moet men letten:
a. op het voorschrift van art. 11 Code Napoléon, bepalende dat de vreemdeling in Frankrijk dezelfde burgerlijke rechten zal genieten als welke aan Franschen zullen zijn toegekend door de traktaten met den Staat, tot welken die vreemdeling behoort;
b. op de bepalingen van art. 19—22 van het ontwerp van 1820
56
kuchten en bevoegdheden dek v k e em ü e li n ü e n. 57
waarbij uevens de erkenning der statuta personalia van vreemdelingen werd bepaald dat den vreemdeling hier te lande geen recht uit het Burgerlijk Wetboek zou te stade komeu, zoo niet in een gelijk geval in diens land aan den Nederlander hetzelfde recht was toegekend.
Dit beginsel van wederkeerigheid komt in vele, wetboeken voor, o. a. in bet Allg. Landr. für die Prenss. Staaten, Einl. § 43; in het Oesterr. Gesetzbuch § 33.
c. Op de beraadslagingen over art. 22 van gemeld ontwerp, waarbij aangedrongen werd op een vrijzinniger stelsel, daar het belang van een land dat door handel en nijverheid bloeide medebracht, den vreemdeling vrijgevig te behandelen.
Men drong aan op deze redactie: //vreemdelingen hebben in de Nederlanden het genot van al de burgerlijke regten, waarvan zij niet uitdrukkelijk bij de wet zijn uitgeslotenquot;;
(l. op de vaststelling van den tegenwoordigen tekst in het daarop volgende ontwerp (van 19 Maart 1821) en de opvatting der regeering daaromtrent, in verband met eene vraag van den Hoogleeraar Kemper, of nu de vreemdeling van het genot zijner statuta personalia beroofd was, welke vraag ontkennend werd beantwoord [Gesch. der Belïb., II, bl. 413 en 414).
Uit een en ander volgt blijkbaar;
1°. dat men ook thans, niettegenstaande het statutum personale van vreemdelingen niet uitdrukkelijk is genoemd, dit beginsel als niet strijdig met art. 9 Alg. Bep., ten onzent moet erkennen; terwijl de uitlegging door sommigen aan art. 9 voormeld gegeven, alsof het Nederlandsch Burgerlijk recht, ook wat den persoonlijken staat en bevoegdheden betreft, aan vreemdelingen wordt opgedrongen, te verwerpen is;
2°. dat na de gewijzigde redactie van art. 9, (waarbij o. a. het woord regten in regt is veranderd), en nadat de wet houdende Algemeene Bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is afgescheiden, niet alleen de bepalingen van dit laatste wetboek, maar ook die van het geheele Nederlandsche privaatrecht, derhalve ook van het handelsrecht en van het procesrecht, bij dit artikel worden bedoeld.
Groot is de strijd der rechtsgeleerden over het eerstgemelde punt (de toekenning der statuta personalia aan vreemdelingen). Aan de ééne zyde staan zij, die streng hechten aan den tekst van art. 9,
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT.
welke liet statutum personale niet noemt en veeleer aan uitsluiting daarvan zou doen denken, terwijl de vroeger daaromtrent door de wetenschap gehuldigde regelen niet meer gelden. Zie b. v. Opzoo-mek, ad art. 9 Alg. Bep., Diephuis, Hei N. B. Jt., 1870, I, bl. 59 en vlgg., alwaar alle schrijvers in utramque partem worden aangehaald. Daartegenover staat echter
а. dat men minstens met evenveel recht kan zeggen dat juist onze wet, door in art. 9 de gelijkstelling van Nederlanders en vreemdelingen uit te spreken, ook aan hen de in art. 6 aan Nederlanders verleende statuta personalia heeft willen toekennen;
б. dat uit de geschiedenis der bepaling blijkt dat men bij het voorstellen en aannemen daarvan, de rechten der vreemdelingen heeft willen begunstigen en het genot zgner statuta personalia handhaven;
c. de gewraakte leer zou, zooals Mr. van Hall, Handl., bl. 16, opmerkt, zeer zonderling in hare gevolgen zijn. Zuo zou b. v. een buitenlandsch huwelijk tusschen vreemdelingen gesloten niet door onze autoriteiten behoeven te worden erkend, en het aangaan van een nieuw huwelijk in Nederland niet in den weg staan.
Het geven van eenen voogd aan hem die reeds onder voogdij is of het toevoegen van eenen voogd aan hem die uit de voogdij ontslagen is, zou een even ongerijmd gevolg kunnen zijn.
De leer van sommigen, alsof de vreemdeling de keus zou hebben zijn eigen recht of wel de Nederlandsche wetgeving in te roepen, achten wij nóch te rechtvaardigen door den tekst onzer wet, nóch wenschelijk, wegens de daaruit voortspruitende rechtsonzekerheid.
Volgens art. 9 Alg. Bep. kan de wet uitzonderingen vaststellen op het beginsel van gelijkheid van burgerlijk recht voor Nederlanders en vreemdelingen.
Deze uitzonderingen berusten deels op het beginsel van wederkee-righeid, deels spruiten zij voort uit de moeielijkheid, die eene procedure met eenen vreemdeling, inzonderheid met het oog op de executie van diens goederen, kan opleveren:
a. Op het beginsel van wederkeeriglicid steunden, vóór de wet van 7 April 1869 , Stbl. n0. 56, de voorschriften van het vroegere art. 884 B. W., hetwelk bepaalde dat een vreemdeling niet bevoegd was, als erfgenaam op te treden in de goederen, die zijn bloedverwant, hetzij vreemdeling, hetzij Nederlander, in het koninkrijk bezat, dan alleen in de gevallen, waarin een Nederlander van zijneu bloedverwant, goederen in het land van dien vreemdeling bezittende, zoude kunnen erven, en op dezelfde wijze; van art. 957 B. W,, voorheen
38
RECHTEN EN BEVOEG ÜHEUEN DEE VREEMDELINGEN. 59
luidende: quot;Een vreemdeling kan in het koningrijk niets bij uitersten wil bekomen, dan voor zoover dezelfde bevoegdheid aan den Nederlander in het land waartoe die vreemdeling behoort is toegestaanquot;; eu vau art. 1718 B. W., dat o. a. de bepaling van art. 957 voormeld ook op schenkingen toepasselijk maakte.
De oorspronkelijke artt. 884 en 957 B. W. zijn echter door gemelde wet van 7 April 1869, Stbl. u0. 56, afgeschaft, terwijl bij de nieuwe wet geene beperkingen meer ten opzichte van vreemdelingen in het algemeen gesteld zijn teu aanzien hunner erfopvolging, maar alleen eene voor Nederlanders gunstige bepaling is gemaakt, voor het geval dat zij met vreemdelingen eene nalatenschap moeten deelen, waartoe zoowel goederen in Nederland als buiten \'s lands gelegen behooren, en zij door de buitenlandsche wetten of gewoonten, ten aanzien vau de verkrijging dier goederen, zouden worden belemmerd. In art. 1718 B. W. is tengevolge dierzelfde wet, de aanhaling van art. 957 vervallen.
Op wederkeerigheid berust verder de bepaling van art! 855 , lid 2, W. v. Burgerl. Eegtsv., bepalende dat arme en onvermogende vreemdelingen, benevens buitenlandsche annen-directiën of kerkbesturen niet mogen gebruik maken van het voorrecht der kostelooze procedure, zoo niet bij uitdrukkelijke overeenkomst anders mocht zijn bedongen.
Zoodanige verdragen zijn gesloten:
met Pruissen, 21 Aug. 1822, Besl. v. 28 Aug. 1822, Stbl. n0. 14; met Hessen, 4 Maart 1826, Besl. v. 11 Mei 1826, Stbl. n0. 40; met Luxemburg, 29 Junij 1841, Besl. v. 31 Juli 1841, Stbl. n0. 27; met Hanover, 3 Juli 1846, Besl. v. 15 Juli 1846, Stbl. nquot;. 48; met Italië, 9 Jan. 1884, wet v. 7 Oct. 1884, Stbl. nquot;. 214, Besl. v. 30 Nov. 1884, Stbl. nquot;. 227; met Belgie, 31 Oct. 1892, wet van 29 Dec. 1893, Stbl. n0. 244.
b. Uit de bezwaren, die voortvloeien uit eene procedure met eenen vreemdeling, zijn de volgende bepalingen voortgesproten:
Art. 127 W. v. B. Regtsv., dat het recht verleent, den vreemdeling, zelfs buiten \'s lands verblijvende, voor den Nederlandscheu rechter te dagvaarden ter zake van verbintenissen, door hem jegens eehen Nederlander, hetzij in Nederland, hetzij in een vreemd land, aangegaan.
Deze bepaling, die van den Code Napoléon, art. 14, is overgenomen, maar te recht in het Wetb. v. B. R. is overgebracht, bevat
60 internationaal privaateecht.
eeue uitzondering op de gewone regelen der competentie, en verschaft den Nederlander liet voordeel een vonnis te verkrijgen, hetwelk hij op de goederen van den vreemdeling, voor zoover die zich hier te lande bevinden, of wellic-ht bij wege van beslag onder derden, of op andere wijze hier te lande kan ten uitvoer leggen, waartoe hij anders niet in staat zou zijn, zoo hij hem voor zijnen gewonen (buitenlandschen) rechter moest dagvaarden.
Men noemt dit dagvaarding bij overdaging of evocatie.
Niettemin kan het voorkomen dat in Nederland een competente rechter ontbreekt, b. v. als de eischer hier te lande geene woonplaats heeft en ook geene andere omstandigheid de competentie des rechters hier te lande vestigt.
Art. 152 W. v. B. R. verplicht de vreemdelingen, eischers zijnde, of in eene aangelegde rechtszaak zich voegende of tusschenkomende, ten verzoeke der wederpartij zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en der schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden. De artikelen 125 en 353 Ev. verklaren deze bepaling ook toepasselijk op het rechtsgeding voor den kantonrechter en in hooger beroep.
Men noemt, deze zekerheidstelling gewoonlijk de cinitio jndicatum solvi, ofschoon zy niet meer dan den naam met de oude gelijkhiidende cautie van het Romeinsche recht gemeen heeft, volgens hetwelk zij van den gedaagde, niet van den eischer werd gevorderd.
Ook de vreemdelingen, die volgens tractaat tot het voorrecht van kosteiooze procedure zijn toegelaten, zijn verplicht de cautio judicatum solvi te stellen; deze toch strekt ten bate van de tegenparty. Niettemin kan ook by de wet, of bij door de Staten-Generaal goedgekeurd tractaat van deze verplichting aan vreemdelingen vrijstelling worden verleend. Men zie art. 36 van de tusschen Nederland, Baden, Beijeren, Frankrijk, Hessen en Pruissen gesloten overeenkomst omtrent de Ryn-vaart (wet v. 4 April 1869, Stbl. nquot;. 37, Kon. Besl. van 3 Mei 1869, Stbl. nquot;. 75); art. 17 der wet van 15 Juli 1869 (Stb. n0. 124) betreffende vorderingen door landverhuizers ingesteld; art. 3 der hierboven genoemde overeenkomst met Italië v. 9 Jan. 1884 (Stbl. nquot;. 214, 227) en art. 3 van de hierboven genomen overeenkomst met Belgie van 31 Oct. 1892 (Stbl. van 1893, n0. 244).
De verdere vragen, waartoe dit onderwerp aanleiding geeft als b. v. in hoeverre de gedaagde vreemdeling, eischer bij reconventie, verplicht is deze zekerheid te stellen, of wel de eischende vreemdeling, die in eersten aanleg in het gelijk is gesteld en in hooger beroep als geinti-
rechten\' kn\' bevoegdheden dek vreemdelingen. 61
meerde ten processe verschijnt; evenzoo de vraag of de gedaagde al of niet Nederlander behoeft te zijn om de cautie te vorderen; of een vreemdeling, die verzet doet tegen eene rangschikking, of tegen de homologatie van een accoord enz., verplicht is zekerheid te stellen, en andere soortgelijke behooren tot de studie der rechtsvordering.
Volgens art. 16 Code Nap. was eene uitzondering gemaakt voor handelszaken; ten onzent heeft men echter te dien aanzien den vreemdeling van de verplichting tot het stellen van zekerheid niet willen vrijstellen (v. d. Honebt § 15:2).
De moeielijklieid om een Nederlaudsch vonnis op de goederen van vreemdelingen ten uitvoer te leggen, heeft nog ten gevolge dat het middel van lijfsdwang in meer gevallen tegen- hen kan worden toegepast dan tegen Nederlanders.
Zoo bepaalt art. 585 n0. 10, Wetb. van Burg. Regtsv., dat lijfsdwang kan plaats hebben tegen alle vreemdelingen, welke geene vaste woonplaats binnen het Koninkrijk hebben, voor alle schulden, zonder uitzondering, ten behoeve van Nederlanders aangegaan.
Deze bepaling was in het Fransche recht op gelijke wijze geregeld bij het üécret du 10 Sept. 1807, art. 1, te vinden in Eondonneau , I, hl. 423, en overgenomen in de Loi du 17 Avril 1832, art. 14, behoudens eene uitzondering voor veroordeelingen tot minder dan 150 francs.
Terwijl in het algemeen lijfsdwang nimmer mag worden ten uitvoer gelegd, dan uit krachte van een vonnis, waarbij hij is uitgesproken (art. 589 B. R., 2067 C. Nap.) veroorlooft art. 768 W. v. B. Regtsv. vreemdelingen bij voorraad te gijzelen, zonder dat er een vonnis te hunnen laste bestaat, docli alleen voor zooverre zij geen vast verblijf binnen het Koninkrijk hebben, op bevel van den voorzitter der arrondisseinents-rechtbank, en ter zake eener vervallen en opeisclibare schuld jegens eenen Nederlander aangegaan.
Vgl. art. 2 van het Fransche Decreet van 10 Sept. 1807, en art. 15 der voormelde Fransche wet van 17 April 1832. Onze bepaling wordt van vele zijden scherp afgekeurd.
Eindelijk zijn vreemdelingen door art. 710 W. v. B. Regtsv. uitgesloten van het voorrecht van boedelafstand, docli alleen voorzooverre zij geene vaste woonplaats in het Koninkrijk hebben. Vgl. art. 905 Code de Proc. Civ.
„De geregtelijke boedelafstand is eene gunst, welke de wet aan den „ongelukkigen en te goeder trouw gehandeld hebbenden schuldenaar
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
„toekent, aaa wien het veroorloofd wordt, tot behoud zyner persoonlijke vrijheid, alle zijne goederen geregtelijk aan zijne schuld-„eischers af te staan, niettegenstaande ook het tegendeel mogt zijn „bedongen.quot; Art. 70i W. v. B. R.
De meerdere gestrengheid tegenover vreemdelingen, met betrekking tot de toepassing van den lijfsdwang, brengt ook mede, dat de wet hen niet doet deelen in het voorrecht van een rechtsmiddel, dat ten doel heeft den schuldenaar tegen Igfsdwang te beveiligen.
De invoering van de wet van 30 Sept. 1893 (Stbl. n0. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, zal de afschaffing van het geheele rechtsmiddel van gerechtelijken boedeiafstand ten gevolge moeten hebben. Daardoor zal dan tevens de hier bedoelde uitzondering ten aanzien van vreemdelingen vervallen.
Art. 8 B. W. hield de bepaling in van twee gevallen, waarin vreemdelingen met Nederlanders werden gelijk gesteld. Alsdan waren natuurlijk de uitzonderingen by art. 9 A. B. bedoeld, niet van toepassing. Bij de wet van 12 Dec. 1892 (Stbl. n0. 268) op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, is de geheele tweede titel van het eerste Boek van het B. W. en daarmede art. 8 voormeld afgeschaft; niettemin is blijkens de overgangsbepaling de gelijkstelling van vreemdelingen met Nederlanders gehandhaafd, ten aanzien van hen, die op het tijdstip der in werking treding van de nieuwe wet (1 Juli 1893) aan de bepaling van art. 8 B. W. hadden voldaan.
Mochten de werkzaamheden der Conferentie van het Internationaal Privaatrecht tot wetsverandering leiden, dan zullen vermoedelyk de sub b. genoemde uitzonderingsbepalingen vervallen en door doelmatige voorschriften worden vervangen, daar het streven gericht is op eenheid van internationale berechting van geschillen en wederkeerige uitvoerbaarheid der vonnissen, in verband met zoo veel mogelijke gelijkheid van recht voor onderdanen van verschillende Staten.
quot;Ten opzigte van onroerende goederen, geldt de wet van het land of der plaats, alwaar die goederen gelegen zijn.quot; Art. 7 Alg. Bep.
Dit beginsel van oude dagteekening is algemeen door wetgevingen en schrijvers aangeaomen (Foelix , Traité du droit international privé, n°. 32—35).
De Nederlandsche wet bepaalt niet slechts dat de onroerende
62
BEGINSEL TEN AANZIEN VAN ONROERENDE GOEDEREN. 63-
goederen hier te lande beheerscht worden door de regelen des Neder-landschen rechts, maar eerbiedigt het gezag van het buitenlandsch recht, ten aanzien der onroerende goederen in het buitenland gelegen.
Minder volledig was de Fransche wet omtrent de statuta realia.
Zie art. 3, lid 2 Code Nap.: „Les immeubles, mêtne ceux possédés „par des étrangers, sont régis par la loi Frangaise.quot;
Hieronder moet uiet worden verstaan dat de Nederlandsche wet ook bepaalt, wat iu het buitenland als recht moet gelden; maar alleen wordt den Nederlandschen rechter voorgeschreven, volgens welk recht hij ten opzichte van een onroerend goed heeft te beslissen.
Dit artikel bevat derhalve eeiie uitzondering op den regel dat de Nederlandsche rechter, volgens onze wet moet recht spreken.
Die uitzondering is gegrond op de on verbreek bare banden, welke de onroerende goederen heehten aan het land, waarin zij gelegen zy u.
Is de Nederlandsche rechter gebonden aan de gewone bewijs-regelen ten opzichte van het bestaan der vreemde wet en van haren inhoud? Wij zouden meenen van niet. Daar, waar de toepassing van de vreemde wet onzen rechter gebiedend is voorgeschreven T moeten hem alle middelen ten dienste staan om dat vreemde recht te leeren kennen; hetgeen natuurlijk niet wegneemt dat het voor geding-voerende partyen raadzaam is den rechter omtrent de vreemde wet zoo volledig mogelyk in te lichten.
Wat onder onroerende goederen, volgens art. 7 Alg. Bep., is te verstaan, wordt geleerd in het Burg. Wetb., art. 562 eu vlgg., alwaar volgens gewijzigd spraakgebruik de benaming onroerende zaken voorkomt.
Groote moeielijkheden kunnen in de toepassing van het beginsel van art. 7, Alg. Bep. ontstaan, indien de wetten van verschillende staten afwijkende bepalingen bevatten omtrent datgene, wat als
roerend of onroerend goed te beschouwen is.
•
Het beginsel van art. 7 Alg. Bep., vindt zijne toepassing daar, waar sprake is van den omvang en den inhoud van bet recht van eigendom en bezit, en van de zakelijke rechten die op eens anders onroerend goed kunnen worden gevestigd;
waar het geldt de wijze, waarop een dergelijk recht wordt gevestigd eu verloren gaat;
hoe het beheer daarover wordt uitgeoefend;
internationaal 1\' r i v a a t k k c h t.
onder welke voorwaarden het onroerend goed voor gerechtelijke uitwinning vatbaar is en hoe deze moet plaats hebben ;
welke bevoorrechte schulden op zoodanig goed kunnen worden verhaald.
De hierboven bedoelde regel geldt alleen waar sprake is van datgene , wat het goed zelf betreft. Daar, waar het geldt de bevoegdheid van personen, die tot de onroerende goederen in betrekking staan, of waar wetsbepalingen betreffende het personenrecht middellijke gevolgen ten opzichte van onroerende zaken medebrengen, gelden de regelen van art, 6 en 9 nevens die van art. 7 Alg. Bep.
Zoo zal onze rechter den verkoop van een in Frankrijk gelegen onroerend goed niet als geldig kunnen aanmerken, indien de Neder-landsche eigenaar volgens ons recht, nog minderjarig, doch volgens Fransch recht reeds meerderjarig is, tenzy de formaliteiten hebben plaats gehad, ten onzent voorgeschreven omtrent den verkoop van goederen, aan minderjarigen toebehoorende.
Zoo zullen de onroerende goederen, die een voogd in een vreemd land bezit, volgens welks wetgeving eene wettelijke hypotheek, ten bate van den minderjarige daarop zou rusten, volgens ons recht niet als door hypotheek bezwaard kunnen worden aangemerkt; immers (zoo zegt te recht Mr. Diephüis, I, bl. 72), „die goederen zijn niet uit „zich zelve met dien last bezwaard, maar slechts omdat de wet daarop „zoedanig regt geeft; doch onze wet geeft den minderjarige dat regt „niet, ook niet in een vreemd land, en hij kan het niet ontleenen „aan eene vreemde wet, waarvan de regtsbetrekking tusschen hem en „zynen voogd onafhankelijk is.quot;
De wet houdende Algemeene Bepalingen gewaagt niet van roerende goederen, en vrij zeker is het dat men den regel van artikel 7 Alg. Bep , in het algemeen niet op roerende goederen mag toepassen, hetgeen ten eenenmale eene miskenning zou zijn van de strekking van gemeld artikel, dat eene bijzondere bepaling ten aanzien der onroerende goederen heeft willen maken, en bovendien veelal zou strijden met de bewegelijke natuur der roerende goederen.
Velen stellen dat deze goederen, die de eigenaar meer rechtstreeks onder zijne heerschappij heeft dan dit met onroerende goederen het geval is, en die hij in den regel naar willekeur van plaats kan doen veranderen, diens persom volgen, gelijk men dit gewoon is te zeggen; dat is, zij worden geacht aan hetzelfde recht onderworpen te zijn, dat de bevoegdheden van den eigenaar beheerscht.
64
- ROKKENDE GOEDEREN.
65
ONROERENDE
Men drukte dit voorheen uit met de woorden: „Mobilia sequuntur personam-\'\'\' waarby somtijds gevoegd werd ejus ouibus inhaerent en nog wel ut lepra cuti. Deze laatste bijvoegsels zijn evenwel nóch juist, nóch fraai. De roerende goederen kunnen evenzeer den eigenaar overleven als door dezen aan anderen worden overgedragen.
Mr. Diephuis stelt, zoowel in zijn Ned. Burg. Regt, I, bi. 73 en vlgg. als in zijn Handboek, 1876, bi. 26 en 27, voor het recht ten aanzien van roerende goederen andere regelen. De oude regel quot;Mobilia sequuntur p(■rsonam,,, die nog in art. 910 Outw. van 1820 uitdrukkelijk voorkwam, zegt schrijver, is bij ons niet overgenomen en beveelt zich ook niet aan door iunerlij ke waarde; de regel voor onroerende goederen gesteld kan uit den aard der zaak niet gelden; d.e slotsom is eene ouderscheiding tusschen handelingen omtrent roerende zaken, die hier te lande, en die elders hebben plaats gehad; en tusschen handelingen, die. al of niet haar beslag hebben erlangd.
Deze leer maakt zich althans los van de leerstellige beschouwingen der vroegere schrijvers, die de leer omtrent roerende zaken, in ééne enkele stelling wilden samenvatten.
Niet te ontkennen valt het echter, dat de leer van Mr. Diephuis — zij het ook minder groote — onjuistheden en moeielijkheden oplevert.
Bij het stilzwijgen der wet doet men wellicht veiliger, de leer omtrent hetgeen geldt voor roerende zaken, niet te trachten in zoo algemeene bewoordingen samen te vatten, als dat ten opzichte van persoonlijke statuten of onroerende zaken kan geschieden, maar bij elk geval in concreto den stand van zaken na te gaan; waardoor men nu eens zal bevinden, dat het recht omtrent roerende zaken niet af te scheiden is van de rechtshandeling, welke die zaken be-heerscht, dan weder dat de toevallige plaats waar zich die zaken bevinden, of wel de rechten van derden hunnen invloed uitoefenen omtrent de vraag welk recht moet worden toegepast. Vgl. hieromtrent: Mr. T. M. C. Asser, Schets v. het Intern. Privaatr., bl. 66—77.
Wat is rechtens ten aanzien eener algemeenheid van goederen, met name eene nalatenschap, die uit roerende en onroerende goederen bestaat, van welke de laatste wellicht gelegen zijn in een ander land dan dat, waartoe de erflater behoort, of waar de nalatenschap is opengevallen? Hieromtrent zou men kunnen beslissen, dat daarop van toepassing is : bf de wet der plaats, waar zij open valt,
of die van des erflaters nationaliteit,
bf wel dat men roerend en onroerend goed van elkander moet af-
Asskr, Burger!. Hecht 1. 3e druk. 5
internationaal privaatrecht.
scheiden, met toepassing van den regel: quot simt bona (Uversis ter-ritoriis ohuoxia, totidem patrimonia intelligunter.
Wellicht strookt de laatste oplossing het meest met de regelen onzer wet houdende Algemeene Bepalingen; echter stuit men daarbij op groote moeielijkheden en tegenstrijdigheden. De wetenschap huldigt dan ook in het algemeen de leer dat eene nalatenschap als eenheid moet worden aangemerkt en dat voor al hare bestanddeelen hetzelfde recht behoort te gelden; vgl. Mr. T. M. C. Asser, t. a. p., bl. 90 en v. Het is bijkans onnoodig te vermelden dat de Conferentie te \'s Gravenhage hetzelfde stelsel was toegedaan. Zij onderwerpt verder de nalatenschappen aan de wet van des erflaters nationaliteit, terwijl alleen voor het in acht nemen van sommige vormen en uitwendige vereischten de wettelijke bepalingen van den Staat, waarin de nalatenschap is opengevallen of de daartoe behoorende onroerende goederen gelegen zijn van toepassing worden verklaard.
Teil opzichte der handelingen luidt de wet houdende Alg. Bep. in art. 10 aldus: quot;De vorm van alle handelingen wordt beoordeeld quot;naar de wetten van het land of de plaats, alwaar die handelingen «zijn verrigt.quot;
Deze bepaling komt als zoodanig niet voor in den Code Napoléon. Niettemin toonen de artt. 47, 170 en 999 Code Nap, aan, dat het beginsel evenzeer in het Fransche Wetboek geldt. Zie nader hieromtrent Mr. H. A. Haetogh , De regula juris: locus re/jit actum Hagae Comitis, 1838, bl. 113—119.
Deze regel is ontleend aan de oude leer der statuta mixta, en werd gewoonlijk uitgedrukt door de woorden locus regit actum.
Zij heeft haar ontstaan te danken aan het gevaar dat er in gelegen is, dat handelingen in het buitenland verricht, wegens een gebrek in den vorm, zonder schuld van hem, die de handeling verrichtte, zouden kunnen worden vernietigd; verder aan de moeielijkheid, ja zelfs de onmogelijkheid, waarin men in het buitenland zou kunnen verkeeren, om de ten zijnent voorgeschreven vormen in acht te nemen (b. v., indien tot het verrichten van handelingen, ten onzent andere ambtenaren zijn aangewezen, dan in het buitenland daartoe worden gebezigd, of indien instellingen, als b. v. de burgerlijke stand ten onzent», elders niet bekend zijn).
66
vorm der han klingen.
Zij strekt eindelijk tot vereenvoudiging van velerlei handelingen, b. v. het maken van uiterste wilsbeschikkingen of het aangaan van overeenkomsten omtrent onroerende goederen in verschillende lauden gelegen, waaromtrent anders wellicht verschillende testamenten of contracten zouden worden vereisclit.
De regel van art. 10 geldt onbepaald; de bepaling is gebiedend. Het staat alzoo den Nederlander niet vrij in den vreemde, naar willekeur, de vormen voor het buitenland of voor Nederland voorgeschreven in acht te nemen; hiertegen verzet zich de duidelijke tekst der wet: «De vorm van alle handelingen wordt beoordeeldquot;, enz. Zelfs zal men de geldigheid quoad for mam moeten aannemen, ten aanzien eener handeling, die in het buitenland verricht is, om zich aan de vormen, door ons recht voorgeschreven, te onttrekken.
De schrijvers zijn het inzonderheid over dit laatste punt niet eens. By de beoordeeling zij men indachtig dat de meest gezaghebbenden, als Foelix en Demolombe, die den regel locus regit actum in geval van opzettelyke ontduiking der vormen niet willen toepassen, uit algemeene rechtsbeginselen redeneeren, en den positieven tekst van ons art. 10 Alg. Bep., niet voor oogen hebben.
Men verlieze verder niet uit het oog dat de inhoud en de rechtsgevolgen der handelingen, verricht overeenkomstig de voorgeschreven vormen, niet door art. 10 Alg. Bep. worden beheerscht.
De bepaling van art. 10 Alg. Bep. wordt somtijds door bijzondere bepalingen in onze wetboeken min of meer gewijzigd, of aan voorwaarden gebonden.
Zoo erkent art. 138 Burg. Wetb. wel is waar de geldigheid eens huwelyks in een vreemd land aangegaan, tusschen Nederlanders, of tussehen Nederlanders en vreemdelingen, indien het is voltrokken naar den vorm in dat land gebruikely k, maar voegt er als voorwaarde by dat de huwelijksafkondigingen, volgens de wet, binnen Nederland, zonder stuiting des huwelijks hebben plaats gehad, en de Nederlandsche echtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen van de eerste afdeeling van den vyfden titel van het eerste boek van het Burgerlyk Wetboek.
Evenzoo veroorlooft art. 992 B. W. den Nederlander in het buitenland eenen uitersten wil te maken, volgens den vorm in het buitenland geldig, maar beperkt aan de andere zyde zijne bevoegdheid, door te bepalen dat hy geen anderen uitersten wil zal kunnen maken dan
5*
67
INHOUD DEB HANDELINGEN\'.
hij authentieke akte, behalve tot het maken van beschikkingen ais by art. 982 B. W. zyu bedoeld, die ook in het buitenland bij onder-handsch stuk kunnen geschieden.
De Code Nap. bevatte in art. 999 niet de bovengenoemde beperking, maar huldigde volkomen den regel, locus regit actum.
Men zie ook in verband met dezen regel de bepaling van art. 310 W. v. K.
Ons wetboek bevat zoo min als de wetboeken der meeste andere Staten, eeuig algemeen geldend, stellig voorschrift, aangaande datgene, wat rechtens is ten op/ichte van den inhoud en de rechtsgevolg en van handelingen, verricht tusschen Nederlanders en vreemdelingen, of wel tusschen ingezetenen van denzelfden Staat, die zich tijdens het verrichten eener rechtshandeling, in een ander land bevinden.
Bij de oplossing van vragen dienaangaande, bevindt men zich bijgevolg op het gebied der vrije wetenschap.
Behoudens den invloed van wetsbepalingen vau gebiedend recht (zie hierover § 5 infra), zal bij verbintenissen voortspruitende uit overeenkomsten, welke zijn aangegaan buiten het land der partijen of van ééne der partijen, moeten worden onderzocht welke de waarschijnlijke bedoeling der partijen is geweest.
Mr. T. M. C. Asser, t. a. p., bl. 53, zegt dienaangaande: „wanneer „het partyen vrij staat de verbindtenissen zoo in te richten en te „clausuleeren als zij goedvinden, dan moet men, waar zij eenig punt „niet hebben geregeld, en men wenscht te weten in welken zin zy „de regeling daarvan bedoeld hebben, onderzoeken op welke wet zy „waarschynlijk, bij bet verrigten der handeling het oog hebben gehad.quot;
Dientengevolge zal men dikwijls tot de conclusie moeten komen, dat partijen zich hebben willen onderwerpen aan het recht van de plaats waar de verbintenis is aangegaan (Jex loci contractus), indien althans deze niet door bloot toeval is bepaald, b. v. als partijen elkander op reis ontmoeten en eene overeenkomst sluiten; somtijds echter hebben partijen de plaats op het oog, waar de uitvoering der verbintenis moet plaats hebben {lex loci execuiionis) (vgl. art. 498 W. v. K.) ^
Tot welk land de rechter behoort, die van geschillen omtrent de overeenkomst moet kennis nemen, zal in den regel bij de beantwoording dezer vraag onverschillig zijn.
68
naleving der vv e ï door b ij zond k re personen. 69
Zie omtrent een en ander Mr. T. M. C. Asser, t. a. p., bi. 52—64, en de door dezen aangehaalde schrijvers.
Bij verbintenissen uit de wet ontstaande, is natuurlijk van geene bedoeling der handelende partijen sprake; hier zal wel steeds het recht moeten gelden van het land, waarin de handeling heeft plaats gehad, die de verbintenis heeft doen ontstaan.
Volledigheidshalve wijzen wij op de bepaling van art. 8 Alg. Bep. «De strafwetten en de verordeningen van policie zijn verbindende, //voor allen die zich op het grondgebied van het Koningrijk bevinden.quot; Vgl. art. 2 W. v. Strafr.
Deze bepaling kan hier verder, als niet tot het burgerlijk recht
behoorende, buiten behandeling blijven.
§ 5-
gevolgen van de verbindende kracht der wet, ten opzichte van hare naleving door de personen aan hare werking onderworpen en de door hen verrichte rechtshandelingen.
De wet strekt tot richtsnoer voor ieders rechten en verplichtingen. Niettemin is een ieder gerechtigd al datgene te doen, wat door de wetten niet verboden wordt, en al datgene na te laten, waarvan de uitvoering hem niet door de wet wordt geboden.
Van daar de onderscheiding in gebiedend. absoluut recht (absolutes gebietendes Recht) en aanvidlend of regelend recht, (vermittelndes, ergiinzendes Recht, Brlaubnissgesetze).
De onderscheiding van het absolute recht, in gebiedend en verbiedend recht, door sommigen gemaakt, verdient geene aanbeveling. Elke gebiedende wet is tevens eene verbiedende, daar zij alles verbiedt wat strijdt met haar gebod.
Onder gebiedend of absoluut recht verstaat men die wettelijke voorschriften, welke alle bijzondere willekeur uitsluiten. Hiertoe behooren inzonderheid de voorschriften welke de openbare orde, de tinanciëele of staatkundige belangen van den Staat, of wel de goede zeden betreffen.
70 naleving der wet u o o r bijzondere personen.
Zie Goudsmit, Pand. Syst., bl. 33; Mr. W. Modderman, Handh. v. h. Hom. Recht, 2e uitg. door Mr. H. L. Dbükker, I, bl. 20.
Vgl. de Eomeinsch rechtelijke voorschriften dienaangaande L. 38, D., de pact. (II, 14): Jus publicum privatorum pactis mutari non potest; L. 20 pr., D., de relig. (XI, 7): Pacto jus publicum infringi non potest; en elders: L. 7 § 16, D., de pactis; (II, 14), L. 42, D., eod. L. 12 § 1, de pact. dot. (XXIII, 4): Quoties pactum a jure communi reraotum est, servari non oportet.
Het aanvullende of regelende recht daarentegen laat aau deu bijzonderen wil vrije speelruimte, en oefent dan alleen zijne werking uit, wanneer de belangliebbendeu zelf hunne rechtsbetrekkingen niet — of niet volledig hebben geregeld.
Vgl. Goudsmit, Modderman, t. a. p.
Vgl. 1. 29 C. de pactis (2, 3), Om nes Hceutiam habere his, quae pro se introducta sunt, renuntiare.
Zie ook v. Savigny, System, I, § 16, 57; Puchta , F and., § 110; Zachariae, EM., g 15; Windscueid, Pand., I, § 30.
De voornaamste uiting van het beginsel van splitsing der wetsvoorschriften in gebiedende en regelende, is te vinden in art. 14 dei-wet houdende Algemeene Bepalingen: «Door geene handelingen of overeenkomsten kan aau de wetten, die op de publieke orde of goede zeden betrekking hebben , hare kracht ontnomen worden.quot;
Soortgelijke bepaling bevatte ook art. 6 Code Nap. en art. 37 Ontw. 1820.
De Code N. sprak alleen van overeenkom den. Ons art. 14 is in dit opzicht vollediger, daar het van handelingen en overeenkomsten gewaagt, ofschoon aan de andere zijde, de laatsten, strikt genomen, onder de eersten begrepen zijn, en dus het woord „overeenkomstenquot; kon worden gemist.
Daarentegen is wederom het Fransche artikel juister als het spreekt van déroger aux lois, terwijl het onze gewaagt van kracht ontnemen; onder deze laatste uitdrukking moet men derhalve verstaan, dat men de werking van zoodanige wet in eenig bijzonder geval niet kan doen ophouden.
Wat onder wetten, die op fa publieke orde en goede zeden betrekking hebben, moet worden verstaan is niet altijd met nauwkeurigheid te bepalen. Niet alleen mist men een volstrekten maatstaf ter beoordeeling van de vraag wat onder die begrippen is te rangschikken,
gebiedend recht — aanvullend recht. 71
maar andere tijden kunnen ook eene gewijzigde opvatting omtrent publieke orde en goede zeden medebrengen. Het eerste begrip is in elke geval ruimer en omvat ook het tweede.
Zie Fatjee Motifs, op art. 6 (Code Nap. et Mot. II, 48) „Les „mots ordre public eussent seuls pu suffire, et 1\'addition qu\'on a „faite n\'a pour objet que de donner a la rédaction de l\'article toute „la clarté dont elle était susceptible. En effet tout ce qui concerne „les bonnes moeurs intéresse I\'ordre public; mais tout ce qui intéresse l\'ordre public n\'intéresse pas les bonnes moeurs.quot;
Naast art. 14 Aig. Bep., komen er in de wetboeken een aantal bepalingen voor, waarbij handelingen worden verboden of\' nietig verklaard , zoo zij strijden met de openbare orde of de goede zeden, b. v. art. 194 B. W., verbiedende huwelijksche voorwaarden te maken, strijdig met de goede zeden of met de openbare orde; art. 935, alwaar sprake is van uiterste wilsbeschikkingen, die met de wetten en goede zeden strijden; art. 1290, handelende over voorwaarden, met de goede zeden strijdig., of bij de wet verboden; art. 1373, waar de oorzaak eener overeenkomst ongeoorloofd wordt verklaard, wanneer zij bij de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden, of met de openbare orde; art. 1690, B. W., voorschrijvende dat zedelijke lichamen geen oogmerk mogeu hebben, strijdig met de wetten of met de goede zeden (vgl. ook art. 2 der wet van 22 April 1855, Stbl. nJ. 32, tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering); art. 37, W. v. Kooph., handelende over de Koninklijke bewilliging op de akte van oprichting eener naamlooze vennootschap, zoo deze niet strijdt mei de goede zeden of de openbare orde.
.Men ziet hieruit dat de wet in hare woordenkeus niet altiid standvastig is. Ook mag men uit het bovenstaande afleiden, dat het ter toepassing van art. 14 Alg. Bep. niet altijd noodig is, dat er eene toet zij, die op de openbare orde of de goede zeden betrekking heeft, maar dat het toereikend is als de gewraakte handeling zelve met de openbare orde of de goede zeden strijdt (Vgl. v. Hall, bl. 29; Zachaeiae, Einl. § 15, noot 2).
Behalve gemelde bijzondere bepalingen in onze wetboeken vindt men een tal van gebiedende voorschriften, van welker inhoud men niet mag afwijken, en die toch niet onvoorwaardelijk gezegd kunnen worden met de openbare orde of de goede zeden in verband te staan.
72 GEBIEDEND RECHT - AAVDI, LEND HECHT.
Zij ontleenen alsdan hunneu oorsprong aau den stelligen wil des ^
wetgevers, die liet noodzakelijk achtte in bijzondere gevallen gebiedende voorschriften te geven, ten einde het nut der wetsbepalingen niet door afwijkende overeenkomsten of handelingen te doen verloren gaan.
Zoo kan men b. v. het beginsel der openbare orde en goede zeden nog duidelijk terug vinden in de voorschriften van de artikelen 113,
174 lid 2, 195—198, 263, 362, lid 1, 384, 1371 B. W., voor zoover hier sprake is van valsche of ongeoorloofde oorzaak, art. 588 en 621 Wetb. v. B. Rechtsv., maar minder duidelijk of in het geheel niet in de niet minder stellige voorschriften, o. a. van de artt. 187 lid 1,
977, 992, 1000, 1053, 1065, 1089, 1112, 1166, 1200, 1220, 1223, lid 1, 1370 lid 2, 1371 (voor zoover het geldt overeenkomsten zonder oorzaak), 1556, 1604, 1672, 1703, 1704, 1719, 1888 lid 2, 1984 alle van het Burg. Wetboek, artt. 38—55 in verband met art. 37,
lid 1 W. v. K. en art. 707 Wetb. v. Burg. Regtsv. \'); art. 9 en 10 der wet van 17 Nov. 1876 (Stbl. n0. 227), tot regeling der coöperatieve vereenigingen.
Omgekeerd zijn er in ons wetboek enkele bepalingen, die wel is waar een voorsclirift van openbare orde behelzen, maar welker overtreding de handeling niet, of niet noodwendig, nietig doet zijn.
Zie b. v. art. 125, lid 2 B. W. en inzonderheid art. 154, volgens welk artikel, de geldigheid eens huwelijks wordt gehandhaafd, niettegenstaande het plegen van vrij belangryke informaliteiten.
Somtijds wordt alleen datgene gevitieerd, hetwelk in stryd met de wet is verricht, maar de rechtshandeling zelve zooveel mogelijk gehandhaafd. Zie b. v. art. 935 B. W., volgens hetwelk eene onverstaanbare, onmogelijke, onzedelijke of met de wet strijdige voorwaarde voor niet geschreven wordt gehouden, maar de uiterste wilsbeschikking, waaraan die voorwaarde verbonden was, van kracht blijft.
Zelfs kan het voorkomen dat eeue wetsbepaling aan partijen uitdrukkelijk veroorlooft af te wijken van wetten de openbare orde betreffende zoodanige bepaling bevat dan eene rechtstreeksche uitzonde-deriug op art. 14 Alg. Bep.
Zoo zgn ongetwijfeld de bepalingen, regelende de competentie der rechterly ke collegiën, tot de openbare orde betrekkelijk; niettemin ver-
\') Dit laatste artikel zal vermoedelijk bij de in werking treding der wet van 30 Sept. 1893, Stbl. n0. 140, op het faillissement en de surséance van betaling, worden afgeschaft.
GEBIEDEND E E C H T -
73
AANVULLEND RECHT.
oorloven art. 620 en volgende, W. v. Burg. Regtsv., aan een ieder, de geschillen omtrent de rechten, waarover men de vrije beschikking heeft aan de uitspraak van scheidslieden te onderwerpen; ja zelfs zich vooraf te verbinden dit eveneens té doen ten opzichte van geschillen, die in het vervolg mochten kunnen opkomen (Zie Dikphuis, Het N. B. Ji., I, bl. 81).
Uit het bovenstaande ziet men ch\'t de burgerrechtelijke geoolgen vau handelingen, in strijd met de wet gepleegd, zeer verschillend zijn. Daar zijn:
a. Handelingen, die wegens haren strijd niet de wet van rechtswege nietig zijn, krachtens het duidelijke voorschrift der wet.
Men zie inzonderheid de artt. 113 lid 1, 187 lid 1, 384, 926, 1000, 1065, 1089, 1166, 1200, 1223, 1371, 1530, 1672, lid 1, 1719 B. W., 588 W. v. B. Rv.
Van zulke handelingen behoeft de nietigheid niet door den rechter te worden uitgesproken.
b. Handelingen, die, ofschoon in strijd met de wet gepleegd, evenwel niet nietig zijn, tenzij de nietigverklaring worde, gevorderd en door den rechter uitgesproken.
Hier heeft men wederom te onderscheiden tusschen handelingen, die de rechter op verzoek der partijen of van eene van hen moet nietig verklaren, en andere, waaromtrent den rechter, met het oog op de omstandigheden, min of meer vryheid wordt gelaten, en die hij dus nietig kan verklaren.
Men zie b. v. de artt. 140 en volgende B. W., 1482 en volgende B. W., art. 125 B. W. (waar echter de potestatieve bevoegdheid des rechters twijfelachtig is), 90 en volgende B. Kv. (alwaar in art. 94 den rechter vrijheid wordt gelaten ten opzichte van het al of niet uitspreken der nietigheid).
c. Handelingen, die in strijd niet de wet gepleegd zijn, en hoewel de nietigheid niet uitdrukkelijk is uitgesproken, toch ongeldig zijn omdat de geest der wetsbepaling, welke anders hare geheele beteeke,-nis zou missen, dit medebrengt.
Van dien aard zijn een aantal voorschriften van gebiedend recht, hierboven op bl. 72 vermeld.
d. Handelingen, die in strijd met de wet gepleegd zijn, doch welker rechtsgeldigheid, zoo zij eenmaal hebben plaats gehad, door de wet uitdrukkelijk wordt erkend.
nietigheid der handelingen.
Men denke o. a. aan het reeds boven aangehaalde art. 154 B. W., dat de geldigheid van huwelijken handhaaft, niettegenstaande gehandeld is in strijd met de bepalingen der artt. 91, 99, 103, 107 en 130 B. W., of indien, bniten hetgeen bij art. 132 is voorgeschreven, het huwelijk niet openlijk in het huis der gemeente is voltrokken geworden.
„Multa fieri prohibentur quae, si facta fuerint, suam obtinent firmi-tatem.quot; Vgl. ülp. Fragm., Tit. 1, § 1, 2.
e. Handelingen, in strijd met de wet gepleegd, waar deze slechts een voorschrift geeft, dat, ofsclioon van gebiedenden aard, meer op het gebied der zedekunde dan van liet recht te huis behoort en aan welker overtreding veelal geene rechtsgevolgen verbonden zijn.
Men denke aan de voorschriften, betrekkelyk de rechten en plichten der echtgenooten, voor zooverre deze niet van vermogensrechtelijken aard zijn, of de overtreding geen grond oplevert tot eene rechtsvordering tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed.
Of de niet nakoming dezer verplichtingen grond oplevert tot eene actie tot vergoeding van schaden, kosten en interessen, gelijk dikwijls geleerd wordt, is minst genomen twijfelachtig.
Eindelijk de gevallen, waarin de wet wordt overtreden, doch waar geene nietigheid is bedreigd, en deze ook niet uit den geest der wet is af te leiden.
In deze gevallen is de handeling geldig.
In geval van twijfel moet men veeleer de geldigheid der handeling dan de nietigheid aannemen. quot;Odia sunt restringenda.quot;
Wij spreken alleen van de gevallen, waarin de vteX viorAt overtreden, d. i. als zij een voorschrift van gebiedend, absoluut recht geeft.
In de gevallen, waarin de wet slechts regelend optreedt, mag natuurlijk, volgens de aan het hoofd gestelde beginselen, van haren inhoud , naar willekeur worden afgeweken, zonder dat er van overtreding sprake is.
De leer der nietigheden of\' nulliteiten is in ons recht evenmin als in het Fransche ontwikkeld.
Het ontwerp van 1820 regelde dit onderwerp eenigermate in de artikelen 55 en 56. Bij de behandeling in de Kamer erkende men wel is waar de moeielijkheid ja de onmogelijkheid om deze leer bij wijze van algemeeue voorschriften vast te stellen, doch besloot niettemin daartoe. Aan dit besluit is evenwel geen gevolg gegeven (Zie tan Hall, bl. 30, Diephuis, t. a. p., bl. 84, noot.)
74
DE WET ALS RTCHTSNOEll VOOR ÜEN RECHTER.
§ 6.
DE WET, ALS RICHTSNOER VOOll DEN\' RECHTER. REGELEN VAN WEÏSÜITLEGGING.
//De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen \'/geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeeleu.quot; Art. 11 Alg. Bej).
De taak van den wetgever is in het algemeen te bepalen wat als recht zal gelden. De taak des rechters is in bijzondere gevallen dat recht toe te passen, hetzij bij wege van beschikking, op verzoek van bijzondere personen of van daartoe aangewezen ambtenaren genomen, hetzij bij wege van vonnis, waar een tusschen partijen bestaand geschil hem binnen de grenzen zijner bevoegdheid ter beslissing wordt onderworpeTi, hetzij hij geroepen wordt in geval van misdrijf of overtreding de bepalingen der strafwetten en verordeningen toe te. passen. In elk dezer gevallen is de wet (daaronder begrepen de wettelijke verordeningen, uitgevaardigd door zoodanige macht als daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft) het richtsnoer, waarnaar hij zich te gedragen heeft.
Volgens art. 11 Alg. Bep. is de wet dit in zoo onvoorwaardelijke)! zin, dat de rechter in geen geval hare innerlijke waarde of billijkheid mag beoordeelen.
Onder „beoordeelenquot; wordt hier natuurlijk niet verstaan „zijn oordeel vellenquot; over den inhoud enz. der wet, maar „zyne uitspraak van de wet doen afwijkenquot; op grond van des rechters ongunstig oordeel over hare innerlyke waarde of billijkheid.
Allereerst evenwel behoort de rechter te onderzoeken of de wet, wat hare uitwendige vereischten betreft, inderdaad wet is; dat is of zij op de wijze, bij de Grondwet bepaald, en door den aldaar genoemden wetgever, is aangenomen, in wettigen vorm uitgevaardigd en bekend gemaakt.
Hetzelfde zal hij moeten doen ten opzichte der provinciale- en gemeenteverordeningen.
Aan zijn onderzoek onttrokken is:
a. de innerlijke icaarde der wet.
Hieronder moet men o. i. verstaan hare wetenschappelijke waarde.
75
innerlijke waarde, billijkheid der wet.
de mindere of meerdere doelmatigheid, gepastheid harer voorschrii\'teu, zoo ook de mogelijk nuttige of gevaarlijke gevolgen, die eene toepassing dier voorschriften voor de maatschappij of voor de individuën kan teweeg brengen.
Wij bedoelen hier niet de m;/^«gevolgen harer bepalingen, maar de feitelijke gevolgen.
De rechtsgevolgen van eene wetsbepaling kunnen wel eens een voorwerp van onderzoek uitmaken, ten einde, mits zulks met groote behoedzaamheid geschiede, den rechter eene beslissing te doen nemen, aangaande den zin eener bepaling, die voor meer dan eéne uitlegging vatbaar is. Zijn die gevolgen, volgens de uitlegging in éénen zin, in overeenstemming met het verdere stelsel des wetgevers, volgens eene andere uitlegging daarentegen in stryd met dat stelsel, dan zal des rechters oordeel hierdoor, althans eenigermate, kunnen worden geleid.
Een voorbeeld hiervan hebben wij gezien by de beoordeeling der vraag of vreemdelingen in Nederland in het genot zij» hunner statuta personalia, welke vraag met het oog op de woorden van art. 9 Alg-Bep., door sommige rechtsgeleerden ontkennend wordt beantwoordquot; Kevens andere argumenten, ten betooge van het tegendeel ontleend aan den samenhang met andere artikelen en de geschiedenis der wet, stelden wij in de laatste plaats den strijd harer rechtsgevolgen met de beginselen, nedergelegd in andere bepalingen onzer wetboeken (zie bl. 58 supra).
Als voorbeeld van feitelijke gevolgen, waarop de rechter niet mag letten, zou b. v. kunnen strekken de omstandigheid dat de strafbepalingen , tegen bedelarij bedreigd, niet zelden het bedelen en de luiheid zullen bevorderen in plaats van tegengaan; of wel de gemakkelyke gelegenheid, welke door de nieuwe pandwet (van 8 Juli 1874, Stbl. n0. 95), wordt gegeven om een groot gedeelte van iemands goederen aan de schuldeischers te onttrekken, enz.
Let de rechter tot vestiging van zijn oordeel op de m?A£sgevolgen, zoo overtreedt hij niet art. 11 Alg. Bep.; veeleer onderzoekt hij wat als wet moet gelden, en handelt dus overeenkomstig art. 11, eerste gedeelte.
Zie omtrent dit onderwerp Mr. van Boneval Faure, Het N. B. Procesrecht I, 3e dr., bl. 105 en v.
h. de billijkheM der wet.
Deze zou onder de innerlijke waarde te begrijpen zijn, ware het niet dat de -.vet haar afzonderlijk noemde.
De begrippen omtrent billijkheid zijn zeer afhankelijk van tijdi plaats en individuëele opvatting, en te recht heeft de wet bepaald
76
b i li- ij k h e i d l) e k wet.
dat de rechter op haar niet mag letten. Menige schijnbaar onbillijke bepaling wijkt voor redenen van hooger belang, die alleen de wetgever mag beoordeelen. Dikwijls ook is het recht, dat billik is in gewone omstandigheden, onbillijk ten gevolge van feitelijke schakeringen, waarin de wet onmogelijk kan voorzien.
Ulpianüs, 1. 12 § 1 D. qui et a quib. man. 40, 9.) „Quod quidem perqnarn durum est, sed ita lex scripta est.quot;
Gelijk reeds hierboven ten aanzien der rechtsgevolgen is opgemerkt, mag de rechter in enkele gevallen op de billijkheid acht slaan, daar waar zij zijn oordeel kan leiden ten aanzien van den vermoedelijken wil des wetgevers, als het eene plaats van welsuitlegging geldt; omdat hg twijfel aangaande de beteekenis eener wetsbepaling de wetgever veeleer geacht mag worden de regelen der billykheid te hebben in acht genomen, dan verwaarloosd en miskend.
Niet zelden veroorlooft echter de wet zelve den rechter, binueu zekere grenzen, de billijkheid in acht te nemen.
Zoo vindt men in de wetboeken een groot aantal bepalingen, waar de rechter naar omstandigheden zekere beslissingen kan geven, maar niet daartoe verplicht is;
Men zie b. v. art. 863, 1302, 4quot; lid B. W., waar de rechter, naar gelang der omstandigheden, een minder streng recht kan toepassen.
Men denke aan de onmogelijkheid om in enkele gevallen anders dan ex aequo et bono eene zaak te regelen, b. v. waar het betreft het bepalen van het bedrag der schadevergoeding, waarin partyen kunnen worden veroordeeld (Art. 612 en vlgg. W. v. B. Regtsv.).
Zoo geeft verder art. 56 W. v. B. E. den rechter eene zekere ruimte in het veroordeelen van partijen in de proceskosten, en veelal zal de mate van af\'wyking van den hoofdregel dat de verliezende party in de kosten zal worden verwezen, een uitvloeisel der billijkheid zijn.
In het strafrecht denke men aan de groote ruimte, binnen welke zich de rechter, by de toepassing van de straf, mag bewegen.
In verband met de verplichting des rechters om naar de wet recht te spreken, met ter zijde stelling van zyne beschouwing omtrent de billykheid der zaak, denke men aan de plicht van de raadslieden der geding voerende partyen om ,,geene zaak aan te raden of te verdedigen, die zy in gemoede niet gelooven rechtvaardig te zijnquot;; zie het eedsformulier in art. 5, juncto 24 van het reglement van orde en discipline voor de Advocaten en Procureurs, uitgevaardigd: by Besluit van
77
O N S C H E N D B A A K H E I IJ DER WET.
14 Sept. 1838, nquot;. 36, ter voldoening aan art. 19 der wet op de Reg-terlijke Organisatie (te vinden in de Ned. Wetb., uitgave Fbuin, 8°., le druk, bl. 1130, 2e druk (Pols), bl. 139; 3° druk, bl. 155).
Mag de rechter onderzoeken of de door hem toe te passen wet, wat haren inhoud betreft, in strijd is met de Grondwet?
Deze vraag is o. i. ontkennend te beantwoorden. Niet zoozeer om het voorschrift van art. 11 Alg. Bep., want de al of niet grondwettigheid eener wet, is moeielijk onder de uitdrukking «innerlijke waardequot; te brengen; het betreft immers de vraag, of de wetgever zich al of niet heeft bewogen binnen de grenzen zijner bevoegdheid, hem door de Grondwet gesteld. De ontkennende beantwoording vloeit echter voort uit de bepaling van art. 121 Grondwet, welks eerste alinea luidt: \'/A.lle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal \'/aangenomen en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van •neet en worden door den Koning afgekondigd.quot; Het zou dus reeds daarom eene miskenning van de bevoegdheid der wetgevende macht zijn, zoo de rechter datgene, wat de Grondwet verklaart wet te zijn, niettemin als niet geldig mocht beschouwen. Alle twijfel wordt echter opgeheven door het tweede lid van hetzelfde artikel der Grondwet, luidende; «De wetten zijn onschendbaarquot;, eene bepaling die wel is waar naar haren vorm duister is (zie Thorbeoamp;e , Bijdr. tot Herz. der Grondw., bl. 60 en vlgg., volgens wien «een ieder voor «de nieuwe spreuk als voor eeue geslotene deur zal blijven staanquot;), maar welker zin, door de memorie van toelichting en het voorloopig verslag der Tweede Kamer, volkomen duidelijk te voorschijn treedt.
Die bepaling moest toch , volgens de memorie van toelichting, ten gevolge hebben, dat de wet boven alle bedenking zou geplaatst worden en gewaarborgd tegen alle aanranding, ook van de rechterlijke macht. Het voorloopig verslag deelde deze opvatting en meende eveneens «dat zoo lang de wetgeving niet tusschenbeide treedt, de «geldigheid der wetten boveu alle bedenking verheven moet zijn, en «dus ook geene andere macht in den Staat de bevoegdheid heeft om «eene bestaande wet, op grond van vermeeude strijdigheid met de «Grondwet of iets dergelijks, aan te randen.quot; Men betwijfelde echter de duidelijkheid der uitdrukking van de Grondwet, maar niettemin werd zij gehandhaafd.
Zie VooiiDUiN, Geich. en Beg. der Grondwet, bl. 269 en vlgg.; Handelingen van de Regering en de Staten-Generaal over de herziening der Grondwet 1847—1848, I, bl. 349, 468, III, bl. 73 en vlgg.
78
onderzoek naar de wettigheid van koninklijke besluiten enz. 79
Van eene geheel andere meening is inzonderheid Mr. Opzoomer, ad art. 11 Alg. Bep.
Men zie verder ter grondige kennis van deze rechtsvraag: Diephüis, het N. B. li., I, bl. 88 en vlgg., alwaar tevens eene volledige opgave van de schryvers in beiderlei zin te vinden is; v. Bunf.val Faüre Procesr. I, 3quot; dr., bl. 106.
Ten opzichte van Koninklijke Besluiten, provinciale-, gemeente- en andere verordeningen, is het onderzoek naar de wettigheid of grondwettigheid, wat den inhoud der bepalingen betreft, den rechter geoorloofd.
Deze besluiten en verordeningen toch worden door geen enkele wetsbepaling onschendbaar verklaard. De rechter zal dus moeten onderzoeken niet alleen of de uiterlijke voorwaarden der wettigheid aanwezig zijn, maar ook of de regeling van het onderwerp niet tot de bevoegdheid van een ander of hooger gezag behoort. Zoo mag b. v. by Koninklijk Besluit geen onderwerp worden geregeld dat uitsluitend tot de regeling der wetgevende macht behoort; evenmin mag de gemeente wetgever door zijne bepalingen inbreuk maken op het gezag van den hoogeren wetgever; of wel zaken regelen, die de plaatselijke grenzen der gemeente te buiten gaan.
Door hierop acht te slaan, oordeelt de rechter niet over de innerlijke waarde dier besluiten of verordeningen, maar onderzoekt alleen of zij zijn uitgevaardigd door het bevoegde gezag en binnen de geoorloofde grenzen.
Vergelijk met een en ander de artt. 166—174 der Provinciale wet, en de artt. 150—160 der Gemeentewet, bij welke wetsbepalingen regelen zijn gesteld tot schorsing of vernietiging van onwettige provinciale of gemeente-verordeningen.
Art. 150, lid 2, juncto 153 der Gremeentewet, heeft dikwijls den twijfel doen rijzen of gemeente-verordeningen niet ondanks hare onwettigheid door den rechter behooren te worden gehandhaafd en toegepast tot op de schorsing of vernietiging, krachtens art. 153 dier wet.
Het schijnt echter aannemely k den rechter ook hier de bevoegdheid tot het onderzoek der wettigheid te doen behouden, en te onderscheiden tusschen het vernietigen eener plaatselijke verordening, hetgeen alleen door het administratief gezag kan geschieden, en het buiten toepassing doen blijven van eene verordening in eenig bepaald geval.
Zie de jurisprudentie en beschouwingen hierover bij Léon (uitgave Mr. E. L. v. Emden), Deel I, 1quot; vervolg, bl. 326 en vlgg., 498; 3e vervolg, bl. 135 en vlgg.; 4e vervolg, bl. 89; 5® vervolg, bl. 6,
8U GRENZEN, DEN RECHTER GESTELD.
57; 7e vervolg, bl. 67 en v.; liquot; vervolg, bl. 49; dezelfde rechtspraak enz. is nogmaals samengevat in den 3l,e11 druk [de Gemeentewet door Mr. H. Vos, suh art. 150 aant. 1, en voorat sub art. 153, aant. 1).
De rechter mag zich niet bewegen buiten de grenzen hem door de wet gesteld.
Hij vermag geene beslissingen te geven, welke bestemd zijn te gelden voor andere gevallen, dan welke hem ter beslissing zijn voorgelegd (verg. art. 12 Alg. Bep.)
Deze regels zijn een gevolg van het voorop gestelde beginsel, dat de rechter geroepen is in bijzondere gevallen het recht toe te passen, terwijl het de taak des wetgevers is al/jemeene regelen te stellen omtrent datgene, wat als recht moet gelden.
In Frankrijk hadden de voormalige parlementen het recht zoogenaamde arrets de reglement uit te vaardigen, (zie Delvincourt, I, 278, Merlin i. v. arret, Locrk, ad art. 5 C. Nap., Faure, Disc, op art. 5, C. Nap. et Motifs, I, 47, Zachariae, Einl., § 16, noot). Dit waren uitspraken, waarbij niet alleen het byzondere geval werd beslist, maar tevens voor het vervolg een algemeene regel werd gesteld. Dit misbruik werd afgeschaft by de wet van 16/24 Aug. 1790, tit. II, art. 10 en 12 \'), welk voorschrift is overgegaan in art. 5 van den Code Nap.; daardoor zijn de grenzen der bevoegdheid van wetgevende en rechterlijke macht zuiver afgebakend. Van daar de bepaling voorkomende in onze wet:
//Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie //of reglement, uitspraak doen in zaken, welke aan zijne beslissing //onderworpen zijn.,,\' (Art. 12 Alg. Bep.)
Art. 127 n0. 1 van den thans afgeschaften Code Pénal bedreigde zelfs straf tegen den rechter, die dergelyke verordeningen mocht hebben uitgevaardigd.
Uit voormelde beginselen volgt dat aan eene rechterlijke uitspraak geen gezag toekomt buiten het geval, waarvoor zij gegeven is. Wordt zij ingeroepen ter beslissing van andere soortgelijke gevallen, dan vloeit haar wetenschappelijk gezag alleen voort uit de juistheid der
M Deze wet is in haar geheel opgenomen in de Bijlageu achter het Ie deel van het N. B. Procesrecht van Mr. van Boneval Faure.
GEZAG VAN R K C H T E E L IJ K K VONNISSEN.
81
|
overwegingen, die den rechter tot staat zij in zooverre geenszins boven rechtsgeleerde schrijvers. Erkent de rechter zijne vroegere latere uitspraken ou zijne leer terug de uitspraak hebben geleid, en de wetenschappelijke werken der |
dwaling, dan is hij verplicht bij te komen. |
Ten einde eene goede rechtspraak te waarborgen is, overeenkomstig de bij de wet gegeven voorschriften, in een groot aantal burgerlij keen schier alle strafzaken het hooger beroep toegelaten, bij welks behandeling voor den hoogeren rechter zoowel de feiten als de rechts-punten aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen.
Om echter in het geheele land zooveel doenlijk eenheid in de opvatting van het recht te brengen, is aan den Hoogen Eaad der Nederlanden by art. 165 der Grondwet, „het toezigt op den geregelden loop en de afdoening der regtsgedingen alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magtquot; opgedragen. „Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.quot;
Het rechtsmiddel , dat de Hooge Raad der Nederlanden geroepen is toe te passen, inzonderheid om voornoemde eenheid van rechtspraak te bevorderen, is bekend onder den naam van „het beroep in cassatie,quot; en wordt nader in de wet op de Regterlijke Organisatie, art. 95—106 en in de wetboeken van B. Regtsvordering, art. 398—429 (laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 Junij 1876, Stbl. n®. 124) en van Strafvordering, art. 354—374, geregeld.
Ofschoon de uitspraak van eenen lageren rechter bloot staat aan vernietiging, inzonderheid zoo zij in strijd is met de ter zelfder tijd heerschende leer van den Hoogen Raad, is elke rechter volkomen vrij in het nemen zijner beslissing, en zal hy in elk geval op nieuw, met nauwgezetheid zijne overtuiging moeten vestigen. In hoeverre hij somtijds, bij de groote waarschijnlijkheid van vernietiging zijner uitspraak door den hoogeren rechter, het belang van partijen of van beklaagden mag stellen boven zijne wetenschappelijke overtuiging, moet aan des rechters nauwgezetheid blijven overgelaten.
De eigenaardige werkkring van den Hoogen Raad der Nederlanden in het cassatie-proces brengt mede dat het onderzoek der feiten niet nogmaals in deze instantie is toegelaten, maar, behalve het onderzoek naar de veroriachtzaming van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of plaats gehad hebbende overschrijding van rechtsmacht, de
Asser, linryerl. Hecht. i. 3e druk. 6
S TH E V E N NAAK EENHEID IN DE RECHTSPRAAK.
vraag in cassatie alleen loopt over de al of niet jniste toepassing der Nederlaudsche wet, op de als vaststaande aangenomen feiten.
Hoe eenvoudig in schijn, toch is de grens tusschen het feitelijke en het rechtskundige gedeelte eener beslissing soms zeer moeielyk te trekken.
Voldoet de instelling van het rechtsmiddel van cassatie en de werking van den Hoogen Raad als cour régulatrice inderdaad aan het doel om daardoor zooveel doenlijk eenheid van rechtspraak in Nederland te verzekeren?
Geheel bevestigend is deze vraag niet te beantwoorden. Eensdeels is de eenheid daarin niet te brengen, omdat enkele uitspraken niet aan cassatie kunnen worden onderworpen (zie art. 99 laatste lid, R. Org.); verder, omdat de lagere rechter steeds vrij blijft in elk nieuw geval zelfstandig te oordeelen — en dit is noodig, wil de rechtspraak van den hoogeren rechter niet belemmerend werken op de wetenschappelijke ontwikkeling van het recht en zijne beoefenaars. Eindelijk beperkt de wet zelve den Hoogen Raad zoozeer in de vrijheid zijner beweging, dat in vele gevallen dit collegie onbevoegd is de eigenlijke rechtsvraag te onderzoeken en te beslissen. Inzonderheid geldt dit voor de cassatie in burgerlijke zaken, alwaar bij onjuistheid of onvolledigheid in de formuleering der voorgestelde middelen va.n cassatie, vooral waar deze onjuistheid wordt begaan bij het noemen der als geschonden of verkeerd toegepaste wetsartikelen, de Hooge Raad onbevoegd is ambtshalve den rechtsgrond van vernietiging te wijzigen of aan te vullen, eene bevoegdheid die in strafzaken (art. 369 VV. v. Strv.) wèl is verleend.
Daardoor is de Hooge Raad ten deze met betrekking tot de rechts-vragen, waartoe een geding aanleiding geeft, veel meer in zyue bevoegdheid beperkt dan elk ander collegie, dat steeds de rechtsgronden ambtshalve mag aanvullen, en derhalve volkomen vrijelijk mag beslissen omtrent de rechtsgevolgen, die zekere feitelijke toestand medebrengt, al mogen party en die gevolgen verkeerdelyk hebben voorgesteld.
Hieruit en uit vele andere omstandigheden, waarvan de vermelding meer byzonder bij het procesrecht te huis behoort, vloeit voort dat de verwerping van een ingesteld beroep in cassatie, nog geenszins gelijk staat met de veroordeeling door den Hoogen Raad van het rechtskundige stelsel der verliezende partij; en dat men dus niet te veel op het dispositief der gevallen uitspraak in cassatie mag letten, maar uitsluitend op de overwegingen van den Hoogen Raad het oog moet gevestigd houden; welker beteekenis alleen ten volle kan worden gewaardeerd door hem, die dit gewichtig onderdeel der rechtspraktijk heeft beoefend, of althans de werking daarvan met aandacht beeft nagegaan.
verzamki. inge\\ van rechtspraak.
Verscheiden verzamelingen van de Rechtspraak van den Hoogen Raad en andere rechterlijke collegiën hebben ten onzent het licht gezien.
Onder deze vermelden wij:
1°. de doorloopende verzamelingen van jurisprudentie, waarin de arresten of vonnissen in chronologische orde zijn opgenomen en wel voornamelijk:
a. Nederlandse he Rechtspraak, of Verzameling van Arresten en Gewijsden van den Hoogen Raad der Nederlanden en verdere collegiën enz., door Mr. A. Bkocx en Mr. J. Cohen Stuart, voortgezet door Jlir. Mr. N. de Gijselaar, later door Mr. C. J. J. quot;Wijckerheld Bisdom.
h. Verzameling van Arresten van den Hoogen Raad der Nederlanden, door J. vanquot; den Honert Thz. , voortgezet door Mr, J. C. M van den Honeeï en Mr C. C. E. d\'Engelbronner.
c. IVeekblad van het liejjt.
d. Weekblad van het Regt voor Nederlandsch Indië.
e. Bijdragen tot Regtsgeleerdheid en Wetgeving, door Mr. 0. A. den Tex en Mr. J. van Hall: opgevolgd door de Nederl. Jaarboeken voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, door denzelfden, met daarbij behoorend Regtsgeleerd Bijblad, het laatste van 1839—1850 ; later vervangen door de
Nieuwe bijdragen voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, mede met een daarbij behoorend Bijblad, Amsterdam 1851, voortgezet onder den titel van Rechtsgeleerde Bijdragen en Bijblad, laatstelijk onder redactie van Mr. Jos. van Raalte. Het Bijblad is voornamelijk gewijd aan de opname der rechtspraak.
f. Weekblad voor Notaris-ambt en Registratie.
g. Magazijn van Handelsrecht.
h. Bijblad van het Paleis van Justitie, hoofdzakelijk gewijd aan het Nederl. Handelsrecht.
Wij spreken hier slechts van die verzamelingen, waar de opname der jurisprudentie hoofdzaak is. Andere tijdschriften, als Themis, Rechtsgeleerd Magazijn, de sinds vele jaren gestaakte Opmerkingen en Mededeelingen hetr. het Nederl. Regt enz., zijn meer bepaald aan de rechtswetenschap gewijd.
2°. De verzamelingen, waarin naar volgorde dér wetsartikelen de rechtspraak van den Hoogen Raad en andere collegiën wordt medegedeeld.
Onder deze zijn vooral te rangschikken :
a. Be Regtspraak van den Hoogen Raad enz., door Mr. D. Léon , en wel;
83
6*
v k k z a m e l i n ö e n van r e c h t s 1\' r a a k.
Deel I (Staatsregt), 2e druk, met de vervolgen, door Mr. E. Ij. van Emden, laatstelijk door Mr. N. Cramer. In een derden druk wordt tliaus de rechtspraak omtrent verschillende Staatswetten samengevat: daarvan verscheen tot heden: Afl. 1 (Grondwet), door Mr. J. A. Levy; All. 2 (Gemeentewet), door Mr. H. Vos; All. 3 (^abriek-wet), door Mr. N. Cramer; AÜ. 4 (Begraaf- en Ziektenwet), door denzelfde; AÜ. 5 (Annwet), door denzelfde.
Deel II, le afl. (Regt. Organ, en Wet houdende Alg. Bep.), 2e druk. door Mr. E. L. van Emden.
üeel IJ, 2e en 3e afl. (Burgerlijk Wetboek), 2e druk, door Mr. C. Asser, met supplementen door Mr. J. Rombach.
Deel II, 4e afl. (Wetb. v. Koophandel), 2e druk, door Mr. J. A. Levy, met supplementen.
Deel 11, 5e afl. (Regtsvordering), 2e druk, door Mr. W. van Rossem Bzn.
Deel II, 6e afl. (Strafvordering). 2e druk, door Mr. A. Teixeika de Matïos, met supplementen door denzelfde, Mr. C. A. Vaillanï en Mr. J. M Hymans.
Deel II, 7e afl. (Strafregt) \'), door Mr. E. L. van Emden.
Deel II, 7e afl., 2e nitg. (Strafrecht), door Mr. J. van Praag.
Deel II, 8e afl. (Hierzien Wetb. v. Strafv.), door denzelfde.
Deel lil, le afl. (Grondbelasting), 2e afl. (Personele Belasting), 3e afl. (Patent), door H. G. W. Buiedé.
Deel III, l6 afl. (Zegel), door N. Koomans.
b. Het Wetboek vav Strafregt \') met aanteekemnqen, door Mr. M. Schüoneveld P.Jz., voortgezet door Mr. N. J. van IJsselsteun.
c. Ret Wetboek van Strafrecht, Rechtspraak en Nederlandse he Litteratuur (tot 15 Mei 1892), systematisch geordend door Mr. M. S. Pols, H. van der Hoeven, G. A. van Hamel en J. Domela Nieuwenhuis, Leiden 1893.
d. Aanteekeningen op de Nederlaudsche Wetboeken, door Mr. W. C. J. J. Cremeks, Groningen 1871 en vlgg.
3quot;. De verzamelingen, waarin de rechtspraak wordt medegedeeld naar de alphabetische ord.e der onderwerpen, van welke de meest omvangrijke in systematische orde worden onderverdeeld.
Ten deze bestaat slecht één belangrijk werk;
b4
De Nederlandse he Pasicrisie, door Mrs. E. en L. van Oppen,
\') Deze verziimelinfteu betreffen den thans afgeschaften Code Pénal.
taak des recfitkrs btj stilzwijgen of duisterheid dek wet. 85
Gulpen 1874 en vlgg. met de vervolgen laatstelijk voortgezet door Mrs. L. v\\s Oppe.v en A. Savelbeug.
Van groot belang is voor eiken rechtsgeleerde verder de Fransche jurisprudentie, 7,00 volledig mogelijk te vinden o. a. in het voortreffelijke Répertoire de jurisprudence van Dalloz, en voor den vroegeren tijd in het gelijknamig werk van Merlin.
Terwijl het den rechter verboden is zijne uitspraak uit te breiden tot andere gevallen dan welke hem ter beslissing zijn voorgelegd, mag iiij omgekeerd niet weigeren recht te spreken, ouder voorwendsel van het stilzwijgen , de duisterheid of de onvolledigheid der wet, op straffe van zich aan rechtsweigering schuldig te maken (art. 13 Alg. Bep., art. 844 en vlgg. Rv., art. 200, 346 tweede lid Sv.). Onder de werking van den C. P. was rechtsweigering zelfs een wanbedrijf (art. 185).
Bij het stilzwijgen der wet omtrent eenig punt, treedt het verschil tusschen Burgerlijk recht en Strafrecht op den voorgrond.
In het Strafrecht toch geldt als hoofdregel dat er geen misdrijf, geene straf bestaat, zonder uitdrukkelijke wetsbepaling. „Nullum „delictum, nulla poena, sine praevia leye poenaliquot; (Zie art. 1 Sr., en art. 1 Sv.). Dit beginsel heeft ten gevolge dat daar, waar voor den strafrechter iemand te recht staat wegens een feit, waartegen bij geene wet of wettelijke verordening straf is bedreigd, de rechter den beklaagde, zoo het feit bewezen is, moet ontslaan tan alle rechtsver-tolgimj (art. 210, Sv.). \')
Moeielijker evenwel is de taak des burgerlijken rechters, omdat elk geschil tot eene beslissing moet komen, ook al vindt men de beantwoording daarvan niet in de wet. Vgl. Ontw. van 1820 art. 70:
„Tusschen partijen, tegenovergestelde belangen hebbende, kan het „burgerlijk regt nimmer gerekend worden te zwijgen,quot; enz.
In zoodanig geval moet de rechter zijne toevlucht nemen tot de
rechtswetenschap.
a. Stilzwijgen of onvolledigheid der wet.
Bij al het streven om de geheele rechtsstof in eenige wetboeken samen te vatten, leert de ondervinding dat het onmogelijk is een wetboek te vervaardigen, dat in alle opzichten volledig en ondubbelzinnig is.
\') Mr. de PlNTO, Hand/. £. fr., II, bl. 32, spreekt hier min juist vau vrijspraak nevens ontslag van rechtsvervolging.
\\V E T S ü I T L E G G I N G.
86
REGELEN VAN
Te ver gedreven algemeenheid in de voorschriften der wet leidt soms tot onduidelijkheid, tervrijl volledigheid werd beoogd; te ver afdalen door den wetgever in bijzonderheden en twijfelachtige gevallen leidt noodwendig tot onvolledigheid, omdat de wet wel regelen en beginselen kan stellen, maar onmogelijk a priori de ontelbare schakeringen der praktijk kan voorzien. Beide uitersten, zoowel groote algemeenheid en leerstelligheid als te ver voortgezette casuïstiek, be-hooren dus door den wetgever te worden vermeden.
Is de wetgever te algemeen in zijne voorschriften of uitdrukkingen, dan ontstaat dikwijls twijfel omtrent de beteekenis en de strekking dier voorschriften en moeielijkheid in de toepassing op bijzondere gevallen.
Daalt de wet af in bijzonderheden, doch is het geval dat beslist moet worden niet voorzien, dan ontstaat bijna altijd de twijfel of men dit geval opzettelijk uiet heeft genoemd, omdat men juist daarvoor een ander, tegenovergesteld recht wilde doen gelden, dan wel of men in die bijzondere voorschriften, de uiting mag zien van een daaraan ten grondslag liggend algemeen beginsel, dat derhalve ook als richtsnoer moet dienen voor het niet geregelde geval.
Van daar twee volkomen tegenovergestelde methoden van wets verklaring; de uitlegging door tegenstelling {argumento a contrario) en door mthreiding {per analogiam).
Ter beoordeeling van de vraag, welke dezer beide methoden toe-passelijk is, onderzoeke men zooveel mogelijk de verhouding, waarin de geregelde gevallen tot de daaraan verwante beginselen staan; geeft de gedaclitengang der wet, de plaatsing of rangschikking der artikelen, de woordenkeus, enz. aanleiding om de gevallen te beschouwen als bijzondere bepalingen, die aan eenig erkend rechtsbeginsel derogeeren, dan zij men gedachtig, dat al wat niet onder die bepalingen valt, gelegen is onder het gebied van den hoofdregel.
Van daar dat men dikwerf hoort zeggen, dat elke uitzondering in strengen zin moet worden uitgelegd \').
Doen zich de bijzonder geregelde gevallen niet voor in het licht van
\') Geheel juist is deze zoogenaamde regel niet. Zij is eene min zuivere reproductie van den klassieken en nog altijd geldenden regel. „ Quod contra rationem juris receptum est, von est producendum ad consequeniiasquot; 1. 14 D. de leg. (1, 3), 1. 141 D. de reg. juris \'50, 17): er zijn wel gevallen denkbaar, dat de uitzondering meer overeenkomstig de ratio juris is dan het meer generieke beginsel, waaraan door haar wordt gederogeerd; alsdan is elke analogische uitbreiding der uitzondering niet noodwendig uitgesloten.
KEGELEN VAN W E T S U I T L E G G 1 N G.
uitzonderingen op een ruimer beginsel, maar als alleenstaande uitspraken des wetgevers buiten verband met diens overige theorie, dnn vooral mag de toepassing van het argumentum a contrario voor gelijksoortige gevallen niet dan met de uiterste behoedzaamheid geschieden.
Evenzoo is het met de uitlegging door analogie.
Staat het vast dat de wetgever eenige gevallen heeft geregeld als uitvloeisel van een iu de wet geldend beginsel, hetzij dit al of niet uitdrukkelijk is genoemd, of heeft liij die gevallen wellicht slechts als voorbeelden gesteld (gelijk men dit vaak noemt emmtiatief, welke uitdrukking staat tegenover limitatief), dan mag men zonder veel gevaar de analogie te baat nemen.
Laat zicli evenwel het verband dier gevallen met een algemeen beginsel niet nasporen , dan is de keus tusschen de analogie en het argumentum a contrario hoogst bedenkelijk, eu doet men wel nog andere methoden te baat te nemen, om den vermoedelijken wil des wetgevers te leeren kennen. \')
Is eindelijk een geval niet geregeld, en zijn er geene rechtsregelen of bepalingen der wet, die eenig licht kunnen verspreiden, dan zal de rechter ten slotte alle hulpmiddelen moeten te baat nemen. die de rechtswetenschap buiten de voormelde wijzen van wetsuitlegging duldt, en zoowel de voorschriften van de vroeger hier te lande vigeerende wetgevingen als bet Roraeinsche recht en de wetenschappelijke werken der rechtsgeleerden, wellicht ook de billijkheid of de gewoonte moeten raadplegen, om tot eene gevolgtrekking te komen omtrent de oplossing, die onze wet vermoedelijk aan de zaak zou hebben gegeven, zoo zij het geval had geregeld.
Men waclite er zich echter voor deze zoogenaamde «algemeene rechtsbeginselenquot; te vroegtijdig te raadplegen, zoolang de positieve wet eenig licht over de zaak kan verspreiden.
h. Duisterheid der ivet.
Nevens stilzwijgen en onvolledigheid der wet, wordt in art. 13 Alg. Bep., op duisterheid der wet gewezen.
De wet is duister, wanneer de ziu barer bepalingen moeielijk te vatten, onduidelijk of dubbelzinnig is, of wanneer er strijd tusschen de bepalingen onderling bestaat.
\') Behalve deze beide wijzen van wetsuitlegging spreekt men nog somtijds van het argumentum a fortiori, dat te pas komt als voor het niet geregelde geval een nog sterker rechtsgrond bestaat dan voor de geregelde gevallen.
87
REGELEN VAN WETSÜlï LEGGING.
Ingeval van duisterheid zal uien allereerst zijne toevlucht moeten nemen tot de taalkundige, logische of geschiedkundige methode van wetsuitlegging, zonder dat er regelen te geven zijn in welke volgorde meu die verschillende wijzen van interpretatie moet toepassen.
In het algemeen moet nis regel gesteld worden, dat men geene uitlegging mag huldigen, die geheel onvereenigbaar is met de door den wetgever gebezigde woorden.
üe taal der wet is de uiting van des wetgevers wil, en nu is er wel een wil denkbaar buiten die woorden, maar niet in strijd daarmede, tenzij eene uitdrukking blijkbaar bij vergissing zij gebezigd \').
Moet men dus aan de eéne zijde den tekst der wet als grondslag van elke wetsuitlegging eerbiedigen, zoo verlieze men niet uit het oog dat de kennis der wet niet is de keunis van de wetsartikelen, maar van het geheele samenstel der wet; en dat derhalve de zin van eene bepaling menigmaal onjuist wordt opgevat, zoo die niet wordt toegelicht door andere wetsbepalingen, die daarmede in verband staan.
Men vergelijke hiermede Celsus , 1. 24 D. de legibns (1. 3) „In-„civile est, nisi tota lege perspecta, una aliqua partieula ejus pro-„posita, judicare vel respondere.quot; Vgl. verder art. 57 Ontw. 1820.
Beschouwt men duistere of dubbelziimige, ja zelfs schijnbaar ongerijmde wetsartikelen in dergelijk verband, daii zal men dikwijls, zonder eenig ander hulpmiddel dan eene aandachtige lezing der wet, de oplossing der moeielijkheid vinden.
Zeer terecht zegt Cu. Brocher, Hoogl. te Grenève, in zijne mono-graphie: K. S. Zachariae, Sa vie et ses wuvres, Paris 1870, bl. 82: „II faut d\'ailleurs reconnaitre qu\'il y a nécessairement plus ou moins d\'arbitraire dans la qualification d\'obscurité donnée a, un texte; il ne saurait y avoir la qn\'une iimite bien incertaine; car comme le disait spirituellement notre vieux maitre M. Thibaüt (Uermenentik des Róm. Hechts, § 2) c\'est bien souvent dans le cei veau de 1\'interprète plus que dans le texie de le loi que la clarté fait défant.quot;
88
Geeft de tekst der wet geen voldoende oplossing, dan zal men zijne
\') Voorbeelden hiervan vindt men o. a. in art. 807, lid 2 B. W., waar in de otiicieele uitgave abusievelijk staat „onroerendquot; in plaats vau „roerendquot;; in art. 406, 3° , B. R., gelijk het was vóór de wijzigingswet van 26 Juni 1876, Sthl. n0. 124, alwaar bij vergissing stond „voor het hofquot;, in plaats van „voor den hoogen raadquot; enz.
regelen van \\v etsüitlegging.
toevlucht kunnen nemen zoowel tot de logische als tot de historische methode van wetsuitlegging.
Onder de eerste verstaat men het opsporen van des wetgevers ver-moedelijken wil door redeneering, b. v. uit andere soortgelijke gevallen, of wel door tegenstelling, volgens de regelen, die hierboven reeds voor het geval van stilzwijgen der wet zijn aangegeven; men zal hiermede des te veiliger te werk gaan, naar mate men zich verplaatst op het wetenschappelijk standpunt, dat de wetgever tijdens het vervaardigen der wet innam.
Zelfs schijnbare strijd tusschen twee wetsbepalingen zal men dikwijls zien wijken, als men zorgvuldig nagaat hoe deze bepalingen tot elkander in verhouding staan. Heeft toch eéne dier bepalingen eene ruimere strekking dan de andere, staan zij tot elkander als genas en species, dan leert de uitlegkunde, dat in zoodanig geval niets verhindert een ander recht te doen gelden voor de soort dan voor het geslacht. quot;In toto jure generi derogatur per speciemquot;.
Onder geschiedkundige uitlegging der wet verstaat men zoowel een onderzoek naar datgene, wat onder de heerschappij van vroegere wetgevingen als recht heeft gegolden, als wel naar de geschiedenis van het ontstaan van den tekst onzer bepalingen; de wijzigingen, die deze in achtereenvolgende ontwerpen heeft ondergaan; de amendementen, die daarop zijn voorgesteld, aangenomen of verworpen; de meraoriën van toelichting der regeering; de discussiën in de collegiën, welke de wetten hebben voorbereid of aangenomen; en in het algemeen al wat tijdens de invoering der wet op hare wording van invloed kan zijn geweest.
De kennis der oudere wetgevingen, bepaaldelijk van het Fransche recht (waaruit het onze grootendeels is ontsproten) en in de eerste plaats van het Roineinsche recht, is voor eene grondige kennis onzer wetten onontbeerlijk.
Van het laatste zegt. Pigeau (I. 193) „Ce serait une erreur bien „grande que de croire qu\'ii sera désormais inutile de s\'occuper des „lois anciennes, parceque de nouvelles leur ont succédé. Sans doute „une étude approf\'ondie de ces lois ne sera pas nécessaire comme elle „l\'était auparavant; tnais a quiconque vondra devenir jurisconsulte, „il sera absolument indispensable pour bien posséder les lois actuelles, „de remonter anx anciennes et d\'en connaltre au moins les dispositions „principale?. Beaucoup de questions doivent et devront encore longteraps „être décidées par elles; d\'ailleurs une loi ue s\'explique bien, ne
89
90 vergelijking onzer wetten met oudere wetgevingen.
„s\'entend bien qu\'en la comparant avec celle qu\'elle a abrogée; cette „confrontation contribue a determiner I1 intention du législateur, soit „qu\'il ait change, soit qu\'il ait conservé les dispositions anciennes.quot;
Wat het laatste betreft zij men echter voorzichtig. Is eenig geval bij eene latere wet minder uitvoerig geregeld dan by eene vorige, of is er eenig woord weggelaten of veranderd, dan is het alweder somtijds moeielijk uit te maken of men analogice het oudere recht mag toepassen en derhalve de wetsbepaling uitbreiden, dan wel of men moet aannemen ,• dat de latere wet opzettelijk eene andere uitdrukking heeft gebezigd of de toepassing heeft willen beperken.
Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van des wetgevers bedoeling levert natuurlijk de wordiugsgescbiedenis der wet op; op menige bepaling zal een helder licht vallen, indien men nagaat hoe zij door de Regeering is verdedigd of verklaard, door de Kamer is opgevat of\' wel gewijzigd. Ook hier echter kan de discussie in de Kamer niet zelden op een dwaalspoor leideii, en maar al te dikwijls leert een onvoorbereid antwoord op eene onrechtskundige vraag hoe afwijkend de geest der wet kan zijn van de individueele opvatting der leden van de Regeering of van de Vertegenwoordiging, en hoe onpraktisch het soms is, de behandeling van eene zoo moeielijk toegankelijke materie op te dragen aan een lichaam van zoo gemengde samenstelling als de Staten-Generaal.
Voor de historische wetsuitlegging, inzonderheid van ons burgerlijk recht, zijn belangrijk;
Mr. J. C. Voürduin\' , Geschiedenis en beginselen der Nederl. Wet-boeken, Utrecht 1837 en volg.
J. van den Hon\'ert ïhz. , Handboek voor de Burgerl. Regtsvorde-ring in het Koningrijk der Nederlanden, Amst. 1839, 8°.
J. van den Honeiit Thz. , Geschiedenis en Beginselen der wetten van 31 Mei 18i3, Sthl. n. 22 en 23, betrekkelijk Boedelscheidingen.
J. J. F. Nooudziek, Geschiedenis der beraadslagingen^ gevoerd inde Tweede Kamer der Staten-Generaal over het Ontwerp van Burgerlijk Wetboek, quot;s Gravenhage 1866 en volgg.
Voor de vergelijking van het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek met het vroegere recht, raadplege men:
Mr. C. Asser, Het Nederl. Burgerl. Wetboek, vergeleken met het Wetboek Napoleon, \'s Gravenhage en Amsterdam, 1838.
Mr. S. P. Lipman (onder toezicht van). Burg. Wetboek, voorafgegaan door de Wet houdende Alg. Bep., W. v. Koop/i., W. v. B.
vergel tj kende rechtsstudie.
Regiso. en IF. v. Strafvordering, vergeleken met het Romeinsche en Fransche regt, {bewerkt door Mr. J. W. Tydeman).
Eindelijk bevatten vele uitgaven der wetboeken en verscheidene doorloopende uitlegkundige werken, min of meer uitvoerige verwijzingen naar het Fransche en Romeinsche Recht.
Tot eene wetenschappelijke beoefening van het recht behoort nog eene vergelijking met datgene, wat in andere Staten als recht geldt. Tntusschen zal eene studie van buitenlandsch recht en van de werken van vreemde schrijvers meer ten doel moeten hebben het rechtskundig oordeel te ontwikkelen en te scherpen of onzen blik te verruimen, dan wel op rechtstreeksche wijze den zin onzer positieve wet te verklaren.
Mr. van Hall zegt dienaangaande [Handl. bl. $2);
91
quot;Grondige beoefening en onderlinge vergelijking van hetgeen de quot;uitstekendste buitenlanders schrijven en leeren, zal ons, bij den \'/Duitscher wetenschappelijke begrippen, bij den Engelschman prak-quot;tischen zin, en bij den Franschman helderheid van oordeel doen quot;op prijs stellen. Dit zal tot onze eigen ontwikkeling en vorming /\'kunnen bijdragen; maar bij dat alles zal het doel van den beoefe-quot;naar van het Burgerlijk regt in Nederland blijven: het onderzoek \'• wat in ons Fader land regtens is. Daartoe moet de Nederlandsche //wetgeving beschouwd worden als een zelfstandig geheel, hetwelk in //de eerste plaats uit zich zelve moet verklaard worden; maar dat //geheel kunnen wij alleen door historisch en wetenschappelijk onder-//zoek leeren kennen, dat bestemd is om de duisterheid toe te lichten //en de leemten aan te vullen.\'quot;
//Welk nut voor het overige de opgegeven hulpmiddelen ook //mogen opleveren, eigen onderzoek en toepassing van een door oefe-//ning opgescherpt oordeel zal, bij de verklaring van het Burgerlijk //regt, altijd het voornaamste hulpmiddel blijven. Het verstand moet //het ingeroepen hulpmiddel beheerschen, zal het daardoor niet meer //beneveld en verward, dan opgehelderd, en teregtgewezen worden. quot;Men overdenke meer dan men leze, en leze liever goed dan veel.quot; (van Hall, t. z. p.).
HET NEDERLANDSCH BURGERLIJK REOHT.
Algemeen overzicht der rechtsstof.
§ 1-
DE MENSCH IN ZIJNE VERHOUDING TUT DE BUITENWERELD.
De luensch komt uit zijnen aard onophoudelijk in aanraking met de buitenwereld. Opdat nu deze voortdurende aanraking geen botsingen doe ontstaan, en de menscheu elkander zoo min mogelijk hinder zouden toebrengen in de vrije uitoefening hunner bevoegdheden , maar integendeel elkander in hunne bestemming ondersteunen , is het noodig dat eene denkbeeldige grens worde aangenomen, binnen welke een ieder zich veilig en vrij mag bewegen. Het recht leert de regelen, volgens welke deze grens moet worden gesteld.
Velen stellen zich min juist bet recht voor als middel om onrecht, dat is inbreuk op iemands vrijheid, door vreemden gepleegd, af te weren, en gaan derhalve van een tegenovergesteld standpunt uit.
Integendeel bakent het recht den mensch een gebied af, waarbinnen zijn wil, onafhankelyk van dien van anderen, kan heerscben.
Zie hieromtrent v. Savigny, Syst., I, bl. 332 en volgende.
Niet alle betrekkingen echter van den mensch tot de buitenwereld behooren tot het gebied van het recht; vele toch zijn niet vatbaar voor regeling; bij andere is regeling overbodig.
A L G E M E K N OVERZICHT.
§ 2-
GEBIED VAN HET RECHT.
Des meusclien wil kan gericht zijn bf op zijn eigeu persoon, bf naai buiten.
Het eerste ligt buiten liet gebied van het recht, welks eigenaardige roeping is aan te wijzen tot hoever ieders individueele wil naar buiten kan lieerschen.
De wil kan lieerschen over aen gedeelte der redelooze loereld, of over vreemde personen.
Onder redelooze wereld verstaan wij hier de buitenwereld met uitzondering van den mensch. Von Savtgny en anderen bestempelen dit begrip met den naam van: die unfreye Natur; van Hall, hl. 83, stelt niet geheel juist de stojfelijke wereld tegenover andere personen.
In het eerste geval is de wilsheerschappij onmiddellijk gericht op eenig voorwerp \') in de natuur buiten ons.
Alsdan heeft men een recht op de zaak (jus in re, zakelijk recht). Het meest volledige recht van dien aard is het recht van eigendom, waardoor de zaak in haren vollen omvang aan onze macht wordt onderworpen. Nauw verwant hieraan is het recht van hezit.
Maar ook rechten van minderen omvang, waardoor men eens anders zaak in sommige opzichten beheerscht, behooren tot de jura in re of zakelijke rechten. Deze noemt men jura in re alieua, rechten op eens anders zaak.
Vgl. Goüdsmit, Pand. Sysl., bl. 35, 36.
Ouze macht over vreemde personen kan slechts gericht zijn op enkele hunner handelingen.
Geheele onderwerping van eenen vreemde aan onzen wil zou diens gelykstelling met eene zaait ten gevolge hebben, en is slechts denkbaar daar, waar slavernij bestaat.
93
De wilsrichting bestaat dan hierin, dat men van een bepaald persoon kan eischen, dat hij iets doe of nalate.
\') Over het verschil van lichamelijke eu onlichamelijke zaken zal nader worden gehandeld.
HET NEDERLANDSCH BURGERLIJK RECHT.
Algemeen overzicht der rechtsstof.
§ 1-
de mensch in zijne verhouding tot de buitenwereld.
De luensch komt uit zijnen aard onoplioudelijk in aanraking met de buitenwereld. Opdat nu deze voortdurende aanraking geen botsingen doe ontstaan, en de inenschen elkander zoo min mogelijk hinder zouden toebrengen in de vrije uitoefening hunner bevoegdheden , maar integendeel elkander in hunne bestemming ondersteunen , is het noodig dat eene denkbeeldige grens worde aangenomen , binnen welke een ieder zich veilig en vrij mag bewegen. Het recht leert de regelen, volgens welke deze grens moet worden gesteld.
Velen stellen zich min juist het recht voor als middel om onrecht, dat is inbreuk op iemands vrijheid, door vreemden gepleegd, af te weren, en gaan derhalve van een tegenovergesteld standpunt uit.
Integendeel bakent het recht den mensch een gebied af, waarbinnen zijn wil, onafhankelijk van dien van anderen, kan heerschen.
Zie hieromtrent v. Savigny, Syst., I, bl. 332 en volgende.
Niet alle betrekkingen echter van den mensch tot de buitenwereld behooren tot het gebied van het recht; vele toch zijn niet vatbaar voor regeling; bij andere is regeling overbodig.
algemekn overzicht.
§ 2.
GEBIED VAN HET RECHT.
Des meusclien wil kan gericht zijn of op zijn eigeu persoon, bi naaT buiten.
Het eerste ligt buiten liet gebied van ket recht, welks eigenaardige roeping is aan te wijzen tot hoever ieders individueele wil naar buiten kan heerschen.
De wil kan heerschen over een gedeelte der recleluoze wereld, of over vreemde personen.
Onder redelooze wereld verstaan wij hier de buitenwereld met uitzondering van den menscb. Von Savtgny en anderen bestempelen dit begrip met den naam van: die uufreye Natur; van Hall, bl. 83, stelt niet geheel juist de slojfelijke wereld tegenover andere personen.
In het eerste geval is de wilsheerschappij onmiddellijk gericht op eenig voorwerp \') in de natuur buiten ons.
Alsdan heeft men een reclit op de zaak [jus in re, zakelijk recht). Het meest volledige recht van dien aard is het recht van eigendom, waardoor de zaak in haren vollen omvang aan onze macht wordt onderworpen. Nauw verwant hieraan is het recht van hezit.
Maar ook rechten van minderen omvang, waardoor men eens anders zaak in sommige opzichten beheerscht, behooren tot de jura in re of zakelijke rechten. Deze noemt men jura in re alien a, rechten op eens anders zaak.
Vgl. Goüdsmit, Pand. Syst., bl. 35, 36.
Onze macht over vreemde personen kan slechts gericht zijn op enkele hunner handelingen.
Geheele onderwerping van eenen vreemde aan onzen wil zou diens gelijkstelling met eene zaak ten gevolge hebben, en is slechts denkbaar daar, waar slavernij bestaat.
93
De wilsrichting bestaat dan hierin, dat men van een bepaald persoon kan eischen, dat hij iets doe of nalate.
\') Over het verschil van lichamelijke eu onlichamelijke zaken zal nader worden gehandeld.
VERMOGENSRECHT -
94
F A M I L 1 E R E O H ï.
Doen is hier in ruimen zin gebezigd, zoodat geven daaronder begrepen is.
Het belang, dat men bij zoodanige handeling van derden heeft, moet echter, volgens de meeste rechtsgeleerden, op een geldelijk bedrag kunnen worden gewaardeerd, anders treedt de bewuste verhouding buiten het gebied- van het recht.
Rechten, die meu op deze wijze tegenover vreemde personen kan doen gelden, noemt men verbintmissen, schuldvorderingen., jura in personam, ohligation.es.
Beide rechten — die op zaken en tegenover personen, jura.in re en jura in personam — vat meu samen onder de uitdrukking: vermogensregt, {jus rerwm).
v. Savigny , Si/st., I, bl. 340, noot h, toont de juistheid dezer uitdrukkingen aan.
In rechtskundigen zin doelt die uitdrukking op datgene, wat men vermag te doen, terwijl ook, volgens het gewone spraakgebruik, het vermogen juist bestaat uit datgene, waarvan men eigenaar is, of waarop men eenig ander zakelyk reoht uitoefent, vermeerderd met hetgeen men van anderen kan vorderen en hetwelk op geld waardeerbaar is, doch verminderd met datgene, waartoe men jegens anderen verplicht of wat men aan anderen verschuldigd is.
Nog in een ander opzicht kan de mensch staan tegenover zijne medemenschen. Beschouwt men hem niet als een op zich zelf staand wezen, maar als lid der maatschappij, dan blijkt het dat er betrekkingen bestaan, die bestemd zijn op duurzame wijze de menschen aan elkander te verbinden. Deze betrekkingen hebben haren oorsprong in de natuur van den mensch. In de eerste plaats toch wordt door de verdeeling der meuschheid in twee geslachten het huwelijk gebiedend voorgeschreven.
Fichte, Sitünlehre, bl. 449, drukt dit krachtig uit: „Es ist die „absolute Bestimmung eines jeden Individuum beider Geschlechter, „sich zu verehlichen .... Die unverheirathete Person is nur zur „Hiilfte ein Mensch.quot;
Een gevolg van het huwelijk is het familieleven, de banden die tusschen ouders en kinderen, bloedverwanten, aangehuwden, enz. bestaan.
Deze verhoudingen behooren slechts zijdelings tot het gebied van het recht; niettemin moet het recht zich deze stof aantrekken,
familierecht
95
— erfrecht.
ouder anderen omdat die betrekkingen van belangrijken invloed zijn op het vermogen. Vau daar een ander gedeelte van de rechtsstof, welke men bestempelt met den naam van Familierecht \').
Terwijl in het obligatierecht het doel bijna altijd gelegen is in het nakomen der verplichting, en mitsdien in het te niet gaan der verbintenis, beoogt het familierecht integendeel het vestigen van duurzame banden; de obligatie heeft tót voorwerp een of meer onzer handelingen; het familierecht beheerscht geheel onzen persoon; het gebied van het obligatierecht is aan onze willekeur onderworpen; dat van het familierecht is ons door de natuur aangewezen en, althans voor een groot deel, onafhankelijk van onzen wil gevestigd.
Vgl. v. Savigxy, Sijst., I, § 53 en 54.
Daarnevens echter is de duur vau ons leoen beperkt; met der. dood houdt elke mogelijkheid van wilsheerschappij op eu zouden derhalve de. vermogensrechten te niet gaan, zoo niet de noodzakelijkheid gebood hierin te voorzien door een stel van regelen, welke men Erfrecht noemt en volgens welke de algemeenheid van iemands rechten en verplichtingen of wel enkele daarvan op anderen overgaan.
§ 3.
v £ 11 d e e l i n g oer rechtsstof.
Naar aanleiding van deze beschouwing is men in lateren tijd gewoon bij het schrijven van een stelselmatig werk de rechtsstof aldus te verdeden;
T. Rechten op zaken ;
II. Rechten jegens personen (obligatierecht);
lil. Familierecht;
IV. Erfrecht.
Aan de behandeling hiervan gaan dan eenige onderwerpen van zeer algemeeue strekking vooraf, welker kennis hetzij noodig is tot goed verstand van het rechtssysteem, hetzij nuttig om latere herhalingen te vermijden.
Hoezeer wij deze verdeeling billijken in een werk, waarvan de schrijver zich geheel vrij en op zuiver wetenschappelijk gebied
\') De wijzigingen, die het familierecht op het vermogen uitoefent, worden somtijds bestempeld met den naam van toegepast of familie-vermogensrecht.
VERDEBLfNG VAN RECHTSS TO F.
kan bewegen — immers wanneer men er niet toe overgaat in het zoogenaamde algemeene deel onderwerpen vau zeer bijzonderen aard te behandelen, waarvoor elders moeielijk eene juiste plaats is aan te wijzen — achten wij haar minder doelmatig daar, waar de schrijver hoofdzakelijk met het gecodificeerde recht rekening moet houden.
In het vervolg van dit werk zal daarom niet al te zeer van de volgorde van het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek worden afgeweken; echter zullen de ondcrdeelen in dier voege worden gerangschikt, dat een gemakkelijker overzicht van de daarin behandelde stof kan worden verkregen.
In aansluiting derhalve aan de verdeeling van de Instituten van Gajus en Jüstinianus en van het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek \') zal ten deze achtereeu volgens worden gehandeld over 1. Personenrecht en
II. Vermogensrecht.
Het familierecht wordt alsdan onder het personenrecht gerangschikt, terwijl het erfrecht onder het vermogensrecht zal worden opgenomen.
96
Door de gewijzigde orde van behandeling moet echter de verdeeling van het Burgerlijk Wetboek in boeken en titels achterwege blijven.
\') Het Ontwerp Burg. Wetb. van 1886 volgt eveneens in groote trekken de indeeling van het bestaaud Wetboek. Zie de rechtvaardiging hiervan in de missive der Staatscommissie aan den Koning, Inl. Ontw. bl. VI en VII.
EERSTE AFDEELING. — PERSONENRECHT.
HOOFDSTUK 1.
Inleiding.
§ 1
BEGRIP VAN PERSON E N II E C H T,
Onder personeureclit begrijpen wij liet stel van voorschriften, waardoor de rechten en bevoegdheden der personen en met personen gelijkgestelde vereenigingen worden geregeld; de verschillende betrekkingen, welke haren oorsprong aan het familieleven ontleenen, en de wijzigingen , welke de rechten en bevoegdheden der personen, ten gevolge van velerlei omstandigheden, kunnen ondergaan.
§ 2-
BEGRIP VAN PERSOON. VERDEELING VAN PERSONEN IN NATUURLIJKE
EN UECHTSPERSONEN. BEPALING AAN BRIDE CATEGORIEN GEMEEN.
In rechtskundigen zin wordt onder persoon verstaan elk wezen, dat bevoegd is rechten te hebben.
Met een kunstterm drukt men dit uit, door te zeggen; de persoon is het onderwerp van rechten, subjectum juris.
Persoonlijkheid is de bevoegdheid van den persoon om zijne rechten binnen de door het recht gestelde grenzen te doen gelden. Vgl. (joudsmit , Sxjst., bi. 39.
Asser, Bitn/erl. Recht. I. 3e druk. 7
natuurlijke peksonën —
98
rechtsfeksonen.
De begrippen persoonlijkheid en rechtsbevoegdheid zijn nauw aaigt; elkander verwant. Mr. van Hall, bl. 102, stelt deze voor als gevolg vau gene. Anders Mr. Diephuis, het N. ti. R., 1870, I, bl. 179. Eerstgemelde meening komt ons juister voor.
De mensc.h is de persoon bij uitnemendheid. Hij is degene, die van nature bestemd is als onderwerp van rechten op te treden.
In ons recht (art. 2 B. W.) even als in de wetgeving van de meeste beschaafde volken is slavernij niet geduld. In alle onze koloniën en bezittingen is zij afgeschaft. Zie art. 115 der wet van 2 Sept. 1854, Stbl. nquot;. 129, en de wetten van 7 Mei 1859, Stbl. n°. 33, en 8 Aug. 1862, Stbl. n0. 164 en 165.
Eeeds door de Romeinsche juristen werd de slavernij te recht beschouwd als eene tegennatuurlyke instelling. (Inst. 1, 3, § 2; 1. 32, D. de R. J., 50, 17.) Quod ad jus naturale attinet omnes homines aequales sunt.
Een slaaf had onder het Romeinsche recht geene persoonlijkheid in rechtskundigen zin; hij was geen rechtssubject, maar eene zaak.
Behalve den mensch kent het recht echter personen, die geen phjsisch bestaan hebben. Deze personen worden door het recht geschapen; het zijn getingeerde wezens, die hun rechtskundig bestaan te danken hebben aan de noodzakelijkheid, om sommige publiek- of privaatrechtelijke oogmerken te bereiken.
Dergelijke kunstmatig geschapen personen noemt men rechtspersonen, in tegenstelling van natuurlijke of physische personen.
In het Ned. Burg. Wetb. heeten zij zedelijke lichamen, en worden minder juist in het derde Boek behandeld. De zedelijke lichamen vormen echter slechts een onderdeel van de in het recht bekende rechtspersonen. Nog met vele andere namen worden deze bestempeld; als b. v. moralische, tingirte, mystische Personen, être moral, enz.
In den Code Nap. treft men geene bepalingen over dit gewichtig onderwerp aan. Het ontwerp van 1820 regelde deze stof in boek I, titel 24.
Over rechtspersonen en de met dat onderwerp nauw samenhangende wet van 22 April 1855 (Stbl. nquot;. 35), tot regeling en beperking van het recht van vereeniging en vergadering met de daarbij behoorende wet van 14 Sept. 1866 (Stbl. nü. 123) zal hieronder uitvoeriger worden gehandeld.
GEMOT DEB, B U B G F, U L IJ K E RECHTEN.
Zoowel natuurlijke als rechtspersonen zijn in het irenot van burgerlijke rechten.
Evenwel niet alle in gelijken omvang, doch met gelijke bevoegdheid om die rechten uit te oefenen.
De uatnurlijke personen toch kunnen in hunne bevoegdheid in velerlei opzicht worden beperkt.
De rechtspersonen, welke hun bestaan niet dan aan de wet ontleenen, kunnen alleen die vermogensrechten bezitten en uitoefenen, welke hun door de wet zelve worden toegekend (zie vooral art. 1691 B. W.); familierecht bestaat uit den aard der zaak slechts bij natuurlijke personen.
Het genot der burgerlijke rechten is onafhankelijk van de staatkundige rechten, welke alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen (art. 1 B. W.).
Omgekeerd bepaalde de Grondwet van 1848 in art. 4 „De uitoefening der burgerlijke regten wordt door de wet bepaaldquot;. \')
In hoeverre art. 1 B. W. min of meer overbodig is, zie Ofzoomer ^ S. W., I, bl. 12 en vlgg., en daartegen Diephüis, 1870, I, bl. 180, noot. In het ontwerp van 1886 komt de bepaling van art. 1 B. W. niet meer voor.
HOOFDSTUK II.
Over natuurlijke personen.
§ 1-
ONTSTAAN DER N A ï U U E L IJ K E PERSOONLIJKHEID.
De natuurlijke persoonlijkheid vangt aan met de geboorte. De ongeboren vrucht is nog geen persoon.
Hetzelfde beginsel gold ook in het Romeinsehe recht, 1. 1, § 1, D. de insp. ventre (25, 4): Partus anteqnam edatur, mulieris portio est vel viscerum. 1. 9., § 1., D., ad Leg. Falc. (35, 2): Partus nondum editus, homo non recte fuisse dicitur.
99
Elk kind derhalve, dat levend ter wereld komt, heeft persoonlijkheid, en daarmede rechtsbevoegdheid.
\') Dit artikel is bij de herziening in 1887 weggelaten.
7*
ontstaan der natuurlijke persoonlijkheid.
Hoe Kort liet ook moge leven, het is in het genot van burgerlijke rechten geweest, die na zijn overlijden weder aan anderen kunnen overgaan.
De meerdere of mindere vatbaarheid van het kind om in het leven te blijven doet niets ter zake. De vraag, of het vereischte van levens-vat baar Jteid in het Eomeinsehe recht bestond, wordt verschillend beantwoord. Zie Puchta, Pand., § 114, noot d, en Vorlesuugen, I, 233, bevestigend; v. Savignv, Syst., II, bl. 10 en bijlage III, bl. 385 en vlgg.; v. Vangerow, Pand., I, § 32, bl. 55 en volg.; Goudsmit, Pand. Syst., bl. 41, ontkennend.
Het Fransche recht bevat dit vereischte in art. 725 en 906, j0. 314, C. N. en zulks op het voetspoor van het oudere recht; vgl. Merlin , Quest, de dr. in voce Vie. Om door erfenis of schenking iets te kunnen genieten, moest het kind zijn né viable.
Te recht is dit vereischte ten onzent, in navolging van het ontw. van 1820, art. 76, weggelaten; evenwel niet zonder stryd van meening tusschen de Regeering en de Vertegenwoordiging.
Zie Vooeduin, I, 1, bl. 269 en vlgg.; II, bl. 10—16; Gesch. der beraadsl., I, bl. 510 en vlgg., 516 en vlgg.; II, bl. 168, 337 en v., 340; Asser, het N. S. IV. vergeleken met het IV. N., § 7.
In het Pruissische en Oostenrijksche recht is eveneens met het stelsel van levensvatbaarheid gebroken.
ïe recht o. i., want 1°. is de bekwaamheid om te blijven leven een zeer onbepaald begrip, voor zeer verschillende opvatting vatbaar; 2°. zou ter beoordeeling daarvan een grievend en veelal onkiesch onderzoek door deskundigen moeten plaats hebben. (Zie Asser, t. a. p.)
Het recht bij de geboorte verkregen, werkt echter onder zekere voorwaarden terug ten voordeele van de nog ongeboren vrucht.
/\'Het kind van hetwelk eene vrouw zwanger is, wordt als reeds //geboren aangemerkt, zoo dikwijls deszelfs belang zulks vordert.
/\' Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben //bestaan.quot; Art. 3 B. W.
Dit beginsel is reeds van oude dagteekening en o. a. te vinden in 1. 7 D. de statu hom. (1, 5). Qui in utero est, perinde ac si in rebus humanis esset, custoditur, quoties de commodis ipsius partus quaeritur, quamquam alii, anteqnam nascatur nequaquam prosit. Vgl. lex. 26 eod.; 1. 129 en 231 D. de verb. sign. (50, 16); 1. 2, 3, C. de postumis hered. (6, 29); de Groot, Inl., I, 3, § 4; v. d. Keessel, thes. 4ö; Nieniiuis, Voorl., 26, aant. 2; A. Telting, De juribns nondum nu tor uw, Gron. 1826; v. Savigny, Sxjst., I[, § 62.
1U0
ONTSTAAN DER NATUURLIJKE PERSOONLIJKHEID.
De vereischten ter toepassing van dien regel zijn derhalve de volgende;
a. Het kind moet ontvangen zijn.
Het bestaan der zwangerschap, op het oogenblik , waarop de rechts-fictie ten aanzien van het nog ongeboren kind heeft moeten werken, zal moeten worden geleverd door het kind (zoo noodig vertegenwoordigd als volgens de wet) of door zyne reehtverkrijgenden.
Elders (in art. 306—310 B. W.) heeft de wet, naar aanleiding van een ander onderwerp, als vermoedelijke grenzen van den duur eener zwangerschap aangenomen een tijdvak van 180 tot 300 dagen.
Het mag eenigszins betwijfeld worden, of men ook in het. tegenwoordige geval als vermoeden mag aannemen, dat een kind ontvangen was, indien het niet langer dan den 3009,cu dag, na de beweerde verkrijging van eenig recht, geboren is \'). Met het oog toch op de strekking der artt. 306—310 (onwettige geboorte van een kind), moest men een langst mogelijken termijn van zwangerschap, en wel een tijdsverloop van 300 dagen aannemen, ten einde een vermoeden te stellen van o«wettigheid voor de gevallen, dat tusschen de geboorte van het kind en den dood of de afwezigheid enz. van den man, een nog grooter tijdruimte verloopen was. Men nam dus in die artt. een termyn van zwangerschap zóó groot, als maar zelden is waargenomen.
Gelijke ratio legis bestaat niet ten aanzien van art. 3 B. W.; het geld hier een positief feit; niet het stellen van grenzen waarbuiten zeker feit niet kan hebben plaats gehad; men zal dus o. i. bij termijnen, die den natuurlijken duur eener zwangerschap van omstreeks 40 weken eenigermate te boven gaan, andere bewijsmiddelen dan wettelijke vermoedens moeten bezigen.
Ingeval het kind, volgens geneeskundige verklaring, vroegtijdig geboren is, zal bij de bewijslevering ook deze omstandigheid moeten worden in aanmerking genomen.
Afwijkend hiervan: Diephüis, t. a. p., I, bl. 190 en vlgg.; Op-zoomer, ad art. 3 B. W.
b. Het kind moet levend ter wereld komen.
101
Ademhaling is het bewys van leven bij een kind. Het is de eerste levensverrichting, die het geboren kind van den foetus onderscheidt. Zie Opzoomer, ad art. 3.
\') Over den kortst mogelijken duur der zwangerschap zal ten deze nimmer sprake zijn. Hoe korter toch de geboorte volgt op de beweerde verkrijging van een recht, des te zekerder is het, dat het kind reeds op dat tijdstip ontvangen was.
ontstaan dkk natcurluke persoonlijk heid.
Hoe lang het geleefd heeft, doet met het oog op den regel van art. 3 B. W., niets ter zake.
Minder juist zegt Mr. de Pinto, B. W. 1885, II, bl. 39, dat bij volkomen gemis van bewijs of een kind geleefd hebbe of niet, het kind als dood geboren is te beschouwen. Daar is uit onze wet geen vermoeden in eenigen zin af te leiden, en het levend of dood ■ geboren zijn van het kind zal, evenals elk ander feit, overeenkomstig art. 1902 B. W. moeten bewezen worden door hem, die aan deze omstandigheid eenig recht wil ontleenen.
Vgl. Diephuis, 1870, I, bl. 194 en 195; de Pinto, t. a. p. noot van Mr. Teixeiba de Mattos.
c. Het belang van het kind moet medebrengen, dat het worde
aangemerkt als reeds geboren.
Hetzelfde gold in het Romeinsche recht „quoties de ipsius commodis agiturf en was van uitgebreider toepassing dan thans, omdat niet zelden gedacht werd aan den staat van vryheid of slaverny, waarin het kind zal geboren worden.
In vorige ontwerpen las men de meer onbepaalde uitdrukking: „het „kind, waarvan eene vrouw zwanger is, is bevoegd tot het genot „dier r eg ten; hetzelve wordt als geboren aangemerkt, zoo dikwijls des „zelfs belang zulks vordert.quot; Deze uitdrukking werd door sommigen te recht afgekeurd, en vervangen door de tegenwoordige redactie, welke echter Mr. Opzoomek evenmin bevredigt. Zie Opzoomek, ad art. 3; van Hall, bl. 106; Diephuis, t. a. p.
In het Fransche recht is de regel van ons art. 3 B. W. niet zoo algemeen gesteld, maar vastgeknoopt aan de leerstukken van erfopvolging en schenking; zie de artikelen 725 en 906 C. N.
De uitdrukking belang, commodum, is volgens sommigen niet te beperken tot vermogensrechten, b. v. verkrijging eener erfenis, maar slaat ook op toestanden, die de geheele persoonlijkheid beheerschen, met name het recht van Nederlanderschap. Zoo zou men onder de werking der wet van 12 Dec. 1892 (Stbl. n». 268), op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, kunnen vragen of in art. 1 «, c cn d, nevens de geboorte mag worden gedacht aan de conceptie, zoodat b. v. Nederlander zou zijn „het wettig, gewettigd of door den vader erkend „natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboortequot; (pf terwijl het reeds ontvangen was) „de vader den staat van Nederlander bezit.quot; Het komt ons niet twyfelachtig voor dat aan den stelligen tekst dezer wet niet zoodanige uitbreiding mag worden gegeven.
Zie omtrent deze vraag, toegepast op de toenmalige bepalingen omtrent het Nederlanderschap, in verschillenden zin Opzoomek, t. a. p.;
102
einde der natuurlijke persoonlijkheid.
Nieshüis, Akad. Voorl. I, bl. 249 en v.; Diephüis, uitg. 1870, dl. I, bl. 223, 224.
üe fictie van art. 3 B. W., geldt uiet ten voordeele van derden.
Vgl. behalve de boven aangehaalde 1. 7 D. de statu hom. (1, 5) de lex. 231 D. de V. S. (50, 16): „Quod dicimus, eum qui nasci „speratur, pro superstite esse, tunc verum est, quum de ipsius jure „quaeritur, alüs autem non prodest nisi natus.quot;
Het nog niet geboren kind kan dus b. v. niet medegeteld worden onder de kinderen, die den vader op grond van art. 434, 8°. B. W. van de voogdij verschoonen; een derde, die belang heeft by de erfopvolging van het ongeboren kind, kan daarin geene aanleiding vinden om hem daartoe gerechtigd te doen verklaren; of om zelf aangesproken door eene hereditatis petitie den levende af te wijzen , op grond dat deze alleen bij het niet bestaan van den nog ongeboren erfgenaam daartoe gerechtigd zou zijn (van Hall, bl. 106).
Ofschoon de nog niet geboren vrucht geene persoonlijkheid heeft en mitsdien van uitoefening harer rechten nog geen sprake kan zijn , bestaat er behoefte aan voorzorgsinaatregelen tot bewaring van hare vooruitzichten.
Art. 403 B. W. voorziet hierin, door te bepalen dat, ingeval na het overlijden van den man, de vrouw verklaart of erkent zwanger te zijn, een curator over de ongeboren vrucht wordt benoemd, die, nadat het kind levend ter wereld komt, van rechtswege diens toeziende voogd wordt, tenzij reeds voor de andere kinderen een toeziende voogd mocht bestaan.
Vgl. art. 393 C. N. en de Romeinsch-rechtelijke instelling van den curator ventris. Zie o. a. Tit. Dig. de ventr. in poss. mitt. (37, 9) en lex. 20, pr. D. de tut. et cur. (26, 5).
Gedurende het leven van den vader schijnt de wet de belangen van de ongeboren vrucht genoegzaam gewaarborgd te achten; de behartiging daarvan, door Mr. v. Hall o. i. minder juist uit art. 362 B. VVquot;. afgeleid, wordt niet uitdrukkelijk in het wetboek geregeld.
§ 2-
einde der n a t u u r l ij\' k e p e r s o o n l ij k h e i d.
De persoonlijkheid, en daarmede de bevoegdheid om burgerlijke rechten te hebben of te verkrijgen, gaat te niet door den dood.
103
EIXDE DER NATUURLIJKE PKRSOONLIJKHEIÜ.
De overledene heeft geene rechten meer, maar deze gaan op anderen over (Vgl. art. 88 ontw. 18^0).
üe dood als grens der persoonlijkheid is in den regel gemakkelijk waar te nemen, zoodat het bewijs daarvan doorgaans geene zwarigheden oplevert, en gelijk later zal blijken, door eene opzettelijk daarvan op te maken akte blijvend wordt geconstateerd.
Tot raoeielijkheden echter leidt het geval dat van iemands bestaan sedert langen tijd geene berichten zijn ontvangen ter plaatse, waar hij het laatst heeft gewoond.
De rechtstoestand van zoodanigen afwezige, de daaruit voortvloeiende onzekerheid omtrent zijn bestaan, de maatregelen, die genomen worden tot bewaring zijner rechten, de bevoegdheid van derden om in diens rechten op te volgen, of wel om rechten te doen gelden, die zij alleen kunnen verkrijgen, indien de afwezige op zeker tijdstip zijner afwezigheid al of niet in leven was, eindelijk de gevolgen der afwezigheid, met betrekking tot het huwelijk en de kinderen, vormen liet onderwerp van den 19en of laatsten titel van het eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek.
Het leerstuk der afwezigheid en van het vermoedelijk overleden zijn schept als het ware een wettely ken tusschentoestaud tusschen leven en dood. Van daar een stel van wettelijke bepalingen, die ten doel hebben zooveel mogelijk voor de rechten van den afwezige te waken, waarbij dus de mogelykheid van zyn bestaan wordt aangenomen; en daartegenover andere bepalingen, die de rechten der vermoedelijke erfgenamen regelen, of voorschriften geven hoe te handelen ten aanzien van rechten, opgekomen aan eenen afwezige wiens bestaan onzeker is. Vgl. van Hall, Handl., bl. 108, op wiens stelling; „Er bestaat bij „afwezigen, met betrekking tot rechtsverk rij ging vermoeden van over-,,lijden; met betrekking tot oefening van vroeger verkregen rechten, „vermoeden van levenquot; waarop wij nader, bij de meer uitvoerige behandeling van dit onderwerp, in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen.
Gelijk de dood doorgaans gemakkelijk te bewijzeu is, zoo zal ook het tijdstip van overlijden meestal inet nauwkeurigheid vaststaan.
Evenwel kan het voorkomen dat het van groot belang is te weten, wie van twee of meer nagenoeg gelijktijdig overleden personen het eerst is gestorvën, ingeval er rechten mochten worden ontleend aan de overleving van sommigen hunner; doch niet zelden zal het gebeuren dat juist zoodanige personen door één zelfde ramp, b. v. door schipbreuk, brand enz. zijn verongelukt, weshalve het
104
einde df.r n.vruuklijke peks00nlijkhe1d.
bewijs van vooroverlijden van één of meer hunner niet kan geleverd worden.
In het Romeinsche recht werd in het algemeen aangenomen dat zoodanige personen op één en hetzelfde oogenblik zijn omgekomen.
Zie v. Savügny, Syst., II, b!. 20—22, en de aldaar aangehaalde plaatsen ten bewijze dier stelling, benevens van de eenige uitzondering, die daarop, by overlijden van ouders en kinderen in één en hetzelfde ongeval, is gemaakt. Windschf.id, Pand., I, § 53, noot 4; groudsjirt, Pand. Syst., I, bl. 4.S.)
Ue Code Napoléon bevat daaromtrent in.de artikelen 720 tot 722 de meest willekeurige en zonderlinge vermoedens, gegrond op leeftijd en geslacht der overledenen, of zij b. v. jonger waren dan 15, ouder dan 60 jaren, enz.; welke vermoedens daarenboven, juist tengevolge van het afdalen in te groote bijzonderheden \'), in vele opzichten onvolledig zijn.
Zie Asser, het N. B. li. very, met het Ifeth. Nap., § 486.
105
Tot het juiste stelsel dienaangaande is men weder teruggekeerd in het ontwerp van 1820, art. 90; en in navolging daarvan bepaalt art. 878 B. W.: «Indien verscheidene personen, van welke de een \'/tot des anderen erfenis geroepen is, door één en hetzelfde ongeval, «of op denzelfden dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie quot;het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogenblik «gestorven te. zijn, eu er heeft geen overgang van erfenis van den «eenen ten behoeve van den anderen plaats.quot;
In het Fransche recht kende men als wettelijk gevolg van sommige strafrechtelijke veroordeelingen een toestand, waardoor de veroordeelde, ofschoon in leven, voor de wet overleden was; men noemde dit den burgerlijken dood, !a mort civile. Zie C. N. art. 25—33, 718, 719 en Code Pénal art. 18.
De voornaamste gevolgen hiervan waren dat de veroordeelde den eigendom van al zijne goederen verloor; dat zijne nalatenschap openviel ten bate zijner erfgenamen, als ware hij werkelijk overleden, zonder testament; dat hij niet kon erven of over zijne goederen op
\') Vgl. hierboven bl. 86.
AFSCHAFFING VAN DF.N BURGERLIJKEN DÜOLI.
eenigerlet wijze beschikken; dat hij geen voogd mocht zijn; evenmin getuige bij het verlijden van akten, noch getuigenis afleggen; dat hy niet op eigen naam in rechte mocht optreden; dat hij geen wettig huwelijk mocht aangaan en het vroeger door hem gesloten huwelyk ontbonden was. Zie omtrent den burgerlijken dood de schrijvers aangehaald by Mr. van Hall, bl. 107; en verder de schrijvers over het Fransche recht, ad art. 25—33 C. N.
Zie verder ter beoordeeling van eenige punten van vergelyking van den burgerlijken dood met de capitis deminutio van het Romeinsche recht, van Hall, bl. 107.
Over de ontwikkeling van het begrip uit de geschiedenis van het recht in de middeleeuwen : Mr. A. Brugmans, De morte civili, L. B. 1824 en omtrent den samenhang van den burgerlijken dood met den toestand der uitgewekenen in Frankrijk, het antwoord der regeering by Voordüin, II, 19.
üe burgerlijke dood is bij het Nederlaudsche Wetboek afgeschaft, overeenkomstig de minder gestrenge beginselen, die daaraan ten grondslag liggen (art. 4 B. W.), nadat reeds sedert liet besluit van 11 Dec. 1813, art. 7, tengevolge van de opkeffing der altijddurende lijfstraffen, de toepassing in Noord-Nederland binnen zeer enge grenzen was beperkt.
Zie v. Hall, t. a. p.; Dikpiiüis, ad art.; Asseii /iet iV. B. W. vergeleken met het W. N., § 8.
Met de bepaling van art. 4 B. W. wordt alleen bedoeld dat niemand door eenigerlei straf van de volheid zijner rechten kan worden beroofd; zij belet niet, dat een veroordeelde uit kracht der strafwet van sommige bepaalde rechten kan worden verstoken, gelijk in het volgende hoofdstuk nader zal worden vermeld.
In Frankryk is bij de wet van 31 Mei—3 Juni 1854 de burgerlijke dood afgeschaft; in Baden bij de wet van \'ï Maart 1845, R. B. n0. 15 § 21.
106
HOOFDSTUK Hi
Omstandigheden, hoedanigheden en eigenschappen, welke op den rechtstoestand van natuurlijke personen van algemeenen invloed kunnen zijn.
§ 1-v r ij h e i ü.
Allen, die zich op het grondgebied van den Staat bevinden zijn vrij, en bevoegd tot het genot der burgerlijke rechten (art. 2, lid i B. W.)
Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard of onder welke benaming ook bekend, worden in het rijk niet geduld. (Art. 2, lid 2 B. W.) \')
Deze bepalingen komen in den Code Napoléon niet uitdrukkelijk voor.
Zie hoe het beginsel „de lucht maakt vrijquot; — oorspronkelijk geldende ten bate van hen, die binnen de poorten der steden kwamen of gebracht werden — door gebruik en gewoonte tot het betreden van den vaderlandschen bodem is uitgestrekt geworden, van Hall, bl. 102 en 103; Diephuis, l^ dr., I, § 7, noot 2, en de aldaar aangehaalde costumen en schrijvers.
Tijdens het invoeren van het Burgerlijk Wetboek was de slavernij in onze koloniën en bezittingen nog niet afgeschaft. Dit heeft plaats gehad bij art. 115 der wet van 2 Sept. 1854, Stbl, n0. 129, en de wetten van 7 Mei 1859, Stbl. n0. 33, en 8 Aug. 1862, Stbl. n0. 164 en 165.
Vóór die tijdstippen was de rechtsvraag niet onbelangrijk of een slaaf uit onze koloniën, die tydens een verblijf in Nederland vrij geworden was, die vrijheid behield, ook na zijne terugkeer in de koloniën.
Terwijl vele schrijvers de bevestigende beantwoording op grond van de eenmaal verkregen vrijheid en den samenhang van het moederland en de koloniën nauwelijks aan twijfel onderhevig achtten, vond zij ernstige bestrijding, vooral bij Prof. Opzoomek, ad art. 2 § 2 B. W.,
\') In het Ontw. 1886 wordt het beginsel der persoonlijke vrijheid niet uitdrukkelijk vermeld (Mem. v. toel. art. Ij.
108 V 31TJ HEID, AFSCHAFFING DEK SLAVERNIJ.
inzonderheid op grond dat dit artikel even als het geheele wetboek slechts geldt voor het rijk in Europa en niet voor de overzeesche bezittingen, zoodat de rechtstoestand van den gewezen slaaf slechts naar de daar vigeerende wetten mocht worden beoordeeld.
Men zie verder de geschiedkundige bijzonderheden omtrent den rechtstoestand van weggeloopen slaven en het recht van prehensie van den meester, over de tijdelijke vrijheid, die de slaaf genoot als hij oudtijds in dienst zijns meesters hier te lande vertoefde enz. van Hall, bl. 103, alwaar ook bijzonderheden omtrent oude Fransche toestanden voorkomen. Zie ook Merlin, B\'p. i. v., Esclava/je, en de overige bij van Hall aangehaalde schrijvers en ordonnantiën.
Evenmin als slavernij wordeu hier te lande, «alle andere persoonlij ke dienstbaarhedenquot; geduld. Men doelde hierbij in liet algemeen op alle zoodanige toestanden, waardoor de menseh ophoudt in rechts-kundigen zin persoon, d. i. onderwerp van recht te zijn; met name lijfeigenschap en hoorigheid, waardoor men aan zijnen heer of aan diens bezitting was verbonden. Ook door vrijwillige overeenkomst kan geene slavernij ontstaan.
Zeer ten onrechte meende men in de vijfde afdeeling van de Tweede Kamer der Staten Generaal, dat door de woorden van art. 2 B. W. ook de huur van diensten verboden was; en even onjuist was de bestryding van hen, die beweerden dat de bepalingen van huur van diensten als speciale wet aan de algemeene bepaling van art. 2 B. W. derogeeren.
Art. 2, evenals de daarmede overeenstemmende bepaling van art. 75 ontw. 1820, hetwelk wellicht iets juister van redactie is, heeft alleen ten doel die toestanden te verbieden, waarbij de menseh ophoudt persoon te zijn, en verlaagd wordt tot eene dienende zaak; geheel iets anders is de overeenkomst, waarbij iemand zijne diensten voor eenen tijd of voor eene bepaalde onderneming verbindt (art. 1637 B. W.)_ Ja zelfs al kon men zijne diensten levenslang verbinden, zou zulks nng geene dienstbaarheid in den verboden zin van art. 2 opleveren, maar alleen tegenover den verbondene eene persoonlijke vordering geven, welke bij niet-nakoming, volgens art. 1275 B. W., zich in vergoeding van kosten, schaden en interessen oplost \'). Dit is reeds
\') Eene uitzondering hierop maakt de zeer bijzondere bepaling van art. 402 W. v. K.: „De schipper, of die hem vervangt, kan de sterke hand inroepen tegen diegenen, welke „weigeren aan boord te komen, hetzelve zonder verlof verlaten en weigerig zijn den verstuurden dienst ten uiteinde toe te volvoeren.quot;
p e ks o ok l ij k e i) i ens t h a a r h ed e n.
juist ingezien door de Glossa op 1. 3, § 2 D., de (Jsufr. ,.Quis „non potest locare operas suas in perpetuum, ne inutilis sit libertas. „Sed tu die contra, quia praestando interesse liberatur.quot;
Vgi. inzonderheid Opzoomek, ad art. 2, § 2 B. W.; v. Hall, t. a. p.
Zie verder Üpzoomee t. a. p. ten betooge dat verplichtingen van publiekrechtelijken aard (b. v. tot het dienst doen als militair of schutter) geheel buiten dit artikel liggen, hetwelk alleen doelt op de betrekking der burgers onderling; eene eenvoudige waarheid, die niettemin door verscheiden onzer vroegere juristen is miskend.
Zie nog bij Mr. van Hall, bl. 104, dat persoonlijke dienstbaar, heid aanleiding heeft kunnen geven tot praestatiën, welke thans onder andere gedaante voortduren, als cynsen, grondrenten en andere uitgangen, ^aardoor ijoederen dienstbaar zijn aan personen, stichtingen of andere goederen; de Groot, I, 4, § 2, teekent aan, dat alle teekenen van onvrijheid te zijner tijd nog niet geheel waren uitgewischt; en Mr. J. D. Meijer meende in 1826 nog sporen van hoorigheid in Overijssel en het kwartier van Zutphen te kunnen aanwijzen. Zie Bijdr. I (1826), 441—449, Aanm. over de hoorigheid; Mr. M. W. de Jonge; Bijdr. II (1827); en Mr. J. D. Meijer, Conmdtatiën, Amst. 1842, bl. 55—73.
§ 2-
GODSDIENST. M A A T S C H A P P E L IJ K E STAND.
Noch verschil in godsdienst, noch in maatscliappelijken stand, oefenen eenigen invloed uit op de rechtsbevoegdheid in Nederland \'); (art. 4), 5, 109 Grondwet; art. 2, lid 1 13. W.).
lOV»
Niet dan volledigheidshalve wordt dan ook hier over godsdienst en stand gesproken. Groot immers was in vroeger tijden de invloed van beiden op het recht.
1) Hetzelfde kan nog niet voor Nederl.-Indië worden gezegd. Bij eene bevolking, uit zoovele verschillende elementen samengesteld, bleef het noodig voor de werking van onze wetten verschil te maken tusschen de talrijke soorten vau ingezetenen. Deze worden onderscheiden in Europeanen en daarmede gelijkgestelde personen, en Inlanders en met deze gelijkgestelde personen (art. 6 Alg. Bep. v. Wetg. voor N.-Indië). Met Europeanen worden gelijkgesteld 1°. alle Christenen; 2°. alle andere personen niet vallende in de omschrijving van de met Inlanders gelijkgestelden (onder welke laatsten men verstaat: Arabieren, Mooren, Chineezen en allen, die Mohammedanen of heidenen zijn). Zie art. 109 Reg. Regl., in de plaats getreden van art. 7 en 8. Alg. Bep. N.-I.; vgl. verder de artt. 71- en 75 Reg. Rugl. omtrent de gevolgen dier onderscheiding.
110 GODSDIENST. MAATSCHAPPELIJKE STAND.
Ontwikkelde zich sedert de invoering van het Christendom in het Romeinsehe recht van lieverlede het beginsel, dat verschil van godsdienstige gezindheid, yerschil in rechtsbevoegdheid moest te weeg brengen (zie Goudsmit, Syst., I, bl. 48) — een beginsel, dat sedert de Hervorming in verschillende landen nog meer veld heeft gewonnen, naarmate van de geloofsrichting die de overhand had — daarnevens ontstonden vooral uit het leenstelsel byzondere verhoudingen in maalschappelyken stand, waarmede de splitsing der maatschappij in geestelijkheid, adel en burgerij behoort te worden in verband ge-brarht, en die haren invloed ook op het privaatrecht deden gelden.
Aan een en ander werd in Frankryk een eind gemaakt door de omwenteling van 1789, welk voorbeeld spoedig door andere Staten werd gevolgd.
De Staatsregeling van 1798 schafte ten onzent alle feodale rechten af. Gelijkheid van alle burgers voor de wet, werd in deze en alle opvolgende Grondwetten gehandhaafd, en met trots kan men de vrijzinnige bepalingen in Nederland dienaangaande vergelijken met die van andere zelfs naburige landen, waar niet dan schoorvoetend en niet zonder eigenaardigen tegenstand de beperkingen uit verschil van stand en godsdienst voortvloeiende, worden opgeheven.
Men zie b. v. Allg. Landrecht f. d. Preuss. Staten, Deel II, titel 1, § 30 luidende: „Mannspersonen von Adel können mit „Weibspersonen aus dem Bauer- oder geringern Bürgerstande keine „Ehe zur rechten Hand schliessenquot;;
Eodem § 36: „Ein Christ kann mit solchen Personen keine Hei-„rath schliessen, welcbe nach den Grundsiitzen ihrer Religion, sich „den Cbristlichen Ehegezetzen zu unterwerfen, gehindert werdenquot;, welke beide bepalingen tot op de wetten van 22 Febr. 1869, en de Bondswet van 4 Mei 1868, § 2 hebben gegolden. Vgl. ook de Rijkswet van 6 Febr. 1875, §§ 33—39.
§ 3.
N A T I O N A L I T E 1 T.
Reeds werd door ous in de Inleiding, Hoofdstuk III, § 4, eu wel voornamelijk bl. 56—62, gewezen op eenige punten van verschil in de rechtsbevoegdheid tusschen Nederlanders en vreemdelingen; de vraag wie Nederlander — en derhalve ook wie vreemdeling — is, moet volgens de Grondwet door de wet worden geregeld; zie art. 7
N A T I O N A L I T E I T.
Gw. vau 1848, art. 6 Gw. van 1887. Het mag echter worden betwijfeld of men zich ia 1848 had voorgesteld eenen toestand te scheppen, zoo ingewikkeld als later in Nederland heeft bestaan.
Tijdens het in werking treden van de Grondwet in 1848 bestond slechts eene wet, welke het Nederlanderschap regelde, en wel het .Burgerlijk Wetboek, art. 5—12. Aan deze wet moest worden getoetst of iemand al of niet de wettelijke vereischten had om als Nederlander te worden beschouwd, onverschillig of men daaraan privaat- of publiekrechtelijke gevolgen toekende, of dat men de toepassing van bijzondere wetten, b. v. van handelsrechtelijken of fiscalen aard, op het oog had.
Deze toestand werd veranderd door de in werking treding der wet van 28 Juli 1850, Stbl. n0. 44, ter uitvoering van art. 7 der Grondwet, waarvan art. 1 bepaalt wie Nederlanders zijn quot;ten aanzien vau het //genot van burgerschapsregteu quot; Uit dit artikel ziet men dat niettegenstaande het opschrift der wet, hetwelk aan eene algeheele regeling dezer stof, en derhalve aan afschaffing van de tot dusver bestaande wetgeving op dat punt zou doen denken, de inhoud van gemelde wet, met betrekking tot het begrip van Nederlanderschap, van zeer beperkten aard was, en zich niet uitstrekte buiten de grenzen door de wet zelve gesteld; zoodat al wat te dien aanzien buiten het begrip van burgerschapsrechten lag, aan de bepalingen van het Ned. B. W. bleef onderworpen. Dit Wetboek bleef derhalve het antwoord geven op de vraag wie Nederlander of vreemdeling was, niet alleen voor de gevallen tot het privaatrecht betrekkelijk, maar eveneens voor de toepassing van vele andere wetten, zoo van privaat- als publiekrechtelijken aard, waarin van Nederlanders of vreemdelingen sprake is.
Men denke b. v. aan de voormalige artt. 8 en 9 VV. v. Strafv., art. 75 C. P., aan de Wet tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen van 13 Augustus 1849, Stbl. nquot;. 39, de wet van 28 Mei 1869, Stbl. n0. 96, betrekkelijk Je afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, enz., de wet van 6 April 1875, Stbl. nquot;. 66, tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien vau de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten, in welke laatste wet uitdrukkelijk bij artikel 22, lid 1, naar het B. W. werd verwezen.
Het behoeft geen betoog dat de na de wet van 1850 in het leven getreden toestand van tweeledig Nederlanderschap op den duur onhoud-
ill
n a ï i o n a l 1 t e i t.
baar was, en het mag verwondering wekken dat niet vóór 1892 daarin verandering is gebracht, terwijl toch reeds vroeg het verlangen naar eene algemeene, eenvoudige, duidelijke regeling van het Nederlanderschap allerwegen werd geuit.
De te maken wet zou alle gevallen moeten biheerschen, waar verschil van landaard tevens verschil van rechtsbevoegdheid medebrengt. Verder zou bij afzonderlijke wetten kunnen worden bepaald aan welke vereischten men nog daarenhoven moet voldoen, tsn einde als staatsburger rechten van verschillenden aard uit te oefenen of voor sommige betrekkingen benoembaar te zijn.
Men zie hieromtrent uitvoeriger Opzoomer, B. VV. deel I, 1874, bl. 43 en vlgg., en vergelijke als voorbeeld van dusdanige regeling de zeer duidelijke bewoordingen der Belgische Constitutie, Tit. II, art. 4 : „la qualité de Beige s\'acquiert, se conserve et se perd d\'après les régies „déterminées par la loi civile.
„La présente Constitution et les autres lois relatives aux droits poli-„tiques déterminent, quelles sont outre cette qualité les conditions necessaires pour l\'exercice de ces droits.quot;
Zoo golden dan ten onzent gedurende meer dan veertig jaren de bepalingen van de wet van 18:gt;0 en van het B. W. onafhankelijk van en nevens elkander, en kon zelfs het ongerijmde geval voorkomen, dat iemand als Nederlander burgerschapsrechten uitoefende, terwijl by overigens geen Nederlander was; men denke b. v. aan den vondeling, die niet valt in de bepalingen van Nederlanders, krachtens het B. NV., maar wel in die van de wet van 1850.
Reeds vermeldden wij op bl. 31 supra, dat de Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek op 15 Juli 1882 in overleg met de Regeering het Ontwerp eener „wet tot uitvoering van art. 7 (thans 6) der Grrondwetquot; met daartoe betrek kelyke Memorie van Toelichting aan den Koning heeft aangeboden en welk het lot van dat Ontwerp was. Het sloot zich vrij nauw aan de wet van 28 Jnli 1850 (Stbl. nquot;. 44) aan, en bevatte daarenboven noodzakelijke bepalingen met betrekking tot de nationaliteit der gehuwde vrouw, die uit den aard der zaak niet in gemelde wet voorkwamen.
Eerst toen de Regeering in October 1888, door eene — van gemeld Ontwerp onafhankeiyke — partieele herziening van de wet van 28 Juli 1850, gevolg wilde geven aan het grondwettig voorschrift om de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde te regelen, stuitte zij op tegenstand in de 2e Kamer der Staten-Generaal, die zich den 17 Mei 1889 zonder hoofdelijke stemming vereenigde met eene motie van den heer dk Savoenin Lohman, de strekking hebbende om het onderwerp
112
nationaliteit.
van het Nederlanderschap iiv zijn geheel by eene wet te regelen en inmiddels de behandeling van het aanhangige Ontwerp te schorsen (Zie Bijbl. Hand. 2« Xamer 1888/89, bl. 1249).
Eerst in Februari 1892 werd een nieuw voorstel ingediend, dat beeft geleid tot de thans vigeerende wet van 12 Dec. 1892, Stbl. n0. 268, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap. De juiste kennis van de geschiedenis dier wet is vergemakkelijkt, doordien de ofïicieele stukken zijn overgenomen in de Verzameling „Wetgevingquot; onder redactie van Mr. H. van der Hoeven, uitgegeven te Leiden, jaarg. 1892, 2e en laatste stuk. Zie verder o. a. Mr. H. W. B. Thomas, de If\'et o]gt; het Nederlanderschap enz., Acad. Pr., den Haag 1893.
Nu de geheele regeling van het Nederlanderschap uit het Burgerlijk Wetboek is verdwenen en de artt. 5 tot en met 12 B. W. by de slotbepaling der wet van 1892 uitdrukkelijk zijn afgeschaft, schijnt het ons voor het doel dezer Handleiding niet noodzakelijk toe de nieuwe wetgeving in bijzonderheden na te gaan. Wy zullen ons dus bepalen tot mededeeling van den hoofdinhoud der wet van 1892.
Nederlanders door geboorte zijn:
a. het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit;
b. het wettig kind van een Nederlander die binnen driehonderd dagen vóór de geboorte van het kind overleed;
c. liet alléén door de moeder ei-kend natuurlijk kind, waarvantijdens de geboorte de moeder den staat van Nederlander bezit (art. 1, a, c der voormelde wet).
Blykens de Memorie van Toelichting wilde men vooral breken met het hoofdbeginsel, zoowel van het B. W. als van de wet van 1850, krachtens hetwelk aan de plaats der geboorte, en aan de omstandigheid dat de ouders in Nederland (of in de koloniën) gevestigd waren, een overwegenden invloed werd toegekend. Tegenover dit zoogenaamde territoriale beginsel wenschte men, in navolging van de regeling in andere Staten, het zoogenaamde nationaliteitsbeginsel in te voeren, volgens hetwelk uitsluitend op de afstamming werd gelet. Hierdoor zou meer bepaald ook worden tegemoet gekomen aan het bezwaar van dubbele nationaliteit, dat zich vaak kon voordoen, doordien b. v. een hier te lande uit Duitschers geboren kind als zoodanig, krachtens Nederlandsch recht Nederlander, krachtens Duitsch recht Duitscher zou zijn.
Toch mocht men niet geheel met het territoriaal beginsel breken;
Asskk, Burgert. Itecht. 1. 3e druk. 8
113
n a t i o n a l i t e i t.
van daar de volgende bepalingen, krachtens welke nog Nederlanders zijn:
d. het noch door den vader noch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Rijk geboren (art. 1, fl)\\
e. het in het Rijk te vondeling gelegd of verlaten kind, zoolang van zijne afstamming, hetzij als wettig of gewettigd kind, hetzij door erkenning, uiet blijkt (art. 2, è);
Intusschen kon men met deze door de Regeering voorgestelde regeling niet volstaan. Men had blijkbaar vergeten dat het niet genoeg is te eischen dat de ouders Nederlanders zijn, maar dat ook moet blijken waarom deze op hunne beurt dien staat bezitten. „In het stelsel „der Regeering toch zou dit eene ware probatio diabolica kunnen „worden, waarbij men steeds opklimmende de hoedanigheid van „Nederlander zou moeten aantoonen van telkens oudere geslachtenquot; (Bijl. 1891—1892, n0. 130, bl. 9). Ook vestigde men het oog op geheele koloniën van vreemdelingen, meest Duitschers, die gedurende vele geslachten hier te lande gevestigd waren en „in ieder opzicht, „behalve in wettelijken zin Nederlanders waren gewordenquot; (Bijl., eodem). Van sommige zijden werd daarom op handhaving van het territoriale beginsel nevens het afstammingsbeginsel aangedrongen. Gedeeltelik werd hieraan toegegeven. Het gevolg was eene nieuwe zinsnede krachtens welke ook Nederlanders zijn:
f. het kind van een ingezetene des Rijks — hetzij vader, hetzij moeder, naar de in art. i gemaakte onderscheidingen — die zelf geboren is uit eene in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke dat het kind als vreemdeling tot een ander land behoort (art. 2, a).
Het Nederlanderschap wordt verkregen:
a. door naturalisatie (art. 3, vgl. art. 6, lid 2, Groudw.).
Volgens Oud-Vaderlandsche rechten was hier te lande minder sprake van het worden van staatsburger, of wel van burger eener bepaalde provincie, dan wel van het verkrijgen van het poorterschap eener stad. Het verkrijgen hiervan was voor vrije lieden zeer gemakkelijk, maar nevens de rechten daaraan verbonden, bestonden ook vele verplichtingen, waaronder voornamelyk behoorde de duurzame inwoning binnen de poorten der stad. Vgl. van Ha li., bl. 89; den Tex , N. Bijdr., I, bl. 448—460. Later kende men twee soorten van naturalisatie; de bepaaldelijk zoo genoemde en de naturalisatie ad honores, of ver-
114
NT a ■!\' I O X a L T t e t T.
gunning van het volle recht van inboorlingschap, welke laatste, als behelzende ook de staatkundige rechten, uitgebreider was.
De Grondwet van 1815 gaf in art. 10 den Koning de macht om gedurende een jaar na hare invoering het recht van inboorlingschap te verleenen aan personen, buiten \'s lands geboren, doch binnen het rijk gevestigd. Bij de herziening in 1840 had men die bepaling, als niet meer voor toepassing vatbaar, veilig kunnen weglaten; door haar te behouden had het den schijn, alsof men in 1840 nogmaals gedurende een jaar die bevoegdheid wilde verleenen, hetgeen echter niet het geval was. Dit recht wordt nog vermeld in art. 5, n0. 5 B. VV.
Hoe tusschen 1815 en 1848 de gewone naturalisatie moest worden verleend was twijfelachtig. Eenerzijds kon men beweeren dat de Koning, als zijnde zelfs gedurende een jaar bevoegd geweest tot het meerdere, eveneens het mindere kon verleenen; maar daartegenover staat het algemeene beginsel dat een maatregel, waaruit wettelijke rechten voortvloeien, niet anders dan door de wetgevende macht behoort te worden genomen. Ook historische gronden pleiten voor deze laatste opvatting, daar volgens de Groot , Inl., deel I, 13, § 6 het inboorlingsrecht verleend werd „door bewilliging van „de Staten des Lands, zonder dat sulx van outs in de magt der „Graven alleen is geweest.quot; Zie ook van Hall, bl. 89, en de aldaar aangehaalde schrijvers en rechtspraak. Wat hiervan zij, de Grondwet van 1848 bepaalde in art. 7, lid 2: „Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerdquot;. De tegenwoordige Grondwet (art. 6) voegt er als derde lid by: „De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.quot;
Zie verder in art. 8—6 der wet op het Nederlanderschap de voorwaarden en de wijze, waarop naturalisatie wordt verleend, alsmede de gevolgen ten aanzien van de echtgenoote van den genaturaliseerde en van zijne minderjarige kinderen.
b. door huwelijk (art. 5 van gemelde wet).
De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren man. Niet alleen dus verkrijgt zij den staat van Nederlandsche bij het aangaan van het huwelijk, maar in afwijking van hetgeen vóór deze wet als beginsel gold, heeft hetzelfde plaats bij latere nationaliteits-verandering van den man.
115
8*
n a T I o n a r, I t e r t.
Het Nederlanderschap wordt verloren:
a. door naturalisatie in een ander land, met de daaraan voor de minderjarige kinderen verbonden gevolgen (art. 7, lü.);
b. door huwelijk van de jSTederlandsche vrouw, die volgens art. 5 door of\' tengevolge van haar huwelijk vreemdeling wordt (art. ,7, 2°.);
c. door het verkrijgen van eene vreemde nationaliteit door den wil van den verkrijger (art. 7, 3°.);
Eene bepaling, die rnimte geeft tot verschillende uitlegging, en in de toepassing tot moeielijkheden aanleiding moet geven; zie het Acad. Pr. van Mr. Thomas voormeld, bl. 100—105.
d. door zonder Koninklijk verlof zich te begeven in vreemden krijgs- of staatsdienst (art. 7 , 4°.);
«. door het, behalve ter zake van \'s lands dienst, hebben van woonplaats in den vreemde gedurende tien achtereenvolgende jaren, behoudens de bevoegdheid om te doen blijken van zijnen wil om Nederlander te blijven (art. 7, 5°.);
Eene bepaling, na veel wisseling van gedachten en wijzigingen tot stand gekomen. Voor minderjarigen begint de tienjarige termijn te loepen met den dag hunner meerderjarigheid in den zin der Neder-landsehe wet.
/. door verklaring van het meerderjarig geworden kind eens gena-turaliseerden, afgelegd binnen het jaar daarna dat hij niet langer in de naturalisatie wenscht te worden begrepen (art. 6, lid 1 slot, j0. lid 2);
g. door verklaring der door het huwelijk Nederlandsch geworden vrouw, afgelegd binnen het jaar na de ontbinding van het huwelijk, dat zij den staat van Nederlandsche niet langer wil behouden (art. 9).
De verloren hoedanigheid vau Nederlander wordt herkregen:
a. door verklaring van het meerderjarig geworden kind van den Nederlander, die door naturalisatie in een vreemd land zijnen staat van Nederlander heeft verloren, dat het dien staat wenscht terug te bekomen. Ook deze verklaring moet worden afgelegd binnen het jaar, nadat het volgens de Nederlandsche wet meerderjarig is geworden (art. 10);
116
NATIONALITEIT. 117
b. door soortgelijke verklaring der vrouw, die door het huwelijk den staat van jSTederlandsehe had verloren, mits afgelegd binnen het jaar na de ontbinding van het huwelijk (art. 8).
Vreemdelingen zijn zij, die volgens gemelde wet den staat van Nederlander niet bezitten (art. 12).
Aldus bepaalt in hoofdtrekken de wet van 12 Dec. 1892, Stbl. ii0. 268. Men zou echter dwalen, door te meenen dat er voortaan slechts één Nederlanderschap bestaat, of dat men ter beoordeeling van de vraag of iemand al of niet Nederlander is in het vervolg alleen voormelde wet behoeft te raadplegen.
Vooreerst toch heeft de belangrijke inkrimping van het Nederlanderschap — immers volgens art. 5 B. W. waren Nederlanders o. a. allen, die binnen het koninkrijk of zijne koloniën waren geboren uit ouders, aldaar gevestigd — het noodig gemaakt ten aanzien der uitleveringswet eene ruimere bepaling voor het Nederlanderschap aan te nemen. Ter-wyl art. 22 dier wet (van 6 April 1875, Stbl. n0. 66) als Nederlanders beschouwde hen, die het waren volgens het Burgerlijk IVet hoek, luidt dit artikel, krachtens de slotbepaling der wet van 1892, thans aldus: „Als Nederlanders beschouwt deze (de uitleverings) wet hen, „die het zyn volgens de wet op het Nederlanderschap en het ingezeten-„schap, alsmede hen , die in de Nederlandscïie koloniën of bezittingen in „andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geborenquot;
Dezelfde oorzaak — het gewyzigd stelsel, dat aan de tegenwoordige wet tot grondslag strekt — heeft het noodig gemaakt eene overgangsbepaling daaraan toe te voegen; iets zeer bedenkelijks bij eene dergelijke wet, welker doel moet zijn rechtstreeks zekere hoedanigheid of staat aan iemand te verleenen; vooral als de overgangsbepaling bestemd is niet slechts tijdelijk, maar voortdurend te werken.
Onder meer wordt daarin bepaald dat, met uitzondering van hen, die in Nederlandsch-Indië ingevolge de wet van 2 Sept. 1854 (Staatsblad n0. 129) als inlanders en met dezen gelijkgestelden worden beschouwd, zij, die op het tydstip, waarop deze wet (die van 1892) in werking treedt, den staat van Nederlander bezitten, Nederlanders zijn in den zin van deze wet, totdat zij het Nederlanderschap volgens deze wet verliezen.
Dat nu ieder, die op 1 Juli 1893, hetzij volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, hetzij volgens die der wet van 1850 Nederlander was, dien staat behoudt, mag op zich zelf niet onbillijk
w o o n\' p l a a t s
lieeten; men itad het echter tot hunnen persoon moeten beperken; zoo als de wet thans luidt, zijn ook hunne kinderen en de verdere afstam-melingen van dezen tot in het oneindige Nederlanders (art. 1, a).
Ter beoordeeling alsnu van de vraag of iemand Nederlander is, zal men zelfs in de meest vevwyderde toekomst nevens de tegenwoordige wet nu en dan de beide andere wetten moeten opslaan en gedwongen zijn een moeielyk bewijs van afstamming en van andere feitelijke omstandigheden te leveren, hetgeen zeker niet in de bedoeling heeft gelegen van hen, die de tegenwoordige wet hebben helpen tot stand brengen, en die niet al de gevolgen hebben overzien van de door sommigen zoozeer geprezen wijziging van beginsel. Intusschen moet erkend worden dat deze moeielijkheid wordt getemperd door de later in de wet gebrachte bejialing van art. 2 a, die zoodanig bewijs in vele gevallen overbodig zal maken.
De gelijkstelling van vreemdelingen met Nederlanders in de gevallen bij het afgeschafte art. 8 B. W. bedoeld, is bij dezelfde overgangsbepaling gehandhaafd, doch alleen zoolang bedoelde vreemdelingen hunne woonplaats in het Rijk behouden.
§ 4.
WOONPLAATS.
Woonplaats in rechtskundigen zin [domicilie, domicile, Woknsitz) is de plaats, waar iemand met betrekking tot de uitoefening zijner rechten en de vervnlling zijner verplichtingen, ook zelfs bij feitelijke afwezigheid, geacht wordt voortdurend tegenwoordig te zijn.
In tegenstelling van woonplaats of domicilie spreekt men van de plaats des werkelijken verblijfs (la residence, der Aufenthaltsort), waaronder verstaan wordt de plaats, waar iemand zich werkelijk bevindt, zij liet ook niet met het doel om aldaar voor goed te verblijven. In den regel echter zal een verblijf van zeer voorbij-gaanden aard hieronder niet te verstaan zijn (in gelijken zin Zachauiae, Deel I, 4e afd.. Hoofdstuk I, § 101; Üpzoomee, uitg. 1874, bl. 130; Aubry en Eau, Corirs de Dr. Civ. Fr., I, bl. 577).
IVoonplaats of domicilie is dus een misbegrip; in dezen zin noemt ook Demolombe, I, n0. 344, domicile, „une creation juridique, une chose intellectuelle et ahstraite.quot; Om dezelfde reden bepaalt vermoedelijk art. 74 B. W.: „Een ieder wordt geacht zijne woonplaats te „hebben, alwaar hij zijn hoofdverblyf heeft gevestigd.quot; Mr. Opzoomer,
118
tt o o n 1\' l a a t s.
ad art. 74 B. W.. keurt echter die uitdrukking af. Zie ook Diei\'-hijis, t. a. p., bl. 270, noot 1.
Wellicht ware het beter geweest in rechtskundigen zin te spreken van icoonstede, (zie Ontwerp 1820, art. 106) dan van icoonplaats, gelijk Mr. Beelaèrts v. Blokland opmerkte (Vooküüin, II, bl. 113). Ook v. Savigny , Si/st., VIII, bl. 58, vindt de uitdrukking Wohnsitz juister dan Wohnort. Het ontwerp 1886, art. 70 en v., spreekt in rechtskundigen zin van „domicilie.quot;
Het is niet van belang ontbloot enkele definitiën van woonplaats te vermelden. In het Romeinsche Recht leest men (Const. 7 , Cod. de incolis, X, 39) „ubi quis larem rerumque ac fortunarum suarum sum-mam constituit, unde non sit discessurus, si nihil avocet; unde cum profectus est, peregrinari videtur; quod si rediit, peregrinari jam destititquot;; Püciita, Inst. II, 17, spreekt van „der örtliche Mittelpunkt der juristischen Wirksamkeit einer Personquot;; Goudsmit, Sj/st., I, 5G, noemt de woonplaats het middenpunt van iemands burgerlijke levensbetrekkingen; te recht zou Mr. Ofzoomek, uitg. 1874, bl. 141 hier liever rec//i«betrekkingen lezen. Bij de beraadslagingen over onze wet was sprake van de plaats, „waar men gewoon is zijn zaken te behartigen, zijn goederen en eigendommen te beheercnquot; (woorden van de Bordes; zie Voohduin, II, bl. 112); Nienhuis, § 36, noemt woonplaats „het middenpunt, als het ware van den regtskring, waarin de persoon zich beweegt.quot;
Behalve van het burgerlijk domicilie kan men nog spreken van een domicilie in staatsrechtelijken zin, als de plaats, waar men zyne burgerschapsrechten uitoefent; van een domicilie waar men zijne verplichtingen met betrekking tot de nationale militie, schutterij, enz. moet nakomen; van domicilie van onderstand, als de plaats waar men, behoeftig zijnde, ondersteuning kan genieten; vgl. v. Hall, bl. 177.
Rechtspersonen hebbeu geene eigenlijke woonplaats in den zin der wet. Daarvoor treedt echter in de plaats de zetel, d. i. de plaats waar liet bestuur gevestigd is (Art. 4 W. v. B. Ev., vgl. art. 76 Ontw. 1886).
Niets belet hun echter ten opzichte eener bepaalde zaak overeenkomstig art. 81 B. W. eene woonplaats te kiezen, welk recht schijnt te volgen uit art. 1691 B. W. Vgl. van Hall, bl. 176.
In den vierden titel van het eerste Boek van het Burg. Wetboek wordt onder woonplaats somtijds bedoeld de gemeente, maar veelal
119
W O O N PLAATS.
het huis waar men geacht wordt te wonen. Ook elders vindt men beide beteekenissen in de wet terug.
Bestaat er al bij art. 74 en 77 B. W. twijfel of hier huis of gemeente wordt bedoeld, zoo zal men in de artt. 78, 79, 80, 81 en 82 nitslnitend aan het huis moeten denken. Hetzelfde begrip van woonplaats treedt op den voorgrond in de artt. 1—5 W. v. B. Rv., ook bij artikelen als b. v. 101 i, 180 W. v. Koophandel.
Daarentegen heeft de wetgever in de artikelen 75 en 76 B. W., waar van verandering van woonplaats sprake is, meer gedacht aan het overbrengen daarvan naar eene andere gemeente (anders by verandering der gekozen woonplaats, art. 82 B. W.).
In de artt. 105 en 131 B. W. wordt bedoeld de gemeente, waar de hnweiyks-aangifte en de voltrekking moeten plaats hebben; evenzoo duidt art. 519 B. VV. op de gemeente, van waar men afwezig is. In ile artt. 97 en 126 W. v. B. Rv., komt het slechts aan op het kanton of arrondissement, waarin partijen wonen. Vgl. vant Hall, bl. 176; Diephüis, t. a. p., bl. 268, 269.
In het Ontw. 1886 heeft men uitsluitend het huis of de woning voor oogen gehad; zie art. 72 en bl. 35 der Mem. v. Toel.
Zie verder omtrent dit geheele onderwerp, gelijk het in het nieuwe ontwerp is geregeld, een opstel van Mr. E. Bergsma, Themis 1888, bl. 178 en v.
Men onderscheidt:
a. de eigenlijke of algemeene woonplaats en
h. de gekozene of bijzondere woonplaats.
Eerstgeinelde heeft betrekking op de algemeene uitoefening der burgerlijke rechtsbevoegdheid, de laatste slechts op enkele bijzondere handelingen.
a. Eigenlijke of algemeene woonplaats.
Deze wordt wederom onderscheiden in de vrijwillige, zelfstandige of onafhankelijke woonplaats en de noudzakelijke, ook wel afhankelijke, ontleende woonplaats, woonplaats door wetsduiding genoemd.
1°. De mij willige woonplaats. Hieromtrent bepaalt art. 74, lid I B. W.; //Een ieder wordt geacht zijue woonplaats te hebben, alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.quot;
De bepaling van art. 102 C. Xap. „Le domicile de tout Francais, „quant a Vexercic.e de nes droits civils est an lieu ou il a son principal
120
H O O F D V E B B L IJ F.
