GODGELEERDHEID EN WIJSBEGEERTE.
GODGELEERDHEID EN WIJSBEGEERTE.
NIEUWE BIJDRAGEN
OP HET GEBIED VAN
GODGELEERDHEID EN WIJSBEGEERTE
DOOR
Dr. J. CRAMER en Dr. G H LAMERS,
HOOGLEERAREN TE UTRECHT.
\'lt; y-v
- V\' , . \'5 .\';
ZESDE DEEL.
\\ .quot;A V
V - ^ lt;;?!•: V--vL
%r7v^
UTEECHT, C. H. E. BEEIJER. 1890.
Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, Den Haag.
(J. ~tn
PP* / q.
DE BRIEF VAN PAULUS AAN DE GALATIËRS.
J* /2bi
DE BRIEF YAN PAULUS
AAN
DE GALATIËRS
IN ZIJN
OORSPRONKELIJKEN VORM HERSTELD, EN VERKLAARD
DOOR
Dr. J. CRAMER,
Ilooglccraar tc Utrecht.
UTRECHT,
C. H. E. BREIJER. 1890.
Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, Den Haag.
VOORREDE.
Wat mij vrijmoedigheid geeft om het aantal commentaren op Paulus brief aan de Galatiërs met één te vermeerderen, is dat ik een anderen weg ben gegaan, en daardoor tot andere resultaten beu gekomen. In drieërlei opzicht verschilt mijn commentaar van de bestaande :
1. Zorgvuldig heb ik alle critische quaesties vermeden, die niet onmiddellijk met den brief in verband staan. Zoo heb ik o. a. met geen enkel woord over de overeenstemming en het verschil tusschen den brief en de Handelingen der Apostelen gesproken. Ik achtte het van het hoogste belang, nu de vraag naar de echtheid van de vier hoofdbrieven van Paulus met nadruk aan de orde komt, den brief aan de Galatiërs geheel op zich zeiven te behandelen. Nog altijd heeft de beschouwing van het ééne geschrift te veel invloed
II VOORREDE.
op de beschouwing van liet andere, tot groote schade voor heide. quot;Wat de Hand. der App. betreft, dat er verschil, soms zeer ernstig verschil van voorstelling is, door geene harmonistiek uit den weg te ruimen, tusschen de wijze waarop over Paulus en Petrus gesproken wordt, en de wijze waarop Paulus over zich zeiven en over Petrus spreekt in onzen brief, moet erkend worden. Maar hoe geheel anders zal dat verschijnsel worden verklaard, wanneer men eerst het boek der Hand. op zich zelf beschouwt, dan wanneer men terstond begint met de berichten van Hand. aan die van Gral. te toetsen.
En zoo is het ook met onzen brief. Naar voorop gezette theoriën, waarin de beschouwing van het boek der Hand. eene groote rol speelde, heeft men aan de ééne zijde te weinig, aan de andere zijde te veel in de woorden van Paulus gelegd, en nu eens aan de tekstcritiek, dan aan de hermeneutiek zich bezondigd.
Ook in de jongste geschriften over Gal. heeft men zich daarvan niet geheel vrij gehouden. Uitgaande van de exegetische traditie, gelijk deze zich in den strijd vóór en tegen Tubingen had gevormd, heeft men de echtheid of onechtheid van Gral. bepleit, zonder eerst met allen ernst te hebben onderzocht, wat Paulus eigenlijk geschreven heeft.
Om dit laatste nu is het mij thans alleen te doen geweest. Al zal niemand, die van mijn werk kennis noemt, omtrent
VOORREDE. Ill
mijne overtuiging aangaande de eclitheid van Gal. in liet onzekere zijn, zoo heb ik toch met opzet deze quaestie buiten het debat gelaten. Noch met een apologetisch noch met een polemisch doel heb ik geschreven. Ik heb eenvoudig, gelijk ook de titel luidt, dat geschrift uit de oud-christelijke letterkunde, dat zich noemt: Paul us\' brief aan de Gralatiërs, in zijn oorspronkelijken vorm willen herstellen, en verklaren. Men zij in zijne critiek, zoo mij die mocht te beurt vallen, zoo gestreng mogelijk; maar houde zich binnen de grenzen, door mij aangegeven.
2. Tot grondslag van mijn onderzoek heb ik den codex Vaticanus (B) genomen. Tot nog toe ging men uit van den textus receptns. Dit sprak van zelf — meende men. Men behoefde dat niet eens te zeggen. Zelfs zag men niet altijd de noodzakelijkheid in, van dien tekst onder de oogen der lezers te brengen. Alsof de lezers van een commentaar niet allereerst het recht hadden om te vernemen, wat gecommentarieerd wordt.
In navolging van de goede gewoonte van de beoefenaars der classieke letterkunde, geef ik dus eerst den griekschen tekst. Dat ik dien niet geef naar den Receptus, maar ook niet naar Tischendorf of een anderen critischen uitgever, kan niemand bevreemden. Voor ieder die zelfstandig\' wil te werk gaan, en uit eigen oogen wil zien, beveelt zich van zelf aan, den tekst van het beste handschrift dat men kent,
IV VOORREDE.
tot grondslag te nemen. Lang lieb ik geaarzeld of ik den Sinaïticus of den Vaticanus zou volgen. Ten slotte heeft de Vaticanus het gewonnen. Eene zorgvuldige vergelijking van de beide handschriften heeft mij doen zien, dat de Vaticanus dichter bij den oorspronkelijken tekst staat dan de Sinaïticus !). Of ik goed gezien heb, moet uit mijn commentaar blijken.
3. Het voornaamste verschil met andere commentaren bestaat hierin, dat ik de zoogenaamde conjecturaal-critiek in al haren omvang heb toegepast,
In het algemeen ontvangt de tekst-critiek in de meeste commentaren niet de eer, die haar toekomt. Wat kerkvaders, hervormers, katholieke en protestantsche uitleggers over deze of die plaats hebben gezegd — ook al zijn hunne verdiensten als uitleggers uiterst gering, ook al wordt hunne meening door niemand meer gedeeld — niets wordt verzwegen. Maar wat de handschriften ons te zeggen hebben, dat wordt doorgaans ter loops, bij den aanvang eener perikoop, of in noten afgehandeld. In den tekst mag naar het schijnt de tekst-critiek geen plaats vinden. Alsof men tekst-critiek en exegese kon scheiden! Alsof zij niet dikwijls elkander de grootste diensten bewezen! J)
\') Of dit ook met de andere geschriften van het N. T. het geval is, heb ik niet onderzocht.
5) Zie mijne Eede over Exegese en eritiek in het 5e deel, 5e stuk dezer Bijdragen.
VOORREDE. V
Ik heb de vrijheid genomen, ook hierin van de gewoonte af to wijken, en tekstcritiek en exegese zóó ineen te vlechten, dat het duidelijk blijkt, hoe zij elkander ncodig hebben. Dat ik dikwijls eenvoudig naar Tischendorf kon verwijzen, begrijpt ieder, die de groote verdiensten van dien criticus kent.
Meer echter dan de plaats, die ik aan de diplomatische of oorkondelijke critiek gegeven heb, zal het ruime gebruik, dat ik van de conjecturaal-critiek gemaakt heb, de aandacht trekken. Zulke dingen verwacht men allerminst in een commentaar. Laat toch in vredes naam de conjecturaal-critiek builen het gebied der exegese ! Bepalen wij ons tot den Receptus, of in het uiterste geval tot den tekst van Tischendorf of van quot;VVestcott-Hort. De tekst is toch zoo slecht niet, of er is met wat exegetische handigheid wel wat van te maken. En kunnen wij er volstrekt niets op vinden, welnu, dan troosten wij ons immers daarmede, dat er later wel iemand zal opstaan, die er meer kans op ziet! Altijd beter, dan ons op het onbetrouwbaar teiTein der conjecturen te bewegen! Dat zet de willekeur op den troon!
Zoo spreekt men, en waarlijk niet alleen van de zoogenaamde conservatieve zijde. Vooral in Duitschland ziet men de conjecturaal-critiek nog argwanend aan. Vreemd! Gij moogt de traditiën der Kerk omtrent het ontstaan onzer
VI VOORREDE.
nieuw-testamentisclie geschriften bijkans op ieder punt tegenspreken ! Gij moogt van twee brieven drie maken! Gij moogt omwerking en overwerking uit partij-oorzaken aannemen ! Gij moogt een schrijver tal van brieven laten plunderen om zijn samengeflanst werk voor een apostolisch werk te doen doorgaan! Gij moogt tal van perikopen, tal van hoofdstukken in den loop der jaren hier en daar laten inlasschen met een dogmatisch doel! Maar, waar het den tekst van Tischendorf geldt — manum de tabula! In de schrijvers of afschrijvers partijmannen te zien, die verdichtten en verzonnen, omwerkten en overwerkten, uitlieten en bijvoegden met een overleg, dat nog de verbazing wekt van de schranderste kinderen der negentiende eeuw —
7-
niets rationeeler dan dit! Maar aan te nemen, dat eenvoudige en vrome, doch soms zeer onkundige en onbeholpen afschrijvers den tekst hebben verhaspeld, zoodat de handschriften ons niet meer kunnen redden — wie denkt daaraan! Waarlijk, het wordt tijd, dat men het Tubingsche juk afwerpt.
Het komt niet in mij op, hier het goed recht der conjecturaal-critiek te gaan verdedigen. Wie door mannen als Harting \'), van Manen J) en van de Sande
\') Dr. D. Harting, Bijdrage tot de. vaststelling van den tekst der schriften van het N. T. (opgenomen in de Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, 2e reeks, dl. IX.
,) Dr. W. C. van Manen, Conjeeturaal-kritiek, toegepast op den tekst van de schriften des N. Testaments, 1880.
VOORREDE.
Bakhuyzen !), om nu geen anderen te noemen, niet overtuigd is, dien vrees ik evenmin te kunnen overtuigen. Liever zet ik de conjecturaal-critiek aan het werk. Indien het blijkt, dat zij ons een nieuw-testamentisch geschrift beter doet verstaan, dan heeft zij haar pleit gewonnen en wij hebben verder geene redeneeringen meer noodig.
Dit is hier nu, meen ik, werkelijk het geval. Eerst door de conjecturaal-critiek in al haren omvang toe te passen, heb ik den brief aan de Galatiërs leeren verstaan.
Laat mij met een enkel woord meêdeelen, hoe mijn boek is geworden. Eerlijk wil ik bekennen, dat de strijd over de echtheid van Paulus brief aan de Galatiërs mij eerst vrij koud liet. De bedenkingen door Dr. Lom an ontleend aan hetgeen ons van de eerste Kerk is overgeleverd, vond ik van te weinig beteekenis tegenover hetgeen vóór de echtheid aan den brief zeiven kon ontleend worden. Wat Pi er son in het midden had gebracht 1), vond ik wel aardig bedacht, maar te gezocht om iemand van overtuiging te doen veranderen. De Marcionitische
\') Dr. W, H. van de Sandc Bakhuyzen, Over de toepassing van de conjecturaal-krUick op den tekst des N. Testaments, 1880. Bekroond (evenals dat van Dr. van Manen, door Teylèrs godgeleerd genootschap).
2) Dr. A. Piers on, Dc Bergrede en andere synoptische fragmenten. Een historisch-kritisch onderzoek, met een inleiding over enkele leemten in de methode van de kritiek der Evangeliën, Amsterdam 1878.
VII
VIII VOORREDE.
Paulus van van Manen heeft mij, zooals uit menige plaats in mijn commentaar blijken zal, geen oogenblik bekoord. Ter kwader ure heeft de gedachte, dat Marcion misschien den sleutel zou hebben tot het ontraadselen van de paulinische brieven, zich van mijn geachten ambtgenoot meester gemaakt. De eerste, die eenigen indruk op mij maakte, was Steek 1). Vooral trof mij, wat hij van het niet-oor-spronkelijke van menige plaats in den brief zeide. Ik moest hem gelijk geven. Op andere plaatsen daarentegen vond ik hem zwak, zoo zwak, dat ik er in de verte niet aan kon denken met iiem mede te gaan, en den voor Paulus zich uitgevenden schrijver van plagiaat te beschuldigen. Dat een zóó oorspronkelijk, zóó krachtvol, zóó geniaal man als de schrijver van den brief aan de Galatiërs onmogelijk nu eens dezen dan dien brief kon geplunderd hebben, om er iets van in te lasschen in zijn schrijven, daarvan werd ik steeds meer overtuigd. Ik onderzocht daarom de door Steek gebrandmerkte plaatsen wat nader, en bevond toen dat zij óf door eene grondiger exegese hare bewijskracht verloren, óf aan deze twee gebreken leden, dat zij den samenhang verbraken en de paulinische zeggingskracht misten, ja soms geen zin hadden. Dit resultaat had voor mij iets zóó
\') Der Galaterhrief nach seiner Echtheit untersucht, ncbst kritischen bemerkungen zu den paulinisehen Hauptbriefen, von Eudolf Steek, Berlin 1888.
VOORREDE. IX
verrassends, dat ik terstond besloot van den geheelen brief eene zelfstandige studie te maken, en met den besten codex tot grondslag, woord voor woord in den brief uit het gegeven oogpunt te herzien. Dat het mij veel hoofdbrekens heeft gekost, voordat ik van alles in den brief de juiste verklaring kon geven, zal ieder begrijpen, die den brief aan de Galatiërs kent, en weet met welke cruces zijn uitlegger heeft te worstelen. Maar nu mag ik dan ook de voldoening smaken, dat alle moeielijkheden voor mij zijn weggevallen, en dat ik den brief versta, zooals ik hem nog nooit verstaan heb — dank zij eensdeels mijn wantrouwen in de traditioneele exegese op tal van plaatsen, en anderdeels mijn uitgaan van de hypothese der interpolatie.
Men lette vooral op plaatsen als 1:7a-, 2 : 2—4; 2 : 6; 3:16, 17; 3:18—21; 3:28; 4:6; 4:23—29; 5:5, 6; 5: 19 —21; 6:6, 7. Dat hier afschrijvers wel met eene goede bedoeling, maar toch op eene onhandige wijze aan het werk zijn geweest, valt, dunkt mij, moeielijk te loochenen. Dat onhandige bestaat hierin, dat zij uit andere brieven van Paulus of van elders het een en ander hebben ingelascht tot stichting en opbouwing van de gemeente, zonder al te nauw toe te zien op het verband, waarin zij het plaatsten. En nu is het juist door die onhandigheid, dat het ons gelukt, soms zonder veel moeite, den tekst te
X VOORREDE.
herstellen, door eenvoudig weer bij elkander te voegen, wat oorspronkelijk bij elkander behoorde.
Misschien komt dat dezen of genen wat al te eenvoudig voor, en vindt men het eene te gemakkelijke manier om zich uit de verlegenheid te redden. Vergeet niet, zoo hoor ik mij toeroepen, dat uwe begrippen van logica wel eens anders kunnen wezen dan die van Paukis! Bedenk dat het verband wel eens meer in de gedachte, dan in de woorden kan bestaan; dat de gedachten van Paulus wel eens eene diepte hebben, die wij niet peilen kunnen; dat wij met alle omstandigheden, waaronder de apostel schreef, met alle gelegenheden en aanleidingen die hem zóó en niet anders deden schrijven, niet bekend zijn; dat wij daarenboven met een brief, en niet met eene verhandeling te doen hebben , en dan nog het hartstochtelijke van Paulus karakter, dat hem plotseling van het eene op het andere deed overspringen, in rekening moeten brengen!
Zeker, daaraan moet worden gedacht, meer dan door menigen exegeet is geschied. Maar ondanks dat alles — indien het waar is dat diepzinnigheid geen onzin is; dat er logische wetten zijn, waaraan ieder redelijk denkend mensch, ook Paulus, gehoorzaamt; dat men aan iederen schrijver den dubbelen eisch mag stellen, dat hij zich zelf begrijpt, en dat hij door zijne lezers wil begrepen worden; dat, evenmin als eene fontein zout en zoet water kan voortbrengen, evenmin
VOORREDE. XI
een schrijver, wiens geschrift van het begin tot het einde tintelt van geest, zoo klakkeloos eenige matte en geestelooze woorden daar tnsschen in zal strooien — indien dat alles moet toegestemd worden, dan kan men tegen de door mij aangewende methode geen bezwaar hebben.
De eenige, die deze methode is gevolgd, en haar niet alleen op den brief aan de Galatiërs, maar ook op de brieven aan de Romeinen, aan de Filippenzen en aan de Kolossenzen heeft toegepast, is Ch. H. W eis se. Daar zijne „ Beitragequot; \') echter eerst na zijn dood zijn uitgegeven zonder vermelding van de redenen, die hem bij zijne critiek hebben geleid, kunnen zij niet dienen om de door hem gevolgde methode aan te bevelen. Zeer dikwijls moet ik dan ook van hem verschillen.
Niettemin, dien weg moet het uit. Hoe ook mannen als Hilgenfeld en Holsten, o\'i Soxouvrsc eUvxi ti, er zich tegen verzetten, aan de conjecturaal-critiek, en wel op de breedste schaal moet het woord worden gegund, zal men den brief aan de Galatiërs kunnen verstaan i). Is de brief niet een
\') Beitrage zur Kritik der Paulinischen Briefc an die Galater, Homer, Philipp.er und Kolosser, von Ch. H. Wcisse, hcrausgegebcn von Dr. E. Sulze, Leipzig 1867.
\') Ook wat Holsten in de Protest. Kirchenxeitung, 1889, heeft geschreven ter wederlegging van Steek, heeft mij niet overtuigd. Fijne opmerkingen komen er in voor. Maar ook verscheidene redeneeringen, waaraan geen gezonde exegese ten grondslag is gelegd.
XII VOOREEDE.
voortbrengsel der oud-christelijke letterkunde geweest, voordat hij in den kanon der Christelijke Kerk is opgenomen ? En waarom zal men dan aarzelen de philologische critiek in alle gestrengheid op haar toe te passen 1)? Waarom zal men zich nog langer door bekwame philologen spottend laten vragen, of de theologen er soms eene eigene hermeneutiek op na houden ? Mogen de philologen, die zich met de critiek van de nieuw-testamentische geschriften hebben onledig gehouden, dikwijls misgetast hebben, omdat zij geen theologen waren, niet minder hebben ook de theologen dikwijls misgetast, omdat zij aan de eischen der philologie te kort deden.
Maar genoeg! Mijn commentaar ga zijn weg, en brenge onder Gods zegen het zijne er toe bij, dat Paulus beter worde verstaan, de theoloog aan de critiek een vriendelijker gelaat toone, en de gemeente worde opgebouwd in haar geloof!
«Wir hoffen vielmehr, cs moge der Strenge wirldicher, philolo-gischer Kritik gelingen, dem urchristlichen Zeitalter auch im Einzelnen nach gerechter zu werden.» Met deze woorden besluit E. Lindemann zijne brochure over «Die echtheit der Paulinischen Hauptbriefe», Zurich, 1889. Jammer maar, dat hij zelf niet de hand aan den ploeg heeft geslagen.
NOODIGE OPHELDERINGEN VOOR DEN LEZER.
Behalve de in de Voorrede door mij genoemde werken van Harting, van Manen, van de Sande Bakhnyzen, Pier son, Steek en Weisse, zijn door mij nog aangehaald:
A. Hilgenfeld, Der Galaterhrief, übersetzt, in seinen geschichtlichen Beziehungen untersuclit und erklart, Leipzig, 1852.
C. Holsten, Das Evangelism des Paulus dargestellt, Teil I, Abt. I, Berlin, 1880.
Dr. W. C. v a n Manen, Mardon s brief van Paulus aan de Galatitrs, in het Theologisch Tijdschrift, 21e jaargang, Ve stuk.
J. M. S. Baljon, De tekst der brieven van Paulus aan de Romeinen, de Corinthiërs en de Galaticrs, als voorwerp van de conjecturaalhritieh heschouivd. Academisch proefschrift, Utrecht, 1884 (aangeduid met Baljon, Diss.).
XIV
Dr. J. M. S. Bal jon, Excgetisch-kritischc verhandeling over den brief van Faidus aan de Galatiërs, Leiden, 1889 (aangeduid met B a 1 j o n).
Dr. K. Wieseler, Commentar iiher den Brief Pauli an die Galater, Göttingen, 1859.
S. A. Naber, Nucidae, in het pWlologiscli tijdsclirift Mnemosyne, nova series, volumen sextnm decimum, Lugduni-Batavorum et Lipsiae, 1888.
Verisimilia. Laceram conditionem Novi testamenti exemplis illnstrarunt et ah origine repetierunt A. Pierson et S. A. Naber, Amstelodami, 1886.
Dr. G. B. quot;Winer, Grammatïk des NeutestamentlicJien Sprachidioms, secliste Aufl., Leipzig, 1855 (aangeduid met quot;Winer, Gramm.).
Dr. G. B. quot;Winer, Pauli ad Galatas epistola, ed. quarta, Lipsiae, 1859 (aangeduid met quot;Winer, Comm.).
B. Bauer, KritiJc der paulinisclien Briefe, Berlin, 1852.
E. A. Borger, Interpretatio epistolae Pauli ad Galatas, Lugduni-Batavorum, 1807.
Usteri, Komm. iiher den Brief Pauli an die Gal., 1S33.
Dr. F. Sieffert, Kritisches exegetisches Handhuch iiher den Brief an die Galater, 7e Aufl.
J. J. Wetstein, Novum Testamentum Graecum, 1752.
XV
C. Tiscliendorf, Novum Testamentum Graece, ed. octava, 1869/72.
B. F. Westcott and F. J. A. Hoi\'t, The Neiv Testament in the original Greek, Cambridge and London, 1882 (aangeduid met W H).
C. Tiscliendorf, Vetus testamentum Graece juxta LXX interpretes, ed. altera, Lipsiae, 1856 (aangeduid met: de 70).
H. B. Swete, The Old Testament in Greek according to the Septuagint, vol. I, Cambridge, 1887.
W. Pape, Griechisch-deutsches Handwörterbuch, 3e Aufl., 1880.
Christiani Gottl. Wilkii Clavis Novi Testamenti phiiologica. Gastigavit et emendavit C. L. W. Grimm, Lipsiae, 1888.
H. Cr e m e r, Biblisch-tJieologisches Wörterhuch der neu-testamentlichen Grcicitat, fiinfte Aufl., Gotha, 1888.
Ph. Buttmann, Griechische Grammatik, 17e Aufl., Berlin, 1845.
A. Buttmann, Grammatik des neutestamentliehen Sprach-gelrauchs, Berlin, 1859 (aangeduid met Buttmann).
Tertullianus, ed. Oeliler, Lipsiae, 1853.
Irenaeus, ed. Stieren, Lipsiae, 1853.
XVI
Origenes, ed. Delarue-Lommatzsch, in 25 deelen, Berl. 1831—46.
Josefus, ed. stereotypa, Lipsiae, 1850.
Philo, ed. Richter, 1828—30.
EERSTE HOOFDSTUK.
Vs. 1. n«yAo? xtt ótrr o Xo c, ouy. «.% xvó p utt av ov\'iïs S;\' xv ó p agt; t ou, xXXx \'Sia, \'lytrou Xpitrrsv xzi Q s oü irxTpoc rov sy s i p avr o $ xurbv sk v sy.püv.
De Sin. heeft x-jtüv achter sysipxvroc — blijkbaar eene schrijffout.
Voor ^ xvQpdnrov lezen wij bij sommige kerkvaders: §(\' xvdpuTTuv. Zoo o. a. bij Origenes in zijn commentaar op Joh. (I, 336), en op 1 Thess. (V, 275). In zijn comm. op Gal. daarentegen luidt het: „non ab hominibus neque per hominemquot; (V, 261), en op Titus: „non ab homine, neque per hominemquot; (V, 284). Waarschijnlijk stond er dus in de door Origenes gebruikte handschriften 5;\' xvópu~sv, maar liet hij zich bij het aanhalen uit het geheugen door het meervoud achter x~o verleiden, om ook achter §/« een meervoud te zetten; of ook wel door het enkelvoud achter oió., om ook achter drro een enkelvoud te plaatsen. Dit kan ons niet verwonderen. Men verwacht tweemaal een pluralis of tweemaal een singularis. Wat kan den schrijver bewogen hebben, om achter xtto een pluralis en achter oix een singularis te zetten? Heeft hij bij 5/\' xvópcliTrov een bepaalden persoon op het oog gehad? Maar wie kan dat dan zijn! Aan Ananias kunnen wij VI. 1 1
I : 1
toch niet denken. In Hand. 9 wordt wel verhaald, dat Paulus door bemiddeling van Ananias het licht zijner oogen terug kreeg en met den H. Geest vervuld werd (v. 17), maar niet, dat hij door Ananias tot apostel gewijd werd. En dat de .-„valsche broedersquot; in de Galatische gemeenten Paulus voor .-de voeten zullen geworpen hebben, dat hij eigenlijk aan vAnanias zijn apostelschap had te danken, is wel zeer onwaarschijnlijk. Men heeft gemeend dat de singularis gebruikt is met het oog op het volgendeX/jwtcD, waarmede het mópuTrcj eene tegenstelling zou vormen. \') Maar zulk eene tegenstelling is onpaulinisch. Zoo paulinisch als het is, om Jezus Christus, en den mensch of de menschen tegenover elkander te stellen, waar het de vraag betreft, door wien men gezonden is, zoo onpaulinisch is die tegenstelling, waar van Jezus goddelijke natuur sprake is.
Maar ook al leest men of :böpd:7ruv, vreemd blijft altijd die verwisseling van voorzetsels. quot;Waarom eerst xttó, en daarna S/i? \'Atto is: van wege (vg. 1:3; 2:6; 2:12). \'AttóstoXo: ouk xtt xvQpuTrccv wil dus zeggen: een apostel, niet van wege menschen, niet van menschen gezonden, niet door menschen tot apostel gewijd, niet van menschen zijn\' geloofsbrief ontvangen hebbende. Met nadruk zet Paulus dat voorop, om terstond te doen uitkomen, dat hij zijne roeping tot apostel niet aan menschen, ook niet aan de twaalve te danken had, maar, door Jezus Christus en God geroepen, zelfstandig zijnen weg ging.
Maar wat beteekent nu dat daarop volgende: Sf xvSpuTcu of oiquot; möpccTTcov? quot;Welk verschil kan er, in dit verband, zijn
\') Zoo ziet ook Origenes (V, 262) er een bewijs voor Jezus Godheidin.
2
2
I : 1
3
tusschen xtto rnog en quot;Six tivoc? Als iemand van we ge menschen (in casu de twaalve) werd uitgezonden, dan werd hij immers ook door lien uitgezonden? \') Of zouden er dan weer tussclienpersonen moeten gedacht worden, door middel van wie die uitzending plaats had? En wie zullen dan die tusschenpersonen tusschen Paulus en de twaalve geweest zijn? Hoe men het cok opvatte, dat tC xvöpwirou {pi xvöpuKw) hlijft een zwak toevoegsel. Gewaagd is, dunkt mij, de gissing niet, dat het eene glosse is, door een afschrijver op den rand geplaatst, en later in den tekst opgenomen. Aanleiding hiertoe gaf hem eensdeels wat Paulus later zeide 1: 12 [c-jIs yxp syx ttzcx xvêpuirov trxpshxficv xvró), anderdeels de zucht om aan het Six \'lyrtju Xpiarcü het Sf xvipditrov te doen beantwoorden, gelijk het aix óssïi nxTpos beantwoordde aan het XT XVÓpUTTUV.
Men leze dus: xttóctoXs:, ovy. xt xvOpAirav, x^Xx Six I. X. Dat xtto met Six wordt afgewisseld, laat zich zeer goed verklaren. Aix met \'I^trcD XpiïTcv of met (tsoü verbonden is bij Paulus zeer geliefd (zie o. a. 1 Kor. 1:1; 1:9; 2 Kor. 1:1; Rom. 1 : 5), en drukt ook nog sterker uit wat de schrijver zeggen wil. Hij was niet alleen een apostel van wege Chris-tiis, maar ook een apostel door Christus, rechtstreeks door Christus, zonder tusschenkomst van menschen, tot apostel gemaakt.
\') Hilgenfeld wil in zijn « Galaierhrief» (S. 109) onderscheid gemaakt hebben tusschen «Ursprung» (««-o) en «Vermittelung» (Six). Maar dit kan van het apostolaat niet gelden; öf men werpt zich zelf tot apostel op; öf men heeft zijne apostolische waardigheid van menschen ontvangen; of men is door God (of Christus) tot apostel geroepen. Een vierde is niet denkbaar.
3
I : 1
De volgende woorden x») Ssou TrxTpcc komen, gelijk bekend is, niet voor in den marcionitisclien tekst van onzen brief, \'t Is wel vreemd, dat Tertullianus, als hij Marcion van verminking der paulinische brieven beschuldigt, Gal. 1:1 niet noemt. JVIaar licht kan hij die plaats over het hoofd gezien hebben. Het zou ook kunnen zijn, dat eerst later onder de volgelingen van Marcion de weglating heeft plaats gevonden. Hoe het zij, Hieronymus bericht „Sciendum quoque in Marcionis apostolo non esse scriptum et per deum pa-trem, volentis exponere Christum non a deo patre sed per semetipsum suscitatumquot;, ut est illud: Solvite templum hoe, et ego in triduo suscitabo illud. Xecnon et alibi: Nemo tol-lit animam meam a me; sed ego pono eam a meipso. Potes-tatem habeo ponendi eam, et rursum potestatem habeo sumendi illamquot;. \')
Welke zal nu de oorspronkelijke lezing geweest zijn? Dr. van Manen geeft aan de lezing van Marcion (of de Marcionieten) de voorkeur. De schrijver zal gezegd hebben: quot;èix \'lytrcj XpiFTOü tov iysipxvTO? a-jTov sa yr/.pxv, en daarmede hebben willen te kennen geven, dat hij niet door den mensch Jezus op aarde, maar door den opgewekten, verheerlijkten Jezus tot het apostelschap was geroepen. Later zullen nu de katholieken de woorden y.x) össv z-xrpo: er tusschen geschoven hebben, om Paulus als getuige te doen optreden tegen de marcionitische scheiding van \'lijtrcD? Xpitrro? en óeo? 7ra.rvp. 2)
4
Ik moet hierin van mijn ambtgenoot verschillen. Er was
\') Zie van Manen, Theol. Tijdschr., 21e jaarg., bl. 456. J) A. v., bl. 456—458.
4
I ; 1
5
veel meer aanleiding voor Mareion om -/.x) êscd rrxrpo: te schrappen, dan voor de katholieken, om ze er in te lasschen. Uit een dogmatisch oogpunt waren de woorden veel meer hinderlijk voor het marcionitische stelsel, dan zij tot steun waren voor het katholieke. Hier komt hij, dat de gedachte: Christus heeft zich zelf opgewekt, aan al de brieven, die op naam van Paulus staan, vreemd is. Paulinisch is, dat Christus door God is opgewekt. In de aangehaalde plaats van Hie-ronymus wordt dan ook alleen naar twee plaatsen uit het Evangelie van Johannes verwezen.
Of zou soms hij de weglating der woorden de zin eerst verstaanbaar worden\'? Dr. van Manen zegt, dat een enkele blik in de commentaren ons overtuigt, dat nog niemand eene bevredigende oplossing heeft gevonden van de bezwaren, die zich tegen de gewone lezing verheffen. Maar dit komt daar- , van, dat men cuSè Si\' xvêpuTrcu in den tekst laat, en dan êecïi ttxTpoe daarmee laat correspondeeren, terwijl men Sf# \'V/jfov XpivToZ laat correspondeeren met oltt xvöpuTruv. Immers kan dan terecht gevraagd worden, of er ooit iemand aan gedacht heeft „ God-Vaderquot; voor een mensch te houden 1). Men verwijdere echter eenvoudig süSs Sf avipaiTcv, en alles is duidelijk. Paulus had zeker kunnen volstaan met tix Xpitrrov. Maar, daar het niet Jezus Christus in zijne aardsche verschijning was, die hem tot apostel had geroepen, maar de opgewekte Christus, dien God hem in zijne heerlijkheid had doen zien, en met wiens beteekenis voor de heidenwereld God hem, als apostel der heidenen, had bekend gemaakt (zie 1:12—16), voegt hij er bij: xx) öeoü TTXTpig). Of hij hierbij
!) A. v., bl. 458.
5
I : 1
De volgende woorden kx) ésov Trxrpos komen, gelijk bekend is, niet voor in den marcionitisclien tekst van onzen brief, \'t Is wel vreemd, dat Tertullianus, als hij Marcion van verminking der paulinische brieven beschuldigt, Gal. 1 : 1 niet noemt. Maar licht kan hij die plaats over het hoofd gezien hebben. Het zou ook kunnen zijn, dat eerst later onder de volgelingen van Marcion de weglating heeft plaats gevonden. Hoe het zij, Hieronymus bericht „Sciendum quoque in Marcionis apostolo non esse scriptum et per deum pa-trem, volentis exponere Christum non a deo patre sed per semetipsum suscitatumquot;, ut est illud: Solvite templum hoe, et ego in triduo suscitabo illud. Necnon et alibi: Nemo tol-lit animam meam a me; sed ego pono eam a meipso. Potes-tatem habeo ponendi eam, et rursum potestatem habeo sumendi illamquot;. gt;)
Welke zal nu de oorspronkelijke lezing geweest zijn? Dr. van Manen geeft aan de lezing van Marcion (of de Marcionieten) de voorkeur. Dc schrijver zal gezegd hebben: Ola \'Lfo-cy Xpi(7Tcïi roü êyelpavrog a-jrov sx vexpüv, en daarmede hebben willen te kennen geven, dat hij niet door den mensch Jezus op aarde, maar door den opgewekten, verheerlijkten Jezus tot het apostelschap was geroepen. Later zullen nu de katholieken de woorden nx) ósoïi TrxTpog er tusschen geschoven hebben, om Paulus als getuige te doen optreden tegen de marcionitische scheiding van \'l\'/iTsü: Xpitrroc en 6eas
■KXTYtp. 2)
4
Ik moet hierin van mijn ambtgenoot verschillen. Er was
\') Zie van Manen, Theol. Tijdschr., 21e jaarg., bl. 456. J) A. v., bl. 456—458.
4
I : 1
veel meer aanleiding voor Marcion om xsci 6sov TrxTpo: te schrappen, dan voor de katholieken, om ze er in te lasschen. Uit een dogmatisch oogpunt waren de woorden veel meer hinderlijk voor het marcionitische stelsel, dan zij tot steun waren voor het katholieke. Hier komt bij, dat de gedachte: Christus heeft zich zelf opgewekt, aan al de brieven, die op naam van Paulus staan, vreemd is. Paulinisch is, dat Christus door God is opgewekt. In de aangehaalde plaats van Hie-ronymus wordt dan ook alleen naar twee plaatsen uit het Evangelie van Johannes verwezen.
Of zou soms bij de weglating der woorden de zin eerst verstaanbaar worden ? Dr. van Manen zegt, dat een enkele blik in de commentaren ons overtuigt, dat nog niemand eene bevredigende oplossing heeft gevonden van de bezwaren, die zich tegen de gewone lezing verheffen. Maar dit komt daar- gt; van, dat men cüès xvêpdirov in den tekst laat, en dan Six Ssov tt XT pi c daarmeê laat correspondeeren, terwijl men Six \'lytrou XpiTTov laat correspondeeren met xtt xvópxTrw. Immers kan dan terecht gevraagd worden, of er ooit iemand aan gedacht heeft „ God-Vaderquot; voor een mensch te houden Men verwijdere echter eenvoudig süSè S;\' chêpi-iro-j, en alles is duidelijk. Paulus had zeker kunnen volstaan met Six \'lytroü Xpia-Tov. Maar, daar het niet Jezus Christus in zijne aardsche verschijning was, die hem tot apostel had geroepen, maar de opgewekte Christus, dien God hem in zijne heerlijkheid had doen zien, en met wiens beteekenis voor de heidenwereld God hem, als apostel der heidenen, had bekend gemaakt (zie 1: 12—16), voegt hij er bij : xx) dsoïi Trxrpó?). Of hij hierbij
!) A. v., bl. 458.
5
I : 1
aan God gedacht wilde hebben als den Vader van Jezus Christus, of als den Vader der geloovigen, is moeilijk uit te maken, ©fa? Truryp of ©fo? a rrxr/ip schijnt meer en meer eene vaststaande uitdrukking te zijn geworden (zie 1 Kor. 8:6; 15 : 24; Fil. 2 : 11; Col. 3 : 17; waarschijnlijk ook Gal. 1:3. *) Aan een ander voorzetsel, zij het 2) of iXTró, had hij geen behoefte. Hij kon zich even goed een apostel noemen S/is Qscïi als oix \'LjtsD Xpizrcv (vg. 1 Kor. 1:1; 1 :9; 2 Kor. 1:1; Gal. 1:15). Het eenige dat bevreemding wekt is, dat hier God de Vader na Christus wordt genoemd. Maar dit wordt hierdoor verklaard, dat Paulus, met het oog op zijne tegenstanders, Jezus Christus het eerst moest noemen. Gij hebt uw apostolaat niet van Jezus, dien gij niet als zijn discipel zijt gevolgd, maar van de twaalve — werd hem tegengeworpen. Hier moest nu Paulus zijn: „niet van menschen, maar door Jezus Christusquot; tegenover stellen.
quot;Wij vinden hier in het wezen der zaak hetzelfde als in 1 en 2 Kor. 1: 1, TIxD/.o? xTrca-rcXot; Xpirrcü \'lytrü Itk óskjpxros ósoü. Het is alleen het vooropstellen van o-jz iw\' xvöpuTrwv, dat eene verandering van constructie noodzakelijk maakte. En wat de vermelding van Jezus opstanding betreft, vergelijke men vooral Rom. 1 : 4, 5, f\'s xvxeriirsu? vey.püv \'ly^cü XpirrTCÜ toïi xuplsu yjfiüv, óf ou ihxpopiev xxpiv y.x) xttoftohyv.
\') Terecht zegt Hilgenfeld (A. W., S. 110) dat het Sso? z-zritp bijiKi de kracht heeft van een nomen proprium.
z) Dr. Baljon {Diss., bl. 166) meent met Dr. Holwerda {De betrekking van het verstand tot het uitleggen van den Bijhei, inzonderheid van de schriften des Nieuwen Testaments, 1853), dat ivï tusschen xul en SeoC is uitgevallen.
6
6
I : 2
Vs. 2. K«} o\'i lt;7vv ifto) Travrsc xèsXCpot, txïs £•/.•/. Kyv ia is rij? Y «.\'Kc/.t ix c.
Waarom Paulus de Christenen die met hem waren, die niet alleen in zijne nabijheid, maar ook persoonlijk aan hem verhonden waren (zie 2:3; Filipp. 4; 21) niet noemt, weten wij niet. Misschien sproot het wel voort uit het gevoel van zelfstandigheid, dat zich in zijnen brief zoo luide uitspreekt. Mocht hij al den Galatiërs doen gevoelen, dat hij in zijne verontwaardiging over hun gedrag niet alleen stond, name n behoefde hij niet te noemen. Hij zou de zaak met zijne G-a-latiërs wel alleen afmaken.
De brief is gericht aan de ixxkvpizi van Gralatie. Paulus wil hem dus als apostolisch schrijven laten rondgaan onder de verschillende Galatische gemeenten, door hem gesticht.
quot;Welke waren die gemeenten? Waar moesten zij worden gezocht? In het landschap Gralatie, met de hoofdstad Ancyra, waar de Galliërs in de derde eeuw vóór Christus zich met der woon hadden gevestigd; of in de romeinsche provincie Galatie, waartoe behalve het eigenlijk gezegde Galatie, ook gedeelten van Lykaonie, Pisidie en Phrygie behoorden? Ieder weet, van hoeveel gewicht deze vraag is, wanneer de verhouding ter sprake komt, waarin de Handelingen der Apostelen en onze brief tot elkander staan. Daar wij echter thans den brief op zich zeiven beschouwen, laten wij deze vraag rusten. De brief zelf geeft weinig of geen licht. Zien wij dat Paulus, als hij spreekt van Syrië en Cilicie (1 : 21), en van Arabic (1:17), daarmede de romeinsche provinciën bedoelt, dan zouden wij denken, dat hij hier de provincie Galatie op het oog had. Hooren wij hem daarentegen zijne lezers aanspreken als YzïAtxi, dan
7
7
I : 2—5
zonden wij eerder geneigd zijn, aan de bewoners van het landschap Galatie te denken. Het eene is echter zoo weinig beslissend als het andere. \')
Vs. 3. Xapit; y.x) s\'tpyvy ktto Ösoïi KXTpoi; k»)
Kvplov yifiüv \'lyfoü Xpirrov.
De Sin. heeft in plaats van snasTpa? y.xl mpiov -fauv: Trarps? yfiüv koci y.upku. Zoo lezen wij ook Rom. 1 : 7; 1 Kor. 1:3; 2 Kor. 1:2; Ef. 1:2; Filipp. 1.2; 2 Th. 1:2; Filem. 3. Dit maakt echter juist de lezing verdacht. Het is veel waarschijnlijker, dat men het ongewone 6eoS Koirpo: xx) y.vplou yfiüv heeft veranderd in het gewone 6soü Trxrpog ypüv xx) y.vplou, dan dat men het ongewone voor het gewone in de plaats heeft gesteld. Met het paulinisch taaleigen strijdt de lezing van B niet.
Vs. 4,5. Tov 1 óvr o lt;; s xinov virsp twv xpxpr iüv yj [tuv, ottoo q ê^é^yirxi yttcia- ex tov xlaivos tov èvsetxro? ^ov/tpov xxtx to QeXyj^x tov Qsov y.x) TTXTpoa jfAÜv, Si yj èot-x si? Tovg xlüvx? Tav xluvuv xpyv.
De Sin. heeft met A D en andere getuigen Trsp) voor vvrsp. Terecht. Dat vsp) met vvsp door de afschrijvers is verwisseld, komt mij meer waarschijnlijk voor dan het tegenovergestelde. Ofschoon toch ook irep) met xpxpTix verbonden bij Paulus niet vreemd is (zie B-om. 8:3), heeft hij toch meestal vTrép, ook op de nagenoeg gelijkluidende plaats Gal. 2 : 20 (irxpxSnTo? êxvrov vTsp êfiov; vg. ook Gal. 3:13), naar welke onze plaats licht kan veranderd zijn. De getuigen voor Trsp] zijn dan
\') Uitvoerig handelt hierover E. Steek in zijn « Galaterbrief».
8
8
I : 4, 5
ook niet van minder belang (zie Tisch.) De beteekenis is dezelfde. Doet irsp)rüv xfi. meer denken aan de zonden, waaromtrent, met het oog waarop, en vTrsp Tav xp. aan de zonden, waarvoor, ter wille waarvan de overgave van Christus plaats had, in beide voorzetsels ligt het denkbeeld, dat Christus zich overgaf om ons vergeving van zonden aan te brengen.
\'SISsvxi sxvTov is hetzelfde als ■zxpx\'êi^ovxi sxurh van 2 : 20 (vg. Mark. 10:45; Luk. 22:19; 1 Tim. 2:6; Tit. 2:14), en duidt het zich overgeven van Christus in den kruisdood aan.
In hetgeen hierop volgt is veel, dat de verdenking wekt van interpolatie. \'El-xffaTtróxi (verlossen) komt in de Handd.
zeer dikwijls, maar bij Paulus nooit voor. Als Paulus spreekt van den xidv, waarin hij leeft, zegt hij altijd: x\'iiiv oure/c,
nooit xlav svetrrd? (Rom. 12:2; 1 Kor. 1:20; 2:6; 2:8; 3:18; 2 Kor. 4:4; Efez. 1:21). Daarenboven is het de , quot;c vraag, of tvsvrus in den zin van ctrog mag genomen worden, j U Dat het niet alleen beteekent wat op het punt is van te komen, maar ook wat reeds tegenwoordig is, is zeker (vg. Hom. 8 : 38; 1 Kor. 3 : 22.) Maar daarmede is niet gezegd, dat het de gansche wereldperiode van de schepping tot de wederkomst van Christus aanduidt, gelijk dit met cutc? het geval is. Het duidt altijd iets aan, dat tegenwoordig is, iets dat de schrijver beleeft. Hiermeê komt ook het bijgevoegde Kovypog overeen. Wij hebben dus aan iets dergelijks te denken als in 1 Kor. 7:26 bedoeld wordt. De schrijver van dat hoofdstuk leefde in een boozen tijd, waaruit hij verlost wenschte te worden. Was dit soms ook hier het geval?
9
9
I : 4, 5
Vreemd zijn ook de woorden xxrx zo tcïi êscv k»)
Trxrpoc yjpuv \'), in zooverre zij onmiddellijk er op volgen. quot;Wat klinken zij mat! Dat het verlossen van de geloovigen uit de booze wereld naar Grodswil was, behoefde toch waarlijk niet gezegd te worden.
Er is nog meer dat aanstoot geeft. De woorden nep) tüv d^aprixv duiden het doel aan, waarmede zich Christus heeft gegeven. En nu komt met het o-ccg eensklaps een ander doel te voorschijn! Ware het nog met het vorige verwant! Stond er b. v.: „opdat hij ons tot kinderen Gods zou maken,quot; of „opdat hij ons uit de macht der Wet verlossen zou,quot; of iets dergelijks! Maar nu, hoe kan het bij iemand opkomen om, zonder eenige aanleiding, na gezegd te hebben: opdat hij ons vergeving van zonden zou aanbrengen, terstond daarop te laten volgen: opdat hij ons uit deze booze wereld verlossen zou! Hoe kan iemand, die vervuld is van gedachten, als die in vs. 1, in vs. 6, ja in den ganschen brief worden uitgesproken, plotseling gaan spreken van eene verlossing uit deze booze wereld! Zal het dan in het hoofd van Paulus minder ordelijk zijn toegegaan, dan in het hoofd van een anderen schrijver?
Zeer goed kan ik dus begrijpen, dat Weisse, die zich meer door philologische dan door dogmatische motieven heeft laten leiden, die woorden hield voor geïnterpoleerd ^). Ik meen echter dat hij te ver is gegaan, met de beide verzen 4 en 5 te schrappen. Men schrappe alleen de woorden oirag
\') De Sin. heeft xxtcc
*) In zijne Beitrage %ur Kriiik der Panlinischen Briefe an die Galater, Romer, Philipper und Kolosser, lierausgegeben von Dr. E. Sulze, Leipzig, 1867.
10
10
I : 4, 5
êt-éXqTxi-Trovqpov, en de oorspronkelijke tekst treedt te voorschijn. Hoe schoon sluiten zich dan de woorden roti SsVra? éxvrov Trsp) rüv x^ocpnuv yftüv, en de woorden kxtx rh óèfypx k. t. a. aan elkander! Dat Christus voor de zonden gestorven was, dat was voor Paulus het Evangelie. Ook in dezen brief komt hij er telkens op terug. En dit was het vooral, dat hij tegen de Judaïsten had, dat zij, door de onderhouding van de Wet noodzakelijk te maken, het kruis van Christus van zijne kracht beroofden (zie 2 : 20, 21; 3 : 13; 5 :4, 11; 6 :12—14). Geen wonder dan, dat hij reeds in het begïh van zijn schrijven aan de Gralatiers behoefte gevoelde om daarop den nadruk te leggen. Het was als het ware een juichtoon; Christus heeft zich gegeven om ons van onze zonden te verlossen! Hierop volgt dan xxtx to óèfypx rcïi Ssoü y.x) vxrcoc ■jftccv, om aan te duiden, dat de overgave van Christus in den dood naar Gods wil was, en dus kon geacht worden aan haar doel te beantwoorden; terwijl in de doxologie (5 y, r. A.) God om die genadegave wordt
verheerlijkt.
Zoo begrijpen wij ook eerst goed, waarom in vs. 6 van een ander evangelie wordt gesproken, en van eene roeping van God in de genade van Christus. Zoo onverklaarbaar dit is, als wij denken aan eene verlossing uit deze booze wereld, zoo duidelijk is het, als wij denken aan roïi SavTO? èxuTov ■Trsp) rüv xftxpriüv viiauv. Dat was het evangelie, waarvan zij afgevallen waren (zie 5 : 4)! Dat het evangelie, buiten hetwelk er geen ander was!
quot;Wanneer, en hoe de woorden in den tekst gekomen zijn, is moeilijk te zeggen. Maar dat een afschrijver, die den druk van den «/wv 7TO\'j-/,po: gevoelde, het hier eene geschikte gele-
11
11
I : 4—6
genheid vond om het i%xipe7lt;r6xi sk roïi xlavs: Trovypoü als het doel van Christus dood te vermelden, kan geen verwondering baren. \') Later zullen wij nog treffender proeven van inlassching ontmoeten. Men herkent ze dikwijls terstond, evenals hier, niet alleen aan het zinstorende, maar ook en vooral aan het weinig zeggende, het matte, het breedsprakige , zooals wij dat van den schrijver van dezen brief niet gewoon zijn.
Vs. 6. QauftaZa oti ovrcct: txxscci: y.srattssa\'óe xtto rov xx^écrxyrcc ü Ze èv p in Xp ifraïi s 1 c sts p ov tvay? é ?.ioy.
Geen woord van lof en dank, zooals in andere brieven, voor hetgeen er goeds is in de gemeenten. Was het reeds in vs. 2 eenvoudig geweest: txïc êy.xfyelxi: zonder bijvoeging van aiyiot of y.?.^ru of fyixrpiévot of or/XTrvpoi, ook nu blijft de gewone vermelding van het geloof en de liefde der gemeente /\'achterwege. Er zal wel wat te prijzen zijn geweest; en I het liefhebbend hart van den apostel zal het wel hebben opgemerkt. Maar eerst moet hij lucht geven aan zijne verontwaardiging over den schandelijken afval der gemeenten. Zonder eenige captatio benevolentiae spreekt hij daarom terstond zijne bevreemding uit, dat de Galatiërs zoo spoedig (curtuq txxsccc) van het hun gepredikte evangelie waren afgeweken.
12
Welke is hier de terminus a quo? De tijd waarop de Galatiërs tot het geloof waren gekomen? Of de tijd waarop Paulus in hun midden had verkeerd om hen in het geloof te
*) Bekend is de zucht der eerste Christenen om zegenbeden en doxo-logiën uit te breiden.
12
I : 6
versterken? Of hebben wij hier eenvoudig te denken aan het snel verloop dat de afval nam, sedert hij in de gemeente was begonnen? Met Sieffert meen ik het laatste. Evenals in Luk. 14:21; 16:6; Joh. 11:81; 2 Th. 2:2; 1 Tim. 5:22, waar tx%£u: door haastig moet worden vertaald, is het ook hier het haastige van den afval, dat de verwondering van den apostel opwekt. Wat hadden die Galatiërs een haast om van evangelie te veranderen! Nauwelijks hadden zich die joodsche ijveraars in hun midden vertoond, of zij haastten zich om zich bij hen aan te sluiten. Dat had de apostel niet verwacht!
ftsrxTlêsïöe, letterlijk: gij laat u omzetten, gij gaat over van het een tot het ander, gij verandert van gevoelen. Hier: gij laat u afbrengen van Hem die u in de genade van Christus heeft geroepen, om over te gaan tot (het aannemen van) een ander evangelie. Het praesens wordt gebruikt, omdat het met den afval nog geene afgedane zaak was.
De woorden êv xxpiTi Xpurroü geven Dr. van Manen aanstoot. 1) Liever leest hij si? xxpu, zooals hij gist dat Marcion heeft gelezen, naar de getuigenis van Tertulli-anus {adv. Marc. V, 2). „Apparet quomodo scribat, Miror vos tam cito transferri ab eo qui vos vocavit in gratiam ad aliud evangelium.quot; Ook Hieronymus las nog volgens zijn commentaar op onzen brief: in gratiam Jesu Christi.
13
Dr. van Manen meent, dat hier de dogmatiek achter zit. Die tegenstelling van sic zxpiv en sk srspov süxyyéhiov, alsof men niet tegelijkertijd in betrekking kon staan tot de genade (of tot Christus) en tot de Wet, en geheel moest hebben
\') A. v., bl. 459-461.
13
I : 6
gebroken met het Jodendom, om deel te hebben aan de genade, behaagde den katholieken niet. Daarom nam men de zoo gehate tegenstelling weg, en veranderde men si? xaptv in êu z/xpin.
Alsof door het iifixg sv xxpin de tegenstelling
met het \'érspov svxyysXiov verdween! Alsof in den brief niet vrij wat krasser uitdrukkingen voorkwamen omtrent de ver-houding tusschen quot;Wet en Evangelie, die wel in de eerste plaats aan het katholieke snoeimes behoefte hadden! Ter-tullianus legt dan ook bier aan Marcion geen tekstverminking ten laste, ofschoon hij-zelf elders, {Be Fraescr. haeret., 2. 27) leest: vocavit in gratia. Ook Hieronymus, die in gratiam behield, schijnt er zich niet aan geërgerd te hebben.
Heeft dus de dogmatiek hier geen schuld, hoe is dan het verschil van lezing te verklaren? Het waarschijnlijkst komt mij voor, dat men, door de latere toevoeging van vs. 4igt;, dat \'érspov in vs. 6 niet best meer verklaren kon, daar er van een ander evangelie nog geen sprake was geweest; en daarom dat andere evangelie door sU xxpu krachtiger heeft doen. uitkomen.
Dit is zeker, dat de woorden « xdpin XpivrSu uitnemend hier passen. Gelijk men door God geroepen kan zijn £v tipwy (1 Kor. 7:15), sv IAtt/S/ (Efez. 4:4), èv sv) napLXTi (Kol. 3 : 15), sv xyixa-y.x (1 Th. 4: 7), kan men ook door God geroepen zijn sv zxpin Xpurrov. De apostel wil er meê te kennen geven, dat de zxpis XpiTrcïi het element is, waarin de roeping Gods heeft plaats gevonden. De Galatiërs waren door God geroepen met geen ander doel dan opdat zij in de genade van Christus zouden wandelen.
U
14
I : 6, 7
Het (isrxrlósaöxi had plaats th ere pon svxyysXisv. Dit srepov staat daar vreemd. Er was immers even te voren geen evangelie genoemd? Men zou aXXo verwacliten. De moeilijkheid valt weg, wanneer men CTrcoc-Trcvypoïi uit vers 4 verwijdert. Dan slaat sTspcv terug op het met de woorden roü iïóvTog-qftüv reeds genoemde evangelie van Christus kruis.
Vs. 7. \'O cuy. ear iv x gt;.gt;.o , sï fj. -Ji rivéi; siiriv o\'i t x p tx, lt;7-crovTs? upixi; y.x) dégt;.CVTsc (/.srxerpéxfjxi to svxyyéXiav T 0 V X p IfTOV.
De Sin. laat xx) 6s/.c-jrs: weg — eene vergissing.
De woorden c fiy. strro ah\'/.o hebben den uitleggers veel te doen gegeven. Letterlijk beteekent het: hetwelk geen ander (evangelie) ,i s. Dit geeft hier echter geen zin. Paulus kan onmogelijk gezegd hebben, dat het srepov svxyysXuv, waartoe de Gralatiërs werden overgebracht, toch eigenlijk geen ander, maar wel degelijk hetzelfde was als het evangelie van de genade van Christus, dat hij had verkondigd. Hoe had hij dan daarop kunnen laten volgen: wie een ander evangelie predikt, die zij vervloekt?
En toch op eene andere wijze kan a/.As niet verklaard worden. Sieffert en anderen vertalen: hetwelk geen ander eyangelie, geen tweede evangelie is, naast het door mij verkondigde. Maar dat gaat niet. Stond er alleen: cuy. hrtv xXXo, dan zou men mogen vertalen: er is geen ander, geen tweede evangelie. Maar met 3 er voor, dat terugslaat op srepov s-jxy-ysXicv, kan xXho alleen eene hoedanigheid van dat srepov s-jxy-ysMov aanduiden, en wel deze, dat het in het wezen dei-zaak hetzelfde is.
De tekst moet dus bedorven zijn. Dr. van Manen, die
15
15
I ; 7
16
de conjectuur van Dr. van de Sande Bakhuyzen (cu cm stTTiv a/.As) terecht als evenmin verstaanbaar verwerpt ,), meent de oplossing gevonden te hebben in eene aanteekening van Chrysostomus bij deze plaats, volgens welke Marcion zich op die woorden heeft beroepen, om te bewijzen dat Paulus zelf had gezegd: er is geen ander evangelie (namelijk dan het zijne, tegenover de vier der katholieken) „ svshccfisto twv slp\'/jfisvcov eittonv on \'iScu kx) Ylxïi/.c? sJttsv ovk slt;TTl-j \'érspov evxyysXisvquot;. Hieruit wordt afgeleid, dat Marcion eenvoudig achter £/? srspsv sxjxyysXtcv heeft gelezen: o ovx, earn, zonder a.XXo. Ten onrechte, dunkt mij. Zeer goed is het denkbaar dat Marcion op de gansche perikoop (vs. 6—9) heeft gezinspeeld, toen hij zeide, dat Paulus geen ÏTspw evxyyéï.iov kende. Maar ook geeft o ovx Iot/v geen beteren zin. Dat sTvxi wel eens de beteekenis heeft van bestaan, geef ik gaarne toe. Maar wat is nu een ander evangelie dat niet bestaat? Dit klinkt in onze ooren al even ongerijmd, als in Grieksche ooren het erspov svxyysXm o ovx, suriv moet geklonken hebben. Het andere evangelie bestond wel degelijk; het bestond alleen niet als evangelie. Er had dus moeten staan: s ovx Igtiv tvxyykïM-j.
Een ander, niet minder gewichtig bezwaar tegen die lezing ligt in het s\\ py dat er op volgt. Dat de oorspronkelijke beteekenis: t e n z ij wel eens overgaat in m a a r, is aan van Manen toe te geven. Maar altijd is die oorspronkelijke beteekenis er nog min of meer in terug te vinden. Altijd ligt er eene beperking, eene uitzondering in op hetgeen vroeger gezegd was. Zoo is het in al de aangehaalde plaatsen,
\') A. v. bl. 463.
16
I : 7
Gal. 1:19; 2:16; 1 Kor. 7:17; Math. 12:4; Luk. 4:26; Openb. 9:4; 21 : 27. In welk opzicht nu wordt 3 ovx egtiv door het volgende beperkt? Als er geen rxpiwovrsc gekomen waren om het evangelie van Christus te verdraaien, zou dan het \'irspoy s-jxyyb.iov wèl bestaan? Is het komen van die rxfixïcrcvrs: eene uitzondering op den regel, dat er geen ander evangelie is?
Ditzelfde bezwaar geldt natuurlijk van de gewone lezing: 3 ojy. sa-Tiv x\'axo.
quot;Wij moeten er dus toe komen om de woorden o c-jx stti-j xXï.o voor een in voegsel te houden van lateren tijd \'). Ovy. s7tiv xkxo (er is geen ander evangelie!) had een afschrijver in zijne verontwaardiging op den rand gezet, opdat men zich door het srspov suxyyeXioy niet zou laten misleiden om te denken, dat het andere evangelie toch ook een evangelie was. Een latere afschrijver verbond dit door S met de tekstwoorden si? srspcv sjxyysï.iov, niet wetende dat hij den apostel daardoor onzin liet schrijven.
Hoe uitnemend nu si /nyj zich laat verklaren, springt in het oog. Die woorden zijn eene beperking van QxuftxZa.
„Ik verwonder mij.....maarquot; enz. D. w. z., nu ik weet
dat die afval niet uit uw eigen boezem is voortgekomen, naaar door sommigen die u in beroering hebben gebracht, is tot stand gekomen, nu verwonder ik mij minder 1).
17
1
J) Dat aan cl w altijd eene vraag of eene ontkenning moet voorafgaan, is geen bezwaar. Zie o. a. 1 Kor. 7:17. Evenals daar, is ook hier de zin die voorafgaat, niet vragend of ontkennend. Maar er ligt toch eene vraag of eene ontkenning in opgesloten: «Hoe is het toch mogelijk!» Of «ik kan haast niet begrijpen!»
VI. i7 2
I ; 7—9
De verklaring der volgende woorden ei zxpiutswrsi; ity-xs xxi (isXcvra: fisrxtrrpsTpxt to svxyysXiov rov XpiTrov levert geen moeilijkheid op.
Met het Txpxtrtrsiv, dat in dezen brief nog 5 : 10 voorkomt, wordt bedoeld het in beroering brengen van de gemeente, waardoor zij van haren vrede en hare blijdschap in Christus wordt beroofd. Het participium met het artikel duidt aan, gelijk Sieffert terecht opmerkt, dat het TxpavTsiv die mannen kenmerkte, dat zij gewoon waren zich daarmeê af te geven.
Hun doel was, het Christus-evangelie, het evangelie dat Christus tot middelpunt had (tcD X/j/otgD gen. obj.) om te keeren (psrafTrps^xi), zoodat het een ander evangelie werd. Hierin waren zij echter alleen êsXcvTs:. Hun doel bereikten zij E.iet. Wat zij er voor in de plaats stelden, was geen evangelie.
Vs. 8, 9. \'AXXoc kxv i? xyyshoq «§ oupxvoü
ü plv suxy/ shi^yiT x i irxp\'\' \'o suyyy s ï. te x//, s 6 x uptTv, avxós/ix strru. \'XI? tt p ce i pyixx pev, y.x) xpn ttx^iv hsyw s\'i t ii; v ft xlt;; suxyyehi^erxi t: xp o xxpshxfisTs, xvxQs [ix £lt;rru.
Voor nxv heeft x met vele andere getuigen xx) èxv. Dit laatste is misschien te verkiezen (zie T is ch. op 1 Kor. 13 :2,3).
In plaats van den conj. praes. svxyysXlamp;rxi heeft n met A. en andere getuigen den conj. aor. euxyys^iir^Txi. Het komt mij voor, dat dit laatste meer met het paulinische taaleigen overeenkomt. Het praesens kan door evxyysXi^srxi van vs. 9 ontstaan zijn.
Tegen A B D en vele andere getuigen in, laat ik het eerste v[j(.7v van vs. 8 met x wegvallen. Paulus spreekt hier van de evangelieprediking op zich zelve (zie 1 Kor. 9 : 16, 18).
18
18
I : 8, 9
Die dat niet begreep, laschte upTv in, hetzij vóór, hetzij na ■evxyyehlr/irxi.
Trpoetpw» van x is waarschijnlijk eene verbetering van Trposi-.ffaxpsv. Men wilde den sing, omdat er een sing, (hsyu) volgde; maar vergat dat Panlus in den plnr. sprak, omdat hij pas den plur. ha,d laten voorafgaan {s-j^yysXiTXiMdx).
xMm y.xt — om de tegenstelling met het onmiddellijk voorafgaande: zij mogen u in beroering brengen, maar ik zeg n, enz.
quot;Wat nu volgt, is uit de diepste overtuiging des harten geschreven. De gedachte alleen, dat iemand (zooals die ■TxodiriTcvTss werkelijk beoogden) het kruis van Christus van zijne kracht beroofde, bracht in den hartstochtelijken Paulus alles in beweging (vg. 1 Kor. 16 : 22). Voor wien de gekruisigde Christus, niet in de belijdenis, maar toch in de werkelijkheid, door de verheffing van de Wet, als noodzakelijk tot zaligheid, een wxóepa was (zie 1 Kor. 12 : 3; vg. Gal. 3 : 10), die mocht zelf een uvxQspx, een c=nn) een vloek voor God zijn. Gods vloek mocht hem treffen. Ook al moest deze hem zeiven treffen, of één dergenen die met hem waren vg.
vs. 2, o! lt;tuv i/toi), of ook een engel uit den hemel (15 xyyehoq s% ■ovpxvoü). Hij verwacht niet, dat zoo iets gebeuren zal — van daar èxv met den conjunctivus. Alleen de mogelijkheid stelt hij. Dat hij van een engel uit den hemel spreekt, is waarschijnlijk, omdat die Tupxa-irovrs; zich konden voordoen als engelen des lichts (zie ook 2 Kor. 11:14, 15). Alsof zij engelen-taal spraken (zie 1 Kor. 13: 1), zoo had men naar hen geluisterd — wat voor Paulus te meer ergerlijk was, omdat men hem zeiven als een engel Gods had welkom ge-heeten (Gal. 4:14). Misschien was dit laatste reeds in Pau-
19
19
I : 8, 9
lus ziel, toen hij dat i? xyysXoi; i? ovpxvoü nederschreef.
Men had hem als een engel Grods begroet! Welnu, stel dat hij nu kwam, of ook een engel uit den hemel, met een ander evangelie, dan zou hij geen recht meer hebben om als een engel Gods te worden begroet, en de engel uit den hemel geen recht meer hebben om als gezant van Grod te worden geloofd. Want niet op de waardigheid, de heerlijkheid van den persoon kwam het aan, maar op het woord dat hij sprak. De waarheid van het evangelie stond vast,, onafhankelijk van hem die het bracht (cVt;? sxv Gal. 5 :10). Den vrede over hem die het geloofde en verkondigde (Gal. 6 :16)! Den vloek over hem, die het ondermijnde en bestreed! \') In vs. 9 wordt in hoofdzaak herhaald, wat in vs. 8 gezegd is. Dit heeft van Manen doen vragen, of ook hier Mardon niet moet gehoord worden. In den codex van Marcion — zegt hij — heeft Epiphanius op Gal. 1: 8 en 9 aldus gelezen: kxv ts yfisje oj zy/shoc s-jxyyexhytxi vfttv trxp o trapsxdflsrs, xvaóefix eeru. Zou dit nu de oorspronkelijke lezing niet zijn? \'t Is zeker mogelijk, dat Epiphanius, of Marcion den oor-spronkelijken tekst heeft ingekort; maar is het tegendeel,, dat hij later is uitgebreid, niet meer waarschijnlijk? 1)
Waarom? zou ik willen vragen. Is er iets onpaulinisch, hetzij in de woorden, hetzij in de herhaling zelve? Wat de woorden betreft, is zeker vftZg vóór s-jxy/sX\'^sTXi wel wat bevreemdend, daar in het vorige vers de dativus ■jyJv, en
\') Dat bij ivuöeux niet aan den kerkelijken ban kan gedacht worden, zal wel geen betoog meer behoeven (vg. o. a. Eom. 9 : 3; 1 Kor. 16: 22). Zie hierover vooral Wieseler in zijn Commentar op onzen brief, S. 40—45.
J) A. v., bl. 464—466.
20
20
I : 8, 9
wel achter staat. Evenwel, van zóóveel belang
is dat niet, dat daarom aan eene andere hand moet gedacht worden. Dat Paulus „ ■jpag niet vóór, maar achter het werkwoord zou zettenquot;, gelijk van Manen beweert, is niet juist. In Rom. 1:15 toch lezen wij bij Tischendorf: ovru? to kxt êfts Trccêufxsv kx) ufjuv tsïi; èv siixy/sXiTxvöxi. Het
hangt er maar van af, waarop de klemtoon valt. En nu zou men zeker -jiaïv en niet •jpz: verwachten. Maar 1. komt ■exjxyyeXi^eGÖxt met den accusativus meer dan eens in het N. T. voor (Luk. 3 :18; Hand. 16 :10 en elders) 2. kan men in dezen moeilijk van een taaleigen van Paulus spreken, want behalve Gal.4 :13 komt s-jxyysXi^sTÖxi rui, zonder vermelding van hetgeen gepredikt wordt, slechts tweemaal bij Paulus voor, nam. Rom. 1 : 15 en 1 Kor. 15:2. \') En dan, varietas delectat. Als wij iets herhalen, doen wij het ook niet altijd met dezelfde woorden. Zoo lezen wij ook in vs. 9: -xxp o KxpeXxfiers, en in vs. 8: Trxf o sö^yysXiTx^eêy..
En wat nu de herhaling op zich zelve betreft, deze is niet zoo mat als men wel meent. Dr. v. Manen zegt, „ de reden niet te vatten, waarom hier tweemaal hetzelfde gezegd isquot;, Dit komt daarvan, dat hij het trps in ■n-pssipyixxpsv niet heeft gevat. Dat jt/js slaat niet op hetgeen kort te voren is gezegd, maar op een vorigen tijd, waarop de schrijver of schriftelijk of mondeling zich tot de Galatiërs heeft gericht (vg. Gal. 5:21; 2 Kor. 13:2; 1 Th. 3 : 4; 4:6). Dat het op het vroeger, in denzelfden brief geschrevene kan slaan, is niet te ontkennen (zie 2 Kor. 7:3, vg. Efez. 3 : 3). Maar
\') De tekst van 1 Kor. 15 : 1, 2 is kennelijk bedorven. Het is de vraag of het sixyyéMov van vers 1 ook niet het object is van het zhvyyzï.icxij.v■gt; van vers 2.
21
21
I : 8, 9
dan moet ook dat gesckrevene niet even te voren, maar eenige regels of bladzijden vroeger geschreven zijn, zoodat het in het geheugen der lezers moest worden teruggeroepen» Anders herhaalt men eenvoudig het gezegde, zooals o. a. Fil. 4:4: %xlp(Ts iv xupicp ttmtote, ttxXiv Xsyu, xzipsrs. Zou de schrijver ook hier hebben kunnen zeggen: irpotlpqxx, kxI xsti ttizxiv xsya, xxlpfrs ? Hij zou zich dan zeker hebben uitgedrukt, zooals een gewoon mensch niet doet.
Waarop ziet Paulus nu bij het Trpcstpwxpcj terug? Daar-wij in onzen brief geen enkel spoor vinden van een brief,, dien de Galatiërs vroeger van Paulus hebben ontvangen, moeten wij denken aan een korter of langer verblijf van Paulus in Galatie. Dit kan natuurlijk het eerste niet geweest zijn, toen de gemeenten gesticht werden. Toen was de apostel als een engel Gods, ja als Christus Jezus welkom geheeten. (4:13, 14). quot;Wij worden dus teruggevoerd naar den tijd, dat er reeds gevaar was voor de Galatiërs om met de Judaïsten meê te gaan. Misschien waren dezen reeds met hunne prediking begonnen, en was Paulus in allerijl toegeschoten om zijne geliefde gemeenten, zoo het kon, voor het evangelie des kruises te behouden. Dat hij niet ten volle geslaagd was, blijkt uit dezen brief, zeker niet lang daarna geschreven.
Paulus had dus vroeger reeds gezegd: s\'i tic vpxz suxy-yeXi^erxi Trxp\' o Trxps\'Axjoers, xvxósfix \'écrrco.
Trxpquot; 3 is op dezelfde wijze te verstaan als in vs. 8. vxpx met den ace. is naast, nevens, behalve, en van daar tegen. Naast of nevens het evangelie des kruises had men een ander evangelie geplaatst. Dit was eene vijandige daad geweest. Wat er naast kwam, was er tegen.
22
22
I : 8—10
TTxpsXxfisTs —• gij hebt ontvangen — wijst op de prediking (van Paulus en de zijnen), die vooraf was gegaan (zie Gral. 1:12; 1 Kor. 15:1). Dat hier f Z met den indic. voorkomt, terwijl in het vorige vers èxv met den conj. wordt gevonden, is, omdat Paulus hier de treurige werkelijkheid, en in vs. 8 de abstracte mogelijkheid voor oogen had.
Vs. 10. quot;Apn quot;/xp xvöpccirovi; irsiicu % to-j Ösóv; y %*itü xv amp; p cc tto 11; xpétrxsiv; el sti xv ó p a tt o ig -/ipsffxov, XpiiTTOÏi SjDAc? ovy. xv vpyiv.
Onder de cruces interpretum mag ook deze plaats wel gerekend worden. Er is niets van te maken, xpn kan in dit verband niets anders beteekenen dan nu, op dit oogenblik, evenals het onmiddellijk voorafgaande xpn van vs. 9. irsidsiv met den acc. personae is nooit iets anders dan overreden, overhalen, trachten te winnen (zie 2 Kor. 5:11; Mt. 28 :14; Hand. 12 : 20; 14 :19; 18 : 4; 19 : 26; 28 : 23). In onze Staten-vertaling is het vertaald door prediken (prediken wij nu de menschen, of God?). Maar dat heeft geen zin. Wat is, menschen prediken? En wat, God prediken? Paiïlus spreekt er nooit van. Hij kent alleen een zich zelf prediken, en een Christus prediken. Alleen daarvan kan men zich dan ook een denkbeeld vormen.
Maar ook — en dit is het voornaamste bezwaar — irslösiv kan nooit prediken beteekenen. De eenige plaats, die met eenigen schijn van recht zou kunnen aangevoerd worden, is Hand. 19:8, quot;hixXeyó^svog xxi ttsMuv tx kso) rijs fixviksix: tóü êscv. Maar, daargelaten dat het hier een accusativus rei en niet een accusativus personae is, is tx irspl, evenals tx tpo? rov Ssóv (Hom. 15:17; Hebr. 2:17; 5:1) of tx kxt êpé
23
23
I : 10
(Efez. 6:21) een accusativus absolutus, te vertalen door quod attinet ad. Het kon ook weggelaten worden l), evenals in Hand. 28 :23, irsióuv z-jtsvz irsp)
Terecht wordt dan ook in onze Synodale vertaling, evenals in die van Vissering, xsiósiv vertaald door trachten te gewinnen. Maar heeft men daardoor een beteren zin verkregen? Laat ons zien.
Letterlijk vertaald luiden de woorden: want tracht ik nu menschen te gewinnen of Grod? quot;Wat kan dit he-teekenen? Niet menschen wil Paulus trachten te gewinnen, maar God. Wat is: God trachten te gewinnen? De oorspronkelijke beteekenis van ttsiSsi-j moet natuurlijk in het oog worden gehouden. Dan is dus Ksihiv ni* óso\'v: God over te halen. God door overreding trachten te winnen, gunstig voor zich trachten te stemmen. Ik denk wel dat Paulus de laatste zou zijn om die gedachte voor de zijne te verklaren.
Verder: menschen wil Paulus niet trachten te gewinnen! Maar dat is wel vreemd van een apostel, dat hij geen menschen wil gewinnen. Men zou zoo zeggen: dat is juist het werk van een apostel 1 Zoo begreep het ook de schrijver van 2 Kor. 5 :11, sïSirsc cvv rhv $ó[2cv roü xvpiov, ccvöpu-
TTOVg 77 S I Ó S [AS V.
En dan dat xpr:! Ons nu is dubbelzinnig. Dit kan ook de vertaling zijn van §i. Maar er staat xpn, niet Sé. Om alle dubbelzinnigheid te vermijden, moeten wij dus vertalen: thans, tegenwoordig, op dit oogenblik. *) En daar het
\') B D hebben dan ook Te/i zonder rx.
J) De Vulgata vertaalt: modo enim hominibus suadeo an deo. Dat UfTi ook door modo kan vertaald worden, is zeker. Maar of het Hpn van vs. 9 dit niet verbiedt, is eene andere vraag. Overigens wordt de zin er waarlijk niet duidelijker door.
24
24
I : 10
voorop staat, valt er de klemtoon op. Paulus vraagt dus of hij tegenwoordig (in verband met liet xpn van vs. 9) mensehen, of Grod zoekt te gewinnen. Heeft hij dan vroeger (voordat het apri van vs. 9 intrad) wèl menschen trachten te gewinnen?
De woorden zijn wei\'kelijk onverstaanbaar. Dr. Naber vraagt daarom, of de woorden i; rb $ssv niet geschrapt moeten worden. \') Ik geloof dat het daartoe komen moet. Straks kom ik hierop terug. Maar daarmede zijn niet alle bezwaren weggeruimd. Niet alleen ciprt blijft onverklaard. Maar ook «vipxTVOD: rrslêsiy, daar Paulus dit toch niet op dezelfde lijn kan geplaatst hebben als HvipuTVOiq xpèry.su.
Zou de oorspronkelijke tekst niet deze zijn: r/ yxp; sl tx\'Apcc—cv: ttsIÓU, y.y ^ijra xySpuirsts ccpsTy.si-j;
25
Hoe licht kan ri om het voorgaande xp~i, in a.pri veranderd zijn! Toen die verandering eenmaal geschied was, gaven de woorden, zooals zij daar stonden, geen zin meer. it moest wegvallen, daar xpn •yxp, thans geen zelfstandige zin meer, met xvQpaimv: moest worden verbonden om een gezonden zin te geven. De bijvoeging y, rev Qssv is gemakkelijk te verklaren. Zóó dikwijls wordt door Paulus, vooral in dezen brief, hij tegenover owipmo; geplaatst (zie 1:1; 1:12, 16; 2:6; vg. 2 Kor. 5:11), dat een afschrijver, ttsIósiv in een onguustigen zin opvattende, ook hier, nu er sprake was van een jagen naar menschengunst, licht er toe komen kon, om § rsv Ssiy in te lasschen. Wie nu den volgenden zin voor eene nadere verklaring hield van ayópd-
\') Nuculae, p. 381.
I : 10
■zovi; ttslósiv $ Tov ósóv, moest wel W in ^ veran
deren.
Herstellen wij nu den tekst op de door mij voorgestelde wijze, wat wordt dan alles helder en klaar!
Ti\' yxp; s\'i xvQpuTrovq trsiÓM, [zvi Zyrx avópÜTrot? xpévxsiv. Dat dit een echt paulinische zin is, kan moeilijk ontkend worden, ten minste wanneer men Rom. 3 : 3 voor paulinisch houdt:
Ti yxp; s] VJTT \'iGTtffT XV TIVSC, fiij $ XTTlTzix X\'JTXV T\'/jV TT ITT IV TfiÜ
Qsti xxTxpyyieer, Vertaald: quot;Want wat is de zaak? (vg. Fil. 1 : 18) Als sommigen ongeloovig zijn geworden, zal toch hun ongeloof de trouw van Grod niet te niet doen? Dit moet dienen tot nadere verklaring van vs. 2; de woorden G-ods zijn hun toevertrouwd. Zoo licht kon iemand vragen: hoe is dat overeen te brengen met het feit van Israels ongeloof?
Denzelfden gedachtengang vinden wij in Gral. 1:10. Nadat de apostel herinnerd heeft aan het vroeger reeds door hem gezegde, dat de vloek van Grod rust op ieder die een ander evangelie predikt, gaat hij aldus voort: want wat is de zaak? als ik menschen tracht te winnen (nam. voor het evangelie, dat ik hun verkondig) zoek ik toch niet menschen te behagen? Paulus is zich bewust, in vs. 8, 9 zich kras te hebben uitgedrukt. Hoe licht kon men hem te gemoet voeren: dat gaat te ver, Paulus, gij stoot ieder van u af. Laat wat vallen van uwe strenge eischen. Wees niet zoo onverdraagzaam in uw spreken. Zóó zult gij de menschen niet winnen!
Hierop geeft vs. 10 het antwoord: ik neem er niets van terug. quot;Want wat is de zaak? De menschen tracht ik te winnen, zeker, daarom is het mij te doen. Maar als ik dat
26
26
I : 10
doe, wat zoudt gij wel van mij denken? Dat het ooit mijn streven zou zijn, om menschen te behagen? \')
ytjoiTo — zegt Paulus na Rom. 3:3. Hier zegt hij hetzelfde in een anderen vorm: s! srt xvSpccn-oi? ypsexov, Xpiercü scüac? ovk xv fipviv.
sn, niet met het oog op een vorigen toestand, waarin hij wèl menschen behaagde; maar met het oog op zijn toe-hehooren aan Christus. Nu nog, nadat hij in Christus geloofd had, menschen naar de oogen te zien — dat mocht men van hem niet meer verwachten. In logischen zin wordt hi, evenals cvxen, dikwijls door Paulus gebruikt.
Dat hier alleen xpawsiv voorkomt, terwijl even te voren fr/irsTv xpsa-xsiv was gezegd, is natuurlijk. Op Ttsidsiv moest een woord volgen, dat een streven uitdrukte. Hier kwam het alleen op de stemming aan. Waarom echter het xpsTy.siv xvópciToig hoogelijk wordt afgekeurd, terwijl in 1 Kor. 10:33 wordt gezegd, als iets navolgenswaardigs: iyuxxvrx ttxti-j xpèiry.x, is licht te begrijpen, als men weet dat het verband aan xpkwsiv dikwijls eene ongunstige beteekenis geeft (verg. 1 Th. 2:4, oux w? xvipwxoi? xpévxovTs?
x\'a?.x êsü). Ook onder ons zou niemand het vreemd vinden, als hij denzelfden persoon het eene oogenblik hoorde zeggen: al mijnen broederen tracht ik in alle dingen te behagen; en het andere oogenblik: ik ben geen menschen-behager (vg. het xvQpoiTxpsTnoi; van Col. 3:22; ook bij de Classieken worden xpstrxslx en fopsTxag in ongunstigen zin gebruikt.
\') Bij deze verklaring is er dus geen roden om i» ^»tw ivipuvoif apéa-Ksiv met Owen en Ba Ij on (zie diens Diss., bl. 168) als overbodig te schrappen. Het is volstrekt niet overbodig, daar het ■zedtt-j ivOptSvous geheel iets anders is dan het iférxeiv ivifü^on;.
27
27
I : 10, 11
Een ScDAij? Xpirrov te zijn (vg. Rom. 1:1; 1 Kor. 7,: 23; Fil. 1:1) is onvereenigbaar met het xvipuTroi; apérxeiv. quot;Want wie Christus dient, vraagt naar hetgeen Christus wil, en spreekt het woord van Christus. Den menschen ziet hij niet meer naar de oogen. Om der mensehen wil verandert hij zijn evangelie niet.
Zoo is de weg gebaand tot
Vs. 11. Tvupi^u y*p vftïv, xdshCpoi, rh svzyyshiov rb tüayysï.iov re s-jzyyéhiov ri s-jx.y/s^irjQsv -jt:\' èpoü,
OTl BUK Slt;TTl KXTX xv6 pUTTOV.
Waartoe dat driemaal herhaalde rh s-jxyyamp;isvl Aan eene schrijffout is niet te denken. Zou den afschrijver het rp): ayi\'-v voor den geest hebben gezweefd ? Of zou hij den grootst mogelijken nadruk op het paulinisch evangelie hebben willen leggen? (Vg. het: land! land! land! van Jerem. 22:29; of het: des Heeren tempel! des Heeren tempel! des Heeren tempel! van Jerem. 7:4).
De lezing van n (oir in plaats van yxp) is te verkiezen. Het is waarschijnlijker dat Sè door yxp, dan dat yxp door §£ vervangen is. Terecht zegt Wieseler {Comm. S. 55), dat men door y.xrk xvöpuTrov zich heeft laten verleiden om den grond van het in vs. 10 gezegde te zoeken in vs. 11.
De apostel begint in vs. 11 eene nieuwe gedachte te ontwikkelen, die wel in verband staat met het vroeger gezegde, maar toch ook weer op zich zelf staat, deze namelijk, dat het door hem gepredikte evangelie niet is y.xrx on/Hpuirov. Had hij vroeger het recht om zoo stout te spreken (vs. 8, 9) gestaafd door te wijzen op de vrijmoedigheid, die hij had voor Grod, als niet naar menschengunst strevende (vs. 10),
28
28
I : 11
nu toont hij aan, dat het in den aard van zijn evangelie was gegrond, wat hij in zoo krasse bewoordingen van zijne absolute waarheid had gezegd.
Het door hem aan de Gralatiërs gepredikte evangelie was niet kxtx xvSpuircv. Tot verklaring van deze uitdrukking komen minder in aanmerking plaatsen als Gal. 3 : 15; 1 Kor. 9:8; Hom. 3:5, waar van een atyen -/.xtx zvóputrov wordt gewag gemaakt, als wel 1 Kor. 3:3, waar Paulus vraagt: ovx\' cxoxixci stts y.xi y.xzoc xvQpzmcv rrspiTrxTaTs; Hier is xxtx ayöputrov: naar de wijze der menschen, zooals men-schen wandelen (menschen namelijk, die niet door Gods Geest maar door hunne eigene zinnelijke natuur worden beheerscht). Analoog is xxtx ötcv in Rom. 8:27; 2 Kor. 7:9, 10, 11: naar den maatstaf door God gegeven, overeenkomstig Gods wil (vg. xxrx y.vpicv van 2 Kor. 11:17, en y.xrx Xpiirlv van Eom. 15 : 5; Col. 2 : 8).
ov y.XTx xvópuTTCv is dus hier: niet naar de wijze der menschen, niet zooals menschen het zouden maken, niet zooals het wezen zou wanneer menschen het bedacht hadden (W i e s e-ler: „nicht so beschaffen, wie es sein würde, wenn es Men-schenwerk warequot;).
29
Vreemd is yyccpKu vpTv, wanneer men ten minste alleen de Classici raadpleegt. Dr. Naber vraagt dan ook: Eamne rem nunc primum cum Galatis communicat? Mire. 1) In het nieuw-testamentisch grieksch wordt het echter ook dan gebruikt, wanneer de zaak die yvuplamp;rxi, reeds bekendis. Om nu niet te spreken van 1 Kor. 15: h?vupiZu_iïs vpt,Tv, xSeXCPo!* ro exjxyysXiov 3 sv-wyihirrxfiyv -jpTv x. t. A., waar de tekst
\') Nuculae, p. 381.
\'29
I : 11, 12
waarschijnlijk bedorven is, wijs ik alleen op 1 Kor. 12:3, 5/s yvccpitco ufiïv crt sySfic èv irvsupaTi össü kéyer xvsiêsfix
\'hjtroïic, scx) cv\'Ss); Sóvxtxi sittsJv xupio: \'lyrcïiir, i\'i py èv trvevfixn Ayicp. De Korinthiërs zullen wel reeds vroeger geweten hebben, dat niemand die in de gemeenschap des H. Geestes sprak Jezus een vloek zou noemen, en dat niemand Jezus Heer kon noemen dan door den H. Geest. Maar Paulus wil hun dat nog eens goed op het gemoed drukken, yvapi^u u,u,7v is hier hetzelfde als ons: ik doe u weten, of als het paulinische; ik wil dat gij we et (1 Kor. 11:3; Fil. 1; 12) of i k wil niet dat u onbekend zij (Rom. 1:13; 11 : 25), in den zin van: ik stel er prijs op dat gij het goed weet.
Vs. 12. 0*j§£ yxp syu Tapx xvópuTCu TrxpéXocficv xiiro ours iS txXXx quot;Si\' xirokxXv-Jjsus \'lyTOÜ Xpivrsü.
Het is de vraag, of Paulus hier reeds aan de twaalve heeft gedacht. Niet gaarne toch zou ik oiïs yxp èyu vertalen door: want zelfs ik niet (d. w. z. evenmin als de twaalve). Er was toch van de twaalve volstrekt nog niet gesproken. Alle polemiek is hier nog uitgesloten. De apostel wil alleen eene nadere verklaring geven van cu nxroi xvópcoTrov, en wel uit dit oogpunt, dat hij zijn evangelie ook niet van een mensch had ontvangen. Oorsprong en aard beantwoorden licht aan elkaar. Het was dus waarlijk wel te verwachten, dat Paulus zijn evangelie, dat niet xxrx xvópuTCu was, ook niet irxpx xvópccTrcv had ontvangen.
ciuts jsidxxsyy. Terecht leest Tisch (ook quot;W H.) met B ■0\'jts voor ovlé, ofschoon het laatste meer getuigen voor zich heeft. Het voorafgaande ovSè voor yxp maakt waarschijnlijk, dat curs in oC/Sè is veranderd. Men dacht aan een dubbel
30
30
I : 12
oüSf (noch-noch). Paulus bedoelt echter geheel wat anders; ours thamp;xxfiw voegt hij er bij, omdat hem na het neerschrijven van irapéhxPov in de gedachte kwam, dat zijne tegenstanders van zijn eerste verblijf in Jeruzalem gebruik maakten om uit te strooien, dat hij door de der
apostelen toch eigenlijk geworden was wat hij was (zie vs. 16—20). Dit ontkent de apostel ten sterkste, door er bij te voegen: o-jts £$tèx%ótiv, ik heb het ook niet geleerd.
De volgende woorden x/.^.x §/\' airoxx?.u\\lj£ult;; \'lyroü Xpurrsü brengen ons in groote verlegenheid. De genitivus \'Itfasü Xpttrroü is een gen. subjecti of objecti. In het eerste geval is het eene openbaring Grods, die Jezus Christus aan Paulus heeft gegeven (zooals in 2 Kor. 12 :1; Openb. 1:1). In het tweede geval is het eene openbaring Grods, waarvan Jezus Christus het voorwerp is (zooals in Gral. 1 : 16 bedoeld wordt). De meesten (o. a. Hilgenfeld, Sieffert) kiezen het eerste, en denken dan aan de verschillende openbaringen, die Paulus van Christus heeft ontvangen (zie 1 Kor. 9:1; 15:8; Gal. 2:2; 2 Kor. 12 :1). Men zou dan echter o/\' xttcxxX-j-Jjsuv verwachten, evenals 2 Kor. 12 :1. Als Paulus van eene xttokxXv^is spreekt, heeft hij altijd eene bepaalde openbaring op het oog (zie Rom. 8 : 19; 16 : 25; 1 Kor. 14 : 6,26; Efez. 3: 3. 1), quot;Welke openbaring kan dat nu zijn? Natuurlijk geene andere dan die, welke in vs. 16 bedoeld wordt. Het gaat, dunkt mij, niet aan, om, waar kennelijk de verzen 13, 14,17—19 eene verklaring zijn van vs. 12a, de xiny.xXvhic van vs. 16 voor eene andere te houden dan de van vs. 12 — altijd in de
veronderstelling, dat het woorden zijn van denzelfden schrijver.
*) In Efez. 1 : 17, waar de Geest Gods genoemd wordt wevna rmptec; tccti aTroxx^eai;, is het natuurlijk een ander geval.
31
31
I : 12
Maar nu is het vreemd, ja onverklaarbaar, dat de xtto-yJ.AVipic van vs. 12 eene openbaring is anctore Jesu Christo, en die van vs. 16 eene openbaring is van God, waarvan de Zoon Grods het voorwerp is. Dit heeft sommige uitleggers dan ook doen vragen, of de genitivus van vs. 12 niet een gen. objecti is, zoodat wij moeten denken aan eene openbaring Gods, van welke Jezus Christus het voorwerp is. Terecht is echter deze verklaring door de beste exegeten verworpen. Wat is eene openbaring, waarvan de historische persoon Jezus Christus het voorwerp is? In vs. 16 is het de Zoon van God die xTroxzkjTrrsTxi, die in de ziel van Panlus openbaar wordt in zijne heerlijkheid als de Verlosser ook der Heidenen — dat is eene gedachte die men kan indenken. Maar wat eene xiroxzXvpig is, waarvan Jezus Christus het voorwerp is, begrijp ik niet.
Daarenboven, door \'lya-oü Xpurroït tot een gen. obj. te maken, gaat de tegenstelling met Trxpx xvipwirov teloor. Tegenover niet van een mensch moet staan wel van God, of wèl van Christus. Niet op den inhoud, maar op den auteur der openbaring kwam het hier aan.
Waar dus geene van de twee verklaringen ons bevredigen kan, meen ik recht te hebben om te vragen; is de tekst ook bedorven? Kan niet een afschrijver, om nu reeds de tegenstelling duidelijk te doen uitkomen, er hebben bijgevoegd: xXXx xKcy.xXv-liccoc \'Isjsv/D XpieTsti? En weten wij nu. dat in de nieuw-testamentische geschriften de verschijning van Jezus bij het einde der eeuwen ook genoemd wordt eene xTroxxhutyis \'Ijjs-flD XpivToü (zie 1 Petr. 1:7, 13; 4: 13; 2 Th. 1:7; 1 Kor. 1:7), dan verwondert het ons niet, dat men door het woord x-roy.xï.ó-pxt van vs. 16 verleid, de verschij-
32
32
I : 12, 13
ning van Jezus aan Paulus op den weg naar Damascus als eene xttcscxa-j-Jjh; van Jezus Christus heeft doen voorkomen, aan welke Paulus zijne roeping als apostel te danken had.
Of zal men soms door de xTroxxï.v-psig xuplov van 2 Kor. 12 :1 zich op het dwaalspoor hebben laten brengen, en in hetgeen Paulus Gal. 1 :16 verhaalt, ééne van die xTTOHXhu-pcn; hebben, gezien ?
Vs. 13. \'Hzauo-^Tf yap ryv è[aviv xvxirrpotp-jv ttots êv rep lovlixïir[tlfi, üti y.oiV üxsp ftohviv sl) iay.ov ryv sxy.ï.ytr tav rov 0 s oïi x.x) stt c p 0 ovy xur-Jiy.
Paulus begint hier te ontwikkelen, waarom hij zijn evangelie niet van een mensch kan hebben ontvangen. Niet geleidelijk, door het onderwijs van Jezus discipelen, was hij tot het geloof gebracht. Neen, hij was een vijand van Christus en zijne gemeente geweest, totdat Grod hem staande had gehouden en hem tot bekeering had gebracht. Aan dien God alleen had hij dus zijn evangelie te danken.
De woorden zijn gemakkelijk te verklaren, ivxerpotpvi is: wandel, wijze van leven (vg. Efez. 4: 22). ttots : eens, vroeger, d. i. vóór Paulus bekeering. hucixicrftci; (zie vs. 13; vg. ook het lovèxiXsiv van 2 : 14): de joodsche wijze van Gods-vereering. y.xtlquot; uTrsppoXyv. boven mate, een bij Paulus zeer geliefd woord (Rom. 7:13; 1 Kor. 12 : 31; 2 Kor. 1:8; ■/.yjf vTTsplSo/^v sic ÜTreppohjv 2 Kor. 4 : 17). rsjv sy.x/:jlt;rlx-j roïi öfcy: de Christenen in het algemeen, zooals 1 Kor. 10 : 32; 11: 22; 15 : 9. (Dikwijls is het ook eene bepaalde gemeente, zie 1 Kor. 1:1:2 Kor. 1: 1). quot;Waar de vervolging plaats had, zegt de apostel niet. n-opósïv (vg. 1:23; Hand. 9:21): ver-VI. 33 3
33
I : 13, 14
woesten, verstoren. De imperfecta geven te kennen, dat Paulus daarmeê vroeger bezig was.
txxouirxrs. quot;Wanneer, en van wie, wordt niet gezegd. Van Panlus zeiven zullen de Galatiërs het wel niet gehoord hebben. Welke aanleiding kon de apostel onder de heidensche Galatiërs gevonden hebben, om over zijn leven sv huh ai? pa uit te weiden! quot;Waarschijnlijk hadden zij later, door anderen er van gehoord, toen ten gevolge van de onlusten in de gemeenten de aandacht meer dan vroeger op Paulus en zijn verleden werd gevestigd. Uit het vr/.o-jcaTe, in plaats van het meer gewone o\'l\'Sars is dus niet af te leiden, dat de schrijver en de gemeente elkander persoonlijk vreemd waren 1). Dit zou dan ook met het vervolg van den brief ten eenen-male in strijd zijn.
Vs. 14. Ka) tt p o éy.otttov iv rü \'iouS xïtr ftp vrrsp tvqX-Xovc vvv/iKiy.iurac êv ra ysvsi fiov, KspivyoTspccc hccryjc vTTó.p xvv TUTpr/.üv ftou Trupx^iasuv.
irpoxÓTrrsiv: toenemen (vg. Luk. 2:52; Rom. 18:12—ook bij de Classici, zie Pape). iv rü huèxia-pS:: in al wat den echten jood kenmerkte (zie vs. 13). crvjyï.iy.iürxc (jx. a.) : van dezelfde faixix, denzelfden leeftijd. Paulus was dus nog jong, op een leeftijd waarop men zulk een streng wettisch leven niet verwachtte. Met ysvei wordt het volk van Israël bedoeld, zie Filipp. 3 : 5 (fx yè-jcvc \'\'lupxyX), 2 Kor. 11: 26, enz. Trspiv-rroTspxc-, in overvloediger mate (namelijk dan die Tro\'/J.d). cV.£tj}?: ijveraar (zie 1 Kor. 14:12). virxpxav: zijnde (zie 2 Kor. 8:17; 12 : 16). nxTpixav [x. /..) irxpxdoTsav: van de
\') Zooals Steek doet, S. 83, 84. Vg. ook Verisimilia, p. 28.
34
34
I : 14—16
door de vaderen overgeleverde inzettingen en gebruiken, de Mozaïsche natuurlijk in de eerste plaats, maar dan ook die welke door de Farizeërs daaraan waren toegevoegd (vg. FU. 3:5, 6).
I^ov staat hier zeer vreemd. De irapxSóirsig der vaderen konden toch geen TrxpaSirrstc van Paulus heeten. Met Bengel {Gnomon) en quot;Wieseler te spreken van overleveringen, die zoo geliefd waren bij Paulus, dat zij als het ware met Paulus één waren, is wel wat ver gezocht. Met Sieffert te vertalen: overleveringen die door de vaderen tot m ij gekomen zijn, is in strijd met het grieksche taaleigen. Zou niet door het voorgaande fióü achter -ysysi, bij vergissing zijn ingeslopen?
Dat Paulus over zijn vroeger leven zoo uitweidt, kan niemand verwonderen. In eigene gerechtigheid had hij bij die joodsche ijveraars niet achter gestaan — dat moesten de Galatiërs wèl weten, opdat zij te meer dat evangelie des kruises zouden waardeeren, waarvoor zulk een onberispelijk leven schade was geacht (Filipp. 3:7, 8).
Vs. 15, 16. quot;Ot s §£ e ui) i v.y, lt;7 s v a xCpu p iirxc r/,s ey. y.ciXixc [/.•/itpóc [tav, y.aa y.a.y.kvuc quot;sièi rijc xapiroc xvtoïi, xtto-kakvipoii tov viov z-jtov sy s/toi, ïvcc euxyyehi^upai xurov sv rol\'; sövsamp;iv, suöéui: ov ttpoexvsósff/iy (rxpy.) y.x) x\'iftxTi.
WH. neemt met n en vele andere getuigen c öss? vóór ó xCpoplixxg in den tekst op, maar tusschen haakjes. Met Tisch. meen ik echter, dat zij uit den tekst moeten verwijderd worden, c xCpopirx? zonder ó êsaz is meer paulinisch (zie o. a. Gal. 1:6 en 5 :8); terwijl de bijvoeging van a 6so? tot opheldering best is te verklaren.
35
35
I : 15, 16
su^iy.dv sequente verbo komt dikwijls bij Paulus voor, ook van God (zie 1 Kor. 1 : 21; 2 Kor. 5:8), en duidt een welgevallen om iets te doen aan (zoo ook svloyJx Rom. 10 :1).
xCpopiuxc !) van xQopiamp;iv, afzonderen (vg. Gal. 2:12). Waartoe, zegt Paulus niet. Maar voldoende blijkt bet uit betgeen er volgt: tot het apostelambt (vg. Rom. 1:1 y.?.y,tsg xttóa-roxog xtpupitrfiévoi; si? s-jxyyè/.ioy ósoj). Gelijk de priesters en levieten onder de oude bedeeling werden afgezonderd om aan God gewijd te worden (Num. 8 :14; 16 : 9), zoo was ook Paulus door God afgezonderd, gewijd tot apostel, en wel êy. y.ciïJxc yy/jrpsc, van den buik zijner moeder, d. i. van zijne geboorte af (vg. Ps. 22:11; Jez. 49:1, 5; Mt. 19:12; Hand. 3:2).
xxfJtrxc ha rijc xzpiToi: xvrcv. Dat bier niet de roeping tot bet geloof, maar de roeping tot bet apostelambt bedoeld wordt, blijkt uit bet verband. Er is bier alleen, van vers 12 af, sprake van de wijze, waarop Paulus zijn evangelie ontving, d. i. van de wijze, waarop bij de apostel der Heidenen werd (vg. y.\'/.v^cc kttóstoXoi; in Rom. 1:1; 1 Kor. 1:1). Wanneer en waar die roeping geschied is, zegt de apostel niet. Hij voegt er alleen bij oix, rijc xzpitoc mtov, om aan te toonen (wat eigenlijk reeds opgesloten lag in èy. y.oOdxq ^rpóg ftcv), dat die roeping eene onverdiende gave van God was (vg. Rom. 1:5, S;1 cv xxpw y.x) xirairroïjv; 15:15,16;
1 Kor. 15:10). \'Six is in denzelfden zin te nemen als in öix Ós/.-^xTog (1 Kor. 1:1 en elders). Aan Gods wil, aan Gods genade was het te danken, dat Paulus apostel was geworden. xtroy.x/.-j\'pxi to\'j ulo\'j xutóv iv iftot. Dat Paulus hiermede niet
!) De lezing xQuffras in B is natuurlijk eene schrijffout.
36
36
I : 15, 16
op zijne bekeering zinspeelt, is duidelijk. Immers is het xxXsIj reeds geschied v.y.\'Ks^xq tisc, rjs xxptros aurcü). Het a.TToy.x}:j-pzi moet dus hebben plaats gehad, nadat de y./^Ttc geschied was. Maar evenmin hebben wij hier aan eene voortdurende openbaring van Christus heerlijkheid te denken, zoodat wij aan plaatsen als Gal. 2 : 20; 4 : 19; 2 Kor. 13:3 zouden worden herinnerd (zóó Hilgenfeld S. 120). Het is wel waar, dat Paulus zijn christelijken en apostoli-schen wandel als eene openbaring van Christus in zijn persoon beschouwt. Maar hiermede heeft het aKixxXii-pai tov vim sv êfio) niets te maken. Niet alleen verbiedt de aoristus xTrcxz/.tyxi aan eene voortdurende openbaring te denken. Maar ook is hier van een zedelijk en godsdienstig leven geen sprake. d-sxx/.vTrTsn is het bekend maken van iets dat verborgen was. Zoo is het altijd bij Paulus. Zoo is het ook hier. Letten we nu op het volgende ivx xvrh h rel: \'éöysTn, wat het doel van dat tx7Toy.x/.-j-~pxt was, dan krijgen wij geheel dezelfde gedachte, als uitgedrukt is o. a. in Ef. 3:5, 6; Rom. 16:25, 26, deze namelijk, dat Grod over zijn Zoon zulk een licht in Paulus (iv in den zin van « y.xpSix, 2 Kor. 4: 6) heeft doen opgaan, dat hij in hem den Heiland der wereld zag, en wel vooral door dat hij de beteekenis van zijn kruis had leeren kennen. Helder zag hij bij dat goddelijk licht in zooals nooit te voren, en zooals ook nog door geen der apostelen was ingezien, dat in dat kruis van Christus reeds lag opgesloten de afschaffing van de quot;Wetsbedeeling en de gelijkstelling van Joden en Heidenen (zie vooral Gal. 2:14—21). Dat deed hem op eens zijne roeping verstaan om Christus onder de Heidenen te verkondigen {hx evxyysXi^wiamp;xi xvtov h rolt; sóvstriv).
37
37
I : 15, 16
atroxx/.ihpxt tov Citov en s-jxyye/J\'Cecröxi tov u\'iov sv sQvsamp;tv zijn dus niet twee dingen die geen betrekking op elkander hebben. Neen, bet eerste bracht bet tweede noodzakelijk met zicb. .Ta, ik zou baast durven beweren, dat dit eigenlijk de inboud was van de , dat Panlus den Zoon van
God onder de Heidenen moest gaan prediken, hx is daar tegen geen bezwaar. Want tallooze malen wordt wx gebruikt, waar wij ort zouden verwachten (o. a. 1 Kor. 1: 10 ttxoxkxaco vfix:, quot;vx; 1 Kor. 4:3 êhxxilt;rrcv, quot;vx; 1 Kor. 4:2; 7:29; 9: 18; 2 Kor. 8:6; 9:5). Evenmin is dit een bezwaar, dat het voorwerp der xttoxx/.u-Jji? reeds in roy -jiov xvroü is genoemd. Want ook dit is niet onpauliniscb. Ook in 1 Kor. 7 : 34 vinden wij tweemaal bet voorwerp aangegeven: gt;? xyx^os pspifiviji tx Toii xvpiov, hx % xylx xx) rü crccpxTt xx) rü msvpxrr ■/j os yx^vidx-trx [/.spiysja, rx tov xcvfts-j, tttcc xpkvq rcc xv\'Sp!. Ook bier wordt bet eerste voorwerp: rx tqv xvpiov, en rx toïi xótrpou opgehelderd, nader aangeduid door bet tweede voorwerp: hx y xyix en xpsey x\'Api.
Toen Paulus nu die xTroxx/.v^pi? had ontvangen, is bij terstond daarover niet gaan spreken met vleescb en bloed (evóèccc oCi Tvpoirxveóé^v crxpy.) xx) xquot;pxri). Om de beteekenis van Trporxvxriósa-óxi, dat in het N. T. alleen nog Gal. 2 : 6 voorkomt, te leeren kennen, moeten wij weten wat xvxriQaröxi beteekent. Ook dit woord komt in onzen brief voor, en wel H. 2:2, xvsöéwj xvtchc to svxyyÈ\'/.iov s xypvtTamp;u iv roïg ïdvetriv. Evenals in Hand. 25: 14 (vg. ook 2 Makk. 3: 9) beteekent het daar mededeelen.
Het voorzetsel Trpo? in ons irpoc-xvxTiöstróxi duidt, gelijk dikwijls in dergelijke samenstellingen, de richting aan. Paulus wil dus zeggen dat hij zicb niet tot vleescb en bloed
38
38
I : 15, 16
wendde om te spreken over hetgeen hem was geopenbaard. Ook bij de Classici wordt het in dien zin gebruikt. O. a. bij Diod. Sic., rcï? ij.x\'jtsii TTcoïx.-jx.öèy.s-jo: Trep) tov wfteloii, en bij Lucianus, êfto) TrpsirxvzQou, /.xj3s ,u,£ evppouhsv jróvav. Op beide plaatsen is irpoirxvxrióseêxi: zich wenden tot iemand om over iets te spreken. Uit het verband moet dan opgemaakt worden, met welk doel dit geschiedt. Bij Diodoms is het doel, de waarzeggers te raadplegen; bij Lucianus (blijkens het voorgaande xxrxfióvxi; exvry /.x/.sïz), het hart uit te storten.
Met welk doel zou Paulus nu met vleesch en bloed, en met de twaalve over de ontvangen xTraxxhvJjig kunnen gesproken hebben ?
Met nadruk zeg ik: èn met de twaalve. Want Paulus vereenzelvigt zoo maar niet expt; xx) xJpx en roh; Trph spoü xTrcvró/.ovg. Dit blijkt uit het cjos voor xyij/^sy. Daarmede begint eene wel verwante, maar toch nieuwe gedachte. Met (rxpl; xx) xJpx worden menschen van vleesch en bloed (zie Sirach 14 : 18), zwakke menschen bedoeld, in tegenstelling met den Almachtigen God (zie vooral Mt. 16 :17). 1)
39
Gerust kunnen wij aannemen dat Paulus hieronder ook de twaalve te Jeruzalem heeft begrepen, maar dezen niet alleen. Hij had zich ook tot andere Christenen, o. a. in Damascus, kunnen begeven. Natuurlijk niet om hun raad te vragen ten opzichte van de ontvangene openbaring. Verbeeld u, een man als Paulus, door eene goddelijke Openbaring ge-
\') Zie behalve de welbekende werken van Ligtfoot en Schoett-genius: Dr. A. Wünsehe, Neue Beitrdge %ur Erlauterung der Evangelien aus Talmud und Midrasch, 1878, S. 194, «Der Mensch wird lm Talmud und Midrasch lm Gegensatz zum ewigen und höchsten Wesen Gott immer au Ti\'J Fleisch und Blut genannt»
39
I : 16, 17
roepen om een apostel der Heidenen te zijn, zal aan zijne medechristenen raad gaan vragen, hoe hierin te handelen, of hij naar de Heidenen zal gaan, of niet gaan! — de gedachte zelfs kon bij Panlns niet opkomen. Neen, het eenige wat hem in de gedachte kon komen, was, anderen deelge-nooten te maken van hetgeen hem wedervaren was. Maar ook dat deed hij niet. Waar de hooge Grod zóó tot hem gesproken had, zóó krachtig, zóó overtuigend, zóó aangrijpend, daar had hij met nietige menschen verder niet te maken, daar had hij alleen, en wel terstond, te gehoorzamen.
Opmerkelijk, dat Panlus ook als hij spreekt van de dTrcyJ./.-j-^is y.-jpliv vóór 14 jaren ontvangen (2 Kor. 12 : 1-—-9) zegt, onuitsprekelijke woorden te hebben gehoord, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken (vs. 4).
Vs. 17. O\'jSf xtrijhóov etc \'Is pov ó hv ft» Trphs toii? tt po ê/tcïi XTrotrróXovs, ^AAa: x7rij?ióov slg \'Apxpiav, y.x)
TT CC h IV -J TT £lt;TT P S-^I X s] $ A St, [J, X, (T X, Ó V.
Voor xTrfakv heeft N xvijhóov. De getuigen staan nagenoeg gelijk. Daar men van een gaan naar Jeruzalem liefst sprak als van een xvsXÖslv, houd ik xvij?,óov voor de rechte lezing. Het volgende xvijï.öov kan licht tot de schrijffout xTr-jxQov aanleiding gegeven hebben.
Ook naar Jeruzalem ging Paul us niet. Ook van degenen die vóór hem apostelen geworden waren (de twaalve, of zoovelen van hen als er toen in Jeruzalem waren) zegt hij: oh Trpoexvsósys/iv.
Ook met de twaalv^ wilde Paulus over de ontvangen xKoxikv^is niet spreken. Hij noemt ze afzonderlijk, ofschoon zij eigenlijk onder de axp^ xx) xïyx reeds begrepen waren,
40
40
I : 17
omdat zoo liclit iemand zou zeggen: gij, geroepen apostel der Heidenen! waarom zijt gij niet gegaan naar Jeruzalem tot hen die reeds vóór u apostelen waren? Hierop zou Paulus geantwoord hebben: gij vraagt mij, waarom? Wèl, waarom zou ik die reis doen? Ik had hen niet noodig., Of had ik soms hunne goedkeuring, hunne sanctie op mijn apostolaat te vragen, ik, die van God zeiven door eene Openbaring tot apostel der Heidenen was geroepen?
Men heeft zich van vele kanten verbaasd over hetgeen de schrijver hier van zich zeiven zegt. Dat iemand die tot Christus is bekeerd, na eerst een vervolger van de gemeente te zijn geweest, geen behoefte gevoelt om met Christenen daarover te spreken, ja zelfs de apostelen opzettelijk vermijdt, van wie hij toch allereerst hoogst belangrijke bijzonderheden omtrent Jezus leven kon verwachten; integendeel zich in de eenzaamheid terugtrekt, om te peinzen over een Christus, van wien hij toch eigenlijk niets wist — dat kan niet historisch zijn! Hier is niet de werkelijke, maar de verdichte Paulus aan het woord 1).
Zóó voorgesteld, is zeker de zaak zeer raadselachtig. Maar is de voorstelling juist? Over de echtheid van den brief spreek ik hier niet. Maar dat hetgeen de schrijver hier zegt, psychologisch onverklaarbaar is, kan ik niet toegeven.
41
Allereerst dat gaan naar Arabie om daar in stilte den inhoud der uttoxx\'av-Iiis te gaan overdenken — waar staat dat te lezen ? Er staat alleen dat Paulus naar Arabie ging.
\') Zóó A. Pierson, a. w. bl. 100—104; S. Naber, Nuculae, p. 377, 382; E. Steek, a. w. S. 93, 283.
41
I : 17
Waarom kan dat niet om eene andere reden geweest zijn? Waarom niet om gevolg te geven aan de in de xTroy.x/.vxpig ontvangen roeping om als apostel onder de Heidenen werkzaam te zijn (men lette op het svóéag van vs. 16). Zoo onnatuurlijk ik zou vinden, dat een zoo cholerisch en energiek man als Paulus, terstond na die roeping van God te hebben ontvangen, zich voor geruimen tijd in de eenzaamheid terugtrok, zoo natuurlijk vind ik, dat hij brandde van verlangen om aan zijne roeping te beantwoorden en naar het naburige Arabie zich begaf 1).
Dat Paulus zendingswerkzaamheid eerst vs. 21 ter sprake komt, zie ik niet in. Paulus zelf zegt het met geen enkel woord. Het vüv van vs. 23 staat tegenover mrs sTrópósi. En dat eerst hier van het s-jxyyeki^sa-Óxi rijy ttittiv gesproken wordt, is omdat de indruk moest worden weergegeven, dien de verandering van Paulus op de bewoners van die streken had gemaakt. In Arabie, waar Paulus de gemeente niet had vervolgd, was dat niet noodig.
42
Ook doet men het voorkomen, alsof Paulus vóór zijne bekeering zoo goed als niets wist van Jezus, en dus, eens bekeerd zijnde, terstond naar Jeruzalem had moeten ijlen, om iets meer van Jezus te weten te komen. Maar heeft men recht tot die meening? Kon Paulus niet zeer goed bekend zijn geworden met den hoofdinhoud der apostolische prediking, zooals die o. a. Hand. 10: 37—43 is weergegeven ? Zou hij
\') Er zal wel geen bezwaar zijn tegen de meening van Sieffert en de meeste exegeten, dat hier het landschap Auranitis bedoeld is, ten Z.O. van Damascus, dat met Damascus tot Arabie in den wijderen zin des woords werd gerekend.
42
I : 17
de gemeente hebben vervolgd, zonder iets van haar geloof te Hebben geweten? Is bet niet veeleer van een man als Saulus, den farizeër, den leerling van Gamaliel, te verwachten, dat hij zich op de hoogte zal hebben gesteld van hetgeen het geloof der eerste Christenen kenmerkte? Was hetgeen hij nu, in overeenstemming met de apostolische prediking, door eigen ervaring als waarheid had leeren kennen, namelijk, dat de gestorven en opgestane Christus de Redder van zondaars was, niet voldoende om hem als apostel der Heidenen te doen optreden? Was niet door de x-oy.x/.vdjis hem geschied, het innig verband tusschen het sterven en opstaan van Christus en de aanneming van de heidenwereld, hem zóó duidelijk geworden, dat hij geene voorlichting van men-schen meer noodig had?
Bovenal vergete men niet, dat TrpoaxvxTiQsaQxi niet op de bekeering, maar op de ontvangene Openbaring betrekking heeft, waardoor Paulus zich van zijne roeping als apostel der Heidenen bewust is geworden. Men moet de traditioneele opvatting van xTroy.x/.v-^xi rcv vicv xvrcv èv iy-d, alsof wij daarin eene mystieke beschrijving van de bekeering hadden, laten varen. Paulus spreekt niet over zijne bekeering, maar alleen hierover, dat hij zijn apostelambt niet van de menschen, maar van God heeft ontvangen. Van het raadselachtige, dat een pas bekeerde alle Christenen, ja zelfs de apostelen des Heeren ontwijkt, kan dus ook geen sprake zijn. Er is alleen sprake van een zelfstandig apostolaat.
xx) Tvx\'/av -jTrsijrcs-l/x sU Axftxtrxov. Hoe lang het verblijf in Arabie duurde, zegt Paulus niet. Er is geen reden om de rpix sTyj van vs. 18 daarop te doen slaan. •j7ro7Tpè$£iv (een
43
43
r
I : 17, 18 44
vooral bij Lukas geliefd woord) is: terugkeeren; ttx/a-j is dus eigenlijk overtollig, maar wordt, gelijk meer bij dergelijke woorden geschiedt, tot versterking er bijgevoegd (ook wij spreken van een weder terugkeeren). De tX7roxx?.vpic had dus in Damascus plaats gehad. De nauwkeurige vermelding van de plaatsen door Paulus bezocht, dient natuurlijk om te doen zien, dat Paulus buiten Jeruzalem om, zelfstandig zijnen weg was gegaan.
Vs. 18. quot;Ettsitx r/.srx sry rplz avyaóov sis \'Ispcjó-ï.uftz larop-jirxi Kytpxv, y.x) sTréfisiyx Trpog xvrov p X? SfXiZJTfVTf.
Met den Receptus heeft onze Staten-vertaling Petrus in plaats van Cefas. De beste HH. hebben echter Ky^xv. Moeilijk is uit te maken, waarom Paulus nu eens van Cefas spreekt (1 : 18; 2:9, 11, 14) en dan weder van Petrus (2:7, 8). Elders (1 Kor.) is het altijd Cefas, ook dan, wanneer hij niets berispelijks van hem te zeggen heeft.
Het doel, waarmede Paulus na drie jaren \') (te rekenen van de x-czxAvdji: in vs. 16 af) naar Jeruzalem ging, was: liTTopijffxi K\'/jfxy. Om Cefas was het hem meer te doen, dan om een der andere apostelen. quot;Waarschijnlijk omdat Cefas in de schatting der gemeente de eerste plaats onder de apostelen innam. Hij wilde hem hropijaxi. Bij de Classieken (zie Pape) wordt \'ivTopslv met een objectum personae altijd gebruikt in
\') x A en andere getuigen hebben rplu \'ém — misschien aan te bevelen om den nadruk, die op rpta ligt (zie 2:1).
44
I : 18, 19
den zin van vragen naar iemand, terwijl het in de beteekenis van leeren kennen alleen voorkomt, wanneer het met een objectum rei wordt verbonden. Dat echter latere schrijvers dit onderscheid niet altijd in het oog hielden, blijkt o. a. uit Josephus, Bell Jud., VI, 1, 8, waar hij van een zekeren Julianus zegt, dat hij hem in den oorlog had leeren kennen (cv èyw -/.xt êxsïvov \'itrrópqtrx tov ttóIs^ov). \')
Ook Paulus wilde Cefas, den beroemden apostel leeren kennen. Hij had hem dus vroeger niet ontmoet.
èiréu.srjx. vrpoc xvtóv (vg. 1 Kor. 16 : 7, satti^co yap xpóvov tux sTripichxi ttpoe ■jfAxg). Kpsg met den acc. geeft hier het onderling verkeer te kennen 2)
y^jJpxc Isy.xTrsvTs. Waarom bleef Paulus niet langer dan vijftien dagen bij Cefas? De brief zegt er ons niets van. Paulus vermeldt het alleen, omdat het hem uitnemend te stade kwam bij de wederlegging van de beschuldiging, dat hij valschelijk in zijne zelfstandigheid roemde, daar de twaalve eenigen tijd zijne oioxty.x/.ci geweest waren (zie vs. 12 outs soioy.yjr/,-/).
Vs. 19. quot;Erf/30:/ oè tk-j xtroirTohMV oïix eJèov, el ftyj \'leixufiov rov xiïshCpov toïi xvpiov.
sTspov, een ander, nam. dan Cefas. Op Jakobus kan het geen betrekking hebben, daar deze dan eerst had moeten vermeld zijn. Vreemd is het dan ook, dat men nog in twijfel kan wezen, of misschien niet Jakobus, de zoon van Alpheus, de apostel, bedoeld is. Uitdrukkelijk wordt Jakobus
\') Zie verder de plaatsen door quot;Wetstein en Hilgenfeld genoemd. *) Zie Winer, Gramm., S. 360.
45
45
I : 19, 20
de broeder des Heeren, van de apostelen onderscheiden. Paulus zag geen ander van de twaalf apostelen dan Cefas. Dat hij nn hierop laat volgen si py \'Ixkcc(3ov rov aiïsXCpov toü Kvpiov, is, omdat Jakobus, de broeder des Heeren, zoo goed als apostel was, en altijd met Johannes en Cefas in éénen adem genoemd werd onder de leiders der Kerk (zie Gal. 2 ; 9; 1 Kor. 9:5; 15:7).
De reden, waarom Panlns dit meêdeelt is natuurlijk, dat er geen sprake kon wezen van een lastbrief, door de twaalve aan hem verstrekt, wanneer hij alleen Cefas en Jakobus had ontmoet.
Vs. 20. quot;A Sf ypxCpu vplv, ISav svuttiov tov Ösoü, oti ov Tp sv^ 0[JLxi.
èvuTriov roïi Osov, voor Gods aangezicht, zoodat God mijn getuige is — eene bij Paulus geliefkoosde uitdrukking (zie 1 Kor. 1: 29 ; 2 Kor. 4:2; 7 : 12).
Vóór ori cv ■Isvlcrj.cii moet gedacht worden pxpTupw of iets dergelijks, vg. 2 Kor. 1 :23; Kom. 1: 9.
ii-j Tpstöopxi, ik lieg niet, vg. Kom. 9:1; 2 Kor. 11:31. quot;Wij hebben hier een anakolouth. Paulus had willen schrijven : wat ik u nu schrijf, ik betuig plechtig voor God, dat is waar. Door het cv xpsii\'So^xt is nu « Sè ypxCpu op zich zelf komen te staan, en kan vertaald worden door: wat ik nu schrijf, daaromtrent enz. (vg. Luc. 21 : 6, tolvtx a, SsupsTrs, s?.£v(70v7xi yyJpxi, wat nu deze dingen aangaat die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, enz.)
Uit deze plechtige verzekering is op te maken, hoeveel beteekenis de apostel hecht aan hetgeen hij vs. 18 en 19 heeft gezegd.
46
46
I ; 21—23
Vs. 21. quot;Ea-f/rös Jjï,6cv sic Tx v.Ki [j, xr a, ryjc quot;Zvpixt; xx) Tij? Kihtxixi;.
rïjc KiXiy.ixc is te verkiezen boven KO.iy.lxc (x). Zie 1 Th. 1:7, sv rij Maxs\'Sovlx, y.x) sv Ttjj \'A^xlx. quot;Waarschijnlijk heeft -rvjv quot;Zvp\'tx\'j y.x) KiMxixv van Hand. 15 :41 aanleiding tot het weglaten van kx) gegeven.-
sttsitx, na mijn kort verblijf te Jeruzalem, tx x?.!,uxtx , de gewesten, de streken (zie Rom. 15 : 23; 2 Kor. 11 : 10.)
Met j quot;Zuplx wordt het Syrië bedoeld, waarvan Antiochie de hoofdstad was (zie Hand. 15: 23). Cilicie met de hoofdstad Tarsus grensde daaraan. Paulus zette in die streken zelfstandig zijne zendingswerkzaamheid, in Arabie begonnen (vs. 17), voort.
Vs. 22. xyvoufisvoe 1) rü Trpoa-uTru rxTg
èy.jiXytrixii; rij c \'lovèxixc rxlq iv XptfTCfi.
xyvoov^svoc, een onbekende, zie 2 Kor. 6 : 9 («? xyvoovftevoi). rep jrpoffÜTcp, wat het aangezicht aangaat, van aangezicht, zie 1 Th. 2:17 (aTroptpxvicrQsvrsi: xQ vy.Zv TrpofUTrcc, cv y.xp\'Blx\').
Met \'\'lov\'Sxlx wordt de x^Px ^ovèxix bedoeld. Daar Paulus met Petrus en Jakobus vijftien dagen had verkeerd, zal hij aan de geloovigen te Jeruzalem wel niet onbekend zijn geweest.
rxlc iv Xpitrrcp, die in Christus zijn, d. i. die in Christus gelooven.
Vs. 23. Móvov §£ xxovovTsc %lt;txv, art \'o \'Siay.uy ypc,xc kots vüv svxyyshi^srxi rvjv tt i 7 r iv jj\'v itors èirópósi. §f maakt den zin tot eene soort van tegenstelling met de
\') Eene schrijffout voor xyvoovusvot.
47
47
I ; 23, 24
voorgaande woorden «£ iyvoouftsviig •/.. r. A. (de gemeenten kenden mij wel niet, maar zij hadden toch gehoord, enz.) (iévov, alleen, in dien zin dikwijls in dezen brief, zie2 :10; 5:13; 6:12 (vg. ook 1 Kor. 7:39; Filipp. 1:27; 2 Tb. 2 : 7. Het geeft eene zekere beperking van xyvooó^svog aan. xyMnTsc faxv, zij waren hoorende, niet hetzelfde als: zij hoorden. Het drukt een toestand uit die voortduurde (Sieffert). Het masculinum xnoucyrsg, ofschoon ixx/.yrlxi voorafgaat, slaat op de personen, die de gemeenten uitmaakten. i\'ri maakt aanschouwelijk, wat zij hoorden (vg. Rom. 8:8). b quot;hixy.m zots, onze vervolger van eertijds.
svxyyeXiZsTxi ty/j TriTTiv. Doorgaans wordt süxyyshiamp;ïóxi bij Paulus zonder object, of met suxyyb.iov als object gebruikt. Zie echter Gal. 1:16; Efez. 2:17; 1 Th. 3:6 (vg. ook Rom. 10 :15). Dat ook hier de tt/Vt;? niet de geloofsleer is, maar het geloof in Jezus Christus, dat als voorwaarde voor de auTvpix wordt verkondigd, lijdt wel geen twijfel. Het geloof verwoesten, d. i. de geloovige gemeente verstoren, uitroeien.
Vs. 24. kx) êv êfto) tov ösiv.
êy èftal, aan mij. h duidt de sfeer aan, waarin iets of iemand werkzaam is (zie Winer, Gr. § 48, a. 3). Zoo was het Paulus, ten opzichte van wien, d. i. om wiens wil de gemeenten in Judea God verheerlijkten (vg. Joh.quot; 17:10; Sir. 47 : 6; zie ook 1 Kor. 4: 6; 2 Kor. 7 : 16).
Er was dus nog niets te zien van tweedracht en verdeeldheid tusschen de door Paulus gestichte heiden-christelijke en de van Jeruzalem uit gestichte joodsch-christelijke gemeenten. Ook dezen zagen in het evangelie, dat Paulus
48
48
I : 24
predikte onder de Heidenen, geen ander evangelie dan hetgeen zij zelve beleden. Niet onmogelijk, dat de vrijheid van de Wet, waarin de gemeenten uit de Heidenen leefden, hier en daar wel eens aanstoot gaf, maar dit deed aan het vertrouwen, dat Paulus genoot, geen schade. Om het verschil in hijzaken zag men de eenheid in de hoofdzaak niet voorbij.
Dat Paulus dit zoo uitdrukkelijk vermeldt, is natuurlijk om het onderscheid tusschen toen en later te scherper te doen uitkomen.
49
VI.
49
4
TWEEDE HOOFDSTUK
Vs. 1. quot;EjTf/Tis; 1) s xar s (x amp; x puv èrüv ttuXiv xvafiyv £/? \'lepovóhu [Jt,x fisTot, Bxpv»(3x, (7uv tt x p x/.x (3 wv kx) Tirov.
sxsnx, vervolgens, d. i. na mijne werkzaamheid in de gewesten van Syrië en Cilicie. Swé, na een tijdsverloop van, vg. Hand. 24: 17 (5;\' stüv ttXsióvuv). De grondbeteekenis van door, door heen,, gedurende, gaat hierbij niet te loor, daar in èrwv de jaren beschouwd worden als doorleefd, en dus als verloopen (zie Winer, Gr. § 47 i).
Omtrent de vraag, van wanneer af de 14 jaren worden berekend, is verschil van gevoelen. Er zijn er die de bekeering van Paulus, anderen, die de eerste reis naar Jeruzalem tot uitgangspunt nemen. Moeilijk is uit te maken, wat de schrijver heeft bedoeld. Het waarschijnlijkst komt mij voor, dat de 14 jaren moeten gerekend worden van het ontvangen van de xttoxx^v^ii? en het begin der zendingswerkzaamheid af. Immers, dat wij 2:1 lezen Six, en niet y-srx, zooals 1:18, doet vermoeden, dat de schrijver heeft bedoeld: dit is nu in een tijdsverloop van 14 jaren voor de tweede maal dat ik naar Jeruzalem ging.
Wat het aantal jaren betreft, reeds Grotius vermoedde , dat Paulus niet /§\' (14), maar §\' (4) heeft geschre-
50
n : 1
ven, daar onze brief anders in strijd zou komen met de Handelingen der Apostelen. Ook Baljon (Diss., bl. 169) vindt veertien jaren te lang voor hetgeen in Hand. 11—14^ van Panlns wordt verhaald, en stelt daarom met Grotius voor, S\' (4) te lezen. Dat de veertien jaren door een afschrijver aan 2 Kor. 12:2 zouden ontleend zijn 1), acht hij niet waarschijnlijk. Liever denkt hij aan eene vergissing.
De verandering in den tekst lacht mij niet toe, wanneer ten minste de jaren van 2 :1 moeten gerekend worden van 1 : 16 af. quot;Want dan blijft er slechts één jaar over voor de werkzaamheid in Syrië en Cilicie. Wat nu de verhouding van onzen brief tot de Hand. der App. betreft, daarover spreek ik hier niet. Ik beschouw thans den brief op zich zelf.
(TWTrxpoihxpPxvEiv, medenemen, komt alleen nog Hand. 12:25; 15:37, 38 voor. Waarom nam Paulus ook Titus mede? Wilde hij misschien, door dien onbesneden heidenchristen meê te nemen, toonen, dat hij de Trxpehxxroi niet vreesde, en zeker was van de overwinning? De brief zegt er niets van.
Dat die reis naar Jeruzalem Paulus veel moet gekost hebben, spreekt van zelf. Nu had het toch den schijn, alsof hij niet genoeg had aan de ontvangen xTroy.xXvJjig, en eerst de sanctie van de twaalve moest ontvangen om rustig met zijn\' zendingsarbeid voort te gaan. En zeker hebben zijne tegenstanders er gebruik van gemaakt, om hem te vernederen. Hij was dan toch gegaan, de man die altijd zijn eigen weg had bewandeld, en zijne zelfstandigheid als geroepen apostel van Christus zoo fier had gehandhaafd!
*) Zooals Mich el sen meent (Theol. Tijdschr., 1873, bl. 428).
51
*
51
n : 1, 2
TT ij had de twaalve niet kunnen voorbijgaan! Hij had zich moeten buigen onder het gezag der Scxcüvrf?!
Duidelijk kan men aan den toon, waarop Paulus over zijn wedervaren te Jeruzalem spreekt, bemerken, dat hij aan de ééne zijde verontwaardigd was over hetgeen men van zijn buigen voor de Ioxovvts? had uitgestrooid, en aan de andere zijde het pijnlijke van naar Jeruzalem te moeten gaan,, diep gevoelde.
Ys. 2. \'Avf/Ssjv §£ kxtx ixtt oy.x?gt;ii\\p iv, kx) xvsóspyv xiiroïg to s ii xyy é h lov 2 xy putrecii êv toïc eOvstriv, xxr liïixv Sf rcT? (ioxovtrtv, si? xsvov rpé%,u ïj sdpxpov.
In dit en de volgende verzen (tot vs. 5), treffen wij moeilijkheden aan, die door de exegeten niet uit den weg geruimd zijn, ja soms in het geheel niet gevoeld schijnen te zijn-
Dat y.xrx x7roy.x?Mipiv is vreemd. Men zou verwachten, dat Paulus de reden opgaf, waarom hij naar Jeruzalem ging. En in plaats daarvan zegt hij alleen, dat hij opging xxtx. xTrcxaf.vipiv, d. i. overeenkomstig, volgens eene openbaring. Doorgaans verklaart men deze woorden aldus: Paulus wil zijnen lezers doen gevoelen, dat hij niet gedwongen was om naar Jeruzalem te gaan, niet door men-schen was afgevaardigd naar de twaalve, zoodat zijne zelfstandigheid daardoor schade had geleden (vg. Hand. 15:2), neen, hij had eene openbaring van God gehad, d. i. God had hem zijnen wil bekend gemaakt, hem last gegeven om te gaan. Ook in dit geval dus had hij voor geen menschen, maar voor God gebogen.
Ik meen, dat men bij deze verklaring eene beteekenis geeft aan xttoxxXu^jic , die zij niet heeft. Gelijk wij bij 1:12
52
52
II : 2
■gezien hebben, is xTroxxfrjipii; bij Paulns onthulling, openbaring , bekendmaking van iets dat verborgen was. Dikwijls wordt hetgeen xiroyMKvirTSTKi met name genoemd. Zoo Rom. 2:5 de ^inxioxpio-lx toïi ösov , Rom. 8:19 de u\'io) toü Osoü , Rom. 16 : 25 het [Mtrrjpicv van de toebrenging der Heidenen. Maar meer dan eens komt het ook zonder object voor (1 Kor. 14 : 6, 26; Efez. 1:17; 3 : 3), en dan beteekent het altijd eene rechtstreeks door God gegeven onthulling, openbaring van ■eene godsdienstige waarheid. Daarom wordt het in 1 Kor. 14:6, 26 met yvuzi?, irpoCpyTslx en iïtèxxv 0P ééne liju gesteld. In Ef. 1 :17 wordt door xxi met coCpia, verbonden; terwijl in Ef. 3: 3 het mysterie (dat nam. de Heidenen mede-erfgenamen zijn, vs. 6), gezegd wordt y.xrx xKoy.zlv-ptv aan Paulus te zijn bekend gemaakt. Als Paulus dus schreef: kxtx xTroxxhvtyiv, moesten zijne lezers (vooral om het voorgaande 1:16) er onder verstaan, dat Paulus rechtstreeks van God de openbaring van eene godsdienstige waarheid had ontvangen. Aan het bekend maken van Gods wil, aan het opdragen van een last, op bovennatuurlijke wijze, konden zij niet denken.
Maar wat beteekent nu: ik ging op naar Jeruzalem overeenkomstig eene door God mij onthulde godsdienstige waarheid? Dit geeft geen zin. En daarom rijst de vraag bij ons ■op: heeft Paulus kxt» wel geschreven? Is het
niet eene randglosse van een afschrijver, later in den tekst gekomen? Ik kom hierop terug bij de bespreking van vs. 4.
xvsóspyv, ik deed mededeeling (zie Hand. 25: 14; Micha 7:5; 2 Makk. 3:9). xi/rols. quot;Wie zijn deze ? Natuurlijk niet de onmiddellijk voorafgaande Barnabas en Titus. Er
53
53
II : 2
kan alleen gedacht worden aan de inwoners van het in het vorige vers genoemde Jeruzalem, voor zoover zij geloofden, evenals in 2 Kor. 2: 13 uxitoIc terugslaat op Tpux? van vs. 12 gt;)•
y.xr iïtxv, afzonderlijk, vg. Matth. 17:19; 20:17; 24:3; Mark. 4: 34 en elders. Behalve de algemeene vergadering r waarop xutcT? doelt, was er ook eene samenkomst van Paulus met de Sokovvts? alleen. Dat daar in het wezen der zaak niets anders besproken is dan in de vergadering der gemeente,, blijkt hieruit, dat ook roï? quot;Soxovgu nog afhankelijk is van het voorgaande xveöswv ro s-jxyyé\'/.iov. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat dit onderhoud ernstiger, en misschien wel pijnlijker voor Paulus kan geweest zijn.
54
toIc oiy.cjtiv (vg. vs. 6, 9). Uit vs. 9 blijkt, dat met de Soxovvrsg Jakobus, Cefas en Johannes bedoeld zijn. Van de andere apostelen wordt niet gesproken. Zij worden ^ohojvts? genoemd in denzelfden zin, waarin dat woord bij de Clas-sieken voorkomt. Zoo plaatst Euripides de ^oxo^vts? tegenover de xoo^ovvTsg (Hec.), en tx Soxcvvr» tegenover rx (xyVsv cvtx (Troad.). Zoo stelt Plato (Euthyd.) de Soxoüvrég n sJvxi op ééne lijn met de renvoi (zie Hilgenfeld, Sieffert, vooral Wetstein op Gal. 2:6). Als Paulus dus spreekt van de SozoDvrf?, bedoelt hij niet menschen die zich verbeelden iets te zijn, maar menschen die terecht in aanzien zijn, door hunne volgelingen in eere worden gehouden en als hunne leidslieden worden erkend. Toch zal er wel een ironische glimlach om zijne lippen gespeeld hebben, toen hij dat woord
\') Zie Winer, Qr. § 67. I. d. Ook Gal. 1:23 slaat axoi/onres Sfcav op de leden der vs. 22 vermelde ixK^rfoi terug.
54
II : 2
temeer schreef. Waren het niet de Judaïsten, die telkens zwoeren bij hunne ^ov-oxj-jtsc ? Het lag ook geheel in hunne richting en levensbeschouwing, om zich op eene menschelijke autoriteit te beroepen. Paulus had aan de goddelijke autoriteit genoeg.
Ityirwt; sic y.syóv Oj sèpapov met den indic. ook
4: 11; 1 Th. 3:5). Hier vooral blijkt, hoe moeilijk men zich ook in de exegese van de traditie kan losmaken. Al de exegeten (voor zoover mij bekend is) vatten deze woorden zóó op, alsof er mogelijkheid bestond, dat Paulus werkzaamheid onder de Heidenen vergeefsch zou geweest zijn, wanneer hij zich niet tot de twaalve om approbatie had gewend. Hierin alleen verschillen zij van elkander, dat de één in pyTrug de uitdrukking ziet van de vrees van Paulus dat zoo iets gebeuren kon, de ander het houdt voor de uitdrukking van het vertrouwen van Paulus, dat zij wien hij zijn evangelie mededeelde, van een ander gevoelen zouden zijn, dan zijue fanatieke tegenstanders. Op eene hartstochtelijke wijze is soms de strijd hierover gevoerd. De laatste verklaring heeft het redebeleid vóór zich, maar doet onrecht aan ; de eerste doet aan wku? recht wedervaren,
maar laat Paulus iets zeggen, wat hij in dit verband niet zeggen kon. Er zijn er dan ook geweest, die in vs. 2 en in vs. 6 niet dezelfde hand terug vonden.
Noch tot het een, noch tot het ander behoeft men m. i. te komen. Als men maar de gewone opvatting van eis ksvov rpéx® ij slpx^ov laat varen. Er is hier geen sprake van eene werkzaamheid, die vergeefsch zou wezen als de twaalve hunne sanctie niet gaven; maar alleen van eene werkzaamheid, die vrachteloos zou zijn, als Paulus
55
55
II : 2, 3
tegenstanders hun zin kregen, en de noodzakelijkheid der besnijdenis doorzetten. Gal. 4 : II maakt alles duidelijk: cpo[3oüftixi óftaic sixij xsxoTrixxx eU
vpüg (fhij = sic xevcv, zie Fil. 2 : 16, on cux sis xevov ëdpxpov otös eic y.svov èxcTrixrx). Paulus noemt het eene vergeefsche, vruchtelooze werkzaamheid, wanneer de door hem bekeerden tot de Wet terugkeerden. Evenzoo zegt hij nu Gal. 2:2, dat hij opging naar Jeruzalem, en daar van zijne prediking onder de Heidenen mededeeling deed, omdat hij bevreesd was dat anders {fvfaaiq) de onruststokers alles in zijne gemeenten zouden bederven en alzoo zijn arbeid (nam- in den dienst der christelijke vrijheid) vergeefsch zou wezen.
Zoo komt niet alleen tot zijn recht. Maar ook
Paulus blijft in zijn geheel. Het is Paulus met zijne reis naar Jeruzalem volstrekt niet te doen geweest om zijn evangelie te laten sanctioneeren door de twaalve 1); maar om openlijk door hen als broeder te worden begroet, en in zijne zelf- Ij standigheid als heiden-apostel te worden erkend.
Vs. 3. \'AAA\' cCiSè Tiroc lt;tvv i fj. ol, mv, iivxy-
xaiïóv ks p it [työqvx i.
De woorden leveren geene moeilijkheid op. Zelfs Titus, die met Paulus was J) (zie vs. 1), een griek, en dus niet besneden, werd niet gedwongen besneden te worden. Men drong er wel op aan, men eischte het wel in naam der Wet,
\') Dit ligt ook niet in aveMwv. Maar al te zeer is men gewoon achter dat woord in zijne gedachte te plaatsen: zur Prüftmg (S i e ff e rt), en dan daarop te laten slaan. slaat even goed op ivéfav, als op
2) B heeft aov n en andere getuigen lt;5 o-j» l/W. Dit laatste is te verkiezen als meer paulinisch.
56
56
II : 3, 4
in naam van God; maar de eisch werd afgewezen. Titus werd tot de besnijdenis niet verplicht. Hij kon een christen, hij kon een reisgenoot en helper van Paulns blijven, zonder besneden te zijn.
Die den eisch afwezen, waren de Smovvrsc. Deze hadden er dan ook alleen over te zeggen. En die er op aangedrongen hadden, waren de Trxpslrxy.roi ^su^a.\'ès/.Cpci. Alleen van dezen kon men dat verwachten.
Vreemd is het echter dat zij eerst later, in vs. 4 genoemd worden. Dat yivxyxxa-êy van vs. 3 staat daar ongemotiveerd. Er is in de vorige verzen van geen belagen van de vrijheid in Christus melding gemaakt. Vreemd is het ook, dat eerst in vs. 5 sprake is van den onwil van Paulus om toe te geven; men zou dit vóór vs. 3 verwachten.
Dit doet de vraag bij ons opkomen, of vs. 3 wel op zijne plaats staat. Het antwoord moeten wij echter uitstellen, totdat wij de gansche perikoop hebben behandeld.
Vs. 4. A ix Sf reu? t x p s iff dy.Tou c ■Jjsv\'èalïéï.Cpcvt:, otTivsc Trxpsia-yj^Sov y. xr »(7 y.OTr^ tr x i ryv shsvê e p ixv ■jftav yv \'é%o[4£V sv XpiaTcji \'lyiraZ, Tvx ij/uxi: xxrxdcu-?,ua,cu(j iv.
Paulus noemt zijne tegenstanders •üsuSxdsï.cpcu? (zie ook 2 Kor. 11 :26), valsche broeders, die zich als broeders, als geloovige Christenen voordeden, maar het niet waren.
irxpsiGxxrovz: heimelijk ingevoerd, van daar ingeslopen (zie Pape). Hilgenfeld merkt op, dat de oude Christenen uit de Joden die uitdrukking {èTTeifxy.rx of vxpslarxxTx) gebruikten om daarmede die bestanddeelen der Mozaïsche wet aan te duiden, die er eigenlijk niet toe behoorden,
57
57
II : 4
maar er later, voor een tijd, bijgevoegd waren, om de hardheid der harten. Hij verwijst hierbij naar de Clementinen. \') Hoe treffend wordt dan die uitdrukking in den mond van Paulus! Zij, de wettische mannen, waren juist zulke insluipers in de christelijke gemeenten, als die xapeta-xxrx in hunne geliefkoosde Wet!
oïnveg: quippe qui, geeft eene nadere qualificatie van die TTxp. ypsv\'S.
TTxpsiirépxtïQxi\'- heimelijk ergens in komen, binnen sluipen. De aoristus wordt gebezigd, omdat de apostel een bepaalden tijd op het oog heeft, waarop zij de gemeente waren binnengedrongen. In de H. 1:16—23 aangegeven dagen waren zij er nog niet. Dat het vooral de Jeruzalemsche gemeente was, in welke zij hunnen invloed deden gelden, ligt voor de hand.
y.xTxvx.QTryjtTxi: uitvorschen wordt ook door de 70 gebruikt om het onderzoeken, het verspieden uit te drukken (o. a. 2 Sam. 10 : 3). Met van gemoedelijke Christenen uit de Joden was de beweging uitgegaan; maar van farizeesche Joden, die zich wel in de gemeente hadden
mi*quot; #
laten opnemen, maar alleen om den arbeid van Paulus, den apostel der vrijheid, tegen te staan, en Israël, dat door het evangelie des kruises aan de Wet ontrouw dreigde te worden, weder voor de Wet te winnen.
êhevóspiav yftüy yv sxoftsv sv Xpiercp De vrijheid,
58
hier bedoeld, is de vrijheid van de Wet. In dezen zin wordt êteuósplx overal in onzen brief gebruikt (zie 5 :1, 13). Zoo het vrij zijn van de autoriteit der twaalve bedoeld was, zou dit moeten gezegd zijn. Ook doet yv sxot^ey iv X. L
\') A. W., S. 132.
58
II : 4
aan de gewone christelijke vrijheid, aan de vrijheid van het juk der Wet denken 1).
\'ivot, y.xrX(gt;cu?,cc(70V(Tiv. De Receptus heeft y.XTxSouAua-uvTOii. Waarschijnlijk is dit eene verbetering, om het minder gebruikelijke quot;vx cum indic., en het zelden voorkomende activum xxTsidouhovv door ïvx cum conj. en het medium van xxrxè. te vervangen. Met de oudste handschriften lees ik mrx\'Souï.üirova-iv. quot;Ivx met den indic. komt telkens, ook bij Paulus, voor (zie de noot bij Sieffert op deze plaats).
xxTx^ouhovv, door Paulus ook 2 Kor. 14 ; 20 gebruikt, beteek ent: dienstbaar maken, tot slaaf maken. Ook hier wordt het object gemist. Heeft Paulus aan de twaalve gedacht? Maar welk eene gedachte; een SoüAo? van de twaalve te worden! Van eene viroTzyij onder de twaalve kon nog sprake zijn, maar nooit van eene tiouhslx.
Trachtten zij dan Paulus en zijne geestverwanten tot hunne knechten te maken? Dan moest -/.xtx^ou^cvv in het medium staan. Ook zullen die valsche broeders zich wel niet als he er en van Paulus hebben opgeworpen.
Als Paulus aan een bepaald object heeft gedacht, heeft hij aan de Wet gedacht (zie o. a. H. 5:1, 2). Maar het is de vraag, of hij niet, evenals Rom. 8 :14, 15, aan eene quot;houkstx in algemeenen zin heeft gedacht, aan eene slaafsche gezindheid, waarbij men dat heerlijk gevoel van vrijheid
\') Er is geene reden om wegens , dat op Paulus en zijne helpers
tietrekking heeft, ook bij èAevöepixv ij/iaiv en xarxSov^ua-ova-iv alleen aan Paulus en zijne helpers te denken, en dus de kisviepU in vs. 4 bedoeld, Tan de apostolische zelfstandigheid van Paulus te verstaan. Op de ééne plaats kon Paulus zich zeiven wel als apostel, en op de andere als christen op het oog hebben (tegen Holsten, S. 146).
59
59
II : 4
mist, dat een kind van God kenmerkt, en nu eens voor God vreest en beeft, dan eens ziek kromt onder het juk van inzettingen en geboden, dan weder menschen naar de oogen ziet.
quot;Welk verband is er nu ecbter tusschen dit vers en het vorige? Het begint met Si. Laat men staan, dan moet men het vertalen door maar (autem). Dat het toch eenvoudig zou dienen, om eene nieuwe gedachte tot opheldering aan de vorige vast te knoopen, zoodat men zou moeten ver-ialen: en wel (zooals in xvsamp;y Is van vers 2), is niet aan te nemen. Dan had, evenals in vs. 2 (vg. ook Rom. ■3:22; 9:30; 1 Kor. 2:6; Fil. 2:8) het woord, dat opheldering noodig had, herhaald moeten worden.
Maar daarenboven, al mochten wij vertalen: en wel, of al hadden wij vrijheid om §£ te schrappen (wat dan ook reeds is voorgesteld), het volgende zou toch niet minder •onverstaanbaar blijven.
quot;Wat wil toch zeggen: „zelfs Titus werd niet gedwongen besneden te worden ter wille van de valsche broeders?quot; quot;Werd Titus dan niet gedwongen besneden te worden, omdat men de valsche broeders te vriend wilde houden? Dit is ongerijmd. En toch kan ha bezwaarlijk op eene andere wijze verklaard worden. Er zijn er, die het zóó verklaren: dat Titus niet genoodzaakt werd om besneden te worden, was met eene vijandelijke bedoeling tegen de valsche broeders, om hun tegen te komen in hun heilloos streven. Maar zoo geeft men aan de praep. \'Six eene beteekenis, die zij nooit heeft. Om, van wege zal toch wel nooit kunnen overgaan in tegen, om iemand tegen te werken. Ook zou men kunnen vragen of Titus, wanneer die valsche
60
60
II : 4
broeders er niet geweest waren, wèl zou besneden zijn.
Anderen verklaren: zelfs in het dwingen van Titus tot de besnijdenis was men den valschen broeders niet ter wille. Maar dan moest k. r. A. niet achter Trsptrff/ióvjyxi, maar voor wa.yx.xTÖy staan. En onwillekeurig vraagt men dan weder, of Titus soms om eene andere reden wel gedwongen is tot de besnijdenis.
Hilgenfeld en Holsten nemen daarom hunne toevlucht tot een anakolouth. Echter verschillen zij in de bepaling van hetgeen Paulus had willen zeggen. Volgens .Hilgenfeld had Paulus willen schrijven: ow.
maar is hij daarvan teruggehouden door de tusschenzinnen oïnve? — ttpoe -Ji^xg. 1) Maar als men die tusschenzinnen weglaat, geeft dan ctös Tkoe ^vxyy.xcrêy, TrspiT/tyrfyvxi, quot;Six Sf ^isuSxdshCpoui; ovK ■/ivxyy.xGamp;v een goeden zin? Men moet dan Sf vertalen door en wel — wat niet mag. Maar daarenboven rijst ook hier weder de vraag op, of Titus wel genoodzaakt zou zijn om besneden te worden, als de valsche broeders er niet geweest waren.
Holsten 2) meent dat Paulus heeft willen schrijven, dat hem althans voor oogen heeft gezweefd: xvsóspyiv rolc Soxoutriv to svxyysxio\'j. Ook hiertegen blijft het bezwaar van kracht, dat het avcóspyv ro evxyyéï.iov dan had moeten herhaald worden; terwijl bet nieuwe bezwaar oprijst, dat het zóó nauw verbinden van vs. 4 met vs. 2, door het tusschen inkomende vs. 3, dat eene geheel nieuwe gedachte uitdrukt, onmogelijk wordt gemaakt.
Wij zullen werkelijk tot de conjecturaal-critiek onze toe-
gt;) S. 132.
J) S. 149.
61
61
II : 4
vlucht moeten nemen. Dr. Naber kunnen wij echter hier niet volgen. Deze legt den nadruk op vvxy%«lt;r6gt;], en meent dat Titus niet genoodzaakt is geworden zich te laten besnijden, maar vrijwillig daartoe is overgegaan, omdat hij bang was voor de valsche broeders; zoodat de tekst in vs. 4 aldus zou moeten veranderd worden: JSéS/a Sf k. t. A. gt;) Hiertegen vragen wij met Dr. Berlage 1) {zie ook Dr. Baljon) 2): „Hoe? Zou Titus, de leerling van Paulus, uit eigen beweging om de besnijdenis gevraagd hebben, en dat uit vrees voor de ingeslopen valsche broeders ? Indien Titus zoo gehandeld had, zou hij den Apostel een slag in het aangezicht gegeven hebben..... Laf zou geweest zijn, dat de Apostel de besnijdenis van Titus niet tegengegaan had, en zich verontschuldigde met een: „ Titus is besneden, doch ik kan dit niet helpen.quot; Hierbij komt dat ^s\'Sièvxi voor vreezen in het N. T. niet voorkomt, en dat de vervanging van ioe\'Slsi Ss door S/a os niet zoo voor de hand ligt/3)
De eenvoudigste oplossing komt mü voor, deze te zijn, dat wij in vs. 2 xvé^v Ss y.xra ciTroy.cihvifjiv laten wegvallen; in plaats van Stx Sf in vs. 4 lezen xvsfi/rj St §;«; en aan vs. 3 eene andere plaats geven. 4)
62
1
) Theol. Tijdschr. 1880, bl. 92—96.
2
) Diss., bl, 170.
3
) Later (zie Nuculae, p. 384) is Dr. Nab er tot het gevoelen van Klostermann toegetreden, waarover straks nader.
4
s) Daar vs. 3 het resultaat aangeeft van gehouden redewisselingen, moet het öf na vs. 5 öf na vs. 6 gestaan hebben. Het waarschijnlijkste komt mij voor: na vs. 5, daar het alleen de tpsvScéhMpoi waren, die Titus tot de besnijdenis wilden dwingen, en Paulus in vs. 5 met dezen heeft afgerekend, om dan verder over de Sokovvtss te handelen.
62
n : 4, 5
Dan heeft Paulus gezegd, dat hij opging naar Jeruzalem, en der gemeente, den apostelen in het bijzonder, zijn heidenevangelie uiteenzette, omdat hij anders vreesde dat zijn arbeid onvruchtbaar zou zijn; dat hij dit dus niet deed uit eigen beweging, maar tegen zijn zin, omdat die valsche broeders, door hun opruien en oproer stoken in zijne gemeenten, er hem toe noodzaakten.
Hoe nu die tekstverandering is ontstaan, is gemakkelijk te verklaren. Naar de gewoonte der afschrijvers om ophelderende en stichtelijke opmerkingen op den rand te schrijven, heeft een afschrijver, dezelfde die 5/\' \'Ijjs-öü Xpurov in vs. 12 bijvoegde, ook hier bij het vermelden van het y-vpvrtrsiv van het svAyyi/jov iv rol? \'éóveeiv, tot opheldering er bij gezet: xarx a-cxd/.v-prj, om te doen zien, dat dat het evangelie was, dat hij volgens H. 1 had ontvangen. \') Dit heeft een latere afschrijver, die de bedoeling dezer kantteekening niet begreep, en xxtx x7rcy.x?.vpiv in dien zin opvatte, waarin thans de exegeten het verstaan, er toe gebracht om het achter xvèfiyv ts in den tekst te brengen Sf v.xtx xTToy.x/.v^iv y.x) xvsOè/z-ijy •/.. r. ?..) Daardoor werd echter quot;Six tcïic ■■peviïxïiéhCpcui; van zijn xvsfivjv beroofd, en kreeg het nu zulk eene vreemde plaats in den tekst, dat men de woorden ovoa Tiro? ■/.. r. X., die oorspronkelijk op vs. 5 volgden, verplaatste, en ze aan r. ?.. liet voorafgaan, om ten minste nog eenig verband te hebben.
Vs. 5. of? CüSf TT/50? copxv Tijj U 77 OT xyy, IVO,
y xh-jósi» toïi ev xyy a \\ iou $ ik ft s ivy tpo? ü(jt,xi;.
\') Zoo geschiedt ook recht aan de oorspronkelijke beteekenis van het woord uTroKci^ii, die ons brengt op dogmatisch gebied (zie bl. 53).
63
63
II : 5
Het is bekend, dat de Ouden niet eenstemmig waren in de beantwoording der vraag, of de woorden oïc cv\'Ss door Patdus waren geschreven, dan of zij eene verbetering waren van lateren tijd (zie de belangrijke noot van Tisch.) De beste bandschriften, al de vertalingen en bijna alle kerkvaders hebben cl? o-j\'Sé. Slechts weinige handschriften en enkele kerkelijke schrijvers laten oh cvèè weg. Onder de laatsten zijn echter Irenaeus en Tertullianus. De eerste zegt \'): „Et iterum ait: ad horam cessimus subjectioni, uti Veritas evan-gelii perseveret apud vos/\' Tertullianus beschuldigt Marcion (die oïc ovSè las) van tekstvervalsching, en zegt dat uit Si Je Sè duidelijk blijkt, dat Paulus toch tot het laten besnijden van Titus is overgegaan ter wille van de valsche broeders, evenals hij ook Timotheus had laten besnijden om de Judaïsten tevreden te stellen 2). Zoo ook Victorinus (zie Tisch.). Ook Hieronymus maakt gewag van het verschil van gevoelen, dat er in zijne dagen omtrent dit punt bestond. „Itaque (zegt hij in zijn Comm. ad h. 1.) aut juxta graecos codices est legendum: Quibus neque ad horam cessimus subjectioni, ut consequenter possit intelligi: ut Veritas evangelii permaneat apud vos. Aut si Latini exemplaris alicui fides placet, secundum superiorem sensum accipere debemus, ut ad horam cessio non circumcidendi Titi, sed eundi Hierosolymam fuerit.quot; De kerkvader was een te goed exegeet om niet te weten, dat, als Paulus werkelijk geweken was, dit wijken niet had bestaan in het laten besnijden van Titus. Daarmede zou de gansche inhoud van den
\') I, p. 496.
*) Adv. Marc. V. 3.
64
64
II : 5
brief in onverzoenlijken strijd zijn. Liever stelt hij de mogelijkheid (hoewel hij voor zich of? ouSs, vooral om de daarop volgende woorden quot;va y, x^dsix ■/.. r. A. verkiest), dat het wijken hierin heeft bestaan, dat Paulus toch naar Jeruzalem is gegaan.
Met talent is dat laatste ook verdedigd door A. Klos-/ termann in zijne „Probïeme im AposteltexteGrotha 1883. En ik wil wel bekennen, dat ik een tijd lang onder de bekoring van zijn betoog ben geweest. gt;) Toch heeft een dieper indringen in den geest van den brief aan de ééne zijde, en een loslaten van de tradition eele opvatting van vs. 4, als ten nauwste met vs. 3 verbonden, aan de andere zijde, mij daarvan teruggebracht. Het voornaamste bezwaar tegen de meening van Klostermann blijft altijd, dat Paulus laat volgen: wot, y aXyös)x rov svxyyeXiov \'Sixftsivy Trpog uftx:. Paulus had kunnen zeggen: ik ben voor een korten tijd geweken voor die valsche apostelen, opdat ik niet sis xsvhv onder u zou gearbeid hebben; óf: opdat gij niet als halve christenen van de gemeente van Christus zoudt worden uitgesloten; of: opdat het evangelie bij u op den kandelaar zou blijven. Maar niet: opdat de waarheid (j? xk/tésioc) van het evangelie bij u zou blijven. Vooral met het oog op 2 :14, waar van Cefas en de zijnen wordt gezegd, dat zij niet wandelden -Trpog tw ahyiosixv tcv suxyysxiou (vg. ook Gal. 5:7), kunnen wij in de xx-zjósix tcïi svxyysxicj niets anders vinden dan het ware (paulinische) evangelie, dat vrijheid van de W et den heiden-chris-
65
^ Zelfs een philoloog als Dr. X a b e r is meegesleept. «Totam quaes-tionem — zegt hij in zijne Nuculae, p. 383 — ita pertractavit Klos-termannus in Problematis, p. 34 sqq., ut equidem non \\\'ideam quid addi corrigive possit.»
65
VI.
II : 5
ten toestond. Dat nu aan het blijven van dat evangelie onder de Galatiers het wijken van Paulus niet bijzonder bevorderlijk moest wezen, is te begrijpen. Daarentegen moest het stand houden van Paulus, zoodat hij zelfs geen enkel uur week, er veel toe bijdragen, dat de Gralatiërs in het bezit van het paulinisch evangelie bleven.
Er is meer. Als Paulus had willen zeggen, dat zijn gaan naar Jeruzalem een wijken was voor die valsche broeders, had hij zich anders moeten uitdrukken, b.v. op deze wijze: maar om den vrede te bewaren ben ik een oogenblik voor de valsche broeders geweken; maarniet: ter wille van de valsche broeders ben ik geweken. En wat wil rf) vTTOTixyii zeggen? Zou Paulus waarlijk een oogenblik er aan gedacht hebben om zich aan die valsche broeders te onderwerpen? Ün hoe vreemd blijft dan toch altijd vs. 3 tusschen 2 en 4 in! In vs. 4 verwacht men niets meer van de beweegreden voor het xvxpxlvsiv te hooren, maar veeleer van hetgeen met de besnijdenis van Titus in verband stond.
En dan, wat is waarschijnlijker: dat oh ov\'Se er later is bijgevoegd, of dat het later is weggelaten? Ik wil nu voor een oogenblik niet letten op de groote beteekenis der getuigen , die oh c-j\'Ss hebben. Maar is het werkelijk zóó waarschijnlijk , dat die woorden er oorspronkelijk niet in gestaan hebben? \'i Is waar, Marcion had ze ook. Maar is dat een bewijs, dat Paulus ze niet had? Veel is er in onzen brief, dat ook bij Marcion wordt gevonden. Zullen wij het daarom schrappen? Dat Marcion de voorstelling van een Paulus die geen oogenblik week, best gebruiken kon voor zijn stelsel, is zeker. Maar even zeker is, dat ook Origenes er geen
66
66
II : 5
bezwaar in zag, dit Paulus te laten zeggen, 1) en evenmin de beste van onze handschriften. En blijkt niet uit de redeneeringen van een Tertullianus, dat hetgeen indeHandd. der App. van het toegeven van Paulus wordt gezegd, grooten invloed heeft gehad op zijne voorkeur voor de lezing zonder oh ov\'Ss ? Zou men later, met het boek der Handelingen vóór zich, eene overeenstemmende lezing hebben prijs gegeven voor eene lezing, die daarmeê in strijd scheen te zijn? Ligt het niet voor de hand, dat men, in het Six Ss eene tegenstelling ziende met het vorige, er toe kwam om die tegenstelling ook in sly.siv Trpi: upxv te zoeken?
Om al deze redenen verkies ik of? Trpo: ccpxv.
Paulus blijft nu in denzelfden toon, waarin hij vs. 4 schreef. Voor zulke mannen, die de christelijke vrijheid belagen en vrije menschen tot knechten willen maken, wijkt men niet, OllS S TT po? SpXV.
Trphc copxv, voor een uur, d. i. voor een korten tijd — door Paulus ook gebruikt 2 Kor. 7:8; Philem. 15. (vpo: xxipov ccpxs, 1 Th. 2: 17)
het meervoud met het oog op Barnabas en
Titus.
rij uTorxyij. Welke onderwerping de apostel op het oog heeft, zegt hij niet. Er zijn er die aan de Soxovvrse denken. Maar van hetgeen de SoxoZvrsc wilden was nog met geen enkel woord melding gemaakt. En zoodra zij op het tooneel komen (vs. 6), blijkt, dat zij Paulus niet willen bemoeilijken.
67
De eenige vvcrxy/,, die hier bedoeld kan zijn, is de ^onderwerping aan den eisch der TpsvSxSsKtpoi, dat ook
!) XX. p. 35.
07
II : 5, 6
de Christenen nit de Heidenen tot de besnijdenis zonden gedwongen worden.
Meer pauliniscli zou zeker geklonken hebben viroTxvvinsvou .. Ook is dat tyi vreemd. Misschien is het er later bijgevoegd. Men zou ook v-rcTxyij best kunnen missen zonder eenige schade voor het recht verstaan van den zin. Zou het er later door eene glosse ingekomen zijn? Ik durf hier niet beslissen.
Hoofddoel van Paulus bij het weigeren om toe te geven was het belang der gemeente. Het evangelie des kruises wilde hij als het evangelie der vrijheid redden voor zijne Galatiërs, en voor allen die als zij, door hem tot Christus waren gebracht.
Welk eene schrille tegenstelling met de houding, die de Galatiërs tegenover hem hadden aangenomen!
Vs. 6. \'Attc Sf rüv $ okov vt u v sïvxi ti, ottoIo! tt ore yirxv ou\'èsv poi 21 é ps i, tt póv uttov óeog \') dvópccTrou ou hx p (3 xv s i, ifio) yxp o\'i okovvt e c oii\'Ssv tt pocr»vs6 svto.
Dit vers is zeker wel ééne der moeilijkste plaatsen in onzen brief. Tal van vragen rijzen op : Hebben wij hier een anakoloeth, of niet? Is sHvxi t; afhankelijk van tioKOvvruv,. of staat het op zich zelf? Hoe kon Paulus aldus spreken over de door Jezus zeiven aangestelde apostelen, tot wie hij zich nog wel zelf had gewend om zijn evangelie hun meê te deelen? Hoe wordt dat yxp in yap verklaard ? Is TpoaxvééevrC\' op dezelfde wijze te verklaren als Trpoczvcóépv/v in 1:16? Welk verband is er tusschen dit vers en het volgende?
1) Meer pauliniscli is 6 Ms, zooals wij lezen bij n A en andere getuigen.
68
68
II : 6
Geen wonder, dat de meest uiteenloopende verklaringen van deze plaats gegeven zijn. Naar mijne bescheiden meening echter voldoet de ééne zoo min als de andere, om de eenvoudige reden, dat men geen poging heeft aangewend om den tekst te verbeteren.
W e i s s e laat de woorden xpoauirov—^po^xvédsi/TO weg. Dit is, dunkt mij, niet noodig, om de plaats te verstaan. Langs een veel eenvoudiger weg kunnen wij ons doel bereiken.
Dat met xtto SoKcuvrav een nieuwe zin begint, mogen wij wel aannemen. Paulus heeft nu met de -srupsia-xxroi afgedaan. Duidelijk heeft hij doen uitkomen, dat zij ten zijnen opzichte hun doel niet bereikt hebben. Geen oogenblik hebben zij hem doen wankelen in de overtuiging, dat den Heidenen de Wet niet mocht worden opgelegd. Hij heeft in de verste verte van geen toegeven in deze zaak willen weten. Zelfs Titus, zijn metgezel werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.
Maar de ^oxoüvts?, de mannen die vóór hem apostelen waren, tot wie hij zich nolens volens had gewend om eene officieele erkenning van zijn apostelschap te verkrijgen, hoe hadden die zich gehouden ? Dat was van nog grooter belang. Want van hunne houding hing het af, hoe voortaan de door hem gestichte gemeenten door de joodsch-christelijke gemeenten en hare leiders zouden worden beschouwd.
xtto is van wege. Wij mogen dus niet vertalen, alsof ƒ-er trepi stond: wat nu de Sokovvtsi; betreft. Er is alleen sprake van hetgeen van wege de Soxovyrs? is geschied. Wat is dat nu? In den tekst wordt het niet met zoovele woorden uitgedrukt. De zin loopt niet af. Heeft de tusschen-zin: óttoïci—hxppxvsi Paulus de wijze, waarop hij den zin
69
69
II : 6
begonnen was, doen vergeten ? Moeten wij dus uit de volgende woorden: yotp ol (icxovvreg ovlh irpoeavéisvTO, of uit vs. 7 en 8 zien op te maken, wat Paulus had willen zeggen, toen hij den zin begon? M. a. w. hebben wij hier een anakoloeth ?
Dr. van Manen spot daar een weinig meè 1), en meent, dat men zich op die wijze wat al te spoedig van de moeilijkheid afmaakt. Naar zijn gevoelen „ ontbreekt er iets aan den tekst, waardoor wij hem in den voor ons liggenden vorm niet kunnen verstaan.quot; De \'Sokóüvts? — meent hij — ^ hebben wel degelijk op de besnijdenis van Titus aangedron-\' gen, al lieten zij Paulus in zijne werkzaamheid onder de Heidenen vrij. „ Dit was inconsequent, en verbitterde daarom Paulus in de hoogste mate. Openlijk verweet hij daarom den ^o-müvte: hunne beginselloosheid in eene rede, waarvan de laatste woorden waren: cnrotm—/.xpfixvei. Die rede was echter zoo heftig en zoo compromitteerend voor de Hoxovvrsi;, dat een katholiek ze uit zijn tekst verwijderde „ om zijn heftigen beschermeling ietwat minder hatelijk te maken in de oogen zijner tegenstanders en hun verzoening te bevorderen.quot; Alleen de laatste woorden liet hij staan (ÓTrolot x. r. A).
70
Mij dunkt, mijn waarde ambtgenoot zal wel de eerste zijn om toe te stemmen, dat deze zijn voorslag veel heeft van een coup de désespoir. Zoolang althans mij niet bewezen is. dat de brief aan de Gralatiërs de duidelijkste sporen draagt van zulk eene doortastende katholieke omwerking, en tevens mij niet duidelijk is gemaakt, hoe zulk een handig uitwerpen
!) A. v., bl. 511—513.
70
II : 6
van het aanstootelijke kan gepaard gaan met de onhandigheid van zulke aanstootelijke woorden als ótoïoi x. r. A. te laten staan, zal ik liever het uiterste beproeven tot verklaring van de raadselachtige woorden en tot verbetering van den tekst.
Waar staat toch in den brief iets te lezen van het aandringen der SoKOÜvTsg op de besnijdenis van Titus ? En is het niet meer dan vreemd, dat zulk eene heftige philippica eindigde met zulke verzoenende woorden als vs. 7—10?
Tot nog toe komt het mij het waarschijnlijkste voor,, dat wij bij xtto Sf tüv loy.ouvruv aan een anakoloeth hebben te denken. Gaarne geef ik toe, dat men wel eens wat al te vlug is in het aannemen van anakoloethen, en dikwijls beter deed met pogingen tot verbetering van den tekst in het werk te stellen. Maar, dat er anakoloethen bij Paulus kunnen gevonden worden, zal wel niemand ontkennen. Wat Paulus had willen zeggen, zal ons straks blijken.
Waarom quot;Soxovvrav door shxt n wordt gevolgd, terwijl in vs. 2 alleen van (toxovvrsg gesproken wordt, weet ik niet. Zeker is , dat óoxsïv eJvxl n bij de Classieken niet ongewoon is om uit te drukken dat men een man van beteekenis niet alleen schijnt te zijn, maar ook werkelijk is. Zie de plaatsen bij Wets te in, vroeger door mij aangehaald.
71
Er zijn er die stvmi rt anders opvatten. Klostermanu i scheidt die woorden van Sczcüvrav, on vertaalt: „ dat iets van de Soxoöi/rf? afkomstig isquot;. Paulus zou dan hebben willen zeggen: of iets van de Scxcwrf? komt, of niet, dat is voor mij hetzelfde; ik hecht er daarom niet meer, en niet minder waarde aan. \') Ook Sieffert vertaalt thans: „lm Auf-
\') A. w., S. 102.
71
II : 6
trage der Autoritaten aber Etwas zu sein, darauf lege ich, wie beschaffen sie immer auch waren, keinen Wertbquot;. \')
Een groot bezwaar tegen de verklaring van Klostermann is, dat men dan niet sïvxi, maar yhsirQxi, of s^sXêav, of een ander woord dat eene beweging uitdrukt, verwachten zou. Ook is liet moeilijk te vatten, boe iemand die tot de Soxovvret; gaat om van ben de officieele erkenning van zijn apostelambt te vragen, zeggen kan, dat bet bem onverschillig is, of iets van de ^oxcüvrs? komt of niet. Dit zelfde bezwaar drukt ook min of meer het gevoelen van Sieffert. Als Paulus er geen waarde aan hechtte, iets te zijn xtto Soxouvtuv, waarom ging hij dan naar Jeruzalem?
Daarenboven dringt ons vs. 9 (ci Scxoïivrsc vrihoi sJvxi) en niet minder 6:3 (sl yup Icxd tic shxi ti nyèh uv) i) om slvxi ti ten nauwste met o:y.ov-jtkv te verbinden.
Wat de volgende woorden betreft, stel ik voor, te lezen: CTróïol TTCTf yTxv, cuèév fiot quot;hixCpspsi\' i[ic) yxp ovhh TrpOGtfavTO\' TOi/vxvrhv •/.. t.
Het komt mij voor, dat de inlassching van de woorden irpÓTUTTOv s êeog xvöpuirou cu veel heeft bedorven. De
uitdrukking zelve is niet onpaulinisch. Al komt zij bij Paulus niet voor, het gelijkluidende cuy. fVr/ 7rpolt;ru7ro^\\plx yrxpx tü 6scp wordt gevonden Rom. 2:11; Col. 3 : 25; Efez. 6 : 9. Daarenboven was zij, gelijk bekend is, zeer geliefd, om aan te duiden, dat God niet, gelijk de menschen, door den uiterlijken schijn zich liet misleiden, en den een niet boven
\') Holtzmann bestrijdt Sieffert {Th. Lz. 1887, S. 78), volgens v. Manen (a. v. bl. 511), terecht.