121
W O O X P L A A T S.
établissementquot; is in zooverre verbeterd, dat men ten onzent niet uitsluitend aan Nederlanders denkt, en de definitie niet enkel doet slaan op de rechten, die door den gedomicilieerde active kunnen worden uitgeoefend. (Asser, Very. § 34).
Kan men meer dan één hoofdverblijf hebben? en bijgevolg meer dan ééne woonplaats?
In het Romeinsche reoht reeds dacht men hierover niet eenstemmig, maar toch had de meening dat men meer dan één domicilie kon hebben de overhand. Zoo zegt Paulus, 1. 5 D. ad munic. (50, l): „Labeo indicat, eum, qui plnribus locis ex sequo negotietur, nusquam „domicilium habere; quosdam antem dicere refert, plnribus locis enm „incolam esse, aut domicilium habere; quod verius est.quot; In gelijken zin Ulpianüs, lex. 6 § 2 en 27 § 2 eod., ofschoon met de bijvoeging „licit difficile est.quot;
Ten onzent is over dezelfde vraag levendig gestreden. Zie Diep-huis, t. a. p., bl. 270, die met vele schrijvers, aldaar aangehaald, de mogelijkheid van meerdere hoofdverblijven ontkent; anders Opzoomer ad art. 74 B. W. Zie ook de door- dezen aangehaalde Fransche schrijvers (ue Maleville, Makcadk) \'). Het schijnt ons toe dat, ofschoon de wetgever vermoedelijk slechts aan de mogelijkheid van één //oo/i/verblijf heeft gedacht, men, voor het geval dat iemand gelijkelijk zijn verblijf en den zetel van zijn vermogen en van zijne handelingen over twee of meer plaatsen heeft verdeeld, bezwaarlyk aan ééne dezer plaatsen het karakter van hoofdverblijf en mitsdien van woonplaats kan ontzeggen. Vgl. omtrent deze vraag het Arr. v. d. H. Raad van 25 Juni 1875, W. n°. 3ö69, gewezen met het oog op art. 245 der Gemeentewet 2).
Bij gebreke van iioofdverblijf wordt de plaats des werkelijken verblijfs voor iemands woonplaats gehouden (art. 74, lid 2 B. W.).
Hierboven zagen wy wat daaronder wordt verstaan. De wet heeft door deze bepaling willen bereiken dat niemand hier te lande zonder domicilie zou zijn.
In het Fransche recht vindt men deze bepaling niet; niettemin straalt hetzelfde beginsel ook in den Code Nap. door (zie o. a. Zachaeiae, t. a. p., § 102, noot 1; vgl. ook inzonderheid art. 115 C. Nap., Locek ad hoc art. en art. 69 C. de Proc.).
\') Het Projet de C. C. van Thermidor an VIII, tit. 3, art. 1 bepaalde echter: „Un „citoyen peut avoir plusieurs residences, la loi ne lui reconnait qu\'an senl domicile.quot; Zie verder C. N. Motifs, II, bl. 162.
\') Ook het nieuwe Ontwerp sluit de mostelijkheid van meer dan één hoofdverblijf niet uit (zie M. v. T. art. 70 en 71).
\\V E B K E L IJ EC V E R B L IJ F.
Een verblijf van geheel vooibijgaanden aard, elders dan ter plaatse des werkelyken verblyfs, heeft geen invloed op het domicilie, evenmin als feitelijke afwezigheid van de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, daarop invloed uitoefent. Vgl. Opzoomer, 1874, I, bl. 130. Kan men echter geene gemeente bepalen, waar iemand zich eenigen tijd ophoudt, dan zal men de plaats in aanmerking moeten nemen, waar zoodanig persoon zich feitelijk, al is het nog zoo kort, bevindt (zie de woorden van Nicoljü\', aangehaald bij Opzoomer t. a. p.). \')
Ten opzichte van eenen schipper zal men moeten onderscheiden of bij ergens een bepaald hoofdverblijf heeft, dan wel of hij wellicht met zijn gezin voortdurend in het schip verblijf houdt. In liet laatste geval is het schip zelf zyn hoofdverblijf en derhalve zijn domicilie, hetwe.k echter niet aan eene bepaalde gemeente verbonden is, maai telkens van plaats verwisselt.
Onder de werking van den Code Pénal deed zich de vraag voor of men in strafrechtelyken zin gezegd kon worden zonder vaste woonplaats te zijn, terwijl toch iedereen een burgerlijk domicilie had. Deze vraag moest ongetwijfeld bevestigend worden beantwoord, en het beweren dat het misdrijf van landlooperij (art. 270 C. P.) niet meer denkbaar zou zijn onder eene wetgeving, waarby aan een ieder eene woonplaats is aangewezen [K. Bijbl. I, bl. 409—412) berustte op eene dwaling. Vgl. v. hall, bl. 178, Arr. H. fi. v. 30 Aug. 1842, v. u. Honeeï, Strafr., VIII, bl. 171. De woordenkeus van art. 432, 2°., W. v. Strafr., heeft deze vraag doen vervallen.
2u. De noodzakelijke, afhankelijke of ontleende woonplaats noemt men de zoodanige, welke door wetsduidiug is vastgesteld, inzonderheid ten aanzien van personen, die van anderen in rechtskundigen zin afhankelijk zijn.
Inzonderheid; want de bepaling ten aanzien van meerderjarige dienstboden en werklieden berust niet op hetzelfde beginsel.
Deze personen zijn:
122
u. de getrouwde vrouw; welke de woonplaats van haren man volgt (art. 78 B. W.).
\') Het Ootw. 1886 maakt dau ook eene drieledige onderscheiding: het hoofdverblijf; bij gebreke daarvan de plaats waar men woont; en bij gebreke ook daarvan de plaats waar men verblijft (art. 70, 73;.
NOODZAKELIJKE WOONPLAATS.
Deze regel, die gereedelyk volgt uit de verplichting tot samenwoning, en den bijstand in en buiten rechte door den man aan de vrouw te verleenen, lydt volgens de wet uitzondering voor het geval van scheiding van tafel en bed (in art. 7!s B. W. minder juist, overeenkomstig het spraakgebruik van vroegere ontwerpen scheiding van tafel, bed, hijwoning en goederen genoemd) \'). In het Fransche recht had men die uitzondering niet. Art. 108 C. Nap. sprak enkel van „Ja femme mariéequot;. Vele Fransche schrijvers nemen niettemin het bestaan van de uitzondering bij scheiding van tafel en bed aan; zie Diephuis, t. a. p., bl. *284, noot 3; üpzoomer, t. a. p., bi. 127, door wien tevens de onjuistheid dier stelling wordt betoogd. Volgens den laatsten schryver zou de bijgevoegde uitzondering in ons recht niet voldoende worden gerechtvaardigd; nóch door het ophouden van de verplichting tot samenwonen, nóch doordien de vrouw het beheer over hare goederen herkrijgt; te meer daar zij in rechtskundigen zin hare zelfstandigheid niet erlangt (zie art. 163, B. W.). Is door schr. wel voldoende gelet op het geval van art. 299 , lid 2 B. W., waardoor de beschikking over de roerende goederen, en derhalve veelal over een belangrijk deel harer fortuin, met rechterlijke machtiging aan de vrouw kan worden verleend? Waar afzonderlijke woning en eigen beheer, met beschikking over een deel der eigen goederen kunnen satnenloopen, is o. i. een afzonderlijk domicilie geheel gerechtvaardigd.
Elk ander afzonderlyk verblijf der gehuwde vrouw, hetzy met of zonder onderling goedvinden der echtgenooten, hetzij krachtens rechterlijke machtiging volgens art. 267 B. W. en 820 W. v. B. Regtsv., zal nimmer verandering in het domicilie der vrouw tengevolge hebben, dewijl de wet slechts ééne uitzondering voor de gehuwde vrouw kent, nl. voor het geval van scheiding van tafel en bed.
De minderjarige, die de woonplaats zijner ouders of van zijnen voogd volgt (art. 78 B. W.)
Door het verkrijgen der meer volkomen handlichting (venia aetatis) houdt de minderjarigheid en tevens de afhankelijke woonplaats op.
123
Maar ook bij het verkrijgen der beperkte handlichting houdt de werking van art. 78 B. W. ojj, ten aanzien van zoodanige handelingen, als waartoe de minderjarige de bevoegdheid heeft verkregen
\') Het Burg. Wetboek voor Ned. Indië, meenende deze vergissing te herstellen, is veeleer verder van de juiste redactie afgeweken, door te spreken van „eene getrouwde „vrouw, welke niet van tafel en bed, bijwoning en bijgevolg niet van goederen is „gescheidenquot; (art. 31 Ind. B. W.).
noodzakelijke w o o n p l a a t s.
(art. 484 B. W., nieuwe redactie der wet van 4 Juli 1874, Stbl. nquot;. 91).
Volgens den oorspronkelijken tekst van het B. W. had de beperkte handlichting geen invloed op het domicilie der minderjarigen.
Art. 108 C. N. sprak van nle mineur non émancipéquot;. Men houde in het oog dat de fransche emancipatie meer geleek op onze beperkte handlichting dan op de venia aetatü, waaraan ook trouwens door het vroeger tijdstip der meerderjarigheid minder behoefte was.
De wet spreekt van voogden in het meervoud, omdat er sprake is van minderjarige»; de uitdrukking doelt niet op den toezienden voogd nevens den voogd. Daarentegen moet men ouders, (welk woord geen enkelvoud duldt) verstaan als vader en moeder (vgl. art. 108 Cod. Nap.; chez ses père et mère ou tuteur).
Ontbreekt een der ouders, dan staat de minderjarige onder voogdij, en maakt de hoedanigheid van vader of moeder ten deze plaats voor die van voogd.
Daar de ratio legi-s medebrengt dat de minderjarige de woonplaats volgt van hem, die hem wettelijk vertegenwoordigt (zie Nicolaï bij Voorduin, II, bi. 126), zoo zal men in geval vaderlijke macht en voogdy niet in ééne hand zijn (b. v. als de langstlevende der ouders wegens eene der bij de wet bedoelde omstandigheden geen voogd is), noodwendig moeten beslissen dat de minderjarige bij den voogd — niet bij den vader of de moeder woonplaats heeft (vgl. v. Hall, bl. 179, 180; DiEfHürs, t. a. p., bl. 286; anders de Pinto, II, § 51).
Natuurlijke wettelijk erkende kinderen zyn van den aanvang af onder voogdij, hetzij van een der ouders, hetzij van eenen vreemde (art. 408 B. W.); te hunnen opzichte kan geen sprake zijn van ouders, noch zelfs van één der ouders, wat betreft het wettelijk domicilie.
Hoe te beslissen ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, inzonderheid als de kinderen aan de moeder of aan eenen derde worden toevertrouwd (art. 284 B. W.) ? Mr. Ofzoomer, ad art. 285, § 2 B. W., beweert dat het de wettelijk onschuldige echtgenoot is, die het domicilie regelt; Mr. Diephüis, t. a. p., bl. 287, leert dat daar, waar de ouders geene gemeenschappelijke woonplaats hebben, ook het minderjarige kind geen wettelyke woonplaats heeft; Marcauk, I, n0. 323, laat de minderjarigen de woonplaats des vaders volgen, eene leer, die vooral ten onzent met het oog op art. 285 B. W., hetwelk explicite de vaderlijke macht laat voortbestaan, ondanks het verlies van de bevoegdheid om de kinderen bij zich te doen verblijven, wellicht de voorkeur verdient (zoo ook Diephüis, 1\' uitgave I, nquot;. 353).
NOODZAKELIJKE W O O N P L A A T S.
/. De onder curateele gestelde, die de woonplaats van zijnen curator volgt (art. 78 B. W.).
Ook hier is hetzelfde beginsel, dat der wettelijke vertegenwoordiging, gehuldigd.
Daarom kon men vroeger ook — doch alleen ten aanzien van zijne goederen — van eene noodzakelijke woonplaats des crimineel veroordeelden ten huize van diens curator spreken (art. 29 C. P.).
Is de onder curateele gestelde eene gehuwde vrouw, dan zal zij het domicilie van den man blijven behouden, daar deze van rechtswege haar curator is (art. 504 B. W.).
Is de curandus een gehuwd man en staat hy onder curateele van eenen derde, dan volgen niet alleen zijne vrouw, maar ook zyne minderjarige kinderen de woonplaats van den curator; de laatsten, hetzij de moeder de belangen der kinderen waarneemt, als wanneer de kinderen het domicilie der moeder, bij den curator, volgen, hetzij de curator zich daarmede belast, als wanneer zy rechtstreeks diens domicilie volgen (art. 507 B. W., alwaar echter min juist van voogdij wordt gewaagd).
Staat de man onder curateele zijner vrouw (art. 505 B. W.), dan zal het de vrouw zijn, die de woonplaats regelt. Immers ook hier houde men vast aan het beginsel der wettelyke vertegenwoordiging, ten gevolge waarvan de curatrice de overhand behoudt boven den echtgenoot.
ö. Meerderjarige dienstboden en werklieden, die hunue woonplaats hebben in het huis van lieu, bij wie zij dienen of werken, indien zij bij hen inwonen (art. 79 B. W.)
Deze bepaling berust niet op het beginsel van afhankelijkheid of wettelyke vertegenwoordiging. Het is veeleer een nuttigheidsbeginsel dat hier heeft gegolden, ten einde mogelijken twijfel te doen ophouden of men hier al of niet aan een hoofdverblyf of werkelijk verblijf in den zin van art. 74 B. W. zou mogen denken. Mr. Opzoomkr acht het artikel in ons recht overbodig, wegens de invoeging van art. 74 lid 2. \')
12Ó
Zij volgen ook niet het domicilie van den meester of werkgever, maar hebben woonplaats in diens huis, hetwelk vermoedelijk in geheel feitelijken zin, afgescheiden van diens wettelyke woonplaats, is te beschouwen (v. Hali., bl. 180; Nienhuis, § 37, enz.). Vooral ook zal dit van praktisch gewicht zyn als men denkt aan de mogelijkheid.
\') In het ontwerp 1886 komt dit afhiinkelijk domicilie dan ook niet voor (M. v. T. bi. 34).
GEKOZEN WOONPLAATS.
dat ietnaiul in dienst is of werkt bij eenen minderjarige, of by eene gehuwde vrouw, die feitelyk afgescheiden van haren man leeft, enz.
-Min juist bepaalde art. 117 van het ontwerp van 182Ü, dat meerderjarige dienstboden, enz. het domicilie volgen van dengene, bij wien zij werken. Iets beter was art. 109 C. Nap. „auront le même domicile.quot;\'
De bepaling van art. 79 B. W. is verder alleen van toepassing op dienstboden en werklieden, die geene afhankelyke woonplaats hebben. De wet spreekt daarom van meerderjarigen; maar even als de minderjarige dienstbode woonplaats heeft bij zynen voogd, zal de gehuwde vrouwelijke dienstbode ongetwijfeld bij haren echtgenoot, de onder cnrateele gestelde bij zijnen curator domicilie hebben. Zoo ook Delvincoürt, I, bl. 42, sprekende van de woonplaats van dienstboden : „«\'lt;7 est capable cCavoir un domicile particulier\'\'\'\'; eveneens Zachabiae, IVquot; afd., le hoofdst., § 103.
Zie — ten betooge dat inwonen zeer onderscheiden is van tijdelijk vertoeven — van Hall, bl. 180; Diephüis, t. a. p., bl. 279.
Zie — omtrent het verschil der redactie van ons art. 79 B. W. en 109 C. Nap. „qui servent ou travaillent habituellement chez autrui.quot; en den zin van laatstgemelde bepaling — Opzoomeb, 1874, ad art. 79.
h. Gekozen of bijzondere woonplaats.
quot;Het staat aan partijen of aau eeue van liaar vrij bij eene akte, \'/en tot eene bepaalde zaak, eene andere woonplaats dan hare quot;werkelijke te kiezen11 (art. 81 B. W.)
Deze bepaling is vreemd aan het Bomeinsche en Germaansche recht, en schijnt van Franschen oorsprong te zijn fv. Hall, bl. 183; Heffpek, Civ. Proc., bl. 156, aant. 78; Meelin , liép. i. v. Domicile élu).
De keuze van woonplaats geschiedt bij eene akte, derhalve schriftelijk. De wet eischt niet, dat die keuze plaats hebbe in dezelfde akte, die de hoofdzaak betreft. Is de akte van domicilie-keuze eenzijdig uitgebracht, en door de wederpartij nog niet aangenomen, dan belet niets de herroeping, daar er nog geene verbindende overeenkomst is (v. Hall, eod.).
Men kan voor elke rechtshandeling, die men verricht, eene verschillend gekozen woonplaats hebben.
Met woonplaats bedoelt de wet hier steeds een bepaald huis, waarin men ten opzichte van eene bepaalde zaak geacht wordt zyn verblijf te hebben gevestigd.
De aanwijzing van zoodanige woonplaats kan op meer dan eene wijze
126
GEKOZEN WOONPLAATS.
geschieden, naar mate men of woonplaats kiest in een bepaald huis in eene gemeente, onafhankelijk van de bewoners daarvan, óf wel ten huize of kantore van eenig bepaald aangeduid persoon of van eene firma, óf eindelyk ten hnize of kantore van eenig ambtenaar of be-kleeder van zekere waardigheid of bediening, zonder aanduiding van den persoon, die daarmede tijdelijk is belast, b. v. bij den jongsten notaris, procureur, deurwaarder enz. te \'s Gravenhage, ten kantore van den hypotheekbewaarder te Amsterdam, ter Griffie van de Arr. Rechtbank te Rotterdam.
Niettegenstaande de woorden van art. 81 B. W.: „eene andere woonplaats dan de werkelyke,quot; zal het partijen vrijstaan aan hun werkelijk, in de akte nader aangeduid domicilie, woonplaats te kiezen. Het gevolg is alsdan dat, niettegenstaande eene latere verandering van werkelijke woonplaats, ten opzichte der bedoelde handeling de vroegere woonplaats gehandhaafd blijft.
De gekozen woonplaats laat zich onderscheiden iu de noodzakelijk gekozen woonplaats en de vrijwillig gekozen woonplaats.
lü. De noodzakelijk gekozen woonplaats is de zoodanige, waartoe men ten aanzien van sommige rechtshandelingen door de wet zelve verplicht wordt. Ja zelfs wordt in enkele gevallen, bij gebreke van uitdrukkelijke keuze, die woonplaats door de wet als gekozen beschouwd (b. v. art. 133, lid 2, 135, lid 2 W. v. B. Rv., art. 828 W. v. K.). \')
Voorbeelden eener noodzakelijk gekozen woonplaats vindt men o. a. bij de bepalingen omtrent hypotheken in art. 1281, 1°. j0. 123H B. W.; bij verificatie in faillissementen in art. 828 W. v. K.; ten opzichte van het procesrecht en de executie van vonnissen enz. bij eene menigte bepalingen, zie o. a. de artt. 5, 1°. 122, lid 2, 133, lid 2, 135, lid 2, 286, lid 1, 406, lid 4, 439, lid 4, 457, lid 2, 475, lid 1, 502, lid 2, 536, lid 2, 554, 565, lid 5, 599, lid 3, 602, 2°., 606, 3°., 611, lid 3, 661, 2°., 668, 672, 1°., 736, lid 3, 801, lid 3, 847, lid 3, alle W. v. B. Rechtsv., 2) art. 203, lid 2 W. v. Strafv.
De successiewet van 13 Mei 1859, Stbl. n0. 36, schrijft bij art. 19 eveneens domicilie-keuze voor, binnen den kring van het kantoor, waar de aangifte wordt gedaan.
\') Art. 135, lid 2 B. W. wordt teruggevonden in het nieuwe art. 137, lid 3, Ontw. Haktogh ; de verplichte domiciliekenze van art. 828 W. v. K. is in art. 83 der wet op het Faillissement enz. niet gehandhaafd.
\') Ook hier lette men op enkele wijzigingen door het Ontwerp Hartogh in sommige dezer artikelen te brengen.
127
128 gekozen woonplaats. verandering van woonplaats.
2quot;. De vrijwillig gekozen woonplaats is de zoodauige, die partijen, of eeue der partijen bij het verrichten eener rechtshandeling geheel onverplicht kiezen.
Hieronder, by de behandeling der gevolgen van het hebben eener woonplaats, zal aangetoond worden dat het vrijwillig kiezen eener woonplaats, als tegen het belang van hem, die de keus doet, in den regel te ontraden is.
Verandering der woonplaats: \')
a. Verandering der eigenlijke of algemeene woonplaats.
1quot;. De vrijwillige woonplaats wordt veranderd door de werkelijke woning in eeue andere plaats, gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen (art. 75 B. W.).
Zoodanig voornemen wordt bewezen;
hetzy door eene gedane verklaring zoowel aan het bestuur der ge-gemeente die men verlaat, als aan dat der gemeente, waarheen men zijne woonplaats overbrengt (art. 76, lid 1 B. W.):
hstzij uit de omstandigheden (art. 76, lid 2 B. W.), waartoe in-tusschen niet moet worden gerekend het enkele feit van het aanvaarden eener openbare bediening (art. 77 B. W.).
Men moet dus den wil by de daad voegen; zoowel facto als animo zijne woonplaats verleggen.
Wat zal rechtens zijn, indien slechts ééne der beide verklaringen van art. 76, lid 1, aanwezig is? Zy zal op zich zelf ontoereikend zijn om van het voornemen te doen blijken, maar kan aangevuld worden door de omstandigheden, bedoeld by art. 76, lid 2 B. W. (Vgl. v. Hall, bl. 182; Diephuis, 1870, I, bl. 277; Opzoomer, ad art. 76 B. W.). Ten onrechte maakt Toullier, I, n0. 374, voor dit geval eene op geen enkelen rechtsgrond steunende onderscheiding tusschen de woonplaats met betrekking tot hem, die de verklaring heeft afgelegd en ten aanzien van derden.
Nog minder toereikend dan de kennisgeving aan één gemeentebestuur is de beteekening, bij exploit aan een bepaald persoon gedaan.
\') Onze wet, uitgaande van de Fransche opvatting dat niemand zonder woonplaats is, behelst geene bepalingen omtrent de eerste vestiging van het domicilie. Het ontwerp 1886 gaat van een ander beginsel uit en behandelt in de eerste plaats de zuivere verkrijging van een domicilie door vestiging, welke geschiedt door ergens te gaan wonen met het voornemen aldaar hoofdverblijf te hebben. Dat voornemen wordt bewezen door eene verklaring aau het gemeentebestuur der plaats waar men zich vestigt (art. 71).
v e b a n d e r i n g van woonplaats.
houdende kennisgeving van verandering van woonplaats. Zulks zal hoogstens gevolgen kunnen hebben tusschen partgen, zoodat b. v. de insinuant, door die persoon voor den rechter zijner nieuwe woonplaats gedagvaard, moeielijk eene exceptie van onbevoegdheid kan voorstellen \'). Hoe te beslissen als iemand na het afleggen van heide verklaringen op reis van de ééne gemeente naar de andere overlijdt? Is de vroegere woonplaats behouden? dan wel moet men de plaats des werkelyken verblijfs als domicilie en bijgevolg als sterfhuis beschouwen? Aan de ééne zijde moet men met Mr. Opzoomek, uitg. 1874, I, bl. 125, erkennen dat daar, waar de dubbele wilsverklaring is geschied en het vertrek uit de oude woonplaats heeft plaats gehad, het vroegere domicilie heeft opgehouden, vermits datgene, wat de wet voor verwisseling van domicilie heeft vastgesteld , ongetwijfeld ook voor het doen ophouden daarvan moet gelden, ook zonder het vestigen eener nieuwe woonplaats. Ook Mr. Diephüis is tot dit gevoelen toegetreden (t. a. p. bl. 277) 2). Aan de andere zgde echter strijdt de gevolgtrekking, dat nl. het domicilie en mitsdien het sterfhuis van den overledene is daar, waar hy feitelijk het laatst heeft geleefd, in vele gevallen met het natuurlijk begrip van „werkelijk verblijfquot;, — waaraan men toch b. v. in geval van overlyden op een spoortrein, als wanneer zelfs de juiste aanwijzing der gemeente dikwijls moeilijk kan vallen, bezwaarlyk kan denken. Vgl. de bestrijding der leer van Mr. Opzoomer, door Mr. O ij oem an , Tijdschr. voor het N. li. I, bl. 119 vlgg. en de verdere door Mr. Diephüis aangehaalde schrijvers; ook Marcaük, I, bl. 211, die eveneens voor het behoud der oude woonplaats is, waartoe trouwens onder het Fransche recht, wegens het ontbreken van ons art. 74, lid 2, meer aanleiding bestaat.
De wet behelst geene bepaling ten aanzien van militairen. Wanneer deze zich tijdens den dienst niet uitdrukkelijk hebben losgemaakt van hun vroeger domicilie, zal dit behouden blijven, tenzy de omstandigheden anders mochten doen beslissen; in het tegenovergesteld geval moet de garnizoensplaats als hoofdverblijf worden aangemerkt, hetwelk dan met de verandering van garnizoen gelijktijdig voor een ander wordt verwisseld (vgl. de Pinto, t. a. p., bl. 66). In gelijken zin de iex 23 § 1 D. ad municip. (50, 1) miles ibi domi-cilium habere videtur, ubi meret, si nihil in patria possideat.
1) Soortelijk geval is schrijver dezes (Mr. C. A.) in de praktijk voorgekomen , alwaar ile insinuant evenwel voor den rechter van de oude woonplaats werd gedagvaard, en de Rechtbank met juistheid oordeelde, dat zij bevoegd was van de vordering kennis te nemen (Arr. Rb. te \'s Gravenhage vau 2U Juni 1877).
l) Zie echter Vookduin, II, bl. 128, Geschied, der beraadsl. II, bl. 430.
Asser, Burgert. Becht. i. 3e druk. 9
1*9
verandering van woonplaats.
Ten aanzien van Jen schipper, die op het schip zelf zijn hoofd-verblijf heeft, zal de verandering van woonplaats, naar gelang van den koers van het schip geschieden. (Vgl. hl. 122 supra.)
Het ondergaan eener vrijheidstraf of wel de opzending naar eene rijkswerkinrichting krachtens rechterlik vonnis zal wel feitelijke verandering in de verblijfplaats des veroordeelden tengevolge hebben, maar aan eene verandering van domicilie is hier niet te denken — tenzij de veroordeelde geen hoofdverblijf had. Immers de wil om te verhuizen ontbreekt. Hetzelfde zal men moeten aannemen, zelfs al werd het misdryf begaan met het doel om in eenige gevangenis of gesticht te geraken. Op het oogenblik toch der opzending of overbrenging was de wil reeds onvry. Deze was slechts de verwijderde oorzaak der verplaatsing, wier onmiddellijke oorzaak in de veroordeeling is gelegen. Ten aanzien van de onder vigeur van den C. P. bedreigde stralfeu van deportatie en verbanning, kon men hetzelfde beginsel aannemen. Mr. v. Hall maakt op bl. 181, ten aanzien van deportatie, eene uitzondering, waarvan de juistheid valt te betwijfelen. Verbanning kon evenwel aanleiding geven tot het elders vestigen van zijn hoofdverblijf, als wanneer de verandering van domicilie niet krachtens de veroordeeliug, maar uit vrye beweging overeenkomstig art. 75 B. W., plaats vindt.
Art. 77 B. W., bepalende dat zij, die tot openbare bedieningen geroepen worden, hunne woonplaats behouden, bevat slechts een vermoeden, dat veelal door het blijken van het tegenovergestelde voornemen zal worden ontzenuwd. Ten opzichte van vele betrekkingen eischt de wet zelve het hebben van woonplaats binnen zekeren kring (zie b. v. art. 15 en 34 Regt. Org.). Bij andere ambten of bedieningen zullen de omstandigheden weinig twijfel ten aanzien der verplaatsing van het domicilie overlaten. De bepaling van art. 77 zil dns in de praktijk van meer beperkte toepassing zyn dan de letter van dat artikel zou doen vermoeden. Daarenboven bepalen de artt. 97, lid 4 en 126, lid 6 W. v. B. Rv., dat men den openbaren ambtenaar, die zyne vorige woonplaats heeft behouden, ook kan dagvaarden voor den rechter der plaats, alwaar hy zyne ambtsverrichting uitoefent, waardoor ook de strekking van art. 77, binnen enger grenzen wordt beperkt. Art. 77 B. W., is overgenomen uit art. 106 C. Nap., hetwelk handelde over tijdelijke of herroepelyke bedieningen en dat als zoodanig slechts eene tegenstelling vormde met art. 107, hetwelk aan de aanneming van ambtsbetrekkingen voor het leven onmiddellijken overgang van woonplaats verbond. Mr. Opzoomer, acht ons artikel overbodig (uitgave 1874, I, ad art. 77, B. W.).
130
verandeking vax woonplaats.
quot;Veranderiug der eigenlijke woonplaats hinueu dezelfde gemeente wordt niet opzettelijk door de wet geregeld. Dat zij kan plaats hebben volgt uit de omstandigheid dat men onder «woonplaatsquot; veelal het huis moet verstaan, alwaar iemands hoofdverblijf gevestigd is.
By analogie met de artt. 75 en 76 B. W., zal men bier ook moeten letten op den samenloop van het feit der verhuizing, gepaard aan het daartoe verklaarde voornemen. Deze wilsverklaring zal doorgaans blyken uit de verplichte aangifte der verhuizing aan den burgerlijken stand der gemeente. De enkele verklaring treeilt hier in de plaats der beide verklaringen, vereischt voor verhuizing naar eene andere gemeente. Maar ook uit de omstandigheden zal het voornemen om te verhuizen — doorgaans op zeer gemakkelijke wijze — kunnen worden afgeleid.
2°. Verandering der noodzakelijke of afhankelijke woonplaats.
De noodzakelijke of afhankelijke woonplaats verandert ;
«. door veranderiug van woonplaats van den man, voogd of curator, of wel door verhuizing van den meester of werkgever, zoo deze tevens verhuizing van den inwoueuden dienstbode of werkman tengevolge heeft;
(3. door verhuizing van den dienstbode of werkman naar eenen andereu dienst;
/. door verandering in den persoon van den voogd of curator.
Het laatste punt geeft tot moeielijkheden aanleiding voor het tijdperk tusschen de twee opvolgende voogdijen of curateele\'s gelegen. Indien b. v. de moeder-voogdes door het aangaan van een nieuw huwelijk, zonder in de voogdij bevestigd te zijn, krachtens art. 405 B. W. van rechtswege de voogdij verliest, en haren nieuwen man naar elders volgt, met medeneming harer kinderen, blijft dan het domicilie der kinderen aan de vroegere woonplaats der voogdesse verbonden, moet men hun werkelijk verblijf in aanmerking nemen, of wel volgen zij de woonplaats van den toezienden voogd, die inmiddels tydelijk de vertegenwoordiger der minderjarigen is? Praktisch doet zich deze vraag voor, omdat volgens art. 417 B. W. de kantonrechter van de woonplaats der minderjarigen de nieuwe benoeming moet doen. De jurisprudentie ten onzent geeft doorgaans de beantwoording in eerst-gemelden zin (zie Léon , 2= dr. (Asser) B. W., ad art. 78 n0. 6, en de supplementen (Rombach) eodem en n0. 9). Intusschen mag men hiertegen aanvoeren, dat ingeval van feitelijk vertrek der minderjarigen nit de vroegere woonplaats, er nóch wettelijke, nóch werkelyke band tusschen de minderjarigen en die plaats is blijven bestaan; het domi-
9*
131
l;}2 vekani) eking vax woonplaats.
cilie van den toezienden voogd, zou men o. i. alleen mogen aannemen zoo deze werkelijk tusschentijds voogd of algeheele vertegenwoordiger der kinderen ware; art. 431 B. W. verplicht hem evenwel slechts zoodanige daden van voogdij te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden; o. i. is er derhalve het meest te zeggen voor de beslissing in den zin van het werkelijk verblijf. In gelijken zin Diephuis, t. a. p., hl. 29U, 291 •).
d. door overgang tot eeuen anderen toestand van afhankelijkheid.
Zoo zal de minderjarige dochter, door de enkele daad des huwelyks, de woonplaats van haren voogd tegen dien van haren man verwisselen; de krankzinnige meerderjarige zal by zijne meerderjarigheid in plaats van eenen voogd eenen curator moeten bekomen en voortaan diens domicilie volgen.
6. Verandering der gekozen woonplaats,
Deze is in den regel geoorloofd, ofschoon zulks eene afwijking oplevert van den regel, dat men eenzijdig niet van overeenkomsten mag afwijken.
De wet (art. 82 B. W.) eiseht echter dat de verandering zich niet uitstrekke buiten de gemeente, waar zij oorspronkelijk is gekozen en verder dat de verandering aan de tegenpartij worde beteekend.
L)e ratio leg is dezer bepaling, die in den Code Nap. ontbrak, is, dat het om vele redenen wenschelijk kan zyn het gekozen domicilie elders te vestigen, b. v. door het ophouden der betrekking tot hem, te wiens huize woonplaats is gekozen. Daardoor moet echter de wederparty zoo min mogelyk worden benadeeld — van daar de bepaling, dat de woonplaats in dezelfde gemeente moet blijven.
Voor liet overige bepaalt art. 82 B. W. uitdrukkelijk dat men mag bedingen dat de gekozen woonplaats niet zal mogen worden veranderd.
Ophouden der woonplaats.
a. Ophouden der eigenlijke of algemeeue woonplaats.
Dit geschiedt ten opzichte der vrijwillige woonplaats:
lu. door den dood ;
In verband hiermede bepaalt de wet dat het sterfhuis van eenen overledene geacht wordt daar te zyn, alwaar de overledene zijne
1) Het ontwerp 1886 doet in geval van verandering in den persoon van den voogd het domicilie der minderjarigen voortduren tot den aanvang der nieuwe voogdij (art. 74, lid 3.) Evenzoo l)ij curateele (lid 4).
ophouden der woonplaats.
woonplaats gehad heeft (art. 80 B. W.). Derhalve is de laatste woonplaats in rechtskundigen zin als het sterfhuis te beschouwen, onverschillig of het overlijden feitelijk in of buiten die woonplaats moge hebben plaats gehad.
De bepaling van het sterfhuis, alwaar men zegt dat de nalatenschap is „opengevallenquot;, heeft rechtstreeks invloed op velerlei hande-linsren; men zie b. v. de artt. 983, 989 B. W., ten opzichte van olographische en besloten testamenten; art. 1070 en 1075, ten opzichte van de verklaring van het recht van beraad eu het voorrecht van boedelbeschrijving; art. 1103, omtrent het verwerpen eener erfenis; art. 1173, omtrent de benoeming van eenen curator eener onbeheerde nalatenschap; art. 767 W. v. K. en art. 4, nquot;. 6 W. v. B. Regtsv., betreffende beteekeningen en dagvaardingen aan de gezamenlijke erfgenamen ter laatste woonplaats van den overledene (volgens het laatste artikel gedurende een jaar na het overlijden); art. 126, lid 12, W. v. B. Regtsv., betreffende dagvaardingen in zaken van erfenis, voor den rechter binnen wiens rechtsgebied de nalatenschap is opengevallen.
Er schijnt geen reden te bestaan, om met Diephuis (le uitg., I, § 364), op het voetspoor van een lid der commissie van redactie (zie Vooedüin, II, 128 en 129), ten opzichte van eenen vreemdeling, elders wonende doch in ons land overleden, diens laatste (werkelijk) verblijf als sterfhuis aan te nemen. Zijn sterfhuis moet, even als by eenen Nederlander, geacht worden ter plaatse van zijn laatste domicilie te zijn, en derhalve buiten \'s lands. Niettemin kan dit praktische bezwaren opleveren (zie dienaangaande de opmerking van den Heer de Bordes, bij Vüordüin , eod.).
2°. door overgang in eenen toestand van afhankelijkheid of dienstbetrekking, als waarvan in art. 78 en 79 B. W. sprake is. Alsdan gaat de zelfstandige woonplaats over iu eeue noodzakelijke woonplaats.
Zoo zal ook een minderjarige, die na overlijden zyner beide ouders is overgebleven, tot op de voogdy-benoeming o. i. tijdelijk eene zelfstandige woonplaats hebben, en wel in vele gevallen ter plaatse van het overlyden van den langstlevende der ouders; door de voogdij benoeming of de plaatsing in een gesticht van weldadigheid, eindigt dit domicilie.
Hetzelfde zal men ten aanzien van den vondeling moeten aannemen. Bij dezen is de plaats des werkelijken verblijfs als eerste domicilie te beschouwen.
Ten opzichte der noodzakelijke of afhankelijke woonplaats heeft het ophouden plaats:
133
o l\' h o u ü e n i) e b woonplaats.
1°. door den dood des gedomicilieeiden;
Ook hier geldt hetzelfde als boven ten aanzien van het sterfhuis.
2°. door liet ophouden van de oorzaak der afhankelijklieid of van de dienstbetrekking van den dienstbode of werkman, als ook door het ophouden van hunne inwoning als zoodanig.
Ten opzichte van meerderjarig gewordenen enz. rijst de vraag welk hun domicilie wordt na het ophouden der afhankelijke woonplaats? Blijft het domicilie stilzwijgend daar, waar het tot uu is geweest , behoudens verandering van woonplaats op de wijze als bij art. 75 en 70 B. W. is voorgeschreven, dan wel staat de nn-onafhaukelijk geworden persoon op volkomen onzijdig standpunt, zoodat het uitdrukkelijk of stilzwijgend voornemen van vestiging of gevestigd blijven hier tot maatstaf\' moet strekken, ten einde het domicilie voortaan te bepalen? Het komt ons voor dat men in wetenschappelyken zin de laatste uitlegging moet huldigen. Immers, slechts door de wet werd zoodanige persoon aan zijne woonplaats gebonden; houdt die rechtsbetrekking op, dan vervalt elke band tusschen hem en de afhankelijke woonplaats \'). — Dat men trouwens niet altijd noodwendig eene woonplaats heeft, maar er door vestiging eene kan verkrijgen, blijkt duidelij k als men denkt aan hen, die zich voor het eerst in ons land vestigen. Niet ten onrechte alzoo leert art. 74 B. W., dat de woonplaats daar geacht wordt te zyn, waar men zyn hoofdverblijf heeft gevestigd. Zie uitvoeriger in gelijken zin Opzoombr, ad art. 74; van Hai.l, bl. 178. In eenigszins anderen zin Diephuis, t. a, p., bl. 27ó; in geheel tegenovergestelden zin de aldaar, bl. 274 noot, aangehaalde schrijvers.
Men heeft beweerd dat de curandus, uit de curateele ontslagen zijnde, van rechtswege zijne vroegere woonplaats wederkreeg (v. Baum-haüer, Themis, XII, bl. 597). In het algemeen is zulks zeker onaannemelijk. In den regel zal ook hier de vestiging of het gevestigd blijven, blykbaar uit den wil, om ergens domicilie te hebben of te houden, gevoegd bij de daad, moeten aanwezig zijn.
h. Ophouden der gekozen woonplaats.
134
Daar de gekozen woonplaats in omvang en strekking door partijen wordt geregeld, zal men omtrent den duur daarvan vóór alles moeten letten op:
\') Art. 74, lid 2 Ontwerp 1886 bepaalt dat meerderjarig gewordenen enz. geacht worden het voornemen te hebben hun hoofdverblijf te vestigen, daar, waar zij bij het ophouden van den toestand der afhankelijkheid wonen, tot dat zij van het tegendeel doen blijken.
OPHOUDEN DER WOONPLAATS.
1° de bedoeling van partijen. Kan men n.1. aantooneu dat men alleen woonplaats heeft gekozen voor een bepaalden tijd, of wel gedurende het leven van den gedomicilieerde, dan zal na het einde van dien tijd, of bij den dood van de partij die keuze vervallen.
Zonder zoodanige bedoeling echter zal de dood van de partij, die ■de woonplaats koos, zoodanige woonplaats niet doen ophouden.
Men zegge niet met Mr. C. H. B. Boot (in eene concl., R. Bijbl., VIII, bl. 567) en met Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper (in eene concl., ü. Bijbl., X, bl. 3 en vlgg., beide aangehaald by Léon (nitg. Asser), b. iv., ad art. 81, sub n0. 4 en door van Hall, bl. 185), dat het ongerymd is eene woonplaats te hebben na zijn dood; maar denke veeleer daaraan, dat de kenze van woonplaats een integreerend deel uitmaakt van de rechtshandeling, waaraan zij verknocht is en derhalve even als alle daarnit voortvloeiende rechten en verplichtingen op de erfgenamen en rechtverkrijgenden overgaat (art. 1354 B. W.). \')
Ook gaat het niet aan met Mr. de Bosch Kemper, t. a. p. ten deze eene onderscheiding te maken tusschen de re^tsgevolgen der domiciliekeuze; en mitsdien den overgang op de erfgenamen en recht-verkrijgenden toe te laten, ten opzichte der bevoegdheid van den rechter van het gekozen domicilie, doch dien overgang te ontkennen, voor het geval van beteekenen van exploiten enz. aan de gekozen woonplaats (men vergelijke de uitvoerige bestrijding van deze theorie van splitsing door Mr. v. Hall, bl. 186, welke schrijver echter in het algemeen de gekozen woonplaats met den dood laat eindigen; zie verder denzelfden schrijver, t. a. p., ten betooge dat de Fransche schrijvers reeds vóór de invoering van den Code Napoléon hieromtrent verdeeld waren).
Men ontleene ook geen argument aan eene volmacht op dengene by wien domicilie is gekozen, welke door den dood des lastgevers zou vervallen; zoodanige volmacht toch werkt alleen tusschen dezen laatste en dien derde, maar betreft geenszins dengene, ten wiens behoeve woonplaats is gekozen. Men vergelijke hieromtrent Dcephüis, N. B. K., I bl. 301 en vlgg.
Dat de dood van hem, te wiens behoeve domicilie is gekozen, a fortiori zonder invloed zal zijn op de gekozen woonplaats, behoeft nauwelijks vermelding.
135
In het procesrecht evenwel, waar ten gevolge der bijzondere bepa-
\') Ook aan de bepaling Tan art. 1238 B. W. kan een krachtig argument ïoor liet voortbestaan van de gekozen woonplaats worden ontleend.
O P H O ü D E N DEK WOONPLAATS.
lingen op dat stuk bestaande, de dood van eene der partijen schorsing der procedure te weeg brengt, zal voor zooverre de domiciliekeus verknocht is aan de lastgeving op den procureur, de woonplaats met het eindigen dier lastgeving tevens te niet gaan (art. 254 en vlgg. r j0. art. 133, lid 2 en 135, lid \'2 W. v B. Rv.).
2°. Het te «iet gaan der verbintenis of het beëindigen der haudeling. aan welke de keuze van woonplaats verknocht was, zal eveneens het ophouden der gekozen woonplaats ten gevolge hebben.
3°. Ook kan de gekozen woonplaats feitelijk vervallen door omstandigheden, buiten den wil der handelende partijen gelegen, ten gevolge waarvan zij in de onmogelijkheid geraken om van de keuze van woonplaats gebruik te maken.
Zulke omstandigheden kunnen zyn;
Ingeval van keuze van woonplaats aan een bepaald huis, zonder aanzien des bewoners : door het te niet gaan van het huis als zoodanig.
Ingeval van keuze van woonplaats bij een persoon of eene tirma, afgescheiden van het door hen bewoonde huis, door het sterven van dien persoon \') of het ophouden der firma.
Ingeval van keuze van woonplaats bij iemand, doch alleen in zekere hoedanigheid, door het verlies van die hoedanigheid.
Zoo zal de woonplaats eveneens vervallen, indien men die gekozen heeft by een ambtenaar als zoodanig, wiens betrekking in het algemeen is opgeheven.
Ook zal de keuze van woonplaats te niet gaan, indien die b. v. verbonden was aan den zetel van een opgeheven collegie, b. v. aan de griffie der Arr. Rechtbank te Leiden; tenzij uit de wet zelve (b. v. in art. 828 W. v. K) zij het ook inplicite mocht voortvloeien, dat in zoodanig geval eene andere griffie (in casrt, die der Arr. Rechtbank te \'s G-ravenhage) in de plaats treedt.
136
In al deze gevallen moet men o. i. veeleer aan de feitelijke onmogelykheid van gebruikmaking van de gekozen woonplaats dan aan een rechtskundig te niet gaan daarvan denken. Mag men daaruit afleiden dat zy weder herleeft, indien de omstandigheden zulks gedoogen, als b. v. het huis herbouwd, de verloren hoedanigheid herkregen, de opgeheven Arr. Rechtbank weder ingesteld mocht zijn?
\') In art. 1238 B. W., blijft het domicilie ook iu dit geval voortduren; roeu zal dan verder aan het door den overledene bewoonde huis moeten denken als plaats waar het exploit kan geschieden.
GEVOLGEN AAN DE WOONPAATS VEKBONDEX. 137
Gevolgen, aan het licbbeu eener woonplaats verbonden.
a. Teu opzichte der algemeeue woonplaats denke men:
1°. aan de plaats, waar onderscheiden handelingen, betrekking hebbendé tot het familie- en personenrecht, moeten plaats vinden, zoo als huwelijksaangifte, afkondiging en voltrekking, (art. 105, 107 en vlgg., 131, \'276 B. W.); benoemingen van voogden, toeziende voogden, curators, bewindvoerders van afwezigen, enz. art. 417, 422, 503, 519 B. W.); het verleenen van beperkte handlichting (art. 480 B. W.) enz.;
2°. aan de plaats, waar iemands nalatenschap geacht wordt te zijn opengevallen, olographische en geheime testamenten moeten worden aangeboden, als ook verklaringen van beraad, aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving of van verwerping der nalatenschap moeten worden afgelegd, waar de erfgenamen nog gedurende zekeren tijd gezamenlijk in rechte kunnen worden aangesproken (art. 80, 983, 989, 1070, 1075, 1103, 1173 B. W.; art. 767, lid 2 W. v. K.; art. 199, lid 2 der wet op het faill. enz.; art. 4, n0. 6 W. v. B. Rv.);
3°. aan de plaats, waar in vele gevallen de nakoming eener verbintenis moet plaats hebben (art. 1429 lid 2, 1441 nn. 6 B. W.; 180 W. v. K. enz.):
4°. aan de plaats, waar iemand in zuiver personeele verordeningen of die tot roerende goederen betrekking hebben, in zaken van ge-mengden aard, van erfenis, van faillissement of het doen van rekening, het bekomen van echtscheiding of scheiding van tafel en bed enz. moet of kan gedagvaard worden, (art. 97, 126 Rv.; 262, 266, 289 B. W.);
5°. eindelijk aan de plaats, waar in een aantal in onze wetboeken verspreide gevallen, zoowel gerechtelijke als buiten-gerechtelijke handelingen moeten of kunnen plaats grijpen.
b. ïen opzichte der gekozen woonplaats moet men onderscheiden tnsschen de uit noodzaak gekozen en de vrijwillig gekozen woonplaats :
1°. bij de noodzakelijk gekozen woonplaats gelden in de eerste plaats die rechtsgevolgen, die de wet zelve aan zoodanige keuze heeft verbonden, (vgl. art. 1238 B. W.; 828 W. v. K., en de talrijke hierboven bl. 127 aangehaalde artikelen).
Uit deze laatste artikelen zal men zien dat de keuze van woonplaats by de dagvaarding of verwering alleen betrekking heeft op
gevolgen aan o e woonplaats verbonden.
het rechtsgeding in zijn gewonen loop; voor alles wat daarbuiten ligt, en bepaaldelijk ook voor de nakoming of uitvoering van het gewezen vonnis, korat hetzij de algeraeene woonplaats van partijen in aanmerking, hetzij de vrijwillig gekozene, hetzij de, volgens de voor executie geldende bepalingen, noodzakelijk gekozen woonplaats.
2°. bij de vrijwillig gekozen woonplaats geldt als hoofdregel dat zij alleen zoover strekt, als partijen bij het kiezen hebben bedoeld; dit volgt uit art. 81, lid 2 B. W., volgens hetwelk de keuze kan zijn algemeen en zich dan zelfs uitstrekken tot de executie; of worden beperkt in dier voege als de partijen, of eene van haar goedvinden.
De bijvoeging „tot de executiequot; is geschied bij de herziening na 1830. Volgens vroegere ontwerpen en de wet van 14 Junij 1822 CStbl. n°. 11) had de keus geene verdere gevolgen dan tot aan het eindvonnis, waardoor twijfel ontstond omtrent datgene, wat daarna moet geschieden (vgl. Diephuis, t. a. p., bi. 296).
De meest gewone gevolgen zijn:
u. Recht van de wederpartij om exploiten, dagvaardingen en vervolgingen , bij de akte van domiciliekeuze uitgedrukt of bedoeld, te doen bsteekenen aan de gekozen woonplaats (art. 81, lid ü, 1441, nquot;. 6, B. W.).
rJ. Bevoegdheid van den rechter dier woonplaats om kennis te nemen van de zaak, waartoe de domiciliekeuze betrekking heeft (art. 81 , lid 3, B. W.; 126, lid 16 W. v. B. Rv.).
De wet verleent de bevoegdheid om al deze handelingen aan de gekozen woonplaats of voor den rechter daarvan te doen plaatshebben; verplichting voor de wederparty bestaat hiertoe niet; zelfs niet wanneer men zon mogen aannemen dat de keuze van woonplaats is geschiedt in het belang van hem, die haar heeft gekozen (hetwelk zeker niet gemakkelijk mag worden voorondersteld).
Maar niets verhindert o. i. partijen datgene, wat de wet facultatief stelt, bij overeenkomst verplichtend te doen zyn (vgl. Dif.phuis, t. a p., bl. 300; Opzoomee, 1874, I, bl. 131, noot 5).
De bevoegdheid van den rechter der gekozen woonplaats wordt door sommige schrijvers als prorogatie van rechtspraak beschouwd. Zy is veeleer een logisch gevolg van de daad van hem, die ten opzichte van eene bepaalde handeling, geacht wordt nevens zijne
138
gevolgen aan de woonplaats verbonden. 139
algemeene woonplaattt eene meer bepaald aangewezen woonplaats te hebben.
y. Het ontvangen van betaling in de gevallen, waarin de woonplaats van eene der partijen hiertoe in aanmerking komt, en het doen van aanbod van gereede betaling (art. 1429, lid 2, 1441, n0. 6, B. W.).
Vele gezaghebbende schrijvers echter zijn van oordeel dat zoo niets daaromtrent tnsschen partijen is bepaald, de gekozen woonplaats naar de oorspronkelijke beteekenis daarvan, in den zin van art. 81 B. VV. alleen geldt als domicïlium citandi et executandi, waardoor van de wetsbepalingen omtrent betaling niet wordt afgeweken (zie Lkon , B. IV., uitg. Assek, ad art. 81, nquot;. 1).
Men verwarre in geen geval de plaats, waar de betaling kan geschieden , met den persoon aan wien zulks alleen op rechtgeldige wijze plaats hoeft (art. 1421 B. W.). Degene, bij wien woonplaats is gekozen, kan zeer zeker gemachtigd ziju om betaling voor den sc.huldeischer te ontvangen; maar zoodanige machtiging ligt niet in de domiciliekeuze op zich zelf (vgl. Dtephuis, t. a. p., bl. 299).
t). Het verrichten van alle bijkomende handelingen, die een uitvloeisel zijn van de hoofdzaak, waartoe woonplaats is gekozen, of die daarmede samenhangen, b v. het beteekenen eener overdracht van de schuldvordering (Diephuis, t. a. p. bl. 297, noot 2, Demolümbe, I, n0. 381).
In de keus van eene woonplaats ligt op zich zelf geene lastgeving op den persoon bij wien men woonplaats heeft gekozen, ten einde de exploiten, brieven, enz. te doen geworden aan dengene, voor wien zij bestemd zijn. Veel min bevat zij eene lastgeving om zoodanige handelingen te verrichten, als in het belang van den gedomicilieerde doelmatig of noodzakelijk zijn.
Voor zooverre men niet verzekerd is dat een en ander zal geschieden , is het raadzaam door middel eener overeenkomst van lastgeving de verplichting tot opzending dier stukkeu of tot het verrichten van de vereischte handelingen voor dien derde te doen geboren worden.
Vele schrijvers onderscheiden niet met juistheid de keuze der woonplaats en de daarnevens bestaande lastgeving op dengene, by wien woonplaats is gekozen. Deze laatste moge in de oorspronke-
140 GEVOLGEN AAN DE WOONPLAATS VERBONDEN.
lijke akte, zoo die te zijner kennis komt, eene lastgeving zien, de aanneming moet in elk geval uitdrnkkelyk of stilzwijgend door hem geschieden, wil men tot het bestaan eener verplichting zijnerzijds besluiten.
Maar zelfs dan nog kunnen velerlei omstandigheden verhinderen dat de handelingen, aan de gekozen woonplaats verricht, behoorlyk ter kennis van den gedomicilieerde komen. Vooreerst tnch kan de hierboven bedoelde lastgeving op velerlei wijze eindigen (b. v. door den dood van lastgever of lasthebber, door opzegging, om niet te spreken van cnrateele, faillissement, huwelijk enz., vgl. art. 1850 B. W.), tengevolge waarvan elke verplichting tot opzending van stukken of tot het verrichten van handelingen ophoudt; maar ook zonder dat zal de lasthebber dikwijls tengevolge van verhuizing of afwezigheid van den lastgever in de onmogelijkheid zijn zijne verplichtingen na te komen.
Ook is het zeer licht denkbaar, dat daar, waar slechts woonplaats is gekozen aan eene bepaalde plaats, of wel bij iemand met het oog op diens hoedanigheid, b. v. ter griffie van eenig collegie, bij den bewaarder der hypotheken, enz , geen persoon aanwezig is die iemands belangen behartigt, of wel de ambtenaar onmogelijk in staat is zich de noodige inlichtingen of gegevens te verschaffen.
By dit alles beweegt zich de wederparty, door het verrichten dei-handelingen ter gekozen woonplaats, op volkomen wettig terrein.
Men ziet hieruit dat de gevaren voor den gedomicilieerde zwaarder wegen dan de meerdere geriefelijkheid, die voor de wederpartij, uit de keuze eener woonplaats voortvloeit; zoodat in het algemeen moet worden opgemerkt dat het in de praktyk onraadzaam is in gevallen, waar zulks niet verplichtend is voorgeschreven, eene woonplaats aan eenige rechtshandeling toe te voegen.
Te meer wordt hierop gewezen, omdat nog steeds in een overgroot aantal akten, op gedachtelooze wijze keuze van domicilie plaats grijpt.
§ 5.
GESLACHT.
Gelijkheid van rechtsbevoegdheid voor mannen en vrouwen — evenwel alleen met betrekking tot het privaatrecht — geldt als hoofdregel.
Ook in het Romeinsche recht mag men gelijkheid van recht als hoofdbeginsel aannemen, doch daarop bestonden zoovele uitzonde-
GESLACHT.
ringen, dat Papintan os kon zeggen: „In multis juris articidis duterior est conditio feminarum , fyi/am masculorumquot; (1. 9 D. de statu hom., 1, 5). Zoo hadden vrouwen geene ouderlijke macht, en konden dien ten gevolge niet adopteeren, mochten geene getuigen bij testamenten zijn, en evenmin het bedrijf van kassier (argentarius) uitoefenen. Aan den anderen kant strekten verscheiden voorschriften om aan het vooronderstelde mindere doorzicht der vrouw te gemoet te komen.
Zoo kon eene vrouw zich nooit voor een ander verbinden; op velerlei wijze werd zij gewaarborgd tegen verwaarioozing en verspilling van haar huwelijksgoed, en eindelijk behoorde zij tot hen, die zich somtijds op hare rechtsonkunde mochten beroepen. Vgl. uitvoeriger o. a. Gouüsmit, Pand. Syst., § 26.
De gelijkheid valn rechtsbevoegdbeid lijdt volgens ons recht uitzondering :
a. doordien de vrouw is uitgesloten van eenige betrekkingen, die, zoowel voorheen als thans, door de wet alleen aan manspersonen zijn opgedragen (vgl. Zachariae , l, § 60).
Zoo kan de vrouw geene voogdij uitoefenen, behalve over hare eigen kinderen (art. 436, lid 3, j s. 400 en vlgg. B. W.).
Zij is uitgesloten van de curateele, met uitzondering van die over haren echtgenoot (art. 505 B. W.).
Omtrent curators of bewindvoerders, waarvan in onderscheiden andere wetsbepalingen sprake is, zal hetzelfde moeten worden aangenomen, ofschoon het niet telkens in de wet wordt herhaald.
De bijzonderheden, die ten aanzien van de moeder-voogdesse en vrouw-curatrice in de wet zijn vermeld, en die hier en daar verschilpunten van ondergeschikten aard opleveren tusschen deze betrekking en dezelfde betrekking door eenen man waargenomen (b. v. het toevoegen van een raadsman; de bevoegdheid der moeder om de voogdij te weigeren; het verschil tusschen de vrouw, die tot curatrice over haren man kan worden benoemd, en de man, die van rechtswege curator over zijne onder curateele gestelde vrouw is), zullen later by deze onderwerpen ter sprake komen.
141
b. door de uitsluiting van de vrouw, om in bepaalde gevallen te worden gehoord over de belangen van minderjarigen of onder curateele te stellen of gestelde personen (art. 388, lid 3, 506, lid 3, 516 B. W.) \'):
\') In hot Ontwerp B. W. van 1886 worden vrouwen onder zekere omstandigheden toe-gelaten tot het verhoor omtrent dergelijke familiebelangen; zie de artt. 503 en 504.
GESLiCHT.
Het schijnt dat men die uitsluiting niet moet aannemen ten opzichte van het verhoor van bloedverwanten, voorgeschreven bij art. 331 B. W., ter zake van wettiging van natuurlijke kinderen (zie Voor-duin, II, bl. 551). Dit onderwerp toch wordt niet beheerscht door art. 388 B. W., zoodat men bij de algemeene bewoordingen der wet en de verklaring der Regeering dienaangaande, moet aannemen dat het aan de prudentie van den Hoogen Raad is overgelaten te bepalen welke bloedverwanten zullen worden gehoord, en tot welken graad.
Ook by het verhoor, bedoeld in art. 95 B. W., schijnen vrouwen niet uitgesloten.
c. door de uitsluiting vau de vrouw oin als getuige op te treden bij akten, verleden voor ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen, enz. (artt. 20, 131, 991 B. W.; ^3 der wet op het Notarisambt);
Deze bepaling wordt niet uitdrukkelijk herhaald ten opzichte van sommige handelingen of exploiten, waar de notaris of deurwaarder van getuigen moet vergezeld zijn; niettemin zal hetzelfde ook hier moeten worden aangenomen (vgl. art. 1441, nquot;. 7, 1442, n0. 3, B. W.; 182, lid 1 W. v. K.; 440, lid 3, 564, lid 2, 602, laatste li.l W. v. B. Rv.).
Van het zijn van getuige by eene akte (temoin instrumentaire) is wel te onderscheiden het afleggen van getuigenis der waarheid voor den rechter. Te dien opzichte bestaat er geen verschil tusschen mannen en vrouwen. Zoo veroorlooft ook art. 127 B. W. de vrouwen uitdrukkelijk als getuige eene verklaring af te leggen, tot het doen opmaken eener akte van bekendheid, welke de geboorte-akte bij het huwelijk kan vervangen, üp gelijke gronden kan ook de vrouw eene geboorte-aangifte \') by den ambtenaar van den burgerlijken stand bewerkstelligen (art. 30 B. W.).
d. door eenige stellige wetsbepalingen, welke ten opzichte van de vrouw afwijkende voorschriften behelzen;
142
Men denke hier b. v. aan het verschil in de bepaling van het tyd-stip der huwbaarheid (by mannen 18, bij vrouwen 16 jaar, art. 86 B. W.); aan het verschil tusschen de artt. 342 en 343, nopens het onderzoek naar het vaderschap en het moederschap; aan den leeftijd vereischt om een kind te erkennen, voor mannen minstens 19 jaar, voor vrouwen onbepaald (art. 337 B. VV.).
\') Bij akten van overlijden vallen de hoedanigheid van aangever en getuige samen ; hier schijnt dus art. 50, j0. 30 B. W. de aangifte door eene vrouw te verbieden.
GESLACHT.
Inzonderheid — en dit is eene belangrijke afwijking ten gunste der vrouw — vestige men het oog op de bepalingen van de artt. 585 , voorlaatste lid en 586, laatste lid W, v. B. Rv., ten gevolge waarvan in verscheiden gevallen de lijfsdwang alleen tegen den man, niet tegen de vrouw kan worden toegepast; eene afwijking, volgens Zacha-riae, t. a. p., te danken aan „die besondere Schonung, die dem Zartgefühle dieses Geschlechts gebührt.quot;
e. ten opzichte der gehuwde vrouw door een tal van voorschriften, waarvan de strekking is de vrouw (ofschoon zij hare persoonlijkheid behoudt\'), en minderjarig huwende zelfs door het huwelijk, meerderjarig wordt) aan velerlei beperkingen te onderwerpen, zoo omtrent het verrichten van rechtshandelingen, het beheer en de beschikking over hare goederen, als omtrent liet optreden in rechte. Ook is de gehuwde vrouw verstoken van de bevoegdheid om te worden benoemd tot uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen (art. 1053 B. W.).
De gehuwde vrouw komt door deze bepalingen in zekeren toestand van afhankelijkheid of ondergeschiktheid, zoowel ten opzichte van haren persoon als van hare goederen.
De nadere bepalingen hieromtrent, en Je uitgezonderde gevallen, waarin de vrouw zich zelfstandig verbinden en zonder bijstand van den man in of buiten rechte handelend kan optreden, alsook de voorrechten en behoedmiddelen, die aan de vrouw, eenigermate als tegenwicht tegen de maritale macht, door de wet zijn toegekend, zullen in de volgende paragraaf worden behandeld.
Omtrent het verkrijgen of verliezen van het Nederlanderschap door de vrouw, welke in het huwelijk treedt met eenen Nederlander of vreemde, zie bl. 115 en 116 supra.
ƒ. ten opzichte der vrouw na de ontbinding van het huwelijk, door de bepaling dat zij eerst na verloop van driehonderd dagen een nieuw huwelijk mag aangaan (art. 91, 119 B. W.), en door
1) De wet hecht zelfs veel gewicht aan den invloed der vrouw staande het huwelijk. Dit valt duidelijk in het oog, doordien na het overlijden der vrouw de vader niet meer onbeperkt de ouderlijke macht uitoefent, maar hem in hoedanigheid van voogd zijner kinderen een toeziende voogd moet worden toegevoegd (art. 355, 400, 422 B. W.). Zoo kunnen schenkingen aan minderjarigen gedaan, gedurende het leven der óezde ouders, door den vader worden aangenomen. Sterft de moeder, dan heeft de vader-voogd eene rechterlijke machtiging noodig, ten einde hetzelfde doel te bereiken (art. 1722 B. W.). Men denke daarenboven aan art. 92 en 99 B. W., welke ook het vragen van de toestemming der moeder vereischen bij huwelijken van echte kinderen, zij het ook dat bij verschil van gevoelen of stilzwijgen der moeder de toestemming des vaders toereikend is.
143
GESLACHT. —
144
H ü W E I. IJ K.
de liaar toegekende bevoegdheid tot herkrijging van het Nederlandschap, volgens art. 8 der wet van 12 Dec. 1892 (Stbl. n0. 268), zie bl. 117 supra;
g. ten opzichte der hertrouwende vrouw, door meerdere gestrengheid der wettelijke bepalingen omtrent de voogdij over hare kinderen (art. 405, 406 B. W.).
§ 6.
H li W E L IJ K.
A. Algemeen gedeelte.
Huwelijk is de vereeniging van man en vrouw tot één duurzaam en gemeenschappelijk levensdoel.
Deze is op de natuur gegrond, door de wet erkend en geregeld: zij wordt aangegaan met liet oog op haar voortdurend bestaan !).
Velerlei definitiën Ireft men allerwege van het huwelijk aan. Bij sommige staat de maatschappelijke, by andere de physiologische zijde der zaak meer op den voorgrond. In het Rom. recht heet het: „Nup-tiae sive matrimoninm est viri et roulieris conjunctio, individuam consuetudinem vitae eontinensquot; (Inst. 1,9 § 1).
Daarmede stemt in hoofdzaak de bepaling van art. 120 van het ontwerp van 1820 overeen. De toevoeging van Hugo de Groot, Inl. I, ó § 1, „medebrengende een wettelyk gebruyk van malkander» lichaemquot;, en soortgelijke bepalingen te vinden bij Heineccius, El. jur. civ. tit. Inst, de Nuptiis, § 146, Geonoviüs, ad Gr otium, de Jure Belli et Pacis, 11, 5, 8, doen meer denken aan het zoogenaamde jus naturale. Het verwekken van kinderen moge ten nauwste met het huwelijk samenhangen, ja een noodzakelijk gevolg daarvan zyn, volgens de begrippen van burgerlijk recht is het hoofddoel des huwelijks niet daarin gelegen. Vgl. den regel: „Nuptias non concubitus, sed consensus facitquot; (1. 30 D. de E. J. 50, 17).
Van dit juiste standpunt uitgaande heeft onze wetgever dan ook de onbekwaamheid tot voortteling niet opgenomen onder de huwelijks-
J) Indien men het verschil tusschen familierecht en obligatierecht, hierboven bl. 95 aangeduid, beter in het ooj? hield, zouden de rechtsgeleerden niet zoo behoeven te twisten over de vraag in hoeverre het huwelijk als een contract is te beschouwen. Zie Mr. van Hall, bl. 197 en 198, en de daar aangehaalde schrijvers. Dat men hier en daar, wegens de gelijkenis in het vereischte der toestemming van partijen, bij analogie naar het obligatie-recht moet verwijzen, mag het ongelijkslachtige van beide materien niet doen vergeten.
algemeen 6 e » e e l t k.
145
H r W E L ij k.
beletselen, en evenmin onder de redenen, weshalve een voltrokken huwelijk kan worden nietig verklaard (vgl. Opzoomer , 1874, I, hl. 187 en 220). Het laatste was hepaald in art. 200, 5°. van het ontwerp van 1820, doch deze bepaling is na gemaakte bedenkingen door de afdeelingen, opzettelijk weggelaten.
Streng voortredeneerende, zonden, bij een aan onze wet tegenovergesteld stelsel, ook huwelijken verboden moeten worden tusschen hen, die wegens hun hoogen leeftijd ongeschikt tot voortteling zyn geworden (gelijk dit in Eustand ten opzichte van lieden boven de 90 jaren is bepaald, zie Duchesne, du mariage, bl. 31, aangehaald bij Opzoomeb ad art. 84).
Reeds Justinianüs bepaalde in meer juisten zin dat zij, die door de lex. Julia of Papia, wegens hunnen meer gevorderden leeftijd niet mochten huwen, voortaan in geenerlei opzicht daarin zouden worden verhinderd (1. 27 C. de nuptiis 5, 4).
De huwelijken in extremis mogen daarenboven ten bewijze strekken dat niet alleen rechtens, maar ook feitelijk huwelijken worden gesloten, zonder vooruitzicht op voortteling.
De woorden nnptioe en matrimoniurn worden in het Eomeinsche recht somtijds in dezelfde beteekenis gebezigd (vgl. bovengemelde definitie uit de Instituten). Veelal echter wordt onder nuptiae verstaan de huwelijksvoltrekking, en onder matrimoniurn het huwelijk zelf. Ook in ons Burgerlijk Wetboek wordt het woord huwelijk niet altijd in denzelfden zin gebezigd. Somtijds wordt er alleen de huwelijksvoltrekking onder verstaan (zie art. 159 „de enkele daad des huwelijksquot;, art. 264, 3°., „veroordeeling na het huwelijk uitgesprokenquot;).
De wet beschouwt het huwelijk alleen in zijne burgerlijke betrek-ngen (art. 83 B. W.).
Dit beginsel is een „uitvloeisel van de Grondwet, die geene „heerschende kerk erkent, alle eerediensten op dezelfde lijn plaatst, „en alzoo alle noodzakelijke bemoeienissen der geestelykheid ten „aanzien des huwelijks uitsluitquot; (zie Asser, l\'erg. § 40). Men gevoelde behoefte deze bepaling in de wet op te nemen, ofschoon zij in geenendeele het wezen der zaak verandert.
Ten einde echter geene huwelijksverbintenis volgens kerkelijk recht zou kunnen plaats hebben, nevens, en in strijd met de huwelijken, welke volgens ons burgerlijk recht geldende zijn, moest men verder gaan en de kerkgenootschappen alleen vrijlaten in het sluiten, inzegenen of bevestigen van eene huwelijksverbintenis, wanneer de burgerlijke huwelijksvoltrekking is voorafgegaan; van daar de bepaling Asser, Burgert. Recht. 1. 3e druk. 10
146 VEREISCHTEN TOT HET iA.XGA.AN VAN EEN HUWELIJK.
van art. 136 B. W. en de daarmede samenhangende strafbedreiging van art. 199 en 200 C. P., thans vervangen door art. 449 W. v. Strafr., tegen den bedienaar van den godsdienst, die voordat partyen hem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht. Omtrent het aan art. 83 B. Wquot;. ten grondslag liggend beginsel, zie uitvoeriger Of-zooMEK, t. a. p. bl. 158 en vlgg.; omtrent de beteekenis van art. 199 C. P., zie een arrest v. d. H. Raad v. 22 Juli 1850, aangehaald bij Léon, B. IV., uitg. As see, , ad art. 136, nquot;. 2.
B. Vereischten tot het aangaan van een huwelijk; huwelijksbeletselen.
De vereischteu tot het aangaan vau een huwelijk worden onder-seheiden in inwendige en uitwendige vereischteu.
De inwendige betreffen de personen, die het huwelijk met elkander willen sluiten, bepaaldelijk liunne toestemming en de bevoegdlieid tot het aangaan daarvan, als ook de toestemming van anderen, die in vele gevallen moet worden verleend.
De uitwendige vereischteu zijn de formaliteiten, die aan elke huwelijksvoltrekking zijn verbonden.
In onmiddellijk verband met de inwendige vereischteu staan de omstandigheden, die iemand, hetzij in het algemeen onbevoegd maken tot het aangaan van elk huwelijk (ofschoon in vele gevallen slechts tijdelijk), hetzij alleen onbevoegd met het oog op een bepaald te sluiten huwelijk. Van daar dat men spreekt van eene volstrekte onbevoegdheid en van eene betrekkelijke onbevoegdheid, van volstrekte huwelijksbeletselen en betrekkelijke huwelijksbeletselen.
Inwendige vereischteu tot het aangaan van een huwelijk:
1°. De vrije toestemming der aanstaande echtgenooten (art. 85, 135 B. W.).
Zoo ook in het Eomeinsche Recht, 1. 2, D. de rit. nupt. (23, 2), „Nnptiae conmtere non possunt, nisi consentiant omnes, id est, qui „coennt, quorum que in potestate suntquot;.
De toestemming behoort volgens art. 85 tot het wezen van het huwelijk; zonder bewustzijn van den wil, geene toestemming; van daar dat een krankzinnige geene toestemming kan geven. Dit wordt nader in de wet ten opzichte van alle burgerlijke handelingen, verricht door den krankzinnige gedurende de curateele en zelfs vóór het uitspreken daarvan — mits in het laatste geval onder bijzondere voorwaarden —
- v r ij e toestemming.
147
v e k e i s c h t e x.
geregeld bij de artt. 500—502 B. W. In het huwelijksrecht vindr dit beginsel zijne toepassing in de artt. 116, 3°., en 143. Ofschoon het ten aanzien der toestemming geen verschil maakt of de krankzinnige al of jniet onder curateele is gesteld, en dus de onbevoegdheid om te huwen in beide gevallen gelijk staat, zal het in de praktijk, wegens de beperkende bewoordingen van beide laatstgenoemde artikelen, dikwijls moeielijk, zoo niet ondoenlijk zijn het huwelijk van eenen niet onder curateele gestelden krankzinnige of van eenen, wiens onder curateelestelling deswege ook nog niet is verzocht, te beletten of te doen nietig verklaren. Ware art. 116, 3°. er niet, dan zou wellicht de stuiting van zoodanig huwelyk op grond van art. 116, n0. 4 B. W. kunnen worden beproefd. Thans is het te betwijfelen in hoever men dit nommer mag doen slaan op het gemis aan toestemming wegens krankzinnigheid buiten curateele. In het Fransche recht kon men zich eenigermate redden door de redactie van art. 146 C. N. „II n\'y a pas de mariage, lorsqu\'il n\'y a point de consentementquot;, in verband met het ontbreken van ons — overigens zeer nuttig — voorschrift van art. 140 B. W. (vgl. Opzoomek, ad art. t. a. p., bl. 178, inzonderheid noot 2).
Bij het bestaan van curateele wegens krankzinnigheid is er volgens ons recht geen sprake van de zoogenaamde bicida intervalla (quot;Nien-huis, § 40, aant. 3, bl. 313).
Omtrent de bevoegdheid tot huwen van hem, die wegens zwakheid van geestvermogens op eigen verzoek onder curateele is gesteld, wordt getwijfeld. Men kan echter van hem niet zeggen dat hij geen wil of bewustzijn zijner toestemming heeft. De geldigheid van zoodanig huwelijk is dan ook gehandhaafd door de Arr.-Kb. te Amsterdam v. 19 Dec. 1865, W. n0. 2777; in gelijken zin Mr. van Hall, bl. 201 en 216; Nienhuis, § 45, bl. 347; Mr. E. F. L. Dumoülix , Huwelijk bij curateele op eigen verzoek, Acad. pr. Amst. 1894, bl. 7 en v.; anders Jhr. Mr. W. A. C. de Jonge, Thernis 1854, bl. 333 en vlgg. Het ontwerp 1886, art. 86, veroorlooft een zoodanig huwelyk, mits met toestemming van den curator, of in enkele gevallen van den toezienden curator gesloten.
Zie in het algemeen omtrent de onbevoegdheid van krankzinnigen om te huwen, 1. 16, § 2 D. de ritu nupt.: „Furor contrahi matri-„monium non sinit, quia consensu opus estquot;; de Groot, Inl. 1,5 §4; „Dulle luyden, als geen vrye wille hebbende, mogen haer ook ten „Huwelijk niet begevenquot;. Vgl. Ontw. 1820 art. 122.
Dat de doofstomme een geldig huwelyk kan aangaan kan nauwelijks worden betwyfeld. Hij zal natuurlijk op verstaanbare wijze van zyne toestemming door geschrift of teekenen moeten doen blijken (v. Hall, bl. 201; de Pinto, 6e dr. bl. 75 enz.).
10*
v eij e toestemming.
148
— trouwbeloften.
De toestemming kan ook het gevolg zijn hetzij van geweld of dwang of van dioaüng in den persoon van een der echtgenooten. In het eerste geval moet men zeggen dat de toestemming niet vrij is, in het tweede geval is er geene wezenlyke toestemming. De hierdoor teweeg gebrachte nietigheid van het huwelijk zal later ter sprake komen.
Omtrent de beteekenis van de uitdrukking vrije toestemming in art. 85 B. W., zie üpzoomer, ad art. 85 en 142.
Toestemming, door bedrog verkregen, levert geen reden tot vernietiging van het huwelijk op, tenzij de uit het bedrog voortgevloeide dwaling valt onder de dwaling in den persoon, hierboven bedoeld. Ook dit punt zal nader worden aangetoond bij de leer der nietigheid des huwelijks.
Uit het vereisclite der vrije toestemming volgt, dat ook zijdelings de wil niet aan banden mag worden gelegd door zoogenaamde trouwbeloften {spon sal ia), zie art. 113 B. W.; deze geven geene rechtsvordering tot het aangaan des huwelijks, noch tot schadevergoeding uithoofde van niet-vervulling van de beloften; alle bedingen tot schadeloosstelling te dezer zake zijn nietig.
Alleen na huwelijksafkondiging geeft de wet eene vordering tot schadevergoeding, wegens werkelijke verliezen door de eene partij in hare goederen geleden ten gevolge van de weigering der andere om in het huwelijk toe te stemmen, zonder dat daarbij eenige winstderving zal kunnen in aanmerking komen; deze vordering verjaart door verloop van achttien maanden, te rekenen na de eerste huwelijksafkondiging (art. 113, lid 2 en 3 B. W.).
In het oude Romeinsche recht ontstond uit de sponsalia wederzijds eene verbintenis; later achtte men het „inhonestum, vinculo poetme matrimonia obstringV (1. 134, pr. D. de verb. obl. 45, 1; I. 5 Cod. de sponsalibus 5, 1).
Nog later gaf men eene soort van handgeld (arrha sponsalitia) voor het geval van verbreking der trouwbelofte. Men kon niet met meer dan één persoon sponsalia aangaan op straffe van infamie; als de sponsa beleedigd was kon de sponsus eene actio injuriarum instellen : de actie wegens diefstal bestond niet tusschen verloofden; adulterium werd by de sponsa evenzeer gestraft als bij de gehuwde.
Hier te lande was men veel gestrenger dan onder het Romeinsche recht; in sommige gevallen kon de weigerachtige verloofde door lijfsdwang tot het voltrekken van het huwelijk worden genoodzaakt; in andere gevallen werd door den rechter iemand benoemd, om hem
t r o u w b e i. o f t e n. -
149
l e e f t ij d.
daarbij als vertegenwoordiger te vervangen. Zie dk pin\'io, II, § 55 en de door dezen aangshaalde schrijvers over oud-Holl. recht, als Voet , ad tit. D. de sponsalihus, 12; Groenewegen , de legib. ahrog. ad tit. C. de sponsalihus, 1. 1; viN Leeuwen, Oenaura foretisis 1,1, cap. 11, n0. 26.
Het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland erkende de geldigheid der trouwbeloften, en wijdde daaraan de artikelen 40—56. Volgens art. 135 gaven bestaande trouwbeloften grond tot stuiting van een daarmede strijdig huwelijk; onwilligheid van een der verloofden „om zich te laten trouwenquot;, kon volgens art. 132 onder zekere omstandigheden aanleiding geven tot het doen benoemen van eenen vertegenwoordiger van den onwillige; vóór de afkondigingen echter had men slechts eene vordering tot nakoming, welke zich oploste in vergoeding van kosten, schaden en interessen (art. 47 j0. 1057). In het Fransche recht wordt van trouwbeloften gezwegen; ofschoon men het er over eens was dat onder de heerschappij daarvan niemand tot het huwelijk kon worden genoodzaakt (nemo ad factum praecise cogi potest), liepen de meeningen zeer uiteen omtrent de vraag, of bij niet-nakoming eene rechtsvordering tot schadevergoeding moest worden toegekend, dan wel of deze als berustende op eene ongeoorL lofde oorzaak moest worden ontzegd; en verder of ingeval van bevestigende beantwoording der eerste vraag deze vordering moest worden toegekend uit de overeenkomst, dan wel krachtens eene onrechtmatige daad (m. a w. uit art. 1142 dan wel uit art. 138^ C. N.), terwijl ook over het voorwerp der vordering, de hoegrootheid der schadevergoeding, de meeningen uiteenliepen.
Men zie uitvoeriger hieromtrent v. Hall, bl. 199, 200; ue Pixto, t. a. p. § 55, en de aldaar aangehaalde Fransche schryvers.
•2°. De door de wet gevorderde leeftijd. Deze is voor mannen achttien, voor vrouwen zestien jaar, behoudens dispensatie, door den Koning om gewichtige redenen te verleenen (art. 86 15. W.).
Ofschoon de voortteling niet het doel des huwelijks kan worden genoemd (zie bl. 144 en 145 supra), hebben de wetgevers ten allen tijde begrepen, dat men geen huwelijk mocht toelaten op een leeftijd, waarop het vermogen daartoe nog niet ontwikkeld is.
Het Romeinsche recht vorderde dan ook, dat de masculi om te huwen puberes, de feminae viripotentes zouden zijn (pr. Inst. de nupt., 1, 10). De manbaarheid werd oudtijds by jongelieden onderzocht; later vond men dit stuitend en bepaalde die op 14 jaar. Bij vrouwen was de huwbaarheid steeds op 12 jaren aangenomen (pr. Inst. Quib. mod. tut. fin., 1, 22).
150 huwelijk. - lekfhjd. - verbod van bigamie enz.
Ook naar oud-HolIandsch reolit werd voor mannen veertien-, voor vrouwen twaalfjarige leeftijd gevorderd (de Gthoot, Inl., I, 5 § 8).
De Fransche wetgever eischte voor den man den leeftijd van 18 gt; voor de vrouw dien van 15 jaren. Ten onzent meende men de huwbaarheid der vrouw een jaar later te moeten stellen, op grond van eene vooronderstelde tragere ontwikkeling in onze luchtstreek (Zie Assek, Ferg., § 42; Voorduin, II, bl. 143 en vlgg.). In N. Indië daarentegen is de huwbare leeftijd voor de vrouw, even als in den C. N., op 15 jaren gesteld (art. 29 Ind. B. W.).
De meest voorkomende der gewichtige redenen, waarom de Koning dispensatie kan verleenen van den door de wet vereischten leeftyd, bestaat in geval van zwangerschap, als wanneer door de mogelijkheid van een huwelijk de schande eener bevalling buiten echt kan worden voorkomen. Zie over het verzoek om dispensatie Vaillant, 2e uitg., bl. 200. Ofschoon art. 126 B. W. de akte van dispensatie niet opnoemt, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand zich die ongetwijfeld, in de gevallen, waarin die vereischt wordt, moeten doen ter hand stellen, alvorens het huwelijk te kunnen voltrekken; hij zal daarvan in de huwelijksakte moeten melding maken en het stuk aan de registers aanhechten (art. 23 B. W.).
Hoe te beslissen als vreemdelingen hier te lande een huwelijk willen sluiten en hun land een vroegeren leeftyd veroorlooft? Zal de ambte-tenaar van den burgerlijken stand hier aan onze stellige voorschriften gebonden zijn, of kan de vreemdeling zyn statutum personale inroepen? Zie de artt. 1—3 van het le slot-protokol van de in 1894 te \'s Gra-venhage gehouden conferentie over het internationaal-privaatrecht.
3quot;. Het ougeliuwd zijn van beide aanstaande echtgenooten (art. 84 B. W.; art. 340 C. P.; art. 237 , 379, lid 1 W. V. Strafr.).
Bigamie en polygamie zijn niet alleen door het burgerlijk recht verboden, maar leveren misdrijven op (zie voormelde artikelen der Strafwet). Tusschen art. 84 B. W.: „De man kan te gelijker tijd slechts met „eene vrouw, de vrouw slechts met éénen man door het huwelijk „verbonden zijnquot; en de bepaling van art. 147 C. N.: „On ne peut „contractei- un second mariage avant la dissolution du premierquot; bestaat niet zoo veel verschil als men bij de redactie der wet meende (Voor-duin , II, bl. 140; Asser, Verg. § 41). Alleen kan men met Mr. v. Hall, (bl. 201 onder) opmerken dat ons artikel juister is gesteld, voor zooverre art. 550 en 551 B. W. een geval vermelden, waarin de reeds gehuwde met verlof der Eechtbank een nieuw huwelijk sluit, en juist door dat tweede huwelijk het eerste ontbonden wordt (art. 254, 2°. B. W.).
verloop van 300 dagen\' voor de hertrouwende vrouw. 151
Voor de toepassing van art. 84 B. W. is het onverschillig of het huwelgk al dan niet in ons land is voltrokken; een huwelijk, buiten \'\'s lands gesloten met inachtneming der toepasselijke wetsvoorschriften, heeft ten deze hetzelfde gevolg (vgl. v. Hall, bl. 202).
By den overgang van den C. N. op ons Burg. Wetb. kon zich, even als in Frankrijk in 1854 (zie bl. 106 supra), de vraag voordoen, of de afschaffing van den burgerlijken dood, het volgens art. 227 C. N. ontbonden huwelijk weder deed herleven, zoodat hieruit voor partyen een beletsel ontstond om een nieuw huwelijk aan te gaan. Eene beslissing van de Rb. te Parijs v. 31 Aug. 1855, Gaz. d. Trih., 1 Sept. 1855, luidde ontkennend; het huwelijk, eenmaal ontbonden, herleeft niet door de afschaffing der mort civile; zoo ook van Hall, t. a. p.; anders het openbaar ministerie in de tot voormelde zaak betrekkely ke conclusie.
4°. ïen opzichte der vrouw, die een nieuw huwelijk aangaat, eischt de wet het verloopeu van drie honderd dagen, sedert de ontbindiug van liet vorige huwelijk (art. 91 B. W.).
Deze bepaling is in zekeren zin eene uitbreiding van het verbod van het huwelijk nog voor gehuwden. Haar grond is gelegen in het vermijden van de cunfimo sanguinis, terwijl het tijdperk van 300 dagen, blijkens andere bepalingen in het B. W., als tijdstip der langst mogelijke zwangerschap geldt (zie de artt. 307, 309, 310 B. W.). In 1. 11, § 1 D. de his qui not. inf. (3, 2) en 1. 2 C. de sec. nuptiis (5, 9) vinden wy hetzelfde beginsel, ofschoon eenigszins gewijzigd, ■weder. Naar sommige oud-vaderlandsche rechten was slechts een tyd-perk van zes maanden voorgeschreven (v. Leeuwen, Roomsch Floll. regt, I, 14, 14). De Code Nap. eischte in art. 228 een tijdperk van tien maanden.
De bepaling van art. 91 B. W, geldt evenzeer, wanneer de ratio Ie (/is niet aanwezig is, b. v. bij bevalling der vrouw vóór den 300en dag, of na echtscheiding, wegens kwaadwillige verlating. De woorden der wet zijn algemeen en ook uit de geschiedenis der beraadslagingen blijkt de bedoeling. Aan het verlangen toch van sommigen, die den Koning de bevoegdheid wilden gegeven hebben, om in geval van niet-zwangerschap dispensatie te verleenen, werd niet toegegeven (Voorduin, II, bl. 152); anders de Martini, bl. 184. Oudtijds hield het huwelyksbeletsel na bevalling der vrouw op (zie 1. 11, § 2, D. de his qui not. inf. (3, 2); en voor het oud-Holl. recht van Leeuwen, H. H. regt, t. a. p.).
Het verbod van art. 91 B. W. kan niet van toepassing zyn in
152 verloop van 300 dagen voor ue hertrouwende vroüw.
geval van ontbinding des huwelijks krachtens art. 254, 2°. B. W., na afwezigheid van den man, vermits deze ontbinding juist plaats heeft door het daarop volgend nieuw huwelijk, na rechterlijke vergunning ex. art. 550 B. W. Men kan dat o. i. alleen met zekerheid zeggen voor het geval van afwezigheid van den man, omdat alsdan de vrouw, krachtens rechterlijke vergunning, een nieuw huwelijk aangaat. Is de vrouw de afwezige party, dan schijnt men tot het verbod van art. 91 te moeten terugkeeren, daar het alsdan de man is, die na rechterlijke toestemming huwt, terwijl de vrouw in hetzelfde geval verkeert als ware het huwelijk op iedere andere wijze ontbonden. Vgl. art. 409 Ontw. v. 1820.
Evenmin als men de toepassing van art. 91 B. W. mag beperken, ingeval de ratio legis niet aanwezig is, schijnt men de toepassing tot het geval van nietigverklaring van een huwelijk te mogen uitbreiden. Dit punt is evenwel op gronden, aan de bedoeling der wet ontleend, door velen betwijfeld. In elk geval ware het in jure consti-tuendo nuttig ook hier aan de confusio sanguinis te denken \'). Vgl. Opzoomer, t. a. p. bl. 162; anders Diephuis, 1874, IV, bl. 27.
Het verbod van art. 91 B. W. wordt overigens door den wetgever niet zóó belangryk geacht dat eene overtreding daarvan het huwelijk nietig doet zijn; stuiting evenwel van een in stryd met art. 91 B. W. voorgenomen huwelijk is toegelaten (zie art. 116—120, j°. 154 B. VV.).
üit het ontbreken der boveustaaude ve.reischten vloeien even zoovele gronden van volstrekte onbeooegdheid tot huwen voort.
Deze zijn derhalve:
a. Onmogelijkheid tot het geven der tot liet huwelijk vereischte toestemming (art. 85).
b. Leeftijd, beneden den door de wet vereiscliten — behoudens Koninklijke dispensatie (art. 86).
c. Bestaand huwelijk (art. 84i).
d. Voor vrouwen, het nog niet verloopen zijn van 300 dagen na ontbinding van een vorig huwelijk (art. 91).
Met het oog op art. 8 en 187 der wet van 19 Aug. 1861 , Stbl. nc. 72, op de nationale militie, moet men hier nog wijzen op de noodzakelykheid, waarin mannen tusschen de 18 en 40 jaren ver-keeren, om een bewijs over te leggen dat zij voldaan hebben aan de plichten ten aanzien der nationale militie, of tot geenen dienst gehouden zyn.
1) Inderdaad is zulks geschied iu art. 82 Ontw. B. W. van 1886. Volgens hetzelfde artikel kan de Koning van bedoeld huwelijksverbod dispensatie verleenen.
VOLSTREKTE, BETREKKELIJKE HÜWELIJKSBELETSELEN. 153
5°. Het niet bestaan van een der redenen, waaruit eene betrekkelijke onbevoegdheid voortspruit.
Zoodanige onbevoegdheid bestaat, hetzij doordien het huwelijk ten aanzien van bepaalde personen verboden is; hetzij bij gemis aan de noodige toestemming van anderen tot het aangaan van een huwelijk.
Ten aanzien van bepaalde personen is het huwelijk verboden:
a. wegens te nauwe bloedverwantschap;
tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, hetzii door wettige, hetzij door onwettige geboorte (art. 87 B. W.);
in de zijdlinie, tusschen broeder en zuster; verder, behoudens Koninklijke dispensatie om gewichtige redenen, tusschen oom of oud-oom en nicht of achternicht, moei of oud-moei en neef of achterneef, wettig of onwettig (artt. 87, 88 B. W.).
Te nauwe graad van bloedverwantschap is ten allen tijde een beletsel voor het huwelijk geweest. Evenwel werd de grens niet overal even ver getrokken. ïerwyl huwelijken in de rechte lijn altijd, en tusschen broeders en zusters bijna altijd en overal werden verafschuwd, heeft men omtrent huwelijken met broeders- en zusters kinderen verschillend gedacht \'). Onze wet stemt in dit opzicht met den Code Nap. overeen, ook ten aanzien van de dispensatie, door het hoofd van den Staat te verleenen (zie C. N., artt. 163, 1(54). De uitbreiding van het verbod tot oud-oom en oud-moei komt echter niet in den Code voor; zij bestond in het Romeinsche recht (§ 3, Inst. de nupt. 1, 10). Het huwelijk tusschen vollen neef en nicht wordt door het Roomsch Katholieke kerkrecht verboden, doch door de meeste burgerlyke wetgevingen toegelaten; zoo ook ten onzent 2).
\') In het oudere Romeinsche recht mocht men wel met de dochter van den broeder , maar niet met die der zuster huwen (Gaj. , I, § 62). Deze vreemde onderscheiding is door Claudius te diens eigen behoeve ingevoerd. Later is het verbod algemeen geworden. In het ontwerp B. W. 1886 is bij art. 81 het huwelijksverbod niet verder uitgestrekt dan tot broeders en zusters. Vgl. M. v. Toel. b). 42. Men zie over dit onderwerp o. a. Huwelijken tusschen bloedverwanten^ historisch-ethnographisch kritisch beschouwd en getoetst aan de wetten der herediteit door N. P. van der Stok, 2 dln,, \'sGravenh. 1888 bij M. Nijhoff.
-) Volgens § 4 lust. de nupt., 1, 10, mochten broeders- of zusters kinderen met elkander huwen. Zoo ook volgens de lex. 19 C. de nupt., 5, 4. Opmerking verdient het dat in een ander handschrift der Instituten te dezer plaats te lezen staat: jungi non possunt; eene lezing die ook door Theophilus wordt gehuldigd, maar vermoedelijk alleen onder den invloed van het canonieke recht is ontstaan.
154 VERBODEN gkaden vax bloedverwantschap.
Omtrent den vorm der Koninklijke dispensatie, zie een Arr. van 18 Prair. an XI, Foetuyn, II, bl. 268, volgens hetwelk de Minister van Justitie rapporteert , na ingewonnen advies van den Off, v. Justitie. Het besluit wordt ter griffie van de Rechtbank geregistreerd, en eene expeditie daarvan aan de huwelijksakte gehecht; en zulks ter diligentie van den Officier en krachtens bevelschrift van den Voorzitter der Rechtbank (van Hall, bl. 202 en 203; Vernf.de, op art. 87, c, 4°.).
Wettige of onwettige bloedverwantschap verhinderen gelijkelijk het huwelyk. Het komt hier op de natuur, niet op de wettelyke erkenning van de verwantschap aan. Evenwel zal het bewijs der onwettige bloedverwantschap in geval van niet-erkenning door de ouders, inzonderheid wegens de bepalingen der artt. 342 en 344 B. W., hoogst moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn. Vgl. Opzoomer, t. a. p., bl. 164, noot 4; Diephuis, 1874, IV, bl. 31 en vlgg.; Demolombe, III, bl. 142 en vlgg.
De onwettige bloedverwantschap doet denken aan de Romeinsche cognatio senilis. Hoezeer de slaaf geen familie in wettelyken zin had^ konden de banden des bloeds eveneens een huwelijksbeletsel opleveren ten aanzien van vrygelatenen (§ 10, Inst. de nupt. 1, 10).
h. wegens aanverwantscliap:
in de rechte lijn onbepaald (art. 87);
in de zijdlinie, tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige, behoudens Koninklijke dispensatie, art. 88.
Bij de Israëlieten bestond integendeel de verplichting om met de kinderlooze weduwe zijns overledenen broeders te huwen, waaraan men zich niet dan onder vernederende formaliteiten kon onttrekken. Zie over deze zoogenaamde dwang- of leviraatshnwelijken: Deutern. 25, vs. 5—10. Ten bewijze van de hooge oudheid dezer huwelijken strekke nog Genesis 38, vs. 8.
Anders in het Romeinsche recht, 1. 5, C. de ine. nupt. 5, 5, waaruit het verbod in den Code (art. 162) en in ons B. W. is overgenomen. Evenwel was in Frankrijk de dispensatie onbekend en aldaar eerst ingevoerd by de wet van 16 April 1832; ten onzent was zij wenschelyk, omdat een dergelijk huwelijk, inzonderheid met de zuster van de overleden vrouw, hier te lande verre van ongewoon was. Van daar dat reeds vóór de invoering van ons B. W. de bepaling van art. 7 der wet van 26 Juli 1822, Stbl. n0. 12, door de wet van 23 April 1827, Stbl. nquot;. 22, „van stonden af aanquot; in werking is getreden (vgl. bl. 19, supra).
VERBODEN G E A t) E K VAN AANVERWANTSCHAP.
In België wordt de dispensatie niet verleend dan ingeval van ontbinding van het eerder huwelyk door den dood, volgens de wet van 28 Febr. 1831 (vgl. \'L he mis, XII, bl. 285), een beginsel dat ook ten onzent, bij het verleenen of weigeren van dispensatie, in aanmerking verdient te worden genomen.
Het zou o. i. aanbeveling verdienen de huwelijken tnsschen schoonbroeders en schoonzusters, na ontbinding van het vorige door den dood van dengene, door wien de aanverwantschap bestond, zonder beperking toe te laten; vooral in een land, waar zy niet strijdig zijn met de volksovertuiging \'). De dispensatie om „gewichtige redenenquot; immers kan lichtelijk ontaarden in eene premie op het gemis aan betamelgk-heid en ontzag voor de wet. Zie echter Diephihs, IV, bl. 30, 31 en de aldaar aangehaalde schrijvers en wetgevingen.
Dat iemand kan huwen met de weduwe van den broeder zijner overleden vrouw behoeft geen betoog; immers tusschen hen bestaat geen aanverwantschap (art. 350 B. W.).
Evenmin is het huwelijk verboden tusschen behuwd-oom en nicht, behuwd-moei en neef. Hier bestaat wel zwagerschap, maar het wettelijk verbod strekt zich niet zoover uit (vgl. liet verhandelde hieromtrent bij Voorduin, II, bl. 146).
Als iemand zijne vrouw verliest en hare ouders krijgen na haar dood nog eene dochter, is deze dan iemands schoonzuster? Demo-lombe, III, bl. 158 en Opzoomek, t. a. p., bl. 164, noot 3, antwoorden o. i. te recht ontkennend. De ontbinding des huwelijks, hier door den dood bewerkt, heft wel de bestaande zwagerschap niet op, maar daaruit is niet af te leiden , dat na die ontbinding nog zwagerschap zou ontstaan.
Natuurlijke gemeenschap tusschen personen, die wegens bloed- of aanverwantschap geen huwelijk mogen sluiten, noemt men bloedschiande (incestus). Kinderen, uit zoodanige verbintenis gesproten, zijn bloedschennig, [incestuosi). De wet kent hun nagenoeg geene plaats in het familierecht toe, gelijk nader zal blijken (art. 327, 328, 338, 344, 914, enz. B. W.).
155
De toepassing der benaming Woec/schande op de verboden verbintenis tusschen «ahverwanten, is taalkundig minder gelukkig. Toch schijnt
1) In het Ontwerp B. W. 1886 is dan ook alleen het huwelijk tusschen aanverwanten in de rechte lijn verboden; zie art. 81 en de redenen die tot het onbepaald toelaten van huwelijken tusschen schoonbroeders en schoonzusters hebben geleid in de JI. v. Toel. bl. 41 en 42. Evenzoo het Duitsch Ontw., le lezing, § 1336, 2e lezing, S 1316.
h uwblij k s b e l ets el wegens overspel.
men in wettelijken zin dit woord ook op zoodanige verbintenis te moeten doen slaan (vgl. art. 328, jquot;. 338, B. W.). De wellicht onwillekeurige beperking door Mr. v. B. Fauee , Hei B. IV., Handl., le dr. bl. 125, 2C dr. bi. 142, tot verboden graad van /v/o»/verwantschap, komt ons dan ook niet juist voor.
c. wegens overspel.
Personen, wier overspel bij rechterlijk vonnis is bewezen, mogen nimmer in het huwelijk treden met dengene, met wien zij overspel hebben gepleegd (art. 89 13. W.).
De reden dezer bepaling is daarin gelegen, dat een met alle zedelijkheid strijdige hand niet tot huwelijk mag worden verheven. Ook zou, zonder deze bepaling, een vonnis van echtscheiding wegens overspel den schuldigen echtgenoot veeleer tot voordeel dan tot nadeel kunnen strekken \').
Zelfs na overlijden van den vorigeu echtgcnoot blijft zoodanig verbod bestaan. Dit volgt uit het woord nimmer in art. 89. Zie de discussie hierover bij Vooeddin, II, 148: Opzoomer t. a. p., bl. 163.
De bepaling van art. 298 C. N., was van meer beperkte strekking en verbood slechts huwelijken tusschen overspeligen, nadat op dien grond het vorige huwelijk was ontbonden.
Het schijnt onverschillig of het by art. 89 B. W. bedoelde vonnis een strafvonnis, dan wel een burgerlijk vonnis is; toereikend is het, indien door rechterlijke uitspraak blijkt, dat er overspel gepleegd is en met wien. Zie den stryd hierover: Lkon , B. IV., uitg. Asser en Supplquot;. Rombach, ad art. 89, Diephuis, t. a. p., bl. 35, 36.
Onder overspel zijn mede te verstaan de misdrijven, welke overspel in zich bevatten; b. v. verkrachting, gepleegd door den gehuwden man.
Hoever de uitlegkunde op een dwaalspoor kan brengen, bewijst een betoog van Mr. Schook, N. li. 5., XI, bl. 659 en v., die het woord „medepligtigequot; in art. 89, overeenkomstig de strafrechtelijke beteekenis van dit woord, wil doen slaan op dengene, die het overspel van een der echtgenoot en met eenen derde heeft bevorderd.
156
d. wegens vroeger huwelijk, tusschen dezelfde partijen bestaan hebbende, doch door echtscheiding ontbonden (art. 90 B. W.).
\') Ook dit huwelijksverbod is in het ontwerp 1886, op het voetspoor der Italiaansche wet van 1865, prijs gegeven, vooral met het oog op den ouzedelijkeu toestand, die er zal kunnen ontstaan, indien de overspeligen feitelijk als man en vrouw leven, hetgeen de wet toch niet kan beletten; daarenboven zou het verbod zelfs ten nadeele van wettige kinderen kunnen strekken. Vgl. M. v. T. bl. 42.
huwelijksbeletsel wegens echtscheiding.
Men zie de woorden van Nicol.ü\' (by Vooeduin, II, bl. 151), ter toelichting van deze bepaling, welke vooral strekt om de herhaling van ergerlijke of onzedelijke tooneelen tusschen echtgenooten te voorkomen \').
In het ontwerp van 1820, art. 128, behelsde deze bepaling nog de bijvoeging dat degeen, tegen wien een vonnis van echtscheiding was uitgesproken, ook niet met een ander kon hertrouwen, zelfs niet na den dood van den vorigen echtgenoot. Deze gestrenge en in hare gevolgen allicht onzedelijke bepaling werd opzettelijk weggelaten (zie Voorduin, II, bl. 149 en vlgg.; Nüokdziek, I, bl. 615 en vlgg.; II, bl. 185 en vlgg.).
Na nietigverklaring van een huwelijk is het op nieuw huwen van dezelfde personen niet verboden; de wet spreekt alleen van ontbinding. In de meeste gevallen van nietigheid eens huwelijks bestaat dan ook geen bezwaar van zedelijken aard tegen het sluiten van een nieuw huwelijk tusschen dezelfde partyen, indien de reden der nietigheid is vervallen (zie Voohduin, I, 1, bl. 142 en vlgg.).
Mag men met ontbinding door echtscheiding gelijk stellen de ontbinding eens huwelijks na scheiding van tafel en bed (art. 255 en vlgg. B. W.), of door afwezigheid en daarop gevolgd nieuw huwelijk van den achterblijvenden echtgenoot (art. 549 en vlgg. B. W.)? De tekst der wet rechtvaardigt deze uitbreiding niet; te minder waar het eene verbodsbepaling geldt, die uit haren aard van strikte toepassing is; zie Opzoomek, t. a. p., bl. 161 en v., Diephuis, t. a. p., bl. 38, Nienhuis, I, bl. 310. Evenwel wordt het tegenovergestelde door de Pinto, II, bl. 78, ten opzichte van het eerste dezer beide gevallen, op grond der gelijke ratio legis, als vaststaande aangenomen :!); ook Mr. v. Hall, bl. 203 en 204 schijnt daartoe over te hellen.
Wil men het verbod handhaven, dan verdient het in jure consti-tuendo zeker de aandacht het geval van ontbinding des huwelijks, na scheiding van tafel en bed, ten deze met echtscheiding gelijk te stellen; vermoedelijk is zulks in de wet onwillekeurig nagelaten, omdat vroeger die soort van ontbinding des huwelijks onbekend was.
Het ontwerp van 1820 bevatte in art. 131 het verbod van huwe-
\') Ook dit argument woog niet zwaar genoeg om het verbod in het ontwerp 1886 te handhaven; zie M. v. T. bl. 42 en v., met een beroep op de nieuwe Fransche wet op de echtscheiding van 29 Juli 1884, die de hereeniging vim gescheiden echtgenooter. bijna algemeen toelaat, op de Duitsche rijkswet eu op Laurent\'s Avant projet de revision du Code Civil (Beige).
\') Anders de aldaar voorkomende noot van Mr. Teiïeika de Mattos.
157
158 vekeisc htb toestemming van anderen
lijken tusschen voogden of gewezen voogden, gelijk ook hunne kinderen of kindskinderen, met pupillen of gewezen pupillen vóór het afleggen der voogdij rekening en de uitkeering van het saldo. Dit verbod was overgenomen uit het Romeinsche recht (1. 36, 59 D. de ritu nupt. 23, 2) en nog te vinden in het Wetb. Nap. v. H. art. 108. Aan de ontwikkeling der toeziende voogdij schijnt men de opheffing vau dit huwelijksbeletsel te moeten toeschrijven.
Andere huwelijksbeletselen ten aanzien van bepaalde personen, die vroeger in het Romeinsche recht bekend waren en hunnen oorsprong ontleenden, hetzij aan een ver uitgestrekt begrip van welvoegelijkheid, zoo als het huwelijksverbod van den vader met degene die eenmaal de verloofde van den zoon geweest was; hetzij aan verschil van godsdienst, hetzij aan de politieke belangen van den Eomeinschen Staat (zooals het verbod van huwelijken tusschen den provincialen magistraat en eene ingezetene dier provincie, enz.) komen in ons hedendaagsch recht, wegens veranderde begrippen en toestanden, niet meer voor.
Betrekkelijke onbevoegdheid, door gemis aan de noodige toestemming van anderen.
Ten deze komen in aanmerking de leeftijd, de staat van wettig of onwettig kind en de staat van voogdij of ouder curateele-stelling van de aanstaande eclitgenooten.
a. Minderjarige wettige kinderen behoeven de toestemming:
u. van hunne ouders, althans van den vader (art. 92, lid 1 en 2
B. W.);
De meerderjarigheid is dezelfde, welke elders in de wet wordt omschreven (art. 385 B. W.). Het verkrijgen van brieven van meerderjarigverklaring echter heft de noodzakelijkheid der ouderlijke of groot-ouderliike toestemming, bedoeld bij de artt. 92, 93 en 94 B. W. niet op (art. 478 B. W.).
Volgens art. 148 C. N. was voor het huwelijk de leeftijd, tot welken de ouderlyke toestemming gevorderd werd, op 25 jaar voor zoons, op 21 jaar voor dochters vastgesteld. Het -wetboek van 1830, art. 94, stelde 25 jaar, zoowel voor zoons als dochters, gelijk dit ook voorheen in verscheiden provinciën ten onzent het geval was (Voet, ad. tit. D. de rit. nupt. n0. 11). In Holland was de leeftijd van 25 jaar voor zoons, van 20 jaar voor dochters gesteld (de Groot, Inl. 1, 5 § 15).
Bij het geven van toestemming komt het oogenblik der huwelijks-voltrekking in aanmerking. Heeft b. v. de vader bij eene akte zijne
tot het aangaan\' van ben huwelijk.
toestemming verleend, maar sterft hij vóór de huwelijksvoltrekking, dan wordt de toestemming der moeder volgens art. 92, lid 3 B. W. vereischt (Diephüis, t. a. p., bl. 34; üpzoomek, hl. 165, noot 2).
Ingeval beide ouders leven en in de mogelijkheid zyn hunnen wil te verklaren, moet de toestemming van vader en moeder worden (jevraagd, die des vaders moet in elk geval worden verkregen, om het huwelijk te kunnen doen plaats hebben. In den Code (art. 148) was dit minder goed geformuleerd (Zie Asser, Very. § 46). Tegen de Pinto , II, § 58, die vraagt of het niet vernederend is dat de door de moeder gegeven toestemming overbodig, de weigering krachteloos is, mag men opmerken dat de wet veeleer waarde hecht aan eene bespreking van de belangen van het kind met zijne beide ouders.
Ingeval de moeder zich niet verklaart of hare toestemming weigert, moet uit de verklaring des vaders, op een der wijzen bij art. 92, lid 2 B. W. voorgeschreven, blijken dat hare toestemming is gevraagd geweest. Dit was in den Code niet zoo stellig uitgedrukt (zie art. 148 C. N.).
[i. indien de vader overleden is of zicli in de onmogelijkheid bevindt om zijn wil te verklaren, wordt de toestemming van de moeder vereischt (art. 92, lid 3 B. W.);
Zoodanige onmogelijkheid kan op velerlei wijzen bestaan; b. v. door krankzinnigheid; door onder curateele stelling des vaders — immers hij die zelf niet zonder toestemming van anderen mag huwen, zal wel niet aan anderen zijne toestemming tot een huwelijk mogen verkenen; door afwezigheid, zoowel in den zin der wet, als in geval van feitelijke afwezigheid, mits de vader werkelijk in de onmogelijkheid zij zijn wil te verklaren (de ambtenaar van den burg. stand zal echter in dit laatste geval en in het volgende de uiterste behoedzaamheid moeten in acht nemen, en liever krachtens art. 129 B. W. eene reohterlyke beslissing moeten uitlokken); door ziekte, die de onmogelijkheid tot het verleenen van mondelinge of schriftelijke toestemming ten gevolge heeft.
Veroordeeling tot straf sluit de mogelijkheid tot het geven der toestemming niet uit; alleen zou men kunnen twijfelen als iemand krachtens strafvonnis uit de vaderlijke macht ontzet is; maar in ons Burgerlijk Wetboek wordt het vereischte der ouderlijke toestemming tot het aangaan des huwelijks niet bepaald als een uitvloeisel van de vaderlijke macht voorgesteld (anders: art. 84 Üntw. 1886).
De tusschen de ouders bestaande echtscheiding enz. heeft op het
159
160 V F. R K 1 S C H T E TOESTEMMING VAN ANDEREN
verleenen der huwelijkstoestemming geen invloed (vgl. art. 285 B. W.). Zie ook Diephuis, t. a. p. bl. 45 en de daar aangehaalde schrijvers.
•/. indien alleen de moeder overleden is of zicli in de onmogelijkheid bevindt om haren wil te verklaren, zal de vaderlijke toestemming voldoende zijn ;
Dit geval is in de wet niet genoemd, maar moet buiten eenigen twijfel bij analogie uit art. 92 B. W. worden beantwoord. De verklaring des vaders, bedoeld bij art. 92, lid 2, moet dan naar omstandigheden achterwege blijven. Vollediger was in dit opzicht art. 149 C. N.: „Si 1\'un des deux est mortquot; enz.
De vereischte toestemming der ouders vloeit uitsluitend voort uit den band des bloeds tusschen hen en hunne kinderen bestaande. Zij blijft alzoo na den dood van één der ouders afgescheiden van de voogdg over het kind, en moet derhalve ook van den langstlevende der ouders worden gevraagd, zelfs al ware deze geen voogd (arg. ex art. 95 B. W.). Zoo zal de toestemming van den man, met wien de moeder hertrouwd is, al ware hy medevoogd, onnoodig zijn; evenmin zal de aan de moeder toegevoegde raadsman (art. 401 B. W.) zijne toestemming behoeven te geven.
d. indien beide ouders overleden zijn of zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, komen achtereenvolgens tot het verleenen der toestemming in aanmerking:
de grootvader van vaderszijde,
de grootvader van moederszijde,
de grootmoeder van vaderszijde en de grootmoeder van moederszijde,
met dien verstande, dat zoo de vroeger genoemde ontbreekt — of in de onmogelijkheid is zijnen wil te verklaren, hetgeen de wet ook hier ongetwijfeld daaronder begrijpt — de later genoemde in diens plaats treedt (art. 93, 94 B. W.);
De bepaling van art. 150 C. N. was veel ingewikkelder door de samenwerking der grootouders voor te schrijven en in geval van verschil te regelen; in ons recht hangt de beslissing slechts van één der vier grootouders af.
f. Wanneer zoowel ouders als grootouders ontbreken, of zich allen in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, kunnen wettige minderjarige kinderen geen huwelijk aangaan zonder de toe-
tot het aangaan van een huwelijk. 161
stemming vau hunnen voogd en hunnen toezienden voogd (art. 95 , lid 1 B. W.).
Deze verbodsbepaling is niet zoo volstrekt als die der art. 92—94 B. W. Ingeval van weigering toch van beiden of van een hunner vergunt de wet de beslissing van den kantonrechter in te roepen, die het verlof zal geven of weigeren na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, benevens van vier uit de naaste, binnen het rijk woonachtige en meerderjarige bloedverwanten tot den vierden graad \') ingesloten, zooveel mogelijk uit de twee liniën te kiezen; bij gebreke van bloedverwanten wordt hun getal aangevuld door aanverwanten (art. 95, lid 2, 3, 4 B. W.). Ook vrouwen schijnen hiertoe te mogen behooren (zie Diephüis, t. a. p., bl. 49, en de aldaar genoemde schrijvers). Tegen de beslissing des kantonrechters kunnen zoowel het kind als de voogd, de toeziende voogd en de opgekomen nabestaanden door middel van een verzoekschrift bij de Arrondissements-Rechtbank opkomen, welke alsdan na verhoor der wederpartij (d. i. van hen die niet mede het verzoek indienen) en na conclusie van het openbaar ministerie, zonder vorm van proces het verzochte verlof bij eindvonnis zal toestaan of weigeren (art. 96 B. W.).
Uit het vereischte der toestemming zoowel van voogd als van toezienden voogd, schijnt te volgen dat er steeds één onzijdig persoon aanwezig is en derhalve geen bijzondere formaliteiten noodig zijn, ingeval de voogd of de toeziende voogd, of wel het kind van een hunner met den pupil wil huwen (zie echter de verschillende meeningen hieromtrent by Lms, B. JV., uitg. Assek, ad art. 95, Diephüis, t. a. p., bl. 48). Quid als de beide ouders leven, doch in de on-mogelijkheid zijn om hunnen wil te verklaren, terwijl er geen voogd is? Mr. Opzoomer zou ook hier den kantonrechter willen laten beslissen (t. a. p., bl. 166, noot 1).
De bepaling van ons art. 95 B. W. bevat eene geheele afwijking van de Fransche wet (art. 160), die, by gebreke van ouders en grootouders, voor minderjarigen de toestemming van den familieraad voorschreef. Zie de groote gevaren aan laatstgenoemd stelsel verbonden, bij Asser, Verg. § 49. Onze wet is ten deze tot de beginselen van het Oud-Hollandsche recht teruggekeerd (De Groot, Inl. I, 5 § 15).
h. Minderjarige natuurlijke kinderen.
\') Dit bedoelt de wet ongetwijfeld met de woorden „tot den graad van vollen neef ingesloten.quot;
Asser, Bnrgerl. Recht. 1. 3e druk. li
162 vereischte toestemming van an dek en
«. Voor zoover zij erkend zijn door heide ouders behoeven zij de toesteinmiug van den vader; bij gebreke van dezen, die van de moeder.
Zijn zij sleclits door eeii van beide ouders erkend, dan behoeven zij alleen diens toestemming (arg. art. 97 B. W.).
By erkenning door beide ouders behoeft de toestemming der moeder niet gevraagd te worden. Gelijke reden als by wettige kinderen bestaat hier niet; de ouders leven wellicht afzonderlek; misschien hebben zij beiden of een van beiden een wettig huwelijk aangegaan niet een ander persoon, en zou eene raadpleging met de moeder ongepast zijn (Asser, Verg. § 50).
Behoeven natuurlijke wettelijk erkende kinderen, die venia aetatis hebben verkregen, behoudens de bepaling van art. 104 B. W., de toestemming van hunnen vader of van hunne moeder tot het aangaan van een huwelijk, zoolang zij jonger dan 23 jaar zijn? De ratio legis van art. 478 B. W., zou zulks bevestigend, de tekst van het tweede lid ontkennend doen beantwoorden.
Zijn de ouders na de erkenning overleden, of buiten de mogelijkheid hunnen wil te verklaren, dan behoeven de minderjarigen de toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd of bij weigering, het verlof van den Kantonrechter, behoudens beroep op de Arrondissements-Rechtbank (art. 98 B. W.)
Daar juist de vader of de moeder in den regel de voogdij uitoefenen over hunne minderjarige wettelyk erkende kinderen (art. 408 B. W.) kan er moeielijkheid ontstaan voor het geval dat zij in leven, doch buiten de mogelykheid zyn hunnen wil te verklaren. De toestemming van grootouders komt in deze geheele materie niet te pas, omdat door de erkenning alleen rechtsbetrekkingen ontstaan tusschen den vader of de moeder en het erkende kind (art. 335 B. W.), niet dan bij uitzondering tusschen het kind en de bloedverwanten der ouders. Van daar ook dat bij de behandeling van het verzoek bij den Kantonrechter van geene raadpleging van nabestaanden sprake is; gelyk dit ten opzichte van wettige kinderen hy de artikelen 95 en 96 is bepaald.
[i. Natuurlijke doch niet erkende minderjarige kinderen hebben in wettelijken zin geene ouders. Zij behoeven tot het aangaan van een huwelijk alleen de toestemming van den voogd en toezienden voogd, of het verlof van den Kantonrechter (art. 98 B. W.).
Zoodanige kinderen, alsook diegenen, wier ouders na de erkenning waren overleden of verhinderd hunnen wil te kennen te geven, konden
TOT HET AANGAAN V A N EEN h ü W E LU K.
volgens Fransch recht niet anders huwen dan na verkregen toestemming van eenen voogd ad hoc (art. 159 C. N.).
c. Meerderjarige kinderen, zoowel wettige als natuurlijke wettelijk erkende, moeten, zoolang zij den vollen ouderdom van -30 jaren nog niet hebben bereikt, tot het aangaan van een huwelijk de toestemming vragen van hunne ouders (of den langstlevende) wat de wettige, van hunnen vader of van hunne moeder, wat de natuurlijke kinderen betreft (art. 99, 104 B. W.).
Wanneer zij die toestemming niet hebben bekomen ■— en voor wettige kinderen komt het hier alweder, indien de beide ouders leven, op de toestemming des vaders aan, zonder dat zelfs hier van de toestemming of raadpleging van de moeder behoeft te blijken — kunnen zij de tusschenkomst van den kantonrechter inroepen, voor wien binnen drie weken na het gedane verzoek de vader — of bij gebreke va.n dezen de moeder — benevens het kind zullen verschijnen, ten einde de vertoogeu des rechters aan te hooren. Van de verschijning van partijen wordt proces-verbaal opgemaakt, zonder dat daarbij de redenen worden opgegeven, die over en weder zijn aangevoerd (art. 100 B. W.).
Bij niet-verschijning van vader of moeder kan op vertoon der akte, waaruit dit feit blijkt, tot het huwelijk worden overgegaan; bij niet-verschijning van het kind is een hernieuwd verzoek tot tusschenkomst noodig (art. 101, 102 B. W.).
Bij verschijning van partijen, doch volharding in de weigering, mag het huwelijk niet worden voltrokken, dan na verloop van drie volle maanden na den dag der verschijning (art. 103 B. W.).
Het schijnt dat deze bepalingen niet slaan op den onder curateele gestelden verkwister, die den leeftijd van 30 jaren nog niet mocht hebben bereikt; immers geeft art. 506, lid 2 B. W. voor den onder curateele gestelde bijzondere voorschriften (v. Hall, bl. 206, 207; Diepuuis, t. a. p., bl. 52, 53; anders Mr. Ddmoulin in diens op bl. 147 supra aangehaald proefschr., bl. 15).
Alle personen beneden de 30 jaar, die hunne ouders hebben verloren, alsook natuurlijke doch niet erkende kinderen, kunnen na hunne meerderjarigheid vrijelijk een huwelijk aangaan, mits slechts geene andere huwelyksbeletselen bestaan. Evenzoo alle personen boven den ouderdom van 30 jaren.
In den Code. art. 151—158, gold een geheel ander stelsel; deze vorderde voor meerderjarige kinderen van eiken leeftyd een verzoek
11*
163
v e k e 1 s c h t e toestemming van a n d e e e x
om toestemming tot het aangaan eens huwelijks, gericht tot de ouders of zelfs tot de grootouders. In art. 132 en 134 Ontw. 1820 en art. 101 Wetb. van 1830 was dit stelsel behouden (Voohuuin, II, bi. 190). Het verzoek geschiedde volgens Fransch recht in den vorm eener formeele akte (acte respectuenx), die door zoons beneden de 30 en dochters beneden de 25 jaar tweemalen van maand tot maand moest worden herhaald. Een maand na de laatste — of eenige — akte van eerbied kon het huwelijk worden voltrokken. Deze akte werd beteekend door twee notarissen of door eenen notaris en twee getuigen. Het tegenwoordig stelsel schijnt door meerdere kieschheid en eenvoud aanbeveling te verdienen (Asser, Very. § 51).
In het Ontwerp B. W. van 1886 is met het geheele stelsel der artt. 99—104 B. W. gebroken; men ontkende het nut eener rechterlijke tusschenkomst, die de huwelijksvoltrekking slechts eenigen tijd vertragen, maar niet beletten kan, en die daarom veeleer tot meerdere verbittering zal leiden, dan het kind van zijn voornemen doen afzien (M. v. T. bl. 43).
d. Onder curateele gestelden, voor zoover deze kunnen huwen, behoeven daartoe de toestemming des curators en toezienden curators, des noods te vervangen door het verlof van den Kantonrechter, evenals in art. 95 ten aanzien van minderjarigen is bepaald.
Mr. v. Boneval Faübe, het Burgerl. Wetb., I, l\' dr., bl. 54 en 55, 2e dr. bl. 67, acht in de eerste plaats de toestemming der ouders of grootouders noodig. Ware dit juist, waarom zou dan in art. 116, 7°., de enkele curateele, wegens verkwisting, niet toereikend zijn om het huwelijk, althans door den vader of de moeder van den verkwister, deswege te doen stuiten, terwijl de wet er integendeel nog eene voorwaarde bijvoegt?
De wet maakt slechts melding van verkwisters (art. 506, lid 2 B. W.). Vermoedelijk zal men eveneens moeten beslissen, voor het geval dat men aanneemt dat hij, die wegens zwakheid van geestvermogens, op eigen verzoek onder curateele is gesteld, een huwelijk mag aangaan (vgl. bl. 147 supra).
Ofschoon art. 506, lid 2 B. W. alleen verwijst naar de artt. 95 en 206 B. W. lijdt het geen twijfel of het beroep tegen de uitspraak des Kantonrechters, bedoeld by art. 96, is eveneens ten deze toegelaten.
Omtrent het niet vereischt zijn van het vragen der ouderlijke toestemming ten opzichte van onder curateele gestelden beneden den leeftijd van 30 jaren, zie bl. 163.
In het stelsel van Mr. v. Boneval Faure vervalt deze rechtsvraasr.
o
164
tot het aangaan van een huwelijk,
Bij de betrekkelijke onbevoegdheden wegens gemis aan toestemming van anderen kan men uit het publieke recht nog voegen;
e. Gemis aan medewerking der Staten-Generaal of aan de bij de wet te verleeuen toestemming, ten opzichte van een huwelijk, aangegaan door personen van Vorstelijken bloede; de publiekrechtelijke gevolgen van het gemis aan zoodanige toestemming worden in de artt. 18 en 30 der Grondwet aangeduid. Privaatrechtelijk heeft het gemis aan de hierbedoelde toestemming op de wettigheid des huwelijks geen invloed.
f. Gemis aan schriftelijke toestemming voor hen, die bij de militie te land of ter zee zijn ingelijfd, van wege den Minister van Oorlog of van Marine te verleenen (art. 128 en 157 der wet van 19 Aug. 1861, Stbl. n\'. 72). Bij gebreke hiervan zal de ambtenaar van den burgerlijken stand, op verbeurte der boete bij art. 187, 1quot;. dier wet, j0. art. 10, n0. 17 en 11 der wet van 15 April 1886, Stbl. nquot;. 64 bepaald, de voltrekking des huwelijks moeten weigeren; zoo het voltrokken is, kan zoodanig huwelijk niet vernietigd worden.
Hetzelfde geldt ook voor officieren, die ecliter de toestemming des Konings behoeven; zonder deze toestemming gehuwd zijnde, worden zij volgens art. 22, 7°., der wet van 28 Aug. 1851, Stbl. n0. 126 en art. 27, 7°. der wet van dezelfde dagteekening, Stbl. nquot;. 128, uit den dienst ontslagen.
Zie deswege de Kon. Beslquot;. van 14 Febr. 1872, te vinden o. a. bij Lüttenberg (uitg. Sciiuukman), 1872, bi. 214, houdende intrekking van vroegere deswege bestaande bepalingen.
C. Vervolg. Uitwendige vereiscliten tot het aangaan van een huwelijk; Aangifte: Afkondiging; Recht van stuiting; Voltrekking des huwelijks.
Door het vaststellen der formaliteiten, die aan het huwelijk moeten voorafgaan of tot de voltrekking behooren, beoogt de wet;
opeuhaarhdd, vooral om de gelegenheid te geven een voorgenomen, met de wet strijdig huwelijk, te verhinderen;
waarborg dat de ambtenaar niet licht een zoodanig huwelijk sluit; bescherming der aanstaande echtgenooten tegen overijling;
voorkoming van zoogenaamde heimelijke of clandestine huwelijken; zekerheid omtrent het bestaan des huwelijks.
Vlg. Zachamae, III, § 394.
165
166 UmVESUIGE VKREISCHTEN TOT HET AANGAAN VAN EEN HUWELIJK.
Alle personen, die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van partijen (art. 105).
f Woonplaats is hier in wettelijken zin op te vatten. Anders in den Code Nap. (art. 74) die een „domicile, quant au mariagequot; kende.
De aangifte geschiedt door of van wege beide aanstaande echt-genooten, mondeling of schriftelijk (art. 105, 106).
Elk geschrift van de aanstaande echtgenooten afkomstig, waaruit met genoegzame zekerheid van hun voornemen blijkt, is toereikend tot het doen der aangifte (art. 106). Hieruit schijnt te volgen dat by het doen der aangifte bij gemachtigde, geen authentieke volmacht als bij art. 19 B. W. bedoeld, vereischt wordt (zie v. Hall, bl. 155 en de daar genoemde schrijvers).
Het Fransche recht liet, door zijn stilzwijgen omtrent de aangifte, ook eenzijdige huwelijksaangifte toe, waarvan de sohadelyke gevolgen in het oog loopen (zie Asser.. Verg. § 22).
Van de aangifte zal door den ambtenaar van den burgerlijken stand eene akte worden opgemaakt en in het daartoe bestemde register ingeschreven; deze akte vermeldt de voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten , benevens hun voornemen om met elkander in den echt te treden (art. 39, 44), 106).
Zie verder de bijzonderheden in art. 40, lid 2 vermeid.
Aan deze aangifte moet, bepaaldelijk ter wille van de beletselen, die aan de voltrekking des huwelijks zouden kunnen in den weg staan, de noodige openbaarheid worden gegeven.
Dit heeft plaats door twee afkondigingen van het voorgenomen huwelijk (art. 107).
Deze geschieden door openbare voorlezing van eene akte, bevattende de voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten, en indien zij reeds vroeger gehuwd zijn geweest, de namen van hunne vorige echtgenooten; de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van hunne ouders; alsmede dag, plaats en uur der afkondiging, met vermelding of zulks de eerste of de tweede is (art. 42, 107),
h ü w e l ij k s a a n g 1 f t e ex a f k o n d i g 1 n q. 167
De afkondiging geschiedt voor de deur van het huis der gemeente of gemeenten, waar beide aanstaande echtgenooten hunne woonplaats hebben; zijn zij slechts zes maanden in eeuige gemeente gevestigd, daarenboven daar, waar zij laatstelijk hunne woonplaats hadden (art. 108, 109).
Ware het niet wenschelijk, ten opzichte van hen, die eene afhan-keiyke woonplaats hebben, ook de afkondiging ter plaatse van hun werkelijk verblijf te gelasten? Dikwijls toch zal de minderjarige of onder curateele gestelde ter woonplaats van zijnen voogd of curator bij niemand bekend zijn, zoodat de afkondiging aldaar weinig doeltreffend is.
De afkondiging geschiedt op twee Zondagen, onmiddellijk op de aangifte volgende (art. 41. 107).
Van het doen der tweede afkondiging kan, om gewichtige redenen, vrijstelling worden verleend door den Koning, of de ambtenaren, die hij daartoe zal aanwijzen (art. 111). Volgens Kon. Besluit van 16 Juni 1830, Stbl. n0. 26, zyn de Officieren van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbanken daartoe aangewezen. Ten onrechte is de wettigheid van deze delegatie door sommigen, als in strijd met de Grondwet, ontkend (zie Opzoomer, ad art. Ill B. W.; Diephuis, t. a. p., bl. 59, noot 2. Vgl. ook art. 153 ontw. 1820, waar aan het gemeentebestuur eene nog uitgebreider bevoegdheid was verleend).
De keuze van den Zondag tot het doen der afkondigingen, wel verre van eene zonderlinge afwijking op te leveren van bet stelsel dat den Zondag als burgerlyken rustdag huldigt, gelijk Mr. J. L. be Leao Laguna in Themis, 2, XV, bl. 686 beweert, heeft zijn oorsprong te danken aan de vroegere afkondigingen van het huwelijk in de kerken, by gelegenheid van de godsdienstoefening. Ook nu wordt de keuze van den Zondag, en het gebruikelijke uur na afloop der godsdienstoefeningen, vooral ten platten lande gerechtvaardigd door den wensch om de afkondiging zooveel mogelijk algemeen bekend te maken (van Hall, bl. 156, 209). Men zie over de uitdrukkingen; onder de geboden staan, de geboden schutten, de geboden laten gaan een opstel in het Stud. Weekbl. Minerva van 22 Mei 1890, le bijv.
De ambtenaar van den burgerlijken stand is verplicht de afkondigingen te doen, wanneer hem niet blijkt dat voor de aangevende personen eenig wettig beletsel bestaat om met elkander in den echt te treden (art. 41).
h ü \\v e l ij k s a f k o n d i g i n g.
Daartoe zal liet wenschelijk zyn, dat hij reeds bij bet doen der aangifte de noodige berichten inwint en zoo veel mogelij k de overlegging der tot het huwelijk benoodigde bescheiden verzoekt.
Kan de ambtenaar, die eene huwelijks-afkondiging weigert, tot het doen daarvan in rechte worden gedagvaard? Zie Léon, fi. , uitg. Asser, ad art. 41 nu. 1; vgl. de Pinto , § 26, die zich echter aan een lapsus calami schuldig maakt door te beweren dat de ambtenaar van den burgerlijken stand bij het bestaan van beletselen de afkondiging niet zou mogen weigeren. Ook van huwelijken buiten \'« lands te voltrekken, behoort de afkondiging in Nederland te geschieden, indien de aanstaande echtgenooten of een van hen Nederlanders zijn (art. 138 B. W.). Huwelijken in de koloniën gesloten kunnen niet met huwelijken in een vreemd land worden gelijk gesteld (zie Voorduin, II, bl. 244; v. Hall, bl. 157).
Hoe te handelen ten opzichte van Nederlanders, die geene woonplaats in Nederland hebben noch gehad hebben, hetgeen b. v. in geval van geboorte uit in den vreemde gevestigde Nederlanders gemakkelijk kan voorkomen? Hier zal de plaats, waar de afkondiging moet geschieden , vruchteloos gezocht worden.
Ten aanzien van Nederlanders, die meer dan zes maanden in het buitenland gevestigd zijn, meenen sommigen te mogen aannemen dat de afkondiging in de laatste woonplaats hier te lande moet plaats hebben. Vgl. van1 Hall, bl. 157, Nicolaï by VoonDtiiN, II, 200, en de Regeering aldaar bl. 271; anders Sassen, bl. 164, op grond van art. 109 B. W., Mr. Th. Heemskerk, Over humelijken van Nederlanders buiten \'« lands, \'s Gravenhage 1876, bl. 28 en deFransche jurisprudentie op art. 170 C. N.
Over de gevolgen van verzuimde afkondiging hier te lande van huwelijken in den vreemde voltrokken, zal later worden gehandeld.
Een uittreksel van de akte van afkondiging moet gedurende den tijd, die tusschen de eerste en tweede afkondiging verloopt, aangeplakt worden en blijven aan de deur van het huis der gemeenten, alwaar die afkondigingen gedaan zijn (art. 110 B. W.).
Dit uittreksel zal de punten, vermeld in art. 107, 1°. en 2°., moeten bevatten. Volgens Mr. Opzoomek, 1874, I, bl. 170, noot 3, heeft de aanplakking geen plaats, ingeval van dispensatie van de tweede afkondiging volgens art. 111; vermoedelijk omdat de wet die aanplakking gelast gedurende den tijd tusschen de beide afkondigingen, welk tijdsverloop hier niet bestaat. Al moge zulks in de woorden der wet kunnen worden gelezen, schijnt het ons ontwijfelbaar toe,
168
AANPLAKKING, STUITING.
dat by deu nanwen samenhang van afkondiging en aanplakking, welke laatste juist dient om meer publiciteit aan de afkondiging te verleenen, de aanplakking minstens tot den derden dag na de afkondiging moet plaats hebben; ook weet de ambtenaar van den bnrger-lyken stand niet of eene kort vóór de eerste afkondiging aangevraagde dispensatie werkeiyk zal worden verleend, in welk geval de aanplakking zonder twijfel verplichtend is.
Het huwelijk mag niet worden voltrokken vóór den derden dag ua dieu der laatste afkondiging, die dag zelf niet daaronder begrepen (art. 130)
Door de verplichte overlegging van het bewijs dat de afkondigingen hebben plaats gehad en zonder stuiting zyn afgeloopen (art. 126, 6°. B. W.), welk bewijs niet vóór middernacht tusschen den 2cn en 3en dag kan worden afgegeven, zal feitelijk, vooral indien de echt-genooten in van elkander verwijderde gemeenten wonen, de huwelijksvoltrekking eenigermate kunnen worden vertraagd.
Wanneer het huwelijk binnen een jaar na de eerste huwelijksafkondiging niet is voltrokken, zal zulks niet mogen plaats hebben, dan nadat alvorens de afkondigingen zullen zijn herhaald (art. 112).
Nieuwe redenen van stuiting kunnen in zoodanig tijdsverloop zijn opgekomen.
Volgens Mr. Ofzoomer, t. a. p., bl. 171, noot 1, is alleen hernieuwde aangifte noodig, als er verandering van woonplaats heeft plaats gehad, waardoor de afkondiging in eene andere gemeente moet geschieden; anders behoeft men slechts herhaling der afkondiging aan den ambtenaar te verzoeken.
Maar zal de ambtenaar, zonder nieuwe aangifte, op een eenvoudig verzoek hiertoe verplicht zijn?
Stuiting van een huwelijk.
13e wet geeft aan bepaalde personen het recht zich tegen de voltrekking van een huwelijk te verzetten, ingeval het in strijd zou zijn met de bepalingen der wet.
Het daartoe strekkende rechtsmiddel heet stuiting (I\'r. opposition aio mariagè).
Ter voorkoming van misbruik van dit recht, waardoor allicht een geoorloofd huwelijk op willekeurige wijze zou kunnen worden ver-
169
STUITING DES H ü W E L IJ K S.
traagd, heeft de wet dat recht tol stuiting binuen bepaalde greuzeu beperkt.
Derhalve kan niemand, buiten de in de wet aangewezen personen dat recht doen gelden, en kunnen de aldaar genoemden dit evenmin doen in andere gevallen, dan waartoe de wet hun de bevoegdheid verleent (art. 114). In dit opzicht is onze wet veel vollediger dan de Code, die ter zake van stuiting veel ruimte tot twijfel overliet (zie de Pinto, II, § 73).
By de verklaring van enkele vragen, waartoe de wet aanleiding geeft, houde men in het oog dat onze wetgever ten deze de personen , die tot stuiting bevoegd zijn, op den voorgrond plaatst en daaraan de gevallen van geoorloofde stniting vastknoopt. Ware zulks niet het geval, dan zou men b. v. kunnen zeggen dat art. 115 B. W. aan de meer algemeene bepaling van art. 116, 4\'\'. derogeert, zoodat ouders de bevoegdheid zouden missen het huwelijk van hun kind op grond van reeds bestaand huwelijk te stuiten, hetgeen bly kbaar onjuist zou zyn (zie Opzoomer , ad art. 115 B. W. en bl. 176; Diep huis, IV, bl. 68).
De volgende personen zijn tot stuiting bevoegd:
a. Het openbaar ministerie, bij het bestaan van een der redenen, in de gevallen, bij art 84—91 B. W. vermeld (art. 120).
Het O. M., ten deze vertegenwoordigd door den officier van justitie, is hier tot het doen der stuiting niet slechts bevoegd, maar zelfs verplicht.
Omtrent de bevoegdheid van het O. M. werd onder het Fransche recht, bij het stilzwijgen van den Code getwijfeld (zie üiephuis, t. a. p., bl. 61, noot 1).
De gevallen, waarin het O. M. ten onzent kan optreden, betreffen alle de goede zeden en het openbaar belang; het zijn de bovengemelde volstrekte huwelijksbeletselen, en zoodanige betrekkelijke beletselen, als ten aanzien van bepaalde personen in het B. W. zijn vastgesteld. Ten aanzien van het gemis aan vrije toestemming is de toepassing van art. 120 natuurlijk beperkt, omdat de toestemming van partyen eerst wordt verleend bij de huwelijksvoltrekking. Men mag hier echter wellicht denken aan de onmogelijkheid om zijne toestemming te geven wegens krankzinnigheid enz., waardoor reeds a priori blijkt, dat aan het vereischte van art. 85 niet kan worden voldaan.
De huwelijksbeletselen der artt. 92 en vlgg. B. W. betreffen slechts het concrete familiebelang, niet de openbare orde; daarom is de tusschen-komst van het O. M. hier niet toegelaten.
170
STUITING DES H ü W E L IJ K s.
h. De vader, of bij gebreke van dien (in den zin van art. 92) de moeder in de volgende gevallen:
lü. Bij gebreke van hunne toestemming tot het aangaan des huwelijks in geval van minderjarigheid (art. 116, 1°.).
Schijnbaar is stuiting hier overbodig, omdat het huwelijk toch niet voltrokken kan worden zonder de vereischte toestemming. Echter zou het kunnen gebeuren dat, ten gevolge van eenige omstandigheid, een der ouders ten onrechte voor overleden, het kind abusievelijk voor meerderjarig werd gehouden. Stuiting kan dan noodig zijn, en het daarop volgende geding zal die omstandigheden tot klaarheid brengen.
Ten aanzien der moeder geldt deze bepaling alleen voor het geval dat hare toestemming tot het aangaan des huwelijks noodig is; niet voor het geval dat deze alleen gevraagd behoeft te worden, als wanneer buitendien de moeder, wegens den aanhef van art. 116 niet tot stuiting bevoegd is. (Dikphüis, t. a. p., bl. 62, 63, noot 4, en de aldaar aangehaalde schrijvers in utramque partem)
2°. Bij verzuim van het meerderjarige kind, beneden den leeftijd van 30 jaren, om de ouderlijke toestemming te vragen, en, bij weigering daarvan, de tusschenkomst van den kantonrechter in te roepen (art. 116, 2°.).
3°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, onder curateele gesteld, of de curateele uit dien hoofde verzocht, maar op het verzoek nog niet beslist is (art. 116, 3°.).
Deze bepaling maakt, gelyk boven reeds werd aangeduid, de stuiting op grond van krankzinnigheid zonder uitgesproken of aangevraagde curateele, althans voor de ouders van den krankzinnige (anders wellicht ten aanzien van het O. M., art. 120, j0. 85) moeielyk, en voor de ouders van de andere partij onmogelijk. De ouders van den krankzinnige zullen hun doel alsdan langs een omweg moeten bereiken, door eerst volgens art. 488 B. Wquot;. de curateele aan te vragen, ten einde tot stuiting bevoegd te worden.
4°. Wanneer eene der partijen de vereischten niet bezit, om, overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeeling van den 5en titel van het eerste Boek, een huwelijk te kunnen aangaan (art. 116, 4°.).
Dit doelt alweder op de voorgenomen overtreding der artikelen 84—91 B. W. De verdere artikelen toch van dezelfde afdeeling
171
STUITING DES H U \\V E L IJ K S.
vinden hunne toepassing in andere noramers van art. 116 B. W. (zie ook Asser , Verg. § 56).
5°. Wauneer de vereischte Imwelijksafkondigiugeu geen plaats hebben gehad (art. 116, 6o.).
Deze bevoegdheid strekt tot geruststelling van ouders, die wellicht wegens afwezigheid of onbekendheid met het lot van hun kind, onkundig van het bestaan van mogelijke huwelijksbeletselen mochten zyn: voor hen zelf toch is die maatregel minder noodig, want door het doen der stuiting geven zij tevens blijk het bestaan van het voornemen van hun kind te kennen.
6°. Wauneer eene der partijen wegens verkwisting onder curateele is gesteld en het voorgenomen huwelijk blijkbaar het ongeluk van hun kind zoude teweeg brengen (art. 116, 7°.).
Deze bepaling is vooral in het belang van de partij die met den verkwister in het huwelijk wil treden. De curator en toeziende curator van den verkwister kunnen daarenboven het huwelijk beletten door hunne toestemming te weigeren (art. 506, lid 2, j0. 95).
Aanvrage tot curateele is hier geen toereikende grond tot stuiting. Mr. van Assen, N. Jaarb. III, 646 en met hem Mr. Opzoomek, 1874, I, bl. 172, noot 2, zouden dit geval mede in de wet willen opnemen.
Het woord en, in art. 116, 7°. is niet disjunctief, gelijk Mr. Schüller, ad art. 116, ten onrechte leert. Beide gevallen moeten samenloopen; zie de Fr. tekst van art. 118, 7°. Wetb. v. 1830, „si 1\'enfant, interdit pour cause de prodigalité veut contracter un mariage qui entrainerait sa ruine.quot;
De rechter zal in elk gegeven geval moeten beslissen of het tweede vereischte van dezen grond tot stuiting aanwezig is; regelen zijn daarvoor niet aan te geven.
7°. \')
172
c. Bij gebreke van beide ouders zijn de grootvaders of grootmoeders bevoegd tot stuiting van het voorgenomen huwelijk hunner
l) Volgens den oorspronkelijken tekst van het B. W. kon de vader of bij gebreke van dien de moeder nog het voorgenomen huwelijk stuiten, „wanneer degene, met wien hun kind in het huwelijk wil treden uit hoofde van misdaad vervolgd wordt, of tot eene onteerende straf is veroordeeldquot; (art. 116, 5°. B. W.): het nieuwe Strafwetboek echter huldigt niet meer de vroegere onderscheiding der straffen in al of niet onteerende, en bijgevolg is gemelde bepaling door art. 1 der wet van 26 April 1884 (Stbl. n0. 93) ingetrokken.
STUITING DES HUWELIJKS.
kleinkinderen, wegens al de voor de ouders vermelde redenen, met uitzondering van de reden bedoeld bij art. 116, n0. 2 (het niet verzoeken van de ouderlijke toestemming of van de tusschenkomst van den Kantonrechter, hetwelk ten aanzien van grootouders niet te pas komt).
Voor zooveel de reden van stuiting aangaat, welke bij het eerste lid van art. 116 is vermeld — ui. gemis aan de voor minderjarigen noodzakelijke toestemming, in casu van een der grootouders — kan de stuiting alleen plaats vinden met inachtneming van de volgorde, welke bij art. 93 en 94 is vastgesteld (art. 117).
Dit artikel kan slechts betrekking hebben op wettige kleinkinderen (arg. ex art. 335 B. W.j.
Uit de tegenstelling van lid 1 en 2 van art. 117 schijnt te volgen, dat in geval van krankzinnigheid, gemis der vereischten van art. 84—91, verzuim der afkondigingen of verkwisting, alle grootouders gelykelijk tot stuiting bevoegd zijn. Sommige schrijvers keuren dit af, vooral omdat die gelijkstelling bij de ouders geen plaats heeft (vgl. art. 116, aanhef. Zie verder Opzoomer, ad art. 117; Diephuis, t. a. p., bl. 66, noot 1).
Mr. Diephuis oppert echter den twijfel of inderdaad die gelijkstelling in art. 117 is bedoeld (t. a. p., bl. 66).
d. Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zusters, ooms en moeien, voogd, toeziende voogd, curator en toeziende curator een voorgenomen huwelijk stuiten:
1°. Wanneer de voorschriften van art. 95 en 98 omtrent het bekomen van verlof tot het aangaan van het huwelijk niet zijn in acht genomen;
2°, om de redenen bij het 3e, 4e en 6® lid van art. 116 uitgedrukt (art. 118) \').
Ten opzichte van natuurlijke kinderen kan ook hier van bloedverwanten geen sprake zijn; te hunnen aanzien is de toepassing van dit artikel beperkt tot voogden en curators.
Art. 118 B. W. is veel meer beperkt dan het vroegere art. 120 Wetb. v. 1830, voor zooveel de personen betreft, die tot stuiting bevoegd zijn.
173
Het geval van curateele wegens verkwisting levert voor de bloed-
\') Men heeft verzuimd in art. 1 der wet van 26 April 1884 (Stbl. nquot;. 93) nevens de afschaffing van art. 116 5°. B. W. ook de aanhaling van dit nommer in de artikelen 117 en 118 B. W. te doen vervallen.
stuiting des h u \\v e l ij k s.
verwanten in de zijdlinie geen grond tot stuiting op (zie de reden hiervan by Asseb, Verg. § 58; door sommigen wordt de doelmatigheid dezer beperking betwijfeld. Diephüis, t. a. p., bl. 67;Opzoomer, 1874, I, bl. 172).
e. Degene, die met een der partijen door het huwelijk alsnog verbonden is, benevens de kinderen uit dat huwelijk voortgesproten, zijn bevoegd tot stuiting vau een nieuw aan te gaan huwelijk, doch alleen op grond van het bestaande (art. 115).
Zie boven bl. 170, ten betooge, dat dit artikel nevens art. 116, 4°. bestaat, zonder daaraan te derogeeren.
De bevoegdheid, hier bij uitzondering aan de kinderen gegeven, is niet strijdig met den aan ouders versehuldigden eerbied. Zij verhinderen toch daardoor een hunner ouders in het plegen van eene strafbare daad. Daarenboven hebben zij rechtstreeksch belang bij het niet voltrekken van het voorgenomen nietige huwelijk.
f. De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is ontbonden, kan het huwelijk zijner voormalige echtgenoote stuiten, wanneer deze een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór het verloopen van driehonderd dagen na de ontbinding van het vroegere (art. 119).
De bevoegdheid van den voormaligen echtgenoot concurreert ook hier met die van anderen (art. 116, 4°., 117, 118, 120). Hij heeft, met het oog op art. 305 B. W., belang, dat wellicht zijn kind niet, tengevolge van een wettelijk vermoeden, voor eèns anders wettig kind doorga.
Ofschoon er wellicht aanleiding toe zou bestaan, kent de wet den eenen voormaligen echtgenoot geen recht tot stuiting toe, ingeval van dreigende overtreding door den ander van art. 89 B. W. Hij zal in dat geval liefst het O. M. moeten waarschuwen, hetwelk alsdan krachtens art. 120 B. W. tot stuiting verplicht is. Langs denzelfden omweg kunnen ook andere personen dan de in de wet genoemde, de voltrekking van een met de wet strijdig huwelijk beletten; gevaar voor misbruik is hier niet te duchten, want het O. M. zal zonder genoegzaam aanvankelijk bewijs van de gegrondheid der feiten niet lichtvaardig eene stuiting bewerkstelligen.
Vorm der stuiting; geding tot opheffing.
Deze stof wordt geregeld bij de artikelen 121—125 en 43 B. W., benevens bij de artt. 801—803 W. v. B. Rv.
De stuiting heeft plaats bij deurwaarders-exploit, zoowel aan den
174
STUITING DES H ü W e L IJ K S.
ambtenaar van den burgerlijken stand beteekend, als aan de partij, tegen welke het verzet gericht is (art. 801, lid 1 Ev.).
Deze akte bevat alle middelen, waarop de stuiting gegrond is; — nieuwe middelen mogen niet worden voorgedragen, voor zooverre de grond daartoe niet na de stuiting mocht zijn opgekomen (art. 122 B. W.; 801, lid 3 Rv.).
Zij vermeldt de hoedanigheid, welke aau den opposant het recht geeft om tegen het huwelijk op te komen, en bevat keus vau woonplaats in de gemeente of gemeenten waar het huwelijk moest worden voltrokken (art. 801, lid 2 en 3 Ev.).
Alles op straffe van nietigheid, indien aan de vereischten van art. 801 Ev. niet is voldaan (lid 3, eod).
De woorden aan den ambtenaar in art. 801 Rv. zijn dubbelzinnig, indien de afkondiging door meer dan één ambtenaar moet plaats hebben. Beteekening aan den ambtenaar van de gemeente, waar de partij woonachtig is, tegen wie de stuiting plaats heeft, schijnt overeenkomstig de bedoeling der wet te zyn, die slechts van één exploit gewaagt, dat derhalve door denzelfden deurwaarder aan ambtenaar en partij kan worden beteekend; zoodanige beteekening verhindert van zelf ook den ambtenaar der andere gemeente het huwelijk te voltrekken, omdat het bewijs, bedoeld in art. 126, 6°., door den geïnsinueerden ambtenaar niet kan worden afgegeven. Mr. v. Hall, bl. 209, geeft niettemin den raad in zoodanig geval het exploit aan beide ambtenaren te doen (vgl. Nieniiuis, § 42, aant. 10; Diephuis, t. a. p., bl. 70).
Van de akten van stuiting des huwelijks zal op den kant der akte van afkondiging eene aanteekening worden gesteld; hetzelfde geldt van vonnissen of akten, waarbij de stuiting wordt opgeheven (Art. 43 B. W.).
Opheffing der stuiting.
Deze geschiedt op buitengerechtelijke of gerechtelijke wijze. Buitengerechtelijk, door eene authentieke akte (art. 125, lid 1 13. W.).
Eene authentieke akte, in ruimeren zin, is volgens art. 1905 de zoodanige, welke in wettelijken vorm is verleden door of ten overstaan van ^openbare ambtenaren, die daartoe bevoegd zijn ter plaatse, alwaar zulks is geschied, daaronder is dus wellicht ook een denr-waarders-exploit begrepen, te meer omdat volgens art. 801 Rv. ook op dezelfde wijze de stuiting geschiedt, en wegens den regel: unum-quidque dissolvitur eodem modo quo est collifjatum. Die meening heeft
175
opheffing u e h s t u i t i n g.
intusschen hare bezwaren, en wel omdat de wil der partij alleen blykt uit hetgeen de deurwaarder, zonder hare rechtstreeksche medewerking relateert; ook wordt dergelijke akte niet ter hand gesteld, gelijk art. 125, lid 1 wil, maar beteekend en in afschrift gelaten, wellicht niet eenmaal aan den gesignificeerde in persoon (v. Hall, bl. 211 , 212, Diephuis, t. a. p., bl. 74).
Gerechtelijk, door eene daartoe iu te stellen vordering (art. 123— 125 B. W., 802, 803, Rv.).
Degene, die de stuiting doet, behoeft geene van waardeverklaring te vorderen; dit zou doelloos zijn, omdat het den ambtenaar van den burgerlijken stand toch reeds verboden is het huwelijk na de plaats gehad hebbende stuiting te voltrekken, (art. 125). Alleen voor het geval dat deze, niettegenstaande het bestaan eener stuiting, het huwelijk voltrokken had, zonder dat er een geding was aangevangen, zou het recht van initiatief voor den opposant, als eischer tot nietig-verklaring, kunnen te pas komen. Zie v. Hall, bl. 212, 213, 219, 220; zie ook Diephüis, t. a. p., bl. 79; v. B. Faure, 2quot; dr., I, bl. 74; Mr. Land, Themis 3, II, bl. 402—404).
De eisch tot opheffing der stuiting zal worden ingesteld voor de Arroudis,seinents-Rechtba.nk binnen welker ressort de gemeente of ééne der gemeenten gelegen is, waar het huwelijk moest worden voltrokken (art. 121 B. W., j°. 801, 802 Rv.).
Het B. W. spreekt in art. 121 van gemeente in het enkelvoud; het moet worden aangevuld uit art. 802 B. Ev., dat casu quo in verband met art. 801 meer dan eene Rechtbank competent verklaart, Ier keuze van den aanlegger (zie v. d. Honert , Handb. v. d. Burg. Re., ad art. 802).
De rechtbank beslist met den meest mogelijken spoed (art. 802 , lid 1 Rv.). Zoo ook ten opzichte van het hooger beroep, dat binnen 14 dagen na de beteekening moet worden ingesteld (art. 803 Rv.).
Het beroep in cassatie is niet uitgesloten en zal volgens art. 398, lid 2 W. v. B. Rv., binnen 4 weken, na de beteekening van het arrest in hooger beroep moeten worden ingesteld.
Het vonnis houdende opheffing van de stuiting zal — zoodra het in kracht van gewijsde is gegaan — evenals de akte Van stuiting op den kant der akte van afkondiging worden vermeld (Art. 43 B. W.).
Wordt de stuiting bij vonnis opgeheven, dan zullen de opposanten — met uitzondering nochtans van bloedverwanten in de opgaande en
176
GEVOLGEN D e It STUITING.
nederdalende linie, en van het openbaar ministerie, — tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kunnen worden verwezen (art. 124).
Ook deze bepaling strekt ter beveiliging van de belangen van hen, die een huwelijk wenschen te sluiten; ten aanzien van ouders, grootouders en kinderen of van het O. M., vooronderstelt de wet niet dat enkel zucht tot bemoeielijking eene aanleiding tot stuiting zou kunnen opleveren.
Afgescheiden van de veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zal de verliezende partij in elk geval in de kosten van het proces moeten worden veroordeeld (van Hall, hl. 209, Diephüis, t. a. p., bl. 74, de Pinto II, § 79 enz.), behoudens des rechters bevoegdheid tot compensatie, zoo daartoe gronden zijn (art. 56 Rv.).
Gevolgen der stuiting:
Verbod aan den ambtenaar van den burgerlijken stand om het voorgenomen huwelijk te voltrekken, alvorens hem een vonnis in kracht van gewijsde gegaan, of eene authentieke akte, houdende op-heffing der stuiting, zal zijn ter hand gesteld (art. 125, lid 1 B. W.).
Het bestaan der akte van stuiting is voldoende tot het beletten der huwelijksvoltrekking. De ambtenaar heeft over hare gegrondheid niet te oordeelen (v. Hall, bl. 212). Verschillend wordt echter ge. dacht over het geval dat de akte niet bevat hetgeen zij op straffe van nietigheid moet inhouden; of dat zij gedaan is door iemand, die geen recht tot stuiting heeft, of op een grond, die hem daartoe geen bevoegdheid geeft. Mr. Diephüis, t. a. p., bl. 75 en volgende, zou in dit geval de voltrekking des huwelijks geoorloofd achten. Zie echter de aldaar aangehaalde schrijvers in verschillenden zin.
Veroordeeling van den ambtenaar van den burgerlijken stand tot vergoeding van kosten, schaden en interessen ingeval van huwelijksvoltrekking in strijd met dit verbod (art. 125, lid 1).
En zulks onverminderd de bij art. 379 en v., 465 en v. W. v. Strafr. bedreigde straffen.
Dusdanige voltrekking zal niet licht opzettelijk voorkomen, maar kan zeer wel het gevolg van dwaling zijn, indien b. v. de ambtenaar van den burgerleken stand zich niet heeft overtuigd of een vonnis, houdende opheffing der stuiting, nog voor hoogere voorziening vatbaar is.
Asskk, Burtjerl It echt. 1. Se druk. 12
177
gevolgen der stuiting.
Nietig-verklaring vau het huwelijk, dat niettegenstaande eene nog niet opgeheven stuiting mocht zijn voltrokken, bijaldien de gegrondheid der stuiting door den rechter wordt uitgesproken (art. 125, lid 2 B. W.).
De redactie van het tweede lid van art. 125 B. W. geeft aanleiding tot de bekende strydvraag, of de nietig-verklaring aldaar gebiedend of potestatief is gesteld; m. a. w. of de wet bedoelt, „en (zal) het huwelyk worden nietig verklaardquot; of wel, „en (zal) het huwelijk kunnen worden nietig verklaardquot;, welke beide uitleggingen taalkundig te verdedigen zijn. Het schynt dat men, vooral met het oog op de redactie dezer bepaling in den Franschen tekst van art. 127 Wetb. van 1830 „et le mariage sera déclaré nulquot;, niet anders dan de strengere uitlegging mag huldigen. Zie uitvoeriger bij Diephuis, t. a. p., bl. 77 en vlg.; de Pinto, 11. § 78; va.n Hall, bl. 212; Nienhcis, § 42, aant. 14, enz.; anders echter Opzoomer, ad art. 125, § 2.
Voltrekking des huwelijks.
De voltrekking des huwelijks mag geen plaats hebben vóór den derden dag na dien der laatste (of eenige) afkondiging; evenmin na verloop van een jaar sedert de eerste afkondiging (art. 130 en 112 B. W., vgl. bl. 169, supra).
Alvorens tot de voltrekking over te gaan, zal de ambtenaar zich doen overleggen de bescheiden, waaruit blijkt van den burgerlijken staat der aanstaande echtgeaooten, van de vereischte toestemming of des rechters tusschenkomst, en vau het niet of niet meer aanwezig zijn eener stuiting (art. 126 B. W.).
Deze stukken zijn:
1quot;, De geboorte-akte van ieder der aanstaande echtgenooten, art. 126, 1°. Zij kan bij de onmogelykheid om die te vertoonen op drieledige wijze worden vervangen, — volgens de meeste schrijvers en o. i. te recht (behoudens de derde te vermelden wijze, die eerst te pas komt als de beide eerste onuitvoerbaar zyn) ter keuze van dengene, die de akte moest overleggen (v. Hall, bl. 159; Diephuis, t. a. p., bl. 81), te weten:
а. doov eene akte van bekendheid, door den kantonrechter der geboorte- of woonplaats, op de verklaring van vier getuigen, af te geven. (Zie uitvoeriger art. 127, lid 1 en 2);
б. door eene dergelijke beëedigde verklaring, afgelegd door de getuigen bij de huwelijksvoltrekking (lid 3 eod.);
c. door eene beëedigde verklaring, bij den ambtenaar van den
178
voltttekklng u e s h ü w e l ij k s.
burgerlijken stand afgelegd door den aanstaanden echtgenoot; dat hij zich geene geboorte-akte of akte van bekendheid kan verschaffen (eodem).
De Fransthe wet vorderde in art. 70—72 voor de acte de notoriété de verklaring van zeven getuigen, en homologatie door de rechtbank. Daar die akte echter geene verdere strekking heeft dan om ten aanzien van het voorgenomen huwelijk te gelden, begreep men dat die eenvoudiger en op min kostbare wijze moest kunnen worden ingericht (Asser, Verg. § 64; Voorduin, II, bl. 230). De beëedigde verklaringen sub i en p bedoeld, waren ten deze aan den Code vreemd.
2°. Eene authentieke akte, houdende de toestemming van den vader, de moeder, den grootvader of de grootmoeder, den voogd en toezienden voogd — waarbij, ofschoon de wet het ten deze niet vermeldt, te voegen is de curator en toeziende curator, — of wel het van den rechter verkregen verlof, in de gevallen waar dit vereischt wordt. De toestemming van ouders, grootouders, voogden en curators kan ook bij de huwelijksakte zelve gegeven worden, waardoor de overlegging der afzonderlyke akte van toestemming vervalt. Art. 126, 2°. jis. 92—98, 506 B. W.
3°. De akte, waaruit blijkt van de tusschenkomst van den Kantonrechter, in de gevallen, waarin die vereischt wordt (art. 126, 3°. j\'9. 99—104 B. W.).
4°. By tweede of volgend huwelijk, de akte van overlyden van den vorigen echtgenoot, of de akte van echtscheiding, of wel afschrift van het rechterlijk verlof tot het aangaan van een tweede huwelijk, bij afwezigheid van den echtgenoot (art. 126, 4° jquot;. 254).
Deze wettelijke bepaling zal noodwendig moeten worden uitgestrekt tot het geval van ontbinding des huwelijks na voortgezette scheiding van tafel en bed, waaraan de wetgever niet den naam van echtscheiding heeft gegeven en welke wijze van scheiding in het wetboek van 1830 nog niet was opgenomen. Ook zal in geval van nietigverklaring van een vroeger huwelijk het bewijs hiervan moeten worden overgelegd (Diephuis, t. a. p., bl. 83; Nienhuis, I, bl. 337, n0. 6). Onder akte van echtscheiding moet men verder verstaan het bewijs van de inschrijving van de vonnissen, houdende ontbinding des huwe-lijks, in de registers van den burgerlijken stand, daar zonder zoodanige inschryving binnen den wettelijken termijn, het vonnis zyne kracht zou hebben verloren (art. 260, 276 B. W.). Deze bewijzen kunnen, zoo zy ontbreken, niet door akten van bekendheid of beëedigde verklaringen worden vervangen; de favor matrimonii geldt hier niet ten koste van het vorig huwelijk (v. Hall, bl. 160, de Pinto, II, § 81; art. 49 en 62, in verband met art. 129 B. W. komen hier echter te hulp.
12*
179
VOLTREKKING DES H ü W E L IJ K S.
5°. De akte van overlijden van allen, die hunne toestemming tot liet huwelijk zonden hebben moeten geven (art. 126, n0. 5).
By onmogelijkheid om die akte in te leveren, kan dat gebrek op dezelfde wijze worden verholpen, als ten aanzien van de geboorte-akte is vermeld (art. 128). Tn een advies van den Franschen Staatsraad van 27 Messidor an XIII vindt men soortgelijke bepaling, die in den Code zelf niet voorkwam (zie Locré, Léffisl. civ., III, 343).
De bepaling van art. 126 nquot;. 5 zal moeten worden uitgebreid tot het geval, dat iemand in de onmogelijkheid is zijne toestemming tot een huwelijk te geven. Ook hiervan zal het bewijs moeten worden geleverd, en bij vermeende ongenoegzaamheid zal de Rechtbank moeten beslissen (art. 129). (Vgl. Diephuis, t. a. p., bl. 82 en de aldaar aangehaalde schrijvers).
Deze bepaling staat verder in onmiddellyk verband met art. 126,2°. Eerst nu weet de ambtenaar met zekerheid, wie tot het aangaan des huwelijks hunne toestemming moeten geven, of wel dat niemands inwilliging noodig is.
6°. Het bewijs door den bevoegden ambtenaar van den burgerlijken stand afgegeven, dat de afkondigingen zonder stuiting zijn afgeloopen, of wel dat eene gedane stuiting is opgeheven.
Ook het bewijs van dispensatien krachtens de artt. 86, 88 en 111 B. W. zal moeten worden overgelegd. Zie deswege Diëphüis, t. a. p., bl. 83 en 84 en aldaar aangehaalde bronnen. Evenzoo de bewijzen, bedoeld bij de artikelen 8, 128 en 157 der wet op de Nationale Militie van 12 Aug. 1861, Stbl. nquot;. 72.
Ingeval van weigering door den ambtenaar van den burgerlijken stand om een huwelijk te voltrekken op grond van ongenoegzaamheid der voormelde stukken en verklaringen, zullen partijen de bevoegd-beid hebben de beslissing der Rechtbank in te roepen (art. 129).
Deze beslissing geschiedt op request, gehoord het openbaar ministerie, zoo noodig na verhoor van den ambtenaar van den burgerleken stand, summier en zonder hooger beroep. Een eigenlijk geding wordt hier niet gevoerd; ook zal de ambtenaar niet in de kosten kunnen worden veroordeeld. Opzoomer, 1874, I, bl. 169, meent dat buiten het geval van ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen, bedoeld in de artt. 126—128 B. W., de ambtenaar van den burgerlijken stand by gebreke eener stuiting, nooit mag weigeren een met de wet strijdig huwelijk te voltrekken; hij zou alleen het O. M. en de tot stuiting bevoegde personen kunnen waarschuwen. Zoodanige beperkte uitlegging is, o. i. moeielijk met des wetgevers
180
voltrekking des h cmv e l ij k s.
geheele stelsel in overeenstemming te brengen; de ambtenaar van den burgerlyken stand toch behoort te waken voor de geldigheid van de handelingen te zijnen overstaan of door hem verricht; vgl. art. 29, lid 3, 52, 41 B. W. Volgens het laatste artikel mag hij nalaten de afkondigingen te doen, zoo er een huwelijksbeletsel blykt te bestaan; zon hij dan het meerdere, de voltrekking niet mogen weigeren? En levert zelfs het voltrekken van een met de wet strijdig huwelijk voor den ambtenaar geen misdrijf of overtreding op, strafbaar gesteld by de artt. 379 en v., 465 en v. der Strafwet? Zie ook de Pinïo, II, § 83, die in gelijken zin schynt te oordeelen.
Het huwelijk wordt voltrokken:
In liet liuis der gemeente van de woonplaats van een der beide partijen (art. 131).