2) Al zijn die woorden, gelijk wij later zien zullen, niet van Paulus,
72
II : 6
den ander voortrok om uitwendige voorrecMen, die met het
wezen der zaak niets te maken hadden.
Hoe kan dat nu de reden zijn van hetgeen er volgt:
i/tto) yxp 01 doMÏivTs? cuSfv TrpotrxvèSsvTO? Hoe men die woorden
ook verklare, altijd zal er toch eene daad der ^ licxowrs:
\'^6
tegenover Paulus mede bedoeld zijn, die achterwege gt^even is, omdat zij voor Paulus onaangenaam zou wezen. Tevens blijkt uit het vooropzetten van è/toi, dat daarop de nadruk valt (mij, in onderscheidiu^^an anderen.) Wat heeft dat nu hiermeê te maken, dat God ten opzichte van Paulus en van de SoxovvTsg den persoon des menscben niet aanziet, maaiden mensch zegent en straft , zonder uiterlijke voorrechten in aanmerking te nemen? Stond het later bij vs. 7 of 8, dan stond het geheel op zijne plaats. Want onverschillig, of men Petrus heette, of Paulus, God zegende zoowel het evangelie rij? xxpopveTtx? als het evangelie rij? ■zspnopy,:. Hierin nam God den persoon des menscben niet aan.
Hierom acht ik het waarschijnlijk, dat de woorden irpóir-airov—hxfjt.(3xvei, oorspronkelijk eene glosse bij vs. 7 of 8, door een lateren afschrijver, die cttoToi ttots—SixCpépsi niet verstond, daarachter zijn geplaatst.
Zien wij nu, of vs. 6 zonder die woorden een beteren zin geeft. cvroTol kots faxv. Sieffert meent dat ttots met óttoïoi ten/ nauwste moet worden verbonden, op de wijze van outtots, fv/iiroTs, en dat Paulus dus heeft willen zeggen: in welk groot aanzien zij ook stonden, terwijl ik bij hen was, is mij onverschillig. Daar echter ttots in dezen zin nooit in het N. T. voorkomt \'), en Paulus het altijd gebruikt om eene
\') In do Sept. alleen 2 Makk. 14:32, nou ~or\' ha-rïv ó ^Vroi/ftevo?.
73
73
II : 6
tijdsbepaling uit te drukken (in onzen brief zelfs nog driemaal, 1 : 13, 23), meen ik met de meeste uitleggers, dat ook kier door Paulus een vroegere tijd wordt aangegeven.
Maar welke tijd? Bijna algemeen is ket gevoelen, dat Paulus keeft gedacht aan den tijd, toen de Scxsüi/Tf? bij Jezus waren. Dit was ket juist, dat aan de twaalve zulk een overwicht, zulk een invloed in de Kerk gaf, dat zij Jezus persoonlijk gekend hadden, en door Jezus zeiven tot apostelen waren aangesteld. Daarom ook bad zelfs een Paulus ziek verplickt gezien, ziek met zijn keiden-evangelie tot de apostelen in Jeruzalem te wenden. Hij toch had dat voorrecht niet gekend. Slechts door eene tx7roy.tx/.v\\pig was hij tot apostel geroepen. Dat die gedachte niet aangenaam was voor Paulus, spreekt van zelf. Het moest kem kinderen, dat telkens en telkens weer van dat voorreckt der Jeruzalemsche apostelen werd gesproken, om Mm te doen gevoelen, koe ver kij beneden hen stond. Hij kon dan ook niet nalaten, nog eens duidelijk bij deze gelegenheid te zeggen, dat het hem eigenlijk weinig kon sckelen, wie die slvcci tl
vroeger geweest waren, want dat ket er maar op aankwam, J of men door Christus was geroepen. Al was hij dus tot hen gegaan om hun zijn evangelie bloot te leggen, en ken openlijk te doen verklaren, dat zij kem als kun medeapostel erkenden, men moest dit volstrekt niet zóó opvatten, alsof zij, als door Jezus zeiven geroepen, eenige autoriteit over hem hadden.
Het is niét te ontkennen, dat ziek dat alles vrij goed laat kooren. Toch meen ik dat wij, bij dieper nadenken, die opvatting moeten laten varen.
Alleerst vraag ik, of ket niet vreemd is, een man als
74
74
II : 6
Paulus hier, in dit verband, te hooren zeggen, dat het bem niet schelen kon, dat het hem onverschillig, dat het voor hem van geen belang was (want dat is de beteekenis van ou\'Sév (/,01 dixQépei, zie de lexica) 1), of de ciowüvTsg vroeger met Jezus hadden omgegaan? Zou hij dat dan ook niet voor zich zeiven gewenscht hebben? Daarenboven, terstond kon hem iemand te gemoet voeren: maar, als u dat volstrekt niet schelen kan, waarom zijt gij dan naar Jeruzalem gegaan ? Hunne autoriteit in de Kerk berust toch juist hierop r dat zij met Jezus hebben omgegaan!
En hoe zonderling staan die woorden, zóó opgevat, in dit verband! Blijkens het anakoloethische «tts §£ Ioxowtuv sïvxi Ti, dat hij vs. 7—10 in eene andere constructie opneemt, wil hij iets vriendelijks zeggen (vg. vs. 9, shuxxv
y.oiyxvixi); en zie, plotseling komt daar, zonder eenig motief, die uitval: wie zij geweest zijn toen zij met Jezus waren, kan mij volstrekt niet schelen!
Vooral strijdt met de gewone verklaring het gemis aan samenhang met de woorden: èpoi yxp ot Soxovvtss oülsv Trpstr-xvéêsvro. Hoe kan bij mogelijkheid dit, dat de ètoy.cZvrsc Paulus niets hadden meêgedeeld, of (zooals anderen vertalen) hem niets hadden opgelegd, de reden zijn, waarom het hem onverschillig was, hoedanigen zij in den tijd van Jezus omwandeling op aarde geweest waren? Men zou veeleer verwachten: „want ik ben evenals zij door Jezus geroepen!quot;/ of: „ik heb evenals zij mijn evangelie van Jezus!quot; (zooals in H. 1).
\') De vertaling van Tag (St. unci Kr it. 1884); «tusschen hem on mij is geen onderscheid», zal wel niet vele aanhangers vinden.
7.j
75
II : 6
quot;Wel mag men dus vragen: is het kots, door Paulus bedoeld, wel de tijd van Jezus verschijning in het vleesch? kan het niet de tijd wezen die aan die beroemde ontmoeting van Paulus met de SazaDvrf? in Jeruzalem voorafging, de tijd, waarin zij den zendelingen, die van hen uitgingen, op het hart drukten, toch zoo toegeefelijk mogelijk te wezen tegenover de joodsche ijveraars? Ofschoon Chrysostomus, Occumenius en Theophylactus kots in dien geest uitlegden 1)) is er toch, zoover mij bekend is, onder de tegen-woordige uitleggers geen, die hen daarin volgt.
Toch is er werkelijk veel voor te zeggen.
De woorden zelve: óiroloi ttots faxv verbieden het niet. In den regel verklaart men óttoToi, alsof er sprake was van mannen die in groot aanzien, in hooge eer stonden, of hoog bevoorrecht waren. Maar cttcïoi beteekent niet anders dan hoedanig; het drukt eene hoedanigheid, eene eigenschap uit, niets meer (zie, wat het N. T. aangaat, Hand. 26:29; 1 Kor. 3 :13; 1 Th. 1:9; Jak. 1 : 24 2). Men moet dus vertalen; hoedanig, hoe zij eens waren, en dan den nadruk leggen op eens. Dan krijgt men dezen gedachten-gang: En van wege de mannen van beteekenis (hier wilde Paulus voortgaan met te zeggen, dat hij volstrekt geen bezwaren bij hen vond; maar hij werd afgeleid door de gedachte, dat de Soxovvre? toch altijd in den reuk van rechtzinnigheid hadden gestaan, en dat er, als er sprake was van toegeven aan de Judaïsten,
\') Zie Wieseler, S. 129.
*1 Als eerste beteekenis van cfe-o7c; geeft Pape op: wie beschaffen von ■welcher Art, was fiir Einer.
76
II : 6
nog al eens op liet voorbeeld der ^oxovvrsg werd gewezen; daarom laat hij er op volgen): hoe zij eens waren (wat voor menschen zij vroeger waren, hoe zij hieromtrent vroeger / gezind waren), dat is mij volmaakt onverschillig (ik kan alleen naar mijne eigene ervaring oordeelen; mogen anderen van andere ervaringen spreken, dat gaat mij niet aan) want wat mij betreft, enz.
Dat hiermede niet in strijd is, wat wij H. 2:11 enverv-lezen, hoop ik straks aan te toonen.
Maar wat beteekent nu ot Soy-ovvrs? cv\'Sh vpotrxvéósvTo\'? Ook hierover zijn heel wat bladzijden volgeschreven. Tot nog toe echter heb ik geen enkele verklaring gevonden, die niet zondigt tegen de taal of tegen het verband. De uitleggers splitsen zich in twee groepen:
Er zijn er die met het oog op het cèveóéw* van vs. 2, het ■n-patrxvéSsvTO aldus verklaren: bij hetgeen i k hun heb voorgelegd, hebben zij mij niets voorgelegd; d. i. zij hebben mijn \'evangelie goedgekeurd. Uitnemend zou dit in het verband passen. quot;Want de bedoeling van Paulus is kennelijk, zijnen lezers te doen gevoelen, dat hij onafhankelijk van de SoxcwTe?-zijnen weg is gegaan. Ook het tovvxvt\'iov van vs. 7 wordt, dan verklaarbaar.
Evenwel, er zijn tegen deze verklaring groote bezwaren.
1. In H. 1: 16 beteekent : ik wendde mij tot, ik deed mededeeling. Is het nu waarschijnlijk, dat Paulus zoo kort daarna hetzelfde woord heeft gebruikt in een gansch anderen zin, een woord nog wel, dat zoo zelden voorkomt ?
2. Het woord TrparxvxTiósa-óxi komt nooit voor in de betee-kenis: daarenboven voorleggen. Een beroep op xvsóé-
77
77
II : 6
wv in vs. 2 zou alleen dan iets beteekenen, wanneer arpoa-avéisvTD kort op xveöéftyv volgde, en op denzelfden persoon betrekking had als xvsós/Ayv — wat niet bet geval is, daar de ééne dativus op Paulus, de andere op de ^cy.cüvrsg betrekking beeft.
Meer in overeenstemming met bet griekscbe taaleigen is dus, irporxvxTlSetrSxi te vertalen door mededeeling doen,/ evenals 1; 16. Maar dan begrijp ik niet, wat Paulus er mede zeggen wil. Waarvan bebben zij aan Paulus geen mededeeling gedaan? Van betgeen zij wilden dat Paulus bij zijne prediking in acbt zou nemen? Maar daarvan blijkt niets uit bet verband. Uit bet woord alleen kan niet worden opgemaakt, dat bier bepaalde voorscbriften worden bedoeld.
Ho 1st en meent, dat de iïoy.cï/vres aan Paulus over den inboud en de gevolgen van een evangelie, dat bem reeds door God was toevertrouwd, geen mededeeling bebben gedaan \'). Maar, daargelaten nog bet duistere van die gedachte, bier geldt betzelfde bezwaar. Wat Paulus met die mededeeling bedoelde, bad bij dan wel mogen zeggen. Uit bet volgende is bet niet op te maken. Want daar wordt alleen het tegendeel van bet Trpsrrxvsósvro genoemd: bet geven van de rijc xoivuvix? (vs. 7).
78
Daarenboven, is de verklaring, door mij gegeven van cttoïoI kots fatxv—SixCpspsi juist, dan is er tusscben deze woordeu eu êfto)-- -Trpoamp;xvéQsyTO (zooals zij door Holst en verklaard worden) volstrekt geen samenhang. Want dat de
») A. W., S. 75, 149.
II : 6
SoxovvTsc niets van een heiden-evangelie aan Paulus hebben meêgedeeld, kan moeilijk de reden zijn, waarom het Paulus niet schelen kon, hoe zij vroeger daaromtrent gestemd waren.
Zou Paulus niet geschreven hebben: ifto) yap cuoh TrpsTs-Ósvtc? Pape zegt dat nvl ti irpotrHéeflxi bij de Grieken voorkomt in den zin van: Einem Etwas ans Herz legen, dringend anempfehlen. Dit zou uitnemend passen in het verband. Paulus zou dan op deze wijze terugkeeren tot de in het begin van dit vers uitgesproken gedachte: van wege de mannen van beteekenis nu — hoe zij vroeger dienaangaande gezind waren, raakt mij niet — want mij hebben zij niets op het hart gebonden (om in aanmerking te nemen bij mijne prediking onder de Heidenen 1).
Het ovlisv, dat toch eigenlijk bij een woord als TrpcrxvxTlósröxi, dat geen object heeft, niet wordt verwacht, staat dan bij Trpotriósvro juist op zijn plaats.
Dat het Trpoa-xvéSevro voor het TpoiréósvTo in de plaats is gekomen, is te verklaren uit het voorafgaande Trpcrx-jsöéwj van 1:16.
79
o\'i ^oy.cjvTsc is er later ingevoegd, toen die ongelukkige inlassching, die zooveel heeft bedorven (irpóiruTOv c öes: xvópcómv ou Xxpfihsi) geschied was. Toen werd het noodig geacht door bijvoeging van ol \'Soxowts: te doen zien, dat er altijd nog van dezelfde personen sprake was.
\') Wij krijgen dan dezelfde gedachte, die sommigen ten onrechte in TTfoirctvéSevTo gevonden hebben (daar het medium die opvatting verbiedt), de gedachte namelijk van iemand een last opleggen.
79
II : 7, 8
Vs. 7, 8. \'AAAiz tovvxvt iov, \'i\'êóvrsi; on tt stt ia-reu ftx t to suayyeXiov riji; xx po (3v (r r I x ?, xxdug ïlérpoi; rij? TTepiTO/ziji;, é yxp i v e pyti? x s IlsTpcfi sis XTrctrTOhyv rij?: tt s p it o ? svypyyias xx) ifto) sis rx sQvy.
Dr. v. Manen meent dat de woorden xxQwg HsTpo? Tij? TTspiTopiji; zijn ingelascht, „ opdat naast Paulus ook Petrus het zijne zoii krijgenquot;; ja dat het gansche 8ste vers, „ook volgens een aantal getuigen, stellig niet behoort tot den oorspronkelijken tekstquot;, maar zijn ontstaan te danken heeft aan de behoefte die de katholieke partij had aan een woord van Paulus, waarbij deze zelf getuigde: „ unum et ipsum Deum operatum Petro in apostolatum circumcisionis, et sibi in gentesquot; (woorden van Irenaeus bij Gal. 2:8). 1)
Het eenige, dat deze hypothese aanbeveelt, is dat hier de naam Tlsrpo? voorkomt, terwijl Paulus elders KyCpxi zegt. 1) Ik kan dit nog niet verklaren. Maar gewichtig genoeg iamp; dat bezwaar voor mij niet, om hier aan inlassching te denken.
Dat „een aantal getuigenquot; vs. 8 weglaten, is niet juist. Alleen de eerste woorden 5 yxp ivspyjïAt;—TrepiTo^vjc worden door n F G- f g weggelaten. Dit is blijkbaar, daar de overblijvende woorden geen zin geven, eene vergissing bij het overschrijven, door de óftoiorèXeurx [Tlérpog rij; Trepiro^iji;— xTTovroXw rijg Trspiroftijc) ontstaan. De woorden xxóu? Uérpcg-rijg Trspirof^ijg worden alleen in K gemist.
\') A. v., bl. 513, 514.
J) Zie boven, bij H. 1:18. Zou soms hier, waar met zoovele woorden van het apostolaat van Petrus sprake is, de naam Petrus door Paulus gekozen zijn, omdat hij onder dien naam bij de heidenwereld het meest bekend was?
80
80
II : 7, 8
De overige bedenkingen vallen bij eene nauwkeurige-exegese weg.
Tegen de inlasscbing pleit m. i., dat zij, zoo niet tamelijk overbodig in eene katholieke omgeving, dan toch zeker zeer onhandig is aangebracht, daar zij in den vorm, waarin vs. 8 haar geeft, veel meer tot verheerlijking van Paulus dan van Petrus dient. Men zou veeleer verwachten: o yxp èpo) èvEpy/jïy.c sic roe, sövy sv/ipyyrrsv xa.) UsTpu sl? iXttsttiXviv rijc Trsciroftij:.
tovvxvtIov : integendeel (vg. 2 Kor. 2:7), met het oog op het voorgaande èftóï yxp o-jr)h TrpcTsósvr:.
tretriïrs\'j\'j.xi to shxyykhm: mij is het evangelie toevertrouwd (zie Rom. 3:2, \'in tx gt;.óytx toü Ösov. 1 Kor. 9:17, olxnoplxv irsTritrTsupxi. vg. ook 1 Thess. 2:4). Evangelie wordt hier genomen in den zin van evangelie- / prediking, zooals 1 Th. 2:4, xxSac ^e^cy.if^xiriisóx vtto roü Öbov TTKTTSvdijvxt ra svxyysï.iov (vg. Rom. 1 :1 xQupivithos sh svxyyéï.iov óeov- 15:16, 19; 1 Kor. 9:14; 9:18; 2 Kor, 8: 18; Ml. 4: 15).
xKpopuirTlx: voorhuid, van hen die de voorhuid hebben, de Heidenen; TrspiTopy: besnijdenis, van hen die besneden zijn, de Joden (zieRom. 2 : 26; 3 : 30; Gal. 2:8, 9).
Hier is geen sprake van twee evangeliën: één dat den Heidenen gepredikt werd door Paulus, en waarvan de hoofdinhoud was: zaligheid alleen door het kruis van Christus, zonder de werken der Wet; en één dat den Joden werd gepredikt door Petrus, met den eisch van de onderhouding der Wet door Heidenen en Joden; zoodat dus Gral. 2:7, 8 in strijd zou wezen met Gral. 1: 6—9 \'). Evenals in
\') Dr. Pierson, a. w., bl. 105. Dr. van Manen schijnt ook te meenen dat, wanneer de kanonieke tekst echt is, Paulus van een dubbel VI. 81 6
81
II : 7, 8 82
vers 8 {si? XToarotóiv rijg TrepiTOftyji;—slg rx sêyy), niet van twee apostolaten, maar van één apostolaat, 6f onder de Heidenen óf onder de Joden gesproken wordt, zoo is ook hier sprake van één evangelie, of liever van ééne evangelieprediking, hetzij onder de Heidenen, hetzij onder de Joden.
Evenwel, al wil Paulus maar van één evangelie, en van ééne evangelieprediking weten, moet hij toch bijzondere reden gehad hebben, waarom hij zich op znlk eene vreemde manier uitdrukte, alsof er toch eigenlijk twee evangeliën waren, één voor de Heidenen, en één voor de Joden. Die reden is dunkt mij niet ver te zoeken. Aan de Joden wilde Paulus de vrijheid niet ontnomen zien om de Wet te blijven ver- i vullen. Tot geen enkelen jood, die in Christus geloofde maar nog gehecht bleef aan de quot;Wet, zou hij gezegd hebben, wat hij tot de Galatiërs zeide: gij zijt van de genade vervallen, Christus is u ijdel geworden! Het was maar de vraag, welke beteekenis men aan de onderhouding der Wet toekende. Achtte men haar noodzakelijk om voor God te worden gerechtvaardigd — wat voor den dag moest komen zoodra men bij de heiden-christenen op de besnijdenis aandrong, of als heiden-christen zich liet besnijden — dan, maar ook dan alleen, verloochende men het evangelie van Christus. Er was dus voor Paulus één evangelie: Christus de gekruisigde, de eenige weg ten leven; maar met vrijheid voor de joden-christenen om te leven naar de Wet (svxyyéï.iov Trepirofiijg), en met vrijheid voor de heiden-christenen
evangelie heeft gesproken. Evenwel zijn zijne woorden: « waaraan (nam. aan dat dubbele evangelie) de kanonieke tekst onmiddellijk, hoewel niet noodzakelijk, doet denken» (a. v., bl. 513, 514), niet duidelijk.
82
II : 7, 8
om te leven zonder de quot;Wet {suxyysXiov xxpofiusrict?.)
quot;Waaraan zagen nu de Saxjyvrf?, dat aan Paulus het heiden-evangelie was toevertrouwd ? Aan de vruchten, die zijn evangelie-arbeid had gedragen. Dit blijkt uit vs. 8.
\'o yxp êvspy^xg. Terecht denken de meeste uitleggers hier aan God (vg. 1 Kor. 12:6; 15:10; Fil. 2:13). De dativi YlsTpcp en iy.s) zijn dativi commodi: voor, ten gevalle van. \') Als er sprake is van een werken Gods in iemand, bezigt Paulus altijd èv.
si? xTroTroKyv Tyjc TTspiTOfiij? i tot het apostelschap der besnijdenis, d. i. opdat hij zijn apostolaat onder de Joden zou vervullen ook Hom. 1:5; 1 Kor. 9 : 2).
f i? tx söy/,: opdat ik (nam. als apostel) onder de Heidenen zou werkzaam wezen. quot;Wij hebben hier eene zoogenaamde comparatio compendiaria. ^ Alleen het woord, waar het op aankomt (sdvyj) wordt genoemd; het andere {onrovrotó}) blijft als overtollig achterwege. Onhoudbaar is de meening van Hols ten, dat Paulus hier met opzet het woord xttotto^ weglaat, omdat de twaalve zijn apostolaat niet erkenden 1). / Verbeeld u, een man als Paulus durft zich in een brief aan de Galatiërs geen apostel noemen, omdat de Jernza-lemsche apostelen hem dien titel niet geven wilden! En waar staat in den brief, dat die titel hem ontzegd werd? (zie 1:1; 2:9).
83
Dat hier Petrus in het bijzonder genoemd wordt, terwijl in vs. 9 van xïito) (Jakobus, Cefas en Johannes) wordt ge-
83
1
) A. W., S. 151.
II : 7—9
sproken, is misschien, omdat Petrus als het hoofd van de zending onder de Joden werd beschouwd, en ook daarin, het meest door Grod was gezegend, zoodat de vruchten van zijn werk en de vruchten van Paulus werk het best met elkander konden vergeleken worden.
Vs. 9. Via,) yvóvrsg ryv xupiv ryv poi,
\'Ixkcu (3 c s KX) KyiCpxg xx) ^luoivvvji:, o\'i 1 oxovvt s s tyrvhoi
sJvXl, shuKXV Sfio) Kx) hxpvxpp HO IV CtlV ! x ?, \'iv x
sis tx sóvy, xvro) Ss sic ryv tt s p tr o pyy.
%x) yvivTe: sluit zich aan Ioo\'jte: (vs. 7) aan. Het zijn hier synonymen. Echter duidt Móvrsg meer den indruk aan, dien men ontvangt, yvóvres meer de erkenning, die een gevolg is van dien indruk (Sieffert).
Met de xxpte, die (door Grod) aan Paulus gegeven is, wordt inzonderheid de genade van het apostelschap bedoeld, zooals die uit de vruchten zijner prediking bleek.
Jakobus wordt vóór Cefas en Johannes genoemd, misschien omdat hij aan het hoofd der Jeruzalemsche gemeente stond; of ook omdat de valsche broeders op hem het meest hunne / hoop hadden gevestigd (zie vs. 12), en er dus wel allereerst mocht vermeld worden, dat hij de rechterhand der gemeenschap aan Paulus gaf. Blijkens het volgende ol SoKcvv-sg ctDac/ sïvxi zijn het waarschijnlijk deze drie mannen, die ook in vs. 2 en 6 bedoeld waren. quot;Waarom Johannes er nu bij was, en bij Paulus eerste komst in Jeruzalem niet, weten wij niet. Icy-cZvrs: is natuurlijk in denzelfden zin te verstaan als in vs. 2 en 6. Zij werden voor (ttvXoi gehouden, waarmede Paulus weder niet wilde zeggen, dat hij ze er niet voor hield. Hij geeft alleen.
84
II : 9
evenals vroeger, de openbare meening terug, om te beter te doen uitkomen, van hoeveel beteekenis dat geven van de rechterband voor bem was. Dat Panlus ecbter ook hier niet even zal hebben geglimlacht, zou ik niet durven beweren. Zij waren otDAö;, zuilen, pilaren der Kerk, op hen rustte de Kerk, zonder hen, zonder hunnen arbeid, zonder hunne bemoeiingen kon de Kerk niet voortbestaan, niet bloeien! En dan die treurige geschiedenis van Antiochie! (vs. 11 en verv.)
De drie mannen gaven aan Panlus en Barnabas (zie vs. 1) rij? xoivavïxv, de rechterhand der gemeenschap. Langen tijd heeft men, onder den invloed van Baur, gemeend, dat de vereeniging, hier tot stand gebracht, slechts uitwendig was, niets dan een soort van concordaat, waarbij het te doen was om een modus vivendi tusschen de apostelen onderling. Paulus moest maar naar de Heidenwereld gaan, zij bleven onder de Joden werkzaam. Zij zouden Paulus wel niet bestrijden, maar ook evenmin zijn werk voor hunne rekening nemen. Immers bleven zij voor zich zeiven hiervan overtuigd, dat de onderhouding der Wet noodzakelijk was om het koninkrijk Gods in te gaan.
Eene zonderlinge opvatting van Htisvcii Sst-ixc xoivuvixgl Men heeft dan ook later, ook al achtte men dat Tubingen in de hoofdzaak het juiste had getroffen, de zaak andevs voorgesteld. Van de zijde der \'Soxcvyrsg zou men de door Paulus bekeerde heiden-christenen wel als christenen, maar niet als volle christenen hebben beschouwd, veeleer als „Halb-bürger des Messiasreichsals proselieten. Anderen weder zeggen, dat wel de gemeenten, door Paulus gesticht, werden erkend door de Jeruzalemsche apostelen,
85
85
II : 9
maar dat Paulus zelf als apostel niet werd erkend.
Ik vrees dat men te veel zich laat leiden door hetgeen in vs. 11 en verv. door Paulus wordt verliaald. En zeker ontvangt onze plaats licht van hetgeen daar te lezen staat. Maar ook omgekeerd ontvangt vs. 11 en verv. licht van hetgeen hier wordt gezegd. Het best zullen wij doen met ons te houden aan de woorden, zonder te vragen of er van den kant der loy-owzs: „ook iets achter zat.quot; Wij hebben hier alleen te vragen: wat bedoelt de schrijver, in verband met alwat voorafgegaan is, met ituv.wj êpc) y.x)
Wxpvxjjx xotvuvtxc ? Het geven van de rechterhand is het zinnebeeld van de trouw, die van weerszijden beloofd wordt bij het sluiten van een verbond; vg. o. a. 1 Makk. 6:58, vüv ouv lü/tsv quot;ès^ixv TOÏg xvÖcxttci: tcutois kxi trorjitruiiev fier\' avtüv sïpyjvijv 1 Makk. 11:62, y.x) slccxsv avrcïc Ishxc (zie verder de voorbeelden door Wetstein aangehaald). Zoo sloten ook de ScjccDvTf? met Paulus en Barnabas een verbond, met handslag bezegeld, waarbij zij beloofden.... wat ? Dat zij Paulus ongestoord zijnen weg zouden laten gaan, maar hem toch niet als mede-apostel, noch zijne gemeenten als zuster-gemeenten zouden erkennen ? Hoe kan dat toch in iemand opkomen, die den brief tot dusverre goed heeft gelezen! Was het dan Paulus bij zijn gaan naar Jeruzalem niet juist daarom te doen, dat hij in zijne waardigheid van heiden-apostel, en zijne gemeenten als christelijke gemeenten werden erkend (zie 2:2)? Had Paulus niet gezegd, dat de loxiïiyrsg hem ten opzichte van zijne prediking onder de Heidenen niets op het hart gedrukt hadden (vs. 6) ? Dat zij de genade Grods, hem als heiden-apostel gegeven, hadden bekend (vs. 9)?
86
86
II : 9
quot;Waarlijk, al stond xotmvix; er niet bij, zoo zouden wij reeds alleen uit het geven van de rechterhand in verband met al wat voorafgegaan was, kunnen en moeten afleiden, dat Paulus met zijne reis naar Jeruzalem zijn doel heeft bereikt. en den valschen broeders den mond heeft gestopt.
Maar het wivwvlxc is beslissend. Het kan hier niet anders beteekenen, dan dat de quot;Soxowtsc met Paulus gemeenschap hadden, natuurlijk niet als christenen, maar als apostelen (zie vs. 8, 9), dat dus Paulus deelgenootschap aan het apostolaat werd erkend. Die rechterhand beteekende — wil Paulus zeggen, en daarom staat ook het woord met nadruk achteraan \') — xoivuvix, erkenning van mijn apostolaat!
ïvx n^slc—Kspiroftyv. Het werkwoord is verzwegen, gelijk meer bij Paulus het geval is, wanneer de lezer het er gemakkelijk bij kan denken (vg. 3:5; 5:13; Rom. 4:9; 5:18.) Men kan er èpxamp;yjQx bij denken, of süxyysXiGWfjt.six, (vg. 2 Kor. 10:16). Vreemd is dat quot;vx y.. r. ?.., alsof het met de xoivuvix niet zoo ernstig gemeend was. Minder vreemd echter, wanneer men weet, hoe ïvx in het N. T., en ook dikwijls bij Paulus, wordt gebruikt. Terecht zegt Butt-mann J), dat dikwijls in het N. T. „die Zweckbestimmung entsehieden zurücktritt, und durch ïvx lediglich die Be-ziehung auf etwas zukünftiges und noch zu realisirendes angedeutet wird, oft aber der abhangige Satz auch bloss die
1) Deze scheiding van den genitivus van het woord, waarop hij betrekking heeft, is niet ongewoon bij Paulus, zie 1 Kor. 8:7, t? a-w^sia \'sus icpTi tov elSuhov (vg. Kom. 9 : 21).
s) Grammatik des nevtestamentlichen Sprachgebrauchs, S. 205.
87
II : 9
Vervollstandigung der im Pradikate noch unvoUstandig gege-benen Aussage enthaltquot;. Zoo is het ook hier. het, drukt hier niet het doel uit, waarmede de rechterhand is gegeven. Dit zou onzin geven. Men geeft niet elkander de rechterhand der gemeenschap o m van elkander te scheiden, \'tvx vult den vorigen zin aan; wij zouden zeggen: met dien verstande, dat.
Hoe is nu die scheiding van arbeidsgebied te verstaan? Ook hierover is veel door de geleerden gestreden. Er zijn er, die aan eene scheiding in geographischen zin denken, waarbij Paulus op zich nam, alleen buiten Palestina zijn evangelie te zullen verkondigen.
Anderen vatten de scheiding op in ethnographischen zin, en meenen dat Paulus op zich zal genomen hebben om slechts tot de Heidenen zich te wenden, en de quot;Sckcüvtsi; om slechts onder de Joden te arbeiden, waar ook die Joden of Heidenen mochten wonen.
Dit laatste acht ik zeer onwaarschijnlijk. Ik kan mij niet voorstellen dat Petrus zich zal hebben verbonden, om nooit tot-een heiden het evangelie te brengen, als hij dien bij zijn arbeid onder de Palestijnsche Joden mocht ontmoeten, en evenmin Paulus, om nooit tot een jood het woord te richten, wanneer hij met hem op zijne zendingsreizen in het heiden-land in aanraking kwam.
Bedoeld is, dunkt mij, de scheiding in geographischen zin. In Palestina woonden de Joden — daar was dus het arbeidsveld der twaalve. Buiten Palestina woonden de Heidenen — daar was dus het arbeidsveld van Paulus.
Dat hiermeê de quaesties niet uit de wereld waren, spreekt van zelf. De groote moeilijkheid bleef, dat er ook Joden in
88
88
II : 9, 10
de Diaspora waren. In bijna al de heidensche steden, die aan Paulus als zendingsgebied waren toegewezen, woonde een grooter of kleiner getal Joden. Hoe zou het met dezen gaan, wanneer zij door Paulus of een ander tot Christus gebracht waren? Wilden zij aan de Wet getrouw blijven, dan mocht Paulus hen daarin niet bemoeilijken, en geen propaganda onder hen willen maken voor zijne beginselen — want hij was een apostel voor de Heidenen, niet voor de Joden. Wilden zij daarentegen van dezelfde vrijheid gebruik maken, die Paulus aanprees, en zich dus geheel met de heidenchristenen vereenigen, wat dan\'? Naar de letter van het Jeruzalemsche verdrag konden dan de Icy.oüvrsq hun gezag over hen doen gelden, en hen dwingen tot afzonderlijke samenkomsten. Maar naar den geest van het verdrag hadden de ooxSj\'jts: niets meer over hen te zeggen, daar zij, door zich bij de heiden-christelijke gemeente aan te sluiten, feitelijk het jodendom hadden verlaten, en daarmede zich aan het toezicht van de joden-apostelen hadden onttrokken.
Het zou niet lang duren, of de strijd tusschen geest en letter barstte los.
Vs. 10. M Ó-J 0-J TÜv TTTUXÜV ïvx fiV[/, OV £ V U ft SV , 3 X x) irtrovdza-x x-jto toïito tt o ifj lt;r x i.
Weisse laat het gansche vers weg. Ook Michelsen \'), Baljon 1) en v. Manen 2); terwijl van de Sande Bakhuijzen 3) o xx)—kor/jtrxt, en Naber 4) alleen x-jto
1
\') Theol. Tijdschr. 1876.
2
) A. v., bl. 514.
3
) A. w., bl 269.
4
) Mnemosyne, 1878.
II : 10
róvTO ■zoi^Txi wil geschrapt hebben. Dit laatste verdient geen aanbeveling. quot;Want heeft in het N. T. altijd
een werkwoord tot object (vg. Ef. 4:3; 1 Th. 2 : 17; 2 Tim. 2 .• 15; 4:9 en elders. Dat 3 y.xi—Troiijrai er later bijgevoegd is, ja dat het gansche vers is geïnterpoleerd, is uit een stilistisch oogpunt mogelijk. Bij weglating wordt de samenhang niet verbroken. Maar alles kan ook blijven staan, zonder dat de samenhang eenige schade lijdt. Paulus kon zeer goed nog eene geschiedkundige bijzonderheid meêdeelen, waaraan hij waarde hechtte, voordat hij overging tot het verhalen van die treurige ontmoeting met Cefas te Antiochie.
En is er nu iets in dit vers, dat verdenking van onechtheid wekt?
Zeker niet wat taal en stijl betreft, ftcvhn is bij Paulus geliefd (zie het door mij aangeteekende bij H. 1: 23). Wat ï\'vx betreft, wordt gevraagd, of men de rechterhand der gemeenschap met tweeërlei doel kan geven (Baljon). Neen, zeker niet. Maar ï\'vx geeft in vs. 10 evenmin het doel aan, als in vs. 9. Het is, evenals in Ta Xoito-j , hx (1 Kor. 7 :29) en in xM,x, hx (2 Kor. 8:7) zóó te verklaren, alsof er of een dergelijk woord vooraf ging. Het best vertalen wij ; alleen, dat wij de armen mochten gedenken! xvto toïito vind ik geen „ ongelukkige uitdrukking.quot; Zij komt bij Paulus negenmaal voor (Rom. 9 : 17; 13 : 6; 2 Kor. 2:3; 5 : 5; 7 : 11; Efez. 6 ; 18; 6:22; Fil. 1:6; Col. 4:8), en verder in het N. T. slechts in 2 Petr. 1 : 5. Door de bijvoeging van xuts wil de schrijver den nadruk op toïito laten vallen (ons juist dit). Nu is zeker vreemd, dat na o, dat reeds het object is van TroiyjTxi,
90
90
II : 10
TOVTO, alsof het een ander object ware, volgt. Maar ieder die met het hebreeuwsche taaleigen bekend is, weet dat dikwijls in liet 0. T. (en ook in de 70) eene dergelijke constructie wordt gevonden. In het N. T. is zij ook verre van zeldzaam. Vg. Mark. 1:7 (cv—aurcïi); 7:25 —tzüryj;); 13 :19 (cïx—Toixvry) • Openb. 17 : 9 (ottou—Jt\' xutmv).
Paulus had ocvrh tcïitc kunnen weglnten; maar hij voegt het er bij, om er den nadruk op te laten vallen. Juist daarvoor had hij zich beijverd, overal waar hij kwam, dat voor de arme Judeïsche christenen gelden werden bijeenverzameld.
Daar wij den brief op zich zei ven beschouwen, onderzoeken wij hier niet, of dit bericht overeenkomt met hetgeen in de brieven aan de Korinthiers en in de Handd. der App. wordt meegedeeld van den tijd, waarop Paulus het bedrag der collecte naar Jeruzalem heeft gebracht. Alleen moet ik vragen, dat men toch niet meer uit de woorden hale, dan er in ligt. Is hier sprake van een overbrengen van het geld naar Jeruzalem? Neen; alleen van een (Mypovsvsiv rüv tttuxüv. Dit kan Paulus gedaan hebben, terwijl hij aan het collecteeren was. De aoristus èrirovSaa-x is daartegen geen bezwaar (zie o. a. 1 Thess. 2 :17).
Men heeft het onpaulinisch gevonden, dat aan de xoivuvix de verplichting van Paulus zijde verbonden werd om voor de arme joden-christenen te collecteeren. Er is zelfs van simonie gesproken. Verschrikkelijk! Jammer maar, dat daar niets van in den brief staat! \'t Is volkomen in overeenstemming met de gebezigde woorden, wanneer de Soxowtsc tot Paulus en Barnabas hebben gezegd: Broeders, wij hebben u gehoord, wij hebben de genade Gods gezien, u geschonken; daarom aarzelen wij
91
91
II : 10, 11
geen oogenblik, u als apostelen van Christus te erkennen; gaat gerust uwen weg door de heiden-wereld, terwijl wij onder Israël blijven. Alleen zouden wij u wel willen verzoeken: ziet wat geld bijeen te brengen voor onze arme broeders! Het zal zeker zulk een goeden indruk maken, wanneer van den kant der heiden-christenen iets gedaan wordt om in bun gebrek te voorzien. Licht zullen zij minder aanstoot er om nemen aan hunne vrijheid. — Dat Paulus, zóó toegesproken, het als een zaak van eer beschouwde, te doen wat hij kon, om de broeders in Judea te helpen — wien kan dat verwonderen ?
Overigens, zou ik wel eens willen weten, wat aanleiding kan gegeven hebben tot de interpolatie. Dat onder de dingen, waarvan Paulus belasterd werd, ook dit was, dat hij met de collecte onedele bijbedoelingen had, is duidelijk uit de brieven aan de Korinthiers op te maken. Maar wordt nu die aantijging krachteloos gemaakt door de bewering, dat Paulus die collecte deed op verzoek (of, laat mij nu eens zeggen, op last) van de twaalve? Gaf dit dan iets voor de controle? Zou een maatregel, als die waarvan 1 Kor. 16: 3 melding maakt, niet meer geholpen hebben?
Vs. 11. quot;Orf Sè vjxQsv Kyjcpx? sli; ^Kvt 16xnav, koctk tt póff uttov xütü éivt évtyv, or i nar ey v u a p tv o c yv.
Ook hier moet, evenals in vs. 9, niet Ylérpoi; maar Kytpixg gelezen worden (zie Tisch.)
Paulus vermeldt niet, dat hij met Barnabas en Titus van Jeruzalem naar Antiochie, waar hij vroeger werkzaam geweest was, is teruggekeerd; evenmin, hoeveel tijd er verloopen is tus-schen hetgeen te Jeruzalem was voorgevallen, en hetgeen te
92
92
II : 11
Antiochie plaats had; evenmin waarom Cefas naar Antiochie ging. Kennelijk is liet hem niet te doen om een aaneengeschakeld verhaal te geven van alwat er met hem in die dagen of weken was voorgevallen; maar alleen om licht te ontsteken over enkele episoden uit dien tijd, die door zijne tegenstanders in zijn nadeel waren uitgelegd, en waaromtrent het hoog noodig was de Galatiërs nader in te lichten. Het zou te meer zijne zelfstandigheid en de innerlijke waarde van zijn evangelie doen uitkomen.
Dat Petrus niet met eene vijandelijke bedoeling te Antiochie kwam, omdat hij Paulus in zijne houding tegenover de christenen uit de Joden niet vertrouwde, hlijkt uit het vervolg. Zelf èói/ixxg levende, zag hij er eerst geen bezwaar in, met de christenen uit de Heidenen aan te zitten, en wilde hij dus geen scheiding gemaakt hebben tusschen Joden en Heidenen. Veeleer zou men dus kunnen zeggen, dat sympathie voor Paulus werkzaamheid hem naar Antiochie dreef.
De ontmoeting had echter een treurig einde. Paulus achtte zich verplicht hem in het aangezicht te weerstaan. Niet achter zijn rug, maar in zijne tegenwoordigheid irpóvaixov, het hebr. vg. Hand. 3: 13), ja, gelijk later blijkt, in het bijzijn van anderen, stond, of beter uitgedrukt, kwam Paulus hem tegen, stelde Paulus zich als partij tegenover hem, om den (ofschoon niet zoo erg bedoelden) aanval op het evangelie der vrijheid af te slaan.
quot;Want — voegt Paulus er ter verklaring bij — xxre-yvuT^évog yjv. Deze woorden hebben, vooral in den laatsten tijd, aan vele uitleggers aanstoot gegeven. Dat zij niet kunnen beteekenen: hij was te berispen, te bestraffen, kan wel als uitgemaakt worden beschouwd. Zij kunnen,
93
93
II : 11
overeenkomstig het grieksche taaleigen, alleen beteekenen: hij was veroordeeld, of, hij was een veroordeelde. Maar door wien was hij dan veroordeeld? Door de Anti-ocheensche heiden-christenen? Door Paulus zeiven? Door zijn eigen geweten? Door God, of door het evangelie? Vreemd staat daar dat xxTsyvuryJvoi: zonder eenige nadere bepaling.
Niet te verwonderen dus, dat men gevraagd heeft, of er oorspronkelijk niet iets anders heeft gestaan. Eene der vernuftigste gissingen is zeker die van Dr. Naber. In de Mnemosyne van 1878 stelde hij voor, te lezen: oti uxtsyyupsv og yv. Paulus zou dan daarmede bedoeld hebben, dat hij wel wist wie Petrus was, dat Petrus namelijk met zich terug te trekken na eerst te hebben meêgegeten, zich niet in zijn waren aard deed kennen, daar integendeel het medeeten met de heiden-christenen (het sövixwg ^ijv) zijne ware zienswijze uitdrukte. Paulus zou hem dus tegengestaan hebben, omdat hij hem beter kende dan men uit zijne afscheiding zou kunnen opmaken.
In de Verisimilia van 1886 \') en in de Mnemosyne van 1888 ï) bleef onze geleerde zijne conjectuur verdedigen. Dr. B er la ge 1) en Dr. Bal jon 2) hebben er hunne goedkeuring aan gehecht.
Toch heb ik er altijd nog bezwaren tegen. Met Dr. v. Manen 3) vind ik wel wat vreemd, dat hier het meervoud
94
94
1
) Theol. Tijdschr. 1880.
2
) Dissert, bl. 175.
3
s) A. v., bl. 515.
II : 11
{{xarayvuiAey) wordt gebezigd, terwijl een singularis voorafgaat {xvrsarijv), en ook een singularis volgt (fIScv, vs. 14). Evenwel, overwegend vind ik dit bezwaar niet. Paulus wisselt den singularis en den pluralis wel eens meer af. Van meer belang vind ik dit, dat xxreyvu/tsv niet maar eenvoudig mag vertaald worden met: w ij wisten. xxTxywzrxsiv rl tivo: is: aan iemand iets bemerken, bespeuren, van iemand iets beleven (zie Pape). xxTsyyuftsv 3? yv kan dus niets anders beteekenen dan: wij bespeurden aan hem wie hij was. Dan moet dit echter betrekking hebben op iets dat ter zelfder tijd geschiedde als het kxtsgtw, dus niet op betgeen Petrus vroeger was, maar op hetgeen hij was toen hij zich afscheidde. Had Paulus het oog gehad op hetgeen Petrus eigenlijk was en ook even te voren getoond had te zijn, dan had hij moeten schrijven xxTsyju-y.sipsy o? yjy. Eén van beiden: of 3? yv slaat op de laakbare handelwijze van Petrus; en dan staat xxTsyvw^sv op zijn plaats (dit is echter ook volgens Dr. N a b e r onmogelijk; want werkelijk was Petrus toen niet die hij scheen). Of oc w slaat op hetgeen Petrus eigenlijk was en ook vroeger had gedaan; maar dan verwacht men ook niet het perfectum, maar het plusquamperfectum van xxrxyivüa-xstv.
Er is nog een ander bezwaar. Paulus zal Petrus tegengekomen zijn, omdat bij wel wist, wie Petrus eigenlijk was, en ook vroeger was geweest! Maar kon dat nu een reden zijn, waarom Paulus tegen Petrus optrad? Zou hij dan Petrus niet hebben bestreden, wanneer deze zich wèl vertoond had zooals hij was? Dat Paulus beter over Petrus dacht dan uit zijn gedrag kon worden opgemaakt, kon hem wel tot een zachter oordeel, maar niet tot een dvólvrxvxi dringen.
95
95
II : 11
96
Wat dan? Kunnen wij v.xziyvxzijA-jo: v-j behouden ? Waarom niet? Zoowel in het X. T. als in de 70 komen de woorden •/.xTovywutTKEiv en xxrxxplvsiv menigmaal voor in de beteekenis van: het schuldig! over iemand uitspreken, iemand schuldig verklaren, iemand als schuldig tentoonstellen. O. a. 1 Joh. 3:21, èxv vj xxfilx [jM xxroiyivKw# ypüv, indien ons hart ons niet schuldig verklaart (vg. Sirach 14; 2 en 19 : 5). In Hebr. 11:7 wordt de wereld, doordat Noach in het geloof de ark bouwde, veroordeeld (y-xrêxpusi/ rov xaiTfj.ov), d. i. als schuldig en strafwaardig openbaar gemaakt. Opmerkelijk is vooral Rorn. 14:23, c Sè Sixxptvo-l-Li-joz say Qxyy y.xtxy.sxpnxi, en cvy. êx ttIttsois- ttxv 3 cvx sy. Triarsuc xfixprtx êtrrlv. Hier is sprake van iemand die wel de vrijheid neemt om te eten en te drinken, wat anderen niet durven doen om de zwakheid van hun geloof, maar toch niet van heeler harte eet en drinkt, omdat hij zich zeiven telkens moet vragen of hij het eigenlijk wel doen mag. Van den zoodanige wordt gezegd: xxTxxèy.pirxi. Wil dat nu zeggen, gelijk Weiss meent 1), dat hij „detn gött-lichen Strafurtheile verfallenquot; is? Maar hoe kan zulk een verschrikkelijk vonnis worden uitgesproken over iemand die niet met volle vrijmoedigheid eet en drinkt? Neen, de bedoeling van den schrijver is eenvoudig, duidelijk te maken dat iemand, die niet met volle vrijmoedigheid eet en drinkt, juist daardoor, d. i. door die twijfelmoedigheid, geoordeeld is als iemand die iets verkeerds, iets zondigs heeft gedaan. Geheel in overeenstemming hiermede is wat
!) In zijne bewerking van Meyer\'s Commentar op den brief aan de Eomeinen, 6e uitgaaf.
96
II : 11
voorafgaat: (xxxxpicg ó [mi nphuv savrov êv Si ooy.iu,alei, en niet minder wat volgt: irxv Sf o ovx. sy. TrtTrsoie, apaprix strriv.
Moge men dan al geen recht hebben om xxTxxéxpirxi te vertalen met: hij heeft zich zelf veroordeeld, gelijk Winer terecht opmerkt \'), toch krijgt men eene betee-kenis die er nagenoeg op neer komt. Het is niet een ander, het is ook niet Grod, maar het is zijne eigene handelwijze, zijn twijfelend eten en drinken namelijk, waardoor hij veroordeeld is, als een schuldige openbaar wordt. Ook wij zeggen in dezelfde zin: hij is geoordeeld! 2) Zoo krijgt het geoordeeld, of veroordeeld zijn debeteekenis van schuldig, en daarom veroo rdeelenswaardig.
Is er nu iets dat ons verbiedt om xxTeyvuirpsvo? yv in denzelfden zin op te vatten? Uit het oogpunt van de waar- f\' heid des evangelies (zie vs. 14) was Petrus geoordeeld, en wel door zijne eigene handelwijze , door zijne afscheiding van de christenen uit de Heidenen, als iemand die zondig, strafwaardig gehandeld had, en daarom verdiende dat Paulus hem tegenkwam 3).
Dat Paulus niet zeide xx-èyucccrro, maar xxreyvutrftsvoi; was, omdat hij dacht aan den toestand, waarin Petrus\'zich bevond (vg. het ypyiv ayvoovfisvo? van 1: 22). Zeer waarschijnlijk
■) Gramm., S. 234.
s) Verg. Cremer, Wörtcrhuch, op het woord ycotrxyivwweiv. KxTsyvue-névof noemt hij terecht iemand «dem sein Urtheil gesprochen war, d. i. der seiner Strafe wartet, der Strafe verfallen». Hij wijst ook hierop, dat xaruKpiTOf en dergelijke woorden bij de Classieken niet alleen gebruikt worden om het veroordeeld zijn, maar ook om het veroordeelenswaardige, het schuldige aan te duiden.
s) Zoo, in het wezen der zaak, ook Sieffert, Holsten (S. 78).
VI. 97 7
97
II : 11, 12
zag Petrus er ook wel uit als een veroordeelde, die de oogen niet op durfde slaan, toen hij door Paulus tot verantwoording werd geroepen.
Hoe diep de indruk was, dien vooral dat xxrsyvooiriAsvoi; vp maakte, blijkt Meruit, dat Petrus in de Clem. Homilien (XVII. 19) tot zijn tegenstander zeide: xxrsyvuirftévov u,£ y.sysic. De vijanden van Paulus konden hem de vernedering, die hij Petrus had doen ondergaan, moeilijk vergeven.
Vs. 12. n/iè rcD yxp £gt;.ö£lv tivxc xtto \'ixxapou, [tsrx
TÜV êóvüv VVVVIlt;T(ll£V Öt £ §5 VtXÖ £V , 0 TT £ lt;7 T £ ?. h £ V % x)
xCpüp iZ£1/ èxuróv, lt;p o (2ov ia £vog toi/g èx £ p ito famp;ijg.
Dr. N a b e r stelt in de Verisimilia (p. 30) eene andere lezing voor. Hij meent dat er van geene viroxpia-ig van Petrus (zie vs. 13) sprake kan zijn, als Petrus te Antiochie eerst heeft medegegeten, en later niet meer. Zoowel het ééne toeli als het andere was voor aller oogen geschied. Daarom wil hij aldus den tekst veranderd hebben: vrpo rov yxp è/.Ósïi\' (nam. Petrus) tSjv £Óvüv wv/ieêiw ot£ Ss vJ/is-j ■/.. r. a.
Petrus zou dan vroeger, voordat hij te Antiochie kwam, met de heiden-christenen meêgegeten hebben (vg. het èóvixüg Zijv van vs. 14), maar toen hij te Antiochie gekomen was, niet meer. Hij zou dus de gemeente te Antiochie bedrogen hebben, door het te doen voorkomen alsof hij lou^xiKÜg leefde, terwijl hij toch eigenlijk ióvixüg leefde.
Later zal men rtysg xtto \'Ixkü/Scv in den tekst gebracht hebben, om de schiüd van Petrus, dat hij voor eenvoudige ƒ joden-christenen zoo bang geweest was, eenigszins te verminderen.
Op deze wijze zou dan verklaard kunnen worden, dat er
98
98
II : 12
handschriften zijn (en nog wel x B) die faósv lezen in plaats van yi/.óoy.
Ik vind deze conjectuur niet gelukkig. Ik vraag; 1. Hoe is men er toch later toe kunnen komen, om nvst; xtto \'Ixy.ufiou in den tekst te schuiven? Om de schuld van Petrus minder zwaar te maken — zegt men. Maar was Jakobus, het hoofd der Jeruzalemsche gemeente, er dan de man voor, om tot zondebok voor Petrus te dienen? En moest Petrus dan in de achting van de lezers van den brief stijgen, wanneer zij hoorden dat hij zoo bang was voor Jakobus ? 2. Zal Petrus wèl te Jeruzalem, den zetel van het joden-christendom, met de christenen uit de Heidenen gemeenschap hebben gehad, zonder den blaam der broeders te vreezen, en niet te Antiochie, waar de heiden-christenen het voornaamste deel der gemeente uitmaakten, en een man als Paulus aan het hoofd stond? 3. Doet het zich afscheiden van de christenen uit de Heidenen (xCpupiamp;v sxvróv), in verband met hetgeen verder wordt gezegd van Barnabas en de andere Joden, niet veronderstellen, dat Petrus eerst mede at, en later niet meer?
Een anderen weg gaat Dr. van Manen. Hij meent dat katholieke belangen in het spel zijn geweest bij de verandering van den tekst. Met het oog op het yhösv van sommige handschriften, en ook op het feit, dat Origenes *) niet van. t/vf? xtto \'ixkufiov spreekt, maar van Jakobus zeiven, die te Antiochie kwam, is hij van oordeel, dat oorspronkelijk alleen
\') Centra Celsum n (Dl. XVIII, 135). „ xai év Tji irpag FaAara?
Sè éiritrroAfi ITaDAo; IpQeeivet, \'dn Uérpof \'én Qopauixevos rovf \'lauSxiove, Taua-iftevo; rov utree rüv hOvüv rvvertMeiv, iAióvree \'laxupou vpifaiiTÓv, itpiópi^ev iecvriv xto tüv iSvüv, (hofiovutvoc; rot); ix rij;
99
99
II : 12
Jakobus genoemd is, maar dat men later, om er den persoon van Jakobus buiten te houden, in plaats van \'laxupou heeft gezet: riyx? dtro \'Ixxx/Sou, en dien tengevolge ook fadsv heeft veranderd in yjxóov. \')
Aangenomen eenmaal, dat de radicale brief van Paulus, zooals Marcion dien geeft, door de katholieken is verzacht en van zijne grootste ergernissen is ontdaan, dan is zeker de mogelijkheid niet te ontkennen, dat ook hier die katholieke hand aan het werk is geweest. Steviger bewijzen moeten echter voor die katholieke omwerking worden bijgebracht, dan tot dusverre geleverd zijn. Hier althans is niets, dat ons dwingt zulk eene omwerking aan te nemen. Paulus kan even goed rrjjg ixtto \'hzy.upov hebben gezegd, als \'laxü/jw. En fadsv voor eene vergissing te houden 2), is zeker geen daad van willekeur. Wellicht heeft Origenes zich door dat faiïsv laten verleiden, om van een hMvroq quot;IxxccjSs-j te spreken.
Ook begrijp ik niet goed, waarom de katholieke omwer-ker, die toch zooveel heeft weggesneden, den geheelen Jakobus niet wegliet. Of Jakobus zelf kwam, of eenigen van zijnentwege, zal wel zooveel verschil niet hebben gemaakt voor iemand, die er geen bezwaar in zag, de diepe vernedering, die een Petrus van Paulus onderging, te laten staan.
xko \'layMpcu: van wege Jakobus (vg. 1:1). Jakobus (natuurlijk dezelfde die 1:19 en 2 : 9 genoemd is) schijnt dus eenige Jeruzalemsche joden-christenen naar Antiochie te
gt;) A. v., bl. 514, 515.
*) Veroorzaakt misschien door het omniddellijk volgen van twee wc orden met den uitgang ev.
100
100
II : 12
hebben gezonden om den staat van zaken aldaar op te nemen. Had hij misschien gehoord van Petrus liberale handelwijze, en wilde hij daaraan een einde maken ? Dan moet, daar Antiochie vrij ver van Jeruzalem af lag. Petrus reeds geruimen tijd te Antiochie dat vrije leven geleid hebben. Te begrijpelijker wordt dan de ergernis van Paulus, toen Petrus zich terugtrok. Van de tivsc xirh \'ixxipcu wordt niet gezegd, dat zij, evenals Petrus, eerst met de heiden-christenen mede aten. Hieruit (en niet minder uit de zending zelve) kunnen wij opmaken, dat Jakobus meer gehecht was aan het in acht nemen der TrxpxSófsu; dan Petrus.
Tot de TrxpzSóvsii; behoorde ook het niet wvsiróïsiv [astx tmi* sdvüv. Dat onder de eèvy de christenen uit de Heidenen/ bedoeld worden, begrijpt ieder. Maar wat hebben wij nu onder dat lt;rvvsir6Isiv te verstaan? En waaruit is de ergernis te verklaren, die dat (rvvsedlsiv bij de mannen van Jakobus opwekte? Bijna al de uitleggers denken aan het niet meer laten gelden van het onderscheid tusschen reine en onreine spijzen. Jakobus zou dat onderscheid voor geen prijs hebben willen opgeven. En Petrus, ofschoon hij hierover dacht al a Paulus, zou later in de praktijk Jakobus hierin gevolgd zijn.
Het is wel mogelijk, ja zeer waarschijnlijk , dat Jakobus voor de onderhouding der joodsche spijswetten veel gevaar duchtte van dat „ samenetenquot; van joden- en heiden-christenen. Maar of dit hier bedoeld wordt, is eene andere vraag. De nadruk ligt niet op êvólsiv, maar op vw. Niet wat Petrus at, maar dat hij at met de heiden-christenen, dat/ hij aan hunne xyxtrxi (want deze zijn waarschijnlijk bedoeld) deel nam, dat hij tafelgemeenschap met hen hield, en alzoo het onderscheid tusschen Joden en Heidenen geheel deed
■101
101
II : 12
wegvallen, dat was het aanstootelijke in zijne handelwijze. Zoo werd het Jezus kwalijk genomen dat hij met „ zondaarsquot; at (Luk. 15: 2); en Petrus, dat hij tot Heidenen was ingegaan , en met hen gegeten had (Hand. 11: 3, vg. 10 :28). Zoo zegt Paulus, dat de Korinthische christenen zelfs niet mochten eten met broeders die in de zonde leefden (t£ Toiovrcp p/ihs truyenêieiv 1 Kor. 5:11). Het mede-eten (vooral aan de xyxTTxi) was dus op zich zelf, afgezien van hetgeen er gegeten werd, een teeken van de nauwste, innigste gemeenschap.
Die gemeenschap wilde Jakobus niet. En toch had hij te) Jeruzalem de rechterhand der gemeenschap aan Paulus gereikt, en hiermede zijne gemeenten erkend. Had hij daar dan nu reeds berouw van? G-eenszins. Wat te Antiochie plaats had, had met de overeenkomst, te Jeruzalem gesloten., althans wat de letter betreft, niets te maken. Paulus bleef als mede-apostel, en zijne gemeente als zuster-gemeente erkend, al wilde men dat de joden-christenen zich op zich zelf hielden; evenals het in Zuid-Afrika in geen blanken christen zou opkomen, aan den zwarten christen den broeder-naam te weigeren, al zou hij er niet aan denken om aan de samenkomsten der zwarten deel te nemen.
Maar, evenmin als de ergernis van Jakobus in tegenspraak was met het Jeruzalemsche verdrag, was ook de ergernis van Paulus er mede in tegenspraak. Jakobus, Cefas en Johannes zouden zich tot de Joden wenden, en hij tot de Heidenen. Welnu, had hij dat niet gedaan? Behoorde Antiochie niet tot zijn arbeidsveld? Wanneer nu christenen uit de Joden zich met christenen uit de Heidenen verbroederden, en aan de bijeenkomsten van zijne gemeente deel namen, kon hij dat helpen?
102
102
II : 12
De letter van het Jeruzalemsche verdrag was dus door geene van de twee partijen geschonden. Maar de geest? Ja, dat was iets anders. Voor Jakobus, die zich aan de letter1 hield, was het eenvoudig: Joden ^ij Joden, en Heidenen bij Heidenen! En uit dat oogpunt had hij gelijk met zich te ergeren aan de joden-christenen van Antiochie. Maar begreep hij dan niet, dat dit zeer gemakkelijk ging in plaatsen waar of alleen Heidenen, of alleen Joden woonden, maar niet in plaatsen, waar genoeg joden- en heidenchristenen woonden om afzonderlijke gemeenten te vormen ? Begreep hij dan niet, dat dat afzonderlijk bestaan der beide gemeenten, waarbij de broederlijke gemeenschap gemist werd, een slag was in het aangezicht van het evangelie der liefde en des vredes, en ook werkelijk logisch in strijd was met het geven van de rechterhand der gemeenschap aan Paulus en Barnabas? Immers, erkende men hunne gemeenten als zuster-gemeenten, dan moest men ook als broeders met elkander leven.
Paulus, de logische denker, de man van beginselen, begreep het beter. Beter dan Jakobus doorzag hij de beteekenis van die erkenning van hem en zijne gemeenten. Kon men christen zijn, deel hebben aan het koninkrijk van Christus, zonder zich aan de joodsche wetten te houden, dan waren die joodsche wetten overtollig, ook voor den jood. Want waarom zou, om christen te heeten, voor den jood noodzakelijk wezen, wat het niet is voor den heiden? Men mocht dan al, uit conservatisme, als jood die wetten blijven naleven, dat moest men zelf weten; maar noodig was het niet. Niet af te keuren dus, maar integendeel verblijdend was het, wanneer ook Joden, gelijk te Antiochie het geval
103
103
11 : 12, 13
was, tot de gemeenschap der heiden-christenen toetraden, en daarmede niet alleen in de theorie, maar ook in de praktijk de waarheid van het „ evangelie onder de Heidenenquot; erkenden.
Welk eene overwinning dan, dat ook Petrus tot dezulken behoorde! Maar welk eene bittere teleurstelling dan ook, toen Petrus zich terugtrok!
/ -JTTiiTrsAXev (meestal in het medium, maar toch ook in het activum, als intransitivum gebruikt, zie Pape): onttrok zich, verbergde zich, schuilde weg.
xCpxpiZsv \'exvTov: zonderde zich af (vg. 1 :15; Pom. 1:1). De imperfecta duiden aan, evenals het voorgaande wvfaótsv, ;dat Petrus voortdurend zoo handelde. Hij bezocht, en leidde \'misschien de afzonderlijke samenkomsten der joden-christenen.
Cpoficvpevos rov; èx. Trepirofiij?. Vrees voor de joden-christenen, die op scheiding aandrongen (waaronder zeker wel de nvlg xtto \'IxKupov waren), drong Petrus tot de laakbare handeling. De oude menschenvrees kwam bij hem boven. Den goeden naam en den invloed, dien hij bij de christenen uit de Joden had, wilde hij niet verspelen.
Vs. 13. Kx) (tuvutt sx p I 7 xv xvtü o! hoittd) \'lovè xToi, a vts y.x) Bxpvxfi xc (tuvxtt^x^\'^ xvtcóv ry vttox. pilt;7 s i.
Onder de oudste getuigen staat B alleen in het weglaten van ax) voor o\'t acittoi , terwijl K alleen staat in het bijvoegen van Ttxvnq achter oi hoiiro) \'lovcixToi. Het komt mij voor, dat niet xxl, maar wel ttxvts? eene matte bijvoeging is.
Aan Petrus en hen die hem volgden wordt vTrixpurii; door Paulus verweten. Waarom? Omdat zij niet uit overtuiging,
104
104
II : 13
maar om de gunst der menschen te bejagen (vg. het sÜTrpo-rrccTrfaxi van 6 : 12) de vromen uithingen (vg. vooral Luk. 20 : 20, viroxprjopévovc sxvtovi; aiKxloLis shxi en Sirach 1; 26, y-M xTroxpiói/ji; sv (TTÓfAxciy xvópuTruv). Hard geoordeeld! maar naar waarheid! Gelijk gebleken was uit Petrus handelwijze toen hij te Antioehie was gekomen, was het zijne overtuiging niet, dat hij met de christenen uit de Heidenen niet mocht eten. Alleen om door de joden-christenen niet verketterd te worden, had hij zich teruggetrokken. Petrus was het dus met Paulus eens, wat de volkomen gelijkstelling van Joden en Heidenen betrof (gelijk straks nog duidelijker zal blijken). Alleen was zijne overtuiging nog niet diep genoeg geworteld, om den aanval van bekrompen broeders te weerstaan.
rjvuTrsxptóyjrrxv xx) o\'i aoitto) \'Icjoxïoi. Petrus voorbeeld vond navolging. De eene joden-christen na den andere, die vroeger met een rustig en blij hart met de heiden-christenen had aangezeten, ging heen. Zelfs Barnabas, Paulus reisgenoot en vriend, dien hij uit Antioehie naar Jeruzalem had medegenomen , de man op wien hij gemeend had zich gerust te kunnen verlaten, en die hem dan ook trouw ter zijde had gestaan in den strijd (zie 2:9), ook deze werd mede afgevoerd, afgerukt, nam. van de plaats die hij vroeger in deze zaak had ingenomen ((rvyxTr-jxöy van a-vv-xTrxyscröxt, vg. 2Petr. 3:17). Uit het oiirrs (doorgaans met den infinitivus, hier met den indicativus, zooals Joh. 3 :16) blijkt, dat Barnabas aan den algemeenen drang naar afscheiding geen weerstand heeft kunnen bieden. De afgezanten van Jakobus, Petrus, al de Joden van Antioehie gingen heen. Waarom zou hij nu alleen blijven? Zou het dan toch niet mogelijk zijn, dat Paulus te ver ging? Zou God wel zulk eene totale opheffing van het
105
105
II : 13, 14
onderscheid tusschen Joden en Heidenen willen? Zóó begon Barnabas te vragen — en kij verliet zijn ouden wapenbroeder.
Kritiek oogenblik voor Paulus! Zoo ooit, dan was ket tkans voor kern: principiis obsta! Sckijnbaar was het eene zaak van weinig beteekenis, dat men kern met zijne keiden-ckristenen alleen liet staan. Hij werd immers tock als apostel erkend; en de door zijn woord bekeerden werden, ondanks kunne vrijheid, tock als broeders begroet! Maar zou dit zoo blijven, wanneer de kandelwijze van Petrus en de zijnen niet zonder versckooning openlijk werd veroordeeld! Wat anders dan dit lag in die handelwijze opgesloten, dat men de keiden-ckristenen toch eigenlijk niet voor vol aanzag; dat men van de besnijdenis de zaligheid wel niet afhankelijk stelde, maar toch aan de besnedenen iets voor gaf in de schatting van Grod en van Christus? Dit bracht het gevaar mede, aan de zijde der joden-ckristenen, dat men ziek koe langer koe meer tegen ket leven in de vrijkeid van Ckristns [iövr/.x: Zijv) versckanste; en van de zijde der kei de n-ckristenen, dat men begon te twijfelen of men met dat leven zonder Wet wel op den goeden weg was, en niet beter deed, veiligheidshalve, te luisteren naar ken die op de besnijdenis der Heidenen bleven aandringen. En zoo viel het gansche werk van Paulus in duigen. Zoo ging de vrucht van de te Jeruzalem behaalde overwinning geheel verloren.
Zoo wordt ket krachtig optreden van Paulus begrijpelijk. Had hij eerst gezwegen, nu, na het heengaan van Barnabas en de overige Joden, mocht hij niet zwijgen.
Vs. 14. \'AAA\' ars sïdov on oux, opéoiro\'bovaiv irpos ryv dAijó sixv roü suxyyehiov, sixov rcji s[4irpolt;r6sv
106
106
II : 14
TrivTuV si (tu \'louiï xïo i; VTrxpxw êóvixüs xx) cii%) loud aÏKWi; TÜg ra sóvy xv xyx x1 s t c JcuSati\'^f ;y.
W e i s s e wil voor f! crb \'louSxïo? v7rxp%av êóyixai; xx) ovx lo\'SSxiy.üg alleen gelezen hebben sl lt;ru èêviy.üs Dit is zeker eenvoudiger, en drukt even goed Paulus bedoeling uit. Maar ik zie niet in, waarom Paulus , om de tegenstelling met het volgende krachtiger te doen uitkomen, niet met nadruk \'IcyJa/a? ÜTrxpxuv en buSxïxx; er aan heeft kunnen toevoegen. De laatste woorden zouden misschien nog het best kunnen gemist worden, maar hinderlijk door matheid zijn zij niet.
Dr. N a b e r 1) stelt voor, het nergens elders voorkomende opóoTro\'Soüaiv te veranderen in opioir?xovtTiy (van apéoirhoslv, rechtuit varen, d.i. goed vooruitgaan, gelukkig zijn, zie Pape). Dr. B alj on vindt dit zeer aannemelijk s), en meent dat dan het ~p£-vóór tJjv xhyósixv beter wordt verklaard, daar men anders xxtx zou verwachten. Dit kan ik niet inzien. Trpc? in den zin van quod attinet ad is bij dgt; Grrieken, en ookinhetN. T. niet ongewoon. En moge al opóoirhosTv beter grieksch zijn dan opöOTroSeïv, zoo moet ik toch opmerken, dat het rechtuit varen in de beteekenis van gelukkig voortgaan hier geen zin geeft. Maar ik moet ook vragen: welk recht hebben wij, van Paulus te eischen, dat hij classiek grieksch schreef? Dat hij geen onzin heeft geschreven, is zeker; maar dat geene woorden en geene zinwendingen bij hem voorkomen, die bij de Classieken gemist worden — wie zou dat durven verzekeren? SpóoToSovrii/ drukt juist uit, wat
107
107
1
Diss., bl. 175.
II : 14
Paulus er meê zeggen wil. Zij stonden (of wandelden) niet flink rechtop (vg. Hand. 14 : 10, xvJcirr^i sir) tovi; TroSotg lt;rou opóó?) \'), zooals het mannen van een vast beginsel betaamde. Zij wankelden op den weg der waarheid.
ttpc? tv;j x^ösixv toïi suxyysïJou. Er is niet de minste reden om met Dr. Naber de twee laatste woorden te schrappen 1). Hij kwam daartoe, omdat hij ten gevolge van eene onjuiste verklaring van vs. 12 meende, dat hier niet van het ware evangelie, maar alleen van waarheid in den zin van oprechtheid sprake was. Er is hier echter wel degelijk sprake van het ware evangelie, het evangelie gelijk Paulus dat verkondigde (vg. vs. 5, wx •/, xhySsix raïi suxyys\'/.iou quot;Sixitsivyi Trpo? vpixg).
Bij welke gelegenheid, en op welke plaats Paulus Petrus bestrafte, wordt ons niet gezegd. Paulus zegt alleen, dat het geschiedde s^trpoiös-j kxvtuv, in aller tegenwoordigheid, niet om Petrus dieper te vernederen, maar omdat allen er belang bij hadden te hooren, wat Paulus te zeggen had.
De rede, die nu volgt (vs. 14—21), heeft den uitleggers veel moeite gebaard. Men is er zelfs op grond van exegetische moeilijkheden toe gekomen, eene latere omwerking aan te nemen, die den oorspronkelijken zin voor goed bedorven heeft 2).
Ik geloof niet, dat de zaak zoo wanhopig staat, mits men zich maar los wete te maken van de traditioneele
108
1
) Verisimilia, p. 30.
2
i08
II : 14
exegese, en door zijne dogmatiek zich niet late misleiden, om in de woorden iets anders te zoeken dan er in ligt.
Bijna alle uitleggers laten êóvixü? y.x) cïix uuoxixoóg %ijv (het leven op heidensche en niet op joodsche wijze) slaan op hetgeen Petrus deed toen hij pas te Antiochie kwam, en daarop alleen. Vóór dien tijd zal hij hvcixïxcó? hebben geleefd, zich van de Heidenen hebben afgescheiden, zich trouw aan de joodsche Wet, ook aan de spijswetten hebben gehouden, niet omdat hij dat voor ieder tot zaligheid noodzakelijk achtte, maar omdat hij zich voor zich zeiven daartoe verplicht achtte. Te Antiochie gekomen, zal hij, getroffen door het geloofsleven der paulinische gemeente, en ook omdat hij het, wat de vrijheid der heiden-christenen betrof, van harte met Paulus eens was, van zijne gewoonte zijn afgeweken, en zich met de heiden-christenen aan ééne tafel hebben gezet. Na de komst echter van de nvè? xtto quot;Ixxcipcv zal hij tot zijne eerste levenswijze zijn teruggekeerd.
Dit is de gewone opvatting, die echter alleen kan worden gehandhaafd ten koste van eene gezonde exegese van de woorden si trv \'IcuSyJsg v7rxp%Ciiv êóvixxs y.x) ovx lov\'SxïxSu;
Hoe kon Paulus spreken van een èóvixüg %ijv, wanneer Petrus zijn gansche leven lang, een korten tijd te Antiochie uitgezonderd, hv^xixuc had geleefd ? Dat intermezzo van het vvvsaqisiv (astx tüv kan toch geen xw genoemd worden?
Neen — heeft men gezegd — maar het was ook te Jeruzalem reeds de overtuiging van Petrus, dat Paulus gelijk had! Hij leefde alleen meer ïouèxïxü?, omdat hij in eene joodsche omgeving was! Best! Maar dan leefde hij toch hv\'Sx\'iKÜi;, en Paulus zegt dat hij èövixüs leefde! Eene
109
109
II : 14
overtuiging hebben, en eene zekere leefwijze voeren is toch niet hetzelfde!
Nog een ander bezwaar. Paulus laat er op volgen: ttw? tot, Uvy htfBx\'t^siv •, Ik ben het geheel eens met hen,
die onder het een dwingen door het voorbeeld
verstaan !). Groot was het gevaar, dat het teruggaan van Petrus en zijne geestverwanten de christenen uit de Heidenen tot de meening bracht, dat het noodzakelijk voor hen was om te zouden zij geen halve, maar heele
christenen zijn, en in alle opzichten mede-erfgenamen zijn van de joden-christenen in het koninkrijk Gods.
Wanneer nu het êóvixw? %ijv van Petrus alleen betrekking heeft op den tijd, dat hij met de heiden-christenen tafelgemeenschap hield, hoe kon Paulus het dan zoo vreemd, zoo raadselachtig, zoo inconsequent vinden, dat hij de Heidenen noodzaakte op zijn joodsch te leven? Petrus zou immers terstond hierop hebben kunnen antwoorden: lieve broeder, er is van inconsequentie geen sprake; toen ik met de Heidenen aanzat, heb ik er niet aan gedacht, de Heidenen te noodzaken op zijn joodsch te leven; maar nu is het iets anders; nu ik zelf mijne dwaling heb ingezien, nu kan men tegen mij inbrengen, dat ik door mijn voorbeeld de Heidenen noodzaak om op zijn joodsch te gaan leven. Maar dat is geen inconsequentie! Beschuldig mij van Onstandvastigheid, van gebrek aan vaste
\') Zie hierover vooral Hilgenfeld (S. 61). Zeer ter snede zijn door hem de woorden van Justinus aangehaald, waarin de christenen uit de Joden gezegd worden door hunne zienswijze de christenen uit de Heidenen te noodzaken tot de onderhouding van de Wet (xxrse riv Siie
Mcoa-éus discrac%Qévroc vópov rovg sQviïv Trta-revovrxs stti
TOVTOV TOV XpitTTÓV.)
110
110
II : 14
beginselen, van menschenvrees als gij wilt — maar inconsequent ben ik niet.
Men heeft aan dit bezwaar op allerlei wijze tegemoet trachten te komen. Men heeft gezegd: Paulus heeft niet bedoeld: hoe kunt gij te gelijker tijd, maar, hoe kunt gij in één persoon als jood s6vikü? leven, en tevens de Heidenen noodzaken op zijn joodsch te leven \'). Maar hiermede blijft het genoemde bezwaar. Het was wel dezelfde persoon, die êóvixüs leefde, en die de Heidenen noodzaakte om hviïxïxü? te leven; maar die persoon deed eerst het eene, en daarna het andere. ^8
Zoo heeft men £lt;—^5? logice genomen, en de gedachte van Paulus aldus teruggeven: gij doet dit, gij doet dat^ hoe kunt gij beide dingen doen, waarvan het éene het andere opheft! 1) Maar ook hierop zou Petrus weder hebben kunnen antwoorden: gij vergist u! deed ik dit en dat tegelijker tijd, dan zoudt gij recht hebben u te verbazen; maar dit is het geval niet; ik heb eerst het eene gedaan, en daarop het andere.
Hoe men het ook wende of keere, het bezwaar wordt niet weggenomen, dat het %ijv en het xvayxaZsiv praesentia zijn, zoodat beiden gedacht zijn als tegelijkertijd te hebben plaats gehad.
Op eene gansch andere wijze is de verklaring der woorden beproefd door Wetz_el. 2) Het èSvixóó? %ijv vat hij op als
Ill
1
2) Holsten, S. 157.
2
) Stud, und Kr it., 1880.
Ill
II : 14
een leven zooals de door Grod gerechtvaardigde heiden leidt, en omschrijft dan vs. 14 aldus: „gij hebt het waarachtige leven als een heiden, en niet als een jood; hoe komt gij er dan toe, dat gij de Heidenen door uw voorbeeld in verzoeking brengt, om joodsche zeden aan te nemen?quot; Het verwondert mij niet, dat deze verklaring weinig toejuiching heeft gevonden. quot;Want is er ééne gezocht, dan is het deze. Men moet wel ten einde raad wezen, om in het söyr/.Zs Zijv (het leven op zijn heidensch) het leven te zien van iemand die als zondaar door Grod uit het geloof gerechtvaardigd is.
Ik meen dat wij niet, althans niet uitsluitend hebben te denken aan Petrus eerste handelwijze te Antiochie. Paulus heeft het oog op de gansche leefwijze van Petrus, waarvan die eerste vrijzinnige daad te Antiochie slechts het natuurlijke uitvloeisel was. Paulus had Petrus reeds te Jeruzalem leeren kennen als iemand die èè-Jix-xc leefde. Hoe is nu, vraagt hij, met die leefwijze overeen te brengen die daad van scheiding, waardoor gij de Heidenen in de zedelijke noodzakelijkheid brengt om joden te worden! Hoe! gij zelf, ofschoon een jood, neemt de vrijheid om op zijn heidensch te leven; en intusschen noodzaakt gij de Heidenen om op zijn joodsch te leven! Welk eene inconsequentie! 1)
Onder het aiviKÜs %ijv hebben wij dus niet te verstaan het aanzitten met de Heidenen. Maar wat dan? Dit is zeker moeielijk te zeggen. Even moeielijk als het is te zeggen, wat Paulus bedoelde, toen hij van de joodsche ij ver aars in Galatie zeide dat zij op de besnijdenis aandrongen, en toch
\') Zoo wordt vs. 14 ook door Hilgenfeld opgevat (S. 60).
112
112
II : 14
zeiven „ de wet niet hieldenquot; (cuSè yxp ol xspitspvópsvoi x-jto] vóftov (puhxTGOvmv, Gal. 6 : 13). Wij zijn te weinig op de hoogte van al de toestanden en omstandigheden in die dagen, om te kunnen begrijpen, hoe iemand op de besnijdenis kon aandringen, en tevens zich om de voorschriften der quot;Wet zoo weinig kon bekommeren. Toch bleek het zoo te zijn. Het moet dan ook voor de joden-christenen onmogelijk geweest zijn, hoe gehecht zij in menig opzicht ook bleven aan de voorvaderlijke inzettingen, om in alles als joden te blijven leven. Hilgenfeld denkt aan de offers, waaraan de christenen / niet meer deel namen. Eerder zou men misschien aan het onderscheid tusschen reine en onreine spijzen kunnen denken, dat voor de christenen wel niet terstond, maar van lieverlede moest ophouden te bestaan. En ik weet ook niet, wat daartegen uit onzen brief kan worden aangevoerd, als de verklaring van vs. 12 door mij gegeven, juist is, dat namelijk de beteekenis van het niet meer samen-eten van Petrus met de Heidenen niet lag in het weder onderscheid maken tusschen reine en onreine spijzen, maar in het afzonderlijk vergaderen van de joden-christenen, alsof de heiden-christenen geene broeders waren.
quot;Wat moest nu het gevolg zijn van dit zich terugtrekken van Petrus en zijne geestverwanten ? Dat de heiden-christenen dachten: zijn wij wel heele christenen ? Moeten wij niet eerst hv\'Sxi^eiv, om door de anderen als zoodanig te worden erkend ? lo-j^xiZei\'j is niet hetzelfde als IovScmZc tw- Het betee-kent: zich als jood gedragen, te doen alsof men een jood is/ Verg. Esther 8 :17, waar van vele Heidenen gezegd wordt, dat zij TTspisTsficvTO y.x) huSxit^ov, en Ignat. ad Magn.: aroTov êrrriv, Xpurrov \'Ijjowv Xxas7v kx) lov\'Sx\'itsiv. De christenen uit VI. 113 8
113
II : 14, 15
de Heidenen kwamen in gevaar, om het jood-zijn (door de besnijdenis allereerst, maar dan ook door de consequent daaruit volgende onderhouding der Wet\')) voor noodzakelijk te houden om in te gaan in het koninkrijk Gods.
Wat nu volgt is een krachtig protest tegen eene handelwijze als die van Petrus, op grond van de ervaring, de overtuiging en het innerlijk leven van den christen. Men heeft gevraagd, of Paulus letterlijk die woorden tot Petrus zal gesproken hebben. Hoogst waarschijnlijk niet. Paulus zal wel niet, terstond na die ontmoeting de door hem gesproken woorden op schrift hebben gebracht. Hij geeft het gesprokene in hoofdzaak terug, in den vorm, waarin het voor de Galatiërs het meest vruchtbaar kon wezen.
Vs. 15. \'Hfisïi; Cpvlt;7si \'\'lou\'Saioi, xa) cux sêvüv aftxpruhoi.
Er is geen reden om met van Manen1) »;/,xpragt;.oi, of met W e i s s e y.x) c-hy. èë èivccv xfixprccXo) te schrappen. De woorden laten zich uitstekend verklaren, als men de bedoeling van den apostel met vs. 16 en 17 maar vat. Hij wil aantoonen, dat in het „ willen gerechtvaardigd worden in Christusquot; de erkenning ligt van zondaars te zijn, zoodat men dus daarmede op éene lijn zich plaatst met de Heidenen, de u^xprulo) bij uitnemendheid, zoo genoemd omdat zij de Wet niet kennende, ook niet naar hare voorschriften konden leven 3). Als Paulus dus van zich zeiven zegt dat
\') Zie H. 5:3, nxftifonai Si xamp;Aiv x«vtlt; avifura TEpiTefivoftÉvoi, \'dn
ctycikéTvis erriv ó\'Acv TOV v^ftov Toiya-xi.
J) A. v., bl. 516.
s) Verg. Mt. 26:45; Luk. 6:32; Joh. 9:16, 24.
114
114
II : 15, 16
hij een \'Icvèiaïcg xx) oux së êdvüv ay.xprcoï.cs is, plaatst hij zich op het standpunt van de mannen van Jakobus, die, omdat de zonder quot;Wet levende Heidenen xpstprccXo) waren, op eene afzondering van dezen hadden aangedrongen. Misschien hadden zij bij die gelegenheid dat scheldwoord wel gebezigd.
Paulus neemt het over, omdat het hem in zijn betoog zoo uitnemend te pas komt.
Dat hij in het meervoud spreekt (y/J.slc) is, omdat wat van hem geldt, ook geldt van Petrus en alle joden-christenen. Het maakt zijne redeneering te snijdender.
Bij fiiisii; hebben wij £T^h te denken (vg. 2 Kor. 10; 7). De apostel zet als stelling voorop, dat hij een jood was, om dan de volgende redeneering daaraan vast te knoopen.
Vs. 16. EiSoVfc Si, on ou lt;) ly.xioïiTxi xvópaKO? e pyuv vs\'jCtiy, èxv fty 1gt; ix tt l lt;r t s cc c Xp ittov \'lyvov, xx) yiizslc sis \'lya-ovv XpiPTOV ê tt i (TT svtr x ft sv, ]\'vx \'S ixxicaQcc-ftsv èx TTiGTsciie X p itrr ov, xx) ovx \'Épyay vófiov, on i £ s pyuv v 6 [/,ov ov Six xiaó-ja-sTxi Txtrx ex pi;.
Ook mij komt het voor, dat deze woorden, zooals zij daar luiden, niet door Paulus geschreven zijn. Moeten wij er dan met B. Bauer1) en Steek *) het werk in zien van iemand, die den brief aan de Romeinen heeft geplunderd (zie vooral jHom. 3 : 20—22,28)? Of zullen wij met van Manen spreken van een door katholieke omwerking hopeloos bedorven tekst 4)? Het eene is zoo min noodig als het andere, \'t Is
115
115
1
) Kritik der paulinischen Briefe, 1852, S. 27.
n : 16
een onhandige corrector die hier, gelijk op zooveel andere plaatsen, onzen brief heeft bedorven, evenwel niet zóó, of wij kunnen den tekst nog wel herstellen.
Zeer vreemd zijn de woorden sxv pvi quot;èix Tricrsug Xpierov \'lyiroü (of \'I-jtsü Xpirrcü gelijk de Sinaïticus met andere handschriften heeft). Wij moeten er natuurlijk of oixziaêy bij idenken. Maar èh iw wordt nooit elliptisch gebruikt, wel (fï En wat kan beteekenen, dat een mensch niet uit de Wetswerken gerechtvaardigd wordt sccj (of fï1 [jt//, dix trivrexg Xpivroü tl (J-M kan in dit verband niet anders zijn dan nisi, tenzij, behalve, uitgezonderd. De schrijver heeft dus willen zeggen, dat de mensch slechts in één geval kan gezegd worden uit Wets-werken gerechtvaardigd te worden, wanneer hij namelijk door het geloof in Christus wordt gerechtvaardigd. Ieder bemerkt, dat dit onzin is. Of men wordt uit de werken, óf men wordt uit het geloof gerechtvaardigd. Maar van eene rechtvaardiging uit de werken, door middel van het geloof in Christus heeft nooit iemand gehoord. Men heeft daarom èxy (of si) (j.y, opgevat, alof er üXXx stond. Zóó doen de meeste exegeten. Maar mag dat? Mag men (ik herhaal hier, wat ik reeds bij H. 1 : 7 zeide) fi jtiW voor een synonymon houden van «./.ax? Men kan, gelijk uit de door Sieffert aangehaalde plaatsen (Mt. 12:4; Hom. 14: 14) blijkt, met e) ^ het vroeger gezegde willen verbeteren, maar men kan er geen tegenstelling meê uitdrukken. De eenige plaats, die min of meer analoog zou kunnen heeten, is Openb. 9 :4 {quot;vx aSucfaovtriv tov xóprov.... £Ï rovc uyópuTTOv?). Maar ook hier is de eigenlijke beteekenis van f( [zyj, uitgezonderd, nog min of meer terug te vinden.
116
116
H : 16
quot;Wij moeten dus kiezen. Of £% spyuv vópov, of axv ^vj quot;Six virTsui; Xpivroü \'Isjs-cD moet uit den tekst verwijderd worden. En dan kan de keus niet moeilijk zijn. Niet alleen maakt het vreemde sxv de woorden sxv ^vj \'Six ttiittsui; X. I. verdacht; maar ook staan zij zonderling in dat verband. quot;Wat klinkt het mat: „ wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt dan door het geloof in Christus Jezus, hebben ook wij in Christus Jezus geloofd.quot; Daarenboven zou Paulus moeilijk, met het oog op zijne levenservaring, kunnen zeggen, dat hij tot het geloof in Christus gebracht was door de overtuiging, dat de mensch alleen door het geloof in Christus gerechtvaardigd werd. Hij wist wel, door eigen treurige ervaring 1), dat de mensch niet uit zijne werken, maar nog niet, dat de mensch wèl door het geloof in Christus gerechtvaardigd werd.
Ook hier, gelijk elders, heeft een afschrijver, door verduidelijking en aanvulling, den tekst bedorven.
117
Het xxi voor vf-tsTg, wel verre van hinderlijk te zijn, kan onmogelijk gemist worden. Ook Paulus en Petrus, ja al de joden-christenen hadden, om gerechtvaardigd te worden, in Jezus geloofd. Hierop ligt de nadruk. Dat een heiden, een apapruhóg, in Jezus geloofde als zijn Verlosser, en van/ de genade des kruises zijn heil verwachtte, was natuurlijk. Daar hij de Wet niet kende, en dus uit de quot;Wet onmogelijk gerechtvaardigd kon worden, was het noodzakelijk dat hij eene andere gerechtigheid zocht, en wel die, welke uit het
\') Dat etSévxi door Paulus dikwijls van een weten en overtuigd zijn door geloof en ervaring gebruikt wordt, blijkt o. a. uit 2 Kor. 5:1; 5:11; Eom. 7:18.
117
II : 16
geloof in Christus was. Maar dat een jood die gerechtigheid in Christus zocht, dat had beteekenis. Want daardoor maakte hij zich van een rechtvaardige tot een zondaar, die als zoodanig op ééne lijn stond met den heiden. Of wij hebben genoeg aan de Wet, omdat wij door haar gerechtvaardigd worden; óf wij kunnen haar missen, omdat wij onze rechtvaardigheid in Christus hebben (zie vs. 21) — dit had Petrus niet bedacht, toen hij zich afscheidde van de heiden-christenen. Hij had het wel niet zoo gemeend. Ongetwijfeld wilde bij op geene andere wijze zalig worden dan de heiden-christenen. Maar door den scheidsmuur, die gevallen was, weer op te richten, al was het dan alleenl maar door afzonderlijk te vergaderen, had bij werkelijk den indruk gegeven, alsof de jood op eene andere wijze zalig werd dan de heiden.
Is hiermede de bedoeling van den apostel juist weergegeven, dan moet ook §£ achter ellórs? niet, zooals sommigen willen (zie Tisch.), geschrapt worden. Het heeft dan de beteekenis van het lat. vero, en ons maar, en wil te kennen geven, dat men het iricrreusiv slg Xpurrbv niet verwachten zou van iemand die een quot;lov^xïo?, en niet een xtcxpru/.og is.
Met \'hx SixxiuQxpsv wordt niet zoozeer het doel van sttit-rsuvxitev aangegeven, als wel, gelijk dikwijls bij Paulus en andere nieuw-testamentische schrijvers, om het doel aan te duiden, dat God er meê heeft. W ij zouden het aldus omschrijven: zóó moest het blijken dat enz.
Met F Gr zou ik Xpitrroü achter «c ttittsus willen laten wegvallen. Wie het er duidelijkheidshalve heeft bijgevoegd, heeft niet begrepen, dat hier alleen sprake was van de tegenstelling van geloof en werken.
118
118
II : 16
De volgende woorden on !£ spym vófiou ov quot;hixxiuHyvsTxi ttxtx lt;Txp^ worden ook in Rom. 3 ; 20 gevonden. Alleen wordt daar SicV; voor en gelezen. Waarschijnlijk is dan ook naar dat 2ion het oTi van Gal. 2 :16 in sommige handschriften veranderd (zie T i s c h.) Maar zouden niet a 1 de woorden door een afschrijver aan Eom. 3: 20 ontleend zijn? Dit komt mij onwaarschijnlijk voor. Niet alleen wordt êvuiriov xvtcu hier gemist. Maar ook staan de woorden in Gal. 2 geheel op hunne plaats, heter zelfs dan in Kom. 3 (men lette vooral op het in dat verband onverklaarbare oix yècp vópov sTrlyi/uag afixprlx?).
Onze schrijver heeft Ps. 142 (143) vs. 2 voor den geest gehad: oti o-j oixxiccQ-Jststxi hinriav ao-j ttxc %üv. Hij haalt de plaats uit zijn geheugen aan. Van daar dat hij ivóiTióv tcu weglaat, en ttx? \'Cuv verandert in 77X7z rrxpè, wat hem nog beter dienen kon om de zwakheid en nietigheid van den mensch, en daarmede het onmogelijke dat hij Gods wet zou kunnen houden, aan te duiden.
Dat hij er bijvoegt spyuv vópcv is daaruit te verklaren, dat hij het psalmwoord gesproken vindt onder de bedeeling der quot;Wet; zoodat, als er gezegd werd dat geen vleeschvoor Gods aangezicht kon gerechtvaardigd worden, hij daaruit meende te mogen afleiden, dat eene rechtvaardiging uit Wets-werken werd bedoeld.
Den nadruk legt hij op kxtx trap!-. Wanneer het, blijkens het psalmwoord, van eiken mensch die onder de Wet leeft, geldt, dat hij voor God niet gerechtvaardigd wordt, dan kan het ook niet anders, of hij, en alle joden-christenen, die met hem in Christus geloofd hebben, hebben daarmede Gods raad, die de rechtvaardiging aan het geloof alleen heeft verbonden, vervuld.
119
119
II : 17
Vs. 17. El Sf ZyrcïivTsi; èigt;caiuó-/jvxi sv Xpitrrcj} svps-ö-/j i^sv xx) xv to) xfixpruho!, x p x Xp ivrh; xfixprixg I ixy.ovoci ;/,vi ysvoito.
Dit vers hangt allernauwst met het vorige samen. Paulus en de andere joden-christenen hadden hunne rechtvaardiging niet in de Wet, maar in Christus gezocht (^rcü-yrs? èixxix-óïjyxt èv Xpirrry). Daardoor hadden zij, van alle gerechtigheid uit de werken afstand doende, zich met de Heidenen, de x;j.xp-TMhai, op ééne lijn gesteld. Zóó waren zij bevonden {s-jpsQvKisv). Het feit alleen, dat zij in Christus den Verlosser van zondaars, die voor x^xpraXoi (Rom. 5:8), voor xtrsfisls (Rom. 5 : 6) gestorven was, hunne rechtvaardigheid hadden gezocht, had hen in de rij der zondaars geplaatst; ja, ook hen {y.x) xvtoÏ), even goed als de Heidenen.
Indien dat zoo was (en het was werkelijk zoo; van daar el met den indicativus), dan kon de gedachte bij iemand oprijzen, maar ook alleen bij iemand die van den weg des heils zoo goed als niets begreep \'): zoo wordt Christus dan een dienaar der zonde! (jStxxovog xftxprixs). Als het voor de rechtvaardiging in Christus volstrekt niet aankomt op de onderhouding der Wet, als men maar eenvoudig een zondaar moet wezen die gelooft, dan is Christus veeleer eenoizxmsc xiAxprixq, dan een \'èixy.Mcs ïtKxmvvyi;; dan laat hij ieder maar vrij om wetteloos te leven, en werkt hij dus het zondige leven in de hand.
Die bedenking drukt Paulus uit met de woorden xpx
\') Zoo laat Paulus altijd iemand optreden, als hij hem eene vraag laat doen, waarop ^ yévoiro volgt. Zie Eom. 3:3, 4; 3:5,6; 3:31; 6:1, 2; 6:15; 7:7; 7:13; 9:14; 11:1; 11:11; Gal. 3:21.
i20
120
II : 17, 18
(niet apa, daar d voorafgaat \')) XpiTrhc oiccy.ovc,
(dan is Christus dus een dienaar der zonde? dan zou daar dus uit volgen, dat Christus een dienaar der zonde is?) Mi} yhono! — geeft Paulus dan verontwaardigd ten antwoord.
Vs. 18. El yap a ■/. ar shv a amp;, toiütix, tt ah tv oly.o\'S o , ttx p a p ixrqv èftavtov vvv i lt;r t av u.
Ook dit vers heeft den uitleggers vrij wat moeite veroorzaakt 1). De eerste vraag is: wat wordt met y.xrcO.usv en met olxodofisTv bedoeld? Bijna allen denken aan de Mozaïsche Wet, die Paulus had afgebroken door te gelooven in Christus, en die hij nu weder zou opbouwen, als hij aan de J udaïsten gehoor gaf. Hinc illae lacrymae! Langs dien weg is er niets van te maken. Want:
1. Waarom heet iemand een Txpxfiiryi; als hij opbouwt, wat hij vroeger heeft afgebroken? Men kan hem een dwaas noemen, als hij met het afbreken eene goede daad had verricht; of ook wel een wijs man, als hij daarmede iets verkeerds had gedaan, en nu met het weder opbouwen toont, dat hij er berouw over heeft. Maar in geen geval betoont hij zich (evviarxyet, zie 2 Kor. 7:11) een irxpxpxTyig, een overtreder, een zondaar 2).
121
121
1
J) Weisse werpt het uit den tekst. Het is dan ook niet te ontkennen, dat het zeer goed zou kunnen gemist worden. Vers 19 sluit zich goed aan vs. 17 aan. Toch verbreekt het ook den samenhang niet. En hoe het er later ingekomen is, zou ik niet kunnen verklaren.
2
) Alleen in die beteekenis gebruikt Paulus het woord Zie
Eom. 2:25, 27; vg. Kom. 2:23; 4:15; 5: 14.
II : 18
Daarenboven, hoe kon Paulus van zicli zeiven zeggen, dat Iiij de Mozaïsche Wet, die hij vroeger afgebroken had, weder opbouwde? Dat had hij immers niet gedaan! Neen, zegt men, maar hij zinspeelt op Petrus en diens geestverwanten. Deze hadden weer opgebouwd, wat zij vroeger hadden afgebroken. Maar dan vraag ik, waarom Paulus dan in den eersten persoon spreekt. Dit kon niet anders dan verwarring geven, daar in de volgende verzen Paulus werkelijk zich zeiven bedoelt. Te meer, omdat door el met den indic. niet de mogelijkheid, maar de werkelijkheid wordt aangeduid.
En welk verband is er dan tusschen vs. 18 en vs. 19 ? Ken dit, dat Paulus der Wet gestorven was om Gode te leven, de reden zijn, waarom hij zich een Trxpstfixryq toonde met de Wet weder op te bouwen\'?
Ook is er geen samenhang met vs. 17. Uit de afkeuring van het weder opbouwen van de Wet was niet op te maken, dat Christus geen dienaar der zonde was.
Alle moeilijkheid wordt weggenomen, wanneer wij achter tj\'jkjtxvm een vraagteeken zetten, en bij olxtèo/tsïv denken aan het grondvesten van het nieuwe leven voor God, het leven in Christus, het leven des geloofs, waarvan Paulus in vs. 19 en 20 spreekt.
\' ___
Paulus werd om zijne leer, dat de geloovige de Wet van Mozes niet meer behoefde te volbrengen, beschuldigd van de deur open te zetten voor alle willekeur. In den brief aan de Romeinen heeft hij zich telkens tegen deze beschuldiging verdedigd. En zonder twijfel is hem dat ook voor de voeten geworpen door de Judaïsten, die hij in onzen brief bestrijdt. Hij was een radicaal, beweerde men, een revolu-
122
122
II : 18
tionair! Hij wist wel af te breken, maar niet op te bouwen! Hij brak af, wat eeuwen lang onder Israël had vastgestaan, maar wat gaf bij in de plaats? Eene andere wet, een anderen regel voor bet geloof? Neen. Vrij beid alleen, m. a. w. losbandigheid, -vrijheid om te leven naar het goeddunken van het hart! Zoo maakte bij Christus tot een quot;Sismovo; xfixprlxi;!
Hiertegen komt Paulus op, in dien afgebroken stijl die hem eigen is, waarbij de eene gedachte de andere als het ware verdringt. Zoo moet men dan Christus voor een dienaar der zonde houden? had bij gevraagd met bet oog daarop, dat bij, met zondige Heidenen zich op ééne lijn stellende, als een zondaar, buiten de Wet om, zich door God bad laten rechtvaardigen. Dat zij verre! antwoordde hij. Wel verre dat Christus de zonde in de hand werkte, had hij bij hem, Paulus, een nieuw leven gewekt, dat Code gewijd was. Hij bad ja bet leven naar de Wet afgebroken; maar wat hij afgebroken had, dat bouwde hij weer op, maar nu in veel schooner, heerlijker vorm, namelijk in den vorm van een nieuw leven voor God, waarbij het ik niet meer beerschte, maar de liefde van Christus alleen (zie vs. 19). En zoo vraagt bij dan, ietwat ironisch, of bij dan een overtreder van Gods Wet zich betoonde, of het dan met den naam van overtreding kon worden bestempeld, dat bij wat hij had afgebroken, in een hoogeren zin weder opbouwde.
Met deze verklaring krijgt alles zijn recht. Ook springt dan het verband tusschen de verzen 17, 18 en 19 in bet oog. Het eenige wat bezwaar zou kunnen geven, is, dat bij het y.xTx/.usu en het clx.Qoofj.slv niet aan hetzelfde object
123
123
II : 18
gedacht wordt, terwijl toch Paulus blijkens txütz hetzelfde object op het oog schijnt te hebben. Dit bezwaar vervalt echter, als wij nagaan, hoe Paulus zich op andere plaatsen over dit onderwerp uitlaat. Vooral de brief aan de Romeinen geeft veel licht. Dat Paulus dikwijs het leven naar den G-eest, of het leven door het geloof tegenover het leven naar de Wet stelt, is bekend. Maar ook noemt hij het nieuwe leven in Christus ook menigmaal een dienen, een gehoorzamen (Rom. 6 ; 16—18). Zelfs spreekt hij van een ■jCfijLOi Tili 7r4;£Óy.jiT:z t/j~ tv Xpi7Tcc , waardoor de
geloovige is vrijgemaakt van den yópas rijg ay.xcriz: y.x) rcïi óxyxrcij (Rom. 8:2). Al is bet gebleken, dat de Wet van Mozes niet kan levend maken en verlossen, zoo moet toch haar \'Sixxiaiftx in ons vervuld worden (Rom. 8:4). Er is een va,«a? ttIttsoo:, zoowel als een vcpo? \'épyav (Rom. 3 :27). En zelfs van de Mozaïsche Wet wordt gezegd: vó/zov cvv zarxp-ycïiftsv otx Tyjc Trhrsccg; y.yj ysvsiTO, x/./.x vsfiov iirraviiftsy (Rom. 3: 31). Vooral deze uitspraak heldert veel op. Het kxtxXüsiv van 2:18 is geen y.xrxpysh. Wat voor alle tijden geldt, blijft van kracht, al is het dan in een anderen vorm. Opmerkelijk is ook dat \'kttxvxi, vergeleken met het chtiopsTv van Gal. 2 !).
En zegt men nu, dat Paulus toch juist van datgene, dat hij had afgebroken, heeft gezegd dat hij het weer opbouwde, {txvtx x) , zoodat men hier niet aan eene nieuwe wet denken kan, dan antwoord ik, dat Paulus dat niet zegt. Hij zegt txvtx, en niet xiitx txvtx. Dit is te
\') In Eom. 10 : 3 heet het van de Joden, dat zij trachten Tijv io/av
$lKXtO0-VVl1V (TTVia-OCi.
124
124
n : 18, 19
meer opmerkelijk, omdat hij, gelijk wij vroeger zagec, zoo gaarne auro rovro, of tóvto xvto gebruikt Hier zegt hij alleen txütx, en geeft daarmeê te kennen, dat hij de quot;èly.amwy in de vormen der Wet heeft afgebroken, maar in de vormen des Geestes weder heeft opgebouwd.
Vs. 19. quot;Eyw yap Six vópov viftu XTrsöxvov, ï\'va ósS)
%lljlt;7U.
vófxcc cèiréóxvov correspondeert met xxtsavtz , en quot;vx Ssa amp;lt;7u met cly-ooopü.
Paulns was der Wet gestorven. Waardoor? Dit blijkt uit het volgende vers. Door met Christus gekruisigd te zijn, was hij als dood voor de Wet, zoodat de Wet niets meer over hem te zeggen, en hij niets meer van de Wet te vreezen had.
Het gestorven of dood zijn (niet het sterven) voor de Wet, voor de zonde, voor de wereld, was eene bij Paulus zeer geliefkoosde uitdrukking, evenals het opgewekt zijn, het leven voor God en voor Christus (zie o. a. Gal. 6:14; Rom. 6:2 en verv.; Hom. 7:4 en verv.)
De bijgevoegde woorden oicc vópou hebben hier volstrekt geen zin. Paulus heeft in dit verband met geen enkel woord gezegd, dat ook de Wet had medegewerkt om hem van de Wet vrij te maken. Bedoeld is natuurlijk, dat de Wet den apostel tot de kennis van zijne zonden had gebracht, en hem daardoor tot Christus en zijn kruis had uitgedreven, gelijk dat in Rom. 7 wordt ontwikkeld. Zonder zulk eene ontwikkeling was dit echter niet te begrijpen. Veel waarschijnlijker dus, dan dat Paulus zelf hx vópov geschreven heeft, is dit, dat de woorden er door een afschrijver zijn
125
125
II : 19, 20
bijgevoegd naar aanleiding van hetgeen hij in Rom. 7 (zie vooral vs. 9—13) had gelezen. Hij scheen het niet kwaad te vinden, dat ook de Galatiërs daaraan herinnerd werden, maar maakte de woorden van den apostel er niet fraaier door. Later zullen wij zien, dat er uit Eom. 7 en 8 nog wel meer in onzen brief is ingelascht.
Met syu wil Paulus zeggen: van anderen wil ik niet spreken, maar wat mij betreft.... Het is de eigene ervaring van den apostel die hier spreekt.
Vs. 20. Xpia-rS) (ruveerxupufiixi- oCiy.in iyu,
Zyt os h èfto) Xp;ff-tlt;?\'$• 3 §£ vüv èv cxpy.i, iv TriiTTei £ü rifi roïi ósoü xa) Xpia-rov roü xyonryiGavrós [te xx) ttxpxdóvrog ixvrov virep êftov.
De eerste woorden Xpitrrü z-jyeczy.vpurj.xt geven den grond aan, op welken Paulus kon zeggen: véfia xtsöxvov. Met Christus was hij gekruisigd (zie H. 6:14; Rom. 6:6—11, en elders). Een met Christus door het geloof, zag hij in den kruisdood van Christus zijn eigen dood, den dood van zijn (ouden mensch (zie Rom. 6:6), van den ouden levenstoestand, waarin hij, onder de heerschappij der Wet, nog voor zich zeiven leefde, en de zonde nog diende. Gelijk Christus, toen hij stierf, had afgedaan met deze wereld van wet en vloek, van zónde en dood, zoo ook Paulus, de door Christus verloste, die in het kruis van Christus had leeren roemen. Het oude lag voor goed achter hem. Er was een nieuw leven in hem geboren.
Al was hij gekruisigd en gestorven, toch leefde hij; maar nu was het een hooger leven geworden, £« Sè ovxéri iyu, Zy Sè êv êfAoi Xpivroc. Het ik leefde niet meer; eigen genot,
126
126
II : 20
eigen voordeel, eigene eer was niet meer de drijfveer van zijn denken, spreken en kandelen. Maar Ckristus leefde in kem. Christus was ket middelpunt zijner gedackten, ket beginsel van zijn leven, ket doel van zijn streven geworden. Alles wilde hij nu sckade ackten, prijs geven, verloockenen om Ckristus wil.
o Sf vvv sv trxpxl. Al leeft Ckristus in kem, tock gevoelt kij maar al te zeer, dat, terwijl Ckristus leeft in de keer-lijkkeid Grods, kij nog leeft in ket vleesck, en dus nog blootgesteld is aan verzoeking, strijd, lijden en dood. Tock is dit voor kem geen reden om te vreezen. sv irivrsi Zcó rij rov deoïi y.xi XpirTcv. Zoo lezen wij niet alleen in den Vaticanus, maar ook in Dx F Gr. De lezing van den Reeeptus eckter {èv Trlrrrei £« rij toü vlov toïi óeov) wordt in k A C Db en vele andere kandsckriften gevonden, en vindt steun in versckeidene oude vertalingen en uitspraken van kerkvaders. Daarenboven is ket eerder te verklaren, dat zij door de lezing rsü isóv y.xi Xpitrroït, dan dat deze door kaar is vervangen. Tereckt zegt Sieffert: men kon zich licht in ket dubbele tc-ü vergissen, en v\'mïi overslaan; een latere afschrijver die bemerkte, dat ket volgende geen zin gaf, daar dat niet van God kon gezegd worden, voegde er rcïi X/wotsD bij.
Meer dan eens wordt Christus in dezen brief de Zoon van God genoemd (zie 1:16; 4:4, 6).
êv TrtTTsi, niet sv rij ttIttsi , omdat Paulus, met ket oog op het voorafgaande sv a-xpx!, in het algemeen het element wilde te kennen geven, waarin hij voortaan leefde, en eerst daarna dat geloof omschreef als een geloof in Christus, den Zoon van God.
sxvrhv TTixpxStiovxi (zie 1:4, rov dóvroc sxurhv nep) rwv
127
127
II : 20 , 21
apixpTiüv ypciv) is eene nadere verklaring van roü xyxn-yja-avr!?. De Zoon van God had zijne liefde, ook voor Paulus, daarin betoond, dat hij zich voor hem had overgegeven in den dood. Dit was voor den apostel de kern van het evangelie. Dit was het leven zijner ziel geworden. Dit was hem het zwaard, waarmede hij alle judaïsme bekampte in de vaste overtuiging, dat het daarvoor bezwijken moest.
Vs. 21. Ovx. scóerü ryv xapiv tov Ósov- si yxp \'Six vófiou 1gt; iy. x ia tvv/,, xpx Xpirrroc Supsxv xttsQ xv ev.
Er is geen reden om met W e i s s e dit vers uit den tekst te verwijderen. Schijnbaar komt het wel wat vreemd achter vers 20 aan; maar dat vreemde valt weg, als wij in onzen brief geen verhandeling zien, maar werkelijk een brief, uit een diep bewogen gemoed geschreven. Nauwelijks heeft de apostel in de kernachtige woorden van vers 20, wat voor hem het evangelie van het evangelie was, neergeschreven., of hij denkt aan het zondige, het vermetele, het vloekwaardige, van een ander evangelie daartegenover te stellen (zie H. 1). O, ja, men zeide wel, dat men de Wet niet tegenover, maar naast het evangelie des kruises stelde. Maar men wist wel beter; men kon althans beter weten. Er was geen ander evangelie dan het evangelie des kruises. Wilde men door de genade Gods zalig worden, dan moest men aan haar \'alleen de heerschappij gunnen, en haar niet vervangen door iets, dat haar van kracht beroofde, zoodat zij geen genade meer was (Rom. 11 : 6). Van Paulus althans moest men dat nooit verwachten. Hij had te veel van de X\'-P\'? to~j 6soü (in het kruis van Christus geopenbaard) ondervonden, om haar te xösrelv, haar krachteloos te ma-
128
128
II : 21
ken, te doen alsof zij niet bestond (zie vooral 3 ; 15).
Hierop laat de apostel een woord volgen, dat zeker wel tot de kernaclitigste van den ganschen brief behoort: e! ■yap \'Six vópov Sixxicjuvv,, ckpa. Xpivroc Supsa-j xttsÖxvsv. Wij vinden hier eene logische gevolgtrekking, gelijk wij er reeds eene in vs. 17 gevonden hebben (zie ook 3:29; 5:11; 2 Kor. 5: 15). Indien het waar was, dat de mensch door de Wet gerechtvaardigd werd (wat de Judaïsten wel niet ronduit beweerden, maar waarvan zij toch bij al hun streven uitgingen) , dan was Christus Sapszv, d. i. zonder oorzaak (vg. Joh. 15:25; 1 Sam. 19:5; Sirach 29:6) gestorven, dan had de dood van Christus wel kunnen uitblijven. Overtollig dat kruis, dat lijden, die liefde die voor ons wilde sterven! Welk eene gedachte! Maar welk eene onzinnigheid dan ook, om van de Wet nog langer iets te verwachten voor zijne rechtvaardiging! En toch, zóó onzinnig waren de Galatiërs! (3 :1).
129
129
VI.
9
DERDE HOOFDSTUK.
Vs. 1. vfl xvóvtoi T iXhKTXi, rlc v^xc i (3 xirnxv sv, oh; •/.ar ScpöaXftovg \'Ijjtrcö? Xp/irTo? tt po ey ptkcpy £(ttxv-pu pèvo
De in den Receptus achter èfixtrnxvsv geplaatste woorden t# xfyóslx w Tretterrêzi hebben de oudste en beste getuigen tegen zich (zie Tisch.). Zij zijn aan H. 5 : 7 ontleend.
Achter TrposypJiCpij plaatst de Ree. èv vplv. Terecht meent echter Tischendorf, ®p grond van n A B C en andere getuigen, dat die woorden oorspronkelijk niet in den tekst hebben gestaan. Er is dan ook, in dit verband, geen zin aan te hechten, hetzij men iv viuv vertale: in uw midden of in uwe harten. Van een gekruisigd zijn van Christus in het midden der (xalatiërs is zoo min iets te begrijpen, als van een gekruisigd zijn van Christus in de harten der Galatiërs. Aan dit laatste te denken, verbiedt ook nog xxr oCpóxy.fiovi; en vpceypxCpv \'). Waarschijnlijk heeft een afschrijver het duidelijke nog duidelijker willen maken, door èv vplv aan irpcsypxQti toe te voegen.
xvóyjtoi TxXxtxi. Het was of de Galatiërs hun verstand ver-
\') Met Tpoeypxtpv kan h «Vlt;v in geen geval verbonden worden, daar het voorafgaande oT? het overtollig maakt.
430
III : 1, 2
loren hadden, dat zij zulk een heerlijk evangelie (zie 2 : 20, 21) hadden prijs gegeven! Wie had hen toch betooverd {s(ixlt;7K.xvav), hen, wien nxr oCpöxXfiovc Xp/orfl? Trposyptxöy
iarxupu^hoc ? Van menschen, wien dat voorrecht te beurt was gevallen, zou men waarlijk niet verwachten, dat zij zich door het gefluit van den vogelaar lieten verlokken.
Trpoypxtyeiv komt bij Paulus alleen voor in den zin van te voren schrijven (Rom. 15:4; Ef. 3:3). Dit geeftechter hier geen zin. quot;Wij hebben hier te denken aan de gewoonte der Ouden om op aanplakborden den volke bekend te maken wat het moest weten. Men noemde dat irooypicpsiv, terwijl zulk een bericht irpcypx^iAX genoemd werd (zie Pape). Zoo was ook het program van Paulus in Gralatie geweest, \'Ijjo-oü? XpttTToc sfrxvpuftsvos (zie 1 Kor. 1 : 23, yipelq Vs Kypvr-troftev Xpivrov êtrrxupuftévov, vg. 1 Kor. 2 : 2). Alsof het kruis van Christus vóór hen stond, zóó had Paulus hun den Christus verkondigd, openlijk, met de grootste vrijmoedigheid, als in hun gezicht {xxr o^p6x\\uovg 1). Niemand kon dus onwetendheid voorwenden. Aan allen had het kruis van Christus voor oogen gestaan als het eenige teeken des heils.
Vs. 2. Tovto pióvov QsXu ftxósTv xCp\'1 vpcuv epyuv vó,ucu to Trvevftx èhxfisTS, vj xxoijg Tf ilt;7T s ca c •,
131
Maar één ding wil Paulus van de Gralatiërs weten; doch van dat ééne weet hij dan ook, dat het hier alles afdoet, of zij namelijk den H. Geest met zijne heerlijke werkingen
\') Zoo spraken de Grieken van een o$Sx*noii; Aéyciv Tm\', of van een nvè? xzt otySxApoie xuTy/ofs~iv, zie Pape.
131
Ill : 2, 3
hadden ontvangen i? tfycov vópou, of fs xwy? irivTsug. quot;Was het het volbrengen van Wets-werken, dat het ontvangen van den Geest ten gevolge had, waaruit het ontvangen van den Geest te verklaren was ? Of was het de prediking quot;) van het geloof, van dat geloof, dat, buiten alle Wets-werken om, van Christus en zijn kruis alleen de verlossing deed verwachten?
Het antwoord der Galatiërs kon niet twijfelachtig zijn. Voordat die judaïstische Wetpredikers gekomen waren, hadden zij, alleen door het geloof, dat Paulus hun gepredikt had, vrede, blijdschap, liefde, reinheid des harten, ja al de geestelijke gaven genoten, die het bezit des H. Geestes met zich bracht.
Vs. 3. Ovtcoc KVévitoi slt;7Te; èvapËa/zsvoi ttvsv^xti, vvv v a px) i tt it s ?gt;s7(r6 s
132
Welk eene onzinnigheid! Te beginnen (ivxpzsrdxi), d. i. het nieuwe leven in Christus aan te vangen, met den Geest, met het ontvangen van de gaven des Geestes, en nu (door het gehoor geven aan de Judaïsten)te eindigen (j7riT£?.cÏTêx.i) met het vleesch! Hier denkt Paulus natuurlijk aan de spyx vipov. Deze behooren volgens hem tot een leven kzto, cxpKx. Menigmaal stelt hij (rapt; tegenover -Trvèü^x als het zinnelijke tegenover het geestelijke. In zoover nu de wettelijke godsdienst, dien de Judaïsten predikten, allereerst de besnijdenis des vleesches (zie 6 : 12, 13), maar dan ook al die uiterlijke
\') Ofschoon ü ccxoit ook het gehoor kan beteekenen(zie 1 Kor. 12 :17), is het hier de prediking, het gehoorde woord (zie Eom. 10:16, 17; 1 Th. 2 :13).
132
III : 3, 4
dingen, die daarmede in verband stonden, tot het lagere leven der zinnen behoorden, was het leven naar de Wet een leven v.xrot, Txpy.z. Zoo wordt o. a. het roemen in uitwendige voorrechten in 2 Kor. 11: 18 een v.zuxx\'röx.i y.xroc, lt;rxpxx genoemd.
De tegenstelling van ivxpxsvöxi en sTrirstelcQxi (medium) is echt paulinisch (zie 2 Kor. 8:6; Filipp. 1:6). Het was bij de Galatiërs nog wel niet tot dat tb\'/.os gekomen; maar zij waren op weg er heen, het was het noodzakelijk gevolg van hun droevigen omkeer.
Vs. 4. Toïxütx £7rxÖ£T£ sly.ïj-, si quot;/s nx) slxyj.
Ook deze woorden behooren tot de cruces interpretum. Men weet niet, wat te maken van dat ettxQsts. Het meest voor de hand ligt, aan een lijden te denken, dat de Galatiërs ondervonden hadden. In dien zin wordt tvxcxsw a 11 ij d in het N. T. gebruikt. Maar welk lijden kan dat zijn? Van lichamelijke smarten, aanvechtingen en beproevingen, vervolgingen om des geloofs wil wordt in dezen brief niet gerept. Maar ook, hoe vreemd zou dat hier staan, in dit verband! quot;Wat heeft een „met vrucht doorstaan van beproevingen quot; te maken met een „ gerechtvaardigd willen worden uit de Wet, of uit het geloof?quot;
Anderen (o. a. Sieffert) meenen, dat kxtzsvj in een neutralen zin moet worden verstaan, in den zin van ontvangen, ondervinden; en dat uit het verband moet worden opgemaakt, of er iets goeds of iets kwaads wordt ontvangen of ondervonden. Hier zullen dan de gaven des Geestes bedoeld zijn, die de Galatiërs te vergeefs hadden ontvangen.
Kan echter ttxcxsiv zóó vertaald worden? Mogen er al
133
133
Ill : 4
misschien enkele plaatsen te vinden zijn, waar zonder
eene nadere bepaling in een goeden zin wordt bedoeld \'), toch komt het hoogst zelden zoo voor. In het N. Testament nooit. En waarom zou Paulus het gewone ?.sc[y.$xv£iv (zie 8:2; 3 : 14) met het ongewone vxtxsiv verwisseld hebben ?
Daarenboven is toitxïitx hier vreemd. Er is tot nog toe alleen van to tivev^x. sprake geweest. Eerst in vs. 5 wordt van de Suvxpsic gewag gemaakt.
Weder anderen hebben gedacht aan de plagerijen, die de Galatiërs van de Judaïsten ondervonden hadden. Die plagerijen zouden dan bestaan hebben in „ kleingeestige, wettische voorschriften J). Maar is dat dan een ïrdrxsiv, en nog wel een kxtxsiv tctxvtx1? 2). Ook staat shij aan deze verklaring in den weg. Het kan niet anders beteekenen dan te vergeefs, zonder vrucht (zie 4:11). Nu hadden de Judaïsten wel degelijk vrucht van hunne plagerijen gehad, daar de Galatiërs zich aanvankelijk door hen hadden laten winnen!
Alle moeilijkheid wordt weggenomen, wanneer men leest in plaats van sTrxisrs. Zóóveel, zóó groote en heerlijke dingen (rotrxïiTx) hadden zij te vergeefs geleerd, toen Paulus het evangelie in zijn rijkdom hun ontvouwde? Dat mocht toch niet!
Wij hebben hier dan, in een anderen vorm, dezelfde gedachte als in 4:11, (pupoüpxi vpxc, slxij nsnoirixKX sU vfix:. Dat Paulus het woord fixvêxvsiv gaarne gebruikt, als
134
134
1
\') Zie o. a. Winer, Comm., p. 75.
2
) Het betooverd -worden van vs. 1 doet ook waarlijk niet denken aan een lijden.
HI : 4
hij aan zijne evangelie-predSking denkt, blijkt o. a. uit Ef. 4:20; Filipp. 4:9; Col. 1-7 »).
elys y.x) ehij. Gewoonlijk vertaalt men deze woorden met: indien ook maar te vergeefs! Leest men nu ,
dan wil Paulus er mee zeggen, dat het te wenschen ware, dat het irxTyjiv vergeefsch geweest was, daar er veeleer te vreezen was, dat de Gralatiers van kwaad tot erger vervielen, en geheel en al van den goeden weg afdwaalden. Dit geeft echter geen zin. Erger kon het niet, dan dat van de Gala-tiers moest gezegd worden: flxij Tcrxhrv. btvx^ov. Het nazxeiv zonder eenige vrucht is het ergste wat zich denken laat.
Dit bezwaar blijft, ook al lezen wij êfixósre. Was de evangelieprediking voor de Galatiërs zonder vrucht geweest, dan kon Paulus moeilijk wenschen, dat zij maar zonder vrucht mocht geweest zijn, omdat hij nog wat ergers voor de Galatiërs vreesde. Kiene evangelieprediking zonder vrucht—-ook dit kon niet erger!
Maar wat dwingt ons ook, el ys xx) e\'ixij zóó te vertalen? Het komt mij voor, dat de exegeten door dat ys achter fi zich op een dwaalspoor hebben laten leiden. In plaats van het slechts voor eene versterking van sl te houden 5), heeft men naar plaatsem gezocht, waar si en ys vereenigd voorkomen (2 Kor. 5:3; Efez. 3:2; 4:21; Col. 1:23), om
\') Zou Paulus, toen hij schreef; roüro póvov vnüv. niet
reeds gedacht hebbe n aan hetgeen de Galatiërs van hem geleerd hadden ?
*) Pape noemt yt «eine enklitische Partikel, welche das Wort, dem sie angehangt ist, durch den Gegensatz zu andem hervorhebt.... oft gar nicht zu übersetzen, sondem durch starker betonte Aussprache des Wortes zu ersetzen.»
135
135
Til : 4
daaruit op te maken, welke nuance door dat ?£ in de betee-kenis van sl wordt gebracht. Zóó komt men, m. i. nooit tot eene juiste verklaring. Het eenvoudigste is, aan eene apo-siopesis te denken. Dikwijls wordt, niet alleen bij de Hebreeuwen, maar ook bij de Grieken, ten gevolge van hevige gemoedsbewegingen, de apodosis van een zin, die met fJ begint, weggelaten \'). Zoo o. a. Luk. 19:42, si syvug xx) cv, als ook gij eens wist! (hoe goed zou dat voor u wezen!) , Luk. 22 ; 42, -za-rsp, sl ficv\'/.si TrxpsvsyxeTv to Troryipiov rovTO xtt £fy.oii, Vader, als gij eens dezen beker van mij wildet wegnemen! (hoe goed zou mij dat wezen!), Hand. 23 : 9, fZ c)£ fvevftx £?.x/.-/!iT£v xürlfi vt xyye/.ac, s) maar indien nu eens een geest of een engel tot hem gesproken heeft! (dan mogen wij wel voorzichtig zijn), Joh. 6:62 „Ergert u dit? ix\'j ovy ósccpijre rov viov rov «vdpuTrcv xvxpxïvovrx ottou tjv to TrpÓTspov; indien gij dan eens den Zoon des menschen zaagt heenvaren waar hij te voren was! (wat dan? wat zoudt gij dan wei zeggen?)
Zoo is het ook hier. e\'1 ys x.x) shij d. i. indien (met grooten nadruk, om het volgende ys) indien het nu ook 1) eens zonder vrucht was! (wat dan? waar zou het dan met u heen?)
In de hevige gemoedsbeweging, waarin de gedachte, dat de Gralatiërs zulk een evangelie hebben versmaad, Paulus
136
136
1
) xxi duidt de werkelijkheid aan van hetgeen zoo even slechts gevraagd was.
III : 4, 5
had gebracht (zie H. 2 : 20 —3 : 4), blijft het bij dien uitroep, en wordt de apodosis achterwege gelaten. \')
Naar deze verklaring laat Paulus de beantwoording dei-vraag: roixïjTX ifzxósTs slxij; aan de gewetens der Galatiërs over. Maar hij kan zich toch niet voorstellen, dat zij op den ingeslagen weg ten einde toe zullen voortgaan, en alzoo verloren zullen gaan. Daarom doet hij nog eene poging om hen terug te brengen. Den polemischen toon verwisselt hij met den didaktischen.
Vs. 5. \'O ovv êTTixopviyüv vpTv rh ttv aü p ix., y.x\\ svsp-y wv quot;Suva, ft s ie êv s py co v vó [cov, Üj il; xxoyjt;
TT iffTsut;;
Met ovv wordt de gedachte van vs. 2, die in vs. 3 en 4 even was losgelaten, weer opgenomen, en nader ontwikkeld. sTTtxopyyew is hier: verleenen, verschaffen (ook 2 Kor. 9 : 10; zie verder Filipp. 1 : 19, airixcpT/iz roü TrveéftccTog XpuTTov). Onder de gaven des Greestes worden de Ivvxpst? met name genoemd. Hiermede worden de xxpia-pxTx des Greestes, en wel bijzonder de wonderkrachten bedoeld, waarvan in 1 Kor. 12 sprake is. God werkte deze (êvspysï, zie 1 Kor. 12 : 10, èvepy/ipxrx luvxpsuv) in de Galatiërs, door hun de krachten tot de verschillende openbaringen des Gees-tes te schenken.
Hiermede herinnert Paulus zijne lezers aan hetgeen God hun bij hunne toetreding tot de gemeente van Christus had gegeven, en nog voortdurend bleef schenken (men lette op de praesentia sTrixopyyamp;v en èvepyüiv).
1) Er is dus geen reden om met Weisse die woorden te schrappen.
137
137
Ill : 4
daaruit op te maken, welke nuance door dat ye in de betee-kenis van s] wordt gebracht. Zóó komt men, m. i. nooit tot eene juiste verklaring. Het eenvoudigste is, aan eene apo-siopesis te denken. Dikwijls wordt, niet alleen bij de Hebreeuwen, maar ook bij de Grieken, ten gevolge van hevige gemoedsbewegingen, de apodosis van een zin, die met el begint, weggelaten 1 j. Zoo o. a. Luk. 19:42, si eyvug xx) tv, als ook gij eens wist! (hoe goed zou dat voor u wezen!), Luk. 22 : 42, kxtsp , si (ZouXsi Trxpsveyxsïv rb TroTypiov tóvto ïjmcü. Vader, als gij eens dezen beker van mij wildet wegnemen! (hoe goed zou mij dat wezen!). Hand. 23 : 9, fl Ss ttvsv^x l\'/.y./.vps\'j x-jtü y, ayys/.oc, 2) maar indien nu eens een geest of een engel tot hem gesproken heeft! (dan mogen wij wel voorzichtig zijn), Joh. 6:62 „Ergert u dit? £xi/ cvy Ó£up-/jt£ tov v\'iov tov xvópuTrov ctvx$xivovrx ottol) ïjv to xpirepav; indien gij dan eens den Zoon des menschen zaagt heen varen waar hij te voren was! (wat dan? wat zoudt gij dan wel zeggen?)
Zoo is het ook hier. s) ys xxi slxij d. i. indien (met grooten nadruk, om het volgende ys) indien het nu ook 3) eens zonder vrucht was! (wat dan? waar zou het dan met u heen?)
In de hevige gemoedsbeweging, waarin de gedachte, dat de Galatiërs zulk een evangelie hebben versmaad, Paulus
136
136
1
\') Zie Winer, Gramm., § 64. II.
2
) De woorden w Uonctxüptv ontbreken in de beste handschriften (zie Tisch.).
3
) xui duidt de werkelijkheid aan van hetgeen zoo even slechts gevraagd was.
III : 4, 5
had gebracht (zie H. 2 : 20 —3 : 4), blijft het bij dien uitroep, en wordt de apodosis achterwege gelaten. \')
Naar deze verklaring laat Paulus de beantwoording der vraag: toixLtol s^xders iuij-, aan de gewetens der Gralatiërs over. Maar hij kan zich toch niet voorstellen, dat zij op den ingeslagen weg ten einde toe zullen voortgaan, en alzoo verloren zullen gaan. Daarom doet hij nog eene poging om hen terug te brengen. Den polemischen toon verwisselt hij met den didaktischen.
Vs. 5. \'O ovv èïïixepy/yüv vptv rb y.x) èvsp-
ywv Svvd e ig iv v plv, s py uv vi po v, y O; xx o ij g
TT i(7T£ült; ;
Met ovv wordt de gedachte van vs. 2, die in vs. 3 en 4 even was losgelaten, weer opgenomen, en nader ontwikkeld. iTrixopviyeïv is hier: verleenen, verschaffen (ook 2 Kor. 9 : 10; zie verder Filipp. 1 : 19, sTrixopyylx róv ttvsv/^xtoi; XpiiTTcv). Onder de gaven des Geestes worden de owxpsiq met name genoemd. Hiermede worden de xxplfrpxrx des Geestes, en wel bijzonder de wonderkrachten bedoeld, waarvan in 1 Kor. 12 sprake is. God werkte deze {èvspysT, zie 1 Kor. 12 : 10, ivepyjpxTx hvvxpeuv) in de Galatiërs, door hun de krachten tot de verschillende openbaringen des Geestes te schenken.
Hiermede herinnert Paulus zijne lezers aan hetgeen God hun bij hunne toetreding tot de gemeente van Christus had gegeven, en nog voortdurend bleef schenken (men lette op de praesentia sTTixopyiywv en avspyccv).
1) Er is dus geen reden om met Weisse die woorden te schrappen.
•137
137
in : 5, 6
Bij I? spyav —tttvtscog moet gedacht worden ttois! roüro, of iets dergelijks. Zulke ellipsen komen dikwijls voor; o. a. Rom. 12:6; 1 Kor. 14:27; 2 Th. 2:7.
De woorden van vs. 2 worden herhaald, omdat zij den apostel het geschiktste uitgangspunt toeschenen voor de nu volgende redeneering. Dergelijke herhalingen zijn Paulus niet vreemd; zie o. a. 1 Kor. 15: 13—17; 2 Kor. 1: 6
Vs. 6. Kxóag \'Aflpxxiu ènigtsvysv rü ösq, xx) èhoyliróy Kvrü sic % iy.x lorrvvviv.
Met dit vers begint eene perikoop, die meer dan andere aanstoot heeft gegeven. Reeds Bruno Bauer achtte hei zonneklaar dat wij hier met een plagiaat uit den brief aan de Romeinen te doen hebben. Steek voelt zich hier vooral sterk in zijne bewering, dat de brief aan de Galatiërs alle oorspronkelijkheid mist. Het gemis aan verband in 3 :1—4 : 7 kan hij alleen daaruit verklaren, dat de schrijver telkens iets aan de brieven van Paulus, vooral aan Rom. 4 heeft ontleend1). Op van Manen heeft dit betoog van den Berner geleerde een diepen indruk gemaakt s). Reeds vroeger had hij de meening geopperd, dat hier de hand van den katholieken omwerker van den oorspronkelijken brief duidelijk zichtbaar was. Niet Marcion zal, zooals de beschuldiging der katholieken luidt, Abraham uit den tekst verwijderd hebben (zie vs. 6—9,14— 25, 29); maar de katholieken zullen, om zich tegen Marcion schrap te zetten, Abraham in den
\') Weisse laat gt;) ég xxoïs T/»-Tea? weg, om aansluiting te hebben voor vs. 11, daar hij vs. 6—10 uit den tekst verwijdert.
\') S. 51 u. w.
\') Tijdspiegel, 1889.
138
138
HI ; 6
tekst hebben ingelascht *). Het ligt niet op mijn weg, den laatstgenoemden criticus voet voor voet op zijnen weg te volgen, gelijk o. a. Bal jon heeft gedaan1). Getrouw aan mijn voornemen om onzen brief in zijn oorspronkelijken vorm te herstellen en hem te verklaren, laat ik mij slechts in zooverre met Marcion in, als hij kan geacht worden eenig licht over den brief te werpen.
Laat ons zien, of eene nauwkeurige exegese het vermoeden van plagiaat of interpolatie wettigt.
Beginnen wij met vs. 6- -9. Ook W e i s s e schrapt die verzen, en laat op s!- epyccv vóftov van vs. 5 terstond volgen: cti «£ êv vófta ■/.. t. van vs. 11. Waarschijnlijk om het gebrek aan samenhang van vs. 6 met vs. 5. Hoe kon de schrijver er ooit toe komen — heeft men gevraagd — om op vs. 5 Abrahams rechtvaardiging uit het geloof te laten volgen! Hij wil bewijzen, dat God den H. Geest met zijne krachten op de prediking van het geloof schenkt, en niet op de prediking der Wet. Maar wat doet nu ter zake, dat Abraham uit het geloof is gerechtvaardigd, en dat alleen de geloovigen Abrahams kinderen zijn, en deel hebben aan Abrahams zegen! Zijn wij hier niet in Rom. 4, waar Abrahams geloof, in veel beter verband, den christenen tot een voorbeeld wordt gesteld?
Hierop antwoord ik allereerst, dat men, vs. 6—9 uit den tekst verwijderende, ook vs. 14—18 en vs. 29 datzelfde lot
\') Theol. Tjdschr., bl. 468 en verv.
\') Bl. 44. Zie ook G. W. Stem Ier, Mardon\'s doorhalingen in den brief van Paulus aan de Galatiërs (Theol. Studiën, 6e jaarg., afl. 4) en Dr. H. U. Meyboom, De Canon van Marcion {Theol. Tijdschr. 23e jaarg., 6e stuk.)
139
139
Ill : 6
moet doen ondergaan — wat dan ook van Manen doet. Want de eu/.oyix van vs. 14 slaat terug op het eu\'/.oyóvvTxi van vs. 9, en het a-x-sppx van vs. 29 op het ir~épftx van vs. 16.
Verder vraag ik, of het zoo vreemd is, dat de schrijver bij deze gelegenheid over Abraham spreekt. Wie was onder Israël meer populair dan Abraham, de stamvader van Israël, de vader der geloovigen, de vriend van God? Welke eeretitel gold meer bij de Joden dan die van kinderen Abrahams? De Dooper reeds verwijt hun die tot zijnen doop kwamen, dat zij zich kinderen van Abraham noemden, maar de werken van Abraham niet deden (Luk. 3 : 7, 8). Telkens en telkens maakt Jezus van Abraham gewag, en doet hij uitkomen, wie de ware kinderen van Abraham zijn (zie o. a. Mt. 8:11; Luk. 16:22; 19:9; Joh. 8:33—40). Paulus laat hem optreden in den brief aan de Romeinen (H. 4). In den brief aan de Hebreën komt hij herhaaldelijk voor (zie H. 6 :13; H. 7 en 11). En Jakobus beroept zich op hem, om te bewijzen dat de mensch niet uit het geloof alleen, maar ook uit de werken wordt gerechtvaardigd. In de geschriften der Joden, o. a. bij Philo, wordt zijn naam steeds met eere als die van den geloovige bij uitnemendheid genoemd. In 1 Makk. 2 :52 wordt gezegd, dat het Abraham tot gerechtigheid gerekend is, dat hij in de verzoeking getrouw is bevonden.
En dan zou onze schrijver den brief aan de Romeinen hebben moeten plunderen, om iets van Abraham te kunnen zeggen? Niets zou vreemder geweest zijn, dan dat hij in dezen brief over Abraham gezwegen had. Tegenover de Judaïsten moesten de bekeerde Galatiërs (bekend en vertrouwd, zooals de heiden-christenen over het algemeen, met de H. Schriften van Israël) gewapend worden met de vaste
140
140
III : 6
overtuiging, dat men niet besneden behoefde te zijn om een kind Abrahams te heeten, en deel te hebben aan Abrahams zegen.
Opmerkelijk is het ook, dat wat de schrijver van Rom. 4 tracht te betoogen, dat namelijk de besnijdenis, als geschied aan Abraham na zijne rechtvaardiging uit het geloof, niet noodzakelijk is om voor God te worden gerechtvaardigd — een betoog, dat in Gral. 3 zoo goed had kunnen gebruikt worden — in onzen brief geheel wordt gemist.
Erkend moet echter worden, dat het verband tusschen vs. 5 en 6 wel wat vreemd is — vreemd ten minste voor hem, die met de schrijfwijze van Paulus niet vertrouwd is. Men heeft zich aan y.xSac gestooten en gevraagd, in welk opzicht Abrahams rechtvaardiging uit het geloof tot opheldering van vs. 5 kan dienen. Hierbij vergeet men echter, dat Paulus meer dan eens eerst aan het slot van zijne bewijsvoering zegt, waarop het eigenlijk aankomt. Doorgaans zet hij bij een dogmatisch betoog iets voorop, dat schijnbaar weinig of niets met het voorafgaande te maken heeft, om dat dan als uitgangspunt voor zijne redeneering te gebruiken.
Een paar voorbeelden, die dat helder in het licht stellen.
Het eene is ontleend aan Rom. 4. Blijkens vs. 1 wil Paulus bewijzen, dat Abraham niet naar het vleesch, maar door de belofte Gods, door het geloof, den zegen van God heeft verkregen. quot;Waarmede begint hij nu? Met hetzelfde woord, waarmede hij in Gal. 3 begint: Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. En eerst als hij ontwikkeld heeft wat daar in ligt, komt hij tot hetgeen hij bewijzen wil (vs 9—12).
Een ander voorbeeld. In Rom. 6 wil Paulus bewijzen, dat
141
141
Ill : 6
zij die der zonde gestorven zijn, in de zonde niet kunnen leven (vs. 2). Om dat te bewijzen, vraagt hij, of zij die in Christus Jezus gedoopt zijn, niet in zijnen dood gedoopt zijn (vs. 3). Maar wat doet die vraag nu ter zake? Heb maar geduld, waarde lezer! In vs. 4 en verv. zal het licht voor u opgaan.
Paulus redeneert dikwijls e concessis. Hij begint met iets, dat algemeen wordt toegestemd, en bouwt dan daarop voort. Zoo ook Gal. 3 : 6 en verv. quot;Wat wil Paulus betoogen ? Dat de zegen van den Geest met zijne owx^etc niets met de werken der Wet te maken heeft, en alleen het deel is van hem die gelooft, onverschillig of hij heiden is of jood (vs. 5). Nu wordt natuurlijk gewezen op het voorbeeld, dat het meest voor de hand lag, het voorbeeld van Abraham, van wien ieder wist dat hem zijn geloof in God tot rechtvaardigheid was gerekend.
Hiervan gaat nu Paulus uit, om te komen tot hetgeen hij bewijzen wil, en dan ook in vs. 14 met ronde woorden zegt. Eene nauwkeurige verklaring van vs. 6—13 zal ons dit duidelijk maken
Kxiut; \'Afipxap •/.. r. Hetzelfde schriftwoord (Gen. 15 : 6) wordt hier aangehaald als in Rom. 4: 3. Ook zonder dat er bijgevoegd werd ysyfixTrrxi \'), konden de lezers begrijpen, dat er eene ypxQy werd aangehaald. Door het onderwijs, dat Paulus hun gegeven had en hunne bekendheid met Israels heilige Schriften, zullen zij ook met Abraham bekend genoeg geweest zijn, om de bedoeling van Paulus te vatten.
xxöuc of y.zöxTrep wordt meermalen door Paulus gebruikt^
\') Gelijk de Vulgata met F 6 duidelpheidshalve doet.
442
142
III : 6—8
als hij een voorbeeld wil aanhalen. Zoo laat hij met xxóaTrsp xx) Aotue)^ gt;Jysi x. r. A. ook David optreden als een getuige voor de rechtvaardiging uit het geloof (Rom. 4 : 6). In overeenstemming met ons taaleigen zouden wij die woorden het best kunnen weergeven met: zoo zegt ook David, enz. (vg. ook Rom. 9 ; 29).
Vs. 7. T ivua-xsts apa, oti o! êx tt Ivt e u e, ovtoi vloi s]lt;tiv \'A (3pxxft.
amp;px is het logische dus, dan, dat dikwijls bij Paulus voorkomt. Met het oog hierop komt het mij beter voor ytvccaxsrs voor een indicativus, dan voor een imperativus te houden. De apostel vermaant hier niet, maar redeneert. Hieruit, dat
a
Abraham een gerechtvaardigde heette uit het geloof, konden de Galatiërs weten iyivüirxsiv, eigenlijk: bemerken), dat zij die uit het geloof waren {}\'/. Trivrsa:, zie Rom. 3:26; vg. 4 :14), en deze alleen (cItci) zonen van Abraham waren.
Hiermede beeft Paidus nog volstrekt niet bewezen wat hij in vs. 5 gezegd had. Het is slechts een aanloop. De eigenlijke bewijsvoering moet nog komen.
Vs. 8. Tlpoïcioüira Sf ^ ypxQy, oti èx tt larea c \'S ixxic7 rx iêvy b irposuyiy/skiaxto tü \'A (3 p x a pt,, oti
evevxoyvioyaovtxi iv itcz ttxvtx tx eamp;vy.
De Sinaïticns plaatst rx eóvy vóór quot;óiy.xiol. Daar echter de begrippen èx Triarsccg en quot;Sixxiol bij elkander behooren, is de lezing van B te verkiezen.
Ook hier is gt;5 ypxtyy niet de Schrift, als samenvatting van de boeken des Ouden Verbonds, maar het schriftwoord, en
143
143
Ill : 8
wel het woord dat gevonden wordt\' in Gen. 12:3 [yuti svï.0yyióvilt;70VTXi l) sv to) TraTxi x\'t Cpvhx) rij? yiji;)
Aan dat schriftwoord wordt een irpotislv toegeschreven, omdat God geacht wordt daarin te spreken tot de gemeente (vg. vs. 22; Kom. 9:17). quot;Wat was nu vooruitgezien? De rechtvaardiging der Heidenen uit het geloof {crt iy. ttIttsuc TSiy.ztoï rói Uvj). Ook hier ligt weer op het geloof de na-druk. Omdat de Heidenen niet uit de werken der Wet, maar uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden, heeft God aan Abraham, niet aan den onder de Wet levenden, maar aan den uit het geloof gerechtvaardigden Abraham reeds te voren dit evangelie verkondigd pcsvw/sïJcrzTo): in u zullen al de Heidenen gezegend worden.
Hier is Paulus nu gekomen tot hetgeen hg betoogen wilde. De s-j?.oyix, zichtbaar in het ontvangen van den H. Geest met zijne Ivvxpstc, was niet aan de werken der Wet, maar aan de prediking van het geloof verbonden (zie vs. 5).
Om dit duidelijk te maken, moesten vs. 6 en 7 voorafgaan. Het was waar, wat de Judaïsten beweerden: men moest een zoon van Abraham zijn, om deel te hebben aan den zegen (de s-j/.cyix) van Abraham. Maar wel verre van daaruit te besluiten, dat men nu ook de Wet moest gaan volbrengen, volgde daaruit, dat men moest gelooven; want, daar Abraham uit het geloof gerechtvaardigd was (vs. 6), was men alleen door het geloof een zoon van Abraham (vs. 7), en erfde men dus alleen door het geloof zijnen zegen (vs. 8).
Deze slotsom wordt nu opgemaakt in vs. 9.
\') Zoo leest Swete. Eene andere lezing is IvEuAoy^VovTai.
J) Paulus redeneert, alsof in Gen. 12:3 niet maar \'éhy stond.
144
144
145 III : 9—11
Vs. 9. quot;CLtts ol sy. TritTTsat; evXoycvvrxi (rvv\'^rp TTia-rqi ^ A amp; p x a y..
:cvt£ : zoo dan, derhalve, komt dikwijls bij Paulus voor. sno-ra\'?, in den zin van geloovig, ook in 2 Kor. 6:15; Col. 1:2. ow \'Appxdft: gelijk Abraham gezegend is (zie vs. 16).
•
Vs. 10. quot;Oïoi yxp \'épycov vó^ov sltriv, -jTrh y.xrxpxv sIt i v yéypxTrr xi y xp, or i s^ixxrxpxTO? tt xg oc ovy. s [/, [té v si T7 xa-1 Tolg svysypx ft, ft svoig sv tc5 jo t j3 ?. / u r ov
vóftov T ov TT 0 lij (T XI xv tx.
Hier en in de volgende verzen spreekt Panlns zich nog sterker uit. Niet alleen was het onnoodig onder de Wet te zijn, ten einde met den geloovigen Abraham te worden gezegend, maar ook was het geloof de e enige weg. Want geen zegen, maar vloek rustte op allen die uit de werken der Wet waren (f£ spyuv vóftov sJvxi-: van de Wetswerken uitgaan als grond van rechtvaardiging, in de Wets werken zijn levenselement vinden).
De aangehaalde plaats is Deut. 27 : 26, vrij naar de 70 (sTrixxTxpxTOc TTxg xvÓpuTTog og ovx êftpévsi sv tvxviv TÓïg Koyoig tóv vóftov tovtov 7roigt;jlt;rxi xvTovg). De nadruk ligt op ttxtiv. Dit — meent de apostel — doet zien dat men alles wat in de Wet staat moet hebben volbracht, om den vloek te ontgaan. Daar nu niemand, die onder de Wet staat, dit van zich zeiven verzekeren kan, rust de vloek van God op hem, en kan hij dus geen deel hebben aan de svXoytx van Abraham.
Vs. 11. quot;Or; §£ sv vópou ouès^ig \'S r/.x toï/r x i Trxpx TÜ ósü, SijAov on a S/xxiog sx Tr/rrsag Z^stxi.
VI. 145 10
Ill : 11, 12
Hier wordt geen slotsom opgemaakt (van waar anders Ss ?), maar voortgeredeneerd. Er komt iets nieuws in liet betoog. Het zij zoo — kon licht een jndaïst zeggen — alles wat in de Wet gesclireven staat, heb ik niet gedaan, en daarom rust, als gij wilt, de vloek Grods op mij. Maar is bet nu, om van dien vloek verlost te worden, d. i. om gerechtvaardigd te worden, om vergeving van zonden te vinden en alzoo door God als een rechtvaardige te worden aangemerkt, is het nu daarom noodig, dat ik het standpunt der Wet geheel verlaat ? Kan ik niet èv vipa), d. i. onder de bedeeling der Wet, aan de Wet als middel van behoud vasthoudende (zie 5:4; Kom. 2:12; 3:19), bij God vergeving en het eeuwige leven vinden?
Neen, antwoordt Paulus, dat dit niet kan, blijkt duidelijk (SijAsv) uit bet welbekende woord van Hab. 2:4, o iïixxioc sk TrlïTscc? tyverxi \'). Daar wordt gezegd, dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven. Dewijl dit nu gezegd was h vi^o:, terwijl het nog de bedeeling der Wet was, blijkt daaruit duidelijk, dat de Wet als middel van rechtvaardiging geheel werd losgelaten. Want als geloof het middel des behouds is, is de Wet het niet; en als de Wet het middel des behouds is, is het geloof het niet. Het ééne sluit het andere uit. Dit nu wordt in het volgende vers gezegd.
Vs. 12. \'O § £ v 6 (/.oc ovy. \'étrriv sx iritrrsug, xï.a \'o trof/irrxc avr x stxi èv xvto7c.
146
In den Ree. lezen wij na : xvöpuTros. De beste hand-
\') In de 70 lezen wij t/o-tew? wat aan de woorden een gansch anderen zin geeft.
146
III : 11—13
schriften hebben het echter niet. Het is uit de 70 overgenomen (Lev. 18: 5, o Trorjtrxs avöputrag fyeerxi êv x-jtoIc).
ix geeft te kennen, waaruit iets voortkon lartoe iets behoort. Zoo wil Paulus hier zeggen, dat wet en geloof niet bij elkander behooren. Het eigenaardige toch van de wet, dat wat haar kenmerkt, en zonder hetwelk zij haar karakter van wet verliest, is: doen, gelijk geschreven is: wie deze dingen doet, zal daarin, in het doen daarvan, leven. En nu is juist het doen, het werken vreemd aan het geloof (nam. als het de rechtvaardiging geldt). Gelijk wet en werken, zoo behooren geloof en genade bij elkander (zie vooral Rom. 4 : 16, Six tojto êx ttIttsccc , \'{vx xxrx %xpiv).
Zoo heeft de schrijver zich den weg gebaand tot vs. 13.
Vs. 13. Xpitrrog vftxi; ü-vyópxtrsv êx tvs xxrxpx? toD vópov, ysvóf^svog VTrsp xxrxpx, oti ykypx-itTxr
stt ixxt x p xr o q Tvxg ó xpspLxposvo? stt) Ï;vXou.
De Sin. heeft yéypxTrrxi yxp, waarschijnlijk eene verbetering van het bij Paulus minder voorkomende on ysypxvrxi.
De samenhang van dit vers met de voorgaande springt in het oog. Wie meent, dat hij van den vloek der Wet wel verlost kan worden av vopcp, bedriegt zich. Er is maar ééne verlossing mogelijk, nam. door Christus. Met nadruk staat daarom ook Xpivros vooraan.
i^xyopx^etv (zie ook 4:5) is hetzelfde als xyopx^stv in 1 Kor. 6 : 20; 7 : 23, en beteekent eigenlijk : koopen, loskoopen, van daar verlossen.
De vloek der Wet, waarvan Christus ons heeft verlost, is dezelfde als die in vs. 10 bedoeld is, de vloek die op eiken
-147
147
Ill ; 13
wetsovertreder, d. i. dus op ieder die onder de Wet leeft (daar niemand de gansche Wet kan volbrengen), rust. Wordt die vloek niet weggenomen, dan kan de zegen van Abraham niemands deel worden, en de belofte, aan Abraham gedaan (zie vs. 8), wordt niet vervuld.
Die verlossing is daardoor geschied, dat Christus xxTKpa geworden is •j~sp (niet «vrtyvfiüv, ten onzen gevalle, ter wille van ons. Deze laatste woorden worden er bijgevoegd, om te doen zien dat Christus geen y.XTsipx was in den zin van vs. 10, daar hij geen wetsovertreder was, maar zich om der zondaren wil, om hen te verlossen, onder de èirixxTapxrot heeft laten opnemen, door den kruisdood te sterven.
Ook hier haalt Paulus weer eene plaats uit Israels heilige Schriften aan. Trachtten de Judaïsten het kruis van Christus zooveel mogelijk in de schaduw te plaatsen, Paulus plaatste het in het volle licht, het licht der profetie; en wel van zijne voor den jood meest aanstootelijke zijde, niet om daardoor de Judaïsten te plagen, maar omdat hetgeen den Joden een ergernis was, hem eene kracht Gods tot zaligheid was geworden (vg. 1 Kor. 1: 23, 24).
De aangehaalde plaats is Deuter. 21: 23, Ksy-xrypxpisysg xjtto tffoD 3-5? xpepcifievoi; stt) De woorden ütïo Ssoü laat Paulus
weg. Dit trof reeds de aandacht van Hieronymus (Comm. ad h. 1.). De beste verklaring scheen hem toe deze te zijn, dat een vijand van Christus vttö óeoü in den tekst gebracht had, om te kunnen zeggen: ziet eens, welke menschen die christenen zijn! Zij gelooven in een Christus die door God vervloekt is!
Waarschijnlijker zal wel zijn, dat Paulus de plaats uit zijn geheugen aanhaalt. Een y.xripx was voor het oude Israël de
148
148
III : 13, 14
man die, na ter dood gebracht te zijn aan een hout werd gehangen, opdat ieder zijne schande zien zou. Dat was voor Paulus eene profetie van den kruisdood van Christus. De schande van een gevloekte heeft hij gedragen; alsof hij een gevloekte ware, heeft hij zich aan het kruishout laten nagelen.
Daar het mij alleen te doen is om Paulus te laten spreken, verdiep ik mij niet in dogmatische beschouwingen. Alleen wijs ik op 2 Kor. 5 :21, als behoorende in denzelfden kring van gedachten : roi/ yvovrx x/txprlxv, uvrsp yftav ocftxprixv sTToiwsv. Ook hier vinden wij het abstracte xpxprix, gelijk in Gral. het abstracte xxrxpx. Gelijk Christus, alsof hij een vpxpTuXoi; ware, gestorven is, is hij, alsof hij een èirixx-Txpxrog ware, den kruisdood gestorven
Vs. 14. quot;Ivx slg rx sivy ^ svhoyix tov \'Appxxfx, ysv/j-t xi êv Xpivrü, ïvx ryv sir xyy s X i xv toü irvsv-
[Axroi; Xx(3uf/,sy quot;è ix tt latsu
149
Hiermede keert Paulus terug tot hetgeen hij in vs. 8 en 9 van de svXoyix van Abraham heeft gezegd. Die svKcylx kon, in overeenstemming met de aan Abraham gedane belofte, niet het deel der Heidenen worden, zoolang het geslacht van Abraham, dat het eenige kanaal was waardoor die si/hoyix tot de Heidenen kon komen, niet van den vloek der Wet, waaronder het gebukt ging, was ontheven. Nu echter door
\') Er is geen reden om met Weisse de woorden ön—liiav weg te laten. Vooral bij die krasse uitspraak: Christus is eene xxrxpx voor ons geworden! kon een beroep op het yéypavrai moeilijk wegblijven.
149
Ill : 14
Christus de vloek was weggenomen, konden ook de Heidenen deel krijgen aan den zegen van Abraham.
ïvx ryv èTra.yysï.ixv roü ttvev^ztos quot;Six rij? Trirrrsac.
Men heeft aanstoot genomen aan het duhhele quot;vx, en daarom van een bedorven tekst gesproken. Hoe is het mogelijk! Paulus houdt er juist van, quot;vx te herhalen, in plaats van het meer gewone kx) te bezigen, wanneer de tweede zin eene verwante gedachte uitdrukt (zie o. a. 4 : 5; Rom. 7:13; 2 Kor. 9 : 3).
Dat eerst van de heiden-christenen, daarna, zonder nadere aanwijzing, van de heiden- en joden-christenen gezamentlijk gesproken wordt (hxpapsv) is weer door- en door-paulinisch. In 4:5 hebben wij hetzelfde (zie ook 3:25, 26; Eom. 7 ; 4).
toïi TTvsuftxToc is gen. obj. De belofte van den Geest ontvangen is hetzelfde als den Greest die beloofd is ontvangen. Daarin bestaat de svhoyix van Abraham — wil Paulus zeggen — dat de H. Geest door het geloof aan ons, joden- en heiden-christenen, geschonken is. Dat hij er dit bijvoegt is, omdat hij zijn betoog juist hiermede begonnen is, dat de Galatiërs to ttvsv^x van God hadden ontvangen O; ay.sijs kivtsuc. (vs. 5).
Zoo is er het schoonste verband tusschen de verzen 5—14. Moge het geen vloeiend grieksch zijn, dat Paulus ons te lezen geeft, moge de ééne gedachte wat afgebroken op de andere volgen, er is toch samenhang, zonder veel moeite te vinden, als men zich in des apostels wijze van denken weet te verplaatsen. Kortelijk komt de perikoop hierop neder:
Vraag: Heeft God u den Geest met zijne Ivvx^ei; gegeven, spycuv vi[Mv, of is «Jcaij? xitrrsact (vs. 5).
150
150
III : 14
Antwoord: Wij hebben de sTrzyyeXlx tqxj Trvsupxrin; ontvangen oix ri?? Trhrsus (vs. 14).
Bewijsvoering, ontleend aan bet allen welbekende voorbeeld van Abraham\'s geloof:
Abraham is uit het geloof gerechtvaardigd (vs. 6).
Wie gelooven, zijn dus zonen van Abraham (vs. 7).
En daardoor ook erfgenamen van de beloften , aan Abraham als geloovige gedaan. Erfgenamen dus ook van de euhoytx van Gen. 12 : 3 (vs. 8, 9).
Op eene andere wijze kan die sufoyix niet worden verkregen. Wie onder de Wet is, is onder den vloek, en blijft onder den vloek (vs. 10).
Geene verlossing van den vloek, geene rechtvaardiging voor God is onder de bedeeling der Wet mogelijk. Want zelfs onder die bedeeling wordt de rechtvaardigheid aan het geloof verbonden. En geloof en wet hebben niets met elkaar te maken (vs. 11, 12).
Christus alleen heeft door zijn kruisdood den vloek der Wet weggenomen, en daardoor den hinderpaal verwijderd, die de bedeeling des geloofs voor Joden en Heidenen tegenhield (vs. 13, 14).
Ik vind dus niet de minste reden om met W e i s s e aldus te lezen: \'O svv sirixop^yuv öfuv to msvux, zx) svspyüy \'êvvxfjt.sis sv vfüv, ££ spyiuv vóftou; \'\'On quot;Ss h vó/jlu ovèe): èiy.xioürxi Kzpx Tcjj ©sw, on \'o olxxiog ix kiztsuc K-jtrsTxr s \'Si vipos
ovx, sgtiv êx irfarsu? «AA\' ó ttoiyjix: xvtx ^-/iamp;srxi êv xvTÓïg. XpiirTos ypxc s^yipxtrsv sy. rij? xxrxpxc toïi vopov, yevipsvo: CiTrep y/AÜv y.xrxpx, ivx rijv èirxyyshlxv toü rrveópixTos/.xfinfisv iïtx rijg rriirTeus.
Evenmin kan ik de voorkeur geven aan den tekst van van Manen:
151
151
Ill : 14, 15
\'o iKixopyiyüy vftïv ro ttvsu^x kx) êvepyüv quot;Suuafisi? iv vpïv......1)
Mxósrs i\'rt \'o oizxisq sk 7r\'i(rreuq Z^Terxt. oiroi yap vvh vófiov, vtto y.y.rxpxv sleiv on STrixxTxpxrog irccz 3? ohv. i[j.y,vjai tïxvi roïc èyys-ypx^piévoi? êv rp fiipxlco rovvófiou, toü troiyexi xut». èv véitu oviïs): oiy.xioÜTxi. \'o Sf vii^oc cvy. svriv in TrhTeug\' ó os Tvor/iaxc xjtx Zy,7STXt èv xvrolc. XptTTQZ yy-xc sf-yyópxasv lv. rijg y.xTxpx: roZi-vópiov, yevifisvog virsp yfiüv y.xrxpx, er/- \'EirixxTxpxroi: ttxc 5 gt;:p6fix,u,£\'jcg sir) t;óKoii. ihcéfiofisv ov-j rvjy evXoyixv rov ttvsviixtoc ciix ryjg Thrrsug,
Het ligt niet op mijn weg, na te gaan, hoe van Manen tot dien tekst komt. \'t Is bekend, dat hij dien voor het grootste deel heeft gehaald uit hetgeen de kerkvaders omtrent den tekst van Marcion hebben bericht. De Marcioni-tische tekst zal het ook hier van den katholieken tekst moeten winnen. De katholieken zullen den oorspronkelijken tekst, dien van Marcion, door er Abraham in te brengen, verknoeid hebben! Verknoeid? Ik ben niet zonder hoop, dat men er anders over zal oordeelen, na mijne verklaring te hebben gelezen.
Vs. 15. \'ASf/Cpo/, xxtx xvópuirov Xsyw xvópcinrcu
y.£y.v pa ftév/iv $ ixQyjy.yiv cuJf)? xÓstsI •!) s tt ixt xcr (j stxi.
152
Hier begint de apostel eene nieuwe gedachte te ontwikkelen, die wel in verband staat met de verzen 6—14, maar toch een zelfstandig karakter draagt. De vraag wordt besproken, of de belofte, waaraan de schrijver kennelijk zoo
\') De tittels duiden aan, dat van Manen den tekst zóó bedorven acht, dat bij aan eene herstelling zicb niet durft wagen. Vijfmaal komen zij in zijnen brief voor.
152
III : 15
groot gewicht hechtte, toch eigenlijk niet door de Wet, die later gekomen is, van kracht is beroofd; of dus de bedeeling der belofte niet kon geacht worden door de bedeeling der Wet vervangen te zijn. Dat die vraag voor de hand lag, zal niemand ontkennen.
xèshCpol. Na 1 :11 hier weer voor het eerst. „ Die Stimmnng hat sich besanftigtquot; (Sieffert).
X\'Xjèi xvöpuirov Xkyn (vg. Rom. 3 : 5; 1 Kor. 9 : 8): ik spreek op de wijze der menschen, zooals menschen gewoon zijn te spreken; d. i. ik ontleen een bewijs voor de waarheid van hetgeen ik zeg aan de gewone manier van handelen bij de menschen.
(evenwel, toch) staat hier vreemd. Men zou het verwachten achter lix6^y.tiv (al is de titxifay eene menschelijke, toch wordt zij door niemand te niet gedaan). Evenwel, ook bij de Classieken worden zulke adverbia dikwijls gevonden op plaatsen, waar men ze niet zou verwachten1). Opmerkelijk , dat wij 1 Kor. 14: 7 hetzelfde vinden. Ook daar zou men niet zx xip\'JXx, oiSivrx, maar tx xxpuxx,
(y.xiTrsp) Cpar/iv \'èCèóvTx, oiaus verwachten.
ÏSixêjxv: beschikking, ook uiterste wilsbeschikking of testament; hier: iets dat iemands wil duidelijk aangeeft.
xvpöuv (alleen nog 2 Kor. 2:8): bekrachtigen, rechtsgeldig maken (vg. Gen. 23 ; 20).
xdsrsTv (zie 2 : 21): van kracht berooven; èTrtèizrxwsróxt: aan eene beschikking iets toevoegen.
153
Onder de menschen — wil Paulus zeggen — is het ver-
\') Zie Winer, Gramrn. § 61, 4. In zijn Comm. heet het: «hac vocis trajectione nil fere crebrius apud Graecos.»
!53
in : 15, 16
boden, eene wilsbescliikking, die, omdat zij geheel volgens de wet is geschied, ook geldig is voor de wet, als niet gedaan te beschouwen, of iets daaraan toe te voegen.
Hoeveel te minder kan dan wat God eenmaal (nam. aan Abraham) als zijn wil heeft bekend gemaakt, door iets anders (in casu de quot;Wet) te niet gedaan worden!
Vs.lö.T^j §£ \'A/3p««ippèóyilt;Txvi) »1 êTrxyyehixi xx) tü vtt s pftXT i xutoü. cv hkysi\' y.x) toUc lt;j ■ü k f [i. xn iv, us stt) x\'/.\'Aa, ca? iep\' JvJ?- xx) rü trttép[txr! eov,
og ê oquot; t t y xpitrtó?.
ippsóyjfx\'j (van het in onbruik geraakte psa): zijn gesproken, en wel van Gods wege. Ook Rom. 9:12, 26 wordt het woord gebezigd om eene godspraak aan te duiden.
x\'i £7rxyy£/Jxt: de beloften, al de beloften, waarvan de heilige Schriften Israels gewaagden, en waarvan de in 3 :8 genoemde als het ware het middelpunt was.
y.x) Tcp (nrspfjixti xvtoü k. T. A. Bij het lezen van deze en de volgende woorden (tot vs. 29) rijzen weder tal van vragen op, waarop de commentaren ons geen antwoord geven. Nergens misschien laten zij ons meer in verlegenheid. En hoe langer ik er over denk, des te meer kom ik tot de overtuiging, dat slechts eene doortastende critiek hier hulp kan aanbrengen. Ik ben het hierin geheel eens met Steek en van Manen. Alleen verschil ik van hen, wat de oorzaken betreft, die tot het bederven van den tekst aanleiding hebben gegeven. De laatste laat van de gansche perikoop niets meer
^ Boven de tweede e in is gt;( geschreven — eene latere ver
betering; hffvjSitireev is beter grieksch. (zie Tisch).
154
154
III : 16
overblijven dan Trxvrec yap uloi strrs rijc Trlrrreco; (vs. 26 met verandering). Zóó zal Marcion gelezen hebben. Zóó zal het in den oorspronkelijken brief hebben geluid. De katholieken zullen ook hier Abraham weder ingebracht hebben, en nog vele andere dingen hebben ingelascht, die de scherpheid van den brief eenigszins wegnamen.
Steek meent, dat bijna alles ontleend is aan de brieven aan de Romeinen en aan de Korinthiërs, vooral aan Eom. 4—7. De verdichter zal nu dit, dan dat aan die hoofdstukken ontleend hebben om voor denzelfden schrijver te kunnen doorgaan.
Gaarne erken ik, dat het ook mij moeilijk zou vallen de oorspronkelijkheid van den brief te handhaven, wanneer hij overal was zooals hier. Er is hier werkelijk veel, dat wij elders veel schooner, veel pittiger, veel samenhangen dei-terugvinden. Er is plagiaat gepleegd, zonder twijfel. Maar nu is het de vraag, of de eerste hand, dan of eene latere daarvan de schuld draagt. Is er niet, onder zooveel dat van elders is overgenomen, eene oorspronkelijke kern terug te vinden, iets dat zich aan het voorafgaande en het volgende geleidelijk aansluit, en in overeenstemming is met het karakter van den brief? Ik meen, ja, en ga daarvan rekenschap geven. Ook hier zal ik zoo weinig mogelijk andersdenkenden bestrijden, en liever mijne lezers met mij mee laten denken, om zoo met elkander het resultaat op te maken.
De woorden xx) t$ trxsp^xn xutoü verwacht men hier niet. Er is tot nog toe alleen sprake geweest van beloften die aan Abraham zijn geschied; en ook verder wordt (als wij vs. 19 uitzonderen) van hetgeen er met zijn zaad gebeurd is, allerminst van beloften, die het ontvangen heeft, iets gezegd.
•155
155
Ill : 16
In vs. 17 zou men ten minste verwacliten iets daarvan te hooren. Maar neen, geen enkel woord.
Het volgende echter is nog vreemder: ou Xsysr (nam. o ósoi; of ^ ypxCpy;) y.zi roTs VTrspfiXGiv, fff) foXXüv, «AA\' w? ècpquot; s\'jiq\' KiCi tu T7rht/,xTi (toj , cc sïtiv xpitto?. Dit kan niet anders verklaard worden, dan zooals bijna al de nieuwere exegeten doen, dat namelijk de schrijver uit het enkelvoud wèppx opmaakt, dat niet vele personen bedoeld worden, dus ook niet een gansch volk, maar één enkel persoon, en wel Christus. Nu weten wij dat, als er in Genesis van het zaad van Abraham gesproken wordt, wel degelijk het volk van Israël wordt bedoeld; verder, dat TTréptta. een collectivum is, zoodat uit het enkelvoud nooit kan afgeleid worden, dat een enkel persoon bedoeld wordt. Maar dit zou voor mij geen reden zijn om te zeggen: zóó kan de schrijver van onzen brief nooit geschreven hebben! Want hij was een kind van zijn tijd, en kon daarom ook wel eens redeneeren, zooals in de scholen der Rabbijnen geredeneerd werd 1).
156
Ik heb andere bezwaren. Vooreerst vraag ik; wat is eene belofte, die niet alleen aan Abraham, maar ook aan Christus geschied is ? In vs. 19 wordt het nog duidelijker gezegd. Algemeen worden de woorden to vtrèpftx £ strjyyehrxi door de exegeten in verband gebracht met vs. 16. En dat ligt ook voor de hand. Men zal dus ook in vs. 19 aan den persoon van Christus moeten denken. Maar hoe nu? Heeft Christus de beloften geërfd, die aan Abraham gedaan zijn? Of is niet Christus zelf de groote inhoud dier beloften; of — wil men
\') Zoo zagen de Eabbijnen in het vit van CTen. 4:25 en 19:32 den Messias. Zie Borger op deze plaats.
136
III : 16
liever — zooals in vs. 22 gezegd wordt, de weg, langs welken die beloften aan de geloovigen vervuld worden? Ik denk tocli wel, alleen het laatste. Het eerste, dat de beloften Gods niet alleen aan Abraham, maar ook aan Christus geschonken zijn, heeft volstrekt geen zin O-
Een ander bezwaar is dit: Uit As/f/blijkt, dat een schriftwoord wordt aangehaald; en uit y.oci tcu (let wel op dat itoci), dat die woorden in dat schriftwoord moeten gestaan hebben. Maar dit is alleen het geval in Gen. 13 : 15 en 17 : 8 (Sdiru eo) xx) rü (TTrsp^xzi ecu •/.. r. A). Nu zijn het niet deze plaatsen, die door den schrijver vroeger zijn aangehaald , maar alleen Gen. 12:3, waar van het Tzéppx niet gesproken wordt.
Nog een ander bezwaar. Vs. 17 slaat met geen enkel woord terug op hetgeen van Christus als het Tvrép^ix. van Abraham is gezegd. En toch doen de woorden toïito Is \'/.kyu dit verwachten. Terecht verklaart Wilke-Grimm die uitdrukking aldus: „verbis meis significatum volo sive intelligi volo, nostr. meinen, mit dem ausgespro-chenen Worte bezeichnen (saepe ita apud Graecos).quot; Het moet dus op het onmiddellijk voorafgaande terugslaan , evenals 1 Kor. 1:12; 10: 29.
157
Willekeurig komt het mij dus niet voor, vs. 17 te laten
\') Holsten (A. w., S. 98, 101) vertaalt 3:19 «bis dass gekommen sein quot;würde das samenkind, für welches die verheissung gegeben ist, der Messias;» en 3:16: «dem Abraham aber wurden die verheissungen als een gotteswort gegeben und seinem samenkinde.» — Hier dem, daar für! Dat mag niet. Zou de schrijver ook, zonder het te weten, geleid zijn door de gedachte, dat aan den Messias de beloften niet kunnen geschonken zijn, gelijk zij aan Abraham zijn geschonken?
157
Ill : 16, 17
volgen op de woorden tw Jè \'Afipxxfi êppéówxv xi sTrxyysXixi, en wat er tussclien ligt te honden voor een invoegsel van latere hand. Men scheen het hier eene geschikte gelegenheid te vinden om, naar aanleiding van hetgeen in Eora. 4 van Abraham of zijn zaad (vs. 13) gezegd was, iets van het zaad van Abraham in te lasschen, zonder te begrijpen, dat in Hom. 4 geheel wat anders bedoeld werd, en dat men met die inlassching den tekst niet verrijkte, maar bedierf.