Ingeval van een behoorlijk bewezen beletsel kan de voltrekking plaats hebben in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente; van deze omstandigheid, zoowel als van de oorzaak, die aanleiding daartoe heeft gegeven, zal in de huwelijks-akte worden melding gemaakt (art. 132, 46).
De beoordeeling van de wettigheid van het beletsel zal aan den ambtenaar verblijven; in het Ned. Indisch B. W. is zulks uitdrukkelijk bepaald (art. 77, 3e lid). Niet enkel zware of doodelyke ziekte behoeft de reden van zoodanige voltrekking te zijn (huwelijken in extremis), ook andere gevallen zijn denkbaar, b. v. ten aanzien van het huwelijk van Vorstelijke personen, waartoe de localiteit van een raadhuis wellicht onvoegzaam of uithoofde van het aantal personen, hetwelk daarbij toegelaten moet worden, ontoereikend zou zijn. Vgl. Voorduin, II, bl. 236, n0. II; Noordziek, Gesch., 1821—22, II, bl. 47 en vlg.
Door den ambtenaar van den burgerlijken stand dier gemeente (art. 131, j». 147, lid 1).
De ambtenaar voltrekt het huwelijk; partijen duiten een huwelijk of (j(ia7i het aan; men behoort dus te spreken, van een huwelijk voltrokken door, of yeüoten ten overstaan van den ambtenaar (zie Opzoomeb, t. a. p., bl. 173, noot 2).
In liet openbaar, en in tegenwoordigheid van vier getuigen; of in geval van voltrekking in een bijzonder huis, in tegenwoordigheid van zes getuigen (art. 131, 132, 147, lid 1, 154).
181
182 voltrekking des huwelijks.
De getuigen moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koninkrijk gevestigd (d. i. volgens het B. W. aldaar hunne woonplaats hebbende); nabestaanden mogen worden toegelaten (zie de artt. 131,20). Hunne tegenwoordigheid wordt solemnitatis causa gevorderd; zij strekt daarenboven als waarborg van het werkelijk plaats grijpen der beoogde handeling en is noodig ter voorkoming van vergissing of misleiding omtrent de identiteit van de aanstaande echtgenooten of van hen, die hunne toestemming moeten geven.
Mogen deze laatsten ook tevens getnigen zyn en derhalve in twee hoedanigheden tegelijk optreden? Zie H. R., arr. v. 11 April 1862, IV. n0. 2371, en Mr. A. A. Weve, N. Bijdr., XIII, hl. 115 vlg. toestemmend; veeleer zouden wij die vraag met Mr. Diephuis, t. a. p., bl. 89, ontkennend beantwoorden en de ouders, grootouders, voogden, enz. onder de partyen rekenen, die als tot den inhoud der akte medewerkende, niet tevens instrumentaire getuigen mogen zijn, waardoor de zooeven bedoelde waarborg, althans gedeeltelijk, zou kunnen verloren gaan. In laatstgenoemden zin ook de conclusie van den adv.-gen. Gregory by voormeld arrest; zie verder hieromtrent de rechtspraak en schrijvers bij LÉox (uitg. Asser), B. W., ad art. 131, aant. 1. Eene o. i. niet te verdedigen uitzondering neemt Diephuis aan voor het geval de ouders, grootouders, enz. bij notarieele akte hunne toestemming hebben gegeven.
De openbaarheid is een waarborg tegen geheime huwelijken; eveneens de vereischte tegenwoordigheid van de getuigen, wier grooter aantal dan ook bij huwelijken, in een bijzonder huis voltrokken, moet opwegen tegen het gemis aan openbaarheid, hetwelk daarvan het gevolg is (Mr. C. J. van Assen, Jaarb., III, 645). Intusschen hebben verscheiden schrijvers de meening geuit, dat ook bij dergelijke huwelijksvoltrekkingen het publiek moest worden toegelaten, eene meening die nóch met de geschiedenis der wet, nóch met den aard der handeling zelve (men denke aan het huwelijk eens stervenden) in overeenstemming is te brengen en thans ook geene aanhangers meer vindt. Zie v. Hall, bl. 161; Diephuis, t. a. p., bl. 88, 89; v. B. Faükb, 2e dr., I, bl. 77; Léon (uitg. Asser), ad art. 131 B. W. in fine en de aldaar aangehaalde schrijvers in anderen zin.
De aanstaande echtgenooten moeten bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor den ambtenaar van den burgerlijken stand verschijnen (art. 133).
Alleen om gewichtige redenen kan, krachtens Koninklijke vergunning, het sluiten des huwelijks bij gemachtigde plaats vinden (art. 134, lid 1, 46).
VOLTKEKKINfi DES H U \\V E 1, IJ K S. 183
Deze huwelijkeu by gemachtigde, in volkstaal huwelijken met de handschoen genaamd, zijn (niet zonder tegenstand) in onze wetgeving ingevoerd, voornamelyk met het oog op aanstaande echtgenooten, waarvan zich de een in het moederland, de andere in de overzeesche bezittingen bevindt. Zie Nicolaï bij Voorduin, II, bl. 238; Asser, Verg. § 69. Vgl. ook de bij Léon, 5. IV., ad art. 134, aangehaalde verhandelingen en dissertatiën.
De schryvers over dit onderwerp behandelen vele vragen, waartoe -de leer van lastgeving ten deze aanleiding schijnt te geven, en onderzoeken gewoonlijk den invloed, dien de verschillende wijzen van eindigen van een mandaat, volgens art. 1850 B. W., ten deze kan uitoefenen. Inzonderheid.Mr. Opzoomer, ad art. 134 B. W., past met groote gestrengheid de leer van lastgeving op deze huwelijken toe, en wijst ten slotte op de meest ongerijmde gevolgtrekkingen. Minder ver gaan Diephuis, t. a. p., bl. 91 en vlgg., vooral bl. 98, als ook de Pinïo, II, § 82, en hunne stellingen worden te meer aannemelijk, naar mate deze schrijvers vele bepalingen van lastgeving, die ten deze niet toepasselyk kunnen zyn, ook buiten toepassing laten. Zoo ook Mr. Levyssohn Norman, Themis, 2, VII, 546, die zegt dat men in de toepassing der leer van het mandaat uiterst voorzichtig behoort te zijn. Men ga echter één stap verder en alle willekeur in ,de wetsuitlegging verdwijnt. Het is toch o. i. niet rechtskundig, de lastgeving tot het aangaan eens huwelyks te willen rekenen tot de overeenkomst van lastgeving, bedoeld bij art. 1829 B. W. Deze behoort tot het obligatierecht, gene tot het familierecht, en met groote helderheid heeft reeds v. Savigny, Syst., I, § 53 en 54 (zie boven bl. 95), op de diepe kloof tusschen beiden gewezen.
Sommige onderwerpen mogen gelykenis, analogie opleveren, b. v. huwelijk en overeenkomst, zij zijn en blyven onafhankelijk van elkander. Schier elk artikel van den titel van lastgeving toont aan dat alleen eene vermogensrechtelijke handeling het doel van deze overeenkomst is; zie b. v. in art. 1829 de uitdrukking: eene „zaak verrichtenquot;, waartoe het sluiten van een huwelijk toch wel niet is te brengen; in art. 1833: het verrichten van daden van beheer en eigendom; in art. 1839: de verplichting tot rekening en verantwoording; in art. 1849: het recht van terughouding.
Door dus de lastgeving van art. 134 B. W. als eene zaak sui generis te beschouwen, is tevens de door Mr. Opzoomer gevraagde weg aangewezen om op rechtskundige en niet willekeurige -wijze alle ongerijmdheden te ontgaan, waartoe de toepassing van de leer van het mandaat noodwendig moet leiden.
Te recht stelt Mr. Diephuis ten deze drie vereischten voor de geldig-
VOLTREKKfNG DES H ü W B L IJ K s.
heid van dusdanig huwelijk; 1°. dat de lastgever tijdens de huwelijksvoltrekking nog in leven zij; anders toch zijn er geen twee echt-genooten — dus geen huwelijk. Men achtte het in het Ontw. 1820 noodig dit jrant in art. 177, lid 3 te voorzien. Zonderling is de twist over dit eenvoudige beginsel tusschen hen, die art. 1850 en 1855 hier willen toepassen of ter zijde stellen (zie Opzoomer, t. a. p.; Diephuis , t. a. p., bl. 92, 93 en aangehaalde schrijvers); 2quot;. dat de lastgeving vóór de huwelijksvoltrekking niet zij ingetrokken; anders toch is er geene toestemming bij het aangaan des huwelijks; het hoofdvereischte tot het wezen des huwelijks ontbreekt (art. 85); 3°. dat de lastgever ten tijde der voltrekking nog een geldig huwelijk kon aangaan. Is hy vóór die voltrekking wettiglijk met een ander in den echt getreden, dan is het huwelijk by gemachtigde voltrokken als niet geschied te beschouwen (art. 134, lid 2). Zie bij Vookduinquot;, II, bl. 239, als reden voor de onwaarde van laatstbedoeld huwelijk door Nicolaï aangegeven, dat het huwelijk, hetwelk door samenleving is gevolgd, de voorkeur verdient.
Zijn de beide huwelijken volkomen gelijktijdig gesloten , althans zóó dat de prioriteit van het een boven het ander niet is aan te wijzen, dan schijnt men om dezelfde reden aan datgene, hetwelk in persoon is gesloten, de voorkeur te moeten geven (zoo ook v. Hall, bl. 162 r Levvssohn Norman, t. a. p., bl. 548). De schryvers zijn echter hieromtrent zeer verdeeld; ook hier hechte men aan de argumenten uit de mandaatsleer niet te veel waarde. Is de lastgever krankzinnig geworden, dan zal hij wegens het ontbreken van zyne toestemming evenmin een geldig huwelijk kunnen sluiten. Is hij wegens verkwisting onder curateele gesteld, dan mag hij zonder de volgens art. 506 B. W. vereischte toestemming, niet huwen. Niet het eindigen van een mandaat, maar zijn eigen toestand verhindert alsdan het huwelijk, Is hy in staat van faillissement verklaard, dan zal dit op het huwelyk zonder invloed zijn. Alleen zy, die zich nog niet geheel van de lastgevingstheorie hebben losgemaakt, geraken hier in groote moeielykbeden (Diephuis , t. a. p. , bl. 97). \')
184
Is in het geval van art. 134, lid 2, het huwelijk by gemachtigde van rechtswege nietig, of moet het worden nietig verklaard ? Mr. Levyssohx Norman, t. a. p., beantwoordt deze vraag in laatst-gemelden, Mr. B. A. J. Colenbrander, N. Btjdr. v. R. en W., XI,
\') Blijkbaar heeft de Staatscommissie tot herziening v. h. B. W. zich met onze be-schouwing vereenigd. Vgl. art. 120, lid 4 Ontw. 1886: „De bepalingen omtrent lastgeving zijn niet toepasselijkquot; en bl. 59 der M. v. T.
v O L t a e k k i N amp; DES HU vv e L ij k s.
bl. 638—641 en Mr. Diehhuis, bl. 96, 97, o. i. met meer grond, in eerstgemeklen zin.
Dat de teleurgestelde party recht op schadevergoeding heeft, volgt vrij wel uit art. 113, lid 2 B. W.; minder uit art. 1401 B. W. Op dit recht werd ook door Nicolaï, t. a. p., gewezen.
De aanstaande echtgenooten moeten ten overstaan van den ambtenaar van deu burgerlijken stand en in tegenwoordigheid der getuigen verklaren, dat zij elkander tot eciitgenooten aannemen, en dat zij getrouwelijk alle de plichten zullen vervullen welke door de wet aan het huwelijk verbonden zijn (art. 135).
Daarna verklaart de ambtenaar in naam der wet dat partijen door den echt aan elkander verbonden zijn (art. 44).
Volgens art. 75 C. N\\ ging aan deze verklaring de voorlezing van tit. 5, chap. 6, over de rechten en verplichtingen der echtgenooten vooraf. Dit is ten onzent te recht weggelaten. De op zich zelf door haren eenvoud indrukwekkende handeling der huwelijksvoltrekking wordt daardoor eenigerraate ontsierd, en de echtgenooten zijn doorgaans niet in de stemming om aan die voorlezing de noodige aandacht te wyden (zie Stjpkens, bij Voorduin, II, bl. 235). Niets belet echter den ambtenaar aan de voltrekking dien eenvoudigen ernst en die passende waardigheid bij te zetten, voor welke zij vatbaar is (v. Hall, bl. 162, 163; li. Bijil. III, bl. 379, v.; Vaillant bl. 279).
Door gemelde verklaring van partijen en van den ambtenaar van den burgerlijken stand, heeft de voltrekking plaats gehad. De daarvan op te maken akte slrekt daarvan ten bewijze. Mogelijke weigering om de akte te teekenen, blijft zonder invloed op het bestaan des huwelijks. Alleen zou van die weigering, als een opkomend beletsel bij het opmaken der akte melding moeten worden gemaakt, ten einde de niet-onderteekening door een of meer der partijen of getuigen te rechtvaardigen (Art. 21 B. W.; vgl. v. Hall, bl. 163).
Eerst na de huwelijksvoltrekking mogen godsdienstige plechtigheden ter inzegening of wijding van het huwelijk plaats hebben. De geestelijken of bedienaren van den godsdienst moeten zich daartoe van de huwelijksvoltrekking door den ambtenaar van den burgerlijken stand overtuigen (art. 136 B. W., 449 Wetb. v. Strafr.).
Vgl. hieromtrent het aangeteekende op bl. 145 en 146 supra.
Het B. W. behelsde in art. 137 de bedreiging eener straf tegen de ambtenaren van den burgerlijken stand, die eene overtreding
185
voltrekking dbs h ü vv e l ij k s.
mochten hebben gepleegd tegen de bepalingen van den 5en titel van het le Boek van het B. W.; onverminderd het recht tot schadevergoeding der belanghebbende partij, zoo daartoe gronden zijn, en voor zoover deze overtredingen geen misdrijf opleveren, waartegen bij het Wetboek van Strafrecht is voorzien.
Gemeld artikel 137 is bij art. 5 der wet van 31 Dec. 1887, Stbl. nquot;. 265, aldus gewijzigd:
„Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door „de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de „artikelen 465 en 466 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, „neemt de burgerlijke regter kennisquot;.
Art. 854 Rv. regelt de procesorde op dit punt.
Vgl. omtrent een en ander Vooruuin, II, hl. 66 en v,, 241, 242.
Huwelijksvoltrekking buiten \'s lands.
Huwelijken, in een vreemd land aangegaan, hetzij tusschen Nederlanders, hetzij tusschen Nederlanders en vreemdelingen, zijn van waarde, onder de volgende voorwaarden:
a. dat zij voltrokken zijn naar deu in dat land gebruikelijken vorm;
b. dat de huwelijks-afkondigingen, volgens de tweede afdeeling van den 5«quot; titel van het le Boek van het B. W., binnen het Koninkrijk zonder stuiting hebben plaats gehad (of eene plaats gehad hebbende stuiting zij opgeheven);
c. dat de Nederlandsche echtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen in de eerste afdeeling van denzelfden titel vervat (art. 138 B. W.).
Daarenboven moet binnen een jaar, na de terugkomst der echtgenooten op het grondgebied van Nederland, de akte vau huwelijksvoltrekking in het huwelijks-register hunner woonplaats worden overgeschreven (art. 139, 47 B. W.).
De bepaling van art. 48 C. N., dat akten van den bnrgerly ken stand in het buitenland voor gezanten of consuls konden worden verleden , was niet in ons B. W. overgenomen. Zie de redenen daartoe by Asser, Fery. § 71.
Van een ander stelsel evenwel is men uitgegaan bij de vaststelling der wet van 25 Juli 1871, Stbl. n0. 91, welker tweede hoofdstuk uitdrukkelijk de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten regelt. Art. 13 dier wet derogeert
186
H ü AVELIJ K SVOLTttEKKl XG BUITEN \'s LANDS.
verder aan art. 138 B. W., door te bepalen dat ten aanzien van de daarby bedoelde huwelijken de afkondigingen in Nederland niet verplichtend zijn, wanneer zondanig huwelijk ten overstaan van eenen consulairen ambtenaar wordt gesloten, en de echtgenooten binnen het Eijk geene woonplaats hebben, noch gedurende de laatste zes maanden gehad hebben.
Menigvuldig zijn de strijdvragen, waartoe art. 138 B. W., evenals het daarmede overeenstemmende art. 170 C. N. aanleiding heeft gegeven. Men zie vooral hieromtrent het acad. proefschrift van Mr. Th. Heemskeek: Over huwelijken van \'Nederlanders buiten \'s lands, \'s Gravenhage, 1876 en dat van Mr. E. E. Sickinghe: Het verzuim der hutcelijksa fkondiginyen hij Iniwelijheu in het buitenland voltrokken , Utrecht, 1878. De voornaamste dezer vragen zijn de volgende:
Zijn onze koloniën en bezittingen als een vreemd land te beschouwen? Neen. Vgl. bl. 168, supra; Voorduin, II, bl. 244; v. Hall, bi. 157; Heemskerk, bl. 96 en v.: arr. van den H. Raad der Ned. van 27 Mei 1857, W. n0. 1981; ie., dl. LVI, § 18, bl. 89. Mr. Opzoomer, ad art. 138, geeft deze stelling niet in het algemeen toe, maar komt in dit byzondere geval tot dezelfde slotsom
Welke zyn de rechtsgevolgen, verbonden aan niet-naleving der voorwaarden by art. 138 B. W. gesteld ?
a. by veronachtzaming van de vormen in het buitenland voorgeschreven.
Vrij algemeen is men van meeuing, dat niet elk verzuim, hoe gering ook, de nietigheid van het huwelijk zal medebrengen, maar dat de wetgeving van het vreemde land ten deze beslissend is.
Zie Mr. Heemskerk, bl. 92 en v., en de aldaar aangehaalde schrijvers. Eenigszins afwykend hiervan Mr. Opzoomer, ad art. 138.
b. by gemis van de vereischte huwelijks-afkondigingen.
Deze, verreweg de belangrijkste en in de praktyk niet zelden voorkomende vraag, is hoofdzakelijk in drieërlei zin beantwoord. 1°. Het huwelyk is geldig; 2°. het is vatbaar voor vernietiging; 3°. het is van rechtswege nietig.
De eerste meening wordt voorgestaan door Diephuis, uitg. 1874, deel IV, bl. 153, en de talryke aldaar aangehaalde schryvers. Ook is zij ten deele gehuldigd by een arrest van den Hoogen Raad van 31 Mei 1872, W. n0. 3484, v. u. Honeet, B. R., XXXVII, bl. 202, li., dl. 101, bl. 78, beslissende dat, bij gemis aan de bedoelde afkondigingen, het huwelijk niet beschouwd moet worden als niet te zyn geschied, maar dat by art. 138 alleen worden aangeduid de voorwaarden, onder welke huwelyken in een vreemd land voltrokken, ten opzichte der personen en der goederen van de echtgenooten, hier te
187
HUWELIJKSVOLTREKKING BUITEN \'s LANDS.
lande dezelfde burgerrechtelijke gevolgen hebben als huwelijken in Nederland, naar de voorschriften van het B. W., voltrokken.
Sterker nog is de geldigheid van zoodanig huwelijk geformuleerd bij een arrest van den H. fiaad van 7 Dec. 1877, W. nquot;. 4191, en het tot deze zaak betrekkelijke arrest van het Gerechtshof te \'s Gra-venhage van 30 Juni 1877, fF. nquot;. 41quot;29 en 4136, bevestigende een vonnis der Arr.-Eb. te \'s Gravenhage van 17 April 1877. Vooral aan art. 140, juncto 146, lid 3 B. W. werd ten deze een krachtig argument ontleend, tot bestrijding van de nietigheid ipso jure. Nogmaals besliste de H. Raad by arr. v. 26 Juli 1878, ff. nquot;. 4282, in denzelfden zin.
De tweede meening wordt vooral door buitenlandsche schrijvers voorgestaan, als Delvincoürt, I, bl. 347; Grollman, II, bl. 333 en v.; Marcadk , I, 584 en vlgg.; en met eenige wijziging nog door Demolombe , III, n0. 225 : afdoende is de bestrijding door Mr. Diephüis, t. a. p., bl. 151 en 152.
De derde meening, die ons de meest juiste voorkomt, wordt o. a. gedeeld door ue Pinto, II, § 87, Schüller, ad art. 138; v. Hall, bl. 214, en R. Bijbl., I, bl. 346 en v.; Nienhüis, I, bl. 365 en v.; v. B. Fauhe, 2e dr., I, bl. 78; en een arrest van den H. Raad van 22 Febr. 1850, W. n0. 1139; R., dl. XXXV, § 9. Ook Mr. Heemskerk komt tot die slotsom, bl. 65 en vlgg. Grooten steun vindt zij niet slechts in den tekst der wet, maar ook in de geschiedenis (zie Voor duin , II, bl. 200, 242 en v., 272j; daarenboven in de beteekenis der afkondigingen hier te lande, die wel stuiting kunnen ten gevolge hebben, maar door welke stuiting de buitenlandsche autoriteit zich niet noodwendig behoeft te laten weerhouden het huwelijk te voltrekken.
c. bij handelingen van de Nederlandsche echtgenooten tegen de bepalingen, vervat in de eerste afdeeling van den titel over het huwelijk.
Sommige schrijvers beweren dat in zoodanig geval de beslissing geheel gelgk moet zijn aan die sub h, als wordende beide vereischten beheerscht door hetzelfde woord: mits, pourvu que. De samenhang met art. 146, lid 3 B. W. schijnt echter mede te brengen, dat men hier moet denken aan vernietig baarheid, niet aan volstrekte nietigheid. Zie hierover Heemskerk, bl. 79 en v., en de aldaar vermelde schrijvers. De regelen van de zesde afdeeling van den vijfden titel zullen alsdan toepasselyk zijn (v. B. Faure, 2° dr., I, bl. 78).
Minder gewichtig is het veronachtzamen van het bepaalde by art. 139 B. W. De geldigheid des huwelijks is hier niet in het spel (zie arr. H. R. v. 9 Nov. 1841, W. nquot;. 251). Alleen heeft het invloed op het bewijs van het bestaan des huwelijks en de bekendheid van derden daarmede (vgl. art. 146, lid 3, en 207 B. W.).
huwelijksvoltrekking buiten \'s lands.
Na verloop van den gestelden termijn kan volgens sommigen de inschrijving alleen krachtens rechterlijk bevel (art. 70 B. W.) plaats hebben (Mr. v. B. Faube, t. a. p., bl. 79; vgl. ook Arr.-Rb. te Amsterdam 9 April 1867, R. Bijhl. 1867, bl. 702). Zie voorts hieromtrent Mr. Heemskerk, bl. 102 en vigg.; Diephüis, t. a. p., bl. 156 en v.; vgl. verder art. 13, lid 2 en art. 14 van meergemelde wet van 25 Juli 1871, Stbl. n0. 91.
By circulaire van den Minister van Justitie, vermeld in W. n0. 4095, wordt, in overeenstemming niet de latere rechtspraak van den H. Raad, de inschrijving der buitenlandsche huwelijken gelast, ook al mochten de afkondigingen hier te lande niet hebben plaats gehad.
In het Ontwerp 1886 is met het stelsel onzer wet ten deze geheel gebroken Men heeft alleen ten aanzien van den in het buitenland huwenden Nederlander de innerlijke vereischten tot het aangaan van het huwelijk gehandhaafd, maar het voorschrift der afkondigingen in het koninkrijk laten varen (zie art. 135 en 136 Ontw. en bl. 68 en v. der Mem. v. Teel.)
Zie de Belgische wet van 20 Mei 1882, sur le mariage des Beiges en pays étranger; en een commentaar daarop van Emile Stocqua kt , Brussel 1888. Zie verder het slot-protokol der tweede Haagsche conferentie voor het internationaal privaatrecht van 1894, behelzende de voorwaarden voor de geldigheid van in het buitenland te sluiten huwelijken.
D. Bewijs van de voltrekking des huwelijks. Hnwelijks-akte.
Ontbreken dier akte.
Terstond na de voltrekking des huwelijks door den ambtenaar van den burgerlijken stand zal daarvan eene akte worden opgemaakt (art. 44).
Deze akte zal vermelden;
1°. De voornamen, namen, den ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats der echtgenooten, en wanneer zij te voren gehuwd waren, de voornamen en namen van de vroegere echtgenooten;
2°. hunnen staat van meerderjarigheid, of minderjarigheid;
3°. de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats hunner ouders;
4°. de toestemming van de ouders, grootouders of voogden, of wel het verlof van den rechter, in de gevallen waarin dit gevorderd wordt;
5°. de tusschenspraak van den rechter, zoo die heeft plaats gehad;
6°. de gedane huwelijks-afkondigingen, ter plaatse alwaar die ver-eischt worden en, ingeval van stuiting, de opheffing daarvan;
7°. de verklaring der partyen om elkander tot echtgenooten aan te nemen, en de uitspraak van hunne echtvereeniging door den openbaren ambtenaar;
189
190 bewijs van de huwelijksvoltrekking.
8quot;. de voornamen, namen , den ouderdom, het beroep en de woonplaats der getuigen, benevens de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking, welke tusschen hen en de partijen mochten bestaan;
9°. de erkenning van natuurlijke kinderen, zoo die plaats heeft (art. 45 B. W.).
Indien het huwelijk bij gemachtigde of in een bijzonder huis wordt voltrokken, wordt ook hiervan in de akte uitdrukkelyk melding gemaakt (art. 46 B. W.).
Indien eene verklaring, als bedoeld bij art. 127 en 128 B. W. , de geboorte- of dood-akte vervangt, wordt ook hiervan in de huwelijksakte melding gemaakt (art. 127, laatste lid).
Hetzelfde zal men moeten aannemen, ten opzichte van de akten, waarbij door den Koning tietzij dispensatie wordt verleend bij bestaande huwelyksbeletselen (art. 86, 88 B. W.), hetzij vrijstelling van het doen plaats hebben der tweede afkondiging (art. Ill B. VV.). Eveneens ten aanzien van de bewijzen van voldoening aan de nationale militie , welke stukken zelfs (volgens de latere jurisprudentie van den H. Raad), ofschoon niet in het B. VV. genoemd, volgens art. 23 B. W., aan één der registers gehecht moeten blijven.
De huwelijks-akte levert het volledig bewijs op van de voltrekking des huwelijks. Kan men haar vertooneu, dan is zij tevens het eenig bewijs (art. 155 B. W.).
Ontbreekt die akte, dan kan het bewijs van liet bestaan des huwelijks door elk ander bewijsmiddel, ter beoordeeling van den rechter, geleverd worden, mits aau de volgende voorwaarden voldaan zij:
1°. Vooraf moet blijken dat er geene registers hebben bestaan, of dat zij zijn verloren geraakt, of dat de huwelijks-akte daaraan ontbreekt (b. v. doordien op de plaats, waar zij moest voorkomen een of meer bladen van liet register zijn uitgescheurd).
2°. Er moet een uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig zijn (art. 156 B. W.).
Uiterlijk bezit van staat noemt men den uitwendigen vorm van zekere familiebetrekking, kenbaar uit feiten en omstandigheden, hetzij dat deze afzonderlijk, hetzij in onderling verband en samenhang het bewijs dier betrekking opleveren (vergelijk art. 317 B. W.).
De bepalingen van art. 198—200 C. N., waarbij de bewijskracht van strafvonnissen ten aanzien van het bestaan eens huwely ks werd geregeld, zijn opzettelijk weggelaten; zie de redenen, die hiertoe geleid hebben, bij Asser, Verg. § 86; Voorduin, II, bl. 275 en vlg.; men
huwelijksakte. ontbreken u e e k akte.
vergelyke ook art. 26, lid 2, en 1955 B. VV., ten aanzien van het bewijs van strafvonnissen in burgerlijke zaken.
Teu aanzien der kinderen is de wet vrijgeviger, door te bepalen dat de wettigheid van een kind, uit hoofde van het gebrek van het vertoonen der huwelijks-akte zijner overleden ouders, niet kan worden betwist, indien het in het uiterlijk bezit is van zijnen staat, overeenkomstig (liever te lezen: niet strijdig met) zijne geboorteakte, en de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd (art. 157 B. W.).
De uitdrukking niet strijdig met zyne geboorte-akte, kwam voor in art. 76 der wet van 26 Juni 1822, Stbl. nquot;. 12, en is in overeenstemming met art. 197 C. N. De reden der verandering büjkt niet. De positieve redactie zou bij eene letterlijke uitlegging moeielijkheden kunnen opleveren, bijaldien zoowel de huwelijks-akte der ouders als de geboorte-akte van het kind ontbraken (zie art. 157 in verband met 316, lid 2 B. W.). By de negatieve redactie behoeft het kind niet noodwendig de geboorte-akte te toonen, en rust op hem ook niet het bewijs der niet-strijdigheid; maar veeleer het bewijs van het tegendeel op hem, die de wettigheid betwist. Vgl. Opzoomek, 1874,1, bl. 185; Diephüis, IV, bl. 101.
Een der redenen van de vrijzinnige bepaling van art. 157 B. W. is daarin gelegen, dat het kind, na het overlijden zijner ouders, somtijds moeilijk in staat is na te gaan waar de huwelyksvoltrekking heeft plaats gehad, en dus de akte, of het bewijs van het niet bestaan hebben der registers enz. hier bezwaarlijk kan worden gevergd.
De wet eischt dat de ouders overleden zijn. Hiermede mag niet, analogice worden gelijk gesteld het geval van krankzinnigheid of afwezigheid der ouders, waartoe volgens enkelen dezelfde ratio legis zou bestaan. Het laatste toch is zeer betwistbaar en de woorden der wet zijn daarenboven zeer duidelijk. Zie Diephuis, t. a. p., bl. 102; Opzoomek, eodem.
De bepalingen, betreffende het bewijs van het bestaan des huwelijks, waren in den Code ten onrechte in het hoofdstuk, handelende over de nietigheid van liuwelyken, opgenomen (zie art. 194 en v. C. N.). In het ontwerp van 1820 treffen wij dezelfde fout aan (zie art. 190ontw.).
E. Huwelijken in strijd met de wet aangegaan. Nietigheid. Nietig-verklaring.
Volgens het Romeinsche recht waren huwelijken in strijd met de wettelijke voorschriften aangegaan in volstrekten zin nietig (§ 12 Inst. de Nuptiis, 1, 10); si adversus ea, quae diximus, aliqui coieriut, nee vir, nee uxor, nee nuptiae, nee matrimouium, nee dos intelligitur.
131
192 HUWELIJKEN IN STRIJD MET DE WET AANGEGAAN.
Eene dergelijke volstrekte nietigheid is met het oog op de rechtszekerheid niet aanbevelenswaardig. Van daar, dat in de latere wetgevingen meer en meer het beginsel is gehuldigd dat daar, waar een huwelijk formeel is gesloten, de nietig-verklaring evenzeer uitdrukkelijk moet worden uitgesproken.
Dit beginsel lag ook aan den Code Nap. ten grondslag, ofschoon de hoofdregel in ons art. 140 B. W. nedergelegd, in den Code niet met zoovele woorden voorkomt.
De Fransche rechtsgeleerden nemen buiten de gevallen van vernietigbaarheid eens huwelijks (art. 180—202 C. N.), de absolute nietigheid vrij algemeen in enkele gevallen aan; t. w.: als eene der partyen den burgerleken dood had ondergaan; als partijen niet van verschillend geslacht waren; als door partijen of eene van ben feitelijk geene toestemming was gegeven; in geval van krankzinnigheid (hetwelk nauw met het vorige geval samenhangt); als het huwelijk niet voltrokken was door eenen ambtenaar van den burgerlijken stand. Zie Opzoomer , t. a. p., bl. 168.
Het ontwerp B. W. van 1820 kende drie gevallen van volstrekte nietigheid (art. 193) en wel:
1°. Wanneer het huwelijk is aangegaan door iemand, wiens vroeger huwelijk nog bestaat; 2°. bij huwelijk in verboden graad, zonder dispensatie aangegaan; 3°. by huwelijksvoltrekking, zonder rechterlyk verlof, van iemand, die wegens gebrek aan verstandelijke vermogens onder curateele stond. Dit beginsel werd in art. 194—197 nog belangrijk beperkt en o. i. in des ontwerpers eigen stelsel ontsierd. Art. 198 bepaalde verder, dat behalve in die gevallen , geen huwelijk van zelf en volstrekt nietig is. De onderscheiding van het ontwerp van 1820 mishaagde aan de Tweede Kamer. Men drong er op aan dat de noodzakelijkheid der rechterlyke uitspraak algemeen gemaakt zou worden (Voohdüin , II, bl. 245 en vlgg.).
Bij ons geldt als hoofdbeginsel dat geen voltrokken huwelijk van rechtswege nietig is; eene rechterlijke beslissing wordt vereischt om een met de wet strijdig huwelijk nietig te verklaren, en dergelijke beslissing mag alleen worden gegeven in de bij de wet aangewezen gevallen, en op vordering van de daartoe bevoegd verklaarde personen (art. 140 en v. B. W.).
Ter toepassing van dit hoofdbeginsel zal men echter altijd moeten vragen of er een voltrokken huwelijk is. Dit kan men niet volhouden ingeval er eene op eene huwelijksvoltrekking gelijkende handeling
nietigheid eens h u av e l ij k 8.
heeft plaats gehad, ten overstaan van, of door iemand, die geen ambtenaar van den burgerlyken stand was ; of indien twee personen van hetzelfde geslacht door den echt zouden zy n vereenigd; of indien, ingeval van huwelijk by gemachtigde (art. 134), de lastgever vóór do huwelyksvoltrekking mocht zijn overleden; of wel indien er volstrekt geene toestemming heeft plaats gehad, waartoe men wellicht ook mag rekenen de toestemming van eenen krankzinnige. In deze gevallen is er geen hnwelyk aanwezig, waarvan nietig-verklaring zou kunnen worden gevraagd. Ygl. Marcade, 6\'. N. L. 1, Tit. 5, Chap. 4, Obs. pi-él.; van Hall, bl. 214; v. B. Faüre, 2quot; dr., bi. 80, enz.
Uitzonderiugen op het beginsel van art. 140 B. W. kent de wet slechts:
1°. In het geval van art. 134, lid 2 B. W., indien de lastgever vóór de huwelijksvoltrekking wettiglijk met een ander mocht zijn gehuwd, als wanneer het huwelijk bij gemachtigde voltrokken, als niet geschied beschouwd wordt (vgl. bl. 184, 185 supra).
2°. (Volgens de hierboven, bl. 188, geuite meening):
Ingeval van huwelijksvoltrekking in den vreemde, zonder voorafgaande afkondigingen in Nederland (art. 138 B. W.).
Gronden tot nietig-verklaring des huwelijks.
De wet behandelt deze gronden in dezelfde volgorde als de voorschriften, by art. 84 en vlg. B. W. ten aanzien van de huwelijks-vereischten gegeven. In de afdeeling over het stuiten des huwelijks daarentegen zyn de personen, tot stuiting bevoegd, op den voorgrond geplaatst. Bij de uitlegging van de wet is het niet geheel onverschillig op deze volgorde te letten. Zie Ofzoomer, t. a. p., bl. 176 en noot 3. Vgl. ook bl. 170, supra.
Sommige onzer schrijvers splitsen de gronden van nietigheid in volstrekte en betrekkelijke, naarmate zij het openbaar belang, of wel een byzonder belang betreffen (zie van Hall, bl. 215). Ofschoon zoodanige onderscheiding systematisch te verdedigen is, meenen wij dat zy te dezer plaatse liever achterwege moet blijven, by gemis aan praktische waarde, en vooral omdat daardoor gemakkelijk verwarring kan ontstaan met het begrip van volstrekte nietigheid eens huwelijks, gelyk dit in het Romeinsche recht en in het ontwerp van 1820 bestond. Vgl. Üiephüis , t. a. p., bl. 108.
Die gronden zijn de volgende:
lu. Dubbel huwelijk (art. 141, lid 1, j0. 84 B. W.). De vordering hiertoe wordt toegekend:
Asser, Burgerl. Recht. I. 3e druk. 13
193
g kon den tot n i e ti g-v e h k l a k 1 n g.
a. aan den vroegeren echtgenoot;
h. aan de echtgenooten zelveu;
Ook de dubbel gehuwde kan te goeder trouw zijn geweest, en het is in elk geval beter, dat ook hij de nietig-verklaring uitlokke, dan dat hij in de ongeoorloofde samenleving volharde (v. Hall, bl. 215).
c. aan de bloedverwanten in de opgaande linie;
d. aan de belanghebbenden (behoudens de beperkingen van art. 148 li. W.);
e. aan het openbaar ministerie \'), (behoudens de beperking van art. 149 B. W.).
Ofschoon aan de kinderen uit het vroeger huwelijk het recht van stuiting tegen het voorgenomen dubbel huwelijk bij art. 115 B. W. is toegekend, zijn zij niet met name genoemd onder de bloedverwanten , die de nietigheid kunnen vorderen. Men wilde niet dat zij eene vordering konden instellen, die de schande of veroordeeling hunner ouders kon ten gevolge hebben (Asser, Verg. § 75). Niettemin behooren de kinderen tot de belanghebbenden, die na den dood van beide echtgenooten of van één hunner, de nietigheid des huwelijks kunnen vorderen (zie art. 148).
Indien de nietigheid van het vroegere huwelijk wordt beweerd, zal daaromtrent vooraf moeten worden beslist (art. 141 , lid 2).
De wet laat in het midden of zoodanige bewering in den vorm eener exceptie of bij zelfstandige vordering zal worden behandeld; beide vormen schijnen hier te zijn toegelaten. Art. 14], lid 2 beoogt alleen, dat de beslissing ten aanzien van het eerste huwelijk voorafga. Zie Diephuis, t. a. p., bl. 114; 6\'. iV. et Motifs, 11, bl. 294. Verder schijnt het dat deze voorafgaande beslissing alleen mag worden uitgelokt door hen, die daartoe volgens art. 141 en vlg. B. Wquot;. in het algemeen bevoegd zijn. Mr. Opzoomee ziet strijd tusschen art. 140 en 141, lid 2; een strijd, die intusschen bij de hierboven aangenomen verklaring niet behoeft te bestaan.
2°. Gebrek aan vrije toestemming van beide echtgenooten, of van een van hen (art. 142, jquot;. 85 B. W.).
194
De Fransche wet onderscheidde het gemis aan toestemming (art. 146 C. N.) en de onvrijheid der toestemming (art. 180 en 181 C. N.)r
1) Het O. M. is niet tot het instellen dezer vordering verplicht, gelijk bij art. 120 B. W. het geval is; anders in art. 190 C. N.
öronden tot x i e ti g-v e r k l a r i n g.
eene onderscheiding, die men by de beoordeeling van de rechtsvragen, bij de Fransohe schrijvers behandeld, niet nit het oog moet verliezen (zie v. Hall, bl. 218; Opzoomer, ad art. 85 en 142). Ons B. \\V. gebruikt zoowel in\' art. 85 als in art. 142 het woord vrije toestemming, terwijl het echter vrij zeker is, dat by eerstgenoemd artikel dit woord niet gebezigd is in den zin van art. 142, lid 1, alwaar met gemis aan vrije toestemming, toestemming door dioany verkregen wordt bedoeld.
De toestemming kan zijn verkregen door dicantj; in dit geval is zij onvrij; of ten gevolge van dwaling in den persoon, met wien men gehuwd is, als wanneer zy ontbreekt; dwaling in karakter, vermogen, stand, betrekking, ongeschonden eer, lichamelijke gesteldheid, enz. levert geen grond tot nietigheid op. Toestemming verkregen door he-droy wordt bij dit onderwerp niet vermeld, hetwelk volgens Mr. Opzoomer, t. a. p., aan achteloosheid moet worden toegeschreven. Het schijnt intnsschen dat nóch de Fransche nóch de Nederlandsche wetgever bedrog te dezer plaatse hebben willen opnemen (vgl. Marcadk, I, n0. 639; Demolombe, III, n». 252, 255; v. u. Hoeves, N. Bijdr., XVII, bl. 355). O. i. moet men aldus redeneeren: óf het bedrog is gepleegd ten aanzien van hoedanigheden, maatschappelijke betrekking, vermogen enz. van den aanstaanden echtgenoot; alsdan heeft de wet geene nietigheid gewenscht; óf het is gepleegd ten aanzien van den persoon zelf, zoodat het bedrog dwaling in den persoon heeft veroorzaakt; in welk geval men wegens dwaling de nietig-verklaring des huwelijks kan vorderen.
Door aan de wet te verwijten dat zij in eene zaak sui generis, als het huwelijk, niet volkomen dezelfde regelen heeft gevolgd of wetenschappelijke onderscheidingen heeft gemaakt, als elders bij overeenkomsten voorkomen, maakt men zich schuldig aan verwarring tnsschen familie- en vermogensrecht (vgl. bl. 95, supra; zie ook Diephuis, bl. 115, 116).
Dwaling in den persoon van dengene, met wien men denkt te huwen, zal, bij de vele wettelyke waarborgen, niet licht voorkomen; zie echter voorbeelden van zoodanige dwaling bij Diephuis, t. a. p., bl. 117.
De vordering tot nietig-verklaring wordt hier alleen toegekend aan dengeue der echtgeuooteu, wiens wil niet vrij was, of die in dwaling verkeerde (art. 142, lid 1 en 2).
Zij is niet meer ontvankelijk, wanneer er aanhoudende samenwoning heeft plaats gehad gedurende drie maanden, sedert de echtgenoot zijne volkomen vrijheid heeft bekomen of de dwaling door hem is ontdekt (art. 142, lid 3).
195
13*
gkoxuen tot nietig-verklakixg.
De wet vooronderstelt dat de belanghebbende echtgenoot later genoegen heeft genomen met een huwelijk, hetwelk hij aanvankelijk niet wilde of beoogde.
3°. Onbekwaamheid tot het geven van toestemming, wegens ouder curateele stelling uithoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens.
Ue vordering kan hier worden ingesteld door den vader, de moeder, de verdere bloedverwanten in de opgaande linie, broeders, zusters, ooms en moeien van den onder curateele gestelde, door den curator en het openbaar ministerie.
Na opheffing der curateele daarentegen alleen door den echtgenoot zelf, die onder curateele was gesteld, terwijl hij echter na eene samenwoning van zes maanden na die opheffing daarin niet meer ontvankelijk is (art. 143).
De wet spreekt hier niet van krankzinnigheid zonder onder cura-teele-stelling. Zij gaat uit van het beginsel — hetwelk in de praktyk niet altijd waar is — dat ieder krankzinnige onder curateele is of wordt gesteld. Over de moeielijkheden, die het gemis van onder curateele-stelling ten deze kan opleveren, vgl. bl. 147 supra.
Met gebrek nan verstandelyke vermogens, mag geene zioakheid van die vermogens worden verwisseld. Zie echter Diephuis, t. a. p., bl. 122. Vgl. ook bl. 147 snpra.
4°. Het niet bereikt hebben van den bij art. 86 B. W. ver-eischten leeftijd.
De vordering tot nietig-verklaring komt slechts toe aan den te jeuü-digen echtgenoot en aan het openbaar ministerie.
Zij kan niet meer worden ingesteld:
a. wanneer op den dag van het instellen der rechtsvordering de vereischte leeftijd bereikt is;
b. wanneer de vrouw, hoezeer den leeftijd niet hebbende bereikt, vóór den dag der rechtsvordering zwanger is (art. 144).
13e beweegreden dezer tweede uitzondering is ongetwijfeld deze, dat de wettelijke fictie van onbekwaamheid tot voortteling beneden zekeren leeft yd moet wijken als de natuur het tegendeel leert. De Maleville echter meent dat de bepaling vooral in het belang van het kind is geschreven (Analyse raisonnée, ad art. 185).
Zwangerschap van de vrouw, bij te jeugdigen leeftijd van den man, verhindert de actie niet (vgl. v. Hall, bl. 217). De reden hiervan kan gelegen zijn in de vrees, dat de vrouw zich anders, door eene
196
g ro x den tot nietigverklaring.
met de huwelijkstrouw strijdige daad, het middel tot nier-ontvankelijk-heid zou kunnen verschaffen. Zie Diephüis, t. a. p., bl. 125, 126 en de aldaar aangehaalde schrijvers , Grolman , Marcadé , Laurent , Toullier. Anders Mengelw., ff. nc. 5331.
Ook hier is het recht van stuiting aan velen, de vordering tot nietig-verklaring slechts aan enkelen toegekend (zie Asser, Ferg. § 78).
5U. Verboden graad van bloed- of aanverwantschap (art. 87, 88).
6°. Huwelijk tusschen eenen overspelige en dengene met wien het overspel is gepleegd (art. 89).
7°. Huwelijk tusschen personen, die te voren met elkander gehuwd ■waren, doch wier vorig huwelijk door echtscheiding was ontbonden (art. 90).
In deze drie gevallen komt de vordering tot nietig-verklaring toe aan de echtgenooten zeiven, de ouders of bloedverwanten in de opgaande linie, de belanghebbenden eu het openbaar ministerie (art. 145).
8°. Gebrek aan toestemming van anderen, gelijk die volgens de artt. 92—98 (waarbij men mag voegen art. 506, lid 3) wordt vereischt.
Deze vordering komt alleen toe aan hem, wiens toestemming noodig zou zijn geweest (art. 146, lid 1).
In den Code, art. 182, werd dit recht ook aan de echtgenooten toegekend. Zie Asser , Verg. § 80, alwaar gewezen wordt op eene tegenstrydigheid te dien opzichte tusschen de artt. 182 en 183 C. N. Het Regeeringsantwoord (Voorouin , II, bl. 259) dat de toestemming der ouders alleen in yratiam par ent urn is, schijnt ons echter niet juist toe.
Deze vordering vervalt door uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring , of door verloop van zes maanden zonder tegenspraak van hen, die de vordering hadden kunnen instellen, sedert het tijdstip waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen (art. 146, lid 2).
De tekst van art. 146 B. W. heeft, vooral tengevolge van de wyzigingen na 1830 zeer geleden. De bedoeling kan echter gemakkelijk uit de geschiedenis der wet worde» afgeleid. Vgl. Opzoomkr , t. a. p., bl. 179; Diephuis, bl. 128 en vgl.
Ten aanzien van liuwelijken in een vreemd land aangegaan wordt die kennis niet voorondersteld, zoolang de huwelijksakte niet hier te lande is ingeschreven (art. 146, lid 3, j0. 139) vgl. bl. 188 en 189 supra.
197
GRONDEN TOÏ XI BÏIG-VEBKLA KING.
Deze alinea, eerst later in de wet gevoegd (zie Voorduin, II, 262), geeft aanleiding tot eenigen twijfel. Men zon allicht a contrario rneenen, dat de kennis van een in Nederland voltrokken huwelijk wèl wordt vooronderstelt, of dat de inschrijving het vermoeden van bekendheid medebrengt. Beide meeningen zijn onjuist. De bedoeling kan alleen zyn, dat zoolang de inschrijving niet is geschied, de by het vorige lid bedoelde termijn van zes maanden niet begint te loopen.
9°. Onbevoegdheid van den ambtenaar van den burgerlijken stand; gemis aau het vereischte aantal, of gebrek in de hoedanigheid dei-getuigen bij de voltrekking.
Deze vordering kan worden ingesteld door de echtgenooten, de bloedverwanten in de opgaande linie, den voogd, den toezienden voogd, de belanghebbenden en het openbaar ministerie (art. 147, lid 1, 2).
De echtgenooten zijn in deze vordering niet ontvankelijk, wanneer er uiterlijk bezit van staat is, en er eene akte van huwelijksvoltrekking aanwezig is, verleden voor eenen ambtenaar van den burgerlijken stand (art. 147, lid 3).
Zie bl. 190 supra omtrent de beteekenis van „uiterlijk bezit van staatquot;. Het is hier de toestand van hen, die openlijk als man en vrouw leven.
Gebreken in de hoedanigheid der getuigen (art. 131) behoeven niet noodwendig tot nietigheid te leiden. De rechter kan naar omstandigheden beslissen (art, 147 , lid 2).
10quot;. Voltrekking des huwelijks in weerwil eener gedane en nog niet opgeheven stuiting (art. 125, lid 2).
Is er in dit geval een geding tot opheffing der stuiting aangevangen, dan zal bij de uitspraak het huwelijk moeten worden nietig verklaard, bijaldien de gegrondheid der stuiting door den rechter wordt uitgesproken. Is er vóór de voltrekking nog geen aanhangig geding, dan zal de vordering moeten worden ingesteld door hem, die tot stuiting bevoegd was. (Vgl. bl. 176, 178, supra.)
198
Meerdere gevallen van nietig-verklaring wil de wet niet. Zij wil de geldigheid van het huwelijk niet in gevaar brengen, waar het geldt de niet nakoming van minder belangrijke wettelijke vereischten of formaliteiten. De bepaling van art. 137 B. W. ten aanzien van den ambtenaar van den burgerlijken stand werd hier toereikend geacht \') (art. 154, lid 2).
\') Door den gewijzigden tekst van art. 137 B. W. (zie bl. 186 supra) heeft het tweede lid van art. 154 B. W. zijne beteekenis verloren.
G E O N D F. N TOT N I E Tl G-V E R K L A K I S G.
üit het bovenstaande volgt dat het niet noodig ware geweest te bepalen, dat geen huwelijk nietig is „ingeval van overtreding van de „artt. 91, 99, 103, 107 en 130, of indien, buiten hetgeen by art. 132 „is voorgeschreven, het huwelijk niet openlijk in het huis der gemeente „is voltrokken gewordenquot; (art. 154, lid 1). Deze bepaling zou allicht tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat de overtreding van andere artikelen, in deze afdeeling niet genoemd, b. v. van de artt. 108, 112, 126—128, enz. wel tot nietig-verklaring kon leiden. Zoodanige wetsuitlegging a contrario zou echter ten eenenmale onjuist zijn.
Is het wenschelijk dat een huwelijk door de vrouw aangegaan binnen de 300 dagen na de ontbinding van een vorig huwelijk steeds gehandhaafd blijveV Bij spoedig hertrouwen toch en vroegtijdige bevalling zou, zoowel in physieken als in wettelyken zin, grooto twijfel aangaande het vaderschap kunnen ontstaan (vgl. art. 305, j0. arg. 310 B. W.).
Beperkingen in de bevoegdheid tot nietig-verklaring van een huwelijk.
In overeenstemming met liet streven van den wetgever, o m de vordering tot nietig-verklaring van een huwelijk binnen enge grenzen te beperken, is de bepaling dat in de gevallen, waarin aan helang-hebbenclen het recht tot die vordering is toegekend, dit recht niet kan worden uitgeoefend, voordat één der echtgenooten of beiden zijn overleden; en evenmin als er niet is een dadelijk en reeds verkregen belang (art. 148).
Men wilde geen huwelijksgeluk opofferen aan de hebzucht van nabestaanden; en tevens achtte de Hegeering het niet mogelyk, dat by het leven van de echtgenooten, derden eenig belang bij de nietigheid konden hebben (zie Voobduin, II, bl. 266; Noordziuk, Gesch., 1821—1822, II, bl. 52). Dit laatste is echter niet volkomen juist (zie Diephuis, t. a. p., bl. 111).
Omgekeerd is liet openbaar ministerie niet-oiitvankelijk in liet vragen der nietigheid, na ontbinding van het huwelijk (art. 149 B. W.).
Het openbaar ministerie moet de openbare orde en zekelykheid handhaven. Is de daarmede strydige echtverbintenis ontbonden, dan vervalt de noodzakelykheid om in het publiek belang nietig-verklaring des huwelijks te vragen (Voorduin, II, bl. 267; Noordziek, I, blz. 42).
199
B iquot;. P E R K i N G E N DEK N r E T i G-V E R K L A r i X G.
Gevolgen der nietig-verklaring van het huwelijk.
Het gevolg der nietig-verklaring zou bij gemis aan bijzondere wetsvoorzieningen zijn; dat het huwelijk werd aangemerkt als had liet nooit bestaan; dat er noch echtgenooten, noch wettige kinderen, noch huwelijksgemeenschap, noch geldige huwelijksche voorwaarden zouden zijn (§ 12, Tnst. de uuptiis, 1, 10).
Dit beginsel is echter bij het bestaan van goede trouw, bij beide of één der echtgenooten of bij derden , die met de echtgenooten hebben gehandeld, aanmerkelijk gewijzigd en verzacht (art. 150—153 B. W.).
Onze wet behelst geene bepaling van het begrip van goede trouw. Zij bestaat in het onbekend zijn met het gebrek, hetwelk het huwelijk aankleeft, hetzy dit gebrek de in- of uitwendige vereischten betreft (vgl. v. Hall, bl. 220; Nienhuis, § 45, aant. 15; Opzoomer, t. a. p., bi. 182; Diephüis, t. a. p., bl. 136 en de aldaar aangehaalde Fran-sche schrijvers). Ten onrechte sprak art. 212 ontw. v. 1820 te dezer plaatse van dwaling in feiten en omstandigheden.
Moet hier de goede trouw bewezen worden door hem, die zich daarop beroept, dan wel de kwade trouw door de tegenpartij ? Het stilzwijgen der wet zou reeds in overeenstemming met het algemeen rechtsbeginsel, unusquisque bonus habetur, donec malus probatur, hetwelk ten onzent zijne toepassing vindt o. a. in art. 589 en 2002 B. W., tot laatstgenoemde meening doen overhellen. Deze meening wordt nog versterkt, doordien in art. 214 Ontw. v. 1820 uitdrukkelijk het tegenovergestelde te lezen stond; „De goede trouw en dwaling, moet ,,in de gevallen by de vorige artikelen vermeld, door hem, die zich „daarop beroept, bewezen wordenquot;. Te recht wenschte eene der af-deelingen van de Kamer de weglating hiervan, met het oog op het moeielijke van het bewijs van goede trouw, welke meestal in onkunde omtrent zekere omstandigheden bestaat, en dus het bewijs van iets negatiefs te noemen is (Voobdüin, II, bl. 268).
Ten aanzien der echtgenooten is het toereikend dat de goede trouw bestond by het aangaan van het huwelyk; zoodat nader opgekomen kennis van het bestaan eener oorzaak van nietigheid hen niet kan versteken van de voordeden, uit de goede trouw voortvloeiende.
Zijn beide echtgenooten te goeder trouw geweest, dan heeft het huwelijk \') al de daaraan verbonden gevolgen, zoowel teu aanzien
\') Zoodanig huwelijk wordt door de schrijvers veelal putatief huwelijk genoemd; daar echter niet allen aan die uitdrukking dezelfde heteekenis hechten, is het beter dien kunstterm niet te bezigen. Zie hieromtrent Mr. W. B. A. Donkek CürtiüS: Br nietigheid des huwelijks, Acad. pr. Leiden 1880, bl. 59 en v.
200
gevolgen der n f e ti g-v e k k l a. r i n g.
der echtgenooten, als van de kindereu, tot op den dag der nietigverklaring (art. 150 en 152).
Men is hier, waar het het familierecht betreft, opzettelijk afgeweken van het algemeen beginsel, dat het gevolg van een vonnis zich regelt naar den dag der dagvaarding (zie Vooroüin\', II, bl. 269).
Het huwelijk wordt dus tot op den dag der nietigverklaring als een wettig huwelijk beschouwd. De kinderen, daaronder begrepen zij, die in dat tijdsverloop verwekt zijn (art. 3 B. W.), zijn wettig. Ook de wettiging van vóór het huwelijk geboren en erkende natuurlijke kinderen blijft in stand; de schrijvers denken over dit laatste punt echter niet eenstemmig. Zie b. v. in anderen zin Diephüis, t. a. p., bl. 141 en de daar vermelde auteurs in utramque partem. Dat kinderen, vroeger in overspel of bloedschande geteeld, aan zoodanig huwelyk geen recht kunnen ontleenen, volgt reeds daaruit, dat zij niet kunnen worden erkend (art. 338) en derhalve evenmin gewettigd (art. 327).
Heeft de goede trouw slechts bestaan bij een der eclitgenooteu, dan heeft het huwelijk geene burgerlijke gevolgen, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en de kinderen.
De echtgenoot, die te kwader trouw is geweest, kan jegens den ander tot vergoeding Vtin kosten, schaden en interessen veroordeeld worden (art. 151).
De kinderen zijn dus ook hier wettig en staan tot beide ouders en hunne bloedverwanten in wettige betrekking. De gevolgen ten aanzien der echtgenooten zeiven zullen zich wel voornamelijk tot het vermogensrecht beperken; en wel zóó, dat de één uit het huwelijk voordeel kan genieten, terwijl de ander integendeel zelfs tot schadevergoeding verplicht kan worden.
De nietigheid eens huwelijks kan aan de rechten van derden geen nadeel toebrengen, wanneer deze te goeder trouw met de echtgenooten hebben gehandeld (art. 153).
Een juist beginsel, dat niet in den Code Napoléon voorkwam. Derden behoeven niet vooraf te onderzoeken of het bestaande huwelijk in alle opzichten geldig is. Voor hen is het genoeg dat er eene huwelijksvoltrekking hebbe plaats gehad; ook is de goede of kwade trouw der echtgenooten voor derden eene onverschillige zaak. Alleen hunne eigen goede trouw komt hier in aanmerking.
Na nietig-verklaring van het huwelijk, moet men aannemen dat dit
201
GEVOLGEN VAN HET HUWELIJK.
ook tegenover derden niet meer bestaat. Dit volgt rechtstreeks uit art. 1957 B. W. Het ware evenwel in het belang van derden nuttig, indien ook in deze materie, evenals by echtscheiding enz., inschrijving van het vonnis plaats had in de huwelijksregisters en vermelding daarvan aan den kant der huwelijksakte \')■
F. Gevolgen van het huwelijk, met betrekking tot de personen der echtgenooten en hunne algemeene rechtsbevoegdheid.
De gevolgen van het huwelijk met betrekking tot de personen der echtgeuooten en hunne algemeene rechtsbevoegdheid worden hoofdzakelijk in den 6™ titel van het lfi Boek van het B. W. behandeld. Voor een goed deel behooren zij niet tot het eigenlijke gebied van het recht en vindt men hier integendeel voorschriften van geheel zedelijken aard. Bezwaarlijk kan men dan ook met sommige schrijvers aannemen dat de echtgenooten door rechtsmiddelen tot de nakoming van zoodanige verplichtingen, die geheel tot het familieleven behooren, kunnen worden gedwongen.
De meeste verscheidenheid heerscht te dien aanzien by de schrijvers. Sommige, vooral de Fransche schrijvers, kennen b. v. den man allerlei rechtsmiddelen, zelfs executie door den sterken arm of wel by lyfs-dwang toe, ten einde de onwillige vrouw te noodzaken tot hem terug te keeren. Andere meenen dat rechtstreeksche dwangmiddelen ongeoorloofd en niet bij de wet bekend zijn, maar beweren dat het niet nakomen van zoodanige verplichting eene vordering tot schadevergoeding wettigt; deze vordering wordt nu eens gegrond op den regel dat ver-hintenissen om iets te doen, zich oplossen in vergoeding van kosten, schaden en interessen, ingeval de schuldenaar niet aan zyne verplichting voldoet (art. 1275 en v. B. W.), dan weder ziet men in het niet nakomen van zoodanige verplichting eene onrechtmatige daad (art. 1401 en v.); zie b. v. v. H.vll, bl. 223; Diepiiuis, t. a. p., bl. 167, 168. Ook hier zouden wij in de meeste gevallen een scherpe grens willen trekken tusschen familie- en vermogensrecht, en aan het niet nakomen der huwelyksplichten geene verdere gevolgen toekennen dan de wet zelf uitdrukkelijk regelt.
Die gevolgen kunnen worden onderscheiden in de zoodanige, die uit de innige betrekking tussc.lien de echtgenooten voortvloeien, en
\') Bij art. 132 Ontw. 1886 worden voor dit geval maatregelen van openbaarheid voorgeschreven^
202
«e volgen van het huwelijk.
die, welke in het gezag of de macht van Jen man als hoofd der echtvereeniging hunnen oorsprong vinden.
I. Gevolgen uit de innige betrekking tusschen de, eeMgenooten voortvloeiende :
De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en hij stand verschuldigd (art. 138).
Met getrouwheid wordt bedoeld huwelijkstrouw. Schending daarvan kan als overspel grond opleveren tol echtscheiding (art. 264, 1°.); en is daarenboven strafbaar (art. 241 en v. W. v. Strafr.). Hulp en bijstand doelen op de verplichting om elkander in alle omstandigheden ter zijde te staan en elkanders lasten te helpen dragen. Enkelen meenen dat hulp slaat op het verschaffen van het noodige, bijstand op het betoenen van de vereischte zorgen en persoonlijke oplettendheden (zie Diephuis, t. a. p., bl. 162, Massé et Verge, I, bi. 228: „Le secours sort de la bourse, ex area, l\'assistance vint du coeur, ex virtntequot;).
Grove inbreuk op deze verplichtingen kan, naar omstandigheden, grond tot scheiding van tafel en bed en somtijds zelfs tot echtscheiding opleveren (art. 288, 264 B. W.).
De echtgenooten zijn tot samenwoning verplicht; de man is verplicht zijne vrouw bij zich te ontvangen in het huis, hetwelk hij bewoont; de vrouw is gehouden den man overal te volgen, waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden (art. 161, lid 2, 162, lid 1).
Deze verplichting kan ophouden door scheiding van tafel en bed, uitgesproken bij rechterlik vonnis (art. 297 B. W.).
Ten onrechte nemen vele Fransche schrijvers uitzonderingen aan op de verplichting van de vrouw om haren man te volgen, indien deze zich b. v. wil begeven naar eene voor hare gezondheid schadelijke plaats \'), of indien de man aan de vrouw geen passend verblijf kan verschaffen (vgl. Opzoomeh, 1874, I, bl. 230. Zie ook Zachakiae, § 407).
203
Inbreuk op de verplichting tot samenwoning kan als Incaadwïllige verlating, na verloop van vijf jaren, tot echtscheiding aanleiding geven (art. 264, 2°., 266).
\') In het privatrcchtliche Gesetzbuch fiir den Kanton Zürich , § 130, komt de bepalinac voor dat de rechter bij uitzondering de vrouw kan ontheffen van de verplichting om haren man te volgen, en zulks wegens dringende, hare welvaart ernstig bedreigende redenen. Nog eenigszins vrijgeviger is het Duitsche Ontwerp B. W. (1 lezing, $ 1272 en v., 2quot; lezing, § 1253 en v.), alwaar van misbruik van recht aan de zijde van een der echtgenooten of van den man sprake is, waarvan ontheffing van soinmige verplichtingen het gevolg is.
algemeens verplichtingen ui\'.k echtgenooten.
Het niet nakomen van de verplichting tot samenwoning of weigerachtigheid van den man om zijne vrouw te ontvangen, kan wellicht, zoo de omstandigheden gewichtig genoeg zijn, grond tot scheiding van tafel en bed opleveren (art. 288, lid 2). Zie echter Arr.-Eh. te Amsterdam, 1 Nov. 1859, R. Bijbl. 18(50, bl. 76—78.
De man is gehouden zijne vrouw te beschermen en haar al hetgeen noodig is, volgens zijnen staat en zijn vermogen te verschaffen (art. 162, lid 2).
De wederkeerigheid van de verplichting tot alimentatie is niet rechtstreeks in den 6en titel nitgesproken. Dit is ook minder noodig, omdat in den regel de man alle inkomsten beheert. Trouwens bij geheele gemeenschap van goederen kan er geen sprake zijn van datgene, wat de vrouw in stoffelijken zin tot de huishouding bydraagt, vermits alle inkomsten tot de gemeenschap behooren; bij uitsluiting der gemeenschap is de toestand afhankelijk van de bedingen deswege getroffen, by gebreke waarvan alle inkomsten uit de goederen der vrouw ter beschikking van den man zijn (zie art. 200 en 201). Ook na scheiding van goeiieren is de vrouw verplicht tot de kosten der huishouding bij te dragen (art. 248). Voor echtscheiding en scheiding van tafel en bed geiden de regelen van art. 280—282 en 301. Behalve in de laatste gevallen is o. i. by niet-sameuwoning geene vordering tot onderhoud van den eenen echtgenoot tegen den anderen denkbaar: immers onderhoud en samenwoning zyn in het huwelijksrecht onafscheidelyke begrippen. Het toewijzen eener vordering tot alimentatie zonder gemeenschappelijke huishouding, zou eene feitelijke, door den rechter bekrachtigde, en toch onwettige scheiding van tafel en bed bevatten. Zie v. Hall, bl. 223; vgl. DiEfHUis, bl. 167, 168, die echter den man, ingeval van geldelyk nadeel, hem veroorzaakt door onwettige afwezigheid der vrouw, eene vordering ex art. 1275 B. W. toekent; terwijl Opzoomer, t. a. p., bl. 241, die verplichting veeleer uit art. 1401 B. W. zou afleiden. Zoowel het een als het ander komt ons vrij betwistbaar voor. Maar ook in geval van samenwoning kan o. i. de alimentatie bezwaarlijk in rechte worden gevorderd. Vgl. v. B. F au re, 2\' dr., bl. 87; anders v. Hall, bl. 224, ingeval de vrouw eigen inkomsten heeft en weigert haar aandeel by te dragen.
De eclitgenooten verbinden zich over eu weder, door de enkele daad des huwelijks, hunne kinderen te onderhouden en op te voeden (art. 139 B. W.).
De wet bespreekt hier slechts de verplichting, die de ouders tegenover elkander op zich nemen. De verplichting van de ouders tegenover
204
algemeexe verplichtingen dek echtgenooten.
de kinderen wordt elders geregeld (art. 35:-$ en v. B. W.). In dit opzicht is onze bepaling te verkiezen boven de redactie van den Code (art. 203 en v.) waar beide verhoudingen niet wel onderscheiden zijn (vgl. Voorduin, II, bl. 281; Asser, Verg. § 89). Er bestaat twijfel of art. 159 alleen op minderjarige dan wel ook op meerderjarige kinderen doelt. Zie b. v. dienaangaande v. Hall, bl. 224, en daartegen Opzoomer, bl. 228 en 229, noot 2.
De nauwe betrekking tusscheu de echtgenooten heeft nog eenige elders in de wet verspreide rechtsgevolgen, als: Onbekwaamheid, zelfs na echtscheiding, om in elkanders zaak getuigenis af te leggen (art. 1947); schorsing der verjaring tusschen hen (art. 2025, 2026, 2°.); bevoegdheid van den rechter tot compensatie van proceskosten, ingeval de een jegens den ander bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld (art. 56 Ev.); uitsluiting der strafvervolging (of in geval van scheiding van tafel en bed of van goederen afhankelijkstelling daarvan van het bestaan eener klachte) ingeval van diefstal, afpersing en afdreiging, verduistering, bedrog, benadeeliug door onttrekking eener zaak aan pandrecht enz., of vernieling, indien de dader of medeplichtige is de echtgenoot van dengene, tegen wien het misdrijf is gepleegd (art. 316, 319, 324, 338, 348 lid 2, 353 W. v. Strafr ).
II. Gevolgen van het huwelijk, die in het gezag of de macht van den man als zoodanig hunnen oorsprong vinden.
Ten allen tijde is de vrouw in meerdere of mindere mate aan het gezag of de macht van den man onderworpen geweest. Naar oud Germaansche begrippen ging zij uit het mundium van haren vader of van hare naaste mannelijke bloedverwanten, door liet huwelijk over in eene gelijksoortige macht van den man. (Zie uitvoeriger van Hall, bl. 224; W. Th. Khauï, die Vormundschaft nach den Grundscitzen des Deutschen Rechts dargestellt. Göttingen, 1837, 1847. J. C. van Overvoorde, de ontw. v. d. rechtstoestand der vrouw, volgens het Oud-Germ, en Oud- Nederl. recht, Acad. Proefschr., Leiden 1891.) De nieuwere wetgevingen streven wel is waar in vele opzichten naar gelijkheid in de wederzijdsche stelling der echtgenooten, maar toch blijft den man een zedelijk en wettelijk overwicht toegekend, waardoor de vrouw in vele opzichten aan den man ondergeschikt of van hem afhankelijk is (vgl. bl. 143 en v. supra). Deze ondergeschiktheid vloeit niet voort uit hare mindere bekwaamheid tot handelen, immers aan de ongehuwde vrouw worden door de wet schier dezelfde
205
M A R I T A L E M A C H ï.
rechten toegekend als aan den man, maar ligt veeleer iu het wezen des huwelijks.
Terwijl het VVetb. Napoleon, ingerigt voor het koningrijk Holland, den man als voogd zyner vrouw voorstelt (art. 147), verleent art. 218 Ontw. 1820 den man zoodanige mmjt over zyne vrouw als in den 5equot; titel van Boek 1 nader wordt geregeld. In het B. W. wordt de man het hoofd der echtvereeniging geheeten (art. 160), terwijl echter eenmaal (in art. 1759) wordt gezegd, dat de vrouw „onder de mayt van haren man isquot;. Zie verder over den invloed der vrouw staande huwelijk, bl. 143 supra, noot 1.
De man is het hoofd der echtvereeniging (art. 160, lid 1). Krachtens het gezag dat hij als zoodanig uitoefent (de maritale macht) is de vrouw hem gehoorzaamheid verschuldigd (art. 161, lid 1), maar rust op hem de plicht zijne vrouw te beschermen, haar al hetgeen noodig is volgens zijnen staat en vermogen te verschaffen.
Het correlatieve van de verplichting tot bescherming eenerzijds eu tot gehoorzaamheid anderzyds komt sterker dan in ons wetboek uit in den Code, art. 2l;-5; „Le mari doit protection a sa femme, la femme obéissance a son mariquot;.
a. De macht vau den man als zoodanig openbaart zich vooreerst bij de regeling van velerlei belangen, als;
de keus der woonplaats (art. 161, lid 2, j0. 78);
Zie omtrent de verplichting tot samenwoning bl. 203 en 204, supra. De vrouw is verplicht met den man samen te wonen en hem overal te volgen, waar hij dienstig oordeelt zijn verblyf te houden; daartegen moet de man de vrouw bij zich ontvangen in het door hem bewoonde huis ^art. 161, lid 2, 162, lid 1).
de toestemming tot het huwelijk der kinderen (art. 92 en v.), alwaar bij verschil van gevoelen de toestemming van den vader toereikend is;
de uitoefening der ouderlijke macht (art. 355 en v.) ;
en in het algemeen in vele gevallen, die in de wet verspreid voorkomen, b. v, art. 406, 1722 B. W.; art. 5 en 7, 2°. der wet op het Nederlanderschap, enz. van 12 Dec. 1892 (Stbl. n0. 268).
b. Verder openbaart zich de maritale macht in het aan den man toegekende beheer van goederen en wel:
lp. van de goederen der gemeenschap (art. 179).
Hierover zal nader bij de volgende onderafdeeling worden gehandeld.
206
MAK.ITALE MACHT. BEUKER DEK G O E I) E II E \\. 207
2°. van de goederen welke aan de vrouw persoonlijk toebehooreu, ten ware liet tegendeel zij bedongen (art. 160, lid 3, 194 en v.), of liet helleer door rechterlijke uitspraak mocht zijn vervallen (art. 219, 299).
De man moet de goederen der vrouw als een goed huisvader be-heeren en is voor alle verzuim in dat beheer verantwoordelijk (art. 160, lid 4). Met dat beheer is geene beschikking verbonden, althans over de onroerende goederen, welke hij zonder medewerking der vrouw niet mag vervreemden of bezwaren (eod. lid 5). Ten aanzien van hare roerende goederen schijnt eun zoodanig verbod voor den man niet te bestaan (v. H.vll, bl. 225; Diephuis, t. a. p., bl. 173, 174), maar in ieder geval is hij ook te dien opzichte voor elk verzuim aansprakelijk , zoodat hij zoodanige goederen, b. v. niet zou mogen wegschenken of tegen geringen prijs vervreemden.
Tot beveiliging van hare rechten kan de vrouw bij huweiyksehe voorwaarden hypotheek op de goederen van den man bedingen (art. 1217). Zoodanige hypotheek staat met alle andere hypotheken gelijk, en deelt niet in de bij art. 774 W. v. K. geschreven gunstige bepaling, betreffende de door voogden of curators gestelde hypotheken. \') Of de vrouw staande huwelijk aan den man rekenschap mag vragen van zijn beheer mag te recht betwijfeld worden (vgl. de Pinto, II, § 106).
e. De maritale macht openbaart zicli op eigenaardige wijze bij de machtiging, welke de vrouw noodig heeft:
1°. tot het verrichten van bijna alle rechtshandelingen;
2°. tot het optreden in rechte.
Ad primum. De vrouw mag, zelfs indien liet hare eigen goederen geldt, niets vervreemden, bezwaren of verkrijgen, in het algemeen geene verbinteuissen aangaan, zonder den bijstand van haren man in de akte, of zonder diens schriftelijke toestemming (arg. ex art. 163, lid 1, 1366, 3°.). Is zij aldus gemachtigd geworden, dan heeft zij andermaal de uitdrukkelijke toestemming van den man noodig om krachtens die handeling betaling te ontvangen of daarvoor kwijting te geven (art. 163, lid 2).
De verbodsbepaling van art. 163 B. W. slaat niet op verbintenissen ex delicto of quasi ex delicto (art. 1483). Hier kan van geene autorisatie van den man sprake zijn. Het is te betwyfelen of men met
\') Juister is de tekst van art. 42, jquot;. 43, 2°. der wet op het faillissement enz.; eeu-voudig gewagende van „onverplicht verrichte handelingenquot;, zoodat hypotheekstellingen als hier bedoeld, even als die van den voogd of curator van zelf van de ongunstige bepalingen dezer artikelen zijn uitgesloten.
gevallenquot;, waaein de vrocw ue machtiging
van Hall, bl. 226, 227, zoover mag gaan om de toepasselijkheid van art. 163 ook uit te sluiten voor alle verbintenissen quasi ex contractu. Mr. Opzoomer, ad art. 163, maakt o. i. met meer grond eene onderscheiding tusschen de verbintenissen, waar eene verrijking der vrouw, ten nadeele van een ander, heeft plaats gehad, en andere, waar dit niet is geschied, en acht verder ten aanzien van zaakwaarneming door de vrouw den bijstand of de machtiging van den man onmisbaar. Vgl. ook Diephuts, t. a. p., bl. 177 en v.
De woorden machtiging, bijstand, toestemming en bewilliging worden niet zelden gebezigd om hetzelfde begrip te kennen te geven. Het woord bijstand schijnt meer eigenaardig op zyne plaats daar, waar de man nevens de vrouw, hetzij in of buiten rechte, verschijnt of handelt; uit dien bijstand vloeit dan de machtiging voort, welke ook afzonderlek. doch alsdan uitdrukkelijk kan worden verleend (vgl. v. Hall, bl. 226, Diephüis, t. a. p., bl. 181).
De duidelijke tekst van art. 163, lid 1, laat in het laatste geval geene mondelinge, toestemming toe; de woorden zyn overgenomen van art. 217 C. N. „sans le concours de son mari dans Facte, ou son consentement par écritquot;, hetwelk opzettelijk aldus is geredigeerd om een einde te maken aan velerlei subtiliteiten, waartoe de uitlegging der Coutume de Paris en die van Troyes aanleiding gaf (zie ue Male-ville, ad art. 217).
Eene algeraeene machtiging, zelfs bij huwelijksclie voorwaarden bedongen, mag aan de vrouw geen meerder recht verleenen dan tot daden van beheer (art. 170).
Eene meer uitgebreide macht zou afbreuk doen aan het recht van den man als hoofd der echtvereeniging.
Ook na scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen, wordt de vrouw in het algemeen niet bevoegd zelfstandig te handelen ; zij bekomt alleen het vrije beheer harer goederen terug, doch kan door den rechter worden gemachtigd om over hare roerende goederen te beschikken (art. 249, 299 15. W.).
De vrouw heeft de machtiging van den man niet uoodig:
«. Voor alles wat de gewone en dagelijksche uitgaven betreft (art. 164).
Hier wordt de bewilliging van den man door de wet voorondersteld. Deze bepaling, welker strekking duidelijk is, is overgenomen uit het Oud Holl. Eecht (de Gkout. Inl. I, 5, § 23; Ontw. 1820, art. 228). In het Fransche recht werd hetzelfde beginsel stilzwijgend gehuldigd.
208
van haren man niet behoeft.
Men mag aannemen dat de man zyne vrouw ook hier in hare bevoegdheid kan beperken, maar dan zal men tevens moeten eischen, dat hij dit duidelijk aan derden te kennen geve. Eene enkele openbaarmaking van zoodanige beperking, tot niemand in het by zonder gericht, moet o. i. ontoereikend worden geacht. Mittebmaiek, Revue de léyisl. van Wolowski IX, 93, prijst onze wetsbepaling; zie de Pinto, II, § 100).
ji. Voor het geval de vrouw met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van den man openbare koopvrouw is (art. 168).
Openbare koopvrouw is de vrouw, die afzonderlijk van haren man koopmanschap drijft; (art. 168, lid 3, art. 2 quot;W. v. K.) Deze bepaling doelt dus niet op het geval, dat de vrouw nevens of onder toezicht van haren man de handelszaken bestuurt. Volgens art. 168 heeft de vrouw eene al gem eene machtiging, welke ook stilzwijgend kan worden verleend, om alle handelingen ter zake van dien handel te verrichten. Tegen eene stilzwijgende machtiging bestaat hier geen bezwaar, omdat het feit dat de vrouw openlijk als koopvrouw handelt gemakkelijk bewysbaar is, en alzoo het vermoeden van toestemming van den man niet ver te zoeken is. Zij kan thans den bijzonderen en uitdrukhelijken bijstand van den man missen, betalingen ontvangen en daarvoor kwijting geven.
Intrekking van de toestemming van haren man moet openlijk worden bekend gemaakt (art. 168, lid 4). De wijze hoe dit moet geschieden wordt niet voorgeschreven, maar zal bij analogie van art. 486 B. W., 28 en 31 W. v. K., gevoegelijk door aankondiging in de dagbladen kunnen geschieden.
Ook na zoodanige uitdrukkelijke intrekking is eene hernieuwde stilzwijgende toestemming van den man denkbaar. (Arr. v. d. H. Raad v. 2 Nov. 1866, W. n°. 2848.)
Dat, ingeval van ulgeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, ook de man, of liever de gemeenschap is verbonden, zou ook zonder de uitdrukkelijke bepaling van art. 168, lid 2 het geval zyn (art. 176, 185 B. W.). Mr. Diephuts, t. a. p., bl. 193, meent echter, dat art. 168, lid 2, ook op andere gemeenschap zou slaan dan lt;ie algeheele, en tracht dit door geschiedkundige gronden te staven. Het schijnt ons echter toe, dat de wet hier niet op beperkte gemeenschap heeft kunnen doelen; de bij de wet genoemde gemeenschap van winst en verlies en die van vruchten en inkomsten, zijn slechts twee der meest gebruikelijke wijzen van beperking der gemeenschap: maar nog op vele andere wijzen kan de gemeenschap worden beperkt en de rechtsgevolgen hangen hier uitsluitend van de huwelijksche voorwaarden, niet van de wet af.
Asser, Burgerl. Recht. I. 3e druk. 14
209
VERTEGENWOORDIGING VAN DE VEOUW IN RECHTE.
■/. Voor liet geval de vrouw het beheer harer eigen goederen heeft bedongen of terug bekomen.
Het eerste heeft plaats bij huwelijksche voorwaarden, art. 160, lid 3, 194, 195, lid 2 en 3 B. W.; ook hier beheerscht de overeenkomst de rechtsgevolgen. Het laatste geschiedt na scheiding van goederen (art. 249) en na scheiding van tafel en bed (art. 299). \') In beide laatste gevallen is de vrouw alleen tot zoodanige handelingen bevoegd, welke het beheer harer goederen betreffen, maar zij kan door rechterlijke machtiging ook het recht van beschikking over hare roerende goederen verkrijgen.
r!. Voor het bewerkstelligen van hypothecaire inschrijving, krachtens beding bij huwelijksche voorwaarden gemaakt (art. 1217, lid 4, 1-220 B, W.).
Hier heeft de man een strijdig belang, terwijl de door de vrouw te nemen inschrijving nooit anders dan tot haar voordeel kan strekken. Volgens Fransch recht had de vrouw eene wettelijke hypotheek op de goederen van den man, die ook zonder inschryving bestond (art. 2121, 2135 C. N.). Niettemin schrijven de artt. 2136 en v. C. N. de inschryving voor en verklaren vele personen bevoegd daarvoor te waken,
t. Bij het maken van uiterste wilsbeschikkingen (art. 173).
De uiterste wil moet de uitdrukking zyn van den vrijen en onbe-lemmerden wil; daarenboven verbindt de vrouw zichzelve daardoor niet, en is de uiterste wil bestemd eerst na de ontbinding van het huwelijk te werken. De Mal,evil,le , ad art. 226 C. N., meldt: „on „est étonné qu\'au dix-neuvième siècle on ait été obligé de publier une „loi pareille; mais c\'est que plnsieurs Coutumes, Bourgogne, Nivernois „et Normandie, avaient porté jusque-la l\'abus de la puissance maritale.quot;
Ad secundum. De vrouw kan niet in rechte verschijnen zonder bijstand van haren man, of zonder door dezen te worden vertegenwoordigd (art. 160, 165).
Dit vloeit voort uit het recht van den man als hoofd der echt-vereeniging. Ook zonder de uitdrukkelijke bijvoeging in art. 165 zou
\') In het Ontwerp 1886 is bij de artt. 141 en v. aan de vrouw het recht toegekend hetzij met bewilliging van den man, hetzij zonder diens bewilliging het beheer van haar eigen goed te hernemen. Zie omtrent de redenen, die tot deze bepalingen hebben geleid , bl. 76 en 77 der Memorie van Toelichting. Ook in § 1684 van het Saksisch wetboek wordt een zoodanig recht aan de vrouw gegeven, doch alleen krachtens rechterlijke tnsschenkomst.
210
citgezonuekue g f, v a l l b n. 211
het geen verschil maken, of de vrouw in of buiten gemeenschap is gehuwd of van goederen gescheiden, of wel eene openbare koopvrouw is.
Het verschenen in rechte (stare in judicio, ester en jugement), doelt alleen op het verschijnen als partij, vgl. art. 225 Ontw. v. 1820: „De vrouw heeft geenen persoon om in regten te verschijnen.quot; Als getuige, of deskundige, als ook bij verhooien van bloedverwanten, waar de wet zulks niet tot mannelijke bloedverwanten beperkt, treedt de vrouw natuurlyk geheel zelfstandig op.
De keus of de vrouw door haren echtgenoot zal worden bijgestaan of vertegenwoordigd moet aan den man worden toegekend, en zulks onverschillig of het een eisch, eene verwering of eene tusschenkomst geldt. Derden zullen als eischers het veiligst te werk gaan, zoo zij tegen de vrouw in rechte willende optreden, beide echtgenooten (den man voor zooveel noodig tot bijstand of vertegenwoordiging zijner (vrouw) dagvaarden. Bij de toepassing van sommige middelen van bewijs en procedure (eed, verhoor op vraagpunten) is het volstrekt niet onverschillig of de vrouw al dan niet zelve als party in bet geding is. Betreft de vordering de gemeenschap van goederen, dan zal in ieder geval de man als partij en niet enkel ter autorisatie van zijne vrouw in het geding moeten zgn (art. 179, 185). Kan de man zijne vrouw tot procedeeren machtigen als hij een strydig belang heeft? Zoo ja, geldt het feit dat de man zijne vrouw dagvaardt (behalve in de gevallen, dat zij geene machtiging noodig heeft) als stilzwygende machtiging? Zie over deze en soortgelijke vragen: DiEFHurs, t. a. p., bl. 202 en v.; vgl. va.n Hall, bl. 228, sub 3.
Zie verder art. 202 lid 2 W. v. Strv.: „Zij die, om in eene „burgerlijke zaak in regten te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich in het strafgeding te „voegen, dien bijstand of die vertegenwoordiging van noode.quot;
De noodzakelijkheid van bijstand bestaat niet:
a. bij eene tegen de vrouw ingestelde strafrechtelijke vervolging (art. 106, lu. B. W.).
Wel verre van met Mr. van Hall, bl. 227, deze bepaling niet natuurlijk te vinden, vereenigen wy ons met hen, die er de nood-zakelykheid van inzien, wegens het belang van den Staat om in de vervolging van strafzaken en de ten uitvoerlegging van strafvonnissen onbelemmerd te kunnen handelen. Wel is waar kan eene strafveroor-deeling tegen de vrouw, ook voor den man geldelyke gevolgen hebben, maar deze staan in te ver verwijderd verband met de strafzaak, dan dat het recht tot vervolging daardoor zou mogen worden belemmerd.
Niet gaarne zouden wy met vele schrijvers deze bepaling willen uit-
14«
212 MA.CHTI01XG TOT PHOCELlEERKX SOMTIJDS ONNOODIG.
breiden tot het fjeval, dat de beleedigde partij zich in het strafgeding tegen de vrouw voegt. Vg). in denzelfden zin Opzoomer, ad art. 166, en daartegen Diephüis, t. a. p., bl. 2Ü0 en v., benevens de vele aldaar in utramque partem aangehaalde schrijvers. Met nog minder recht strekken anderen de bepaling zelfs nit tot elke burgerrechtelijke vordering tot vergoeding van de door het misdrijf der vrouw veroorzaakte schade.
[i. bij de rechtsvordering tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of tot scheiding van goederen (art. 166, 2°. B. W., vgl. art. 804, 816, 821, lid 1 en 826 Rv.), en zulks onverschillig of de vrouw eischende dan wel verwerende optreedt.
Hier hebben de echtgenooten een geheel strijdig belang; door den bijstand van den man onnoodig te verklaren, zou ook de noodzakelijkheid van rechterlijke autorisatie vervallen, ware het niet, dat bij de aangehaalde artikelen van het W. v. B. R. een bepaald omschreven rechterlijk verlof voor deze vorderingen werd vereischt. Tot het instellen der vorderingen tot echtscheiding en scheiding van tafel en bed is het voorafgaande rechterlijke verlof zoowel voor den man als voorde vrome voorgeschreven. Hieruit ziet men dat deze vergunningen een geheel ander karakter hebben dan de rechterlij ke autorisatie van art. 167 of 169, welke strekt om aan de vrouw eene persona standi in judicia te verleenen. De in het W. v. B. Rv. voorgeschreven formaliteiten strekken dan ook ter voorkoming, zoo mogelijk, van lichtvaardig ingestelde procedures van zeer kieschen aard tusscben de echtgenooten onderling (vgl. Lipman, W. v. B. Rv., bi. 356).
Voor eene vordering tot ontbinding des huwelijks (art. 255 en v.) of tot nietig-verklaring (art. 140 en v.) schijnen de gewone regelen te moeten gelden, daar de uitzondering van art. 166 niet mag worden uitgebreid, te minder omdat art. 225 van het Üntw. v. 1820 bepaalde dat de vrouw geen bijstand behoefde „in procedures tusschen de echtgenooten zeivenquot;, welke ruime bepaling door ons artikel 166, 2°., belangrijk is beperkt (vgl. Diephüis, t. a. p., bl. 202).
■/. bij het instellen eener rechtsvordering tot verkrijging der bij art. 1217 B. W. bedoelde hypothecaire inschrijving.
Vgl. bl. 210 supra, sub o.
De machtiging of bijstand van den man kan worden vervangen door eene rechterlijke machtiging (art. 167, 169 B. W.; art. 1 der wet van 18 April 187-i, Stbl. N0. 68, art. 324, 5°., 798—800 Rv.); en wel:
machtiging dek vrouw door een rechter.
1°. Ingeval de rnau weigert zijne vrouw te machtigen om eene akte aan te gaan of om in rechte te verschijnen (art. 167).
Hier moet de vrouw zich tot de Arr.-Reohtbank der gemeene woonplaats wenden, welke na den man te hebben gehoord of opgeroepen (art. 799 Rv.) en na conclusie van het openbaar ministerie (art. 324, 5°. Rv.) haar de vereischte machtiging kan verleenen. Men houde in het oog, dat de machtiging van art. 167 B. W., als betreffende eene bepaalde rechtshandeling of eenen hij zonderen rechtsstrijd, van veel beperkter strekking is dan die van art. 169.
2°. Wanneer de man uithoofde van afwezigheid of om andere redenen, verhinderd wordt zijne vrouw bij te staan of te machtigen, of een tegenstrijdig belang heeft (art. 169).
In zoodanig geval kan (sedert de aangehaalde wet van 1874) de Kantonrechter der gemeene woonplaats, op de by die wet omschreven wijze, de noodige machtiging verleenen. Deze machtiging is van ruimer strekking dan de vorige, want de vrouw kan volgens art. 169 de bevoegdheid verkrijgen om in rechte te verschijnen, verbintenissen aan te gaan, beheer te voeren en alle andere akten te verrichten; die ruimere strekking kan voor het geval van verhindering van den man zeer doelmatig zijn. Minder goed is zij te rechtvaardigen voor het geval van strijdig belang (vgl. Diephüis, bl. 20H, 209; van Hall, bl. 228, 229). Beter ware dus wellicht dit laatste onder art. 167 geplaatst. Weigering en strijdig belang zy n daarenboven zeer verwante begrippen; het tweede kan tot het eerste leiden; en daardoor zal het geval van art. 169 gemakkelijk in dat van 167 kunnen ontaarden. Daarom is het te betreuren, dat de wet van 1874, zonder voldoenden grond het geval van art. 167 B. W. niet eveneens aan den Kantonrechter heeft opgedragen, waardoor mogelijke twijfel omtrent de bevoegdheid zou zijn afgesneden.
Het Rchijnt niet ondenkbaar, dat de man, zelfs bij strijdig belang, zijne vrouw machtigt, waardoor de rechterlijke autorisatie overbodig wordt (Diephuis, bl. 206; v. Hall, t. a. p.).
In art. 169 is niet enkel bedoeld afwezigheid in wettelijken zin (B. I, tit, 19, B. W.), maar eveneens feitelijke afwezigheid, voor zoover nl. de man daardoor verhinderd kan worden de vereischte machtiging te verleenen. Ziekte, krankzinnigheid enz. kan ook oorzaak van zoodanige verhindering zyn (vgl. art. 798 Rv.). Het schijnt dat by het ophouden der verhindering van den man de rechterlijke machtiging van zelf als vervallen moet worden beschouwd. Moeielyk toch
213
214 vernietigbare handelingen der vrouw. bekrachtiging.
kan men met enkele schrijvers aannemen dat de man eene rechterlijke beschikking zou kunnen herroepen.
Wanneer in een geding tegen eene getrouwde vrouw de man is opgeroepen om haar te machtigen en hij niet verschijnt, zal de rechter die machtiging verleenen (art. 800 Ev.). Het niet verschenen kan uit onwil of uit verhindering voortspruiten en hier zal dus sedert de wet van 1874, dikwijls twijfel zijn of de toestemming aan de Rechtbank , of aan den Kantonrechter moet worden gevraagd; of heeft art. 800 Rv. het oog op den rechter voor wien de vordering aanhangig is gemaakt?
Zie hieromtrent Diephuis, bl. 218, die de laatste vraag bevestigend, Opzoomer, bl. 236, die haar ontkennend beantwoordt.
Wanneer de vrouw heeft gehandeld zonder de vereischte machtiging van den man of den rechter, is de handeling voor vernietiging vatbaar (art. 171 j0., 1482 B. W.).
De wet spreekt min juist1 van „nietigheidquot;, of zelfs van het „van regtswege nietig zynquot; dier handelingen of overeenkomsten. Men denke hier slechts aan eene betrekkelijke nietigheid. Alleen de vrouw, de man of hunne erfgenamen kunnen de nietigheid der handeling inroepen (art. 171). Dit is in overeenstemming met het aloude, in art. 1367, lid 2 uitgedrukte beginsel, dat hij die bekwaam is om zich te verbinden, zich niet kan beroepen op de onbekwaamheid der wederparty (1. 13, § 29 D. de act. empti, 19, 1; § 9 lust. de inut. stip., 3, 19).
De bevoegdheid tot het inroepen der nietigheid vervalt echter door uitdrukkelijke of stilzwijgende bekrachtiging der handeling (art. 1492, 172 B. W.).
Vgl. lex 29 C. de pactis, 2, 3 „regula est juris antiqui omnes licentiam habere his, quae pro se introducta sunt, renuntiare.quot; Zoodanige bekrachtiging is denkbaar zoowel gedurende het huwelijk als na de ontbinding daarvan. Gedurende het huwelyk kan zij door de samenwerking van heide ecUgenooten geschieden.
Er bestaat twyfel omtrent de vraag, of eene bekrachtiging door den man alleen, ook aan de vrouw het recht ontneemt tegen de handeling op te komen (zie o. a. Diephuis, bl. 213 en v. bevestigend, Opzoomer, bl. 238, v. Hall, bl. 229 ontkennend). De vrouw alleen mist natuurlijk gedurende het huwelyk elke bevoegdheid tot bekrachtiging dei-handeling. Na ontbinding van het huwelijk kan eene bekrachtiging
wettelijke gemeenschap van goederen.
door den man alleen ongetwijfeld slechts hemzelf en zijne erfgenamen binden; dat de vrouw thans de nietige handeling kan bekrachtigen, is «en gevolg van hare herkregen zelfstandigheid (zie art. 1492 en 172). Zoodanige bekrachtiging zal echter den man of zijne erfgenamen niet kunnen benadeelen.
Geheele of gedeeltelyke ten uitvoerlegging van de handeling door de vrouw, na ontbinding des huwelijks, geldt als stilzwygende bekrachtiging (art. 172).
De vordering tot nietig-verklaring der handeling kan slechts gedurende vijf jaren worden ingesteld; deze beginnen ten opzichte der vrouw te loopen van den dag der ontbinding des huwelijks (art. 1490, lid 1 en 7). Bij wege van verdediging of exceptie voorgedragen, kan men echter de nietigheid steeds doen gelden (eod. lid 8), overeenkomstig den regel „quae sunt temporalia ad agendum perpetua sunt ad exeipiendum.quot;
Voormelde artikelen betreffen alleen de vernietigbaarheid van rechts-handelingen, waartoe de vrouw niet bevoegd was; geenszins het geval dat eene vrouw zonder de vereischte machtiging in rechte zou zijn op-(jetreden. Men onderscheide hier of de vrouw gedaagde dan wel eische-resse is. In het eerste geval leert art. 800 Rv., ofschoon op onduide-lyke wijze, hoe te handelen; in het laatste geval zal men den gedaagde het recht niet mogen ontzeggen de niet ontvankelijkheid der vordering in te roepen. Vgl. hieromtrent de vele rechtsvragen, behandeld by Diephdis, bi. 218 en v.
G. H u w e 1 ij k s vermogensrecht.
I. DE WETTELIJKE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN.
Van het oogenblik der voltrekking des huwelijks bestaat, van rechtswege, algeheele gemeenschap van goederen tusschen de eclit-genooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche voorwaarden geene andere bepalingen gemaakt zijn (art. 174).
In afwy king van het Romeinsche recht, waar de echtgenooten ieder hunne goederen behielden en de man alleen, onder zekere beperkingen, eigenaar van het huwelijksgoed (dos) werd, is de onbeperkte gemeenschap van goederen onder het Grermaansche recht ontstaan (zie Op-zoomër, I, bl. 255 en v.). Gedurende de Republiek was zy in verscheidene gedeelten van ons land regel, althans in Holland, Zeeland, Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht, Overijssel en de stad Groningen. Zoo ook in Drenthe en in een deel der provincie Groningen, wanneer
215
wettklijke gemeenschap van go ede ken.
er kinderen geboren werden; terwyl er, bij gebreke van kinderen in sommige noordelijke streken van ons land gemeenschap van winst en verlies bestond (Diephüis IV, bl. 222; v. Hall, bl. 235).
In Frankrijk gold tweeërlei stelsel. In het zuiden, in de \'pays de droit écrit, het régime dotal, waarbij de man het huwelyksgoed bekwam om uit de inkomsten de kosten voor de huishouding te bestryden, terwijl de vrouw hare overige goederen behield, die zij zelfs zonder toestemming van den man kon vervreemden. In het noorden daarentegen, in de pays de droit coutumier, was het. régime en communauté van kracht, steunende op avt. 220 der Coutume de Paris, hetwelk bepaalde: „homme et femme conjoints ensemble par mariage, sont com-„muns en biens meubles et conquêts immeubles faits durant et constant „ledit mariagequot; (de Maleville, III, ad art. 1393). Dit laatste stelsel van beperkte gemeenschap is in hoofdzaak overgenomen in den Code Nap. (art. 14U1) en omvat 1°. de roerende goederen, die de echtgenooten bij de voltrekking van het huwelijk bezitten en die zij staande huwelyk verkrijgen; 2°. de vruchten en inkomsten van welken aard ook gedurende het huwelijk vervallen of genoten van goederen, die de echtgenooten bij het aangaan van het huwelijk bezitten of die zij later mochten bekomen; 3°. de onroerende goederen staande huwelijk verkregen.
Het Wetboek Napoleon voor het Koningrijk Holland week van dit stelsel af en schreef in art. 172 als regel voor: onbeperkte gemeenschap van goederen, zoo tegenwoordige als toekomende, geene uitgezonderd, mitsgaders winst en verlies staande huwelyk te vallen. Hetzelfde beginsel huldigde ook het ontwerp v. 1816 in art. 242 (Vooedutn, I, 45). De tegenstand der zuidelyke provinciën tegen die onbeperkte gemeenschap was oorzaak, dat het ontwerp van 1820 twee soorten van gemeenschap aannam, de bepaalde en onbepaalde. By de voltrekking van het huwelyk konden de echtgenooten hieromtrent eene keuze doen en dit aan den ambtenaar van den burgerlyken stand opgeven , die er op het huwelijksregister melding van moest maken. Werd zoodanige verklaring niet gedaan en waren er geen huwelijksche voorwaarden gemaakt, dan werden de regelen omtrent de onbepaalde gemeenschap gevolgd. Deze kwam overeen met de onbeperkte gemeenschap van het Wetb. Nap. voor Holland, terwyl de bepaalde gelijk was aan de beperkte van den Code Nap. (Ontw. 1820, art. 248, 249, 250, 252, 265). Ook hiertegen werden bedenkingen geopperd en in het Wetboek van 1830 werd in art. 179 en v. de wettelijk, gemeenschap op ongeveer dezelfde wijze geregeld als in den Code Nap. By de laatste herziening der wet is men tot de aloude hier te lande bekende algeheele gemeenschap van goederen teruggekeerd; (zie hieromtrent Voorduin, II, bl. 294 en v., Asser, Perg. § 99 en v.)
baten en lasten der fi e m e e n s c h a p.
Die gemeenschap kan, staande huwelijk, niet door onderlinge overeenkomst der echtgenooten worden opgeheven of gewijzigd (art. 174).
Hoewel de wet het niet uitdrukkelijk bepaalt, moet toch ook hier aangenomen worden dat de gemeenschap aanvangt met de voltrekking van het huwelijk (zie art. 202). Alleen vóór dien tyd kan de wettelijke gemeenschap gewijzigd of beperkt worden. Van daar ook dat het aan de echtgenooten verboden is elkander, staande huwelijk, door schenkingen te bevoordeelen (art. 1715 B. W.), terwijl koop en verkoop tusschen echtgenooten eveneens in den regel verboden is (art. 1503 B. \\V.), als kunnende gemakkelijk in ongeoorloofde bevoordeeling ontaarden.
De gemeenschap omvat;
lu. de baten. Hiertoe worden gerekend:
a. de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoowel tegenwoordige als toekomende (art. 175).
Onder goederen moeten zoowel lichamelijke als onlichamelijke zaken verstaan worden. Mitsdien valt het recht van vruchtgebruik, van opstal, van erfpacht, enz., dat een der echtgenooten bezitten mocht, in de gemeenschap. Evenzeer de erfenissen, legaten en schenkingen, voor zoover die gedurende het bestaan der gemeenschap aan een der echtgenooten opkomen; maar dan ook onverschillig of eerst na hare ontbinding de erfenis aanvaard of het legaat opgevorderd wordt.
Uitgezonderd zijn echter die zaken, waaromtrent de erflater of schenker uitdrukkelijk het tegendeel bepaald mocht hebben (art. 175).
Hier treedt de wil van den erflater of schenker op den voorgrond; de echtgenooten moeten zich daaraan onderwerpen. Dit kan echter alleen gelden van zoodanige zaken, als waarover de erflater of schenker de vrije beschikking had. Dergelijke bepaling kan derhalve niet gemaakt worden ten opzichte van het wettelijk erfdeel (art 960 B. W.; Opzoomek, I, bl. 259; Diephüis, IV, bl. 230).
b. alle vruchten, inkomsten en winsten (art. 177).
Men vatte deze woorden op in den ruimsten zin; niet in dien van art. 212 en v. B. W.
2°. de lasten. Hiertoe worden gerekend:
a. alle schulden, door ieder der echtgenooten, hetzij voor, hetzij staande het huwelijk gemaakt (art. 176);
217
LASTEN DER GEMEENSCHAP. BEHEER.
Evenals de bezittingen, die de echtgunooten vóór het huwelyk hadden, worden de reeds bestaande schulden gemeen. Ten aanzien der schulden, door de vrouw staande huwelijk gemaakt , denke men inzonderheid aan het geval, dat zij openbare koopvrouw is.
Onder de schulden zullen ook gerekend moeten worden de boeten en gerechtskosten, door een der echtgenooten in strafzaken verbeurd (zie Asser, Verg. bl. 86, en Wbl., nquot;. 1486 en 1493). De schulden daarentegen, waarmede eene erfenis of een legaat bezwaard is, dat buiten de gemeenschap moet blijven, zullen daarin niet vallen, maar voldaan moeten worden door hem, die de erfenis of het legaat gekregen heeft (Diephüis, IV, bl. 232; Vooeduin, II, bl. 320).
Hieronder zijn niet begrepen de doodschulden, na het overlijden vallende (art. 178).
Men zal hier dus alleen aan de begrafeniskosten te denken hebben 5 de kosten der laatste ziekte toch ontstaan reeds vóór het overlyden. Art. 1481 C. N. bracht ook de rouwkleederen der vrouw ten laste van de erfgenamen van den man. De bepaling van ons artikel daarentegen vloeit met zuiverheid voort uit het beginsel, dat op het tijdstip van den dood de gemeenschap wordt ontbonden (art. 181, 1°. B. W.).
h. alle verliezen staande huwelijk geleden (art. 177 B. W.).
Eveneens in de ruimste beteekenis, zoodat elke achteruitgang in het vermogen daaronder te verstaan is.
Door het huwelijk worden de goederen van beide echtgenooten ver-eenigd en ontstaat er, zonder dat eenige levering noodig is, één gemeenschappelijke boedel. Min juist wordt in art. 1658 B. W. die gemeenschap als eene maatschap beschouwd. Zij toch ontstaat en eindigt op geheel andere wijze dan de maatschap en wordt door geheel andere beginselen beheerscht, zoodat men de bepalingen over de maatschap niet op haar kan toepassen.
Er bestaat geen grond in de wet om hetzy de gemeenschap, hetzij het huwelijk als een rechtspersoon te beschouwen, die, afgescheiden van de echtgenooten bestaande, als eigenaar van bet gemeenschappely k goed aan te merken zou zijn (Diephuis, IV, bl. 236 en de daar aangehaalde schrijvers, Laurent, XXI, bl. 227).
Beheer der gemeenschap.
De man heeft als hoofd der echtvereeniging het beheer over de goederen der gemeeuschap (art. 160, 179 B. W.).
218
b e h e k e. beperkingen in het beheer. 219
De opvatting van enkelen als ware gedurende het huwelijk de man alleen eigenaar der gemeenschap, is in rechtskundigen zin te verwerpen. Slechts feitelijk oefent hij alleen de eigendomsrechten uit, doordien hij de gemeenschap beheert, zonder eenige medewerking der vrouw te behoeven.
Yan den gemeenen boedel zijn integendeel de beide echtgenooten eigenaren, ieder pro indiviso (Asser, Verg. bl. 89). Zoolang de gemeenschap niet ontbonden is, kan de vrouw op die helft geene rechten uitoefenen en daarover niet beschikken. Recht op haar eigen aandeel in dien boedel verkrygt zij eerst van het oogenblik der ontbinding. Bij testament echter kan zij over haar aandeel beschikken; de wil toch is alsdan gericht op eene handeling, welker uitvoering eerst na de ontbinding der gemeenschap plaats heeft (art. 950 B. W.).
Hij kan de goederen der gemeenschap zónder tusschenkomst vau de vrouw verkoopen, vervreemden en bezwaren (art. 179).
De man heeft dus de algeheele beschikking over de goederen der gemeenschap, onverschillig of die aan de vrouw toebehoord hebben en nog op haar naam mochten staan.
In de vrije beschikking over die gemeenschappelijke goederen is de man echter beperkt, hetzij door de wet, hetzij door onderlinge overeenkomst.
Wettelijke beperkingen. Verboden zijn:
a. schenking van onroerende goederen (art. 179);
Indien de vrouw tot de schenking medewerkt, bestaat er minder grond, dat die ook verboden zou zijn. De echtgenooten toch zijn te zamen eigenaars van de goederen der gemeenschap, te zamen derhalve zouden zij er naar willekeur over kunnen beschikken (anders Laurent, XXII, blz. 23).
Handelt de man in strijd met deze bepaling, dan kan de vrouw daartegen opkomen. Volgens Diephuis, IV, 240, kan ook de man dit doen, op grond van art. 1366, 1367 B. W.
b. schenking vau het geheel of een bepaald gedeelte of hoeveeliieid der roerende goederen (art. 179);
Men denke hier aan eene schenking onder algemeenen titel, van al de roerende goederen of een evenredig gedeelte daarvan, b. v. \';2, 1ji. Eigenaardig spreekt de C. N. in art. 1422: de l\'universalité au d\'une quotité du mobilier.
BEPERKINGEN IN HET BEHEER.
De sclieukiugen, onder a en b genoemd, kunnen echter geschieden, om aan de kinderen, uit het huwelijk der echtgenooten gesproten, een stand te verschaffen.
Volgens art. 375 B. W. kunnen de ouders niet verplicht worden aan hunne kinderen een stand te verschaffen, maar in vele gevallen zal zulks plaats hebben. Dergelijke schenkingen zgn volgens art. 1142 B. W. aan inbreng onderworpen.
Onder de kinderen, uit het huwelijk gesproten, zullen de kinderen, die door de ouders gewettigd zijn, mede begrepen dienen te worden.
e. schenking van eeuig roerend goed, met voorbehoud van vruchtgebruik (art. 179);
Het gevaar van dergelijke handeling is te grooter, naar mate het minder in het oog loopt en zich eerst in de toekomst, voornamelijk ten opzichte der vrouw, doet gevoelen.
d. beschikking bij uitersten wil over de goederen der gemeenschap, voor zoover die het den man toekomende aandeel overtreffen (art. 950 B. W.),
Hierover zal bij het erfrecht nader worden gehandeld.
Beperking door onderlinge overeenkomst. Deze geschiedt bij huwe-lijksche voorwaarden. Zoo kan de vrouw o. a. bedingen dat, niettegenstaande de wettelijke gemeenschap, de onroerende goederen, de inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, de andere effecten en inschulden, ten haren naam staande en door haar aangebracht of die staande huwelijk harerzijds in de gemeenschap mochten vallen, buiten hare medewerking, niet door haren echtgenoot zullen mogen worden vervreemd of bezwaard (art. 195).
Bij afwezigheid van deu man of indien deze zich in de onmogelijkheid bevindt om zijn wil te verklaren en er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goederen der gemeenschap verbinden of vervreemden, na daartoe door. den Kantonrechter gemachtigd te zijn (art. 180).
Daar het beheer van- en de beschikking over die goederen aan den man is opgedragen, zoo is alle beschikking daarover door de vrouw, indien zij niet voor de een of andere handeling door den man opzettelijk gemachtigd is, krachteloos, daar zoodanige handeling verricht zou zijn door iemand die daartoe de bevoegdheid mist. In de hier ge-
220
ONTBINDING DEK GEMEENSCHA. P.
noemde gevallen wordt de onbevoegdheid door den Kantonrechter aangevuld, doch er moet niet slechts onverwijlde noodzakelijkheid bestaan, maar ook onmogelykheid voor den man om zijn wil te verklaren.
De wet spreekt hier van „verbinden en vervreemdenquot; der goederen van de gemeenschap, doch hetzelfde zal ook wel het geval zijn, indien daden van enkel beheer verricht moeten worden (art. 169).
De in dit artikel bedoelde machtiging mag niet zijn algemeen, maar behoort voor iedere door de vrouw te verrichten handeling te worden gevraagd (zie Amsterdam, 30 April 1867, R. Bijhl., 1867, bl. 700; Arnhem, 7 Mei 1888, W. n». 4965).
De hier genoemde bevoegdheid is door de wet van 18 April 1874, Stbl. n0. 68, van de Rechtbank op den Kantonrechter overgebracht. Het verzoek wordt gedaan op de wijze bij art. 798 B. Rv. voorgeschreven (verg. bl. 212, 213 supra).
Indien de echtgenooteu in gemeenschap van goederen gehuwd zijn en de man de goederen slecht beheert en verspilt, dan heeft de vrouw het recht om gedurende het bestaan der gemeenschap scheiding van goederen te vragen (art. 241 B. W.); daarenboven kan zij na de ontbinding der gemeenschap daarvan afstand doen. Ook kan het recht der vrouw om de onder curateele-stelling van haren man te vragen, haar tot bescherming harer geldelijke belangen te stade komen (art. 488 B. W.).
Ontbinding der gemeenschap.
De gemeenschap wordt ontbonden:
1°. door het eindigen van het huwelijk, hetzij door den dood van een der echtgenooten, hetzij door echtscheiding, hetzij, in geval van afwezigheid, door het sluiten van een ander huwelijk, met verlof van den rechter:
2°. door scheiding van goederen, hetzij als gevolg van scheiding van tafel en bed, hetzij op verzoek der vrouw door den rechter uitgesproken (art. 181 B. W.).
Indien de gemeenschap door het overlijden van een der echtgenooten ontbonden wordt en er minderjarige kinderen overblijven, is de langstlevende echtgenoot verplicht binnen den tijd van drie maanden eene boedelbeschrijving te doen opmaken van de goederen, die tot de gemeenschap behooren. Deze boedelbeschrijving kan onderhands,
221
VKRPLrCHTING TOT BOEDELBESCHRIJVING.
doch moet in tegenwoordigheid van den toezienden voogd worden opgemaakt (art. 182 B. W.).
Deze bepaling rust op de zorg, die de wetgever voor minderjarigen heeft, opdat aan hunne belangen geen schade worde toegebracht. Zijn er alleen meerderjarigen, dan kunnen deze de noodige maatregelen nemen, opdat het hun toekomende deel in de gemeenschap niet ver-mindere. Zij kunnen o. a. de scheiding en deeling in rechte vorderen en hierdoor tevens de medebelanghebbenden tot het opmaken van de boedelbeschrijving dwingen (art. 1112 en v. B. W.).
Het voorschrift geldt alleen voor het geval dat er minderjarige kinderen zijn, en kan niet uitgebreid worden tot het geval, dat er meerderjarige onder curateele gestelde, of kleinkinderen overblijven.
Indien er zoowel meerder- als minderjarige kinderen zijn, zal, bij niet voldoening aan het voorschrift van dit artikel, de gemeenschap ten opzichte van de eerstgenoemden ontbonden zijn, ten opzichte van de minderjarigen echter voortduren. Zie Mr. G. Belinfante, Themis, 1862, bl. 1 en vlg.
De boedelbeschrijving zal, zoo zij onderhands is opgemaakt, ter griffie van het Kantongerecht overgebracht en door den langstlevenden echtgenoot beëedigd moeten worden (art. 678, 681, n0. 7, Rv.; arrest H. R. 13 April 1877, Wbl. 4115 en arrest Hof Leeuwarden 13 September 1876, Wbl. 4030; anders vonnis Leeuwarden 12 Januari 1876, Wbl. 4029).
De wetgever denkt hier aan het meest gewone geval, dat de langstlevende der ouders tevens voogd zijn zal. Indien dit echter niet het geval is, zal de voogd dan ook tot de boedelbeschrijving moeten medewerken\'? Op grond van art. 444 B. W. kan deze vraag niet anders dan bevestigend beantwoord worden. De voogd toch is verplicht bij het aanvaarden der voogdij eene boedelbeschrijving op te maken van de goederen van den minderjarige. De inventaris nu, bedoeld bij art. 182, bevat voor een deel de nalatenschap, die aan de minderjarigen toekomt, weshalve de voogd zijne medewerking moet verleenen, ten einde de op hem rustende verplichtingen na te komen.
Indien de langstlevende der ouders aan dit voorschrift niet voldoet, heeft dit ten gevolge :
1°. dat de gemeenschap voortduurt ten voordeele van de minderjarigen, doch nimmer te hunnen nadeele (art. 182 B. W.);
Deze bepaling komt niet voor in den Code Nap., maar is overgenomen uit art. 196 van het Wetb. Nap. voor Holland, dat haar aan het oude Fransche recht en wel aan art. 241 der coutume de
222
v e r z r t m vax inventarisatie.
Paris ontleende. (Vgl. S. J. Lageewey, de gecontinueerde yemeensckap, volgens art. 182 B. W., in het voormalige en hedendaagse?/e recht; Ontw. 1820, art. 259—264, en Mr. G. Bkunfante, Themis, t. a. p.)
Telkens wanneer het belang der minderjarigen het medebrengt duurt de gemeenschap voort. De legaten of schenkingen, die aan den langstlevende der ouders opkomen, en de inkomsten, die deze uit eigen arbeid trekt, komen in de gemeenschap en daarvan zullen de minderjarigen hun aandeel genieten. Datgeen echter wat de minderjarigen mochten bekomen door erfenis of legaat, zal niet in de gemeenschap vallen, maar aan den minderjarige uitsluitend toebehooren. In de schulden daarentegen door den langstlevende gemaakt, zullen de minderjarigen niet behoeven by te dragen; deze blyven ten laste van hem, die ze gemaakt heeft (Diephuis, IV, bi. 256 en v.).
Het beheer van zoodanige gemeenschap berust bij den langstlevende. Echter zal deze hierin onderworpen zijn aan vele verplichtingen, die op den voogd rusten. Is de langstlevende niet tevens voogd, dan moet hij, die met de voogdij belast is, de noodige maatregelen nemen om tot de scheiding der gemeenschap te geraken (zie Diefhuis, IV, hl. 261).
Bekend is de vraag hoe lang die gemeenschap zal voortduren. Zoowel door den dood van den langstlevende der ouders als door de meerderjarigheid van de kinderen eindigt zij; en zulks als gevolg van het begrip van gemeenschap en van de reden, waarom deze wetsbepaling in het leven geroepen is, gelijk boven is aangetoond. Hetzelfde zal men moeten aannemen, indien de langstlevende der ouders na den in dit artikel genoemden fatalen termijn den inventaris opmaakt. Van dat oogenblik toch heeft de reden, waarom de gemeenschap moest voortduren, opgehouden; er is dan eene beschrijving opgemaakt van de goederen, waaruit de gemeenschap bestaat; voor 1 benadeeling van de kinderen bestaat dan geen vrees meer. (Zie vonnis Eindhoven, 11 October 1875, fTbl. 3905; Leeuwarden, 12 Januari 1876, IPbl. 4029 en arrest Zuid-Holland, 6 Mei 1872, IVhl. 3487; Léon, B. IT., uitg. Asser en Kombach, ad art. 182, nquot;. 11 en 13.) In art. 196 van het Wetb. Nap. voor Holl. was uitdrukkelyk bepaald, dat die gemeenschap zou voortduren tot den tyd, dat de inventaris gemaakt zal zijn.
Bij arrest van den H. R. van 13 April 1877, Wbl. 4115, werd nog beslist, dat die inventaris eerst dan geacht kan worden te bestaan, wanneer de formaliteiten, voorgeschreven bij art. 678 en 681 Rv., zijn nagekomen.
Het voortduren der gemeenschap moet wel onderscheiden worden van het geval, bedoeld bij art. 466 B. W., waar aan den Kantonrechter de bevoegdheid gegeven wordt om, indien het belang der
223
224 gevolgen van de ontbinding dek gemeenschap.
minderjarigen het medebrengt, aan den langstlevende der ouders verlof te verleenen met de minderjarigen de handelszaak gedurende een bepaalden tijd te mogen aanhouden. Dan toch duurt de wettelijke gemeenschap niet voort, maar wordt de scheiding van het geheel of van een deel der goederen aangehouden, terwijl die worden aangewend om het winstgevende bedrijf, dat vroeger gedreven werd, voort te zetten.
Zie omtrent den samenhang van dit leerstuk met het Oud-Hol-landsche boedelkouderschap of de continuata communio, Hall, bl. 241. Deze rechtstoestand levert punten van overeenkomst op, zoowel met art. 182 als met art. 466 B. W. Zie dk Gboot, Inl., II, 13; vgl. ook Mr. Gr. Belinfante, Themis, 1862, bl. 1 en v.
2°. dat de langstlevende der ouders het vruchtgenot verliest van al de goederen, die aan de minderjarigen toebehooren (art. 370 B. W.).
Onder die goederen moet niet alleen het aandeel der kinderen in de gemeenschap worden begrepen maar ook al de verdere goederen, die de kinderen mochten hebben of later verkrijgen. Wordt de inventaris niet binnen de drie maanden na den dood van een der ouders opgemaakt, dan zal de langstlevende het vruchtgenot ook niet herkrijgen, al heeft de boedelbeschrijving later plaats. De Regeering noemde dit voorschrift de poenale sanctie van art. 182 B. W. (Yogr-uüin, II, bl. 595).
Het gevolg van de ontbinding der gemeenschap is, dat de gemeene boedel, dus zoowel de baten als de schulden, bij helfte verdeeld wordt tusschen man en vrouw of tusschen den langstlevende en de erfgenamen van den eerst-overledene, en wel volgens de regelen omtrent boedelscheiding voorgeschreven (art. 183, 1112 vlg. B. W.).
De wet voegt er by, dat die verdeeling geschieden zal zonder aanzien der zijde, waarvan de goederen zijn voortgekomen. Dit is een natuurlijk gevolg van de gemeenschap, daar de goederen, onverschillig door wien aangebracht, gemeenschappelijk eigendom worden en ieder der echtgenooten daarop dus evenveel recht heeft.
Volgens art. 1483 C. Nap. was de vrouw, mits zij eene behoorlijke boedelbeschrijving opmaakte, slechts gehouden om zooveel van de schulden te betalen als haar aandeel in de baten der gemeenschap bedroeg. Volgens ons recht draagt de vrouw de helft der schulden, onverschillig of die al dan niet haar aandeel in de bedoelde baten overschrijden.
GEVOLGEN DEK ONTBINDING.
Hierbij komen de volgende bepalingen in aanmerking:
1°. de kleedingstukken, de kleinooden, de tot het beroep van een der echtgenooten behoorende gereedschappen, de boekerijen, de verzamelingen van kunst en wetenschap, de tot zijn geslacht, betrekking hebbende papieren en gedenkstukken, kunnen tegen den prijs, waarop zij in der minne of door deskundigen geschat worden, teruggevorderd worden door diengene der echtgenooten, van wien zij oorspronkelijk afkomstig of tot wiens gebruik zij bestemd waren (art. 184);
Deze bepaling is uit den aard der zaak en voor zoover zij daarvoor vatbaar is ook toepasselijk op de erfgenamen van de echtgenooten.
2°. de man blijft voor de schulden van de gemeenschap tegenover derden voor het geheel aansprakelijk, behoudens zijn verhaal jegens de vrouw of hare erfgenamen voor de helft (art. 185);
De schuldeischers, in wier belang deze bepaling is geschreven, zijn bevoegd om die schulden, onversehilling of de gemeenschap al dan niet verdeeld zij, van den man voor het geheel te vorderen; zij kunnen evenwel desverkiezende ieder der echtgenooten voor de helft aanspreken.
In art. 1491 C. X. was uitdrukkelijk voorgeschreven, dat dezelfde verplichting ook rustte op de erfgenamen van den man. Hetzelfde zal men moeten aannemen voor ons recht, daar de erfgenamen in de plaats treden van den overledene en zij dus aan dezelfde verplichtingen als de overledene zijn onderworpen (vgl. in verschillenden zin: Léon, B. ff., uitg. Asser, ad art. 185, n0. 3, \'s Hertogenbosch 5 April 1887, W6L n0. 5494, Almelo 18 Maart 1885, JFhl. n0. 5517 en beschouwingen hieromtrent, Mengelw. //\'. n0. 5517 en 5521). Volgens art. 1147 B. W. is ieder erfgenaam slechts aansprakelijk voor de schulden, naar mate van de hoegrootheid van zijn erfdeel. De deelbare schulden van de gemeenschap kunnen dus van al de erfgenamen te zamen, doch van ieder slechts voor een evenredig deel gevorderd worden.
3quot;. na de scheiding en deeling van de gemeenschap blijven de schulden, door een der echtgenooten vóór het huwelijk gemaakt, ten laste van hem, die ze heeft aangegaan, behoudens diens verhaal voor de helft tegen den anderen echtgenoot of diens erfgenamen (art. 186).
Men achtte het verkieslijk dat, na de opheffing der gemeenschap en na scheiding, ook te dezen opzichte de zaken in haar vorigen toestand hersteld zonden worden; bijgevolg spreken de schuldeischers
Asser, Buryerl. Recht. i. 3e druk. 15
225
a f s t a n u van 1) e g k m e e n s c h a p.
hem of haar aan, met wien zy voorheen in verbintenis waren getreden. Zij behoeven geen voordeel te trekken uit een huwelijk, waaraan zij vreemd waren (Voorduin, II, bl. 342—346).
Zoolang er echter geen verdeeling plaats gehad heeft, kan de man , krachtens art. 185, voor die schulden aangesproken worden.
Afstand van de gemeeuscliap.
De vrouw is niet verplicht de helft der gemeeuscliap te aanvaarden. Zij heeft het recht daarvan afstand te doen, welk recht haar noch bij huwelijksclie voorwaarden, noch op eenigerlei andere wijze ontnomen kan worden (art. 187 , 208 B. W.).
De uitgestrekte macht, aan den man gegeven in het beheer der gemeenschappelijke goederen , en de daarin gelegen mogelijkheid om de vrouw te benadeelen, maakte het noodzakelijk haar dit voorrecht toe te kennen. Aan den man is dit niet verleend, omdat hy er voor behoort te waken, dat de gemeenschap geen schade lijde, en, indien zulks gebeurt, dit aan hem te wijten is. Dit geldt ook voor zijne erf-génamen, die echter tot beveiliging van hunne eigene belangen, het recht hebben zijne nalatenschap te verwerpen of die onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden. Tot die nalatenschap behoort behalve zijn aandeel in de gemeenschap ook dat der vrouw, indien zy van haar recht van afstand gebruik heeft gemaakt.
Het recht om afstand te doen is eene zaak van openbare orde; van daar dat ieder beding, in strijd daarmede gemaakt, nietig is. Het recht daartoe komt de vrouw zoowel bij de wettelijke als bij de beperkte gemeenschap toe.
Sommige schryvers bet wy fel en wel is waar of men ook afstand kan doen van de gemeenschap van winst en verlies, o. a. op grond dat deze gemeenschap geene gemeenschap van goederen zou zyn. Daartegenover echter mag men o. i. met meer grond stellen dat volgens art. 208, lid 1 B. Wquot;., de regelen, omtrent de wettelijke gemeenschap in geval van gemeenschap van winst en verlies toepasselijk verklaard worden, voor zooverre daarvan niet bij huwelijksche voorwaarden is afgeweken; waaruit volgt dat aan de vrouw ook in dat geval het recht van afstand niet mag worden ontzegd. Zie Arr. v. d. H. Raad v. 16 Juni 187C, R. d. 113, bl. 135, Dibi\'huis, IV, bl. 359 en de uitgebreide litteratuur en jurisprudentie aldaar en bij Léon B. JV., uitg. Asskr en Rom-bach, sub art. 187, aant. 1, vermeld.
De vrouw heeft dit voorrecht, op welke wijze de gemeenschap
226
vorm van den a f s t a s 1).
ook ontbonden mocht zijn. Voor het geval van afwezigheid van den man, indien er rechtsvermoeden van overladen bestaat, zie art. 539 B. W.
Dit voorrecht heeft eenige uiterlijke overeenkomst met het verwerpen van eene nalatenschap, maar is daarvan in aard en gevolgen onderscheiden ; in aurd: omdat de vrouw het haar reeds toebehoorende — ofschoon in den regel door schulden bezwaarde — aandeel in de gemeenschap van zich afstoot; terwijl iemands vermogen, bij niet-aanvaarding eener erfenis, geene verandering ondergaat; in gevolgen: omdat zij op eenige bepaalde goederen aanspraak mag blijven maken en, althans tegenover de schuldeischers, niet van alle schulden ontheven wordt (art. 187 B. W.). Op de goederen, die de vrouw per-soonlijk toebehooren, en die buiten de gemeenschap vallen, heeft het doen van afstand geen invloed. Anders in het Oud-Holl. Recht; zie v. Hall, bl. 244, 245.
Om van dit voorrecht gebruik te maken is de vrouw verplicht ter griffie van de Arrondissements-Rechtbank der laatste gemeene woonplaats, eene akte van afstand uit te brengen, binnen den tijd van één maand na de ontbinding der gemeenschap, of na den dag, waarop zij van het overlijden van den man kennis heeft bekomen (art. 188).
In art. 1457 C. Nap. en 249 Wb. v. 1830 werd die termyn bepaald op drie maanden en veertig dagen; volgens art. 256 Ontw. 1820 moest de weduwe afstand doen vóór de begrafenis van haren man. Dit laatste is eene herinnering aan den oudtijds bestaanden zinne-beeldigen vorm, waarbij de vrouw voor de lijkbaar uitging in gewone kleeding, na de sleutels, als teeken van het huiselijk bewind, op de kist gelegd te hebben (vlg. van Hall, bl. 245, en Asser, Verg. bl. 96).
Eene duidelijke verklaring wordt derhalve van de vrouw geëischt; van een afstand, uit daden der vrouw afgeleid, is geen sprake. Laat zij den genoemden tgd voorbijgaan, dan kan zij van het voorrecht geen gebruik meer maken.
Wordt de vrouw, vóór het verstrijken van dien termijn, voor de schulden der gemeenschap aangesproken, dan kan zij eene dilatoire exceptie opwerpen (art. 159 Rv.). Zie deswege ook het nieuw ontworpen art. 141, lid 3, W. v. B. Rv. in het Wetsvoorstel Hartogh, art. 18, hetwelk bij het ter perse gaan dezes door de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangenomen.
De Rechtbank der laatste gemeene woonplaats wordt hier tot het doen der verklaring aangewezen. Is echter eene scheiding van
15*
227
GEVOLGEN VAN DEN AFSTAND.
goederen uitgesproken, dan moet volgens art. 814 Rv. door de vrouw die verklaring worden afgelegd ter griffie van de Rechtbank, die op dien eisch uitspraak heeft gedaan.
De gevolgen van den afstand zijn, dat de geheele gemeenschap van nu af toebehoort aan den man of diens erfgenamen. Mitsdien ontvangt de vrouw niets van de baten der gemeenschap en is van de verplichting tot betaling van haar aandeel in de schulden ontheven, met deze uitzonderingen:
1°. dat zij recht heeft op het linnengoed en de kleederen tot haar lijf behooronde (art. 187);
Op de kleinooden, gedenkstukken van haar geslacht en de andere goederen, genoemd in art. 184 B. W. kan de vrouw geen aanspraak maken, zelfs niet tegen vergoeding der waarde.
2°. dat zij gehouden is de schulden, die zij vóór haar huwelijk en die zij als openbare koopvrouw gemaakt heeft, te voldoen, met dien verstande, dat zij voor een en ander voor het geheel verhaal heeft op den man of dieus erfgenamen (art. 187).
Deze laatste bepaling is voornamelijk ten voordeele van de schuld-eischers gemaakt. Zij hebben met de vrouw gehandeld, die hiertoe bevoegd was; deze moest dus tegenover hen aansprakelijk blijven. Daar de vrouw echter, door het doen van afstand, buiten alle baten en lasten moet blijven, komt haar ook voor het betalen dier schulden volledig verhaal toe op den man. (Vgl. voorts Opzoomeb, I, ad art. 187 B. W.).
Indien de in algeheele gemeenschap gehuwde vrouw zich, staande huwelijk, voor eenige schuld solidair met den man verbonden heeft (waarvan het gevolg in rechte op zich zelf reeds zeer twijfelachtig mag heeten), wordt zij door afstand te doen ook van die schuld ontheven. Zie Diephuis, 1Y, bl. 287. Volgens art. 1494 C. Civ. bleef de vrouw in zoodanig geval aansprakelijk, behoudens het reeds genoemde verhaal op den man of diens erfgenamen.
Het recht om afstand te doen vervalt echter;
1°. indien de vrouw zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken (art. 191 B. W.);
Hierin ziet de wet eene stilzwijgende aanvaarding. Volgens dit artikel wordt die niet afgeleid uit daden van eenvoudig beheer of die het behoud der goederen betreffen. In het algemeen zal men
228
VERVALLEN VAX HET RECHT VAN AFSTAND. 229
eerst dan kunnen aannemen dat de vrouw zieli de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken, indien zij over de goederen gaat beschikken of daden verricht, waaruit haar voornemen duidelijk blijkt.
Hetzelfde is ook het geval bij het aanvaarden van erfenissen, art. 1094, 1095 B. W.
Met van Hall, bl. 246, zal men moeten aannemen, dat, indien de vrouw in een authentiek of onderhandsch geschrift eene hoedanigheid aanneemt, waardoor haar eigendomsrecht voor de helft der gemeenschap wordt uitgedrukt, daarin eene aanvaarding der gemeenschap gelegen is.
Onder de daden van beheer en tot behoud der goederen, zullen al die maatregelen begrepen moeten worden, die betrekking hebben op het eigeniyke bestuur dier goederen of tot handhaving van rechten aangewend worden, b. v. het ontvangen van huurpenningen, inschul-den, tractement enz., het beleggen dier gelden, het instellen van vorderingen tot de goederen betrekkelijk, enz.
2°. indien de vrouw eenige goederen van de gemeenschap lieeft weggemaakt of verduisterd (art. 192).
Door deze handelingen heeft de vrouw niet alleen over de goederen van de gemeenschap beschikt, en dus meer gedaan dan waartoe zij bevoegd was, maar bovendien heeft zij eene onrechtmatige daad gepleegd, die haar de gunstige wetsbepalingen, op dit stuk bestaande, onwaardig doet zijn. In de artt. 1077 en 1110 B. VV. zijn soortgelijke bepalingen gemaakt voor erfgenamen, die alsdan niet meer van het voorrecht van boedelbeschrijving gebruik kunnen maken, noch de erfenis verwerpen. Een en ander was reeds uitgedrukt in den ouden regel; qui prend biens de succession jusqii\'a la valeur de cmq sous, fait acte dïhéritier.
Indien de vrouw reeds afstand gedaan heeft, verliest de afstand door het plegen van die handelingen zgne kracht; heeft zij echter van het voorrecht nog geen gebruik gemaakt, dan kan zij dat recht thans niet meer uitoefenen.
Het reclit om afstand van de gemeenschap te doen komt ook toe aan de erfgenamen der vrouw (art. 189 en v. B. W.).
Hoewel in vele gevallen de erfgenamen hetzelfde doel zullen kunnen bereiken door de erfenis der vrouw onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden of die te verwerpen, zal hun het doen van afstand dikwijls te stade komen, niet alleen indien de vrouw in beperkte gemeenschap gehuwd is, maar ook indien, bij algeheele gemeen-
230 afstand gedaan\' uoob de erfgenamen der trouw.
schap, de vrouw goederen mocht bezitten, die krachtens den wil van eenen erflater of schenker buiten de gemeenschap zijn gebleven.
Men heeft gevraagd of de man van dit recht gebruik kan maken, indien hij erfgenaam der vrouw is. Dit is moeielijk aan te nemen, omdat de handeling juist dient tot bescherming der vrouw of van hare erven tegen het wanbeheer van den man; feitelijk zal het doorgaans geen verschil maken, daar datgene, wat de man door den afstand in hoedanigheid van erfgenaam verliest, door hem als man wordt herkregen. Zoo de man niettemin afstand doet, zou men het kunnen toeschrijven aan de zucht om den fiscus te benadeelen door ontduiking van successierecht; eene handeling die door de fiscale wetten behoort te worden gewraakt, gelijk zulks ook ten onzent is geschied door de bepaling van art. 1 bis, lid 2 der successiewet v. 13 Mei 1859, Stbl. n0. 63, gewyzigd en aangevuld door de wet van 28 Mei 1869, Stbl. n0. 95. Vgl. verder Laurent, XXII, bl. 382.
In art. 1464 C. Nap. wordt aan de schnldeischers het recht gegeven om, indien te hunnen nadeele van de gemeenschap afstand gedaan is, die zelve te aanvaarden. Zal men dit voor ons recht ook moeten aannemen, bij analogie van art. 1107 B. W., waarbij aan de schnldeischers zoodanig recht wordt toegekend bij het verwerpen eener erfenis? Zie Mr. W. F. Schook in U. Bijbl. 1858, blz. 383. Of worden hunne rechten genoegzaam gewaarborgd door art. 1377 B. W.?
Ingeval van ontbinding der gemeenschap door den dood van de vrouw, doen de erfgenamen afstand op dezelfde wijze als ten aanzien der vrouw bepaald is, en binnen denzellden termijn (art. 193).
Sterft daarentegen de vrouw, terwy 1 de termijn tot het doen van afstand nog loopende is, dan hebben de erfgenamen nog gedurende één maand na dat overlijden, of nadat zij er kennis van gedragen zullen hebben, het recht om afstand te doen (art. 189). Heeft de vrouw de gemeenschap reeds aanvaard of daden verricht, die haar zouden beletten van dit voorrecht gebruik te maken, dan zullen ook hare erfgenamen daarvan verstoken zijn.
Bekomen eenige erfgenamen vroeger, andere later van het overlyden kennis, dan zal de termijn ten opzichte van ieder afzonderlijk beginnen te loopen.
Dat de termijn van één maand dikwijls te kort zal zijn, indien de vermogenstoestand van zeer ingewikkelden aard is, zoodat de staat des boedels moeielijk is te overzien, of indien er minderjarige erfgenamen zijn, wordt door velen te recht betoogd. Volgens v. Hali,, bl. 245, en Schuller, ad art. 193 B. W., kan er van het kennis dragen van het overlyden by minderjarigen geen sprake zyn, zoolang zij zonder
afstand gedaan door de erfgenamen der vrouw. 231
voogd zijn eu zal dus de aanvang van den termijn tot dien tijd geschorst worden.
Indien eenige erfgenamen de gemeenschap aanvaarden, andere er afstand van doen, genieten zij, die aanvaarden, hun aandeel in de helft der gemeenschap, terwijl het overige aan den man blijft {art. 190 B. W.).
Volgens art. 1105 B. W. wordt het erfdeel van hen, die verwerpen, verkregen door hen, die aanvaarden. Dit is hier het geval niet, daar dit in strijd zou zijn met het aangenomen beginsel, dat, bij het doen van afstand door de vrouw, haar aandeel in de gemeenschap wordt verkregen door den man. Hetgeen te haren opzichte rechtens is, moest ook aangenomen worden ten aanzien van hare erfgenamen, indien zy alle of sommige hunner van dit voorrecht gebruik maken.
De wet voegt er nog by, dat de man in zoodanig geval belast blyft met de voldoening aan hen, die verworpen hebben, van hetgeen de vrouw van hem zou hebben kunnen vorderen, doch alleen ten beloope van hun erfdeel. Hierby wordt wellicht gedoeld op de schulden door de vrouw vóór haar huwelijk of als openbare koopvrouw gemaakt, die thans van de erfgenamen ingevorderd kunnen worden behoudens hun verhaal op den man (art. 187, 3°.) \'); zie Ofzoomer, I, bi. 263, v. Hall, bl. 247. Er heerscht echter veel verschil van meening over de beteekenis van deze zinsnede.
De afstand, door de erfgenamen gedaan, brengt dezelfde gevolgen te weeg, als ten aanzien der vrouw is bepaald, met deze wijziging, dat de erfgenamen geen recht hebben op de kleederen en het linnengoed der vrouw (art. 189).
In dezelfde gevallen, waarin de vrouw geen afstand meer doen kan of deze krachteloos wordt, geldt zulks ook voor hare erfgenamen (art. 191, 192, B. W.).
Art. 191 B. W. bepaalt dit wel is waar niet uitdrukkelyk ten aanzien der erfgenamen; maar de juistheid daarvan zal ook met het oog op de artt. 1094 en 1095 B. W. niet kunnen worden betwijfeld.
II. huwklijksche v o o k w a a r d e n.
Onder hnwelijksclie voorwaarden worden de overeenkomsten verstaan , door de aanstaande echtgenooten gemaakt, ter regeling van
\') Id dien geest ia ook de zaak bij art. 191 Ontw. 1886 bepaald.
h u w e l ij k s c h e v o o 11 w a a r u e n.
de gevolgen, die het voorgenomen huwelijk op hun vermogen zal uitoefenen.
Vooral bij grootere ongelijkheid van geldelijk vermogen, en te meer by het veranderde beginsel omtrent de wettelyke gemeenschap van goederen, moet het den echtgenooten vrijstaan van de bepalingen van den zevenden titel af te wijken (Lipman, bl. 62). Zie verder de belangrijke verschilpunten in aard en strekking van het Fransche huwe-lijks-vermogensrecht en het onze bij Assf.k, Verg. § 99 en v.
Tot het maken er van zijn zij bevoegd, die de vereischten bezitten tot het aangaan van een huwelijk, met dien verstande, dat, ingeval van minderjarigheid, hun daarbij de bijstand verleend worde van hen, wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is (art. 206).
Volgens art. 1366 B. W. zijn minderjarigen onbekwaam om overeenkomsten aan te gaan en, daar huwelijksche voorwaarden overeenkomsten bevatten omtrent de tegenwoordige en toekomstige goederen der aanstaande echtgenooten, zou hun zonder eene uitdrukkelijke wetsbepaling de bevoegdheid ontzegd moeten worden om zelfstandig als handelende partijen op te treden; bijgevolg zouden die overeenkomsten namens hen door hun vader of voogd gesloten moeten worden.
Onder „bijstandquot; dient toestemming tot de verschillende bepalingen, in het contract voorkomende, verstaan te worden, zonder dat nog bovendien persoonlijke tegenwoordigheid vereischt wordt (anders Mr. H. vant Manen in Themis 1868, bl. 44).
Over hen, wier bijstand vereischt wordt, zie bl. 158 en vgl. supra.
Heeft het huwelijk plaats krachtens het rechterlijk verlof, bedoeld bij de artt. 95 en 98 B. W., dan moet het ontwerp der huwely ksche voorwaarden by het verzoek om verlof gevoegd worden, opdat daaromtrent gelijktijdig worde beschikt. Indien dat ontwerp niet goedgekeurd wordt, evenals in het geval, dat zij, wier bystand door de wet gevorderd wordt, hunne medewerking tot het maken van huwelijksche voorwaarden weigeren, zullen de minderjarigen alleen in gemeenschap van goederen een huwelyk kunnen aangaan.
Zijn deze vereischten in acht genomen, dan kunnen de minderjarigen de nietigheid der verbintenissen, door hen bij huwelijksche voorwaarden aangegaan niet inroepen (art. 1483, lid 2 B. W.). Is aan die vereischten evenwel niet voldaan, dan kunnen ingevolge art. 1482 B. Wquot;. de huwelyksche voorwaarden nietig verklaard worden, terwijl in zoodanig geval het huwelijk geacht wordt gesloten te zyn in gemeenschap van goederen.
Men houde hierbij in het oog, dat de huwelijksche voorwaarden wel
232
h u w e l ij k s c h e t o o b w a a. r l) b
in nanw verband staan met het huwelijk, doch door geheel andere beginselen beheerscht worden. Zij toch bevatten burgerrechtelijke overeenkomsten, die, behoudens de uitzonderingen in dezen titel vermeld, onderworpen zijn aan de verschillende bepalingen omtrent de geldigheid van overeenkomsten voorgeschreven, terwijl het huwelijk, als geen contract in burgerrechtelijken zin, door geheel andere, daarvan dikwijls afwijkende voorschriften beheerscht wordt. Van daar dan ook dat beiden in zooverre op zich zelve staan, dat de geldigheid van het huwelijk niets beslist omtrent de wettigheid der huwelijksche voorwaarden en dat de nietigheid dier voorwaarden door het huwelijk niet gedekt kan worden; men kan toch het huwelijk niet beschouwen als eene vrijwillige ten uitvoerlegging van huwelijksche voorwaarden. Indien derhalve eeu minderjarige, zonder den voor het huwelijk ver-eischten leeftijd te bezitten, huwelijksche voorwaarden maakt, dan blijven die aan nietigheid lijden, al wordt ook het huwelijk later op behoorlijken leeftijd voltrokken; zie Opzoombk, I, bl. 274 en Laurent, XXI, bl. 46; anders Marcadé, V, bl. 434. Zal hetzelfde het geval zijn, indien zoowel het huwelijk als de huwelijksche voorwaarden wegens gemis aan de vereischte toestemming nietig zijn? Of zullen althans derden zich kunnen beroepen op art. 153 B. W. ? Zie in verschillenden zin Diephuis, IV, bl. 302 en Opzoomer, I, bl. 274.
Meerderjarig verklaarden kunnen zonder eenigen bijstand van anderen huwelijksche voorwaarden maken (zie Mr. van Manen, t. a. p., bl. 49).
In de gevallen, waarin een onder curateele gestelde een huwelijk kan aangaan (zie bl. 147 en 164 supra) zal hij voor het maken van huwelijksche voorwaarden de toestemming van den curator en den toezienden curator noodig hebben. Art. 342 Ontw. 1820 bepaalde dit uitdrukkelijk.
De liuwelijksclie voorwaarden moeten op straffe van nietigheid verleden worden:
1\'. bij notarieele akte (art. 202);
Ten einde zooveel mogelijk zekerheid te geven en vooral ook om ontduiking van het voorschrift van art. 204 B. VV. te voorkomen is deze bepaling in het leven geroepen. De minuut der akte toch blijft onder den notaris berusten (art. 38 en v. der wet van 9 Juli 1842, Stbl. n0. 20, in verband met art. 6 der wet van 6 Mei 1878, Stbl. nquot;. 29).
Hetzelfde geldt ook, indien vóór de huwelijksvoltrekking veranderingen in de huwelijksche voorwaarden gemaakt mochten worden (art. 203).
233
234 vorm ex werking der huwelijksche voorwaarden\'.
Oudtijds kon een en ander zoowel schriftelijk als mondeling geschieden; zie de Groot, Inl. II, 12 § 4.
2°. vóór het aangaan van het huwelijk (art. 202).
Zij moeten, zoolang het huwelyk duurt, onveranderd gelden en kunnen derhalve, staande huwelijk, op geenerlei wijze veranderd worden (art. 204 B. W.). Deze beginselen zijn in de wet streng volgehouden. Van daar ook dat, indien er scheiding van goederen plaats heeft gehad, de gemeenschap op geene andere wyze hersteld raag worden dan op dezelfde voorwaarden, waarop die vroeger geregeld werd (art. 252 B. W.); dat schenkingen tusschen de echtgenooten niet mogen plaats hebben; en dat koop en verkoop tusschen hen in den regel verboden is (vgl. bl. 217 supra).
Vóór de voltrekking van het huwelijk kunnen er wyzigingen in gebracht worden. Hiertoe wordt dan echter zoowel de tegenwoordigheid als de gelijktijdige toestemming gevorderd van alle personen, die in de huwelijksche voorwaarden partyen geweest zijn (art. 203 B. \\V.). Men denke hierbij niet alleen aan de aanstaande echtgenooten en aan hen, die geroepen zyn hun bystand te verleenen, maar ook aan de personen, die aan de aanstaande echtgenooten giften doen en dus ook in zooverre tot de overeenkomst hebben medegewerkt (art. 231 B. W.). Dit is echter niet toepasselijk op hen, die honoris causa mochten mede-teekenen, zonder partyen te zijn (Voorüüin, II, bl. 373).
Kunnen, indien derden weigeren tot de veranderingen mede te werken, de huwelijksche voorwaarden ingetrokken en door nieuwe vervangen worden? Zie Mabcaüé, V, ad art. 1396; Lackent, XXI, bl. 122; Diephuis, IV, bl. 320; Opzoomer, I, bl. 280. In het Ontwerp 1820 was dit in art. 381 en 382 geregeld.
Zii begin uen te werken;
a. tusschen partijen: van het oogenblik van de voltrekking des huwelijks. Geen ander tijdstip mag daarvoor worden aangenomen (art. 202);
Uit dit artikel volgt tevens dat dezelfde bepalingen gedurende het geheele huwely k moeten gelden en dat het niet geoorloofd is te bedingen, dat eerst na zekeren tyd de in de huwelijksche voorwaarden beperkte gemeenschap in het leven zal treden, of dat deze na eenigen tyd weder voor een ander stelsel zal moeten plaats maken. Dergelijke bedingen zullen voor niet geschreven gehouden moeten worden en tusschen de echtgenooten zal alsdan gemeenschap van goederen plaats hebben ; zie verder Opzoomer, I, bl. 282 en vig.
WEEKING UER HUWELIJK SC HE VOORWAARDEN.
Dit is echter niet toepasselijk, wanneer de al of niet in werking treding der hu welyksche voorwaarden van de vervulling eener voorwaarde afhankelijk gesteld wordt. Dan tooh zal wel gedurende eenigen tijd onzekerheid kunnen bestaan omtrent het goederenrecht der echt-genooten, maar door de terugwerkende kracht in art. 1297 B. W. aan de voorwaarde toegekend, zullen bij het vervullen daarvan de bepalingen der huwelijksche voorwaarden van kracht zijn van de voltrekking des huwelyks af en het beginsel van dit artikel volkomen geëerbiedigd blijven (zie Opzoomer , I, bl. 285; Diephuis, IV, bl. 227; v. Hall, bl. 253). \')
b. tegenover derden: ten aanzien der bepalingen, in de liuwe-lijksclie voorwaarden voorkomende, waarbij van de wettelijke gemeenschap wordt afgeweken, van de overschrijving daarvan in een daarvoor te houden openbaar register ter griffie van de arrondissementsrechtbank, binnen welker ressort het huwelijk is voltrokken, of de huwelijks-akte is overgeschreven, ingeval het huwelijk buiten \'s lands is aangegaan (art. 207).
Gemeenschap van goederen is tusschen de echtgenooten re,\'el. Wordt er van afgeweken, dan moet dit aan derden bekend gemaakt worden, by gebreke waarvan men zich tegenover hen niet op de huwelijksche voorwaarden zal kunnen beroepen.
In den Code de Commerce is in art. 67 alleen voor kooplieden de inschrijving van een extract uit de huwelijksche voorwaarden verplichtend gesteld, binnen den tijd van een maand na het sluiten van het huwelijk; terwijl art. 68 den notaris, te wiens overstaan de huwelijksche voorwaarden gesloten waren, onder strafbedreiging verplichtte voor de inschryving te zorgen. Bij de wet van 18 Juli 1850 werd in Frankrijk aan den ambtenaar van den burgerlijken stand opgedragen om in de huwelyks-akte te vermelden of er huwelyksche voorwaarden gemaakt waren, op welk tydstip en voor welken notaris. Laurent , XXI, bl. 132.
Zij vervallen, wanneer zij niet door een huwelijk worden opgevolgd (art. 209).
Ditzelfde geldt ook voor de schenkingen, door derden gedaan.
235
Wanneer, na het maken der huwelyksche voorwaarden, een der
\') Art. 211 Ontw. 1886 verbiedt het voorwaardelijk bedingen of uitsluiten eener gemeenschap, wegens de daaruit voortvloeiende tijdelijke onzekerheid; zie gt;1. v. T. ad art. 211.
236 inhoud ueh huwelijksche voorwaarden.
partyeu met een ander in het huwelyk treedt, doch na de ontbinding van dat huwelijk, partijen met elkander trouwen, blyven de huwe-lijksche voorwaarden alsdan van kracht? Diephuis, IV, bl. 325, antwoordt bevestigend, Opzoomee I, bl. 280, noot 2 daarentegen ontkennend, omdat zy dan niet door een huwelyk worden opgevolgd (zie ook Voorduin, II, 387). Moet men niet veeleer aannemen, dat het latere huwelyk niet meer datgene is, wat door partyen by het maken der huwelijksche voorwaarden beoogd werd?
Omtrent den inhoud is de meeste vrijheid gelaten. De aanstaande echtgenooten mogen zoover van de regelen omtrent de wettelijke gemeenschap afwijken als hun noodig voorkomt. Zij moeten die bedingen echter in de huwelijksche voorwaarden duidelijk omschrijven, terwijl de voorschriften omtrent de wettelijke gemeenschap van toepassing blijven, voor zooverre daarvan niet, hetzij uitdrukkelijk, hetzij uit den aard der bedingen afgeweken is (art. 194, 208).
De huwelijksche voorwaarden zyn bestemd ter regeling van het goederenrecht gedurende het huwelyk en ter bepaling van de rechten, die ieder der echtgenooten, by scheiding van goederen of ontbinding van het huwelijk, op de goederen zal uitoefenen. Bedingen omtrent het familierecht zouden derhalve naar hunnen aard vreemd moeten blyven aan de huwelijksche voorwaarden. In de vooronderstelling echter, dat bepalingen omtrent het familierecht feitelyk in de huwelijksche voorwaarden mochten voorkomen, heeft de wet in art. 195 en v. sommige bedingen verboden, die echter grootendeels, als betreffende de openbare orde, toch reeds krachtens art. 194 B. W. en art. 14 A. B. zonder rechtsgevolg zouden zijn.
Het is verboden:
1°. bedingen te maken in strijd met de goede zeden of de openbare orde (art. 194); vgl. art. 14 A. B. en bl. 71 supra;
Hiertoe kunnen velerlei bedingen, in art. 195 en v. B. W. vermeld, worden gebracht. Van Hall, bl. 251, rekent hiertoe ook bedingen waarbij de vrouw afstand doet van het recht om scheiding van goederen, scheiding van tafel en bed of echtscheiding te vragen; vgl. Opzoomee, I, bl. 278.
3°. het gezag van den man over zijne vrouw te verkorten (art. 195);
Ook zonder deze wetsbepaling zou het reeds krachtens art. 160 en v. B. W. verboden zijn b. v. de vrouw bevoegd te verklaren, om zonder
OS\'GEOORLOOFDE BEDINGEN.
237
I
bijstand van den man overeenkomsten aan te gaan, in rechte te verschijnen, haar te ontheffen van de verplichting om met den man te zamen te wonen of haar de beslissing toe te kennen omtrent de plaats, waar het verblijf gevestigd zal worden.
3°. af te wijken van de rechten, die uit de vaderlijke macht voortvloeien (art. 193);
Men denke hier aan bedingen in strijd met art. 355 en v. B. W. gemaakt, b. v. waarby de vrouw met de zorg over de opvoeding der kinderen belast wordt, aan haar het beheer over de goederen der kinderen wordt toegekend, of waarbij een der echtg\'enooten afstand doet van het recht op het vruchtgenot van de goederen der kinderen.
4U. inbreuk te maken op de rechten, door de wet aan den langstlevende der echtgenooten toegekend (art. 195);
Hiertoe zullen o. a. overeenkomsten gerekend moeten worden, waarby de langstlevende afstand doet van de voogdij of van het recht om een voogd aan te wyzen.
5°. de rechten van den man, als hoofd der echtvereeniging, te verkorten (art. 195);
Dit punt staat in nauw verband met het sub 2°. genoemde, en betreft grootendeels dezelfde rechten.
Hierop maakt de wet twee uitzonderingen. De vrouw is bevoegd:
a. zich het vrije beheer van hare roerende en onroerende goederen alsmede het vrije genot harer inkomsten voor te behouden (art. 195, lid 2);
Meer dan het beheer kan aan de vrouw niet toegekend worden. Zoodra zij die goederen vervreemden of bezwaren wil, moet zij daartoe telkens, bij iedere voorkomende gelegenheid, door den man gemachtigd worden. Eene algemeene machtiging zelfs kan haar daartoe niet verleend worden, gelijk bij scheiding van goederen en scheiding van tafel en bed ten aanzien van de roerende goederen het geval is; deze geldt alleen voor het beheer harer goederen (art. 170, 249, 299 B. W.).
Ingeval van uitsluiting of beperking van de gemeenschap kan de som worden bepaald, welke de vrouw jaarlijks tot de huishouding en de opvoeding der kinderen uit hare goederen zal bijdragen (art. 200). In dit opzicht is derhalve alles overgelaten aan hetgeen de aanstaande echtgenooten bij hnwelijksche voorwaarden mochten willen overeen-
H U W E L IJ K S C H E V O O R \\V A i R U E N.
komen. Art. 1537 C. Nap. schreef voor, dat, bij gebreke van bedingen dienaangaande, \'/3 der inkomsten van de vrouw bestemd zoude zy n voor de kosten der huishouding.
Indien deswege geene bedingen zijn gemaakt, zijn alle vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter beschikking van den man (art. 201).
h. te bedingen, dat hare onroerende goederen, en de ten haren naam staande effecten en inschulden, door haar aangebracht of, staande huwelijk, van hare zijde in de gemeenschap gevallen, zonder hare medewerjdng door den man niet zullen mogen worden vervreemd of bezwaard (art. 195, lid 3). Vgl. bl. 220 supra.
Verder is het verboden:
6°. afstand te doen van hetgeen de wet aan de echtgenooten in de nalatenschap huuner nakomelingen toekent (art. 196);
In art. 1109 B. W. komt dezelfde bepaling voor. Zij steunt op het beginsel, in art. 1370 B. W. gehuldigd, dat men omtrent eene erfenis, die nog niet opengevallen is, geene overeenkomsten kan aangaan.
7°. de nalatenschap dier nakomelingen te regelen (art. 196);
Alleen bij testament kan, behoudens de bepalingen van de artt. 224, 231 en 233 B. W. over de nalatenschap beschikt worden. Daar omtrent dit punt oudtijds andere bepalingen golden, werd het noodig geacht dit voorschrift in de wet op te nemen (zie hierover v. Hall, bl. 253, Diephüis, le dr., I, § 936, Nicolaï bij Voordüin, II, bl. 359).
8°. te bepalen, dat de één een grooter aandeel in de schulden zal bijdragen dan hem in de baten der gemeenschap zal toekomen (art. 197);
Verschil van gevoelen bestaat over de vraag hoe te handelen, indien dit voorschrift overtreden wordt. De Pinto, II, § 122, en Diephuts , IV, bl. 304, meenen dat dan de lasten aan de baten evenredig gemaakt moeten worden \'), terwijl Opzoomer , I, bl. 275, 0. i. met meer recht betoogt, dat zoodanig beding nietig is en dat, volgens de regelen der gemeenschap, verdeeling in twee gelijke deelen, zoowel der baten als der schulden plaats moet hebben; evenzoo Mr. Teixeira de Mattos, (de Pinto t. a. p., noot a).
238
Bij art. 1520 C. N. werd uitdrukkelijk vergund, dat de één een
\') Art. 212 Ontw. 1886 huldigt dit beginsel, hetwelk o. i. in jure constituendoJnist is.
ongeoorloofde bedingen\'.
grooter aandeel in de baten zal mogen ontvangen dan de ander. Het werd echter onnoodig geacht deze bepaling over te nemen , daar alles wat niet verboden is, als geoorloofd aangemerkt kan worden fzie Vooedüin, II, bl. 366). Alleen moest er voor gezorgd, worden, dat tegenover de meerdere baten ook een zooveel grooter aandeel in de schulden zou staan.
9-. te bedingen, dat het goederenrecht geregeld zal worden door bnitenlandsche wetten of door vroeger hier te lande gegolden hebbende gewoonten of wettelijke verordeningen (art. 198);
Indien men zich daarnaar regelen wil, moeten die bepalingen in de hnwelijksche voorwaarden opgenomen en duidelijk omschreven worden. Het is verboden daarnaar in het algemeen te verwijzen (Vooeüuin , II, bl. 367). Vooral derden hebben er belang bij op eenvoudige en duidelijke wijze te leeren kennen wat rechtens is tusschen de echt-genooten; zij moeten derhalve niet genoodzaakt worden hun onderzoek elders te doen dan ter griffie van de Rechtbank of anders dan door raadpleging van de Nederlandsche wet. Eene verwijzing naar buiten-landsch of oud recht zou tot onzekerheid leiden, welke zelfs niet altijd door rechtsstudie zal worden opgelost. De ratio leg is, bij Voordüin opgegeven, schijnt ons minder gewichtig toe.
10°. te bepalen, dat de vrouw het recht niet zal hebben om van de gemeenschap afstand te doen (art. 187, 208 en bl. 226, supra).
Bewijs van de aanbrengst der goederen.
Bij uitsluiting der gemeenschap kan de aanbrengst der roerende goederen, met uitzondering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en andere op naam staande effecten en inschulden, op geene andere wijze worden bewezen, dan door hunne vermelding bij de huwelijksche voorwaarden, of door eeue beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut dier voorwaarden, in welke daarvan melding moet worden gemaakt (art. 205 B. W.).
Het bewijs van aanbrengst van onroerende goederen vereischt geene wettelijke voorziening, vermits die altijd op naam staan, en dit bewijs uit den titel van aankomst kan worden geleverd.
Had men het bewijs van de aanbrengst van schepen, als op naam staande roerende goederen, niet eveneens in de uitzondering van art. 205 moeten begrijpen?
239
gemeenschap van winst en verlies.
Omtrent de aanbrengst van roerende goederen gedurende het huwelijk, vlg. de met art. 205 B. W. nauw samenhangende regelen in de artt. 220 en 221 B. W., ten opzichte van de daar behandelde gemeenschap van winst en verlies en die van vruchten en inkomsten vastgesteld.
Overzicht vau twee der meest gebruikelijke bedingen van huwe-lijksche voorwaarden.
A.. De gemeenschap van winst en verlies.
Deze gemeenschap is aanwezig:
1°. wanneer zij uitdrukkelijk bij huwelijksche voorwaarden is bedongen (art. 210);
2°. wanneer alleen de gemeenschap van goederen bij huwelijksche voorwaarden is uitgesloten (art. 199);
De Code Nap. behandelt meerdere wijzen, waarop de wettelijke gemeenschap beperkt kan worden en regelt daarvan de gevolgen. Zoo worden daar ook nog besproken; het beding, dat de roerende goederen geheel of ten deele buiten de gemeenschap zullen vallen (art. 1500 en vlg.); de clause d\'ameublissement, waarbij de onroerende goederen geheel of ten deele in de gemeenschap gebracht worden (art. 1505 en vlg.); het beding, dat ieder der echtgenooten zijn eigene schulden zal betalen (art. 1510 en vlg.); het beding, dat de vrouw, in geval zij vau de gemeenschap afstand doet, het recht zal hebben om de van hare zijde in de gemeenschap gevallen goederen terug te nemen (art. 1514); het préciput conventionnel, waarbij aan den langstlevenden echtgenoot het recht toegekend wordt om, vóór dat de gemeenschap gedeeld wordt, eene zekere som of eenige roerende goederen tot zich te nemen (art. 1515), enz. Een geheel hoofdstuk is gewijd aan het régime dotal (art. 1540 en v.). Onze wetgever heeft dit voorbeeld niet gevolgd, omdat dergelijke bedingen hier te lande niet veel voorkomen en men toch bevoegd blijft zoodanige bepalingen te maken, als aan de aanstaande echtgenooten geraden zal voorkomen, mits die niet in strijd zijn met art. 194 en vlg. B. W. Zie Vookuüin, II, bl. 388.
Omtrent de gemeenschap van winst en verlies, moesten eenige regelen gesteld worden, omdat die hier te lande zeer gebruikelijk was. Zij gold vroeger voornamelijk in Friesland, en, by het ontbreken van kinderen, ook in Drenthe, voorts in het Oldampt, Sappemeer en de Ommelanden, in laatstgenoemd kwartier gepaard met gemeenschap van
240
GEMEENSCHAP VAN WINST EN VERLIES.
roerende goederen. (Zie van Hall, bl. 235; U. Hubek, Heiend. Rechtsgeleertheyt, I, 11.)
Het Wetb. Nap. voor Holland behandelde deze gemeenschap uitvoerig in art. 179—190, welke artikelen tot grondslag gestrekt hebben voor de bepalingen onzer wet. Zie Voohdüin, II, bl. 390; vgl. ook Ontwerp van 1820, art. 354 en v.
Bij deze gemeenschap behoudt ieder der echtgenooteu de goederen, hij het aangaan van liet huwelijk aangebracht of later door hem verkregen. Alleen de gedurende de gemeenschap behaalde winst en het geleden verlies worden tusschen de echtgenooten gemeen (art. 210).
Het beheer over de goederen komt aan den man toe, ten ware de vrouw gebruik mocht gemaakt hebben van de bepaling van art. 195, lid 2 B. W.
Van de goederen, uit de winsten verkregen, wordt ieder der echtgenooten pro indiviso eigenaar. Eerst bij de ontbinding der gemeenschap kan de vrouw op haar aandeel in die gemeenschap hare rechten doen gelden (zie bl. 219 supra). Op het beheer dier goederen zijn de regelen van art. 179 en vlg. B. W. toepasselijk.
Onder winst verstaat de wet:
1°. de vermeerdering der bezittingen, gedurende het bestaan der gemeenschap \') opgekomen uit de vruchten en opbrengsten van elks goederen, arbeid en vlijt (art. 212);
Art. 181 Wetb. Nap. voor Holl. verstond onder winsten: „alle „vruchten, inkomsten en voordeden, welke of iemands goederen of „zijn vlijt, arbeid, wetenschap, kunst, koophandel, nering, handwerk, „ambt en dergelijken of ook het geluk hem aanbrengen en zijne bezittingen vermeerderenquot;; art. 1498 C. Nap.: „les acquets faits par les époux ensemble ou séparément durant le mariage et provenant tant „de l\'industrie commune que des économies faites sur les fruits et „revenus des biens des deux épouxquot;.
Onder vrnchten en opbrengsten worden niet alleen begrepen de natuurlijke en burgerlijke vrnchten (art. 558 B. W.) kortom alles wat de goederen opleveren, of hetgeen door arbeid en vlijt wordt verkregen, maar ook jaarlijksche, maandelijksche, wekelijksche en andere
1) Jn de Mem. v. Toel. behoorende bij het Ontw. 1886, bl. 113, wordt er te recht op gewezen dat de woorden „staande huwelijkquot;, die meermalen in dezen titel voorkomen veelal minder juist gebezigd zijn in plaats van „gedurende de gemeenschapquot;. Deze tonh wordt nog op andere wijzen ontbonden dan door de ontbinding van het huwelijk.
Asser, Burger}. Recht. I. 3e druk. 16
241
242 gemeenschap van winst en t e r l t e s.
dergelijke makingen, schenkingen of uitkeeringen, gelyk ook lijfrente» (zie art. 222 B. W.).
Men lette uitsluitend op het tijdstip van het inzamelen der natuurlijke en het opeischbaar zijn der burgerlijke vruchten. Derhalve vallen renten, huurpenningen, bezoldigingen enz. geheel in de gemeenschap, al moge de oorzaak vóór het huwelijk ontstaan zijn.
Voor vergoeding der kosten, door een der echtgenooten vóór het huwelijk aangewend, tot verkrijging der vruchten, die gedurende het huwelyk genoten worden, geeft de wet geen aanleiding. Zie Opzoomek, I, bl. 295, noot 2; anders Marcade , V, ad art. 1498 en Laurent, 23, 144.
Moet nu ook hetgeen door toeval, door spel of weddingschap verkregen, of uit eene loterij getrokken wordt als winst worden aangemerkt? Men onderscheide. Is het goed enkel door geluk verkregen, dan zal het alleen hem toebehooren, wien dat geluk ten deel viel,, b. v. bij het vinden van een schat en bij de res nuliius; daar kan moeielijk sprake zijn van opbrengsten van goederen of van arbeid en vlijt. Hetgeen door spel gewonnen of uit eene lotery getrokken wordt, kan wellicht beschouwd worden als de opbrengst der goederen, die op het spel gezet zyn of van het lot dat genomen is. By uitlotingen van effecten echter zal veelal of de geheele som, of een gedeelte daarvan in de plaats komen van het kapitaal, dat een der echtgenooten bezeten heeft en dus in zooverre buiten de gemeenschap vallen. Over deze vragen bestaat echter veel verschil van gevoelen. Zie Diephuis, IV, bl. 337 en de daar aangehaalde schrijvers \').
2°. de vermeerdering der bezittingeu gekomen uit deu opleg van onverteerde inkomsten (art. 212);
3°. de goederen, waarvan de echtgenooten niet bewijzen kunnen dat ze door hen ten huwelijk zijn aangebracht of\' gedureude de gemeenschap door een hunner om niet of onder een bezwarenden titel zijn verkregen (artt. 214, 220, 221).
De wet rekent niet onder winst;
a. hetgeen een der echtgenooten, gedurende de gemeeuscliap, bij erfenis, making oi\' schenking verkrijgt, onverschillig of dit van nabestaanden of van vreemden afkomstig zij, met uitzondering van de in art. 222 genoemde uitkeeringen (art. 213);
Deze uitkeeringen toch zijn niet bestemd om het vermogen van een
\') Volgens art. 216 Ontw. 1886 worden de voordeelen, door geluk aangebracht, voor winst gehouden. Zie de redenen die hiertoe hebben geleid in de M. v. T. ad art. 216.
gemeenschap vax winst en veklies.
der echtgenooten te vermeerderen, maar meer bepaald om zijne inkomsten te doen stijgen, weshalve zij als winst worden beschouwd.
Worden beide echtgenooten te zamen tot eene erfenis geroepen, dan zal die ook buiten de gemeenschap blijven. Ieder der echtgenooten wordt eigenaar van de helft en daarmede worden zijne eigen goederen vermeerderd. Anders üe Pinto, II, § 127, zie echter de noot van mr. Teixeira de Mattos, eodem.
b. rijzing vau de waarde der goederen aan een der echtgenooten toebehoorende (art. 215};
c. verbetering van de onroerende goederen door aanwas, aanspoeling, vertimmering of op eenige andere wijze ontstaan (art. 210).
Hieronder zullen dus alle vermeerderingen en verbeteringen begrepen zijn, zoowel door de natuur als door menschenarbeid tot stand gebracht, onverschillig of de kosten daarvan uit de persoonlijke goederen van een der echtgenooten, dan wel uit de behaalde winsten bestreden zijn (Zie art. 643 en vlg. B. W.).
Vroeger was dit anders; werden die verbeteringen aangebracht uit de winsten, dan moest aan den anderen echtgenoot een deel daarvan vergoed worden. Zie de Groot, Inl. II, 12 n0. 15; ü. Huber, I, 11 n0. 12.) Hetzelfde beginsel werd ook gehuldigd in art. 366 nquot;. 1 van het Ontwerp 182U, waarbij aan den eenen echtgenoot de verplichting werd opgelegd om aan den anderen alles te vergoeden, waardoor hij ten koste van dezen laatste of van de gemeenschap bevoordeeld mocht zyn. Op dezelfde beginselen berustte de leer der récompense in art. 1437 C. Nap. Het Wetb. Nap. voor Holl. ging in art. 190 zoover niet. Alleen daar, waar te kwader trouw en met blijkbaar opzet om zich boven den anderen te verrijken, gehandeld was, kon van vergoeding sprake zijn. Mr. v. Nooten, acad. pr. ütr. 1873, bl. 42 meent echter, dat in sommige gevallen en wel bij het verrichten van groote reparatiën ook volgens ons recht vergoeding gegeven moet worden. Zie in anderen zin Dtephcts, IV, bl. 342; Opzoomkr, I, bi. 297 noot 1.
Onder verlies verstaat de wet:
1°. de vermindering der bezittingen van ieder der echtgenooten door uitgaven boven de inkomsten veroorzaakt (art. 212);
Art. 181 Wetb. Nap. v. Holl. omschreef het verlies als: al wat iemands bezittingen vermindert.
Men onderscheide dit van de vermindering door daling van de waarde of door ongelukken veroorzaakt.
243
16*
gbmeexschap van winst e x verltes.
2°. de schulden, de echtgenooten te zatnen betreffende en gedurende de gemeenschap gemaakt (art. 218);
Is dit het geval niet, dan betreft de schuld alleen diengene der echtgenooten, die haar heeft aangegaan; men denke b. v. aan de schalden door de vrouw als openbare koopvrouw gemaakt.
Art. 188 Wetb. Nap. v. Holl. en art. 355 Ontw. 1820 vorderden niet dat de schulden de echtgenooten te zamen betroffen. De oorzaak echter moest tijdens het huwelijk ontstaan zijn, om de schuld tot de gemeenschap te doen behooren.
Tot verlies wordt niet gerekend:
a. daling van de waarde der goederen aan een der echtgenooten toebehoorende (art. 215);
b. schade of vermindering door brand, watersnood, afspoeling of anderszins veroorzaakt (art. 217);
Deze bepaling hadden meer praktisch belang in het Wetb. Nap. v. Holl., omdat art. 181 het begrip van verlies ruimer omschreef dan ons Wetboek.
c. hetgeen een der echtgenooten door misdrijf verbeurd heeft (art. 218).
Dit is geen schuld die de echtgenooten te zamen betreft en kan daarom ook nooit tot de verliezen gerekend worden.
Art. 198 Wetb. Nap. v. Holl. bracht ook de borgtochten en schenkingen niet tot het verlies. Opzoomek, I, bl. 297, neemt volgens ons recht als regel aan, dat, indien zij voldaan zyn, ze tot het ge-meene verlies behooren, maar indien ze nog enkel schulden zijn, alleen dan wanneer zij de echtgenooten te zamen betreffen. Vgl. Diephüis, IV, bl. 347.
Bij de ontbinding der gemeenschap worden eerst die goederen afgescheiden, welke de echtgenooten bij het aangaan aangebracht of later verkregen hebben.
Het bewijs welke roerende goederen bij het aangaan van het huwelijk aan ieder der echtgenooten toebehoorden, wordt alleen geleverd door de vermelding van die goederen in de huwelijksche voorwaarden of door eene beschrijving, door den notaris en partijen onderteekend en vastgehecht aan de minuut der huwelijksche voorwaarden , waarin daarvan meldins: gemaakt moet worden (art. 220).
Geene andere bewysraiddelen worden hier toegelaten. Heeft de beschrijving geen plaats gehad, dan worden die zaken voor winst
244
GEMEENSCHAP VAN WINST EN VERLIES.
gehouden. Art. 205 B. W. maakt ook eeiie uitzondering voor de inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld en andere op naam staande effecten en inschulden. Deze bepaling zal men ook op dit geval moeten toepassen, daar er geen reden bestaat waarom in dit opzicht andere regelen zouden moeten gelden bij uitsluiting va.i gemeenschap dan bij gemeenschap van winst en verlies. In beide gevallen zal het aan de echtgenooten even gemakkelijk vallen om het aanbrengen, zoowel van onroerende goederen als van op naam staande roerende goederen te bewijzen , zonder dat dit tot benadeeling van een hunner aanleiding zal geven. Eerst bij de herziening van het Wetboek werden deze woorden er in art. 205 bijgevoegd en men verzuimde toen om art. 220 op dezelfde wijze aan te vullen. Zie Vookduin, II, bl. 376, en Diephuis. IV, bl. 352.
De hier bedoelde beschrijving der roerende goederen behoeft niet notarieel te geschieden. Zie Léon, nitg. Asser, ad art. 220, n0. 3.
Is die inschryving onvolledig, dan kan zij later niet door andere bewijsmiddelen aangevuld worden. Zie Rechtbank Amsterdam, 27 Juni 1854, Wbl. 1568, en 5 Januari 1869, Wbl. 3122.
Verkrijging van roerende goederen door een der eelitgenooten, gedureude de gemeenschap, bij erfenis, legaat of selienking, moet door beschrijving of uit andere bescheiden blijken.
Bij gebreke daarvan is de man onbevoegd die als de zijne terug te nemen, terwijl de vrouw door getuigen en des noods door de algemeene bekendheid mag bewijzen, dat aan haar goederen zijn opgekomen, waarin die bestaan hebben en welke de waarde daarvan is (art. 221).
Het verschil tusschen beider bevoegdheid spruit hieruit voort, dat de man in staat is om voor zijne belangen te waken, tenvyI de vrouw beschermd moet worden tegen mogelijke benadeeling van de zijde van den man en gewaarborgd tegen weigering zijnerzijds om tot de bedoelde beschrijving mede te werken (vgl. bl. 143).
Zie de eenigszins gestrenger regeling voor het geval van faillissement van den man, waar voor de vrouw schriftelijk bewijs is voorgeschreven, ten genoege des rechters bij art. 880 K.; ten deele gewijzigd en aangevuld bij art. 61 en 62 der Wet op het faillissement enz.
Indien de echtgenooten onroerende goederen by making of schenking verkregen mochten hebben , kan het bewijs daarvan door alle middelen rechtens geleverd worden.
In art. 221 wordt alleen over de verkrijging van goederen om niet gehandeld, doch worden geene voorschriften gegeven voor het geval, dat een der echtgenooten goederen onder bezwarenden titel mocht
245
246 GEMEENSCHAP VAN WINST EN VERLIES.
bekomen. Dan zullen de gewone regelen gelden en de eehtgenooten verplicht zijn te bewijzen, dat de goederen uit eigen penningen gekocht of wel op andere wijze verkregen zyn. De enkele omstandigheid, dat de goederen op naam van één der eehtgenooten zijn gekocht, is niet voldoende. Integendeel bepaalt art. 214 B. W., dat onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aangekocht, in zoodanig geval behoudens tegenbewijs voor winst worden gehouden, hetgeen derhalve zal plaats hebben, zoodra óf de man óf de vrouw te kort mocht schieten in het leveren van bewijs omtrent de verkrijging van de bedoelde goederen. Ingeval van faillissement van den man is de vrouw ook hier gehouden door bescheiden de verkrijging van die goederen door belegging of wederbelegging te bewijzen (art. 880 K., 61, lid 4 der wet op het faillissement enz.).
Deze voorschriften zijn niet alleen voor de eehtgenooten, maar ook voor hunne erfgenamen toepasselijk.
Vervolgens wordt de gemeeuscliap tussclien de eehtgenooten gescheiden, in dier voege dat de, gedurende het huwelijk verkregen winsten bij helfte gedeeld en de verliezen bij helfte gedragen worden, ten ware de eehtgenooten een anderen maatstaf van verdeeling mochten hebben vastgesteld (art. 210, 311).
Gelijk boven, bl. 238 en 239, werd opgemerkt, staat het namelyk aan de eehtgenooten vrij te bepalen, dat de verdeeling der gemeenschap op zoodanige wyze zal plaats hebben als hun het meest geraden zal voorkomen , mits ieders aandeel in de baten geëvenredigd zij aan dat in de lasten.
Art. 193 Wetb. Nap. v. Holl. schreef voor, dat alle winst en verlies, na scheiding van het huwelijk voorvallende, maar waarvan de oorzaak staande huwelijk is geboren, nog gemeen is en gedeeld moet worden. Deze bepaling is in ons Wetboek niet overgenomen. Even als bij het begin van de gemeenschap zullen ook by haar einde alleen die vruchten en inkomsten in de gemeenschap komen, die gedurende bet huwelijk vervallen zyn; hetzelfde moet omtrent de geleden verliezen worden aangenomen.
B. De gemeenschap van vruchten en inkomsten.
Zij bestaat krachtens huwelijksche voorwaarden.
Op het voetspoor van art. 68 Wetb. Nap. v, Holl. en art. 360 van het Ontwerp 1820, wordt door sommige schryvers aangenomen, dat, indien de algeheele gemeenschap van goederen en die van winst
gemeenschap van trüchten ex inkomsten. 247
en verlies bij hnwelijksche voorwaarden uitgesloten zijn, de gemeenschap van vruchten en inkomsten rechtens aanwezig is. Opzoomes, I, ad art. 199 toont echter te recht aan, dat de wet hiertoe geen aanleiding geeft, en dat, bij uitsluiting dezer beide gemeenschappen, ieder der eehtgenooten het zijne behoudt, zonder dat tusschen hen iets gemeen wordt. Ditzelfde zou ook het geval zijn indien alleen de wettelijke gemeenschap uitgesloten ware, en art. 199 niet uitdrukkelijk bepaalde, dat alsdan gemeenschap van winst en verlies tusschen de eehtgenooten bestaan zou (vgl. Diephuis, IV, bl. 334, en de daar aangehaalde schrijvers).
Bij deze gemeeuschap behoudt ieder der eclitgenooteu de goederen door hem ten huwelijk aangebracht of staande huwelijk verkregen; alleen de vruchten en inkomsten gedurende het huwelijk genoten worden tusschen hen gemeen.
De wet geeft geene omschrijving van hetgeen tot deze gemeenschap behoort, noch van het verschil tusschen haar en de gemeenschap van winst en verlies. Het hoofdverschil schijnt daarin gelegen, dat de verliezen niet gemeenschappelijk geleden en de schulden niet gemeen worden, maar dat ieder der eehtgenooten aansprakelijk blijft voor de schulden door hem gemaakt (Vooruutn, II, bl. 390).
Wat nu te verstaan onder vruchten en inkomsten? In het algemeen datgene wat de wet onder winst verstaat, \') derhalve de vruchten en opbrengsten uit elks goederen, arbeid en vlijt, en uit den opleg van onverteerde inkomsten, staande huwelijk genoten, benevens de jaarlijksche, maandelijksche, wekelijksche makingen, schenkingen of uitkeeringen en lyfrenten (zie art. 222).
Moet men nu met Diephuis, IVquot;, bl, 365, en met van Hall, bl. 261, hetgeen door spel en weddingschap verkregen of hetgeen uit een loterij getrokken wordt, en met Nienhuis, I, bl. 441, ook hetgeen door handel en dergelijke bedrijven verdiend wordt uitzonderen? Ook hier onderscheide men. Voor zooverre nl. iets onder winst gerekend kan worden als opbrengst van de goederen of den arbeid der eehtgenooten, zal het ook tot de vruchten en inkomsten behooren (zie Opzoomer, I, bl. 300; in anderen zin Mr. N. F. van Nooten, de gemeenschap van vruchten en inkomsten, bl. 24 en vlg.)
Ten aanzien van het beheer der goederen is datgene toepasselijk wat boven, bl. 241, omtrent de gemeenschap van winst én verlies is opgemerkt.
Bij de ontbinding der gemeenschap zullen de eehtgenooten de door
1) irt. 222 Ontw. 1886 bepaalt dit «itdrnkkelijk.
248 giften ïusschen ue aanstaande echtgenooten.
hen aangebrachte en later verkregen goederen van die der gemeenschap afscheiden. Voor het bewijs, welke die goederen zijn, gelden de regelen, voorgeschreven in de artt. 220 en 221 B. W. Schieten de echtgenooten in het hun opgelegde bewys te kort, dan zullen die goederen als winst aangemerkt worden en in de gemeenschap vallen.
Geldt echter in dit geval de bepaling van art. 214 B. \\V. ? of moet men aannemen, dat bij deze gemeenschap de onroerende goederen en op naam staande effecten aan hem zullen moeten worden toe-gescheiden, op wiens naam zy gekocht zyn? Opzoomer, I, bl. 301, en Dtf.phuis, IV, bl. 367, achten dit art. ook hier toepasselijk; van Halt., bl. 261, Asser, Verg. bl. 106, en de andere by Diephuis aangehaalde schrijvers zijn van een tegenovergesteld gevoelen.
Het voorname verschil tusscheu de hier behandelde gemeenschap en de uitsluiting van elke gemeenschap is hierin te zoeken, dat by de eerste de vruchten en inkomsten gemeenschappelijk eigendom zyn en bij de laatste al de vruchten en inkomsten, hetzy aan den man toe-behooren of tot zijne beschikking zijn (art. 201). Men mag zelfs aannemen, dat hij in het laatste geval niet rekenplichtig is jegens de vrouw, hetgeen o. i. ook eenigermate door de woorden van art. 1530 C. Nap. wordt bevestigd. Zie verder over art. 201, Diephuis IV, b!. 309, Land I, bl. 167 en v. en een opstel van Mr. J. H. Muller, li. Mag. XI, bl. 16 en v.
Giften tusscheu de aanstaande echtgenooten.
De aanstaande eclitgeuooten mogen bij huwelijksche voorwaarden aau eikander wederkeerig, of een van beiden aan den anderen giften doeu, mits daardoor geen nadeel worde toegebracht aan heu, die op een wettelijk erfdeel recht hebben (art. 223).
De hier bedoelde giften worden in velerlei opzicht door andere regelen beheerscht dan de gewone schenkingen. De bijzondere rechtsgevolgen en voorrechten, daaraan ter zake des huwelyks verbonden verleeuen aan dit onderwerp een eigenaardig karakter; zoodat in de wet aan deze stof eene bijzondere plaats is ingeruimd bij de bepalingen van huwelyksrecht, en afgescheiden van die van obligatie- en erfrecht. Niettemin zal men, bij het zwygen der wet en wanneer men tot algemeene beginselen moet opklimmen, dikwijls deze nauw verwante stoffen moeten raadplegen.
Die giften kuuuen bestaan:
1°. in tegenwoordige en bij de akte bepaaldelijk omschreven goederen (art. 224) ;
GIFTEN TUSSCHEN UE AANSTAANDE ECHTGENOOTEN.
Deze dragen bijna geheel het karakter van schenkingen onder de levenden, en zijn derhalve, behoudens de in dezen titel opgenomen voorschriften, aan de bepalingen omtrent schenkingen onderworpen (art. 1703 en vlg. B. W.)
Zij komen in zooverre overeen met de gewone schenkingen;
a. dat in de akte bepaaldelijk aangeduid moet worden, welke die goederen zijn (art. 224, 1703 B. W.);
b. dat zy niet geschieden mogen ten koste van die erfgenamen, aan wie een wettelijk erfdeel toekomt (art. 223, 960 B. W.) ;
Heeft dit plaats gehad dan zullen die giften worden ingekort (art. 967 B. W.).
c. dat zij herroepelijk zyn in geval niet voldaan wordt aan de voorwaarden, waaronder zij gemaakt zyn (art. 227, 1725 n°. 1 B. W.).
Men denke hier meer aan een last, die op den begiftigde gelegd wordt, dan aan de eigenlijk gezegde voorwaarde. Deze laatste trouwens kan er ook aan verbonden worden, zelfs eene zoodanige voorwaarde, welker uitvoering van den wil des schenkers afhangt (art. 226 B. W.). Dit is niet als eene uitzondering op art. 1292, lid 1 B. W. aan te merken, maar als eene toepassing van hetgeen verder in dat artikel gezegd wordt, nl. dat de verbintenis afhankelijk gesteld kan worden van eene daad, waarvan de vervulling in de macht van den schuldenaar staat (Zie Mr. van Boneval Faüke in üpm. en Meded., V, bl. 122 en vlg.);
cl. dat levering van hetgeen geschonken wordt noodig is om den eigendom te doen overgaan (art. 1723 B. W.);
e. dat de overleving van den begiftigde geen vereischte is, ten ware dit uitdrukkelyk als voorwaarde gesteld mocht zyn (art. 229, 1709 B. W.);
Zij zijn echter in de volgende punten van de gewone schenkingen onderscheiden:
a. dat minderjarigen, mits behoorlyk bijgestaan, bevoegd zijn bij huwelijksche voorwaarden giften te doen en aan te nemen, terwijl voor gewone schenkingen meerderjarigheid of wettelyke vertegenwoordiging vereischt wordt (art. 206, 1714, 1722 B. VV.);
ii. dat zij alleen bij huwelijksche voorwaarden kunnen geschieden, de gewone schenkingen bij iedere notarieele akte (art. 223, 1719 B. W.);
c. dat, terwijl gewone schenkingen uitdrukkelyk aangenomen moeten worden bij eene authentieke akte, voor deze giften geene uitdrukkelijke aanneming vereischt wordt (art. 225, 1720 B. W.).
Eene aanvaarding der gift zal echter noodzakelijk zijn, daar zonder toestemming van beide kanten geene overeenkomst tot stand kan komen. Zoodanige aanvaarding is dan gelegen in het medewerken tot de huwelijksche voorwaarden, bij welke gever en begiftigde als partijen
249
250 giften tüsschen db aanstaande echteenootes.
optreden, in verband met het sluiten van het beoogde huwelijk. (Zie van Hall, bl. 262; Asser, Verg. § 155) ;
d. dat zij, met uitzondering van het geval, dat niet aan de voorwaarde (den last) voldaan wordt, onherroepelijk zijn, terwijl gewone schenkingen ook herroepen kunnen worden ingeval van art. 1725, n0. 2 en 3 B. W. (art. 227).
2°. in de gelieele of gedeeltelijke ualatensohap (art. 224).
Over de zoogenaamde institution contractuelle, die gedurende de republiek ook in eenige deelen van ons vaderland in gebruik was, zie Mr. G. Rotjaakds, Iets over erfstelling door overeenkomst, bl. 148 en vlg. Moet men de in ons wetboek bedoelde giften als schenking dan wel als erfstelling beschouwen ? Deze vraag heeft ook praktisch belang, daar in het eerste geval de erfgenamen ab intestato de erfenis zullen moeten aanvaarden en de begiftigde van hen de afgifte zal moeten vragen, terwijl in het andere geval de begiftigde zelf erfgenaam wordt en dan dezelfde rechten en verplichtingen heeft als andere erf. genamen, zoodat hij ook de bevoegdheid zal hebben de nalatenschap te verwerpen of die onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden. Met de meeste schrijvers zal men moeten aannemen, dat het hier, wat den rom betreft, wel eene overeenkomst geldt, maar eene zoodanige, waarvan erfrecht het gevolg is, zoodat de begiftigde erfgenaam wordt. Dit toch komt met den aard van het instituut het meest overeen; er wordt beschikt over de nalatenschap, evenals bij een testament; eerst bij den dood van den schenker kan de begiftigde zijne rechten doen gelden. Ook in het vroegere recht werd het aldus beschouwd. Art. 75 Wetb. Nap. v. Holl. bepaalde dat dergelyke schenkingen met beschikkingen, bij uitersten wil gemaakt, gelijk zouden staan en art. 372 Ontw. van 1820 noemde haar uitdrukkelijk erfstellingen, terwijl uit de beraadslagingen, over dit onderwerp gevoerd, niet blijkt, dat men van deze opvatting heeft willen afwijken. Voorduin, 11, bl. 304; zie voorts Opzoomer, I, bl. 301 en v.; Diephüis, IV, bl. 379; v. Hall, tl. 264; Asser, Ferg. bl. 109; verg. ook H. R. 23 Nov. 1864, Regtspr. 78 § 96, Wbl. n0. 2638 en 23 Nov. 1866, WM. n0. 2775. Vele schrijvers over den C. Nap. beschouwen haar echter als eene schenking. Zie o. a Laurent, XV, bl. 221. \')
Als punt van overeenkomst met erfstellingen mag men er op wijzen: dat de begiftigde den schenker overleven moet, om tot de nalatenschap geroepen te worden (art. 230, 946 B. W.) en in verband daarmede: dat, ingeval van vooroverlijden van den begiftigde, zelfs de
\') Art. 225 Ontw. 1886 spreekt hier uitdrukkelijk van „erfstellinft of making.quot;
GIFTEN TUSSCHEN DE AANSTAANDE ECHTGENOOTEN.
kinderen uit het huwelijk gesproten, geen aanspraak op de ia de huwelijksche voorwaarden bedoelde nalatenschap kunnen doen gelden (art. 230 B. W.).
Zij leveren daarentegen in hoofdzaak deze verschilpunten met de erfstellingen op:
a. dat bij dezelfde akte eene wederkeerige of onderlinge beschikking gemaakt mag worden, hetgeen bij testamenten niet geoorloofd is (art. 223, 977 B. W.);
/k dat minderjarigen den bijstand van hen, die in art. 206 genoemd zijn, noodig hebben om deze beschikkingen te maken, terwijl minderjarigen, die den leeftijd van 18 jaren bereikt hebben, bevoegd zijn om een testament te maken (art. 206, 223, 944 B. W.);
c. dat zij alleen by huwelijksche voorwaarden kunnen geschieden en onherroepelijk zyn, behalve in het geval dat aan de daarbij gestelde voorwaarden (de daarbij opgelegde verplichtingen) niet voldaan mocht worden, terwijl een uiterste wil telkens herroepen en door een anderen vervangen kan worden (art. 223, 228, 1039 B. W.); en in verband hiermede
d. dat over de goederen in de gift begrepen niet meer om niet beschikt mag worden, behalve over geringe sommen ter belooning of om andere redenen, terwijl de erflater de volkomen bevoegdheid blijft behouden om met zyne goederen naar welgevallen te handelen (art. 228).
De beschikking over de goederen onder bezwarenden titel blijft geoorloofd, evenals het bezwaren der goederen. In hoeverre de om niet gegeven sommen gering zijn, zal de rechter in ieder voorkomend geval moeten beoordeelen en daarby letten op het vermogen van den erflater en de redenen, die tot de schenkingen geleid hebben.
Behoudens deze verschilpunten, zal men op deze raakingen in het algemeen de regelen moeten toepassen, die voor erfgenamen en erfstellingen voorgeschreven zyn, b. v. de bepalingen omtrent onwaardigheid, de verplichting om de schulden te betalen enz.
De wet spreekt van giften van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap. Niets belet de echtgenooten echter om elkander zekere bepaalde goederen, of al de roerende of de onroerende goederen of wel het vruchtgebruik van een deel der goederen te geven, voor het geval dat de begiftigde echtgenoot den ander mocht overleven. Dergelijke giften zullen dan het meest overeenkomen met legaten (art. 1004 B. W.).
Giften door derden aan de aanstaande eclitgenooten gedaan.
Ook derden kunnen aan de aanstaande echtgenooten zoodanige giften
251
252 giften van dekden aan de aanstaande echtgenooten.
doen, als zij voegzaam oordeelen, mits daardoor geen nadeel worde toegebracht aan hen, wien een wettelijk erfdeel toekomt (art. 231).
De hier behandelde giften moeten geschieden ter zake van het voorgenomen huwelijk. Alleen op dien grond worden zij door andere regelen beheerscht. Wordt het huwelijk niet gesloten, dan zullen die giften vervallen. Derden blijven echter steeds bevoegd aan de echt-genooten schenkingen te doen of hen bij testament te bevoordeelen, maar dan zijn zoodanige giften onderworpen aan de gewone regelen omtrent de schenkingen onder de levenden en omtrent het erfrecht.
Deze giften kunnen geschieden;
1°. bij linwelijksche voorwaarden, in welk geval zij niet uit-drukkelij k aangenomen behoeven te worden;
2°. bij eene afzonderlijke notarieele akte voor liet huwelijk en ter zake daarvan verleden, als wanneer xzij uitdrukkelijk aangenomen moeten worden om gevolg te hebben (art. 231, 232).
•Moet die aanneming vóór het huwelijk plaats hebben? Daar van den regel in art. 1720 B. W. gesteld, volgens welken de aanneming steeds kan geschieden, mits gedurende het leven van den schenker, uiet is afgeweken, zal zij ook na het sluiten van het huwelijk nog kunnen plaats hebben. Zie Diephüis, IV, bl. 382.
Deze giften worden op dezelfde wijze onderscheiden als ten aanzien van de giften tusschen echtgenooten bepaald is. Bevatten zy tegenwoordige en bepaaldelyk omschreven goederen, dan zullen zij als schenkingen onder de levenden beschouwd moeten worden; wordt echter over de geheele of gedeeltelijke nalatenschap beschikt, dan zal zulk eene institution contractuelle aangemerkt moeten worden als eene overeenkomst, die erfrecht ten gevolge heeft, welk karakter hier nog meer dan bij de giften tusschen de echtgenooten uitkomt. Moet men om laatstgenoemde giften te kunnen doen de bekwaamheid bezitten om overeenkomsten aan te gaan, of is het voldoende dat men de bevoegdheid bezit om een testament te maken? Men zal het eerste moeten aannemen, daar het hier geen gewone uiterste wil geldt, maar een zoodanige, die, hoewel voor den begiftigde in hoofdzaak gelijkstaande met een gewoon testament, echter voor hem, die over zyne nalatenschap beschikt, daarmede niet gelijk te stellen is. Hy toch beschikt dan voor altijd en op onveranderlijke \') wijze over zyne bezittingen. Zie Mr. Gr. Ruijaards, t. a. p., bl. 191 en v., die echter
,) Zie echter het arrest H. R. van 10 Juni 1892, W. n0. 6199.
gtkten vax derden aan de aanstaande echtgenooten. 253
o. i. zonder geiioegzameu grond voor de getrouwde vrouw en den ter zake van verkwisting onder curateele gestelde eene uitzondering maakt.
Om giften van tegenwoordige en bepaalde goederen te kunnen doen, wordt de bekwaamheid vereischt om overeenkomsten aan te gaan, evenals bij schenkingen, waarmede zij gelijk staan. De aanstaande echtgenooten zijn echter alleen bevoegd die aan te nemen, indien zij daartoe zijn bijgestaan in de gevallen, waarin dit noodig is tot het maken van huwelyksche voorwaarden; voor zoover men aanneming der gift ook na de huwelyksvoltrekking mogelijk acht, zullen de echtgenooten niemands bijstand daartoe behoeven, ten ware zij uit anderen hoofde in hunne rechtsbevoegdheid mochten zyn beperkt.
De Code Nap. behandelt in art. 1084 nog eene bijzondere gift, namelijk de schenking van tegenwoordige goederen, vereenigd met de geheele of gedeeltelijke nalatenschap, waarby dan de begiftigde bij bet overigden van den schenker de keuze heeft om óf beide te aanvaarden óf alleen de tegenwoordige goederen aan te nemen en van de nalatenschap afstand te doen, mits by de schenking een staat gevoegd zy, inhoudende de schulden en lasten van den schenker op het oogen-blik der schenking. Men heeft die bepaling in ons Wetboek niet overgenomen. Zoowel de echtgenooten als derden blyven echter bevoegd om de gift te doen bestaan èn uit tegenwoordige goederen èn uit de geheele of gedeeltelijke nalatenschap, maar zonder de verdere gevolgen van art. 1084 C. Nap. (Zie Voorduin, [I, bl. 401).
üe bepalingen van art. 324, 226, 227 en 228 B. W. ziju op deze giften van toepassing (art. 234).
Is de geheele nalatenschap of een gedeelte er van aan de echtgenooten of aan een hunner vermaakt, dan zal zoodanige gift, zoo het tegendeel niet uitdrukkelijk bedongen is, steeds geacht worden ook te hebben plaats gehad ten behoeve der kinderen en afkome-lingen uit het huwelijk geboren, ingeval de schenker den begiftigde overleeft (art. 233).
Deze bepaling bevat het tegendeel van art. 230 B. W. en vindt haar grond in de onderstelling, dat hy, die ter zake des huwely ks de echtgenooten wil bevoordeelen, dit ook ten aanzien van hunne afstammelingen wil doen (Voorduin, II, bl. 400).
Men houde echter wel in het oog dat de schenker de echtgenooten niet mag voorbij gaan door alleen aan de kinderen, die geboren mochten worden, giften te maken. Mag hy echter bepalen dat, ingeval de echtgenooten hem niet mochten overleven, de gift op één dei-kinderen moet overgaan? Diephuis, IV, bl. 385, acht dit niet ge-
vekmogknshecht bij tweede en\' verdek huwelijk.
oorloofd en meent dat in zoodanig geval al de kinderen tot de nalatenschap geroepen moeten worden, terwijl v. Hall, bl. 265, van een tegenovergesteld gevoelen is.
Zijn de echtgenooten overleden, dan zullen de kinderen ieder voor hun aandeel opkomen en zal een overleden kind door diens afkome-lingen vertegenwoordigd worden.
De gift van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap zal derhalve vervallen, indien de schenker, zoowel den begiftigde overleeft, als diens afkomelingen, gesproten uit het huwelijk, ter zake waarvan de gift gedaan is, (art. 233, lid 2.) Ten aanzien van de overeenkomst en de verschilpunten tusschen deze giften met schenkingen onder de levenden en erfstellingen, zij verwezen naar hetgeen dienaangaande by de giften tusschen echtgenooten is opgemerkt, hetwelk behoudens de hier behandelde uitzonderingen ook op deze giften van toepassing is.
III. INVLOED VAN TWEEDE EN VERDEK HUWELIJK OP HET VERMOGEN
DEK ECHTGENOOTEN.
Het sluiten van een tweede of verder huwelijk zal veelal nadeelig zyn voor de geldelijke belangen der voorkinderen. Een natuurlijk gevolg van zoodanig huwelijk kan bestaan in het vermeerderen van het aantal afstammelingen van den hertrouwenden echtgenoot, waarover echter de voorkinderen zich rechtens niet kunnen beklagen. Anders is het evenwel met bevoordeelingen van den lateren echtgenoot door den hertrouwende. Bevoordeeling toch kan plaats hebben hetzij door vermenging van beider vermogen, indien zij in gemeenschap van goederen huwen, hetzij door schenking by huwelyksohe voorwaarden of testament. Zoodanige bevoordeeling mag volgens de meeste wetgevingen dan ook slechts binnen beperkte grenzen geschieden.
In het Romeinsche recht — dat geene wettelijke gemeenschap van goederen kende — was daarin voorzien door de bekende lex hac edictali (1. 6 Cod. de sec. nupt., 5, 9), waarbij Leo eu Anthemius ten jare 469 het recht van beschikking bij uitersten wil of giften onder de levenden ten behoeve van den tweeden echtgenoot, by het bestaan van voorkinderen, beperkten tot een kindsgedeelte: „non sit ei licitum novercae vel vitrico, testamento plus relinquere, nee dotis aut ante nuptias donationié nomine, seu mortis causa habita donatione conferre, nee inter vivos conscribendis donationibus .... quam filio vel liliae . . .quot; caet. Het te veel gegevene kwam aan de kinderen terug, als ware het niet geschreven, noch nagelaten of geschonken, „tamquam non scriptum, neque derelictum, vel donatum, aut datum sitquot;. Justinian us liet, blijkens de I. 9 C. de Sec. Nupt., alle kinderen.
254
vermogensrecht bij tweede ex verder huwelijk. 255
ook die uit het verdere huwelijk, in dit voorrecht deelen, doch beperkte het later weder tot die, welke uit het vroegere huwelyk waren gesproten (Nov. 22, c. 27). Vgl. v. Hall, hl. 266 en v.
Hetzelfde rechtsbeginsel is volgens NTeostadius, Ohs. de pact. antn-iiupt., IV, reeds in het midden der 16c eeuw ten onzent ingevoerd en werd ook algemeen in Europa aangenomen (Mittermaier, Grundr. d. D. Hechts, I, § 363). Het werd echter op het voetspoor van het Romeinsche recht beperkt tot schenking en, testamenten en huwelij/csche voorwaarden; zie de Groot, IhL, II, 12, § 6, mededeelende dat hy die huwt .met een weduwnaar of weduwe, die, voorkinderen heeft „wel vermag te blyven op de gemeenschap van goederen geen huwe-„lyksche voorwaarden makende: maer de zelve makende daer by niet „meer uyt zijn Echtgenoots goed mag bedingen als een kinds gedeelte\'\' enz. Vgl. Voet, ad tit. Dig. de ritu nupt. n0. 122; van Leeuwen, H. H. Regt, IV, 23, § 5. De laatste geeft als grond op waarom de legale gemeenschap niet in het verbod der lex hac edictali begrepen is, dat die zonder toedoen der echtgenooten ontstaat en voor de kinderen zoowel voordeelig als nadeelig kan zijn. Van daar dat sommige oude schrijvers onderscheidden of men die gemeenschap uitdrukkelijk had bedongen, in welk geval het verbod toepasselijk werd geacht, dan wel of zij stilzwijgend bestond. Bunkershoek, Quest. Jur. priv., II, 2, en anderen keuren die onderscheiding te recht af. Van der Keessel, Th. 132, acht de lex hac edictali in geen van beide gevallen toepasselijk; doch in Utrecht had die gelijkstelling van statutaire en conventioneele gemeenschap van goederen ten gevolge, dat op heide de Romeinsche wet sedert 1659 werd toegepast (zie v. Hall, bl. 267). Van Leeuwen deelt nog t. z. p. mede dat door vele gerechtshoven werd aangenomen dat degene, die met een weduwnaar of weduwe, voorkinderen hebbende, trouwt, zelfs buiten de helft van de gemeenschap nog een kinds gedeelte bij uitersten wil mag genieten. Winsten, staande tweede of verder huwelijk gemaakt, als vruchten van vlijt en spaarzaamheid, waren nergens onder de bepaling der lex h. ed. begrepen. (Neostadius, de pact. antenupt., Obs. 4, in nota; Voet, t. a. p., ii0. 124.) Het recht tot vordering der inkorting van het te veel gegevene kwam even als in het latere Romeinsche recht alleen aan de kinderen en afstammelingen uit vroegereu bedde toe (Voet, ad tit. Dig. de ritu nupt., nquot;. 110).
Het Wetb. Nap. v. Holl. paste in art. 208 -en v. het Üud-Hollandsch beginsel toe. Bevoordeeling van den tweeden en verderen echtgenoot boven een kinds gedeelte was verboden, „uitgenomen door het invoeren der gemeenschap van goederen of van winst en verlies.quot; Hetgeen te veel genoten zon worden strekte ten bate der voorkinderen (art. 209).
VERMOGENSRECHT BIJ TWEEDE EN VERDER HUWELIJK.
De Code Nap. (art. 1496) strekte de verbodsbepaling ook uit tot de gemeenschap van goederen (die echter in het Fransche recht minder bevatte dan ten onzent), en beperkte de bevoordeeling nog door de bijvoeging, dat deze in geen geval het vierde der goederen van den hertrouwden echtgenoot mocht overtreffen (art. 1098 C. N.); maar de voordeelen „resultant des travanx communs et des économies faites sur „les revenus respectifs, quoique inégaux, des deux époux, ne seront „pas considérés comme un avantage fait an prejudice des enfants du „premier litquot; (art. 1527, al. 3, C. N.).
Het Ontwerp van 1820 keerde weder terng naar het Oud-Holl. begrip, om de gemeenschap van goederen aan de bepaling der lex hac edict, te onttrekken (art. 417 en v.). Door de i!c afd. der Tweede Kamer werd echter verlangd, dat ten deze het Fransche stelsel zou worden gehuldigd (Voorduin, II, bl. 412 en v.) en zoo is in onze wet niet alleen het verbod toegepast op de overbevoordeeling van den nieuwen echtgenoot door algeheele gemeenschap, maar ook tengevolge van elke andere gemeenschap van goederen, behalve alleen dat ook by het aanwezig zijn van kinderen uit een vroeger huwelijk winst en verlies — behoudens tegenovergesteld beding — gelijkelijk tusschen beide echtgenooten worden gedeeld. Even als in vroegere wetten en het Ontwerp 1820 meer of min duidelijk was te kennen gegeven, treedt de verbodsbepaling niet vóór het overlijden van den hertrouwden echtgenoot in toepassing.
256
Het geheele onderwerp levert, niettegenstaande den schijnbaren eenvoud der bepalingen van den 9equot; titel eene menigte rechtsvragen op, en uitgebreid is de litteratuur en de rechtspraak over deze weinige artikelen. \')
\') In het Ontwerp B. W. van 1886 is men, met het oog op de Tele verwikkelingen die de nieuwere wetgevingen ten deze hebben doen geboren worden, weder eene goede schrede naar het Romeinsche recht teruggekeerd, door nl. geene gemeenschap van goederen toe te laten, indien tijdens de voltrekking van het tweede of verder huwelijk kinderen of afstammelingen uit een vroeger huwelijk in leven zijn (art. 161). Ten gevolge hiervan bepaalt zich het ontwerp uitsluitend tot het verbod van contractneele bevoordeeling (later ongetwijfeld aan te vullen met bevoordeeling door testamentj. Het voordeel voor den nieuwen echtgenoot mag, bij het tijdens de ontbinding van het latere huwelijk aanwezig zijn van kinderen uit een vroeger huwelijk, niet grooter zijn dan het e\'én vierde deel van den boedel van den hertrouwden echtgenoot, terwijl ingeval het huwelijk door den dood van dezen laatste wordt ontbonden het voordeel tevens niet meer mag bedragen dan het minste deel, door cén der voorkinderen genoten (art. 213). Zie de Mem. van Toel. op deze beide artikelen , ten betooge dat deze regeling althans een groot deel der bestaande twistvragen doet vervallen.
vermosensrkcht bij tweede en vekder huwelijk.
Het hoofdbeginsel der wet is gelijkstelling van het tweede en verdere huwelijk met het eerste, voor zoo veel betreft het vermogensrecht (art. 235 j\'9. 174 en v. B. W.)
Ook zonder de uitdrukkelijke bepaling van art. 235 zou men d;e gelykstelling moeten aannemen. Wellicht mag men met Mr. v. Hall, bl. 268, aan die bepaling het gevolg toekennen dat de daaropvolgende artikelen als behelzende uitzonderingen op dit beginsel en verbodsbepalingen in strikten zin moeten worden uitgelegd (vgl. bl. 80 supra).
Van dit beginsel wordt afgeweken als de volgende omstandigheden in vereeniging plaats hebben:
a. dat er bevoordeeling van den nieuwen echtgenoot plaats heeft;
hetzij, in geval van eeuigerlei gemeenschap van goederen, door
vermenging van de goederen en schulden van beide echtgenooten (art. 236, lid 1);
hetzij, door het maken van huwelijksche voorwaarden (art. 237);
b. dat die bevoordeeling meer bedraagt dan het minste gedeelte, hetwelk een der voorkinderen van den hertrouwden echtgenoot (of bij vooroverlijden de nakomelingen van zoodanig voorkind bij plaatsvervulling) geniet; of wel dat zij het één vierde gedeelte van den boedel van den hertrouwden echtgenoot overtreft (art. 236, lid 1);
c. dat er tijdens het openvallen van de nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot voorkinderen of nakomelingen van dezen aanwezig zijn (art. 236, lid 1).
ad a. De wetgever heeft willen verhinderen dat, hetzij door huwe-lyksgemeenschap, hetzij door huwelijksche voorwaarden de hertrouwende echtgenoot ten nadeele van diens kinderen een aanmerkelyk deel van zijn vermogen prijs gaf. Dit zal bij huwelijken in gemeenschap van goederen aangegaan plaats hebben ingeval van groote ongelijkheid van vermogen; juist derhalve in het geval, waarin de bevoordeeling krachtens Oud-Hollandsch recht geoorloofd was. Zie Voet, t. a. p., nquot;. 122, die de onbillijkheid aantoont en opmerkt dat die alleen in Holland werd aangenomen „quia antiquior in Hollandia fuit statutaria „communio quam dictae legis sextae comprobatio et ususquot;. Vgl. v. Hall, bl. 268. De hoegrootheid nu van het vermogen der echtgenooten, inzonderheid -van den hertrouwende tijdens het aangaan van het huwelyk zou ter juiste toepassing van art. 236 en v. bekend moeten zijn, en men heeft hij de samenstelling der wet rypelijk overwogen of daarvan niet door boedelbeschrijving zou moeten blijken; doch dit denkbeeld moest men laten varen als bezwarend voor den hertrouwende
Asser . hurijerl. Hecht. ï. 3e druk. 1 /
257
vermogensrecht bi.\' tweede enquot; verder huwelijk.
en ondoeltreffend tegenover de kinderen, tenzij deze bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zouden zijn, waartegen zich echter redenen van kieschheid verzetten. Zie Asser, Verg. § 160.
Met het verbod van overhevoordeeling bij huwelijksche voorwaarden (art. 237) hangt de soortgelijke bepaling omtrent nitersten wil (art. 949) ten nauwste samen. Beide artikelen hebben hunnen oorsprong in de lex hac edictali, die de giften onder de levenden, of ter zake des doods, alsmede de makingen bij testament ingeval van verder huwelijk ten opzichte van den hertrouwenden echtgenoot beperkte. In het Fransche recht (art. 1098 C. N.) waren beide in ééne bepaling samengevat. Men verwerpe o. i. vooral daarom de door sommigen gehuldigde leer, alsof de latere echtgenoot eerst een kindsgedeelte of een vierde des boedels van den hertrouwende krachtens huwelijksrecht, daarna nogmaals een zoodanig gedeelte krachtens testament zou kunnen genieten. Vgl. uitvoeriger hieromtrent v. Hall, bl. 270 en de aldaar aangehaalde bronnen; eveneens de rechtspraak te vinden bij Léon B. W., uitg. Asser, art. 286, aant. 5 en 7 en 3quot; suppl. Rombach aant. 11. \')
ad b. Het verbod van bevoordeeling boven het minste gedeelte, hetwelk één der voorkinderen geniet is afkomstig van de lex hac edictali; dat van bevoordeeling boven één vierde, uit het Fransche recht. Opmerkelijk is het verschil in redactie tusschen art. 236 en 949 B. W.; in het eerste toch is sprake van het minste gedeelte hetwelk een der voorkinderen geniet; terwijl het laatste van wettige kinderen spreekt. In de toepassing is het verschil echter geringer dan men oppervlakkig denkt, daar alle kinderen van denzelfden vader of dezelfde moeder, onverschillig uit welk huwelijk, ten opzichte van het erfrecht gelijke rechten hebben op diens nalatenschap. Groot verschil van meening bestaat er omtrent de vraag of genieten in gemelde artikelen beteekent werkelijk genieten, of recht hebben op genot; in het laatste geval zou de verdere echtgenoot steeds een deel kunnen krijgen gelijkstaande of met een vierde des boedels, of ingeval er meer dan drie wettige kinderen zijn, minstens met het wettelijk erfdeel van één dier kinderen; in het eerste geval ontstaat er daarentegen bezwaar als een der kinderen krachtens uitersten wil minder geniet dan het wettelijk
\') Ia later tijd is de stelling dat niettegenstaande de bevoordeeling uit kracht der schap — niet echter bij huwelijksche voorwaarden — nadere bevoordeeling bij testament alsnog geoorloofd is, verdedigd door Mr. Th. L. M. H. Bokrkt , Ilijdr. ter verkl. van de artt. 236 en 949 v. h. B. W., \'s Gravenhnge 1880, bl. 20 en v. De door schr. gemaakte onderscheiding, komt ons voor niet aannemelijk te zijn. Artt. 236 en 237 staan te zeer op ééne lijn , dan dat men aan de bevoordeeling in beide gevallen verschillende gevolgen zou mogen toekennen.
258
vermogensrecht btj tweede ex verder huwelijk, 259
erfdeel, en hij in die beschikking berust; velen beweren dat in dit geval ook het deel, dat de nieuwe echtgenoot raag verkrijgen, geringer wordt (aldus b. v. Diephuis, IV, bl. 402; Opzoomer, I, bl. 323 en v.).
Is het evenwel rechtskundig te verdedigen, dat het recld van den verderen echtgenoot op bevoordeeling binnen zekere mate, zou afhangen van de omstandigheid of een der legitimarissen al of niet gebruik maakt van de hem bij art. 967 B. W. toegekende bevoegdheid tot handhaving van zijn recht op het wettelijk erfdeel? En hoe is daarmede in overeenstemming te brengen als Mr. Diephuis op bl. 403 aanneemt dat, indien één der voorkinderen de nalatenschap geheel verwerpt, dit aan den nieuwen echtgenoot geene schade zal toebrengen ?
By het genieten moet worden gevoegd datgene, hetwelk de erfgenaam reeds vroeger tijdens het leven des erflaters van dezen heeft verkregen. Vgl. Kist, de bepalingen der Ned. Wtt, omtrent tweede en verdere huwelijken, 2e dr., bl. 41 en v.
Mag ingeval van derde of verder huwelijk elk der nieuwe echt-genooten afzonderlijk een voordeel genieten als in art. 236 wordt bedoeld, of mogen zij slechts te zamen het één vierde of kindsgedeelte van den boedel des hertrouwden ontvangen\'? De duidelijke letter der wet dwingt ons tot de verklaring in eerstgemelden zin; deze zou zeelten nadeele der kinderen strekken, ware het niet da\'t zij, althans in geval van bevoordeeling door huwelijksche voorwaarden of bij testament, een correctief hadden in de bepalingen omtrent het wettelijk erfdeel (art. 960 en v. B. W.); moeielyker is het aan te nemen, dat zij de legitieme portie, kunnen handhaven tegen bevoordeeling, ten gevolge van vermenging door gemeenschap van goederen. Vgl. de Pinto, § 141 en DiEPnuxs, bl. 398 en v., welke laatste er op wijst dat de meeste Fransche schrijvers de tegenovergestelde leer huldigen, terwijl ook Nicojlaï (Voorduin, I, bl. 418) meende, dat de opvolgende echt-genooten te zamen slechts éénmaal het bedoelde voordeel mochten genieten.
Onder hoedel van den hertrouwden echtgenoot versta men niet enkel datgene, wat hij ten huwelijk aanbracht, maar ook datgene, wat hem later door erfopvolging, legaat of schenking is opgekomen; in het algemeen datgene, hetwelk zijn eigendom zou zijn gebleven, indien alle gemeenschap ware uitgesloten, of bij huwelijksche voorwaarden geene bevoordeeling hadde plaats gehad. Alleen zij men indachtig, dat de winst en het verlies, behoudens tegenovergesteld beding, altijd gelijkelijk tusschen de echtgenooten wordt gedeeld (art. 240); vgl. Arr. H. R. van 10 Juni 1864, W. n». 2595, R. d. LXXVII, § 16.
Moet de helft in winst of verlies, die volgens art. 240 aan den hertrouwden echtgenoot komt, tot diens boedel in den zin van art. 236
17*
vermogensrecht bij tweede en verder huwelijk.
worden gerekend? Vgl. Mr. Kist, bl. 38, bevestigend; daartegen Mr. Bokeet, bl. 1 en v. ontkennend, waardoor laatstgemelde genoopt wordt eene onderscheiding te maken tusscben de uitdrukkingen hoedel en nalatenschap van den hertrouwde. Zie omtrent een en ander nog Mr. F. A. T. Weve, Themis 1880, bl. 173 en v., die in geval van gemeenschap van goederen aan het woord boedel nog eene andere beteekenis hecht, nl. die van de helft van het gemeenschappelijk vermogen.
Vooral uit art. 236, lid 2 B. W. schijnt te volgen, dat men ter toepassing van dit voorschrift moet denken aan den boedel, gelyk die tijdens het overlijden van den hertrouwden echtgenoot was, of geacht koa worden te zijn, niet aan diens vermogen tijdens de ontbinding van de gemeenschap, b. v. door overlijden van den nieuwen echtgenoot. Voor deze meening pleiten de door Mr. van Hall, bl. 269, genoemde argumenten: 1°. dat de wetgever spreekt van het gedeelte, hetwelk een der kinderen geniet, terwijl van genot — althans in den regel — geen sprake is vóór het overlijden van den hertrouwden echtgenoot; 2°. dat het bedrag van den boedel eerst na doode is op te maken; 3°. dat ook de vordering tot inkorting eerst dan ontstaat (art. 236, lid 2). Ook de geschiedenis dezer wetsbepaling bevestigt die leer, omdat voorheen steeds aan het kindsgedeelte in de nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot werd gedacht. Zie echter H. 11. arrest van 23 Maart 1849, W. n0. 1010, 11. d. XXXII, § 76, welks inhoud nauw met deze vraag samenhangt.
ad c. De bevoordeeling op zich zelve is niet ongeoorloofd, maar in het belang der voorkinderen voor beperking vatbaar. De ratio legis brengt derhalve mede, dat de verbodsbepalingen niet gelden als er geen voorkind of voorkinderen hebben bestaan, of als deze met hunne nakomelingen vóór den hertrouwden echtgenoot zijn overleden. De nakomelingen van een vooroverleden voorkind treden, evenals zulks bij het erfrecht is bepaald, in de plaats van dat kind, zoodat voor de berekening van het geoorloofde voordeel het overleden kind als nog bestaande kan worden beschouwd.
Reclitsvordering tot inkorting of vermindering, bij overtreding der voormelde verbodsbepaling (art. 236, lid 2).
Deze komt toe aan de voorkinderen of liunne nakomelingen.
Derhalve uitsluitend aan hen, die door de huwelijksgemeenschai: of de beschikking nadeel hebben geleden. Daar de ongeoorloofde bevoordeeling niet van rechtswege nietig is, doet het niet-instellen dier vordering of hare verjaring de bevoordeeling in stand blyven.
260
vekmogeysrecht bij tweede en verder huwelijk. 261
De vordering wordt eerst geboren ten tijde van liet openvallen der nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot.
Anders volgens de leer van den H. R. arrest van 23 Maart 18-i9 , IF. n0. 1010, en Mr. Kist in het aangehaalde werk (zie Lko\\ , uitg. Asser , ad art. 236 B. W., snb n0. 1). De schrijvers vestigen te recht de aandacht op de moeielijkheden, die geboren worden, als b. v. bij ontbinding van het huwelijk door den dood van den nieuwen echtgenoot, de boedelscheiding of afrekening tiisschen den hertrouwde en de erfgenamen des overledenen moet plaats hebben. Het is alsdan nog onzeker of het geval van art. 236, lid 1, zich zal voordoen en hoe groot de boedel des hertrouwden of een kindsgedeelte zal zijn. Voorloopig dus is er geen op de wet gegronde reden, om van het gewone huwelijks-vermogensrecht af te wijken en bestaat er o. i. stellig geen recht om eenige korting toe te passen. Of de voorkinderen conservatoire maatregelen kunnen nemen, is op zyn minst zeer twijfelachtig.
Feitelijk echter zal het voorzichtig zijn bij de verdeeling of afrekening zoo mogelijk het oog op den toekomenden toestand gevestigd te houden, en behoudens latere rectificatie aan te nemen, dat de tegenwoordige vermogens- en familietoestand ook bij overlijden van den hertrouwden echtgenoot bestendigd zal blijven. Mr. DfEPnurs, t. a. p., bl. 206 en v. gaat echter o. i. te ver, door deze praktische oplossing als eene wettelijke te beschouwen, zóó zelfs, dat men volgens art. 697 \\V. v. B. Rv., in geval van moeielijkheden, de tusschenkomst des rechters zou kunnen inroepen.
De vordering wordt ingesteld tegen den verderen echtgenoot of diens erfgenamen.
Wellicht ook in subsidium tegen derde bezitters naar analogie van art. 976 B. W. (van Hall, bl. 272).
Zij strekt niet uitsluitend ten bate der voorkinderen; maar het gevolg is dat het te veel genotene valt ten voordeele der nalatenschap, waardoor ook de andere erfgenamen van den hertrouwden echtgenoot in het genot der inkorting deelen (art. 236, lid 2).
Deze wetsbepaling komt in dit opzicht meer overeen met de lex 9 C. de sec. nupt. (5. 9) van Justinianüs, dan met de latere Nov. 22, c. 27. Zij is blijkbaar toe te schrijven aan de zucht des wetgevers, om aan kinderen van vroeger en lateren bedde gelijke rechten toe te kennen, overeenkomstig het beginsel van art. 899, lid 1 B. VV. (van Hall, bl. 272). Anders art. 209 Wetb. Nap. v. H.
262 vermogensrecht bij tweede en verdek huwelijk,
Noch door zijdelivgscJie wegen, noch onder verdichten titel, uoch door middel van tusschenbeide komende personen mogen de echt-genooten elkander meer geven dan volgens bovengemelde bepalingen geoorloofd is (art. 238, 239).
Ook aan deze verbodsbepaling ligt de lex hac edictali ten grondslag. Zij komt met geringe wijzigingen in alle opvolgende wetgevingen voor; vgl. art. 1099 en 1100 C. N.; art. 418 ontw. 1820; art. 208 W. N. v. H.
Een voorbeeld van eene making door zijdelingsche wegen (indirec-tement) vindt men reeds in de 1. 5 § 13 D. de don. int. vir. et nx. (24, 1), waar de hertrouwde echtgenoot eene erfenis verwerpt, die by ontstentenis van hem aan zijne ecbtgenoote vervalt. Zie meer voorbeelden bij van Hall, bl. 170, Diephüis , bl. 394 en anderen.
Onder verdichte titels {donations dégidsées) verstaat men hier handelingen, waarbij onder een anderen vorm eene vermomde schenking plaats vindt; zoo kan in schyn eene vennootschap aangegaan, inderdaad echter eene schenking beoogd worden. Zie by v. Hall , t. a. p., voorbeelden uit het Romeinsche recht.
Tusschenbeide komende personen {personnes interposées), zyn de zoo-danigen, die naar uiterlijken vorm bevoordeeld worden, doch die door bloedverwantschap of uit anderen hoofde zoo nauw aan den nieuwen echtgenoot verbonden zijn, dat de bevoordeeling geacht kan worden dezen laatste te betreffen.
De wet noemt in art. 239 eenige personen die, onafhankelijk van de bedoeling van den schenker, altijd als tusschenbeide komenden moeten worden beschouwd; zelfs verbiedt art. 1958, j0. 1953, 1°. het bewijs dat hier geene interpositie bedoeld is (v. Hall, bl. 271; vgl. ook Diephüis, t. a. p., bl. 396, die op andere gronden tot dezelfde slotsom komt). Maar art. 239 is geenszins limitatief; ook andere dan de daar genoemden kunnen tusschenbeide komende personen zijn. Vgl. art. 958 B. W. De giften onder verdichten titel of aan tusschenbeide komende personen gedaan, zyn volgens art. 238 nietig. Hier komt dus geene inkorting of vermindering te pas; de geheele handeling is van onwaarde. De valschheid in den voorgewenden vorm rechtvaardigt die meerdere gestrengheid. Vgl. Ontw. 1820 art. 417, volgens hetwelk alles wat boven het kinds gedeelte gegeven was, voor niet-ge-schreven werd gehouden.
Ook indien er kinderen uit een vroeger huwelijk bestaan, worden winst en verlies gelijkelijk gedeeld, tenzij de gemeenschap daarvan bij huwelijksche voorwaarden zij uitgesloten of gewijzigd (art. 240).
SCHEIDING VAK GOEDEREN.
Dit beginsel bestond reeds in het Oud-Holl. Recht (zie bl. 255); ook in den Code, art. 1527, al. 3, vinden wij het terug.
Terwijl volgens de meest aangenomen leer dit artikel algemeen is, en derhalve niet alleen doelt op de gemeenschap van reinst en verlies, maar ook b. v. op winsten en verliezen, behaald of geleden by bet bestaan van algeheele gemeenschap van goederen, welk stelsel o. i. grooten steun vindt in het Oud-Hollandsche en Fransche recht, en ook in overeenstemming is met het beginsel dat alleen bevoordeeling door ongelijkheid van vermogen teweeggebracht is verboden, huldigen sommigen, o. a. Mr. Weve, Themis, 1880, bl. 173 en v. en Mr. v. Boneval Faube, B. fr., 2e dr., bl. 114, de leer dat dit artikel alleen doelt op het geval van bestaande (jemeenschap van winst en verlies. Niet te ontkennen is het dat het aannemen van deze leer eene groote vereenvoudiging in de berekening van het geoorloofde voordeel van den tweeden of verderen echtgenoot ten gevolge zou hebben, gelijk Mr. Weve door voorbeelden aantoont, en dat door haar verscheidene van de boven aangestipte rechtsvragen zouden vervallen.
Zie over dit onderwerp nog, Mr. L. Zegeks Veeckens, Bevoordeelinr/ hij tweede en verdere huwelijken, Zwolle, 2e dr. 1883.
IV. SCHEIDING VAN GOEDEREN.
Eeeds in het Romeinsche recht had de vrouw de bevoegdheid de huwelijksgift terug te vorderen, indien de man de goederen verspilde of onvermogend werd (zie b. v. Windscheid, II, § 498). Echter was scheiding van goederen zoowel in het Wetb. Nap. v. Holl. als in het üntw. 1820, als zelfstandig rechtsmiddel, onbekend en kon zij alleen plaats grijpen, indien daarmede scheiding van tafel en bed gepaard ging. Bg de behandeling van het Ontw. 1820 werd echter de nood-zakelijkheid ingezien om, op het voetspoor van art. 1443 en v. C. N., scheiding van goederen toe te laten, zonder daardoor ook andere gevolgen van het huwelijk op te heffen (Vookduin, II, bl. 420). Het Wetb. van 1830 liet dan ook scheiding van goederen ongeveer in dezelfde gevallen toe als de C. N.
Door de scheiding van goederen wordt alleen verandering gebracht in het huwelijks-vermogensrecht der echtgenooten. Het huwelijk zelf blijft in wezen, met de andere daaraan door de wet verbonden gevolgen.
Scheiding van goederen bij onderlinge toestemming is nietig {art. 24lt;1).
Deze nietigheid vloeit voort uit het beginsel van art. 204 B. W., opdat de echtgenooten het niet in hunne macht zouden hebben ver-
263
SCHEIDING VAN GOEDEREN.
andering te brengen in de huwelijksche voorwaarden. Het gevolg van die nietigheid is, dat noch de echtgenooten, noch derden zich op eene op die wijze tot stand gebrachte scheiding kunnen beroepen.
Alleen door de vrouw kan scheiding van goederen gevraagd worden (art. 241).
Het rechtsmiddel heeft de strekking de vrouw te beschermen tegen de uitgestrekte macht, die den man ten aanzien van de goederen is verleend, en haar de gelegenheid te geven oin in bepaald omschreven gevallen de gemeenschap van goederen te doen ophouden en hare eigen goederen aan het beheer van den man te onttrekken. Echter wil de wet voorkomen, dat dit middel door de echtgenooten worde aangegrepen met het doel om de schuldeischers te benadeelen (zie Voorduin, II, bl. 422).
Alleen dan zal van deze vordering gebruik gemaakt kunnen worden, indien de echtgenooten in geheele of beperkte gemeenschap van goederen gehuwd •zijn. Indien alle gemeenschap is uitgesloten, kan de vrouw dit rechtsmiddel niet uitoefenen, ten einde het beheer harer goederen aan den man te onttrekken. Zie in verband hiermede, Rotterdam 10 Maart 1875, PT. n°. 3827. \')
Evenals de erfgenamen in het algemeen bevoegd zijn eene door den erflater aangevangen rechtsvordering voort te zetten, zal men dit recht ook aan de erfgenamen der vrouw moeten toekennen, indien zij, hangende het geding, mocht komen te overlijden, niettegenstaande door dit overlijden de gemeenschap reeds ontbonden en derhalve in schijn reeds het doel van het geding bereikt is. Het belang van de erfgenamen tot voortzetting van het geding is daarin gelegen, dat het vonnis terugwerkt tot den dag der dagvaarding (art. 244, lid 2, B. W. Zie van Hall, bl. 273; Opzoomee, ad art. 241 en Diephuis, IV, bl. 416). De C. N. gaf in art. 1446 aan de schuldeischers van de vrouw het recht om scheiding van goederen te vragen, in geval de man in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeerde.
Zij kan het doen:
1°. wanneer de man door een kennelijk wangedrag de goederen der gemeenschap verspilt en het huisgezin aan ondergang blootstelt (art. 241 , 1°.);
264
De wet vordert derhalve a. kennelijk wangedrag van den man; b. verspilling van de goederen der gemeenschap, als gevolg van dat
\') Zie de artt. 142—144 Ontw. 1886, betreffende het recht der vrouw om het beheer van haar eigen goed over te nemen.
scheiding van goederen.
wangedrag; c. blootstelling hierdoor van het huisgezin aan ondergang (zie Ni en huis, I, bl. 490), Indien al deze vereischten aanwezig zijn, zal de vrouw in de meeste gevallen ook de onder curateelestelling van den man kunnen vorderen op grond van verkwisting. Alen denke echter aan het gemis van terugwerkende kracht in het laatste geval.
Deze bepaling betreft volgens de bestaande jurisprudentie slechts het geval dat de echtgenooten in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd zijn. (Zie H. li., 31 Maart 1854 , IV. 1535 en de verdere jurisprudentie aangehaald bij Lf;on, uitg. Asser ad art. 241 aant. 1.) De hieronder sub 2 en 3 genoemde gevallen kunnen alleen bij beperkte gemeenschap voorkomen.
2°. wanneer de man het huwelijksgoed der vrouw in gevaar zou brengen door grof verzuim in het beheer daarvan (art. ^11, n0. 2);
Onder huwelijksgoed versta men de goederen door de vrouw ten huwelyk aangebracht of later verkregen en niet in de gemeenschap vallende, echter alleen voor zooverre die aan het beheer van den man onderworpen zyn. Art. 1443 C. Nap. en art. 256 Wetb. van 1830 vorderden alleen dat het huwelijksgoed der vrouw in gevaar gebracht werd, onverschillig door welke oorzaak.
3U. wanneer de man door de wanorde en het slecht beheer zijner eigen zaken den waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw en voor hetgeen haar naar rechte toekomt zou doen verloren gaan (art. 241, 2°.).
In tegenstelling met n0. 2, alwaar grof verzuim in het beheer van de goederen der vrouw vereischt wordt, vordert de wet hier wanorde, in verband staande met slecht beheer van de goederen aan den man persoonlijk toebehoorende. Art. 1443 C. Nap. en 256 Wetb. van 1830 eischten in dit geval alleen wanorde in de zaken van den man.
Volgens art. 160 B. W. is de man voor alle verzuim in het beheer der goederen van de vrouw verantwoordelijk (zie bl. 207). Zij kan derhalve te dier zake haar verhaal uitoefenen op de goederen van den man. Verminderen nu deze door wanorde en slecht beheer, dan zal de vrouw in haar verhaal op die goederen worden benadeeld.
Blijkbaar is deze bepaling overgenomen uit art. 1443 C. N. waar van de droits et reprises de la femme gesproken wordt en hetgeen men vertaald heeft door de woorden „hetgeen haar naar rechten toekomtquot; (zie Opzoomer , ad art. 241). Zooals de bepaling nu luidt, zal men
265
SCHEIDING VAN GOEDEREN.
haar in ruimen zin moeten opvatten en daaronder verstaan al hetgeen de vrouw van den man te vorderen mocht hebben ter zake van het beheer liarer goederen (vgl. Diephuis , IV , bl. 420).
Alvorens deze rechtsvordering in te stellen, moet de vrouw daartoe verlof bekomen van den voorzitter der Rechtbank van het arrondissement, waarbinnen de man woonachtig is (art. 804 Rv.).
Te dien einde wendt zij zich tot hem bij verzoekschrift, waarin de gronden harer vordering opgegeven zijn. De voorzitter gelast daarop bg bevelschrift, dat partijen op een bepaalden dag en een bepaald uur in persnon voor hem zullen verschijnen. Van dit bevelschrift doet de vrouw minstens drie dagen vóór den bepaalden dag aan den man een afschrift beteekenen Verschijnt de vrouw op den bepaalden dag niet, dan wordt het verzoek als vervallen beschouwd. Indien beide partyen komen, zal de voorzitter trachten eene vereeniging tusschen hen te bewerkstelligen. Gelukt dit niet, dan geeft de voorzitter aan de vrouw vergunning om haren man te dagvaarden. Dit zal mede het geval zijn, indien de man op de oproeping niet verschijnt (art. 805 en 806 Rv., vgl. bl. 212, supra).
Na de bekomen vergunning kan de vrouw de vordering tot scheiding van goederen instellen; deze wordt bij de Rechtbank op de gewone wijze behandeld, met inachtneming van het volgende:
lu. openlijke bekendmaking van den eisch (art. 242);
De openbaarmaking geschiedt in het algemeen in het belang van derden, daar bij toewijzing van de vordering het vonnis tot den dag der dagvaarding terugwerkt; daarenboven in het belang van de schuldeischers van den man, die het recht hebben in het geding tusschenbeide te komen.
De wijze, waarop de bekendmaking moet geschieden, wordt omschreven in art. 807 Rv. Aankondigingen namelijk, bevattende a. de vermelding van den eisch tot scheiding van goederen en de dag-teekening daarvan, h. de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten, moeten aangeplakt worden in de gehoorzaal en aan het gebouw der Rechtbank en geplaatst in een der dagbladen van de provincie of, bij gebreke daarvan, in dat eener naburige provincie.
2°. reclit van tusschenkomst der schuldeischers van den man tot betwisting van de vordering (art. 243);
Ten einde te beletten, dat de scheiding van goederen zonder voldoenden grond en ten nadeele der schuldeischers plaats hebbe, is dit
266
SCHEIDING VAN GOEDEREN.
recht aan de schuldeischers van den man toegekend (Vooudüin, II, bl. 426). Hun taak zal zich bepalen tot het betwisten der vordering, zoo noodig door het leveren van tegenbewijs, zonder dat zij ook zullen behoeven te bewijzen dat de scheiding plaats heeft ter verkorting hunner rechten (anders de Pinto , II, § 147).
3°. bevoegdheid van de vrouw, om hangende het geding met bewilliging van den rechter, behoedmiddelen in het werk te stellen, ten einde te voorkomen dat de goederen worden weggemaakt en verspild (art. 245);
Volgens art. 808 Rv. bestaan die middelen in: verzegeling, boedelbeschrijving en waardeering der goederen. De vrouw zal in ieder voorkomend geval moeten aautoonen, dat één of meer dier middelen noodzakelijk zijn. (Zie Mr. Ui.itwerfk Stekling in Bijdr. tot Reytsgel. en IFetg., I, bl. 208 en v.). Zal de Rechtbank, alvorens te beslissen, den man hierover moeten hooren (zie de Pinto, Wh. v. B. Rv., II, bl. 904) of zal integendeel door zoodanigen maatregel de beoogde zekerheid verloren gaan?
Aan den voorzitter is de hierbedoelde bevoegdheid niet uitdrukkelijk verleend. Zie hieromtrent van Hall, bl. 275, 276.
Volgens art. 115 van het voorstel van wet van Mr. A. F. K. Haktogh, houdende wijzigingen in het W. v. B. Rechtsv., dat bij het ter perse gaan dezes door de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aangenomen, zal vermoedelyk art. 808 W. v. B. Rv. eene belangrijke wijziging ondergaan, doordien aan de vrouw behalve de drie bestaande middelen tot verzekering barer rechten nog de bevoegdheid wordt toegekend om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen der gemeenschap of van de vrouw, en conservatoir beslag op de onroerende goederen der gemeenschap, overeenkomstig de tien volgende artikelen. Daarop volgen de artikelen 808 a tot en met 808 j, bij welke de formaliteiten tot het toepassen der by art. 808 bedoelde maatregelen en de verdere rechtsgevolgen daarvan uitvoerig worden geregeld. Als rechter, die ten deze het verlof zal hebben te verleenen, wordt aangewezen de president der Rechtbank.
4°. verbod om de enkele bekentenis van den man als bewijs aan te nemen (art. 810 Rv.);
De vrouw moet de gegrondheid bewijzen van de feiten, door haar gesteld, om de scheiding van goederen te wettigen. Onder de bewya-middelen nu, in het B. W. opgenoemd, bekleedt de bekentenis van de tegenpartij eene eerste plaats (art. 1962 B. W.). Liet men nu
267
SCHEIDING VAN GOK DEKEN.
ook in dit geval toe dat de vordering der vrouw toegewezen werd, zoodra de man de waarheid der feiten in rechte erkende, dan zou het mogelijk worden, dat scheiding van goederen werd uitgesproken ook zonder het werkelijk aanwezig zijn van een der gevallen , waarin de wet die toelaat. Alsdan zou juist kunnen geschieden, wat de wet heeft willen voorkomen, dat scheiding van goederen tot stand gebracht werd door onderlinge toestemming der echtgenooten. De erkentenis behoeft echter niet geheel ter zijde gelaten te worden, de wet verbiedt alleen haar als éénig bewysmiddel aan te nemen. (Zie de Pinto, tfb. v. B. Jir., II, bl. 905). In dit opzicht is het volkomen onverschillig of er schuldeischers in het geding tusschenbeide gekomen zijn.
Hoe te beslissen, indien de man niet in rechte verschijnt? Men zal dan om de redenen, die den wetgever hebben geleid tot het verbod om alleen op de bekentenis van den man recht te doen, moeten aannemen dat de regel van art. 76 Rv., waarbij bepaald is, dat de vordering toegewezen zal worden, indien zij den rechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, hier buiten toepassing blij ft; en derhalve dat ook in zoodanig geval de vrouw genoodzaakt zal zijn eenig bewijs voor haren eisch bij te brengen (zie Groningen 23 Sept. 1864, iV. Ji. B., XVII, bl. 627 vgl.; Oi\'zoomeb, II, bl. 6, noot 1, die eveneens de toewijzing van een vonnis bij verstek, zonder nader bewijs, in dit geval verboden acht; Diephuis , IV, bl. 427, die den regel van art. 76 Rv. ook hier wil toepassen).
Daar het verboden is de bekentenis van den man als eenig bewijsmiddel te bezigen, zal ook, op grond van art. 1967 B. VV., aan den man de beslissende eed niet opgedragen kunnen worden.
5°. verbod om op den eiscli tot scheiding vroeger vonnis te wijzen dan een maand, nadat de afkondigingen, onder n0. 1 vermeld, hebben plaats gehad (art. 809 Rv.).
Dit is in het belang der schuldeischers van den man bepaald om hun den tijd te laten in het geding tusschenbeide te komen en bewijzen te verzamelen. Deze termyn ziet echter niet op de beslissingen, genomen op verzoek der vrouw om behoedmiddelen in het werk te mogen stellen, noch op interlocutoire vonnissen, waarbij de eischeresse tot bewijs van de door haar gestelde feiten wordt toegelaten.
Voor de geldigheid van de scheiding wordt nog gevorderd: a. openlijke bekendmaking vóór het ten uitvoer leggen, op strafte van nietigheid der tenuitvoerlegging (art. 24)4.);
De wyze, waarop de openbaarmaking zal plaats hebben, wordt beschreven in art. 811 Rv. Zij geschiedt a. door het aanplakken van
268
scheiding van g o e d e e e n.
een uittreksel van het vonnis, vermeldende de dagteekening daarvan, de aanduiding van de Rechtbank door welke het gewezen is, de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten, in de gehoorzaal der Rechtbank, binnen welker ressort de man woonachtig is, alwaar het gedurende een jaar aangeplakt naoet blijven, h. door het aanplakken van een gely k uittreksel in de woonplaats van den man, ter plaatse waar zulks te doen gebruikelijk is, c. door ds driemaal herhaalde plaatsing van zoodanig uittreksel in een der dagbladen van de provincie of, bij gebreke van dien, in dat eener naburige provincie. Volgens v. Hall, bl. 276, zal ook bekend gemaakt moeten worden de algemeene bewilliging, aan de vrouw in art. 249 B. W. verleend.
De openbaarmaking strekt in het belang van derden, opdat zy kennis zullen dragen van de verandering in den vermogenstoestand der echtgenooten en tevens om de schuldeischers van den man den aanvang van den termijn te doen kennen, binnen welken zij zich volgens art. 247 B. W. j0. 813 Rv. tegen de scheiding kunnen verzetten.
h. ten uitvoerlegginir van het vonnis (art. 246).
De wet wil voorkomen dat de scheiding van goederen alleen in naam bestaat en uitsluitend gebezigd wordt om aan derden te kunnen worden tegengeworpen. Op het verzuim van ten uitvoerlegging is dan ook als straf bepaald, dat het vonnis van rechtswege vervalt, d. i. aangemerkt wordt als niet gewezen te zijn, zoodat nóch de echtgenooten, nóch derden er zich op kunnen beroepen. Echter mag volgens art. 812 Rv. met de ten uitvoerlegging niet begonnen worden, voordat de bovengenoemde openbaarmakingen hebben plaats gehad, zonder dat echter de termyn van een jaar, voor het aangeplakt zijn in de gehoorzaal der Rechtbank voorgeschreven, behoeft verstreken te zijn.
Onder ten uitvoerlegging wordt hier verstaan de werkelijke verdeeling der goederen. Men denke hier niet alleen aan de verdeel!tig van de gemeenschap, op welke wijze die ook bedongen moge zijn, maar ook aan het teruggeven door den man van de goederen aan de vrouw toebehoorende en buiten de gemeenschap gehouden. Dit laatste kwam duidelijker uit in art. 261 Wetb. v. 1830, waar gesproken wordt van de verdeeling der gemeenschap en de dadelijke uitkeering van hetgeen der vrouw rechtens toekomt en door haar terug geëischt kau worden. Zoo sprak ook art. 1444 C. N. van de droits et reprises de la femme, waaronder de goederen, aan de vrouw persoonlijk toebehoorende, gerekend worden.
Die ten uitvoerlegging kan plaats hebben óf in der minne of in
269
sckeiuing vax goederen.
rechte. Ingeval zij in der minne geschiedt, zal daarvan volgens art. 246 B. W. mosten blijken door eene authentieke akte, opdat zooveel mogelijk zekerheid besta, dat de goederen werkelijk verdeeld zijn. Moet de vrouw er den man echter in rechte toe noodzaken, dan is zij verplicht binnen den tijd van één maand, nadat het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, gerechtelyke vervolgingen in te stellen en die regelmatig voort te zetten (art. 246 B. W.). Die vervolgingen zullen de strekking moeten hebben om tot scheiding en deeling over te gaan, terwijl in ieder voorkomend geval beoordeeld zal moeten worden in hoeverre de geregelde voortzetting geschiedt. De termijn van ééne maand schijnt echter ook toegepast te moeten worden op de verdeeling der goederen in der minne. Zal men echter moeten aannemen, dat zij dan ook afgeloopen behoort te zijn, of is het voldoende dat zij slechts begonnen zij? Zie hierover Diephuis, IV, bl. 433 en Opzoomer, II, bl. 12, noot 1, in verschillenden zin.
Ds vraag rijst echter wanneer die termijn van ééne maand aanvangt. Een vonnis is dan in kracht van gewijsde, wanneer partijen er niet meer tegen op kunnen komen. De vrouw mag echter de ten uitvoerlegging niet beginnen, voordat de openbaarmaking van het vonnis op de wijze van art. 812 Rv. heeft plaats gehad en dus ook vóór dien tyd geene gerechtelijke vervolgingen instellen. Men zal derhalve moeten aannemen dat, al heeft het vonnis ook vroeger kracht van gewijsde bekomen, de termyn van ééne maand eerst begint te loopen, nadat de plaatsingen in een dagblad geschied zijn (zie Diei1-hüis , IV, bl. 434 en H. E., 2 Oct. 1852, IV/jI. nquot;. 1376).
De schuldeischers van den man, die niet in het geding tusschen-beide gekomen zijn, kunnen zich tegen de scheiding verzetten, al ware die reeds ten uitvoer gelegd, indien hunne rechten daardoor opzettelijk verkort mochten zijn (art. 247).
In dit geval hebben zij meer te bewijzen dan wanneer zy zich alleen in het geding voegen, en wel dat niet alleen hunne rechten zijn verkort, maar ook dat dit opzettelijk heeft plaats gehad. Wordt hun verzet geldig verklaard, dan zal hiervan het gevolg zijn, dat de scheiding te hunnen aanzien geacht zal worden niet te zijn geschied, zoodat zy dezelfde rechten als vroeger behouden. Zie Marcadé , V, ad art. 1447 en Diephuis, lY, bl. 432.
Nadat het vonnis gedurende een jaar aangeplakt is geweest in de gehoorzaal der Rechtbank kunnen de genoemde schuldeischers dit recht niet meer uitoefenen, mits de vereischten in de hierbedoelde afdeeling van het Wetboek van Burg. Rv. voorgeschreven, zyn in acht ge-
270
scheiding Van goederen.
nomen (art. 813 Rv.). Volgens de Pinto, {IVb. v. B. Ro., II, bl. 907) ziet deze termijn alleen op de schuldeischers, die m het geding tussehenbeide gekomen zijn, terwijl voor hen, die dit nier gedaan hebben, geen termijn bepaald is (zie in anderen zin Diephuis, IV, bl. 432),
De schuldeischers , die zich in het geding gevoegd hebben, moeten aangemerkt worden als daarin partij geweest te zyn, en zullen dun evenals de echtgenooten van het vonnis in beroep kunnen komen, doch dan ook aan de gewone termijnen gebonden zyn.
Gevolgen der uitgesproken scheiding van goederen:
1°. terugwerkende kracht, tot den dag van het instellen der rechtsvordering (art. 244);
De terugwerkende kracht, aan het vonnis toegekend, is eene uit- -zondering op den regel, die meestal wordt aangenomen bij vonnissen, waar de rechter niet bepaalt wat tusschen partijen recht is, maar waar hij een nieuwen toestand in het leven roept, waar hij recht schept. Zie Opzoomer, II, ad art. 244, en Laurent, XXI, bl. 347. Dit voorschrift is gemaakt in het belang der vrouw, ten einde haar te waarborgen legen benadeeling door den man gedurende het geding en tevens om te beletten dat de man, door eigenbelang gedreven, zou trachten het rechtsgeding zooveel doenlijk te rekken, ten einde de scheiding zoo laat mogelijk te doen plaats hebben (Voordüin, II, bl. 428).
Het gevolg hiervan is dat de echtgenooten, sedert den dag der dagvaarding, die volgens art. 242 B. \\V. openlijk moet worden bekend gemaakt, geacht worden buiten alle gemeenschap gehuwd te zijn, niet alleen te hunnen aanzien maar ook ten opzichte van derden. Hetgeen de echtgenooten, hangende het geding, door erfenis of op andere wijze mochten verkrijgen, evenals de schulden, door ieder hunner gedurende dit tijdvak gemaakt, komen niet in de gemeenschap. Verder zal de man, die gedurende het geding het beheer is blijven voeren ook over de goederen der vrouw, beheerd hebben, zonder daartoe bevoegd te zijn. Hij zal van dit beheer dan ook rekening en verantwoording moeten afleggen, de door hem genoten vruchten verantwoorden en alle schade vergoeden, die de vrouw door dat beheer geleden mocht hebben. Zelfs zullen zijne handelingen in dit opzicht ten aanzien van de vrouw voor vernietiging vatbaar zijn , terwijl aan den anderen kant de daden van beheer, door de vrouw gedurende dien tyd verricht, door de terugwerkende kracht van het vonnis geldigheid zullen erlangen. Vgl. Opzoojier, ad art. 244, § 2; Diephuis, IV, bl. 446.
271
scheiding vax goeder k x.
2°. verdeeling der gemeenschap, torwijl de vrouw het vrije beheer harer goederen herkrijgt (art. 249);
üe verdeeling geschiedt op de gewone manier, terwy 1 de echtgenooten op de by de wet voorgeschreven wijze het bewijs zullen moeten leveren van de goederen, die door ieder hunner aangebracht zijn (zie boven bl. 224, 23S en v., 244 en v.).
Art. 1452 C. N. bepaalt nog, dat de vrouw geene bevoegdheid heeft om reeds nu de rechten uit te oefenen, die zij, in geval van overleving bedongen mocht hebben, maar dat zij daarvoor den dood van den man moet afwachten. Men heeft deze bepaling niet overgenomen, omdat het buiten twijfel is dat aan de vrouw dit recht gedurende het leven van den man niet toekomt. (Zie Asser, Verg. bl. 116.)
Tot meer dan daden van beheer is de vrouw niet bevoegd. Het recht om hare goederen te vervreemden is haar niet geschonken. Echter kan zy van den rechter eene algemeene bewilliging bekomen om over hare roerende goederen te beschikken (art. 249 B. W.). Onder dat recht, hetwelk eene belangrijke uitzondering op art. 163 B. W. oplevert, zal men de algemeene bevoegdheid moeten verstaan om ten aanzien van hare roerende goederen verbintenissen aan te gaan. Volgens art. 1449 C. Nap. kreeg de vrouw door de scheiding van goederen het recht om te „disposer de sou mobilier et l\'aliénerquot;. De schrijvers over den C. Nap. zijn veelal van oordeel, dat de vrouw hierdoor alleen de bevoegdheid verkreeg om zich te verbinden voor zooveel het beheer harer goederen betreft. Zie Üpzoomer, II, ad art. 249 en Laurent, XXII, bl. 320.
Heeft de wet van 1874 ook verandering gebracht in de rechterlijke autoriteit, die de bewilliging moet verleenen ? Volgens Mr. P. A. J. Boüvin : de roet van den 18 April 1874 enz., bl. 5 en 17, is de Kantonrechter in de plaats van de Rechtbank gekomen. Wy kunnen dat niet in die wet lezen.
In alle andere opzichten blijft de vrouw aan de macht van den man onderworpen. Zij mag niet in rechte verschijnen, hare onroerende goederen niet bezwaren noch vervreemden, tenzij hiertoe door den man bijgestaan of gemachtigd. Ook kan de hier bedoelde algemeene bewilliging nimmer uitgebreid worden tot de beschikking over de onroerende goederen. Hiertoe heeft zij steeds de machtiging van den man of wel van den rechter van noode (art. 163, 167, 169 B. \\V.).
Als gevolg van deze beginselen bepaalt dan ook art. 250 B. \\V. dat de man niet verantwoordelijk is, indien de vrouw verzuimd heeft
272
SCHEIDING VAX GOEDER K N.
■den koopprijs van een onroerend goed, dat zij krachtens verlof, door den rechter verleend, vervreemd heeft, te gebruiken of te beleggen. Dit toch zyn daden van beheer, die nu tot de bevoegdheid van de vrouw behooren en waarmede de man zich niet meer behoeft in te laten. Iets anders is het, indien de man in zoodanig geval het contract heeft helpen tot stand brengen, waaronder verstaan moet worden, dat hij daartoe medegewerkt heeft, „qu\'il a concouru au contratquot;, zooals art. 1450 C. N. het noemt, of indien hij de kooppenningen heeft, ontvangen, of indien die te zijnen voordeele hebben gestrekt. In beide eerste gevallen gaat de wet blijkbaar uit van het beginsel, dat de man dan daden verricht, die met het beheer der goederen in verband staan. Hij heeft dit ten onrechte gedaan, daar het aan de vrouw is opgedragen; derhalve is hij voor de gevolgen aansprakelijk.
Hoe te beslissen, indien de vrouw met machtiging van den man een onroerend goed verkoopt? Zal men dan moeten aannemen dat die machtiging alleen reeds voldoende is om den man verantwoordelijk te stellen voor het verzuim om de kooppenningen te beleggen, of is het noodig dat de man daarenboven bij zoodanigen verkoop handelend zij opgetreden? Zie in verschillenden zin Opzoomer, II, bl. II; Diephuis, IV, bl. 440; van Hall, bl. 277.
3°. recht der vrouw om van de gemeenschap afstand te doen. Zij moet dan hare verklaring afleggen ter griffie van de Eechtbank, die •de scheiding heeft uitgesproken (art. 814 Rv.);
Niettegenstaande de terugwerkende kracht van het vonnis, zal de termijn tot het doen van afstand voorgeschreven (art. 188, lid 1 B. W.) eerst beginnen te loopen van het oogenblik dat door den man niet meer tegen de uitspraak kan worden opgekomen. Vóór dat tijdstip toch is het niet zeker dat de gemeenschap zal worden ontbonden. Toch zal die terugwerkende kracht wederom ten gevolge hebben, dat indien de vrouw, hangende het geding, reeds afstand gedaan of de gemeenschap aanvaard mocht hebben, die handelingen geldigheid zullen erlangen. Kan de vrouw hierop na het vonnis nog terugkomen? Zie hierover Diephuis, IV, bl. 445; Nienhuis, I, bl. 504 en Laurent, XXII, bl. 369.
4°. verplichting van de vrouw om, naar evenredigheid van haar vermogen en dat van haren man, bij te dragen in de kosten van de huishouding en van de opvoeding der kinderen, door den man bij haar verwekt. Bij onvermogen van den man komen die kosten alleen te haren laste (art. 248).
Asser, Burqerl. Recht. i. 3e druk. 18
273
\'274 SCHEIDINO VAN GOEDEREN.
Bij gebreke van zoodanige bepaling, zouden die kosten geheel ten laste van den man kunnen komen, daar de vrouw met het beheer ook het genot van de inkomsten harer goederen terugkrijgt. De terugwerkende kracht aan de scheiding toegekend zal in dit opzicht ten gevolge hebben, dat de vrouw ook tot die kosten, gedurende den tijd van het geding, zal moeten bijdragen. In vele gevallen zal hier verrekening kunnen plaats hebben met de vruchten en inkomsten, door den man gedurende dit tijdvak uit de goederen der vrouw genoten, tot de teruggave waarvan hij verplicht is.
Men heeft gevraagd by wien het beheer der gelden, voor die kosten bestemd, zal verblijven? Daar de man het hoofd der eeht-vereeniging is en de scheiding van goederen in dit opzicht geene verandering brengt, zal ook aan den man dat beheer toekomen. Ook zuilen de schuldeischers hem hiervoor moeten aanspreken. Zie verder van Hall, bl 277.
Met toestemming van de eclitgcnooten kan de gemeenschap worden hersteld (art. 251 B. W.). \')
Hierbij moet echter in acht worden genomen:
lo. dat zulks niet anders kan geschieden dan bij authentieke akte (art. 251);
quot;2°. dat de gemeenschap hersteld worde op dezelfde wijze, als waarop zij vroeger geregeld was (art. 252 , lid 2);
Dit is wederom een gevolg van het beginsel der wet, dat de vermogensrechtelijke verhouding der echtgenooten, staande huwelijk, niet veranderd mag worden. Liet men toch toe de gemeenschap onder andere voorwaarden te herstellen, dan zouden de echtgenooten door middel van eene scheiding van goederen in de gelegenheid zyn, de bepalingen der artt. 202 en 204 B. W. te ontduiken. De wet verklaart de overeenkomsten, die daartoe zouden leiden, nietig (art. 252, lid 2). Hieruit zal men moeten afleiden, dat de wetgever alsdan de herstelling der gemeenschap onder die andere voorwaarden als niet bestaande aangemerkt wil hebben en dat derhalve de echtgenooten van goederen gescheiden blyven. Zie Opzoomer , II, bl. 14, noot 1; Laurent, XXII, bl. 375.
T
3quot;. dat de herstelling openlijk bekend worde gemaakt (art. 253).
\') Het tegenovergestelde vindt men in art. 185 Ontw. 1886. Men wilde zoo min mogelijk ruimte laten voor lichtvaardigheid en wispelturigheid, hetgeen het geval zou worden, als men telkens het gedane weder ongedaan kon maken (zie M. v. T. bl. 98). Hetzelfde beginsel ligt ook ten grondslag aan art. 144 Ontw., verbiedende terug te komen op de overneming van beheer door de vrouw van haar eigen goed.
ONTBINDING VAN HET H ü W E L IJ K.
Volgens art. 815 Rv. zal die bekendmaking op dezelfde wijze moeten geschieden als ten aanzien van de scheiding is voorgeschreven, met uitzondering echter van de aanplakking in de gehoorzaal der Rechtbank (zie bl. 268 en 269).
Zoolang die bekendmaking geen plaats heeft gehad, kunnen de echtgenooten zich tegenover derden niet op de herstelde gemeenschap beroepen. Zij zal dau alleen tusschen henzelven werken.
De gevolgeu van de herstelde gemeenschap zijn, dat cle zaken in denzelfdeu staat worden teruggebracht, alsof er geene sclieidiug had plaats gehad, onverminderd de nakoming der handelingen, die gedurende den tijd van de scheiding tot de herstelling der gemeenschap door de vrouw zijn verricht (art. 252, lid 1).
Tusschen de echtgenooten zeiven zal derhalve de herstelling van de gemeenschap ten gevolge hebben, dat de scheiding van goederen geacht wordt geen plaats te hebben gegrepen. Daar alles in denzelfden staat teruggebracht wordt, leidt Qezoomek, II, bl. 15, noot 2, er met juistheid uit af, dat ook de man het beheer der goederen van de vrouw terugkrijgt (anders Dikphuis, bl. 454).
Tegenover derden blijft de plaats gehad hebbende scheiding van goederen in zooverre van kracht, dat de vrouw jegens hen aansprakelijk blijft, voor hetgeen zij gedurende dien tyd mocht hebben verricht.
H. Ontbinding van het h u w e 1 ij k.
De behandeling van de scheiding van tafel en bed zou, bij eene stelselmatige indeeling, aan die der ontbinding van het huwelijk moeten voorafgaan. Immers door eerstgemelde worden alleen eenige der voornaamste gevolgen van het huwelijk ten aanzien der personen en goederen van de echtgenooten opgeheven, terwijl het huwelijk zelf blijft bestaan. Niet zonder grond worden dan ook door Mr. Diephuis de scheiding van goederen en de scheiding van tafel en bed in eéne afdeeling samengevat, waarop de ontbinding des huwelijks volgt. Ook als voorbereiding van de ontbinding des huwelijks, krachtens art. 254, n0. 3 B. W. komt aan de scheiding van tafel en bed eene vroegere plaats toe. Eene zoodanige omzetting zou echter groote afwijking van het B. W. ten gevolge hebben, daar vele bepalingen, die daarin naar aanleiding van echtscheiding voorkomen en waarnaar by scheiding van tafel en bed wordt verwezen, zouden moeten worden verplaatst. Daarenboven laat zich de orde van het wetboek op geschiedkundige
18*
275
ONTBINDING VAN HET li U W E L ij K.
gronden verdedigen, door de scheiding van tafel en bed te beschouwen als eene onvolledige echtscheiding, ter tegemoetkoming aan veler gemoedsbezwaren, in het leven geroepen. Voor het doel van dit werk komt ons derhalve de laatste volgorde verkieslik voor.
Het huwelijk wordt ontbonden:
1°. door den dood van een der echtgenooten;
2quot;. door het huwelijk, hetwelk de achtergebleven echtgenoot krachtens rechterlijk verlof aangaat, nadat de andere echtgenoot gedurende eenen bepaalden tijd afwezig is geweest;
3quot;. door rechterlijke uitspraak, na voortgezette scheiding van tafel en bed:
4°. door echtscheiding, om bepaalde redenen (art. 254).
Niet ten onrechte zijn beide eerstgemelde oorzaken in onze wet achtereenvolgens vermeld; de eerste toch berust op de zekerheid, de tweede op het yeyrond vermoeden van overlijden. Beide laatste zon men kunnen samenvatten als wijzen van ontbinding van het huwelijk, gedurende het leven der echtgenooten, krachtens rechterlyk vonnis.
Terwijl de ontbinding van het huwelijk door den dood geene nadere bespreking behoeft, en onafhankelijk van eenige wetgeving op de natuur gegrond is, heeft ten allen tijde en overal het grootste verschil van overtuiging bestaan omtrent de vraag of het huwelijk om andere redenen mocht of behoorde te worden ontbonden. Vooral wordt dit punt beheerscht door godsdienstige en zedelijke begrippen van zeer uiteenloopenden aard. (Zie o. a. Merlin, i. v. divorce. Sect. 1—HI.) \')
Volgens het latere Romeinsche recht kon een huwelijk worden ontbonden: op verzoek der vrouw, indien de man zich schuldig had gemaakt aan overspel, moord, vergiftiging, landverraad, valschheid , schennis van graven, heiligschennis, diefstal of medeplichtigheid daaraan, als hy in zijn huis ontuchtige vrouwen bracht, als hg zijne vrouw naar het leven stond, haar sloeg met roeden, enz. Jüstinianüs voegde hierbij het geval van impotentie gedurende twee, later drie jaren. De man kon scheiden wegens door de vrouw gepleegd overspel, vergiftiging, manslag, diefstal, schennis van graven, heiligschennis, losbandig gedrag door zonder toestemming van den man met andere
\') Bij het korte overzicht van datgene, wat op ons B. W. ten deze van invloed is geweest, meenen wij ons tot het Romeinsche, Fransche en Ond-Hollandsche recht te knnnen bepalen.
276
GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT.
mannen feest !-e vieren, en soortgelijke uitspattingen (1. 8 Cod. de repudiis, 5, 17). Anastasius voerde de scheiding met wederzijdsche toestemming in (1. 9 C. eod.). Justinian\'us schafte deze weder af (Nov. 117). Justinijs herstelde haar (Nov. 140). Ook waren er voorzieningen voor het geval dat de man in krijgsdienst 4 jaren afwezig en vermoedelijk overleden was, hetwelk later wederom gewyzigd en tot 10 jaren verlengd werd (I. 7 C. eod.; Nov. 22, e. 14), en waarbij de vergunning voor de vrouw om te hertrouwen ook werd gegeven, indien de man na dat tijdsverloop het huwelijk opzeide of de oproeping der vrouw onbeantwoord liet. Echtscheiding verhinderde niet onbepaald het hernieuwen van den echt tusschen dezelfde personen (L. 18 D. de ritu nuptiarum, 23, 2).
In Frankrijk nam de scheiding van tafel en bed vóór de revolutie de plaats in van de echtscheiding, geheel overeenkomstig het kano-nieke recht. De wet van 20 Sept. 1792 schafte deze scheiding af en voerde daarentegen de echtscheiding in. Deze werd toegestaan wegens eene menigte oorzaken, die bij het ontwerpen van den Code voor een goed deel zyn weggelaten (Zie de Maleville, I, bl. 216). Groot was in Frankryk de strijd over dit rechtsmiddel. Ten slotte nam men aan dat het huwelyk ontbonden zou zijn: 1°. door den dood; 2°. door echtscheiding wegens eene bepaalde oorzaak (your cause déterminêe) of met wederzydsch goedvinden (par cnnsenternent mutuel); 3°. door den burgerlijken dood (art. 227 C. N.). Daarnevens eerbiedigde men de gemoedsbezwaren van een groot deel der Fransche natie door de wederinvoering van de separation de corps, doch alleen in de gevallen waarin echtscheiding pour cause déterminée vrijstond (art. 306 C. N.); met wederzijdsch goedvinden kon deze niet plaats hebben (art. 307 C. N.). Behalve ingeval van overspel door de vrouw, kon de scheiding van tafel en bed, op verzoek van den oorspronkelijken verweerder na 3 jaren in echtscheiding worden veranderd, zoo de wederpartij de scheiding niet wenschte te doen eindigen (art. 310 C. N.). In Frankryk werd bij de wet van 8 Mei 1816 onder den invloed van godsdienstige begrippen de echtscheiding afgeschaft, en alleen de scheiding van tafel en bed behouden. Sedert heeft het niet aan pogingen ontbroken om daar te lande de echtscheiding weder in te voeren (zie Sirev , Hectieil général des lois etc. 1884, bl. 655). Zoo werd een voorstel in 1848 door den minister Ckémieux ingediend, doch later weder door dezen ingetrokken; een wetsvoorstel in 1876 door den afgevaardigde Naquet aanhangig gemaakt, houdende terugkeer tot de beginselen van 1792, werd vervangen door een tweede voorstel van denzelfde, dat in hoofdzaak terugkeer tot den Code beoogde. Dit voorstel, ingediend in 1878, kwam in Febr. 1881 in openbare
277
ontbinding van het h u \\v e l ij k.
behandeling, maar werd door de Kamer verworpen. Hierdoor niet afgeschrikt, diende dezelfde afgevaardigde in Nov. 1881 een nieuw wetsvoorstel in, dat ten slotte geleid heeft tot de wet van 27 Juli 1884, houdende afschaffing der wet van 8 Mei 1816 en wederinvoering van den divorce, en zulks wegens overspel van een der echtgenooten, „exces, sévices on injures graves\'quot;\', of veroordeeling tot eene onteerende straf. Afgeschaft evenwel bleef de echtscheiding met wederzijdsch goedvinden. Dezelfde wet bevat o. a. eene wijziging van voormeld art. 310 C. C., dat thans bepaalt dat de scheiding van tafel en bed na drie jaren ten verzoeke van een der echtgenooten in echtscheiding kan worden veranderd. Bij Besluit van 25 Aug. 1884 is voormelde wet ook op de Fransche koloniën toepasselijk verklaard. Zie verder nog de Fransche wetten van 18 April 1886 en van 6 Febr. 1893, op dit onderwerp betrekkelyk, alsmede het Acad. Proefschr. van Mr. W. M. van Lansciiot, Leiden 1893, betreffende laatstgemelde wet.
In het Oud-Hollandsch recht was het recht tot echtscheiding zeer beperkt. De Groot, I, 5, 18 zegt: „Volgens Christus vermaninge „(Matth. 5 : 31, 32 en 19 : 8, 9) werdt in deze Landen geen „scheydinge des Egts-bandts toegelaten, dan door de doodt van een „der Egt-genooten, ofte door Overspel1\', (waarop Mr, van Groene-wegen aanteekent: „Daerenboven als een van de Egtgenoten den „anderen moedtwilliglyk ende geheelyk verlaet, kan in zulken gevalle „scheydinge van den Egt-handt mede verzogt ende toegelaten werden, „I Corinth. 7 : 15—17quot; enz.).
„Alle andere willige ofte regtelyke scheydinge, kennen den Egt-„bandt nogte de regten daer uyt ontstaende niet verbreeken.quot;
Wegens wreedheden en mishandelingen konden de echtgenooten tot boeten of zwaarder straffen worden veroordeeld. „De onlusten lang „duurende werdt ook wel by het Geregt toegestaen scheydinge van de „bewoning, den Egt-bandt blyvende, ende met verstandt dat altydt „wederom getragt moet werden tot vereenigingquot; (de Gkoot, I, 5, § 20).
Zie ook vooral van Leeuwen, Hoorns-Holl. liegt, I, 15, § 3 en 4, volgens wien afwezigheid van den man, gedurende eenige jaren, zonder dat er tijding komt, min juist door sommigen als oorzaak van ontbinding van het huwelijk werd beschouwd; de vrouw moest alvorens te hertrouwen zekere tyding van het overlijden afwachten; „\'t welk „evenwel so nauw niet werd onderhouden, en werd by langjarig ver-„loop, sonder enige tyding, de Man voor dood of quaadwillige veriater „gehoudenquot;.
Het Wetboek Napoleon voor Holland regelde het geval van hertrouwen van den eenen echtgenoot in geval van vermoedelijk overleden zijn van den anderen (art. 198 en 201), verbood uitdrukkelijk de
GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT.
echtscheiding met onderling goedvinden (art. 218), liet haar toe wegens bepaalde oorzaken (art. 219) en kende daarnevens de separatie of scheiding van tafel, bed, bijwoning en goederen, niet alleen wegens de oorzaken, die tot echtscheiding aanleiding gaven (art. 231), maar ook wegens minder zwaarwichtige redenen (art. 232).
Echtscheiding op grond van overeenkomst vindt men terug in het ontwerp van 1816, doch werd daaruit door den Raad van State gelicht (Voordüin, I, 1, bl. 46 en 146). In het ontwerp van 1820 is het verbod van zoodanige echtscheiding gehandhaafd (art. 422, j0. 424). Voor het overige is in het ontwerp v. 1820 ongeveer hetzelfde stelsel gehuldigd als in het Wetb. Napoleon v. Holland.
Ook daar is scheiding van tafel en bed overeenkomstig Ond-Hol-landsche begrippen in meer gevallen geoorloofd dan echtscheiding (art. 452 Ontw.). Eigenaardig is de bepaling dat de echtgenoot, tegen wien de scheiding van tafel en bed gevorderd wordt, daarin mag toestemmen (art. 455). Ook bij onderlinge, overeenkomst was zij toegelaten (art. 456 en vlgg.).
Het Wetboek van 1830 kende alleen ontbinding van het huwelyk door den dood en door echtscheiding (art. 313) doch niet door afwezigheid van een der echtgenooten, opgevolgd door een nieuw huwelijk van den ander (Voorduin, II, bl. 438, 439). Doch dit middel werd bij de behandeling van dezen titel in 1832 weder in het leven geroepen, als overeenstemmende met onze Oud-Nederlandsche wetten (Vookduin, eodem bl. 443).
Een tweede verschilpunt van onze wet met de vroegere wetgeving is de thans bestaande mogelijkheid om na vyfjarige scheiding van tafel en bed tot ontbinding van het huwelijk te geraken (art. 254, 3°., 255 en vlg. B. W.). Men heeft opzettelijk vermeden deze ontbinding met den naam van echtscheiding met wederzijdsch goedvinden te bestem-pelen; en ze levert ook inderdaad eenige verschilpunten met echtscheiding op; niettemin heeft hare invoering ten gevolge dat men thans, ofschoon in twee stadiën, en na vele en langdurige formaliteiten, met onderling goedvinden tot algeheele scheiding kan geraken; immers de aan die ontbinding ten grondslag liggende scheiding van tafel en bed kan op gezamenlijk verzoek van beide echtgenooten zijn uitgesproken; en de ontbinding na vijf jaren berust in werkelijkheid eveneens op den wil van beide partijen.
Ook ten onzent had de invoering van de ontbinding van het huwelijk anders dan door den dood, met grooten tegenstand te kampen. Vele leden van de Kamer van de R. Katholieke geloofsbelijdenis beriepen zich op het ongrondwettige van een middel van ontbinding, door die kerk gewraakt (zie het verslag en de wederlegging van die bezwaren
279
ONTBINDING VAN FI E T HUW K 1. IJ K
bij Vooeduin, II, bl. 434 en volgende, en de Memorie van Toelichting, Vooruuin, I, 1, bl. 208 en 209, Asser, Verg. § 171).
Het ontwerp B. W. van 1886 art. 229 volgt in het algemeen art. 254 B. W. wat betreft de vier wij zen, waarop het huwelijk wordt ontbonden; art. 230 evenwel laat echtscheiding toe wegens zeven oorzaken; terwijl art. 263 bepaalt dat de van tafel en bed gescheiden echtgenooten reeds na verloop van een vol jaar sedert het bestaan der scheiding de ontbinding des huwelijks kunnen vragen, en volgens art. 264, ingeval de scheiding van t. en b. twee jaren heeft geduurd, ieder der echtgenooten den ander kan aanmanen om de samenwoning te hervatten; is hieraan, zonder dat er geldige redenen voor bestaan r binnen eene maand geen gevolg gegeven, dan kan door dien echtgenoot de ontbinding des huwelijks worden gevorderd.
Zie verder omtrent de geschiedenis van dit onderwerp belangrijke bijdragen in de M. v. Toel. van het Ontw. 1886, bl. 117 en v., 147 en v.
1°. Ontbinding van het huwelijk door den dood (art. 254, 1°.).
Deze behoeft geene nadere bespreking (zie bl. 276, supra).
2°. Ontbinding van het huwelijk door afwezigheid van een der echtgenooten gedurende een bepaalden tijd en daarop gevolgd nieuw huwelijk van den anderen echtgenoot (art. 254, 2°., 549—551 B. W. en de wet van 9 Juli 1855, Stbl. n0. 67).
Nóch in den Code, nóch in het. Wetb. van 1830 kwam deze instelling voor. Evenwel bepaalde art. 139 C. N. evenals art. 593 B. W. v. 1830 dat enkel de afwezige of diens gemachtigde tegen een later huwelijk van den achtergebleven echtgenoot konden opkomen, waardoor zoodanig eenmaal voltrokken huwelijk, al mocht het onwettig zijn, evenwel niet door derden kon worden bestreden. Vooral in een land als het onze, waar de scheepvaart jaarlijks vele offers eischt, en welks ingezetenen vaak ver van het moederland verwy-derd en aan gevaren blootgesteld zijn, kan het veelvuldig voorkomen dat iemand het leven verliest, zonder dat de nabestaanden het over-lijden door rechtsmiddelen kunnen bewijzen; de achtergebleven echtgenoot — uit den aard der zaak is het meestal de vrouw die achterblijft — zou alsdan in de onmogelijkheid zyn te hertrouwen, zonder het hulpmiddel, dat in het Romeinsche en Oud-Holl. recht niet geheel onbekend was (zie de aangehaalde plaats van v. Leeuwen, bl. 278, supra en Voet, ad D. de ritu nupt. 23, 2, n0. 99) en hetwelk in het Wetb. Lod. Nap. (art. 198 en 201), het ontwerp van 1820 (art. 422
280
DOOR AFWEZIGHEID EN NIEUW HUWELIJK.
n0. 1 en 423) eu in onze tegenwoordige wet opzettelijk is geregeld. De termijn van tien jaren is ten opzichte van hen, die tot de bemanning of passagiers van een schip behoorden, waarvan gedurende drie jaren geen bericht is gekomen, of die vermist zijn ter gelegenheid van eene ramp, op \'s lands kusten, binnenlandsche zeeën of wateren aan eenig vaartuig of een deel der bemanning of passagiers overkomen, tot drie en in het tweede geval zelfs tot één jaar beperkt (zie art. 1 en 2 der wet van 9 Juli 1855, Stbl. n0. 67).
Vereiscliteu tot deze outbiucling van liet huwelijk eu formaliteiten om daartoe te geraken :
a. een tijdsverloop van tien, drie en één jaar in de verschillende gevallen bij art. 549 B. W. en art. 1 en 2 der wet van 1855 voorzien, te rekenen van de laatste tijding van den afwezige, van het in zee steken van het vermiste schip, of sedert de ramp op \'s lands kusten , binnenzeeën of wateren ;
verlof van de Eeclitbank der gemeene woonplaats tot oproeping van den afwezige bij drie opeenvolgende openbare dagvaardingen, op de wijze in art. 523 en 524 omschreven (art. 549):
a. het doen plaats hebben dier drie oproepingen op de bij de wet bepaalde wijze;
d. vergunning door de Rechtbank aan den achtergebleven echtgenoot tot het aangaan van een ander huwelijk, indien noch de afwezige opkomt, noch iemand van zijnentwege van zijn bestaan doet blijken (art. 550);
Volgens art. 525 B. \\V., dat ook ten deze toepasselijk is verklaard, kan de rechter, zoo noodig, een getuigenverhoor bevelen en moet hij verder letten op de beweegredenen der afwezigheid, de oorzaken, die het ontvangen van tijding hebben kunnen verhinderen, en op alle andere omstandigheden, tot de afwezigheid betrekkelijk.
De Rechtbank kan naar aanleiding van een en ander de uitspraak nog vijf jaren uitstellen en nadere oproepingen bevelen. Indien na de verleende vergunning doch vóór het voltrekken van het nieuwe huwelijk de afwezige opkomt of iemand van zijnentwege het bewijs van diens bestaan levert, vervalt de vergunning van rechtswege (art. 551, lid l).
e. voltrekking van een nieuw huwelijk door den achtergebleven echtgenoot.
Eerst daarna is het vorige huwelijk ontbonden en heeft ook de afwezige het recht zijnerzijds een ander huwelijk aan te gaan
281
ONTBINDING VAN HET HU W E L IJ K
(art. 551 , lid 2). Te recht bepaalde het ontwerp van 1820 dat het voorschrift dat de vrouw 10 maanden moet wachten alvorens te hertrouwen, ten deze niet toepasselijk zou zijn (art. 409, j0. 129, Ontw.). Ten onzent zou men dit kunnen betwisten voor zoover de vrouw de afwezige party is. Is zij de achtergebleven party, dan kan van toepassing van art. 91 B. W. geene sprake zijn, vermits juist door haar later huwelijk het vorige wordt ontbonden. (Vgl. hl. 151 en 152 supra.)
3°. Ontbinding vau het huwelijk na voortgezette scheiding van tafel en bed (art. 255—261 B. W.).
Heeft de scheiding van tafel en bed gedurende vijf volle jaren geduurd, zonder verzoening van partijen, dan bestaat liet gegrond vermoeden, dat de breuk onherstelbaar is; en geeft de wet aan beide echtgenooten de bevoegdheid, met toestemming der wederpartij, liet huwelijk geheel te doen ontbinden.
Vgl. bl. 279, supra, omtrent het verschil van onze wet met de vorige wetgevingen, die deze wijze van ontbinding niet kenden. Slechts geringe gelijkenis levert de bepaling van het vroegere art. 310 C. N. met onze wetgeving op; alleen toch de oorspronke-lyke verweerder in zake scheiding van tafel en bed kon de echtscheiding vorderen, en dat nog met uitzondering van de overspelige vrouw; daarentegen kon de gedaagde party de actie alleen krachteloos maken door verzoening; terwyl ten onzent de gedaagde echtgenoot door eenvoudig niet te verschijnen of den eisch tegen te spreken, de scheiding van tafel en bed kan bestendigen. Vgl. verder de artt. 263— 265 Ontw. B. W. van 1886, en de wijziging van art. 310 C. C. by de Fransche wet van 27 Juli 1884 , op bl. 278 supra vermeld.
Vereischte tot deze ontbinding:
Het bestaan van vijfjarige scheiding van tafel en bed tusschen de echtgenooten, onverschillig of deze om bepaalde redenen dan wel op beider verzoek is uitgesproken, gepaard aan den wil van beide echtgenooten om het huwelijk te doen ontbinden (art. 255).
Formaliteiten daaraan verbonden;
a. oproeping in rechte, om de ontbinding te hooren uitspreken. De bevoegdheid daartoe komt aan beide echtgenooten gelijkelijk toe.
Ofschoon de wet het niet bepaalt, schijnt het niet verboden, dat beide echtgenooten zich te zamen bij verzoekschrift tot den rechter wenden. Alleen omtrent des rechters bevoegdheid zou men in dat geval kunnen twijfelen, indien de van tafel en bed gescheiden vrouw in een ander arrondissement woont dan de man (art. 78).
282
na sohetlling van tafel en bed.
De eisch zal worden ontzegd, indien de gedaagde, ua drie malen van maand tot maand te zijn opgeroepen, niet in rechte verschijnt of opkomende zich tegen den eisch verzet, of wel zich tot verzoening bereid verklaart (art. 256).
Het verschijnen in rechte geschiedt, evenals bij alle gedingen bij de Rechtbank, door middel van eenen procureur, tenzij de wet eene persoonlijke verschijning gelast (b. v. in art. 257, 294 B. W., art. 19, 241, 805. 816, 818 Rv. enz.).
fndien de gedaagde in den eisch toestemt:
h. bevel van de Rechtbank aan de echtgenooten om te zamen en in persoon voor een of meer harer leden (rechters-commissa-rissen) te verschijnen, ten einde eene verzoening te beproeven (art. 257, lid 1);
c. verschijning van partijen in persoon voor den rechter tot boven-gemelden einde; en ingeval de poging tot verzoening niet gelukt, bevel van den rechter tot eeue nieuwe verschijning, ten minste drie, en ten hoogste zes maanden ua de eerste, met oproeping van de naaste bloedverwanten in de opgaande lijn (art. 257, lid 2);
d. hernieuwde persoonlijke en gezamenlijke verschijning als voren, in tegenwoordigheid, of althans ua oproeping van gemelde bloedverwanten ;
De uitspraak des rechters hangt in geenen deele af van het advies der bloedverwanten in de opgaande lijn, wier tegenwoordigheid echter op de stemming der echtgenooten van grooten invloed kan zijn (anders in het Fransche recht ingeval van divorce par con-sentiment muiuel, waar de toestemming der ouders of verdere bloedverwanten in de opgaande lijn vereischt werd, art. 278 C. N.).
Ingeval een der partyen niet voor den rechter-commissaris verschijnt, zou zulks kunnen beschouwd worden óf als bewijs dat zij geene verdere bezwaren tegen de vordering heeft, óf als onwil om tot de ontbinding mede te werken. De laatste uitlegging schijnt meer in overeenstemming met het stelsel der wet, die de samenwerking der echtgenooten tot het laatste toe vordert en telkens de kans op verzoening wil begunstigen. In denzelfden zin een arrest van den Hoogen Raad van 10 October 1851, R. d. XL § 7, beslissende dat by niet-verschijning niet genoegzaam aan alle wettelijke formaliteiten is voldaan om den eisch te kunnen toewijzen. (Vgl. Léon, uitg. Asser, ad art. 257 en 258, sub 1.)
283
ontbinding van het h uw e l tj k.
e. rapport vau de rechters-commissarissen ter terechtzitting van de Rechtbank; en conclusie van het openbaar ministerie (art. 358, lid 1);
f. uitspraak der Rechtbank met toewijzing vau de vordering, indien aan alle formaliteiten is voldaan en de echtgenooten ook bij de tweede verschijning bij hun voornemen hebben volhard (eod.).
De rechtbank kan evenwel nog gedurende zes maanden hare uitspraak aanhouden, zoo er waarschijnlijkheid van verzoening mocht bestaan (art. 258, lid 2),
Tegen de uitspraak der Rechtbank wordt, uiterlijk gedurende eene maand, beroep bij den hoogen rechter toegelaten (art. 259).
Hiertoe kan aanleiding bestaan als de Rechtbank b. v. in strijd met de meening van partijen, de vordering mocht hebben afgewezen op grond dat de formaliteiten niet behoorlek vervuld zouden zyn; hooger beroep tegen een toewijzend vonnis is niet geheel ondenkbaar, indien nl. de gedaagde partij beweert van hare ongezindheid te hebben doen blijken (van Hall, bl. 283).
ff. inschrijving van het vonnis, waarbij de ontbinding is uitgesproken in de registers van den burgerlijken stand ten verzoeke van beide partijen of van eene van haar, binnen zes maanden, te rekenen van den dag, waarop het vonnis niet meer voor wettelijk beroep vatbaar is.
Bij gebreke hiervan vervalt de kracht van het vonnis en kan de ontbinding des huwelijks niet meer op denzelfden grond worden gevorderd (art. 260 jquot;., 276).
De ontbinding des huwelijks is een gevolg van het vonnis; de inschrijving is veeleer als eene voorwaarde voor de blijvende rechtskracht van het vonnis te beschouwen. In gelyken zin Opzoombk ad art. 276, § 2; van Hall, bl. 283; evenzoo een opstel van J. Soulik in de Retue Critique de lég. et de jur. 1895, bl. 252 en v.; anders Diephuxs, IV, bl. 499 en 502, alsmede de Arr.-Rb. te Almelo en het Gerechtshof te Arnhem, bij beschikkingen van 9 April en 7 Mei 1895, W. n0. 6663. \')
284
Mr. Opzoomer, t. a. p., meent als gevolg van de door hem voorgestane leer te kunnen aannemen dat de erfgenamen van den echtgenoot, die na het vonnis, doch vóór de inschrijving is overleden, de inschrijving alsnog kunnen doen bewerkstelligen.
\') De H. R. heeft het beroep in cassatie tegen laatstgemelde beschikking verworpen; het arrest is tijdens het ter perse gaan dezes echter nog niet in eenige verzameling opgenomen.
ECHTSCHEIDING.
In het Fransche recht (art. 258, 264, 294 C. N.), evenals volgens het Burgerlijk Wetboek van 1830 (art. 330 en 331), werd ingeval van echtscheiding het huwelijk ontbonden door de uitspraak van den ambtenaar van den burgerlijken stand; het vonnis had slechts de kracht van toelating tot zoodanige uitspraak. Tot hetzelfde stelsel is men in het ontwerp van 1886 teruggekeerd; zie art. 237, 254, 263, en de redenen die daartoe hebben geleid op bl. 121 der Mem. v. Toel. \')
Art. \'276 B. W. eischt by echtscheiding inschrijving van het vonnis in de registers vav. de woonplaats der echtgenooten. Art. 260 verwijst hiernaar, ingeval van ontbinding des huwelijks na scheiding van tafel en bed. Hoe echter als man en vrouw een afzouderlyk domicilie hebben, hetgeen na scheiding van tafel en bed, blykens art. 78 B. W. kan plaats hebben ? In de praktijk zal men het veiligst doen de inschrijving in beide gemeenten te doen bewerkstelligen, maar wettelijke regeling ware wenschelyk.
De hier behandelde outbindiug des huwelijks maakt geen inbreuk op de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en bed, bij art. 301 vermeld, noch op de voorwaardeu welke, ingeval van minnelijke scheiding, naar aanleiding van art. 293, door partijen zijn geregeld; deze gevolgen en voorwaarden blijven geheel van kracht (art. 261).
Regeling van dit onderwerp was noodiy, omdat door de ontbinding des huwelijks de scheiding van tafel en bed te niet gaat, en men dus omtrertt hare gevolgen zou kunnen twyfelen; de bepaling der wet is o. i. nuttig, opdat geene by komende redenen, vooral van stoffelijken aard, op den wil der echtgenooten invloed zouden kunnen uitoefenen.
é0. Ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (art. 262—287 B. W., art. 816—828 Rv.).
Echtscheiding is de onherroepelijke ontbinding van het huwelijk, wegens eene bepaalde oorzaak, door rechterlijk vonnis.
285
Wegens eene bepaalde oorzaak {pour came determinte\') wordt gezegd in tegenstelling van de door onze wet uitgesloten echtscheiding met onderlinge toestemming. Het rechterlijk vonnis moet worden gevolgd door inschryving in de registers van den burgerlyken stand.
\') Opmerkelijk is het dat men ia Frankrijk, bij de wet van 18 April 1886, die naar aanleiding der wet van 27 Juli 1884 de procedure in zake echtscheiding op nieuw heeft geregeld, juist tot ons stelsel (uitspraak der echtscheiding door den rechter) is toegetreden.
286 GEEN ECHTSCHEIDING UOOR ONDERLINGE TOESTEMMING.
Niettemin mag men zeggen dat het vonnis, niet de inschrijving het huwelijk opheft (vgl. blz. 284, sub g).
Echtsclieiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben (art. £63).
Wij zagen hierboven op bl. 279 dat niettemin zijdelings het huwelijk met toestemming van beide echtgenooten kan worden ontbonden door het aanvragen van scheiding van tafel en bed, na vijfjaren gevolgd door de procedure van art. 255 en v. B. W.
Een gevolg van de bepaling van art. 263 B. W. is o. i. dat bij toestemming van den gedaagde in de vordering tot echtscheiding of wel bij niet verschijning van dezen, het bewijs der feiten dooiden eischer, niettegenstaande des gedaagden bekentenis (art. 1962 B. W.) of het verleende verstek (art. 76 Rv.), moet worden aangevuld of geleverd. Bij eene tegenovergestelde leer zou art. 263 B. W. geheel illusoir kunnen worden. Zoo werd het ook door bijna alle Nederlandsche rechtbanken opgevat, totdat de Hooge Raad bij arrest van 22 Juni 1883, R. d. 134 § 30, eene tegenovergestelde leer heeft aangenomen, waartegen echter enkele rechtscollegiën zich langen tijd met kraclit bleven verzetten; de schrijvers (zie Mr. Opzoomeü, ad art. 263 en de aldaar vermelde auteurs) zijn hieromtrent zeer verdeeld. Men verlieze by de beoordeeling dezer vraag niet uit het oog dat het, bij eene procedure, die op den burgerlijken staat der partijen rechtstreeks invloed heeft, en als zoodanig de publieke orde betreft, niet evenals bij een gewoon burgerlijk proces er op aankomt wat tusschen partijen als waarheid wordt aangenomen, maar op datgene wat iu werkelijkheid heeft plaats gehad, wat objectief waar is. Volledig bewys mag dus niet uit de erkentenis van den gedaagde voortvloeien en diens niet verschijnen kan derhalve evenmin zoodanig bewijs vervangen \'). Vgl. art. 810 Rv., j0., 241 uit0. B. W., waar in verband met hetzelfde beginsel, doch ditmaal uitdrukkelijk, bekentenis als eenig bewijs in zake scheiding van goederen is uitgesloten.
Men zie verder over deze vraag het academisch proefschrift van Mr. J. Haneküijk , Amst. 1885, die zich voor het bestaande recht met de leer van voormeld arrest vereenigt, maar in jure constituendo van een andere meening is. Vgl. ook Mr. J. M, vanMunnekbeüe, Acad. pr. Leiden 1887, bl. 22 en v., Mr. A. E. Haantjes, acad. Pr. Rott. 1892.
\') Het ontwerp B. W. van 1886 (art. 251 luidt: „De rechter kan bij enkele bekentenis „van de wederpartij , of wanneer deze den eisch niet tegenspreekt, nader bewijs gelasten , „indien hij de waarheid der aangevoerde feiten betwijfelt.quot;
gronden tot echtscheiding. ovekspel.
Zie de laatste jurisprudentie bij Léon B. W., óe snppl. Eombach, art. 264, aant. 5 en 17.
Gronden tot echtscheiding (art. \'264 B. W.): \')
a. overspel (art. 264, n0. 1), eu zulks onverschillig of dit door den man of de vrouw is gepleegd, en ouder welke omstandigheden zulks is geschied;
Het laatste in tegenstelling met de vroegere artt. 229 en 230 C. Nap., volgens welke het overspel van den man alleen grond tot echtscheiding opleverde „lorsqu\'il aura tenu sa concubine dans la maison communequot;, terwijl overspel van de vrouw onder alle omstandigheden recht tot die vordering gaf. Zie in verband hiermede de artt. 336—339 C. Pén., die dezelfde onderscheiding huldigden, doch thans door art. 241 en v. W. v. Strafr. zyn vervangen. Vgl. Mr. M. H. Godefkot, Sé*/), v. d. Code. Pén., Jaarh. 1839, bl. 412. Schending van de huwely kstrouw door de vrouw werd reeds vroeger als grooter maatschappelijk kwaad beschouwd dan hetzelfde feit, door den man gepleegd. Zie Nov. 117, c. 9, § 5, j0. c, 8, § 1 en 2.
Nóch in ons recht, nóch in den Code komt eene bepaling van overspel voor. Men zoeke die bij Voet ad Pand. ad 1. Juliam de adult, coerc. nquot;. 7: „alieni tori violatio sen alienae matrisfamilias . corruptioquot;, vgl. 1. 6, § 1 en 1. 23 D. h. t.; 1. 101 D. de V. Sign.
Het bewijs van overspel zal doorgaans slechts door vermoedens kunnen worden geleverd; immers zal het meest kenmerkende feit zelden voor rechtstreeksch getuigenbewijs vatbaar zijn. In de praktijk wordt zoodanig vermoeden veelal afgeleid uit het nachtelijk samenzijn van één der echtgenooten met eenen derde in één vertrek, waarin zich slechts ééne slaapstede bevindt.
287
In art. 425 Üntw. v. 1820 werd nevens overspel de „onnatuurlijke ontuchtquot; genoemd. Deze bijvoeging is opzettelijk weggelaten (Voob-duin, II, bl. 456). Daar het crimen nefandum bezwaarlijk onder het begrip van overspel is te rangschikken, levert het volgens ons recht geen grond tot echtscheiding op. Zie echter Mr. M. C. van Hall, N. Bijdr., bl. 89—96. Van Hall, Handl., bl. 284, schijnt te twijfelen. Het Pruissische Landrecht II, 1 § 672, het Privatr. Gesetzb. für den
\') Het ontwerp B. W. van 1886 (art. 230), laat echtscheiding toe op grond van ^.overspel ; 2°. onnatuurlijke ontucht, gedurende het huwelijk gepleegd; 3°. weigering van samenwoning; 4°. onherroepelijke verooi-deeling tot vrijheidstraffen, aldaar omschreven; 5°. aanslag op het leven of zware mishandeling, door den anderen echtgenoot opzettelijk gepleegd, bevorderd of uitgelokt; 6°. gedurige slechte bejegening; 7°. gewoonte van dronkenschap of ander liederlijk gedrag.
288 gronden\' tot echtscheiding. kwaad willige verlating.
Kanton Zürich ^ 183, het Saksische Wetb. § 1728 en het ontw. B. W. van 1886 art. 230, laten echtscheiding op dezen grond toe.
Overspel bestaat niet zonder toerekenbaarheid. Derhalve is de vrouw, die op geweldadige wijze is verkracht, of wier wil door bedwelmende middelen is verlamd, niet schuldig aan overspel (Diep-iiüis , t. a. p., bl. 507).
De bevalling van de vrouw, terwijl haar man van den 300en tot den 180equot; dag vóór de geboorte van het kind in de onmogelijkheid is geweest om gemeenschap met haar te hebben, kan tot bewijs van overspel strekken, al moge zelfs de vader den tijd tot ontkenning van het vaderschap hebben laten voorbijgaan, tengevolge waarvan het kind, ten opzichte van de ouders, wettig wordt geacht. Zie Diep-iiüts, eod.; vgl. de jurisprudentie in uiteenloopenden zin bij LroN, uitg. Asser, art. 264, nquot;. 4, B. W.
Wederkeerig overspel sluit de actie tot echtscheiding niet uit; evenmin als er compensatie bestaat wegens de andere oorzaken in art. 264 B. W. genoemd. Beide echtgenooten kunnen alsdan de vordering instellen. Zie Lkon, uitg. Asser, ad art. 264, nquot;. 6; v. Hall, bl. 284 en 290; Diepiiuis, IV, bl. 505, 506; Opzoomer, II, (1875), bl. 49, noot. Anders art. 220 Wetb. Nap. v. h. Kon. Holl : „Die „door zijn eigen wangedrag de oorzaak geweest is, dat er eene reden „tot echtscheiding aanwezig is, kan van zijnen kant de echtscheiding „geenszins vorderen.quot; Art. 430 en 431 Ontw. 1820 beperkten dit stelsel tot twee van de vier gronden van echtscheiding in art. 425 gemeld. Zie Voorduin, II, bl. 460—462.
b. kwaadwillige verlating, bestaande in liet verlaten van en afwezig blijven uit de gemeene woonplaats, zonder voldoende oorzaak, gedurende vijfjaren (art. 264, 2°., 266);
De malitiosa desertio was reeds in de H. Schrift erkend (I Cor. 7, vs. 15) en volgens het Canonieke recht alleen toegelaten: „si alter infidelium conjugum ad fidem catholicam convertaturquot; en dan verlaten werd. Decret. Greg. IX, Lib, IV, tit. 19, c. 7; verg. Deer. P. II, caus. 28, (ju. 1. passim (vgl. van Hall, bl. 284).
In het Rom. en Oud-Holl. recht werd zij ook als grond van echtscheiding aangenomen, doch in eerstgemeld recht alleen op de verlaten vrouw toegepast en somtijds niet zuiver van vermoedelijk overlijden afgescheiden (zie bl. 277 en 278 supra).
De C. N. noemt haar niet als grond tot echtscheiding. Somtijds echter werd de kwaadwillige verlating naar aanleiding der omstandigheden onder de exces, sévices ou injures graves gebracht en leverde
(ikon d e n tot e c h ï s c h e i d i jï g.
als zoodanig grond tot echtscheiding op (Grolman, III, bl. 88—97; Laueent, III, nquot;. 195). In het Wetb. Nap. v. H., het Ontw. v. 1820 en het Wetb. v. 1830 is zij vermeld. Het ontwerp 1886 rangschikt haar onder de weigering van samenwoning (art. 231).
Met kwaadwillig verlaten en afwezig blijven zal men mogen gelijkstellen het uit de gemeene woonplaats verstooten en voortdurend weren van den eenen echtgenoot door den ander; eveneens het wei geren van de vrouw om den man te volgen zoo hij van woonplaats verandert (zie Opzoomer, II, bl. 44, noot, en de aldaar aangehaalde schrijvers, in utramque partem).
Onder gemeene woonplaats moet ten deze vermoedelijk niet het domicilie worden verstaan, maar veeleer de plaats, waar de echtge-nooten het laatst met elkander gehuisvest waren (tan Hall, bl. 285, Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van 21 Nov. 1854; R. Bijbl. 1885, bl. 30—35).
De termijn van 5 jaren, door de wet vereischt voor het instellen van deze vordering, begint te loopeu hetzij van het tijdstip der verlating, hetzij van het oogenblik dat de aanvankelijk wettige verwijdering door het ophouden van hare oorzaak in een kwaadwillige verlating is ontaard (art. 266, lid 2 en 3 B. W.).
De slotwoorden van art. 266, lid 1 B. W.: „de eisch. . . kan „alleen worden toegestaan, wanneer degene der echtgenooten die de „gemeene woonplaats, zonder wettige oorzaak, heeft verlaten in zijne „weigering volhardt om tot zijnen echtgenoot terug te keerenquot; heeft sommigen er toe geleid om, ten blijke van dat volharden, een bepaald aanzoek te vorderen in of buiten rechte, door of namens den verlaten echtgenoot tot den ander gericht, ten einde dezen tot terugkeer te bewegen. Zoo ook wordt in de praktijk zekerheidshalve de dagvaarding veelal voorafgegaan door eene sommatie om weder te keeren. Intusschen mag men veilig als des wetgevers bedoeling aannemen dat het toereikend is, zoo die onwil uit de omstandigheden blijkt (Opzoomer, II, bl. 43; Diephüis, IV, bl. 510; N.-Holland, 24 Juni 1852; R. Bijbl. 1852, bt. 504).
c. veroordeeling wegens inisdrijf tot eene vrijheidstraf van vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken (art. 264, 3°. gewijzigd bij art. 2 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93);\')
In tegenstelling met het Wetb. Nap. v. h. Kon. Holl. (art. 219, 3°.)
\') Art. 264, 3°. luidde voorheen: „veroordeeling tot eene onteerende straf na het huwelijk uitgesprokenquot;.
Asser, Burgerl. Recht. I. 3e druk. 19
289
TOT ECHTSCHEIDING.
290
G K O S D E X
en het Ontw. v. 1820 (art. 425, ii0. 4), maar overeenkomstig den Code Nap. (art. 232), staat in ons reoht de veroordeeling op den voorgrond, terwijl het in eerstgemelde wetboeken het misdrijf was, hetwelk grond tot echtscheiding opleverde, mits het door veroordeeling tot de aldaar genoemde straifen zij opgevolgd. Eene zoodanige veroordeeling vóór het huwelijk uitgesproken, levert geen grond tot echtscheiding op; de echtgenoot heeft daarvan kennis moeten of kunnen dragen. Anders, ingeval de strafvervolging is begonnen vóór de voltrekking van het huwelijk, doch de straf eerst daarna is uitgesproken; zelfs de bewustheid van zoodanige vervolging tijdens de huwelijksvoltrekking , brengt geen nadeel toe aan de eischende partij, omdat in het strafrecht ieder voor onschuldig wordt gehouden, totdat hij bij uiterlyk gewijsde is schuldig verklaard (Asseh , Verg. § 176).
Door de nieuwe redactie van art. 264, 3°. B. W. vervallen sommige vragen, welker beantwoording de rechtsgeleerden verdeeld hield; inzonderheid deze, of veroordeeling tot kruiwagenstraf met vervallenverklaring van den militairen stand volgens het Crim. Wetb. v. h. krijgsvolk te lande onder „onteerendequot; straifen begrepen was (vgl. van Hall, bl. 285; Diephuis, IV, bl. 511; Léon ad art. 265 B. W.).
Nog altijd echter kan men twijfelen omtrent de vraag of eene strafveroordeeling, door eenen buitenlandschen rechter uitgesproken, reden tot echtscheiding kan opleveren. Al mogen enkele argumenten ontleend aan de classificatie der straffen in den Code Pénal vervallen zijn, zoo schijnt men ook thans nog, ook met het oog op art. 274, lid 2 B. Wquot;. deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Zie hieromtrent in gelijken zin o. a. van Hall, bl. 285, 286; Opzoomer, II, bl. 45, noot. Eveneens de H. Raad bij arr. v. 2 October 1851, id., d. XL, 55 1, aangehaald bij Léon (uitg. Asseh) sub art. 264, aant. 2, B. W.; alwaar echter ook rechtspraak in anderen zin voorkomt; anders eveneens Mr. Diephüis , t. a. p., bl. 510 en v.; de Pinto,II, § 160. Niet te ontkennen is het dat het, met het oog op de ratio legis (dat de echtgenoot niet gedwongen moge zijn met eenen erkenden misdadiger in huwelijksgemeenschap te blijven), wenschelijk ware, indien de gevolgen der strafveroordeeling door eenen buitenlandschen rechter, zoo mogelijk, werden geregeld, gelijk zulks ook in art. 230, 4°. ontw. 1886 is geschied.
Het recht van gratie heeft alleen invloed op de straf, geenszins op het bestaan der eenmaal uitgesproken veroordeeling en dus evenmin op het daaraan verbonden recht om echtscheiding te vorderen. Men zie hieromtrent de discussiën in de Tweede Kamer, naar aanleiding van het voorstel, dat geleid heeft tot de wet van 26 April 1884, Bylagen 1883\'4, bl. 1009.
gronden tot echtscheidïn g.
d. zware verwoudiugen of zoodanige mishandelingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waardoor diens leven in gevaar wordt gebracht (art. 264, 4°.).
Zoo althans is de bedoeling van gemelde alinea der wet, waarvan de redactie door opvolgende veranderingen min gunstig is uitgevallen (zie Diephuis, t. a. p., bl. 513). De Code Nap. sprak in art. 231 van excès sévices et injures graves de Vim cCeux envers Vautre, het eerste woord vooral om den aanslag op het leven te gedenken, zonder den echtgenoot te verplichten juist dat misdrijf te noemen (vgl. v. Hall , bl. 286). Ten opzichte van injures graves twijfelde men of daaronder al of niet mondelinge beleediging was begrepen. Het ontwerp 1820, art. 425, 3°. gewaagt van poging tot moord of doodslag dooiden eenen echtgenoot tegen den anderen begaan, en van moord of doodslag, of poging daartoe tegen de ouders of kinderen van den eischenden echtgenoot begaan; van zware verwondingen of verminkingen met geleider lage en verraderlijk aan laatstgemelden, diens ouders, of kinderen toegebracht. Hooggaande of herhaalde mishandelingen en tergende bejegeningen, welke de samenleving en bijwoning gevaarlijk of ondragelijk maken, gaven volgens art. 452 slechts grond tot scheiding van tafel en bed; eveneens gedurige en dagelijksche twisten en oneenigheden (art. 453, 454). Het Wetb. van 1830, art. 316, 4°., noemde als grond van echtscheiding „zoodanige wreedheden, door den „eenen echtgenoot jegens den ander gepleegd, waardoor diens leven „wordt in gevaar gebragt, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen „zijn toegebragtquot;.
Derhalve is, zoowel volgens laatstgemeld wetboek, als volgens ons B. W. poging tot moord enz. (exces) weggevallen evenals ook moord, poging tot moord of zware verwonding enz. van ouders of kinderen van den echtgenoot. De geschiedenis der beraadslaging leert niet waarom; de wensohelykheid van echtscheidini; in zoodanige gevallen van verregaande ontaardheid is niet te ontkennen. Toeleg op het leven was reeds, volgens de Nov. 117, cap. 8 § 2 en 9 § 2, een grond tot echtscheiding (zie v. Hall, bl. 286, 287 en 300). Zie de redenen van echtscheiding in het Ontwerp van 1886, art. 230 sub 5°., 6°. en 7°. op bl. 287 supra, noot 1, vermeld, en bl. 126 en 127 der Mem. v. Toelichting.
Gronden van niet-ontvankelijkheid der vordering tot echtscheiding; a. verzoening der echtgenooten, hetzij deze hebbe plaats gehad nadat de eene echtgenoot kennis droeg van de feiten, die grond
19*
291
n 1 e t-o ntvankklij kheid der echtscheiding.
tot echtsclieiding opleverden, hetzij deze eerst sedert het instellen der vordering zij tot stand gekomen (art. 271, lid 1).
Verzoening omvat tevens vergiffenis, zondat onze wet, juister dan art. 432 Ontw. van 1820, beide begrippen niet naast elkander plaatste (Vooeduin , II, bl. 470).
292
Of zoodanige verzoening aanwezig is, zal in elk gegeven geval door den rechter moeten worden beslist, zonder dat daarvoor regelen zyn aan te geven. Slechts aan één geval verbindt de wet het vermoeden van verzoening; als nl. de eohtgenooten weder samenwonen, nadat de vrouw op verlof van den rechter de gemeenschappelijke woning heeft verlaten (art. 271, lid 2, B. W.). Tegenbewijs schijnt in dat geval niet te mogen worden geleverd; nogtans is dit punt eenigszins betwist (Diefhuis, IV, bl. 516). Men boude hier nog in het oog, dat bij de zeer korte procesvoering van art. 265, aan den schuldigen echtgenoot feitelijk geene gelegenheid wordt gegeven om zich op verzoening te beroepen, daar hij geen partij is in een geding; de korte termijn echter binnen welken het verzoek tot echtscheiding in de bedoelde gevallen \') ontvankelijk is, levert ten deze eenigermate een correctief op. Indien er na de verzoening een nieuwe grond tot echtscheiding ontstaat, mag de eischende echtgenoot, tot staving van zijne vordering, van de oude redenen gebruik maken (art. 272). Dit artikel was onder het Fransche recht van grooter belang, daar men wegens exces, sévices en injures graves het huwelijk kon doen ontbinden. Deze bestaan in den regel uit eene reeks van feiten , zoodat de oude redenen alsdan in verband met de later opgekomen mogen worden beschouwd. Ook nu zal het artikel nog vooral zyne toepassing vinden bij scheiding van tafel en bed om dezelfde redenen (art. 288). Ook zal het bewijs dier oude feiten te stade kunnen komen om het karakter van den schuldigen echtgenoot meer te doen uitkomen, en mitsdien den aard der later gepleegde feiten meer in het licht te stellen of des rechters overtuiging te vestigen ten opzichte van de geloofwaardigheid van de getuigen omtrent de latere feiten. Het artikel is dus in zijne toepassing meer beperkt dan vroeger; maar het is min juist met Opzoomer, ad art. 272; alle gevolg
\') Wij gebruiken hier noode het woord „gevallenquot; in het meervoud, daar sedert de wijziging in art. 241 Str. bij de wet van 15 Jan. 1886, Stbl. n0. 6 gebracht, het geval van overspel niet licht meer op de in art. 265 B. W. bedoelde wijze kan worden behandeld , daar thans het strafvonnis steeds op het burgerlijk vonnis moet volgen. Alleen kan dit anders zijn ten aanzien van misdrijven als verkrachting, enz., voor zoover die overspel bevatten.
niet-ont v a n k e lij k h ei u der echtscheiding.
aan die bepaling te ontzeggen, en wel op grond dat bij geldigheid der latere redenen het beroep op de oudere overbodig, bij ongeldigheid daarentegen nutteloos zou zijn. \')
Dat hier in favorem matrimonii de ontvankelijkheid eener actie wordt beheersnht door feiten, die na de dagvaarding hebben plaats gehad, levert eene afwijking van het gewone procesrecht op.
b. Bij kwaadwillige verlating: terugkeer in de gemeenschappelijke woning vóór het uitspreken der echtscheiding (art. 373).
Opdat die terugkeer echter niet zou ontaarden in een middel om eene rechtmatige vordering telkens te verijdelen, bepaalt de wet verder dat, indien de echtgenoot de gemeene woning andermaal zonder wettige oorzaak verlaat, de andere echtgenoot eene nienwe vordering kan aanvangen zes maanden na de verlating, met gebruikmaking van de oude redenen. Latere terugkeer verijdelt de vordering niet meer (art. 273). Quid als de tweede verlating zóó lang na den terugkeer plaats heeft dat deze laatste niet meer als poging tot verijdeling der vordering te beschouwen is? Zie Opzoomer, 1875, II, bl. 51, noot 2, contra Diephuis , t. a. p., bl. 520 en v.
c. Bij veroordeeling wegens overspel 2) of tot vrijheidstraf van vier jaren of langer: het tijdsverloop van zes maanden sedert den dag, waarop het strafvonnis kracht van gewijsde heeft bekomen.
Ingeval van afwezigheid buiten het Koninkrijk van den eenen echtgenoot, tijdens de veroordeeling van den ander, begint die termijn eerst van den terugkeer te loopen (art. 274).
De wet vooronderstelt hier afstand van recht aan de z\'jde van den beleedigde; min juist wordt wellicht in gemeld artikel gesproken van niet-ontvankelijkheid der vordering, zoo de echtgenoot den gemelden termijn heeft laten verloopen, daar toch art. 265 geene eigenlijke vordering beoogt. (Zie echter hieromtrent in verschillenden zin Lkon , uitg. Asser, ad art. 265, sub 2 en 3.)
\') Art. 233 Ontw. v. 1886 noemt verzoening niet uitdrukkelijk, maar laat de vordering tot echtscheiding in art. 230 sub 1, 2, 4 en 5 genoemd vervallen, als de eisch niet is ingesteld of het verlof aangevraagd binnen zes maanden, nadat de beleedigde partij van het bestaan der oorzaak heeft kennis bekomen. Zie deswege bl. 129 en 130 der Mem. v. Toel. Het hervatten der samenwoning wordt evenmin verzoening genoemd, maar vormt een zelfstandige oorzaak , die de vordering doet vervallen (art. 234).
a) Ook hier is toepasselijk hetgeen op bl. 292, noot 1 supra is vermeld.
293
niet-ont v a k k e lij k h bid der echtscheiding.
Verliest men na zes maanden tevens het recht om op de gewone wijze tot echtscheiding te procedeeren wegens feiten by het strafvonnis geconstateerd? Zie bevestigend Arrond.-Eechtb. te Amsterdam 4 Mei 1868, IV. nquot;. 3021.
d. Het overlijden van een der partijen vóór de uitspraak (art. 275).
Door den dood toch is het huwelijk ontbonden, zoodat de vordering doelloos is geworden. Eene eindbeslissing omtrent hoofdzaak en kosten zal dus niet meer kunnen worden verkregen, zoodat — behoudens beslissingen op incidenten — elke partij hare kosten zal blijven dragen.
e. Indien de echtgenoot, die aanvankelijk echtscheiding had kunnen vorderen, uit hoofde van dezelfde oorzaak eene vordering tot scheiding van tafel en bed heeft ingesteld (art. 290).
Men had de keus tusschen twee vorderingen; de éene gestrenger en verder in hare strekking; de andere zachter en meer beperkt in hare gevolgen. Die den laatsten weg bewandelt moet niet meer op den anderen kunnen overgaan. Vgl de beeldspraak van napoléon in de zitting van 26 Vend, an X, die de beide scheidingen vergeleek met twee evenwydige lijnen, die elkander bijgevolg nimmer kunnen ontmoeten.
Onverschillig is het ter toepassing van dit artikel of de vordering tot scheiding van tafel en bed is voortgezet en met gunstig of ongunstig gevolg is ten einde gebracht (van Hall, bl. 289; Dieigt;huis, t. a. p., bl. 518). Op grond van eene nieuwe oorzaak (hetzij deze in een gelijksoortig of in een ander feit gelegen zij) kan echter o. i. niettegenstaande gevorderde of zelfs verkregen scheiding van tafel en bed eene vordering tot echtscheiding worden ingesteld. Zoo ook Diephüis, t. a. p., v. B. Faijre, N. Bijdr., XVIII, bl. 565 en v.; anders Opzoomer, ad art. 290.
Vordering tot echtscheiding en subsidiair tot scheiding van tafel en bed wegens verwondingen, mishandelingen enz. (art. 264, 4°., j0. 288, 2C lid) gelijk in de praktijk veelal voorkomt is o. i. zeer wel te verdedigen. Immers van het meerder of minder ernstige karakter der gepleegde feiten hangt het rechtsgevolg af. Ongerijmd echter is zoodanige bijvoeging by overspel of andere feiten die gelijkelijk beide vorderingen rechtvaardigen, zoodat in zoodanig geval, des eischers conclusie ophoudt duidelyk en bepaald te zijn (art. 5, 3°., Rv.). Vgl. v. Hall, bl. 289.
294
KECHTSPLKGTKG IN ZAKE VAN ECHTSCHEIDING.
f. Indien de vrouw eiscberesse is, het zonder \'s rechters verlof verlaten vau het haar aangewezen verblijf. Hier echter is het aan des rechters oordeel overgelaten of hij al of niet de niet-ontvankelijk-heid der vordering zal uitspreken (art. 268, lid 2).
Rechtspleging in zake van echtscheiding.
De vordering moet, behalve ingeval van kwaadwillige verlating, worden ingesteld bij de Arrondissements-Rechtbank van de woonplaats van den man (art. 262).
Het tijdstip, waarop de vordering wordt aanyevanyen, is hier beslissend (art. 262). In geval van echtscheiding nu is het aanbieden van een verzoekschrift de eerste daad van procedure (art. 816B. Kv.), zoodat verandering van woonplaats van den man na dat tijdstip geen invloed meer op des rechters bevoegdheid heeft (zoo ook de meeste schrijvers; anders Diephuis, doch alleen in diens laatste uitgave, deel IV, bl. 534). Vestiging van den man buiten \'s lands kan aan de eischende vrouw feitelijk het recht van vorderen ontnemen. Zie hieromtrent afwijkend v. Hall, bl. 290, wiens oplossing ons echter min of meer gewaagd toeschynt. Vgl. art. 238 j0. 158 Ontw. van 1886, waardoor het recht der echtgenooten in dit opzicht volkomen is gewaarborgd.
Ingeval van kwaadwillige verlating wordt de eisch gedaan bij den rechter der laatste gemeene woonplaats, welke de echtgenooten ten tijde, der verlating hebben gehad (art. 266).
Eene zeer nuttige afwijking van den hoofdregel van art. 262. Immers in vele gevallen zal by kwaadwillige verlating door den man diens tegenwoordige woonplaats óf onbekend óf buiten \'s lands gevestigd zijn, waaruit de noodzakelijkheid wordt geboren de bevoegdheid van den rechter op zekerder grondslag te doen berusten, en die aan eene vroegere, niet meer voor verandering vatbare woonplaats te verbinden.
De wet kent tweeërlei vorm van rechtspleging, te weten:
1°. Ingeval van bij strafvonnis gebleken overspel, of van veroordeeling tot eene vrijheidstraf van vier jaren of langer;
Aanbieding aan de Rechtbank van een afschrift van het tot de zaak betrekkelijke strafvonnis, met bijvoeging van een bewijsschrift dat het aan geenerlei beroep onderworpen is (art. 265).
295
RECHTSPLKÖIXG TN ZAKE VAN ECHTSCHEIDING.
Reeds hierboven (bl. 293) is opgemerkt dat, ten gevolge van het stellige voorschrift der wet, hier niet aan eene procedure te denken valt; zoodat de in het wetboek van B. Rv., art. 816 en v. voorgeschreven formaliteiten hier buiten alle toepassing zijn.
De wet kent hier dus geene plaats toe aan de pogingen tot ver-eeniging door den voorzitter der Rechtbank; terwijl er ook geene gelegenheid voor den schuldigen echtgenoot bestaat om zich op verzoening te beroepen of andere verdedigingsmiddelen te doen gelden. Beter ware het daarom wellicht, zoo de wetgever het overleggen van het vonnis als volkomen bewijs, niet als eenige formaliteit had vereischt (als bij art. 426 Ontw. 1820), waardoor het blykbare doel, nl. het voorkomen van herhaling van een onderzoek naar onzedelijke en strafbare handelingen, evenzeer ware bereikt. Dat de gevallen van art. 265, lid 1 en 2, niet gelijksoortig zijn, vermits by overspel het vonnis bewijsmiddel is of behoorde te zijn, maar bij veroordeeling tot onteerende straf de rechtsgrond der echtscheiding, heeft Mr. Opzoomer, ad art. 265, met juistheid aangetoond. Hoe de verzoeker het afschrift van het strafvonnis moet aanvragen, leert art. 838 Rv. Omtrent de vraag, wie tot afgifte bevoegd is (de griffier en somtyds de ambtenaar van het openbaar ministerie), zie Mr. Godefbot, B. Bijbl., 1839, bl. 374 en v.
De bepaling van art. 1955 B. W., omtrent de bewijskracht van strafvonnissen in burgerlijke zaken, behoudens tegenbewijs, mist ten deze hare toepassing. Plaats voor tegenbewys bestaat hier niet.
Met opzet is de uitdrukking gekozen van een vonnis „waaruit van een begaan overspel blijktquot;. De veroordeeling behoeft nl. niet uithoofde van overspel te zijn uitgesproken. Genoeg is het als de veroordeeling wordt uitgesproken, ter zake van misdrijven, die noodwendig met overspel gepaard gaan, b. v. als een getrouwd man zich aan verkrachting heeft schuldig gemaakt (vgl. Voorduin, II, op art. 265).
Reeds op bl. 292 supra, noot 1, vermelden wij kortelings, dat de bepaling van art. 265 B. W. ten aanzien van overspel schier alle toepasselijkheid heeft verloren. Immers volgens het in 1886 gewijzigde art. 241 W. v. Str. heeft geene strafvervolging wegens overspel plaats, dan op klachte van den beleedigden echtgenoot, binnen 3 maanden gevolgd door een eisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed op grond van hetzelfde feit, terwyl krachtens het laatste lid aan de klachte geen gevolg wordt gegeven, zoolang niet het huwelijk door echtscheiding is ontbonden of het vonnis, waarbij scheiding van tafel en bed is uitgesproken, onherroepelijk is geworden. Het burgerlijke vonnis zal dus steeds aan het strafvonnis moeten voorafgaan, weshalve ten aanzien van overspel de bij art. 265 aangewezen kortere weg
RECH\'ISPLEGIXG IN ZAKE VAX ECHTSCHEIDIN\'G.
onbruikbaar is geworden. Alleen by bovenbedoelde misdrijven die met overspel gepaard kunnen gaan (art. 2-12 en v. W. v. Str.) is de bij art. 265, lid 1 voorgeschreven vorm van procedure tot echtscheiding nog denkbaar.
2°. De gewone, voor alle gevallen geldige rechtspleging:
a. Verzoekschrift aan de Reclitbank ingediend, met opgave der feiten en van de te nemen eonclusiën, onder bijvoeging der bewijsstukken (art. 81fi Rv.).
Ofschoon aan de Rechtbank ingediend, wordt de beschikking door den voorzitter verleend. De overhandiging van het verzoek geschiedt door den verzoeker in persoon aan den voorzitter of den rechter, die hem vervangt; deze maakt zoodanige bedenkingen als hem goeddunkt. By wettige verhindering van den verzoeker begeeft zich de voorzitter naar diens woonplaats; bij verwijderde woonplaats kan den kantonrechter worden opgedragen namens den voorzitter het verzoekschrift aan te nemen (art. 816 Rv.).
b. Bij volharding van den verzoeker: bevel van den voorzitter dat beide echtgenooten op eenen bepaalden dag en uur voor hem zullen verschijnen, in persoon en zonder bijstand (art. 817 en 818 Rv.).
De griffier doet mededeeling van dit bevel aan de wederpartij (art. 817, lid 2 Rv.). Zoodanige mededeeling is hier verkieslijk boven eene oproeping bij deurwaarders-exploit gelijk de wet in soortgelijke gevallen beveelt.
c. Poging tot verzoening door den voorzitter aan te wenden; verschijnt de verzoeker alleen, dan moet de voorzitter trachten hem van de vordering te doen afzien. Bij niet-verschijning van den verzoeker zonder wettige redenen, vervalt het verzoek. Bij vruchte-looze poging tot vereeniglug, verleent de voorzitter verlof tot het instellen der vordering bij gewone dagvaarding (art. 819, 821, lid 1 Rv.).
(I. Voorloopige maatregelen, die de voorzitter in het belang van de vrouw of de kinderen kan gelasten:
Machtiging aan de vrouw te verleenen om bij voorraad haven intrek te nemen in zoodanig huis, als party en zijn overeengekomen of haar ambtshalve wordt aangewezen (zie bl. 295 supra);
Bevel dat de goederen, tot dagelijksch gebruik strekkende, haar zullen worden ter hand gesteld;
297
RECHTSPIjEGIXG ÏN ZAKE TAN\' ECHTSCHEIDING.
Bepaling bij wien der echtgenooten de kinderen inmiddels zullen verbly ven;
Bepaling van de som, die voorloopig door den man zal worden verstrekt tot onderhoud van de vrouw en van de kinderen, die by haar mochten verblijven (art. 820 Rv.). Twijfel rijst er hoe lang deze presidiale beschikkingen werken, vermits na de dagvaarding partijen ongeveer dezelfde beschikkingen bij voorraad aan de Rechtbank kunnen vragen (art. 267—269 B. W.) \').
e. De dagvaarding en verdere behandeling der zaak geschiedt als bij gewone gedingen, met deze verschilpunten:
a. dat de eischende vrouw den eisch moet instellen binnen veertien dagen na het verleende verlof, op straffe van verlies van de voordeden, haar bij beschikking van den voorzitter ex art. 820 Rv. toegekend (art. 82] , lid 2 Rv.);
Greene uiet-ontvankelijkheid is aan het overschrijden van dientermijn verbonden.
(3. dat het bepleiten der zaak en liet getuigenverhoor met gesloten deuren plaats vindt (art. 822, 823 Rv.);
De conclusie van het openbaar ministerie en de uitspraak van het vonnis geschieden echter in openbare zitting (art. 822);
/. dat bloed- of aanverwanten, dienstboden of bedienden van partijen, als getuigen optredende, noch onbekwaam, noch wraakbaar zijn; slechts ouders en kinderen der echtgenooten kunnen zich van het geven van getuigenis verschoonen (art. 827 Rv. j0. 1951 B. W.);
i). dat tot het bewijs der feiten de enkele bekentenis van den gedaagde niet in aanmerking kan komen en evenmin de beslissende eed.
298
Zie hieromtrent, alsmede omtrent de noodzakelijkheid van eenig bewijs bij niet-verschijning van den gedaagde het aangeteekende op bl. 286 , supra. Vgl. art. 1967 B. W.
\') Op grond van de onzekerheid omtrent dit punt (zie b. v. Arr.-Regtb. Amsterdam v. 11 Dec. 1890, JT. n0. 5993; Geregtsli. te Amsterdam v. 20 Maart 1891, 11\'. n0. 6041; Arr. v. d. H. R. van 19 Juni 1891, tF. n0. 6051, en vooral de daarbij behoorende conclusie van het O. M.) is bij het meergemelde wetsontwerp Hahtogh, art. 116, voorgesteld aan art. 820 Rv. een derde lid toe te voegen, luidende: „Deze beschikkingen helhonden gedurende het regtsgeding hare kracht, totdat de regter omtrent het onderwerp „dier beschikkingen mogt hebben uitspraak gedaanquot;. Deze oplossing bevredigt zeker ons rechtsgevoel beter dan de beslissingen in later tijd door sommige rechtscollegiëu gegeven.
RECHTSPLEGING IN ZAKE VAN ECHTSCHEIDING.
f. Voorloopige voorzieningen, hangende het geding, door de Rechtbank , zoo noodig, te geven:
Aanwijzing van een huis, alwaar de vrouw verplicht zal zijn verblijf te honden (art. 267 B. W.). Nuttige bepaling ter voorkoming van nog grooter oneehigheid of herhaling der mishandelingen. Zie de straf op het niet-nakomen hiervan voor de vrouw bepaald (art. 268, lid 2 B. W.). (Vgl. bl. 295 supra.)
Bepaling van de som, die haar gedurende het geding tot haar onderhoud (en dat van de bij haar verblijvende kinderen door den man zal worden verstrekt (art. 268, lid 1 B. W.).
Bepaling aan wien der echtgeuooten de kinderen voorloopig zullen worden toevertrouwd, ingeval aan de vrouw een afzouderlyk verblijf wordt aangewezen (art. 269 B. W.).
Deze vorderingen worden als incidenteele vorderingen by eenvoudige conclusie ter rolle gebracht en summier beslist (art. 824 Rv.). Die van art. 267 B. W. kan vermoedelijk ook bij request geschieden. De voorloopige ten uitvoerlegging der uitspraak kan uit den aard der zaak worden bevolen; (art 53, 7°. en 8°. Rv.).
De rechten van den man, betreflende liet beheer der goederen v an de vrouw, worden gedurende het geding niet geschorst (art 370).
De aard der vordering tot echtscheiding, waar de vraag naar het gedrag en de zedelijkheid van den gedaagde op den voorgrond staat, terwijl zij het vermogensrecht der echtgenooten niet rechtstreeks betreft, heeft ten gevolge dat in het algemeen de ingestelde eisch geene verandering brengt in de wettelijke bepalingen omtrent dit laatste; niettemin gaat in menig geval wanbeheer of verkwisting gepaard met onzedelijk gedrag; met het oog daarop worden aan de vrouw eenige behoedmiddelen toegekend tot bewaring van haar recht.
Die behoedmiddelen, waartoe rechterlijke magtiging vereischt wordt, bestaan in verzegeling, boedelbeschrijving en waardeering der goederen (art. 825 Rv.); even als zulks by scheiding van goederen, bl. 267 supra, is vermeld. Niet geheel zeker is het of de vrouw ook tot bewaring van de goederen der gemeenschap dezelfde maatregelen mag nemen. Zie Léon, uitg. Asseh , 3e en 5e suppl. Rombach, ad art. 270 B. W., aant. 4.
Bij art. 118 van het meergemelde Ontw. Hartouh , wordt in verband met de voorgestelde uitbreiding van de behoedmiddelen voor het geval van scheiding van goederen ook art. 825 Rv. daarmede in overeenstemming gebracht, evenwel met de volgende bijvoeging: „Zij (de
299
300 ECHTSCHEIDING. RECUÏSPLEG1XG. GEVOLGEN.
„vrouw) zal echter tot het leggen van conservatoir beslag alleen verlof „knnnen bekomen in geval van gegronde vrees voor verduistering.quot;
Alle haudeliugeu van den inan, waardoor de rechten van de vrouw opzettelijk worden verkort, zijn nietig (art. 270, lid 2).
Deze bepaling schijnt te moeten worden beperkt tot de handelingen, sedert den aanvang van het geding door den man gepleegd (zie van Hall, bl. 295). De vordering hiertoe door de vrouw in te stellen heeft eenige overeenkomst met de actio Pauliana van art. 1377 B. W. Tot toewijzing schijnt het toereikend dat het op zich zelf reeds vrij moeielijke bewijs worde geleverd van. opzet of kwade trouw aan de zijde van den man; kwade trouw van derden, die met den man hebben gehandeld, zal dus geen punt van onderzoek behoeven uit te maken. Zie echter de rechtspraak by Leon, B. W., Rombach, le suppl. art. 270, aant. 5.
In alle gevallen van eclitsclieiding wordt het vonnis, na conclusie van het openbaar ministerie (art. 324i. 7°., Rv.), in het openbaar uitgesproken (art. 822 Rv.).
Het vonnis moet vervolgens in de registers van den burgerlijken stand van de woonplaats van partijen worden ingeschreven, ten verzoeke van beide partijen of van een hunner, binnen zes maanden nadat het kracht van gewijsde zaak zal hebben verkregen. Bij gebreke hiervan vervalt het en kan de eclitsclieiding niet meer om dezelfde redenen worden geëischt (art. 276).
Zie hieromtrent, en over het belangrijke verschil ten deze met de Fransche wetgeving, bl. 284 en 285 supra.
De openbaarmaking van het vonnis geschiedt op dezelfde wijze als bij art. 811 W. v. B. Rv. voor scheiding van goederen is voorgeschreven (art. 828 Rv. Vgl. bl. 268 en 269 supra).
Gevolgen der echtscheiding.
a. Met betrekking tot liet huwelijk :
Onherroepelijke ontbinding van het huwelijk en als gevolg daarvan ontbinding der gemeenschap van goederen (art. 254, 181 jquot;. 287 B. W. ; vgl. bl. 221 supra).
b. Met betrekking tot de echtgenooten onderling;
üe echtgenoot, wien de eisch is toegewezen, behoudt al de voordeden hem door den ander ter zake des huwelijks toegezegd
GEVOLGEN DEK ECHTSCHEIDING.
(art. 377 B. W.); de echtgenoot daarentegen, tegen wien de eisch is uitgesproken, verliest de hem door den ander toegezegde voordeelen (art. 278).
Wederkeerig bedongen voordeelen blijven eenerzijds in stand, maar vervallen voor den anderen echtgenoot (art. 277).
Voordeelen, die eerst na doode van een der echtgenooten gevolg moesten hebben, worden door echtscheiding niet dadelijk opvorder-baar; hij, wien de vordering tot echtscheiding is toegewezen, kan zijn recht deswege eerst na het overlijden van den ander doen gelden (art. 279).
De toestand toch moet zooveel mogelijk dezelfde blijven; de toegezegde voordeelen moeten blijven bestaan, maar behoeven niet te vermeerderen, hetgeen door vervroeging van den termijn zou plaats hebben.
üitkeeringen, door derden bij huwelijkscontract toegezegd, blijven onveranderd verschuldigd aan dengene der echtgenooten, te wiens behoeve die beloofd waren (art. 283).