Verbindt men nu vs. 17 met vs. 16a, dan begrijpen wij de redeneering best, al is de stijl, zooals dikwijls bij Panlus, niet bijzonder vloeiend. Na gezegd te hebben, dat aan eene menschelijke wilsbeschikking, die in al de vereischte vormen geschied is, niets mag worden veranderd, wil hij aantoonen, dat dit ook, en nog veel meer met de goddelijke wilsbeschikking het geval is. Daartoe stelt hij voorop, dat (wat iedereen moest toegeven) van Gods wege1) de beloften aan Abraham gegeven waren; om dan, zich nader verklarende (tovto os héycc) hierop te wijzen, dat de door God gemaakte wilsbeschikking, in den vorm van beloften aan Abraham geschied, door de quot;VVet niet van kracht kon worden beroofd.
Dit is eene nieuwe, oorspronkelijke gedachte, die uitnemend zich aansluit aan hetgeen 3 : 5—14 was gezegd.
Vs. 17. Toïito Sf hèyu, S i x 6 j y.vv k p oy.sxv p cc pè v vv v tto toü 6 s ov b [l ijx TSTpxy-OTix y.x) t p i xxovtx \'éry y sy o-vu? vSjM.0? oéjy. xy.vpc/l, sis to axr xpyvju xi ryv êrrxy-yeXixv.
Achter öfaü plaatst de Ree. met D E F G £lt;? Xpitrróv.
158
1
) Men lette wel op dat sföéfyrav (zie boven, bl. 154).
158
159 III ; 17
Dit wordt echter, behalve in B, ook in n A C en vele vertalingen gemist. Het is, tot opheldering, overgenomen uit vs. 16.
\'t Is vreemd, dat W e i s s e ook dit vers weglaat. De bedoeling van de beide vorige verzen komt er juist door aan het licht. Men zou voor het verband, nog eerder het g a n s c h e 16de vers kunnen missen, dan vs. 17.
riixfyxy, terugslag op de van vs. 15 en de sTrxyys/.lxt
van vs. 16.
Trpo in Trpsy.sxvpvpsvw om het volgende iastx. Als door God gegeven, waren de beloften aan Abraham rechtsgeldig, en mocht men dus op hare vervulling rekenen, hoe lang die vervulling zich ook liet wachten. Zelfs de Wet kon die beloften niet van hare kracht berooven (xxvpoT).
De 430 jaren heeft Paulus ontleend aan Ex. 12;401). Wat al jaren daarna! wil hij zeggen, om te doen zien, hoe lang het tijdperk der belofte geduurd had, en van hoeveel beteekenis dat tijdperk dus was. Paulus sprak xxtx avöpuTrov.
sU to y.xrxpyijrxi ryv sTrxyysKixv. Het doel van het xxupoüv kan geen ander zijn, dan het te niet maken van de belofte. Is de wilsbeschikking van God van kracht beroofd, dan is het ook gedaan met de vervulling van Gods beloften; dan heeft de iïtaójxy der Wet de oixd-jy.y der belofte vervangen. Dezelfde gedachte in dezelfde woorden als Kom. 4: 14 ï).
159
1
) Zie hierover vooral Baljon, bl. 190—192.
s) Verdenking van plagiaat geeft die overeenstemming niet, als men de gelijkheid van onderwerp in aanmerking neemt, en tevens weet, hoezeer Paulus van het woord Kurxpyeiv houdt. Twee en twintigmaal komt het in de vier hoofdbrieven voor.
Ill : 18
Vs. 18. Ei yxp sk vi[tov vt xï.ypovoftlx, ovx.èri £§ iTnxyyst.lx?\' ragt; 5f \'Afipxxft §/\'\' sxxyye^ixc y.sxx-
p l(7t »i ó öeó c.
Onverklaarbaar is gt;5 Khypovopix. In Eom. 4: 14 is liet op zijne plaats, daar Abraham vs. 13 xotijlc-j genoemd
wordt. Hier echter is van geen x/^pcvé/toc of xtypovoplx sprake geweest. Men heeft gedacht aan het land Kanaan, dat voor den christen een type is van het koninkrijk Gods. Maar het verband spreekt daarvan met geen enkel woord. De Gralatiërs moeten wel vreemd opgezien hebben, toen zij daar eensklaps van eene xtypovofilx hoorden.
Maar zij hebben er niet van gehoord. Panlns heeft, kort en krachtig, zooals hij in dezen ganschen brief is, geschreven: el yxp èy. vófiov, cvxéti sTrx\'yye/.lx? (vergel. Rom. 11 : 6, £/ §f xxpiri, c-jyJn £$ ipyav). Maar een afschrijver, die op zijne manier den tekst uit Rom. 4 wilde verrijken, heefter y xtypovoftlx bijgevoegd. Ook hier blijkt, hoezeer onze brief door afschrijvers en correctoren is verknoeid.
Dat het gansche vers aan Rom. 4 is ontleend, is niet aan te nemen. quot;Want Paulns heeft het voor zijne redeneering noodig. Men kon op de laatste woorden van vs. 17 deze aanmerking maken: gij spreekt daar van een te niet doen van de belofte door de quot;Wet. Maar dat is te sterk gezegd. Wij willen de belofte niet door de quot;Wet te niet doen, maar haar slechts naast de belofte stellen (zie het sTihixrx^reTamp;xi van vs. 15), als een middel om den zegen Abrahams deelachtig te worden. Hierop antwoordt Panlns: neen! of het één, óf het ander! Als het uit de quot;Wet is (dat wij namelijk, gelijk gij beweert, den zegen van Abraham ontvangen), dan is het niet meer uit de belofte! En weet dan wel wat gij
160
160
III : 18—20
doet! Dan tast gij de Sixtijxy van God aan. Want tü Se quot;A/fyaws/Ci §lt;\' iTTOL\'/ysMxe y.ex,cipi(rrixi h êsic. !) Dit wordt nog eens, duidelijkheidshalve, herinnerd. Buiten alle wet om, alleen door eene belofte, had God aan Abraham genade bewezen (%xpi^£7Öxi absolute te nemen, gelijk zeer dikwijls bij de Classieken); m. a. w. wat God aan Abraham beloofd had, was alleen het werk van Gods genade geweest.
Vs. 19, 20. T/ ovv 5 vópoi;-, tüv Trxpxpxrsuv xxpiv t poe er é Qyj, a xp it; xv ro crTrsp/ax, u s Trvfy y s Xr x i,
SixTxye)? 5/\' xyysXuv, êv x£l91 fteetTou. 5 5f /££(!■ Iry]£ hvog ovk srrriv, ó Qsoc elg sgt\'iv.
Vreemd is de lezing van Irenaeus: „Quid ergo lex factorum? Disposita per angelos in manu mediatoris posita est usquedum veniat semen cui promissum estquot;. 2) Hij schijnt dus gelezen te hebben: T/ ovv 5 vóftoc txv rrpxteau; srsóv xxpi? x. t. A. Zóó vinden wij het ook in enkele handschriften. 3) Waarschijnlijk is \'Trxpxfixrrsuy x^Ply veranderd in TrpxSsccv x^9l\'J-gt; omdat men zich beter eene wet kon denken die gegeven was ter wille van onze daden, dan ter wille van onze overtredingen. Later vond een ander dat eene wet voor onze daden toch altijd nog beter klonk, dan eene wet die ter wille van onze daden gegeven was, en liet Xxpiv weg.
161
1
) I, p. 447. Verg. I, p. 773 «Legem factorum positam, donecveniret semen, cui promissum est.»
2
Zoo ook Ambrosiaster: «Quid ergo lex factorum? Posita est donee,» etc.
3
) Soms wordt er nog bijgevoegd (zie Tisch).
VI. 161 11
Ill : 19, 20
Eene andere vraag is, of wij nu in r! ovv i vófto?; rüv Trapx/Sixirsau xxpiv TrpotrsTsêy den oorspronkelijken tekst hebben. Ik waag de gissing, dat Paulus van vs. 19 en 20 niets anders heeft geschreven dan t! ovv; dat de woorden a vs\'jtifl?— £itt)v later door afschrijvers en correctoren zijn geïnterpoleerd , waardoor de invoeging van ovv in vs. 21 noodzakelijk werd. Mijne gronden zijn deze:
Ti ovv o vófioc; k. t. X. is niet paulinisch. De eenige plaats, die analoog is, is 1 Kor. 3:5 (volgens de beste getuigen) Ti ovv samp;tiv \'ATTflAAw?; rl §f ivnv Havhog; quot;èixxovoi 5;\' av sttig-t£V76ct£. Maar wie ziet het verschil niet? Hier geeii^itxKcvoi antwoord op het voorafgaande t/ (Wat is dan Apollos? en wat is Paulus? Antwoord: een oixxcvoc). In Gal. 3 : 19 daarentegen geeft TrpoTsTsêy geen antwoord op rl, maar op den ganschen zin: t/ ovv ó vopo:. Op de vraag, wat dan de Wet is, verwacht men niet het antwoord, waartoe zij door God gegeven is. Dan had er sU ri of iets dergelijks moeten staan. Opmerkelijk is, dat Augustinus bij de verklaring van deze plaats zegt: „Quid ergo? Hucusque enim interrogatio est; deinde infertur responsie: Lex trans-gressionis gratia proposita estquot; etc. Later evenwel zegt hij in zijne Betractationes, dat die verklaring wel niet bezijden de waarheid is, maar dat hij toch nu liever vertaalt: „ Quid ergo lex ? Transgressionis gratia proposita estquot; (zie T i s c h.). Ik meen, dat Au gust in us bij de eerste verklaring het paulinisch taaleigen meer heeft geëerbiedigd, dan bij de tweede.
T\'/iV 77xpx(3xT£0jv x^P\'v\'• ten gunste, ten gevalle van de overtredingen (in favorem, in gratiam). Wat is dat? Hil-g e n f e 1 d denkt aan een „ Hervorrufen und Mehren der
162
162
III : 19, 20
Sündhaftigkeit als den Zweck des Gesetzesquot; Zóó de meesten 2). Er wordt dan verwezen naar den brief aan de Romeinen, waar dat het doel genoemd wordt, waarmede God de quot;Wet heeft gegeven (H. 5 en 7). Ook ik meen, dat de schrijver van Gal. 3: 19 dien brief voor oogen heeft gehad; maar juist door de gedachten van dien brief in zulk eene onbeholpen uitdrukking weer te geven, getoond heeft, dien niet begrepen te hebben. Welke dragelijke zin kan toch aan die uitdrukking: ten gunste, ten gevalle van de overtredingen gegeven worden? Wie kan daaronder verstaan: opdat de zonden tot overtredingen zouden worden ? of, opdat de overtredingen naar buiten zouden komen en steeds meerder zouden worden ? Zal men dat ooit uitdrukken met de woorden: ten gevalle of ten gunste van de overtredingen?
Anderen hebben verklaard: opdat men tot kennis van zijne overtredingen zou komen. Maar dan moest er staan
STTiyVOCtTSCOC 7rxpx(3x!T£CCy xipi\'J.
Anderen: opdat de overtredingen zouden beteugeld worden. Maar bij Paulus komt het juist door de Wet tot TTxpxfiJiTsi:; want waar geen wet is, is ook geen irmpafixGu; (Rom. 4:15). Hierbij komt, dat er in het gansche hoofdstuk geen sprake is van een beteugelen van de zonde door de Wet.
Moeten wij hier niet aan een plagiaat denken? Men las (verkeerdelijk) ri cvv ó vópog; en kon nu de verzoeking niet weerstaan om alwat men van de Wet wist, en waarvan men
») A. w., S. 165.
l) O. a. Holsten, S. 101; Baljon, bl. 195.
163
•163
Ill : 19, 20 164
dacht dat het in den geest van Paulus zou wezen, daar in te lasschen, zoo kort mogelijk, maar daarom ook zoo onduidelijk mogelijk, op gevaar af van iets te zeggen, dat eigenlijk geen zin had. Zóó kwam dat fxpxfixvsav xxPlv i11 wereld. Zóó ook het volgende, waar reeds meer dan 300 uitleggers al hunne scherpzinnigheid te vergeefs op hebben beproefd.
En waarom kan nu de schrijver van onzen brief dat zelf niet geschreven hebben? Waarom zou Steek niet gelijk hebben, die daarin een nieuw bewijs ziet van het gemis van oorspronkelijkheid in onzen schrijver? Om de eenvoudige-reden, dat onze schrijver gewoon is voet bij stuk te houden, en in zijne redeneeringen geene gedachte in te vlechten, die in het verband volstrekt niet te pas komt, die hij dan ook niet ontwikkelt, en waarop hij later met geen enkel woord terugkomt. Nergens in dit hoofdstuk wordt meer van de Trapafixtrsic, ter wille van welke de Wet zou gegeven zijn, gesproken. Zelfs wordt er niet op gezinspeeld.
irpoiri-Téóyi:1) is er bij gesteld. Waarschijnlijk wordt bedoeld:
bij de belofte, die vs. 18 vermeld was. Het woord Trpoarlêsvxt komt bij Paulus niet voor. Zou Paulus niet geschreven hebben Trxpsia-ijhêsv (zie Hom. 5:20)?
xy^pi- xv (of oo) shêtf to tfTTspiamp;x cp siryfyysfcrxi\'. totdat het zaad komen zou, waaraan het beloofd was. Reeds vroeger wees ik er op, dat wij hier eene zinspeling hebben op hetgeen in vs. 16 gezegd is. Het zaad, waaraan de belofte geschied is, is Christus. Totdat die in de wereld kwam, was de Wet door God naast de belofte gesteld.
1
Zoo lezen wij in de beste handschriften. Eene andere lezing is::: iréSy. Ook Irenaens schijnt deze gekend te hebben.
164
III : 19, 20
Daar nu echter de gedachte: Christus, de erfgenaam van ■de beloften aan Abraham gegeven, niet paulinisch is (zie boven, bij vs. 16); daar noch vroeger (vs. 17—19a) noch later (vs. 196—25) iets voorkomt dat de bijvoeging van die ■woorden verklaart — wat, gelijk wij gezien hebben, tegen de gewoonte van Paulus is — acht ik de gissing niet te stout, dat de woorden afkomstig\' zijn van denzelfden afschrijver , die over het enkelvoud van en-sppx in vs. 16 zijne wijsheid ten beste gaf.
^ixrxysig xwéïMv. Deze en de volgende woorden worden door Dr. Baljon terecht uit den tekst verwijderd. \') Letterlijk vertaald, luiden zij aldus: door engelen verordend, in de hand van een middelaar; de middelaar nu is niet van éénen, maar God is één. Dit is onzin. En onverklaarbaar is het mij, dat er nog altijd exegeten zijn, die er iets van maken willen. Gewoonlijk echter overtuigt men alleen zich zeiven.
De tekst is verknoeid, laat ons dat maar ronduit erkennen! En wel zóó, dat kleine verbeteringen geen heil aanbrengen. 1) Al gelukte het er een dragelijken zin in te brengen, toch zou ik aan interpolatie blijven gelooven.
Vooreerst zijn woorden en gedachten beide onpaulinisch. De gedachte, dat de Wet niet rechtstreeks door God, maar door middel van de Engelen gegeven is , wordt wel in Hand. 7:38, 53 s) en Hebr. 2:2 gevonden, maar niet bij Paulus. Aan Mozes geeft Paulus nooit den naam van iJ-euiT^c. èv
165
165
1
) A. w., bl. 51 en verv.
J) Zie Baljon, bl. 52, 53.
sj Ook in Hand. 7:53 wordt van de hcerayxi der Engelen gesproken.
in : 19, 20
X£ipï is onverklaarbaar. Het kan niet beteekenen, dat de tafelen der Wet aan Mozes in handen gegeven zijn. Want niet alleen moest er dan staan slg xslpxg, maar ook wordt er niet van geven, maar van Hixtoutvsiv, en niet van de tafelen der Wet, maar van de We t gesproken, sv xeip) kan slecbts beteekenen, in overeenstemming met het oudtestamentisch gebruik van quot;i\'a (zie o. a. Num. 15:23; 1 Kon. 12:15, waar de 70 iv xsip) hebben): per manum, door middel, door bemiddeling van. Maar dan zegt het hetzelfde als o ti, vóór ayysXm, en wordt dus Mozes voorgesteld hetzelfde deel te hebben in de quot;èixrat-u; van de Wet, als de Engelen.
Aan eene verklaring der volgende woorden (vs. 20) waag ik mij niet. Zóó kan niemand ze geschreven hebben. Hoe de tekst dan ontstaan is, zal misschien nooit worden uitgemaakt-Als een afschrijver den tekst eenmaal bedorven heeft, en latere afschrijvers dien bedorven tekst hebben gewijzigd door verandering, weglating of bijvoeging, en hem daardoor nog meer hebben bedorven, dan is het soms nog wel mogelijk, door gissing te weten te komen wat er oorspronkelijk heeft gestaan, maar niet h o e de tekst in den loop der tijden veranderd is. Waarschijnlijk is meer dan eene hand bezig geweest om den tekst zoogenaamd te verrijken. Dat de Wet met het oog op de overtredingen door God gegeven was, dat zij tusschen de belofte en de vervulling in gekomen was; dat zij door Engelen was verordend; dat zij door een middelaar was verordend; dat de middelaar altijd tusschen twee partijen in staat; dat God één is 1): dat waren alle
\') Zou den interpolator hierbij ook Kom. 3: 30 voor den geest hebben gezweefd?
166
166
III : 19—21
waariieden, welker erkenning men den geloovigen op het kart wilde drukken, en die men gevoegelijk aan hetgeen Paulus van de Wet had gezegd, meende te kunnen vasthechten.
Mijn tweede bezwaar tegen de echtheid van vs. 20 is, dat ook daarin onderwerpen worden aangevoerd, die later niet meer ontwikkeld worden. Evenmin als van het intreden van de Wetshedeeling om de Trxpx^xTsic te doen toenemen, wordt later van de Engelen, of van een middelaar, of van de eenheid Grods gesproken. Dit is, gelijk ik reeds opmerkte, in tegenspraak met de schrijfwijze van Paulus. Paulus zou eer drie bladzijden, dan drie regels aan die onderwerpen gewijd hebben.
En wat hier nog meer afdoet, is dit, dat vs. 21 zich op geenerlei wijze laat aansluiten aan vs. 20 (wat toch het ovv zou doen vermoeden); maar integendeel eene voortzetting is van de redeneering die met vs. 17 begint. Neem vs. 19 en 20 weg, en de samenhang laat niets te wen-schen over.
Vs. 21. \'O ouy v ó ft, o £ xxtx ran sTrayysXiuv, y s-votro- el yxp è\'Siöyi vip os b \'Svvxftsvoi; ZccoKOiiiaxi, ovt co c êv vópcfi cèv ïjv % ixxioa-uvy;.
De lezing van s A C D E (zie T i s c h): kxtx rüv sTrxyye-y.iuv toü ösoït is te verkiezen boven die van B, die tov Qscv weglaat. Paulus stelt hier niet in het algemeen wet tegenover belofte; maar de welbekende Wet van Mozes tegenover de beloften Gods, aan Abraham gedaan.
In plaats van èv vipcfi xv yv heeft x sy. vópou yv xv, D «t vófiou fr, ABC èy. vó(M-j xv y,v, Db en anderen xv êy. vófiov %v
167
167
in : 21, 22
F81 Ggr alleen Jx vó/aou. Dat Paulus ook een ^inxioda-êxi èv vóficp kent, blijkt uit 3 :11 en 5 :4. Daar nu ook hier niet eene rechtvaardigheid uit de werken der quot;Wet, maar eene rechtvaardigheid onder de bedeeling der Wet bedoeld wordt, is êv te verkiezen. Wat de plaatsing der woorden av vp betreft, is het meer overeenkomstig het paulinisch taaleigen, hj aan yv te laten voorafgaan. Op het t/ óvv van vs. 19 volgen de woorden o vó/to? xxtx tccv strxyyexiav róv Qsoü uitstekend. Ook hier eene vraag, gelijk Paulus zoo dikwijls op ri ovv laat volgen; en wel eene vraag, welke licht naar aanleiding van het in vs. 18 gezegde kon oprijzen: Is dan de Wet tegen de beloften Grods ? staan zij dan vijandig tegen elkander over?
pvt yévoiTo. Veeleer ligt het daaraan, dat de Wet niet kan levend maken. \'Cccsiroisu is hier, gelijk overal bij Paulus, het geven van het eeuwige leven (zie Rom. 4:17; 8:11; 1 Kor. 15 : 22, 45; 2 Kor. 3:6). Kon de Wet dat, hrccc (waarlijk, zie 1 Kor. 14 : 25) èk vópou yv $ \'Sikxioitiiv^. Waarom toch wordt niemand onder de bedeeling der Wet gerechtvaardigd ? Omdat men, wel verre van door de werken der Wet zich te kunnen verlossen van den toorn Gods, zijne overtredingen steeds vermeerdert. Was dat niet zoo, had de Wet de macht van God ontvangen om ons het ware, eeuwige leven deelachtig te maken, dan zou men, ook al leefde men onder de bedeeling der Wet, toch kunnen gerechtvaardigd worden.
Vs. 22. \'AAAa: truvéxï.s iaën $ ypoiCpvi ra ttolvtx uito xfixprixv, ï\'v» vt IttxyyeXix sx. iriffrsa? \'I^o-sö Xpirrov SoSy rolt; itrrsvoua-iv.
Weiss e laat j? ypxQh weg. Waarom? Om de Wet tot
168
168
III : 22
het onderwerp van avjky.Xsivsy te maken ? Maar dan zon vs. 23 tamelijk overbodig zijn. y ypxcpv is zeer goed te verklaren, mits men ook hier weder de gewone exegese verlate, en niet spreke van „ de Schrift des Ouden Verbonds als een geheel gedachtquot; (Ba Ij on); of van „das geschriebene Wort G-ottes des A. T.quot; (Sieffert) — wat j ypxtpv bij Paulns nooit is; maar veeleer denke aan een bepaald schriftwoord. En dan kan geen ander bedoeld zijn, dan het in vs. 10 aangehaalde Dent. 27 : 26 1). Wat is toch het „brengen van allen die de Wet overtreden hebben onder den vloekquot; anders, dan een crw/xhsisiv van allen viro xfixprlxv? Gewoonlijk vat men die woorden zóó op, alsof Paulns zeggen wilde, dat allen in de macht der zonde waren overgegeven. Maar die opvatting is verkeerd. Er staat niet sic xpxprixv (gelijk Rom. 11: 32, .fl? xTrslösixv), maar viro xfixprlxv. Wij hebben hier dus wyxteisiv op zich zelf te nemen, en het te vertalen met geheel en al opsluiten of insluiten, zoodat er geen ontkomen mogelijk is, gelijk wij zouden zeggen: achter slot en grendel zetten. Ook uit het icppovpovftsöx van het volgende vers blijkt dat die beteekenis van a-jyyJ.sieiv den schrijver voor oogen heeft gestaan. Die gevangenis nu, waarin allen {rx ttxvtx is hier hetzelfde als tsu? irxvrx:;, vg. 1 Kor. 1:27, 28) waren opgesloten, is niet de zonde, maar de toorn Gods, de xxrxpx. die allen aan den dood onderwierp. En waarom nu waren allen in die gevangenis ? Omdat zij allen onder de heerschappij der zonde waren (vtto xftxprlxv).
En waarom die trv/xXuviAog ? hx y sirxyyehlx in ttlgtsoog \'Bjs-sü Xpitrrov Sotiij rsTg Trurrsóoujiy. God heeft gewild, dat allen die
\') Ook de aoristus wijst op een bepaald schriftwoord.
169
169
Ill : 22, 23 170
onder de Wet waren, opgesloten zouden blijven, zoolang de Wet van kracht bleef; dat zij dus juist daarom er niet uit verlost werden om bet eeuwige leven te vinden, opdat bet blijken zou, dat de belofte (aan Abraham gedaan) niet uit de werken der Wet, maar uit bet geloof in Jezus Christus werd geschonken.
De belofte is hier, gelijk dikwijls, zooveel als de inhoud der belofte.
De laatste woorden roïg ttitti-jowjIv zijn eigenlijk overtollig. Om den nadruk wordt echter nog eens herhaald, dat het geloof er moet wezen om den zegen van Abraham te ontvangen. Ook al had men de Trirrnq \'I^crsD Xpurrov, zooals de Gralatische christenen, men kon dat zoo licht vergeten! (vg. Eom. 1:17; Fil. 3:9).
Vs. 23. Hpa roü §£ shósTv ryv tt/o-t/v, üko vópov sCppovpov/teÓM i7vvK?iSió(jc,£voi si? T\'/fV [/. s hhov c a,v ti ic-t iv xir oxahv 6yv x i.
De lezing cuvy.\'/.eic/j.evci heeft de beste getuigen voor zich (zie Tisch.). Waarschijnlijk is crvr/.sy./.siTfyJ-joi bij C D en anderen daardoor ontstaan , dat men zich het Tvr/.\'/.stsiv als eene volbrachte handeling dacht, voordat het Cppcupcïiy een aanvang kon nemen (Sieffert). Het praesens kan echter zeer goed verklaard worden, ook al denkt men zich de handeling van het opsluiten als reeds volbracht, daar het opgesloten zijn een voortdurend ingesloten worden met zich brengt.
In dit vers begint de schrijver te ontwikkelen, waarin de taak der Wet wel bestond; nadat hij in vs. 21 en 22 had gezegd, waarin zij niet bestond. Zij kon niet levend maken, maar wel hare diensten leenen tot het Cppovpovv rovg
170
III : 23, 24
Tvv/.cy.\'/.stïfiévo-jc. (bpovpsïv: bewaken, kan met tweeërlei doel geschieden. Men kan iemand bewaken, opdat anderen hem geen leed doen; en men kan iemand bewaken, opdat bij niet ontvluchte. Hier is natnnrliik bet laatste bedoeld, zooals uit de volgende woorden blijkt. De Wet wordt hier beschouwd als de cipier, de gevangenbewaarder, onder wiens toezicht allen die onder de heerschappij der zonde in de gevangenis des doods gekomen waren, bewaakt werden totdat de tijd kwam, waarop het geloof als de weg tot zaligheid openbaar werd. Zoolang de bedeeling der Wet duurde, was het geloof nog een ftufTyipiov (zie Rom. 16 : 25); maar zoodra die bedeeling , door de komst van Christus (vg. 4 : 4) bad opgehouden, had de xttoxx/.v^i? van het geloof plaats \').
AVaardoor nu de Wet het ontvluchten, d. i. het komen tot het leven, belette, zegt Paulus hier niet. Heeft hij gedacht aan hetgeen wij in Hom. 7 vinden ontwikkeld? Waarschijnlijk wel. Thans bepaalt hij zich echter tot de vermelding van de Wet als door God gegeven, niet om te verlossen en levend te maken, maar om gevangen te houden, en zóó een 7rxièxyu?og si: XpiïTov te worden.
Y s. 24. quot;D, (xr e \'o vilt os Trxi^xywyot; tj puv èy sv st o si?
Xp KTTOV, ÏV X £•/, \'77 i 7 T EU C èlKXluóülftSV.
Tiscb. leest met n en andere handschriften ysycvsv — meer paulinisch.
TTaihxyuyoi; werd de man genoemd, die den onmondigen knaap naar den meester bracht, en hem, nadat de les was afgeloopen, weer thuis haalde; vandaar in het algemeen
\') Vg. Eom. 8 :18, yrpoQ tjjv //gAAovuav $ó%ocv dcTroxccAvQQyvsci.
171
171
Ill : 24
172
iemand die waakte en toezicht had over den knaap, hem voorschreef wat hij doen of laten moest, en met gestrengheid alle overtreding strafte. De hardheid der paedagogen was een spreekwoord geworden 1). Dat was dan ook de reden, waarom Paulus de Wet met eenen TrxiSxycoyo? vergeleek. Aan de opvoedende beteekenis van de Wet dacht hij niet. TuyxKsteu en QpsupeTv (waarop vs. 24 blijkens uitts als gevolgtrekking terugwijst) doet alleen aan beteugelen, in bedwang houden denken. De Wet kwam, evenals de paedagoog, altijd met een; raak niet, en smaak niet, en roer niet aan! (Col. 2:21), en strafte dan onbarmhartig een ieder die zich aan hare bevelen niet hield. Zij behandelde dus de kinderen van Abraham alsof zij oüXsi waren (evenals een onmondig kind behandeld wordt, dat onder sTrlrpoTroi en olyJvopoi wordt gesteld (4:1—3)), totdat met de komst van Christus {£lt;? X/j/o-tsV) de tijd der mondigheid aanbrak, de tijd waarop zij uit het geloof werden gerechtvaardigd (ïvx êx ttittsxc Siy.xiuóüpisv).
Is de door mij gegeven verklaring van vs. 22—24 juist, dan vallen alle bezwaren tegen de oorspronkelijkheid van deze perikoop weg. Van eene katholieke inlassching in den paulinisch-marcionitischen brief, met het doel om te doen uitkomen, dat de Wet toch ook nog opvoedende beteekenis had; dat zij het „ voor hare kweekelingen mogelijk maakte om bij de komst van Christus gerechtvaardigd te worden uit geloof;quot; dat toch eigenlijk „het geloof niet ten allen tijde de eenige grond der rechtvaardiging is geweestquot;; dat men het „ vóór de komst van het geloof al een heel eind ver kon
\') Zie Dr. H e i n r i c i {Das ersie Sendschreihen des Apostels Paulus an die Korinther erklart, Berlin, 1880), op 1 Kor. 4:15.
172
III : 24—29
brengen met de Wetquot; \') — van dat alles vinden wij hier niets. De Wet kon wyy.ksistv, (ppovpsh, ■zxihocywytlv, maar niet quot;èmxioüv. Zonneklaar was het onder de bedeeling der Wet gebleken, dat men de beloften van Abraham en de èixxiotruv/i tov èsciü alleen kon ontvangen door het geloof.
Vs. 25. \'EAÖouo-if? §f rij? ! (tt sag, ouksti vtto ttxi-Sxywyóv ilt;T[/,£v.
Nu het geloof gekomen is (met de komst van Christus), is het gedaan met het werk van den TrxiSxyw/ót;. De tijd der onmondigheid, de tijd der quot;èouXstx is voorbij. De dag van de vrijheid der kinderen Gods is gekomen. Weg dus met de Wet! Deze is voor ISovXoi, niet voor sXsuöspoi.
Vs. 26—29. Tlxvrst; yxp ulo) ósov ês-rs quot;Six rvji; Trimsui; iv Xpiirrcfi \'lyiroü. quot;Ovoi yxp fi? Xptcrrov i (3 xttt itr ó yr s, Xpivrhv èv e\'SiKr xry d s. Oüx evi \'lov\'Sxloc oüds quot;EAAsjf, o uk s v i ScüAa? ou^ e £h£u6£poi;, o-jx £v i x plt;r £v kx) OijXu, TrxvT£i; yxp £ 1? £(tt£ èv XpiTTÜ \'lytrcü. El Sf
■jfAflc XpKrToü, xpx roü , A(o p x x (ttt é p ftxró $ i(rT£, kxt sir xyy £ ï,! xv xhy; povó pio i.
Tal van vragen leggen deze woorden ons op de lippen, die moeilijk te beantwoorden zijn.
173
1. Welk verband is er tusschen vs. 25 en vs. 26 ? Waarom gaat de apostel van den eersten in den tweeden persoon over? Hoe kan het feit dat al de Gralatiërs kinderen Gods waren door het geloof in Christus, de verklaring zijn van de heuchelijke gebeurtenis, dat Paulus en de joden-
\') Dr. v. Manen, bl. 477.
173
Ill : 26—29
christenen niet meer onder de paedagogie der Wet stonden ? Men lieeft gezegd dat Paulus aan de joden-christenen in Gralatië heeft gedacht (Sieffert); maar nergens geeft de brief ons een anderen indruk, dan dat de Galatische gemeenten zoo goed als geheel uit heiden-christenen bestonden.
Wij zouden dus niet iurk, maar verwachten. Maar
dan is dat ttxvtsi; weder vreemd. Ook wordt in de volgende verzen voortdurend de tweede persoon gebezigd.
2. TrtTTscoc êv X. I. is niet paulinisch; wel ttIttsms I. X. gt;)
3. Hoe vreemd komt die doop van vs. 27 er bij! De schrijver zal bewijzen, dat ook de heiden-christenen kinderen van God zijn, en wijst daartoe op hun doop. Maar wat had de doop daarmede te maken? Of zal het volgende Xpvrrov èvsèuTocrrtls opheldering geven? Maar het maakt de zaak veeleer duisterder, èvèiistróxi wordt meer dan eens door Paulus gebruikt in den zin van: zich iets eigen maken, zich met iets vereenigen, gelijk men zich met een kleed vereenigt, zoodat men er als het ware aan gekend wordt (zie o. a. Rom. 13:14; 1 Kor. 15:53; Efez. 4:24; Col. 3 : 10, 12). Zoo beteekent ook hier Xpirrov sye^vTXTÖs: gij hebt (door namelijk in hem gedoopt te zijn) u zóó innig met Christus vereenigd, dat gij als het ware aan Christus gekend wordt. Maar wat heeft dat te maken met hetgeen de schrijver wil hetoogen? En waarom is dat £v5v-(TXTÓy.i van Christus iets, dat aan den doop eigen is?
174
4. oïiy. hi (== hs7Ti, zie 1 Kor. 6:5; Col. 3 :11) staat daar al zeer zonderling. Waarin is geen griek of jood? In Col.
\') Ook in Efez. 1:13 behoort het tweede h 5 niet bij KKTreuravTcs, maar, evenals het eerste, bij èrtppayïtrSiiTe.
174
III : 26—29
3 : 11 lezen wij oir cv ovx svt quot;E/.tyv kx) \'Iou^xTw. Dat is verstaanbaar. ottou slaat op den vso? wApuxog terug. In den nieuwen mensch is geen griek of jood, d. i. bij hem, die eenmaal een nieuw mensch is geworden, moet alle onderscheid tusschen griek en jood opgeheven zijn. Dat begrijpt ieder. Maar hier is om svi niet te verstaan. Waarin geen griek of jood is, wordt niet gezegd. En toch moest het er bij staan. De samenhang met het voorgaande moest door een enkel woord zijn aangegeven. Paulus kan abrupt schrijven, maar niet bij zulk eene kalme redeneering. En in wien zal dan zijn noch griek noch jood? Natuurlijk in Christn~ Van een ander is geen sprake. Maar wat is dat: in Christus is geen jood of heiden, geen slaaf of vrije, geen man of vrouw? Wie kan daar iets redelijks bij denken?
5. Dat er van jood en griek gesproken wordt, is te verklaren; maar waarom ook van quot;ScZkos ov^s êhevöepo?, en nog wel van zpirsv xa) êïjXu ? Van het onderscheid tusschen slaven en vrijen, en tusschen mannen en vrouwen is hier in de verste verte geen sprake. Geheel anders weder in Col. 3 :11.
6. Wat is eh slvoci èv Xpirrü \'bjs-aD? Sieffert spreekt van eene „ einzige moralische Personquot;. Ho Is ten zegt: „alle glaubigen sind in ihrem waren, geistigen wesen eins; der himmlische, geistige mensch Christus.quot; Anderen weder anders. Maar daarom niet duidelijker.
Als men er niet eene redeneering bij denkt als in Efez. 2 : 15 (Jvx tov? duo XTiaifl èv oivrcp sic hx y.xivm xvöpuTrov iroim eipiv/iv) is het een raadsel.
7. De woorden s\\ Sè vpslt;—xXypovópoi doen, wat den vorm betreft, aan het slot eener redeneering denken. Maar de redeneering die voorafgaat (vs. 21—28) heeft niets met het
175
175
Ill ; 26—29
zaad van Abraham te maken. Zelfs al iioudt men de verzen lö1 en 19 niet voor onecht, dan komt toch dat \'Appxap TTrspfi» è(TTs in zulk een verband wonderlijk uit de lucht vallen.
8. In H. 4:1, y.syco , k. t. wordt eene nadere verklaring gegeven van hetgeen 3 : 24, 25 gezegd was. Maar dan komen ook 3 : 26—29 er vreemd tusschen in; en vooral vs. 29, waarna men het betoog voor geëindigd moet houden.
9. Geheel hetzelfde onderwerp, dat namelijk de Heidenen door het geloof ook kinderen Grods en erfgenamen van Abrahams zegen zijn, behandelt Paulus in H. 4:5—7. Paulusis niet gewoon, allerminst in dezen kernachtigen brief, om tweemaal hetzelfde te betoogen.
Om al deze redenen zie ik in vs. 26—29 ééne, of meer interpolatiën. Wederom zonder eenige dogmatische bedoeling, maar alleen, omdat men den tekst verrijken wilde met hetgeen men in andere brieven van Paulus vond, of liever met hetgeen uit andere brieven van Paulus in den woordenschat, der christelijke gemeente was overgegaan, voegde men die woorden er in, ze door y.y-rx iTrxyyeï.iav xk/ipovópoi met 4:1 verbindende. De hoofdgedachte, die den interpolator of den interpolatoren voor den geest zweefde, was, dat ook de heiden-christenen voor God één waren met de joden-christenen, en in geen enkel opzicht bij hen achterstonden. Dit wordt nu uitgedrukt in woorden die elders \') uitnemend op hunne plaats zouden staan, maar hier, door de ordelooze opeenhooping (evenals in 3 :19, 20), gemis aan oorspronkelijkheid verraden.
176
176
1
) B. v. in Eom. 4 (het dubbele a-vépizee van Abraham); Bfez. 2 (de ééne nieuwe mensch); vooral Col. 3 (ivSurapcvoi rov véov x. r. vs. 10; ö-zou oux \'évi quot;EAAifv xeci \'lot/Sato; x. r. A. VS. 11).
VIERDE HOOFDSTUK.
Vs. 1. Asyu Si, èCpquot;1 otrcj xpsycy a pcv ó [ao c v/iTrióc £ (ttiv , ovd sv $ i a (p é p s i 5 a y A s y, kv p tos tt avr av uv.
Over ï.sycc al sprak ik reeds bij H. 3 : 17. Paulus heldert op, wat hij even te voren (niet 3 : 26—29; maar 22—25) gezegd heeft.
Het woord xfoipovcpoq zou ons licht doen denken, dat de schrijver terugziet op het xfypoyóy.ci van 3 :29. Dit is echter niet zoo. Hij heeft, blijkens vs. 7, niet de •/.\'/■■/,pc-joyix van de kinderen Abrahams, maar de xtypovo/tix van de kinderen Gods op het oog.
£$\' ó\'trov %póvov, paulinische uitdrukking, zie Kom. 7:1; 1 Kor. 7 : 39. Zoolang de erfgenaam, d. i. hij die gerechtigd is, als zoon, van zijn vader te erven, nog onmondig (rJiTrisc) is, is er geen verschil tusschen hem (den zoon), en een dienstknecht of een slaaf. Men zou niet aan hem zeggen, dat hij y.upios irzvrm is; over niets van hetgeen hij heeft kan hij vrij beschikken.
Het verband met 3 : 24, 25 springt in het oog. De vergelijking van de Wet bij een TrziSxyooyoc kon bevreemding wekken. Hoe — kon men zeggen — hebben kinderen Gods, erfgenamen van Gods beloften, een \'zxtèxyayoq noodig? Ja, antwoordt Paulus, want wij waren nog maar vjirioi.
VI. 177 12
IV : 2, 3
Vs. 2. \'A A A « ÜJTC SK it pÓTOUC fffT/V 0 I % O V Ó y, O V S , x XP\' T% ? ir poóeir [tlxt; rijg roïi ttxt p Sc.
Alleen B laat rij? aan rev Trx-rpl: voorafgaan. De bijvoeging is niet noodig. Zij vindt wellicht in de zucht naar verduidelijking haren grond.
sTrirpoTrog is hier niet voogd \'), maar in het algemeen een die het opzicht over iemand heeft. Meer bijzonder wordt dan nog de oMovóficg genoemd, als de man (in den regel een slaaf), die de geldelijke aangelegenheden van den v^ttioc beheerde.
De TrpcósT^ix toü Trxrpog is de tijd, te voren door den vader vastgesteld (van x-pc—, waarop de vj-rios in al de rechten van den vliz zou treden, en in het bezit zou komen van de goederen, waarvan hij rechtens y-ópio: is.
In het wezen der zaak bedoelt Paulus hier niets anders dan de Trxi\'Sxyuyix van vs. 24. Maar terwijl daar het bukken onder een harden meester op den voorgrond stond, staat hier meer het dienstbaar zijn aan eene vreemde macht op den voorgrond. Het is Paulus ook hier te doen om het wettisch standpunt te vernederen. Het is eene quot;èov\'/.six, zeer geschikt voor den vyirioi;.
Vs. 3. Outuc kxi •/ipislc, ori ypisv v/jTrioi, viro rx lt;7 r o i xsT x r ov xó er [tou % f/. sv quot;S ou hu ft év o i.
De lezing ypeóx (x Dquot; F Gr, ook door T i s c h. en W H overgenomen) is, als minder gewoon, te verkiezen boven yjpsv (A B C), dat waarschijnlijk eene verbetering is naar het voorafgaande fasv.
1) Anders zou er niet van eene Trpoierpte des vaders, maar van eene TTpoScantec der wet sprake zijn.
178
-178
IV : 3, 4
, gelijk 3 : 23— 25; in 3 : 26—29 was van sprake.
De crroixdic rov xórpou zijn de eerste beginselen, het a b o waarmede de wereld begint, wat haar godsdienstig-zedelijk leven betreft (vg. Hebr. 5 :12; Kol. 2:8, 20), de rudimenta ritnalia1), voor de Joden de dienst der Wet, voor de Heidenen de afgodendienst.
Dat de schrijver inzonderheid aan de Wet heeft gedacht, blijkt uit Ss\'Souï.upèvoi. Op dat woord zou de afgodendienst der Heidenen hem niet gebracht hebben, al kon ook deze eene ISoutelx heeten.
Ook hier wordt de Wet laag gesteld; toch niet te laag voor iemand die de Wet beschouwde als door Grod gegeven (vg. 3 : 21). De opvoeding van Israël door God nam een aanvang met datgene, waarmede alle opvoeding en onderwijs een aanvang neemt, met de crroixsTa. Hieruit vloeide voort, dat Israels zonen als werden behandeld.
Met de komst van Christus is dat veranderd.
Vs. 4. quot;Ot£ Sè yjhöev rh tt kyj p u p x t oü xpóvou, si-x-jriiTTf/Afy s Qsot; rhv v\'ihv xutov, ysvóftsyov sx yvvxixó?, ysvó[*,£yov utto vóftov.
to va-Jjpccftx rov xpóvov (de irpoóerftlx roïi Kxrphs van vs. 3): de volheid des tijds, eig. de tijd, die het voorafgegane tijdperk der onmondigheid heeft vol gemaakt.
s^xTTOfTsXteiv: van zich wegzenden. De Zoon van God was
179
-179
1
) Zie vooral Sieffert, aan wiens bestrijding van Hilgenfeld, Holsten en anderen (die aan hemellichamen of grondkrachten der zinnelijke wereld willen gedacht hebben) weinig is toe te voegen. Wij behoeven het zoo hoog, of zoo diep niet te zoeken, waar de verklaring zóó voor de hand ligt.
IV : 4
vóór zijne komst in het vleesch bij den Vader. Van daar ook: ysvópsvov sa ywxuóg. Wat met het oog op ons, die eerst bij onze geboorte beginnen te leven, geen zin zou bebben, beeft wel zin, als bet gezegd wordt van den Zone Gods, die vroeger bij den Vader was; bij is geworden, geboren uit eene vrouw, bij is ons menscben gelijk geworden, om zicb onder de Wet {vtto tov vópov) te kunnen stellen, en alzoo degenen die onder de Wet waren, te verlossen. Waarom de Zoon van God zelf aan de Wet met bare ceremoniën en voorschriften zich moest onderwerpen, zegt Paulus niet. Zeker heeft hem voor oogen gestaan, wat hij gezegd had 3 :13,14, Xpiuroq êamp;yópxirsy £K rij: xzrocpac rcïi vópov, ysvópsvoc vvrep tiftcóv y.xrxpx. Den dood van een door de Wet vervloekte had Cbristus niet kunnen sterven, indien bij zicb niet onder de Wet gesteld bad. Daar Paulus zich hier niet nader uitspreekt, onthouden wij ons van verdere dogmatische beschouwingen.
Marcion zal — beweert van Manen — de woorden -/vjcij.e-jc-j £■/, yvjxiy.ig, •yevipisvov vtto vópov niet in zijn tekst gehad hebben. Door een katholiek zullen zij er later ingevoegd zijn, om twee ketterijen tegen te gaan, vooreerst dat Christus niet een waarachtig mensch zou geweest zijn, en ten andere dat hij niet, als een geboren Jood, zou hebben gestaan onder de macht der Wet1).
180
Ik zie niet in, waarom die woorden niet in den oorspron-kelijken brief kunnen gestaan hebben. I. Paulinisch is de uitdrukking •/svó^evov ey., om Christus geboorte aan te duiden (zie o. a. Som. 1:3, srf/H u/sü xvtcv toü yavoitsvcu êx (nrsp-[axtc: Axuetè). 2. J)a,t itjxTrèiTTSitev ó ósoe tbv vlhv ocutov , ysvópsvov
180
1
A. v., bl. 484.
IY : 4, 5
x. r. A. eigenlijk onzin zou wezen, omdat toch van Christus vóór zijne zending uit den hemel niet kan gezegd worden: ysvifisvov sy. yj-jxiy.is, gaat niet op. Niets verhindert ons de woorden zóó te verklaren: God zond zijn Zoon, en wel door hem te doen geboren worden, enz.; evenals 3 :13, „Christus heeft ons verlost, en wel door een vloek te wordenenz. gt;) 3. De woorden yevóitsvov êx -/•j-jxty.cc staan op hunne plaats. Tusschen è^XTrhrsiXev (wat het voorbestaan van Christus onderstelt) en ysvéaüxi -jtto vipov zijn zij de noodzakelijke schakels. 4. Als de laatste woorden vtto vóftov weg
vallen, klinkt vs. 5a wel wat vreemd, daar in het voorafgaande geen vópo? wordt genoemd ï).
Vs. 5. quot;ivx toug -jtto vóftov s ^xy op xt yi, ï\'-\'x ryv vioós-
7 i xv xttohx fiu [asv.
s^xyopx^siv heeft hier dezelfde beteekenis als 3 ; 13 ; los-koopen, verlossen, cl -jtto vópov zijn de Joden. Hieruit blijkt dat Paulus bij de ttci%sïx allereerst aan de Joden heeft gedacht.
Het dubbele l\'vx doet denken aan 3 :14, quot;vx sl? rx sêvy £-j?.oylx toü ^A(2pxx;j. ysyqrxi èv XpifTcc \'I-jtcü , ï\'yx r/p STTxyysXixv tóïi ttvevfixto? hxfiufiev oix rij? ttittsco:. Ook daar eerst iets, wat slechts een deel van de christenen betreft (nam. de
!) Zoo schijnt ook Origenes de woorden te hebben opgevat, als hij Gal. 4 ; 4 uit het geheugen aldus citeert: 6 éMóvro; tov ~?.yfüij.xrcc rov
%póvou ccTrsrrochizevot; viro tov Qsov yevérQoct lx ywocucbs xxt ysvéo-Qxi vtto tov
vo\'ftov (in zijn Comm. op Joh., XX, 286).
J) Zie verder Baljon, bl. 61 en verv. Weisse laat de woorden f|a!re^T£(A£v ó Sso; weg. Daarvoor is geen reden.
181
181
IV : 5, 6
Heidenen, gelijk in 4:5 de Joden); en dan iets wat allen betreft.
De ■jïoóerioi is positief, wat het è^xyopxZeiv negatief is. Zij is de aanneming tot kinderen (zie Rom. 8:15), welke het onmiddellijk gevolg is van het verlost worden van de heerschappij der Wet. In Christus zijn de geloovigen geen v^TTioi meer, maar zonen, door God als zoodanig erkend en aangenomen, en daarom in het volle bezit gesteld van hunne erfenis.
Vs. 6. quot;On £ (7 t £ uioi, ê!; x 77 £ lt;7t £ i h£v TC ttvsvpx toïl uioü xutov £i? tkc y.xp\'SiKc vj^wv, y.poiZov \'Appx \'o Tlxrij p.
De andere handschriften voegen i Ö£0? bij êt-onrivrsitev. blijkbaar eene verbetering, opdat de lezer niet meenen zou, dat Christus er mede bedoeld werd, van wien in het vorige vers gesproken was.
Voor jJ/cttóv achter xxp\'Sixc (behalve bij B, ook bij n A C, verscheidene vertt. en kerkvv.) hebben andere getuigen üftüv in de plaats gesteld, omdat in het eerste lid van het vers de tweede persoon wordt gevonden (iori).
182
Dat niemand ooit schrijven zal: omdat gij zonen zijt, heeft God zijn Geest in onze harten uitgezonden, moet dunkt mij iedere exegeet toestemmen \'). Wij zouden dus geen oogenblik aarzelen om of te lezen vlei, of fl? txc y.xp\'Slxc vftüv, als er niet meer in dit vers was, dat ons verdacht voorkomt.
\') In Kom. 7 :4 is het iets anders. Daar is ^67« door eene nieuwe gedachte van vne7( gescheiden. Zóó zouden ook wij ons uitdrukken. ^
182
IV : 6, 7
Dat slixTrsïTsO.s-j, gezegd met het oog op den H. Geest, is vreemd. Het schijnt wel eene navolging te zijn van het voorgaande st-XTrévrsitev.
Eerst wordt gezegd, dat de Gralatiers den Geest van Christus ontvangen hebben, omdat zij zonen zijn; en onmiddellijk daarop wordt hun gezegd als iets nieuws, dat zij zonen zijn. Dat is eene vreemde redeneering! Vreemd is ook die afwisseling van pluralis en singularis (fOTf-sJ).
De woorden herinneren ons al te sterk aan Rom. 8 :15, Vooral valt de herhaling van xpx^siv \'A/3p5 s Uxr^p in het oog. Dat is meer dan toevallig. Ook toont de interpolator, zooals op andere plaatsen, ook hier Paulus niet begrepen te hebben. Wat beteekent het, dat de PI. Geest roept: Abba! Vader! Dat de geloovige roept êv Trvevparr \'Afiamp;x b nxrJip (Rom. 8:15), is te begrijpen; maar wat kan het roepen van den H. Geest zeiven beteekenen ? Als deze bidt, zegt Paulus in Rom. 8:26, is het nmitr/ij.olq SihxX^Toi
Waarschijnlijk heeft de uioóslt;r!x van vs. 5 een afschrijver verleid om de klassieke plaats Rom. 8:15, waar ook van de uhiecix sprake is, hier tot stichting der lezers in te lasschen.
Vs. 7. quot;ntrrs ouy.sn fTScDAs?, xgt;.Xx v\'iic- s] Ss yls\'?,
xx) X/.•/! p SVÓ [AS C %IX ósoïl.
De oudste en beste getuigen lezen met B: xtypovófioi; hx ösav. De andere lezingen: ösoü quot;Six Xpirróv, of Six Oeóv, of össv zijn ontstaan uit de zucht om het ongewone Six óscv door iets anders dat meer paulinisch klonk, te vervangen, vooral met het oog op Rom. 8, waar ook van de y.fypovopix sprake
183
183
IV : 7, 8
is. Er zijn zelfs getuigen, die er bijgevoegd hebben: nw/xXyr (tovóiMq la XpitTTOÏ! (zie Rom. 8:17).
Toch is quot;Six (teoü goed te verklaren. Paulus maakt, zooals hij telkens doet, de slotsom van zijne redeneering op. Heeft God zijnen Zoon gezonden, opdat allen, Heidenen en Joden, zoovelen als er geloofden, uit de ImKsix van de lt;7T0t%sTa tcü xs(j[/,cv zouden komen tot de vkSsrix, dan moest ook ieder voor zich (J, individualiseerend, vg. Eom. 2:1; 14 : 4) het er voor houden, dat hij geen dienstknecht meer was, maar een zoon; en omdat hij een zoon was, ook een erfgenaam , door God, niet door een mensch, maar door God zeiven, van wien de zending van Christus, van wien de vhistrix was uitgegaan.
Vs. 8. \'A\'/./.x tots ftsv ovx. siSctsc Csiv, èè ouxevrtzts roïc lt;pv(T£ i jAVi oult;ri 6 scïs.
De goden, die de Galatiërs gediend hadden, waren dat niet (pucrsi, niet door zich zeiven (zie Rom. 2 : 14; Gal. 2 :15), niet suo jure, maar omdat zij tot goden gemaakt waren \').
Die goden hadden zij gediend (ioculsuTXTs). Dat waren voor hen de (ttoixiTx toïi y.ïtf/.su geweest.
Tot dien kinderachtigen afgodsdienst waren zij gekomen, omdat zij God niet kenden (cwc siSsrec rov isóv), vg. 1 Th. 4 : 5, tx sóvq rx v.y, eiScrx rov 6eóv.
Met tots [asv, waaraan vj-j vi in vs. 9 beantwoordt, wil Paulus zeggen, dat het vroeger, toen zij God niet kenden, wel zeer te begrijpen was, dat zij zich de IcvKsix lieten welgevallen; maar nu niet meer, nadat zij door Christus God hadden leeren kennen.
\') Vg. 2 Kron. 13:9, eyhsro sic, ispéx tw [xij \'óvn Qeijï.
184
184
IV ; 9, 10
Vs. 9. Növ yvóvTsi; ósóv, [axXXo-j Sf yyuaösvTst; v tt o óeov, tt a ? £7rtffTpé(p£T£ tt ei hiv stt) tx xe Qsy ij xx)
tttuxx (7t0lxslx, ol? txaiv xvctlosv § 0 y.A £ Ü (7« / öfAfTf;
Nu, nadat de Galatiërs God hadden leeren kennen dooide prediking des evangelies, ja, wat meer zegt (jj.xK/.o-j Si, zie Eom. 8:34; 1 Kor. 14:1, 5) door God gekend waren, geliefd als de zijnen, hoe was het mogelijk zie 2 :14),
dat zij weer terugkeerden tot die machtelooze en armoedige eerste beginselen {jx xrhvij xx) tttuxx irroi%£Tx), die zij weder van voren af aan wilden gaan dienen!
Alles, woordenkeus, zinbouw, gedachtengang, is hier paulinisch. Bijzonder paulinisch is yvdi/rs?, itxXXoy Sè Vg. o. a. 1 Kor. 8 : 2, 3 (yvüvxi—syvccerxi), 1 Kor. 13:12 (tots ds strr/yxaciftxi xxócitg xx) strsyyccvuyv), Filipp., 3 : 12 {xxrx-\'/.zpcü, sQ1 $ xx) xxTegt;s/iiamp;Cp(lviv),
Dat God de geloovigen kent als de zijnen, ze liefheeft en zegent als zijne kinderen, is voor Paulus nog veel rijker stof van roem, dan dat de geloovigen God kennen. En daardoor wordt dan ook hunne schuld zwaarder, als zij die heerlijkheid der kinderen Gods weder gaan verruilen voor de oude (Sov\'Asix, thans de ^ov/.slx van de Wet, gelijk vroeger de \'Scv\'Asix van den afgodendienst, maar in beide gevallen de quot;èo-j\'Asix van de lt;TTsi%eïx toïi xdeftou.
Vs. 10. \'Uftépxc tt x p x t-/i p sïir ö s xx) (tijvxc xx) xxipoh? xx) êv i xv t ov c.
Dit is geene vraag. De apostel geeft op weemoedig-verwij-tenden toon de reden aan die hem bewoog, zóó (als in vs. 9) te spreken.
185
IV : 10, 11
■nxpuTvpsJy of TrupxTijpeTeSxt is niet hetzelfde als Cppcvsïv (Rom. 14:6). Het is een zoo nauwkeurig mogelijk waarnemen van iets of iemand (Luk. 6:7; 14:1 \'), een nauwgezet in aclit nemen van heilige dagen, een angstvallig toezien, dat men toch op die dagen het allerminste niet doe tegen de voorschriften der Wet (vg. Josefus, Ant. Jucl, III, 5, Trxparvpsh txc \'efitoiMxSxc xvxTXUOftévou? xtto ■zxvrog spycu.
Bij de y^spxi denkt Paulus vooral aan den sabbatdag, bij de wve: aan de boven andere maanden heilige maand Tisri, bij de y.xipot aan de godsdienstige jaargetijden, de groote feesten (zie Lev. 23 : 4), bij de svixvto) aan de sabbatsjaren 1). Terecht zegt Sieffert, dat Paulus bij de opsomming van die hoogtijden niet gedacht heeft aan het TrxpxrypsTtróxi van elk dier tijden afzonderlijk door de Galatiërs. Het kon zijn, dat zij nog niet in de gelegenheid geweest waren om den sioiïoftog hixuro: naar de Wet te vieren. Maar het lag op hun weg.
De besnijdenis noemt Paulus niet, omdat het zóóver met de Galatiërs nog niet gekomen was.
Vs. 11. lt;Pc@av[/,xi vfy.xc, ff/itrus sty. ij y. s kc w i x y.x £ l c •j pi x;.
(popovpxi ufixg is eene soort van attractie, die bij de Grieken meer voorkomt, zooals ook wij zouden zeggen; ik vrees voor u, dat ik te vergeefs aan u gearbeid heb. Dat in dat geval ■jftsïs ook het onderwerp van den zin moest wezen, die
186
1
) Analoog is Kol. 2 :16. Zie ook de door Hilgenfeld quot;(S. 179) aangehaalde plaats van Philo.
-ISO
IV : 11, 12
met ffjiru? aanvangt (Sieffert), is geen bezwaar. Al zegt Paulus y.sy.CTrtxy.x et? vfixs, de hoofdgedaclite is toch, dat de Galatiërs te vergeefs het evangelie van Christus gehoord hadden.
sly.ïj: zonder vrucht (zie 3:4; 1 Kor. 15:2). xsmnrlxxx, van de apostolische werkzaamheid, zie Rom. 16 : 6; 1 Kor. 15 : 10; Fil. 2 : 16; Kol. 1 : 29. Het perf. indic. gebruikt Paulus, omdat er maar al te veel grond was voor zijne vrees 1). slg -jftx?: ten opzichte van u, aan u, zie Rom. 16 :6.
Vs. 12. rïv£(rös w? syci, on y.dyw uc vpsTc, xdshQoi, $ t o [/, x i vfiócv, ofS èv //. s -/iS ly.\'/jd\' acrs.
Steek vindt in dit vers een sterk bewijs voor de waarheid van zijn beweren, dat de schrijver van onzen brief de brieven die op naam van Paulus stonden heeft gebruikt, om zijn schrijven voor paulinisch te doen doorgaan. Het eerste gedeelte: yivsTÖs—zal onverstaanbaar zijn, als wij niet denken aan 1 Kor. 9:20; en het tweede gedeelte: o-jIsv ■/lèixfaxTs zal alleen begrijpelijk worden, als wij denken aan 2 Kor. 7:12, c-jy. svexsv tóv aSix-/jrxvto: ovSs \'evsy.vj tcZ xSiy.yiósvto: 2).
187
Overtuigend meen ik te kunnen aantoonen, dat wij geen plagiaat behoeven aan te nemen, om de plaats goed te verstaan, mits wij ook hier met de traditie breken, en niet huiverig zijn aan de conjecturaal-critiek het woord te geven. Ik ben het geheel eens met hen die zeggen, dat bij
187
1
\') Zie Winer, Comm.: qop w*. kixot. est ejus, qui non timet, ne quid facturum sit, sed qui opinatur, id jam factum esse, quod timere se dicit; sim. Thucyd. 3, 53, vvv êè (popoviisGx, fivi anfyoTÉpuv x[j.x
2
) S. 127, 128.
IV : 12
en xxyu niets anders kan gedacht worden dan sl/t) of syevópw. Letterlijk vertaald, luidt dan vs. 12« aldus: Wordt als ik ben (of geworden ben), want ook ik ben (of ben geworden) als g ij.
Bijna algemeen wordt van die raadselachtige woorden deze verklaring gegeven: wordt vrij van de dienstbaarheid der Wet, gelijk ik daarvan vrij ben; want ook ik ben (toen ik het Jodendom vaarwel zeide) geworden zooals gij (als Heidenen) waart, namelijk vrij van de dienstbaarheid der Wet. En daarbij wordt dan aangehaald 1 Kor. 9:21, waar Paulus zegt roTg x-jó;/,oic geworden te zijn üc hop:?. {Zóó Winer, Hilgenfeld, Holsten, Sieffert, Bal-jon).
Ik meen, dat deze verklaring moet verworpen worden. Wordt als ik! Dit kan beteekenen : wordt vrij (van het judaïsme) gelijk ik vrij ben! Daartegen is niet het minste bezwaar. Maar nu het volgende : on xxyh cis -jpelg! Dit moet (blijkens on) den grond aangeven, waarop Paulus wenscht, dat de Galatiërs even vrij mochten worden als hij. Welke is nu die grond? Hij zelf is geworden als de Galatiërs. Wil dat zeggen: zooals de Galatiërs waren? of zooals de Galatiërs zijn?
In het laatste geval krijgt men dezen onzin: Wordt vrij als ik, want ook ik ben onvrij als gij! Wij moeten dus het tweede geval nemen, en bij w? -jpsls denken y\\rs. Dan krijgen wij deze gedachte : maakt u aan mij gelijk, want ook ik heb mij aan u gelijk gemaakt (nam. bij mijne bekeering, toen ik het jodendom verliet, en als een avopoc, als een heiden ging leven). Maar dan vraag ik : 1. Hoe kon Paulus zeggen, dat hij zich bij zijne bekeering aan de heidensche Galatiërs had
•188
188
IV : 12
gelijk gemaakt? Zoo even had hij gezegd, dat zij loZiXoi waren geweest utco tx iTr:i%s7x rov xsTftcu. Was Paulus hun dan daarin gelijk geworden? 2. Gesteld echter, dat zijne lezers onder dat gelijk worden aan hen konden verstaan (waarvoor het verband hun zeker niet de minste aanleiding gaf), dat Paulus evenals zij had geleefd, hoe kon dat dan voor hen eene reden zijn (men lette op het er/), om nu ook van hunne zijde aan Paulus gelijk te worden ? Zij zouden eenvoudig op hun toenmalig judaïstisch standpunt geantwoord hebben: dat avóficog leven hadt gij wel kunnen laten, Paulus! wij keuren dat juist ten hoogste af! Door u op dat verleden te beroepen, maakt gij uwe zaak eer erger dan beter! 3. Hoe is met deze opvatting te rijmen, wat Paulus verder zegt? (126—16). Daar is volstrekt geen sprake van de vrijheid, maar alleen van de liefde, die de Galatiërs aan Paulus vroeger bewezen hebben, en hem nu niet meer bewezen?
Wij moeten dus eene andere verklaring zoeken. En deze ligt waarlijk niet ver van de hand. Reeds Luther, Kalvijn, de Groot, Bengel en anderen hebben haar aanbevolen.
Men moet met het hebreeuwsche taaleigen rekening houden. Reeds Bengel wees, en terecht, op 1 Kon. 22 : 4, y.yJccc êyci, y.x) uy olitccc (\'Ito y.yJixq h }.xi: ;z:v \'o gt;.xc:
trcu, xxóu? o\'i quot;ttttoi [tcu o\'i quot;tttoi lt;rcu. (vg. 2 Kron. 18 : 3, ca? f/w, ovtu y.x) vu us \'o Xxic ijou, y.x) \'o \'/.xie ftov ftsTx cov sl: TÓXsf/.ov). Met deze woorden, door Josafat tot den koning van Israël gesproken, wil hij zeggen, dat zij samen ééne lijn zullen trekken, dat de een de zaak van den ander tot zijne eigene zaak zal maken.
Ook Jezus Sirach geeft licht. Van een tafelschuimer zegt
189
189
IV : 12
hij, dat hij zijn vriend in den dag der verdrukking verlaat, y.oCi iv to7c xyxöolc lt;tcu Iitxi cc; tru, y.x) stt) toIi: :vastxq gov Txppyj-(jixTsTxr ixv rxTrsiyccêyi;, surxt y.xTx tron (6 : 10,11). Hier staan ug rrb en xxrx iro-j tegenover elkander, en kan dus het eerste niets anders beteek en en, dan dat de tafelschuimer, als het zijn gastheer goed gaat, zijn vriend is, zijne partij trekt.
In H. 30: 39 vinden wij hetzelfde. Daar wordt de lezer vermaand, den ohérjc goed te behandelen, met de woorden: hrcc ccs txj , wat weldra afgewisseld wordt met: xys xüto\'j as tsxvtq\'j.
Met het oog op deze voorbeelden meen ik volle vrijheid te hebben, Gal. 4 :12 aldus te vertalen: stelt u aan mijne zijde, laat mijne zaak uwe zaak zijn; want ook ik sta aan uwe zijde, uwe zaak is mijne zaak, uw heil is mijn heil!
Hoe treffend komt bij deze verklaring het verband uit, zoowel het verband met vs. 11, als het verband met vs. 13 en vervolgens. Paulus wordt bewogen bij de gedachte, dat al de arbeid, dien hij aan zijne geliefde Galatiërs bewezen heeft, vergeefsch is geweest (vs. 11). Hij herinnert de gemeenten aan de liefde die zij hem vroeger bewezen hebben, toen hij hun voor het eerst het evangelie verkondigde, en vraagt waarom dat nu anders geworden is; is hij soms hun vijand geworden omdat hij hun de waarheid zeide? (vs. 13—16) Hoe uitnemend komt nu de bede dat zij toch te zamen met hem één weg zouden gaan, en alzoo de groote liefde, die tij voor hen had, zouden beantwoorden, daar tusschen in!
iSfACpo/, Isoftxi üpüv. Deze woorden hebben geen betrekking op het volgende, maar op het voorafgaande. Hoewel oéoy.xt vpüv gewoonlijk voorafgaat (zie o. a. Luk. 8 : 28; Hand. 3 : 34), kan het ook volgen, wanneer het den nadruk heeft: broeders , ik bid er u om! Paulus had groote behoefte aan liefde.
190
190
IV : 12
o-jlh fis v^i/i^TZTs. Dit is onverstaanbaar. aïSixelv nvx is altijd, ook bij Panlus, iemand onrecht aandoen, iemand onrechtvaardig behandelen (zie 1 Kor. 6:7, 8; 2 Kor. 7: 2, 12; Kol. 3 : 25; Filem. 18). Hoe kan Panlns nu zeggen, dat de Gralatiërs hem geen onrecht aangedaan hebben? Zij hadden juist, door zich van hem af te keeren en naar de Judaïsten te luisteren, het grootste onrecht hem aangedaan. Zegt men: neen, ouSèv othixéïv heeft betrekking op de wijze, waarop de Gralatiërs Panlus ontvangen hebben, toen hij voor de eerste maal hun het evangelie verkondigde (vs. 14); dan vraag ik: sinds wanneer is het welkom heeten van een zendeling hetzelfde als: een zendeling geen onrecht aandoen? Sinds wanneer zal een zendeling als hij voor het eerst voor Heidenen optreedt, ook al is er in zijne voordracht iets dat hindert (zie vs. 14), zeggen: men-schen, doet mij geen onrecht aan, maar ontvangt mijn evangelie met blijdschap ?
De tekst is blijkbaar bedorven, maar kan op eene gemakkelijke manier hersteld worden. ]\\Ien leze ou in plaats van ovèh, en make den zin tot eene vraag. Panlus denkt aan de liefde, die de Gralatiërs hem vroeger bewezen hebbenr maar nu niet meer. Vroeger hadden zij hem als een engel Gods, ja als Christus Jezus welkom geheeten, en nu was hij hun vijand geworden! Waarom? Omdat hij hun de waarheid had gezegd (vs. 16). Dat was xèixlx. En daarom vraagt hij: oil ,us föiKfaxTs, deedt gij mij geen onrecht aan? hebt gij mij niet onrechtvaardig behandeld? Bekend is, hoe dikwijls Panlus in een vragenden zin ov voorop plaatst, als hij een bevestigend antwoord verwacht. En dat cySw later, toen men den zin niet meer als eene vraag opvatte, voor o-j in de
I9t
191
IV : 12, 13
plaats is gekomen om de uitdrukking sterker te maken, is licht te begrijpen. Iets dergelijks heeft telkens plaats, zooals de varianten ons leeren.
Vs. 13. 0(§i%T£ Si, Sri § lt;\' cttróévsixv rij? trxpxoi; svyiyysXurxfAyv ü7v to ttpórspov.
Verscheidene getuigen, o. a. D1 F®1 Gr, Itala-liandschrif-ten, Augustinus, Ambrosiaster, laten Sf weg. Zoo moet liet ook wezen. Af is later bijgevoegd, toen men in ou ps ■/ilf/.y^xTs geene vraag meer zag.
Gr ij weet, zegt Paulus, en begint daarmeê te bewijzen, waarom hij meent door de Gralatiërs onrechtvaardig behandeld te zijn. Hij begint natuurlijk met het begin, het oogen-blik, waarop hij voor het eerst met de Gralatiërs in aanraking was gekomen.
to tt pórs pov is de vorige keer, vroeger. Uit het verband moet opgemaakt worden, welke tijd het uitgangspunt is. Hier kan het niet zijn het schrijven van onzen brief; want dan zou het geheel overtollig wezen. Als Paulus maar eens in Galatië het evangelie had gepredikt, had hij alleen geschreven: ol\'Sxre cti svwy£?,iitci,u,vv vplv, en niemand zou hem misverstaan hebben. Door er bij te voegen ro tt pore pov, en dat nog wel achteraan te plaatsen, als iets waarop de nadruk valt, geeft hij te kennen, dat het de eerste evangelieverkondiging was, in onderscheiding van de tweede, die later gevolgd was, kort voor het schrijven van dezen brief (zie 1:9, as Trpssipyjxxpsv).
o;\' xtUvsixv rijg (rxpy.ic: wegens zwakheid des vleesches. Hiervan geven bijna al de nieuwere uitleggers deze verklaring : Paulus was op zijne eerste reis door Clalatie (Hand.
192
192
IV : 13
16 : 6) wegens lichamelijke zwakheid genoodzaakt geweest daar te vertoeven, wat eigenlijk niet in zijn plan had gelegen; en had van die gelegenheid gebruik gemaakt, om de Galatiërs het evangelie te verkondigen (zie o. a. Sieffert). Maar wie ter wereld drukt zich, als hij dat zeggen wil, zóó nit: wegens zwakheid des vleesches heb ik u het evangelie verkondigd? Dat iemand S;\' xyxir-/^, of S/i; Trlrny het evangelie aan anderen verkondigt, is te hegrijpen; maar dat iemand dat doet omdat zijn vleesch zoo zwak is, dat vat ik niet. Als iemand zóó aan mij schreef, zou ik er veeleer uit opmaken, dat hij mij het evangelie had verkondigd omdat hij aan de zwakheid zijns vleesches had toegegeven.
Daarenboven is het niet de beste manier om menschen, die van mij vervreemd zijn, weder voor mij te winnen, dat ik hun kom vertellen, dat ik hun eigenlijk het evangelie niet had willen verkondigen, maar dat ik het maar gedaan heb, omdat ik door zwakheid des vleesches moest achterblijven. Dat de liefde voor de Galatiërs daardoor te meer uitkomt (Sieffert), begrijp ik niet. Want waarom is mijne liefde voor een zendeling grooter, wanneer hij mij tegen zijn oorspronkelijk voornemen in, het evangelie heeft verkondigd, dan wanneer ik van den aanvang af het doel van zijne werkzaamheid geweest ben?
Terecht meent Steek (S. 47), dat Paulus niets anders kan bedoeld hebben, dan dat hij in een toestand van xtrösvsix rijc (rxpy.es het evangelie aan de Galatiërs verkondigd had. Laat de grammatica niet toe — zegt hij — dat Six met den acc. zóó wordt vertaald, dan is „ die conjectur §/\' xcèevsixq noch eher zu wagen als ein exegetischer Nonsens.quot; Zoo is VI. 193 13
193
IV : 13, 14
het. En daar ik Six met den ace. nooit gebruikt zie (althans niet bij proza-schrijvers) om een toestand aan te duiden, lees ik §/\' xtróevslxtr 1). In dien zin komt Six met den gen. dikwijls voor (zie o. a. Rem. 4:11; 14:20; 2 Kor. 2:4). Eene verschrijving kan de oorzaak van deze verwisseling van_y en ? geweest zijn.
Waarin die xtrQsveix rij? cr^py.oc bestond, zegt Patilus niet. Dat zij een irsipxa-po? voor hem was, en dat zij licht de aanleiding kon wezen, dat men zich met schimp en verachting van hem afwendde, blijkt uit vs. 14. Maar meer weten wij er niet van. Dat Paulus hetzelfde op het oog heeft als in 2 Kor. 10 : 10, is waarschijnlijk. In tegenoverstelling van de brieven die (oxpelxi waren y.xi hzupxl, wordt daar de tegenwoordigheid des lichaams xedsvvig genoemd, en de rede, de wijze van spreken êamp;vósv/iftévog (dezelfde woorden als in Gal. 4:13, 14 2). Wij hebben aan eene lichamelijke krankheid te denken, die de eene keer heviger was dan de andere, soms zelfs zoo hevig, dat zij den apostel maakte tot een voorwerp van spot. Zal die krankheid misschien in verband gestaan hebben met storingen van het zenuwleven?
V s. 14. Ka:/ tov tt s i p xtr fiov v ft Zv sv ry a-x pul pov ovx èSovósvyvxTs ovSs ê!; £Trvlt;T xr s, «AA# £ c xyysXov Qsoü sS sl; Xe Q s fte, us X p ilt;7Tov \'lytovv.
Moge al de lezing van B : rov Tsipatrftov v[iüv êv Tij ~xpy.i [tav door de oudste en beste getuigen gesteund worden (zie Tisch.), toch is zij te verwerpen. Zij geeft geen zin. Met
\') Zoo ook van de Sande Bakhuyzen en Baljon. Ook de Vulgata heeft per infirmitatem.
s) Zie ook 1 Kor. 2:3; 2 Kor. 12:7—9.
194
194
IV : 14
TTsipxTfzhs wordt natuurlijk de atróévsix rij? trxpxo? van vs. 13 bedoeld. Maar hoe kan dat nu eene beproeving of verzoeking voor de Galatiërs beeten ? Dat bet dit voor Paulus was, is te begrijpen (zie 2 Kor. 12). Maar voor de (toen nog) bei-denscbe Galatiërs! quot;Wordt er ooit van een Trstpxtrpos van Heidenen gesproken? Is er niet dan alleen TrsipzT.uog mogelijk, wanneer er geloof is, of liefde, of iets anders, dat verzoekt, op de proef gesteld kan worden? En kan bij TTstpxa-f/.cc vftav ooit aan iets anders gedacbt worden, dan aan eene beproeving, die de zei ven treft? En wat kan Paulus bedoeld bebben met de mogelijkheid, dat de Galatiërs dien TrsipxTftis verachtten en verfoeiden? Ik kan wel iemand verachten en verfoeien, om de beproeving die bem treft, maar niet omdat zijne beproeving voor mij eene verzoeking is.
Met allen eerbied voor de scherpzinnigheid der uitleggers 1), moet ik dus zeggen, dat de woorden rov Trsipxa-psv vftcóv iv rij crxpy.l y-cv, van welken kant ook bezien, onzin zijn, en dus niet oorspronkelijk kunnen wezen.
Geen wonder dan ook, dat reeds vroeg verbetering van den tekst is beproefd. Zoo hebben Db E en andere handschriften met enkele kerkvaders tov Trsipxa-ftóv [aov to, xc en anderen alleen riv Treipsurpcv tov De laatste gissing is waarschijnlijk eene verbetering van de eerste, daar men het dubbele [J-ov wilde vermijden.
Een groot bezwaar tegen deze gissingen is, dat de verandering in Ujttcüv dan niet te verklaren is. Aannemelijker is , dunkt mij, de gissing dat Paulus geschreven heeft vi[Aav sv rij
195
195
1
) Reeds Origenes schreef: enfyxïvtTcu y«f tovtuv \'on iv tv uufx)
IV : 14
a-xpxl. Daaruit is (zooals zeer dikwijls het geval is) allereerst de schrijffout -jpüv ontstaan; en is vervolgens achter lt;rixpx) gevoegd, en rbv achter vftüv, daar het anders was alsof eene beproeving in het vleeseh der Gralatiërs was bedoeld.
Dat Paulus wel eens meer en èycó, ■/,!/.xv en pov af
wisselt , is bekend (zie o. a. Gal. 1:9; 2:2, 4, 5; 1 Kor. 4:1, 3; 4:13, 14; 2:4—6). Misschien dacht Paulus wel aan zijne mede-evangelisten, voor wie z ij n e beproeving mede eene beproeving was, omdat het eerst scheen, alsof de Galatiërs zich met tegenzin van elke evangelieprediking zouden afwenden.
De uitkomst was echter geheel anders geweest, dan men gevreesd had. De Galatiërs hadden den van Paulus
196
niet geminacht (s^o-jÓsvsïv , een woord bij Paulus zeer geliefd) noch veracht {èy.fTÓsiy, eigenlijk: uitspuwen). Paulus is zeer plastisch in zijne uitdrukkingen, en deinst voor de meest krasse woorden niet terug (zie o. a. 1:8, 9 xvxóepx hru, 2 : 11 y.y.TsyjKGtjJvig yv, 2 : 13 (rvvvirsxpïöiicrxv, 3:1 xvóyiroi TxAxrxi, 4:20 xXxï.x^oLt; 6:17 iTr/iAXTx. Vg. \'éy.rpa^x 1 Kor. 15:8; tepixxóxppxrx rov xóarftou, ttxvtuv vreprpyfix. 1 Kor. 4:13). Dr. van Manen meent, dat hier weer iets uitgevallen is. „ Menschen minachten of uitspuwen is mogelijk — zegt hij — met beproevingen handelt men anders.quot; Hij meent daarom dat er oorspronkelijk dit of iets dergelijks zal gestaan hebben: uwe beproeving in mijn vleeseh hebt gij flink gedragen. Gij hebt mij niet geminacht of uitgespuwd, enz.quot; !) Jammer, dat hij ook hiergeene poging doet om den tekst te herstellen, en de lezing der handschriften
») BI. 520, 521.
196
IV : 14, 15
te verklaren. Ik voor mij meen, dat er volstrekt geen tekstverandering noodig is. Iemands beproeving verachten of uitspuwen is even onmogelijk, als verdrukking toe te brengen aan iemands banden (óxtyiv èyslpstv toT? ostij-oIc, Filipp. 1 : 16). Maar evenals dat laatste eene gedrongen uitdrukking is voor; verdrukking toe te brecgen aan mij den gebondene, d. i. mijne banden te verzwaren, zoo is ook bier bedoeld: mij, den in bet vleescb zoo zwaar beproefde, bebt gij daarom niet veracht of verfoeid.
ca? ïyye/.c-j Qsoü sos\'^xtÓs y.s, ca? XpiTrov ^ly^cvv \'). Ondanks den ksi paar (toe iv crxpyj hadden de Gralatiërs naar de evangelieboden geluisterd, hunne prediking met blijdschap ontvangen, en zich tot Christus bekeerd. In het bijzonder was het de persoon van Paulus, tot wien zij zich getrokken gevoelden, ja dien zij welkom geheeten hadden als een engel Gods, als Christus Jezus zelf.
Vs. 15. Tlav ovy \'o ftccxacp iff fii lt;; ófiüv, u, x prup ü yxp v ply, ot i s ] Svv izrs v, tov c oQUxXpiovc v co v ê ^ o pu ^a,v-T s q J § ca 5£ # T £ [AO l.
De beste getuigen hebben met B koü oxiv. D E K en anderen hebben rig cvv yv, waarschijnlijk omdat zij zoo het tweede lid van den zin beter konden begrijpen. Dit is echter verkeerd gezien. Ware de brief eene verhandeling of een opstel, dan had men gelijk; vs. 156 zou zich dan veel beter aan vs. 14, en vs. 15« aan vs. 16 aansluiten. Maar wij hebben
1) Weisse laat w? xpiu-rdv \'ivrovv weg, waarschijnlijk omdat de hei-densche Galatiërs in Paulus wel een bode des hemels, maar niet Christus Jezus konden zien. Paulus beschrijft echter de ontvangst van z ij n standpunt.
197
197
IV : 15
hier met een brief te doen, waarin de schrijver zijn gansche hart nitstort. Geen wonder dus, dat hij vragende, waar nu hun {-t xxx pier pis gebleven was, wat er nu van hun pxy.xpiTy.o; geworden was, nog even wilde zeggen, hoe groot hun (txkxpktfib? wel was (vg. Rom. 3:27 ttov ovv ï, waar
blijft nu het roemen, wat blijft er nu van over?)
ftxxxpicrfto?: het zalig spreken (vg. Rom. 4:6, 9). is een gen. subj. De meeste uitleggers denken aan de Galatiërs zeiven, als het voorwerp van hunne zaligspreking. Zij zouden zich zeiven gelukkig geprezen hebben met de komst van een man als Paulus! Maar daarvan is in het verband geen sprake. De pxxxpKrpig moet betrekking hebben op Paulus. En als wij nu weten (zie P a p e), dat pxxxpiog dikwijls bij de Grieken voorkomt in eene vleiende rede, zooals lt;5 [xxy.xpis, mijn lieve, mijn beste! dan wil Paulus hier alleen zeggen, dat er van dat roepen van a y.xy.xpis niet veel was overgebleven.
198
ftxpTvpx yxp -jfjAv, •/.. r. a. Paulus geeft hiermede de groote liefde aan, die de Galatiërs hem bewezen hadden, nadat hij hun den Christus had verkondigd. Smakeloos is de verklaring, dat Paulus aan eene oogziekte leed, en dat nu de Galatiërs hem hunne gezonde in plaats van zijne zieke oogen wel zouden hebben willen geven. Terecht zegt Sieffert, dat zulke spreekwoorden, op de hooge waarde en het onontbeerlijke der oogen gegrond, in alle talen worden aangetroffen (zie vooral Mt. 18: 9; Ps. 17 : 8). Het grootste offer zouden de Galatiërs voor Paulus over gehad hebben
\') Vóór hSuxare plaatsen Nc Dc \'m, blijkbaar eene grammatisclie verbetering.
-198
IV : 16, 17
Vs. 16. quot;flvTs sxöpoc vfiwv ysyovx, x ?.y Q s ó cov -jply.
De Galatiërs hadden in Paulus hunnen vriend gezien. Was hij nu hun vijand geworden?
xXvfisvsiv. de waarheid zeggen (zoo ook hij de Grieken).
Paulus heeft natuurlijk niet het oog op den brief, dien hij schreef, daar hij dan voor yèyovx, yivopxi had moeten schrijven; maar op zijn tweede verblijf in Galatie (zie 1: 9; 4 : 13).
Vs. 17. ZyhovTiv v^xc ov y.x^Z;, x?.).x sx,-/.\'/. sicx i •j p xs Q sXou 7 rj, quot;vx xCit oïi z Z v ï- ovr s.
Met deze woorden begint eene perikoop, die reeds menigen uitlegger heeft doen zuchten, en hem , na veel hoofdbrekens, ten laatste heeft doen zeggen, tot geruststelling van zijn exegetisch geweten, dat er ook vroeger reeds waren, die SutrvsqTx in Paulus brieven vonden.
Dit komt daarvan, dat men niet gevraagd heeft, of de tekst ook bedorven is. Met een paar kleine veranderingen in den tekst is alles uitnemend te verklaren, en doet het ons een nieuwen blik slaan in het veel bewogen hart van den apostel.
Paulus denkt aan de Judaïsten, die de harten der Galatiërs afgetrokken hebben van Paulus, zoodat zij nu in hem een vijand hadden gaan zien. Zij hadden de Galatiërs tot het voorwerp van hun gemaakt; d. w. z. zij hadden
hun uiterste best gedaan om hen voor zich te winnen, om hen tot hunne volgelingen te maken (vg. vooral 2 Kor. 11: 2, yxp u/xxc ósaü Dat Zyï.oïiv was echter niet y.x/.xg,
niet op de juiste wijze, zooals het een christen past, die niet zich zeiven zoekt, maar alleen het welzijn van anderen.
x}./.x sy.y./.sÏTxi •jf/.xc ösXovaiv., Voor ■j,ux\': lezen maar weinige
199
199
IV : 17
minuskels Misschien achtte men het meer in overeen
stemming met de bedoeling van den schrijver, dat Panlns door de Judaïsten werd buitengesloten, dan de Galatiërs.
Ik meen, dat iy.y./.elzxi ook met geen gezonden zin
geeft. quot;Waar buiten wilden de Judaïsten de Galatiërs sluiten? Van een sluiten buiten de christelijke gemeenschap (wat men later onder iy.y.Xsltrc.i verstond) kan geen sprake zijn. Er wordt dus een andere kring bedoeld. Welke? De kring der Judaïsten zeiven ? Maar zij wilden ze juist i n htin kring hebben. De kring dan der andere leeraars, die niet tot hunne kliek behoorden, de kring der panlinisten (Sieffert en anderen) ? Maar het verband gewaagt van zulk een pau-linischen kring met geen enkel woord. Daarenboven kan èy.x\'/.sisiv niets anders beteekenen dan buitensluiten, de deur voor iemand sluiten, zoodat hij er niet in komt (zie Pape). Hoe konden nu de Judaïsten de Galatiërs buiten een kring sluiten, waartoe zij zeiven niet behoorden?
Met Michelsen \') lees ik: aM.z sy/J.sTtrai v[j.a.c óskowru. Ook de Syrische vertaling heeft die lezing; en Erasmus verklaart haar in sommige handschriften gevonden te hebben (zie Tisch.). Hoe licht kan reeds zeer vroeg, door eene vergissing bij het hooren, sxKteJeai in plaats van geschreven zijn!