Derden, zoo zeide men, behoeven geen voordeel te genieten van eene gebeurtenis, welke hun ten eenenmale vreemd is. Zie Asser, Verg. § 185; Vooedüin, II, bl. 477, alwaar blijkt dat door enkelen de juistheid dezer bepaling werd betwijfeld. Afwijkend het Ontw. 1820 art. 448.
Verplichting tot onderhoud.
De wederzijdsche verplichting der echtgenooten tot onderhoud en de bescherming door den man aan de vrouw te verleenen (art. 158 en v., zie bl. 203 en v. supra), lost zich na de echtscheiding op in eene verplichting voor dengene tegen wien de echtscheiding is uitgesproken, tegenover dengene wien de eisch is toegewezen, zoo deze geen genoegzame inkomsten heeft (art. 280—282). De hoegrootheid van het levensonderhoud regelt zich naar het vermogen eenerzijds en de behoefte anderzijds (vgl. de artt. 379 en 380).
Volgens het Ontwerp van 1820 art. 440 geschiedde het verzoek tot onderhoud tegelijk met de conclusie op de vordering tot echtscheiding. Art. 301 C. N. liet dienaangaande meer vrijheid en ging eer uit van het denkbeeld van reeds verkregen echtscheiding (Voob-düin, II, bl. 475). Het schijnt de bedoeling onzer wet te zyn dat de vordering tot onderhoud zoowel gelijktijdig als afzonderlijk kan
301
gevolgen der echtscheiding.
worden ingesteld. Zie van Halt., bl. 296, Diehuuis, IV, bl. 553, anders Opzoomer, ad art. 280, die haar alleen na de uitgesproken scheiding toekent. In de praktijk geschiedt de vordering meestal gelijktijdig.
Vermindering van fortuin eenerzijds en het geheel ophouden van de behoefte aan de andere zijde geeft aanleiding tot inkorting van het bedrag of opheffing van de verplichting (art. 281, lid 2). Het Ontwerp van 1820 kende in art. 442 ook vermeerdering toe bij veranderde omstandigheden; niet aldus ons wetboek (zie de redenen bij Vooeduin, II, bl. 47(5).
De verplichting tot het geven van onderhoud na echtscheiding houdt op door den dood van een der echtgenooten (art. 282).
e. Met betrekking tot de kinderen, en wel:
u. ten aanzien van hunne persoonlijke verhouding tot de ouders.
Deze blijft in het algemeen dezelfde. De vader en moeder behouden de rechten, die uit het ouderlijk gezag voortspruiten (art. 285).
Mitsdien blijft de betrekking van de kinderen tot de ouders ten aanzien van onderhoud, opvoeding en ondergeschiktheid aan hun gezag dezelfde als voorheen (art. 285, lid 2 B. W.). Vgl. van Hall, bl. 297; Opzoomer, ad art. 285, § 1.
Dat ook de rechten uit de voogdij (van den langstlevende der ouders) voortspruitende, dezelfde blijven, wordt in art. 285 mede bepaald. Het zal echter meermalen gebeuren dat dezelfde grond, die echtscheiding ten gevolge had, voor den overblij venden echtgenoot, krachtens art. 437, 1°. en 2°., B. W., een reden van uitsluiting van de voogdij oplevert.
De kinderen verblijven echter bij dengene der echtgenooten op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken, tenzij de Rechtbank hieromtrent bij de uitspraak anders mocht hebben beslist (art. 284).
De Rechtbank is tot dit laatste bevoegd, hetzij op verzoek van bloedverwanten, hetzij op de vordering va» het openbaar ministerie, hetzy ambtshalve.
De kinderen, die niet by dengene verblyven, aan wien de eisch wordt toegewezen, kunnen naar omstandigheden aan den anderen echtgenoot of aan eenen derde worden toevertrouwd. Blyven de kinderen by den vader, dan ondergaat diens gezag geene verandering. Zyn gezag wordt evenwel beperkt, indien de kinderen, hetzy door de wet of door den rechter, aan de moeder, of bij rechterlyk vonnis
302
schetuing van tafel en bed.
aan eenen derde worden toevertrouwd, zonder dat hem echter overigens het gezag daardoor ontnomen is (v. Hall, t. a. p.).
Na het uitspreken der echtscheiding schijnt de Rechtbank onbevoegd te zijn eene van den wettelyken regel afwijkende beschikking omtrent het verblijf der kinderen te geven. Alzoo ook Mr. Diephuis, IV, bl. 556, noot 3, en Opzoomek, II, bl. 55, noot l; in gelijken zin de H. R. bij beseh. v. 17 Maart 1893, fV. n0. 6316. Van Hall, t. a. p., schijnt tot een ander gevoelen over te hellen. Slechts bij overlijden van dengene, aan wien de kinderen waren toevertrouwd, kan de Rechtbank, overeenkomstig art. 284, lid 3, B. W., andere beschikkingen maken.
ten aanzien van het vermogen.
De kiudereu behouden alle voordeelen, die hun door de wet of bij de huwelijksche voorwaarden der ouders verzekerd zijn. Zij kunnen daarop echter alleen aanspraak maken op dezelfde wijze en in dezelfde omstandigheden, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad (art. 286 B. W.).
Degene der echtgenooten, tegen wien de echtscheiding is uitgesproken, verliest het hem bij art. 366 B. W. toegekende vruchtgenot van de goederen zijner kinderen (art. 372).
Is de echtscheiding tegen den vader uitgesproken, dan treedt de moeder niet in dat genot dan na het overly den van den vader (art. 372, lid 2).
Bü gemis aan dit voorschrift zou de echtscheiding voor de moeder een middel worden om zich te verrijken. Het gevolg van de bepaling van art. 372 is dat de kinderen somtyds geldelyk voordeel kunnen hebben uit de echtscheiding hunner ouders. Art. 373 voorziet in het geval dat de ouders, die het vruchtgenot mochten hebben verloren, tot opvoeding der kinderen eene toelage noodig hebben, welke hun door den rechter kan worden verleend.
I. Opheffing van de verplichting tot samenwoning.
Begrip van scheiding van tafel eu bed (B. I, tit. 12).
De scheiding van tafel en bed, aldus genaamd naar de separatio thori et meusae van het kanonieke recht {separation de corps, in den C. N., separatie, in het VVetb. X. v. H., scheiding van tafel, bed, bijwoning en goederen, in het Ontw. 1820, art. 449 en v., nog overgebleven in art. 78 B. \\V.) is de opheffing van verplichte samen-
303
304 ghonden tot scheiding van tafel en bed.
woning der echtgenooten; zij heeft scheiding van goederen ten gevolge; het huwelijk zelf blijft in stand, welks gevolgen geheel herleven door de verzoening der echtgenooten, waaitoe ingeval van scheiding van tafel en bed de weg steeds openstaat (vgl. de (ïkoot , Inl. I, 5 § 20, van Leeuwen, E. H. Regt, I, 15 § 3, Wetb. N. v. H. art. 229).
Men zie in de scheiding van tafel en bed derhalve een middel tot feitelijke opheffing van het huwelijk, zonder dat de huwelijksband verbroken wordt, en als zoodanig niet slechts dienstig voor hen, wier geloofsbeginselen zich verzetten tegen ontbinding van het huwelijk anders dan door den dood van een der echtgenooten (zie o. a. Nicolaï, hg Vooeuuin, II, 480), maar ook voor hen, die echtscheiding wegens een der voormelde gronden kunnende vorderen, evenwel een zachteren weg willen bewandelen, en de mogelykheid tot verzoening openhouden; verder een raiddel om de samenwoning op te heffen by het bestaan van minder zwaarwichtige feiten, die tot echtscheiding ontoereikend zijn, terwijl eindelyk ook scheiding van tafel en bed kan te hulp komen aan hen, wier wederzydsche geaardheid de verdere samenleving ondragelijk maakt, zonder dat bepaalde feiten daaraan ten grondslag behoeven te liggen. Dat scheiding van tafel en bed na vyf jaren tot ontbinding des huwelyks kan leiden is hierboven, bl. 282 en v. aangetoond. \')
Scheiding van tafel en bed om bepaalde redenen (art. 288 en vlg. B. W?).
Deze zijn;
a. Dezelfde gronden, die eene vordering tot echtscheiding wettigen (art. 288; vgl. bl. 287 en v. supra).
b. Buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, door den eenen echtgenoot, jegens den anderen begaan (art. 288). ^
Zie hierboven, bl. 291, omtrent de beteekenis dier begrippen in het Fransche recht, als oorzaak van echtscheiding.
\') Nadat het eerste Duitsclie ontwerp van een Burg. Wetb. bij § 1440 en v. eene tijdelijke scheiding van tafel en bed, tot eene tijdruimte van hoogstens twee jaren (§ 1444) had toegelaten , is bij de tweede lezing met de geheele instelling gebroken (zie hetgeen deswege in de uitgave van Dr. Reatz , deel II, bl. 120, noot 2 is aangeteekend).
quot;) Volgens het ontwerp van 1886 kan scheiding van tafel en bed slechts op dezelfde gronden als echtscheiding worden gevorderd (art. 266); daarenboven op verzoek der beide echtgenooten, zonder dat zij eene bepaalde oorzaak behoeven op te geven (art. 269). Daarentegen zijn sommige der bij art. 288 B. \\V. bedoelde handelingen in gewijzigden vorm opgenomen onder de redenen, die tot echtscheiding kunnen leiden (vgl. art. 230, 5°., 6°., 7°. Ontw. en M. v. T. ad art. 266).
GRONDEN ïot SCHEIDIXG VAX TAFEL EN BED. 305
Terwijl de Fransche schrijvers aan het woord exces het begrip van daden van geweldpleging, aanslagen op het leven enz. toekennen, schijnt intusschen aan ons woord „buitensporigheden\'\'\'\' niet die ver gaande strekking te moeten worden verbonden. In elk geval zyn de reeds in art. 264, n0. 4 genoemde zware verwondingen of levens-gevaarlijke mishandelingen thans aan het begrip van buitensporigheden onttrokken; sommige schrijvers beschouwen iuitensporigheden als alge-meene benaming, mishandelingen en grove leleedigingen als soorten daarvan; Mr. Ophoomer kent aan eerstgemelde uitdrukking eene be-teekenis toe, ruimer dan de meeste andere schryvers en zulks naar aanleiding der etymologie van het woord „buitensporigheidquot;.
Ons schijnt het toe dat er naast de eigenlijke mishandelingen en beleedigingen nog andere ergerlijke feiten kunnen plaats hebben, als: toeleg op het leven, bedreigingen, grove oneerbaarheid enz., die eigenaardig onder de buitensporigheden kunnen worden gerangschikt (vlg. Arr. H. R. van 13 Juni 1890, IV. n0. 5891 en andere rechtspraak, aangehaald by Leon, 5e suppl. Rombach, art. 288, aant. 34 en 35). Zie over het begrip van buitensporigheden nog Mr. v. Boneval Faure , R. Mag. X, bl. 96 en v.
Voortdurende dronkenschap kan o. i. niet wel daaronder worden gebracht, daar art. 288 eischt dat de daar genoemde feiten „jegens den anderen echtgenootquot; moeten zijn gepleegd \') (zie v. Hall, bl. 300). De wenschelijkheid om ook op dien grond scheiding van tafel en bed te kunnen vorderen is meer dan eens ter sprake gekomen. In het ontwerp van 18«6, art. 230, 7°., is gewoonte van dronkenschap zelfs opgenomen onder de gronden, waarop echtscheiding kan worden gevraagd.
Mr. van Hall, bl. 300, 301, wijst nog op sommige feiten en toestanden die, ofschoon niet begrepen onder de in de wet bedoelde gevallen, wellicht in jure constituendo tot scheiding van tafel en bed moesten leiden; als: gedurige en dagelijksche twisten (art. 453 Ontw. 1820); schandelijk levensgedrag, voortdurende verwaarloozing van de zorgen, welke men recht heeft van elkander voor huisgezin en kroost te verwachten; het bestaan van schandelijke en aanstekelijke kwalen enz. Vgl. hiermede het ontwerp 1886, art. 230, 6°. en 7°., waar „gedurige slechte bejegening van den echtgenootquot; en „liederlijk gedragquot; onder de gronden tot het vorderen van echtscheiding voorkomen.
■) Zie de rechtspraak vermeld bij LÉox, B. JF., 5\' suppl. Rombach, art. 2S8,aaDt. 36, waarbij beslist werd dat drankmisbruik van zoodanigen aard, dat de samenleving moreel onmogelijk is, het huwelijksgoed wordt doorgebracht, de handelszaak verloopt, en daardoor de man de huwelijksplichten heeft geschonden, eene buitensporigheid oplevert, jegens de vrouw gepleegd, haar het recht gevende om scheiding van tafel en bed te vorderen.
Asseb, Buryerl, Becht. 1. He druk. 20
scheiding vax tafel en bed.
Dezelfde redenen, die de vordering of het verzoek tot echtschei-ding niet-ontvankelijk doen zijn, bestaan ook hier (art. 301 B. W. j,s. artt. 268, 271, 273, 274 eu 275), behoudens liet volgende verschilpunt;
De eenmaal ingestelde vordering tot echtscheiding belet niet dat deze worde opgegeven, en de eisch tot scheiding van tafel en bed wegens dezelfde oorzaak worde ingesteld.
Slechts het omgekeerde wordt verboden by art. 290 B. W. Het verlaten van den strengere» weg om den zachteren in te slaan is geoorloofd (vgl. bl. 294 supra).
Rechtsoleffinc\' dezer scheiding.
J O O O
Zij geschiedt op dezelfde wijze en voor denzelfden rechter als de rechtepleging in zake van echtscheiding (art. 289, 301 B. W., 826 Rv.).
Mitsdien is ook hier toepasselijk al hetgeen te dien aanzien, bl. 295 en vlg. supra, is vermeld. Alleen schijnt het ons toe dat toewijzing der vordering bij bekentenis der feiten door de wederpartij of bij verstek niet in die mate met de beginselen van het B. W. strijdig is als by echtscheiding, daar de echtgenooten minder belang hebben ten deze samen te spannen, omdat ook op beider verzoek dergelyke scheiding in de meeste gevallen kan worden uitgesproken.
Scheiding van tafel en bed op verzoek van beide echtgenooten (art. 291 en v.).
Deze kan plaats hebben zonder opgave van eene bepaalde oorzaak, doch ouder de volgende voorwaarden;
a. het bestaan van het huwelijk sedert ten minste twee jaren (art. 291, lid 2);
Men versta hieronder dat tijdens de aanvrage de echtgenooten twee jaren gehuwd waren. De echtgenooten moeten de gelegenheid hebber, gehad elkander voldoende te leeren kennen (Nicolaï by Voorduin, II, bl. 489).
De bepaling der artt. 291 en v. laten zich eenigermate vergelijken met die van den C. N., art. 275 en v., betreffende echtscheiding met onderling goedvinden. Deze laatste stellen echter in vele opzichten strengere eischen en bevatten verscheidene beperkingen ten aanzien van den leeftijd der echtgenooten en den duur des huwelyks; zie ook art. 278 C. N., belreifende de vereischte toestemming der ouders enz.
306
recht splegtng.
b. regeling der voorwaardeu van de voorgenomen scheiding, bij authentieke akte, zoowel ten aanzien der echtgenooteu als met betrekking tot hunne kinderen (art. 293).
Scheiding van tafel en bed heeft ontbinding der gemeenschap van goederen ten gevolge (art. 181, 298 B. W.). Daarnevens bepaalt de wet dat het eenmaal bestaande vermogensrecht der echtgenooten, hetzii deze in wettelijke gemeenschap zijn gehuwd, hetzij met huwelijksche voorwaarden, niet kan worden gewijzigd (art. 174, lid 2, en 204).
Deze bepalingen brengen sommigen tot de gevolgtrekking, dat de overeenkomst van art. 292 B. W. geen inbreuk mag maken op den tusschen partijen, volgens wet of huwelijksche voorwaarden, bestaan-den vermogenstoestand (zie o. a. Mr. Ohzoomer, II, bi. 105, noot 2). Deze meening komt ons te aannemelijker voor, omdat derden groot belang bij de regeling van het vermogen der echtgenooten kunnen hebben, en de overeenkomst, waarbij de voorwaarden tot scheiding worden geregeld, niet op legale wijze te hunner kennis komt; zoo afwijking van het gewone recht door de wet ware toegelaten, zou die overeenkomst, evenals de huwelijksche voorwaarden moeten worden ingeschreven of behoorlijk worden gepubliceerd. Anderen kennen aan de bewuste overeenkomst eene ruimere strekking toe, zoodat de echtgenooten mogen afwijken van de wettelijke bepalingen der gemeenschap of van de huwelijksche voorwaarden (v. Hall, bl. 303; Diei\'hüis, IV, bl. 470). Wat blijft er anders ter regeling tusschen de echtgenooten zeiven over, indien alles moet blijven gelijk het is of moet zijn krachtens wet of huwelijksche voorwaarden? zoo vraagt onder anderen laatstgemelde schrijver. Men zou kunnen antwoorden dat het zeer denkbaar is, dat wegens verschil van vermogen of andere maatschappelijke oorzaken eene duurzame periodieke toelage van den een aan den ander noodig kan zijn, zelfs zonder dat men het oog op de kinderen gevestigd hebbe, hoedanige schikkingen in de praktijk veel voorkomen; even als ook de zoodanige, waarbij de echtgenooten reeds terstond aanwijzen welke goederen aan ieder van hen voor het hun toekomend aandeel zullen worden toebedeeld, en waardoor dus de na het vonnis met zoo vele onaangenaamheden verbonden scheiding en deeling vermeden of in hooge mate. vereenvoudigd wordt.
De echtgenooten kunnen ook schikkingen maken om te gelden gedurende het rechterlijk onderzoek, doch deze moeten tijdens de procedure door den rechter worden bekrachtigd, en zoo noodig door dezen zelfstandig geregeld (art. 292, lid 2). Deze schikkingen zijn van tydelijken aard en betreffen doorgaans het verblijf van de vrouw en de kinderen, de geldelijke toelage aan haar te verstrekken, en
20*
307
SC II HIDING VAN TAFEL EN BED.
soortgelijke belangen. De definitieve schikking wordt eerst door de Eechtbank overwogen ter gelegenheid van het onderzoek omtrent de scheiding zelve (arg. art. 302).
Vorm der rechtspleging voor deze scheiding voorgeschreven.
De wettelijke formaliteiten — die veel overeenkomst hebben met die om te geraken tot ontbinding des huwelijks na vijfjarige scheiding van tafel en bed (art. 255 en v.; vgl. bl. 282 en v. supra) — hebben ten doel om zooveel mogelijk zekerheid te verkrijgen, dat de echtgenooten ernstig by hun voornemen tot scheiding van tafel en bed volharden; eene zekerheid, te meer noodig omdat zij aan den rechter nóch bij het oorspronkelijk verzoek, nóch bij de latere verschyningen de redenen voor die scheiding behoeven op te geven. Dit laatste, hoe nuttig het voorschrift ook moge zijn, heeft somtyds ten gevolge, dat het den rechter, die de partijen ziet verschijnen, hoogst moeielijk kan vallen passende opmerkingen te maken of pogingen tot verzoening te beproeven.
Aanvrage tot de scheiding door de beide echtgenooten, bij verzoekschrift aan de Arrondissements-Rechtbank hunner woonplaats, met overlegging van een afschrift der huwelijksakte en van de overeenkomst in art. 292, le lid bedoeld, nl. die, welke de voorwaarden definitief regelt (art. 293).
Bevel der Eechtbank tot gezamenlijke en persoonlijke verschijning der echtgenooten voor een of meer harer leden, ten einde eene poging tot verzoening te beproeven (art. 294, lid 1).
Rechterlijk bevel tot eene nieuwe verschijning na verloop van zes maanden, ingeval de echtgenooten bij hun voornemen volharden (eod. lid 2).
De wet, hier sprekende van het bevel van den rechter, laat in het midden of dit door de Rechtbank of de rechters-commissarissen moet plaats hebben. De praktijk is dienaangaande verschillend; terwijl ook bij de opvatting, dat de rechters-commissarissen de tweede verschijning gelasten, nu eens de bepaling van eenen naderen dag terstond plaats heeft bij de eerste verschijning, dan weder partijen zich by nader request tot de rechters-commissarissen wenden.
Nadat beide verschijningen hebben plaats gehad en de echtgenooten blijven volharden, wordt de zaak wederom na zes maanden aan de Rechtbank onderworpen, die thans, na verhoor of behoorlijke oproe-
308
rechtspleging.
ping van de naaste bloedverwanten in de opgaande linie en na conclusie van het openbaar ministerie op de hoofdzaak beslist (art. 295, 302 3. W.).
Bij weigering van de gedane aanvrage kunnen de echtgenooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de uitspraak , daartegen bij verzoekschrift aan den hoogeren rechter opkomen (art. 296 B. W.).
Wanneer kan de rechter het verzoek tot scheiding van tafel en bed weigeren ? Yoorzeker kan dit als de door de wet gestelde ver-eischten niet aanwezig zijn, of de voorgeschreven vormen niet zijn in acht genomen. Ook mag men o. i. aannemen dat de rechter zyne beslissing mag doen afhangen niet alleen van het aanwezig zijn van de akte, waarbij de voorwaarden definitief zyn geregeld, maar ook van den inhoud dier akte, en dat hij de weigering kan gronden, zoowel op strijd van die overeenkomst met de wet, de publieke orde of de goede zeden, als op het min doelmatige van hare bepalingen in het belang der echtgenooten of van de kinderen (arg. art. 302 B. VV.). Daartoe is het voorgeschreven verhoor der ascendenten zeer dienstig. Evenwel meenen wij dat de vraag of de scheiding van tafel en bed zelve voor partijen al of niet weuschelijk is ten eenenmale aan des rechters oordeel is onttrokken. De echtgenooten toch behoeven volstrekt geen redenen op te geven en dus is den rechter veelal geene inzage in het huiselijk leven der echtgenooten vergund. Eene tegenovergestelde meening grondt zich vooral op het zwakke argument, ontleend aan het woord kan in art. 291 B. W. Zie de rijke litteratuur over dit onderwerp, aangehaald bij van Hall, bl. 304; Opzoomer. ad art. 291, § 1; Diephuis, IV, bl. 473 en v.
Openbaarmaking van het vonnis.
Zoowel bij scheiding van tafel en bed wegens bepaalde oorzaak als op verzoek van beide echtgenooten, wordt het vonnis openlijk bekend gemaakt. Zoolang dit niet heeft plaats gehad zal het vonnis niet tegen derden kunnen werken (art. 300 B. W.; 828, j0. 811 Rv.).
Deze bekendmaking geschiedt, evenals bij echtscheiding, op de wijze als voor scheiding van goederen is voorgeschreven. (Vgl. bl. 268, 269 supra.)
Inschrijving in de registers van den burgerlijken stand komt hier natuurlijk niet te pas, omdat het huwelijk blijft bestaan en daarenboven de scheiding van tafel en bed altyd door verzoening kan te niet gaan.
Aan derden is overigens, niettegenstaande hun belang bij de zaak, nóch by echtscheiding, noch bij scheiding van tafel en bed de
309
scheiding van tafel en bed.
gelegenheid gegeven zich tegen de vordering te verzetten, gelijk dit bij scheiding van goederen kan plaats hebben. Beide eerstgenoemde scheidingen toch betreffen in de eerste plaats de personen der echt-genooten en slechts zijdelings hunne goederen; eene inmenging van schuldeischers zou hier met alle welvoegelijkheid strijden (zie Asser, Verg. § 192). Het mag eenige bevreemding verwekken, dat Mr. Opzoomek den wensch uit, dat de schuldeischers bij aanvrage tot minnelijke scheiding van tafel en bed, zich daartegen mochten kunnen verzetten (Opzoomek, II, bl. 104, noot 3).
Gevolgen der scheiding van tafel en bed.
1°. Ingeval zij is uitgesproken wegens eene bepaalde oorzaak (art. 288, J0. 264).
a. Ontheffing van de verplichting tot samenwoning, met behoud van den band des huwelijks (art. 297).
Een gevolg hiervan is de bevoegdheid, bij art. 309 B. W. den man verleend, om de wettigheid van een kind te ontkennen, geboren 300 dagen, nadat het vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft gekregen, behoudens tegenbewijs.
Een tweede gevolg is het ophouden van het afhankelijk domicilie der getrouwde vrouw. Voortaan heeft zij eene zelfstandige woonplaats (art. 78 B. W.). Vgl. bl. 123 supra.
h. Bevoegdheid van de echtgenooten om na vijfjarige scheiding van tafel en bed ontbinding van het huwelijk te vragen, overeenkomstig art. 253 en v. (zie bl. 282 en v. supra).
c. Opheffing der algeheele of beperkte gemeenschap van goederen (art. 298, j°. 181).
Deze scheiding van goederen, gelijk de wet haar noemt, is hier wel te onderscheiden van de eigenlijke scheiding van goederen, als zelfstandig rechtsmiddel aan de vrouw by den 10en titel toegekend. Zij is slechts eene sequele der scheiding van tafel en bed. Op haar zyn dan ook de meeste bepalingen, omtrent den vorm der rechtspleging in zake scheiding van goederen voorgeschreven (zie bl. 26fi en v. supra), buiten toepassing; de schuldeischers hebben geen recht van voeging, tusschenkomst of verzet; het vonnis heeft geene terugwerkende kracht. De reden van dit onderscheid is alweder hierin gelegen, dat de scheiding van tafel en bed in de voornaamste plaats de personen der echtgenooten en slechts zijdelings hunne goederen betreft. Samenspanning van de echtgenooten tot benadeeling van de
310
GEVOLGEN I) EH SCHEIDING.
rechten van derden is hier minder te vreezen, daar in den regel eene ernstige wanverhouding tusschen hen aan de scheiding voorafgaat.
Dat de ontbinding der gemeenschap door scheiding en deeling moet worden opgevolgd, zou, zelfs zonder de uitdrukkelijke vermelding daarvan in art. 298 moeten worden aangenomen.
d. De vrouw bekomt het beheer harer goederen terug, met dezelfde gevolgen als teu aanzien van scheiding van goederen deswege zij a voorgeschreven (art. 299; vgl. art. 249 B. W. en bl^ 269, 27\'i en v. supra).
Indien de wet in art. 299 zegt, dat het beheer van den man over de goederen zijner vrouw wordt „opgeschortquot;, dan wordt hiermede gedoeld op de mogelykheid dat door verzoening de vroegere toestand kan herleven.
e. Overigens zijn ten aauzien van de echtgenooten de gevolgen dezelfde als bij echtscheiding (art. 301, lid 1, ju. 277—283).
f. Ten aanzien der kinderen zijn eveneens de gevolgen dezelfde als bij echtscheiding (art. 301, lid 1, j0. 284—£86), behoudens dat het wettelijk vruchtgenot alleen verloren wordt, indien scheiding van tafel en bed het gevolg is van redenen, die grond tot echtscheiding hadden kunnen opleveren (art. 301, lid 2, j0. art. 372).
2quot;. Ingeval de scheiding van tafel en bed is uitgesproken op verzoek van beide echtgenooten (art. 291 en v.).
l)e gevolgen zijn dezelfde als bij scheiding van tafel en bed wegens eene bepaalde oorzaak, hierboven sub a, h, c en d aangegeven. Daarentegen zijn die sub e en f aangeduid, als berustende op de onderscheiding tusschen den echtgenoot te wiens verzoeke — en hem tegen wien de scheiding is uitgesproken, buiten toepassing en worden vervangen door de bepalingen der overeenkomst, die bij art. 292, lid 1, wordt voorgeschreven, en door de Rechtbank wordt overwogen (art. 302).
De wet heeft hier, bij de gelijkheid van positie der partijen, de gevolgen der scheiding, ten aanzien van henzelven en van de kinderen, zooveel mogelijk aan het onderling overleg der echtgenooten willen overlaten.
De scheiding van tafel en bed gaat van rechtswege te niet door verzoening der echtgenooten. Geene verklaring voor den rechter of andere formaliteit is hiertoe noodig. Geenerlei door de echtgenooten
311
afsta. m ming.
gemaakt beding kan aan de verzoening in den weg staan of hare gevolgen wijzigen (art. 303).
Deze bepaling kenmerkt het wezen der scheiding van tafel en bed; een rechtsmiddel, waarbij steeds de hoop op hereeniging der echt-genooten op den voorgrond staat (zie bl. 278, 304 supra, en art. 229 W. Nap. v. H.).
In elk gegeven geval zal het tot stand komen van de verzoening uit de omstandigheden moeten worden afgeleid. Aan het hernieuwde samenWonen zal men ook hier by analogie van art. 271 een vermoeden mogen ontleenen (vgl. üpzoomek, bl. 109, noot 1). Geen gevolg werd gegeven aan het verlangen der afdeelingen om eene opzettelijke akte van verzoening te vorderen. Zie Vookdüin, II, bl. 501; Nooruziek, Gesch. 1821—1822, II, bl. 240.
De. verzoening doet ten aanzien vau de echtgenooten alle gevolgen van het huwelijk herleven (art. 303).
Zelfs mag men haar eene terugwerkende kracht toekennen, zoodat het voor de echtgenooten ten aanzien van het vermogensrecht is, als hadde er nooit scheiding van tafel en bed plaats gehad. Vgl. art. 252, lid 2 B. W., welks inhoud, ofschoon niet explicite herhaald, zonder twijfel ook hier toepasselijk is. Zie ook bij Voorduin\' , II, bl. 499 en v., het uitgedrukte verlangen eener afdeeling, dat het vrij mocht staan andere voorwaarden dan voorheen te bedingen, waaraan te recht geen gevolg is gegeven.
Ten aanzien van derden blijft de geldigheid gehandhaafd van alle handelingen, door de van tafel en bed gescheiden echtgenooten inmiddels, overeenkomstig hunne bevoegdheid verricht (art. 303, lid 1).
De openlijk bekend gemaakte scheiding van tafel en bed blijft tegenover derden werken, tot op het tijdstip dat de echtgenooten het ophouden daarvan op dezelfde wijze zullen hebben bekend gemaakt (art. 304).
Zoodanige openbaarmaking behoort niet tot het wezen der verzoening. Zij betreft slechts de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan en dit laatste nog maar alleen tegenover derden.
§ 7. AFSTAMMING.
Afstamming is de betrekking in den bloede tusschen ouders en kinderen.
Deze kan zijn wettig of onwettig.
312
AFSTAMMING VAN WETTIGE KINDEREN.
Kinderen, gesproten mt een wettig huweJijk, noemt men wettige of echte kinderen.
Kinderen, buiten echt geboren, worden onwettige, onechte of natuurlijke kinderen genoemd.
Natuurlijke kinderen staramen evenzeer van hunne ouders af als wettige. Maar al moge de natuurlijke betrekking gelijk staan, zij wordt eerst door de wet als afstamming beschouwd, van het oogenbLk van de erkenning door den vader of de moeder of daarvoor in de plaats tredende uitspraak van den rechter.
Geene erkenning mag geschieden ten aanzien van kinderen in overspel of bloedschande geteeld.
Aan zoodanige kinderen is derhalve door de wet nagenoeg alle familiebetrekking tot de ouders ontzegd.
Terwijl toch te hunnen opzichte even als ten aanzien der overige niet erkende kinderen afstamming in natnurlijken zin aanwezig is, kan deze niet op legale wijze blijken, zoodat hier nauwelijks van afstamming , in den zin der wet, sprake kan zijn.
A. Afstamming van wettige kinderen.
Wettig is het kind, dat geacht wordt uit het huwelijk der ouders geboren te zijn (art. 305 B. W.).
Bij de vraag naar de ouders van een kind kan alleen omtrent de moeder volkomen zekerheid worden verkregen. Het vaderschap kan slechts op meerdere of mindere waarschijnlykheid berusten. Het maat-schappelijk belang eischt echter, dat ook hieromtrent wettelijke zekerheid aanwezig zij. Op het voetspoor van den bekenden regel: „pater est quera nuptiae demonstrantquot; gaan vele nieuwere wetgevingen van het beginsel uit, dat het kind, staande huwelijk verwekt, den man tot vader heeft. Reeds onder het Oud-Hollandsche recht waren zij wettig geboren, „die ontfangen zyn, terwy 1 beyde hare Ouders te samen in den Egt waren gebondenquot; (de Groot, Inl., I, 12, § 2). Art. 312 C. N. drukt dit duidelijk uit door de woorden: „l\'enfant coiiqu pendant le mariage a pour père le mariquot;. Schijnbaar wijkt onze wet hiervan af door den regel uit te strekken tot het kind, dat staande huwelyk geboren wordt. Niettemin komt het ook volgens ons recht hoofdzakelyk op de verwekking aan, hetgeen terstond in het oog valt, als men art. 305 in verband beschouwt met het onmiddellijk daarop volgende (in hoofdzaak met art. 314 C. N. overeenstemmende) artikel, dat den staat van het vóór het huwelijk ontvangen kind afhankelijk doet zijn van de al of niet ontkenning door den man.
313
ontkenning dek wettigheid.
Anders in het Pruissische landrecht , waar wettig verklaard worden alle kinderen, staande huwelijk erzeugt oder geboren. Hier komt dus niet uitsluitend het tijdstip der verwekking, maar soms alleen dat dei-geboorte in aanmerking, om het kind wettig te doen zyn. Zie hierover verder v. Hall, bl. 307 ; Opzoomer, II, ad art. 305; Voorduin, II, bi. 505 en in tegenovergestelden zin Diephuis, V, bl. 18 en v.
Vgl. het ten gunste der wettigheid vrijgevig stelsel van het Duitsche Ontwerp, le lezing § 1466 en v., 2® lezing § 1486 en v.
Het tijdstip der verwekking kan veelal niet met juistheid berekend worden, daar de zwangerschap eener vrouw van korteren of laugeren duur kan zijn. Om nu een niet altijd even zeker onderzoek van deskundigen te vermijden, moest men regelen stellen, waaruit kon blijken, dat de verwekking gedurende het lui wel yk had plaats gehad. Reeds onder het Roraeinsche recht werd, op gezag van Hippocrates, aangenomen, dat de kortste duur der zwangerschap 182 en de langste 300 dagen bedroeg (zie lex. 3, ij 11 en 12 D. de suis et legit, her., 38, 16 en lex. 12 D. de stat. hom., 1, 5). Dergelyke termynen heeft or.ze wetgever overgenomen, daarbij blijkbaar handelende in het belang van het kind, om de wettigheid zooveel mogelijk te begunstigen. Een kind, dat 180 dagen na het aangaan of binnen de 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk ter wereld komt, wordt geacht door den man in het huwelyk verwekt te zijn en is derhalve wettig \').
De wet behandelt in art. 306—310 alleen de vraag der wettigheid. Moeten deze termijnen ook toegepast worden op alle andere gevallen, waar het belang van het kind medebrengt, dat het reeds als geboren wordt aangemerkt? Reeds boven, bl. 101, werd aangetoond, dat dit niet geheel zeker is. Anders Opzoomer, aant. op den 13en titel, bl. 139 en v.
De raan kan de wettigheid vau het kind ontkennen: 1°. bij onmogelijkheid van plaats gehad hebbende gemeenschap sedert den driehonderdsten tot den honderdtachtigsten dag vóór de geboorte van het kind (art. 307 B. W.).
314
De hier bedoelde rechtsvordering, nog dikwijls de action en désaveu genoemd, kan zoowel in dit als in de hierna te noemen gevallen alleen
\') Het le Dnitsche Ontwerp, § 1467, stelde de termijnen op 181 en 300 dagen, het 2e Ontwerp, § 1487 verlengt het maximum tot 302 dagen; telkens met inbegrip van den 181en of 300en (302en) dag. Onder bijzondere omstandigheden van bewijs wordt zelfs in het tweede Ontwerp, § 1487 , lid 2 de wettigheid gehandhaafd van een kind , geboren meer dan 302 dagen na de verwekking.
ONTKENNING DER WETTIGHEID.
ingesteld worden, indien het kind levend ter wereld komt. In het tegenovergestelde geval toch heeft niemand belang bij de betwisting der wettigheid van een kind, dat geacht wordt nooit te hebben bestaan (art. 3 B. W.).
De onmogelijkheid om gemeenschap te hebben, moet haar grond vinden óf in verwijdering of in eenig toeval. Op den man rnst van een en ander de bewijslast. Onder terioijdering versta men zoodanige afwezigheid, waardoor de mogelijkheid van natuurlijke gemeenschap tusschen de echtgenooten ten eenenmale uitgesloten wordt; onder toeval iedere andere oorzaak, die zoodanige gemeenschap volstrekt belet, b. v. ziekte, tijdelyke onmacht enz. Vele Fransche schrijvers willen hier eene inwendige ziekte uitgesloten hebben, hetgeen echter in strijd schijnt met de zeer ruime beteekenis, die aan het woord toeval (accident) toegekend moet worden en die veeleer doet denken aan de algemeene bewoordingen van de lex. 6, Dig. de his qui sui vel al. juris sunt, 1, 6): „si constet maritum aliquamdiu cum uxore non concubuisse, infirmitate interveniente vel alia causaquot; (zie Laurent, III, bl. 447). Echter wordt in dit art. verboden dat de man zich op zyne natuurlijke onmacht beroept. Onder het Romeinsche en Oud-Hollandsche recht was het geoorloofd hiervan het bewijs te leveren. Reeds de C. Xap. liet dit in art. 313 niet meer toe, om een einde te maken aan ergerlyke en zedekwetsende processen. Zie lex. 6, Dig. t. 1.; De Groot, Inl., I, 12, § 3; en het VVetb. Nap. v. Holl., dat in art. 242 een beroep op natuurlyke onmacht geoorloofd achtte; anders art. 474 Ontw. 1820.
De in dit art. bedoelde termijn zal een aanvang nemen op den dag, voorafgaande aan de geboorte; 300 dagen vóór dien dag moet de verwekking reeds niet meer plaats gehad kunnen hebben en die onmogelijkheid moet voortduren tot den ISO611 dag ingesloten (zie verder Diephüis, V, bl. 17).
Men houde wel in het oog, dat het volkomen onverschillig is in welken toestand het kind ter wereld komt. Al was het zelfs zoo onvoldragen, dat het volgens deskundigen na den ISO1quot; dag verwekt moet zyn, zal men toch aan den man het recht moeten geven om het kind te ontkennen. De termijnen toch gelden met het oog op de wettigheid onbepaald en het rechtsvermoeden, dat de wet daaraan toekent, kan nimmer door een onderzoek van deskundigen ontzenuwd worden.
2°. op grond van overspel, door de vrouw bedreven, indien zij de geboorte van het kind voor den man verborgen heeft gehouden (art. 308).
315
o n t k e n\' ni n 3 der wettigheid.
316
Deze bepaling heeft tot veel verschil van gevoelen bij de schrijvers aanleiding gegeven. Zeker is het, dat de man zoowel het overspel als de geheimhouding van de geboorte van het kind moet bewijzen. Moet echter een vonnis voorafgaan, waarbij het overspel van de vrouw als bewezen wordt aangenomen en mag eerst daarna het bewijs van de geheimhouding der geboorte geleverd worden, gelijk Toulliek, I, bi. 188, en Nicolaï, bij Voordüin, II, bl. 508, willen? De meeste schrijvers achten dit te recht onnoodig en niet in overeenstemming met de woorden der wet. Overspel in het algemeen zal echter niet voldoende zyn; dit dient plaats gehad te hebben op zoodanig tijdstip, dat het kind de vrucht daarvan kan zyn, derhalve tusschen den 30Öen en 180™ dag vóór de geboorte. Is het bewijs van overspel en geheim-hoading toereikend of moet de raan nog andere feiten bewijzen? De slotwoorden van dit artikel „in welk geval hij zal worden toegelaten „om het bewijs dat hij de vader van het kind niet is tot volkomenheid „te brengenquot;, overgenomen uit art. 313 C. Nap., geven hiervoor wel eenigen grond. De Fransche schryvers vorderen dat de man dan nog het bewijs levere van de „impossibilité morale de cohabiterquot;, waaronder zij dan verstaan het ergerlijke levensgedrag van de vrouw, den hoogen leeftijd of ziekelijken toestand van den man, den haat, die tusschen de echtgenooten bestaat, kortom van alle omstandigheden, die het waarschijnlijk maken dat de man gedurende dien tyd geen gemeenschap met zijne vrouw heeft gehad. Mr. Opzoomer acht dit niet noodig en meent dat, indien het overspel en de geheimhouding der geboorte bewezen zijn, er voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, dat het kind niet door den man verwekt* kan zijn en dat al die andere omstandigheden dit toch nimmer tot volkomen zekerheid kunnen brengen. Zekerheid bestaat inderdaad slechts in geval van art. 307 B. W. (onmogelijkheid van gemeenschap), maar dan is het bewijs van overspel en geheimhouding wederom overbodig. Wat hiervan zij, de wet schijnt reeds aan beide laatste omstandigheden in onderling verband een zwaarwichtig vermoeden omtrent de onwettigheid te ontleenen. Zou men ter voltooiing van het bewijs wellicht aan feiten als de afwezigheid van den man omstreeks 9 maanden vóór de geboorte van een voldragen kind mogen denken, of zal de rechter wellicht door eenen suppletoiren eed de voltooiing van het bewijs kunnen mogelijk maken? Zie Opzoomer, II, ad art. 308; Diephuis, V, bl. 39 en v., en de aldaar aangehaalde schrijvers.
3°. bij geboorte, van het kind 300 dagen na den dag, waarop een vonnis tot scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde is gegaan (art. 309 B. W.).
ontkenntng dek wettigheid.
Doüi\' zulk een vonnis wordt het huwelyk niet ontbonden en de mogelijkheid bestaat altijd dat het kind werkelijk door den mau is verwekt. Van daar heeft de wet aan de vrouw vergund het tegenbewijs (n.1. het bewijs van het vaderschap van den man) te leveren. Uit den aard der zaak zal zij dan moeten aantoonen, dat de man ook na het vonnis betrekkingen met haar heeft bly ven onderhouden,
Is de ontkenning geldig verklaard, dan zal het kind ten gevolge van eene latere verzoening der echtgenooten niet meer wettig kunnen worden (B. W. eodem).
De bepaling van art. 309 B. W. kwam niet voor in den C. Nap. In de behoefte hieraan werd voorzien door de wet van 6—15 December 1850, die een voorschrift in het leven riep overeenkomende met ons artikel. Alleen begint de termen van 300 dagen niet te loopen van den dag, waarop het vonnis in kracht van gewysde is gegaan, maar van dien, waarop de voorzitter van de Rechtbank aan de vrouw vergunning heeft verleend om de gemeenschappelijke woning te verlaten \'), terwijl het verder werd uitgestrekt tot het geval dat het kind geboren werd binnen de 180 dagen na de verwerping van het verzoek tot scheiding van tafel en bed of na de verzoening der echtgenooten.
\'De drie gevallen, hier opgenoemd, waar aan den man het recht tot ontkenning gegeven is, gelden algemeen, indien het kind geacht wordt gedurende het huwelyk verwekt te zyn, onverschillig of het huwelyk nog bestaat, dan wel ontbonden is.
De wettigheid van het kind geboren vóór den 180™ dag des huwelijks, kan door den man worden ontkend (art. 306).
317
Volgens den door de wet te dezer plaatse aangenomen maatstaf is zulk een kind niet gedurende het huwelijk verwekt. Het is derhalve onzeker wie de vader is. Maar in de meeste gevallen zal hij het zijn, die daarna met de moeder trouwt en die juist hierdoor zijn misstap heeft willen goedmaken. Aan dit vermoeden werd zoo groote kracht toegekend, dat het Ontw. 1820, op het voetspoor van het Oud-Hol-landsch recht, in art. 478 bepaalde, dat de ontkentenis, door den man gedaan, gepaard moest gaan met het aanbod om onder eede te verklaren „dat hy met de moeder, vóór de voltrekking van het huwelijk.
\') Evenzoo bepaalt art. 285, 2°. Ontw. 1886 „dat de wettigheid kan worden ontkend „van het kind, dat geboren ia driehonderd dagen sedert de vronw met rechterlijke bewil-„liging buiten de woning des mans verblijf heeft gehoudenquot;.
o x t k e \\ x i n amp; der vv e ï \'j\' i g h ki u.
„nimmer of althans binnen de 300 dagen vóór hare verlossing geene „vleeschelijke gemeenschap gepleegd heeft.quot; Ons recht, minder gestreng in het bewijs voor de ontkentenis, huldigt niettemin het vermoeden der afstamming en heeft dit elders nedergelegd, in de bijvoeging nl. van het woord geborenquot; in art. 305 B. W. (zie bi. 313 supra). Het Ontw. 1820 bepaalde in art. 476 wellicht juister dat deze kinderen gelijk gesteld worden met hen, die nit het huwelyk geboren worden.
Het gevolg is dat zoodanige kinderen, indien zij niet ontkend worden, in alle opzichten gelijk zijn aan hen, die langeren tijd na het aangaan van het huwelyk ter wereld komen. Behoudens het recht van ontkenning door den man, zijn zy derhalve wettig, zonder dat men daarbij te denken hebbe aan eene wettiging, tengevolge van eene wetsbepaling, gelijk vele Fransche schrijvers aannemen (zie Opzoomer, II, ad art. 306). Van daar dan ook dat zelfs een in overspel geteeld kind, dat nóch door erkenning, nóch door wettiging eenen staat kan verkrijgen (art. 327, 338 B. W.), van de geboorte af wettig is, zoo het slechts gedurende het huwelyk der ouders wordt geboren.
Voor deze ontkenning behoeft de man geene verdere bewijzen aan te voeren; het feit alleen dat het kind vóór den 180en dag is geboren, is hier voldoende. Mag daarentegen de vrouw aantoonen dat de man wel de vader van het kind is? Dit valt te betwijfelen, niet alleen omdat dit recht nergens aan de vrouw is gegeven, maar ook omdat het bovendien aanleiding zou kunnen geven tot een bij art. 342 B. W. verboden onderzoek naar het vaderschap (zie Opzoom er , ad art. 306 en üiefhuis, V, hl. 31).
Kan de man van zijn recht om het kind te ontkennen afstand doen? De meeste Fransche schrijvers beantwoorden deze vraag bevestigend, de Nederlandsche daarentegen ontkennend. Zie hierover Laurent , III, bl. 462; Opzoomer, ad art. 306 en Diepiiuis, V, bl. 33.
Moet de dag, waarop het huwelijk gesloten wordt, als de eerste dag van den termyn van 180 dagen aangemerkt worden of is dit de dag, volgende op de huwelijksvoltrekking? Op grond van de woorden van dit artikel en in overeenstemming met des wetgevers bedoeling, om de wettigheid van kinderen zooveel mogelijk te bevorderen, moet men in eerstgemelden zin beslissen.
Van dit recht ecliter mag de man geen gebruik maken :
a. wanneer hij vóór het huwelijk van de zwangerschap der vrouw heeft kennis gedragen;
b. wanneer hij tegenwoordig is geweest bij het opmaken der akte van geboorte en hij die akte onderteekend heeft of verklaard heeft niet te kunnen teekenen (art. 306, u0. 1 en 2).
318
ontkenning d k r av e t t i g h e i i).
De wet ziet in een en ander eene stilzwijgende erkentenis van het vaderschap door den man. In het eerste geval zal dan ook doorgaans de fictie van het vaderschap met de werkelijkheid gepaard gaan.
Hoe omtrent des mans bevoegdheid tot ontkenning te beslissen, indien hij de akte wel onderteekent, maar onder uitdrukkelijke opgave, dat hij daardoor van zijn recht om het kind te ontkennen geen afstand wil doen, of indien de akte inhoudt dat de man niet is d^ vader van het kind? Zie hierover in verschillenden zin: Opzoomer, II, bl. 156 en v., Diephuts, V, bl. 32 en Laurent, III, bl. 465. Het Ontw. 182U omschreef dit geval juister, door het recht van ontkentenis te ontzeggen aan den man, die zelf de geboorte van het kind als het zijne had aangegeven of doen aangeven (art. 477). Vgl. het daarmede in strekking overeenstemmende art. 286 , 2°. Ontw. 1886.
Het aanwezig zijn van een der gevallen van art. 306 zal door den-gene, tegen wien de eisch tot ontkenning is gericht, moeten worden bewezen. Blijft alsdan den man nog een beroep op art. 307 B. W. over? Neen; de wet ziet in de beide omstandigheden van art 306 eene volkomen berusting van den man in de wettigheid van het kind, al moge deze met de werkelijkheid strijden. Zie in denzelfden zin Opzoomer, II, bl. 159; Dimiuis, V, bl. 35.
Het kind, geboren 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk, onwettig (art. 310).
Volgens art. 315 C. Nap. was zoodanig kind niet steeds onwettig , maar kon de wettigheid betwist worden, onverschillig hoeveel jaren na de ontbinding van het huwelijk de geboorte ook plaats had. In Frankrijk wordt deze rechtsvordering genoemd de action en contestation de légitimité.
Het Ontw. 1820 huldigde in art. 485 hetzelfde beginsel als ons artikel, met deze bijvoeging: „tenzy zeer byzondere omstandigheden, „gevoegd bij de volkomen onbesprokenheid der moeder, den regter tot „eene tegenovergestelde beslissing, in een bepaald geval, overhaaldenquot;. Anders art. 246 Wetb. Nap. v. Holland, dat op het voetspoor van art. 315 C. Nap. alleen recht gaf om de wettigheid van zulk een kind tegen te spreken.
De strenge bepaling onzer wet wordt door sommigen afgekeurd, op grond dat het niet volkomen zeker is of men den langsten termyn voor de zwangerschap op 300 dagen moet stellen. Zie v. Hall, bl. 307, die hieromtrent nadere byzonderheden aanhaalt.
Bij vergelijking van dit artikel met art. 309 blijkt het, dat de termijn van 300 dagen een aanvang neemt op den dag, volgende op dien, waarop het huwelijk ontbonden is.
319
320 ontkenning dek wettigheid.
Zie voorts over de vraag, wie als de vader van het kind aangemerkt moet worden bij een huwelijk der vrouw, gesloten zonder inachtneming van den termijn bij art. 91 B. W. voorgeschreven, indien het kind geboren wordt binnen de 300 dagen na de ontbinding van het eerste huwelijk, alsmede over andere vragen, waartoe dit artikel aanleiding geeft, Opzoomer, II, bl. 147 en v., en Diephuis, V, bl, 47 en v.
Reclitsvordering tot ontkenning van liet kind {action en clésaveu).
Zij komt toe:
1°. aan den mau der moeder;
De vraag of, bij onder curateele stelling van den man, de curator deze actie mag instellen, heeft tot verschil van gevoelen aanleiding gegeven. De regel, dat de curator den curandus vertegenwoordigt en voor dezen alle burgerlijke handelingen verrichten kan, waarvan voor dit geval niet is afgeweken, heeft velen deze vraag toestemmend doen beantwoorden. Hetzelfde zal alsdan moeten gelden zoowel in geval van curateele wegens krankzinnigheid als ter zake van verkwisting, daar, behoudens eenige in de wet genoemde uitzonderingen, zij, die op grond van de eene of de andere oorzaak onder curateele gesteld zyn, wat rechtsbevoegdheid aangaat, volkomen gelijkstaan. Zie Diephuis, V, bl. 28, noot 2, waar de schrijvers in utramque partem vermeld worden.
2°. aan de erfgenamen van den man, en wel:
a. bij wege van voortzetting van het recht van den man, op al de gronden die deze kon doen gelden, indien namelijk de man de rechtsvordering had aangevangen of althans de akte van ontkenning buiten rechte had verleden ;
b. uit eigen hoofde, doch alsdan slechts op grond van art. 307 B. W. (art. 311—313).
De reden van deze laatste beperking is daarin gelegen, dat bij alle andere gronden van désaven familiegeheimen in het spel zijn, waarin de erfgenamen niet behooren door te dringen (zie uitvoeriger Asser, Verg. § 206).
Onder erfgenamen versta men zoowel hen, die met het kind, indien het wettig ware, tot de erfenis geroepen worden, als degenen, die erfgenamen zouden zijn, indien het kind onwettig ware.
Volgens den C. Nap. (art. 317) was het recht der erfgenamen niet zoo beperkt. Zij konden het kind ontkennen in dezelfde gevallen, waarin dit recht aan den man was verleend.
ONTKENNING U E R WETTIGHEID.
Moeten de erfgenamen deze rechtsvordering te zamen instellen of kan het geschieden door een of meer van hen? Er bestaat o. i. meer grond voor de meening, dat ieder der erfgenamen het ook afzonderlijk kan doen. Wordt het kind dan onwettig verklaard, dan zal die uitspraak ook tegenover de andere erfgenamen gelden, volgens art. 1957 B. W. (anders van Hall, bl. 309).
Tijd, binueu weikeu de ontkenning moet plaats hebben.
Ten aanzien van den man;
a. binnen eene maand, indien hij zich op de geboorteplaats of binnen den omtrek daarvan bevindt;
De dag, waarop de geboorte plaats heeft, zal tevens het tijdstip zijn, waarop deze termijn een aanvang neemt.
b. binnen twee maanden na zijne terugkomst, indien hij afwezig is;
Dit belet echter den man niet de vordering vóór zijne terugkomst in te stellen (Arr.-Eb. te \'s Gravenhage van 30 Nov. 1889 en 16 Deo. 1890, /T. n°«. 5789, 6082).
c. binnen twee maanden na het ontdekken van het bedrog, indien de geboorte van het kind voor hem verborgen is gehouden (art- 311).
In deze gevallen kan de man ook binnen de hier gestelde termijnen het kind ontkennen bij eene buiten rechte verleden akte, waarna hem nog een tijd van twee maanden openstaat voor het instellen der rechtsvordering. Indien hij dit laatste niet doet, wordt de plaats gehad hebbende ontkenning krachteloos (art. 311, lid 4).
In het algemeen zy opgemerkt dat de termijnen in het belang dei-openbare orde zijn voorgeschreven en dat partijen er niet van mogen afwijken. De rechter zal dan ook verplicht zijn, bij niet inachtneming van deze termijnen, zelfs ambtshalve de vordering niet ontvankelyk te verklaren (zie van Hall, bl. 311).
Ten aanzien van de erfgenamen;
a. binnen twee maanden na het overlijden van den man, zoowel bij voortzetting van een door dezen aangevangen geding, ais bij het beginnen van een nieuw geding, na gedane buitengerechtelijke ontkenning door den man (art. 311, 312).
In het laatste geval moet het overlijden plaats gehad hebben vóór
Asseb, Burgert. Recht. I. 3e druk. 21
321
ontkenning dek tt e \'l\' t i g h e 1 d.
het verstreken van den termijn, gedurende welken de rechtsvordering nog door den man kon worden ingesteld.
h. bij een beroep op de bepaling van art. 307 B. W., binnen twee maanden, nadat het kind zich in het bezit zal hebben gesteld van de goederen van den man of nadat de erfgenamen in dat bezit door het kind zijn gestoord (art. 313).
Ook hier kunnen de erfgenamen alleen dan van dit recht gebruik maken, indien de man overleden is op een tijd, waarop hij zelf nog met een beroep op art. 307 B. W. de wettigheid van het kind had kunnen ontkennen.
Men mag aannemen, dat de erfgenamen niet behoeven af te wachten tot de inbezitneming of stoornis heeft plaats gehad, en dat art. 307 B. W. alleen den uitersten termijn tot het instellen der vordering op het oog heeft. (Zie litteratuur en jurisprudentie hierover in verschillenden zin bij Léon, uitg. Asser, ad art. 313 B. W.).
De sub a en b genoemde termijnen worden tot 6 maanden en een jaar verlengd, ingeval een of meer der erfgenamen buiten het koninkrgk of buiten Europa woonachtig zyn. Ingeval van oorlog ter zee worden deze termijnen verdubbeld (art. 314).
Instelling der rechtsvordering tegen een bijzonderen aan het kind toe te voegen voogd, met oproeping der moeder (art. 315).
Blykbaar denkt de wet hier aan het meest gewone geval, dat het kind, welks wettigheid ontkend wordt, minderjarig is. Ingeval van meerderjarigheid wordt de verplichte vertegenwoordiging door een bij zonderen voogd in twyfel getrokken (anders Opzoomee, II, bl. 168).
322
Door wien moet deze voogd benoemd worden? Verscheiden schrijvers achten den kantonrechter de bevoegde autoriteit bij analogie van art. 413 \'). Anderen, o. a. van Hall, bl. 310, achten o. i. met meer grond de Rechtbank daartoe bevoegd; hier toch is geen sprake van een minderjarig kind dat zonder vader, moeder of door den langstlevenden benoemden voogd overblijft, noch van een voogd, die zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling bevindt; er is sprake van een kind dat zich formeel in de vaderlijke macht bevindt, en dus geen datieven voogd noodig heeft, maar wien een vertegenwoordiger ad hoe moet worden toegevoegd. De naam voogd is eigenlijk
*) Zoo meenden wij ook in de eerste uitgave dezer Handl. bl. 310.
ONTKENNING D E ft W E T TI G H E I ü.
verkeerd gekozen; beter ware het evenals in art. 365 B. W. te spreken van eenen bijzonderen curator. In het algemeen nu is de Rechtbank tot velerlei benoemingen van vertegenwoordigers, bewindvoerders enz. bevoegd en aangewezen, althans niet minder dan de kantonrechter, wiens rechtsmacht altyd een meer exceptioneel karakter draagt. In de praktijk geeft het ook tot geene bezwaren aanleiding, zoo de Rechtbank die vermoedelijk ook van de hoofdzaak kennis zal nemen, te voren een onzijdigen vertegenwoordiger voor het kind benoemt. Dat de formaliteiten, voor de benoeming van datieve voogden voorgeschreven, hier niet in acht kunnen worden genomen, valt verder terstond in het oog; vgl. Amsterdam, 9 April 1877, W. n0. 4129. Zie verder de rechtspraak over deze vraag bij Lkon, 5. IF. en supplquot;., art. 315, aant. 6.
De wet verlangt dat een bijzondere voogd aan het kind worde toegevoegd. Is er reeds een voogd benoemd, dan zal ook dezelfde voor dit geval kunnen worden aangewezen, maar steeds blijft eene afzonderlijke aanstelling vereischt.
De byzondere voogd, ten deze ambtshalve het kind vertegenwoordigende , is de party, tegen welke de man of diens erfgenamen de vordering instellen. Op ben rust daarenboven de verplichting de moeder in het geding te roepen (art. 315 B. W.); zij heeft bij den uitslag groot belang en zal het best in staat zijn de feiten te bestrijden , die tot staving der ontkenning worden bijgebracht. Of de moeder partij is in het geding wordt betwijfeld. Zie o. a. Diephuis, V, bl. 65, 66; Lkon, uitg. Asser en supplquot;., art. 315, n0. 2.
By overlijden van het kind gedurende het rechtsgeding kunnen eigenaardige bezwaren van schorsing en hervatting ontstaan, die echter worden ontgaan door aan te nemen, dat hier in het geheel geene schorsing plaats heeft in den zin van art. 254 Rv., vermits de wette-lyke aanleiding voor het eerste geval van dat artikel (vervallen van de lastgeving door den dood) by het voeren van het geding tegen den vertegenwoordiger ad hoe ontbreekt. Zie echter in anderen zin Lkon , B. IV. suppl. Rombach 2 en 3, ad art. 315, aant. 5.
De geldigverklaring der ontkenning door den rechter heeft ten gevolge dat diens uitspraak tegenover iedereen verbindend is (art. 1957 B. W.). Dit is eene belangrijke uitzondering op den algemeenen regel, volgens welken een vonnis alleen van kracht is voor hen, die partij in het geding geweest zyn (art. 1954 B. W.).
Bewijs van afstamming van wettige kinderen (art. 316—321 B. W.).
Na te hebben vastgesteld onder welke omstandigheden een kind geacht moet worden gesproten te zyn uit eene wettige huwelijksverbintenis
\'21*
323
b e w ij s van wettige afsïammin g.
art. 305—315 B. W.), m. a. w. wat een kind maakt tot wettig kind, behoort de wet te bepalen op welke wijze de afstamming uit die gehuwde ouders moet blijken en derhalve in rechte kan worden bewezen. Dit is geschied in de artt. 316 en v. Het geval nu is evenzeer denkbaar, dat iemand hetzij in of buiten rechte zijne familiebetrekking tot zekere personen wenscht te staven of aan het licht te brengen, als dat derden belang hebben iemands afstamming te betwisten. Het kind kan dus genoodzaakt zyn eischende of verwerende in rechte op te treden om zijne afstamming te bewyzen. Heeft het nu bewezen, dat het uit de vrouw gesproten is onder omstandigheden, waarin het als wettig wordt beschouwd, dan zal de band tot den vader tegelijk vaststaan volgens de beginselen der vorige artikelen, zonder dat hier van een onderzoek naar het vaderschap in den zin van art. 342 B. W. sprake kan zyn. Met de wettigheid valt dus de afstamming uit beide echt-genooten samen. Vgl. omtrent een en ander Opzoomer, ad art. 316 en Mr. Frtjlinck, Themis, 1868, bl. 54 en v.
1°. Uitgaande van het feit dat het huwelijk der ouders voldoende bewezen is (art. 155—157 B. W.), is het voornaamste en, zoo het aanwezig is, het eenig bewijs der afstamming gelegen in:
de akte van geboorte (art. 316).
De wettigheid blykt derhalve uit de huwelyks-akte of hetgeen daarvoor in de plaats treedt, in verband met het tijdstip der geboorte en al hetgeen verder boven is gemeld; de afstamming uit de geboorteakte. Beider bewijs vult alzoo elkander aan. Zie Rb. Amsterdam 15 Mei 1860 en arrest Noord-Holl. 17 Maart 1861, W. n°. 2278.
Dat aan het kind het bewys van het bestaan van het huwelyk der overleden ouders gemakkelijker is gemaakt dan aan de echt-genooten zelf, zagen wij boven (bl. 191).
Hoe de geboorte-akte tot stand komt en wat die moet behelzen, leert art. 29 en v. B. W. In den regel zal zij overeenkomstig de waarheid zijn; maar onnauwkeurigheden zyn niet zeldzaam, vooral waar de aangifte niet door den vader, maar door geneesheeren, heelmeesters, vroedmeesters of vroedvrouwen enz. is geschied, die wellicht niet eenmaal kennis dragen van de omstandigheid of de vrouw al of niet is gehuwd, zoodat de naam van den vader somtijds onvermeld blyft. Dit laatste verzuim nu staat aan de wettigheid niet in den weg, zoo slechts de identiteit der moeder met de gehuwde vrouw vaststaat.
Dat echter, bij de mogelykheid van opzettelijke of onwillekeurige fouten, tegenbewijs moet zyn toegelaten, zoo men zich enkel op de
324
B K \\\\ IJ S VAN WETTIGE AFSTAMMING,
akte van geboorte kan beroepen en deze niet van elders wordt bevestigd (waarover later), valt duidelijk in het oog, en blijkt a con-trario uit art. 318 B. Wquot;.
Bij dit alles behoort nog vast te staan, dat het kind, in de geboorte-akte bedoeld, hetzelfde is als degene, die tot staving van zijn recht optreedt. Het bewijs dezer identiteit zal veelal door getuigen kunnen worden geleverd. Ook zal de tegenpartij de identiteit van het kind op gelijke wijze kunnen betwisten.
2°. Ontbreekt de geboorte-akte, dan kan de afstamming worden bewezen door het ongestoord bezit van staat van wettig kind (art. 316, lid 2, 317).
Het bezit van staat treedt alleen in de plaats van de geboorteakte, maar maakt het bewijs van het huwelijk der onders niet overbodig. De huwelijks-akte moet dus ook hier worden vertoond of vervangen door het bewijs van art. 156 en v. B. W.
Bezit van staat is de uiterlijke vorm van zekere familiebetrekking, kenbaar uit feiten en omstandigheden, die afzonderlyk of in onderling verband en samenhang de bedoelde verwantschap (in casu de afstamming uit een echtpaar) staven (vgl. bl. 190 supra). De wet noemt in art. 317 eenige voorbeelden van zoodanige feiten, ontleend aan het dragen van den familienaam, de samenwoning, de opvoeding en verzorging, de bekendheid als kind van den huize bij nabestaanden en vreemden enz. Door ongestoord bezit van staat te vorderen eischt de wet dat deze feitelijke toestand niet tusschentijds voor een anderen hebbe plaats gemaakt, waardoor de overtuiging omtrent de afstamming sterk aan het wankelen zou worden gebracht. De vraag of hier het bewijs van het moederschap, afgeleid uit bezit van staat, krachtens art. 305 ook moet worden uitgebreid tot het vaderschap op grond van gepraesumeerde wettigheid van het kind, wordt door Opzoomek, II, bl. 170, op het voetspoor van Aubry en Eau, VII, 11, 14, ontkennend beantwoord. Volgens deze opvatting moet het kind bewijzen, ten aanzien van een echtpaar als kind te zyn beschouwd geworden. Evenzoo Laurent, III, bl. 507; anders Diephüis, bl. 75.
Dat ook hier tegenbewijs, bestaande in het vertoonen eener geboorte-akte of het bewijs van met het bezit van Staat strijdige feiten, toelaatbaar is, behoeft geene verklaring.
Indien iemands geboorte-akte overeenstemt met het bezit van staat als wettig kind van de in die akte vermelde ouders, kan noch het kind zich op eenigen anderen staat beroepen, noch de wederpartij worden toegelaten tot eenig tegenbewijs (art. 318).
325
326 b e iv ij s van vettige afstamming.
De wet wil zooveel mogelijk den eenmaal onbetwisten staat van wettig kind bestendigen. Bijna altijd trouwens zal de waarheid aan de feitelyke omstandigheden en aan de akte beantwoorden. Maar zelfs al ware de akte in strijd met de waarheid opgemaakt, doch opgevolgd door feiten, die het bezit van staat in overeenstemming met die valsohe akte doen zijn, dan zal niets aan het kind zijn staat van wettig kind der vermeende ouders kunnen ontnemen. Met het oog op dit gevolg is het nut dezer bepaling door sommigen betwist. Te recht stelt daarentegen Mr. Opzoomer, ad art. 318 en 319 § 1, de daardoor verkregen rechtszekerheid hooger dan het mogelijke nadeel of de onrechtvaardigheid, die in een enkel hoogst zeldzaam geval den belanghebbende kan treffen.
De bepaling van art. 318 belet natuurlijk niet dat de identiteit van het kind worde in twijfel getrokken en mitsdien aan bewys of tegenbewijs worde onderworpen.
3°. Ontbreekt zoowel de geboorte-akte als het onafgebroken bezit van staat, of is de. door geen bezit van stnat gestaafde geboorte-akte onbruikbaar, doordien het kind onder een valscheu naam is aangegeven , of doordien het is ingeschreven als geboren uit onbekende (of als /\'onbekend,\'\' vermelde) ouders, dan veroorlooft de wet oijder zekere voorwaarden getuigenbewijs (art. 319).
Deze voorwaarden zijn de volgende:
a. het bestaan van een begin van bewijs bij geschrifte, hetwelk voortvloeit uit familiebescheiden, registers en huiselijke papieren van den vader of de moeder, uit openbare of onderhandsche akten (waaronder ook brieven begrepen zyn), voortkomende van iemand, die in het geschil betrokken is, of, nog in leven zijnde. daarbij belang zou hebben gehad (art. 319, lid \'2, 320); of wel
b. het bestaan van zwaarwichtige vermoedens of aanwijzingen, voortvloeiende uit feiten, die reeds onbetwistbaar vaststaan (art. 319 eod.).
Vgl. art. 323 C. Nap. en art. 374 Wetb. van 1830, waar blijkens de uitdrukking yère et mere inconnus hoofdzakelijk aan vondelingen schijnt te zyn gedacht.
Opmerking verdient nog dat in art. 320 het begrip van begin van bewijs by geschrifte ruimer is dan in art. 1939 B. W., ofschoon ook daar dezelfde uitdrukking voorkomt. Bepaaldelijk wordt hier niet geëischt dat de geschriften voortkomen van hem, tegen wieu de vordering is gericht, een verschil, hetwelk zich gereedelyk laat verklaren uit des wetgevers streven om het bewijs der afstamming zoo min mogelyk aan banden te leggen, en niet. minder uit den aard van
b e av ij s .van wettige afsta m m i n g. 8quot;J7
het geding, dat bestemd is de objectieve waarheid aan de.\'i dag te brengen en waarvan het te wijzen vonnis mitsdien tegen een iegelijk zal werken (art. 1957 B. W.).
Tegenbewijs. Terwijl de wet de bevoegdheid tot tegenbewijs, ingeval van het bestaan eener aMe van geboorte, of van ongestoord, bezit van staat (mits deze beiden elkander niet bevestigen), sleehts implicite heeft toegelaten, hetwelk men moet aannemen zoowel uit de regelen van bewijs in het algemeen, als in dit bepaalde geval door redeneering a contrario uit het verbod van art. 318, is in geval van getuigenbewijs ex artt. 319 en 320 de bevoegdheid tot tegenbewijs uitdrukkelijk in art. 321 verleend en wel in zeer ruimen zin. Niet alleen toch mag door alle middelen rechtens worden bewezen, dat het kind niet afstamt van de moeder die het beweert te hebben, maar zelfs mag in dit bijzondere geval, niettegenstaande het bewezen moederschap, het bewijs worden geleverd dat de man dier moeder niet is de vader van het kind, welk laatste anders krachtens art. 305 tegelijk met het moederschap zou vaststaan. Hierdoor doet het recht een belangrijke greep in het wettelijk vermoeden van gemeld artikel, alleen gerechtvaardigd doordien de vader, bij gemis aan akte van geboorte en bezit van staat van het kind, veelal feitelyk niet in de moge-lijkheid is geweest de wettigheid te ontkennen, terwijl toch hier sterke vermoedens voor onwettigheid bestaan. Zie Toullieb , I, bl. 207, ook aangehaald bij Opzoomeb, II, bl. 172, en het denkbeeld door dezen aangegeven (bl. 173) om met handhaving van den regel van art. 305, alleen den vader den termyn van twee maanden tot désaveu toe te kennen, daar hier een geval gelijk aan dat van art. 311, lid 3, aanwezig is.
Opmerking: Niet zelden moet men in procedures betrekkelijk erfenissen het bewijs leveren van iemands afstamming van personen, die lang vóór de invoering van het B. W. of den C. N. hebben geleefd. Het spreekt van zelf, dat de regelen voor het bewijs der afstamming alleen gelden voor geboorten, die onder de heerschappy van die wetboeken hebben plaats gehad. Vóór de invoering van den burgerlijken stand moet men tot bewijs der afstamming alle hulpmiddelen raadplegen, waaruit bewijs kan voortvloeien; in de voornaamste plaats komen de kerkelijke registers der verschillende godsdienstige gezindten in aanmerking; maar vaak zijn deze ontoereikend, en menigmaal worden dan bewijsmiddelen gepat uit alle omstandigheden, die eenig licht ten aanzien der afstamming kunnen verspreiden.
Bijzondere bepalingen betreffende de rechtsvordering tot inroeping of tot betwisting van staat.
328 INROEPING EN BETWISTING VAN STAAT.
Men verwarre deze vorderingen niet. met die tot ontkenning der wettigheid, waarover hierboven, hl. 314 en v., is gehandeld. De vorderingen tot inroeping of tot betwisting van staat hebben ten doel iemands afstamming uit een echtpaar te bewijzen of te betwisten, die tot ontkenning der wettigheid strekt tot vaststelling van het feit, dat een kind, ofschoon geboren uit eene gehuwde vrouw, evenwel niet is het kind van den man dier vrouw.
De vordering tot inroeping van staat kan worden ingesteld :
1°. door het kind zelf (art. 324):
By minderjarigheid zal de voogd het kind moeten vertegenwoordigen. Niet zoo onbepaald zal men zulks van den curator kunnen beweren ten opzichte van den onder curateele gestelde. Vgl. van Hall, bl. 312 en 309.
Ten aanzien van liet kind is deze vordering onverjaarbaar (art. 324).
Het kind kan dus altijd en op eiken leeftijd zijne afstamming doen gelden. Niet aldus echter moet men beslissen ten aanzien van de rechten, die het als gevolg der filiatie kan doen gelden. Zoo zal de actie tot opvordering van eene erfenis, waarop een kind, tengevolge zijner beweerde of reeds bewezen afstamming, recht verkrygt, aan den gewonen termijn van verjaring gebonden zijn.
2°. door de erfgenamen van het kind, doch alleen onder de volgende bepalingen:
a. bij overlijden van liet kind gedurende zijne minderjarigheid, of binnen de drie jaren na zijne meerderjarigheid (art. 325);
b. ingeval liet kind de rechtsvordering had aangevangen, tenzij het gedurende drie jaren na de laatste proces-akte het geding hebbe laten rusten (art. 326).
De reden van het verlies der bevoegdheid van de erfgenamen , doordien hun auteur zijn recht gedurende drie jaren onvervolgd heeft gelaten, is blijkbaar gelegen in het vermoeden dat het kind in zoodanig geval van zijn recht op afstamming heeft afgezien. Dit vermoeden bestaat niet voor het kind zelf, zoolang het leeft; uit diens eigen handeling toch, n.1. het wederopvatten van het geding, blijkt het tegendeel. Het vervallen der actie door driejarig stilzitten levert eenige gelijkenis op met het vervallen der instantie (art. 279 en v. Rv.), waar echter de vervallenverklaring uitdrukkelijk moet gevraagd worden, terwijl hier de vordering van rechtswege niet ontvankelijk wordt.
bevoegdheid van den buererlijken rechtek.
Het schynt dat daar, waar de erfgenamen uit eigen hoofde tot de bedoelde actie gerechtigd zijn, de gewone verjaringstermijn moet worden aangenomen. Zie Opzoomer, II, bl. 175, noot 3, waar ook van de tegenovergestelde leer melding is gemaakt en van de belangrijke gronden, die ook in jure constituendo voor de dertigjarige verjaring ten aanzien der erfgenamen zijn aan te voeren.
De beperkende bepalingen ten aanzien van de erfgenamen voorgeschreven , moeten worden toegepast ook als deze in rechte lijn van het kind afstammen, en het derhalve niet enkel hun geldelijk belang, maar tevens hun eigen staat betreft. De woorden van art. 325 en 326 B. W. zijn algemeen en laten geene onderscheiding toe.
Bevoegdheid van den burgerlijken rechter.
Alleen de burgerlijke rechter, met uitsluiting van den strafrechter, is bevoegd tot kennisneming van de rechtsvordering tot inroeping of betwisting van staat (art. 322).
In verband hiermede bepaalt art. 323, dat de strafvervolging ter zake van het misdrijf van verduistering van staat (art. 236 Wetb. v. Straft-., vgl. art. 345 en v. C. P.) niet mag worden aangevangen voordat het eindvonnis over het geschil van staat door den burgerlijken rechter zal zijn uitgesproken. De strafrechter toch is aan geheel andere regelen omtrent het bewijs gebonden; ware er tot de ontvankelijkheid der strafactie geen voorafgaand burgerlijk vonnis vereischt, dan zou implicite het bewijs van staat op geheel andere wijze geleverd worden dan door het burgerly k recht wordt voorgeschreven (art. 316 en v. B. W.)-
Ten einde echter het openbaar ministerie niet te zeer in zijne bevoegdheid tot strafvervolging te beperken, en tevens in eene reeds vroeger in Frankrijk gevoelde behoefte tot aanvulling der wet te voorzien (zie Asser, Verg. bl. 149), is bij het tweede en derde lid van art. 323 bepaald, dat het openbaar ministerie niettemin bevoegd is de bedoelde strafactie aan te vangen, indien de belanghebbende partijen stilzitten, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig art. 320 aanwezig zy en over het bestaan daarvan dooiden rechter aanvankelijk zij beslist; — derhalve juist dan, wanneer bij den burgerlijken rechter getuigenbewijs is toegelaten (art. 319) — en dat in zoodanig geval de strafactie niet door eenig burgerlek geding kan worden geschorst.
Groot verschil van meening is er omtrent de vraag of het noodig is, dat de bij art. 323, lid 2 bedoelde aanvankelijke beslissing eveneens van den burgerlijken rechter moet zijn uitgegaan. Het komt ons voor dat de bevestigende beantwoording dezer vraag niet twijfelachtig
329
afstamming vak n a t u u r l tj k e k i n d e e e n.
is, en wordt gerechtvaardigd door het hoofdbeginsel, nedergelegd in art. 322 B. W., en door de uitdrukking „wanneer de belanghebbende partijen stilzittenquot;, die aan een burgerlijk geding doet denken. Ook wordt elke beslissing van den strafrechter, dus ook eene aanvankelijke beslissing (vonnis van rechtsingang, verwijzing enz.), voorafgegaan door en gewezen naar aanleiding van eene vordering van het 0. M.; zulke vordering is reeds eene daad van vervolging, waarvan de ontvankelijkheid, bij eene tegenovergestelde leer, zeer twijfelachtig zou zijn. Zie omtrent deze vraag in verschillenden zin Lkon, uitg. Asser, ad art. 323; Opzoomer, II, ad art. 323; Diephuis, V, bi. 100 en v.; v. Boneval Faüre, 2\'= dr., bl. 140; Mr. des Amorie v. d. Hoeven, 11. Bijbl., 1851, bl. 553; Mr. A. A. de Pinto, Tl\'em is, 1861, bl. 318; Mr. H. Jacobi, acad. pr. Het misdrijf van verduistering v. staat, Amst. 1859; Mr. C. B. Bi.eckman , Art. 323, B ir. Acad. pr. Leiden 1892; Hof \'s Gravenhage, 22 Jan. 1880, JV. n0. 4467, H. R., 19 Mei 1880, W. n°. 4522 en 28 Mei 1888, JV. n0. 5564, Hoofdartikel W. n0. 5572.
In het Ontw. 1886 is de bepaling van art. 323 B. W. niet overgenomen. Zie hieromtrent bl. 163 en v. van de Mem. v. Toelichting.
Rechtsgevolg der vonnissen betrekkelijk deu staat.
Zij zijn van kracht tegen elk en een iegelijk, zoo zij gewezen zijn tegen dengene, die wettiglijk bevoegd was den eisch tegen te spreken (art. 1957).
Zulks in afwijking van het algemeen beginsel dat elk vonnis slechts geldt tusschen de gedingvoerende partijen. De beslissing omtrent iemands staat betreft een feit, waarvan de objectieve waarheid zooveel mogelijk moet vaststaan; de maatschappij heeft er belang bij dat de eenmaal gegeven eindbeslissing omtrent iemands verwantschap voortaan onaantastbaar zij.
li. Afstamming van n a t n u r 1 ij k e k i n d e r e u.
Onder natuurlijke kinderen verstaat men in het algemeen kinderen, die buiten huwelijk verwekt en geboren zijn.
Deze kinderen worden veelal onderscheiden in natuurlijke kinderen in ruimeren en engeren zin. De eersten zijn allen, die buiten huwelijk zijn geboren en sedert ook niet zijn gewettigd; terwijl men in engeren zin onder natuurlijke kinderen de zoodanigen begrijpt, die
330
afstamming van natuurlijke kinderen. 331
niet in overspel of bloedschande verwekt zijn. Zoo stelde men oudtijds de liberi natnrales tegenover de adulterini en incesüiosi (vgl. de Groot, Inl., I, 12, § 4, die van speelkinderen in tegenstelling van overwonnen kinderen spreekt).
Bij deze laatste onderscheiding, die van veel belang is, voor zooveel de rechten betreft, die de kinderen kunnen verkrijgen, lette men er op, dal het hier doorgaans aankomt op het tijdstip der verwekking en niet op dat der geboorte, zoodat het alleen de vraag is of op eerstgenoemd tijdstip een huwelijk tusschen de ouders mogelijk was.
In vroegere tijden was er in vele opzichten verschil tusschen wettige en natuurlijke kinderen, daar laatstgenoemden van het be-kleeden van eereambten waren uitgesloten en ook niet tegenover wettige kinderen als getuigen in rechte mochten optreden (zie de Groot, Inl., I, 12, § 7 en H. J. Arntzenius, Inst. Jur. Belg. civ. I, bl. 79), doch later hield dit verschil op en bleef er alleen onderscheid bestaan in de betrekking van de ouders tot de wettige en de natuurlyke kinderen.
In Frankrijk bestonden oudtijds wel betrekkingen tusschen ouders en natuurlijke kinderen, doch was erfopvolging beiderzijds geheel uitgesloten. Alleen op levensonderhoud konden onwettige kinderen aanspraak maken (zie Demolombe, V, bl. 392, 393).
Onder het Oud-Hollandsch recht gold, op het voetspoor van het Romeinsche recht, de regel: een moeder maakt geen bastaard. Dit beteekent, dat natuurlijke kinderen ten aanzien van de moeder met wettige werden gelijkgesteld; doch met betrekking tot de erfopvolging bestond in vele deelen des lands groot verschil tusschen de liberi naturales en de incestuosi en adulterini, daar by overwonnen kinderen meestal geen recht van erfopvolging werd toegelaten (zie de Groot, II, 27, § 28, Bunkerskoek, Quaest. Jur. Priv., III, c. 11).
Het Wetb. Nap. voor Holl. stelde in art. 260 onwettige kinderen ten opzichte van de moeder gelijk met wettige, welk beginsel ook nog in art. 538 Ontw. 1820 gehuldigd werd, behoudens bijzondere bepalingen met betrekking tot het erfrecht voor overspelige en bloedschennige kinderen (art. 1979 en v.).
De Code Nap. ging van geheel andere en nieuwe beginselen uit. De zucht om een einde te maken aan zedekwetsende rechtsgedingen omtrent het vaderschap, gepaard aan het verlangen om verbetering te brengen in den toestand van natuurlijke kinderen, zonder hen echter (uit vrees voor mogelijk nadeelige gevolgen met betrekking tot het huwelijk) met wettige kinderen gelijk te willen stellen, leidde er toe om aan te nemen dat alleen eene erkenning door den vader of de moeder hunne afstamming aan het licht kon brengen en rechtsbetrek-
erkenning van natuurlijke kindeken.
kingen doen ontstaan tusschen hen en hunnen vader en moeder, welke betrekkingen echter in vele opzichten van die der wettige kinderen verschilden. Wilde de moeder die verklaring niet afleggen, het kind had het recht zyne afstamming van haar door den rechter te doen uitmaken , hetgeen echter ten aanzien van den vader, behoudens eene enkele uitzondering, verboden werd. Zie over de geschiedenis dezer bepalingen van den Code Napoléon Mr. J. Pols in R. Bijdr., 1855, bl. 321 en v.
Onze wet heeft het stelsel van den Code Nap. overgenomen. In het algemeen mogen buiten echt geboren kinderen in natuurlyke betrekking staan tot hunne ouders, de wet kent hieraan geen rechtsgevolgen toe.
1 Eerst dan gaat de natuurlijke in eene rechtsbetrekking over, wanneer de vader of de moeder het kind erkend heeft. Hieruit volgt dus, dat natuurlijke kinderen volgens de wet slechts dan van iemand afstammen, wanneer de rechtshandeling der erkenning heeft plaats gehad, of een daarmede gelijkstaand vonnis door den rechter is gewezen.
Terwijl het wettige kind op verschillende wijden door geboorte-akte, bezit van staat of getuigen zijne afstamming van bepaalde ouders kan aantoonen, is het natuurlijke kind verplicht het bewijs der erkenning te leveren om zijne afstamming aan het licht te brengen of een met erkenning gelijkstaand vonnis uit te lokken, in de gevallen waarin zulks geoorloofd is.
jHin juist behandelt onze wet eerst de wettiging en daarna de erkenning van natuurlijke kinderen. Daar, in den regel althans, erkenning aan wettiging moet voorafgaan en deze dus een gevolg is van gene, komt het verkieslijk voor om, evenals in het Wetb. Nap. v. Holland en het Ontw. 1820, eerst de erkenning en daarna de wettiging te bespreken.
De erkenning wordt door de rechtsgeleerden onderscheiden iu vrijwillige en gedwongen erkenning.
Vrijwillige erkenning is eene in wettelijken vorm verleden verklaring, dat men vader of dat men moeder is van een buiten echt geboren kind.
Het is niet noodig, dat het kind bij de erkenning reeds geboren zij, op grond van den regel van art. 3 B. W. (zie Vooruuin, II, bl. 555j; terwijl er evenmin reden bestaat om de erkenning te beletten van kinderen, die reeds overleden zijn. Zal men dan echter moeten vorderen, dat die kinderen nakomelingen hebben nagelaten, gelijk art. 334 B. W. zulks voor wettiging eischt? Zie in verschillenden zin van Hall, bl. 314 en 315; Opzoomer, II, bl. 192; v. Boneval Fauke, 2e dr., bl. 144; Diephuis, V, bl. 108 en Pols, t. a. p., bl. 333.
382
erkknsing van natuurlijke kinderen. sas
Evenwel laat de wet alleen toe, dat natuurlijke kinderen, in engeren zin, erkend worden; bij bloedschennige kan bet alleen geschieden door opvolgend huwelijk hunner ouders, krachtens dispensatie door den Koning verleend, waarvan dan tevens wettiging het gevolg is; ten aanzien van overspelige kinderen is het onbepaald verboden (art. 33amp;, 327 B. W.). In het belang der zedelijkheid wilde men het geheim dier geboorten niet bekend maken (zie Vooh-duin, II, 559, 560). Indien echter, niettegenstaande dit verbod de erkenning heeft plaats gehad, zal men daaraan bezwaarlijk rechtsgevolgen kunnen toekennen, en haar derhalve als niet geschied dienen aan te merken (zie v. Hall, bl. 314; Opzoomer, II, bi. 189; Rb. Amsterdam 10 April 1877, IF. n°. 4138). In werkelijkheid evenwel zal slechts in enkele gevallen blijken dat een onwettig kind tot de overspelige of bloedschennige kinderen behoort. Indien toch eene ongehuwde vrouw hare kinderen erkent, dan zijn deze, met betrekking tot haar, natuurlijke kinderen in engeren zin, terwijl wegens het verbod om onderzoek te doen naar het vaderschap de smet, die op hunne geboorte kleeft, niet aan het licht kan komen. Zonderling echter wordt de toestand als daarna de vader met toestemming van de moeder diezelfde kinderen erkent, en hij b. v. reeds tijdens de conceptie met eene andere vrouw gehuwd was. Deze laatste erkenning zal alsdan stellig geene waarde hebben, maar ontneemt zy nu ook de rechtsgevolgen aan de erkenning door de moeder gedaan? Zie Rb. Amsterdam 15 Oct. 1878, JV. n0. 4317, en voorts over meer dergelijke gevallen, Diephuis, V, bl. 154 en v.
De erkenning geschiedt:
1°. door de moeder, al is zij minderjarig (art. 337);
Geen bijstand van vader of voogd wordt hier vereischt. Als grond, waarom aan eene minderjarige deze bevoegdheid is toegekend, denke men aan het zuiver persoonlijk karakter der erkenning, die mag worden aangemerkt meer als de vervulling van eenen plicht, op de moeder rustende, dan als het verrichten eener burgerlijke handeling (zie Voorduin, II, bl. 558). Evenzoo zal ook de vrouw de machtiging van haren man niet behoeven tot erkenning van een vóór haar huwelijk geboren natuurlijk kind. Ofschoon in den C. N. niet geregeld, wordt in Frankrijk de bevoegdheid van minderjarigen tot erkenning, niet betwijfeld (zie Laurent, IV, bl. 63 en v.). Schijnbaar is het vreemd dat de moeder — wier verhouding tot het kind door de natuur wordt aangewezen en wier naam in de geboorte-akte moet voorkomen — nogtans het kind moet erkennen, wil zij bur-
334 erkenning van n a t üquot; u b l tj k e kinuekkn.
gerrechtelijk als moeder gelden. Men denke echter dat de moeder zelve nooit tot het opmaken der geboorte-akte medewerkt, en dat vergissingen of onwaarheden in eens akte niet tot de onmogelijkheden behooren.
Vgl. hiermede art. 304 Ontw. 1886: „Het kind dat een onaf-„gebroken bezit van staat heeft, overeenstemmende met zijn geboorte-„akte, wordt geacht door zijne moeder erkend te zijn, zoo het door „deze had mogen erkend worden.quot;
2°. door den vader, indien hij den leeftijd van 19 jaren bereikt heeft, doch bij het leven der moeder niet zonder hare toestemming (art. 337, 339).
Wijst de natuur de bevoegdheid der moeder tot erkenning aan, bij den vader moet een wettelijk vermoeden van genoegzame rypheid van oordeel te hulp komen, ten einde den leeftijd tot erkenning te bepalen (zie Asser, Verg. bl. 155). Vele toch zijn de verplichtingen, die uit het doen eener erkenning voortvloeien. De bepaling van art. 337. den ouderdom van 19 jaren vaststellende, bevredigt ons echter slechts ten deele, omdat van den leeftijd van het kind geen sprake is. In verband met de bevoegdheid tot huwen op 18jarigen leeftijd, had men beter gedaan te bepalen dat de vader een zeker aantal jaren ouder dan het kind moest zyn. Dit is werkelijk voorzien bij art. 298 Ontw. 1886, alwaar een verschil van vyftien jaren tusschen de vader of moeder en het erkende kind wordt vereischt; behoudens eene uitzondering ten aanzien der moeder, die op jeugdiger leeftijd dan 15 jaren mocht zijn bevallen. Thans kan de bepaling tot zonderlingen strijd tusschen wet en natuur aanleiding geven. Zie van Hall, bl. 315; Mr. W. A. C. de Jonge, Themis, 1850, bl. 551; \'s Hertogenbosch v. 13 Rept. 1865, }F. n0. 2726; art. 343 C. N.; lex. 40 § 1 Dig. de adopt, et emanc., (1, 7).
Het kind zelf, meerderjarig zijnde, schijnt zijne erkenning niet te kunnen verhinderen, maar wordt alleen krachtens art. 341 B. W. tot betwisting der eenmaal gedane erkenning toegelaten. Volgens art. 302 Ontw. 1886 kan een meerderjarige niet erkend worden dan met zijne toestemming bij de akte van erkenning gegeven.
Ten aanzien van de bevoegdheid van den curator en den onder curateele gestelde tot erkenning is zeer getwist. Aan eerstgemelden zal men deze bezwaarlijk kunnen verleenen; maar ook de curandus zal in geval van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij niet tot erkenning kunnen worden toegelaten. Practisch nut heeft derhalve de vraag alleen ten aanzien van verkwisters en van hen, die op
ERKENNING VAX NATUÜRLIJKE K J N ü E R E N. 335
eigen verzoek onder cnrateele zyn gesteld, alsmede van krankzinnigen in hunne heldere oogenblikken. Zie verder Opzoomer, II, bl. 194; DiEPbiuis, V, bl. 112; Laurent, IV, bl. 60.
De bepaling dat de moeder hare toestemming moet verleenen tot eene erkenning door den vader kwam in den Code Nap. niet voor. Zie art. 336 C. N.: „la reconnaissance du père saus Tindication et l\'aveu de ia mère n\'a d\'effet qu\'a 1\'égard du pèrequot;; hetgeen bij ons alleen geldt als de moeder overleden is (art. 339, lid 2, B. W.). Zie bij Voorddin, II, bl. 561 en Asser, Perg., bl. 156, de redenen, die in het belang der zedelijkheid en welvoegelijkheid, tot het voorschrift hebben geleid.
Eene erkenning, in stryd met dit voorschrift gedurende het leven der moeder gedaan, moet als krachteloos worden beschouwd. Zie Amsterdam 1 Febr. 1876, fV. nquot;. 4020. Vgl. Diephuis, V, bl. 116 en 117; Opzoomer, II, bl. 178. Hierover bestaat echter groot verschil van gevoelen.
Maar hoe zal men weten of de moeder overleden is, zoo zij het kind niet heeft erkend? Wordt alsdan eerst een onderzoek vereischt wie de moeder is (art. 343), of zou men niet veeleer kunnen aannemen dat hier bedoeld is de in de akte van geboorte als moeder opgegeven vrouw? Vgl. art. 301, lid 2 Ontw. 1886 in laatst-gemelden zin. Zie verder H. Gr. v. Ned. Ind., 16 April 1891, W. n0. 6078.
Van ouwaarde is de erkenning, die liet gevolg is van dwang, dwaling, bedrog of verleiding (art. 337).
Men kan deze bepaling vergelijken met art. 1485 B. W., volgens hetwelk de drie eerstgemelde omstandigheden tot vernietiging van verbintenissen kunnen leiden. Meer dan vergelijken echter mag men niet. Hier alweder geldt het familie-, daar vermogensrecht. Daarom ook zal men in geen geval met sommigen de bepaling van art. 1490 B. W. op het tegenwoordige onderwerp mogen toepassen.
De erkenning moet plaats hebben bij authentieke akte (art. 336).
Zij kan geschieden ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, hetzij bij de akte van geboorte van het kind — alwaar de vraag kan rijzen of en koe de moeder daarbij moet toestemmen, zie VAM Hall, bl. 153, en aangehaalde schrijvers —; hetzij ter gelegenheid van het huwelijk der ouders, als wanneer de erkenning tevens wettiging medebrengt; hetzij bij opzettelijk daartoe opgemaakte akte (art. 327, 336 en 38 B. W.).
Ook alle notarieele akten kunnen eene verklaring van erkenning bevatten , zonder dat vereischt wordt dat deze enkel met dat doel worden
GEVOLGEN\' DER E R K E N N t N G.
opgemaakt (Voorduin, II, bl. 556). Zoo zal ook bij openbaar testament eene erkenning kunnen plaats hebben. Een olographiscb testament, ofschoon in de gevolgen ten aanzien van het erfrecht met een openbaar testament gelijkstaande, zal echter ten deze niet als authentieke akte kunnen gelden. Zie echter Léon , uitg. Asser , ad art. 336, aant. 3.
Op welke wijze zij ook geschiede, moet de erkenning duidelijk en ondubbelzinnig plaats hebben, en niet slechts bij gevolgtrekking uit de akte worden afgeleid (H. R. arr. van 2 Febr. 1874, R. 106, bl. 145, fT. nquot;. 3695).
Gevolgen der erkenning.
a. ten aanzien der ouders: Het ontstaan van burgerlijke betrekkingen tussclien het kind en den vader of de moeder, die het erkend heeft (art. 335, 97, 104, 383, 408, 909 en v. B. W., enz.)
Men denke hier o. a. aan het geven van toestemming tot het huwelijk ; aan de voogdij en het ouderlijk toezicht; aan de verplichting tot onderhoud; aan het erfrecht. Een natuurlijk gevolg, ofschoon door de wet niet genoemd, is ook het dragen van den geslachtsnaam van den vader, zoo deze het kind heeft erkend, of anders van dien der moeder. Zie H. E. 25 Oct. 1878, W. n0. 4308. Vgl. ook art. 55 en 56 Ontw. 1886.
Beperking: De erkenning, staande huwelijk, door een der echt-genooten gedaan, van een natuurlijk kind, vóór het huwelijk bij (of door) een ander dan zijn (of haar) echtgenoot verwekt, kan noch aan dezen laatste, noch aan de uit dat huwelijk geboren kinderen schade toebrengen.
Niettemin zal de erkenning al hare gevolgen hebben, na de ontbinding van dat huwelijk, wanneer daaruit geene afkomelingen overblijven (art. 340).
De wet heeft hier stoffelijke benadeeling op het oog. Alle rechtsgevolgen, waardoor echtgenoot en kinderen geen schade lijden, treden reeds by de erkenning te voorschijn; b. v. de voogdy, het voeren van den geslachtsnaam, enz. Het onderling verband van beide leden van art. 340, inzonderheid de vraag of, bij ontbinding van het huwelijk zonder het bestaan van afkomelingen, de echtgenoot thans al of niet door de erkenning schade mag lijden, heeft tot veelvuldige beschouwingen aanleiding gegeven. Zie de Pinto, B. IF., II, § 193, Opzoomer,!!, bl. 193; Diephuis, V, bl. 137, 138 en de daar aangehaalde schrijvers.
h. ten aanzien der bloedverwanten van den vader of de moeder: Zeer beperkt rechtsgevolg.
336
O E T O L G E X DEK E K K F. N N I N G.
In den regel mag men stellen dat de erkenning alleen eene betrekking schept tussehen den vader of\' de moeder en het kind. Betrekkingen van het kind tot grootouders of zijdmagen bestaan nagenoeg niet. Zoo is er, by gebreke van vader of moeder, van geene toestemming van grootouders tot het huwelyk sprake (art. 98 B. W.), evenmin van een verhoor van bloedverwanten tot vastzetting (art. 361 B. W.), of tot voogdijbenoeming (art. 420 B. W.); daar is verder geene verplichting tot onderhoud van grootouders en verdere adscea-denten (art. 383 B. W., vergeleken met art. 376).
Enkele malen echter wordt de betrekking tot natuurlijke bloedverwanten niet geheel miskend. Terwijl toch art. 919 B. W. in het algemeen alle recht van het natuurlijk kind op de goederen der bloedverwanten van de ouders ontzegt, maakt art. 920 hierop uitzondering, voor het geval dat die bloedverwanten zonder nabestaanden in erfe-lijken graad of echtgenoot sterven, en omgekeerd erven die bloedverwanten in soortgelijk geval van het natuurlijk kind. Ook spreekt art. 918 van erfrecht van natuurlijke broeders of zusters, enz.
Als huwelijksbeletsel, wegens verboden graad van verwantschap, komt onwettige verwantschap evenzeer als wettige in aanmerking (art. 87, 88 B. quot;W. Zie de toelichting hiervan op bl. 154, supra).
Terugwerkende kracht der erkeiming. Worden de gevolgen eerst geboren bij de erkenning, of moet men daaraan eene terugwerkende kracht toekennen?
Uitgaande van het beginsel dat erkenning geene nieuwe toestanden schept, geene afstamming vormt, maar die alleen bewijst, zal men in den regel de terugwerkende kracht moeten aannemen. Zie Opzoomer, II, bl. 188; Mr. Pols, N. Bijdr., V, bl. 318 en v. en andere bij Diephuts, V, bl. 131, aangehaalde schrijvers.
Men zal echter o. i. met laatstgemelde eenige gevallen moeten onderscheiden, waarin van terugwerkende kracht geen sprake kan zyn. Zoo wordt de vader of moeder eerst door de erkenning voogd of voogdes (art. 408). Een huwelyk door een natuurlijk niet erkend kind, of slechts door de moeder erkend kind, krachtens art. 97 of 98 wettig gesloten, zal door latere erkenning niet nietig worden. De nakoming der verplichting tot alimentatie zal evenmin over het verledene kunnen worden gevorderd. Ten aanzien van erfrecht, in hoever nl. eene latere erkenning invloed kan hebben op het recht van erfopvolging in een vroeger opengevallen nalatenschap, kan echter groot verschil van meening bestaan (zie Diephuis, t. a. p., en H. R. arr. van 9 Febr. 1855, li. 49, § 37, W. n°. 1684).
Asser, Btirgerl. Recht. I. 3e druk. 22
337
338 gedwongen erkenning.
De erkenning kan door alle belanghebbenden worden betwist (art. 341).
Zulks, zoowel wegens strijd met de wettelyke voorschriften, als op grond van onwaarheid der erkenning. Ook zal het kind als belanghebbende tegen de erkenning kunnen opkomen.
In de mogelijkheid tot betwisting is verder het correctief gelegen tegen de uit art. 337 voortspruitende mogelykheid van erkenning, strydig met de wetten der natuur.
üe betwisting heeft alleen de strekking om de afstamming uit een zeker persoon te ontkennen, en kan daarom niet ontaarden in een met art. 342 strydig onderzoek naar het vaderschap.
Gedwongen erkenning. Deze heeft plaats als bij vonnis, na rechterlijk onderzoek, de afstamming van een natuurlijk kind wordt vastgesteld (art. 342—344).
Deze vordering komt allereerst toe aan het natuurlijk kind in engeren zin, derhalve met uitsluiting van de in overspel of bloedschande verwekte kinderen (art. 344).
Het verbod van art. 338, tot erkenning van laatstgemelde kinderen, leidt er toe om hun eveneens de vordering tot onderzoek naar hunne afstamming te ontzeggen. Daar de wet hun echter bij art. 914—-910 B. W. eenige rechten toekent, en bij art. 87 en 88 hen eveneens ten aanzien van het huwelijksverbod als kinderen en verwanten beschouwt, mag men aannemen dat hvinne afstamming in enkele gevallen kan blyken. v. Hall, bl. 316, geeft naar aanleiding van de Pinto en anderen eenige voorbeelden hiervan, en wijst op kinderen van ouders, wier huwelijk wegens volstrekte huwelijksbeletselen is nietig verklaard, en op kinderen wien, op grond van overspel der moeder, de staat van wettigheid bij rechterlijke uitspraak is ontnomen; vgl. ook bl. 333, supra. Ook uit strafvonnissen zal overspelige geboorte zijdelings kunnen blyken, en volgens de bepalingen van art. 241—249 van het thans geldend Wetb. v. Strafr. in meerdere gevallen dan voorheen.
Naar het schijnt kan deze vordering ook door andere belanghebbenden (en zulks zoowel ten bate als in het nadeel van het kind) worden ingesteld , ofschoon bij eene oppervlakkige lezing der wet, dit alleen zou mogen geschieden bij het in zeldzame gevallen toegelaten onderzoek naar het vaderschap (art. 342, 2® lid). Zie Opzoomer, II, bl. 197; Diep huis, V, bl. 146 en v. en de aldaar aangehaalde litteratuur; anders van Hall, bl. 316.
gedwongen eekknntng.
De vordering kan worden ingesteld:
a. tegen de moeder (art. 34gt;3);
In ruimeren zin stelde art. 538 Ontw. 1820 de natuurlijke kinderen, ten aanzien der moeder, met wettige gelyk, op het voetspoor van het Oud-Holl. recht (zie bl. 331, supra).
Volgens art. 343 moet de bevalling der moeder en de identiteit van het kind bewezen worden. Getuigenbewijs is alleen toegelaten by het bestaan van een begin van bewijs by geschrifte (art. 343, lid 3), welke regel intasschen alleen op het bewijs der identiteit, niet op dat der bevalling schynt te slaan. Zie v. Hall, bl. 317 en de aldaar opgegeven redenen aan den Fransehen tekst van het Wetb. v. 1830, art. 895, en art. 341 C. N. ontleend; anders Diephuis, V, bl. 143, 144.
Nóch geboorte-akte, nóch bezit van staat zijn op zichzelf\' als bewijsmiddelen voor de afstamming toegelaten (zie bl. 332, supra). Niettemin zal het bezit van staat, bewezen door getuigen, voor de identiteit een belangrijk vermoeden kunnen opleveren (v. B. Faure, 2e dr., I, bl. 145).
h. tegen den vader, doch alleen in geval van eenig misdrijf bij de artt. 242—245, 249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien (art. 342, gewijzigd bij art. 3 der wet van 26 April 1884, Stbl. nquot;. 93).
Onderzoek naar het vaderschap was in het het Oud-Holl. recht toegelaten. Eene onder eede afgelegde verklaring van de moeder gold ten bewijze van het vaderschap, behoudens tegenbewijs onder eede door den vermoedelijken vader te leveren, dat hij nooit gemeenschap met de vrouw had gehad. Zie v. Leeuwen, R. H. Heyt, I: 13 § 7; de Groot, Inl., III: 35 § 8. Het W. N. v. H. liet het onderzoek nog toe, art. 265, 266. De Code N. voerde den bekenden rechtsregel in: la recherche de la paternité est interdite (art. 340). Het belang van de onwettige kinderen eenerzijds, de ergerlijke en zede-kwetsende bewijsvoeringen anderzijds, leveren aan de rechtsgeleerden ruime stof tot verdediging en afkeuring van dit beginsel. Zie de bij van Hall, bl. 317, aangehaalde schryvers over den Code pro et contra. In de Ned. Juristenvereeniging van het jaar 18S6 werd dit punt ter sprake gebracht. Zie, omtrent het vaderschap van onwettige kinderen, een geheel ander beginsel gevolgd bij de nieuwe Dnitsche ontwerpen van een B. Wetboek, I, § 1572 en II, § 1604 en de belangrijke aanteekeningen in de uitgave van Dr. Reatz, II, bl. 188—190.
Slechts ingeval van verkrachting en van schaking was volgens den
22*
339
g ?, d w o n g e n e r k e n n i n g.
oorspronkelijken tekst van art. 342 B. W. het onderzoek naar het vaderschap toegelaten (de C. N. sprak alleen van enlevement); in verband met de uitbreiding van de misdrijven tegen de zeden, in het nieuwe Strafwetboek, zijn ook de gevallen, waarin gemeld onderzoek mag geschieden, belangrijk uitgebreid (zie voormelde artikelen dei-strafwet) ; de wet eischt verder dat het tijdstip, waarop de misdaad gepleegd is, met dat der zwangerschap overeenstemt. Eene veroordeeling door den strafrechter wegens die feiten wordt niet geëischt. Komt het tijdstip van misdrijf en zwangerschap overeen, dan zal de afstamming uit den vader van \'s rechters overtuiging afhangen (Voor-uüis, II, bl. 564).
Art. 342, vooral vergeleken met art. 532 Ontw. 1820, duldt niet de uitlegging van enkelen dat in het belang der openbare orde, b. v. tot stuiting of vernietiging van een bloedschennig huwelyk, een onderzoek naar het vaderschap geschiede. Zie Diei\'hcis, V, bl. 148, contra de Pinto, II, § 194.
Gevolgen der gedwongen erkenning.
Deze zijn over liet algemeen dezelfde als die van de vrijwillige erkenning. Op wettige wijze blijkt ook door haar de afstamming uit de moeder of den vader; dezelfde uitgezonderde bepalingen zijn ook ten aanzien der natuurlijke bloedverwanten toepasselijk.
De artikelen 339 en 340 schijnen evenwel alleen voor vrijwillige erkenning te zijn geschreven. Zie Diepiiqis, V, bl. 150. Men houde hier vooral in het oog dat de uitdrukking erkenning in de wet alleen doelt op de vrijwillige, en dat die van gedwongen erkenning, alleen bij de schrijvers voorkomt, maar in de wet geenszins wordt aangetroffen (zie ook bl. 341 infra).
340
Ten aanzien van de bewijskracht tegenover derden schijnen de gevolgen der gedwongen erkenning verder te gaan. Bij de toepasselijkheid toch van het wettelijk vermoeden van art. 1957 B. W. mag men aannemen, dat het recht van betwisting, aan derden bij art. 341 ook tegen de gedwongen erkenning toegekend, zich beperkt tot eene tusschenkomst, hangende het geding; na het eindvonnis is de afstamming tegenover iedereen geldig (v. Hall, bl. 318; afwijkend Diephuis , bl. 150).
Volledigheidshalve zij hier herinnerd dat de adoptie of aanneming van kinderen, die in het Fransche recht was toegelaten (art. 343—• ■360 C. N.) en een band tusschen den adoptant en het aangenomen
W E T T 1 G I N G.
kind schiep, eeuige gelijkenis met dien van ouders en kinderen opleverende, overeenkomstig Oud-Hollaudsche begrippen ten onzent is opgeheven. Zie v. Leeuwen, li. tl. Tiejjt, t: 13 § 3; de Groot, lui., I; 6 § 1; Asser, Verg. § 234.
C. W e 11 i g i n g.
De natuurlyke kinderen in engeren zin kunnen dezelfde rechten verkrijgen als wettige kinderen; dit geschiedt door wettiging. Reeds in het Eomeinsche recht was deze toegelaten, waar zij plaats had door het huwelijk der ouders, per reseriptum principis en per oblationem curiae (zie o. a. Wtnscheiü, II, § 522). In het Üud-Holl. recht geschiedde zij door het huwelijk der ouders en door gunste van de Landts-Overheyt (de Groot, [nl., I: 12 § 9). De Code Nap. (art. 331 en v.) en het Wetb van 1830 (art. 382 en v.) kenden alleen wettiging door het opvolgend huwelijk der ouders. Het Wetb. Nap. v. Holl. (art. 268 en v.) en het Ontw. 1820 (art. 542 en v.) keerden tot het Üud-Holl. recht terug, welke beginselen onze wet heeft overgenomen.
Wettiging is het rechtsmiddel, waardoor natuurlijke erkende kinderen de rechten verkrijgen, die aan wettige kinderen zijn toegekend (art. 327, 332).
Hieruit volgt dat zy, wier erkenning verboden is, ook niet gewettigd kunnen worden, behoudens de nader te vermelden uitzondering omtrent de bloedschennige kinderen (art. 327, j0. 338).
341
Erkenning behoort derhalve in den regel vooraf te gaan. Moet men hier alleen aan vrijwillige erkenning denken of is de wet ook toepasselijk op de gedwongene? In de praktijk zal deze vraag wel uiterst zelden voorkomen. By de beantwoording moet men o. i. in het oog houden dat wel de schrijvers van yedroongen erkenning spreken, maar geenszins de wet. Eene ongedwongen lezing van de artt. 327 en 329 doet ons derhalve tot de beantwoording in eerstgemelden zin overhellen. Vgl. Diephuis, V, hl. 162 en v. en de aldaar in utramque partem aangehaalde schryvers \').
\') Volgens de Memorie van Toelichting tot het Ontwerp 1886 , ad art. 310, heeft ook de gedwongen erkenning onder de bedoelde omstandigheden wettiging ten gevolge; dit staat vooral in verband met art. 309 Ontw., dat aan de nltsprnak waarbij de eisch, bedoeld bij de artt. 305 en 306 (gedwongen erkenning), is toegewezen, dezelfde gevolgen als aan de erkenning toekent.
w ij z e n vax \\\\ f. t t i g i n g.
Niet alleen kinderen die nog in leven zijn, maar ook zij die reeds overleden zijn kunnen gewettigd worden, mits zij afstammelingen hebben nagelaten (art. 334 B. W.). De wettiging strekt dan ten voordeele dier nakomelingen.
Wettiging heeft plaats ;
1quot;. door hot opvolgend huwelijk der ouders (art. 327);
Heeft de erkenning niet vóór het huwelijk plaats gehad, dan kan die nog geschieden bij de huwelijksakte, waarvan dan in die akte melding moet worden gemaakt (art. 45, n0. 9, B. W.). Eene erkenning, na het huwelijk gedaan, brengt geene wettiging te weeg. Men vreesde toch dat anders de gelegenheid zou bestaan om vreemden in de familie te brengen, waardoor de adoptie, die men juist wilde afschaffen, feitelijk weder zou worden mogelijk gemaakt. Zie Nicolaï bij VooKDurN, II, bl. 543, 544; anders Ontw. 1820, art. 542, Ontw. 1886, art. 310.
Wettiging heeft in dit geval van rechtswege plaats. Geene verklaringen behoeven daartoe in de huwelijksakte opgenomen, noch andere formaliteiten nagekomen te worden. Van Hall, bl. 319, herinnert aan het zinnebeeld, dat oudtijds in zwang was, bestaande in het gequot; bruik van den huyck of mantel, waaronder de kinderen verborgen waren en waaruit zij bij de voltrekking van het huwelijk, quaHi e rjremio matris, te voorschijn traden.
Op de hier genoemde wijze kunnen zelfs bloedschennige kinderen gewettigd worden. Heeft de Koning dispensatie verleend voor het huwelijk der ouders, dan heeft de erkenning van de natuurlijke kinderen door de ouders bij het aangaan van hun huwelijk wettiging ten gevolge (art. 328). Het ongeoorloofde in de samenleving van twee personen, die niet met elkander in den echt mogen treden, houdt op, door de vergunning daartoe door den Koning verleend; zie Assek, Verg. bl. 152; in den C. Nap. was deze bepaling onbekend. Evenwel kan in dit geval eene erkenning niet anders dan by de huwelijksvoltrekking wettiging mede brengen. Eene vroeger plaats gehad hebbende erkenning zou geschied zijn in strijd met de wet en kan derhalve ook geene gevolgen te weeg brengen.
2°. door brieven van wettiging; en wel
a. bij verzuim van erkenning der kindereu vour of bij het aaugaan van het huwelijk (art. 329);
De wet omschrijft niet nader wat aanleiding tot het verzuim moet hebben gegeven; het zal dus voldoende zijn indien er verzuim gepleegd
342
w ij z e n v a x
343
w e t t i g i n g.
is, b. v. door onwetendheid van de ouders. Langs dezen weg zal ook alleen wettiging plaats kunnen hebben, indien de vader bij het aangaan van het huwelijk den voor eene erkenning gevorderden leeftijd van 19 jaren nog niet bereikt heeft (vgl. bl. 334, supra).
b. bij verhindering van het voorgenomen huwelijk der ouders (art. 330);
Die verhindering moet haar grond vinden in het overlijden van een der ouders, zooals de wet uitdrukkelijk bepaald. Men leide hieruit evenwel niet af, dat tevens de onmogelykheid moet blijken om het huwelijk vóór het overlijden tot stand te doen komen; het is toereikend zoo het voornemen om een huwelijk aan te gaan door verschillende omstandigheden op voldoende wijze blijkt. Het Wetb. Nap. v. Holl. veroorloofde in art. 271 zoodanige wettiging ook, indien een der ouders sedert met een ander getrouwd was, of indien het huwelijk wegens andere omstandigheden onvoegzaam was geworden.
Brieven van wettiging te vragen van den Koning \'); advies van den Hoogen Raad, na verhoor van bloedverwanten; bevoegdheid van den Hoogen Raad om te bevelen dat het verzoek tot wettiging door middel van de nieuwspapieren openlijk worde bekend gemaakt (art. 331).
Het bewijs van de erkenning zal tevens overgelegd moeten worden, evenals de geboorte-akte der kinderen en de huwelijks-akte der ouders of, bij overlijden van een hunner, de overlijdens-akte. Zie W. v. B. A. n». 2130.
Het hooren van de bloedverwanten geschiedt door den Hoogen Raad of door een ander rechtscollegie door den H. R. aan te wijzen, en strekt tot voorlichting van den H. R. bij het uitbrengen van het advies. Omtrent het getal der bloedverwanten en den graad, waarin zij den ouders moeten bestaan, geeft de wet geene voorschriften. De Regeering meende dit aan de prndentie van den H. R. te moeten overlaten (Voordüin, II, bl. 551).
De openlijke bekendmaking van het verzoek heeft ten doel om bloedverwanten de gelegenheid te geven de noodige inlichtingen te ver-
*) In het Ontwerp 1886 (art. 312 en v.) is het de Hooge Raad, die de hier sub b bedoelde wettiging verleent; na overlijden van beide ouders is ook het erkende kind zelf bevoegd brieven van wettiging te vragen; na den dood ook van het kind, kan ieder zijner wettige afstammelingen dat doen. De wettiging, sub a bedoeld, komt ïn het ontwerp niet voor, omdat de erkenning van een onwettig kind door de ouders, ook na het huwelijk gedaan, wettiging tengevolge heeft (art. 310 Ontw.).
GEVOLGEN DER WETTIGING.
schaffen en hen, die niet mochten zijn opgeroepen, met het verzoek in kennis te stellen, opdat de H. R. met juistheid de gegrondheid daarvan kan beoordeelen.
Door wie kunnen brieven van wettiging gevraagd worden? Het Ontw. 1820 kende dit recht toe aan den vader, de moeder, de kinderen of hunne voogden en wees tevens de gevallen aan, waarin ieder van hen hiertoe bevoegd was (art. 551—555). Het B. W. schijnt van de onderstelling uit te gaan, dat het verzoek door de ouders of door den langstlevende hunner behoort te geschieden (van Hall, bl. 319; anders Diephuis, V, bl. 168).
Gevolgen der wettiging:
a. bij bestaand huwelijk der ouders. Volkomen gelijkstelling met de kinderen sedert het huwelijk geboren (art. 332).
Dit geldt niet alleen met betrekking tot de ouders, maar ook ten aanzien van de bloedverwanten der ouders.
Terugwerkende kracht vóór het huwelijk is hier natuurlijk ondenkbaar; in het algemeen toch is de wettigheid een gevolg van de geboorte uit een huwelijk; maar ook uit anderen hoofde is er groot verschil tuschen erkenning en wettiging.
Bij erkenning wordt slechts geconstateerd van wien het onwettige kind afstamt; hier daarentegen wordt een andere staat verkregen, die eerst bestaan kan van het oogenblik, waarop aan iemand die staat wordt toegekend. De wet drukt dit uit door het woord sedert (Voor-düin , II, blz. 551). Slechts in geval van art. 329 mag men van terugwerking, doch alleen tot aan de huwelijksvoltrekking spreken (art. 332).
b. bij overlijden van een der ouders. Meer beperkte rechtsgevolgen, eu wel in zooverre;
lt;/. dat de wettiging eerst begint te werken op den dag, waarop de brieven verleend zijn (art. 333);
Het ontwerp 1886 laat de erkenning, in het geval van door den dood van een der echtgenooten verhinderd huwelijk, terugwerken tot het tijdstip van dat overlijden (art. 314).
(j. dat de wettiging ten aanzien der erfopvolging niet strekt ten nadeele van wettige voorkinderen (art. 333);
.Men denke hier zoowel aan de kinderen van den overleden, als aan die van den nog in leven zijnde echtgenoot (zie Mr. M. des Amorie van der Hoeven, in J{. Bijdr. 1851, blz. 312 en v.; vgl. voorts art. 272 Wetb. Nap. v. Holl., waaraan ons art. ontleend is).
344
bloedverwantschap.
Volgens het Hom. Recht (Nov. 74, C. 2), was de legitimatio per rescriptura principis verboden, indien er ook wettige kinderen waren. Onder het Oud-Holl. recht werd zij in dit geval niet gemakkelijk toegestaan (zie v. Leeuwen, Roomsch Holl. Recht I : 7 § 5). Het Ontw. 1886 heeft met dit geheele stelsel gebroken, daar er van geen verkregen recht van wettige voorkinderen sprake is (vgl. de M. v. T. ad art. 314).
■/. dat zij niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten , dan voor zooverre zij toestemming hebben verleend tot de wettiging (art. 333).
In hoeverre die toestemming verleend is zal veelal kunnen blijken uit het verhoor van de bloedverwanten, dat door of van wege den Hoogen Raad plaats heeft, terwijl men het anders uit verschillende omstandigheden zal moeten afleiden. Deze bepaling is overgenomen uit het Oud-Holl. recht, waar de regel gold, dat deze wettiging „de Magen niet raekt dan die daer in verwilligenquot; (de Groot, Inl. I, 12, § 9; v. Leeuwen, t. a. p.; vgl. ook art. 272 Wetb. Nap. v. Holl., en art. 558 Ontw. 1820).
Kan eene plaats gehad hebbende wettiging nog bestreden worden? De meeste schrijvers meenen dat ook bij wettiging door opvolgend huwelijk de voorafgegane erkenning betwist kan worden. Is dit met goed gevolg gedaan, dan zal ook de wettiging van zelve vervallen (zie Diephüis, V, blz. 174, 175 en de aldaar aangehaalde schrijvers). Bij het verleenen van brieven van wettiging door den Koning, meent Mr. Diephüis, t. a. p., dat geene bestryding der wettiging meer te pas kan komen. In het Ontw. 1820 was in art. 560 en v. deze zaak uitdrukkelijk geregeld.
D. Bloedverwantschap en zwagerschap.
Afstamming doet bloedverwantschap ontstaan; het huwelijk heeft zwagerschap ten gevolge tusschen den eenen echtgenoot en de bloedverwanten van den ander. In art. 345—352 geeft de wet bepalingen van deze begrippen en wijst tevens de wijze aan, waarop de graad van bloedverwantschap of zwagerschap tusschen bepaalde personen berekend wordt. In den C. Nap. wordt dit onderwerp hij de erfopvolging in art. 735—738 behandeld. Eveneens het Wetb. Nap. van Holl. in art. 855—858. Het Ontw. 1820 daarentegen plaatst dezen titel evenals ons wetboek in het le boek en is in dit opzicht
345
BLOEDVERWANTSCHAP.
zeer uitvoerig (art. 562—579). Door vele schriivers wordt de veertiende titel van ons wetboek als te leerstellig afgekeurd (zie o. a. Opzoomeh, II, bl. 233 en v.).
Bloedverwantschap is de betrekking tusschen personen, die de een van den ander afstammen of een gemeenen stamvader hebben (art. 345).
Bloedverwanten worden veelal onderscheiden in:
1°. wettige en natuurlijke bloedverwanten (vgl. art. 305, 335 B. W.);
2°. bloedverwanten van vaders- en moederszijde (vgl. o. a. art. 897, 900 en v. B. W.);
3°. bloedverwanten van heelen of halven bedde (alleen in de zijdlinie, vgl. art. 904 B. W.);
4°. meer of min verwijderde bloedverwanten.
De betrekking, waarin twee personen tot elkander staan wordt berekend naar het aantal geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd. De opvolging van graden maakt eene linie (art. 345, 346).
De opvolging van graden tusschen personen, die de een van den ander afstammen heet de rechte linie; de opvolging van graden tusschen personen die niet van elkander afstammen, doch een gemeenen stamvader hebben, noemt men zijdlinie (art. 346).
In de rechte linie wordt het verband tusschen den stamvader en die van hem afstammen de nederdalende linie genoemd; zij heet opgaande om het verband tusschen de afkomelingen met den stamvader aan te duiden.
Wil men den graad van bloedverwantschap tusschen twee personen berekenen, dan rekent men in de rechte lijn zooveel graden als er geboorten tusschen de personen zijn. Zoo staat in de nederdalende linie de zoon met betrekking tot den vader in den eersten graad, de kleinzoon in den tweeden enz.; en wederkeerig staan in de opgaande linie de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon in den eersten en tweeden graad enz. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stamvader; en vervolgens tusschen dezen en den anderen bloedverwant. Zoo staan broeders of zusters tot elkander in den tweeden graad, oom en neef in den derden en volle neven tot elkander in den vierden graad (art. 348, 349).
Bloedverwantschap heeft in het burgerlijk recht zeer belangrijke gevolgen. Men denke b. v. aan de erfopvolging by versterf, die haren grond schier uitsluitend daarin vindt; aan het wettelyk erfdeel dat de wet aan enkele bloedverwanten toekent (art. 879, 899 en v..
346
B L O E D V E E \\V A NT T S C H A f. ZWAGERSCHAP. 347
960 en v.). Voorts kunnen bloedverwanten invloed uitoefenen op familie-aangelegenheden, b. v. bij het aangaan van een huwelijk (art. 93 en v.), bij stuiting en nietigverklaring van een huwelyk (art. 116 en v., 141 en v.), by ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed (art. 257), bij echtscheiding (art. 284), bij scheiding van tafel en bed (art. 295), by wettiging (art. 331), by voogdy en curateele (art. 388 en v., 488, 506), bij handlichting (art. 476, 481). Verder kan bloedverwantschap een beletsel zyn voor het aangaan van een huwelijk (art. 87, 881, kan zy verplichten tot het verschaffen van onderhoud ingeval van behoefte (art. 376), terwijl er ook bijzondere bepalingen bestaan voor het afleggen van getuigenis door bloedverwanten, het recht om zich daarvan te ver-schoonen, omtrent de onbekwaamheid van sommigen, de mogelijkheid van wraking (art. 1946 en v.) enz.
Zwagerschap of aanverwantschap is de betrekking tusschen den eenen echtgenoot en de bloedverwanten vau deu ander (art. 350).
Hoewel hier eigenlijk van geene graden sprake kan zijn, daar de betrekking tusschen aanverwanten niet door eene opvolging van geboorten is ontstaan, wordt hierop toch de berekening naar graden bij uitbreiding toegepast (art. 351). Zoo is hij, die tot een der echt-genooten in eenen bepaalden graad van bloedverwantschap staat, aanverwant van den ander in denzelfden graad.
De ontbinding van het huwelyk doet de zwagerschap niet ophouden (art. 352). Daarna evenwel kan volgens enkelen geene nieuwe zwagerschap ontstaan, zoodat de later geboren bloedverwanten van den overleden echtgenoot geene aanverwanten worden van den anderen. Men houde verder in het oog dat art. 352 B. W. alleen geldt voor het privaatrecht. In het publiek recht wordt veelal als regel aangenomen dat zwagerschap ophoudt door het overlijden der vrouw die haar veroorzaakte, vgl. o. a. art. 10 E. O. (gewijzigd bij de wet van 9 April 1877, Stbl. n0. 72); art. 20 der Prov. Wet van 6 Juli 1850, Stbl. nquot;. 39; art. 21 der Gemeentewet van 29 Juni 1851, Stbl. n0. 85; art. 7 der Wet van 21 Dec. 1861, Stbl. n0. 129.
In vele gevallen heeft zwagerschap soortgelyke rechtsgevolgen als bloedverwantschap, b. v. by de verplichting tot onderhoud (art. 377), het uitoefenen van invloed by familiezaken, b. v. bij voogdy (art. 388), curateele (art. 506); voorts kan zij een beletsel zijn voor het aangaan van een huwelyk (art. 88); terwyl verder de bepalingen voor het afleggen van getuigenis door bloedverwanten mede op de aanverwanten van toepassing zyn.
348 verhouding van oude us en kinderen\'.
§ 8.
rechten en verplichtingen van ouders en kinderen.
A. Ingeval van minderjarigheid. — Onderlijk gezag.
Het hnweiijk doet de familie ontstaan; de titel van het vaderschap en de afstamming leert wie hare leden zijn; hieraan knoopt de wetgever in een afzonderleken titel eene beschouwing over bloed- en aanverwantschap, ora daarop in den 15en titel den draad van het familierecht weder op te vatten en de banden tnsschen ouders en kinderen te regelen, onder het eenigszins beperkt opschrift „Van de vaderlyke magtquot;. Te beperkt in twee opzichten: 1°. omdat, ofschoon de vader op den voorgrond is geplaatst, het gezag by beide ouders berust \'); 2°. omdat inzonderheid in art. 353 en in de derde afdeeling sprake is van verhoudingen, die niet uit het ouderlijk gezag voortspruiten.
De patrio, polentas van het Komeinsche recht, ofschoon in naam met onze vaderlijke macht overeenstemmende, was echter in aard geheel daarvan onderscheiden. Men denke aan het onbegrensd gezag den vader in dat recbt toegekend over den persoon en zelfs over het leven der kinderen, eene macht die ondanks de meerderjarigheid bleef voortduren. Ofschoon in latere tijden aanmerkelyk verzacht, behield zij niettemin haar karakter, inzonderheid ten aanzien van het vermogensrecht. In beginsel behoorde al wat de zoon verkreeg aan don vader, met uitzondering alleen van het allengs erkende recht op het peculium castremse, quasi castrense, profectitium, en de bona adventitia.
De Komeinsche patrio, potestas, even als de macht over de vrouw (manus), kenmerkt zich door analogie met het recht van eigendom; nog veel sterker spreekt dit in de verhouding van meester en slaaf, die geheel aan het vermogensrecht doet denken.
In de zuidelijke Fransche gewesten (pays da droit écrit) was de vaderlyke macht geheel op Romeinschen leest geschoeid. Een decreet van 28 Aug. 1792 onttrok evenwel den minderjarige aan het gezag. In de pays du croit coutumier bestond daarentegen het vaderlijk gezag bijna niet, was althans zoo gering dat men aldaar kon zeggen; „Droit de puissance paternelle n\\ (Merlin, i. v. Puissance patern.,
Sect. I, n°. 4).
\') Bij de vaststelling onzer wet werd door enkelen te recht verlangd dat de uitdrukking „vaderlijke magtquot; zou worden vervangen door die van „ouderlijke magtquot;. (Vookduin, II, bl. 572.) De laatste uitdrukking is ook die van het Ontw. 1820, art. 497 , en van het Wetb. Nap. v. Holl., art. 279 ; vgl. art. 285 B. W. Het Ontwerp van 1886 spreekt van „ouderlijk gezagquot; (art. 329 en v.).
O U D F. R L IJ K GEZAG.
De Code herstelde het ouderlijk gezag op betere grondslagen en kende bepaaldelyk aan de beide ouders (ofschoon aan de vrouw in mindere mate) dat gezag toe, gegrond op de natuur en strekkende tot bescherming en bewaking van het minderjarige kind, met beperkt recht van tuchtiging ingeval van gewichtige redenen van misnoegen, beheer over de goederen, en genot van de inkomsten, waar tegenover echter verplichting tot onderhoud en opvoeding.
Ten ontzent was de „groote ende zonderlinge magt des vaders „over de kinderen onder haer handt staende, onbekendtquot; (de Groot, I : G, § 3). De familieëenheid, welke in het Nederlandse he huisgezin bestond, in verband met het Germaansche mundium, maakte het Eomeinsche begrip zeer misbaar (van Hall, bl. 322). Ons B. W. sluit zich ten deze in groote trekken aan den Code Napoléon aan.
Het ouderlijk gezag berust bij de beide ouders, docli wordt uitgeoefend door den vader. \')
Indien deze daartoe buiten de mogelijkheid is, wordt liij door de moeder vervangen (art. 345, 355).
De aard van het ouderlijk gezag ten onzent brengt o. i. tot de gevolgtrekking dat de werking daarvan alleen mag worden aangenomen zoolang de heide ouders in leven zijn, en derhalve hunne samenwerking tot de behartiging van de belangen van het kind in den regel denkbaar is, al moge zij somtyds, b. v. by echtscheiding, met bezwaren gepaard gaan.
349
Is een der ouders overleden, dan komt het kind onder voogdij; in den regel van den langstlevende der ouders. Wij raken hier eene zeer betwistbare vraag aan, vermits verscheiden schrijvers meenen dat ook dan nog de ouderlyke macht nevens de voogdij blyft voortduren, voor welke meening het niet aan gronden ontbreekt, geput uit de wet en hare geschiedenis. Is de langstlevende der ouders tevens voogd, dan heeft deze vraag nagenoeg geen practisch belang, want dan zyn beide soorten van gezag in ééne hand vereenigd. Heeft evenwel een der wettelijke gevallen plaats, waarin de voogdij door den langstlevende is verloren of niet aanvaard, dan staan twee personen — vader of moeder en voogd — naast en somtyds tegenover elkander; beide bekleed met een nagenoeg gelyksoortig gezag over persoon en goederen van het kind. In het Ontwerp van 1820, art. 584, 585,
1) Dat de wet in art. 355, le lid, min juist spreekt van de uitoefening der macht door den vader „gedurende het huwelijkquot; is door vele schrijvers te recht aangetoond; vgl. art. 285 B. W.
o u d e rl, ij k gezag nevens v o o g d tj.
en het Wetb. Nap. v. H., quot;287, 288, waren de grenzen van beider bevoegdheid vrij behoorlijk afgebakend, maar ten onzent kan er door gebrek aan regeling op menig punt botsing ontstaan, gelijk ook reeds menig proces, inzonderheid over het verblijf\' der kinderen, tusschen ouders en voogden is gevoerd. Al deze moeielijkheden worden vermeden, door de met wet en wetenschap zeer vereenigbare stelling aan te nemen dat na overlijden van een der ouders het ouderlijk gezag zich geheel oplost in de vooglij; met de wet vereenigbaar, omdat de vaderlyke macht aan de ouders wordt toegekend (art. 354) en alleen de moeder wordt aangewezen om den vader te vervangen als hij buiten de mogelijkheid tot uitoefening is; verder uit de groote analogie tusschen de bepalingen van beide onderwerpen; terwijl ook elders menig spoor is te vinden, waaruit blijkt dat de wet veel gewicht hecht aan de samenwerking der ouders (zie b. v. art. 1722, lid 1 B. W. vergeleken met lid 2), met de wetenschap vereenigbaar, als men de voogdij slechts beschouwt als eene instelling, die juist in het leven is geroepen daar, waar het ouderlijk gezag ontbreekt, en die bestemd is dat gezag zoo getrouw mogelijk na te bootsen. Zie ook ue Groot , Lil. I : 6, § 1, die alle gezag over minderjarigen samenvat onder de benaming van voogdij. „ Van deze onhestorwn kinderen komt de toog dye den vader toe, die als vader ende voogdt voor dezelve in regte spreektquot;. Vgl. ook v. Savigny, Sij\'st., I, bl. 361 en de andere ook bij Mr. Opzoomeb, ad h. t. aangehaalde schrijvers. Zie verder uitvoerig over deze belangrijke vraag Diephüis, V, blz. 239—249, die ons stelsel huldigt, en de aldaar aangehaalde litteratuur in verschillenden zin. Vgl. ook Léon , B. ïf., nitg. Assek, en supplquot;. Rombach, ad art. 353, aant. 1. Mr. Opzoomer komt voor ons positief recht tot een ander resultaat. Een gevolg van de door ons aangenomen leer is dat het ouderlijk gezag ten aanzien van kinderen, die nog slechts één hunner ouders in leven hebben zich oplost in voogdij ; en tevens dat ouderlijk gezag, in den eigenlijken zin, ook niet aanwezig is ten aanzien van natuurly ke erkende en nog niet gewettigde kinderen , vermits die sedert hunne erkenning onder voogdij staan, al moge uit art. 361 ook een argument voor het tegendeel kunnen worden geput.
De onmogelijkheid voor den vader om de macht uit te oefenen kan voortvloeien zoowel uit feitelijke belemmering door ziekte, krankzinnigheid, afwezigheid enz., als uit wettelijke verhindering, indien hij volgens de bepalingen der Strafwet van het oudefly k gezag is ontzet (zie art. 28 W. v. Strafr.). Ontzetting van de moeder alleen zal op het ouderlijk gezag van den vader zonder invloed zijn.
Volgens het Wetboek van Strafrecht, art. 30 en 31, kan entzetting van de vaderlyke macht in vele gevallen plaats hebben, en
350
O U D E E L IJ K GEZAG. ONTZETTING.
wel wat den duur betreft bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf — voor het leven, bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis — voor een tijd den duur der hoofdstraf van 2—5 jaren te boven gaan; bij veroordeeling tot geldboete — voor een tijd van 2—5 jaren. Inzonderheid als de vader de veroordeelde is, kan die tijdelijke ontzetting in het huisgeziu zonderlinge toestanden doen geboren worden, vooral als men bedenkt dat de vader zijne maritaie macht blijft behouden, en dus wel tegenover zijne vrouw, maar niet tegenover zijne kinderen het noodige gezag kan handhaven; terwijl de kinderen omgekeerd meer gehoorzaamheid aan de moeder dan aan den vader verschuldigd zullen zijn.
Deze toestand eischt dringend regeling, en het blijft de vraag of\' deze voldoende kan geschieden zonder derden met de zorg over de kinderen, of althans met een zeker recht van toezicht te belasten, hetgeen echter met het oog op den huiselijken vrede nieuwe bezwaren oplevert.
Eene vraag die rijpelijk overweging verdient is deze, of niet aan den burgerleken rechter de bevoegdheid zou moeten worden verleend, heide ouders uit hun gezag te ontzetten, indien zij zich aan verregaande mishandeling of exploitatie van het kind schuldig maken, of om redenen van onzedelijkheid, dronkenschap als anderszins; in welk geval door eene datieve voogdy in het belang der kinderen zou kunnen worden voorzien.
351
Het geval van verhindering van den vader door afwezigheid is nader in art. 552 B. Wquot;. geregeld, alwaar bij gemis van beschikkingen van den vader deswege, de moeder overeenkomstig art. 355 in zijne plaats is aangewezen; evenwel is hier aan bloedverwanten of aangehuwden van den vader een zeker recht van verzet toegekend; in andere gevallen is zoodanig verzet onbekend. Art. 553 en 554, aangevuld door art. 8 der wet van 26 April 1884 (Stbl. nquot;. 93), voorzien door provisioneele maatregelen van den kantonrechter in het geval dat het kind geheel verlaten achterblijft. \')
\') Eene groote afwijking van beginselen treft men ten deze in het Ontwerp 1886 aan. Daarin toch wordt uitdrukkelijk bepaald dat minderjarigen staan onder ouderlijk gezag of voogdij (art. 329) en in verband hiermede dat na den dood van een der ouders het ouderlijk gezag bij den overblijvende berust (art. 338), terwijl de voogdij eerst aanvangt na den dood van beide ouders (art. 377 en v.), of daarmede gelijk gesteld verlies door beiden van het ouderlijk gezag (art. 345). Ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt door den rechter ten opzichte van ieder kind beslist, wie der ouders het gezag daarover zal uitoefenen , terwijl bij minnelijke scheiding van tafel en bed de uitoefening van dat gezag in de akte wordt geregeld (art. 332). Art. 334 regelt het ouderlijk gezag ten aanzien van onwettige kinderen. Het ouderlijk gezag kan worden verloren door nieuw huwelijk van dengene, die het gezag over een kind uit een vorig huwelijk heeft, tenzij hij daarin
ouder], ijk gezag. begin. einde.
Het ouderlijk gezag vangt aan :
a. met de geboorte van wettige kinderen;
h. met de wettiging van natuurlijke erkende kinderen;
Voor het geval dat men aanneemt dat het ouderlijk gezag over natuurlyke kinderen nevens de voogdij bestaat, leze men: met de
erkenning van natuurlijke kinderen.
Zie omtrent de weglating ten onzent van de adoption en tutelle officieuse, Asser, Verg. § 234.
Het eindigt:
a. door den dood van het kind ;
h. door den dood van één der ouders;
Voor het geval dat men aanneemt dat ouderlijk gezag en voogdij beide te zanien kunnen bestaan, zegge men: door den dood van beide ouders, en bij natuurlijke kinderen door den dood van hem, die het kind heeft erkend.
c. door meerderjarigheid van het kind, zoowel door het bereiken van den 23jarigen leeftijd, als door eerder huwelijk of meerderjarigverklaring (art. 385, lid 1 en 2, art. 474 j0. 478);
door den kantonrechter worde gehandhaafd; soortgelijke bepalingen gelden ten aanzien van het gezag over onwettige kinderen. Herstelling in het aldus verloren geza^ is niet uitgesloten (art. 338—343). Door den burgerlijken rechter kan ontzetting uit het ouderlijk gezag worden uitgesproken wegens 1°. bekend slecht levensgedrag; 2°. verregaande ver-waarloozing van de verplichting tot onderhoud en opvoeding; 3°. het uit winstbejag noodzaken van het kind tot overraatigen arbeid. De tweede afdeeling van dezen titel regelt het ouderlijk gezag ten opzichte van den persoon des kinds (art. 346—349), en volgt in groote trekken de overeenkomstige afdeeling van het B. W. De derde afdeeling van het ouderlijk gezag ten opzichte van de geldelgke belangen des kinds levert veel analogie op met de bepalingen omtrent voogdij; na ontbinding van het huwelijk, hij scheiding van tafel en bed, en ten aanzien van onwettige kinderen wordt aan hem, die het ouderlijk gezag uitoefent een raadsman toegevoegd, op wien over het algemeen de bepalingen van de toeziende voogdij van toepassing zijn (art. 352). De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent kan daarvan desgevraagd door den kantonrechter worden ontheven (art. 354). Hem, die het gezag uitoefent, kan het beheer worden ontnomen ingeval van 1°. onbekwaamheid of plichtverzuim; 2°. faillissement of kennelijk onvermogen; 3°. tegen hem uitgesproken scheiding van goederen (art. 355), als wanneer een beheerder door den kantonrechter wordt benoemd, ais-mede een raadsman om hem ter zijde te staan (art. 356). Het bij de vierde afdeeling geregelde wettelijk vruchtgebruik wijkt niet belangrijk af van de bepalingen in het B. quot;W. dienaangaande voorkomende. Het vruchtgebruik blijft bestaan, zoolang het ouderlijk gezag duurt (art. 359); de vervroegde meerderjarigheid (op 21jarigen leeftijd, art. 329) maakte het bij art. 366 B. W. bepaalde, omtrent het einde van het recht op 20jarigen leeftijd van het kind, overbodig. De bepalingen omtrent verlies van het vruchtgebruik zijn aanmerkelijk verzacht (art. 362, 363).
352
353
OPVOEDING.
onderhol- d.
ouderlijk 6 e z a. g.
De beperkte handlichting (art. 480 en v.) heeft alleen eene meerdere of mindere beperking van het ouderlyk gezag ten gevolge.
d. door ontzetting, krachtens veroordeeling door den strafrechter (art. 28, 30 W. v. Strafrecht).
Zie hierboven, bl. 350 en 351, omtrent den invloed van de bepalingen van het Wetboek v. Strafr. op het burgerlijk recht.
Vgl. met een en ander het Ontw. 1820, art. 520.
Het ouderlijk gezag betreft:
a. den persoon van het kind;
h. diens goederen, en wel 1°. het beheer daarvan, 2°. het vruchtgenot.
De rechten betreffende den persoon, als behoorende tot het wezen van het ouderlijk gezag, kunnen door geene overeenkomst worden opgeheven of beperkt (art. 195, lid 1); die betreffende de goederen kunnen somtijds door andere bepalingen worden beheerscht (art. 362, lid 2, art. 368, 2°.). Zie v. Hall, bl. 324.
a. Ouderlijk gezag ten opzichte van den persoon van het kind.
De grond van toekenning dezer macht is gelegen in de verplichting van beide ouders tot onderhoud en opvoeding van hunne minderjarige kinderen \'), uitgedrukt in art. 353, lid 2 B. W., nader vermeld in de artt. 159, 285, lid 2, 367, 2°. Vgl. de hiermede samenhangende artt. 375 en v., 1142 en 1143 B. W.
Vgl. bl. 204 en v. supra, waar van de onderlinge verplichting der ouders tot onderhoud en opvoeding der kinderen sprake is, en bl. 302 en v. over de gevolgen van echtscheiding ten aanzien van de kinderen.
Het onderhoud omvat in het algemeen voeding, kleeding en huisvesting. Zie omtrent het begrip van alimenta: Javolenus, 1. 6 D. de alim. vel cib. leg. (34, 1).
De uitgestrektheid dier verplichting is verschillend, naarmate van verschillende omstandigheden; zij zal steeds afhangen van het vermogen der ouders en van dat van het kind (art. 285, lid 2, art. 367, 2°.; vgl. art. 379, 380). De huisvesting zal in den regel in het
\') Deze verplichting tot onderhond en opvoeding is geenszins een uitvloeisel van het ouderlijk gezag, maar berust op den band, die door afstamming tusscben ouders en kinderen bestaat. Van daar dat ook natuurlijke kinderen hetzelfde recht op onderhoud en opvoeding hebben (art. 361), terwijl wij te hunnen aanzien ongaarne van ouderlijk gezag spreken.
Asser, lïurgerl. Recht. 1. 3e druk. 23
854 ouderlijk gezag. opvoeding. vebbluf.
onderlijk huis geschieden (arg. art. 856, j°. 382); zoo althans wordt het door den wetgever doorgaans voorondersteld.
Omtrent de opvoeding en de daartoe vereisehte kosten zijn nog minder regelen aan te geven. Ook hier levert de wederzydsche gegoedheid een maatstaf op, maar daarnevens moet met maatschappelyken stand, natuurlijke begaafdheid, gezondheid en neiging van het kind worden te rade gegaan. Het kind heeft geene rechtsvordering tegen de ouders tot het verschaften van eenen stand, beroep of bedrijf (art. 375). Zie verder in art. 1143 de bepaling dat de kosten van onderhoud en opvoeding, de uitkeeringen tot noodzakelijk levensonderhoud , de uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf\', de kosten van studie, plaatsvervanging of nnmmerverwisseling, enz. niet aan inbreng zijn onderworpen; een voorschrift , voortvloeiende uit het beginsel dat hier geene gift aanwezig is, maar de ouders veeleer aan eene op hen rustende verplichting hebben voldaan.
Men zal aan het kind eene vordering moeten toekennen om de ouders tot het onderhouden en opvoeden te noodzaken, althans voor zoover die verplichting zich in eene stoffelijke bijdrage oplost. Men mag zulks afleiden uit art. 375 B. W., dat bepaalt waartoe zich de vordering niet uitstrekt. Trouwens het verleenen van een op geld waardeerbaar recht doet het bestaan eener daaraan beantwoordende vordering vooronderstellen. Zie Ontw. 1820, art. 3181. Vgl. van Hall, hl. 325, die hier bijvoegt dat het kind in dat geval, op grond van art. 365, aan den rechter (zijnde nu den kantonrechter) de aanwijzing van eenen bijzonderen curator moet vragen.
Het kind mag zonder toestemming van zijnen vader het ouderlijk huis uiet verlaten (art. 356).
Een voorschrift, waarvan de nood zakelijkheid voortvloeit uit de verplichting der ouders, om voortdurend voor de belangen van het kind te waken.
Onder ouderlijk huis moet men mede begrijpen zoodanige verblijfplaats of inrichting tot opvoeding, als de vader tot verblyf voor het kind heeft bestemd, of aan het kind door de wet of den rechter is aangewezen (van Hall, hl. 326; Diephuis , bl. 263). In den Code was bij art. 374 eene uitzondering gemaakt voor hen, die zich op 18jarigen leeftijd vrijwillig tot den krijgsdienst verbonden. Deze bepaling, die geheel en al met de Fransche begrippen omtrent den militairen stand samenhangt, is ten onzent niet overgenomen (Assek, Verg. § 220). In Frankrijk is het artikel aanmerkelijk gewijzigd bij de wet van 21 Maart 1832, art. 32, 5°.
O U D E R L IJ K GE Z A G.
355
V A S T Z E T T I X G.
Bij liet bestaan van gewichtige redeneu van misnoegen kan de arrondissements-rechtbank, op het verzoek van den vader of van de moeder (als zij de langstlevende en niet hertrouwd is), het kind op hunne kosten in verzekerde bewaring doen stellen op zoodanige plaats als de rechtbank, op voordracht des vaders of van de moeder, zal bepalen (art. 857, 358). Zulks kan geschieden ten aanzien van kinderen beneden de 15 jaar, voor niet langer dan 3 maanden; voor kinderen boven dien leeftijd , voor hoogstens één jaar.
De wet veroorlooft stilzwijgend het handhaven der ouderlijke tucht op eigen gezag, door gepaste middelen, bij het bestaan van minder ernstige redenen van ontevredenheid. Hoever dit recht zich mag uitstrekken, waar de ouderlijke tucht ophoudt en de strafbare mishandeling begint, is niet onder een algemeenen regel te brengen. Het hier toegekende recht van vastzetting is het laatste hulpmiddel van het ouderlijk gezag, onmachtig om zich door andere middelen te doen gelden; het draagt uit den aard der zaak weinig vruchten.
De rechtbank kan het verzoek toestaan, na het openbaar ministerie te hebben gehoord; in den regel zal de rechter het kind zelf voor zich doen verschijnen, ofschoon zulks niet is voorgeschreven; geene gerechtelijke formaliteiten zijn in acht te nemen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin echter de redenen niet zullen mogen worden uitgedrukt (art. 357, lid 2 en 3). Bij aanvrage door de moeder als langstlevende beslist de rechtbank, na verhoor van twee uit de naaste vaderlijke bloedverwanten (art. 358); niet alzoo als de moeder optreedt ter vervanging van den vader.
De onderscheiding in den Code, art. 376 en 377, gemaakt tusschen opsluiting par voie Wantorité en par voie de requisition is ten onzent vervallen.
De vastzetting kan voor den bepaalden tijd worden opgeheven;
«. door den vader, of bij gebreke, van dien door de moeder, zonder eenige formaliteit (art. 359);
Üok zonder dat het openb. min. wordt gehoord, gelijk mei- zou meenen uit een regeeringsantwoord, abusievelijk bij Voorduin, ad art. 359, gerelateerd (zie Noobdziek, Gesch. 1822—1823, II, bl. 121).
|3. door den hoogen rechter (het geregtshof), op verzoekschrift van het kind, na verhoor van den vader of van de moeder en van het openbaar ministerie (art. 360).
Het kind kan eerst na zijne vastzetting daartegen opkomen; het mag de ten uitvoerlegging niet schorsen of vertragen.
23*
O ü D E R L IJ K GEZAG.
Opmerking. Bij art. 361 B. W. zijn alle bepalingen der eerste afdeeling van den 15™ titel, met uitzondering van het verhoor van de vaderlijke bloedverwanten ook toepasselijk verklaard op natuurlijke wettelijk erkende kinderen en hunne ouders. In het door ons aangenomen stelsel behoort de verhouding van zoodanige kinderen tot hunne ouders onder de voogdij te worden gerangschikt. Vgl. art. 408, 441 en 442 B. W., uit welke artikelen nagenoeg dezelfde rechtsgevolgen voortvloeien; terwijl de verplichting tot onderhoud veeleer uit de verhouding van afstamming tusschen den vader of de moeder en het kind voortvloeit.
b. Ouderlijk gezag ten opzichte van de goederen van het kind.
Het ouderlijk gezag ten opzichte van de goederen van liet kind bevat het beheer of bewind en liet wettelijk vruchtgenot.
Gedurende het bestaan van het ouderlijk gezag is het beheer der goederen bij den vader (art. 362).
Dit beheer, nauw samenhangende met de algemeene verplichting van den vader om voor de belangen van het kind zorg te dragen, is in vele opzichten gelijkvormig aan het beheer van den voogd. Ten aanzien van natuurlijke kinderen, die altijd onder voogdij staan, komt het vaderlijk beheer niet te pas, lost zich althans geheel op in de voogdij.
Het beheer brengt mede vertegenwoordiging van het kind in alle handelingen, waartoe het onbekwaam is.
Deze regel is niet rechtstreeks in de wet (even als bij den voogd in art. 441) uitgedrukt; de wet vooronderstelt echter de vertegenwoordiging op vele plaatsen. Zie b. v. art. 365, 1722, lid 1 in tegenstelling van lid 2,quot; en vooral 1484, waaraan het beginsel duidelijk ten grondslag ligt. In geval de vader een tegenstrijdig belang heeft met dat van zijne minderjarige kinderen, zullen deze worden\' vertegenwoordigd door eenen bijzonderen curator, daartoe door den kantonrechter te benoemen (art. 365 B. W., Wet van 18 April 1874 Stbl. n°. 68).
De vader, als bewindvoerder over de goederen van zijne kinderen, is daarvoor verantwoordelijk (art. 363).
De zorg, die hij voor de goederen moet dragen, is die van een goed huisvader; d. w. z. hij moet in alle opzichten op de meest nauwgezette wijze zijn plicht betrachten, en is voor elk verzuim aansprakelyk.
De verantwoordelykheid beperkt zich in den regel tot den eigendom
356
BEHEER DER GOEDEREN.
der goederen. Voor de vruchten is hij alleen verantwoordelijk, voor zoover hij daarvan geen vruchtgenot heeft (art. 363). De verantwoordelijkheid brengt verder de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording mede, die echter niet evenals bij den voogd aan bijzondere voorschriften is onderworpen. Ook heeft de minderjarige noch recht van hypotheek, nóch van praeferentie op des vaders goederen (anders bij voogdij art. 390, 1195, 7°.).
De vader tnag over de goederen zijner minderjarige kinderen uiei beschikken, dan inet inachtneming van de regelen, welke ten opzichte van het vervreemden van goederen, aan minderjarigen toebehoorende, ten aanzien van voogdij zijn voorgeschreven (art. 364, j0. 451 en v.).
Men denke derhalve aan het opnemen van gelden (anders te dien aanzien Diefhuis, V, bl. 277), vervreemden en verpanden van onroerende goederen, verkoopen of overdragen van effecten, schuldvorderingen en actiën. Ten aanzien van het aannemen eener schenking, voor zoover men dit hiertoe zou mogen rekenen, geldt blijkens art. 1722 een verschillend beginsel voor ouders en voogden.
Onttrokken aan het vaderlijk beheer zijn die goederen, welke hetzij bij akte onder de levenden, hetzij bij eene uiterste wilsbeschikking aan de kinderen zijn geschonken of gemaakt, onder bepaling dat die door een of meer uitdrukkelijk aangewezen bewindvoerders zullen worden beheerd (art. 362, lid 2). Vervalt dit bewind, om welke reden ook, dan komen de goederen onder beheer van den vader (eod., lid 3).
Onder deze bepaling is het wettelijk erfdeel niet begrepen; dit komt, vrij van elke willekeurige beschikking, aan den legitimaris. Het wordt niet vermaakt, maar door de wet verzekerd (Opzoomer, II, bl. 270, noot 3; vgl. van Hall, bl. 329).
Onder het Fransche recht was het twijfelachtig, of bij giften of beschikkingen van derden, het beheer van eenig goed van het kind aan den vader kon worden onthouden. Door de bepaling van art. 362 is men tot het vaderlandsch recht teruggekeerd (Asser, Ferg. § 224; v. Hall, t. a. p.; Dibphuis, V, bl. 271, noot 1).
Zie omtrent het verschil in stelsel tusschen art. 362, lid 3, en art. 1067 : Diephuis, bl. 272 en de aldaar aangehaalde schrijvers.
De vader kan gedurende de minderjarigheid van het kind ten allen tijde rekening en verantwoording van de bedoelde bewindvoerders vragen fart. 362, lid 4). Zie hieromtrent het verschil met art. 429 en 521, waar voor soortgelijke rekeningen termijnen zyn vastgesteld.
357
O ü ü E K L IJ K G E 7, A G.
Men wilde den vader niet aan termijnen binden, omdat er reden kan bestaan tusschentijds en onverwijld rekening te vragen (Vookduis, II, bl. 585 en v.), een beginsel dat volgens Diephuis enkele malen in kwelzucht zou kunnen ontaarden (t. a. p., bl. 273); men meende echter by de beraadslaging, dat de rechter in zoodanig geval de nood-zakelijkheid van het doen van rekening zou kunnen onderzoeken.
Volledigheidshalve zij hier vermeld, dat inlagen van minderjarigen in de Rijkspostspaarbank zonder tusschenkomst van hunnen vader of voogd zyn toegelaten, terwijl eveneens aan hen terugbetalingen kunnen geschieden, behoudens verzet van hunnen vader of voogd (art. 9 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. n0. 88).
Recht van vruchtgenot van de goederen van het kind (art. 306—374).
Het Eomeinsche recht kende aan den vader het vruchtgebruik toe van alle goederen, die het kind, hetzij uit de moederlyke nalatenschap, hetzij van elders bezat; alleen het puculmm castrense en quasi castrense vormden hierop eene uitzondering. Het Romeinsehe recht gold ook te dien aanzien slechts met geringe wijzigingen in de pays dn droit writ; in vele overige gewesten gold het droit de garde, hetwelk aan een der ouders (of somtijds grootouders en zelfs zydmagen) van den minderjarige het beheer over de goederen verleende, met zeker recht van vruchtgebruik, waar tegenover de verplichting bestond om in onderhoud en opvoeding te voorzien. Dit recht was naar den maatschappelijken stand onderscheiden in garde noble en duurde alsdan tot 20jarigen leeftijd voor zoons, en 15jarigen leeftyd voor dochters, en garde bourgeoise welke tot 14- en 12jarigen leeftijd duurde; het verviel in beide gevallen door het hertrouwen van den (jardien. Andere coutumes als b. v. die van Bretagne kenden aan de ouders geen recht toe op de goederen van het kind.
Het Oud-Hollandsch recht verleende aan de ouders alleen datgene, wat de kinderen, in de kost bij hen zynde, door winst of arbeid verwierven (de Groot, ƒ?«/., I : 6, § 1). Dit is een uitvloeisel van denzelfden geest van familie-eenheid die tusschen echtgenooten eene algeheele gemeenschap van goederen had ingevoerd (van- Hall, bl. 331). Andere inkomsten moesten de ouders voor de kinderen laten oploopen; hunne opvoedingskosten mochten echter daaruit worden betaald, „want een vader is niet gehouden sijn kind te voeden, dat self\'s heeft waaruit het onderhouden kan werdenquot; (v. Leeuwen , R. H. liegt, I ; 13, § 2). Min of meer vindt men deze beginselen terug in het W. Nap. v. H., art. 273—276, en het Ontw. 1820, art. 500—502.
De Code Napoléon, in groote trekken ten deze met ons wetboek
358
recht van vrucht ge n o t.
overeenstemmende, heeft vele van zyne bepalingen ontleend aan het aloude droit de garde, en aan de ouders eene schadevergoeding toegekend voor de zorg en de verantwoordelijkheid, aan de opvoeding der kinderen verbonden; die vergoeding bestaat in het vruchtgenot van meest alle goederen tot zeker tijdstip; hierdoor wordt tevens voor een goed deel de rekenplichtigheid van den vader opgeheven (vgl. bl. 356, 357 supra), en menig onaangenaam en ongepast rechtsgeding voorkomen (Toullieu, n0. 1060).
Evenmin als de verplichting tot onderhoud en opvoeding behoorde de wet o. i. het ouderlijk vruchtgenot als een uitvloeisel van het ouderlijk gezag te beschouwen; het eindigt doorgaans drie jaren vóór de meerderjarigheid; wordt in verscheidene gevallen verloren, terwijl het gezag blijft bestaan, en blijft omgekeerd in stand in gevallen, waarin volgens de hoven aangenomen leer het ouderlijk gezag heeft plaats gemaakt voor voogdij. Mr. Diephuis behandelt het vruchtgenot dan ook, uit een theoretisch oogpunt o. i. te recht, afgescheiden van het ouderlijk gezag, in deel V, § 25. Wij geven er echter de voorkeur aan niet noodeloos met de volgorde der wet te breken, vooral omdat vele schrijvers omtrent bovenstaande beschouwing eene andere meening zijn toegedaan.
Zie omtrent het gebruik van het woord vruchtgenot in plaats van vruchtgebruik o. a. van Hall, bl. 331, die het afkeurt, en Diephuis, V, bl. 188, die het verdedigt, wegens vele punten van verschil met het zakelijk recht van dien naam.
Gedurende het huwelijk heeft de vader en na de ontbinding de langstlevende vader of moeder het vruchtgenot van de goederen, die aan hunne kinderen toebeliooren, totdat deze den vollen ouderdom van twintig jaren hebben bereikt of eerder mochten zijn gehuwd (art. 306).
Volgens art. 384 C. N. duurde het vruchtgenot tot 18 jaar; bij het stellen van de minderjarigheid ten onzent van 21 op 23 jaar, heeft men ook den leeftijd, waarop het vruchtgenot eindigt, van 18 op 20 jaar gebracht. Het stellen van dien leeftijd, drie jaren jonger dan de meerderjarigheid, heeft iets willekeurigs, en mag worden toegeschreven aan de vrees dat de ouders, zoo het vruchtgebruik tot aan de meerderjarigheid voortduurde, hunne toestemming tot het huwelijk der kinderen uit eigenbelang zouden weigeren. Dit motief wordt reeds door de Maleville, ad art. 384 C. N., afgekeurd. Ook ten onzent vindt de bepaling geen algemeenen by val.
Aau het vruchtgenot zijn niet onderworpen:
1°. goederen, die het kind door afzonderlijken arbeid en vlijt mocht hebben verkregen (art. 368, l0.);
359
360 O U D E E L IJ K G E Z A e.
Het beheer van zoodanige goederen komt niettemin aan den vader toe; vgl. bl. 356 supra.
2°. goederen, die aau het kind zijn geschonken of bij uitersten wil gemaakt, ouder uitdrukkelijke bepaling dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zouden hebben (art. 368, 2°.);
Ook hier kan zoodanige bepaling het wettelijk erfdeel niet betreffen, al moge bet gevolg ook zijn dat het kind daardoor minder geniet, dan wanneer de beschikking het vruchtgenot aan het kind, ook ten aanzien der legitime, kon verzekeren; vgl. bl. 357 supra.
3quot;. goederen, die het kind heeft geërfd, door uit eigen hoofde als erfgenaam op te treden in eene nalatenschap, waarvan zijn vader of moeder wegens onwaardigheid was uitgesloten (art. 887, j0. 885);
Hij die wegens onwaardigheid van het recht van erfgenaamschap is verstoken, mag ook de vruchten van de goederen der erfenis niet genieten. In het geval van art. 959 (onbekwaamheid om voordeel uit een uitersten wil te genieten, in soortgelijke gevallen als by art. 885 voor erfopvolging in het algemeen is bepaald) kan verlies van vruchtgenot niet voorkomen, omdat aldaar ook de kinderen van den onwaardige zijn uitgesloten.
4°. de inlagen van minderjarigen in de Rijkspostspaarbank (art. 9 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. n0. 88).
Bestond er vruchtgenot ten aanzien van dergelijke inlagen, dan zou de rente niet mogen worden bijgeschreven, maar aan den vader of de moeder moeten worden uitgekeerd, hetgeen tot groote administratieve bezwaren aanleiding zou geven. Daarenboven geldt het slechts een gering belang, want aan denzelfden inlegger mag jaarlijks niet meer dan ƒ 21.12 rente worden te goed gedaan (art. 8, j0. 12 van voormelde wet).
Aan het vruchtgenot zijn de volgende lasten verbonden;
1°. de zoodanige, waartoe elk vruchtgebruiker verplicht is eu waarvan de ouders niet uit den aard der zaak zijn ontheven (art. 367, 1°., vgl. art. 829—853);
2°. het onderhoud en de opvoeding van het kind, overeenkomstig diens vermogen (art. 367, 2°.);
3°. liet betalen van renten en van interessen van hoofdsommen (art. 367, 3°.);
Renten (arrérages) en interessen verschillen daarin, dat alleen bij Je laatsten eene hoofdschuld voorondersteld wordt, terwijl de eersten
RECHT VAN V K ü c h T G E N O T.
in eene eeuwigdurende of levenslange uitkeering bestaan (» fonds perdu) van Hall, bl. 332.
Deze geheele bepaling is eigenlijk reeds begrepen onder n0. 1, betreffende de lasten, die op elk vruchtgebruiker drukken. Haar ontstaan is dan ook slechts langs geschiedkundigen weg te verklaren, vermits de wetgever aanvankelijk als last van het vruchtgenot ook de betaling van achterstallige renten en interessen had willen beschouwen, overeenkomstig de üoutume de Paris, art. 267. Met het weglaten van het woord „achterstalligequot; verviel het geheele doel der bepaling (v. Hall, bl. 332; Voord din , II, bl. 593; Diefhuis, V, bl. 194).
-1°. de begrafeniskosteu vau liet kind (art. 367, 4°.).
In den Code N., art. 385, stond ,.les frais funéraires et ceux de dernière maladiequot;. Volgens bijna alle Fransche schrijvers is hieronder te verstaan de begrafenis en de laatste ziekte van hem, van wien het kind had geërfd; hetgeen nl. rechtens was volgens het oude droit de garde. (Renüsson, de la Garde, Ch. 7; de Maleville, ad art. 385; Toul-liek, II, n°. 1069, en anderen). Alleen Delvincoürt en weinigen met hem zijn van eene andere leer. Ten onzent is zonder voldoenden grond de laatste meening tot wet verheven. De begrafeniskosten toch drukken in alle andere omstandigheden op den boedel, d. i. op de erfgenamen. De laatste ziekte is niet vermeld, omdat de kosten daarvan tot het onderhoud behooren, en dus reeds onder n0. 2 zijn begrepen (Asser, Verg. § 226).
Het vruchtgenot houdt op:
«. met 20jarigen leeftijd of eerder huwelijk van liet kind (art. 366);
Vgl. het aangeteekende op bl. 359 supra.
(5. door het overlijden van het kind (art. 369), of van beide ouders;
Het overlijden van één der ouders doet het vruchtgenot niet eindigen (art. 366), tenzij den langstlevende uit eenigen hoofde het vruchtgebruik mocht zijn ontzegd.
door het verzuim van den langstlevende der echtgenooteu om overeenkomstig art. 182 B. W. binnen den tijd van drie maanden eenen inventaris \'te doen opmaken (art. 370);
Het verlies van het vruchtgenot betreft volgens de wet alle de goederen, die aan den minderjarige toebehooren, derhalve ook de zoodanige, die deze later mocht verkrijgen. Ook schijnt het de bedoeling der wet te zijn dat eene latere inventarisatie het verloren
361
362 ouderl ij K gezag.
genot niet meer tot den langstlevenden echtgenoot doet wederkeeren (zie Diei\'hüis, V, bl. 200, 201; vgl. ook van Hall, bi. 333, 334; vgl. bl. 224 supra).