En wij krijgen dan weder een goeden zin. Het syxteisiv, insluiten, opsluiten, herinnert ons het van 3 : 22 1),
en doet denken aan eene gevangenis 2). Zoo mocht het zijn
200
1
Makk. 5:8. ,
2
200
IV : 17, 18
onder de Wet wel genoemd worden. Zoodra de G-alatiërs eenmaal besneden waren, waren zij de gevangenen der Judaïsten.
quot;vx xutov? %y?.ovt£. De indic. achter is vreemd. Zie echter 6 : 12 {i\'yx ftit Siómcvrxi), 1 Kor. 4 : 6 (Jvx /-tgt;} Cp-jTicïxrös\'), Joh. 17 : 3 (ïvx yivóia-xova-i, volgens enkele handschriften). De Judaïsten wilden, dat de door hen eyvJ.siïphoi nu ook op hunne beurt hen tot het voorwerp van hun tvigt;.oc zouden maken, d. i. zich zouden beijveren om hunne gunst te winnen. Wie in de gevangenis zit, wil er uit. Zoo zou het ook niet lang duren, of de door de Judaïsten van hunne christelijke vrijheid beroofden zouden tot het besef van hunne gevangenschap komen, zich daarin diep ongelukkig gevoelen; en, gelijk een slaaf zijn meester naar de oogen ziet, nu ook op hunne beurt de Judaïsten naar de oogen zien om uit hunne gevangenschap verlost te worden. M. a. w. wie zich eenmaal door die Wets-drijvers heeft laten winnen, moet nu op zijne beurt hen voor zich winnen; als gevangene van de Wet, is hij van de genade van de mannen der Wet afhankelijk.
D* E F Gr en andere getuigen vonden het stichtelijk om, more scribarum, op vs. 17 te laten volgen cvj/.cürf os tx KpsiTTa xxpizftxTx (naar 1 Kor. 12 : 31).
Vs. 18. Kx?.hv êv y.xXcp ttxvto-s, y.x)
/Kv; [iivov sv tw -jr x p sTv x i [ts tt po $ Cl ft x g.
Ook de Sin. heeft amp;?.oült;r6£, in plaats van KyJxvcOxi, wat niet te verwonderen is bij de veelvuldige verwisseling van f met xi (zevenmaal) en xi met f (zesmaal) in dezen brief. In den Vaticanus is het echter een unicum. Opmerkelijk ook, dat de Vuig. met andere getuigen heeft: aemulamini.
201
201
IV : 18
Voegt men Merbij, dat er getuigen zijn die yxp lezen voor §f, ro Zyihoïiïöxi voor , y.xKZg voor xxkóv, tixvtcts
êv rif ayxöü voor èv y.xhcc -axvrors, y.xi ou voor y.zi ^ — dan ziet men, hoe vroeg er reeds pogingen zijn aangewend om den tekst te verbeteren. Hij is dan ook onverstaanbaar. Dat £tjA,overóxi een passivum is, en moet vertaald worden door : een voorwerp van te zijn, staat vast. Er is niet de
minste reden, waarom Paulus, na tweemaal achtereen bet activum JV.süv gebruikt te bebben, op eens den medium-vorm gebruiken zou, zonder eenige wijziging van beteekenis op bet oog te bebben.
Paulus vindt dus goed, dat men een voorwerp van is, en wel èv xxgt;.ai, in betgeen goed is, dus niet zooals die Judaïsten ijverden, en ook de Galatiërs, die zicb door ben badden laten winnen. Maar dan moest dat ^y^oïitróxi zijn a 11 ij d {■ümrcTs), en niet alleen als Paulus bij ben was {yy/i ftcycv êv ris Trxpsuxi (ts Trph? vpx?).
Hier zit de moeilijkheid. Hoe komt Paulus er toe, eensklaps zijn persoon bier in te brengen? In de eerste belft van het vers spreekt hij in het algemeen: het is goed, een voorwerp van te zijn in bet goede; onver
schillig dus, of het Paulus of een ander gold. Wie verwacht nu, dat daarop terstond iets volgt, wat Paulus alleen gold?
Het komt mij voor, dat al de pogingen, door de exegeten aangewend om die moeilijkheid op te lossen, mislukt zijn. Men krijgt niet alleen geen vloeienden, maar zelfs geen dra-gelijken zin. De tekst is bedorven, maar kan gemakkelijk hersteld worden.
Men leze : y.x/.cc? ^\'/.ovtrós sv y.xXa, nxvrore, xx) pv (ióvov, x. r. /..
202
202
IV : 18
Zóó wordt alles verklaard: 1. De lezingen Zyï.cïiiTÓs en aemulamini (de Vuig. zag liet woord voor een medium-vorm aan). 2. De bijvoeging van §£ of yap, die, toen de tekst eenmaal bedorven was, noodig bleek om de woorden met vs. 176 te verbinden. 3. De verandering van êv xxhcp in êv rSi xyzCü om het dubbele y.xï.h te vermijden. 4. y-y, (jlóvov dat aan een imperativus doet denken; en daarom in ou yJvov is veranderd, toen de imperativus verdween.
De voornaamste oorzaak van het bedorven worden van den tekst ligt in het uitspreken van de s als xi en van de xi als s (waarop ik zooeven reeds wees, toen ik over de lezing van den Sinaïticus sprak). Men verstond en schreef ^■/J.cïitöxt in plaats van fyïówQe. Dat was het z-pwrov -lisvlsc\'. Nu was het geen onafhankelijke zin meer. De infinitivus stond op zich zelf. Wat lag nu meer voor de hand, dan het xzaxz te veranderen in zaAcV?
Wat Paulus nu bedoelt met xz/.Z: êv y.z\'/.cj), is duide
lijk. Tegenover het o-j y.x/.x: amp;?.cvtóxi van de Galatiërs door de Judaïsten, stelt hij het xxhSn; eu denkt dan daarbij
aan zich zeiven. Hij was het, die de Galatiërs op de rechte wijze tot voorwerpen van zijn had gemaakt.
Wij hebben dus y.x/.:cs Zyj.üa-ós aldus te vertalen : laat u op de rechte wijze tot voorwerpen van den maken, geeft dus geen gehoor aan hen, die het als de Judaïsten op eene verkeerde wijze doen. De imperativus passivi is dan te verklaren als svsxsïOs van 5 : 1 (wordt niet belast, d. i. laat u niet belasten met het juk der dienstbaarheid).
Voegt Paulus er nu bij: èv y.x\'/.x, dan geeft hij er meê te kennen, in welke sfeer zich dat \\y,Xoüv moet bewegen; niet in die der Wet, zooals bij de Judaïsten, maar in die van het
203
203
XV : 18, 19
evangelie der genade en der vrijheid, zooals bij Paulus.
Hoe treffend komt mi dat Trxvrors k. t. gt;.. uit! Paulus weet, hoe de Gralatiërs zich door zijn hebben laten
winnen voor Christus, toen hij hun het evangelie verkondigde , en ook onder den indruk van zijn waren, toen hij voor de tweede maal bij hen was, en hen tegen de Judaïsten waarschuwde, zoodat zij waarlijk voor zijn evangelie bewaard schenen te zijn. Maar hij weet ook, hoe spoedig dat veranderd is na zijn vertrek. Daarom zegt hij ttxvtots, kx) ;/.■/, yjyov h ra TTixpsTvx! (/.s trpoc 1).
Vs. 19. Tskvo, [/,ov, oüc tt ah iv u\'Biva, ,uéxpii; oö [top-Cpaóy XpiïTos sv -jpiTy.
Voor rèy-vx, dat wij ook in n (a prima manu) lezen, hebben nc A C D en andere getuigen rsy.vix, wat zoo dikwijls in de Johanneïsche schriften gevonden wordt. Daar Paulus altijd Tsy.-jz heeft, is dit te verkiezen. Misschien heeft men, om het volgende u\'Slvu, later réy-vx in rsxvix veranderd.
Voor fis%pi? ov lezen gewichtige getuigen azpi? o-j (zie Tisch.). De beteekenis verschilt niet. Daar Paulus overal elders azP\'? ^ heeft, is yJzp\'? waarschijnlijk in amp;xpi? veranderd.
204
Steek vindt het beeld van eene moeder wat ongeschikt, en ziet er eene navolging in van 1 Kor. 4: 15, waar Paulus zich de vader der gemeente noemt (vg. Filem. 10) 1). Hij vergeet, dat juist de smart, die Paulus gevoelde over de han-
204
1
j Dit heeft ook waarschijnlijk Weisse geleid tot het schrappen van vs. 17, waardoor vs. 18 ten nauwste met vs. 16 verbonden werd. \') A. W,, S. 133.
IV : 19
delwijze der Galatiërs hem tot dat beeld bracht (vg. ook 1 Th. 2:7).
whivsiv: in barensnood wezen. Voor de tweede maal (het eerst bij zijne eerste komst) arbeidde Paulus aan de bekeering der Galatiërs. Het was alsof er nog niets geschied was, alsof zij tot Christus nog geheel in de vorige verhouding stonden — zóó groote bdteekenis had hun afval.
pixp\'s ou x. t. /. Eerder zouden Paulus barensweeën niet ophouden. De eerste bekeering bleek niet volkomen te zijn geweest. Er had iets aan ontbroken. Anders waren zij zoo spoedig niet eene prooi der Judaïsten geworden. Zij hadden Christus wel aangenomen. Maar Christus had nog geene fiopCp-zi, geen vorm, geene gestalte in hen gekregen. Hij leefde, hij werkte nog niet in hen, zooals men verwachten kon bij menschen, die hem ais hun Verlosser hadden lief gekregen.
Paulus blijft in het beeld. Hij denkt aan eene voldragen vrucht. Toch geeft hij er eene kleine wijziging aan, in zooverre hij niet van eene ftspSuais van de Galatiërs, maar van eene yJfOamp;Tt: van Christus in hen spreekt. Ook hier, gelijk elders, is de nieuwe mensch voor hem Christus.
205
Met Buttmann \') vind ik hier een anakoloeth. Toen Paulus schreef: tskvx pov, dacht hij er bij: keert toch terug! laat u toch raden! laat u nog eens maken tot voorwerpen van mijn £^5?! Eerst door het uhhsiv kwam hij tot deze gedachte : hoeveel beter gevolg zou toch dit xüiveiv hebben, als ik zelf bij de Galatiërs was; en liet zich daardoor verleiden om den zin niet af te maken. Uit de bewogen
\') Gramm., S. 331.
205
XV : 18, 19
evangelie der genade en der vrijheid, zooals bij Paulus.
Hoe treffend komt nu dat irivTors x. r. uit! Paulus weet, hoe de Galatiërs zich door zijn hebben laten
winnen voor Christus, toen hij hun het evangelie verkondigde , en ook onder den indruk van zijn SjXa? waren, toen hij voor de tweede maal bij hen was, en hen tegen de Judaïsten waarschuwde, zoodat zij waarlijk voor zijn evangelie bewaard schenen te zijn. Maar hi] weet ook, hoe spoedig dat veranderd is na zijn vertrek. Daarom zegt hij TrdvroTS, xx) y.y, yJvov êv TrapsTvxl pa v ft Sic 1).
Vs. 19. Téxvx [y.ov, ovc udivoi, [téxpi; o-j ftop-
Q ccÓijj Xpilt;jt:s èv v[jlüv.
Voor réxvx, dat wij ook in x (a prima manu) lezen, hebben nc A C D en andere getuigen tsxvIx, wat zoo dikwijls in de Johanneïsche schriften gevonden wordt. Daar Paulus altijd réxyx heeft, is dit te verkiezen. Misschien heeft men, om het volgende ütèivcc, later tsxvo, in rsxvix veranderd.
Voor (isxpi? ol lezen gewichtige getuigen v-xpiz oj (zie T i s c h.). De beteekenis verschilt niet. Daar Paulus overal elders xzp\'? ^ heeft, is y-£ZPl? waarschijnlijk in amp;XP1? verquot; andex-d.
204
Steek vindt het beeld van eene moeder wat ongeschikt, en ziet er eene navolging in van 1 Kor. 4:15, waar Paulus zich de vader der gemeente noemt (vg. Filem. 10) 1). Hij vergeet, dat juist de smart, die Paulus gevoelde over de han-
\') Dit heeft ook waarschijnlijk Weisse geleid tot het schrappen van vs. 17, waardoor vs. 18 ten nauwste met vs. 16 verbonden werd. Jj A. W., S. 133.
204
IV : 19
delwijze der Gralatiërs hem tot dat beeld bracht (vg. ook 1 Th. 2:7).
wèiveiv: in barensnood wezen. Voor de tweede maal (het eerst bij zijne eerste komst) arbeidde Paulns aan de bekeering der Galatiërs. Het was alsof er nog niets geschied was, alsof zij tot Christus nog geheel in de vorige verhouding stonden — zóó groote beteekenis had hun afval.
[tezpi? o-j •/.. t. A. Eerder zouden Paulus barensweeën niet ophouden. De eerste bekeering bleek niet volkomen te zijn geweest. Er had iets aan ontbroken. Anders waren zij zoo spoedig niet eene prooi der Judaïsten geworden. Zij hadden Christus wel aangenomen. Maar Christus had nog geene fiopQy, geen vorm, geene gestalte in hen gekregen. Hij leefde, hij werkte nog niet in hen, zooals men verwachten kon bij menschen, die hem als hun Verlosser hadden lief gekregen.
Paulus blijft in het beeld. Hij denkt aan eene voldragen vrucht. Toch geeft hij er eene kleine wijziging aan, in zooverre hij niet van eene pspScoTig van de Galatiërs, maar van eene piatyavi; van Christus in hen spreekt. Ook hier, gelijk elders, is de nieuwe mensch voor hem Christus.
Met Buttmann \') vind ik hier een anakoloeth. Toen Paulus schreef: tsy.vx, pov, dacht hij er bij ; keert toch terug! laat u toch raden! laat u nog eens maken tot voorwerpen van mijn Eerst door het aihijsiv kwam hij tot deze
205
gedachte: hoeveel beter gevolg zou toch dit xSiveiv hebben, als ik zelf bij de Galatiërs was; en liet zich daardoor verleiden om den zin niet af te maken. Uit de bewogen
\') Gramm.. S. 331.
205
IV : 19, 20
gemoedsstemming van Paulus laat zich dat zoo goed verklaren.
Vs. 20. quot;Hós/.cv TrxpsTvai tt/jo? cipn, y.x)
ryy (pcovyv ftov, on xtto poüftxt sv vf/.ïv.
yjóshov Sf: ik zou nu wel wenschen (vg. E,om. 9 : 3, yap), xpn: juist nu — met nadruk, zie 1 Kor. 16:7; (ral. 1:9.
Waarom wilde Paulus juist nu bij de Galatiërs zijn? Hij wilde x/.gt;.x^xi r-/,v Cpoov/jv. quot;AX/J-ttsiv is niets anders dan: veranderen (zie Eom. 1 : 23; 1 Kor. 15 : 51, 52) ; a).}M7(Tetv r/iv Cpayyv is dus : van stem veranderen, eene andere stem aannemen. Paulus wenschte dus in Gralatie eene andere stem aan te nemen. Wat wil dat zeggen? Wilde hij wat luider spreken dan hij gewoon was? Maar waren de Galatiers dan doof geworden? — Of wilde hij wat zachter gaan spreken? Maar dan werd hij misschien niet verstaan! En waartoe zou dat ook dienen ? — Of zou hij, om onbekend te blijven, wel de stem van een ander willen aannemen? Maar dan zou zijn gelaat hem toch verraden hebben.
Hoe men het ook neme, rijy (pavyv heeft geen
zin. Men heeft daarom aan het veranderen van toon gedacht. Kan men eenig voorbeeld daarvoor bijbrengen? \'). Maar ook al kon men dat, de zin werd er niet verstaanbaarder door. Eén van beiden toch : Paulus wenschte óf op een strengeren, óf op een zachteren toon te spreken. Het eerste geval is haast niet denkbaar. Want strenger dan hij volgens Gal. 1:8, 9 èn in Galatie, èn nu weder in dezen
\') In 1 Kor. 14 moet Qmij door geluid vertaald worden.
206
206
IV : 20
brief was, kon hij waarlijk niet zijn. quot;Wenschte hij dan op een zachter toon te spreken ? Zachter dus dan hij gesproken en geschreven had, b. v. in Gral. 1:8, 9? Maar dan was het immers wèl zoo eenvoudig geweest om Gral. 1:8, 9, en nog zooveel andere plaatsen uit den brief te schrappen? Daarenboven zou men niet dadelijk daarop den toon van vs. 21 en verv. verwachten.
Men leze , en alles is in orde.
Dikwijls komt het woord xy.xy.aZaiv (aor. dXx/.x^xi), schreeuwen, in de 70 voor als vertaling van (hifil van T\'i of van Vrn (hifil van Vr), zelfs driemaal met Öarjf. Zie Ezech. 27 :30, y.zi a.xa,}.ó.^avtiv «n trs Ty, (pmy x-jtccv y.x) y.gy.px-èovrxi Tixpóv. Ps. 46 (47) : 2, dXa.s.xt;oit£ ry dsü èv Cpuvij xyxX-y.ixisac. Judith 14:9, viXixXx^sv \'o Xxoc cpav/j psyxï.y,.
Verwant is cXO.vZeiv, huilen, zie Jez. 13 : 6; 23 :1,14; Jak. 5:1. Op de eerste plaats is het parallel met de cihwE: yvvxixbi; riy.rcvr/ic (Jez. 13:8).
Veel licht geeft vooral Micha 4 : 9, 10: „ Waarom zoudt gij zoo groot geschrei maken (^ X^r)\' Is er geen koning onder u? Is uw raadgever vergaan, dat u smart, als van eene barende vrouw, heeft aangegrepen? Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als eene barende vrouwquot;.
Hoort men nu Paulus in vs. 19 zeggen: réy.va ;y,ov, ovc -x/.iv aihivu, dan begrijpen wij, waarom hij het woord xXxXx^xi bezigt tot aanduiding van het weegeklag, dat hij onder de Galatiërs zou doen hooren om hun afval van Christus.
Men leze dus txKxKx^xi rij cpuvy. Hoe licht die x bij het schrij ven kon wegvallen, begrijpt ieder. En toen xXyJ.x^xi
207
207
IV : 20, 21
eenmaal ahKat-xi geworden was, sprak het van zelf, dat Tjj Sccvij veranderd werd in cpuv/iv.
xTropeiaöxi (van xiropelv, gebrek hebben) is : in verlegenheid zijn, van daar : bezorgd zijn, zich angstig maken, bevreesd zijn (vg. Gen. 32:7; 1 Makk. 3:31; 2 Makk. 8:20; 2 Kor. 4 : 8).
b uph (vg. 1: 24; 2 Kor. 7:16), om aan te duiden, dat de toestand der Galatiërs de grond was, waarop de xwsplx rustte. Paulus maakte zich angstig voor de Galatiërs, en was bang, dat al zijn arbeid aan hen vergeefsch zou wezen.
Vs. 21. AsysTs ftci, oi vtto vófiov ièhovre; sïvxi, rov v ópov ovy. xxoüsts-.
De schrijver slaat nu weer een anderen toon aan (hoe dikwijls doet hij dat in dezen brief!) Hij begint weer de waarheid van z ij n evangelie, en de onwaarheid van het evangelie zijner tegenstanders te betoogen. Toch kan men nog den toon van vs. 8—-20 er in hooren naklinken (zie vooral vs. 21, 30, 31). Anders is het in H. 3.
Wat Paulus nu vooral aan de Galatische christenen duidelijk wil maken, is, dat zij door Christus vrij zijn. Weder beroept hij zich op het aantrekkelijke voorbeeld van Abraham.
AsyeTs f/fCi, tot verscherping van de vraag, geheel in overeenstemming met den levendigen stijl van Paulus.
Bij xy.ovsiv tov vóftov hebben wij te denken aan de gewoonte bij de christenen, om de heilige boeken van Israël in hunne godsdienstige vergaderingen voor te lezen. De pentateuch werd ook de Wet, ó vófiog genoemd (zie Luk. 24:44; vg. ook Hand. 15 : 21; 2 Kor. 3; 15). Tot dien pentateuch of vs\'/xs; behoorde ook het verhaal van Abraham en zijne twee
208
208
IV : 21—24
zonen, waarop Paiüus nu de aandacht der Gralatiërs wil vestigen.
Vs. 22. T sy p uk t amp; i yocp on \'Afipxap \'Suo vlovc stxsv, sv x sy. Ti}? tt x c, y.x) \'évx s y. rij c è Xsu 0 s p x c.
Bedoeld is, wat in Gen. 21 te lezen staat van Ismaël, den zoon van Abraham en zijne slavin Hagar, en van Isaak, den zoon van Abraham en zijne vrijgeborene vrouw Sara.
o 5 - 11 Vs. 23. \'AAA\' b èy, Tiji; tt a iè i (7 xq g y.xrx trxpy.x ysyév-
^ t ^ , , i ■. , ,
v/jrxi, o sx rij? ahsuQspxi; Six rij c stt xyy sXixc.
De Sin. heeft met vele handschriften en vertalingen: c ptiv, eene verbetering naar aanleiding van het volgende o §£ \' j.
De lezing van den Sin. êtevisplx? is blijkbaar eene schrijffout voor èteuóspxc.
Voor Six rij: sTrxyysXlxg heeft de Sin. (met A C): êirxy-ysXixg, misschien wel, omdat ook bij trxpxx het artikel gemist wordt.
De zoon van de slavin was geboren y.zTx a-xpy.x, op gewone, vleeschelijke wijze; de zoon der vrijgeborene oix Tïjc sTrxyys/Jxc, door eene buitengewone tusschenkomst van God, waarvan de belofte aan Abraham de verzekering gaf (vg. Rom. 4 : 17—21; 9 : 7—9).
Wat Paulus daarmeê zeggen wil, blijkt uit vs. 28 en verv. Wat er tusschen in staat (vs. 24—27) verbreekt allen samenhang , en is door een smakeloozen afschrijver geïnterpoleerd.
p
209
Vs. 24. quot;Arivx êeriy xKhyyopovpsvx\' xvrxi yxp sIti-j \'Sv o S ixóy/xxt, (jl ia, ft sv xtto c pov c \'La iv x, elg S ov hs ixy y svv Sgt;lt;j x, ij Tic èi7T)y quot; A yxp.
\') Terecht is ^èv dan ook door W H tusschen haakjes gezet. VI. 209 U
IV : 25—27
Vs. 25. Ta §£ quot;Ayxp \'Zsivx opos êtrr) sv T-/j \'Apufiicf, (tvv it t o i xaï §5 t % yï/v \'Is p ov tr x }.-/i !/,• $011 he rist yxp fterx tüv rèxvcov xvrij s.
Vs. 26. \'H ?£ xvu \'is povg xxy [z shsvöspx s(TTlv, %tic i lt;TT) -J p-jryip ■/ifzav.
Vs. 27. TsypxTrTxi yxp\' suCppxvóyiTt crrslpx y ov riy.-Tovvx, p^\'^ov y.x) (2 é v (j ov vj ovx u\'Ss lvov(rx, on ivoKhx TX TS-A-JX T-/jz spjftou [tX/.hOV V, Tij? £%CUl7V? TOV Xv\'SpX.
De varianten geven weinig licht over deze duistere woorden.
Voor x-jtxi yxp in vs. 24 lezen F Gr x-jtx yxp, eene onhandige verbetering naar xtivx.
Voor Sus Sixóijy.xi heeft alleen de Sin. xl Svo SixSïjxxi. Terecht volgen Tisch. en WH. hem hierin niet. \'t Is kennelijk eene verbetering van iemand, die duidelijk wilde maken, dat dat nu de twee welbekende Verbonden waren.
Met betrekking tot de lezing to os quot;Ayxp ■/.. r. A. loopen de getuigen zeer uiteen (zie Sieffert):
to ós quot;Ayxp quot;Zsivx (of 2/v5) cpcc (A B D).
to os \'Lux opoe (o. a. twee handschriften der Vuig.).
ro yxp quot;Ziyx opog (x CFG, vele vertt.). \')
to Xnx opoe (goth. vert.).
to yxp quot;Ayxp 7.i-jx opog (KL en de meeste minuskels).
Blijkbaar heeft men met dien berg in Arabie, Hagar genaamd, geen weg geweten. Waarschijnlijk heeft iemand op den rand gezet: to yxp Livx opoq slt;7t)v êv Tij ^Apxfiix (zie
\') De Sin. heeft achter es-riv geplaatst: ov. Sieffert vraagt, of dit ook een overblijfsel kan wezen van quot;Ayap \'óv.
210
2t0
j
IV : 25—27
T i s c h.), om te doen gevoelen, dat de zonen van de dienstbare Hagar eigenlijk de Sinai-mannen waren. Opmerkelijk vond hij, dat Sinai juist in Arabie lag, waar men de zonen van Hagar had te zoeken. Dat hij daardoor toonde, van de redeneering in vs. 24—27 niets te begrijpen, is duidelijk. Men kan de woorden dan ook wegnemen, zonder dat er eene gaping in het betoog komt 1).
Voor (tvjttcixsT Si leest D avwrolxova-x, door Dr. van de Sande Bakhuijzen terecht een bewijs genoemd, dat vs. 256 zich vroeger heeft aangesloten aan vs. 24 J).
jjT/? êiruv vóór i^Tsjp (vs. 26) is eerst later in den Sinaï-ticus ingevoegd. De woorden behooren tot den stijl van de perikoop (zie arivx en yng in vs. 24).
Voor pyryp yftav (zonder txvtwv) spreken de oudste en beste getuigen (zie Tisch.) De lezing irwrav yipüv is waarschijnlijk ontstaan uit de zucht, om ook hier de christenen uit de Heidenen er in te brengen.
]Met kracht dringt zich, ook na de getuigen gehoord, zelfs na vs. 25a uit den tekst verwijderd te hebben, de vraag aan ons op, of wij vs. 24—27 wel kunnen beschouwen als het werk van onzen schrijver 2). Ook hier hebbe niet de dogmatiek, maar de exegese, en wel allereerst de grammatisch-historische het woord.
1. Verscheidene woorden en spreekwijzen treffen ons, die elders bij Paulus niet voorkomen. Dat wij \'Ispc-jTx/y,!^ lezen
211
1
\') De onechtheid van de woorden wordt ook aangenomen door Prins {Theol. Tijdschr. 1872), van de Sande Bakhuijzen (A. w., bl. 273), Baljon (A. w., bl. 76.)
2
) Ook W eis se laat de verzen weg.
211
IV : 25—27
(vs. 25 en 26) in plaats van \'lspclt;ró?.v(tx (1:17, 18; 2:1) is misschien van zooveel beteekenis niet. Ook 1 Kor. 16 :3 wordt \'IspovcrxXyy* gevonden.
Vreemd is aan het gansche N. ï. het woord ccM^ycpsTv. Het heteekent letterlijk: anders spreken, van daar: in beelden spreken, met zijne woorden iets anders bedoelen dan men zegt {u-./.o rh ypaftpa, a\'/./.o zo vóypx, Snidas). utivx £7riy a/j.yycpoóftsyx wil dus zeggen: waarin (namelijk in vs. 22 en 23) nog eene andere, eene diepere beteekenis ligt. Dat ook Paulns dikwijls allegoriseert, is bekend; maar hij kondigt zijne allegoriën nooit op die wijze aan.
(riivfroixsTv: tot dezelfde rij, tot dezelfde orde of soort be-hooren, overeenkomen, komt bij Paulus niet voor (wel ars (%£(■;/).
Nergens spreekt Paulus van een Jeruzalem dat nu is (wel van 5 vïiv y.xtpóg, wat beter te begrijpen is) tegenover een Jeruzalem dat xvu is. Dit laatste doet aan de Apokalypse van Johannes denken.
Souteusiv, zooals hier, van politieke dienstbaarheid gebruikt, is Paulus vreemd.
2. Vs. 24—27 leveren geen gezonden zin op, en doen eer denken aan omwerking en bijvoeging van latere hand, dan aan den schrijver van onzen brief, zooals wij hem tot nog toe hebben leeren kennen.
Met xvtxi (vs. 24) zijn natuurlijk bedoeld de twee vrouwen in vs. 22 en 23 genoemd, de Trxtiltrxt] Hagar en de èï.e-jispx Sara. De twee verbonden zijn het Oude Verbond, op den Sinai gesloten door bemiddeling van Mozes, en het Nieuwe Verbond, door bemiddeling van Jezus Christus gesloten.
212
212
7
IV : 25—27
Eén van die Verbonden {[tlx vs. 24) is cpovc quot;Zivx, d. i. afkomstig van den berg Sinai. De bedoeling zal wel zijn, dat bet eerste verbond (eigenlijk moest er staan: ^ fiix, en daarna ^ hrspx) op den berg Sinai gesloten, of van den berg Sinai afgekondigd is. Maar dan is tocb dat s\'uzi xrro eene zeer vreemde uitdrukking daarvoor.
Waarop slaat el? quot;SouXelxv quot;/ewSxrx terug? Natuurlijk op Maar boe kan nu van eeu Verbond gezegd worden, dat bet kinderen baart? Dat doet eene vrouw. Wij moeten dus aan Hagar denken. Maar boe kan nu weder van eene vrouw gezegd worden, dat zij is xtto cpcvc Xux ? Zulk eene verwarring van begrippen is aan onzen Paulus vreemd. Zij doet veeleer denken aan den man, die met bet woord o-Trsppa speelde, toen bij daarvan zeide: os èvriv Xptirróg (3 :16).
Daarenboven, boe vreemd, boe onpaulinisch is bet, om de niet-geloovige Joden van Hagar te laten afstammen! Hoe gebeel anders is de redeneering in Rom. 9! Daar worden de geloovige Israëlieten alleen als kinderen der belofte tegenover de ongeloovige als kinderen des vleescbes gesteld.
Vs. 25a valt, gelijk wij gezien bebben, weg. Maar daarmede wordt vs. 2öh niet begrijpelijker. Hagar zal een type zijn van de stad Jeruzalem van Paulus dagen, die met bare kinderen (zij wordt als eene moeder voorgesteld) dienstbaar is. Daar vs/üw ontbreekt, kan \'So-j/.svsiv alleen op eene politieke dienstbaarheid slaan. Maar waar heeft Paulus ooit de zedelijke en de politieke dienstbaarheid met elkander verward ?
Vers 26 komt er weder zeer zonderling bij. Men zou na hetgeen van de ftlx (Hagar) gezegd is, verwachten, dat er nu van de êrépx (Sara) gesproken werd. Maar neen, niets van
213
213
IV : 25—27
de tweede ciyJjy.y. De schrijver plaatst alleen tegenover t vvv \'IsfouTX/jiJL: yj xva \'Ispoutrxhyft. Hoe komt hij aan dat Jeruzalem. dat boven is? Zal dat het rijk van den Christus zijn? Maar dan toch altijd het toekomstige rijk; want waarom anders siyu, en niet y.xrx Trysïipz, of TrysvpxTixy, of iets dergelijks ?
Dat Jeruzalem is vrij. Maar waarom is dat vrij, en het aardsche Jeruzalem niet ? Daarvan wordt niets gezegd, tegen de gewoonte van Paulus in 1 j.
Dat Jeruzalem dat boven is, wordt onze moeder (wrvp •/ifiZv) genoemd. Dat Sara de moeder der geloovigen is, kan ik begrijpen. Maar dat het hemelsch Jeruzalem, dat nog komen moet, de moeder der geloovigen is — wat betee-kent dat? Zegt men (o. a. met Sieffert), dat wij onder het Jeruzalem dat boven is moeten verstaan de Messiaansche theocratie, welke vóór de wederkomst van Christus de Kerk, en na die wederkomst het heerlijke Messiasrijk is, dan zegt men iets dat men niet verantwoorden kan. Nergens wordt de Kerk vóór de wederkomst van Christus de Messiaansche theocratie genoemd. En daarenboven, dat de Kerk onze moeder is, is een denkbeeld, dat men wel niet bij Paulus verwachten zal.
In vs. 27 wordt Jez. 54 : l letterlijk naar de 70 aangehaald. De onvruchtbare vrouw {a-Tsïp», ov riy.TOvtrx, bvk xlhiwrx) wordt opgewekt om zich te verblijden (sv^pccvSyTi) en hare vreugde uit te galmen (pfêcv van pfawpi zie Jez. 52 : 9), omdat nu de tijd gekomen is, dat de kinderen der eenzame, ongetrouwde vrouw (spypc:) vele zijn, meer dan
\') Zie het bij 3:19, 20 door mij opgemerkte.
-214
214
IV : 25—27
die der getrouwde (f^cus-a: tov av^px). De Profeet heeft met die woorden het oog op het uit de ballingschap teruggekeerde Israël. Jeruzalem, dat verwoest en van men-schen verlaten was, en dus gelijk was geworden aan eene onvruchtbare vrouw, mocht nu weder jubelen; want de vorige welvaart zou terugkeeren, de bevolking zou toenemen, meer zelfs dan vroeger (vóór de ballingschap), toen het nog geen weduwe (van Jehova verlaten), maar nog (met Jehova) getrouwd was.
Wat hier van het aardsche Jeruzalem gezegd wordt, past de schrijver toe op het hemelsche, om te doen zien, dat hij het terecht de moeder der geloovigen had genoemd. Men ziet dadelijk, dat het fy^ry,p y,y.x-j hem tot de aanhaling van het profetisch woord heeft gebracht. Dat de eerst onvruchtbare Sara hem hierbij voor den geest heeft gezweefd, is zeer waarschijnlijk. Maar van de vrijheid, waarom het eigenlijk te doen was (zie vs. 23) geen syllabe!
3. Er is geen verband tusschen vs. 23 en 24; evenmin tusschen vs. 27 en 28. Neem daarentegen de perikoop weg, en het verband is hersteld.
Vs. 22 en 23 doen vermoeden, dat er iets volgen zal, wat de aanhaling van Gen. 21 verklaart, dus iets dat betrekking heeft op de verhouding, waarin de mannen der Wet en de mannen der Vrijheid tot elkander staan. In plaats daarvan krijgen wij echter eene nieuwe allegorie, waarin van een xztz (rxpy.x en een quot;Six tv,: iTrc/.y/iXia.c geen sprake meer is.
Hoe dezelfde schrijver, die vs. 24—27 nederschreef, daarop vs. 28 kon laten volgen {pvsliz Si, iSfACÈs/, y.xTx \'Itzxx. è-rrxy/sKixc Tr/.vz ècrs) is mij een raadsel. Waren de geloovigen
215
215
IV ; 25—27
nog Tiv.-jy, rvjs xvu \'lspoult;T»hyifA genoemd! Maar rèzvx sTrxyysXixc! En nog wel -/mtx \'Iïxxk, terwijl er nocli van de belofte noch van Isaak met een enkel woord was gerept!
Hoe goed daarentegen slniten zich vs. 28—31 aan vs. 23 aan! Ieder bemerkt: die verzen behooren bij elkander!
En wie is het, of liever, wie zijn het nu, die onzen schoonen brief zoo hebben bedorven? quot;Wij weten het niet. Maar mij dunkt — ik wees er reeds met een enkel woord op — de hand, die in 3 : 16, 19, 20 aan het werk is geweest , is ook hier terug te vinden. Ook hier die smakelooze allegorie. Ook hier die aanwijzing, wat dit is, en wat dat is (3:16; 4:24, 26). Ook hier die zucht om alles te noemen wat de Wet maar verlagen kan. Ook hier dat aaneenrijgen van uitdrukkingen, die weinig of geen betrekking op elkander hebben, en dan ook zoo los mogelijk naast elkander staan.
Bij van Manen vindt men de door mij geopperde bedenkingen tegen de echtheid van 4 : 24—27 voor een groot deel terug. Wat hij echter als middel om den tekst te herstellen voorslaat, is niet proefhoudend. Weder moet Mar-cion het van de katholieken winnen. Hij zal den oorspron-kelijken tekst hebben! Dezen namelijk: xtivx hrtv xm.yyc-psvftsyx. x-jtxi yxp siti Süo quot;§ix^y.xi, [/.ix fth xtïo cpovo quot;Zivx sl~ Tvjy crwsxyuyyv rüv \'\'lov\'Sxiuv, y.xrx véftcv, sU quot;èovtelxv ysvvwtrx, [tix -JTTSp ttxfxv llluxttslxv y svv KG o,, %TtS ê(7r)v yJ/T\'/ip \'Sió, xèslQol, ovx êefth TrxióiTy.\'/,: réy.vx, x/.ax rij? sXeuöspx:.
Ik vind niet, dat wij, met zóó te lezen, veel gewonnen hebben. Verscheidene van mijne bedenkingen tegen den katholieken tekst zijn ook hier van kracht. En er rijzen nieuwe op. Die synagoge der Joden komt er al zeer vreemd bij. In het woord synagoge lag toen toch niet? verachte-
216
216
IV : 27—29
lijks of vernederends. Wat is een verbond dat van den berg Sinaï komt y.ztx, vopov ? AVaarom wordt van de tweede yerj^Tz. niet gezegd, waarvan zij komt, en wat haar kenmerkt? Wat is een quot;/stjx-j Cnrsp Trxtrxv quot;SuvxttsIzv ? Waarlijk ik weet niet, of ik nog niet liever bij de katholieke sphinx terechtkwam 1).
Vs. 28. \'T [asïi; x\'hsKCpoi, y.XTX ^ltrxxx. STrxyys/.lxg t èy.y x è L
Zóó geven ook D1 F G en andere getuigen te lezen. Daarentegen hebben x A C De E en verscheidene vertalingen en kerkvaders — irftsv. Dit laatste is aan te bevelen, (hierover later).
Kxtx \'Wxay. beteekent: naar de wijze van Isaak, zooals Isaak was (zie 1 Petr. 1:15, kxtx tsv y.x/Jlt;rx-jrx vftx? xyicv, xx) ocvto) xyioï). De uitdrukking is echter vreemd. Ook wordt y.xTx nooit in die beteekenis door Paulus gebruikt. Meer bevreemding wekt echter het noemen van den naam van Isaak. In vs. 22 en 23 wordt hij niet genoemd, in vs. 29 en 30 evenmin. Waarom komt hij dan hier voor?
Zou het geheele vers wel oorspronkelijk in den brief hebben gestaan? Daar dit samenhangt met de verklaring van vs. 31, kom ik er later op terug. Dan zal ik ook uitvoeriger spreken over het verband tusschen de verzen 21—23 en 29, 30.
Vs. 29. \'AAa\' CCffTrsp tot 6 5 xxtx 17 x p x x y £yv/]6 e) s è\'h txy.s tov xxtx k v av [*, x, out u $ xx) vvy.
Hoe komt men er toch toe, om bij Siüksiv aan eigenlijk gezegde vervolgingen te denken, die de christenen in die dagen van de Joden te lijden hadden, zooals o. a. 1 Thess.
\') Zie ook hierover Baljon, bl. 74 en verv.
217
217
IV : 29, 30
2:14 wordt vermeld! Aiuxsiv is eigenlijk najagen, nazetten. Waarom, met welk doel, tot hoe ver, in welk opzicht — dat alles moet uit het verband blijken. Zoo hebben wij, om ons nu tot onzen brief\' te bepalen, bij 1:13 aan bloedige vervolgingen, maar bij 5 :11 aan een achtervolgen, een lastig vallen, een moeite aandoen (vg. 6:17, xsttc-j? (vfieic Trapsxiru) te denken. In den laatsten zin is ook het Sicixsiv van het kruis van Christus (6:12) bedoeld.
Wij hebben hier dus te denken aan het vijandig optreden, het achtervolgen, het plagen en lastig vallen, het tegenspreken en tegenwerken, het belagen en belasteren, waaraan de paulinische christenen van den kant der Judaïsten bloot stonden. Zóó is het nu — zegt Paulus — en zóó was het ook vroeger. Reeds de y.xra rccpxx ysvi/tids)? (zie vs. 23) vervolgde den y.xrx (yevvySanTx), Kxrx tt\'jsvij.x corres
pondeert met §/\' sTrxyys/Jx: van vs. 23. Overeenkomstig de gedane belofte was Gods kracht, of de kracht van Gods Geest werkzaam geweest bij de geboorte van Isaak (vg. Hom. 4).
Welk Sióixsiv van Isaak door Ismaël Paulus op het oog had, weten wij niet. Zeker heeft hij ook gedacht aan het spotten van Ismaël waarvan Gen. 21; 9 spreekt, daar hij terstond daarop Gen. 21 ; 10 aanhaalt. Evenwel, de sterke uitdrukking aiüy.siy maakt waarschijnlijk, dat Paulus met de overleveringen der Joden aangaande hetgeen Isaak van Ismaël te verduren had, niet onbekend was \').
Vs. 30. \'AlXo, ti ?.è,y£i y, ypxQy,-, £kI3x?.s ryv Trxilic-
*) Uitvoerig is hierover Baljon, bl. 223.
218
218
IV : 30. 31
xyv kx) tov u\'iov öiÜTijt;\' cu yiip fty khy pov o fA\'/i t e i a ulcc rij ? k iexyi: [ast a, rov u\'ioïi Tij c ê ?.su ó è p z c.
Deze woorden hebben geene oplieldering noodig. Ontleend aan Gen. 21 :10 (zie ook vs. 12) dienen zij om de Galatisohe christenen te doen zien, dat ten slotte de zegen van Abraham, het deelgenootschap aan het Messiasrijk den Jndaïsten zou ontgaan. Als kinderen der Kaihiw/i door hnnne slaafsche gezindheid, zouden zij ook het lot der ■xxtiif/.y, deelen.
Vs. 31. A(fl, «SfAcpc/, ouv. èrrpey a id Irry.-zis réxvx,
ei 7.X a, rij ; s ?. s v ö é p x c.
Dat S/s is vreemd. Het kan alleen beteekenen; daarom, derhalve. In het voorgaande moet dus iets te vinden zijn, waaruit de gevolgtrekking van vs. 31 gemaakt wordt. Dit is echter ver te zoeken. Weest gerust — heeft Paulus gezegd — niet de Judaïsten, maar gij zult de erfenis van Abraham ontvangen. En daarop volgt nu: Daarom, broeders, zijn wij niet kinderen van eene slavin, maar van de vrijgeborene! Dat daarom is onverstaanbaar. Reeds vroeg heeft men dan ook gegist, dat er oorspronkelijk wat anders stond. Er zijn getuigen die apx hebben; anderen oepx «w; anderen jfteTi; §£ (zie Tisch). Op die wijze komt men er echter niet. Vooreerst blijft dat ovx êtr/th Trat/S/Vjoj? réxyx x\'/.Xa. rijc è\'/.suóspxg zonderling op vs. 29, 30 volgen. En dan verklaart men ook niet, hoe dat in de wereld kwam.
Er moet een andere weg worden ingeslagen. Vs. 31 behoort achter vs. 23 te staan; en vs. 28 moet wegvallen.
De interpolator, die de woorden van vs. 24—27 in den tekst opnam (of misschien een latere afschrijver), moest ze
219
219
IV : 31
op de eene of andere wijze met het volgende verbinden. Dat deed hij met de aan R.om. 9:7,8 ontleende woorden: ■/Iftslg Si, KÜeXCpoi, xxra quot;Ivxcm sirxyyehia? tskvx ètr^sv. De verzen 22, 23 gaven hem daartoe gereede aanleiding. Wat
9-
oorspronkelijk op vs. 23 volgde: S;a, xos/.Cpól,-^c-jy. ètry.h TrxihlTy.-/,: zsy.\'jx., a/./.a: rij? shsvóépxc, kon hij daarvoor niet gebruiken. En zoo verhuisden die woorden van zelf daarheen, waar weder van de ttxiHtw en de steuóép» sprake was, namelijk achter vs. 30.
Hoe schoon, en echt paulinisch wordt dan de redeneering! Paulus stelt -zich de mogelijkheid voor, dat de Galatische christenen zich door de Judaïsten laten belezen, en onder het juk der Wet komen. Maar wat moet daarvan het gevolg zijn ? Dat zij de vrijheid verliezen, de door hem boven alles hooggeschatte vrijheid (zie 2 : 4). Dat mag niet. De Galatiërs moeten overtuigd worden van hun recht en hunne roeping tevens om vrij te zijn, en niet minder van hetgeen zij verbeuren, als die vrijheid hun ontgaat.
Daarom wijst hij op Abraham (altijd het beste wapen tegen de Judaïsten van dien tijd), en zegt dat hij twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrijgeborene. Wil men dus rekenen op de erfenis van Abraham, dan moet men wèl weten, van welken zoon men afstamt. Nu is de zoon der dienstmaagd naar het vleesch geboren, de zoon der vrijgeborene door de belofte (vs. 23). Derhalve, broeders, gaat Paulus voort, zijn wij kinderen, niet der dienstmaagd maar der vrijgeborene. Hij behoeft hier niet te herhalen, waarom hij die gevolgtrekking maakt. Uitvoerig genoeg had hij vroeger aangetoond, dat de Galatische christenen aan de beloften van Abraham deel
220
220
IV : 31
hadden. Er was dus niet aan te twijfelen, of zij waren evenals hij die door de belofte geboren was, kinderen der vrijgeborene, en daarom tot vrijheid geroepen.
Maar zie nu eens, vervolgt de schrijver in vs. 29, hoé door die Judaïsten de orde van zaken wordt omgekeerd, waarlijk ook al zooals in de dagen van Abraham. Toen was het de zoon der dienstmaagd die, alsof hij het recht daartoe had, tegen den zoon der vrijgeborene optrad. Eu nu is het evenzoo. De Judaïsten, zonen der dienstmaagd, doen zich tegenover u, de vrijgeboren zonen, als uwe meerderen gelden, en maken het u op allerlei wijze moeielijk (vs. 29). Maar daar zal een einde aan komen. Zij zullen worden uitgeworpen, en gij zult de erfenis ontvangen (vs. 31).
221
221
VIJFDE HOOFDSTUK.
Vs. 1. Tij sXsvOepiq. jftx? Xpitrroe yhsuSépuirsv (rryixsTs ovv, y.x) fiïj tt x/. t v (^vyü 2 ouhs ixt; l-j k xsv ü s.
Ook hier moet de conjecturaal-critiek hare diensten ons leenen. De woorden riji ês.svêeplx—yi^suêspaasv zijn om meer dan eene reden verdacht. Uit de handschriften en andere getuigen blijkt reeds dat men er geen weg meê wist. De voornaamste lezingen zijn:
Tjji i/.s-jósplx yftxi; XpiïTo? (of XpiTTs: yy-xc) ■/J.tvüipmw. trnixsTs ovv. Zoo leest men in de beste uitgaven van onzen brief, volgens de beste handschriften (x A B Cx).
^ sfajösclx XpiTTOi; ypxs (of -fax? Xpivri:) ■/j/.svöspu\'Ts. gtvjksts ovv (bij F Gr en andere getuigen).
i\'AivhpU ovv % jftx? Xpitrro? (of XpiTTo: -/jfixs) yjhevQèpuTe, oTifjcfTf (in den Ree., volgens K L).
Neemt men hierbij in aanmerking dat achter rjj ook yxp geplaatst wordt; dat ovv soms tweemaal voox\'komt. eens achter i/svóeplx, en eens achter arjxtTs; dat het ook in het geheel niet voorkomt dan ziet men, hoe men vroeger reeds de conjecturaal-critiek heeft te hulp geroepen om den tekst verstaanbaar te maken.
\') Zie Sieffert op deze plaats.
222
V : 1
De lezing: rj? stevöiplx jftèis Xpiiro: yi\'Asvöspwrsv ity^asts ow heeft veel dat zicli aanbeveelt. Zij heeft de oudste en beste handschriften en tal van vertalingen en kerkvaders voor zich (zie Tisch.). Dat zij echter de oorspronkelijke zou wezen, trek ik in twijfel. Zij is door en door onpaulinisch.
1. Hoe hebben wij den dativus rif iXsvóeplx te vertalen? Of als een dat. instrumenti (door de vrijheid), of als een dat. commodi (voor de vrijheid). Van het eerste kan natuurlijk geen sprake zijn. Door de vrijheid iemand vrij maken geeft geen zin. Maar evenmin voor de vrij beid iemand vrij maken, zooals tegenwoordig bijna alle uitleggers vertalen. Als ik iemand vrij maak, zal ik hem toch wel voorde vrijheid vrij maken. Of zou iemand soms er bij kunnen denken, dat ik hem voor de dienstbaarheid vrij maak ? Zegt men, dat ry sXsvQspiq. voor den nadruk er bij gezet wordt, met het oog op het voorafgaande ètevóépx?, dan antwoord ik, dat in het woord s/.svöspoïi-j, dat zoo ondubbelzinnig mogelijk is, al de nadruk ligt, dien men wenscht. Stond er nog iamp;yópxasv (zooals 3:13), of iets dergelijks, dan was rïj £?.£v-Qspia. nog eenigszins verklaarbaar; maar bij •fasuóépairrsv is het geheel overtollig, ja in strijd met het gezonde denken. Pau-lus althans was gewoon anders te denken 1)
2. Wat doet die opmerking hier ter zake? Er wordt in het verband met geen enkel woord van de vrijmaking der meuschen door Christus gesproken. En nu hebben wij gezien, dat Paulus niet gewoon is, zoo nu en dan in zijne redenee-
\') Ook Hort zegt {The New Testament in the original Greek, Appendix, p. 122) «Yet it is difficult to believe that St. Paul would use Tji ttevUfict. in the sense of xijv UeuQtfu\'xv.» Zijne gissing dat Paulus heeft geschreven Ixi (zie vs. 13) neemt de moeilijkheden niet weg.
223
223
V : 1
ringen de eene of andere waarheid te vlecliten, die niets ter zake doet. Hij is gewoon voet bij stuk te houden, en de kracht van zijn betoog niet te verzwakken door stichtelijke opmerkingen, zooals afschrijvers dat gewoon zijn. quot;Wij hebben dan ook hier weder met zulk een afschrijver te doen, die de gelegenheid gunstig achtte om zijnen lezers te herinneren dat Christus hen had verlost, en daarom er in voegde (misschien eerst op den rand) Xpisroc •jf/.xc vteuóèpuas.
Toen die woorden eenmaal in den tekst waren gekomen, moest men ze natuurlijk zoo goed mogelijk met de vorige en de volgende verbinden. En zóó zijn de vele varianten ontstaan. Het eerst, dunkt mij : ^ steuSspIp XpitrTo: -jftac viXsvispu^s, om de woorden met de voorgaande te verbinden 1). Daarop, door iemand die het met (rrjKsrs in verband wilde brengen : Tj? iXsuósplx, yi XpiTTOS yftxi; yihsvispcors, tz^-asts. Het ovv dat op ïT-jy.srs volgde, moest nu natuurlijk verplaatst worden, en achter ri? ê?.evöspU komen. Een ander liet het tweede ovv bij vergissing staan. Een ander weder maakte er een zelfstandigen zin van, en liet y weg. Dat onder die bedrijven door XpitTTs? vfiêcs hier en daar een Xpiaro? werd, is te begrijpen.
Dat men den schoenen tekst toch zóó bederven kon! Krachtig, forsch klinkt dat trry/xsrs ovv achter vs. 29, 30. Staat pal — roept Paulus den Gralatiërs toe, denkende aan de verzoekingen tot afval, aan het Sicixsiy van de Judaïsten — en laat u niet wederom (de afgodendienst was ook eene
\') Waarschijnlijk las ook Mardon zoo, zie v. Manen, bl. 492. Dat ook deze lezing niet paulinisch is, hehoeft geen betoog, h èiEüSsp/ci
is paulinisch, maar niet rji of } IteuSepfy rrfars.
224
224
V : 1—3
quot;SovXsix geweest, zie H.H. 3 en 4) onder tiet juk der dienstbaarheid brengen (£V£%£lt;r0xi, eig. door iets vastgehouden worden).
Vs. 2. quot;I§£, èyi) TIxvAog Xèyu vftlv, on êxv yrspiré-(tya-ós, Xpivroi; v ft si c ov\'ësy u Cp e hy tr s i.
(Sf. Paulus wil, dat men op hetgeen hij nu zegt, bijzonder zal letten, syco Uxïi/.o;, met nadruk, zie 2 Kor. 10:1. iiv xepirswtrQs (of liever, zooals de andere handschriften hebben, TrspiTkftwiaós, zie vs. 3). De Galatiërs waren zóóver nog niet gekomen; voor dat uiterste hadden zij zich nog gewacht; maar tot hoe lang ? Xpi^rcc ov\'Sh utpshfasi (zie 1 Kor. 14: 6). Voor hem die zich liet besnijden om daardoor voor God gerechtvaardigd te worden en den zegen Abrahams te erlangen, was Christus tot niets meer nut. Christus was voor hem te vergeefs gestorven (2 :21). Zoo Christus niet de eenige Verlosser was, was hij geen Verlosser.
Vs. 3. M x prv p o pt, x i os tïxXiv Trxyr) xvêpccTry trspi-ts[/,voftsvcp, \'dn o^siXervjc Hut) agt;.ov rhv vóftov Troifjrrxi.
ftxpriipsa-Cxi: plechtig verzekeren, zie Efez. 4:17; Hand. 20:26.
fxXiv wordt door sommige getuigen weggelaten, waarschijnlijk omdat men een vroeger ftxprupseöxi in den brief niet vond. Bij de oudste en beste getuigen wordt het echter gevonden (zie Tisch).
Door de meeste uitleggers wordt, daar de woorden die er op volgen noch in vs. 2, noch vroeger in den brief voorkomen, aan Paulus tweede verblijf in Galatie gedacht. Toen zal hij reeds gezegd hebben, dat ieder die zich liet besnijden, ver-VI. 225 -15
225
V : 3
plicht was de geheele quot;Wet te volbrengen. Onverklaard blijft hierbij echter, waarom Panlus dat juist hier zegt, en niet in vs. 2 of in vs. 4, waar de uitdrukkingen veel krasser zijn. De [txpTvplx van vs. 3 is, daarbij vergeleken, tamelijk onschuldig.
De volgende woorden leveren echter nog grooter moeilijkheid op. ttxvt) dcvópüircp in dit verband is vreemd. Waarom niet ïif/Jv, evenals in vs. 2 en 4? Paulus had toch in Galatie niet tot ieder mensch, maar alleen tot de Gralatiërs het woord gericht.
Kan op fixprupofisn volgen : on ocpsihsrw sttiv (of, zooals x heeft, iSsiXhyc êtrrlv) ■/.. r. A.? Ligt in /zaprvpsïóxi niet iets, dat aan eene plechtige verzekering, als voor het aangezicht Gods, doet denken? Zoo ja, dan past het niet bijzonder bij eene logische gevolgtrekking, zooals wij in vs. 3 vinden.
De uitdrukking tov vóftov ttoisI\'j komt bij Paulus niet voor. quot;Wel spreekt hij van een vroitrj rx rev vcpicv (Rom. 2; 14) en ook van iroiyrx) vófiou (als tegenstelling van xxpoxrz) vópcu, Rom. 2:13). Maar gewoonlijk is het: lt;pvgt;.xlt;rlt;rsiv vópov (Gal. 6:13), ■jrpxGvsiv vófiov (Rom. 2 :25), vóftov irtypovv (Rom. 13 :8).
Mijn hoofdbezwaar is, dat vs. 3 het verband verbreekt. Dat iemand die zich laat besnijden verplicht is om de geheele Wet te doen, kan alleen zien op de vervulling van de ceremonieele Wet. Want de zedelijke Wet moet volgens Paulus ook de christen houden. Dat nu daarop gewezen werd, lag voor de hand. De Galatiërs konden licht meenen, vooral omdat ook de judaïstische zeloten de Wet niet hielden (6 :13), dat zij zich alleen maar wat de besnijdenis betrof aan de Wet van Mozes hadden te onderwerpen. Die illusie moest hun
226
226
V : 3
ontnomen worden. Wie zich liet besnijden, had zich daarmede op wettisch standpunt geplaatst, en moest nu ook alles zich getroosten wat dat standpunt met zich bracht.
Dat was alles volkomen waar. Maar hoe kwam dat hier nu te pas, te midden van vs. 2 en 4! Wat had het breken met Christus (vs. 2 en 4) te maken met de verplichting voor den besnedene om de geheele ceremonieele Wet te onderhouden? De tekst is kennelijk bedorven. De verzen 2 en 4 behooren bij elkander. En vs. 3 is een inkruipsel, zooals er in dit en het volgende hoofdstuk zoo vele zijn.
Of zal Marcion gelijk hebben, ten minste die Marcion, dien Dr. van Manen meent te hebben hersteld? Zijn tekst zal aldus geluid hebben: \'/§f syu tixüao? gt;.kyx , oti, ha,v TTspirsfiijfós, XpiTro: •jy.x: o-jhsv x^bs/.y/Tsr pxprupopxi ttzIiv cti avópUTTO? TTspirsTfiyiftévos hrh oKoy roy vófiov TrXy-
pZrxi. xxTCipysTrs ro crvpsTcv rïjc TSouXsixi;, oÏ\'tivs? èv vi[/,a \'Sixxi-cvtÖ£ rïjc xxcirs: ^sttstxts. In dezen tekst vind ik den Paulus van Gal. nog veel minder terug. De onverklaarbare woorden (ixprvpofixi Ss ttxXiv blijven behouden, vóftov TXypüvxi is zeker paulinischer dan vipov ttoi^xi , maar in het ■zhypZrxt ligt reeds het oXov. En dan dat onhebbelijke y.xrxpysïrs to vyitslov rfc ^cuteixc\'. N.B. tot hen die nog niet besneden waren! (zie het èxv van vs. 2), Mij dunkt, wij moesten Marcion, dien aartsknoeier, ook hier maar laten rusten. Hij maakt de verwarring maar grooter \').
227
Ik meen dus dat Paulus heeft geschreven : \'/Sf èycc T!xü}.:c Xeyz uftrj, on Ix\'j 7tepiTk(J,w,7^s, Xpirroc vy.xc cüSsy uQshyjssr
\') Ook Dr. Naber heeft groot bezwaar tegen die lezing, zie Nuculae, p. 389.
227
V : 3, 4
ftxprjpoftai sf TTxKiy, xarypyyOvrs xiro XpicrTOv x. t. a.
Zoo krijgen Si, en kxKiv, en fiaprupopxi beteekenis. Evenals Paulus gewoon is hsyu sè te sclirijven, als hij iets nader wil toelichten, zegt hij nu [taprvpofixi Sé, omdat hij, hetgeen hij nu gaat zeggen (vs. 4) met den heiligsten ernst zeggen wil. En daar het in het wezen der zaak hetzelfde is als wat hij in vs. 2 gezegd heeft, voegt hij er irxAiv bij (zie o. a. Eilipp. 4:4; 2 Kor. 11:16).
Hoe zijn dan de woorden ttzi/ti xvópciiry Trspirs^vo^svcp — koiyjcxi in den tekst gekomen? Op de gewone wijze. Iemand schreef op den rand ttx: xyóputro; trspitsfavóftsvo? SCpsiXsr^c svtiv oXov tov voijlov Troiy^xi. Hij meende, dat iemand die vs. 2 en 4 las, ook hieraan wel eens denken mocht. Later kwam het in den tekst met verandering van Kxg xvópuiro? in Trxyr) xvópanrcfi om de aansluiting met pxprvpopxi 1).
Vs. 4. K xtv pyj 0 v t s xtto XpirrcÏJ, oï\'r iv s i; è v v ó ftp S r/. x l OÏI (T S £• TÏj $ XX p ITO? S^STTStTXTS.
228
kxtxpysïtêxi xtto tivo? is eene praegnante uitdrukking voor xxTxpysïeöxi y.x) xcopl^seóxi xno ti-jo: (Sieffert), en wil zeggen, dat de band, die ons aan iemand verbindt, vernietigd is, zoodat wij los van hem zijn (zie o. a. Rom. 7:2,6). Zoo was de band, die de Galatiërs met Christus had verbonden, verbroken, en waren zij los van Christus geworden. Zulk eene herinnering was waarlijk niet overbodig. De Judaïsten toch hielden niet op, den Galatiërs diets te maken, dat men in Christus als zijn Verlosser kon blijven roemen, al stelde
228
1
) Weisse laat het gansche vers weg. Onverklaarbaar blijft dan echter de latere bijvoeging van nceprópoiizi U kccmv.
V : 4, 5
men zich onder de Wet, daar men tocli voor alle wetsovertreding Christus weder noodig had. Die meening moest met wortel en tak worden uitgeroeid. Daarom stelt Paulus zich niet tevreden met te zeggen, dat men aan Christus niets meer had als men zich liet besnijden; maar hij gaat verder, en zegt dat feitelijk alle band met Christus verbroken is voor ieder die de rechtvaardiging nog zoekt in de quot;Wet.
alras: h vófty 2iy.xioüvós: voor zoovelen gij u, door u onder de bedeeling der Wet te begeven, laat rechtvaardigen (zie 3 : 11). Had Paulus eerst van de besnijdenis gesproken, hier spreekt hij van de oiy.xiOTjvy, èj vo/am . omdat de besnijdenis juist met het oog op die dixziouvvy werd begeerd.
Tijc xipiTo: s^sttstxts : gij zijt uit de genade gevallen, d. i. gij hebt de genade (van God) Verbeurd. Verg. Rom. 6 : 14,
CV yxp £lt;TT£ V770 VOtAOV XX\'/.X VTTO ZXpiV.
Deze woorden had Weisse niet moeten laten wegvallen. Zij zijn verre van overtollig. Paulus wil zeggen , dat wie Christus verliest, ook God en zijne genade verliest.
Vs. 5. -yxp kv sv fiXT i sy. iritrTsug s A it IS x
quot;è ixxiotrvvvis xtt e y.\'S s xó pa Q x.
De Sin. heeft sySsxópsöx. sxhsxscQxt is op iets of iemand wachten, x7reK§£Xs^xl iets of iemand verwachten. Als de woorden van Paulus zijn, heeft er zeker xTrsylèsxi^x gestaan, daar hier niet van wachten, maar van verwachten sprake is.
Als de woorden van Paulus zijn! Maar is er dan iets onpaulinisch in die woorden? Neen, niet in de woorden, ieder afzonderlijk genomen, maar wel in hunne samenvoeging.
\'t Is alles waar, en ook alles paulinisch, wat wij in vs. 5 lezen: De geloovigen verwachten de hoop (de hoop voor het
229
229
V : 5
gehoopte, zie Rom. 8: 24); zij verwachten die door den H. Geest (jrvsuftaTi); zij verwachten die uit het geloof {en TrlijTsug). Ook het woord oiy.xioïórj herinnert ons aan Paulus.
Maar dat is ook alles- Onpaulinisch is de verbinding van oiy.xtiT\'jy/j met fAir/?, als iets dat de geloovige verwacht, \'t Is de moeite waard om te zien , hoe scherpzinnige uitleggers zich moeite geven om er toch maar een zin aan te geven, die wat paulinisch klinkt. De eenvoudigste, voor de hand liggende verklaring: dat de geloovige de \'Sr/.xioevv/i, waarop hij hoopt, verwacht, wil men niet. Want.... dat kan Paulus niet gezegd hebben. Paulus zegt nergens dat men de o r/.xiQTj-jy nog te wachten heeft. De geloovige is volgens hem in het bezit van de Sucxistruvy Osov, en hoopt nu op grond daarvan op het eeuwige leven.
Liever stelt men zich dan tevreden met eene verklaring, waarbij de SmxicxTuvy wordt voorgesteld als de hopende, zoodat dan de geloovige verwacht „was die Grerechtigkeit zu boffen bat, oder zu boffen giebt, den gehofften Lobn der Grerechtigkeit, das ewige Leben (Sieffert). Zoo komt men waar men wezen wil, bij het eeuwige leven; maar.... langs een weg die van eene gezonde schriftverklaring vrij ver verwijderd is.
En waarom wil men met zooveel kracht het paulinisch karakter van vs. 5 handhaven ? Zit er eenig merg in ? Heeft het niet meer van eene zinledige opeenhooping van paulinische formulen, dan van eene gedachte, die past in het verband ? Men lette op dat yxp: „ Gij hebt de genade verbeurd!quot; roept Paulus den Gralatiërs toe met al de verontwaardiging zijner ziel. Want „ wij verwachten, door den
■230
230
V : 5, 6
Geest, uit het geloof, het eeuwige leven!quot; Als er iets mat is, is het dit.
Laat ons liever aannemen dat iemand, die Paulus meende te begrijpen, maar hem niet begreep, de woorden er in gevoegd heeft, als eene, naar zijn gevoelen, passende, maar in werkelijkheid den zin verwarrende tegenstelling met vs. 5.
Vs. 6. \'Ev yxp XpiïTÜ ovts TrspiTOffJi ri Ijxvsi, ovrs txx p o pv lt;rr ix, x?.?.x it t tg \'S T xyxTryc sv s py ov [*, évy.
Ook hier, ja hier nog veel meer, moeten wij zeggen; alles waar, alles paulinisch! Maar.... het staat niet op zijn plaats.
Nog tweemaal komen die woorden eenigszins gewijzigd voor: 1 Kor. 7 : 19, ^ KspnoiAy oiiêsv ia-nv, xxi \'h xxpoamp;jtrrix O\'jhh stjTn, x/.Xx T-/ip-/)(7ig hjToXav ösov-, en Gal. 6:15: ovts yxp tfspitoff/i n sntfj 0\'jts xxpofiuamp;rix, oiX\'f.x xxiy/, ktIti:.
231
Alleen in den brief aan de Korinthiërs staan die woorden op hun plaats. In Gal. 6: 15 verbreken zij den samenhang, zooals wij later zien zullen. Ook hier weet men niet, wat men er mede doen zal. Dat in Christus Jezus noch besnijdenis noch voorhuid beteekenis heeft \') d. w. z. dat het voor allen die in Christus Jezus gelooven op hetzelfde neerkomt, of zij Joden of Heidenen zijn, indien zij het geloof maar hebben, dat zich door middel van de liefde werkzaam betoont — dat is volkomen waar; maar wat doet dat nu ter zake in dit verband? Ik kan begrijpen, dat men dit joden- en heiden-christenen voorhoudt, die twisten over de
\') Uxven: van kracht, van beteekenis zijn (zie Hebr. 9:17) komt in dien zin bij Paulus niet voor.
231
V : 6—8
vraag, wie de meeste is. Maar hier, waar het Judaïsme zoo scherp wordt terecht gezet, en tot allen die zich laten besnijden gezegd wordt, dat zij de genade verbeurd hebben, ^ijn zij geheel misplaatst; ja, zij verzwakken den indruk, dien de schrijver wil teweeg brengen, door de besnijdenis als iets van weinig beteekenis te doen kennen.
Wij hebben hier te doen met een van die gevleugelde woorden, die met eenige wijziging toepasselijk gemaakt worden op een gegeven geval. Hier was het de tt\'ittic van vs. 5 die tot het toevoegen van vs. 6 aanleiding gaf. Van daar dat hier tegenover de Trspircy-y, en de ay-pcjoverlx niet de ejro\'kzi êsdü (1 Kor. 7 : 19) worden gesteld, en ook niet de y.xtw, jct/V/c (Gal. 6:15), maar de tt\'kttk; §/\' xyxTryic hspycu^h-/,.
Vs. 7, 8. \'E T p É % £ T £ ICXhCCC- TIC {/X C l\'J kv.0-\\j £V «Ajf-ü £ i ct. ;y,y, ■7r£lê£a\'Qix.i; -/j tt £ t? [ióvy oi/y. sy. zov y.x hovvr : : u ft a. c.
Voor £V£-M-p£v hebben eenige minuskels xvsy.o^w. Voor cl/.yr $£\'? laten de beste handschriften (n A B) rij weg. Achter «gt;} £löstÖxi hebben verscheidene getuigen fty,o£-A Trsiósffóxi. Hierover straks meer.
Hoe schoon sluit zich dit vers aan vs. 4 aan! Paulus kon dat woord: gij hebt de genade verbeurd! niet hebben neergeschreven , of terstond moest hij denken; hoe geheel anders was het vroeger met ui en hoe geheel anders was het nog geweest, als gij u niet door die Judaïsten hadt laten betoc-veren! (geheel zooals 3 : 1).
Ook hier, evenals 2 : 2, wordt het leven bij een loop vergeleken. In overeenstemming hiermede is het gebruik van h/y.Ó7rT£fj, dat eigenlijk beteekent: inslaan, insnijden; van
232
232
V ; 7, 8
daar: iemand den weg afsnijden, den weg versperren (waarvoor de Grieken êfiTro^l^eiv gebruiken). In dien zin gebruikt Panlns dat woord ook Rom. 15 : 22 , S/s y.z) èvexowró-ftyv tcïi êxösïy ttpot; •jpzc, en 1 Th. 2 : 18, èvsy.^sv ■/ifixz : ctxtxvx:.
De volgende woorden dfyöslx y.y Ksiöetróxi: zich door de waarheid niet laten overreden, niet laten gezeggen, komen wel wat mat achteraan. Er was toch geen sprake van zich niet door de waarheid te laten overreden; maar van in de waarheid te blijven, van te blijven op den weg, dien men reeds bewandelde. Ik kan dus wel begrijpen, dat H o 1 s t e n die woorden weglaat 1). Hoeveel krachtiger is niet dat afgebrokene rh vftac hsy.:-lisj; (evenals 1 Th. 2 :18). Ook Chrysostomus laat de woorden weg (zie Tisch).
Hoe is het echter tot die invoeging gekomen ? Om die vraag te beantwoorden, moeten wij eerst weten, wat onder ■/! ttsit-[■/.o-j\'/i te verstaan is. Met Hilgenfeld, Holsten, Sief-fert en anderen meen ik dat wij het moeten vertalen dooide overreding (van ttsHsiv), en wel in ongunstigen zin, met het oog op de Jndaïsten, die met allerlei fraaie woorden de Galatiërs van de waarheid des evangelies trachtten af te trekken, en voor zich zei ven trachtten te vannen (belezen, Beschwatzung) ï). Evenals Panlns in 1 Kor. 2 :4 met minachting neerzag op de ttsiöo) (roip\'ixs \'/.óy oi, waarvan zoovelen
\'j S. 175. Hoe jammer, dat Holsten de critische methode, hier gevolgd, ook niet op andere plaatsen, dib veel minder verstaanbaar zijn, heeft toegepast!
2) Zoo is (Jak. 1: 25) het vergeten; en (Kol. 2 : 23)
het verzadigen.
Ook door Ignatius (ad. Rom. III. 3) wordt zoo gebruikt:
ou KeKriJLovviQ to Sf/ov, ccï.Kx (zeysQov^ sttiv 6 Xpi(rTiixvir[j.ót;.
233
233
V : 7, 8
zich bedienden om aan hunne meeningen ingang te verschaffen (vg. de TTiiwoXoytx van Kol. 2:4), zoo waarschuwde hij ook de Gralatiërs tegen de ttsKjijmvi der Judaïsten, als niet uit God, die hen geroepen had, ouy. h. roïi y.xy.oxjvToq (prae-
sens, omdat het werkwoord substantive gebruikt wordt, vg. 1 Th. 5:24, TTidroc o kxXkv \'jfAxg).
Nu rijst echter de vraag, hoe komt Paulus er toe, om dat woord hier te bezigen, terwijl er vroeger van geen ireiósiv melding is gemaakt? Konden zijne lezers hem begrijpen, wanneer hij zoo zonder eenige aanleiding zeide : ■/? Trstvfioy/i o-jy. èy. Td-j xateïivrog upx?? Had hij dan niet eerst moeten zeggen, dat dat iyxóvrsiv geschiedde door ttsióo) /Jyoi ? Dit is een bezwaar, dat Hols ten niet heeft weggenomen.
Grooter is echter het bezwaar, wanneer wij de woorden Sü-yfiitx w TrsiösTÓxi in den tekst laten. Het verbaast mij, dat zoovelen niet gevoeld hebben, dat op die woorden onmogelijk ■/, rrsiïy.Qys; in ongunstigen zin kan volgen. Hoe! de Galatiers worden bestraft, omdat zij zich door de waarheid niet hebben laten overreden (waarin dus opgesloten ligt, dat ttsIIIsitQxi xï.ytslu een Godewelgevallig werk was)! En terstond daarop zal Paulus zeggen, dat het rrslósiv of de TrshTfiw/j niet is uit God? Hij had er dan toch waarlijk wel bij mogen zeggen, dat hij nu het oog had op de Judaïsten. Door dat niet te zeggen, bracht hij zijne lezers danig in de war.
Zou men dat misschien reeds in de dagen van Origenes gevoeld hebben, toen men de verkiezing der gemeente door de genade Gods verdedigde met te zeggen: ^ ttsigimvvi sx. y.xKoüvrog, y.x) oux, yftüv\'? 1)
^ Origenes, XXI, p. 379; vg. XXV, p. 170.
234
234
V : 7, 8
Aan alle bezwaren wordt te gemoet gekomen, wanneer wij tusschen t/c upxi; sysno-^sy en ^ TrstT^oy/j lezen : !/.■/,oen) ttsMstIIxi. Deze lezing wordt gevonden in F Gr, en verscheidene latijnsche handschriften, door Hieronymns gebruikt. Nu moge deze kerkvader schrijven: „sequitur Ne mini consenseritis. Sed quia nee in Graecis libris nee in his qui in apostolum commentati sunt hoc scriptum invenimus, praetereundum videturquot; (zie Tisch), dit is nog geen reden, om die lezing te verwerpen. Ja, wanneer, zooals hij las, aan Trslósïózi
voorafging rij x\'/.y/jelx y-h Trelósa-óxi, dan zou of het laatste, of het eerste uit den tekst moeten verwijderd worden. Onmogelijk kan op de vermaning: x/.y/jsix Trsiösïêxi volgen: fjy/io svi TrstöeeOxi. Maar waarom kan Paulus niet gezegd hebben: ric vftx? êvéxo\\p£v; (ty^sv) Treióevêxr ■/, ttsitij.ct/i •/.. r. A. ? Hoe kernachtig is dan dat y.y,os-A —slösdêxi! De infinitivus moet dan natuurlijk imperative opgevat worden, gelijk dit zoo dikwijls in een levendigen stijl bij de Grieken voorkomt, en ook Pilipp. 3:16, stAjjv s]c o scpqairxpsy, ry x-jtx troixsh. Hoe is het nu bij het afschrijven gegaan? Niet wetende, dat men met een zelfstandigen zin te doen had, heeft men het met hsy.o-^sv verbonden; maar, daar dit geen zin gaf, het veranderd in a/.y^ix py, irslóeróxt \'). Zoo is de oorspronkelijke lezing verdwenen, behalve in die handschriften, die naast de nieuwe lezing de oude behielden.
1) Het zou ook kunnen zijn dat een afschrijver, bij het lezen van wSsvi re/SeaSxi op den.rand zette: kctiertm, om aan de gemeente
te herinneren, dat men door de waarheid zich wèl moest laten overreden; en dat zoo langs dien weg in den tekst is ge
komen.
235
235
V : 9
Vs. 9. Miy.pèi *vsXov to tp-jpxpx ^vpct.
Voor tvpol hebben enkele getuigen (o. a. D1 E en de Vulg.) quot;èoXol (corrumpit). Terecht zegt Hieronymus daarvan: „ Sensnra potins interpres snum quam verba apostoli trans-tulit.quot;
Letterlijk komen die woorden ook voor in 1 Kor. 5: 6. Daar staan zij in een uitnemend verband. Hier echter kunnen zij niet alleen gemist worden, maar zij verstoren ook den zin. De beteekenis kan geene andere zijn dan deze, dat er maar weinig kwaad noodig is, of dat er maar weinige slechte menschen noodig zijn om eene gansche gemeente te bederven. Zulk eene herinnering is echter hier niet ad rem. Ware hier sprake van het uitbannen der Judaïsten, of moest de gemeente vermaand worden om toch de Judaïsten niet om hun klein getal gering te schatten, dan was de herinnering aan dat spreekwoord gepast. Maar daarvan was door Paulus met geen enkel woord gesproken.
Vooral echter is hier het volgende vers van beteekenis. Als vs. 9 in den tekst blijft, moet vs. 10 er op slaan. Maar dan is het toch wat zonderling uitgedrukt, dat Paulus in het vertrouwen leeft, dat de Galatiërs niet anders over de waarheid van dat spreekwoord zullen denken dan hij.
Liever stel ik ook dit gevleugelde woord, evenals vs. 6, op rekening van een afschrijver, die op zijne manier den tekst heeft willen verrijken, en misschien (\'t is moeilijk om de gedachten van zulk een afschrijver te raden) gedacht heeft, bij het lezen van fy-ySsii vsiösTÖxi, aan hetgeen wij bedoelen met het spreekwoord: geeft iemand den vinger, en hij neemt de geheele hand. Of heeft soms het y.plfix, waarvan Paulus in vs. 10 spreekt, hem aan 1 Kor. 5:5, 6 doen denken ?
236
236
V : 10
Vs. 10. \'E/ca ttsttoiqx s\\c vpz:, on oüèisv (ppo-
v/jcsre\' i §£ rxpei(77cov -jy^xq fixTrzvsi to xpipx, svr/c sz v y.
Achter s?u plaatsen enkele getuigen (o. a. C1 F Gr) Is, waarschijnlijk om den zin wat vloeiender te maken.
Alleen B heeft de woorden êy y.vpiüi achter ttstoiöx niet. Zijn zij bij vergissing overgeslagen? Of zijn zij er bijgevoegd, omdat Paulns gewoon was sv y.upiai bij KSTroiflz of KSTrstcrpai te voegen ? Dit laatste acht ik het waarschijnlijkste.
Op syu valt de nadruk. Mochten de Judaïsten al meenen, door hunne de gemeente weldra aan hunne voeten
te zien, P a u 1 u s vertrouwt, dat zij er evenzoo over denken zal als hij, namelijk: fj.rfs-A tsIósgóxi ! Men heeft gevraagd, hoe kon dezelfde man, die zoo vreesde voor zijne gemeente (zie o. a. 4: 11), hier zooveel vertrouwen stellen in zijne gemeente? \') Maar kon dan in een zoo bewegelijk gemoed als dat van Paulus niet nu eens de vrees, en dan weer de hoop de bovenhand hebben? \'t Is zoo natuurlijk, dat Paulus, hoe donker ook de toekomst inziende, toch zich soms vleide met de hoop, dat men ten laatste het onderscheid zou gaan inzien tusschen de TrsiT/zoyy der Judaïsten, en de eerlijke, niemand ontziende prediking van den apostel.
slg v\'jJ.:: ten opzichte van u. Paulus heeft elders «r/ (2 Kor. 2:3), of h (Fil. 3:3). Zie echter quot;Wijsh. 16:24, -j-sp tmv tï? lt;js TTSTroiöóruv. Zou Paulus of sv soms met opzet vermeden hebben, om niet al te zeer den indruk te geven, dat de gemeente in haar tegenwoordigen toestand hem zooveel grond van vertrouwen gaf?
237
1
) O. a. Dr. Naber, Nuculae, p. 389.
237
V : 10, 11
(ppovsTv, zeer geliefd bij Paulus om de gezindheid aan te duiden.
\'c Sf tsipxrvav v.. t. De Judaïsten zijn eigenlijk de schuldigen — wil Paulus zeggen. Die hebben de gemeente in beroering gebracht, en zullen dan ook Gods oordeel niet ontgaan. Hier rxpawMv in het enkelvoud, terwijl het 1 : 7 in het meervoud voorkomt; niet omdat er maar één was, maar om de soort der menschen, die Paulus op het oog had, aan te duiden, gelijk ook wij zouden zeggen : wie u in beroering brengt.
fixarxtsiv: dragen wat opgelegd wordt, ondergaan, ts y.ciux is het oordeel Gods, dat eens over alle menschen komen zal en den vijand van Christus en zijn Kijk zal straffen.
sar;? skv yj (met n A B, tegen C D E die cjric xv y hebben). Er schijnen dus mannen van aanzien en beteekenis onder de TxpxTucvTsg geweest te zijn. De brief geeft niet de minste aanleiding om aan Jakobus te denken (tegen Hol-sten, S. 177).
Vs. 11. ^Eya quot;Sé, xl) s KCp o i, si trspitoftyv sti xvipurrffa,
Ti sn ^ i üy.o f^x t; apx xxryipyviTxi ro crxxviï xhov roü errxupov.
r/u Si. Hiermede vestigt Paulus de aandacht op zich zeiven. Van de rxpxtrtrovTc? heeft hij het zijne gezegd. Wat hem zeiven nu betreft, el TrspiTOftyv sn y.ypu(rlt;ru, ri sn Sidxofixi; De eenvoudigste verklaring hiervan is deze, dat Paulus zinspeelt op den laster, die van hem verbreid werd, alsof hij in andere gemeenten anders predikte dan hij in Gralatie gedaan had. Daar zou hij zich met kracht tegen de besnij-
238
238
V : 11
denis verklaard tebben; maar elders zou hij haar toegelaten hebben. Om aan dien laster een eind te maken, schreef hij aan de Gralatiërs; indien het waar is wat van mij verteld wordt, dat ik namelijk de besnijdenis nog predik, waarom word ik dan nog vervolgd? De vervolging van den kant der Judaïsten zou immers ophouden, als ik het op dat punt met hen eens was!
Deze verklaring zou aannemelijk zijn, wanneer men aannemelijk kon maken, dat ooit van een man als Paulus kon verteld worden. dat hij, letwel, niet dé besnijdenis toeliet, maar haar predikte (xypvwu), haar dus als iets noodzakelijks voor den christen in zijne prediking opnam. Kan men in ernst beweren, dat iets dergelijks van den schrijver van onzen brief kon worden verteld ? En zou Paulus, indien hem zulk een vertelsel ter oore was gekomen, het nog der moeite waardig hebben geacht, het te weerleggen, door op zijne vervolgingen te wijzen? En wat zou dan nog die heenwijzing naar zijne vervolgingen bewijzen? Hij had er bij moeten voegen dat hij overal, en wel door de Judaïsten werd vervolgd
239
Holsten, Sieffert en anderen meenen, dat Paulus de reden aangeeft, waarom hij zich niet naar de eischen der Judaïsten kon schikken. Hij kon de besnijdenis niet meer prediken. Want dan zou hij datgene moeten prijs geven, waarom hij al de vervolgingen had geduld, namelijk het
\') Zie verder hierover Sieffert. Tot mijne verwondering verwijdert Bal jon zich hierin van dezen, en springt hij voor de door mij bestredene verklaring, die vroeger ook door Meyer en Hilgenfeld werd omhelsd, in de bres.
239
V : 11
kruis van Christus, dat juist door de prediking van de besnijdenis van kracht werd beroofd.
Dat in hoofdzaak hiermede de bedoeling van Paulus woorden is weergegeven, is ook mijne meening. Maar het staat er nu eenmaal niet. Men mag het praesens ■/.■/, d-jijix niet vertalen alsof er een imperfectum stond: indien ik eens de besnijdenis verkondigde! Daarenboven komt dat ri\'htiy.oy.xi er al wonderlijk tusschen in. Waarom laat Paulus er niet dadelijk op volgen: apx %. t. /..?
Het verwondert mij, dat de vreemde plaats die de woorden t/ It; oi^y.oy.xi tusschen twee versdeelen, welke eigenlijk bij elkander behooren, innemen, nog niemand op de gedachte heeft gebracht, om aan die woorden eene andere plaats te geven.
Lees: syx Si, xhs^cpoi, rt oiccy.cuzt; s) TrspiTOftyv sti zypuftrx, xpx y.xTiipyyiTXt ro try.mlxXcv rcD a-Txvpcv, en alles wordt klaar. Onder het oixxsiy moeten wij dan niet een vervolgen verstaan in den zin van 1 ; 13, maar evenals 4 : 29; 6 : 12 (vg. 6 : 17), een achtervolgen, een lastig vallen. Men achtervolgde Paulus telkens, en viel hem telkens lastig met den eisch om toch toe te geven, en, al was het dan maar om de zwakke broeders, voor de Heidenen de noodzakelijkheid der besnijdenis te prediken. Ach! waarom is onze Paulus daar toch zoo tegen ? hadden misschien velen in de Galatische gemeenten gevraagd. Waarom staat hij zoo vast op zijn stuk. en brengt hij den vrede der Kerk in gevaar?
Hierop antwoordt nu Paulus: sl TrspiTOftyv srt ■/.■/jpucrcu, apz xxTypyypxi ro v/.x-j\'SyJ.ov tcü trTxvpoj. Hij had ook kunnen zeggen: xpa y.zr/jpyyiTxi \'o cravpoa- (vg. 1 Kor. 1 : 17, quot;vx [ty, xevcoêij o ttx-jpcs rcïi xptttcj)■ maar hij voegt er to o-z.xv\'Sxaov bij,
240
240
V : 11, 12
om den Judaïsten te doen gevoelen dat, mocht het al hun toeleg zijn om het kruis van Christus van zijn txz-AzXov te berooven, en mochten zij juist daarom zoo op de prediking van de besnijdenis aandringen, voor hem juist het wegnemen van dat ey.a-jSzXov de vernietiging was van de kracht van het kruis.
Zoo krijgt eerst dat el met den indicat., met het volgende apx zijne rechte beteekenis (zie 2:17; 2 : 21; 2 Kor. 5 :15).
De inlassching stel ik mij aldus voor. Iemand slaat de woorden ri ltxy.o,uxt over, bemerkt het later, en zet ze op den rand. Een latere afschrijver neemt ze op in den tekst, maar op eene verkeerde plaats, niet achter xSehipoi, maar achter xypÓTa-a, waardoor hij genoodzaakt is om er \'én bij te voegen.
Dat het eerste \'én (ten onrechte door Dx Fgr Gr en andere getuigen uit den tekst verwijderd) niet slaat op een vroegeren levenstoestand van Paulus, maar eenvoudig te kennen geeft: een prediken van de besnijdenis nog na verlost te zijn door het kruis van Christus \'), spreekt na mijne uiteenzetting van Paulus bedoeling van zelf.