S. door tweede huwelijk vau de langstlevende moeder (art. 371);
Het doel des wetgevers is duidelijk. De moeder komt door tweede (of liever verder) huwelijk in eene andere familie; zij is onderworpen aan de maritale macht van iemand, die aan de vruchten van de goederen zijner stiefkinderen eene met het doel strijdige bestemming zou kunnen geven (vgl. Vookduin, II, bl. 595). Deze ratio leyis, die niet door alle schrijvers wordt beaamd (vgl. Opzoomer, ad h. t.), zou moeten medebrengen dat bij overlijden van den stiefvader de moeder weder het vruchtgenot herkreeg, hetgeen echter bezwaarlijk met de woorden der wet is overeen te brengen; over het geval dat het kind, na zoodanig overlijden van den stiefvader, krachtens erfopvolging of uit anderen hoofde goederen verkrijgt, wordt getwijfeld. Mr. tan Hall, bl. 334, acht hier vruchtgenot aanwezig, omdat niet wel sprake kan zijn van het ophouden van een vruchtgebruik hetwelk nu eerst kan ontstaan. Mr. Opzoomer, ad h. t. betwist dit, op grond dat het vruchtgebruik één geheel is, dat niet in onderdeelen mag worden verdeeld. Tot dezelfde conclusie komt Mr. Diephüis, V, bl. 199. Mag men echter niet met Mr. tan Hall op art. 368, 2quot;. wijzen, waar de wet zelve de onderscheiding erkent tusschen goederen, waarvan de vader wèl, en andere, waarvan hij niet het vruchtgenot heeft?
f. voor dengene der eclitgenooten, tegen wien eclitscheiding is uitgesproken of scheiding van tafel en bed, op zoodanigen grond als ook tot eclitscheiding had kunnen leiden.
Indien de eclitscheiding tegen den vader is uitgesproken, treedt de moeder niet vroeger in het vruchtgenot dan na het overlijden van den vader (art. 372, 288, j0. 301, 2e lid);
Vgl. het deswege aangeteekende op bl. 303 supra.
X,. door ontzetting uit de vaderlijke macht, krachtens strafrechtelijke veroordeeling (art. 28, 30, 31 enz. W. van Strafrecht).
Daar onze wet het vruchtgenot als een uitvloeisel van de vaderlijke macht beschouwt, zal na strafrechtelijke ontzetting uit dit gezag de sequele, het wettelijk vruchtgenot, eveneens verloren gaan.
Wanneer alleen de vader de ouderlijke macht heeft verloren, terwijl het huwelijk nog bestaat, schijnt men aan de moeder het vruchtgebruik niet te mogen toekennen. Alsdan toch is het eenig geval van art. 366
k e c h t van vkuchtgenot.
B. W. niet aanwezig, waarin aan de (langstlevende) moeder dat genot ten deel valt. De wet van 26 April 1884 (Stbl. nquot;. 93), houdende wijzigingen in het B. W. in verband met de nieuwe Strafwet, heeft dat geval niet voorzien, gelijk in het algemeen de wetgever ten deze mei ietwat ruwe hand in het hurgerly k recht heeft gegrepen en zich niet genoegzaam den invloed van vele strafbepalingen op dat recht voor oogen heeft gesteld. Vgl. hieromtrent bl. 350, 351 supra. Vroeger deed alleen eene veroordeeling op grond van art. 335 C. P. voor den schuldigen vader of moeder de „voordeelen, hem op den persoon en „de goederen van het kind gegevenquot; verloren gegaan.
Ook bij ophouden of verlies vau liet vruchtgenot rust op de ouders de plicht hunne kinderen te onderhouden en op te voeden (art. 358, lid 2); de wet zegt zelfs uitdrukkelijk dat, ingeval vau echtscheiding, deze verplichting voor beide ouders blijft bestaan, ofschoon de in liet ongelijk gestelde het vruchtgenot verliest (art. 285, lid 2; zie Asser, Verg. § 229).
In zoodanige gevallen heeft de kantonrechter (volgens de wet van 18 April 1874, Stbl. n0. 68) de bevoegdheid om aan de ouders uit de inkomsten der kinderen eene jaarlijksche uitkeering toe te leggen, ten einde gedurende hunne minderjarigheid tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed (art. 373).
Mag men deze bepaling uitstrekken tot goederen, waarvan de vader of de moeder het vruchtgenot nooit heeft gehad (art. 368, 1°. en 2°., 887 B. W.) ? Ontkennend beantwoord door Diephüis, V, bl. 206. Zie ter beantwoording van andere vragen, of b. v. de rechter een evenredig deel der inkomsten of het geheele bedrag kan toestaan, in plaats van eene vaste som te bepalen, enz. Mr. C. H. Gockinga, Ned. Jaarb. 1839, bl. 553 en v.; van Houten, W. n0. 108, 110; Diephüis, V, bl. 206 en v.; Üpzoomee, t. a. p., in verschillenden zin.
De vader of moeder van natuurlijke wettelijk erkende kinderen hebben geen vruchtgenot van de goederen aan die kinderen toebe-hoorende (art, 374).
Men vreesde dat anders de erkenning, die slechts ter voldoening aan eenen plicht moet strekken, zou kunnen ontaarden in een middel om zich stoff\'elyk voordeel te verschaffen (Nicolaï bij Voorduin , II, bl. 596).
Van toelage door den rechter kan dus hier evenmin sprake zijn. Vgl. Arr.Rb. Amsterdam, v. 6 Maart 1893, W. nquot;. 6370.
363
364 WEDERZIJDSCHE VEKPLICHTING TUSSCHEN OUDERS EN KINDEKEN.
B. Afgescheiden van den leeftijd der kinderen, en met uitbreiding tot sommige
bloed- en aanverwanten.
Een kiud, van weikeu leeftijd ook, is eerbied en ontzag aan zijne ouders verschuldigd (art. 353 J3. W.).
Dit voorschrift, dat overigens geheel op het gebied der zedekunde te huis behoort, is in het B. W. eenigszins ten onrechte geplaatst aan het hoofd der afdeeling, handelende over de vaderlijke macht ten opzichte van den persoon des kinds. Het voorschrift heeft op zichzelf geen practisoh gevolg, maar laat zich in meerdere of mindere mate in verband beschouwen met vele positieve wetsbepalingen.
Wij herinneren aan de toestemming tot het aangaan van een huwe-iijk, die zich ten aanzien van meerderjarige kinderen zelfs tot op hunnen SOjarigen leeftijd uitstrekt (art. 92, 99 enz), aan het verbod om lijfsdwang toe te passen tegen bloed- en aanverwanten in de opgaande linie (art. 587 Rv.); aan de bevoegdheid van ouders en kinderen om zich van het geven van getuigenis in zake van echtscheiding of scheiding van tafel en bed te verschoonen (art. 827 Rv.); aan het niet dan op klachte vervolgbaar zijn van versoheiden misdryven, tusschen ouders en kinderen gepleegd (art. 316, 319, 324, 338, 348, lid 2, 353 W. v. Strafr.).
Verplichting tot ouderhoud [alimentatie).
Terwijl vóór het tijdstip der meerderjarigheid op de ouders de verplichting tot onderhoud en opvoeding rust, bestaat er afgescheiden van den leeftijd eene wederkeerige verplichting tot onderhoud tusschen ouders en kinderen, en tusschen verdere bloedverwanten in de opgaande en nederdalende linie. Dezelfde wederkeerige verplichting bestaat tusschen natuurlijke erkende kinderen en hunne ouders, evenwel zonder uitbreiding tot verdere graden. Eindelijk strekt de wet de verplichting uit tot schoonouders en behuwdkinderen, met de hierna te noemen beperkingen.
Tot de verplichtingen, waartoe ouders kunnen worden genoodzaakt, behoort niet het verschaffen aan de kinderen van eenen gevestigden stand door huwelijksuitzet of op andere wijze (art. 375 B. W.). Dit beginsel, strijdende met het Romeinsche recht (lex 7 C. de dot. pro-mis s , 5, 11; 1. 19 D. de ritu nupt., 23, 2; 1. 14 C. de jur. dot., 5, 12), is overgenomen uit het Fransche gewoonterecht, waar als regel gold : „ne dote qui ne veutquot;.
De verplichting tot alimentatie wordt door onze wet beschouwd als opgelegd in het belang van zedelijkheid en openbare orde. Zij is door
verplichting tot onderhoud.
geene overeenkomst op te heffen (art. 384 B. W.). Op de tot onderhoud verschuldigde gelden kan volgens hetzelfde beginsel in den regel ook geen beslag worden gelegd (art. 756, 2°. Rv.); daardoor toch zouden de gelden aan hunne bestemming worden onttrokken en strekken , niet tot onderhoud, maar tot betaling van schulden; schuldverr/e-lijking is ten aanzien der alimentatiegelden geheel op dezelfde groiiden uitgesloten (art. 1465, 3°. B. W.). De verplichting gaat ook niet te niet, doordien de behoeftige door eenig armbestuur is of wordt ondersteund. De verleende onderstand kan op de bloed- en aanverwanten, die volgens het B. W. tot alimentatie verplicht zijn, worden verhaald, volgens de regelen, in art. 50 en 52 der Wet op het Armbestuur van 28 Juni 1854, Stbl. n0. 100, gesteld.
Is de verplichting tot alimentatie een ondeelbare last, drukkende op alle onderhoudplichtigen ? Zijn zij mitsdien hoofdelijk daarvoor aansprakelijk (art. 1337)? Bestaat er eene zekere rangorde, waarin men de bloed- of aanverwanten tot alimentatie moet aanspreken? Gaat de verplichting op hunne erfgenamen over? Omtrent al deze nauw samenhangende vragen bestaat groot verschil van meening tussohen de schrijvers.
De ondeelbaarheid der verplichting wordt thans vrij algemeen verworpen; zij kan alleen verdedigd worden met het beroep op het gezegde „nemo pro parte vivere potestquot;. Maar hoe waar het ook moge zgn dat het leven een ondeelbaar begrip is, zoo kunnen de levensbe-noodigdheden zeer goed van verschillende zijden toevloeien, en de verplichting tot het verschaffen van geld (waarin zich de alimentatie doorgaans oplost, art. 381), over verscheidene personeti worden ver-verdeeld. Zie Ofzoomer, ad h. t.; Diephüts, V, bl. 221 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie en schrijvers. Vgl. ook Lkon, B. IV., uitg. Asser, en Suppl. 1 , 3 en 5 Rombach ad art. 376, aant. 1.
Met de ondeelbaarheid valt ook het beste argument voor de hoofdelijkheid der verplichting weg; want bij gemis aan eene uitdrukkelijke bepaling deswege door de wet of partyen gemaakt, kan alsdan van hoofdelijkheid geene sprake meer zijn (art. 1318 B. W.). Zie dezelfde schrijvers en vooral het arr. H. R. van 7 Juni 1850, aangehaald bij jjéon , t. a. p.
De vraag naar de rangorde in de verplichting is van groot practisch belang, indien verschillende personen tot alimentatie verplicht zyn, die tot den behoeftige niet in dezelfde betrekking staan. Noch de Code, noch het B. W. bevatten eenige aanduiding hieromtrent. Mr. Op-zoomer, op het voetspoor van Marcadé en anderen, neemt op alleszins gewichtige gronden aan, dat de verplichting tot onderhoud allereerst drukt op wettige bloedverwanten, daarna op natuurlijke wettelijk
365
wedehzijdsche verplichting tot onderhoud.
erkende kindereu en hunne ouders, eindelijk op aangehuwden. In elke van die drie klassen gaat de nederdalende lyn vóór de opklimmende, en in iedere lijn de nadere graad vóór den verderen, met inachtneming van het begrip van plaatsvervulling. Het komt ons echter voor dat dergelyke rangregeling altijd iets willekeurigs behoudt. De gelijkenis, althans voor de twee eerste klassen, op erfrecht moge daaraan zekere wettelyke kleur verleenen, toch is het niet te ontkennen dat zelfs het gevoel niet geheel door die orde wordt bevredigd. Een behoeftige zal o. i. eer eenen vermogenden vader dan eenen vermogenden zoon om ondersteuning aanspreken. Liever vereenigen wij ons met hem (b. v. Diefhuis, V, bl. 217; Laurent, III, nquot;. 64) die elke rangorde verwerpen. Waar de wet niet onderscheidt is elke onderscheiding gewaagd; daarenboven, is het wel zoo ongerijmd als de behoeftige liever een vermogenden verderen bloedverwant dan een min-vermogenden zoon aanspreekt? en staat het niet bij het stelsel van niet-hoofdelijkheid eiken gedaagde vrij de mede-onderhoudplichtigen in het geding te roepen, opdat de rechter ten aanzien van allen den maatstaf van art. 379 zal kunnen toepassen? \')
Dat eindelijk de verplichting niet overgaat op de erfgenamen van dengene, die tot onderhoud verplicht is, mag nauwelijks worden be-twijfeld, ofschoon vooral de oudere Fransche schrijvers die vraag bevestigend beantwoorden. De verplichting is geene gewone verbintenis, die op de erfgenamen overgaat. De wet wijst bepaalde personen aan. die uit eigen hoofde wegens hunne betrekking met den behoeftige tot onderhoud verplicht zyn. Door die verplichting tot erfgenamen (tenzij deze tevens zelf onderhoudsplichtig mochten zyn) uit te strekken, zouden de wettelijke grenzen van de verplichting tot onderhoud worden overschreden. Zie hieromtrent Diephuis, V, bl. 223; Opzoomer, t. a. p.; Demolombe, IV, nquot;. 40; Laurent III, nquot;. 48.
Zie verder omtrent dit geheele onderwerp het acad. proefschrift van Mr. F. W. van Riemsdijk, Leiden 1885.
De wederzijdsciie verplichting tot onderhoud bestaat:
1°. tusschen wettige bloedverwanten in de rechte linie onbepaald (art. 376, 378);
3G6
2°. tusschen natuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne ouders (art. 383);
\') In het ontwerp 1886 is evenmin een rangorde aangenomen, maar integendeel bepaald dat de behoeftige zijne vordering tot onderhoud kan doen gelden tegen een of meer der daartoe verplichten (art. 322). Zie ook de aldaar geregelde wijze van rechtspleging.
wederzijdsche verplichting tot onderhoud.
3°. tusschen schoonouders eenerzijds en schoonzoons en schnon-dochters anderzijds (art. 377 , 378).
Deze laatste verplichting lijdt uitzondering in de volgende gevallen :
a. voor behuwdkinderen houdt de verplichting op fen aanzien van de hertrouwde schoonmoeder; voor de schoonouders, ten aanzien van de hertrouwde schoondochter (art. 377, 1°., 378);
Zoo althans vatten wij tegenover enkele schrijvers de in art. 378 bedoelde wederkeerigheid in logischen zin op. Het beginsel der wet is duidelijk dat de gealimenteerde door te huwen in eene nieuwe familie komt en dat inzonderheid de man thans voor het onderhoud te zorgen heeft. Deze ratio ley ia — zij moge juist zijn of niet — wordt miskend bij eene opvatting, alsof de hertrouwde schoonmoeder tevens van het onderhoud der behuwdkinderen bevrijd is. Vgl. Opzoomer, ad art. 377, § 1 en 378; zie voorts art. 321 Ontw. 1886, dat ten deze allen twijfel heeft uitgesloten, door de verplichting wederzyds te doen ophouden „wanneer hij die recht op onderhoud heeft, hertrouwt.quot;
b. wanneer degene der echtgenooten, door wien de zwagerschap bestond en de kinderen uit diens huwelijk met den anderen echtgenoot zijn overleden (art. 377, 2°.).
Deze bepaling is eene uitzondering op het beginsel dat volgens het burgerlijk recht zwagerschap niet door ontbinding des huwelijks te niet gaat (art. 352). Door den dood zoowel van den echtgenoot, die de schakel vormde met de schoonouders, als van de kinderen, zijn alle sporen van het huwelyk uitgewischt, en is de band met de schoonouders zoo los geworden, dat de verplichting tot onderhoud niet meer moet blijven bestaan. Niettegenstaande de gelykheid van reden schijnt men aan dit zeer speciale voorschrift geene uitbreidende uitlegging te mogen geven, voor het geval dat het huwelijk niet door den dood, maar door echtscheiding is ontbonden. Zie Mr. M. H. Gtodefroi, R. Bijhl. 1841, hl. 449—456; v. Hall, bl. 336; anders de Pinto, § 231. Vgl. art. 321 Ontw. 1886, dat in algemeenen zin spreekt van ontbinding van het huwelijk.
De regeling van het bedrag van het onderhoud geschiedt naar de behoeften eenerzijds en het vermogen anderzijds (art. 379, 380).
Een gelijksoortig beginsel, als bij art. 281, in zake van echtscheiding, en bij art. 915, ten aanzien van het noodige levensonderhoud van overspelige of bloedschennige kinderen is aangenomen. Volgens art. 380 kan bij vermindering van behoefte van den gealimenteerde
367
wederzijdsciie verplichting tot ondekhouu.
of bij verminderd vermogen van dengene die onderhoud geeft, door den rechter ontheffing of vermindering van het onderhoud worden verleend. Evenzeer mag men aannemen dat by vermeerderde behoefte of fortuin, vermeerdering van onderhoud mag worden toegekend. By eene tegenovergestelde leer zou het onderhoud ophouden, volgens het beginsel van art. 379, in evenredigheid van behoeften en vermogen geregeld te zijn (van Hall, bl. 335).
Het ouderhoud geschiedt in den regel door eene geldelijke uit-keering. Wanneer degene, die tot onderhoud verplicht is, bewijst buiten staat te zijn het daartoe vereischte bedrag uit te keeren, kan de rechtbank na onderzoek bevelen, dat hij den behoeftigen bloedof aanverwant bij zich in huis neme en aldaar van het noodige voorzie (art. 381).
Rust de verplichting op de ouders, dan kunnen deze zich door feitelijke huisvesting en onderhoud, zelfs zonder eenig rechterlijk onderzoek, van de verplichting tot geldelijke uitkeering bevrijden (art. 382).
Volgens het Fransche recht (art. 211 C. X.) was ook hier eene rechterlyke beslissing noodig om de ouders te ontheffen. Bij de behandeling onzer wet wenschte men dat stelsel te behouden, o. a. wegens de mogelijkheid dat het ouderlijk huis wel eens een onzedelijk verblijf voor het kind zou kunnen opleveren. Het is te betwijfelen of de gronden, die de Regeering voor het nieuwere stelsel aanvoerde, wel gewichtig genoeg zijn om het geopperde bezwaar voldoende te weerleggen. Zie Voorduin, II, bl. 599 en v. Het ontwerp 1886 (art. 325), keert dan ook tot het stelsel van het Fransche recht terug; terwijl daarbij verder ten aanzien van alle andere onderhoudsplichtigen enkel van onderstand in geld sprake is. Zie de Mem. v. Toe), ad art. 324.
§ 9-
LEEFTIJD. MINDERJAEIGHEID. VOOGDIJ. HANDLICHTING.
A. Algemeen gedeelte.
Invloed van den leeftijd op de rechtsbevoegdheid. Minderjarigheid , meerderjarigheid.
In elke wetgeving wordt een leeftijd aangenomen, beneden welken natuurlijke personen de bevoegdheid missen de meeste hun toekomende rechten zelf uit te oefenen; gedurende dien tyd worden zij vertegen-
368
L E E F T IJ D. MINDEKJARTGHEID.
woordigd en beschermd, hetzij door hnnne ouders of door dengene, die het onderlak gezag uitoefent, hetzy door voogden. In het Ro-meinsche recht — waar de omstandigheid dat men tot onbepaalden leeftijd onder de patrio, potestas verbleef, bij eene vergelijking met andere wetgevingen nooit uit het oog mag worden verloren — staat de huwbaarheid [pubertas) op den voorgrond. Deze werd voor jongelingen op 14-, voor meisjes op 12jarigen leeftijd aangenomen. Dooide lex Plaetoria en de keizerlyke verordeningen werd echter voorzien in den toestand van hen, die, ofschoon puberes zijnde, en dus de bevoegdheid tot handelen bezittende, echter wegens hunnen leeftijd nog ten aanzien van het vernogensrecht moesten worden beschermd. Wel is waar behoefde men, behalve in een enkel geval, geen curator tegen zynen zin te hebben, maar de gevolgen, aan het ontbreken van een curator verbonden, waren voor den minderjarige vrij bezwarend, zoodat feitelyk ieder Ronieinsch jongeling van een curator werd voorzien, die zijne toestemming moest geven tot alle vermogensrechtelijke handelingen, waardoor de toestand van den minor kon worden bezwaard. De Eomeinsche minderjarigheid bestond derhalve uit twee tijdperken; en de minderjarigen werden naar aanleiding daarvan onderscheiden in impuberes of pupilli (zij die beneden de 14 of 12) en minor es izy die minder dan 25 jaren oud waren). Eerst dan was de legitima aetas bereikt.
In het Germaansche recht komt het ten deze niet op de huwbaarheid, maar op het gemis aan mondigheid aan, of op de behoefte aan een voorspraak, verdediger, vertegenwoordiger, in wiens mundium men zich bevindt (van Hall, bl. 97).
De meest verschillende beginselen golden ten aanzien van den leeftijd der meerderjarigheid. In het Oud-Holl. recht was die leeftijd op 25 jaren gesteld (dk Groot , lui., I : 7, § 3), nadat oudtijds in Holland de leeftijd van 15 en 12 en daarna van 18 jaar voor de mondigheid was aangenomen, „zynde bij ons onbekent het onderscheydt, „\'t welk de Roomse Regten maken tusschen d\'eerste minderjarigheydt, „staende onder voogden ende de tweede staende onder verzorgersquot;.
In Frankrijk, waar de meerderjarigheid vroeger eveneens op 25 jaar werd aangenomen, is zij bij de wet van 20 September 1792 op 21 jaar gesteld en sedert zoo gebleven (art. 388 C. N.). Dezelfde leeftijd gold daar, waar de Code werd ingevoerd; volgens het Pruis-sische Landrecht, I : 1, § 26, werd men meerderjarig op 24 jaar, terwijl voor Israëlieten bij uitzondering de 20jarige leeftijd gold. Thans is echter door het Duitsche Reichsgesetz van 17 Febr. 1875, § 1 de leeftijd algemeen op 21 jaar gesteld.
Nadat het Wetb. Nap. v. H. (art. 289) de meerderjarigheid op
Asser, Burgerl. Recht. 1. 3e druk. 24
369
;-i70 minderjarigheid. m e e r d e u j a r i g h e i d.
23, het Ontw. van 1820 (art. 580) haar op 24 jaar had bepaald, koos men ten onzent als middelweg tnsschen den Code en het oudere recht den leeftijd van 23 jaar (art. 385).
Ook het huwelijk maakt iemand meerderjarig, terwijl door handlichting (yenia. aetatis) de minderjarige (mits boven de 20 jaar) meerderjarig kan worden verklaard (art. 473, 478).
De omstandigheid dat een overgroot aantal naburige staten de meerderjarigheid op 21 jaar hebben gesteld, maakt, by het toenemend internationale verkeer, gelijkvormigheid te dezen aanzien wenschelijk. Art. 329 Ontw. 188b stelt dan ook de meerderjarigheid op dien leeftijd (zie Mem. v. Toel. bl. 178).
Ofschoon het tijdstip der meerderjarigheid het meest gewichtige in \'s menschen leven is, met het oog op iemands rechtsbevoegdheid, zijn er een aantal positieve wetsbepalingen, die voor bijzondere gevallen een anderen leeftijd noemen tot de uitoefening van eenig recht of het verkrygen van eenig wettelijk voorrecht. Men denke aan den leeftijd van 15 en 16 jaren tot het afleggen van getuigenis, art. 1^49 B. W., 164 en 396 Sv.; van 18 en 16 jaar voor de huwbaarheid, art. 86 B. W.; van 18 jaar voor het maken van een testament, art. 944; van 19 voor de erkenning door den vader van natuurlyke kinderen, art. 337; van 18 en 20 voor beperkte handlichting en venia aetatis, art. 475 en 480; van 20 jaar voor het eindigen van het wettelijk vruchtgenot der ouders, art. 366; van 30 jaar voor het eindigen der verplichting tot het verzoeken van de ouderlijke toestemming tot het aangaan van een huwelijk, art. 99; van 60 en 65 jaar voor verschooning van de voogdij of curateele, art. 434, 4°., 506; van 70 jaar in zake van lyfsdwang, art. 585, laatste lid, 591, lid 2, Rv.; van 100 jaar bij afwezigen, die vermoedelijk overleden zijn verklaard, art. 540 B. W.
Minderjarigen zijn zij, die den vollen leeftijd van drie en twintig jaren nog niet hebben bereikt (art. 385, lid 1).
De toestand van minderjarigheid eindigt daarenboven:
a. door huwelijk (art. 385, lid 1);
Hier is men tot het vaderlandsch beginsel teruggekeerd, daar de Code Nap. bij art. 476 den onmondige, die in den echt trad, slechts beperkte rechten verleende. Zie verder art. 8 Overgangswet.
b. door liandlicliting of venia aetatis (art. 473 en v.).
Eveneens een terugkeer tot het Oud-Holl. recht; de Groot, Inl., I : 6, § 4. In het Fransche recht bestond de volkomen handlichting niet, en daaraan was dan ook bij de vroeger intredende meerderjarig-
MINDERJARIGH0ID. MEERDEHJARIGHEID.
heid geen behoefte. Onze wet zegt in art. 473 dat de minderjarige door handlichting meerderjarig wordt verklaard, en daarentegen in art. 478 dat by met den meerderjarige gelijk staat. Het verschil is niet belangrijk. Op het voetspoor van ue Gkoot, t. a. p. en van het Ontw. 1820, art. 581 , beschouwen wij hem liever als in werkelijkheid meerderjarig. In het Ontw. 1886 komt de venia aetatis in verband met den vervroegden leeftijd der meerderjarigheid niet meer voor.
Ontbinding van het huwelijk vóór den ouderdom van 23 jaar heeft geen invloed op de eenmaal verkregen meerderjarigheid (art. 385.; lid 2;.
De eenmaal verkregen staat blijft bestaan. Hetzelfde beginsel is gehuldigd in art. 5 der Overgangswet ten aanzien van hen, die by de invoering van het B. W. hunne meerderjarigheid hadden bereikt.
Minderjarige wettige kinderen zijn gedurende het leven van hunne beide ouders onderworpen aan het ouderlijk gezag (zie. § 8 A supra, bl. 348 en v.).
Zij, wier ouders een van beiden of beiden zijn overleden of beiden ontzet zijn van de vaderlijke macht, alsook natuurlijke erkende kinderen, staan gedurende hunne minderjarigheid onder voogdij (art. 385 , lid 3 B. W., aangevuld bij art. 4 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93, art. 408 B. W.).
Indien slechts één van beide nog in leven zijnde ouders van de vaderlijke macht is ontzet, beslaat er derhalve volgens gemelde wijzigingswet geene voogdij. Dit blijkt ook rechtstreeks uit art. 8 dier wet. Toch zou het ernstig overweging verdienen ook hier eene voogdij te doen intreden; vooral bestaat er in dat geval dringend behoefte aan een met eenige macht bekleeden raadsman of toezienden voogd. Degene toch die van het ouderlijk gezag ontzet is, zal veeleer de handelingen van den anderen der ouders tegenwerken, dan hem daarin steunen, en den vader vooral zal het, bij het ongekrenkt voortbestaan der maritale macht, niet moeielijk vallen alle maatregelen van de moeder ten opzichte der kinderen te verijdelen (vgl. bl. 350, 851 supra).
üit het bij art. 7 der wet van 26 April 1884 (Stbl. n®. 93) ge-wijzigde art. 468 B. W. volgt, dat het de bedoeling is dat de bij die wet ingestelde voogdy slechts een tijdelijk karakter heeft en wederom plaats maakt voor het ouderlyk gezag, zoodra een der ouders dat weder kan uitoefenen. Beter ware het geweest zulks rechtstreeks te zeggen, en niet eerst ter gelegenheid van de rekening en verantwoording der voogdij; dit begreep men beter bij het geheel analoge geval, voorzien bij art. 6 dierzelfde wet (art. 440fl, lid 5, B. W.).
371
24*
V O O G D IJ. ALGEMEENE BEGINSELEN.
B. Voogdij. Al ge mee ne beginselen.
Begrip der voogdij.
Het belang van eene welgeordende maatschappij eischt dat een ieder, die wegens zijn leeftijd bescherming behoeft, bij gemis aan onderlak toezicht onder voogdij worde gesteld (Inst. I ; 20, § 6). Dientengevolge beval elke wetgeving een stel vry gelykvormige bepalingen omtrent het begrip van voogdy, de macht van den voogd, diens verplichtingen, het toezicht op hem uit te oefenen, enz. Bij diepere studie bespeurt men echter eenige niet onbelangrijke punten van verschil, inzonderheid tusschen het Romeinsch en Germaansch rechtsbegrip der voogdy. Terwyl de oorsprong van alle voogdij moet worden gezocht in het belang van den minderjarige, treedt daarnevens volgens het eene recht het staatsbelang, volgens het andere het familiebelang meer op den voorgrond (zie Oiv.oomer, ad tit. 16 B. W., en de daar aangehaalde schrijvers). Verder beschouwde men volgens Romeinsche begrippen de voogdy niet enkel als een plicht, maar evenzeer, ja meer nog, als een recht. By gemis aan een door den vader benoemden testamentairen voogd behoorde toch de voogdij bij voorkeur aan hen, die by overlijden van den minderjarige tot diens nalatenschap waren geroepen (Inst. I : 17 „plerumque, ubi successionia est emolu-mentum, ïbi et tutelae onus esse debetquot;) en strekte dus de voogdy niet alleen in het belang van den minderjarige, maar ook zijdelings in dat van den voogd.
Aan de testamentaire voogdij werd schier overal de eerste plaats ingeruimd, ofschoon in de toepassing veel verschil bestond. Zoo had volgens het Romeinsche recht alleen de vader de met de patrio, potestas samenhangende bevoegdheid eenen voogd te benoemen; ten onzent, zoowel de vader als de moeder (de G-root, I : 7 § 9).
Terwyl in het Romeinsche recht eerst de testamentaire voogdy in aanmerking kwam, daarna de wettelijke, die in vele soorten werd verdeeld (Inst. I : 15—19, Nov. 119) en eerst in de derde plaats de voogdij ten gevolge van eene benoeming door de overheid (datieve voogdy), bestond in het Oud-Bollandsch recht alleen de testamentaire en de datieve voogdij, behalve in het land van Voorn, waar de langstlevende der ouders en bij gebreke daarvan de oudste en naaste bloedverwant, bij voorkeur van vaderszyde, voogd was (de Gbooï, 1: 7 § 7, 8).
Ten onzent, even als volgens den Code, heeft men allereerst de voogdy van den langstlevende der ouders; slechts deze kan bij testament of andere akte eenen voogd benoemen; daarna volgt ten onzent de datieve voogdy; terwyl in \'het Fransche recht evenals in het
372
373
FAMILIERAAD.
w ees-
en m o m b o i u k a m e r s.
Wetboek van 1830 eerst nog de voogdij der ascendenten in aanmerking kwam \').
Geheel op zich zelf staat daarnevens de voogdij over kinderen, die in eenig gesticht van weldadigheid zijn opgenomen.
Een kenmerkend onderscheid tussehen het Nederlandsche en Fransche recht is verder gelegen in den gewijzigden invloed van de familieleden op de benoeming van den voogd en het toezicht op velerlei van diens verrichtingen. De Code regelde in art. 405 en v. den „nonseil de familiequot;, bestaande uit zes bloed- of aanverwanten, en bij gebreke van een voldoend aantal zelfs uit medeburgers, onder voorzitterschap van den vrederechter, die bij verdeeldheid van stemmen eene overwegende stem had. Dergelijke familieraad, die eenige overeenkomst had met de vier viereudeelen, die ter benoeming van eenen voogd oudtyds ten onzent moesten samenwerken (Handvesten bij Keyzerin Margariete aen die van Noordt Hollandt gegeven in 1340) is ten onzent niet behouden. Evenals in het latere Oud-Holl. recht „beeter is gevonden dat zulks „(de benoeming) zoude geschieden bij de overheydtquot; (Hof v. Hollandt, gerechten van de steden of ten platten lande, of wel de weeskamers) na verhoor van de „naeste Magenquot; (de Groot, hd. 1:7, 10), zoo beperkt zich ook thans ten onzent de medewerking der bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van voorlichting aan den rechter, met recht van hnoger beroep (art. 388 B. W., art. 2 der wet van 18 April 1874, Stbl. nquot;. 68). Zie omtrent de redenen, die den wetgever tot afschaffing van den familieraad hebben geleid: Asser, Verg. § 238; vgl. de Pinto , B. W. II, § 241.
Niettegenstaande de afschaffing van de voogdij der bloedverwanten {geboren voogden, bloedvoogden) geldt nu even als voorheen het beginsel dat de overheid kiest „uyt de naeste Magen, zooverre het eenig-„sints met oirbaar van de Wesen kan geschiedenquot;. Een vreemde toch kan zich van de voogdij verschoonen indien er nabestaanden in het arrondissement aanwezig zijn, in staat de voogdij uit te oefenen (art. 433 B. W., 432 C. N.).
Groot was in ons land (behalve in Friesland) de invloed der plaat-selyke besturen of van de hen vervangende Wees- of Momboirkamers 2), wier gezag zoo groot was, dat zij met recht konden gezegd worden
1) In het Ontwerp 1886 is, in verband met de gewijzigde beginselen omtrent ouderlijk gezag, de voogdij van den langstlevende der ouders vervallen, en heeft men dus alleen de testamentaire en de datieve voogdij , benevens die over minderjarigen, die, door eene instelling van weldadigheid worden verpleegd (art. 377, 379, 381 en v.).
*) Momboir of Mond-hor;/ is eene oude benaming voor Voogd (v. Leeuwen, R. H. Reyt, I: 16, 1).
wees- en m o m b o i r k a m e k s.
tie oppervoogdy te bekleeden, terwijl de voogden niets anders waren dan de werktuigen in de handen der Weeskamer, waardoor deze de voogdij uitoefende (ue Pinto, B. W. II, § 241). In het Wetb. N. v. H., art. 301 en v., kwamen zy nog voor; eveneens in de artt. 599- 604 Ontw. 1820.
De ondervinding pleitte echter niet ten gunste van de weeskamers die ook niet zelden, waar zulks geoorloofd was, van de bemoeienissen eerbiedig werden uitgesloten; maar zelfs daaraan gehoorzaamden niet alle weeskamers, ofschoon ten onrechte, en tegen het gevoelen van de rechtsgeleerden (van Leeuwen, I : 16, § 3).
De opheffing van de werkzaamheden der Wees- en Momboirkamers voor het vervolg kon echter geen einde maken aan de voortzetting van de aan die collegiën eenmaal opgedragen en toevertrouwde belangen, en de vereffening van de zich onder haar bevindende boedels en nalatenschappen. Daartoe zijn bij Kon. Bes), van 1 April 1835, Stbl. n0. 5, maatregelen genomen. Ter vereenvoudiging en bespoediging zijn bij de wet van 5 Maart 1852, Stbl. n0. 45, de besturen der voormalige Wees- en Momboirkamers en van alle soortgelijke instellingen ontbonden en eene Algemeene Commissie voor de liquidatie harer zaken in het leven geroepen. Nadat door deze Commissie de vereffening genoegzaam had plaats gevonden en volgens de wet van 1852 velerlei aanspraken door verjaring waren te niet gegaan, is by de wet van 14 Nov. 1879, Stbl. nquot;. 197. de Algem. Commissie ontbonden , en de liquidatie van enkele byzondere zaken aan den Minister van Finantiën opgedragen. Zie over de Weeskamers en hare geschiedenis de door Mr. Diephuis, V, bl. 283, noot, vermelde geschriften van Mrs. D. H. Levyssohn Norman en E. Bebqsma.
In Nederlandsch Indië zyn de Weeskamers bij art. 415 en v. Ind. B. W. gehandhaafd. Zy kunnen niet worden uitgesloten van de bemoeienissen, die haar bij de wettelyke bepalingen zijn opgedragen (art. 418). Hare werkzaamheid bestaat inzonderheid in het waarnemen der toeziende voogdij (art. 366 en v. Ind. B. W.). Kan de voogd geen genoegzame zekerheid stellen, zoo hebben zij ook het beheer over de goederen der minderjarigen (zie art. 338 Ind. B. W.). Wegens de groote afwisseling van de Europeesche bevolking in Indië schynt aldaar het bestaan van vaste collegiën, tot behartiging van de belangen der minderjarigen, meer gerechtvaardigd.
Ondeelbaarheid der voogdij.
Tn iedere voogdij is slechts één voogd (art. 386 B. W.).
Anders in het Eomeinsch en Üud-Hollandsch recht, waar meer voogden in dezelfde voogdy waren toegelaten; hetzelfde gold nog in
374
ONDEELBAARHEID I) K K V O O G ü IJ.
het W. N. v. H., art. 291, volgens hetwelk tot onderscheidene gedeelten der voogdij verschillende personen konden worden aangesteld, de een voor de opvoeding, de ander voor de goederen; vgl. ook art. 587 Ontw. 1820. De ondeelbaarheid der voogdij, door de meeste Fransche rechtsgeleerden aangenomen, zie Locké, VI, bl. 128, is uitdrukkelijk ten onzent door de wet uitgesproken.
Aan dit beginsel wordt niet in werkelijkheid gederogeerd door de artt. 401, volgens hetwelk de vader aan de moeder een bijzonderen raadsman kan toevoegen (vgl. bl. 378), 406, betreffende medevoogdij van den man der moeder-voogdes (vgl. bl. 380) en 418, hetwelk de aanstelling van bewindvoerders over goederen in de koloniën toelaat.
Beschouwt de wet de voogdij over kinderen, uit hetzelfde huwelijk gesproten, als ééne voogdij? In verschillenden zin beantwoord. Zie Leon, uitg. Asser, ad art. 386, B. W. Het schynt dat de wetgever zich somtijds, b. v. in art. 403, lid 3, de bevestigende beantwoording heeft voor oogen gesteld; niettemin kan men gewichtige argumenten voor het tegendeel ontleenen o. a. aan de omstandigheid dat de voogdij over elk der broeders en zusters op een ander tijdstip eindigt, waardoor afzonderlijke voogdijrekeningen ontstaan; als ook aan de mogelijkheid dat de langstlevende der ouders slechts voor enkele kinderen eenen voogd kan hebben benoemd, zoodat de andere onder datieve voogdij komen. Vgl. Opzoomer en de door dezen aangehaalde schryvers, ad tit. 16, B. W., bl. 353 en v. Art. 367 Ontw. 1886 zegt uitdrukkelijk dat hier slechts ééne voogdij is, tenzy de langstlevende der ouders of de rechter anders mocht hebben bepaald.
Raadpleging van nabestaanden (art. 388, gewijzigd door art. 1 der wet van 15 Nov. 1876, Stbl. n0. 195).
Zie omtrent het verschil met den Franschen familieraad bl. 373 supra. Vgl. verder den 18en titel van het Ontwerp 1886, waar eene algemeene en uitvoerige regeling voorkomt van de formaliteiten met betrekking tot rechterlyke beschikkingen, krachtens de titels van minderjarigheid en ouderlijk gezag, voogdij, handlichting en curateele, en van de rechtsmiddelen daartegen.
Telkens waar ter zake van voogdij en handlichting de raadpleging van nabestaanden (bloed- of aanverwanten) wordt vereischt, zullen deze ten getale van vier worden opgeroepen en uit de naaste, zooveel mogelijk in de beide liniën (van vaders- en moederszyde) worden gekozen.
By niet-verschyning kan de rechter de verschijning van een ander, zelfs in verderen graad, gelasten.
375
raadpleging vak x a b e s t a a s igt; e n.
De bloed- of aanverwanten moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koninkrijk woonachtig.
Bij ongenoegzaamheid van het aantal nabestaanden hoort de rechter alleen hen die in het rijk wonen (art. 388).
Bevoegdheid om zich bij liet rechterlijk verhoor te doen vertegenwoordigen ; afzonderlijk verhoor; straf bij niet-verschijuing (art. 389 , gewijzigd bij art. 2 van voormelde wet van 1876).
Waar de tegenwoordigheid van toeziend en voogd, bloed- of aanverwanten noodig is, kunnen zij zich elk door eenen afzonderleken gemachtigde doen vertegenwoordigen.
De rechter kan evenwel des verkiezende eene verschijning in persoon bevelen; eene zeer nuttige bijvoeging by het oorspronkelyk artikel, met het oog op het gemis aan kennis van zaken by vele gemachtigden.
Afzonderlijk verhoor van nabestaanden schijnt niet verboden, ofschoon de wet dit schijnbaar alleen in geval van art. 414 B. W., jquot;. art. 3 der wet van 1876 toestaat (Diephüis , V, bl. 292).
Niet-verschijning in persoon of by gemachtigde (het laatste voor zoover geene persoonlijke verschyning is gelast), zonder geldige reden van verschooning, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste zestig gulden (art. 445 Wetb. v. Strafr.). Voor de toepassing der straf schynt men echter, even als vroeger onder de werking der wet van 1876, te moeten vorderen dat eene formeele oproeping der nabestaanden hebbe plaats gehad; in de praktyk toch komen dikwijls de bloed- en aanverwanten vrijwillig, tengevolge van eene onder-handsche afspraak, die niet als oproeping kan gelden (v. d. Kemp, Ontw. v. Ti. r. betr. d. Kantong., uitg. Mr. Geeeve , bl. 445).
Zie verder art. 2 der wet van 18 April 1874, Stbl. nquot;. 68, behelzende eenige nadere bepalingen omtrent het verhoor in de by die wet bedoelde gevallen, en het recht van hooger beroep, gedurende veertien dagen, in te stellen door den verzoeker of ieder die op het verzoek is gehoord.
In verscheiden bepalingen van het B. W. is sprake van verhoor of behoorlijke oproeping, in andere enkel van verhoor van nabestaanden. Men mag aannemen dat men ook in deze laatste gevallen niets anders heeft willen bepalen. Zie art. 405, 416, 442, 446, 447, 451, 454, 458, 466 B. W. en daarentegen art. 390—395. Vgl. Diephuts , V; bl. 293.
Verzuim in het nakomen der voorschriften omtrent het verhoor van voogd, toezienden voogd of nabestaanden.
376
personen tot de voogdij geroepen.
Het schijnt ons toe dat men hier moet onderscheiden tasschen de innerlijke en de uiterlijke vereiscJiten {formaliteiten). Het voorbijgaan b. v. van de naaste bloed- of aanverwanten, of de onbekendheid met het bestaan van enkelen binnen het koninkrijk, kan bezwaarlijk tot nietigheid aanleiding geven; het kan onmogelijk de wil des wetgevers zijn geweest de belangen der minderjarigen zoozeer in de waagschaal te stellen; zie ook Diephüis, V, bl. 287—289, en de aldaar aangehaalde schrijvers. Het in acht nemen van de uiterlijke vereischten evenwel kan door een ieder worden gecontroleerd; vgl. art. 1484 B. W. dat de rechtsgeldigheid van handelingen van het vervullen dier wettelijke formaliteiten afhankelijk stelt.
■Wenschelijk ware eene wettelijke regeling omtrent de schadeloosstelling wegens reis- en verblijfkosten van bloed- of aanverwanten. Thans is het de vraag of zij eenig recht op vergoeding hebben. Mr. Diephuis, V, bl. 294, betwijfelt het bestaan van zoodanig recht, maar acht het niettemin geoorloofd dat de voogd de kosten betaalt en den minderjarige in rekening brengt; eene meening, die althans het billijkheidsgevoel bevredigt. Art. 50(5 Üntw. 1886 regelt zoodanig recht op schadeloosstelling, op hnn verzoek te verleeuen aan hen, die aan eene oproeping om in persoon te verschijnen voldoen, met uitzondering van allernaaste betrekkingen.
C. Personen tot de voogdij geroepen, of als voogd benoemd.
i. voogd ij van den langstlevende dek ouders,
De langstlevende der ouders is van rechtswege voogd over de minderjarige kinderen, uit het huwelijk gesproten (art. 400).
Over de verhouding van de ouderlijke macht tot de voogdij, zie bl. 349 en v., supra. Het ontwerp 1886 kent ten aanzien van den langstlevende der ouders slechts ouderlijk gezag, geene voogdij, zie bl. 351, noot, supra.
Verschil tusschen de voogdij van den vader en die der moeder.
a. De vader is verplicht de voogdij te aanvaarden, en kan zich zelfs niet beroepen op de redenen van verschooning bij art. 434 B. W. vermeld (art. 434, laatste lid).
De moeder daarentegen is niet verplicht de voogdij aan te nemen.
377
378 voogdij van den langstlevende deb ouders.
Zij moet in geval van weigering een anderen voogd doen benoemen, en inmiddels de noodige daden van voogdij uitoefenen; zij blijft verantwoordelijk tot op het tijdstip, dat de nieuw benoemde de voogdij heeft aanvaard (art. 404lt;).
Dat uit die bevoegdheid tot weigering tevens zou voortvloeien, dat de moeder ten allen tgde de eenmaal aanvaarde voogdij zou kunnen nederleggen, wordt door enkelen beweerd, door velen betwijfeld (zie Diephuis, V, bl. 297).
b. De vader kan aan de langstlevende moeder een bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geen daad van voogdij kan verrichten, behoudens beroep op de arroudissements-rechtbank. Ook kan de vader de noodzakelijkheid van bijstand van den raadsman tot bepaalde handelingen beperken (art. 401). •
Zoodanige toevoeging geschiedt by uitersten wil of bij andere daartoe opzettelijk bestemde authentieke akte (= notariëele akte, art. 1 der wet op het Notarisambt van 9 Juli 1842, Stbl. nquot;. 20) (art. 402). Eene bevoegdheid, waarvan, voor zoover ons bekend is, slechts een matig gebruik wordt gemaakt, en waarvan het nut, althans bij het stilzwijgen der wet omtrent vele vragen, dikwijls twijfelachtig mag heeten. Wel is waar kan feitelijk het toevoegen van een raadsman aan eene tot de voogdij min geschikte moeder van nut zijn; maar uit een rechtskundig oogpunt beschouwd zijn er verscheiden bezwaren. Zoo is de raadsman, die eigenlijk meer verbiedend dan handelend optreedt, en wiens veto nog door den rechter kan worden opgeheven, volgens de meeste schrijvers vrij van geldelijke verantwoordelijklieid (vgl. Diephuis, V, bl. 301). Daarentegen is de moeder, die anders ten volle voor elke daad of nalatigheid in het bestuur verantwoordelijk zou zyn, thans min of meer gedekt door het advies van den raadsman, althans bij het gedwongen nalaten van eenige daad. Want men zal haar bezwaarlijk met enkele schrijvers de verplichting kunnen opleggen, tot dekking van eigen verantwoordelijkheid, altijd in geval van verschil met den raadsman, van het buitengewone middel van beroep op den rechter gebruik te maken. De minderjarige is dus, uit een rechtskundig oogpunt beschouwd, eer van slechter dan van beter conditie geworden. Onhoudbaar wordt inderdaad de toestand, indien de hertrouwende moeder in de voogdij wordt bevestigd en de man mede-voogd wordt (art. 406), zoodat de minderjarige thans voorzien is van eene voogdes, eene mede-voogd , een raadsman en een toezienden voogd. Eindelijk levert het gemis aan publiciteit van de benoeming van eenen raadsman voor derden gevaren op (art. 1482, 1484).
curator over de oxgebore.v vrucht. 379
c. Curator over de ongeboren vrucht (art. 403, jquot;. 3 B. W.).
De vader treedt bij het overlijden der moeder onmiddellijk in de voogdij; de moeder niet altijd. Is zij tijdens het overlijden van haren mau zwanger, dan benoemt de kantonrechter eenen curator over de ongeboren vrucht, op de wijze als voor de benoeming van voogden is voorgeschreven. Komt het kiud levend ter wereld dan wordt de moeder van rechtswege voogdes, de curator toeziende voogd, tenzij de overige kinderen reeds een anderen toezienden voogd mochten hebben.
Zie omtrent de vooruitzichten van den nog ongeborene bl. 100 en v. supra, en meer bepaald ten aanzien van den curator ventris, het aan-geteekende op bl. 103.
De vrouw kan uit eigen beweging aan den kantonrechter haren toestand van zwangerschap mededeelen en de benoeming provoeeeren; ook kan zij tot erkenning van hare zwangerschap (door den kantonrechter) opgeroepen worden. De taak van den curator beperkt zich volgens art. 403 tot het bewerkstelligen van alle maatregelen, die tot het behoud en beheer der goederen dringend noodig zijn. Deze strekken alzoo in het belang van het kind, zoo het levend ter wereld komt, anders ten voordeele van de overige belanghebbenden. De curator zal o. i. geene boedel verdeeling kunnen tegenhouden, wegens de gebiedende bepaling van art. 1112 B. W., maar zal alsdan moeten waken voor het open houden van de toekomstige rechten van den ongeborene. Dat het waken tegen onderschuiving {mppositiopartus) ook tot zijne plichten zon behooren, wordt, niettegenstaande het regeeringsantwoord (Voorduin, III, bl. 60) en de geschiedkundige traditiën, door vele schrijvers, op grond van de bij art. 403 bepaald aangewezen taak des curators, ontkennend beantwoord. Moet men echter niet a fortiori aannemen, dat hij, die zelfs tegen geringe benadeeling moet waken, eveneens zorg moet dragen dat niet door onderschuiving het kind van al zijne rechten worde beroofd ?
d. Verschilpunten in geval van volgend huwelijk (art. 405—407).
üe vader blijft voogd, ook in geval van verder huwelijk, zoo hij
slechts aan het vereischte van art. 407 B. W. (aanbieding van eenen behoorlijken staat der goederen van den minderjarige aan den toezienden voogd) voldoet.
üe moeder-voogdes, tot een verder huwelijk willende overgaan, moet zich te voren tot den kantonrechter wenden, ten einde in de voogdij al of niet te worden bevestigd (art. 405).
De kantonrechter beslist na verhoor of oproeping van blned- en aan-
380 voogdij van dknt langstlevende der ouders.
verwanten van den minderjarige; ofschoon de wet het niet gebiedt, zal het nuttig zijn, dat hy ook den toezienden voogd hoort; zijne beslissing is aan hooger beroep onderworpen. Niet-voldoening van de moeder aan liet voorschrift van art. 405 heeft verlies van rechtswege van de voogdij ten gevolge met hoofdelijke aansprakelijkheid van den man wegens de sedert het huwelijk onbevoegdelijk verrichte handelingen, die de feitelijke uitoefening der voogdij betreffen (art. 405, lid 2). Vele schrijvers stellen den man zelfs nu aansprakelijk wegens de vóór het huwelijk gevoerde voogdij, eene vraag, waartoe de eenigs-zins ruime bewoordingen van art. 395 C. N. en 405, lid 2, B. W. aanleiding geven (zie in utramque partem de schrijvers, aangehaald bij Diephuis, V, bl. 312, noot 1). Volgens het ontwerp voor den Code was ook de hertrouwende vader verplicht den familieraad te doen beslissen of hij de voogdij zou behouden; bij verzuim zou hij het vruchtgenot der goederen van zijne kinderen verliezen. Alleen ten aanzien der moeder bleef de maatregel behouden, omdat deze zelve voortaan onder maritaal gezag komt.
Het verlies van de voogdij van rechtswege belet niet, dat de moeder, zoo daartoe gronden zijn, door den kantonrechter als voogdes kan worden aangesteld (art. 405, 3e lid).
Medevoogdij van den man.
Wanneer de moeder iu de voogdij is bevestigd of op nieuw als voogdes is benoemd, wordt haar man van rechtswege medevoogd en hoofdelijk met haar aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan van het huwelijk verricht (art. 406, lid 1).
De hertrouwde moeder, die zelve onder maritale macht staat, kan kwalijk zelfstandig als voogdes handelen. Haar man is door de wet nevens haar tot de voogdij aangewezen; de hoofdelijke aansprakelijkheid is een waarborg te meer voor de minderjarigen, wier belangen thans voor een goed deel aan den stiefvader zijn toevertrouwd. De medevoogdij maakt geen inbreuk op het beginsel van éénheid in\' de voogdy (vgl. bl. 375). De wet beschouwt beiden, voogdes en medevoogd , als één geheel, zoo zelfs dat het eindigen van de voogdij bij den een, behoudens eene enkele uitzondering, hetzelfde bij den ander ten gevolge heeft.
De medevoogdij van den man vervalt, wanneer de vrouw ophoudt voogdes te zijn (art. 406, lid 2); de voogdij van de vrouw vervalt, indien de man tot de voogdij onbevoegd is of daarvan ontzet wordt, tenzij dit laatste hebbe plaats gehad ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij (art. 406, lid 3).
VOOGDIJ VAN U EN LANGSTLEVENDE DER OUDERS.
Laatstgemekle uitzondering is in de wet opgenomen, ten gevolge van eene opmerking der le afdeeling van de Tweede Kamer, dat het onbillijk was de moeder van de voogdy te berooven in een geval, dat zij zelve curatrice kan zijn over haren man (Yoordüin, III, bl. 64).
Kan iemand thans strafrechtelijk van de //zerfevoogdij worden ontzet? Zoo ja, treedt de moeder\' na het einde der werking van de straf weder in de voogdij terug? En wat zal rechtens zijn als de medevoogd tot eene vrijheidstraf van meer dan één jaar wordt verwezen (vgl. art. 440a B. Wquot;.)?
Bij ontbiiiding van het volgend huwelijk treedt de moeder iu de voogdij terug (art. 106, lid 4).
Eene uitzondering op den regel dat de tutela tegitima nooit kan volgen op de tutela dativa. Men beschouwe deze bepaling in on-middellijk verband met het voorgaande lid. Uitbreiding tot het geval van art. 405, lid 2, is ongeoorloofd (Diephuis, V, bl. 310, 311; Opzoomer, ad h. t., bl. 329).
De vader, zoowel als de moeder, is verplicht alvorens een nieuw huwelijk aan te gaan, aan den toeziendeu voogd eenen behoorlijken staat van de goederen der minderjarigen aan te bieden.
Het nalaten hiervan heeft verlies van de voogdij en benoeming van eenen anderen voogd ten gevolge (art. 407).
Dit voorschrift zou van meer belang zijn, indien de vereischten van den staat beter waren omschreven, en ook ware geregeld in welken vorm die staat moet worden aangeboden, of zij kan worden gedebatteerd, goed- of afgekeurd enz. De regeling bij art. 411—416 üntw. 1820 was vollediger en leverde meer waarborgen voor de minderjarigen op. Eeeds bij de beraadslagingen wees de Heer Dr.icK-mekster op het ontoereikende van het voorschrift (Voorduin, III, bl. 38).
Ofschoon de wet het niet uitdrukkelijk (even als in art. 405) vermeldt, schijnt men ook hier aan verlies der voogdij van rechtswege, d. i. zonder rechterlijk vonnis, te moeten denken; trouwens een zeer betwist punt. De gestrenge straf en de verplichte benoeming van een anderen voogd vormen eene zonderlinge tegenstelling met de meer vrijzinnige bepaling van art. 405, laatste lid.
Voogdij over natuurlijke wettelijk erkende kinderen (art. 408).
De voogdij over natuurlijke wettelijk erkende kinderen behoort van rechtswege aan den vader; bij gebreke van dien aan de moeder.
Zijn deze zelf minderjarig (hetgeen bij wettige ouders wegens de
381
voogdij over natuurlijke wettklijk ekkende kinderen.
bepaling van art. 385 onmogelijk is), dan wordt inmiddels door den kantonrechter in de voogdij voorzien.
Bij intredende meerderjarigheid der ouders, alsmede bij erkenning van kinderen die reeds onder voogdij staan, volgt ook hier de legitieme voogdy op de datieve. Wie zal voogd zijn, als de vader minderjarig en de moeder meerderjarig is, m. a. w. bedoelt de wet met de woorden „bij gebreke vanquot; ook onbevoegdheid tot de voogdij, enz.? Van belang is verder de vraag of de artt. 4U4, 405, 406 en 407 ook bij analogie op natuurlijke ouders van toepassing zyn. Voor zooveel betreft art. 405, bevestigend beantwoord door de Arr.-Rechtb. te Utrecht, 16 Deo. 1859, ff. nquot;. 2180; ontkennend door die te \'s Gravenhage, 27 Aug. 1875, W. nquot;. 3898. Zie verder in bevestigenden zin, met betrekking tot de verder aangehaalde artikelen: Opzoomer, II, bl. 337, noot; Diephuis , V, bl. 325.
In verband met de voogdij van den vader of de moeder leze men de bepalingen van art. 507 B. W. voor het geval dat de voogd zelf onder curateele staat, als wanneer de curator tevens voogd van de minderjarige kinderen is; en de artt. 553 en 554 B. quot;W., waarbij verscheiden gevallen van afwezigheid van den vader of de moeder of van beiden worden geregeld, als wanneer eene voorloopige voorziening in de voogdij door den kantonrechter plaats heeft. Zie ook art. 8 der wet van 26 April 1884 (Stbl. nG. 93), waarbij gemeld art. 554 is aangevuld.
I[. VOOGDIJ DOOB DEN VADEK ar DE MOEDER OPGEDRAGEN.
Zijn beide ouders overleden, dan komt de voogdij aan hem, die door den langstlevende der ouders tot voogd is benoemd. Slechts de langstlevende vader of moeder is daartoe bevoegd (art. 409, lid 1).
Deze voogdij wordt naar aanleiding van hare geschiedenis veelal testamentaire genoemd, ofschoon zij, blijkens art. 410, behalve bij uitersten wil, ook by elke andere daartoe bijzonderlijk bestemde authentieke (notarieele) akte kan worden ingesteld. In den Code is sprake van den „dernier nwurant des père et mèrequot;, hetwelk volgens enkelen nog beter dan ons „langstlevendequot; uitdrukt dat de benoeming eerst kan werken na het overigden van den wettelijken voogd (zie Opzoomer, II, bl. 337 noot 3).
Men zie bij Voorduin, III, bl. 65 en 66, de behandeling der vraag of dezelfde bevoegdheid ook aan de grootouders moest worden verleend.
382
voogdij door dent vader of de moeuek opgedragen. 383
Levendige strijd is er over de vraag of de vader of de moeder van natuurlijke kinderen een voogd over hen kan benoemen; de gedachten-, wisseling bij de behandeling der wet (zie Voordüin, III, bi. 80) doet zien, dat de Regeering bedoelde geen zoodanig recht aan de natuurlijke ouders toe te kennen; vgl. H. E. 16 Nov. 1855, W. 1696. Zie verder de uitvoerige behandeling dezer vraag bij Diephuis, V, bl. 332 (die haar bevestigend beantwoordt), en de aldaar aangehaalde schrijvers en rechtspraak in utramque partem. Zie ook Léon, ui tg. Asser, ad art. 409 B. W., aant. 1, en v. d. Kemp, uitg. Greeve, bl. 403. Eene wettelijke regeling is ten deze dringend noodig. Over minder belangrijke vragen, als b. v. of men van den langstlevende der ouders kan spreken, als de ander vermoedelijk overleden is verklaard, enz.; zie Dtephuis, t. a. p., bl. 327.
Twee of meer personen kunnen worden benoemd, ten einde bij ontstentenis elkander in de voogdij op te volgen (art. 409, lid 2).
Niet gelijktijdig , hetwelk zou strijden met de eenheid in de voogdij. Twyfelachtig is het of de benoeming, evenals onder het Romeinsche recht, kan geschieden met eene tijdsbepaling of voorwaarde; wij zouden die vraag litfst met Opzoomer, II, bl. 339 ontkennend beantwoorden.
De benoeming heeft alleen gevolg als degene der ouders, die de voogdij heeft bekleed, die tot aan zijnen dood heeft behouden (arg. ex art. 411).
Men beschouwe in het algemeen de testamentaire voogdij als eene voortzetting der ouderlijke. Hieruit volgt dan op natuurlijke wijze de beantwoording van een aantal vragen, die de schrijvers verdeeld houdt, b. v. of het mogelijk is dat de moeder, die zich van de voogdij verschoond heeft, eenen voogd benoemt over hare minderjarige kinderen, enz.
In dit licht beschouwd is art. 411 (bepalende dat de hertrouwde moeder, die niet in de voogdy is gehandhaafd noch op nieuw benoemd, of de vader of moeder, die naar aanleiding van art. 407 is uitgesloten, onbevoegd zijn eenen voogd te benoemen) slechts eene toepassing van bovenstaand ruimer beginsel; geene alleen staande bepaling, die een argumentum a contrario toelaat. Alle gevallen van uitsluiting uit de voogdij, afzetting, verschooning, enz. zijn mede in dit beginsel begrepen.
Uit deze wetsbepaling volgt niet dat de vader of moeder niet reeds de benoeming zou kunnen doen terwijl de andere echtgenoot nog leeft, voor het geval nl. dat hy de langstlevende zal zijn. Het testament toch, even als de akte ad hoe, moeten worden geacht de wilsverklaring te bevatten op het oogenblik van overlyden.
VOOGDIJ UOOR DEN KANTONRECHTER OPGEDRAGEN.
Beperking vau het recht der hertrouwde moeder (art. 412).
De benoeming gedaan door de moeder-voogdes, die, hertrouwd zynde in de voogdij is bevestigd (of op nieuw als voogdes is benoemd), is alleen van waarde als zij door den kantonrechter is bekrachtigd, na verhoor of behoorlijke oproeping van bloed- en aanverwanten. Oudtijds was zoodanige bekrachtiging in bijna geheel Frankrijk voor elke testamentaire voogdij noodig. Zie verder omtrent den oorsprong van de bepaling van art. 412 (ongeveer gelyk aan art. 400 C. N.) de Maleville, ad art. 397 C. N.
De door den vader of de moeder benoemde voogd is de eenige, die tot belooning gerechtigd kan zijn (art. 469, lid 2).
III. VOOGDIJ DOOK DEN K A X T O N R E C H T E K OPGEDRAGEN.
Bij gemis vau wettelijken of door den langstlevende der ouders benoemden voogd, wordt door den kantonrechter in de voogdij voorzien (art. 413).
Hetzelfde heeft plaats, wanneer beide ouders ontzet ziju van de vaderlijke macht (art. 413, aangevuld door art. 5 der wet van 26 April 18.84, Stbl. u°. 93).
In het Fransche recht had men vóór de datieve voogdij (opgedragen door den familieraad) die van de ascendenten; deze treft men, voor zooveel den grootvader betreft, nog aan in art. 464 Wetb. v. 1830. Bij de herziening is die voogdij weggelaten, omdat de grootvaders om hunnen leeftijd doorgaans minder aangewezen zijn, en in elk geval door den rechter kunnen worden benoemd (Vooedüin, II, 70).
Aanleiding tot die benoeming.
De benoeming geschiedt door den kantonrecliter van de woonplaats des minderjarigen (vgl. bl. 131, 132), hetzij op verzoek van de bloedverwanten van den minderjarige, van zijne schuldeischers of andere belanghebbenden, hetzij ambtshalve (art. 417, lid 1).
De moeder, die zich van de voogdij verschoont (art. 404) en de toeziende voogd, in geval de voogdy openvalt (art. 431), zijn zelfs vsr-plicht voor de benoeming van eenen voogd te zorgen. Aanverwanten worden niet onder de tot aanvrage bevoegde personen genoemd; het zal echter in den regel voldoende zyn des kantonrechters aandacht op
384
VOOGDIJ DOOR OEN K ANTCN RECHTE R OPGEDRAGEN.
de noodzakelykheid eener benoeming te vestigen, ten einde die ambtshalve te doen plaats hebben.
Opdat de kantonrechter zooveel mogelijk in staat zij in elke opengevallen voogdy te voorzien, verplicht art. 417, lid 2 den ambtenaar van den burgerlijken stand den kantonrechter kennis te geven van het overlijden van alle personen, die minderjarige kinderen mochten nalaten; en van alle tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige kinderen hebben. Sedert de wijzigingswet van 1884 zou het aanbeveling verdienen dat den kantonrechter eveneens kennis werd gegeven van de strafrechterlyke uitspraak, waarbij de ouders van de vaderlijke macht zyn ontzet; zoodanige kennisgeving zou van den officier van justitie kunnen uitgaan.
Nog verder strekt de verplichting, den ambtenaar van den burgerlijken stand opgelegd bij K. B. van 31 Juli 1828, Stbl. nquot;. 51, om nl. van elk sterfgeval, binnen 24 uur na de aangifte, schriftelyke mededeeling te doen aan den vrederechter van ieder kanton, waarin de overledene gewoond heeft, met vermelding, zoo zy daarvan kennis dragen, dat hij minderjarige of afwezige erfgenamen heeft nagelaten. Dit K. B. is niet vervallen door de invoering van het B. W. (Arrest H. R. v. 10 Oct. 1860, Jf. n0. quot;2216. Vgl. missive v. d. Min. v. Binn. Zaken, 12 Nov. 1838, nquot;. 94, /f. n0. 907).
Niettegenstaande al deze voorschriften, zijn feitelijk vele minderjarigen, bepaaldelijk on vermogenden, zonder voogd; en blykt dit gemis doorgaans, wanneer de minderjarige in het huwelijk willende treden, de toestemming van voogd en toezienden voogd noodig heeft (art. 95).
Vorm der benoeming.
Zij geschiedt door den kantourechter, en, voor zooveel wettige kinderen betreft, na oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige (art. 414, lid 1, 420).
Op dit verhoor is toepasselijk, hetgeen op bl. 375 en v., supra is aangeteekend omtrent de raadpleging van nabestaanden; daarenboven behelst de wet hier enkele byzondere voorschriften, terwyl door de wet van 15 November 1876, Stbl. n0. 195, aan art. 414 een nieuw lid is toegevoegd, luidende: „De ingevolge art. 388, tweede lid, en „art. 389, derde lid, opgeroepen bloedverwant of aangehuwde kan „ook afzonderlyk worden gehoordquot;; eene byvoeging, nuttig wegens mogelijke vyandige gezindheid van de nabestaanden onderling; en noodig, zoolang art. 414, lid 1, bepaalt dat de verwanten „te zamenquot; worden geraadpleegd. Uit deze bijvoeging leide men derhalve niet af, dat in andere gevallen een afzonderlyk verhoor verboden zou zyn.
Asser, Burgerl. Recht. i. 3e druk. 25
385
38G VOOGDIJ DOOK DEN K ANTOX HECHTEW O P li E DB A G EN.
Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt, bevattende de verschillende gevoelens der verschonende personen (comparanten). De benoeming van den voogd geschiedt dadelijk (art. 414, lid 2); bij voortzetting van het verhoor, b. v. wegens niet-verschijning van bloedof aanverwanten en oproeping van andere (art. 388 nieuw, 2B lid) of in geval van afzonderlijk verhoor krachtens art. 414 nieuw, 3\' lid, zal dus de benoeming by het laatste verhoor geschieden.
Bij gemis van bloed- of aanverwanten van den minderjarige binnen het koninkrijk woonachtig, of bij niet-verschijning, na behoorlijke oproeping, gaat de kantonrechter alleen tot de benoeming over. Komen de opgeroepen nabestaanden niet alle op, dan geschiedt de benoeming na verhoor der aanwezigen (art. 416), behoudens des kantonrechters bevoegdheid, om de verschijning van andere, zelfs verdere verwanten te gelasten (art. 388 nieuw, \'i\' lid).
Ten aanzien van natuurlijke kinderen geschiedt de benoeming dooiden kantonrechter, zonder voorafgaand verhoor (art. 420). Immers bestaat er, zelfs na erkenning, geen wettelijke band tusschen hen en de bloed- of aanverwanten der ouders (vgl. bl. 336, 337, supra).
Beroep op de arrondissements-rechtbauk (art. 415).
De benoeming is dadelijk van kracht, zoo de kantonrechter den persoon benoemt, die door de meerderheid der familieleden is aangeduid. Valt daarentegen de keus op een ander dan door de meerderheid is opgegeven, dan is de kantonrechter — wanneer een der tegenwoordig zynde verwanten dit vordert — verplicht het proces-verbaal onverwijld aan de arrondissements-rechtbank in te zenden, welke na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabestaanden, de benoeming handhaaft of wel definitief een ander tot voogd benoemt.
Noodelooze vragen stellen zich o. i. de schrijvers omtrent de gevallen van staking van stemmen, en van betrekkelyke meerderheid (als twee verwanten één persoon, en de beide anderen ieder een ander aanwyzen). Mr. Kist, de Kantonregter, enz, bl. 23; Diephuis, V, bl. 340. Te recht schrijft Mr. Opzoomer, II, bl. 341, noot 3, dat als de kantonrechter zich met de betrekkelijke meerderheid vereenigt of wel, bij staking van stemmen, eene keus doet, welke dan ook, hij niet van de meerderheid is afgeweken, en er dus geen grond voor beroep op de rechtbank bestaat. Vgl. H. E., Besch. v. 1 Juli 1892, n0. 6219,
Heeft de minderjarige goederen in eeue of meer koloniën, dan kan — indien de voogd zulks verlangt — liet beheer van die goederen aan eenen bewindvoerder in iedere kolonie worden toevertrouwd. Die bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd aangesteld;
BEWINDVOERDER T N DE KOLONIE
iu zoodauiI2■ geval is de voogd wegens diens verrichtingen niet verantwoordelijk (art. 418),
Behalve deze koloniale bewindvoerders (protuteurs, art. 417 C. N.), kent de wet nog loontrekkende bewindvoerders, die, met toestemming van den kantonrechter, onder verantwoordelijkheid van den voogd, de zaken beheeren (art. 446, 2e lid).
De protuteur kon, volgens oud Fransch recht (Declaration van 1 Fëvr. 1743; art. 2), niet gegeven worden in geval van ouderlijke voogdij. In den Code, zoowel als in ons B. W., is van de protutela alleen melding gemaakt in de afdeeling van datieve voogdy. Terwijl sommige schrijvers (de Pinto, II, § 263; Diephuis, V, hl. 396, en anderen) van meening zijn, dat ook bij legitieme en testamentaire voogdij een koloniaal bewindvoerder kan worden aangesteld, omdat dezelfde ratio leyis hiervoor pleit, en dat de plaatsing van art. 418 zich laat rechtvaardigen, omdat ook de koloniale bewindvoerder door den kantonrechter wordt aangesteld, achten anderen (Schüller , Vernède, Opzoomer, ad art. 418) de benoeming alleen ingeval van datieve voogdij mogelijk. In elk geval schijnt de onderscheiding van enkele Fransche schrijvers, die bij testamentaire voogdij wèl, bij legitieme voogdij geen protuteur toelaten, ofschoon op oude toestanden gegrond, met het oog op den tekst der wet ten eenenmale willekeurig.
De rechten en verplichtingen van den kolonialen bewindvoerder zijn niet geregeld. Van daar dat er twijfel is, in hoever hij al of niet aan vele bepalingen van voogdij is onderworpen, b. v. of hij verplicht is de benoeming te aanvaarden, of hij om dezelfde redenen als de voogd kan worden afgezet, of hij moet worden beëedigd, zekerheid moet stellen, eiiz. Bij de meening van de meeste rechtsgeleerden, dat hij niet in werkelijkheid voogd is, schijnt men tot de ontkennende beantwoording van verscheidene dezer vragen te moeten besluiten; althans niet dan met omzichtigheid zich op het terrein der analogie te mogen begeven.
De benoeming van den bewindvoerder heeft voor een goed deel plaats in het belang van den voogd, die daardoor van eene groote verantwoordelijkheid wordt ontheven. Dat hy zonder de benoeming van eenen bewindvoerder op eigen gezag en gevaar lasthebbers kan aanstellen, behoeft geen betoog.
387
25*
V O O G D IJ VAN KTXU EREN IX G E S T I C H T E X.
IV. VOOGDIJ VAN\' KINDEKEN-, DIE IN GESTICHTEN VAN WELDADIGHEID ZIJN OPGENOMEN.
Minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid zijn opgenomen , zijn onder de voogdij van de regenten van dat gesticht» zoolang zij zich daarin bevinden, of daartoe behooren (art. 421)
De voogdij hier bedoeld is ingesteld zoo in het belang der minderjarigen als in dat van regenten; zij vindt baren grondslag in de noodzakelijkheid van wettelijke bekrachtiging van een feitelijken toestand; het gezag door regenten uitgeoefend, wordt door de wet verheven tot eene voogdy over de verpleegden (Arr. H. R. v. 18 Dec. 1874, W. n0. 38Ü2). Deze voogdy was in Frankrijk niet in den Code Nap. geregeld, maar in eene ook hier te lande executoir verklaarde wet van 15 Pluv. an XIII (Foeïuyx, II, bl. 334). Aanvankelijk scheen de bepaling van ons wetboek bestemd om door nadere reglementen te worden aangevuld, waarvan later echter, na eene geringe wijziging van het artikel, bij de laatste herziening geene sprake meer is geweest (vgl. Vooedüin, III, bl. 80, 81).
Gelijk de bepaling thans luidt, levert zij vele rechtsvragen op, waaraan eene uitgebreide litteratuur is gewijd (zie Mr. Gr. B. Emants, Jaar/j. v. Ji. en W., X, bl. 407; Mr. A. Makkers, Over de voogdij der regenten in de gedichten van weldadigheid, Acad. Pr., Leiden, 1857; Mr. C. M. J. Willeümibb, Themis 1869, bl. 385 en v.; dezelfde, Praeadvies Hand. Ned. Jur. Ver. 1876, I, bl. 35—70; Mr. H. A. v. d. Velde, Opmerkingen over art. 421 B. IV., Ac. Pr., Leiden, 1880; Diephüis, V, bl. 341 en v.; Opzoomer, II, bl. 344 , en ad art. 321 B. W., enz.).
Allereerst rijst de vraag, waartoe vooral de woorden van art. 385 , lid 3, aanleiding schijnen te geven: of de voogdy van regenten eene gewone voogdij is, die geene andere naast zich duldt, dan wel of regenten alleen pro tutore of als quasi tutores optreden (gelijk door Mr. Emants werd betoogd). De vrij algemeen heerschende opvatting, vooral sedert een arr. van den H. R. van 3 Jan. 1873 (W. n0. 3546), was deze: dat de voogdy van regenten eene werkelijke voogdy is, en dus niet eene, naast de eigenlijke voogdy bestaande, aan haar ondergeschikte bewind voering; slechts eenige positieve\' wetsvoorschriften (vrystelling van zekerheid; gemis van eenen toezienden voogd , art. 422; einde der voogdij door verbreking van den band tusschen den minderjarige en het gesticht, art. 421) onderscheiden deze voogdij van elke andere. Zoo ook Mr. v. d. Velde, bl. 52. Bij arr. van den H. R. van 12 April 1883 (W. n0. 4894) is echter afwijkend van deze beschouwing beslist, dat niettegenstaande de minderjarigen zich in het
388
VOOGDIJ VAN KIN\'UEREN TN GESTICHTEN\'.
gesticht bevinden, de vaderlijke macht of de macht van den vroegeren voogd niet volkomen ophoudt, maar dat de vader of voogd die macht, waarvan hij slechts afstand had gedaan zoolang de minderjarige in het gesticht verblijft of daartoe behoort, herneemt, wanneer hij van oordeel is dat het belang der minderjarigen hunne verwijdering uit het gesticht noodzakelijk maakt.
Door deze leer is gebroken met de zeer gestrenge wetsuitlegging dat geen vroegere voogd, zij het ook de vader of de moeder, den minderjarige uit de macht van regenten vermag te brengen. Zie hieromtrent in verschillenden zin Leon, B. TV., uitg. Asser, ad art. 421, o. a. aant. 2, 3, 4, 8, 9, 13, en supplquot;. Rombach, aan!-. 13, 14, 15, 16 en 17.
Bij de mogelijkheid van terugkeer der jurisprudentie tot de ge-strengere opvatting en met het oog op denkbaar misbruik van gezag van regenten van sommige gestichten, blijft het altijd raadzaam, dat de minderjarige niet dan op wettige wyze aan de regenten van een gesticht worde toevertrouwd \') (zie Mr. v. d. Velde, bl. 57 en v.).
Niet alleen zij die zich in een gesticht bevinden, d. i. aldaar voortdurend feitelijk wonen, gehuisvest zijn, maar ook zij die daartoe behooren, staan onder voogdij van regenten; dat zijn zij, met wier verzorging, opvoeding, bewaking de regenten middellijk of onmiddellijk belast zijn; met wie zij in voortdurende feitelijke betrekking staan (Opzoojieb). Ook al moge er geen eigenlijk gesticht of huis aanwezig zijn, b. v. bij het bestaan van eene weldadigheids-inrichting tot opvoeding van weezen in het huisgezin, zal men volgens de meening van sommigen toch de voogdij der verpleegden aan het bestuur eener zoodanige instelling moeten toekennen, indien nl. hare statuten, aan de bestuurders een voortdurend gezag en opzicht over de weezen toekennen, en zij b v. niet enkel als tusschenpersonen tusschen weezen en hunne pleegouders werkzaam zijn. Deze geheele vraag is intussehen zeer betwistbaar. Zie nog in verband met dit punt: art. 1 der wet van 28 Juni 1854 (Stbl. nquot;. 100) „Instellingen van weldadigheid, in
\') In het Ontw. 1883 (art. 381 en v.) wordt de voogdij van het bestuur eener inrichting van weldadigheid als eene werkelijke voogdij beschouwd, die van den voogd op dat bestnnr overgaat. Eenerzijds is dus in dat ontwerp de meer gestrenge, maar tevens meer logische opvatting gehuldigd; art. 381 en 382 onderwerpen echter de plaatsing van minderjarigen in zoodanige instelling aan verscheiden formaliteiten als: verzoek van den voogd aan den kantonrechter, verhoor van den familieraad, aanwijzing eener bepaalde instelling bij de machtiging, waardoor willekeur geheel wordt uitgesloten; de bepalingen zijn ook toepasselijk op instellingen die verpleging van weezen buiten de gestichten ten doel hebben. Art. 385 regelt de aansprakelijkheid van de bestuurders; art. 386 betreft het geval van hun ontslag of het verlies der voogdij door het bestuur ( vgl. art. 410 Ontw.).
389
onbevoegdheid tot be v o o g d tj.
den zin dezer wet, zijn die, welke armverzorging, in of huiten gedichten, voortdurend ten doel hebbenquot;.
Ook daar, waar het bestuur in handen van vrouwen (regentessen) is, zal men o. i. aan deze, niettegenstaande art. 436, 3°., de voogdy mogen toekennen. De voogdij toch wordt uitgeoefend door het collegie van regenten of regentessen, niet door de individueele leden daarvan. Daarenboven had men by de gelijkluidende bepaling van art. 442 C. NT. onmogelijk de uitsluiting van regentessen op het oog, dewij 1 de voogdy van in een gesticht verpleegden geheel buiten den Code was geregeld.
Geene voogdy van regenten mag o. i. worden aangenomen ten aanzien van in een gesticht verpleegde kinderen, wier beide ouders nog in leven zijn (tenzy beide het ouderlyk gezag mochten hebben verloren). Zoodanige kinderen toch staan in het geheel niet onder voogdij , derhalve ook niet onder die van regenten. Het tegendeel is wel eens uit de woorden van art. 421 afgeleid.
Men zie verder de jure constitnendo over dit belangrijke onderwerp het voormelde praeadvies van Mr. Willeumier, waarin in den \'vorm van een wetsontwerp vele moeilijkheden worden uit den weg geruimd en verscheiden vragen op bevredigende wyze opgelost. Vgl. verder het verslag der zitting van 24 Aug. 1876 van de N. Jur. Per. Hand. 1876, II, bl. 8—67.
D. Onbevoegdheid tot de voogdij, uitsluiting eu afzetting.
Een ieder is tot voogdij bevoegd, behalve degene, die door de wet daartoe onbevoegd verklaard of daarvan uitgesloten is (art. 436, 437).
In ruimeren zin zon men beide eategoriën van personen onhevoegd kunnen noemen. De wet noemt echter in engeren zin onhevoegd al wie, doorgaans buiten zijne schuld, in eenen toestand verkeert of geraakt, die hem , zij het ook somtijds slechts tijdelyk, volstrekt verhindert de voogdy te bekleeden, en zulks hetzy in het algemeen (art. 436, 1°., 2°. en 3°.), hetzij over bepaalde minderjarigen (art. 436, 4quot;.). De voogdy, door hen gevoerd, is wettelijk ondenkbaar. Uitgesloten daarentegen zijn zy, die, ten gevolge van persoonlyke, doorgaans laakbare handelingen, onwaardig zijn de voogdy te aanvaarden of te blijven bekleeden. Laatstgemelde redenen kunnen alle gedurende de voogdy opkomen; somtijds zelfs (art. 437, 3°., 430) kunnen zij niet vóór de aanvaarding der voogdy bestaan. Ontzetting kan alleen plaats hebben in geval van uitsluiting. In geval van onhevoegdheid, gedurende
390
ONBEVOEGDE EID ï O T DE V 0 O G D IJ.
de voogdij ontstaan (art. 436, 2°. en 4°.)\', schijnt geene ontzetting te pas te komen. Nogtans bestaat hieromtrent verschil van gevoelen (anders b. v. Mr. v. B. Faure, 2c dr. I, bl. 167); ook onderscheiden sommige schrijvers tusschen ö»lt;zetting en a/zetting van den voogd, eene onderscheiding in tusschen, die o. i niet in de bedoeling van den wetgever kan hebben gelegen \'). Het geval van art. 436, 4°. heeft voorzeker het meest behoefte aan eene rechterlijke uitspraak, cmdat het het eenige der vier gevallen van onbevoegdheid is, omtrent welks aanwezigheid twijfel kan bestaan 2).
Onbevoegd tot de voogdij zijn:
1°. minderjarigen (art. 436, 1°.);
2°. onder curateele gestelden (art. 436 , 2°.);
Deze staan met minderjarigen gelijk (art. 506). Ingeval van voogdij van vader of moeder, wordt diens curator tevens voogd over de minderjarige kinderen (art. 507).
Onverschillig is het of de curateele is uitgesproken wegens gemis of zwakte van verstandelijke vermogens of wel wegens verkwisting. Daarentegen schijnt onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, al moge de lijder in een gesticht zijn opgenomen, op zich zelf, geen reden tot onbevoegdheid of afzetting te zij n, hoe vreemd dit ook oppervlakkig moge klinken (zoo ook Diephüts, V, bl. 368; Arr.-Eeehtb. te \'s Gravenhage, v. 7 Mei 1880, IV. n0. 4586, bl. 4; Hof te \'s Graven-li age, v. 8 Dec. 1890, W. n0. 5978). Bij de beoordeeling dier vraag plaatse men zich op het standpunt van den wetgever van 1838; deze
\') Wij meenen dat men taalkundig moet spreken van afzetting van den voogd, en van iemands ontzetting uit of van de voogdij.
1) Het Ontwerp 1886 onderscheidt zeer zuiver tusschen de absolute uitsluiting, die onbepaald en zonder eenig nader rechterlijk onderzoek werkt, en de relatieve, waarbij het belang der minderjarigen in aanmerking komt, en die dus eerst na onderzoek der omstandigheden door den rechter uitgesproken wordt. Volgens art. 404 zijn van rechtswege uitgesloten ; 1°. vrouwen , behalve bestuurderessen van instellingen van weldadigheid als zoodanig; 2°. minderjarigen; 3°. onder curateele gestelden; 4°. zij die bij strafvonnis zijn ontzet van het recht om voogd te zijn, zoolang de uitspraak reikt. Art. 406 bepaalt dat door den burgerlijken rechter uit eene bepaalde voogdij ontzet kunnen worden zij, die: 1°. krankzinnig zijn; 3°. een bekend slecht levensgedrag leiden; 3°. in de waarneming der voogdij onbekwaamheid aan den dag leggen, of hunne wettelijke plichten verzuimen: 4°. wegens onwaardigheid uit het ouderlijk gezag ontzet zijn of wien het beheer over de goederen van het kind is ontnomen; 5°. wegens slecht levensgedrag, onbekwaamheid of plichtverzuim uit eene andere voogdij ontzet zijn enz.; 6°. in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren; 7°. zelf, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen den minderjarige een rechtsgeding voeren, waarin diens staat of een aanmerkelijk deel van diens vermogen betrokken is.
391
onbevoegdheid tot de v o o g d ij.
den zin dezer wet, zijn die, welke armverzorging, in of Luiten gestichten, voortdurend ten doel hebbenquot;.
Ook daar, waar het bestuur in handen van vrouwen (regentessen) is, zal men o. i. aan deze, niettegenstaande art. 436, 3°., de voogdij mogen toekennen. De voogdij toch wordt uitgeoefend door het collegia van regenten of regentessen, niet door de individueele leden daarvan. Daarenboven had men by de gelijkluidende bepaling van art. 442 C. V. onmogelijk de uitsluiting van regentessen op het oog, dewijl de voogdy van in een gesticht verpleegden geheel buiten den Code was geregeld.
Geene voogdy van regenten mag o. i. worden aangenomen ten aanzien van in een gesticht verpleegde kinderen, wier beide ouders nog in leven zijn (tenzij beide het ouderlyk gezag mochten hebben verloren). Zoodanige kinderen toch staan in het geheel niet onder voogdij , derhalve ook niet onder die van regenten. Het tegendeel is wel eens uit de woorden van art. 421 afgeleid.
Men zie verder de jure constituendo over dit belangrijke onderwerp het voormelde praeadvies van Mr. Willeumier, waarin in den \'vorm van een wetsontwerp vele moeilykheden worden uit den weg geruimd en verscheiden vragen op bevredigende wyze opgelost. Vgl. verder het verslag der zitting van 24 Aug. 1876 van de N. Jnr. Fer. Hand. 1876, II, bl. 8—67.
D. Onbevoegdheid tot de voogdij, nitslniting en afzetting.
Een ieder is tot voogdij bevoegd, behalve degene, die door de wet daartoe onhevoegd verklaard of daarvan uitgesloten is (art. 436, 4-37).
In ruimeren zin zou men beide categoriën van personen ouhevoerjd kunnen noemen. De wet noemt echter in engereu zin onhevoegd al wie, doorgaans buiten zijne schuld, in eenen toestand verkeert of geraakt, die hem , zy het ook somtijds slechts tijdelyk, volstrekt verhindert de voogdij te bekleeden, en zulks hetzy in het algemeen (art. 436, 1°., 2°. en 3°.), hetzy over bepaalde minderjarigen (art. 436, 4°.). De voogdy, door hen gevoerd, is wettelijk ondenkbaar. Uitgesloten daarentegen zijn zij, die, ten gevolge van persoonlyke, doorgaans laakbare handelingen, onwaardig zyn de voogdij te aanvaarden of te blijven bekleeden. Laatstgemelde redenen kunnen alle gedurende de voogdy opkomen; somtyds zelfs (art. 437, 3°.. 430) kunnen zij niet vóór de aanvaarding der voogdy bestaan. Ontzetting kan alleen plaats hebben in geval van uitsluiting. In geval van onhevoegdheid, gedurende
390
ONBEVOEGDHEID TOT DE V 0 O G D IJ.
de voogdij ontstaan (art. 436, 2°. en 4°.)\', schijnt geene ontzetting te pas te komen. Nogtans bestaat hieromtrent verschil van gevoelen (anders b. v. Mr. v. B. Faure, 2quot; dr. I, bl. 167); ook onderscheiden sommige schrijvers tusschen Omzetting en a/zetting van den voogd, eene onderscheiding intusschen, die o. i. niet in de bedoeling van den wetgever kan hebben gelegen \'). Het geval van art. 436, 4°. heeft voorzeker het meest behoefte aan eene rechterlijke uitspraak, omdat het het eenige der vier gevallen van onbevoegdheid is, omtrent welks aanwezigheid twijfel kan bestaan 2).
Onbevoegd tot de voogdij zijn :
1°. minderjarigen (art. 436, lü.);
3°. onder curateele gestelden (art. 436, 2°.);
Deze staan met minderjarigen gelijk (art. 506). Ingeval van voogdij van vader of moeder, wordt diens curator tevens voogd over de minderjarige kinderen (art. 507).
Onverschillig is het of de curateele is uitgesproken wegens gemis of zwakte van verstandelijke vermogens of wel wegens verkwisting. Daarentegen schijnt onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, al moge de lijder in een gesticht zijn opgenomen, op zich zelf, geen reden tot onbevoegdheid of afzetting te zijn, hoe vreemd dit ook oppervlakkig moge klinken (zoo ook Diephtjis, V, bl. 368; Arr.-Rechtb. te \'s Gravenhage, v. 7 Mei 1880, ff. n0. 4586, bl. 4; Hof te \'s Graven-hage, v. 8 Deo. 1890, ff. n0. 5978). Bij de beoordeeling dier vraag plaatse men zich op het standpunt van den wetgever van 1838; deze
\') Wij meenen dat men taalkundig moet spreken van afzetting van den voogd, en van iemands ontzetting uit of van de voogdij.
a) Het Ontwerp 1886 onderscheidt zeer zuiver tusschen de absolute uitsluiting, die onbepaald en zonder eenig nader rechterlijk onderzoek werkt, en de relatieve, waarbij het belang der minderjarigen in aanmerking komt, en die dus eerst na onderzoek der omstandigheden door den rechter uitgesproken wordt. Volgens art. 404 zijn van rechtswege uitgesloten: 1°. vrouwen, behalve bestuurderessen van instellingen van weldadigheid als zoodanig; 2°. minderjarigen; 3°. onder curateele gestelden; 4°. zij die bij strafvonnis zijn ontzet van het recht om voogd te zijn, zoolang de uitspraak reikt. Art. 406 bepaalt dat door den burgerlijken rechter nit eene bepaalde voogdij ontzet kunnen worden zij, die: 1°. krankzinnig zijn; 2°. een bekend slecht levensgedrag leiden; 3°. in de waarneming dei-voogdij onbekwaamheid aan den dag leggen, of hunne wettelijke plichten verzuimen; 4\'\'. wegens onwaardigheid uit het ouderlijk gezag ontzet zijn of wien het beheer over de goederen van het kind is ontnomen; 5°. wegens slecht levensgedrag, onbekwaamheid of plichtverzuim uit eene andere voogdij ontzet zijn enz.; 6°. in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren; 7°. zelf, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen den minderjarige een rechtsgeding voeren, waarin diens staat of een aanmerkelijk deel van diens vermogen betrokken is.
391
o n b e v o k g u h e i i) tot de v o o g b ij.
toch gaat, blijkens eeri aantal bepalingen uit van het denkbeeld, dat, even als ieder minderjarige een wettelyken vertegenwoordiger heeft , zoo ook ieder krankzinnige onder curateele is, of althans behoort te worden gesteld. Dit is intnsschen\' volstrekt niet altijd het geval; en vooral sedert de wet van 29 Mei 1841, Stbl. n0. 20, is er een legale overgangstoestand ontstaan, waardoor in den regel de krankzinnige drie jaren in een krankzinnigengesticht kon vertoeven, alvorens te worden onder curateele gesteld. Terwijl onder vigeur van die wet althans na drie proefjaren de krankzinnige onder curateele moest komen, wilde men hem nog langer aldaar behouden, is door de wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, de toestand wederom veranderd, en kan thans de krankzinnige gedurende onbepaalden tyd in een krankzinnigengesticht opgenomen blijven, mits telken jare op nieuw de rechterlijke machtiging daartoe worde verleend. Des te meer wordt het noodig in een aantal gevallen, waarin de wet van onder curateele gestelden spreekt, te onderzoeken of niet daarnevens — in enkele gevallen wellicht in plaats daarvan — melding behoorde te worden gemaakt van het geval van krankzinnigheid.
In het bovengestelde geval van krankzinnigheid van eenen voogd zal men in de praktijk wel doen eerst diens onder curateelestelling te doen nitsprekeu, alvorens hem als onbevoegd tot de voogdy te beschouwen; door toch het geval van krankzinnigheid te rangschikken onder „onbekwaamheid of ontrouw, gedurende de voogdy aan den-day gelegdquot; (art. 437, 3°.) doet men de wet geweld aan (zie b. v. Mr. M. de Pinto, Themis, 1881 , bl. 1—6).
3°. vrouwen, uitgezouderd de moeder (art. 4.36 , 3°.);
Een verbod, overeenkomstig den geest der meeste oudere wetgevingen, die aan vrouwen minder bekwaamheid voor de behandeling van zaken toekennen. (Vgl. bl. 141 supra; en de 1. 18, D. de tutelis, 26, 1). Voor eene uitzondering ten behoeve der grootmoeder bestond ten onzent geen grond meer, na de afschaffing der wettelijke voogdij van de grootouders.
4°. zij die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen den minderjarige een reclitsgeding voeren, waarin de staat van den minderjarige, diens verinogen, of een aanmerkelijk gedeelte daarvan betrokken is (art. 436 , 4°.).
De onbestemdheid van het laatste gedeelte kan tot moeielijkheid aanleiding geven, zie hierboven bl. 391, en de vraag kan zelfs in ons stelsel, waar geen afzetting te pas komt, gereedelijk ontstaan: wie beslist of de vereischten der wet hier aanwezig zijn? De kanton-
392
uitsluiting uit u e voogd ij,
rechter, die wellicht eene benoeming doet, ingeval de wettelijke of testamentaire voogd zich zijns inziens in het geval van art. 436, 4°. bevindt? of wel de rechtbank, b. v. in een geding tusschen twee voogden omtrent hunne wederzijdsche bevoegdheid? Zie verder dienaangaande in verschillenden zin Mr. Diephuis, V, bl. 357, die aan de rechtbank, Mr. Oiv.oomer, II, bl. 362, die den kantonrechter er; wel in hoogste ressort de beslissing toekent.
Uitgesloten zijn:
1°. zij, die tot eene outeerende straf zijn veroordeeld (art. 437, 1°.);
Oppervlakkig klinkt het vreemd dat deze bepaling bij de wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93, onveranderd is gelaten en niet, evenals op vele andere plaatsen in de wet de veroordeeling tot eene onteerende straf is veranderd in veroordeeling wegens misdrijf tot eene vryheids-straf van vier jaren of langer. Men is echter uitgegaan van het beginsel dat de strafrechter, naar gelang der zaak in een aantal gevallen ontzetting van de voogdij kan uitspreken (art. 28, 30, 31 W. v. Strafr.), en dat als de strafrechter zulks nalaat, de burgerlijke rechter niet in diens plaats behoort te treden door de uitgesproken straf te verzwaren. Hoe logisch dit ook moge zijn, valt het niet te ontkennen, dat de toestand der minderjarigen er niet door wordt gebaat als zij een erkenden misdadiger tot voogd hebben of eenige jaren na de veroordeeling als zoodanig weder bekomen — de ontzetting toch is slechts tydelyk. Het Ontw. 1886, dit bezwaar erkennende, komt hieraan eenigermate te gemoet, door in art. 405 o, a. te bepalen dat, in geval van ontzetting by strafvonnis, voor den uitgeslotene alleen de bevoegdheid ontstaat om in voogdijen, die hem daarna worden opgedragen, op te treden.
De bepaling van art. 437, 1°. B. W. (uitsluiting wegens veroordeeling tot eene onteerende straf) zal thans nog slechts gelden voor hen, die vroeger tot deze straf zijn veroordeeld en is dus nog slechts van zeer beperkte toepassing (zie Wetb. uitg. Poi.s, art. 437, 1°., noot). Volgens art. 443 C. N. had hier de afzetting van den voogd van rechtswege plaats. Het komt ten deze aan op de uitspraak, niet op de toepassing der straf. Het verleenen van gratie heeft derhalve geen invloed op de rechtsgevolgen der veroordeeling. Zie Lkon, uitg. Assek, ad art. 437, 1°.; vgl. bl. 290, supra.
393
2°. zij , die bij strafvonnis zijn ontzet van het recht om voogd te zijn, zoolang de uitspraak reikt (art. 28, 30, 31 W. v. Strafrecht);
Zie het aangeteekende sub 1°. supra.
uitsluiting uit ue voogdij.
3°. zij, die een bekend slecht levensgedrag leiden (art. 437, \'2°.);
Les gens d\'une inconduite notoire (art. 444 C. N.); zie tot nader begrip hiervan de door Opzoomer, ad h. t. aangehaalde schrijvers: Zachaeiae, Aubiiy en Rau, Makcadé, Massk en Vergk, Demolombe. Het slechte levensgedrag moet in eenigszins mimen kring bekend zijn. Zoo noodig zal omtrent een en ander bewys kunnen worden geleverd. Mr. Diephüis, V, 356, wil zoodanig bewijs niet zoozeer over het levensgedrag zelf als wel over de bekendheid laten loepen; schrijver gaat daarmede o. i. te ver; de hoofdreden immers der uitsluiting zal wel altijd in het gedrag zelf moeten worden gezocht.
4°. zij, die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij
onbekwaamheid of ontrouw aan den dag leggen (art. 437, 3°.);
•
Eene reden die alleen na de aanvaarding kan opkomen, en dus in aard eenigszins afwijkt van de gevallen sub 1, 2, 3, 5 en 6 bedoeld, daar zij enkel tot afzetting kan leiden. De tekst van art. 444 C. N.: ceux dont la tj est ion attenter ait Vincapacité ou Vinfidélité, heeft sommige Fransche schrijvers tot de vrij gezochte uitlegging verleid alsof onbekwaamheid enz. in andere of vroegere administratiën een reden tot uitsluiting voor eene latere voogdij zon opleveren.
VVat als onbekwaamheid of ontrouw kan worden beschouwd is onmogelijk in algemeene trekken te noemen. De rechter zal elk gegeven geval moeten beoordeelen. De wet zelve rekent hiertoe het geval dat de voogd weigerachtig is eene summiere rekening aan den toezienden voogd aan te bieden, of als die rekening sporen van ontrouw of grove nalatigheid oplevert (art. 430). Ook het aanvaarden der wettelijke of testamentaire voogdij, zonder dat de benoeming van een toezienden voogd door den voogd wordt gevraagd, levert eene reden tot ontzetting op (art. 423).
5°. zij, die van eene andere voogdij of toeziende voogdij zijn ontzet geworden (art. 437 , 4°.);
Eene uitbreiding van het beginsel van art. 445 C. X., dat alleen het optreden in eenen familieraad verbood. Het is ongetwijfeld eenigszins hard deze reden van uitsluiting ook te moeten toepassen op het geval dat iemand uit eene vroegere voogdij wegens faillissement is ontzet, en later, wellicht gerehabiliteerd zijnde, van elke andere voogdy, zelfs van die over zijne eigen kinderen is uitgesloten.
Zonderling is ook hier weder het verband met het W. v. Strafrecht. Als iemand b. v. door den strafrechter gedurende 5 jaren van de voogdij is ontzet, zal hy eene reeds gevoerde voogdij na het einde van
394
uitsluit fn o uit de voogdij.
dien tijd kunnen terug bekomen, maar wegens art. 437, 4°. uitgesloten zyn van alle andere voogdij of toeziende voogdij! Of zal men in dit nommer moeten blijven denken aan eene ontzetting door den burgerlijken rechter? Dit schynt eenigszins willekeurig. Zie het op bl. 393 supra aangehaalde art. 405 Ontw. 1886, dat integendeel na strafrechterlijke ontzetting den uitgeslotene bevoegd maakt, na het einde van den straftijd als voogd op te treden in voogdyen die hem later mochten worden opgedragen.
6°. zij, die in staat van faillissement of kennelijk onvennogeu verkeeren (art. 437, 5°.).
In het Fransche recht is in dit geval niet uitdrukkelijk voorzien. De gefailleerde of onvermogende is uit den aard der zaak tot voogdij ongeschikt, daar hem het beheer zyner eigen goederen is onttrokken. De armoede alleen zou geen genoegzame grond zijn: enimvero tutor quamvis pauper est, Jidelis tarnen et düigens removendus non est quasi suspecius (Ulpj. 1. 8 D. de snsp. tut., 26, 10). Hier inzonderheid zal, bij insolventie, den minderjarige de hypotheek op de onroerende goederen van den voogd te stade komen, zoodat hij voor het hem toekomende saldo boven de overige schuldeischers van den voogd bevoorrecht is (zie art. 390 en v., 1180, 1217, 1259 B. W.). Daarenboven is den minderjarige bij art. 1195, 7°. B. W. een voorrecht toegekend op al de roerende en onroerende goederen van den voogd, zoodat hij ook zonder het bestaan of bij ongenoegzaamheid der hypotheek in beter toestand is dan de gewone (concurrente) schuldeischers. Inachtneming verder van de voorschriften van art. 391 en v. B. W., omtrent consignatie van effecten zal den minderjarige een waarborg te meer zyn, dat de hein toebehoorende goederen niet met die van de failliete massa worden*vermengd.
Zie omtrent dit onderwerp Mr. ue Louter , l)e. beperkingen der rechtsbevoegdheid, tengevolge van vermindering der burgerlijke eer, Acad. Pr. Utrecht 1869.
Ontzetting uit de voogdij door den burgerlijken rechter (art. 437—440).
Deze kan plaats hebben bij het ontstaan van een der gevallen van uitsluiting, hierboven sub 1, 3, 4, ó en 6 vermeld.
Ontzetting moet volgens sommigen ook plaats hebben, indien een der redenen van onbevoegdheid (art. 436, 2°. of 4°.) gedurende de voogdij opkomt; o. i. twijfelachtig, vgl. bl. 390, 391 supra. Daarentegen meenen wij dat eene ontzetting te pas komt indien iemand, in een der gevallen van uitsluiting verkeerende, niettemin de voogdij aanvaart en blijft waarnemen. De wet toch erkent door het woord kan in art. 437,
395
ONTZETTING ü T T D K VOOGDIJ.
aanhef, dat de ontzetting potestatief, en de waarneming der voogdij door eenen uitgeslotene niet ondenkbaar is. Vgl. Opzoomek, II, bl. 364; anders Diephüts , V, bl. 357.
De ontzetting is verder volgens onze meening potestatief in dien zin, dat zij by het opkomen van een der redenen kan worden gevraagd; niet dat het aan den rechter zou vrijstaan, bij gegrondheid der redenen het verzoek al of niet toe te staan. Deze uitlegging wordt o. i. voldoende gerechtvaardigd door den tekst van art. 444 C. N. en art. 491 Wetb. 1830: „sont exclus de la tutelle et meme destituables, sHls sont en exercicequot; (Diephuis, V, bl. 358, ue Pinto, II, § 272, anders Op2.oo-meb, II, bl. 363, en naar het schijnt ook r. B. Faüke, 2c dr. I, bl. 167).
De afzetting van eenen voogd geschiedt, behoudens liooger beroep , door de arrondissements-rechtbank, op verzoek van den toe-zienden voogd (die daartoe verplicht is); van een der bloedverwanten of aangeliuwden van den minderjarige, tot den vierden graad ingesloten; of wel op aanvrage (requisitoir) van het openbaar ministerie (art. 438, 430, lid 2),
De woorden van art. 438 laten in het midden of de procedure tot afzetting geschiedt op request dan wel by wege van gewone vordering. De woorden op verzoek van zouden tot eerstgemelde opvatting aanleiding geven; de uitspraak of het vonnis, in lid 2 en 3 vermeld, en het woord geding in art. 440 B. W. eer aan een contradictoir geding doen denken. Niettemin zijn dit zwakke argumenten, want ook eene dagvaarding geschiedt ten verzoeke van iemand, eu eene beschikking op request wordt niet zelden vonnis genoemd; by faillissementen bepaalt art. 766 K. dat de vordering wordt gedaan by verzoekschrift; zie ook art. 430, lid 1 B. W., tegenover lid 2. Uit deze weifelende woordenkeus valt weinig te argumenteeren. Sommigen willen even als by curateele (art. 490, 496 B. W.), de zaak bij verzoekschrift doen aanvangen en met ee;i openbaar vonnis doen eindigen, althans indien de voogd het verzoek bestrydt, als wanneer de rechter partyen naar de terechtzitting zou verwyzen. Deze oplossing vindt echter geen steun in de wet.
Het komt ons, niettegenstaande de meening der Regeering (Voon-duin, III, bl. 97) voor, dat het met den geest der wet, vooral in zake voogdij, het meest strookt, zoo de geheele behandeling op request, in raadkamer, geschiedt. Hiervoor pleit ook sterk de in art. 438, lid 2 uitgesproken verplichting van den rechter om den voogd en den toezienden voogd, — tenzy deze zelf de verzoeker is — vóór de beslissing te hooren; een voorschrift, hetwelk zinledig zou zyn, indien
396
t o b m der afzetting.
de voogd reeds op de gewone wijze ware gedagvaard. Zie uitvoeriger hierover Diephüis, V, bl. 360, en het aangeteekende bij Lkon, uitg. Asser en supplquot;. Eombach , ad art. 438 B. W.
Toereikend zal het ook hier zijn , als de voogd en toeziende voogd behoorlijk zyn opgeroepen; hunne niet-verschoning zal den verderen loop der zaak niet kunnen belemmeren.
lu het vounis, waarbij de voogd wordt afgezet, zal hij worden veroordeeld om rekening en verantwoording van zijn beheer aan zijnen opvolger te doen (art. 438, lid 3).
De rechtbank is bevoegd om, hangende het geding over de afzetting , den voogd in de uitoefening van de voogdij te schorsen en voorloopig in het beheer te voorzien (art. 440).
Tijdelijke voorziening kan noodig zyn, indien de voortduring van het bestuur van den voogd gevaar voor den persoon of de goederen van den minderjarige oplevert. Daarbij is het mogelijk dat by tegenspraak van den voogd de eindbeslissing ten gevolge van rechterlyk onderzoek lang wordt tegengehouden; terwyl daarenboven de mogelijkheid van hooger beroep uitdrukkelijk in art. 438 is voorbehouden. Hooger beroep nu heeft eene schorsende kracht, ten ware eenig vonnis bij voorraad uitvoerbaar zij verklaard, hoedanige bevoegdheid evenwel nóch bij art. 438 B. W., nóch by art. 53 B. Sv. den rechter is toegekend. De voorloopige beschikking van art. 440 geeft hiertegen een correctief aan de hand. Zij is even als alle provisioneele vonnissen by voorraad uitvoerbaar (art. 53, 8°. Rv.) en zelve niet aan hooger beroep onderworpen (H. R. 1 Sept. 1864, W. n0. 2617, 15 April 1881, fi. d. 127, § 40).
In nauw verband met dit onderwerp is het nieuwe art. 440« (aldus vastgesteld by art. 6 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93) luidende:
„Indien de voogd of toeziende voogd tot eene vryheidsstraf van meer „dan één jaar wordt veroordeeld, of zich ter zake van zoodanige ver-„oordeeling tydens het bekomen der voogdij of toeziende voogdy in „verzekerde bewaring bevindt, kan de arrondissements-regtbank tydelijk „in de uitoefening zijner werkzaamheden voorzien door de benoeming „van een plaats ver vangenden voogd of toezienden voogd.
„De bepalingen van de artt. 438 en 439 betreffende de afzetting „zijn op deze tydelyke voorziening toepasselijk, behoudens dat de voor-„ziening ook op eigen verzoek van den voogd of toezienden voogd kan „geschieden.
„De bepalingen van de achtste afdeeling van dezen titel (de redenen „van verschooning) zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden „voogd van toepassing.
397
398 VERPLICHTIXU TOT AANVAARDING DKR VOUGIHJ.
„Geraakt de benoemde plaatsvervangende voogd of toeziende voogd „zelf in het geval bij het eerste lid voorzien , dan kan de arrondisse-,.ments-regtbank hem op gelijke wijze door een ander vervangen.
„Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd „eindigt van regtswege met de invrijheidstelling van hem, wien hij „vervangt.
„De bepalingen der wet betreffende de regten en verpligtingen van „voogden en toeziende voogden zijn op den plaatsvervangenden voogd „of toezienden voogd toepasselyk.quot;
E. Verplicntinjf tot aanvaarding der voogdij. Redenen van verschooning.
Hij, die tot de voogdij is geroepen, is in het algemeen verplicht die te aanvaarden (art. 387 , lid 1).
Het belang der maatschappij en van de minderjarigen duldt geene weigering van hem, die tot de voogdij geroepen is en de wettelijke vereischten daartoe bezit.
Deze verplichting lijdt uitzondering:
a. ten aanzien der moeder (art. 404);
Vgl. bl. 377, 378, supra, omtrent het recht tot weigering aan de moeder gegeven. In zoodanig geval moet zij niettemin tijdelijk de voogdij waarnemen, en voor de benoeming van eenen anderen voogd zorg dragen; tot op diens aanvaarding blijft zij verantwoordelijk (art. 404).
b. ten aanzien van hen, die onbevoegd zijn tot de voogdij of daarvan zijn uitgesloten (art. 387);
Vgl. bl. 390 tot 395 supra.
c. ten aanzien van hen, die eene door den rechter geldig verklaarde reden van verschooning hebben (art. 387, 433 en v.).
Van de voogdij kunnen zich doen versclioonen :
1°. zij, die den minderjarige niet als bloed- of aanverwant bestaan, wanneer zich binnen het arrondissement, waarin de voogdij is opgedragen, een bloedverwant of aangehuwde bevindt, die in staat is de voogdij uit te oefenen (art. 433);
De voogdy is in de eerste plaats een familielast, die behoort te drukken op de nabestaanden, al moge ook de wettelijke voogdij ten onzent zich, bij afwijking van oudere wetgevingen, slechts tot den
REDENEN\' V A X V E R S C H O O N T S\' G.
vader of de moeder uitstrekken. Veel is er getwist over de beteekenis van de woorden in staat zijn de voogdij uit te oefenen. Terwijl toch iedereen erkent dat de bloed- of aanverwant die onbevoegd of uitgesloten is, niet medetelt, zoodat zyne aanwezigheid in het arrondissement geen reden van verschooning voor den benoemde oplevert, is er twijfel omtrent verwanten die een reden van verschooning hebben. Mr. Diephuis, V, bl. 374, wil hier de beslissing laten afhangen van den rechter; schrijver meent nl. met anderen, dat de uitdrukking in staat zijn op een feitelijk beletsel wijst. Anders Mr. Opzoomeh., II, bl. 350, die alleen een wettelyk beletsel erkent. Ons met iaatstge-melden vereenigende, achten wij dat een vreemde, tot de voogdij benoemd , zich met vrucht op het bestaan van een bloed- of aanverwant kan beroepen, zelfs wanneer deze een reden tot vrijstelling kan aanvoeren. Eerst wanneer de bloed- of aanverwant zich met goed gevolg heeft verschoond, moet hij ten aanzien van den later benoemden vreemde geacht worden niet meer aanwezig te zijn; vgl. v. B. Faube, 2quot; dr., I, bl. 164. De graad van bloed- of aanverwantschap is ter toepassing van art. 433 onverschillig. Hij die zich verontschuldigt, moet wijders een vreemde zijn, zoodat een tot voogd benoemd bloed- of aanverwant zich niet op de aanwezigheid van een nader familielid vermag te beroepen. Moet men aan de ééne zijde erkennen dat elke door de wet gestelde grens willekeurig zou zijn, toch is het bedenkelijk dat de rechter deze verschooning onder alle omstandigheden geldig moet verklaren. Een tot de voogdij geschikte vreemde zal wellicht plaats maken voor een onverschilligen en onkundigen aanverwant in verren graad, waardoor de minderjarige slecht is gebaat. Ware hier de potestatieve vorm niet verkieslijk?
2°. zij, die ziclx in dienst van den Staat buiten \'s lands bevinden (art. 434 , 1°.); \')
399
D. i. buiten het Rijk in Europa. Vgl. Opzoomeh, II, bl. 351; Lf.vyssohn , Themis, V, bl. 320 en v. Hoe lang die afwezigheid moet
\') In het Outwerp 1886 (art. 399) zijn de nomraers 1—3 van art. 434 b. W. als redenen van verschooning vervallen. Volgens de Mem. van Teel. bl. 213 achtte men het ongegrond voor enkele categoriën van staatsambtenaren een voorrecht te scheppen; voor zoover hunne geschiktheid betreft om als voogden werkzaam te zijn, staan zij gelijk met alle burgers, wier bezigheden of liefhebberijen hen tot herhaalde verhuizingen of reizen nopen. De verdere redenen van verschooning komen vrijwel met die van ons B. W. overeen. Eene zeer groote afwijking van het bestaande recht levert art. 402 van dat outwerp op, bepalende: „De voogd kan ook ontslag vragen, indien een ander, die naar „het oordeel des kantonrechters gelijke waarborgen van geschiktheid en gegoedheid aanbiedt, zich bereid verklaart de voogdij over te nemen.quot;
redenen tan verschoon in 6.
duren zegt de wet niet, en kan dat ook moeielijk doen. Mr. Opzoomee zou daarom gaarne ook hier meer aan den rechter willen overlaten.
Squot;. krijgslieden in werkelijken dienst, te land of ter zee (art. 434, 2°.) ;
4°. zij, die een openbaar ambt bekleedeu, dat hen verplickt zich voortdurend of op bepaalde tijden te bevinden buiten de provincie, waarin zij hunne woonplaats hebben (art. 434, 3°.)
De uitdrukking openbaar ambt is eene van de zoodanige, welker beteekenis onzeker is. Bekend is b. v. de vraag of leden van de Staten-Generaal buiten de provincie wonende, waar deze vergaderen, zich van de voogdij kunnen verscboonen (Voorüüin, III, bi. 92 en v.; Diephuts, V, bl. 378; üpzoomer, II, bl. 351). De Pintoi
B. TF., II, § 270, meent, doch o. i. ten onrechte, dat men ten deze moet letten op de omstandigheid waar de voogdij is opengevallen, dat althans de bedoeling der wet hier eene andere is dan de woorden zouden te kennen geven.
óo. zij, die den vollen ouderdom van zestig jareii hebben bereikt. \\roeger benoemd zijnde, kunnen zij zich op hun vijf eu zestigste jaar doen ontslaan (art. 434. 4quot;.);
Men zal hier eveneens aan den vollen leeft yd van 65 jaar moeten denken. Bekend is de vraag of hij die na zyn GO6 jaar is benoemd zich eveneens op 65 jaren kan doen ontslaan, dan wel of deze, behoudens ziekte of ongemak, tot op den boogsten leeftijd de voogdij moet behouden. Dezelfde vraag bestond reeds ten aanzien van art. 433
C. N. (alwaar echter de leeftijd op 65 en 70 jaar was gesteld). De woorden, zoowel van ons artikel als van het Fransche, pleiten zeer stellig in laatstgemelden zin; — en toch valt het moeielijk zich aan die uitlegging te onderwerpen, waarvoor wel geen voldoend motief is aan te voeren. Allerminst is de minderjarige gebaat met het verplichte beheer van den wellicht 80- of 90jarigen voogd. Van daar groot verschil van meening onder de schrijvers (zie Diephuts, V, bl. 379, noot 1). Ons zijn ook verscheiden rechterlyke uitspraken bekend, waar de meer vrijzinnige uitlegging heeft gegolden. (Zie Léon, B. }F., 2e, 3° en óquot; suppl. Rombach, ad art. 434, aanl. 6.)
6quot;. zij, die door eene zware eu behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld zijn (art. 434, 5°.);
De wet doelt hier op eene blijvende kwaal of ongemak, niet op eene acute ziekte. De Code vatte een en ander samen onder de uitdrukking; infirmité grave (art. 434 C. X.).
400
redenen tan terschooning.
7quot;. zij, die met twee voogdijen of toeziende voogdijen zijn belast (art. 434, 6°.) ;
Voogdy en toeziende voogdij zijn hier gelijkgesteld. Eéne voogdij, met ééne toeziende verbonden, levert dns dezelfde reden van verschooning op (Ofzoomee, TI, bl. 353, noot 3).
Men zal ook enrateele en toeziende curateele met voogdij en toeziende voogdij als reden van vrijstelling mogen gelijkstellen. Immers bij art. 506, lid 3 B. W. is o. a. art. 434 op curateele toepasselük verklaard; voogdij levert dus verschooning op voor curateele; het is schier ondenkbaar dat hier niet wederkeerig curateele als verschooning voor voogdg zou mogen gelden. Evenzoo 1. 2 § 9 D. de exc. (27, 1).
Reeds hierboven, bl. 375, is de vraag aangestipt of de wetgever de voogdij over kinderen uit hetzelfde huwelijk als ééne enkele voogdy beschouwt; en tevens als onze meening te kennen gegeven dat, ofschoon niets verhindert dat b. v. over verschillende broeders of zusters verschillende voogden worden benoemd, de wetgever zich op meer dan ééne plaats de bevestigende beantwoording dier vraag voor oogen heeft gesteld. Tot deze gevallen moet o. i. inzonderheid dat van art. 434, 6°. en 7°. worden gerekend. De gelijkheid van belang, alsmede de veelal bestaande onverdeeldheid van het vermogen der minderjarigen, kan er gereedelijk toe leiden de voogdy als ééne administratie te beschouwen, even als gedurende het leven der ouders de kinderen onder dezelfde ouderlyke macht staan. Vgl. ülpianus, 1. 3 D. de excus. (27, 1) „ïria autem onera sic sunt accipienda, ut non numerus pupii-„lornm plures tutelas faciat, sed patrimoniorum separatio; et ideo, qui „tribus fratibns tutor datus est, qui indivisum patrimonium haberent, . . . „unam tutelam suscepisse crediturquot;. Zoo ook § 5 lust. de exc. (1, 25); zie hieromtrent verder Diephüis, V, bl. 382, en de aldaar aangehaalde schrijvers; inzonderheid ook Opzoomer, II, bl. 353 en v, die in een uitvoerige studie van het Romeinsche rechtsbeginsel treedt. Afwijkend: Mr. v. Wessem, Themis, IE, 13, bl. 691 en v.
De woorden „kinderloos zijndequot; konden in art. 434, 6°. worden gemist. Zij staan er alleen als tegenstelling tegenover de volgende uommers. Zy zouden allicht tot verkeerde wetsuitlegging kunnen leiden; terwijl de bedoeling alleen is dat het tot verschooning toereikend is, als men twee voogdijen voert, onafhankelijk van het al of niet hebben van kinderen.
8°. zij, die een of meer kinderen hebbende, met ééne voogdij of toeziende voogdij zijn belast (art. 434, 7°.);
Blykens den samenhang van dit nommer met het voorafgaande en volgende, heeft men slechts aan wettige kinderen te denken. De vader-
Asseb, Bitrgerl, Becht. i. Se druk. 26
401
redenen vax verschoontng.
voogd van een natnurlyk kind kan trouwens aan zyne voogdy, in verband met eene andere hem opgedragen voogdy of toeziende voogdy ex art. 436, 6\'. eene verschooning ontleenen. Juister ware voorts de redactie, indien zij luidde; „zij die één of meer wettige kinderen heb-„bende, daarenboven met ééne voogdy enz. zyn belast.quot;
9°. zij, die op deu dag hunner benoeming vijf wettige kinderen hebben, daaronder begrepen die, welke in den krijgsdienst gestorven zijn (art. 434, 8°.).
Laatstgemeld bijvoegsel is afkomstig uit het Eomeinsche recht (pr. Inst. de exc. tut. vel cur. I, 25: hi enim, quia pro republica ceciderunt, in perpetuum per gloriam vivere intelliguntur). De Pinto, II, § 270, heeft la recht aangetoond dat deze reden zelfs in een oorlogzuchtigen staat niet afdoende is en niet veel meer dan eene declamatie behelst. Daarenboven eischt onze wet niet eenmaal dat het kind zij gesneuveld, en omgekeerd is het niet genoeg zoo het kind, na zyn ontslag uit den dienst, aan de gevolgen van zyne wonden is overleden (Opzoomer, t. a. p.). Ook meerderjarige kinderen tellen ter bevryding des vaders mede.
Bestaan één of meer van bovengemelde redenen op het tijdstip dat men tot de voogdij geroepen wordt, dan kan men zicii van de voogdij doen versehoonen.
Daarenboven geven de redenen, sub 2, 3, 4 en 6 vermeld, aanleiding om ontslag uit de voogdij te vragen, indien zij tijdens de waarneming der voogdij zijn ontstaan (art. 434). Ontslag kan daaran-boven worden gevraagd op ÖSjarigen leeftijd, in het geval bij art. 434, 4°., voorzien.
Zie omtrent dit laatste het aangeteekende sub nquot;. 5, supra.
.Bovenstaande redenen van verschooning of ontslag zijn niet toe-passelijk op deu vader (art. 434, laatste lid).
De moeder heeft die niet noodig, het staat haar vry de voogdy te weigeren (art. 404, zie bl. 377, 378 supra).
Verscliooning of ontslag kan niet anders dan door den rechter worden verleend (art. 435, lid 1).
Hij, die van dat recht wenscht gebruik te maken moet zich daartoe by verzoekschrift en op eigen kósten tot de arrondissements-recht-bank wenden; deze beschikt daarop zonder vorm van proces, doch behoudens hooger beroep. Geldt het verscliooning dan moet het verzoek, op straffe van verlies der bevoegdheid daartoe, worden ingediend
40-2
aanvaarding van de v ü o g d ij.
binnen acht dngen na de benoeming, of wel nadat deze door beteeke-ning ter kennis van den benoemden voogd is gebracht (art. 435 B. W., alwaar echter min juist in den aanhef alleen van ontslag wordt gesproken, terwijl meer bepaald aan verschooning is gedacht).
Bij het opkomen der redenen van ontslag gedurende de voogdij is de bevoegdheid tot het indienen van het verzoek aan geen termijn gebonden; art. 435 toch verbindt die voorwaarde alleen aan het geval van verschooning, tijdens de opdracht bestaande; van sommige redenen van ontslag, bepaaldelijk van zware ziekelijkheid of ongemak kan bet oogenblik van aanvang dan ook niet zoo duidelijk worden aangewezen; daarenboven eischt het belang van den minderjarige hier niet zulk een spoed als bij het openvallen of onbezet zijn der voogdij.
Niettegenstaande het aanvoeren van redenen tot verschooning is de voogd verplicht bij voorraad de voogdij waar te nemen, totdat op het verzoek definitief zal zijn beslist (art. 435 , lid 2).
Eene bepaling, even als die van art. 404 en 387, lid 2 , ten doel hebbende dat de minderjarige zoo min mogelyk onverzorgd blijve. Dat by aanvrage tot ontslag de voogd zijne betrekking blijft waarnemen, totdat zyn opvolger de voogdij beeft aanvaard, behoeft geen betoog.
Waaneer hij, die tot de voogdij geroepen is, weigerachtig of in gebreke is die. te aanvaarden, wordt daarin door den kantonrechter voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder, in de plaats en op kosten van den voogd. De voogd is voor de verrichtingen van dien bewindvoerder verantwoordelijk, behoudens zijn verhaal op dezen (art. 387, lid amp; en 3; art. 1 der wet van 18 April 1874, Stbl. n°. 68).
Omtrent dezen bewindvoerder bevat de wet geene nadere voorschriften. Loon schijnt hij niet temogen in rekening brengen; allerminst aan den minderjarige. De kosten uit het bewind voortvloeiende zullen natuurlijk door den voogd moeten worden vergoed en kunnen, mits de voogd die ook had moeten maken, op de voogdijrekening worden gebracht (Opzoomer, ad art. 387 § 3; vgl. Vernkde op hetzelfde art.).
De benoeming van den bewindvoerder kan vermoedelijk worden verzocht door denzelfden, die in art. 417 zijn genoemd, alsmede door den toezienden voogd, bij analogie van art. 431 (vgl. Diephuis, V, bl. 370).
Daar het hebben van eene reden van verschooning niet ontheft van de verplichting tot aanvankelijke waarneming der voogdij, zal de bepaling van art. 387, lid 2 en 3 ook ten deze toepasselyk zijn.
403
404 A A X v A A K D I N G VAN 1) E VOOGD IJ.
Begrip van aanvaardiug. Eed. (art. 419).
Nergens in de wet wordt bepaald onder welke omstandigheden eene voogdij als aanvaard is te beschouwen. De aanvaarding is dan ook zelden eene bepaalde waar te nemen handeling. Zij bestaat in het aanvangen der werkzaamheden. Zie art. 418 C. X.: „Le tuteur agira et administrera, en cette qualité, du jour de sa nominationquot;; art. 472 Wetb. v. 1830, Fr. tekst: „Le tuteur entrera en fonctionsquot;. Volgens het Ontwerp van 1820, art. 615, moesten alle voogden behalve ouders en grootouders, na van hunne aanstelling kennis bekomen te hebben, eene schriftelijke verklaring doen aan het plaatselijk bestuur of de weeskamer, dat zij de voogdij getrouwelijk en naar hun beste weten zouden waarnemen enz. Art. 329 Wetb. N. v. H. eischte van hen eenen eed van dezelfde strekking.
Zoodanige eed, ook in het Oud-Holl. Recht bekend (de Gteoot, Inl., I : 9 § 1) doch in den Code Nap. niet voorgeschreven, wordt volgens ons recht alleen door den datieven voogd en den toezienden voogd afgelegd (art. 419, 426). Men kan daarin derhalve niet zoo geheel en al het uiterlyk teeken der aanvaarding zien, te minder daar art. 419, lid 2, bepaalt dat die eed vóór het aanvaarden dei-voogdij in handen van den kantonrechter wordt afgelegd en dus niet geheel met de aanvaarding wordt vereenzelvigd. Zie echter Mr. Greeve, bl. 463.
Nóch de vader of moeder, nóch de testamentaire voogd, die het vertrouwen der ouders geniet, en derhalve geheel in hunne plaats treedt, is tot den eed verplicht (Vookduin III, bl. 79). De Pinto, B. W., II, § 262, met recht wijzende op het gevaar van het vermenigvuldigen van eeden, zegt ten opzichte van den testamentairen voogd: „het vertrouwen der ouders is veel grooter waarborg dan een „eed, die overtollig is, wanneer de voogd goede en eerlijke bedoe-„lingen heeft, en die den oneerlijke niet belet om de belangen der „minderjarigen te verwaarloozen.quot;
In het Ontwerp 1886 heeft men op het voetspoor van nieuwere buitenlandsche wetboeken en van het Ontw. 1820 (art. 615) den boven bedoelden eed doen vervallen (Mem. v. Toel. bl. 201).
De aanvaarding behoort te geschieden; voor deu langstlevende der ouders, zoodra hem het overlijden van zijn echtgenoot bekend is; voor den voogd door den langstlevende benoemd, zoodra hem diens overlijden,en zijne benoeming bekend zijn; voor den door den kantonrechter benoemden voogd, op deu dag der benoeming, wanneer hij, daarbij tegenwoordig is geweest, of anders op den dag, waarop die aan hem is beteekend (art. 419, 1quot; lid).
uitoefening der tooguij.
Alleen ten opzichte van de datieve voogdij heeft de wet zulks bepaald. Het overige is bij analogie daaruit af te leiden (Diephüis, V, bl. 386).
Uit de bepaling van art. 419, 2e lid volgt niet dat de voogd tot handelen onbevoegd is, alvorens hij den eed heeft afgelegd; bij afwezigheid van den benoemde zal deze zelfs dikwijls met den besten wil den eed niet terstond kunnen afleggen en toch vangt de vocgdij op den dag der beteekening aan (vgl. Diephüis, V, bl. 387; Opzoombk , II, bl. 343 , noot 5).
F. Uitoefening der voogdij.
i. toezicht over den pebsoonquot; des minderjarigen.
De voogd, draagt zorg voor den persoon en de opvoeding van den minderjarige, die hem zijnerzijds eerbied verschuldigd is (art. -ill).
Men merkt ten deze, even als bij de bepalingen omtrent het beheer van het vermogen eene groote gelijkenis op met de ouderlijke macht. Somtijds verwijst de wet naar den vorigen titel (b. v. in art. 442), een andermaal wordt omgekeerd bij de ouderlijke macht naar de voogdij verwezen (art. 364). Terwijl de verplichting der ouders tot bescherming en opvoeding van hunne kinderen, als op de natuur gegrond, ook zonder de bepaling van art. 353 zou bestaan, is die van den voogd door het recht geschapen en vindt hare uitdrukking in art. 441.
Volgens Eomeinsch recht was de voogd slechts over het vermogen gesteld. De praetor regelde de persoonlijke aangelegenheden van den minderjarige. Het tegenovergestelde werd voorheen verkeerdelijk afgeleid uit de woorden: „(tutor) personae, non rei vel causae daturquot;, 1. 14 D. de test. tutela (26,2) alwaar persona de geheele vermogenspersoonlijkheid beteekent (v. Satigny, wm Beruf enz., bl. 104).
De ouders dragen in den regel zelf de kosten van onderhoud en opvoeding der kinderen, behoudens het hun door de wet toegekende recht op de inkomsten, volgens de vroeger gestelde regelen; de voogd is daartoe uit eigen beurze niet verplicht; hy brengt die kosten ten laste van de voogdijrekening — voor zoover dienaangaande voor den langstlevende der ouders tevens voogd, in verband met het wettelijk vruchtgenot geen ander recht geldt (art. 367, 2°. , 373). Over de verplichting van den voogd om door den rechter bij raming de som te doen bepalen, die jaarlijks voor den minderjarige zal kunnen worden besteed (art. 446, lid 1) zal nader worden gehandeld.
405
406
TOEZICHT. -
BESTUUR. —
V\' E KT EG ES WOOEDIGIXG.
Heeft de voogd zwaarwichtige redenen van misnoegen over het gedrag van den minderjarige, dan zal hij diens opsluiting kunnen verzoeken, inet inachtneming van hetgeen in den vorigen titel is vastgesteld (art. 442; vgl. bl. 355 supra).
De rechtbank mag hierin niet bewilligen , dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige (art. 442, lid 2).
Eenige moeielijkheid levert de vraag op of de langstlevende moeder, die de vongdij heeft geweigerd , niettemin nevens den voogd het recht van vastzetting kan uitoefenen , ex art. 358. Wegens de daarbij gevoegde bepaling dat de hertrouwde moeder dat recht niet. heeft, mag men o. i. analogice aan de moeder hetzelfde recht ontzeggen, telkens wanneer zij geen voogdes is. Is zij hertrouwd en in de voogdij bevestigd , dan kan zy het recht alleen als voogdes, niet als moeder blijven uitoefenen (vgl. Vookduin, II, bl. 582, nquot;. III).
Verder moet men aannemen dat art. 357 en 358 in dier voege aan art. 442 derogeeren, dat de vader of de niet-hertrouwde moeder, voogd of voogdes zijnde, niet aan de oproepingen van art 442, lid 2 gebonden is, doch voor hem alleen eerstgemelde bepalingen gelden.
Hier alweder is juiste afbakening van ouderlijk gezag en voogdij gewenscht.
II. BESTUUR VAN DEN VOOGD.
Ue voogd vertegenwoordigt den minderjarige in alle burgerlijke •handelingen (art. 441, lid 1).
Ofschoon die vertegenwoordiging zich niet uitsluitend tot het vermogensrecht beperkt, en de plaatsing daarvan onder de bepalingen van het toezicht over den persoon des minderjarigen eenigermate te verdedigen is, geven wij er de voorkeur aan haar aan het bestuur van den voogd vast te knoopen.
De voogd handelt niet enkel tot aanvulling van de ontoereikende bekwaamheid van den pupil; hij handelt voor en namens hem, en dekt diens geheele persoonlijkheid.
Niet zoover ging het Romeinsche recht, volgens hetwelk de voogd, behalve ten aanzien van zeer jonge kinderen , slechts bijstand verleende (auctoritatem interponere).
Niettemin treedt de pupil in enkele gevallen zelfstandig, d. i. onafhankelijk van den voogd op, b. v. bij erkenning van een natuurlijk kind, of by het maken van een uitersten wil. In andere gevallen, b. v.
BESTUUR VAN DEN VOOGD. —
407
VERANT WOORÜELIJ KHEIIgt;
by het sluiten van een huwelijk, handelt hgzelf, doch met toestemming van zijnen voogd en toezienden voogd (art. 95). Somtiids wordt daar, waar de voogd den minderjarige vertegenwoordigt, nog de medewerking van den toezienden voogd, althans diens tegenwoordigheid vereiseht (als bij inventarisatie art. 444, boedelscheiding art. 1118, 1122); niet zelden eindelijk wordt de toeziende voogd met de bloeden aanverwanten van den minderjarige gehoord of opgeroepen, alvorens de voogd tot eenige handeling door den rechter wordt gemachtigd (art. 442, 447, 451, enz.). Uit de bepaling van art. 441 volgt geenszins dat de handelingen, door den minderjarige verricht, van alle rechtsgevolg zijn ontbloot. Het tegendeel zal later worden aangetoond.
De voogd moet de goederen van den minderjarige als een goed huisvader besturen (art. 443, lid 1).
Hiermede is bedoeld dat hy in alle opzichten op de meest nauwgezette wijze zijnen plicht moet betrachten. Hij kan niet volstaan met het aanwenden van de zorg, die hij ten opzichte van zijne eigen zaken aanwendt; bij gevolg is hij aansprakelijk niet alleen voor nadeel , den minderjarige berokkend door kwaad opzet {dolus) of grove nalatigheid {culpa lata), maar eveneens voor elke schuld of verzuim {culpa levis), waaraan hij zich bij het beheer schuldig maakt (arg. ex art. 443, lid 1).
Onttrokken aan zijn beheer en mitsdien aan zijne verantwoordelijkheid zijn de goederen, die den minderjarige zijn geschonken of gemaakt, met opdracht van het beheer aan een of meer bewindvoerders (art. 443, lid 2).
Deze bepaling ontbrak in den Code Napoléon. Op het hier bedoelde bewind is de bepaling van art. 362 (vgl. bl. 357 supra) toepasselijk. De voogd kan derhalve rekening en verantwoording van den bewindvoerder vragen en treedt bij ontstentenis van dezen zelf in het beheer.
Evenmin is de voogd aansprakelijk wegens de verrichtingen der koloniale bewindvoerders (protutores) (art. 418; vgl. bl. 387 supra).
Voor eiken anderen bewindvoerder of gemachtigde, loontrekkend (art. 446, lid 2) of niet, is de voogd aansprakelyk. Gene toch handelt slechts als werktuig van den voogd; hetgeen hem tegenover laatstgenoemde natuurlijk niet van eigen verantwoordelijkheid ex mandata ontslaat.
Zie op bl. 358 supra, de bepaling omtrent inlagen van minderjarigen in de Rykspostspaarbank.
benoeming van een toezien den voogd.
Werkzaamheden, waartoe de voogd bij den aanvang van zijn bestuur verplicht is:
a. het doen benoemen van eenen toezienden voogd (art. 423);
Dit doelt bepaaldelijk op den wettelijken en testamentairen voogd en op den laatste nog maar alleen voor zoover degene der ouders, die hem benoemd heeft, zelf voogd zijnde, mocht hebben verzuimd eenen toezienden voogd te doen benoemen, of dat er door eenige toevallige omstandigheid geen toeziende voogd mooht zijn. Bij benoeming door den kantonrechter is deze van zelf werkzaam en moet hij de benoeming van den toezienden voogd — gesteld dat er nog geen is of dat juist de toeziende voogd tot voogd wordt benoemd — onmiddellijk na die van den voogd doen (art. 424).
Bij niet voldoening aan art. 423 kan de voogd zelfs worden ontzet; dat hy tot schadevergoeding verplicht is wordt ten overvloede in hetzelfde artikel vermeld.
Dat verder elke voogd verplicht is eenen toezienden voogd te doen benoemen, indien deze betrekking gedurende de voogdij openvalt, ligt in de bedoeling der wet. Mr. Greeve , t. a. p., bl. 420, vat met juistheid alles samen onder de woorden „dat ieder, die tot de voogdij geroepen of benoemd wordt, heeft te zorgen, dat hem altyd een toeziende voogd ter zijde sta.quot;
h. de beschrijving van den boedel des minderjarigen (art. 444).
Dit is een van de eerste werkzaamheden van den voogd; zy zal in den regel aan de hypotheekstelling (art. 390) en aan de raming der kosten voor onderhond en opvoeding (art. 446) moeten voorafgaan, opdat een en ander met vrucht zal kunnen plaats hebben. Is de boedel tydens het aanvaarden van de voogdij verzegeld (art. 660 en v. Rv.), dan moet de voogd binnen tien dagen de ontzegeling vorderen (art. 444 B. W., 669 en v. Rv.). Vgl. art. 182 B. W. en het aangeteekende op bl. 221 en v. supra.
Twyfel bestaat er omtrent de vraag of degeen, die een ander in de voogdy opvolgt, tot eene nieuwe inventarisatie verplicht is. De wet doelt o. i. bepaald op de eerste voogdij; bij overlijden van den langstlevende der ouders en daardoor nieuw opgekomen vermogen van den minderjarige zal natuurlijk van dit laatste in ieder geval eene boedel beschrijving noodig zyn. Trouwens geene erfenis mag door den voogd anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving worden aanvaard (art. 459), waardoor reeds van zelf eene inventarisatie, zij het ook van goederen, die den minderjarige te zamen met anderen toebehooren, noodig is. Door deze akte, in verband wellicht met eene latere akte
408
boedelbeschrijving d o o e 1) e x voogd, 409
van boedelscheiding, wordt alsdan het nader bij erfenis opgekomen vermogen bewezen (vgl. art. .428 , lid 2).
Vorm der iuvertarisatie (art. 444).
Zij heeft plaats in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, en zulks hetzij bij authentieke , hetzij bij onderhandsche akte.
In het laatste geval wordt zij door den voogd en den toezienden voogd onderteekend; omtrent authentieke akten, welker onderteekening door partijen eveneens regel is, geldt de bepaling, dat zy kan worden vervangen door eene verklaring dat partijen niet kunnen teekenen of daarin door eene uitdrukkelijk te vermelden reden verhinderd zyn (art. 30 der wet op het Notarisambt). Zulk eene verklaring kan de onderteekening van eene onderhandsche akte niet vervangen (art. 1911 B. W.). Wordt de akte onderhands opgemaakt, dan wordt hare deugdelijkheid voor den kantonrechter beëedigd — zoo althans moet men de eenigszins dubbelzinnige woorden van art. 444, lid 2 opvatten — en wordt zy ter griffie van het kantongerecht overgebracht. In geval van beschrijving bij anthenfieke akte geschiedt de eed overeenkomstig art. 681, 7°. Ev., en blgft de akte onder bewaring van den notaris.
Inhoud der akte van boedelbeschrijving (art. 445).
Zij bevat, evenals elke andere inventaris, eene juiste opgave van al de bestanddeelen van het vermogen, de baten zoowel als de schulden. Daaronder behooren ook de schuldvorderingen, die de voogd ten laste van den minderjarige mocht hebben. Verzuim van opgave daarvan had onder het Fransche recht verlies van het recht (déchéance) ten gevolge, nadat de voogd daarop bij de inventarisatie door den ambtenaar , te wiens overstaan de handeling geschiedde, was opmerkzaam gemaakt (art. 451 C. N.).
De reden van deze gestrenge bepaling is te zoeken in het gemak, waarmede de voogd eene door hem aan den overledene gegeven kwijting kan verduisteren , om daardoor de reeds afgedane schuld te doen herleven (Locbé, III, 393). Om soortgelijke redenen kon volgens later Eomeinsch recht de schuldeischer van den minderjarige geen voogd zyn (Nov. 72, c. 1, 2, 4; Auth. ad 1. 8 C. qui dari tut. 5 , 34). Vgl. de Pinto , II, § 280.
Minder gestreng is art. 445 B. W., bepalende dat by gebreke van die opgave de voogd het verschuldigde niet kan vorderen vóór de meerderjarigheid en dat hij intusschen geen renten mag berekenen. Hetzelfde artikel bepaalt verder dat de verjaring inmiddels niet tegen den voogd loopt, en zulks in overeenstemming met den regel: „contra agere non valentem non currit praescriptioquot;, ten onzent nedergelegd in
zeker ii kid dook den voogd te stkllen\'.
de artt. 2023—2025) B. W. Zie verder art. 418 Ontw. 1886 , dat weder eenigszins gestrenger is, door aan het niet vermelden eener zoodanige schuldvordering een vermoeden van kwijting te verbinden.
c. Het stellen vau hypotheek J) tot zekerheid van zijn beheer, en zulks tot een bedrag, geëveuredigd aan de uit dat beheer voortvloeiende verantwoordelijkheid. Alleen de regenten van gestichten zijn hiervan vrijgesteld (art. 390—399, 42], lid 2).
410
Groot zyn onder elke wetgeving de moeielijkheden, verbonden aan de zekerheid door den voogd ten behoeve van den minderjarige te verleenen. Terwijl onder bet Fransche recht de minderjarige eene wettelyke hypotheek op alle onroerende goederen van den voogd had (art. 2121 en v. C. N.) is zulks thans afgeschaft, in verband met het in ons wetboek te recht algemeen ingevoerde stelsel van publiciteit en specialiteit der hypotheken , en vervangen door eene hypothecaire inschrijving, te nemen op bepaalde onroerende goederen van den voogd. Men zie echter bij Vookdutn, III, bl. 27—46 de vele bezwaren bij de behandeling gerezen, die men slechts met moeite en niet altijd op volkomen bevredigende wyze heeft kunnen overwinnen. Moet men b. v. den voogd, die geene onroerende goederen heeft, kunnen dwingen zekerheid te geven door het verbinden van zijne inschrijvingen op het grootboek, inbewaargeving van effecten of borgstelling van derden? Gewichtige redenen hebben tot de ontkennende beantwoording var al deze vragen doen besluiten. Behouden is derhalve alleen de verplichte hypotheekstelling voor zooveel de voogd onroerende goederen heeft of later verwerft; daarnevens is den voogd de hevoegdJieid verleend om door consignatie van effecten van den minderjarige, hypothecaire inschrijvingen op goederen van derden, die daarin bewilligen, of verband van inschrijvingen op het grootboek, zyn eigen onroerende goederen geheel of gedeeltelik van den daarop te vestigen of gevestigden last te ontheffen. Tot meerdere beveiliging van den minderjarige is hem nevens die hypotheek een voorrecht toegekend op alle goederen van den voogd. doch alleen voor zoover de vordering niet verhaalbaar is oj) de hypotheek of andere daarvoor in de plaats getreden zekerheid. Intusschen is dit voorrecht het laagste in rang van de in art. 1195 bedoelde , zoodat er niet alleen in aard maar ook in gevolg een groot verschil bestaat tusschen beiderlei recht van den minderjarige. Toch
\') Volgens art. 422 Ontw. 1886 kan de voogd hypotheek geven of inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld verbinden. Hetzelfde was reeds door de Staatscommissie van 1867 voor de herziening o. a. van het hypotheekstelsel omtrent art. 390 B. W. in overweging gegeven.
zekerheid dook den voogd te stellen.
kan het in werkelijkheid blijken dat gemeld voorrecht niet onverschillig is en den minderjarige zeer te stade komt, b. v. als de voogd geen onroerende goederen bezit, of wel indien door nalatigheid, gelijk in werkelijkheid dikwijls voorkomt, geen hypotheek is gesteld; zoo ook wanneer het verbonden perceel weinig waarde heeft, of reeds met vroeger ingeschreven hypotheken geheel of gedeeltelijk is bezwaard.
Hypotheek moet wordeu gesteld door alle voogdeu, met inbegrip van den vader en de moeder (art. 390, lid 1).
Het laatste is o. i. ten onrechte door enkelen op zeer zwakke argumenten en in strijd met den duidelijken tekst van art. 390 betwijfeld. Zie ten bewijze van het door ons gestelde o. a. Asser, Perg. § 244; de Pinto, II, § 243; Diephuis, V, bl. 462 en v., en verder omtrent dit onderwerp: Mr. Scholten, Themis 1890, bl. 407.
De hypotheek zal worden gesteld tot een bedrag, onverwijld door den kantonrechter te bepalen. Deze slaat daarbij acht op den aard der goederen, hunne opbrengst en de uit de voogdij voortvloeiende geldelijke verantwoordelijkheid (art. 390, lid 2).
Spoed is noodig, zoowel wegens liet gevaar dat de voogd zich van goederen kan ontdoen vóór dat de inschrijving mogelijk zij, als wegens den rang der inschrijving, waarop het bij hypotheken in de allereerste plaats aankomt (art. 1226). De inschryving geschiedt bepaaldelijk tot waarborg van de roerende goederen of gelden, die de voogd aan den minderjarige (of aan eenen opvolgenden voogd) moet uitkeeren of uitbetalen. De onroerende goederen van den minderjarige, of diens inschrijvingen op het grootboek, die niet zonder machtiging van den rechter kunnen worden vervreemd, komen dus ten deze niet in aanmerking, dan alleen voor zoover de inkomsten daaruit betreft.
Verder kan de voogd aan den kantonrechter verzoeken de effecten aan toonder, aan den minderjarige behoorende, in de consignatiekas in bewaring te geven; wordt dit toegestaan, dan zal zoodanige waarde by het bepalen van de hoegrootheid der hypotheek niet in aanmerking komen (art. 391). De wet van 26 Mei 1841, Stbl. n0. 14, regelt dit punt nader, en draagt de bewaring op aan de bewaarders der hypotheken en het kadaster in de residentiën der provinciale gerechtshoven ge-zamenlyk met de griffiers dier hoven. De wet van 10 Nov. 1875, Stbl. nquot;. 204, waarbij de provinciale hoven zijn afgeschaft en nieuwe gerechtshoven ingesteld, heeft by art. 6 daarin wijziging gebracht. Zie ook K. B. v. 1 Febr. 1876, Stbl. nquot;. 36.
By de beraadslagingen is de vraag geopperd of niet de voogd op verzoek van den toezienden voogd of van bloedverwanten tot derge-
411
412 ZEKERHEID DOOK DES VOOGD TE STELLEN.
lijke consignatie moet kunnen worden verplicht. De wenschelijkheid hiervan, is niet te ontkennen; toch stuitte de zaak af op bezwaren, deels uit kieschheid voortspruitende, deels van praktischen aard, ontleend aan de bijeenhooping van zooveel waarden op ééne plaats in verband met den omslag, door het ontvangen der renté of van nieuwe stellen coupons veroorzaakt. Althans zou meerdere uitbreiding van art. 391 het instellen van inrichtingen als weeskamers enz. noodig maken (Assek, Verg. § 246; Vookuuin, III, bl. 48, IV). \')
VoorscliTiften ten deze in acht te nemen. Recht van hooger beroep (art. 390, lid 2, 3, 4, art. 393).
De kantonrechter hoort den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden; hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt , bevattende eene korte opgave van de onderscheiden geuite meeningen, en de redenen van des rechters beslissing. Deze laatste is by voorraad uitvoerbaar niettegenstaande hooger beroep; met de tenuitvoerlegging is de toeziende voogd belast. Al de personen, die tot het uiten van hun gevoelen gehoord zijn, kunnen by verzoekschrift tegen de uitspraak van den kantonrechter bij de arrondisse-ments-rechtbank in beroep komen. Deze kan zoo noodig nogmaals de bovengenoemde personen hooren, en stelt zonder vorm van proces, doch gehoord het openbaar ministerie, de som definitief vast (art. 393).
Vorm der lijpotheekstelling (art. 396, 1217).
Zij geschiedt, even als elke andere hjpotheekstelling, bij authentieke (notariëele) akte (art. 1217). Daarenboven kan de hypotheek worden gesteld, hetzij bij de akte van benoeming van den voogd, hetzij bij diens eedsaflegging.
Weigert de voogd, dan kan hij daartoe bij vonnis worden genoodzaakt, hetwelk dezelfde kracht heeft alsof hij in de hypotlieekstelling heeft toegestemd en eveneens bepaaldelijk de. goederen zal aanduiden, op welke de inschrijving zal geschieden (art. 1217, lid 3).
Hier vertegenwoordigt de toeziende voogd den minderjarige, wegens den strijd van belangen tusschen dezen en den voogd (art. 427 en v.).
De woorden van art. 396 geven aanleiding tot twijfel of niet ook bij eene afzonderlijke authentieke akte, ten overstaan van den kantonrechter verleden, hypotheek kan worden verleend (zie hieromtrent de vele door Mr. Diepuüis aangehaalde schrijvers). Ons schijnt het
\') Volgens art. 433 Ontvv. 1886 is de bewaargeving van effecten en aandeelen aan toonder verplichtend. Zie de Mem. v. Toel. bl. 208 en 209.
zekerheid dook l) e n voogd te stellen.
toe dat de kantonrechter alleen in de twee uitdrukkelijk genoemde gevallen tot het verlijden der akte bevoegd is. Daar de hoegrootheid der som zelden vóór de inventarisatie te bepalen is, zal in de praktijk even zelden de hypotheekstelling by de benoeming of de eedsaflegging kunnen geschieden; daarenboven is het tot op het oogenblik der benoeming en zelfs nog eenigen tyd daarna, wegens mogelijkheid van verschooning of hooger beroep, somtijds onzeker wie voogd zal worden; de juiste aanduiding der te bezwaren perceelen zal buitendien eenige praktische bezwaren voor den kantonrechter opleveren. Mr. Greeve, t. a. p., bl. 467, verklaart dan ook gedurende eene 24jarige praktijk als griffier of kantonrechter nog nooit de hypotheekstelling bij de akte van benoeming of eedsaflegging te hebben gezien.
De hypotheek wordt gevestigd op een of meer onroerende goederen van den voogd. Heeft hij geene of geene genoegzame goederen, dan is hij gehouden aan zijne verplichting voor het geheel of voor het ontbrekende te voldoen, zoodra hij goederen van dien aard heeft verkregen (art. 392).
Greschillen over de waarde der tot hypotheek aangewezen goederen worden door den kantonrechter beslist, na verhoor van de bij art. 390 vermelde personen, en behoudens hooger beroep, op de wijze als bij art. 393 is voorgeschreven (art. 395).
Bevoegdheid van den voogd om de op zijne goederen te vestigen of gevestigde hypotheek door andere zekerheid te vervangeii (art. 397).
Dit kan geschieden, hetzij door het stellen van hypotheek op de goederen van eenen derde, die daarin toestemt, hetzij door middel van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, ten behoeve van den minderjarige verbonden en berekend naar den koers van den dag.
Ofschoon de wet het niet zegt, mag men aannemen dat de voogd eveneens zijn goed van eene hypotheek kan ontlasten door inschrijving op een ander hem toebehoorend goed. De bepaling van art. 397, even als die van art. 391, strekt immers ten voordeele van den voogd, om hem van den op hem drukkenden last zooveel mogelijk te ontheffen, zonder de belangen van den minderjarige aan meerder gevaar bloot te stellen.
Het staat niet volkomen vast wie de kosten van eene verandering in den aard der zekerheid moet dragen, de voogd of wel de minderjarige. Er schgnt veel voor te zeggen om laatstgemelde daarmede te belasten, zynde de kosten op wettige wijze door den voogd in diens hoedanigheid gemaakt.
413
414 zekekheii) door den voogd te stellen.
Vermeerdering of vermindering van het bedrag der hypotlieek (art. 394-).
De hypotheek moet evenredig zijn aan de op den voogd rustende verantwoordelykheid. Van daar dat bij toename van de gegoedheid van den minderjarige vermeerdering kan worden gevraagd en bevolen, alles op de wijze als bij art. 390 is bepaald en behoudens beroep.
Geheel op dezelfde wijze kan vermindering van hypotheek worden toegestaan, ingeval de gegoedheid van den minderjarige, mits buiten schuld van den voogd, eene aanmerkelijke vermindering mocht hebben ondergaan. Mag men ook hier analogice vermindering van hypotheek toestaan ingeval van uit anderen hoofde verminderde verantwoordelijkheid, b. v. ten gevolge van omzetting van effecten van den minderjarige in vaste goederen? Zoodanige analogie schijnt gevaarlijk. Ongaarne toch breidt men eene bepaling in het nadeel van den minderjarige uit, al moge het geval logisch met het vorige geheel gelijk staan (vgl. Ofzoomer, II, bl. 376, noot 4).
Herhaaldelijk komt het voor dat, tengevolge van samenspanning van voogd en toezienden voogd, de gestelde hypotheek wordt geroyeerd, zonder dat gelijktijdig andere voldoende zekerheid wordt gesteld. Aan dergelyke doorhaling is o. i. te recht bij Arr. v. d. H. R. v. 22 Nov. 1889, W. n0. 5794, in overeenstemming met het Hof te \'s Graven-hage v. 4 Febr. 1889, W. n0. 5678 en de Rb. aldaar v. 2 Maart 1888, IV. nquot;. 5540 alle gevolg ontzegd. De gehoudenheid van den toezienden voogd, zoo besliste eerstgemeld arrest, om in het belang van den minderjarige toe te zien op het stellen en inschrijven der voogdij-hypotheek, brengt mede de verplichting om, ook uit kracht der algemeene bepaling van art. 427, te waken dat de zakelijke zekerheid van den minderjarige tot het einde van des voogds beheer onverkort blijve. Buiten de gevallen, dat vermindering der hypotheek op aanvrage van den voogd is toegestaan, of de oorspronkelijke hypotheek in overeenstemming met de wet is vervangen door eene andere of door een verband op een der grootboeken van de nationale schuld, is de toez. voogd niet bevoegd om vóór het einde van des voogds beheer toe te stemmen in de doorhaling van de inschrijving der voogdijhypotheek. Zie over dezelfde vraag in gelijken zin Mr. S. K. D. M. van Lier, Boorh. van voogdij-hyp. Acad. Pr. Utrecht 1890, bespr. in if. n0. 5096, R. Mag. IX, bl. 620. Art. 428 Üntw. 1886 waakt nitdrukkelyk tegen bovenbedoelde willekeurige handeling.
Dat de verbanden, op de onroerende goederen of de inschrijvingen op het grootboek gelegd, zullen worden doorgehaald of opgeheven, nadat de verantwoordelijkheid van den voogd, door het afleggen van
bepaling tan uitgaven esz. door den kantonrechter. 415
rekening en het overgeven der bescheiden en waarden, heeft opgehouden, zon zelfs zonder de uitdrukkelijke bepaling van art. 398 rechtens zyn (vgl. art. 1253 B. W.).
Twijfel bestaat er of ook doorhaling en opheffing kan worden gevorderd, nadat door tienjarig tijdsverloop, volgens art. 472 de vordering des minderjarigen is verjaard (vgl. Diephuis, V, bl. 476).
De akten tot het vestigen van de inschrijvingen en doorhalingen der hypotheek waarvan hier sprake is, zijn vrij van de rechten van registratie en hypotheek; behoudens het salaris van den bewaarder, hetwelk ten laste van den minderjarige komt (art. 399).
d. de voogd — met uitzondering van den vader of de moeder — moet door den kantonrechter doen bepalen:
1°. het beloop der som, welke de minderjarige jaarlijks zal kunnen verteren;
3Ü. de kosteu, die op het beheer der goederen kunnen vallen — beide punten bij raming en naar gelang der te beheeren goederen;
•3°. of hij zich in zijn beheer zal mogen bedienen van een of meer loontrekkende bewindvoerders, die onder zijne verantwoordelijkheid handelen (art. 446).
Ook deze beschikkingen worden genomen na verhoor of oproeping van den toezienden voogd, de bloed- en aanverwanten, en zijn aan hooger beroep onderworpen.
De meeste schrijvers oordeelen, dat bij veranderde omstandigheden de voogd eene nadere raming der te verteren gelden kan uitlokken; en znlks overeenkomstig de meening der regeering (Voorduin, III, bl. 105 en v.). De geheele regeling beoogt overigens niets meer dan eene raming (apercu, art. 454 C. N.), die den voogd tot richtsnoer moet strekken. De voogd kan later niet volstaan met het bewijs, dat de werkelijke uitgaven beneden de raming zijn gebleven, en omgekeerd sluit de raming de mogelijkheid van grootere uitgaven niet uit, mits de voogd het onbetwistbare nut daarvan bewijze (Üpzoomer, II, bl. 379; Diephuis, V, bl. 391 en aldaar aangehaalde schrijvers). Zoo het belang van den minderjarige znlks eischt, schijnt de rechter bij de raming der som zelfs de inkomsten van den pupil te mogen overschrijden, b. v. tot noodzakelyke kosten van studie, het aanleeren van eenig vak, enz.
Dat de voogd zich voor eigen rekening altijd door gemachtigden kan doen bijstaan, behoeft geen betoog. Het zwaartepunt van deze wetsbepaling is gelegen in het genieten van loon door den bewindvoerder, op kosten des minderjarigen. Des rechters machtiging sluit
v e e k o o f van meubelen k n z.
alle later debat hieromtrent uit; zonder die machtiging moet de voogd bewijzen, dat het aanstellen van loontrekkende bewindvoerders nuttig en noodig was (vgl. Opzoomek, bl. 379).
e. de voogd moet alle raeubeleu of huisraad, die den minderjarige bij de opening der voogdij behooren of die liem later mochten opkomen , benevens alle roerende goederen, die geene vruchten, inkomsten of voordeelen opleveren, doen verkoopen. Uitgezonderd zijn de zoodanige, die met bewilliging van den kantonrechter en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, de bloed- of aanverwanten in natura mogen bewaard blijven (art. 447, lid 1, art. 1 der wet van 18 April 1874, Stbl. n0. 68).
Ook laatstgemelde goederen mogen na gelijk verhoor met toestemming van den kantonrechter worden verkocht, indien het belang van den minderjarige zulks vordert (eod. lid 3).
De verkoop moet geschieden in het openbaar en door eenen bevoegden ambtenaar, met inachtneming der plaatselijke gebruiken, ten ware de kantonrechter, na verhoor of oproeping als voren, mocht bevelen dat deze of gene bepaald aan te wijzen voorwerpen, in het belang van den minderjarige, onderhands zullen worden verkoclit, voor of boven den prijs, waarop die door daartoe te benoemen deskundigen zullen geschat zijn (eod. lid 2).
Koopmanschappen (marchandises) kunnen door den voogd onderhands door tusschenkomst van makelaars, tegen den koers, en vruchten van landgoederen, ter markte of anderszins, tegen marktprijs worden verkocht (eod. lid 4).
Het vermogen van den minderjarige behoort zoo min mogelijk renteloos te bly ven. Meubelen, huisraad en velerlei roerende zaken gaan daarenboven door gebruik en meer nog door onbruik in waarde achteruit, of eisohen voortdurend onderhoud. Art. 452 C. N. eischte verkoop binnen eene maand na het opmaken van den inventaris. Ten onzent is, in het belang van den minderjarige, de voogd te recht van dien termen vrijgesteld, omdat sommige voorwerpen met meer voordeel op den eenen dan op den anderen tijd kunnen verkocht worden (Voorduin, III, bl. 108).
Mr. Opzoomer wil hier de uitdrukking meubelen uf huisraad opvatten in den zin, waarin die woorden in art. 571 worden verklaard; mitsdien zouden daaronder volgens art. 570, j0. 566 ook schepen en soortgelijke voorwerpen behooren; schrijver meent verder dat de meubelen of huisraad altijd verkocht moeten worden, zelfs al zouden
416
VERKOOP VAX MEUBELEN ENZ.
zij vnicbten opleveren, b. v. door verhuring. Ook al mocht men met schrijvers opvatting van de bedoelde uitdrukking instemmen, zoo kunnen wij in art. 447 niet met zekerheid lezen, dat het niet opleveren van vruchten enz. alleen zou slaan op roerende goederen en niet ook op meubelen of huisraad. Met het oog op het doel der wet (het productief maken van het vermogen) zou van twee uitleggingen, die beide taalkundig te verdedigen zyn, de rationeele allicht boven de ongerymde te verkiezen zijn. Maar de lezing van art. 447 B. W., vooral het bezigen der woorden „meubelen of huisraadquot; nevens „roerende goederen, welke geen vruchten enz. opleverenquot;, doet ons met velen aannemen dat eerstgemelde woorden in de gewone, dagelijksche betee-kenis, niet in de wettelyke van art. 571, moeten worden opgevat.
Vrijgesteld vau de verplichting om de meubelen of andere roerende goederen te verkoopen zijn de vader en de moeder, voor zooveel deze het wettelijk vruchtgenot van de goederen van den minderjarige hebben.
Zij kunnen die goederen desverkiezende bewaren, ten einde ze later in natura terug te geven; in dat geval zullen zij de goederen op hunne kosten doen schatten door eenen deskundige, door den toe-zienden voogd benoemd, en door den kantonrechter beëedigd. Van goederen, die zij niet in natura mochten kunnen teruggeven, zal de begroote waarde worden vergoed (art. 448).
De vader of de moeder die het vruchtgenot heeft is niet verplicht het vermogen zoo productief mogelijk te doen zijn; het geldt hier hun eigen belang , niet dat van den minderjarige. Dit juiste beginsel zou streng genomen ten gevolge moeten hebben dat by het ophouden van dat vruchtgenot op 20jarigen leeftijd van den minderjarige — by eerder huwelijk wordt hy meerderjarig, zoodat dit geval hier niet in aanmerking komt — de noodzakelijkheid van verkoop geboren werd. Dit schijnt intnsschen niet des wetgevers bedoeling te zijn geweest. Immers dan zou de voogd de goederen niet in natura kunnen teruggeven , gelijk art. 448 vooronderstelt; en niet licht zal men dienaangaande met de door Mr. Opzoomer voorgestelde eenigszins kunstige oplossing genoegen nemen, dat nl. de voogd-vruchtgebruiker alsdan aan den voogd-niet-vruchtgebruiker (d. i. aan zich zelf) de goederen in natura overgeeft, om ze terstond te verkoopen. Blijkens Voorduin , III, bl. 111, bedoelde de regeering ook geenszins de ouders alsdan nog tot verkoop te dwingen. Wel zeide men dat bij verlies van vruchtgenot (art. 370—372) de bepaling van art. 448 niet op de ouders toepasselyk zou zyn, zoodat zy in zoodanig geval met gewone voogden gelijk staan. Zoo ook de Pinto, II, § 280, en Diephuis, V, bl. 415.
Asser, Burgert. Recht. i. 3e druk. 27
417
werkzaamhedbn g e u u r e n i) b het bestuur.
Geldt het goederen, die aan het vruchtgenot zijn onttrokken (art. 368r 2°. of 887), dan is natuurlijk evenmin de uitzondering van toepassing.
Toereikend zij het hier te vermelden, dat er verschil van meening bestaat omtrent de vraag of sommige bepalingen van vruchtgebruik (b. v. art. 804, 812, 842, 851, enz.) ook hier van toepassing zijn, dan wel of art. 448 eene bijzondere bepaling is, die aan de algemeene beginselen van vruchtgebruik derogeert (zie b. v. Diephüis, V, bl. 413, en de aldaar aangehaalde schrijvers).
f. certificaten der nationale scliuld moeten ten name van den minderjarige op het grootboek worden overgesclireven (art. 450).
Ofschoon de innerlyke waarde niet veel verschilt, verdient de inschrijving ten name van den minderjarige de voorkeur, daar effecten aan verlies of vervreemding zijn blootgesteld , en inschrijvingen op het grootboek niet zonder rechterlijk verlof aan anderen kunnen worden overgedragen (art. 451). De wet gelast den toezienden voogd uit-drukkelijk voor de uitvoering van dit voorschrift te zorgen.
Vgl. art. 433 Ontw. van 1886, volgens hetwelk de voogd alle effecten en aandeelen aan toonder van den minderjarige op diens naam moet stellen, of wel in bewaring geven.
Werkzaamheden, waartoe de voogd gedurende zijn bestuur verplicht is:
a. liet doen benoemen van eenen toezienden voogd, indien de betrekking openvalt (vgl. bl. 408 supra);
h. de beschrijving van alle nalatenschappen, die den minderjarige mociiten opkomen (art. 428, lid 2, 459; vgl. bl. 408 en v. supra);
c. het verleenen van hypotheek op goederen, die den voogd later mochten opkomen, in liet geval voorzien bij art. 392; alsmede het vergrooten der hypothecaire inschrijving bij vermeerdering van zijne verantwoordelijkheid, volgens art. 394 (vgl. bl. 414 supra);
d. het doen overschrijven van certificaten der nationale schuld op het grootboek (als hierboven sub ƒ) ;
e. het doen van summiere rekening en verantwoording om de twee jaren aan den toezienden voogd, aan wien hij tevens de effecten en bescheiden, aan den minderjarige toebehoorende, zal vertoonen.
Van deze verplichting zijn de vader en moeder vrijgesteld (art. 429, lid 1);
Deze rekening geschiedt op ongezegeld papier en wordt zonder kosten of gerechtelijken vorm overgegeven (eod. lid 2). Is de voogd weigerachtig of levert de rekening sporen van ontrouw of grove nalatigheid
418
summiere r e k e n i n g.
419
belegging.
op, dan zal de toeziende voogd de afzetting van den voogd moeten vorderen (art. 430, lid 1; vgl. bl. 394 supra).
De reden van dit voorschrift is duidelijk. De toeziende voogd moet in de gelegenheid zijn zich nu en dan op de hoogte der zaken te stellen, het beheer in groote trekken te volgen en zich van de aan. wezigheid van de papieren van waarde te overtuigen; by de behandeling heeft het een ernstig punt van overweging uitgemaakt of het; wel wenschelijk is den vader en de moeder ten deze van de verplichting vrij te stellen (Voohuuin, III, bl. 89). De wet eischt verder geene bestrijding, verdediging of goedkeuring dezer rekening; de minderjange toch behoort in geenen deele in zijne rechten te worden gepraejudicieerd.
• Art. 392 Ontw. 1886 bevat ten deze eenige voor alle partijen zeer nuttige voorschriften.
f. het beleggen van geiden, den minderjarige toebehoorende (art. 449).
Reeds meermalen is er op gewezen, dat de voogd in het algemeen het vermogen van den minderjarige vruchtdragend moet maken. In verband hiermede noemden wij het verkoopen van de niet vruchtdragende roerende zaken. Daarnevens staat de verplichting tot geldbelegging, waartoe de voogd, die als een goed huisvader moet besturen, in den regel zoo spoedig mogelijk moet overgaan. De belegging moet plaats hebben zoowel ten aanzien van kapitalen, die den minderjarige toevallig in gereed geld ten deel vallen, of door uitloting, aflossing of verkoop van andere waarden mochten vrijkomen, als van onverteerde inkomsten.
Wat deze laatste betreft, bepaalt de wet, dat de voogd tot belegging verplicht is, zoodra het batig slot (d. i. datgene, wat na aftrek der vertering overschiet) een vierde der gewone inkomsten te boven gaat (art. 449, lid 1).
Wijze van belegging:
Zij mag op geene andere wijze plaats hebben dan door aankoop van:
1°. inschrijvingen op liet grootboek der nationale schuld,
2°. onroerende goederen, of
3°. rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op onroerende goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde meer bedraagt dan de daarop te vestigen schuld (art. 449, lid 2).
Volgens art. 455 C. N. bepaalde de familieraad de wijze van belegging. Aan een stellig wetsvoorschrift werd ten onzent de voorkeur gegeven. Het spreekt van zelf, dat het niet onverschillig is welke onroerende goederen worden aangekocht of ten bate des minderjarigen bezwaard. De voogd zal ten deze krachtens art. 443, lid 1, een
27*
belegging tan g k l d e n.
nauwgezet onderzoek moeten instellen, en bepaaldelijk nagaan of de goederen, sub 3 bedoeld, niet reeds met hypotheek zijn bezwaard; de wet toch beoogt kennelijk eene eerste hypotheek, ofschoon het niet uitdrukkelijk is gezegd. Vgl. art. 435 Ontw. 1886, dat ook nog enkele andere wijzen van geldbelegging mogelijk maakt.
De wijze van belegging slaat bepaaldelijk op de bovengemelde gereede penningen, tot het kapitaal behoorende of uit onverteerde inkomsten voortspruitende. Verplichting tot omzetting van effecten enz., die in den boedel mochten aanwezig zyn (behalve certificaten van de nationale schuld), bestaat er niet. Immers tot den verkoop daarvan is juist rechterlijke toestemming noodig (art. 451), en ook de artt. 391 en 429, lid 1 vooronderstellen het aanwezig zijn van effecten in het vermogen van den minderjarige.
Verantwoordelijkheid van den voogd des wegen.
Wanneer de voogd gedurende een jaar in gebreke is gebleven gelden overeenkomstig het voorschrift van art. 449 te beleggen, is hij daarvan de wettelijke interessen verschuldigd (art. 449, lid 3).
Twijfel bestaat er bij de schrijvers of in dat geval de interessen loopen van den dag, quot;dat hij de belegging had kunnen doen, dan wel sedert den laatsten dag van het hier bedoelde jaar. De eerstgemelde meening lacht ons meer toe, bij de algemeene verplichting var. den voogd om kapitalen te beleggen, zoodra zij zekere som overschrijden. Belegt de voogd niet binnen bet jaar, dan mag men aannemen dat zyn dralen niet aan het afwachten van eene gunstige gelegenheid, maar aan nalatigheid is toe te schrijven. De voogd is niet eerst in gebreke door en na het verloop van een jaar, maar het ongebruikt laten verloopen van dien tijd werpt een ander licht over zijn bestuur. Aldus ook Mr. Dihphuis, V, bl. 440 en v., Mr. Weve, Themis, X, bl. 493 en v.; anders Opzoomer, II, bl. 389, v. d. Berg, bl. 136.
Belegt de voogd de gelden anders dan op de voorgeschreven wijze, b. v. door het koopen van buitenlandsche effecten, aandeelen in handelsondernemingen enz., dan doet hij dit op eigen gevaar, met dien verstande dat hij voor het daardoor geleden nadeel verantwoordelijk is; mogelijk voordeel evenwel, dat uit zoodanige belegging kan voortspruiten door koersverheffing, hoogere renten enz., komt ten bate van den minderjarige; de effecten of aandeelen toch behooren aan dezen, niet aan den voogd.
Buiten de handelingen, waartoe de voogd bij deu aanvang of gedurende zijn beheer verplicht is, zijn er nog verscheidene handelingen, waartoe hij bevoegd is, doch niet anders dan met inachtneming van
420
vervreemding , verpanding van goederen\'.
bijzondere wettelijke voorschriften; of die hem verboden zijn, behoudens rechterlijk verlof.
De rechter, tot het verleenen van machtiging voor schier al deze handelingen aangewezen, was vroeger de arrondissements-recritbank. Bij de meermalen genoemde wet van 18 April 1874 (Sthl. n\'. 68), is voor zoodanige gevallen de kantonrechter aangewezen, daar deze, als plaatselijk rechter, beter dan de arr.-rechtbank, op de hoogte kan zijn van feiten en toestanden, den minderjarige betreffende.
Zie omtrent deze wet Mr. Greeve , t. a. p., bl. 473 en v.
Deze handelingen zijn de volgende:
a. het opnemen van gelden ten behoeve van den minderjarige, het vervreemden of verpanden van diens onroerende goederen, het ver-koopen of overdragen van diens effecten, schuldvorderingen en actiën. Tot het verrichten dezer handelingen heeft de voogd de machtiging van den kantonrechter noodig (art. 451—456);
Deze machtiging wordt niet verleend, dan ingeval van volstrekte noodzakelijkbeid of klaarblijkelijk voordeel !), en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige (art. 451). Men zie verder de bepaling, van art. 2 der voormelde wet van 1874. De rechter, in deze en de volgende artikelen bedoeld, is die van de plaats, waar de minderjarige domicilie heeft, niet die van de plaats, waar het onroerend goed is gelegen (vgl. Diephuis, V, bl. 424). De machtiging toch strekt in geval van verkoop enz. van een onroerend goed niet om dat goed voor verkoop vatbaar, maar om den voogd daartoe bevoegd te maken; hiertoe moet de geheele vermogenstoestand van den minderjarige den rechter bekend zyn, waartoe de voogd, bij zijn verzoekschrift eenen staat van al de goederen van den minderjarige moet overleggen, met opgave van de zoodanige, die hy zou wenschen te vervreemden. De rechter is bevoegd den verkoop toe te staan, hetzij van de aangewezen goederen , hetzij van andere, wier vervreemding hem meer in het belang van den minderjarige mocht toe-schynen (art. 452).
De machtiging van den kantonrechter is onnoodig, wanneer bij een vonnis, op verzoek van een der mede-eigenaren van een onverdeeld stuk onroerend goed, de verkoop mocht bevolen zijn (art. 455).
\') Art. 438 Ontw. 1886 spreekt ook van „dreigend nadeel, of wanneer de inkomsten „van den minderjarige ontoereikend zijn om in de kosten van zijn onderhoud en opvoeding „te voorzien.quot;
421
TERKOOP VAN ON HOERENDE GO EDEKEN ENZ.
Dit geval wordt geregeld bij art. 1122 B. Wquot;. Het geldt daar goederen aan meerderjarigen en minderjarigen — of enkel aan minderjarigen — gezamenlijk toebehoorende; en bet is de recbtbank , die hier niet aan een enkel eigenaar machtiging verleent, maar een voor allen verbindend hevel tot verkoop geeft.
De invoering der wet van 1874 heeft bij velen twijfel doen ontstaan omtrent de grens der bevoegdheid van den kantonrechter en de rechtbank, ingeval van zoodanige gemeenschap. De H. R. maakte bij arrest van 6 Nov. 1874, W. n°. 3785, een eind aan dien twijfel. Wij mogen dientengevolge als vaststaande aannemen, dat machtiging van den kantonrechter kan worden gevraagd en verkregen, als de voogd een onroerend goed van den minderjarige wenscht te verkoopen; eveneens als hij den verkoop beoogt van het onverdeelde aandeel, dat de pupil in een onroerend goed mocht hebben. In het laatste geval betreft de verkoop alleen dat deel, niet dat der medeeigenaars, die vrij zijn met hun aandeel naar goedvinden te handelen. Beoogt men echter verdeeling van eenen boedel of van een gemeenschappelijk aan meerder- en minderjarigen — of enkel aan minderjarigen — toe-behoorend goed, en is verkoop daartoe noodig of bestaan er andere overwegende redenen om tot verkoop van zoodanig goed over te gaan, dan kan elk mede-eigenaar zelfs tegen den wil der anderen een hevel van de rechtbank uitlokken, dat nu natuurlijk eene machtiging ex art. 451 overbodig maakt, en ook in aard en strekking geheel daarvan verschilt.
De bijvoeging in art. 455, dat in het daar genoemde geval steels openbare verkoop moet plaats hebben, sloeg op de oude redactie van art. 1122, dat insgelijks alleen openbaren verkoop dulde. Door de wijziging van dit artikel in 1843, is ook het vereischte van openbaren verkoop van art. 455 vervallen, al moge men verzuimd hebben dit uitdrukkelijk te vermelden.
Vorm vau den verkoop.
Deze geschiedt in het openbaar, in tegenwoordigheid van den toe-zienden voogd, ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar en volgens de plaatselijke gebruiken (art. 453).
Tot onderliandschen verkoop kan intusschen de kantonrechter machtiging verleenen (art. 454, 456).
Dit laatste kan geschieden;
a. ten aanzien van onroerende goederen, in buitengewone gevallen en als het belang van den minderjarige zulks vordert. Het zal alleen worden toegestaan op een met redenen omkleed verzoek van
422
KOOPEN VAN onroekexd goeu door den VOOGD.
den voogd en met eenparig goedvinden van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, voor zooveel deze laatsten althans op de daartoe gedane oproeping verschenen zijn. Het goed mag voor geen lageren prijs worden verkocht, dan waarop het vóór het te verleenen verlof door drie, door den kantonrechter te benoemen, deskundigen zal zijn geschat (art. 454);
jS. ten aanzien van effecten, aan den minderjarige toebehoorende (waartoe men hier ook aandeelen zal mogen rekenen), kan de kantonrechter, bij het verleenen van verlof tot verkoop, tevens bepalen dat die zal geschieden onderhands, door tusschenkomst van makelaars, mita de waarde dier effecten op den dag van den verkoop nit de gewone prijscouranten kenbaar zij (art. 456).
b. het door den voogd koopen van een aan den minderjarige toe-behoorend onroerend goed.
Zoodanige koop mag alleen plaats hebben in openbare veiling, en is daarenboven slechts vau kracht na goedkeuring door den kantonrechter en onder de bepalingen van art. 454, lid 3, 3 en 4 B. W. (art. 457, 1506, lid 5);
Gestrenger was het Fransche recht, dat in art. 450 den voogd volstrekt verbood de goederen van den minderjarige te koopen. Verschillende inzichten deden zich hieromtrent gelden bij de behandeling onzer wet (zie Voorduin, III, bl. 117 en v.). Aanvankelijk was men algemeen voor handhaving van het Fransche stelsel, later gold echter de overweging dat het verbod dikwijls ten nadeele van den minderjarige zou strekken, doordien de voogd, meestal een der naaste bloedverwanten, somtyds een hoogeren prijs zou willen besteden dan een vreemde, tot aankoop b. v. van eenig familiegoed, kasteel of landelijk eigendom; de rechterlijke goedkeuring strekt tot waarborg dat de voogd niet door kunstgrepen het kooplustige publiek verwijderd houdt en daardoor het goed beneden de waarde koopt. Dat hier eene goedkeuring der reeds verrichte handeling moet worden verleend en niet eene machtiging vóór het verrichten daarvan, valt in het oog, omdat men vóór de handeling niet weet wie kooper zal zijn.
Om dezelfde reden vertegenwoordigt hier niet de toeziende voogd den minderjarige (evenals in art. 458, lid 1). Hij is slechts ex art. 453 tegenwoordig. Handelende partijen zyn hier de voogd in hoedanigheid en de voogd in privé.
c. het door den voogd huren of pachten van goederen van den minderjarige. Dit raag alleen plaats hebben na goedkeuring der voorwaarden door den kantonrechter, en zulks na verhoor of behoorlijke
423
424 huren van goed dook den voogd. opdracht van rechten.
oproeping vau de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige en van den toeziendeu voogd (art. 458, lid 1);
Hier geschiedt de goedkeuring der voorwaarden te voren en mitsdien wordt de overeenkomst gesloten tusschen den toezienden voogd als vertegenwoordiger van den pupil en den voogd in privé (eod.). Terwijl in art. 457 de geldigheid van den koop geheel afhangt van de daar gestelde vereischten, laat art. 458, lid 1 ruimte tot twijfel, wat rechtens is als de voogd die bepaling verwaarloost. Meerderjarig geworden, zal de gewezen pupil de verdere huur wel niet behoeven te erkennen, maar voor het overige zal de zaak zich ingeval van bewijsbaar nadeel in schadevergoeding moeten oplossen. Vgl. Diephüis, V, hl. 435; zie ook Mr. A. A. de Pinto, Themis, IP Verz., I, bl. 431 en v.
d. het door den voogd aannemen van eene opdracht van rechten of schuldvorderingen jegens den minderjarige. Dezelfde goedkeuring als sub c is hier vereischt (art. 458, lid 2);
Het Eomeinsche recht verbood in Nov. 72, cap. 5 elke cessie van rechten jegens den minderjarige aan den curator, hetzij bij wege van donatie, verkoop of op elke andere wijze, en verbond de gestrengste burgerrechtelijke gevolgen aan inbreuk op dit verbod. Zelfs na het einde der cura bleef het verbod bestaan (eod. § 1). De reden van dit verbod was gelegen in de vrees dat de tot verdediging strekkende bewijsstukken konden worden vernietigd. Het Fransche recht verbood even absoluut de cessie aan den voogd (art. 450 C. N.). Ten onzent is de geldigheid van zoodanige handeling afhankelijk gesteld van de goedkeuring door den rechter. De cessie kan b. v. nuttig zijn om den minderjarige de mogelijkheid te verschaffen eene schuld op een gunstiger tydstip te voldoen, als wanneer zijne goederen of effecten voordeeliger kunnen worden te gelde gemaakt. Minder duidelijk dan de strekking van bovengemeld verbod is de beteekenis vat; het woord opdracht. Dat het geval van verkrijging eener vordering door wettelijke subrogatie, erfopvolging of legaat daar buiten ligt staat vast; maar minder zeker is het ten aanzien van verkryging van rechten door schenking.
Met Mr. Diephüis zouden wij dit geval onder het verbod willen brengen, en als criterium aannemen dat de wetsbepaling alle handelingen van den voogd betreft, die rechtstreeks op het verkrijgen van rechten tegen den minderjarige gericht zijn, om het even of zij onder bezwarenden titel mochten geschieden of niet (vgl. Diephüis, V, bl. 431). Als gevolg van niet-naleving van het voorschrift van
aanvaarding van erfknissen door den voogd.
art. 458, lid 2, mag men volstrekte nietigheid der cessie aannemen, zoodat de minderjarige nog steeds jegens den oorspronkelijketi schuld-eischer verbonden is; terwijl er ook niets heeft plaats gehad tusschen dezen laatste en den voogd. Die nietigheid steunt, op het beginsel aangenomen op bl. 73, c, supra. Neemt men slechts betrekkelijke nietigheid aan, dan stuit men op een aantal bezwaren of ongerijmdheden , waarop te recht door de meeste schrijvers de aandacht wordt gevestigd.
e. het aanvaarden van eene erfenis, den minderjarige opgekomen. Dit mag niet anders geschieden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving (art. 459, lid 1);
Anders in het Fransche recht, waar zoowel tot aanvaarding als verwerping van eene erfenis de machtiging van den familieraad noodig was (art. 461 C. X.).
Tot aanvaarding eener erfenis belueft de voogd ten onzent geene machtiging; de minderjarige toch is toereikend beschermd door de verplichting tot aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving, al moge hij daardoor ook niet tegen elk financieel gevaar beveiligd zijn. De artikelen 1075 en v. B. W. schryven voor hoe de erfgenaam moet handelen om dat voorrecht te doen gelden en te blijven genieten; in art. 1078 leest men de rechtsgevolgen aan zoodanige aanvaarding verbonden. Men zal hieruit zien dat de beneficiaire aanvaarding hoofdzakelijk ten doel heeft den erfgenaam te beveiligen tegen het gevaar dat de schulden der nalatenschap de baten overtreffen, in welk geval hij niet verder gehouden is dan ten beloope van het actief der nalatenschap. Daartoe zijn den erfgenaam verscheiden formaliteiten voorgeschreven en verplichtingen opgelegd, die de strekking hebben om aan de schuldeischers de noodige waarborgen te verschaffen; verzwijging of verduistering van goederen der nalatenschap heeft zelfs verlies van het voorrecht ten gevolge.
Men mag vragen of de voogd onder alle omstandigheden verplicht is die vormen in acht te nemen, en welke de gevolgen van niet-nakoming zijn.
De aanvaarding eener beneficiaire nalatenschap geschiedt door eene verklaring ter griffie van de rechtbank (art. 1075 B. W.), en voor den voogd is geene uitzondering gemaakt. Ontbreekt die verklaring, en gedraagt zich de voogd niettemin als erfgenaam, dan zegge men evenwel niet met sommige rcchtscollegiën (zie Lf.on, B. W., supplquot;. 4 en 5, Rombach, art. 459, aant. 1 en 3) dat er geene aanvaarding heeft plaats gehad, zoodat b. v. de voogd niet ontvankelijk zou zijn in de invordering eener inschuld van de nalatenschap. Vereenigt men zich
425
426 v r k w f. r pi n g van erfenissen. giften.
niet met de leer van enkelen, dat elke aanvaarding door den voogd ipso jure beneficiair is, (in jure constituendo zeker wensohelijk en aldus ook bij art. 436 Ontw. 1886 bepaald) dan zal men o. i. moeten aannemen dat de nalatenschap zuiver is aanvaard, en dan lost de zaak zich op in aansprakelijkheid van den voogd jegens den pupil, onverminderd het recht dat sommigen den minderjarige toekennen om tegen de aanvaarding op te komen (Diephcis, V, bl. 438, 439; Mr. A. A. ue Pinto, t. a. p., bl. 435 en v.).
Verlies van het voorrecht door doleuse handelingen (art. 1077 B. W.) schijnt bij minderjarigen niet te kunnen geschieden. Hoever men Let begrip van vertegenwoordiging ook uitstrekt, kan moeielijk kwade trouw of boos opzet van den voogd den minderjarige worden toegerekend.
Bij kennelijke gegoedheid der nalatenschap zal de voogd gereedelyk op eigen risico de kostbare en omslachtige formaliteiten kunnen nalaten en zich tot de verklaring en inventarisatie kunnen bepalen. Zijn alle schuldeischers ten volle gekweten, dan is er niemand meer, die belang heeft bij de vereffening van den boedel en bij de vervulling der verdere formaliteiten.
f. de verwerping van eeue erfenis, den minderjarige opgekomen, waartoe het verlof als bij art. 451 B. W. wordt vereischt (art. 459, lid 2);
De wet zwijgt omtrent het aannemen en weigeren van legaten. Hieromtrent rust dus op den voogd de volle verantwoordelykheid. Zie hieronder naar aanleiding van art. 460.
Het doen van afstand van de gemeenschap door den voogd, ten behoeve van minderjarige erfgenamen der overleden moeder is niet aan reohterlyk verlof gebonden, ofschoon daartoe gelijke reden als bij het verwerpen van erfenissen zou bestaan.
g. de aanneming van eene gift aan den minderjarige gedaan, waartoe hetzelfde verlof wordt vereischt (art. 460, 1722, lid 2 en 3);
Niet alleen derhalve als er lasten aan de schenking verbonden zyn. De regeering wenschte het voorschrift algemeen te maken, omdat giften tot zedelijke verplichtingen aanleiding kunnen geven, die de verwerping raadzaam konden doen zijn (Voorduin, III, bl. 122).
Omtrent het weigeren van giften zwijgt de wet. Mr. Diephuis, V, bl. 435 en 436 wijst dienaangaande op het theoretisch verschil tusschen dit geval en de verwerping vau eene erfenis, waardoor van een verkregen recht afstand wordt gedaan. Zou men echter niet het weglaten van bepalingen omtrent legaten en het weigeren van giften mogen zoeken in het meerdere gemak dat de voogd hier heeft om zich van
RECHTSGEDINGEN VAN DEN M I N ü E K J A K I G E. 427
het voor- of nadeel te overtuigen, zoodat de verantwoordelijkneid van den voogd niet door de rechterlijke machtiging behoeft gedekt te worden? Vgl. art. 437, 4°. Ontw. 1886, dat ten deze vollediger is.
Opmerkelijk is het dat bij het leven van beide ouders schenkingen aan den minderjarige door den vader worden aangenomen, terwijl na den dood der moeder de vader-voogd de rechterlijke machtiging noodig heeft (art. 1722, lid 1 en 2). Vgl. bl. 143 noot, supra.
h. liet voeren van een rechtsgeding voor den minderjarige (art. 461—463);
Terwijl de voogden, naar elk recht, den minderjarige vertegenwoordigen , ook ten aanzien der te voeren rechtsgedingen, huldigt men tweeërlei stelsel; óf de voogd moet tot het voeren van een geding worden gemachtigd, wil hij tot die handeling bevoegd zijn (stelsel van den C. N. art. 4C4, 465, doch alleen ten aanzien van onroerende zaken); óf wel hij is in het algemeen bevoegd, maar loopt zelf in meerder of mindere mate de risico van den slechten uitslag van het geding, tenzij hij zich hebbe doen machtigen. (Met meer of min wijzigingen in het Eomeinsch en Oixd-Hollandsch recht aangenomen; art. 353—357 W. N. v. H., 669—671 Ontw. 1820; 461—463 B. W.).
Men onderscheidt:
«. het instellen en voortzetten van een geding; hier is in het algemeen de voogd bevoegd, doch hij kan zich te zijner verantwoording doen machtigen door den kantonrechter, die de nabestaanden en den toezienden voogd raadpleegt (art. 461, lid 1);
Men neemt veelal aan dat art. 463 het verlof van den rechter gebiedend noodig doet zijn voor het instellen van eene scheiding en verdeeling van goederen, den minderjarige in mede-eigendom behoorende. De woorden der wet pleiten hiervoor, alsmede de omstandigheid dat het eerste deel van gemeld artikel bij eene andere opvatting overbodig zou zijn, tenzij men het enkel als aanloop tot het tweede deel beschouwe. Of men het aldus heeft bedoeld, mag echter worden betwijfeld; het artikel is kennelijk geheel ontleend aan art. 465 C. N., waar het in het Fransche stelsel volkomen paste; de door sommigen aangegeven ratio leg is van het verschil in stelsel tusschen art. 463 en 461 B. W., dat eene scheiding en deeling eene zaak van openbare orde zou zijn , of wel dat het instellen der vordering eene erkentenis van medeeigendom by den gedaagde zou bevatten, komt ons ver gezocht voor. Dezelfde redenen zouden daarenboven ook moeten gelden voor eene verwering tegen de vordering tot scheiding; en juist anders bepaalt de wet daaromtrent, by art. 463 in fine. Een en ander doet ons de
e i s c h. verweking. b e k ü s t i n g.
heerschende opvatting zelfs in jure constitute, met enkele vonnissen en schrijvers, vermeld bij Lkon en supplquot;. ad art. 463 B. W., zeer in twijfel trekken; tegenover den schijnbaar gebiedenden tekst van art. 463 mag men wijzen op de nog sterker sprekende bewoordingen van art. 355 W. N. v. H.: „het staat aan geenen voogd vryquot;, welke woorden niet verhinderen dat volgens art. 357 alleen gevolgen van schadevergoeding tusschen den voogd en minderjarige ontstaan, bij veronachtzaming der bepaling; zoo ook meenen wij dat ten deze het ontbreken van het „vereischte verlofquot; van art. 463 alleen gevolgen kan hebben tusschen voogd en minderjarige, doordien b. v. de voogd uit eigen beurs de kosten zal moeten betalen ingeval van verlies van het proces, maar dat men geene omverwerping van het stelsel van art. 461 beoogde, en dus de ontvankelijkheid der vordering geen gevaar lijdt. Zie verder hieromtrent Mr. de Vos van Steenwijk, Themis 1873, bl. 40 en v.; en Red. v. h. iü. Bij hl. 1878, afd. A, bl. 63.
Is de voogd niet voorzien van het verlof van den kantonrechter, dan kan de rechter hem tot betaling der proceskosten uit eigen beurze verwijzen, indien hij zonder redelijken grond het geding heeft aangevangen of voortgezet; daarenboven stelt hij zich bloot aan de verplichting tot schadevergoeding tegenover den minderjarige (art. 461, lid 2). Hetzelfde kan plaats hebben als het verlof door valsche voorgevens of verberging der waarheid is verkregen (eod. lid 3).
(3. het voeren van verwering. Hieromtrent geldt hetzelfde beginsel van vrijheid voor den voogd, met bevoegdheid zich door den rechter te doen maehtigen (art. 461, lid 1 en 2). Eene uitzondering is vastgesteld bij art. 463, veroorlovende dat de voogd zonder verlof des rechters mag antwoorden op eenen eisch tot scheiding of verdeeling tegen den minderjarige ingesteld.
Het laatste zeer te recht, omdat elk eigenaar mag vorderen uit de onverdeeldheid te geraken (art. 1112 B. W.) en er tegen de gevraagde scheiding doorgaans geene verwering bestaat.
/. het berusten in eene vordering, hetwelk den voogd niet vrijstaat zonder machtiging (art. 462).
Berusten, d. i. het afzien van verdediging, is inderdaad het prijsgeven van een recht, dat niet zonder verlof behoort te geschieden. Zoodanig berusten kan in vele vormen plaats hebben; behalve het uit-drukkelijk erkennen van des eischers recht, met afstand van verdediging, kan eene referte aan \'s rechters oordeel of het niet verschenen in rechte (verstek laten gaan) onder zekere omstandigheden, welker
428
e 1 s c h. ver web ing. b e b ü s t i n r. 429
schakeering alleen de rechter kan beoordeelen, als berusting worden beschouwd. Berusting in een vonnis door niet in beroep te komen schijnt bij dit artikel niet bedoeld (Diephuis, V, bi. 446). Art. 356 W. N. v. H. eischte juist rechterlijk verlof om hooger beroep in te stellen.
Wat is het gevolg van berusting zonder verlof? Zeer zeker niet de niet-ontvankelijkheid der vordering aan de zijde des eischers; dergelijke ongerijmdheid, waardoor een ieder tegen den minderjarige rechteloos zou zijn als de voogd zich maar niet verdedigt, kan nooit bedoeld zijn. Zie integendeel art. 383 B. Rv., omtrent request-civiel. Ook hier een nieuw bewijs voor onze stelling omtrent art. 463; want de woorden „Het staat den voogd niet vryquot; van art. 462, zijn ruim zoo sterk als „Hetzelfde verlof wordt vereischtquot; van art. 463.
Het verband der artt. 461 en 462 maakt het voor den voogd raadzaam zich als gedaagde altijd te doen machtigen (Opzoomeb, II, hl. 400, noot 4).
i. liet medewerken tot eene scheiding eu verdeeling van goederen, waarbij minderjarigen belang hebben (art. 464);
Hieromtrent gelden de regelen vastgesteld in den titel van boedelscheiding (B. II, titel 16 B. W.). Ten aanzien der verdeeling van bepaalde zaken bevat art. 628 B. W. eene verwijzing naar gemelden titel.
j. het aangaan van eene dading of van een compromis, waartoe het rechterlijk verlof van art. 451 B. W. noodig is (art. 465, ] 889 B. W., 620 Rv.);
Dading of transactie is de overeenkomst, waarbij partyen onder opoffering van eenig recht een aanhangig geding ten einde brengen of een te voeren geding voorkomen (art. 1888). Daar hier derhalve rechten worden prijsgegeven en de zaak aan de beslissing van den rechter wordt onttrokken, is de voorschreven machtiging vereischt. Volgens Eomeinsch recht mocht de voogd den minderjarige door transactie geene rechten cntnemen, of diens toestand minder gunstig doen zijn (lex. 46 § 7 D. de adm. et peric. 26, 7); het Fransche recht eischte tot geldigheid eener door den voogd te sluiten transactie; de toestemming van den familieraad, het advies van drie opzettelyk daartoe aangewezen rechtsgeleerden en de bekrachtiging door den rechter (art. 467 C. N.). Minder omslachtig en kostbaar is de regeling ten onzent (Assee, Verg. § 273).
Opdracht van de beslissing van een geschil aan een ander dan den gewonen rechter (compromis) was volgens Eomeinsch recht den pupil.
430 AANGAAN VAN DADING OF COMPHOMIS.
mits met bijstand van den voogd handelende, geoorloofd (1. 35 D. de ree. T qui arb. ree., 4, 8). Anders in het Fransnhe recht; zie de Maleville, ad art. 467 : „II y a en effet une grande difference de la transaction, „qui est une convention certaine, a un compromis dont 1\'événement est „toujours incertain.quot; \') Ten onzent evenwel is de opdracht aan scheidslieden van geschillen, den minderjarige betreffend, met rechterlijke machtiging geoorloofd.
Nauw verwant hiermede is de bepaling van art. 330 Ev., krachtens welke voogden enz. ook van het rechtsmiddel van prorogatie van rechtspraak (opdracht van de beslissing van een geschil aan het gerechtshof in gevallen, waarin dat hof anders slechts in hooger beroep zou mogen kennis nemen) onder gelijke machtiging kunnen gebruik maken. Het opdragen van den beslissenden eed in een geschil (art. 1966 en v. B. W.) kan volgens arr. van den H. R. van 30 December 1870, JV. u0. 3291, zonder uitdrukkelijke machtiging door den procedeerenden voogd geschieden. De eed toch is volgens dat arrest een bewijsmiddel, geen dading, al moge er overeenkomst tusschen beiden bestaan. Anders o. a. Diephuis, V, bl. 444, wegens den inhoud van art. 1967, lid 1 B. W.
Heeft de voogd zonder rechterlik verlof eene dading of een compromis aangegaan, dan mag men aannemen dat de nietigheid alleen eene betrekkelijke is, die slechts door of namens den minderjarige kan worden ingeroepen; alleen te zijnen voordeele toch strekt de bepaling.
k. Indien de vader of moeder, voogd of voogdes zijnde, met den vooroverleden echtgenoot in gelieele of beperkte gemeenschap is gehuwd geweest, kan deze, na verhoor of behoorlijke oproeping der nabestaanden en van den toezienden voogd, door den kantonrechter worden gemachtigd om de goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fabriek enz. gedurende eenen bepaalden tijd, zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met den minderjarige te mogen aanhouden.
De rechter verleent dit verlof niet, tenzij, na inzage van de boedelbeschrijving, gebleken zij van het aanmerkelijk belang des minderjarigen en vau den waarborg dien de voogd of de voogdes oplevert (art. 466).
Op verzoek van den voogd of den toezienden voogd zal die machtiging na gelijk verhoor kunnen worden ingetrokken.
») Ten onrechte meent de Maleville dat in het Romeinsche recht zoodanig compromis niet was toegelaten, op grond van de door schr. verkeerd begrepen 1. 34 § 1 t). de minoribns (4, 4); andere Fransche schrijvers hebben hem hierin gevolgd. In onze vorige uitgave hadden wij deze fout niet opgemerkt.
aanhouding uer gemeenschap. einde dett voogdij. 431
Deze bepaling, vreemd aan het Fransche recht, herinnert aan de oudtijds hier te lande bekende en veel verder strekkende yecontinu-eerde gemeenschap of wel boedelhouderschap, welke krachtens de wet, bij overeenkomst of uitersten wil kon ontstaan. Zie v. Bijnckers-hoek, Quaest. jar. priv. II, 10; ue Giioot, Inl., II : lö; J. D. Meijer, B. Bijdragen, VI, 58—115; J. Smits Verheug, eod. VII, 209—257; de Pinto, B. IV., § 282, welke laatste de verschilpunten van deze rechtsinstelling met ons art. 466 uitvoerig aantoont. Het nut onzer wetsbepaling is duidelijk in de memorie van toelichting uiteengezet (Vooruuin, III, bl. 125; zie ook Asser, Verg. § 274). Plotselinge staking van den bestaanden toestand bij overlijden van een der echt-genooten door scheiding van vermogen kan belangrijk nadeel aan alle partijen toebrengen; eene bestaande zaak kan door vermindering van het tot de voortzetting vereischte kapitaal, ten eenenmale achteruitgaan.
Ei* bestaat strijd of ingeval van voortzetting van zoodanige gemeenschap de vader of moeder het wettelijk vruchtgenot van de daarin begrepen goederen blijft genieten; in welk geval althans het meer nabyzijnd voordeel den minderjarige voorbij gaat. Het stilzwijgen der wet maakt het voor ons bedenkelijk ten deze van den algemeenen regel af te wijken.
Men vergete verder niet dat de vermeerdering van inkomsten door den vader of de moeder genoten, den minderjarige recht geeft op ruimer onderhond (art. 367, 2°.); hij geniet zelf de inkomsten sedert zyn 20e jaar en eindelijk wordt hem het vooruitzicht geopend dat de zaak ook na zijne meerderjarigheid in stand blijft. Vgl. Opzoomer, II, bl. 402, noot 1, in gelijken zin; anders de meeste aldaar aangehaalde schrij vers.
Vgl. art. 446 Ontw. 1886, dat van veel verder strekking is dan de hierbedoelde bepaling van het B. \\V.
G. Einde der voogdij. Rekening en verantwoording.
Elke voogd is verplicht, onmiddellijk na het einde van zijn beheer, slotrekening en verantwoording te doen, liet batig slot uit te keereu en alles, wat hij verder als voogd onder zich had, af te geven (art. 467).
De voogdij kan eindigen, hetzij in het algemeen, dat is in den persoon van den pupil, door diens meerderjarigheid of dood; hetzy alleen in den persoon van den voogd, door diens overlijden, onbevoegdheid, afzetting, tweede huwelijk zonder inachtneming der vereischte formaliteiten enz. Men spreekt dientengevolge van absoluut
eekkning en vera n t \\v o o r d i n g.
en relatief einde der voogdij. Sedert de wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93, kan de voogdij ook eindigen, doordien de vader of de moeder weder de vaderlijke macht kan nitoefenen; alsdan eindigt zij nöcli in den persoon van den pupil, nóch in dien van den voogd, maar maakt plaats voor ouderlijk gezag (art. 7 j0. 4 en 5 dier wet).
Hoofdzakelijk het eerste geval heeft de wet in de 12e afd. van dezen titel op het oog; in het voorafgaand art. 438 komt wijders eene alleenstaande bepaling voor, betreffende de rekenplichtigheid van eenen afgezetten voogd aan zijnen opvolger. De rekenplichtigheid ligt zoozeer in den aard der voogdij, dat elke voogd, ook de vader of moeder daaraan onderworpen is; geene vrijstelling kan daarvan worden verleend, zelfs niet door den meerderjarig gewordene (art. 14 A. B.; arg. ex art. 470 B. W.).
De rekening wordt gedaan:
a. bij geheel ophouden der voogdij: aan den meerderjarig-gewordene of aan zijne erfgenamen (art. 468):
Sterft de pupil vóór het tijdstip der meerderjarigheid dan is de voogd terstond na den dood rekenpliehtig.
b. bij het ophouden der voogdij in den persoon van den voogd; aan den opvolgenden voogd in diens hoedanigheid (vgl. art. 438);
Het staat bij de schrijvers niet vast in hoeverre de décharge dooiden volgenden voogd aan den vorigen verleend den minderjarige bindt; m. a. w. of de latere voogd in diens slotrekening nogmaals het gelieele beheer van den voorganger moet opnemen of wel het overgenomen saldo als punt van uitgang kan nemen. Slechts het laatste komt ons aannemelijk voor. Men is niet rekenpliehtig ten aanzien van het beheer van een voorganger; ongetwijfeld echter is de latere voogd aansprakelijk voor elk nadeelig verzuim, gepleegd bij het opnemen en goedkeuren van de aan hem, door zijn voorganger, afgelegde rekening. Deze vroegere rekening vormt dan ook eene noodzakely ke bijlage tot de slotrekening van den lateren voogd, zoodat de gerendeerde altrjd in staat is te overzien al wat er met zijn vermogen sedert den aanvang der voogdij is geschied.
Heeft de volgende voogd den voorganger niet, of slechts onder reserve van des minderjarigen latere goedkeuring gedechargeerd, dan blijft de vroegere voogd ter zake van de voogdij aansprakelijk. (Vgl. in gelijken zin Diephüis, V, bl. 483, en aldaar aangehaalde schryvers; gedeeltelik afwijkend Opzoomeh, II, bl. 405).
De wet eischt nergens dat de toeziende voogd bij het afleggen der rekening van eenen voogd aan zynen opvolger aanwezig zy, of zijne
432
REKENING EN VERANTWOORDING.
medewerking verleene. Daar deze handeling het punt van uitgang voor den lateien voogd is, en derhalve eenigermate op ééne lijn staat met de inventarisatie, door den eersten voogd te verrichten, zou die medewerking niet ongepast zijn. (Vgl. art. 444.)
c. bij het ophouden der voogdij, wegens lierstel vau een der ouders in de vaderlijke macht: aan den vader of de moeder, zoodra deze weder die macht kan uitoefenen (art. 468, aangevuld bij art. 7 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93).
Vgl. het aangeteekende op bl. 371 supra.
Waarborg voor de nakoming der verplichting tot rekening eu verantwoording ;
Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdijrekening, welke tusschen den voogd en den meerderjarig gewordene mocht plaats hebben, is nietig eu van onwaarde, wanneer zij niet is voorafgegaan door eene behoorlijke rekening en verantwoording met overlegging van de noodige bewijsstukken. Van een en ander moet blijken door eene schriftelijke erkentenis van hem, aan wien de rekening gedaan is, afgegeven ten minste tien dagen vóór de overeenkomst (art. 470).
De zedelijke invloed, dien de voogd op den minderjarige heeft uitgeoefend, zou tot bedrog of verrassing aanleiding kunnen geven; en zulks te eerder, doordien voor velen het vooruitzicht op het bezit van eigen vermogen een gevaarleken invloed kan uitoefenen op het lichtvaardig goedkeuren eener rekening, of op het sluiten eener dading. Men wilde dus den meerderjarig gewordene dwingen, althans een matigen tijd, de rekening en de bijlagen onder zich te hebben, tot eigen onderzoek of raadpleging van deskundigen. Een zwak punt levert echter ten deze de mogelykheid op, dat de meerderjarige in strijd met de waarheid de erkentenis van ontvangst der rekening enz. tien dagen antidateert, of de décharge tien dagen later dagteekent, doch in werke-lykheid de overeenkomst met den gewezen voogd tegelijk met de overgave der stukken sluit; wenschelijk ware daarom eene bepaling, die de oprechtheid der dagteekeningen althans eenigermate waarborgt.
Eene overeenkomst, in strijd met art. 470 B. W. gesloten, is o. i. volstrekt nietig, zonder dat hier eenige rechterlijke tusschenkomst wordt vereischt. De wet spreekt duidelijk en het geval is daarenboven niet geheel gelijk te stellen met de vernietigbaarheid van overeenkomsten, door onbekwame personen of zonder de vereischte toestemming, gesloten. Zoo ook Diephuis, V, bl. 502 en v., in strijd met diens vroegere meening en met andere aldaar aangehaalde schrijvers.
Asser, Burgerl. Recht. I. 3e druk 28
433
v o o g d ij b e k e n i n g. vorm. inhoud.
Eene tegenovergestelde leer geeft daarenboven aanleiding tot eene menigte hoogst ingewikkelde strijdvragen, inzonderheid omtrent verjaring (art. 1490 in verband met 472), die o. a. door Mr. Opzoomer, II, bl. 409 en v. worden behandeld; ook vervalt bij de door ons aangenomen leer de vraag, wie de nietigverklaring vorderen kan (zie Dübantox, III, n0. 639; Demolombb, VIII, n0. 92 en v.).
De bepaling van art. 470 betreft alleen overeenkomsten omtrent de voogdij of voogdijrekening; en moet dus als afwijking van het gewone recht strikt tot dit onderwerp beperkt blijven.
De rekening en verantwoording geschiedt op kosten van den ge-vrezen pupil; de voogd schiet daartoe de kosten voor (art. 468).
Ook zonder deze wetsbepaling zou hetzelfde beginsel gelden. Daarom volge men niet de schrij vers, die a contrario anders willen beslissen ten aanzien van de kosten bij het eindigen van de voogdij in den persoon van den voogd, omdat art. 468 blijkbaar slechts op volstrekt eindigen der voogdij doelt (de Pinto, II, § 284). Zie bl. 86, 87 supra, omtrent soortgelijke wetsuitlegging. Slechts wanneer de voogd afgezet wordt tengevolge van een hem toerekenbaar feit, zal men met het oog op art. 443 mogen betwijfelen of ook hier de pupil met de kosten der rekening mag worden bezwaard.
Onder de kosten, bedoeld bij art. 468 behooren niet de proceskosten, die gemaakt zijn om den nalatigen voogd tot het afleggen der rekening te dwingen en waarin de voogd door den rechter wordt veroordeeld; in denzelfden zin: Arr. H. R. v. 14 Nov. 1890, W. n0. 5963.
De rekening kan geschieden hetzij in der minne, hetzij in rechte, in welk geval de regelen van het rekening-proces gelden (art. 771 en v. Ev.).
Zij moet de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten (art. 774 Rv.)
De rekening moet een duidelijk en geheel overzicht van het gevoerde beheer opleveren; daartoe is het nuttig en noodig ook de goederen te vermelden, die in natura aanwezig zijn gebleven en daartoe den inventaris als punt van uitgang te nemen, opdat nevens het saldc der geldelijke administratie, de aanwezigheid van het kapitaal blijke. Uit een en ander moet men kunnen beoordeelen in hoever de voogd op eenig punt te kort mocht zijn geschoten; de schade, hierdoor teweeggebracht, moet bij het actief worden gevoegd. Het Fransche recht van vroeger en later tijd had aangaande den vorm van rekeningen uitdrukkelijke voorschriften (art. 531 en v., C. de Proc.; zie Toullter, II, § 1257; zoo ook: Wetb. N. v. H., art. 373—378, Ontw. 1820, art. 695—699).
434
voogd tjkekening.
435
inhoud. l o o n,
Het verdient aanbeveling de ontvangsten en uitgaven naar orde van tijd te vermelden en het saldo van elk jaar op het volgende over te brengen, opdat blijke of de voogd de beschikbare gelden telkens behoorlyk heeft belegd. De tot bewijs strekkende bescheiden behoeven niet geregistreerd te zijn. Art. 775, 787 Rv.
De voogd brengt op de rekening alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven (art. 468, lid 3).
Eet komt hier aan op de vraag of de uitgaven, op het tijdstip dat zij gedaan werden, aan deze vereischten voldeden; niet op de daardoor verkregen, wellicht ongunstige, uitkomsten. „Snfficit tutori bene et „diligenter negotia gessisse, etsi eventum adversum habuit, quod „gestum estquot; (1. 3 § 7 D. de contr. tut. et ut. act. \'27, 4). De raming, door den kantonrechter volgens art. 446 B. W. gemaakt, levert geen noodzakelijken maatstaf op bij de beoordeeling van de hoegrootheid der uitgaven. Zijn zij daar beneden gebleven, toch moet de voogd die rechtvaardigen; overschrijden zij de raming, toch kunnen zij blyken aan de vereischten van art. 408 te voldoen (vgl. bl. 415 supra).
Niet alle uitgaven kunnen door bescheiden worden bewezen; steeds zijn er uitgaven, waarvoor men niet gewoon is quitantie te verlangen; uitdrukkelijk werd dit voorzien in art. 378 VV. Nap. v. H., art. 699 Ontw. 1820; implicite doelt daarop de woordenkeus van ons art. 468. lid 3.
De voogd mag ten eigen bate geen loon in rekening brengen; tenzij hem door den langstlevende der ouders bij testament of authentieke akte loon mocht zijn toegelegd (art. 469, j0. ilO).
Een beginsel, nagenoeg in gelijken zin in het Romeinse he recht gehuldigd (vgl. 1. 33 § 3, 1. 58 D. de adm. et per. 26, 7); het kosteloos waarnemen der voogdy is niet zonder eenigen tegenstand in onze wet opgenomen (zie Voorduin, III, bl. 128). Met het oog op de zware lasten en de verantwoordelijkheid aan de voogdy verbonden , zou, bij genoegzaam vermogen van den minderjarige, eene matige belooning, ook ten aanzien van datieve voogden, volgens velen niet misplaatst zijn. Vgl. art. 411 Ind. B. W., hetwelk dienaangaande voldoende voorschriften behelst. Zie ook art. 379—381 W. N. v. H., art. 700 Ontw. 1820; v. Leeuwen, R. R. Reyt,W : 28 § 4; de Geoot, Inl., I: 9 § 11. Art. 376 Ontw. 1886 kent den voogd vijf ten honderd van de jaarlij ksche zuivere opbrengst van het door hem beheerde vermogen als loon toe; zelfs kan de rechter hem naar omstandigheden een hooger loon of eene buitengewone toelage toekennen.
Na het afleggen der rekening moet de voogd het slot van rekening, benevens alle goederen en bescheiden aan den meerderjarig ge-
28*
slot van rekening. renten.
wordene (of aan deugeue, die hem in het beheer opvolgt) uitkeeren (arg. ex art. 398 B. W.).
De voogd kan tot afgifte worden genoodzaakt door middel van lijfsdwang (art. 585, 9°. Rv.). Verder wordt het recht van den pupil gewaarborgd door de hypotheek of andere zekerheid, die de voogd heeft gesteld (art. 390—399 B. W.) en door het voorrecht van art. 1195, 7°. B. W. op al de goederen van den voogd.
Het slot van rekening, door den voogd verschuldigd, draagt reuten van den dag, dat de rekening gesloten is, zonder dat de betaling in rechte gevorderd is (art. 471, lid 1). Omgekeerd loopen echter de interessen van hetgeen de minderjarige aan den voogd schuldig mocht blijven eerst van deu dag der aanmaning tot betaling, na het sluiten der rekening en verantwoording gedaan (art. 471, lid 2).
De hier bedoelde renten bedragen, volgens art. 2 der wet van 22 Dec. 1857, Stbl. n0. 171, vijf ten honderd in het jaar.
Beide leden van art. 471 vormen afwijkingen van art. 1286, lid 3 B. W., bepalende dat de interessen eerst loopen van den dag, dat de verschuldigde som in rechte is gevorderd. Het eerste lid is eene afwijking in het belang van den pupil, die niet spoedig zijnen vroegeren voogd tot uitkeering van het batig slot zal dagvaarden. De duidelijke tekst der wet laat o. i. de uitlegging niet toe van hen, die mochten beweren, dat, bij nalatigheid van den voogd in het doen van rekening, de interessen reeds zouden loopen van den dag, dat de voogd in rechte tot het doen van rekening is aangesproken, of wel dat reeds sedert het eindigen der voogdij de renten opvorderbaar zijn. Mr. Diephdis, V, bl. 493 en v., wederlegt o. i. met juistheid de gronden, die Mr. de Pinto, II, § 286, voor het laatste gevoelen aangeeft, en toont tevens aan dat ook het nadeel in rente-verlies, dat de minderjarige zou lijden, doordien de voogd het rekening-proces kan rekken, niet zoo groot is als men oppervlakkig meent.
Het tweede lid van art. 471 wijkt in zooverre van het gemeene recht af, dat hier eene sommatie voldoende schijnt te zijn om de renten te doen loopen, terwijl art. 1286 eene vordering in rechte voorschrijft.
Met de uitkeering van het slot der goedgekeurde rekening en de overgifte der goederen en bescheiden houdt de verantwoordelijkheid van den voogd op (art. 398).
De gestelde zekerheid vervalt, de hypothecaire inschrijvingen of verbanden op het grootboek worden op kosten van den meerderjarig
436
v o o (j d ij rekening.
437
verjaring.
gewordene docrgehaald of opgeheven. De akte van doorhaling der hypotheek is vrij van rechten van registratie en hypotheek (art. 399). Vgl. v. B. Faüre, 2e dr., I, bl. 180 en v.; en b!. 414, 415 supra.
Elke reclitsvordering van den minderjarige tegen zijnen voogd, betrekkelijk de verrichtingen der voogdij, verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid (art. 47 li).
Is de wet aan de ééne zyde zeer gestreng tegenover den voogd, waar het geldt de nakoming van zijne verplichtingen, en de door hem te geven waarborgen, daar tegenover beperkt zij aanmerkelijk den tijd van zijne aansprakelijkheid wegens de verrichtingen dei-voogdij, door het gewone tydsverloop der verjaring (30 jaren, art. 2004 B. VV.) in zijn belang te bekorten tot 10 jaren sedert de meerderjarigheid (of vroeger overlyden van den minderjarige). Gelijke ter-myn is ook in vorige wetten en ontwerpen standvastig aangenomen. Die termijn betreft uitsluiteud de vorderingen betrekkelijk de ver-richtinyen der voogdij. Hetgeen de voogd nit anderen hoofde den pnpil schuldig is, is daaronder niet begrepen. Ook de vordering tot uitkeering van het slot der vastgestelde voogdijrekening schijnt, volgens letter en geest der wet, onder het gewone recht begrepen te zijn, al moge deze actie met de voogdy in verband staan. Zie de talrijke Xederlandsche en Fransche schrijvers, aangehaald bij Diephuis, V, bl. 497, noot 4.
Men zie omtrent de voogdgrekening de bepalingen van art. 449—454 üntw. 1886, waarbij menige waarborg aan den meerderjarig gewordene is gegeven, inzonderheid doordien ook hier de bemiddeling van den kantonrechter kan worden ingeroepen, indien het belang van den voogd medebrengt spoedig van de verantwoordelijkheid ontheven te worden. In het tegenovergestelde geval moet er een tijd van minstens zes maanden verloopen, alvorens de voogd door den gewezen pnpil kan worden gedechargeerd of overeenkomsten tnsschen hen, rakende de voogdij of de voogdyrekening, kunnen worden gesloten.
H. Toeziende v o o g d ij.
De meeste wetgevingen achten de belangen van den pupil niet voldoende gewaarborgd, zoo niet op den voogd een voortdurend en nauwlettend toezicht wordt gehouden, terwijl ook het geval voorzien moet worden dat de voogd, wegens strijd van belangen met den minderjarige, diens rechten niet of niet behoorlijk kan uitoefenen. Zoo
toeziende v o ü g i) jj.
vindt men in het Eomeinsclie recht (1. 3 § 2 D. de adm. et per. tut. 26, 7) melding gemaakt van de benoeming van verscheiden voogden, waarvan één als besturend voogd werd aangewezen, en de anderen, tutores honorarii geheeten, met het toezicht op den medevoogd waren belast, „quasi observatores actus ejus et custodes.quot; Deze waren niet buiten alle verantwoordelijkheid; zij moesten waken dat de besturende voogd een goed beheer voerde, de gelden belegde en, ziende dat hy trouweloos was, diens afzetting uitlokken; kwamen zij die verplichtingen niet na, dan waren zij aan eene actie blootgesteld, evenwel na den bestnrenden voogd, wiens goederen eerst moesten zijn uitgewonnen.
Gold het een proces tusschen voogd en pupil, dan werd een curator benoemd, ten einde in het geding den minderjarige te vertegenwoordigen (§ 3 Inst. de auct. tut., I, 21; 1. 1 Cod. de in litem dando tutore vel curatore, 5, 44).
Een niet geringe waarborg voor den minderjarige was nog de omstandigheid , dat de ontrouwe voogd op een ieders aanklacht kon worden afgezet (actio quasi publica, zie § 3, 4, Inst. de susp. tut., I, 26); verder kon de pupil nog zijn recht van hypotheek doen gelden op de goederen van den voogd en tegen de borgen optreden ; ja zelfs in de laatste plaats tegen sommige magistraten, die niet of niet behoorlijk voor borgstelling door den voogd hadden gezorgd (§ 2 Inst. de satisd. tut. vel cur., I, 24; lex. 5 C. de mag. conv., V, i75 ; 1. 1 D. eod., 27, 8).
In het Oud-Hollandsch recht kende men eveneens den bijzonderen voogd, die benoemd werd, indien er eenig geschil tusschen voogd en minderjarige bestond (de (xeoot , Inl. 1: 8 § 4) en de medevoogden , die naast den „bewindenden voogdquot; of „ontfangerquot; stonden (de Groot, Inl., 1: 9 § 12). Deze medevoogden wórden door van Leeuwen (R. R. liegt, I: 16 § 12) „toesiende voogdenquot; genoemd, en komen geheel overeen met de tutores honorarii, wat hunne functie en aan-sprakelijkheid betreft. De eigenlijke voogd moest hun en aan de ,.vier „vierendeelen, dat is de naeste vrienden van de bestorven zyde, „mitsgaders aan de Weeskamer, daer dezelve niet en is uytgesloten, „jaerlyks reekening doen van zyn bewint, en \'t overschot na derzelver „raedt besteedenquot; (de Groot, t. a. p.). Zie bl. 373 en 374 supra, omtrent de uitgebreide macht van de weeskamers hier te lande in zake van voogdy. Schier elke handeling van den voogd was aan de goedkeuring van het gerecht of de weeskamer onderworpen.
In de pays du droit coutumier in Frankrijk had men voor het eerst een vasten suhrogé tuteur, die medewerkte bij den inventaris en den minderjarige in geschillen tegen den voogd bijstond (de Maleville, ad art. 420; Merlin, i. v. subr. tuteur). Aan deze laatste bemoeiing
TOEZIENDE V O O G D 1J-.
439
BENOEMING.
heeft hy zynen naam te danken; en nog in art. 420 C. N. is dat deel zijner functiën op den voorgrond geplaatst, ofschoon blijkens vele bepalingen elders in dat Wetboek voorkomende de werkkring van den subrogé tuteur ruimer was. Het Wetb. Nap. v. EL kende de opper-voogdy toe aan het gerecht of de weeskamer en bevatte verder in art. 309—322 vrij volledige bepalingen omtrent toeziende voogden, wier werkkring zelfs eenigermate ruimer was dan thans het geval is (zie b. v. art. 316: „Dezelve moet ook den besturenden voogd in alle „bedenkelijke zaken met zijnen goeden raad bijstaan en behulpzaam „zijnquot;). Het Ontw. 1820 keerde weder meer naar het Oud-Hollandscö recht terug, bekleedde de plaatselijke besturen of de hen vertegenwoordigende weeskamer met de oppervoogdij (art. 590, 591) en vermeldt de medevoogdij (art. 653—659), als ook den bij zonderen voogd, aangesteld tot zekere bepaalde handelingen, ingeval van strijdig belang (art. 603).
Het Ned. B. W. heeft de Oud-Hollandsehe benaming van toeziende voogd behouden; doch de min volledige definitie van art. 427 meer bepaald aan den Code ontleend. De werkkring van den toezienden voogd is eenigszins ruimer dan die van den Franschen subrogé tuteur. Grootere uitbreiding van zijne bevoegdheid blijft echter in vele gevallen wensebelijk.
In Nederl. Indië is de toeziende voogdij opgedragen aan de weeskamer (art. 366 Ind. B. W.); deze heeft echter meer macht dan de toeziende voogd ten ontzent (vgl. art. 388 Ind. B. W. en bl. 374 supra).
Benoeming van deu toezienden voogd.
Deze heeft plaats in elke voogdij, met uitzondering van die van regenten van gestichten van weldadigheid.
Zij geschiedt door den kantonrechter op de wijze als dit ten aanzien van voogden is voorgeschreven (art. 432). Is er tijdens de benoeming van den voogd door den kantonrechter geen toeziende voogd aanwezig, dan geschiedt diens benoeming onmiddellijk na dien van den voogd, en bij dezelfde akte (art. 424).
Vgl. bl. 385 en v. supra. Elke toeziende voogdij ten onzent is derhalve datief. Uitgezonderd alleen in het geval dat de curator ventris, by de geboorte van het kind van rechtswege diens toeziende voogd wordt (art. 403, lid 3). De kantonrechter behoeft ten onzent den toezienden voogd niet uit de andere linie te kiezen dan waartoe de voogd behoort, gelijk art. 423 C. N. verlangde.
Zie omtrent de verplichting van den voogd om eenen toezienden voogd te doen benoemen, indien deze betrekking onvervuld is, bl. 408 supra (art. 423 B. W.).
a a s v a a k i) i x g. ei n u e.
Aauvaug der toeziende voogdij, onbevoegdheid, uitsluiting, afzetting , verscliooning.
nieromtrent gelden dezelfde bepalingen als ten aanzien der voogdy. Zie omtrent den eed: art. 426 B. W.; de onbevoegdheid, uitsluiting en afzetting: art. 436 en v.; de personen die de afzetting kunnen aanvragen: art. 439, en de redenen van versohooning: art. 433 en v.
Aanvaarding (art. 425).
Hier geldt hetzelfde als ten aanzien van voogden is bepaald by art. 387 en v. B. W.; vgl. bl. 407 en v. Bij gebreke van aanvaarding (waaromtrent art. 419, lid 1 ongetwijfeld toepasselijk is) wordt hij op zyne kosten vervangen door eenen bewindvoerder, die jegens hem aansprakelijk is; en zonder dat dit aan zijn eigen verplichting tot schadevergoeding jegens den minderjarige te kort doet (art. 425).
Einde der toeziende voogdij (art. 432).
Ook hier kan men spreken van een einde ten aanzien van den pupil (ahsoluut einde) door meerderjarigheid of dood; en van een einde in den persoon van den toezienden voogd {i-elatief einde), door diens overlijden, onbevoegdheid, afzetting, benoeming tot voogd enz.
De wet bepaalt in art. 432; „De bediening van toezienden voogd „eindigt op hetzelfde tydstip ais de voogdyBlykbaar is hier alleen gedacht aan het absoluut einde der voogdij, dat tevens de toeziende voogdij doet vervallen. Bij het eindigen der voogdij enkel in den persoon van den voogd blijft de toeziende voogd in functie, en treedt hij zelfs ter behartiging van de belangen van den pupil tydelyk op den voorgrond (zie b. v. art. 431). Zie verder deswege o. a. in denzelfden zin Mr. N. F. van Nooten, Themis 1888, bl. 337 en v.; anders W. Hoogvliet, Themis 1888, bl. 27 en v.
Ofschoon het eene vraag is, die meer bepaaldelijk het Indische B. W. betreft, zij hier de plaats te vermelden dat de omstandigheid, dat de Indische voogd zijn domicilie naar Nederland mocht hebben overgebracht , of wel dat er door diens overlijden hier te lande eene Nederlandsche testamentaire of datieve voogdij is ontstaan, twijfel heeft doen rijzen omtrent het voortduren van de toeziende voogdij bij de weeskamer in Indië. Vele kantonrechters benoemen in zoodanig geval eenen toezienden voogd, waartegen de Indische weeskamers zich plegen te verzetten. Uitgebreid is de litteratuur over deze rechtsvraag, en dringend de behoefte aan wettelijke voorziening. Men zie Mr. Greeve, t. a. p., bl. 449—457, waar de vraag volledig wordt behandeld, met aanhaling van alle schrijvers en jurisprudentie. Zie ook LÉox, B. W., Suppl11. ad art. 422, aant. 2, 3 en 4, vooral een arrest van den
440
werkzaamheden van\' den toezienden\' voogd.
H. R. v. 6 April 1882, IV. n®. 4758. Laatstelijk heeft de Staatscommissie tot herziening van het B. W. aan den Minister van Justitie een advies deswege uitgebracht (zie de aan het Ontwerp 1886 voorafgaande missive aan den Koning, bl. III). Zie omtrent dit onderwerp nog Mr. J. H. Abendanon, Privaat- enpubliekr.,verh. tusschen Nederland en de Nederl. koloniën, Batavia 1891, beoordeeld door Mr. T. M. C. Asser, W. n0. 6229 en door Mr. J. de Louter, Themis, 1892, bl. 296.
Uitoefening der toeziende voogdij (art. 427—431).
Reeds boven zagen wij dat de toeziende voogdij hoofdzakelijk tweeërlei doel heeft: toezicht op den voogd en waarneming der belangen van den minderjarige, ingeval van tegenstrijdig belang van den voogd. Niettemin zgn heiri nog verschillende bemoeiingen in het B. VV. opgedragen, die niet met juistheid onder deze twee categoriën zijn te brengen, en kennen wij veeleer vijf groepen van werkzaamheden, waarmede hij is belast, te weten:
a. het houden van doorloopend toezicht op den voogd;
Hiertoe behoort inzonderheid de zorg dat de voogd zijne verplichtingen tot boedelbeschrijving en hypotheekstelling nakome (art. 428, lid 1 en 2) en dat de certificaten der nationale schuld worden overgeschreven op het grootboek (art. 450).
Om het toezicht beter te kunnen uitoefenen moet hij van den voogd, behalve van den langstlevende der ouders, om de twee jaren summiere rekening en verantwoording vorderen en zieh de effecten en bescheiden van den minderjarige doen vertoonen (art. 429, vgl. bl. 418 supra).
Somtijds (als b. v. in art. 390, lid 4) is de toeziende voogd zelfs belast met de ten uitvoerlegging van de op deu voogd rustende verplichting. In den regel ecliter staat hem geen ander middel ten dienste dan het provoceeren van de afzetting van den voogd, waartoe hy zelfs verplicht is in al de gevallen bij de wet bepaald (art. 430, lid 2); de wet herinnert hem, wellicht ten overvloede, aan die verplichting, ingeval de voogd weigert de summiere rekening af te leggen of wanneer deze sporen van ontrouw of grove nalatigheid oplevert (art. 430, lid 1). Zie verder sub d.
Bij het opnemen van de slotrekening der voogdij is de toeziende voogd ten onzent niet behulpzaam. En toch zou zijne voorlichting den minderjarige van veel gewicht kunnen zijn. In verscheiden vreemde wetgevingen is hij ook met deze werkzaamheid belast.
b. het uiten van ziju gevoelen ten aanzien van velerlei handelingen, door den voogd op rechterlijk gezag of met rechterlijk verlof te verrichten ;
441
wkrkzaamheden van dex toezien den voobu.
Zie b. v. art. 389, 390 en v., 442, 447, 451, 454, 457, 458, 459, 460, 461, 462, 463, 465 en 466.
c. het handelend optreden te zamen met den voogd, of liet tegenwoordig ziju bij enkele handelingen;
Men denke hier aan de vereischte tóestemming tot een huwelijk (art. 95), aan de tegenwoordigheid van den toezienden voogd by boedel-besobrijving (art. 182, 444), bij verkoop van onroerende goederen (art. 453) en bij boedelscheiding (art. 1118).
d. het handelend optreden, ingeval van tegenstrijdig belang van minderjarige en voogd (art. 427);
Hiertoe behoort de vordering tot afzetting (art. 430); het ten uit-voerleggen van de verplichting tot hypotheek- of zekerheidstelling (art. 390, 428, lid 1); het noodzaken tot inventariseeren (art. 428, lid 2); tot het doen overschrijven van de certificaten der nationale •schuld, op het grootboek (art. 450, lid 2); een en ander vormt de sanctie van het snb a vermelde toezicht.
Tot deze soort van werkzaamheden behoort nog het benoemen van eenen deskundigen schatter ingeval van art. 448, lid 2, het voeren van gedingen voor den pupil tegen den voogd, het optreden ter verificatie in diens faillissement enz.
Art. 394 Ontw. 1886 voorziet nog in het geval dat de belangen van den voogd en den toezienden voogd beide met die van den minderjarige in stryd zijn, als wanneer de kantonrechter een bijzonderen vertegenwoordiger van den minderjarige kan benoemen; vgl. art. 1118B. W.
e. het handelend optreden bij ontstentenis van den voogd, of wanneer door afwezigheid van den voogd, de voogdij verlaten is (art. 431).
In dat geval moet de toeziende voogd de benoeming van een nienwen voogd doen bewerkstelligen en inmiddels al datgene in de voogdij verrichten, hetwelk geen uitstel kan lijden (eod.). Vgl. art. 553 en 554 B. W.
De bepaling van art. 431 is eene belangrijke verbetering van het Fransche stelsel, volgens hetwelk de meerderjarige erfgenamen var. den voogd de voogdij moesten voortzetten tot de benoeming van eenen nieuwen voogd, hetwelk talrijke bezwaren opleverde (art. 419 C. N.; zie Assee, Verg. bl. 189). De toeziende voogd, ofschoon enkele daden van voogdy verrichtende, is echter geen voogd ad interim- zoodat b. v. het domicilie van den minderjarige niet dat van den toezienden voogd volgt (vgl. bl. 132 supra). In de gevallen, waarin de voogd de machtiging van den rechter noodig heeft, is ook de toeziende voogd aan hetzelfde voorschrift onderworpen.
442
aansprakelijkheid van den toezienden voogd.
Aansprakelijkheid van den toezieuden voogd.
In sommige gevallen zegt de wet uitdrukkelijk dat hij tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden is, ingeval van nalatigheid in zijne verplichtingen (zie b. v. art. 425, 428, 431, 450, !id 2).
Men leide hieruit echter niet a contrario af, dat hij bij andere tekortkomingen vry van alle aansprakelykheid zou zijn; daar gemelde artikelen veeleer toepassingen zijn van het algemeene beginsel, dat elke verwaar-loozing van de belangen des minderjarigen kan worden verhaald op dengene, die daaraan schuldig is (arg. ex artt. 419, 426, 443, 1401 enz.j.
Rechtstreeksche aansprakelijkheid voor het beheer van den voogd bestaat er voor den toezienden voogd niet; evenmin als hij zich kan verzetten tegen de uitvoering van daden van beheer door den voogd. Slechts wanneer hijzelf in zijne bovengemelde verplichtingen te kort schiet, is hij uit eigen hoofde aansprakelyk. Of thans nog het voorrecht van uitwinning van de goederen van den voogd geldt, evenals voorheen ten aanzien der tutores honorarii, mag worden betwijfeld. Feitelijk echter zal de actie eerst te pas komen als bij de slotrekening blijkt dat de minderjarige schade heeft geleden tengevolge van het verzuim van den toezienden voogd, en deswege geen verhaal tegen den voogd kan worden uitgeoefend. (Vgl. Lkon, ui tg. Asser, ad art. 428 B. W., aant. 5).
Deel voogd en (art. 1118).
Volledigheidshalve zij hier gewezen op het geval, dat bij boedelscheiding de voogd en toeziende voogd beiden een belang hebben, strijdig met dat van de door hen vertegenwoordigde minderjarige erfgenamen; in welk geval de kantonrechter ambtshalve een of meer deelvoogden benoemt om voor het belang van die erfgenamen te waken. Vgl. in ruimer zin het reeds aangehaalde art. 394, Ontw. 1886.
I. Handlichting.
Handlichting is het middel, waardoor een minderjarige geheel of gedeeltelijk aan zijne minderjarigheid en aan hare rechtsgevolgen onttrokken wordt (art. 473).
Deze bepaling van Mr. Opzoomeb (II, hl. 314 en 453) drukt het wezen van dit rechtsmiddel voldoende uit, en geeft tevens te kennen dat er twee soorten van handlichting bestaan; de meerderjarigver klaring of venia aetatis (art. 474—479 en 486) en de beperkte handlichting (art. 480—486).
443
1
444 HANDLICHTING.
De eerste soort heeft veel overeenkomst met het gelijknamige rechtsmiddel in den Codex {de his qui ven lam aetatis impetr., II, 45) alwaar het echter den meerderjarigverklaarde verboden bleef zijne onroerende goederen te vervreemden of te bezwaren. Deze venia aetatis werd door den keizer verleend.
Geheel hetzelfde vinden wij terug in het Oud-Holl. recht. „Wanneer „de Wees om zonderlinge redenen voor de bestemde jaren mondig of „zyns zelfs voogd werd gemaekt bij de Lauds-Üverheydt, bij het Hof „van Holland, ofte by eenig Geregte, daer toe wettelyk gemagtigt „zyndequot; (de Groot, I: 10 § 3; v. Leeuwen, 1: 16 § 11).
De tweede soort van handlichting heeft meer overeenkomst met de Fransche emancipation. Vóór de invoering van den Code was ook de meer volledige handlichting in vele gewesten van Frankrijk niet onbekend. Zij werd verkregen dnoï Vorstelijke brieven {lettres (Emancipation of lettres de benefice d\\1gé). Zie de ontwikkeling hiervan bij Toüluee, n0. 1282. De aldus geëmancipeerde verkreeg echter eenen curator.
Bij de vervroeging van den leeftijd der meerderjarigheid op 21 jaar bestond de behoefte niet meer aan algeheele handlichting. De Code kent dan ook slechts de beperkte handlichting of emancipation, welke plaats had door het buwelyk (art. 476), of door eene verklaring van den vader, bij gebreke van dezen van de moeder of bij ontbreken van beiden van den familieraad (art. 477, 478).
Tot het drijven van handel werd volgens art. 2 C. d. Comm. eene opzettelijke vergunning vereischt.
De rechtstoestand van zoodanigen geëmancipeerde, die evenals in het oudere Fransche recht van eenen curator voorzien bleef, was van vrij ingewikkelden aard, zoodat het „moeyelijk valt, zich een „duidelijk denkbeeld te vormen van den waren staat eens persoons, „aan wien dat voorregt is te beurt gevallenquot; (Asser , Ferg. § 279).
Groote verbetering werd hierin gebracht door het Ned. Burgerlijk Wetboek, inzonderheid na de herziening van 1832; terwijl de wet van 4 Juli 1874, Stbl. n0. 91, nog eenige belangryke wijziginger. in het leven riep, vooral betreffende de wijze van het verleenen dezer handlichting, en het verbod van vervreemding of verpanding van onderscheiden daarbij genoemde zaken.
Verschillende schakeeringen tusschen het Oud-Hollandsch er het Fransche recht treft men aan in het Wetb. N. v. H art. 389—394, in het Ontw. 1820, art. 718—730, alsmede in het Wetb. van 1830, art. 523—538. In allen vindt men de venia aetatis nevens de emancipatie.
Men verwarre deze tweede soort van handlichting niet met de geheel ongelijkslachtige Romeinsche emancipatio, het middel, waardoor men
meerderjarigverklaring.
445
handlichting.
van de patrio, potestas werd ontheven, en waardoor men, hoe jeugdig ook, paterfamilias werd, terwijl ten onzent daarentegen de vaderlijke macht of de voogdy voor een goed deel onaangetast blijft, en slechts beperkte rechten tot beheer van eigen zaken of het uitoefenen van eenigen tak van handel of ny verheid aan den minderjarige worden verleend (vgl. Lipman, B. //\'., bl. 142).
In verband met de vervroegde meerderjarigheid kent het Ontwerp 1886 slechts de beperkte handlichting, die echter in sommige onderdeden van die van het B. W. afwykt.
a. Meerderjarigverklaring of ve/da aetatis.
Het verzoek tot verkrijging hiervan wordt gedaan door den minderjarige, mits deze den vollen ouderdom van twintig jaren hebbe bereikt (art. 475).
Deze leeftijd komt overeen met dien van de venia aetatis volgens Eomeinsch recht, 1. 2 Cod. de his qui ven. aet. (II, 4b). In het oud-Hollandsch recht kon zij aan jongelingen op 20, aan jonge dochters op 18 jaar worden verleend; somtijds zelfs nog wel op jeugdiger leeftijd (v. Leeuwen, Jt. H. Reyt, I; 16 § 11).
Deze handlichting wordt verleend door den Hoogen Raad; zij is echter niet van kracht, dan nadat zij door den Koning is goedgekeurd (art. 474).
Men lette op het verschil dienaangaande met de wettiging van natmirlyke kinderen, na het huwelijk, welke door den Koning wordt verleend, na ingewonnen advies van den Hoogen Raad (art. 329). Zie Voorduin, III, bl. 158—160, ten bewijze dat de meeningen zeer verdeeld waren omtrent de vraag wie de venia aetatis moest verleenen, en dat bepaaldelijk de vraag of dit niet door den Koning na advies van den Hoogen Raad zou behooren te geschieden, met groote meerderheid, ontkennend is beantwoord.
Vorm der meerderjarigverklaring (art. 475—477, 486).
Zij wordt aangevraagd bij verzoekschrift aan den Hoogen Raad, onder overlegging van een afschrift der geboorte-akte of anders van een deugdelijk blijk van den vereiscliten ouderdom (art. 475).
De Hooge Raad, alvorens te beslissen, hoort den vader, of bij gebreke van dezen de moeder; ontbreken beide of zijn zij in de onmogelijkheid om hunnen wil te - kennen te geven, dan worden de voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige gehoord of opgeroepen (art. 476).
megamp;deuja rigverklar1ng.
Volgens de wet van 15 Nov. 1876, Stbl. nquot;. 195, gelden ook ten deze de bepalingen bij art. 388 en 389 ten aanzien van voogdij vastgesteld ; mitsdien moeten de bloedverwanten of aangebuwden ook hier vier in aantal zijn, en uit de naaste, zooveel mogelijk in de beide liniën worden gekozen; wijders moeten zij zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het rijk woonachtig enz. (vgl. bl. 375, 376 supra).
Vroeger was men hieromtrent in het onzekere; zelfs wilde de Eegeering den Hoogen Raad opzettelijk vrij laten „om pro re nata „zoodanige bloedverwanten, in zoodanigen getale te hooren, als dat „kollegie zal oorbaar achtenquot; (Voordurx III, bl. 143). Zie de afkeurende beoordeeling hiervan bij Diephüis V, bl. 510, noot.
Mr. Diephüis, V, bl. 508, maakt verschil tnsschen het hooren van den vader of de moeder en het hooren of afroepen van de nabestaanden; zoodat de vader of moeder door hun wegblijven de meerderjarigverklaring zouden kunnen verhinderen. Met Mr. Opzoomer, II, bl. 456 noot 4, verwerpen wij dit gevoelen. Daarenboven schijnt het ongegrond dat de lijdelijke houding van den vader of de moeder meer zou vermogen dan diens krachtig protest tegen de te verleenen handlichting, waaraan de Hooge Raad niet noodwendig gevolg behoeft te geven.
De Hooge Raad kan het bedoelde verhoor opdragen aan de rechtbank of den kantonrechter van de woonplaats des minderjarigen, in welk geval het verbaal van dit verhoor aan den Raad wordt ingezonden, met bijvoeging van alle inlichtingen en aanmerkingen, die de rechtbank of de kantonrechter noodig oordeelt (art. 477).
Het verleenen der venia aetatis moet openlijk weiden bekend gemaakt, door afkondiging en plaatsing in liet officieële dagblad en in dat van de woonplaats van den meerderjarig-verklaarde; bij gebreke van een dagblad daar ter plaatse, in het dagblad eener naast gelegen plaats. In de afkondiging moet tevens nauwkeurig worden vermeld, of zij is verleend onder de in art. 479 bedoelde beperking.
Vóór de afkondiging werkt de handlichting niet tegen derden (art. 486).
Voor derden is het van groot belang te kunnen onderzoeken of degene, met wien zij in rechtsbetrekking zijn of wenschen te treden, in het volle genot van zgne rechtsbevoegdheid is, dan wel of hem zekere rechten ontbreken. Een overwegende invloed op de rechtsbevoegdheid oefent de meerderjarigheid uit (zie bl. 368 en v. snpra).
Meerderjarigheid nu door leeftijd of huwelijk blijkt uit de voor ieder toegankelijke registers van den burgerlijken stand (art. 24 B. W.).
446
M EEB. DEKJAKlGVEtt KLARING.
Aan de moeielijkheid om zich van het bestaan eener handlichting te overtuigen komt art. 486 B. W. te gemoet.
Gevolgen der meerderjarigverldaring.
De meerderjarigverklaarde staat in alles gelijk met eenen meerderjarige (art. 478, lid 1).
Zie het aangeteekende deswege op bl. 37Ü en 371 supra.
Tot het aangaan van een huwelijk evenwel heeft de meerderjarig-verklaarde de toestemming van zijne ouders of grootouders overeenkomstig art. 92, 93 en 94 B. W. noodig, totdat liij den vollen ouderdom van 23 jaren heeft bereikt (art. 478, lid 2).
Ook tot het maken van huwelijksche voorwaarden? Vgl. art. 206, lid 1 en 506, lid 2 B. W. Doorgaans ontkennend beantwoord (zie Diephcis, V, bl. 512; Opzoombr, II, bl. 455, noot 2; Mr. H. van Manen, Themis, II, 15, bl. 35 en v.).
De Hooge Eaad kan in het belang van den meerderjarigverklaarde in de brieven de beperkende bepaling voegen, dat hij tot op 23jarigen leeftijd zijne onroerende goederen niet anders zal mogen vervreemden of bezwaren dan met toestemming van den kantonrechter zijner woon-plaats, na verhoor of behoorlijke oproeping van den vader, of bij gebreke van dezen, van de bloedverwanten of aangehuwden. Ook tot onderhandschen verkoop kan vergunning worden verleend (art. 479, art. 1 der wet van 18 April 1874, Stbl. n0. 68).
Dat door eerder huwelijk deze beperking ophoudt, is aan geen redelijken twijfel onderhevig.
De meerderjarigverklaring of venia aetatis is onherroepelijk.
Ingeval van krankzinnigheid of verkwisting behoort de meerderjarigverklaarde derhalve onder curateele te worden gesteld. Van ouderlijk gezag of voogdij toch kan geen sprake meer zijn. Anders ten aanzien der beperkte handlichting, die voor intrekking vatbaar is.
b. Beperkte haudiichting.
Het verzoek tot verkrijging dezer handlichting wordt eveneens gedaan door den minderjarige, mits deze den vollen ouderdom van achttien jaren hebbe bereikt.
Zij wordt verleend door den kantonrechter, doch nooit tegen den wil van dengene der ouders, die het ouderlijk gezag uitoefent (art. 480, nieuw, wet van 4 Juli 1874, Stbl. n0. 91).
447
BEPEÏIKTE HANDLICHTING.
Volgens het oorspronkelijk art. 480 werd de beperkte handlichting door den vader, of, bij gebreke van dezen, door de moeder verleend, en vervulde de kantonrechter slechts een lydelijke rol; eerst als de beide ouders ontbraken, of in de onmogeiykheid waren hunnen wil te verklaren, werd deze beperkte handlichting, op verzoek van den minderjarige, door den kantonrechter verleend (art. 481, oorspr.).
Vorm dezer handlichting (art. 481, 486).
Zij wordt door den kantonrecliter verleend; waaneer beide de ouders in leven zijn, na verhoor of bekoorlijke oproeping van dengene, die de ouderlijke macht uitoefent, en van de bloedverwanten of aange-huwden; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, den toezienden voogd, de bloedverwanten of aangehuwden en van den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mocht zijn, zonder met de voogdij belast te zijn.
De artikelen 388 en 389 \') zijn ten deze van toepassing.
De kantonrechter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke verschijning van den minderjarige gelasten.
Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt hij den dag, waarop hij zijne beschikking geven zal.
Binnen veertien dagen, na den dag der beschikking, kan hooger beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder, die op het verzoek gehoord is; art. 342 W. v. B. Regtsv. is hier niet van toepassing; in hooger beroep kan een nieuw verhoor worden bevole:i; is een ander dan de verzoeker in beroep gekomen, dan wordt op het beroep niet beslist, zonder dat laatstgenoemde is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden (art. 481, nieuw).
Omtrent bekendmaking gelden dezelfde voorschriften, als bij de meerderjarig verklaring.
Bij de afkondiging moet nauwkeurig worden vermeld tot welke handelingen de handlichting werd verleend (art. 486; vgl. blz. 446, supra).
Gevolgen der beperkte handlichting.
448
De minderjarigheid blijft voortduren. De minderjarige wordt alleen als meerderjarig beschouwd ten opzichte van die handelingen, waartoe hem de bekwaamheid is toegekend (art. 483).
l) Sedert de wet van 15 November 1876 (Stbl. n0. 195) zijn beide artikelen eveneens gewijzigd.
BEPERKTE HANDLICHTING.
Welke deze handelingen zijn, bepaalt de kantonrechter uitdrukkelijk bij het verleenen der handlichting (art. 482).
Terwijl dus bij de venia aetatis de bekwaamheid tot alle rechtshandelingen regel, de onbekwaamheid uitzondering is, geldt juist een ander stelsel by de beperkte handlichting. De aan den minderjarige toegekende rechten vormen eene uitzondering op zgne algemeene onbekwaamheid. (Vgl. art. 1366, 1482 B. W.)
De minderjarige kan alleen worden bekwaam verklaard tot: de gedeeltelijke of geheele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne inkomsten;
het sluiten van verhuringen;
het bebouwen zijner landerijen en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daartoe noodzakelijk zijn;
het uitoefenen van eenig handwerk;
het oprichten van of deelnemen in eenige fabriek;
het drijven van nering en handel.
In de beide laatste gevallen is de minderjarige tevens bekwaam tot het aangaan van alle verbintenissen tot die fabriek, nering of handel betrekkelijk , met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen, en van de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effecten, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld, hypothecaire schuldvorderingen en aandeeien in naamlooze of andere vennootschappen (art. 484, lid 1 en 2 , ten deele nieuw).
Vóór de wet van 1874 gold het verbod alleen de vervreemding of bezwaring der vaste goederen. De handlichting kon echter een middel worden om in stiijd met de wet, zonder rechterlijk verlof (art. 364, 451), het overige vermogen des minderjarigen, vooral zijne effecten of inschrijvingen op een der grootboeken te vervreemden; herhaalde misbruiken hebben dan ook tot wijziging der wet geleid.
Het behoeft geen betoog dat, niettegenstaande alle voormelde verbodsbepalingen , het geheele vermogen des minderjarigen voor diens verbintenissen aansprakelijk is (art. 1177 B. W.). Derden kunnen dus hun recht verhalen ook op zoodanige waarden, als waarover elke vrijwillige beschikking van de zijde des minderjarigen verboden is.
Ter zake van de handelingen, waartoe de minderjarige bevoegd is verklaard, kan hij eischende of verwerende in rechte optreden (art. 484, lid 3, nieuw).
Eene nieuwe bepaling, vastgesteld bij de meergenoemde wijzigings-
Asser, Burgerl. Hecht. i. .\'Je druk. 29
449
INTREKKING DEK BEPKRKTE HANDLICHTING.
wet, waardoor eene zeer betwiste rechtsvraag is opgelost. Zonder wettelijke regeling toch, was de bevoegdheid van den minderjarige om zelfstandig ter zake van de bewuste handelingen in rechte op te treden zeer twijfelachtig.
De minderjarige heeft een eigeu woonplaats teu aanzien van de handelingen, waartoe hij de bekwaamheid heeft verkregen (art. 484, 3e lid, nieuw). Vgl. bl. 123, 124, supra.
Intrekking der beperkte handlichting.
Deze kan plaats hebben door de arrondissements-rechtbank, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of gegronde vrees daartoe bestaat.
Zij geschiedt bij het leven der beide ouders op verzoek van den vader; zoo deze de ouderlijke macht niet uitoefent op verzoek van de moeder; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezieuden voogd (art. 485, nieuw).
Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd of toezienden voogd, naar gelang het verzoek door dezen of genen is gedaan.
De rechtbank kan ook de oproeping gelasten van bloedverwanten of aangehuwden, en van den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mocht zijn, zonder met de voogdij belast te zijn.
De rechtbank beslist zonder hooger beroep (eod.).
De intrekking der beperkte handlichting moet worden bekend gemaakt op gelijke wijze als zulks voor de handlichting is voorgeschreven (art. 486).
Eerst daarna werkt zij tegenover derden (vgl. bl. 44(5, 448 supra).
Gaat men het verschil tusschen de beide handlichtingen na, dan trekt het de aandacht dat, niettegenstaande de veel verdere strekking en de onherroepelijkheid der vetüa aetatis, aan de ouders veel minder macht is verleend dan by de beperkte handlichting. Vgl. art. 476 met art. 480, lid 2 (nieuw). Vóór de meergenoemde wet van 4 Juli 1874, Stbl. nquot;. 91, was het verschil nog grooter. Vgl. Opzoomkr , II, bl. 457.
Mocht te eeniger tyd ten onzent de leeftijd der meerderjarigheid, in overeenstemming met vele naburige staten, op 21 jaar worden gebracht, dan zal vermoedelyk de noodzakelijkheid der tenia aetatis vervallen, zoodat men met de enkele beperkte handlichting zal kunnen volstaan. Aldus ook het Ontw. 1886, zie Mem. v. Toel. bl. 245.
450
begrip van cühateele.
§ 10.
krankzinnigheid. zwakheid van geestvermogens verkwisting, A. Begrip van Cn ra tee le.
Krankzinnigen, dat zijn zy, wier verstandelijke vermogens niet of onvoldoende ontwikkeld zyn, of wier verstand is verbijsterd, hebben, evenals minderjarigen, behoefte aan vertegenwoordiging en bescherming.
-Reeds in de oudste Romeinsehe rechtsbronnen vindt men gewag gemaakt van den furiosus, die aan het gezag zijner nabestaanden was onderworpen. Met den krankzinnige werd weldra de verkwister {prodigm) bij analogie gelijkgesteld; hij, die van zijne bekwaamheid tot handelen misbruik maakt, door op roekelooze wyze zyn vermogen aan ondergang bloot te stellen, moet, vooral in zijn eigen belang, tot eenen afhankelijken toestand wederkeeren. Zoo ontstond de cura over den krankzinnige en den verkwister, lang vóórdat de cura minor urn (d. i. over hen, die zich, in het tweede tijdperk der minderjarigheid bevonden) bekend was. Maar ook aan hen, die door zwakte van geestvermogens, doofheid, stomheid, of voortdurende ziekte onbekwaam waren om hunne zaken te besturen, werd een curator toegevoegd (§ 3, 4, Inst. de curatoribus, I, 23).
In het Oud-Hollandsch recht sprak men niet ten onrechte van „bejaerde Weesetiquot; (de Groot, Inl., I: 11); hier vindt men de verschillende soorten van cura van het Romeinsehe recht geheel terug in de onderscheidingen, door de Groot gemaakt ten aanzien van hen, die lijden aan een gebrek „van bui/ten als dooven ende stommen, „ofte die door ander groot gebrek onbequaam zyn haer zeiven ende „\'thare te bestierenquot;, en „van binnen door gebrek van \'tverstandt, „als dullen ende andere kranksinnigen ende verstandelooze luyden, „ofte door gebrek van de wille, als Quist-goederen, die men opmakers „ende verdoenders noemtquot;.
Veel beperkter was de Code in de toepassing der curateele [interdiction). Alleen de eigenlijke krankzinnigen (zij die lijden aan im-becillité, démence ou furenr\') werden onder curateele gesteld (art. 489 C. N.). Nevens de curateele vindt men echter (art. 499 C. N.) de in ons recht onbekende instelling van eenen conseil judiciaire, dat is een raadsman, die aan den verweerder kon worden toegevoegd, ingeval het verzoek tot onder curateele-stelling werd afgewezen, en zonder wiens bijstand hij tot verscheidene bepaald aangewezen handelingen onbekwaam was. Omtrent den verkwister heeft men bij het vaststellen van den Code zeer geweifeld. Zie de redenen vóór en tegen
29*
J51
BEGRIP .VAN C ü R A T E E L E.
diens onder curateele-stelling by de Maleville, I, ad Titre XI, Chap. Ill; men koos den middelweg van den conseil judiciaire, die den verkwister kon worden toegevoegd. Wel is waar bestond er een voorstel om ook hem, die zijn verstand voelde verzwakken, de bevoegdheid te verleenen zelf een conseil volontaire aan te vragen, maar daaraan is geen gevolg gegeven.
In het Wetboek Nap. v. Holl. (art. 400) vindt men weder het fiomeinsche en Oud-Hollandsche recht terng. Hier treft men verder de curateele op eigen verzoek aan wegens verschillende gebreken; zelfs worden blindheid en ouderdom daartoe gerekend. Het ontwerp van 1820 behield dit stelsel (art. 732 en 733) en voegde nog voortdurende dronkenschap bij de redenen van gedwongen onder curateele-stelling.
Het Wetboek van 1830 (art. 540 en v.) stond de curateele (zelfs van minderjarigen) toe wegens krankzinnigheid. Daarnevens stond de curateele wegens verkwisting; eindelijk was ook toevoeging van een raadsman {conseil judiciaire) wegens zwakte van geestvermogens {faiblesse d1 esprit) bij art. 566 toegestaan, doch niet op eigen verzoek. Dergelijke raadsman kan ook in andere gevallen, worden benoemd (zie deartt. 550 en 565, en in verband daarmede nog de artt. 552—554 en 567 van hetzelfde wetboek).
In het tegenwoordig Wetboek heeft men de curateele over minderjarigen, o. i. terecht , laten varen (art. 518). Het nut toch eener zoodanige instelling, die niet veel van voogdij verschilt, is zeer gering, en na bereikte meerderjarigheid is de curateele ingeval van krankzinnigheid spoedig genoeg aan te vragen, terwijl daarenboven een provisioneel bewindvoerder reeds na de eerste formaliteiten, kan worden benoemd. Men heeft ook den raadsman uit de wet verwijderd, en derhalve alleen de curateele behouden, en wel in geval van krankzinnigheid (in den ruimsten zin) en van verkwisting: terwijl wegens zwakheid van geestvermogens alleen op eigen verzoek curateele kan worden verleend.
Nevens en onafhankelijk van het B. W. werd ten onzent ingevoerd de (thans afgeschafte) wet van 29 Mei 1841, Stbl. n0. 20, „houdende „bepalingen omtrent de gestichten van krankzinnigen en de wijze „hunner opneming in- en ontslag uit dezelve.quot; Zij was te danken aan het krachtig initiatief van Dr. J. L. C. Scheojjdee van der Kolk, en voorzag in eene dringende behoefte. Zij regelde den toestand der gestichten en het toezicht, daarop uit te oefenen, en gedoogde eene spoedige verpleging van den lijder, eerst gedurende vier proefweken, met machtiging van den president der rechtbank, daarna gedurende drie proeftijden van hoogstens een jaar, met machtiging der rechtbank. Na den derden proeftijd was onder curateele-stelling noodig; nu kon verder alleen de curator het verblijf van den krankzinnige in het
452
WETTEN VAN 29 MEI 1841, ST. N0. 20, EX 27 AFRIJ, 1884, ST. X0. 96. 453
gesticht, krachtens art. 510 B. W., doen voortduren; doch in het belang der openbare orde of uit vrees voor ongelukken kon het openbaar ministerie eene ontijdige invrijheidstelling beletten en verdere machtiging tot plaatsing van den krankzinnige requireeren. De wet bevatte voorts bepalingen omtrent het beheer der goederen van de in geneeskundige gestichten opgenomen personen, en waarborgen tegen onwettige opneming of terughouding.
Behalve de meerdere waarborgen voor eene goede verpleging overeenkomstig de regelen der psychiatrie, leverde deze wet het voordeel op dat de, voor den krankzinnige zoo hinderlijke en vaak nadeelige beteekening van stukken en de rechterlijke ondervraging van art. 493 B. W. voorloopig achterwege bleven.
Belangrijk werd de wetgeving betreffende dit onderwerp gewijzigd en aangevuld bij de wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, tot regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigen. Terwijl de wet van 1841 meer bepaald de verpleging in gestichten op het oog had, is de strekking der nieuwe wet ruimer, door aan het Staatstoezicht alle krankzinnigen te onderwerpen, ook die buiten gestichten verpleegd worden, met uitzondering van hen, die zonder van hunne vrijheid te zyn beroofd, in hunne eigen woning of in die hunner ouders of echt-genooten worden verpleegd (art. 2 en v.). In de eerste vijf paragraphen worden achtereenvolgens behandeld het Staatstoezicht; de oprichting en sluiting van krankzinnigengestichten; de plaatsing en het verblijf in een krankzinnigengesticht; het verlof en ontslag uit zoodanig gesticht; het beheer der goederen van verpleegden in een krankzinnigengesticht en hunne onder curateele-stelling. Vooral deze laatste atdeeling levert vele punten van aanraking op met het Burgerlijk Wetboek, zoodat de kennisneming daarvan voor de studie van het privaatrecht van belang is.
Maar ook overigens zyn de wetten op het krankzinnigenwezen niet zonder zijdelingschen invloed op ons recht. Immers heeft de wet van 1841 toestanden doen ontstaan niet geheel in overeenstemming met onze burgerlijke wetgeving; zoo stelde men zich in 1838 vóór dat elk krankzinnige onder curateele zou worden gesteld (art. 487 B. W.), evenals dat elk minderjarige onder onderlijk gezag of voogdy zou staan; daarom vindt men zelden in de wet de krank zin igheid zelve, maar veelal de curateele genoemd, als reden van onbekwaamheid tot handelingen of onbevoegdheid tot betrekkingen (art. 436, 1366, 1482 enz.). Door de wet van 1841 nu is een wettelijke overgangstoestand geboren, krachtens welken een krankzinnige, die geheel in de termen van art. 487 B. W. valt, veelal een tijd lang in een gesticht kon zyn, zonder onder curateele te zijn gesteld.
Bracht dit reeds sedert 1841 moeielijkheden te weeg, waarvan wij
WET VAN 27 APRIL 1884, STBL. Nquot;. 96.
hierboven (bl. 391 en 392) melding maakten, deze zyn er onder vigeur der wet van 1884 niet op verminderd. Die wet toch maakt het raogelyk de plaatsing van krankzinnigen in een gesticht gedurende een onbepaald aantal jaren telkens met één jaar te verlengen, waardoor de noodzakelijkheid tot onder curateele-stelling na een driejarig verblyf is vervallen; eene wijziging, die op zich zelf is toe te juichen; immers de meerderheid der verpleegden — doorgaans onvermogenden — hebben volstrekt geen curator noodig; voor anderen is het toereikend als een provisioneele bewindvoerder het beheer over hunne goederen voert. Zoo zag men dan ook dat onder de vorige wet duizende curatoren geen andere functie vervulden dan dat zij éénmaal \'sjaars voor de verlenging van het verblijf van eenen krankzinnige in een gesticht zorg droegen, en dat alleen met het oog daarop de onder curateele-stelling plaats bad; maar ook dit laatste bleef dikwijls achterwege, omdat de nabestaanden — wellicht uit vrees om zelf tot curator benoemd te worden — nalieten de aanvrage te doen, terwijl het openbaar ministerie veelal niet bevoegd was de onrateele te vorderen (art. 489, lid 2). In zoodanig geval was dan de verlenging van verblijf in het gesticht gewenscht, doch rechtens onbereikbaar, tenzij in het belang der openbare orde of uit vrees voor ongelukken. De praktijk nam dan ook niet zelden het min gepaste en met den geest der wet strijdige hulpmiddel te baat om, na ontslag van den krankzinnige, op nieuw diens opname te doen plaats hebben en drie proeftijden te doen intreden. Zoodanige kunstmiddelen zijn thans niet meer noodig; maar wel bestaat er behoefte aan wijziging van enkele bepalingen van het B. W. ten einde die in overeenstemming te brengen met de nieuwe krankzinnigenwet , in dier voege dat de onbekwaamheid tot handelen of de onbevoegdheid tot het vervullen van sommige betrekkingen niet meer uitsluitend aan de onder curateele-stelling, maar veeleer aan den toestand van krankzinnigheid worde verbonden.
Eene zwakke poging daartoe vindt men in art. 32 der wet van 1884, waarbij den in een gesticht verpleegden krankzinnige het heheer over zijne goederen en ook over die van anderen is ontnomen. Te recht wenschte Mr. van der Kaay die bepaling uit te breiden, en den krankzinnige onbevoegd te verklaren tot voogdij, curateele, enz., aan welk denkbeeld echter, tengevolge van eene opmerking der Eegeering dat zoodanige bepaling buiten het kader der wet lag, geen gevolg is gegeven. Verder wordt art. 1367 B. W. (waarom niet 1366?) toe-passelijk verklaard op de verbintenissen door zoodanigen krankzinnige aangegaan; en eveneens wordt de aldaar bedoelde krankzinnige ten aanzien der artt. 501 en 502 B. W. gelijk gesteld met iemand, wiens curateele verzocht of verleend is.
454
OORZAKEN VAN CURAT EEL E.
Men zie omtrent de wet van 1884: Mr. S. J. M. van* Geuns, de wet-geving van het Staatstoezicht op de kranlezinnigen, acad. pr. Leiden 1888; H. A. Musquetier, ff et van 27 April 1884 enz,, \'s Gravenhage 1884—1888.
8. Oorzaken van Cnrateele.
1°. Krankzinnigheid (art. 487, lid 1 B. W.).
Wij bezigen hier het woord in den ruimsten zin. De drieledige benaming van onnoozelheid, krankzinnigheid of razerny in ons B. W., duidt slechts op verschillende vormen, waarin geheel of gedeeltelijk gemis aan verstandelijke vermogens zich kan openbaren. Deze onderscheiding , die nit den Code is overgenomen, en uit een geneesknndig oogpunt geenszins aan de eischen eener goede verdeeling beantwoordt, heeft weinig practisch belang. Alleen ingeval van razernij is aan het openbaar ministerie een ruimer werkkring aangewezen dan ingeval van onnoozelheid of krankzinnigheid zonder bijkomende razerny (art. 489 B. W.). \') In de wetten van 1841 en 1884 is alleen van „krankzinnigheidquot; sprake. Evenzoo in het Ontwerp B. W. van 1886.
De krankzinnigheid moet meer dan eene voorbijgaande vlaag zijn, maar zich by voortduring openbaren, al mogen zich nu en dan heldere tusschenpoozen (lucida intervalla) voordoen (art. 487).
De onder curateele-stelling van zoodanigen krankzinnige moet plaats hebben, vermits hij volstrekt verhinderd is zijne rechten uit te oefenen.
2°. Zwakheid van vermogens (art. 488, laatste lid).
455
Het staat o. i. vast dat de wet hier alleen verstandelijke vermogens bedoelt. Niettemin wordt de wetsbepaling door enkele geachte schrijvers, o. a. Mr. Diephuis, V, bl. 536 en v., ook tot lichamelyke vermogens uitgestrekt, tengevolge waarvan hooge ouderdom, zware z:ekten of lichaamsgebreken onder de oorzaken zouden behooren. Het Ontwerp 1886 (art. 462, 2°.) begrijpt onder zwakheid van vermogens zoowel zwakheid van verstand, als aanhoudende kwalen, lichaamsgebreken of hoogen ouderdom, waardoor iemand buiten staat is zijne belangen behoorlijk waar te nemen.
M Bij de wet van 1884, art. 34 is de bevoegdheid van het O. M. belangrijk uitgebreid ten aanzien van de aanvrage tot onder curateele-stelling van hen, tot welker verblijf in het gesticht krachtens art. 24 machtiging is verleend.
OORZAKEN VAN CÜRATEELE.
Hg die zwak van verstandelijke vermogens is behoort niet tot de in art. 487, lid 1 bedoelde krankzinnigen. Er is integendeel eene zekere mate van zelfkennis toe noodig om in te zien dat, men te zwak van hoofd is om zijn eigen zaken te besturen. Intusschen is in de praktijk de grens niet altijd even gemakkely k te trekken, en komen er wel gevallen voor, dat bij het rechterlijk verhoor de requestrant nog slechts zeer weinig begrip toont te hebben van het door hem aangewende rechtsmiddel, zoodat de curateele ex art. 487 meer op hare plaats zou zijn en er aanleiding tot ernstigen twijfel omtrent de ontvankelykheid en de gegrondheid van het verzoek kan ontstaan.
3°. Verkwisting (art. , lid 2).
Verkwister is hij, die door buitensporige verteringen zyn vermogen roekeloos doorbrengt; „qui neque tempus, neque finem expensarum habet, „sed bona sua dilacerando et dissipando profunditquot; (1. 1 D. de cur. fur., 27, 10). Verkwisting maakt iemand niet, evenals krankzinnigheid, volstrekt onbekwaam tot handelen, maar het kan in vele omstandigheden wenschelijk zijn hem die bekwaamheid te ontnemen; van daar de potestatieve vorm van de wetsbepaling. Daarenboven is het begrip van verkwisting zeer betrekkelijk; de rechter zal dezelfde feiten ten aanzien van den één niet, ten aanzien van den ander wel als verkwisting kunnen beschouwen.
C. Rechtspleging.
De curateele wordt niet auders verleend dan door den rechter.
Zij wordt verzocht:
a. ten aanzien van krankzinnigen:
door elk bloedverwant en den echtgenoot (art. 488, lid 1 en 3); door het openbaar ministerie, dat echter, belialve in geval van razernij. eerst bevoegd is indien de krankzinnige noch echtgenoot, noch bekende bloedverwanten binnen het Rijk heeft — tenzij tot verlenging van verblijf van den krankzinnige in een gesticht krachtens art. 24 der wet van 1884 machtiging is verleend, als wanneer het O. M. zonder voorbehoud bevoegd is, wanneer de familie de onder curateele-stelling niet tijdig\'aanvraagt;
ingeval van razernij is het openbaar ministerie tot liet verzoek verplicht, indien de curateele niet is verzocht door de hierboven gemelde personen (art. 489 B. W., art. 34 der wet van 1884);
456
RECHTSPLEGING.
457
curateele.
De hier bedoelde uitbreiding der bevoegdheid van het O. M. tot aanvrage der curateele is eene bepaalde verbetering. Het B. W. toch kent aan het 0. M. slechts eene voorwaardelijke bevoegdheid toe, die weinig strookt met den gebiedenden vorm van art. 487, lid 1 B. W. Wij zouden nog verder willen gaan dan de wet van 1884 en het O. M. in alle gevallen van krankzinnigheid, derhalve ook ten aanzien van hen, die niet in gestichten verpleegd worden, bevoegd verklaren; aldus ook art. 464 Ontw. 1886. Moge men al omtrent den grond der curateele van den verkwister — familiebelang, of eigen belang — twijfelen, by den krankzinnige staat het belang der maatschappij geheel op den voorgrond, en is dus de staatszorg in alle gevallen volkomen gepast.
De verplichting van het O. M. in geval van razernij, is gelegen in het gevaar, dat deze toestand voor de maatschappij oplevert.
b. bij zwakheid van vermogens;
door dengeue, die gevoelt niet in staat te zijn zijne belangen behoorlijk waar te nemen (art. 488, laatste lid);
c. ingeval van verkwisting:
door de bloedverwanten in de rechte linie, en door die iu de zijdlinie tot den vierden graad ingesloten, benevens door den echtgenoot (art. 488, lid 2 en 3).
Men wilde slechts diegenen der nabestaanden toelaten, „qui, par attachement, par honneur, ou par convenance, pourraient un jour se voir obligés de combler, aux dépens de leur fortune, le précipice, dans lequel la dissipation allait plonger leur parentquot; (Nicolaï bij Voorduin, III, bl. 169).
Men zie verder over den\' grond van de cura prodigi en de ontwikkeling daarvan in het Eomeinsche en het Duitsche recht het aangeteekende bij Opzoomer II, bl. 316, noot 1.
Het verzoek tot onder curateele-stelling moet worden ingediend aan de arrondissements-reclitbank van de woonplaats van dengene, wiens curateele het geldt (art. 490).
In de praktijk kan dit wel eens tot ongelegenheid leiden, vooral ingeval van verkwisting. Ons toch is een geval bekend dat een verkwister opzettelijk zyn domicilie naar het buitenland verplaatste, ten einde eene onder curateele-stelling feitelijk onmogelijk te maken. Voor zoodanig geval zou de wetgever den rechter van de laatste woonplaats in Nederland bevoegd kunnen verklaren om van het verzoek kennis te nemen. In dien geest is ook de zaak bij art. 463 Ontw. 1886 geregeld.
RECHTSPLEGING.
458
CUR \\ TEEL E.
Procedure bij krankzinnigheid \') of verkwisting:
Het verzoek moet de feiten behelzen, waaruit de krankzinnigheid of de verkwisting kan blijken: daarbij moeten de bewijsstukken (zoo die er zijn) alsmede eene opgave van getuigen worden gevoegd (art. 491).
Een en ander strekt tot waarborg voor den gerequestreerde dat niet op losse gronden het verzoek zal worden gedaan. Zijn de feiten niet zwaarwichtig genoeg of ontbreekt de opgave der getuigen, dan zal de rechter het verzoek moeten afwyzen.
Ongaarne mist men in het B. W., voor het geval van krankzinnigheid , het vereischte eener geneesknndige verklaring; de reden is daarin gelegen, dat tijdens de invoering der burgerlijke wetgeving, vooral van den C. N., die ten deze aan het B. W. tot voorbeeld strekte, de wetenschap der psychiatrie nog lang niet ontwikkeld was. Thans zou eene verklaring, mits afgegeven door een daartoe bevoegd geneeskundige, gevoegelijk het aanvankelijk noemen van feiten en vooral van getuigen kunnen vervangen. In de praktijk wordt dan ook niet zelden by het verzoek een geneesknndig attest als bijlage gevoegd.
Zijn de feiten zwaarwichtig genoeg om tot curateele te kunnen leiden, dau boort de rechtbank de bloedverwanten of aangeliuwden (art. 4,92).
Het is niet duidelijk waarom niet, evenals in geval van curateele op eigen verzoek, de echtgenoot gehoord wordt. De artikelen 388 en 389 zijn volgens art. 506, lid 3 ten deze toepasselijk. Bij niet-verschijning is behoorlijke oproeping voldoende (art. 493, 494).
Het verhoor der bloedverwanten is hoogst nuttig. Behalve tot waardeering der in het verzoek gemelde feiten, kan het ingeval van krankzinnigheid strekken om met de meer verwijderde oorzaken en den vroegeren toestand van den lijder bekend te worden; ingeval van verkwisting, om de levenswijze en den stand van het vermogen van den curandus te leeren kennen.
Na beteekening van het verzoek en het verslag, bevattende de gevoelens der nabestaaiideu, aan hem, wiens curateele is verzocht, gaat de rechtbank over tot diens ondervraging; is hij buiteu staat
\') Wij behandelen hier ter plaatse de onder eurateele-stelling van hen, die niet in een gesticht zijn opgenomen, of welker verblijf aldaar nog niet krachtens art. 24 der wet van 1884 is verlengd. Ten aanzien van hen, tot verlenging van wier verblijf machtiging is verleend, is de procedure belangrijk vereenvoudigd, gelijk hierna zal worden vermeld.
C ü R A ï E E L E. RECHTSPLEGING.
zicli te verplaatsen, dan heeft de ondervraging in zijne woning plaats, door een of meer daartoe benoemde rechters, vergezeld door den griffier; het openbaar ministerie is bij een eu ander tegenwoordig (art. 493).
Deze ondervraging is een voornaam bestanddeel van het onderzoek, zij dient om den rechter een zelfstandig oordeel over den toestand te verschaffen. Uit haren aard is zij meer noodig bij krankzinnigheid dan bij verkwisting; de formaliteit bestond in den Code dan ook alleen in eerstgemeld geval (art. 496); bet voorschrift geldt ten onzent echter gelijkelijk voor beide. Ook bier zal, niettegenstaande de woorden van art. 494, bij niet-verschijning (welke doorgaans alleen bij verkwisters voorkomt) oproeping gelijk staan met verhoor. Niet aannemelijk toch is het dat de belanghebbende, door niet-verschijning, alle verdere maatregelen zou kunnen veradelen, Zie hieromtrent in verschillenden zin, ofschoon de conclusie doorgaans dezelfde is, Mrs. Diehhüis, V, bl. 546, Opzoomer, II, bl. 486, noot 4, Schook, iV. By dr., XIII, bl. 539, en Léon (uitg. Asser) , art. 493 B. W., aant. 2.
l)e ondervraging dient niet om de gelegenheid tot verwering te openen; daartoe strekt de oproeping van art. 496.
Is de rechtbank genoegzaam ingelicht, dan zal de beschikking zonder verdere bewijslevering kunnen volgen — evenwel niet zonder de bij art. 496 voorgeschreven oproeping.
Tn het tegenovergesteld geval zal getuigenbewijs worden bevolen, ten einde de aangevoerde feiten tot klaarheid te brengen (art. 494).
Deze bewijslevering schijnt dus aan de openbare behandeling te moeten voorafgaan, waardoor de belanghebbende in minder gunstigen toestand is, dan wanneer hij als gedaagde in de mogelijkheid is om de enquête bij te wonen en de noodige verwering te doen. Intusschen is de praktijk in deze somtijds verschillend en ook enkele schrijvers zyn van een ander gevoelen. (Zie Léon , uitg. Asser , art. 494 B. W., aant. 2). De wet spreekt niet van deskundigen; ook hier zoeke men de reden in de weinige ontwikkeling der psychiatrie in het begin dezer eeuw.
Na de ondervraging, in art. 493 vermeld, kan de rechtbank eenen provisioneelen bewindvoerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van dengene, wiens curateele verzocht is, zorg te dragen (art. 495).
Deze tijdelijke maatregel (voorloopig uitvoerbaar krachtens art. 53, 8°. Rv.) zal veelal te pas komen, als de rechtbank uiet genoegzaam
459
c ij r a \'1\' ïï e l e. rechtspleging.
is ingelicht om terstond de curateele uit te spreken; of wel daar, waar eene ernstige verwering, wellicht zelfs hooger beroep is te voorzien. Inzonderheid bij verkwisters kan die maatregel heilzaam zijn. De taak van dien bewindvoerder, wel te onderscheiden van den gelijk-namigen bewindvoerder, bedoeld in de wetten van 1841 (art. 28) en van 1884 (art. 33), is niet uitvoerig in de wet omschreven; evenmin is er bepaald of- en welke rechten door diens benoeming den meerderjarige ontnomen worden. Ons komt het, niettegenstaande een betoog van Mr. Diei\'HDIs, Vquot;, bl. 588, voor, dat de bewindvoerder tydelijk dezelfde rechten uitoefent als een curator, en dat de meerderjarige alsdan niet meer tot handelen bekwaam is.
Wel is waar ontbreekt de voor derden zoo nuttige bekendmaking, en noemt art. 1366 en 1482 alleen hen, die onder curateele zgn gesteld, als onbekwaam om overeenkomsten te treffen; maar de uitdrukking van art. 495 B. W. „om voor den persoon en de goederen te zorgenquot; is zeer algemeen en toont veel overeenkomst met den werkkring van den voogd of curator.
Welk nut zou verder de benoeming hebben, indien de verkwister kon doorgaan met verkoopen, verpanden en verteren van zyn eigendom en de bewindvoerder dit lijdelijk moest aanzien, daar hij slechts de rol van kassier vervult\'? en hoe kan hij voor den zich doorgaans in vryheid bevindenden persoon zorgen, indien deze zich door het opnemen van geld of het aangaan van andere verbintenissen de geldelijke hulpmiddelen kan verschaffen om dat gezag te trotseeren? Vgl. Lkon , uitg Assee en Eombach, art. 495 B. W., aant. 3, 4, 5, 7, 8 en vooral het arrest v. d. H. Raad van 12 Dec. 1879, IV. n0. 4454, het laatste in afwijkenden zin.
De werkkring van den provisioneelen bewindvoerder, bedoeld bij de wet van 1884, is bij art. 33 dier wet eenigszins nader omschreven. Hij verricht in den regel slechts daden van zuiver beheer, tenzy op machtiging van den kantonrechter na verhoor der nabestaanden om gewichtige redenen verleend.
Het vonnis op een verzoek tot curateele moet in eene openbare terechtzitting worden uitgesproken, doch niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van partijen en conclusie van het openbaar ministerie (art. 496).
Eerst door deze oproeping (die in den regel van den verzoeker zal uitgaan), is de belanghebbende in de mogelykheid zich te verdedigen. De wet spreekt van verhoor of behoorlijke oproeping; eene dagvaarding en gewoon contradictoir proces schijnt derhalve niet voorgeschreven,
60
RECHTSPLEGING.
461
C ü R A T E E L E.
en is ook minder in den geest der wet. Het mag toch zonderling heeten van den rechter, by gewone conclusie, na dagvaarding, juist hetzelfde te vragen, waartoe het nog altijd onbeantwoorde verzoek strekte. Ook vindt men ten deze nergens van verstek of recht van verzet gewaagd , maar alleen van hooger beroep (art. 497). Toch wordt bij sommige rechtbanken de zaak bij gewone dagvaarding aanhangig gemaakt (vgl. Léon, uitg. Asser, art. 496 B. W., aant. 1 en 2 en supplquot;. 2 en 3 Rombach , op hetzelfde artikel), waartoe de woorden „vonnisquot; en „partgenquot; eenigermate aanleiding geven.
De kosten blijven, ingeval van afwijzing, ten laste des verzoekers; wordt de cnrateele verleend, dan zal de verzoeker die als noodzakelijke uitgaven, ten bate van den curandus gemaakt, aan den curator kunnen in rekening brengen. Volgt men de behandeling van een gewoon proces, dan zal bij het vonnis uitspraak omtrent de kosten moeten plaats hebben.
Hooger beroep is ten deze toegelaten; de hoogere rechter is bevoegd dengene, wiens curateele is verzocht, op nieuw te ondervragen of te doen ondervragen (art. 497).
Het vonnis of arrest, waarbij curateele verleend wordt, moet op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, van wege den verzoeker worden beteekend aan den onder curateele-gestelde; en openlijk bekend gemaakt door plaatsing in de staatscourant en in een nieuwsblad der provincie, zoo dit bestaat (art. 498).
Vgl. omtrent het nut der bekendmaking het aangeteekende op bl. 446 en 450, ten aanzien van handlichting en hare intrekking.
Ofschoon deze bekendmaking bestemd is ter kennisname van derden, heeft het nalaten daarvan geen invloed op de werking der curateele (art. 500, lid 1); eene bepaling toch als in art. 486, lid 2 ontbreekt ten deze; in de plaats hiervan treedt de verplichting tot schadevergoeding.
Procedure ingeval van verleende machtiging tot verlengd verblijf in een krankzinnigengesticht, uit kracht van art. 24 der wet van 1884 (art. 34 en 35 dier wet).
1°. Bij het verzoekschrift wordt geene opgave van getuigen ver-eischt; geene andere bewijsstukken behoeven te worden overgelegd dan eene verklaring van den geneeskundige of eersten geneeskundige van het gesticht, waaruit de voortdurende staat van krankzinnigheid blijkt, benevens een afschrift der laatste rechterlyke machtiging tot
C ü R A T E i: L E. RECHTSPLEGING.
verblyf in het gesticht, voor zoover de curateele wordt aangevraagd bij eene andere rechtbank dan die de machtiging heeft verleend;
2°. na overlegging dier stukken houdt de rechtbank het bij art. 492 B. W. bedoelde verhoor;
3°. de beteekening van art. 493 B. W. geschiedt aan het bestuur van het gesticht, zoo de beteekening in persoon door eenen aan het gesticht verbonden geneeskundige voor den krankzinnige schadelijk wordt geacht;
4°. de verhooren van art. 493 en 497 B. W. hebben plaats in het gesticht, zoo noodig in tegenwoordigheid van een daaraan verbonden geneeskundige; die verhooren kunnen aan eenen daartoe te benoemen rechter-commissaris of aan den kantonrechter in wiens ressort het gesticht is gelegen worden opgedragen; de geneeskundigen van het gesticht en andere personen, die zich daarin bevinden, kunnen bij die gelegenheid als getuigen worden gehoord zonder voorafgaande oproeping of schadeloosstelling;
5°. na afloop van het verhoor doet de rechtbank uitspraak zonder nadere oproeping van partijen, onverminderd hare bevoegdheid om ingevolge art. 494 B. W. getuigenverhoor te bevelen;
6°. de beteekening aan den krankzinnige van het vonnis of arrest, waarby curateele wordt verleend, geschiedt aan hem in persoon of, zoo dit door den geneeskundige schadelijk wordt geacht, aan het bestuur van het gesticht;
7°. de schriftelijke conclusiën van het O. M. kunnen op het verzoekschrift gesteld worden ;
Zie verder in art. 35 der wet op hoedanige wijze het bestuur van het gesticht kennis krijgt vau de benoeming van provisioneele bewindvoerders, van de verleende onder curateele-stelling en van de benoeming van curators en toeziende curators.
Procedure bij zwakheid vau vermogens (art. 499).
Hier geiden de reeds genoemde bepalingen van het B. W., met de volgende wijzigingen:
geeue vermelding van feiten of overlegging vau bewijsstukken behoeft plaats te hebben ;
de echtgenoot des verzoekers wordt nevens de nabestaanden gehoord; beteekeuing van stukken aan den verzoeker komt niet te pas; zijn verhoor kan alzoo onmiddellijk na dat van de familieleden en den echtgenoot geschieden :
getuigenverhoor noch oproeping van partijen heeft plaats; het vonnis wordt alzoo terstond na conclusie van het O. M. uitgesproken;
462
werking dek c u k a t e £ l e. 4G3
ingeval van afwijzing van het verzoek schijnt hooger beroep niet uitgesloten;
beteekening der uitspraak vervalt;
de zorg voor bekendmaking rust op het openbaar ministerie.
Een en ander volgt niet geheel uit de woorden van art. 499, dat in zijne verwijzingen niet zeer nauwkeurig is. Er heerscht echter bij de schrijvers ten deze weinig verschil van meening. Vgl. Diephüis, V, bl. 5ó4 en v.; v. B. Faure, 2e dr., I, bl. 189; ue Pinto , II, § 302.
quot;)
D. Werking en gevolgen der c urat ee 1 e.
l)e curateele vangt aan te werken van den dag, dat het vonnis of arrest is uitgesproken (art. 500, lid 1).
x) In het Ontwerp van 1886 is de procedure om tot onder curateele-stelling te geraken belangrijk vereenvoudigd, en is menige thans bestaande rechtsvraag opgelost.
Onder curateele-stelling wegens krankzinnigheid geschiedt volgens dat ontwerp op verzoek van nabestaanden of vordering van het O. M. (art. 464), met opgave van de feiten, waarop de aanvraag berust en aanwijzing der bewijsmiddelen (art. 465); de rechtbank kan gelasten dat eene geneeskundige verklaring worde overgelegd (art. 466); verder heeft er een zelfstandig onderzoek door deu rechter plaats; de ondervraging van den curandus geschiedt zoo noodig met bijstand van deskundigen , doch kan zelfs achterwege blijven als zij onuitvoerbaar blijkt (art. 467); de rechter moet zich door deskundigen doen voorlichten alvorens de curateele te verkenen, — tenzij eene geneeskundige verklaring ia overgelegd (art. 468); is de krankzinnige in een gesticht dan wordt ongeveer de weg gevolgd bij art. 34 der wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, aangewezen (art. 470); in eiken stand der zaak kan een bewindvoerder worden benoemd, wiens bevoegdheid in art. 471 behoorlijk is omschreven, terwijl alsdan degeen, wien het verzoek geldt, gelijk staat met iemand die reeds wegens krankzinnigheid onder curateele is gesteld. De beschikking der rechtbank, genomen nadat het O. M. is gehoord (art. 472), wordt niet als een vonnis uitgesproken maar in afschrift aan den verzoeker medegedeeld (art. 474).
Hooger beroep geschiedt bij dagvaarding en wordt als een gewoon geding behandeld (art. 475, 476).
Wegens zwakheid van vermogens geschiedt de procedure eveneens op verzoek , ongeveer op de wijze als in art. 499 B. quot;W. is bepaald (art. 478).
Wegens verkwisting wordt de curateele uitgesproken na eene procedure, die bij dagvaarding wordt aanhangig gemaakt en als een gewoon geding behandeld (art. 480); de rechtbank kan ook hier een bewindvoerder benoemen, echter alleen om voor het vermogen, niet ook voor den persoon van dengene wiens curateele is gevraagd, zorg te dragen (art. 481); zulks in verband met het stelsel van het ontwerp dat de curateele van den verkwister alleen diens geldelijk belang betreft.
gevolgen der c ü r a t e e l e.
Wordt het vonnis van den eersten rechter in hooger beroep bevestigd, dan werkt de curateele van den dag van het vonnis; wordt de curateele, na afwijzend vonnis van den eersten rechter eerst in hooger beroep uitgesproken, dan vangt zij aan van den dag van het arrest; zie den strijd hierover by Opzoomer, II, ad art. 500 § 1 en 2, Diephuis, V, bi. 557.
Vgl. bl. 461 supra, ten betooge dat de bekendmaking voor de werking der curateele niet noodig is.
Door de curateele wordt de meerderjarige in eenen afhankelijken toestand geplaatst en door de wet over het algemeen met eenen minderjarige gelijkgesteld (art. 506, lid 1).
Hij mist van nu af de bekwaamheid om zelf zijne rechten uit te oefenen (art. 1366, 1482, vgl. ook 436, 2°.).
Volgens Romeinsch recht was geldig al hetgeen de curandus in heldere oogenblikken (intermissionis tempore) verrichtte. Het tegenwoordig recht heeft met dit beginsel gebroken, wegens de daaruit voortvloeiende onzekerheid (art. 487) en een doorloopende toestand van onbekwaamheid geschapen. Zie 1. 6 C. de cur. fur. 5, 70; 1. 9 C. qui test fac.poss. 6, 22; Lipman\', B. If., bl. 146; de Maleville, ad art. 489 C. N.
De door hein verrichte handelingen zijn mitsdien van rechtswege nietig (art. 500, lid 2, 1482).
Bij de leer der verbintenissen zal men zien dat zoowel hier, als by vele andere artikelen der wet, niettegenstaande de uitdrukking van rechtswege nietig een rechterlijk vonnis tot nietigverklaring noodig is. .Vgl ook bl. 73, sub h, supra, omtrent nietige handelingen.
De wegens krankzinnigheid onder curateele gestelde kan geen huwelijk aangaan (art. 116, 3°., 143, lid 1; vgl. bl. 147, supra). Anders de verkwister, doch met inachtneming der bepaling van de artt. 95 en 206 B. W. (art. 506, lid 2, bl. 164 supra). Twijfel bestaat er omtrent hem, die wegens zwakheid van vennogens onder curateele is gesteld (zie bl. 147 supra).
De verkwister behoudt de bevoegdheid om uiterste wilsbeschikkingen te maken (art. 500, lid 3).
De verkwister toch, die met bewustheid kan handelen, moet niet meer dan noodig is in zijne rechten worden beperkt; eene beschikking na doode is geen verkwisting (Vooruuin, III, bl. 185).
Omtrent dengene, die op eigen verzoek is onder curateele gesteld, bestaat alweder ten deze twijfel (zie de Pinto, II, § 547). Eener-
464
GEVOLGEN D K R C U R A T EEL E.
zijds het aryumentum. a contrario uit art. 500, lid 3; anderzyds de overweging, dat niet de cnrateele zelve, maar de oorzaak, de krankzinnigheid, iemand onbekwaam tot testeeren maakt (art. 942), terwijl hier geen gemis aan verstandelyke vermogens bestaat \').
Invloed der curateele op handelingen voor het verieeueu daarvan gepleegd (art. 501, 502).
Tot juist verstand van de leer dezer artikelen, houde men vóór alles in het oog, dat ten deze geene bepalingen bestaan — en ook niet behooren te bestaan — voor verkwisting en zwakheid van verinof/ens; en wel wegens het principiëel verschil tusschen de curateele wegens deze beide oorzaken en die wegens krankzinnigheid. In het eerste geval is het de curateele zelf, dis eene onbekwaamheid doet geboren worden, welke uit haren aard alleen voor het vervolg werkt; in het laatste is de curateele meer een maatregel om de krankzinnigheid — de ware oorzaak der onbekwaamheid — wettig te constateeren. Zij drukt op den curandus een wettelijk stempel van onbekwaamheid. Voortaan is hy in het oog der wet krankzinnig — zelfs in zyne heldere oogenblikken. Maar omdat deze cnrateele alleen wordt verleend wegens reeds bestaande krankzinnigheid, die lang genoeg geduurd heeft om haar als behoorlijk bewezen aan te nemen (art. 4S7), is er reeds vóór de curateele een tijdperk, waarin dezelfde toestand aanwezig was, en waarover zich dus de onbekwaamheid kan uitstrekken. Hetzelfde vindt men reeds in de Glossa op de 1. 1 C. de cur. fur.: „Fwiosus statim pont furorem, prodigns statim. post interdictionemy Is het bestaan van dien voorafgaanden toestand dus behoorlijk bewezen, dan kan ook de nietigheid van handelingen 1), gedurende dat tijdperk
465
1
^) Dit woord is hier in ruimen zin gebezigd en omvat derhalve ook uiterste wilsbeschikkingen. Zie Arr. H. 11. v. 2 Nov. 1894 en de daartoe betrekkelijke conclusie van den Adv.-Gen. Mr. Patijn, JF. n0. 6572.
Asser, Burgerl. Hecht. I. 3e druk. 30
gevolgen n r ii cukatebl i:,
verricht, worden uitgesproken, al moge men het bestaan der krankzinnigheid op het juiste oogenblik der handeling niet kunnen aan-toonen (art. 501). Betwist men echter, afgescheiden van art. 501, de geldigheid eener handeling, enkel op grond der krankzinnigheid, zonder dat van curateele sprake is, dan moet men het bewijs van het bestaan dier kwaal op het oogenblik der wilsverklaring leveren; met het bewijs van den algemeenen toestand kan men alsdan niet volstaan, want de handeling kan hebben plaats gehad op een helder oogenblik en dus volkomen geldig zijn. De nietigheid der handeling berust nu niet meer op de onbekwaamheid van den persoon (vgl. art. 135(5, 2°. B. W.), maar op het gemis aan wil (toestemming, vgl. art. 1356, 1°. B. W.); twee verschillende oorzaken van nietigheid, die echter in dit geval tamelyk verwant zijn.
De dood van den nog niet onder curateele gestelde krankzinnige is intusschen van groeten invloed op de nietigheid der handelingen. Is de curateele aangevraagd, maar nog niet uitgesproken, dan geldt de reeds genoemde regel van art. 501; is er nog geen verzoek ingediend , dan zijn de handelingen alleen vernietigbaar, als het bewijs dei-kwaal uit de bestreden handeling zelve voortvloeit. Slechts by uiterste wilsbeschikking is het onderzoek naar de geestvermogens onbepaald toegelaten (art. 502); het laatste in overeenstemming met den ruimeren zin van art. 942, bepalende dat men tot het maken of herroepen van eenen uitersten wil zijne verstandelijke vermogens moet bezitten.
Theoretisch laat het zich wellicht niet volkomen verdedigen, dat de al of niet geldigheid eener handeling afhangt van een later feit (curateele of dood). Elke handeling is bij het verrichten óf geldig cf zij is het niet. Intusschen worden de bepalingen van art. 501 en 502 (die ten deele tot het obligatierecht behooren) verklaard en gerechtvaardigd door het gevaar daarin gelegen, om bestaande toestanden lichtvaardig omver te werpen; ten aanzien van den dood, meende men verder — wellicht ten onrechte — dat het bewys der vroegere krankzinnigheid op een bepaald tijdstip thans moeielijker zou zyn; ook werd de bepaling van art. 502 B. W., voor zoover die derogeert aan de in art. 1356 nedergelegde rechtsbeginselen, door sommigen voorgesteld als straf voor de nalatigheid der erfgenamen, die geen curateele hadden verzocht (zie b. v. Makcadé, II, bl. 312; de Maleville, ad art. 504; Toulliek, II, nquot;. 1362), eene meening reeds daarom min juist, omdat de erfgenamen niet altijd degenen zij n, die de curateele hadden kunnen vragen; — door anderen werd de reden meer gezocht in eerbied voor de nagedachtenis van den overledene, en in het zedelijk belang, dat hij zelf kon hebben bij de nietigverklaring eener handeling, in tegenstelling met het stoffelijk belang, bij de erfgenamen alleen aan-
benoeming van den c u k a t o k, enz.
wezig (Acfiur en Eau , 1, 469). Zie meer hierover bij Opzoomeb , ad art. 502 B. W.) \').
Blijkens art. 32, lid 3 der Wet van 27 April 1884, Stbl. n0. 96, staat de meerderjarige, die ter zake van krankzinnigheid in een gesticht is geplaatst, voor de toepassing der artt. 501 en 502 B. W. gelijk met dengene, wiens curateele verzocht, of verleend is.
Benoeming van den curator en toezienden curator.
Zij geschiedt door den kantonrechter, met inachtneming van de bepalingen in den titel van voogdij voorgeschreven en zulks zoodra het vonnis van curateele in kracht van gewijsde is gegaan (art. 503, lid 1).
De bepalingen van het Wetb. v. Burg. Regtsv. (art. 345) zijn ten aanzien van het laatste toepasselijk; behalve het verstrijken van den termijn van beroep, zal een ijiet meer voor bestrijding vatbaar eindvonnis van den hoogeren rechter het tijdstip der benoeming aanwyzen. Neemt men met enkelen aan dat art. 496 B. W. eene gewone rechtsvordering op het oog heeft, dan gelden de bepalingen van art. 332 en v., en ingeval van verstek, die van art. 80 en v. Rv., zoodat in het laatste geval, volgens de nieuwe redactie van art. 81 Rv., verzet slechts ontvankelijk is binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis enz., aan den veroordeelde in persoon of na het plegen door den veroordeelde van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Men kan hier echter bij krankzinnigheid wel eens op ongerijmdheden stuiten; wat beteekent b. v. uitdrukkelijke of stilzwijgende berusting van eenen veroordeelde in het vonnis, waarbij hij verklaard wordt wegens krankzinnigheid onder curateele te worden gesteld? \'1) Is de patient werkelijk krankzinnig, dan is zijne erkentenis deswege zonder waarde en dus ook rechtens nietig (vgl. art. 500, lid 2 B. W., art. 81, lid 3, 334 Rv.)
Bij toewijzing der curateele op eigen verzoek is hoogere voorziening niet wel denkbaar.
De benoeming van eenen curator heeft het ophouden der bemoeie-
467
30*
1
) Dergelijke vreemdsoortige handeling heeft schrijver dezes (Mr. C. A.) in de praktijk eenmaal zien plaats hebben. De krankzinnige had iu eersten aanleg tegenspraak gedaan; de zaak werd contradictoir behandeld, doch na het vonnis van onder curateele-stelling werd daarin door den curandus uitdrukkelijk, bij exploit aan de wederpartij gedaan, berust.
468 toepasselijkheid van velé bepalingen van vouguij.
nissen van den provisioneelen bewindvoerder ten gevolge; deze legt rekening en verantwoording af aan den curator — en zoo hij zelf tot curator wordt benoemd, aan den toezienden curator (art. 503, lid 2).
De man wordt van rechtswege curator over zijne vrouw (art. 504).
Hier is dus geeue benoeming noodig; niettemin meenen enkelen, waaronder Prof. Opzoomer, ad art. 504 B. W., dat ook hier datieve curateele aanwezig is, hetwelk o. i. echter nóch met de woorden, nóch met de bedoeling der wet is overeen te brengen (vgl. Diephuis, bl. 564, en de aangehaalde schrijvers).
Dat ook hier een toeziende curator moet worden benoemd is o. i. niet twijfelachtig, al ontkenen sommigen een zwak bewijs voor het tegendeel o. a. aan hel arg. a contrario uit art. 505, of aan het voortduren der maritale macht. Zie ter bevestiging van onze opvatting, Opzoojiek, ad art. 504, Grekve, bl. 498; anders Diephuis, V, bl. 568.
De vrouw kan tot curatrice over haren man worden benoemd (art. 505).
In dat geval benoemt de kantonrechter, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, eenen toezienden curator en regelt tevens den vorm en de voorwaarden van het bestuur der vrouw; deze kan by de rechtbank in hooger beroep komen, zoo zy meent door de beschikkingen van den kantonrechter bezwaard te zyn (eod.).
Toepasselijkheid van velerlei bepalingen omtrent voogdij en minderjarigheid (art. 506, lid 3).
Als zoodanig noemt de wet: art. 386 tot en met 399; 424 tot en met 446; 449—472.
Men vergelijke deze artikelen met de wetsbepalingen in den titel van curateele, en zal gemakkelijk de reden vinden waarom sommige artikelen van voogdij wel, andere niet toepasselijk zyn verklaard; het kaatste heeft vooral plaats waar het toestanden geldt, die speciaal aan de voogdij eigen zyn, somtijds ook omdat een soortgelijk voorschrift reeds onder de bepalingen van curateele is opgenomen.
Onder de toepasselijke artikelen is art. 436, bepalende wie tot de voogdij onbevoegd zijn; onder deze vindt men: 3°. vrouwen, behalve de moeder. Mag men naar aanleiding hiervan de moeder bevoegd achten tot de curateele over hare kinderen, gelijk sommigen leereu? Wy kunnen dit niet toegeven. De voogdij der moeder is een zeer
VERPLEGING VAX KRANKZINNIGEN.
speciale voogdij, die liaar (behoudens het geval van art. 405 , laatste lid) van rechtswege toekomt; de artikelen 400 tot 408 zyn dan ook niet op curateele toepasselijk verklaard. Men mag bijgevolg niet spreken van eene moeder als wettelijke curatrice. Laat men haar nu als datieve curatrice toe, hetgeen zelfs zou kunnen plaats hebben by het leven van den vader, dan gaat men verder dan de wet in zake voogdij, en breekt derhalve juist met de bij de wet beoogde gelijkstelling. Men ziet hieruit dat er altijd eenig gevaar is gelegen in de toepasselykverklaring van artikelen, die voor andere toestanden geschreven zyn.
De redenen van verschooning (art. 433 en v.), die ter zake van curateele eveneens toepasselijk zijn, worden nog vermeerderd met de bepaling van art. 515 B. W., dat niemand, behalve echtgenooten en bloedverwanten in de rechte lyn, verplicht is eene curateele of toeziende curateele langer dan acht jaar te behouden.
Omtrent de inkomsten der onder curateele gestelden gelden eveneens de bepalingen van voogdy. Ten aanzien van den krankzinnige bepaalt de wet ten overvloede dat diens inkomsten moeten worden besteed om zijn lot te verzachten en zyne genezing te bevorderen (art. 508).
Voogdij over minderjarige kinderen van den onder curateele estelde.
Zij wordt uitgeoefend door den curator (art. 507).
De wet spreekt hier niet alleen van het geval dat de echtgenoot van den curandus overleden is — als wanneer er wettelijke voogdij bestaat —, maar ook dat de echtgenoot in de onmogelijkheid is om de voogdy (beter; het ouderlijk gezag) waar te nemen.
Zoodanig kind kan geen huwelijk aangaan, noch huwelyksche voorwaarden maken, dan met inachtneming van de voorschriften van de artikelen 95 en 206. Het heeft dus de toestemming of den bijstand der grootouders noodig; ontbreken deze, die van den curator en toezienden curator; by weigering te vervangen door het verlof van den kantonrechter (art. 514).
Verzorging en verpleging van krankzinnigen.
Dit onderwerp was vroeger deels in het Burgerlyk Wetboek, deels bij de wet van 1841 geregeld. Bij art. 509 B. W. was bepaald dat de wegens krankzinnigheid onder curateele gestelde op verzoek van den curator kon worden verpleegd, en wel naar omstandigheden in zijne woning, in een ziekenhuis of in een geneeskundig gesticht; terwijl ook voorloopige plaatsing van dengene, wiens curateele was aangevraagd na de ondervraging, bedoeld by art. 493, in het belang van den
469
VASTZETTING VAN VERKWISTERS.
curandus of van de openbare veiligheid kon worden toegestaan. Bij art. 510 was het geval van verlenging van verblijf, telkens voor den tijd van hoogstens één .jaar, geregeld. Art. 518, lid 2 betrof de verpleging van minderjarige krankzinnigen.
Bij art. 4b der meergenoemde wet van 27 April 1884, Stbl. nquot;. 96, zijn de artikelen 509, 510 en 518, lid 2 B. W. ingetrokken, daar alles wat op verpleging van krankzinnigen betrekking heeft, lietzy deze al of niet onder curateele staan, in die wet volledig is geregeld. Inderdaad behoort dan ook dit onderwerp niet in verband te worden gebracht met het burgerlijk recht, maar uitsluitend met den toestand van krankzinnigheid van den lijder.
Het zij voor het doel dezer handleiding toereikend te verwijzen naar de artt. 12—21 der wet van 1884, betretfende de voorloopige opname van krankzinnigen in de daartoe bestemde gestichten; naar de artt. 22 en 23 dier wet, regelende het verblijf van den krankzinnige in het gesticht gedurende ten hoogste één jaar, en art. 24 betreffende de verlenging van verblijf\', telkens gedurende hoogstens één jaar. De artt. 27—31 betreffen het verlof om tijdelijk het gesticht te verlaten en het ontslag daaruit. De kennisneming der voormelde wetsbepalingen zal doen zien dat men op nauwgezette wijze met het belang van de verpleegden eenerzijds, met dat der maatschappij anderzijds is te rade gegaan.
Vastzetting van verkwisters (art. 511—513).
Deze kan in het belang van den curandus of in dat der openbare zedelijkheid worden bevolen, tegelijk met, of ua het vonnis tot onder curateele-stelling, voor den tijd van hoogstens één jaar, zoo noodig telkens te verlengen; zij geschiedt in een verbeterhuis.
Bij onverwijlde noodzakelijkheid, en als vertraging tot den afloop van het rechterlijk onderzoek gevaarlijk zou kunnen zijn, is de rechtbank bevoegd om, hangende liet onderzoek , voorloopige behoedmiddelen, des noods vastzetting te bevelen (art. 511).
Het verzoek kan worden gedaan door den echtgenoot, de bloedverwanten in de rechte linie, en die in de zijdlinie tot in den derden graad, voorts door den curator en het openbaar ministerie, dat steeds gehoord wordt op zoodanig, door anderen ingediend verzoek. Zij hebben allen recht van hooger beroep (art. 512).
Het verzoek tot vastzetting of verlenging wordt beteekend aan hem, tegen wien het is gericht. Deze kan zijne bezwaren daartegen inbrengen, en ook in hooger beroep komen: de rechtbank evenwel kan hare beschikking bij voorraad uitvoerbaar verklaren.
470
einde i) e k c u ii a ï e e l e. 471
De opheffing der vastzetting kan door den curandus worden gevraagd ; zij wordt slechts verleend na verhoor van allen, die de vastzetting zouden hebben kunnen verzoeken. Ook de beschikking op dit laatste verzoek is aan hooger beroep onderworpen (art. 51-3).
De vastzetting van verkwisters was by het Fransche recht niet bekend. De bepalingen van het B. W. dienaangaande zyn ontleend aan het besluit van den Sonvereinen Vorst van 12 Februari 1814, Stbl. nquot;. 25. De maatregel moet strekken om den verkwister voor ongelukken of misdrijven te behoeden en hem tot nadenken en berouw aan te sporen (zie Asser, Verg. § 303).
In het Ontwerp van 1886 komt de vastzetting van verkwisters niet meer voor. Men achtte dien maatregel in strijd met de eischen der persoonlijke vrijheid en het zuiver financiëel karakter dezer onder curateelestelling (zie bl. 260 der Mem. v. ïoel.).
E. Einde der curateele.
Evenals bij voogdg zou men kunnen spreken van een absoluut en relatief eindigen der curateele, d. i. in den persoon van den onder curateele gestelde of van diens curator. In het algemeen is alles wat dienaangaande omtrent voogdij is gezegd ook hier toepasselijk, altijd echter voor zooveel het onderwerp dit toelaat — want b. v. meerderjarigheid doet de voogdij eindigen, en opent integendeel de mogelijkheid voor curateele, indien de overige vereischten aanwezig zyn.
a. in den persoon van den ouder curateele gestelde, door diens dood of door opheffing, wegens het ophouden der oorzaak (art. 516);
Slechts het laatste verdient afzonderlijke regeling. De curateele wordt opgeheven bij rechterlijk vonnis, met inachtneming van de formaliteiten, welke noodig waren om de curateele te doen uitspreken. De aanvrage geschiedt — ofschoon de wet het niet zegt — door den onder curateele gestelde; maar ook den curator, als diens wettelyke vertegenwoordiger, zal men bezwaarlyk dezelfde bevoegdheid kunnen ontzeggen. Of de overige personen, die de curateele konden aanvragen, het verzoek tot opheffing mogen doen is minstens twyfelachtig. Vgl. Opzoomer, II, bl. 509, die alleen aan den curandus, Diepifuis, V, bl. 579 , die aan alle overigen dit recht toekent.
EINDE DEK C U R A T E F. L E.
Alleen de rechtbank van de woonplaats des curators is de bevoegde; verhoor van bloedverwanten en aangehuwden en van den curandus heeft plaats; de rechter zal ook wel niet verzuimen den curator en toezieuden curator te hooren, al is dit niet voorgeschreven. De verzoeker zal evenwel zijne rechten niet kunnen uitoefenen voor dat het vonnis tot opheffing kracht van gewijsde zal hebben verkregen (art. 516), waaruit blijkt dat ook hier hoogere voorziening is toegelaten.
Ten aanzien van verkwisters moet men het ophouden der oorzaak niet te letterlijk opvatten. Hij, die deswege onder curateele staat, mist de gelegenheid om groote uitgaven te doen, en dus ook om de verkwisting te doen ophouden. Men zal hier moeten letten op zijne levenswijze en karakter, wellicht ook op het gebruik van het geld, dat hem feitelijk door den curator wordt verstrekt. Zie in verband met deze moeielijkheid Mr. C. M. J. Willeumier , Themis 1881, bl. 186 en v., die het wenschelijk zou achten, dat in de wet werd bepaald dat de curateele wegens verkwisting steeds voor een door den rechter te bepalen tyd werd verleend. Het Ontwerp 1886 bepaalt in art. 494 dat deze curateele kan worden opgeheven, „wanneer de rechter van oordeel is, dat de onder curateele gestelde in het beheer zijner zaken kan worden hersteld.quot;
De opheffing der curateele moet worden bekend gemaakt op gelijke wijze als de onder curateele-stelling (art. 517).
h. in den persoon van den curator (art. 506, lid 3, 515).
Nevens de algemeene redenen, reeds bij voogdy aangegeven, die eveneens naar den aard van het onderwerp toepasselijk zijn, geldt het voorschrift van art. 515, dat niemand, uitgezonderd echtgenoot en en bloedverwanten in de rechte lyn, verplicht is eene curateele of toeziende curateele langer dan acht jaren te behouden (vgl. bl. 469 supra).
Omtrent rekening en verantwoording gelden de voorschriften van art. 467—472 B. W. (art. 506, lid 3).
§ 11-
JI I S D R IJ F.
De invloed, dien eene strafrechtelijke veroordeeling op iemands rechtsbevoegdheid heeft, is na de invoering van het Strafwetboek belangrijk gewijzigd.
47-2
BEFERK1NG ÜBR RECHTSBEVOEGDHEID NA VEROORDEELING TOT STRAF. 473
Onder de heerschappij van den Code Pénal kende men, behalve de ten onzent afgeschafte mort civile (zie bl. 105, 106 supra), de wettelijke interdictie (art. 29—31 C. P.), die plaats had ten aanzien van allen, die tot zware crimineele straffen waren veroordeeld. Deze toestand had ten gevolge dat de veroordeelde het beheer zijner goederen verloor, en dat een curator werd benoemd om die goederen te besturen, terwijl de veroordeelde gedurende de straf geenerlei geld, levensbehoefte of genot zijner inkomsten mocht hebben (art. 31 C. P.). Daarenboven deed eene crim neele veroordeeling velerlei bijzondere rechten verloren gaan (zie art. \'JS C. P.j; terwijl verder veroordeeling wegens wanbedrijf in zekere gevallen het verlies van bepaalde rechten ten gevolge kon hebben (art. 9, 2°. j0. art. 42 C. P., gewyzigd door art. 8 der wet van 29 Juni 1854, Stbl. n0. 102).
Van al deze bepalingen is nog slechts ééne in stand gebleven, nl. de uitsluiting uit de voogdij van hen, die vóór de invoering van het Strafwetboek tot eene onteerende straf zyn veroordeeld (art. 437, 1°. B. W., vgl. hl. 393 supra), bij art. 506, lid 3 ook toepasselyk verklaard op curateele. Deze bepaling is dus nog slechts van beperkte en tijdelijke toepassing.
Voor het tegenwoordige recht komt in de eerste plaats in aanmerking de
Ontzetting cloor den strafrechter uit de volgende rechten:
1°. het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten;
•2°. het dienen bij de gewapende macht;
3^\'. liet kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voor-schrift uitgeschreven verkiezingen;
4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder en het zijn van voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen clan eigen kinderen;
5°. de vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderen;
6quot;. de uitoefening van bepaalde beroepen (art. 28 W. v. Strafr.).
De artt. 29 en 30 W. v. Strafrecht noemen de gevallen, waarin hoofdzakelijk dergelijke ontzetting kan worden uitgesproken; art. 31 bepaalt den duur dier ontzetting.
Daarenboven hebben sommige strafrechterlijke veroordeelingen bijzondere rechtsgevolgen of doen bepaalde rechten verloren gaan. Hier is het niet de strafrechter, die deze gevolgen regelt, maar de wet zelve, die op meer dan ééne plaats zoodanige gevolgen aan de ver-
VEKLTKS TAN \'JEl\'AAI.UE RECHTEN NA MISDRUK, ENZ.
oordeeling, soms zelfs reeds aan de vervolging verbindt. Als zoodanig noemen wij:
1°. de bevoegdheid van den echtgenoot tot het vragen van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, na veroordeeling van den anderen echtgenoot wegens overspel (zie de opmerking deswege op bl. 292, noot 1 en bl. 296 supra), of tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken (art. 264, 3°., 2S8 B. W., art. 2 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93):
2°. beperking in de bevoegdheid tot het afleggen van getuigenis der waarheid, na veroordeeling wegens meineed of andere in de wet genoemde misdrijven (art. 1950, 4°. 15. W., gewijzigd bij art. 14 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 9-3, art. 165, 239, 253, 396 Sv.);
De getuigen zijn hier niet volstrekt onbevoegd, maar in burgerlijke zaken wraakbaar, terwijl zij in strafgedingen op vordering van den officier of op verzoek van den beklaagde niet anders dan bniten eede gehoord worden.
3°. gelijke beperking ten aanzien van deskundigen (art. 225 E,v., 176 j°. 165 Sv.):
Zie de bijzondere bepaling bij art. 225 Rv. ten aanzien der door partijen aangewezen deskundigen gemaakt.
4°. onwaardigheid om erfgenaam te zijn ingeval van sommige mis-drijven jegens den overledene of ten aanzien van diens uitersten wil gepleegd (art. 885 B. W., gewijzigd bij art. 10 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93 voornoemd; verg. ten aanzien van het recht om uit een uitersten wil eenig voordeel te genieten, art. 959 B. W.);
5°. herroepelijkheid van schenkingen, indien de begiftigde zich aan eenig misdrijf jegens den schenker heeft schuldig of medeplichtig gemaakt (art. 1725, 2°. 15. W.);
6°. verlies der bevoegdheid tot rehabilitatie, indien de gefailleerde veroordeeld is ter zake van bankbreuk, of van een der in de artt. 342, 343 en 346 W. v. Strafrecht omschreven misdrijven, van diefstal, afpersing, oplichting of verduistering van in bewaring gegeven goed (art. 893 W. v. K., gewijzigd bij art. 3 der wet van 26 April 1884, Stbl. nquot;. 95);
7°. niet-toelating tot het voorrecht van boedelafstand van hen, die als bankbreukigeu of ter zake van een der in de artt. 342, 343 en 346 W. v. Strafrecht omschreven misdrijven veroordeeld zijn
474
VERLIES VAN BEPAALDE RECHTEN NA MISDRIJF, ENZ.
(art. 710, \'2°. Rv., gewijzigd bij art. 7 der wet van 36 April 1884, Stbl. n°. 94).
Bij de in werking treding van de nieuwe wet op het faillissement enz. zullen de beide laatste nommers vervallen, in verband met het gewy-zigde begrip daarbij aan de rehabilitatie gehecht en het vervallen van den gereclitelijkeis boedelafstand (zie art. 206—212 der wet van 30 Sept. 1893, Stbl. n0. 140, en art. 2 van het ontwerp der wet houdende bepalingen omtrent het in werking treden van voormelde wet).
8°. toelating van lijfsdwang voor vergoeding van kosten, schaden en interessen, de som van f 150 te boven gaande, waartoe iemand ter zake van een strafbaar feit jegens den benadeelde is veroordeeld.
Afgescheiden van het bovenstaande, doen sommige onrechtmatige daden of laakbare handelingen bepaalde rechten of voorrechten te niet gaan.
Het zij hier toereikend nogmaals te wijzen op:
art. 1725, 3°., dat herroeping van eene schenking toelaat, indien de begiftigde weigert den behoeftig geworden schenker levensonderhoud te verschaffen;
art. 893 W. v. K., dat de rehabilitatie weigert van gefailleerden, die schuldig zijn verklaard aan stellionaat (zie art. 711 Kv.);
art. 710, 3°. en 4°. Rv., dat het voorrecht van boedelafstand ontzegt aan voogden en andere rekenplichtigen, die in hunne verantwoording te kort komen, en aan hen, die schuldig zijn aan stellionaat ten nadeele van een der zich verzettende schuldeischers.
De beide laatste bepalingen zullen eveneens bij de invoering der wet op bet faillissement vervallen.
Daar de bepaling van stellionaat wegens het daaruit voortvloeiende gestrenge rechtsgevolg van lijfsdwang moest behouden blijven is in voormeld ontwerp (art. 5) voorgesteld haar naar art. 585, eerste lid nquot;. 1 Rv. over te brengen.
art. 585, 8°. Rv., dat lijfsdwang toelaat, voor vergoeding van kosten, schaden én interessen, de som van f 150 te boven gaande, waartoe iemand jegens den benadeelde ter zake van eene onrechtmatige daad is veroordeeld.
Verder zij nog vermeld:
art. 808, lid 2 W. v. K., dat alimentatie weigert ten aanzien van gefailleerden, tegen welke eene vervolging ter zake van bankbreuk
475
476 bepeuking der rechtsbevoegdheid dook geldelijk onvermogen.
plaats heeft. Ook deze bepaling wordt niet aangetroffen in de nieuwe wet op het faillissement (zie art. 100).
Zie nog in verband hiermede de redenen die, onafhankelijk van eene veroordeeling door den strafrechter, tot echtscheiding kunnen leiden (art. 264, 1°., 2°., 4°. B. W.), tot scheiding van tafel en bed (art. 288 B. W.), of tot uitsluiting uit de voogdij enz. (art. 437, 2°., 3°., 4°., 506, 3°. B. W.).
§ 12.
geldel uk. onve 11 mogen.
Faillissement; staat van kennelijk onvermogen.
(reldelijk onvermogen kan zoowel voor den koopman als voor dengene, die niet tot den handelsstand behoort, leiden tot eenen toestand, waarin hem de beschikking en het beheer over zijne goederen wordt ontnomen, ten einde die, onder beheer van een of meer curatoren, volgens de regelen der wet te doen strekken ten bate van de gezamenlijke schuldeischers.
De regeling vindt men ten aanzien van faillissement bij art. 764—899 W. v. K.; en ten aanzien van den staat van kennelijk onvermogen, bij art. 882—899 W. v. B. Kv.
De nadere bijzonderheden behooren niet hier ter -plaatse. Genoeg zij het er op te wijzen, dat de gefailleerde of onvermogend verklaarde de rechten, die hem niet uitdrukkelijk door de wet ontnomen worden, blijft behouden. Zoo blijft hij in de eerste plaats in het genot zijner familierechten; van vooydij en curateele evenwel is hij uitgesloten en kan als zoodanig daarvan worden ontzet (art. 437, 5°., 506, lid 3 B. W.). Ook als bewindvoerder van een vruchtgebruik en uitvoerder van eene uiterste wilsbeschikking enz. is hy afzetbaar (art. 838, 1069 B. W.). Ten aanzien van het vermogensrecht is de gefailleerde of onvermogend verklaarde in het algemeen niet onbevoegd verklaard (vgl. art. 1366 B. W.), maar hoofdzakelijk uitgesloten van het beheer van en de beschikking over zijn vermogen, hetwelk in handen komt van den curator, ouder toezicht vau eenen rechter-commissaris (art. 770 W. v. K., 888 Rv.). Door hem gesloten overeenkomsten zijn op zich zelf niet ongeldig, maar in hare gevolgen beperkt. Zoodanige overeenkomsten toch kunnen niet strekken ten nadeele van den faillieten of insolventen boedel, door den gefailleerde of onvermogende behaalde voordeden daarentegen, en hetgeen hem door erfenis, legaat of schenking ten deel valt, komt ter beschikking van den curator (vgl. v. Hall, bl. 109).
AFWEZIGHEID. 477
Met groote volledigheid zyn de gevolgen der faillietverklaring geregeld in de artt. 20—63 der wet van 30 Sept. 1893, Stbl. nquot;. 140, op het faillissement en de surséance van betaling. Daarbij zijn een aantal strijdvragen omtrent de bevoegdheid van den failliet, en de gevolgen van door hem vóór of tijdens het faillissement aangegane verbintenissen enz. voor goed beslist en groote moeielijkheden uit den weg geruimd. Daar volgens die wet ook niet-kooplieden zullen kunnen worden failliet verklaard, zal de staat van kennelijk onvermogen voortaan vervallen (zie de intrekking van den 7en titel van het 3e boek van he- W. v. B. Ev. voorgesteld in art. 2 van het ontwerp der invoeringswet).
Maatschap en lastgeving nemen door dezen rechtstoestand een einde (art. 1683, 4°., 1850, lid 4 B. W.).
Surséance van betaling.
Ook deze komt hier in aanmerking, in zoover als den koopman, die tot dit voorrecht wenscht toegelaten te worden, krachtens art. 905 W. v. K. twee of meer personen, bij voorkeur schuldeischers, als bewindvoerders worden toegevoegd, ten einde met en benevens hem het beheer te voeren.
Zoodra die benoeming is aangekondigd (art. 908 W. v. K.) is de schuldenaar onbevoegd om zonder hunne medewerking, machtiging of bijstand , zijne goederen te vervreemden, te verpanden of te bezwaren, gelden te ontvangen of te betalen, of eenige daden van beheer uit te oefenen (art. 916 W. v. K.).
Zie de gewijzigde regeling der surséance van betaling in meergemelde wet van 30 Sept. 1893 (Stbl. n0. 140) art. 213—239.
§ 13.
AFWEZIGHEID.
Afwezigheid kan \'s rechters tusschenkomst noodig maken, ten einde tijdelyk worde voorzien in de belangen van hem, die zijne woonplaats heeft verlaten, zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld. Zoodanige afwezigheid kan al of niet gepaard gaan met onzekerheid omtrent iemands bestaan. Die onzekerheid maakt na de noodige formaliteiten plaats voor het vermoeden van overlijden. Het maat-schappelijk belang eischt verder dat ook dit vermoeden overga in een aan zekerheid grenzenden toestand, opdat erfgenamen en andere belang-
a f w e z i g h e i d.
hebbenden, die tot mi toe nog slechts met vele beperkingen in het genot van den boedel verkeerden, voor goed hunne rechten kunnen uitoefenen; waarbij intusschen de mogelijkheid van leven of terugkeer van den afwezige niet geheel uit het oog wordt verloren. Waarschijn-ly kheid van overlijden kan wijders aan den achtergebleven echtgenoot de bevoegdheid geven om, na de noodige formaliteiten, met \'s rechters vergunning een nieuw huwelijk aan te gaan. Afwezigheid, het/ij met of zonder vermoeden van overlijden, kan ook voorziening in het belang van minderjarige kinderen noodig maken. Een en ander vormt den inhoud van den 19™ titel van het lc boek van het Burgerlijk Wetboek Terwijl het Romeinsche recht slechts enkele, in het geheele corpus juris verspreide, voorschriften dienaangaande bevatte, en het Oud-Hollandsch recht den boedel van eenen afwezige onder curateele stelde en dien na langer of korter tijd onder de erfgenamen liet ver-deelen, titulo fiduciario en onder borgtocht (zie Voet, ad Pand., I: 10, 2, n0. 18—20), handelde de Code Nap. meer uitvoerig over de afwezigen, waartoe de toestand in Frankrijk gereede aanleiding gaf. Ten gevolge van de revolutie toch hadden velen het land verlaten, zonder voor de regeling hunner zaken te zorgen; anderen waren door de vele oorlogen gedwongen het leger in den vreemde te volgen en dikwijls was het onmogelijk omtrent hun aanwezen zekerheid te bekomen.
De Code Nap. achtte het. evenwel slechts noodig voor hen te waken, wier bestaan onzeker is (les presumes absents, art. 112 en v.), omdat zij alleen in de onmogelykheid verkeeren zelf hunne zaken waar te nemen. Bij enkele afwezigheid daarentegen, zonder eenige onzekerheid omtrent het leven, behoort men zelf voor zijne belangen te zorgen, jura vigilantibus scripta De presumes absents konden na zekeren tijd afwezig worden verklaard [declares ahsenis), als wanneer er ten aanzien van hun vermogen toestanden werden geboren, die met onze wetsbepalingen, betreffende het vermoedelijk overlijden, kunnen worden vergeleken (art. 120 en v., 129 en v. C. N.). De vergunning voor den achtergebleven echtgenoot om een nieuw huwelijk aan te gaan is vreemd aan het Fransche recht (vgl. bl. 280, supra).
Het Wetb. N. v. Holl. wijdde slechts eenige artikelen aan dit onderwerp; nam alleen dan \'s rechters tusschenkomst aan, indien iemand, zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld, zijne woonplaats had verlaten, in welk geval een curator werd benoemd over den boedel (art. 32); bij gemis aan tijding omtrent dood of leven gedurende 20 jaren, werd de afwezige vermoed overleden te zijn en konden de erfgenamen zijne nalatenschap in bezit nemen (art. 34 en v.).
Het Ontw. 1820 (art. 766 en vlg.) is meer uitvoerig en verstaat
478
t ij d p e k k e n d e li afwezigheid.
onder afwezigen hen, wier overlijden niet bekend is, doch die zich niet bevinden in hunne woonplaats of gewone verblijfplaats en geene gemachtigden nebben nagelaten. Hun boedel kan onder curateele worden gesteld, met eenen curator als beheerder, en tien jaren daarna kan de rechtbank verklaren dat met de goederen van den afwezige voorloopig zal worden gehandeld als in geval van overlijden (art. 774).
Het Wetboek van 183Ü (art. 568 en vlg.) volgt in hoofdzaak den C. Nap. en noemt afwezig hen, wier bestaan onzeker is.
Het Burgerlijk Wetboek gaat derhalve verder. jSTiet slechts ten behoeve van laatstgemelde personen, maar van ieder, die zijne woonplaats heeft verlaten, kan de rechter bijzondere maatregelen voorschrijven , indien de belangen van den afwezige zulks noodig maken (zie Voordüin, I, bl. 396, Til, bl. 204; Opzoomeh, ad art. 519; Diephuis , V, bl. 592 en v.). En zoo beantwoordt de uitdrukking afwezigheid ten onzent meer aan de natuurlijke beteekenis van dat woord, dan dit in de vroeger vermelde wetboeken het geval was.
A. Invloed van afwezigheid op vermogensrechtelijke betrekkingen.
Alen onderscheidt hier drie tijdperken;
dat der voorloopige voorzieningen ;
dat van vermoedelijk overlijden;
dat der definitieve erfopvolging.
i. tijdperk dek voorloopige v o o r z t e x i n g e x.
Afwezig, in den zin der wet, is hij, die zijne woonplaats heeft verlaten en niet of niet behoorlijk in de waarneming zijner belangen heeft voorzien (art. 519).
In zooverre staat dit onderwerp in eenig verband met den titel van domicilie en wordt het in den Code daarna behandeld. Ten onzent liet men den titel van afwezigheid liever volgen op dien van voogdij en curateele, waarmede, althans in het tijdperk der voorloopige voorzieningen, eenige overeenkomst bestaat ; ook worden vele bepalingen van dien titel beter begrepen, als men de bepalingen van huwelijk, gemeenschap van goederen, voogdij enz. eerst heeft gelezen (zie Asser, Verg. § 306).
Bemoeiing der rechtbank van de woonplaats des afwezigen, doch alleen indien:
1°. de afwezige geene volmacht heeft achtergelaten of de gegeven volmacht is vervallen;
479
tijdperk der voob.loopige voorzieningen.
Men stelle hiermede gelijk dat de aelitergelaten volmacht, blijkens haren inhoud, in de gegeven omstandigheden niet toereikend is.
2°. er noodzakelijklieid bestaat om in zijne belangen geheel of gedeeltelijk te voorzien (art. 519).
Dit laatste is geheel ter beoordeeling van den rechter. Onbekendheid met het verbly f van den afwezige is geen vereischte voor de rechterlijke voorziening; ook zonder zoodanige onbekendheid kan het noodig zijn dat de belangen des afwezigen worden vertegenwoordigd (zie Lkon , supplquot;. 1 en 3 Rombach, ad art. 519 B. W., aant. 6).
De maatregel strekt wijders alleen ter voorziening in des afwezigen eifjen belangen. Waren hem andere belangen b. v. als voogd of curator toevertrouwd, dan wordt hierin op andere wijze voorzien (zie art. 180, 355, 431, 506, 3e lid, 552, 553, 554 B. W.). Zie echter, ten aanzien van het beheer der huwelijksgemeenschap, Lkon, uitg. Asser, ad art. 519 B. W., aant. 1; vgl. verder Mr. P. W. Scholten, Themis, XXXIY, bl. 513 en v.).
Benoeming van een bewindvoerder door de rechtbank, op verzoek van belanghebbenden of op requisitoir van liet openbaar ministerie (art. 519).
Onder belanghebbenden versta men hen, , die een stoffelijk belang hebben, hetzij rechtstreeks, hetzij meer verwijderd. Tot de eersten behooren de achtergebleven echtgenoot, de schuldeischers, de mede-vennooten; tot de laatsten de vermoedelijke erfgenamen; de kinderen kan men onder beide categoriën rangschikken. Vgl. Diephuis, V, bl. 601, 602; Opzoomer, ad art. 519; Laurent, 11, bl. 175; anders de Pinto, § 317, die op het voetspoor van de oudere Fransche schry vers een dadelijk belang eischt, en de vermoedelijke erfgenamen uitsluit.
In de keuze van den bewindvoerder is de rechtbank geheel vrij; anders volgens art. 113 C. Nap. en art. 569 Wetb. v. 1830, waal-voor zekere verrichtingen als boedelbeschrijving enz. de benoeming van een notaris werd vereischt.
Dat de bepalingen van afwezigheid geen inbreuk maken op de wetsvoorschriften voor het geval van faillissement of kennelijk onvermogen, zou zelfs zonder de uitdrukkelijke herinnering van art. 519, 2C lid, rechtens zijn. Beide laatste toestanden zullen echter in den regel de toepassing van art. 519 overbodig maken.
Doel dier benoeming:
Zij strekt om de belangen van den afwezige geheel of gedeeltelijk waar te nemen en hein dientengevolge te vertegenwoordigen (art. 519).
480
VERPUCHHNGEN VAN DEN BEWINUVOERLlEIl.
De rechtbank bepaalt voor elk bijzonder geval, ook naar aanleiding van de meerdere of mindere volledigheid of het geheel ontbreken der volmacht, hoever de macht van den bewindvoerder zal reiken.
Yerplichtingen van den bewindvoerder:
Men houde in het oog, dat beperking van den Jast des bewindvoerders ook beperking van diens verplichtingen kan ten gevolge hebben.
a. opmaken van eene beschrijviug van de liem toevertrouwde goederen (art. 520);
Het is aan den bewindvoerder overgelaten of er al of niet verzegeling zal plaats hebben; ook in den vorm der inventarisatie is hij vrij; terwijl geene tegenwoordigheid van belanghebbenden of van het O. M. wordt gevorderd (zie Voorduin, III, bl. 214).