Vs. 12. quot;Otps/.ov y.x) xttoy.óipovtxi ol avzetzrovvres
V (JL si ?.
Voor ctTrcxóipovTxi hebben IJ E F G xTroxtywvrxi. Waarschijnlijk eene spraakkunstige verbetering , omdat het gebruik van ÏXeXo-j met het futurum hoogst zeldzaam is. Paulus heeft alleen het imperfectum (2 Kor. 11; 1) en den aoristus (1 Kor. 4 : 8).
\') Zie over het gebruiken van \'én in logischen zin bij Paulus bl. 27.
VI. 244 16
241
V : 12
Zoo goed als eenstemmig zijn de nieuwere exegeten in de verklaring van xttcxo\'^ovtxi. Panlns zal zijn wenscli te kennen gegeven hebben, dat die Hatelijke Judaxsten het niet bij de besnijdenis (irspiTopvi) mochten laten, maar ook (j«/) tot de xxraroiMi (zie Fil. 3 : 2) mochten overgaan; dat zij zich dus niet alleen het praeputium mochten laten wegsnijden, maar ook zich ontmanden. Men vindt dien wensch wel wat onhebbelijk, en begrijpt ook niet, wat Paulus er aan had om dat te wenschen; maar men kan van oiiroKotyovrai (fut. med.) geene andere verklaring geven, \'t Is niet de vraag — zegt men, en terecht — wat men wenschen zou dat Paulus had gezegd, maar wat hij werkelijk gezegd heeft. Zóó tal van kerkvaders, o. a. Augustinus, Chrysostomus, Hieronymus, Theodoretus. Zóó Grotius, quot;Wet-stein, Winer, Hilgenfeld, Hols ten, Sieffert, Steek, Baljon.
Laat mij eene poging wagen om eene andere, o. a. door Kalvijn en quot;Wieseler aanbevolen verklaring er voor in de plaats te stellen.
242
Eerbied voor de historisch-grammatische exegese! Maar juist daarom vraag ik : heeft men zich van het cSsXn wel behoorlijk rekenschap gegeven? Wat men Paulus laat zeggen, is geen wensch, maar eene verwensching. Kan men nu één bewijs bijbrengen, dat ctpsXov bij eene verwensching gebruikt wordt? Altijd ligt in oQsXov (evenals in u tin am. en in ons och of \') iets dat nuttig, voordeelig, aangenaam is voor hem die spreekt of voor een ander. Nu kan ik wel iemand onheil, kwaad, ellende toewenschen; maar dan moet
1) Verg. ook het hebr. ]JT \'d
242
V : 12
het altijd nuttig, voordeelig, aangenaam zijn of voor mij, of voor een ander. Is het dat niet, is het eenvoudig eene verwensching zonder meer, dan zegt men wat men zeggen wil in den imperatief, en dan liefst zoo kort mogelijk. En nu vraag ik, wat hadden de Judaïsten, wat had Paulus, wat hadden de gemeenten van Galatie, wat had iemand ter wereld er aan, dat de Judaïsten voor de voortteling ongeschikt werden?
Daarenboven, waarom heeft Paulus, als het hem alleen om eene hatelijke woordspeling te doen is geweest, niet het woord xxrxrépysn gebruikt (zie Fil. 3:2), waarvoor het onmiddellijk voorafgaande woord irspiropii zich zoo uitstekend leende? Hoeveel beter toch, dan het meer verwijderde s\'/koztsiv (vs. 7), dat door Paulus in eene oneigenlijke beteekenis gebruikt was, en dus niemand op het denkbeeld van snijden kon brengen? \')
quot;Waarom niet liever vertaald: och of zij ook te gronde gingen, stierven, uitgedelgd wierden (nam. uit het land dei-levenden)! Opmerkelijk, dat het hebr. woord rna secuit, cecïdit, in Nifal beteekent: excisus est, extirpatus est, en altijd gebruikt wordt als er gesproken wordt van een uitgedelgd worden uit het midden des volks. En nu is het wel waar, dat in de 70 daarvoor nooit airoxÓTrrsiy, maar bijna altijd êamp;Xoópsvsiv gebezigd wordt; maar dit is volstrekt geen bezwaar. Ook Paulus zou het woord xxcxóttsiv niet gebruikt hebben, als hij niet kort te voren iyy.cnrrsiv
\') Paulus houdt veel van de composita van xórrsiv, en gebruikt ze altijd in eene overdrachtelijke beteekenis: èyxoVrsfv (Gal. 5:7; Eom. 15 : 22; 1 Th. 2 : 18), KpoKoxTetv (Gal. 1; 14; Rom. 13 :12), irpancÓTTetv (Eom. 9:32; 14:21) ixKÓvrw (Eom. 11:22, 24; 2 Kor. 11:12).
243
243
V : 12, 13
had gebruikt. Daaruit verklaart zich ook het woordje xas/. Hij wil daarmeê zeggen: zij die ^5; héxox^xv, oCpeXov y.xï XTroKÓipovTxi. Ook wij kunnen ons van dezelfde woordspeling bedienen: zij die u den weg hebben afgesneden, dat zij nu ook uitsneden!
Maar is nu het fut. med. niet het groote bezwaar tegen deze verklaring? quot;Waarom? Zal dan één kenner van het grieksch er aan twijfelen, dat het fut. medii ook in sommige gevallen als passivum kan gebruikt worden? Wordt niet uQeXvia-ovTXi voor wQshyójtrcvrxi, trspie-JjecSxi voor TïEpistpêj-lt;t£lt;j6ixi, xttxXXx^oiax\'. vooi\' xTvxX\'Axy/^oiJLxi gebruikt? \')
xvxgtxtow wordt ook Hand. 17: 6 en 21 : 38 gebruikt in den zin van oproerig maken, in rep en roer brengen. Het komt in het classisch grieksch niet voor. Misschien drukt de vertaling: verwoesten het best Paulus bedoeling uit. In dien zin worden xvxttxtkgu; , xvxïtxr-jp, xvxvtxtsv ttoisIv dikwijls door de Grieken gebruikt.
Ys. 13. \'T^slc yxp stt iï.suêspia. ixh-jSyrs, xhsKtpol\' fióvov fi ij ryv èXsvóspixv sic xCpo p pyiv ry t x pxi, xhhx quot;èix rijc xyxTTy/C SauAfiifTf x?gt;h-/j?. o i c.
F Gr, de Vuig. en de lat. handschriften bij Hieronymus voegen bij fioi/ov yj: \'Scots , detis. Terecht zegt echter de kerkvader op deze plaats: „Subauditur detis: quod quia in Graeco non habetur, Latinus posuit interpresquot;. De weglating van het werkwoord na is niet ongewoon (zie o. a. Matth. 26 : 5).
\') Zie Buttmann, Griechische Grammatik, 17e Ausg. 1845, S. 233; Winer, S. 227. Ook in zijn Commentaar zegt hij, dat er teg9n de gegeven verklaring uit een grammatisch oogpunt geen bezwaar is.
244
244
V : 13
KateTv met sttI, om de reden waarom, het doel waartoe iemand geroepen is, aan te duiden, wordt ook gevonden 1 Th. 4:7; zie ook Efez. 2 ; 10.
Panlus herinnert de Gralatiers, voordat hij tot een wandelen naar den Geest opwekt, nog eens aan de hem zoo dierbare vrijheid. Dat hij zich zoo kras heeft uitgelaten over de Judaïsten, die verwoesters der gemeenten, is omdat zij de Gralatiers hadden beroofd van den kostelijken schat der vrijheid (van daar dat yxp).
(jJvov •/.. t. /..: bedenkt alleen (laat n door geen valsch begrip van vrijheid afbrengen van de overtuiging), dat gij nu ook niet meer naar het vleesch moogt leven.
aQoppyv: aanleiding, zie Rom. 7:8,11; 2 Kor. 5:12 en elders.
Bekend is, dat Panlus telkens zich had te verdedigen tegen de beschuldiging, dat hij met zijn aandringen op vrijheid de zonde in de hand werkte; en ook werkelijk dikwijls aanleiding vond om zijne volgelingen tegen een misbruiken van de vrijheid te waarschuwen. Zeer zou het ons dus bevreemden, als hij dat hier, in dezen brief, niet gedaan had. De Judaïsten zullen toch zeker ook wel in Galatie de onderhouding der Wet gepredikt hebben, onder voorgeven van daardoor alleen het vleesch te kunnen beteugelen.
Drieledig moest nu de taak van Paulus zijn, nu hij aan het einde van zijnen brief gekomen is: 1. zoo krachtig mogelijk uit te spreken, dat een christen zich van de werken des vleesches had te onthouden; 2. aan te toon en, dat een dienen van het vleesch met het aannemen van zijn evangelie in strijd was; 3. de beschuldiging van dienaars des vleesches te zijn juist zijnen tegenstanders naar het hoofd te slingeren.
245
245
V : 13
Dit doet hij iu 5: 13—6 :17 op treffende wijze.
Er is echter nog een verschijnsel, dat ons aan het einde van den brief treft. Telkens en telkens vinden wij aangedrongen op de broederliefde, gewaarschuwd tegen twist en tweedracht, nijd en afgunst, en vermaand tot eendracht en vrede, tot hulpvaardigheid en zachtmoedigheid (zie 5;13,gt;, 14, 15, 22, 26; 6 : 1—6). De vraag rijst bij ons op: hoe komt Paulus er toe om hier een onderwerp te behandelen, dat geheel vreemd is aan hetgeen wij tot dusverre in den brief gevonden hebben. Met geen enkel woord is tot nog toe op verdeeldheid, twist en tweedracht in de gemeenten van Gralatie gezinspeeld. Wij krijgen den indruk, alsof de afval algemeen is. Nu zullen er waarschijnlijk wel uitzonderingen geweest zijn; maar Paulus noemt ze niet; van zoo veel beteekenis zullen zij dus niet geweest zijn, dat zij aanleiding tot twist en tweedracht gaven.
246
Geheel ongemotiveerd komt dus dat paraenetisch gedeelte hier tusschen in. De Galatiërs zouden wel vreemd opgezien hebben, als zij daar eensklaps, zonder de minste aanleiding, \') zich hadden hooren toeroepen: dient elkander in de liefde, bijt en vereet elkander niet, draagt elkanders lasten, enz. Daarenboven moest het scherpe betoog van Paulus door dergelijke vermaningen worden verzwakt. Vreemd! — moesten de Galatiërs denken — Paulus roept uit: o^psaoy kx) x7rotcó\\povTxt, en wij moeten elkander, dus ock hen die in de zaak van het judaïsme tegenover hem staan, liefhebben, en hunne lasten hen helpen dragen!
\') Hoe geheel anders o. a. in 1 Kor. 5:1; 7:1; 8:1. Daar wordt op de aanleiding tot het schrijven telkens gezinspeeld.
246
V : 13
Dat de brief, tot H. 5 :13 toe, en ook weer aan het slot (6:11—17) slechts over één onderwerp handelt, en de gemeente ons doet kennen als in haar geheel op het punt om eene prooi van het judaïsme te worden; en dat daarentegen, daar tusschen in, vermaningen en opwekkingen voorkomen, die Paulus aan elke gemeente zon hebben kunnen richten — dat doet ons vragen, of het een en het ander wel van denzelfden schrijver is.
De proef op de som! Is er zulk een samenhang, dat wij zonder willekeur het eene van het andere niet kunnen scheiden\'? Of is er zulk een gebrekkig verband, dat wij aan latere invoeging moeten denken?
Voor mij is dat geen quaestie meer — zoo verrassend waren de resultaten van mijn exegetisch-critisch onderzoek. Men oordeele:
De woorden x\'a\'/.x \'Six rijc xyxTr-/,: oovhsvers kunnen
onmogelijk door Paulus vlak achter de woorden (tóvn — a-xpxi geplaatst zijn. Zijn zij dan onpaulinisch? Neen. Maar lt;rxpi; en xyxirvt zijn geen woorden, die eenig gezond denkend mensch als tegenstellingen vlak op elkander zal laten volgen. quot;Wel zijn de \'épi?, de \'éxópx, de ojas? enz. spyx rijc crxpyjs (zie vs. 20), en daarentegen de xyxirv,, de slpyw enz. spyx rsü Tcvsu^xrog (zie vs. 21). Maar daarom staat niet ayx-Try, tegenover axpH. Paulus had, zooals blijkt uit alles wat op zijn naam staat, óf tegenover expl-, kvsviax moeten plaatsen, of in plaats van rrxp^-. epig, lyjpx of iets dergelijks. Blijkbaar zijn de woorden : x\'/.Xx Six tij? xyxirvtq ScvXsvsts xXagt;!?.cis later aan de voorgaande vastgehaakt, omdat men iets over de liefde had te zeggen, en deze plaats daarvoor het geschiktst achtte, daar er iets in gezegd werd van de vrijheid,
247
247
V : 13, 14
die immers zoo verschrikkelijk kon worden misbruikt! \').
Vs. 14. \'O yxp irxc vc/aoi; sv sv) gt;. ó y w tt stt p ur a i, sv txyktt-/, lt;7 £ ic rhv 7r\\y,lt;riov gou uc (rsauróv.
Vóór êv sv) xiycf plaatsen l)x E F8\' G sv vplv. Marcion las (volgens Epiphanius) \'o yap ttxc vóftoc vfiTv 7rs7r?jpuTy.r ayxTrfasic tov TrXv^tov tov kc trsxvrii/: de gelieele Wet is voor u vervuld: gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven! Dit heeft geen zin, ook al vertaalt men met van Manen ■zXypüv liever door aanvullen 2); sv rü vóór ayxTryarsig mocht dan allerminst ontbreken. Ook is het wel eene zonderlinge gedachte, dat de geheele Wet wordt aangevuld door het gebod der liefde!
Ik houd de beide varianten voor pogingen om den tekst te verbeteren. Zoo ook den variant KfypovTxi voor ■srsTr^purxi.
De tekst is werkelijk onverstaanbaar. Maar aan wien de schuld? Is hier niet weder de interpolator aan het werk geweest? De woorden doen ons denken aan Rom. 13:8, 9 c yxp xyxTrccv tov sTspcv vóftcv TrsTTA-jpccy.sv. to yxp o-j poixsv-
Gsiq.....sv TÜ XÓyu TOVTil XVXXsCpXXXlOVTXl , 6v TCf- XyXTT\'/jTSli; TOV
ttyr/ov crc-j kc ctsxvtov.
Wie ziet niet de groote overeenkomst tusschen deze woorden en Gal. 5 : 14 ? Maar wie ziet ook niet terstond, dat Gal. 5 :14 een plagiaat is? In Rom. 13 ; 8 is het TrXypovv
\') Zou die vreemde tegenstelling van lt;raf% en Weisse ook
bewogen hebben, om w—irapxt uit den tekst weg te laten? Voor
die weglating bestaat echter geen reden. De woorden laten zich veel beter aan de voorgaande hechten, dan wat er volgt: uhkic x. r. a.
3) BI. 496.
248
248
V : 14, 15
vifiov, evenals het dvxy.stpx/.aioÜTixt kostelijk te begrijpen. Maar wat is eene wet die vervuld is in liet ééne woord : gij zult uwen naaste lief hebben als u zeiven? Hier springt de verwarring van TrXypsvu en avxy.sQxï.xióüv in het oog. Ja, zóó weinig is de schrijver van Rom. 13:8, 9 begrepen, dat, ofschoon in Gral. 5:14 alleen een irhypovrxi op zijne plaats was, toch het perfectum van ■ufypovv uit Rom. 13 : 8 bewaard is gebleven.
Hier komt nog bij, dat c ttSc vópo? eene uitdrukking is, die nergens bij Paulus voorkomt. Paulus gebruikt altijd
OÏ.OC.
Vs. 15. E/ §£ amp; K /*■/,). cv: quot;h iiy.v sT s y.x) y. xtspóIsts, (3 ?.£ TT £T £ fii] VT? X }.}.•/,}. 00 V XVXhuóyjTS.
Dit vers is nauw verbonden met het voorgaande. Het tegenovergestelde van het liefhebben is Sxxvsiv (r. A.) : bijten, kwellen, beleedigen, benadeelen, en y.xTsa-óisiv (ook 2 Kor. 11 : 20): opeten, verslinden, verderven.
Wèl moest men toezien, dat men, alzoo tegenover elkander staande, niet door elkander werd verteerd, uit-gedelgd, vernield, verslonden (in die beteekenis ook 2 Th. 2:8; Luk. 9:54; vg. Gen. 41:30; Jer. 50:7).
Wat is het verschil tusschen y.xTsvóUiv en xvxXiry.sivl Ik weet het niet. Promiscue worden de woorden door de onderscheidene schrijvers gebruikt. Zelfs in de 70 wordt meer dan eens het hebr- \'ipx (edere) door xvxXlrry.siv weergegeven. Maar hoe kan men dan zeggen: indien gij elkander bijt en verslindt, ziet toe dat gij door elkander niet verslonden wordt? Sieffert zegt: „ dass nicht durch diese wechsel-seitigen Parteifeindseligkeiten euer christliches Gemein-
249
249
V : 15, 16
schaftsleben ganzlich ruinirt und zu nichte werde.quot; Maar xxrecrQisiv doet aan iets meer dan aan „ Feindseligkeitquot; denken. Het is de daad, die uit de Feindseligkeit voortkomt. De daad van het opeten namelijk. En hoe men nu, na opgegeten te zijn, nog verslonden kan worden, begrijp ik niet.
Zou de interpolator ook iets van het y.xrscdisi-j van 2 Kor. 11; 20 geweten hebben, en dat hier op eene onhandige wijze hebben bijgebracht? Hoe onhandig hij is, zagen wij zoo even bij vs. 14; en straks, bij vs. 17, zullen wij er eene nieuwe proeve van zien.
Vs. 16. Asyu §£, Trvev par t k s p itt sir sir s, xxl st(0-j-
IXV (j C\'. py.OC O-J IJLVj ts?*s(tvits.
Hier hooren wij weder onzen Paulus. Al terstond in dat asyu ós. Reeds vroeger (bij 3: 17; 4:1) wees ik er op, dat Paulus die woorden niet gebruikt, als hij iets nieuws wil zeggen, maar als hij het pas gezegde wil toelichten. Maar is het dan niet duidelijk, dat zij moeten volgen op de woorden [tivcv [/.y, ryiv êhsvóepiav sis x^opp/iv rij a\'xpxi, en dat dus vs. 136, 14 en 15 interpolaties zijn? Met een xyxirxv heeft vs. 16 niets te maken.
De dativus ttvsó^xti duidt het richtsnoer aan, waarnaar de christen wandelen moet. Vg. 6 :16; Rom. 4:12; 2 Kor. 12:18; Fü. 3:16.
sTióuftlx (Txpy.ic: wat het vleesch begeert. Zie Rom. 7:8; Kol. 3:5. Doorgaans gebruikt Paulus êiriöupix in plurali.
ts/.sïv : volbrengen, ten uitvoer brengen. Zie Rom. 2: 27; 2 Kor. 12 : 9.
o-j fj-y, ts/.hy^s: het is niet te vreezen dat gij volbrengen
250
250
V : 16, 17
zult, d. i. gij zult niet volbrengen; namelijk, indien gij naar den Geest wandelt. Op het wandelen legt Paulus den nadruk (zie vs. 25). Niet alleen door den Geest het leven te hebben ontvangen, maar ook door den Geest te wandelen, dat is de weg om het gevaar te ontgaan, van te doen wat het vleesch begeert, en alzoo de vrijheid te maken tot eene d-pop/ty rij trxpx! (vs. 13).
Vs. 17. \'H yxp txo^ stt téu (A si kxtx rov k v s-j p xr o $• to Sé kktx t vj; crxpx.ót:\' Txïirx yxp xhhy ?*o i $
XVTtXS it xi, l\'vx /AVI xv 6 Shy t £ T xvtx TT 0 lij T £.
Voor txZtx yxp (n1 B D1 E F G, Vuig.) hebben NcACDe txvtx ós — eene verbetering, daar men yxp niet begreep.
Voor xv heeft eene latere hand in den Vat. sxv geschreven, naar n A. {x , dat deze handschriften aan èxv laten voorafgaan, laat hij door eene vergissing weg 1))
quot;Wat ook de uitleggers in het midden hebben gebracht om deze raadselachtige woorden te verklaren, ik begrijp er nog niets van.
251
Behoefde het aan iemand herinnerd te worden, dat het vleesch iets begeert wat tegen den Geest is? En zoo men soms zeggen mocht dat wat algemeen wordt toegestemd, nog wel eens mag gezegd worden, moet het dan nog eens gezegd worden, dat de Geest iets begeert wat tegen het vleesch is? En moet als reden daarvan worden opgegeven, dat vleesch en geest tegenover elk-
\') Of zou soms de verbeteraar, die cu boven «v plaatste, de bedoeling gehad hebben, ze tusschen a en v in te voegen?
251
V : 17
ander staan? Mij dunkt, hier is eene breedsprakigheid, waaraan Paulus vreemd is.
En dan dat ï\'vx achter een werkwoord, dat geen handeling, maar een toestand aangeeft, en volstrekt geen doel doet verwachten.
En dan dat a èocv óétyrs, rxvra l x êxv is: wat
ook, alwat (zie 1 Kor. 6:18; 16:3, 6; Gal. 6; 7; Efez. 6 :8). De schrijver acht het dus begeerlijk dat de christen, wat hij ook mocht willen, dat niet doet. Dit is niet alleen niet paulinisch, daar de christen volgens Paulus juist hierin van den niet-christen verschilt, dat hij wèl doet wat hij wil (zie Hom. 7 en 8); maar het heeft ook geen zin. De gewone verklaring is, dat vleesch en geest beide op den mensch werken om te maken dat hij niet doet wat hij wil. Wil hij het goede doen, dan is het vleesch daar tegen; wil hij het kwade doen, dan is de Geest daar tegen. (Zóó o. a. Sieffert). Maar dit zegt of weer hetzelfde als het vorige xyrty.sTvêxt (zoodat dan in vs. 17 viermaal hetzelfde staat), óf het zegt, dat Gods wil is, dat de christen nooit iets doet, noch het goede, noch het kwade, en altijd door niets anders te doen heeft, dan zich links tegen het vleesch, en rechts tegen den Geest te verzetten — wat niet veel meer dan onzin is.
Ik zie geen kans om den tekst te verbeteren. Van het begin tot het einde doet vs. 17 denken aan den welwillen-den, maar niet zeer scherpzinnigen afschrijver, dien wij reeds zoo dikwijls ontmoet hebben; en die, niet begrijpende wat Paulus in Rom. 7 met den strijd tusschen vov? (geheel wat anders dan en exp!; bedoelde, en allerminst den
zin van Rom. 7:15, 16 verstaande, toch het gepast
252
252
V : 17, 18
rekende, er bij deze gelegenheid iets van te zeggen \').
Vs. 18. Ei kv sxj p. XT i ayecQs, ovx slt;rrs -jtto vópcv.
Alweder eene opmerking, waaraan geen zin is te hechten.
Van waar dat rrysvftzn xye^rös ? Daarvan wordt eerst gesproken in vs. 25. Thans is Paulus, blijkens vs. 19, altijd nog aan bet beschrijven van de werken des vleesches.
Wat is sÏ\'jja vtto vó^o-j ? Deze uitdrukking komt ook voor 3:23; 4 : 4; 4 : 21; Rom. 6 ; 14, en beteekent niets anders dan: onder de heerschappij der Wet, aan de Wet onderworpen zijn. De schrijver zegt dus, dat al degenen die dooiden H. Geest geleid worden, niet onder de heerschappij der Wet zijn, niet aan de Wet onderworpen zijn. Wat wil bij daarmede zeggen? Dat zij niet meer onder de Wet zijn? Dat kon hij niet zeggen, want de Galatische christenen waren vroeger niet onder de Wet geweest 2). Maar wat dan? Er blijft niets anders over, dan een logischen zin in dit vers te zien. De schrijver wil dan zeggen, dat het geleid worden door den H. Geest het zijn onder de Wet uitsluit. Dit is volkomen waar. Maar wat doet dat hier ter zake? Van een zijn onder de Wet wordt in deze ganscbe perikoop niet gesproken. En stond er nu nog : el svts \'jtvo vspov, oü Trvsvfixri zysuQe, dan zou men nog kunnen zeggen: de schrijver wil aan de Galatiërs nog eens de groote waarheid
\') WelSSe schrapt: to Sè irvsSuce xxtx tij; trxfxÓQ. ravTOi yxp zAAq/.ci-èvrixeirai, maar laat tva u*, a xv öe\'ajjts, txvth 77Tc staan. Ik begrijp niet, welke gedachte liem hierbij geleid beeft. Ook in hetgeen hij later al of niet laat staan, is hij dunkt mij niet van willekeur vrij te pleiten. Soms wordt het matte door hem behouden, en het kernachtige verworpen.
!) Bij sommige getuigen vinden wij \'én hij Ol/K gevoegd.
253
253
V : 18—21
herinneren, dat zij, om door den Geest Grods geleid te worden, zich aan de heerschappij der Wet moeten onttrekken. Maar nu is het waarlijk, of de Galatiërs onzeker waren, of zij al of niet onder de quot;Wet stonden, en daarom getroost moesten worden met de verzekering, dat zij niet stonden onder de Wet, daar anders de H. Geest hen niet leiden zon. Meer dan waarschijnlijk dus, dat dit vers door iemand is ingevoegd, wien woorden als Rom. 8: 14 (cVs/ yko Trvsópocri ósov zyovrxi, ourci vht s\'itiv Óssü) voor den geest zweefden.
Vs. 19-21. lt;tgt;xv£px S £ STTl TX SpyX Tij? (T»pxÓ?,
Ztivx sa-Tiv Kopvsix, xxxózpa Ix, x?s?.quot;/six,
rpslx, Cp x p [/, xy.£ ix, s%ópxi, spie, óupol, spiöclxi,
liiXOGrxvi xi, xl pstrs i?, Cpóóv o i, pc, samp; x i, kü/ac i, xx) rx
Sfioix Toiiroig, x Kpoy.syu vftTv, y.xQac -z p o sItt ov, art
01 TX TB IXÏITX TT P XV (7 OVT S ? (3 X f l ï. £ ! XV ó £0Ïl
VO !/,•/! lt;T0V(T IV.
Vóór 7ropv£lx hebben xc D E F G en andere getuigen (iotxslx. Bij de beste getuigen wordt het echter gemist. Waarschijnlijk is het overgenomen uit Mt. 15: 19.
Z-p.cc heeft de Sin. met andere getuigen in het meervoud. In dit opzicht is er veel verschil tusschen de getuigen. Hier vinden wij een van de genoemde ondeugden in het enkelvoud, daar in het meervoud. Wat Tischendorf van Hieronymus zegt: „ non satis accurate in ca expositione ipsius apostoli verbum repetisse videturgeldt ook van Origenes 1), ja van alle schrijvers en afschrijvers. Soms
\') Zie o. a. V, 284, VII, 2, VIII, 236, XII, 108, XXI, 336.
254
254
V : 19—21
versclireef men zich, soms besliste de klank der woorden, soms wilde men meer eenheid er in brengen.
De beide oudste handschriften x en B hebben Cpóóvoi zonder (pivot. Misschien is het nit Rom. 1: 29 hier ingekomen.
Oxvspet, stti tx spyx tyjc (Txpxsc. Uitnemend sluiten deze woorden zich aan vs. 16 aan. quot;Welke zijn de werken des vleesches ? Maar dat weet immers ieder! Allereerst:
iroptslx (dikwijls bij Paulus): hoererij; xxxóxpvlx (door Paulus vooral van onkuischheid gebezigd): onreinheid in het algemeen; xesXyslx (zie ook Eom. 13 : 13; 2 Kor. 12:21) : ongebondenheid; sl\'Scc}.o?.xTpstx (ook 1 Kor. 10 : 14; Kol. 3:5): afgodendienst — aan welken de christenen uit de Heidenen, door aan de offermaaltijden deel te nemen, zich schuldig maakten, zie vooral 1 Kor. 5 :11; Cpxpy.xy.slx: too-verij, dikwijls met den afgodendienst verbonden (zie Hand. 19:19).
Op deze ondeugden en zonden, die vooral bij de Heidenen gevonden werden, en waartegen de Galatiërs dus vooral moesten gewaarschuwd worden, volgt eene reeks die op zonden tegen de liefde betrekking heeft:
szQpx is: vijandschap in het algemeen; Ip/r: twist of twistgierigheid ; cijAs?: ijverzucht, nijd; óuy.c:: opvliegendheid, opbruischende drift; êpiéelx: twistgierigheid, twist, kabaal; SiXOTTatrix: tweedracht; x\'ipsTic: partijschap (zie 1 Kor. 11:19); Qêi-jos: nijd.
Dan komen weer twee ondeugden, die meer bepaald op de zinnelijkheid betrekking hebben : yJóy: dronkenschap; xüpo?: feestgelag, slemppartij 1).
\') N heeft xü/tzi, waarschijnlijk eene schrijffout.
255
255
V : 19—21
v.xi Tx ofioix TCUTOIC: en wat daarop gelijkt. Er zou nog zooveel te noemen zijn!
x TrpOAsya x. r. A. Hoe liet mogelijk is, dat Steek hier een treffend bewijs kan vinden van de afhankelijkheid van onzen schrijver van 1 Kor. 1), begrijp ik niet. In 1 Kor. 6:9, 10 wordt gesproken van xlr/.oi, die het koninkrijk Gods niet beërven zullen (Ósoj pxmteixv ou xfypovofi-ja-ovnv)-en in het volgende vers wordt, nadat onderscheidene soorten van zondaars genoemd zijn, op nieuw gezegd: fixnï.slxy ösoïi cu xfypovopfaoviriv. Dit nu, beweert Steek, heeft onzen schrijver voor oogen gestaan. Van daar ü? ■uposltvav. Reedsquot; vroeger had hij het gezegd. Daar nu hiervan geen enkel spoor in den brief aan de Galatiërs voorkomt, denken wij van zelf aan den brief aan de Korinthiërs.
Hiertegen is dit op te merken:
1. Als de schrijver op 1 Kor. heeft gezinspeeld om voor Paulus door te gaan bij zijne lezers, had hij er wel een afschrift van dien brief bij mogen zenden aan de Galatiërs, daar zij anders van het doel dier zinspeling weinig zullen begrepen hebben.
2. Voor zulk eene eenvoudige opmerking, waarbij het verschil in richting volstrekt niet in aanmerking komt, behoefde de schrijver geen woorden van Paulus over te nemen.
256
3. Het ttpo in Kpohéyu en Tipoeïirov moet op dezelfde wijze verklaard worden. Is nu het eerste irpoXsysiv niet het vroeger zeggen, maar het vooruit zeggen van hetgeen er gebeuren zal, dan moet ook het tweede s-psf/Trsy zoo opgevat worden. Slechts dan, wanneer Paulus geschreven had: xhéyee
\') S. 73.
256
V : 19—21
vfJAv xxQcioi Kposü-zav, had Steek nog eenigen grond voor zijne bewering.
Waar nu en wanneer heeft Paulus gezegd, wat hij thans in vs. 21 herhaalt ? Het antwoord ligt voor de hand: Bij zijne mondelinge prediking in Gralatie. quot;Waarschijnlijk zal Paulus ook in Gralatie, even goed als in Korinthe, aanleiding gevonden hebben om tegen dergelijke heidensche zonden te ijveren.
Voor de rechte verklaring van wps vergelijke men vooral 2 Kor. 13 : 2, Trposlp^xx y.x) TrpcXsyu (ik heb het vooruitgezegd en ik zeg het vooruit), en 1 Th. 4:6, waar van het oordeel Gods, dat over den zondaar komt, gezegd wordt: y.zóxg y.x\'i irpostTToifisv iipiTv.
Vraagt men , of het dan toch niet opmerkelijk is, dat èn in 1 Kor. èn hier van een KhypovoftsTv fiaviteixv ósov wordt gesproken ? Dan antwoord ik, dit die uitdrukking zóó gewoon was in die dagen, dat het niet te verwonderen is, dat een schrijver ze in twee geschriften gebruikt (zie o. a. Mt. 5:5; 19:29; 1 Kor. 15:50; Efez. 5:5; Joh. 3:3, 5).
Eene andere vraag is, of het waarschijnlijk kan genoemd worden, dat de apostel bij zijn bezoek in Gralatie, reeds tegen sxöpzt, spie, dvttot, êpiÖsTxi, oixsfTXvIzt, aipsesic,
(póóvoi heeft geijverd. In al wat wij tot nog toe in den brief hebben gevonden komt niets van dien aard voor. Maar is het nu niet hoogst opmerkelijk, dat de woorden s%ópi%i— CpQivoi, die alle tot ééne rubriek behooren, scheiding maken tusschen de andere die, als ook tot ééne rubriek behoorende, niet gescheiden mochten worden ? Buiten allen twijfel behooren yJêat en y.üpici tot die soort van zonden, die reeds met TTopvsix — (pccpfy.xy.slx zijn aangegeven; en wel tot die, welke het meest bij de aan zinnelijke lusten verslaafde Heidenen VI. 257 -17
257
V : 19—23
werden aangetroffen. Ligt het daarom niet voor de hand, dat hij, die in H. 5 en 6 zooveel heeft ingelascht wat op vrede en liefde betrekking heeft, ook hier aan het werk is geweest, waar de zonden des vleesches worden vermeld? Plaatsen als 1 Kor. 3 ; 3 (waar y.x) epic; tot de epyx van
het vleesch worden gebracht), 2 Kor. 12 : 20 (waar spie, \'(ijfoc, öuy.ot, êpiêsTxi \') de ondeugden genoemd worden, die de schrijver vreest bij de Korinthiërs te zullen vinden) en dergelijke kunnen hem licht de stof voor zulk eene inlassching gegeven hebben.
Vs. 22, 23. \'O xapTTO? rov kv sv [axto q êïTiv xyxTCvi,
Xamp;pa, elptivv, ftxxpoóvpiix, xpyvrorvis, xy x 6 u a-vvi],
ir i (TT is, tt p xüry c, sy •/. P XT £ IX.- y.XTX TÜy TOIOVTUV OUK EGT IV vó fto C.
Tegenover de \'épyx des vleesches worden niet de spyx, maar de vruchten des Geestes gesteld, dat wat de Geest in de geloovigen werkt (vg. Efez. 5:9, \'o y-xpTroc roti (puTÓg), xyxTry,, hier niet de liefde tot God, maar de liefde tot ds broeders, zooals uit de volgende woorden blijkt; • blijdschap ; sJ/JW: vrede (onder elkander); (/.xxpoüupix: lankmoedigheid, geduld om elkander te dragen; xp-WTOTyq: minzaamheid; xyxdamv/i: goedheid, in den zin van goedhartigheid; irityTiq: trouw (zie Rom. 3:3); TrpxuTq? (of irpxÓTye): zachtheid, zachtmoedigheid; èynpxTsix: ingetogenheid, zelf-beheersching, matigheid, het tegenovergestelde van vropveix, psOvi, xSjftoi; x. t. A.).
y.xrx txv toioutcov o\'jy. £(ttiv vófio?. De schrijver heeft het oog op de deugden, waarvan hij zoo even gesproken heeft,
\') Geheel dezelfde volgorde als in Gal. 5:20. Opmerkelijk!
258
258
V : 22, 23
de vruchten des Geestes, waarschijnlijk met zinspeling op de toixütx van vs. 21.
Tegen zulke dingen, zulke vruchten des Geestes, is de Wet niet (ou% hnv vipos). quot;Wat wil dat zeggen? Dat „die Geistgeleiteten dem Mos. Gesetze, nicht unterworfen sindquot;? (Sieffert, vg. ook Holsten). Maar wie ter wereld, die zeggen wil, dat een geestelijk mensch aan geen wet onderworpen is, zal zich zóó uitdrukken: „tegen zulke vruchten des Geestes is er geen wetquot;? Dit laatste kan alleen betee-kenen, dat er geen wet denkbaar is die (of — zoo men onder vópoc de quot;Wet van Mozes verstaat — dat de quot;WetvanMozes niet) vijandig tegen de vruchten des Geestes over staat. In het eerste geval spreekt men onzin, in het tweede geval zegt men iets, waarnaar het niet de moeite waard is te luisteren. Of zou het soms, hetzij in de dagen van Paulus, hetzij in onze dagen, in iemands hoofd opkomen, dat de quot;Wet van Mozes wel eens tegen de vruchten des Geestes kon wezen? Liever dan zoo iets door den schrijver van onzen brief te laten denken, stelle men het op rekening van hem, die vs. 18 heeft geïnterpoleerd. Vonden wij in vs. 18 eene opmerking, zonder eenig verband, wel goed gemeend, maar flauw en onbeteekenend, niet anders is het met vs. 23.
Men wilde een pendant geven van de toixütx van vs. 21, maar gaf iets, dat Paulus zelf zeker zóó niet gezegd zou hebben.
Ook rijst de vraag bij ons op, of zelfs de optelling van die vruchten des Geestes wel van Paulus is. Verdenking wekt dat al de genoemde vruchten, op twee na (zxpx en êyxpdrsix), met de liefde, die het eerst genoemd wordt, in verband staan, terwijl daarvan tot dusver nog met geen enkel woord ge-
259
259
V : 22—24
sproken was. quot;Was er dan tegenover al die vleesclielijke zonden, door Paulus in vs. 19 genoemd, niets anders te plaatsen dan de iyy.pxriix ? Green xyiacryJ:, geen ayiorjw,, geen ayvérys, geen Cppnsïv tx «va! Zelfs niets van de i/svósplz, de ihnig en zooveel meei\\ wat, als eenmaal de %xpx genoemd wordt, ook wel vermeld moclat worden! Duidelijk is het, dat het den schrijver om liefde en vrede te doen was. Maar dan worden wij ook terstond verwezen naar hem, die in vs. 20 de szêpxi—xipsG-£ig heeft ingelascht.
Hier komt bij, dat in vs. 24 weder over de werken des vleesches gesproken wordt, wat zich niet aan vs. 23, maar aan vs. 21 aansluit.
Geven de brieven van Paulus voor de vermelding van de spyx Txpy.sg rijke stof, niet minder rijk is de stof voor hem die wat over liefde en vrede zeggen wil. Zie o. a. 2 Kor. 6 : 6 (fixxpoQvpix, xp^rir/ig), Kol. 1 : 11 (pcxy.pcOvpi.ix, %apx), Kol. 3 : 12—15 [xPWrÓTVS ■gt; KpavT-zig, fixupoóvftix, xyxTryi, sipyvu), 2 Tim. 3:10 (tt/tt;?, [jc,x.y.po6v(t!x, xyxivvi).
Vs. 24. O; Sf tsü Xpiirroü \'ly/jcv ryv (jxpnx êvTxvpua-xv lt;7vy tcïg ttxóy pe,xlt;r iv xx) txïg stt i ö vix i g.
De Sin. laat xvplcv aan Xpia-róv \'lyirsü voorafgaan. D E F G laten \'Ijjfrcü weg. Er is echter geene reden om den Vaticanus (met A C) niet te volgen.
Hier hooren wij weder onzen Paulus. Zich aansluitende aan vs. 21, zegt hij, dat zij die Christus Jezus toebehooren (Xpia-roü sïvxi vg. 2 Kor. 10 : 7), hun vleesch gekruisigd hebben (aoristus, niet praesens, omdat zij hun vleesch als het ware aan het kruis genageld hebben, toen zij één met den gekruisigden Christus zijn geworden bij den doop, zie 2:20; 6:14).
200
260
V ; 24, 25
Gekruisigd was het vleesch gvv roï? Trxd-^j.x.Ti-j y.x) raï: smóupixtg. De ■zxd-JifA.xrx (zie Rom. 7:5) zijn hier de irxóy, de zinnelijke lusten, de driften en hartstochten, waartegen de mensch passief is, waardoor hij zich laat beheerschen. De êyridvftixi zijn de (zondige) begeerten , die door het woelen der hartstochten ontstaan.
De christen heeft dat alles gekruisigd, d. i. hij heeft er mede afgedaan; hij leeft een geheel ander leven, het leven des Geestes.
Men lette er op, dat ook de uitdrukkingen ttxö^uxtx en èxi6v(iixi terugwijzen naar hetgeen in vs. 19—21 van het toegeven aan zinnelijke lusten gezegd is.
Vs. 25. El Ì/t£v vsüpxri, Trvsvpxn y.x) (rTOixSi(jt,£v.
In plaats van ttvsu^xti hebben D E F5quot; Gr: ttvsu-
(xxti %üpev â verkeerdelijk, daar de klemtoon op valt. Paulus had gezegd dat de christen zijn vleesch had gekruisigd (door zijne gemeenschap met Christus); daarin lag opgesloten, dat de christen nu ook een nieuw levensbeginsel had ontvangen door den H. Geest. Dood voor het vleesch, was hij levend gemaakt voor den Geest. Indien dit nu zoo is, zegt de apostel, â zvs-j/j.xri xxi (rroixuftsv: laat ons ook naar den Geest wandelen (zie vs. 16; 6 : 16; Fil. 3 : 16; Rom. 4 : 12).
Kortaf zegt Paulus dit, zonder eenige verbinding met het vorige, omdat het niet zijn plan is om over het leven der heiligmaking uitvoerig te gaan handelen, maar met een enkel, kort, kernachtig woord wil te kennen geven, waarop het aankomt bij een christen. Hij keert hiermee terug tot vs. 16.
261
V : 22â24
sproken was. Was er dan tegenover al die vleeschelijke zonden, door Paulus in vs. 19 genoemd, niets anders te plaatsen dan de êyxpxTsixl Geen dytxT/zos, geen aymuvy, geen ayjir/,;, geen CppovsTv rcc xvx! Zelfs niets van de è/.suösplz, de en zooveel meer* wat, als eenmaal de Xxpx genoemd
wordt, ook wel vermeld rnoclit worden! Duidelijk is het, dat het den schrijver om liefde en vrede te doen was. Maar dan worden wij ook terstond verwezen naar hem, die in vs. 20 de sxópxiâKipstjsi? heeft ingelascht.
Hier komt bij, dat in vs. 24 weder over de werken des vleesches gesproken wordt, wat zich niet aan vs. 23, maar aan vs. 21 aansluit.
Geven de brieven van Paulus voor de vermelding van de \'épyx rif? Tzpy.is rijke stof, niet minder rijk is de stof voor hem die wat over liefde en vrede zeggen wil. Zie o. a. 2 Kor. 6 : 6 (ftzxpcóvyJx, xpyvróryc), Kol. 1:11 {fixxpoóvftlx, %xpx), Kol. 3 : 12â15 (xpyvróryii;, 7rpxür/is, fixxpoóvplx, i-yxir-/,, sïpwv), 2 Tim. 3:10 (tt/Vt/?, [/,xy.poivf*,!x, xyxTryi).
Vs. 24. O; Sf tov XpitjTov \'lyivoü ryv (Txpy,x ia-rxupuexv i7 hv toïs 7rxóyif6x(jiv y.x) r xïi; sir i óv [/, I x i
De Sin. laat xupku aan Xpitrriv voorafgaan. D E F G
laten \'lytroü weg. Er is echter geene reden om den Vaticanus (met A C) niet te volgen.
Hier hooren wij weder onzen Paulus. Zich aansluitende aan vs. 21, zegt hij, dat zij die Christus Jezus toebehooren (Xp;5TsD sJyxt vg. 2 Kor. 10 : 7), hun vleesch gekruisigd hebben (aoristus, niet praesens, omdat zij hun vleesch als het ware aan het kruis genageld hebben, toen zij één metden gekruisigden Christus zijn geworden bij den doop, zie 2; 20; 6:14).
260
260
V : 24, 25
Gekruisigd was het vleesch róv rsT? y.x) tc.l:
sTrióvfilxic. De TrxójftKTX (zie Rom. 7: 5) zijn hier de Truêyi, de zinnelijke lusten, de driften en hartstochten, waartegen de mensch passief is, waardoor bij zich laat beheerschen De sTrióuplxi zijn de (zondige) begeerten, die door het woelen der hartstochten ontstaan.
De christen heeft dat alles gekruisigd, d. i. hij heeft er mede afgedaan; hij leeft een geheel ander leven, het leven des Greestes.
Men lette er op, dat ook de uitdrukkingen TrafyftXTX en iirióvfilxi terugwijzen naar hetgeen in vs. 19â21 van het toegeven aan zinnelijke lusten gezegd is.
Vs. 25. Ei\' ^CCftSV K V SV l^XT l , TTVS-j ftXT I X x) (T T 0 l [t, SV.
In plaats van m/sóftxTi hebben D E Fst G: ttvsv-
[xxti â verkeerdelijk, daar de klemtoon op %5gt;[tsv valt.
Paulus had gezegd dat de christen zijn vleesch had gekruisigd (door zijne gemeenschap met Christus); daarin lag opgesloten, dat de christen nu ook een nieuw levensbeginsel had ontvangen door den H. Geest. Dood voor het vleesch, was hij levend gemaakt voor den Geest. Indien dit nu zoo is, zegt de apostel, msv^xri kx) irroixünsv: laat ons ook naar den Geest wandelen (zie vs. 16; 6 : 16; Fil. 3 : 16; Rom. 4 : 12).
Kortaf zegt Paulus dit, zonder eenige verbinding met het vorige, omdat het niet zijn plan is om over het leven der heiligmaking uitvoerig te gaan handelen, maar met een enkel, kort, kernachtig woord wil te kennen geven, waarop het aankomt bij een christen. Hij keert hiermeê terug tot vs. 16.
261
201
V : 26
Vs. 26. Mgt;) yivü//,£amp;x xsvó\'So^oi, tt poxxXov-
[zsvo i, a XXyXov $ CpQovovvrsc.
Voor i/.A^/.su? Cpóovovvrsi; hebben n A C D en andere getuigen : xMjxoii Cpósvoüvrs?. Daar cpöovsïv altijd geconstrueerd wordt met den dat. personae, is aMyhoiq te verkiezen. aKXyy.ovq is waarschijnlijk eene schrijffout, uit het voorgaande ocXX-jXcui; te verklaren.
Laat ons geene xevóSoI-oi worden, d. i. laat ons geene ijdele eer zoeken (zie Fil. 2:3, waar ipióslx met ksvóSo^Io. verbonden wordt).
TrpouxhsTrOxi (d. /.. in het N. T.): uittarten; vptofTv: benijden.
De schrijver heeft het oog op menschen die, twistgierig van aard, en niet kunnende verdragen, dat anderen boven hen stonden, telkens een woordenstrijd uitlokten om daarin hunne meerderheid te toonen, en alzoo ijdele eer (eer bij menschen en niet bij Grod) te behalen.
Heeft Paulus dat geschreven ? Dat het geheel in zijnen geest gezegd is, behoeft geen betoog. Ook daarin moet zich het KvsvftxTi trroixsTv openbaren. Maar hiermede is de vraag, of Paulus die woorden geschreven heeft, niet beantwoord. Van waar, dat hier weder over het vlieden van de óvpo) en èpiósTxt (vs. 20), en over het beoefenen van de sip-jvy en de xP\'/i7T^r\'/!? (vs. 22) gesproken wordt? Zou men, als Paulus het voornemen had gehad om over het leven der heiligmaking uit te weiden, niet op grond van vs. 24 (TrxijfAXTX y.x) iTTióuftixi rijf? Txpxcg) iets anders verwachten?
Wij vinden hier den interpolator terug, dien wij in vs. 13amp;â23 telkens hebben ontmoet. En niet alleen hier, maar ook H. 6:1â6, 9, 10, 15, zooals wij zien zullen.
262
ZESDE HOOFDSTUK.
. Vs. 1. \'ASfA^fl/, sav y.x) rr p o ï.y ft (p öy av 6 puTOS ev Tivi ir x p xirrü [ixr i, â¢jps\'ïi; ol ttvsv ,uxr ixo) xxrxpr/^srs
TOV TCIOVTOV êv TTVSVfiXTI TT p XV T y T O S , lt;7 K 0 TT à V (7SXVTCV, (AVI Kx) (TV TT £ l p X7 óij $.
De oudste en beste getuigen hebben Trpo^^óïj. Varianten zijn: 7rpoxxrx?.yCpêy, 7rpclt;jgt;.y(p6ii, Trpofiï.yQyj. Waarschijnlijk wist men met irpofyftQiy (of TrpoXyCpöï) geen weg. Het is dan ook niet zoo gemakkelijk te verklaren. De beteekenis, waarin het gewoonlijk, ook in het N. T., voorkomt (Mark. 14 : 8 en 1 Kor. 11:21): vooruitnemen, vooruitdoen, anticipeeren, kan het hier niet hebben. De meeste uitleggers *) vertalen het: iemand zonder dat hij het vermoedt (srpa = het lat. prae in praeoccupare) grijpen, d. i. onverwacht overvallen, en wijzen dan tot opheldering op quot;Wijsh. 17: 16, waar van een ysupyo? of irpotytpós)? gesproken wordt, in den zin
van plotseling overvallen (vg. vs. 14 aldaar). Misschien is dit wel de beste verklaring J).
1) Ook Zimmer, Exegetische Probleme, 1882, S. 221. s) De conjectuur (zie Baljon, bl. 254) is zeker beter grieksch.
Maar hoe y.zrx in â zpa veranderd is, is moeilijk te verklaren.
263
VI : 1
h rat irxpxTTTMfiXTi: in de eene of andere overtreding. Het sv verbiedt, hier te denken aan een overvallen worden door eene overtreding â daargelaten nog dat het denkbeeld: door eene overtreding (nog wat anders dan eene zondige gedachte) overvallen te worden, wel wat vreemd is. Iemand die een diefstal pleegt kan toch bezwaarlijk zeggen. dat de diefstal (d. i. het feit van den diefstal) hem overviel. Wij moeten dus het onverhoeds overvallen wel nemen in den zin van betrappen bij het begaan van eene overtreding. Trpo behoudt dan toch zijne kracht, daar de schuldige, die betrapt wordt, ontdekt wordt voor hij er aan dacht.
sxv xxI (vg. 1 Kor. 7:11, 28), te vertalen door: mocht ook al. De schrijver neemt een erg geval, een geval, waarin men groot gevaar liep zijne zachtmoedigheid te verliezen. quot;Waaraan hij gedacht heeft, weten wij niet. Er zal zeker wel het een of ander in zijne omgeving, of in de gemeente, voor welke hij den brief bestemde, gebeurd zijn, dat hem aanleiding gaf om zoo te schrijven.
vpsTi; cl ttvsu/axtixo!. Dit epitheton, gegeven aan eene gemeente , die van het begin tot het einde in den brief wordt toegesproken als op het punt zijnde van afvallig te worden van het geloof, en waarin volstrekt geen onderscheid wordt gemaakt tusschen crxpxixo) en Tn/supxnxo!, zou op zich zelf al voldoende wezen, om aan interpolatie te denken.
xxrxpT^siv: wat ontwricht, gebroken is, herstellen, in orde brengen, terechtbrengen â in dezen zin door Paulus nooit gebruikt.
iv TTvsvpxTi TrpxuTyroc. Paulus zou gezegd hebben: Trve-jfzxn TrpxvnjTo? (1 Kor. 4 : 21). Men moest den gevallen broeder niet op een hoogen toon bestraffen, niet in onstuimige drift
264
264
VI : 1, 2
tegen hein uitvaren, maar met zachtmoedigheid hem terecht zien te brengen.
rry.CTTxv, zonderling enkelvoud, na het meervoud KXTxpri^ere â bij Paulus ongewoon. Misschien hieruit te verklaren, dat door den schrijver een beroep wordt gedaan op ieders individueel geweten (Erasmus).
Men moest acht geven op zich zeiven (rrxotrsiv osxutov), dat men zelf niet in verzoeking werd gebracht. Dezelfde gedachte als in 1 Kor. 10 : 12, a ^oy.xv serauxi (o^sTrérw fiy irsTy (Paulus gebruikt liever (iXsTrsn).
Vs. 2. \'AAAjjXwv tx fidpy (Sxa-Tci^iTe, xx) ovrax; lt;xv xtt X-/, p u e sr s tov viftov roü Xp ivtov.
Voor [oxvTxZers heeft x het fut. (oxvTxfsrs â eene vergissing.
Voor ccvxirXypursTs spreken even gewichtige getuigen, als voor xvxxXvpuexTs (zie Tisch.). De zin blijft dezelfde.
Als vs. 2 verbonden moet worden met vs. 1, kunnen de @xpy (lasten), die de christenen van elkander dragen moeten, geene andere zijn, dan het gevoel van zwakheid en schuld, dat iemand bevangt, die bij het doen van eene zonde wordt betrapt. Bevreemdend is dan echter niet alleen de pluralis, maar ook, dat dit gevoel een fixpog genoemd wordt; waarbij komt, dat in vs. 1 niets van boete en berouw wordt gezegd.
Het is de vraag, of wij, evenals in 5 : 26 en ook 6:4, 5 en 6, niet losse opmerkingen en vermaningen voor ons hebben, die alleen dit met elkander gemeen hebben, dat zij op de liefde betrekking hebben 1). Hier hebben wij
\') Met Zimmer telkens aan de judaïstische IJveraars in Galatie te denken, komt mij zoo gekunsteld mogelijk voor.
265
265
VI : 2â4
dan te denken aan de lasten en moeiten des levens, die de christenen door allerlei liefdebetoon elkander moeten helpen dragen.
rnxTrfypovv, in den zin van volbrengen, is Paulus vreemd (in 1 Kor. 14:16; 16:17; Filipp. 2:30; 1 Th. 2:16 is het: aanvullen, volmaken). Wij hebben hier dezelfde gedachte, en zeker ook wel denzelfden schrijver als wij in 5 : 14 hebben ontmoet. De Wet wordt de Wet van Christus genoemd, omdat ook Christus niets anders wil dan liefde.
Vs. 3. Eï yxp \'Soy.sT nc eTva! ti, iïv, CppsvoiirccT^.
èxvróv.
De schrijver zegt, dat iemand die weinig of niets beteekent, en toch zich verbeeldt iemand van beteekenis te zijn, zich zeiven misleidt ((ppsvx-xTÃi, zie Tit. 1:10).
oc/.sTv wordt hier in een anderen zin genomen, dan waarin Paulus het gebruikt in H. 2. Daar is het niet een schijnen, een voorgeven slechts, maar ook een werkelijk zijn. Hier echter staat het schijnen tegenover het zijn. Zou Paulus in denzelfden brief de formule oiy.sïv sJvxi n in verschillende beteekenissen gebruikt hebben? Is het niet veel waarschijnlijker, dat een ander hier op z ij n e wijze van de paulinische formule gebruik maakt? Vooral wanneer wij zien, hoe mat, hoe zinledig de woorden weer zijn. Wat zegt dat nu: wie meent iets te zijn, terwijl hij niets is, d. i. dus, wie zich zelf misleidt, die misleidt zich zelf! Vrij tautologisch! Zóó zijn wij het van Paulus niet gewoon.
Vs. 4. Ta \'Ss spyov êautov \'Som^oi^éru, xx) tots s]c
kxutov ftévcv to % xu x\'/, ft x s^sl, xx) ovx £(? t 0 v stspov.
266
266
VI : 4
Waarom B, in onderscheiding van andere getuigen, sy.xTzcc achter Soxiftx^sTu heeft weggelaten, is moeielijk te zeggen. Misschien omdat hij in de meening was, dat het subject van vs. 4 ook het subject was van vs. 3, en daarom \'ty-xcinq overbodig achtte. Vs. 4 staat echter op zich zelf, zooals uit vs. 5 blijkt. De schrijver wil zeggen, dat ieder allereerst op zich zelf heeft toe te zien, en zijn eigen werk heeft te beproeven.
Soxi/tiiZsiv: onderzoeken, nam. of iets goed is. Ieder moet het gehalte van zijn eigen werk nagaan, zijn eigen werk op de proef stellen.
xauxwz £X£\'V \'⢠stof hebben om te roemen (zie Hom. 4:2); £lt;? êtxvTov: met betrekking tot zich zeiven.
Bijna alle uitleggers verklaren dit zóó: dan (als men namelijk zijn eigen werk tot een voorwerp van onderzoek maakt) zal men, indien men iets te roemen vindt, zich bij zich zeiven, bij zijn eigen werk bepalen, maar niet (b. v. als de farizeër in de gelijkenis, zie Sieffert), gaan roemen met het oog op eens anders werk.
Ook ik veronderstel, dat de schrijver zoo iets heeft willen zeggen. Maar dan heeft hij zich allerongelukkigst uitgedrukt.
Wie zijn eigen werk onderzoekt â zegt de schrijver â to y.aóxyiP» ⢠Bat is niet: hij zal stof tot roemen hebben, als er te roemen valt; maar, onbepaald: hij zal stof tot roemen hebben. Derhalve: ieder die zijn eigen werk onderzoekt, ook de man, van wieu hij kort te voren gezegd heeft: uv, zal stof hebben om te roemen! Is dat soms
paulinisch ?
Verder: hij zal met betrekking tot zich zeiven te roemen hebben, maar niet met betrekking tot een ander. Alsof de christen niet liever aan het werk van een
267
267
VI : 4, 5
ander de aanleiding om te roemen moest ontleenen, dan aan zijn eigen werk! Men zou dus veeleer verwacliten: tots cvk slg \'sxutov to nxvxvpiz olsJ.x si? tov srspov. Ik zou echter den tekst niet op deze wijze durven verbeteren. Daartoe weet ik te weinig van den man, die er de woorden inge-bracht heeft. En ook weer te veel van de onbeholpen wijze, waarop telkens in onzen brief woorden zijn inge-lascht.
âOm het verband goed te vatten â zegt Baljon 1) â is waarlijk eenige verklaring niet overbodig.quot; Neen waarlijk, niet overbodig! Maar dan geve men ook eene verklaring, die met het grieksche taaleigen niet in strijd is- Kan men dat niet, dan verklare men ronduit zijne onmacht â en zoeke een anderen weg.
Vs. 5. quot;ExflJtrTC? yxp to \'I\'S to v Cpopriov [3 xct s i.
Naar de traditioneele verklaring wil dat zeggen, dat ieder mensch, als hij zich zeiven goed onderzoekt, zooveel zonde en zwakheid bij zich vinden zal, dat hij geen lust zal hebben, om tegenover een ander te roemen, maar tot zich zeiven zal inkeeren, en zoo zijn eigen pak (d. i. zijn eigen zondenpak) zal dragen. (Holsten, Sieffert en anderen.)
Zoo maakt men er weder van, wat men wil.
268
Door cpopTiov tot hetzelfde te maken als (oxpo?, laat men den schrijver zeggen, eerst dat men verplicht is een ander het zondenpak te helpen dragen, en daarop, bijna in éénen adem, dat ieder zijn eigen zondenpak moet dragen!
\') BI. 257.
208
VI : 5, 6
Men laat yap in vs. 5 slaan op cvy. sic rov \'érscoy in vs. 4, en ziet dus hierin dat ieder zijn eigen zondenpak dragen zal, de reden, waarom ieder geen stof van roemen zal vinden tegenover een ander â alsof de nadruk niet lag op ts \'iHiov, in tegenstelling van het Cpoprlov van een ander. Het niet roemen tegenover een ander, en het dragen van zijn eigen zondenpak hebben niets met elkander te maken.
En bedenkt men dan, dat in vs. 4 ieder die zijn werk onderzoekt, gezegd wordt stof tot roemen te vinden, dan wordt het nog vreemder, dat van denzelfde dadelijk daarop gezegd wordt, dat hij zijn eigen zondenpak zal dragen.
Waarom denkt men ook bij cpoprlov aan een zondenpak ? (poprlov is een pak, een last, niets meer. Wordt nu gezegd, dat ieder zijn eigen pak of last moet dragen, dan is dat één van die gevleugelde woorden of spreekwoorden (zooals o. a. 5:9), die men bij verschillende gelegenheden te pas brengt. Hier meende men het te pas te kunnen brengen naar aanleiding van de voorgaande woorden, waarin men eene vermaning vond om zich met zijne eigene zaken, en niet met de zaken van een ander te bemoeien. Dat ieder zijn eigen pak moest dragen, meende men hierop geschikt te kunnen laten volgen.
Vs. 6. Koivavilru §£ c rov Koyov rep
y.«,ry,xovvri sv 77ü tr iv xya (t olc.
Vertaald: Wie in het woord (nam. des evangelies) onderwezen wordt, moet zijn onderwijzer laten meê deelen in al de goederen, die hij bezit.
In de beteekenis van laten meê deelen wordt xoivcovdv
269
269
VI : 6
ook gebruikt Filipp. 4:15, ofösftiix pot ixx^ix èwivavycrsv s)? Koyov lïctrsaq xx) Xyj^eug el fzyi ófcsTg póvot. Vg. ook Barnab. 19 : 8, kofjkv/jtsn; èv ttxti-j rSi irtytrlctv tcj , y.xi oi/x èpeïg l\'Six slvxi 1). De oorspronkelijke beteekenis van koivuvsTv is dat zeker niet; maar dat zij er aan verwant is, zal niemand ontkennen 2).
Daar men deze eenvoudige verklaring met bet verband der woorden, zoowel der voorgaande als der volgende, in strijd vond, beeft men eene andere gezocbt, die aan gedwongenheid niets te wenscben overlaat. Volgens Sieffert en anderen zal de scbrijver bedoeld bebben, dat de catecbumeen in alwat goed is gemeenschap moet bebben met den catècbeet.
Maar wie drukt zich nu op deze wijze uit om aan te duiden, dat de leerling den leermeester moet navolgen in alwat goed is! En waarom wordt dat nu juist van de catechumenen geëischt? Men zou zoo zeggen, dat de gansche gemeente de vermaning wel noodig had om één weg te gaan met hare leeraars.
Ik meen dat niemand tot die zonderlinge verklaring zou gekomen zijn, als het niet was om het verband. Er moet nu eenmaal een nauw en innig verband zijn tusschen de verzen 5â7; en daarom kan de voor de hand liggende verklaring van vs. 6 geene genade vinden in de oogen der exegeten, evenmin als dit bij vs. 2, 3 en 4 het geval was.
Moet de stelregel niet veeleer wezen: eerst de woorden
270
270
1
) In Kom. 12 : 13, TXÃ~ xpstxis ruv aytaiv xoivaivovvres is de constructie anders, maar heeft xoivrnw toch ook betrekking op het mededeelen van stoffelijke gaven.
2
J) Zie de lexica van Wilke en Cremer.
VI : 6â8
zelve en dan het verband! Blijkt het dan, na eene nauwkeurige exegese der woorden, dat het verband ontbreekt, dan zegge men eenvoudig: er is geen verband i en ga naar de reden daarvan zoeken.
De reden is hier eenvoudig deze: Met het oog op latere gemeentetoestanden heeft men de vermaning om toch ook voor het stoffelijk onderhoud der catecheten te zorgen, in den brief gebracht. In de perikoop, waarin zóóveel over de liefde gezegd werd, kon zij het geschiktst eene plaats vinden.
Vs. 7, 8. Mgt;) TrhcivêcïQe. @ so ? ov [fjy.ryi pl% srxi. quot;O yxp xv (TTrsipy xvQ puTroc, toüto xz) Qs piest. quot;On \'o crTrsipav-si? ryv lt;7 x py.x. sxvtoïi , sz ryj ? a x pxo $ 8 s p ie s t Cp 6 o p xv, 0 (TTTsipUV s] S TO tt V s ïl fi X , su T ov TT V s U [A XT 0 S 6 s p \'lIT S l
^utiv xidviov.
Hier hooren wij eensklaps een anderen toon, den toon van 5:16, 19â21, 24, 25, den toon van Panlus.
/^v) TrXxvxvès (zie 1 Kor. 6 :10 en 15 : 33) heeft betrekking pp het volgende. De Galatiërs moesten zich door geene ttXxvoi (in casu de Judaïsten) laten terughouden van te bedenken, wat Paulus hun verder te zeggen had.
ftuxTvpi^siv: bespotten, honen (eig. den neus optrekken). Dit spotten met God had plaats wanneer men leefde, alsof het volgende niet waar was.
3 xv (of liever: o sxv met n A C en andere getuigen) inrsipy y.. t. A. Dezelfde gedachte in 2 Kor. 9 :6.
lt;rxpl; wordt hier, evenals later irvsvpx, als de bodem beschouwd, waarin het zaad geworpen wordt, en waarvan later geoogst wordt.
In, of op zijn eigen vleesch zaaien, is: zóó gezind zijn,
271
271
VI : 7, 8
zóó werkzaam zijn, zóó leven als verwacht wordt van iemand die in alles de snihpix rij? Txpzhc (zie 5:16) volgt. In, of op den Geest zaaien is: zóó gezind zijn, zóó werkzaam zijn, zóó leven, als verwacht wordt van iemand die door den Geest Gods geleid wordt. In het eerste geval wordt de Cpóopa (het eeuwig verderf, zie Rom. 8:21) geoogst, in het andere geval de xlwviog.
Panlns heeft met deze woorden het oog op de Jndaïsten in Galatie en op allen die zich door dezen lieten verleiden. Zich aansluitende aan hetgeen hij in het algemeen van het leven naar het vleesch gezegd heeft, wil hij aan het slot van zijn brief den Galatiërs nog eens duidelijk maken, dat al dat roemen, al dat drijven der Judaïsten niets anders was dan eene zaak des vleesches. Hun aandringen op onderwerping aan de Wet, en in het bijzonder op de besnijdenis was schijnbaar om het vleesch en zijne begeerlijkheden te dooden. Maar in werkelijkheid was het een wsipsiv sig ryv (rxpxx (zie vooral vs. 12, 13); terwijl juist wat Paulas met zijn evangelie des kruises en der vrijheid wilde (zie vs. 14) een vTrsipsiv s]q to ttvsvia» was.
Behoeft het nu nog met vele woorden aangetoond te worden , dat de verzen 5 : 26â6 : 6 invoegsels zijn van latere hand ? Om nu alleen van vs. 6 te spreken; welk mensch, in wiens hoofd het ordelijk toegaat, zal er ooit aandenken, om op de vermaning, dat men zijne leermeesters moet onderhouden, onmiddellijk te laten volgen: dwaalt niet, God laat zich niet bespotten enz. ? Het eeuwig verderf voor iemand die zijne leermeesters niet van alles voorziet!!
Mij dunkt, zoo ergens, dan moet men hier erkennen, dat er aan den tekst iets hapert.
272
272
VI : 9, 10
Vs. 9, 10. To Sf KXhOV 770 10ÃVTSS, fiil ty/.X-AU IMV, xxi pa yxp JS/oj Q s p i lt;t o psv, [tii sxXu ó p sv o i. quot;Apx ouv, ajg xxipov sxapev, spy[tsQ a, to xyxöov 5rps? vxvrxg, [t a, h i a-t x 5s tt peg tov g oly.eiout; rij s tt itrr sus.
Is het niet, of wij eensklaps nit het volle daglicht in een donkeren tunnel komen ? Ook hier weder geen grieksch! geen pit of merg! geen verband!
iyxxxsïv (of sxy.xxslv, zooals sommige handschriften hebben): in het ongeluk den moed verliezen, van daar: moedeloos worden (zie 2 Kor. 4:1).
y.xipü fèlep, niet: op den geschikten, daarvoor bestemden tijd, maar op den eigen, d. i. (omdat Ssptamp;ftsv volgt) op onzen eigen tijd. Bij Paulus wordt die uitdrukking te vergeefs gezocht.
óepiaopsv. Zóó lezen wij, behalve in den Vat., ook in A D E, in de Ital., de Vuig., en bij verscheidene kerkvaders. n C FKr G** en andere getuigen hebben öspleccpsv. quot;Waarschijnlijk is dit eene schrijffout, ontstaan door het voorafgaan en volgen van de conjunctivi èy/.xxZpsv, e%w^£v, spyx^apisöx.
[Ml syJ-uóftaysi: niet slap wordende, niet bezwijkende (door vermoeienis), zie Mt. 15 : 32; Mk. 8:3; Hebr. 12 : 3, 5.
xpx ovv: zoo dan â paulinische formule, waarmede eene gevolgtrekking wordt aangeduid.
dg y.xipov \'éxu/tsv. Zoo lezen wij in B a prima manu. Eene latere hand heeft boven de cu eene o gezet. Ofschoon ook de Sin., en eenige minuskels \'ixcopisv hebben, is toch met A C D en vele andere gewichtige getuigen szoptsv te verkiezen. De conj. is hier geheel misplaatst, en waarschijnlijk, evenals dat met het voorafgaande óspleupsv het geval is, ontstaan doordat het midden tusschen conjunctivi in stond.
VI. 273 18
273
VI : 9, 10
Kxtph sxoftev: gelijk wij tijd of gelegenheid hebben. Dat w? is vreemd. Dr. N a b e r stelt daarom voor, sug (zoolang) te lezen Dit is echter niet noodig. Er zijn verscheidene plaatsen, waar w? in de beteekenis van terwijl voorkomt (zie o. a. Joh. 12:35; vooral 2 Clemens 9, £? sxoftev xxipsv nü ïxdijvxi, sTTiooc^s\'j exvToii: rep óepxTrsvovTi Sey). Men kan het aldus verklaren : gelijk het past aan hen die enz. Het is dan verwant aan daar.
y.xipov sxsiv: tijd, gelegenheid hebben. Zóó komt het dikwijls bij de Grieken voor (zie de vele plaatsen door W e t-stein aangehaald).
, door eene latere hand in B veranderd in êpyxamp;fisóx (zooals het ook luidt in A en andere handschriften), zal wel de oorspronkelijke lezing zijn. spyxZsa-óxi to xyxöhv wordt gewoonlijk verklaard in den zin, waarin spyx^srramp;xi bij Paulus voorkomt, als het werken van alwat zedelijk goed is. Vreemd is dan echter het volgende : 7rpo$ ttxvtxc, i^xXkttx Sè ttpoe rohc oMsiovq rij? iriaTsa?. Het heeft geen zin, dat men het goede moet doen vooral in zijn verkeer met de huis-genooten des geloofs. Bedoeld kan alleen zijn het weldoen, moge dan al het grieksch wat te wenschen over laten, rb xyxJilv is waarschijnlijk gekozen om het voorgaande Iv ttxciv xyxbóic. Verg. Hom. 13 : 10, s? xyxirv, ra irtyeiov kxkov ovz èpyx^stxr, en 3 Joh. 5, xyxtryrs, Tritrrov ttoisI; o sxv spyoury £(? rohc a}js/.(pouc, y.xi roïiro t-évoui;.
274
De olxsToi rij? TTiTrsas zijn de geloofsgenooten, de christenen (oixsïoi, die tot hetzelfde huis behooren, tegenover de
\') Mnemosyne 1881, p. 299.
274
VI : 9, 10
dM.crpict). Deze hadden het meeste recht op de liefde der gemeente.
Zijn nu die verzen 9 en 10 van Paulus, of van eene latere hand? Mij dunkt, na al het gezegde kunnen wij slechts het laatste aannemen.
1. Wat taal en stijl betreft, is er bijna niets paulinisch in. xcitpcó IS/w, èxAusffixi, y.xipcv sx^\'v, spyatizêxi to ayaóóv (in den zin van weldadigheid doen), oly.ewt rij? w/s-rew? â Paulus kent het niet.
2. Wij vinden hier weder dezelfde matheid, die wij vroeger bij de interpolaties hebben ontmoet. Wat beduidt toch fty èKKvspevoi, nadat synxy.ü^ev is voorafgegaan? Sieffert vertaalt: niet moede wordende in het doen van het goede. Maai; zóó\' mag syJusïözi niet vertaald worden. Het kan niet anders beteekenen dan los, slap worden, in den zin van bezwijken â hetzelfde dus als syxa.y.elv. Bij Paulus vinden wij die armoede van gedachten niet. En dat wij weldadigheid moeten doen, terwijl wij daartoe den tijd of de gelegenheid hebben, is dat nu zulk eene belangrijke gedachte, om ze met apu ovv in te leiden, en daarmede het paraenetisch gedeelte van den brief te besluiten?
3. Er is weder volstrekt geen verband met het voorgaande. Alleen het woord 6spi^eiv geeft het verband aan. Maarniet de gedachte, die er door wordt uitgedrukt. Terwijl Paulus dacht aan het eeuwig oordeel Gods dat over alle menschen komen zal, dacht de schrijver van vs. 9 en 10, blijkens syy.xy.sTj en èy.Kvsvüxi, aan het stand houden bij beproevingen en vervolgingen, ten einde het eeuwige leven in te gaan.
Duidelijk is het, dat de verzen 9 en 10 behooren bij
275
VI : 9â11
5 : 26â6 ; 6. Terwijl het wandelen naar den Greest (5 :25) den interpolator aanleiding gaf om eenige vermaningen tot vrede en liefde te geven, gaf liet óspiamp;iv van vs. 8 hem aanleiding, om de gemeente op te wekken tot volharding in de beproevingen; om dan in vs. 10 de behandeling van zijn geliefkoosd thema: het liefdebetoon, ten einde te brengen.
Ys. 11. quot;I§fT5, yi^lxot? ^ uf/.lv ypoi(t[ixlt;riv syex-pa
Het mag wel voor uitgemaakt gehouden worden, dat Tryj/.l-Mic ypaftpany niet anders kan vertaald worden , dan : met hoe groote letters. Paulus heeft dus met groote letters geschreven. Wat? Hieromtrent zijn twee gevoelens. Het eene is, dat de apostel op den ganschen brief het oog heeft (zóó-o. a. Angnstinus, Chrysostomus, Luther, Kalvijn, Ewald, Wieseler, Hilgenfeld, Hofmann). Het andere, dat alleen vs. 12â18 met groote letters is geschreven (zóó o. a. Grotius, Philippi, Holsten, Sief-fert, Baljon).
Het eene is zoo min aannemelijk als het andere. Laat ons beginnen met het eerste.
Er voor schijnt te pleiten : 1. dat de aor. sypxtyx wijst op hetgeen voorafgaat; 2. dat H. 1:1â6:10 niet minder belangrijk is, en daarom niet minder verdiende met groote letters te worden geschreven dan 6 :12â18.
276
Overwegende bezwaren er tegen zijn echter:
\') Eene latere hand verbeterde: wiïxott,
276
»
VI : 11
1. dat vs. 11 dan niet op zijne plaats staat, maar aan het eind van den brief moest staan.
2. dat er geen enkele reden voor Paulus kon wezen, om den gansclien brief met zulke groote letters te schrijven. Het zal wel ten allen tijde geweest zijn zooals nu, dat men datgene, waarop men vooral de aandacht wilde vestigen, met grootere letters schreef. Maar als alles even groot geschreven wordt, heeft niets den nadruk.
Het andere gevoelen, dat Paulus in vs. 11 het oog heeft op het volgende, heeft vóór zich: 1. dat werkelijk in vs. 12 en vervolgens krasse dingen door Paulus worden gezegd, van welke het wel der moeite waard was, ze met grootere letters te schrijven; 2. dat, als slechts enkele verzen aldus geschreven worden, het doel bereikt wordt, dat men er mede beoogt.
Het groote bezwaar hiertegen blijft vs. 11 zelf, en vooral de aoristus sypx\\px. Hoe stelt men zich de zaak voor? Tot nog toe heeft Paulus den brief gedikteerd. Maar nu wil hij er, naar zijne bekende gewoonte, eigenhandig iets bijvoegen, dat voor de Galatiërs van het hoogste gewicht is. Hij neemt den schrijver de pen uit de hand,
en.......schrijft nu met groote letters vs. 12â17, om dan
daarop te laten volgen / , xssxqoi, tryjjy.oig k. t. a. ? Dat zou rationeel geweest zijn. Van iederen gewonen schrijver zou men dat verwachten. Maar neen, eerst gaat hij (natuurlijk met kleine letters, van denzelfden vorm als de vorige) vertellen, dat hij van plan is met groote letters te gaan schrijven, opdat de Galatiërs daarop vooral zouden letten. Is dat geen zonderlinge manier van schrijven?
En wat hij nu van plan is te gaan schrijven, daarvan
277
277
VI : 11
zegt hij: sypx-px! Had hij nog gezegd ypxCpa! Maar eypx-px! Men brengt hiertegen in, dat Paulus zich met dat woord verplaatste in den tijd, dat de Galatiërs zijnen brief in handen kregen, toen zijn schrijven dns voor hen tot den verleden tijd behoorde. En men beroept zich dan op Filemon 19, iya TJxv/.sc £ypx\\pigt;i tgt;j êpy %stpi, syco xttotIo\'u.
Maar dit voorbeeld bewijst niets. Want vooraf is gegaan: fl öè ti â ïliy.yïh ts yj oósltei, tcïito ipt,o) i\'/.\'/.iyx. Paulus had dus reeds geschreven wat hij met sya xttot\'ktm alleen nog wat duidelijker herhaalt.
Maar ook het \'i^srs is een onoverkomelijk bezwaar. Had Paulus nog gezegd: gij zult eens zien, met hoe groote letters ik u schreef, dan kon men nog zeggen, dat hij zich verplaatste in den tijd, dat de Galatiërs den brief lazen. Maar hij zegt: \'I\'Sers (ziet). Met dit woord stelt hij dus zijne lezers in zijne verbeelding voor zich op het oogenblik dat hij schreef; zij staan als het ware naast hem, lezen zijn \'I\'Ssts, maar dan ook zijn \'éypxipx, wat voor hen dus niet anders kan wezen dan iets dat op het voorgaande betrekking heeft.
Wat dan? zullen wij vs. 11 houden voor het werk van een man, die voor Paulus wilde doorgaan? \') Maar daarmede zijn de exegetische moeilijkheden niet weggenomen. Het blijft, om met U s t e r i in zijn commentaar te spreken, _ein wunderlicher Vers,quot; ten eenenmale onverklaarbaar, tenzij wij een gansch anderen weg inslaan, een weg die hoogst eenvoudig is, en volkomen leidt tot het doel.
278
Ik vermoed dat Paulus vs. 7 en 8 met grootere letters heeft geschreven, als iets waar het vooral op aan kwam,
1) Zie Steek, S. 142.
278
VI : 11, 12
als iets dat de Galatiërs bij al de verzoekingen, waarin de Judaïsten hen brachten, nooit mochten vergeten: ft\'/i ttgt;.x-vüaöe. ©sa? ou izv/.t-sj p st at. quot;O y cc p èa,v ittt s i py avOpu-Trog, Tovro xol) óepiesr ori o (Tirsjpcov slg ryv eapjix è xut ov sk rïj s i x pno c ó s p 1(7 s i lt;p ó o p xv, ó quot;SI GTTsipcov els r o ttv sv pt,tx iy. rcv Trvsu^xTOt; 6 s p i(TS i uyv x\'iüviov. Niet alleen de hoog-ernstige inhoud, maar ook de spreukmatige vorm leende zich uitstekend voor des apostels doel.
Daarop heeft hij laten volgen; ypa.^^xziv
eypx-px: ziet eens, met welke letters ik het (nam. vs. 7 en 8) geschreven heb!
Later, toen de verzen 9 en 10 in den tekst gekomen waren, en men het terugslaan van vs. 11 op vs. 8 volstrekt niet meer begreep, ging men vs. 11 wijzigen naar den vorm, dien eene dergelijke uitdrukking in andere brieven van Pau-lus had. Zoo voegde men er bij: rij è,u.y %eipi, wat volstrekt onnoodig was, daar Paulus zonder twijfel den brief zelf heeft geschreven van het begin tot het einde. En zoo kwam ook het vpüv in den tekst, dat, bij de plaatsing van vs. 11 terstond achter vs. 8, overbodig was. Misschien is daaruit ook de zonderlinge plaats te verklaren, die vpt,h inneemt tusschen Tryj/.ty.cïg en ypxft/txamp;iv, wat D E F Gr en andere getuigen aanleiding gaf tot de gissing: 7r^gt;,ixo7g ypxp-(txrtv vyJv sypxipx.
Vs. 12. quot;O^oi óshovmy ev ttp oiru Trïjrxi iv trxpxl, ovroi xyxyxx^ovtjiv vpix? s p ir s svöx i, póvov hx Tq trrxvpcp r oïi Xpiirroü ,l^70v [/.y \'S iccy.covTxi.
:1) V/ij hebben gezien, dat het wegvallen van vs. 9 en 10 door de exegese wordt geëischt.
279
279
VI ; 12
Nauw is dit vers te verbinden met de verzen 7, 8, 11. Zooals ik vroeger reeds zeide, was de toeleg van Paulns, den Galatiërs te doen gevoelen, dat liet gansche drijven der Jndaïsten een vleeschelijk drijven was, een drijven èv lt;rapxl. Lage zelfzucht was het, die hen in al hunne handelingen, ook in hun ijveren voor de Wet bestuurde. Daarop wijst Paulus nu in vs. 12 en 13. Waren de Galatiërs daarvan eenmaal overtuigd, dan zouden zij ook den ernst van Paulus woorden, met zoo groote letters geschreven, goed verstaan.
suTrpoauKslv is bij de Grieksche schrijvers niet bekend; wèl svirpóa-aTros, schoon van aangezicht. Verg. ook trs/tvoirpoiruTrsTv, eene deftige, voorname houding aannemen, of liever nog: den deftige uithangen; Cpxivo^potruTrsïv, zijn aangezicht in het openbaar toonen, openlijk voor den dag komen (zie Pape).
svxpofTUTrslv is dus: een schoon gelaat toonen, goed, vroom voor den dag komen; wat wij zouden noemen: den vrome uithangen.
èv a-apx) wordt er spottend door Paulus bijgevoegd, omdat al hunne vroomheid bestond in het vleesch, in de dingen des vleesches, zooals vooral uit hunne besnijdenis, en hun aandringen op de besnijdenis bleek (vg. Pom. 2 : 28; Kol. 2 : 11).
Zoovelen nu (ojoi) aldus den vrome wilden uithangen, die waren het, en geene andere (ovtoi), die bij de Galatiërs aandrongen op de besnijdenis (ixvxyxd^ova-iv KspiTsp-jestixi, verg. 2:3). De Galatiërs moesten den waren aard, het rechte streven van die ij veraars goed kennen. Dan zouden zij hun zooveel vertrouwen niet schenken.
(tóvov ïvx: alleen is het hun hierom te doen dat enz. (vg. 2 :10).
280
280
VI : 12
tw ctxupa tov Xpilt;7Tov fj,y ^idxovroii 1). De vertaling: van wege het kruis van Christus, is niet houdbaar. Dit zou Paulus met geen dativus hebben uitgedrukt. Op Rom. 11 : 20 kan men zich niet beroepen; want «Tr/sr/f is daar te vertalen : doordat zij ongeloovig waren. De xTrivria is daar eene gezindheid in de ongeloovige Joden, die de oorzaak was van hunne verwerping; terwijl s rrnxvpog tov Xpivrcü iets geheel buiten de Judaïsten was. Alleen dan wanneer er stond: ttIvtsi tcïi trcivpcj of iets dergelijks, zou de vergelijking opgaan.
Wij moeten dus tw a-rxvpSi vertalen : door het kruis. Het kruis van Christus wordt als de quot;Sixxxv voorgesteld in dien zin, dat het als de vijand van de Judaïsten optrad, en hen overal vervolgde. Aiuksiv hebben wij ook hier niet in den zin van doen 1 ij d e n te verstaan, maar evenals 4 : 29 en 5:11, in den zin van optreden en handelen als vijand.
Wat wil Paulus hiermede zeggen? Voor de Judaïsten was het kruis van Christus eene ergernis, namelijk zooals Paulus het predikte, zonder de Wet, als de eenige oorzaak des heils. Wanneer nu dat kruis (zonder Wet en besnijdenis) de banier bleef van de gemeente, bleef het tegen hen getuigen, hen veroordeelen, hen verontrusten als hun vijand. Daarentegen, wanneer het hun gelukte, de kruisgemeente weer onder de Wet te brengen, had het kruis van Christus zijne ergernis
^ behoort, volgens de beste getuigen (K A B C D) achter xpirrov, niet achter ï\'vx te staan. Op Xpivrov laat B \'ijfo-oü volgen, waarschijnlijk eene verbetering naar vs. 14, Ofschoon Siaxmrai bij N B D wordt gevonden , is toch Sicixovrxi (A C) te verkiezen. Ook Paulus construeert iVa wel eens met den indic. (zie 4 : 17). En de verandering van in
Siuxavrxi is beter te verklaren dan het omgekeerde.
281
281
VI : 12, 13
voor hen verloren, en stond het niet meer als eene vijandelijke macht tegenover hen, die hen overal vervolgde, maar was het voor hen aannemelijk, was het als het ware met hen bevriend geworden. Vrienden van het kruis te zijn, en toch te roemen in de Wet â dat was hun ideaal, hun streven. En daarom rustten zij niet, voordat het kruis ook in de Galatische gemeenten zijne heerschappij met de Wet had gedeeld (zoo ook Hol sten).
Vs. 13. OiSf yap cl k s p ir sr [f/i (tsv o i xvro) vópov Qvhxtrtrovtriv, ^ A A i: 6 é xov it iv v [/, xg Trspiré ft samp;Qxt, quot;v x êv tjj üftsTspp crxpy.) xxv xyiT uvr x i.
Het perf. TrspirsT^fzévoi is met B en andere getuigen te verkiezen boven het 7rspiTsrj.-j5y.svc1 van x A C I), daar hier geen sprake is van hen die zich laten besnijden, maar van de Judaïsten, die reeds besneden waren. De verandering in TrspiTSftvóftsvci is te verklaren uit het voorgaande en volgende TTepiTSftVSïóxi.