Omtrent de noodzakelijkheid van nederlegging van den onderhand-schen inventaris ter griffie van het kantongerecht bestaat verschil van meening. Zie Diephuis, V, bl. 604, bevestigend; Opzoomer, ad art. 520, ontkennend.
h. storten van de gereede en later te innen gelden in de consignatiekas, tenzij de rechtbank anders bepale (art. 520);
De ontvangers der registratie van de gerechtelijke akten in de hoofdplaatsen der arrondissementen zijn belast met de ontvangsten en uitbetalingen voor de kas der gerechtelijke consignatiën.
c. zicli in het algemeen gedragen naar de bepalingen, omtrent liet beheer der goederen van minderjarigen voorgeschreven, voor zoover die op zijn beheer van toepassing kunnen zijn, tenzij ook hier de reclitbauk anders bepale (art. 520);
Zoo zullen vele bepalingen van de elfde afdeeling van den titel van voogdij hier toepasselijk zijn. Niet echter b. v. art. 449, daar de
verplichting tot consignatie, sub b vermeld, andere belegging van gereede penningen uitsluit.
d. jaarlijks summiere rekening en verantwoording doen aan liet openbaar ministerie (art. 521).
Zij geschiedt op ongezegeld papier, zonder gerechtelijken vorm en gaat gepaard met vertooning van effecten en bescheiden, tot het beheer behoorende. Het openbaar ministerie kan daarop zoodanige voordracht aan de rechtbank doen als het belang van den afwezige medebrengt
Asseb, Burgerl, Recht. E. 3c druk. 31
481
einde der b e w t x d v o e r ] n g.
(lid 1) — blij kbaar dus zelfs vervanging van den bewindvoerder requireeren. Goedkeuring der rekening brengt geen nadeel toe aan het recht, dat de afwezige of andere belanghebbenden mochten kunnen doen gelden (art. 521. lid 2). Zie bl. 419 supra, waar omtrent de summiere rekening aau den toezienden voogd hetzelfde beginsel geldt.
Men vergelijke art. 114 C. Nap. en art. 571 Wetb. v. 1830 omtrent den plicht van het O. M. om in het algemeen de belangen der afwezigen te beschermen. Vgl. Laurent, II, bl. 177. Zie ook art. 324, nquot;. 6 Rv., voorschrijvende dat het O. M. gehoord wordt in alle gedingen, afwezigen betrefFende.
Loon van den bewindvoerder; bij liet doen der jaarlijksche rekening is hij bevoegd 2 lj2 ten honderd der ontvangsten en 1 % ten honderd der uitgaven voor zich in rekening te brengen (art. 522).
Geheel anders dan by voogdij en curateele is niemand tot de aanvaarding van de bewindvoering van artikel 519 verplicht. De wet echter heeft die aanvaarding door eene loonsbepaling aangemoedigd. Dit loon zal in den regel echter vrij onbelangrijk zijn, ten minste als men met vele schrijvers de bepaling in beperkten zin uitlegt en alleen de percenten berekent over de eigenlijke inkomsten en uitgaven, met uitsluiting van de in den boedel gevonden gereede penningen of de opbrengst van verkochte goederen, afgeloste kapitalen enz., die in eene kasrekening eveneens als ontvangsten en uitgaven voorkomen. Zie nader hieromtrent in verschillenden zin; Diephdis, V, bl. 608; Opzoomer , II, bl. 536, en de door deze en bij Léon , uitg. Assek en supplquot;. Rombach ad art. 522 B. W., aangehaalde schrijvers en rechtspraak. Vgl. art. 380 W. N. v. Holl.; art. 863 W. v. K.
Einde van de bewiudvoering.
1°. door de terugkomst van den afwezige;
Hiermede stelle men gelijk liet geval, dat de afwezige behoorlijk in de waarneming zijner belangen voorziet, en dus rechtens aanwezig is.
2°. door diens dood;
3\'j. door de verklaring van diens vermoedelijk overlijden.
In het eerste geval geschiedt de rekening en verantwoording van den bewindvoerder aan den teruggekeerden afwezige of aan diens gemachtigde, in de beide laatste gevallen aan zijne erfgenamen of vermoedelijke erfgenamen (art. 528 B. W.).
In het tijdvak der voorloopige voorzieningen heeft de wettelijke
482
T IJ 1) P E R K VAN V E E M O E D E L ÏJ K O V E R I, T.T ü E N. 483
regeling voornamelijk de belangen van den afwezige ten doel. De meerdere waarschijnlijkheid van diens overlijden doet de belangen van de vermoedelijke erfgenamen op den voorgrond treden, zoodat er na de verklaring van vermoedelijk overlijden geen aanleiding meer bestaat om het bestuur van den bewindvoerder te bestendigen. Voortaan zijn het de belanghebbenden zelf, die hunne rechten uitoefenen, behoudens de noodige waarborgen ten bate van den afwezige, die wellicht nog in leven is.
Men boude hierbij in het oog dat de voorloopige voorzieningen aan de verklaringen van vermoedelijk overlijden niet behoeven vooraf te gaan; tot welke verkeerde gevolgtrekking men gemakkelijk, tengevolge van de onderscheiding in drie tijdperken, zou geraken. De voorloopige voorzieningen toch zijn dikwijls overbodig, hetzij omdat de afwezige zelf voor de waarneming zijner belangen heeft gezorgd, of doordien er, b. v. wegens gemis aan vermogen, geene noodzakelijkheid tot voorziening bestaat.
II. T1JDPE 11 K- VA N VBKM OED ELIJK OVEKLI.TDEN.
De verklaring van vermoedelijk overlijden kan geschieden ingeval van:
a. afwezigheid van vijf jaren, indien de afwezige geene volmacht tot liet waarnemen zijner zaken heeft achtergelaten, of orde op het beheer gesteld (art. 523);
b. afwezigheid van tien jaren, indien de afwezige wel eene volmacht lieeft gegeven of orde op het beheer gesteld, al ware het dat de gegeven volmacht of gestelde orde vroeger mocht zijn geëindigd (art. 526);
Deze termynen vangen aan van het vertrek, indien er geene tijding van den afwezige is ingekomen; of anders van de laatste tijding, waaruit van zijn leven blykt. Het is geen vereischte dat de laatste tijding van den afwezige zelf afkomstig zij; voorts lette men riet op het tijdstip, waarop die tijding ontvangen is, maar op dat, waarop blijkens die tijding, de afwezige nog in leven was. Zie omtrent een en ander met verschillende wijzigingen: Opzoomer, ad art. 523; Diephüis, V, bl. 630 en v.
De schrijvers verdiepen zich, naar aanleiding van art. 526, nog in velerlei hoogst casnïstische beschouwingen omtrent de gevolgen eener volmacht, in omvang of in tijd beperkt, of wel bestemd voor langer dan tien jaren. Zie ook Voorduin, III, bl. 226; Laurent, II bl. 197; Demolombe , II, bl. 66.
31*
4-84 procedure tot vermoedelijk overleden verklaring.
c. afwezigheid vau drie jaren, wanneer de afwezige blijkt behoord te hebben tot de bemanning of passagiers van een schip, waarvan gedurende dien tijd geene berichten zijn ingekomen (art. 1 der wet van 9 Juli 1855 , Stbl. n0. 67);
Deze termijn vangt aan met de laatste tijding van het schip, en, zoo er van geene tijding blijkt, met den dag van het in zee steken. Men vergelijke omtrent deze, voor een zeevarend volk zoo nuttige wet, bl. 28U en v. supra; Opm. en Med., IV, bl. 180 en vlg. en Mr. D. B. le Jolle, Be wet van 9 Juli 1855 enz.
d. afwezigheid van één jaar, wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis op \'s lands kusten, binnen-landsche zeeën of wateren, aan eenig vaartuig, aan een deel zijner bemanning of zijner passagiers overkomen (art. 2 derzelfde wet) \')•
Deze termijn vangt aan met het tijdstip, waarop de gebeurtenis geacht moet worden te hebben plaats gegrepen. Voor de gevallen sub c en d is het onverschillig of men al of niet volmacht hebbe achtergelaten; hier toch is het meer de vermissing dan wel de af-wezir/heid, waarop het rechtsvermoeden van overly den gegrond is
De verklaring aan te vragen door belanghebbenden (art 523, 536).
Anders dan in art. 519, is het openbaar ministerie ten deze niet bevoegd, wijl het belang der afwezigen niet meer op den voorgrond staat.
Procedure; Verzoekschrift aan de rechtbank van de woonplaats des afwezigen; verlof tot openbare dagvaarding op een termijn van drie maanden of zooveel langer als de rechtbank zal bepalen; bij niet-verschijning in rechte nog tweemaal te herhalen; uitspraak der rechtbank na verhoor van het O. M. en met bevoegdheid om eerst een getuigenverhoor te gelasten, de uitspraak nog vijf jaren uit te stellen, als ook nadere oproepingen te bevelen (art. 523—525). Vgl. bl. 281 supra.
De openbare dagvaardingen zijn ontleend aan het Oud-Holl. recht, waar zy, bekend onder den naam van edictale citatien, vroeger in zwang waren, en plaats hadden door die bij klokkeslag bekend te
\') Art. 516 Ontw. 1886 spreekt enkel van eene „noodlottige gebeurtenisquot;, zoodat daaronder ook ongevallen als brand, watersnood en dergelijke zijn begrepen; bij zoodanige rampen toch kan de dood van den vermiste even zeker worden vermoed als bij schipbreuk (zie de Mem. v. Toel. op gemeld artikel).
proceddllk tot vermoedelijk oveeleden verklaring. 485
maken van de pui der groote zaal van het hof en haar aan te plakken ad valvas curiae, terwijl de praktijk ook kennisgeving in de nieuwsbladen medebracht, üok nu is aankondiging in door de rechtbank aan te wijzen nieuwspapieren en aanplakking aan de hoofddeur der rechtbank en aan het huis der gemeente voorgeschreven (art. 523, lid 3).
Op de dagvaardingen kan de afwezige zelf, of iemand voor hem opkomen, die van zyn aanwezen doet blijken; in beide gevallen vervalt de procedure. Verschijnt er niemand, dan wordt verlof verleend tot eene tweede en derde oproeping. Üok daarna is de rechtbank niet verplicht het rechtsvermoeden van overlijden uit te spreken, maar moet letten op de omstandigheden, die tot de afwezigheid aanleiding hebben gegeven, op de oorzaken, die het ontvangen van tijdingen kunnen hebben verhinderd en op alle andere omstandigheden, tot de zaak betrekkelijk.
Naar aanleiding hiervan kunnen de nadere maatregelen van art. 525 worden bevolen.
Het vonnis van vermoedelijk overlijden moet tevens den dag aanwijzen , waarop dit overlijden geacht wordt te hebben plaats gegrepen, zijnde de dag na het verlaten der woonplaats, of na dien, waarop de laatste tyding van het leven betrekking had (art. 524); een voorschrift vooral strekkende ter beoordeeling van het vermoedelijk recht op de nalatenschap des afwezigen (zie Asser, Verg. § 311).
De openbaarmaking van het vonnis geschiedt door middel van de nieuwsbladen, waarin ook de oproepingen werden geplaatst (art. 527). Tegen verzuim, te dien aanzien door belanghebbenden gepleegd, is geen straf bedreigd; volgens art. 118 C. Nap. en art. 576 Wetb. v. 1830 moest het O. M. het vonnis aan den Minister van Justitie toezenden, die met de bekendmaking belast werd.
Inschrijving in de registers van den burgerlijken stand komt niet te pas; het geldt toch slechts een vermoeden van overlijden, dat elk oogenblik door het bewys van bestaan des afwezigen kan worden te niet gedaan.
Zie voorts nog eenige vragen, waartoe deze procedure aanleiding geeft als: te wiens laste de kosten komen ? of tegen den afwezige, bij niet-verschijning, verstek moet worden verleend ? of belanghebbenden van het vonnis in hooger beroep kunnen komen en op welke wijze? Diephüis, V, bl. 639, 642 en v.; Ofzoomer, 11, bl. 550, noot 2, 556, noot 3.
peoceuuke tot vermoedelijk overleden verklaring.
c. afwezigheid vau drift jaren, wanneer de afwezige blijkt behoord te hebben tot de bemanning of passagiers van een schip, waarvan gedurende dien tijd geene berichten zijn ingekomen (art. 1 der wet van 9 Juli 1855 , Stbl. n0. 67) ;
Deze termijn vangt aan met de laatste tijding van het schip, en, zoo er van geene tijding blijkt, met den dag van het in zee steken. Men vergelijke omtrent deze, voor een zeevarend volk zoo nuttige wet, bl. 28ü en v. supra; Opm. en Med., IV, bl. 180 en vlg. en Mr. D. B. le Jolle, De wet van 9 Juli 1855 enz.
d. afwezigheid van één jaar, wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis op \'s lands kusten, binnen-landsche zeeën of wateren, aan eenig vaartuig, aan een deel zijner bemanning of zijner passagiers overkomen (art. 2 derzelfde wet) \')•
Deze termijn vangt aan met bet tijdstip, waarop de gebeurtenis geacht moet worden te hebben plaats gegrepen. Voor de gevallen sub c en d is het onverschillig of men al of niet volmacht hebbe achtergelaten; hier toch is het meer de vermissing dan wel de af-icezir/heid, waarop het rechtsvermoeden van overly den gegrond is.
De verklaring aan te vragen door belanghebbenden (art 523, 526).
Anders dan in art. 519, is het openbaar ministerie ten deze niet bevoegd, wijl het belang der afwezigen niet meer op den voorgrond staat.
Procedure; Verzoekschrift aan de rechtbank van de woonplaats des afwezigen; verlof tot openbare dagvaarding op een termijn van drie maanden of zooveel langer ais de rechtbank zal bepalen; bij niet-verschijning in rechte nog tweemaal te herhalen; uitspraak der rechtbank na verhoor van het O. M. en met bevoegdheid om eerst een getuigenverhoor te gelasten, de uitspraak nog vijf jaren uit te stellen, als ook nadere oproepingen te bevelen (art. 523—525). Vgl. bl. 281 supra.
4-84
De openbare dagvaardingen zijn ontleend aan het Oud-Holl. recht, waar zij, bekend onder den naam van edictale citatien, vroeger in zwang waren, en plaats hadden door die bij klokkeslag bekend te
\') Art. 516 Ontw. 188G spreekt enkel van eene „noodlottige gebeurtenisquot;, zoodut daaronder ook ongevallen als brand, watersnood en dergelijke zijn begrepen; bij zoodanige rampen toch kan de dood van den vermiste even zeker worden vermoed als bij schipbreuk (zie de Mem. v. Toel. op gemeld artikel).
proceddbk tot vermoedelijk overleden1 verklaring 485
maken van de pui der groote zaal van het hof en haar aan te plakken ad vulvas curiae, terwijl de praktijk ook kennisgeving in de nieuwsbladen medebracht, üok nu is aankondiging in door de rechtbank aan te wijzen nieuwspapieren en aanplakking aan de hoofddeur der rechtbank en aan het huis der gemeente voorgeschreven (art. 523, !id 3).
Op de dagvaardingen kan de afwezige zelf, of iemand voor hem opkomen, die van zyn aanwezen doet blyken; in beide gevallen vervalt de procedure. Verschijnt er niemand, dan wordt verlof verleend tot eene tweede en derde oproeping. Üok daarna is de rechtbank niet verplicht het rechtsvermoeden van overlijden uit te spreken, maar moet letten op de omstandigheden, die tot de afwezigheid aanleiding hebben gegeven, op de oorzaken, die het ontvangen van tijdingen kunnen hebben verhinderd en op alle andere omstandigheden, tot de zaak betrekkelyk.
Naar aanleiding hiervan kunnen de nadere maatregelen van art. 525 worden bevolen.
Het vonnis van vermoedelijk overigden moet tevens den dag aanwijzen , waarop dit overlijden geacht wordt te hebben plaats gegrepen, zijnde de dag na het verlaten der woonplaats, of na dien, waarop de laatste tijding van het leven betrekking had (art. 524); een voorschrift vooral strekkende ter beoordeeling van het vermoedelijk recht op de nalatenschap des afwezigen (zie Asser, Verg. § 311).
De openbaarmaking van het vonnis geschiedt door middel van de nieuwsbladen, waarin ook de oproepingen werden geplaatst (art. 527). Tegen verzuim, te dien aanzien door belanghebbenden gepleegd, is geen straf bedreigd; volgens art. 118 C. Nap. en art. 576 Wetb. v. 1830 moest het O. M. het vonnis aan den Minister van Justitie toezenden, die met de bekendmaking belast werd.
Inschryving in de registers van den burgerleken stand komt niet te pas; het geldt toch slechts een vermoeden van overly den, dat elk oogenblik door het bewijs van bestaan des afwezigen kan worden te niet gedaan.
Zie voorts nog eenige vragen, waartoe deze procedure aanleiding geeft als: te wiens laste de kosten komen\'? of tegen den afwezige, by niet-verschyning, verstek moet worden verleend ? of belanghebbenden van het vonnis in hooger beroep kunnen komen en op welke wijze ? Diephüis, V, bl. 639, 642 en v.; Opzoomkr, II, bl. 550, noot 2, 556, noot 3.
gevolgen van vermoedelijk overlijden.
Men verwarre de wetsbepalingen van vermoedelijk overlijden niet met het geval dat iemand by eene ramp, b. v. een brand of schipbreuk met zekerheid is omgekomen, doch dat men verzuimd heeft daarvan eene akte van overlyden te doen opmaken. Alsdan is het geval aanwezig van aanvulling van de registers van den burgerlijken stand, waaraan eene akte ontbreekt (art. 70 en v. B. W.).
Gevolgen van de verklaring van vevmoedelijk overlijden;
a. ten aanzien van de vermoedelijke erfgenamen:
1quot;. bevoegdheid om de goederen van den afwezige tegen behoorlijke zekerheid in bezit te nemen en in verband daarmede om van den bewindvoerder, zoo die er is, rekening en verantwoording en afgifte der goederen te vorderen (art. 528).
Onder erfgenamen versta men hen, die, hetzij krachtens de wet, hetzij krachtens testament tot de nalatenschap geroepen worden. In verband hiermede vergunt art. 528, 2e lid aan alle belanghebbenden om de opening van uiterste wilsbeschikkingen te vorderen, en legt art. 39 der wet op het Notarisambt aan de notarissen de verplichting op om, binnen 40 dagen, nadat zy van het vermoedelijk overlijden \') kennis dragen, belanghebbenden te verwittigen dat onder hunne minuten zoodanig stuk van den afwezige berust. Art. 123 C\'. N. en art. 578 W. v. 1830 kenden ten deze ook aan het O. M. het recht toe om opening van het testament te vorderen.
Ter beoordeeling van de vraag wie gerechtigd is tot de nalatenschap komt de dag van vermoedelijk overlijden in aanmerking (Vgl. art. 883, 946 B. W. en bl. 485 supra). Eechthebbenden, die na den bewusten dag zyn overleden, dragen hun alsdan reeds verkregen recht weder aan hunne erfgenamen over; art. 1097 (zie Voorduin, III, bl. 233).
Het is geen vereischte meer, dat de erfgenamen door rechterlyk vonnis in het bezit der goederen worden gesteld (zie art. 35 Wetb. N. v. H., art. 779 Üntw. 1820, art. 120 C. N.. art. 577 W.\'v. 1830); zij zyn terstond tot het bezit gerechtigd (Asser, Verg. § 313).
486
Daartegenover staat echter de onvoorwaardelyke verplichting tot het stellen van gerechtelijk goedgekeurde persoonlijke of zakelijke zekerheid voor het behoud en de teruggave van de goederen of
\') Min juist spreekt het artikel van „afwezigverklaring.quot;
eEVOLCiEX VAN VERMOEDELIJK OVIiliLIJ DKN.
hunne waarde, ten behoeve van den afwezige of van alle anderen, die een beter recht daarop mochten blijken te bezitten (art. 528, 532). Dit laatste kan o. a. voorkomen, indien tengevolge van zekere tijding van den dood des afwezigen, de dagbepaling, in het vonnis uitgedrukt, niet de juiste blijkt te zijn.
De verplichting tot zekerheidstelling is algemeen, en rust zoowel op de kinderen als op de verdere erfgenamen (Voürdutn, III, bl. 230).
By gebreke van zekerheidstelling worden de goederen onder beheer van een derde gesteld en kan de verkoop van de roerende goederen worden bevolen, overeenkomstig art. 833 en 834 B. W. (art. 529). Daar de wet niemand heeft aangewezen, die de erfgenamen tot het stellen van zekerheid kan dwingen, zal de toepassing van art, 529 moeielijkbeden kunnen opleveren. Volgens het stelsel van den Code kon de rechter aan de in bezitstelling voorwaarden verbinden.
Het Wetb. v. 1830 ging in art. 577 nog veel verder, door te bepalen dat, bij gebreke van borgstelling, de afwezend-verklaring zou worden beschouwd als vervallen; eene straf, die minder in overeenstemming is met het beoogde doel en met den aard eener rechterlijke uitspraak. Vgl. ook art. 39 W. X. v. H. en art. 780 Ontw. 1820, waar eveneens het niet stellen van zekerheid het gevolg had dat de goederen onder beheer kwamen of bleven, hetgeen alsdan beter gevolg kon hebben, omdat \'s rechters medewerking voor de in bezitneming door de erfgenamen werd vereischt.
De akte van zekerheidstelling moet ter griffie van de rechtbank worden nedergelegd (art. 535).
De wet op het recht van successie en overgang van 13 Mei 1859, Stbl. n0. 36, stelt in art. 1 ten aanzien dier wet de verklaring van vermoedelijk overlijden met werkelijk overlijden gelijk, behoudens teruggave van hetgeen dientengevolge betaald is in de gevallen, voorzien bij art. 538, 541, 542 en 543 B. W.
Verplicliting om bij den aanvang van liun bezit eene behoorlijke beschrijving van des afwezigen goederen te maken (art. 533).
Bij gebreke hiervan verliezen de vermoedelyke erfgenamen het voorrecht van boedelbeschrijving, dat hun krachtens de wet toekomt; eveneens indien zij te kwader trouw goederen tot den boedel be-hoorende, niet op den inventaris brengen of goederen verduisteren (art. 533, 1077 B. W.). Men zie verder omtrent bedoeld voorrecht: Asser, Verg, § 316; Voorduin, III, bl. 242; en ten aanzien van
487
gevolgex vax vermoeijkujk overlijden.
den vorm van den inventaris: Diephüis, V, bl. 659; Opzoomebt ad art. 533.
De boedelbeschryving moet, eveneens ter griffie van de rechtbank worden nedergelegd (art. 535).
Omvang van het bezit en rechten daaruit voortvloeiende;
«. genot der vruchten en inkomsten van de goederen, onder gehoudenheid een deel daarvan aan den afwezige, zoo die mocht blijken in leven te zijn, terug te geven (art. 530, 538).
Het voorloopig karakter van het bezit heeft aanleiding gegeven tot vergelijking met andere rechtsverhoudingen. Zoo beschouwde de C. N., art. 125 en het Wetb. v. 1830, art. 580, het bezit als eene bewaargeving, met verplichting tot latere oplevering en verantwoording. Zie o. a. Laurent, II, bl. 222 en v. Onze wet, het genot meer op den voorgrond stellende, kent aan den vennoedelyken erfgenaam, tegenover den afwezige, de rechten eens vruchtgebruikers toe, en onderwerpt hem aan dezelfde verplichtingen, voor zoover de bepalingen op hem toepasselijk zijn en daaromtrent in den titel van afwezigheid niet anders is voorzien (art. 530).
Onder deze laatste uitzonderingen behoort de verplichting tot teruggave van een deel der vruchten en inkomsten aan den afwezige, bij diens terugkeer of bij het inkomen van eenig bewijs omtrent diens leven. Dit deel hangt af van het tydstip, waarop die terugkomst plaats heeft of het bericht inkomt; het wordt kleiner, naarmate het leven van den afwezige onwaarschijnlijker wordt. Het terug te geven gedeelte bedraagt de helft, indien een of ander plaats heeft binnen den tijd van 15 jaren na den dag, in het vonnis aangewezen als die van het vermoedelijk overlijden; en één vierde, wanneer zulks later voorvalt, doch binnen den tijd van dertig jaren na hetzelfde tijdstip (art. 538). De C. X. (art. 127) bepaalde dit deel op \'/s 0f Vioj het Wetb. N. v. H. (art. 37) en het Ontw. 1820 (art. 785) lieten daarentegen den erfgenaam alle vruchten behouden.
Men houde in het oog dat hier alleen sprake is van die vruchten, welke de erfgenamen sedert hunne inbezitneming hebben gen sten; doch dat de bepaling geen betrekking heeft op de vruchten vóór dat tijdstip vervallen; deze toch zijn niet door den vermoedelijken erfgenaam genoten; zij zijn in den regel door den bewindvoerder ontvangen en, na aftrek van hetgeen hem mocht toekomen, geconsigneerd en daardoor tevens gekapitaliseerd ; vgl. art. 583 W. van 1830.
De rechtbank is bevoegd, met het oog op de geringheid des boedels de teruggave van vruchten en inkomsten anders te regelen, en zelfs geheele ontheffing daarvan te verleenen (art. 538 , 2° lid.)
4««
GEVOLGEN VAN VERMOEDELIJK OVERLIJDEN.
Hetzelfde beginsel geldt bij zekere tijding van het overlijden des afwezigen (art. 541).
,j. bevoegdheid tot verdeeliug der goederen bij voorraad, met verbod de onroerende te vervreemden (art. 534).
De verdeeling geschiedt overeenkomstig de regelen voor boedelscheiding vastgesteld (art. 1112 en v. B. W.), met uitsluiting van de toepasselijkheid van art. 1122 B. W. By onmogelijkheid van verdeeling van onroerende goederen, moeten die in de een of andere kaveling worden begreper,; en indien ook dit niet kan geschieden, onder seques-tratie worden gesteld, en de inkomsten daarvan worden uitgekeerd, zooals by de verdeeling wordt overeengekomen.
Evenals de boedelbeschrijving en de akte van zekerheidstelling, moet ook de akte van boedelscheiding ter griffie van de rechtbank worden bewaard (art. 535).
In verband met de verantwoordelijkheid van hen, die dergelijke goederen in hun aandeel of beheer hebben gekregen, kunnen zij de opneming dier goederen door deskundigen vorderen, op de wijze als by art. 536 B. W. is bepaald; een maatregel, die den bezitters later, by mogelijke oplevering aan hen, die een beter recht hebben, ten aanzien van den bewijslast omtrent den staat der goederen tijdens de aanvaarding, in hooge mate te stade komt. Wij durven niet zoo ver gaan om met velen te beweren dat, bij gebreke van zoodanige opneming door deskundigen, de goederen geacht worden in goeden staat te zijn overgenomen (zie Diepuuis, V, bl. 667 en aldaar aangehaalde litteratuur; anders Opzoomek , ad art. 536).
üok na de verdeeling mogen de onroerende goederen niet worden vervreemd, noch bezwaard, tenzij om gewichtige redenen met verlof der rechtbank (art. 537 B. W.).
2°. Overname vau de vermogensrechtelijke verplichtingen van den afwezige, behoudens het voorrecht van boedelbeschrijving, dat den vermoedelijken erfgenaam van rechtswege toekomt (art. 533, 544).
Terwijl in het tijdperk der voorloopige voorzieningen de bewindvoerder den afwezige in al diens rechten en verplichtingen vertegenwoordigt, gaat diens persoonlijkheid sedert de verklaring van ver-moedelyk overlijden, zij het ook niet onherroepelijk, over op zyne vermoedelijke erfgenamen. Zy treden niet enkel in het bezit zijner goederen, maar stellen ook de hem toekomende vorderingen in (art. 880, lid 1; ook uit art. 828 zou men ten overvloede het recht tot instellen van zakelijke vorderingen kunnen afleiden). Omgekeerd
489
gevolgen van vermoedelijk overlijden.
bepaalt art. 544 dat ook tegen hen de vorderingen, ten laste des afwezigen, worden ingesteld.
Omtrent het voorrecht van boedelbeschrijving zal ter zake van het erfrecht worden gehandeld. Zie ook hl 425 supra.
h. ten aanzien van legatarissen en andere rechthebbenden : bevoegdheid om, op dezelfde wijze als de erfgenamen, hun recht bij voorraad uit te oefenen (art. 531);
Zy staan met de erfgenamen gelijk ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling en van him recht op de vruchten en inkomsten (art. 531). Het verbod van vervreemding van onroerende goederen is op hen eveneens toepasselijk te achten; zij zullen ook de opneming door deskundigen mogen verzoeken; ook zy zijn tot rekening en verantwoording gehouden, alsmede tot teruggave van een deel der vruchten (art. 532, 538, 541 B. W.).
e. ten aanzien van den achtergebleven echtgenoot, in eenigerlei gemeenschap met den afwezige gehuwd:
keus om of de gemeenschap gedurende een beperkten tijd te laten voortduren, uf tot hare ontbinding over te gaan. In het eerste geval wordt de provisioueele inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen en de uitoefening der rechten, die eerst door den dood van den afwezige zouden worden geboren, tegengehouden; de echtgenoot neemt of behoudt het beheer van de goederen, onder verplichting van boedelbeschrijving (art. 539). Vgl. art. 324 G. N., art. 579 W. v. 1830 en 770 Ontw. v. 1820.
Het zou onredelijk zijn een vreemden beheerder voor de goederen aan te wijzen, als de medebelanghebbende in de gemeenschap nog aanwezig is , tenzij deze laatste zelf de ontbinding mocht verlangen. Vgl. de Maleville, ad art. 124 C. N. De reden, door Nicolaï bij Vooftuuix, III, bl. 251, aangegeven, is meer kunstig dan juist. Evenmin bevredigend is de stelling van anderen, die tegenover den echtgenoot minder gemakkelijk het vermoeden van overlijden willen doen gelden dan tegenover anderen. Vgl. Opzoomer, II, ad art. 539.
De achtergebleven echtgenoot zal slechts gedurende tien jaren, sedert den dag van het vermoedelijk overlijden, van dat recht kunnen gebruik maken. Feitelijk zal derhalve in het geval van art. 526 die termijn reeds by het uitspreken van het vonnis van vermoedelijk overlijden verstreken zijn; in dat van art. 523 zal die termijn slechts weinige jaren duren, in verband met de langdurige procedure by dat artikel voorgeschreven; grooter belang heeft de achtergebleven echt-
490
GEVOLGEN VAN VEEMOEUEL1JK OVERLIJDEN.
genoot in de gevallen, voorzien bij de wet van 9 Juli 1855, Stbl. n0. 67. De beperking tot den tijd van 10 jaren (in den C. N. en het Wetb. v. 1880 geheel onbepaald gelaten) staat in verband met het tijdstip, waarop het aan den achtergebleven echtgenoot vergund is een nieuw huwelijk aan te gaan (art. 550). In de gevallen van de wet van 9 Juli 1855 wordt, bij het aangaan van een nieuw huwelijk door den achtergebleven echtgenoot, de gemeenschap krachtens art. 181, nquot;. 2 B. W., van rechtswege ontbonden.
Het gevolg van het gebruik maken van dit recht is, dat de achtergebleven echtgenoot, voor zoover deze het niet reeds had, het bebeer verkrijgt over alle goederen, ook die niet tot de gemeenschap behoo-ren; met uitzondering wellicht alleen van die goederen, welke onder beheer van derden waren gesteld. Verder blijven, voor zooverre zy daarvoor vatbaar zyn, alle regelen gelden, by het wetboek omtrent het vermogensrecht der echtelieden vastgesteld (art. 160, 179 en v. B. W.).
Het recht om later van de gemeenschap afstand te doen blijft ook in dit geval uitdrukkelijk aan de vrouw — en derhalve ook aan hare erfgenamen — verzekerd (art. 539, laatste lid; vgl. bl. 226, 227 supra).
Maakt de echtgenoot van de bevoegdheid, hem bij art. 539 verleend, geen gebruik, of zijn de tien jaren verstreken, dan wordt de gemeenschap verdeeld en neemt de achtergebleven echtgenoot alles tot zich, waarop hij recht heeft, dat is zijn aandeel in de gemeenschap, zijne eigen goederen, en datgene, hetwelk hem bij huwelijksche voorwaarden of testament uit het vermogen van den afwezige toekomt. Hij moet evenwel zekerheid stellen voor zoodanige goederen, die voor teruggave vatbaar zijn (art. 539, lid 3); met deze eenigszins duistere woorden schijnen vooral de laatstgemelde goederen bedoeld te zijn.
De voorloopige toestand, volgende op de verklaring van vermoedelijk overlijden, houdt op:
1°. door terugkeer vau den afwezige of bericlit van zijn leven;
2°. door zijn dood;
In beide gevallen zijn de vermoedelijke erfgenamen en anderen, die goederen van den afwezige in bezit of beheer hebben, tot rekening en verantwoording verplicht, hetzy aan den teruggekeerden afwezige of diens gemachtigde, hetzij aan hen, die in verhand met het thans bekende tijdstip van overlijden, of krachtens beschikkingen van den overledene, een beter recht mochten hebben (art. 532, 541, in verband met art. 538 B. W.).
3°. door liet intreden van liet tijdperk der definitieve erfopvolging (art. 540).
491
TIJDPEK1C DER DEFINITIEVE ERFOPVOLGING.
III. TIJDPEKK DER DEÏINITIEVE ERFOPVOLGING.
Dit treedt in door verloop van dertig jaren, na den dag van het
vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of ook wanneer vroeger honderd volle jaren zijn verstreken, sedert de geboorte van den afwezige (art. 540).
Het maatschappelijk belang eischt dat aan eiken voorloopigen toestand een einde kome; zoo ook hier, nu aan den dood des afwezigen nauwelijks meer kan worden getwijfeld. Oudtijds was de tijd van een menscbenleven op 70 jaren gesteld, op grond van Psalm 90, vs. 10; onder het Romeinsche recht in enkele gevallen op 100 jaar, als finis vitae longissimus (vgl. Windschëid, I, § 5a); het Wetb. N. v. EL, art. 36 en Ontw. 1820, art. 780, noemen den leeftijd van 75 jaren; de C. N. en het Wetb. van 1830, evenals onze wet, dien van 100 jaren.
Volgens art. 129 C. N. en art. 584 Wetb. v. 1830, konden de rechthebbenden, na verloop van dien tijd, de definitieve inbezitstelling door den rechter doen uitspreken; onze wet eischt ook hier geene medewerking van den rechter; door tijdsverloop alleen gaat de voor-loopige toestand in eenen definitieven over. Tengevolge daarvan vervalt de gestelde zekerheid; de erfgenamen kunnen de goederen vervreemden en bezwaren; de voorloopige verdeeling van de goederen blijft in stand en, voor zoover er geen verdeeling mocht hebben plaats gehad, kan daartoe worden overgegaan. Aan de andere zijde kunnen de erfgenamen geen gebruik meer maken van het hun bij art. 533 B. W. van rechtswege toegekende voorrecht van boedelbeschrijving, maar kunnen zy worden gedwongen tot aanvaarding of verwerping, overeenkomstig de regelen van erfrecht (art. 540); eene aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving overeenkomstig art. 1075 en v. B. W. staal hun derhalve ook thans nog vrij.
Terugkeer of bewijs van bestaan van den afwezige na dien tijd (art. 54^).
De wet beschermt hier tegelijk de belangen van den bezittev der goederen en van den afwezige; zij kent dezen laatste alsdan billijkerwijze recht toe op de goederen die nog aanwezig mochten zijn, doch slechts in den staat, waarin zij zich alsdan bevinden, benevens ingeval van vervreemding op den prijs of de waarde, die voor die goederen in de plaats is getreden; een en ander zonder eenige vruchten of inkomsten. Het laatste levert veel overeenkomst op met art. 630 B. W.; zoo zal ook de afwezige de kosten, tot behoud en ten nutte der zaak aangewend, moeten vergoeden.
492
rechten opgekomen aan een afwezige, wiens bestaan onzeker is. 493
Gelijk recbt van terugvordering komt ook aan de kinderen en verdere afkomelingen van den afwezige toe, doch alleen voor zoover zij mochten opkomen binnen den tijd van dertig jaren na het ontstaan van den toestand der definitieve erfopvolging (art. 543). De wet denkt hier blijkbaar aan kinderen enz. met den afwezige medegegaan of in den vreemde geboren; aan dezulken derhalve, wier bestaan twijfelachtig of zelfs onbekend was; de aanwezige kinderen toch zullen doorgaans reeds als vermoedelijke erfgenamen de nalatenschap bezitten.
Bepalingeu aan de drie tijdperken der afwezigheid gemeen.
Rechten opgekomen aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is geworden (art. 545—548).
Tot hiertoe is gehandeld over de goederen, die de afwezige heeft achtergelaten, en over de rechten, die hem met zekerheid toekwamen. Hiervan te onderscheiden zijn de rechten, waarop hij eerst aanspraak zou kunnen maken na het tijdstip, waarop zijn bestaan onzeker is geworden.
Dewijl de bevoegdheid tot verkrijging van rechten noodzakelijk met het leven samenhangt (zie b. v. art. 883, 946, 1716 B. W.), moet door hem, die beweert dat een den afwezige opgekomen recht op hem is overgegaan, het bewijs worden geleverd dat de afwezige op het tijdstip der beweerde rechtsverkrijging leefde. Bij gemis van dat bewijs gaat het beweerde recht niet over op dengene, die overigens in de rechten des afwezigen treedt, maar op hem, die dat recht zou verkregen hebben, indien de afwezige vóór dat tijdstip ware overleden — zij het ook met eenige waarborgen door de wet in het belang des afwezigen voorgeschreven.
Men zou dus in dien zin met van Hall, bl 108, kunnen zeggen dat er, met betrekking tot rechtsverkrijging door den afwezige, vermoeden van overlijden bestaat, maar verlieze hierbij niet uit het oog, dat die artikelen het recht van den afwezige zelf, zoo hy mocht leven, geenszins verkorten; hy kan ten aanzien dier rechten dezelfde aanspraken doen gelden als ten aanzien van zijne overige goederen; de artikelen wijzen alleen het geschil uit tnsschen dengene, die beweert dat een recht aan den afwezige opgekomen, van dezen op hem is overgegaan, en dengene, die beweert dat hij bij vroeger overlijden van den afwezige, aanspraken kon doen gelden. Bestonden de artikelen 545 en 546 niet, dan zou de eerste het leven, de tweede den dood des afwezigen moeten bewijzen, en by gemis aan bewys zou geen van
494 RECHTEN OPGEKOMEN AAN EEN AFWEZIGE, WIENS BESTAAN ONZEKER IS.
beiden zijn recht kunnen uitoefenen. Thans is de tweede van dien bewijslast ontheven, en dus in een gunstiger toestand geplaatst; voor den eerste is de bewijslast dezelfde gebleven.
De wet bedoelt hier alle afwezigen, wier bestaan onzeker is geworden, onverschillig of zij al of niet vermoedelijk overleden zyn verklaard. In verband met een en ander bepaald de wet:
Hij, die aanspraak maakt op een recht, hetwelk van eenen afwezige op hem overgegaan zou zijn, doch hetwelk eerst aan den afwezige is opgekomen, nadat zijn bestaan onzeker is geworden, is verplicht te bewijzen dat de afwezige heeft geleefd op het tijdstip dat liet recht aan dezen is opgekomen; zoolang hij dit niet bewijst, wordt hij in zijnen eisch niet ontvankelijk verklaard (art. 54lt;5).
Men zal dit artikel eenigszins ruim moeten opvatten en niet alleen denken aan hen, die in de rechten des afwezigen treden, maar ook aan andere belanghebbenden; alsmede aan den bewindvoerder, die den afwezige vertegenwoordigt en als zoodanig aanspraken van den afwezige wil doen gelden. Deze ruimere opvatting is geoorloofd, omdat art. 545 geen nieuw rechtsbeginsel schept, maar eene toepassing van de gewone beginselen bevat. Art. 135 C. Nquot;. en 589 W. v. 1830 spraken dan ook meer algemeen.
Indien aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is, eene aa-latenschap of legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven ware, anderen zouden gerechtigd zijn, of waarin anderen met hem zouden moeten deelen, behoeven deze niet het bewijs van zijn overlijden te leveren ; zij nemen van de nalatenschap of het legaat bezit als ware de afwezige overleden, — evenwel niet zonder verlof der rechtbank van het sterfhuis, welke zoo noodig openbare oproepingen kan bevelen, en ten behoeve der belanghebbenden de noodige behoedmiddelen voorschrijven (art. 546).
Deze behoedmiddelen zijn hier noodig, in tegenstelling van het geval van art. 545; omdat daar het recht toekomt aan iemand. die in den regel reeds op grond van de vorige afdeelingen van dezen titel, de noodige waarborgen \'oplevert of tot inventarisatie en zekerheidstelling verplicht is.
De voorgaande bepalingen beletten niet dat de afwezige of ieder, die van zijn beter recht mocht kunnen doen blijken, zijne aanspraken op de voormelde, den afwezige opgekomen rechten kan doen gelden — behoudens verjaring (art. 547).
invloed van afwezig hei d op familiebetrekkingen.
In zoodanig geval geschiedt de teruggave der vrachten en inkomsten, te rekenen van den dag, dat den afwezige het recht is opgekomen, op dezelfde wijze als bij art. 538 ten aanzien van de vruchten en inkomsten van zijne overige goederen is bepaald (art. 548).
Men zie over dit onderwerp: Mr. A. F. de Bas, over de regten opgekomen aan een afwezige, wiens bestaan onzeker is. Acad. pr., Leiden, 1B63.
B. Invloed van afwezigheid op familiebetrekkingen.
a. ten opzichte van het huwelijk:
bevoegdheid van den achtergebleven echtgenoot om een nieuw huwelijk aan te gaan (art. 254, 2°., 549—551 B. W.; wet van 9 Juli 1885, Stbl nquot;. 67).
Zie hieromtrent,, alsmede over de daarmede gepaard gaande formaliteiten, bl. 280 en v. supra.
b. ten opzichte van de minderjarige kinderen (art. 552 vlg.);
Hier onderscheidt men ten aanzien van wettige kinderen drie gevallen: (zie v. Boneval Faüke, 2° dr., I, bl. 208)
1quot;. afwezigheid van één der ouders bij het leven van den ander (art. 553):
Heeft de afwezige vader geen orde op zijne zaken gesteld, dan zal de moeder de ouderlijke macht uitoefenen, zoowel met betrekking tot de opvoeding als het beheer der goederen. De bloedverwanten en aangehuwden van den vader hebben daartegen recht van verzet bij den kantonrechter, die alsdan, behoudens beroep op de rechtbank, uitspraak doet (vgl. art. 355 B. W. en bl. 351 supra). De wet regelt niet de gevolgen van dat verzet; Mr. Opzoomer, ad art. 552, meent dat hier eene voogdijbenoeming moet plaats hebben; anderen denken aan meer tijdelijke maatregelen. Zie de schrijvers, aangehaald bij Léon, B. W., ad art. 552. Afwezigheid van de moeder brengt bij het leven van den vader geen verandering te weeg in het ouderlijk gezag.
2°. afwezigheid van één der ouders, na overlijden van den ander (art. 553);
Hier is de langstlevende in den regel voogd, en voorziet de kantonrechter bij voorraad in de voogdij, met inachtneming der bepalingen, omtrent voogdij voorgeschreven. Vgl. art. 431 B. W.
495
INVLOED VAN AFWEZIGHEID OF FAMILIEBETREKKINGEN.
Is de langstlevende geen voogd, dan komt dergelijke voorziening niet te pas, omdat er dan een datieve voogd behoort te zijn.
3°. afweziglieid vau beide ouders, of overlijden van den één, gedurende de afwezigheid van deu ander (art. 554).
Hier geschiedt gelijke voorziening door den kantonrechter. Hetzelfde heeft plaats indien van beide ouders de een van de vaderlijke macht is ontzet en de ander zijne woonplaats heeft verlaten, zonder voor zijne minderjarige kinderen gezorgd te hebben (art. 554, 2e lid, nieuw, zie art. 8 der wet van 26 April 1884, Stbl. n0. 93).
Ten aanzien van natuurlyke kinderen zal men analoge onderscheidingen moeten maken, met weglating natuurlijk van het recht van verzet der bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen vader. De wet noemt alleen het geval dat zoodanige kinderen geheel onverzorgd zijn achtergebleven (art. 554).
Afwezigheid van eiken anderen voogd zal eene nieuwe benoeming door den kantonrechter noodig maken. De toeziende voogd moet hiervoor zorg dragen (art. 431). Hetzelfde geldt ten aanzien van den curator (art. 506, 3e lid). Men boude hier in het oog dat degene, die krachtens art. 519 B. W. wellicht tot bewindvoerder over de goederen van den afwezige wordt benoemd, hem niet in dergelijke hoedanigheden vertegenwoordigt (vgl. bl. 480 supra).
\')
1) Het Ontwerp 1886 stemt in hoofdzaak overeen met de bepalingen van het B W. ten aanzien van het onderwerp der afwezigheid en van het vermoedelijk overleden zijn. Evenwel bevat het enkele, deels afwijkende, deels nieuwe beginselen, die belangrijke vereenvoudigingen in de bepalingen ten gevolge hebben. Voornamelijk geldt dit van de artt. 514 en 521 Ontw., volgens welke de afwezige, bij gebreke van bewijs van overlijden, geacht wordt in leven te zijn tot op den dag, sedert welken volgens vonnis rechtsvermoeden van overlijden bestaat, of tot den dag, waarop honderd jaren sedert zijne geboorte zijn verloopen; terwijl daarentegen de vermoedelijk overleden verklaarde als overleden wordt beschouwd, totdat van zijn bestaan blijkt, behoudens de voor te schrijven maatregelen tot behoud der eventueele rechten van herazelven of van derden (zie de Mem. v. Toel. bl. 275, 276). Een gevolg van deze scherpe onderscheiding is o. a. het wegvallen der 4e afd. van dezen titel van het tegenwoordig B. quot;W. (art. 545—548); evenzoo het vervallen van het thans bestaande alternatieve recht van den achtergebleven echtgenoot van den vermoedelijk overledene (art. 539 B. quot;W.). Integendeel bepaalt art. 165 Ontw. dat de gemeenschap van goederen wordt ontbonden .... 4°. door de verklaring van vermoedelijk overlijden van een der echtgenooten; terwijl volgens art. 166 de gemeenschap ontbonden blijft, zelfs wanneer voor de ontbinding des huwelijks de vermoedelijk overleden verklaarde blijkt nog in leven te zijn.
Omtrent het tijdstip, sedert hetwelk rechtsvermoeden van overlijden bestaat, levert art. 519 Ontw. eene belangrijke afwijking op van de beginselen van het B. W., in
496
HOOFDSTUK IV.
Verzekering van den burgerlijken staat der personen, door akten van den burgerlijken stand.
De instelling van den burgerlijken stand heeft ten doel om van den staat van natuurlijke personen te doen blijken, en wel omtrent de feiten, welke op dien staat een gewiehtigen invloed uitoefenen, nl. geboorte, erkenning, huwelijk, echtscheiding en overlijden. Met het houden van aanteekeningen betreffende dien staat heeft de wetgever de burgerlijke overheid belast, verscheidene voorschriften vastgesteld om de nauwkeurigheid en onpartijdigheid te bevorderen, in verschillende gevallen bepaalde personen aangawezen, op wie de verplichting rust tot het doen van aangiften omtrent dien staat en eindelijk door strafbepalingen voor de nakoming van een en ander gewaakt. In verband hiermede werd tevens het beginsel gehuldigd van openbaarheid dei-akten, waaruit van den burgerlijken staat kan blijken, ten einde een ieder in de gelegenheid te stellen zich hiervan te overtuigen.
Eerst van de Fransche revolutie dagteekent deze inrichting. Terwijl te voren de registers van geboorte, doop, huwelijk, overlijden enz. gehouden werden door de geestelijken of bedienaars der verschillende kerkgenootschappen, nam de wet van 2U September 1792 voor Frankrijk een nieuw beginsel aan. De municipaliteit werd toen belast met het opmaken en bewaren der akten, strekkende tot staving van geboorte, huwelijk en overlijden, met verbod aan alle andere personen om zich met het houden dier registers en het ontvangen van die akten in te laten. Van de municipaliteit werd die zorg overgedragen op de maires bij de wet van 28 Pluv. an VIII, terwijl de wet van 18 Grerminal an X alle bewijskracht ontzegde aan de dooide geestelijkheid gehouden registers (vgl. van Hall, bl. 136). De C. Nap. eindelijk regelde de zaak nader en uitvoerig.
Het Wetb. Nap. van Holl. (art. 19—21) stelde alleen als beginsel vast dat van geboorten, huwelyken en sterfgevallen akten opgemaakt en openbare registers zouden worden gehouden, doch liet de verdere
zooverre dat na afwezigheid gedurende vijf jaren, zonder dat er bericht \\an iemands leven is, enz. en na de noodige formaliteiten, gemeld rechtsvermoeden bestaat van den dag der eerste dagvaarding, omdat het niet waarschijnlijk is dat de afwezige reeds den dag na zijn vertrek of na de laatste tijding zal zijn overleden. Anders natuurlijk ingeval van overlijden ter gelegenheid eener ramp, of van de vermissing van een vaartuig; zie de Mem. v. Toel. ad art. all) Ontw.
Asser , Bttrgcrl. Recht. 1 3e druk. 32
REGISTERS VAN DEN BURGERLIJKEN STAND.
uitwerking aan bijzondere reglementen over, die evenwel niet zyn ingevoerd. Het Ontw. 1820 regelde in art. 796 en vlg. dit onderwerp uitvoerig, evenals het VVetb. 1830 in art. 14 en vlg. Dit laatste volgde evenals ons B. W. in hoofdzaak den C. Nap.
De wet van 24 Jnni 1879, Stbl. n». 132, bracht enkele wijzigingen in de artt. 13, 14 en 22 B. W., gelijk hieronder nader zal worden aangetoond.
Zie verder de op hl. 28 supra sub ij, z en aa vermelde wetten, die met dit onderwerp in verband staan.
Vei\'plicliting aan de gemeenten opgelegd om registers van den burgerlijken stand te houden. Bepalingen om het richtig houden dier registers te bevorderen (art. 13, 15, 16, 32, 23 B. W.).
Deze registers zijn de volgende: 1°. van geboorten, 2°. van huwelijks-aangiften , 3°. van huwelijks-afkondigingen, 4°, van huwelijken en echtscheidingen en 5°. van overlijden. Volgens art. 13 B. W. waren de huwelijks-aangiften en afkondigingen in één register vervat, doch het K. B. van 16 December 1838, Stbl. n0. 44, vergunde reeds hiervoor twee registers te houden. De wet van 24 Jnni 1879, Stbl. nquot;. 132, nam dit beginsel in gebiedenden vorm over en wijzigde in dien zin art. 13, 14 en 22 B. W. Tevens veroorlooft deze wet in art. 1 om met vergunning van den Koning twee of meer registers van elke soort te houden in gemeenten, waar daaraan behoefte bestaat. Aanleiding tot deze bepaling was de wensch, door eenige gemeentebesturen hiertoe kenbaar gemaakt, zoowel in het belang hunner administratie als ten bate van het publiek, om het opmaken der akten spoediger te doen geschieden. Zie voorts over de jaarlyksche en tienjaarlijksche alpha-betische tafels het K. B. van 15 Mei 1863, Stbl. nquot;. 60.
Onder de bepalingen om het richtig houden der registers te bevorderen, komen in aanmerking de voorschriften, vervat in de artt. 15 en 16 B. W. Ten einde het verloren gaan der registers te voorkomen, moeten bijna alle registers in dubbel worden gehouden (art. 14) en jaarlijks overgebracht, op de wijze als in art. 22 en 23 B. W. is vermeld, in het gemeente-archief en ter griffie van de arrondissements-rechtbank.
Geene bepalingen komen in het B. W. voor ter algemeene voorziening in het geval dat een der dubbelen van de registers van den burgerleken stand door eenige ramp of onvoorzien toeval mocht zijn te niet gegaan. Ecne byzondere wet van 4 Jnli 1887, Stbl. nquot;. 110, voorziet in het gemis van de dubbelen van de registers, die bij den in 1866 te Maastricht gewoed hebbenden brand zijn verloren gegaan. Eene soortgelijke wet van 15 April 1891, Stbl. n0. 83, betreft de dubbelen der registers, in 1890, door brand te Alkmaar verloren gegaan.
498
AMBTENAREN VAN DEN BURGERLIJKEN STAND.
Vgl. art. 9 Ontw. 1886, dat eene algemeene regeling aangaande geheel of gedeeltelik verlies van een der dubbelen beval.
Ambtenaren, met het houden der registers belast, door den gemeenteraad uit zijn midden te benoemen (art. 149 Gemeentewet). \')
Vóór de wet van 24 Juni 1879, Stbl. nquot;. 132, bepaalde art. 13 B. \\V. evenzeer, dat de ambtenaren door de gemeentebesturen uit hun midden moesten worden benoemd. Bij die wet werden gemelde woorden weggelaten, niet om daardoor uit te drukken dat de gemeenteraad ook personen buiten den raad daarvoor zou kunnen aanwijzen, doeb alleen omdat men meende dat de sedes materiae voor deze zaak gelegen was niet in het B. W., doch in de Gemeentewet, in welke wet dit punt moest worden geregeld (zie Hand. 2quot; Kamer 1878/79, bl. 1220 en vlg.). De Gemeentewet laat ook de benoeming van den Burgemeester toe, al is deze geen lid van den Raad.
Volgens liet K. B. van 8 Juni 1823, Stbl. n0. 21, mochten de ambtenaren geene akten opmaken, welke hen zeiven, hunne vrouw, ouders of kinderen betroffen, welk K. B. evenwel bij dat van 9 October 1861, Stbl. n0. 87, is ingetrokken.
In bijzondere gevallen zijn andere personen met de functiën van deze ambtenaren belast en wel
a. buiten het rijk: de consulaire ambtenaren binnen hun ressort. Men vindt hunne bevoegdheid geregeld in de wet van 25 Juli 1871, Stbl. n°. 91; zie deze wet met de daarin gebrachte wijzigingen in het Staatsbl. van 1887, nquot;. 138 en met betrekking tot dit onderwerp de nadere wyzigingswet van 16 Dec. 1888, Stbl. nquot;. 204;
h. aan boord van een schip: de scheepskapitein of gezagvoerder voor de akten van geboorten en van overladen gedurende eene zeereis (art. 35, 60 B. W.);
499
c. bij het overlijden van krijgslieden te velde, in den slag of in \'s rijks dienst buiten het Koninkrijk: de militaire overheid met deze functiën belast voor de akten van overlijden. In verband met art. 61 B. \\V. is dit onderwerp laatstelijk, met intrekking van het K. B. van 13 Juli 1830, Stbl. nquot;. 53, geregeld bij K. B. van 4 Nov. 1888, Stbl. n°. 158.
\') Het ontwerp 1886 wijkt hier sterk af van het B. W., doordien het, op het voetspoor dei\' Duitsehe Rijkswet van 1875, in art. 4 bepaalt dat de ambtenuren van den burgerlijken stand en hunne plaatsvervangers voor iedere gemeente door den Koning worden benoemd. Voor het vervullen der ambtsbezigheden wordt verder het gemeentehuis genoemd, tenzij andere lokalen daartoe van \'s Konings wege mochten zijn aangewezen; zie de Mem. v. Toel. ad art. 4.
32*
500 TOEZICHT 01\' DE AMBTENAREN. PAKTIJEN, GETUIGEN.
Toezicht op de ambtenaren, opgedragen aan het 0. M. bij de rechtbanken (art. 27 en 28).
In verband hiermede rust op den officier van justitie de verplichting tot onderzoek van de registers, opmaking van proces-verbaal en instelling van vervolging (art. 28 B. W.). De bevoegdheid om fouten of misslagen te herstellen of te doen herstellen is aan het O. M. niet toegekend.
Verantwoordelijkheid van de ambtenaren van den burgerlijken stand en de bewaarders der registers, en in verband hiermede:
a. de burgerlijke verplichting tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens belanghebbenden, voor elk verzuim of overtreding (art. 27, lid 1 en 2);
h. de strafrechtelijke vervolging wegens door hen gepleegde misdrijven of overtredingen.
Men zie de artt. 360 en vlg., 379 en vlg., 465 en vlg. W. v. Strafr.
Van de overtredingen tegen de voorschriften van den derden titel van het B. W. door de ambtenaren van den burgerleken stand begaan, waartegen by de artt. 466, 467 en 468, 1°. VV. v. Strafr. is voorzien, neemt de burgerlijke rechter kennis. Ingeval van overtreding tegen die voorschriften door andere bewaarders begaan, kunnen deze door den burgerlijken rechter worden verwezen in eene geldboete van ten hoogste honderd gulden (art. 27, lid 3 en 4 B. W., nieuwe tekst, vastgesteld bij art. 4 der wet van 31 Dec. 1887, Stbl. n°. 265; vgl. art. 137 B. W. en bl. 186 supra). Art. 854 Rv. regelt de procesorde op dit punt.
Personen bij de akten voorkomende:
a. Verschijnende partijen (art. 18);
Men onderscheidt veelal belanghebhenden of hunne bij authentieke akte aangestelde gemachtigden (art. 19) en aangevers. De eersten brengen door hunne verklaring eenig rechtsgevolg, henzelven of de mede-versehijuende party en betreffende, te weeg; de laatsten voldoen aan eene hun opgelegde verplichting.
b. getuigen.
Zij dienen niet slechts solemnitatis causa, maar evenzeer om te waarborgen dat de akte is opgemaakt in overeenstemming met hetgeen door partijen is verklaard.
De vereischten om als getuige op te treden worden vermeld in art. 20 B. W.
verschijnende partijen, getuigen, akten.
Het getal der getuigen verschilt. Bij akten van erkenning, huwe-lijks-aangifteu en afkondigingen worden zij niet gevorderd; bij akten van overlijden valt de hoedanigheid van aangever en getuige samen.
Inhoud der akten. Algemeeue voorschriften voor alle akten.
Men vindt deze vermeld in de artt. 17, 18, 21 B. W. Vgl. toorts het K. B. van 26 Jan. 1822, Stbl. n0. 1, over de vermelding van adellijke titels en kwalificatien en de vraag naar de verbindende kracht er van, Opzoomek, I, bl. 86, noot.
Bepalingen omtrent de verschillende soorten van akten, zoowei wat betreft de personen, door wie de aangifte moet worden gedaan als wat den inhoud aangaat.
A. Akten van geboorten.
Aangifte te doen door de personen, vermeld in art. 30 B. W.
De woorden, „bij gebreke van den vaderquot; passe men toe zoowel op het geval, dat het kind, als buiten huwelijk geboren, geen bekenden vader heeft, als wanneer de vader door afwezigheid of andere redenen belet wordt om de aangifte te doen. Zie H. R. 31 Augustus 1849; v. d. Honert, Str., 1849, II, bl. 86; li., XXXIII, § 34 en fFil. 1062.
Bij bevalling der moeder buiten hare woning rust de plicht tot aangifte op hem, te wiens huize de bevalling heeft plaats gehad. Hoewel de woorden der wet hiertoe eenige aanleiding geven, schijnt het evenwel minder overeenkomstig de bedoeling van den wetgever, om in dit geval den vader en de andere personen, in art. 30 genoemd , uit te sluiten, maar mag men veeleer aannemen, dat in dit geval de verplichting niet alleen op hen rust, maar evenzeer op den persoon, te wiens huize de bevalling heeft plaats gehad (zie van Hall, bl. 149; Diephüis, I, bl. 345; anders Opzoomek, I, bl. 91).
Verzuim van aangifte is strafbaar krachtens art. 448 Wtb. v. Strafr.
Aangifte te doen binnen drie dagen na de geboorte aan den plaatselij ken ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen (art, 29).
De dag van de bevalling wordt derhalve niet medegerekend, overeenkomstig den regel dies termini non computatur in term\'mo. Men houde voorts in het oog, dat ook Zon- en feestdagen een deel van dien termijn uitmaken.
Hoe te beslissen indien de aangifte na dien termijn plaats heeft? Een bepaald verbod aan den ambtenaar om in zoodanig geval eene akte op te maken behelst de wet niet, en men zal dan ook dienen aan te nemen dat de ambtenaar hiertoe bevoegd blijft, terwijl hij,
501
AKTEN VAN GEBOORTEN.
die de aangifte niet tijdig heeft gedaan, krachtens art. 448 W. v. Strafr., aan strafvervolging bloot staat (zie H. R. 31 Oct. 1873; v. d. Hosert, B. li., 38, bl. 526; R., CV, bl. 146 en IFbl. 3653; Diephuis, I, bl. 347). In Frankrijk was hierin voorzien door een Avis du Con-seil d\'Etat van 12 Brumaire an XI (Fortuvn, II, bl. 221), dat echter ten onzent niet meer verbindend schijnt. Zie voorts over een en ander Lkon uitg. Asser en supplquot;. Eombacii, ad art. 29, n0. 1 en 7.
Bevoegdheid van den ambtenaar om zich het kind tc doen ver-toonen (art. 29); volgens den C. Nap. (art. 55) was dit verplichtend.
Inhoud der akten, omschreven in art. 31 B. W.
Te dien aanzien zij opgemerkt:
a. In het toekennen van voornamen aan het kind (art. 31, nquot;. 2) is men niet vrij, doch gebonden aan art. 1 der wet van 11 Gertn. an XI (Fortuvn, II, bl. 246), bepalende dat als zoodanig alleen worden toegelaten namen, voorkomende in de verschillende kalenders en van bekende personen in de oude geschiedenis (zie over deze wet Diei\'iiüis, I, bl. 256 en vlg., en de aldaar op bl. 258 aangehaalde litteratuur en jurisprudentie omtrent hare rechtskracht).
Verandering in- of bijvoeging van eenmaal gegeven voornamen mag niet plaats hebben dan met toestemming van de rechtbank van de woonplaats van den verzoeker, na verhoor van het openbaar ministerie, en zulks met het doe! om misbruiken in het aannemen van ongeoorloofde voornamen tegen te gaan (art. 68). Bij gunstige beschikking op het verzoek, verder te handelen als art. 69 B. W. bepaalt-
b. Namen der ouders (art. 31, n0. 3). Verbod om bij kinderen buiten echt geboren, den naam van den vader te vermelden, ten ware deze bet kind hebbe erkend (art. 32 en het aangeteekende op bl. 334 en vlg.).
Het voeren van geslachtsnamen was in het begin dezer eeuw in ons land nog niet algemeen gebruikelijk, waarom by Keiz. decreet van 18 Aug. 1811 (Bulletin des lois n0. 887 en Fortuyn , III, bl. 327) gelast werd dat zij , die in Holland nog geen vasten naam hadden, er binnen een jaar een zouden kiezen. Deze termijn werd bij decreet van 17 Mei 1813 (Bulletin des lois n0. 563) verlengd tot 1 Januari 1814 en eindelijk werd by K. B. van 8 Nov. 1825 , Stbl. nu. 74 (waarvan de rechtskracht evenwel twijfelachtig mag heeten), deze zaak op nieuw geregeld en nogmaals een termijn, van zes maanden daarvoor toegekend.
Wettige kinderen voeren den naam van hun vader, natuurlijke kinderen dien van den vader, indien zy door dezen erkend zijn en anders dien van de moeder (vgl. hierboven bl. 336). Die naam duidt dus het geslacht aan, waar iemand toe behoort. Van daar ook dat
502
AKTEN VAX GEBOORTE. NAME N.
de wet er voor moet waken dut de naam, dien men eenmaal heeft, niet willekeurig worde veranderd, hetzij door een nieuwen geslachtsnaam aan te nemen, hetzij door een anderen bij den zijnen te voegen. Dit kan alleen geschieden met toestemming des Konings, terwyl van het verzoek, waarop eerst de Officier van Justitie gehoord wordt, melding moet worden gemaakt in de Staatscourant (art. (io, 64), waarin de aankondiging niet wordt opgenomen, dan nadat de Minister van Justitie, behalve de Staatscourant een ander, zooveel mogelijk plaatselijk, dagblad voor de aankondiging heeft aangewezen. Belanghebbenden kunnen gedurende een jaar hunne bezwaren aan den Koning kenbaar maken (art. 65). Na dien tijd zendt de verzoeker een exemplaar van beide couranten aan het Departement van Justitie in en wordt op het verzoek eene beschikking genomen \'). Indien hot verzoek wordt toegestaan moet daarvan in de registers melding worden gemaakt op de wijze als art. 66 voorschrijft. Men zal zich evenwel op zoodanige verandering of bijvoeging nimmer mogen beroepen als bewijs van bloedverwantschap (art. 67). Vroeger was deze zaak geregeld bij ïit. 11 der wet van 11 Germ, an XI, welke bepalingen thans door art. 63 en vlg. vervangen zijn -).
Bijzondere bepalingen:
a. omtrent vondelingeu, omschreven in art. 33, 3-i B. W.;
Indien blijkt dat het kind reeds is ingeschreven, zal men de hier genoemde formaliteiten niet in acht behoeven te nemen, daar er dan
503
akten vax geboorte, huwelijk enz.
reeds eens geboorte-akte bestaat en derhalve een proces-verbaal, dat de plaats van geboorte-akte zooveel mogelijk inneemt, niet noodig is (zie van Hall, bl. 151 en Diephüiss, I, bl. 352, noot 1).
Zie de strafbepalingen tegen bet te vondeling leggen en het niet aangeven van een kind, bij de artt. 256 en volg., 448 Wetb. v. Str.
b. bij geboorte op eeue zeereis, vermeld in art. 35— 37 B. W.
Akten van erkenning van natuurlijke kinderen volgens hare dag-teekening in de registers in te schrijven (art. 38 B. W.).
Geen bijzondere bepalingen omtrent den inhoud van deze akten worden gegeven. Nauwkeurige omschrijving van hem, die de erkenning doet en van het kind, dat erkend wordt, zal echter plaats dienen te hebben.
Hoewel het meer eigenaardig zou zijn dergelijke akten alleen te doen inschrijven in de registers van de geboorteplaats van het kind, schijnt dergelijke opvatting niet in overeenstemming met de algemeene woorden van het artikel, dat geen bepaalden ambtenaar bevoegd verklaart (anders Of/.oomer, I, bl. 94, noot 1). Zie voorts over de erkenning en de gevallen, waarin zy kan plaats hebben, bl. 330en vlg.
B. Akten van huwelijks-aangiften.
Zie art. 39, 40 B. W. en bl. 166, supra.
C. Akten van huwelijks-afkondigingen.
Zie art. 41 en 42 B. W. en bl. 166 en vlg., supra.
D. Akten van huwelijk en echtscheiding.
De inhoud van de huwelijks-akten is uitvoerig vermeld in art. 45 en 46. Zie ook het aangeteekende op bl. 189 en volg., supra.
Omtrent de overschrijving van de akte van een buiten \'s lauds voltrokken huwelijk, zie art. 47, 139 B. W. en bl. 186 en vlg., supra.
De inschrijving van eene echtscheiding geschiedt ten verzoeke van beide partijen of van eene van haar in de huwelyksregisters (art. 48, 276 B. W.). Hetgeen die akte moet bevatten bepaalt art. 48 B. W. Ten aanzien van het yetuigschrift, aldaar onder nquot;. 3 vermeld, zy opgemerkt dat de wet dit blijkbaar vordert om de doorhaling eener inschrijving te voorkomen, indien het vonnis later mocht worden vernietigd , doch dat de griffier het niet altijd kan afgeven zooals de wet dit verlangt, daar toch, indien het vonnis bij verstek is gewezen , er zelfs nu nog volgens art. 81, lid 2 (nieuw) Rv. in sommige gevallen verzet kan worden gedaan tot dat het vonnis ten uitvoer zal zijn gelegd, hetwelk hier juist bestaat in de inschrijving van het vonnis,
504
akten van overlijden.
terwijl voorts tegen ieder vonnis het middel van reqnest-civiel (art. 382 en vgl. Ev.) openstaat. Men vatte dit dan ook aldus op, gelijk liet in de praktijk trouwens geschiedt, dat het getuigschrift, afgegeven na het verstrijken der termijnen, voor verzet of hoogere voorziening voorgeschreven , eene verklaring bevat, dat op de registers ter griffie geen verzet, noch hooger beroep, noch cassatie tegen het vonnis is aan-geteekend. (Zie Opzoomer, ad art. 48; voorts hierboven bl. 284 en 300).
Ji. Akten van overlijden.
Wijze van aangifte en inhoud der akte nauwkeurig omschreven in de artt. 50 en 51 B. W.
In afwijking van het Fransche recht (art. 78 C. Nap.) is op geene bepaalde personen by voorkeur de verplichting tot het doen der aangifte gelegd. De wet noemt hen getuigen (art. 50) en aangevers (art. 51, n0. 3). Zij verschillen in zooverre vau de getuigen bij de andere akten, dat zij niet vereischt worden bij het opmaken der akte solemnitatis causa, maar om het feit zelf te constateeren, hetwelk de akte moet vermelden. Zal men nu ook moeten aannemen dat die personen de vereischten moeten bezitten in art. 20 B. W. voor de getuigen gevorderd? Zie Diephuis, I, bl. 367, in bevestigenden en Opzoomer, ad art. 50, in ontkennenden zin.
De overschrijving van de akte van overlijden in de registers van de laatst bekende woonplaats van den overledene (art. 56, lid 2) staat o. a. in verband met de bepaling van art. 417, lid 2 B. W. (Zie het hieromtrent aangeteekende bl. 385 supra.)
De wet bevat, behalve in hot bijzondere geval van art. 54, geene bepalingen omtrent den tijd, binnen welken de aangifte behoort te geschieden. Hierin is evenwel indirect voorzien door de bepaling dat voor het begraven het verlof van den ambtenaar noodig is en dat deze dit verlof niet mag geven, zonder zich van het overlijden te hebben verzekerd. De voorschriften, dienaangaande vervat in de artt. 53 en 55, zijn ingetrokken by art. 50 der wet van 10 April 1869, Stbl. n0. 65, en vervangen door andere bepalingen, in hoofdzaak hierop nederkomende: de geneeskundigen geven bij het overlijden van elk hunner lijders eene verklaring af, bevattende eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van de oorzaak van den dood (art. 5 der wet 1 Juni 1865, Stbl. n0. 60). By gebreke van dien wordt de doodschouw verricht (art. 4 der wet 10 April 1869). Behoudens bijzondere gevallen mag de begraving niet geschieden binnen de 36 uren en niet later dan op den vyfden dag na het overlijden (art. 6 der wet 1869). In geval er vermoeden van een geweldigen dood bestaat, moet het lyk gerechtelijk worden geschouwd en bovendien schriftelyk toestemming voor de begraving
505
AKTEN VAN O V E K L IJ D E N.
worden gegeven door den officier van justitie of den rechter-commissaris (art. 5 der wet 1869). Vgl. de strafbepalingen in art. 40 en vgl. der wet van 10 April 1869, j0. art. 10, 23°. der wet van 15 April 18H6, Stbl. n0. 64, alsmede het K. B. van 15 Jnli 1818, Stbl. n0. 30, houdende verordeningen betrekkelijk het doen van gerechtelijke schouwingen.
Bijzondere bepalingen:
a. bij overlijden van pasgeboren kinderen, omschreven in art. 52 B. W.
Het voorschrift van het laatste lid heeft ten doel om te beletten dat de akte van overlijden als bewijs zou kunnen dienen van het leven van het kind gedurende zekeren tijd. Nu is die akte geen akte van overlijden en kan dus niets beslissen omtrent de vraag of het kind al dan niet levend ter wereld is gekomen — eene vraag die vooral bij het erfrecht van zeer groote beteekenis is.
b. bij overlijden in gesticliten, vermeld in art. 51 13. W.
Van het feit dat iemand in eene gevangenis overleden is zal in de akte geen melding worden gemaakt (art. 59 B. W.).
c. bij overlijden gedurende eene zeereis, vermeld in art. 60 B. W.
Zie de circulaire van den Min. van Justitie van 27 Maart 1844, Bijv. t. h. Stbl. 31, bl. 145, waarbij de nakoming van art. 60 B. W. wordt aanbevolen bij sterfgevallen aan boord van visschersschepen, waarop een journaal wordt gehouden, terwijl by gebreke hiervan de akte van overlijden moet worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, waar het vaartuig het eerst is binnengeloopen. Vgl. over het begraven van die lijken art. 3, wet 10 April 1869, Stbl. n0. 65 en K. B. 18 Oct. 1869, Stbl. n°. 162. Zie ook art. 53 Ontw. 1886 en de Mem. v. Toel. op dat art., omtrent het opmaken van akten van overlijden van iemand, die in zee over boord is gevallen, en niet is kunnen worden gered, terwijl zijn lyk ook niet is gevonden.
cl. bij overlijden van krijgslieden te velde, in den slag of in \'s rijks dienst buiten liet Koninkrijk (art. 6i).
Zie de K. Bquot;. van 13 Juli 1830, Stbl. n0. 53 en van 4 Nov. 1888, Stbl. n0. 158.
e. bij het ten uitvoerleggen van doodvonnissen, art. 57, 58 en 59 B. W.
Deze bepalingen zullen weinig toepassing meer vinden, sedert art. 1 der wet van 17 September 1870, Stbl. n°. 162, de doodstraf heeft
506
KAST DEK AKTEN. OPENBAARHEID. UITTREKSELS.
afgeschaft in de gevallen, waarin zij door de burgerlijke strafwet wordt bedreigd; de inhoud van deze wet is gehandhaafd bij art. 9 Wetb. van Strafr.
Kant der akten.
Uit verschillende wetsbepalingen (zie o. a. art. 16, 38 B. W.) volgt dat men ter zijde van de akten eene open ruimte moet laten, zoowel om hetgeen in de akten mocht worden doorgehaald of tnsschen oei de ingelasoht goed te keuren, als om aldaar aanteekening te kunnen houden van veranderingen tot den burgerlijken staat der personen betrekking hebbende. De wijze, waarop dit geschiedt, schrijft art. 25 B. W. ■voor. Tot hetgeen aldaar vermeld behoort te worden, rekent de wet;
a. erkenning van natuurlijke kinderen, ter zijde van de geboorteakte (art. 38);
Wenschelijk ware ook de vermelding ter zijde van de geboorte-akte van een vonnis, waarbij de ontkenning van de wettigheid van een kind wordt geldig verklaard;
/j. veranderingen in geslachts- of voornamen, op den kant der geboorte-akte (art. 66, 69):
c. akten tot stuiting van een huwelijk cn akten of vonnissen tot opheffing der stuiting op den kant der akte van huwelijksafkondiging (art. 43);
d. ontbinding des huwelijks en echtscheiding, ter zyde van de huwelijksakte (art. 48, vgl. art. 260 en 276);
Wenschelijk ware ook de vermelding, ter zijde van de huwelijksakte, van vonnissen, waarbij de nietigheid van een huwelijk wordt uitgesproken.
e. vonnissen tot verbetering of aanvulling eener akte, ter zijde van die akte (art. 73).
Wenschelijk ware wellicht de vermelding van de uitspraak, waarbij de valschheid eener akte wordt bewezen verklaard. Vgl. bl. 510, infra.
Openbaarheid der registers; uitgifte van uittreksels.
De registers van den burgerlijken stand zyn openbaar in dien zin, dat ieder zich uittreksels kan doen afgeven. Zulks geschiedt uoor den bewaarder der registers (nl. den ambtenaar van den burgerlijken stand of den griffier der rechtbank).
Die uittreksels zijn in den regel volledige afschriften van in de registers voorkomende akten; intusschen heeft de praktijk ook zeer verkorte uittreksels van akten ingevoerd, hoedanige meestal zonder bezwaar de eigenlijke afschriften kunnen vervangen (zie H. E. 5 Jan. 1880, E. 124, § 3, W. 4471).
Geene uittreksels uit registers van den burgerlijken stand mogen
507
508 BEWIJSKRACHT DEK UITTREK S E L S.
worden afgegeven, tenzij daarbij worden gevoegd de aanteekeningen, die zich op den kant der akte bevinden (art. 25, lid 3).
Zie voorts over de heffing van rechten wegens verrichtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, de wet van 23 April 1879, Stbl. nquot;. 72, krachtens K. B. van 14 Jnni 1879, den 1 Jan. 1880 in werking getreden.
Bewijskracht.
Ue Fransche wet van 20 Sept. 1792 bepaalde in art. 6, titel 2, dat „les actes contenns dans les registres, et les extraits qui eu seront „délivrés feront foi et preuve en justice des naissances, manages et „décès;quot; en evenzoo leest men in het Ontwerp 1820, art. 808, dat de registers „een volkomen bewijs opleveren van de geboorten, huwelijken en sterfgevallen, waarvan in dezelve is inschrijving gedaan, „tot dat de valschheid der inschrijving zal zyn aangetoondquot;. Onze wet bevat evenmin als de Code Nap. eene bepaling omtrent de bewijskracht der registers, en regelt alleen in art. 24 B. W. die van de uittreksels.
Het gemis van uitdrukkelyke vermelding van de bewijskracht der registers heeft onze schrijvers aanleiding gegeven tot velerlei beschouwingen, waarbij doorgaans wordt verwezen naar de regelen van het bewijs van authentieke akten in het algemeen, en verder onderscheiden tusschen datgene, wat door of ten overstaan der ambtenaren is verricht, hetgeen als volkomen bewezen wordt beschouwd tot op de betichting wegens valschheid — en den inhoud der verklaring, waaromtrent men alweder verschil maakt tusschen het bewijs tegenover partijen en tegenover derden. Het valt niet te ontkennen dat men door dergelijke redeneeringen de zaak meer en meer verduistert en de bewijskracht der akten omver stoot, om ten slotte tot resultaten te geraken, volkomen strijdig met het beginsel, dat aan de geheele inrichting en het doel van den burgerleken stand ten grondslag ligt.
O. i. verdienen de registers van den burgerleken stand in alle opzichten volkomen (jeloof \'), totdat zy van valschheid zijn beticht; en behoudens hetgeen later omtrent de verbetering en aanvulling der registers zal worden gemeld. (In gelijken zin Grolman, Zachabiae, van Hall, bl. 143). Die geloofwaardigheid en algemeene bewijskracht
\') In schijnbaren strijd hiermede is de bepaling dat onwettige afstamming eerst door erkenning wordt bewezen, ofschoon de nuam der moeder in de geboorte-akte vermeld moet zijn. Deze strijd wordt o. i. opgelost als men in het oog houdt dat de erkenning den rechtsband schept, terwijl de natuurlijke verhouding reeds door de geboorte-akte vaststaat, en b. v. als huwelijksbeletsel zal moeten gelden, ook zonder erkenning. Zie bl. 154, 337 supra.
bewijskracht der uittreksels.
is geheel in harmonie met de bepalingen van art. 24, 29 lid 3, 155, 316 en 1957 B. W., en wordt daarenboven a contrario gestaafd door de bepaling van art. 72 B. W. \').
Dat de wet de bewijskracht der registers niet vermeldt achten wij geen verzuim. De oorspronkelijke akten toch komen slechts by uitzondering onder de oogen van den rechter; het bewijs wordt juist geleverd door de uittreksels, en te recht wordt dan ook daaraan door de wet de bewijskracht toegekend, mits zij met de registers overeenstemmen , hetwelk door de openbaarheid der registers ieder oogenblik kan worden geverifieerd.
De door den bewaarder der akten afgegeven uittreksels verdienen geloof onder de volgende voorwaarden:
a. dat zij met de registers van den burgerlijken stand overeenstemmen (art. 24).
Dit vereischte is een uitvloeisel van de algemeene rechtsleer dat de kracht van het bewijs van een afschrift in de oorspronkelijke akte gelegen is (art. 1925 B. W.). De vertooning der oorspronkelijke akte zal ingeval van beweerde valschheid van het afschrift niet anders kunnen geschieden dan krachtens art. 185 Rv.; men zal echter doorgaans niet dit rechtsmiddel behoeven te baat te nemen; een ieder toch, die zich op de al of niet-overeenstemming der uittreksels beroept, is in staat de juistheid daarvan te toetsen aan een nieuw te vervaardigen afschrift, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand of de griffier verplicht is uit te reiken. Zie omtrent den bewyslast in zake van beweerde niet-overeenstemming der uittreksels o. a. Opzoomer, ad art. 24 B. W.
b. dat zij zijn gelegaliseerd door den voorzitter der rechtbank of den hem vervangenden rechter (art. 24).
Zoodanige legalisatie strekt tot bevestiging van de echtheid van
509
. onderteekening van den bewaarder der registers. Het vereischte sub h vatte men echter niet zoo streng op, dat het ontbreken der legalisatie noodwendig aan het uittreksel zijne bewijskracht ontneemt (zie Lkon , uitg. Asser, ad art. 24, n0. 1 en arr. H. R., 5 Jan. 1880 op bl. 507, supra aangehaald, alsmede arr. H. R., 27 Juni 1881, R. 128, § 38 , W. nquot;. 4673).
1) Niet zoo ver gaat het Ontw. 1886. Het verleent in art. 20 aan de akten volledige bewijskracht omtrent hetgeen, naar de verklaring van den ambtenaar van den burgerlijken stand, door hem gedaan of in zijne tegenwoordigheid geschied is. Hetgeen met betrekking tot het feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken, door de partijen is verklaard, wordt tot bewijs van het tegendeel voor waarheid gehouden. Vgl. de Memorie van Toelichting op hetzelfde artikel.
510 ON TB KEKEN VAN REGISTERS.
De bewijskracht van het uittreksel duurt voort tot op het oogeu-blik dat de valschheid daarvan zal zijn beweerd, volgens de regelen bij het W. v. 13. R. (art. 176 en v.) voorgeschreven (art. 24).
De valschheid kan o. i. worden beweerd, zoowel ten aanzien van het afschrift, als ten aanzien van de oorspronkelijke akte.
Wenschelijk ware het wellicht te bepalen dat by geleverd bewijs van valschheid van eene oorspronkely ke akte , van die uitspraak aan den kant der akte worde melding gemaakt. Vgl. bl. 507 supra.
Ontbreken der registers of van gedeelten daarvan. Bewijs door getuigen of bescheiden van liet feit, hetwelk de akte moest consta-teeren (art. 26).
Vooraf behoort tc gaan het bewijs dat de registers nooit hebben bestaan (hetwelk thans niet licht zal voorkomen, doch dat kort na de invoering van de Fransche wetgeving wel het geval kon zijn) of zijn verloren geraakt, hetzij geheel (b. v. door brand) of ten deele (b. v. indien eenige bladen aan een register ontbreken , ter plaatse waar de akte moest voorkomen). Dit bewijs mag men leveren door getuigen en bescheiden. Tot deze laatsten behoort ook een strafvonnis, wanneer daaruit het ontbreken der registers blijkt (art. 26, lid 2, 1955 B. W.). Slaagt men in dit bewijs, dan wordt men toegelaten de geboorten, erkenningen, huwelijken, inschrijvingen van echtscheidingen en overlijden door getuigen of bescheiden te bewijzen. Zie de artt. 49, 62 eii 156 B. W. Zelfs wordt in zoodanig geval het bewijs van het bestaan eens huwelijks aan \'s rechters oordeel overgelaten, mits er uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig zij (art. 156 B. W. en bl. 190 supra). De rechterlijke uitspraken nemen hier de plaats in van de ontbrekende registers en moeten dan ook eene zeer ruime bewijskracht bezitten. Vgl. art. 1957 B. VV.
Buiten deze gevallen, onverschillig of de registers al dan niet bestaan , geeft de wet hier en daar een middel aan de hand om in de uiet-aanwezigheid van eene bepaalde akte in een bepaald aangeduid geval te voorzien. Zoo kan de geboorte by wettige afstamming worden bewezen op de wijze bij art. 316 en vlg. B. W. geregeld (vgl. bl. 325 en v. supra), en by natuurlijke afstamming volgens art. 342 en 343 B. W. (vgl. bl. 338 en v. supra). Voorts kan eene akte van bekendheid enz. de geboorte-akte vervangen bij een huwelijk (art. 127 B. W. en bl. 178, 179 supra), eu op dezelfde wijze zal in hetzelfde geval zoodanige akte in de plaats van eene overlijdens-akte kunnen treden (art. 128 en bl. 180 supra). Eindelijk zal meu steeds het overlijden door getuigen of bescheiden mogen bewijzen, indien het blijkt dat
AANVULLING EN V E R B E T ERIN G.
bijzondere omstandigheden de inschrijving eener akte hebben verhinderd (art. 62).
Men houde we] in liet oog dat de hier gestelde regelen alleen kunnen gelden voor het bewijs van die feiten, welke hebben plaatsgegrepen onder de werking van den C. Nap. of het B. W., en dat indien feiten, vóór de invoering dier wetboeken voorgevallen, in rechte bewezen moeten worden, daarvoor elk hulpmiddel kan worden te baat genomen, waaruit de staat van personen kan worden bewezen (vgl. bi. 327 supra).
Aanvulling der registers in de bovengenoemde gevallen en verbetering , ingeval van dwalingen, uitlatingen of andere misslagen in de ingeschreven akten (art. 70—73).
Alle belanghebbenden hebben de bevoegdheid daartoe het verzoek te doen, waarbij men niet alleen denke aan een geldelijk — maar evenzeer aan een maatschappelijk of zedelijk belang. Het t). M. mist die bevoegdheid.
Men moet zich hiertoe bij verzoekschrift wenden tot de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de registers zijn of hadden behooren te worden gehouden (art. 71 B. W. en 829 Rv.). Deze kan de oproeping van belanghebbenden bevelen, in welk geval de artt. 830 en 831 Rv. de procedure regelen. De rechtbank doet uitspraak, na verhoor van het O. M. en behoudens hooger beroep (art. 71 B. W. en 832 Rv.). Zij kan tevens het hooren van getuigen bevelen om de feiten, die de verzoeker in zijn request heeft gesteld tot klaarheid te brengen.
Dergelijke uitspraken zijn alleen van kracht tusschen hen, die haar hebben uitgelokt of die daarbij zijn opgeroepen (art. 72 B. W.).
Het is alleszins te rechtvaardigen dat men meer volstrekt geloof hecht aan eene verklaring, onmiddellijk bij geboorte, huwelijk of overlijden enz. afgelegd, dan aan eene aanvulling of verbetering der registers, doorgaans met een bepaald oogmerk tot stand gekomen; intnsschen kon het wenschelijk zijn dat de wet b. v. door middel eener openbare dagvaarding, de gelegenheid verschafte om aan de rechterlijke uitspraak tot verbetering enz. der registers eene even algemeene bewijskracht als aan de akten zeiven te verleenen gt;).
511
Men zie voorts over de inschrijving van deze uitspraken en de vermelding op den kant der akten (art. 73 B. W., bl. 507 snpra).
\') lu overeensteramiDg: met hetgeen het Ontwerp 1886 in art. 20, zie bl. 509, noot 1 snpra, omtrent de bewijskracht der akten voorschrijft, wordt in art. 29 bepaald dat de ingeschreven aanvulling of verbetering, voor zoover zij betreft het feit, waarvan de akte bestemd is te doen blijken, tot bewijs van bet tegendeel voor waarheid wordt gehouden.
HOOFDSTUK V.
Over rechtspersonen.
§ 1-
ALREMEEN BEGUIP.
Eechtspersoneu zijn enkel door liet recht geschapen of althans erkende vennogenswezens. Hunne persoonlijkheid is niet als van zelf aanwezig, maar veeleer aan eene rechtsüctie te danken. Zij ontleeneu hun rechtskundig bestaan aan de noodzakelijkheid of de wenschelijk-heid om sommige publiek- of privaatrechtelijke oogmerken te bereiken.
Wij noemden op bl. 98 supra den mensch den persoon bij uitnemendheid. Hij is degene, die van nature bestemd is als onderwerp van rechten op te treden. Zijne rechtskundige persoonlijkheid dankt hy wel is waar in zekeren zin ook aan het recht (zie b. v. art. 2 B. W.), maar de begrippen van mensch en persoon zijn voor onze waarneming zoozeer saamgeweven, dat men die moeielijk van elkander kan afscheiden , en dat ook des menschen rechtsbevoegdheid en de daarmede samenhangende persoonlijkheid niet zou worden in twijfel getrokken, al ware hem die niet door de wet rechtstreeks of zijdelings toegekend; zulks te minder, omdat er naar ons recht geene menschen zijn, die tengevolge van slavernij of burgerlijken dood van persoonlijkheid zijn ontbloot of beroofd.
Terwyl er dus ten onzent geen mensch bestaat, die niet in rechls-kundigen zin persoon is, is echter het begrip van persoon ruimer dan dat van mensch en omvat ook vereenigingen of instellingen, die door eene rechtsfictie tot personen worden gemaakt \').
1) In den laatsten tijd heeft men zeer verscliillend gedacht over de vraag wat eigenlijk als kern van den rechtspersoon moet worden beschouwd, wat diens wezen vormt. Eener-zijds staan de klassieke rechtsgeleerden als v. Savigny en diens opvolgers; deze ho lden zich streng aan de leer dat de rechtspersoon is een „verraogenswezen, dat uitsluitend aan „het recht (eene rechtsfictie) zijn aanzijn ontleentquot; (bepaling van Goudsmit, I, bl. 59). Deze theorie is bij verschillende schrijvers door andere vervangen , h. v. dat het doe/ zelf de rechtspersoon zou zijn (waartegen men kan aanvoeren dat het doel juist datgene is wat de persoon wil bereiken), of wel dat de rechtspersoon gezocht moet worden in de onderlaag van individuen, waar het eene vereeniging, — in het vermogen, waar het eene stichting geldt (waaromtrent men kan vragen waarom hier het vermogen, daar niet, maar integendeel de vereeniging van personen? zie Demelius, Jahrb. f. d. Dpgmatik IV,
RECHTSPERSONEN. ALGEMEEN BEGRIP.
In de eerste plaats bestaat hiertoe aanleiding als het doel, dat een aantal individuen zioh voorstelt te bereiken, besterad is hunnen levensduur te overtreffen, of wel niettegenstaande afwisseling van personeel te blijven bestaan.
Verder kan het voorkomen dat een enkel persoon \') eene instelling van weldadigheid, wetenschap of\' kunst enz. wenscht in het leven te roepen en na zyn dood bestendigd te zien, met vermijding van de gevaren, waaraan zoodanige instelling door verandering van eigenaar, inrichting of bestemming kan zijn blootgesteld.
Van daar de groote onderscheiding van de rechtspersonen in twee soorten, nh: 1° de zoodanige, die hun ontstaan te danken hebben aan eene vereeniging van natuurlijke personen of leden, die tot bevordering van hun doel een zelfstandig, doch niet in stoffelijken zin beslaand wezen in het leven roepen, dat voortaan in zekere mate onafhankelijk van hen blijft voortbestaan, als rechtssubject of drager van rechten en verplichtingen. Zij, die tot het doen ontstaan of tot het voortbestaan van den rechtspersoon medewerken, worden niet oneigenaardig door de schrijvers de onderlaag — het substratum — van dat onstoffelijk wezen genoemd.
Deze soort van rechtspersonen worden met velerlei benamingen bestempeld. De namen corpora, nniversitates, collegia, corporatiën.
bl. 119, Goudsmit , Sysl. I , bl. 60 noot; als ook hoe het mogelijk is dat bij stichtiDgen het vermogen tegelijk subject en object, eigenaar en eigendom kan zijn?). Terwijl men het echter over de zaak zelve vrijwel eeus is eu ieder jurist met juistheid gevoelt wat een rechtspersoon is, komt het ons voor dat de strijd veeleer een strijd van woorden dan van beginselen is. Dit valt sterk in het oog als men de talrijke schakeeringen in de theoriën der juristen nagaat (zie b. v. de vermelding van een aantal bestaande theoriën door Mr. S. J. Hingst, Rechtsg. Bijdr. 1886/7 A, bl. 266 en v.). Men moge het er al over eens zijn dut de vereeniging van personen, de onderlaag van individuen bij zedelijke lichamen een stoffelijk aanzijn heeft, dat het vermogen der stichting in werke-Igkheid bestaat, niet minder waar blijft het dat de eenheid, de persoonlijkheid, wij zouden zeggen de vlag, waaronder die vereeniging zich beweegt of het levenlooze vermogen der stichting zich als een wezen doet gelden een begrip is, dat slechts in de gedachte bestaat. Daarom zien wij geen voordeel in het afwijken van de klassieke leer, en meencn wij dat in de nieuwere, in elk geval moeielijk te formuleeren theorieën, zeker geen gemak voor de studie van het recht is gelegen. Al moge dus het bestaan van de vereeniging of stichting in zeker opzicht voor de zintuigen waarneembaar zijn (wie zal dat ontkennen ?j de persoonlijkheid, het zijn van rechtssubject blijft altijd eene fictie; eene hoedanigheid, waarmede het recht somtijds stilzwijgend, veelal uitdrukkelijk, zoodanige vereeniïing of instelling bekleedt, en wel naar het voorbeeld van de persoonlijkheid van den mensch welke met dezen nagenoeg geheel is vereenzelvigd en daarom minder in het oog valt.
\') Het spreekt van zelf dat ook verscheidene personen eene stichting kunnen in het leven roepen; ja zelfs is het denkbaar dat een rechtspersoon, b. v. eene gemeente zulks doet.
Asseb, Burger}, Recht. I. 3e druk. 33
513
alsem een begrip.
514
rechtspeksonen.
vereenigingen, vereenigde lichamen, en vooral zedelijke lichamen, worden niet zelden in deze beteekenis gebezigd;1
2°. de rechtspersonen, die door een enkel persoon worden opgericht, hetzy reeds tijdens diens leven, hetzy vooral na diens dood, worden stichtingen, fundatiën, piae causae genoemd. Het is des stichters doel die instelling aan alle bovenomschreven gevaren te onttrekken, waartoe het noodig is dat zij worde losgemaakt van den persoon zijner erfgenamen of rechtverkrijgenden, eu te voorschijn trede als zelfstandig en boven alle wisselvalligheden verheven rechtssubject. Niet minder dan bij -de eerstgemelde soort van rechtspersonen, is derhalve erkenning der persoonlijkheid door het recht noodig. Aan de stichtingen ontbreekt de onderlaag van personen hierboven bedoeld, al moge soms in schijn het bestuur eener stichting eenige uiterlijke overeenkomst met de leden of het bestuur eener corporatie opleveren.
Ofschoon vele rechtspersonen eenen werkkring hebben, die verre de grenzen van het privaatrecht overschrijdt — men denke aan den staat, de provinciën, de gemeenten enz., hebben wij ten deze slechts het oog te vestigen op de rechtsbevoegdheid en de daarmede samenhangende vermogensrechtelijke handelingen dier personen, door Mr. Goudsmit en anderen uit dien hoofde vermogenswezens genoemd.
By het toekennen echter der vermogensrechtelijke bevoegdheden verlieze men niet uit het oog, dat deze niet zelden door de statuten of reglementen, somtijds ook bij de wet, overeenkomstig den eigan-aardigen werkkring dier lichamen of wegens redenen van maatschappelijk belang kunnen worden beperkt of aan bepaalde voorwaarden verbonden. De rechtsbevoegdheid toch is het middel, niet het doel der rechtspersonen, en zij behoeven geen ruimere bevoegdheid te hebben dan tot bereiking van hun oogmerk noodig is.
Het voornaamste gevolg van liet zelfstandig bestaan der rechtspersonen is de volmaakte afscheiding van het vermogen van zulk een lichaam van dat der natuurlijke personen, die het in het leien hebben geroepen of bestendigd.
De eigendommen van een rechtspersoon, zoolang die bestaat, be-hooren aan de denkbeeldige eenheid, maar niet aan de leden, zelfs niet aan allen te zamen; evenzoo drukken de schulden uitsluitend op dienzelfden denkbeeldigen persoon, en zijn niet verhaalbaar op de leden of den stichter. „Si quid universitati debetur, singulis non „debetur, nee quod debet universitas, singuli debentquot; (1. 7 § 1 D. quod cuiusque univ. nom. 3, 4).
RECHTSPERSONESr. algemeen 15egrtc.
Zoo kunnen ook de leden — om ons bij zedelijke lichamen te bepalen — met dat lichaam, evenals met ieder ander vreemd persoon overeenkomsten sluiten, zakelijke rechten op de eigendommen van het lichaam verwerven, daarmede rechtsgedingen voeren enz.
Het ontbreken van pliysiek bestaan der rechtspersonen maakt het noodig dat, bij gebreke van bepalingen deswege door de oprichters, leden of stichters gemaakt, de wet regelen voorschrijve:
a. voor hun ontstaan — voor zoover dit niet van geschiedkundigen oorsprong is of wel door tijdsverloop in het duister ligt;
h. voor hun te niet gaan;
c. voor hunne inrichting en vertegenwoordiging ;
d. voor hunne rechtsbevoegdheid.
Het ontbreken van physiek bestaan heeft mede ten gevolge dat van familierecht ten aanzien van rechtspersonen geen sprake kan zijn.
515
Wat het erfrecht betreft, kan men enkel denken aan de bevoegdheid om krachtens uitersten wil te genieten; eene bevoegdheid, die niet zelden door verschillende wetgevingen aan banden gelegd of somtijds zelfs aan rechtspersonen geheel ontzegd is.
Het strafrecht is op rechtspersonen nagenoeg buiten toepassing. Zie b. v. von Savigny, Syd., II, o. a. bl. 312. „Das Criminalrecht „hat zu thun mit dem natürlichen Menschen als einem denkenden, „wollenden, fühlenden Wesen. Die juristische Person aber ist kein „solches, sondern nur ein Vermogen habendes Wesen, liegt also ganz „ausser dem Bereich des Criminalrechts.quot; Zoo besliste de H. Raad, dat zedelijke lichamen slechts dan tot geldboeten kunnen worden verwezen , wanneer die by eene speciale wet of wettelyke verordening nitdrnkkelijk en met name tegen hen zijn bedreigd (zie Arr. van 29 Dec. 1846, v. d. H., Str. 1846, II, 512—518 ; E. Bijbl. 1851, bl. 665).
Men zie over dit onderwerp in het algemeen: v. Savigny, Syst., II, § 85 en v.; Windscheid, Pand. I, § 57 en v.; Goudsmit, Syst, I, bl. 59 en v. en aldaar aangehaalde schrijvers; v. Hall, bl. 115 en v.; Opzoomer, IX, bl. 161 en v., en verder de schrijvers, bij van Hall, bl. 116 en Léon, uitg. Asser en supplquot;. Rombaoh sub art. 1690 genoemd.
33*
rechtspersonen. geschiedenis.
§ 3.
uechtspeksonen in het romeinsch recht bekend.
De rechtspersonen in het Romeinscli reclit voorkomende zijn:
J. de vereenigingen van personen, bekend onder den naam van
universitates, collegia, corpora.
Als zoodanig zijn te vermelden: 1°. de stedelijke gemeenten en enkele harer bestanddeelen (civitas, municipium, colonia, respubliea, comtmi-nitas, vici, fora, enz.); 2°. godsdienstige vereenigingen; 3°. vereenigingen van beambten (scribae, fiscales, decuriali enz.); 4°. vereenigingen van ambachtslieden of gilden; 5°. vereenigingen tot gezellig verkeer (sodalitia), die wegens hare ontaarding tot middelpunten van staatkundige partijschappen, door wetten en senaatsbesluiten voor het meerendeel werden opgeheven, en voor verdere oprichting van overheidswege vergunning noodig hadden. Vandaar de onderscheiding tussohen collegia licita en illicita, en de uitdrukkingen quibus ex Scto coïre licet of quibus corpus habere conceditur. De noodzakelijkheid voor rechtspersonen om door het openbaar gezag te worden erkend is sedert vrij algemeen in de nieuwere wetgevingen overgegaan, (v. Savigny, Si/st. 11, § 88.) 6°. vereenigingen wier doel winstbejag is als de collegia vectigalium publicorum, aurifodinarum, enz. (zie over deze en de volgende rechtspersonen vooral Goudsmit, Pand. I, blz. 62 en v. en de aldaar aangehaalde plaatsen, en uitvoeriger v. Savignv , Syst. II, § 86 en v.).
II. de stichtingen, piae causae.
Zij waren instellingen van liefdadigheid, doorgaans met een godsdienstig karakter bekleed. Oudtijds kwamen zij te Rome uiterst zeldzaam voor; de makingen werden alsdan beschouwd als aan de godheden zelf te zijn geschied. Onder de heerschappij van den Christelijken godsdienst zijn zij in hooge mate ontwikkeld en vermenigvuldigd. Zij stonden in nauw verband met de kerk, die een waakzaam toezicht over de stichtingen uitoefende, zoo zelfs dat sommigen meenen dat eene making ad pias eau sas de kerk tot onderwerp had. De stichtingen werden gevestigd bij uitersten wil of schenkingsbelofte.
III. de Jiscus, dat is de staat zelf, voor zoover hij, wat de schatkist betreft, als onderwerp van rechten en verplichtingen optreedt.
Zie omtrent de ontwikkeling van dit begrip en de latere samensmelting van de senaatskas en keizerlijke kas, v. Savignï, II, bl. 272 en v., 360 en v.
516
RECHTSPERSONEN. GESCHIEDENIS. 517
TV. De her edit as jacens, of de nog niet aanvaarde erfenis.
Deze kan slechts in oneigenlijken zin tot de rechtspersonen gerekend worden. Zie v. Savigny , II, § 102.
§ 3.
GESCHIEDENIS ONZER WETGEVING TEN AANZIEN VAN RECHTSPERSONEN.
In den Code Napoleon treft men geene bepalingen omtrent recbts-personen aan; men moest onder diens heerschappij zijn toevlucht nemen tot de bepalingen van het Romeinsch recht of tot de regelen van vennootschappen, die echter in aard, doel en werking ten eenenmale van corporatiën verschillen (zie o. a. Lipman, B. IV., bl. 505).
Ons vaderland was in vorige tyden een vruchtbare bodem voor het ontstaan van allerlei corporatiën tot oefening, wetenschap, nut en vermaak en evenzoo tot het in het leven treden van stichtingen van liefdadigheid, waartoe de godsdienstige zin en de rijkdom hier te lande, een enkel maal ook wel de ydelheid, het hunne bijdroegen. Zie o. a. de voortreffelyke geschiedkundige schets omtrent de stichtingen hier te lande in het praeadvies van Mr. Fkith, Hand. der jurist en - vereen vj ing 1883, I, bl. 44 en v.
Het is dus niet te verwonderen dat in het Ontwerp van 1820 een titel, en wel de 24e of laatste van het le boek, gewijd was aan „Korporatiën, vereenigde ligchamen en stichtingen, als personen be „schouwdquot;, waar het onderwerp o. i. op zijne juiste plaats, na de natuurlijke personen behandeld is.
Vreemd mag het heeten dat met dit voorbeeld voor oogen het wetboek van 1830 wederom geene bepalingen ten aanzien van rechtspersonen bevatte. Eerst bij de laatste herziening is een ontwerp deswege ingediend, dat met eenige wijzigingen thans in ons B. W. voorkomt als 10e titel van het 3\' boek onder het opschrift; „van zedelijke lichamen\'\'\' \'), na den titel van maatschap of vennootschap. (Zie omtrent dezen titel Voordüin, V, bl. 308 en v.). Gegronde bedenkingen zijn door de meeste schrijvers tegen deze plaatsing gemaakt, daar zedelijke lichamen niet meer dan eene schijnbare en uiterst bedriegelyke gelijkenis met maatschappen opleveren. Onze wet verstaat onder zedelijke lichamen, blykens art. 1690 B. W,, alleen de
\') Het woord „rechtspersoonquot;, dat trouwens een ruimer begrip omvat, was toen nog slechts bij de schrijvers bekend. In wettelijke taal vindt men het eerst in na te noemen wet van 22 April 1855, Stbl. n0. 32.
ZEDELIJKE LICHAMEN. DE STAAT.
rechtspersonen, waaraan eene vereeniging van personen tot grondslag strekt. De stichtingen worden in gemelden titel niet behandeld, en ofschoon haar bestaan niet kan worden voorbijgezien of ontkend, ja zelfs in art. 946, lid 2 B. W., art. 4, 2°. en art. 242 Ev. uitdrukkelijk van stichtingen melding gemaakt wordt, zoo is haar toestand ten onzent nagenoeg ongeregeld \').
In onmiddellijk verband met de bepalingen van het B. W. omtrent zedelijke lichamen staat de wet van 22 April 1855, Stbl. nquot;. 32, inzonderheid de artt. 5—11, 14 (gewijzigd bij de wet van 14 September 1866, Stbl. n0. 123) en 15.
Behalve de beide genoemde soorten van rechtspersonen (zedelijke lichamen en stichtingen) komen ten onzent als zoodanig nog in aanmerking: de naamlooze vennootschap van koophandel en de coöperatieve vereeniging. Dat zij in enkele opzichten belangrijk van de tot dusver besproken rechtspersonen afwijken, zal later worden aangetoond. Niettemin aarzelen wij niet beide onder het begrip van rechtspersonen te rangschikken, gelyk de wet dit dan ook uitdrukkelijk ten aanzien van laatstgemelde vereenigingen heeft gedaan (zie art. 6 der wet van 17 Nov. 1876, Stbl. n0. 227, tot regeling der coöperatieve vereenigingen).
§ 4.
RECHTSPERSONEN ONDER ONZE WETGEVING BESTAANDE.
I. Zedelijke lichamen.2)
A. Op openbaar gezag ingesteld of erkend (Art. 169ü B. W.): 1quot;. De Staat;
Blijkens de memorie van toelichting heeft men onder de vereenigingen op openbaar gezag ingesteld of erkend willen begrijpen de Staat, de gewesten, de gemeenten, de dijks- en polderinrichtingen enz.
\') Nadat de bij Kon, Besluit van 28 Pebr. 1880, n°. 8 benoemde Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, op 21 Nov. 1882 aan den Koning een ontwerp van wet betreffende Vereenigingen en Stichtingen had ingediend, is dit in het Ontwerp van 1886 als le, 20* en 21e titel vau het eerste boek opgenomen , met weglating van eenige bepalingen van transitoir recht, die bestemd waren voor het geval, dat die titels als afzonderlijke wet zouden zijn ingevoerd (zie bl. 301 der Mem. v. Toel.), maar die thans in eene wet op den overgang van de tegenwoordige tot de latere burgerlijke wetgeving behooren voor te komen.
\') Hiermede bedoelen wij thans iu engeren zin de rechtspersonen, waaraan vereenigingen van individuen lot grondslag strekken, universitaies personarum.
518
ZEDELIJKE LICHAMEN. PE0V1NC1ÜN. GEMEENTEN.
(Vookduin V, bl. 313). Geheel juist voorzeker is dit niet, daar eensdeels van eene eigenlijke oprichting van den Staat in burger-rechtelijken zin geen sprake kan zijn, en verder het openbaar gezag, dat den Staat zou moeten instellen of erkennen, geen ander dan de Staat zelf of -wellieht de Eegeering — eene macht in den Staat — zou zijn. Verder blijkt het uit de enkele lezing der artt. 1690—1702 dat men, in strijd met de toelichting, hoofdzakelijk heeft gedacht aan lichamen van anderen aard dan de zooeven genoemde (zie b. v. de uitdrukking „ledenquot; en de bepalingen van de artt. 1696, 1699 enz.).
Wij hebben hier verder niet te maken met den Staat uit het oogpunt van staats- en volkenrecht, noch met de staatsregelingen en grondwetten, die den Staat achtereenvolgens hebben gegrondvest, noch met den Staat als handhaver van orde en veiligheid, of als bevorderaar van zedelijke en stoffelijke welvaart (v. Hall, bi. 1171.
Dat de Staat op privaatrechtelijke wijze eigendommen kan hebben, verbintenissen aangaan en deswege voor den burgerlijken rechter eischende of verwerende kan optreden, blijkt herhaaldelijk uit de wet. Zie b. v. art. 576, 577, 1506 en 1991 B. W.; 161 Gw. van 1848; 4, 1°., 97 en 126 (gelijk beide laatste artt. zijn aangevuld bij art. 4 der wet van 22 Juni 1893, Stbl. na. 93), benevens 324, 1°. Rv.
2°. De Provinciën;
Haar zelfstandig bestaan wordt erkend en gehandhaafd bij de artt. 3, 127—141 Gw. en nader geregeld bij de wet van 6 Juli 1850, Stbl. n®. 39, regelende de zamenstelling eu magt van de provinciale staten.
Onze provinciale indeeling herinnert nog altijd aan de Souvereine Provinciën der voormalige Republiek. De zelfstandigheid der provinciën was in 1798 opgelost in de ondeelbare Republiek. Het herstel der provinciën was meer dan eene administratieve of judicieele indeeling van den Staat (gelijk b. v. met arrondissementen, kantons, kiesdistricten enz. het geval is). De Staat bestaat uit de by de wet opgenoemde provinciën (van Hall, bl. 118; vgl. art. 1 Gw. 1848).
Dat de provincie op privaatrechtelijke wyze eigendommen kan hebben, verbintenissen aangaan en in rechte optreden blijkt o. a. uit de artt. 33, 131—133, 135, 155 der provinciale wet voormeld, art. 1506, lid 3, 1991 B. W., art. 324, 1°. Rv.
3°. De Gemeenten;
Deze zijn doorgaans van veel ouderen oorsprong dan de provinciën. Reeds in de dertiende eeuw waren inzonderheid in Holland en Zeeland de steden of poorterschappen in het bezit van eene persoonlijkheid, door velerlei voorrechten begunstigd. Door de vergadering van Edelen en
519
520 ZEDELIJKE LICHAMEN. GEMEENTEN, WATEKSCHAPPEN ENZ.
Steden tot behandeling van gemeenschappelijke belangen is de provincie, als nieuwe persoon eerst later ontstaan (van Hall, bl. 118).
De gemeenten worden als zoodanig erkend en gehandhaafd bij art. 142—148 Grw., en nader geregeld bij de wet van 29 Juni 1851, Stbl. n0. 85, regelende de zamenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen. De privaatrechtelijke bevoegdheden der gemeenten blijken vooral uit de artt. 71, 194 en 229 van gemelde wet, betreffende de burgerlijke handelingen, rechtsgedingen en eigendommen naar het burgerlijk recht van de gemeenten. Zie ook art. 1889, 1991 B. W., art. 4, 3°. en 324, 1°. Rv.
4°. De waterschappen, polders en andere soortgelijke lichamen;
Aan deze lichamen strekt hoofdzakelyk de eenheid van belangen ten aanzien van den waterstand in eene bepaalde landstreek ten grondslag. Zy zyn vaak aan elkander ondergeschikt of staan tot elkander in rekenplichtige verhouding.
Zie art, 188 Gw., bepalende dat de wet regels geeft omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezicht en toezicht daaronder begrepen, art. 189, dat aan den Koning het oppertoezicht toekent over alles wat den waterstaat betreft, en art. 190, dat aan de Staten der Provincie het toezicht toekent op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders, behoudens uitzonderingen door de wet te maken; en hun de bevoegdheid verleent, met goedkeuring des Konings de bestaande reglementen der waterschappen enz. te veranderen, waterschappen enz. op te heffen, nieuwe op te richten, nieuwe reglementen daarvoor te maken enz., zie ook art. 137, 138, 157, 158 der Prov. wet; terwijl art. 191 Grw. de besturen der waterschappen enz. volgens regels door de wet te stellen bevoegd maakt tot het maken van verordeningen, in het huishoudelijk belang van die instellingen. Zie verder met betrekking tot dit onderwerp de volgende wetten: die van 9 Oct. 1841, Stbl. n°. 42, betrekkelyk de regtsmagt der hooge en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen enz.;
die van 12 Juli 1855, Stbl. n0. 102, tot voorloopige voorziening in sommige waterstaatsbelangen. Opmerking verdient het dal blijkens de artt. 12, 19 en 20 dier wet, tot op zekere hoogte executie van vonnissen, tegen waterschapsbesturen gewezen, kan plaats hebben tegen de ingelanden, waardoor wordt afgeweken van de bij rechtspersonen anders bestaande algeheele afscheiding van vermogen en aansprakelijkheid;
die van 20 Juli 1895 (Stbl. nquot;. 139) ter uitvoering van art. 191 der Gw.
5quot;. De markgenootschappen;
Deze lichamen zijn van overouden oorsprong en komen vooral voor
zedelijk r lichamen\'. kerkgenootschappen.
in de provinciën Overijssel en Drenthe. Ofsohoon zij door verloop van tijden en verandering van wetgeving hun politiek bestaan en vele rechten, die zij vroeger uitoefenden, hebben verloren, zyn zij evenwel nooit afgeschaft. Thans behoort de gemeenschappelijke eigendom en het gezamenlijk gebruik van woeste gronden, weiden en bosschen tot hun wezen.
De jurisprudentie hier te lande rangschikt de markgenootschappen standvastig onder de zedelijke lichamen of universitates personarum. Zij staan veelal onder het beheer van mark richters, bij bosschen houtrichters genoemd, en door de markgenooten ook genaamd erfgenamen, goedsheeren of gewaarden gekozen.
Zie omtrent dit onderwerp en de daarover bestaande rechtspraak en litteratuur het aangeteekende bij Léox, B. ff., uitg. Asser, ad art. 1690, n0. 8; tan Hall, bl. 119.
Terwijl reeds sedert lang de wenschelykheid was uitgesproken om tot verdeeling der markgronden te geraken, en zoodoende tot opheffing der marken te komen (zie van Hdgen\'dorp, Uuish. v. Staat, V, bl. 326—332), is ten slotte de wet van 10 Mei 1886, Stbl. n°. 104, houdende bepalingen ter bevordering van de verdeeling van mark-gronden , tot stand gekomen, volgens welke aan iederen markgenoot het recht wordt toegekend om de verdeeling der markgronden te vorderen, evenwel nadat hij eerst het bestuur der mark vruchteloos tot vrijwillige verdeeling gerechtelijk heeft aangemaand (art. 3 en 4 dier wet). Zie verder in die wet de uitvoerige regeling omtrent het geding tot verdeeling en de gerechtelijke verdeeling zelve.
6°. De kerkgeuootschappen;
Deze lichamen worden in art. 168 en 172 Gw. genoemd; aan allen is bij eerstgemeld artikel gelijke bescherming verzekerd. By de wet van 10 Sept. 1853, Stbl. nquot;1. 102, tot regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, is in art. 1 , lid 1 het beginsel van vrijheid en bescherming gehandhaafd. Verder bepaalt lid 2; „De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur der kerkgenoot-„schappen) worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn „gemaakt, alsnog binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, „door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons „medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede vóór of by „het in werking brengen daarvan op gelijke wijze ter Onzer kennis „gebragt.quot; Nevens deze vrijheid in regeling, samenstelling en beheer bevat de wet enkele bepalingen, die \'s Konings goedkeuring omtrent sommige punten van inrichting noodig maken, welke toestemming alleen in het belang der openbare orde en rust kan worden geweigerd. Omtrent eenige zaken van meer ondergeschikt belang wordt de goedkeuring
521
zedelijke lichamen. openbare instellingen.
van het gemeentebestimr vereischt, behoudens beroep op Gedeputeerde Staten en den Koning; omtrent andere zaken wordt zekere macht aan den Commissaris des Konings of aan de politie toegekend (zie art. 1—8 der genoemde wet).
Van de inrichting der kerkgenootschappen hangt af in hoeverre in elk dezer lichamen afzonderlijke kerkely ke gemeenten of godsdienstige ver-eenigingen als meer of min zelfstandige rechtspersonen kunnen optreden.
Kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden hebben het voorrecht van kostelooze procedure (art. 874 Rv.) Makingen bij uiterste wilsbeschikking, o. a. aan godsdienstige gestichten en kerken gedaan, mogen slechts met Koninklyke machtiging worden aangenomen (art. 947 B. W., vgl. ten aanzien van schenkingen art. 1717 B. W.).
7quot;. De openbare instellingen, of vereenigingen van personen, waaraan van Staats- of Regeeringswege, in eenig openbaar of algemeen belang een afzonderlijk bestaan is verleend (v. Hall, bl. 122);
Deze zedelijke lichamen zijn alleen in oorsprong, maar over het algemeen niet in aard of wezen onderscheiden van de sub B te noemen privaatrechtelijke zedelijke lichamen. Somtijds echter wordt de onafhankelijkheid verminderd door invloed en toezicht, die aan den Staat of het plaatselijk bestuur is voorbehouden.
Als zoodanig worden door Mr. van Hall genoemd de van oiids bestaande Hoogescholen, naar hun karakter van universitates personarum ook universiteiten geheeten; de hoogescholen zijn thans echter geene rechtspersonen meer; zij zijn van zelfstandig bestaan in burgerrechtelijken zin ontbloot en vormen instellingen, die rechtstreeks afhankelijk zijn van den Staat of de Gemeente, niet anders dan de openbare middelbare of lagere scholen. Verder de t. a. p. genoemde en van regeeringswege ingestelde Genootschappen of A hade mien aan wetenschappen of kunsten gewijd.
In het algemeen behoort men er het oog op te vestigen dat men geen tak van het openbaar gezag, geene afdeelingen van lands- of plaatselijk bestuur, of geene staatkundige of gerechtelijke indeelingen des rijks voor rechtspersonen houdt.
Zoo vormt een staats- of regeeringscollegie, een gerechtshof, een arrondissement, een kanton of een kiesdistrict wel in zeker opzicht eene denkbeeldige eenheid, maar uitsluitend met het oog op zoodanige regeeringsdaden, verrichtingen, bevoegdheden, plichten enz., als waartoe deze lichamen of kringen zijn in het leven geroepen; zij zijn in pri-vaatrechtelijken zin geen personen en derhalve onbekwaam tot het hebben van vermogen of het aangaan van verbintenissen. De eigen-
522
privaatrechtelijke zedelijke lichamen.
dommen, die zij in schijn mocliteii hebben, b. v. de boekerijen of archieven van een ministerieel departement, van eene rechtbank enz., zijn inderdaad eigendommen van den Staat, of van zoodanig ander rechtspersoon, als waartoe zij mochten behooren. Zie behalve de bij v. Hall, bl. 122 aangehaalde jurisprudentie nog v. Savigny, Syst. II, bl. 236 en v.
B. Als geoorloofd toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden in het leven geroepen (art. 1690 B. W.).
Deze zijn de talrijke vereenigingen van personen, doorgaans gewijd aan de beoefening van kunsten of wetenschappen, aan de bevordering van landbouw of nijverheid, of aan eenig liefdadig oogmerk; niet zelden ook aan lichaamsoefening, gezelligheid, onderling verkeer of algemeen nut \').
Sedert de invoering van ons B. W. tot op het tijdstip der in werking treding van de wet van 1855 was het voor de rechtspersoonlijkheid toereikend dat de vereeniging een geoorloofd doel had, d. i. een doel niet strydig met de wetten of de goede zeden (art. 1690); zoodanige vereeniging werd alsdan zonder eenige te vervullen formaliteit door de wet als zedelijk lichaam beschouwd.
Zoowel theoretisch als praktisch levert dit zeer vrijzinnige beginsel bezwaren op. Thokbecke (Aant. op de Grondwet, II, 217) achtte stellige toelating tot het bestaan van het zedelijk lichaam onmisbaar, „omdat de fictie, waaraan het als persoon zijn aanwezen verschuldigd „is, hare regtskracht alleen aan het staatsgezag kan ontleenen.quot; Verg. v. Savigny, Syst. II, § 88, bl. 257.
523
Hoe men er nu over denke of de door het staatsgezag te verleenen goedkeuring der statuten van het op te richten zedelijk lichaam wel eene aanbevelenswaardige wijze van toekenning der rechtspersoonlijkheid is, verdient het in elk geval in meer dan één opzicht aanbeveling, dat even als de geboorte van een natuurlijk persoon, het ontstaan van
\') Is liet verkrijgen van stoffelijk voordeel geheel uitgesloten? Opzoomek beantwoordt dit geheel bevestigend, zóó zelfs dat geene vereeniging met dat doel opgericht als zedelijk lichaam zou mogen optreden, zie b. v. d. IX, bl. 176 en v. Wij erkennen met hem dat stoffelijk belang en winstbejag veeleer te huis behooren bij de maatschap of vennootschap, (zie ook Goudsmit I, bl 66), maar zonden niet zoo ver wenschen te gaan, door aan de leden van een zedelijk lichaam al/e recht op stoffelijk voordeel te ontzeggen. Het juiste middel houdt m. i. Mr. v. Bo.neval Faube, Rechtsgeleerd Magazijn, 1883, bl. 311, die het onmiddellijk geldelijk voordeel van vennooten stelt tegenover het middellijk voordeel, dat leden eener vereeniging zouden kunnen genieten.
PKIVAA.TRECHTELIJKE ZRUELIJKG LICHAMEN.
een rechtspersoon door een uiterlijk waarneembare formaliteit worde geconstateerd. Deze zichtbare vorm is nuttig, ja schier onmisbaar voor degenen, die met de vereeniging in vermogensrechtelijke betrekking zullen staan.
Ieder derde moet kunnen beoordeelen of hij te doen heeft met eene vereeniging van individuen, dan wel met eene eenheid. Hem moet het onderzoek bespaard blijven of zoodanige vereeniging een doel heeft in meerdere of mindere mate strijdig met de wetten of met de goede zeden (waarvan de beoordeeling dikwijls zeer subjectief is of van tijdsomstandigheden afhankelyk); zoodanig onderzoek wordt overbodig, als door de bevoegde autoriteit of wel door eene handeling van de leden een stempel van rechtspersoonlijkheid op de vereeniging wordt gedrukt. Dit onderwerp nu is geregeld bij de wet van 22 April 1855, Stbl. nquot;. 32. Deze onderscheidt te recht de vereeniging als samenkomst van individuen — die volgens art. 9 Gw. behoort te worden geëerbiedigd en toegelaten, tenzij het recht daartoe in het belang der openbare orde wordt beperkt (zie art. 2—4 van genoemde wet), en de vereeniging die als rechtspersoon wenscht op te treden eti daartoe, naar gelang van den tijd van haar toekomstig bestaan, door den Koning of door de wet moet worden erkend (art. 5). Daartoe moeten de statuten of reglementen worden goedgekeurd, terwijl weigering der erkenning door den Konitig alleen kan geschieden op gronden van algemeen belang (art. 6, 7). Ook wijziging der statuten vereischt nadere goedkeuring (art. 8). Behoorlyke bekendmaking der statuten geschiedt in de Staatscourant volgens art. 9 dier wet. De volgende artikelen handelen over afwijking van de statuten, die tot vervallenverklaring van de rechts-persoonlykheid kan leiden, als wanneer regelen voor de vereffening zijn vastgesteld (art. 10, 11).
Van groot belang is nog art. 15, bepalende dat vereenigingen, welke vóór het in werking komen dezer wet bestonden, beoordeeld worden naar de wetten, waaronder zij zijn opgericht.
Bij de beoordeeling der rechtspersoonly kheid eener vereeniging als waarvan hier sprake is, is het dus een eerste vereischte na te gaan of zij vóór dan wel na het in werking treden der wet van 1855 is ontstaan.
Bepalingen omtrent zedelijke lichamen, in ons burgerlijk recht voorkomende.
a. ontstaau (art. 1690 B. W., 5 en v. der wet van 22 April 1855,
Stbl. n0. 32, art. 3 Gw.);
Van sommige lichamen als de Staat, de provinciën, vele gemeenten, de meeste waterschappen, de markgenootschappen, is het eigenlijke
524
ZRDFiLTJKH LICHAMEN. ONTSTAAN. TE NIET GAAN.
ontstaan der rechtspersoonlijkheid niet of moeielyk aan te wijzen. Zij zijn door het recht veeleer erkend dan geschapen \'). Ook vele kerkgenootschappen zijn van ouderen oorsprong dan de hier vigeerende wetgevingen. Sommige openbare instellingen danken haar bestaan aan wetten of koninklijke besluiten, die haar in het leven hebben geroepen.
De privaatrechtelijke zedelijke lichamen, vóór de wet van 1855 ontstaan, hebben rechtspersoonlijkheid zoodra de vereeniging van personen als zoodanig tot een bepaald oogmerk in het leven is getreden, en zij niet strijdig met de wetten of met de goede zeden is samengesteld (art. 169Ü). Onder vigeur der wet van 1855 is noodig: erkenning door de wet, als de vereeniging voor langer dan dertig jaren is aangegaan, door den Koning, als dit voor korter tijd is geschied (art. 5 dier wet).
Eene vereeniging van iioee personen is voldoende voor de oprichting van een zedelijk lichaam. Het zoo vaak misbruikte „tres faciunt collegiumquot; (1. 85, D. de verb, sign., 50, 16) werd nog gehandhaafd by art. 876 Ontw. 1820.
ó. te uiet gaan (art. 1699, 1700 B. W., art. 10 eu v. der wet vau 1855).
De zedelijke lichamen op openbaar gezag ingesteld, blyven bestaan totdat zij wettiglyk zijn ontbonden (art. 1699).
Dit artikel betreft blijkens tekst en inhoud niet lichamen als de Staat, de provinciën of gemeenten, omtrent welker voortbestaan of vervorming alleen de Grondwet of de daarbij bedoelde bijzondere wetten zouden kunnen uitspraak doen. Vooral voor kerkgenootschappen is het artikel van belang, in zoover als het bepaalt dat het lichaam niet te niet gaat door den dood of den afstand van het lidmaatschap van al de leden. Is dus tot het ontstaan van dergelijk lichaam eene vereeniging van individuen onmisbaar, het voortbestaan is ook zonder zoodanige onderlaag denkbaar. De belijders eener godsdienstige overtuiging kunnen tijdelijk alle ontbreken, en toch kan het kerkgenootschap blyven bestaan om weder te voorschijn te treden als het door nieuwe leden wordt opgevat.
Zie art. 1699, lid 2, omtrent de maatregelen tusschentijds te nemen.
De zedelijke licliamen van privaatreclitelijken aard worden opgeheven :
1) Anders natuurlijk, iudien krachtens eene bij art. 3 der Gvv. bedoelde wet, provinciën of gemeenten worden vereenigd of gesplitst, of wel nieuwe gevormd. Zie ook art. 190, lid 2 Gw., met betrekking tot de oprichting of opheffing van waterschappen, veenschappen en veenpolders.
525
526 zkbeujke lichamen. tk niet gaan. vereffening.
1°. door uitdrukkelijke ontbinding, overeenkomstig hunne instellingen , reglementen of overeenkomsten;
2°. door het ophouden van het doel of voorwerp der vereeniging (art. 1700 B. W.);
Tot eerstgemelde ontbinding behoort ook die door tijdsverloop, indien b. v. bij de statuten, in verband met de wet van 1855, de dnur op korter dan dertig jaar is bepaald. Eene overeenkomst tot ontbinding is verder denkbaar, zoowel bij de oprichting ais krachtens later besluit der leden.
Het ontbreken van alle leden door dood of afstand is niet in de wet genoemd; vandaar de bekende vraag of hier de bepaling van art. 1699 bij uitbreiding, of wel het tegenovergestelde beginsel a contrario moet worden aangenomen, ü. i. behoort het begrip van vereeniging van personen als onderlaag van het zedelyk lichaam zoozeer tot het wezen daarvan, dat men de zeer byzondere bepaling van voortbestaan van het openbaar zedelyk lichaam zelfs by gemis aan leden niet analogice mag uitbreiden. Zoo ook Opzoomer, ad art. 1699 en 1700, en Diep-huis, N. B. li., I, 399. Wij vermelden dus dat het hier bedoelde zedelijk lichaam evenzeer kan te niet gaan:
3o. door den dood of het uittreden van alle leden;
Blyft er één lid bestaan, dan is er wel is waar geene vereeniging, maar het zedelijk lichaam is niet zoodanig van zijne organen beroofd, dat het niet meer als persoon zou kunnen optreden. Art. 1702 B. W. erkent dan ook in dat geval implicite de mogelijkheid van het voortbestaan.
4o. (doch alleen voor zooveel betreft de rechtspersonen ontstaan onder vigeur der wet van 1855) door vervallenverklaring door den rechter (art. 10 dier wet).
Dit heeft plaats by afwijking van de goedgekeurde statuten. Het openbaar ministerie kan in dit geval de vervallenverklaring der vereeniging van hare hoedanigheid als rechtspersoon vorderen; ook kan bij de uitspraak reeds bij voorraad aan de vereeniging de bevoegdheid tot het plegen van burgerlyke handelingen worden ontzegd.
Vereffening der ontbonden privaatrechtelijke zedelijke lichamen (art. 1702 B. W.; 10, 11 der wet van 1855).
De laatst overblijvende leden,. of wel het laatst overblijvend lid voldoet de schulden ten bedrage der baten (voor het meerdere toch
ZEUKLUKE LICHAMEN. IN\'RECHTING. VER.TEG EN WOORUTGING-, 527
zijn de leden niet aansprakelijk). Op hen rusten ten aanzien van de oproeping van schuldeischers, het aanzuiveren der rekening en verantwoording en het uitbetalen der schulden dezelfde verplichtingen als op de erfgenamen, die eene erfenis onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard.
Bij gebreke van voldoening aan die verplichtingen, zijn zij persoonlijk, elk voor het geheel aansprakelijk voor de schulden van het zedelijk lichaam.
Is er na de algeheele vereffening een batig slot, dan kunnen de laatst overblijvende leden of het laatst overblijvend lid zich dit persoonlijk toeëigenen (art. 1702).
Dat dit batig slot alsdan ook aan hunne erfgenamen kan komen, terwijl ook op dezen de aansprakelykheid bedoeld bij de laatste alinea van art. 1702 B. W. overgaat, zou ook zonder uitdrukkelyke vermelding in de wet het geval zijn.
De eigendomsovergang van het batig slot op de laatste leden of het laatste lid van een zedelijk lichaam is eene ware toeëigening. In wetenschappelijken zin toch worden de zaken van het ontbonden zede-lyk lichaam res nullius of zaken aan niemand toebehoorende. Dat de laatste ledeu billijkheidshalve het eerst voor die toeëigening in aanmerking komen behoeft geen betoog.
De vereffening der zaken eener van rechtspersoonlijkheid vervallen verklaarde vereeniging geschiedt onder rechterlyk toezicht, door eenen curator, overeenkomstig de vormen, omtrent onbeheerde nalatenschappen vastgesteld; het batig slot, zoo het er is, wordt door dezen aan de laatste leden of hunne rechtverkrijgenden elk voor zijn aandeel uitgekeerd (art. 10, 11 der wet van 1855).
c. Inrichting en vertegenwoordiging (art. 1692—1697 B. W.; art. 6, lid 2 der wet van 1855).
Als hoofdbeginsel geldt dat elk zedelyk lichaam, voor zoover niet publiekrechtelijk andere regelen zijn gesteld, vrij is door middel zijner statuten of reglementen, zijne inrichting en de wijze zijner vertegenwoordiging vast te stellen.
Eerst bij gemis aan regeling deswege gelden de bepalingen der wet (art. 1697). Deze komen in hoofdzaak hierop neder;
Een groote macht berust bij de gezamenlijke leden of juister gezegd, by de leden ter algemeene vergadering vereenigd, aan wie de bestuurders, behoudens andere regeling, verplicht zijn rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in rechte op te roepen (art. 1695).
Tenzij anders mocht zijn bepaald, heeft ieder lid gelijk recht zyne
528 zedblijkb lichamen. inrichting. rechtsbevoegdheid.
stem uit te brengen, en wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen (art. 1696). Men mag vragen of dit laatste art. geldt voor besluiten tot wijziging der statuten of tot ontbinding, indien daaromtrent geene bepalingen bij de oorspronkelijke overeenkomst zijn gemaakt. Zie over deze en soortgelijke vragen Mr. Biedeulack, Themis, 1887, bl. 24; zie ook li. Bijdr. en Bijbl. 1886/7, afd, A, bl. 231; vgl. v. Hall, bl. 127.
De eigenlijke vertegenwoordiging van het zedelijk lichaam geschiedt echter door middel van bestuurders; deze hebben — eveneens behoudens andere regeling — uitsluitend de bevoegdheid in naam van het lichaam te handelen, het aan derden te verbinden, omgekeerd derden aan het lichaam te verbinden, en voor het lichaam zoo eischende als verwerende in rechte op te treden (art. 1692, art. 4, 2°. Rv.).
Handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden het lichaam slechts voor zoover het daardoor werkelijk is gebaat of de handelingen naderhand behoorlijk zijn yoedgekeurd geworden (art. 1698).
Deze goedkeuring (ratihabitio) geschiedt door de leden, die — alweder behoudens andere regeling — geene bevoegdheid hebben het lichaam op andere wijze te verbinden, of in naam daarvan te handelen (art. 1694).
Omtrent de vertegenwoordiging in- en buiten rechte van de publiek-rechlelijke zedelijke lichamen bevatten de organieke en fiscale wetten, alsook het Wetb. van B. Rv. onderscheiden voorschriften.
De Staat wordt door de hoofden van departementen van algemeen bestuur vertegenwoordigd (tenzij in belasting- of registratiewetten de ontvanger wordt aangewezen); de wyze van dagvaarding van den Staat is geregeld in art. 4, 1°. Rv., gewijzigd bij art. 2 der wet van 22 Juni 1893, Stbl. nquot;. 93.
De Provincie wordt vertegenwoordigd in ruimeren zin door de Provinciale Staten, doch, wat de uitvoering en de dagelijksche leiding der zaken betreft, door de Gedeputeerde Staten, voor welke echter de Commissaris des Konings eischende of verwerende optreedt (art. 33, 130 en v., 135, 155 der Prov. Wet van 6 Juli 1850, Stbl. n0. 39)-
De Gemeente wordt op soortgelijke wijze vertegenwoordigd door den Gemeenteraad, het dagelijkscii bestuur (Burgemeester en Wethouders) en den Burgemeester (art. 71, 134 en v., 143 en v., 179 en v., 194 der Gemeentewet van 29 Juni 1851, Stbl. n°. 85, art. 4, 3°. Rv.); in zake van plaatselijke belasting geschiedt de uitvaardiging van het dwangbevel enz. door den ontvanger; het verzet geschiedt tegen denzelfden ambtenaar (art. 258 en v. Gem.wet).
De waterschappen en markgenootschappen worden eveneens vertegenwoordigd door hunne besturen, terwijl de dagvaardingen geschieden aan het hoofd van zoodanig bestuur (art. 4, 2°. Rv.); in zaken van
zedelijke lichamen. kechtsbevoeqdheiu.
polderomslagen geschiedt de vertegenwoordiging in rechte door den ontvanger van het waterschap (art. 10 der wet van 9 Oct. 1841, Stbl. nquot;. 42).
De vertegenwoordiging der kerkgenootschappen wordt geregeld bij hunne wetten en reglementen; omtrent dagvaardingen geldt almede art. 4, 2°. Rv.
d. Rechtsbevoegdheid (art. 1691 B. W.).
De rechtsbevoegdheid der zedelijke lichamen vindt hare wettelijke niting in art. 1691 B, W., bepalende dat zij even als alle particuliere personen bevoegd zijn tot het aangaan van burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordeningen, waarbij die bevoegdheid mocht zijn gewyzigd, beperkt of aan zekere formaliteiten onderworpen.
Zeer volledig of nauwkeurig is die bepaling niet, want, behalve tot het aangaan van „burgerlijke handelingenquot;, heeft het zedelyk lichaam nog velerlei vermogensrechtelijke bevoegdheden; men denke b.v. aan het hebben van eigendom (art. 582 B. W.), het genieten krachtens uitersten wil enz.; omgekeerd zijn er vele burgerlijke handelingen, die het feitelyk bestaan eens menschen tot onmisbare voorwaarde hebben en dus op zedelyke lichamen buiten toepassing zijn (vgl. Goüdsmit, Pand., I, bl. 61; Opzoomeu, ad art. 1691 en verder bl. 515 supra omtrent de uitsluiting van familierecht).
Hier behoort ook de vraag te worden vermeld of een zedely k lichaam ten gevolge eener onrechtmatige daad (of nalatigheid) kan verbonden worden. Deze vraag wordt door von Saviqny, II, § 95, bl. 317, ontkennend beantwoord, en op diens voetspoor ook door Opzoomer, ad art. 1692, noot 1. In ons recht, waar het begrip van onrechtmatige daad zooveel ruimer is dan dat van misdrijf, en waar in den regel, ten aanzien van het vermogensrecht, volkomen gelijkstelling bestaat tusschen natuurlijke- en rechtspersonen, moet men o. i. ontwijfelbaar anders beslissen. Zie in laatstgemelden zin ook de uitgebreide jurisprudentie by Léon, B. ff., uitgave Asser., art. 1401, aant. 115, 116 en Supplquot;. 3—5 (Rombach) eodem. De aldaar aangehaalde arresten van den H. R. zijn echter vaak gewezen in strijd met de conclusiën van het O. M.
De beperkingen der rechtsbevoegdheid kunnen ongetwijfeld niet alleen by „openbare verordeningenquot; geschieden, gelyk art. 1691 zegt, maar eveneens bij de wet. Dezelfde macht die de rechtsbevoegdheid schept, vermag ook hare grenzen en omvang te bepalen. (Goudsmit, Pand., 1, bl. 61). Van dergelyke -wettelijke beperkingen zullen hierna voorbeelden volgen. Dat de statuten evenzeer beperkingen kunnen inhouden behoeft geen betoog.
Asser , Bnrgerl. Recht. I. 3e druk. 34
529
530 beperkingen der bechtsbetoegdheid.
Dat de verbintenissen van het zedelijk lichaam niet op de leden drukken, en mitsdien de schulden van het lichaam alleen verhaalbaar zijn op zijne goederen, en niet op die der leden (art. 1H98) volgt rechtstreeks uit de hoedanigheid van zelfstandig persoon, aan zoodanig lichaam toegekend. De wetsbepaling is zoo elementair, dat zij door sommigen als overbodig wordt aangemerkt; zoo komt b. v. in het Ontw. 1886 soortgelijke bepaling niet voor. O. i. is de uitdrukkelijke vermelding van dit beginsel in art. 1698 van ons wetboek zeer wel te verdedigen; nu eenmaal aan den wensch der Kamer was toegegeven om dezen titel op dien van maatschap te doen volgen, was het begrip van rechtspersoon, als zelfstandig vermogenssubject, veel zwakker gekleurd, dan wanneer de wet het onderwerp in het eerste boek, na de natuurlijke personen, had behandeld; daardoor wordt het meer noodig de rechtsgevolgen dier zelfstandigheid aan te wijzen en op de tegenstellingen met de maatschap het licht te doen vallen.
De handelingen van het zedelijk lichaam hebben doorgaans een on-stoffelijk belang ten doel. Het genot der leden bestaat veelal in de voldoening, aan het bereiken of bevorderen van dat belang verbonden; mitsdien is hun recht persoonlij k; het eindigt, behoudens andere regeling, met hunnen dood of met den afstand (opzegging) van het lidmaatschap, en gaat dus niet op de erfgenamen over (art. 1701).
Beperkingen der rechtsbevoegdheid.
1°. ten aanzien van het eigendomsrecht (dat aan zedelijke lichamen in het algemeen wordt toegekend bg art. 582 B. W.):
a. bij verkrijging krachtens uitersten wil of schenking; zie de artt. 947, 1717, alwaar ten aanzien van sommige rechtspersonen de koninklyke machtiging tot aanvaarding van de making of gift wordt vereischt. Deze bepalingen berusten op de vrees van opeenhoping van kapitaal in de zoogenaamde „doode handquot; , waardoor het vermoedely k voor goed aan het maatschappelijk verkeer wordt onttrokken. Zie omtrent den geschiedkundigen oorsprong dezer bepalingen, van Hall, bl. 131, alwaar ook melding gemaakt wordt van enkele vraagpunten, waartoe het onderling verschil in de redactie dier artikelen aanleiding geeft. Zoo ook de Pinto, B. fK., 6e dr., II, § 551. Bij raaking of schenking aan de provincie, evenzoo bij eigendomsverkrijging door koop of ruiling wordt de koninklijke goedkeuring vereischt (art. 132, 133 Prov. wet); evenzoo ten aanzien der gemeente de goedkeuring der gedeputeerde staten (art. 137 , 194 c, d Gemeentewet).
/3. by vervreemding of hezwaring. Ten aanzien van de provinciën of gemeenten wordt dezelfde goedkeuring vereischt als sub a. (Zie dezelfde wetsartikelen.)
B EP RH KINGEN D K11 REOHTSBEVOEGÜUETD. 531
2°. ten aanzien van andere zakelijke rechten:
a. Vruchtgebruik. Dit recht eindigt volgens art. 854, 1°., door den dood van den vruchtgebruiker; het is dus uit zijnen aard bestemd weder te niet te gaan en zich met den eigendom te vereenigei.. Dit zou echter niet geschieden, indien een rechtspersoon van on beperkten levensduur de vruchtgebruiker is. Daarom bepaalt art. 857 B. W. dat geen vruchtgebruik aan een zedelyk lichaam langer dan voor dertig jaren kan worden toegestaan. Door vroegere ontbinding van het zedelijk lichaam gaat het natuurlijk mede te niet (art. 855). De uitdrukking zedelijk lichaam in deze artikelen moet o. i. ruimer wordei; opgevat, nl. in den zin van rechtspersoon. Vgl. art. 619 C. N., „L\'usnfruit qui n\'est pas accordé a des particuliers ne dure que trente ansquot;. Zie —- omtrent den oorsprong dezer bepaling uit het Romeinsche Recht, de Maleviu,e, ad art. 619 C. N.; v. Haix, bl. 133; Diephuis, I, 377.
S. Gebruik en bewoning. Art. 865 bepaalt dat deze rechten op dezelfde wijze te niet gaan als vruchtgebruik. Oppervlakkig beschouwd zouden dus de artt. 855 en 857 B. W. ook ten deze toepasselyk zijn. Het komt ons echter voor dat men aan rechtspersonen de hier-bedoelde zakelijke rechten bezwaarlijk kan toekennen; blijkens art. 868, 871 en 873 heeft de wet hier alleen het oog op natuurlijke personen, die voor zich en „hun huisgezinquot; daarvan genot kunnen hebben, zoo lat de geheele materie op rechtspersonen buiten toepassing schijnt.
3°. ten aanzien van overeenkomsten:
Behalve de overeenkomsten, die eigendomsverkrijging, vervreemding of bezwaring ten doel hebben en hierboven sub 1, a en (3 zijn genoemd , moeten verscheiden soorten van overeenkomsten, door de provinciën of gemeenten te sluiten, door den Koning of door de gcd. staten worden goedgekeurd; zoo noemt de Prov. Wet (art. 131 en 132, jquot;. 133) geldleeningen en dadingen; art. 13G en 137, j0. 194, a, b, e , f en g der Gemeentewet, onderwerpen evenzoo de besluiten van den raad omtrent geldleeninfjen en dadingen aan de goedkeuring van het hooger gezag; en daarnevens het waarborgen van renten sn aflossingen van geldleeningen door anderen aan te gaan, het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van gemeenteeigendommen, het onderhands aanbesteden van werken of leverantiën enz. Vgl. omtrent dadingen art. 1889, lid 3, B. W.
Gewijzigde uitoefening van sommige rechten.
Afgescheiden van de beperking in de rechtsbevoegdheid, levert het ontbreken van physiek bestaan ten aanzien van sommige handelingen moeielykheid op. Reeds de vertegenwoordiging van den rechtspersoon
34*
stic h tin gen.
door de bestuurders, ten aanzien van den wil, is een kunstmatig — ofseboon natuurlijk — gevolg van het gemis aan eigen wil; maar hoe, wanneer de wet een persoonlijk verschijnen voor den rechter b. v. voor eene eedsaflegging eischt? Vgl. art. 1982 B. W. Zie omtrent een analoog geval de opmerkingen van Mr. C. D. Asser, It. Bijbl. 1843, bl. 427 e. v.; vgl. aid. bl. 479, 480. Zie ook de bij v. Hall, bl. 134, aangehaalde schrijvers. Ten aanzien van het hooren op vraagpunten bepaalt art. 242 Rv. dat de openbare instellingen, stichtingen en zedelijke lichamen een hunner leden benoemen om op de feiten en vraagpunten op de hem voorgeschreven wijze te antwoorden.
\')
II. Stichtingen.
Hierboven is aangetoond dat by onze tegenwoordige burgerlijke wetgeving deze stof nagenoeg ongeregeld is. Slechts enkele artikelen dei-wet vermelden ter loops de stichtingen, hetzij uitdrukkelijk onder dien naam, hetzij onder verwante benamingen als godshuizen, godsdienstige gestichten, enz. (zie de artt. 925, 946, 947, 1717, 1889 B. W. art. 4, n0. 2, 242, 874 B. R.). Hierdoor erkent de wet althans de bij hare invoering bestaande stichtingen, ofschoon men zou dwalen door te meenen dat de rechtspersoonlijkheid van alle onder vigeur van vorige wetgevingen hier te lande ontstane stichtingen boven elke bedenking verheven is (zie o. a. Mr. Feith, Hand. der Jur.-Ver. 1883,1, bl.49—53 omtrent het recht hier te land vóór de invoering der Fransche wetgeving, en bl. 53—56 omtrent het tijdperk van 1810—1838).
Dat een groot aantal stichtingen feitelijk bestaat en ook in rechte wordt erkend, valt niet te loochenen.
532
Moeielijker echter is de vraag of onder vigeur van ons B. W.
\') Het Ontwerp van 1886 wijdt den 20\'quot; titel aan de Vereenigingen, aan welk woord eene eenigszins ruimere betetkenis is toegekend dan aan dein hel B.yi. genoumie zede/ijte lichamen, ofschoon beide begrippen nauw aan elkander verwant zijn; men wenscMe nl. daaronder ook corporation te begrijpen, wier doel meer bepaald bestaat in het behalen van winst door de leden, zooals vereenigingen tot verveening, landontginning enz. (zie Mem. v. Toel. bl. 289). Het ontwerp eischt oprichting der vereeniging bij notarieele r.kte, en erkenning als zoodanig door het openbaar gezag, nl. bij Koninklijk Besluit (art. 536—538). Art. 539 bepaalt wat de statuten noodwendig moeten bevatten; bij gebreke daarvan of ingeval van strijd met het algemeen belang wordt de erkenning geweigerd. De verdere bepalingen van dezen titel bevatten eene vrij uitvoerige regeling van het onderwerp, deels ontleend aan de bepalingen van het B. W., deels aan die der wet van 23 April 1855, Stbl. nquot;. 32, terwijl ook een enkel maal de wet van 17 Nov. 1876, Stbl. nquot;. 227, op de coöperatieve vereenigingen , met vrucht is geraadpleegd.
STIC II TING K N.
stichtingen als rechtspersonen kunnen in het leven treden, zoo ja, op welke wijze en aan welke eisclien zij moeten voldoen?
Aan de eéne zijde staan zij, die beweren dat elke stichting als kunstmatig geschapen persoon hare rechtspersoonlijkheid aan de positieve wet moet ontleenen; bestaat er geene algemeene wet hieromtrent, dan is streng theoretisch voor elke op te richten stichting eene bijzondere wet noodig (zie Mr. Goudsmit, Pand., I, bl. 75, noot 2).
Daar tegenover staan rechtsgeleerden die, op den voorgrond stellende dat de wet de persoonlijkheid van stichtingen onderstelt en stilzwijgend erkent, uit het gemis van regeling afleiden dat hier volkomen vrijheid heerscht, ea ie rechtsbevoegdheid aan stichtingen en hare bestuurders toe te kennen algemeen is, voor zoover zij niet door haren aard ol\' reglementen of door de bepalingen der wet beperkt wordt (üiei\'huis, I, bl. 413 en v.) gt;).
In het midden staan enkelen, die de bepalingen omtrent zedelijke lichamen zooveel mogelijk by analogie op stichtingen willen toepassen, hetwelk ons voorkomt in deze materie hoogst bedenkelijk te zyn, en door geen enkele wetsbepaling te verdedigen.
Mr. v. Bonkval Faurk, Itechtsy. May., 1883, bl. 303 en v., acht de oplossing der moeielykheid daarin te zoeken, dat men zich losmake van de theorie dat een rechtspersoon een gefingeerd of door het recht, geschapen wezen is; alsdan kunnen naar het Nederlandsche recht rechtspersonen ontstaan en bestaan, zonder dut dit opzettelijk door de wet is geregeld. Zie hierboven bl. 512 en 513, noot, omtrent de verschillende theoriën, betreffende het wezen der rechtspersonen. Ofschoon wij voor ons de oudere leer duidelijker en daarom verkieselyk achten, valt het niet te ontkennen dat deze geachte schrijver hier met recht op eenig praktisch voordeel van de door hem verdedigde nieuwere theorie heeft gewezen.
533
Een lichtpunt, vormt de wet van 28 Juni 1854, Stbl. nquot;. 100, tot regeling van het armbestuur, waardoor althans de vele particuliere of kerkelijke instellingen van liefdadigheid hier te lande wel niet uitdrukkelijk tot rechtspersonen worden verheven, maar waaromtrent wordt bepaald, dat zy , bij gebreke van tijdige mededeeling harer bepalingen, betreffende inrichting en beheer, aan het gemeentebestuur waar zij zijn gevestigd, de bevoegdiieid tot het aangaan van burgerlijke handelingen missen, totdat die mededeeling plaats heeft (art. 7
\') Vgl. hiermede bet An*. H. R. van 30 Juni 1882, v. n, H.3 B. R., d. \'17, bl. 464, beslissende dat eene stichtius bij testament kan worden in het leven geroepen en deze daarbij tevens tot erfgenaam kan worden ingesteld. Zie ook de verdere jurisprudentie hieromtrent Léon, B. IF. , 2= en quot;volgende supplquot;. (Rombach) art. 946 aant. 2, 3 en 4.
stick tinge n.
dier wet). Sedert die wet nu is de mogelijkheid van ontstaan en bestaan van zoodanige inrichtingen niet meer voor twijfel vatbaar; te meer echter is wettelijke regeling voor de talrijke andere stichtingen, b. v. instellingen van wetenschap of kunst, zooals boekerijen, studiebeurzen \'), musea, enz. wenschelijk.
Zie omtrent de in jure constituendo te volgen beginselen de handelingen van de Juristenvereeniging 1873, I en II; üpzoomer, IX, hl. 181 en v.
In het algemeen is het wenschelijk dat eene wet de wijze regele, waarop stichtingen kunnen worden opgericht, en rechtspersoonlijkheid verkrygen. De meeningen loopen uiteen omtrent de vraag of men in die wet moet bepalen dat elke, aan zekere voorwaarden voldoende stichting van rechtswege rechtspersoonlykheid zal hebben, dan wel of men telkens eene beschikking van het staatsgezag moet eischen, b. v. door goedkeuring der statuten, even als bij zedelijke lichamen. In elk geval zullen de statuten niet met de openbare orde, de goede zeden of het algemeen belang mogen strijden en behoor lij k moeten worden openbaar gemaakt; bepalingen omtrent den duur der stichting, wellicht ook tegen het bovenmatig ophoopen van kapitaal in de doode hand, zijn wenschelijk; maar bovenal schijnt een toezicht op het bestuur van wege het administratief gezag of het openbaar ministerie noodig, omdat de bestuurders eener stichting niet, evenals bij een zedelijk lichaam onder controle staan van eene hoogere macht (de leden). Verder moet de wet bepalingen behelzen omtrent vaststelling of aanvulling van regeeringswege der statuten, voor het geval dat de stichter daarin niet of niet volledig mocht hebben voorzien; omtrent benoeming van bestuurders, zoo deze mochten ontbreken; omtrent hunne afzetting, zoo zy in hun plicht te kort schieten; omtrent de bestemming van het fonds, zoo het doel der stichting ophoudt, of veranderde omstandigheden wijziging van het doel der stichting noodig of wenschelyk maken (vgl. art. 9 der wet op het Armbestuur).
2)
*) Omtrent beurzenstichtingcn beslaan eenige Koninklijke besluiten van de jaren 1818, 1823, 1829, 1837 en 1873, omtrent welker rechtsgeldigheid echter verschillend wordt geoordeeld.
*) Een der belangrijkste titels van het Ontwerp van 1886 is de 21° „van Stichtingenquot;gt; daar deze eene geheel zelfstandige regeling van dit onderwerp bevat. Eene stichting treedt als rechtspersoon op, wanneer zij is tot stand gekomen bij openbaren uitersten wil of bij notarieele akte onder de levenden en zij als zoodanig is erkend door het openbaar gezag nl. bij Koninklijk besluit (art. 556, 557); de statuten moeten bevatten: de omschrijving ^ van het doel, opgaaf van den naam, aanwijzing van den zetel, van de goederen en fondsen
534
STICHTINGEN.
Groote moeielijkheid zal ongetwijfeld de regeling van rechtsbevoegdheid der bestaande stichtingen opleveren. Ten aanzien van vele heerscht volslagen gemis aan openbaarheid, zoowel van de reglementen als omtrent het gevoerde beheer. Wil men de feitelyk bestaande stichtingen onbeperkt in hare vrijheid eerbiedigen, dan zal eene nieuwe wet slechts op kleine schaal werken, want de tegenwoordige tyden zyn voor het oprichten van stichtingen niet zoo vruchtbaar meer als de vroegere; en zoo blijft dan de rechtspersoonlijkheid van vele in het onzekere zweven. Wil men echter de bestaande stichtingen dwingen zich, evenals de nieuw op te richten, aan openbaarheid en toezicht te onderwerpen, dan maakt men zich wellicht aan onbillijkheid schuldig, door krenking van verkregen rechten. Misschien zou echter het voordeel der alsdan voor goed erkende rechtspersoonlijkheid van vele bestaande stichtingen hare onderwerping aan enkele bepalingen van publiciteit of controle kunnen verzachten, en by gevolg tot op zekere hoogte rechtvaardigen. \')
Zie omtrent dit onderwerp nog o. a. Mr. F. J. Gr. van Tricht, de Rechtstoestand der Stichtingen, Acad. Pr., Leiden 1884 en de beoordeeling daarvan door Mr. F. C. W. Koker, lieclitsg. Mag., IV, bl. 492 en v., en Mr. F. A. J. van Lan schot. Stichtingen als rechts-personen hesshouwd, Acad. Pr., Leiden 1856; beoord. Themis 1857, bl. 287; Mr. J. Gr. Patun, over Stichtingen, N. Bijdr. XIV, bl. 440.
(art 558); bij gebreke hiervan of ia geval van strijd met het algemeen belang wordt de erkenning geweigerd (art. 560). De erkenning wordt slechts voor een bepaalden tijd verleend , doch niet langer dan 60 jaren, welk tijdvak echter telkens verlengd kan worden (art. 562). De statuten moeten behoorlijk worden bekend gemaakt (art. 563). Bij gemis aan regeling of voldoende regeling omtrent de samenstelling en bevoegdheid van het bestuur worden de noodige voorschriften dienaangaande gegeven door het openbaar gezag (art 565, 566). Het bestuur stemt bij meerderheid van stemmen, tenzij de statuten anders bepalen (art. 567), het doet eenmaal in het jaar rekening en verantwoording aan gedeputeerde staten, en geeft hun verslag van den toestand der stichting (art. 568). De bestuurders of sommigen hunner kunnen bij verzuim in deze verplichtingen, ingeval van niet goedgekeurde rekening of van wanbeheer, door den rechter worden ontslagen, als wanneer gedeputeerde staten de personen aanwijzen, die als nieuwe bestuurders zullen optreden (art. 569). Erfstellingen , makingen en schenkingen aan stichtingen gedaan, hebben geen gevolg, dan wanneer en voor zoover de Koning tot aanneming machtigt .art. 570 j0. 552). Ingeval van te niet gaan eener stichting (art. 57H komen de goederen na vereffening en betaling der schulden aan den Staat, tenzij de statuten anders bepalen (art. 572).
\') Zie de door de Staatscommissie tot herziening van het li. W. bij het vroeger afzonderlijk ingediend Ontwerp voorgestelde transitoire bepalingen, in de Mem. v. \'fuel, bij het Ontw. 1886 , bl. 301.
535
NAAM Ij OOZE VENNOOTSCHAPPEN.
III. Naamlooze Vennootschappen.
(Art. 36—56 W. v. Koopli.)
Door vele gezaghebbende schrijvers wordt de naamlooze vennootschap van koophandel onder de rechtspersonen gerangschikt. Zy heeft nl. daarmede het hoofdkenmerk gemeen dat zij een zelfstandig vermogen heeft, afgescheiden van dat der vennooten — hier aandeelhouders genoemd.
De naamlooze vennootschap heeft in werkelykheid gelijkenis zoowel met de gewone maatschap als met het zedelijk lichaam; vandaar dat omtrent hare qualificatie als rechtspersoon strijd bestaat. Met de maatschap heeft zij het doel — winstbejag — gemeen; daarentegen komt de winst niet rechtstreeks aan de aandeelhouders, maar vloeit in de kas der vennootschap, en wordt eerst daarna, bij wege van dividend, aan de aandeelhouders uitgekeerd. Het geleden verlies wordt niet door de aandeelhouders bijgepast; zij zijn daarvoor niet aanspra-kelyk, maar de schulden drukken uitsluitend op de naamlooze vennootschap, die van de aandeelhouders niet meer kan eischen dan de alge-heele storting der gelden, waarvoor zij in de zaak hebben deel genomen.
De naamlooze vennootschap heeft dus een duidelijk waarneembaar, van de aandeelhouders afgescheiden, zelfstandig bestaan; haar werkkring bestaat daarin, om als tusschenpersoon voor de aandeelhouders met het haar verstrekte kapitaal handel te drijven en winst te behalen, en deze winst wederom onder hen te verdeelen.
Zy is, ofschoon rechtspersoon zijnde, niet te rangschikken onder eene der beide, tot nu toe behandelde, in het klassieke recht bekende soorten dier lichamen. Wegens de onderlaag van aandeelhouders gely kt zy het meest op het zedelyk lichaam, maar wijkt daarvan af, in strekking, omdat winstbejag haar hoofddoel is, — in wezen, o. a. omdat hare aandeelhouders niet geheel dezelfde rol spelen als de leden eener vereeniging. Het recht der aandeelhouders toch is verbonden aan den eigendom of het bezit, soms alleen aan het houden van het aandeel. De persoon dier houders treedt alzoo eenigermate op den achtergrond; ja zelfs is het in vele gevallen niet bekend wie houder der aandeelen is, zoodat het personeel dat het hoogste gezag vertegenwoordigt niet alleen voor gedurige verandering vatbaar is, maar zelfs geheel of ten deele achter de aandeelen kan verscholen zijn. Niet ten onrechte wordt derhalve deze vennootschap elders Actiën-Gesellschaft genoemd, en de benaming van aandeelenmaatschappy ware ook wellicht ten onzent niet verwerpelijk.
Wij kunnen hier volstaan met dezen vluchtigen blik in het wezen der zaak. De nadere studie van dit onderwerp behoort tot het handelsrecht.
5a6
COÖPERATIEVE VEEEEN IG1N GEN.
IV. Coöperatieve vercenigingen.
(Wet van 17 Nov. 1876, Stbl. n0. 227.)
Deze lichamen danken hun ontstaan aan nieuwe maatschappelijke toestanden. Zij strekken tot bevordering van de welvaart der arbeidende klasse, door de leden in staat te stellen collectief datgene tot stand te brengen, hetwelk zij door gemis aan kapitaal en creditt individueel niet kunnen bereiken. Zij bevorderen de stoSelijke belangen der leden, bij voorbeeld door middel van gemeenschappelyke uitoefening van hunne nering of ambacht, door aanschaffing van hunne be-noodigdheden, die alsdan in het groot door de vereeniging worden gekocht en aan de leden wederom in het klein afgeleverd; soms hebben zij den vorm van crediet-instellingen, die zelf gelden opnemende, deze wederom tydelgk aan de leden uitleenen. De door het lichaam behaalde voordeden komen na aftrek der noodzakely ke kosten wederom aan de leden ten goede.
Daar de Regeering zoodanige vereeniging, wegens hare gelijkenis op eene vennootschap niet wilde rangschikken onder de zedelijke lichamen, en haar dus niet als rechtspersoon wilde erkennen, en de by de wet bekende en geregelde vormen van vennootschap voor de coöperatieve vereeniging niet pasten, werd van vele zijden op bijzondere regeling by de wet aangedrongen, gelyk dit in naburige Staten reeds was geschied. De wet van 17 Nov. 1876, Stbl. nquot;. 227, regelt dit onderwerp.
Art. 6 dier wet noemt de vereeniging uitdrukkelyk rechtspersoon. Tot hare oprichting wordt geene goedkeuring van staatswege vereischt, maar inschrijving ter griffie van het kantongerecht en openbaarmaking in de Staatscourant van de notarieele akte van oprichting, terwijl nog meer maatregelen van openbaarheid zyn voorgeschreven (art. 5); art. 7 leert wat die akte moet bevatten, o. a. de bepaling in welke mate de leden persoonlyk aansprakelijk zyn voor de verbintenissen der vereeniging en de voorwaarden van in- en uittreding der leden. Hierin vooral ligt een groote afwijking van de by andere rechtspersonen zoo streng gehandhaafde afscheiding van hun kapitaal van dat der leden. De leden toch en zij, die in het jaar aan de ontbinding voorafgaande lid waren, zijn bij de verefPening der zaken van de vereeniging, aansprakelijk voor dekking van het tekort en voor elkanders gegoedheid te dien aanzien (art. 19). Die aansprakelykheid kan voor gelyke deelen of volgens anderen maatstaf op hen drukken (art. 19, 20). Daar het dus by de gemakkelyke verandering in het ledenpersoneel voor derden van groot belang is te weten wie in zoodanig geval aan-sprakelyk is, moet een register aan het kantoor der vereeniging aan-
537
coöperatieve vëreenigin gen.
wezig zijn en dagelijks worden bijgehouden. Dit register op welks kostelooze inzage iedereen recht heeft en waaruit men voor eigen rekening afschrift of uittreksels kan bekomen, bevat behalve de statuten, eene voldoende aanwijzing van naam en woonplaats der leden, bestuurders en commissarissen, zoo die er zijn, en alle by zonderheden, die op de toetreding of uittreding der leden, het storten en de terugbetaling hunner gelden enz. betrekking hebben (art. 11).
Ook de jaarlij ksche rekening en verantwoording van het bestuur, die ter griffie voormeld wordt nedergelegd, is voor een ieder toegankelijk (art. 16). Bij de wet van 7 Mei 1878, Stbl. n0. 41, is dit art. aangevuld met de bepaling dat deze rekening en verantwoording, voorzien van het bewijs der goedkeuring, vry-is van zegel-en registratierecht.
De vereeniging eindigt door tijdsverloop, ontbinding krachtens besluit der algemeene vergadering en faillissement (art. 18).
De inrichting en samenstelling is evenals bij zedelijke lichamen in de eerste plaats aan de overeenkomst der leden overgelaten en slechts subsidiair by de wot geregeld (art. 7, 8 enz.). Verplichtend echter is o. a. de keus van een bestuur en commissarissen zoo die er zijn, door de leden; hun last is zelfs by aanstelling voor een bepaalden tijd steeds herroepelijk. Het bestuur vertegenwoordigt de vereeniging in en buiten rechte (art. 8).
Volledigheidshalve zy hier nog vermeld dat sommige geachte rechtsgeleerden de vennootschappen onder eene firma, de reederijen, en de onderlinge verzekering- of wmrhorgmaatschappijen onder de rechtspersonen rangschikken. Daar het hoofdkenmerk — de afscheiding van vermogen — in ons stellig recht ontbreekt, kunnen wij aan de argumenten, voor die stellingen aangevoerd, geen genoegzame waarde hechten om ons daarmede te vereenigen. Eene opzettelyke bespreking van deze bekende vragen zou de grenzen van dit werk overschryden.
55HÏBI\'\' ÜS «WMBBMaBWBBMBSHBBMmaaBBW
êffij-Q t^J\'-\\i vfï\'quot;,\'^ ^yji^r -\'r MIM ,:h -
A® ^aaOiCr ffi_________• -k lt;gt; ^f. •■ ,• .•.«,
Wiiist