Naar aanleiding van vs. 12 kon de vraag bij de lezers opkomen, of de Judaïsten het dan toch niet oprecht konden meenen met hun aandringen op de besnijdenis. Kon hun ijveren voor de besnijdenis niet voortkomen uit hun ijver om de Wet van Grod in alles getrouw te vervullen?
Neen â antwoordt Paulus â zij zelve nemen de Wet niet waar. lt;ï\'-jgt;J.7lt;7srj is hier op te vatten in den zin, waarin het zoo dikwijls voorkomt in het N. T., namelijk van stipt naleven. Paulus wil niet zeggen, dat ook de Judaïsten als overtreders van de Wet (evenals alle andere menschen) zondaars waren, en dus uit genade moesten gerechtvaardigd worden â daarvan is in dit verband geen sprake. Maar
\'28-2
232
VI : 13 , 14
alleen, dat het den Judaïsten met hun ijveren voor de Wet geen ernst was. In plaats van zich stipt aan de Wet te houden, stelden zij eenvoudig die wettelijke bepalingen, die hun het lastigst waren, en waarbij zij te zeer als niet-christenen openbaar zouden worden, ter zijde. Dat zij ook omtrent anderen zoo vrijgevig waren, hebben wij bij 5:3 gezien (zie ook het door mij opgemerkte bij 2 :14).
Maar waarom drongen zij dan zoo op de besnijdenis aan?
(ikxouïn vfizi; TrspiTsftysoSxi (betere lezing dan het irspiTs-[/.stöxi van B), \'ïvx êv rijj vpsTsp# crxpx) xxvxfawTxi.
irapt; wordt gebruikt om de besnijdenis aan te duiden, die iv (Txpx) geschiedt. Met opzet gebruikt Paulus dat woord, evenals in vs. 12, met het oog op hetgeen hij met groote letters in vs. 7 en 8 gezegd had.
De besnijdenis van de heidensche Gralatiërs was eene oorzaak van roem voor de Judaïsten, niet alleen in zooverre zij de belooning was voor hunnen (zie H. 4), maar
ook en vooral in zooverre het daardoor op nieuw waarheid bleek, wat zij altijd gezegd hadden, dat men tot het uitverkoren Israël\' moest behooren, of in het uitverkoren Israël moest zijn ingelijfd, om deel te hebben aan Abrahams zegen.
Vs. 14. \'E/045( èS £ ysvoiTo y.zv êv rSgt;
tTTXupSi rcïi xvpiov \'IsjyaD Xpi7T0Ãi, Soj èfio)
xóirfiog strr xópurx i, Kxyu x.ó7[/. op.
Van zelf brengt het roemen der Judaïsten Paulus tot het luide uitspreken van hetgeen z ij n roem is. Nog eens wil hij het hier, aan het eind van zijnen brief, herhalen, dat zijn eenige roem het kruis van Christus was.
283
283
VI : 14
Het paulinisclie ysvoiTO, hier met den infinit. (zooals o. a. Gren. 44:7; Joz. 22:29; 24:16) duidt den afschuw aan, dien de gedachte bij Paulus opwekte, van (zooals de Judaïsten) in iets anders te roemen, dan in Christus kruis.
â¢Mvxasdai 0 B C en anderen) te verkiezen boven y.xvz\'J-crxcróxi (A), dat waarschijnlijk aan xxvxfawvrxi van vs. 13 ontleend is.
toïi y.uptov vjfcüv \'Ijjiray Xpirrov. Deze lange formule behoort bij de plechtige en indrukwekkende verzekering.
ov (nam. tov crxupcv). Het kruis is in de voorafgaande woorden het hoofdbegrip. Daaraan beantwoordt ook svrxvpwTxi.
xirrpoc: het geheel der aardsche dingen, voor zooverre het, onder de heerschappij van de zonde en den dood, tegenover God en het eeuwige leven staat.
Die wereld is gekruisigd (èeTavpccrxi). Het perfectum; omdat het in den kruisdood van Christus reeds gegeven, in den kruisdood van Christus als het ware reeds geschied was, maar nu ook nawerkte in een toestand van vrij zijn van de wereld. De dativi èfto) en xóo-fiaj duiden hetzelfde aan, als bij Zijv, xttoóxvsIv, en dergelijke woorden, waarbij Paulus ze zoo gaarne gebruikt. Hij wil er mede te kennen geven, dat de wereld tegenover hem, en hij tegenover de wereld gekomen zijn in den toestand van een gekruisigde. Hij had ook kunnen zeggen : in den toestand van een gestorvene; maar bij zegt: in den toestand van een gekruisigde, omdat het door den kruisdood van Christus was, dat die toestand was gekomen. Door zijne geloofsgemeenschap met Christus was de wereld dood voor hem, en hij dood voor de wereld; had de wereld van hem niets meer te verwachten,
284
284
VI : 14, 15
en had hij van de wereld niets meer te vreezen. Hij en de wereld waren elkander vreemd geworden. Met gansch andere beginselen, met een gansch ander doel, met een gansch ander leven in zich en vóór zich, gingen zij een iegelijk zijnen weg.
Vs. 15. O-jts yap tt s p it o n sftiv, ovrs xxpo(3uir~
tik,, xXXx y.xivt] xt i lt;7 ie.
Allerbelangrijkst is deze plaats voor de tekstcritiek. B staat hier onder de uncialen alleen tegenover x A C D E enz., welke hebben: èv yyp Xpuru ours irspiToyJ/i x. r. A.
Toch hebben Tisch. en W H met het volste recht aan de lezing van B de voorkeur gegeven. Ook hier houdt B zijnen rang met eere op. Zeker toch is de lezing: h Xpia-ru \'Lfj-cD jonger.\' Zij is kennelijk ontleend aan H. 5 : 6 1).
Maar niet alleen is deze plaats van belang voor de waardeering der handschriften; zij is dat ook om het recht der conjecturaal-critiek te staven. Behoeft het nog met vele woorden te worden gezegd, dat o-jts yap nepiTopvi ti sgtiv o-jts xy.poSwjTix, aXXx y.xir/i y.titig een invoegsel is van dezelfde hand als 5:6? Door het wegvallen van de woorden iv Xsittü \'lyvoti ontbreekt alle verbinding met vs. 14 niet alleen, maar komt ook het gebrek aan samenhang, wat de gedachte betreft, helder aan het licht. Dat voor God besnijdenis en voorhuid niets beteekenen, maar dat het hierop aankomt, of men een nieuw schepsel is â dat is eene schoone waarheid, die twistende partijen elkander niet genoeg kunnen herinneren, maar die met vs. 14 en de vorige verzen volstrekt niets heeft te maken.
\') Ook het iTx^st van H. 5 :6 is later, ia verschillende handschriften, voor Irrïv in de plaats gekomen.
285
285
VI : 15, 16
Hierbij komt, dat de xavxv, waarvan in vs. 16 sprake is, buiten allen twijfel op vs. 14 terugslaat.
Vs. 16. Kei) 0lt;j0i rü y.avovi to ut a (rroixytroutTiv, sip^v/; sir xvTohg y. a) \'é}.soc, y.x) êir) tov \'lepayh toïi à soü.
Paulus kan zonder zegenbede niet eindigen, maar bij kan ook de diepe klove, die bem van de Judaïsten en bunne geestverwanten scbeidt, niet vergeten.
Over allen, die naar dezen (in vs. 14 genoemden) grondregel {xavciv, zie 2 Kor. 10 : 13, 15, 16) wandelen zullen (vg. Filipp. 3:16, tü oijtcc gtoixsiv) , slpyr/i sk xiitovq (sc. £\'/gt;{) y.xi eXsog. Dat bier de beteekenis beeft van bet bebr.
airj\', en b e i 1 beteekent, is bekend. Dat daarna nog de barmbartigbeid Grods genoemd wordt, is in overeenstemming met den inboud en den toon van den ganscben brief, vooral van 6 : 14. Het fut. GTOixfaovviv (lezing der beste bandscbrif-ten) is met opzet gekozen. Paulus denkt weder allereerst aan de Gralatiscbe cbristenen. Hij boopt dat zij door zijnen brief zullen teruggebracbt worden van bunne doolwegen, en voortaan zullen bandelen in overeenstemming met 6 : 14 (vg. 5 : 10),
xzi stt) tov \'Itrpxyh toïi Qsov. Hoe men de beteekenis van dit scboone, gevoelvolle woord, dat ons zoo diep in Paulus ziel doet lezen, zóó kan miskennen, dat men in bet Israël Gods de ware cbristenen vindt aangeduid, begrijp ik niet. Moge men al recbt bebben om y.xi soms explicative te nemen, bier staat bet er tocb vreemd bij, en zou het veel beter gemist kunnen worden. Memand bad de opheldering noodig, dat met oaoi ffToix\'^ouTiv alleen bet geestelijk Israël bedoeld werd. En
286
286
VI : 16. 17
dan, hoe dogmatisch, bij zulk eene uitstorting van het volle hart als wij in vs. 14, 16 en 17 vinden, om nog eens even den Galatiërs te komen herinneren, dat de Judaïsten geene ware kinderen Israels waren!
Neen, Paulus denkt ten slotte met een diep bewogen hart aan dat Israël, dat hij zoo onuitsprekelijk liefhad (zie Rom. 9 : 1â5; 10 :1; 11:1). O, mocht er nog eens vrede en barmhartigheid over dat Israël nederdalen! Vrede over Israël! Zoo klonk het in ieder Israëlitisch hart (zie Ps. 125 : 5; 128 ; 6). Zoo klonk het ook in het hart van Paulus; en hij kon niet nalaten, dat uit te spreken, opdat niemand zou denken dat zijn afkeer van de Judaïsten (die caricaturen van Israël) voortsproot uit zijn afkeer van het ware Israël. Van daar ook de bijvoeging (soïi. Hij had Israël lief, maar het Israël Gods, het Israël als volk van God, als Gods eigendom 1).
Vs. 17. TcD Ac/ttcD, y.i^ovg pci â za.ps^arx,
èyw y x p ta lt;7r iyy,arx tcïi \'lytrov êv rcc crcc f/,xr ! [j.ov fixtTT xK u.
De Sin. heeft rti y.vplcv Xpia-roü (met andere hand
schriften). quot;Waarschijnlijk heeft men het eenvoudige roïi \'fycrcv (te vinden in A B Cx, verscheidene vertt. en kerkvaders) naar vs. 14 uitgebreid.
Toïi 7.oitoü: verder, voortaan, een x. in hetN. T., maar bij de grieksche schrijvers dikwijls voorkomende (wel te onder-
287
287
1
) Met genoegen heb ik bemerkt, dat ook F. Z immer [Zeitschr. für hirchliche Wissenschaft unci kirchliches Leben, 1886, No. 8) hierin van de traditioneele exegese afwijkt. Ook Baljon volgt Merin Sieffert niet.
VI : 17
scheiden van Xoixov of to \'/.oitto-j : overigens, zie 1 Kor. 1:16; Fil. 3:1, en elders).
xottovi; rrA trxpsxsiv is: iemand moeite aandoen, iemand lastig vallen (zie Mt. 26 : 10; Mk. 14 : 6; Luk. 11:7; 18 : 5).
(Trlyfixrx (a. a. in het N. T.) zijn brandmerken, ingebrande teekenen. Ook slaven ontvingen die tot bewijs, dat zij dezen of dien heer toebehoorden. Zoo waren ook Paulus, als dienaar van Christus, de CTr/pt.xrx tóv \'I^ysü, de merkteekenen van Jezus, zijnen eigenaar, zijnen meester, in het lichaam gebrand; d. w. z. het lijden dat hij om Christus wil had geleden (tx ttx^/uxtx tóv xpittcü, 2 Kor. 1:5), en waarvan hij de sporen, de litteekenen nog in zijn lichaam had, was het bewijs, dat hij aan Christus toebehoorde, een slaaf van Christus was (vg. 2 Kor. 11:23; 4:8â12, vooral vs. 10, ttxvtots r/i\'j vey.pueiv tóv \'l-jroü êv tögt; nc^xri irspiCpspovTeg).
Daar kottou? tiv) trxpèxea niets anders kan beteekenen dan iemand lastig vallen, wil Paulus zeggen; voor het vervolg valle niemand mij meer lastig (zooals vroeger, zie het t; quot;Siuko^xi-, si TrspiTOftyv \'én y.ypinnra x. r. a., H. 5 :11) met de vraag om iets toe te geven, of op te houden met mij zoo krachtig tegen de prediking van de besnijdenis te verzetten. Ik ben niet van plan, het minste toe te geven. quot;Want ik ben een dienaar van Christus. Zoo gij daarvan nog bewijzen wilt hebben, ziet dan op de litteekenen in mijn lichaam. Deze doen zien, wat ik in den dienst van Christus geleden heb. Van iemand, die zooveel voor zijn Heer geleden heeft, is niets te verwachten, wat de eer van dien Heer te na komt (vg. 1:10, si eti xvópwTroi? fypswov, X/j/stsD ScDAo; owe xv ypyv).
288
288
VI : 18
Vs. 18. \'H x^P\'S TOv xupiou ypav quot;lyvov Xpieroü ^srx tov tv sv ftxroi; u [tw v, x\'Ss (pol. x ft, yv.
Green wonder, dat Paulns dezen brief met de toebidding van de genade van onzen Heer Jezus Christus â¢) eindigt, en er liefst niets aan toevoegt. Zie vooral 1: 6.
Gewoonlijk zegt bij ftsó\' v^üv, of psroi txvtuv ufiwv. Echter luidt het ook in den brief aan Filemon: fisrx tov ttvsv-fixroi; vfiwv (ook 2 Tim. 4: 22). In den geest des menschen slaat de genade van Christus haren zetel op.
\') De Sin. laat weg. Mjj dunkt, het volgende ahtyot, waaruit blijkt, dat Paulus in een hartelijken toon zijnen brief wil eindigen, pleit voor het behouden van
289
289
VI.
19
DE TEKST.
|
De tekst van den Vaticanus. I. 1. UxvXot; xttÃ^to^cs , oux xtt XvQpdlTUV OuSf §(\' XVÃpUTTOV, xXXot, quot;Six \'Ijjo-sD Xpieroü xx) ósoü TTXTpog rov sysipxvrog xvrov ix vsxpav, 2. kx) oi lt;tvv ê/to) irxvrsg «SfA-lt;pol, rxTs ixx^ixit; rijt; TxXxt\'ixs. 3. Xxpii vfiïv xx) slpyvy xtto ösov Trxrpog xx) xuplou yftuv ^lyvoü XpifTTo\'-j, 4. 5. toïi Tiovroc sxurov virsp twv xpxpTiSiv yipiüv, oircac êt-éty-Txi ypixi; lx rov xiüvog toü ivittcctog Trovypov xxtx ro êekytax toïi ósoü xxi Trxrpog yipSiv, $ f) quot;èó^x slg roü? xlü-vx? tüv xïuvwv. xf^yjv. |
De oorspronkelijke tekst. I. 1. Tlxüko? XTrOTTOXOC, OUX XTT XVÃpWTTUV, xT^Xx ÃIX \'Iqamp;oü Xp 177011 xx) ÃSOà ttXT po g TOà iyslpxvro? xvrov ex vsxpüv, 2. xx) 01 vbv Sfto) TTXVTSg xèsX Cpoi, Txlg èxxXytrlxig rijg r x/.xrlxg\' 3. Xxpig Ofüv xx) sipyt/ij xtto ósoü ttXTpog xx) xvpiou yi[/,£]/ Xpta-Toü, 4. 5. toü quot;BóvTog sxutov Trsp) rüv xftxpTiüv yftüv, xxtx to ósXypiX toü ósoü xx) Trxrpog tyttcüi/, $ y) quot;holgx s]g rovg x\\ügt;vxg rüv x\'idvuv. Xfi-JjV. |
292
|
6. on oiira? raxsas 6. [tSTUTióSGÃS XTTO TOV XXXSTOiV- roff vftxg êv xdpiTi XpifTOv eic; erspov euxyysKiov, 7. 3 ouk \'évnv ccXKo- a i^/j Tivkq 7. sltriv ol txpxtrcovtsi; u/^xg xx) öèxcvtsi; ftsrxgtps-pxi to svxy-ykXiov tóv Xpivrov. 8. \'AAA# x.xv y^sTc $ ay/e\'/.og 8. oupxvov vftïv suxyyeXi^rxi Trxpquot;1 o svwyshtirxiAsflx vuTv, xvxóeftx ïaja. 9. \'XI? Trposipyjxxpt.sv, ax) xpn 9. ttxXiv Xsyai\' e\'i nq vpcxi; euxy-yeXt\'^STXi Trap\' o nxps^xfiers, xvxh^x fVrca. 10. quot;Apn yxp xvópónrouc ireidu, 10. v! rov (sóv, $ xvópuTtoig xpèay.siv, £i et; xvópóiTTOig ypsitkov, Xpilt;7t0ü\'soïi^og ovk xv vtpviv. 11. Tvapi^u yxp vyJv, xheXQoi, 11. ro evxyysXiov ro svxyysXiov to svxyysXiov to suxyysKiuöh VK èpiov , OTl OVV. S(7TI XXTX XVÃpCOTTOV. 12. OuSf yxp êyu irxpx xvêpccirov 12. 7rxpéKx(Sov xvto , outs s\'Si-Sxxóyv, xXXa. S/\' XTTOKXXv-tpsag \'I^yaD XpirTOv. |
amp;xupx%w OTl ouTwg txxÃu? [zsTXTiïsvêi xtto rov y.xXs-(TXVTOg vftxg èv XxpiTi Xpir-toü sig sTspov suxyyehiov, si [f/i Tivég shiv ol Txpxtr-trovTsg vfixg y.x) OélovTsg ftsTxtrTpèipxi to shxyysXiov TÃV XpiVTOÃ. ^A\'a/.x y.x) èxv yitsïg y, xyys-?.og èt; oupxvov suxyyehivyi-txi â nxp\' o svyiyyihitrxftsQx ufjJv, XVXÃSfiX STTCO. \'fig Trposipjy.xrtsv, y.xt xpn ttxKiv XÃyw s\'i Tig v^xg evxyyeXt\'CsTzi Trxpquot; o Trxpe-/.x(o£T£, xvxóspox sa-Ten. Ti yxp; £/ xvdpuiroug Treiêci, Ity ^vtü xvêpccTroig xpsT-K£iv; £1 £Tl xvêpuiroig Yipsir-kov , XpirTTOv lióü?xg ovx xv vilAyv. Tvcopl^ai §f vfyJv, xSfXCpol, to £vxyy£gt;.iov to svxyys-A/tröèv utt\' èpoü, oti ouy. £(JTl KXTX XVÃpWTTOV. OüSf yxp êyw Trxpx avópu-itov Trxph.xjSov xvto, ovts siïtèaxQw- |
293
|
13. \'Hxouirxrs yxp ryv iuyv eivcc- ITTpotpyiV TTOTS êv TCfi \'lOvèxifTfiS), Sri v-olOquot; vTTtpjSoï.yv eèiaxov tJjv èy.yJ.v^ixv roü ósoïi y.x) êircp- óovv xvtviv 14. y.x) TTpOSKOTTTOV SV TU ^lo\'j-lixiviJLcji vTrsp toAAcu? lt;7vyyj?.t-yjirxc sv rij ysvsi ftou, Trspir-(Torépui; uTrxpxoov rüv TTXTpiy.cc]/ (xov irxpxhoaeav. 15,16. quot;Ot£ Se svèoxyitrsv ó xCpco- p\'ktxc [xs sk y.oiXixq fiyrpóg ;/,ov, y.x) y.x/.iTxe \'Six rye XXpiTOS XVTOV, XTTOÃXK\'j\'pXl tgv vlov xvtóv sv ê/toi, ïvx sjxyys/j^ufyixi xvtov sv Tdig sóvstriv, svósu? ou Tïpoax.vsbs-fty-j trxpx) y.al xïfamp;xn, 17. 0\'J§£ XTrijï.öov sic \'Ispowfoftx irpo? tcu? Trpo ènov xTrovTÃ-Kou;, x^x XTrij^ov sl^^Apx-I3!xv, y.x) irxXtv -jTrscrps^x sïg Axpxirxóv. 18. quot;Ettsitx y.stx sry rpix xvvjX-amp;ov sic \'IsfCïo/.vpix hropy^xt KyCpXV , XXI STTSptSlVX TT/JO? xvtov ^(zsoxc Ssy.xTrsvrs\' 19. srspov §f TÃV XTTOTTü/MV 01/% sJSov, sl f^yj \'Ixy.upov, rov xèsXCpov rov xvplov. |
13. quot;Uxcuïxts yxp t\'/jv sfiijv xvxrrrpotp-Jiv ttots sv tcj \'lau-Sxirfip, on v.xV vTrspfio/.yv sSiaxov r/jv sHxXyrrlxv rov Ãsoïi xx) STrópêovv xur^v 14. y.x) ttposxoTTTov sv rep \'lau-\'Sxïvft.cfi virsp irohhovi; uw/iKi-y.iurxc sv rep ysvsi pt,ov, TrspiT-(TorspMt; S^Awtvjc vKxpxav rüv Trxrpixccv Trxpxoóvsccv. 15. 16. quot;Ors §£ svSoxijasv ó xCbo-ptnxg pis sk xoi/.lxg fitjrpóg ftou, xx) xxhstrxc Six rijc Xxpiroi; xvroïi, xxoxx?.v\\pxi rov vlov xvrov sv sptoi, \'ivx svxyysXi^aizxi xvrov sv rolc sóvsertv, svósa; ov Trpovxvs-(lsf/.y,v rrxpy.) y.x) x\'i\'pixn, 17. ovSs xi/ij/.Ãov sU \'ispOGOXUfiX ttpoe rov: Trpo êpov xtto-trró^ovg, xXhx XTrijXêov £;? quot;\'apxfiixv, hx) txxlv vt7s- rrrps\'Jjx sic Axftxirxóv, 18. quot;Kvrsirx pisrx rpix sry xvyjX-êov sic \'IspotroAvpix hropijirxi KytpXV, XXI STTSpLSlVX 77POS xvrov -/ïp/Apxc SsxxTrsvrs\' 19. srspov Sè rüv xTiOfroKuv ovx sT\'Sov, s] [wi \'\'Ixxajoov, rov x\'SsXCpov rov xvpiov. |
293
294
|
20. quot;A Sè ypicpu üf/Jv, ISou svw- 20. tticv tóv 6sóü, on oó â¢â psvèorj.xt. 21. quot;ETTI-itix yi?.6ov eU TX KX\'I- 21. I^octx Tijg \'Z-jpixc y.x) riji? Ki?.iyjxg. 22. quot;Hftyv hs dyvciifasyog tcc vrpc?- 22. uttm toüg sxxxy^lxig rijg \'louhxixg Txïg iv XpifTÃ\' 23. fióvov Sè iy.MO-jTeg faxv, on 23. ó quot;èiawv jfixg ttots, vüv svxy-â¢ysxi^stxi tvjv ttitrtiv %v ttots èirópisr 24. xx) s^o^xXov sv iftc) rou 24. fadv. II. 1. quot;Ettsitx Six \'êszxrsiTxpan 1. èroóv Trxhiv xvèpyv e]g \'lipo-tróXvfix fierx Bxpvxpx, lt;ruv-TrxpxXxfiav xx) Thov. 2. \'AvfjStjv Sf Kxrx x7roxx?.v\\piv, 2. xx) xvedèftyiv xvroTg ro evxy-ysXiov o K-/ipmlt;TM sv roïg sóvs- (riv, xxr Itixv Sf Tcilg cioy.oü-triv, (JoyTrug slg xsvov rpsx® yj sdpxfiov. 3. \'A/A\' ov^s Ttrog lt;tuv ifiol, 3. quot;EAAtjv uv, yivxyy.XTê-/f irspi-T^öijvxi, |
quot;A §£ ypxQu üjtA/v, \'iSou svcctttov toïi hoü , otl oil TpsvSopixi. quot;Ettsitx ijkóov slg rx x?.!-(jlxtx rijg Svp/xg xx) rijg KtXixixg. quot;Hfiffv Ss xyvooiifisvog ra TrpoauTra) rxïg sxxhyaixig rijg \'lovèxixg rxïg sv Xpiirü\' fióvov Ss xxouovrsg y,Txv, ön o Siuxuv yjfjlxg ttots, vüv svxyyeXi^srxi rv\\v ttIgtiv yjv ttots sttóposr xx) ilélgxZov iv êfto) rcv 6sóv. II. \'quot;Ettsitx Six quot;Ssxxrswxpuv ètmv TTxhiv xvs^yjv s]g \'ispo lt;ró?,vpt,x [astx Bxpvxfix, vuv-TTxpx/.xpw xx) Tirov xxi xvsOspyv xvTolg to suxjyysXiov 3 xyjpvmrM sv roïg sdvstriv, xxr iSixv Ss roïg Soxoüa-iv, elg xsvov rpsx® $ sSpxftOv. ^Kvsfiviv Ss Six rovg irxpsia--xxTOug xpsuSxSéhCpoug, o\'in-vsg ttxpsmijxöov xxtxtxo- |
294
295
|
4. 5;« Sà TOUC TTxpsitrxxTOug ^ev^xSè^Cpovg, oquot;rivsi; Trxp-sitTijXÃov xoiTXtrxon-ijtrxi Tyv sXsvÃsptxv yftuv, !/,v £X0!J-SV *v XpivTà \'lyiroü , quot;vx yfAXC xxrx-IcuXètTOVTlV , 5. cf? C\'jSf Trphq upxv s\'lt-xpsv Tifj vTrorxyïj, ï\'vx y a.gt;.yfisix toïi svxy/sXiov (iixpishy irpos vfixi;. 6. \'Aa-a Sè rüv Soxoüuruv sïi/xi\' Ti, ÃTroïot kots faxv, oi/\'Sév poi SixCpspsr irpóruTTOv ósos avópÃTTOv ou hxpfliivsr èpio) yxp o\'i quot;hox-duvTec cü2sv irpovx-vsOsvto. 7. \'AAA« TOUVXVTIOV, ]()ÃVTSC OTl TTSTrla-Tsiifj.xt to Ebxyykï.iov Tvii ixpofivvTix?, XXÃW? ni-Tpot; Tijt; TTspirofiijg â 8. o yxp svspyyuxc YlsTpa sU xTrovToXyjv Tijg xspiTOftys êv/jp-yyvs kx) ifjLo) si? tx \'éivy â 9. xx) yvévTsg tv^v xxpiv t-jv \'SoÃs\'ïitxv fioi, \'ixy.uamp;o: xxi KyCpxi; xx) \'luxwy?, ol Soxoüv- |
TT^TXt TVjV ihsuósplxv VjftÃV, v\\v exo^ev h XpivTà \'Itjcraü, Hvx yj/txi; KXTxhovXurroviru, 4. o]q oiïèe ttpoe upxv f/\'sapcfv uTroTxyy, quot;vx y d/.ySstx toü s-jxyysXtcv iïixpteivy Trpog vftixc. 5. \'AAA\' oii^s Tiros o rut/ êpoi, quot;EX/.yiv uv, Vt\'Jxyv.xT^ tts- piTftyêïjvxi. 6. Atto Sf tüv üokovvtuv sJvxl Tl, \'oiróïoi 77GTS Jjrxv oüiïév pot dixcpspsi, Ifio) yxp ouSfv TrpocrsösvTO\' 7. xXXoc TOuvxvTiov, (èiaVrfff OTl TrsTrlïTsuftxi to sijxyys-A/cv Tijg xxpoflua-Tixg, xxOcc? nsrpog Tijg TTSpiTOfAijg - 8. ó yxp svspyvi(Txg UsTpcp s\'ig XTTOTTO/.yV Tijg TSplTOftijg, svvjpy/^s xxi spo) sig tx UvA â 9. xxi yvóvTsg Tyv xxpiv tw SoösTitxv pol, \'Ixxafiog kx) KyCpxg xx) \'luxvvyg, o\'i Ss- |
296
|
Tsg o-tDAo; elvxi, quot;Scï-iai; s\'Sccuxv êfio) xx) Bxpvapx mivmixg, ï\'vx yiftsïc slg rk sêv/i, xvto) Sf sig ryv TrspiTOfiyiV 10. f/.OVOV TWV TTTUXÃV ï\'vx [/.T/r 10. [tovivcapsv, o y.x) èirTroviïourx CCVTO TOVTO TOlijeXl. 11. quot;Orf §£ yjkósv K\'/jipxc fis 11. ^avrióxeixv, kxtx trpévcittoy xvtu xvrstrryv, cti y.xrsyvcccr-[jlsvoi; yjv. 12. Tïpo tov yxp s\'/.qeïv tivxi; 12. xtto \'lxxcc(3oii, ;u,stx tuv êóvSiv trwfaStsv ort 5« yhóev, vtts-(ttsxxsv y.x) xCpipt^ev sxvtóv, (pofiovftsvo? rovg ex. TrsptToptiji;, 13. y.xl (ruvvTrsxplóycrxv xvrü o\'i 13. XCtTTo) \'Icv^xïci , UfTTE V.xi Bxp-nxjoxg (ruvxtryixql xvtöjv rij â JTTOXpiTSI. 14. \'AAA\' ore sJciov, on ovx. opöo- 14. kosovittv Trpog tv\\v xï.yósixv toü svxyyeXiov, eÃTrov tü sfiTrpoaóev ttxvtuv si (tv \'lov-quot;sxïoi; vkxpxuv èdvixüi, kx) OUXI louhxiyüc ^ijc, a-a? TX U\'jy xyxyy.xCeic louctxl^civ; |
xovvTsg ittüXoi sJvxt, ^s^ixa eSaxxv ê/to) xx) Bxpvxpx xoivuvlx?, ïvx yifisli; si? rx sóv/j, xuro) §£ sic tvJv irspi-T0[iy\\v [jJvov rav Trraxw quot;vx [tvy- [/,0VSVU[/,SV , 3 y.x) ETTTOuèxTX XVTO TOVTO TTOlijeXI. quot;Ots §f yXÃsv Kytyxi; £(? \'AvTlÃXtlXV, y.XTX TipOTa-TÃQV XVTCfi XyTSVTyV, OTl XX- Tsyvaeftévoi; yv. Tlpo tov yxp lïiïeiv tivxc xtto \'Ixxafiov , ft£tx tcov sóvav TVV/jTÃiiV OTl 5f yjk-öov, inrsTTsKKsv xx) xtpapi-XevhxuTÃv, CpoPovftsvoi; Tov? êx TrspiTOftiji;- xx) (TVVVXSXpt(-/)(TXV XVTCfi xx) o\'l XOITTO) ^lev\'sxlci , agt;JTS xx) Bxpvxpxg IVVXTTYiX^ XVTÃV Tyj VTTOXpliTSl. \'AAA\' 0t£ SIcSov, otl ovx opöo-ttosovtiv trpog tv,v xxyösixv toü svxyyeKiov, sIttcv tü KijQiji \'éfitrpoeêev ttxvtuv si (rij \'lovdxïog {iTrxpxav ê(vi-xag, xx) ovx hvhoüxag ^g, Trüg tx sdvy xvxyxxt^sig loitcixi^stv; |
297
|
15 Cpwsi \'louHxïot, xxi OVK t\'4\' sQvav i/f/,xpTugt;.or 16. fJScVf? §f GTl OU iïlXXIOVTXI xvöpuTroi; épycov vi^ou sxv liy \'Six xitrTsug XpifToü \'lytroü, xx) yftsïg si? \'I^ycDi/ Xpivrov s7rilt;Trsu!7X[i£v, quot;vx oixxiccêx-fiSV èx TrldTsccg XpiTTOÃ, xx) ovx êi; spyuv vóftou, ort êt; spyuv vófiov ov S ixxicoêii\'TSTXi irxtjx ixpt;. 17. Ei §£ fyTOvvrsg Sixxiuóijvxi sv XpitTTà sjpèóyjfisv xx) xvto) dfixprahol, xpx Xpiero? xftxp-rlxg quot;êiixovoc; ,«gt;) yèvoiro. 18. E( yxp x xxtsKuvx, txütx TTXhlV ohoSopta, TXpxlSxTtjV S/JLXUTOV (TDVKTTXVO) ; 19. quot;E^i) yxp Six vo\'piou vóptu xttsOxvov, quot;vx ós# *tjlt;ra. 2(.). XpKrrcc (TvvsffTccvpafixr Se ovxsti syd, Zy Ss sv qjio) Xpitrróc\' o Se vZv sv rxpy.l, sv TrltTTSi ry tov Qsoü xx) XpiTTCV , TOV xyXTT-jtTtVTÃt; fis xx) TTXpxSivTO: SXUTOV VTrep SftOÃ. 21. Ovx xös TM r/iV xxpiv rov Csov\' fl yxp Six vóptou Sixxiorrvvvt, \'297 |
15. Qvaci \'\'IcvSxïoi, xx) ovx sl; sêvciv xfAxpraXor 16. sISótsc Ss on oil Sixxiovtxi xvOpuTOi; si; spyccv vópiov, xx) jj/üfZ? slg \'lyvovv XpiTTOv siria-revtrapisv, quot;vx Sixxiu-Ãxpisv sx TrlaTsooc, xx) ovx s^ spyuv vóptou, on si; sp-â¢yuv vópcou ov SixxiuSyesTxi TX(7X TXpS. 17. E/ §f amp;TOÃVTSC Sixxiuóijvxi SV XpiGTCfi svpsövjpisv xx) xvto) xptxpTu).oi, xpx XpiT-TO? XpLXpTlX? SlXXOVOg; [J.VI ysvoiTo. 18. E( yxp x xxTsXvax, txvtx TTXXlV OIXÃSoftS, TTXpXpXTqV spcxvTov tvvittxvu ; 19. Eyco yxp voijlx xttsÃxvov, ï\'vx êsü amp;(ru. 20. XpKTTà TVVSTTX-jpCOilXr Ss ovxsti sycó, Ss sv SJMl XpiTTOg\' 3 Ss VVV tfcü SV (Txpx\'l, SV TTITTSI TÃj TOV VIOV TOV Qsov, TOV xyx-TT\'/lTX\'JTOS (J.S xx) TTXpxSÃv TOS SXUTOV UTTSp SpLOV. 21. Ovx xdsTà TYjV xxpiv TOà ösoü\' si yxp Six vópcou Si- 19» |
298
|
cipx XpitTTOi; tupsxv xvrs-Qxvsv. III. 1. rfi XVOVITOl TX/.XTOU, TIC UIJ.XC èPxvxxvsv, olc XXT SepdxX- [Aolic \'lytroüc Xpivrog Trposypx-(pvi itrrxvpupévoi; â¢, 2. Toüro póvcv ós?.» fixósïv xtp\' vfiüv it; ïpyccv vifiou TO TTVSU-y.x èhxfisTS, vj fS xxcijc Trlrr- Tsuq-, 3. Outo? xvóijToi ffTTf; svxpt-x-(asvoi xvevpxTi, vïiv vxpy.) STriTs\'/.slrrös; 4. Touxütx skxösts shij; slys y.x) e]y.y,. 5. \'O ouv sirixowyuv u[üv to TTvsvfiX, y.x) hspym Suva-(j.st: êv \'JftTv, £% epywv vopov, ij £§ xzoyg Trimsuc; 6. KxÃCOZ \'Afipxxp £7rl(TT£VIT£V Top ósü, y.x) êhoyiiróy xvtcc slg li ixxiOfrvvyv 7. yivaaxsTS xpx, oti ol £K Tl(TT£CilC, OVTOl v\'iol £1(7n quot;Afipxxfi. 8. TlpoitSovirx §f ^ ypx(py, oti èy. tt itt £ cog \'êiy.xioï tx \'éóvs, y.xiotrüv/i, xpx XpisTog Sw- |
p£XV XTredxVSV. 111. 1. rü xvóyToi TxKxtxi, Tig vfixg sjSxTxxvs\'j, oïg kxt ctpöxkfioug \'lyircü? XpiTTog TTpOSypxCpy £(!TX\\jpU[l£VOC; 2. Tctjto (jlovov ÃsXco fixllsTv xamp; â¢jftSiv spyuv vóf/.ov to TTvfjllX £?.x(3£T£ , ij £% XMijc 7r!(TT£US ; 3 OuTug x\'jiyToi £lt;7Ti; hxp^x-(tsvoi 7rv£Uf4XTi, vvv (Txpyïi iV/rf Af 7(7Ãf; 4. Tovxütx £[axãT£ shij; si y£ y.x) slxij. 5. quot;O ovv êTTixopyyüv v/aïv to TTVSVfiX, kx) hspyüv quot;èvvx-ftsig êv {jij.1v , f| spyuv vó-[aov , ij £t; xuoyg TriTTecoc; 6. Kxöug \'Appxxii STT\'uttsvïsv tü ósSi, y.x) shoyMvi xjtu £ig \'SiKxiowvytv 7. yivu(rK£Ts xpx, oti o] £K xilt;TT£Ug, OVTOl uiol shiv ,Aj3pxxfjt,. 8. Tlpo)quot;Sov(rx §f y ypxCp-i, oti èy. tt\'kttsuo- IixxioT tx M\'jy, |
299
|
a êeóc, Trpoav/iyys/.iTxro rS: \'Appaap, on svsv^oyy^oy-TXl iv (ro) TTX\'JTX TX SÃV/]\' 9. foWe ol sy. ttittscoq evKoyovv-Txi av-j rqi -Trivrci \'Appxap. 10. quot;Otroi yxp epyuv vóy.ov eltriv, ütto xxTxpxv shiv yk-ypxKTXi yxp, art lirmxTxpx- TOg TTXg 0$ OVK £[jt,(Jt,SVSl TTXTl zolq è-jy£ypxfu,[yJvois êv rep fii-(Sh!y roti vó/tov roü Troiyrrxi xurx. 11. quot;Or/ Ss iv vóftu ov^s)? iïiy.xioü-rxi Trxpx ry óeü, Si^Acv ön \'o quot;è\'iKXtoc cy. iritrrsug fyirsrxi. 12. \'O §£ vó/io? oxjK Btrrtv sx ttit-rsccc, x?X \'o Troitjrrx? xurx ^ijtrsrxi èv xuroïg. 13. Xpivrhs vpxg iamp;yópxrsy èx rijg y.xrxpxg roü vófiov, yevó-[tsvog vTrep yftSiv Kxrxpx, ön yéypxvrrxr iTrixxrxpxrog Trxg o xpsfixpivcg stt) ^iiKcu, 14. \'ivx si? rx \'éér/, â /} suXoyix rov ^Afipxxi*. yévvrxi èv \'I^trcD Xpiirrcjj, \'ivx ryv STrxyysï.ixv róv TTvevftxrog hxfiaitev \'Six rijg Tritrrsccg. |
\'o ösóg, Tcpoe-jyiyys^\'iTxrc rcc \'ASpxxfj,, ön EvsuKoyyfyâ a-ovrxi sv ito) Trxvrx rx eóv/f 9. uers cl sy. irivrsag svXoyoüv-rxi rvv rei} irivrü \'Appxxft. 10. quot;Ojoi yxp £!4 epycov vifMU ehiv, -JTrh y.xrxpxv shiv yéypxTrrxi yxp, ön Imy-x-rxpxrog rxg og oux èppévsi ttxvi roïg svysypxpitsvoig èv ra /3;/3a/w roïi vófjiov roïi Troiijtrxi xvrx. 11. quot;On Is èv vóficp 0\'jSs)g §( y.xioïirxi ttxpx rü ÃsSj, Sgt;j-Xcv ön \'o oiy.xiog èx Trfareug %yilt;rsrxi. 12. \'O Sé vófiog oux svnv èy. TTirrsug, «AA\' ó TToivfixg xvrx tyirsrxi èv xuroïg. 13. Xpirrog vt^xg èamp;yópxaev èx rijg xxrxpxg róv vópov, ysvó-[/.evoe vTTsp -jfAXV xxrxpx, ön yéypxTrrxr èirmxrxpx-rog Trxg o xpspx/isvog èir) !;VhOV, 14. ïvx sig rx Uvy y svKoyix rov \'Afipxxp yhyrxi èv \'Isjtoü Xpiarü, ïvx ryv èirxy-ysKixv róv â jrvsv^x.rog ?gt;x[3:c-psv Six rijg iriirrsug: |
300
|
15. \'ASsAips/, koltx avópcoTrov Ai- 15. yw oftus xvöpcIjTrciv y.£xupclt;jf/,é- v/iv $uxêyxyv ciSf/c xQsreï yj strisixrxggstxi. 16. Ti §£ quot;A(3pxx[j. -sppsóytrxv x\'i 16. iTrxy/sllxi y.x) tu avréppxTi xvrov. Ov Xsysi- y.x) toïc arkp-pxai\'j, «s ia-) ttokxzv , xK).x ug hóg\' %x) rep crirépfixrt (TOv, og êvTiv Xpiiric. 17. TOVTC c)£?.£yu, ÃlxQ\'/jllyil yrco- 17. xeavpccftsv/jv -jTro tóü öeov è pLSTX T£Tpxy.C(TlX y.x) rpiXKOV â tx STy ysyoycos vóftoi; ova XKvpoï, sic to y.xrxpy^Txi rvp aTrxyys/.ix\'j. 18. E; yxp êxvóftovy KAqpovoftlx, 18. ojksti o; èirxyyexix:\' rü §£ \'Afipxxpt, STrxyysXixg y.s-XXP\'VTXI o êssc. 19. T/ ovv ó vófms; tüv vrxpx 19. fixveav xxpiv TrpoTsréó-yj, x%piz xv sKdy to tJivkp^x, q STryy-ys\'/.rxi, \'èixTxyiic xyyk-gt;mv , êv %sip) [/.saiTov 20. \'o Sè itevity,; ho? ovx samp;tiv, 0 Sf ósoc sic EGTIV. 21. \'O ovv vi\'y.og xxtxtuv sTrxy- 21. ysXixv, |C4gt;} ykvoiTo- el yxp £r)óö-/i vófiog \'o ^vvxfisvog Zcoc-\'A§fA^)o/, XXTX XVÃpedTTOV |
Xsyw 0[jt,ug xvópuirou xexu-puplévyv èixflyxyv ovseh xó£- TSà V, £TïlèlXTXlt;TU£TXl. Tw d£ \'Afipxxft èppéóyiTxv xl sKxyyehixi. tOVTO Sà Af/ca, \'sixêfayv 7rp0gt;l£KVpupt,£V^V VTTO TOV ÃSOà 0 piSTX T£Tpxy.ÃTlX y.x) Tpix-y.ovTx £T)f y£yovuc vópiog ovx xxupoï, sig to y.xTxp yijvxi Tvjv eirxyyeXixv. E/ yxp iy. vipov, ovxtTi èt, £7rxyy£?.ixg- tà Sf \'Afipxxp £7rxyyshlxg y.£%cipi?Txi ó amp;£Ãg. Ti ovv. \'O vifiog xxtx tüv iirxy-yeKiüv Ãeov-, fty yévono\' sl yxp stSoóy vópog b quot;Svvxftsvog |
300
301
|
TTClyTXl, OVTUg SV VOfiil XV \'/i\'j gt;j \'èlXXICTÃ\'jy. 22 \'AAA^; tywènKsicsv y ypatpvi rx â ko.-jtix, vtto «fixprixv, ï\'vx â /! STrxyysXtx ix ttIcts^c \'Ijjs-oD xpkttoïi \'SoSij roli; ttktts-jovjiv. 23. Tlpo Toïi ös shQsïv T\'/tv 7r!lt;TTiv, vtto vifiov stppoupovpsóx cruv- X?^lipi£V0l fï? TW [/.SXXOUIJX.-J TrltTTlV XTTOXXhUtpóijvXI. 24. quot;riTTS \'o vófioi; TTXt^xyxyo: â jfs.ccii èyévsTO sU Xpttrróv, ï\'vx SK Trhrsiug SiicxiccQüftsv. 2). \'quot;EXêci-jTy,: Sf rïjg Trkrsaq, oukén utto TXiSxyuyóv strpsv. 26. TIxvts? yxp vlo) Qeóv hrs \'Stx rijt; ttivtscoc èv XpiTTa \'IvjtsD. 27. quot;Otroi yxp si? Xpitrrov èfixx-tiriyre, Xpivrh svsI-jtxt^s. 2S Ovx. hi \'lov\'SxToi 6uSf quot;EA/.^v, cvx hl SoüAcc ayjf sXsóóspsg, ovx hi xpirsv xx) ógt;jï.v ttixv-rsg yxp v[Aalg sïc strrè sv XpiTTà \'lyirov. 29. Ei §« vpsis XpivTOÃ, xpx TOV \'Afipxx,!/, fJTTSpftXTOC SCTTS, y.xT sirxyyshixv xhypovófioi. |
%ao7roiij(rxi, ovtu? h vi/tc-i xv gt;jv yj quot;Bixxiotuvvi. 22. \'AXXx cvvsxXeiisv y ypx^y, TX ITXVTX UTTO XftXpTlXV, ï\'vx V; sTixyyeï.ix ix ttIvtsxc \'I^(75D Xpitrrov Ssösj rolt: TTirrrsvouviv. 23. Upo TOV Sf ihósïv T\'/jV ttgtlv, VTTO vópiov stppovpovpisöx o-jv-XKeiÃlASVOl eic TV\\V ,USgt;^0U7XV TT ITT IV XTTOXXXVpöijVXl. 24. quot;flTTs a vópcoc Trxilxyvyo: â¢/l/tuv ykyovsv sic XpiTTÃv, \'ivx sx kigtsüi: Sixxiuóüpiev. 25. Sf rijc TTITTSU: , OVXSTl VTTOTrxl\'hxyuyiv £(r//,£V. |
301
302
IV.
IV.
|
1. Ksya §£, sCpquot; ctov %póvov \'o â¢rf.yjpovófioi; V/ITTIÃI; èfTiv, oySÃy quot;èixCpepsi èovhov, Kupic; Trdv-tuv uv 2. iAAi utto sttltfottcvc ètttlv y.zi oixovóftov?, axpi riji; irpo- (sTlAiXq Tij? TOÃI TTXTpÃ?. 3. Ovtu? xx) vipelc, on yjpsv v/ITTioi, \'JTrh tx cttoixsïx rod y.cT[j.c\\j v,i^£v \'Ss\'Sov/.ccfyJ\'jci. 4. quot;OT£ §f ïjlqsv to ttï.\'/ipccfix toü xpóvov, st-xttsgteltev \'o Qsoc tov v\'lhv xvtoïi , yêvo/as-vov iy. yuvxiKÃg, ysvófisvov vtto vó[/,ov. 5. ivz tovi; ütó vópov è!;xyopxlt;ry, ïvx tviv u\'ioQsaixv XTrohxlSa-psv. 6. quot;Ots Si SGTS ulot, f^XTTSTTSl-Xsv to trysü\'zx tov ulóv xutov fi? rxc xxp\'Slxg ypav, y.cx-fyv \'A/3/35 amp; Uxrvtp. 7. quot;Cltts ovy.sti el liovkoc, xX\'/.k vUq\' s\\ Ss u;s£, xxi x/^povó-fioi; Six ósov. 8. \'AAA« tots fth, ovx s\'tèÃTsi; ósóv, èdouteveXTS TOÃe ^pVTSl pc-/; ovcri êsoïg\' |
1. Aéyu §£, £lt;p\' 0(T0V xP°vm o yJ^pcwficc yJjTrwg sttiv, oii^ev Sixtpépsi Sct/Asu, xv-pioc ttxvtoiv UV 2. izAAii vtto ettttpowovg ètrriv xx) ohovóftovs, ï-XP1 TVS TrpcêsT/xixi; tyg toü TrxTpic. 3. Ovtwv xx) yipslg, oti ïjftsv v/ittioi, vtto tx ttoix^y- toü xótrpcov vu^ev oslouKccfjJvoi. 4. WOT£ §£ faósV TO TTfr/lpUfAX TOà xpóvov, ii;X7r£TTSl?.£V ó f)£0q TOV VIOV XVTOÃI, ywó- pisvov êx yvvxtxis, y£vó[/.£-vov vtto vóftov, 5. ïvx Tovc -jtto vófiov s^xyo-pXT\'/i , quot;vx Tyv modeTlXV XTTO-Xxflu{y.£V. 7. quot;CiVTS OVXSTl £1 Soüï.o?, X?.AX uióg\' el §f vió?, xx) xfypo- vófiog Six ã0V. 8. \'AAAi TflVf jCt£i/, ovx slSÃTsg ösiv, ïSovXevaxTs Tolq Cpvvsi [MY; 0Vlt;Tl ê£07e\' |
soa
303
|
9. vvv Sf yvovTSS êsóv, [mXXov â¢yvarrösvTSc VTTO ósoü, TTÃ? êTnvrpèCpers Tra\'/.iv sir) tx xvósvij y.xt xtux» craixslx, olg ttuKiv xvuósv dovtevtrxi QèXers; 10. \'Hfièpxg Trxpxryjpslvês xa) pvi-vxg xa) y.xipohg y.x) svix-jtou:. 11. tyofiovfAxi vfixs, i^tcxc sly.ij Ksy.OTTixxx els v/zxg. 12. TlvseSs u? syü, on axyu ug upsTs, xdehipol^sofixiufiuv, otöév fis â¢/iSw/jcxrs. 13. O\'I\'Sxts Sé, on S;\' xffóèvsixv rijt; a-xpy.lg eu^yysKKTX^v vpiAv to irpÃTspov, 14. xx) tov 7reipx(Ti/,ov v^av èv Tyi Txpy.i (jlo\'j ouy. sfyuöev/iirxTs Oil\'se è^STTTVTXTS, XK).X W? xyyeKov f)sov sèét-xróé //.£, UC XpiTTOV \'lyiTOVV. 15. noD ovv b fixxxpitrpt,})? vpiaiv, ftXpTVpà yxp VfAÃV, OTl £1 eivvxTOv tov? oQóxhpovg vy,av S^OPV^XVTS? sSwXXTS {Ml. 16. quot;ns-Tf èz^p\'o? vfiüv lt;yh/ovx, xKyéevav vfuv; 17. XyXovviv â¢Ji/.xg ov xx^wg, xXï.x èy.y.\'/.slvxi â¢jfj.xc isXouaiv, ï\'vx XVTOVq Xv^OVTS. |
9. vvv §£ yvévTsg ftsov, [jixX\'/.ov 5f yvuvamp;évTsg viro Qsov, â züg èTriGTpsQsTs TTXXIV STT) TX xcrósvij xxi ktuxx ittoixsTx. olg TTxXn xvuósv SouXeïnrxi ÃSXSTS; 10. \'Hftèpxg TrxpxTyipsTtrós xx)[tij-vxg xx) xxipovg xxi svixvtovs. 11. Qgt;o(oóvpt,xi vpixg, ftyTTug slxij xsxottixxx slg vftxg. 12. Fi\'jstÃs ug syu, oti xxyii üg vfzsïg, at)s/.(pol, SèofiXi VfiCÃV. Ov tJ.£ â /jStX\'JjïXTS; 13. O\'ISxts, oti Sï xaösvsixg Tijg (j-xpxog £vw/£t.ilt;rxft,yv V[UV to irpÃTspov, 14. xx) tov TTsipxtrpiov yfiüv sv Ty (rxpxt ovx èl-ovSsvyarxTS ovSs è^STTTXJTXTS, a.).}.Ci Mg xyysXov (isoïi iSs^x^ós pis, ug Xpitrrov \'lyeovv. 15. Iloy ovv ó fixxxpicrpog vfiüv; pLxpTvpü yxp vpïv, oti si Svvxtov Tohg oQQxXpiovg vfiZv slgopvt-xvTsg s\'Süixxts ptoi. 16. quot;CItts sx^pog vfiwv yèyovx, xXyfievccv vpuv; 17. Zyhovtriv vpixg ov KxXüg, ciX\'kx, lyx/.tliXA â jy.xg öè?.ov-(7iv, quot;vx xvTOvg ^y\'/.ovrs. |
13
304
|
18. KxXov §f fyhoutrQe êv uxï.qi 18. ttccvtots , xx) Uit (jJvov sv rco irxpeïvxi fis xpo: ii[j.xq. 19. Tewx pou, ovs tx/.iv ult;ilvu, 19. ftsxp1? m (Mplt;pu6y Xpilt;rrog êv vfiïv 20. yóshov §£ irxpslvxi irpog üfix? 20. xprt y.x) xXhxt-xi Tyv (puvyv pt,0U, OTl XTTOpOV^Xl £V VfCÃV. 21. AsysTs [/.oi, oi uTrci vófiov 21. Ãt\'/.OVTSS sïvxi, TGV vóftcv Cl/U xxovsTf; 22. rèypxTTTXi yxp on ^Afipxxu 22. duo VIO\'Jà 53quot;%«/, £VX ex rij? TrxióiTK\'/js, y.x) \'ivx sx. Tij? êXsuispxi;\' 23 x?X b êx Tij? Trxtilfjy.y? xxtx 23. Txpy.x lt;} syswyTxi, o Se sy. Tij? sXsudspx? \'Six Tij? sTrxy-ysXix?\' 24. XTIVX SST IV X/.?.^yCpC!JfU.£VX-xvtxi yxp shiv Suo Sixöijxxt, ptix [ih xtto opov? \'S.eivx, si? \'Sc,j?.i!xv ysvvütrx, ^tit strTw quot;Ayxp1 25. Th §f quot;Ayxp quot;Zetvx opo? ègt) h ttf ^Apxfilx, (tuvo-toixsT §f Ty vvv \'IspomrxXypt,, lou-Xevsi yxp \'j.stx toov tskvuv XUTij?\' |
KxXü? ^YtXcviös sv xxï.ü, ttxvtots, xx) pi.vl fiÃVOV SV tcj ttxpsïvx! pis ttpo? vftx?. Tèxvx fiou, ou? ttxKiv ulivw, PLSXPquot;? ov pi,op$uóy XpivTO? sv vpcïv tfóshov §f Trxpsïvxi tt po? vfix? xpTi, xx) xXxXx^xt Tj} Qcovq [tou, OTl XTTOpOÃpiXI SV up/AV. AeySTS pLOl, 01 utto VOpLOV QshovTe? sïvxi, tov vópov oüx xxousts; YsypxTTTXi yxp oti Wfipxxf/, duo u\'iou? Slt;TXSV\' ^vx W Tij? Kxtèiw/i?, xx) svx sx Tij? shsvóspx?\' «AA\' o sx Tij? TrxiShrxy? xxtx (Txpy.x ysysvvvjTXi, \'o §f sx Tij? s\'/.suöspx? Six Tij? sTTxyysXtx?. |
304
305
|
26. y §£ ava \'lepcvlt;7ixtiifamp; èhsuSépx èvrh, jjt;? icr/i/ ftynip yfiüv 27. ysypxTTTXi yap\' iuCppxvóyn TTsJpx y cu rly.Tovïx, pij^cv @ói]lt;Tüv vj o-jy. KÃsiyovjX, STi ttc/./.x tx rèxvx ryc tpy-fiov [zxkho\'j y, rij? sxovzyg tov xv\'Spx. 28. \'Tpsïs Sf, xlsï.Cpoi, y.xTX \'laxxy. sirxyysï.ixc rsy.vx sgtL 29. \'AAA\' cctjjrsp rors a y.x-x ixpy.x ysvwtös): è\'Sluy.s tov kxtx kvsv/tx , cvtcos y.x) vvv. 30. \'AAAa: t! }.kysi $ ypxS-/,; sy.pxXs tyv -XiS\'iTy.yv y.xi tov uTov xxjTvjq\' cv yxp [£â /, x/.yps-V0fi4/llt;j£l 0 U/5? Tyc TTxiliTy.y,: [j.stx tov vlcïi Tijg sï.svöépxc. 81. Am\', diïsï.Cpci, ovx êïfth ttxi-S/trzsj? Tsy.vx, x/J.x Tijg sï.sv-Sépxz. V. 1. Ty, êï.svêcplx vj^xc XpifTTOC yjï.fvöspacsv TTyy.sTa cvv, y.x) [£â /, ttxKiv \'Cvyo: ^cv/.stxc svs- %S7ÃS. 2. quot;iSf, êyu Tlxv/.os ï.kyo: vryJv, 305 |
28. A(3, xhsXQoi, cvy. irph â zxi^liy.^c tsxvx, xï.Xx Tijc êtevóépxt;. 29. \'AAa\' UtTTTSp tóts 0 y.xtx crxpv.x ysvv^sic sSioy/.s tov y.xtx Trvsvpx, ovtwg y.x) vvv. 30. \'AA/.i: Tl ?Jy£l !} ypxQj; sy.(3x?.s t\'/fj TrxiSIry.ijv y.x) tov v\'iov xvtijz\' cv yxp pcy y.X^po-vciz-z^si b vlo? Tij? Trxt\'SiTK-/,: hstx tov vhv Tij: l/.svükpxs. V. 1. \'Zr/ixeTS cvv, xx) irx\'/.iv Zvyü licv/.eix: svéxsvOs. 2. quot;iSf, tyw Ylxvï.cc Xsyu vpüv, 20 |
306
|
OTI IXV , XpiTTOC vfixc cuSsi/ uCps^asr 3. ftxprvpsfixt tih TTXXIV TTX\'JT) xyQpccTTM TTspirsfivoftévcfi, on oQsihsrvtC Jft/, oXov rov vói-iov TTOf/jTXl. 4. KxTypyjóyirs xtto Xpivróv, oknsq h vópia \'Biy.xiovtTamp;s, t\'/j? %xpiTog iSsTrsTxrs. 5. \'HjCif/£ yxp TrvsvftxTi iy. tt\'kt-Teca: saâTSx 1) ixxicyvvyg XTvey.-\'Ssxói^eóx. 6. Ev yxp XpiTTà CUT6 TTspircy.-/! Ti hzusi, ovts xxpojoverix, xWx Tritrng §(\' xyxTrys hsp-yovpcsvyj. 7. \'ErpixsTs xxXSn;- tic upixs êvsy.o\\p£v xXyQsix. [u.y, ttsiÃstöxi ; 8. \'H TrsiTiMÃr/, 0\'jy. iy. toü xx- ?.0WT0? VpiXC. 9. Mixpx c^vpiy oXov T0 lt;pvpx//,x ^â JpLCÃ. 10. \'Eyw ttskcióx eh; , oti oiSfy xhAO Cppov/jdsTS\' ó Sf Txpxwuv Vf/,X? I3X(7TX(7£I TO xplfix, cut li èxv y,. 11. \'Eyw Si, xSeKpol, ei TrspiTopyiV hl y.y,p-j77cc, Tt en oii:y.cfj,xi; xpx xxTÃpy/jTxi to rxxydxAcv TOà (TTXVpOV. |
OTI èxv TTSpiTSlJ.\'J^\'jös, Xpir tos vftxs ovèsv wCpe^asr piXpTVpO/AXt Ss TTXhlV, xxTapyyiOyiTs xttq XpiaToü, oÃtivsi; h vóficp quot;Six-xiovtÃs , Tijg ^xpiTCz s^eirsaxTs. 7. \'Er/jf^fTf xxhwi;- tic upcxc héxa-psv; Mifisv) Trsiêsïöxu 8. \'H TTSKTplÃv/l C\'jy. êx TOà xx-Xovvtoi; vpt,xc. 10. \'Eya Tréfoiêx si? vftxe, oti fliSfy xXho Cbporjamp;tTe\' o §£ TXpXVGUV VfiXS fixaTXGSl TO xplftx, s5T/$ èxv y. 11. \'E/w Sé, xSshCpoï, Ti Siu-y.Oftxi; Ei TrspiTOfiiiv sti X\'/ipVTffCC, xpx XXTypy/jTXl to crxxvSxAoy toü trTxupoü.. |
306
307
|
12. quot;OcpfAcv y.cii xKDKO-povTxi 01 12. xvxtrrxTOvvTsi; vfixc. 13. \'Tpeli; yxp sir stevispiq. sxXvi- 13. ÃVjTf, xhsXCpoi (J.QVO-J fiij TVi\'J sXsuêsp\'ixv els xCpopi^v Ty ffxcy.l, x?./.x \'Six Tij? xyccTrv^ SoüAfUfTf x/.\'/.\'/\'mi:. 14. \'O 77^? va.üc? h sv) Xóyu TTSTT^pcorai, sv tm- xyxir-J;-lt;Tsig TGV TrXviTiov rrou dig esxv-TGV. 15. Ei Ss xa^Xcv? iïxxvsrs xx) XXTSiyólSTS, fihSTTSTS W utt\' xXï.yXav xvxhuóijrs. 16. Asyu §£, TTVS-jfAXTl TTSplKX- 16. ts7ts, y.x) iTTtÃuyJxv expxo? ov i^y, T£/.sTy,TS. 17. \'H yxp (Txp^ STrióuptsl y.xrx TOV TTVSllfAXTOC, TO ^S TTVSV^X xxtx T4/j: crxpy.ó:\' txvtx yxp XAA-/;/.0l!: XVTiy.SlTXI , Ã\'VX /04gt;j XV Ãè/.\'/jTS TXVTX TTClijTS. 18. El irvsvfiXTi xyseOs, om stjts vtto vófiov. 19. lt;tgt;xvspx Ss fsr; tx spyx Tïji; 19. uxpy.ic, xTivx sa-nv TTopvslx, xxxdxpirlx, xTs/.ysix, 20. siïajXo\'AXTpsix, (pxpfiXKslx, 20. sxópxi, spie, ty,gt;.oc, Oufiol, êpiêsTxi, \'ëixovTxaixi, xlpétrsig, 307 |
quot;Otpshov y.x) XTTOKOTpOVTXl 01 XVXtTTXTOVVTS: ÃfiXC. \'Tftsïs yxp sir èXsvêsplx, ix/.-jfyrs, xBsXCpo\'r iamp;ivov [ayi rijv ihsuöepixv el? x^op^v Tgt;j (rxpy.1. Asyco Ss, irvsvfiXTi irspi-irxTsïrs, y.x) siriSupixv lt;rxp- XOC o-j f/.y TShér/iTS. lt;igt;xyspx \'Ss stTTi tx spyx tyje TXpXOt;, XTIVX STTIV 770p- vstx, xxxóxpzix, xrè/.ysix, slcicchoXxTpsix, Cpxpftxxslx, |
308
|
21. QÃÃVOI, [téöoci, KÃfiOl ax) TOi öfioix TOUTOIC , x TrpoXéyu vpTv, y.xQu: xpoeÃTrov, en cl tx roi-xïitx Trpxa-trovTs? fixeiheixv (isdïi ou y.hypovopLfaovïiy. \'22. \'O Ss y.xpTro? róü TrvsvftxTÃ? SGTIV xyxvrvi, sïpyw, [txxpoOufiix, xpytrrÃTtii:, xyx-6ai7vv/,, TrijTie, 28. Trpxüryii;, èyxpxTsix- y.xrx twv roicvruv oüx senv vifios. 24. O; §£ TCV XpiVTOà \'lyjïCà T\'/jV (Txpy.oc iGTXvpcoïxv cri/y reis Txfypixa-iv XXI Txlc STTlHu- fiixi?. 25. Eà ^wfjLsv KvevpLXTi, Trvsuy.xri y.xi (jTOtx,öó[j.Ev. 26. Mi) ysvuitsQx. xsvo^c^oi, uXhy-Afly? 7rpcy.xXcufj.syii, xM.yJ.ovg CpöOVÃÃVTSC. |
21. ftèóxt, XUfiOI XXI TX OftOlX tcutoii;, x TvpoXkya u(uv, y.xöu? npoEmov, cti oi tx tcixütx Trpxva-cvTec (jxti-?.sixv öscü cu xXypncp/jTOuviv. 24. O; §f TÃà XpicTcli \'I^rcD Tyv crxpy.x sTTxüpccTxy Tiiy tcïc TTxQyjftxa-iv y.x) txï: sttiSu-f/,lxis. 25. Ei ^ü[/,£v TvsupixTi, â zysv-pCXTl xx) (TTCI^/S)[j.sy. |
VI. VI.
1. \'ASfACpc/, èxv xx) Trpc^ptCpöyj XvipUTTOC SV TlVl TTXpXTTrdl-ptXTl, upisiz cl TTVSUPLXTIXC) XXTXpr\'itsTS TCV TC10VTCV £V TrysuftXTi irpxiuTviTC:, uxCTray (TSXUTCV , [JS/, xx) lt;TU TTetpXTÃyS.
2. quot; A/./.-Jj/.CCy TX fixpv SX(7TX^£T£,
308
309
|
XXl i-JTüq X-JXTT/.ypXGSTS TQ\'J vóftoy tcj XpiTTOÃi. 3. E; ?ap \'SoxsT rtg sJvx! ti, fyy/l\'Sh uv, CppsvxirxTtji sxutov. 4. Ta 2s spyov sxvtov dsxipx-\'Cstm , y.xi tots sis sxvtov póvoy to y.xxiX\'/tijlx s!;si, xx) cvx sic Tm STSpOV. 5. quot;\'Exxttoz yxp to \'l\'Siov (popTiov (3x7TX(rsi. 6. koivuvsitu sès y.xtvixov^s-joi; tov AÃyov tS: x^t^sDvt/ èv ttxui-j xyxdoh;. 7. Mij tt\'/.x-jxtOs. Qsd: o-j ysjy.- 7. Typ\'^STXt. quot;O yxp xv ïTTstpyi XvSpUTTOt;, t0rjt0 xx,) Ãs piest. 8. quot;Or; s TTrslpccj slg rjv Txpy.z èxvTOÃi sx Tij? uxpxoc ós piest 8. ipSopXV, 0 §£ (TTTsipUV MS TO tt-js^y.x, sx t0rj tfjsxll-lXTOg ós piest xlclivtov. 9. Ti Ts y.xXh Trstcv-jTsc, ^vj iyxxxüfisv, xxtpü yxp IS/w óspleopsv, ftti ixAviftsyot. 10. quot;Apx ovv, wg xxtpov sxuftsv, spyx^ufisóx to xyxóiv Trpo? TrxvTxg, (JLxhteTX §£ vrpog tov? otxslov? Tij? TrieTsco?. 11. quot;iJfTf, -/jhlxotg vftTv ypx[/,f/.x- 11, etv sypx-px Tyj sfiij zstpi. |
M/j 7rXa-jx(TfJe. ©£Ã^ ob Usj/CT-jp^erzi. quot;O yeep èay Gzeipy avÃpccTrog, roüro x.m Oepfcei. quot;On ó crzeipccv dg rvjv cxpxx èx\'jroü è\'/, rsg aapyJjQ Ãepfaei QÃopdv y b S\'è crzefpav dg rö zyeü^x è/C rou zveófia-rog Ãepfaei Kcayv cuccviov. quot;iSfTf, TT^ixoig ypiy-y-xet-j eypxxpx. |
300
310
|
12. quot;Olt;7oi óéhoveiv si/TTpotruxï^irxi iv (jxpyj, o\'jtoi avxyxó^ouriv â¢jpxc 7r£piT£f4,V£(70Xl , ftOVOV IVX rü rrrxvpS: tcü XpiïTCÃi \'i^trcd óixy.ccvrxi. 18. Oy§£ yxp oi TrspirsT^fiévoi x-jtc) vóficv cpvxxlt;tlt;70vlt;riy, xkkx öé?Mlt;TlV VftXC TTSpiTSftSfOxi, ï\'vz iy Tij ufj-srépx i7xp%) xzv-X\'/jaavrxi. 14. Ve [JtM ysyoiTO xxnx^\' óxi, el fty sv TCp ïTXvpy TCà y.upkv ypiwv \'I^(7fly XpirrTSÃ, Si\' o-j sfto) xóffAcg hrxvpwTXi, xxya y.CTftcp. 15. Ovre yxp vipirofiy n strriy, cvt£ xxpofivvrix, xXgt;m y.zry-/, y-TiTi:. 16. Kx) Ã70i rep xxyéyi Tourcp ttoi-x\'fao-jciy, slpviy/i tv xvtov?, y.x) s/.scg, xx) stt) rèy \'Irpxyi*. roü 0£sü. 17. TeD tenrov, XOTTOUC pici nvi-OMi TXp£XST® 5 Ãy® yxp Tamp; trriyfixrx roü \'lyitrov iv tü ffufixrl fiov pxtrrxlco. 18. \'H x^-p1? xvplov yifiZv \'I^yeD XpitTTOïi [t£TX roü ttvpj-{Axros vpiüv, xo£/.$cl. xfvjy. |
12. quot;Otoi óèhoutriy evtrpotanrijirxi èv rrxpxi, ouroi xyxyxxZov-triv {jfixg 7r£pir£pi,y£(7Ãxi, [ti-yov Ivx rep Trxvpx roü Xptirroü fiy diuxovrxi. 13. Ojcis yxp ol TrepirerwiAsvoi xiiro) vófiov QvhxrtjovTiv, x\'/./.k ^kXouuiv vpox: 7r£pi-réfu,y£(rêxi, ï\'vx èv rijj upt,£T£pp vxpy.) xx-jxyv^vrxi. 14. \'E/y^s) §£ yJ/, ykvoiro xxuxx?-Qxi, £i figt;i év rep crrxupêp róü xvpiou \'/ifixv \'I-jtoü Xpirrov, o-j £,u,o) xólt;r,u,o? èTrxüpv-rxi, y.xycc xórfty. 16. Kx) 070i rep xxvóvi roórep lt;Troixyilt;rov7iy, iipyyv, fV\' xu-rouc, xx) sksoc. Kx) èvr) rov \'l7pxygt;. roü amp;£oü. 17. Toü lotvroü, xóirouc pt,oi [amp;â /!-Sf}; TrxpsxÃr:c, iyèc yx: rx 7riy[j,xrx roü \'ly70à èv rep aclipLxri pcov (3x7rxZu. 18. \'H xxp\'ï toü xvplov \'/ifixv \'ly70à Xpi7roü pc£rx roü 7rv£u-pixro: viaüv , «SfACpj/. ^sjv. |
310
DE VERTALING.
1. 1. Paulus, een apostel, niet van menschen gezonden, maar
door Jezus Christus, en God den Vader die lieni heeft
2. opgewekt uit de dooden; en al de broeders die bij mij
3. zijn, aan de gemeenten van Galatie: genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heer Jezus Christus,
4. die zich gegeven heeft voor onze zonden, naar den wil
5. van onzen God en Vader, wien de heerlijkheid zij tot in alle eeuwigheid! Amen.
6. Ik verbaas mij dat gij u zoo haastig van Hem, die u in de genade van Christus heeft geroepen, laat overbrengen
7. tot een ander evangelie. ^Evenwel, er zijn eenigen die u beroeren, en het evangelie van Christus willen ver-
8. keeren. Maar ook al predikten wij, of een engel uit den hemel het evangelie anders dan wij het u gepredikt
9. hebben, die zij vervloekt! Zooals wij vroeger gezegd hebben, zeg ik ook thans wederom: indien iemand u het evangelie predikt anders dan gij het ontvangen hebt,
10. die zij vervloekt! Want hoe? Als ik menschen tracht te winnen.1, zoek ik immers niet menschen te behagen?
311
312
Als ik nog menschen behaagde, zou ik Christus dienaar niet zijn!
11. Ik doe u nu weten, broeders, dat het evangelie, dat
12. door mij is gepredikt, niet is naar den mensch. Want ik heb het ook niet van een mensch ontvangen, en ook
13. niet geleerd/ Gij hebt immers van mijn vroeger leven in
____het jodendom gehoord, dat ik uitermate de gemeente Gods
14. vervolgde, en haar verwoestte. En ik stak in het jodendom uit boven velen van mijn\' leeftijd onder mijn volk, als zijnde nog grooter ijveraar voor de overleveringen
15. mijner vaderen. Maar toen het Hem, die mij van den schoot mijner moeder af heeft afgezonderd, en mij door zijne genade heeft geroepen, behaagde om over zijnen
16. Zoon dat licht in mijne ziel te doen opgaan, dat ik hem onder de Heidenen zou prediken, heb ik terstond .,
17. niet mij gewend tot vleesch en bloed, en ook niet mij begeven naar Jeruzalem, tot hen die vóór mij apostelen waren; maar ik ging naar Arabic, en keerde toen weder
18. terug naar Damascus. Daarna, drie jaren later, ging ik naar Jeruzalem om Cefas te leeren kennen, en bleef bij
19. hem vijftien dagen. En een ander van de apostelen zag ik niet, alleen nog Jakobus, den broeder des Heeren.
20. Wat ik u schrijf, zie, voor Gods aangezicht betuig ik, dat ik het niet lieg!
21. Daarna ging ik naar de streken van Syrië en Cilicie.
22. En ik was van aangezicht onbekend bij de christelijke
23. gemeenten in Judea, Zij hoorden alleen: die ons eens vervolgde, predikt nu het geloof, dat hij eens verwoestte!
24. En zij verheerlijkten God in mij.
II. 1. Daarna, na veertien jaren, ging ik weder naar Jeruza-
312
313
.
2. lem met Barnabas, en nam ook Titus mede.\' En ik deed hun mededeeling van het evangelie dat ik onder de Heidenen predik, en afzonderlijk nog wel aan de mannen van beteekenis, in de vrees, dat ik wel eens zonder vrucht kon loopen of geloopen hebben.
4. Ik ging er heen om de ingeslopen valsche broeders, die zich ingedrongen hadden om onze vrijheid, die wij in Christus hebben, te belagen, opdat zij ons tot knechten
5. zouden maken. Maar geen oogenblik zelfs zijn wij met onderwerping voor hen geweken, opdat de waarheid des
3. evangelies bij u blijven zou. Zelfs Titus die bij mij was, een Griek, werd niet gedwongen zich te laten besnijden.
6. En wat nu de mannen van beteekenis aangaat â hoe zij zich vroeger hielden, gaat mij volstrekt niet aan,
7. mij toch hebben zij niets op het hart gedrukt. Integendeel, toen zij zagen dat mij het evangelie der onbesne-denen was toevertrouwd, gelijk Petrus dat der besne-
8. denen â want die met Petrus werkte voor het apostelschap onder de besnedenen, werkte ocfk met mij voor
9. de Heidenen â en toen zij vernamen, welke genade mij gegeven was, gaven Jakobus en Cefas en Johannes, die voor zuilen werden gehouden, mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de Heidenen,
10. en zij tot de besnedenen zouden gaan; alleen dat wij aan de armen mochten denken, wat ik mij juist beijverd heb ook te doen.
11. Toen Cefas nu te Antiochie gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, want hij was een voroordee-
12. lenswaardige. Immers voordat er eenigen van Jakobus kwamen, at hij met de Heidenen mede; maar toen zij
313
314
gekomen waren, onttrok hij zich, en zonderde zich af, uit vrees voor hen die tot de besnedenen behoorden;
13. en met hem huichelden ook de overige Joden, zoodat zelfs Barnabas door hunne huichelarij werd meêgesleept.
14. Maar toen ik zag, dat zij niet recht liepen overeenkomstig de waarheid des evangelies, zeide ik tot Cefas in aller tegenwoordigheid: indien gij, een jood, naar heidensche, en niet naar joodsche zede leeft, wat dwingt gij dan de Heidenen om joden te worden!
15. quot;Wij zijn van geboorte Joden, en geen zondaars uit d^
16. Heidenen. En toch, wetende dat een mensch niet gerechtvaardigd wordt uit Wetswerken, hebben ook wij in Jezus Christus geloofd, opdat wij uit geloof zouden gerechtvaardigd worden, en niet uit Wetswerken; want âuit Wetswerken zal geen vleesch worden gerechtvaardigd.quot;
17. Indien wij nu, door onze rechtvaardiging in Christus te zoeken, ook zelve zondaars bevonden zijn, dan zal dus Christus een dienaar der zonde zijn? Dat zij verre!
18 Indien ik toch weer opbouw, wat ik heb afgebroken,
19. doe ik mij dan als een overtreder kennen? Voor de Wet ben ik immers gestorven, opdat ik leven zou voor God!
20. Met Christus ben ik gekruisigd; en ik leef niet meer zelf, maar in mij leeft Christus; en wat ik nu leef in het vleesch, dat leef ik in het geloof in den Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgegeven.
21. Ik maak de genade van God niet krachteloos. Want indien er door de Wet gerechtigheid is, dan is Christus voor niet gestorven.
III. 1. O uitzinnige Galatiërs, wie heeft u betooverd, u, voor
314
315
wier oogen Jezus Christus als gekruisigd openlijk als
2. te lezen heeft gestaan! Dit alleen wil ik van u weten: hebt gij den Geest ontvangen op het volbrengen van werken der Wet, of op de prediking des geloofs ?
3s. Zijt gij zóó uitzinnig? Begonnen met den Greest, eindigt
4. gij nu met het vleesch? Hebt gij zulke heerlijke dingen zonder vrucht geleerd? Indien het eens werkelijk zonder vrucht was!
5. Die u dan den Geest schenkt, en krachten in u werkt, doet Hij dat op het volbrengen van werken der
6. quot;Wet, of op de prediking des geloofs? Neem Abraham! â Hij geloofde God, en het is hem gerekend voor gerech-
7. tigheid.quot; Gij ziet hier dus uit, dat het de geloovigen
8. zijn, die Abrahams zonen zijn. Nu heeft het schriftwoord, vooruitziende dat God de Heidenen uit geloof zou rechtvaardigen, te voren reeds aan Abraham dit evangelie doen hooren : â in u zullen al de volken gezegend worden.quot;
9. Zoo worden dan zij die gelooven gezegend met den geloovigen Abraham.
10. Zoovelen het toch bij quot;Wetswerken zoeken, zijn onder den vloek; want er is geschreven : â vervloekt is ieder die niet blijft bij alles, wat in het boek der Wet geschreven
11. is, om dat te doen.quot; Dat nu onder de Wetsbedeeling niemand bij God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk;
12. immers âde rechtvaardige zal uit geloof leven.quot; De Wet nu heeft met het geloof niets te maken, maar wie die
13. dingen âdoetquot;, zal er doorleven. Christus heeft ons van den vloek der Wet verlost, door voor ons een vloek te worden; want er is geschreven : â vervloekt is ieder die
14. aan een hout hangtquot;; opdat de zegen van Abraham tot
315
316
de Heidenen komen zou in Jezus Christus, opdat wijde belofte van den Geest ontvangen zouden door het geloof.
15. Broeders, ik spreek naar den mensch : zelfs als er van eene menschelijke beschikking sprake is, maakt niemand r zoodra zij eenmaal kracht van wet heeft bekomen, haar
16. krachteloos of voegt er iets aan toe. quot;Welnvi, aan Abraham
17. zijn eenmaal van Gods wege de beloften gedaan. Hiermede wil ik dit zeggen : eene beschikking, aan welke vroeger door God kracht van wet is gegeven, maakt de Wet, die vier honderd en dertig jaren later gekomen is, niet krachteloos, zoodat de belofte daardoor zou worden
18. te niet gedaan. Immers, als het uit de Wet is, is het niet meer uit de belofte. Aan Abraham nu heeft God het door de belofte genadig geschonken.
19. 21. Wat dan? Is de Wet tegen de beloften Gods? Dat zij verre! Indien er toch eene wet gegeven was die bij machte was het leven te geven, waarlijk, de gerechtigheid zou in de onderhouding van de Wet te vinden
22. zijn. Maar het schriftwoord heeft alles onder de macht der zonde opgesloten, opdat de belofte op het geloof in Jezus Christus zou gegeven worden aan hen die gelooven.
23. Voordat nu het geloof kwam, waren wij onder de bewaking van de Wet gesteld, opgesloten totdat het geloof
24. zou worden geopenbaard. Zoo is dan de Wet onze tuchtmeester geweest tot op de komst van Christus, opdat
25. wij uit geloof zouden gerechtvaardigd worden. Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een tuchtmeester.
IV. 1. Ik zeg nu, zoolang de erfgenaam een kind is, is er volstrekt geen verschil tusschen hem en een dienstknecht,
310
317
2. terwijl hij toch heer is van alles; maar hij staat onder opzichters en verzorgers, totdat de door den vader be-
3. paalde tijd is gekomen. Alzoo waren ook wij, toen wij kinderen waren, dienstbaar onder de eerste beginselen
4. der wereld. Maar toen de volheid des tijds kwam, zond Grod zijnen Zoon uit, geboren uit eene vrouw, geboren
5. onder de quot;Wet, opdat hij die onder de quot;Wet waren verlossen zou, opdat wij als zonen zouden worden aange-
7. nomen. Zoo zijt gij dan niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, ook een erf-
8. genaam door God. Maar destijds ja, toen gij God niet kendet, diendet gij goden die het van nature niet zijn;
9. maar nu. God kennende, wat meer zegt door God gekend, hoe keert gij u weder tot de krachtelooze en armzalige eerste beginselen, die gij weder van voren af aan
10. wilt gaan dienen! Angstvallig onderhoudt gij dagen en
11. maanden en hoogtijden en jaren! Ik vrees voor u, dat ik vruchteloos aan u gearbeid heb.
12. Laat mijne zaak de uwe zijn, want ook uwe zaak is de mijne, broeders! ik bid er u om. Hebt gij mij geen
13. onrecht aangedaan? Gij weet, dat ik u de eerste keer in zwakheid des vleesches het evangelie gepredikt heb;
14. en onze beproeving in het vleesch heeft u niet met minachting en afschuw van mij afgewend, maar als een engel Gods, als Christus Jezus hebt gij mij ontvangen.
15. quot;Wat is er nu van die hartelijke ontvangst overgebleven? Ik geef u toch getuigenis, dat gij , als het mogelijk was, uwe oogen uitgestoken en ze mij gegeven zoudt hebben.
16. Zoo ben ik dan uw vijand geworden doordat ik u de waarheid zeide?
317
318
17. Het is niet op de rechte manier, dat zij zich beijveren om uwe gunst te winnen; maar het is hun te doen om u tot hunne gevangenen te maken, opdat
18. gij ii beijveren zoudt om hunne gunst te winnen. Laat niet toe dat men anders dan op de rechte manier, in hetgeen goed is, uwe gunst tracht te winnen, en dan
19. altijd, niet alleen wanneer ik bij u ben. Mijne kinderen, om wie ik wederom in barensnood ben, totdat Christus
20. in u eene gestalte heeft gekregen! Ik zou thans wel bij u willen zijn, en willen uitbarsten in weegeklag; want ik ben angstig over u.
21. Zegt mij, gij die onder de Wet wilt zijn, hoort gij de
22. Wet niet? Er is immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, éénen bij de dienstmaagd, en eenen bij de
23. vrijgeborene. Maar die bij de dienstmaagd was verwekt, is naar het vleesch geboren; en die bij de vrijgeborene
31. was verwekt, door de belofte. Derhalve, broeders, zijn wij niet kinderen van eene dienstmaagd, maar van de
29. vrijgeborene. Maar gelijk destijds de naar het vleesch geborene den naar den geest geborene plaagde, zóó is
30. het ook nu. Maar wat zegt het schriftwoord? âDrijft de dienstmaagd met haren zoon uit, want de zoon dei-dienstmaagd zal niet erven met den zoon der vrijgeborene !quot;
V. 1. Staat dan vast, en laat u niet weder onder het juk 2. der dienstbaarheid brengen. Zie, ik Paulus zeg u, dat, zoo gij u laat besnijden, Christus u tot niets nut zal
3,4. zijn; en wederom verzeker ik plechtig: gij zijt los van Christus, gij allen die u onder de Wet laat rechtvaar-7. digen, de genade hebt gij verbeurd! Gij liept goed! Wie
318
319
heeft u tegengehouden? Laat u toch door niemand belezen! Het belezen worden is niet uit Hem die n roept!
10. Ik vertrouw van u, dat gij er niet anders over denken zult. Maar die u beroert, zal het oordeel dragen, wie
11. hij ook zij. Maar ik, broeders, wat valt men mij lastig! Indien ik de besnijdenis nog predik, dan is de ergernis
12. des kruises te niet gedaan! Och, of zij ook verdelgd wierden, die u verwoesten!
13. Gij toch zijt tot vrijheid geroepen, broeders! Alleen, laat de vrijheid niet tot eene aanleiding worden voor het
16. vleesch. Dit wil ik zeggen: wandelt naar den Geest,
19. en gij zult niet doen wat het vleesch begeert. Waarin nu de werken des vleesches bestaan, is duidelijk. Zij
20. zijn: hoererij, onreinheid, ongebondenheid, afgoden-
21. dienst, tooverij, drinkgelagen, brasserijen en dergelijke, van welke ik u vooruit zeg, zooals ik ook vooruit heb gezegd, dat die zulke dingen doen, het koninkrijk Gods
24. niet zullen beërven. Maar die Christus Jezus toebehooren, hebben het vleesch met zijne driften en begeerlijkheden gekruisigd.
25. Indien wij naar den Geest leven, laat ons dan ook naaiden Geest wandelen.
VI. 7, Bedriegt u niet. God laat zich niet bespotten. Wat toch de mensch zaait, dat zal hij ook 8. maaien. Want wie in zijn vleesch zaait, zal van het vleesch verderf maaien; en wie in den Geest zaait, zal van den Geest het eeuwige leven maaien.
319
320
11. Ziet, met hoe groote letters ik dat geschreven heb !
12. Zoovelen zich in vleeschelijke dingen aangenaam willen voordoen, die dwingen u, u te laten besnijden, alleen om door het kruis van Christus niet te worden geplaagd.
18. Immers ook zij zelve die besneden zijn onderhouden de Wet niet; maar zij willen dat gij u laat besnijden,
14. opdat zij in uw vleesch roemen zouden. Doch mij aangaande , verre zij het van mij te roemen, dan in het kruis van onzen Heer Jezus Christus, waardoor de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld!
16. En zoovelen naar dezen regel zullen wandelen, vrede over hen, en barmhartigheid! En over het Israël Grods !
17. Voortaan valle niemand mij lastig! Want ik draag de litteekenen van Jezus in mijn lichaam.
18. De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met uwen geest, broeders ! Amen.